-ocr page 1-

I

-ocr page 2-

-

-ocr page 3-
-ocr page 4-

I

-ocr page 5-

IN ENGELANDS DONKERSTE WILDERNISSEN EN DE WEG TER ONTKOMING.

-ocr page 6-
-ocr page 7-
-ocr page 8-
-ocr page 9-

INTERNATIONALE BIBLIOTHEEK.

IN ENGELAND\'S

DONKERSTE WILDERNISSEN

De Weg ter Ontkoming

WILLIAM BOOTH.

VERTAALD

DOOR

p. jS. ^\\dama van jScheltema.

-ocr page 10-

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

0740 4183

-ocr page 11-

VOOR H E D E.

De met voorspoed bekrooude vorderingen van het Leger des Heils in /.ij11 arbeiden onder de armen en verloren geachten in vele landen, hebben mij als gedwongen de vraagstukken ouder de oogen te zien, die in dit boekwerk behandeld zijn, en daartegenover redmiddelen aan de hand te doen, die naar ik vertrouw, op de jammervolle toestanden in ons maatschappeliik leven, niet zonder gunstigen invloed zullen blijken. De pijnlijke lasten en plichten verbonden aan een veelomvattenden kampstrijd, gedurende nu reeds vele jaren gevoerd tegen de booze toestanden, welke voor een goed deel mede wortels zijn van al de ellenden, die de schande en vloek zijn van ons hedendaagsch maatschappelijk leven, een kampstrijd tegen duizend barer vormen met machtige hulptroepen gevoerd, heeft mij stap bij stap helderder de mogelijkheid eener gewenschte oplossing doen inzien. Ik geloof niet te sterk te spreken, wanneer ik dit van althans eeuige der oplossingen, voorgesteld in het volgend plan van maatschappelijke uitverkiezing en redding, verwachten durf.

Reeds nog kind zijnde werd ik telkens diep bewogen door de verlaging en als niet te verhelpen ellenden der armoelijders in mijne geboortestad. Toonbeelden van honger en kommer zag ik hen met hunne nietsbeduidende koopwaar omzwerven en op allerlei wijs, tot onder de leus ««taaisAu/p», slavenwerk verrichten, enkel om niet geheel te verhongeren. Die aanschouwing deed mijn hart tintelen van verlangen om de ongelukkigen te kunnen te hulp komen. Nooit is in mij die begeerte tot zwijgen gebracht; zij leeft in mij tot op den huldigen dag. Op dezen oogenblik meen ik het standpunt bereikt te hebben, waarop mij de verwachting bezielt, dat ik mijn vurig verlangen tot helpend, tot een werkelijk helpend optreden zal zien komen.

-ocr page 12-

VOORREDE.

Het medelijden in mijne jengd in mij verwekt, is mij een drijfveer gebleven, die zich immer krachtiger in mij heeft doen gevoelen gedurende de veertig jaren, dat ik heb mogen dienstdoen tot behoudenis van menschen. Dank aan God vervult mij, dat ik onder z.ijne genadevolle leiding iets heb mogen doen tot verzachting van al het lijden der ongelukkigen, die mij zoo na aan het hart lagen, en in meer dan één opzicht hun een helper zijn. Niet enkel een hoopvol uitzien in de toekomst en aardsche zielevreugd heb ik aan getalen dezer lijders mogen helpen schenken, maar ook zulke meer tastbare we\'daden als voedsel, kleeding, huisvesting en geregeld werk, die als van zeiven oorzaak en bron worden van talrijke andere tijdelijke voorrechten. Zoo hebben velen van deze onze arme medeschepselen op de proef leeren kennen, dat «de godzaligheid tot alle dingen nut is, hebbende de beloften van dit en het toekomende leven.»

Deze uitkomsten zijn meerendeels door geestelijke hulpmiddelen verkregen. Met stoutmoedige gerustheid heb ik altijd beweerd, dat welke ook de aard der bijzondere omstandigheden mocht zijn, indien maar «de verloren zoon» wilde opstaan en tot zijn Vader wederkeeren, hij in diens huis genoeg en te over zou vinden, om in al zijne behoeften voor deze en de toekomende wereld te voorzien. Ook mag ik zeggen, dat reeds duizenden mijne verzekering naar de letter waar hebben bevonden, daar zij met weinige of geene tijdelijke hulp zich aan de donkerste diepten van verlatenheid, ondeugd en misdaad hebben ontworsteld, en in dien weg gelukkige en eerlijke staatsburgers en echte zonen en dienstknechten Gods geworden zijn.

Hoewel dus geenszins ongezegend werkzaam, leerde ik tevens meer en meer het onvoldoende kennen van al de plannen door de christelijke philanthropie bedacht en ten deele in werking gebracht, om op eenigzins uitgebreide schaal de schreeuwende ellenden te helpen bezweren, waaronder de als uit den kring van loonenden arbeid uitgeslotenen steeds dieper gebukt gaan. De werkelijk door deze pogingen geredden zijn, altijd betrekkelijk genomen, al zeer Uittelen, — eene ontroering wekkende minderheid naast de menigten, die worstelen en al worstelende steeds dieper wegzinken in den maalstroom, die hen naar den immer gapenden afgrond medesleept. Daarom hebben beiden mijn men-schelijk en mijn christelijk gevoel, wanneer ik daarvan als twee spreken mag, in mij niet opgehouden naar meer omvattende maatregelen te vragen, machtig om waarlijk den ganschea kring der omkomenden te bereiken en te redden.

Ongetwijfeld het is iets goeds en groots, wanneer menschen

IV

-ocr page 13-

VOORREDE.

ougeholpen uit clen maalstroom tot de veilige rots des behouds weten op te klimmen en dit tegenover al de verzoekingen, die hen eens onder hielden, zoo standhoudende op den vasten rotsgrond, dat de golven der verzoeking vruchteloos hunne voeten overspoelen. Hoe schoon dit echter zij, zulk een ontkomen is, helaas, voor velen de onmogeljikheid zelve. Juist de beslistheid van karakter, de zedelijke kracht, welke noodig is, om het tot redding toegeworpen touw te grijpen en vast te houden onder al den te overwinnen weerstand, ontbreekt bij hen. Die uiterste kracht is in hen verdwenen. Hun gansche innerlijke mensch is een wrak geworden, ongeschikt om in dien weg weder zeewaardig te worden.

Ach, wat menigten overal rondom ons, waarvan mijne lezers velen persoonlijk zullen kennen, of die zij kunnen leeren kennen op korten afstand hunner woning, verkeeren in dien toestand. Hunne slechte gewoonten en hebbelijkheden, hun volslagen armoedigheid, toonen zonneklaar, dat zij zonder eenig soort van buitengewone hulp moeten hongerlijden en zondigen; en zoo weder zondigen en hongerlijden, totdat de dood zijne kille hand op hen legt en aan hun jammerstaat een einde maakt. En zoo zullen wij het ook weder in dezen winter kunnen aanschouwen te midden van den eenigen rijkdom, van dit ook in zijne philanthropie boven anderen christelijk gezind en christelijk werkzaam te noemen land.

Nu is mijn voorstel om zonder omwegen rechtstreeks de reddende hand tot deze wegzinkende scharen uit te strekken; en zelf dit plan ter hand nemend, zal ik blijven voortgaan tot het hart van het moeielijk vraagstuk door te dringen. Teleurstelling zal blijven ondervonden worden, zoolang het niet gelukt is de citadel te bereiken en deze te vermeesteren. Bij dit mijn voornemen om aan de middelen, die ik reeds iu werking gezet heb, nog een toe te voegen, veronderstelle niemand, dat ik iets minder aan de oude hecht en vasthoud, of dat ik langs een korter weg mij er tot overwinnen wensch door te slaan. Indien wij den bijzonderen ongelukkige stoffelijke hulp bieden, is dit om hem in zijn gansche zijn en doen te vernieuwen. De bouwmeester, die zijne bouwplannen maakte, zijn huis bouwde en zijn naam op het spel zette door het verzuim van zijn metselsteenen te bakken, zou terecht den naam van domoor en dwaas tot zijn deel krijgen. Volkomenheid van bouwkunstig schoon, onbeperkt uitgeven van kapitaal, aanhoudend toezien op zijn werkvolk, zouden hem niets baten, wanneer hij de niet-gebakken klei als bouwsteen had gebezigd. Hij doet voor alles in deze den brand

T

-ocr page 14-

VOORREDE.

stekeu. Ik zou mijzelven even onverstandig eu dwaas rekenen, wanneer ik iets blijvends hoopte uit te richten èn ten aanzien van de uitwendige omstandigheden èn van den zedelijken toestand dezer in hopeloosheid verkeerende klassen, zoo ik niet evenzeer een omkeer iu den ganschen mensch als in zijne uitwendige omstandigheden wist teweeg te brengen. Aan dit beiden omvattend doel, hoop ik, al wat ik beproef dienstbaar te maken. In vele gevallen weet ik wel te zullen slagen; in enkelen moet mislukken verwacht worden; maar al kan ik mijn hoofddoel niet bereiken, zoo zal ik toch deze laatsten, wat hun lichaam aangaat, gebaat hebben, al vergunnen zij mij niet hunne ziel ten behouder te worden; en mag het mij niet gelukken zulken als vaders voor het hoogste heil te winnen, dan heeft mijn hun verzorgen toch voor de kinderen een weg gebaand om onder betere voorwaarden den levensstrijd aan te vangen.

Hieruit blijkt dus, dat ik noch in deze, noch in eenige verdere ontwikkeling mijner plannen ook slechts in het allerminst denk af te wijken van de beginselen, die mij tot hiertoe in al mijn pogen hebben geleid en bestuurd. Mijne eenige hoop op de volkomen verlossing der menschheid in deze en in de toekomende wereld is de wedergeboorte of geheele hartsvernieuwing van den bijzonderen mensch door de van Christus uitgaande macht van den Heiligen Geest. Doch voor de tijdelijke behoeften zorgende, reken ik niet slechts een pad, dat nu inoeielijk en met allerlei hinderpalen bezet is, meer effen en gemakkelijk te maken, ik hoop meer te doen, en het komen tot den Christus mogelijk te maken, waar dit nu zoo goed als onmogelijk is

Dat ik, wat mijzelven aangaat, in het welslagen der door mij aanbevolen plannen een goed vertrouwen heb, behoeft nauwelijks gezegd. Ik geloof, dat de uitkomst hunne deugdelijkheid zal doen blijken. Reeds een deel, in het klein in praktijk gebracht, is naar wensch geslaagd. Zoo sprekende, wil ik daarmede niet beweren, dat het door mij als geheel ontworpene in al zijne onderdeelen volkomen zal blijken; of wel in dien zin in zyn geheel zonder gebrek en afgerond; dat het opgewassen is tegen al de bijzondere vormen van de reusachtige maatschappelijke kwalen, waartegen het met een zoo juist mogelijk voornitbereke-nen is aangelegd. Wat ik aanbeveel is, als al wat van ons menschen uitgaat, onvolmaakt en moet door lijden en strijd tot volmaaktheid komen. Deze verdienste echter heeft het, dat het eene ernstige poging is iets te doen, en dat het uitgaat van beginselen, die dadelijk toegepast en over den ganschen omvang ontwikkeld en uitgebreid kunnen worden. Tijd, ervaring, beoor-

VI

-ocr page 15-

VOORREDE.

deeling, en bovenal de leiding Gods zullen ons, naai\' ik hoop, in staat stellen, om in de hier gelegde sporen voort te gaan tut eene ware en praktische toepassing der woorden van den Hebreeuwsohen profeet: «maakt los de banden der ongerechtigheid ; neemt de zware lasten weg; laat de verdrukten vrij uitgaan; verbreekt ieder juk; deel uw brood den hongerigen mede; brengt de armen, die uitgestooten zijn, tot uw huis. Wanneer gij naakten ziet, kleedt hen, en verbergt uzelven niet voor uw eigen vleesch. Opent uwe ziel voor de hongerigen, dan zullen de uwen de oude woeste plaatsen weder opbouwen en gij zult grondsteenen voor vele geslachten optrekken.»

Aan haar, die gedurende bijna veertig jaren met onverbreek-haren liefdeband aan mij is verbonden geweest in al wat ik tot hiertoe ondernam, heb ik een groot deel der bezieling te danken, welke in het in dit boek voorgestelde hare uitdrukking vindt. Zelt\' acht ik het niet mogelijk den omvang ten volle te schatten der mate, waarin hare geheel eenige welwillendheid en de deelnemende aard van haar karakter mij bezield en gedreven hebben bij den levenslangen dienst anderen ten goede, waaraan wij beiden onszelven en onze kindereu hebben gewijd. Steeds zal het mij tot een levenden troost en kostbaar aandenken blijven, dat te midden van bet aanhoudend lijden, verbonden aan de vreeselijke ziekte, welke de levenskrachten mijner vrouw sloopte, zij er eene verpoozing en verlichting harer smarten in vond, om met mij mede na te denken en opmerkingen te maken ten goede der plannen, die in dit boek zijn ontwikkeld, en haar zoo dierbaar waren, als een streven om het volk met zedelijke, maatschappelijke en geestelijke zegeningen de helpende hand te reiken. Ook dank ik er God voor, dat zij niet van mijne zijde is weggenomen voor dit geschrift betrekkelijk voltooid was en tol de laatste hoofdstukken ter perse gezonden waren.

Mij rest ten slotte de gewichtige diensten te vermelden en erkennen, mij bij het schrijven vau dit boek betoond, door de officieren, die zich onder mijne leiding en bevel hebben willen stellen. Er zou geen uitzicht kunnen bestaan om eenig deel mijner nauw verbonden plannen goed ten uitvoer te brengen, indien niet reeds zoovele duizenden bereid waren, om naar mijne lastgeving en ouder miju bestuur hunne beste krachten, en dit zonder hoop op tijdelijk loon, aan de uitredding van anderen te wijden. Zonder grootspraak ot niet ten volle verdienden lof mag ik ten hunnen aanzien zeggen, dat wie de zaken slechts van buiten én van verre bezien, geen begrip hebben, hoe deze officieren met hunne soldaten zich onderscheiden door een gezond

VII

-ocr page 16-

VOOllllEDE.

oordeel, vindingrijkheid en bereidheid in het ondernemen en tot stand brengen van alles, waartoe hun groot hervormingswerk hen roept. Geldt dit de praktische zijde des werks, nog veel minder kan door anderen buiten onzen kring de hoogte en diepte van hunne zelfopofferende toewijding aan God en de armen worden doorzien.

Bovendien heb ik nog de zeer gewaardeerde letterkundige hulp van een vriend der armen te erkennen, die, ofschoon op geenerlei wijze met ons leger verbonden, ten innigste instemt met het doel, dat wij pogen te bereiken, en die ook in groote mate kan instemmen met de beginselen, die aan onze inrichting ten grondslag liggen. Zonder zulk een hulpbieden zou ik, reeds overbelast met al de zorgen en drukten van een zoo omvangrijken arbeid, het uiterst moeielijk, indien zelfs niet onmogelijk bevonden hebben, om de plannen, voor welke ik alleen verantwoordelijk beu, zoo spoedig en in zulk een degelijken vorm ter meer algemeene kennis te brengen. Ik twijfel niet, of wanneer eenig deel van het groote plan, naar wensch mag slagen, hij daardoor de goede diensten, die hij zoo bereidwillig deed, meer dan beloond zal achten.

WILLIAM BOOTH.

vni

Internationaal hoofdkwartier van liet leger des lieils

Londen.

-ocr page 17-

EERSTE DEEL.

DUISTERNIS.

-ocr page 18-
-ocr page 19-

HOOFDSTUK I.

Waarom „Eiigeland\'s donkerste wildernissenquot;?

De aandacht der beschaafde wereld werd dezen zomer gevestigd op het verhaal van den heer Stanley van zijne reis door «Afrika\'s donkerste wildernissen» en zijne reizen door het hartje van het onbekende Vasteland. Niets treft in dit levendig verhaal van heldhaftige pogingen de verbeelding zoo zeer, als de beschrijving van het reusachtige wond, dat eenen haast ondoordringbarenscheidsmuur vormt en den voortgang der reis bijna onmogelijk maakte. Om de woorden vau den onverschrokken onderzoeker zeiven te gebruiken: «Gedurende honderd en zestig dagen liep, scheurde, ploegde en hakte ik mij een weg door de ingewanden van dit echt tropische woud.» De menschelijke geest kan zich moeilijk den ontzaggelijken omvang van die boschachtige wildernis voorstellen, die een uitgestrektheid beslaat half zoo groot als het geheele Pransche grondgebied; waar geen zonnestraal kan doordringen, waar in de donkere vochtige atmosfeer, bezwangerd met dampen, die uit den warmen moerassigen bodem opstijgen, menschelijke wezens tot dwergen verkleind en tot kannibalen verdierlijkt, loeren, leven en sterven.

De heer Stanley tracht te vergeefs ons ten volle de akeligheid voor te stellen van die verschrikkelijke duisternis. Hij zegt:

«Stel u eon dicht Schotsch kreupelbosch voor, dat druipt van den re^en • verbeeld u, dat dit hakhout voortgroeit onder de ondoordringbare schaduw van eeuwenoude boomen, die van 100 tot 180 voet hoog zijn; doornstruiken en stekels in overvloed; beken die langzaam voortkronkelen door de bosschen en soms in een groote rivier uitloopen. Verbeeld u, dat dit bosch in alle mogelijke trappen van verval en van groei verkeert; dat do regen u eiken dag van het jaar besproeit; daarbij een onreine lucht met hare vroeselijke gevolgen, koorts en dysentrie; somberheid gedurende den dag en eene bijna tastbare duisternis \'s nachts; en indien gij u zulk een woud kunt voorstellen, den geheelen afstand van Plymouth tot Peterhead bedekkende, zult gij een goed

-ocr page 20-

4

idee hebben, van eenige dei\' moeilijkheden, die wij in het Congo-woud moesten doorworstelen.»

De inboorlingen van deze streek zijn er v.isfc cn zeker van overtnigd, dat dit woud eindeloos —- onbegrensd is. Te vergeefs trachtten do heer Stanley en zijne metgezellen hun aan het verstand te brengen, dat buiten het akelige woud zonnelicht, velden en beemden waren te vinden.

Zij antwoordden op eene wijze, die scheen te beteekenen dat wij zonderlinge wezens moesten zijn, om te veronderstellen, dat er nog cone wereld kon bestaan, buiten hun woud. «Neen», antwoordden zij, terwijl zij medelijdend bet lioofd schudden en deernis hadden met onze domme vragen, «alles zooals dit», en zij zwaaiden met de handen, om te toonen dat do geheele wereld juist zoo was; — boomen, boomen en boomen, — groole boomen, die zoo hoog opgroeien als een pijl gaat, die naar den hemel geschoten wordt, die hunne kruinen verheffen, hunne takken dooreenvlechten en zich tegen elkaar aandringen, totdat noch de zonnestraal noch do minste lichtstreep er door heen kan dringen.

«Wij gingen het bosch in met veel vertrouwen,» zegt de heer Stanley. «Veertig pioniers voorop, gewapend met bijlen en hakmessen, om zich een weg te banen door alle hinderpalen heen, biddende dat God en ons goed gesternte ons leiden mochten.»

Maar de overtuiging, die de woudbewoners uitspraken, namelijk dat het bosch zonder einde was, verdreef alle hoop uit de harten der inboorlingen van Stanley\'s gezelschap. Zij gaven zich aaneen gevoel van wanhoop over en wat er ook gedaan werd om hen op te wekken, niets was in staat om hunne ontkiemende weerbarstigheid en ziekelijke somberheid te verdrijven.

«Hot weinigje godsdienst dat zij hadden, berustte slechts op overlevering en legende, en in hunne gedachten\' was een llauwo schemering van een land, dat donkerder en donkerder word, naarmate men naar bet einde dor wereld reisde, en dichter kwam bij de plaats, waar eeno groote slang achteloos neerlag en zich om de geheele aarde kronkelde. O, hierop moeten de ouden gezinspeeld hebben, bier waar het licht zoo spookachtig is, en de wouden eindeloos en zoo stil en plechtig en grauw zijn; op die neerdrukkende eenzaamheid, te midden van zooveel leven, die zoo doodend werkt op het arme wanhopige hart; en hunne verbeelding maakte de akeligheid nog gi ooter; de koude van den vroegen morgen, de onaangename nevelachtige dageraad, de grauwe mist, de onophoudelijk als tranen neervallende dauwdruppels, de stortregens, de verschrikkelijke donderslagen en hunne echo\'s, en de wonderlijke lichtel\'t\'ecten in deze scbeme-rinlt;T, En wanneer de nacht komt met zijne dikke, tastbare duisternis, en zij opeen gepakt in hunne kleine vochtige huiten liggen, en daarboven het onweer hooren en het gieren van den geweldigen wind, het kraken en het gekreun dei door den storm geteisterde boomen, en de dolle slagen van de vallende woudreuzen en den schok, die den boden doet trillen, waardoor hun het bloed m de aderen stolt, en het gebulder en geruisch als van eene onstuimige zee, — o, dan wordt de verschrikking nog grooter! Wanneer de marsch dan weer begint en de karavaan zich in eene lange rij langzaam door het woud voortbeweegt, dan beginnen zij weer met hun klagend gemor en vragen zich zeiven af: Hoelang moet dit nog duren? Moet \'s levens vreugde aldus eindigen? Moeten wij dag

-ocr page 21-

DE IIEAVONEHS.

in dag uit voortsukkelen in deze akelige duisternis en vreugdelooze somberheid, totdat wij struikelen en vallen ea aan verrotting prijs gegeven worden onderdo padden ? Dan verdwijnen zij in de wouden, nu eens twee, dan drie en dan weer met hun zessen en als de karavaan voorbij is^ keeren zij weer langs het oude spoor terug; sommigen om het tot Yambuya te volgen en de jonge officieren door hunne jammerverhalen te ontmoedigen; sommigen om door een speerworp neergeveld te worden; anderen om rond te dolen en te verdwalen in de donkere doolhoven van het woud, aldus hopeloos verloren gaande en weer anderen om opgediend te worden op een kannibalen-feest. En zij, die bij de karavaan blijven, daarloe gedrongen door vrees voor nog grootere gevaren, loopen werktuigelijk mede, ten prooi aan angst en vreeze. o

Dat is het woud. En de bewoners? Hun getal is betrekkelijk gering; slechts eeuige honderdduizenden, die kleine stammen vormen, van tien tot dertig mijlen van elkaar verwijderd, en verspreid over eene uitgestrektheid, viermaal zoo groot als Groot-Brittaunie, waar tienduizend millioen boomeu de zonnestralen van weren. Ei* zijn twee soorten dier dwergen; de eene is een verdierlijkt type, met oogen als van eeu fret, stompe neuzen eu den baviaan meer nabij komende, dan men zou denken dat mogelijk is. Zij hebben echter een zeer menschelijken aard. De andere soort is zeer schoon, met openhartige, vrijmoedige eu eenvoudige gelaatstrekken, en zeer voor zich innemend. Zij zijn vlug en verstandig, zeer vatbaar voor vriendschap en dankbaarheid en verwonderlijk vernuftig en geduldig. Een jongen van dien stam zag ik eens mot onverpoosden ijver werken. Hij scheen zijn tijd te kostbaar te achten, om dieu met praten te verspillen, en wijdde zijn geheele aandacht aan zijn werk. De heer Stanley zegt verder:

«Toen ik hem eens daarin stoorde en hem naar zijn naam vroeg, scheen zijn gelaat te zeggen: «Stoor mij alsjeblieft niet, ik moet mijn werk afmaken.»

«Maar beiden, de baviaan-achtige zoo wel als zijn schoonere rasgenoot, zijn meuscheneters. Zij zijn beiden verzot op vleesch. Wij waren verplicht onze dooden in de rivier te begraven, opdat de lijken niet zouden opgegraven en gegeten worden; zelfs lijken van hen, die aan de kinderpokken gestorven waren, werden door hen niet versmaad.»

De dwergen eu alle andere bewoners van het woud worden geplaagd door het verwoesting aanbrengende bezoek der ivoorzoekers der beschaving. liet volk, dat de «Duizend en een nacht» geschreven, Bagdad en Granada gebouwd, en de Algebra uitgevonden heeft, zendt mannen met den dorst naar goud in \'t hart en Enfield geweren in de hand, om te plunderen en te moorden. Zij weten zelfs van de deugden der boschbewoners gebruik te maken, om hun alles wat zij in de wereld bezitten te ontrooven. Dit heeft gedurende lange jaren plaats gehad en deze toestand duurt nog

5

-ocr page 22-

WAAROM ;,ENGELAND\'S DONKERSTE WILDERNISSENquot;?

steeds voort. Men is er toe gekomen, om het te beschouwen als geheel in overeenstemming met de wet der natuur. Van den godsdienst dier vervolgde dwergen zegt de heer Stanley ons niets, misschien omdat er niets van te zeggen valt.

Maar een vroegere reiziger, dr. Kraff, zegt dat een dier stammen, met name de Doko\'s eenig begrip heeft van een Opperwezen, tot wien zij in tijden van nood of vrees gebeden opzenden, en hem den naam geven van Yer. In deze gebeden zeggen zij: tO, Yer, indien Gij waarlijk bestaat, waarom laat Gij ons dan slaven zijn? Wij vragen niet om voedsel of kleederen, want wij leven van slangen, mieren en muizen. Gij hebt ons gemaakt, waarom laat Gij ons vertrappen?»

Het is eene vreeselijke voorstelling, die de beschaafde wereld ten zeerste getroffen heeft. Maar terwijl ik nadacht over het vreeselijke leven in het groote Afrikaansche woud, kwam het mij voor als een maar al te getrouw beeld van vele deelen van ons eigen land.

Is er niet een donker Engeland even goed als een donker Afrika? Heeft de beschaving, die hare barbaren voortbrengt, ook niet hare slachtofl\'ers van verdrukking?

Vinden wij niet hetzelfde in onze onmiddelijke omgeving, en ontdekken wij niet binnen een steenworps-afstand van onze kerken en paleizen gruwelijkheden even groot als die, welke Stanley in het groote Equatoriale woud vond ?

Hoe meer de geest zich bij het onderwerp bepaalt, hoe meelde overeenkomst in liet oog springt. De ivoorjagers, die een afschuwelijken handel drijven in mcnschelijke woudbewoners, zijn zij erger dan de kroeghouders, die de middelen, die hen in staat stellen tot een weelderige levenswijze, putten uit de zwakheid van onze armen? De twee soorten van wilden, de mcnschelijke baviaan en de aardige dwerg, die niet wil spreken, om geen tijd voor den arbeid verloren te laten gaan, kunnen wij beschouwen als de twee klassen, die wij gedurig onder de oogen hebben — de verdorven, luie doeniet en de zwoegende slaaf. Ook zij hebben niet de minste hoop, dat liet leven ooit anders kan zijn dan het nu is. Evenals het in Afrika alles boomen, boomen en nog eens hoornen is, zoo is het hier alles ondeugd, armoede en misdaad. Velen brengen hun geheele leven in ellende door en tusschen dat leven en het graf bevindt zich het Werkhuis als vagevuur. En evenals de inboorlingen van «Zanzibar» iu het boek van Stanley alle hoop opgaven en hoogstens konden bewogen worden, om morrend en norsch en aan doffe wanhoop ten prooi, voort te sloven, zoo worden de meeste onzer maatschappelijke hervormers weldra ontmoedigd door den

6

-ocr page 23-

engeland\'s en afrika\'s donkerste wildernissen.

geest van onverschilligheid en verzet van hen om wier wille zij zich inspannen, met hoeveel moed zij ook begonnen zijn om zich door de eerste hindernissen heen te slaan. Wie kan tegen de tienduizend millioen boomen strijden? Wie kan hopen den bewoner van het Donkere Engeland te kunuen onttrekken aan de ontelbare slechte invloeden die hem doemen tot eindelooze en onveranderlijke ellende? Is het wonder, dat velen zelfs der warmste harten en meest volhardende arbeiders neiging gevoelen tot ontboezeming der klacht van den grooten Engelschen geschiedschrijver, die, sprekende van de treurige tijden, die onze voorvaders onder de regeering van Stefamis beleefden, zegt: «Het scheen hun toe alsof God en Zijne Heiligen dood waren.»

Eene vergelijking is evenals eene raadgeving; zij wordt vervelend, wanneer zij te lang wordt voortgezet. Voor wij er echter van afstappen, verzoek ik u te bedenken hoe treffend de overeenkomst is, en hoe vreemd het schijnt, dat zooveel belangstelling wordt opgewekt door een verhaal van menschelijke ellende en men-schelijken heldenmoed in een land, dat zoover hier vandaan ligt, terwijl grooter ellende en niet minder edelen heldenmoed in onze onmiddelijke nabijheid bijna niet worden opgemerkt.

Het Equatoriale woud, dat Stanley doorreisd heeft, heeft een merkwaardige overeenkomst met de wildernissen der Engelsche beschaving, waarover ik zal gaan spreken. Het gelijkt er op ten opzichte van zijn groote uitgestrektheid — beiden strekken zich volgens Stanley\'s uitdrukking uit «zoo ver als van Plymouth tot Peterhead» -- van zijn eentonige duisternis, zijn koorts en somberheid, zijn dwergachtige, verwilderde bewoners, de slavernij waaronder zij gebukt gaan, en van hunne ontberingen en ellenden. Wat het moedigste hart den moed doet ontzinken en velen onzer braafste en edelste menschenvrienden tot vertwijfeling brengt, is de oogenschijnlijke onmogelijkheid om iets meer te doen, dan slechts de buitenzijde van het verwarde hakhout weg te snijden. Wie durft hopen er in te zullen slagen het daglicht door die duisternis heen te doen dringen en een weg te maken, die niet terstond weer in het moeras wegzinkt of door den weelderigeu parasitischpn plantengroei overdekt wordt? De kans op welslagen schijnt zoo uiterst gering, dat zij de grenzen der menschelijke hoop overschrijdt. Het is de groote poel van vertwijfeling van onzen tijd.

En wat deze poel wil zeggen, kan niemand zich verbeelden, tenzij hij tot aan den hals toe daarin gewaad heeft, zooals sommigen onzer gedurende lange jaren gedaan hebben. Spreek van Dante\'s Hel, en van al de verschrikkingen eu wreedheden van de gruwelkamers van \'t verledene! De man, die met open oog en

7

-ocr page 24-

WAABOJI //ENGELANU\'S DONKERSTE WILDEBMSSENquot; P

bloedend hart langs de pestliolen onzer beschaving gaat, behoeft zulke fantastische beelden des dichters niet, om met afgrijzen vervuld te worden. Dikwijls, zeer dikwijls, toen ik de onervarenen en armen en zwakken voor mijne oogen in het moeras ten onderzag gaan, vertrapt onder de voeten van menschelijke roofdieren, die deze streken onveilig maken, scheen het mij alsof God niet langer macht in deze wereld had, maar dat in Zijne plaats een vijand heerschte, onbarmhartig als de Hel en onverbiddelijk als het graf.

Het is ongetwijfeld treurig om in het boek vau Stanley te lezen van slavenhandelaars, die in koelen bloede overgaan tot het overvallen van een dorp, het wegvoeren van alle inwoners, het vermoorden van hen, die tegenstand bieden en het schenden van de vrouwen; maar indien de steenen der Londensche straten slechts spreken konden, zouden zij ons dan geen verhalen doen van even vreeselijke treurspelen, even volkomene verwoesting en even afgrijselijken roof als plaats heeft in Centraal-Afrika? Alleen wordt hier de spookachtige verwoesting bedekt door de sluwheden en huichelarijen, die zich verbergen tusschen de plooien der hedendaagsche beschaving.

Het lot van een negermeisje in het Equatoriale woud moge misschien niet zeer gelukkig zijn, maar is het wel zoo heel veel slechter, dan dat van menig lief, ouderloos meisje in onze christelijke hoofdstad? Wij spreken van de bai-baarschbeden uit vorige eeuwen, en wij stellen ons aan, alsof wij sidderen, bij het lezen van de schandelijke geweldenarijen op grond van leenheerlijke rechten gepleegd. Maar diezelfde gruwelen worden in onze onmid-delijke nabijheid afgespeeld. Sla slechts een blik in onze schouwburgen, in onze wijn- en jenever-paleizen en in zoovele andere plaatsen waar schandelijkheden, die wij niet nader behoeven aan te duiden, zich ongestoord kunnen ontwikkelen.

Een arm meisje wordt, indien zij er goed uitziet, door hare werkgevers dikwijls als een stuk wild opgejaagd en haar meestal slechts de keuze gelaten tusschen den hongerdood en een leven van zonde. En wanneer dan het arme meisje er toe overgegaan is, oin het recht tot het verdienen van haar dagelijksch brood te koopen met hare eer, dan wordt zij als slavin en verworpeling behandeld door dezelfde mannen, die haar ten val brachten. Haar woord wordt niet meer geloofd, haar leven ia een schande en zij wordt steeds dieper en dieper getrokken in den bodemloozen afgrond der prostitutie. Maar daar zelfs in de diepste diepte, uitgeworpen door de menschheid, die haar als het ware zelfs zou willen uitsluiten van de gunst van God, daar zelfs is zij veel dichter bij het medelijdend hart van den eenigen, waren, trouwen Heiland,

s

-ocr page 25-

BE IIEDEKDAAGSCIIE POEL DEK VEliTWIJFELINO.

dan al de mannen, die haar teu gronde richtten, ja zelfs, dan al de Farizeers en Schriftgeleerden, die stilzwijgend en werkeloos deze duivelsche misdaden onder hunne oogen kunnen zien plaats grijpen.

Het bloed kookt van machtelooze woede bij het waarnomen dezer gruwelen, die onbarmhartig bedreven en stilzwijgend door de ongelukkige slachtüifers ondergaan worden.

Het zijn ook niet alleen de vrouwen die slachtoffers zijn, hoewel haar lot het meest\'tragische is. Do groote fabrikanten, die het uitmergelings-systeem tot eene kunst verheffen, die stelselmatig, trapsgewijs den armen werkman zijn loon beknibbelen, die de armen verdrukken, en do weduwen en weezcu bestelen, en die toch nog durven beweren medelijdend en menschlievend te zijn, — die mannen worden als volksvertegenwoordigers gekozen, om wetten voor hun land te maken. Do oude profeten verwezen zulke menschen naar de hel, maar in dezen beschaafden tijd gaat het anders.

Die toonbeelden van geïncarneerde zelfzucht zenden nu hunne slachtoffers naar de hel en worden daarvoor beloond met het genot van al de weelde, die voor hen het leven aangenaam kan maken. Lees het verslag van het «House of Lords» (de Engelsche Eerste Kamer) over het «Sweating System» (het stelsel van uitmergeling) en vraag nzelven dan af of eenig Afrikaansch stelsel van slavernij, — afgescheiden nog van de hier heerschende meerdere beschaving, waardoor men grootere gevoeligheid bij de slachtoffers moet veronderstellen, — meer jammer en ellende veroorzaakt.

De bodem van het donkere Engeland, zoo goed als die van liet donkere Afrika, wasemt giftige dampen uit. De vuile bedorven lucht onzer achterbuurten is bijna even schadelijk als die van het Afrikaansche moeras. De koorts is daar bijna even chronisch als aan den Evenaar. Ieder jaar sterven duizende kinderen tengevolge van hetgeen men gebreken in ons gezondheids-systeem noemt. Zij teren letterlijk weg tengevolge van de ongezonde atmospheer, waarin zij zich voortdurend bewegen en in de meeste gevallen kan men slechts zeggen, dat het maar beter voor hen is onttrokken te worden aan een leven, dat niets dan ellende kan opleveren.

Evenals in Afrika slechts een gedeelte van het kwaad en de ellende veroorzaakt wordt door het meer ontwikkelde ras, dat het woud binnendringt om de ongelukkige inwoners tot slaven te maken of te docden, zoo is ook de ellende van een groot deel van hen, met wier beschouwing wij ons nu bezig houden, voornamelijk een gevolg van hun wijze van leven. Dronkenschap, en alle soorten van geestelijke en lichamelijke onreinheid treft men ia overvloed aan.

9

-ocr page 26-

WAAROM «ENGEIAND\'S DONKERSTE TVILDEENISSEuquot; ?

Hebt gij ooit gewaakt bij het bed van een man lijdende aan delirium tremens?

Vermenigvuldig bet lijden van dien eenen dronkaard honderd-duizendvoudig en gij zult eenig idee hebben van de tooneelen, die onze groote steden tegenwoordig opleveren.

Gelijk in Afrika de stroomen het bosch in alle richtingen doorkruisen, zoo vindt men op iederen hoek van de straat kroegen als zoovele bronnen, waaruit het «doodswater» vloeit gedurende zeventien van de vier-en-twintig uren om dood en verderf onder het volk te brengen. Menschen, met een ouleschbaren dorst naar sterken drank, verzonken in de zonde, verteerd door allerlei lichamelijke en geestelijke kwalen, dat zijn de bewoners van het donkere Engeland, onder welke ik een groot gedeelte van mijn leven heb doorgebracht en tot wier redding ik nu de besten onder de mannen en vrouwen wil oproepen.

Maar dit boek is niet louter een wanhoopsklacht. Voor het donkere Engeland zoo wel als voor het donkere Afrika begint er een licht te dagen. Ik geloof mij een weg te zien aangewezen, waardoor ik die arme ellendigen kan brengen uit hunne sombere omgeving tot een gelukkiger, hooger leven.

De lange duur van mijn verblijf in het woud van de schaduwen des doods heeft mij gemeenzaam gemaakt met zijn afgrijselijkheden. Het zien van de hartverscheurende werkelijkheid is wel een sterke prikkel tot handelen voor mij, maar heeft mij nooit zoodanig gedrukt, dat ik tot wanhoop kwam. De heer Stanley gaf nooit voet aan de vrees, die zijne volgelingen ontmoedigde. Hij had meer ondervinding en wist, dat het woud, ofschoon uitgestrekt, uiet grenzeloos was. Iedere stap voorwaarts bracht hem nader tot het beoogde doel, nader tot het zonnelicht en den helderen hemel, nader tot de glooiende hooglanden en grazige vlakten. Daarom wanhoopte hij niet. Het Equatoriale woud besloeg toch slechts een klein gedeelte van een vierde van den zichtbaren aardbodem. Met de wetenschap, dat daarbuiten licht gloorde, in het vertrouwen opgedaan door vroegere ondervindingen van goedgelukte pogingen, ging hij voorwaarts; en toen hij 160 dagen geworsteld had, kwamen hij en zijn gevolg in een heerlijke streek, waar het land blonk van vrede en overvloed, en waar de beproevingen en honger vergeten werden in de vreugde over eeue groote verlossing. Ik heb den moed te hopen, dat het ook met ons zoo zal zijn. Maar we zijn er nog niet. Wij zijn nog omringd door een drukkend half-duister. Dit boek is niet in een luchthartigen geest de wereld ingestuurd, alsof het een jaar of tien geleden geschreven ware.

Indien het de eerste maal was, dat deze klacht van hopelooze

10

-ocr page 27-

DE TIJD TEK OPLOSSING IS HEDEN.

ellende tot ons oor ware doorgedrongen, de zaak zou zoo ernstig niet opgevat zijn. Het is, omdat wij er zoo dikwijls over gehoord hebben, dat de toestand ons zoo wanhopig toeschijnt. Wij zijn even gemeenzaam met de snerpende noodkreten der misdeelden als met het doffe rumoer op de straten, of als met don wind, die door de boomen suist. En zoo komt die kreet jaar in en jaar uit tot ons, maar wij zijn te bezig of te lui, te onverschillig of te zelfzuchtig, om er het oor aan te leenen. Slechts nu en dan, bij buitengewone gelegenheden, wanneer zich een luide stem laat hooren, die met nadruk de algemeene aandacht op de bestaande ellende vestigt, komt er voor een oogenblik stilstand in den regelinatigen sleur onzer dagelijksche bezigheden en sidderen wij, als wij tot eenig besef komen van hetgeen het leven is voor de bewoners der achterbuurten. Maar een der dreigendste maatschappelijke vraagstukken van onzen tijd moest flink onderzocht worden, niet om eene ijdele ontroering te verwekken, maar om te trachten het op te lossen.

Is het niet hoog tijdV Uet is waar, de vermetelheid van te durven veronderstellen, dat het vraagstuk niet onoplosbaar is, is reeds genoeg om den adem te doen stokken. Maar kan werkelijk niets gedaan worden? Indien wij na volledige en onverpoosde onderzoekingen tot de slotsom komen, dat er niets kan gedaan worden, en dat het \'t onvermijdelijke en onverbiddelijke lot van duizende Engelschen is, om door hunne omstandigheden tot wilde beesten verdierlijkt te worden, laat het dan zoo zijn. Maar indien wij integendeel niet in staat zijn te gelooven, dat deze «vreeselijke poel», waarin geslacht op geslacht van mannen en vrouwen verzinken, moet blijven bestaan, en indien het hart zoowel als het verstand der menschheid in opstand komt tegen het geloof aan de noodzakelijkheid van wanhoop, dan is het inderdaad tijd en hoog tijd, om het vraagstuk te onderzoeken; niet op luchthartige wijze maar met het vaste voornemen om een einde te maken aan een toestand, die de schande onzer eeuw is.

Welk eene satire is het op ons Christendom en op onze beschaving, dat het bestaan van die koloniën van heidenen en wilden, in het midden onzer hoofdstad, zoo weinig de aandacht trekt. Het is niet veel meer dan akelige spotternij — theologen zouden een sterker uitdrukking bezigen — om zich te noemen naar dien Benen, Die kwam om te zoeken en te redden, hetgeen verloren was, en toch te midden van deze verloren menigte, of in ongevoeligheid te slapen of slechts belang te stellen in godsdienstige twistvragen. Waarvoor al dat vertoon in kerken en vergaderzalen om de men-schen te redden van het verderf in eene toekomende wereld, terwijl er nooit eene helpende hand wordt uitgestoken, om hen te redden

11

-ocr page 28-

waahom //enghtand\'s ÜOHKIiim\'Ji wjlukukissenquot;?

vaii de hel, waarin zij nu reeds leven? Is het uiet meer dan tijd, om voor een oogenblik alle twisten over het oneindig kleine of het oneindig duistere vergetende, zich in een gemeenschappelijks poging te vereenigen om, al ware het dan ook maar eenigen te redden van hen, voor wie naar men belijdt de Heiland gestorven is.

Voordat ik het waag het middel aan te wijzen, begin ik met de ziekte te beschrijven. Maar zelfs wanneer ik het afzichtelijke beeld onzer maatschappelijke kwalen schets, en de moeilijkheden beschrijf, die wij moeten overwinnen, wanhoop ik uiet, maar is er hoop in mijn hart. «Ik weet in VVieu ik geloofd heb.» Ik weet, en daarom spreek ik. Het donkere Engeland is slechts een gedeelte vau het «grootore Engeland». Er is rijkdom genoeg en meer dan genoeg om die maatschappelijke hervorming tot stand te brengen, voor zoo ver rijkdom dat doen kan; als er maar hart genoeg is om met ernst de handen aan \'t werk te slaan. En ik hoop eu geloof, dat het hart niet ten achter zal blijven, als het vraagstuk flink onderzocht, en de wijze van eeae binnen het bereik dos geloofs liggende oplossing duidelijk aangetoond zal zijn.

13

-ocr page 29-

HOOFDSTUK If.

Hel dioygczoiikeu lieiide deel.

Liever dan in liet opsommen en behandelen der moeielijkheden en hinderpalen alles van de lichtzijde te bezien, zal ik trachten alles zoo reëel mogelijk te doen voorkomen. Ik doe dit om tweeërlei redenen. Eerstens, omdat alle overdrijving steeds terugwerking tengevolge heeft, en ten tweede, daar mijn doel is aan te toonen, dat dit groote probleem opgelost kan worden, wensch ik zijn afmetingen geenszins te vorgrooten. lu dit en de volgende hoofdstukken wensch ik mijn lezers er van te overtuigen, dat de feiten door mij aangehaald in \'t geheel niet overdreven zijn, en tevens dat het geneesmiddel door mij aanbevolen geen hersenschim is. Ik wensch geen beroep te doen op ziekelijk gevoelige philantropen, noch ook op blinde enthousiasten; maar na eerst zorgvuldig en op weten-schappelijken grondslag deze zaak onderzocht te hebben, breng ik nu mijne plannen onder de aandacht van de denkende, ernstige, praktische mannen en vrouwen, die de kracht en den zedelijken grondslag van dit ons land uitmaken, teneinde hunne ondersteuning en medewerking te verwerven. Ik stem volkomen toe, dat er in do beschrijving der ziekteverschijnselen nog heel wat onvolledigs is, en ongetwijfeld valt cr in dit recept Ier bestrijding dier kwaal nog heel wat te verbotereu, vooral wanneer wij later wat meer ondervinding zullen hebben opgedaan. Maar toch aarzel ik niet om mijn plannen, hoo onvolledig en onvolmaakt ze dan ook zijn, voor te stellen aan het onpartijdig oordeel van allen, die belang stollen in de oplossing van de sociale kwestie, als een dadelijke en praktische wijze om dit, het grootste vraagstuk van onzen tijd, to helpen oplossen.

De eerste plicht van hem, die een of ander vraagstuk tot het onderwerp van zijno studie kiest, is om al wat er niet rechtstreeks

-ocr page 30-

HET DTF.PGraOXKF.X TIP.NDK BEKL.

mede in verb.ind staat, te laten rnsten en zijn geheele aandacht te wijden aan het bereiken van bet eene doel, dat hij 7,ioh voorstelt.

Daarom wensch ik hier de opmerking te maken, dat het niet mijn doel is in dit boek de maatschappij in quot;t algemeen te behandelen. Ik laat het aan anderen over, om eerzuchtige plannen te maken tot algeheele verandering van de maatschappelijke toestanden; niet omdat het mij niet wenschelijk voorkomt, dat er zulk een verandering zon plaats grijpen, maar omdat het zorgvuldig uitwerken van zulke plannen, die min of meer hersenschimmen zijn of ten minste voor langen tijd nog niet verwezenlijkt zouden kunnen worden, een hinderpaal zou zijn tot de bezadigde overweging van dit ontwerp ter onmiddelijke oplossing van het meest dringende gedeelte van dit vraagstuk.

Ik ben er mij van bewust, dat ik mij zoodoende van een ruim en aantrekkelijk veld verwijder; maar als praktisch mensch, die ernstige, prozaïsche feiten te behandelen heeft, moet ik mijn aandacht geheel en al wijden aan dat gedeelte van het vraagstuk, dat het dringendst eene oplossing eischt. Nog één ding wensch ik in \'t voorbijgaan op te merken. Niets is er in dit mijn plan, dat het in botsing zou brengen met de bestaande socialistische en andere economische staatkundige richtingen, — uitgezonderd die eene anti-christelijke, die van meening is dat het een stoorend ingrijpen is in de wet van «het overleven der uitnemendsten», ook maar te trachten om de zwaksten van den ondergang te redden. Haar gunnen wij dat geloof, dat als iemand gevallen is, het dan de allerhoogste plicht is van de eigenbaatzuchtige maatschappij om hem ten onder te houden. Zulke staathuishoudkundigen zullen zich natuurlijk in dit boek teleurgesteld zien. Ik verstout mij te gelooven, dat verder niemand iets in dit boek zal vinden, dat mot zijn geliefkoosde theoriën in strijd is, maar wel misschien wenken, die hem later nog van pas kunnen komen.

Wat verstaan wij eigenlijk onder «Engeland\'s Donkerste Wildernissen?» Voor wie eischen wij de aandacht, op grond dat hun nood dringender is dan die van al hunne landgenooten ? Ik eisch die aandacht voor de verlorenen, voor het uitvaagsel, voor de stiefkinderen onzer maatschappij.

Enkel schermen met woorden, zegt men. Wie zijn die verlorenen? Ik antwoord, niet in godsdienstigen, maar in maatschappelijken zin, de verlorenen zijn zij, die gevallen ziju ; zij die hun standplaats in de maatschappij verloren hebben ; zij, wier gebed tot onzen Hemel-schen Vader: «Geef ons heden ons dagelijksch broodgt;, öfonvervuld blijft, óf slechts vervuld wordt door hulpmiddelen, hun door

14

-ocr page 31-

11 KT RTJTUIGPAA.TVD-IDEAAL.

den duivel aan de hand gedaan, door liet loon der ondeugd, de opbrengst der misdaad of de toepassing van de bedreigingen der wet.

Ik zal raij nauwkeuriger uitdrukken. De bevolking van Enge-land\'s Donkerste Wildernissen, ten wier behoeve ik een beroep doe, bestaat uit: (1) ben, die in geval z.ij geheel en al afhankelijk moesten zijn van hun eigen verdiensten, door gebrek aan kapitaal of inkomen, binnen een maand beslist den hongerdood zouden sterven, — en (2) hen, die trots de inspanning van al hunne krachten, niet in staat zijn om do hoeveelheid voedsel te verdienen, door de wet bepaald als strikt noodzakelijk voor de grootste misdadigers in onze gevangenissen.

Met droefheid moet ik bekennen, dat liet met onze tegenwoordige maatschappelijke toestanden nog een krankzinnigen-werk zou zijn, zelfs maar te droomen of te hopen, dat in de levensbehoeften van elk eerlijk Engelschman minstens even goed zal worden voorzien, als van de gevangenisbevolking. Misschien mogen wij eens hopen, dat er een tijd zal komen, dat elk eerlijk werkman op Engeland\'s bodem even warm gekleed, even wel behuisd en even geregeld gevoed zal worden als tegenwoordig onze crimineele gevangenen, — die tijd is echter nog niet aangebroken.

Evenmin is het vooreerst mogelijk te hopen, dat voor mensche-lijke wezens even goed gezorgd zal worden als voor de paarden. 1) Carlyle maakte reeds lang geleden de opmerking, dat de viervoetige arbeider reeds alles bezit, waar de twee-handige dito nog zoo hard naar verlangt. «Niet vele paarden, in staat en gewillig om te werken, worden in Engeland gevonden op onvoldoende wijze gevoed en gestald, en die niet goed geroskamd en wel voldaan zijn.» Ge zegt, dat dit niet mogelijk is; maar, zei Carlyle: «liet menschelijk verstand, deze weldoorvoede Engelsche paarden beschouwende, weigert te gelooven dat dit zelfde onmogelijk zou zijn voor Engelsche menschen». Niettemin zijn er veertig jaren vorloopen sedert Carlyle zoo sprak, en wij schijnen nog niet dichter genaderd te zijn tot «des viervoeters» standaard voor den «twee-handigen» werkman. «Misschien zouden wij dichter bij dit doel gekomen zijn,» grijnst de cynicus, «als wij maar menschen naar den eisch die macht wilden kweeken, juist zooals we met paarden doen, om ze dan, zoodra ze over de kracht van hun leven zijn, naar het slachthuis te zenden;» — doch aan zoo iets wordt gelukkig nog niet gedacht.

15

Welk doel mogen wij ons dan stellen met eenige hoop, dat

1) Dit goldt Engelanil, waar lt;ie wetten ter hunner besclierming zeer voldoende jijn. Vert.

-ocr page 32-

11 KT DIBKIKKOSKBS TIENDE DEEI..

liot in ouzen tijil verwezenlijkt zal lenimen worden? Het is maar oen waarlijk niet te lioog geplaatst wit, maar als wij liet konden bereiken, zouden daardoor do moeilijkste problemen voor do huidige maatschappij worden opgelost.

Het is de levensstandaard van hot paard van den Lonuensclien hunrkoetsier.

Wanneer in een der straten van Londen zulk eeu paard door vermoeienis ot zorgeloosheid of koppigheid struikelt ea valt, en te midden van al het gerij uitgestrekt ligt, dan wordt er niet een prijsvraag uitgeschreven of debat geopend, hoe liet wel kwam, dat het gestruikeld is, eer dat wij beproeven het dier op de been te helpen. Hot huurpaard is eon heel passend beeld van het arme uitgeputte deel der menschheid; valt het, dan is dit meestal door te veel work en te weinig voedsel. Als ge het op de been helpt, zonder zijn omstandigheden te veranderen, kan het tot niets anders zijn, dan hot aan een herhaling van zijn smarten bloot te stellen. Maar toch in elk geval, het eerste, wat ge doen moot, is, het op de been lo helpen. Het viel misschien door te veel. werk, of door te weinig voedsel; of misschien was het wol geheel en al oigen schuld, dat hot gevallen is, zijn knieën gekneusd en het lemoen gebroken heeft; maar dat is van later zorg, op de been helpen gaat voor alles; en dit al was het niet om zijnentwil, dan toch om een belemmering van het verkeer te voorkomen. Zie hoe aller aandacht er op gevestigd is, om het weer op de been te helpen. Men noemt het \'t haam af, hot tuig wordt losgegespt, zelfs als \'t noodig is losgesneden, en alles wordt in \'t werk gesteld, om het maar te helpen. En dan wordt het weer voorgespannon, en nog eens en weer tot zijn gewone taak aan \'t werk gezet. Dit is het eerste der beide regels die voor het huurpaard gelden.

Het tweede is, dat ieder dezer paarden in Londen drie dingen hoeft: een schuilplaats voor den nacht, voedsel voor zijn maag en zooveel werk dat hij zijn voedsel met arbeid verdient.

Dit zijn do twee punten die als het «recht van het huurpaard» gelden. Als het valt, wordt hot weer op de been geholpen, en zoolang het leeft, heeft het voedsel, een onderdak en werk. Al is dit nu ook een lage standaard, toch zijn er millioenen, — letterlijk millioenen, — van onze medemonschen in dit land, die dozen standaard onmogelijk kunnen bereiken. Kan wat van rechtswege aan huurpaarden toekomt ook hot deel van mensche-lijke wezens worden? Ik voor mij, zeg ja. De standaard, die voor het huurpaard geldt, kan op dezelfde voorwaarde als voor die dieren, ook een maatstaf zijn van menseheu. Wanneer gij

Ifi

-ocr page 33-

I)F, AHIETING VAN HET KWAAD.

uw paard weer op de been hebt, zal leerzaamheid zijnerzijds en tucht uwerzijds samengaande, u in staat stellen van hem een model huurpaard te maken; ontbreekt een der beide voorwaarden dan wordt daardoor het doel onbereikbaar. Al zeer zelden ontbreekt aan de zijde van het paard de volgzaamheid, wanneer slechts de tucht met oordeel wordt toegepast. Wij zien vaak veelvuldiger de takt om te leiden, dan de gewilligheid om te luisteren en volgen ontbreken. In allen geval past het hun niet, die met verstand en oordeel begiftigd zijn, om aau het verkrijgen van gehoorzaam plichtdoen te wanhopen, zoo lang zij niet hunnerzijds alles deden, wat plicht en roeping van hen eischen. Ongetwijfeld zullen enkelen, als het nukkig en koppig paard, dat onbuigzaam blijkt, ten einde toe weigeren om anders dan bandeloos te zijn. Zij zullen öf de Ismaül, óf het uitvaagsel der maatschappij blijven. Van nature echter is geen mensch reeds van meet af een oproerling of deugniet. 1)

1) Zal de Hollandsche lezer het geheel juiste en daardoor niet minder snijdende van het als maatstaf gebruikte beeld, dat tevens de sleutel tot recht begrip van boek en plan is, recht verstaan, dan is eeni^e nadere inlichting omtrent het cabhorsc en zijn charter volstrekt noodzakelijk. Voor alle paarden, die voor openbare vervoermiddelen gebruikt worden, moet voor elk paard in het bijzonder eene license of vergunning worden aangevraagd, zoodat het dier onder een nauwlettend politietoezicht kan staan. Geen paard b.v. mag langer dan, ik meen vier jaren, omnibusdienst doen. Al wie een paard als werkpaard of ter verhuring houdt, is door zijn license aan allerlei bepalingen en beperkingen gebonden, en zoo hij niet daarnaar handelt, wordt hij beboet, of hem de vergunning tot verder gebruik ontnomen. Houdt uw buurman zulk een paard, dat hij mishandelt of niet voldoende voedt, dan is uwe welgestaafde aanklacht voldoende, om hem boete te doen krijgen; en blijkt het, dat hij niet bij machte is zijn paard voldoende voor het te verrichten werk te voeden, dan wordt hem reeds op dien grond zijn license ontnomen. De paarden zijn daardoor nog evenmin in een soort van paardenhemel, als de Generaal beoogt om een Mozes te zijn, die de schamelen in een philantropisch Luilekkerland wil binnenleiden.

De zorg voor het werk- en huurpaard komt zeker en allereerst het dier ten goede, maar is niet minder in hot openbaar belang, als middel tot behoorlijk dienstdoen en veiligheid. Het is een maatregel, die niet gaat boven de grenzen, welke het gezond verstand aanbeveelt en voorschrijft.

Hooger stelt de Generaal zijn doelwit niet. Meer vraagt hij niet van eene maatschappij, die zich in haar gansche zijn christelijk noemt, maar waarin nog nergens gedacht is aan een zoo verstandig en allen nuttig charter voor den werkmoisch, als Engelands praktische zin wel voor ziju werkpaarden, maar daarom nog niet voor den medemensch, den m3degeroepene tot al de voorrechten van het Koninkrijk Gods heeft in aanzijn geroepen.

Waar de wereld dus reeds misschien een toppunt van de edelste, onbekrom-penste philantropie meent waar te nemen, en oordeelt dit te moeten prijzen of te mogen afkeuren, ziet de christen nog niets meer dan eene eerste schrede op den weg, welke tot vervulling leidt van des Meesters woord: «Hieraan zullen zij allen bekennen, dat gij mijne discipelen zijt, dat gij liefde hebt onder elkander.» Wie meenen moge, dat dit ideaal reeds bereikt zal zijn, wanneer voor allen bereikbaar is het lot, dat in Engeland door wel en politie aan elk kar- en

17

9

-ocr page 34-

HET DIEPGEZONKEN TIENDE DEEL.

De eerste vraag dan, die zich aan ons voordoet, is: Welke zijn de afmetingen van het kwaad? Hoevelen onzer niederaenschen wonen in het donkerste Engeland V Hoe kunnen wij hen tellen, die dieper gevallen zijn dan het standaarddeel van het huurpaard, waartoe wij de ellendigsten onzer landgenooten wenschen te verheffen?

Zoodra gij pogingen in het werk stelt om deze vraag te beantwoorden, dan staat ge voor het feit, dat dit sociale vraagstuk zoo goed als in \'t geheel niet op wetenschappelijken grondslag is nagespoord, üa naar Mudie Tl) en vraag daar naar al de boeken, die over dit onderwerp zijn geschreven, on ge zult er over verbaasd staan, hoe weinigen dat zijn. Waarschijnlijk zijn er meer wetenschappelijke boeken over de geneeswijze van diabetes of over jicht, dan die den maatschappelijken kanker behandelen, welke de levensbeginselen vau zoovelen onzer landgenooten wegvreet. In den laatsten tijd is hierin althans verbetering gekomen. Het Verslag van de Koninklijke Commissie tot het onderzoek naar de behuizing der armen, en het Verslag van de Commissie van het «House of Lords» over het «Sweating», dat is «uitmergeling stelsel» bewijzen, dat er pogingen in het werk zijn gesteld om minstens bekend te worden met don toestand des volks. Maar toch blijft het een feit, dat er veel meer nauwkeurige, geduldige en verstandelijke studie gewijd is aan de kennis der aardwormen, dan aan die der ontwikkeling, of liever verlaging van het als even zoo goed als onderaards levend deel onzes volks. Wel is waarmaken hier eu daar enkele op zichzelf staande opmerkers in dit bijna onmetelijke veld aanteekeningen, en slaken nu en dan kreten van wanhoop, maar waar is ook slechts de eerste voorbereidende stap gedaan^ om hen, die onder het laagste peil van een men-sclielijk bestaan wegzinken, zelfs maar te tellen?

Eén boek is er, en voorzoover als mij bekend is, niet meer dan dit eene, dat een poging waagt het aantal dezer noodlijdenden te schatten. De heer Charles Booth tracht in zijn «Leven en werken in Oost-Londengt; een zeker denkbeeld te geven van het

vigilantepaard verzekerd ik, heeft nog wel het a, b, e, iles Kvangelies te leeren, en toont reeds door zijn oordeelen, dat hij nog den eersten stap te doen heeft, op den weg, die ï Kor. 13 als volstrekt noodzakelijk verklaart.

2) Het eigenaardige der verwijzing n:iar Mudie\'s monsterleesbibliotheek ligt in dezer karakter. De heer Mudie was een ondernemende, maar niet minder vrome Schot, die zeer klein aanvangende, nooit is afgeweken van zijn plan, om niet dan goede boeken in zijne zaak te dulden. Zijn oordeel heeft de markt van menig boek bepaald. Van boeken, die hij algemeen gelezen wenschte, schroomde hij niet terstond van 2000 tot iiOOO exemplaren in zijne leesinrichling op te nemen.

18

-ocr page 35-

VBEESELIJKK GETALLEN.

aantal dergenen, die onze aandacht rorderen. Bijgestaan door een groot aantal medehelpers, en voorzien van alle inlichtingen, hem door de commissie der openbare scholen verstrekt, hield hij een nijverheidsvolkstelling van Oosis-Londcn. Dit district, de buurten Tower-Hamlets, Shoreditch, Bethnal Green en Hackney omvattende, was bevolkt door 908.000 inwoners; dit wil zeggen door iets minder dan een vierde gedeelte van de bevolking van geheel Londen.

Tot welk resultaat kwam hij? Indien wij rekenen, dat het aantal der armste klassen in het overige gedeelte van Londen tweemaal zoo groot is als in het Oostelijk deel, — in plaats van driemaal zoo groot, als wij aannamen dat ze ook daar in dezelfde verhouding tot de overige bevolking stonden, — dan komen wij tot de volgende cijfers:

ArMLAST.GEN. Oost-Londen, ^

Bevolking van werkhuizen, krankzinnigengestichten en gasthuizen. 17,000 — 34,000 — 51,000

Zonder huisvesting.

Zwervers en sommige misdadigers. 11,000 — 22,000 — 33,000

Hongerlijders.

Ongeregelde verdiensten afwisselend tusschen soms tien gld. per week en een slepend vergeefs naar werk uitzien......

De behoeftigen.

Ongeregelde verdiensten van f 10.80 tot f 12.60 per week .

19

100,000 —

200,000 —

300,000

74,000 —

148,000 —

222,000

120.000 —

258,000 —

387,000

331,000

002,000

993,000

377,000 121,000

34,000

45,000

008,000

Geregelde verdiensten van f 10.80 tot f 12.00 per week .

Vast werk, ambachtslieden, enz.

f 12.60 tot f 18.— . Burgerstand f 18 tot f 30 per week. Middelstand, winkeliers, klerken enz. Hoogere middelstand (dienstboden houdend) .....

Toegestemd moet worden, dat de toestand in het Oost-Londen district buitengewoon slecht is en wij dien niet als standaard van vergelijking voor geheel Engeland mogen aannemen. In Londen zijn de loonen hooger dan ergens elders, maar dat zijn de huren ook, en zoo is ook het aantal hongerigen en noodlijdenden veel grooter in de opeenstapeling van menschen in Oost-Londen. De be-

-ocr page 36-

HET DIEPGEZONKEN TIENDE DEEL.

De eerste vraag dan, die zich aan ons voordoet, is: Welke zijn de afmetingen van het kwaad? Hoevelen onzer medemenschen wonen in het donkerste Engeland? Hoe kunnen wij hen tellen, die dieper gevallen zijn dan het standaarddeel van het huurpaard, waartoe wij de ellendigsten onzer landgeiiooten wenschen te verheffen?

Zoodra gij pogingen in het werk stelt om deze vraag te beantwoorden, dan staat ge voor het feit, dat dit sociale vraagstuk zoo goed als in \'t geheel niet op wetenschappelijken grondslag is nagespoord. Ga naar Mudie quot;t) en vraag daar naar al de boeken, die over dit onderwerp zijn geschreven, en ge zult er over verbaasd staan, hoe weinigen dat zijn. Waarschijnlijk zijn er meer wetenschappelijke boeken over de geneeswijze van diabetes of over jicht, dan die den maatschappelijken kanker behandelen, welke de levensbeginselen van zoovelen onzer landgenooten wegvreet. In den laatsten tijd is hierin althans verbetering gekomen. Het Verslag van de Koninklijke Commissie tot het onderzoek naar de behuizing der armen, en het Verslag van de Oommissie van het «House of Lords» over het «Sweating», dat is «uitmergelingstelsel» bewijzen, dat er pogingen in het werk zijn gesteld om minstens bekend te worden met den toestand des volks. Maar toch blijft het een feit, dat er veel meer nauwkeurige, geduldige en verstandelijke studie gewijd is aan de kennis der aardwormen, dan aan die der ontwikkeling, of liever verlaging van het als even zoo goed als onderaards levend deel onzes volks. Wel is waar maken hier en daar enkele op zichzelf staande opmerkers in dit bijna onmetelijke veld aanteekeningen, en slaken nu en dan kreten van wanhoop, maar waar is ook slechts de eerste voorbereidende stap gedaan^ om hen, die onder het laagste peil van een men-schelijk bestaan wegzinken, zelfs maar te tellen?

Één boek is er, en voorzoover als mij bekend is, niet meer dan dit eene, dat een poging waagt het aantal dezer noodlijdenden te schatten. De heer Charles Booth tracht in zijn «Leven en werken in Oost-Londen» een zeker denkbeeld te geven van het

vigüantepaard ver/.ekord is, lieefl nog wel het a, b, c, des Evangelies te leeren, en toont reeds door zijn oordeelen, dat hij nog den eersten slap te doen heelt, op den weg, die I Kor. IS als volstrekt noodzakelijk verklaart.

2) Het eigenaardige der verwijzing naar Mudie\'s monsterleesbibliotheek ligt in dezer karakter. De heer Mudie was een ondernemende, maar niet minder vrome Schot, die zeer klein aanvangende, nooit is afgeweken van zijn plan, om niet dan goede boeken in zijne zaak te dulden. Zijn oordeel heelt de markt van menig boek bepaald. Van boeken, die hij algemeen gelezen wensehte, schroomde hij niet terstond van 2000 tot 3000 exemplaren in zijne leesinrichting op te nemen.

18

-ocr page 37-

VBEESEL1JKE GETALLEN.

19

aantal dergenen, die onze aandacht vorderen. Bijgestaan door een groot aantal medehelpers, en voorzien van alle inlichtingen, hem door de commissie der openbare scholen verstrekt, hield hij een nijverheidsvolkstelling van Oost-Louden. Dit district, de buurten Tower-Hamlets, Shoreditch, Bethnal Green en Hackney omvattende, was bevolkt door 908.000 inwoners; dit wil zeggen door iets minder dan een vierde gedeelte van de bevolking van geheel Londen.

Tot welk resultaat kwam hij ? Indien wij rekenen, dat het aantal der armste klassen in het overige gedeelte van Londen tweemaal zoo groot is als in het Oostelijk deel, — in plaats van driemaal zoo groot, als wij aannamen dat ze ook daar in dezelfde verhouding tot de overige bevolking stonden, -— dan komen wij tot de volgende cijfers:

Armlasticen.

Oost-Londen.

Schatting voor oyerig Londen.

Totaal.

Bevolking van werkhuizen, krankzinnigengestichten en gasthuizen.

17,000 —

34,000 —

51,000

Zonder huisvesting.

Zwervers en sommige misdadigers.

11,000 —

22,000 —

33,000

Hongerlijders.

Ongeregelde verdiensten afwisselend

tusschen soms tien gld. per week

en een slepend vergeefs naar werk

100,000 —

200,000 —

300,000

De bbiiobftigen.

Ongeregelde verdiensten van f 10.80

tot f 12.60 per week .

74,000 —

448,000 —

222,000

Geregelde verdiensten van f 10.80

tot f 12.00 per week .

120,000 —

258,000 —

387,000

331,000

062,000

993,000

Vast werk, ambachtslieden, enz.

f 12.60 tot f 18.—

377,000

Burgerstand f 18 tot f 30 per week.

121,000

Middelstand, winkeliers, klerken enz.

34,000

Hoogere middelstand (dienstboden

houdend) .....

45,000 008,000

Toegestemd moet worden, dat de toestand in het Oost-Londen district buitengewoon slecht is en wij dien niet als standaard van vergelijking voor geheel Engeland mogen aanuemen. In Londen zijn de loonen hooger dan ergens elders, maar dat zijn de huren ook, en zoo is ook het aantal hongerigen en noodlijdenden veel grooter in de opeenstapeling van menschen in Oost-Londen. Do be-

-ocr page 38-

HET DIEI\'GEZONKEN TIENDE DEEL,

volking van ons toninkrijk telt 31 millioen zielen, zonder die van Ierland. Indien wij den toestand van Oost-Londen als basis zouden aannemen, moesten er 31 maal zoovelen zonder huisves-\' ting en broodeloos zijn als in het district rondom Bethnal Green.

Maar laat ons veronderstellen, dat de toestand van Oost-Londen tweemaal zoo slecht is als ergens elders. Dan nog verkrijgen wij de volgende cijfers:

ZONDER HUISVESTING. • Oost-Londen. Groot-Bi-itanië.

Zwervers en sommige misdadigers. 11,000 — 165,500 Hongerlijders.

Ongeregelde verdiensten, aanhoudend gebrek aan werk . . 100,000 — 1,550,000

Totaal. 111,000 — 1,715,500 In werkiiuizen en gestichten enz. 17,000 — 190,000

128,000 1,905,500

Onder liet totaal aantal der genen, die wij rekenen als zonder liüisvesting en noodlijdend, ontvingen volgens officieele opgaven ongeveer b70.000 bedeeling.

Nu moeten wij bij ons laatst verkregen cijfer nog de bevolking onzer gevangenissen voegen. Gedurende het jaar 1889 werden 174.779 personen in onze gevangenissen opgenomen, maar het gemiddeld aantal gevangenen op zelfde tijdstip, beliep nooit meer dan 60.000. De officieele staat is als volgt:

In crimineele gevangenissen......11,660

In huizen van arrest en bewaring..........20,783

In verbeteringsgestichlen..............22,683

Krankzinnige misdadigers..............910

Totaal. . 56,036

Voeg hierbfl het totaal aantal der werkhuisbevolking en der verpleegden in krankzinnigen-gestichten, buiten de misdadigers 78,966 personen bedragende, dan komt ge tot een heirleger van meer dan twee millioen zielen, behoorende tot de klasse der diep-gezonkenen.

Bij dit getal moet minstens nog een millioen gevoegd worden, voor heu, die afhankelijk zijn van de misdadigers, krankzinnigen en anderen hier niet genoemd, en hen, die zoo niet geheel en al, dan toch bijna behooren tot de het uiterst gebreklijdenden. Aldus verkrijg ik een totaal van drie millioen, of óm maar een rond getal te nemen, ongeveer een tiende van de geheele be-

20

-ocr page 39-

HUN AANTAL DRTE MILUOEN MENSCKEN.

volking. Volgens Lord Brabazon eu den lieer Samuel Smith verkeert «een getal van twee a drie millioen onzer bevolking in bijna ongeneesbare armoede en verlaging». De heer Chamberlain zegt, dat «er een aantal menschen is, even groot als de bevolking van geheel Londen», — d. w. z. tusschen 4 of 5 millioen, — «dat voortdurend in een staat van het ellendigste verval en armoede verkeert.» De heer Giffen is meer gematigd. Volgens zijn zeggen, zou één uit elke vijf handwerkslieden, of zes uit elke honderd der geheele bevolking tot do klasse der noodlijdenden behooren. De heer Giffen vergeet echter het aantal dergenen, die juist op den rand van dien grooten afgrond staan.

Ik zal mij tevreden stellen aan te nemen, dat de geheele sterkte van het leger van ellende tusschen de vier a vijf millioen van den heer Chamberlain en de 1.800.000 van den heer Giffen in ligt, en dus ongeveer drie millioen bedraagt.

Wij kunnen dus aannemen, dat de bevolking van Engeland\'s Donkerste Wildernissen even talrijk is als de bevolking van geheel Schotland. Drie millioen mannen, vrouwen en kinderen, een gansch heirleger, in naam vrij, maar inderdaad in wreede slavernij; — zij zijn hot, die wij verplicht zijn uit dien jammerstaat te redden.

Dit is een omvangrijke taak. Zestig jaar geleden heeft Engeland al zijne zwarte slaven vrij verklaard, wat ons f 480.000.000 gekost heeft, en sedert is er geen eind gekomen aan het roem dragen op dit offer. Maar voor onze eigene deur, van «Plymouth tot Peterhead», strekt zich een woud van menschelijke ellende uit, — drie millioen zielen in gruwelijke slavernij — sommigen overgeleverd aan opzichters, wreeder en onmenschelijker dan menig West-Indisch slavendrijver, allen ten prooi aan broodsgebrek en wanhoop.

Is het nog mogelijk iets met hen uit te voeren? Kunnen wij iets voor hen doen ? Of plaatst ons deze millioen-hoofdigo massa vooreen even onmogelijk op te lossen vraagstuk, als dat van het Londensche drijvend vuil, dat rottend en de lucht met vergiftige dampen bezwangerend door eb en vloed telkens stroom af en dan weer opwaarts gedreven wordt?

Zou werkelijk dit diepgezonken tiende deel geheel buiten het bereik zjjn van de overige negen tienden, in wier midden zij leven, en voor wier deuren zjj liggen, «vol zweren», om daav den laataten adem uit te blazen en te sterven ? Ongetwijfeld zullen er in elk groot getal menschen enkele wezens zijn ongeneeselijk naar lichaam en geest, sommigen voor wie niets gedaan kan worden, sommigen die ook den optimist tot vertwijfeling brengen, voor wie geen ander geneesmiddel kan worden voorgeschreven.

21

-ocr page 40-

IIKT DIEl\'GEZONKEN TIENDE DEEL.

dan de weldadige strengheid van het krankzinnigen-gesticht of\' de gevangenis.

Maar is de verhouding van één tot tien niet schrikwekkend groot ? De oude Israëlieten hadden den Heer één stam uit de twaalf gewijd, om Hem te dienen in den tempel; maar moeten wij het lijdelijk aanzien dat één uit elke tien van «aan God toebehoo-rende Engelschem, gedoemd is tot den dienst van de tweeling-duivels : «Gebrek eu vertwijfeling» ?

32

-ocr page 41-

HOOFDSTUK III.

Zonder o ii lt;1 c r k o in c n.

Wij kannen Bngeland\'s Donkerste Wildernissen beschrijven als bestaande uit drie cirkels, die in elkander liggen. De buitenste en grootste cirkel is bevolkt met de noodlijdende, docli eerlijke armen, die geen onderkomen hebben. De tweede, met hen, die leven van het loon der ondeugd, en de derde en binnenste cirkel omsluit hen, wier levensonderhoud uit misdaad spruit. Deze drie cirkels zijn van kroegdrank doortrokken. In Engeland\'s Donkerste Wildernissen vindt gij meer kroegen, dan het Woud van de Aruwimi stroomen telt, waarvan Stanley soms binnen het half uur er drie moest overtrekken.

De grenzen van dit aan ellende prijs gegeven gebied zijn niet nauwkeurig te trekken. Nu eens breidt het zich uit, dan weer krimpt het in. Wanneer er een minder goede tijd voor den handel aanbreekt, breiden zijn grenzen zich uit; als de welvaart terugkeert, keert het weer tot zijn vorigen omvang terug.

Wat personen betreft, kan niet één van de honderdduizenden, die aan de zoomen van liet donkere woud wonen, naar waarheid zeggen, dat zij of hun kinderen er zeker van kunnen zijn, nooit hopeloos in dien doolhof verward te zullen geraken. De dood van den broodwinner, een slepende ziekte, een bankroet in de City, of duizeude andere oorzaken, die wij zouden kunnen opnoemen, zullen in den eersten cirkel brengen hen, die op dit oogenblik in don waan verkeeren, dat zij nooit werkelijk gebrek zullen behoeven te lijden. Het sterftecijfer in Engeland\'s Donkerste Wildernissen is zeer groot. De dood is het, die een einde maakt aan de slavernij dier gevangenen. Maar nog nauwelijks zijn de dooden in het graf gelegd, of anderen nemen al weer hunne plaats in. Sommigen ontkomen, maar de meerderheid, door hunne omgeving van

-ocr page 42-

ZONDER ONDERKOMEN.

kracht eu gezondlieid beroofd, worden al zwakker en zwakker, totdat zij eindelijk op den weg bezwijken, zonder hoop omkomende voor de poorten misschien van de grootsche paleizen, die zij wellicht zeiven hebben helpen bouwen.

De behuizing dier armen heeft ongeveer zeven jaar geleden de algemeene aandacht tot zich getrokken en groote verontwaardiging en medelijden verwekt. Er is toen heel wat gezegd, en naar waarheid gezegd — en daartoe kon men geen te sterke taal kiezen, — over den ziekte veroorzakeuden en alle menschelijk gevoel vernietigenden toesland van velen der zoogenaamde woningen, waarin rle armen in onze groote steden opeengepakt worden. Maar er zijn menschen nog dieper gezonken dan de bewoner van die achterbuurten. Dat is de «straatbewoner», die niet eens een plank bezit in die achterbuurten, om de moede leden op uit te strekken. De werkeloozen zonder onderkomen zijn ten minste in één zaak gelijk aan Hem, die als een rusteloos door den haat der wereld vervolgde zeggen moest: «De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des Menschen heeft niet, waar Hij het hoofd op nederlegge!»

Op een min of meer ruwe en onaangename wijze dvong zich het bestaan van die diep beklagenswaardigen aan de aandacht dei-beschaafde maatschappij op in 1887, toen Trafalgar Square door het uitvaagsel van Londen tot kampeergrond werd gekozen. Onze toevluchtshuizen hebben wel veel gedaan, maar toch bij lange na niet genoeg, voor die uitgeworpenen, die ook dezen nacht en iedoren nacht langs de straten ronddoolen, niet wetende, waar zij een plaats zullen vinden, om hun vermoeide lichamen te doen uitrusten.

Hier is het rapport van een mijner officieren, die dezen zomer uitgezonden werd, om een onderzoek te doen naar den werke-lijken toestand van hen, die zonder onderkomen in Londen ronddoolen:

«Nop steeds is er een enorm gelal Londenaars en een groot aantal zwervers, die van buiten zijn gekomen om werk te zoeken, die bijna iederen nacht onder den blooten hemel moeten doorbrengen. Zij zoeken een rustplaats op de rustbanken onder de boomen op het «Embankment». Vroeger slaagden zij er in al die banken te bezetten, maar sedert het scherpziend oog van de «Metropolitan»-Politie zulk een stand van zaken niet langer kon aanzien, hebben deze arme zwervers, de goedhartigheid van de City-Politie kennende, zich gevestigd op dal gedeelte van het Embankment, dat ten oosten van den Tempel ligt, en daardoor tot het beheer der «Burgervaders» behoort. Hier, tusschen de Tempel en Blackfriars in, vond ik honderden van die armen. Byna elke bank was geheel bezet met zes personen, — sommige met mannen, andere met vrouwen, — allen neerliggende in verschillende houdingen en byna allen in diepen slaap. Juist toen de klok van het Parlementsgebouw twee uur sloeg, kwam de maan door de wolken heen en wierp haar bleek schijnsel op een hartroerend tafereel. Hier op de harde steenen wallen, die maar heel weinig beschutting

24

-ocr page 43-

UIT IIET LEVEN.

opleveren tegen den guren kouden wind, liggen twintigtallen mannen, zij aan zij, dicht opeengepakt om maar warm te blijven, en natuurlijk zonder eenige andere bedekking dan hun gewone kleeding, die op zijn best toch al heel armoedig is. Sommigen hebben eetst een papier op den grond gelegd, om niet op de kille steenen zelf te liggen, maar de meesten zijn te vermoeid, om dat nog te doen, en het maken van het nachttoilet der meerderheid bestaat in het omwinden van het hoofd met het een of andere vod, dat eveneens als zakdoek dienst moet doen, en dan het plaatsen van hoed of pet daarover heen.

«De verstandig uitziende bedaagde man, die zich juist ter neder zette op een der banken, vertelde mij, dat dit gewoonlijk zijn nachtverblijf was.

«Ziet ge,» zei hij, «het is nergens zoo gemakkelijk. Ik was hier gisterennacht ook en Maandag- en Dinsdagnacht, dat is van de week al vier nachten. Ik had geen geld roor een slaapsteó; hoe ik ook mijn best deed, ik kon geen cent verdienen. Vandaag heb ik niets anders dan een stuk brood gehad, dat is alles, en vandaag noch gisteren heb ik iets kunnen verdienen. Eergisteren kreeg ik drie stuivers. Ik moet mijn brood verdienen door pakjes dragen of paarden vasthouden en met andere dergelijke karretveitjes. Ziet ge, dat komt, omdat ik niet zoo heel gezond meer ben. ik werkte vroeger voor de ^London General» Omnibus-maatschappij, en daarna voor de «Road Car))-Maatschappij, maar ik kreeg bronchitis en moest naar \'t gasthuis. Toen ik weer beter was, kon ik geen werk meer krijgen. Wie kan er ook een man gebruiken, die bronchitis heeft en pas uit het gasthuis komt? Ik zou wel eens willen weten, wie zoo iemand werk zou willen geven. L\'n bovendien ben ik soms wat kortademig en kan niet heel veel doen. Ik ben weduwnaar. Mijn vrouw is al lang dood. Ik heb een zoon, hij is op zee; maar hij is pas weg en kan modus ook niet helpen. Ja wel, ik kan het hier \'s nachts vrij wel stellen; de banken zijn wel wat hard; maar een stuk oud papier maakt het heel wat zachter. Vrouwen slapen hier ook veel, en kinderen ook wel. Maar heel zelden is hier ruzie, want ziet ge, iedereen is mo»;. Wc hebben te veel slaap, om ruzie te maken.»

«Een ander voorbeeld: Een grootc, lompe, hulpeloos uitziende persoon was van buiten komen loopen. Hij wilde de plaats niet noemen, waar hij vandaan kwam. Hij had gehoopt aan het «Mansion House» (Stadhuis) een kaart te krijgen, om een breukband te kunnen ontvangen, daar hij een gevaarlijke breuk heeft. Hij had op verscheidene andere plaatsen getracht geholpen te worden, maar overal te vergeefs, en nu was hij zonder eenig geld of voedsel op het Embankment.

«Behalve deze slapenden is er nog een groot aantal personen, dat den ganschen nacht door de straten blijft zwerven, om \'t een of ander karreweitje op te doen, dat al is het dan ook maar een enkelen stuiver in de ledige beurs brengt, en hen voor den hongerdood bewaart. Ik had een kort gesprek met een der zulken, een flink gebouwd jongman, die kortelings uit den militairen dienst ontslagen was en nu te vergeefs naar werk zocht.

««Ach,» zei hy op droevigen toon, «ik ken hier in Londen den weg zoo niet als de anderen. Ik beu, wat men noemt, «nog groen», en ik heb er niet zoo goed als zij den slag van, om iets op te loopen. Ik heb nu al zoo wat gedurende een paar weken dag en nacht op straat gezworven en kan maar geen werk vinden. Ik ben sterk genoeg, maar op die wijs zal ik het niet lang kun-

25

-ocr page 44-

36 ZONDER ONDERKOMEN.

nen volhouden. Dit is nu reeds de derde keer, dat ik den ge-heelen nacht heb rondgeloopen. Ik heb alleen nog wat kunnen verdienen met het oog te houden op de bakken van schoenpoetsers, als deze naar Lookhart\'s gaarkeukens gingen, om wat te eten. Gisteren heb ik er een stuiver voor gekregen, en dan heb ik een dubbeltje verdiend met het dragen van een pakje, en vandaag een stuiver. Ik heb voor een stuiver brood en thee gekocht.»

«Arme kerel! Waarschijnlijk is hij spoedig in gezelschap van dieven geraakt, en in de diepte gezonken, want er is geen ander middel van bestaan voor menschen van zijn soort. Zelfs de jongeren hebben geen andere keus dan hongerlijden of stelen. Er zijn in de slaapsteden in Whitechapel dievenbenden, bestaande uit jongens tusschen dertien eu vijftien jaar oud, die in hun levensonderhoud voorzien door het stelen van eetwaren en andere gemakkelijk bereikbare voorwerpen van uitstallingen.»

Behalve op het Embankment worden er ook nog van die ml fresco» nachtverblijven gevonden op de banken rondom Spital-fields-Kerk, en vele zwervers hebben hun eigen hoeken en gaten en schuilplaatsen in overdekte gangen en wagens, ouder spoorweg-viaducten en bruggen door geheel Londen heen. Twee arme vroctft^h zag ik een schuilplaats kiezen in een winkelpoort in Liverpóojstrpet. Op die wijze komen zij den zomer door; maar het is verschrikkelijk er aan te denken, hoe het \'s winters met hen gesteld is. Voor velen is dan de ellende te groot en zij sterven een vroegtijdigen dood. üit was ook het geval met een jonge vrouw, die gewoon was in een huifkar in Bedfordbury te slapen. Eenige mannen, die dit te weten kwamen, wierpen op een nacht de slapende een emmer koud water over \'t lichaam. Haar zwak gestel was niet bestand tegen dezen schok, zij werd ziek en stierf. Bij de lijkschouwing kwam men tot de gevolgtrekking, dat het koude bad haar dood niet veroorzaakt, maar slechts verhaast had. De eigenlijke oorzaak was uitputting door ellende.

Dezelfde officier sprak in de nachten van 13 en 14 Juni 1890 met twaalf mannen, die hij slapende vond op het «Embankment». Van hetgeen hij van hen vernam, heeft hij de volgende aantee-keningen gemaakt:

No. 1. «Twee nachten heb ik iiier geslapen. ïk hen banketbakker van beroep; ik kom van Dartford. ïk werd uit mijn laatste betrekking ontslagen, omdat ik wat oud word. Jong volk kan goedkooper werken ; en ik lijd nog al erg aan rheümatiek. Nu heb ik al twee dagen niets verdiend. Ik dacht, dat ik een be-

-ocr page 45-

OETüIG EN 1SSEN.

trekking zou kunnen krijgen in Woolwich, en daarom ben ik daar heengegaan, maar ik slaagde er niet in. Ik vond een stuk brood op straat in een stuk papier gewikkeld. Daar heb ik het gisteren mede moeten doen. Vandaag heb ik een stuk brood gekregen. Ik ben vier en vijftig Jaar. Als het regent, staan wij den geheelen nacht onder de spoorbrug.»

No. 2. «Op één nacht na heb ik nu drie weken achtereen in de open lucht geslapen ; ik ben los sjouwerman. Vandaag heb ik niets verdiend, anders zou ik hier niet wezen, \'k Heb vandaag een stuiver brood gehad. Dat is alles. Gisteren hebben ze mij wat overgeschoten eten uit een gaarkeuken gegeven. Verleden week heb ik twee dagen lang niets te eten gehad. Mijn ambacht is veeren-beddenmaker, maar die raken nu hoe langer hoe meer uit de mode, en behalve dat heb ik de grauwe staar in mijn eene oog, zoodat ik daar in \'t geheel niets meer meê kan zion. Ik ben weduwnaar en heb een zoon. Hij is soldaat in Dover. Het is nu acht maanden geleden, dat ik het laatst in vast werk was, maar de fabriek ging failliet. Sedert dien tijd heb ik maar aangepakt wat ik krijgen kon,»

No. 3. «Ik ben kleermaker; heb hier vier nachten achter elkaar geslapen. Kan geen work krijgen. Ben al drie weken zonder werk. Als ik het noodige geld bij elkaar krijgen kan, ga ik naar een slaapstee in Vei e Street, Clare Market. Het was gisterennacht erg regenachtig. Toen ben ik maar naar Covent Garden Market 4) gegaan, om een onderdak te hebben. Wij waren daar met ons dertigen. De politie joeg ons echter weg, maar zoodra zij uit het oog was, waren wij alweer terug. Gedurende de laatste twee dagen heb ik voor een stuiver brood en voor een stuiver soep gehad ; dikwijls krijg ik in \'t geheel niets. Vrouwen slapen hier ook wel. Werkelijk fatsoenlijke vrouwen, schoonmaaksters en zoo, die geen werk kunnen vinden.»

No. 4. «Vrij bejaard man, beeft zichtbaar van hoopvolle verwachting als er over werk gesproken wordt; brengt een kaart te voorschijn in een oude courant

gewikkeld, waarop vermeld wordt, «lat Mr. R..... lid is van de Trade Pro\'ection

League 2). Hij is sjouwerman; heeft sedert veertien dagen in \'t geheel geen werk gehad. Sedert vijf dagen geen cent verdiend. Al wat hij deu vorigen dag had gehad, was een stuk brood in den morgen, maar niets meer den geheelen dag. Gisteren en eergisteren had hij van de houdster van een slaapstee een kop thee en twee sneden brood gekregen. Hij is vijftig jaar oud. Zijn klecren zijn nog nat van het slapen in den regen gedurende den vorigen nacht.»

No. 5. Houtzager van beroep. Oorzaak van zijn ontslag het aanschafTen van machineriën door zijn werkgever; kreeg wat werk als houier, dicht bij Uxbridge. Was kort geleden daar een maand lang aan quot;t werk geweest. Verdiende f 1.50 per dag. (Waarschijnlijk aan drank besteed; schijnt niet veel lust tot werk te hebben). Heeft langen tijd rondgezworven. Verdiende vandaag een dubbeltje, kocht een stuiver thee en een stuiver suiker (haalt beiden uit zijn zak), maar kan geen gelegenheid vinden om thee te zetten; — had gehoopt in staat te zullen zijn den nacht door te brengen in een slaapstee, waar hij dan tevens een theepot te leen had kunnen krijgen, maar hij had niets verdiend Gisteren verdiende hij ook niets, sliep in een Casual Ward 3); heel armoedig, te weinig voedsel en te veel werk. Zes oneen brood en een kan gortwater, een ons kaas en zes of zeven oneen brood als middagmaal. Voor avondeten juist hetzelfde als het ontbijt. En daarvoor moet je 1120 Eng. ponden steenen kloppen of i pond touw tot werk uitpluizen.»

4) Covent Garden Market is een der vele overdekte marktplaatsen in Londen.

2) Vereeniging ter bescherming van Handelsrechten.

3) Casual Wards zijn slaapplaatsen van gemeentewege geopend, waar personen zonder onderkomen en geld logies en voedsel kunnen verkrijgen, mits zij in ruil daarvoor eene zekere taak verrichten.

27

-ocr page 46-

ZONDER ONDERKOMEN.

No. 0. Heeft vier nachten achtereen in de open lucht geslapen. Was brander van beroep; vier maanden zonder werk; wilde maar niet zeggen waarom hij zijn laatste betrekking had verlaten, maar het was zijn eigen schuld. (Heel waarschijnlijk; een vadzig uitziend persoon, met onverstandig uiterlijk,zes voel lang, dikke nek, zwaar gebouwd, klaarblijkelijk zonder eenige geschiktheid.) Verdiende gisteren drie stuivers door op een paard te passen; kocht een kop koffie en een stuiver brood en boter. Heeft nu geen geld meer. Sliep gisteren nacht onder de Waterloo-brug.»

No. 7. «Goedhartig uitziend man; iemand die veel lijden zal zonder er over te spreken; kleeren kaal en versleten, glimmend van vuil en ouderdom, zij hingen hem los aan het lijf, vreeselijke lompen! Ik zag hoe hij trachtte te loopen. Hij hief de voeten langzaam op en zette ze heel voorzichtig neer, klaarblijkelijk met pijn. Hij leed aan open beenen. en was reeds herhaaldelijk in gasthuizen ter verpleging opgenomen geweest. Zijn oom en grootvader waren beiden predikant; nu reeds overleden. Eens had hij een goede betrekking gehad aan een kassiers-kantoor en later gedurende negen jaar aan de London and County Bank. Daarna werd hij geplaatst bij een notaris, die bankroet ging, zoodat hij op zijn ouden dag met een ziek lichaam zonder bron van bestaan was. «Een betrekking als klerk,» zei hij, «is niets waard, want er zijn er zoovelen die zich daarvoor aanbieden, en als ge eens zonder betrekking zijf, kunt ge slechts met de grootste moeite een andere \\inden. Een zwager van mij is groothandelaar op de Beurs, maar hij wil mij niet erkennen. En zie mijn kleeren maar eens. Is het wol een wonder?»

No. 8. «Heeft hier vier nachten achter een geslapen. Is opperman van zijn vak, dat wil zeggen, een handig man. Had een paar weken achtereen werk, maar is nu weer drie weken zonder. Heeft negen dagen lang niets verdiend. Hielp daarna een gevel schoonmaken en kreeg fl.50. Doet al wat hij maar krijgen kan. Is 46 jaar ond. Verdient gewoonlijk een dubbeltje of drie stuivers per dag door op paarden te passen. Een kop thee en een stuk brood gisteren en vandaag is al watVhij te eten heeft gehad.»

No. 9. «Ken loodgietersknecht. (Al die lui, die «iemands knecht» zijn, zijn armoedige exemplaren der menschheid, klaarblijkelijk zonder doortastendheid en volkomen ongeschikt tot eenig werk, dat hun een goed loon zou geven. Te oordeelen naar den schijn, doen zij ook wel niets goed. Zij zijn een soort automaten, waarvan de machinerie verroest is; langzaam, onverstandig en onbekwaam. Iemand met een beetje gezond verstand laat hen heel spoedig achter zich. Ongetwijfeld zouden zij wel meer kunnen verdienen met ander werk, maar zij missen de energie. Dit veroorzaakt dus dat. ze weinig voedsel krijgen, aan weer en wind zijn blootgesteld en dag aan dag minder in staat zijn tot werken. «Wie niet heeft, van dien zal, enz.») Zonder werk door schaarschte, doetsjouwerwerk; sliep hier drie nachten achtereen. Is dokwerker als hij werk kan krijgen. Verdient dertig cent per uur; werkt net zoo lang als er werk is. Verdient f 1,20, fl.80 of f2.70 per dag. Moet er heel hard voor werken. Het leven in Casual Wards is ook heel armoedig voor diegenen, die er niet aan gewoon zijn, en ze geven er niet genoeg eten, zegt hij. Vandaag heeft hij een stuiver verdiend door even op een rijtuig te passen. Gisteren besteedde hij ill cent voor ontbijt, en daar heeft hij den geheelen dag op geteerd. Hij is 25 jaar oud.»

No, iO. «Tsaleen maand zonder werk. Sleeper van beroep. Heeft een lamme arm cn kan daarom zijn werk niet naar behooren doen. Heeft hier de geheele week geslapen; is erg verkouden door het nat worden in den regen. Leeft door allerlei kleine karreweitjes (juist als alle anderen.) Verdiende gisteren dertig cent door op een rijtuig te passen en een paar pakjes te dragen. Verdiende van daag in \'t geheel niets, maar had toch een goed maal, dat hem door een dame word gegeven. Heeft den geheelen dag rond geloopen om werk te zoeken en is doodaf.»

28

-ocr page 47-

29

No. ii. «Eon jongen van zestien jaar. Droevig geval, Lomlenaar. Doet allerlei liarreweitjes en verkoopt lucifers. Heeft van daag drie stuivers verdiend; d. i. netto winst zeven en een halve cent. Heeft hier een maand lang eiken nacht geslapen. Vroeger sliep hij in Covent Garden Market of op stoepen. Hij heeft zes maanden achtereen in de open lucht geslapen, sedert hij de industrieschool te Feitham (eon verbeteringsgesticht voor jongens) verliet. Hij was daar heen gezonden voor stukjes draaien. Heeft van daag een stuk brood gehad; gisteren maar een paar kruisbessen en kersen, (slechte namelijk, die weggegooid waren) Moeder leeft nog. Zij gooide hom de deur uit, toen hij van Feltham terugkwam, omdat hij haar geen geld voor drank kon geven.

No. 42. Oude man, 07 jaar oud. Beschouwt alles uit een humoristisch oogpunt. Soort van Jantje Zonderzorg. Zegt dat het hem niet erg aanstaat, maar och, het moet hem aanstaan! Ha, ha! Hij is leidekker van beroep. Al een poos zonder weik geweest; natuuilijk, het jonge volk krijgt al het werk. Soms doet hij wel wat aan het metselen; kan zich in alles schikken. Loopt mijlen ver en krijgt toch niets. Verdiende van de week een paar stuivers met het vasthouden van paarden, \'t Is wel hard, dat is waar. Vroeger deed het hem wel zeer, en hij werd wel eens ontmoedigd, maar dat baat toch niets, nu geeft hij er maar niet meer om. Hij heeft van daag een kop koffie en een stuk brood gehad. Zijn gezondheid is heel slecht, niet half zoo dik als vroeger; gebrek aan voedsel en een onderkomen is de oorzaak; werd gisterennacht doornat van don regen en is dientengevolge verstijfd. Heeft róndgeloopen sedert het licht werd, om 3 uur in den morgen. Was zoo koud en nat en verzwakt, dat hij haast niet wist wat te doen. Wandelde naar Hyde Park en ging daar zoodra het park open was op een droge bank zitten en viel inslaap.

Dit zijn waarlijk typische voorbeelden van de raenschen, die nu zonder onder dak hier op onze straat zwerven. En deze voorbeelden toonen tevens duidelijk genoeg aan, op welke wijze de gelederen van de zwervende stammen onzer heuendaagsche beschaving van hooger op worden aangevuld.

Dit zijn de korte levensgeschiedenissen, zoo maar hier en daar op goed geluk af op een zomernacht van dit jaar bijeengegaard, ouder de schaduw der platanen op het Embankment. 1) Een maand later, toen een van mijn staf-officieren het aantal slapenden in de open lucht natelde langs de Theems, van Black-friars tot Westminster, vond hij drie honderd acht en dertig personen slapende in de open lucht. Van dit aantal waren er twee honderd en zeventig op het Embankment, en negen en tachtig in en om Covent Garden Market, terwijl de bogen van Waterloo- en Blackfriars Bruggen vol waren van men-schelijke ellende.

Nu moet men wel bedenken dat dit niet in den tijd was van slappen handel. Van alle zijden is het bewezen en aangetoond, dat alle zaken opkwamen, wat vooral uit meer verbruik van sterken drank bleek. Engeland is door voorspoed rijk ge-

1) Het tot een breeden verkeersweg met vijf purken aan üc Theems ontwoekerd deel tnsschen de Black Friars en Victoria of Parlementsgebouw-br«g.

-ocr page 48-

ZON Dl: It ONDERKOMEN.

iioeg om zoo groote hoeveelheden rum te drinken, dat zelfs de Minister vim Financiën er over verbaasd staat; maar ter zelfder tijd toont het zich niet rijk genoeg om voor een ander onder dak te zorgen voor deze arme verworpelingen, dan den blooten hemel op het met zoo veel armoede in de schreenwendste tegenspraak zijnde prachtige Embankment.

Voor velen, zelfs der bewoners van Londen, is het misschien iets nieuws te Ternemen, dat er zoo vele honderden zijn, die iedereu nacht op straat doorbrengen. Er zijn betrekkelijk weinig menschen, die na middernacht nog op straat toeven, en wanneer wij warm en wel onder de dekens liggen in ons eigen bed, dan vergeten wij zoo gemakkelijk die groote menigte daarbuiten, in regen en storm, die den geheelen nacht door, huiveren op de harde steenen banken onder den blooten hemel of onder de spoorweg-viaducten. Toch toeven zij daar, die hongerlijders zonder nachtverblijf, maar voor het meerendeel zoo verbroken van geest, dat zelfs de naastbij wonenden ter nauwernood hunne stem vernemen. Slechts nu en dan rijst er een wanhoopskreet op uit die diepten, en doet, voor een enkel oogenblik gehoord, wie haar hooren even opschrikken, maar spoedig keert alles tot doodsche stilte terug. Die sprakelooze menigte doet zich even zelden hooren als Biliamsezel. Maar somtijds staat nog onder hen een woordvoerder op. Hier bijvoorbeeld is een voorval dat mij bijzonder diep getroffen heeft. Een poosje geleden las ik het in eene Liverpoolsche Courant. De spreker hield een redevoering tot een klein gehoor van twintig of dertig mannen: —■

«Jongens,» begon hij, met de eene hand in de borst van zijn versleten vest, en met de andere als gewoonlijk zich zenuwachtig den baard plukkende, «dat soort van tobberij kan niet altijd duren.» Ernstig gemeende en uit het hart komende beantwoordingen. «Neen dat kan het niet! Dat mag het uiet!» «Wel, jongens,» vervolgde de spreker, «er moet ons iemand helpen om een weg te vinden om uit dezen toestand te geraken. Wat we hebben willen is werk, geen werk uit milddadigheid, geen be-deelingswerk, hoe goed ook bedoeld. God weet het. Maar wat we wenschen is werk, eerlijk werk. (Zeker, zeker!) Nu, wat ik voorstel is, dat jelui allen elk vijftig maats opzoeken om zich bij ons aan te sluiten; dan zijn we met ons 1200 hongerlijders, —» «En dan?» vroegen verscheidene magere en hongerig uitziende mannen vol opwinding. «Wel, dan,» vervolgde de leider. «Wel, dan,» viel hem een Ijjkkleurig man uit het verste en donkerste gedeelte van den kelder in de rede, «dan zullen we het maar eens op zijn Londens afmaken, zeg?» «Neen, neen 1gt; gaf mjjn

30

-ocr page 49-

31

vriend haastig ten antwoord, terwijl hij de handen afkeurend omhoog hief, «we zullen het op vreedzame wijze afmaken, jongens! We zullen met ons allen naar het stadhuis gaan en onze armoede laten zien, en vragen om werk. De vrouwen eu kinderen zullen we ook mode nemeu.» («Die hebben geen kleeren! Ze zijn te zwak! Ze kunnen haast niet loopenl») «Wel jongens, de lompén onzer vrouwen zijn geen schande, de zwakke, waggelende kinderen zullen doen zien, hoe ver het met ons gekomen is. Laat ons met ons duizenden gaan, en vragen om werk en brood !»

Drie jaar geleden waren er in Londen zulke optochten, kerk-parades naar de Westminster-Abdij en St. Pauls, kampeering op Trafalgar Plein, enz. Maar Dives 1) vond dat Lazarus zijn lompen en wonden te aanschouwelijk toonde, en daarom werden er maar korte metten mot hem gemaakt in den naam van wet en orde. Maar daar we een dag hebben, Lord Mayor\'s dag, waarop al de weldoorvoede, in \'t bont geldeede Burger-Vaders in prachtige koetsen in optocht door de stad gaan, waarom zouden wi) dan ook niet een «Lazarus-dag» hebben, waarop de hongerlijdende werkeloozen en de uitgemergelde werklieden van Londen, in lompen gehuld, met hunne magere, hongerige aangezichten en vermagerde vrouwen en kinderen, een optocht van wanhoop, langs onze groote straten, voorbij de grootsche paleizen en schoorie gebouwen van ons weelderig Londen houden?

Want deze mannen worden langzaam maar zeker door het drijfrad onzer hedendaagsclie maatschappij verzwolgen. Zij strekken hunne magere, beenderige handen te vergeefs tot ons uit, niet om een aalmoes te ontvangen, maar om werk.

Werk, werk! Dat is het waar ze voortdurend om bidden en smeeken. De goddelijke vloek is voor hen de gezegendste aller zegeningen. «In het zweet uws aanschijn zult gij uw brood eten. gt; Maar helaas! deze arme zonen van Adam, zij vinden geen brood om te eten, want de maatschappij heeft geen werk voor hen te doen. Wij gunnen deze armoelijders hun deel in de zegeningen door den «tweeden Adam» aangebracht, laat ons dan minstens pogen hen aan het deel des «eersten Adams» te helpen.

•1) De rijke man in de gelijkenis. Hij wordt niet bij name genoemd. Naar .lezus woord Matth. 19 ; 23, 2i, voelde hij zeker zelf niets van zijn handelen tegen de wet. liet is als een conscientiewoord, dat hem enkel Dives (Rijke) heeft doen heeten.

-ocr page 50-

HOOFDSTUK IV.

J)c werkoloozen.

Er is bijna geen hartroerender schouwspel, dan om den sterken, bekwamen werkman te zien, te midden van onze paleizen en kerken, klagelijk vragend, niet om milddadigheid, maar om werk, slechts smeekende om het voorrecht van een onafgebroken slavenarbeid, opdat hij ten minste in staat moge zijn daardoor zijn ledigen buik te vallen en de hongerkreten zijner kinderen te stillen. En wat baat hem zijn sraeeken en bidden, en zoeken naar werk als naar een verloren schat, die hij toch niet vindt? Is het een wonder, dat de vroeger -willige, ijverige werkman ten laatste geheel terneer geslagen, ontmoedigd en uitgeput, door den vruehteloozen, vennoeienden strijd, een onbeschaamde nietsdoener wordt, geheel opgaande in zijn ellende, en wanhopende aan alle hulp in deze of in de toekomende wereld. Waarlijk, de inrichting onzer industrie laat, wat organisatie aangaat, nog heel wat te wenschen over. Een vraagstuk, dat zelfs door slavenhouders uit belang is opgelost, behoort toch niet opgegeven te worden als ware het voor de Christelijke beschaving onzer negentiende eeuw een onoplosbaar raadsel.

Reeds gaf ik een paar schetsen uit het leven, zooals ik die hoorde uit den mond van hen, die zonder te huis op het Embankment slapende werden gevonden; schetsen, die een blik doen slaan op de moeielijkheid en de ellende van de vruchte-looze pogingen tot het zoeken van werk. Maar welk een narae-looze vreeselijke ellende, — een ellende van dikke duisternis die langzamerhand al de heldere zonneschijn uit het leven van den lijder verduistert — zou niet beschreven kunnen worden uit de onopgesmukte, sombere levenservaringen van de haveloozen, die men dag in dag uit op straat ontmoet. Deze mannen, wier

-ocr page 51-

DE JACHT OP WEEK.

werkkracht hun eeuige kapitaal uitmaakt, wordt het veroorloofd, wat niets minder zegt, dan door de harde noodzakelijkheid opgelegd, om dag aan dag te verkwisten, door het ontbreken van elke gelegenheid tot arbeid verrichten, en dan — wanneer dagen en weken voorbij zijn gegaan, waarin Imn kapitaal bij ponden is te loor gegaan, wordt hun nog de les gelezen dat ze geen stuivers hebben weten uit te sparen. Als een rijk man zijn kapitaal nergens anders toe gebruiken kan, zet hij het uit op interest, maar de bank voor het kapitaal van den armen man n.l. werkkracht, moet nog uitgevonden en opgericht worden. Toch zou het wel der moeite waard zijn zich voor het ontdekken daarvan ernstig in te spannen. De arbeid is niet alleen het kapitaal van den arme, maar ook zijn leven. Wanneer dat voorbij is, keert het nooit weer terug. Die werkkracht te gebruiken, te voorkomen dat zij verkwist wordt, en den arme in staat te stellen tot het op interest zetten daarvan tot later gebruik, dit behoort voorzeker een van de meest dringende zaken te zijn, die de beschaving als doel behoort voor oogen te houden.

Te zoeken naar werk is voorzeker de moeilijkste en meest vreeselijke arbeid. Zoodra echter is niet een werkman zijn tegenwoordige betrekking kwijt, of hij ziet zich gedwongen altoos weer opnieuw de doodsche rondreis van meestal vruchtelooze bezoeken te beginnen. Het volgende is de geschiedenis van een uit de duizenden quot;zwervers, zooals hij die zelf verhaalde, van een die door bijtenden honger tot misdaad was gedreven.

Op een helderen lentemorgen landde ik, na een veertien jarig verblijf in een onzer westelijke koloniën, weder op dezelfde plaats van waar ik toen afgezeild was. Die veertien jaren waren, wat den uitslag daarvan aangaat, jaren die mij geen voorspoed hadden gebracht, en hier stond ik nu weer, een vreemdeling in mijn eigen land, om mij zelf een nieuwe loopbaan te verwerven en opnieuw den strijd voor het leven aan te vangen.

Mijn eerste gedachte was om werk te zoeken. Nooit te voren had ik meer verlangd naar een goede gelegenheid om op eerlijke wijze mijn dagelijksch brood te verdienen; maar waar zou ik werk vinden? Met beslistheid en ijver ging ik aan \'t zoeken. Een dag ging voorbij zonder dat ik slaagde, en een ander, en nog een, maar ik gevoelde mij aangemoedigd door de gedachte: «Morgen misschien beterh) Men zegt wel: «Zoo lang er leven is, is er nog hoop,» maar deze zou met mij op een zware proef gesteld worden. Dagen werden tot weken, en nog altijd was ik aan het zoeken, vol geduld en vol hoop. Zoo dikwijls werd ik met hotfelijkheid en beleefdheid behandeld, wanneer ik om werk vroeg, dat ik op het laatst wel eens begon te wenschen, dat men mij de deur uitgetrapt had, om aldus een verandering te hebben in deze eentonigheid van het walgelijke: «Wij zullen er eens over denken» woorden die de onverschilligheid en het geheel gemis aan belangstelling in mijn omstandigheden al met een zeer dun vernisje van beleefdheid dekken. «Neen, we hebben je niet noodig,» was anderer bits bescheid. Elders was het; «Wees zoo goed en val ons niet meer lastig.» (Dit bij mijn tweede bezoek.) «We hebben geen plaats; en als er plaats was, zijn er toch heel wat anderen, die wij zouden moeten laten voorgaan.»

33

3

-ocr page 52-

DE WERKELOOZEN.

Wie kan het gevoel beschrijven, dat zich van iemand meester maakt, wanneer het hem duidelijk hegint te worden, dat al zijn zoeken naar werk tevergeefs is? Al mijn hoop en verwachtingen schenen mij bedrogen te hebben. Ik had zoo dikwijls over hulpeloosheid hooren spreken, en ei\' zelf over gesproken, dat ik meende, dat ik er alles van wist. Ja wel, ten opzichte van anderen, maar nu begon ik het voor mij zelf te verstaan. Langzamerhand begon mijn persoonlijk voorkomen al minder en minder vertrouwen in te boezemen. Mijn eens zoo helder linnengoed werd goor en vuil. Al lager en lager sleten de hakken mijner schoenen af, en ik kwam tot den neerdrukkendtn toestand van «fatsoenlijke armoedigheid.» Stonden voor dien tijd de kansen voor mij reeds slecht, hoe weinig viel er thans voor mij te hopen, terwijl ik zelf te goed zag, dat ik er te schamel uitzag om iemand gunstig te stemmen, en dus nog minder om aan mijn verzoek om geplaatst te worden het oor te leenen.

Nu begon de honger zijn werk, en ik zocht mijn toevlucht voor de poort van het dok. Maar hoe gering was mijne kans van slagen te midden van al de hongerlijders daar, bij wier reuzengestalte ik als in het niet wegzonk. Van toen aan dreef mij de stroom al verder van mijn doel mede, tot «grimmige armoe» mij op mijn laatste shillingstuk, mijn laatste nachtverblijf, mijn laatste betaald maal deed staren! Wat te doen? Waarheen te gaan? Mijn denkvermogen werd stomp van het vruchteloos peinzen. Zou ik dan waarlijk van gebrek moeten omkomen! Zou er dan niet nog ergens eene deur open zijn voor iemand, wien het ernst is een eerlijk stuk brood te verdienen? Maar hoe die deur te vinden? Wat staat mij, nu het zoover met mij gekomen is, te doen? «Drink», lluisterde des verzoekers stem, maar om zich tot dronkenschap toe te bedwelmen is geld noodig, en om zijn leed door drank te vergeten is een bedrag noodig, dat tegen het geneesmiddel opweegt.

Van honger omkomen of stelen, scheen voor mij de uiterste kans «Kies^, sprak op nieuw de verzoeker, «niets anders bleef u over.» Reeds de gedachte van een dief te worden, deed mij rillen. «Waarom het zoo nauw te nemen,» spotte de verzoeker. «Het is nu toch zoover, dat niemand meer om je geeft! Ik zou nu iedere hooge gedachte van mijzelf maar op zij zetten. De hongerdood of stelen, geen derde blijft over. Ik worstelde en worstelde, tot de honger mij stompzinnig had gemaakt, en toen werd ik een dief.

Niemand kan beweren dat liet slechts een ijdele vrees was van den hongerdood te zullen sterven, waardoor deze man gedreven werd tot diefstal. De sterfte door werkelijk gebrek aan voedsel is meer algemeen dan men wel zou denken. Verleden jaar liep een man, wiens naam nooit bekend is geworden, door St. James\' Park, toen drie van onze toevluchtsmannen hem plotseling zagen struikelen en vallen. Zij dachten dat hij beschonken was, maar bevonden dat hij in zwijm was gevallen. Zij droegen hem naar de brug en gaven hem aan de zorg van de politie over. Hij werd naar het George\'s Gasthuis gebracht en stierf daar. Het bleek, dat zijn verhaal waarheid was, dat hij van Liverpool was komen loopen, en in geen vijf dagen een kruimel voedsel had gehad. De dokter zeide echter, dat hij veel langer zonder voedsel moest geweest zijn. Bij de lijkschouwing sprak de jury als hare bevinding uit: «Den hongerdood gestorven».

Zonder voedsel, vijf dagen lang en nog langer! Allen, die zich slechts voor een enkele maal één maaltijd hebben moeten

34

-ocr page 53-

EEN OMVANGRIJK VRAAGSTUK.

ontzeggen en iets van Jat gevoel van flauwte af weten, kunnen zich een kleine voorstelling maken, welk een langzame pijniging dien man gedood heeft!

Het aantal werkeloozen werd in Londen in 1888 door de commissie, die in het Mansion House (des Lords Mayors paleis) hare zittingen hield, geschat op gemiddeld 20000 per dag. Deze omvangrijke vergaarbak van ongebruikt gelaten werkkracht is de hinderpaal, die elke poging om de schaal der verdiensten voor den werkman te doen rijzen en zoo zijn lot te verbeteren, in den weg staat. Mannen, die door verhongeren op den rand des grafs komen, omdat zij zelfs geen korst droog brood verdienen kunnen, zijn de stol, waaruit het gebrek de «blacklegs» 1) kweekt, die de hulptroepen vormen, waardoor de knappe werkman aanhoudend de nederlaag lijden moet bij zijn streven om in gunstiger omstandigheden te geraken.

Het altijd voorradig zijn van uitgehongerden en drinkers, die voor elk loon nog werk doen, en het verzet tegen hen die loon naar werk eischen; daarin ligt de niet door te hakken knoop, waarvoor alle kans tot regeling van het arbeidsvraagstuk staat, en dat ook nog door geen van de plannen van welwillende werkgevers een stap is vooruit gekomen.

35

Om een stevig, duurzaam gebouw op te trekken, dat niet dreigt te gronde te gaan, zoodra de eerste de beste storm opsteekt en de eerste orkaan zijn kracht doet gevoelen, moet het gegrond zijn niet op zand, maar op rotsgrond. En wat nu alle gemaakte plannen in het belang van het maatschappelijk leven, door een beter organiseeren der bekwame en ervaren werklieden, waardeloos maakt, is dat zij niet op rotsgrond, zelfs niet op zand steunen, maar in moerassigen veengrond de massa weggezonken werkeloozen tot onderlaag hebben. Met dezen moet rekening gehouden worden zal er van de meet aan kans op slagen zijn. De voldoende ordening van deugdelijk werkvolk, dat vast werk heeft, is niet zoo bijzonder moeielijk. Dit kan geschieden en is ook reeds tot stand gebracht. Het vraagstuk voor welks oplossing wij staan is, hoe in broederschap te vereenigen en naar geschiktheid te ordenen hen, die buiten werk zijn of het slechts te hooi en te gras vinden en door een aangrijnzenden hongerdood gedreven worden, om in het karak-

1) Blacklegs — eigenlijk iematiil, die eeti valsclie speler is, en daarnaar ouder het werkvolk de slechte kameraad, die door onderkruipen als anderszins in slechten reuk staat en noode geduld wordt.

-ocr page 54-

36

ter van een rooversbeude de mededinging tegen hunne beter bezoldigde broeders eu zusters te beproeven. Beeds in het boek vaii Job hooren wij het satanswoord: «huid voor huid, al wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven,» hoe zouden zij, die niet of niet meer in God of oordeel gelooven, niet alles op het spel zetten om dit tijdelijk leven te behouden.

Het is niet mogelijk den omvang van dit vraagstuk te overschatten. Het is reusachtig genoeg om ons tot wanhoop te brengen. Maar zij, die hun vertrouwen niet alleen op menschen stellen, maar meest op Hem, die de Almachtige is, mogen nooit wanhopen. Wanhopen is het geloof verliezen; wanhopen is God vergeten. Zonder God kunnen wij niets doen in dezen vreeselijken chaos van menschelijlie ellende. Maar met God vermogen wij alles, en door het geloof, dat Hij den mensch naar zijn beeld heelt geschapen, kunnen wij zelfs deze uitgehongerde en wanstaltige schipbreuklijders met hoopvol vertrouwen gadeslaan, wetende, dat zoo wij slechts getrouw zijn aan onze hooge roeping, de Almachtige en Algoede zich niet onbetuigd zal laten iu het openen van een weg ter bevrijding.

Ik wensch niets hards te zeggen ten aanzien van hen, die trachten een weg ter ontkoming te vinden, maar zonder behoefte te gevoelen aan hooger bijstand. Voor hen gevoel ik eerder deelneming en medelijden. In zoo verre zij toch zich beijveren om brood te geven aan de bongerigen, kleeding aan de naakten en bovenal werk aan de werkeloozen, pogen zij reeds tot op die hoogte den wil van onzen Vader, die in de Hemelen is, te volbrengen; en wee hun, die het hun zouden willen verhinderen ! Doch verweesd te zijn aan alle bewustzijn van Gods vaderschap en vaderzin, is voorzeker niet eene verborgen bron van zedelijke kracht. Die verweszing moet wel in bijna alle gevallen — zou zeker voor mij bij mijn pogen — eene innerlijke verlamming teweeg brengen. Wanneer ik niet mijns Vaders hand ook in de duisternis gevoelde, en Zijn stem niet hoorde ook in het holst van den nacht, mij uitnoodigende de hand aan den ploeg te slaan, dan zou ik ongetwijfeld teruggedeinsd zijn; — maar zooals het nu met mij staat kan ik dat niet.

Hoevelen zijn er niet, die eveneens dergelijke pogingen hebben gewaagd en wier pogingen zoo mislukt zijn, dat wij niets meer van hen hebben vernomen! En toch heeft niet één hunner iets meer durven ondernemen dan slechts even door de oppervlakte te dringen van het kwaad, dat ik met Gods hulp tot in al zijn omvang zal trachten aan te tasten. De meeste ontwerpen ter verbetering van den toestand onzer werkende

-ocr page 55-

na ah welken maatstaf op te lossen.

standen zijn er kennelijk en zooals ook vaak erkend wordt, enkel op aangelegd om hun te baten, wier lot het minst verbetering behoeft. De Utopisten, de staathuishoudkundigen en de meeste philantropen bieden enkel geneesmiddelen aan, die zoo zij morgen werden aangenomen, slechts van invloed konden zijn op de aristocratie van wie in moeielijkheid verkeeren. Alleen de ijverigen, de werkzamen, de matigen, de denkers zijn het die voordeel kunnen trekken uit deze plannen. Maar de ijverigen, de werkzamen, de matigen, de denkers zijn over het algemeen vrij wel in staat om voor zich zelf te zorgen. Niemand zal ooit een merkbaar reddenden invloed oefenen op het «moeras van ellende», die niet voorziening weet te maken voor de luien, de onmatigen, de misdadigen en do zorgeloozen. Het ontwerp tot tSociale Verlossing, dat niet even ver zich uitstrekt als het ontwerp der Eeuwige Verlossing in het Evangelie beschreven, is niet waard besproken te worden.

Ook deze Blijde boodschap moet gelden voor elk schepsel en niet slechts voor een klein getal uitverkorenen. Eene on-menschelijke, ijzerharde, pseudo-staatkundige economie heeft reeds veel te lang bij ons op den troon gezeten. Het is hoog tijd dien valschen afgod neder te werpen en eene tijdelijke verlossing bekend te maken even vol en vrij en algemeen, en zonder andere grenzen dan het «Wie maar wil» van het Evangelie.

Wanneer wij wenschen het verlorene te redden, moeten wij aan de broederschap der menschheid geen grenzen stellen. Wanneer het ontwerp, dat ik in dit boek voorstel, niet evenzeer van toepassing is op den dief, de hoer, den dronkaard en den luiaard, dan is het maar het beste om het zonder veel plichtpleging over boord te werpen. Evenals Christus niet gekomen is om de rechtvaardigen te roepen, maar de zondaars, zoo ook moet deze nieuwe boodschap van Tijdelijke Verlossing, van verlossing uit nijpende armoede, uit lompen en ellende, aangeboden worden aan allen. liet is natuurlijk mogelijk, dat zij dit aanbod van de hand slaan. Maar wij, die onszelven noemen naar den naam van Jezus Christus, zijn niet waardig te belijden Zijne discipelen te zijn, totdat wij een deur geopend hebben, waardoor de slechtste en diepst gevallene van hen, die nu nog schijnbaar levenslang zijn gekluisterd in een vreese-lijken kerker van ellende en wanhoop, kunnen binnengaan. Zij zelf moeten de verantwoordelijkheid der verwerping dragen, en niet wij. Wij kennen allen Agnrsbede: «Armoede of rijkdom geef mij niet: voed mij met het brood mijns bescheiden deels,» — (Spr. 30 : 8); — en Gode zij dank, voor ieder menschenkind

87

-ocr page 56-

DE quot;VVERKELOOZEN,

op deze planeet kan het gebed van den zoon van Jakeh, vervuld worden.

Hoever wij echter nog van de verwezenlijking van dien idealen toestand verwijderd zijn, kan door een ieder opgemerkt worden, die zich slechts de moeite wil geven om naar de dokken te gaan en daar den strijd om werk gade te slaan. Hier onder geven wij een schets van den toestand zooals die daar verleden zomer was:

Londen-dok, 7.25 v m. De drie paar groote houten deuren zijn nog gesloten. Er tegenaan geleund en vlak in den omtrek staan misschien een paar honderd man. De kroeg er vlak over is vol, maakt goede zaken. De geheele straat is vol groepen mannen, en van allo zijden stroomt nog meer volk toe.

7.30. De deuren worden geopend, het volk stroomt naar binnen. Zij kunnen omstreeks een honderd passen ver gaan, waar hun den verderen voortgang belet wordt door een gespannen ketting, die door eenige politie-agenten wordt bewaakt. Zij, die aangenomen zijn (dit geschiedt gewoonlijk \'s avonds te voren) vertoonen hun bewijs en mogen doorgaan. Dit zijn ongeveer zes honderd. De overigen — omstreeks een vijf honderd-tal — blijven voor de afsluiting geduldig staan wachten, in de hoop van zoo gelukkig te zullen zijn, aangenomen te worden voor een karrewei; maar nog geen twintig hunner valt dat buitenkansje ten deel. Zij worden aangenomen door een «voorman» die voor de afsluiting verschijnt en zijn menschen uit de verzamelde menigte uitpikt. Zoodra vertoont hij zich niet, of er is een algemeen gedrang naar zijn kant en allen doen wanhopige pogingen om zijne aandacht te trekken. De mannen die hij uitkiest worden doorgelaten en de kortstondige opwinding verdwijnt, totdat zij weer opgewekt wordt door de vraag naar een nieuwe ploeg mannen. Zij wachten tot de klok door acht slagen het sein geeft om af te trekken. De ketting wordt weggenomen en die honderden mannen verwijderen zich, met moedeloosheid in hun gang om ergens anders «een karrewei» te vinden.

Van de vijf honderd die zich aanbieden worden slechts twintig aangenomen! Het is geen wonder dat een man, wiens voorkomen van uitputting getuigt, zich de verzuchting laat ontvallen: «\'t Is wat te zeggen! Wat zal ik doen?» Sommigen blijven in de buurt rondslenteren tot \'s middags, in do flauwe hoop nog voor een halven dag te worden aangenomen.

Ondervraag die mannen en ge zult menige geschiedenis te hooren krijgen, waarvan het volgende als type gelden kan:

R. P. vertelt: «Ik had geregeld werk aan de West-Indische dokken tot dat de werkstaking begon. Wij verdienden een kwartje per uur. We begonnen \'s zomers om 8 uur en \'s winters om 9 uur \'s morgens. Dikwijls meldden er zich vijf honderd aan waarvan er slechts twintig aangenomen werden (behalve degenen die den avond te voren zijn aangenomen). De voorman stond voor de afsluiting en riep de namen af van hen, die hij noodig had. Hij kende er een vijf honderd bij naam. Er werd gewoonlijk geregeld om werk gevochten. Ik heb \'t wel eens bijgewoond dat er negen honderd worden aangenomen, maar altijd worden er honderden afgewezen. Het is bun vooruit bekend als er schepen aankomen, waardoor er waarschijnlijk werk voor hen zal zijn. Zij komen dan in grooten getale zich aanmelden. Soms verdiende ik 18 gulden in de week, maar dan weer in veertien dagen niets. Dat is een harde dobber. Soms hebt ge een week lang geen eten, en als ge dan werk krijgt, zijt ge te zwak om het werk goed te doen. Ik stond steeds tusschen de menigte voor den ingang, en honderde malen moest ik weg gaan omdat er geen werk voor mij was. Toch zou ik echter er weer aan beginnen als ik kon. Ik werd het

-ocr page 57-

IN DE DOKKEN.

eindelijk moede, dat er imar zoo weinig voor mij te doen was, en ik ging naar buiten om te trachten werk te vinden op een boerderij, maar dat ging ook niet en zoo derf ik de zes gulden, welke gestort moeten worden door wie lid willen zijn van de vereeniging van dokwerkers. Over een dag of twee hoop ik weer naar buiten te gaan, om het nog eens te probeeren. Misschien kan ik fl.80 per dag verdienen. Toch kom ik later weer terug naar de dokken. Er is wel een kans om vast werk te krijgen aan het dok, en dat is door voortdurend in de buurt te zijn van de kroegen, waar de voorman zijn borreltje komt drinken en hem dan een paar maal te trakteeren. Dan neemt hij je gewoonlijk den volgenden dag aan.

R. P. was niet lid vati de Dokwerkers vereeniging. H. F. was dat wel. Hier volgt zijn ondervinding, die heel wat op de vorige gelijkt; —

«Vijf maanden geleden werkte ik aan het St. Katherina\'s dok. Om zes uur \'s morgens moet je al aan de poort wezen voor de eerste oproeping. Gewoonlijk staan er dan al 400 man te wachten. Dan worden er een honderd of twee honderd aangenomen. Om zeven uur is de tweede oproeping. Tegen dien tijd zijn er weer vier honderd bijeen en worden er soms een honderd aan \'t werk gezet. Om negen uur en dan om één uur wordt er een andere oproeping gedaan. Zoo wat het zelfde getal mannen komen bijeen, maar honderden worden weggezonden zonder werk. Ik was lid van do vereeniging. Dat gaf mij f6.— per week als ik ziek was, of f4.80 als ik licht gekwetst werd, behalve eenige andere kleinere voordeden. Ze nemen nu in de dokken niemand meer aan het wqrk, tenzij ze lid zijn der vereeniging. Dat komt omdat er toch al veel te veel volk is. Soms had ik voor twee of drie weken achtereen geen werk. Kens verdiende ik in een week f36.—, maar had vlak daarop veertien dagen geen werk. Voornamelijk als er in een paar dagen geen enkel schip binnenloopt is het erg slap met werk, daar er dan niets te ontladen valt. Dan zijn er verscheidene lui die haast van gebrek omkomen. Zij verstaan geen ander handwerk, of kunnen daar dan ook geen werk krijgen, en zij komen allen naar het dok in de hoop om werk te vinden, terwijl het maar veel beter was als ze weg bleven.»

Maar het is niet alleen bij de dokken, dat ge de ongeluk-kigen vindt, die te vergeefs rondloopen om werk te zoeken. Een van de vele dier droeve levenservaringen geven wij hier als voorbeeld.

C. is een forsch gebouwd man; bijna zes voet lang. Hij was vroeger artillerist (vrijwilliger voor 12 jaar), en had goede vorderingen onder dienst gemaakt. Hij schijnt een ijverig en Hink man geweest te zijn. Hij kocht zich zelf vrij, en daar hij een goede kok was, opende hij een volksgaarkeuken, maar na vijf maanden was hij gedwongen deze te sluiten, dooi- dat een fabriek vlak bij zijn huis door faillisement werd gesloten en hij dus bijna al zijne klandizie verloor.

Nadat hij een jaar of twee in Schotland en Newcastle on Tyne gewerkt had, raakte hij door ziekte zijne betrekking kwijt en kwam naar Londen, in de hoop dat hij daar, in zijn geboorteplaats, wel werk zou kunnen vinden. Gedurende de laatste acht maanden heeft hij echter geen vast werk gehad. Zijn vrouw en gezin verkeeren in een toestand van het uiterste gebrek en hij maakte de opmerking: «Wij hadden gisteren met ons allen maar anderhalve stuiver brood.» Hij is zes weken ten achter met zijn huur en is bevreesd, dat hij op straat zal gezet worden. Het meubilair op zijn woning is niet meer waard dan een paar gulden en de kleeding van elk lid van zijn gezin is haast niet goed genoeg

39

-ocr page 58-

DE WERKELOOZEN.

voor den voddenzak. Hij verzekerde ons dat hij overal getracht had om werk te krijgen, en dat hij gewillig was alles ter hand Ie nemen/ De getuigschriften die hij heeft waren werkelijk uitstekend!

Nu moge het velen voorkomen dat het een ijdele droom is, dat er een mogelijkheid bestaat om zulk een plan te beramen, waardoor onder alle omstandigheden, voedsel, kleeding en woning aan al deze werkeloozen kan verschaft worden, zonder dat hun gevoe van eigenwaarde daaronder lijden zou; maar ik ben er van overtuigd, dat die mogelijkheid bestaat, op voorwaarde dat zij willig zijn te werken; en ik ben besloten om met Gods hulp, indien ik den finantieelen steun kan krijgen, te trachten het te volbrengen ; het hoe en waar en wanneer, zal ik in de volgende hoofdstukken aantoonen.

Al wat ik hier nog op te merken heb, is, dat zoolang eenig man of vrouw slechts gewillig is zich te onderwerpen aan tncht, — die een vereischte is in eiken strijd tegen iederen machtigen vijand, — er niets onmogelijks is in het ideaal dat ik mij voorstel; en wat mij dit doet hopen, is dat de groote meerderheid dier werkeloozen hunkeren naar werk. De meesten hunner verrichten nu .een veel meer uitputtenden arbeid door te zoeken naar werk, dan zij die dag in dag uit op werkplaatsen bezig zijn; en zij doen dit, niettegenstaande zij voortdurend in hun hoop worden teleurgesteld. —

40

-ocr page 59-

HOOFDSTUK V.

Op den rand van don afgrond.

Er is ongelukkigerwijs geen noodzakelijkheid dat ik moeite doe om een overzicht, hoe onvolledig dan ook, te geven, van den droevigen toestand, waarin zich de lijders bevinden, die wij wenschen te helpen. Jarenlang hebben de dagbladen den \'weerklank doen hooren van de «Wanhoopskreten uit het donkere Londen,» schetsen gegeven uit het «Vreeselijke Glasgow,» en dergelijke. Wij hebben vele boeken met beschrijvingen van «de levenswijze der armen», en ik mag daarom veronderstellen, dat al mijne lezers min of meer bekend zijn met de hoofdbestand-deelen vim Engelands donkerste wildernissen. Mijne officieren, die in de achterbuurten werken, leven er midden in; hunne rapporten liggen voor mij. en te eeniger tijd zal ik misschien een meer uitvoerig verslag uitgeven met feiten, die den maatschappelijken toestand schetsen, waarin zich de diepgezonken millioenen bevinden. Maar nu niet. Wij zullen het er voor houden, dat gij dat alles reeds gelezen hebt. Ik roer dit onderwerp maar even aan, om de voornaamste punten van ons nieuw plan duidelijk in het oog te doen springen.

Ik heb van de armen gesproken, die geen tehuis hebben. Hun gewicht in de schaal van menschelijke ellende is grooter dan dat van hen, die nog een dak boven hun hoofd hebben. Een huis is een huis, al is het ook nog zoo armoedig; en het is aandoenlijk de wanhopige volharding te zien, waarmede de armen nog vasthouden aan het laatste, bouwvallige overblijfsel er van. Er zijn vunzige hokken en vuile binnenplaatsen, waar de lucht met de meest ongezonde uitwasemingen bezwangerd is, waar de komst van den zomer gevreesd wordt, omdat hij het leven schenkt aan legioenen van wriemelend en kruipend gedierte dat den nacht

-ocr page 60-

OP DEN HAND VAK DEN AFGROND.

tot een hel maakt. Maar ondanks dit alles worden deze verblijfplaatsen door hare zwoegende bewoners nog als rustoorden beschouwd. Men kan nauwelijks zeggen, dat zij meubels hebben. Een stoel, eene matras, en eenige latten maken het ge-heele ameublement uit van het kale vertrek, waarin zij moeten slapen, leven en sterven; maar zij klemmen er zich aan vast als een drenkeling aan een halt\' vergaan stuk hout. Iedere week brengt den huurder kwellende zorg voor de huishuur. Met pijnlijke inspanning wordt deze bij elkaar gebracht, want zij weten dat zij anders op straat zullen worden gezet. Zij worstelen om den huisjesmelker te kunnen voldoen met dezelfde wanhopige volharding, waarmede een zeeman den golf tracht te ontwijken die zijn vaartuig dreigt te verzwelgen. In tijden van arbeidsnood of van ziekte loopen zij gevaar om hulpeloos te zinken tot de laagte van hen die geen tehuis meer hebben.

Voor een man alleen is het reeds vreeselijk den strijd om het bestaan te moeten voeren, terwijl hij slechts den blooten hemel, of nu en dan het een of ander toevluchtshuis tot dak heeft. Maar verschrikkelijker nog is het lot van den gehuwden man, die met vrouw en kinderen op straat wordt gezet. Zoo lang hij voor zijn gezin nog eene nachtelijke verblijfplaats heeft, kan de vader zich nog wel staande houden; maar zoodra hij ook dien steun verliest, dan is de tijd daar om ten zijnen behoeve Christelijke deelneming, als deze tenminste nog bestaat, tot haar recht te doen komen; dan is het tijd, om de helpende hand uit te strekken tot zijne redding uit den draaikolk, die hem naar beneden zuigt —■ ja, hem voert tot den donkeren poel van wanhoop en misdaad.

«Het hart kent zijne bittere droefheid» (Spr. 14 : 10); den vreemde deert of raakt zij niet; maar toch, nu en dan klinkt ons uit de diepte een bittere klacht in de ooren, als in doodsangst geuit door een, die al zwemmende worstelt, maar door den stroom naar de diepte wordt gesleurd.

Korten tijd geleden besloot een achtenswaardig man, vijftig jaren oud, scheikundige van beroep, woonachtig in Holloway, die door geldelijke moeielijkheden tot het uiterste gedreven was, een einde aan zijn leven te maken door zich den hals af te snijden. Zijne vrouw volgde zijn voorbeeld, nadat zij hun eenig kind strychnine ingegeven hadden. Hunne poging mislukte, en zij werden voor \'t gerecht gedaagd wegens poging tot moord. In de gerechtszaal werd een brief voorgelezen, dien de arme ongelukkige geschreven had, vóórdat hij de hand aan zich zeiven sloeg, en welke aldus luidde: —

42

-ocr page 61-

WANHOOPSKREET.

«Mijn beste George, — Twaalf maanden heb ik nu op eene ellendige wijze een ellendig bestaan voortgesleept, en ik gevoel dat ik het werkelijk niet langer meer kan volhouden. Ik ben geheel uitgeput, en bloedverwanten, die mij zouden kunnen bijstaan, weigeren dit verder te doen. Dit was ook ooms laatste woord. Het doet er niet toe, hij kan zijn geld en zijne schatten niet meenemen, en als hij sterft, zal hij naar alle waarschijnlijkheid in hetzelfde schuitje varen als ik. Het schijnt hem niet te kunnen schelen of ik van honger sterf of niet. Met een lleinc veertig gulden (voor hem een bagatel) zouden wij geholpen zijn geweest. Als hij borg voor mij had willen zijn, zou ik het geld tegen behoorlijke rente hebben kunnen krijgen, en ik zou sedert lang weer in goeden doen zijn gekomen. Ik kan dit leven van armoede en schande niet langer dragen, en ik sterf liever dan dat ik naar het werkhuis ga, hoc vreeselijk de gevolgen ook mogen zijn van den stap, dien wij gedaan hebben. Wij hebben. God vergeve het ons, Arty, onzen lieveling in ons lot doen deelen, enkel uit liefde en barmhartigheid, opdat het kind nooit zou kunnen worden herinnerd aan of beschimpt over de misdaad zijner ongelukkige ouders. Mijne arme vrouw heeft haar best gedaan met naaien, wasschen en schoonmaken, enz. Zij heeft alles aangepakt om maar iets te kunnen verdienen ; maar al haar sloven bracht te weinig op om te leven, te veel om te sterven. Ik heb nu zes weken lang van den morgen tot den avond rondgezwalkt ; maar het heelt mij geen cent opgebracht. Als dat niet genoeg is om iemand krankzinnig te maken — totaal krankzinnig — dan weet ik het niet! Nergens eenig licht; nergens een straal van hoop.

Moge de almachtige God ons deze snoode daad vergeven, en onze arme zielen in genade aannemen; dit is de bede van uwen ellendigen, ongelukkigen, maaru liefhebbenden broeder Arthur.

Wij hebben nu alles gedaan, wat wij maar konden bedenken, om niet tot dezen wanhopigen stap over te gaan, maar de moed is ons geheel ontzonken. Het vurig gebed, dat wij opzonden, heeft niets gebaat; het schijnt nu eenmaal ons lot te moeten zijn, en wij moeten er in berusten. Het moet Gods wil zijn; zoo niet, dan zou Hij het wel anders beschikt hebben. Waarde George, het smart mij diep allen te moeten verlaten, maar ik ben geheel en al waanzinnig. Broeder, gij moet trachten ons te vergeten, en — zoo mogelijk — ons ook te vergeven, want het is buiten onze schuld, dat onze arbeid te vergeefsch was.

Als ge f36.— voor ons bed kunt krijgen, dan kan daarmee de achterstallige huur betaald worden; en ons armzalige huisraad brengt misschien genoeg op om ons op de goedkoopste wijze te laten begraven. Draag maar geen rouw over ons, en volg do lijkbaar maar niet, want wij zijn zulk een bewijs van liefde niet waard. Onze predikant heeft ons nooit bezocht en ons nooit moed ingesproken, ofschoon ik een maand geleden nog bij hem ben geweest. Hij wordt voor \'t preeken betaald en hij denkt dat daarmee zijn verantwoordelijkheid ophoudt, als hij ten minste niet met rijken te doen heeft. Behalve gij, zijn er maar heel weinig lui, die er iets om geven, wat er van ons wordt. Nogmaals, gij moet trachten ons te vergeten en te vergeven; dit is de laatste, vurige wensch van uwen u zeer liefhebbenden en toegenegenen, maar wanhopigen en door\'t noodlot vervolgden broeder.

(Geteekend) R. A. O.

Dit is een authentiek stuk, een korte levensschets van een der duizenden, die onopgemerkt in de diepte verdwijnen. Zij sterven en laten geen spoor meer achter; of erger nog, zij blijven hun bestaan, jaar in jaar uit voortslepen, terwijl hun leven door de ellende geheel ontdaan is van elke sprank van vreugd, hoop en kracht. Wie onzer is op zijn levensweg niet met vele wanhopigen in aanraking gekomen, die evenals Richard O., die van

48

-ocr page 62-

OP DEN RAND VAN DEN AFGROND.

deii predikant, onze hulp inriepen, en hoe zelden zijn wij in staat geweest die hulp te verleenen. Het is, ongetwijfeld, niet goed van hen om de geestelijken en de meergegoeden te beschuldigen, want wat kunnen de eersten meer doen dan preeken en goeden raad geven? Zelfs een Rothschild zou in minder dan geen tijd straatarm zijn, als hij alle armen, die om geldelijken bijstand tot hem komen, wilde helpen.

Kan er dan niets gedaan worden? Er moet iets gedaan worden, indien wij niet willen dat het woord «Christendom» een spotwoord zal worden in de ooren van de ten verderve gaande menigte.

Hier is een ander, een zeer algemeen voorkomend geval, \'t welk ons een denkbeeld geeft van de wijze, waarop de leden van het «Leger der Wanhoop» gerecruteerd worden:

«T., Margaret Place, Gascoign Place, Bethnal Green, is laarzenmaker van beroep. Hij ?s een handig man, en heeft in zijn goeden tijd van twee gulden tot twee gulden zeventig per dag verdiend. Hij werd verleden jaar omstreeks Kerstmis ziek, en ging naar een hospitaal in Londen, waar hij drie maanden bleef. Eene week later werd zijne vrouw door rheumatische koorts aangetast, en naar het Bethnal Green Gasthuis gebracht. Zij bleef daar ongeveer drie maanden. Terstond nadat zij ziek werden, verkocht men hun huisraad wegens drie weken achterstallige huur. Toen zij hersteld waren hadden zij dus geen tehuis. Zij verlieten ongeveer te gelijker tijd het gasthuis. Hij bracht nog een paar nachten in eene slaapstee door, voor dat de vrouw uit het ziekenhuis kwam. Hij was toen in het bezit van twee stuivers en zij van zes, die haar door eene der verpleegsters gegeven waren. Zij zochten toen beiden verblijf in eene slaapstee, maar het gezelschap, dat zij er vonden, was vreeselijk. Daags daarna kreeg hij dagwerk tpgen een daalder daags, en daar zij hoopten, dat dit bestendig zou zijn, huurden zij eene gemeubileerde kamer tegen tien stuivers daags, waaraan de voorwaarde verbonden was, dat de huur eiken avond moest betaald worden. Zoo ging hot eenige weken goed, doch toen werd hij op nieuw ziek, wat hem het werk deed kwijt raken en hun laatsten spaarpenning opmaken. Een hemd en werkschort werden toen verpand voor twaalf stuivers, maar die bijna even spoedig verbruikt waren. Het verpanden van hun gereedschap hielp op nieuw voor eenige dagen voeding en verblijf. Nu is hij zonder gereedschap en kan daarom zijn eigen handwerk niet uitoefenen, zoodat hij alles aanpakt wat hij maar krijgen kan. Hun laatste dubbeltje gaven zij uit voor thee en suiker. Gedurende twee dagen hadden zij niet anders te eten dan een snee brood. Zij zijn beiden zeer verzwakt door gebrek aan voedsel.

Zij, die hun broeder zien verzinken terwijl zij zelf op vasten grond staan, en steeds het: «Och! wat kan ik er aan doen», in den mond hebben, of hun geweten trachten te sussen met de bewering, dat alles zich moet regelen naar vraag en aanbod; wat zouden zy zeggen als wij ons door hunnen geest lieten leiden bij het zien van een in doodsgevaar verkeerende scheepsbemanning op zee? Zou ooit op die wijze de reddingboot bemand komen?

44

-ocr page 63-

EEN K ItEDWNG UOOTBliJl ANNING.

Kunnen de onverbiddelijke wetten der hedendaagsche staathuishoudkunde den schipbreukeling redden uit de kookende branding? Die zoogeuaamde wetten zijn dikwijls genoeg de oorzaak van onheil. Is niet het iu zee zenden van oude, onzeewaardige schepen, drijvende doodkisten, uit speculatie op een hooge assu-rantie-uitkeering, het onmiddelijke gevolg van gebrek aan toezicht op wettige handelsoperatiën ? \'t Is gelukkig dat onverschilligheid of winstbejag niet altijd voorzit, anders zou de Maatschappij tot redding van Schipbreukelingen nooit in het leven zijn geroepen. Geen regel van vraag en aanbod is de drijfveer van hen, die hun leven wagen om de schipbreukelingen op vasten wal te brengen.

Wat wij wenschen is dat de geheele maatschappij op dezelfde wijze in beweging gebracht worde. Wij hebben oen sociale redding-maatschappij, een sociale reddingsbrigade uoodig voor de redding van hen, die als zij aan zich zelf overgelaten blijven, even ellendig om zullen komen als de bemanning van een schip dat midden in den oceaan wegzinkt.

Zoo spoedig als wij met ernst aan de uitvoering van zulk een werk willen beginnen, zullen wij verplicht zijn onze aandacht te vestigen op de vraag, of voorkomen niet beter is dan genezen. Het is gemakkelijker en goedkooper, en in elk geval beter het verlies van een huis te voorkomen dan een nieuw tehuis te bouwen. Het is beter iemand uit een beerput te houden dan hem er in te laten vallen, om er hem dan met levensgevaar uit te halen. Elk plan dat ten doel heeft de redding van verlorenen, moet vatbaar zijn tot een zoodanige ontwikkeling, waardoor de toepassing van door de praktijk noodig blijkende verbeteringen mogelijk is. Van sommige dezer verbeteringen zal ik later spreken. Ik roer dit onderwerp hier slechts aan, opdat men niet zeggen kan, dat ik de noodzakelijkheid niet inzie van verder te gaan dan mijn plan, voor zoover het in dit boek uiteengezet is.

De vernieuwing van onzen maatschappelijken toestand is zulk een uitgebreid arbeidsveld, dat niemand onzer, noch wij allen te zamen, al de maatregelen kunnen aanwijzen, die genomen moeten worden, voor wij nog het ideaal bereikt hebben, dat ik in het beeld van de rechten en voorrechten van het huurpaard heb aangeduid, en die altans wij aan onze kinderen en kindskinderen wenschen verzekerd te zien. Wat echter binnen ons bereik ligt, en daarom als plicht op ons rust, is het aantasten en bestrijden van het ergst en meest drukkend kwaad op ernstige eu praktische wijze, bedenkende, dat het doen van alles, wat wij

45

-ocr page 64-

OP DEN BAND VAN DEN AFGROND.

weten, dat plicht is, eeu gehoorzamen is aan den eisoh onzes Gods. In dezen strijd hebben wij den Voleinder des geloofs tot oversten Leidsman, en zijne voetstappen hebben wij, niet vragende naar menschenoordeel, te volgen, als het ons ernst is met te willen slagen. Bezielt ons die ernst, dan zullen ons de duidelijke marschorders van onzen Aanvoerder niet ontbreken, en zal hij allengs naar onze kracht en de behoeften des tijds het arbeidsveld voor ons uitbreiden.

Ik ben niet lijdende aan de zinsbegoocheling, dat ik de komst van een maatschappelijk duizendjarig rijk zou kunnen te weegbrengen, door een door mij uitgedacht middel. Het kan niet anders, ot\' wat men doe, de zwakkeren zullen altijd blijven te kort schieten, eu er zijn zoo vele zwakkeren! De sterkeren zullen immer de bovenhand houden. Al wat in onze macht ligt. is verzachten van het lot van hen, die voor den eisch onzer toestanden niet berekend zijn; en zooveel te doen, dat bus deel niet zoo ontzettend treurig blijve als wij dit eiken dag aanschouwen. Geen uitwendig hulpmiddel zal ooit aan wie tot het soort der zeekwabben behooren een stevigen ruggegraat schenken. Zoovelen als aan eene ledige zak gelijk steeds ineenzakken, zijn door uitwendige steunsels niet rechtop te houden. Hoe dikwerf ontmoeten wij zulken, die zelfs eiken aanleg om zich-zelven te helpen missen of verloren hebben. Onder de groote, hulpbehoevende schare trefien wij er maar al te velen aan, die aan een geheel ontbreken van gezond verstand en veerkracht schijnen te lijden.

Het ia tegen domheid en verstomping in elke gestalte en vorm, dat wij een eeuwigen strijd te kampen hebben. Hebben wij echter het recht om ons over gemis van de beide zoo noo-dige eigenschappen, gezond oordeel en wilskracht, te verwonderen in hen, wien alle gelegenheid tot ontwikkeling van hun natuurlijken aanleg ontbrak, wanneer wij nagaan hoevelen van die beide artikelen verstoken zijn onder degenen, wien alles ten dienste stond wat hen in elk opzicht tot de volle maat had kunnen ontwikkelen ?

Hebben wij eenig recht er ons over te bevreemden, nadat wij geslacht aan geslacht zonder voldoende opvoeding en voeding hebben gelaten, dat er eene erfelijkheid van ongeschiktheid ontstaan is, en dat er daardoor duizenden menschen geboren worden, wien het aan gezond verstand hapert, als reeds voor hun geboren worden onterfden van hun aandeel in het gewone men-schenverstand en oordeel? Reeds vinden zij, die een goeden naam en overvloed van goede getuigschriften hebben, wanneer

-ocr page 65-

HEX LICHAAM BEHOUDEN TOT REDDING DEll ZIEL.

hun voet eens aan de ladder ontgleden is, het moeielijk genoeg hun vroeger standpunt te herwinnen. Hoe moet het dan gaan met mannen en vrouwen, die elk bewijs van goed gedrag en karakter missen ? Mag men redelijker wijze op eenigen grond van een werkgever verwachten, dat wanneer hij uit honderd mannen, die als eerlijk bekend staan en goede getuigschriften hebben, te kiezen heeft, hij den armen zwerver nemen zal, die door eigen toedoen zijn goeden naam heeft verspeeld ?

In al deze punten van beschouwing is waarheid, en dit juist maakt de oplossing van het vraagstuk niet enkel moeielijk, maar bijna onoplosbaar. En het vraagstuk is onoplosbaar, hiervan ben ik ten volle overtuigd, tenzij het ons mogelijk blijke, om in de ziel dezer ongelukkigen een nieuw zedelijk leven in te planten. Deze uitkomst moet als allereerst te bereiken doelwit aan ieder maatschappelijk hervormer klaar en duidelijk voor oogen staan; want ons arbeiden in deze richting heeft op geen deugdelijke en blijvende uitkomst te hopen, tenzij het eene vernieuwde geboorte ten grondslag hebbe. Ook op dit gebied moet de grond-eisch des evangelies tot werkelijkheid worden: «gijlieden moet van nieuws geboren worden.»

Om zulken, die in den door ons beschouwden toestand ver-keeren tot werkelijk behoud te redden, is het niet genoeg hun een nieuwen broek te geven, hun vast werk te bezorgen of zelfs hun eene akademische opleiding te helpen schenken. Al deze zaken behooren tot \'s mensclien buitenste deel, en zoolang hij van binnen onveranderd dezelfde blijft, is al wat gij volbracht hebt, verloren werk en moeite. Het moet u mogelijk zijn en kunnen gelukken, om op zoo iemands natuurlijke geaardheid eene nieuwe natuur te enten, die van liet goddelijk beginsel bezield en doortrokken is. Alles, wat ik in dit boek zal ter tafel brengen en als in mijn oog uitvoerbaar voorstellen, zal van dit beginsel uitgaan en daardoor bestuurd worden.

Het verschil tusscheu den weg beproefd om den man te vernieuwen enkel door zijne omstandigheden te verbeteren, en den weg, die hem in beter omstandigheden brengt maar door zijn hart te bereiken en daarin eene wedergeboorte te helpen in leven roepen, laat zich begrijpelijk maken uit het voorbeeld van den hovenier, die een goudpippeling op een wilden pruimstam ent, en een ander die slechts vruchten aan een tot Kerstboom dienenden sparreboom hecht. De eenige weg om iemand waarlijk goed te doen is het medewerken aan de vernieuwing van zijn inborst, het treffen van de nog gevoelig gebleven plek in zijn hart, het helpen verlossen en behouden van zijn zieleleven.

47

-ocr page 66-

OP DEN BAND VAN DEN AFGROND.

In de nieuwere stelsels van maatschappelijke wedergeboorte wordt liet zoo goed als geheel of werkelijk geheel vergeten, dat er een werkzaam zieleleven vereischt wordt, zelfs om iemand te bewegen, dat hij zich naar reiner uitwendige omstandigheden voegt.

Op het gevaar af van misverstaan en in een valsoh daglicht voorgesteld te worden, gevoel ik mij verplicht het in de duidelijkste bewoordingen uit te spreken, dat ik in de allereerste plaats en voornamelijk tot redding van het hooger levensbeginsel de verlossing van het lichaam uit zijne nooden te bereiken poog.

Wat nut echter schuilt er iu een prediken van het Evangelie aan menschen, wier gansche denken eu gevoelen zich heeft samengetrokken tot een half waanzinnig en wanhopend peinzen over de vraag, hoe er het leven in te houden, en die om dit uiterste als in vertwijfeling worstelen. Even gosd zoudt gij een stichtelijk traktaatje kunnen toewerpen aan den schipbreukeling, die in de branding worstelt, waarin reeds zijne makkers omkwamen en die ook hem dreigt te verzwelgen. Zoo iemand zal en kan niet naar uw spreken luisteren. Wie maatschappelijk te gronde gaat is evenmin bij machte u het oor te leenen, als een man, die met zijn hoofd reeds diep onder water is, iets van eene tegen hem gehouden preek zal kunnen verstaan. De eerste zaak, welke bij u in aanmerking dient te komen, is het zorgen, dat hij althans vasten grond onder de voeten heeft en dat hij in zooveel ruimte komt, dat hij zich bewegen kan om te leven.

Is het zoover, dan is hem daarmede ook werkelijk de kans tot op nieuw slagen geschonken. Zoo als de zaken nu nog staan, is reeds de mogelijkheid om zoover te komen, onbereikbaar. Zoodra het u echter heeft mogen gelukken den hongerlijder te redden uit den vreeselijken poel, waarin hij dreigde verloren te gaan, zal u de gelegenheid niet langer ontbreken tot het beproeven, of ook nog niet binnen hem eene nieuwe levensgestalte is op te bouwen.

48

-ocr page 67-

HOOFDSTUK VI.

De op slechte wegen verdoolden.

Naast al wat misdadigs op maatschappelijk gebied voorvalt, telleu wij een zevental zouden, die den ontzettenden naam van doodzonden dragen. Onder die zeven zijn er, die men in de laatste jaren gepoogd heeft nog wel voor deugden te doen doorgaan. Geldgierigheid bij voorbeeld en hoogmoed hebben in dit hun nieuw karakter den naam van «ijver in zijne zaken» en van «zichzelf op den rechten prijs stellen» verkregen, en zijn in die gestalte tot de beschermengelen der christelijke wereldbeschaving verheven; en van den nijd geldt niets minder dan dat men er den hoeksteen in ziet, waarop ons gansche stelsel van mededinging rust. Toch is er nog tweeërlei soort van misdadige handelingen, van wie wij moeten zeggen, dat zij gelukkig of ongelukkig, ongemaskerd zijn gebleven, en die niet de minste moeite doen om het te bemantelen, dat zij misdaden en geene deugden zijn. Het eene kwaad is dronkenschap, het andere hoererij.

Het misdadige van dit zondig overtreden wordt zoo weinig geloochend, dat zelfs zij, die er aan schuldig staan er tegen zullen opkomen om een der beiden met den rechten Bijbelschen naam te benoemen. Waarom niet het woord prostitutie gebezigd? Er is daarvoor deze geldige reden, dat hot woord prostitutie slechts slaat op het eene deel der overtreders, en wel op het meest te beklagen gedeelte. Hoererij is een naam, die beide schuldigen treft. Bij het woord prostitutie wordt alleeu aan de daad der vrouw gedacht.

Het woord prostitutie verliest echter veel van zijne aanstoote-lijkheid, wanneer wij de misdaad niet van het standpunt van zedelijkheid en godsdienst beschouwen, maar er enkel mede

4

-ocr page 68-

DE 01\' SI,ECHTE WEGEN VERDOOLDEN.

rekenen als een der factoren van het maatschappelijk vraagstuk. De maatschappelijke gevolgen, die als oordeel aan het plegen dezer misdaad verbonden zijn, treffen bijna uitsluitend de vrouw. De man, die op deze wijs zondigt, komt door het enkel plegen des kwaads niet in slechter maatschappelijke verhouding dan te voren, hetzij hij eene betrekking ot ergens woonverblijf zoekt, of zelfs wanneer hij naar eene vrouw als levensgezellin omziet. Zijn zondeplegen treft hem alleen in zijne beurs, misschien daarnevens ook in zijne gezondheid. Zijn involgen zijner lust vergroot het aantal waarvoor de maatschappij te zorgen heeft niet, dan in zoover het de vrouw raakt, die er aan verlaging door wordt prijs gegeven. Het is eene groote verzwaring van het schandelijke van dit misdrijf, dat de gevolgen er van bijna uitsluitend door de vrouw gedragen worden.

De moeielijkheden om dronkaards en hoeren op een beteren weg te brengen, zijn bijna onoverkomelijk. Ware het niet, dat ik met al de macht, die in mij is, opkom tegen de volksmee-ning, hoe zelfs ook met schijn van wetenschap bepleit: «dat eenige man of vrouw buiten het bereik van Gods genade of den vernieuwenden invloed des Heiligen Geestes kan geraakt zijn,» ik zelf zou soms tot wanhoop kunnen gebracht worden bij het in aanraking komen met deze slachtoffers des boozen. Ik kan en wil aan dien onwillekeurigen indruk geen oogenblik toegeven, omdat ik er eene loochening in zie van het onderscheidend kenmerk der Nieuwe Bedeeling, die ons een God kennen leert, die zelfs eene zoo zondige wereld met eene voor ons niet meetbare liefde heeft liefgehad. Het tegenwoordig pleiten voor de macht der erfelijkheid des kwaads en niet toerekenbaarheid van allerlei misdrijf, zou ons zeer nabij het standpunt kunnen brengen, dat er toe leidt om in nieuwen vorm het vreeselijk, enkel op wijs-geerige syllogismen rustend leerstuk der van eeuwigheid besloten verwerping in leven te roepen, dat op allerlei wijze zoo donkere schaduwen op het kerkbestaan der christelijke gemeenten geworpen heeft. Duizenden en duizenden toch van deze ongelukkige vrouwelijke wezens, zijn, zooals bisschop South naar waarheid gezegd heeft, «het leven niet in den gewonen zin door geboorte deelachtig geworden, maar als door een doemvonnis in de wereld geworpen.» De bastaard eener hoer, jongen of meisje, die het levenlicht in een huis van ontucht aanschouwde, op drank gezoogd werd, en die van zijne kindsheid aan met al het beestachtige der ontucht gemeenzaam wordt, welke kans staat voor zulken open?

Is zulk een kind een meisje, dan is zij in den regel reeds

50

-ocr page 69-

ALS AAN DEN MOLOCH GEOFFERD.

eene voor haar twaalfde jaar onteerde, en wordt, zoodra zij een paar jaar ouder geworden is, door hare moeder de straat opgejaagd, als een nieuw ofier aan de openbare ontucht. Nu vraag ik ieder, wat moet, — om nog niet eens van de toekomende wereld te spreken, — in dit ondermaansche van zulk een mishandeld wezen terecht komen? En hoevelen zijn de kinderen dus zonder barmhartigheid aan dezen Moloch geofferd! Nu moge er in bijkomende zaken verschil zijn tusschen derzulken lot en deel, in de eigenlijke hoofdzaak zijn zij lotgenooten. Is het kind een jongen dan gaat het hem al weinig beter. Hoevele duizenden kinderen ontvangen het aanzijn, terwijl beide ouders door drank verbijsterd waren, wier moeders dien dronken roes gedurende al de dagen harer zwangerschap voortzetten; zoodat de tot zonde en ellende bestemden, reeds in \'s moeders lichaam en, werden ze gezoogd, gedurende hun eersten levenstijd zoo met alkohol zijn verzadigd, dat het wel geen wonder is, als zij later niet bestand zijn tegen al de verzoekingen tot drinken, die hen eiken dag en overal omgeven. Zouden wij er ons met recht over kunnen verbazen, dat gestellen langs dezen weg tot dranklust voorbeschikt, den drankprikkel als voor hen onmisbaar leeren achten? Zelfs al verzetten zij er zich tegen bij het ontdekken van het gevaar, dan moet reeds de enkele drukking van een gevoel van uitputting of te karige voeding hen telkens tot het altaus voor een oogenblik opwekkend glas terugtrekken. O wie kan zeggen, hoevelen van deze ongelukkigen, geboren tot drankslavernij, van moeders lijf tot dronkenschap voorbeschikten er in ons midden leven? Toch zijn alle dezen menschen, onze medemenschen; allen hebben zij in zich wat de Russische boer eigenaardig noemt: «een vonk van God,» een vonk, die nooit zoolang er leven in hen is, geheel verduisterd of vernietigd kan worden. Zal ooit eenig plan tot maatschappelijke hervorming den naam van veelomvattend en praktisch verdienen, dan moet het allereerst zich om dezen bekommeren. Het moet met dezelfde zorg voorzieningen maken voor den dronkaard en de hoer, als het voorziet in den nood van wie behoeftig of buiten werk zijn. Wie echter is tot al deze dingen bekwaam?

Laat mij allereerst stilstaan bij het vraagstuk in zoover het den dronkaard raakt, want de drank is het eigenlijk moeielijk punt, dat bij elk onderdeel zoo goed als de wortel des kwaads is. Vele van onze maatschappelijke kwalen, die het land als zoovele upasboomen overschaduwen, zouden van zelf wegdorren en verdwijnen, als ze niet voortdurend door den drank werden bevochtigd en in leven gehouden. Negen tienden van onze

51

-ocr page 70-

52 DE OP SLECHTE WFGEN VERDOOLDEN.

armoede, onreinheid, ondeugd en misdaad ontspringen als uit eene zelfde machtige fontein, uit het drankvat. Op dit punt ziju allen, die in het maatschappelijke vraagstuk een wezenlijk, niet voorgewend belang stellen, het ten volle eeus. Bedroevend is het, dat wij er moeten bijvoegen, dat zij bijna even vast doordrongen zijn van de overtuiging, dat zij, die het roer van staat in handen hebben en staatkundigen, tot welke hoofdpartij zij ook behooren, allen ongezind zijn om ook maar iets wezenlijk praktisch tot verbetering van den toestand te beproeven. In Ierland is de rechter Fitzgerald een dergenen, die openlijk verklaren, dat negentien twintigsten van de in dat land gepleegde misdaden met het heerschend drankgebruik iu het nauwst verband staan, en toch wil of durft geen staatsman een drankwet voorstellen om ook het kwaad slechts binnen beperkter grenzen te brengen. Ongetwijfeld, het is eene dwaze overdrijving van te willen beweren, dat b. v. een moord nooit iu een nuchteren toestand zou kunnen bedreven worden, en dit omdat in de meeste gevallen zij, die een moordplan voor hebben, zich tot de uitvoering door een goede hoeveelheid drank opwinden. Toch blijft het waar, dat de gemakkelijkheid, waarmede men een hulpmiddel kan vinden om zonder veel schroom goddelijke en menschen-wetten als met voeten te treden, eene donkere schaduw over ons maatschappelijk leven werpt, omdat het de tot kwaad drijvende hartstochten op even onnatuurlijke als geweldige wijze aanvuurt.

De kwade gewoonte met enkel voorlezingen te willen bestrijden, moet wel een vruchteloos werk blijken. Voor alles moeten wij tot de erkenning komen, dat de jeneverkroeg, evenals veel ander maatschappelijk kwaad, wel een giftig, maar daarom toch niet minder een geheel natuurlijk uitspruitsel van onze maatschappelijke toestanden is. De gelagkamer der kroeg is in zoo menig geval de eenige vrijplaats, waar de arbeider, die aan afleiding of verstrooiing behoefte heeft, toeven kan. Menig man raakt aan het bierdrinken, niet omdat hij op bier zoo verzot is, maar omdat ook hij een natuurlijke aantrekking gevoelt naar licht, warmte, gezelligheid en een zich op zijn gemak gevoelen, alle welke zaken hij op het bier toekrijgt; maar die voor hem niet verkrijgbaar zijn, wanneer hij aan het bierdrinken niet mededoet. Wie als maatschappelijke hervormers willen slagen, zullen altijd den drankwinkel op hun pad blijven ontmoeten, zoolang zij er niet toe komen om den kroeghouder de loef af te steken, door iets meer aantrekkelijks te geven dan waarmede de herberghouder zijne gasten lokt. Bovenal mag nooit door

-ocr page 71-

DE STROOM DKll VERGF.TELHlilD.

ons vergeten worden, dat de verzoeking tot drinken juist dan het sterkst is, wanneer gebrek en ellende zich het scherpst en pijnlijkst doen gevoelen. Iemand, die goed doorvoed is, draagt geen kennis aan de hongerpijn, welke de hongerlijder bij ervaring weet, dat de drankprikkel altans voor een tijd stillen kan; en wie in goeden doen zijn hunkeren niet naar een snelwerkend geneesmiddel om hun innerlijk lijden te vergeten. Jenever is voor den. ellendigen een Lethe, een stroom der vergetelheid, als waarvan de Grieken droomden. Ook werkt de stinkende en giftige lucht der holen, waarin duizenden wel moeten leven, niet weinig mede, om naar den verdoovenden drankprikkel te doen hunkeren. Zoodra een man eenigszins bestendig de f\'rissche lucht met haar zuurstof en ozone missen moet, wordt reeds daardoor het hunkeren naar drank in hem wakker. Geeft hij aan dat verlangen toe, dan duurt het niet lang of dit begeeren ontaardt in hartstocht. Is liet eenmaal zoover gekomen, .dan schijnt het hem even ondoenlijk om zonder alkohol als zonder voedsel te leven. Deze toestand is krankheid, zeer dikwijls een ouderlijk erfdeel, een ziekelijkheid, welke zich door toegeven al meer ontwikkelt, maar daarom niet minder eene ziekte of kwaal dan oogziekte of graveel is.

Al dit feitelijk bestaande behoort ons tot medelijden en deelneming te stemmen. Al erkennen wij dan ook, dat ieder mensch altijd persoonlijk verantwoordelijk blijft voor zijne daden, zoo hebben wij toch tevens recht er bij de maatschappij als zedelijk lichaam op aan te dringen, dat zij na door bare gewoonten, gebruiken en wetten het reeds hellend pad nogquot; goed gesmeerd te hebben, zoodat de zwakken wel bijna moeten te gronde gaan, er ernstig over moge gaan denken, om haar reeds zoolang teruggehouden hand tot redding uit te. steken.

Hoe groot zou wel het aantal dergenen zijn, die in ons land meer of minder onder de hen overheerschende macht van den sterken drank staan? Statistieken daaromtrent zijn er bij menigte, maar zulke opgaven zeggen ons al zeer zelden wat wij met juistheid verlangen te weten. Wij weten hoevele drankhuizen er zijn, en hoevele inhechtenisnemingen door de politie er jaarlijks plaats vinden; maar wat daarenboven te weten valt, is al zeer luttel. Welbekend is het ieder, dat voor één persoon, die om dronkenschap ingerekend wordt, er minstens tien, en soms wel twintig, ongemoeid in keunelijken staat huiswaarts gaan. Er zijn b. v. in Londen 14,000 drank- en bierhuizen, en in elk jaar worden er een 20,000 tal dronken opgepakt. Wie echter is er, die zich ook maar voor een oogenblik laat wijs-

53

-ocr page 72-

DK OP SLECHl\'E WEGEN VERDOOLDEN.

maken, dat er onder de millioenen der hoofdstad niet meer dan 20,000 meer of minder hebbelijke dronkaards zouden schuilen?

Door zulk een dronkaard versta ik niet iemand, die altijd in een staat van beschonken zijn verkeert, maar ieder, die in zoover onder de macht zijner kwade gewoonte leeft, dat men nooit zeker op hem rekenen kan, omdat hij zich telkens dronken zal drinken, als zijne beurs het toelaat of de gelegenheid hem gunstig is.

In ons vereenigd koninkrijk zijn 190,000 drank-en bierhuizen, en deze leveren ieder jaar een 200,000 tal personen, die wegens dronkenschap gevat worden. Het spreekt van zelf, dat onder dezen een goed getal bij herhaling gevat werd. Ware dit niet het geval en stelden wij dooreen zes dronkaards voor elke drink-gelegenheid, of vijf hebbelijke dronkaards voor één, die gevat wordt, dan zouden wij tot het cijfer van een millioen volwassenen komen, die min of meer aan des kroeghouders ketting liggen ; — ook geeft een der zake kundig man als Izaak Hoyle als feitelijk zeker op, dat één onder elke twaalf volwassenen een dronkaard is. Nemen wij nu aan, dat deze schatting te ver gaat, dan zal wel niemand ons van overdrijving kunnen beschuldigen, wanneer wij een half millioen personen als gemiddeld getal vaststellen. Van dezen valt gedurig een deel af, die het laatste stadium van ongeneeselijke dipsomanie bereikt hebben, terwijl anderen daarheen op weg zijn, en in den optocht aller gang een voortgaan is in nederwaartsche richting naar de paden des doods.

Het maatschappelijk verlies, dat veroorzaakt wordt door dit vreeselijk staande leger van een half millioen personen, die altijd min of meer door drank beneveld zijn, wier dranklust hun werkkracht ondermijnt, hunne verdiensten sloopt en hunne woningen tot verblijven van ellende maakt, is reeds jarenlang een geliefd onderwerp voor sprekers tegen dit volkskwaad geweest. Maar wat geeft al dat spreken? De groote vraag is, wat kan voor zulken gedaan worden. Geheelonthouding is ongetwijfeld eene voortreffelijke zaak, maar de moeielijkheid is, hoe zulken te bewegen tot dien beslissen den stap? Wanneer een schepeling midden op den oceaan in zee valt, dan is het beste in z^n geval, dat hij den voet op vasten grond zet; maar hoe vindt hij daar de plek, die hem noodig is? In het midden der groote wateren vasten grond te treffen, is juist wat voor hem niet mogelijk is. Dronkaards verkeeren in hetzelfde geval. Zullen zij uitgered worden, dan moet voor hen iets meer gedaan worden dan tot hiertoe; tenzij wij tot het besluit mochten komen, om de ijzeren natuurwetten hare volle werking vrij te laten doen en

54

-ocr page 73-

WAT MOET VOOK DRONKAARDS GESCHIEDEN? 5 5

hen in dien weg te laten wegruimen. Maav wanneer het daartoe kwam, zou er nog meer barmhartigheid in schuilen om de langzame werking der natuurwet wat te helpen en verhaasten. Het zou daartoe niet eens noodig zijn eene inrichting te stichten, als waarin de opgepakte honden een zaohten doodslaap ingaan. De staat had daartoe slechts één stap verder te gaan dan hij nu doet, door met vrije hand het gif aan de broederschap Ie verstrekken. Nu reeds zien wij op alle hoeken van straten en pleinen de uitlokkende drinkgelegenheid, open voor iedereen; en wanneer nu aan allen, die tot een zekeren standaard van dronkenschap gekomen zijn, van rijkswege vrij mocht getapt worden zooveel zij begeerden, zou delirium tremens al zeer spoedig onze dronken bevolking tot eene handelbare hoeveelheid hebben teruggebracht.

Zeer goed kan ik mij voorstellen, dat een cynisch millionair van de wetenschappeli}ke philanthropische school er langs dezen weg een handvol geld aan waagt, om het door hem bewoond district van dronkaards te zuiveren, door elk hunner vrijheid te geven tot het drinken van onbeperkte hoeveelheden drank. Maar voor ons, die nog tot deze school niet behooren, kunnen afdoende middelen van dit soort niet in aanmerking komen. Het vraagstuk, wat te doen met ons half millioen dronkaards blijft voor ons ter oplossing, en er zijn slechts weinige vraagstukken, die een maatschappelijk hervormer lastiger in den weg staan.

Is dit waar, ook het vraagstuk der hoeren is in den gewoonlijk beproefden weg even weinig voor oplossing vatbaar. Niemand, die eenigszins dieper dan het bovenst oppervlak blikt, kan nalaten voor deze ongelukkigen een innig medelijden te koesteren. Zeker er zijn er eenigen — misschien zelfs velen, die — door over-geërfden hartstocht of een slechte opvoeding — met doorzettende eigenwilligheid een leven van misdadigheid hebben aangevangen, maar met de meerderheid is het zoo niet gesteld. Zelfs zij, die willens en wetens en uit vrije keus het pad der prostitutie betreden, doen het onder een uitwendigen drang van verzoekingen, waar weinige zedemeesters eenig begrip van schijnen te hebben. Het is een ontzettend feit, maar zonder weerspraak is het een feit, dat er in winkels en magazijnen geene plaatsing bestaat, waarin een meisje van een goed voorkomen voor korten tijd en met zoo weinig moeite verdienen kan, wat haar het gekamerd zijn opbrengt. Nog onlangs kwam het in eene rechtzaak aan het licht, dat eene vrouw, later met een officier gehuwd, als bijzit niet minder dan -18,000 gld. in één jaar te verteeren had gehad. Zulk een geval behoort zeker tot de groote uitzonderiu-

-ocr page 74-

DU OP SLECHTE AVEGEN VERDOOLDEN.

gen, maar niet zoo zeldzaam is het, dat zij met het verkoopen van haar persoon aan den dienst der zonde voor één jaar 6000 gld. maken, eene som waartoe een tal van vrouwen te zamen genomen het door eerlijke verdienste niet brengen kunnen. Beperkt is natuurlijk liet getal van haar, die zoo hooge prijzen trekken, en het zoo winstgevend tijdperk is van korten duur, maar in elke loterij zijn het de weinige groote prijzen, welke de menigte aantrekken en verblinden, terwijl nauwelijks een aan de nieten en het waarschijnlijk verlies indachtig is. Bijna overal staan de zaken zoo, dat de zonde aan een meisje, dat een goed uiterlijk heeft, in den tijd van haar bloei en schoonheid meer geld aanbiedt, dan in eenig eerlijk bedrijf voor haar verkrijgbaar is. De straf, die een onbedachtzaam toegeven als op den voet volgt, is ziekte, verlaging en dood, maar voor deze haar met zorg verholen gehouden uitkomsten is zij zelve allicht maar al te willig blind.

Het bedrijf van hoer is de eenige maatschappelijke betrekking, waarin aan de jeugdige aankomelingen het hoogst bereikbaar loon wordt uitbetaald. Ook is het het eenig pad, waarop het in den ingang de eenige gevorderde inspanning is, om aan eigen en anderer lust toe te geven; al de te winnen prijzen zijn aan bet begin van den te volgen loopbaan.

Dit zondigen is de voortdurende belichaming van de oude fabel, die de mogelijkheid veronderstelt van zijne ziel aan den duivel te kunnen verkoopen. De verzoeker spreidt voor zijn offer het lokaas van rijkdom, weelde, en opgewekte vroolijkheid ten toon; maar om in het bezit van deze te geraken moet het slachtoffer hare ziel prijs geven, en de kooper laat niet na zijn dus gekocht deel tot den laatsten penning op te eischen. Hoe duizenden malen nu dok dit laatste zonneklaar gebleken is, \'s menschen natuurlijke geaardheid blijft hare kortzichtigheid toonen. Luchthartige meisjes, die de plichten en beperkingen van een geregeld werkzaam leven met weerzin dragen, leven in onze maatschappij bij een haar altijd in het oog schitteren van het lokaas. Op allerlei wijze wordt het haar toegefluisterd, dat wanneer zij maar «willen doen wat zoovelen doen», zij, als het geluk dient, in een nacht op deze wijze meer kunnen verdienen dan in eene gansche week met gezetten arbeid. Mag het ons verbazen, dat in tal van gevallen de ongelukkigen tot den onherroepelijken stap komen, eer zij er eenig bewustzijn van hebben, dat hij onherroepelijk is, en dat zij voor het aanzienlijk schandloon van een enkel jaar haar toekomst verdorven hebben.

Dat de straf, die het misdrijf op den voet volgt, vreeselijk is.

36

-ocr page 75-

HUN LEVEN MIDDEN ]N DEN DOOD. 57

is onloochenbaar. Ts de in den aanvang te winnen premie lioog, het boeten, dat aan het einde wacht, is verschrikkelijk. En dit boeten treft gelijkelijk zoowel allen die zeiden: «kwaad wees mijn uitverkoren deel», als de onnadenkenden en onsohnldigen, die met list bedrogen, verstrikt gevangen werden tot een leven, dat een leven midden in den dood is. Wanneer gij een meisje als verleidster op de straat zwervende ziet, is het zonder een degelijk onderzoek niet mogelijk te weten, of zij de strengste veroordeeling dan wel het innigst medelijden verdient. Velen kwamen, waar zij zijn, door een te goed vertrouwenden aard; want een uit onschuld geboren goed vertrouwen, is tegenover het niets kwaads vermoedend oifer vaak de machtigste bondgenoot van de koppelaarster of van den zedeloozen verleider. Nog zijn er anderen, die in dezelfde mate slachtoffers van misdaad zijn, als wanneer zij door moordenaarshanden doorstoken of verminkt waren. De aanteekeningen in onze toevluchtsoorden vloeien over van feiten, door ons tot in de kleinste bijzonderheden waar bevonden, — die zonneklaar aantoonen, dat er tal van onschuldige slachtoffers bestaan, wier eerste ingaan in dit ellendig leven niet in het allerminst aan een daad van haar eigen vrijen wil kan worden toegeschreven. Velen zijn geheel onbeschermde weezen, of wel de kinderen van ontaarde moeders, die op niets anders zonnen, dan om zoo vroeg mogelijk geld te trekken uit het overleveren harer dochter aan de prostitutie. Wat hier volgt zijn enkele uittreksels uit ons aanteekeningsregister :

E. C. Oud ! 8 jaar; kind van een soldaat en op zee geboren. Haar vader stierf, en hare moeder, een door en door verdorven schepsel, was zelve de voornaamste medewerkster om haar nog jeugdig kind aan de prostitutie te helpen overleveren.

P. S. Oud 20 jaar. Onwettig kind. Bezocht eens een geneesheer om dien over eene kwaal te raadplegen. De geneesheer misbruikte zijne positie door haar met overmacht te onteeren. Om haar angst te stillen en verdere gevolgen te voorkomen, kocht hij voor 50 gld. haar stilzwijgen. Het gevolg van een en ander was oorzaak van dieperen val. Wij hebben den geneesheer opgespoord met het gevolg, dat de schuldige naar elders de wijk genomen heeft.

E. A. Oud 17 jaar. Werd jong wees. Haar doopvader nam haar in huis en was zelf de misdadiger, die haar reeds op haar tiende jaar ontoerde.

Een meisje van tusschen de 40 en 20 jaar, leefde met hare moeder in hel Dusthole (den vuilhoek), de gemeenste buurt van Woolwich. Deze slechte vrouw dreef haar tot ontucht de straat op, en liet haar tot in den nacht barer bevalling door ontucht plegen ten haren bate schandloon verdienen. Alleen de moeder kreeg en verkwistte het geld, dat het dus afgemartelde kind verdiende.

E. Verloor vroegtijdig vader en moeder, en werd door eene grootmoeder ingenomen, die voor haar zorgde, tot zij het kind oud genoeg rekende, om zelve op de straat wat te verdienen. Spoedig huwde zij met een soldaat, maar kort

-ocr page 76-

DE OP SLECHTE WEGEN VERDOOLDEN.

voor hare eerste bevalling deed zij de ontdekking, dat hij, die haar bedrogen had, in een veraf gelegen deel des lands vrouw en kinderen had, waarop hij haar verliet en zij geheel hulpeloos achterbleef. Zij zocht toen tijdelijk verblijf in het werkhuis, maar poogde daarna vergeefs om op eerlijke wijze aan den kost te komen. Eindelijk ten einde raad, en op het punt van verhongeren, zocht zij uitkomst in een zoogenaamd kosthuis en — «deed wat zooveel anderen ook doen». Uier werd zij door een onzer luitenants aangetroffen, die haar overreedde om die plaats te verlaten en tot onze tehuizen toevlucht te nemen. Zij deed dit, en gaf door een geheel veranderd leven spoedig deugdelijke bewijzen van de oprechtheid barer bekeering. Zij is thans eene getrouwe en vertrouwde dienstmaagd in het huis van een predikant.

Nu voor eenigen tijd werd een meisje, na voor eene ziekte in het gasthuis behandeld te zijn, als genezen ontslagen. Eene wees, zonder tehuis of vrienden, ving zij aan eenige betrekking of werk te zoeken. Terwijl zij dus in verlegenheid omdoolde, werd zij op vriendelijke wijze aangesproken door een meisje van zoo wat gelijken leeftijd, die ook spoedig haar vertrouwen wist te winnen.

«Wel zoo,» sprak hare nieuwe vriendin, «zijt gij zoo pas uit het gasthuis ontslagen en weet gij werkelijk niet waarheen en wat te beginnen; wel ga mee naar mijn moeders huis. Zij zal u gaarne huisvesting geven, en als ge dan weer geheel op uwe kracht zijt, kunt gij met mij uit werken gaan.»

Het meisje nam dit aanbod met blijdschap aan, maar toen zij naar het verst gedeelte van Woolwich was meegenomen, bleek het haar, dat zij in een huis van ontucht was beland, en het verhaaltje van «moeder» maar een fabeltje was. Zij werd door het vrouwenpersoneel daar met vriendelijkheid overladen, en met allerlei leugens aan de praat gehouden, maar was weinig minder dan een gevangene. Toen zij zich verwijderen wilde, kwam haar verzet te laat, en nadat zij dus als door geweld eerloos gemaakt was, bleef zij uit hopeloosheid en deelde het straatleven harer verleidster.

Ik zie er geeu noodzaak in om in bijzonderheden de listen en bedriegerijen te ontvouwen, gebezigd door mannen en vrouwen, wier levensonderhoud er aan hangt, dat zij leeren slagen in het bedriegen van hunne slachtoffers. Uitgeleerd zijn niet weinigen dezer er in, zich op het schoonst voor te doen, zoo dikwijls zij er op uit zijn, om een jong en nog argeloos meisje, dat geen ouders ot beschermende vrienden heeft, in hunne strikken gevangen te krijgen. Is list niet voldoende om te slagen, dan komt niet zelden geweld hun te hulp; en het arme wezen, dat zich niet anders te wijten had dan lichtzinnige onvoorzichtigheid, kent zich voor geheel haar leven eene uit de samenleving als uitgebannene.

De onschuld zelve van een meisje werkt soms tot haar ongeluk mede. Eene vrouw, die wereldwijs is, moge in den val loopen, maar wanneer zij tot bezinning komt, ontbreekt het haar niet aan handigheid en beleid om uit haar moeielijken toestand vrij te komen. Een waarlijk deugdzaam meisje, dat ten val gebracht wordt, is niet zelden door schaamte en afschuw van het gebeurde zoo buiten zichzelve, dat het leven alle beteekenis en waarde voor haar verloren heeft. Zonder tegenspartelen schikt zij zich

58

-ocr page 77-

OORDEEI.T NIET.

iu haar ellendig lot eu sleept zich op het vernederend pad dei-zonde voort, tot de dood haar uit den kring der misdaad wegneemt.

«Oordeelt niet opdat gij niet geoordeeld wordt; i is een woord uit den mond der waarheid, dat vooral in betrekking tot deze ougelukkigen nooit mag vergeten worden. Velen harer zouden niet ten val gekomen of daaraan ontkomen zijn, indien zij minder argeloos waren geweest. Zij zijn, waar zij zich bevinden, omdat zij te veel liefde koesteren om de gevolgen angstig te berekenen, en omdat zij in een verleider te onbepaald vertrouwen stellen, om zelfs zijnerzijds kwaad te vermoeden. Bij andereu draagt eene onverstandige opvoeding hare eigene vrucht. Dwaas is het eene volstrekte onbekendheid met het kwaad reeds voor deugd te houden, en hoevele jongelieden, die op deze wijze onkundig gehouden zijn, worden daarna naar eenige groote stad met hare verzoekingen gezonden, met niet meer voorbereiding voor die nieuwe omgeving en met niet meer goeden raad tot waarschuwing, als ware de stad met hare gevaren een tegenbeeld van den hof Eden.

Op welke wijze echter eene vrouw tot zoude vervallen zij, zij moet er de vreeselijke straf voor dragen. Terwijl de man, die haar tot schande bracht, voor een eerbiedwaardig lid der maatschappij blijft doorgaan, aan wien, — althans zoo hij rijk is, —■ deugdzame moeders willig hare dochters ten huwelijk geven, en worden de slachtoffers ouder den molensteen der maatschappelijke uitbanning vergruizeld.

Laat mij hier een stuk mededeelen omtrent het werkelijk leven dezer ongelukkigen, zooals dit door den hoofdbestuurder onzer toevluchtsoorden is opgemaakt.

59

De volgende honderd gevallen zijn genomen, zooals zij in eene reeks op ons register voorkomen. De verklaringen zijn uit den mond der meisjes zeiven. Zij zijn oprecht en vertrouwbaar, wat reeds hieruit in het oog kan vallen, dat slechts twee uit de honderd verklaren uit dringende armoede tot haar misdadig leven gekomen te zijn.

OORZAAK VAN VAL.

TOESTAND BIJ HET HULPVRAGEN.

Drank ....

14

In lompen .

25

Verleiding .

33

Honger lijdend

27

Eigen keus .

24

Goed gekleed

48

Slecht gezelschap.

27

ïe zamen

100

Armoede

2

Te zamen

100

Van deze meisjes hadden er

23 met de gevangenis kennis gemaakt.

De meisjes, die aan dit bedrijf zijn overgeleverd; hebben zooveel te lijden.

-ocr page 78-

de op slechte wegen verdoolden.

dat de korte duur van haar rampzalig leven daarvan de eenige lichtzijde is. Wie van deze toestanden een meer dan oppervlakkige kennis kreeg, moet toestemmen, dat er in deze menschenwereld al zeer weinigen zijn, die een nog ellendiger lot hebben. Het eerste wat in aanmerking komt, is reeds het vernederend en ellendig dierlijk beslaan zelf; dan de aanhoudende staat van dronkenschap om er in te kunnen volharden; dan al de wreedheid haar aangedaan door hare bazen, meesteressen of dooi den slechtaard, waarmede zij leven; voorts de hopeloosheid, het lijden en de wanhoop, die noodzakelijk samenhangen met de omstandigheden en de omgeving, waarin zij zich bevinden; dan de zinkput van armoede en ellende, waarin zij gaandeweg dieper wegzinken; en eindelijk de ziekten, die haar sloopen en tot een sterfbed zonder vriend of maag brengen, waarop dood en oordeel haar in de verschrikkelijkste wijze aangrimmen. Op elk dezer punten een enkel woord.

Gezondheidstoestand. — Deze levenswijze leidt tot krankzinnigheid, rheuma-tisrne, tering en alle vormen van syphilis. Rheumatisme en jicht zijn de meest gewone ziekteverschijnselen bij dit misdadig leven. Sommigen worden reeds op vrij jeugdigen leeftijd door beide deze kwalen geteisterd. Tering eischt hare oilers met gretige hand. Dit sloopend leven is als eene broeikas, om alle ziektezaden, die erfelijk of naar eigen gestel in het lichaam schuilen, welig te doen opschieten. Wij hebben te middernacht in Piccadilly meisjes aangetroffen, die aan voortdurende bloedvloeiing leden, en aan wie toch geene andere kans om in het leven te blijven restte dan zich aan de misdaad prijs te geven.

Drank. — Deze is iets onmisbaars bij het schandvol bedrijf. Alle tot ontucht vervallenen zijn een in het belijden, dat zij er onmogelijk in zouden kunnen volharden, indien niet drank haar aanhoudend in een toestand van bedwelming en verstomping hield. Een meisje, dat op de beste scholen onderwezen was en in het ouderlijk huis in volle ruimte was opgevoed, maar zich had laten verleiden en ten val brengen, zoodat zij eindelijk in Woolwichs Dusthole was terecht gekomen, riep tegenover ons met de verbittering der wanhoop uit: «denkt gij dan, dat ik zoo zou kunnen leven, als drank mij niet staande hield? Ik moet altijd voor een goed deel dronken zijn, als ik het kwaad zal kunnen plegen.» Nog nooit hoeft eenig meisje uit het straatleven tot onze tehuizen toevlucht genomen, die niet eene aan drank verslaafde was.

Wreedaardige behandeling. — De toewijding van deze vrouwen aan hunne overheerschers is dikwijls even opmerkelijk als dezer beestachtig handelen afschuwwekkend is. Waarschijnlijk is het wel een der eerste medewerkende oorzalien van den val van talrijke meisjes uit de mindere klassen te achten, dat zij een zoo groot verlangen koesteren om in het gelid der getrouwde vrouwen te komen. Zij zijn in eigen oogen nooit iemand zoolang zij niet getrouwd zijn; en dit heeft ten gevolge, dat zij zich aan den eersten den besten verslingeren, hoe verlaagd hij ook zij; in de hoop, dat hij eindigen zal met haar tot vrouw te nemen Dit vooruitzicht, in verband tot haren ongelukkigen toestand, wanneer zij eens onschuld en goeden naam verloren hebben, maakt, dat zij laagheden en wreedheden van den man, aan wien zij zich verbonden hebben, dulden, die geene vrouw in andere omstandigheden verduren zou.

Laat één voorbeeld uit velen mogen getuigen; het is dat van een meisje, dat eens eene knappe dienstbode en de dochter van een sergeant bij het corps politieagenten was. Zij werd ten val gebracht, en schaamte over haar toestand dreef haar om het ouderlijk huis te ontvluchten. Eindelijk in Woolwich aangeland, ontmoette zij daar een man, die haar overreedde om met hem te leven, en gedurende langen tijd onderhield zij hem, ofschoon zijn gedrag ten haren aanzien even wreed als onbeschoft was.

Het meisje, dat op de kamer naast de hare woonde, hoorde bij herhaling, dat hij haar met het hoofd tegen den muur stompte en onbarmhartig sloeg, omdat hij in woede was, dat zij met hare prostitutie niet meer had weten te verdienen.

60

-ocr page 79-

VREESELIJK EINDE.

Nadat hij zijn beulenwerk zoolang had voortgezet, dat zij er geheel onder wegkwijnde, verloor zij alle aantrekkelijkheid. Dit gevolg van zijn eigen doen deed hein in zulk eene woede ontsteken, dat hij al haar goed naar het pandjeshuis bracht, en haar niet dan het schamelst bedeksel overliet. De week voor hare eerste bevalling sloeg en trapte hij haar bont en blauw van den hals tot de knieën. Dus gruwelijk mishandeld en in haar bloed badende werd zij naar het bureau van politie overgebracht, maar nog toonde zij zich zoo aan hem verbonden, dat zij weigerde om eene aanklacht tegen hern in te dienen.

Zij was op het punt door zich te verdrinken een einde aan haar leven te maken, toen een paar van onze vrouwelijke ofiicieren haar terughielden, de van koude rillende in hare mantels wikkelden, en haar met zich namen en verpleegden. Het kind kwam dood ter wereld, eene kleine en wanschapen vrucht.

Zulke toestanden worden er maar al te velen aangetroffen.

Hopeloosheid, — vreeselfjke omgeving. — De toestand van hopeloosheid en wanhoop, waarin velen dezer verdoolden aanhoudend leven, maakt haar meer en meer onverschillig voor wat er van haar wordt, en in groeten getale bedrijven zij zelfmoord, zonder dat men verder iets van haar verneemt. Een politieagent in Londens West-end verzekerde ons, dat het getal van geprostitueerden, die tot zelfmoord komen, veel grooter is dan door het algemeen wordt vermoed.

Tot hoe ontzettende diepte zij wegzinken\'. — Er is kwalijk een lager gezonken soort jonge vrouwen te vinden dan die in Woolwichs Dusthole, — waar een van onze toevluchtsoorden voor stegen en sloppen gevestigd is. De vrouwen, die in deze buurt haar bedrijf oefenen, zijn zoo verlaagd, d;(t zelfs de slechtste mannen het niet wagen haar in hare verblijven te volgen. Het is aan soldaten verboden, die huizen te betreden ol zelfs de steeg door te gaan, met bedreiging van 25 dagen provoost. Bovendien is aan beide uiteinden der gevaarlijke buurt eene wacht geplaatst om aan soldaten te beletten zich daar te wagen. De openbare straat is nooit zoo vuil als kamers, die wij daar gezien hebben.

Een der kroegen in de steeg sluit eiken dag tot drie en viermalen, uit vrees voor intrekking der vergunning, om de vechtpartijen, die telkens binnenshuis ontstaan. Een politieagent zal het niet wagen na het vallen van het donker de steeg door te gaan. Nog niet zoolang is het geleden, dat een agent, die er zich waagde, zoo mishandeld is geworden, dat hij aan de gevolgen overleed. Toch is het tevens waar, dat twee onzer meisjes er op elk uur van den dag doorgaan en dit ongedeerd, ja met ontzag en liefde bejegend worden; terwijl zij er beurtelings in den avond tot redding toezicht houden. Wat tot het Dusthole afzakt, heeft reeds verscheiden graden van misdaad en ellende achter den rug. Slechts eene staat bij ons vermeld, die er goed gekleed aanlandde, en deze is onlangs door onze vrouwelijke officieren in een werkhuishospitaal in zeer verarmden en treurigen toestand aangetroften.

De allerlaagste klasse van vrouwen is die, welke zich bij het scheepshoofd bij de rivier bevinden Deze geven zich letterlijk voor een korst droog brood en slapen op den openbaren weg.

Vuilheid en ongedierte tieren er op eene wijze, waarvan zich moeielijk eenig begrip vormen laat.

Dit Dusthole, — (deze vuilnisput), — is, helaas, slechts één van de vele zinkputten der uiterste ellende, welke ons op beschaving en godsdienst roemdragend land heeft aan te wijzen.

Ziekten; verstoken zijn van vrienden en helpers; — dood. — Het is in de hospitalen welbekend, dat deze meisjes niet bejegend worden als de andere zieken uit haar stand. Zij boezemen afschuw en walging in. en hebben het niet zelden aan zichzelven te danken, dat zij verwijderd worden zonder nog geheel hersteld te zijn.

Door hare bloedverwanten veracht en geschuwd, verlegen om haar innerlijk bestaan bekend te maken, zelfs aan wie haar hulpbieden willen, niet langer

61

-ocr page 80-

t

62 DE OP SLECHTE WEGEN VERDOOLDEN.

in staat om zich naar de straat te slepen tot oefening van haar schandbedrijf, zijn er meisjes in deze groote stad, die in eenigen verholen hoek levend liggen weg te rotten, in leven gehouden door oude vakgenooten, die met genadebrood haar honger helpen stillen, totdat de dood ontfermend tussrhenbeide treedt.

Velen hebben zelfs niemand meer, die zich harer aantrekt, terwijl vroegere vrienden en bekenden ze van gebrek laten omkomen. Zoo eene vonden wij onlangs, die bijna stervende was. Wij namen haar op en toen zij gestorven was, zorgden wij voor hare begrafenis, waarbij niemand dan wij de doode naar haar graf geleidde.

Het is eene treurige geschiedenis, maar zulk eene als niemand onopgemerkt mag laten voorbijgaan, want deze vrouwen vormen een groot staand leger, welks aantal niet met zekerheid te begrooten valt. Alle schattingen, die ik op dit punt gezien heb, zijn louter schepping der verbeelding en missen eiken betrouwbaren grond. Het gewone getal, dat men voor Londen opgeeft, is van 60,000 tot 80,000; wat waar kaü zijn, wanneer men alle vrouwen wil medetellen, die zich aan onkuischheid schuldig maken. De opgave is eene monsterachtige overdrijving, wanneer men haar laat gelden voor zulken als uitsluitend in prostitutie haar onderhoud vinden. Onjuiste cijfers helpen tot niets, dan tot het scheppen van verwarring. Hoe de zaak sta, dit is zeker, dat wij maandelijks met honderden zulken te doen krijgen. Hoe geheel onvoorbereid onze maatschappij is, om eenige stelselmatige hervorming op dit punt in leven te roepen, kan hieruit blijken, dat het ons onmogelijk is al de slachtoffers op te nemen, die reeds nu zich bij ons aanmelden. Zij kunnen aan haar nood niet ontkomen, hoe gaarne velen het zouden willen, omdat het ons te zeer aan gelden ontbreekt om voor zulken een weg tot herstel te openen.

-ocr page 81-

riOOFDSTUK VTT.

I)c misdadigen.

Een voor ons ontwerp zeer wichtig deel der donkerste deelen van Engelands maatschappij zijn de heele- en half-misdadigen. Zij leven in minder of meerder mate in een staat van verstrooiing, waaruit de politie ze als schapenkudden zoekt saam te drijven, om hen, zoo noodig, onder de tucht van den gevangenbewaarder te brengen. Juiste getallen omtrent hunne heirmacht zijn zelfs bij gissing niet te bepalen, maar de offlcieele opgaven voor 1889 leveren de navolgende cijfers:

bevatten :

De gevangenissen voor crimineel gevonnisten 11,060 personen

flaatselijke gevangenissen....... 20,883 »

Verbeteringsgestichten voor van eenige misdaad veroordeelde jeugdigen..... 1,270 »

Nijverheidsscholen voor zwervende en onhandelbare kinderen.........21,413 »

Krankzinnige onder curateele staande misdadigers............ . 010 »

Als dieven bekend staanden...... 14,747 »

Bekende helers van gestolen goed . . . . 1,121 » Onder verdenking van misdaad staanden . . 17,042 »

ïe zamen . . 89,040 personen.

In bovenstaande opgaaf zijn niet begrepen het groote leger bekende prostitué\'s, noch de houders en eigenaars van bordeelen en slechte huizen, over wier aantal de regeering een hardnekkig stilzwijgen blijft volhouden.

De in bovenstaand lijstje voorkomende getallen leiden echter licht tot onjuiste gevolgtrekkingen en kunnen niet als leiddraad

-ocr page 82-

DE MISUADIGKN.

dienen. Zij vertegenwoordigen enkel het aantal misdadigers, die op eenigen bepaalden dag in den kerker waren. De gemiddelde gevangenis-bevolking in Engeland en Wales, daaronder niet begrepen de tot zware straffen veroordeelden, bedroeg in 1889 15,119; maar het getal gedurende dat jaar gevonnisten was 153,000, van wie slechts 25,000 één vonnis luidden en 76,300 minstens 10 malen den kerker betreden hadden. Maar ook wanneer wij aannemen, dat de klasse der misdadigen niet meer dan 90,000 telt, waarvan 85,000 voor het oogenblik in vrijheid verkeeren, ook dan nog vormen zij een deel der menseh-heid, groot genoeg om ons tot een opmerkzaam nadenken te nopen. 90,000 meuscheu, tot den kring van misdadigers afgedaald, zijn een getal maatschappelijke schipbreuklijders, die voor de maatschappij een schadepost zijn, wier bedrag slechts zeer gebrekkig te schatten is, zelfs al brengen wij alles wat gevangenissen en politie kosten mede in rekening. Ook moet opgemerkt, dat de politie meer tot taak heeft dan als herders van den misdadigerstroep te handelen. De kosten aan het opsporen en gevangenhoudeu van misdadigers verbonden en die van het politiewezen komen te zamen op 53,244,000 gld. te staan. Deze som van ruim 53 millioen, hoe groot op zich-zelve, heeft echter luttel te beteekenen, zoodra wij mede in rekening brengen, de schatting en lasten, welke deze altijd op roof uit zijnde schaar, de gemeente, waar zij te huis behooren, door al hun misdrijf berokkenen. Aan het verlies, door het eigenlijk rooven en stelen geleden, behoort te worden toegevoegd het arbeidsverlies van een 05,000 tal gezonde en tot werken geschikte personen. Van al deze volwassen misdadigers moeten toch het dubbel aantal vrouwen en kinderen voor hun tijdelijk bestaan afhankelijk gerekend worden, zoodat wij zeker niet ^e hoog schatten, wanneer wij beweren, dat door de misdadigen minstens een getal van 200,000 personen geheel of voor het grooter deel ten laste van de beurs der overigen komt.

Ieder jaar worden alleen binnen de grenzen van Londens stadspolitie 66,100 personen in hechtenis genomen, waaronder 444, die door het willen plegen van zelfmoord aan hun lijden poogden te ontkomen. Deze overgroote menigte is van hare geboorte af door opvoeding reeds bestemd voor de gevangenis, evenals in hooger standen de jongere zoons met het oog op het leger of de rechtbank worden opgeleid.

De door erfrecht tot het plegen van misdaad voorbestemden zijn geenzins tot Indië beperkt, ofschoon zij alleen in dat land nog zoo kinderlijk eenvoudig zijn van zich onbewimpeld bij de

64

-ocr page 83-

VERHAAL VAN 1)EN CEVANQENISBURGEB.

volkstelling onder dien titel op te geven. Dit evfelijk geslacht vormt echter niet alleen de in de maatschappij aanwezige misdadigers macht, hun aantal wordt aanhoudend vermeerderd of aangevuld uit de buiten dezen kring levenden. In niet weinige gevallen wordt, dit moet erkend worden, bepaalde verhongering de drijfveer tot misdaad plegen. Er zijn er onder de kerkvaders geweest, die het als wetsregel wilden erkend zien, dat iemand, wiens leven door honger in gevaar komt, niet strafschuldig zou gerekend worden wegens brood in dat uiterste ontvreemd, enkel om ziel en lichaam bijeen te houden. In onze rechtspleging heeft deze uit menschlievendheid voortgesproten gedachte nog geen burgerrecht verkregen. Volstrekte wanhoop dr^ft menigeen in de gelederen der misdadigers, die nooit zoover zou gekomen zijn, indien de christenmaatschappij er op bedacht ware geweest, om met ernst de belangen ter harte te nemen van hen, die als door een hun wil te sterke macht een vonnis der rechterlijke macht te gemoet gaan. Is iemand eenmaal tot dien val gekomen, dan is het of alles samenwerkt om hem in de diepte te houden. Even als gewonde en ziekelijke herten door hunne makkers met de hoornen gestooten worden tot dat de dood hen uitredt, worden de met den gevangenhuissmet getee-kenden door hunne medemenschen op doodelijke wijze afgestoo-ten, totdat zij wel wanhopen moeten ooit weder boven water te kunnen komen, nn daardoor tegen wil en dank de eene gevangenis na de andere hun gansche leven door hun verblijf wordt. Op eene vroegere bladzijde schetste ik zulk een levenstoestand; hoe iemand, na alles beproefd te hebben, zooveel hij slechts kon, eindelijk door den honger radeloos tot diefstal kwam, enkel om niet van gebrek te sterven. Wat hier volgt, is de voortzetting van \'a mans geschiedenis. Nadat hij diefstal begaan had, zette hij het op een loopen en teekent dus zijn verder ervaren:

«Vluchten was gemakkelijk genoeg. Bijzonder overleg was er niet toe noodig om aan het tooneel mijner misdaad te ontkomen, maar het ging zeer moeie-lijk, om niet van het eene lijden in het ander te vervallen. Iemand had mij maar strak aan te zien, of als ik slechts driftige voetstappen achter mij hoorde, en een koude rilling ging mij van angst door de leden. Het knagen van den honger was gestild, maar nu vingen de innerlijke verwijlingen van de stem des gewetens aan. Aan de gevolgen der misdaad te ontkomen beteekent, wat het uitwendige aangaat, niet veel, maar het feit in het innerlijk oordeel weet van geen te niet gedaan worden. Toch was het alleen de overweldigende drang der omstandigheden geweest, die mij tot een misdadiger verlaagd had. Geene innerlijke slechtheid of keuze had mij gedreven, en hoe bitter verweet ik het in mijne gedachte de maatschappij, dat zij zulke toestanden gedoogde, waarin geen derde kans tusschen «stelen of sterven» overbleef. Evenwel kwam ik nog op eene andere keus, nu mij niets restte, dan op den slechten weg voort te gaan, of — mij zeiven voor het plegen der daad aan te geven. Ik besloot eerder het laatste dan

65

5

-ocr page 84-

T)F, MTSÜADIGEN.

het eerste te doen. Na mij door een loop van meer dan 24 uren zoo ver mogelijk van de plaats, waar ik stal, verwijderd te hebben, bevond ik mij in een oord, waar alles mij aan mijn jongenstijd en betere dagen herinnerde.

Daar werd mijn oog getroffen door den plaatselijken kerker. Hoe menigmaal had ik het als Jongen aangezien en met kinderlijk medelijden gestaard op de oogelukkigen, die men daar binnenvoert. Hun lot wachtte ook reeds mij. Zonder lang beraad begaf ik mij naar het politiebureau en deelde er met nauwkeurige bepaling van tijd en wijs mede, wat ik bedreven had, en dat ik, daar ik niet op nieuw een gelijke daad wilde plegen, mij liever der overheid in handen gaf. Men vond mijne daad werkelijk zoo dwaas, dat men aanving met mijn verhaal in twijfel te trekken. De eene vraag voor, de andere na werd mij gedaan, en de uitslag was, dat nader bericht moest worden afgewacht. «Hoe kwam ik zoo dwaas mij zeiven aan te geven?» «Zeker een drinkebroer!» «Of er loopt een streepje bij hem door!» «Meer dom dan slecht.» «Hij zal wel anders praten, als hij een proefje van den tredmolen gehad heeft.» Deze en soortgelijke opmerkingen hoorde ik om mij heen de rondte doen. Na verloop van zoo wat een uur kwam een inspecteur binnen. Hij zeide een telegram ontvangen te hebben, en met een: «alles in orde» was mijn lot beslist en kon men mij inrekenen. Zich tot mij keerende, zeide de inspecteur: «Maandag zult gij gehaald worden» en zoo werd de cel mijn tijdelijk verblijf. Toen hare deur gesloten was, bevond ik mij alleen, — maar alleen met mijn ergsten beschuldiger, mijn geweten.

Des maandags morgens werd de celdeur ontsloten en een gedienstig rechercheur stond voor mij. Ontzettend waren mijne gewaarwordingen, toen de handboeien om mijn polsen gesloten werden en ik dus geboeid vervoerd werd. Nogmaals werd de aanklacht geboekt en brak voor mij, na nog een nacht in de cel te hebben doorgebracht, de bestemde morgen aan. Het ruw en barsch \'.Kom mee», van den gevangenbewaarder deed mij opschrikken en een oogenblik later bevond ik mij in den gevangenhuiswagen. Werktuigelijk tuurde ik door de open reten van den vloer, en het scheen mij, of de steenen onder mij in vliegende vaart voortsnelden. Het gerechtshof was spoedig bereikt, en in eene gemeenschappelijke cel gebracht, bevond ik mij daar te midden van een hoop jongens en mannen, allen op hun verhoor wachtende. Naam voor naam werd opgeroepen, en langzaam dunde de kring, tot eindelijk mijn eigen naam mij pijnlijk in de ooren klonk. Ik kon niet meer dan de trappen opstrompelen, en zag mij in de helverlichte rechtzaal opeens in het volle licht. Wat ik op dat oogenblik gevoelde, kunnen geene woorden beschrijven. De rechtshandeling liep snel genoeg af. «Hebt gij nog wat in te brengen?» — «Gevangene, val zijn Hoog Gestrenge niet in de rede.» — «Geen praatjes hier!» — «Een maand gevangenis met dwangarbeid.» Dit was zoo wat alles wat ik hoorde en eer ik tot mijzelven gekomen was, kwam ik met een paar stevige duwen bij den officier terecht, die het vonnis inschreef, na welke formaliteit ik in den kerker gebracht werd. Over andere bijzonderheden zal ik maar heenstappen en alleen zeggen, dat al het gebeurde mij een zeer benauwde droom toescheen.

Het was mij, alsof ik mijn naam voor goed verloren had, en mij er in schikken moest voortaan voor mijzelven en bij anderen 332 B. te zijn.

Als in een droom doorleefde ik de volgende dagen. Tijd van werken, eten, slapen, alles ging naar ijzeren regel op de klok. Soms was het mij, of ik alle denkkracht verloren had, en in een staat van verdooving alles werktuigelijk deed. Ruwe bevelen der bewaarders, toespraken van den geestelijke, vragen van beambten — ik vernam alles, maar zonder er wezenlijk bij te zijn.

Toen de dag mijner vrijlating naderde, beving mij het benauwd gevoel, dat mijn eenige uitkomst misschien een wederkeeren naar dit vreeselijk oord zijn zou. Dit deed mij het einde mijner straf eer met schrik en angst dan met blijdschap te gemoet zien. Toen het uur daar was, ging ik werkelijk met smart, want daar buiten geen tehuis en geen hoop, en in mijn cel althans eene soort van rust, al was het bijna de rust des grafs.o

66

-ocr page 85-

HULP VOOR ONTSLAGENEN.

In zulk een gemoedstoestand, en gelukkig voor nog tot eene tweede strafschuldige daad gekomen te zijn, werd de radelooze man naar een onzer toevluchtsoorden verwezen, en vond daar helpende vrienden, die hem tot God en eene levende hoop terugbrachten. Zoo mocht het gelukken voor hem vast werk te vinden, en hem te helpen om weder eene eerlijke plaats in de maatschappij te hernemen.

Zoo als deze man was, zijn er, men bedenke het wel, houderden, — wat zeg ik, — duizenden in onze maatschappij. Wie is er, die mede wil werken, om zulken eene helpende hand toe te reiken? Indien dit niet gedaan wordt, ware het toch inderdaad menschelijker, hun opeens het leven te benemen, dan door langzame marteling alle eergevoel en gehechtheid aan het leven bij hen uit te blusschen. Van afmaken wil de maatschappij niet weten. Voor zoo snel recht deinst hare deugdzaamheid terug, maar op eene wijs, als waarop de Bngesche wet het verbod om de pijnbank te bezigen, wist te ontduiken. Het pijnigen was verboden, maar een getuige onder een zwaren last zoo te beklemmen, dat hij meer dood dan levend was, werd, als ware dit met de wet niet in strijd, zonder eenig bezwaar gedaan. Zoo ook doet men nog heden. Wanneer een gevangene zijne straf heeft doorstaan en in het gewone leven terugkeert, is de geheele maatschappij weinig anders dan eene pers, die hem het leven bitterder maakt dan een korte geweldige dood doen zou. Hoe de ongelukkige zich wendt, hetzij hij spreekt of zwijgt, er is voor hem geene plaats meer.

07

-ocr page 86-

HOOFDSTUK VIII.

De kinderen van hen, die verloren moeten geueiit worden.

Hoe men ook oordeele over de mogelijkheid om uog iets voor de volwassenen te kunnen doen, vrij algemeen is men het daarover eens, dat de kinderen nog niet in zoo geheel hopeloozen toestand verkeeren, dat niet iets degelijk goeds voor hen mogelijk en binnen ons bereik is. Het is een bekend woord van een staatsman, die in de «eerste gelederen der liberalen staat»: Ik beschouw het thans levend geslacht derzulken als reddeloos verloren. Ik voor mij ben zeker, dat het niet mogelijk is iets uit te richten met en voor de mannen en vrouwen, die onder de zedenbedervende invloeden onzer dagen opgegroeid zijn. Mijne eenige hoop is, dat aan de kinderen nog eene betere kans van slagen gegeven worde. Goed onderwijs en opvoeding kunnen daar veel toe bijdragen.» Met leedgevoel moet getuigd worden, dat de zedenbedervende toestanden er voor de kinderen niet beter op geworden zijn; dat zij in menig opzicht eerder nog ongunstiger werden. De verachtering van de bewoners onzer groote steden, en wel in bijua ieder opzicht, is eene der feiten, wier werkelijkheid nauwelijks door eenig staathuishoudkundige wordt weersproken. Het land is de kweekplaats voor werkelijk gezonde staatsburgers. Wanneer onze steden niet een onophoudelijken toevoer hadden van van buiten inkomende personen, de stadsbevolkingen zouden overal reeds lang weggekwijnd zjjn. Op zichzelf is dit dus een geluk, mits het niet zoover wordt gedreven, als in de laatste jaren, waarin het land al meer van zijne bevolking aan de steden prijsgeeft. Onze groutere steden, en in de allereerste plaats Londen, zijn tot in de keel volgestopt met eene niet werkelijk opgenomen en ook onverduwbare massa werklieden, waarvoor voldoende arbeid ontbreekt, zoodat wel de

-ocr page 87-

ONDF.llWEZEN JIAAK NIET OPGEVOED.

kinderen in de eerste plaats onder dezen toestand van overbevolking moeten lijden.

Het in dien stand in de stad geboren kind heeft van allerlei tegen, wanneer wij zijn lot en deel vergelijken met zijn gelijken, die buiten het levenslicht zagen. En nu is de toestand zoo geworden, dat er elk jaar steeds meer in de steden dan op het land geboren worden. Om de kinderen op te kweeken wordt vóór alles vereischt een woonverblijf, dat den naam van tehuis mag dragen; voorts melk, dan open lucht, en eindelijk veel vrije lichaamsoefening onder groen geboomte en den blauwen hemel. Al deze voorrechten zijn het deel van den man, wiens arbeidsveld buiten ligt; zijne kinderen achten deze hunne groote voorrechten nauwelijks iets bijzonders. Toch kwam ook daarin allengs verandering, want de schaduw van het stadsleven verbreidt zich al meer over de buitenbevolking. Reeds zelfs de verst afgelegen buitenwonenden moeten, als zij koeien houden, de melk, en dit ten nadeele van de goede voeding hunner kinderen, aan de stad afstaan. De regelmatig klimmende eisch der groote steden dwingt den buitenbewoner om dezen aan eigen behoeften en die zijner kinderen te laten voorgaan. Thee, bier en andere aftreksels moeten de plaats van melk vervangen, en zoo worden het beengestel en de spieren van het opkomend geslacht al van de wieg aan gebrekkig en lot ziekelijkheid gevoed. Maar ook al heeft het buitenkind niets beters dan zorgvuldig afgeroomde melk, en misschien zelfs daarvan nog een schamel deel, hem blijft ten minste overvloed van beweging en lichaamsoefening in de vrije lucht. Met zijn jong buurvolkje leeft hij onder voorwaarden als den mensch om gezond te zijn passen. Een wakend oog let op hem, en onwillekeurig komt hij in meerdere of mindere aanraking met de pastorie en het beter deel van de bewoners van zijn dorp. Zijn leven te midden van vogels en boomen, van rijpende oogsten en van de dieren des velds verdient nog den naam van een echt menschenleven; hij is geen mier in menschenvorm, die over de straatsteenen van een groot stadsmierennest kruipt, en zoo al meer in een ziekelijk gestel een onnatuurlijk ontwikkeld zenuwstelsel openbaart.

Maar, wordt mij tegengeworpen, het kind van dezen tijd heeft toch een groot voorrecht in het zooveel beter onderwijs, dat algemeen verkrijgbaar geworden is. Ik kan het zoo groote van dat voorrecht nog niet inzien. Onderwezen worden de kinderen, maar tot opvoeding behoort veel meer. Tot lezen, en wat schrijven en rekenen gedrild, is daarmede nog geenszins de in hen schuilende aanleg ontwikkeld, welke hen tot hunne eigenlijke

69

-ocr page 88-

70 OF. KINDEREN VAN HEN, DIE VERLOREN MOETEN GEACHT WORDEN.

levensroeping zou hebben bekwaamd. Ongetwijfeld, niemand kan het ontkennen, het tegenwoordig geslacht is de leeskunst machtig. Hoe zou zich anders het groote debiet van roovers-en moordenaarsgeschiedenissen laten verklaren ? Eu hoe ia het met de meisjes gesteld ? Overdrijf ik, wanneer ik zeg, dat de meisjes, die haar schooltijdperk hebben doorloopen, niet half zoo goed opgevoed zijn, als hare grootmoeders op gelijken leeftijd waren? Hoevelen van dit soort van moeders der toekomst zijn bij machte om goed brood te bakken, en hare kleeren te was-schen en verstellen? Behalve het passen op het jongste kind,— eene taak, die in eene arbeiderswoning moeielijk te ontkomen is, — wat huiselijke opvoeding hebben zij ontvangen, die werkelijk een bekwaammaking mag heeten, om eenmaal zeiven moeders, naar eisch hare kinderen tot goede verzorgsters te zijn ?

Wanneer wij voorts het te ontvangen onderwijs wat meer vau naderbij beschouwen, tot hoe duren prijs wordt het dikwerf gegeven. Worden niet in menige school de uit de stadsmoerassen bijeengedrevenen vermengd onder kinderen uit beter kring, kinderen, die nooit een gemeen woord hoorden, en nu uren lang onder den invloed komen van zulken, die reeds geheel vertrouwd zijn met al het onreine en verdorvene der menschelijke samenleving? Ongetwijfeld, het is goed, dat alle aanstaande staatsburgers lezen leeren, maar nooit moesten scholen zoo zijn ingericht, dat kinderen uit beter kring reeds op school ingewijd werden in de straattaal der ongebondenheid. Wanneer ik dus spreek, zeg ik niets meer, dan ik zelf van nabij weet, en wat ik als reden van beklag zoo vaak uit den mond mijner officieren vernomen heb: «Dat onder nog onbedorvene schoolkinderen op gelijken voet toegelaten worden kinderen, wier taal niet beter is, dan in Sodom en Gomorra is gehoord geworden.» Kinderlijke onschuld is een schoone maar teedere bloesem; de reine bloesem kan giftig getroffen worden, en welk eene ontdekking voor eene moeder, die haar dochtertje als haar oogappel bewaarde, wanneer zij tot de ontdekking komt, dat hare onschuld reeds, wie weet in welke mate geleden heeft, door de vertrouwelijke mededeelin-gen van kinderen, voor wie de onreinheden der achterbuurt iets geheel gewoons geworden zijn.

Het burgerlijk tehuis is reeds voor een goed deel verwoest, zoodra de moeder zich wel verplicht ziet, om den vader als werkster naar de fabriek te volgen. Bij het niet bepaalde van de lengte van den werktijd is meestal de eisch van dien aard, dat aan ouders eigenlijk geen tijd overblijft om naar hunne kinderen om te zien. Nemen wij slechts een algemeen bekend

-ocr page 89-

DE itKEDS OP DK WIEG RUSTENDE VLOEK.

voorbeeld. Welke tijd rest een voor de omnibuscorapagnieën werkzaam persoon, om dagelijks althans iets van zijne ouderlijke plichten voor zijne kinderen te vervullen? Hoe zou de koetsier, die zestien uren op den bok van een omnibus moet zitten, daarbij nog den tijd kunnen uitwoekeren om zich in iets wezenlijks vader zijner kinderen te toonen? Voor hem bestaat niet veel kans om ze anders te zien dan slapende. Zelfs op zijn zondagsrust, die heerlijke instelling Gods, die wij wel het plechtanker mogen noemen, dat het bestaan der menschheid schraagt, wordt nog voor een deel beslag gelegd. Hoevele soorten van werkzaamheid zijn er, die sedert mijne jeugd zijn ontstaan of zich hebben uitgebreid, wier hoofden alle begrip schijnen te hebben verloren, dat het voor mensch en maatschappij volstrekt noodzakelijk is, dat de arbeider één dag van de zeven in waarheid rust geniete. De besturen van spoorwegen, het postwezen, de omnibus- en tramvereenigingen dwingen allen hun dienstdoend personeel, om zich tevreden te stellen met minder dan het kleinste deel rust, dat hun naar goddelijke verordening toekomt. Op het land is de keerende duisternis althans oorzaak, dat de vader voor een deel van den dag aan zijn gezin gegund wordt. In de steden hebben gas en electrisch licht het den werkgever mogelijk gemaakt, om den kinderen hun vader te ontrooven gedurende al den tijd, welken zijn slapen niet eischt, en niet zelden geldt dit evenzeer van de moeders. Bi] dezen loop van zaken kan men zeggen, dat door den invloed der nieuwere industrie de kinderen bij hunne geboorte niet zoozeer een eigen tehuis voor hunne opvoeding vinden, als wel dat zij evenals bij de hedendaagsche vischcultuur in de wereld gespeend worden; en daar zij andere wezens dan visschen zijn, met veel minder goed gevolg voor de maatschappelijke samenleving.

Een noodzakelijk gevolg van zulke toestanden is, dat de nauwe betrekking tusschen ouders en kinderen moet verkoelen en verloren gaan, wanneer men zoo voor menschelijke levensverhoudingen die van de visschenwereld in de plaats stelt. Een vader, die nooit het genot leert kennen van zijn kind op zijn knie te hebben en er zoo mee te spelen en dartelen, kau bij geene mogelijkheid een diep gevoel hebben vau de plichten, welke zijn vaderschap hem oplegt. Bij het jagen en gejaagd worden, dat het elkaar de loef afstekend stadsleven van zelf met zich medebrengt, ontneemt aan duizenden mannen de tijd om als vaders te doen, wat die verhouding der liefde van hen vordert. De band der wet laat ons hoofden van gezinnen, maar voor wie met recht den vadernaam dragen, is nauwelijks plaats meer. Schoolmeesters

71

-ocr page 90-

73 DE KINDEBEN VAN HEN, DIE VERLOREN MOETEN GEACHT WOKDEN.

zullen heel wat te doeu vinden, wanneer zij ook maar ten deele dit gemis van vaderzorg en vaderliefde zullen vergoeden. Is hiermede niets te veel gezegd met het oog op ouders, die altijd vast werk hebben, dan kan ieder licht nagaan, welk soort van huiselijk leven er overblijft voor de kinderen van den zwervenden gelukzoeker, van zulken die op sjouwtjes loopen, van allen, die half gedwongen van diefstal leven of als vrouwen van ontucht bestaan. Immers al deze menschelijke wezens hebben kinderen, al ontbreekt hun een tehuis om ze op te voeden. Er leeft geen vogel in veld of woud, die niet eenig soort van nest bereidt, waarin de ouders hunne jongen zullen uitbroeden en verzorgen, zelfs al hebben zij zich moeten behelpen met een in den grond gegraven kuiltje of met wat oneffen stokjes, die het verblijf bijeenhouden. En ach, hoevele kinderen komen er onder onze verwaarloosde klassen ter wereld, zonder dat iemand er op bedacht is geweest, iets voor hen gereed te hebben, dat een voor hen passend nestje zou kunnen heeten.

Welk eene menigte kinderen worden in onze werkhuizen geboren, van wie het in zeer bepaalden zin heeten moet: «In zonde ontvangen en tot ongerechtigheid geboren.» Hoevelen komen ter wereld tot een oordeel over het zondigen der ouders, van hunne geboorte als bastaarden gebrandmerkt, erger dan enkel zonder vader, zonder tehuis, zonder vriendelijke beschermers. Reeds van hun ter wereld komen weegt op hen een vloek, en dit in eene maatschappelijke samenleving, waarin zij, die van goede afkomst zijn en eene zorgvuldige opvoeding ontvingen, het reeds zoo zwaar vinden om in overeenstemming daarmede vooruit te komen. Somtijds, dankbaar moet het erkend worden, woont in het hart der verlaten moeder zulk een schat van liefde voor haar verstooten en verlaten kind, dat de vrucht een zichtbaar teeken van hare misdaad is, dat zij voor haar kind leeft en waakt, en zoo een schild poogt te zijn tegen al wat hem vijandigs omringt. Bedenke men tegenover zulke uitzonderingen wel, met hoeveel angst en afschuw de ongelukkige moeder de komst van het kind harer schande ziet naderen; hoe de ure der beslissing haar als een spooksel verzelt en vervolgt; terwijl niets dan de vrees voor straf hare handen weerhoudt, om met den eersten levenskreet het teeder leven gewelddadig te smooren. Welke gunstige kansen bestaan er voor zulk een kind, en hoevelen derzulken worden er in ons midden geboren?

In zeker land, dat ik niet noemen wil, bestaat een wetenschappelijk stelsel van kindermoord, maar omsluierd met het uitwendig vertoon van menschlievendheid. Reusachtige vondelings-

-ocr page 91-

KINDERMOORD.

gestichten bestaan in de voornaamste steden, waar alles den indruk geeft, dat aan de strengste eischen van wetenschappelijke voorzorg wordt voldaan, maar dit toch met de uitkomst, dat hoogstens de helft der kinderen in leven blijft. Zoo bespaart men de moeders het plegen eener misdaad eu neemt de staat alle verantwoordelijkheid voor het lot der kleinen van haar over. Eenigszins doen wij hier op andere wijze hetzelfde, en zouden wij de straat, het werkhuis en het graf vondelingsgestichten voor een deel onzer in onecht geboren kinderen kunnen noemen. Wanneer de rechterlijke macht getuigen moet, zooals dit nog onlangs de rechter Wills in Londen deed, dat het getal ouders niet zoo heel klein is, die bereid zijn, om als zij het straffeloos konden doen, voor eene kleine levensverzekeringssom een sluipmoord aan hunne kinderen te plegen, kan ieder zich eenige voorstelling makeu, welk een lot het deel van tal van kinderen is, die te midden van onze hemelhoog gerezen beschaving geboren worden.

De overbevolkte behuizing der armen noodzaakt de kinderen van alles ooggetuige te worden. De zedelijke verhouding, welke tusschen beide sexen behoort te bestaan, verliest als van zelf voor hen allen zin en beteekenis. Bloedschande wordt daardoor iets zoo gewoons, dat het in hun kring nauwelijks meer de aandacht trekt. Veler armen knagende armoede brengt hen wel in de noodzakelijkheid om zelfs niet ten halve in de voeding hunner kinderen te voorzien. Br zijn nauwelijks meer opgeschroefde tooneelvertooningen in de ontwikkelingsgeschiedenis onzer beschaving, dan het gedwongen schoolgaan van kinderen, wier hoofd in de school met allerlei wetenschappelijke kennis moet gevuld worden, terwijl hun van ontbijt verstoken maag en het niet weten, of zij zelfs wel een korst droog brood tot middagmaal zullen vinden, hen met begrijpelijk weinig lust de dosis onderwijs, die hun bestemd is, doen innemen. Kinderen, die op deze wijs met hongerlijden kennis maken, die geen tehuis kennen, die maar moeten opgroeien, zooals het gaat, die niet te weten komen wat vaderzorg en moederliefde beteekent. zijn juist niet de meest beloovende grondstof voor aanstaande burgers van een groot en machtig rijk als het onze.

Welke grond van hoop kan er nu bestaan, dat, wanneer wij blijven voortgaan met alles te laten loopen, zooals het loopt, een volgend geslacht van beter gehalte zal zijn dan het tegenwoordige? Mijne meening is, dat wij eerder van kwaad tot erger komen zullen.

De toenemende bandeloosheid onzer aankomende jongens, het al meer loszinnig en oningetogen worden der meisjes, het alge-

73

-ocr page 92-

74 DE KINDEREN VAN HEN, U1E VERLOREN MOETEN GEACHT WORDEN.

meen vervreemden van alle huiselijk leven door den toeuemenden eisch der fabrieken, geven al zeer weinig van enkel schooldwang te hopen. Nergens leert het opgroeiend volkje begrijpen, wat gehoorzaamheid beteekent en welke waarde deze deugd voor het maatschappelijke leven heeft. De van huiselijkheid vervreemde, hongerlijdende menigte leidt tot eene bevolking, waarin tuchteloosheid al meer burgerrecht verkrijgt, die zich te verderfelijker openbaart, naarmate lichaamszwakheid en aangeërfde ondeugden algemeener worden. Door de jeugdigen op te nemen in barakken, zooals onze werkhuizen, worden de zaken waarlijk niet beter gemaakt. In gestichtskinderen, die nooit vaderzorg of moederliefde hebben leeren kennen, kan het echt menschelijke slechts zeer ten deele en gebrekkig aanwezig zijn; en mannen en vrouwen, die aan een tehuis vervreemd zijn, kunnen kwalijk hunne kinderen anders dan als een lastpost beschouwen. Hun komen wordt niet zelden reeds met wrevel afgewacht, en ziet men er kans toe, door een misdadig pogen voorkomen. Is de onwelkome gast als een indringer gekomen, dan wacht hem al zeer licht eene verzorging en voeding, welke als eene uitnoodiging zijn om liefst spoedig door den dood eene onherbergzame wereld te verlaten, zoodat de weinig gevoelvolle ouders kunnen zeggen; «het kerkhof nog al te baat te hebben gehad.» Wanneer wij geen weg weten uit te denken, om het huiselijk leven als van nieuws op te bouwen, is al wat wij verder pogen zoo goed als geheel waardeloos. Tusschen de plek, waar wij ons nu bevinden, en dat te bereiken ideaal gaapt echter nog eene wijde kloof. Toch moet die kloof overbrugd worden, zal het ons gelukken eene noemenswaardige uitkomst te bereiken.

-ocr page 93-

HOOFDSTUK IX.

Moet alle gedachte aan linliibleden worden opgegeven 3

Ouder hen, die tot hiertoe mijne gedachtenontwikkeling volgden, zullen zulken allicht niet ontbreken, die van oordeel zijn eu zeggen: «dat het alles wel waar is, dat er velen buiten werk zijn en even waar, dat er velen op het Embankment en andere geheel ongeschikte plaatsen een nachtverblijf moeten zoeken, maar dat zij het even waar achten, dat wettelijk in een voldoend geneesmiddel voorzien is, of dat, zoo men het woord geneesmiddel te kras mocht vinden, toch de wet voldoende voorziening heeft gemaakt, om op doeltreffende wijs met dit soort van menschen te handelen.» De secretaris der vereeniging tot georganiseerde liefdadigheid gaf aan een mijner officieren, die op dit punt zijn oordeel kwam inwinnen, de verzekering: «dat er niet de minste behoefte aan meer of nieuwe inrichtingen tot hulpbieden bestond. Alles wat in deze richting ver-eischt werd, bestond, en was op zoo degelijke wijze in werking, dat elk in leven roepen van nieuwe iurichtingen tot hulpbetoon niet anders kon als meer schaden dan baten.»

En nu, van welken aard en hoedanigheid is de bestaande hulpinrichting, waarvoor de maatschappij zorg droeg, en waardoor zij hetzij onder staatsbeheer, hetzij door het pogen van bijzondere personen, zoekt te gemoet te komen aan de ellenden van het ongelukkig bezinksel onzer samenleving? Aanvankelijk was mijn plan eene ruime plaats in mijne beschouwingen te gunnen aan het beschrijven van alle hulpiurichtingen, welke op dit gebied bestaan; waarbij ik dan mijne opmerkingen had willen voegen, om aan te toonen, waarin zij te kort schoten en dus hebben moeten falen. Ik heb echter van dit eerste plan moeten afzien, want bij het inzien der noodzakelijkheid om alles onder-

-ocr page 94-

76 JIOEÏ ALLE GEDACHTE AAN HULPBTEDEN WORDEN OPGEGEVEN?

geschikt te maken aan het hoofddoel vau dit geschrift; «het aantoouen, hoe nog licht te scheppen is, zelfs in dit donkerste deel van Eugelands maatschappelijk leven,» heb ik mij genoodzaakt gevonden, om slechts vluchtig dit deel van het onderwerp aan te roeren.

Ik mag niet meer doen dan een enkelen blik werpen, op de zeker goed bedoelde, maar allen meer of minder mislukte pogingen om het groot en ten hemelschreiend euvel meester te worden.

Bij deze beschouwing komt gelijk van zelf spreekt, de eerste plaats toe aan de toepassing en werking der armenwet. Naar wetsletter neemt de staat de verantwoordelijkheid op zich, om eiken man, iedere vrouw en ieder kind, die van voedsel en beschutting verstoken zijn, van deze beide noodzakelijke levensvoorwaarden te voorzien. Deze op zich genomen verplichting schuift hij echter in de werkelijkheid van zich af, door er voorwaarden aan te verbinden, die voor de hulpvragenden, zoo al niet iets geheel onmogelijks, toch allervernederendst en aischuw-wekkend moeten zijn. Over de wijze van uitvoering der armenwet, in zoover deze betrekking heeft op onze werkhuizen en op het geven van hulp daar buiten, spreek ik niet. Die beide zaken leiden tot gewichtige vraagstukken, maar die buiten de grenzen liggen, waartoe ik mij noodzakelijker wijze moet bepalen. Het deel van dit gebied wat tot mijn onderwerp behoort, beperkt zich tot het duidelijk aanwijzen van de grenzen — ik mag wel zeggen, de noodzakelijk grenzen, binnen welke de armenwet hare werking doet. Geen Engelschman heeft recht op haar hulpbetoon, zoolang hem nog iets over is, dat hij het zijne kan noemen. Wanneer een lang aanhoudend ontbreken van werk of ziekte u tot dien staat vau verlatenheid gebracht hebben; wanneer achtereenvolgens ieder stuk huisraad is verkocht of verpand geworden, zoodat u niets meer rest dan het overschot kleeding, dat uw lichaam dekt, dan, maar niet eerder, hebt gij wettelijk recht om n tot den ambtenaar te wenden en verblijf te bekomen in het werkhuis. In die woning geldt niet eenzelfde maatstaf voor allen, maar zeer veel geschiedt naar de meer of minder menschlievende gezindheid van het bestuur, waaraan de regeling van zaken is toebetrouwd.

Wanneer gij echter nog niet zoo tot het allerdiepste van den wanhoopskuil gezonken zijt, om uzelven gewillig te kennen om uwe vrijheid ter wille van voeding, kleeding en verblijf in het werkhuis prijs te geven, maar gij nog enkel tijdelijk buiten werk zijt, dan staat «het Toevluchtsoord voor tijdelijk buiten werk zijnden» voor u open. Daar neemt men u op en voorziet

-ocr page 95-

STAATSnUM\'.

in uwen nood, maar uitgaande van het beginsel, dat het algemeen belang medebrengt het u zoo onaangeuaam mogelijk te maken; opdat gij niet in verzoeking komt om meer dan gij niet volstrekt laten kunt eene gastvrijheid te genieten, welke uit belastinggeld moet betaald worden. Voor dien maatregel is veel te zeggen, altans naar het inzicht van hen, die alles afmeten naar de stelregels hunner staathuishoudkundige wetenschap. Wat echter door niemand kan goedgekeurd, of zelfs met schijn van billijkheid verdedigd worden, zijn de zorgvuldig berekende voorzorgen, welke het aan hem, die nachtverblijf genoot, zoo goed als onmogelijk maken, om des andereu daags tijdig pogingen te kunnen doen om voor den nieuwen dag werk te vinden. Wie onder de thans bestaande regeling zich Maandag om nachtverblijf\' aanmeldt, is verplicht om er minstens tot Woensdag ochtend te blijven toeven.

De theorie, die aan dit stelsel ten grondslag ligt, is deze. Men eischt van hen, die door toevallige en voorbijgaande redenen behoeftig en buiten werk zijn, en wien daardoor voedsel en verblijf ontbreken, dat zij in ruil voor hun nachtverblijf, avonden ochtendeten, niet zoozeer als betaling voor verleende hulp, maar als bewijs van hun dagelijksch brood te willen verdienen, een zekere hoeveelheid werk verrichten. Het werk voor de hulpbehoevenden uitgekozen is geen ander dan wat ook den boef in de gevangenis wordt opgelegd: het uitpluizen van geteerd scheepstouw en het stukslaan van steenen voor Macadam plaveisel.

Is reeds zulk eene gelijkstelling vernederend eu pijnlijk, er komt nog bij, dat de hoeveelheid werk, die verlangd wordt, niet in de minste redelijke verhouding staat tot wat als weldaad door den hulpbehoevende ontvangen wordt. Het uitpluizen van vier pond oud teertouw is reeds een zware taak voor iemand, die door lange oefening er handigheid van kreeg. Nieuwelingen kunnen slechts met de grootste inspanning hun taak tijdig gereed hebben, en velen zijn daartoe in het geheel niet bij machte. Zelfs van tot gevangenisstraf veroordeelden wordt eene zoo groote hoeveelheid niet geëischt. De maat voor het breken van steenen gesteld is buiten alle maat en een echte monstertaak. Een halve ton steenen, geëischt van ieder man, wie hij ook zij. Hoe zwak of\' sterk, en dit om nog slechts ten deele het knagen van zijn honger te stillen, is een daad van barbaarschheid, die wanneer zij in de dagbladen, als in Siberië door Russen bedreven, vermeld stond, ons Exeterhall vullen zou met verontwaardigde sprekers en hoorders, en Hydeparks volkssamenkomsten tot gloei-

77

-ocr page 96-

78 MOEI ALLE GEDACHTE AAN UULPB1EDEN WORDEN OPGEGEVEN?

hitte zouden brengen door toornende welsprekendheid. Omdat nu echter zulk een afschuwelijk stelsel tot onze eigene volksgewoonten behoort, vindt niemand het erg genoeg om er bijzondere opmerkzaamheid aan te wijden. Zoowel de eene als de andere gevangenistaak wordt verwacht eu geëischt van allen, die binnen het toevluchtsoord komen. Geen onderscheid wordt gemaakt. Hoe uitgehongerd en slecht gekleed, hoe afgetobt en afgemat zij binnenkomen, er bestaat slechts keus tusschen twee: «het werk afmaken of met den strafrechter en de gevangenis kennis maken.» Het vroeger van kracht zijnde stelsel, dat niet verder ging dan het uitpluizen van één pond oud geteerd touw, was voor velen reeds kras genoeg. Zoodra deze laatste taak, en die hield hen doorgaans tot den middag bezig, voltooid was, was het hierdoor onmogelijk gemaakt om nog op dien eigen dag werk te zoeken, waardoor zij dus wel niet anders konden dan nog een nacht overblijven. Dit werd echter zoo weinig voldoende gerekend, dat de Raad van plaatselijk bestuur zich de zaak aantrok, en de bepaling maakte, dat wie van het toevluchtsoord gebruik maken wilde, een geheelen dag en twee nachten moest blijven, waarbij dan eene vierdubbele hoeveelheid werk s hem tot-taak gesteld werd.

Onder het tegenwoordig aangenomen stelsel is dus nu de strafeisch op het zoeken van een schuilplaats buiten den openbaren weg, dat men er twee nachten en een geheelen dag ver-blij ve; daarbij gezet aan eene bijna niet te voltooien taak, die als zij niet gereed komt het slachtoffer van zoo onmenschelijk hulp-bieden blootstelt om voor den rechter gebraclit en als een schelm of vagebond gekerkerd te worden, terwijl reeds de behandeling in het toevluchtsoord het deel van den tuchthuisboef was. Wie daar opgenomen worden, slapen in eene cel met een verblijf daarachter, waarin zij hun werk moeten verrichten; en voor dit werk ontvangen zij des avonds een half bord gortwater en acht oneen brood, en hetzelfde des anderen morgeus als ontbijt.

In den regel is de slaapplaats een planken brits, met luttel deksel, terwijl alles wat den slaap tot eene verkwikking dei-moede leden zou kunnen maken ontbreekt. Bedenke ieder wel, dat zulk een bijstand bieden is uitgedacht voor wie zonder hun schuld buiten werk zijn, die slechts door tijdelijke omstandigheden in moeite verkeeren en alzoo zonder schuld of eigen toedoen van plaats tot plaats trekken, in hoop eenig oord te vinden, waar men hunne arbeidskracht zal noodig hebben.

Wat de vrouwen aangaat, deze vinden er de volgende bejegening.

-ocr page 97-

ERVABINGEN DKB DUS GKHOT,PENEN.

Elke van haar, die er als zonder verblijf toevlucht zoekt, moet er twee nachten en een dag toeven, en twee pond touw pluizen of wel aan de wasohtobbe het toegemeten deel wasohgoed naar eisch wasschen. Gedurende den tijd, dien zij aan de wasuhtobbe staan, mogen zij ook haar eigen goed reinigen, maar zonder dat dit op de taak in mindering komt. Melden zij zich meer dan ééns aan hetzelfde toevluchtsoord aan, dan kunnen zij daar telkens drie dagen gehouden worden, wanneer de inspecteur haar terugkomen opmerkt; en komen zij twee malen in de zelfde maand, dan kan reeds de zaalopzichter haar drie dagen houden. Er zijn vier inspecteurs, die de verschillende verblijven in oogensohouw nemen, en wordt de hulpbehoevende door een dezer inspecteurs, die bij beurten de verschillende toevluchtsoorden bezoeken, gezien iu een der verblijven, waar zij reeds vroeger kwam, dan moet zij, in ieder van deze, drie strafdagen verblijven. De inspecteurs dezer vrouwenverblijven zijn mannen, die de verblijven op onbepaalde tijden bezoeken en hunne bezoeken doen ook als de vrouwen te bed zijn. De slaapplaats is op de eene plaats een beddezak met stroo, op andere met vezels van kokosnoten gevuld, en daarbij tot dekking twee ruwe dekens. Voor de vrouwen is het uur van opstaan kwart voor zes uren, en des avonds is zeven uur het uur van te moeten naar bed gaan. Wie met haar touwpluizen ten zeven uren niet gereed zijn, moeten opblijven tot de taak af is.

Ieder, die na \'s nachts half een nog toegang vraagt, wordt op dien grond een dag extra gehouden. De wijze, waarop deze bepaling invloed oefent, wordt het best verstaan uit de hier volgende mededeelingen, getuigenissen van zulken als in de toevluchtsoorden tijdelijk vertoefden, en dus bij ervaring weten, welke de indruk is, dien zij in de dus geholpenen teweegbrengen.

J. C. is met de toevluchtsoorjen voor tijdelijke werkeloozen van nabij bekend. quot;Ü is er in St. Giles, Whitechapel, St. George, Paddington, Mary Ie Bone en Mile End geweest. In ondergeschikte punten alleen verschillen zij eenigszins. In den regel worden de deuren om /es uren nam. opengesteld. Zoodra gij er zijt ingegaan, wordt u gezegd welk werk gij er verplicht zijt te doen, en dat, zoo gij de gezette taak niet af maakt, gevangenisstraf uw deel zal zijn. Indien gij besluit om op die voorwaarde te blijven, wordt gij naar de badkuip verwezen. In verscheidene plaatsen is het badwater verre van rein. Als regel geldt, dat drie personen van hetzelfde water gebruik moeten maken. In Whitechapel, ik was daar driemalen, vond ik het water steeds vuil en hetzelfde geldt van St. Georges. Te Mile End was ik van dit baden vrij, omdat er geen voorraad water was. Ot men al over de vuilheid van het water klaagt, dit baat niets, men luistert naar geen klachten. Na ontkleed te zijn, maakt men een bundel van zijn kleeren, opdat die gereinigd worden, en men geeft u in plaats daarvan een nachthemd. Op de meeste plaatsen geeft men de mannen avondeten, waarmede zij te bed moeten en het daar gebruiken. Sommige der bedden zijn in cellen, andere

79

-ocr page 98-

80 MOET ALLE GEDACHTE AAN HULPBIEDEN WORDEN OPGEGEVEN?

in groote zalen. Zes uren \'smorg. is liet uur van opstaan en dan aan het werk. De hoeveelheid steen, die men krijgt om stuk te slaan, is te groot, en teertouw pluizen te zwaar. Wat men als voedsel krijgt, is in de verschillende plaatsen zeer onderscheiden in hoedanigheid. In St. Gills wordt de gort, die des avonds overblijft, des morgens nog eens opgewarmd, en is dan verzuurd. Het brood is opgeblazen, vol luchtgaten, om zoo te bedekken, dat het niet het bij de wet bepaalde gewicht houdt. Voor middagmaal ontvangt men niet meer dan 8 oneen brood en anderhalt\' ons kaas; en daar die hoeveelheid voor eene leege en hongerige maag geheel onvoldoende is, is het wel nauwelijks mogelijk, zooveel zwaar werk af te doen, als de bepalingen eischen. Wanneer gij dorst hebt, kunt gij water krijgen. Men kan er om bellen, dat is, men komt u zeggen, dat het gebracht zal worden als het gelegen komt, en dat is zelden binnen het half uur. Een goed getal straatslijpers zoekt in zulke gelegenheden verblijf, maar evenzeer komen er vele degelijke arbeiders, die tijdelijk niet het minste werk kunnen vinden.

J. D., oud 25 jaren, Londenaar, kon geen werk krijgen, wat hij ook poogde. Bij herhaling werd hij afgewezen, als zonder vast verblijf. De rneeste menschen vinden er iets verdachts in, wanneer men geen vast verblijf kan aanwijzen. Naar het schijnt is hij goed van gedrag en verlangend naar werk. In den ochtend van dezen dag ontbeet hij met twee stuivers soep, en heeft daarop geheel den verderen dag geteerd. Gister verdiende hij 18 stuivers met billetten uit te reiken, maar op den dag te voren niets. Hij is in verscheiden der toevluchten voor wer-keloozen gast geweest, en acht ze daarin verkeerd ingericht, dat ze den werkelooze den ganschen dag overhouden, en hem zoo beletten om voor zich werk te zoeken, immers het is geen dagverblijf maar werk, dat zij behoeven. Zoodra ziet iemand zonder werk zich niet gedwongen om tweemaal in een maand van hetzelfde verblijf gebruik te maken, of zij eischen voor die hulp vier dagen zwaar werk. Naar zijne ervaring staat de schamele voeding in het geheel niet in verhouding tot het zware werk, dat geëischt wordt. Is het werk niet bijtijds gereed, dan heeft men macht u tot 21 dagen gevangenisstraf op te leggen. De behandeling is in verschillende plaatsen ruw en slecht, vooral wanneer de hoofdopziener meent, dat dreigen en bulderen de beste weg is, om orde en regel te bewaren. Zelf had hij eens 21 dagen cel gehad, omdat hij door uitputting daartoe buiten staat, bepaald had moeten weigeren, om bij zoo armelijke voeding zoo veel en zoo zwaar werk te beproeven, daar hij niet de minste kans zag, om aan den gestelden eisch te kunnen voldoen, Recht is niet te krijgen, want doe wat men wil, de geneesheer kiest altoos de zijde der oppassers, en van den man, die hun hoofd is.

J. S., sjouwerman, zoekt voornamelijk wat te verdienen met het dragen van borden met winkel- en andere aankondigingen, wanneer hij maar zijn deel kan machtig worden. Het loon is 12 of 14 stuivers daags, en elke dag is het harddraven door wie op baantjes azen. Gister kreeg hij een paar maal een pak te dragen en verdiende er 5 stuivers mee; voorts gaf een werkman hem een stuk brood met vleesch, zoodat hij het een goede dag mocht noemen. Menige dag ga:gt;t voorbij waarin hij letterlijk niets te eten heeft, en niet weinigen verkeeren met hem in hetzelfde geval. Moest geniet hij zijn nachtrust op het embankment, maar ook nu en dan in een stedelijk toevluchtsoord. Over reinheid en behandeling wil hij niet klagen, wel over het daar den ganschen dag binnen houden van de hulpeloozen, waardoor hun de kans wordt afgesneden om werk te vinden. Jonger zijnde was hij kantoorklerk, maar buiten betrekking geraakt, kon hij door de menigte jongere mededingenden nergens plaatsing vinden.

Een landlooper zeide: ik heb mij in bijna alle Londens toevluchtsoorden opgehouden, en nog in de vorige week in een in Macklinstreet, Drury Lane. Zij houden u twee nachten en een dag en langer, wanneer men in u een vroeger gast herkent. Als taak hebt gij te kiezen tusschen 40 ctws. steen stuk slaan of vier pond geteerd touw te pluizen. De eene taak isal even zwaar als de andere.

-ocr page 99-

ONVOLDOENDE HULP.

Ongeveer een dertigtal personen worden eiken nacht in Macklinstreet geherbergd. Het voedsel bestaat uit een halve kan gortwater en zes onsen brood voor ontbijt; acht onsen brood en anderhalf ons kaas voor middagmaal; op het theeuur is het rantsoen als bij het ontbijt en dient dan tevens voor avondeten. Deze hoeveelheid voedsel staat in geene verhouding tot het daarvoor geëischte werk. Het baden is verplichtend, drie in een en hetzelfde water, en vindt gy bij de derde beurt het wat vuil, dan spelen zij op en vragen: of gij meent, dat gij aan het hof te visite zijt?

F. K. W., bakker van beroep, wandelde heden met een aanplakbord rond en verdiende met zijn loopen van 9 tot 5 uur 12 stuivers. Met dit laatste bedrijt heeft hij zich nu gedurende zes jaren in het leven gehouden. Vroeger werkte hij in eene bakkerij, maar na eene ernstige congestie in de hersenen, was het hem niet meer mogelijk de hitte uit te staan. In bijna alle toevluchtsoorden voor werkeloozen in Engeland heeft hij een tijdelijk verblijf gehad. Aan te zwaar werk paart men in de meeste eene te harde behandeling. Hij heeft het slavenwerk moeten doen, zelfs al was hij er door zijn lichaamstoestand en door zwakte in het geheel niet toe in staat. Dit was b.v. het geval in Peckham, maar hoe uitgeput, zijn beroep op den geneesheer, baatte hem niets, de volle hoeveelheid moest geleverd. Een enkel tegenspreken van den geneesheer bij die gelegenheid berokkende hem drie dagen gevangenisstraf. Voor ik het met een toevluchtsoord waagde, had ik zeven nachten achtereen op hot Embankment geslapen, maar moest het toen opgeven, en de schuilplaats met zijn werk aannemen; maar is het wonder, wanneer iemand zoover gekomen is, dat het beulenwerk mag geacht worden, hem een taak op te dringen, die voor een gezonde en weldoorvoede nog een zware dagtaak te rekenen is.

De uitkomst van zulke met opzet gevolgde regels, waardoor het nachtverblyf aan den van werk verstoken arbeider hem zoo onaangenaam mogelijk gemaakt wordt, en het hem daarbij be-moeielijken om den volgenden dag werk te vinden, is kennelijk, een zoo klein mogelijk houden van het getal hulpzoekenden; en in dit opzicht doet ook het stelsel al wat er zich van verwachten liet. In geheel Londen is per nacht hun aantal dooreen nog geen 1200. De beteekenis van oen zoo laag cijfer is geene andere, dan dat de meerderheid der werkeloozen nog liever in de open lucht slaapt, en het op de wisselvalligheid en guurheid van ons klimaat waagt, dan de nog grootere onaangenaamheden van wat een wettelijk toevluchtsoord aanbiedt, te doorstaan.

In mijne schatting is zulk eene wijze om aan de bestaande ellende te gemoet te komen, niet een streven om liet kwaad te boven te komen, maar enkel een pogen om den last er van op de minst kostbare wijze te ontwijken. Reeds den oppervlakkig-sten beschouwer moet het in het oog vallen, dat eene werkinrichting, welke per nacht aan nog geen 1200 ten goede komt, ten eenenmale onvoldoende is om iets te zijn voor het zeer veel grooter getal, dat buiten schuld in een toestand van werkeloos zijn verkeert. Nemen wij echter eens aan, dat als door een wonder, deze toevluchtsoorden ons geheel helpen konden voor allen, die dag aan dag werk zoeken, zonder eene andere

81

0

-ocr page 100-

82 JIOEÏ BE GEDACHTE AAN HULPIUEDEN WOUDEN OPGEGEVEN?

plaats te vinden om hunne moede leden uit te strekken en liet hoofd neder te leggen, dan de harde straat of een der banken op het Embankment; zelfs dan nog zou deze uitkomst wel geeu zeer merkbaren invloed oefenen op het verminderen van de overmacht van menschelijke ellende, die ons tot den strijd van bijstand bieden roept. Keeds daarin is eene der oorzaken to zoeken, waarom het besturen der bestaande toevluchtsoorden zoo werktuigelijk, veeleischeud en aan koude vormen hechtende is. Ieder, die buiten werk tot den dienstdoenden opziener toevlucht neemt, is voor dezen slechts een cijfer meer. Voor niet één bestaat de minste toeleg om hem met iets meer te helpen, dan met de alleronmisbaarste vereischten om er het leven in te houden. Nooit is er eenige poging gedaan om hen als menschelijke wezens te bejegenen, op hunne bijzondere omstandigheden en aangelegenheden te letten, toegang tot hun hart te zoeken en hen weder op de been te helpen. In dit stelsel gelden zij enkel voor zaken, waarop niet meer geacht wordt dan op koffie-boonen, die door deu molen gemalen worden. Hierop de aandacht van anderen vestigend, moet ik zonder eenig aarzelen tot het besluit komen, dat alles wat den bijzonderen mensch doet ophouden zich iu de samenleving medemensch te gevoelen, dat alles wat hem tot een cijfer of spaak uit een wiel verlaagt, en daarnaar behandelen doet, geen reddingsmiddel verdient te heeten. Door niets te willen weten, van iemands bijzondere omstandigheden, van de hem bijzonder in den weg staande verzoekingen, doet men niets anders dan zijn moed en al wat in hem goeds is uitdooven en verstikken.

Het in ons midden dus genaamde toevluchtsoord is niets beters dan eene onsmakelijke, vuile rustplaats op den weg van een al dieper en dieper wegzinken. Zal voor zulke ongelukkigen iets goeds worden uitgericht, dan moet het reeds door andere personen geschieden, dan aan wie in den regel de uitvoering onzer armenwetten is betrouwd.

Een tweede pad door onze maatschappij beproefd om den burgerplicht aan de talrijke in armoede wegzinkenden te vervullen, zijn al de gemengde en zeer uiteenloopende pogiiigen, die zich onder het hoofd liefdadigheid laten bijeenvoegen. Verre zij het van mij, om ook maar met een eenig woord iets te willen afdingen op wat er slechts naar zweemt, een pogen te zijn om de ellenden onder onze medemenschen te helpen verminderen of verzachten. Mijne ervaring hierbij is nochtans deze, dat juist zij, die het meest medelijdend gestemd zijn, er tevens het meest onder zuchten en gebukt gaan, dat wat zij

-ocr page 101-

NIET VOLDOENDE MACHT\'TOT HELPEN.

ook doen moeliten, hunne beste pogingen zoo luttel macht hadden om eenigen wezenlijken en duurzamen invloed ten goede te oefenen.

Ev bestaan eene menigte instellingen, die op hare wijs en in hare mate zeer voortreffelijk te noemen zijn, zonder wier aanwezig zijn, het moeielijk te zeggen valt, hoe de maatschappij zelve op de been zou blijven; maar wanneer deze met de daad alles gedaan hebben wat in hare macht en bereik is, dan staan wij nog in volle verlegenheid voor een macht van niet verholpen ellende, voor een angstwekkend moeras van menschenleed en lijden. Uit dat moeras moge men hier en ginds een worstelaar opvisschen, maar het droogleggen van den ganschen poel is een werk, waarvoor zelfs de stoutste verbeelding terugschrikt in lien, die zoo goed als hun ganschen levenstijd zich aan weldadigheids-werk hebben gewijd. Ongetwijfeld het is beter dan niets, dat men het nooit opgeeft, om den enkelen onder zijne hoede te nemen, hem dag aan dag te voeden, zijne wonden en krankheden te helpen genezen; maar zoolang iemand niet meer doet dan dit, vervult hij een taak, waarmede men nooit vordert maar steeds van voor af aan moet beginnen. Wat bovendien nog het ergste is, is dat allen, die er over oordeelen kunnen, het daarin eens zijn, dat deze wijze van helpen wellicht ten slotte het kwaad, dat men verhelpen wil, slechts erger maakt; en men misschien nog wijzer zou doen den loop van zaken maar aan zichzelf over te laten.

Tot hiertoe ontbreken alle pogingen van beteekenis, om in onderlinge samenstemraing het bestaande kwaad aan te tasten en te bestrijden. Ieder strekt zijne hand uit naar wat in zijne onmiddelijke nabijheid zich voordoet, en de uitkomst hiervan is geene andere dan zich vooruit liet verwachten. De uitgaven zijn zeer groot en altijd klimmend, en, helaas! de oogst van het uitgestrooide blijkt al zeer luttel. ïoch is juist het feit, dat zooveel wordt ingeschreven om in tijdelijken nood te voorzien, en dat velen zoo gaarne en gewillig in gebleken nood hulp bieden, de vaste en voor mij geheel gerechtvaardigde grond om te verwachten, dat als een voor velen of\' allen omvattend plan wordt aan het licht gebracht, de wapenen tot dezen overwinnings-krijg ook niet ontbreken zullen. Ongetwijfeld, het kan soms goed zijn een enkel pijnstillend middel toe te dienen, maar eigenlijk komt het toch op het genezen van den lijder aan, en bij het voor ons liggend vraagstuk moeten wij altijd dit laatste als einddoel van al ons pogen voor oogen houden.

De derde weg, welken de maatschappij zegt, dat zij als poging

83

-ocr page 102-

84 MOET DE GEDACHTF. AAN HÜLPBIEDES WOUDEN OPGEGEVEN?

tot terechtbrenging van medemenschen bezigt, is het ruwe en harde operatiestelsel der gevangenis. Over dit hulpmiddel zou een boek te schrijven zijn, en na het voltooid te hebben, zou men niets gewonnen hebben, dan het betoog, dat ons gevangenis-stelsel jin de praktijk geheel het doel gemist heeft, dat bij elk strafsysteem het meest wezenlijke en onoutbeerlflke is. De weg, dien wij volgen, leidt niet tot levenshervorming, kan daartoe ook niet leiden, want straffen eu niets dan straffen is bedoeling. Ons gansche rechtswezen moet in dit opzicht in den grond worden herzien, en in overeenstemming gebracht met het door mij aangeduide beginsel. Wat men met iederen misdadiger moet op het oog hebben, is ongetwijfeld zulk eeue mate van straf, die hem het zware van het misdrijf kan doen beseffen, dat hij jegens zichzelf en de maatschappij gepleegd heeft; doch hoofdzaak moet blijven het streven, om in hem de begeerte te wekken om een nieuw en onberispelijk leven te leiden.

Omdat wij met een medemensch te doen hebben, moet in ons eene vurige begeerte zijn, dat hij bij het verlaten van den kerker oprechtelijk begeert te doen blijken verandering van zin en tevens een ernstig willen beter te handelen. Tot op heden is elke gevangenis in meerdere of mindere mate een oefenschool op het gebied der misdaad, eene diepere inleiding in den eigen kring der misdadigers, de innerlijke versteening van het nog in den gevallene overgebleven menschelijk gevoel, en eene bastille der wanhoop. Het gevangenhuisbrandmerk wordt ieders deel, die nu de kerkerpoort binnengaat, en het wordt hem zoo diep in het vleesch ingebrand, dat hij doe wat hij wil, het merkteeken zijner schande hem tot het einde zijns levens blijft aankleven. Het eenmaal de gevangenispoort te zijn binnengegaan, beteekent in zeer vele gevallen de voorspelling van daar spoedig te zullen wederkeeren. In dit alles moet verandering komen; eu deze zal ook komen, wanneer slechts eens het hervormingsstelsel ter hand wordt genomen door mannen, die het wezen der zaak begrijpen; die in hun hart gelooven, dat de menschelijke natuur voor hervorming zelfs dan nog vatbaai\'heid behoudt, wanneer zij op het diepst gezonken is; mannen in één woord, die een warm hart toedragen aan de verloren kinderen, aan wier terechtbrenging zij arbeiden. Van hen moet de bezieling uitgaan, waardoor ook zij, die dagelijks in betrekking tot den gevangene staan, in den zelfden geest tot het bedoelen dier hervormers medewerken.

Het vraagstuk der hervorming van ons gevaugenisstelsel is daarom te belangrijker, omdat de gevangenis de eenige macht is, waarmede de maatschappij zich in aanraking stelt met wie in

-ocr page 103-

ONVOLDOENDE EN ONGEPASTE MIDDELEN.

hopeloozen toestand verkeeren. Wanneer eene vrouw, door het gevoel harer schande tot wanhoop gebracht, zich in de rivier stort, en zij wordt nog levend aan land gebracht, dan sluiten wij haar in den kerker op tot straf van haar poging tot zelfmoord. Wanneer een man alle uitzicht op werk verloren heeft en door honger tot het uiterste gedreven, zichzelf aan voedsel helpt, wordt hij terstond aan dezelfde hervormingsgeneeswijze onderworpen. De ruwe en doortastende operatie, welke wij op onze maatschappelijke patienten toepassen, herinnert ons als van zelf aan het eenvoudig geneesmiddel, dat oude geneesheeren voor bijna alle denkbare ongesteldheden en ziekten terstond toepasten. Naar hunne meening schuilen alle ziekten in het bloed en moesten dus alle ziektestoffen voor eene duchtige bloed-aftapping wijken; en bestuurders van onze krankzinnigengestichten rekenden evenzoo het dwangbuis een onfeilbaar middel om allen die aan geestverbijstering leden tot kalmte te brengen.

De nieuwere wetenschap drijft nu lachend den spot met deze eenvoudige, maar onhebbelijke middelen van een vroeger onwetenschappelijk tijdperk; en zij geeft ons op degelijke gronden de overtuiging, dat wat geneesmiddel heette, juist de meest krachtige macht was om den toestand hopeloos te verergeren. Intus-schen, op maatschappelijk gebied, hoe hoog wij onze beschaving roemen, staan wij nog immer op het standpunt van den aderlater en den zwerende bij het afdoende van het dwangbuis. De gevangenis is ons panacee om alle wanhopige gevallen te overwinnen. Wanneer ieder ander hulpmiddel faalt, is onze maatschappij altijd gewillig om een man te voeden, kleeden, verwarmen en huisvesten, zoo hij slechts bereid is om een of andere door de wet als misdaad met straf bedreigde handeling te plegen. Ook verleent zij hem dit voorrecht op zulk eene wijze, dat alles er hem toe leiden moet om er duurzaam gebruik van te maken.

De maatschappij stelt den enkelen mensch deze vraag: «begeert gij voor uzelven vrij logies en onderhoud, dan is het plegen van eene misdaad daarvoor de voorwaarde. Zoo gij evenwel daartoe besluit, moet gij ook den prijs, die er voor staat, betalen. Gij moet mij vergunning geven uw goeden naam voor goed te vernietigen en u voor het overige van uw leven aan verlatenheid prijs te geven, met uitzondering van den tijd, waarin gij nieuwe proeven op het veld der misdaad zult leveren. De staat zal u als kind aannemen, op voorwaarde, dat wij u aan een tijdelijk verderf overgeven, waaraan alle kans tot ontkomen is afgesneden, en waarin gij altoos ten onzen laste en

85

-ocr page 104-

86 MOET ALLE GEDACHTE AAN IIULPBIEUEN WORDEN OPGEGEVEN?

tot een oorzaak vaii angst en kwelling der overheid blijft. Ongetwijfeld kunt gij mijnerzijds op voedsel rekenen, maar mot het recht mijnerzijds om u aan eene tijdelijke verdoemenis prijs te geven.» Zoo moest eene maatschappij niet kunnen spreken, en zulk een wanhoopswoord als haar laatste woord kunnen doen hooren.

«Voorzeker niet,» luidt het door anderen met warmte gesproken woord.

«Landverhuizing, ziedaar het redmiddel, dat zekere hulp en uitkomst aanbiedt. Overal heeft nog de aarde onbebouwde streken, vanwaar eene luide stem klinkt, die ons noodigt de werkkrachten, die wij te veel hebben, daarheen te zenden. Neem tot dezen uitweg uw toevlucht, en de zaak is gezond; landverhuizing is het afdoende geneesmiddel.» Wat mij aangaat, ik heb niet het minste bezwaar tegen dit aanbevolen plan op zichzelf. Het zou een aan misdaad grenzende waanzin zijn, om er ernstige bezwaren tegen ter tafel te brengen, dat een arme hongerlijder uit zijne ellendige overbevolkte keet, —• waar hij zelfs niet genoeg slechte aardappelen kan machtig worden om het knagen van zijn honger tot zwijgen te brengen, en waar hij in de verzoeking komt om den dood een weinig te helpen in het wegnemen van zijn kind, in de hoop aan bet wat ruim gesteld begrafenisgeld te komen, — zou overgebracht worden naar een land overvloeiende van melk en honig, waar hij drie malen daags een goed voorzienen disch kan hebben, en waar zijn kinderen zijn grootste rijkdom zijn. Bedenke echter ieder hierbij wel, dat gij even goed een pas geboren kind in Maart naakt midden in een pas bezaaid korenveld kunt nederleg-gen, en verwachten dat het daar zal blijven leven en gezond opgroeien, als u voorstellen, dat landverhuizing de voorgespiegelde uitkomsten zal leveren, wanneer de uitvoering zoowat overeenkomt met het leggen van een pasgeborene op het kostelijk maar hem niet passend graanveld. Gewis, het kind is reeds bezitter van in hem verborgen gaven en eigenschappen, welke als de jaren en eene deugdelijke vorming het hunne zullen gedaan hebben, hem zullen in staat stellen om van een vruchtbaren grond een rijken oogst te winnen; en onder die voorwaarden zal de maand Augustus hem akkers doen aanschouwen, golvend van goudgeel graan. Hoe waar dit zij, even waar is het, dat een pasgeboren kind zichzelf niet in Maart met koude aardkluiten kan voeden. Dit beeld is van volle toepassing op een in bet wild en in den blinde toepassen van landverhuizing. Het is niet minder dan eene misdaad plegen, wanneer ondoordachte

-ocr page 105-

ONBEKOOKT DKIJVEN VAN LANDVERHUIZING.

plannenmakers een aantal niet (loor de vereisehte oefening voorbereide mensohen neemt en hen zonder geld en de noodige hulpmiddelen aan liet strand van eenig nieuw vasteland aan wal zet. De treurige uitkomsten van zulk een in den blinde er op los gaan, is overtuigend zichtbaar in het verrijzen van onderscheiden steden in Amerika en de verlaging harer achterbuurten, waar duizenden nu hopeloos, van veerkracht en zedelijk gevoel beroofd, een ellendig bestaan voortslepen, terwijl zij in hun vaderland, al was het op karige wijs, toch als eerlijke mensohen een werkzaam leen leidden.

Het is nog niet vele maanden geleden, dat in Paramatta, in Nieuw Zuid-Wales, een jong mensch, op hoop zijne vooruitzichten daar te verbeteren, in plaats van in ruimer en beter omstandigheden te komen, er zonder huisvesting, zonder vrienden en met eene even ledige beurs als maag moest rondzwerven. Hij was kantoorbediende geweest, maar in Paramatta vond geen enkele klerk meer plaats. De handel was er zoo slap, dat zelfs zeer bekwamen in hachelijken toestand verkeerden. Van dag tot dag versleet hij zijn tijd met werk zoeken, maar er was voor hem geen werk te vinden. Ten laatste was hij aan het uiterst eind van alle kans om eenige plaatsing te bekomen. Een ganschen dag zwierf hij zonder eenig voedsel rond, en toen de nacht viel, had hij zich onder den vrijen hemel zoo goed het ging eene slaapplaats te zoeken. Zonder betere kansen brak een nieuwe dag voor hem aan en geheel hopeloos zette hij zijn pogingen voort.

Weder verliep voor hem een dag, waarin hij alle voedsel ontbeerde. Het werd nacht, hij kon niet slapen. Na lang als een gejaagde te hebben rond gedoold, kwam opeens eene uit verbijstering geboren gedachte in hem op. Bijna werktuigelijk, maar tevens met door wanhoop vastbesloten zin, nam hij een bij den weg liggend stuk steen op en wierp hot door de spiegelruit van een juwelierswinkel. Niemand zag hem de daad bedrijven ; ook deed hij geene poging om iets weg te nemen, maar zette zich onder het vensterraam neder, om met de berusting van de wanhoop, de komst van eenig politiedienaar te verbeiden. Lang genoeg had hij daarop te wachten, maar eindelijk ontwaarde hij den zonderlingen verlosser uit zijn nood. Zelf gaf hij zich nu als de dader van het feit aan en werd in het politiebureau opgesloten. De eenige gedachte, die door honger en vermoeienis nog in hem werkzaam bleef, was: nu zal ik ten minste niet geheel verhongeren. Hij had daarin juist geoordeeld. Zijn vonnis was een jaar celstraf, en op

87

-ocr page 106-

\'iS MOET ALLE GEDACHTE AAN BULPBIEDEN HOUDEN OPGEGEVEN?

dit oogenblik is nog steeds de kerker ziju tehuis. Ook in dezen eigen morgen ontving hij weder zi)u rantsoen, als een op staatskosten uit de belastinggelden verzorgde. Hij is nu staatskind geworden, dat is zoo goed als gezegd; tot blijvende tijdelijke ellende gedoemd. Langs dezen weg is het de landverhuizing zelve, die verre van een afdoend redmiddel te zijn, ons langs een omweg ook alweder voor de gevangenisdeur doet aanlanden.

Toch blijven de voorstanders zeggen; met landverhuizing voortgaan. Maar, lieve vrienden, aan wie wilt gij dan toch uwe landverhuizing doen ten goede komen ? Aan deze meisjes, die zelfs niet kooken of bakken kunnen? Aan die knapen, die met hunne handen nog nooit een spade hebben aangeroerd ? En naar welk oord denkt gij zulken heen te zenden ? Wilt gij uwe koloniën tot een levend graf voor uw maatsehappelijken afval maken V Op dat punt hebben echter ook de koloniën een woord, en wel een afdoend woord mede te spreken. Waar kolonisten zijn, ziet men spoedig aan uwe gunstelingen de deur voor den neus toedoen, en waar zulken niet zijn, waar het nog een onbewoond woest land bleef, hoe wilt gij daar de enkel van u verwijderden voeden, kleeden en maatschappelijk vooruithelpen? Ontwijfelbaar waar is het, dat door uitzending van kolonisten koloniën gevormd worden, gelijk het even waar is, dat brood de staf des levens is. Maar wanneer gij, op de wijs waarop men vogels vetmest, iemand de maag met graan volspuit, dan zult gij zijne spijsvertering op gruwelijke wijze verstoren, en gelukt het aan uw slachtofler niet om nog tijdig de onbereide, onverteerbare massa kwijt te raken, dan is er alle kans, dat hij nooit meer, welke voeding dan ook zal noodig hebben, na door u zoo afdoend geholpen te zijn. Ziedaar in één woord de geschiedenis van nieuwe koloniën, die uit een ongeschikt deel van overbevolking zijn samengeflanst.

Is er meer noodig om aan te toonen, dat landverhuizing op zichzelf gansch niet het alles beslissend redmiddel is? Maar opvoeding dan? Goed verstaan vermag opvoeding alles, omdat zij in den mensch al de in hem schuilende krachten om vooruit te komen tot ontwikkeling brengt; maar de opvoeding, quot;wier lof op zoo veler lippen ligt, beteekent bij hen nog niets meer dan enkel schoolgaan.

Ook tegen schoolgaan in het afgetrokkene kan alleen het onverstand iets te zeggen hebben. Dit sta bij ons vast, dat opvoeding voor onze kinderen de onontbeerlijkste zaak is. Intus-sehen, wanneer wij onze kinderen door den staatsonderwijsmolen hebben laten gaan, is de uitkomst van de proef geenszins, dat

-ocr page 107-

SCHOOLGAAN NOG GEEN OPVOEDEN.

wij in onze jeugdigen de vernieuwde en als wedergeboren schepselen zien, waarop de mannen rekenden, wier werk de onderwijswet was. De landloopers, die in Lancashire weerlooze personen met hun mes te lijf gingen, de woeste vechtersbazen in West-Londen, zijn ook eeu deel van het geslacht, dat de voordeden van een door de wet verplicht schoolgaan, dat met opvoeding wordt gelijk gesteld, hebben genoten. Wat de school aanleert, kan en zal de moeielijkheid waarvoor wij staan, niet uit den weg ruimen. Ongetwijfeld zij behoort tot de hulpmiddelen, maar in enkele opzichten heeft zij het vraagstuk niet vergemakkelijkt. De openbare school, binnen welker muren de kinderen van dieven, lichtekooien en dronkaards saamgedreven worden, zoodat zij daar onder onze beter opgevoede kleinen verspreid zitten, is al zeer dikwijls eeu tempel, meer aan de ondeugd dan aan de deugd gewijd. Soms is het eene universiteit van alle denkbare ondeugden. De slechten steken er de goeden met hunne zedelijke besmetting aan, gelijk de rotte appel en het schurfte schaap hun gezonden buurman bederven, en deze niet hen tot beteren toestand brengt. Uw onbedorven jongen of meisje riekt bij het tehuiskomen naar het vuil hunner onreine buren, door hen evenzoo gemeenzaam gemaakt met de grove onbetogen-heid der verwaarloosde sloppen en stegen.

Eene andere schaduwzijde van het tegenwoordig verwarren van schoolgaan en opvoeden, is, dat onze arbeidsmarkt overvoerd wordt met personen, die wel winkelwerk en dergelijken willen doen, maar aan flinken handenarbeid niet aan willen ot er niet eens voor deugen. Vele van de meest hopeloozen in onze toevluchtsoorden zijn personen, wien het aan schoolontwikkeling niet ontbreekt. Onze scholen dienen den hongerlijder om zijne ellende ia beschaafde taal meer welsprekend voor te stellen ; maar doet hij dit iu fraaier bewoordingen dan zijn vader dit zou hebben kunnen doen, dan geeft dit hem geen brood en wijst hem evenmin den weg om het te vinden. Een eenzijdig of verkeerd ingericht schoolonderwijs leidt alzoo op paden, welke uit zichzelf al weinig kans tot slagen aanbieden, en die met broodzoekers overkropt, de kansen voor zeer velen al slechter en slechter maken.

Beproef het met vakvereenigingen van werklieden, zeggen sommigen, en hun raad wordt reeds in een ruimen kring gevolgd. Aan zulke vakvereenigingen zijn groote voordeden verbonden. De fabel van de takkebos houdt door alle tijden heen hare be-teekenis. Hoe meer het doenlijk blijken zal, dat de werklieden zich vrijwillig aaneensluiten in goed georganiseerde kringen, om

8!)

-ocr page 108-

lt;)0 MOET ALLE GEDACHTE AAN lltJLPBIEDEN WORDEN OPGEGEVEN?

dus Imnue belangen te kunnen behartigen, des te beter. Wat meer zegt, dat streven naar vereenigen is niet alleen lieilzaam voor henzelven, maar eveneens voor ieder ander onderdeel onzer maatschappelijke samenleving. Eene andere vraag is nochthans, is deze maatschappelijke macht er op aangelegd en in staat, om de vraagstukken waarvoor wij staan, naar wensch en eisch op te lossen? Gedurende een inenschenloeftijd hebben uu de vakvereenigingen reeds de gelegenheid gehad om te toonen, wat zij in dit opzicht vermogen. Sedert twintig jaren zijn zij bovendien vrij van alle wettelijke belemmeringen, die hun vrij zich ontplooien en werken in den weg stonden. Toch zijn zij nog niet over het gansche land in werking, en evenmin hebben zij nog voor de ervaren werkers alles op goeden voet weten te brengen. Het gebied van onervaren arbeid is nog nauwelijks met den vinger aangeroerd. Op het congres te Liverpool waren niet meer dan anderhalf millioen werklieden vertegenwoordigd, üe vrouwen staan tot hiertoe nog geheel buiten den afgeperkten kring. Vakvereenigingen vertegenwoordigen niet alleen slechts een onderdeel van de werkende standen, maar hunne grondwet belet hen iets te doen voor anderen, die niet tot hun vak be-hooren. Wat grond rest er dan, dat de vakvereenigingen, op zichzelf genomen, eene macht zijn door innerlijke kracht sterk genoeg om de moeielijkheden, waarmede wij te doen hebben, tot een goed einde te brengen ? De meest ervarenen op dit gebied zullen de eersten zijn om te erkennen, dat eenig plan, dat deugdelijk kon blijken, om hen die buiten werk zijn te baten, alsook die allen, die hen als een klis aanhangen, en die rekruten zijn voor het leger blacklegs en andere in den weg staanders, van het grootste belang zou zijn voor het bloeien en vrucht-dragen der vakvereenigingen.

Wat van dezen geldt, is even waar van het coüperatiestelsel.

Wat mij persoonlijk aangaat, kunnen er weinigen zijn, die meer geloof in het heilzame van coöperatie hebben dan ik, maaide coöperatie moet een geest van welwillendheid tot grondslag hebben. Ik zie niet in, hoe er eene vredelievende schikking tusschen de maatschappelijke en staathuishoudkundige verhoudingen onzer verschillende klassen zou kunnen getroffen worden, zoolang niet het stelsel, dat tot nu de loonen regelt, allengs vervangen wordt door een stelsel, waarin coöperatieve vereeni-gingen eene beslissende stem hebben. De volgende hoofdstukken zullen het duidelijk maken, dat ik, wel verre van tegen coöperatie strijd te voeren, haar juist als een der hoofdelementen van hoop op eene betere toekomst beschouw. Voor bet oogenblik

-ocr page 109-

COÖPERATIE EN Sl\'AllEN.

moet echter die toekomst ons bijzaak zijn, want wat ons op de handen ligt, is het heden, en voor al den jammer en ellende, daaraan verbonden, schafien de vakvereenigingen geen raad, en kunnen dit ook niet.

Een ander middel, — waarvoor ik het woord afdoend niet zou durven bezigen; want het is niet meer dan een naam, en als middel aanbevolen, dat beslissend zou kunnen helpen, eene parodie op afdoend, — het woord, waarvan zoovelen den mond vol hebben: — sparen. Sparen is voorzeker eene groote maatschappelijke deugd. Maar ik zou wel eens willen weten, hoe spaarzaam overleg zou kunnen helpen, waar niets verdiend wordt, en kas en beurs even ledig zijn? Wat nut kan het Evangelie van spaarzaamheid den man bieden, die gisteren niets te eten had, en die heden geen drie stuivers kon verdienen om het minste soort van nachtverblijf te betalen? Gedurende een dag van niets te leven, is reeds eene niet lichte zaak, maar van dit negatie!\' kapitaal nog over te leggen, zet ik den bekwaam-sten beoefenaar der praktische staathuishoudkunde. Wat ik terstond en van harte toegeef, is, dat elk stelsel, dat den spoorslag tot spaarzaam overleg verzwakken zou, meer schade dan goed zou doen.

Maar die allen hebben het wel geheel mis, die spreken alsof uitbanning buiten den kring der maatschappelijke werkzaamheid nog een aandrijven tot spaarzaam overleg zou kunnen wezen. Het beginsel oefent overal wel het minst invloed, waar men oppervlakkig zou zeggen, dat zijne macht zich het meest moest doen gelden. Niemand koestere er vrees voor, dat eenig plan, door ons beraamd, er toe zal kunnen medewerken om den drijfveer tot spaarzaam overleg bij een enkele te verslappen. Maar op dit punt, dat alleen ter tafel wordt gebracht om eigen niets doen te rechtvaardigen, dieper in te gaan, zou enkel tijdverlies zijn. Spaarzaam overleg is eene groote deugd, en ieder, die het volk wil helpen opvoeden en vooruit brengen, moet in zijne plannen met haar rekening houden en haar nooit uit het oog verliezen. In geen enkel opzicht kan zij een afdoend redmiddel zijn voor zulken, die reeds zoozeer schipbreuk leden, dat zij niets meer te verliezen hebben. Zelfs voor den ellendigste onder de armen is nog iets dat naar een doel en iets hoopgevends gelijkt noodig, eer hij de zedelijke kracht bezitten kan, om een halven stuiver te sparen. «Laat ons eten en drinken, want morgen zijn wij dood,» ziedaar het eerste en laatste woord dergenen, die in het maatschappelijk leven alle hoop verloren hebben. In het spaarzaam overleg van den Franschen kleinen boer hebben

!)1

-ocr page 110-

92 MOET ALLE GEDACHTE AAN UTILPBIEDEN WOEDEN OPOEGEVEN?

wij liet aanschouwelijk beeld, dat de verzoeking tot eten en drinken door een wilsbesluit kan ondergeschikt gemaakt worden aan het hoogerstaand doel van eene bruidschat voor de dochter over te leggen, of een stukje grond tot vergrooting van het erfdeel van den zoon aan te koopen.

Van de plannen van hen, die van een nieuwen hemel en nieuwe aarde droomen door eene meer wetenschappelijke verdeeling der gouden en zilveren munten, spreek ik niet. Ik laat het oordeel er over aan anderen. Ik zal mij verblijden, wanneer iemand een korter weg naar het duizendjarig rijk weet aan te wijzen, die niet in strijd is met de zedelijke eischen der tieu geboden. Wel heb ik volle sympathie met het streven, dat achter alle socialistische droomen verborgen ligt, maar voor geen der reeds ter tafel gebrachte plannen heb ik eenige voorkeur. Wat ik er bruikbaars in heb kunnen ontdekken, wensch ook ik, dat werkelijkheid worde. Intusschen ik ben een man der praktijk, die aan luchtkasteelen niet genoeg heb, maar mij houd aan de vraag: «wat heden begonnen en tot stand gebracht worden kan?» Van theorieën buiten de zaak om, ken ik mij vrij, en vlei mij, dat het mij houden aan den vasten grond der praktijk mij in niet geringe mate voor het koesteren van vooroordeelen bewaart. Gaarne zal ik mij als leerling nederzetten aan de voeten van ieder, die mij wat goeds weet aan de hand te doen. Op dit mijn uitverkoren gebied zijn mijne ooren steeds voor ieder open, en met open armen zal ik ieder welkom heeten, die een te verwezenlijken Utopia als geluksland voor allen weet aan te toonen en te ontsluiten. Wat echter wordt voorgesteld moet iets tastbaars zijn, dat mijne vingertoppen raken kunnen, want met paleizen -in de wolken moet niemand bij mij aankomen. Wissels op de bank der toekomst wil ik wel als geschenk aannemen, maar bezwaarlijk kan men van mij verwachten, dat ik ze als gangbare munt zal aanvaarden of er tot inwisseling mede naar de rijksbank ga.

Het is zeer wel mogelijk, dat niets duurzaam in goede orde en regel zal komen, voor alles eerst het onderst boven gekeerd is. Ongetwijfeld er zijn zoovele dingen, die eene geheele gedaanteverwisseling noodig hebben, te beginnen met het hart van eiken man en van elke vrouw, dat ik geen redetwist wensch aan te knoopen met weikeu ziener ook, die bij zijn innig verlangen om den toestand der menschemvereld verbeterd te zien, zijne beschouwingen over de noodzakelijkheid eener radikale verandering ons ten beste geeft, hoe geheel onuitvoerbaar mij zijne berekeningen en plannen ook schijnen mogen.

-ocr page 111-

AANVANGEN MET DEN ENK-ELBN MENSCH. 9S

De rraag, die mij op het hart ligt is deze; «in onze toevluchtsoorden waren gister een duizendtal mannen, allen hongerig en buiten werk; wat is met hen te doen ?» Hier hebben wij John Jones, een stevigen klant, maar zijne kleeren zijn haveloos geworden; ook heeft hij in eene maand geen maal eten gehad voldoende om het werk van zijn vak goed te kunnen verrichten. Overal zocht hij werk, geschikt althans om ziel eu lichaam bijeen te houden, maar al zijn zoeken bleek vruchteloos. In zijne hongerige veraehteriug in voorkomen en krachten vraagt hij arbeid, die hem ten minste zooveel geeft, dat hij er het leven bij houden kan, en niet van gebrek doet omkomen te midden van de weelde van de rijkste stad der wereld. Wat bij deze gesteldheid van zaken met John Jones aan te vangen?

De individualist vertelt mg, dat het vrije spel der natuurwetten den strijd om het bestaan zoo bestuurt en regelt, dat de geschiktste typen blijven, en dat na verloop van eenige eeuwen, wat grooter of kleiner aantal doet minder ter zake, een veel edeler type, dan nu op aarde leeft, te voorschijn zal gekomen zijn. Best, maar wat moet in dien tusschentijd van John Jones worden ? De socialist verzekert mij, dat de groote sociale revolutie reeds duidelijk waarneembaar aan den gezichteinder opdoemt. Is die goede tijd eens daar, is de verzamelde rijkdom gelijkelijk verdeeld, en behoort het bezit van bijzonder eigendom tot het verleden, dan zullen alle magen rijkelijk gevoed worden en zullen er geen John Jonessen meer gevonden worden, die om zulk werk bedelen, dat er een mensch althans het leven bij houden kan. Alles zeer mogelijk, maar in afwachting van die • gouden eeuw wordt de John Jones, die hier voor ons staat, ongeduldiger, naarmate de honger hem meer begint te kwellen; en die niet zonder verbazing vraagt of dit het laatste woord is, dat hij geduld moet hebben en op een maal eten wachten moet, totdat de sociale revolutie gekomen is en gezegevierd heeft? Wat moeten wij nu met John Jones aanvangen? Ziedaar het punt, waarop in dezen oogenblik het gansche vraagstuk neerkomt. En terwijl ik daarover peins, is er niet één der dweepers met een eigen Utopie, die mij iets weet te raden, dat voor dezen mensch van vleesch en bloed baat. Wanneer het op eenige praktische oplossing aankomt, dan verdienen al deze droomers het vonnis, dat zij kwistig en terecht vellen over de soort vromen, die zich zorg en bezorgdheid over het lot der armen gemakkelijk van den hals schuiven, door zich te behelpen met de leer, dat alles in het toekomend leven heerlijk zal terecht komen. Dit soort van vroomheid heeft met het hart niets te doen en bestaat enkel

-ocr page 112-

94 moet alle gedachte AAN iiulpbieden itokuen opgegeven?

in een zicli met hoogklinkende woorden van de zaak afmaken door onbetaalbare wissels te trekken op de overzijde van het graf; evenals de socialisten met hun geschetter en gezwets de opheffing van alle menschenlijden verdagen tot na den grooten omkeer van alle dingen. Beide soorten van helpers wijken op de toekomst terug, om zich de moeite te besparen van ernstig over de moeielijkheden en het lijden in dezen tijd na te denken. Voor wie mi allerdringendst dadelijke hulp noodig hebben, verschilt het al zeer weinig of de voorgespiegelde uitkomst in verre toekomst of aan gene zijde des grafs gelegen is. In elk der beide gevallen is de zaak, waarom het hun nu te doen is, verre buiten hun bereik.

Wanneer de hemel valt hebben we de leeuwerikkeu voor \'t grijpen.

Ongetwijfeld. Maar in dien tusschentijd ?

Die tusschentijd is voor ons het heden, — en het heden de eenige tijd ons tot arbeiden gegeven. In het heden hebben allen samen te werken, zoodat het mogelijk worde, dat een iegelijk mensch een stuk dagelijksch brood vinde, voldoende om hem zijn levenstaak te doen vervullen; want in dit heden moet hij dit doen, en wordt het hem onmogelijk gemaakt, dan schiet hij door eene niet onschuldige overmacht in zijne roeping te kort. Niets, wat ik in dit boek aanbeveel, of naar mijn aangeduid plan hoop in werking te kunnen brengen, zal een stroobreed in den weg leggen aan anderer Utopia\'s, aan de verwezenlijking van wat zij in dezen aanbevelen, indien het voor tot werkelijkheid kómen vatbaar is. Ik laat aan allen, aan wie als zieners een Utopia voor den geest staat, de onbegrensde ruimte der toekomst. Laat hen beramen, voorbereiden en bouwen zooveel hun lust. Wat mij aangaat, het is mij behoefte, eene voorwaarde, waar ik niet buiten kan, om op tastbare grondslagen te bouwen en door helpen in het heden in de vervulling van een bestaanden nood te voorzien.

Er is slechts één soort menschen, die reden hebben om op te komen tegen wat ik als weldaad en plicht meen te mogen en moeten aanbevelen. Het zijn de mannen in wier verhitte verbeelding de overtuiging heeft postgevat, dat uit eene geweldige en door het vloeien van stroomen bloeds verkregen omkeering van al het nu bestaande eene heuglijke wedergeboorte dei-maatschappij kan tot stand komen.

Van hunne zijde verwacht ik feilen tegenstand, en redelijker wijze kunnen zij op hun standpunt niet anders handelen. De eenige hoop toch van alle kunstmatige bewerkers van revolutiëu

-ocr page 113-

HEVOUITIEDKIJVEBS.

is de opeeuhoopiug vau gistende ontevredenheid en ellende, die in het middenpunt zelve onzer hedendaagsche maatschappij zich als licht ontvlambare brandstof heeft opgehoopt. Ter goeder trouw geloovende, dat om beter te worden alles eerst erger worden moet en een toppunt van onhoudbaarheid bereiken, bouwen zij hunne hoop op de algemeene omkeering, die zij op allerlei wijze en met al de hun ten dienste staande middelen zoeken te verhaasten. Zoo kunnen zij dus niet anders dan een weerstreven hunner plannen zien in elke poging, om den tegen-woordigen jammer te verminderen eu verzachten.

Het leger der revolutie werft zijne soldaten uit al wat der wanhoop is nabij gekomen of reeds daaronder zwoegt. Aan die zijde moet dus wel de leus gelden: «weg met alles, met ieder plan, dat een schijn van hoop in de harten wekken kan. Ieder welslagen toch op dit gebied rooft ons nieuwe manschap-pen en schenkt versterking aan de macht onzer vijanden.» Op dezen tegenstand wordt onzerzijds niet alleen gerekend, maar wij achten dien de beste hulde aan de waardij van het door ons beproefde. Zij, die rekenen op geweld en bloedvergieten, zijn nog te weinigen om het welgelukken van deugdelijke plannen cn proefnemingen te kunnen verijdelen, en hun tegenstand zal, naar ik hoop en verwacht, slechts te meer het tijdige en noodzakelijke van wegen als ik voorsla, bevestigen. Met Gods hulp en zegen, reken ik er op, dat alle in den weg staande moeielijk-heden en hinderpalen te overkomen zijn, en dat wij gelukkig zullen ten einde brengen wat door ons in zijne kracht en te zijner eere in het belang onzer ongelukkige medemenschen, — en daardoor in het belang onzer gansche nu in onrust en spanning verkeerende samenleving, —- wordt ondernomen.

-ocr page 114-
-ocr page 115-

TWEEDE DEEL.

WEG TOï ONTKOMEN.

-ocr page 116-
-ocr page 117-

HOOFDSTUK I.

Blik op het omvangrijke van liet te Terrichten werk.

Niet meer dan een vluchtig overzicht van Engelands donkere wildernissen werd door mij in het voorafgaande gegeven, en zij, die tot in de schuilhoeken doordrongen, waar de verlorenen en verwaarloosden in wanhopigen levenstoestand voortkwijnen, zullen de eersten zijn, om te erkennen, dat wat daar verschrikkelijks te aanschouwen valt, niet met te donkere kleuren is ge teekend; terwijl wel de meesten zullen moeten zeggen, dat ik het aantal van hen die het leven nauwelijks anders dan in ellende slijten, veeleer te laag dan te hoog heb gesteld. Ook mag ik er nadruk op leggen, dat ik er met nauwgezetheid naar gestreefd heb, om mijn schatting van den omvang des kwaads binnen de perken van een matige berekening te houden. Niets ook zou het welslagen van den arbeid, waaraan ik de hand sloeg, meer in den weg staan, dan dat men mij met grond van overdrijving en van te werken op een ziekelijk gevoel beschuldigen kon. [Jijna alles wat ik tot staving mijner voorstelling van den werkelijken toestand heb medegedeeld, is ontleend aan offlcieele gouvernements-mededeelingen en staten; en omtrent het bovendien vermelde kan ik slechts zeggen, dat wanneer men de door mij gegeven cijfers vergelijkt met die van anderen, welke over dit onderwerp schreven, het blijken zal, dat mijne schatting steeds beneden de hunne blijft. Voor de volstrekte nauwkeurigheid mijner berekeningen voer ik geen strijd, maar wel meen ik recht te hebben te beweren, dat ze als minimum te beschouwen zijn.

Aan hen die de overtuiging koesteren, dat het getal der ellendigen mijne opgaven nog verre overtreft, kan ik slechts toeroepen: «Laat dan de pogingen tot redding naar uwe en niet naar mijne schatting berekend worden.» De vraag, waar alles

-ocr page 118-

100 BLIK OF HET OMVANGRIJKE VAN HET TE VERRICHTEN WERK.

op aaukomt, is niet hoevele in de duistere wildernis nitge-stootenen er nu zijn, dan wel: tot welk een klein cijfer zal hun getal na eenige jaren beperkt wezen.

De donkere en jammervolle woestenij van armoede, misdaad en wanhoop, die onze beschaving ten pest en vloek is, is eene erfenis, welke van geslachten her tot ons gekomen is, uit den tijd toen oorlogen, volksopstanden en allerlei inwendige beroering het voorgeslacht geen tijd gunden, om zich met ernst bezig te houden met te letten op het welvaren van het steeds in een moeras wegzinkend deel der landsbevolking, allen medeburgers van eenzelfde vaderland en medegeroepenen tot dezelfde geestelijke voorrechten. Die tijden zijn, Gode zij dank, voorbij; maallaat eene nu dubbel schuldige verwaarloozing ook spoedig tot het verledene behooren. Wij leven in een tijd, waarin alles ons moet aanzeggen, dat wij wel degelijk hoeders van onze broederen zijn. Op dit punt mogen noch staatkundige, noch kerkelijke steeds bestaande scheidsmuren ons verhinderen de handen ineen te slaan, en alles te doen, wat in ons vermogen is, om hen, die wij immers als medeburgers en medebroeders moeten erkennen, iets te leeren smaken van hetgeen wij met billijke waardeering het genot en het heil van eigen huis en haard noemen.

Het voor ons liggend vraagstuk is, wij zijn de eersten om het te erkennen, geenszins eenvoudig en gemakkelijk op te lossen. Ook zal mij wel niemand beschuldigen, dat ik in de voorafgaande bladzijden de moeielijkheden heb onderschat, die ons in erfelijkheid, gewoonte en omgeving in den weg staan. Hoe het echter hiermede gesteld zij, het vraagstuk eischt oplossing, en tenzij wij er toe kunnen komen om met over elkander geslagen armen te verzuchten: «Er is toch niets aan te doen;» moet het onze overtuiging zijn: «Het vraagstuk eischt eene oplossing, — welke dan ook.» Of zouden wij het ons lafhartig mogen laten aanleunen, dat steeds millioenen bij millioenen aan tijdelijke ellende worden overgelaten; waarbij wij nog niet eens in rekening brengen het leven der eeuwigheid, waarvan het geloof dit aanzijn als de voorbereiding acht. Doch waar ligt de weg, die ter ontkoming leidt, en hoe zullen wij dien effenen en voor de moedeloozen aantrekkelijk maken? Op punten als deze komt het bij ons op gemeen overleg aan. Misschien zal het tot een meer bepaalden en vasten vorm van inzicht kunnen leiden, wanneer ik mijnerzijds zoo nauwkeurig mij dit mogelijk is, de wezenlijke deelen uiteenzet van een reddingsplan, dat hoop geeft op een gelukkig slagen.

-ocr page 119-

DE VEREISCIIÏEN TOT WELSLAGEN.

EERSTE AFDEELING.

De Tcrelschten tot welslagen.

Het allereerste vereisolite, dat ons voor oogen moet staan, als uitgangspunt van elk te beramen plan, is: dat het den mensch innerlijk moet veranderen en omzetten, wanneer zijn karakter en gedrag de aanleiding zijn van zijn zoo kwalijk stagen in den strijd des levens. Geene verandering in uitwendige omstandigheden, geen enkele omkeer in de maatschappelijke verhoudingen, kunnen bij mogelijkheid \'s menschen natuurlijke geaardheid veranderen. Onder de slechtste mannen en vrouwen, die de geschiedenis ons teekent als monsters, wier naam alleen ons reeds doet rillen, waren personen, die gedeeld hebben in al de voorrechten, welke rijkdom, opvoeding, beschaving en hooge maatschappelijke positie den mensch verleenen kunnen.

De voornaamste toetssteen voor eenig plan, beraamd tot heil der menschheid, ligt in het antwoord op de vraag: «Wat doet het voor den bijzonderen mensch en wat maakt het van hem? Kan het leven wekken in zijne conscientie, zijn hart verteederen, zijn verstand verlichten; in één woord, is het geschikt om hem meer waarlijk mensch te doen zijn? Immers alleen door invloeden, welke dit uitwerken, zal hij in staat zijn om een meer menschwaardig leven te leiden.

Onder de zwervers in Engelands donkerste wildernissen zijn er, die daarheen door karaktergebreken zijn afgedwaald, welke hen onder de meest gunstige omstandigheden even zeker en even diep in ellende zouden hebben doen wegzinken. Indien gij dus het karakter derzulken niet hervormen kunt, is al uw arbeid verloren moeite. Wanneer gij niets meer doet dan een dronkaard nieuw in de kleeren steken, zijn beurs met goud vullen en hem een net gemeubeld huis tot verblijf geven, is het blijkens tal van voorbeelden zoo goed als wiskunstig zeker, dat gij hem na drie-, zes- of twaalf maanden als slaper op het Embankment zult terugvinden, even vuil en haveloos als voorheen, dezelfde lijder aan delirium tremens eu al de verschrikkingen aan dien dronkemanswaanzin verbonden. Dus moet dan in alle gevallen, waarin \'s mans karakter en gedrag de oorzaken van zijn val waren, eerst in zijn karakter en gedrag verandering gebracht worden, zal er eenige kans op duurzame verbetering

101

-ocr page 120-

DR VERF.rSCHTEN TOT WELSLAGEN.

van zijn lot bestaan. Is hij een dronkaard, dan is bekeering tot een nuchter leven het dringendst vereisohte; is hij een luiaard, dan moet hij met werklust bezield worden; is hij een misdadiger, dan moet hij op prijs leeren stellen eerlijk te zijn; is hij aan vuile slordigheid gewoon geraakt, dan moeten reinheid en ordelijkheid hem behoefte worden; en mocht hij reeds zoo lang en zoo diep in een misdadig leven zijn verzonken geweest, dat alle hart, moed en hoop om zichzelven te helpen er uit is, dan moet hem hoop worden ingeblazen en iu hem van nieuws de zucht om vooruit te komen worden verwekt, of alle mogelijkheid ontbreekt om hem uit het moeras van wanhoop op te heffen.

Een tweede vereischte is; Zal het geneesmiddel genezing aanbrengen, dan moet er verandering komen in de uitwendige omstandigheden van iederen mensch in het bijzonder, indien deze oorzaak zijn van zijn ovgelukkigen toestand, en hemzelven alle macht ontbreekt om daarin verandering ten goede te brengen. Hoevelen zijn er niet onder hen, die tot hun tegenwoordig ellendig bestaan gekomen zijn door de verkeerde neigingen van hun karakter te volgen, en wij zouden nu geheel andere mensohen in hen zien, indien van jongs aan de uitwendige omstandigheden gunstiger voor hunne karaktervorming waren geweest. Charles Kingsley teekent den toestand, wanneer hij de vrouw van den wildstrooper tot den slechten landsheer, die haar dochter verleidde en verstiet, zeggen laat:

:t Is zoo, onze dochters dwalen Met de vruchten van haar schand;

Maar de meisjes van uw stand Zouden, heerschap, juist zoo dalen En niet beter zijn beland,

Sliepen ze ook, als onze kinderen.

Waar geen macht haar val kon hindreu.

Hoevelen onzer zouden niet beter dan zoo velen uit het heir der gevallenen zijn terecht gekomen, hadden zij in dezelfde of gelijke omgeving moeten opgroeien en leven.

Voor een groot deel dezer ongelukkigen bestond nooit kans om in beter doen te geraken. In een als verpesten dampkring geboren, opgegroeid in omstandigheden, welke reinheid en eerbaarheid ondenkbaar maken, zijn zij in den levensstroom geworpen onder voorwaarden, die wel de misdaad tot eene tweede natuur moeten maken. Om dus in het zoo betreurenswaardig

102

-ocr page 121-

WAT HET IIEDM IIJDFI, MOET BEPALEN.

kwaad te voorzien, moet er minstens verandering in de uitwendige omstandigheden komen, en zoo mijn plan op dit punt faalt, is het tot niets nut. Er zijn duizenden en tienduizenden mannen en vrouwen, die in het verschrikkelijk moeras rondwaden, zwoegend onder een last ver boven hunne krachten. Elke nieuwe poging om zich op te heffen doet hen slechts dieper wegzinken. En hoevelen zijn er, die zelfs geene enkele poging tot ontkomen meer doen, maar moedeloos neerzinken en al wat als man of\' vrouw goeds in hen is geheel laten verstikken. Zoo iets zonder eenig nut is, dan is het dat men aan den rand van het moeras staat toe te kijken en de arme ellendigen met vloek en verwensching als belasten der maatschappij treft. Zij zijn er nu eenmaal, eu geene verwensching toovert hen weg, en waar dus reeds de noodzakelijkheid ons dwingt iets ten hunnen gunste te doen, doordringe ons de bewustheid, dat de allereerste eisch is vasten grond onder hunne voeten te geven. Staan zij eens op vasten grond, dan kunnen zij leeren rechtop te staan, en over de steenen, die ten hunnen behoeve in het moeras zijn gelegd, de overzijde bereiken. Gunstige omstandigheden zullen eens mensohen hart niet vernieuwen noch zijne geaardheid veranderen, maar ongunstige omstandigheden kunnen het hem geheel onmogelijk maken te ontkomen, hoe hij er ook zijn uiterste best toe doe. Ons aanvangen behoort te zyn het scheppen van verlangen in deze ellendigen om geholpen er gered te worden, en bestaat dit verlangen, dan te voorzien in wegen en middelen, opdat hunne vurige begeerte vervuld worde. Met andere woorden: «Begin met den man eene nieuwe kans op uitkomst te scheppen.»

Ten derde: Ieder redmiddel, dat waard is in aanmerking te komen, behoort van zoodanige afmeting en omvang te zijn, dat het opweegt tegen het kwaad, dat men er mede overwinnen wil. Het is een vruchteloos pogen den oceaan met een emmer te willen leeg scheppen. De lijders, die wij te helpen hebben, zijn milli-oenen in aantal. Hun getal overtreft het reusachtig leger, dat Xerxes uit Azië aanvoerde, toen hij Griekenland veroveren wilde. Laat eens hen, die het tiende gedeelte der in het moeras ver-zonkenen uitmaken, voor uwen geest voorbijgaan. Beproef eens de armen in gestichten en huiszittend, de van alle dak beroofden, de hongerlijders, de misdadigers, de dronkaards en van ontucht levende vrouwen te tellen; — maar doe het zonder u den moed te laten ontzinken. Al wilden wij ook niet meer dan een tiende van dezen pogen te behouden, wij zouden zelfs dan heel wat meer kracht en vuur in het veld moeten brengen, dan

103

-ocr page 122-

DE VEBEISCHTF.N TOT TVELSLAnEN.

tot hiertoe door wien ook is aangewend. Er moet een einde komen aan alle philantropiseb lapwerk, dat redmiddelen bezigt, als ware deze oceaan van mensohenlijden eene ruimte niet grooter dan een tuinvijver.

Ten vierde: Hel plan moet niet slechts ruim genoeg van omvang maar tevens van een duurzaam karakter zijn. Ik bedoel met dit zeggen, dat wij niet bij rukken en vlagen moeten te werk gaan, telkens naar de behoeften van eenig bepaald oogenblik. Ons pogen moet, om deugdelijk te zijn, op duurzamen grondslag rusten en al voortgaande zich uitstrekken tot den dag van morgen, en volgende dagen, zoolang er ellende in de wereld is, welke de liefde van Christus ons moet dringen te bestrijden, tot niemand meer leed heeft en de aarde vol is van de kennis en vreeze des Heeren.

Ten vijfde: Daar het van duurzamen invloed moet zijn, behoort het plan de eigenschap te hebben, dat het terstond in werking kan gebracht worden. Ieder bruikbaar plan moet zoo zijn, dat er reeds dadelijk goede uitkomsten van gezien worden.

Ten zesde: Eene bijkomende eigenschap van het plan moet zijn, dat het, slechts schijnbaar hulp biedende, den persoon, dien men helpen wil, niet ten slotte nog nadeel aanbrengt. Enkel liefdadigheid, die niet verder reikt dan het stillen van den honger, verlaagt den ongelukkige door hem bij werkeloosheid op giften te leeren rekenen en doorhem onnadenkend en traag te maken. Zal het geneesmiddel deugdelijk blijken, dan moet het goed doen zonder schadelijke gevolgen na te laten. Men bewandelt een verkeerden weg, wanneer men iemand voor vijf stuivers weldoet, maar zóó dat men hem daardoor voor tien stuivers nadeel berokkent.

Ten zevende; Terwijl téne klasse in de samenleving gebaat wordt, mag een dus betoonde bijstand niet te gelijk een schadelijken invloed oefenen op het bestaan en de welvaart van anderen. Ons opheffen van een deel der gevallenen mag niet bet gevaar medebrengen, dat anderen, die zich alleen door de uiterste inspanning staande houden, onder den voet geraken.

Aan allen, die in deze zaak belangstellen, vraag ik met nadruk, dat zij het door mij te ontvouwen plan aan deze gestelde voorwaarden toetsen. Zij zijn van zulk een aard en omvang, dat zij wellicht menigeen afschrikken iets van dezen aard op touw te zetten. Men zal echter moeten toestemmen, dat het geene voorwaarden van mijn maaksel zijn. Het zijn de deugdelijke vereischten, die aan ieder moeten in het oog vallen, die de zaak ernstig in oogenschouw neemt.

104

-ocr page 123-

HET VERPLICHTENDE DEZER VERE1SCHTEN.

De door mij voorop gestelde voorwaarden zijn evenzeer wetten, waarnaar de philantropie zich moet regelen, als ieder ingenieur zijn arbeid moet regelen naar de wetten der zwaartekracht, en de invloeden van weer en wind. Wat heeft het te beteekenen, wanneer wij zeggen, dat wij alle kans zien om eene brug over de Tay te slaan, indien er slechts geen wind woei; of dat wij een spoorweg door een moeras zouden kunnen leggen, indien dit maar een vasten grondslag bood. De ingenieur behoort bij zijn te ondernemen arbeid vooruit alle moeielijkheden en bezwaren in rekening te brengen, en juist deze zijn het, die het uitgangspunt moeten vormen bij zijne berekeningen en bouwplannen. Op een water als de ïaj zullen, gelijk het zoo vreeselijk spoorwegongeluk aan het licht bracht, stormvlagen eene macht openbaren, die een bouwmeester niet ongestraft kan uit het oog verliezen. Het moeras, waardoor ten gevolge van de bijgeloovige vrees voor spoorwegen, Stephenson genoodzaakt werd zijn eersten weg aan te leggen, zal onveilig blijken, zoolang men niet doet gelijk hij, niet rusten, totdat de diepste ondergrond op voldoende wijze bereikt zij. Op gelijke wijze is het gesteld met de maatschappelijke moeielijkheden, waarvoor wij komen te staan, wanneer wij ons deugdelijke hervormers betoonen willen. Zoolang wij in overeenstemming met de hier geldende wetten weten te handelen, zullen de gewenschte uitkomsten ons werk bekroonen. Verliezen wij die echter met hoogmoedig opzet of\' gedachteloos uit liet oog, dan kan het niet anders, of zij zullen zich met verwoestende kracht doen gevoelen, en ons met schaamte en schande overdekken.

Maar hoe moeielijk de voor ons liggende taak zij, zij mag niet verwaarloosd worden. Toen Napoleon door de omstandigheden gedwongen werd zijne zieken en gewonden in de macht des vijands achter te laten, gaf hij zijnen geneesheeren bevel allen, die zich in het hospitaal bevonden, door vergif om het leven te brengen. Meer dan één generaal heeft allen, die hij gevangen maakte, doen ter dood brengen, om hun de kans tot ontvluchten te benemen. De van brood en werk verstokenen in de maatschappij zijn als gevangenen en gewonden en kranken, waartegenover wij tot een besluit moeten komen. Welk een kreet van afschuw zou er opgaan, indien wij eens in ernst het voorstel deden om de maatschappij op eens van deze lastige milli-oenen te ontslaan door een middel, dat hen allen in één nacht den doodslaap deed inslapen. De verontwaardiging over zulk een voorstel zon welverdiend zijn; maar zou het, wat de onge-lukkigen aangaat, niet nog minder wreed zijn dan wat nu feite-

105

-ocr page 124-

DK VEBEISCHTEN TOT WELSLAGEN.

lijk gescliiedt, zonder dat daarin iets onmeuschelijks wordt gezien? Hoe is toch de bestaande toestand ? Is er iemand, die het ontkennen kn,n, dat wij in eene door wetten geregelde maatschappij leven, die zegt, dat hare wetten het Evangelie van liefde en barmhartigheid tot grondslag hebben, terwijl er duizenden bij duizenden gevonden worden, en hoevelen zonder hun persoonlijk toedoen, die dag aan dag, jaar in jaar uit, in een toestand van ellende en angst en wanhoop verkeeren, welke hen wel tot ondeugd en misdaden drijven moet, tot zij eindelijk kerker, hospitaal of krankzinnigengesticht verwisselen met een graf, dat niet anders is dan een kuil, en waarin zij, om niet nog na hun dood tot last en schade te zijn, als ballast worden weggeworpen ?

Niemand tneene, dat waar de zaken zoo zwart en somber staan, ik mij zou kunnen inbeelden, om daarvoor een duizendjarig rijk van voorspoed, vrede en blijdschap in de plaats te tooveren. Ik ga niet verder dan iets voor te stellen, dat, na de zegepralen, die de wetenschap reeds op ander gebied behaalde, om het nutteloos geachte tot iets nuttigs om te scheppen, doenlijk moet blijken, om ook hen, die nu enkel nutteloos voortleven en anderen tot last schijnen, te hervormen tot menschen, wier leven voor henzelven en anderen op nieuw waarde verkrijgt. Hoeveel afval was onzen fabrikanten tot last en hinder, tot dat de tooverstaf van den scheikundige veel er van wist te veranderen in kleurstoffen, welke iu schoonheid en afwisseling eene vergelijking met den regenboog konden doorstaan? Wanneer de wetenschap uit koolteer een rijkdom van kleurstoffen kan te voorschijn roepen, zou dan Gods almacht onmachtig blijken, om schoonheid en blijdschap in doodsangst verkeerende harten te kunnen opwekken en een geluk te doen ontkiemen en opwassen onder de duizenden, die men nu, als ware het eene onverzettelijke noodzakelijkheid, aan duisternis en ellende prijs laat? Zou het eene dwaasheid kunnen zijn de hoop te koesteren, dat in Gods wereld ook al zijne kinderen, als leden van een uit éénen bloede voortgekomen gezin, geschikt zullen blijken tot het verrichten van iets goeds en nuttigs, indien slechts allen, die in dezen medearbeiders Gods kunnen zijn, een hart en wil toonen, om door het goede een kwaad te overwinnen, dat nu met steeds drukkender last als een nachtmerrie op het geheel van maatschappij en gemeente drukt ?

Wellicht is het geneesmiddel eenvoudiger en in zijne toepassing gemakkelijker dan zij, die er nooit of slechts ter loops over

loo

-ocr page 125-

mogelijke eenvoud van het redmiddel.

dachten, nu meenen. De sleutel om het raadsel te kunnen oplossen, is misschien meer bij de hand liggend dan velen wanen. Velerlei is beproefd, en ontegenzeggelijk niet of niet naar eisch en verwachting gelukt; en tevens is het waar, dat wij de eersten zijn om te erkennen, dat alleen de onverzettelijkste volharding, even noodig tot welslagen op elk gebied van wetenschap, op voorspoed en vooruitgang kan doen hopen. Gedurende hoe vele eeuwen hebben mannen van wetenschap beproefd buskruit te vervaardigen zonder dat het hun gelukte. Zij voegden salpeter bij houtskool, houtskool bij zwavel of salpeter bij zwavel, maar, wat zij ook deden, geene ontploffing bekroonde hunne proefnemingen. Eerst na eeuwen zoekens kwam Barthold Schwarz op het denkbeeld om de drie grondstoffen ondereen te mengen, en na de oplossing van dit zoo eenvoudige raadsel, riep ieder uit: iHoe is het mogelijk, dat niet anderen dit vóór hem hebben ontdekt !ïgt; Voor de ontdekking, was en bleef het verkrijgen van buskruit een droombeeld der alchemisten, toen het ontdekt was, stond het er mee als met het ei van Columbus.

Wilt gij eene nog eenvoudiger toelichting, denkt aan eene uitvinding uit onzen tijd, en die ieder mensch met gezonde hersenen had kunnen doen. Van den beginne der wereld tot in onze eeuw is men bij alle streven naar een goedkooper en gemakkelijker vervoer van goederen niet op het denkbeeld gekomen, welk eene verandering het leggen van twee evenwijdig loopende spoorstaven in het eeuwenlang doorworsteld zwoegen brengen zou. d) De omkeer in last en moeite grenst aan een wonder, en toch hoevele groote mannen zijn als bouwkundigen gestorven, zonder de uitkomst te zien, welke hun het werk zoozeer zou hebben vergemakkelijkt. De beroemdste werktuigkundigen der oudheid, de mannen, die Europa\'s bruggen en kathedralen gebouwd hebben, werken waarop wij nog met verbazing staren, hebben nooit opgemerkt, wat nu zoo voor de hand liggend schijnt, dat een paar spoorstaven hun alle vervoer tot een minimum van last zou hebben kunnen doen terugbrengen. Deuk u dit hulpmiddel niet gevonden en onze door stoom gedreven voertuigen zouden het wereldverkeer niet hebben kunnen omscheppen.

1) De Engelsche generaal Outram bracht dit hulpmiddel het eerst in gebruik, en van Outramways (Outram wegen) is het bij vei korting Tramways geworden.

Vert.

107

-ocr page 126-

HET DOOR MIJ ONTWORPEN PLAN.

Zou het met wat op maatschappeliik gebied nog niet gevonden werd, niet evenzoo kunnen zijn, en het eenvoudig gezond verstand kunnen opmerken, wat eene te hoog staande wetenschap jaren en eeuwen lang voorbij zag? Zonder zelfverheffing meen ik, dat ook in dezen de zaak zoo staat, en dat het slechts aankomt om in de sfeer der philantropie iets te vinden, dat gelijk staat aan het opmerken van het gemak en den dienst, welke twee evenwijdig loopende spoorstaven zouden aanbrengen. Ik geloof, dat zulk eene ontdekking door mij is gedaan; en dit is de reden, welke mij tot het schrijven van dit boek gedrongen heeft.

TWEEDE APDEELIXG.

Het door mij ontworpen plan.

Welk is dan mijn plan ? Het is op zichzelf zeer eenvoudig, ofschoon zijn aanleg en vertakkingen geheel de wereld omvatten. Op den voorgrond stel ik, dat ik in dit boek niet meer doe dan, op zoo eenvoudige en duidelijke wijze als ik vermag, de enkele grondlijnen te trekken, die den grondslag vormen van mijn voor te stellen bouw. Ik heb mij voorgenomen het grootste deel van dit geschrift te wijden aan hetgeen werkelijk kan gedaan worden voor hen die buiten werk zijn, en daardoor in meerdere of mindere mate in pijnlijke broodeloosheid ver-keeren. Wel heb ik ook menig denkbeeld in het belang van hen, wier lot reeds de Staat zich in zekere mate aantrekt, maar al wat daarop betrekking heeft, laat ik thans rusten.

Er bestaat geen overwegende drang, waarom ik nu zou pogen te ontvouwen, hoezeer het stelsel onzer armenwetten ten goede kon vervormd worden, en wat ik zou wenschen, dat meer en beter voor krankzinnigen en gevangenen geschiedde. Ik laat daarom buiten rekening die allen, voor wie nu de staat op eenigerlei wijze voorzieningen heeft getroffen. Voor huiszittende armen, voor veroordeelden, voor krankzinnigen wordt reeds, hoe dan ook, gezorgd. Naast deze allen zijn er echter honderdduizenden voor wie de staat geen kwartier heeft gemaakt, en

los

-ocr page 127-

HULP VOOB HEN, DIE GEEN HELPER IIEBBEX. 109

die op de greus vau wanhoop het leven voortslepen, en die met elk oogenblik door de moeielijke omstandigheden des tijds zich kunnen gedwongen zien, om in den een of anderen vorm hulp of verzorging te vragen. Ik bepaal mij dus voor het tegenwoordig oogenblik alleen tot hen, die geen helper hebben.

Het is mogelijk en ik voor mij geloof zelfs waarschijnlijk, dat wanneer de voorslagen, welke ik doe, met goeden uitslag in werking komen voor de nu verloren geachten, die zonder huisvesting aan zichzelven overgelaten omzwerven, ook velen van hen, die nu nog iu een weinig minder ongunstigen toestand verkeeren, mede hun verlangen zullen uiten, om te mogen deelen in de voordeelen, die mijn plan aanbiedt. Doch ook op dit punt mag ik thans niet verder ingaan. Dit wil ik echter in het voorbijgaan opmerken, dat wij proefondervindelijk hebben leeren kennen het belang van tucht en organisatie, wat wij regimentswijze geordende coöperatie zouden kunnen noemen, en daarin een beginsel ontdekt hebben, welks waarde blijken zal bij het beproeven om ook andere maatschappelijke vraagstukken op te lossen. Van deze plannen hoop ik ter gelegener tijd iets te zeggen, als gunstige tijden veroorloven, iets tot hunne verwezenlijking bij te dragen.

Welke is de uitwendige, de voor ieders oog blootliggende vorm vau het vraagstuk, waarvoor de toestand der werkeloozen ons plaatst ? Helaas! wij zijn er allen te wel mede bekend, dan dat eenige breedvoerige beschrijving zou kunnen noodig zijn. Het maatschappelijk vraagstuk treedt ons in zichtbaren vorm voor oogen, zoo dikwijls wij een hongerig, vuil en haveloos persoon voor onze huisdeur zien, die van ons begeert, dat wij hem eenig werk te doen of een korst droog brood om zijn honger te stillen zullen geven. Die man is in kort bestek het geheele maatschappelijk vraagstuk. Wat met dien man aan te vangen? Geld bezit hij niet meer, wat te verpanden viel heeft hij reeds lang verpand; zijn maag is even ledig als zijn beurs, en wanneer al de kleeding, die nog zijn naaktheid dekt. te gelde werd gemaakt, zou ze hoogstens enkele stuivers opbrengen. Daar staat die man nu voor u, uw medemensch en broeder, nauwelijks minder dan naakt en met geen half maal eten in zijn bereik. Hij vraagt om werk, eenigszins voldoende om zijn honger te stillen en hem uit zijne haveloosheid te redden, indien gij althans bij machte zijt hem daaraan te helpen; maar waar niemand hem iets te doen geeft of hem eenig werk toevertrouwt, moeten hem wel de armen slap bij het lijf hangen. Wat met zulk een man te beginnen? Ziedaar, het groote vraagteeken, dat onze maatschappij tot een

-ocr page 128-

HET UOOB MIJ ONTWORPEN PLAN.

antwoord noodigt en noopt. Het geldt niet alleen ons overbevolkt Engeland, maar reeds evenzeer de nieuwere landen aan de overzijde van den Oceaan, waar de samenleving den weg en de middelen nog niet heeft weten te vinden om die overtolligen in hun onderhoud te doen voorzien. Voor dien man de rechte plaats eu het hem passende werk te vinden, is in zijn eenvou-digsten vorm het vraagstuk: wat aan te vangen met de wer-keloozeu. Om dien man werkelijk te baten, behoort gij hem te helpen zonder langer verwijl, moet gij hem opdat hij niet steeds voor arbeid ongeschikter worde, weten te voorzien van voedsel, vaa een verblijf en van warmtestof. Voorts moet gij hem iets te doen weten te geven, iets, waaruit het op de proef blijken kan, dat hij nog in waarheid door werklust bezield en gedreven wordt. Deze proefneming moet meer of minder van tijdelijken aard zijn, en zoo, dat zij hem tevens voor eenen duurzamen arbeid vorme. Na hem alzoo tot het verdienen van zijn kost te hebben bekwaamd, behoort gij hem te voorzien, van wat voor hem onmisbaar is, om op nieuw in \'s levens wedstrijd te kunnen mededoen. Dit alles wensch ik nu ter wegwijzing voor de maatschappij in eenigszins afdoenden vorm in praktijk te brengen. Mijn plan splitst zich als van zelf in drie afdeelingen, ieder op zichzelf onontbeerbaar voor het welslagen van het geheel. In deze drievoudige organisatie ligt het open geheim der oplossing van het maatschappelijk vraagstuk.

Het plan, door mij in deze bladen breeder ontvouwd, ligt in de schikking dezer hulpbehoevenden tot gemeenschappen, die door hare samenvoeging in staat zijn zichzelveu te helpen en te onderhouden, zoodat elk dier gemeenschappen eene soort van coöperatieve maatschappij vormt, of wilt gij, patriarchale familie, bestuurd en onder tucht gebracht en gehouden naar de beginselen, die reeds in de ervaring van het leger des heils proefhoudend zijn gebleken.

Laat mij deze gemeenschappen by gebrek aan een beter woord, koloniën mogen noemen.

Er zal dientengevolge zijn :

1. De stadskolonie.

2. De hofstee- of buitenkolonie.

3. De overzeesche kolonie.

no

-ocr page 129-

STADS- EN BUITENKOLONIE.

DE STADSKOLONIE,

Door de stadskolonie versta ik eens inrichting, te midden van den oceaan van ellende gesticht, en bestaande uit een tal van inrichtingen, die als nood- en toevlnchtshavens kunnen strekken voor allen, die op eenigerlei wijze schipbreuk hebben geleden niet verlies van leeftocht, goeden naam en gelegenheid om zichzelven uit hun staat van ellende weder op te heffen. Deze vluchthavens zullen de hulpeloozen opnemen, zooals zij zijn, hen helpen aan de meest noodige levensbehoeften, hen voorzien van eenig tijdelijk werk, om zoo hen te bezielen met nieuwe hoop voor het vervolg, en dusdoende door zedelijken en godsdienstigen invloed de herschepping van hun uitwendigen en iunerlijken toestand helpen bevorderen.

Uit deze instellingen, wier omschrijving in de volgende bladzijden geschiedt, zullen velen of spoedig tot vast werk terug-keeren, of naar buiten kunnen teruggezonden worden naar vrienden en betrekkingen, die uit deze oefenschool hen gaarne terug zullen ontvangen. Wie daarna ons op de handen gelegd blijven, zullen dan als het ware eene school te doorloopen hebben, waarin hunne oprechtheid, eerlijkheid en werklust op de proef wordt gekeurd, om zoodra zij op deze punten betrouwbaar zijn gebleken, over te gaan in de kolonie tweede klasse.

DE HOFSTEE- OF BUITENKOLONIE.

Deze zal beslaan uit kolonisten in eene streek, waar voldoende grond verkrijgbaar is, om hen door de bebouwing ervan van woonverblijf en onderhoud te voorzien. Vermits do wedloop van het land naar de stad de voor de hand liggende aanleiding is van een groot deel van het kwaad, waarmede wij nu te strijden hebben, stellen wij ons voor een zeer wezenlijk deel van ons geneesmiddel te vinden in het weder terugleiden van dezen naar het gebied, dat zij te kwader ure voor de volks-ophooping iu de steden verlaten hebben.

Daar zou het streven naar karaktervoiming evenzeer en op dezelfde wijze als reeds in de stad worden voortgezet, vooral ook door opleiding tot al die vormen van arbeid en kennis van landbouw, die den dus geholpene kunnen geschikt maken om in

111

-ocr page 130-

HET UOOll MIJ ONTWORPEN PLAN.

een auder land het verbeteren van zijn toestand onder gunstiger omstandigheden voort te zetten.

Noch van de bouwhoeve noch van de stad zullen vélen lichamelijk en zedelijk hersteld tot hunne vroegere betrekkingen kunnen terugkeeren. Voor eenigen zal wel in hun eigen bedrijf bezigheid te vinden zijn; voor anderen zal vestiging in eigen woning met een stukje bouwgrond, of opname in de coöperatieve hofsteden, die in ons plan liggen, uitkomst moeten gevonden worden; maar het grooter deel stellen wij ons voor, na voldoende bekwaming te kunnen helpen verplaatsen naar eenige buitealandsche vestiging, die onze derde klasse, onze overzee-kolonie zou vormen.

DE OVERZEE-KOLONIE.

leder, die aan dit punt eenige aandacht heeft gewijd, zal met ons eens zijn, dat in onze kolonies in Zuid-Afrika, Canada, West-Australië en elders nog millioenen morgen lands zoo goed als voor het vragen te verkrijgen zijn, grond, die onze overbevolking zou kunnen voeden en verblijf geven, al ware zij duizendmaal grooter dan zij op dit oogeublik is. Wij stellen ons voor in een van deze landen eene voldoende streek lands machtig te worden, die voor vestiging van kolonisten geschikt te maken, en daar een gezag te vestigen bij machte en bekwaam om naar goede wetten de bevolking te besturen, ten einde zoo al helpende en leidende aan de eens geheel veriatenen een nieuw tehuis te verschaffen.

Mijn plan mag in zijn geheel genomen vergeleken worden bij eene groote machine, die, nadat hare grondslagen in de achterbuurten onzer steden gelegd zijn, wat nu als bezinksel van ons maatschappelijk leven wegzinkt en vergaat, weder op voert, en op nieuw tot goede en bruikbare stof verwerkt. Niemand wenscb ik om zijn verleden of diepte van val uit te sluiten, maar allen te baten, die niet geheel onwillig blijken om te werken en zich naar eenvoudige regelen van tucht willen schikken. Door op deze wijze, nu verlorenen te hervormen en hen te wennen aan gewoonten van ijver, eerlijkheid en waarheid, wensch ik hen niet slechts te winnen voor het zelf verdienen van hun dagelijksch brood, maar ook hen begeerig te maken naar het voor allen gegeven brood, dat ten eeuwigen leven voedt, en hen daarop te doen prijs stellen. Zulken als voor wie nu nergens uitkomst te vinden schijnt, uit de stad

112

-ocr page 131-

HOOPVOL VOORUITZICHT.

113

naar het land en vandaar naar gewesten overbrengend, wier maagdelijke grond eene nieuwe maatschappij al het noodige schenken kan, wensoh ik hen tot vrije en zelfstandige burgers te maken, die nog eens voor het verlaten vaderland een even grooten steun kunnen zijn, als zij nu daarvoor niet alleen een last, maar niet minder eene schande en nadeel zijn. Wat is tegen dit alles, waarom zou dit liefelijk beeld niet eene heuglijke werkelijkheid kunnen worden?

8

-ocr page 132-

HOOFDSTUK II.

Op for redding. — De stads kolouie.

Het eerste gedeelte van mijn plau is de vestiging van een huis, waarin de veriatenen uit de centra onzer bevolking kunnen opgenomen en verzorgd worden. Wij nemen ons uitgangspunt, ieder bedenke dit wel, bij den op zichzelf staanden mensch, die haveloos, hongerig en straatarm wanhopig vraagt om voedsel, verblijf en werk. Wat mij aangaat, ik heb reeds eene bijna driejarige proefneming met dit soort ongelukkigen achter den rug. En ik meen niet te sterk te spreken, wanneer ik beweer, dat reeds op ditzelfde oogenblik het Leger des Heils meer voedsel en beter toevlucht aan niets bezittenden verschaft, dan eenige andere inrichting in Londen. De ervaring en aanmoediging verkregen tot verder gaan op dit gebied — en onze depots voor voeding en nachtverblijf getuigen er van — hebben meer dan iets anders mij de volle vrijmoedigheid gegeven, om deze op ervaring rustende plannen in wijder kring voor te stellen en aan te bevelen.

EERSTE APDEEL1NG.

Voedsel cn onderkomen voor elk hulpbehoevende.

Toen ik nu drie jaren geleden door Canada en de Vereenigde Staten van Noord-Amerika reisde, ontving ik een diepen indruk

-ocr page 133-

WAT REEDS BEPROEFD quot;WERD.

van den overvloed van voedingsmiddelen, die mij overal in het oog viel. Telkens welde daarbij in mijne borst een zucht van innig verlangen op, dat de hongerlijders in Oost-Londen en andere middelpunten van gebrek, zich met hunne half verhongerde kinderen aan zulk een schat van voedsel konden te goed doen. Die wensch was natuurlijk niet voor vervulling vatbaar, maar kon ik hen niet naar den rijk voorzienen disch brengen, toch stond het innerlyk bij mij vast, althaas iets van dien overvloed onder hun bereik te doen komen. Met dank aan God vermeld ik, dat ik aan dit voornemen reeds op kleine schaal heb kunnen gevolg geven, en dat ik dit eerlang op veel ruimer schaal hoop te kunnen voortzetten.

Met het oog op dit voornemen werd nu voor twee en een half jaar het eerste goedkoop voedsel-depot in Oost-Londen geopend.

Sinds het begin van 1888 hebben wij meer dan drie en een half raillioen porties eten afgeleverd.

Onze voedsel- en verblijf-depots hebben reeds diep wortel geschoten in die lagei\'e deelen onzer maatschappij, die wij pogen te baten.

115

Om zich eenig denkbeeld van de goede uitwerking van dit plan te kunnen vormen, laat ik hier de cijfers over het jaar 1889 volgen, welke aantoonen hoeveel in dat jaar door ons verkocht geworden is.

HOEVEELHEID VOEDSEL IN ONZE DEPOTS GEDURENDE 1880 AFGELEVERD.

ARTIKEL

GEWICHT

MAAT

AANMERKINGEN.

Soep .

. 582,000 liter.

Brood .

I921/.,

ton

. 106.964 4pds. brooden.

Thee .

2\'/2

»

. 134,900 liter.

Koffie .

15

centn

. G9,745 liter.

Cacao .

G

ton

. 146,145 liter.

Suiker.

25

»

300 zakken.

Aardappelen

140

»

2800 »

Meel .

18

»

180 «

Erwtenmeel

28\'/«

i)

288 »

Havermeel .

37:

36 e

Rijst ,

12

»

120 )gt;

Boonen

12

»

240 »

Uien en witte peen

12

240 r.

Jam .

9

»

2880 potten.

Marmelade.

G

»

1920 »

quot;Vleesch

15

»

üeze opgave is het totaal van drie voedsel-depots en vijf lokalen voor nachtverblijf. Het ligt in mijn plan om toevluchtsoorden als deze in grooter getal te openen, aan hun werkkring

-ocr page 134-

VOEDSEL EX ONDERKOMEN VOOB ELK HULPBEHOEVENDE,

uitbreidiug te geven, eu ze tot een drempel te maken van liet gebouw, welks verrijzen mijne gedachten bestendig bezighoudt. Zij, die reeds een bezoek aan onze depots brachten, zullen met dit enkel woord begrijpen wat in mijne bedoeling ligt. Met de meerderheid van hen, die dit boek in handen krijgen, zal dit wel niet het geval zijn, en dit maakt eenige nadere verklaring noodzakelijk.

In elk van onze depots, die vrij kunnen gezien worden, door ieder die in de zaak belangstelt, zijn twee afdeelingen; de eene biedt voedsel, de andere tijdelijke huisvesting aan. Beide worden door hetzelfde personeel bestuurd. Velen komen alleen maar om voedsel, en begeeren geen nachtverblijf, maar hun die om verblijf komen, wordt ook voedsel verstrekt, dat wij tot prijzen vev-koopen, welke ongeveer de kosten en den arbeid dekken. In dit opzicht onderscheiden zich onze voedseldepots van de gewone soepkeukens. Geen eetwaar wordt bij ons om niet weggeschonken. Ik laat hier onze prijslijst volgen.

WAT IN DE DEPOTS VERKOCHT WORDT.

VOOR KINDEREN.

Stuivers.

Soep .... per porlie \'/s 1 Koffie of cacao . . per kop V Soep met brood . . . . 1 f a » » met brood en jam \'/«

VOOR VOLWASSENEN.

Gebakken jambroodje . . . \'/s Arleesch. pudding en aardappelen 3 Amerik. vleesch .... 2 gt;» scbapenvleesch . 2 Koffie per kop per kan . 1 Cacao » -gt; n » . 1 Thee » » Vsi » » . 1 Brood met boter, jam of marmelade . . per snede \'/ Soep, afgehaald in eigen kannen 1 st.

Te verkrijgen van af 10 uur voorm.

Aan hen, die opzicht houden, is binnen zekere grenzen de vrijheid gelaten om in zeer dringende gevallen kosteloos hulp te verleenen ; maar als regel geldt, dat voor te genieten spijs moet betaald worden, en het finantieel resultaat is, dat de gemaakte kosten zoo ongeveer gedekt worden.

Onze depots voor goedkoop voedsel waren en zijn nog ongetwijfeld van zeer groot nut voor hongerlijders, daar de prijzen zoo laag gesteld zijn, dat zij in het bereik moeten vallen van ieder, wien nog een enkele stuiver rest. Wat ik echter als het nuttigste deel van onze onderneming beschouw, zijn onze

116

Soep .... per porlie \'/s

» met brood . . . p 1

Aardappelen ...quot; 1 -

Kool ...... Vs

Snijboonen ....)gt; 1 l-

Gekookte jampudding . . quot; V3

Gekookte plumpudding . » 1

Rijst.....» Vs

Gebakken plumpudding . » Vs

-ocr page 135-

INRICHTING VOOR NACHTVERBLIJF.

inrichtingen voor nachtverblijf. Zal toch het tot ons komen den ongelnkkigen eenig nut doen, dan is daarop veel meev kans, wanneer zij urenlang onder ons toezicht zijn, dan wanneer zij enkel om wat spijs, niet zelden enkel om eene portie soep komen. Ook staat het daarom bij mij vast aan dit deel eene zeer groote uitbreiding te geven.

Onderstel eens voor een oogenblik, dat gij zonder werk door Loudens straten zwierft, zonder eenig tehuis, zonder vrienden, at\'getobt door den ganschen dag vruchteloos naar eenig werk gezocht te hebben. De avond daalt. Waarheen nu te gaan? Misschien zijt gij nog enkele stuivers, wellicht nog een gulden rijk; het overschot van uwe als sneeuw wegsmeltende spaarpenningen. Gij siddert terecht reeds bij de gedachte van in de open lucht te moeten slapen. Bijna even grooten schrik hebt gij voor een vier-stuivers-slaapstee, waar alle kans is, dat gij in ruw en slecht gezelschap komt, in wier midden uwe laatste penningen niet veilig zijn.

Niet wetende wat te doen, raadt u iemand om het met ons toevluchtsoord te beproeven. Het stadsverblijf voor werkeloozen sluit voor u zijne deur, zoolang gij nog een enkelen penning bezit. Gij besluit daarom naar onze verblijven koers te richten. Bij het binnenkomen, hebt gij vier stuivers te betalen en onze inrichting is voor den ganschen nacht vrij te uwer beschikking. Het staat aan uzelf\' om vroeg of wel laat te komen. ïegen vijf uren reeds begint het gezelschap aan te groeien. In het verblijf voor vrouwen komen velen reeds vroeger en zitten te naaien, lezen of praten in het wel spaarzaam gemeubeld maar goed verwarmd vertrek, tot het uur gekomen is, dat de slaapsteden moeten betrokken worden.

Na binnengekomen te zijn, ontvangt gij naar keuze een kop koffie, thee of cacao; een kop, die genoeg bevat om uwe dorst te lesschen, en daarbij een flink stuk brood. Het waschhuis staat voor u open en zonder betaling kunt gij daar u flink wasschen met warm water, zeep en handdoek. Na u gewasschen en uw voedsel gebruikt te hebben, kunt gij op uw gemak gaau zitten. In uwe bewegingen zijt gij volkomen vrij; gij kunt brieven schrijven of lezen, of rustig zitten en niets doen. Te acht uren is de verblijfplaats zoo tamelijk vol en dan begint wat wij een voorname eigen karaktertrek van het geheel noemen. Twee of drie honderd mannen in het mannenverblijf, of evenveel vrouwen in het vrouwenverblijf worden in eene groote zaal bijeengebracht, menschen, die meest allen geheel vreemd aan elkander zijn. Wat met zoovele elkander vreemden te doen?

117

-ocr page 136-

VOEDSEL EN ONDERKOMEN VOOll ELK HULPBEHOEVENDE.

118

Wij houden daü met hen eene opwekkende heilssamenkomst. De officier, die met het opzicht belast is, bijgestaan door afdee-lingen uit onze opleidingshuizen, leidt de gezellige, opgewekte tot vroolijkheid stemmende avondbijeenkomst. De meisjes hebben hare banjos en tamboerijnen, ea gedurende een paar uur is er eeu gul en prettig samenzijn, zooals gij niet ligt elders in Londen vinden zult. Er worden korte en voor de omstandigheden passende gebeden gedaan; er worden toespraken gehouden, soms door de voorgangers in de vergadering, maar meest zijn het getuigenissen van zulken, die in vroegere bijeenkomsten tot levensomkeer kwamen en die, van hunne zitplaatsen oprijzend, aan hunne lotgenooten hunne eigen ervaringen mededeelen. Vreemde ervaringen worden soms veniomen uit den mond van hen, die eens tot den bodem toe gezonken scheneu in den poel van zonde, misdaad en ellende, maar die eindelijk weder vasten grond onder hunne voeten voelden, en nu in alle oprechtheid belijden, dat zij zoo gelukkig zijn als de dag lang is. Sommige van deze samenkomsten dragen blijk van zoo echte blijdschap en werkelijken broederzin, dat het het hart goed doet daarvan getuige te zijn. Dit is te opmerkelijker, dewijl men er menschen van allerlei soort en karakter bijeenvindt; menscheu buiten werk, gevangenisklanten, voor het oogenblik van werk verstokenen, die een eerste bezoek aan onze tehuizen brengen en velen nu aantreffen die, een week of maand te voren, evenals zij thans, voor het eerst met dezen toestand kennis maakten. Deze laatsten, hoewel nog altijd even arm, doen het nieuwelingen beseffen, dat zij zich niet meer uitgeworpenen en verlorenen gevoelen, maar bij ons weer iets van broederzin en broederschap hebben leeren kennen. Er zijn daar mannen, die zich eindelijk bestraald zagen door het hoopvol licht, dat hen eene reddende uitkomst bood uit den vreeselijken draaikolk, waarin zonden en tegenspoeden hen hadden neergetrokken, en nu een nieuw gelukkig leven beginnen, dat zij voor altijd hadden verloren geacht; ja, die uit hun zondenval opgestaan, aanvingen een oprecht en godvreezend leven te leiden. Zij verhalen dan aan hunne makkers, hoe het zich met hen heeft toegedragen, en zoeken zulken die naar hen luisteren willen te bewegen, om hetzelfde waagstuk te beproeven, en zoo ook voor zichzelven te leeren kennen welk eene goede en heerlijke zaak het is, zich gered en van zondenslavernij vrij te kennen. In de tusschen-pozen, die deze getuigenissen afwisselen, — getuigenissen, waarvan ieder, die onze samenkomsten bijwoonde, zal moeten getuigen, dat het geene lange, gerekte, femelige redevoeringen, maar geheel

-ocr page 137-

OPWEKKING EN GETUIGENIS.

eenvoudige mededeelingen van eigen ervaring zijn, — worden door gezangen vervangen, die losbarstingen zijn van dankbaarheid, blijdschap en hoop, uit volle harten opgeweld. Hij, die de leiding der bijeenkomst heeft, zet alsdan een of twee zangverzen in, toepasselijk op het pas gesproken woord, of eene der meisjes uit ons opleidingshuis zingt een solo met accompagnement van haar speeltuig, terwijl bij elk vers allen instemmen in het levendig en opwekkend koor.

Niemand, die bij ons intrek neemt, is gedwongen aan deze samenkomst deel te nemen; men behoeft eerst binnen te komen, wanneer alles afgeloopen is, maar het is of allen begrijpen, dat dit samenzijn er bij behoort, en zoo komen allen zonder eenigen van buiten op hen geoefenden drang. Eiken avond, tusschen acht en tien uren, kunt gij hier deze schare bijeen vinden, terwijl zij naar de vermaningen luisteren en aan den zang deelnemen. Het is zoo; velen zijn er steeds onder, die nog juist geene bijzondere belangstelling toonen, maar toch genieten zij liever al dan niet de muziek en de warmte, en geven van tijd tot tijd blijken, dat de getuigenissen, welke zij vernemen, de nog gevoelige plaats in hun hart treffen.

Ook zijn deze getuigenissen soms van zulk een aard, dat zij wel het stugst gemoed moeten treffen. Een onzer toevluchtsoorden werd eens bezocht door een gewezen kapitein van eene zeestoomboot, maar die wegens drankmisbruik ontslagen, tot de diepste diepte van armoede en ellende was afgedaald. Op de uiterste grens van hopeloosheid kwam hij tot ons. Toen namen de onzen hem in handen, — en dit in handen nemen is bij ons meer dan iets bloot vormelijks, want bij het eindigen der samenkomst gaan onze officieren van zitplaats tot zitplaats, en wanneer zij iemand ontdekken, die bewijzen geeft, dat woord en zang hem getroffen heeft, dan nemen zij nevens hem plaats en onderzoeken wat zij kunnen doen om zijne ziel te helpen verlossen van het schandjuk en den vloek der zoude. Dit toonen van belangstelling geeft hun in meerdere of mindere mate vat op het gemoed van den bekommerde, en brengt hen doorgaans op de hoogte, waar het eigenlijk te overwinnen bezwaar gelegen is. Al is het niet altijd in hunne macht, dit bezwaar te helpen wegruimen, ook wanneer zij enkel in het hart van hopeloozen het gevoel weder hebben kunnen levend maken, dat er nog iemand is, die om hen geeft en hen zoo gaarne zou willen helpen, is dit voor het oogenblik dikwijls reeds veel gewonnen.

Op deze wijze werd de kapitein op wien wij doelden, bij zijn tot ons komen gewonnen. Hij toonde, dat wat hij gezien en

119

-ocr page 138-

VOEDSEL EN ONDERKOMEN VOOK ELK HULPBEHOEVENDE.

gehoord had, hem krachtig had bewogen; en een bij hem aanhouden en met hem bidden, deed in hem het besluit rijpen, om voor goed met zijne drinkgewoonten te breken. Toen hij ons verblijf verliet, vertrok hij als een waarlijk ten goede veranderd mensch. Allengs herwon hij zijne positie als koop-vaardij-kapiteiu, en toen ruim twaalf maanden verloopen waren, stonden wij allen verbaasd, toen wij hem in het uniform van kapitein eener groote zeestoomboot in ons midden zagen verschijnen, om voor allen, die hij wist daar bijeen te zullen vinden, het getuigenis af te leggen, hoe diep hij viel en hoe het komen te dezer plaatse zyne redding was geweest. Op treffende wijze deelde hij mede, wat er op dien beslissenden avond onder het ervaren van zoo veel liefdevolle belangstelling in zijn hart was omgegaan, en hij had zich geene rust gegund, voor hij zijne, door zondigen verloren plaats door verdubbelden ijver en trouw herwonnen had.

Wanneer zulk een samenkomst geëindigd is, gaan onze zangeressen naar het opleidingshuis terug, en maken de menschen zich gereed hunne slaapsteden te betrekken. Onze slaapinrichtingen zijn van den allereenvoudigsten aard; donzen bedden moet gij bij ons niet verwachten.

Wanneer gij onze slaapruimten binnentreedt, ziet gij den grond bedekt met wat u eene reeks pakkisten zou kunnen toeschijnen. Die kisten dienen tot afscheiding en in elke daarvan is een stevige matras en een lederen dekkleed, wat al het beddengoed uitmaakt, dat wij verschaffen. De mannen ontkleeden zich naast hun pakkist en leggen dan zich onder het lederen dek ter ruste. De slaapruimte wordt met heetwaterpijpen tot 60 graden verwarmd, en nog niet een onzer bezoekers heeft over onvoldoende warmte geklaagd. De lederen dekkleeden zijn gemakkelijk geheel zuiver te houden, en de matrassen, die met Amerikaansch lederdoek bekleed zijn, worden eiken dag zoo zorgvuldig nagezien, dat er geen spoor van ongedierte in onze slaapplaatsen kan overblijven. De mannen gaan ten tien uren te bed en moeten ten zes uren opstaan. Rustverstooringen, van welken aard ook, komen in onze toevluchtsoorden niet voor. Reeds thans is door ons voorzien in de noodige ruimte om eenige duizenden van de meest hopeloos in Londen verongelukten te kunnen bergen; velen van dezen zijn misdadigers, bedelaars, zwervers, geheel ellendig en onrein, maar zoo machtig is de invloed der plaats en de zedelijke overmacht onzer officieren, dat nog nooit eenige ernstige twist of handtastelijkheid voorkwam, en zelfs zeer zelden eenige vloek of vuil woord vernomen wordt. Buiten

120

-ocr page 139-

UITBREIDING VAN HET STELSEL.

ons verblijf is het wel eens minder kalm toegegaan, wanneer erg beschonkenen of woestelingen met geweld wilden binnendringen, doch zij die toegelaten worden en zich als van zelf bij ons voegen, verwekken geene onrust of moeite. Wanneer des morgeus allen gekleed zijn, wordt het ontbijt toegediend, en na eene daarop volgende korte morgengodsdienstoefening, gaat ieder weder zijns weegs.

De uitkomst heeft ons geleerd, dat wij koffie en brood voor avondeten en ontbijt, en eene slaapplaats, in eene verwarmde slaapruimte, kunnen geven voor vier stuivers per hoofd.

Ik heb mij voorgesteld aan dit stelsel van toevluchtsoorden meer uitbreiding te geven, ook door te zorgen, dat ieder man beschikking krijgt over een eigen kastje, waarin hij de kleine dingen van eenige waarde, waarover hij nog te beschikken heeft, wegsluiten kan. Ook zou ik hem het gebruik willen geven van een ketel in het waschhuis en van een droogoven, zoodat hij des avonds zijn hemd zou kunnen nitwasschen en het des morgens droog terug ontvangen. Alleen zij, die bij ervaring weten, welke moeilijkheden zich bij het werk zoeken in Londen voordoen, kunnen beseffen, hoe groot het voorrecht is, van zijn hemd op deze wijze gewasschen te krijgen, —- ten minste wanneer hem nog een hemd rest. Op Trafalgar Square, het prachtig plein met zijne standbeelden en fonteinen in het midden der hoofdstad, was in 1887 niets meer ergerlijk, dan dat de volkshoop, die daar in de open lucht den nacht slapende had doorgebracht, des morgens vroeg zijn vuile hemden in de fonteinen nitwaschte. Spreek met wien gij wilt, zij, die geruimen tijd zwervende zijn geweest, zij allen zullen u zeggen, dat niets hen zoo in eigen oogen doet dalen, en ook niets hun meer in den weg staat om werk te vinden, dan de onmogelijkheid om hun ondergoed en kleine zaken gereinigd te krijgen.

Zoolang eene arme nog iets heeft, dat hij zijn tehuis kan noemen, is bij ook nog in staat zichzelven rein te houden en een schoon hemd aan het lijf te hebben. Hij geniet die voorrechten op zeer kleine schaal, maar kan ze toch even degelijk hebben, alsof hij eens prachtige woning had; en zich daardoor in staat gevoelen om zich allengs weder een hooger standpunt op den maatschappelijken ladder ten deel te zien vallen. Deze verbetering van onze inrichtingen is de eerste stap voorwaarts, die mij bij het verwezenlijken onzer plannen voor oogen staat.

121

-ocr page 140-

VOEDSEL EN ONDERKOMEN VOOR ELK HULPBEHOEVENDE

Eeuig-e reeds bij onzen strijd veroverde zegeteekenen.

Reeds kunnen wij op voorbeeld bij voorbeeld wijzen, die liet praktisch nut van onze wijze van zorgen voor de ongelukkige verworpelingen, in overtuigend licht stelt. De volgende voorbeelden, wijzen op enkelen, die nog als een last en schande onzer maatschappij zouden rondzwerven, indien zij niet door onze inrichtingen geholpen waren geworden, om eene plaats als werkzame en nuttige burgers te herwinnen.

A. S. — geboren in Glasgow, 1825. Gered te Clerkenwell, 19 Mei 1889. Kind van arrne ouders, groot gebracht in eene van Glasgows stegen. Had aan ziehzelven overgelaten, van zijn zevende jaar op straat moeten zwerven. Werd daardoor allengs een helper en deel van eene dievenbende, en aan hun stelen medeplichtig. Zijne tijden van gevangenisleven waren de navolgende: — 14 dagen, 30 dagen, 30 dagen, vier malen achtereen 60 dagen, 4 maanden, tweemalen 6 maanden, 9 maanden, 18 maanden, 2 jaren, 6 jaren, tweemalen 7 jaren, 14 jaren; te zamen 40 jaren, 3 maanden en 6 dagen. Wegens verzet en onhebbelijk gedrag werd hij in zijn straftijd 8 malen gegeeseld.

W. M. — geboren te Deptford, 1864. Gered te Clerkenwell, den 31 Maart 1889. Zijn vader was een oud-gediende van de oorlogsvloot, die als opzichter een eerlijk stuk brood verdiende. De man was matig, vertrouwd en gezien. Zijne vrouw daarentegen was een loszinnig, dronken slet, eene schande en vloek voor haar man en gezin. Het huisgezin spatte uiteen en de kleine knaap bleef ten laste zijner slechte moeder. Op zijn zevenden verjaardag trakteerde dit voortreffelijk wezen hem op eene halve kan jenever. Eenig onderwijs viel hem in eene haveloozen school ten deel, maar op zijn negende jaar werd hij voor appelen stelen gevat, en tot straf voor zeven jaren naar de verbeterschool te Ilford gezonden. Bij het eindigen van dit tijdperk ontslagen, verviel hij tot een straatleven, en maakte bij herhaling met provinciale gevangenissen kennis. Allengs geraakte hij aan het hoofd eener dievenbende, die het der politie in Londen zeer lastig maakte en werd een pest voor de maatschappij.

Hij was een geboren aanvoerder, een die anderen door zekere meerderheid tot volgen en gehoorzamen wist te dwingen. Toen hij daarna tot inkeer kwam, volgden hem in grooten getale velen zijner lotgenooten, en kwamen eerst tot onze toevluchtsoorden, daarna tot kennis en dienst des Heeren. Zijn gedrag sedert zijne terechtbrenging geeft alle reden van tevredenheid. Hij heeft vast werk en wordt om zijn karakter en gedrag geprezen.

C. W. — geboren te San Francisco, 18G2. Gered 24 April 1889. Uit de ouderlijke woning medegetroond, toen hij 8 jaar oud was, belandde hij in Texas. Hier deed hij eerst als koewachter dienst, maakte enkele zeereizen mede, en werd al meer en meer een loszinnige en ongebonden klant. Hij kreeg twee jaren voor oproerig gedrag op zee, 4 jaren voor het stelen van een muildier, 5 jaren voor het stelen van vee, bracht te zamen 13 jaren en 11 maanden in den kerker door. Toen verliet hij Amerika om zijn geluk in Engeland te beproeven. Hier verzeilde hij in eene dievenbende en onderging verscheidene straffen. Bij zijn ontslag uit de strafgevangenis te Millbank, werd hij door een vroegeren maat en een van onze kapiteins onder hunne hoede genomen. Bij zijn Verblijf in ons toevluchtsoord kwam hij tot besliste inkeer, en houdt zich voortdurend goed.

122

-ocr page 141-

VERBLIJDENDE UITKOMSTEN.

H. A. — geboren te Deptford, 4850. Gered te Clerkemvell, 42 Januari 4889. Vroegtijdig: verloor hij zijne moeder. Door zijne stiefmoeder hard behandeld, ontwikkelde zich het zich toeëigenen van kleinigheden tot den lust en hebbelijkheid om te stelen. Hij begaf zich in zeedienst, werd een zwaar drinker, een vuile godslasteraar en een snorkend pocher op zijn volslagen ongeloof. Jaren lang een zwerver ter zee en te land, verzeilde hij eindelijk als een maatschappelijk schipbreukeling in een onzer depots. Hier leerde hij God kennen, kwam tot berouw en bekeering, en is op den goeden weg weder vooruit te komen. Gedurende dezen zomer stond hij aan het hoofd van een corps grasmaaiers, en heeft deze proef met het beste gevolg doorstaan. Hij toont zich eerlijk in al zijn werk, en tracht geduldig in Gods weg te willen volgen. Ilij is nu in onze werkdepots werkzaam.

II. S. — geboren te A. in Schotland. Gelijk de meeste Schotsche knapen, ook al hebben zij zeer arme ouders, goed ondeiwijs genieten, liet zijne opvoeding niet veel te wenschen over. Hij zocht en vond plaatsing voor dagbladwerk, en zag zich eindelijk bij de redactie van een aanzienlijk blad in Glasgow opgenomen, waar hij van de gelegenheid tot akadernische vorming gebruik maakte en kandidaat in de letteren werd. Zoo kwam hij aan het hoofd van een blad in het Prinsdom Wales. Na zich op deze wijze een positie te hebben verworven, huwde hij een zeer knap en geschikt meisje, kreeg verscheidene kinderen, maar verloor, aan den drank geraakt, zijne betrekking, vrouw, gezin en al zijne vrienden. Bij tijden worstelde bij om zijne booze neiging te boven te komen, vond door zijne bekwaamheid dan weder plaatsing, maar om door telkens weder toegeven aan zijn zwak al lager en lager te zinken. Gedurende een tijd bekleedde hij den post van secretaris bij eene inrichting van liefdadigheid te Londen, maar bij herhaald terugvallen in het oude kwaad werd hij ontslagen. Toen kwam hij als een van alles beroofde in ons toevluchtsoord, werd in onze werkinrichting gered, en is nu weder in eene goede betrekking geplaatst. Naar het zich laat aanzien, is hij voor goed tot inkeer gekomen, althans zij, die hem in zijn doen en laten kunnen beoordeelen, zijn van oordeel, dat een goed werk tot zegen aan hem geschied is.

F. D. — geboren te Londen werd opgeleid voor het ijzervak. Hij zag zich bij herhaling in goede betrekkingen geplaatst, maar verloor ze telkens door drankgebruik en ander loszinnig gedrag. Eens begaf hij zich met 240 gld. in zijn zak naar Manchesier, werd er dronken, en zwaar beboet. Toen hij hat gerechtshof verliet, hield een heer hem staande, en noodigde, als een oud vriend zijns vaders, hem ten zijnent, maar met nog 420 gld. in den zak meende hij geen hulp noodig te hebben. Toch gaf de medelijJende man hem zijn adres. Na in weinige dagen al zijn geld, alles, tot zijne kleederen toe, verdronken en verzwendeld te hebben, vervoegde hij zich des avonds ten tien uur aan het hem gegeven adres. De hem vreemde bleek zijn oom te zijn. Deze gaf hem des anderen daags 24 gld. om naar Londen terug te keeren, maar ook dit geld verdronk hij terstond, en toen zwierf hij als een straatarme naar Londen terug. Verscheidene nachten sliep hij op het Embankment. Bij een van deze gelegenheden, gaf een heer hem een toegangsbewijs voor een onzer depots, maar dit verkocht hij voor twee stuivers, kocht er een glas bier voor en sliep toen weder in de open lucht. Toch had deze kleine gift hem aan het nadenken gebracht, en na zelf vier stuivers verdiend te hebben, besloot hij eens te zien. hoe het in onze toevluchtsoorden toeging Hij begaf zich daartoe naar White Chapel, werd een geregeld bezoeker en nu acht maanden geleien gered. Sedert dien tijd gedraagt hij zich onberispelijk.

F. II. — werd geboren te Birmingham, 4858. Werd gered te White Chapel, 23 Maart 4890. Zijn vader stierf, toen hij nog zeer jong was, waarna zijne moeder hertrouwde. Zijn stiefvader was een dronken aard werker, die zijne moeder tusschenbeiden tegen den grond sloeg en den jongen op straat liet rond-

123

-ocr page 142-

124 VOEDSEL EN ONDERKOMEN VOOR ELK HULPBEHOEVENDE,

zwerven. Toen hij 12 jaren oud was verliet hij zijn huis en zocht al bedelende Liverpool te bereiken, terwijl hij \'s nachts bij den weg sliep In Liverpool zwierf hij bij de dokken, om om iets te verdienen, en sliep, waar hij een onderkomen vinden kon. De politie vatte hem en zond hem naar Birmingham terug, waar zijn stiefvader in zijn dronkenschap hem onbarmhartig een vreeselijk pak slagen toediende. Hierop kreeg hij als loopjongen verschillende baantjes, waarbij hij allengs zooveel ontvreemdde, dat hij 15 gld. bijeen had, waarmede hij naar Middlesborough ontweek. Hier kreeg hij werk in een spijkerfabriek, bleef daar negen maanden aan \'t werk, maar stal toen C gld. van een maat, die in het zelfde kwartier sliep, en ging er mede het pad op. Te Birmingham terug, deed hij de ontdekking, dat er een bevel tot inhechtenisneming voor hem gereed lag, waarom hij zich haastte met zich voor den zeedienst te laten aanwerven. Zoo kwam hij op het oefeningsschip de Impregnable, waar hij zich goed gedroeg en er slechts eenmaal elf voor zijn broek kreeg. Met een getuigschrift «goed» ging hij over op de Iron Duke, bestemd naar de Chineesche wateren, maar werd toen wegens oproerig gedrag telkens opgesloten en in elk havenstation gevangen gezet. Bij herhaling gedeserteerd, was hij door en door een voorbeeld van een slecht en ongeschikt Janmaat. Te Shangai, Singapore, Hongkong, Yokohama, Canton en meer andere plaatsen leerde hij de gevangenis van binnen kennen. Na vijf jaren keerde hij terug, en na een tijd verlof, kwam hij op de Belle Isle in het lersche station. De whiskey werd hem hier op nieuw de baas, zoodat hij zijn gezondheid geheel te gronde richtte. In den tijd van zijn verlof was hij getrouwd en na zijn ontslag vervoegde hij zich bij zijne vrouw te Birmingham. Gedurende een tijd was hij als marktveger werkzaam, maar verliet na twee jaren vrouw en kinderen, en zwierf naar Londen af Hier leefde hij als een straatslijper van de hand in den tand, en werd in de stadstoevluchts-oorden een welbekende. Eindelijk kwam hij in onze toevlucht in White Chapel en werd gered. Hij geeft nu door zijn gedrag waarborg, dat een nieuw leven hem ernst is. Ook is hij met zijne vrouw verzoend, die op zijn verzoek hem te Londen opzocht, terwijl alles doet hopen, dat hij nog een nuttig lid der maatschappij zal blijken.

J. W. S. — geboren te Plymouth. Zijne ouders waren daar algemeen geachte menschen. Hij is bekwaam voor zijn vak en heeft goede betrekkingen gehad. Voor nu twee jaren kwam hij te Londen, geraakte in slecht gezelschap, wat hem zich aan drank deed verslaven. Op deze wijze verloor hij de eene betrekking voor de andere na; werd doodarm en een straatlooper. Zoo kwam hij in onze toevlucht te Westminster, leende het oor aan de vermaningen der reddende liefde en kwam tot inkeer. Wij stelden ons daarop in betrekking tot zijne ouders, die geld en kleederen voor hem zonden. Met dezen omkeer leerde hij opnieuw hoop en moed vatten, en weder bij zijn vroeger vak geplaatst, verdient hij nu te Lewisham 7 stuivers per uur. Reeds vier maanden hield hij zich daar ter plaatse goed, zoodat hij ènl als heilssoldaat èn als werkman stof tot tevredenheid geeft.

J. T. — geboren in Ierland. Door burgerlijk gegoede ouders werd hij tot handelsbediende opgeleid. Na als klerk te zijn werkzaam geweest, ging hij in het leger over en maakte bij goed gedrag naar zijn wensch bevordering. Als klerk van den betaalmeester bij zijn regiment leefde hij zeer geregeld en werd na volbrachten diensttijd met een paspoort, gemerkt «zeer goed* ontslagen. Nu weder vrij man, wilde het hem niet gelukken plaatsing te verkrijgen, en deze tegenspoed schijnt hem verbitterd en wanhopig gemaakt te hebben, zoodat hij om zijn verdriet te verzetten, tot drinken verviel. Dit dwaas beslaan deed hem al lager en lager zinken, zoodat hij in den ellendigsten toestand in onze toevlucht te Westminster aanlandde. Zonder jas, zonder hoed, zonder hemd, geheel vervuild, was hij een ontzettend voorbeeld, hoe diep ook iemand van goede afkomst door aan dranklust toe te geven, vallen kan. Na een tijd in onze toevlucht verblijf gehad te hebben, kwam hij tot overtuiging van zonde, en zag

-ocr page 143-

HOOP OP VERDER WELSLAG F N.

zich behouden. In onze werkplaatsen verwierf hij door oppassendheid en ijver een goeden naam. Nevens de beoefening van zijn handwerk, is hij nu in zendingswerk bezig en oefent in zijne omgeving een goeden invloed.

J. S. — geboren te Londen, uit knappe ouders. Van kindsbeen af toonde hij neiging tot oneerlijkheid en stelen. Wat ouder geworden kwam hij door deze slechte neiging spoedig in kennis met de politie en geraakte telkens opnieuw achter slot en grendel. In vrijheid gekomen, zwierf hij als bedelaar het land rond. Driemalen werd hij met verzwaarden arbeid gestraft; de laatste maal voor een tijd van zeven jaren. Na deze straf ondergaan te hebben poogde hij zich te beteren en een geregeld leven te leiden; zelfs gelukte het hem eene zeer knappe vrouw te trouwen, maar nu vingen de omstandigheden aan hem tegen te loopen. Door het bekend worden van zijn verleden, zag hij zich verstoeten en geraakte daardoor met zijne vrouw aan lager wal. ïe zamen namen zij bij ons toevlucht en vroegen goeden raad. Met hulp der overheid te Cleiken-well, die ons te wille was. werden hem onder ons toezicht kleine dingen te verrichten betrouwd. Zoo is het ons mogen gelukken hem allengs eene jjoede betrekking te bezorgen. Op dit oogenblik gaat het hun goed; hij heeft vast werk, beiden dienen den Heer, en zijn bij hunne buren gezien.

E. G. — Kwam in Engeland, in dienst bij eene aanzienlijke familie Werd later opperste bediende in meer dan een tot den adel beboerend pezin. Hij werd lijdende en daardoor langen tijd geheel ongeschikt voor zijne betrekking. Wel had hij eene niet onbelangrijke som gelds kunnen overleggen, m »ar de rekeningen voor geneeskundige behandeling en wat tot voorzien in verdere behoeften noodig was, brachten hem door den langen duur van zijn lijden tot volslagen armoede. Niet ten volle hersteld, moest hij zijne toevlucht tot liet werkhuis nemen en na daaruit ontslagen te zijn, kreeg hij den raad om naar een onzer toevluchtsdepots te gaan. Toon hij bij ons kwam, was het met zijne gezondheid nog niet veel beter dan met zijne beurs gesteld. Zijn geest was geheel verbroken en hij door radeloosheid bijna wanhopig. Met den drang der liefde werd hem geraden zijne bekommernissen op God te werpen, en in dezen weg kwam hij tot bekeering. Na eenigen tijd moeite voor hem gedaan te hebben, mocht het ons gelukken hem als portier bij een groot Londens handelshuis geplaatst te zien. De trouw en ijver gedurende een jaar op dezen post betoond, heeft er toe geleid, dat hij tot reiziger voor de zaak is aangesteld. Hij vaart nu naar lichaam en ziel wel, en is in zijne omgeving algemeen geacht.

Wij zouden deze voorbeelden met vele gelijksoortige kunnen vermeerderen, maar deze zijn in getal en verscheidenheid voldoende om te bewijzen, dat de door ons gevolgde weg werkelijk tot het beoogde doel kan leiden.

Er bestaat niet eene reden, waarom iemand met recht zou kunnen beweren, dat wat God op de thans bestaande schaal heeft willen zegenen, niet ook op uitgebreider schaal gelijksoortige goede vrucht zou kunnen dragen. Wat men in al de medegedeelde voorbeelden niet moet voorbijzien is, dat het niet de voeding op zichzelve is, die het beoogde doel heeft doen bereiken; het was het nauw verbinden er van met pogingen om de ziel goed te doen in haar ben arden toestand. Hadden wij echter niet aan voeding en verzorging gedacht, de gelegenheid zou ontbroken hebben, om met het hart der ongelukkigen in eene hen weder opwekkende wijze in aanraking te komen.

125

-ocr page 144-

126 VOEDSEL EN ONUEHKOMEN VOOR ELK HULPBEHOEVENDE.

Hadden wij lien enkel gevoed, zij zouden des anderen daags zijn heengegaan om, naar het lichaam versterkt, het oude slechte zwerversleven voort te zetten. Onze voor voeding en rustplaats zorgende depots brachten hen tevens in zoo nauwe betrekking tot onze officieren, dat deze ook in letterlijken zin hun arm hun om den hals konden slaan en als voor het vaderhuis verloren kinderen hen konden dringen om op te staan en aan het ontfermend vaderhart rust te zoeken. Wij hielden het hun niet verborgen, dat zij even als de verloren zoon zeiven den dwaalweg hadden gekozen, en daardoor de voorrechten en zegeningen van het vaderhuis hadden verloren en verbeurd; maar dat Gods liefde nog ons als zijne boden en dienaren bezigde, om voor hen betere dagen te doen aanbreken, wanneer zij slechts hunnerzijds het pad van onderwerping aan zijnen wil in gehoorzaamheid wilden volgen.

TWEEDE APDEELIXG.

Arbciil voor wie buiten werk zijn. — Dc factory.

Al wat gij nu hebt medegedeeld, zegt misschien iemand, is zeer geschikt voor den man, die nog vier stuivers in bezit heeft, maar hoe wanneer ook deze hem ontbreken? Wat denkt gij aan te vangen, wanneer gij komt te staan tegenover een uitgehon-gerden hoop menschen, die dat overschot van vier stuivers niet meer in hun zak hebben, en voeding en herberging behoeven? De opmerking is rechtmatig en natuurlijk, en is ook van den beginne met ernst in overweging genomen.

Het is mijn voornemen om aan elk voedsel- en verblijfdepot een werkwinkel of arbeidswerf te verbinden, waarin ieder, die verlaten en als hongerlijder komt, aan voldoende werk zal geholpen worden, om de hem noodige vier stuivers voor kost en verblijf te kunnen betalen. Dit voornemen is een der hoofdgrondtrekken van het plan, en zal het aanbevelen bij allen, die weldoeners der armen wenschen te worden, door hen te helpen er door inspanning van eigen krachten weder boven op te komen, en hen niet nog dieper in den kuil te laten wegzinken, door allerlei soort van bedelaarsbedeeling.

Verplaatsen wij ons in gedachten bij den toegang van een der

-ocr page 145-

HULP DOOK ARBEID GEVEN.

hulpverblijven. Zie, daar komt een zwerver, vuil, haveloos, met doorgeloopen voeten; zijn voeten kijken aan beide zijden door zijne schoenen, zijn kleeren zijn niet meer dan lompen, zijn hemd is zwart en zijn haar is verward. Naar hij zegt, is hij gedurende de drie laatste weken zwervende geweest, overal zoekende naar werk, maar zonder iets te vinden, dat hem aan een stuk brood helpen kon. In den laatsten nacht sliep hij op het Embankment, en nu is zijne vraag, of er ook mogelijkheid bestaat, dat hij eenig voedsel en nachtverblijf zou kunnen krijgen. Of hij geld heeft? Niets dat er op gelijkt. Waarschijnlijk heeft hij zijn laatsten gebedelden stuiver voor zijn tabakspijp besteed, om de knagende pijn van zijn honger tot zwijgen te brengen. Wat met dien man te doen? De maatschappij staat tegenover hem als verlamd, en brengt haar geweten zoo telkens nn en dan tot zekere rust, door hem wat brood en soep te laten geven — eene weldadigheid, welke afgewisseld wordt met de half-misdadigers behandeling van het stadstoevluchtsoord —- en gaat met deze huismiddeltjes voort, tot alle zelfwaardeering in den man is uitgedoofd.

Het slot van deze wijze van doen is, dat eindelijk de ongelukkige gemaakt is tot een onverschillig, wanhopend en geheel aan zichzelf ontzonken wezen, dat den laatsten prikkel mist om zich boven zijne ellendige omstandigheden te verheffen; en dat van vuil en ongedierte overdekt, al lager en lager zinkt, tot hij eindelijk in de ruw houten kist van het bedelaarsgraf aan het oog der wereld voor goed onttrokken wordt.

Wat ik nu voorstel te doen, is dien man bij de hand te vatten, een sterken arm om hem heen te slaan en zoo hem op te trekken uit het slijk, waarin hij bijna geheel verstikte. Als eerste stap daartoe zullen wij tot hem zeggen; «Gij zijt hongerend, hier is voedsel; gij mist alle tehuis, ziehier voor u eene rustplaats en ligging; maar bedenk wel, gij moet werk doen tot bekostiging van het voedsel, dat gij van ons ontvangt. Wat wij u geven is geen aalmoes, wat wij geven is werk aan hen, die geen werk vinden kunnen, en hulp aan hen, die buiten staat blijken zichzelven te helpen. Zie ginds is onze werkplaats, ga derwaarts en verdien uwe vier stuivers, en kom dan uit de koude en nattigheid in ons verwarmd toevluchtsoord. Ook voor u vindt gij daar een pot koffie en een flinke homp brood gereed ; en hebt gij u daaraan tegoed gedaan, dan kunt gij daarna deelnemen aan eene samenkomst, waar volop muziek en gezellig verkeer te genieten is. Gij vindt in dien kring menschen, die met en voor u bidden zullen en die u zullen doen gevoelen, dat

127

-ocr page 146-

ARBEID VOOK WIE BUITEN WERK ZIJN. —

12S

DE FACTORY.

gij weder als een broeder onder medemenschen erkend wordt. Voorts vindt gij bij ons een eenvoudig bed, waar gij warm en rustig zult kunnen slapen, zonder door de vloeken en gemeenheid gestoord te worden, waaraan gij maar al te zeer zijt gewend geworden. Ook hebben wij naar uwe behoefte een wascli-huis ingericht, waar gij na al de dagen van onreinheid u eens duchtig opknappen kunt. Gij vindt daar overvloed van zeep, warm water en handdoeken; tevens kunt gij daar ondenvjjl uw hemd uitwassohen, waarna het, terwijl gij slaapt, in den droogoven voor u tegen morgen weder schoon en bruikbaar gemaakt is. Morgenochtend, als gij u weder wascht, ontvangt gij uw hemd terug en zult daarna een stevig ontbijt gereed vinden. Na dus gereinigd en uitgerust te zijn, en niet langer (lauw van den knagenden honger, kunt gij vrij uit gaan en werk zoeken, of wel gij kunt terugkeeren naar onze werkplaats, tot zich iets beiers voor u opdoet.»

Doch waar ligt die werkplaats en hoe is ze ingericht?

Wil mij naar onze arbeidswerf vergezellen en die in oogen-schouw nemen. Wij maken hier geene aanspraak op meer liefdadigheid, dan er liefdadigheid in gelegen is, om iemand werk te geven, waardoor hij gevoelen kan, dat hij verdiend brood eet. Het ligt niet op onzen weg om werkloonen te laten verdienen. Wij stellen ons niet voor iets meer te doen, dan mannen of vrouwen, die van hulp verstoken zijn, zooveel te helpen verdienen, dat zij hun voedsel en verblijf bekostigen kunnen, totdat zij zich in staat en bij machte gevoelen, om in het gewone maatschappelijk verkeer terug te keeren en een redelijk dagloon te verdienen. Wij oefenen bij niemand dwang, om tot onze werkplaats toevlucht te nemen, maar wanneer iemand met geheel ledige beurs voedsel behoeft, dan behoort hij daarvoor ook zooveel arbeid te verrichten, als voldoende is om de kosten van voeding en verblijf zooveel mogelijk te dekken. Gelijk echter ieder regel hare uitzonderingen heeft, zoo staat het ook onzen officieren vrij in dringende gevallen van den regel af te wijken, maar regel moet het bij ons blijven: «eerst het aangewezen werk verrichten en dan eten.» De taak, die wij opgeven is niet zwaar, maar aan wat eenmaal als eisch is vastgesteld, is ieder, die toezicht heeft, verplicht zich ten stipste te houden. Dit is een punt, waarin zich ons plan van aalmoezen gevende liefdadigheid onderscheidt.

Ik wensch niet in het minste de baud te hebben in het maken van eenig nieuw middelpunt, dat tot verdere verslapping van het zedelijk bewustzijn van plichtgevoel leidt. Niemand kan

-ocr page 147-

NIET LIEFDADIGHEID MAAR WEUKVERSCHAFFING.

meer afkeerig zijn dan ik van onze bezoekers nog grooter bedelaars te maken, door hen iets te geven dat zij niet verdiend hebben. Ik acht het een levensbelang om in den mensch opnieuw achting voor zichzelven te helpen ontwikkelen, bij het bewustzijn, dat hij althans weder den voet gezet heeft op de eerste sport van den ladder, die opwaarts voert; en het opwekken en sterken van dit gevoel is iets onmogelijks, zoolang niet de overeenkomst, welke wij ouderling sloten, stipt wordt volbracht. Mijnerzijds ontvangt hij naar afspraak zijne bepaalde hoeveelheid koffie, brood, huisvesting, warmte eu licht; maar hiervoor reken ik ook op de bepaalde hoeveelheid arbeid zijnerzijds.

Welk werk wordt dan gevorderd? vragen sommigen. Als antwoord op deze vraag zon ik de vragers met mij willen laten gaan naar onze werkplaatsen in Whitechapel. Daar kan reeds ieder mijn plan in genoegzaam volledige werkzaamheid aanschouwen. Wat nu daar geschiedt, stellen wij ons voor overal naar gebleken behoefte te doen; en ik zie niet eéue reden, waarom elders zou moeten mislukken, wat daar met gunstig gevolg is kunnen bekroond worden.

Onze werkinrichting in Whitechapel werd daar in dit voorjaar gevestigd. Wij openden haar op zeer kleine schaal. Op dit oogenblik heeft ons pogen zich reeds zoover ontwikkeld, dat er negentig man aan het werk zijn. Enkelen van dezen zijn bekwame werklieden, en houden zich met timmerwerk bezig. De hoofdarbeid, dien zij nu volbrengen, is het maken van zitbanken voor ons leger eu zijne bijeenkomsten. Sommigen houden zicli bezig met matten vlechten, anderen zijn schoenlappers, weder andereu doen eenvoudig schilderwerk, enz. Deze proefneming is tot hiertoe uitnemend geslaagd. Niemand, die bij ons komt, komt voor een langdurig verblijf. Zoo lang hij behoefte heeft om voor de hnlpverstrekking werk te doen, wordt hij onder bekwame opzichters aan werk en goed gereedschap geholpen. De werkuren zijn door ons op acht uren gesteld.

De navolgende regels en bepalingen hebben tot hiertoe bij onze proefneming gegolden.

129

-ocr page 148-

arbeid vook wie buiten wekk zijn. —

130

de factoky,

De legerafdeeling voor maatschappelijk hervormingswerk.

tijdelijk hooi\'dkitartier.

30. Upper Thames street, London E. C.

Stadsuijverhcidsiverlqilaatseii.

Doel. — Deze werkplaatsen zijn geopend, om aan werke-loozen en hulpbehoevenden bijstand te verschaften, ten einde hen te vrijwaren voor een gedwongen toevlucht nemen in het werkhuis ot stadstoevluchtsoord. Voedsel en huisvesting worden hun gegeven in ruil voor arbeid, totdat zij zeiven weder werk kunnen vinden of dit elders voor hen kan gevonden worden.

Plan en uitvoeuing. — Allen, die aanzoek doen om geholpen te worden, zullen geplaatst worden in wat wij de eerste of laagste klasse noemen. Hier zijn zij verplicht alle werk te verrichten, dat hun opgedragen wordt. Zoolang zij in deze eerste klasse blijven, zullen zij aanspraak hebben op drie maaltijden daags en nachtverblijf\'; terwijl er staat op wordt gemaakt, dat zij het hun toegewezen werk gewillig en blijmoedig zullen doen.

Van de eerste naar de tweede klasse worden allen bevorderd, die de opzichters daarvoor geschikt achten. Zulken zullen boven voeding en verblijf tot drie gulden per week kunnen verdienen, en dit ten einde ben in staat te stellen gereedschap aan te koopen, om daardoor te eerder weder werk buiten onze inrichting te verkrijgen.

Regeling. — Rooken, drinken, slechte taal of wangedrag wordt op de werkplaatsen niet geduld. Niemand, die drank gedronken heeft en nog onder den invloed daarvan is, wordt toegelaten. Wie weigert het hem opgedragen werk te doen, of zich op eenigerlei wijze slecht gedraagt, zal verzocht of des noods gedwongen worden om wegens verstoring van rust en orde de plaats te verlaten.

Werkuren. — Deze zijn, van 7 uren sm. tot 8,30 voorin. ; van 9 voorm. tot 1 uren nam., van 2 uren nam. tot 5,80 nam.

-ocr page 149-

UITKOMSTEN DEK GENOMEN PROEVE.

De deuren der werkplaats worden gesloten 5 minuten na 7, 9 en 2 uren. Bewijzen voor voedsel zullen telkens uitgereikt worden bij het verlaten der werkplaats. Maaltijden en rusttijd vindt men te 272 Witliechapel Koad.

De ervaring beeft ons geleerd, dat wij aan ieder voldoende werk kunnen geven om er zijn deel voedsel mede te betalen. Het staat bij ons vast, niets dat bij ons vervaardigd wordt, beneden den marktprijs te verkoopen. Wat brandhout aangaat, hebben wij den prijs zelfs iets hooger dan de gewone markt gesteld, om hen die hiervan hun bestaan hebben niet hinderlijk te zijn. Zooals wij dit reeds elders zeiden, niemand kan groo-ter vijand z^n dan wij om den een te helpen ten koste van anderen.

Pogingen, in den geest als wij ze beproeven, hebben tot hiertoe terecht den beftigen naijver opgewekt van Werkmans-vereenigingen en de vertegenwoordigers van den arbeid. Zij zijn er tegen op gekomen, dat werk ten deele bekostigd uit belasting of liefdegaven, voor minder dan den marktprijs aan de markt werd gebracht, waardoor eene geheel onrechtvaardige mededinging wordt in het leven geroepen tegenover hen, die zeiven zich gedwongen zien in niet geringe mate hun aandeel ill die belastingen te dragen. Voor zulk een naijver bestaat tegenover ons geen grond, daar het voor ieder duidelijk moet zijn, dat wij den standaard van den prijs zoeken te verhoogen en doodvijanden zijn van het bloedzuigersstelsel, dat van den honger gebruik maakt om oppassende menschen tot de wreedste slavernij te verlagen.

Begrijpelijk is de vrnag ons gesteld, hoe de buiten werk zijn-den zich gedragen, wanneer zij bij ons op de werkplaats zijn toegelaten.

Op dit punt mag ik een alleszins voldoend getuigenis geven. Ongetwijfeld vinden wij er velen wien de handen verkeerd staan, die krachteloos zijn door gebreklijden, die zich in ziekelijken toestand bevinden of lijden aan de gevolgen van hun drankgebruik en oningetogen leven. Ook zijn er vele oudjes bij, die door jongere werkkrachten van de markt gedrongen zijn. Zonder echter hun aantal te hoog op te voeren, mag ik gulweg zeggen, dat wie kwamen, niet alleen toonden naar werk te verlangen en het willig te doen, maar ook naar omstandigheden zeer bruikbaar werk leverden. Onze factory-opzicliter zegt in zijn rapport:

131

-ocr page 150-

133 ARBEID VOOR 1VIE BUITEN WERK ZIJN. — DE FACTORY.

Tijdverlies is er sedert de ojieniug, op den 29 Juni, eigenlijk niet geweest. Allen hebben, bijna zonder eenige uitzondering, zich op ieder bepaald werkuur aangemeld en gemiddeld met ijver en trouw geheel den bepaalden tijd doorgewerkt. Het zedelijk gedrag der mannen was goed; slechts in drie gevallen is een teeken van ongehoorzaamheid of verzet voorgekomen. Over het geheel genomen moet gezegd worden, dat de mannen allen beleefd, gewillig eu tevreden zijn geweest; allen deden hun best; en enkelen waren niet slechts vlijtig, maar leverden meer dan gewoon goed werk. De meesterknecht had over niets van wezenlijk belang te klagen en niets te vermelden, dat tot wegzenden had kunnen nopen.

Op den 16 Augustus ontving ik eene opgave van de namen en beroepen, en van wat verricht werd door de toen ter plaatse werkzamen. Van de veertig, die op dien dag aan den arbeid waren, bleken mij acht timmerlieden te zijn; twaalf waren dag-looners; twee kleedermakers; twee kantoorklerken; twee machinisten ; terwijl onder het verder deel een schoenmaker, een kruidenier, een kuiper, een zeilenmaker, een muzikant, een huisschilder en een metselaar gevonden werden. Negentien dezer mannen vonden werk in houtzagen en het gezaagde klein te maken en in bosjes voor huiselijk gebruik samen te binden; zes vlochten matten; zeven naaiden zakken, en de overigen hielden zich met allerlei klein werk bezig. Onder de aanwezigen was een Russisch timmerman, die geen enkel woord Bngelsch kende. De geheele plaats had iets van eene bijenkorf, en wekte bij den aanschouwer de verblijdende gedachte, dat er toch werkelijk nog wel wat te doen valt voor onze werkeloozen en dat het vraagstuk niet geheel onoplosbaar mag geheeten worden.

Al zullen nu deze onze factoryën inrichtingen van blijvenden aard zijn, zoo zullen zij toch niet meer zijn dan tijdelijke rustplaatsen voor degenen, die van haar bestaan voordeel trekken. Zij zijn niet meer dan noodhavens, waar de door storm beloopen werkman raag schuilen en zich opnieuw zeewaardig maken, tot hij weder raet beter getij van wal kan steken. Het vestigen van zulke nijverheids werkdepots schijnt mij een van de meest voor de hand liggende plichten van allen, wien het ernst is zich met het maatschappelijk vraagstuk te bemoeien. Zij vormen een even onmisbaren schakel in den verlossingsketen als onze toevluchtsoorden, doch zij zijn niet meer dan een schakel en geene eindpunten. Wij hebben er ons nooit iets anders van voorgesteld dan trappen om een hooger liggend standpunt te bereiken.

-ocr page 151-

UITBREIDING VAN DAT DEEL DES WERKS.

Deze werkplaatsen zulleu evenzeer van dienst kunnen zijn voor gehuwde lieden met een gezin, die nog iets bezitten, dat naar een tehuis zweemt. Niet weinigen zijn de gevallen, waarin zulke noodlijdenden, wanneer zij slechts gedurende cenige weken voedsel en huishuur konden verdienen, den kwaden dag wel zouden kunnen doorworstelen en te boven komen. Indien denzulken de helpende hand tijdig gereikt werd, ware eene zee van maatschappelijk leed en ellende met vrucht te keeren. Aau zulken zou, wanneer zij dit wenschten, zelis werk aan huis te bezorgen zijn, vooral aan vrouwen en kinderen, opdat zij door te voorzien in de dringendste behoeften het tijdelijk gevaar konden afwenden. Aan hen die huishuur te betalen en kinderen te verzorgen hebben zou iets meer dan het noodigst voedsel moeten ten goede komen.

Onze werkplaatsen zullen ons een wapen zijn om het uitzuigerssysteem met kracht te beoorlogen. Zoo stellen wij ons bij voorbeeld voor met het vervaardigen van lucifersdoosjes te beginnen, en voor den verrichten arbeid driemalen zooveel te betalen, als nu den half verhougerdon in handen komt.

Het welslagen van deze werkinrichtingen zal voor het grootste deel afhangen van de mate, waarin wij gezonde begrippen van reiuheid en zedelijkheid in de arbeidenden kunnen aankweeken, en daardoor waarlijk in hen een geest van ijver en zucht tot vooruitkomen wekken. Wij zullen niet ophouden hun op het hart te drukken, dat, hoezeer wij ook de begeerte koesteren om hongerigen te voeden, naakten te kleeden, en wie geene huisvesting hebben aan een tehuis te helpen, wij nog door eene veel machtiger begeerte gedreven worden om medearbeiders Gods te zijn tot vernieuwing hunner harten, en hen te helpen om een leven te leeren kennen, welks geluks op eeuwige grondslagen rust.

Op godsdienstig gebied zal echter in geen enkel opzicht dwang worden toegelaten of geduld. De man, die belijden mag. God lief te hebben en te willen dienen, zal hulp worden verleend op grond van deze zijne belijdenis; wie dit echter nog niet kan doen, dien zal de hand even vriendelijk gereikt worden in de hoop, dat zijn hart nog eens voor beter indrukken mag worden geopend; maar wij zullen ons verre houden van alle schrik aanjagen en met angst vervullen. In het gansche leger is geen uitgerekt Parizeërsgezicht te vinden. Wij verkondigen de blijde boodschap van Gods vrije genade, omdat wij zeiven die hebben leeren kennen als het licht en de blijdschap onzes levens. In onze gemeenschap met den Vader en onzen Heiland gevoelen wij ons gelukkig, en wij wenschen niets vuriger dan dat anderen ook

133

-ocr page 152-

IIEÏ BEGIMENTEEREN DEIl WEBKELOOZEN.

dit lieil deelachtig worden. Wij weteu bij eigen zalige ervaring, welk eene geheel verschillende zaak het leven is, nadat het hart vrede in God gevonden heeft, en de mensch een medearbeider Gods geworden is, om anderen van den weg van onrust en zorg en schuldgevoel af op dien van vrede en heil te leiden.

DERDE AFDEELINO.

Het reg iiucntcereu tier werkeloozen.

Nadat wij hem die zonder te huis of geld is, geherbergd en gevoed hebben, voorts hem in staat stellende om met maken van bossen brandhout, mattenvlechten of schoenlappen voor zijn makkers op de factory, zijn vier stuivers te hebben verdiend, krijgen wij te doen met de meer ernstige vraag, hoe hem te helpen om terug te keeren in de rijen der gewone arbeiders, waarin hij zijne plaats verloren had. Het toevluchtsoord en de factory toch zijn niet meer dan een hulpmiddel, dat het voorrecht medebrengt, dat ons tijd gelaten wordt, om te weten wat er in den man schuilt en in hoever nog iets van hem te maken is.

Wat het eerst in aanmerking komt en voor de hand ligt, is het onderzoeken, of er op de gewone markt kans van slagen is voor het soort van werk, dat hem, die geholpen moet worden, het best voegt. Om tot deze zekerheid te geraken is nu reeds een arbeidsbureau door ons geopend, — eene inrichting, welke ik zeer zal uitbreiden, — waar werkgevers kunnen opgeven welk soort personen zij noodig hebben en zouden kunnen plaatsen, terwijl werklieden er hun naam en het werk, dat zij verstaan, kunnen laten aanteekenen.

Tothiertoe bestaat in ons land nog geen arbeidsbeurs. De kolommen der dagbladen zijn tot heden het eenig hulpmiddel om aan deze bestaande behoefte te gemoet te komen. Dat aan eene nieuwe inrichting dringend behoefte is, is voor een groot deel liet gevolg van de uitbreiding onzer steden door den steeds voortgaanden toevloed van \' buiten. In een dorp of klein landstadje kent ieder bewoner alle anderen, zoodat niemand aan bijzondere voorlichting behoefte gevoelt. Zoo dikwijls een

13-1

-ocr page 153-

ONS AllBEIUSUUKEAU.

landbouwer een paar extra mannen noodig heeft om te maaien, of in den oogsttijd een paar vrouwen om schoven te binden, gaat hij in gedachten de personen eens na, die hij bij voorkeur wil vragen. Eveuzoo komt men in de kleinere steden gemakkelijk te weten, wie werk zoekt en tot een bepaald doel beschikbaar is. In onze groote steden moet deze wetenschap uit den aard der zaak zeer beperkt blijven. Gevolg hiervan is, dat wanneer er overvloed van werk is, tevens tal van personen zeer gaarne hulp zouden hebben omdat extra werk te volbrengen; terwijl in een ander deel der plaats honderden honger lijden, omdat zij geen kans zien eenig hun voegend werk op het spoor te komen. Om aan dezen lastigen toestand te gemoet te komen, hebben de wetten van vraag en aanbod den tusschenman-uitzuiger in het leven geroepen, die de ongelukkige werkzoekers verpacht en daarvoor een zoo hoog commissieloon stelt, dat de dus verpachten nauwelijks genoeg krijgen om er het leven bij te houden.

Ik wensch voor dit wreede uitzuigersstelsel eene inrichting in de plaats te stellen, welke tot grondige hervorming van het misbruik leiden kan. Dit zal geschieden door het aanleggen van registers, welke ons in staat stellen om met een oogopslag te overzien, welke mannen in een bepaald vak voor het oogen-blik buiten werk zijn. Op deze wijze zullen wij een algemeen helper blijken, èn voor hen, die arbeid, èn voor hen die arbeiders behoeven.

Intusschen zullen wij bij het nemen van deze proef geene moeite doen, om de reeds bestaande arbeidersvereenigingen van de baan te schuiven of in te grijpen in wat tot haar bepaalden werkkring behoort. Waar zulke vereenigingen bestaan, zullen wij ons in geregelde betrekking tot hare bestuurders stellen. Het is echter duidelijk, dat de meest hulpelooze ophooping van ellende gevonden wordt onder de losse arbeiders, die geen vereeniging hebben, en daardoor de van zelf aangewezen prooi voor den tusschen-man zijn. Letten wij b. v. op een der ellendigste soorten van zwoegers voor het dagelijksch brood, de boven twee aanplakborden uitkijkende rondloopers, die op deze wijze bekendmakingen door de stad ter algemeene kennis brengen. Deze worden door zekere firma\'s uitgepacht. Indien gij een vijftigtal of een honderdtal van deze loopers door de stad wilt laten gaan, om overal de voortreffelijkheid van uwe koopwaar bekend te maken, richt gij u tot een reclamebureau, en dit levert u het korps voor twee gulden of een daalder den man. Van dit bedrag krijgt de looper niet meer dan 12 of 15 stuivers als daggeld, en het overige gaat in den zak van den tusschenpersoon.

135

-ocr page 154-

HET KEGIMENTEEBEN DER WERKELOOZEN.

Mijn voornemen is den middenman-bloedzuiger van de baan te krijgen, of tot veel billijker regel te nopen, door het oprichten van eene coöperatieve vereeuiging dezer loopers. Aan ieder onzer toevluchtsoorden zal eene brigade van loopers verbonden zijn, die steeds het noodige aantal dat verlangd wordt leveren kan. De kosten van registreeren en organiseeren kunnen niet hooger loopen dan een stuiver van elke shilling (60 ets), en die stuiver zullen de dus geholpeneu gaarne betalen.

Het eenige, wat hiertoe noodig is, is een vertrouwbaar en belangeloos eentraalbureau te vormen, waar de buiten werk zijnden zich kunnen vervoegen, en dat het begin zal worden van eene groote coöperatieve vereeuiging tot onderlinge hulp. De voordeelen, welke zulk een goed geregeld bureau oplevert, moeten voor ieder begrijpelijk en duidelijk zijn. Voorts is ook op dit punt mijn plau niet enkel de vrucht van bespiegeling. De mogelijkheid en het nut er van is bewezen door eene proefneming van zeven maanden in Engeland en Australië. In Londen hebben wij een registratiedepot in Upper Thames Street, waar zulken, die buiten werk zijn, eiken morgen in groo-ter getal komen om hunne namen te doen inschrijven, en om te zien of er eenige gelegenheid tot plaatsing voor hen open-gekomen is. Naar ik vernomen heb, werd in het Parlement van Australië medegedeeld dat door onze officieren langs dezen weg gedurende weinige dagen plaatsing gevonden is voor 132 men-schen, die zonder werk waren. Hier in Londen zijn wij reeds evenzeer naar wensch geslaagd, al is het, gelijk van zelf spreekt, niet altijd mogelijk, allen, die zich aanmelden, geplaatst te krijgen. Zoo hebben wij, b. v. gedurende den hooitijd velen met zekerheid voor werk naar buiten geholpen; het staat naar onze reeds opgedane ervaring vast, dat zoodra onze inrichting slechts beter bekend is, en daardoor in breeder kring werkzaam, wij stad en land zoo zullen in verbinding brengen, dat wanneer er op het eene punt schaarschte en op het andere overvoering der arbeidsmarkt is, wij dadelijk in staat zijn het evenwicht te helpen herstellen.

Wie arbeiders- behoeven, zullen zich dan slechts bij ons hebben aan te melden, om terstond naar wensch te kunnen geholpen worden. Wanneer in den oogsttijd het weder zeer veranderlijk is, zoodat van elk gunstig oogenblik moet gebruik gemaakt worden, komt het herhaaldelijk voor, dat het aan te velde staande, of reeds in schoven gezette gewas, zeer veel nadeel wordt toegebracht door gebrek aan handen, terwijl op hetzelfde oogenblik in onze groote steden duizenden naar werk zoeken en er

136

-ocr page 155-

UITKOMSTEN DEZER POGING.

uiemaud is, die heu uoodig beeft. Laat dit stelsel over geheel de wereld uitbreiding vinden, laat het niet alleen een band worden tussebeu stad en land, maar tusschen natie eu natie, en het is niet moeilijk vooruit te zien, welke goede gevolgen het stelsel bij eene deugdelijke regeling hebben kan. De officier, die met het beheer van ons tijdelijk bureau iu Upper Thames Street belast is, zond mij de volgende opgaaf van wat daar reeds is kunnen verricht worden.

MAATSCHAPPELIJKE HERVORMINGSAFOEELINÜ VAN I1ET LÉGER.

ARBEIDSBUREAU.

Het bureau werd geopend op den 10 Juni 1890. Het volgende is een overzicht van het van dien datum af verrichte tot 20 September van ditzelfde jaar:

Aanvragen om werk — mannen..... 2402

vrouwen.....208

- 2070

Aanvragen van werkgevers voor mannen . . 128

vrouwen . . 59

-— 187

Als arbeiders gezonden —• mannen .... 301 vrouwen .... 68

- 309

Voor vast werk..........140

Voor tijdelijk werk.........223

- 309

Naar onze werkplaats in Hanbury Street gezonden ............................105

VIERDE AI\'DEELING.

Dc brigade voor Uct oylinleii van afval.

Het is duidelijk en voor ieder in het oog vallend, dat zoodra men een aanvang heeft gemaakt met werk te zoeken voor wer-keloozen, er na alles verricht te hebben, waarop ik in het vooraf-

137

-ocr page 156-

DE BRIGADE VOOU IIEÏ OPHALEN VAN AFVAL,

gaande wees, nog een niet onbelangrijke taak zal overschieten, voor hen, wieu het ernst is allen zooveel mogelijk te helpen, en de gelegenheid tot het verrichten van arbeid zullen moeten weten op te sporen.

Zeer vele op zichzelven moeilijke zaken worden uitvoerbaar, wanneer maar in het hoofdbestuur een gezonde geest vau overleggen en beramen voorzit, en in de gelederen een tucht heerscht, welke voorkomt, dat er niet tien loopen voor werk, dat één doen kan, maar ieder op het rechte punt het daar vereischte naar goeden regel doet. Bij het tot uitvoering brengen van mijn plan zal zich in ieder volkrijk middelpunt een nijverheidskapitein bevinden, een officier, met opzettelijken last om den niet georganiseerden arbeid regimentswijze te regelen; iemand die er zich aanhoudend op heeft te spitsen, hoe op de beste wijze in zijn district diegenen aan werk te helpen, die zonder zoodanige zorg overal in den weg loopen en der samenleving tot overlast worden. De lessen, welke vroegere ervaring ons leerde, geven ons alle recht om vast te stellen, dat wanneer eenmaal regelmatig gezorgd is voor hen, die werkelijk bruikbaar zijn, er ook wel een afvoer moet te vinden wezen voor hen, die nu een geheel incourant artikel aan de markt zijn.

Robertson, van Brighton, heeft bij herhaling getracht er anderen op opmerkzaam te maken, dat elke waarheid gebouwd is op twee schijnbare tegenstellingen. Op gelijke wijze kan beweerd worden, dat de oplossing van elke maatschappelijke moeielijkheid te vinden is in de ontdekking van twee met elkander als vraag en antwoord in betrekking staande moeilijkheden. Het is daarmede, als met het raadsel, waarvan kinderen bij het tot een geheel maken van legkaarten de oplossing moeten weten uit te vinden. Bij het in elkander leggen van deze krijgt men telkens eenig stuk in handen, dat nergens schijnt te willen passen; maar niemand laat zich in zulk een geval door zijn ongeduld verleiden om het stuk te breken of als onbruikbaar weg te werpen. Neen, in plaats van zoo dwaas te zijn, legt men het lastige stuk nevens zich, overtuigd dat het niet lang duren zal, of men zal een paar andere stukken ontdekken, welke niet tot een passend geheel zijn te verbinden dan door ze met hun middelstuk aaneen te doen sluiten, juist door het onhebbelijk en lastige stuk, dat u zooveel hoofdbreken gaf. Welnu laat ons even zoo handelen bij het beleidvol ineenzetten van de verspreide stukken, die ongeordend op den bodem onzer maatschappij op de hand wachten, welke hen ter bekwamer plaatse schikken zal. Hoe hopeloos het ons met een deel der onbekwamen en zwervers

138

-ocr page 157-

BEHOEFTE AAN EEN MAATSCHAPPELIJK ZENUWSTELSEL.

scliijne, ergeus moet een hoekje schuilen, waar zij in te passen zijn. Met andere woorden, wanneer wij voor hen die buiten werk zijn de passende plaats hebben geYOnden, make ons dit slechts te meer gezind en er op bedacht, om zoo dikwijls wij anderen ontmoeten, die nog minder pasbaar schijnen, slechts te ernstiger te streven naar het ontdekken van het plekje, waar zij door aanvulling dienst kunnen doen.

Niet verre zullen wij te zoeken hebben om in elke stad en ook daar buiten de plek te vinden, waar het soort van werke-loozen, waarop wij nu meer uitsluitend het oog hebben, nuttig werkzaam kannen zijn. Wij tretfen aan den eenen kant waarde-loozen arbeid en aan den anderen kant verwaarloosde gelegenheden. Omtrent land, dat verwaarloosd ligt, zal ik in een volgend hoofdstuk spreken, ik spreek nu enkel van nog bruikbare zaken, maar die uit allerlei oorzaak, als waren ze geheel onbruikbaar in den weg of in een hoek geschoven liggen.

In deze laatste, niet getelde zaken ligt nochtans het middel voor de hand om terstond een groot aantal menschen aan voldoend werk te helpen, dat hen uit hunne ellende zal overbrengen in een beter toestand.

Wat ik wensch voor te stellen is het volgende. In elke stad van eenigen omvang worde opgericht, wat ik zou willen noemen : «eene maatschappelijke of huishoudelijke afval-brigade,» eene door de burgerij zelve georganiseerd corps ophalers, die de ge-heele stad afloopen met den zelfden regelmaat als de agenten van politie, en evenzoo hun eigen wijk hebben en daarin ophalen wat in de gezinnen overtollig of waardeloos gerekend wordt. In kleine steden en dorpen is in meer dan één gedeelte onzes lands zoo iets reeds in werking en ieder lezer, die eenige zaakkennis heeft, zal hebben opgemerkt, dat de meeste der voorstellen door mij in dit boek aanbevolen rusten op één hoofdbeginsel, namelijk om in de overtollige en ongeregelde volksmassa\'s in onze steden denzelfden geest van samen werking te kweeken of versterken, dien wij in onze kleine steden en dorpen als van zelf in werking zien treden. Het dorp vooral is eene handelbare eenheid, omdat de afmeting der zaken en de ontstane nooden den maat van het persoonlijk inzicht en overleg der bewoners niet is boven het hoofd gegroeid. Onze moeielijk-heden in de groote steden laten zich gereedelijk verklaren uit het feit, dat door eene overmatige ophooping van bevolking de stoffelijke omvang der maatschappij de natuurlijke macht van een gezond verstand en redelijk inzicht overtreft. Er heeft plaats, wat het geval zou zijn, indien het menschelijk lichaam eens

139

-ocr page 158-

BE BRIGADE TOOK HET OPHALEN VAN AFVAL.

plotseling nieuwe ledematen had gekregen, maar nog niet dooreen hun passend zenuwstelsel met de grauwe hersenstof was verbonden. In het mensehelijk lichaam is zoo iets wel denkbaar maar feitelijk niet mogelijk, doch in de menschelijke samenleving is het ongelukkig al te zeer mogelijk, en op al te vele plaatsen zichtbaar. In het mensehelijk lichaam kan geen enkel lid in lijdenden toestand geraken\', zonder dat oogenblikkelijk eeue telegrafische boodschap naar den zetel des gevoels wordt afgezonden. Voet en vinger melden zich klagend aan, en terstond deelt het gansche lichaam in hun lijden. Evenzoo gaat het nog in de kleinere plaatsen, waar ieder, rijk of arm, terstond meer of minder op de hoogte is van ieders bijzonder lijden of tegenspoed. In eene groote stad, waar men soms zijne naaste buren niet eens bij naam kent en buurschap al meer wegsterft, kan men eigenlijk alleen spreken van eene bevolkingsopeenhooping op eene kleine uitgestrektheid grond, die door geenerlei band van gemeenschappelijk belang te samen gehouden wordt. Waar de zaken zoo staan, kan het gebeuren, en komt het ook niet zoo zelden voor, dat personen het uiterst gebrek lijden, ja, werkelijk den hongerdood sterven, terwijl weinige deuren verder menschen het vette der aarde genieten, die volgaarne hulp zouden geboden hebben, wanneer zij slechts iets van het zoo nabij hen verduurd lijden geweten hadden. Ons streven behoort het dus te worden, om een nieuw zenuwstelsel in de vergroeide samenleving in werking te brengen, dat eene spoedige en bijna werktuigelijke in aanrakingbrenging schept tusschen eene burgerlijke gemeente als geheel en het geringste harer leden, om zoo tot in onze grootste steden te herstellen, wat nog steeds het voorrecht onzer dorpen gebleven is.

Ik zeg geenszins, dat het door mij beraamde plan het eenige of zelfs het best mogelijke is. Het eenige, wat ik tot aanbeveling er van kan zeggen, is, dat geen ander even uitvoerbaar voor mijn geest verrezen is ; terwijl het bovendien het eenige is, waarnevens zich nog geen mededinger heeft opgedaan. Mij althans is geen ander bekend, dat eene nieuwe verbinding heeft in het vooruitzicht gesteld tusschen wat wij de hersenen der gemeenschap zouden kunnen noemen en ieder, tot den minste harer bijzondere leden.

Bij het volgen van den loop van dit denkbeeld vestig ik het oog op het vraagstuk: «Wat is het best aan te vangen met allerlei in de huishouding waardeloos geworden zaken en hoe daarmede in onze grootere steden nut te doen?» Dit eeue voorbeeld strekke als proef voor de bruikbaarheid van een algemeen beginsel. In

140

-ocr page 159-

WERKZAAMHEID DER BRIGADE.

onze dorpen is al zeer weinig, dat geheel verloren gaat, omdat als van zelf zich voor alles een willig gebruiker opdoet. Al watals mest bruikbaar is, wordt vergaderd eu op het land gebracht, en wordt zoo een bron van gewin: terwijl in de steden alles in onderaardsche kanalen verzameld wordt, vanwaar de gittige gassen in meerdere of mindere mate zich in onze woningen zeiven verspreiden. Van al wat tot levensmiddelen te brengen is, schiet ook niets ongebruikt over. Ieder dorper heeft zijn varken of kippen, en is hij geen varken rijk, dan houdt zijn buurman er een, en deze komt om de overschotten, met dezelfde regelmatigheid, als waarmede de post hare brieven aflevert.

Evenzoo als het met de overblijfselen der dagelijksche maaltijden gaat, gaat bet ook met lompen, beenderen, oud ijzer en alles wat in het gezin afvalt. Toen ik nog een jongen was, was een der best bekende figuren in do straten van ons en andere landstadjes de man, die met eene kruiwagen of ezelkar wekelijks in alle straten de rondte deed om lompen, beenderen en al wat verder kans had om weggeworpen te worden, zorgvuldig op te halen. Hij had daarvoor zelfs een soort van handelscontract in \'t leven geroepen, en betaalde ons jongens voor het met zorg bijeengebrachte, niet met geld maar met stroop-koeken of andere goedkoope, maar daarom niet minder door ons gewaardeerde lekkernijen. Zoo dikwijls eu zoodra zich het getoeter van zijn welbekenden hoorn liet vernemen, kwamen de kinderen met hun voorraad voor den dag en dreven dan zoo goed zij konden handel met den reizenden koopman; met het gevolg, dat de bergplaatsen, die in onze steden opgevuld zijn met zaken, waar eigenlijk niemand meer naar omziet, ter bekwamer tijd werden opgeruimd. Nu kan ik niet inzien, waarom wij niet in onze grootere steden iets van gelijken aard op passende schaal zouden kunnen inrichten. Ik houd het voor onbetwistbaar, dat er grondstof genoeg is, om de kosten aan het inzamelen verbonden te dekken. Wanneer dit in eene kleine stad in het Noorden het geval was, waarom zou bet dan nog niet veel beter gelukken op eene plek, waar de huizen veel dichter bijeenstaan, en waar bij meer weelderige leefwijs al de bijzondere te vergaderen artikelen nog in veel grootere menigte en verscheidenheid moeten aanwezig zijn. Zelf onderzoek doende, naar wat er in Londen alleen op het gebied van spijs verloren gaat, is mijne slotsom geweest, dat er genoeg te verzamelen valt, om heel wat armen nog voldoende te voeden ; en dat met bijeenbrengen van wat ligt te missen valt, duizenden arbeid zouden kunnen vinden zonder aan eenige bestaande nijverheid nadeel toe te brengen.

141

-ocr page 160-

UE BRIGADE VOOR HET OPHALEN VAN AFVAL.

Het door mij beraamde plan, zou naar het volgende, in groote trekken ontwikkelde stelsel te verwezenlijken zijn.

Ik zou Londen in districten willen verdeelen, om alsdan aau te vangen met die stadsdeelen, die met de meeste waarschijnlijkheid een goede opbrengst zouden opleveren. Voor elke af-deeling zou ik twee mannen, of\' een man en een jongen, willen beschikbaar stellen. Aan ieder huishouden zou ik willen verzoeken ons te vergunnen om een verzamelbak in eene geschikte plaats te mogen neerzetten, waarin de dienstboden overgeschoten brokken konden bei-gen, terwijl ik aau dien bak een zak zou willen toevoegen voor scheurpapier, lompen enz.

Het ophalen zou ik willen doen plaats hebben tweemalen per week, of zooveel meer als het jaargetijde, of andere omstandigheden noodzakelijk maken zouden. Al het opgehaalde zou verder moeten vervoerd worden, naar eeu zooveel mogelijk in het midden dezer buurten gelegen pakhuis.

Tegenwoordig wordt nog bijna overal veel afval en vuil in eene vuilnisbak geworpen, met het gevolg, dat het bederf en noodeloos ziektestoffen in huis brengt. Voorts zijn er in elk gezin oude nieuwspapieren, haveloos geworden boeken, ledige flesschen, groenten- en andere blikjes, mandenwerk enz. Allen weten wij, dat er buitendien vaak nog menig ander voorwerp is, te goed om op den vuilnishoop geworpen te worden, en dat wij ons toch niet meer ten nutte weten te maken. Al deze zaken worden ter zijde gelegd, of zij misschien nog te eeniger-tijd zullen noodig blijken, wat echter al zeer zelden voorkomt. Zij liggen daar meest als dood en begraven. In zulk een antiquiteitenkabinet vindt men meestal kreupel geworden muziekinstrumenten, en dergelijke dingen wTaarvoor wij geen bestemming meer weten, zonder een markt te hebben om er van ontslagen te worden ; terwijl wij het toch niet van ons verkrijgen kunnen, en het zelfs zonde rekenen zouden, om ze te vernietigen of te verbranden.

Nadat ik mijne «huishoudelijke afval-brigade» goed in orde heb, en voor haar aanvangen een district heb gekozen, dat goeden uitslag belooft, is mijn plan mijne door uniform te kennen ophalers om den anderen dag, of tweemalen \'s weeks met een handkar of hittenwagen rond te zenden. Daar de voor dit werk aangestelden behalve hun uniform een eigen nummer zullen hebben, en onder gestreng opzicht en tucht staan, zullen de bewoners in deze voorzorgen den waarborg hebben, dat hunne medewerking niet tot last voor henzelven leiden kan.

Het is wel geen wonder, dat nu de vrouwen des huizes met

142

-ocr page 161-

REGELING VAN HET BEDRUP,

niet al te gerust oog zien op den opkooper van beenderen en vodden, die op ongeregelde tijden zich bij de dienstboden aanmeldt. Niets waarborgt baar dat dit bandelen eerlijk toegaat; of altbans dat niet de schamele koopman zijn kans waarneemt en zicb eenig huisraad toeeigent; terwijl tegen zijn indringen en onbeschaamdheid dikwijls geen voldoend verweer bestaat. Ieder deel onzer brigade zal in elk district een eigen aan zijn nummer kenbaar officier hebben, die weder onder een hooger officier staat, bij wien zoo noodig klachten kunnen worden ingeleverd. Door zulk eene indeeliug wordt vooruit gezorgd, dat moeielijk-heden niet of nauwelijks kunnen voorkomen.

Laat mij hier reeds terstond zeggen, dat er onzerzijds niet de minste gedachte bestaat, om in te grijpen in het gebied der «kleine zusters des volks», of in dat van andere personen, die in groote hotels of andere groote inrichtingen de overgeschoten brokken tot een weldadig doeleinde ophalen. Het zij verre van mij om als een wildstrooper op anderer jachtgebied den voet te willen zetten; en evenzeer zal ik mij verre houden van alles wat in het minst betwistbaren grond zou kunnen schijnen. Alles, waarvoor reeds een goeden uitweg gevonden is, ligt buiten de mij afgebakende sfeer van werkzaamheid. De nog onbezette wildernis van afval heeft grenzen, die voor mijne brigade volkomen voldoende te rekenen zijn.

Wat na gedaan onderzoek mij eene juiste waarneming toeschijnt, is, dat nauwelijks ergens mededinging zal aangetroffen worden. Al wordt ook in enkele groote hotels het onbruikbare weggehaald, er is daarnevens en daarbuiten nog zooveel, waarnaar niemand omziet of naar zoekt.

Weinige menschen, behalve zij, die er een ernstig persoonlijk onderzoek naar deden, hebben er eenig begrip van, hoeveel van wat voor voeding nog uitstekend dienst kon doen, verwaarloosd wordt en op onverantwoordelijke wijze verloren gaat. Eenige jaren geleden voerde de vrouw van Generaal Wolseley te Mayfair in om geregeld van huis tot huis het overgeschotene der maaltijden in te zamelen, dat zij deed strekken ten behoeve van eene met hulp van Baronnes Coutts in Westminster geopende volksgaarkeuken. De op deze wijze verkregen voorraad was overgroot. Soms werden in de vergaartobbe stukken vleesch aangetroffen, waarvan nog nauwelijks iets was afgesneden. Wat mij aangaat, meen ik niet te overdrijven, wanneer ik zeg, dat in de keukens in ons West-eind meer dan genoeg ongebruikt verloren gaat, om nog alle werkeloozen te kunnen helpen, die nu en zelfs bij later uitbreiding in onze hulpwerkplaatsen bezigheid vinden

143

-ocr page 162-

DE BRIGADE VOOK HET OPHALEN VAN AFVAL.

zullen. Alles wat tot eeu juist bereiken van dit ons doel noodig is, is eene snelle, regelmatige inzameling, uit te voeren door onder tucht staande mannen, op wier geregeld teragkomen, en op wier beleefd gedrag kan gerekend worden, daar elke overtreding terstond bekend wordt en de bedreigde straf niet uitblijven zal.

Over de nuttige aanwending van elke soort der verzamelde zaken, zal ik later spreken, wanneer ik gekomen ben, tot de ontwikkeling van het tweede deel van ons plan, de landbouwkolonie. Veel van het door onze brigade opgehaalde voedsel zal voor gebruik door mensehen ongeschikt blijken; met de uiterste zorg zal worden toegezien dat afgezonderd worde, wat voor menschenvoeding om eenige reden zou af te keuren zijn, en blijkt dit afval belangrijk genoeg, dan zullen wij het met schuiten naar de landbouwkolonie vervoeren.

Overgebleven voedsel is evenwel slechts eene der te verzamelen zaken, die bij ons in aanmerking komen. In onze Whitechapel factory is nu een schoenlapper, dien wij geheel arm en hulpeloos van een zwervend straatleven hebben gered. Hij is nn bij ge-regelden arbeid tevreden en gelukkig, daar het schoeisel der hem omringenden hem genoeg te lappen geeft. Deze schoenmaker is, naar mijn vooruitzien slechts een eerste van een legertje, dat met de afgedankte laarzen en schoenen van Londen aan het werk zal te houden zijn. In enkele van onze provinciesteden levert het oplappen van oude schoenen heel wat werk. De personen, hiermede werkzaam, noemt men in de wandeling overzetters, omdat zij allerlei onderdeden van het schoenwerk van het eene schoeisel naar het andere overzetten, om zoo uit twee of meer voetbedeksels een nieuw te doen te voorschijn komen. Niets dat zoo verschillend verslijt als juist schoenen en laarzen. Van de eene is de zool geheel versleten, terwijl aan het bovenleer nog niets mankeert; en soms is het bovenleder gescheurd, gebarsten of door eenig ongeluk gehavend, terwijl de zool zoo goed als gaat gebleven is. Wanneer op deze wijze een van een paar geleden heeft, is daardoor ook de tweede niet meer te gebruiken. Zoodra nu zal het niet gelukt zijn voor onzen op dit gebied geoefenden kunstenaar een paar duizend paren schoenen en laarzen bijeen te krijgen, of het zal al zeer wonderbaar moeten loopen, wanneer wij uit dat twee duizendtal niet een vijfhonderd paren weet op te duiken, die nog ten deele zeer goed verkoopbaar zijn en zeker oneindig veel beter dan die, waarmede nu duizenden kinderen en zwervers zich behelpen moeten. In sommige plaatsen van ons land bestaat reeds een schoenenfonds om te voor-

144

-ocr page 163-

nUI.P.iriDDET.EN.

komen, dat arme kinderen niet met geheel stuk schoeisel moeten op school zitten, en het stil zitten met natte roeten eene oorzaak van allerlei ziekten en kwalen wordt. Wie nu bedenkt, dat er in onze scholen 43,000 kinderen komen, die te rangschikken zijn onder de noodlijdenden, zal toestemmen, dat voor niet weinigen onder die duizenden onze gelapte schoenen eene groote weldaad zullen zijn.

ITet verstellen van schoenen en laarzen is evenwel niet meer dan een tak der te ontwikkelen nijverheid. Welk een heirleger onbruikbaar geworden regen- en zonneschermen is er niet. Allen kennen wij den rondtrekkende)! lapper van dit artikel, dien de buiten huisvrouw maar heeft te zien aankomen, of zij gaat kijken, of het kippenhok wel gesloten en de wachthond op het erf is; dit soort heer is nu echter de eenige persoon, die voor gehavende regenschermen raad weet. Waar zijn persoon enkel rechtmatige vrees verwekt, is er voor ons alle gelegenheid om naast onze schoenenlapperij eene regen- en zonnescherm ver-stelfabriek op touw te zetten. Veel zal nog te verhelpen blijken, en het overblijvende ijzerwerk en balein op andere wijze kunnen worden dienstbaar gemaakt.

Op deze wijs zou ik nog geruimen tijd kunnen voortgaan. Flesschen zijn onder de kleine lasten van het huishouden ook dikwijls echte sta-in den-wegs. Hebt gij eene flesch noodig, dan is een stuiver de prijs, dien gij er voor betalen moet; maar is de flesch geledigd, dan kunt gij er niet slechts geen stuiver, maar zelfs geen twee centen voor terugkrijgen. Gevolg hiervan is, dat zulke flesschen op den vuilnishoop terecht komen of blijven zwerven. Indien wij echter al de ledige flesschen van Londen konden machtig worden, dan zou reeds liet omspoelen en geheel reinigen daarvan aardig wat werk geven, en na sorteering zouden de verworpelingen tot een opnieuw dienstdoen geschikt zijn.

Ik begrijp zeer goed, dat bij het bespreken van dit punt kort-zichtigen do opmerking zullen maken, dat het opnieuw in gebruik stellen van oud en tweeuehandsch goed do vraag naar nieuw zal verminderen, on dus werk on loon aan den oenen kant zooveel inkorten, als wij die aan de andere zijde hebben weten uit te spinnen. Dit is eene opmerking, die mij denken doet aan de oordeelvelling van oen loods in hot Noorden van ons land, die uaar aanleiding van slapte van werk bij den scheepsbouw opmerkte, dat niets zoo krachtig helpen zou als eene reeks duchtige stormen. Wanneer deze maar eens eene groote portie stoom-booten naar den kelder geholpen hadden, zou er weder werk in

145

10

-ocr page 164-

DE BRIGADE VOOK HET OPHALEN VAN APVA1.

overvloed aau den winkel zijn. Gelijk deze beoefenaar der staathuishoudkunde zijn er misschien velen, maar zij zijn van de verkeerde soort; want niemand, die gezonde hersenen heeft, begeert tot zoo kostbaren prijs arbeid en vertier te scheppen. Zoo toch zou het door het niet in gevaar brengen van menschen-leveus nog redelijker zijn, van tijd tot tijd een stadskwartier te verlaten en dan te laten afbranden, om aan timmerlieden en metselaars eens weer werk te verschaften. Zuinig overleg en uitsparen zijn geen hinderpaal voor den handel, maar zij bieden steun en hulp door geld voor andere artikelen beschikbaar te stellen.

Er is eene andere grondstof, die altijd in hoeveelheid toeneemt, tot groot verdriet van de inwoners en gezondheidscommissie in elk stadsdistrict. Het is het blik, dat gediend heeft voor ingelegde groenten, vruchten, sardines, enz. Er is bijna geen enkele etenswaar meer, die niet in blikjes aan de markt komt. Zoodia evenwel is niet de inhoud genuttigd, of met het blik weet men eigenlijk geen weg. Bergen er van liggen op den vuilnishoop; en in ons land heeft tot hiertoe niemand een weg gevonden om het aan eenig nieuw verbruik dienstbaar te maken. De marktprijs is nu zoo wat twee gulden de duizend kilo, maar het blik is zoo licht, dat er vijf of zes spoorwagons noodig zijn om die hoeveelheid te vervoeren. Vroeger werden zij ter wille van het soldeer nog wel eens uitgegloeid,maar men heeft er nu een weg op gevonden om ze zonder soldeeren luchtdicht te krijgen. Ik voor mij zie er echter zoo groot bezwaar niet in, om deze niet getelde overblijfselen ten goede te benuttigen.

In Frankrijk deed men, wat tot hiertoe in Londen verzuimd is, en daardoor heelt tot hiertoe Parijs een monopolie van het kleinkinderspeelgoed, dat van de in de hoofdstad verzamelde sardineblikjes vervaardigd wordt. De markt van kinderspeelgoed is in Engeland waarlijk nog niet overvoerd, want er zijn massa\'s kinderen, die geen noemenswaardig speelgoed hebben om zicli den tijd te korten of zich nuttig bezig te houden. In het overtollig blik zie ik een middel om tal van menschen bezigheid te geven, door het om te zetten in goedkoop speelgoed, dat eene nieuwe bron van genot kan worden in de woningen der armen, — der armen, voor wie elke cent kostbaar is, althans behoort te zijn, •— niet der rijken, zij kunnen speelgoed te keus en te keur krijgen, — maar voor de kinderen van die armen, die op één kamer hokken en die niets anders te zien krijgen dan den on-oogelijken gang of slop, die zij bewonen. Deze arme verwaarloosden hebben niet minder behoefte aan speelgoed, ja, eerder

l-tfi

-ocr page 165-

LEESINRICHTINQ EN BOEKHANDEL.

meer dan de kinderen der gegoeden; en wanneer wij ze maar goedkoop genoeg leveren kunnen, zal onze nieuwe koopwaar in voldoende hoeveelheid van de hand gaan om hen, die in het vak werk vonden, aan een eerlijk stuk brood te helpen.

Ben boek zou kunnen gevuld worden met wenken en aanwijzingen om van wat in Londen als geheel nutteloos en onbruikbaar verloren gaat, partij te kunnen trekken en er nog winst mede te doen. Ik echter beu niet van voornemen zulk een boek samen te stellen.

Ik hoop eerlang iets beters te doen dan een boek te schrijven, namelijk eene inrichting in wezen te roepen, die er zich op toelegt, om wat op dit oogenblik nog onnut gerekend en veronachtzaamd wordt, te benuttigen, eu later zal het dan van meer nut zijn mede te deelen, wat tot stand kwam, dan nu te verhalen welke in alle bijzonderheden onze voornemens eu plannen zijn. Op ééne tot overlast wordende zaak moet ik evenwel nog met een enkel woord wijzen. Ik bedoel oude nieuwsbladen, maandschriften en boeken. Maandschriften en boeken vullen niet zelden zoo de planken onzer boekenkasten, dat wij niet weten, waar een nieuw aangeschaft boek een plaatsje te geven. Mijne brigade zal den bezitter van den onbruikbaar geworden schat afhelpen, en daardoor de verspreidster worden van goedkoope literatuur. Nadat de maandschriften in de huishouding onzer middelklasse dienst hebben gedaan, kunnen zij verhuizen naar de openbare leeszalen, werkhuizen eu hospitalen. Alles, wat de pers aan de markt brengt, eu waard is gelezen te worden, zal door onze inrichting voor mannen en vrouwen dubbel uut kunnen doen. Wat tot ons komt, zal na door den eersten bezitter gelezen te zijn, genoten worden door menschen, welke er anders er nooit een oog zouden hebben kunnen inslaan.

-Een zeer groote tweedehandsch boekhandel zal door ons worden opgericht. Al de degelijke boeken, die in onze handen komen, zullen door ons verkrijgbaar worden gesteld, en dit niet enkel in onze centrale depots, maar ook op de handwagens onzer rondgaande colporteurs, die van straat tot straat zullen gaan met leesstof, welke heel wat beters is, dan wat in den regel ons volk in handen komt. Wanneer wij langs dezen weg verkocht hebben wat wij konden, en aan openbare inrichtingen weggegeven, wat daar nog van nut kon zijn, zal het overgeblevene zijn weg vinden naar onze groote papierfabriek, waarover ik later in verband met onze landbouwinrichting spreken zal.

De huishoudelijke brigade zal verder ook kunnen dienstbaar gemaakt worden als eene vereeniging tot het rondbrengen van

147

-ocr page 166-

DB BRIGADF. VOOR HET OPHALEN VAN AFVAL.

pakjes, nieuwsbladen, enz. Wanneer men eenmaal een vertrouwbaar persoon heeft gevonden en opgeleid, om naar vasten regel eene buurt voor verschillende zaken af te loopen, is het vooruit niet te bepalen, waartoe hij al niet gebruikt kan worden. Ik behoef dit punt niet in het breede uit te werken. Het kan oen korps boden worden, dat ten bate der armen het publiek dient, en zoo een netwerk vormt, dat in allerlei opzicht niteenwonende familiëu kan verbinden en dienstdoen.

Er behoort nog niet veel verbeeldingskracht toe, om er zich eenig beeld van te vormen, hoezeer zulk een regelmatig huis aan huis rondgaan naar alle zijden ontwikkeling en uitbreiding vinden kan. In verband met onze werkinrichtingen kan het den weg banen tot het vinden van een gemakkelijker manier, om bij allerlei kleine huiselijke reparatieën, zooals li. v. het inzetten van een ruit, spoediger geholpen te worden. Waar een besteller of eene schoonmaakster enz. dadelijk mocht noodig zijn, zal de om zoo te zeggen alomtegenwoordige brigade steeds raad en uitkomst kunnen schaffen.

En nu nog een woord omtrent de kosten om zoo veelzijdige inrichting in leven te roepen en in werking te brengen. Binnen de grenzen van ons stadspolitiedistrict zijn over de 50,000 huizen. Het voorzien van iedere woning met een bak en een zak mag niet minder gerekend worden dan twaalf stuivers voor ieder huis. Zoo omvangrijk is Londen, dat wilden en konden wij terstond over dien ganschen omtrek werkzaam optreden, deze eerste uitgave niet minder dan 300,000 gld. eischen zou. Nauwelijks behoef ik te zeggen, dat ik aan zoo iets niet denk. De som, welke ik noemde, dient dan ook alleen om to doen zien, welk een bedrag er noodig zal zijn, wil een welslagen het maken van zoo groote kosten rechtvaardigen. Ooi; blijkt er uit, dat alleen eene inrichting, die op grooten voet is aangelegd, in staat en bi) machte kan zijn, het denkbeeld, wanneer het in de praktijk goed en nuttig blijkt, te verwezenlijken.

148

-ocr page 167-

HOOFDSTUK HI.

Muur buiten. De liiiKllioiinltoloiiie.

Voor liet oogenblik wil ik nu met rust luten verschillende deeleu, die hoe onmisbaar bij het voltooien van wat in de stads-kolonie vereisclite is, nochtaus vooreerst van ondergeschikt belang zijn. Hiermede 1». v. heb ik op het oog tehuizen voor gevallen vrouwen, dronkaards en uit de gevangenis pas ontslagenen; voorts een informatiebureau tot het ontdekken van vrienden en betrekkingen, naar wier verblijfplaats vruchteloos gezocht is; en eindelijk een bureau van raad en hulp, dat mettertijd eene inrichting en als een spreekgestoelte voor den arme worden kan, om voor zijne rechten en belangen te pleiten.

Al deze en andere plannen, vereischt tot werkelijke verlossing en opheffing van verlorenen en behoeftigen, al vormen zij ook wezenlijke onderdeelen der stadskolouie, zullen toch gereeder ter sprake komen, wanneer ik de verhouding zal in \'t licht gesteld hebben, waarin de buitenkolonie tot de stadskolouie zal komen te staan, en hoe deze allengs zal moeten dienst doen tot het kweeken eener bevolking, geschikt om met vertrouwen op goeden uitslag naar eenige overzeesche kolonie gezonden te worden.

Reeds gaf ik eene schets van wat ik mij heb voorgesteld in de eerste plaats te doen, zoodra, gelijk zeker gebeuren zal, de te groote massa werkkracht aanwezig is, die zich opdoen zal, wanneer onze werkinrichtingen op den vereischten voet gebracht en tot geregeld werken en afleveren in staat zijn. Maar ik ben de eerste om ten volle overtuigd te zijn en te erkenneu, dat wanneer alles zal verricht zijn wat mogelijk is, om de niet in huur genomen mannen en vrouwen in de stad te plaatsen, er vrij wat zullen overblijven, die niet in de afvalbrigade te gebruiken zijn, en voor wie, ook als alle dienstbehoevenden zijn

-ocr page 168-

NA AU BUITEN. - DE LANDBOUWKOLONIE.

opgenomeu, niemand te vinden is, die hun eenig vooruitzicht op werk openen kan. Wat behoort dan met dezen te worden aangevangen? Voor mij is het antwoord op deze vraag niet twijfelachtig. De eenige plek van uitkomst is buiten de stadsomgeving, — op het land.

Het land is de plaats, welke ons van al het ons noodige voedsel voorziet. Alleen door eene deugdelijke aanwending van arbeidskracht kan het laud zijne volle mate van vruchtbaarheid bereiken. Onbebouwd land is nog allerwege, en, gelijk elders, ook in ons vaderland. Langs onze spoorwegen ligt reeds een groote uitgestrektheid tot nu toe tot niets gebruikt land. Zeker er is ouder die soms breede strooken grouds heelwat land, waarvan zelfs een Chinees met al zijn land- en tuinbouwkundig talent niets zou weten te maken, en waar ecu Zwitsersch bergbewoner evenmin naar zou zien; maar die geheel onbruikbare plekken zijn uitzonderingen op den regel. Ik treed nog uiet eens in de grooter plannen om onze hei- en veengronden te ont-giniieu, maar langs al onze spoorwegen loopen vruchtbare stukken grouds, die zoo er onze stadsmest op werd gebracht, een schat van groenten konden opleveren, en de nabijgelegen plaatsen overvloediger dan nu van het noodige voorzien. Op zulke strooken zou genoeg klein vruchthout te planten zijn om Grosse en Blackwell 1) te voorzien van al het kleiner ooft, dat zij voor hun inmaken noodig hebben. In elk van Bngelands Graafschappen ziju ledigstaande hoeven, en in nog grooter aantal worden er gevonden, waarvan uiet meer dan één vierde bebouwd wordt, en die zoo slechts geld en personeel niet ontbraken het drie- en vierdubbele van nu zouden kunnen opleveren.

150

Van nabij beu ik er mede bekend, dat niets op landbouwgebied zoo tot de betwiste punten behoort, als de mogelijkheid om uit kleine hoeven voldoend levensonderhoud te trekken. Toch verstaan de Ieren deze kunst. Ieren doen dit in streken vrij wat ongunstiger voor den landbouw zelf en voor het vervoer van den oogst, dan wat op menig punt in Engelauds Zuiden en Noorden beschikbaar is. Niemand spreke mij van land, dat den arbeid niet waard is. Maak eens een uitstap naar Zwitserlands valleien, en zie van welke onaanzienlijke plekjes grond de nijvere Zwitser een oogst weet te winnen, die in zijn levensbehoefte voorziet. Ongetwijfeld heeft hij zijne Alpen, waar hij in den zomertijd zijne koeien kan weiden, en door den nood geleerd, heeft hij allerlei anderen arbeid weten te bedenken, die hem bij zijn veldarbeid

-1) Ecu groote Londensclie firma, die jaarlijks duizenden kilo\'s vruchten inmaakt.

-ocr page 169-

WAT VAN BETEK LAND BEBOUWING TE HOPEN VALT.

aan iets extra\'s helpt. Indien ecliter de Zwitsersche bergbewoner, te midden van rots en sneeuw en verre van markten, er weet te komen, dan kan ik niet inzien, dat bij goeden wil en met overal goede markten in de buurt, Engelschen het ondoenlijk zouden vinden, om van hun grond hun dagelijksoh brood te winnen. Onze gronden zijn vruchtbaar genoog om den nijvere te loonen; en hoeveel ook de ontevredenheid tegen ons klimaat inbrenge, een bevoegd beoordeelaar, de heer Itussell Lowell, zegt, dat hij, na op zijne reizen allerlei land en klimaat te hebben leeren kennen, hij ons klimaat een der beste voor den landbouwer rekent. Er zijn meer dagen in ons Engelsch jaar, waarin de landman gevoegelijk met spade en houweel in de vrije lucht kan werken, dan in welk land ter wereld ook.

Ik zeg niet, dat er op den nu in gebruik zijuden grond fortuin te maken is, en ook beweer ik niet, dat wij onder onze grauwe luchten ooit zullen kunnen wedijveren met Yersey\'s zoo gunstig gelegen hoeven; maar dit durf ik staande te houden, dat wie niet te traag is om in het zweet zijns aanschijns te arbeiden, hier bijna zonder uitzondering overal uit den grond een eerlijk stuk brood winnen kan. Vooral moet dit het geval worden, wanneer eene goed geregelde coöperatie den arbeidende steun en hulp verleent.

Ga ik met deze veronderstellingen te verV Mag men ze ongegrond en onredelijk heeten? Mij verbaast het steeds, dat uien alle krachten inspant om een deel van onze arbeidsklassen dui-zende mijlen ver weg te voeren, om te doen, wat zij evenzeer zouden kunnen verrichten op de duizenden morgen grouds, die hier nog half of zelfs in \'t geheel niet bebouwd voor de hand liggen. Indien de veldarbeid iu Amerika\'s prairiën of Australië\'s binnenland den landverhuizer het zwoegen loont, terwijl hij zijne produkten naar afgelegen havens vervoeren moet, kan ik niet inzien, dat de hem hier zoo nabij zijnde markten hem onbevredigd zouden behoeven te laten.

Men zal mij hierop antwoorden, dat het onmogelijk is iemand hier zulk een uitgestrektheid grond toe te wijzen als in de Prairiën of Canada\'s boschgronden. Toegestemd; maar de naar Canada overgestokene kan zijn met zwaar bosch begroeid land ook niet opeens ontginnen. De ontginning van elke duimbreed gronds gaat met ontzaggelijke moeite gepaard, wil hij aan zijne kinderen iets nalaten, wat den naam van bouwmanshoeve verdient. Vrije grond ligt iu Engeland ook niet meer voor de hand, maar wie zich zoo ijverig aan het werk wil begeven, als men dit iu Canada en Australië doet, zal hier niet meer moeite

151

-ocr page 170-

DE LANDBOUWKOLONIE.

152

NAAR BUITEN. -

hebben om den kost te wiiuien dan de landverhuizers daar verre.

Het kan op de proef blijken, dat ik mij vergis, en de wensch van te slagen mij toestanden, zaken en personen te gunstig doet beoordeelen; maar wanneer men gezien heeft, wat ik op mijne reizen met aandacht heb waargenomen, hoe men elders weet te woekeren met stukken grond, waarvoor de Engelsche landbouwer den neus optrekt, dan blijf ik volhouden, dat onze bodem heel wat meer mensehen voeden kan dan hij op dit oogenblik doet. Veronderstel eens, dat ons Essex door eenige catastrophe van ons strand werd losgemaakt en aan Normandie verbonden, zouden Prankrijkl zuinige en overleggende boeren, het niet bijna als een Eden welkom heeteii ¥ Bij voldoende inspanning en vlijt, en het willig luisteren naar de lessen der wetenschap, valt hier nog op lange na niet aan welslagen te wanhopen.

Wat ik nog meer en als zooveel heil van de wetenschap verwacht V

Wel ik geef mij niet uit voor een wetenschappelijk gevormd landbouwer, en wensch daarom op dit gebied niet uit de hoogte lessen te geven. Gelezen over het onderwerp heb ik genoeg, om niet in het wilde te moeten schermen, en mijne slotsom is deze, dat uit de school der ervaring, voor wie ook slechts enkel gezond verstand heeft, genoeg te leeren valt, om gemaakte opmerkingen niet als zonder alle waarde te behoeven ter zijde te stellen. Als niet-deskundige, maar toch als iemand die immer in deze zaken belang heeft gesteld, ontbreekt mij, onder de leiding van alleszins bevoegden, de vrijmoedigheid niet, een eigen oordeel te vellen.

EliKSTK Al\'ÜEHLING.

De I»oliwlioeve II[I ziell/f11.

Mijn voornemen is om op redelijken afstand van Londen een stuk grond machtig te worden van tusschen de vijfhonderd en duizend morgen. Mijn oog is op grond, waarop groenten voor de markt kunnen geteeld worden, maar dat tevens genoegzaam kleigrond bevat om do noodige steenen voor woningen te bakken, en voortbrengselen te verbouwen, die zwaarder grond ver-

-ocr page 171-

WELK SOORT IIOUVE DOOR ONS HEfiEEItJ) WORDT.

eisclien. Zoo mogelijk hoop ik te slagen niet verre van eene spoorweglijn en niet te verre van eenige rivier en de zee. Het muet land zijn, dat wij in vol eu vrij bezit kunnen krijgen, en op een aanmerkelijken afstand van stad en dorp gelegen is. Waarom ik dit laatste als voorwaarde stel, is duidelijk genoeg. Wij moeten niet buiten het bereik van Londen zijn tor wille van de markt, en voor dat deel van het door de afval brigade verzamelde, dat bepaald voor do hoeve noodig of bruikbaar is. Daarentegen wensehen wij de nabijheid van eenige andere stad of dorp te mijden, opdat onze kolonie zoo ver mogelijk zij van elk soort van kroeg, die Upasboom, die de vergiftiger is van alle voorrechten, welke door onze maatschappelijke beschaving ons deel zijn. liet is toch een sine (jua non voor de nieuwe landbouwkolonie, dat onder geenerlei voorwendsel bedwelmend vocht binnen hare grenzen zal worden geduld. Den geneesheeren zal do verplichting worden opgelegd, om voor de koloniebewoners andere opwekkende middelen dan alkohol voor te schrijven. Al deze voorzorgen om den grooten vijand te weren zouden echter luttel baten, indien de kolonisten slechts een kleinen afstand hadden te overschrijden, om zich weer te midden der roode leeuwen, blauwe draken en andere teekenen van een vroeger lijl-eigenschap te bevinden; een lijfeigenschap enkel van nogdnivel-scher aard geworden ouder den vrijwillig gedulden scepter van Koning Alkohol.

Wanneer wij eenmaal in het bezit zijn van dezen begeerden grond, denk ik over te gaan tot het in orde brengen, gelijk dit voor de behoeften der kolonisten zal noodig blijken, lu liet meest wezenlijke, dat op dit punt te doen valt, kan niet veel verschil zijn met grond in andere deelen des lands. Levensbehoeften, voldoend water en verblijfplaatsen zijn overal onontbeerlijk. Bij aanvang zal alles wat geld kost op de meest eenvoudige wijze moeten worden uitgevoerd.

Hierbij zal onze Pionier-Brigade moeten dienst doen, de keur uit do bekwaamsten, die buiten werk zijn, en die alles zullen moeten regelen om de plaats voor de later komenden in bewoonbaren staat te brengen. Bij dit punt gevoel ik mij terstond verplicht de opmerking te maken, dat niets grooter dwaling is dan te meeneu, dat ouder de van werk verstokenen slechts werklieden te vinden zijn, die eigenlijk in hun bijzonder vak tot niets deugen. Ongetwijfeld is de meerderheid hunner, waar zij nu zijn, zoo goed als zonder marktwaarde, maar dit meest door het netwerk van verzoeking tot drank eu biergebruik, waarmede zij kunstmatig zoo van alle zijden omringd zijn, als had de

153

-ocr page 172-

i)E UOUWUOEVE OP ZICHZELF.

regeeriug op dit gebied eeue Arabische slavenjagerij geoctrooieerd. Verwijder zulkeu van al deze valstrikkeu, en er is weinig moeite om ouder hen een legertje te vinden zoo uitmuntend van hoofd eu handen als ergens bestaat, maar die nu óf erfelijk óf door eigen schuld als slachtoffers der verleiding in ons maatschappelijk elleudemoeras worstelen eu al dieper en dieper zinken, waar eene tot redding uitgestoken hand ontbreekt. Op dit punt meen ik recht tot meespreken te hebben eu met beslissend gezag te mogen spreken. Immers ouder de beste mijner tegenwoordige officieren ziin juist zulken, die eenmaal in zoo wanhopigeu toestand verkeerden.

In ouze buitenkroegen en stadsjenever- en bierpaleizen ligt een schat van werkkrachten waardeloos verscholen, die te herwinnen is reeds door hen plaatselijk te helpen redden; maar dit te gemakkelijker, indien gij hen kunt overbrengen naar plaatsen, waar zij niet aanhoudend eu van allo kanten naar den maalstroom van verzoeking en verderf worden teruggezogen. Breng zulkeu op grondgebied vrij van de oude leeuwen eu draken, en gij kunt met hen niet weinig, dat groot en goed is, tot stand brengen.

Ik heb geene sterke verbeelding noodig om te weten met hoeveel ongeloovig lachen dit mijn voorstel zal ontvangen worden. «Waar droomt gij van?» hoor ik zeggen. «Meent gij nog uit het schuim vau een Londeusch ploertendom geschikte laudbouw-piouiers te kunnen toovereu?» Gaan wij echter eens een oogeu-blik na uit wie die zoo verachtelijk als schuim betitelden bestaan. Na een zeer nauwkeurig onderzoek in ons werkbureau is ons reeds met volle zekerheid gebleken, dat niet miuder dan zestig percent vau ouze buiten werk zijnden menschen vau buiten zijn; mannen, vrouwen en jongens, die gehoopt hadden door met den stroom mede te gaan, welke aanhoudend het land voor de stad verlaat, vooral in Londen een beter deel te kunnen vinden. Zij ziju in geen enkel opzicht gespuis in Londens misdadigers-buurten gekweekt. Ook zijn zij niet het afval der dorpen, maar iu den regel de ondernemende waaghalzen, die het er op gezet hadden hun kans te wagen en die ten eenenmale in den milli-oenen-maalstrooiu hebben schipbreuk geleden. Van dertig hulpbehoevenden, iu onze werkplaatsen voor de hand gekozen, waren in de week, die den 5 Juli 1890 eindigde, 22 op het land geboren; waren 16 daar reeds geruimen tijd, maar hadden nooit vast of eenigszins geregeld werk kunnen verkrijgen, en 4 waren oud-gedienden. Van zestig personen, die in ons bureau en verblijven ondervraagd werden aan het eind der week eindigende 2 Augustus, waren 42 op het land geboren; waren er 26,

154

-ocr page 173-

LOT VAN OUDGEDIENDEN.

die van zes maauden tot vier jaren al zoekende in Londen hadden rondgetobt; 9 waren jongens onder do achttien jaar, die met gioote droomen van het in de stad te vinden geluk\', do ouderlijke woning waren ontloopen, terwijl een viertal oude militairen een deel bleken van 85, die de straat tot nachtver-blijl\' hadden. Op één nacht telden wij G3 menschen van buiten naar de stad gekomen, om daar enkel teleurstelling te vinden. Een zeer klein deel slechts van du waarlijk werk zoekenden, die zonder werk móeten omzwerven, zijn in Londen geboren en daar opgegroeid.

Er is nog een ander deel hulpbehoevenden, wier aanwezigheid in onze maatschappij, velen als iets nieuws zal in de ooren klinken. Laat mij hen wijzen op het zeer aanmerkelijk deel gewezen militairen die, na langer of korter in krijgsdienst te zijn geweest, eindigen met in hulpeloosheid en in hopelooze armoede om te zwerven. De heer Arnold White, die zich maanden lang heelt bezig gehouden met de op straat slapenden, en die meer dan 4000 menschen, als beesten in de open lucht toevende, heeft ondervraagd, kwam tot de ontdekking, dat minstens 20 percent van deze ongelukkige en beklagenswaardige schepselen tot de reserve van ons leger behoorden. 20 percent, dat is te zeggen, dat wij op elke vijl\' personen, die in ons land als krijgslieden dienst deden, er één zullen vinden, die tot zulk een uiterste grens van armoede en ellende is weggezonken. Ziedaar waartoe zoo velen komen, nadat zij gedurende het beste deel van hun leven als soldaten tot beveiliging der belangen van hun vaderland hebben dienst gedaan. Ofschoon zij zeiven door eigen zorgeloos en slecht gedrag veel tot zulk eene uitkomst hebben toegedaan, is het toch eene ergernis en schande, dat ter wille van enkel geldbelangen in een beschaafd christenland de toestanden zoo zijn, dat alles als tot bevordering van deze uitkomsten schijnt aangelegd; zoodat het ieder, die een hart in den boezem draagt, met schaamte vervullen moet, dat tegen dergelijke toestanden nauwelijks iets te doen schijnt, en zij alleen door geldbelang een chronisch kwaad schijnen te moeten blijven. Hoe bedroevend het ook zij zoo te moeten spreken, toch wil ik er tevens op wijzen, in hoever het aangetoonde kwaad mijn plan nog ten goede kan komen. Ieder man, die voor geruimen tijd de wapenen gedragen heeft, heeft onder den invloed van krijgstucht leeren gehoorzamen. Tevens is hij iemand, die in de ruwste van alle ruwe leerscholen bijna door dwingende noodzakelijkheid geleerd heeft handig en bedachtzaam te zijn, en die tevens geleerd heeft zich nog niet als martelaar te beschouwen,

155

-ocr page 174-

BE BOUWHOEVE OP ZICHZELF.

omdat hij naar een verlaten post gezonden wordt. Menigmaal zeg ik, wanneer wij er slechts de christenen toe brengen kouden, om de helft van de praktische toewijding en het plichtgevoel te betoonen, dat den minaten goed gedrilden soldaat eigen is, in welk eene geheel andere wereld zouden wij leven.

Neem eens zulk een ongelukkige in zijn nog groenen staat voor oogen. Als plattelandsbewoner is hij allicht in een dronken bui in moeite geraakt, loopt om de gevolgen te ontkomen van huis weg, en op eenige andere plaats als een vreemde aangeland, blijkt hem, dat hij nergens terecht en onderdak kan komen. Zoo zinkt hij al lager en lager, zonder eenig vriend of raadsman te hebben, noch ook zelfs iemand, die hom uit medelijden do hand reikt. Ten einde raad neemt hij eindelijk uit enkel wanhoop den shilling aan, die hem voor een bepaald aantal jaren aan den krijgsdienst ketent. Nu wordt hij aan den ou-verbiddelijken diilsergeanfc overgeleverd; verplicht in kazernes te verblijven, waar binnen van vrij en alleen zijn geen sprake meer voor hem is; onder mannen, voor een goed deel zou zedeloos, dat hij ze wel niet vrijwillig tot makkers zou hebben gekozen. II ij krijgt zijn afgepast deel spijs, en terwijl het heette, dat hij twaalf stuivers daags zou verdienen, is daarop zoo velerlei korting, dat het mooi is, wanneer hij dat bedrag in eene week ontvangt, li ij wordt gedrild, krijgt zwaar werk te verrichten en wordt her- en derwaarts gezonden, behandeld als een werktuig, dat alleen voor een bepaald doel dienst doet. Al deze dingen loert hij langzamerhand verdragen, als iets dat niet anders kan. Zoo vangt hij eindelijk ook aan als een soort werktuig te leven, daarbij nog zijn best doende om trotsch te zijn op zijn uniform en om in zichzelf een der verdedigers van zijn geboortegrond en een der helden te zien, aan wier moed en volharding de veiligheid van het Britsche rijksgebied hangt.

Zoodra valt niet ergens in onze koloniën iets voor, dat aan staatsministers kanon en geweer duet noodig achten, of onze uniformdrager wordt in een troepenschip gestopt, en hoe zeeziek en krank van hart hij is, als een schaakstuk wordt hij verplaatst, om zijn loven te wagen of verminkt te worden vuur zaken, waarvan hij niets begrijpt en waaraan hem persoonlijk niet het allerminste gelegen is.

Eenmaal in het verre oord aangeland en ingedeeld, mag hij zich gelukkig rekenen, wanneer hij niet als een slachtolfer van klimaat, zonnehitte en de verraderlijke aanvallen van inboorlingen valt.

Na dit alles zonder te klagen of zich als martelaar te beschouwen.

156

-ocr page 175-

WAT VAN OUDGEDIENDEN TE WACHTEN IR. 157

te hebben doorstaan, worden onze schuilplaatsen zijn laatste toevlucht, en hoopt hij voor zijn toewijding aan het Vaderland slechts zooveel werk te vinden, dat hij althans brood en een dale boven zijn linofd heeft. Toch deert het de maatschappij niet, dat honderden derzulken, slapende in de open lucht, er erger aan toe zijn dan de meeste huisdieren. Wanneer eens onze getrouwe kerkbezoekers zooveel als deze soldaten voor hen, voor het Koninkrijk Gods wilden doen en verdragen, hoe spoedig zou de aarde naar de belofte der Schrift een vernieuwd aanschijn vertoonen. Wie echter durft beweren, dat bij wie onder de kruisvaan dienen, de toewijding aan roeping en plicht even algemeen en groot is?

Ik voor mij hoop, dat de zoo goed als geheel veronachtzaamde legerreserve mij van veel dienst zal worden. Er zijn onder lien, die bij de genie, artillerie en infanterie hebben dienst gedaan. Voorts hebben cavalaristen dit voor mij voor, dat zij met paarden weten om te gaan eu hoe deze op de beste wijze in goeden staat te honden. Terwijl allen, die bij den transportdienst hebben dienst gedaan, mij uitmuntend te pas zullen komen tot het vervoer van alles, wat uit Londen naar de hoeve moet worden overgebracht. Dit aangestipte is enkel eene uitwijding, welke de belangstellende lezer mij ten goede houde.

Na de hoeve aldus in voorloopige orde te hebben gebracht, zon de tweede stap op het ingeslagen pad het overbrengen der-genen uit onze stadskolonies zijn, van wie met eenige hoop mag geloofd worden, dat zij als baanbrekers zullen slagen. Tot deze eerst uitgezondenen moeten behooren, personen , die weken of dagen lang in hun werken op de factory zijn gadegeslagen, of die in onze toevlnchten reden gaven om te verwachten, dat zij zich geheel gewillig zullen toonen om werk ie verrichten, zich onder tucht te schikken en de begeerte hebben om werkelijk weder tot zelfstandigheid te geraken.

Bij aankomst op de hoeve zullen zij in de gereed gemaakte barakken verblijf ontvangen en terstond aan het werk gezet worden. Het eerste winterwerk zal in droogleggen, wegen en greppels en slooten maken moeten bestaan, waarbij nog allerlei kleiner werk zal komen, zoolang de dagen kort en de nachten lang zijn. Lente, zomer en herfst zullen ieder hnn eigenaardigen arbeid opleveren, waarbij het werken in de moestuinen rondom Parijs ons voorbeeld zal zijn; tuinen, waarin de tuinier door zijn arbeiden met de spade zelf zijn grond weet te bereiden, en dit op geheel andere en betere wijze dan wanneer de oppervlakte slechts even met het ploegijzer wordt geraakt.

-ocr page 176-

DE BOUWHOEVE OP ZICHZELF.

Onze hoeve zal, naar ik hoop, eene even ri}ke vruchtbaarheid toonen als onze goed verzorgde groentetuinen. Als hoofdopziener zullen wij aan de hoeve een ervaren tuinier verbinden, bekend met de beste manieren om in het klein te bouwen en te boeren, en opgeleid in de kennis van al wat vereischt wordt om elk soort van grond op de beste wijs naar zijn aard te behandelen. Voorts moet gezorgd worden voor allerlei noodig handwerk, opdat ieder kolonist naar zijn aard en vatbaarheid aan eigen werk kan worden gezet. De benoodigde gebouwen moeten door de kolonisten zelven, niet door gewone werklieden worden opgericht. De benoodigde broeikassen moeten zij onder toezicht naar het beste stelsel bouwen.

Alles wat op ons grondgebied gevonden wordt, moet vrucht zijn van den arbeid der kolonisten. Elet bakken der steenen, alle timmermans- en meubelmakerswerk, zal naar de bestaande behoeften door hen worden verricht.

Er zal wel een geruimen tijd verloopen, eer de verbouwde groenten en granen in de behoeften van het Leger zelf kunnen voorzien. Dit is een der voorrechten, dat dit onderdeel van meet af aan eene zeer groote inrichting verbonden is. De rechterhand helpt dan de linker en wij zullen vele dingen zonder moeite kunnen tot standbrengen en in standhouden, welke niet mogelijk zijn voor eene vereeniging, die zich alleen met kolonizeeren ophoudt. Wij weten door ervaring, hoe groote menigte groenten en voedingstoffen nu reeds onze depots vereischen, en kunnen daarnaar eenigszins afmeten, hoeveel elke vergrooting van deze meer zal noodig maken.

Op deze onze hoeve denk ik alles in werking te brengen, wat tot de kleine kuituur en landbouw behoort.

Tot nog toe sprak ik niet over wat voor vrouwen zal te verrichten vallen. Ik heb dit deel voor een ander hoofdstuk bewaard. Het punt verdiende echter te dezer plaatse vermeld te worden, opdat ieder nu reeds wete, dat evenzeer voor door vrouwen te verrichten arbeid als voor werk voor mannen zal worden zorg gedragen. Reeds de fruitkweekerij levert een ruim veld van arbeid voor vrouwen, en ik zou geen geschikte woorden kunnen vinden om het verschil te malen, dat meisjes ervaren zullen, wanneer zij zich uit de netten van stegen en sloppen in Midden-Londen, waar zelfs geen gras tusschen de steenen groeit, maar alles slijk en vuil is, door aardbeziën- en bloembedden omringd zullen zien. Het moet een overgang als uit eene hel naar Eden zijn.

Nevens het kweeken van vruchten en groenten houd ik rekening met allerlei, dat op hofsteden omgaat.

158

-ocr page 177-

BRONNEN VAN VEHLICilTJNG.

Zeker is, dat onder de menigte, waarop wij rekenen, versoheidenen zullen zijn, zwak naar lichaam ol\' geest, ouden en tot zwaarder werk ongeschikten. Voor zulken blijft nog het zorgen voor konijneu en kippen, het teelen en oppassen van bijen, in eeu woord allerhande bedrijvigheden, die buiten te doen vallen en toch als arbeid te luttel van beteekenis ziju voor personen in de kracht des levens.

Een voordeel van het wereldburgerlijk karakter van het leger is, dat wij in bijna elk deel van de wereld officiereu hebben. Wanneer mijn plan eenmaal verwezenlijkt wordt, zal het aan eiken officier in ieder land ten plicht worden gesteld, om zijn oogen goed open te houden, om voordeel te trekken van elke leerrijke opmerking, en zoo steeds te zoeken naar arbeids • gelegenheid voor nu werkelooze handen. Zoo zal er nergens eenig leerrijk denkbeeld zijn te vormen, dat niet op eenigerlei wijze aan mijn plan kan worden dienstbaar gemaakt. Elke nuttige wenk kan ons ten goede komen; b. v. mededeelingen van van officieren iu Zweden omtrent de daar bestaande gaarkeukens voor het volk; onderricht hoe iu bet Zuiden van Frankrijk, de landbouwers weten te zorgen voor een voorraad eieren, waardoor zij nevens de vervulling van eigen behoeften, er nog millioenen van naar Engeland kunnen verzenden; voorts aanwijzingen, hoe het den Belgischen konijnenfokkers mogelijk is konijnen bij het millioen naar ons land uit te voeren.

Onze landbouwkolonie kan op deze wijze allengs eene wetenschappelijke school tot beter en voordeeliger beoefening van den landbouw worden. Zulk een ouderwijs zou reeds hier nuttig blijken, maar niet minder belangrijk kan het worden als voorbereiding voor hen, die alzoo praktisch voor het leven in eenige bepaalde kolonie worden voorbereid.

Ieder, die naar onze buiten-kolonie gaat, komt daar niet om voor zichzelven fortuin te maken, maar om kennis te krijgen van een beroep en de handeling der daarbij behoorende gereedschappen, om zoo werkelijk geschikt en bekwaam te worden tot een werkzaam deel in den arbeid en strijd des levens. Wij zullen hem voorzien van een goedkoop uniform, waartoe Loudens oude kleedereu ons wel voldoende bouwstof zullen leveren; en dan zal het al vreenul moeten loopeu, wanneer wij niet even goed als de gewone groentenkweeker eene markt zullen kunnen vinden, die voldoende oplevert om onze kolonisten, hoe verschillend ook in geschiktheid en werkkracht, van wat hun uoodig is te voorzien.

Ieder, die op de buiten-kolonie wordt opgenomen, zal er vóór

159

-ocr page 178-

DE DOUWItOF.VE OP 7.TCIIZEI,F.

alles moeten leeren stipt gehoorzaam te zijn, en daardoor orde en regel te helpen bevorderen; ook opdat hij te spoediger en beter leere, al wat hem later heipon moet om in eigen onderhoud te voorzien. De landbonw-afdeeling zal bepaald onderricht ontvangen, om de werkzaamheden te leeren kennen, die in ieder seizoen des jaars passen, en de eigenschappen der beste zaden te onderscheiden. Zij, die bij deze afdeeling geplaatst zijn, zullen onderricht ontvangen in liet planten van heggen en het graven van sloten; het maken van wegen en bruggen, en voorts om den grond te dwingen hun deel te schenken aan de schatten, welke hij nergens den bekwamen en ijverigen onthoudt. Doch al is de buiten-kolonie evenals de stadskolonie eene inrichting van blijvenden aard, zij zal nooit eene levenslange verzorgingsplaats worden, voor degenen, die er worden opgenomen. De hoeve is niet anders dan eene oefenschool voor landverhuizers ; eene plaats, waar de niet te ontberen praktische lessen gegeven worden, welke onontbeerlijk ziju voor eiken kolonist zal hij zich in den vreemde tehuis kunnen gevoelen, en er naar den aard der streek landbouw drijven of vruchten kweeken. Voor den vrede en voorspoed der kolonie rekenen wij met eenig vertrouwen op den geest van broederschap, welken wij in alles onder hen, die onze hulp behoeven, zoeken te onderhouden. Hoewel wij geen stelselmatig loonstelsel zullen invoeren, zal er toch eene soort van belooning zijn, die tot eerlijkheid en ijver aanmoedigt, en deze voor de oppassenden worden ter zijde gelegd; een punt, waarop ik later terugkom. In den regel zal ieder werk doen voor allen; in aller dagelijksche behoeften zal worden voorzien en alles wat daarvan overschiet zal dienstdoen, om de brug te helpen vormen, waarover zoo menigeen, thans nog op den rand des afgronds, zich zal kunnen redden.

Het vervelende en doodsche van het buitenleven, vooral in de koloniën, verleidt menig man om nog liever de lasten en ontberingen ecner stadsachterbuurt te verduren. In onze kolonie zal dit anders zijn, daar het ons streven wezen zal, om het aangename van het buitenleven met liet gezellige van het stadsleven te doen gepaard gaan.

IfiO

-ocr page 179-

HOEVEEL lilUilKHAAIlS TE VINDEN IS.

TWEKDE AFDEELING.

Het iiau industrieel leven gewijde dorp.

Bij het beschrijven van de werkzaamheden der afvalbrigade heb ik de aandacht gevestigd op de groote hoeveelheden voedsel, waard om als nog in bruikbaren staat dag aan dag, het geheele jaar door, aan de huizen te worden opgehaald. Veel van dit verzamelde zal gewis zoo geschikt blijken om door menschen genuttigd te worden, dat het bepaald zonde zou zijn het ongebruikt te laten verloren gaan. Men denke slechts aan de hoeveelheden soep, die nog bereid kan worden uit al de versche beenderen, die eene stad als Londen oplevert. Voorts denke men eens aan de lekkernijen, die een Fransche kok uit de restantjes en niet gebruikte zaken uit een onzer West-End keukens zou weten te bereiden. Eene met zorg beoefende kookkunst is geene weelde maar overleggende zuinigheid, en menige smakelijke schotel kan te voorschijn komen uit dingen, die onze armen verroekeloozen, omdat zij er in hunne zorgelooze onwetendheid de waarde niet van kennen.

Buitendien schiet heel wat voedsel over, dat wel niet voor menschen past, maar daarom voor huisdieren niet verwerpelijk is. Brood, dat in Londen geheel oudbakken werd, broodkorsten en zoo meer, is licht als paardenvoer nog dienstig voor de trekdieren, die Londens afval naar buiten vervoeren. Konijnen vallen in hun spijsgebruik ook niet te kieskeurig, en de kippen smullen aan de kruimkens van der rijken tafel. Wanneer bij het sorteeren is afgezonderd wat voor paarden, konijnen en kippen kan dienst doen, ligt voorts het varken aan de beurt, dat bij zijne vraatzieke natuur nog minder kieskeurig is dan eenig ander gedierte. Zoo mij geen ijdel droombeeld misleidt, voorzie ik naar mijne plannen in onze kolonie eene varkensslachterij, welke die van Engeland en Ierland allen in de schaduw stellen zal. Wij hebben de ervaring der gansche wereld in ons voordeel, waar het aankomt op het kiezen van de beste rassoorten, van de geschiktste hokken, en van alles wat tot veredeling kan dienst doen. Het grooter deel van ons varkensvoer zal ons niet duurder komen te staan dan de kosten van inzameling en vervoer; terwijl de laatste verbeteringen in Chicago\'s groote slachterijen ons onzen arbeid zullen kunnen helpen volmaken. Er zijn weinige dieren, die met meer voordeel te houden en te

161

11

-ocr page 180-

162 . HET AAN INDUSTRIEEL LEVEN GEWIJDE DORP.

fokken zijn dan varkens. Zij eten om zoo te zeggen alles, ieder klimaat voegt hun, en van den top van liun neus tot het puntje van hun staart is aan hen alles eetbaar en tot andere doeleinden bruikbaar. Voorts leveren varkens veel mest, en mest is ten slotte een der groote geheimen van een voorspoedigen landbouw. Verzorg uw land goed, en het zal u goed verzorgen. Met onze varkenskotten in onze kolonie zullen wij niet licht gebrek hebben aan de benoodigde meststof\'.

Waar eene varkensfokkerij is, behoort tevens eene zouterij van spek en hammen te zijn, en het bezorgen daarvan levert alweder handenarbeid. Worst zullen wij bij de el en de roe kunnen leveren, en deze van de beste grondstoffen en niet van het ellendig knoeisel, dat nu de armen zoo dikwijs als worst moeten eten, in plaats van het goed bereide vleesch. dat in dien vorm een hunner lekkernijen is.

Voedsel echter is slechts een der zaken, welke de afval-brigade verzamelen zal. De schuiten, welke de rivier zullen afgaan, zoo hoog mogelijk geladen met den afval van een half millioen menschen, zullen ladingen aanvoeren van grondstof, welke zelfs voor varkens oneetbaar is. Er zullen zich daaronder b. v. oude beenderen bevinden. Nu is het tegenwoordig in Amerika een winstafwerpend bedrijf, en er zijn verscheidenen, die er jacht op maken, om in de Prairieën de beenderen der doode prairiebuffels te gaan opzoeken, om die te vermalen en als meststof te verkoopen. üeze beenderenverzamelaars behalen er winst mede, door deze beenderen bijeen te zoeken en ze naar heinde en ver af te leveren. Wie evenwel denkt er aan, om naar den schat van beenderen, die in Londen te vergaderen zijn, als winstgevende grondstof om te zien? In mijn verbeelding zie ik nu reeds scheepsladingen van zulke beenderen langs den Theems naar onze beenderenpakhuizen vervoeren. Het beste deel er van is voor hechten van messen, knoopen enz. te gebruiken. Deze omschepping kan zulken, die slag van dit werk hebben, menigen winteravond nuttigen arbeid te verrichten geven. Wat na deze schifting overblijft, zal zijne bestemming in de mest-fabriok vinden. Het kan niet anders, of er zal in onze landbouwkolonies een voortdurende vraag om meststof zijn, en dit naarmate de ervaring het al meer en meer zal duidelijk maken, dat een goede landbebouwing zonder bemesting op ruime schaal eene onmogelijkheid is.

Onder den aanvoer zal verder eene groote massa vetstof niet ontbreken. In eene groote stad ontbreken onder den afval nooit stukken vet, talk, sterke boter, enz. Voor alles van dezen aard,

-ocr page 181-

GEBIIUIK VAN I\'API Eli F.N BLIK.

dat bijeenkomt, is bij ons plaats en gebruik. liet beste deel er van zal in wagensmeer worden omgezet, en wat er van de rest na duchtig kooken en zuiveren overblijft, zal worden opgenomen onder de stoften, welke ons dienen zullen om een voor het huishouden geschikte zeep te bereiden. Naast de meststof-fabriek zal de zeepfabriek in onze kolonie eene plaats vinden.

Een verdere schat van dagelijkschen afval zal in liet waardeloos papier en allerlei vodden ons ten deel vallen. Na scheikundig behandeld en bereid te zijn, zal hieruit nieuw papier te voorschijn komen. Ons leger gebruikt niet minder dan 30 ton papier elke week. Zeiven zijn wij dus terstond een afnemer, die wel alles gemakkelijk zal kunnen bergen wat iedere week te leveren heeft. En het papier, dat wij behoeven, wordt ten goede gebruikt, want het dient ons om de Wijde Boodschap van verlossing en zaligheid in altijd wijder kring te helpen verbreiden, en den armen het goede en welbehagelijke jaar des Heeren te helpen verkondigen.

Verder reken ik op het in massa te verkrijgen blik. Het zou al wonderlijk moeten loopen, wanneer wij niet slaagden daaruit allerlei bruikbare voorwerpen te vervaardigen; bloempotten, muurversierselen, speelgoed, allerlei dat met kleurstof gedekt, het oog van groot en klein kan trekken. Mijne officieren zijn reeds druk aan het opzamelen van aanwijzingen en wenken, hoe men in Parijs te werk gaat om de verzamelde sardineblikjes in door velen gezochte voorwerpen te veranderen. Dit soort van fabriekwerk zal bij ons buiten veel beter dan in de stad kunnen behartigd worden. Blijkt dit noodig dan zullen wij een bekwaam werkman in dit vak uit Parijs ontbieden, om ons volkje ten leermeester te zijn.

Voorts is het zonder breeder aanwijzing duidelijk, dat er met het maken van kisten, doozen, enz. enz. nog heel wat te verdienen valt; terwijl wij zullen zoeken allen te dienen met al wat onze hand vindt om te doen, behalve met kroeghouderij en alles wat tot dit do maatschappij verarmend en verpestend bedrijf behoort. Coöperatie is het groote woord, dat in ons devies staat, maar niet tot eigen winstbejag, maar om de schare te baten, welke in het tegenwoordig, vooral door de kroeg gevormd maatschappelijk moeras, al dieper eu dieper in misdaad, schande, armoede en ellende wegzinkt.

1G3

-ocr page 182-

HET AAN INDUSTRIEEL LEVEN GEWIJDE DORP.

REGELEN EN BEPALINGEN GELDENDE HET BESTUUR OVER DE KOLONISTEN.

Een stuk, behelzende de regelen en bepalingen, geldende het over de kolonisten te houden bestuur, moet door ieder toe te laten kolonist vóór zijne toelating gelezen en toegestemd, en ten bewijze van dit laatste door hem ge-teekend worden. Onder meer zal daarin het navolgende zijn opgenomen.

4. Alle officieren moeten met eerbied bejegend en onvoorwaardelijk gehoorzaamd worden.

2. Het gebruiken van bedwelmend vocht is ten strengste .verboden; niets van dien aard wordt binnen do perken der kolonie geduld. Reeds de eerste poging om het verbodene op den grond der kolonie te brengen wordt met dadelijke uitzetting gestraft.

3. Uitzetting wegens dronkenschap, oneerlijkheid, of liegen volgt na de derde waarschuwing.

4. Het bezigen van profane en vuile taal is ten strengste verboden.

5. Geene wreede handelingen jegens man, vrouw, kind of dier zullen worden geduld.

0. Ernstige aanslagen tegen de eerbaarheid van vrouwen of van kinderen van beide sexen zullen met dadelijke uitzetting worden gestraft.

7. Na een bepaalden proeftijd en het bezigen van het noodige geduld zullen allen, die niet geregeld willen werken, van de plaats worden verwijderd.

8. De beslissing van den directeur der kolonie, en dit zoowel in stad als dorp of in het buitenland, is zonder hooger beroep in alle gevallen van geldende kracht.

9. Met betrekking tot boeten en straffen zal naar de volgende regelen worden gehandeld. Gelijk reeds vroeger is opgemerkt, zal tot het bewaren van orde en regel vooral worden gebouwd op den geest van liefde, welke als gemeenschapsband in de kolonie heerschende zal zijn. Waar het echter vooruit te zien is, dat hierop niet bij ieder in het bijzonder in gelijke male te rekenen is, zijn de volgende bepalingen vastgesteld:

»

A. Eerste overtredingen, tenzij het zaken van zeer ernstigen aard geldt, zullen in een boek worden opgoteekend.

B. Aan eene tweede overtreding zal openbaarheid gegeven worden , ook tot waarschuwing voor anderen.

C. Bij eene derde overtreding zal de overtreder worden uitgezet of wel aan de overheid worden overgegeven.

Andere bepalingen zullen worden opgenomen naar mate het plan werkelijke uitvoering verkrijgt, en de ervaring de noodzakelijkheid er van leert kennen.

Er zullen geone pogingen gedaan worden om de kolonisten te onderwerpen aan de regels en bepalingen, die voor de heilssoldaten geldende zijn. \'/ullcen, als na een waarlijk van zonde-

164

-ocr page 183-

VllIJIIBID EN AANMOEDIGING TOT GOED GEDRAG.

dienst verlost en tot gehoorzaamheid aan Christus gekomen zijn, en dit zei ven verlangen, kunnen bij het Leger worden opgenomen, maar zijn dan ook verder aan de regelen van dienst onderworpen. Die kolonisten evenwel, die gewillig zijn tot arbeiden en zich aan de bevelen van den bevelvoerenden officier gehoorzaam toonen, zullen alleen aan bepalingen als de bovenstaande onderworpen zijn, en overigens vrij zijn in doen en laten.

Bij voorbeeld: Geene beperkingen zullen bestaan omtrent spelen en lichaamsoefeningen in de open lucht, welke aan de bevordering der gezondheid van lichaam of geest kunnen dienstbaar zijn. Voor eene goede leeszaal en leesbibliotheek zal worden gezorgd, en ook zal er eene zaal zijn, waar men zich in de winteravonden en bij ongunstig weder met onschuldige en gezellige spelen kan bezighouden.

Dit een en ander zal niet zijn ten gebruike voor de heilssoldaten, die in deze wereld andere dingen te doen hebben, in overeeu-stemming met hunne roeping en het belang van hen in wier midden zij leven.

Dobbelen of alles wat met goede zeden in strijd is, zal niet worden geduld.

Naar allo waarschijnlijkheid zal er jaarlijks eene tentoonstelling van vruchten en bloemen worden gebonden. Hierop zullen alle kolonisten kunnen inleveren wat zij op hun eigen plek gronds hebben gekweekt. Hun zal gelegenheid gegeven worden om niet slechts hunne groenten en vruchten, maar ook hunne konijnen, kippen en verder levend gedierte ten toon te stellen.

Geen poging zal worden verzuimd om voor dorpen geschikte handwerken mogelijk te maken. Ik ben niet zonder hoop, dat het mogelijk zal blijken, om zulke huiselijke bedrijven bij ons in te voeren, als nu de stoom naar de groote fabriekinrichtingen heeft overgebracht.

Hoe meer de kolonie in eigen behoeften eu onderhoud kan voorzien des te beter. Wel zal handenwerk nooit met het werk der fabrieken kunnen mededingen, maar daarom zal arbeid, die huismoeders in de lange winteravonden verrichten kunnen, nog in het belang onzer inrichtingen niet verwerpelijk zijn. Al kunnen Manchester en Leeds het gewone goed goedkooper leveren dan wat binnenshuis gesponnen wordt, toch blijft er nog werk genoeg over, dat eene kunstvaardigheid vereischt, welke met machineriën niet geheel kan bereikt worden. Zoo is er, bij voorbeeld, geene fabriek, welke zoo degelijk schoenwerk leveren kan als het met de hand genaaide.

In het midden der kolonie zal eene openbare school voor

165

-ocr page 184-

HKT AAN INDUSTRIEEL LEVEN GEWIJDE DORP.

lager onderwijs zijn, waar tevens liet elders reeds besproken landbouwkundig onderwijs zal gegeven worden.

Voor de godsdienstige behoeften der kolonie zal door de mannen van het heilsleger worden gezorgd, maar niemand zal gedwongen worden aan de godsdienstoefeningen deel te nemen. De Zondag zal in den striksten zin rustdag zijn; geen niet volstrekt noodzakelijk werk zal op dien dag in de kolonie worden toegelaten, maar buiten het wettelijk verboden werk zal het den kolonisten vrijstaan den rustdag naar eigen goedvinden te besteden. Het zal de schuld van het reddingsleger zijn, wanneer de kolonisten de godsdienstoefeningen niet zoo aantrekkelijk vinden, dat zij behoefte gevoelen om deze gewillig en gaarne bij te wonen.

DERDU Al\'DEHLING.

li a ii lt;1 b o ii w d o r igt; e n.

Deze afdeeling brengt mij tot een nieuw onderdeel van mijn plan, het vestigen van landbouwinrichtingen nabij onze hoeve en in de omgeving van het oorspronkelijk landgoed. Met dit doel, hoop ik, dat liet mogelijk zal blijken stukken gronds machtig te worden, waarop kolonisten, die liever in het land blijven dan overzee te trekken, zulke aaudeelen kunnen krijgen, dat zij er levensonderhoud op vinden kunnen. Ik wensch stukken gronds van drie tot vijf morgen, met een huisje, koe en de noodige gereedschappen te kunnen toewijzen, zoodat de van goede zaden door ons voorziene landman er zijn dagelijksch brood op winnen kan. De terugbetaling moet bij kleine wekelijkschc afdoening worden gevonden. De pachter zal natuurlijk over paohtersrechten te beschikken hebben, maar tevens zal het onmogelijk worden gemaakt, dat iemand door onderhuring aan anderen van diens zweet en arbeid leeft. Zoodra de pachter in het bezit van den grond treedt, zal dit geschieden op voorwaarden, die hem verantwoordelijk maken voor eigen onderhoud en dat van zijn gezin. Ik zal niet langer tot hem staan in de betrekking van vader, zooals dit met de kolonisten het geval is; buiten het geregeld vervullen der hem als pachter gestelde voorwaarden, zal hij verder een onafhankelijk persoon zijn.

] 66

-ocr page 185-

PACHTHOEVEN.

Het iu het leven roepen van een belangrijk getal pachthoeven zal het stichten eener botermakerij nooclig maken, waar deze naar de beste en spoedigst werkende behandeliDgswij/.en zal worden bereid. Alles wat tot de boter- en kaasbereiding behoort, is op Europa\'s Vasteland wetenschappelijk tot bijna eene kunst van edeler orde verheven, terwijl wij daarin bij ons zeer ten achteren zijn geraakt. Wanneer nu echter onze pachters met het hoofdbestuur, dat met het Buitenland in betrekking staat, tot degelijke samenwerking willen komen, is veel tot stand te brengen, dat wellicht velen thans geheel onbereikbaar achten.

Aan onze pachters zal eene blijvende pacht verzekerd blijven, maar bij onderwerping aan al die regels, welke in het belang der kolonie tot wering van onmatigheid en onzedelijkheid volstrekt noodzakelijk zijn. Mag dit gelukken, dan zal zich om de hoot\'dkolonie een kring van kleinere kolonies vormen, tot de eerste omringd is van een kring van hoeven, waar zij, die uit de moerassen en wildernissen van het ellendigst stadsleven verlost werden, dan wel niet onder hun eigen wijnstok en vijgenboom zullen leven, maar toch in eene vriendelijke omgeving van bouwland en tuinen, die voor hunne gezondheid en voor hun hooger leven gezegende vruchten moet afwerpen. De boerderijtjes zullen aan ieder een vrijen grond geven, en tevens onderling niet zoover van elkander verwijderd zijn, dat de gelegenheid tot gezellig verkeer is afgesneden.

VIERDE AFIUÏKI.ING.

!► v coii{icrati eve hoeve.

Nevens de hofstee-kolonie stel ik mij voor de proefneming te herhalen, welke door den heer E. T. Craig met zoo goeden uitslag te Rahaline is ondernomen. Zoodra eenige leden van de oorspronkelijke kolonie zoover gekomen zijn, dat zij lust gaan gevoelen om voor eigen rekening iets aan te vangen, zon ik uit hen eene groep kiezen, om eene coöperatieve hoeve te beginnen, en er zoo eene proef van nemen, of wat in het Graafschap Clare uitmuntend slaagde, ook niet in Essex of Ivent zou kunnen gelukken. Minder belovend materiaal dan de bandelooze Ieren,

167

-ocr page 186-

DE COÖPERATIEVE HOEVE.

waarmede de heer Craig op de goederen van kolonel Vaudeleur zijn plan ten uitvoer bracht, kan ik met personen, die een proeftijd doorstonden, wel niet treffen. Mijnerzijds meen ik voorts wel zorg te kunnen dragen, dat de proefneming niet bedreigd wordt door de zelfverwekte tegenspoeden, die de schoone poging ontijdig tot een einde brachten.

Deze mij voor oogen staande proefneming reken ik eene der belangrijkste uit mijn gansohe plan; en mag zij gelukken, en ik de uitkomsten, die te Ralahine bij aanvang verwezenlijkt zijn, op grooter schaal verkrijgen, dan ben ik er zeker van met den grond uitkomsten te bereiken, die de voortbrenging evenredig zullen maken aan onze bevolking, hoe talrijk deze ook worden moge.

Ik wil te dezer plaatse niet breeder over dit punt uitweiden, maar zal als bijlage eene korte geschiedenis van Eahaline mede-deelen, die ik vertrouw, dat mijne plannen en verwachtingen geheel rechtvaardigen zal.

168

-ocr page 187-

HOOFDSTUK IV.

Meuw llrlltaiiniü. — Jgt;e ovcrzcesclic kolonie.

Wij zijn nu gekomen tot de derde of laatste afdeeling van ons herscheppingsproces; — de kolonie aan de overzijde van den oceaan. Deze plaatsbepaling is reeds genoeg om niet weinigen het plan zonder verder onderzoek te doen veroordeelen. tiet bestaand vooroordeel tegen landverhuizing wordt met kunst en studie gevoed door hen, die het uiet verbergen, dat het hun toeleg is om het getal ontevredenen in het land zooveel in hen is te helpen vergrooten; want, oordeelen zij, hoe meer ontevredenen des te gemakkelijker is het, het der regeering lastig te maken, en zoo den tijd te verhaasten van den algemeenen omkeer, die hun lievelingsdroom is en waarvan zij, althans voor zichzelven gouden bergen verwachten. Anderen brengen tegen landverhuizing in, dat deze niets dan eene verholen transportatie, evenals die van misdadigers is. Gaarne kom ik er voor uit, dat ook ik tegen landverhuizing ben, zooals deze tot hiertoe plaats heeft; en zoo dit een mijner beoordeelaars kan gerust stellen, voeg ik er bij, dat niemand meer dan ik er tegen zijn kan, om eenig Engelschman gedwongen zijn land te doen verlaten; zoodat ik mij steeds tegen elke poging daartoe met hart en ziel verzetten zal.

lutusschen is eene reis naar Overzeesche streken nu heel wat anders dan toen de reis naar Australië een zestal maanden vorderde, en de landverhuizers bij honderden gestuwd werden in zeilschepen, om daar een lot te vinden weinig beter dan op de schepen der slavenroovers. Hoeveel kleiner is de wereld geworden sinds het ontdekken en algemeen aanwenden van de elektrische telegraaf, en met dit eigenaardig inkrimpen van onze planeet is hand aan hand gegaan een toenemen van broederlijk

-ocr page 188-

DK OVEIIZEESC1IE KOLONIE.

NIEUW BllITTANNIË. —

170

gevoel eu beseffen vau onderlinge gemeenschap onder alle stammen van Bngelschen wortel. Br is tegenwoordig in vele opzichten niet veel verschil meer tusschen een reis van Devon naar Australië en een overtocht van Devon naar Normandië. In Australië bevindt de landverhuizer zich terstond ouder mannen eu vrouwen, die met hem dezelfde taal spreken, die gelijke gewoonten volgen, die inderdaad hetzelfde volk zijn, met dit eeuig verschil, dat zij onder het Zuiderkruis leven en niet onder Noordelijke breedte. De vermindering van briefport tusschen Engeland en zjjue koloniën, eene vermindering, welke naar ik hoop eerlang zal gevolgd worden door een algemeen stuiversbriefport tusschen alle het Engelsch als volkstaal hebbende lauden, zal verder krachtig medewerken om het afstandsgevoel zoo goed als geheel te doen verdwijnen.

Het tegenwoordig, reeds nu gedurig heen en wederreizen tusschen Engeland en zijne koloniën maakt het eigenlijk iets verouderds en ongerijmds, om van de laatsteu als vau vreemde landen te spreken. liet zijn in waarheid niet anders dan stukkeu Britsch grondgebied over geheel de aarde verdeeld, en die de onzen vrijen toegang verscliaffeu- tot de rijkste deelen der bewoonde wereld.

Bene andere tegenwerping tegen mijn plan is, dat de bewoners onzer koloniën er alles behalve mede zullen ingenomen zijn, om het hier buiten werk zijnde deel van ons volk als vermeerdering hunner bevolking te ontvangen. Het laat zich licht begrijpen, waaruit zulk eene voorstelling der zaak kan ontstaan, maar het is eene voorstelling, die mij in het wezen der zaak niet veel tegenstand doet verwachten. De werklieden, die te Melbourne het heft in handen hebben tot regeling van arbeid en werk-loonen, duchten den aanvoer van nieuwe werkkrachten op hun arbeidsveld, om dezelfde redenen om welke de nieuwe lokwerkers-unie het komen van nieuwelingen aan de dokpoort niet duldt, uit vrees, dat in den strijd om werk de nieuwgekomeneu bedervers van den marktprijs zullen blijken. Doch geene kolonie, zelfs niet de beschermende unionisten, welke in Victoria de macht in handen hebben, kunnen eenig wezenlijk bezwaar hebben tegen het aanvoeren van goed voor hun werk geschikt gemaakte kolonisten. Zij zouden verstandig genoeg zijn van in te zien, dat zulke mannen een bron van rijkdom worden zouden, omdat zij niet enkel verteringen maken zouden, maar tevens afnemers zijn; eu dat zij in plaats van de werkloouen te doen verlagen, veeleer den handel steunen en hot noodig maken van werklieden zouden helpen vermeerderen. Landverhuizing is tot

-ocr page 189-

ONS STELSEL VAN LANDVEKHUIZING.

heden juist naar het tegenovergestelde van dit ons streven behandeld. Mannen en vrouwen zijn naar andere landen geholpen zonder dat men eeuig acht sloeg op hunne geschiktheid om er hun dagelijksoh brood door arbeid te kunnen verdienen, en daardoor zijn velen hunner enkel tot een lastpost geworden voor de landen, waarheen men ze zond; en niet alleen een lastpost maar bovendien de oorzaak van allerlei maatschappelijke moeielijkheid en ergernis. Het gevolg van dit onverstandig handelen is geweest, dat zij, die op het land onbruikbaar bleken, naar de steden zijn getrokken en in hun daar samenscholen op het werk van bekwame werklieden zijn gaan beunhazen en den standaard der werkloonen hebben doen verlagen. Deze fout zullen wij met de uiterste zorg zoeken te vermijden. Wie kan er zich over verwonderen, dat de bewoners van Australië en andere koloniën er met macht tegen opkomen, wanneer men hunne streken tot eene soort van vuilnisput zoekt te maken, waarheen de oude wereld haar onbruikbaren ai\'val heenvoert?

Kan zelfs dit soort van menschenverplaatsing den verwijderden zeiven helpen? Het zijn niet maar gunstiger omstandigheden, welke zulken noodig hebben, om uit de sloot op den vasten wal te geraken. Wat bij hen het meest hapert, is hun niet gewoon zijn aan geregelden ijver en inspanning vorderenden arbeid, hun gemis van waarheidsliefde en zelfbedwang; een ernstig gebrek dat het hun overal onmogelijk maakt om in eene geregelde maatschappij vooruit te komen. Naar vertrouwbare berichten te oordeelen, is er veel te veel van dit soort van een ieder in den weg loopenden in onze koloniën.

Wat zou men in die verre landen goeds kunnen uitrichten met menschen, wier eerste uitkijk in een vreemd land naar de Whisky-kroeg wezen zal, en die zelfs niet het minste begrip hebben van de soorten van meest zwaren arbeid, die in den beginne alle landverhuizers te doorworstelen hebben? Zulke liefhebbers van bij drank in luiheid te leven, kunnen niet anders dan geheel wars zijn van de zelfverloochening, die zulke geheel nieuwe levensverhoudingen eischen; en eerder dan zich te voegen naar de moeilijkheden, die aan alle landverhuizing verbonden zijn, zullen zij allerwaarschijnlijkst in wanhoop de handen in den schoot leggen, en terugdwalen naar de naastbij gelegen steden, om achterbuurten daarvan als overmatige ballast te bezwaren.

Deze moeilijkheden slaan, in mijne schatting, aan landverhuizing op groote schaal, voor zooveel deze hot verzonken tiende geldt, zeer in den weg; eu toch deel ik het gevoelen der velen, die in hun schrijven over staathuishoudkunde, in landverhuizing

171

-ocr page 190-

DE OVKKZEESCHE KOLONIE,

NIEUW 1ÏIUTTANNIË. -

172

het groote hatende geneesmiddel zien. Naar mijn oordeel komt mijn plan aau de geopperde bezwaren te gemoet.

1. Door het in gereedheid brengen eener kolonie tot ontvangst der kolonisten.

2. Door het vormen der kolonisten voor het leven in het oord, dat hen wacht.

3. In het treffen van schikkingen, welke het overbrengen van kolonisten mogelijk en niet te bezwarend maken.

Mijn plan brengt mede, vóór alles de keus te doen eener streek, die voor het te bereiken doel passende is. Ons oog is in de eerste plaats op Zuid-Afrika gericht. Dit wil echter niet zeggen, dat wij ons aau dit of eenig ander deel der wereld gebonden rekenen. Wat zou ons kunnen verhinderen om later aan Canada, Australië of\' eenige andere plek de voorkeur te geven, of om daar gelijke stichtingen te beproeven ? Britsch-Columbia is ons als bovenal voor het plan geschikt aanbevolen. Dit acht ik zeker, dat wanneer ons plan zoo slaagt, als ik met eenigen grond hoop, de eerste kolonie een voorloopster van vele andere vau gelijken aard zal zijn. Voor het oogenblik biedt echter Afrika de meeste kansen van welslagen aan. Er is daar zooveel land verkrijgbaar, en dit zonder moeite, als wij met mogelijkheid kunnen gebruiken. Het klimaat is daar gezond. Arbeidskrachten zijn er zeer gezocht, zoodat al ontbrak eens tijdelijk voldoend werk in de kolonie zelve, dit in de omgeving gemakkelijk verkrijgbaar zou blijken.

EERSTE AMEBLING.

De kolonie eu de kolonisten.

Alvorens echter eenig besluit te nemen, zal onzerzijds een nauwkeurig onderzoek plaats hebben naar het verkrijgbaar land, zijne ligging en gesteldheid; markten moeten niet buiten bereik liggen; gemeenschap met Europa moet niet te bezwarend vallen, en valt verder te onderzoeken of aan nog andere noodzakelijke voorwaarden voldaan kan worden.

Na eene bepaalde streek gekozen te hebben, komt de vraag aan de beurt, op welke voorwaarden dit te verkrijgen, zoodat het een belovend uitzicht voor de toekomst aanbiede.

-ocr page 191-

VESTIGING OP VEUBKN HOUEM.

Na een rechtstitel op den grond verkregen te hebben, wordt het de eerste bemoeiing daarop eene vestiging in goede orde te brengen. Dit doel is te bereiken door het vooruitzenden van een aantal geoefende personen onder goede leiding, om eene eerste vestigingsplek te kiezen, en daar de noodigste gebouwen op te trekken. Deze zullen tevens een deel lands moeten ontginnen en zoo verzorgen, dat er uitzicht op een eersten oogst is.

Is dit in gereedheid, dan zullen wij van tijd tot tijd nieuwe getallen kolonisten zenden, al naar het land inwoners dragen en voeden kan. Telkens zullen dan ook nieuwe vestigingen geordend worden, en zoo voortgaande zal allengs de kolonie in een staat komen, dat zij naar hare vatbaarheid geheel van onzentwege kan bevolkt worden.

Eer het zoover gekomen is, zal het reeds onze zorg moeten zijn, om een krachtig en bekwaam bestuur in het leven te roepen, dat wet en tucht kan handhaven naar onze Engelsche gewoonten en zeden, onder bijvoeging van al datgene, wat door plaatselijke omstandigheden geëischt zal blijken.

De kolonisten zullen verantwoordelijk blijven voor alles wat hun eigen onderhoud aangaat; dat is te zeggen, zij zullen kunnen koopen en verkoopen; handeldrijven; dienstboden huren, en aan alle koopmansbedrijf voor het dagelijksch leven deelnemen.

Ons hoofdkwartier in Engeland zal hier te lande vertegenwoordiger der kolonie zijn en met het geld, dat zij zullen overmaken, wanneer zij eenmaal voor goed gevestigd zijn, zullen zij voor hunne agenten aankoopen, al wat zij in den aanvang nog niet zeiven kunnen leveren, zooals werktuigen; terwijl wij alles, wat zij hier aan de markt brengen, voor ben verkoopen zullen.

Alle land, timmerhout, materialen en dergelijken zullen aan de kolonisten in huur gegeven worden, en alle niet zelf verworven grondaanwinst en verbeteringen zullen der gemeenschap ten goede komen. Een klein deel der behaalde winsten zal ter zijde gelegd worden tot uitbreiding van grondgebied, ten einde liet overkomen van nieuwe koloniebewoners te bevorderen.

Voor het herbergen van nieuwe aankomelingen zal altijd vooruit worden zorg gedragen, waarbij hot aan bepaalde ofHcieren zal opgedragen zijn, om den aankomenden alle hulp te bieden on over hen toezicht te houden. Indien het slechts eenigszins mogelijk is, zullen zij dadelijk aan het werk worden gezet, iets dat in den regel geene moeite zal baren, daar alles voor hen in gereedheid gebracht en gehouden is; mocht hierin nog iets haperen, dan zal in elk geval in hunne behoeften worden voorzien, zoolang dit noodig blijkt.

173

-ocr page 192-

1)F, KOLONIE KN DE KOLONISTEN.

Aankomende, zullen zij daar vrienden vinden, die hen welkom heeten en verzorgen zullen, niet enkel uit eigenbelang maar ook op grond van godsdienst- en vriendschapsbanden, waarmede zij zich aan hen zullen verbonden gevoelen. De overkomenden zullen in hunne nieuwe woonplaats er verscheidenen ontmoeten, die hun van vroeger bekend zijn. Op die wijze vinden zij in den vreemde terstond maatschappelijke en godsdienstige voorrechten, waarvan door de eerste kolonisten de gronden gelegd werden.

Na dus over de voorbereiding van de kolonie voor de kolonisten gehandeld te hebben, komen wij nu vanzelf aan de voorbereiding der

KOLONISTEN VOOR DE KOLONIE.

Zij zullen in het moederland voor het trekken naar den vreemde worden voorbereid door eene opvoeding tot eerlijkheid, waarheidszin en werkzamen ijver, zonder welke alle verwachting van hun welvaren elders dwaas en ijdel zou zijn. Terwijl in de stads-kolonie mannen en vrouwen ook bij gemis van alle goede getuigenis zullen worden opgenomen, zal niemand over zee gezonden worden dan van wien wij met grond verwachten kunnen, dat hij een betrouwbaar persoon is.

Zij zullen bezield worden met een prijzenswaardig verlangen om eigen welvaren en dat van anderen met volhardenden lust ter harte te nemen.

Zij zullen met zorg op de hoogte gebracht worden van alles wat hun noodig is te weten om in hun toekomstige loopbaan wel te slagen.

Zulke handwerken, als hun in hunne nieuwe woning van nut kunnen zijn, zullen zij met bereidwilligheid moeten aanleeren.

Bij hunne vorming zal in het oog gehouden worden voorbereiding voor de ontberingen en moeielijkheden, welke elders zeker bij aanvang hun wachten.

Zij zullen gewend worden aan het huishoudelijk overleg, dat hun daar tot regel moet worden.

Zij zullen hier in nader betrekking gebracht worden met degenen, met wie zij daar zullen moeten leven en omgaan.

Zij zullen zich moeten leeren voegen naar het bestuur, de wetten en regels, waaraan zij ginds zullen te gehoorzamen hebben.

Hun zal, voor zooveel de gelegenheden daaraan kunnen worden dienstbaar gemaakt, liefde ingeprent worden tot geduld, verdraagzaamheid en onderlinge toegenegenheid, welke zoozeer

174

-ocr page 193-

KOSTEN VAN OVEIUÏUENGEN.

kuuuen bijdragen tot bevordering van hnn eigen welzijn en tot eene wenschelijke bereiking van dit gedeelte van ons plan.

OVEUBUENGING NAAR DE KOLONIE OVER ZEE.

Wij zijn nu gekomen tot het beantwoorden der vraag: «boe zullen de kolonisten naar de plaats hunner bestemming worden overgebracht?»

Dit is een punt, dat groote moeielijkhedRii oplevert, zoolang het redmiddel niet op zeer groote schaal zal kannen worden toegepast. Toch zal het niet van overwegend belang blijken, wanneer wij op de volgende bijzonderheden acht geven.

Dat de overbrenging van een groot getal zal medewerken om de kosten per hoofd minder te maken. Landverhuizers, naar zulk een punt in Zuid-Afrika, als wij op het oog hebben, worden met inbegrip der reis te land, er voor £ 8, (dat is voor 90 gld.) heen gebracht. Bij eeu aanmerkelijk getal zou op dit bedrag per hoofd niet onbelangrijk zijn af te dingen.

Verscheidene der kolonisten zullen nabestaanden niet ontbreken, die hun in de kosten van overtocht en uitrusting hulp kunnen bieden.

Al de ongehuwden zullen in de stads- en buitenkolonie reeds een deel hebben verdiend, dat tot tegemoetkoming in de over-tochtskosten strekken kan. Na eenig tijdsverloop zullen er in de kolonie zelve gevonden worden, die geld hebben overgespaard om betrekkingen in hun overkomst behulpzaam te zijn. In Australië en Amerika hebben wij het voorbeeld, hoe op deze wijze millioenen, hoewel armoedig, maar door bloedverwanten ginds geholpen. Europa hebben kunnen verlaten.

Alle kolonisten en landverhuizers verbinden zicli in den regel bij wettelijk contract, om al wat hunne overtocht en uitrusting gekost hebben, bij gedeelten terug te betalen. Eeu fonds uit deze bijdragen verzameld, kan aan het zenden van nionwe af-deelingen vertrekkenden worden dienstbaar gemaakt.

Indien dit hier voorgestelde plan met beleid wordt ten uitvoer gelegd, en voorts met ruime hand ondersteund, zou het overbrengen van onze overbevolking niet slechts eene mogelijkheid zijn, maar zou mettertijd eene werkelijkheid worden tot groot voordeel der overgebrachten, van het vaderland en tevens van het nieuwe vaderland der kolonisten. De geschiedenis van Australië en van de Vereenigde Staten van Amerika strekt ten bewijze, dat het aanbevolen middel daar op gelijksoortige wijze tot goede uitkomsten heeft geleid.

175

-ocr page 194-

DE KOLONIE EN DE KOLONISTEN.

Onloochenbaar is het, dat de eerst naar Amerika vertrokkenen, personen waren in ontwikkeling verre staande boven de meerderheid van hen, die wij zullen kunnen uitzenden; maar evenzeer is het waar, dat later gansche stroomen weinig ontwikkelden zijn overgekomen zonder aan den bloei en welvaart des lands werkelijk te schaden. Wat ons aangaat, spreekt liet in het voordeel van ons plan, dat wij niet in deu blinde rijp en groen zullen overzenden, maar dat allen die komen, reeds eene opvoeding en tucht naar den eisch der nieuwe omgeving achter den rug hebben.

Laat mij een misverstand omtrent de overzeesche kolonie voorkomen met de opmerking, dat al mijne voorstellen op dit punt allen slechts voorloopig en zonder eenig vast bepaald plan zijn. Mijnerzijds ben ik geheel vreemd aan het voornemen om aan hetgeen ik hier heb voorgesteld onherroepelijk vast te honden. Gaarne zal ik alles wijzigen wat, na rijper overleg met meer deskundige en meer ervaren mannen, voor verbetering vatbaar kan blijken. De heer Arnold White, die reeds twee partijen kolonisten naar Zuid-Amerika heeft overgebracht, is in dit land een van de weinigen, die bij eigen ondervinding de moeielijk-heden kent, welke aan een deugdelijk koloniseeren verbonden zijn. Door tnsschenkomst van iemand, met ons beiden bevriend, heb ik de gelegenheid gehad, om onze aanteekeningen en mee-ningeu te vergelijken, en na dit met groote opmerkzaamheid en nauwkeurigheid gedaan te hebben, verstout ik mij te beweren, dat in mijn hier ontwikkeld plan niets is, wat op wezenlijke punten verschilt, met de door hem verkregen uitkomsten zijner ervaring. Na een paar maanden zal mijn boek over geheel de wereld lezers hebben. Is het zoo ver, alsdan reken ik op een schat van opmerkingen, en heb ik hoop op de dienstaanbiedingen van kolonisten uit ieder land, wier personen en reeds doorleefde ervaring voor onze taak van het hoogste belang zullen blijken. Loopt alles naar de door mij ontworpen plannen, dan is de kolonie over zee daarvan het deel, dat het allerlaatst zal worden beproefd. Voorzeker lang voor eene eerste groep landverhuizers gereed is om den oceaan over te steken, zal ik de gelegenheid ten overvloedigste hebben om de hier gedane voorslagen te wijzigen en verbeteren naar de beter inzichten en rijper ervaring van do bekwaamste mannen uit ons Vereenigd Koninkrijk en zijne Koloniën.

176

-ocr page 195-

NOODIGE VOORLICHTING. 177

TWEEDE AT\'UEELING.

V r ij e I n ii (I v c r h ii i / i ii g.

lu onze opmerkingen, ook bij het behandelen van het punt der kolonie over zee, hebben wij er op gewezen, dat naar het algemeen gevoelen van allen, die deze zaak werkelijk bestudeerd hebben, het sociale vraagstuk voor een aanzienlijk deel er zijne oplossing in vinden moet, dat op de beste wijze onze overbevolking naar daarvoor aanbevelenswaardige punten buitenslands verplaatst worde. Hierbij vergaten wij niet, om op de daaraan verbonden moeilijkheden en bezwaren te wijzen. Hoofdzaken zijn: de geringe lust bij velen om tot zoo groote verandering te komen, als het verhuizen van het eene land naar het andere insluit; de kosten aan zulk eene verplaatsing verbonden; en de vrij algemeene ongeschiktheid voor het leven, dat een landverhuizer wacht.

Voor zooveel ons eigen bepaald plan aangaat, schijnt het mij, dat met dit alles voldoende rekening is gehouden. Intusschen buiten de personen, om wier redding uit hun maatschappelijke schipbreuk het ons voornamelijk te doen is, leeft er eene menigte personen, en dit over de gansche uitgestrektheid van ons land, die gaarne naar overzeesche landen zouden willen trekken, indien hun daartoe maar de helpende hand geboden werd. Zulken zouden wij, voor zooveel daartoe bij machte, gaarne op de volgende wijze willen te hulp komen.

1. Door het openen van een bureau te Londen, waar het de bepaalde bezigheid der daar aangestelde officieren zou zijn, in het bezit te komen van alle verkrijgbare voorlichting omtrent voor landverhuizing geschikte oorden. Voorts in hoever deze geschikt zijn en in het tegenwoordig oogenblik zich leenen voor verschillende handwerken en beroepen. Daarnevens betrouwbare aanwijzing omtrent te verkrijgen grond en werk; de standaard der looneu en dergelijke. In deze onderzoekingen zullen worden opgenomen het bedrag van het passagegeld, spoorwegvracht, uitrusting, en alles wat verder den landverhuizer nuttig is vooraf te weten.

2. Uit dit bureau zal aan ieder, die zulks verlangt, inlichting verstrekt worden.

3. Bijzondere schikkingen zullen getroffen worden met stoom-

12

-ocr page 196-

VMJE LANDVERHUIZING.

boot- en spoorwegmaatschappijen, en met landagenten; schikkingen, welke den landverhuizers zullen ten goede komen, wanneer zij van ons bureau gebruik maken.

4. Voor zooveel ons mogelijk, zullen wij aanbevelingen medegeven aan vertrekkenden, en zoo hen onder de hoede stellen van agenten en vrienden ter plaatse, waarheen zij verhuizen.

5. Zij, die over landverhuizing denken, en begeerig zijn daarvoor geld over te sparen, kunnen dat door dit bureau in de bank des legers beleggen.

6. Wij koesteren de verwachting, dat gouvernementsaannemers en andere werkgevers, die kolonisten van betrouwbaar karakter wenschen, zich bij ons bureau voor dezulken zullen aanmelden; en dat zij daarbij gunstige aanbiedingen zullen doen met betrekking tot de kosten van passage enz.

7. Geen landverhuizer zal op aanvrage van de overzijde worden uitgezonden, zonder dat tegenover de terugbetaling der kosten ook volle waarborg kan worden gegeven ten aanzien van karakter, bekwaamheid en werklust.

Een bureau als het door ons bedoelde zal inzonderheid nut kunnen hebben voor vrouwen en jeugdige meisjes. Er moeten wel in ons land een overgroot getal van dezen schuilen, die hongerlijden en zonder vooruitzicht zijn, terwijl zij aan de overzijde zeer welkom zouden wezen. Ons landsbestuur, en niet minder heeren en vrouwen ginds, zouden zeker de kosten van overtocht zeer gaarne ten deele of zelfs geheel vergoeden, wanneer zij zekerheid hadden, dat zulk eene schikking voor beide partijen voordeel opleverde.

De werkzaamheden van het leger zijn reeds nu zoo algemeen verspreid, en ons bureau zal zijne agentschappen wel spoedig zoo kunnen vermenigvuldigen, dat het weinig of geene moeite zal kosten inlichtingen in wederzijdsch belang te geven.

DERDE AFDEEL1NG.

11 c 1. reitdingsleper-schip.

Wanneer door ons eene partij landverhuizers is uitgekozen, die wij genoegzaam voorbereid rekenen, om zich op het voor

178

-ocr page 197-

EIGEN SCHEEPSGELEGENHEID.

hen in gereedheid gebrachte deel lands te vestigen, zal het heengaan voor hen niets verschrikkelijks hebben. Wie ooit op lerlands Westkust landverhuizers zag vertrekken, en getuige was van de wanhoopskreten bij het scheiden van bloedverwanten, begrijpt lichtelijk den bestaanden afkeer van landverhuizing, en kan zonder moeite in de daardoor verwekte aandoeningen deelen. Wanneer echter ons troepje op reis gaat, kan er van verscheuren van liefdebanden geen sprake zijn.

Wij zullen gansche gezinnen, vaders, moeders en kinderen overbrengen. De bijzondere personen zullen groepswijze worden bijeengevoegd, en gezinnen zullen door hun verblijf in de landbouwkolonie reeds gedurende maanden buren en bekenden zijn geweest, door elkander bij den veldarbeid, in de werkplaatsen en bij de godsdienstoefeningen te ontmoeten en leeren kennen. Het zal weinig anders zijn dan het losmaken van een stukje Engelsch grondgebied, om dit in zijn geheel naar zonniger streken over te brengen. Het schip, dat de emigranten opneemt, zal op de terugreis voortbrengselen van de hoeven in de verre, kolonie medenemen, en zoo zal er een heen en weder reizen tusschen het Moederland en de Kolonie ontstaan, waardoor wie hier en ginds zijn, zich leden van hetzelfde groote gezin zullen blijven gevoelen.

Niemand, die ooit den oceaan overstak, heeft kunnen nalaten te zien en er pijnlijk door getroffen te worden, hoeveel zedelijk gevaar voor landverhuizers in de reis zelve gelegen is. Hoe groot is het aantal meisjes, die haar val te wijten hadden aan de verzoekingen verbonden aan de overtocht naar bet land, waar zij zich eene zoo gelukkige toekomst hadden voorgespiegeld!

Satan weet altijd kwaad te brouwen aan wie den tijd in ledigheid doorbrengen. Zoo ergens dan vindt de verleider op een emigrantenschip handenvol werk. Begeef n eens aan boord naar het verblijf der gewone reizigers en gij ziet de verveling op aller gelaat geteekend. Het nietsdoen weegt de mannen zoo, dat er niets meer noodig is dan het opmerken van een zeil aan den horizon om eene algemeene ziellooze belangstelling en gebabbel te wekken. Ik zie niet in wat zulk een toestand noodzakelijk maakt. Wanneer het slechts korte reizen betreft, waarbij men er naar jaagt om passagiers en brieven en vrachtgoed in den kortst mogelijken tijd over te brengen, zou het dwaasheid zijn zich moeite en kosten te getroosten, om.aan bepaalde bezigheid of onderwijs te denken. Geheel anders wordt echter de zaak, wanneer het niet zulk een versneld overtochtje naar Amerika geldt, maar landverhuizers het aangezicht naar Zuid-Afrika of Australië ge-

179

-ocr page 198-

HET REUDINGSLEGEUSCUIP.

keerd hebben. Daarbij moeten zelfs onze grootere zeestoorabooten weken op de golven verblijven. Zonder bepaalde regeling wordt het gevolg daarvan ledigheidsgewoonten, het aanknoopen van verkeerde betrekkingen, en al wat leiden kan om de vruchten eener goede en godsdienstige opvoeding te vernielen.

Om deze kwade gevolgen te voorkomen en af te snijden, meen ik, dat het voor ons wenschelijk, ja bijna gebiedend noodzakelijk is, om zoo spoedig mogelijk in het bezit van een eigen schip te geraken. Voor ons doel zou gewis een zeilschip wel het allerbeste zijn. Het vraagstuk van tijd daargelaten, dat voor ons van slechts bijkomend belang zou zijn, is het duidelijk, dat bouw en inrichting van een zeilschip ons meer ruimte voor het goed plaatsen van passagiers en voor allerlei handwerk zon laten. In het bezit van een zeilschip, zon dit ons bij aankoop reeds minder gekost hebben, zoo het ons niet ten geschenke gegeven werd, wat ik geenszins ondenkbaar acht, terwijl de loopende onkosten zoo belangrijk minder wezen zouden.

Al de emigranten zouden voorts onder het voortdurend toezicht der officieren van ons leger zijn, waardoor het mogelijk zon blijken, om de reis zelve in plaats van zedenbedervend, nuttig en voordeelig te maken.

Voorts bleek het ons, dat het bij het regelen van landverhuizing naar Australië een der moeilijkste vraagstukken is, hoe de transporten voldoende te dekken. Daar het overbrengen van een persoon uit Engeland zeven tot acht weken vordert, is de moeilijkheid niet zoozeer gelegen in wat als vracht geëischt wordt voor de scheepsreis op zichzelf, maar in de hoeveelheid leeftocht, welke hij gedurende zulk een tijdsverloop noodig heeft. Nu brengt ons plan mede, dat de landverhuizers althans een deel der kosten zouden kunnen opwinnen. Br is geen enkele reden, waarom iemand aan boord niet even goed geld zou kunnen verdienen als aan den vasten wal. Het spreekt van zelf, dat bij bepaald slecht weder niet veel zou kunnen worden uitgericht; doch dooreengenomen zal het aantal dagen, die ongebruikt zullen moeten verloren gaan tusschen het Kanaal en de Kaapstad niet zoo groot zijn.

Wanneer het schip duikt en rolt, is er aan werken niet veel te denken; maar zoodra slechts de kolonisten zeebeenen verkregen hebben en niet meer van zeeziekte weten, is zelfs op zulke tijden nog wel een of ander te verrichten, dat in het belang hunner reiskosten meer winstgevend is dan in ledigheid te gapen en op het dek rond te slenteren. Matrozen, stokers en ieder, die verder met het scheepswerk wat te verrichten heeft,

180

-ocr page 199-

ARBEID AAN liOORU.

moeteu op zulke tijden wel verschillend werk doen, en waarom zou dan ook de kolonist niet kunnen leeren om evenzeer met den tijd te woekeren?

Het spreekt vanzelf, dat om dit doel te bereiken bijzondere regelingen zouden moeten worden uitgedacht, en met het in bezit hebben van een eigen schip zou dit wel zoo moeilijk niet vallen. Bij oppervlakkige beschouwing is het niet terstond zoo duidelijk, wat juist aan boord voordeelgevend zou kunnen worden verricht, en voor ieder iets passends te vinden zal overleg ver-eischen.

Hier staat echter tegenover, dat allen, die met ons scheep gaan, een leertijd achter den rug hebben, waarin op dit punt meer bij/iOnder is kunnen gelet worden.

Zoo kan na wat voorbereidende leiding vrij wat gewoon scheepswerk door de kolonisten zeiven gedaan worden; het schoonmaken en bereiden van spijzen; het schoonhouden van het dek en van de verschillende verblijven; en eindelijk het in- en uitladen van het schip. Onder een goed en vast bestuur zou veel van dit alles door de emigranten kunnen geschieden. Schoenmaken, naaien, breien en al dergelijken kan ook geschiktelijk de handen bezighouden. Ik acht het niet onmogelijk, dat naaimachines zouden te hulp kunnen genomen worden en dat in dat geval heel wat bij voorbaat te maken was, dat terstond bij aankomst tot goeden prijs zou te verkoopen zijn.

En niet slechts een bijenkorf van allerlei arbeid zou het schip kunnen zijn, maar tevens een drijvend bedehuis. Wanneer kapitein, stuurlieden en bemanning allen tot hot reddingsleger be-hooren, zullen van zelf allen er het hoogste belang in stellen, dat alles zoo goed mogelijk geschiede. Nog brengt de aard en gesteldheid van het leger mede, dat de bezoldigingskosten bij ons beneden de gewone zullen blijven. Al verder zal ons schip bij zijn langzaam zuidwaarts stevenen, op de reis elke geschikte haven aandoende, als vanzelf een zendingsbode te meer worden. l)e invloed dergeuen, die nu de groote wateren bevaren, is niet altijd tot bevordering van goede zeden en gewoonten, maar met een schip, in alles geregeld als het onze zijn zal, moet het niet onmogelijk blijken om in plaats van ongebondenheid, liefde tot God en de broederen te helpen aankweeken en bevorderen.

181

-ocr page 200-

HOOFDSTUK V.

Sieuwc re tidings toe lit vu.

Zoo beknopt mogelijk heb ik de hoofdtrekken geschetst van het drievoudig plan, dat dienstig kan zijn om een uitweg uit «het donkerste Engeland» te banen, om zijnen verlorenen hulp te bieden, opdat zij langs dit hun gebaande pad tot het licht en de vrijheid van een nieuw leven komen. Intusschen met het effenen van een breeden weg tot uitgaan uit dit dichte en verward dooreen gegroeide woud is niet genoeg gedaan. Iets meer dan het aanleggen van wegen is noodig tot redding dergenen, die in deze oorden van verlaging en hopeloosheid verblijven. Treffend leert het ons eene gelijkenis des Heeren, dat het zeer dikwijls niet genoeg is, het feest aan te richten en de gasten te noodigen; waar de persoonlijk genoodigden tot komen onwillig zijn, hooren wij den Gastheer zijnen dienstknechten belasten tot wegen en heggen uit te gaan en armen en haveloozen, wien anders alle vrijmoedigheid tot komen ontbreken zou, door liefdedrang tot ingaan te dwingen. Dit persoonlijk door liefde dwingen blijft tot den dag van \'s Heeren toekomst de verplichting en het eigenaardig kenmerk zijner dienstknechten. Alles wat ook de wereld uit redenen van belang en eerzucht vermag, kan evenzeer eene vrucht van de liefde des geloofs zijn, maar is nog niet hare eigene en eigenlijke vrucht, welke alleen daar groeien en rijpen kan, waar aan den voet des kruises de liefde Gods in de harten is uitgestort. Daarom kunnen wij, wanneer waarlijk de liefde van Christus ons dringt, de roeiriemen niet neerleggen en rust nemen, zoodra de daartoe benoodigde geldsommen ons hebben in staat gesteld, het plan onzer Stads- en Buitenkolonie te verwezenlijken. Gok bij het volkomenst wei-gelukken is daarmede nog niet meer bereikt dan het mogelijk

-ocr page 201-

DE TAAK ])ER LIEFDE.

maken vau onzen eigenlijken arbeid, de taak der liefde, die van geen rusten weet, omdat tot den laatsten tevensdag toe haar arbeid hier eeu niet voleindigde is. Niets wat door geld of andere ongoddelijke kracht bereikbaar is, kan op zichzelf zielen verlossen en behouden. Dit vermag alleen de liefde, die uit God is, omdat het begin en het einde van haar werk het winnen of liever terugwinnen van des Vaders verloren kinderen voor den Vader is, die niet wil, dat eeu eenige hunner verloren ga, maar dat zij door het zien en erkennen der waarheid tot zijne volle liefdesgemeenschap komen, j

Dit wetende, grondt zich daarop ons erkennen van de noodzakelijkheid om blijvende nieuwe verlossingslegers te verzamelen en te oefenen tot de veelomvattende taak om de ellendigen, die in duisternis en hopeloosheid omdwalen, begeerig te maken naar verlossing uit hunne slavernij en ellende, en bij de gewekte begeerte hen ter zijde te staan in bet verkrijgen van de goederen eens nieuwen levens. Ieder had nu eeuigen tijd geleden den mond vol van Stanley en Emin. De verbonding tusschen die beide mannen kan ons een goed beeld leenen, tot het recht verstand van onze eigenlijke christelijke roeping. Ieder door God begenadigde, die van de doodelijke slangenbeet der zonde door het geloovig opzien tot den aan het kruis verhoogden Christus genezen en in hem des eeuwigen levens deelachtig werd, heeft bier op het gebied van dood en verderf zijn Emin te zoeken en te vinden. Dit zoeken en vinden is eene liefdetaak, die het gansche hart vordert en door geen goud of plaatsvervanging kan worden afgekocht.

Niet door goud of zilver maar met zijn eigen bloed heeft de Christus ons vrijgekocht, en tot geen minderen prijs dan dien der persoonlijk betoonde liefde kunnen wij zielen winnen voor het Koninkrijk Gods. Erger dan de door Stanley gezochte zijn onze Emins er aan toe. De duivel is hun Mahdi, en ook nadat zij dezen als hun doodvijand hebben erkend, zijn zij een prooi van besluiteloosheid door menschenvrees, valscbe schaamte en al de beweegredenen hunner verdorvene levenssfeer, waardoor zij zich laten terughouden en binden. Geen mindere volharding om alle bezwaren te boven te komen dan Stanley kenmerkte, moet ons als boden en gezanten van den Meester, die boven allen is, in zijn reddingswerk onderscheiden. Of stelt hij zich in eischen als deze met eene mindere toewijding tevreden? «Zoo iemand achter mij wil komen, die verloochene ziohzelven, neme zijn kruis op en volge mij. Wie zijn kruis niet opneemt en mij navolgt, is mijns niet waardig.» Die persoonlijke en heilige

183

-ocr page 202-

NIEinVE REDDINGSTOCHTEN.

184

liefdedrang, welke als vuur het innerlijk leven doorgloeit en als verteert, leidt niet tot geringachting van de stoffelijke hulp, welke meuschen verleenen kunnen, maar doet die veeleer op de rechte, dat is de volle waarde schatten. Had niet eene belangstellende commissie Stanley ter zijde gestaan door het openen van een weg uit het Binnenland naar de Zeekust, beiden Stanley en Emin zouden waarschijnlijk nu nog in Soedan zijn opgesloten. Een waar geloof is vreemd aan de geestelijke blindheid, die uitwendige, volstrekt noodzakelijke hulpmiddelen niet weet te waar-deeren of zelfs in overmoed veracht. Heeft niet de Heer zelf in de voorheelden van den dwazen torenbouwer en van den lichtzinnig ten strijde trekkenden koning aangetoond, dat de kinderen des lichts althans geene mindere voorzichtigheid moeten betrachten dan de kinderen dezer wereld? In den blinde eenig fundament te leggen en met eene krijgsmacht ten strijde te gaan, niet berekend naar des vijands macht, teekent geen geloof, maar eeue roekeloosheid, die enkel vau hoogmoed of van overmoed getuigt. Ook de weg, dien wij van de oorden des verderfs naar de kust des behouds willen banen, moet naar al de eiscben van zulk een reddingswerk gelegd, maar door dien weg wordt nog bet reddingswerk zelf niet meer dan mogelijk. Ueeds in den te verlossen Emin kunnen wij dit zien. Do weg is bereid en staat voor hem open, maar hij kan tot den beslissenden stap niet besluiten; hij aarzelt en verkeert in twijfel wat te doen. Wie meenen mocht, dat hij met onze Emins een lichter taak zal hebben, bedriegt zichzelven. De redenen er van schuilen zoowel bij onszelven als in do te verlossen ellendigen. Stanley beoogde de redding van een gevierd man, op wien in twee werelddeelen aller oogen gericht waren. Zoolang de verlorene ons niet nog hooger staat, omdat wij in hem den Redder onzer eigene ziele aanschouwen, zoolang de liefde van Christus ons niet dringt ons zei ven en alles te vergeten wat ons kan doen vertragen en versagen, zullen wij niet berekend blijken voor de overzware taak, waaraau wij met zelfvertrouwen de hand sloegen. «Zonder mij kunt gij niets doen», is een woord des Heeren dat ons niet te diep in het hart gegrift kan staan. Geene goud- en zilvermijnen kunnen ons verder brengen dan tot het punt, waar alleen zijne kracht en hulp het werk met een blijden uitslag kan kroonen. Na mij tot voorkoming van misverstand op dit punt duidelijk te hebben uitgesproken, ga ik nu over om enkele wegen en middelen te schetsen, met hulp van welke wij zullen pogen de in Engelands donkerste wildernissen verblijvenden te bewegen tot het geloof aan de mogelijkheid van verlossing, en aan de

-ocr page 203-

WAT DE ACHÏERBUmiT TE ZIEN GEEFT.

voorrechten, die hun een nieuw, door Christus geheiligd leven schenken zal.

liERSTH AFUEKL1XG.

Een kruistocht in tie avUtcrkiiiirtskrottcn. — Onze in tlic holen der ellentle werkzame zusters.

Toen professor Huxley, nadat hij belast was geweest met het gezondheidstoezicht in Oost-Londen, later zijn oordeel uitsprak over het leven van de lagere volksklasse daar, verklaarde hij, dat omgevingen, als waarin de wilden op Nieuw (luinea leefden, bevorderlijker waren aan het leiden van een den mensch niet geheel onwaardig leveu, dan de toestanden, waarin de bewoners van Oost-Londen verkeerden. Helaas, het is niet onkel in Londen, dat holen en krotten bestaan, waarin medemenscheu, die in de voorrechten onzer christelijke beschaving behoorden te deelen, als een wildenras wegschuilen en voortteolen. Alle groote steden, zoowel in de Nieuwe als in de Oude Wereld, hebben hare achterbnurtskrotten, waar mannen en vrouwen met hunne kindereu tusschen vuilnishoopen en walgelijk ongedierte een ellendig leven voortslepen. Zij vormen een menschengroep alleen te vergelijken met de melaatschen, die in de middeleeuwen in de Leprozenhuizen eene verafschuwde schuilplaats vonden.

1S5

in die dagen van duisternis waren het St. Kranciscus van Assisi met de heldenschaar onder zijn liefdestaf, die tot de melaatschen uitgingen en in hun midden buiten de stadspoorten verblijf hielden, om den ongelukkigen te doen beseiten, dat zij nog als. menschen geacht en rechthebbenden op het Evangelie vau Christus waren. Om veel wordt onze ten einde spoedende eeuw terecht geroemd, maar zijn uiet bij wat zij grootsch en heerlijks bezit, de steeds voortbestaaude achterbuurtskrotten haar tot een dubbel oordeel en schande? Gelukkig aanschouwen wij ook nu nog eene liefde tegen zooveel zonde en ellende opgewassen, en gepaard met den geloofsmoed om den kamp daarmede te bestaan. Was echter Franciscus een aanvoerder van mannen, onze achterbuurtsbrigade telt enkel vrouwen. 1)

i) Het verdere van dit hoofdstuk verplaatst ons o. a. in Nieuw-Yorks armen-

-ocr page 204-

EEN KBUISTOCUT IN DE ACHTEBBUUllïSKliOTTEN,

Ik heb een honderdtal vau dezen ouder mijn bevel, meestal jonge vrouwen, allen werkzaam op buitenposten in het hart van des duivels eigen grondgebied. De meesten van haar zijn kinderen van armen, van hare eerste jeugd af gewend aan de hardheden onzer maatschappelijke levenarichting. Toch zijn in haar midden ook vrouwen van opvoeding en beschaving, die niet geaarzeld hebben, om de weelde en gemakken eener zaal in het West-End te verwisselen met een dienstdoen onder de diepst verlaagden,, en om daartoe te verblijven in onoogelijke kleine vertrekken, wier muren van ongedierte bedekt zijn. Zoo

holen, en maakt ons, indien wij daarvan nog onkundig mochten zijn, getuigen van het feit: dat er te midden der christelijke beschaving woonplaatsen voor menschen zijn, minder dan dierenholen, en waarvoor het woord hel eene niet overdreven benaming mag heeten.

Aan den liefdearbeid, welken het Evangelie van zijne belijders eisclit, brengen vrouwen, in den regel meest jeugdige vrouwen, haar leven ten offer. Wie van haar arbeiden lezen kan, zonder dat zijn hart van eerbied en bewondering trilt, is wel den naam van mensch onwaardig en innerlijk voor alle liefdebesef versteend. Intusschen hebben wij ons voor het gevaar te wachten, dat de arglistigheid van ons hart ons niet met onszelven al zeer tevreden maakt, omdat wij die vrouwen nog weten te bewonderen; maar het dan ook daarbij laten, als brachten deze getrouwen een offer, dat, hoewel ook wij naar Christus ons noemen, geheel buiten onze levenssfeer en roeping gelegen ware. Wij hebben bij ons lezen wel en gedurig te bedenken, dat al wat deze zusters doen, hoe beschamend wellicht voor ieder onzer, de grens niet overschrijdt aan al \'s Heeren belijders en volgers gesteld, in zijn als Machthebbende gesproken woord: «Predikt het Evangelie (de blijde boodschap van het gekomen zijn van het Godsrijk voor allen) aan alle creaturen.» Dit woord van Hem, die voor ons stierf en de macht van dood en zonde te niet deed, stelt eischen, waardoor ook zelfs op deze vrouwen van toepassing blijft de uitspraak van onzer aller eenigen Meester: «alzoo ook gij, wanneer gij zult gedaan hebben al hetgeen u bevolen is, zoo zegt, wij zijn onnutte dienstknechten, want wij hebben niet meer gedaan dan hetgeen wij schuldig waren te doen.»

Zeggen wij dit, om de toewijding dezer zusters naar onzen maatstaf tot iets gewoons te maken? Verre van daar. Of wijzen wij er op, om den Meester, wiens laatste woord ook haar geldt, hard te noemen ? Gewis nog minder. Wat wij wenschen is, dat ieder onzer er bij stilsta, om te dieper te beseffen den oneindigen afstand tusschen het beste, dat menschen vermogen en de geheel eenige weldaad, welke den Christus recht op den naam Zaligmaker geeft. Nemen wij daarbij dit ter harte, dat des Scheppers «God zijn» tegenover ons «mensch zijn» is, de macht bezitten (Hand. 17 : 25) «om leven te geven.»

Ook aan het allerkunstigste, dat de mensch op stoffelijk gebied kan voortbrengen, ontbreekt leven; van hoe groot vernuft getuigend, het is een dood stuk werk; maar wat op stoffelijk gebied terstond in het oog valt, geldt evenzeer op het gebied des geestes, zoolang wij onszelven leven en niet Christus met zijnen Geest in ons woont en werkt, als zonder wien wij niets kunnen doen. Het is alleen God, die het leven heeft en geeft. Als de het leven gevende is alleen hij: de levende God. De Heer deed den schriftgeleerden zijns volks gevoelen, (Joh. 10 : 31 39) hoe luttel op zichzelf de naam God beteekent, als die door de Wet ook aan menschen gegeven is. Zijne eenheid met den Vader grondde hij niet op een zich onbewezen toegeëigenden naam, maar op het door ieder waarlijk in hem geloovende ervaarbaar feit: «gelijk de Vader het leven heeft

186

-ocr page 205-

VOOKPOSTENSTKIJU.

leiden zij vrijwillig het leven van haren gekruisigden Heer mede voor de tot zelfs bij zijne gemeente vergetenen en verwaarloosden, voor wie toch ook Hij, die voor ons allen als goddeloozen stierf, zijn leven ten offer bracht aan het kruis. Zij vormen eene der takken van de werkzaamheid des legers, waarop ik met de innigste deelneming en dankbaarheid staar. Zij zijn onze voorposten en als man tegen man met den vijand in strijd.

Voor menschcn, die een goed tehuis hebben, en tot kerken met van kussens voorziene banken opgaan, moge er iets zonderlings en minder verfijnds in gelegen zijn, wanneer zij in de Bijbeltaal van den duivel als eene bestaande per-

in zichzelven, heeft hij ook den Zoon gegeven het leven le hebben in zichzelven.» Daarom heeft hij, en hij alleen kunnen zoggen : «ik ben de opstanding en het leven. Mijne schapen hooren mijne stem en ik geef hun het eeuwige leven, want gelijk de Vader de dooden opwekt en levend maakt, maakt ook de Zoon levend, die hij wil.»

Op dien grond heeft dan nu ook de Heer recht, om aan allen, wien hij het leven gaf, eischen te stellen als hij doet, en dit zonder dat wij ooit verdiensten kunnen laten gelden en meer doea dan wij schuldig waren. liet uitnemendste daarvan is reeds voor ons vervat in zijn machtwoord: «predikt het Evangelie» — niet slechts aan wien dit u gemakkelijk valt en aangenaam is, maar zonder eenige beperking mijnerzijds — «aan aUc creaturen.quot;

Tot zoo onvoorwaardelijke gehoorzaamheid en trouw verplicht ons onze doop. Dit voor ons zichtbaar teeken stelt aan onze conscientie den eisch: (1 Petr. 3:21) ons voor alle dingen te voegen naar den wil van den overwinnaar des doods, die het leven en de onverderfelijkheid heeft aan het licht gebracht: «maakt alle volken tot mijne discipelen.»

Dit bedenkende blijve alzoo het gevoelen verre van ons, als stonden deze zusters als zoogenaamde «kerkheiligen» verre boven het peil door het kruis van Christus aan zijne gansche, den Vader met zijn bloed gekochte gemeente tot levenssfeer van haar dankbaar liefdebetoon gesteld. De toestanden, waarin zij leven en arbeiden, maken alleen het beschamend openbaar, hoe diep in het algemeen het gemeenteleven nog beneden onze doopsverplichting staat. Toen de gemeente liever weder priesters tot heeren en meesters had, omdat doop en avondmaal, de eigen instellingen van den eenigen Middelaar Gods en der men-schen, haar als «de vraag eener goede conscientie tot God» te lastig werden, hebben hare nieuwe en gedienstige meesters beiden tot buiten de conscientie omgaande kerkplechtigheden, dat is, tot alleen tot de zinnen sprekende vormelijkheden verlaagd.

Nog is de gemeente bij steeds voortdurend verschil en twist over de betee-kenis van doop en avondmaal niet geheel verlost van de gevolgen van dit onheilig priesterbedrijf. Van deze onloochenbare waarheid geven niet alleen getuigenis de negerslavernij, het opdringen van opium en sterke dranken aan de heidenvolken, maar in den grond der zaak nog sterker het bestaan van poelen van helsch verderf te midden der brandpunten onzer beschaving, als waarin Booth\'s vrouwenleger en daarnevens zoo vele diakonessen, bijbelvrouwen enz. tot onuitwischbare schande der gemeente arbeiden. Zoolang het: «Predikt het Evangelie aan alle creaturen,» niet is het kenmerk en de openbaring van ons gemeenteleven, zal 1 Kor. 13 tot een oordeel van een leven geschreven staan, dat beantwoorden moest, maar niet beantwoordt aan \'s Heeren woord: «hieraan zullen zij allen bekennen, dat gij mijne discipelen zijt, dat gij liefde hebt onder elkander.»

Vert.

187

-ocr page 206-

ONZE IN DIE HOLEN DER ELLENDE WERKZAME ZUSTERS.

soonlijkht\'id hooren gewagen, en van den strijd legen zonde en onreinheid als een strijd op loven en dood legen de machten der hel; een gansch andere indruk is het, dien onze zusters in hare omgeving van die zoo ontzaglijke bewoording ontvangen. Wonende in een atmosfeer, altijd bezwangerd van vervloekingen en verwenschingen, onder menschen als sponsen van bedwelmend vocht doortrokken, in buurten, waar de zonde zich in alle deukbiire misdaden en onreinheid openbaart, hebben al dezo Bijbelsche uitdrukkingen eene even werkelijke beteekenis als de dagelijksche prijsopgaven der ellekten voor den beursbezoeker. To midden van een Christenland en zijne kerkgemeenten verkeeren zij dag aan d.:g als aanschouvvers van toestanden, welke met geen zachter naam dan helsch naar waarheid benoemd zijn; en in die onderwereld der christelijke b-schaving, strijd voerende tegen booze geesten, wier naam nog steeds leyio blijft, is liet haar wel onmogelijk een oogenblik aan het niet werkelijk bestaan van hel en duivel te twijfelen. Zoo iets bewijst, dat Gods kracht in zwakheid wordt volbracht, is het wel do voorpostenstrijd dezer weerloozen; maar die ook bij ervaring mogen weten, dat Gods genade haar genoeg is tut niet versagen en tot een altijd triumfceren in Christus. Als eene reuke des levens ten leven verkeeren zij in deze oorden van dood en verderf.

Als «zusters der ellendigen» en, naar het voorbeeld door den lieer bij het uitzenden der twaalvo en der zeventig gesteld, gaan zij twee aan twee uit, en leven in dezelfde verblijven als do voorwerpen harer onlferming, waar haar kamertje zich van dat van anderen alleen onderscheidt door de zindelijkheid en orde, die er heerschen, en door de eenvoudige, iets betere meubelen. In een woonverblijf van dien i\'ard huizen zij hot gansche ja:ir door on wijden zich aan hot bezoeken van kranken, hot verzorgen van kindoren, en het met geduld on zachtmoedigheid onderrichten der vrouwen, hoe zichzelvon en hare woningen meer rein en betamelijk te makon en te houden. Igt;ij het streven naar hervorming in dit alles, vervangen zij niet zelden kranke moeders, dezen zoo met do daad toonondo, dat èn hoe een gewenschte omkeer te verwezenlijken is. Waar twist heerscht bevorderen zij den vrede; waar dronkenschap huist bepleiten zij de voordoeion van geheelonthouding; en op deze wijs niets voorbijziende of vor-waarloozondo, wat eene verandering ton goede in huis en hart kan brengen, prediken zij nog meer met daden dan met woorden der liefdo hot leven aan de wereld in Christus geopenbaard, en door hem in zijn aan hel kruis sterven voor allen, ook voor deze Paria\'s dor christenmaatschappij verkrijgbaar gesteld.

Van het werk, dat zij doen, aarzel ik to spreken. Om het naar waarde te te doen, ontbreken mij do woorden. Wat ik er van zou kunnen zeggen, zou te ver beneden de waarheid blijven en haar ganschelijk geen recht doen wedervaren. Liever dan zelf iets te pogen, bepaal ik mij lot een tweetal mededeelin-gen van dagbladschrijvers, die mol eigen oogen het werken dezer meisjes op haar arbeidsveld hebben aanschouwd. Hel eerste getuigenis ontleen ik aan een zeer lang artikel door Julia Hayes Percy voor de Nciv-York World geschreven. Zij beschrijft daarin haar bezoek .aan het zusterskwartier in Cherry Hill Alloys, het White Chapel van New-York.

Vier en twintig uren in de achterbuurtskrotten — juist een volle dag en nacht — maar in dat beperkte tijdsbestek is daar eene opeenhooping van ellende, verdorvenheid en verlaging tot erger dan dierlijkheid. te aanschouwen, dat het leven nooit meer hetzelfde zijn kan voor iemand, die getuige werd van zooveel verderf en ellende. Rondom en boven deze als met vloek en dood getroffen buurten, stroomt als daarvan gescheiden en daaraan geheel vreemd, het getijde van een leven, dat als het daaraan tegenovergestelde zich bovenal door werkdadigen arbeid en voor-

188

-ocr page 207-

NEW-ÏOllKS ONDERWERELD.

spoed schijnt te kenmerken. Mannen en vrouwen in deu luoht-spoorweg hoog gezeten en die de hooge brug, welke New-York en Brooklyn verbindt, dagelijks overtrekken, hebben bij hun druk en gejaagd leven niet de minste voorstelling van New-Yorks onderwereld. Zij weten niet, welk een ellendig leven daar geleid wordt, en hoe als gevolg daarvan er altijd meer misdadigers en besmettelijke ziekten gekweekt worden. De toestand, welke in deze holen van ellende bestaat, bedreigt in dubbel opzicht, lichamelijk en zedelijk, den gezondheidstoestand der bewoners; en met niet te verontschuldigen nalatigheid en onverschilligheid wonen zij bij den vuilnisput met niet meer vrees dan de Italiaan, die zjju huis bouwt en zijne wijngaarden en olijven plant op de hellingen van den met verwoesting dreigenden Vesuvius. Wie moet niet met mij schuld belijden als hij bedenkt dat hij in dc nabijheid van zooveel ellende avond aan avond gedachteloos of slechts aan eigen zaken deukende, van New-Yorks handelsdrukte over de groote brug huiswaarts gaat?

Het eerste doel van onze tocht is de verblijl\'plaats van de soldaten van het Leger des heils in Washingtonstreet en van daar is onze bestemming een bezoek te brengen aan twee jonge vrouwen, officieren, die reeds maanden lang in eene van New-Yorks ergste armenbuurten hebben gewoond en dienst gedaan. Deze officieren echter leven niet onder het schild en de ontplooide banier des legers. De legervlag is hier opgerold en buiten het gezicht. Uniformgewaad en schuithoeden zijn hier afgelegd en van trommen en tamboerijnen kan hier geen sprake zijn. De boven haar ontrolde banier is de liefde, welke alleen het kruis van Christus macht heeft in het hart te doen ontplooien; eene liefde, welke het dezen vrouwen mogelijk maakte om als geheel gelijken onder de in dezen slijkpoel van misdaad en ellende weggezonken armen te leven, zonder beter, alleen zindelijker kleeding dan zij, met eenzelfde schamel voedsel zich voedend, en slapende op eene harde matras of op dgn kamervloer. Haar leven is geheel toegewijd aan een medearbeiden met God, als boden van Christus in het midden dezer armsten, en tot hot zoeken van hun behoud voor meer dan één leven. De eene dezer vrouwen kenmerkt zich door de volle ontwikkeling van een krachtig leven, de andere is een meisje, dat achttien jaren telt. De oudste der twee bevond zich reeds in afwachting van ons komen in het hoofdkwartier. Zij is rijzig en forsch, gekleed in eene grove bruine japon, met verscheiden inzetstuk-ken gelapt. Een katoenen schort, kunstig van zakken tot dienstdoen voorzien, kenmerkt alleen haar als eene soort diakones.

189

-ocr page 208-

EEN KRUISTOCHT IN UE A.CHTERBUURÏSKROTTEN.

Eene oude plaid dekt als shawl hare schouders, terwijl een bruine stroohoed, die van een lang dienstdoen getuigt, hare kleeding voltooit. Haar gewaad teekent vrijwillige armoede, maar haar gelaat een hemelschen vrede, als bewijs van de werkelijkheid van haar zich geheel geven tot haar moeitevol dienstbetoon. tDit is Emilie, of zooals wij haar onder ons noemen, Em,» zegt mevrouw Ballington Booth; en na nog eenige korte woordenwisseling vangen wij onzen tocht aan.

Naarmate wij de buurt verder ingaan wordt het uiterlijk voorkomen van alles steeds ellendiger. Em houdt eindelijk stil voor een vuil rookerig vensterraam, waarvan meer dan één gebroken ruit met papier is dichtgeplakt. Een kijkje door het berookte glas doet toch nog eene partij mannen onderscheiden, die bezig zijn met drinken en dobbelen. «Dit zijn buren aan den voorkant van ons huis,» zegt Em. Wij gaan den gang in en naar de achterkamer. Het is een klein maar warm woonvertrek. liet vuur brandt in de kleine gebarsten kachel, die kloek op haar drie pooten staat, terwijl een steen de plaats van den vierden inneemt en zijn ontbreken verhelpt. Een eenvoudig olielampje staat op de tafel, een zestal ook van dienstdoen getuigende stoelen bieden rustplaats, en een pakkist, waarop wij ons goed nederleggen, voltooit het ameublement. Aan dit vertrek grenst een klein achterhokje, dat tot slaapplaats dient. Hier is een ledikantje, terwijl een tweede bed opgerold tegen den muur ligt. Tegen de deur, toegang gevende tot de voorkamer, waar wij de mannen hadden bijeengezien, is eene stevige houten tafel, waarop waschgoed, geplaatst. Een kleine handkoffer en een kastje voor kleeding is al wat verder aan ameublement aanwezig is.

Era\'s zuster op dit arbeidsveld biedt ons een hartelijken welkomstgroet. Zij is een Zweedsch meisje met de blanke huid en het zacht golvend haar aan het Noordsche blonde type eigen. Haar hoofd doet me aan een vrouwenbeeld van Greuze in het Louvre denken. Gedurende nu reeds twee jaren is zij in het leger werkzaam. In dien tijd heeft zij Engelsch leeren lezen en schrijven, maar intusschen is zij al door werkzaam gebleven onder de armen en lijders. *

Het huis, waarin wij ons nu bevinden, was vroeger een der beruchtste in het Sherry-Hill-district. Het is de plaats geweest, waar eene reeks van gruwelijke misdaden werd afgespeeld. Daar was het ook, dat een Chinees zijne lersche vrouw op de gruwelijke wgs van Jack the Ripper vermoordde. Sinds echter Era en Mattie zich in dit verblijf gevestigd hebben, is daar binnen veel veranderd, en haar stille en beschavende invloed.

190

-ocr page 209-

BEZOEK AAN EENE ACUTERBUURTSKROEG.

doet zich ook in de naburige huizen merkbaar gevoelen. Het is intusschen acht uur geworden, en wij verlaten het huis, ieder gewapend met een voorraad kleine blaadjes, waarop een tekst en eenige opwekkingen tot een nieuwen levenswandel gedrukt zijn.

«Deze blaadjes,» zegt Em, «maken het ons mogelijk om plaatsen binnen te gaan, waar wij anders moeielijk zouden kunnen komen.»

Na een punt van wederontmoeten bepaald te hebben, verdeelen wij ons in twee partijen. Mattie en Lize gaan den eenen kant uit, en wij in tegenovergestelde richting. Van nu aan wordt onze tocht als een afdalen in den Tartarus. Em houdt stand voor eene kroeg, die er allergemeenst uitziet. Na een enkel woord met mij gewisseld te hebben, duwt zij de klapdeur open en wij treden binnen. De plaats is laag van verdieping, walgelijk door haar vuilen vloer, vol rook van de stinkendste soort van tabak, en geurende naar half bedorven bier en het minste soort sterken drank. Een vuile, lange toonbank beslaat de eene zijde van het vertrek, en daartegenover bevindt zich eene langwerpige tafel, waarop van allerlei onbeschrijfelijke lekkernij, ledige bierglazen, gedeukte hoeden en eindjes sigaren. Een schamele hoop mannen woelt in de bekrompen ruimte dooreen. Em spreekt een enkel woord tot de minst beschonkenen uit den troep. Verscheidenen nemen onze blaadjes aan, en nadat zij ons een weinig ruimte gelaten hebben, gelukt het ons ook hen, die aan het ander eind zijn, te bereiken. Werktuiglijk volg ik Em, door den vrede, die zich op haar gelaat teekent, in deze woeste, akelige omgeving gerustgesteld. Onder haren invloed vergeet ook ik mijzelve, om alleen te denken aan de droeve wijs, waarop deze zoo diep gezonkenen hun korte aanzijn doorleven.

Naarmate het later in den nacht wordt, vermeerdert de woeligheid in geheel de buurt. Elk huis vertoont nu licht, en de nauwe zijpaden en enge vuile straten wemelen van menschen. Onoogelijke kleine kinderen, op wier gelaat de zonde reeds haar merk heeft gezet, wriemelen als ratten tusschen de volwassenen; het zijn voor een deel zoo kleinen, dat zij te bed hadden moeten zijn, maar reeds hebben zij voor zichzelven te zorgen, en slapen onder afdaken of handkarren. Enkele mannen met koopwaren gaan langzaam met hunne kruiwagens voort, maar het eigenlijk bedrijf bij den weg is van geheel anderen aard.

Vooral Water Street onderscheidt zich door vrouwen op de opzichtigste wijze uitgedost. Hare zwaar geblankette aangezichten zijn vervallen en door de kennelijke merkteekenen van drankmisbruik verlaagd. Dun gekleed als zij zijn, rillen zij in de koude nachtlucht. Lize spreekt er eene toe, die zegt, dat

191

-ocr page 210-

192 ONZE IN UIE HOLEN UEll ELLENDE WEIIKZAMF. ZUSTERS.

zij zoo gaarne met baar zou willen spreken, maar niet durft. Het woord is het arme schepsel nog niet van de lippen, of een leelijk oud wijf schiet naar buiten en brult:

«Maak voort; geen praatjes; hinder haar niet in haar bedrijf.»

Gedurende den loop van dien avond zeide een man, dien Em toegesproken had: «Gij moest u bij het Heilsleger aansluiten; daarbij alleen zijn nog vrouwen, die voor ons hart hebben. Meen niet, dat het leven hier naar mijn smaak is, maar ik moet wel toevlucht zoeken, waar het licht en warm is; en er is niets beters hier in onzen vrijen tijd.»

«Wat die man meent,» zeide nu Em tot mij, «zult gij morgen beter begrijpen, als gij zult zien op wat wijs men hier leeft.» Dus sprekende keerden wij naar haar verblijf terug, dat mij thans eene oiise was, een plekje van rust en vrede, na het woest gehuil in de woestijn, welke wij doorgetrokken waren. Em en Lize maakten wat gortwater gereed, en daar wij huiverig en moede geworden waren, deed een flinke kop van deu voedenden en verwarmenden drank ons goed. Lize en ik kregen het achterhokje tot slaapplaats. Juist zouden wij ons ter rust leggen, toen de snijdendste angstkreten ons oor troffen, gevolgd door het klagend smeeken eener mishandelde vrouw. De woorden konden wij niet verstaan, maar de smart van den klaagtoon drong mij dooi merg en been. De angstkreet kwam uit een van die vreeselijke huizen in Water Street, en wij allen voelden, welk een verschrikkelijk mishandelingstooneel daar weder plaats vond. Wij konden hooren, hoe geweldig het er toeging, en eindelijk volgde eene doodsche stilte.

In buurten als deze brengt de gewoonte mede, dat men des nachts de deur van het huis openlaat, wat den zwervers gelegenheid geeft om zich op de portalen te slapen te leggen, waardoor zij de weinige stuivers der goedkoope slaaphuizen uitsparen. Em en Mat houden de ruimte voor haar kamertje zoo zindelijk mogelijk, en dit maakt, dat het bij voorkeur als slaapplaats gezocht is, Em deelde mij deze bijzonderheid mede, toen Mattie de deur sloot en grendelde, en daarna den sleutel en de deurkruk stevig aaneenbond. Ik begreep nu alles van het stommelen op de trappen en het bonzen tegen denren eu beschotten, en ook van het zware snorkend ademhalen den ganschen nacht door.

Em en Mat waren dien ganschen dag onder hare buren werkzaam geweest en hadden geheel den vorigen nacht bij eene zwaar zieke vrouw gewaakt. Doodmoede, waren zij dus spoedig in een genisten slaap. Lize en ik konden den slaap niet vatten, maar

-ocr page 211-

OP ZIJN EIGEN BED STERVEN.

wachtten in stilte den volgenden morgen af. Wij waren te vol van wat wij gehoord en gezien hadden om er zelfs over te spreken.

In den vroegen morgen zagen Lize en ik naar de achtergelegen huizen, waaruit het gillen en jammeren ons zoo overweldigend had aangegrepen. Er was daar geen enkel teeken van leven, maar vuil en ontuig in zulk een overvloed, als genoeg was om eene halve stad met typhus en andere smetstoffen te vervullen. In de ruimte onder ons raam stonden verscheidene duimen stilstaand water, en daarin lagen bij menigte oude schoenen, koolstronken, verrot hout, beenderen en doode ratten opgehoopt. Wij begrepen nu, waarom Em haar kamertje zoo ruim van ontsmettingsmiddelen voorzien houdt. Era zeide ons later, dat zij geen beroep op de gezondsheidscoramissie durft doen, ora de gansche buurt niet tegen zich te maken, waar ieder die commissie als zijn ergste vijand beschouwt.

Ons eerste bezoek den volgenden morgen geldt een huis met verscheidene verdiepingen, maar welks trappen en portalen van bouwvalligheid kraken. Op verschillende plaatsen hebben de vloeren gaten, en de wel hier en daar gelapte trappen buigen door bij het opgaan. Eene deur op het eerste portaal wordt na ons aankloppen geopend door eene vrouw, die meer op eeu hoop vodden dan op een mensch gelijkt, en met schorre stem ons verzoekt binnen te komen. Zij is door de griep aangetast. Wij staan dicht opeen, want het vertrek is klein en er bevinden zich daar, behalve een drietal vrouwen, een man en een klein kind, een ledikant, eene kachel en eene niet te beschrijven menigte rommel en vuil. De lucht is er zoo vunzig, dat men er ternauwernood durft ademhalen. De man is kennelijk zijn einde nabij. Reeds zeven weken lijdt hij aan de griep, en verkeert nu in het laatste stadium van longaandoening. Em tracht hem te overreden, om zich naar het hospitaal te laten overbrengen. Met moeite brengt hij er de begeerte uit; «dat hij ten minste het cjenot wil hebben van rustig op zijn eigen bed te sterven.» Genot! Wat hij bed noemt, is niet meer dan een hoop vodden. In die schuilhoeken van ellende weet men niet van beddelakens, kussensloopen of een nachtgewaad. Een der vrouwen ligt met het hoofd onder de tafel te slapen op den vuilen vloer. Eene andere vrouw, die gedurende den nacht bij den zieke gewaakt heeft, uuttigt haar ontbijt, waarbij zij zich in olie gebakken visch wel laat smaken. Een kind, dat blijkbaar nog nooit met zeep kennis maakte, scharrelt over den grond en tuimelt over de voeten der slapende vrouw. Em neemt de stumpert op, geeft haar wat gortwater, en ont-

393

13

-ocr page 212-

een kbu1st0cut tn de achtebboubtskkotten.

dekt, (lat het den hier vreemd klinkenden naam Christine draagt.

Vuil, overbevolking en stank treffen wij eveneens aan in een zestal andere door ons bezochte plaatsen. Bij ons bezoeken gaat het nu eens vlieringen op, en dan weder is het een afdalen in onderaardsche kelders. Het achterste deel der woningen is vooral schrikwekkend. Overal is het de vuilst denkbare mesthoop, terwijl eene massa doode katten en ratten toonen, welke Nimrods de knapen in deze buurten zijn. Waar wij zieken treffen, vinden wij er niet één, die van het hospitaal hoeren wil. Ben, die bovenal in den algemeenen schrik tegen zich wasschen deelt, spreekt uit, wat eigenlijk in aller hart leeft: «Het hospitaal? Zij wasschen een mensch daar dood.» Voor menschen aan dit soort van leven gewoon geworden, is een bad haast nog verschrikkelijker dan de galg of het graf.

In een vertrek met één raam en nog wel dat van het kleinste soort, ligt eene vrouw door de tering ondermijnd. Zij ligt op lompen, waarin het ongedierte krioelt. Haar zoontje, een knaap van acht jaren, ligt dicht tegen haar aan. Hare wangen zijn vuurrood van de koorts, die ook hare oogen doet schitteren. Het bij haar liggend kind heeft een scherpe hoest.

«Ik ben zoo verkouden, juffrouw,» zegt de dreumes.

In een ander vertrek staan zes bedden dicht tegen elkander gerangschikt; een daarvan is ledig. Voor een drietal dagen stierf op dat bed eene vrouw, wier lijk even te voren was weggehaald. Dit onmiddellijk in aanraking zijn met den dood maakt in woningen als deze niet den minsten indruk; men eet en drinkt en slaapt er even rustig bij. Een der vrouwen ligt op de bouwvallen van een ledikant, waaruit allerlei latten en vodden uitsteken. «Het is van nacht gebeurd,» zegt zij, «en ik ben door de onderlagen heengezakt.»

Eene andere vrouw, die er ziek ligt, vraagt Lize om een gebed voor haar te willen doen. Wij knielen op den vuilen grond, maar spoedig is mijne aandacht geheel ingenomen door de gedachte, wat eerst komen zal het amm of het wandgedierte, dat recht op mij afkomt. Gelukkig blijft het Amen niet lang uit en rest mij nog juist den tijd den overmoedigen vijand te verslaan. Weder in een ander vertrek vinden wij eene vrouw, waarin wij eerst een lijk meenen te zien; maar het blijkt, dat zij slechts door opium geheel verdoofd is. Dronken kerels in het zelfde vertrek slaan op haar toestand niet eens acht, maar brullen met schorre stemmen hunne dronkemansliederen.

194

-ocr page 213-

LONDEN NIRT BETEK DAN NEW-YORK.

Met den middag komen wij weder in het verblijf der zusters bijeen en zetten later onze bezoeken voort, maar het blijven steeds gelijksoortige ontmoetingen. Misdaad en ellende huizen overal, en het einde is de gevangenis, een zich uit wanhoop in de rivier storten, of de armenhoek op het kerkhof.

In het donkerst gedeelte van Afrika\'s binnenlanden zijn wel geen dieper beneden het menschelijk peil gezonkenen, dan deze in Cherry Hill wegschuilenden. Er is geen soort van misdaad, dat er geen burgerrecht heeft. Elke der in de tien geboden vermelde zonden tiert er welig en in de snoodste vormen, en maken de buurt tot een werfdepot voor verbeterhuizen en gevangenissen. Wie zal berekenen, hoeveel zedelijke besmetting zich uit zulke buurten ten algemeenen nadeele over onze maatschappij verspreidt? En evenmin valt te ontkennen, dat wij onze onverschilligheid ten opzichte van zulke besmettingsholen met niet te schatten gifverspreiding moeten boeten.®

Deze nieuwsbladmededeeling spreekt voor zichzelve, als getuigenis welke toestanden de Christenmaatschappij met noodlottige onverschilligheid in haar midden duldt. Een licht scheen toch voor mij in die duisternis: het zonlicht der liefde, dat uit de oogen van daar dienstdoende engelen als Em en Mattie mag stralen. Bij hen vinden wij de liefde van den Heiland; zij verzoenen veel, hoeveel zelfzucht en traagheid ook in het roekeloos verzuimde spreekt.

Het volgende is mijne tweede mededeeling. Het is van de hand van een onzer dagbladschrijvers, die pas getuige was geweest van het verhaalde dat plaats had in White Chapel. De berichtgever schrijft:

«Ik was juist de kerk van den Heer Barnes voorbij, toen ik gestuit werd door eene ophooping van meuschen op den hoek eener straat. Er waren daar een dertig of veertigtal mannen, vrouwen en kinderen; en aan de overzijde waren anderen voor de deur van eene kroeg bijeengeschoold. In het midden der eerste groep stond een eenvoudig klein vrouwtje, in Heilsleger-uniform, die met gesloten oogen den goeden God smeekte, om toch deze menschen van hun zondenslavernij te verlossen, en deze dag voor hen een dag van behoudenis te doen zijn. Door nieuwsgierigheid gedreven trachtte ik mij een weg tusschen beide groepen te banen, waarbij mijne aandacht getrokken werd door eene vrouw in de tegenoverstaande groep, die ook den hemel aanriep, maar op geheel verschillenden toon en wijze. Twee haveloos gekleede mannen op den zelfkant der herberggroep schenen toch naar het bidden te luisteren, hoewel

195

-ocr page 214-

ONZE IN DIE HOLEN DER ELLENDE WERKZAME ZUSTERS.

zij zonder eerbiedsbetoon hunne kleine stompjes pijp bleven roo-ken. Op eene of andere wijs hadden zij de scheldende vrouw in haar fatsoen getast en deze gaf hun nu in scheldwoorden en verwenschingen de volle laag. Zij deden, alsof zij er niets van hoorden, wat de vrouw des te woedender maakte. Zij was iemand, die de sporen droeg, dat zij er eens goed moest hebben uitgezien, maar nu, opgezet door drank en rood van kwaadaardigheid, het tegendeel van aantrekkelijk was. Ik hoorde beide stemmen te gelijk. Welk een tegenstelling! Het gebed was nu geëindigd en eene ernstige, om willige overgave aan den Heer pleitende toespraak ving aan.

«Gij volgt een verkeerden weg,» zeide de spreekster, «en zeiven weet gij, dat gij den slechten weg bewandelt. Al de ellende en armoede, waarmede gij dagelijks te strijden hebt, bewijzen u, dat gij moedwillig uw verderf zoekt. Verloren kinderen zijt gij. Gij hebt uws Vaders huis den rug toegekeerd en zijt eiken dag tegen hem in opstand. Verbaast gij u dan nog, dat de Heer u met zoo veel hongerlijden, verdrukking en ellende bezoekt? Maar hoe groot uwe ondankbaarheid en vijandschap is, uwe Hemelsche Vader heeft daarom niet opgehouden u lief te hebben. Zijn wil en welbehagen is, dat gij tot hem wederkeert; dat gij uwe slechte paden verlaat, en niet langer u door uw dranklust en den duivel laat overheerschen. Ook voor u gaf hij zijn Zoon Jezus Christus, opdat hij door voor u te sterven u een nieuw, het eeuwige leven zou deelachtig maken. Zijne liefde begeert uwe verlossing en uw behoud. Werpt n aan zijne voeten. Hij wacht op u en wil u met open armen ontvangen. O ik weet hoe stevig de duivel u vasthoudt, maar Jezus genade is machtig om u de overwinning te geven over den booze en al zijne dienstknechten. Hij zal u in uwe zwakheid een helper zijn om uwe slechte gewoonten en uw dranklust te boven te komen. Komt dan toch heden tot hem. God is liefde. Hij heeft mij lief. Hij heeft u lief. Hij heeft ons allen, zooals wij zijn, uit vrije genade lief en wil en zoekt ons behoud.»

Helder en krachtig klonk die stem, welsprekend door den gloed van blijde geestdrift en hartgrondige deelneming in het lot der de spreekster omringende kleine schaar. En terwijl ik zoo luisterde naar die vriendelijke tonen van liefde tot God en medemen-schen, kon ik niet laten eene andere stem te hooren, die met verwenschingen krijschte: «Gij zwijn, ik moest je de hersens inslaan. Je bent me een lievert, en dat staat nog naar een Heilslegerspreek te luisteren! Ik zal de menschen eens vertellen wie je bent, vuile hondsvot.» De man klopte kalm zijn pijp uit

196

-ocr page 215-

DE PREDIKING MET BOHSÏEL EN BOENDEK.

en zeide: «Wat heb je \'t op je heupen?» — «Wat ik tegen je heb,» gikle het wijf met schorre stem: «schoelje, weet je niet wat ik tegen je heb? Ik zal je leeren vragen, wat ik tegen je heb, hondekind. Bij God, zoo waar als ik leef. dat zal ik je leeren. Hè? Wat ik tegen je heb? Of je niet wist, ellendeling, wat ik tegen je heb.» En zoo ging zij voort op allerlei tonen hetzelfde zeggende, terwijl de beide mannen zonder een woord te spreken bleven staan rooken, tot de helleveeg niet langer kon, en ver-wenschingen brommende in volle kwaadaardigheid de kroeg binnenstoof. Het was, of de aanwezigheid, het bidden en spreken van de verkondigster van het Evangelie van genade en vrede eene vroeger ongekende werking op de mannen deed, zoodat zij met onverstoorbaar zwijgen bleven luisteren, in spijt van al het uittarten van het kwaadaardig vrouwspersoon.

God is liefde. Was het niet zijne liefde, getuigende in die vriendelijke vrouwenstem, die macht oefende boven het getier en geraas der satanische boosaardigheid? Ja, voorzeker; en dat machtbetoon der liefde zal voor de menschheid winstdoen, zoolang het den Heer behaagt in ons midden vrouwen te verwekken, die met volle overgave van zichzelven den Meester willen dienen, in het zich dienstbaar stellen voor de diepstgezonkene en diepst vernederde slachtoffers van de zonde.

Om zich een denkbeeld te vormen van het vele goede, dat de achterbuurt-zuster tegenover tijdelijke en geestelijke nooden doet, moet men zelf gaan, waar zij in de armelijkste verblijven leven, om in hare omgeving met woord en daad het Evangelie te prediken, zooals zij aan ernstig en liefdevol vermaan eene prediking met borstel en boender paren, en den duivel van onreinheid met zeep en water uitdrijven. Op een onzer posten, waar onze zuster-officier in een benedenvertrek huist, bewonen nog veertien andere gezinnen het huis, van welke opeenhooping ik de lasten niet behoef op te sommen.

«Wat het vuil aanbelangt,» schrijft een onzer officieren: «het schrobben der huizen is letterlijk iets ondoenlijks, zoo vervuild meestal zijn gangen en vertrekken. Wordt er op den haard gestookt, dan laten zij de asch dagen lang zich op-hoopen. De etenstafel wordt zelden, zoo ooit, goed gereinigd. Vuile koppen en schotels blijven er op staan, te midden van oude en nieuwe broodkruimels; en hebben zij bokking gegeten, dan komen er nog dezer koppen en graten bij. De kamervloeren zijn meestal vuiler dan de openbare straat en wanneer het heet, dat zij deze wat opknappen, dan geschiedt het met een kleine kom

197

-ocr page 216-

EEN KRUISTOCHT IN DE ACIITE11 BHURTSKIIÜÏTEN.

water. Wanneer zij zoogenaamd de wasch hebben, wat eeue hooge uitzondering is, — daar zij wasschen eigenlijk voor iets gebeel overtolligs houden, — dan koken zij hun vuile goed op in denzelt\'den pot, waarin zij hun middageten gereed maken. Niet zelden kan men het ongedierte van de zolders zien vallen en langs de muren zien kruipen. Menige muur draagt overvloedige bewijzen van de jacht, die gehouden is. Gevolg van zulk een toestand is, dat velen in den zomer des nachts liever buitenshuis dan in de bedompte en onreine vertrekken verblijven. Dit echter heeft weder deze schaduwzijde, dat, daar zij nooit lang met anderen kunnen samenzijn zonder te moeten drinken, de naaste kroeg hun bier moet leveren, wat minstens zoo lang duurt als er geld is, waarna tot drie en vier uren \'s nachts de gansche omtrek van dronkemansliederen weergalmt.»

Ik zou boekdeelen kunnen vullen met verhalen uit den strijd tegen het ongedierte, een strijd, die een niet onbelangrijk deel uitmaakt van den strijd in de achterhoeken, maar het onderwerp zou allicht te zenuwschokkend zijn voor zulken, die, voor alles wat den doodstrijd hunner arme natuurgenooten vergezelt, geheel koud en onverschillig zijn, zoolang zij er niet zeiven iets van zien of gedwongen worden er al de vreeselijke bijzonderheden van te moeten aanhooren. Hier is een voorbeeld van de omgeving en atmosfeer, waarin de achterhoekzusters haar leven wagen en ten offer brengen.

In eene op het oog fatsoenlijke straat bij Oxfordstreet, waar onze officieren eens bezoeken brachten, werd hare aandacht getrokken door een zeer donkere trap, welke naar een kelder leidde. De mogelijkheid veronderstellende, dat ook daar nog bewoners zouden te vinden zijn, waagden zij het de diepte in te gaan, al begonnen zij ook te twijfelen, of er wel menschen konden huizen. Al langs de muren tastende kwamen zij aan eene deur, en traden de donkere ruimte binnen. In het eerste oogenblik konden zij door de heerschende duisternis niets onderscheiden. Eindelijk deden zij de ontdekking, dat zelfs dit afzichtelijk hol nog een soort woonvertrek was. Er was geen vuur in den haard, maar hoopen asch, zeker van weken her. In een hoek der ruimte lagen oude vodden en beenderen, die een walgelijke lucht van zich gaven. In een anderen hoek lag een oud man, die zeer ziek bleek. Wat een bed beteekenen moest, was een hoop vodden, en zelfs geen deken dekte hem. Zijne arme vrouw, die hem oppaste, scheen nooit met water of zeep te hebben kennis gemaakt. Onze zusters vingen aan deze armen te verzorgen.

198

-ocr page 217-

HOEVEEL IE HERVORMEN VALT.

Op zekeren dag wilden zij eene waschkuur beproeven, en namen daartoe wat kleeding voor de bewoners mede, maar alles bleek zoo door ongedierte verpest, dat er geen redderen aan was. De oude man werkte voor een kleermaker, wanneer zijne krachten en gezondheid hem dit toelieten. Wisten allen, die goedkoope gemaakte kleederen koopen en zoo het uitznigers-stelsel in de hand werken, door wie en waar al die kleederen gemaakt worden en van welke ziektestoffen zij kunnen besmet zijn, zij zouden op die koopjes niet azen.

Het volgende is uit een rapport van onze achterkot-brigade aan het hoofdkwartier.

Voor nu ongeveer vier jaren werd deze fak van onzen arbeid in Londen aangevangen. Het hoofdwerk der officieren, in dezen tak werkzaam, is het bezoeken van zieken, het reinigen der arme verblijven en het voeden der hongerlijders. De volgende mede-deelingen wijzen op enkele gevallen, waarin tijdelijke en geestelijke hulp werd aangebracht.

Vrouw W. — Erg aan den drank. Het huis geheel verwaarloosd. De man ook dronkaard en hun verblijf een toonbeeld van vervuiling. De vrouw werd voor twee jaren gered. Zij heeft nu overvloedig werk met stoelenmatten. Ook de man laat alle drankgebruik na en is gered.

Vrouw R. — Man en vrouw aan den drank. De man is de luiheid zelf, en werkt niet dan door den uitersten nood er toe gedrongen. Toen zij voor het eerst bezocht werden, had man noch vrouw werk, ontbrak in het huis alles wat nog meubel kan heeten, en hadden zij schuld. De vrouw werd gered, en de zusters baden, dat de man met het vinden van werk mocht slagen. Ook vond hij werk en hield een tijdlang vol. Toen verviel hij weder tot het oude kwaad en mishandelde in een dronken bui zijne vrouw. Zij volhardde in het zoeken van werk; slaagde als schoonmaakster en ook hij liet zich opnieuw ten goede raden. Hij is nu geheelonthouder. Hun woning ziet er knap en net uit en zij brengen geld op de spaarbank.

A. M. — Was een erge dronkaard, leidde een zwervend leven en deed zelfs geene moeite om werk te vinden. Bij eene samenkomst in den achterhoek, luisterde hij eens met meer dan gewone belangstelling naar de zuster, die aanmaande, om toch eerst en vóór alles het Koninkrijk Gods te zoeken. Opeens riep hij uit: «Meent gij werkelijk, dat wanneer ik God om werk vroeg, hij mij dat geven zou?» Gelijk vanzelf spreekt, was haar antwoord: Ja. Op dien avond kwam hij tot inkeer, vond werk, en is nu aan de gasfabriek in Old Kent Road werkzaam.

Jacob. — Is nu heilssoldaat in de achterhoeken van Zuid-Londen, in de Borough. Hij kwam tot bekeering, nadat hij uit gebrek aan werk als een bijna verhongerde had rondgezworven. Omdat hij zich bij ons leger had aangesloten, werd hij terstond zijn kosthuis uitgeworpen. Hij vond weder werk, en heeft nu een koffiekraampje op de Billingsgate Vischmarkt, dat hem ruim brood geeft.

Sergeant II. — In den Marylebone achterhoek. Aan drank verslaafd geraakt, huisde hij in een ellendig verblijf in de beruchte Charles Street. Hij had op twee plaatsen werk gehad, toen hij tot inkeer kwam. Op de eene verdiende hij drie, op de andere zes gulden. Van zoo luttel kon hij wel in Londen aan zijne

199

-ocr page 218-

ONZE IN DIE HOLEN DER ELLENDE WERKZAME ZUSTERS.

vrouw en vier kinderen het noodige niet verschaffen. Op de plaats, waar hij zes gld. verdiende, moest hij voor een drankverkooper drank afleveren en bezorgen. Dit nu een zondig bedrijf keurende, gaf hij het op, en geraakte daardoor eenige weken buiten werk. Ten einde raad zag hij zijn gebed verhoord. De man, bij wien hij voor drie gulden gewerkt had, nam hem voor tien gulden \'s weeks. Thans verdient hii veertien gld. en heelt eene betere woning betrokken.

H. — In een achterhoek bij Nine Elms. Deze werd op den laatsten Paasch-maandag gered. Reeds weken aaneen was hij buiten werk geweest. Hij schijnt iemand van zeer ernstigen aard en die veel lijden heeft doorworsteld. Wij geven nu aan zijne vrouw dertig stuivers in de week voor het schoonhouden der zaal, om hen daardoor te gemoet te komen. Daarnevens verdient zij nog ergens dertig stuivers als schoonmaakster, en op die drie gulden moeten man en vrouw en twee kinderen teren, terwijl daarvan nog elke week een gulden huur moet betaald worden. Dat op die wijs gebrek geleden wordt, voelt ieder. Ik deed alle moeite om voor den man werk te vinden, maar tot nog toe te vergeefs.

T. — Uit de Rotherhide buurt. Hij was een erge dronkaard en is timmerman; voor nu negen maanden is hij gered, en toen werk hebbende in een kroeg, dat hij op den Zondag zou hebben moeten verrichten, gaf hij dit op. Sedert heeft hij nog geen ander werk kunnen vinden, en leeft nu van wat wij hem met het maken van stoelen laten verdienen.

Emma Y. — Nu heilssoldaat in Marylebone. Zij was een woest en loszinnig ding, toen wij onzen veldtocht in Zuid-Londen, in den Borough aanvingen. Gewoonlijk kon men haar bij den weg vinden, slecht gekleed, met opgestroopte mouwen, niet meer werk doende dan zij zonder moeite te doen kreeg. Voor nu twee jaren is zij tot inkeer gekomen, en had daarvoor in huis de bitterste vervolging te lijden. Wij hebben haar toen een dienst kunnen bezorgen. Zij is daar nu bijna achttien maanden, en wordt als dienstmaagd zeer geprezen.

Lodginghouse Frank. — Op een en twintigjarigen leeftijd viel hem onverwacht eene erfenis van 0000 gld. ten deel. Deze werden zijn ongeluk. Meenende, dat aan zulk een rijkdom geen einde kon komen, gaf hij zich over aan drank en spel, en was, eer acht maanden om waren, straatarm. Van toen aan werd hij een zwerver. Zeven jaren lang zwierf hij zoo in Zuid-Engeland en Zuid-Walesj soms het bitterste gebrek lijdende, en alles verdrinkende wat hem nog iu handen kwam. Allen moed ontzonk hem, en lui en zorgeloos doolde hij om. Zoo vonden wij hem nu zes maanden geleden in een kosthuis, waar hij met eene gevallene als man en vrouw leefde. Beiden zijn tot inkeer gekomen en nu gehuwd. Vijf weken later kreeg hij werk als timmerman, en heeft nu vast werk en 18 gld. weekloon. Zij hebben thans een eigen tehuis, en ik heb hoop, dat hij blijken zal geschikt voor officier te zijn.

De officier, die mij deze rapporten deed, voegt daarbij:

Ik kan het ellendig verblijf, waartoe het drinken broeder en zuster X. had doen afdalen, geen tehuis noemen. Uit een aanzienlijke woning, waar weelde heerschte, waren zij allengs afgedaald tot een achterhoeksverblijf, waar zij te midden van dronkaards en het laagste menschensoort leven moesten. Hunne lieve, soms half uitgehongerde kinderen, moestén daar de vuilste taal aanhoo-ren, en getuigen zijn van twist en vechtpartijen; en dit niet alleen buiten, maar zelfs in het vertrek, waar zij met hunne ouders huisden. Voor bijna twee jaren zijn man en vrouw beiden verlost geworden van den drankduivel, die hen overheerschte. Zij bewonen nu weder een vrij goed gemeubeld huis. Hunne kinderen geven alle reden om hen voor den Heer gewonnen te houden, en

200

-ocr page 219-

HET RONDTREKKEND HOSPITAAL.

tooncn de innigste en oprechtste dankbaarheid voor de terechtbrenging van hun vader. Een van hen, nu acht jaren oud, zeide op het laatste Kerstfeest: «Vroeger hadden wij op dit feest droog brood, en nu gans en puddinq.» Voor zijne terechtbrenging had broeder X. als reiziger voor een groot handelshuis zijn ontslag gekregen; thans is hij eerste bediende in een nog aanzienlijker koopmanszaak.

Verder zegt hij :

Ik ben er ten volle zeker van, dat zeer weinigen uit de lagere volksklasse niet zouden willen werken, wanneer zij werk konden krijgen. Het ongelukkige van de hand in den land leven doodt hart en moed in hen. Het wordt allengs bij hen overdaad hebben of doodsgebrek lijden, en zoo komen eindelijk zij, die er hersens voor hebben, tot alle soort van listig verzonnen misdrijf.

De uitkomsten van ons arbeiden in de stadsachterhoeken zijn dus deze:

1. Eene merkbare verbetering, wat de reinheid der woningen en der kinderen betreft: opruiming van ongedierte en ander vuil; eene aanzienlijke vermindering van dronkenschap.

2. Een grooter eerbied voor godsdienst, vooral voor den vorm, waarin zij dien leerden kennen in de wijze, waarop het Heilsleger kennis neemt en deelneemt in hunne ellende en behoudenis.

3. Buitendien wordt er in en voor menigte van buurten veel meer gedaan, dan eer wij er optraden.

4. liet helpen verlossen van vele gevallen meisjes uit een misdadig leven.

5. Het openen van toevluchtsoorden, als havens van behoud voor maatschappelijke schipbreuklijders.

In verband tot ons plan, voor zoover wij dit konden belichamen, staat het bij ons vast, om zoo mogelijk het getal onzer Achterhoek-zusters zeer te vermeerderen. Wij hopen deze in levend verband te brengen met ons koloniestelsel, om met hare medewerking de armen te helpen tot het gevormd worden voor betere toestanden voor gezondheid, zedelijkheid en godsdienst. Hierdoor verwachten wij ook nog voor velen in de stad te kunnen slagen, wanneer overbevolking onze buitenkolonie bedreigen mocht.

TWEEDE APDEBLING.

Het roudtrekkciul hospitaal.

Het is eene waarheid, welke ieder moet toestem men, dat het eeuige afdoende middel om den bestaanden toestand te hervormen is, eene verwijdering van de in ellende levende volksklasse uit de vunzige krotten, waarin zij ziek worden, lijden en sterven; en waar zij hun levenseinde bereiken in eene omgeving, welke zelfs geene vergelijking duldt met de stallen en varkens-

201

-ocr page 220-

HEÏ RONDTREKKEND HOSPITAAL.

hokkeu van de meeste pachters. Niet minder dan dit kan, aan wie ook het goede voor het volk zoekt, als einddoel voor oogen staan. Intusschen, zoolang het volmaakte onbereikbaar blijft, is het wijs althans dat te doen, wat wel onder bereik valt. Onder dit mogelijke reken ik het volgende als in veel leed verzachting biedend hulpmiddel.

In mijn plan ligt het aanschaffen van een kleine, door een ponny getrokken wagen. Dit voertuig zon ik willen voorzien van het noodige, dat in alle voorkomende gevallen bij zieken en stervenden dienst kan doen. Wanneer zulk een voertuig vergezeld werd door een tweetal bekwame ziekenverpleegsters en in de bunrten der armsten en ellendigsten vaste routes deed, zou heel wat lijden kunnen verlicht en de te wenschen genezing bevorderd worden. Overgroote kosten kunnen aan een zoo eenvoudig hulpmiddel niet verbonden zijn. De zusters zouden moeten te beschikken hebben over enkele eenvoudige heelmeestersinstrumenten, zooals eene tang om een tand of kies te trekken, een lancet om een gezwel te openen, en wat verder voor dergelijk hulpbieden in lichte gevallen noodig is. Voorts zouden zij in haar voertuig een petroleumkacheltje moeten hebben, om pappen of heete doeken, of een flink zeepsop om te wasschen te kunnen gereed maken. Doch genoeg, om aan te duiden wat mijne bedoeling is, waaraan op kleiner of grooter schaal, al naar behoefte, uitvoering kan worden gegeven.

Het hoogst noodige van zulk een hulpmiddel kan misschien alleen ten volle gewaardeerd worden door hen, die door eigen aanschouwing weten, hoe in gevallen van ziekte of verwonding zelfs het allernoodigste, dat vereischt wordt, in deze woningen van ellende ontbreekt. Hiertegen kan worden aangevoerd: «maar waarom gaan zulke menschen niet naar het hospitaal?» Zonder onzerzijds iets op de hospitalen te willen afdingen, is het antwoord met één woord gegeven: «omdat in ons land, — en waar niet ? — tegen het hospitaal, zooveel en velerlei vooroordeel is, dat zij dit buiten den uitersten nood en buiten op hen geoefenden dwang eenvoudig niet u\'illen.» Zoolang zij nog een eigen schuilhoek hebben, klemmen zij zich vast aan dit eigen verblijf en aan het bijzijn van de leden van hun eigen gezin, hoe weinig vredelievend en eensgezind ze anders soms ook mogen zijn. Liever verduren en verdragen zij in hun vuil en ellende alles, dan zich te laten overbrengen naar het groote gebouw, waarvan zij weinig minder afschrik hebben dan van eene gevangenis. Dat men bij hun leven en na hun dood hen ten bate der geneeskunde exploiteert, is bovendien een schrikbeeld, waaraan zij met al de hardnekkig-

202

-ocr page 221-

ZIEKENVEBZOROING AAN HUIS.

heid vau Let bij hen ingeworteld bijgeloof vastlioudeu. Is het ons met helpen ernst, dau moeten wij aanvangen met tot hen te komen ten einde den afkeer tegen het hospitaal te helpen verzachten en zoo mogelijk weg te nemen.

Het lijden, dat in de achterhoeken geleden wordt, maakt het tot een duren christenplicht om in het voetspoor, dat reeds de bijbelvrouwen-ziekenverpleegsters baanden, eu wij op steeds uitgebreider schaal wenschen te volgen, uit te denken, wat doenlijk is, om do kranken en stervenden uit deze klasse van menschen iu hunne eigene verblijven hulp te bieden. Enkele gevallen, met een oogopslag genomen uit de rapporten onzer zusters, en die voor zichzelven spreken, laat ik hier volgen.

Velen, die krank zijn wonen in één vertrek en hebben daar verscheidene kinderen om zich heen. Onze officieren ontmoeten telkens zieken, die geene oppassing hoegenaamd hebben. Uren aaneen moeten zulken dikwijls liggen, zonder hulp, lafenis of voedsel. Het is hun eene uitkomst, wanneer soms een buur hen met een kop thee verkwikt. Hoe zulken in leven blijven behoort tot de raadsels.

Eene arme vrouw in Drury Lane was door beroerten verlamd. Zij had niemand om haar te helpen of verzorgen. Zoo lag zij op den grond, op een met vodden gevulden zak, en met een oud stuk vloerkleed als deksel. Ofschoon het winter was, kwam er nooit vuur op den haard. Kleeren had zij nauwelijks aan het lijf, en het haar uit medelijden toegereikte voedsel was ten hoogste karig.

Eene andere bejaarde vrouw, die zwaar ziek lag, kreeg nu en dan een weinig geld van hare dochter om de huur te betalen en wat te eten te hebben. Menigmaal lag zij verlaten, hulpeloos, niet bij machte vuur te maken, of zich aan wat eten te helpen. Zij was haar man ontvlucht wegens zijne uiterst wreede behandeling. Menigen dag was zij uren alleen zonder dat iemand haar in hare dringendste behoeften te hulp kwam.

Adjudant Maclellan vond een man liggende op een harde stroomatras en bij zeer zwaar lijden zonder hulp. Het vertrek was zoo vuil, dat de stank niet uit te houden was. De man had dagen gelegen zonder dat iemand naar hem had omgezien. Een kan water stond naast zijn ligplaats. De officieren braakten van walging, toen zij hem de eerste, allernoodigste hulp poogden te bieden.

Niet zelden worden zieken aangetroffen, voor wie warme pappen aanhoudend noodig zijn, maar die uren aaneen niet een onververscht koud compres liggen.

203

-ocr page 222-

HET RONDTREKKEND HOSPITAAL.

Onze officieren in Marylebone bezochten eene oude vronw, die zeer ziek lag. Zij vonden haar in eene achterkeuken onder den beganen grond, eene plaats waar zelfs midden op den dag nauwelijks een lichtstraal doordrong. Haar bed was van eenige eierkisten gemaakt. Zij had niemand dan eene aan den drank verslaafde en dikwijls dronken dochter, die naar haar omzag. Wanneer deze onder den invloed van den drank was, stompte en schudde zij dikwijls de oude vrouw, soms uit kwaadaardig ongeduld, soms meenende dat haar ruw bedrijf hulpbieden was. Onze officieren bevonden, dat de zieke vaak op den middag nog niets te eten of to drinken had gehad. De eenige meubelen in het vertrek waren eene oude gebrekkige tafel, een vuurhaard en een kist, die voor zitplaats diende. De akelige ruimte wemelde van ongedierte.

Eene arme vrouw was zeer ziek, maar kinderen hebbende, meende zij dat zij toch moest opstaan en zien hen met wasschen te helpen. Toen zij bezig was met het jongste kind te wasschen, bezweken hare krachten, zoodat zij op den grond viel, buiten staat zich weder op te richten. Gelukkig kwam niet lang daarna eene buurvrouw bij haar binnen, die haar iets te vragen had, en die haar zoo met het kind naast zich vond liggen. Dadelijk riep zij eene andere buurvrouw te hulp. Meenende dat de bezwijmde vrouw dood was, hielpen zij haar te bed en zonden om een geneesheer. Deze zeide, dat zij aan tering leed en in de eerste plaats rast en versterkend voedsel noodig had. Ter wille van hare kinderen kon de arme vrouw noch het een noch het ander verkrijgen. Weinige uren later was zij weder op de been, maar de trap willende afgaan, bezweek zij opnieuw en viel naar beneden. De buren namen haar op en brachten haar weder op haar bed, waaraan zij nu geruimen tijd in machteloosheid gekluisterd lag. Onze officieren namen de zorg voor haar op zich, gaven haar overvloedig versterkend voedsel, reinigden het vertrek, en deden zoo al wat voor haar zelve en de kinderen noodig was.

204.

-ocr page 223-

1gt;E GI5VANGENIS11RIGA.DK.

DEEDK AFDEELIN\'G.

Ilcrvoriiün^ onzer misdadigers, — De ^evniigcuisbrigadc.

Onze gev.angeuissen behoorden instellingen tot maatschappelijke hervorming te zijn, zoodat de gevounisten dit hun verblijf beter verlaten dan zij er binnentreden. Het behoeft geen opzettelijk betoog, dat tot nogtoe, zoo niet overal, dan toch bijna overal juist het tegendeel kan worden waargenomen. Er zijn weinig menschen zoo diep deerniswaardig als de wetsovertreder, die zijne eerste gevangenisstraf achter den mg heeft, en nu in den regel zonder bewijs van goed gedrag en zonder eenig vriend, alleen en verlaten in het midden der maatschappij staat, die op hem als een door het gevangenismerk geteekende ziet. Ook op dit gebied blijkt ons, hoezeer het denkbeeld van centralisatie, dat overal en in alles bestuursgemak beoogt, dikwijls, en hier vooral, het bijzonder belang tot nadeel is.

Laat mjj aantoonen. hoe het in den regel den ontslagenen ten kwade komt.

Wanneer in vroeger tijd iemand naar den kerker verwezen werd, was de gevangenis niet veel meer dan een steenworp van zijn huis. Zoodia hij zijn ontslag had, was hij althans in de nabijheid van zijne oude betrekkingen en vrienden, die zich zijner aantrokken en hem de hand boden om een nieuw leven te kunnen aanvangen. Wat echter is het gevolg geworden van den gouvernementsmaatregel, om de plaatselijke gevangenissen zooveel mogelijk op te ruimen? Nu worden de tot gevangenisstraf veroordeelden, zoodra zij hun vonnis hebben, per spoor op groote afstanden naar centrale gevangenissen gevoerd; en is hun tijd van ontslag daar, dau verlaten zij den kerker als met het vloekteeken der gevangenis gebrandmerkt. Ver van huis als zij zich bevinden, staan zij daar, van hun goeden naam beroofd en zonder dat er iemand is tot wien zij zich om hulp en raad kunnen wenden. Is het wonder, dat op zoo vele plaatsen de landlooperij toeneemt, omdat het nauwelijks anders kan, of de zoo aan hun lot overgelaten gevangenen moeten, al hebben zij bij hun ontslag eenig geld, door dit in blijde uitgelatenheid en losbandigheid terstond te verkwisten, wel uit nood tot bedelarij en omzwerven vervallen.

Waar zoo vele oppassenden zich tot werk aanbieden, zal wel

205

-ocr page 224-

206 HERVORMING ONZER MISDADIGERS. -

bezwaarlijk eenig arbeidgever iemand in dienst nemen, die zoo kersversch uit de gevangenis komt. Evenmin znllen huismoeders gemakkelijk besluiten tot het huren als dienstmaagd van een meisje, dat in gelijk geval verkeert. Het is kwalijk te ge-looven, hoe er dikwijls bij de beste bedoelingen veel kwaads wordt gesticht, door naar eigen inzicht , zonder de noodige ervaring, een voor oogen staand goed doel na te jagen. Zoo is niet de nieuwe gevangenisregeling stellig het goede bedoeld, bezuiniging, versterking van bestuursmacht; maai\' men heeft geheel vergeten in aanmerking te nemen, welken invloed de verandering op het lot en den toestand der tot kerkerstraf veroordeelden hebben zon. Het Heilsleger onderscheidt zich althans door ééne bijzonderheid, welke het eene bijzondere roeping geeft om op dit gebied werkzaam op te treden. Ik geloof, dat ons de eer toekomt, dat wij de eenige christelijke corporatie zijn, waaruit steeds enkele leden om der conscientie wille gekerkerd zijn. Tevens is het eene waarheid, dat wij er met dankbaren ootmoed op roemen mogen, dat wij er als godsdienstige vereeniging niet weinigen in ons midden hebben, die na zware misdaden, en de daaraan evenredige straften, in ons midden tot inkeer en verlossing gekomen zijn, en nu in nieuwheid des gemoeds de zaak des Heeren dienen. Wij zijn dus met de gevangenis in haar dubbel karakter, als vervolgings- en strafmiddel bekend. Steeds leerden menschen den kerker kennen, omdat zij beter, of omdat zij slechter dan anderen waren. Martelaars, waarachtige vrienden huns vaderlands, hervormers van het maatschappelijk of godsdienstig leven, zagen zich niet zelden een plaats in de eerste reeks beschikt. Geene in het leven ten goede doortastende zaak kwam ooit tot zegepraal, dan na eerst een aantal harer volgers gekerkerd te hebben gezien. Eene onrechtvaardige wet wordt zelden herroepen, eer een zeker getal van hen, die ten haren aanzien hervorming beoogden, voor een tijd het juk van boeten en gevangenissmart hebben moeten ervaren. Nooit zou wel het christendom over het heidendom van het oude Rome hebben gezegevierd, hadden niet de eerste christenen zich geroepen geacht, om in kerker en worstelperk aan hunne vervolgers te too-nen, welk eene macht, zielsrust en troost hun hunne gemeenschap aan het Evangelie en zijne geestelijke heilsgoederen gaf.

Wanneer iemand als martelaar voor de beste zaak het vraagstuk van gevangenistucht heeft leeren bezien, beschouwt hij deze zoo onaangename zaak met een geheel ander, en meer deelnemend oog dan zij, die daar hunne wetsovertredingen boeten, of als de rechters en wetgevers, wier oog alleen op de buitenzijde gericht

DE GEVANGENISBRIGADE.

-ocr page 225-

UE GEVANGENEN MEUEMENSC1IEN.

is. Waar gemeenschapsgevoel oefent eene wondervolle macht, en zoo is het voor onze zaak een onschatbaar voordeel, dat verscheidene van onze beste officieren met de gevangeniscel hebben kennisgemaakt. De onzen hebben, Gode zij dank, nooit op een gevangene leeren neerzien als op een strafdragend nummer A. 234. Voor hen was hij steeds een medemenscb, een medezondaar voor wien ook de Christus stierf, en die om Christus wille eene liefdezorg behoeft en waard blijft, als eene goede moeder aan haar krank geworden kind betoont. Onze taak vangt aan, wanneer die van de gevangenis-overheid geëindigd is. Reeds hebben wij op dit arbeidsveld vrij wat ervaring opgedaan, niet slechts in eigen land maar evenzeer in Bombay, Ceylon, Zuid-Afrika, Australië en elders. Op grond dezer ervaring zijn de volgende maatregelen of reeds onder ons in werking, of voor een deel in onze plannen opgenomen.

1. Allereerst stellen wij ons voor, om zoo dicht mogelijk bij de bestaande gevangenissen toevluchtsoorden als een tehuis voor de ontslagenen te openen. Een dier tehuizen voor mannen is reeds bij Kings Cross in aanbouw, en zal zoo spoedig het voltooid is, in gebruik worden genomen. Zoo spoedig mogelijk zullen wij zulk eene toevlucht voor vrouwen laten volgen. Reeds in de hoofdstad zijn meer van deze inrichtingen noodig, in de nabijheid van elke der groote gevangenissen. Aan deze tehuizen zullen werkplaatsen verbonden zijn, waarin de bewoners geregeld werk vinden zullen, totdat het mogelijk zal gebleken zijn elders werk voor hen te vinden. Deze klasse van personen toch moet ook arbeid verrichten, en dit niet juist als tucht, maar als middel om door werk verdiend brood te eten.

2. Om zooveel mogelijk eerste overtreders voor de besmetting van het gevangenisleven te vrijwaren, en te voorkomen dat zij nog meer in een slechten kring verwikkeld raken en hun goeden naam verliezen, zullen wij aan de politie en strafrecht-banken voorstellen, om diegenen onder onze hoede en leiding te mogen nemen, welke gewillig zullen blijken zich aan onze verordeningen voor zulken te onderwerpen. 1) Het vertrouwen van overheid en gevangenen zou, naar wij meenen, spoedig gewonnen zijn; wij zouden bij ons invloed-oefenen de medewerking van betrekkingen aan oaze zijde hebben. Op deze wijze rekenen wij, dat wij een aantal voorloopig tot inhechtenisneming veroordeelden

1) Iets van dezen aard bestaat reeds in Parijs voor jeugdige vrouwelijke veroordeelden. In \'1804 zag ik eene reeks cellen in het diakonessenhuis aldaar, waarin jeugdige protestantsche vrouwelijke veroordeelden haar straftijd mochten doorbrengen, en gedurig een gewenschten invloed tot hervorming ervaren. VerTi

207

-ocr page 226-

208 HERVORMING ONZER MISDADIGERS. — DE GEVANGENIS1ÏRIGADE,

onder onze hoede zouden krijgen, die, opgeroepen, voor de rechtbank zonden moeten verschijnen, maar wier strafzaak zou worden uitgewischt, wanneer zij zich gedurende den bepaalden tijd onder ons toezicht onberispelijk hadden gedragen.

3. Wij stellen ons voor de vergunning te erlangen tot het bezoeken der gevangenissen, ten einde daardoor zulk eene bekendheid met de gevangenen te verkrijgen, dat wij hun later te beter tot hulp en steun kunnen zijn. Dit voorrecht zal ons, naar wij vertrouwen, niet onthouden worden, zoodra de gevan-genisoverheid de overtuiging verkregen heeft, dat onze invloed op de gekerkerden gunstig werkt en de gewenschte vruchten draagt. In Australië is deze gunst reeds voor de onzen verkregen, en is hun een vrij verkeer met de veroordeelden gedurende hun straftijd toegestaan. Door het gevangenisbestnur wordt bij ontslag den vrijgelatenen aanbevolen zich tot ons te wenden; en ook wordt ons medegedeeld dag en uur van vrijlating, opdat wij hen, die den kerker verlaten, terstond onder onze hoede zouden kunnen nemen.

4. Wij stellen ons voor om de ontslagenen reeds bij de gevangenispoort te gemoet te komen met de uitnoodiging om in onze tehuizen een toevlucht te zoeken. Doorgaans worden zij door hunne oude vrienden opgewacht, personen, die meestal van hetzelfde gild zijn. Buitendien zijn er onder de vrijgelatenen al zeer weinigen, wier eerste gedachte het niet is, zich weder eens voor het eerst flink aan sterken drank te goed te doen. Daardoor is in den regel de eerste gang naar de kroeg, waar reeds de nieuwe opwinding tot nieuwe misdaden overhalen of besluiten doet, met het gevolg, dat de pas geopende kerkerdeuren zich al spoedig weder achter den vrijgekomene sluiten. Bij dit gevaar komt nog, dat gelijk zij in den kerker gewend zijn geworden zich geheel naar den wil der opzichters te voegen, hun een gebrek aan eigen wilskracht zoo tot gewoonte geworden is, dat zij in den regel een gemakkelijke speelbal zijn voor degenen, die hen met beslistheid weten te vatten en te vangen. 1) Ons streven zal het zijn zulke oude bekenden de loef

■1) Allermerkwaardigst en leerrijk is voorul op dit punt een Engelsch vrij lijvig boekdeel, dat mij door den rijkdom van menschenkennis, die er in doorstraalt, een hoofdwerk geweest is voor hot grondiger bestudeeren der in de gemeente noodige pastoraal. De titel is: tun; prison chaplain», het leven van den predikant John Clay, die gedurende 42 jaren in de rijksgevangenis te Preston als gevangenis-prediker werkzaam was. Hij heeft van deu beginne het cellulaire strafstelsel in zijne vele theorieën en vormen mededoorleefd. Het viel, na alles wat hijzelf reeds tot hervorming beproefd had, zeer in zijn geest. Dit achtte hij echter de schaduwzijde, dat hel ik wel in den gevangene gebroken, maar

-ocr page 227-

voorkomen van misdmjf.

af te snijclen, den ontslagene dadelijk onder onze hoede te nemen en hem daarbij de zekerheid te verschaffen, dat geen tijdelijke nood hem weder tot misdrijf zal behoeven te dringen, wanneer hij zich slechts naar de regelen van ons tehuis zal willen voegen.

5. Wij zullen aan de overheid de gunst vragen, ora het toezicht te mogen houden en verslag te doen omtrent voor-loopig met verlofbrief ontslagenen, zoodat hun de vernedering bespaard worde, om zich op bepaalde tijden aan de politie-bureaux te vertoonen.

niet wederom opgebouwd werd. Bij een geregeld celbezoek wordt, schreef hij, na een twee- of drietal maanden de hardnekkigste gevangene vroom. Niet uit schijnheiligheid en listig bedrog, maar zijn ik is door de eenzaamheid zoo verbroken, dat hij niet veel meer is dan eene afspiegeling zijner bezoekers, en als een week stuk was vatbaar voor iederen indruk.» Juist dus de ervaring, waarop de Generaal te recht waarschuwend wijst. John Clay wenschfe daarom, dat zich goed gedragenden allengs door gemeenschappelijken arbeid leerden in beteren zin «zichzelven» te worden. Hij vergeleek de celstraf bij een geneesmiddel, dat om de ziekte te breken het gansche gestel van een lijder sterk aangrijpt en verzwakt. Hierbij zal geen verstandig geneesheer het laten blijven. Welnu gelijk deze eerst door herstel van krachten zijn patiënt waarlijk behouden acht, zoo wilde Clay, dat ook de maatschappij eerst haar taak volbracht zou rekenen, wanneer zij haar patiënt met nieuwe wilskracht aan het werkelijk leven kon teruggeven.

Niet anders oordeelde mijn schoonbroeder, de heer E. Stokhuyzen, die als officier van gezondheid vele jaren in onze gevangenissen werkzaam was en laatstelijk gedurende elf jaren als commandant aan het hoofd der strafgevangenis te Leeuwarden stond. Wat het ontslag aangaat was zijn zeggen: «Wanneer ik den gevangene maar dadelijk de poort van Leeuwarden uit en op reis naar huis kan krijgen, heb ik hoop; maar blijft hij in de stad, dan weet ik, dat al wat hem ten goede kwam, binnen 24 uur in kroeg en bordeel is opgemaakt.»

Wat het opeens onthouden van drank aan dronkaards en drinkers aangaat, was het ook zijn getuigenis, evenals dat van John Clay, dat hij in al zijn diensttijd nooit één geval gezien had, waarin dadelijke en geheele drankonthouding de minste nadeelige gevolgen had gehad. Den gevangen man het tabakgebruik geheel te onthouden, achtte hij wreedheid, en dit met het oog op de geringe verstandelijke ontwikkeling der meesten, wier ledig brein weinig anders geleerd had dan zich met kwaad bezig te houden. Met het oog op liet slechte uitzien der gevangenen wees hij mij er op, dat de voeding der gevangenen, bij gebrek aan versche buitenlucht, eerder nog te armelijk dan te weelderig was; zoodat zelfs eene betere, meer krachtgevende voeding ruimschoots vergoed zou worden door een minder gebruik van chinine.

Op den akker, dien John Wesley aanving te ontginnen, en waarop nu Generaal Booth de hand heeft aan den ploeg gelegd, moet nog bijna het A. B. C. tot meer algemeene kennis komen. Voor het lichaam zoekt men geestrijke en andere prikkels, voor de maatschappij drastische geneesmiddelen, als geheel blind voor Gods onderricht in de natuur, dat granen en vruchten, en water en melk als Gods eigen gaven tot onderhoud der gezondheid, en op het onderwijs der Openbaring, dat ons barmhartigheid, lankmoedigheid en genade als de hoofdgeneesmiddelen der heilige liefde aanwijst. Vert.

209

14

-ocr page 228-

210 HEKVOBMING ONZliR MISDADIGERS, — DE GEVANGENISBRIGADE.

6. Wij zullen voor ieder bijzonder persoon hem passend werk trachten te vindefi; en indien zij geen handwerk verstaan, dan zal onze eerste zorg zijn om hen op te leiden tot een handwerk, dat hun dagelijksoh brood versohaffen kan.

7. Zij, die gedurende een tijd in ons tehuis verblijf hebben gehad en daar getoond hebben, dat het hun ernst is, om voortaan een geregeld en arbeidzaam leven te leiden, zullen wij naar onze buitenkolonie overbrengen, — tenzij vrienden of vroegere arbeidgevers zulken van ons willen overnemen; terwijl wij bovendien zeiven zullen trachten plaatsing te vinden voor zoovelen wij meenen, dat weder macht hebben geheel om op eigen beenen te staan.

Het zal ons streven zgn allen, die in ons vertrouwen stellen en zich willen laten leiden, aan het gewone maatschappelijk leven terug te geven, hetzij in ons land zelf of daar buiten.

Keeds kunnen wij met beslistheid op goede uitkomsten op dit gebied wijzen. Ofschoon toch nog ons pogen op beperkte schaal was, en wij nog niet de medewerking hadden, waarop wij steeds hopen, mogen we wijzen op een welslagen, dat werkelijk verbazingwekkend is.

De volgende voorbeelden zouden met vrij wat anderen te vermeerderen zijn.

J. W. werd aan de gevangenispoort door een onzer officieren opgewacht en hulp hem aangeboden. Hij sloeg dit aanbod op beleefde wijs af, daar hij naast-bestaanden in Schotland had, die hij verwachtte, dat hem niet in verlegenheid laten zouden. Mocht het blijken, dat daar hem teleurstelling wachtte, dan zou hij zeer gaarne tot ons komen. Het was zijn eerste vonnis geweest, en hij had zes maanden gehad, wegens het zich toeëigenen en verkwisten van gelden, welke hem ter bezorging gegeven waren. Hij was bakker van beroep. Weinige dagen later vertoonde hij zich in ons tehuis, daar zijne hoop niet verwezenlijkt was, en wij namen hem toen op. Na weinige weken beleed hij tot inkeer gekomen te zijn en toonde in zijn ganschen handel en wandel eene werkelijke gemoedsverandering. Gedurende vier maanden werkte hij in onze keuken als kok en bakker; toen werd hem eene betrekking aangeboden, waarin hij nu gedurende drie jaren onberispelijk werkzaam is.

J. P. was een oud bekende bij politie en rechtbank. Na zijne laatste vijf jaren gevangenis verblijf, kwam hij in ons tehuis, waar hij als kleedermaker in zijn beroep kon werkzaam zijn. Na geruimen tijd vond hij eene vaste betrekking en trouwde niet lang daarna. Hij bewoont nu eene goede woning, is hij zijne buren gezien en a!s een waarlijk tot God bekeerde bij ons Hackneycorps als heilssoldaat dienst doende.

C. M. ook een oud bekende. Zijn laatste straf ging met dwangarbeid gepaard. Wij overreedden hem zich aan ons te betrouwen. Hij toonde oprecht berouw en was langen tijd in onze werkplaats werkzaam. Eindelijk trad hij bij het leger in dienst, werd voor nu twee jaren tot luitenant bevorderd en is goed

-ocr page 229-

AANMOEDIGENDE VOORBEELDEN.

getrouwd. Hij is thans een geacht handwerksman en soldaat bij ons Derbyshire-corps.

J. W. was in betrekking in een groot modemagazijn in het West-Eind. Hier werd hij met twee honderd vijftig gulden zilvergeld uitgezonden om die in bankpapier te verwisselen. Ongelukkig ontmoette hij op zijn weg een vriend, die hem overhaalde om te zamen eene herberg te Ijezoeken. Nadat zij daar eenigen tijd vertoefd hadden, verwijderde zich zijn zoogenaamde vriend, naar hij zeide, voor eenige oogenblikken, maar keerde niet terug. Opeens bemerkte W. dat met zijn vriend een der pakken zilvergeld verdwenen was, die hij in zijne buitenzakken gehad had. In zijn angst niet wetende wat te doen, durfde hij niet teruggaan en schuld bekennen, maar vluchtte naar buiten. In eene kleine stad gekomen, trad hij daar eene zendingszaal, waar dienst was, binnen. Men verkeerde er in verlegenheid, daar de gewone organist niet verschenen was. Naar een vrijwilliger werd omgezien, en daar W. een bekwaam orgelspeler was, bood hij zich aan om hulp te bieden. De muziek deed zijn geweten met macht ontwaken. In het midden van zijn spel stond hij eensklaps op, verwijderde zich haastig, en spoedde zich, als ware hij beangst ten halve te zullen keeren, naar het politiebureau, waar hij zichzelven als aan diefstal schuldig aangaf. Hij kreeg zes maanden. Vrijgekomen zag hij, dat zekere George, een vroeger hem niet onbekend gevangene, als spreker in onze congreszaal was aangekondigd. In deze samenkomst liet hij zich overreden om in ons tehuis hulp te zoeken. Daar werd hij behouden en staat nu in een der Noordelijke Provinciën aan het hoofd van ons zendingswerk.

Oude Daniël had verscheiden zware vonnissen voor zijn rekening. In hoop op uitkomst kwam hij tot ons tehuis en werd gered. Langen tijd was hij bij ons als laarzenmaker werkzaam. Sedert kreeg hij eene vaste betrekking in Hackney en trad in het huwelijk. Hij is nu gedurende vier jaren een in zijne omgeving geacht werkman en bij het leger in dienst.

Charles C. heeft met elkaar drie en twintig jaren straftijd gehad. Met verlofpas ontslagen, kwam hij in onze zaal te Huil. Daar komende had hij reeds verzuimd zich op den bepaalden tijd te vertoonen, en hield zich, daar hij zijn verlofpas verbeurd had, onder een aangenomen naam schuil. Na tot inkeer gekomen te zijn, gaf hij zichzelven aan. Voor de overheid gebracht, veroordeelde de rechter hem niet om zijn straftijd uit te zitten, maar stelde hem onder liet toezicht van het leger. Door onzen vertegenwoordiger te Huil werd hij ons toegezonden. Hij is nu in onze factory, waar hij zich goed gedraagt. Nog gedurende vijf jaren blijft hij onder politietoezicht.

H. Kelso. Ook een man met verlofpas. Na verzuimd te hebben zich op den bepaalden tijd te vertoonen, werd hij gevat. Voor den rechter verschenen, verklaarde hij, dat hij het misdadigersleven moede was, en dat wanneer hem nog ontslag vergund werd, hij zich bij het Heilsleger voegen zou. Dit baatte niet, en hij werd op nieuw veroordeeld tot dwangarbeid. Toen hebben wij ons ten zijnen behoeve gewend tot den Minister van Binnenlandschc Zaken, en de heer Matthews had de goedheid hem op ons aandringen te ontslaan. Hij werd aan onze officieren te Bristol overgegeven, die hem naar Londen geleidden. Hij is nu als een tot inkeer gekomene in onze lactory werkzaam en gedraagt zich in alle opzichten goed.

E. W. behoort te Birmingham thuis, is 49 jaar oud en zijn gansche leven door in en uit de gevangenis geweest. Zijn laatste straf was met vijf jaren dwangarbeid. De predikant in de Pentonville raadde hem, om wanneer het hem met bekeering waarlijk ernst was, bij zijn vrijkomen bij het Heilsleger hulp te zoeken. Ilij vervoegde zich aan ons depot in Thames Street, werd naaide factory gezonden en beleed reeds des Zondags daarop in de samenkomst zijne

211

-ocr page 230-

212 HERVORMING ONZER MISDADIGERS. —

schuld en berouw. Dit is nu drie maanden geleden gebeurd, en sedert is zijn gedrag stil en geregeld. Zijn werk laat niet te wenschen over en hij schijnt in waarheid door de vreeze Gods bezield.

A. B. een fatsoenlijk bedelaar. Eens had hij de beste maatschappelijke vooruitzichten, maar drank en in ledigheid pleizier maken, brachten hem aan lager wal, deden zijne vrouw van verdriet sterven en zoo kwam hij eindelijk in de cel. De predikant zijner gemeente, een vriend ook van zijne familie, deed al wat hij kon om hem tot inkeer te brengen, maar tevergeefs. Ontslagen, liet hij zich bewegen om in ons gevangenis-tehuis te komen. Hier werd hij ten volle gered. Eerst bracht hij voor ons billctten rond, maar kreeg eindelijk werk in eene groote drukkers- en uitgeverszaak, waar hij na drie jaren trouwe dienst eene verantwoordelijke betrekking bekleedt. Hij is nu ouderling in eene Presbyteriaansche kerk, is met zijne familie verzoend en heeft zelf een gelukkig tehuis.

W. C. een geboren Londenaar. Van jongsaf een echte deugniet, lui en loszinnig. Toen hij Engeland verliet, waarschuwde hem zijn vader, dat, zoo hij niet besloot een anderen levensweg te volgen, de galg nog het einde zou zijn. Verscheidene niet zware straffen werden zijn deel. Voor nu zes jaren trokken wij ons hem aan, en werd hij in ons gevangenis-tehuis opgenomen. Daar kwam hij in oprechtheid tot inkeer. Toen kreeg hij schilderswerk, een vak, dat hij in de gevangenis grondig geleerd had. Hij is nu getrouwd met eene vrouw, die vroeger den verkeerden weg bewandelde, maar bij ons tot bekeering kwam. Beiden, hard werkende voor hun brood, zijn zij reeds verscheiden bange dagen te boven gekomen. In hun klein tehuis zijn zij te zamen zeer gelukkig en gedragen zich onberispelijk.

F. X. de zoon van een niet onaanzienlijk ambtenaar. Hij werd een dronkaard, dobbelaar, pleger van valschheden in geschriften, in één woord, wat men een slecht sujet noemt. Bij zijn laatste ontslag gelukte het ons hem in ons reddingsgesticht te krijgen. Hij toefde hier vijf maanden en gaf blijk van eene oprechte bekeering. Hoewel zijne gezondheid door zijn slecht leven in den treurigsten toestand verkeerde, bleef hij toch elke verzoeking om in drank opwekking te zoeken, krachtig weerstreven en hield hij trouw aan zijn God en Heiland. Door adverteeren in de «Oorlogskreet» vond hij zijn zoon en zijne dochter terug, die zich uitermate verblijdden over de verandering, die in hun vader had plaats gegrepen. Zij zijn nu regelmatige bezoekers van onze onthouderszaal. De vader heeft eene kofliekraam, die hem een goed stuk brood oplevert, en waarbij zijn woord velen ten goede komt.

C. A. is 72 jaren oud. Van deze bracht hij er 23 in de gevangenis door. Zijn laatste vonnis was twee jaren voor afzetterij. Hij was een dronkaard, dobbelaar en vloeker. Bij zijn ontslag opgenomen, toefde hij vier maanden bij ons en kwam tot inkeer. Hij heeft nu regelmatig werk en leeft onberispelijk.

C. D. oud 64 jaar; opiumrooker, dobbelaar, deugniet, gescheiden van vrouw en kinderen, en deze overlatende aan hun lot, werd eindelijk de cel zijn welverdiend deel. Na ontslag werd hij in ons tehuis voor ontslagenen toegelaten, bekeerde zich, en is nu met zijn vrouw en gezin verzoend. In zijn werk geeft hij reden tot tevredenheid.

S. T. was een lui, oneerlijk, loszinnig jongmensch, die wanneer hij buiten de gevangenis was, bij slechte vrouwen huisde. Hij werd door over ontslagenen wakende officieren in bescherming genomen. In hun midden kwam hij tot inkeer en zij slaagden in het vinden van geregeld werk, waarvoor hij geschiktheid had. Na eenige maanden betuigde hij gaarne voor don Heer zijn Verlosser en Heiland te willen werkzaam zijn; hij is kreupel en kan zonder kruk niet gaan. Zijne begeerte om tot ons te komen bleek zoo uit het diepste

DE GEVANGENISBRIGADE.

-ocr page 231-

VOORBEELDEN VAN WELSLAGEN.

zijns harten, dat hij aangenomen is, en nu als officier uitstekend dienst doet. Hij is wel een wonder van Gods verlossende genade.

M. J. een jong mensch van aanzienlijke familie, geraakte in een zeer losban-digen kring en meende toen, dat hij met naar de koloniën te gaan zijn vijand ontloopen zou. Met 2400 gld. ging hij naar Australië, maar verveling aan boord deed hem reeds een deel van zijn geld verdrinken en verkwisten. Wat hem overbleef, was aan wal ook spoedig verdwenen en zoo gebeurde het, dat hij op een morgen in de gevangenis wakker werd door een aanval van delirium tremens getroffen, terwijl zijn geld en goed alles verdronken was en hij in de geheele kolonie geen enkelen vriend of bekende had. Bij zijn ontslag in ons toevluchtsoord voor ontslagenen opgenomen, kwam hij daar tot andere gedachten, en is het door onze tusschenkomst gelukt, dat hij aan eene koloniale bank eene plaats gekregen heeft.

B. C. een man van fatsoenlijke afkomst, welopgevoed en beschaafd; als gevolg van drankzucht verloor hij zijn tehuis, zijne vrienden, en geraakte hij in de cel, die hij met ons tehuis verwisselde. Door waakzame zorg gelukte het zijn drinklust tot zwijgen te brengen. Dit was een eerste stap tot bekeering, en deze bleek oprecht en ernstig. Zoo is hij het middel geworden om ver-scheidenen, die aan denzelfden hartstocht verslaafd waren, tot onthouders te winnen, en hen tot volgers van den Zaligmaker te maken, aan wien hij zijne redding dankte. Hij heeft nu eene betrekking, waarin hij 4000 gld. \'s jaars verdient. Verzoend met vrouw en kinderen, bewoont hij nu een goed huis, dat hem een gelukkig tehuis is en dat de liefde Gods tot zijn bewarend schild heeft.

Ik deel deze voorbeelden, die voor de hand uit een veel groo-ter voorraad genomen zijn, niet mede, om daarop een zelfver-heffenden roem te dragen, üe macht om zoo heerlijke uitkomsten bereikt te zien, is niet uit mij of uit mijne officieren, zij is uit God, wiens ons betoonde genade ons dringt, om met eene aan niets en niemand wanhopende liefde tot anderer behoud te arbeiden. Daarom meen ik er op te mogen wijzen tot staving, dat als het eenmaal der gemeente ernst wordt met het visschers van menschen te willen zijn, zij heel wat meer kracht ten goede zal kunnen oefenen dan nu van haar uitgaat. Is het eene waarheid, — eene waarheid, die vergeten maar niet geloochend kan worden, — dat zij alle dingen in Christus vermag, welk een schat van werk laat zij dan onverricht, waarin zij den naam des Heeren in de wereld behoorde te verheerlijken! De zucht om in den hemel te komen is prijselijk, maar wanneer deze niet gepaard gaat met het vurig verlangen, dat ook nu verloren gaanden er komen, is die zucht nog alleen een bewijs van beter ingezien eigenbelang. Zonder de liefde is het schoonst schijnende ijdel; dit wetende is het ons streven niet alleen zeiven alles te doen, wat tot redden van verlorenen vereischte is, maar er zoo velen als wij slechts bewegen kunnen, toe te dringen, om medearbeiders van God en Christus te worden in het vervullen van de aarde met een op liefde gegrond volksgeluk.

213

-ocr page 232-

214 BENE PROEFHOUDENDE REDDING VAN DEN DRONKAARD.

VIEilDK AFDEBLING.

Kvuc proel\'liondviulc redding van den dronkiiurd.

Reeds moesten wij uit den aard der zaak heel wat plaats-ruimte iu ons schrijveu geven aan het bespreken van de ellende en den zoo goed als hopeloozen toestand der aan drank verslaafden, zoo mannen als vrouwen.

Het bleek, dat het aantal mannen en vrouwen, die in Engeland een bepaald dronkaardsleven leiden, op weinig minder dan een millioen der bewoners kan worden gesteld. Zoo door eenig ander kwaad of ziekte zulk een aantal staatsburgers nadeel leden, welke pogingen zouden niet worden aangewend, om het kwaad te temperen of zoo mogelijk geheel weg te nemen! Omdat nu de bestrijding en uitroeiing van het kwaad niet werkelijk gewild wordt door hen, die daartoe de macht bezitten, stelt zich de maatschappij als machteloos aan, en toont, door het helpen redden aan zeer weinigen over te laten, dat zij den juisten staat van zaken liever niet weet, om als de priester en leviet te kunnen voorbijgaan met de oude en versleten verontschuldiging; «had ik het maar geweten !gt; Het kwaad is nu tot zulk eene hoogte gekomen, wordt zoo algemeen en van alle zijden besproken, dat nog alleen van niet willen weten kan sprake zijn. Er is meer en beter te doen dan het dronkaardsgild zich altijd weder uit jongeren te laten versterken en voltallig maken; er is zelfs meer en beter te doen, dan althans de jeugdigen te beschermen, en de nu aanwezige dronkaards als toch hopeloos te laten uitsterven; redden, werkelijk redden is, waar het kwaad zoover gekomen is, moeilijk, zeer moeilijk; maar nog nergens is het onmogelijk gebleken. Wij zijn belijders en navolgers van Hem, van wien de Apostel dankzeggend zeide: sik vermag alle dingen door Christus, die mij kracht geeft.»

Hoe zwaar ook wij het pogen hebben leeren kennen, toch mogen wij in den geest des Apostels en in overeenstemming met de blijde boodschap der verlossing zeggen: «wat bij de menschen onmogelijk is, is mogelijk bij God.» Zeker ook tegenover het bestaande en steeds voltallig gehouden leger van dronkaards hebben ook wij slechts zeer betrekkelijk veel kunnen doen. Wat onze moedigste en getrouwste medearbeiders met Gods hulp volbrachten, staaft echter niet alleen dat op dit allerdroevigst gebied redden nog mogelijk is, maar toont ook den weg, die

-ocr page 233-

DE TOESTAND VAN DEN AAN DRANK VERSLAAFDE.

behoort gevolgd en de volharding, waarmede het eens beproefde moet volgehouden worden. Geen oogenblik mag worden vergeten, dat de door dranklust waarlijk beheerschte een geheel willooze slaaf van den drankprikkel is. Geeu woorden van gezond verstand, geene drangredenen van tijdelijk en eeuwig belang, hebben voor den verslaafde eenig gewicht. Zoodra de begeerte is wakker geworden, of schandelijk genoeg door anderen uit lichtzinnigheid of boosaardigheid is wakker gemaakt, is de ongelukkige als een schip zonder roer. Hij heeft slechts ééne gedachte, hoe zijn hem als vuur verschroeienden dorst door het zwelgen uit den beker der bedwelming voor het oogenblik te bevredigen.

Sla den dronkaard gade. Zoolang zijn berouw spreekt en zijn hartstocht voor een oogenblik slaapt, is hij overvloedig in beloften, ja, zoekt hij zichzelven door eeden en verwenscbingen als met ketenen te binden. Vergeefs. Hij laat bet drinken tot soms reeds na weinige uren zijn vijand weder zijn ketenen rammelen doet, en hij als een slaaf opnieuw toont al zijn wilskracht te hebben prijs gegeven. Indien niet nog het Evangelie zich als eene kracht tot verlossing ook van den meest reddelooze in hem kennen doet, leeft hij eeu dronkaardsgraf en een dronkaards-hel te gemoet.

ünze jaarboeken getuigen, dat zelfs, zooals nog de toestanden zijn, dronkaards, en in niet geringen getale, voor henzelven, voor de maatschappij en de gemeente te behouden zijn. De volgende mededeelingen kunnen dit staven. Zij wijzen op voorbeelden, waarin de gevallene reddeloos moclit geoordeeld worden, en waar tegenover toch de liefde machtig bleek om nog eene volkomen zegepraal te behalen. 1)

1) Voorbeelden als de volgende zijn de beste toelichting, in hoever rfronfcaanis-asylen wenschelijk en noodig zijn.

Waren tegen het overwinnen van do cjcwoonte om zich dronken te drinken asylen eene volstrekte noodzakelijkheid, alsdan zou èn het algemeen belang én liefde tot den medemensch eischen, dat in Engeland steeds een mülioen dronkaards kon geherbergd worden; en dat bij ons in Nederland voor het zich steeds met regelmaat aanvullend corps voor minstens 30,000 ruimte was. De vrije liefdadigheid zal dit wel nooit doen, en hoeveel voordeel der schatkist van dit staande leger en zijne kandidaten toevloeie, de regeering zat ook wel niet licht een wetsvoorstel er toe in de Kamer brengen.

Ook leeren de hier voorkomende voorbeelden, en de gansche geschiedenis van den onthoudingsstrijd, het geheel overbodige van een zoo ver gaanden maatregel.

In verband met asylen mag de volgende bijzonderheid niet worden voorbijgezien. De bestaande drinkgewoonten hebben eene vreeselijke macht over den aan drank verslaafde; maar naar mijne ervaring hebben zij eene nog vreese-lijker macht over de meerderheid van hen, die hem in den bloede, of als leden van maatschappij en gemeente bestaan. De macht der gewoonte over den

215

-ocr page 234-

216 EENE PROEFHOUDENDE REDDING VAN DEN DRONKAARD.

Barbara. — Zij was bgna zoo diep gezonken als eenige vrouw slechts zinken kan.

Van haar achttiende jaar af, toen hare ouders haar gedwon-

drankslaaf is eene vooral stoffelijke en dus natuurlijke; maar die over hen, die zich vrijen noemen, zou, waren zij inderdaad vrijen, eene onmenschelijke, zoo niet duivelsche, en dus tegennatuurlijke zijn. Het staat met die vrijheid echter gansch anders geschapen dan zulken meenen, die wel het offer willen van den verslaafde in een asyl te plaatsen, maar stokdoof zijn voor de verkondiging dor waarheid, dat een asyl van levende steencn het beste asyl voor den dronkaard is. Tot het verwijderen van het slachtoffer heb ik allen bereid gevonden, wien het stoffelijk offer doenlijk was; maar op honderden brieven, die het toover-middel begeerden, dat den dronkaard onbewust van den drank zou afkeerig maken, kreeg ik nooit antwoord na het aanbevelen van eigen vrijwillige geheelonthouding tot steunen en redden van dengene, voor wien geheelonthouding het laatste en eenige redmiddel geworden was. Geld wilden allen missen, maar nauwelijks iemand afstand doen van het gezellige glas, of strijdig handelen met de bestaande maatschappelijke gewoonten! Wat in deze gevallen het zwaarste woog, behoeft niet aangewezen te worden. Voor wie van godsdienst niet willen weten, is niets doen of slechts ter halver wege gaan zeer begrijpelijk. Anders echter moeten wij oordeelen over hen, die zichzelven «als geheel verloren zondaars door Christus\' kruisoffer uit genade gered» verklaren, maar nu niet eens de gelijke van den barmhartigen Samaritaan, laat staan een navolger van den Heer willen zijn, die geheel vrijwillig voor hen «de schande verachtte en het kruis verdroeg.» Als overste Leidsman heeft hij ons ook op dit pad den weg gewezen en gebaand. Duizenden bobben zijn spoor gevolgd en evenals de Heilssoldaten in dit treffend verhaal met zegevierende vrucht. Ook onze eigene ondervinding is geheel dezelfde. Niemand, en dit reeds geheel de wereld over, kan nog zeggen; «had ik de kracht en beteekenis van dit middel — eigen onthouding ter wille van en met den dronkaard — maar gekend! — het middel is bekend; is op allerlei wijze met beroep op het Evangelie aanbevolen;—maar vooral zij, die niet moesten aarzelen om het met beide handen aan te grijpen, zijn in den regel nog de allerlaatsten om zich bereid te toonen.

Zijn hiermede asylen veroordeeld? Verre vandaar. Er zijn slachtoffers, en hierbij denk ik in de eerste plaats aan wie door erfelijkheid, en dit soms geheel buiten hun wil, slachtoffers zijn; lijders, bij wie zelfs de innigste liefde moet te kort schieten. Over deze gevallen moet de geneeskundige wetenschap een oordeel kunnen vellen, en om dit met zekerheid te doen, kan naar mijn oordeel de wetenschap asylen niet ontberen, om met zekerheid ziektegevallen van een enkel willoos toegeven aan hartstocht en lust te kunnen onderscheiden.

Bestaat niet reeds op het gebied van krankzinnigheid gelijke onderscheiding tusschen werkelijke zielekrankheid en een enkel uit hartstocht toegeven aan hoogmoed, dwaasheid en nijd?

Naar dezen maatstaf zijn dan ook geen asylen noodig in talrijkheid en omvang zoo wat aan onze gevangenissen gelijk. Nog zijn wel de meeste gevallen van dronkenschap door de overmacht van ware, zelfopofferende liefde geneesbaar; en God verhoede, dat dit onder ons anders, dat de verhouding eene omgekeerde worde. Zoo echter blijve het asyl een laatste en niet dan na het rijpste onderzoek toegepast redmiddel. Daardoor alleen kan het voor geneeskundig onderzoek belangrijk worden, zoodat omtrent de slachtoffers van anderen aard de wetenschap steeds krachtiger en luider hare stem aan die van den godsdienst paren kan en zeggen: «Deze u tot schande en last zijnde behoeft niet in de eerste plaats owzc maar uwe reddende hulp. Indien gij slechts wilt, gij kunt dezen behouden door voor hem te doen, wat gij behoort te doen voor eiken kranke: onbepaald gehoorzaam zijn aan wat de eisch van waarachtige liefde is, die niet met eigen belang maar met dat van den medemensch rekent.» \'Vert.

-ocr page 235-

DE MACHT DES DRANKS.

geu hadden afstand te doen van oen zeeman, dien zij liefhad, en met een man, die naar het heette goede vooruitzichten had, te trouwen, was zij al lager in het moeras der zonde weggezonken.

Zij gevoelde niet de minste genegenheid voor den haar opgedrongen man, en zocht daarom spoedig troost in de kleine jeneverkroeg, die niet ver van hare woning verwijderd was. Woordentwist maakte in haar huis spoedig plaats voor handgemeen worden, vloeken en verwenschingen, zoodat haar huiselijk leven in eene slechte buurt nog van de ergste soort werd. Haar echtgenoot toonde openlijk hoe onverschillig zij hem was. Wanneer zij ziek was, en daardoor niet in staat om met visch langs de huizen te gaan, ging hij voor maanden weg, en zij moest dan maar zien, hoe zij met hare kinderen aan den kost kwam. Van de twintig jaren, die zij samenleefden, waren er meer dan tien door zulke tijden van scheiding gekenmerkt. In-tusschen werd het eenige, waarvoor zij leefde — de drank. De drank was letterlijk haar leven; haar dorsten naar bedwelmend vocht werd voor haar een onwederstaanbare hartstocht. De vrouw, die haar geholpen had bij het ter wereld brengen van een kind, weigerde om whisky voor haar te halen. Toen deze alles gedaan had, wat tot haar helpen vereischt werd, legde zij de pas moeder gewordene zoo, dat zij zou kunnen slapen. Niet lang nadat zij zich verwijderd had, verliet Barbara met inspanning het bed, kroop de trappen af en naar de kroeg, waar zij met haar pas geborene in den arm, een zuigeling van nauwelijks een uur, zich aan drank te goed deed. Op deze wijs ging zij voort, tot het leven haar ondragelijk werd en zij besloot er door zelfmoord een eind aan te maken. Zij nam daartoe hare twee kinderen met zich mede, gooide ze beiden zonder aarzeling in het water en sprong ze na. «O moeder, moeder, verdrink mij niet,» kreet de kleine Sara, een meisje van ruim drie jaren. Barbara echter wist van geen ontfermen, maar hield het kind stevig onder. Opeens zag zij toen eene boot tot redding komen aanroeien. Zich ontdekt ziende, veranderde zij van plan en zwom met de kinderen naar den wal terug. Hier wist zij den man, die de boot roeide, te beduiden, dat zij bij ongeluk te water geraakt was, waarop deze haar vrij liet gaan, en zij met een nat pak thuis kwam. Doch de arme Sara overleefde den schrik niet lang. Het kind werd terstond ernstig ziek, en rustte na weinige weken op het kerkhof.

In eene nieuwe vlaag van wanhoop besloot Barbara door ophanging een eind aan haar leven te maken. Bijna oogen-

217

-ocr page 236-

DENE PKOEFIIOUUENDE UEDDINO VAN DEN DKONKAARl).

blikkelijk ua het volbrengen van haar opzet, kwam eene buurvrouw binnen. Deze sneed haar af, eu hoewel reeds zonder bewustzijn, was nog het leven niet uitgebluscht. Van toen aan werd zij de schrik der gansche buurt, en haar naam werd aan allerlei daden van geweld en boosheid verbonden. Eindelijk trokken onze samenkomsten in de open lucht hare aandacht eu daardoor aangetrokken, kwam zij in onze barakken, werd gered, en zoo van haar lust tot drinken eu zondigen verlost.

Haar huis, dat een verblijf van verschrikking geweest was. werd van toen aan eene soort van toevlucht in de arme buurt, waar zij woonde. Andere vrouwen, even ongelukkig als zijzelve, kwamen nu bij haar om hulp en troost. Ieder in de buurt wist, dat Barbie geheel veranderd was, eu er genoegen iu had iets voor hare buurtjes te kunnen doen. Eenige maanden geleden kwam zij bij onzen kapitein, in groote droefheid over eene vrouw, welke tegenover haar woonde. Onder de vreeselijkste verwenschiugen was het arme mensch wreedaardig getrapt en geslagen door haar ontaarden man, die haar eindelijk de deur uit en op straat geworpen had. Ten einde raad bad zij zich tot Barbie als haar eenige hoop gewend. Ook nam deze haar willig in, legde met hare wat ruwe goedheid de mishandelde op haar bed, dreef de andere vrouwen weg, die haar medelijden in schelden op den man openbaarden. Toen de vrouw zoo wat rust had, deed Barbie als baker eu dokter dienst, en verleende hulp tot het kind geboren was en in moeders armen lag. Verder kon Barbie tot haar spijt niets doen, want de arme vrouw had zulk een schrik voor haar beul, dat zij zoo goed zij kon de trappen afkroop en op handen en knieën kruipend weder haar eigen verblijf bereikte. «Maar, Barbie,» hernam de kapitein, «gij hadt haar bij u moeten houden, en haar verzorgen tot zij weder beter was;» doch Barbie wees hem op \'s mans vreeselijke kwaadaardigheid en wreedheid, en dat het de arme vrouw zeker eeue nieuwe mishandeling zou gekost hebben, ja wellicht haar leven, wanneer zij langer dan een paar uren had durven wegblijven.

Het tweede geval is het volgende;

Griet. — Zij had eeue woning, maar was des avonds zelden nuchter genoeg om het tot huis te brengen. In den regel viel zij maar ergens neer, en ronkte daar tot een voorbijganger of politiedienaar haar vond en huiswaarts hielp.

In een van hare opgewonden buien had een mededronkaard haar, zoo zij meende, erg beleedigd. Hij was klein, gebocheld en

318

-ocr page 237-

HOE VER LICHTZINNIGHEID EN BOOSHEID GAAN.

ook een stevige drinker. Zonder zich zelfs maar een oogenblik te bezinnen, greep Griet den dwerg aan, en duwde hem, met liet hoofd vooruit, in een der wijde riolen van het Schotsche stadje, waar zij woonden. Had niet spoedig daarop een voorbijganger zijn voeten gezien en hem ijlings er uitgetrokken, het slachtoifer van Griets woede zou in het riool gestikt zijn.

Op zekeren winteravond had Griet weder zwaar gedronken en als gewoonlijk als een helleveeg gevochten. Op weg huiswaarts struikelde zi] en viel op straat langs een kaaimuur. Daar lag zij, zoo lang als zij was op de sneeuw, terwijl het bloed uit meer dan één wond stroomde en haar loshangend haar ééne massa bloed en sneeuw vormde.

Om vijf uren des morgens vonden haar zoo eenige fabrieksmeisjes, verstijfd door de koude en haar einde nabij.

Moeielijk viel het haar uit haar dronken slaap te doen wakker worden, maar toen zij ontwaakt was, bleek het nog zwaarder taak haar van den grond op te krijgen. Uet van bloed doortrokken hoofdhaar was aan de straatsteenen vastgevroren. Zoo lag Griet daar stevig geboeid. Na allerlei beproefd te hebben, en daarvoor met scheldwoorden en vloeken beloond te zijn, kwam een der meisjes op het denkbeeld van huis een ketel warm water te halen, en door dit met voorzichtigheid op het haar te gieten, liet dit eindelijk los, en gelukte het de nog maar half ontnuchterde vrouw naar huis te krijgen.

Ook Griet liet zich eindelijk overhalen naar onze zaal te komen. Dagen en avonden kostte het den kapitein haar tot rede te brengen en haren wil tot een beteren zin over te buigen; doch eindelijk bleek haar hart gebroken, beleed zij den Heer hare schuld, en werd eene van hare zonden verloste nuchtere vrouw.

Alles ging voor een tijd best met haar, toen het buiten hare schuld bijna weder het oude zou geworden zijn. Eene vriendin had haar bij zich genoodigd. Deze was pas gehuwd en haaiman drong er bij Griet op aan, dat zij op de gezondheid van hem en zijne vrouw drinken zou.

tGij begrijpt toch,» voegde hij er bij, «lat ik u geen drank zal schenken. Drink met dit glas limonade ons welzijn.»

Griet dronk, daar zij niets kwaads vermoedde, maar proefde opeens dat zij drank binnen gekregen had.

De man lachte hartelijk, toen hij haar ontsteld gelaat zag, maar eene vriendin spoedde zich dadelijk naar den kapitein, om dien oiededeeling van het gebeurde te doen.

«Misschien is het nog tijd,» zeide de vriendin, «zij heelt haar woord niet vrijwillig gebroken.»

219

-ocr page 238-

EENE PROEFHOUDENDE REDDING VAN DEN DRONKAARD.

«Het kan niet meer helpen,» kreet Griet, «blijft weg, ik wil niets van haar weten. Weg, kapitein, geef, geef mij meer; ik ben van binnen enkel vuur.»

Onze kapitein liet zich niet van haar stuk brengen, maar nam haar mede naar haar eigon huis en sloot daar zichzelve met Griet op. Zij hield den sleutel der deur in haar zak, terwijl (Jriet als een wild dier in zijn kooi de kamer op eu neder liep, en half waanzinnig van drankdorst om meer whisky dwong.

«Nooit zoolang als ik leef,» was het eenig antwoord van haar bewaakster. Eindelijk plaatste zich Griet bij de deur, waaraan zij naar de meening van den kapitein toch niets kon doen. Op eens echter kraakte er iets. De kapitein zag op, en de deur was open en Griet de straat op. Van vroeger met stelen en al de loopjes daarbij bekend, had zij het slot weten te forceeren, vloog de straat op en de naaste kroeg binnen.

Geen oogenblik later of de kapitein was ook daar, en eer de kroeghouder het glas der ongelukkige had kunnen vullen, stond de schuithoed nevens Griet en zeide tot den man: «wanneer gij haar in durft schenken, sla ik het glas stuk eer het hare lippen bereiken kan.» Eindelijk liet Griet zich tot medegaan bewegen, en werd nu zoolang bewaakt, tot de bui over en zij weder zichzelve was.

De man, die haar verradelijk den whisky gegeven had, had in weken den moed niet buiten zijn deur te komen. Het volk uit de buurt, hoe ruw en slecht ook, zou hem gelyncht hebben, zoo verbitterd waren allen over zijn gemeen bedrijf.

Eene andere geredde is Rose.

Rose was ten val gebracht, verlaten en hulpeloos achtergelaten, toen zij niet ouder dan dertien jaren was. Een man van vermogen was haar verleider geweest, een slechtaard, die zoo diep gezonken is, dat hij in een armhuis in het Noorden van Engeland verblijf heeft.

Zonder vader of moeder, zonder maag of vriend, mag men zeggen, verviel Kose tot den breeden weg, en kende er gedurende twaalf jaren al de schande en ellende van. Hare wilde, hartstochtelijke natuur, die in vollen opstand was tegen de haar aangedane laagheid, zocht vergetelheid in het glas, en zoo was zij spoedig een volslagen dronkaard. Vier en zeventig malen was zij voor de overheid gebracht en gestraft, maar de vier en zeventigste maal nog even verre van beterschap als de eerste. Eene uitzondering greep voor haar plaats op den dag van het jubilee der koningin. Haar welbekend aangezicht weder ziende.

220

-ocr page 239-

MACHT VAN HET GODSDIENSTIG LIED.

vroeg de rechter; «Hoevele malen is die vrouw reeds voor geweest.» De hoofdofficier van politie antwoordde: «vijftig malen.» De rechter maakte toen met bitteren spot de opmerking: «dan is het vandaag ook haar jubilee,» en zoo kwam zij van gevangenis en straf vrij.

Wel is het wonder, dat een leven zooals zij leidde, haar niet zeer jong ten grave heeft gesleept. Toch deed het hare verstandelijke vermogens zoo aan, dat zij gedurende geruimen tijd moest opgesloten worden in het Lankaster-krankzinnigenhuis.

Als een bewijs van de heftigheid van hare geaardheid mag wel gelden, de gelofte, die zij deed, toen zij voor de tweede maal gevat was, dat zij nooit weder naar het politiebureau loo-pen zou. Hiernaar ook deed zij\', en later was het altijd noodig haar er heen te sleepen of op eene kar te vervoeren. Bij zekere gelegenheid, kort voor hare terechtbreuging, werd zij weder door vier politieagenten naar het bureau gesleept. Zij was toen zoo woest, en sloeg, trapte en beet met zulk eene heftigheid, dat een der politieagenten losliet, zoodat door haar worstelen haar hoofd tegen een steenen paal sloeg en zij daarbij zulk een wond ontving, dat het bloed over de straat vloeide. ïoen zij in de cel bezorgd was, ving het arme schepsel het bloed in hare handen op en waschte er haar gezicht mede. Des anderen daags zag zij er allerdeerlijkst uit; de politieagenten, die haar voor moesten brengen, wilden, dat zij zich zou laten reinigen, maar zij verklaarde, dat zij ieder te lijf zou gaan, die haar met een vinger zou durven aanroeren. Men had met opzet haar bloed vergoten, en dat zou voor de rechtbank tegen hen getuigen.

Toen zij voor de laatste maal uit den kerker werd vrijgelaten, ontmoette zij op haar weg een corps heilssoldaten, die hunne muziek deden hooren en daarbij zongen:

Prijs het Lam, het heilig Godslam,

Dat ons met zijn bloed verloste.

Dit lied greep Kose in hart en geweten, en getroffen door de opgewekte en gelukkige aangezichten, welke zij aanschouwde, bleef zg volgen, en zeide bij zichzelve: «Nooit heb ik nog iets dergelijks gehoord, en zooveel menschen gezien, allen met even gelukkig voorkomen.» Zoo werd zij innerlijk bewogen en gedrongen om in de zaal te komen. Wat zij daar zag en hoorde, brak haar het hart. Openlijk beleed zij schuld, kwam tot Christus, als de Zondaarsvriend, die ook voor haar had willen sterven, om de onreinheid harer zonden weg te wasschen met zijn bloed, en haar een nieuw hart en leven in te storten. Toen zij, na

221

-ocr page 240-

ERNE PROEFHOUDENDE BEDDING VAN DEN DRONKAARD,

haar openlijk schuldbelijden, van hare knieën oprees, zeide zij tot den kapitein: «nu ben ik terechtgebracht.»

Drie maanden na hare bekeering werd er eene groote samenkomst gehouden in de stad, waar zij bij ieder inwoner eene welbekende was. Omstreeks drie duizend personen waren daar tegenwoordig. Rose werd opgeroepen, om getuigenis te geven van Gods macht in het redden van zondaren. Nooit werd eenig spreker met meer welwillendheid en belangstelling begroet dan Rose, door een gehoor, dat geheel haar levensloop kende. Nadat zij onder tranen in afgebroken woorden getuigd had van de wondervolle verandering in haar leven, kwam eene nicht van haar, die ook een openbaar slecht leven geleid had, tot boete en vond uitkomst aan de voeten van Jezus.

Rose is nu sergeant bij het corps voor de Oorlogskreet. Zij gaat met het blad in kroegen, huizen van ontucht en andere beruchte plaatsen, plaatsen waar zijzelve eens tehuis behoorde, en waar zij nu aan zondaars de Blijde Boodschap van verzoening en verlossing verkondigt. Geen ander heilssoldaat verkoopt meer bladen dan nu Rose. De terechtbrenging van Rose maakte vooral ook op de politie een diepen indruk. Nog onlangs zeide mij de opper-intendant, dat de redding van een zoo diep gezonken vrouw als Rose hem het wonderbaarste was wat hij ooit had aanschouwd.

S. — was uit Lancashire geboortig, de zoon van arme, doch vrome ouders. Hij kwam op zijn zestiende jaar tot bekeering. Eerst werd hij evangelist, toen gedurende vijf of zes jaren stadszendeling, en eindelijk predikant eener Baptistengemeente. Door overspanning in zijn arbeid kreeg hij behoefte aan den prikkel van bedwelmend vocht en geraakte onder de macht er van, wat hem zijne betrekking deed uederleggen. Hij werd nu handelsreiziger, eene betrekking, die wel minder dan eenige andere hem paste; spoedig verloor hij dan ook de met moeite verkregen plaats. Hierop werd hij aangenomen tot agent eener verzekeringsmaatschappij, klom op in rang, maar eindigde met opnieuw tot overmatig drankgebruik te vervallen. Gedurende dit tijdperk zijns levens had hij viermalen delirium tremens, poogde hij driemalen zich van het leven te berooven en geraakte eindelijk met zijn gezin in het armhuis. Zijn laatste poging om aan drank te komen was het voordragen van spotpreeken in herbergen.

Na een van deze goddelooze vertooningen in eene kroeg, waarbij hij de vraag besprak: szijt gij van zonde verlost?» werd

222

-ocr page 241-

STttlJU OM HET LEVEN.

hij krachtig toegesproken en aan zijn geweten den eisch gesteld om mede naar de heilskazerne te gaan. Hij ging mede, en de kapitein, die hem van nabij kende, drong hem opeens en met macht om voor het behoud zijner ziel. te pleiten. Daartoe onwillig wierp S. den kapitein op den grond en ijlde naar de kroeg terug om nog meer te drinken. Toch was hij, door wat hem in heiligen ernst gezegd was, zoo aangegrepen, dat hij geene macht had het glas aan den mond te brengen, hoewel hij het tot driemalen toe beproefde. Weder ging bij naar de samenkomst terug, en nogmaals keerde hij vandaar naar de kroeg. Hij kon daar geen rust vinden, en begaf zich ten derden male naar de zaal. Toen hij deze laatste maal binnentrad, zongen juist de soldaten:

O diepte van gena, is \'t waar en niet slechts schijn, Zou redding ook voor mij, voor mij zelfs mooglijk zijn; Zou God, gehoond, getergd bij \'t roekloost wederstreven Mij, zondaar als niet één, nog uitkomst willen geven ?

Dit lied greep hem nog sterker aan; bij begon te weenen, en bleef onder de diepste overtuiging van schuld tot bij middernacht in de kazerne. Des anderen daags was hij den ganschen dag dronken, om de in hem gewekte overtuigingen te smoren. De kapitein bezocht hem dien avond, maar werd spoedig door hem de deur uitgeworpen. Deze echter was den anderen ochtend weder vroeg bij hem, en bad en sprak gedurende twee uren met S. De arme S. verkeerde iu een toestand van wanhoop. Hij hield vol, dat er voor een zondaar als hij geene genade meer mogelijk was. Na een zeer langen worstelstrijd, sprong hij van zijne zitplaats op, viel op zijne knieën, beleed zijne zonden en vond vergeving aan den voet des kruises.

Toen deze omkeer in hem plaats greep, bestond zijn gansche meubilair in eene zeepkist voor tafel, en drie stijfseltonnetjes voor stoelen. Zijne vrouw, hijzelf en zijne kinderen hadden in geen drie jaren op een bed geslapen. Het is nu een geheel veranderd, gelukkig gezin. Zij bewonen een goed huis, en bij den grooten aanleg, dien hij bezat, maar zoo droevig had misbruikt, is hij nu het middel geworden om een niet gering aantal zondaars tot Jezus te leiden en hun een gelukkig leven te helpen deelachtig worden.

Gevallen aan deze gelijk, die duidelijk in het licht stellen, dat de redding van dronkaards niet is boven de macht der in vrijheid invloed oefenende deelneming der christelijke liefde.

223

-ocr page 242-

HENK PROEFHOUDENDE BEDDING VAN DEN DRONKAARD.

kunnen door ons, en evenzeer door anderen, met overvloed van bewijzen worden gestaafd.

Er zijn in onze gelederen officieren, die eens geheel onder de macht van deze bekoring des satans waren, maar wier ketenen nu door den Geest van Christus gebroken zijn, zoodat zij als vrije mannen in zijn dienst leven en strijden. Toch blijft de alkoholstroom, door duizenden stokerijen gevoed, de aarde bedreigen en overstroomen, met, ik zeg dit zonder eenige aarzeling, het onreinst en meest met bloed bezoedeld vocht, dat ooit door de aarde is ingedronken.

Reeds de maatschappij als geheel, maar hoeveel meer de gemeente des levenden Gods in haar midden, moest niet rusten, alvorens eene uiterste poging beproefd te hebben, om de tot milli-oenen aangroeiende slachtoflers van een geheel noodeloos gevaar te helpen redden. Waar maatschappij en gemeente hierin op even onverklaarbare als onvergeeflijke wijze achterlijk blijven, rest ons wel niet anders dan de slachtoffers eener verzoeking, welke zij niet kunnen wederstaan, uit een midden weg te nemen, waar alles op bevordering van menschengeluk behoorde te zijn aangelegd. Gave God, dat de dag spoedig mocht aanlichten, dat al die vergunningssivoomva, die niets dan dood en verderf over de samenleving uitgieten, voor altijd gedempt en uitgebannen worden. Helaas, dat dit een wensch moet blijven, waarvan de verwezenlijking nog zoo veraf schijnt!

In betrekking tot de heerschende dronkenschap moet nimmer uit het oog verloren worden, dat hoeveel gevallen er zijn van een vrijwillig toegeven aan eene slechte gewoonte, het ook niet ontbreekt aan gevallen, waar wij de oorzaak in een bepaalden ziektetoestand hebben te zoeken. Is de dranklust enkel gevolg van gewoonte, dan moet de slechte gewoonte door betere overwonnen. Het kan daartoe noodzakelijk zijn, den man van de plaats des gevaars te verwijderen, maar het allerbeste is hem in een kring van nieuwe vrienden over te brengen, die door woord en voorbeeld hem als een asyl van levende steenen omringen. Bij bepaalde ziekteaandoening kan licht zelfs de beste omgeving weinig of niets ten goede baten. Evenmin als typhus of andere ziekten door enkel zedelijken invloed te genezen zijn, evenmin de drankwoede, die geheel onafhankelijk van het karakter of den wil des lijders is ontstaan. 1)

l) Van het hoogste belang, zoowel uit zedelijk als uit geneeskundig oogpunt zijn de onderzoekingen van geneesheeren, leden van vereenigingen, zooals in Engeland en Amerika bestaan: tot onderzoek van den aard en de beste rjenees-wijze (vooral van dit laatste soort van dranklijden, met den naam) van ebrietas,

224

-ocr page 243-

WELKE TEHUIZEN NOODIG ZTJN.

De tehuizen te Dalrymple, waar aan dranklust lijdenden op bevel van de overheid of op eigen verlangen kunnen geplaatst worden, zijn bij een ten deele gelukkig slagen, in elk geval veel te kostbaar voor de werkende standen en armen. Hoe zouden deze uit eigen middelen ooit 25 gld. \'s weeks kunnen geven; en waar is de beurs, die bij een altijd voortgaand kweeken van nieuwe slachtotters de schaar der hulpbehoevenden voor hare rekening zou kunnen nemen?

Onze plannen zijn van anderen aard. Wel behooren daartoe ook tehuizen, maar van zulk een aard, dat zij tot redding van armen en van velen hunner kunnen dienen, maar vooral omdat de afzondering bijzaak en de invloed der liefde en van doel-matigen arbeid hoofdzaak zijn. Zoo zullen er zijn:

1. Tehuizen in de stad, waar de aan drank verslaafde nauwkeurig zal worden gadegeslagen en bewaakt, zoodat terwijl de verzoeking gekeerd wordt, de liefde een vollen invloed kan uitoefenen.

In bijzondere gevallen zullen daarin ook kunnen worden opgenomen personen, die een werkkring in de City hebben, en die naar en van de plaats hunner werkzaamheid door een bewaker zullen begeleid worden. Voor zulk een buitengewoon toezicht zal echter ook meer moeten betaald worden.

2. Tehuizen buiten. Deze zullen ingericht en bestuurd worden naar de beginselen, die te Dalrymple doeltreffend zijn gebleken. Ook voor door de overheid daarheen verwezeuen zal er plaatsing zijn.

De algemeene regeling van beide onze inrichtingen zal ongeveer deze zijn:

1. In elke der beide inrichtingen zullen allen zijn op gelijken voet. Mocht het later blijken, dat dit zijne schadelijke zijde heeft, dan zal een andere weg worden ingeslagen.

225

2. Allen zullen moeten deelen in betalenden arbeid. Aan

van den gewonen dranklust drunkencss wel te onderscheiden. In asylen voor werkelijk aan ebrielas lijdenden is onze belangstelling even groot, als wij een afkeer en bijna afschuw hebben van ballingschaps-asi/len, waarheen allerlei soort zelfzucht lijders voor geld afscheept, om den last, het zelfverwijt enz. die zij geven, op de gemakkelijkste wijze te ontgaan. De betere weg, het pad, dat do liefde baant en etl\'ent, is overal openbaar; en onze verontwaardiging grenst aan verachting, zoo dikwijls ons blijkt, dat naaste bloedverwanten voor ongelukkige betrekkingen een genot niet willen prijsgeven, dat op zijn best genomen geheel waardeloos is. En wie zeiven in zulk een geest van bekrompenheid handelen, zijn soms niet uitgesproken in hun veroordeelen van wat hun bij het Heilsleger vreemd voorkomt, al is dat vreemde enkel een niet gewoon pogen der liefde, omdat de gewone en platgetreden paden van de gewone philantropie geen of zoo goed als geen resultaat beloven. Vert.

15

-ocr page 244-

22fi ÜENE PROEFHOUDENDE REDDING VAN DEN DllONK(UllD.

werk in de opeu lucht zal de voorkeur gegeven worden, maar ook voor arbeid binnenshuis zal gelegenheid zijn, als dit eenig patiënt beter voegt, of het weder te ongunstig is om veld- of tuinwerk toe te laten.

3. Voor huisvesting en verzorging zal zes gld. \'s weeks moeten betaald worden; waarvan echter in dringende gevallen vrijstelling kan worden verleend.

Het nuttige en noodzakelijke van dit soort van tehuizen behoeft geen betoog. Er is allengs eene klasse van raenschen in onze maatschappij gekomen, die op bijzondere wijs den last en den smaad lijden van gewoonten, welke alleen geduld worden om het voordeel, dat zij door hun geld aan de in onze maatschappij machtigen opbrengen. Maatregelen tegen andere besmettelijke ziekten verschijnen al in een zeer vreemd en wonderbaar licht, wanneer men nagaat, dat een besmettelijk kwaad, waarvan een man als Gladstone betuigt, dat het verwoestender is dan oorlog, pest eu hongersnood vereenigd, als een kruidje-roer-mij-niet in de maatschappij en in de christelijke samenleving voortleeft, zonder merkbare bezorgdheid te wekken.

Toch deelen de dagbladen het dag aan dag mede, hoe aanhoudend en bij tientallen malen ongelnkkigen voor de rechtbank gebracht en gevonnisd worden, enkel omdat zij te onverstandig of te zwak zijn, om de als spinnewebben overal belagende kroegen te mijden, maar er als vliegen in gevangen eu tot op het merg toe uitgezogen worden. Omdat enkelen er voordeel van trekken, wordt de geheele bevolking gedwongen de steeds toenemende lasten van znlk een maatschappelijken vloek te dragen.

VIJFDE APDKELING.

Een nieuwe weg voor verlossing van gevallen vrouwen.

Beddingshnizen.

Er bestaat misschien geen kwaad, dat zoo verwoestend ingrijpt in de dierste belangen der maatschappij, en geen dat in zijne bestrijding naar aller ervaring zoovele bezwaren en moeie-lijkheden oplevert, als wat onder den eigen naam van het maatschappelijk kwaad bekend is. Reeds bevatte ons schrijven mede-

-ocr page 245-

REDDING VAN GEVALLEN VROUWEN.

(leelingen in welk een omvang en in hoe afschuwwekkende vormen het bestaat, en onze hooggeroemde beschaving naar de hartader steekt.

Reeds deden wij ons uiterste best in den kamp tegen dit kwaad. Dertien huizen hebben wij in Groot-Brittannië, waarin aan 307 meisjes schuilplaats is verleend, en 132 vrouwelijke officieren de zware taak hebben, om in dezen een nieuw leven en eene nieuwe hoop te helpen wekken. In het buitenland werden onze tehuizen van dit soort reeds zeventien. Dit geheel, ofschoon weinig beteekenend tegenover de overgroote behoeite aan deze inrichtingen, is misschien toch de krachtigste poging, welke nog ergens ter wereld beproefd is geworden.

De uitkomsten door ons op dezen weg verkregen zijn zeer moeielijk met juistheid te schatten. Geheel buiten betrekking tot deze toevluchtsoorden zijn door onze onderscheiden wijzen van te arbeiden en invloed ten goede te oefenen zeker honderden, zoo al niet duizenden uit haar leven van schande en ellende verlost. Van wie in het buitenland door ons pogen redding vonden, ontbreken ons juiste opgaven, maar omtrent Engeland kunnen wij met zekerheid zeggen, dat ongeveer 3000 dezer ongelukkigen gered geworden en tot een eerbaar en werkzaam leven teruggekeerd zijn.

Dit welslagen heeft ons eene dubbele voldoening geschonken. Allereerst hebben wij ons dankbaar verblijd met de jeugdigen, die verlossing uit den slavendienst vonden, maar bovendien hebben wij God gedankt met de huisgezinnen, waartoe een verloren kind met geheel veranderden zin is teruggekeerd. Hoe aanmoedigend is ons zulk eene uitkomst om op het ingeslagen spoor voort te gaan, en er naar te streven, dat onze pogingen in omvang evenaren het monsterkwaad, dat alle goedgezinden en godvreezenden met geene te groote veerkracht in tak en wortel kunnen bestrijden.

Ziende op den nood, waartegen gekampt moet worden, is het ons voornemen onze tehuizen in Londen en daarbuiten op veel grooter schaal in te richten, en op elk middelpunt, waar het kwaad nog blijft voortwoekeren, eene machtige poging tot verweer te beproeven.

Uit deze tehuizen zullen, zooals wij reeds deden, velen aan hunne betrekkingen worden teruggegeven; maar anderen zullen wij houden en verzorgen tot zij voor goede diensten bekwaam zijn, en weder anderen, die daarvoor meer geschikt bevonden worden, zullen wij naar de landbouwkolonie overbrengen.

Op de hoeve zullen meisjes van deze klasse voor velerlei werk

227

-ocr page 246-

BEDUINGSUUIZEN.

kunnen dienst doen. Op de factory zullen zij aan het weefgetouw of met boekbinden werk vinden; in den tuin of in de broeibakken leveren bloemen en vruchten geuoegzamen arbeid ; in de melkerij vinden zij de boterkarn, waarna nog allerlei soort van huiswerk overblijft.

Op elke sport quot;-an ons ontwikkelingsproces zal de zedelijke en godsdienstige opvoeding, waarmede wij in de eerste plaats rekenen, met den meesten ernst worden behartigd.

Het laat zich voorzien, dat niet weinigen uit de kolonisten zich door het huwelijk nauwer met elkander zullen verbinden, zoodat ook langs dezen weg vele dezer meisjes tot den kring van het gewone maatschappelijk leven zullen terugkeeren.

Voor een zeer groot aantal zal het buitenland met zijne over-groote behoefte aan vrouwelijke dienstboden plaatsing geven. In Canada worden reeds nu meisjes uit de tehuizen als dienstboden aangenomen, met geen beter bewijs van goed gedrag dan dat zij daar eenige weken vertoefd hebben; terwijl dan toch 36 gld. \'s maands als loon wordt betaald. Hoe schaars vrouwelijke dienstboden in Australië, de Westelijke Staten van Amerika, Afrika en andere deelen der wereld zijn, behoef ik hier niet te vermelden. Zoo kan er niet de minste twijfel bestaan, of meisjes, die een vol jaar onder ons toezicht zijn geweest, zullen op vele plaatsen van harte, welkom geheeten worden. Voor uitzet en passage moet natuurlijk gezorgd, doch beiden zullen gewillig worden voorgeschoten door de huurders, die dan het voorgeschotene door korting op de eerste huurtermijnen verrekenen.

Voorts hebben wij de kolonie over zee in eigene handen, en reeds deze zal een groot aantal vrouwelijke dienstboden behoeven. Eindelijk zullen zeer weinige personen naar de koloniën uitgaan, die niet gaarne, en voor dienstboden èn voor de gezelligheid, op reis eene jeugdige dienstbode zullen willen medenemen.

Door deze methode van hulpbieden zullen wij ons reddingswerk op eene veel grootere schaal kunnen voortzetten. Nu nog staan ons twee groote moeilijkheden zeer in den weg. De kosten aan het te recht brengen van een meisje verbonden kunnen wij nu op niet minder dan 84 gld. stellen, tenminste wanneer wij daarbij dooreen opnemen haar met wie wij niet slagen, en zulken aan wie het geld zoo goed als weggeworpen blijkt. Nu is 84 gld. wel niet zulk eene groote som, wanneer men daartegenover berekent de weldaad aan een meisje bewezen, door haar van het zedelooze straatleven in de maatschappij terug te brengen, maar doordien de poging niet honderden maar duizenden

228

-ocr page 247-

TE OVERWINNEN MOEILIJKHEDEN.

moet bereiken en ten goede komen, wordt de op zichzelf kleine som door de vermenigvuldiging een gansch niet onbeduidend bedrag. Gelukt ons plan, dan vleien wij ons met de hoop, dat de geredden zeiven in staat zullen blijken alles te verdienen wat hare redding vordert, wat ook voor haar zeiven te grooter voldoening wezen zal.

Eene verdere moeilijkheid, welke onze uitbreiding in deze inrichting in den weg staat, is het vinden van eene passende, duurzame plaatsing voor haar, die onze hulp en leiding behoeven. Immers al zijn wij boven verwachting gelukkig geweest door tot hiertoe voor een 1200 meisjes diensten in huisgezinnen te vinden, het aantal slachtoffers van onze maatschappelijke toestanden en wanbegrippen op het gebied der zedelijkheid, is zoo groot, dat wij van een op afdoende wijs helpen nog niet spreken mogen. Het kan niet anders, of in menig huisgezin is men schroomvallig om zulke arme ongelukkigen in eigen huiselijken kring op te nemen, terwijl men personen krijgen kan, aan wier goeden naam geen smet kleeft; en wie zal dit eenig hoofd van een huisgezin euvel duideu? Wie gevallenen redden en helpen wil, moet zeker zijn, dat liefde hem dringt, of het tijdstip blijft niet lang uit, dat men zijn goede voornemens en welwillendheid, als toch vruchteloos laat varen.

Bovendien is het licht te begrijpen, dat de eentonigheid van een dienst hier te lande velen dier meisjes zeer tegen staat, gewend als zij zijn aan een leven van opwinding en vrijheid. Dit is gemakkelijk te begrijpen. Het is eentonig om zeven dagen in de week geheel afgesloten te zijn van de buitenwereld, van vrienden of bekenden, uitgenomen de wekelijksche kerkbeurt of het vrije avondje, waarop zij dikwijls zelf niet weten waarheen, daar velen der meisjes niet in de gelegenheid zijn de samenkomsten van het leger des heils bij te wonen, en te verwonderen is het niet dat de goede voornemens van velen hier niet tegen zijn bestand, en dat zij tot hun vorige levenwijs terugkeeren.

In ons plan is een bestanddeel, dat in dezulken den moed kan helpen gaande houden. Het leven op de hoeve zal voor haar zijne aantrekkelijkheid hebben. Vandaar kunnen zij naar een ander land gaan en als het ware het leven opnieuw beginnen met het vooruitzicht nog eenmaal tot een huwelijk te komen en een eigen tehuis te hebben. Met het oog op zulk een vooruitzicht kan er althans een sterker prikkel van binnen bestaan, om den strijd des levens met kloekheid te strijden, zoo dikwijls oogenblikken van moedeloosheid of innerlijke vertwijfeling komen.

229

-ocr page 248-

REDDINGSHUIZEN.

Beu uitweg als deze moet ook wel meer moedgevend zijn voor de officieren, die haar leven aan het redden van verlorenen wijden. Ziende op eene toekomst, als wij schetsen, zal het haar minder zwaar worden om in hare pogingen te volharden, vooral met zulken, die een onuitputtelijk geduld en al de standvastigheid der liefde vereischen. Voorts zal ook ééne reden van teleurstelling haar minder drukken, dat wanneer enkelen tot haar vroeger leven terugkeeren, zij althans zeiven voor een deel het geld verdienden, dat aan hare redding werd ten koste gelegd.

Dat gevallenen, en dit op de meest voldoende wijze te behouden zijn, en wel ten spijt van alle moeilijkheden, welke de bestaande toestanden opleveren, kunnen wij, Gode zij dank, met tal van voorbeelden staven. Laat mij op enkele voorbeelden wijzen.

J. W. werd door onze officieren medegenomen uit eene buurt, welke door de daar gepleegde gruwelen zelfs onder de slechtste buurten boven anderen berucht was,

Zij was slechts negentien jaar. Ben meisje van buiten. Reeds vroegtijdig had zij den strijd des levens moeten aanvangen en deed zij in eene groote werkinrichting dienst. Een ontaard mensch-dier bracht de onbeschermd alleen staande op haar dertiende jaar ten val. Na dien eersten misstap werkte alles mede tot een snel en steeds dieper vallen, en door allerlei overleggingen gedreven verliet zij het landstadje en kwam te Londen.

Door een goed uiterlijk viel liet haar bij aanvang niet moeilijk een leven van overdaad te leiden en als loon der zonde met fraaie kleederen te kunnen pronken, totdat de vreeselijke, aan de misdaad verbonden ziekte haar aangreep, en zij van toen af allengs dieper onder de vrouwen van haar soort wegzonk, van huisvesting en het noodigste verstoken.

Toen wij haar aantroffen was zij geheel verhard en onboetvaardig, zoodat het zeer bezwaarlijk ging haar met de hand dei-liefde te vatten. Toch mocht de liefde ten laatste zegepralen, zoodat zij in een tweetal diensten zich goed gedragen heeft, als soldaat in het Leger een goeden naam heeft, en vooraan staat onder de verkoopsters van de Oorlogskreet.

Ecu vronwclijke geTnngene met verlofpas.

A. B. was een kind van ouders uit den werkenden stand, die om hun goeden naam algemeen geacht waren. Zij waren Roomsch-katholiek. Nog zeer jong verloor A. hare ouders en stond als wees alleen. Zoo geraakte zij in slecht gezelschap, verviel tot

230

-ocr page 249-

VOORBEELDEN.

driukfin, en kwam door haar lust tot drank tot diefstal en ontucht. Zeven jaren aaneen bracht zij in de gevangenis dooien werd toen met verlofpas ontslagen, waardoor zij nog zeven jaren onder voortdurend politietoezicht bleef. Nalatende om zich op den bepaalden tijd te melden, werd zij voor de rechtbank gebracht.

De rechter stelde de vraag, of er voor haar nog mogelijkheid was, om in eenig tehuis voor gevallenen te worden opgenomen. Zij bleek boven den voor die inrichtingen vastgestelden leeftijd, maar een politieagent, die met de gesteldheid van ons heilsleger bekend was, deelde den rechter mede, dat hij wist, dat niemand, die bij ons redding zocht, afgewezen werd. Bij rechterlijke beschikking werd zij ons in den meest armelijken staat toegezonden, daar zij nauwelijks kleederen aan het lijf had. Gedurende nu drie jaren heeft zij alle bewijzen gegeven van eene oprechte bekeering, terwijl zij ook in al dien tijd haar eigen brood heeft verdiend.

Ecne ^cliecl verwilderde vrouw.

Toen onze officieren in een stadje in het Noorden van Engeland huisbezoek deden, traden zij er een hol in — woning mocht het niet heeten, — een verblijf als voor een wild dier. Te midden van duisternis en vuil ontdekten zij een oud ijzeren ledikant, een kist, die voor tafel en zitplaats diende; andere meubels had het verblijf niet.

De bewoonster dezer afzichtelijke plaats was eene arme vrouw, die bij het binnentreden van onzen officier zich in den uitersten hoek wegschool. Dit mishandeld schepsel was het slachtoffer van een beestachtig man, die haar niet toeliet een voet buiten haar verblijf te zetten, en haar nauwelijks genoeg voedsel beschikte om er het leven bij te houden. Wat zij nog als kleeding had, was enkel een oude zak om haar midden vastgesjord. Zij was blootsvoets, haar hoofdhaar verward en vervuild, in één woord, het schepsel was een menschelijk voorwerp, zooals men in een beschaafd land niet behoorde te kunnen vinden.

Eens had zij een goed tehuis gehad. Na door haar man verlaten te zijn, liet hare familie haar geheel aan haar lot over, en in hare radeloosheid zonk zij zoo diep, dat de onverlaat, die zich nu nog haar beschermer noemde, er tegenover onzen officier roem op droeg, dat hij door baar van de straat te houden haar lot eu toestand verbeterd had.

Wij namen de ongelukkige bij ons op, waschten en kleedden

231

-ocr page 250-

KEUÜINGSIIUIZEN.

haar en hadden de blijdschap te ontdekken, dat zij nog niet geheel verwilderd, en haar hart nog voor indrukken van liefde vatbaar gebleven was. Niet lang duurde het, of zij werd weder meer menschelijk, kwam in oprechtheid tot bekeering, en is nu een bewijs te meer, dat men nooit mag aanvangen met aan iemands redding te wanhopen.

ZESDE Al\'UEELING.

Bcsclicrineml toevluchtsoord voor muisjes, lt;lie nos niet gevallen zijn, maar in gevaar verkceren.

Br is een verhaal, dat veel schijn van waarheid heeft, dat een jong meisje hulp zocht in een toevluchtsoord, dat voor gevallen vrouwen bestemd was. De huismoeder moest wel onderzoek doen, in hoever zij het pad der ondeugd betreden had, en zij bad het voorrecht te kunnen zeggen, dat zij tot hiertoe eerbaar geleefd had. Zij was enkel arm en van vriendenhulp verstoken, en behoefde niets meer dan voor een tijd eene schuilplaats, ten einde werk te kunnen zoeken. Hoeveel medelijden de huismoeder ook met haar had, zij stond voor een moeielijk geval. Voor zulken was het tehuis niet bestemd, en hoevelen verkeerden in gelijken toestand als dit meisje. Door de haar gestelde regels kon de huismoeder het meisje ondanks haar smeeken niet opnemen. Troosteloos ging de arme weg, maar na slechts korten tijd keerde zij weder en zeide: «als gij mij op geene andere voorwaarde eene schuilplaats geven moogt; ik ben nu eene gevallene.»

Dit verhaal han waar zijn, ofschoon ik het eerder houd voor een weiuitgedacht voorbeeld, om opmerkzaam te maken, dat wie het redden ernst is, niet te halverwege kan blijven staan, maar voor allen, die hulp behoeven, hart en plaats moet hebben. Het is goed en prijzenswaard, dat er toevluchtsoorden zijn ook voorde diepst gevallenen; maar de liefde mag niet vergeten, dat wie niet vielen, maar in verlatenheid zich staande hielden, nog veel meer voorwerpen zijn tot wie zich eene reddende hand behoort uit te strekken, opdat de maalstroom van maatschappelijke on-

232

-ocr page 251-

GEVAARVOLLE TOESTANDEN.

zedelijkheid ook niet dezen voor zich buit make, en het leger der gevallenen vergroote door zulken, die den goeden weg zouden bewaard hebben, wanneer slechts eene helpende hand haar ware toegereikt, toen het nog tijd was.

In Londen en alle grootere steden moet wel een zeer aanzienlijk getal meisjes gevonden worden, die door verschillende oorzaken opeens in een toestand van hulpeloosheid kunnen geraken. Ben woordentwist met de vrouw des huizes leidt menigmaal tot plotselinge wegzending zonder bewijs van goed gedrag; uit de hospitalen vertrekken niet zelden meisjes, die reeds haar laatste geld hebben ten offer gebracht en dringend nieuwe kleeding behoeven, zullen zij een haar passenden dienst vinden; en hoe menig ander geval komt voor, dat een meisje in een toestand brengt, waarin wellustelingen met arendsblik op haar beginnen te loeren, ten einde hare onschuld aan hun vuigen lust te kunnen ten offer brengen. Ook mogen wij in de groote steden het getal dergenen niet voorbijzien, die met allerlei bedreigd worden, wanneer zij het oor niet leenen aan de aanbiedingen, welke de boosheid haar doet. De ouder ons, helaas, zoo noodige vereeniging tot bescherming van kinderen heeft, naar mij voor zeker is medegedeeld, in het laatste jaar een aantal vaders moeten vervolgen, omdat zij de meest onnatuurlijke zonden met hunne eigen kinderen pleegden. Uit het voor den rechter brengen van een beteekenisvol getal dezer onverlaten kan men nagaan, hoeveel er nog in het duister schuilen, van wie men nooit te booren krijgt. Ik vergenoeg mij enkel te wijzen op het groot getal meisjes, die door ontaarde ouders of naaste betrekkingen meedoogenloos de straat op gedreven worden ter wille van het schandloon der zonde.

Voor zulke arme, boven alle anderen hulpbehoevenden moeten wij een waar toevluchtsoord hebben, dat algemeene bekendheid heeft, zoodat ieder in nood verkeerend meisje daarbinnen op elk uur van den dag of van den nacht veiligheid en bescherming vinden kan.

Dit ons toevluchtsoord zal ongeveer naar dezelfde beginselen zijn ingericht als de reeds beschrevene, die voor andere veriatenen zullen openstaan. Wij zullen daar alle meisjes, van 14 jaren af, opnemen, aan wie de middelen tot onderhoud ontbreken, maar die willig blijken tot het verrichten van werk, en gezind om zich aan eene nauwlettende tucht te onderwerpen. Er zal voor verschillende takken van werkzaamheid worden gezorgd, zoodat wij naar geschiktheid dezen aan de wasch, anderen aan naaien of breien kunnen zetten. Niets zullen wij onbeproefd

233

-ocr page 252-

INRICHTING TOT ONDERZOEK,

laten, wat door opvoedende tucht tot karaktervorming dienen kan. Verkrijgen wij zoo doende hoop op een goeden uitslag van ons pogen, dan zullen wij trachten naar hare verschillende geschiktheid plaatsing te vinden voor haar, die naar ons wilden luisteren en eenigszins duurzame bewijzen van een ernstigen toeleg ten goede gaven. Ook uit dit soort van tehuizen zal een weg naar dc overzee-kolonie openstaan. Wij zullen deze inrichtingen naar vermogen vermeerderen, en er naar trachten, dat ook deze voor een goed deel in eigen onderhoud voorzien.

ZEVENDE AFDKEI.ING.

liirichiiii£p lol onderzoek naar personen, waarvan tevergeefs hel verblijf of eenig spoor gezochf wordt.

Misschien maakt niets liet zoo duidelijk hoeveel in eene stad als Londen in het verborgene geleden wordt, als de mededee-ling, dat er ieder jaar niet minder dan 18,000 als verlorenen worden aangegeven; en dat van bijna de helft, soms van meer dan de helft, van dezen nooit meer iets vernomen wordt. Wat van Londen geldt, is naar verhouding zeker ook van andere groote steden waar. Huisvaders, zonen, dochters, moeders verdwijnen aanhoudend uit de samenleving, en dit dikwijls zonder ook slechts het minste spoor achter te laten.

Hebben de personen, wien deze ramp treft, in de maatschappij beteekenis, dan ontbreekt het bij de politie niet aan ijver en inspanning om eenig spoor van de verlorenen meester te worden, maar zelfs in dat geval blijken de aangewende pogingen gedurig vruchteloos.

Wanneer vermogen niet ontbreekt, legt men vaak groote sommen aan het in dienst nemen van een geheim politieagent ten koste, die niet enkel binnenslands maar ook in het buitenland nasporingen doet.

Komen gevallen voor, waarin het onvermogenden geldt, dan wordt in negen van de tien gevallen nauwelijks ooit iets meer van den verdwenen persoon vernomen.

Denk, om een voorbeeld te noemen, u een dorpsbewoner, wiens dochter haar dorp verlaat voor een dienst in eenige aan-

234

-ocr page 253-

VEllGEEFSCH ZOEKEN NA AU VERLORENEN.

zienlijke stad. Weldra ontvaugen hare ouders vau haar het welkom bericht, dat zij goed geslaagd is. De vrouw des huizes is goed en vriendelijk, het werk is niet te zwaar, en luet de overige dienstboden kan zij het goed vinden. Vau de kerk maakt zij getrouw gebruik, en het gezin schijnt ook met haar tevreden. Brieven van dezen aard blijven komen; maar allengs wat zeldzamer, en eindelijk blijven zij geheel weg.

Vol bezorgdheid schrijft nu de moeder een brief en vraagt wat toch de reden van dit onbegrijpelijk stilzwijgen mag zijn. Geen antwoord komt, maar eindelijk wordt de geschreven brief terugontvangen, met het opschrift op het adres: «vertrokken zonder opgave tvaarheen.t De moeder schrijft nu aan de vrouw des huizes, of de vader gaat in eigen persoon naar de stad, maar op deze wijze wordt niet anders vernomen dan dat het meisje zich in den laatsten tijd wat vreemd gedroeg, geen hart meer voor haar werk toonde, een jong man aan de hand had, en toen opeens den dienst opzeide en wegging zonder te zeggen of te willen laten blijken waarheen.

Welnu, wat kunnen deze arme menscheu doen? Zij wenden zich tot de politie, maar zeiven vermogen zij niets. Misschien nemen zij den geestelijke hunner parochie in den arm, maar deze is even machteloos als zij zeiven. Zoo rest den vader niets dan het hoofd te laten hangen en der moeder niets, dan zich in slaap te weenen, altijd hopende; en waar alle berichten blijven ontbreken, moeten zij wel eindelijk het ergste vreezen.

Ons departement opent voor zulke gevallen zooveel mogelijk een redmiddel. Wie in zoo droeven toestand verkeeren hebben niets anders te doen dan zich tot den dichtst in hunne nabijheid vertoevenden officier van het Leger des Heils te richten. Waarschijnlijk is deze voor hen in hunne nabijheid op eenig dorp of in de naaste stad te vinden. Deze onderricht dan de ouders op welke wijze zij zich schriftelijk met ons departement in betrekking hebben te stellen, door naar Londen portretten en andere noodige bescheiden over te maken. Meent het hoofdbureau genoegzaam te zijn ingelicht, dan vangt een onderzoek aan met het vooruitzicht, dat het mogelijk blijken zal den verlorene aan zijne betrekkingen terug te geven.

Reeds zijn de uitkomsten van het door ons op kleine schaal beproefde wonderbaar voorspoedig geweest. In verdichte verhalen komt weinig voor, dat verrassender en romantischer is dan onze ervaringen op dit geheimzinnig gebied. De uitkomsten, die wij hierbij mededeelen zijn alle, van nog niet ouden datum.

235

-ocr page 254-

INRICHTING TOT ONDERZOEK.

236

Ecu verloren echtgenoot.

Onderzoek.

Mrs. S. van Newtown, Leeds, deelde ons schriftelijk mede, dat haar man Robert R. in Juli 1889 Engeland had verlaten om in Canada eene betere maatschappelijke positie te zoeken. Hij had zijne vrouw en vier jonge kinderen achtergelaten met de belofte, dat zoo hij slaagde, hij hen terstond zou laten overkomen, en dat hij oogenblikkelijk zou terugkeeren, wanneer hij begreep, dat kans op beter daar niet voor hem bestond.

Daar hij in Montreal niet slaagde, vertrok hij vandaar met het stoomschip Oregon. Dit berichtte hij aan zijne vrouw per briefkaart van 30 Oct. (den datum van zijn vertrek.) Sedert echter was niets meer van hom vernomen.

De vrouw had geschreven aan de directie der Stoomboot-maatschappij, welke antwoordde, dat hij behouden te Liverpool was aangekomen.

Vreezende, dat hem in die stad iets overkomen kon zijn, richtte de vrouw zich nu tot de politie dier stad; maar nadat deze de zaak eenige weken had in handen gehad, kwam het bericht: «Geen spoor te ontdekken.»

Uitkomst.

Wij vingen aan naar eenig passagier uit te zien, die met dezelfde boot overgekomen was, en na een weinig geduldig zoeken kwamen wij zoo iemand op het spoor.

In onze eerste samenkomst met hem vernamen wij, dat Robert R. niet te Liverpool was aangekomen, \'maar dat hij, gebukt onder zwaarmoedigheid, drie dagen na de afvaart zich in zee had geworpen en verdronken was. Wij kwamen verder te weten, dat het scheepsvolk zijn boeltje had nagezien en onderling verdeeld.

Wij schreven nu aan de directie dei-stoomboot, welke verontschuldigingen maakte en nader onderzoek beloofde; maar gelijk zoo dikwerf geschiedt, nu namen de vrouw en hare raadslieden de zaak in eigen handen, en verloren daardoor de zeker niet onaanzienlijke vergoeding, waartoe wij de maatschappij zouden hebben genoodzaakt.


Eene weggeloonen vrouw.

Onderzoek.

F. J. L. verzocht mij onderzoek te willen doen naar zijne vrouw, die hem 4 Nov. 1888 verlaten had. Hij voedde vrees, dat zij een onzedelijk leven leidde en behalve eene persoonsbeschrijving gaf hij ons twee adressen, waar wij waarschijnlijk iels omtrent haar konden te weten komen. Er waren een drietal kinderen.

Uitkomst.

Onderzoek aan de beide gegeven adressen schonk niet het minste licht, maar door opmerkzaam in dien omtrek rond te zien kwamen wij tot zekerheid omtrent de plaats waar de vrouw zich ophield.

Niet zonder moeite gelukte het onzen officier eene samenkomst te hebben met de vrouw, welke niet weinig verbaasd opkeek, dat wij haar schuilplaats hadden weten op te sporen. Onze officier sprak haar ernstig en met getrouwheid aan hare roeping toe, zoodat de vrouw niet kon nalaten het schandelijke en strafwaardige van haar ontrouw aan haren man en hare drie kinderen te erkennen. Ten diepste verootmoedigd erkende zij schuld en beloofde naar huis te zullen terugkeeren.


-ocr page 255-

VOORBEELDEN.

237

Deze onze ervaring deelden wij den lieer L. mede. Na weinige dagen schreef hij ons, dat hij een telegrafisch bericht had ontvangen; dat hij aan zijne vrouw vergiffenis had geschonken, en dat zij nu weder hereenigd waren.

Niet lang na dien schreef de vrouw aan Mevr. Bramwell Booth om haar te danken voor alles wat zij ten haren behoeve gedaan had.

Een verloren kind.

Onderzoek.

Alice P. was een tienial jaren geleden door Zigeuners gestolen, en gaf nu aan onze officieren te kennen, dat zij zich zoo gaarne aan hare ouders zou teruggegeven zien. Zij meende, dat zij in Yorkshire tehuis behoorde.

Uitkomst.

Met deze voorlichting gewapend plaatsten wij eene advertentie in de Oorlogskreet. Kapitein Green deze advertentie lezende schreef ons den 3 April, dat haar luitenant eene familie van dien naam kende, te Comersal, Leeds.

Op den 4den schreven wij aan dit adres, of men ons ook eenig meerder licht geven kon.

Reeds per ommegaande schreef ons de Heer P. dat het meisje zijn hem ontstolen kind was en met de grootste betuigingen van dankbaarheid verzocht hij ons het meisje naar huis te willen zenden, waarvoor hij ons het geld overmaakte. Intusschen richtten wij ons tot de politie, die reeds lang vruchteloos naar het kind had gezocht. De bescheiden, die deze had, sloten nauwkeurig aan de ons bekend geworden bijzonderheden. Algemeen was de blijdschap, welke dit terugvinden teweegbracht.


Een verloren dochter.

Onderzoek.

E. W., oud 17 jaren. Haar broeder en moeder hadden zich tot ons gewend om hulp. E. was in Juli 1885 naar Canada gegaan, maar sedert voor hen spoorloos verdwenen. Wel was er tweemalen van haar een brief ontvangen, deze waren uit Montreal, maar daarna had zij niet meer van zich doen hooren.

Een photografisch portret, eene volledige persoonsbeschrijving en haar handschrift werden ons gezonden.

Uitkomst.

We deden allereerst de ontdekking, dat eenige welwillende gemeenteleden E. W. geholpen hadden om naar Canada te komen, doch ook deze hadden sinds hare aankomst niet meer van haar vernomen.

Alle bijzonderheden, die wij hadden kunnen te weten komen, werden toen aan onze officieren in Canada gezonden. In Montreal was geen spoor van het meisje te ontdekken. Toen werden de stukken naar officieren in andere steden verzonden.

Gedurende maanden werd dit onderzoek voortgezet, en eindelijk meende onze majoor, dat hij het meisje herkend


-ocr page 256-

INRICHTING TOT ONDERZOEK.

•238

had in eene bezoekster van onze zaal. Hij verkreeg hieromtrent zekerheid door plotseling hardop haar naam af te roepen, waardoor zij van ontsteltenis bijna buiten kennis geraakte.

Zij verkeerde in een staat van diepe armoede, welke haar tot zondigen had doen vervallen. Terstond toonde zij zich bereid, toen zij vernam, dat hare moeder naar haar onderzoek deed, om in een van Canada\'s reddingsgestichten te worden opgenomen. Zij gedraagt zich nu onberispelijk en heeft met onze hulp eene goede plaatsing gekregen.

De blijdschap der arme moeder is niet te beschrijven.

Een verloren dienst maagd.

Onderzoek.

Zekere mevrouw M. Clevedon, eene van Henrielte P.\'s oude meesteressen, schreef ons. als ten hoogste bezorgd, wat er toch van dit meisje mocht geworden zijn. Mevrouw G. berichtte ons, dat zij er eene beste dienstmaagd aan had gehad, tot op den tijd, dat een jongman haar door belofte misleid maar niet getrouwd had. Rij dezen had zij drie kinderen. Van tijd tot tijd scheen hef, of er een omkeer ten goede zou komen, maar toch bleef het bij het oude.

Mevr. C. deelde ons mede, dat Hen-riefte brave ouders had gehad, en dat zij nog een broeder in Hampshire had, die in zijne woonplaats algemeen geacht was. Het laatst van haar vernomene was, dat zij in een toevluchtsoord voor meisjes te Bristol had verblijf gehad, maar zij had deze inrichting verlaten en sedert was niets meer van haalver nomen.

Mevr. G. verzocht alle moeite voor de ongelukkige te doen, en voegde er in vriendelijk vertrouwen bij: «Ik geloof vast, dat wanneer gij haar vinden mocht, gij ook de eenige zijt, die met hare terechtbrenging slagen zult.»

Uilkomst.

Terstond vingen wij ons onderzoek aan en kwamen binnen weinige dagen te weten, dat zij Bristol had verlaten en den weg naar Bath was opgegaan. Voorzichtig haar spoor volgend ontdekten wij, dat zij in eene kleine plaats, Bridlington, een dorp aan den weg naar Bath toefde. H. had aan een man vandaar den weg naar Bath gevraagd. Nadat deze man haar had uitgehoord, had hij haar naar eene herberg medegenomen, en haar overreed om met hem te leven, daar hij zijne vrouw door den dood verloren had.

Zoo stonden de zaken, toen wij er mede in aanraking kwamen. Wij spraken ernstig met haar en den man, en kregen haar woord, dat zij met ons mede zou gaan, wanneer de man niet kon besluiten om haar tot vrouw te nemen. Den man gaven wij twee dagen bedenktijd.

Toen deze twee dagen voorbij waren, en de man tot trouwen ongezind bleek, namen wij haar mede, brachten haar in ons tehuis, waar zij nu berouw toont en besloten schijnt op den goeden weg te volharden. Toen wij dezen uitslag van ons pogen aan mevr. G. en aan haar broeder mededeelden, waren beiden ten hoogste verblijd, en dankten ons voor onze tot hiertoe zoo gelukkig geslaagde bemoeiingen.


-ocr page 257-

VOORBEELDEN.

Een verloren cchtgcnoot.

Aan de zeekust bevond zich met Kersttijd eene vrouw, die in de bitterste droefheid verkeerde, omdat zij op do schandelijkste wijze door haar man verlaten was. Van plaats tot plaats zich aan drank te buiten gaande, had hij haar hulpeloos achtergelaten, zoodat zij maar zelve zien moest, hoe zij den kost voor zich en hare kinderen verwierf.

Getuige van hare droefheid en haren nood verzocht ons een onzer kapiteins om eene advertentie in «de Oorlogskreet» te willen plaatsen. Dit geschiedde, maar in geruimen tijd vernamen wij op dit bericht niets. Eenige weken daarna trad een onzer soldaten een bierhuis binnen, waar een goed getal mannen met bierdrinken bezig was. Hij begon onder hen Oorlogskreten uit te deelen en sprak daarbij een ernstig woord over de eeuwigheid, die wij allen te gemoet leven.

Leunende tegen de toonbank stond daar ook een man met een pintsbierpot in zijne hand. Deze nam een Oorlogskreet en reikte dien over aan een ander, die opeens zijn eigen naam in het blad gedrukt ziende, zoo ontstelde, dat hij zijn bierpot uit zijne hand op den grond vallen liet. De advertentie hield ook deze woorden in: «Kom tot ons terug en alles zal vergeven en vergeten zijn.»

Zijne zonde had hem teruggevonden. Hoewel aan bier verslaafd, had hij geen ongevoelig hart, en liet terugdenken aan zijne bedroefde vrouw en ongelukkige kinderen greep hem opeens zóó aan, dat hij op staanden voet het bierhuis verliet, den verren weg naar huis te voet aflegde en na een afzijn van twaalf maanden daar te middernacht aankwam.

De brief, welken wij van de vrouw ontvingen, geeft bewijs, dat een nieuw leven den man ernst is. Man en vrouw zijn nu trouwe bezoekers van onze bijeenkomsten.

Een verleider tot vergoeding genoodzaakt.

Onder de brieven, die wij aan ons bureau tot onderzoek ontvingen, was op zekeren morgen ook een schrijven van een meisje, dat onze hulp inriep, om haar den vader van haar kind te helpen opsporen, die zich sedert eenigen tijd geheel onttrokken had aan het mede verzorgen van hun kind. De zaak was

239

-ocr page 258-

INllICHTING TOT ONDERZOEK.

voor de rechtbank van politiezaken gebracht, waar haar recht gedaan was, maar de veroordeelde hield zich schuil en zijn vader weigerde alle inlichting omtrent het verbljjf van zijn zoon.

Wij bezochten den vader, maar konden hem evenmin overreden om voor zijn zoon te betalen als om de verblijfplaats van zijn zoon bekend te maken. De antwoorden op eene advertentie in de Oorlogskreet hadden ons geheel op de hoogte geholpen omtrent de schuilplaats van den zoon, en op denzelfden ochtend, dat de officier, aan wien wij het onderzoek hadden opgedragen, aan de politie kennis had gegeven van onze ontdekking, had de jonge man een brief van zijn vader ontvangen met den raad om dadelijk het land te verlaten. Reeds had hij ziju ontslag ingezonden aan de heeren bij wie hij werkzaam was, maar nog tijdig werd de hand op hem gelegd, zoodat hij de 200 gld., die hij van zijn kantoor ontvangen had, en wat zijn vader hem bovendien had toegelegd, eerst aan de moeder van zijn kind moest afstaan.

In de wildernis gevonden.

Ben Duitsch meisje, met een goed uiterlijk, zwierf op zekeren avond langs de begroeide oevers van eene rivier in Zuid-Afrika. Achter haar lag de stad, die zij verlaten had als eene onteerde en verstootene; en zonder eenig vriend of helper was haar voornemen in de rivier een einde te maken aan haar leven. Maar toen het op het volvoeren der daad aankwam, was de vrees voor het oordeel Greta te machtig, en zij doorwaakte den donkeren nacht in het eenzame woud.

Zeven jaren waren voorbijgegaan; een Bngelsch reiziger, die Zuid-Afrika bereisde, hield op zekeren Zondag in een klein Inlandsch dorp stil. Bij zijn zwerven door het bosch stuitte hij onverwachts op een Hottentottenkraal, en zag daar voor de hut van een ouden Hottentot een blank kind op den grond spelen. Verblijd, gebruik te kunnen maken van de hem gastvrij aangeboden rustplaats in de hut, was hij niet weinig verbaasd daar eene blanke vrouw te vinden, die kennelijk de moeder van het kind was. Vervuld van medelijden met het vreemde paar, vooral met de jonge vrouw, die kennelijk eene beschaafde opvoeding genoten had, verkondigde hij hun het Evangelie van Gods vrije genade in Christus. Deze blanke jonge vrouw was Greta, en de reiziger zou gaarne alles gegeven hebben om haar uit haren ongelukkigen toestand te verlossen. Intusschen dit bleek iets

240

-ocr page 259-

VOORBEELDEN.

onmogelijks en met leedwezen nam hij van de jonge vrouw afscheid.

Het was een fraaie Engelsche woning. Voor het vroolijk brandend haardvuur zat op zekeren avond een heer alleen, en in zijn stil gemijmer verrees opeens onwillekeurig voor zijn geest het visioen van het vrouwtje voor de kraal van dien Hottentot, met de gedachte wat wel van haar zou geworden zijn. Niet onwaarschijnlijk stond zijn terugdenken aan zijne vroegere ontmoeting in verband met eene advertentie van algemeenen aard, welke hij pas in de Oorlogskreet had gelezen, van den volgenden inhoud :

VOOR BEDROEFDEN.

Het Leger des Heils noodigt ouders, bloedverwanten en vrienden, die belangstellen in eenige vrouw of meisje, waarvan het zeker ol\' te vreezen is, dat zij in onzedelijkheid leeft, of in gevaar is in de macht van onzedelijke personen te geraken, om aan het Legerbureau van de zaak kennis te geven, zoo mogelijk met portret en met al die bijzonderheden, welke bij het opsporen licht en hulp kunnen bieden. Alle brieven van of over de persoon zullen als volstrekt vertrouwelijk worden beschouwd en behandeld. De keuze van taal staat geheel vrij, maar alle schrijven moet gericht worden aan mevrouw Bramwell Booth, 101, Queen Victoria Street, London E. C.

«Eene proef nemen kan nooit schaden,» zeido de bij zijn haardvuur gezeten heer, «en de zaak spookt mij zoo door hot hoofd, dat ik althans doen wil, wat ik kan.» Zoo gedacht zoo gedaan. Op staanden voet schreef hij een brief, waarin hij zijn ontmoeting in Afrika in al hare bijzonderheden mededeelde. Aanwijzingen aan onzen officier voor onderzoek gingen reeds niet de volgende mail naar Afrika mede.

Niet lang daarna vertrok een van onze heilsruiters naar de aangewezen boschstreek, ontdekte na eenig zoeken de bedoelde kraal en slaagde er iu de vrouw in vrijheid te doen stellen. Later kwam de Hottentot tot bekeering, en beide personen zijn nu als soldaten in het Leger ingelijfd.

Onafhankelijk van de niet verbonden inrichtingen van onderzoek, waarmede wij ons tot hiertoe behelpen moesten, zal later

241

16

-ocr page 260-

INRICHTING TOT ONDERZOEK.

eene inrichting worden in het leven geroepen, om stelselmatig van al de voordeelen gebruik te maken, waartoe de uitgebreidheid van het Leger in staat stelt. De wijze van werken, welke daarbij gevolgd zal worden, is de volgende.

Wij zullen een hoofdkwartier hebben, dat onder toezicht staat van een zeer bekwaam officier en ervaren helpers, aan wie alle noodige bescheiden znllen worden toebetrouwd. Hiervan zal, tenzij het ongeraden mocht geoordeeld worden, bij advertentie kennis worden gegeven in de Bngelsche uitgaaf van de Oorlogskreet. Deze alleen heeft een wekelijks debiet van 300,000 exemplaren; en uit de Eagelsche kan het stuk in 23 anderen vertaald worden overgenomen. Op deze aankondigingen zal steeds de aandacht moeten gevestigd ziju van al onze ontdekkingsofficieren, die zoodra zij iets op het spoor komen ons daarmede terstond in kennis stellen.

Onze 10,000 officieren zijn reeds nu over den geheelen aardbol verspreid, en ieder soldaat neemt aan geheel ons zijn en doen deel, zoodat het niet aan gelegenheid zal ontbreken, om zeer veel te weten te komen wat voor andere inrichtingen öf niet, öf met veel meer moeite eu kosten zou zijn op te sporen.

Wie het bekostigen kunnen, zullen eenig offer moeten brengen, in zoover het onderzoek ons tot het maken van buitengewone uitgaven dwingt.

ACHTSTE AFDEELING.

ToevlucUtsoorden voor op straat zwervende kinderen.

Voor het op Londens straten zwervende jonge volkje wordt veelvuldig medelijden betoond, en werkelijk verdienen de kinderen nog veel meer ontferming dan hun betoond wordt. Het ligt niet in ons plan een opzettelijken kruistocht voor hen op touw te zetten, althans niet buiten ons pogeu om ook voor hen alles te doen wat hun hart en leven ten goede kan neigen, door het lot en den toestand hunner ouders te helpen verbeteren.

Onze voornaamste hoop iets te kunnen doen voor deze jeugdige zwervers ligt in deze richting. Indien wij degenen, die zedelijk en naar de wet verplicht zijn voor hen zorg te dragen.

242

-ocr page 261-

HULP VOOR KINDEREN.

bereiken en helpen kunnen, schijnt ons dit de naaste weg om hun eenig blijvend goed te doeu.

Toch zal buiten zulk jong volkje er een goed deel blijven, waarvoor wij meer rechtstreeks iets zullen moeten doen; ook zijn wij ten volle bereid die verantwoordelijkheid op ons te nemen, overtuigd, dat onze wijze van inrichting het ons weinig bezwarend zal maken bun tot nut te zijn, en dit zonder daarvoor veel van het publiek te moeten vragen.

Vóór alles zal het noodig zijn in de middenpunten onzer armste bevolking Crèches of bewaarplaatsen gedurende den dag voor de kleinste kinderen te stichten. Wanneer moeders zicb wel gedwongen zien om buitenshuis den kost te winnen, is het allernoodigst zulken te hulp te komen op eene wijze, dat de kleinen niet binnen- of buitenshuis aan allerlei hun dreigend gevaar en leed blootstaan.

Door dit hulpmiddel zullen wij niet slechts aan de kinderen weldadigheid bewijzen door hen zorgvuldig met water en zeep in aanraking te brengen en hun passend voedsel te geven, maar zoo tevens trachten in de moeders eenige helderder inlichten in hare moederlijke verplichtingen te kweeken.

In de Buitenkolonie zal het ons niet moeilijk vallen een goed werk te doen aan het jonger volkje uit onze unies en ouder onze hoede staande buurten. Moeders in onze kolonie, die zeiven twee of drie kinders hebben, zullen zeker gaarne op billijke voorwaarden daarbij nog een kind opnemen ; terwijl wij zorgen zullen, dat eene dame, gewoon vau op zulk een arbeid toe te zien, gedurig nagaat, of voor die kindereu, wat hunne gezondheid en voeding betreft, goed gezorgd wordt. Zoo kunnen wij naar de beste grondslagen daarvoor eene voortreffelijke kinderhoeve bezitten.

NKGBNDE APDEEUNG.

I u (1 u s t r i e - S r li o 1 e li.

Ook heb ik mij voorgesteld, om zoodra zich daartoe slechts de gelegenheid aanbiedt, eene proef te nemen om aan knapen opleidend onderwijs voor den handwerkstaud te doen geven. Gelukt dit met de knapen, dan moet eene gelijksoortige inrichting voor

243

-ocr page 262-

INDUSTRIE-SCHOLEN.

meisjes volgen. Wat mijzelveii aangaat, ben ik innerlijk verzekerd, dat wanneer wij kinderen van een achtjarigen leeftijd opnemen en dezen tot hun een en twintigste onder onze zorg en hoede houden, er slechts een goed overleg en toezicht noodig zijn, om het mogelijk te maken, dat zij dooreengenomen in eigen onderhoud geheel of voor het grootste deel zeiven helpen voorzien, en tevens als nuttige oppassende werklieden aan de maatschappij teruggegeven worden.

Ook buiten de weldadigheidszijde van het vraagstuk komt hot mij voor, dat het tegenwoordig in zwang zijnd onderwijsstelsel onnatuurlijk is, en even schandelijk als roekeloos met de in de kinderen schuilende werkkracht omspringt. Minstens de helft van den tijd, dien de kinderen gedwongen worden in de school zittende door te brengen, wordt met luttel of geen nut doorgebracht,— om niet te zeggen erger dan verkwist. De kleine kinderhoofden kunnen zich slechts voor beperkte tijdpoozen gezet met één onderwerp bezighoudeu, en daarom moet het gezond verstand de methode bepalen, welke het best voor zoo jeugdigen leeftijd past. Niet meer dan de helft der morgenuren zou ik aan boeken willen gewijd zien; terwijl ik het andere deel aan oefeningen voor handwerk zou willen doen besteden. Bij goed weder is de open lucht en tuinwerk vooral aanbevelenswaardig, terwijl bij minder gunstige dagen de werkplaats alleen zal moeten dienst doen.

Het volgen van zulk een weg zal voor de gezondheid bevorderlijk zijn, de school doen liefhebben, de opvoedingskosten minder maken, terwijl dus veel eerder en beter kan ontdekt worden, welke bijzondere aanleg in ieder kind schuilt. Nu verlaten kinderen maar al te dikwijls de school en de werkplaats, waar zij heengezonden werden, zonder dat in eenig opzicht met hunne persoonlijkheid en hun karakter was te rade gegaan. Zij zien zich tegen wil en dank geketend aan eenig bedrijf, waarvoor zij geen hart of lust hebben, en waarin zij dus nauwelijks anders dan middelmatigheden zullen blijven. Wanneer zoo opvoeders en verzorgers alleen bedenken wat hunzelven het gemakkelijkst is en het best voegt, moet het wel onmogelijk blijven onze werkende standen door eene verstandige en billijke samenwerking tot een hooger standpunt op te voeren.

Het ligt niet op mijn weg er naar te streven, onze methode van schoolvorming naar dit mij toelachend stelsel hervormd te zien. Wat ik daartoe zijdelings doen kan, zal ik beproeven, door het toevoegen eener industrieele school aan onze buitenkolonie. Waarschijnlijk zal ik bij de proef aanvangen met kinderen, gcko/.en om hun gebleken goed karakter en aanleg.

ba

-ocr page 263-

HULP VOOR ZEDELIJK KRANKZINNIGEN.

ten einde door een zorgvuldige opvoeding heu te vormen tot heilsofficier om over de gehcele wereld dienst te doen. Het is toch mijne hoofdbedoeling uit eigen kring allengs medearbeiders en -arbeidsters te vormen, wier geheele opvoeding er van meet af op is aangelegd, om in alle takken van maatschappelijken arbeid door hooger beginsel geleide voorbeelden en leidslieden te kunnen zijn.

TIENDE AVDEELINO.

Toevluclitsoorden voor zedelijk kraukziimigeu.

Wanneer dit alles besproken en in praktijk gebracht is, blijft er nog een vraagstuk, dat wij ook onder de oogen moeten zien. Men kan in elke richting de moeilijkheden brengen tot den kleinsten omvang, en dit zijn wij verplicht; maar welke hoop op slagen ons daarbij beziele, wij kunnen onmogelijk blind blijven voor het feit, dat er een overschot blijft, waarmede niets is aan te vangen. Wanneer gij aan zulkeu alles hebt gedaan, hun zeventigmaal zevenmaal vergevend en telkens weder aanvangend om hen uit de sloot op den vasten wal te helpen, zult gij u tot de erkentenis gedwongen zien, dat zij of door overerving, of door slechte gewoonten öf door de uiterste zedelijke verbastering een reddeloos uitschot zijn. Er zijn er onder de mannen der wetenschap, die beweren, dat een mensch, die lang in kwaaddoen zich verhardde, eindelijk geheel van vrije beweging verstoken een willoos automaat wordt. Dit, helaaSj is zeker, dat ik herhaaldelijk met personen in aanraking ben geweest, van wie het nauwelijks te hard kon schijnen, dat men reeds aan deze zijde des grafs hen als hopeloos verlorenen beschouwde.

Er zijn menschen zoo onverbeterlijk lui, dat wat gij hun ook als aanloksel en aanmoediging tot werken moogt aanbieden, niets van dat alles macht heeft, hen tot het verrichten van arbeid aan te zetten; anderen zijn zoo als doorkneed in ongerechtigheid en misdaad, dat zij gruwen van alles wat uaar deugdelijkheid zweemt; en sommigen zijn zoo in merg en been oneerlijk, dat rooven en stelen hun tot een hartstocht geworden zijn. Wanneer eenig menschelijk wezen zoo diep gezonken en ontaard is, staat

345

-ocr page 264-

TOEVLUCIIÏSOORUEN VOOH ZEDELIJK KRANKZINNIGEN.

redelijkerwijs nog slechts één weg open, die men met hem kan volgen. Hoe noode ook, erkend moet worden, dat hij binnen de grenzen van krankzinnigheid leeft, dat zijn redelijk denkvermogen verstoord is; zoodat hij buiten staat is tot zelfbestuur, en daarom veroordeeld behoort te worden tot geheele verwijdering uit eene maatschappij, waarin hij als geheel onvry niet meer tehuis behoort. Voor zulke ongelukkigen moest een afgezonderd oord van ballingschap bestaan, gelijk voor krankzinnige misdadigers te Bradmoor. Het is een vergrijp aan eene wel ingerichte maatschappij, om ongeneeslijk verdorvenen zich iu vrijheid te laten bewegen, anderen tot hinder en verleiding, zoodat zij voortkweekers van een even verdorven ras blijven. Wat de maatschappij ook dulden en verdragen mag, zulken moesten naar geen anderen maatstaf beoordeeld worden, dan alle schadelijk gedierte, dat men uit de samenleving verwijdert en verwijderd houdt. Geen haastig besluit evenwel zou tot zulk een vonnis mogen leidéii. Aan het uitbanningsdekreet zou de uiterste poging tot terechtbrenging moeten zijn voorafgegaan. Alles wat gerechtigheid en liefde als tucht- en herstellingsmiddel kunnen uitdenken, zij eerst beproefd; maar, is het eenmaal bewezen, dat hun invloed op anderen enkel schadelijk zijn kan, dan worde hun de mogelijkheid afgesloten om het gif vau hun verderf rondom zich te verspreiden.

Ook in dien toestand van afsluiting behooren zij ons voorwerpen van een onbegrensd medelijden te blijven. Het hun beschikte leven moet in alles het karakter van lueuschelijkheid en medelijden blijven bewaren. Ik zou hun bij geschikte woonverblijven een eigen tuintje en veel gelegenheid tot het genieten vau de open lucht gunnen. Voorts zou ik hun geen enkel zedelijk of godsdienstig voorrecht willen onthouden zieu, dat nog de macht mocht kunnen hebben een beteren zin in hen wakker te maken en hen tot pogingen van beterschap te wekken. Zoolang hun het leven bewaard blijft, mag de hoop niet worden opgegeven, dat in hun nacht nog een betere morgen en hoop vooreen toekomend leven zouden kunnen aanlichten. Dat zij afgezonderd worden, geschiede niet minder in hun belang, dau als een eisch voor het welzijn hunner medeburgers noodzakelijk. Het belang der maatschappij als geheel eischt, en dit juist uit welbegrepen menschlievendheid, om te komen tot zulke afdoende maatregelen, en niet eindeloos te dulden, dat zedelijk waanzinnigen andereu met hun gif besmetten en aan hun gelijken het aanzijn geven.

Tegen voorslagen als deze in het algemeen belang zal wellicht een drietal bezwaren worden in het midden gebracht.

246

-ocr page 265-

247

1. Het beweren is denkbaar, dat het wreed zou zijn, om mannen en vrouwen te berooven van hunne vrijheid, welke ieders natuurlijk geboorterecht is.

Op dit bezwaar is het voldoende op te merken, dat de aangewezen weg een reeds gevolgde is. Twintig jaren opsluiting zijn reeds het deel van nienigen boosdoener, en in enkele gevallen gaat de wet zoover van levenslange kerkerstraf te eischen. In onze bedoeling ligt ook iets veel minder zwaars dan gevangenisafzondering, en wel een toestand zoo weinig onaangenaam als met recht en billijkheid bestaanbaar is. Eenmaal wetende wat over hen besloten werd, zouden de dus verwijderden zich ook daarin wel spoedig weten te schikken.

Hen te dwingen gewoon te worden aan werkzaamheid , matigheid en vriendelijkheid zou aan hun geest die rustigheid verschaften, welke een der voorwaarden is van \'s menscheu zich gelukkig gevoelen en het kennen van behoefte aan godsvrucht en hare vertroostingen. Elk bewijs van een beteren zin zou kunnen worden aangemoedigd door eenige nieuwe aanraking met de buitenwereld, hetzij door nieuwsbladen, of door bezoek van bekenden, of wat de ervaring in^ dezen verder als geneesmiddel aanwijst. Wat wij voor hen aanbevelen, is in werkelijkheid verbetering van hun eigen toestand door het hun te beletten zichzelven en anderen tot verderf te zijn.

2. Waar steeds het eerst aan geldelijk bezwaar gedacht wordt, kan geoordeeld worden, dat zulk een pogen veel te kostbaar zou blijken.

Aan wie zoo spreken verzoeken wij te bedenken, dat ons plan al zeer kostbaar zou moeten zijn, zal het in kostbaarheid over ■ treffen de uitgaaf, waartoe de misdadigheid derzulken de maatschappij noodzaakt. Er behoeft echter van zoo geheel buitengewone geldelijke eischen geen sprake te zijn, wanneer men bedenkt, dat na de eerste onkosten voor vestiging, het land door een gedwongen geregelden arbeid bijna zou opleveren, wat tot onderhoud vereischt wordt.

3. Kort en afdoend is het niet ongewone vonnis: «De zaak is onmogelijk.»

Zeker buiten regeling door den Staat is alles, wat tot dit soort van maatschappelijke handelingen behoort, onmogelijk. Welk bezwaar echter kan er op wetsgebied tegen zijn, om iemand, die zich een bepaald aantal malen aan dronkenschap, landlooperij, bedelen enz. heeft schuldig gemaakt, op zoo doeltreffende wijze van zijn vrijheid te berooven, dat hij ophoudt een last en gevaar voor anderen te zijn? Ik neem landlooperij

-ocr page 266-

TOEVLUCHTSOORDEN VOOK ZEDELIJK KRANKZINNIGEN.

248

eu bedelen op, daarbij veronderstellende, dat het vinden van werk eene mogelijkheid is. Is dit door omstandigheden tijdelijk onmogelijk, dan beu ik de eerste, om het iets schandelijks te vinden, dat men een hongerlijder straft, omdat hij bedelt onder den drang, dat het de laatste weg is om in het leven te blijven. Waar echter de mogelijkheid om werk te vinden niet ontbreekt, acht ik landlooperij en bedelen eene misdaad, die met de ver-eischte gestrengheid behoort gestraft te worden. Een man, die niet werken wil, is niet waard vrij te zijn, de wet moet hem tot arbeiden dwingen.

-ocr page 267-

HOOFDSTUK VI.

Hnli» bicden in liet algemeen.

Er ziju velen, die niet tot de verlorenen te rekenen zijn en toch in liet geval verkeeren van hulp te behoeven. Een weinig bijstand heden geboden, kan misschien het middel zijn om te voorkomen, dat iemand later als een verlorene moet worden gered. Ook zijn er, die wanneer zij zijn uitgered, daarom nog de helpende en steunende hand niet kunnen missen. De dienst zelf, dien wij hun bij de eerste schrede deden, brengt ons onder de verplichting een begonnen goed werk niet los te laten of geheel te laten varen. Ik maak deze opmerking, omdat men recht heeft te zeggen, dat al het tot hiertoe geschrevene bepaald slechts hen geldt, die meer of minder den slechten weg bewandelen. Dit kon wel niet anders. Ziende op onzen eenigen godde-lijken Meester, en Hem trachtende te gehoorzamen en welbeha-gelijk te zijn, is het zoeken en helpen behouden van verlorenen voor ons hoofdzaak en niet een bijkomends iets. Dit neemt echter niet weg, dat wij ons ten volle gezind en bereid erkennen, om oog en hart te vestigen op de nooden en billijke wenschen van eerzame werklieden, die met de uiterste inspanning weten staande te blijven en zoo zichzelven en anderen in den dag van kommer en zorg boven water houden. Tot dezen behoort een edele kern van onze werkende standen. Dezen mogen wij niet vergeten. Bestendig is het mij een punt van nadenken, wat hun ten goede zou kunnen geschieden. Gaarne spreek ik ook op dit punt mijne gedachten uit.

-ocr page 268-

VEBBETBllDE WONINGEN.

EKllSTE AFDBELING.

Verbet e r tl e w o n i n g e n.

Het uoodzakelijk vereiscbt wordeu vau een beter soort woniu-geu voor armen, die in onze toevluchten tot een nieuw leven kwamen, heeft zich reeds dikwijls aan ons opgedrongen en ons tot nadenken op dit punt genoodzaakt. Wat wij voortdurend zien plaats hebben, is, dat zoo dikwijls wij iemand als uit de goot hebben op de been geholpen, hem eene goede plaatsing bezorgd, zoodat bij eene redelijke verdienste heeft, hij ook naar eeue betere omgeving begint te verlangen dan die het toevluchtsoord leveren kan. Tot honderden staan wij nu in betrekking, die zooveel verdienen, dat het hebben vau een betere omgeving en meer vrijheid best door hen zouden kunnen bekostigd worden. Telkens hooren wij vau ben beschouwingen als deze:

iDe schuilplaatsen zijn best, zoolang iemand aan lager wal is. Zij zijn ons tot nut en zegen geweest; ik weet, dat hadden wij ze niet als uitkomst gehad, wij nog zonder een eenig vriend zouden zijn, met het embankment tot slaapplaats, en dat wij nog van oneerlijkheid zouden leven, misschien wel niet meer in leven zijn. Nu echter hebben wij geregeld werk, en verlangen naar een eigen bed, een vrije kamer, en eene kist of\' zoo iets, waarin wij onze kleine bezitting kunnen bergen. Zoudt gij in dit opzicht niet iets voor ons kunnen doen ?» Ons antwoord was; dat er geschikte kosthuizen bestaan, waar zij nu het vereischte zouden kunnen betalen en de gemakken vinden, waaraan de behoefte bij hen was opgewekt. En wat was hun antwoord :

«Ja, die plaatsen zijn op zichzelf zoo kwaad niet, wij kennen ze en zouden daarheen kunnen gaan ; maar, weet u, hier in de toevluchtsoorden hebben wij gelijkgezinden, die over de zaken denken, zooals wij. Ook hebben wij hier den steun van het gebed, van het ouderling samenkomen en dan de goede avonduurtjes, die zooveel helpen om ons in het rechte spoor te houden. Wij verlangen naar een beter verblijf, maar wij blijven liever in deze toevlucht en slapen liever op den grond, dan op een betere plaats in slecht gezelschap te leven en weder op de oude verkeerde paden te geraken.»

Hoe natuurlijk de wensch om bij ons te blijven moge zijn, de zaak heeft hare minder wenschelijke zijde ; want werd zulk een

250

-ocr page 269-

DOELTREFFENDSTE HULP.

toestand besteudig, zoodat allengs onze toevluchten geheel ingenomen werden door personen van verbeterde levenswijs, dan zouden zij daardoor welhaast aan de oorspronkelijke bestemming onttrokken blijken. Mijn streven moet dus onveranderd zijn hen, die geholpen zijn, te kunnen afzetten, maar wanneer zij met het leger in aanraking wenschen te blijven, hen met een beter soort wouiugeu te kunnen baten. Wat ik mij voorstel, is

Ecu eigen armciistad,

naar eenvoudige regelen ingericht en bestuurd; die betere woningen verschaffend, toch te gelijk in eigen kosten voorzag. In deze woningen zou ik voor ieder eene afzonderlijke slaapplaats wenschen, voorts goede zitkamers, geschikte keukens, badkamers, eene groote zaal voor samenkomsten, en zooveel gemakken, als met weinig kosten te leveren waren ; zoodat alles, hoewel zoo laag mogelijk geprijst, toch interest en een reservekas voor onderhoud opleverde.

Iets beters in dit soort is ook voor vrouwen zeer gewenscht. Na eenmaal den voet op dezen weg gezet te hebben, mogen wij aan blijven stilstaan niet denken. ïot hiertoe had ik mij enkel voorgesteld mij met alleenlevende mannen en vrouwen in betrekking te stellen ; maar het met zulke mannen in aanraking komen had zijn eigenaardigen nasleep. Zeer spoedig kwamen wij tot do ontdekking, dat bijna ieder man, die als een arme verhongerde buiten werk is, een gehuwd persoon is. Bij zijn komen geeft hij op alleenloopend persoon te zijn, wordt als zoodanig opgenomen, maar zoodra worden niet betere gezindheden in het hart gewekt, of\'de man kan het niet langer verbergen, dat hij eene vrouw en kinderen heeft, waarvoor hij behoorde te zorgen, en die hij meestal iu nood en armoede heeft achtergelaten. Zoodra komen mannen van dit soort niet onder een beteren invloed, en hebben zij niet voor zichzelven weer den verdienden kost, of hun eerste gedachte is aan moeder de vrouw, en de begeerte wordt in hen levendig om haar te zien. Er is al zeer weinig waarheid in de gemoedsverandering van een gehuwd man, die door dien omkeer niet belangstelling in zijne vrouw en begeerte naar haar in zijn hart gewekt voelt. Hoe beter wij dus met ons pogen slagen, des te meer zullen wij komen te staan voor gehuwde paren, die ook uit hooger beginsel onze tusschenkomst tot het verkrijgen van voor hen meer geschikte woningen vragen. Gaarne zullen wij hun ter wille zijn, maaralleen op den voet van koopmansbedrijf. Ik zie grooter uitbreidingen van dit denkbeeld tegemoet dan nog bestaan. Hiervan

251

-ocr page 270-

VERBETERDE WONINGEN.

overtuigd, zal ik een hoofdstuk wijden aau de beschrijving van woningkriugei! in de voorsteden, zooals ik ze wenschen zou. Het modelkosthuis voor getrouwde lieden moet nochtans slechts een aanhangsel blijven van de toevluohtsoorden en voedseldepots.

TWEEDE AFDEELING.

Modeldorpeu als deel der voorsteden.

Reeds heb ik het als eene zonneklare waarheid oneindige malen verkondigd, en zeg het gaarne nogmaals, dat een der eerste stappen om voor het soort menschen, als wij bespreken, betere toestanden in leven te roepen, is dat hunne hervorming moet gepaard gaan met hun verschaffen van hetamelijker, meer meuschwaardige woonverblijven; waarin zij, eenmaal op den goeden weg, eene aansporing vinden om zóó te leven, dat zij een voor redelijke wezens passend levensgenot smaken. Naar mijn oordeel zijn eerste en tweede en derde soort kosthuizen niet meer dan eene soort verzachtingsmiddel van de bestaande ellende, maar doen zij tot genezing zeer weinig af. Voor een zwerversleven op de straat het verblijven in een kosthuis in plaats te stellen is een belangrijke stap voorwaarts, maar het na te streven einddoel is daarmede op verre na niet bereikt. Het verblijven in een kosthuis is beter dan wat nog erger is, maar het is verre van de beste en meest begeerlijke wijze om het leven te slijten. Vandaar dat mijne gedachten er steeds op gericht zijn, hoe het mogelijk zou kunnen blijken, om zulken, die weder op eigen beenen weten te staan, bij geregeld werk, aan eene goede woning te helpen.

Evenmin kan ik het stelsel om dezulken aan een paar eigen kamers te helpen, het verblijf van het grooter deel der bewoners onzer steden van eenige beteekenis, eene gelukkige oplossing van het raadsel noemen. De overbevolking, welke in elk deel van dit soort kazernes huist, en de dwang, dat het familieleven van de wieg tot het graf eene opsluiting is tusschen vier muren, moet wel de steeds wellende bron blijven van al de schaduwzijden en ellenden, waaraan ons hedendaagsch stadsleven zoo rijk is.

Kon ik mijn wensch verwezenlijkt zien, dan bouwde men op

252

-ocr page 271-

WERKMANSDOKPEN.

redelijken afstand van onze grootere steden werkmansdorpen, met kleine afzonderlijke woningen, zoo eenvoudig ingericht, dat werkmansgezinnen er met bijberekening der spoorwegvracht voor eene billijke huur konden wonen.

Lag dit plan niet eenigermate buiten de grenzen van dit boek, gaarne zou ik te dezer plaatse mijn denkbeeld met scherper trekken en meer uitgewerkt teekenen. Toch zij door mij opgemerkt, dat wat ik nu hier slechts aangeef\', door mij rijp doordacht is, en op maatschappelijk gebied praktisch uitvoerbaar zal bevonden worden. Bij mijn beramen, van wat mogelijk en uitvoerbaar zou zijn, genoot ik de zeer door mij gewaardeerde hulp van een vriend, die in het bouwvak zijne sporen verdiend heeft, en vooral naam heeft door zijn niet enkel op schoone vormen letten, maar nog meer door zijn takt van de woningen zoo in te richten, dat het gemakkelijke en aangename niet zelden aan de bewoners op verrassende wijze blijkt. Als aan zijne hand geef ik hier de volgende ruwe schets.

Het dorp moet niet verder dan vier uur gaans van de stad verwijderd zijn, op goed drogen grond en bij een spoorwegstation liggen. Bij het kiezen van een gunstig punt behoeft nog het spoorwegstation niet aanwezig te zijn, daar elke spoorwegmaatschappij in zulk eene gelegenheid voorziet, zoodra dit slechts uitzicht op voordeel belooft.

De kleine huizen moeten van het beste bouwmaterieel en deugdelijk gebouwd worden. Het best kan dit geschieden, wanneer alleen de handenarbeid wordt uitbesteed, en de ontwerpers van het plan zeiven het bouwmaterieel uit de eerste hand aankoopen en aan hem, die het oppertoezicht heeft, leveren. De woningen zouden drie of vier kamers, eene keuken en een schuurtje in den tuin moeten hebben. De huizen zouden op vrijen grond, door een tuin en wat moesgrond omringd, moeten staan.

De grond voor aanleg zou bij aankoop groot genoeg moeten zijn om van duizend tot twee duizend zulke woningen plaats te geven. In het dorp zou een coöperatieve winkel moeten gevestigd worden, die alle benoodigdheden aan de bewoners voor billijken prijs leveren kon.

De verkoop van elke soort van bedwelmend vocht zou op het gansche grondgebied volstrekt moeten verboden zijn, en zoo mogelijk zou van den landeigenaar, van wien de grond gekocht werd, moeten bedongen worden, dat op zijn aan het gekochte land grenzenden grond nooit een drankhuis zon mogen gesticht of geopend worden.

Ik acht het niet onmogelijk, dat de spoorwegen, bedenkende

253

-ocr page 272-

MOUELDOKPEN ALS DEEL DEU VOOllSTEDEN.

vau hoeveel last en lijden voor arme stadsbewoners zij reeds oorzaak zijn geweest, wel te bewegen zouden zijn, tot het maken van de volgende voordeelige schikkingen:

1. Ieder familielid der werkelijk in het dorp woonachtigen, die dagelijks in Londen wezen moet, kan voor zes stuivers \'s weeks been en wedergaan. Aan elke pas moet het portret van den houder verbonden zijn, en beide gehecht worden op eene in het oogvallende plaats aan de bovenkleeding. Deze vrijpassen alleen geldig voor de vroege en late werk-inanstreinen en de treinen op uren, dat die genoegzaam onbezet zijn.

2. De vracht van goederen en pakjes worde voor die bewoners op de helft gesteld.

Het is niet meer dan redelijk om de veronderstelling te opperen, dat groote landeigenaren gaarne van een honderd morgen land om niet of tot zeer kleinen prijs zullen willen afstand doen, uit aanmerking van de hoogere waarde, welke door den bouw terstond de omliggende gronden verkrijgen zullen.

Mijne laatste opmerking is, dat een huisje van vier kamers en tuin de weekhuur van twee gulden niet zal mogen overschrijden. Deze huurprijs met de spoorwegvergoeding zou den bewoners al de voorrechten van eene gezonde en vrije woning schenken; en het verblijf voor hen te aantrekkelijker zijn, waar zij zei ven allengs eigenaar van huis en tuin konden worden. Wie deze oppervlakkige schets vergelijkt met wat onze steden nu als woonverblijf aan ontelbare werklieden leveren, zal moeten toestemmen, dat het als oen overgang uit een kerker naar een paradijs zou kunnen zijn.

DERDE AFDKEL1NG.

Dps ar m c n m a n s b a n k.

Is het gierig liefhebben van geld de wortel van veel kwaad, het gebrek hebben aan geld kweekt weinig minder kwaad, en is oorzaak van het veelsoortigst lijden. Zoodra heeft iemand niet een aanvang gemaakt met iets te doen, dat de ellende of het lijden des volks kan verminderen of verzachten, of hij komt tot

254

-ocr page 273-

DES ARMEN MANS BANK.

de ontdekking, dat het altoos zich vertoouend gebrek aan dubbeltjes eene van hunne grootste moeilijkheden en bezwaren is. In mijne meest opgewonden droomeu heb ik er geen kans op gezien om ten dezen aanzien het pad des werkmans een weinig te effenen, en toch kan het geen onbereikbaar ideaal zijn om eens armen mans bank in leven te roepen, een bank, die den kleineren burgerman en onze werklieden zou helpen aan de voordeelen, waardoor het credietsysteem de grondslag van eiken bloeienden handelstak is.

In het afgetrokkene mag het nog beter gerekend worden, dat er zoo iets als crediet niet bestond, dat niemand ooit geld ter leen vroeg en dat ieder in de noodzakelijkheid verkeerde om alleen te rekenen op het geld, dat hij werkelijk van dag tot dag in bezit had. Goed; maar laat dan ook het beginsel eene volstrekte toepassing hebben. Laat ons dan ophouden roem te dragen op onzen wereldhandel en op\' schatten, in de meeste gevallen verkregen, door in strijd met het door u gestelde ideaal te handelen. Indien het voor den man in den groothandel goed en geoorloofd is om tot een bankier in betrekking te staan, indien het voor rijken volstrekt noodzakelijk is een goed crediet-stelsel tot hun dienst te hebben, om welke reden zouden dan minvermogenden, en dit naar een eigen, voor hun stand passenden maatstaf, niet iu voorrechten van gelijksoortigen aard mogen deelen? In onze tegenwoordige maatschappij geldt het nog maar al te veel als regel, om steeds meer te geven aan hem, die reeds veel heeft, en aan den minder vermogende op allerlei wijs te ontuemen wat hij nog heeft, en bij meer billijkheid niet alleen zijn deel zou kunnen blijven, maar hem tot beter slagen dienst doen.

Is het ons ernst met den armen te willen weldoen, dan moet het ons voortdurend en ernstig streven zijn, naar gezonde regelen voor het bevorderen van algemeenen welstand te handelen. Laten wij daartoe, wat dit punt aangaat, eens nauwlettend opmerken, welke voordeelen de rijkeren bij hun bankiersstelsel op het oog hebben en daardoor in de werkelijkheid genieten. Wanneer wij dit met opmerkzaamheid gedaan hebben, kan de vraag bij ons niet achterwege blijven, zouden hulpgelegenheden van dezen aard, en naar hun stand geregeld, niet ook van het hoogst belang voor minder ruim bedeelden zijn? Om welke reden zij nog niet in aanwezen zijn, is klaarblijkelijk.

Het voorzien in de behoeften des rijken is een weg, die u tot rijkdom leidt; den arme te dienen door hem op gelijke wijze tot hulp te worden, sleept zoovele moeilijkheden en kosten na zich

255

-ocr page 274-

DES ARMEN MANS^BANK.

iu verhouding tot het voordeel, dat er misschien nog aan verbonden kan ziju, dat eigenlijk de kool de sop niet waard is. Men richt banken en andere handelszaken op, om zich dat ie verwerven, wat een Amerikaansch humorist niet ten onrechte genoemd heeft: «\'s menschen hoogste doelwit in deze nieuwere tijden,» namelijk: tien percent. Wat ondernemen en doen de menschen al niet om die Hen percent te bejagen ! Zij boren zich een weg als tot in het hart der aarde, zij onderzoeken de diepste diepten dei-zee, zij bestijgen de hoogste sneeuwtoppen der bergen, zij leggen zich op luchtscheepvaart toe, wanneer er slechts de zekerheid of de hoop aan verbonden is van er tien percent mee te zullen verdienen. Ik durf in de verste verte niet belooven, dat des armen bank tien percent, of zelfs vijf percent zal opleveren ; maar wat ik wel geloof, is, dat zulk eene inrichting de kosten zou kunnen goed maken, en dat de maatschappij als geheel er groote winst uit trekken zou.

Vraag het slechts aan eenig koopman, waarmede gij bevriend of bekend zjjt, hoe het met zijne zaak zou staan, wanneer hij geen bankier had; en wanneer gij diens antwoord vernomen hebt, denk er dan eens over na, of het niet eene zaak zou zijn waard er moeite en arbeid voor te doen, om de groote massa onzer medeburgers naar gezonde handelsbeginselen te helpen aan de voordeden van bot kredietstelsel, dat het betrekkelijk luttele getal vermogenden voor zich als zulk een bron van welvaart heeft leereu kennen ?

Ik hoop, dat er een tijd komen zal, dat wij staatslieden aan het hoofd der regeering hebben, die geuoeg wijsheid bezitten om in te zien en te erkennen, dat zulk eene bank tot de zaken moest behooren, die in het algemeen belang van den Staat uitgaan en van staatswege beheerd worden. «Nu wordt dit maatschappelijk belang, waarin werkelijk eene levensvraag opgesloten ligt, overgelaten aan houders van pandjeshuizen, geldleeners tegen hoogen interest en het ras landhaaien, dat als woekeraars aast op het uitzuigen en naakt aan den dijk zetten der armen. De inrichting van landbanken, waarbij de arme man bijna altijd een boer is, is eene der eigenaardigheden van nieuwere wetgeving in Rusland, en elders. Ik hoop, dat de tijd niet meer verre is, dat eene inrichting als des armen bank door onze regeering zal erkend worden als een der volksbelangen, waarvoor de Staat te zorgen heeft.

Terwijl de zaak in dien hoogen kring hangende is, waag ik mijne gedachten in het midden te brengen, zonder dat ik op eeni-gerlei wijze in het vooruitzicht stel, dat ik zulk eene zaak nog aan onze reeds reusachtige instellingen zou willen toevoegen, —

256

-ocr page 275-

BEN MONT ]gt;K l\'IKTÉ.

«of het niet mogelijk zou ziju, dat vermogende meusoheuvriendeu reeds nu iets van dien aard beproeven?» Zou het hun zonder te overmatige offers van geld en tijd niet mogelijk zijn, eene inrichting in het leven te roepen, die aan minder gegoeden de voordeeleu schenkt, welke de rijkeren door een goed ingericht bankwezen genieten V Ook zij toch blijven niet buiten geldelijke moeilijkheden, die bij tijdige hulp voorbijgaande, maar zonder eeuige hulp vernietigend zijn. Mocht intusschen eenig rijke een wedreupaard of ander kostbaar weeldeartikel voor de goede zaak willen ten offer brengen, dan zal ik de moeite niet ontzien, om de poging op kleine schaal als proef in werking te brengen.

Bij dit woord verneem ik reeds van zulken, die met volksbelangen lachen, een smalen met wat zij mijn verheerlijkt pandjeshuis noemen.

Smalen en spotten laat mij zoo koud als ijs. Een Mont de piété — de naam zelf duidt reeds aan wat den eersten instellers voor oogen stond, een bank uit godvruchtig beginsel voor den arme geopend, daaraan is in eene christelijke maatschappij behoefte. Op Europa\'s vasteland bestaat deze inrichting. Geheel ontaard is zij daar zeker nergens, maar laat ons land de eer hebben van het schoone denkbeeld op de beste wijze te hebben verwezenlijkt. Misschien zijn er nog wettig gevestigde belangen, die het nu den Staat slechts ouder veel te kostbare voorwaarden zou mogelijk maken. Ware dit het geval, dan kan er tevens niets aan in den weg staan, dat bijzondere personen onder ons zulk een Mont de piété oprichten, welke waarlijk aan de behoeften onzer mindervermogende medeburgers kon ten goede komen.

Voorts ben ik in geenen deele ongeneigd om het als iets noodzakelijks te erkennen, dat wij de zaak aan het arbeidsbureau verbinden, indien het slechts mogelijk is om naar een duidelijk bepaald en deugdelijk beginsel de poging op touw te zetten. Dit beginsel zie ik daarin, dat het iemand vrij staat zich persoonlijk te verbinden, als zekerheid voor de teruggaaf van het geleende; dat is, dat hij zich voor zulk een tijd tot te verrichten arbeid verbindt, tot kapitaal en interest zullen zijn afgelost. Een en ander voorbeeld heldere mijne meening op. Een timmerman vervoegt zich aan onze werkplaats; hij staat bekend als eerlijk en oppassend, maar ziekte of eenige andere oorzaak heeft hem in armoede gedompeld. Achtereenvolgens heeft hij meubel na meubel en eindelijk zijn gereedschap moeten verpanden. Wij nemen zijn naam in ons boek op, en nu doet zich iemand op, die een timmerman wenscht, welken wij kunnen aanbevelen. Nu komt de man ons voor don geest, maar wij staau voor deze moeilljklu id :

257

17

-ocr page 276-

DES ARMEN MANS BANK

«de mau heeft geeu gereedschap.» Wat te doen? Zooals de zaken nu staan, baat den man de aanbieding van werk niet, en hij blijft dus voor onze zorg. Onmiskenbaar is het, dat zelfs het algemeen belang medebrengt, dat de man weder in het bezit komt van zijn beleend gereedschap. Maar wie durft de verantwoordelijkheid aan van hem het geld tot lossing voor te schieten? Deze moeilijkheid zou, naar mij voorkomt, te overwinnen zijn, wanneer de man zich wettelijk kon verbinden, om in termijnen zooveel van zijne verdiensten af te staan als tot terugbetaling van het voorgeschotene noodig is; terwijl wij hem intusschen verblijf en kost konden aanbieden.

Zulk een hulpbieden zou echter gepaard moeten gaan met de volstrekt mogelijke zekerheid van teruggave. Zoolang de man in schuld is, moet hij zich niet als zijn eigen heer en meester kunnen beschouwen, maar aan zijn geldschieter ondergeschikt. Alles wat hij boven de kosten van zijn verblijf verdient, moet in afdoening door hem aan de kas worden afgestaan. Zulk eene schikking is naar allerlei regeling te maken, maar hetzij langer of korter termijn van afdoening gesteld zij, vast moet in elk geval staan, dat de bank aanspraak houdt op een deel van zijn loon tot zijne schuld geheel is voldaan.

Stellen wij een ander voorbeeld. Een kantoorbediende is lange jaren in een en dezelfde betrekking geweest en heeft een groot gezin, voor welks onderwijs en opvoeding hij als huisvader getrouw heeft gezorgd. Hij leeft in het vooruitzicht, dat hij na nog weinige jaren met een eervol jaargeld zal ontslagen worden, maar zonder zijne schuld of toedoen komt hij in de noodzakelijkheid om eene som van 1800 gld. af te doen, iets wat geheel buiten de macht zijner beurs is. Altijd heeft hij met overleg geleefd, nooit van anderen geld ter leen gevraagd, maar tegen deze ramp is hij niet opgewassen. Is hij niet bij machte het geld te vinden, dan is zijn ondergang zeker en zal het pensioen, waarop hij rekende, hem als te elfder ure ontgaan. Had hij nu maar eene verdienste tienmaal zoo groot, dan zou hij zijn bankier hebben, en deze zon hem gaarne uit een betrekkelijk even grooten nood helpen. Waarom zou, ook nu hij geen groot inkomen heeft, niet eenige inrichting hem tegen verpanding van een deel zijner bezoldiging zóó kunnen helpen, dat het in de werkelijkheid voor hem redding en niet enkel eene verplaatsing van den last was?

Hoe gaat het met zulk een ongelukkige nu? Hij raadpleegt met vrienden, wier beurs wellicht niet beter voorzien is dan de zijne, en is dit werkelijk het geval, dan vervalt hij aller waar-

258

-ocr page 277-

KOOP OP AFJ)OENtNG.

schijulijkst in de haiuleu van bloedzuigers, die hem voorwaarden en een intrest afpersen, waardoor hij misschien levenslang hun slachtoffer blijft.

Het dient tot niets om afzetters van dit soort met een zwarte kool te teekenen en op hen te schelden. Zij zijn er door alle tijden geweest en zullen er ook wel altijd blijven ; wat wij echter doen kunnen, is, het aantal hunner slachtoffers zoo klein mogelijk te houden. Dit zou kunnen geschieden, wanneer bij de wet zulke maatregelen werden getroffen, dat het mogelijk werd de hulpbehoevenden op billijken voet te helpen met de zekerheid, dat zonder geheel buitengewone omstandigheden vast op de teruggave van het geleende kon worden gerekend.

Het dus vastgesteld beginsel kan in allerlei vertakkingen uit schieten, die hier niet behoeven besproken te worden. Ik mag echter van dit punt niet afstappen zonder op eene bestaande zaak te hebben gewezen, die niet weinige mannen en vrouwen tot hun spijt en schade van nabij hebben leeren kennen. Ik bedoel het stelsel van gereedschap tot arbeid, b. v. eene naaimachine, op afdoening te koopen. Een oppassende man of vrouw schaft zich op dien voet een mangel, naaimachine enz. aan, maar het listig stelsel der verkoopers verbindt daaraan intrestbetaling en andere voorwaarden, waardoor het slachtoffer, na werkelijk reeds een goed deel van zijne schuld te hebben betaald, zich naar vooruit gemaakte en door hem niet begrepen bepalingen op slinksche wijze van zijn meer dan half betaalden koop beroofd ziet.

Bij dit punt wil ik opnieuw terugkomen op eene overeenkomst met wat wij in kleine plaatsen, waar alle buren elkander kennen, kunnen waarnemen. Nemen wij het volgende als voorbeeld. Een knaap, die algemeen bekend staat wegens goeden aanleg, gepaard aan eerlijkheid, ijver en goede trouw, heeft behoefte aan eene kleine som om iets te beginnen, dat hem levensonderhoud belooft. [Toe licht vindt hij dan een meervermogend nabuur, die hem op billijke voorwaarden aan het noodige helpt om de zaak op touw te zetten. De nabuur doet dit omdat hij den knaap kent en diens ouders acht als brave menschen, wier eergevoel hem borg is, dat hij zijne buren op hun woord vertrouwen kan. In soortgelijke omstandigheden laat ook de buurschap eene weduwe, die haar man verloor, of weezen niet licht aan hun lot over, maar raadplegen de vrienden wat iu elk bijzonder geval tot hulp zou kunnen gedaan worden. In grootere steden gaan al die eigenaardigheden van goede buurschap te loor, en daarmede al dat verleenen van kleinen bijstand, waardoor als door buffers voorkomen wordt, daf iemand door den rampspoed wordt ver-

259

-ocr page 278-

260 DES AKMKN MANS HANK.

brijzeld. Dit teloor gegaan voorrecht moeten wij trachten op de eene of andere wijze te herstellen en weder in het leven te roepen ; niet om als het ware een Eden te scheppen, maar om het maatschappelijk leveu in die grootere plaatsen terug te brengen tot de afmetingen van de gezonde gemeenschap der kleinere plaatsen. Geene instelling, hoe goed en schoon, wij zijn de eersten om dit te erkennen, kan de plaats innemen van den heiligen invloed van persoonlijke vriendschap, maar wanneer het ons mag gelukken om het geheel der maatschappij samen te koppelen door allerlei instellingen van broederlijke hulp en raadgeven, zal ons dit toch de voldoening geven, dat wij eene macht hebben in werking gebracht, die nu nog in onze hedendaagsche beschaving ontbreekt, en waaraan zij de dringendste behoefte heeft, zal zij niet in een chaos van liefdeloosheid, verwarring en strijd ondergaan.

VIERDE APDEEUNG.

Des armen mans rechtsgeleerde.

Zoodra hebt gij u niet in levendige betrekking gesteld tot de behoeften des volks, of dit leidt u tot de ontdekking, dat de moeilijkheden, waarmede zij te worstelen hebben, nog veelmeer van zedelijken dan van stoffelijken aard ziju. Nooit bestond er grooter dwaling dan deze, dat men slechts iemands buik heeft te vullen en hem een nieuw pak kleeren te geven, om hem gelukkig te maken. Een mensch is heel wat meer dan eene verteringsmachine, die van streek kan raken. Vandaar, dat terwijl het van wezenlijk belang is om te bedenken, dat onze medemensch eeue maag heeft, het van althans niet minder belang is niet te vergeten, dat hij ook een hart heeft, en een gemoed, dat zich niet zelden in bekommering buigt onder moeilijkheden, die wellicht spoedig verdwijnen zouden, leefde hij maar in een kring, waarin de deelneming der liefde betoond wordt. Een man, en nog veel meer eene vrouw, heeft vaak veel meer behoefte aan een goeden raadsman dan aan voeding en kleeding. Menige arme ziel gevoelt zich dikwijls aldoor in ellende en zinkt al dieper en dieper weg in de moerassen van ongerechtigheid en wanhoop, omdat een

-ocr page 279-

DE WARE MAATSCHAPPELIJKE VERHOUDING.

good raadgever ontbreekt, die der hulpbehoeveude beseffen doet, dat er nog iemand in de wereld is, die om haar geelt en hulp wil bieden, zoo hij slechts kan.

Is het ons ernst met den wil om den zin van broederschap in de menschenwereld eene nieuwe opwekking te geven, dan behoo-ren wij den moed te hebben, om deze moeilijkheid onder de oogen te zien. God, dus sprak men in oude dagen, zet de veriatenen in een huisgezin. Daarom mag het niet blijven, zooals het nu overal maar te zeer is, dat de veriatenen als eenzame zwervers omdolen in eene wereld, welke zich om hen niet bekommert en zich niets van hun leed aantrekt. «Er is niemand, die zich over mijne ziel bezorgd maakt, er is niemand, die voor mij eenige liefde heeft en wanneer ik kom te sterven, zal dit niemand eenige droef heid baren.» Een van de geheimen, waardoor het heilsleger zoo wel heeft mogen slagen, is, dat zij, die in de wereld geheel zonder vrienden waren, in de onzen belangstellende vrienden hebben herkend. Br leeft geen zondaar op de wereld, — hoe diep verlaagd en onrein hij wezen moge, — wien niet mijn volkje de hand wil reiken, met hem bidden en zich voor hem alle moeite geven om hem als een brandhout uit het vuur te redden. Nu is het ons wenschen om steeds in ruimer mate in dien geest te kunnen optreden, het leger des heils steeds meer te doen strekken tot een middelpunt, waaruit licht en hulp kan dagen voor die velen in de wereld, die radeloos zijn en alle hoop hebben opgegeven.

Ons hoogste streven is om het denkbeeld «één groot gezin» iu voorbeeld al meer verwezentlijkt te zien. «Onze Vader» moet de in daden uitgesproken grondtoon van onze gansche inrichting blijken. Eén is onzer aller Vader, en dus zijn wij allen broeders en zusters. Wanneer in een goed gestemd gezin een der leden naar hart of geweten iu bekommering verkeert, zoo levert dit geene moeilijkheid op.

De dochter wendt zich tot haren vader, of de -zoon tot zijne moeder, en aan het liefhebbend hart storten zij uit al wat hen drukt of bezwaart, en de verlichting, waarnaar gehunkerd werd, is gevonden. Ontstaat er in eenige familie iets, dat van ernstigen aard is, alsdan wordt familieraad belegd, en allen spannen zich met ernst in, om het bezwaar uit den weg te ruimen en aan de zaken weder haar gewonen loop te hergeven. Denkbeelden, als in deze ervaringsfeiten aanschouwelijk zijn, zullen wij door onze nieuwe inrichting trachten in leven en in werking te roepen. Hoe zon iemand beter dan onze Schepper eu Vader kunnen weten wat voor den mensch goed is-? Ook willen wij niets anders pogen.

261

-ocr page 280-

DES A KM RN MANS HECtlTSGELEERUE.

dau door naar zijn geopenbaard raadsplan werkzaam te ziju, iets van het familie-idee te helpen herstellen onder de honderd duizenden, — wat zog ik, millioenen, die niemand boven zich weten wijzer en meer ervaren op het gebied des levens dan zijzei ven, tot wien zij mot hun lead kunnen hoongaan en den troost en den raad vinden, die zij zoo diep voelen ton hoogste noodig te hebben.

Ook zonder dat wij het zeiven zoggen, is liet voor ieder duidelijk, dat wij slechts in zeer onvolledige wijze kunnen verwezenlijkt zien, wat het einddoel van ons streven is. Het is alleen God, die eene moeder heeft kunnen scheppen. In onze samenleving moest echter heel wat meer moederzin gevonden worden; er is niets waaraan zij zoozeer behoefte heeft. Evenals het kind behoefte heeft aan eene moeder, tot wie het zich met al zijne moeiten en bezwaren richten en aan wie hot zijn hart vertrouwelijk en geheel ontsluiten kan, zoo hebben de mannen en vrouwen, die als geheel aan zichzelven ontzonken zjju, in don strijd dezes levens noodig iemand, tot wien zij met den hun nederbuigenden last gaan kunnen; van wien zij weten, dat hun zielsgeheim bij hem heilig is, en van wien zij met zeker vertrouwen deelnoming en zoo mogelijk raad en bijstand verwachten. Ik doe aan alle met mij gelijkgezinden het voorstel, om vereenigd en ieder naar zijne eigen macht, aan die behoefte aan broederlijke deolneming te gemoot te komen. Ik zal daartoe eene afdeeling in het leven roepen, aan wier hoofd ik hen geplaatst wensch, die wijsheid aan modelijden paren, en die door hunne rijper ervaring tot troosters en gidsen kunnen zijn, voor do hulpbehoevenden, die zich met goed vertrouwen tot hen wenden. Het beteekent niets, dat wij met den mond belijden, dat wij onze medomenschen liefhebben, zoolang wij niet toonen, dat het ons ernst is hun helpers te zijn; en het beteekent even weinig, of wij modelijden betuigen mot nauwelijks te dragen lasten en eene de ziel bonanwende donkerheid, wanneer wij geen hand uitsteken om den last te helpen torsen, en geene enkele poging doen om licht in de duisternis te helpen aanbrengen.

Naarmate wij op den levensweg moer praktische ervaring dan anderen hebben opgedaan, zijn wij ook te meer verbonden om onorvarenen met onze vorkregen kennis ten dienste te staan, en hen deelgenoot te maken iu de winst der talenten, die wij ontvingen. Onze roeping echter bevat nog iets hoogers. Indien wij gelooven, dat wij als broeders en zusters leden zijn van één gezin, en dat één onze Vader is, God, die eenmaal ons naar hetgeen wij deden oordeelen zal, dan moet het ons streven zijn, hoe onvolmaakt dit ook zal moeten blijven, om te betrachten wat als

262

-ocr page 281-

BROEDERZIN.

ouderpliclit kan gekenmerkt worden. Wij moeteu een hart hebben, dat met gewilligheid wil luisteren naar het zich ontboezemen van onze medereizigers op den levensweg, die gebukt gaan onder de lasten des levens. Onze gezindheid om te luisteren naar wat hen als een hartsgeheim bezwaart, moet het hun mogelijk en gemakkelijk maken om te doen naar het woord des apostels: «Belijdt elkander de misdaden en bidt voor elkander, opdat gij gezond wordet.» Verwarre niemand onze verwijzing naar des apostels woord met een kerkelijken biechtstoel. In zijn man elkander» is van geen priestergezag sprake, maar alleen van een onderling broederlijk vertrouwen, dat onmisbaar is, om te zamen zóó te bidden, dat de gezondheid van aller geestelijk leven er door bevorderd worde. Niets anders dan dit belijden wordt door ons gewenscht en betracht. Ook leert de uitkomst, dat niets zoozeer heeft bijgedragen tot het kiezen van een nieuwen levensweg en het volharden daarop, alsook tot het winnen van anderen tot het kiezen van een zelfde spoor, als het openlijk belijden van misdaden en overtredingen in het midden dergenen, die zich in denzelfden zin schuldig kennen aan het als met voeten treden van goddelijke en maatschappelijke wetten. Dit in het openbaar sohuldbelijden is steeds door ons van tot bekeering gezinden verlangd; en dit niet uit willekeur, of als een streven naar priestermacht, maar omdat wij een zich uitspreken in dezen geest eene onmisbare voorwaarde achten, om te komen tot een gevoel van verlossing en rust, dat onmisbaar is, om onder de leiding van des Heeren Geest op den engen en steilen weg blijmoedig te volharden. Wij stellen ons zoo niet als middelaars tusschen de menschenziel en den eeuigen Hechter, die behouden en verderven kan, maar voldoen eeniglijk aan een der diepgevoelde nooden en innerlijke verlangens dergenen, die dagelijks onze samenkomsten bezoeken. Waarom zouden zulke naar verlossing dorstenden innerlijk bezwaard blijven met den last liunuer overtredingen, waar eeue belijdenis er van, niet enkel hun eigen gemoed verruimt, maar ook andoren tot aanmoediging is, om met vrijmoedigheid te gaan tot den troon der genade?

Niet tot het geven van vrijspraak, maar als betoon van deelneming en tot het geven van goeden raad, stel ik mij voor aan ons bureau van raadgeving een meer vasten vorm te geven. In beginsel volgen wij den aangeduiden weg reeds geruimeu tijd, en allergewichtigste uitkomsten werden verkregen, die tot degelijker, meer volkomen voortgaan dringen. Ik leg hier gewicht op, omdat ik eer wars beu van nieuwe afdeelingen, dan geneigd tot de vermeerdering er van.

263

-ocr page 282-

I)F,S ARMEN MANS HULP.

Klke nieuwe pogiug geeft uiet alleen meer werk, miiar niet minder eeno toeneming van angst en zorg. Is het ons echter ernst met het streven om de liefde Gods aan mensohen te helpen openbaren, dan moeten wij leeren onszelven te vergeten, en alleen te vragen naar de behoeften en nooden van het menschen-hart, die voldoening eischen. Ook zal dit bureau niet alleen dienst doen voor zaken, die gemoedsbezwaren betreffen, maar zich even belangstellend en tot hulp gereed toonen in zaken, die meer het hoofd en de gewone voorvallen des levens betreffen. Naar het mi] voor den geest zwevend plan zal ons bureau van raadgeving meer en meer worden

Des armen mans liiil|gt; in rechtszaken uu openbare iiangelegenliedeii.

Voor zooveel mij bekend is, bestaan er in Londen geenerlei middelen, die armen en behoeftigen in staat stellen om zich wettelijke hulp te verzekeren bij de velerlei verdrukking en moeilijkheden, waaronder zij ten gevolge van hunne armoede voortdurend gebukt gaan.

Terwijl de welvarende standen in de maatschappij zich tot bekwame vrienden kunnen wonden, of zich van de voorlichting en hulp van rechtsgeleerden voorzien, heeft de arme letterlijk niemand tot wien hij zich onder gelijke omstandigheden wenden kan. Treft hem krankheid dan kan hij zich tot den parochiegeneesheer of het groote hospitaal om bijstand richten, en niet een woord van goeden raad en het geneesmiddel is de kranke geholpen. Maar verkeeren niet hijzelf maar zijne levensomstandigheden in kranken toestand, zoodat armoede, kerkerstraf of het armhuis hem bedreigen, dan is er voor hem niemand, van wien hij verwachten kan, dat die hem als raadsman zal willen of kunnen dienen.

Wat nu wij wenschen in het leven te roepen is een hof van raad of appel, waarbij ieder toevlucht kan nemen, die in gevaar is, dat hij in zijn persoon, of in zijne vrijheid of eigendom schade of onrecht zal lijden; een hof, dat zul ken niet alleen met raad maar met al de vereischte hulp ter zijde staat.

In de allereerste plaats zal deze inrichting ten goede komen, aan de nu zoo allerschandelijkst aan haar lot overgelaten weduwen. In Oost-Londen alleen rekent men, dat (5000 weduwen zijn, en bijna allen hulpbehoevend. In geheel Londen kan haar aantal wel niet minder dan 20,000 bedragen; in Engeland en Wales rekent men het getal weduwen op omstreeks 100,000, waarvan de helft bet zeer bekrompen of armoedig hebben.

264

-ocr page 283-

HÜI.P AAN WF.UUWKN EN VERDRUKTEN.

De toestand eu het lot reeds alleeu vau dit soort behoeftigeu is voor onze aatie eene ten hemel schreiende schande. Denken wij aan de weduwe uit den middenstand, van wie zelfs kan gezegd worden, dat zij in vrij gunstige omstandigheden achterblijft. Niet zelden zal zoo iemand in eene zee van moeilijkheden geraken, ook al staat haar een goed raadsman ter zijde. Maar nevens deze, wié schat het aantal der arme vrouwen, die wanneer haar echtgenoot de oogen sluit, den eenigen vriend verliezen, die iets weet van de omstandigheden, waarin zij verkeeren. Ook wanneer er eenig geld, of eene niet bloeiende zaak, of eenig ander vast inkomen is overgebleven, dan is er terstond een dadelijk regelen en zorgen noodig, waarbij het op een goed oordeel en degelijke kennis aankomt, om te verhoeden dat de ongelukkige niet aan een maatschappelijke schipbreuk ten prooi worde.

Al het opgesomde geldt evenzeer weezen, en in het algemeen de velen die vriend noch maag hebben. Om op dit punt waarlijk naar eisch te slagen, kunnen alleen nationale inrichtingen geheel doeltreffend zijn. Zoolang deze blijven ontbreken, kunnen wij echter iets doen en is het mogelijk krachtigeu bijstand te bieden in zaken, waarin het er op is toegelegd om anderen geldelijke schade, boosaardige vervolging en dergelijke op den hals te halen.

Toch behoort het geenszins tot het mij voor oogen staand plan, om tot rechtszaken aan te moedigen of zeiven ons daarin te begeven. Zonder de uiterste noodzakelijkheid zal het veeleer ons pogen zijn zoolang eenigszins mogelijk, daarbuiten te blijven. Waar echter met boos opzet onrecht is gepleegd, eu er geen andere weg tot herstel overblijft, daar rest geene keus, en zullen wij ons wel gedwongen zien tot de rechtbank onze toevlucht te nemen.

Onze voorname hoop van anderen nuttig te kunnen zijn, ligt echter in de verwachting, dat wij in elke richting kwaad zullen kunnen helpen voorkomen. Reeds de wetenschap, dat de verdrukten in ons een vriend hebben, die niet nalaten zal hun partij te trekken en te hunnen behoeve te spreken, zal menig boosaardig lafaard en gierigaard weerhouden van onrecht te durven plegen; terwijl reeds misschien een vriendelijk samen-spreken onzerzijds genoeg zal blijken, om jegens de zwaliken billijk gezind te zijn en hun recht te laten wedervaren.

Ook reken ik op de mogelijkheid om veel kwaads te voorkomen en veel goeds tot stand brengen door een onpartijdig en vriendschappelijk scheidsgerecht. In ons bureau zal er

265

-ocr page 284-

DES AHMKN MANS HULP.

althans een geheel belangelooze rechtbank zijn, die geheel onofficieel maai\' ook zonder onkosten huiselijke geschillen en al dergelijke aangelegenheden tot een goed einde kan helpen brengen.

De volgende voorbeelden, ontleend aan pogingen reeds in dezen geest beproefd, zullen duidelijk maken welk soort arbeid wij bedoelen, en doen zien, welke goede vruchten van toepassing op breeder schaal te hopen zijn.

Voor nu omstreeks vier jaren kwam een jong en tenger meisje, de dochter van een loods tot ons en deelde ons de groote ongelegenheid mede waarin zij zich bevond. Hare geschiedenis was die van duizend anderen. Zij was verleid en bedrogen door een vermogend man in het West-End, en nu moeder van een nog zeer jong kind. Kort voor hare bevalling had haai\' verleider haar overreed om in het bijzijn van zijne rechtsgeleerde raadslieden een stuk te teekenen, dat hij niet de vader was van het te wachten kind. Dit was zijne voorwaarde om haar geldelijke hulp te bieden, en hij meende nu met een olTer voor eens de zaak te hebben afgekocht. Hierin had hij echter voor dit geval buiten den waard gerekend. Door onze rechtskundigen stelden wij ons tot den man in betrekking en verkregen door zijne vrees voor meer bekend worden van zijne dubbele schanddaad, dat hij onder wettelijke verplichting de zorg voor de opvoeding van het kind op zich nam, waarvan hij zich de vader wist.

Opgespoord en gevangen.

Mejuffrouw A. — werd overreed om een goed tehuis te verlaten en de gouvernante te worden van de moederlooze kinderen \'van den heer G. — in wieu zij een vriendelijk en achtenswaardig hoofd des gezins meende getroffen te hebben. Nadat zij zoo eenige maanden was in betrekking geweest,, stelde de heer G. — haar als belooning een uitstapje naar Londen voor. Gaarne nam zij dit aan, daar de heer G. zelf haar begeleiden zou en zorgen, dat zij in een knap gezin vrij verblijf kreeg. Toen zij op deze wijze in Londen was, wist hij haar met schoone beloften te verleiden, en hield toen haar als bijzit, tot hij haar moede werd en haar den raad gaf om te doen zooals andere vrouwen. In plaats van dit te doen zocht zij werk, en onderhield zoo zichzelve en haar kind op redelijken voet. Na eenigen tijd zocht haar verleider haar als een berouwhebbende op, wist hare bezwaren te overwinnen, en stortte haar ten tweeden male in het ongeluk. Toen zij ten tweeden male moeder geworden was, kwam zij met hare armoede en kommer tot ons. Het gelukte ons den booswicht vrees in te boezemen voor het openbaar worden zijner schanddaad, zoodat hij zich genoodzaakt zag aan zijn slachtoffer dadelijk 700 gld. uit te betalen, haar voor zijne kinderen 12 gld. \'s weeks te verzekeren, en haar een polis van levensverzekering op zijn leven te geven van 5000 gld.

720 gld. nit Italië.

C. werd verleid door een jong Italiaan van goede familie. Hij had haar trouwbelofte gegeven en nadat hun trouwdag was vastgesteld, ging hij voor korten tijd, zoo het heette, op reis. Eenmaal uit Engeland weg, meldde hij haar, dat de zaak wel een oponthoud van twee jaren kon geven, maar dat hij dan zeker zou terugkeeren om haar te trouwen. Van tijd tot tijd bleef hij schrijven, totdat hij haar het hart brak door het bericht, dat hij met eene andere in het huwelijk getreden was. Aan dit bericht voegde hij nog de be-

266

-ocr page 285-

MAATSCHAPPELIJK KWAAD.

luedigomle aanbieding toe, of zij niet gezind zou zijn in de betrekking van dienstmaagd bij zijne vrouw te komen. Tevens bood hij aan om voor baar kind te zorgen, totdat liet meerderjarig was, wanneer bij als kapitein op een zijner schepen zou kunnen dienst doen.

Van wat deze brief als beloften inhield, kwam niets. Met hulp van hare moeder gelukte het C. een tijdlang voor zich en haar kind te zorgen. De oude moedor word echter spoedig zoo ziekelijk, dat op haar niet meer te rekenen viel. Toen kwam de zaak in onze handen, on wij poogden terstond hulp te verleenen. Wij knoopten betrekking aan met den consul van de stad, waar de verleider op zeer grooten voet leefde. Dit leidde tot onderhandelingen met den vader, en deze voorkwam verdere ruchtbaarheid door althans do som van 720 gld. uit te keeren. Dit geld dient nu om voor de kleine te zorgen, terwijl het ons gelukt is aan de moeder oene goede betrekking als dienstbode te bezorgen.

Het vcrlmnrstelsel.

Juist tie armsteu in ouze maatschappij hebben dikwijls de wreedste mishandelingen te verduren. Daartoe dient vooral eene bijzondere wijs om naaimachines, mangels en meubels te ver-koopen. Misleid door bedriegelijke advertenties worden de slachtoffers in den val gelokt en koopen het aangeprezene op voorwaarde van wekelijksche of maandelijksche afdoening. Al worstelende brengen zij het op de helft van het bedrag, en dan zijn de voorwaarden van afdoening eu intrest zoo gesteld, dat de verkooper zijn goed, dat ontzien en niet meer dan noodig gebruikt is, bijna nieuw weder inpalmt om er opnieuw anderen op dezelfde wijs mede te bedriegen. Ook bij deze bedriegelijke handelingen wordt gerekend op de hulpeloosheid der slachtoffers, maar ons bureau zal eene plaats van verweer worden tegen dit soort van

Woekeraars, bedriegers en afzetters.

Deze rooversklasse legt het er vooral op toe om menschen te verleiden tot het koopen van zaken, die zij niet volstrekt noodig hebben en hun door allerlei bedriegelijke voorwaarden smakelijk worden gemaakt, tot zij eindelijk ontwaren in welke valstrikken zij vastgeklemd zitten. In den regel komt het slachtoffer, dat eens in hunne klauwen zit, nooit weder vrij, en zuigen zij het, zooals de spin eene vlieg uit, tot er niets meer van te halen is. Wij stellen ons voor zulke uitgeplunderden al de hulp te schenken, waartoe wij bij machte zijn. Naar ik vertrouw zal ons bureau van grooten dienst blijken voor geestelijken en predikanten, voor wijkbezoekers, stadszendelingen en anderen, die veel onder armen verkeeren en hun in menig geval zelfs rechtsgeleerden bijstand zouden wenschen te bieden, maar dit

267

-ocr page 286-

DE VERDEDIGING VAN WEERLOOZEN.

uiet vermogen. In al zulke gevallen zullen de vrienden van armen en verdrukten ons tot bijstand bieden bereid en gereed vinden.

De verdediging van weerloozen.

De overtuiging is vrij algemeen, dat niet weinige personen onschuldig veroordeeld en gestraft worden, om geene andere reden dan dat zij zich de rechtsgeleerde hulp niet kunnen verschaffen, die zij behoeveu. Wel zijn er verscheiden vereeiiigingen in Londen, die zich het lot van gevangenen en ontslagenen aantrekken, maar aan nog niet veroordeelden, weet ik niet, dat iemand met raad en daad hulp biedt. Ons voornemen is die taak te beproeven.

Indien wij na grondig onderzoek de overtuiging mochten verkregen hebben, dat iemand in gevaar verkeert van onschuldig veroordeeld te worden, zullen wij alles beproeven, wat wij kunnen, om hem de rechtskundige verdediging te verschaffen, welke zijne onschuld kan aan het licht brengen.

Wij zullen ons geenszins aanmatigen om te beslissen, wie schuldig of onschuldig is, maar komen wij in aanraking met iemand, dien wij op goeden grond meeuen voor onschuldig te moeten houden, en die de kosten van verweer niet betalen kan, dan hopen wij zijne raadslieden en helpers te zijn, om zoo mogelijk de schande van hem en zijn gezin te helpen afweren.

De rechter Field maakte nog niet zeer lang geleden de volgende opmerking:

«Het hulp bieden aan iemand op wien eene beschuldiging rust, achtte hij eene hoogst prijzenswaardige daad. Zeer lofwaardig zou hij het keuren, dat een Engelschman iemand in zulk een nood ziende, dezen te hulp kwam, om voor de rechtbank de zaak in het rechte licht te stellen. Wat hem aanging, sprak de rechter, hij zou de laatste zijn om het in iemand te misprijzen, dat hij zulk eene hulp aan weerloozen bood.»

Van de zijde van meer dan één rechter en overheidspersoon hoorden wij een gelijk oordeel, en ons bureau gaat daarom gerust en met vertrouwen dezen kring van arbeid te gemoet.

In elk bijzonder geval zal er naar gestreefd worden, om niet enkel in don uitwendigen toestand verbetering te brengen, maar bovenal om hulp, in dit opzicht verleend, te doen strekken ook tot innerlijke levensvernieuwing van hen, die door onze tusschen-komst geholpen worden. Bovenal zullen zij, die een eerste vonnis kregen, voorwerpen zijn van ons bijstand bieden tot redding.

268

-ocr page 287-

HETKBKKlNfiRN VAN OEVONNISTKN.

Verder zullen wij, voor zooveel dit ons doenlijk is, helpers trachten te zijn voor de vrouwen en kinderen van personen, die hunne straf in den kerker ondergaan, door te pogen om voor zulken geschikten arbeid te vinden ol\' hen op andere wijze bij te staan. Honderden, die tot deze ongelukkigen behooren, vervallen tot de diepste armoede en raken vaak op den slechten weg bij gebrek aan de vriendelijke belangstelling, welke zij als verwanten van door een vonnis geschandvlekten behoeven. Zij zijn niet enkel beroofd van dengene, die hun steun moest zijn, maar deelen nog bijna het zwaarst in de gevolgen zijner misdaad.

Ook zal dit departement ter harte nemen alles wat met hervorming van ons gevangenisstelsel in verband staat, door op dit gebied de noodige gegevens te helpen verzamelen en die in ruimer kring bekend te maken. Zoo zuilen wij, niet minder in het belang der maatschappij als geheel, dan in dat van het misdadig deel onzer samenleving, ons een waar vriend en helper voor dit laatste toouen, en dit, voor zooveel ons betreft in overeenstemming en samenwerking met de reeds bestaande vereenigin-gen, welke een gelijk doel beoogen. 1)

Ons bureau van raadgeving en hulp zal dus allereerst zijn de plaats, waar mannen en vrouwen, die in ongelegenheid geraakt zijn, wanneer zij dit wenschen, in vertrouwen op deelneming hun toestand kunnen openleggen, en daarbij zeker zijn, dat zij ten beste zullen geraden, en is dit noodig, krachtig zullen bijgestaan worden.

Ten tweede, zal ons bureau des armen rechtsgeleerde zijn, door hem te helpen aan het beste rechtskundig advies, dat voor zijn bijzonder geval zal te verkrijgen zijn.

Ten derde, zal het des armen openlijke voorspreker en verdediger zijn, en in de bres springen voor hen, van wie mag verondersteld worden, dat zij ten onrechte of geheel onschuldig veroordeeld zijn; alsook paal en perk trachten te stellen aan listig beraamde streken tot afzetterij en berooving van eenvoudigen.

2B9

ïen vierde, zal het gaarne dienstbaar zijn om als vrederechter op te treden, en voorkomende geschillen op billijke wijze en met de minste kosten te beëindigen.

1) Hier zijn in den tekst opgenomen 72 gevallen met nog eenige enz. waarin het bureau tot hulp zal kunnen zijn. Verscheidene er van raken uitsluitend Kngelsche toestanden, en zijn soms niet te vertalen of zonder omschrijving niet in den juisten zin te hegrijpen. Gelijksoortige toestanden in ons maatschappelijk leven liggen in overvloed voor de hand; b. v. schadeloosstelling hij rampen; vervalsching van levensmiddelen; contractsverbreking; enz. enz, Vert.

-ocr page 288-

ONS VOOKLICIITINGSUEPAKTEMKNT.

Zulk een departement kau niet met een tooverslag in het leven geroepen worden. Het is echter reeds in beginsel in werking en zal gewis, hoe langer hoe meer eene macht ten goede kunnen worden.

VIJFDli AFDEEI.I.NG.

Ons vooi\'liclitiiigsdepartpinent.

Eeu onmisbaar toevoegsel tot dit plan zal zijn eenc instelling, welke een voorlichtingsdepartement als onderdeel van het hoofdkwartier kan genoemd worden. Macht en invloed behooren aan ieder, die op eenig punt beter dan anderen is ingelicht; vandaar, dat zal het ons mogelijk zijn om de machten des kwaads met beslissende uitkomsten te bestrijden, wij tot dadelijk gebruik in gereedheid moeten hebben, alles wat als onderzoeks- en ervarings-lesseu over geheel de aarde verkrijgbaar is. Zulk eene verzameling van feiten, en deze wetenschappelijk gerangschikt, is, gelijk van zelf spreekt, iets onwaardeerbaars, als bevattende alles wat aan vroegere geslachten wetenswaardig en op de proef nuttig gebleken is.

Op dit oogenblik bestaat er nog geene centrale inrichting, hetzij van regeeringswege, hetzij als vrije stichting, noch in ons land noch ergens anders, die tot roeping en plicht heeft om op het gebied der staathuishoudkunde die denkbeelden en slotsommen te verzamelen en te rangschikken, welke gerekend mogen worden me erdere helderheid in het vraagstuk te schenken, dat ons nu bezighoudt; en daardoor menig moeitebarend punt tot oplossing te brengen. Het Britsch Ministerie van Binnenlandsche Zaken is nu eerst onlangs begonnen met zulk eene rangschikking te maken in zijne stukken, dat een geregeld naslaan er van mogelijk is. Wel zijn de zoogenaamde Blauwboeken in goede orde, en hebben ieder eeu eigen goeden index, maar een geregeld en gemakkelijk overzien der gansche stof is niet zonder het grootst geduld en onvermoeibare inspanning mogelijk. Wanneer het leeds in de regeeringslokalen zoo gesteld is, hoe zou het dan beter kunnen zijn in de vele bijzondere inrichtingen, die wel op enkele punten met liet groote maatschappelijk vraagstuk in aanraking komen, maar alle gelegenheid missen, om het geheele veld te

270

-ocr page 289-

HOE \'T BEST MAATSCIIAPl\'EMJKK VRAAGSTUKKEN TE I.KEREN KENNEN. 271

overzien, en ouderling vergelijkingen tot verrijking van kennis te maken. Dit voorliclitingsdepartement, dat ik, gelijk vanzelf spreekt, bij aanvang slechts op kleine schaal zal beproeven, zal, mag ik genoegzaam hulp vinden, nit de kiem zich wijd eu breed ontwikkelen, ja tot eene soort van universiteit worden, die de opzamelaarster zjjn zal van de vereenigde ervaringen der mensch-heid; eene leerschool, waarmede ook de minst ervaren arbeider op het gebied van maatschappelijke hervormingen winst kan doen. Hoe is het in deze zaak op dit oogenblik gesteld? Waar is aan eenige van onze museums en universiteiten eene goed geregelde opgave te vinden van grooter en kleiner geschriften, die men zou kunnen naslaan om op de hoogte te komen van eenig vraagstuk ten dezen, en zoo daarvoor nieuwe bouwstof te kunnen leveren? Wie onder al onze geleerden eu ijveraars voor maat-schappelijken vooruitgang kent zich in staat mij eene eenigszins volledige lijst te bezorgen van al de beste kleinere geschriften rakende b.v. de vestiging van landbouw-kolonies, — of proefnemingen tot het vinden eener goede methode tot genezing van aan drank verslaafden, -—■ of de beste plannen tot het bouwen, van goede, niet te kostbare huizen voor den werkenden stand?

Tot gewenschte ontwikkeling van dezen kring van werkzaamheid is mij vóór alles noodig een kantoor, waar ik een aanvang kan maken met het onder verschillende hoofden rangschikken van de vele onderwerpen, die in dit boek besproken zijn, om zoo beknopt mogelijk den hoofdinhoud te verzamelen der beste geschriften omtrent deze zaken; voorts tot verzameling der namen eu adressen van allen, die op deze punten verdienen geraadpleegd te worden, met aanduiding op welke onderwerpen vooral zij met goed vooruitzicht te raadplegen zijn, alsook wat hunne bekend geworden hoofddenkbeelden zijn. Ik wensch een stelsel in het leven te roepen, waarbij ik niet enkel de oogen en handen mijner officieren mij ten dienste zal zien staan, maar ik ook over geheel de wereld den bijstand zal kunnen genieten van vrienden, die het in hoofdbeginsel en hoofddoel met mij eens zijn. Aan hunne medewerking stel ik geene grenzen, al wat zij op het gebied van het maatschappelijk vraagstuk der opmerking waard keuren, zal mij welkom zijn, hetzij met het fokken van konijnen, landverhuizingsplannen, de beste wijze van besturen eener kleine boerderij, of ook de beste wijze om aardappelen te koken, betreft. Vau het grootste tot het kleinste, alles wat waard is als nuttige ervaring bewaard te worden, zal ons welkom zijn en aan de vergetelheid ontrukt worden. Uit de verst strekkende ondervinding wenscli ik op één punt te verzamelen alles wat de wijsten eu

-ocr page 290-

COÖPBRATIE IN DKN WIJDSÏKN OMVANG.

besteu op dit gebied behartigenswaard hebbeu leeren kennen. Met dien met zorg bijeenverzamelden voorraad wenseli ik eeue schatkamer te openen, welke den eenvondigsten medewerker op de factory of in de kolonie zal ten dienste staan, en in één woord allen baten, die het maatschappelijk leven in de goede richting wenschen vooruit te brengen.

Wat ik mij heb voorgesteld, kan tot stand komen; en voor wie het algemeen dienen en helpen willen, ia het iets, dat behartigd behoort te worden. Voor deze afdeeling van onzen arbeid wensch ik mij bovenal helpers uit hen, die tot hiertoe zich juist niet aan het heilsleger lieten gelegen liggen, maar die nu zich niet ongezind gevoelen, om als meer bepaald kamergeleerden ons bij te staan in liet verzamelen van dezen index of aanwijzer van sociologische proefnemingen en dezelver uitkomst. Zeer begeer ik hunne hulp, en zal er hoogst dankbaar voor zijn, wanneer zij als bondgenooten met en nevens ons willen optreden tot verbetering vau de toestanden van het volksleven. Hunne hulp wordt door mij op hoogen prijs gesteld, ook al willen zij slechts bij het licht hunner eigen studiën ons aanwijzing doen van hun bekende bronnen, welke ons op ons bijzonder gebied, dat der praktijk, vau dienst kunnen zijn. Ik zal met dezen arbeid een aanvang maken door twee bekwame mannen en een jong mensch in een kantoor te plaatsen, die in last zullen hebben om uit te knippen, te rangschikken en te bewaren wat in betrekking tot deze onderwerpen in onze dag-, week- en maandbladen belangrijks voorkomt, liondom deze twee mannen en dit jonge mensch, zal zich, naar ik met vertrouwen verwacht allengs een leger belangstellende, niet bezoldigde helpers scharen, die vereenigd zulleu wedijveren om ons voorlichtingsdepartement te maken tot eeue verzamelplaats en leesinrichting, waar bijeen te vinden is alles, wat op dit gebied te algemeenen nutte kan dienst doen.

ZESDK AFDKHr.lNG.

Coöperatie in den wijdste» omvang.

Indien iemand mij vroeg om met één woord aan te duiden, wat in mijne schatting de sleutel zon kunneu zijn om het maatschappelijk vraagstuk in goede richting op te lossen, dan

272

-ocr page 291-

HOEDAXIU COÖPEKATIB WEZEN MOET.

20U ik zonder de minste aarzeling antwoorden; coöperatie. Men versta mij echter wel, want dus sprekende heb ik het oog op eene coöperatie naar de beginselen van recht en billijkheid geregeld, terwijl men bij de samenwerking een wijs en goed doel voor oogen heeft. Alle andere soort van samengaan kan wel geene betere vruchten dragen, dan wanneer ieder alleen met eigen voordeel te rade gaat en zich aan het algemeen belang niets laat gelegen liggen. Coöperatie moet ten hoofddoel hebben, om het voor het leven benoodigde meer algemeen verkrijgbaar te maken en de gelijkmatige verdeeling er van te bevorderen. Coöperatie veronderstelt het samenwerken, en dit bij vrijwillige aaneensluiting, van bijzondere personen, om een door allen gewenscht doel door wederkeerige hulp en raadgeving, en door gezamenlijke inspanning gemakkelijker en beter te bereiken. Er is juist in dezen tijd heel wat zinneloos gepraat over en gesmaal op kapitaal, alsof het kapitaal een vijand is van den arbeidsstand. Waarheid is, dat er kapitalisten zijn, en helaas, in niet geringen getale, die als vijanden moeten beschouwd worden, doch niet uitsluitend van den arbeidsstand, maar van de menschheid als geheel. Kapitaal op zichzelf beschouwd, is zoo weinig vijand van den arbeid, dat het juist het hoofddoel is, dat ieder, die arbeid verricht, als vanzelf op het oog heeft en najaagt. Al het schelden van enkele volksleiders op het kapitaal, heeft ten slotte dezen grondslag, dat zij er voor zichzelven niet genoeg van hebben kunnen verwerven. Kapitaal is derhalve op zichzelf niet iets kwaads, maar integendeel iets goeds, — en wel zóó goed, dat het een van de groote doeleinden van eiken maatschappe-lijken hervormer moet wezen, om de verdeeling van dit arbeidsmiddel in zoo wijd inogelijken kring doenlijk te maken. De opéén-hooping van kapitaal in weinige handen is het met wijs beleid te bestrijden kwaad, want het arbeidsvraagstuk zal nooit bevredigend worden opgelost, zoolang niet ieder arbeider tot op zekere hoogte zijn eigen kapitalist is.

Ik weet, dat al dit gezegde alledaagsch genoeg is, dat het door-anderen reeds duizend en duizend malen gezegd is. Juist; maar het ongelukkige der zaak is, dat men het bij zeggen gelaten heeft, terwijl daarmede eene zoo moeilijke en ingewikkelde zaak wel allerminst vorderingen maken kan. Coöperatie heeft veel tot stand gebracht, wat aangaat eene betere verdeeling van het voor bet leven benoodigde; maar als middel tot voortbrenging heeft zij op verre na niet verwezenlijkt wat men er ook op dit punt van hoopte. Bij herhaling zijn ondernemingen naar coöperatieve beginselen op touw gezet, die in de schatting der

IS

273

-ocr page 292-

COÖPERATIE IN DEN WIJDSTEN OMVANG.

oprichters het beste deden verwachten, en die toch na eeu, twee, drie of na hoogstens een tiental jaren de hooggestemde verwachting beschaamden en wegstierven, of in duigen vielen. Voor het tegenwoordig oogenblik zijn vele coöperatieve ondernemingen weinig meer dan gelijksoortige handelsondernemingen, in wier winst ook werklieden deelen, maar zonder in werkelijkheid tot de zaak als arbeidszaak in eenige wezenlijke betrekking te staan. Wat is oorzaak van deze beteekenisvolle afwijking van het oorspronkelijk zoo schoone en goede plan? Wat is oorzaak dat zoo vele coöperatieve firma\'s, coöperatieve factoryen, coöperatieve ntopiën te gronde gaan, hoe veelbelovend zij eens schijnen mochten ? Naar mijne overtuiging moet die oorzaak voor ieder, die goede oogen in het hoofd heeft, duidelijk zichtbaar zijn.

Het welslagen van industrieele ondernemingen is voor eeu zeer groot deel afhankelijk van een richtig beheer. Beheer duidt op regeeringsmacht, en regeeringsmacht veronderstelt gezag; maar nu is juist het uitoefenen van gezag het laatste wat coöperatieve speculatiemakers en utopisten dulden kunnen. Geen coöperatieve inrichting, die naar parlementaire beginselen wordt bestuurd, zoodat ieder een onbeperkt recht tot debatteeren en hindernissen scheppen heeft, zal ooit eene voorspoedige mededingster kunnen worden van die, welke door een eenig hoofd worden geleid, dat vrij beschikt over de krachten van een goed geoefend en hem gehoorzaam leger van medearbeiders. Zal het coöperatie-beginsel goede vrucht dragen, dan moet het gepaard gaan met erkenning van het beginsel des gezags, dat een of meer der bekwaamsten zoo ten volle vertrouwt, dat leiding en bestuur door één geest bezield worden.

Zij, die eenmaal aan het hoofd gesteld zijn, moeten gelijke macht en vrijheid van handelen hebben, als de buurman aan de overzijde, die zijne eigene zaak drijft. Geen zelfbedrog is onder de menschen zoo algemeen als het geloof, dat vrijheid van handelen, die op zichzelve eene goede zaak is, zóó goed is, dat zij, die haar bezitten, nu ook met verdere goede dingen niet uoodig hebben te rekenen. Gelijk nu een mensch niet alleen bij brood leeft, zoo ook kunnen natiën, factoryen, scheepstimmerwerven niet leven en bloeien door de onbeperkte vrijheid om in alles eigen wil door te drijven en te volgen. Wat onder ons de coöperatie betreft, zijn wij vrij wel in gelijken toestand geraakt, als waarin zich in het laatst der vorige eeuw de Pran-sche natie bevond kort na het uitbreken der revolutie. In hun geestdrift over de verkondiging van de rechten van den mensch

27-1

-ocr page 293-

BETEEKENIS VAN ORDE EN TUCHT.

en liet vernietigen van het innerlijk verrotte en versleten Bourbonbestnur, verbeeldden zich Prankrijks boeren en werklieden, dat een duizendjarig rijk met al zijne heerlijkheid aangebroken was, toen zij met een verfkwast de toovenvoorden: «Vrijheid, gelijkheid en broederschap» op alle regeeringsgebou-wen en kerken geschreven zagen. Naar do regelen der logica dreven zij hunne vrijheidsbeginselen zoo ver, dat zij er de proef van namen om hun leger naar parlementaire grondregels te besturen. Het nieuwe stelsel leverde geen enkele goede uitkomst. De niet aan tucht onderworpen regimenten konden geen stand houden; wanorde regeerde overal en in alles, en de Fransche revolutie zou gewis in haar wieg gesmoord zijn, bad niet het gezond verstand der natie in tijds ingezien en erkend, wat het zwakke punt in de regeling harer krijgsmacht was. Door bui-tenlandsche oorlogen en door opstanden binnenslands bedreigd, voerde de republiek een ijzeren tucht bij haar leger in en dwong tot gehoorzaamheid, door een naar krijgsrecht op staanden voet vonnissen. Wel bleef de geestdrift van het vrij geworden zijn eene drijfkracht, maar de tucht, nog tijdig in het revolutieleger ingevoerd, de gehoorzaamheid, die in de hoogste zoowel als in de laagste rangen geëischt werd, vormden voor Napoleon het bewonderenswaardig krijgskundig werktuig, waardoor hij eiken troon in Europa omverwierp en uit Parijs in zegepraal iloskow bereikte.

In industrieele zaken zijn wij nog zeer gelijk aan de Fransche republiek, vóór deze hare leer omtrent de rechten van den mensch getemperd had, door althans den soldaat eene stipte gehoorzaamheid aan zijne meerderen tot plicht te maken. Het is onze roeping om in ons industrieel leger tucht te helpen invoeren; wij moeten liet beginsel van gezag aan dat van coöperatie weten te paren, om zoo het geheel der zich aan arbeid wijdenden het volle voordeel te schenken, verbonden aan de toenemende voortbrengingskracht van mannen, die als in eigen zaak en op eigen grond met gewilligheid alles doen wat tot winst verkrijgen behoort verricht te worden. Er is niet de minste noodzaak om met luid geroep de groote plannen van staats-socialisme ingevoerd te zien. Wat men wil, kan op veel eenvoudiger wijs, met meer voordeel en spoediger tot stand komen, indien maar zij, wier roeping het is den arbeid te verrichten, evenveel zelfverloochening willen beoefenen bij hun optreden als kapitalist, als de soldaten van het Leger des Heils ieder jaar in de zelfverloocheningsweek in beoefening brengen. Is het niet in strijd met alle gezond verstand om alleen bij werkstaking aan

275

-ocr page 294-

COÖPERAÏIK IN DEN AVIJDSTEN OMVANG.

geldheffing te denken? Hoeveel verstandiger zou het zijn, om in plaats van wekelijksche bijdragen te innen om halfverhongeren-den verzet tegen hunne meesters mogelijk te maken, wekelijks en maandelijks spaargeld op te leggen, ten einde zeiven als meesters zaken te kunnen doen. In dien weg zou niet langer één kapitalist staan tegenover een talrijk proletariaat, maar al de middelen tot voortbrenging en tot kapitaalsvermeerdering zouden voor den werkenden stand als geheel bereikbaar zijn. Tot zoo gunstigen toestand zal het echter nooit komen, zoolang de coöperatieve proefnemingen op den tegenwoordigen oaderwetschen en verouderden voet geschoeid blijven.

Vaststaande in het geloof\', dat coöperatie eene afdoende oplossing van het maatschappelijk vraagstuk aan de hand doet, mits men er de vereischte ondergeschiktheid aan weet toe te voegen, is het mijn voornemen, om in mijn nieuw maatschappelijk plan iets van dien aard zelf te beproeven. Het zal mijn streven zijn, om de coöperatieve hoeve naar de te Ralahine beproefd gebleken beginselen in te richten, en verder het geheel van mijne hofstee-kolonie op een coöperatieven grondslag te stichten. 1)

Bij het beginnen van dit klein coöperatief gemeenebest vergeet ik die allen niet, die als stuurlui aan wal altijd gereed zijn om de slechte kansen voorop te stellen. Hun eerste woord zal een heenwijzen zijn op de pas door mij vermelde mislukkingen. Evenzeer als zij heb ik de geschiedenis dezer ondernemingen in Amerika en elders gevolgd, maar ik kan in al de ervaren teleurstellingen niets anders zien dan waarschuwende aanwijzingen wat in dezen niet de rechte maar de verkeerde weg is. Hoofdzaak bij dit mislukken is geweest het door utopisten in zee gaan met een stelsel van gelijkheid, waarin alles bij meerderheid van stemmen moet geregeld worden, en daardoor kon het niet anders of de utopia moesten schipbreuk lijden en te gronde gaan. Het is mijn vast voornemen althans die klip te mijden. De hofstee-kolonie zal evenals alle andere deelen van mijn plan niet bestuurd worden naar het beginsel van neuzen tellen, maar integendeel naar juist

I) In de Engelschc uitgaaf is de mededeeling omtrent Ralahine als bijlage opgenomen. Voor ons acht ik het geschikter de niet zoo groote mededeeling hier ter plaatse als zevende afdeeling in te lasschen. Dit maakt niet alleen het geschrevene duidelyker, maar ik houd mij verzekerd, dat de afwisseling van beschouwingen en feiten de lezing van het werk zeer zal veraangeamen. Juist bij dit deel zijn voorbeelden en ophelderende mededeelingen schaarscher, zoodat ook in dit opzicht deze verplaatsing niet ongevallig zal zijn.

Vert.

276

-ocr page 295-

PHOEFN K.MING TE RALAHINE.

Let tegenovergestelde beginsel van geen neuzen in de zaak toe te laten, die ongezind zijn om zich te laten leiden door eeu besturend boofd. De zaak zal bestuurd worden naar bet beginsel, dat de bekwaamsten de leiding moeten hebben; er zal gezorgd worden, dat ook de bekwaamsten tot leiders worden gekozen; en wanneer zij aan het hoofd staan, zal van de overigen eene algeraeene en onvoorwaardelijke gehoorzaamheid geëiscbt worden. Wie niet voor den kost werken en zich niet aan de over hem gestelden onderwerpen wil, moet de plaats verlaten. Er zal niet den minsten dwang bestaan om daartoe niet gezinden tot blijven te nopen. De wereld heeft plaats in overvloed, en buiten de grenzen dei-kolonie en den arbeid mijner volgers strekt zich mijn gezag niet uit. Na de versoliillende proefnemingen, welke ik reeds heb gedaan, koester ik geene vrees, dat mijn plan vallen zal door verzet tegen mijn gezag.

Er bestaat in de wereld geen grooter dwaling, dan te meenen, dat menschen er op tegen hebben om bestuurd te worden. Integendeel zij wenschen niets liever dan bestuurd te worden; raits het den besturende ernst is, met naar de goede zijde invloed te oefenen, en hij toont oog en hart te hebben voor alles wat de algemeene belangen raakt. De menschheid is er zoo ver van verwijderd van niet te willen bestuurd worden, het instinkt tot gehoorzamen is zoo algemeen, dat zelfs nog wanneer gouvernementen blind, doof en verlamd geworden zijn, verrottend door innerlijk bederf, en op hopelooze wijze bij den tijd ten achter, men ze toch bij zulk een ellendig bestaan ziet voortleven. Geen volk komt tegen een goed en verstandig bestuur in verzet; eerst dan wanneer domheid en onbekwaamheid den zetel des gezags bekleeden, kunnen allerlei soorten van opstand niet uitblijven.

ZEVENDE AI-\'DEELIJia.

I)c coöperatieve [iniefncminir le Ralaliine.

De daden vau geweld in Ierland door de verbitterde pachters in de dagen vau 1830 gepleegd, hadden nog vrij wat meer te be-teekenen, dan wat in lateren tijd is geschied. Toch werd aan niets gedacht dan om geweld door nog grooter geweldoefening

277

-ocr page 296-

UE COÖPERATIEVE PROEFNEMING TE RALAIIINE.

te smooren. Een lersch landeigenaar, de heer John Scott Vandeleur, bezitter van Kalahine, dacht er anders over. In het begin van 1830 had hij met zijn gezin onder de hoede eener sterke politiemacht de vlucht moeten nemen. Zijn rentmeester was vermoord door een der pachters, die door het lot tot het plegen der misdaad was aangewezen. Vandeleur kwam iu Engeland en deed toen terstond moeite om een moedig en bekwaam persoon te vinden, die hem zou willen helpen, om de zaak met de pachters onderling naar coöperatieve beginselen te drijven.

Hij vond den man, dien hij noodig had, in den heer Craig. Onder hen met wie hij te arbeiden had, schuilde de moordenaar des rentmeesters, en dit maakte hem de zaak niet gemakkelijker. Hier kwam bij, dat de heer Craig geen lersch en zeer velen der Ieren geen Engelsch verstonden. Vooral deze laatsten hadden zich in het hoofd gezet, dat de heer Craig niets anders bedoelde dan langs slinkschen weg den moordenaar te ontdekken en dezen aan het gerecht over te leveren. In den beginne ontmoette hij dus weinig anders dan weerzin, bij een geheel gebrek aan vertrouwen in zijn persoon en bedoelen. Zoo vond hij eens in het grasperk voor zijn huis zijn graf afgeperkt, opdat hij weten zou, wat hem Kelt;;und en toegedacht was. Allengs echter gelukte het

O O O O O

den moedigen man het vertrouwen te winnen der ongelukkigen, die door mishandeling en uitzuiging half waanzinnig geworden waren.

Het landgoed van den heer Vandeleur werd den pachters gelaten voor eene bepaalde rente, voorloopig op 11,000 gld. bepaald, waarin de intrest voor gebouwen, veestapel enz. begrepen was. Het rentebedrag alleen was op 8000 gld. te stellen. Het landgoed was 618 morgen groot, maar van deze werden slechts 268 bebouwd. De rente was dus hoog, wat ook door den landheer zelf erkend werd. Na betaling van huur en rente was alle winst voor de coöperatieve paohtersvereeniging, waarbij de afrekening aan het einde van ieder jaar zou plaats hebben. De deelhebbers openden een coöperatieven winkel om zoo in eigen behoeften van levensmiddelen enz. te voorzien. Het landgoed werd bestuurd door een comité, dat de arbeiders, mannen en vrouwen, in arbeidsbons betaalde, die in den coöperatieven winkel als geld werden aangenomen. Het gebruik van drank en tabak was ten strengste verboden. Het comité wees dagelijks aan ieder zijn werk aan. De leden werkten aan groentenbouw, aan ooftteelt, in de melkerij, in één woord aan alles wat op eene hoeve voordeel geeft. De betaling geschiedde als op andere hoeven, acht stuivers daags voor de mannen en vijf voor de

278

-ocr page 297-

WAAKDOOR ALLEEN MISLUKT.

vrouwen. Daar allen voornamelijk leefden van de aardappelen en de melk, welke de plaats zelve leverde, en zij er varkens- en lamsvleesoli tot zeer lage prijzen krijgen konden, hadden zij van hunne arbeidsbons al zeer weinig te gebruiken. Gezondheid en uiterlijk voorkomen waren spoedig in het oogvallend verbeterd, en dit in zulk eene mate, dat terwijl in geheel den omtrek door het gebreklijden besmettelijke ziekten heerschten, Ralahine daarvan zoo goed als vrijbleef, zoolang de proefneming duurde. De ongehuwden leefden in een groot gebouw bijeen, en de gezinnen in kleine huisjes. Met hulp van Mevrouw Craig kwam een veel verbeterd onderwijs tot stand. Voor de kinderen waren er dagscholen en voor de ouderen avondscholen. Voor reinheid en gezondheid werd de stiptste zorg gedragen. In dit alles toonden zich de Heer Craig en zijne vrouw menschen, die hun tijd verre vooruit waren, en begrepen, dat de eenige weg om onder menschen vrede te bewaren is hen als redelijke wezens naar recht en met liefde te behandelen.

Het nieuwe stelsel, dat eerst met achterdocht en bespotting was aangezien, begon allengs in zijne waarde erkend te worden. Het aantal der deelnemenden was spoedig van zestig tot meer dan tachtig aangegroeid. Reeds hoopte men, dat andere landeigenaars het goede voorbeeld zouden volgen, toen de poging onverwachts in duigen viel. De Heer Vandeleur was een grof speler, en had op een zeker oogenblik niet alleen al wat hij bezat verspeeld, maar zich aan oneerlijkheden schuldig gemaakt, die hem tot eene overhaaste vlucht noodzaakten. Alles werd voor schuld verkocht, en de arbeidsbons zouden waardeloos gebleken zijn, had niet de Heer Craig de edelmoedigheid gehad ze alle uit eigen beurs te vergoeden.

Na de bewijzen, die de Heer Craig èn van zijne bekwaamheid èn van zijn edelen zin gegeven had, is het wel te betreuren, dat bij de verbittering, welke tusschen de Engelsehe landeigenaars en de lersche pachters bestond, het den Heer Craig niet mogelijk is geweest zijn werk voort te zetten, of op anderen grond opnieuw het proefhoudende er van aan te toonen.

279

-ocr page 298-

HET HinVELIJKSBUllEAU.

ACHTSTE APDEELING.

Het h n it e 1 ij k s b n r e a u.

Ook nog iu audere richting behoorde iets gedaan tot herstel der natuurlijke voordeeleu, die in elke buitengemeente gesmaakt worden, maar die overal meer of minder te niet gedaan zijn door de toenemende neiging der menschen om zich in groote massa\'s opeen te hoopen. Ik doel hiermede op iets, dat ten slotte toch eene der belangrijkste deelen van het maatschappelijk leven der menschen uitmaakt, het trouwen en ten huwelijk geven. Buiten groeien in en om de dorpen alle jongens en meisjes te zamen op, komen tot godsdienstige bijeenkomsten bijeen, en leeren elkander door hunne dagelijksche bezigheden en door de spelen op het dorpsplein kennen. Te zamen leerden zij hun A, B, C en het maken van hauepooten, en wanneer de vrijtijd daar is, hebben beiden overvloed van gelegenheden gehad om elkander van gunstige en minder gunstige zijde te leeren kennen, eer zij in het huwelijksbootje stappen. Alles werkt er in zulk een kring en bij zulke verhoudingen toe mede, om de noodzakelijke kennismaking en de voorbereidende stappen tot vrijage gemakkelijk te maken; en wie nu bij deze beschouwing meent te moeten glimlachen, kan toch niet ontkennen, dat dit juist een punt raakt, dat bijna meer dan iets anders leidt tot een meer of minder gelukkig levensdeel. In groote steden blijft van al deze natuurlijke voorrechten niets over. Hoevele honderden, wat zeg ik, duizenden jonge mannen en vrouwen leven nu in Londen in kosthuizen, zonder eenige passende gelegenheid om met elkander of met de leden der andere sekse in vriendschappelijke aanraking te komen. Ongetwijfeld de straat vervangt het dorpsplein, maar wat soort van plaatsvervanging de straat is, behoef ik wel niet in herinnering te brengen.

Het is met bitterheid gezegd, maar door iemand, die zeer goed wist wat hij zeide: «Er zijn heden ten dage duizenden jonge mannen, die geen recht hebben om eene vrouw bij haar doopnaam te noemen, buiten den kring vau jonge vrouwen, die haar verlagend bedrijf in onze straten uitoefenen.» Zoolang deze toestanden blijven, gelijk zij nu zijn, heeft de ondeugd, om zoo te spreken alles voor boven de deugd; zulke onnatuurlijke maatschappelijke toestanden leggen der zedelijkheid de groot-

2S0

-ocr page 299-

SCHADUWZIJDEN VAN HET STADSLEVEN.

ste hinderpalen in den weg en zijn eeue premie op de prostitutie.

Wij moeten terugkeeren tot de paden, die de dorpskring met zijn vrij en natuurlijk leven baande, indien wij met goed gevolg kampen willen tegen liet walgelijk en moordend kwaad, dat de eigen vrucht is der van de natuur vervreemde verhoudingen van ons geheel kunstmatig en door allerlei dwang beheerscht maatschappelijk samenleven.

Er behoorde aan jonge mannen en jonge vrouwen meer gelegenheden gegeven worden om elkander op passende wijze te leeren kennen; en onze maatschappij kan zich niet vrijpleiten van haar medewerken tot al de schipbreuken, die zoo smartelijk op dit gebied geleden worden, zoolang zij althans niet eenige moeite doet om de kloof te helpen overbruggen, welke nu, en wel altijd wijder, tusschen de beide seksen gaapt. Hoe ouder ik word, des te beslister gevoel ik mij een vijand van alles wat de grondwetten van het huiselijk familieleven aanrandt en verkracht. De menschheid bestaat uit twee seksen, en wee hun, die pogen om beide deelen van elkander af te zonderen en ieder tot een zelfstandig geheel te maken. Met kloosters voor van elkander afgezonderde mannen en vrouwen is de proef genomen, maar de vruchten van dit der natuur geweld aandoen zijn wel niet bijzonder geweest. Wat echter protestanten niet iuzien. is, dat hunne wijze van levensinrichting niet veel anders dan gelijke stelselmatige afzondering is, maar dit zonder de behoedmiddelen van liet klooster en den invloed van den godsdienst binnen de muren.

De voorwaarden, waaronder het stadsleven nu bestaat, het daarin geheel ontbreken van het als het ware gedwongen met elkaar omgaan der beide seksen in een dorp of kleine stad, de moeilijkheid elkander ongezocht te leeren kennen, alles werkt mede om klassen van ongebuwden in het aanzijn te roepen, die niet kuisch en eerbaar leven, maar door een even onwaardig als met alle wettige regeling strijdig bevredigen van tot \'s mensehen volle ontwikkeling hem ingeschapen neigingen den toestand der maatschappij verlaagd hebben tot een peil, dat het hart met even grooten afschuw als droefheid vervullen moet. Wordt met deze klacht niet reeds algemeen ingestemd, wanneer men bedenkt, dat door de gevolgen van dit geheel onnatuurlijk handelen dit kwaad kenmerkend: «/://1 maatschappelijk kwaad* genoemd wordt; wat wel zooveel te kennen geeft, dat als bij vergelijking alle overige maatschappelijke ongerechtigheden veel vau hare beteekenis verliezen.

281

-ocr page 300-

HET HUWELIJKSBUREAU.

Terwijl ik mij met inspanning bezighield om mijn plan voor liet aanleggen van registers tea bate van den arbeid te regelen, werd in mij telkens de gedachte levendig, waarom niet een soortgelijk plan zou kunnen gevolgd worden ten bate van mannen en vrouwen, in wier hart de wensch leeft, om tot een hun passend, geluk belovend huwelijk te geraken. Voor hoevelen is het huwelijk weinig meer dan het gebruik maken vau eene zich voordoende gelegenheid zonder meer. Hoevele mannen en vrouwen die, waren zij tot elkander in betrekking gekomen, een zeer gelukkig gezin zouden gevormd hebben, leiden nu een eenzaam, ongelukkig leven, alleen doordien de onvrije en onnatuurlijke richting des maatschappelijken levens het zoo moeilijk maakt elkander waarlijk te leeren kennen, en zij bij het sluiten van den gewichtigsten levensband in den blinde moesten handelen. Zeker het registreeren van ongehuwde personen, die gaarne huwen zouden, is iets van teederder aard dau het in lijst brengen van werkzoekende schrijnwerkers of\' metselaars. Daarom behoort het nog niet tot de onmogelijkheden, om iets dat van teederder aard is, in veler wezenlijk belang tot stand te brengen. Mijne ervaring heeft mij geleerd, dat menige man en vrouw slechts al te willig een verstandigen raad zouden gevolgd hebben, hadden zij maar geweten, waar de hun zoo noodige voorlichting te vinden, om met eenigen waarborg voor de toekomst te handelen.

Indien eens zulk eene inrichting tot stand kwam, —- want zelf de taak te ondernemen is niet bij mij opgekomen, ik werp slechts eene mij goed en nuttig voorkomende gedachte op, — dan zou daarbij zeer noodig zijn eene soort van school, tot onderricht in voor het beheer zelfs van het eenvoudigste huishouden volstrekt noodige kennis. Mijn hart bloedt soms, wanneer ik er getuige van ben, hoevelen een huwelijk sluiten zonder eenig recht begrip van wat tot een goed ingericht huishouden behoort. Jonge meisjes verlaten nu de openbare school, gaan naar fabriek en werkplaats zonder eenige huishoudelijke vorming, terwijl, is de vrouw eenmaal gehuwd, op onredelijke wijze van haar gevergd wordt, dat zij geheel op de hoogte zal zijn van wat zij nooit leerde. Eene maand vóór het huwelijk in zulk eene inrichting doorgebracht, zou tot het geluk des gezins zeker veel meer bijdragen dan zelfs de aangenaamste wittebroodsweken doen kunnen.

Het gebrek, waarop ik de aandacht vestigde, wordt van dub-dele beteekenis, wanneer het pas gehuwde paar zich in een verafgelegen land vestigt. Dikwerf verbaas ik mij over de

382

-ocr page 301-

WAT IN EENE GOEDE HUISVROUW VEREI3CHÏ WOIIUÏ.

onbeholpenheid en onhandigheid onzer tegenwoordige vrouwen, wanneer ik mij daarbij voorstel de handigheid, die hare grootmoeders zoo gunstig onderscheidde. Hoe weinigen nu hebben verstand van het bakken van brood. De bakker heeft een van de kunstbedrijven, die een grondslag vormden van het ouderwetsch huiselijk leven, den doodsteek toegebracht. Intusschen in Canada\'s woudstreken, in West-Araerika\'s Prairieën, en in Australië\'s schapenweiden rijdt geen bakkerskarretje met versch brood eiken morgen langs de hoeven; en dan vraag ik, wat soort van kost moet wel zulk eene nieuwerwetsche huisvrouw daar aan haar man opdissehen? Gelijk het met bakken staat, is het maar al te vaak gesteld met het wasschen, het melken, het spinnen, in één woord met al die huishoudelijke kunsten en wetenschappen, welke in vroeger tijd behoorden tot de vorming van meisjes voor huismoeder, en dit in alle standen. Men spreekt van de rechten der vrouw, wel, het eerste aller rechten, waarop eene vrouw aanspraak heeft, is, dat zij opgeleid worde om in een huishouden hare plaats van koningin en moeder barer kinderen met eere op te houden.

In het belang der kolonisten rijst hier eene andere vraag bij mij op, of er niet eene inrichting te vestigen ware om de duizenden ongehuwde mannen, die als mijnwerkers en schaaphoeders meerendeels ongehuwd leven, en dan hun vrijen tijd al licht aan buitensporige drinkgelagen wijden, van goede huisvrouwen te helpen voorzien uit het heir ongehuwde vrouwen, dat zich al meer en meer in onze groote steden ophoopt. De evenredigheid van vrouwen en mannen, wat het aantal aangaat, is eene der beste beschuttingen voor het zedelijk gehalte van het maatschappelijk leven; maar wanneer in verre streken slechts één vrouw tegenover twaalf mannen gevonden wordt, dan zijn de gevolgen, misdaad en onzedelijkheid, ligt te begrepen. Ook op dit punt moeten wij terug naar maatschappelijke regelingen, die zich niet straffeloos laten schenden en omverwerpen. Steeds zijn op aarde nog altijd een aan elkander evenredig getal jongens en meisjes geboren, maar ons koloniseeren en vormen van groote legers binnens- en buitenslands doet steeds het aantal huwbare maar ongehuwd blijvende vrouwen aangroeien, vrouwen, voor een huishouden ongeschikt, ook omdat hare uitzichten om haar kennis in beoefening te brengen gestadig vermindert. Het veld, dat zich hier voor ons opent, levert ruime stof tot nadenken en overleg, maar ik kan daarop niet verder ingaan. Mijn werkkring is een verstandig in beoefening brengen van de dringendste eischen der philan-tropie, en wanneer ik daarbij onderwerpen als dit aanroer, is

283

-ocr page 302-

HET ULTVKLIJKSBUIIEAU.

liet, omdat ik mijne taak slecht zou vervullen, wanneer ik niét wees op de velerlei moeilijkheden, die zich allerwege opdoen. Hinderpalen echter zijn zaken, die men moet weten te boven te komen, en die tot stoffelijke en zedelijke overwinningen moeten leiden. Wat moeilijk en gevaarvol is heeft bovendien eeue eigenaardige bekooring, omdat het waarschijnlijk is, dat juist in de moeilijkheid zelve de sleutel verborgen ligt, om het raadsel tot eene bevredigeude oplossing te brengen. 1)

■1) Wat door Genera;!] Booth gewenscht wordt, is met het uitstekendst gevolg beproefd door Mevrouw Carolina Chisholm. Gelijk ik het verslag omtrent Rala-hine uit de noten in het werk zelf heb overgebracht, — als eene zeker niet onwelkome afwisseling bij het heer van enkel plannen, — wil ik liever hier dan in de bijlagen iets omtrent deze merkwaardige vrouw en de door haar volbrachte reuzentaak mededeelen. Haar werk is door eene vereeniging voortgezet, maar of met haar persoonlijk verdwijnen daaruit niet ook haar geest geweken is, durf ik niet verzekeren. Ik heb er groote vrees voor, dat zoo al de zaak nog vormelijk leeft, de invloed toch heeft opgehouden een zeilde te zijn. De geschiedenis van Mevrouw Chisholm staaft voor ieder, die het goede voor anderen zoekt, hoeveel met Gods hulp een eenig mensch, die voor den naaste leven wil, kan tot stand doen komen.

Mevrouw Chisholm was met een in de Engelsche Oost dienend officier gehuwd. Diens gezondheid maakte een verlof noodzakelijk en er werd besloten te Sydney in Australië herstel van krachten te zoeken. In 1840 kon het hoofd des gezins naar Madras terugkeeren, maar de geneesheeren keurden het volstrekt noodzakelijk, dat vrouw en kinderen nog een zeer geruirnen tijd in het zooveel gezonder Sydney achterbleven. Reeds in do twee eerste jaren was Mevjouw Chisholm getrolfen geworden door het ongelukkig lot der vele meisjes, die door goede vooruitzichten naai\' Sydney getroond waren, maar in overgrooten getale bij gebrek aan hulp en raad als in het net gelokt en een prooi van verleiding werden. Zoo hulpeloos was veler toestand, dat zij om list en geweld to ontkomen, liever den nacht buiten in rotsholen doorbrachten, dan zich aan openbare ontucht prijs te geven.

Herhaaldelijk was na het vertrek van haren man Mevrouw Chisholm zulke ongelukkigen reeds te hulp gekomen. Er waren dagen geweest, dat zij aan een negental nachtverblijf gaf. Wat echter beteekende een negental bij de meer dan zeshonderd, aan wie het schijnen moest, dat haar geen andere kans dan de hongerdood of een leven van schande restte?

Mevrouw Chisholm kwam tot het besluit om meer te doen, en met Gods hulp eene moeder voor die honderden te worden. Wat haar tot dit zoo kloek besluit bracht, was het volgend voorval. Bij vrienden te logeeren gevraagd, zou zij met de stoomboot naar hunne buitenplaats vertrokken zijn, doch kwam buiten haar toedoen te laat aan de landingsplaats. Terwijl zij daar nog eenige oogen-blikken toefde, weid hare aandacht getrokken door een meisje, dat op het punt stond om zich in haar wanhoop door verdrinken van het leven te berooven. Door tusschenkomst van Mevrouw Chisholm werd de ongelukkige nog tijdig gered, en door haar in huis opgenomen. Het meisje, dat zich op deze wijze aan een zedelijken val had willen onttrekken, onderscheidde zich later bestendig door haar voorbeeldig gedrag.

Niet zonder moeite verkreeg Mevrouw Chisholm een onderhoud bij den gouverneur der kolonie. Hoewel deze haar plan hopeloos achtte, bleek hij toch bereid aan Mevrouw Chisholm kosteloos het bezigen van een buiten gebruik zij tul gouvernementsgebouw voor haar plan toe te staan. Het gebouw werd niet

284

-ocr page 303-

MKVllOUW CHISHOLMS UKDDINGSWKRK.

KEGENDE AFDEELING.

Wli i t e Chapel aan zee.

Wie over het lot en den toestand der werkende standen nadenkt en daarin verbeteringen wenscht, zal gewis mij toe-

gebruikt, maar was ook nauwelijks meer bruikbaar, zoodat de vriendin dor ongeiukkigen er wel (oe moest komen om hare kinderen aan eene vriendin te betrouwen, en zelve met hare beschermelingen een gebouw te betrekken, waarin zij alleen reeds om de vele ratten hare kleinen niet wagen durfde. Spoedij: zag zij zich door meer dan negentig meisjes omringd, die liever met hare vriendin liet onoogelijkst verblijf deelden, dun zich aan zondedienst prijs te geven.

Onder het ruwer deel des volks bleek spoedig, dat dit zijne ware vrienden kent, en toonen durft ook wederkeerig voor deze een hart te hebben. Voor een emigrantenhuis zag Mevrouw Chisholm eens een troep mannen, die een tweetal meisjes overreden wilden om bij hen binnen te komen, te drinken en pret te maken. Mevrouw trad op de meisjes toe en het bleek, dat een der twee terstond bereid was haar te volgen. Toen werd zij opeens herkend, en dezelfde mannen, die pas nog zich zoo ruw en gemeen toonden, haastten zich haar vergeving te vragen, met de betuiging, dat zij zooveel eerbied voor haar pogen hadden, dat zij zich schamen zouden, om haar het minste verdriet te veroorzaken.

Bij eene andere gelegenheid had zij zeer laat een verdoold meisje opgezochi en teruggewonnen. Op haar tocht moest zij op zeker punt met een roeiboot worden overgezet, en toen zij betalen wilde, zeide de man: «Verre van mij, dat ik ooit geld van u zou aannemen. Tot al wat ik voor u kan doen, zult gij mij steeds bereid vinden.» Hij bleek een neef te zijn van het allereerste meisje, dat Mevrouw Chisholm van haar wanhoopsdaad had teruggebracht.

Zoo ontbrak het Mevrouw Chisholm niet aan bewijzen, dat haar streven door het volk werd erkend. Ook verdiende zij die erkentenis ten volle, want hel was haar niet genoeg de ongeiukkigen huisvesting te geven, maar eiken nacht deed zij meer dan eenmaal de ronde, en als zij er vond, die slapeloos waren en een woord van bemoediging noodig hadden, zette zij zich bij haar neder, en de woorden van moederlijke vertroosting misten hunne werking nooit.

Er was echter voor de ongeiukkigen meer noodig dan tijdelijke huisvesting en woorden van liefde; het vinden van betrekkingen was hoofdzaak. Nu viel het oog van Mevrouw Chisholm op de honderden bij honderden mannen in het binnenland, die vrouwen misten en daardoor een ongebonden leven leidden. Ongeholpen konden vrouwen zich in die kringen niet wagen, om er als huishoudsters plaatsing te zoeken; en toch was hier een gebied, waar aan twee zijden hulpbehoevendheid bestond, zonder dat er een weg gebaand was om beide partijen op betamende wijs met elkander in aanraking te komen. Mevrouw Chisholm besprak de zaak met den gouverneur. Deze echter zag haar met groote oogen aan, en riep met onwil en bijna gramstorig uit: «Mevrouw, gij zoudt toch niet willen, dat ik mij ging bemoeien om die mannen aan vrouwen te helpen.» Opnieuw begreep de goede vrouw, dat als er iets gebeuren zou, zij zelve de proef zou moeten wagen. Ook toonde zij, dat de liefde macht heeft om zelfs het moeielijkste tot een goed einde te. brengen. Zij ving aan de streken op te zoeken, waar te midden van ongehuwden toch ook huisgezinnen gevestigd waren, en het gelukte haar onder dezen betrouwbare personen te vinden, en bij hen enkele harer beschermelingen geplaatst te krijgen. Het goede gedrag van dezen won vertrouwen, en Mevrouw Chisholm ving nu aan met kleine karavanen

285

-ocr page 304-

286

stemmeu, dat hervorming iu hunne uitspanningen en vermaken daarin niet ontbreken mag. Gedurig welt in mij de gedachte op, dat het hun mogelijk zijn moest soms eenige uren aan den

het land in te trekken, en haar pogen tot al breeder kring uit te breiden. De eerste karavaan bestond uil vijftien jongre vrouwen, en nadat het haar gelukt was op bepaalde punten hulpemigrantenhuizen geopend te zien, klom het getal in karavaan vereenigden spoedig tot 150 personen.

Dit waren niet enkel vrouwen, maar personen van allerlei leeftijd, die ook als gezinnen eene vestiging in het binnenland wilden beproeven. Weken gingen soms met zulke tochten voorbij, eer ieder te geschikter plaatse gevonden had wat hij zocht. Op deze tochten deden zich soms allerlei moeilijkheden voor. Zelve had Mevrouw Chisholm een uitmuntend gedresseerd paard, maar kwam men onverwachts aan grootere waterplassen, dan moest zij de kinderen beurt om beurt overbrengen. Werd op langen afstand geen water aangetroffen, dan ging het als met de kinderen Israels in de woestijn, en had de goede vrouw gelijk Mozes met ondankbaarheid en verzet te worstelen.

Toen het vreemde van de zaak plaats maakte voor de meer algemeene erkentenis, dat Mevrouw Chisholm waarlijk het belang van alle partijen bedoelde, ving de gansche bevolking in het binnenland aan haar als eene van God gezonden heilbode te beschouwen. Hare reizen kostten haar van toen af bijna geen geldelijk offer meer. Voor allerlei werd zij nu tusschenpersoon, zoodat de karavanen voor elke plaats medevoerden, wat daar in persoonlijke behoeften kon helpen voorzien. Wanneer enkelen zich niet schriftelijk tot haar durfden wenden, zeiden anderen: «Schrijf maar vrij. Mevrouw vermag alles; en hoe meer hulp zij verleenen kan, des te liever is het haar.»

Allerbelangrijkst zijn de brieven, waarin al meer ongehuwden haar met vol vertrouwen opdroegen, om voor hen eene vrouw te kiezen. Meermalen ging het aanzoek gepaard met de toezending van geld, opdat de door Mevrouw Chisholm uitverkorene zich van al het haar noodige zou kunnen voorzien. In een tijdperk van zeven jaren gelukte het aan deze menschenvriendin niet minder dan 11,000 personen aan vestiging te helpen. Gansche streken in het binnenland hadden door hare bemoeiingen een geheel ander voorkomen gekregen. Ruwheid en ongodsdienstigheid waren er door een geregeld maatschappelijk en godsdienstig leven vervangen.

In 1846 keerde Mevrouw Chisholm met haar echtgenoot naar Engeland terug, maar liet zich daardoor van hare opgevatte levenstaak niet scheiden. Eerbewijzen bleven niet achter, en ministers der kroon schatten, wat zij verricht had, van zoo groote waarde, dat herhaaldelijk hare meening over belangrijke zaken gevraagd werd. In hoever de door haar in het belang van Australië gestichte vereeniging, die vóór alles bescherming van jonge vrouwen ten doel had, nog bloeit, is mij onbekend, maar zeker is het, dat jaren lang gezorgd is, dat jonge meisjes niet anders dan met betrouwbare gezinnen naar Australië uitgingen, en daar terstond de noodige bescherming vonden en alle vereischte hulp om haar aan eene goede plaatsing te helpen.

Uit deze zeer beknopte mededeelingen betreffende de oplossing van een der moeielijkste koloniale problemen blijkt wel, dat het door den Generaal aanbevolen denkbeeld niet is een luchtkasteel, maar dat het eene zaak betreft, welke mot wijze liefde ter hand genomen, ten zeerste leiden kan, om de moeilijke, aan landverhuizing verbonden vraagstukken te helpen oplossen. Waar de zelfzucht dezer wereld en de daaruit geboren onverschilligheid voor anderer belangen het beste kan bederven en doen mislukken, zal het immer duidelijker in het oog vallen, dat de godzaligheid, — de eenvoudige en oprechte vroomheid der waarachtige liefde — een groot gewin is met vergenoeging, hebbende de beloften des tegenwoordigen en des toekomenden levens. Vert.

-ocr page 305-

HOE DIT PIAN TE VERWEZENLIJKEN.

zeekant te slijten, en zelfs daar een drie- of viertal dagen te vertoeven. Hoeveel echter de spoorvrachten reeds daalden, en wat ook op het gebied van excursietreinen is tot stand gebracht, er blijft steeds eene menigte mingegoeden, die jaar in jaar uit nooit buiten de stadsmuren komen, en hoogstens nu en dan met hunne kinderen in de parken een luchtje scheppen. De meerderheid vau Oost Londen aanschouwt weinig anders dan de straten en gangen, waarin zij geboren worden en hun leven slijten. Men wijze mij niet op de jaarlijksche tochten voor volwassenen en vooral voor kinderen naar Epping Forest, Hamptoncourt en misschien zelfs tot aan zee. Het getal der dus begunstigden is ia betrekking tot het geheel zoo klein, dat dit mijne wenschen niet wijzigt, maar enkel doet begeeren, dat, wTat nu bij uitzondering gekend en gesmaakt wordt, ten minste het deel eener grootere of kleinere meerderheid worde. Alleen wie onder het eigenlijke volk leeft, kan begrijpen, hoevelen naar het zien der zee en naar de frissche zeelucht snakken, terwijl zij nooit de blauwe golven of eene onstuimige branding te aanschouwen krijgen.

Hoezeer ik ook iets van dezen aard wensche, voed ik toch de dwaze meening niet, dat het uitvoerbaar zou te maken zijn, dat elk arm gezin, man, vrouw en kinders, jaarlijks een veertien dagen aan zee zou kunnen doorbrengen. Ware het mogelijk, het zou na al den druk van een benauwenden winter hun zeker niet minder goeddoen dan aan meervermogenden. Mijn verlangen reikt niet verder dan dat ieder man, vrouw en kind eens voor een enkelen dag zulk een leven en nieuwe krachten schenkend genot smaken mocht.

Het allereerste bezwaar, dat uit den weg zou moeten geruimd worden, zijn de thans veel te hooge reiskosten. De vracht heen en weder zou niet meer dan zestig cents moeten bedragen voor een tocht van de stad tot den naasten zeekant.

Londen ligt ongelukkig volle zestig mijlen van de zee. Nemen wij het ruim en laat ons aannemen dat de afstand zeventig mijlen is. Dit zou neerkomen op een tocht van honderd veertig mijlen voor zestig cents. Kan dit geschieden? Mij dunkt, ja. Ik geloof, dat het te doen is, en met voordeel voor de spoorwegmaatschappijen. Ware dit laatste niet het geval, dan zou het vonnis reeds geveld zijn. Nu houd ik het er voor, dat zulk een voorrecht aan onze werklieden zou kunnen geschonken worden, zonder dat het een nadeeligen invloed op het dividend had. Naar de mij ten dienste staande inlichtingen en naar mij verzekerd is, zijn de kosten voor een trein van 5Ü0 tot 1000 personen een en dertig stuivers per mijl. Het vervoeren van 600 personen heen en weder

287

-ocr page 306-

WHITE CHAPEL AAN ZEE.

op zeventig mijlen afstancls zou dus 217 gld. kosten leveren. Daartegenover zou de maatschappij 360 gld. van 600 passagiers ontvangen; wat een bruto voordeel van ongeveer \'144 gld. zou geven. Naar gematigde berekening stel ik mij voor, dat 200,000 personen eiken zomer van de gelegenheid zouden gebruik maken. Dit zoo zijnde, komt mij eene inkomst van 12,000 gld. nog zoo verwerpelijk niet voor, terwijl de bijkomende voordeelen, welke de tochten zouden opleveren, zich in veel wij deren kring zouden doen gevoelen.

Op dit hoofdpunt moeten de spoorwegbesturen allereerst beslissen, en wilden die medegaan, dan zou ik iemand moeten vinden van genoegzame bekwaamheid om hem de uitvoering van zulk een gewichtig plan te durven betrouwen. Mag ik daarmede slagen, dan ben ik mijnerzyds bereid, mijne onderneming aan den zeekant op touw te zetten. 1) Wat ik mij voorstel zou de

l) Iets, zweeinende naar liet plan van den generaal trof mij aangenaam, toen ik in Mei 1863 in Glasgow toefde.

De aldaar in den burgerstand gevestigde onthouders-unie had, nadat voor Schotland de Mackenzie-wel verkregen was, teramp;tond ingezien, dat en welk gebruik van den nieuwen toestand ten bate des volks moest worden gemaakt.

De Mackenzie-wet, dus naar den voorsteller genoemd, is merkwaardigerwijze het werk geweest van een tory, e\'en behoudsman, die zelf geen onthouder was. Zij bepaalde, dat geene plaats waar drank verkocht werd, voor des morgens acht uur mocht open zijn, en dat zij van des Zaterdagsavonds elf uur tot Maandag morgen acht uur moesten gesloten blijven.

De drankverkoopers kwamen in verzet en eischten eene koninklijke commissie van onderzoek. Deze werd benoemd, maar het gevolg was .... eene nog zeer beduidende verscherping der wet. Zoo werd b. v. bepaald, dat alle zij- en achtertoegangen moesten worden dichtgemetseld, en de vertrekken zoo zijn ingericht, dat de politie ze op eens kon overzien.

De onthouders-unie kocht toen niet alleen een groot park, organiseerde volksconcerten, des Zaterdags met toegang voor drie stuivers, maar trad ook met de spoordirectiën in betrekking, die voor eiken Zaterdagmiddag 1000 kaarten tot verminderden prijs verkrijgbaar stelden.

Deze 1000 kaarten verkocht het bestuur der unie aan allen, die onder hunne leiding aan een voorbereiden tocht wilden deelnemen. Aan eigenaars van groote buitenplaatsen werd het verzoek gericht deze onder leiding des Bestuurs te mogen zien, wat steeds gereedelijk werd toegestaan.

In het door mij in twee deeltjes uitgegeven boekwerk: «Wat goeds ik in den vreemde zag; (dat, bij zijn verschijnen wel geprezen werd, maar nauwelijks koopers vond, en nu bij gebrs. Cohen voor enkele stuivers verkrijgbaar is,) komt eene beschrijving voor van zulk een tochtje, waaraan ik deelnam. Op den 9 Mei waren aan het station honderden bijeen, en hoewel het doel van den tocht bekend was, werd aan ieder, toen wij hadden plaats genomen, ten overvloede een kort biljet ter nadere voorlichting uitgereikt. Dit blaadje en verdere beknopte mededeeling doen den aard van deze uitstapjes kennen.

Glasgow s onthouder s-u n i e (Zaterdagnamiddag-uitstapj es). Zaterdag 9 Mei 18G3.

«De tochtgenooten worden verzocht op te merken, dat men, om het kasteel

288

-ocr page 307-

2S9

volgende voordeeleu opleveren, welke ik zeker ben, dat door Londens armste bewoners op den vollen prijs zullen gesteld worden:

Een streek grond van ongeveer yOO morgen gronds zou moeten worden aangekoclit, oin daarop de gebouwen geschikt voor deze klasse van reizigers op te trekken.

Voedsel en ververschingen zouden er geleverd worden naar denzelfden maatstaf als in onze Londensclie voedseldepóts. Het spreekt van zelf, dat kamers en verdere inrichtingen meer tot een aangenaam verblijf zonden zijn ingericht.

Het logement voor zieken, kinderen en voor een slechts kort verblijf zouden zoo laag mogelijk worden gesteld. Slaapplaats voor ongehuwde mannen eu vrouwen zou op zes stuivers te stellen ziju; voor kinderen naar evenredigheid; terwijl voor gehuwden alles tot den laagst mogelijken prijs zou berekend worden.

Lennox te bezoeken, bij liet verlaten van liet station zich links moet keuren, bij de eerste hum rechts omsla.m en dan steeds westwaarts voortgaan. Na liet kasteel en de tuinen bezichtigd te hebben, gaat men dooi\' het hek aan de westzijde uit, en is dan zeer nabij de rotspartijen en hare watervallen. Ieder wordt verzocht hoornen en bloemen te ontzien en niets te beschadigen.

Gezelschappen, die de rotsvallei bezoeken, worden verwittigd, dat de heer .1. Slimmon de goedheid heeft gehad, om toe te staan, dat men boven over zijn landgoed doorga om langs korter pad naar don straatweg terug te keeren.

De tocht op Zaterdag eerstkomende zal zijn naar Milngavie en iMn^dock. De commissie van toezicht over de waterwerken, die de stad van drinkwater voorzien, hebben vergund, dat de reizigers de groote reservoirs en al de verdere werken bezoeken en in oogenschouw nemen.»

Nauwelijks had ik dit blaadje gelezen en voor rnijzelven al weder opgemerkt den toeleg van zoovelen om het volksleven te verhellen en te veraangenamen, of het spoorlluitje deed zich hooren, en na een tocht van drie kwartier uurs hadden wij de woelige handelstad met een der schoone en rustige punten uit «Ie Hooglanden verwisseld.

Bij het heuvelachtig golven en boschachtig kronkelen van den wandelweg gaf het de schilderachtigste gezichten deze anders zoo rustige oorden opeens met een duizendtal dooreen woelende wandelaars bezaaid te zien. lün welk een verschil onder al die groepen! Hier de bezadigde leeftijd, daar de dartele jeugd; hier die enkel verpoozing, ginds die het genot der vischvangst, elders, en van dezen waren er velen, als veldonderzoekers gewapend, dii? hunne natuurkundige verzamelingen met hier op te sporen planten, insekten enz. zochten Ie vermeerderen. Intusschen volgde de karavaan den op het biljet aangewezen weg en spoedig hadden wij de bosschen van Lennox en hot hoog daarboven uitstekend kasteel in het oog. Zoodra was de grond van het buitengoed niet betreden, of de tot nu toeeenigszins bijeen geschaarde menigte verdeelde zich wijd en zijd, veelal onder de leiding van met de plaats bekenden, die ieder wat in hun oog het schoonste was aan hunne vrienden wilden toonen. En werkelijk er was hier veel schoons. Het heerlijk voorjaarsweder eu frissche meigroen zouden reeds eene arme natuur rijk gei naakt hebben, en hier was zij prachtig; hier, waar rots en berg, hoogte en vallei, bosch en weide en bloemgrond de schilderachtigste gezichtspunten vormden; tafereelen, waarin telkens óf de bouwval van het oude kasteel, torens en kanteelen bijna geheel met klimop overgroeid, óf het naar nieuwen bouwtrant opgetrokken pileis den schoonen hoofdgroep vormden.

19

-ocr page 308-

white chapel aan zee.

Geen plaats, waar drank of bier verkocht werd of verkrijgbaar was, zou op den grond geduld worden.

Een park, groote speelplaats, muziek, booten, overdekte bad-gelegenheden, in vrij gebruik, en wat verder het leven zou kunnen veraangenamen, zou in zoo groote ruimte als de geldmiddelen toelieten, aanwezig zijn.

Deze plek gronds zou een der koloniën in het algemeene plan uitmaken. Er zouden vruchten, groenten, bloemen en ander veldgewas gekweekt worden, tot de laagst mogelijke prijzen voor de bezoekers verkrijgbaar. Een der allereerst op te richten stichtingen ten bate der bezoekers zou eene groote zaal zijn tot onderling samenzijn bij minder gunstig weder; terwijl daar aan de leeraars van alle kerkgenootschappen gelegenheid zou gegeven worden om het evangelie aan de buitentoevenden te verkondigen.

Maar zou zelfs het tooverachtigst landschap wel een duizendtal menschen kunnen doen vergeten, dat zij met eene maag zijn op reis gegaan? De frissche berglucht zelve scheen de vraag naar iets meer duurzaams dan bloemengeur te wekken. En zie, op een gelegen punt, waar men zich in groote getalen tol verpoozing tegen de groene heuvelklingen kon nedervlijen, was door de goede zorg der bestuurders van den tocht eene ververschingsplaats voor dezen dag geïmproviseerd, waar zeer goede thee, gemberbier, broodjes, koek, sina\'s-appelen enz., alles tegen één stuiver ieder artikel in den ruimsten overvloed te verkrijgen was.

Na deze versterking werd door de meeste tochtgenooten de rotspartij met haar zwaar hout en hare watervallen bezocht.

Treffend was de tegenstelling voor het oog, toen het de groepen, zoo even rustig op het zachte gras neergevlijd gezien, in het duister tusschen zware rotsblokken en onder donkere schaduw langs een bijna overal glibberigen grond zag opwaarts worstelen, om het bovenste punt der watervallen te bereiken. Telkens hadden te zamen gaanden elkander uit het oog verloren en dan klonk het geroep galmend langs de rotswanden. Vooral voor de dames was de tocht een tocht vol hindernissen en gevaren. Menige voet glipte van een gladden steen in het water en geen kleedje kwam zonder modderrand boven. Maar niemand, die den prijs te duur achtte, want ieder wisselend punt had ons den schoonsten strijd van het nu in schuim nedervallend, dan met luid bruisen voortstroomend water te aanschouwen gegeven. Zoo spoedden de vijf uur voor den wandeltocht afgeperkt als één enkel uur voorbij, en ieder gelaat teekende eene aangename tevredenheid bij het wederkeeren in den spoortrein en bij het afscheidnemen aan het station te Glasgow. De orde en regel, gedurende den ganschen uitstap ongestoord gehandhaafd, het gesmaakt genoegen en de betoonde vergenoegdheid waren zoovele lauwerbladen voor de burgerkroon, waarop het hoofd dei-hervormers van Schotlands maatschappelijk leven billijke aanspraak heeft. Voor het schenken dier burgerkroon rees eene nog luider stem in mijn hart, toen ik na het genoten avondeten tegen het slaan van elf uur nog eens met den Heer Turner de uitwerking van het sluiten der bier-en drankhuizen ging opnemen. Die uitwerking was de meest welsprekende lofrede op de tot regel geworden wet. Gelijk ik het ten vorige jare in Edinburg op den Zaterdagavond had mogen opmerken, zoo ook nu in Glasgow; er was drukte en beweging op de straten maar geen woestheid of dronkenmansgezang, en allengs meer ging de bewegelijkheid van het einde der week over in eene stilte als tot voorbereiding voor den rustdag voegt. Vert.

290

-ocr page 309-

VOORDEELEN VAN\'sUIT PLAN.

Br zou gelegènheid zijn voor winkels, woningen voor vaste bewoners, roeibooteu tegen kleine huur, en eene stoomboot om daarop prijsstellenden voor een stuiver een goed eind in zee te brengen, terwijl voor het genot vau zeeziekte niets extra\'s zon worden in rekening gebracht.

Naar den bepaalden maatstaf van spoorvracht en vertering zouden man en vrouw een zeventig mijlen kunnen heen en weder sporen, bij goede voeding eenig uren aan zee genieten, en verkwikt en gesterkt tehuis komende niet meer dan achttien stuivers ieder hebben verteerd. Het medenemen van een paar kinders onder de twaalf jaren zou slechts achttien stuivers meer zijn en een gansch gezin naar evenredigheid.

291

Zulk een vooruitzicht zou velen tot sparen wekken ; geestelijken en predikanten, en allerlei inrichtingen van weldadigheid zouden geheel veilig en zonder groote kosten hunne bevoorrechten een dag buiten kunnen doen genieten. Dit echter is slechts iets bijkomends, dat buiten ons ondernemen ligt. Rijke inrichtingen en vermogende vrienden des volks zouden op dit bijzonder gebied veel kunnen tot standbrengen, zelfs al wilden de spoorweginrichtingen niet even willig als wij met hen medewerken en hunne goede gedachten uitvoerbaar maken. Iloevelen brengen jaarlijks aan hunne reistochten schatten ten otïer; waarom zouden zij niet gaarne een gedeelte daarvan aan een zoo heilzaam werk wijden, opdat op zooveel kleinere schaal werklieden en behoef\'tigen ook eenig natuurgenot, en dit tot onderhoud van levens- en werkkracht, zouden genieten. 1)

1) Er is niet weinig in de door den generaal voorgeslagen plannen, dat mijne sympathie heeft; toch heeft deze afdeeling voor mij eene bijzondere uantrekke-lijkheid. Kroegen en wat tot het lage kroegvermaak te brengen is, bestaat voiop in onze maatschappij, waarin persoonlijk eigenbelang aan alle instellingen een winstbejugend karakter geeft. Wat echter voor het volk en vooral voor de .jongeren in hun midden ontbreekt, is bij ruimer tijdperken van rust lichaam en geest verkwikkende en versterkende uitspanningen. I)e overwerkte, en door arbeid en drank afgematte vindt overal bij huis en werkplaats de enge, vuile, rookerige kroeg, waar hij in den overgeschoten vrijen tijd zich genoeg bedwelmen kan om te vergeten, dat hij meer dan een werktuig of dier is. Slavendienst, met weerzin en slecht volbracht, en de kroeg en hare bedwelming zijn de tweelinginonsters in eene christelijke maatschappij, welke van het Evangelie, — Gods blijde boodschap — niet veel meer dan den naam hebben overgelaten. Gedurende de dertig jaren, waarin wij onder den werkenden stand het beginsel der geheelonthouding van alles wat bedwelmt zochten aan te bevelen, hebben wij van het eerste oogenblik af nooit verzuimd, daartegenover te helpen streven naar bevordering van alles, wat tot een verkwikkend en versterkend genieten van den rusttijd, vooral van den rustdag, kan strekken. Persoonlijk was mijn eerste streven naar verbetering en uitbreiding van het christelijk volksgezang, om zoo eene verpoozing in het gezin te brengen, waarin ouderen en jongen te zamen en zonder kosten kunnen deelcn. Wei heeft daarop Gods zegen mogen rusten

-ocr page 310-

292 NEERBOSCH ALS MACHT TOT BEVORDFRINO VAN HET VOLKSGEZANG.

daar Neerbosch\'s Weeshuis onder leiding van mijn vriend Van\'t Lindenhout naar een gelijk doel streefde. Naar Claudius\' raad in zijn «Wansbecker Bode» maken vooral de grootere en kleinere feesten van allerlei aard Neerbosch\'s weezental to t een groot en door liefde verbonden huisgezin. Maar wat zijn feesten zonder zang ? Moet bij menig feest de wijn hot zingen mogelijk maken, Neerbosch\'s weezen zijn als de vinken en nachtegalen, die geen kunstvocht behoeven om berg en dal van hunne blijde tonen Ie doen weerklinken. Maar ook in Amsterdams Jordaan, — al heeft zij van eon jar din niets meer dan bloemnamen overgehouden, — ontbreken gelukkig onder ouden en jongen de zangvogels niet. Ook hebben wij niet nagelaten om zoo dikwijls en aan zoo velen wij konden althans éénmaal in het jaar, het genot te schenken, dat door Generaal Booth te recht zoo hoog wordt geschat. Geheel in den geest van den hervormer, die zich in Oost-Londen de vriend van werklieden en armen toonde, voegde ik aan ons laatste zoo hoogst belangrijk jaarverslag de volgende regelen toe:

«Wij hebben de Zaterdagavondbijeenkomsten en daarmede verbonden jaarlijk-sche uitgangen met mannen en vrouwen — alsook onze jaarlijksche uitgangen met jeugdigen en kinderen — van den beginne af beschouwd als de ruggegraat onzes werks. Het kwade kan niet enkel uitgesneden en verwijderd worden, naar het woord des Evangelies moet, en kan dus ook, zal het eene blijde boodschap zijn: «bet kwade overwonnen worden door het goede.»

Mocht deze overtuiging veld winnen onder alle met tijdelijke goederen overvloedig gezegenden. Hoe geheel anders zou dan spoedig het leven zijn van hen voor wie hun levenstaak nog enkel door drinken, rooken en slapen als uitspanning, of liever als verdooving, wordt afgewisseld.

Welk eene tegenstelling; «woud en veld met hunne bloemen en vogels, waar alles leven en vroolijkheid is,» en de stadskroey met haar mengsel van vunze luchten, en de al even vuile taal, die vanzelf uit de drank llesch en hel biervat met hunne pestwalmen opwelt.

Werd maar eens het volk zelf wijs, zij zouden het reeds met hun jenever-geld ver brengen in tegenovergestelde richting, maar nog meenen zoo velen uit hun midden, helaas, dat waar zoo algemeen in de wijnilesch gezelligheid en genot gezocht worden, in geestrijk vocht iets moet gevonden worden, dat aan het leven eene hoogere beteekenis geeft. Stonden nu slechts tegenover degenen die een verkeerd voorbeeld geven een gelijk getal, dat met woord en daad wilde medewerken om althans tie gemeente des Heeren in beter spoor te leiden, maar nog zijn degenen in wie wij medewerkers hoopten te vinden, eerder tegen-werkers of onverschillige toeschouwers.

Wat tot verkrijging van hervorming in het volksleven ontbreekt, zijn leiders, personen, die belangeloos en met macht zich aan dit doel wijden. Booth heeft getoond wat reeds één man met een strengen wil vermag. Het pas gevierde jaarfeest in Londens Crystal Palace, waar bijna 50,000 werklieden toonden, de drankllesch met het beste gevolg met een koperen blaasinstrument verwisseld te hebben, en de verdere tienduizenden menschen en kinderen, die daar van \'s rnorg. 7 tof \'s avonds 11 ure genoten, is wel eene burgerkroon op Generaal Booths arbeiden en streven.

En, waarom ziet men altijd op den splinter van zonderlingheid in de wijze van arbeiden des Heilslegers, en let niet op den balk van onchristelijk niets doen en onverschilligheid, die zoo krachtig medewerkt om kroeg, opiumkit en bordeel te helpen tieren?

Stuurlui, die rustig aan wal gezeten, kritiseert, berispt, — bestraft het zonderlinge maar____ door een degelijker machtbetoon in «het overwinnen van het

kwade door het goede!»

Vert.

-ocr page 311-

HOOFDSTUK VII.

Kan het tot stand komen en op welke wijze?

EERSTE AFDEELING.

Welke geloofsbrieven liet heilsleger reeds fooiien kan.

Heeft dit plan levensvatbaarheid, zou het werkelijk kunnen tot stand komen? Ik voor mij geloof, dat het mogelijk is. Ook geloof ik, dat het heilsleger bij machte is om het te verwezenlijken, en wel omdat het zonder moeite te beschikken heeft over een georganiseorden kring raaunen en vrouwen; een kring, welke talrijk genoeg is en voldoenden ijver betoond heeft, om er de grootsohe taak mede te durven ondernemen. Het is zoo, de te verrichten arbeid kan blijken ook boven onze kracht te liggen. Deze mogelijkheid mag ous echter niet weerhouden van de proefneming te wagen. Zooveel kan voor het oogenblik van geene andere organisatie op dit gebied gezegd worden. Zijn wij er toe bij machte, dan staat ons tevens het gansche veld in al zijn omvang open. De met rijkdom bevoorrechte kerken toonen niet den minsten lust om mededingers te zijn in het zwaarwegend voorrecht om er in eenigen bepaalden en prakti-schea vorm de proef van te nemen. Of wij tot het ten uitvoer brengen de macht hebben of niet, moet de uitkomst leeren, maar wat ons althans niet ontbreekt, is de wil en de vurige begeerte om deze groote zaak voor onze broeders in het leven te roepen ; en hierin ligt de allereerste geloofsbrief, dien wij toonen kunnen, dat er een voldoende grond is om ons de onderneming te betrouwen.

-ocr page 312-

294 WELKE GELOOFSBUIKVEN HET HEILSLEGEU KEEUS TOONEN KAN.

Ouze tweede geloofsbrief is, dat terwijl wij ons bedienen van al de hulpmiddelen, welke in ons bereik zijn, wij daarbij boven alles vertrouwen, dat wij de bulpe Gods aan onze zijde hebben. Wij houden, naar Cromwells raad, ons kruid droog en vertrouwen op Jehova als den Heer der heerscharen. Niet in onze eigen kracht gingen wij uit tot dezen strijd, maar in afhankelijkheid betrouwen wij ons op Hem, die der menschen harten neigt en leidt. Het staat onloochenbaar vast, dat de beste weg om iemand uit zijn gevallen staat op te heffen en weder stevig op zijne beenen te zetten, deze is, dat zulk eeue verandering in zijne zienswijze en gevoelens tot stand kome, dat hij gewillig zijne booze wegen verlaat en zich op ijver en trouw toelegt te midden derzelfde verzoekingen en der slechte bekenden, die hem te voren telkens van het goede aftrokken; zoodat hij in dezen nieuwen weg met de daad toont, wat met Gods hulp zelfs tegenover den machtigsten tegenstand geschieden kan.

Daarin echter ligt de groote moeilijkheid, waar wij herhaaldelijk op wezen, dat de menschen, zooals wij die allerwege om ons zien, in hun karakter de kracht missen, die hen in staat zou stellen zelven de voor hen bestaande reddingsmiddelen aan te wenden. Ons plan gaat daarom uit van het erkennen, dat de zoodauigen eene hun van buitenaf betoonde hulp behoeven.

Onze derde geloofsbrief is het feit, dat wij, bijna letterlijk met niets wat in maatschappelijken zin macht kon heeten, begonnen, toch in zulk eene mate op welslagen kunnen wijzen, dat wij meenen, dat een alleszins redelijke grond bestaat, om ons ook de verdere uitvoering toe te betrouwen. De gewone werkzaamheden van het leger hebben reeds wondervolle veranderingen tot stand gebracht in de levenstoestanden van het armste en meest verdorven deel der maatschappij. Eene menigte van de slaven der ondeugd in eiken vorm is reeds verlost van zijne slechte gewoonten en hebbelijkheden, maar zijn bovendien de armoede en ellende te boven, die de gewone vruchten van het pad dei-zonde zijn. Voorbeelden van zoo verblijdende uitkomsten gaven de vorige bladzijden ruimschoots te lezen. Aan deze kunnen wij, des begeerd, een zeer groot aantal anderen toevoegen.

Onze ervaringen strekken zich bijna over het gansche wereldvlak uit, en hebben allerwege getoond, dat de dief weder eerlijk, de dronkaard matig, de ontuchtige kuisch worden kan, en tevens dat zulk een omkeer in de meeste gevallen armoede en gebrek als een nevel en rookdamp doen verdwijnen.

Onze vierde geloofsbrief is, dat onze inrichting onder Enge-

-ocr page 313-

GEZAG EN GRHOOKZAAMHEID.

lands godsdienstige lichameu de eeuige is, welke op bet beginsel van onvoorwaardelijke gehoorzaamheid gegrond is.

Voor eene degelijke, invloed oefenende tucht kan ik instaan. Het heilsleger, dat voor een zoo groot deel uit de armsteu der armen is aangeworven, wordt door tegenstanders dikwerf gegispt wegens de gestrengheid der door ons aangenomen en vastgestelde regels. Het is het eenige, in onzen tijd gegronde godsdienstig lichaam, dat rust op bet beginsel eeuer vrijwillige onderwerping aan een volstrekt gezag. Niemand behoeft een dag langer in bet leger te blijven, dan hem goeddunkt. Zoolang iemand in het leger blijft, is hij gebonden aan de daarvoor vaststaande regels en bepalingen. De eerste voorwaarde bij den in bet leger te verrichten dienst is onvoorwaardelijke, naar geene redenen vragende gehoorzaamheid, üen soldaat in het heilsleger wordt geleerd een gelijke gehoorzaamheid te betoonen als de soldaat op bet slagveld.

Sedert bet oogenblik dat het heilsleger in kracht begon te winnen en als bet mostaardzaad te groeien tot den omvang, dien het uu heeft, zoodat zijne takken de aarde als overschaduwen, zijn wij voortdurend gewaarschuwd tegen de slechte gevolgen. welke ons stelsel van alleenheerscbappij niet zich sleepen zou. Vooral werd er nadruk op gelegd, «dat in onzen demo-cratiscben tijd bet volk geen juk zou willen dulden, dat als geestelijke tiranny gebrandmerkt werd. Het druisehte geheel tegen den geest des tijds in, het zou als een steen des aanstoots eu eene rots der ergernis openbaar worden onder de volksmassa\'s, waarop wij invloed wilden oefenen enz. enz. Dit was de mijn door ons zelf gelegd om ons werk te doen uiteenspatten.»

Maar welk is bet antwoord der tot stand gekomen feiten op de als stellig verkonde uitkomsten der bespiegeling geweest? In spijt van de voorspelling dat ons tucbtstelsel nooit populair zou worden, misschien wel juist door de strengheid van militair gezag, waarop wij onverzettelijk en onverbiddelijk hebben aangedrongen, is het heilsleger van jaar tot jaar in talrijkheid toegenomen, en dit met eene snelheid, welke in bet nieuwere christentijdperk baar gelijke niet beeft. Sinds ons eerste optreden zijn niet meer dan 25 jaren verloopen. Het is nu de grootste ouder de inrichtingen voor inwendige en beidenzending in de Protestantsche wereld. Wij hebben ongeveer 10,000 officieren onder ons bevel, een getal, dat nog dagelijks grooter wordt, terwijl ieder, die bij ons dienst neemt, zich vrijwillig aan de duidelijke bepaling onderwerpt, dat bij of zij zonder vragen

295

-ocr page 314-

296 WELKE \'GELOOFSBRIEVEN HET IIEILSLEGEM. ItEEDS ÏOONEN KAN.

of tegenspreken gehoorzameu zal aan de bevelen van het hoofdkwartier. Van deze aanvoerders doen 4600 in Engeland dienst. Het grootste getal officieren buiten deze eilanden in dienst is in liet Amerikaansch Gemeenebest, waar onze officieren 1018 man tellen, en in het democratische Australië, waar liun getal 800 bedraagt.

Ook is de onderwerping aan onze tucht iets meer dan een trouw beloven op papier. Onze officieren te velde zijn voortdurend aan allerlei ontberingen en mishandeling blootgesteld. Een telegram van mijne hand zal, wie van hen ook, terstond doen heengaan naar de verste streken der aarde, zal hen overbrengen uit Londens achterbil ui ten naar San Francisco, of hun gelasten zendingswerk te helpen openen in Nederland, Zoeloeland, Zweden of Zuid-Amerika. Verre van deze gezagsoefening met onwil te dragen, erkennen de leden van het heilsleger daarin met welgevallen en blijdschap het groote geheim van hun welslagen, en eene pilaar zoo stevig, dat allen daarin steun vinden, en voorts een beginsel, dat hunne vereeuigiug kenmerkend onderscheidt van alle andere godsdienstige gemeenschappen, welke stichtingen van dezen tijd zijn.

Met tienduizend officieren, gevormd tot gehoorzamen en evenzoo gevormd tot bevelvoereu, kan het, dunkt me, niet ondoenlijk zijn de verwaarloosden, de verdrukten, de zonder eenige hoop levenden, de drankslaven en bewoners der holen van het donkerste Engeland voor orde en regel te herwinnen. Dit is mogelijk, omdat dit doel reeds bij duizenden is bereikt geworden, met wie het, voordat zij tot eene andere levenskeus en terugkeer tot God kwamen, even erg gesteld was, als met diegenen, welke wij nu in dezelfde voorrechten wenschen te doen deelen.

Onze vijfde geloofsbrief is de omvang eil het allerwege verspreid zijn van ons leger. Welk een machtig middel tot verwezenlijking van ons plan is in dit opzicht het leger! Dit zal ieder moeten toestemmen, die bedenkt, dat het zich reeds tot dertig lauden en kolonies heeft uitgebreid, en dit bij eene duurzame vestiging in omstreeks 4000 verschillende plaatsen. Waar zij dan nu ook vertoeven, overal vinden zij medesoldaten of vrienden, die willig hun hulp bieden; en dit niet slechts in beschaafde, maar ook reeds in nog geheel onbeschaafde streken. Voorts hebben wij nog ongeveer een 10,000 tal, die hunne opleiding ontvangen en die bij hunne vorming toonen, dat zij van harte in het voetspoor hunner voorgangers zullen treden. Waarlijk de volheid onzer macht zal eens door gansch ons volk erkend worden, als de allen samenbindende schakel, die in ons maatschappelijk leven

-ocr page 315-

DOELMATIGHEID DES WBBKS.

ontbrak, en tlie geschikt is om steeds meer allen tot medewerkers te maken aan het groote einddoel der geschiedenis, «de vorming der geheele menschheid tot één gezin van broeders en zusters, de ééne kudde onder den eenigen Herder, die zijn leven gaf voor de schapen.»

Let eens op onze samenkomsten. Met geringe uitzonderingen heeft ieder van deze 10,000 middenpunten eene zaal, waar dagelijks en vooral op den rustdag godsdienstoefeningen en andere bijeenkomsten gehouden worden. Aan eiken dienst gaat steeds een dienst in de open lucht vooraf, met het doel om de aandacht en belangstelling van de meest verlorenen te winnen. Inderdaad, wanneer eens mijn plan in volle werking is, zal elke prediking en iedere optocht beschouwd worden als eene noodiging zoowel tot eeuwig als tot tijdelijk behoad. Ieder soldaten- en officieren-verblijf zal een middenpunt vormen, waar veriatenen en lijdenden zeker zullen zijn deelneming, vertroosting, raad en zoo mogeijk al den hun noodigen bijstand te vinden.

Merk verder op, hoe geschikt juist onze menschen zijn om de vereischt wordende hulp te vorleenen aan de personen, die wij eerst en meest zoeken te bereiken. Zij zijn met hen in voortdurende aanraking. Zij leven in eene zelfde straat, of werken met hen in den zelfden winkel of werkplaats, en komen in elk onderdeel des levens met hen op allerlei wijze in aanraking. Leven zij al nu niet meer in hun midden, dan deden zij dit toch in een vroeger tijdperk huns levens. Zij weten, waar dezulken te vinden zijn; het waren vroeger deelgenooten van hunne praatjes en drinkgelagen, soms erger, van hunne misdaden en slechte streken. Het omgaan niet personen van dit slag is het moeilijkst deel van het leven en werk van den heilssoldaat. Hij weet, dat hun redding iets onmogelijks is, zoolang zij blijven in de omgeving en toestand, waarin zij hen aantreifen. In die sfeer des kwaads zijn zij zoo hopeloos zwak, en zijn de verzoekingen zoo vreeselijk machtig, dat de onzen hen voor hunne oogen weder zien verzinken. De heilssoldaat bemerkt dit, wanneer hij met woord en daad hen in hunne kroegen, in hunne slaapsteden en zelfs in hunne eigene ontredderde woningen te bereiken zoekt. Dit heeft menigen deelnemer aan onzen kruistocht den moed doen verliezen. Ons tegenwoordig plan zal deze moeilijkheden veel vergemakkelijken, want de ongelukkigen uit hunne verpeste omgeving wegnemend, zal dit hun moed geven, om in geheel nieuwe omgeving een waarlijk nieuw leven aan te vangen.

Ook verdient het opmerking, welk een blijvend nut onze ofticieren zullen doen tot opvoeding der eens in misdaad en

297

-ocr page 316-

298 WELKE GELOOESHHIEVEN HET HEILSLEGER KEEDS TOONEN KAN.

ongerechtigheid leveudeu, wanneer zij voortdurend met de terecht-gebrachten in aanraking leven.

Al de duizenden dronkaards, ontuchtigeu, godloochenaars en ledigloopers moeten tot een nieuwen zin gebracht, in ééu woord van slecht met hooger hulp goed gemaakt worden. Welk een leger wakkere, volhardende werkers en strijders vordert eene hervorming van zulk een omvang! In ons leger hebben wij nu eenige duizenden, met wie de arbeid althans aan te vangen is, en naarmate het plan in werking treedt, zal hun aantal als van-zeil\' zich naar den eisch van het werk uitbreiden. Vestigt eens met aandacht uwe opmerkzaamheid op de geschiktheid, welke deze strijders voor hun strijd hebben.

Zelven zijn zij tot hun taak van meet af gedrild, en zoo zijn de tot de linietroepen, tot onze keurbende bevorderden -zelven voorbeelden van de karakters, die wij wenscheu te vormen.

Zij begrijpen hunne leerlingen, want zij zijn uit denzelfden afgrond opgedolven. Men zegt wel eens met dieven vangt men dieven; en dit zal wel zijn met zulken, die hun leven gebeterd hebben. Zoo toch is het onder ons. Deze ruwe maar vaardige strijders zullen hetzelfde werk doen onder hen naar wier redding zij uitzien. Liefde zal hen dwingen om hun taak met de stipt-•ste trouw te vervullen. Dit door liefde gedrongen worden is een hoofdbestanddeel van hun godsdienstig leven. Het is het drijven des Geestes, dat met een nieuw hart en een vernieuwden geest huns gemoeds over hen gekomen is. Het is hun eene bepaalde behoefte geworden anderen goed te doen en hun als broeders tot hulp te zijn. Het leger schenkt hun daartoe eene volle en heerlijke gelegenheid. 1)

Hoeveel nut kunnen mannen als zij doen tot het verdeelen van arbeid en het vinden van plaatsing. Ieder heilsofficier en heilssoldaat op ieder der in zoovele landen verspreide punten zullen steeds met geopend oog en willig hart voor anderen uitzien om woning en plaatsing voor de uit hun zonde en ellende geredden te vinden. Ziende op al deze bijzonderheden, meen ik goeden grond te hebben om te beweren, dat althans de mogelijkheid geboren is om groote dingen te doen. Lang is het groote maatschappelijk vraagstuk hopeloos geacht, maar met de kennis, die door ons verkregen is, en den goeden wil, waarover wij te beschikken hebben, meenen wij in het bezit te zijn van eene macht, die tegen het te bestrijden kwaad is opgewassen.

1) De hier ^eteokeiido wey is de eenige om dronkaards te redden. Zonder een asyl van «levende steenen» is het onmogelijk. Vert.

-ocr page 317-

WELKE ZIJN BE KOSTEN?

ÏWISKUE iU\'ÜEBLING.

Op lioevecl gclds zal ons reddingswerk te stiian komen}

Er zal, gelijk vau zeil\' spreekt, eeue güeJu som ge Ids noo.lig ziju, om het beraamde plan op afdoende wijze ia werking te brengen, eu voor een tijd zal evenzeer een steunend jaarlijksch inkomen noodig blijken; maar zijn wij eens goed in zee, dan meen ik, dat de tijd niet ver zal behoeven te zijn, dut wij voor alle takken in eigen kring het noodige tot zelfonderhond zullen kunnen vinden. Dit acht ik zeker, tenzij ons arbeidsveld te over-groote afmetingen verkreeg, wat mij zeer waarschijnlijk voorkomt. De .steun ons noodig, zal, zooals ieder moet inzien, bepaald worden door de eisohen, welke het werk zelf ons stelt. Zal iets doeltreffends geschieden, dan moeten de omvang van het te herstellen kwaad eu de middelen tot genezing elkander dekken.

Wie een tuin beter wil droogleggen, heeft aan een klein sommetje genoeg; wie echter een moeras, dat mijlen omvang heeft en van ongedierte eu giftige gassen wemelt, in vruchtbaren bouwgrond herscheppen wil, heeft eene geheel andere som gelds noodig, als hij althans de te maken kosten rentegevend wil maken.

Wanneer wij er nu acht op geven, dat de armenwet en onderstand buiten de gestichten ons jaarlijks op 120 millioen gld. komen te staan, kan ik er niets onredelijks in zien, wanneer ik er op reken, dat men mij wel met het een tiende vau die som zal willen te gemoet komen. Met het jaarlijks offeren van over de honderd millioen vordert meu geene enkele schrede, de Sisyphus-steen moet jaarlijks op nieuw den berg worden opgerold, om, boven gekomen, terstond weder in dezelfde diepte, zoo niet steeds dieper neer te tuimelen. Reeds blijkens hetgeen tot stand kwam, heeft niemand recht ons streven even onvruchtbaar te achten. Wanneer ik nu bereken, dat wij voor het een tiende hulpbehoevend deel van ons volk, ten getale van een millioen personen, 12 millioen zullen noodig hebben, dan is dit niet meer dan 12 gld. voor ieder, die in de goede uitkomsten van onzen arbeid zal deelen. Derhalve is

een millioen pond sterling

noodig, om ons plan zoo in werking te helpen brengen, dat er goede vrucht van te verwachten valt.

299

-ocr page 318-

300 OP HOEVEEL GELD ZAL ONS 11EUDINGSWEKK TI) STAAN KOMEN?

Den omvang zullen wij naar den ontvangen bijstand moeten begrenzen. Nauwkeurig is door 0113 berekend, dat £ 100,000 toereikend zijn om de zaak op touw te zetten en dat ze gaande kan gehouden worden met een jaarlijksch inkomen van £ 80.000, wat zoo ongeveer drie en een kwart pCt. is van het ontbrekende op de hoofdsom van het door ons noodig geachte één millioen. Deze 100.000 vraag ik als bewijs, dat ons volk geneigd is mede den schouder tegen liet wiel te zetten en het ondernemen mede als eene gemeene zaak aan te vatten. Wat wij vragen is niet eene uit de lucht gegrepen som, maar een bedrag, dat rust op de uitkomsten van het reeds door ons beproefde. Doch ook buiten dat is het gemakkelijk in te zien, dat een groot en praktisch doel, zooals wij ons dit voorstellen, niet te verwezenlijken is, zonder een daaraan evenredigen uitleg.

Wanneer wij nu veronderstellen, dat de 100,000 verkregen is, alsdan kan met recht gevraagd worden : «Hoeveel zal noodig zijn, om het aangevangene op den duur in goeden staat te houden V» Op die vraag zullen wij nu trachten een duidelijk en afdoend antwoord te geven. Beschouwen wij daartoe eerst de drie kolonies ieder afzonderlijk, om dan te letten op een en ander, dat alle drie gelijkelijk geldt. Vangen wij aan met

lie geldelijke eisclien voor de slndskolonie.

Voor deze zal, gelijk vanzelf spreekt, een zeer aanzienlijke uitleg noodig zijn, om alles aan te koopen en in gereedheid te brengen wat vereischt wordt, en zoo ieder onderdeel van het in elkander passend werk op gang te krijgen. Is echter in deze eerste groote behoefte voorzien, dan zal geen verder kapitaal, dan voor het blijvend onderhoud van het materiaal noodig zijn.

De tehuizen voor hen, die van verblijf verstoken zijn, zullen bijna, zoo niet ten volle, in eigen behoeften voorzien. De tehuizen van beter soort zoo voor ongehuwden als voor gehuwden, moeten niet slechts zichzelven bedruipen, maar zelfs nog eeuigen interest opleveren tot steun van het overig deel des werks.

De toevluchtsoorden voor gevallen vrouwen zullen aanzienlijke fondsen behoeven om aan hun doel te beantwoorden. Intusschen voor arbeid van dezen aard heeft het publiek steeds gaarne ruime offers afgezonderd.

De tehuizen voor veroordeelden en ontslagenen zullen voortdurend hulp noodig hebben, maar niet tot een groot bedrag. Het werk in de krotbuurten moet wel vele en aanhoudende bijdragen vorderen. De 80 jonge vrouwen, die nu dit werk

-ocr page 319-

TVAAKSCHTJNLTJKK UITKOMSTEN.

verrichten, behoeven zoowat wekelijks, ieder voor haar 011 der-houd zeven gld., waaronder begrepen zijn hare kleeding en verdere kleine benoodigdheden. Voorts zijn hierbij groote zalen voor samenkomst noodig, en kunnen kleine ondersteuningen voor zieken, zwakken enz, niet uitblijven. Het bedrag dat wij daarvoor op dit oogenblik noodig hebben is iets meer dan 48,000 gld. Aan dit bedrag leveren echter nu de armen zeiven, in wier midden de zusters arbeiden, reeds jaarlijks 12,000 gld. en dit bedrag stijgt voortdurend. Vermits wij het bepaalde voornemen hebben om aan de SO in dezen arbeid werkzame jonge vrouwen nog een honderdtal toe te voegen, hebben wij geld noodig om dit deel onzer werkkrachten op de vereischte hoogte te brengen.

Het tehuis voor dronkaards, hoop ik, dat in eigen behoeften zal kunnen voorzien. Al zijne bewoners zullen zich met eenig winstafwerpend bedrijf moeten bezighouden, en wij brengen bij dit werk in rekening, dat de geredden zoo tevens op den goeden weg zijn, dat zij later zichzelven van het uoodige kunnen voorzien. Om nochtans Iets wezenlijks te doen voor het half millioen dronkaards, welke onze christelijke maatschappij zich als het ware met kunstmatig overleg heeft op den hals geladen, is geld, veel geld noodig; niet enkel om op gang te komen, maar ook om met onze operatiën voort te kunnen gaan.

Zijn eenmaal de voedingsdepóts goed ingericht, dan dekken deze zichzelven.

De bureaux voor landverhuizing, raadgeving en onderzoek moeten zichzelven geheel of bijna geheel onderhouden.

De werkplaatsen, de pogingen om het uitzuigen van werkzoekenden tegen te gaan, kunnen niet anders dan onderstand eischen, zullen de inkomsten de vereischte uitgaven dekken.

Wanneer men nu de zaak in haar geheel neemt, dan is alles er op aangelegd om bij het meeste nut, de zaak zoo weinig kostbaar mogelijk te maken.

De lundboiiiv-koloiiie uit linaiitieel oogpiiiil.

Vestigen wij thans onze aandacht op de laudbouw-kolonieën. Beschouwen wij deze wat de kosten in verband tol latere opbrengst betreft. Bij aanvang worden ook hier groote uitgaven vereischt. Allereerst komt in aanmerking het aankoopen van land, het oprichten van bergplaatsen en woningen, het voorzien der plaats van vee en het zorgen voor den eersten oogst. In den tegen-

301

-ocr page 320-

302 DE LANDBOUW-KOLONIK UIT FINANTIEEL OOGPUNT.

woordigeu tijd is overvloed van land tegen lagen prijs verkrijgbaar.

Voor onze onderneming is het van belang om voor de eerste proefneming grond te verkrijgen niet al te ver van London, en voor dadelijke bebouwing vatbaar. Eene bezitting van dieu aard kan niet voor een koopje te krijgen zijn. Zijn wij eenmaal op streek, dan zal ik het kunnen stellen met allerlei soort van land, in welk deel des koninkrijks ook gelegen, en dit ten gevolge van den overvloed van handen, die ik beschikbaar zal hebben. Bij mij staat het vast, dat naarmate dit deel van ons plan vordert, wij in de buurt van alle belangrijke steden land zullen behoeven. Bij deze verwachting streelt mij de hoop, dat ook wel land ons zal gegeven, althans op gunstige voorwaarden verkocht worden.

Zoodra wij land en vee bezitten, is onze berekening deze, dat waar het met de spade bewerkt wordt, minstens twee man op één bunder hun brood zullen kunnen verdienen. De gewone berekening is, dat vijf personen van drie bunders kunnen bestaan. Ons schijnt deze voorstelling der zaak wel wat heel gunstig, maar zonder zoo ver te gaan, komt het mij toch voor, dat 750 personen wel zonder bijkomende hulp op 500 bunders grond kunnen leven. In ons plan liggen echter verschillende voordeelen, waarop de gewone landbouwer niet rekenen kan; bij voorbeeld, het laten samengaan van tuinbouw voor de markt met de andere takken van den veldbouw, zooals dit vroeger reeds door ons is aangeduid.

Door het verbinden der verschillende deelen van ons werk is er reeds terstond afzet voor een groot deel van het door ons gekweekte. Al bleven onze Londensche depóts slechts op den voet, waarop zij nu zijn, dan zouden wij nog minstens 50 bunders grond alleen voor aardappelen behoeven. Terwijl ieder kolonist meer, ook een mond meer wordt voor dit door ieder gebruikt voedsel.

Rente zal niet verschuldigd zijn, daar wij alleen land tegen kontante betaling in eigendom wenschen. Werd later veel grond van ons voor kleine vrije nederzettingen begeerd, dan kon dit verhuurd of verkocht worden.

Het spreekt vanzelf, dat de voortdurende verwisseling van arbeidend personeel, wat geldelijke winst aangaat, niet in het voordeel der onderneming kan zijn. Hier staat echter tegenover, dat juist die wisseling aan ons vaderland als geheel ten goede komt, daar ieder, die onze oefenschool is doorgegaan, het aantal hulpeioozen met één vermindert.

-ocr page 321-

GOEDE EN KWADE KANSEN.

Het verhuren van woningen en van stukken grond kan voor-deelgevend worden, en althans de renten van opgenomen gelden dekken.

De arbeid aan de kolonie besteed zal hare waarde iu geld aanhoudend doen stijgen. Er zullen huizen gebouwd, boomgaarden aangelegd, land verbeterd, winkels gemaakt en de steeds noodig blijkende verbeteringen gemaakt worden. Al het werk zal door de kolonisten zeiven verricht, en een goed deel van het materiaal door henzelven geleverd worden.

Men kan er op wijzen, dat de werklieden gedurende den tijd van aanleggen en bouwen uit de haud zullen moeten onderhonden worden, en dat reeds daarmede eene aanzienlijke som zal weggaan. Juist, en hierop is ook wijselijk bij het beramen gerekend. Intusschen ieder huis, dat voltooid, elke weg, die gereed, elke verbetering, die gemaakt is, doet als herscheppingsmacht liet geheel in waarde toenemen, en mag in de meeste gevallen als een bron van latere inkomsten worden beschouwd.

Voorts is de veronderstelling niet onredelijk, dat naarmate ons plan zich ontwikkelt en een bepaalden vorm aanneemt, het rijksbestuur, of de plaatselijke overheden willig zullen bevonden worden, om de goede zaak b.v. reeds door het vrijstellen van lasten en belastingen te steunen.

De belooning aan officieren uitbetaald zal zijn naar den maatstaf\' bij het heilsleger aangenomen, die uit beginsel naar een lagen standaard worden berekend.

Aan kolonisten wordt boven zakgeld en iets voor extra dienstbetoon geen werkloon uitbetaald.

Al zal ook wetens geen voortdurend iuvalide iu de kolonie worden opgenomen, toch moet er bij eene zaak als deze op gerekend worden, dat er altijd een zeker aantal van dezulken zullen zijn ; en dat wij voortdurend zullen belast blijven met een overschot van van nature tragen en slecht ontwikkelden, die voor een wezenlijk beter worden ongeschikt zullen blijken. Toch blijft het, door ervaring geleerd, mijn gevoelen, dat nieuwe gewoonten, afwisselenden arbeid, en een nauwlettend toezicht er ook van dezen nog velen zullen helpen om hun eigen brood te kunnen verdienen ; te meer daar zulken, die blijken alle geschiktheid tot arbeiden te missen, niet in de kolonie kunnen blijven, waar zij anderen slechts tot last en hinder zouden zijn.

Wanneer de ophaalbrigade zoo wel mag slagen, als ik voorzie, dan behoeft het geen betoog, dat haar tusschenkomst dit gan-sche deel des werks krachtig zal ten goede komen.

303

-ocr page 322-

304 HET FINANTIEET. VOOBUITZICHÏ DEK OVER7.EE3CHE KOLONIE.

Het lliKintri\'cl Yooruh/iclit der overzeesche kolonie.

Vestigen wij nn een blik op de overzee-kolonie, en beaclion-wen wij haar van liet geldelijk standpunt. Hierbij hebben wij alleen te letten, althans in hoofdzaak, op de voorloopig te maken kosten, want er zou voor ons niet aan te denken vallen, om geld te blijven inzamelen, wanneer de zaak eenmaal geregeld en geordend was. De eerste uitgaven zullen zeker groot en een lastpost zijn, maar toch niet tot zulk een bedrag, dat zij eene aanleiding kunnen worden om voor eene goede uitvoering terug te deinzen.

Het ons noodige land zal waarschijnlijk wel ten geschenke gegeven worden, hetzij wij ons naar Afrika, Canada of elders begeven, Ging men al niet zoover, dan zal toch de koopprijs niet hooger zijn, dan dat wij wel bijna van eene schenking kunnen spreken.

Voor de allereerste vestigingen zou zeker heel wat geld noodig zijn. Vereischten zijn het oprichten van voorloopige gebouwen; het bebouwbaar maken van den grond; vee, landbouwgereedschap, meubelen en verdere benoodigdheden. Aan dit een en ander zouden wij ecbter geene groote sommen ten koste leggen, daar wij allengs zouden kunnen rekenen op kolonisten machtig om meer voor zichzelven te doen dan de vroegere wegbereiders.

Het bedrag voorgeschoten voor reiskosten, noodig goed en vestigingskosten behooren de kolonisten bij gedeelten te vergoeden, waardoor allengs de gelden gevonden worden, om aan volgenden hun verhuizen gemakkelijk te maken.

Het geld voor overtocht en benoodigdheden zal ongetwijfeld altijd eenigszins een hinderpaal voor een naar wensch vorderen blijven. £ 8 voor Afrika per hoofd, — £5 voor overtocht en £ 3 voor de tocht over land (19\'2 gld.) — is eene groote som, wanneer deze voor eenig uitgebreid reisgezelschap zal vereischt blijken; en toch geloof ik, dat niet één kolonie voor eene mindere som bereikbaar is, wat mij iu dezen hoop en moed geeft, dat de regeering met geldelijke hulp niet geheel achter zal blijven, en het ondernemen beschouwen, als eene weldaad voor het gansche vaderland.

Wanneer ik nu het vraagstuk in zijn geheel uit dit oogpunt samenvat, houd ik mij overtuigd, dat de drie kolonies een overgroot aantal personen als geredden aan de maatschappij zullen teruggeven voor niet hooger dan de gestelde hoofdsommen, en een

-ocr page 323-

WARE WELD A DI (i II El I).

jaarlijksch inkomen van 360,000 gld. om alles op goeden voet gaande te houden. Nemen wij echter eens aan, dat mijne schatting te laag berekend is en dat er belangrijk meer zon noodig blijken, ook dan acht ik het niet onredelijk op welslagen door ruimer giften te rekenen, daar het niet enkel een op allen rustende plicht is voor de armen te zorgen, maar niet minder de grondslag van allen godsdienst en een weldoen in het nauwst verband staande met het krachtig gevoel van menschelijkheid, dat steeds meer in onze maatschappelijke instellingen spreekt. Wij zijn geene tegenstanders van weldadigheid oefenen, alleenlijk veroordeelen wij en verzetten wij ons tegen liet altijd door geven, dat in plaats van te helpen tot redden, enkel leidt tot het kwee-keu van armoede, gepaard met listig liegen en bedriegen, ten einde langs zoo schandelijken weg een geheel onverdiend medelijden te wekken.

«Wat,» hoor ik hier en ginds iemand pruttelen, «een millioen ponden sterling? Alleen iemand, die in het gekkenhuis tehuis behoort, kan van zulke plannen zwanger gaan.» Haast u niet, mijne vrienden, in uw lichtvaardig oordeel vellen. Een millioen ponden moge eene groote som zijn om een edelgesteente voor eeu paleis aan te koopen, maar diezelfde som is slechts eene beuzeling, wanneer het Britsch eergevoel en staatsbelang het noodzakelijk doen achten, om eeuige Britsche onderdanen te bevrijden, die in vreemde gevangenschap ziichteu. Toen de koning van Ashantee enkele Britsche onderdanen gevangen hield, •— personen, die niet eens van Britsche afkomst waren, — zond onze regeering generaal Wolseley met de keur van het Britsche leger, die de macht van Kotfee Kalkallee vernietigde, de gevangenen bevrijdde, Commassie verbrandde; en niemand in den lande heeft er een zuur gezicht om gezet, toen het bleek, dat de behaalde zegepraal f 750,000 gekost had. üit bedrag was echter eene som van betrekkelijk luttele beteekenis. Toen koning Theodoras van Abyssinië een tweetal liritsche vertegenwoordigers had gevangen genomen, werd lord Napier tot hunne bevrijding uitgezonden. Hij trok met zijn leger naar Magdala, bracht de gevangenen met zich huiswaarts en liet koning ïheo-doius gedood achter. De kosten van dezen veldtocht beliepen over de negen millioeu pond sterling. De Egyptische veldtocht, die de macht van Arabi fnuikte, eischte ongeveer vijf millioen ponden. De expeditie naar Karthouin, die generaal Gordon bevrijden zou, kostte weinig minder. De Afghaansche oorlog kwam de schatkist op een en twintig millioen ponden sterling

tü StilUill.

son

20

-ocr page 324-

306 HET FINANTTF.EL VOOBUITZTCHT DEK OVEKZEESCIIF. KOLONIE.

Telt deze sommen eens bijeen, en wie heeft dan nog den moed te zeggen, dat Groot-Brittannië, dat zoovele millioenen offerde voor enkele harer onderdanen, niet één eenig millioen zon kunnen ten offer brengen, waar bet niet de verlossing van een twee- of drietal, maar van minstens een millioen medeburgers geldt, welke niet in verre streken, maar in onze nabijheid en als voor onze deur in de knellendste en vernederendste banden gehouden worden. Men spreke toch niet, alsof het bijeenbrengen van een millioen voor zulk een reddingsplan voor onze natie iets zwaars en bezwarends zou zijn! Het uiten van het woord onmogelijk, beteekent niets anders, dan het openbaren van den onwil en den onlust om aan zooveleu in onze nabijheid de helpende en verlossende hand te reiken. Wanneer John Buil meent voor zijne persoonlijke eer te moeten ten oorlog trekken, dan telt hij het bedrag der kosten niet; alsof de toestand der millioenen, voor wie wij zijne hulp vragen, niet zijne persoonlijke eer en de eer van al wat ons heilig is golden! Wie er moed toe heeft, spreke het openlijk uit, dat nog de tijd niet gekomen is, om met aanwending van alle krachten strijd te voeren tegen de maatschappelijke euvelen, die dreigen godsdienst en zedelijkheid, ja als het ware God zeiven uit de maatschappij buiten te sluiten.

DKRDE APDEEI.INO.

Eeiiigi\' voordeelen van ons plan in het licht gesteld.

Het door ons beraamde plan omvat alle soorten en klassen van menschen, die in moeilijke omstandigheden verkeeren, zonder daarbij hun karakter of gedrag in aanmerking te nemen. Hoe het in dit laatste opzicht ook gesteld zij, wij vangen aan met in hunne tijdelijke nooden te voorzien. Ons streven is daarbij hen tot betrekkelijke welvaart te brengen, geen andere voorwaarden stellend, dan dat zij zich willig betoonen om te arbeiden, en dat zij gezind zijn zich te voegen naar de regels en de tucht der instelling, wier weldoende zorg zij genieten.

In den beginne zal liet nog wel noodzakelijk blijken, dat ouderdom en krankte ons eenigszins beperken, maar is eenmaal

-ocr page 325-

307

het werk in goeden en geregeklen gang, dan zullen ook die beperkingen niet meer gelden, en zullen wij iederen ongelukkige opnemen, die niets dan zijne ellende tot aanbeveling heeft en een oprecht verlangen toont om uit dien treurigen toestand te worden verlost.

Wie niet bevooroordeeld is, zal moeten bekennen, dat in dit opzicht ons plan verheven is boven ieder ander, dat voorheen ontworpen werd. Immers bij die plannen is genoegzaam algemeen uitgegaan van de overtuiging, dat de middelen waarover de liefdadigheid beschikt, alleen kunnen ten goede komen aan wat men den oppassenden werkman noemt.

Ons plan is er op aangelegd om door allerlei daarvoor passende inrichtingen, in overeenstemming met ons doel pasklaar, de onderscheiden klassen te helpen, welke het zoekt te baten. Met rijp overleg hebben wij onze verschillende maatregelen zóó genomen, dat wie in nood verkeeren, als het ware zich gedwongen moeten gevoelen ons helpen dankbaar aan te grijpen.

Ons plan stelt zich niets anders ten doel, dan het bewerken van een geheelen omkeer in het karakter van hen, wier leven wel even misdadig als ellendig is, maar wier slecht en arm zijn tevens voor een goed deel het noodzakelijk gevolg zijn van de ons christendom onteerende toestanden, waarin zij geboren worden en opwassen. Mag het bij toestanden als zelfzucht en gouddorst voortdurend in het leven roepen, wel zooveel verbazing wekken, dat ontelbaren door eigen toedoen en schuld als in een afgrond van jammer leven? Bij zulke toestanden laat zich geen wezenlijke vrucht verwachten, tenzij het ons gelukken raag in de harten een nieuwe gezindheid te wekken.

Ons geloof echter geeft ons macht, om niets op dit gebied reeds vooruit onmogelijk te verklaren. Wetende in Wieu wij gelooven en op welk eene hulp zijnerzijds wij rekenen mogen, staat het bij ons vast, dat waar God met ons is, de menschen-macht, die het kwade door het goede te overwinnen zoekt, in geen ding behoeft te falen.

Staande in deze overtuiging, gevoelen wij er ons zeker van, dat op den weg, dien wij ons afgebakend hebben, niemand, hoe diep ook gezonken, niet opnieuw het leven zou kunnen beginnen, een goeden naam herwinnen of voor het eerst verkrijgen, en \'bij eerlijken arbeid zich aanspraak op den naam van een goed burger verwerven. Terwijl velen uit den aangeduiden kring nooit een goed en betrouwbaar vriend hadden, zullen anderen, die een beter standpunt prijs gaven, allicht vrienden en betrekkingen hebben, die niet alleen gewillig maar dankbaar blijde

-ocr page 326-

308 F.UNIGE VOOKDEELEN VAN ONS PLAN IN IIF.T LICHT GESTELD,

znlleu zijn, en den gevallene lielpen oprichten, zoodra zij maar zeker ziju, dat een wezenlijke verandering des gemoeds in den schuldige heeft plaats gegrepen.

Wij kunnen niet anders zien dan dat ons plan, op gezonde beginselen steunend, er daardoor op is aangelegd om ala vanzelf gewoonten van zuinigheid, huiselijkheid eu overleg bij alles aan te kweeken. Hoevelen zijn ze niet, die, terwijl zij onder den ergsten druk van armoede eu honger lijden, toch niet het minste begrip hebben van de waarde van geld, en hoe het luttele ten beste aan te wenden. Wie telt onder de arbeidende en geringere klassen het aantal vrouwen, die niet het allerminste begrip van huisinrichting en huiselijk leven hebben, en die daardoor bij de övervloedigste middelen en een zelfs ernstig willen, nog nauwelijks anders dan in onreinheid, verwarring en huiselijke ellende zouden leven ? Al hing er haar leven aan, nog zou menigeen van die verwaarloosden niet in staat blijken een goed maal te bereiden, omdat iets van dien aard haar nimmer werd geleerd. Dit sedert zoo lang bij ervaring wetende, is er van meet aan alles door ons op aangelegd om, als van den grond opbouwende, deze dingen te doen en te helpen onderwijzen. In deze richting voortgaande, moeten wel allengs gewoonten van reinheid die van vuilheid en slordigheid vervangen, eu er eenig begrip ontstaan van do eiseheu, die vervuld moeten worden, zal de mensch een gezond en reeds daardoor gelukkiger leven kunnen leiden.

Door zijn ingrijpen in de uitwendige levensomstandigheden maakt ons plan het mogelijk, om door ongelukken ontstane armoede weder te boven te komen en ze voor welvaart te doen wijken.

Ons aanvankelijk doel is, werk te verschaften aan hen, die vergeefs naar eenige gelegenheid tot arbeiden zoeken. Het groote vraagstuk, dat sedert eeuwen aan den staathuishoudkundige en den menschenvriend kwelling en hoofdbreken baarde, was: «hoe voor zoo velen werk te vinden?» Welke andere hulpmiddelen het vernuft der liefde ook heeft weten oj) te sporen, zoolang men niet den weg weet aan te wijzeu voor allen arbeid te verkrijgen, ontbreekt een wezenlijke, stevige grond van hoop. Het uitreiken van aalmoezen en alle verdere tienduizend huismiddeltjes zijn steeds en overal ongenoegzaam gebleken om te voldoen aan de eischen, welke het vraagstuk ons stelt, dat terecht voor allen ook een betrekkelijk maatschappelijk welzijn verlangt.

Arbeiden is niet alleen de van God zeiven aangewezen weg, die den mensch tot bevrediging zijner veelzijdige behoeften leidt,

-ocr page 327-

AKBEIDGEVEN GHONDSLAG VAN ONS POGEN.

maar ook ile er faring leert, dat daarnevens geen andere deugdelijke weg bestaat. Dit wetende, is arbeid — en wel een eervolle arbeid, niet de verlagende politiemaatregel van \'steenkloppen en teertouw pluizen — schering en inslag van ons beramen. Ieder, die onder onze leiding werk verricht, zal niet enkel beseffen, dat hij ten eigen bate bezig is, maar tevens inzien, dat al wat hij boven eigen behoeften wint, strekken zal om anderen uit gelijke diepten op te richten, als waaruit hijzelf werd verlost.

Er zal werk zijn binnen het bereik van aller grooter of kleiner arbeidsvermogen. Elke bekwaamheid kan worden in dienst gesteld. Stellen wij als voorbeeld een vijftal personen op de hoeve, — een bakker, een kleermaker, een schoenmaker, een kok en een boerenknecht. De bakker kan voor allen brood bakken, de kleermaker allen aan kleeding helpen, de schoenmaker voor aller schoeisel zorgen, de kok het keukenwerk voor allen behartigen en de boerenarbeider voor allen spitten en planten. Allen, die eenig werk verstaan, dat den bewoners der hoeve kan ten goede komen, zullen daaraan gezet worden; en wie nog geheel ongeleerden blijken, zullen naar hun meerderen of minderen aanleg onderricht en leiding ontvangen.

Al het door ons voorgestelde heeft de strekking, om de klasse der ondeugenden en misdadigen uit de sfeer hunner verzoekingen, en daarmede uit de hun gestelde valstrikken te verlossen. Onze ervaring heeft ons geleerd, dat wanneer het u door Gods genade, of door invloedrijke drangredenen is mogen gelukken, om zulken als wij daar noemden, begeerig te maken en hen het besluit te doen nemen, om een nieuwen weg te kiezen, verzoekingen en bezwaren toch weder de overhand over hen zullen krijgen, en al wat opgebouwd is afbreken, wanneer zij te midden hunner oude makkers en verlokselen moeten blijven voortleven.

Zoo gü nog eenigszius onpartijdig oordeelen kunt, let dan eens met aandacht op de macht der verzoekingen, waarmede zulke personen te strijden hebben. Wat is het, dat menschen op den verkeerden weg brengt, — rijken en armen gelijkelijk, menschen van alle standen? Het is niemand alleen om het zonde plegen te doen. De behoefte aan zonde te plegen bestaat bij hen niet; velen weten niet eens recht,quot; wat zonde is ; maar zij hebben zekere neigingen, natuurlijke begeerten, en het daaraan toegeven is hun aangenaam. Is dan eeumaal het belust zijn naar het verbodene in hen gewekt, dan komt het spoedig zoo ver, dat zij aan God niet meer denken, om hunne hoogere belangen zich niet bekommeren en, nog minder aan het welzijn hunner medemenschen denkend, zich door den stroom laten medesieepen, en al hunne

309

-ocr page 328-

KKNICiE VOOBDEELEN VAN ONS PLAN IN HET J,1011ï GESTELD.

vroegere goede voornemeus als met deu wind lateu verstuiven.

Stellen wij nis voorbeeld, de verzoeking, welke door eeue geheel natuurlijke begeerte, de honger, kan ontstaan. Denk u een man, die eeue godsdienstige bijeenkomst heeft bijgewoond, of die een ernstigen goeden raad heeft ontvangen, of die pas uit de gevangenis is teruggekeerd, terwijl hem al wat hij daar leed en de vermaningen van den gevangenisprediker nog versch in het geheugen liggen. Het is door dit alles zijn vast genomen besluit nooit meer diefstal te plegen; maar hij vindt nergens een weg om door arbeid iets te verdienen. De honger begint hoe langer hoe sterker te knagen. Wat zal hij aanvangen? Ben versch gebakken brood prikkelt zijne reuk- en smaakorganen, of wel een gouden ketting, waarvoor hij zich volop brood kan verschaffen, prikkelt zijne begeerlijkheid. Nu ontstaat een inwendig strijden, llij wil aan zijne goede voornemeus vasthouden, maar de eischen van zijn honger worden scherper, en misschien heeft hij wel vrouw en kinderen, van wie hij zich bewust is, dat een zelfde lijden hen pijnigt. Eindelijk breekt zijn weerstandsvermogen door het hem rusteloos knagend drijven, hij neemt het brood of wat hem brood verschaffen kan, en de politie legt opnieuw de hand op hem.

Het is wel geheel duidelijk, dat deze man niet eene bepaalde begeerte heeft om kwaad te doen, en nog minder, dat hij dooiden lust bevangen is om weder achter slot en grendel te vernachten. In een oprechten, enkel nog wat droomerigen zin verlangt hij zelfs goed te zijn; en ware de weg hem slechts iets gemakkelijker gemaakt, het mag voor waarschijnlijk gehouden worden, dat hij wel in beter spoor zou blijven.

Verder treft ons de lust tot drankgebruik. De man, die zijn eerste glas neemt, denkt er niet aan om daardoor tot het plegen van misdaad te komen. Ook is het allerminst zijne begeerte om dronken te worden. Misschien kwellen hem zelfs nog de lastige gevolgen van zijn jongste drinkhui; maar de al dringender behoefte pijnigt zijne maag en dwingt om verzadiging. Overal waar hij den voet zet, lonkt hem een drankhol toe; zijne makkers zetten hem aan; nog aarzelt hij, maar eene volgende kroeg krijgt over zijn weerstandsvermogen de overhand, hij geeft aan zijn lust toe, komt ten val, misschien om uit zijn roes niet meer te ontwaken.

Voor hoeveel uitbreiding ware juist dit onheilkweekend gebied vatbaar; maar genoeg. In ons plan ligt het, den verzwakte van wilsvermogen, zoover wij kunnen, van de ontelbare gelegenheden tot drinken en het daaraan evenredige getal drinkebroers te verwijderen, opdat door het stellen van zulk eene kloof tusschen hem

310

-ocr page 329-

HET BEUOUD VAN KINDEKEN.

en de verzoeking de kans op genezing van zyn noodlottigen lust des te grooter worde.

Voorts acht ik het een zeer weldadig deel van ons plan, dat liet macht geeft om de kinderen te verwijderen uit de boven alle beschrijving slechte omgevingen, waarin nu zoovelen geboren worden en opgroeien, door hen over te brengen in de gezonder dreven buiten, waar voor hen de kans bestaan zal om naar lichaam en ziel gezondheid deelachtig te worden.

Denke toch eens ieder, welk een weldaad in zulk een omkeer voor kinderen moet gelegen zijn. Men spreekt vaak genoeg over den weldadigen invloed, die schilderijen, muziek en goede boeken op de armere klassen hebben moeten. Geld wordt niet zelden als water in die richting uitgestort, maar bedenke men wel, het is God, die het vrije veld schiep, en het is de mensch, die zijne steden tot al grooter menschenpakhuizen maakte. Zooveel er in der menschen werk is, dat de mensch in den mensch kan doen ondergaan, zooveel is er in Gods heerlijke schepping, dat den mensch aan zichzelven en zijn God kan teruggeven, en hem opnieuw met een leven in overeenstemming met Gods gedachten en raads-plan vervullen.

Ons plan heeft verder dit voor, dat zijne grenzen om zoo te zeggen tot in het oneindige kunnen worden uitgebreid. De pleister kan de grenzen der ontzaglijke wond overschrijden. Zeker, de wond is zoo groot geworden, dat het op het eerste gezicht ongerijmd kan schijnen, die met één enkel heelmiddel te willen herstellen. Of zijn er niet minstens in ons midden een drie millioen menschen, die in hun verschrikkelijken toestand moeten bereikt en geholpen worden? Het Evangelie zou geene blijde hoochchap voor allen zijn, als zij niet allen tot den laatste toe bereikbaar waren. Gods liefdewoord roept en noodt allen, en daarom moet het ons mogelijk zijn, allen tot redders te worden. Naar die overtuiging is ons plan van meet af beraamd; en het zal zijn doel bereiken, wanneer men ons slechts in de gelegenheid wil stellen om te voltooien, wat wij bij geloof in God en in \'s menschen hoogeren aanleg bij aanvang en niet zonder gunstig gevolg beproefden. Dat alles opeens zou bereikbaar zijn, is nooit door ons beweerd, en nog minder door ons gemeend of verwacht,

Hoe zou een arbeid van zulk een omvang anders dan allengs kunnen vorderen, maar dit is ons vrijmoedig beweren, dat het bij elk vorderen van de eerste schrede af een merkbaren invloed moet oefenen op de uit hare ellende te verlossen schare. Bij voldoende medewerking kan de tijd niet verre zijn, dat wij week

311

-ocr page 330-

313 EEN 10R VOOltDEEil.IÏN VAN UNS PLAN IN HET LICHT GESTELD.

aan week althaus eeu houderdtal schipbreukelingen, en gaandeweg al meer, uit de zwarte wateren van ellende en verderf helpen uitredden.

Het verwijderen van een honderdtal moet reeds dadelijk ook op de overblijvenden eenigen merkbaren iuvloed ten goede oefenen. Wanneer toch, bijvoorbeeld, drie timmerlieden geheel onvoldoend werk vinden, moet het, wanneer twee van de drie verwijderd worden, voor den derde de gelegenheid scheppen, om op betere wijs voor zichzelven te kunnen zorgen. Naarmate nu gegoeden met ons medewerken, om de markt van mededinging te ontlasten, zullen de overblij venden in dezelfde mate moeten ervaren, dat in hun toestand verbetering ten goede gekomen is.

De goede gevolgen van ons ondernemen zullen bovendien van blijvenden aard blijken. Hoe ruimschoots leert het verleden, dat zooveel wat ten goede beproefd werd, op den toestand der hulpbehoevenden geen merkbaar ingrijpenden invloed ten goede oefende. A.an wat zelfs velen oogenblikkelijke verlichting aanbrengt, heeft het nooit ontbroken, maar in welke mate het ook voor het oogen-blik verzachting van een hoog gerezen nood aanbracht, tot genezing diende het niét. Ik meen niet te bout te spreken, wanneer ik zeg, dat mijn plan verder reikt, en een degelijk en duurzaam helpend geneesmiddel zal blijken.

Ook dit beweer ik, dat mijn plan voor heeft, dat bet eene bepaalde klasse van menschen helpt, en daardoor nooit in de belangen van anderen ingrijpt en die benadeelt. Voorts zoekt liet niet alleen in het tijdelijke te baten, maar het verliest ook bij geen zijner onderdeelen den hoogeren aanleg en behoeften des menschen uit het oog. Hoedanig toch zijn de omstandigheden, waarin honderden en duizenden het leven moeten slijten. Van de wieg tot het graf zou de invloed op hun godsdienstig leven samengevat kunnen worden in de drie woorden: «i/od-loochening gemakkelijk gemaakt!» Ga slechts ieder onzer eens iu oprechtheid na, wat van hemzelven onder gelijke onistandigheden had moeten worden! Zou ook niet in onze borst het denkbeeld hebben kunnen post vatten, dat indien er waarlijk een liefhebbend God bestond, hij niet zoo velen zou laten hongerlijden, en dat, ware zijne goedheid zoo groot, hij wel op andere wijze in de tijdelijke en eeuwige behoeften zijner schepselen zon hebben voorzien ¥

Stel u in de plaats van den man, die hongerig en koud, niet weet, vanwaar een volgend maal voor hem komen zal; die misschien reden heeft te duchten, dat het hem voor goed zal

-ocr page 331-

VIJF EN VEERTIG J.VKEN EllVABING.

blijven ontbreken. Kan het bij zulk een wel anders, clan dat al zijn denken en gevoelen opgaat in de hongerkwelling, die hem foltert? Zijne eerste en grootste behoefte is spijs. Eerst als zijne maag verzadiging gevonden heeft, zal hij hoofd en hart kunnen hebben, om ook aan de behoeften zijner onsterfelijke ziel te denken.

Ervaring op dit punt ontbreekt mij niet, want gedurende vijf en veertig jaren heb ik in het lot van armen gedeeld, en niet opgehouden naar mijn vermogen hun leed te helpen verzachten, wat mij ook met niet weinigen is mogen gelukken. Wie, onder welken naam ook, de hoogere behoeften der armen behartigen wil, moet beginnen met te bedenken, dat eene hongerige maag geeue ooren heeft; en dat een wel overlegd, liefdevol voorzien in tijdelijke nooden een noodzakelijk te volgen weg is, wanneer het ons ernst wordt om op geestelijk gebied weldoeners onzer medemenscheu te worden. Zullen hongerlijders te midden hunner ellende in Jezus als Zaligmaker kunnen ge-looven, en zijne dienaars en volgers worden, dan moeten zij eerst gevoelen, dat er belijders des Evangelies zijn, die hun nood en lijden verstaan, en er waarlijk alles voor overhebben om daarin verzachting en zoo mogelijk eene duurzame verandering ten goede te brengen. Zij moeten in een toestand gebracht worden, waarin zij als vrucht van hun arbeiden spijs en een goed verblijf kunnen bezitten, en een ander vooruitzicht hebben dan een voortdurend en hopeloos gebreklijden. Is het hun, die gezind zijn om in waarheid te arbeiden op het veld der christelijke menschenliefde ernst, om de handen ineen te slaan dan kan de doortastendste hervorming niet onmogelijk blijken. Treden zij zoo als dienstknechten van den Christus Consolator op, dan zal het volk opstaan om hen na te volgen en te zegenen; maar blijft in onze christenmaatschappij traagheid en onverschilligheid de overhand behouden tot het machteloos maken van wie het goede willen en voor anderen zoeken, dan kunnen de duizenden, die in ellende vergaan, nauwelijks anders dan hen vloeken, wien de macht tot helpen en redden niet ontbrak, maar die hun Heer in het niet tellen van het lijden der menschheid verloochenden.

313

-ocr page 332-

EENiGE BE/.WAREN EN TEC1 ENWEKP1N0EN WEUEKI.EGU.

VIERDE AÏDEELING.

Ecnige bezwaren en legenwerpiiigen wederleg»!.

Het k;iu niet anders, of tegenwerpingen staan ons te wachten. Zij moeten wel noodzakelijkerwijze geboren worden in betrekking tot welk plan ook, dat zijn levensvatbaarheid nog in de praktijk niet. heeft bewezen, en hebben geene andere beteekenis dan eene aanduiding der moeilijkheden, welke bij de ten uitvoerbrenging voorzien worden. Zeiven zijn wij de eersten om toe te geven, dat er een overvloed van moeilijkheden te overwinnen zijn, eer wat wij voorstelden in goede en geregelde werking is. Toch zijn wij voor onszelven overtuigd, dat vele van deze niet zoo moeilijk te overwinnen zullen zijn, zoodra het maar tot uitvoering komt, en dat het gaandeweg evenzoo met alle volgende gaan zal. Gelooi\', moed en geduld hebben door alle tijden heen bergen weten te verzetten. Moge echter wat wij beraamden en beproeven willen, den goeden uitslag hebben, dien wij er aan voorspellen, dan moet ons plan vroeger of later een beslissenden omkeer brengen in den toestand der nu honger en gebrek lijdende groepen in de maatschappij, en dit niet alleen in deze groote wereldstad, maar overal, waar zich de schaduwzijden vertoonen van ons niet Vrij maar ten deele ouder dwang ontwikkeld maatschappelijk leven. Naarmate overal aan de beginselen des Evangelies door zelfzucht en naijver hinderpalen zijn in den weg gelegd, hebben daardoor gansche kringen van menschen moeten lijden; en naarmate anderen van den toestand voordeel trokken, er te meer de schadelijke gevolgen van moeten ondervinden. Waar het ons hoofddoel is in onze mate de beginselen van vrijheid en liefde in voller werking en bloei te helpen brengen, hebben wij ook de verwachting van te zullen slagen, en het recht om te verlangen, dat het door ons bedoelde althans aan eene degelijke proef worde onderworpen.

Eenige der bezwaren schijnen op het eerste aanzien van ern-stigen, zoo al niet van overwegenden aard. Vestigen wij er onze aandacht op.

Eerste bezwaar. — Er is beweerd, dat de klasse van menschen, die ivij baten, willen, zelvcn van ons plan niel zullen gediend zijn.

Met verwijzing naar de gelijkenis iu het Evangelie, wordt er op gezinspeeld, dat wanneer de maaltijd is aangericht, de ge-

-ocr page 333-

VOLKSOORD F, EL.

uoodigden, iu dit gevid de hongerlijdeude schare, niet zal willeu komeu en binnengaan. Men moge al voor zulkeu goede werkplaatsen in de stad eu boerderijen buiten openstellen, toch zullen zij er de voorkeur aan blijven geven, in hunne schuilhoeken iu luiheid en vuilnis om te komen, in plaats van zich naar de eischeu van een dagelijksch brood geveuden werkkring te schikken.

Hoe weinig de verwijzing naar de gelijkenis doorgaat blijkt reeds, wanneer wij letten, wie weigerden te komen, en wie daarna op de eerste uitnoodiging het huis vulden. Ook hebben wij ons allereerst in betrekking gesteld tot de personen, wier welzijn ons ter harte ging. In onze toevluchtshuizen hebben wij op zekeren avond raad gehouden met een 250 tal daar vertoevende mannen, die allen buiten werk waren, en daaronder op pijnlijke wijs leden. Wij stelden hun eene reeks vragen, en ontvingen van allen daarop een duidelijk, ondubbelzinnig antwoord. Men bedenke hierbij wel, dat op deze mannen niet den minsten drang geoefend werd om op de gestelde vragen antwoord te geven, en allerminst om daarop naar onzen wensch te antwoorden, daar hun niets van onze plannen bekend was.

Al deze 250 mannen waren, althans verreweg de meerderheid, in de eerste kracht des levens. De meesten hunner waren bekwaam voor hun vak. Uit hunne getuigschriften bleek ons, dat 207 goede getuigenis omtrent hunne bekwaamheid hadden, en dus geschikt waren tot arbeid, wanneer de gelegenheid er toe zich slechts voordeed.

Hun ambacht en werkkring was zeer onderscheiden. Er waren onder hen bouwkundigen, schoolmeesters, uurwerkmakers, zeelieden en uit alle onderdeelen van het bouwvak; ook waren er verscheidenen bij, die vroeger eene eigen zaak hadden.

Het bedrag werkloon, dat zij bij het hebben van werk verdienden, was voor de bekwamen 18 eu voor de minder geoefen-den 12 gld. \'s weeks.

Van luiheid konden zij redelijkerwijs niet beschuldigd worden, daar de meesten hunner getoond hadden, dat wanneer zij in hun eigen vak geene plaatsing vinden konden, zij bereid waren geweest om eiken hun voorkomenden arbeid aan te pakken. Bij het overzien der lijst bleek ons, dat iemand, die ambtenaar bij de inkomende rechten geweest was, in den laatsteu tijd timmer-manswerk had verricht; een lettergieter had volgaarne bij een schoorsteenveger dienst gedaan; de schoolmeester, een man, die vijf\' talen sprak, en in zijn goede dagen een eigen hofstede bezeten had, had zich in den laatsten tijd met metselwerk in het leven gehouden; een heerenknecht, die tot 00 gld. in de week

-ocr page 334-

316 KEN [GE I1EZW.UIEN EN TEGENWEItPINüEN WEDEBLEGD,

verdiend had, was dankbaar geweest, dat hij met het loopen feusschen twee advertentieborden 14 stuivers daags had kunnen verdienen. Zoo bleek het bij allen, dat zij nog liever het minste werk deden, dan in bedelen uitkomst te zoeken.

Aan den geheelen kring deden wij de volgende vraag; «indien gij eens plaatsing kondt krijgen op eene landhoeve, om daar dat werk te doen, waarvoor gij geschikt en bekwaam zoudt blijken, en gij kreegt daarvoor voeding, verblijf en kleeding, en dit met het oog om u weder in de maatschappij op de been en vooruit te helpen, zoudt gij willig zijn, om zulk een aanbod aan te nemen en uw uiterste best te doen?»

Het antwoord van al de 250 op één na was in bevestigenden zin; eu toen wij nader onderzochten, bleek het, dat die één een zeeman was, die de vrees koesterde, dat hij voor zulk werk geheel ongeschikt zou blijken.

Nader gevraagd, of\' zij niet terug zouden deinzen voor het zware werk, dat in menig opzicht voor landbouw gevorderd wordt? Fluii antwoord was: «waarom zouden wij? Zie hoe het met ons gesteldis, kunnen wij in nog meer moeite geraken dan nu?»

Waarom niet? — Wie deze mannen slechts aanzag, moest wel gevoelen, hoe onredelijk een weigeren hunnerzijds wezen zou. Bijna allen staken in lompen, waren door ongedierte vervuild, hongerig, sommigen het leven houdend bij gevonden of\' gebedeld voedsel, en verscheidenen zonder voldoende kleeding om hunne naaktheid te bedekken.

Des anderen morgens moest ieder hunner weder de straat op, niet wetende hoe een stuk brood voor het middagmaal te verdienen, ol de vier stuivers machtig te worden, vereischt om hun weder nachtverblijf in ous tehuis te verschaffen. Het is bijna niet mogelijk eene weigering hunnerzijds te vermoeden bij het aanbieden van werk, voldoende om ruim in hunne dagelijksche behoeften te voorzien, bij het vooruitzicht om nog eens opnieuw een eigen tehuis te bezitten. Het kan wel bijna aan geen twijfel onderhevig zijn, dat zulken niet alleen gaarne een plan als het onze zullen aannemen, maar veeleer mag verondersteld worden, dat zij het dankbaar met beide handen zullen aangrijpen.

Tweede bezwaar. — Er zullen te velen komen.

Ziedaar wat veeleer waarschijnlijk is. Het laat zich aanzien, dat er overvloedig velen zich zullen aanmelden, maar niemand kan ons de verplichting opleggen, om al wat komt aan te nemen, en zoo te gaan buiten de grenzen, waar binnen het ons blijkt de hulpbehoevenden waarlijk tot nut te kunnen zijn. Hoe meer er zich aanbieden, des te grooter wordt onze keus, en des

-ocr page 335-

317

te grooter prikkel zal er zijn om aan ons pogen meer uitbreiding te geven.

Derde bezwaar. — Zij zullen wegloopen.

Eene andere opmerking tegen ons plan is, dat velen het leveu buiten te eentonig vinden zullen; dat bij het ongewone van het te verrichten werk en het gemis van al de verstrooiing, die het stadsleven oplevert, zij den voor hen gemaakten toestand ondragelijk zullen keuren. Zelfs voor wie op straat rondzwerven, biedt nog het stadsleven allerlei afwisseling en verstrooiing. Ongetwijfeld zullen er zijn, die het blijven moede, bij een terughunkeren naar de stad wegloopen zullen, maar ik voor mij ben zeker, dat hun getal niet zoo bijzonder groot zal zijn. De voor hen tot stand gebrachte verandering is zoo groot en zoo klaarblijkelijk in hun voordeel, dat wat zij zullen missen, te verre wordt overtroffen door wat werkelijke verbetering is, dan dat de opwekking, die er voor zulken in de stad bestaat, van zoo aantrekkende macht kan zijn. Bij ons toch zullen zij vinden:

Overvloed van goed voedsel.

De vriendschap en deelneming van hunne nieuwe makkers. Ieder zal wel iemand van zijn gading vinden, — terwijl nog niet allen terstond van een godsdienstig beginsel doordrongen zijn. Het zon gansch iets anders zijn. wanneer zij allee.n naar eene hofstede, of in een wat naargeestigen familiekring gezonden werden.

Voorts zal hen bij ons het denkbeeld opwekken en prikkelen, dat zij nog eens weder op eigen beenen kunnen komen te staan; eene verwachting en hoop gevoed en gesteund door het eigen karakter onzer godsdienstige samenkomsten, onze muziek, en de vrijheid, die wij aan het onderling verkeer zoeken te verzekeren.

Wat leert ons voorts onze reeds verkregen ervaring?

Indien er eenige klasse is, geschikt om den maatschappelijken hervormer tot wanhoop te brengen, dan is het wel de diep gezonken klasse van vrouwen, die van straatontucht leven. Voor iemand, die deze tot geregelde werkzaamheid vormen wil, missen zij wel alle voorwaarden van geschiktheid. Op enkele uitzonderingen na werden zij nooit tot geregeld arbeiden opgevoed; het leven van wellust heeft alle zedelijk beginsel in haar ondermijnd; zij zijn gewend geworden aan do meest woeste ongebondenheid: vreemd aan alle tucht behalve die van een gedwongen hongerlijden, zijn zij bijna allen aan drank verslaafd en sleepen een krank en ondermijnd lichaamsgestel voort. Wanneer wij nu op een aanmerkelijk getal derzulken wijzen kunnen, die gebleken zijn

-ocr page 336-

EENIOE I1EZWAREN\' RN TKGENWEIUTNGEN WEDHBLKOD.

willig zich aan tucht te onderwerpen, de onthouding van drank te verduren, zich op geregelde werkzaamheid toe te leggen, dan levert zulk een voorbeeld, dunkt mij, een sterk bewijs, dat zelfs het diepst gezonken deel der mensohheid, als het slechts met oordeel en in goede richting wordt aangevat, nog wel te winnen is om tucht te verdragen en zich tot arbeiden gezind te betoonen. In onze toevluchten voor gevallen vrouwen hier te lande nemen wij jaarlijks meer dan duizend van zulke ongeluk-kigen op, en over geheel den aardbodem het dubbel van dit aantal van zulke bijna reddeloozeu. Vau dit pogen hebben wij nu eene ervaring, welke zich over ruim drie jaren uitstrekt, — een tijdperk waarlijk voldoende om met eenigeu grond over de uitkomsten van ons stelsel te oordeelen.

Bij ons bestaat geenerlei soort van dwang. Wil een meisje blijven, dan staat het blijven haar vrij, Wenscht zij ons te verlaten, zij is vrij en kan heengaan, wanneer zij dit wenscht. Toch leert ons onze ervaring, dat zij in den regel niet weggaan, maar bij ons blijven. Hoewel de meisjes, in vergelijking met mannen, veel rusteloozer en onnadenkender zijn, en naar verandering haken, hebben wij in het geheel geen klagen, dat de opgenomen vrouwen in grooten getale van ons heengaan. Gedurende drie jaren gingen dooreen niet meer dan 14 pet. in Londen vrijwillig van ons weg, en in het jaar 1889 was het getal niet meer dan 5 pet. Het geheele getal dergenen, die ons in dat jaar verlieten, of weggezonden moesten worden, was niet hooger dan 13 pet.

Vierde bezwaar. Zij zullen niet willen werken.

Het laat zich veronderstellen, dat zulken, die sedert jaren aan een leven van werkeloosheid en luiheid zijn gewoon geraakt, in den beginne weinig smaak zullen vinden in een aanhoudenden, soms vermoeienden arbeid, en dat er eene zekere mate van geduld met hen zal noodig zijn, en ook takt om den lust en den moed tot werken in hen levendig te houden. Het kan zijn, dat het zelfs onmogelijk zal blijken de zoodanigen te behouden, althans zoolang niet de regeering het voor een gezond man tot misdaad maakt, om als een lastpost voor het algemeen te bedelen, terwijl er voor hem gelegenheid bestaat om door werken den kost te winnen. Is het echter eenmaal algemeen bekend, dat er voor zulken gelegenheid tot werken is, en dat de regeering luiaards het bedelen als misdaad aanrekent, dan zal ook wel het steeds aalmoezen geven aan tot werken geschikte personen allengs minder worden en eindelijk geheel ophouden. Wanneer het zoo ver komt, en geen gezonde brood kan vinden zonder er werk voor te doen, dan zullen de weifelaars wel moeten besluiten om liever te arbeiden dan dood te hongeren.

318

-ocr page 337-

ONWIL TOT WERKEN NIET TE VREEZEN.

Hierbij dieut in het oog gehouden, dat zoodra de regeeriug ernstig in dezen geest zal willen medewerken, de zekerheid van weggejaagd te zullen worden, den luiaards wel eeu prikkel worden zal, om niet van een toestand, welke hun niet smaakt, tot nog zwaarder en zuurder deel te vervallen. Bij ons zul het aan verscheidenheid van werk nooit ontbreken, en na eene of\' meer proeven zullen de onwilligen wel een geregelden arbeid boven het eentonig steenkloppen en touwpluizen gaan begeeren.

Nogmaals wil ik op dit punt verwijzen naar ons verlossingswerk voor gevallen vrouwen. In onze toevluchtsoorden hebben wij nog nooit moeite gehad om deze een haar voegenden arbeid te doen verrichten, leder weet, hoe deze ongelukkige schepsels zich het nietsdoen tot eene tweede natuur gemaakt hebben, zoodat het niet anders kan, of een laten varen van haar misdadig leven, moet wel een komen tot armoede en gebrek zijn. T5ij ons moeten deze vrouwen van vroeg tot laat zich bezig houden met op zichzelf juist niet zoo bijzonder aantrekkelijk werk. en toch leert de ondervinding, dat het bij haar geen weerzin wekt. daarin dag aan dag werkzaam te zijn. Zie hier een ingeleverd rapport, dat mijne bewering vestigt.

Eene kleine boekbinderij is aan een onzer toevluchtsoorden in Londen verbonden. Zij, die vouwen en innaaien zijn allen meisjes, die afkeerig van huiselijke dienstbaarheid, op eene of andere wijze een straatleven leidden. Voor enkelen werd het moeilijk vraagstuk op de meest voldoende wijs opgelost. Zoo vinden daar nu twee kreupele en misvormde meisjes werk, terwijl eene andere zich in staat ziet om door haar handenarbeid zichzelve en twee kinderen te onderhouden.

Terwijl zij het werk aanleeren wordt haar in de tehuizen verblijf gegeven, en het weinige, dat zij alsdan verdienen, komt in de kas van het tehuis. Zoodra zijn zij echter niet in staat om zeven gld. \'s weeks te verdienen, of eeu eigen tehuis wordt voor haar gezocht, zoo mogelijk bij iemand tot ons leger behoorend, en van dat oogenblik af, moeten zij leeren geheel in eigen behoeften te voorzien. De meeste der in dit vak werkzame meisjes zijn bij hare ouders te huis, en de twee a drie gulden, die zij tot de gezamenlijke inkomsten bijdragen, zijn aan de huismoeders hoogst welkom. Daar echter de bij ons werkzamen geheel in eigen onderhoud hebben te voorzien, moeten zij althans niet minder dan zeven gulden \'s weeks verdienste hebben. Opdat dit haar mogelijk zij, rekenen wij ons verplicht haar iets hooger loon te geven dan andere werkgevers in dit vak. Zoo geven wij per duizend stuks 2 a 3 stuivers meer dan in den handel

319

-ocr page 338-

320 EENIGE BEZWAREN EN TEGENWERPINGEN WEDEKLEGI).

gewoonte is; desniettegenstaaude en terwijl wij een bepaald persoon bezoldigen om op werk en werktuigen liet oog te houden, heeft deze arbeid omtrent 0000 gld. ten voordeele vau onzen arbeid opgeleverd, en gaandeweg wordt nog steeds het werk, dat verricht wordt, van beter gehalte, en worden allen voor stukwerk betaald.

Achttien vrouwen verdienen nn op deze wijze bij ons den kost, en deze allen gedragen zich onberispelijk. Een van haar heeft over de anderen toezicht. Te half een ure gaat zij voor in een bidstond en doet na eiken maaltijd een kort en passend gebed. Het goede gedrag dezer vrouwen, zoowel tehuis als bij het werk is de voorwaarde van haar aanblijven in onzen dienst. In niet meer dan één geval hebben wij met zulk eene arbeidster moeite gehad, en dit was met een op zichzelve staand meisje, die zich daarna zoo boetvaardig betoonde, dat wij haar vergiifenis schonken, waarna zij zich ook verder onberispelijk gedragen heeft. Zoover ik weet, zijn alle deze zonder uitzondering ook heilssoldaten geworden en toonen zich getrouw in het bijwonen onzer Zondaggodsdienstoei\'eningen. Het bindwerk voor het heilsleger en al het innaaiwerk levert reeds alleen arbeid genoeg om deze zaak met goed gevolg in gang te houden. Aan het eind der maand nemen wij nog wel eens werk van buiten aan, maar dit betaalt zoo slecht, dat het aan de kas geen voordeel aanbrengt.

De hier beschreven werkplaats is wel eene factory in miniatuur, maar toch in werkelijkheid eene factory. De voet, waarop zij werk doet, eu de grondregels, die wij bij den arbeid volgen, maken, dat zij voor eene onbepaalde uitbreiding vatbaar is, en met recht door ons wordt beschouwd als eene aanmoediging eu een voorbeeld, hoe wij op allerlei wijs onzen werkkring zullen kunnen uitbreiden.

Vijfde bezwaar. —• Voorts wordt het hezwaar opgeworpen, dat de klasse van menschen, aan wie wij ons voorstellen hulp te bieden, tiaar hunne lichaamsgesteldheid niet in staat zullen blijken, om veldarbeid te verrichten of werk in de open lucht te doen.

Hoe kunt gij meeneu, dus vraagt men, dat kleedermakers, kantoorklerken, wevers, naaisters, en al het arme volk, dat in de stegen en krotten onzer steden geboren en opgegroeid is, ooit in Staat zullen zijn om het verschillend werk te doen, dat eisch voor het goed behartigen eener bouwhoeve is? Het werken in de open lucht, blootgesteld aan alle guurheid des weders, zal hen dadelijk een prooi van ziekte en dood maken.

Ons antwoord is, dat do verdeeling van werk, waarop wij wezen, het even onnoodiir maakt, als het uit betrinsel onmen-

-ocr page 339-

ONS PLAN OMVAT ALLEN.

schelijk zijn zou, om veleu uit de hulpbehoevenden althans terstond aan het spitten en graven, of zelfs aan het planten te zetten. Zulke onbekookte voorstellingen zijn niet in het allerminst van toepassing op het door ons met zorg en nadenken beraamde plan. Bij schier eindelooze herhaling is het door ons gezegd, dat wij ieder persoon aan zulk werk zullen zetten, als ons op de proef gebleken is, dat aan hem of haar voegt, en waarin ieder kans heeft, wel te zullen slagen.

Hier komt nog bij, dat het niet aangaat omtrent den gezondheidstoestand vergelijkingen te maken tusschen menschen, die zonder tehuis omzwierven, op straat of in koortsige holen sliepen, en menschen, die het voorrecht genieten van in goede, wel verwarmde en wel geluchte huizen te wonen, en dagelijks het beste soort van voedsel op hun disch te zien aangericht.

Breng man of vrouw in een vrije, gezonde lucht, geef hun passende bezigheid, en daarbij krachtig voedsel; wel, als zij daarbij in een aaugenaam tehuis en eene vroolijke omgeving leven, met het vooruitzicht eenmaal weder geheel onafhankelijk te worden, dan kan het in den regel niet anders, of hunne gezondheid zal zich zoo herstellen, dat zij spoedig tot een geregelden en aanhoudenden arbeid bekwaam zullen blijken.

Zesde bezwaar. — De opmerking is gemaakt, dat wij al zeer spoedig mei een aanmerkelijk overschot van halfwijze, niet te helpen personen zullen verlegen zitten.

Gewis wordt in dit bezwaar gewezen op eene moeilijkheid, waarmede wij te rekenen hebben. In den aanvang zullen wij zeker hebben op te letten, dat wij niet overmatig met deze soort van hulpeloozen overladen worden, waarbij toch geheel duidelijk is, dat niemand ons dwingen kan om te zorgen, dat zulken kost en inwoning krijgen. Zijn echter zulken eenmaal onder onze hoede gekomen, dan zal alleen de uiterste noodzakelijkheid er ons toe brengen om een eeuige los te laten, nadat zij door ons toedoen uit een leven van zonde en ellende uitgeholpen zijn. Toch is dit dreigend gevaar, uit geldelijk oogpunt, niet zoo schrikaanjagend, als sommigen schijnen te meenen. Naar mijne berekening kunnen wij zulken voor 48 stuivers in de week verzorgen, en hunne lichaamskrachten en geestvermogens zullen al uitermate moeten verzwakt zijn, wanneer zij dit bedrag op de hoeve niet met allerlei licht werk kunnen verdienen.

Zevende bezwaar. — Verder wordt er op gewezen, dat sommige pogingen van gelijken aard gefaald hebben en mislukt zijn. Coöperatieve ondernemingen in landbouwwerk, bij voorbeeld, zijn bepaald mislukt.

321

21

-ocr page 340-

GBNIRE BEZWA.IIEN EN TEOEN WERPING EN WEDERLBGD.

Dit is zeer waar, maar zoover ik heb kunnen nagaan, is iets van dien aard, zooals liet door mij begrepen wordt, nog nooit beproefd. Eene menigte socialistische vereenigingen zijn in Amerika\'s Vereenigde Staten, in Duitschland en elders op touw gezet en verongelukt, doch zoowel in beginsel als wat het in werking stellen betreft, verschilden zij hemelsbreed van wat door ons wordt aanbevolen en gezocht. Men lette alleen reeds op dit eene. Het meerendeel dezer vereenigingen is beproefd, niet slechts zonder eenig acht slaan op de beginselen des Christendoms, maar meestal met openlijke vijandschap er tegen. Die weinigen, waarbij met de eischen des evangelies gerekend werd, hebben zich althans voor een tijd kunnen staande honden. In zoover deze, gelijk te Rahaline voorspoed hadden, is het juist geweest door de beginselen, welke de grondslag van onzen arbeid zijn.

Achtste bezwaar. — Al verder is beweerd, dat het oyimogelyk moet blijken, onder deze klasse van menschen orde en tucht te he-waren.

Onze meening staat rechtstreeks tegen dit beweren over. Wij zijn van eene andere uitkomst geheel zeker, (in dit niet door theorie en bespiegeling, maar als tot spreken gerechtigden, omdat wij reeds zoovele jaren lang in het midden van dit, soort menschen, en met en voor hen hebben geleefd. Wij hebben deze opgeworpen moeilijkheid van alle zijden leeren kennen. Voorts bedenke men:

Ons plan is niet om aan te vangen met een duizendtal wilde, ongetemde personen, noch hier te lande, noch daarbuiten. Niemand zal door ons naar de overzee-kolonie gezonden worden, die niet hier reeds een vrij lang tijdperk van opleiding en vorming heeft doorgemaakt. Op weinige uitzonderingen na zullen allen, die op de hoeve komen, reeds in de stad getoond hebben, wat er in zit en wat van hen te wachten staat. Naar de hoeven zullen wij ook slechts kleine afdeelingen te gelijk overbrengen, en wat orde houden aangaat, ben ik zeker, dat dit ons door naar de liefde ook in hare strengere eischen met verstand te luisteren, vrij wat beter gelukken zal, dan door de soms bar-baarsche middelen, waarmede men in onze werkhuizen en gelijksoortige inrichtingen zoo terstond gereed is.

Hierbij vergete men nooit, dat ons stelspl van bestuur, zooals dit in het leger wordt in beoefening gebracht, ons voor de te aanvaarden taak minstens heeft voorbereid, zooal niet geheel geschikt gemaakt. Door jaren arbeids op gelijksoortig gebied moeten wij wel veel voorhebben. Allen, die tot ons in betrek-

Sii

-ocr page 341-

TVTJZR TUCHT MOGRLtJK.

king staan, zijn tot gewoonten van gehoorzaamheid gedrild, en al onze officieren ontvangen eene opleiding, welke hen geschikt maakt om over anderen gezag te oefenen. De officieren in de koloniën zullen bijna uitsluitend uit de rangen des legers gekozen worden, en ieder hunner vat dus zijn taak niet aan, dan na eene theoretische en praktische opleiding genoten te hebben.

Mag niet onze verkregen ervaring ons recht tot medesprekeu geven ¥ Men sla slechts ons leger gade. In hoe kennelijke mate heersdien orde en tucht onder onze soldaten. Hier ziet men mannen en vrouwen, die geen tijdelijk belang bij de zaak hebben, die geen loon ontvangen, die door hunne aansluiting bij ons menig aardsch voorrecht en voordeel ten offer brengen, en die toch zonder dralen gewillig aan ontvangen bevelen gehoor geven, al druisen die ook rechtstreeks tegen hunne tijdelijke belangen in.

«Goed,» zullen enkelen in het midden brengen, «dit is alles uitmuntend, in zoover het zulken raakt, die met u eene zelfde denkwijze hebben. Hun kunt gij bevelen geven, zooveel gij goed vindt, maar welke proef is nog door u geleverd, dat gij bekwaam zijt, hen te leiden en onder tucht te honden, die zich naar uwe wijze van zien en denken niet kunnen voegen?»

«Met uwe heilssoldaten kunt gij omspringen, zooals u goeddunkt, omdat zij, naar uwe wijze van spreken, gered zijn. Wanneer zij in dien geest als opnieuw geboren zijn, kunt gij er alles mede uitrichten. Maar wanneer gij nu niet alle personen in Engelands duistere wildernissen dus tot inkeer gebracht hebt, welke kans is er, dat zij naar uwe tuchtregelen zich zullen willen voegen? Hadt gij ze werkelijk tot een innerlijk nieuw leven kunnen brengen, dan gewis zou de moeilijkheid niet zoo overwegend zijn. Intusschen zij zijn niet gered ; noch iu gezonden, noch in eenigen anderen zin; zij zijn verlorenen, Welkeu grond hebt gij om te meenen, dat zij naar uw tucht luisteren zullen?»

Ik geef het wezenlijke der tegenwerping toe; maar ik heb daarop een antwoord, en een antwoord, dat naar ik meen afdoende is. Tucht, en wel een tucht in den meest vreeselijken zin des woords, wordt nu reeds op eene overgroote menigte dezer personen toegepast. Geene gezaghebbende organisatie kan het gezag verder uitstrekken, kan iets eischen, dat in vergelijking komt bij den slavendwang van de uitzuigers, in wier dompige hokken de ongelukkigen nn afgebeuld worden. Zij hebben niet te kiezen tusschen vrijheid of tucht, maar tusschen eene tucht, door hebzucht opgedrongen en uit overweldigenden honger geduld, en eene tucht, die enkel in hun eigen belang wordt geoefend en die met een betrekkelijken overvloed gepaard gaat. Welke vrij-

323

-ocr page 342-

324 EENIGE BEZWAREN EN TEGENWERPINGEN TVEDEBLEGD.

heid bestaat er voor kleedermakers, die dagelijks van zestien tot twintig uren in een pesthol moeten arbeiden, om zes gulden in de week te verdienen? Er bestaat geen tucht, die in onbarmhartigheid gelijk staat met die van het ras, dat zich verrijkt met het zweet der hongerlijders. Vergeleken met den toestand, waarin deze ellendigen nu hun bestaan voortsleepen, is de strengste tucht, noodig voor eene vereeniging om orde en regel te bewaren, nog een overgang van onder het juk der slavernij tot een weldadig genieten van herkregen vrijheid.

Gij kunt mij hierop antwoorden: «lit zou zoo kunnen zijn, indien de menschen hun welbegrepen eigenbelang inzagen. Ieders ervaring echter leert, dat zij hun belang niet begrijpen, en steeds te kortzichtig blijken, om de voordeelen in te zien van de beperkingen, die voor hun eigen welzijn noodzakelijk gekeurd worden.»

Op dit punt is mijn antwoord, dat ik al quot;weder niet bij het licht van bespiegeling behoef te spreken. Mijne getuigen zijn de onbetwijfelbare vruchten van jaren ondervinding op dit gebied. Reeds meer dan twintig jaren is het geleden, dat de ellende en de wanhoop van van werk verstokenen mij de handen uit de mouwen heeft doen steken en tot een beslissend handelend optreden gedrongen. Het innerlijk gevoel van medelijden, dat mij overmachtig dreef, heeft mij toen verblijven doen openen, waar de ongelukkigen schuilplaats en voedsel vinden konden. In deze toevluchtsoorden komen nacht aan nacht een groot getal van werkeloozen bijeen. Onder hen zijn er van het laagste soort, ook schuldigen aan allerlei misdaad, en hoewel er geen onhandelbaarder volkje is uit te denken, en er steeds een 200 in ieder afzonderlijk gebouw bijeen zijn, is nog van het eerste openen der deuren af, niemand heengegaan, die zich daarbij ontevreden betoonde, of eenige ernstige reden tot klagen gegeven had. Nog nooit hebben wij politiehulp noodig gehad. Steeds bevonden wij, dat een verblijf van twee of drie nachten onze gasten geschikt maakte om vrijwillig de orde te helpen bewaren. Zij toonden zich geheel gezind om zeiven naar onze regels zich te voegen, maar ook om de ondergeschiktheid daaraan aan anderen aan te bevelen.

Voorts zal ieder kolonist, hetzij in de stad of buiten, zich spoedig bewust worden, dat allen, die het belang der kolonie ter harte nemen, zich getrouw betoonen in hunne verhouding tot het bestuur en met hunne leiders medewerken om de kolonie tot bloei te brengen, er hunne belooning in vinden, dat zij meer betrouwd, verhoogd en aan beter vestigiug geholpen worden.

-ocr page 343-

MET GODS BIJSTAND NIRT3 ONMOGELIJK.

Waar wij vooral op hopen is, dat tie kolonisteu zullen beseffen, dat al onze pogingen te hunnen behoeve geschieden. Ieder man en elke vrouw, die wij opnemen, kan nauwelijks anders dan doordrongen zijn van de overtuiging, dat wij met geen ander doel de zaak aanvingen en hebben voortgezet dan met den ernstigsten wensch ora hun welzijn te bevorderen; eu dat hun goed gedrag en medewerken tot welslagen, de beste weg voor hen persoonlijk is, om de beoogde vrucht van den arbeid te oogsten. Hierop alle gewicht leggend, is het toch bij ons hoofddoel hen een onbaatzuchtig belang in ons pogen te doen stellen.

Negende bezwaar. — Verder is het eene meening, dat ons doel veel te groot is, om als een icerk van vrijwillige liefde te toorden ondernomen, zoodat iets van dezen aard door de regeering moest ter hand genomen en volvoerd worden.

Voor deze meeuing moge iets te zeggen zijn; toch zou het nog wel zeer lang moeten duren eer de regeering tot iets van dezen aard kwam, en wanneer zij het ondernam, is welslagen verre van zeker. Doch hoe dit zij, daar noch de regeering, noch eenige vereeniging, noch bijzondere personen beproefd hebben, wat God ons als een hoog noodig werk heeft doen erkennen, terwijl Hij er ons de geneigdheid en in meer dan één betee-kenisvollen zin de bekwaamheid ioe schonk, zijn wij onzerzijds bereid, om wanneer de noodige geldelijke steun ons verleend wordt, met geheele overgave van onszelven de poging te wagen, en, wat God geve, tot een zegevierend welslagen te doen gelukken.

Tiende bezwaar. — Eindeljlc is het bezwaar gemaakt, dat de klassen, die wij traehten te helpen, te onwetend en verdorven zijn, dan dat nog eenig christelijk, ja zelfs maatschappelijk pogen hen ten goede zon kunnen hereiken.

Zie op de landloopers, de dronkaards, de hoeren, de misdadigers. Hoe als geworteld zijn zij in hunne gewoonten van ledigloopeu, luiheid en misdaad. Men zal blijven zeggeu, zooals werkelijk reeds zoo dikwijls gezegd is, dat ik dat slag van volk niet ken. Zie, dit is wel eene stelliug, die zich zeer bezwaarlijk laat volhouden; want als ik deze niet ken, wie kent ze dan?

Wat ik ten volle toestem is, dat duizenden onder deze onge-lukkigen zeer verre vervreemd zijn van alle besef aangaande goede en redelijke beginselen van gedrag. Mijn beweren hiertegenover is, dat personen als deze bezwaarlijk meer ongeschikt kunnen zijn voor een werk van herschepping en wedergeboorte, dan zoo vele wilde heidenstammen, aan de mogelijkheid van wier

335

-ocr page 344-

EENIGE BEZWAREN EN TEGENWERPING EN WEDERLEG!).

tereohtbreuginj; en bekeeriug christenen toch wel gelooven. Voor deze verbasterden eu diepgezonkenen vragen zij op dien grond groote sommen gelds en zenden uit hun midden do beste arbeiders tot hunne redding.

Zou iemand durven beweren, dat de hemelsche Vader in den weg zijner voorzienigheid de ougelukkigen onzer samenleving buiten zijne reddingsplannen tot behoud van verlorenen heeft uitgesloten\'? Ik kan niet anders zien, dan dat zij in de oogen des Heilands juist de schapen geweest zijn, wien men alle her-derszorg liet ontbreken, en dat Hij, die voor goddeloozen stierf, vooral voor de geheel vergetenen, verwaarloosden en verachten is gestorven aan het kruis.

Reeds staaft de geschiedenis der gemeente van haar begin, dat uit den kring der diepstgevallenen Gods genade zich machtig betoond heeft in de vernieuwing van den geest huns gemoeds. De Bijbel, de ontwikkeling der gemeente op aarde en ook de geschiedenis van het heilsleger maken het aanschouwelijk, hoe de Heer uit reddeloos verloren geachten nog machtige werktuigen voor de eer zijns naams en tot heil van zijn koninkrijk heeft gevormd.

Nog kan men tegenwerpen, dat terwijl dit plan ongetwijfeld eene klasse der maatschappij helpen zal door het vormen van nijvere en deugdelijke werklieden, het juist daardoor ten nadeele van eene andere worden moet door zoovele nieuwe werkkrachten te brengen op eene markt, die nu reeds overkropt is.

Aan deze opmerking kan met reden eenig gewicht gehecht worden, maar ik meen, dat het bezwaar in vorige bladzijden reeds voldoende wederlegd is. Hierbij zij nog opgemerkt, dat indien de gevreesde vermeerdering van werklieden het begin en het einde der zaak was, er meer wezenlijke reden tot bezorgdheid wezen zou. Doch al ware het bezwaar eens ernstiger dan het in werkelijkheid is, dan kan ik nog niet inzien, dat bekwame werklieden liever hunne vakgenooten in ellende zouden willen zien wegkwijnen, dan als vrucht van hunne uitredding zelven eenig werkloon missen.

1. Maar het gevaar heeft geene beteekenis, daar het bijkomend deel, dat op Engelands markt komen zou, uit den aard der zaak niet van zoo groote beteekenis worden kan.

2. Voorts moet de vermeerdering van voedsel op onze hoeven en in onze koloniën en ons vermeerderen van de bevolking der koloniën onwillekeurig den werkenden stand als geheel ten goede komen.

3. Ons van de markt wegnemen van een groot aantal per-

326

-ocr page 345-

TERUGBLIK 01\' UEN AFGELEGDEN WEG.

soneu, die mi geheel ouvoldoeud werk hebben, en wier toestand door ons verbeterd wordt, moet voor de achter-blijvendeu de gelegenheid scheppen om tot beter verdiensten te komen.

4. Tevens zij niet vergeten, dat ieder van werk verstoken persoon, dien wij aan verdiensten helpen kunnen, op zijn beurt werkgever wordt door de benoodigdheden, welke hem moeten ten dienste staan. Zoo zal de geredde dronkaard, wiens gansche inboedel in eene oude kist en wat lompen bestond, eene stoel, eene tafel, een bed behoeven, behalve wat hij verder zal kunnen machtig worden, om aan zijn verblijf\' de gedaante van een tehuis terug te geven.

Wij mogen liet voor zeker houden, dat wanneer ons kolonisatieplan eens goed op dreef is, dit niet slechts velen zal verwijderen, die nu in den moerasgrond zijn weggezonken, maar ook het behoud zal worden van velen, die zulk een ondergang al nader en nader komeu. Niet onwaarschijnlijk is het zelfs, dat bekwame handwerkslieden ook van deze gelegenheden zullen gebruik maken, of om eigen toestand te verbeteren, of om hunne kinderen beter of gemakkelijker vooruit te helpen, of ook uit drangredenen, die de vrucht zijn van een hooger beginsel. Eindelijk ia het vermoeden gewettigd, dat wie buiten van het landbouwbedrijf of van eenig handwerk loon trokken, in plaats van zich, gelijk nn, in de groote steden op te hoopen, er de voorkeur aan zullen geven, in de overzee-kolonies eene betere toekomst te zoeken. Mag dit het geval worden, dan zal de vermeerdering van werkaanbieding beneden den marktprijs reeds daardoor aanmerkelijk moeten afnemen.

VIJÏDÜ AÏÜEELING.

TerngWik op den afgolegdvn wog.

Ik heb nu in het voorgaande de hoofdtrekken in het licht gesteld van een plan, dat naar mijn op ervaring gegrond oordeel werkelijk zal kunnen baten, om den toestand van onze lagere, steeds dieper wegzinkende volksklasse te helpen verbeteren. Hoe uitvoerig ik uit den aard der zaak worden moest,

327

-ocr page 346-

TERUGBLIK OP DEN AFGELEGDEN WEG.

toch heb ik het in al zijne kleinere afmetingen niet kanneu beschrijven. Ieder, die met aandacht leest, zal telkens bij eenig punt met den vinger knunen aanwijzen, dat hier en ginds leemten te zien zijn, die aanvulling eischen. Eene zaak is echter tot verschooning van deze haperingen in het midden te brengen, dat wie een plan eischt, dat tot eene ideale volkomenheid zou gebracht zijn, tot het duizendjarig rijk zal moeten wachten, tot den tijd, waarin juist geene plannen van dit soort meer zullen noodig zijn! Mijne voorstellen, hoe ook nog in staat van wording, hebben nochtans één element, dat al luinne gebrekkigheid goed maakt, en dit is, dat er leven in schuilt, en dat door dit hen bezielend levensbeginsel zij zich er toe leeneu om in de meest verschillende omstandigheden hulp en baat te geven. Waar leven aanwezig is, daar bestaat ook eene oneindige vatbaarheid om zich naar omstandigheden te voegen. Mijn plan is niet van smeedijzer, ia één brein afgewerkt, en nu opgezet tot een standaard, waar allen zich naar vormen en regelen moeten. Het is veeleer eene stoere plant, welker wortels diep in de geaardheid en de omstandigheden der menschen ingedrongen zijn. Ja, nog sterker durf ik spreken, die wortels trekken leven en kracht uit Gods vaderhart zelf. Reeds toont de uitgeschoten plant een krachtigen groei, en dit groeien en vrucht dragen zal blijvend worden, wanneer maar goede verzorging niet ontbreekt. Valt dit voorrecht er aan ten deel, dan ook zal zij groeien en toenemen als het mostaardzaad in de gelijkenis, tot het een boom geworden is, wiens takken aan heel de aarde schaduw bieden.

Laat het mij hier nog eens mogen herhalen, dat ik op geen uitvinderspatent voor deze plannen en voorstellen aanspraak maak. Waarlijk ik zou niet weten aan te wijzen, wat daarin oorspronkelijk is en wat niet. Sedert ik enkele mijner plannen onder woorden bracht, daarbij meeneude, dat zij nieuw waren onder de zon, deed ik daarna de ontdekking, dat zij reeds in verschillende deelen der wereld beproefd waren en dit met verwachting van den meest gewenschten uitslag. Zoo zal het waarschijnlijk ook met andere gedeelten blijken, en ik kan niet anders dan mij daar uitermate in verheugen. Geen enkel woord wensch ik te verspillen aan het pleiten voor de oorspronkelijkheid van dit of dat gedeelte. Het vraagstuk is van een veel te ernstigen aard, om zich met beuzelingen van dien aard op te houden en daaraan den kostelijken tijd te verspillen. Voor ons oog zien wij millioenen medemenschen, die in de branding dreigen om te komen, zoodat zij elk oogenblik in gevaar zijn om tegen rotsen te worden verbrijzeld, of in draaikolken medegesleept te worden,

328

-ocr page 347-

de uitkomst proefsteen.

of als zij reeds meeiien het veilige strand nabij te zijn, in een bedriegelijk welzand te worden neergetrokken. Mij heeft nooit eenig ander doel voor oogen gestaan, dan om deze in het uiterst gevaar verkeerenden van een wissen dood te redden. Is u door nadenken en zoeken eenig beter plan ten deel gevallen, dan bidden wij u in Gods naam, laat het niet onder den korenmaat, maar streef er naar, dat het ten spoedigste een begin van uitvoering krijge. Bezit gij geen eigen plan, welnu laat dan ook niets u terughouden om tot het mijne de hand te leenen, gelijk mij niets liever zou geweest zijn bet uwe door medewerking te steunen, wanneer het op betere vrucht dan het mijne had doen hopen.1)

Bij het in werking brengen van een groot maatschappelijk plan tot uitbreiding, is de eenige proefsteen voor het deugdelijke er van, dat het met de gewenscbte goede uitkomsten bekroond wordt. Eene leelijke oude roeiboot, geschikt om een schipbreukeling veilig door de branding aan wal te helpen, heeft in de ure des gevaars meer beteekenis en waarde dan het kostbaarst jacht, maar dat op de proef voor dit, doel geheel ongeschikt blijkt. De hoog verfijnde voorstanders van beschaving mogen met walging den neus optrekken voor de ruw uit de hand beslagen hulpmiddelen door mij reeds in werking gebracht, om het verzonken tiende deel onzer natie weder uit de schipbreuk aan wal

1) Het is een wonderbaar verschijnsel in de samenleving, dat over geen geld zoo sterk en zoo algemeen geklaagd, om niet te zeggen gejammerd wordt, als over geld zonder zichtbare vrucht aan eene op zich zelf goede en zegen belovende onderneming ten koste gelegd. Dat een oorlog, als de Atjeh-oorlog, jaar aan jaar inillioenen verslindt, dat kan nu eenmaal niet anders, maar wanneer een duizendste of tienduizendste deel van die som zonder zichtbare vrucht aan de heidenzending werd ten koste gelegd, er zou een noodgeschrei opgaan, alsof de natie zich aan do grootste verkwisting had schuldig gemaakt! Jaar aan jaar worden de werkende standen door de vergunningsmanie en de daardoor als in eene broeikas gekweekte drinkgewoonten met millioenen verarmd, maar wien deert het meer dan het verarmen en uitmoorden van Chi-neezen, Javanen of negers met opium, jenever of rum? Wil echter eenig werk van inwendige zending, of de arbeid van Bijbelgenootschap of Traktaatgenootschap enz. enz. niet opschieten, dan is het, of de daarmede te loorgegane dubbeltjes nog op veel erger en ergerlijker wijze dan verzopen dubbelljes verkwist zijn!

Welk een noodkreet is er reeds aangeheven, en met spotprenten verscherpt, over het geld, noodig voor de plannen van Booth, die het geld slijk acht; maaide tonnen gouds voor gevangenispaleizen, die het vergunningsstelsel tot nasleep heeft, schijnen wel allerwege nog beschouwd, als gewijd aan de meest nuttige onderneming, die tot algemeen welzijn werd uitgedacht.

Zoo op iets, is wel óp verschijnselen als deze het woord van den hartenkenner van toepassing: «wee u, gij geveinsden, die de mug uitzijgt en den kemel doorzwelgt.» ^ Vert.

339

-ocr page 348-

TE11UÜI1LIK OP DEN AlUELEGDEN WEG.

te brengen. Eeu enkel neus upfcrekken en afkeer uitspreken, bleek nooit en nergens het middel om moeilijke vraagstukken tot oplossing te brengen. Indien de besoliaafden, de eerbied waard! gen, de rechtziunigen, in één woord, alle waardigheidsbekleeders in staat en kerk kunnen blijven goed vinden om de plaats, waar de lijders liggen, te ontwijken en voorbij te gaan, om te geschikter tijd eeu niet weten voor te wenden, ons is het niet mogelijk dit hun voorbeeld te blijven volgen. Zoo wij al niet als priesters en levieten optreden kunnen, het deel van den barm-hartigen Samaritaan is niet buiten ons bereik. De man, die naar Jerioho reisde, is niet onwaarschijnlijk eeu zeer onvoorzichtig en roekeloos persoon geweest, iemand, die beter voorzorgen had be-hooreu te nemen in een oord door woestijnroovers onveilig; en is dit het geval geweest, zoodat hij daar door eigen schuld zoo reddeloos lag, dan heeft hij juist in hetzelfde geval zich bevonden, waarin nu allen verkeeren, die wij met hulp zoeken te dienen. Ons is het voorbeeld der gelijkenis tot leering, en wij lezen daarin aan wie wij verplicht zijn in den naam des goeden Herders bijstand te verleenen, en tot hoever zich ons hulp verleenen behoort uit te strekken.

En nu, na, zoo ik meen, mijne beoordeelaars niet zonder gegrond bewijs te hebben te woord gestaan, wil ik de meest sprekende trekken van mijn hulpontwerp kortelijk in eene schets samenvatten. Allereerst heb ik stilgestaan bij esnige onveranderlijke wetten en beginselen van staathuishoudkunde, waarvan geene mag voorbijgezien of verwaarloosd worden, zonder het welslagen vau eenig plan van dezen aard in gevaar te brengen. Aan deze vooropgestelde beginselen getoetst, reken ik mijn plan bij machte de proef te doorstaan. Het is wijd genoeg in zijn omvang om het kwade, waar wij tegenover staan te omvamen. Reeds op de proef getoetst, is het in zijne werking geschikt en voor de grootste uitbreiding vatbaar gebleken. Geldt dit van het ontwerp in al-gemeenen zin, ik vertrouw dat omtrent de onderdeelen hetzelfde blijken zal. Vestigen wij ook op deze nog de aandacht.

Het beraamd ontwerp zal de van werk en hulp verstoken klassen op allerlei wijze ten goede komen, ook zonder dat zij nog burgers van eene der kolonies worden. Mannen en vrouwen kunnen zeer arm en in grooten druk, ja op de grens van den hongerdood zijn, en toch in zulke omstandigheden verkeeren, dat zij niet ongeschikt zijn om in de kolonies bruikbaar te worden. Ook zullen onze goedknope voedseldepots, ons bureau voor raadgeving, onze werkplaatsen en verdere inrichtingen eene onuitsprekelijk groote weldaad blijken. Hulp als daardoor ver-

330

-ocr page 349-

HULP VOOK IEUEll.

lemid wordt, zal hoewel slechts voor een tijd, toch voldoende blijken om hen op te heffen uit den kolk, waarin zij dreigen te verzinken. Zij, die blijvende hulp behoeven, en daarvoor geschikt blijken, zullen in de stadskolonie overgaan en daar terstond onder toezicht en leiding komen. In een voorgaand hoofdstuk is aangewezen, welke arbeid hen daar zal bezighouden en hun tot onderwijs dienen. Velen van dezen zullen tot hunne betrekkingen wederkeeren; voor anderen zal door ons in de stad of elders werk worden gezocht; terwijl het meerendeel, wanneer zij van goeden wil en ernstigen zin tot bekeering bewijs geven, naar de kolonie of het land zullen gezonden worden, waar hunne opleiding zal voortgaan, tot zij geschikt zijn voor eene overzeesche kolonie, of wel tot terugkeer in het gewone maatschappelijk leven.

Allen, wier omstandigheden een gevolg zijn van verlatenheid-, ondeugd of misdaad, zullen tijdelijke hulp ontvangen of in de kolonie worden ontvangen, op de eenige voorwaarde, dat het hun ernst is met de tot redding uitgestoken hand te willen vatten. Zij moeten daarbij gewillig tot arbeiden blijken, gezind om zich aan regel en tucht te onderwerpen; terwijl wanneer dit het geval is, niet naar bekwaamheid, kerkgenootschap enz. enz. zal gevraagd worden.

Niet dan in zeer buitengewone omstandigheden zal aan eenig persoon onderstand worden verschaft, en dan op voorwaarde, dat hij het ontvangene met arbeid vergoeden zal. Zelfs wanneer vrienden of betrekkingen in het geldelijk noodige voorzien, zal hij het werk, dat andereu verrichten, moeten meedoen. Bij ons is op de gansche uitgestrektheid van ons gebied voor geen ledig-looper plaats.

Het werk, dat aan een iegelijk zal worden toebedeeld, zal bepaald worden door zijne vroegere bezigheid of bekwaamheid. Zij, die kennis van landbouw hebben, zullen op den akker moeten arbeiden; de schoenmaker zal schoenwerk maken en de wever eene plaats aan het weefgetouw vinden, enz. Wanneer iemand vreemd is aan alle kennis van eenig handwerk, alsdan zal zijne gebleken geschiktheid doen bepalen, waarmede hij het best ook tot eigen vorming kan worden bezig gehouden.

Werk van alle soort en aard zal, zooveel mogelijk met de hand worden verricht. De bijna tot manie geworden zucht om den mensch in alles door eenig werktuig te vervangen, heeft wat met de hand verricht werd, te eenzijdig aan werktuigen te volbrengen gegeven. Voor alle werk van weldadigheid, dat niet productief behoort te zijn, om de concurrentie niet nog meer te

331

-ocr page 350-

TERUGBLIK OP DEN AFGET,EGDEN WEG.

verscherpen, zullen wij, ook als voorbeeld, zooveel mogelijk deu meusch weder voor het werktuig in plaats stellen.

Ieder lid van de kolonie zal voedsel, kleediug, verblijf, geneesmiddelen en bij ziekte getrouwe verzorging genieten.

Loonen zullen niet worden betaald, tenzij als kleine giften om goed gedrag en ijver aan te moedigen. Hieronder zullen niet begrepen zijn diegenen aan wie posten van vertrouwen zijn toebetrouwd. Van wat door den algemeenen arbeid verdiend wordt, zal een deel in de behoeften der koloniale bank voorzien en het overige zal als zakgeld worden uitgedeeld.

Het gansche samenstel der drie kolonies zal voor alle praktische doeleinden als een geheel worden beschouwd; dit is een noodzakelijk gevolg van zulk eene opleiding der kolonisten, dat zij daardoor eindelijk in staat geraken, om geheel onafhankelijk van ons, ieder hun brood in de gewone samenleving te verdienen. Wordt hiertoe geen kans gezien, dan zullen wij toch trachten hen voor zulken arbeid te bekwamen, dat zij geregeld iets voor den kost kunnen verrichten.

Een verder gevolg vau dit nauw verbonden zijn der stadsen buitenkolonie zal het opheffen zijn van eene der moeilijkheden, altijd verbonden aan het van de hand zetten van wat verkregen wordt door den arbeid van werkloozen. Het op de hoeve gekweekte voedsel zal in de stad zijne verbruikers hebben, terwijl veel, dat in de stad vervaardigd werd, in de behoeften buiten zal voorzien.

De aanhoudende toeleg van allen, die belangstellen in het hervormen dezer lieden tot een nieuw en geregeld leven, zal zich openbaren in het opwekken tot liefde voor zulke gewoonten, als waarvan het ontbreken bij hen in zoo groote mate oorzaak was van hunne armoede en het vervallen tot misdaad.

Strenge tucht, waartoe een gedurig en nauwlettend toezicht over zoovelen vereischte is, zal worden gehandhaafd, als het onontbeerlijk middel tot vorming en opleiding van hen, die voor het meerendeel een ongebonden en loszinnig leven hebben geleid. Aller gemeenschappelijk belang, allengs meer door allen erkend en behartigd, is een der voornaamste steunpunten, waarop wij onze hoop van welslagen bouwen.

Het personeel der kolonies zal waarschijnlijk in secties worden afgedeeld, ieder onder toezicht van een sergeant — een uit hun midden gekozen — die in hetzelfde werk met ben mede-arbeidt, en toch verantwoordelijk is voor aller goed gedrag.

De hoofdofficieren der kolonie zullen personen zijn, die zich-zelven voor dezen arbeid hebben gegeven, niet als broodwinning,

332

-ocr page 351-

TWEEËRLEI KLASSE.

maar uit de innige behoefte om onze lijdende armen te dienen en hen in het streven naar een nieuw en beter leven ter zijde te staan. Zij zullen van meet af uit het personeel des legers worden verkoren, en dit op grond van reeds gebleken bekwaamheid voor den werkkring, die hun betrouwd zal worden. ïot deze vereischten bebooren kennis van het bijzonder werk, waarover zij toezicht zullen hebben te houden; voorts het geleverd bewijs, dat zij de geschiktheid hebben om op zachte en kalme wijze, maar tevens met onverbiddelijk vasthouden aan woord en bevel, orde en tucht te handhaven. De geest der liefde, in menschen, die des Heilands medearbeiders willen zijn, een volstrekt ver-eischte, moet in hun zijn en doen gebleken zijn, zal hun eene betrekking van zoo groot vertrouwen worden gegeven. Eindelijk nog zullen onze officieren, naar wij vast vertrouwen, en zooals tot hiertoe nog steeds geschied is, gevonden worden uit de mannen en vrouwen, die in onzen eigen kring werden opgevoed, en die daardoor reeds eigenschappen hebben aangeleerd en verkregen, die hen boven anderen bevoegd maken, om met zulken om te gaan als degenen, wier belangen zij wenschen te behartigen.

De kolonisten zullen in twee klassen verdeeld worden.

De eerste klasse, bestaande uit hen, die geen loon ontvangen, zal gevormd worden uit;

A. De nieuw aangekoinenen, wier bekwaamheid, karakter en gewoonten nog onbekend zijn.

B. Die bij anderen ten achter zijn door gemis van kracht, doorzicht en wat verder iu een deugdelijk arbeider ver-eischte is.

C. De van nature tragen en allen wier gedrag en karakter weinig hoop op welslagen aanbiedt. Zulken zullen in deze klasse blijven, totdat zij genoegzaam gevorderd zijn om hun iets meer verantwoordelijks toe te vertrouwen, of totdat zij als hopeloos uit de kolonie moeten verwijderd worden.

Wat de tweede klasse aangaat, die daarin worden opgenomen, zullen eeue kleine toelage ontvangen, die hun ten deele als zakgeld zal worden uitbetaald, en ten deele voor hen bewaard zal worden, voor wat hun later kan ten goede komen, voor reiskosten, enz. enz.

Zoodanig is het plan, gelijk het mij in beeld voor oogen staat. Wanneer het met oordeel wordt uitgevoerd en met kloeke volharding doorgezet, kan ik niet betwijfelen, of het zal een groo-ten en heilzamen omkeer te weeg brengen in den toestand van

338

-ocr page 352-

TERUGBLIK OP DUN A.PGELEGDEN WEG.

dat deel onzer medeburgers, die nn het meest hopeloos leven voortsleepen.

Ook behoeven het niet alleen onze medeburgers te zijn, die van het beraamde voordeel trekken. In zijne hoofdtrekken, gewijzigd naar wat een verschillend klimaat en volkenras eischen, zal het overal ter wereld, waar zich groote steden bevinden, zijn nut kunnen doen. Derwaarts stroomen thans overal al meer en meer de menschen toe, en ons streven zal zijn langs verschillenden weg in hun midden al die voorrechten te helpen herstellen, die in meerdere of mindere mate het deel zijn van hen, die op kleinere plaatsen nog niet beroofd en verstoken zijn van don zegen van een natuurlijken liefdeband. Hoe groot de behoefte aan zulk een herstel van betere levensverhoudingen is, moet wel ieder inzien. Het is wel mogelijk, dat deze behoefte nergens zoo groot is als in Londen, waar de volksmassa\'s dichter zijn opeengehoopt dan in eenige andere stad, maar gelijke ophooping is evenzeer te vinden in alle grootere steden van Europa en Amerika, Het is een feit, dat opmerking verdient, dat het meest warme woord van belangstelling in ons plan, dat wij tot hiertoe ontvingen, ons toekwam uit Melbourne. In deze stad was het de drang der openbare meening en een gehoor geven aan het ernstig verzoek der regeering, versterkt door bet verlangen van de woordvoerders der werkende standen, welke de onzen bewogen hebben een aanvang met de proefneming te maken, eer nog ons plan genoegzaam was uitgewerkt, en dus eer onzerzijds hun bepaalde instruction konden gegeven worden.

Het moet wel op het eerste hooren vreemd klinken, dat gebrek, aan hongerlijden grenzend, in eene stad als Melbourne is kunnen ontstaan, in de hoofdstad van een groot nienw land, dat overvloeit van ieder soort van natuurlijken rijkdom. Intus-schen ook Melbourne heeft hare vergeefs om werk vragenden; en in geene stad van ons rijk zijn wij meer voorspoedig geweest, met de hand te slaan aan het maatschappelijk vraagstuk dan in de hoofdstad van Victoria. De dagbladen van Australië, van nu eenige weken geleden, waren gevuld met verslagen van het, vele, dat door het heilsleger ten bate van de zonder werk zijnden in Melbourne was tot stand gebracht. Dit is geschied voor het ontstaan der groote werkstaking. De regeering van Victoria liet de taak om fe voorzien in den nood der zonder werk zijnden bij onderling overleg geheel aan onze officieren over. De zaak was vooraf in het Huis der Gemeenten behandeld, en liet einde van het debat was, dat een der leden, dio een van onze felste tegenstanders geweest was, eene inteekenlijst heeft geopend, waardoor

334

-ocr page 353-

belangiujkf, brief.

eene som van 5000 gld. onzen officieren betrouwd werd, om daarmede op de beste wijze de belangen der hongerlijdenden te behartigen. De onzen hebben toen voor niet minder dan 177C personen plaatsing gevonden en deelen nog\' dagelijks 700 portiën eten uit. Reeds zeer geruimen tijd is de regeering van Victoria anderen voorgegaan in het erkennen van den weldadigen invloed van het heilsleger op de bestaande, moeite barende maatschappelijke toestanden. De volgende brief werd door den Minister van Binnenlandsche Zaken aan onzen hoofdofficier gezonden; een brief, waaruit blijken kan, op welken prijs onze arbeid aldaar gesteld wordt.

Regeering van Victoria, de eerste Secretaris.

Melbourne, 4 Juli ISSO.

Aan den Superintendent van het Reddingswerk bij het Heilsleger.

Mijnheer!

In antwoord op uw verzoek om een brief van introductie, die u in Engeland zou kunnen van dienst zijn, heb ik het genoegen uit de rapporten door de hoofdambtenaren van mijn departement ingeleverd, te zien, dat het werk, waarin gij in ons midden nu gedurende zes jaren zijt werkzaam geweest, de meest gewenschte heilzame vruchten voor onze maatschappelijke samenleving gedragen heeft. Gij hebt er uit een leven van misdaad uitgered, die zonder uw goeden raad en hulp gewis een blijvende last voor den Staat zouden geworden zijn, en gij hebt anderen nog tijdig van een leven van misdaad teruggebracht, die reeds de eerste straffen voor hunne wetsovertredingen hadden ondergaan. Ik verblijd mij, dat ik van den Uaad machtiging ontvangen heb, om u vrijheid te geven, de hand te leggen op jonge kinderen, die in huizen van ontucht gevonden worden en na wettelijke toewijzing voor zulke ongelukkigen zorg te dragen. Omtrent de groote waarde van dezen tak van uwen arbeid kan geen twijfel bestaan. Het is algemeen erkend, dat het getrouw tegenwoordig zijn van uzelven en van uwe officieren bij de terechtzittingen, en van uw bezoeken der gevangenissen met de beste uitkomsten zijn bekroond geworden, en door ons gevangenis-bestuur ten zeerste worden gewaardeerd, fn algemeenen zin mag ik verklaren, dat uwe wijze van optreden en handelen de goedkeuring heeft weggedragen van allen in het Lands- en Stads-

335

-ocr page 354-

TEKUGBiiiK OP DEN AFGELEGDEN WEG.

bestuur, die in de gelegenheid waren uwen arbeid van meer nabij gïide te slaan.

Ik heb de eer te zijn, Mijnheer, üw dienstw. dienaar, (was geteekend): Alpbed Deakin.

Het Parlement van Victoria heeft eene jaarlyksche som voor onze fondsen toegestaan, en dit niet als aan eene godsdienstig philantropische verecniging, maar als erkentenis van ons dienstdoen aan de burgermaatschappij in liet terechtbrengen van misdadigers, en van onzen arbeid ten aanzien van wat op Europa\'s Vasteland met het zoo schandelijk misbruikt woord: «de zedenpolitie der stad» wordt aangeduid. Onze hoofdofiicier te Melbourne heeft aldaar in de maatschappij een officieel erkend standpunt, dat iedere staatsinstelling voor hem toegankelijk maakt, alsook alle holen van misdaad, die hij noodig acht te doorzoeken tot het opsporen van meisjes, die met bedrieglijke beloften uit de ouderlijke woning zijn weggelokt, of door andere oorzaken op den slechten weg geraakt.

Ook is het in Victoria tot regel gemaakt, om hen, die aan eene eerste overtreding schuldig staan, aan de zorg van de officieren van het heilsleger te betrouwen, maar onder verplichting, dat zij, opgeroepen wordende, zich bij de politie moeten aanmelden. Ben officier van ons leger is bij elke politiezitting tegenwoordig en onze gevangenisbrigade houdt steeds aan de gevangenispoorten wacht, om ontslagenen terstond tot hulp en raad te kunnen zijn. Onze officieren hebben vrijen toegang tot alle gevangenissen, waar zij zich ongehinderd tot alle gevangenen kunnen in betrekking stellen. Daar Victoria waarschijnlijk de meest democratische van onze koloniën is, en die, waar de werkende klasse het oppertoezicht houdt, is onze gouvernementserkenning aldaar het sprekendst bewijs, dat voor ons van de zijde der democratie geeu tegenstand te wachten is. In de naburige kolonie Nieuw Zuid Wales heeft eene dame ons reeds eene hoeve van 300 morgen geschonken, geheel voorzien van al het noodige. Daarop kunnen wij dus ons plan van landbouwkolonie beginnen, en het laat zich aanzien, dat het door ons gewenschte op zoo verren afstand reeds in volle werking zal zijn, voor wij nog in Londen den eersten stap deden tot verwezenlijking van ons doel. Het hartig welkom aan het eerste pogen onzer officieren in Melbourne geheel vrijwillig gegeven, bezielt ons met vertrouwen, dat ons plan niet als een kwakzalversmiddel beschouwd, maar als een gezond beramen zal erkend worden, en alzoo welhaast algemeen toepassing vinden.

336

-ocr page 355-

B IJ L A G E N,

i.

John Wesley als voorganger eu wegbereider van Generaal Booth.

Geen boom wast op één dag. Wat in deze waar is in de natuurlijke schepping, aanschouwen wij evenzeer in de geestelijke op het gebied van wetenschap, zedelijkheid eu godsdienst. Zoo zien wij de Godsvrienden, de broeders des gemeenen levens, John Wicliff en Huss met huune helpers eu volgers aan Luther in zijn alle hinderpalen overwinnend Hervormingswerk voorafgaan. Niet anders is het met het in het maatschappelijk en godsdienstig leven zoo diep ingrijpend hervormingsplan door Generaal Booth in dit werk ontwikkeld en nu reeds voor een uiet onbelangrijk deel van het gebied der bespiegeling tot dat der werkelijkheid, en dit op veel belovende wijs overgegaan, John Howard\'s voorbeeld heeft gewis er veel toe bijgedragen, dat ook John Wesley als hervormer van het kerkelijk en maatschappelijk gemeente-leven in de cel der ter dood veroordeelden de band aan den ploeg geslagen heeft, en van dit uitgangspunt uit bijna alles in het klein en binnen de grenzen zijner gemeente tot stand bracht, wat nu door Generaal Booth in grooter afmetingen voor het geheel der maatschappij naar de beginselen des Evangelies wordt beproefd.

Door een niet minder belangstellende in onze maatschappelijke toestanden met hare zonden, kwalen en ellenden, de welbekende William Stead, is het nauw verband tusscben wat Wesley beproefde en nu als het nieuwe plan van generaal Booth tot stand

22

-ocr page 356-

BIJLAGEN.

komt, voldingend in liet licht gesteld. Dit ook dringt mij als eerste bijlage een uittreksel te geven van de merkwaardige mede-deelingen van genoemden schrijver.

Deze hebben naar mijne beschouwing een dubbel belang. Zij toonen in de eerste plaats, dat wat door der. predikant Booth beproefd werd en nu op uitgebreider schaal daaraan wordt toegevoegd, niet zoozeer nieuw als wel een gewijzigden bouw op ouden, goeden grondslag is. Voorts dat wat hij en Wesley deden, uit den aard der zaak binnen de grenzen van het gemeente-leven ligt, maar al te lang veronachtzaamd en verwaarloosd werd, door den voorrang, welke leerbepalingen en bestuursvormen boven het dienen der liefde hebben verkregen. In Christus optreden is de «dienende liefde» de alpha en de omega, maar kerkgeleerden en priesterlijk gezaghebbenden hadden steeds meer met heerschappij voeren dan met het dienen der liefde op; daardoor blijft nog altijd het eigenlijk gemeente-leven iu de kerk een stiefkind, dat meest buiten de kerkgrenzen het genadebrood van medelijdenden eet.

In ieder opzicht blijkt ons John Wesley een uitverkorene tot het werk hem gegeven om te doen. Hij had al de eigenschappen om een groot werk op de uitgebreidste schaal en, om zoo te zeggen, gedurende een dubbel menschenleven te doen. Allereerst toch treft ons

zijn zeldzaam krachtig liclmnuisgestel.

Zonder een zoo krachtig lichaamsgestel als Wesley bezat, en dat wel van gehard staal scheen, had zelfs zijn eenig genie niet zulk een breeden en diepen indruk in de wereld kunnen achterlaten. Onder godvreezende menschen wordt dikwijls de neiging aangetroffen, om met eenige minachting op het lichaam neer te zien. Wesley was aan die neiging niet geheel vreemd, en tocli heeft wel bijna niemand aan een voortreffelijk lichaam zooveel verplichting gehad als hij. Hij stamde af uit een krachtig geslacht. Hij was een uit een gezin van negentien kinderen, en zijne grootmoeder had hare vijfentwintigste bevalling overleefd. Wesley was erfgenaam van de lichaamssterkte en taaiheid dezer beide vrouwen. Toen hij zijn tachtigste levensjaar intrad, wist hij niet meer van lichaamspijn of zwakte dan toen hij vijf en twintig jaren telde. In zijn acht en tachtigste jaar deed hij nog eene rondreis door het gansche land. Zijn prediken zette hij voort tot het einde zijns levens. Gedurende zeventig jaren wist hij niet, dat hij een enkelen nacht minder goed geslapen had.

338

-ocr page 357-

BIJLAGEN.

eu evenmin had hij in dien tijd gedurende een kwartier uur zijne opgewekte stemming verloren. Hij moet in het bezit van eene wonderbare spijsverteering zijn geweest, en een gestel gehad hebben zonder het minste gebrek, want hij was nooit in moeite als andere menschen. Als menschelijk werktuig besclionwd, grensde hij in dit zijn aan het volmaakte, Eij was klein van gestalte, niet langer dan 5 voet en zes duim; terwijl zijn wicht de honderd pond niet ver overtrof; maar hij had spieren van het taaiste leder, beenderen van staal, longen van leder en een hart als een leeuw.

Zijn vermogen lot liet genieten van een rnstigen slnai*.

Bij het oversteken van den Atlantischen Oceaan schrijft hij: «Wij hadden opnieuw storm. Onze bedden waren geheel nat en onbruikbaar. Ik leide mij toen op den grond neer en sliep rustig tot aan den morgen. Ik geloot, dat ik eigenlijk voortaan geen bed meer zal noodig hebben.» Door geheel zijn verder leven sliep hij vaak in de open lucht en vatte daardoor slechts eenmaal koude. Hij schreef, «dat het vreezen om zich in een woud in de open lucht te slapen te leggen niets dan kinderachtigheid was,» en zegt, «ik heb menigen nacht in de open lucht geslapen, zoodat ik doornat van den dauw was, en dat nog wel in de moerasgronden der Zuidelijke Staten.» Zijn innerlijk vermogen om door te slapen grenst aan het wonderbare. Eens voer hij in eene barge langs de kust van Georgië. Van hoofd tot voeten woud hij zich in een grooten jas om door de zandvliegen niet gehinderd te worden, en viel zoo in eeu vasten slaap. «Tusschen een en twee uren,» schrijft hij, «werd ik wakker, en zoo vast was mijn slaap geweest; dat ik geheel onder het water liggend, dit eerst bemerkte, toen het mij in den mond kwam.» Doch al sliep hij zoo vast, dat de bazuin vau Israfll hem niet zou gewekt hebben, hij bracht daarom niet veel tijd in bed door. Hij sliep vast maar niet lang. Wanneer het slechts eenigszins kon, ging hij tusschen negen en tien uren naar bed, maar hij was altijd, winter en zomer, om vier uren op, en schreef het vooral hieraan toe, dat zijne geestvermogens tot den hoogsten leeftijd zoo heldor en t\'risch bleven.

Een wonderbaar oud man.

Toen hij tachtig jaren oud was, schreef hij zijn vrij zijn van de zwakheden, die gewoonlijk met een hoogen leeftijd gepaard

339

-ocr page 358-

BIJLAGEN.

gaan, toe: 1°. «aan de macht van God, die mij bekwaamt, om te doen wat ik nog verrichten kan.» 2°. «Door mijn nog altijd 5000 mijlen jaarlijks reizen.» 3°. «Door mijn kunnen slapen bij dag en bij nacht, wanneer dit mij noodig is.» 4°. «Door miju opstaan op een vast uur,» en 5°. «Door mijn aanhoudend prediken, vooral in den vroegen morgen.» Wel moest hij altijd predikende zijn, anders had hij dat niet 40,000 malen kunnen doen. Het gewone uur, waarop hij eiken dag met de verkondiging des Evangelies aanving, was \'s morgens te vijf uren. Bij zekere gelegenheid had hij tot des nachts twaalf uren gepredikt, en toch was hij des anderendaags morgens ten 5 uur weder predikende. Bij eene andere gelegenheid predikte hij 15 uren achtereen. Het was voor hem niets ongewoons om drie uren achtereen op den predikstoel te staan, en zijn spreken was niet altijd voor kleine scharen binnenkamers. Niet zelden sprak hij in de open lucht voor duizenden, waarbij zijne duidelijke stem 144 ellen ver van woord tot woord verstaanbaar was. Herhaaldelijk is het gebeurd, dat hij van een ziekbed opstond om tot groote vergaderingen te spreken; en vreemd, dat zulk spreken in plaats van hem af te matten, hem dan met nieuwe levenskracht scheen vervuld te hebben. In het gebruik van spijs en drank was hij ten uiterste matig. Van tijd tot tijd speende hij zich van alle vleeschgebruik, at nooit veel en onthield zich zelfs van thee. Men zou van hem hebben kunnen zeggen, dat hij bezeten was van werklust! Altijd had hij haast, zonder echter ooit gejaagd te zijn; van zijn collegietijd af had hij zich nooit eenige ontspanning vergund. Naar de massa werk, die hij deed, had hij op zijn zestigste jaar gesloopt moeten zijn, maar hij werd 88, en begon eerst op zijn 86ste het komen van den ouden dag te gevoelen. Hij was krachtig en vlug; een goed zwemmer, en men mao1 van hem zeggen, dat hij in den zadel leefde. Hoe men over zijne opvatting des godsdienstigen levens oordeele, dit is ■wel zeker, dat zijn zoo buitengewoon sterk gestel aan ieder benijdenswaardig voorkomen moet, daar dit zeker een eenig verschijnsel was in de achttiende eeuw.

Het was de cel der ter dood veroordeelden, die hem de hand aan den ploeg deed slaan.

De tweede zaak, die mij voor Wesley het hoogste belang inboezemt, is de groote mate, waarin het methodisme zijn ontstaan dankt aan een ontluikend christelijk socialisme, althans socialistische aspiratiën in deszelfs stichter. De eerste machtige stoot,

340

-ocr page 359-

BIJLAGEN.

welken John Wesley tot werkdadig godsdienstig optreden kreeg, ontving hij uit de cel der ter dood veroordeelden. Wesleyanen schijnen ook al niet dankbaarder dan het overig deel der men-schen, anders zouden zij nooit aan de vergetelheid hebben laten prijs geven den naam van den ter dood veroordeelde te Oxford, aan wiens levenseinde het inethodisme in de eerste plaats zijn ontstaan verschuldigd is. Morgan, een van Wesley\'s medestudenten te Oxford, deed aan zijne vrienden mededeeling omtrent een bezoek in de gevangenis aan een man, die zijne vrouw vermoord had; en dat hij uit den mond van een dergenen, die voor schuld gekerkerd waren, vernomen had; dat ook zij zeer erkentelijk zouden zijn, indien iemand hen van tijd tot tijd eens wilde toespreken. Dezen ontvangen indruk leide hij zoo telkens aan anderen op het hart, dat John en Charles Wesley hem naaide gevangenis vergezelden, welk bezoek reden werd van het besluit om dit bezoek , twee malen \'s weeks te herhalen. Dit gevangenisbezoek werd weder de aanleiding tot het bezoeken van armen in de stad. Hun vader schreef hun: «Gij weet niet tot hoeveel goeds Gods voorzienend bestuur het bezoeken van dien armen veroordeelde heeft dienstbaar gemaakt.» Uit dit woord des vaders meenen wij het recht te mogen ontleenen om te zeggen, dat het Methodisme zijn ontstaan aan dit eerste cel-bezoek te danken heeft.

Wesley als maatscliaiipclijk hervormer.

De Methodistische beweging was in haar aanvangen, evenals die van het Heilsleger in zijn laatsten trap van ontwikkeling, zeer bepaald maatschappelijk, zich hervormend bewegende op maatschappelijk gebied met aanwending der daar geldende krachten en middelen. De Wesley\'s en de overige heilige club volhardden in alle hun mogelijk dienstbetoon aan de gevangenen en aan eenige arme gezinnen in de stad. Zij werden om deze hunne werkzaamheid op de bitterste wijze bespot en uitgejouwd, en om zich tegen de smaadheden hunner berispers te verdedigen, stelden zij een aantal vragen op, welke in hoofdzaak de kiem van Generaal Booth\'s laatste geschrift bevatten.

I. Of het niet allen menschen, in welken stand ook, betaamt, om zooveel zij slechts kunnen, Hem na te volgen, «die het land doorging goed doende?»

Of niet alle christenen mede betrokken zijn in de vermaning: «Zoo dan, terwijl wij tijd hebben, laat ons goeddoen aan allen ?»

341

-ocr page 360-

BIJLAGEN.

Of wij niet hiernamaals ons te rfelukkiger zullen gevoelen, v naarmate wij hier meer goeds deden?

Of\' wij hij mogelijkheid ons hiernamaals gelukkig zullen hm-nen gevoelen, wanneer wij niet naar de macht en gelegenheden van God ons geschonken: thongerigen hebben gevoed, naakten gekleed, kranken en gevangenen bezocht;» en wel dit alles betracht hebben met het hooger doel, om menschenzielen van den dood te behouden?

Of het niet onze dure plicht is, altoos gedachtig te zijn, dat Hij meer voor ons deed, dan wij voor Hem kunnen doen, die ons deze verzekering naliet: «Voor zooveel gij dit aan den minste Mijner broederen deedt, hebt gij dat Mij gedaan?»

11 . . ......

III. Of wij, bij het in aanmerking nemen van eene levensbeschouwing als waartoe bovenstaande opmerkingen leiden, er niet ten ernstigste op moeten bedacht zijn, om hongerenden, naakten en kranken goed te doen? Eu meer bijzonder, of, wanneer wij kennis dragen van het gebrek, dat eenig gezin lijdt, wij hen niet behooren te hulp te komen met voeding, kleeding en geneesmiddelen ?

Of het niet betaamt, dat wij in de mate, waartoe wij er toe in staat zijn, het onze doen om mede te helpen, dat de kinderen der armen de noodige kleeding hebben en schoolonderwijs ontvangen, althans leeren lezen ? Of liet niet betaamt, dat wij er toe medewerken, dat aan die kleinen de catechismus onderwezen wordt, en dat hun korte morgen- en avondgebeden geleerd worden ?

IV. Eindelijk, of op grond van deze gegevens het ons niet betaamt, hun goed te doen, die in den kerker zijn, en zoo wij er toe bij machte zijn, hun de vrijheid te helpen weergeven, die slechts voor kleine schuldbedragen gekerkerd zijn?

Of liet ons niet betaamt met kleine sommen werklieden bij te staan, wanneer hun de voor hun beroep noodige gereedschappen en materialen ontbreken?

Of het ons niet betaamt, om zulken, die dit dringend noodig hebben, met kleine geldsommen, of kleeding, of geneesmiddelen bij te staan ?

Hier hebben wij het geheel bestek van Wesley\'s levensopvatting in staat van wording. Dit was het uitgangspunt van zijn Methodisrae. Generaal Booth is bij zijn nieuwe plan enkel op de hem eigenaardige wijze teruggegaan tot de stelling, die Wesley ingenomen had, toen hij een jongmensch van 27 jaren was.

343

-ocr page 361-

BIJLAGEN.

Generaal Booth\'s Toorganger.

Geenszins echter is Wesley Booth\'s voorganger te noemen in het christelijk aanvatten van maatschappelijke vraagstukken door deze enkel in theoretische plannen ten papiere te brengen. Wat hij aanbeval, heeft hij naar vermogen steeds zelf of in gemeenschap met anderen met de daad nagestreefd. Hij riep des armen mans bank in leven: als ook des armen mans rechtshulp, en Booths arbeidsfactory in White Chapel is enkel de meer volledige ontwikkeling der werkinrichting, waarin de van werk verstoken Methodisten aan betalenden arbeid geholpen werden. Hadden de Wesleyanen hun hoofdleider even trouw nagevolgd in het hervormen van maatschappelijke toestanden, als zij het deden in bekeeringsijver, afgescheiden van deze moeielijker en kostbaarder beoefening van zijne lessen en voorbeeld, er zou al bitter weinig gelegenheid voor Booth zijn overgebleven om met iets werkelijk nieuws voor den dag te komen.

Ik kan den drang niet wederstaan om een uittreksel te ontleenen aan een merkwaardigen brief, bewaard in Wesley\'s journaal van Mei 1739, waaruit zal blijken, dat Generaal Booth in zijn beslisten afkeer van comité\'s en dergelijkeu, evenzoo geheel de voetstappen van zijn geestelijken vader drukt. Hij schreef:

«Ik had niet de minste verwachting of voornemen van persoonlijk te zullen betrokken zijn in de uitgaven voor dit werk of\' in het besturen er van, daar ik elf vertegenwoordigers had aangesteld, op wie ik meende, dat al de lasten komen zouden. Al zeer spoedig echter bemerkte ik op welk een dwaalspoor ik den voet gezet had. Allereerst met het geldelijk deel; want alles zou bijna oogenblikkelijk tot stilstand gekomen zijn, wanneer ik niet zelf het betalen der werklieden in eigen handen genomen had. Eer ik goed wist, waar ik stond, was ik voor meer dan /1800 in schuld. Toen de zaken zoo geschapen stonden, ontving ik brieven uit Londen, inzonderheid van mijn vriend Whitefield, dat zij met het gebouw niets wilden te maken hebben, of er iets toe bijdragen, wanneer ik niet terstond aan die comitéleden hun ontslag gaf, en de zaak geheel in eigen handen nam. Voor dit hun verlangen gaven zij verscheidene redenen op, maar reeds één deed bij mij alles af: «Dat zulke vertegenwoordigers altijd de macht zouden hebben den meester over mij te spelen, zoodat wanneer ik niet juist zoo predikte, als zij dit verlangden, ik er niets aan kon doen, wanneer zij mij uit het

343

-ocr page 362-

BIJLAGEN.

gebouw zetten, dat ikzelf bad gesticht.» Dit deed mi) terstond tot den ontvangen raad toetreden, en na bet comité te bebben saamgeroepen, trok ik, zonder dat iemand er op tegen bad, de oorspronkelijke akte in, en nam bet gebeele bebeer en bestuur in eigen banden. Geld, bet is zoo, had ik niet; ook wist ik menscbelijker wijze niet, vanwaar bet komen moest, maar ik wist, dat «de aarde en al bare volbeid des Heeren zijn,» en in Zijn Naam ging ik voort, nooit twijfelende, of Hij zou mijn geloofsvertrouwen niet beschamen.»

Wesley\'s arbeidsfactor}-.

Het volgende is John Wesley\'s mededeeling omtrent zijne eerste proefneming in den vorm van eene arbeidsfactory.

Maandag 3 November 1740. — Wij deelden aan elk, die in nood verkeerde onder de talrijke armen onzer vereeniging de kleederen uit, die velen onzer te missen hadden en door hen met dit oogmerk waren medegebracht.

Dinsdag 25. — Nadat verschillende wijzen waren voorgesteld om bun, die buiten werk waren arbeid te verschaffen, besloten wij eene proef te nemen met een plan, dat de aanbeveling van velen onzer broederen bad. Ons doel was om met de minst mogelijke kosten ben van gebrek en tevens van ledig omloopen te vrijwaren. Ten einde hierin te slagen, namen wij twaalf der behoeftigsten en een ben onderrichtend voorganger in onze ver-eenigingszaal, en bielden ben daarin vier maanden, totdat de lente kwam, met kaarden en spinnen bezig. Daar het beproefde uitnemend aan zijn doel beantwoordde, dekte de opbrengst van bet werk genoegzaam de gemaakte kosten.

Het Imishondclijk opliaalcorps.

In het volgend jaar waagde bij een stap verder in dezelfde richting. Wij lezen:

Donderdag 7 Mei 1741. — Ik bracht ter kennis van onze Vereenigde Societeit, dat vele onzer broeders en zusters verstoken waren van het bun noodige voedsel. Velen ook ontbrak het aan voldoende kleeding. Menigeen was buiten werk, en dit zonder eigen toedoen of schuld. Anderen waren krank en in gevaar van door de hun ontbrekende goede verzorging om te komen. Voorts deelde ik bun mede, dat ik gedaan bad al wat in mijn vermogen was om de hongerigen te voeden, de naakten te Ideeden, buiten werk zijnden aan werk te helpen en zieken te be-

344

-ocr page 363-

BIJLAG KM.

zoekeu, maar dat het buiten alle mogelijkheid was, dat ik alleen voor al deze zaken zorgen kon, en daarom van alle harten, die als het mijne gezind waren, verlangde en verwachtte, dat 1. Zij ieder de kleederen, die elk ontberen kon, zouden schenken, om te verdeelen onder degenen, die daaraan de grootste behoefte hadden. 2. Dat zij een stuiver \'s weeks, of zooveel meer als zij missen konden, geven zouden tot hulp voor armen en zieken. Mijn voornemen is, zeide ik hun, om alle vrouwen, die buiten werk zijn en dit begeeren, aan het breien te zetten.

Aan deze vrouwen zullen wij allereerst geven, wat gewoonlijk voor dit werk betaald wordt, en dan er naar den nood van het gezin aan toevoegen.

Twaalf\' personen zijn door mij aangesteld om toezicht te houden op de breisters, en om te voorzien in al wat den zieken benoodigd is. Ieder van dezen moet al de zieken, die in zijn distrikt zijn, om den anderen dag bezoeken. Eiken Dinsdag moeten zij samenkomen, om verslag te doen van hun werk en te beraadslagen wat verder zou kunnen en behooren gedaan te worden.

Allereerste inrichting tot gcueesknndige Imli) voor armen.

Aan John Wesley komt de eer toe, dat hij de allereerste inrichting lot geneeskundige hulp voor armen heeft in wezen geroepen. Van den aanvang van dit goede werk maakt hij op de volgende wijze melding:

Donderday 4 Dee. — Ik maakte onze Societeit bekend met mijn voornemen, om den armen geneeskundige hulp en geneesmiddelen te verschaffen. Des daags daarna kwamen er 30 om van den maatregel genot te hebben, en gedurende de drie volgende weken kwamen er 300. Dit hebben wij jarenlang voortgezet, tot bij toeneming van het aantal patiënten de uitgaven grooter werden dan wij dragen konden. Wij moesten dus wel onze maatregelen uit nooddwang inkrimpen, maar met Gods zegen waren toch velen, die maanden lang krank of lijders waren, door ons nog tijdig hulp bieden hersteld.

Des armen hulpbank.

De aanteekening, welke de kiem van Generaal Booth\'s hulpbank voor armen bevat, is de volgende:

Zondag 17 Januari 1748. — Ik deed eene openbare inzameling om eene bank van leening voor de armen te maken. Onze regel is om twaalf gulden op eens te leenen, die dan in de

345

-ocr page 364-

BIJLAGEN.

volgende drie maanden met wekelijksche afdoening moeten terugbetaald worden. Voor nu anderhalf\' jaar heb ik hiermede een aanvang gemaakt en voor deze poging /\'370 ontvangen. Met deze som heb ik in 18 maanden 255 personen kunnen helpen. Toen Dr. W. van dit mijn plan hoorde, beloofde hij mij /12, welke deze bekende deïst mij ook den volgenden dag toezond.

Deze deïst schijnt een man geweest als thans de Markies van Queensberry, ofschoon Wesley door zijne volgers wel niet schijnt aangespoord geworden te zijn, om dat geld terug te zenden; wat hij — gedachtig aan den een Jood hulp biedenden Samaritaan — ook wel niet zou gedaan hebben.

Herbergzaamheid voor van huisvesting beroofden.

Er waren ia die dagen geene stadsnachtverblijven, maar de eerste methodisten beoefenden de herbergzaamheid, zooals dit nu onder de geheele christenheid buiten Kusland niet meer plaats vindt. Hoe ver men in de beoefening dezer deugd onder Wesley\'s volgers op sommige plaatsen ging, kan blijken uit zijne aantee-kening na een bezoek te ïetney.

Ik deed bij mijn bezoeken van Tetney onderzoek naar onze kleine Societeit aldaar. Ik heb de wedergade er van in geheel Engeland niet gevonden. In de klassen-aanteekeningen, waarin de wekelijksche bijdragen voor de armen worden opgeteekend, bleek mij, dat één 18 stuivers per week bijdroeg; dat er velen waren, die 10 st. gaven; een ander gaf nu 13, dan 15, soms tot 18 st.; enkelen soms 24 st. Ik vroeg aan Micah Elmoor, de leider (een Israëliet, die nu tot zijne rust is ingegaan): «Hoe is dit mogelijk? Zijt gijlieden de rijkste societeit uit Engeland?» Zijn antwoord was: Ik denk het niet; maar die allen onder ons, die ongehuwd leven, zijn onderling overeengekomen om onszelven, en alle* wat wij hezitlen, aan den Heer te geven. Wij doen dit met blijmoedigheid, en zijn daardoor in staat om aan alle vreemden, die in Tetney komen, gastvrijheid te verleenen, daar velen van hen, zonder middelen zijn en te arm om er voedsel te vinden of onder dak te komen.

Ue Gevangenis-Zending.

Wat aanbelangt de gevangenisdeur-brigade, aan Wesley komt de eer toe, dat hij van zijn eerste optreden tot het einde zijns levens de voornaamste der zendelingen onder gevangenen ge-

346

-ocr page 365-

liIJLAGEN.

weest is. Het was liet allereerst aan een gevangene ia New-Gate, dat hij vrije en volle genade verkondigde en aanbood, zooals zijne navolgers deze na hem aan millioenen over geheel de wereld verkondigen en aanbieden. Hij achtte dit tegenover ter dood veroordeelden eene der grootste voorrechten van den evangelieverkondiger als medearbeider Gods en gezant van Christus. Uittreksels als de volgende zouden kunnen geacht worden uit «Darkest England.» te zijn overgenomen.

Zaterdag, 3 Februari, 1753. — Ik heb een gevangene in de Marshalsea gevangenis bezocht. Die plaats is eene kweekplaats van alle slechtheid en goddeloosheid. O welk een schande voor de menschheid, dat er op aarde plaatsen kunnen zijn, die niets beter zijn dan een wedergade der hel.

Op den vrijdag en zaterdag heb ik er nog zooveel meer bezocht, als ik maar eenigszins kon. Ik vond er sommigen in hunne cellen onder den grond, anderen in vlieringverblijveu, de eenen zoowel als de anderen uitgeput van honger en koude; waarbij voor enkelen nog lichaamszwakheid en pijn kwam. Ik heb er niet één aangetroffen, die ook als hij nog maar kruipen kon, niet aan het werk was. Zoo boosaardig en in duivelschen zin valsch is het gewone bemerken: «Zij zijn enkel zoo arm, omdat zij zoo lui zijn.» Wie, die met eigen oogen deze vreeselijke toestanden aanschouwt, kan nog lust hebben om zijn geld aan beuzelingen en sieraden te besteden!

Op welke wijze de aardsclie goederen en den rijkdom van huu vergif te bevrijden.

Wesley\'s staathuishoudkundige overtuigingen waren op zeer bepaalde wijze door zijne godsdienstige inzichten gekleurd. Daar hij gehechtheid aan geld en de geldgierigheid als den wortel van alle kwaad beschouwde, veroordeelde hij het opleggen van geld in de strengst mogelijke bewoordingen. Een Wesleyaan millionair zou in zijne oogen een monster zijn geweest. Ben zijner laatste leerredenen had vooral ten doel zijne hoorders te overtuigen, dat rijkdom eene zaak is. welke boven alles door een oprecht christen behoort gevreesd te worden. Hij zeide: «Het opzettelijk bejagen van eene grootere hoeveelheid der wereldsche goederen dan ver-eischt wordt om ons te voorzien van de benoodigdheden des levens, — niet lekkernijen en overtolligheden, — het zwoegen om een grooter deel wereldsch goed, om een grootere hoeveelheid goud en zilver, het meer opleggen dau het ons benoodigde, is uitdrukkelijk en volstrekt verboden.» Wie zich aan dit verbod

S47

-ocr page 366-

BIJLAGEN.

niet hield, verloochende feitelijk zijn geloof, was erger dan een Afrikaansche heiden; was een afschuw in Gods oogen en kocht zich het eeuwig verderf.

Wesley\'s geest was bezwaard en hij zuchtte onder de geldelijk voordeelige uitkomsten, die eene krachtige opwekking in het godsdienstig leven met zich brengt. Daar de Godzaligheid, een leven naar de beginselen van Gods woord, de beloften heeft zoowel van dit als van het toekomende leven, moet het uit den aard der zaak wel eene eigenaardige vermeerdering van tijdelijk goed met zich brengen. Vlijt en matigheid in alles, de kinderen van ware godsvrucht, zijn op bun beurt de kweekers vau overvloed. Maar nu is rijkdom, niet opgewogen door nog grooter schatten des geestes, de doodvijand van vroomheid des harten, die door de liefde van Christus gedrongen de macht heeft om zichzelven en al wat men bezit Gode en Zijn koninkrijk toe te wijden. Daarom schreef Wesley; «Ik vrees met bekommering, dat in dezelfde mate, waarin rijkdom onder ons toenam, ook het wezen der godsvrucht in dezelfde mate onder ons is afgenomen. Wat nu echter te doen, daar het niet anders kan, of godsvrucht doet de bezittingen toenemen? Wat kunnen wij doen, vraagt gij, opdat onze rijkdom ons niet tot een wicht worde, dat ons tot in de diepten der hel nedersleurt ?» Hij wist geen anderen althans geen beteren raad, dan dat een oprecht Methodist zich wars moest toonen van naar de wijze der wereldlingen schatten op te hoopen; maar dat zijn gansche leven een streven moest zijn om een getrouw rentmeester van den Heere te zijn, en zoo in dezelfde mate als geld en goed toenamen, dat dienstbaar te maken aan de belangen van hen, die de Heere ons in Zijne plaats heeft achtergelaten. «Legt niet op,» predikte hij slechts weinige maanden voor zijn heengaan, «vergadert u geene schatten op aarde, maar doet wel met zooveel, als gij slechts kunt, dat is met AL wat gij hebt. Ik daag alle menschen, ja alle engelen uit, om u een anderen, beteren weg te wijzen, die aan aardsche schatten het vergif, dat er in schuilt, kan ontnemen. Ik leg u dezen raad biddend op het hart, voor mijn stof in het stof wegzinkt. Mijn hart is vol vrees en angst, omdat ik u in

de wereld rijk geworden zie.......» Gedurig verneem ik het

zeggen: «Ik moet toch voor mijne kinderen zorgen.» Zekerlijk. Maar op welke wijze? Door hen rijk te maken? Dan zult gij er gewis heidenen van kvveeken, zooals sommigen reeds deden en anderen op weg zijn om te doen. Zorg, dat zij genoeg hebben om te leven, niet in luiheid en weelde, maar zóó dat er in hen een prikkel blijft tot een eerlijk vlijt betoonen. En hebt gij

348

-ocr page 367-

BIJLAGEN.

geene kinderen, toont mij clan eenig bewijs uit rede of Sclirift, dat gij iets meer redelijks doen kunt, dan slechts zooveel na te laten als voor eene eerlijke begrafenis noodig is. Zendt al wat gij bezit vooruit naar eene betere wereld.

Alles jfcven? — Neen, geene twee en ecu halve stuiver per hoofd!

Wesley\'s vermaningen klinken als eeuwenoude, onder het stof begraven vermaningen, wanneer men ze heden ten dage vergelijkt met de wijze, waarop de hedendaagsclie Methodisten beantwoord hebben aan de oproeping om het honderdjarig gedenken van Wesley\'s dood te vieren door een dankoffer van twee en een halven stuiver per hoofd. Een dankoffer naar dien maatstaf zou tussohen 12 en 13 millioen gld. hebben kunnen opbrengen. Het uiterste, waartoe met alle inspanning de Methodistische wereld het heeft kunnen brengen, is beneden de 150.000 gld. geblevenl Wie nu nagaat, dat het Heilsleger, dat eerst sedert gisteren bestaat, en dat nauwelijks eenige rijken in zijn midden telt, verleden jaar in slechts één zelfverloocheniugsweek 360,000 gld. heeft bijeengebracht, is het dan niet te duchten, dat John Wesley, wanneer hij op aarde kon wederkeeren, zou moeten klagen, dat zijn vermoeden maar al te zeer bewaarheid is: — dat, al is in de Methodistische Sociëteiten de gedaante van Godzaligheid gebleven, de geest er van reeds spoedig en steeds meer geweken is, zoodat zelfs een offer van twee en een halve stuiver per hoofd op het beschamendst mislukken moest uitloopen! Het eenig tegengift tegen het al door wegteren en wegrotten van ware godsvrucht is zijne tijdelijke goederen te bezitten als een rentmeester des Heeren, en zoo naar Wesley\'s vermaan, er mede wel te doen, met onbekrompenheid, maar ziende op de rekenschap, werkelijk winst doende voor het Koninkrijk der hemelen. — De hedendaagsclie Methodisten onderscheiden zich naar het uitwendige gunstig in onze samenleving, maar indien Wesley\'s hun nagelaten vermaningen door hen voor waar gehouden en geloofd worden, dan staan zij bijna algemeen schuldig aan een gevaarvol verwaarloozen van zijn les om en hoe aan verkregen rijkdom het daarin schuilend vergif te ontnemen.

Wat Wesley predikte, werd door hemzelven het eerst in praktijk gebracht; hij predikte niet minder met de daad dan met het woord. In de eerste jaren zijner bediening beperkte hij zijne uitgaven tot 350 gld. en besteedde al het overige tot bevordering van een christelijk gemeenteleven, dat niet eeue vormelijke ge-

349

-ocr page 368-

BIJLAGEN.

meenschap van goederen, maar een wedijveren is om een iegelijk met het zijne den Heere en Zijne gemeente te dienen; gelijk in een gezond lichaam elk lid zonder ooit te vertragen het andere dient. In verband tot de fabriek van gietwerk stichtte hij eene armenschool, en een tehuis voor arme weduwen en weezen. Aan het weeshuis te Newcastle verbond hij eene zondagschool en een Bijbelvereeniging, toen beide deze wezenlijke deelen van het christelijk gemeenteleven op kerkelijk gebied nog iets onbekends waren.

Waar bijna elk schrijver, die het Wesleyanisme bespreekt, zich zoo goed als uitsluitend tot de geestelijke zijde des werks bepaalt, is het mij behoefte eens meer opzettelijk, zij het ook beknopt, uit een te zetten, welke èn machtige èn duurzame voordeelen deze nieuwe en eigenaardige beweging op godsdienstig gebied aan het nationaal maatschappelijk leven heeft aangebracht. Zelfs zonder nog in rekening te brengen den heilzamen invloed, dien het Methodisme op de bijzondere en openbare zedelijkheid heeft uitgeoefend, is het onwaardeerbaar geweest als eene in algemeenen zin opvoedende macht. Het was:

])c wegbereider voor goedkoop drnkiverk.

John Wesley verdient den naam van wegbereider voor goed-koope volkslektunr. Ten volle begreep en waardeerde hij de beteekenis en den invloed van de drukpers, en met behulp van deze maakte hij zijne godsdienstige beweging in het volksleven tot eene macht, misschien van nog meer beteekenis dan het stichten eener nieuwe universiteit had kunnen zijn. Vol van de begeerte, om den minderen man goedkooper, beknopter en verstaanbaarder boeken te geven, dan hem bekend waren, schreef hij eene menigte kleine traktaatjes. Bij aanvang werden die voor een stuiver verkocht, en allengs gaf hij aan deze stukjes meer uitbreiding. Het verblijdt mij er te kunnen bijvoegen, dat hij er stoffelijk beter bij voer, dan wie nu met gelijke begeerte zijn voetspoor drukken. Sommige mijner stukjes, schrijft Wesley, werden «oo druk verkocht, «dat ik er een rijk man door werd.» Wesley\'s groote denkbeeld was, om al wat op Christelijk gebied van blijvende waarde geschreven was, in heknopten vorm voor geheel de natie verkrijgbaar te maken. Zijne ichristelijke bibliotheek* iu 50 deelen, die hij met een geldelijk verlies van Ü500 gld. in het licht gaf, was eene stoutmoedige poging om de keur uit godgeleerde en godsdienstige geschriften in aller handen te brengen. Van 1771 tot 1774 gaf hij zijne eigen geschriften in

350

-ocr page 369-

BIJLAGEN.

wekelijksohe nummers van 72 bladzijden in het licht, en latei-bezorgde hij er een tweeden druk van in 32 kleine deelen. Wie nagaat, dat hij 250,000 mijlen gereisd heeft en daardoor 40,000 malen heeft kunnen prediken, zal moeten erkennen, dat ook in het werken voor de pers Wesley nauwelijks zijns gelijke gehad heeft. Niet minder was hij

De wegbereider van godsdienstige Volksmuziek eii Zang.

Niet enkel in het in het leven roepen van godsdienstige volks-lektuur was Wesley een voorganger. Niet minder werkzaam en met onberekenbaar nut is hij werkzaam geweest door het scheppen en in het volksleven inlijven van een nieuw christelijk volksgezang. De van hem uitgegane opwekking in het godsdienstig volksleven was de wezenlijke en eigenaardige democratische muziekschool der achttiende eeuw. «Vermaant toch,» schreef hij, «de gemeente, dat ieder in haar midden medezinge, en laat in elke eenigszins grootere gemeente de kosten niet ontzien worden, dat ieder lid op Gode waardige wijze leere medezingen 1). Vóór hem had nog niemand zich zoo beijverd om het Engelsche Protestantisme in zang te doen bloesem schieten. Te recht is van Wesley\'s gezangboek beweerd, dat het de liturgie der van hem uitgegane beweging is geweest.

Wesley\'s Invloed op de demoeratiscUe ontwikkeling van het inaat-schapjiolijk volksleven.

Het zijdelings invloed oefenen van Wesley\'s arbeiden op het openbaar volksleven is althans niet minder merkwaardig. Niemand

1) Allertreurigst is juist bij meer gegoeden mijne ervaring op dit punt. Wetende hoe gaarne en van harte het volk zingt, heb ik van dien zanglust mijn voornaamste wapen tot drankbestrijding gemaakt, en dit met eene uitkomst nog verre boven mijn bidden en hopen. In Broeder van \'tLindenhout mocht ik door zijne weezendrukkerij een van God gegeven bondgenoot vinden, die aldoor een nog ruimer schat liederen voor ons Christelijk volksgezang begeerde. Sedert 1862 hebben zoo omstreeks 2500 liederen van mijne hand het licht gezien. Of zij ook in hooger kringen belangstelling vonden, is mij onbekend; maar des te heter, dat zoo dikwijls ik aan gaarne gevenden hulp vroeg om naar den maatstaf van traktaatjes liederen onder het volk te verspreiden en beneden kostenden prijs verkrijgbaar te stellen, bijna zonder uitzondering het antwoord was: «Kan ik u soms eens voor eene weduwe of anderen nood helpen gaarne, maar voor zingen en verspreiden van liederen, ik hoop, dat u \'t niet euvel neemt, daarvoor gevoel ik nu niets!» Gelukkig dat het eigenlijke volk anders dacht en nog maar al door den weezen met drukken en herdrukken van liederen de handen vol geeft. Zeker hielp hierbij, dat de weezen in het sclioone Neerbosch als vanzelf zangvogels geworden zijn, die den lust tot zingen en tot goed zingen weten te wekken. Vilrt.

351

-ocr page 370-

BIJLAGEN.

is wel bij machte om met juistheid volledig te schatten, welke uitkomsten zijn arbeiden gehad heeft in het vormen en ontwikkelen van gewoonten van vereenigd samengaan en van zelfbestuur. Het heeft zijne leden gewend aan het geven en nemen, dat het openbare leven tot invloed oefenen eischt. Het heeft hun geleerd om hunne bijzondere belangen aan het algemeen welzijn ondergeschikt te maken. Het verbond personen tot het najagen van door allen begrepen belangen, en leerde boven alles heu inzien, dat het bet hoogste doel dezes levens is, om met het gansche hart te leven voor het eeuwig welzijn van anderen. De klassen-samenkomsten werden eene leerschool voor stads- en landsbestuur. Het gemeenteleven, waarvan het plaatselijk kerkje het middelpunt was, werd de wereld in het klein in verhouding tot het omvangrijke staatsleven van het rijk. In zekeren zin is dit waar van al de niet tot de staatskerken behoorende gemeenten, maar tevens geldt het in geheel bijzonderen zin de laatst geborene en van het krachtigst leven bezielde der vrije kerken. Wesley\'s bezieling heeft de menschen uit hun zelfzuchtig en kleingeestig individualisme als uitgetrokken, en hun geleerd om zich in het algemeen belang broederlijk te verbinden, en het algemeen belang als een eigen op het hart te dragen. Het vond in het maatschappelijk leven een zandhoop, en het heeft dien onsamenhangenden hoop in degelijke bouwsteeneu weten om te scheppen. Door den Geest van Christus bezield en gedrongen, was Wesley een maatschappelijk bouwmeester, die de verwoestingen van den Franschen revolutiegeest van Engeland geweerd heeft, zoodat hij als vredestichter

De Hervormer van het Eiigclsclie Nationale Leven

geworden is. Valt dit in dorp en stad in het oog, het geldt daardoor in gelijke beteekenis van het volksleven op de ruimste schaal. De bestendige neiging van het Engelsche volk tot een overdreven individualisme en parocbianisme, dat in de middeleeuwen door den naar eenheid strevenden invoed der kerk van Rome werd tegengegaan, is in de laatste eeuw met macht bestreden eu gewijzigd door het gecentraliseerd gemeentebestuur der Wesleyanen. De mannen van het politiek- en staatsleven toonen steeds nog slechts luttel inzicht te hebben van de mate, waarin Wesley\'s invloed de solidariteit en homogeniteit van het Engelsche volk heeft vermeerderd en gesterkt. Gedurende veertig jaren was deze man weinig meer dau een van het vurigst leven bezielde schietspoel, die aanhoudend heen en weder vloog

352

-ocr page 371-

BIJLAGEN.

dooi\' het nationale weefgetouw, en die op deze wijze de voor zich zelf levende en ver uiteenloopende gemeenten, die de En-gelsoke natie vormden, tot een organisch geheel heeft saamge-weven. Wat op dit gebied Wesley zelf iu den overtreffenden trap was, waren al zijne predikers in slechts mindere mate. De Methodistische gemeenten, met hare rondreizende predikers, zetten bestendig dit goede, vaderlandslievende werk voort, en weven krachtiger dan eenige andere macht dit zou vermogen, het nationale leven in Engeland tot aan de verste en verst vaneen verwijderde stranden tot een al inniger en inniger sluitend geheel zamen.

Voor allcii, voor wie het Engelscli volkstaal is,

is Wesley door zijn werk een band van levensgemeenschap geworden. Wie nagaat over welke soms schaars bevolkte oppervlakten in de verschillende werelddeelen zich gedurende drie geslachten de methodistische gemeenten verbreid hebben, zal moeten bekennen, dat zij als het ware het zenuwstelsel van dit omvangrijk lichaam vormen. De reizende prediker met zijn Bijbel in den zadeltasch heeft de verste buitenposten der beschaving met elkander in aanraking gebracht en ze evenzeer verbonden gehouden met het lichaam der in ieder opziebt meer ontwikkelde gemeenschap. Wie met ons het éénzijn en één blijven van het Bngelsch sprekende volk voor een der grootste doeleinden houdt, welke de nieuwere politiek te beoogen heeft, kan moeilijk de beteekenis van Wesley\'s persoon en arbeid boven hunne waarde en beteekenis schatten. Hij schiep een nieuwen levensband tus-schen het grootste kerkelijk lichaam der Vereenigde Staten en het van deze door staatkundig onverstand gescheiden moederland. Millioenen bij millioenen Amerikanen beschouwen Epworth, Fetter Lane en de gieterij, en vooral het bedehuis aan Loudens Cityroad als het Mekka en Medina van hun geloof. Carlyle zeide, dat Shakespeare door zijn genie de Engelsch sprekende wereld één gemaakt heeft. «Wij zijn alleen ééu,» zegt hij, «door ons erkennen van den scepter van koning Shakespeare.» Wat Shakespeare in werkelijkheid echter niet heeft kunnen doen, reeds omdat millioenen zijne werken niet lezen, noch ooit zijne werken opgevoerd zagen, dat heeft Wesley, men zou kunnen zeggen, naar de letter in vervulling gebracht. Onder de machtige geesten, welke tot de eenheid van ons Engelsch sprekend volk hebben bijgedragen, staat Wesley zoo niet bovenaan, dan toch zeker mede in het eerste gelid.

353

23

-ocr page 372-

BIJLAGEN.

Over Wesley in zijn orgauiseerend talent en over zijne gaven als leeraar en onderwijzer is reeds zoo menig boekdeel volgeschreven, dat mij op dit punt weinig te zeggen rest. Met plotselinge verbazing zag ik echter dezer dagen, dat, toen ik in de vorige maand eene vereeniging van helpers had in het leven geroepen, ik daarin onbewust enkel Wesley\'s voetstappen had gedrukt. Zijue predikers waren bij aanvang niet onder dien naam, maar alleen als helpers bekend, terwijl zijne superintendenten den naam van assistenten droegen. Ik heb het echter niet gewaagd om aan mijne helpers zoo strenge voorschriften te geven, als Wesley deed, aan wien hem een helper wilde zijn.

Begels voor een lie] per.

1. Wees nooit een oogenblik zonder bezigheid, eu houd u nooit met beuzelingen onledig. Laat geen tijd verloren gaan, en houd u in eene plaats nooit langer op dan voor uw werk strikt noodzakelijk is.

2. Wees ernstig. Laat uw motto zijn: «De Heiligheid des Heeren.» Vermijd alles wat naar lichtzinnigheid zweemt, en houd u verre van alle spot- of beuzeltaal.

3. Zijt in uw omgang met vrouwen en vooral met jonge vrouwen voorzichtig, en wacht u voor te groote vertrouwelijkheid.

4. Doe geene stappen om een huwelijk te sluiten, zonder eerst ons met uw voornemen te hebben in kennis gesteld.

5. Geloof van niemand kwaad, tenzij gijzelf van zijn kwaad ooggetuige waart. Steun geen praatjes. Bezie alles, zoolang gij kunt, in het beste licht. Gij weet, dat een rechter gerekend wordt zoolang mogelijk in het voordeel vanquot; den beschuldigde gestemd te zijn.

6. Spreek van niemand kwaad; uw woord toch zou meer dan van iemand anders als een kanker kunnen voortvreten. Houd uwe gedachten en vermoedens voor uzelven, tot gij er over spreken kunt met hem, wien ze gelden.

7. Zeg aan ieder wat gij in hem verkeerds ziet, en dit rond en open, opdat uw zwijgen u niet als eene beschuldiging achter-volge. Haast u om de kolen vuurs uit uw boezem weg te werpen.

8. Hang den heer niet uit. Gij hebt u evenmin in dat karakter voor te doen, als in dat van een dansmeester. Een prediker des Evangelies moet weten te toonen, dat hij aller dienaar is.

9. Schaam u voor niets dan voor het plegen van zoude.

354

-ocr page 373-

BIJLAGEN. 355

Schaam u niet, om als dit noodig is, bout te halen of water te putten; noch ook om uw eigen schoenen of die van uw naasten te poetsen.

10. Kom, waar gij zijn moet, stipt op uw tijd. Doe alles juist op den rechten tijd, en volg het als algemeenen regel, dat gij niet aan onze regels knutselt en verbetert, maar voly ze stipt en getrouw na; niet met weerzin, maar als daartoe door uwe conscientie verplicht.

11. Al wat gij te doen hebt, is zielen van het verderf te helpen redden. Spaar u zeiven niet in die heilige taak. Wees daarin altijd met uwe gansche ziel werkzaam, niet enkel gaande tot zulken, waar gij weet, welkom te zijn, maar evenzeer tot hen, bij wie gij weet niet welkom te wezen.

12. Ga in al deze dingen te werk, niet naar uw eigen wil en goeddunken, maar als een zoon des Evangelies. Als zoodanig is het uw plicht uw tijd te besteden, zooals wij u dit voorschrijven. Een deel daarvan hebt gij te wijden aan prediken en bezoeken, en een ander deel te besteden aan lezen, overdenken en gebed. Boven alles is dit een vereischte, dat wanneer gij met ons in des Heeren wijngaard wilt werken, gij dat deel des werks moet doen, dat wij u aanwijzen, en dit op die tijden en aan die plaatsen, die wij oordeelen meest tot Zijne heerlijkheid te zijn.

Wesley als bevelvoerder.

Wesley\'s besturen grensde al zeer na aan het oppermachtig scepter voeren van Generaal Booth. Ook beweert de Generaal steeds, dat hij een afstammeling van Wesley in de rechte lijn is. Hij doet in deze negentiende eeuw, wat Wesley, wanneer hij nu leefde, in een zelfden geest zou gedaan hebben. Gewis Wesley\'s aanschrijvingen om ter conferentie te verschijnen waren zoo kras, als Booth ze zou hebben kunnen wenschen. «Merk wel op,» schrijft hij, «dat ik naar mijne vrije keus ontbied, dien ik verlang, en dit om hun mijn raad en oordeel te geven. Aan niemand komt het recht toe mij iets voor te schrijven, en ook heb ik nooit, of in iets, afstand gedaan van de macht, waarmede Gods voorzienigheid mij bekleed heeft, zonder dat mijne keus of plan daaraan iets heeft toegebracht.» Hij schreef aan zijne predikers zeer strenge regels voor; «In geen geval mochten zij snuif aanroeren, of onder welk voorwendsel ook sterke dranken gebruiken. Hij verlangde van hen, dat zij in den morgen niets dan geroosterd brood en water zouden nuttigen, en des

-ocr page 374-

BIJLAGEN.

Vrijdags niet anders dan groenten. Hoe hij in zaken als deze tot kleinigheden kon afdalen, blijkt uit een brief aan een zijner helpers in Ierland.

«Wees altijd ernstig gestemd. Er is geen land, waar dit zoo volstrekt noodzakelijk is als in Ierland, waar slechts de kleinste aanmoediging noodig is, of het is er lachen en pret maken van den morgen tot den avond. Doe in elke stad van huis tot huis huisbezoek. Vermijd daarbij, en bij elke andere gelegenheid, gemeenzaamheid met vrouwen: het zou voor haar en voor u enkel vergif zijn. . . Welke kleederen gij ook hebben moogt, zorg dat ze heel zijn; wacht u voor gaten, vlekken en alles wat naar haveloosheid zweemt. Al deze dingen staan èn man èn vrouw leelijk, want zij getuigen enkel van luie slordigheid. Zie toe om uwe kleeding in goede orde te houden, want anders zal ik nooit gelooven, dat gij u op een onberispelijk leven ernstig toelegt. Zorg dat men nooit een Methodist zie, die verdient, dat men hem slordig en haveloos lieete. Zorg dat gij bij uw bezoeken van ongedierte vrij blijft. Let daarop met de uiterste zorg, en laat uit voorzorg uw haar niet kort wegsnijden, maar houd het door dagelijksche verzorging schoon. Werk er toe mede, dat de bewoners van Noordelijk Ierland door hunne onreinheid en slordigheid niet langer een spreekwoord en schande der natie blijven. Wacht u voor snuif; ik geloof dat geene andere natie van Europa zoo verslaafd is aan deze laffe, afstoo-tende en vuile gewoonte als de Ieren. Raak aan geen drankglas. Drank is vloeieod vuur, een vergif ook voor het hersenleven en het geweten, het ondermijnt en sloopt alle waarachtig leven. In Ierland, meer dan in eenig ander land ter wereld, zou ik mij heiliglijk van alle drankgebruik onthouden, omdat het er zulk een heerschend kwaad is. Aan drankgebruik, snuiven en de rookerige huizen en hutten schrijft men op goeden grond de oogziekten toe, die in Ierland zoo algemeen zijn.»

quot;Wesley\'s evangelic.

Een overzicht van enkele hoofdtrekken in Wesley\'s karakter, maar met voorbijgaan van het centraal beginsel, dat hem in zijn gansche loopbaan altijd heeft bestuurd, zou even onverstaanbaar zijn als een geschrift over het buskruit, maar waarin de salpeter niet besproken werd. De salpeter in Wesley\'s zijn en doen was zijn hartstochtelijk, zich in daden uitsprekend geloof in des zondaars dadelijke en geheele verlossing van de zonde en haren vloek, krachtens den zoendood van den gelijk de slang in de

356

-ocr page 375-

BIJLAGEN.

woestijn aan het kruis, als het hout des vloeks yerhoogden Christus. Het Lam Gods, als het Paasohoffer, dat niet de zonde van Israël alleen, maar de zonde der geheele wereld wegneemt, was de hoeksteen, de Alpha en de Omega zijner prediking. Christus en die gekruisigd was de Talisman in zijn woord en leven, de macht, waardoor hij wonderen op het gebied des geestelijken levens verrichtte. Zonder dit aaugeboden offer eener dadelijke verlossing, aangedrongen door den schrik van het te wachten oordeel, zou Wesley machteloos geweest zijn in het bewegen van anderen, omdat alsdan de macht, die hemzelven dreef, in hem zou ontbroken hebben. Naar Amerika gaande, zegt hij uitdrukkelijk, dat hij dit deed, omdat zijner ziele zaligheid hem drong; en dezelfde drijfveer was met elk oogenblik in zijne ziel levend en werkzaam.

I)c mctliodist op staafknmlig gebied,

In welk opzicht aan Wesley eenige bekrompenheid moge hebben aangekleefd, zeker is het dat hij op de zaken dezes levens een veel ruimer blik had dan eene menigte dergenen, die zich naar hem noemen. Hij had veel meer geloof in «den burger-Christen» dan die allen, welke zich aan het politieke leven onttrekken, omdat zij zichzelven daarvoor te geestelijk gezind achten. Hij drong er met kracht op aan, niet om zich te onthouden, maar om aan de verkiezingen van regeeringspersonen deel te nemen. De Wesleyaansche kiezers werden steeds ten ernstigste aangemaand, om zonder daar geld of andere belooning voor te ontvangen op den naar hun oordeel meest waardigen persoon te stemmen; om nooit kwaad te spreken van wie ook voor verkiezing in aanmerking kwamen en ook geene bitterheid tegen zul-ken te voeden. Wesley\'s laatste brief is nog eene krachtige aanmoediging aan Wilberforce geweest, om niet te rusten voor de slavernij uit de samenleving der christenen gebannen was.

Wesley\'s parochie.

Het zou gemakkelijk zijn een gansch boek te vullen met het schetsen van Wesley zoowel als mensch en als eene kracht. Zijne kleine figuur staat iederen waren Engelschman even duidelijk voor oogen, als de zooveel grooter en grover gestalte van zijn tijdgenoot Dr. Johnson. Wij zien hem in gedachten, zooals hij daar langzaam reed met de teugels los op zijn paard, terwijl de rijder zelf verdiept is in een boek, dat geopend op den knop

357

-ocr page 376-

BIJLAGEN.

van zijn zadel rust. Wesley\'s tijd van lezen was zijn rit van de eene plaats naar de andere, en zoo las hij met niet minder belangstelling Homerus en Virgilins dan eenig godgeleerd boek, of door hemzelven ontworpen plannen tot het winnen van zondaren voor het Koninkrijk Gods. Voor Wesley was het geen woordenspel, wanneer hij zeide: «de wereld is mijne parochie». Zijn hart was zoo wijd ontsloten, hij was zoo waarlijk katholiek, dat hij met zijne liefde geheel de menschheid omvatte. Eens schreef\' hij; «De Methodisten leggen als de weg tot toelating in hunne gemeenschap, aan niemand eenige meening op. Al miskennen zij den aard en beteekenis onzer wijze van Godsver-eering, ook dit is geene hinderpaal tot toelating in ons midden. De Presbyteriaan kan Presbyteriaan blijven, en de Independent, of Anabaptist of Kwaker zijne eigene wijze van eeredienst volgen, wij zullen daarover niet in twist treden. Wij denken naar onze overtuiging, en wij gunnen anderen gelijke vrijheid. Wij stellen slechts één voorwaarde, eene eenige, de oprechte begeerte om zielen te helpen redden van het verderf. Waar is eene andere, aan de onze gelijke vereenigingV In Europa? in eenig ander deel der wereld?»

Ware het Methodisme -terug te brengen tot deze zijne eerste katholiciteit, het zou nog de kerkgemeenschap van den nieuwe-ren tijd kunnen worden; maar, helaas, het Methodisme zelf is gesplitst in eene macht van over bijzaken verdeelde sekten, en enkel nog één in een tegenovergesteld waardeeren en gebruiken van geld, als door Wesley in zijn woord is aanbevolen, en door geheel zijn leven in beoefening gebracht. «Denken en laten denken,» is alles behalve eene geliefde stelling onder de heden-daagsche Methodisten, en dit kan wel niet anders, want begrippen en gebruiken krijgen te grooter beteekenis, naarmate de waardeering van geld en goed, stijgt, en die van helpen redden van zielen van het verderf daardoor verkoelt en vermindert.

Wesley als schrijver.

John Wesley was een pittig schrijver. Hij wist wat hij wilde, en zeide wat hij dacht, en daardoor zijn nog zijne brieven modellen van een helderen en eenvoudigen schrijfstijl. Hij hield innig veel van kinderen. Zij mochten altijd zijne koets vullen en wanneer de tijd het toeliet er eerst nog een half uurtje mede rijden voor hij zelf instapte. In zijn tijdgebruik was hij geregeld als eene klok, en daardoor heeft hij den tijd weten te vinden om zooveel te lezen en te schrijven, als hij werkelijk gedaan

358

-ocr page 377-

BIJLAGEN.

359

heeft. Hij was in één woord, voor zooveel dit van eenig mensch mag gezegd worden, een goedhartig heilige. Wat in zijn schrijven en regelen zijne waarde verloren hehbe, zijn geestdrift om aan zoovele menschen mogelijk goed te doen; zijn streven naar eene steeds inniger gemeenschap met het onzienlijke en ideale; zijn ten einde toe ongeschokte wil om zich geheel te geven aan het winnen van menschenharten om de liefde Gods te verstaan en die met wederliefde te beantwoorden, — deze groote zielshoedanigheden van Wesley zullen blijven voortleven en invloed oefenen. De achttiende eeuw zag Engeland Amerika verliezen en zijne Oost-Indiëu winnen, maar geene van deze beide wereldgebeurtenissen kan in beteekenis halen, bij den steeds voort-werkenden invloed van de omkeering ten goede in het rijk dei-geesten, welke de uitkomst is geweest van Wesley\'s prediken, en met woord en daad hervormen.

Wie verblijdt zich niet met mij, dat het nieuwe plan van Generaal Booth ook geleid heeft tot eene talentvolle teekening van John Wesley\'s groote gaven en beteekenis als deze. Twee stroomen beheerschen onzen tijd. De eene zoekt in beslister kerkvormen en scherper leerstellige bepalingen bolwerken op te richten tegen den geest van ongeloof en twijfel, en tegen daden tot omkeering van al het maatschappelijk bestaande. De andere zoekt, zonder die eerste strooming gering te achten, meer in het verleden naar de daden en stichtingen, waarin een zelfstandig en vrij gemeenteleven de macht des geloofs in den Zaligmaker der wereld heeft geopenbaard. Zien de volgers dezer laatsten, wat Wesley uit den kring des persoonlijken levens in het gemeenteleven heeft overgebracht, nu niet alleen door Booth, maar door vele zijner geestverwanten tot eene wereldbeweging verheffen, hoe goed moet het hun zijn, om gelijk anderen naar Luther en Calvijn teruggaan, zoo naar John Wesley en zijn tijd terug te keeren, en als in den wordingstijd van het methodisme, in den besten zin des woords methodisch, onder de leiding van den Geest, die de geest van een God van orde is, tot verlossing en hervorming der wereld mede te werken. Was de overgang der vorige eeuw in zijn overgaan tot deze rijk aan hervormingen en stichtingen op het gebied des christelijken levens, niet minder is het deze onze eeuw door de toenemende vruchten van het door Traktaat-, Bijbel- en Zendelinggenootschappen gezaaide.

-ocr page 378-

360

In zulke tijden bedenke ieder zijne verantwoordelijkheid in de ure der rekenschap.

Tot het groote is niet ieder, maar allen zijn wij tot trouw in het ons aanbetrouwde geroepen. God heeft ons niet slechts «helpers», Hij heeft ons «zijne medearbeiders» willen noemen. Laat ons dien naam met het hart en den geest van Wesley op prijs stellen, en zoo lang het voor ons dag is doen, wat onze hand vindt om te doen.

II.

Eeu oordeel uit Amerika over liet maatschappelijk plan van Generaal liootli.

De heer Joseph Cook, een van Amerika\'s meest geachte volksmannen en sprekers, heeft in zyue 2208te Maandagsvolksvoorlezing het plan van Generaal Booth besproken. Hij ging eerst na, of het plan geene gebreken heeft. Hij is van oordeel, dat bijna ieder in Amerika het beter zou hebben gekeurd, indien de generaal terstond eene flnantieëele commissie had benoemd, maar, zegt hij, de Genenaal is geen Amerikaan, en stemt meer met de autocratische denkbeelden van John Wesley overeen. Dit moge zijne voordeelen hebben, maar ook zijne schaduwzijden. Wat hem in het plan liet minst behaagt, is, dat het den drankhandel niet rechtstreeks eu met open vizier aantast. Amerikanen zouden de voorkeur geven aan eene goed georganiseerde politieke poging, om allen drankhandel door de wet te weren, en zoo viervijfden van de ellende der groote steden te bannen. Voorts meent hij, dat Generaal Booth niet genoeg aandacht wijdt aan het gebrek van hulpmiddelen, die een zoo groote oorzaak van armoede is. Over bet geschrift van Professor Huxley tegen het plan oordeelt Cook zeer ongunstig, en noemt den geest en de strekking laag, een man van wetenschap onwaardig.

In de tweede plaats de verdiensten van het plan nagaande, is hij van oordeel, dat onberekenbaar\' veel goeds er niet enkel voor Londen, maar voor de gansche maatschappij uit voortkomen zal. Het is niet bepaald Engelsch of Amerikaansch, maar de gezichteinder, waar het mede rekent, is even wijd van

-ocr page 379-

BIJLAGEN.

omvang als de mensohheid. In Amerika, zegt hij, hebben wij behoefte aan alles wat dit plan aangeeft. Persoonlijk heeft hij nog meer op met de oude plannen van Dr. Chalmers, wat niet wegneemt, dat het plan van Booth allervoortreffelijkst berekend is op de bestaande nooden. Zoolang echter de meer fatsoenlijke en gemeene kroeg niet uit de maatschappij gebannen is, oordeelt Cook, zullen noch de plannen van Booth, noch die van Thomas Chalmers het vraagstuk bevredigend oplossen.

in.

Het oordeel cencr Engelsche en ccner Ameriknansclie vrouw over Generaal Jtoolli\'s werk eu plan.

1.

De ook in ons land welbekende mevrouw Hanna Pearsal Smith schrijft:

«Hier (in Engeland) is onder alle arbeiders op het gebied der philantropie een ernstig nadenken en overleg omtrent het plan van Generaal Booth. De twee belangrijkste opmerkingen, waarvan de tweede wel het gewichtigst is, zijn: «dat het armlastigheid zal kweeken en in de praktijk niets afdoen, zoo langde drankhandel en de kroeg blijven, die ze zijn. De drankhandel werpt de werkende standen veel sneller en met meer macht in het moeras, dan Booth en de zijnen ze er uit opheffen kunnen. Een onzer christelijke bladen stelt dit in plaat dus voor: «John Buil staat midden tusschen Booth en een drankhandelaar in. Aan Booth reikt hij een zak toe met 1,200,000 gld. en aan den drankhandelaar een met 1,200,000,000 gld. In de werkelijkheid is dit laatste bedrag nog met ruim 1,200,000 gld. te vermeerderen eer het de som bereikt van het jaarlijksch drankbudget van Groot-Brittannie, zonder zijne koloniën. Tot Booth zegt John Buil: «hier zijn \'1,200,000 gld. uit mijn beurs, ga en red daarmede het verdronken tiende deel.» Tot den drankhandelaar zegt hij: «daar hebt gij het honderdvoud van die som, zorg nu dat-het tiende deel voltallig blijve, opdat het de philantropie nooit aan een arbeidsveld ontbreke!»

361

-ocr page 380-

BIJLAGEN.

Naar mij voorkomt is dit eene geheel juiste voorstelling der zaak. Zij doet aan de beteekenis en waarde, vooral aan de ontdekkende macht van Booth\'s arbeid niets tekort, maar doet juist daardoor in bet volle licht uitkomen al de vreeselijkheid der overmacht, waaraan meest wij ouze maatschappelijke ellende en misdaden te wijten hebben. Wij moeten de bron stoppen, de oorzaak afsnijden, zullen wij werkelijk de gevolgen door een gemeenteleven, als John Wesley zocht en door maatschappelijke hervorming als Booth\'s plan bedoelt, te boven komen. Kon dezelfde mate van geestdrift, als zich ten voordeele van des generaals plan openbaarde, in leven worden geroepen tegen den drankhandel en de regeeringsvergunningen, die het bolwerk dei-kroeg zijn, het kwaad zou, althans in hoofdzaak, spoedig verholpen zijn. Booth zelf erkent, dat het vast staat, dat in het midden van het verdronken tiende deel, nog moet gerekend worden, dat in elk gezin week aan week meer dan vier gulden aan drank wordt verkwist. Onze regeering en bevolking zijn aan de meesten onzer kranken gelijk, die wel van een geneesheer pijnstillende en verzachtende geneesmiddelen begeeren, maar grillen voor eene radicale behandeling en het volgen van onveranderbare gezondheidswetten, liegeeringstoezicht moet handelend optreden, waar individueele kracht te kort schiet.

De kreet van het volk verarmen en armlastigheid bevorderen is meest loos alarm. Het volk verarmt niet door liet belasting betalen voor vrije leesinrichtingen en leerrijke museums. Zoo ook zou het van regeeringswege bouwen van waarlijk goede arbeiderswoningen de arbeidende klasse niet verarmen door de daarvoor te betalen belasting, indien maar de natie in hare regeering vrij en eerlijk vertegenwoordigd is. Wat dus geschieden kan, is in Glasgow treffend bewezen; en het schijnt, dat Londens stadsraad eerlang in denzelfden geest zal optreden. Zoolang echter de regeering en de kern der natie honderd malen meer voor het doen verdrinken dan voor het uithelpen blijven geven, is het laatste betrekkelijk Sisyphuswerk, het oprollen van een steen, die bijna boven, telkens weer naar de diepte valt.

2.

Als een stuk van de redactie zelve schrijft de Union Signal het volgende over des generaals arbeid in al zijn omvang:

De mannen der wetenschap zeggen, dat wandelen slechts eene aaneenschakeling van voorovervallen is, maar telkens gestuit voor

362

-ocr page 381-

BIJLAGEN.

het evenwicht verloren werd. Vooruitgang is iets van denzelfden aard in kerk en staat. Het heilsleger kan op dit punt tot toelichting dienen. Toen de kerk voorover dreigde te vallen tot vormendienst en haar bidden vrij wel neigde tot het gebed: «Heer, behoud mij en mijn vrouw, mijn zoon Jan en zijn vrouw, ons viertal. Heer, en niet meer;» versohenen met vlugge muziek-pas de Halleluja knapen en meisjes om de kerk weder op den weg van vooruitgang voort te stuwen.

Evenzoo is het met het Methodisme gegaan; het kwam «in de volheid des tijds» tot voorziening in een dreigenden nood. Bveuzoo is het geweest met de groote evangelische beweging van Dwight L. Moody en met den Vrouwenkruistocht in \'1873 en 74 tegen de hare mannen en zonen verdervende kroeg. Al deze verschijnselen zijn slechts deelen van een ontzachelijk geheel, het zijn de nieuwe lederzakken, waarin de nieuwe wijn des konink-rijks gegoten wordt. Nu zijn er twee soorten van beschouwers, de eene loert op het ontdekken van gebreken, de andere beijvert zich het goede op te merken en op den vollen prijs te schatten. Beiden vinden in elke beweging het deel, dat zij zochten.

Het behoeft niet gezegd, dat eene organisatie zoo omvattende als het heilsleger, in 36 landen tot stand gebracht, dat meer dan 1,000,000 medewerkers telt, en jaarlijks over 9,500,000 gld. te beschikken heeft, ook personen moet trekken, die juist niet de allerzuiverste bedoelingen hebben. Vergeten wij daarbij niet de snelle ontwikkeling, waarbij 1300 officieren in 445 steden bevelvoerders zijn. Zoo nu overal niet alles van proefhoudend gehalte is, is dit niet aan de nieuwe inrichting of hare leiders te wijten. Jezus telde in zijue omgeving een Judas; Washington een Benedict Arnold; Hamilton een Aaron Burr. De familie Booth — een gezin eenig ia weldoen en helpen — verantwoordelijk te stellen voor voorkomende oneerlijkheden, begane fouten en blufferige handelingen van enkelen, is de pyramide op zijn punt zetten, een boomgaard beoordeelen naar een deel rotte appels of een woud naar eeuige omgeworpen boomstammen.

Eene niet te loochenen waarheid is het b.v. dat de geheele gedaante van het Prinsdom Wales door den arbeid van het heilsleger veranderd is, zoodat er de drankslavernij voor de onthoudingsvrijheid het veld heeft moeten ruimen. De goedgezinden hebben er geleerd, hoe de Zondagsrust te handhaven eu den vijand uit hunne nabijheid te weren en geweerd te houden, Even waar is het, dat de massa der straatzwoegers in ieder land, de veriatenen en vergetenen in de verste streken door het opwekkend lied der soldaten moed gevat hebben en door hen geholpen

363

-ocr page 382-

BIJLAGEN.

zijn. Eu wie zal tegenspreken, dat de noodkreten van Londens verworpelingen door deze mannen en vrouwen zijn vernomen en ter harte genomen zijn, zooals door geen anderen. Ook is dit in Engeland, — waar het leger best bekend is — beantwoord met het vertrouwen, dat Generaal Booth in staat gesteld heeft tot een krachtig proefnemen om de angstkreeten in vrengdbetoon te doen verkeeren.

Mannen, die in Engeland het algemeen vertrouwen hebben, hebben bijna als één man ten gunste van het leger getuigd, en evenzoo bij ons geëerden als Generaal Clinton B. Fisk, Dr. de Witt ïalmage. Bisschop Key en zoovelen meer.

Nieuw York, dat spreekwoordelijk traag is in het welkom heeten van eenige nieuwe godsdienstige beweging, heeft zich tot in zijn hoogste en meest beschaafde standen gewonnen verklaard door Mevr. Mand Charlesworth Booth en haar Bijbellezingen, en door het meesterlijk leiden van haar echtgenoot Ballington Booth als gids van zijn heirleger helpers, die in gehoorzaamheid aan het evangelie «niet willen dat er eenige verloren ga.»

Moge woorden, waardeerend als deze, doen gevoelen, dat Nederland vertegenwoordigd door zijne regeering en handel nog wel steeds voortgaat jaarlijks 80,000,000 gld. aan te nemen, waardoor het een leger van 30,000 besliste dronkaards, en duizenden armen en misdadigers telt; terwijl de werkers aan het droogleggen van het moeras weinigen zijn en van aalmoezen monsterwerk moeten doen.

IV.

Aanvankelijke volvoering van liet wereldplan, om door redding: en IierTorming de maatschappij meer van christelijke beginselen te doortrekken.

In navolging van het oorspronkelijke werk een aanhangsel aan onze vertaling toevoegende, heb ik met bepaald bedoelen een breede schets voorop gesteld van den arbeid van John Wesley, in zoover deze sprekende karaktertrekken met die van Booth gemeen heeft.

In mijn oog toch is dit de groote waarde der nieuwe onder-

364

-ocr page 383-

365

neming, dat wat zij oorspronkelijks hebbe, zij iu den grond slechts ontwikkeling van het vroeger reeds verwezenlijkte is. Niet anders was het met Wesley en Luther, gelijk ook zij slechts een beslister en sprekender vorm gaven aan wat andere volgers van den Christus met woord of\' daad hadden verricht.

Wanneer wij, van John Wesley, van het oogenblik af, dat hij door Peter Böhler, de Moravische broeder, beter onderwezen, zijn kerkisme prijs gaf, — en hij om die reden door de kerkdijken uitge-stooten, het vormen van een waar gemeenteleven tot ideaal koos, — deze strooming rugwaarts volgen, komen wij eindelijk op de gröote heldenfiguur, de man, die als de eerste Christenmartelaar stierf.

Niet een der elve, de diaken Stefanus was in de, met Christus opstanding voltooide nieuwe schepping de Abel, die dooiden Kaïnsgeest der kerkelijke heerschzucht werd doodgeslagen. Die geest mocht de Apostelen dreigen, maar in dezen mensch herkende hij in diens zich verheffen boven dooden vormendienst zoo den Christus zelven, dat alleen zijn dood den haat zijner tegenstanders verzadigen kon. Die- geest, welke het Sanhedrin Stefanus steenigen deed, weerstond reeds binnen den kring dei-gemeente diens geestverwant Paulus, bij zijn bestraffen der wets-drijvers; willende hij van niets weten dan Jezus Christus en dien gekruisigd. Niet in eenig bepaald persoon, in dien geest zag de Apostel den Antichrist, die der Heidenen tempel- en der Joden synagogedienst zou te baat nemen, om den Christus iu het midden van zijne gemeente zelve op nieuw te kruisigen.

Schijnbaar was met Constantijn de Groote de zegepraal van Paulus tegenstanders volkomen, maar toch niet meer dan naaiden uitwendigen schijn. Hij, die gezegd heeft, «Waar twee of drie vergaderd zijn in mijnen naam, daar ben ik in het midden», heeft in dat woord een gemeenteleven gegrond en geheiligd, dat zonder het minst gevoel van naijver Rome\'s St. Pieter en Keulen\'s dom kan gadeslaan, omdat het aan den voet des kruises verstaan heeft, dat «een door den eeuwigen geest zich-zelven Gode onstraffelijk opofferen» de door den Herschepper der menschheid bedoelde aanbidding van den Vader in geest en waarheid is.

Beide machten strijden sedert Stefanus en Paulus orn de zegepraal. Nooit was bij het volhardendst bloedvergieten de overwinning ter eene zijde volkomen; ook waren nooit nog de eischen van den Heer aan het gemeenteleven gesteld, wat zij wezen moesten tot vervulling der profetie; «men zal nergens leed doen noch verderven op den ganschen berg mijner heiligheid; want

-ocr page 384-

368 BIJLAGEN.

de aarde zal vol vau de kennis des Heeren zijn, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken.»

Tegenover een liefdeloozen en vervolgzieken kerkgeest ontsluierde een Howard de ellenden van het gevangenisljiden. en tegenover die der negerslavernij getuigde een VVilberforce op eene wijze, welke de conscientie dwong tot de erkentenis, hoe weinig het nog den belijders van Christus naam ernst was geweest met de gehoorzaamheid aan zijn eisch; «predikt het evangelie aan alle creaturen.»

Wat gebrekkigs den arbeid van Wesley en Booth moge aankleven, dit is daarvan de onloochenbare beteekenis en waarde, dat hun doen met daden heeft gepredikt, hoeveel en hoezeer hel allergewichtigste in het gewone kerkelijk gemeenteleveu, —• en dit bij een terugkeeren tot alles, wat door den Heer voor zijn heengaan (Matth. 23) zoo streng is veroordeeld, — dikwijls verzuimd en als bijzaak geteld is.

Hoe ras en in welk eene mate Wesley\'s volgers op nieuw aan zijne hoofdbeginselen zijn ontrouw geworden, kan reeds alleen de schamelheid der feestgave bij,het gedenken van zijn eeuwfeest bewijzen. Wat na honderd jaren van het nu door Booth ondernomen hervormingswerk zal geworden zijn, wie zal het met zekerheid voorzien! Dit echter is voor niemand hoofdvraag.

Deze is alleen, van welke verzuimen, lijden en ellenden zijn een sluier opgeheven, waarbij ieder belijder des Heeren de hand moet in den boezem steken en vragen: «Heer, wat wilt gij dat ik doen zal, opdat iets van de smaadheid, die uwe gemeente u aandeed, worde weggenomen?»

In dezen geest van zelfonderzoek, meen ik, dat het voor ons plicht is den arbeid van het Heilsleger en de nu beproefde hervorming op maatschappelijk gebied gade te slaan. Het verheugt mij hier te kunnen bijvoegen, dat wakkere geestelijken in Enge-lands Staatskerk, ziende op de goede uitkomsten in het volksleven verkregen, niet gewacht hebben op het nieuwe plan, om in eigen kring een heilsleger van kerkelijk karakter op te richten. Als doel werd uitgesproken: «onder kerkelijk toezicht door mannen en vrouwen uit den werkenden stand het evangelie aan hunne standgenooten door woord en daad te doen aanbevelen.» Kerkelijke goedkeuring bleef niet uit, en verscheiden bisschoppen, de goede vruchten ziende, boden die onderneming op allerlei wijze een krachtigen stouu.

Deed het nieuwe plan van Booth dezen belangrijke sommen toestroomen, de kerkelijke onderneming zag hare schatkist door vrijwillige gaven minstens naar evenredigheid ondersteund.

-ocr page 385-

BIJLAGEN.

Ook in cle Roomsoh-Katholieke kerk werd naijver gewekt, en meer dan waarschijnlijk is het, dat onder leiding van kardinaal Manning en de hoogere lersche geestelijkheid het arbeidsbureau, de bouwhoeve-kolonie en de kolonie over zee spoedig en op flinke schaal eene werkelijkheid kunnen zijn. Reeds zijn door hun invloed arbeidsbureaux in werking, terwijl nog zeer pas een daarvan kerkelijk te Henley is ingezegend. Zulke proefnemingen behooren ons tot ernstig nadenken en een heiligen naijver te wekken. Gemakkelijker is het zeker min edele drijf-veeren te vermoeden, maar welke ook de kerkelijke staatkunde van een man als kardinaal Manning moge zijn, dat hij een hart heeft als Vader Mathew en dat hij de werkende standen en de armen liefheeft, zal wel niemand tegenover de daarvan getuigende daden durven ontkennen. 1)

Allen, die achter den Heere Christus willen komen, ontvangen van Hem, hun Heer en Meester, ook minstens één talent, om daarmede voor zijn Koninkrijk te woekeren. Ook zal Hij ons niet onzeker laten omtrent de taak, die hij meer in het bijzonder ons als «de onze» opdraagt, wanneer wij slechts ooren hebben, om te hooren, zooals hij door zijn Geest tot ons hart en geweten spreekt. Zelf gevoelde ik mij voor nu juist dertig jaren door zulk een overmachtigen indruk een nieuwen en vruchtbaarder weg van dienstbetoon aangewezen. Als reislektuur en enkel tot korting van den tijd opende ik een boek, mij zonder bepaalde aanbeveling geleend. «Haast u ter redding», luidde de titel; en ik had het doel mijner reis niet bereikt, of\' ik gevoelde aan des Meesters wil gehoorzaam te zijn, met het mede volgen van het in dat boek geteekend spoor. Dertig jaren zijn sedert voorbij gegaan, en wanneer ik nu het Koning Willemshuis en zijne scholen aanschouw, wanneer ik bedenk, dat het aantal kinderen, in wier harten wij daar het zaad des evangelies mogen strooien, eerlang tot een 2400 tal zal zijn aangegroeid, dan kan ik slechts de leiding der genade Gods aanbidden, die zoo zijne dienaren «wil leiden in den weg», en hunne gehoorzaamheid met blijdschap kroonen.

367

Mocht dan bij het lezen van dit boek een mijner lezers voor zich zulk een «heden» kennen, Broeder, Zuster, verhard uw harte niet, laat den indruk niet verkoelen en voorbijgaan, maar «hoort Hem, die tot u ten leven voor anderen en voor uzelven spreekt.»

1) Verg. Review of reviews, Vo). 1. No. 6. June 1890, pag. 474—481.

-ocr page 386-

HIJ LAG F.N.

De luaaud Januari van dit jaar zal eene onvergetelijke blijven in de geschiedenis van Generaal Booth\'s maatschappelijk pogen. Allen, die tegen zijn plan waren ingenomen, deden als een ge-zamenlijken aanval daarop, met Professor 11 uxley aan het hoofd. De aanval scheen echter slechts een bijkomende prikkel tot het beter doen vrelgelukken, en op den 30 Januari Tverd in lixeter Hall een dankstond gevierd, want de twaalf tonnen gouds waren ruim verkregen en de groote taak kon aanvaard en begonnen worden.

Voor wij echter daarop het oog vestigen, willen wij een blik zijdwaarts slaan op wat door liet heilsleger der Staatskerk is geschied. In het pas verschenen jaarverslag, dat als het ware een evenwijdig met dat van Generaal Booth\'s arbeid loopend streven toont, wordt met voorbeelden de vraag bevestigend beantwoord: als het mogelijk zwervende bedelaars, misdadigers en dronkaards te redden en te behouden?» Niet enkel in Londen, maar in tal van buiten-parochieën zijn werk-toevluchtsoorden geopend. Evenals voor mannen heeft dit leger hetzelfde voor vrouwen tot stand gebracht, verkooplokalen voor vrouwenarbeid geopend enz. In \'.202 parochieën zijn nu onder leidiug van den plaatselijken geestelijke 156 kapiteins en -10 geoefende verpleegsters werkzaam, terwijl in de behoefte van nog 100 parochieën zal voorzien worden, zoodra het geschikte mannen- en vrouwen-personeel gevormd is.

In de Roomsch-Katholieke kerk zijn gelijke bewegingen in gang, zoodat wat in des Generaals arbeid nog gebrekkigs mocht zijn, het niet alleen den stoot aan deze pogingen gaf, maar zij tevens elkander zullen volmaken, en vereenigd gewis groote hervormingen ook op het gebied der volksdrinkgewoonten tot stand brengen.

Tot waardeering van ieder hervormend pogen moet men het niet alleen op zich zelf, maar in zijn verband tot het gansche maatschappelijk raderwerk aanschouwen. Spurgeons opgang deed in Londen de oogen open gaan voor den in de zich uitbreidende wereldstad ontstanen kerknood, en niet alleen Londens Bisschop ïait had weldra vier millioen gld. tot kerkbouw bijeen, maar alle kerkgenootschappen ontwaakten tot vroeger ongekenden ijver. In 1835 kwam David Nasmith, een onbemiddeld man, naar Londen, om er even als hem dit in Glasgow en Dublin gelukte, eene stadszending te stichten. «Onmogelijk» sprak niet alleen Londens Bisschop, maar met dezen alle predikanten van naam. Toch vereenigde zich Nasmith op een Meimorgen ten 6 uren \'s morgens met twee vrienden tot een bidstond, en

368

-ocr page 387-

BIJLAGEN.

werd de stadszending begonnen, waarvoor nu meer dan 500 zendelingen werkzaam zijn. In zwakken blijkt de Koning van het Godsrijk machtig; in hen en hun arbeiden toont hij, dat hij ontvangen heeft alle macht in den hemel en op aarde.

Op den 20 Januari werd het eerste werkmanshotel onder den naam; de Arh geopend, een tweede volgde als de Reddingsboot, terwijl in het overbevolkt stadsdeel Shoredith, waar van stadswege voor een paar millioen guldens aan opruiming van stegen en sloppen schijnen te zullen besteed worden, op 23 Maart een derde gebouw de Lichtbaak geopend werd.

Van het zoo spoedig doenlijk oprichten van een tweetal lucifersfabrieken, als een der eerst noodige gedeelten van het hervormingsplan, kan nauwelijks te veel goeds gezegd worden. Weinige menschen hebben eenig begrip, tot welk een prijs van kinderlijden deze hulpmiddelen tot lichtverschaffing verkregen werden; een kwaad, dat wel ten deele blijven moet, zoolang in onze christenmaatschappij welgestelde personen dikwijls het meest dringen op goedkoopheid van het noodige, om te weelderiger in genotsuitgaven te kunnen zijn.

Keeds in 1870 leerde ik bij het bezoeken der reddingshuizen der Misses Macpherson iets kennen van deze stadsellende. Evenals Generaal Booth hadden zij voor een deel dezer kleine werksters beter werkplaats verschaft, maar wat was dat voor zoo velen! Miss Macpherson deelde mij mede, dat voor dit slavenwerk groote getalen kinderen reeds van hun derde jaar gedrild werden. De eerste oefening op dien leeftijd is het opplakken van het strookje, waarop de lucifer wordt aangestreken. Op het vierde jaar maken de vluggeren reeds eenige honderden doosjes daags. Dag aan dag hebben zij tien ii twaalf uur te werken, niet zelden bij nacht, als het papier enz. laat geleverd is en toch het aantal doosjes gereed moet. Honger en slaventucht zijn de drijfmiddelen tot afwerken van hun jeugdig leven. Zoo kwijnen in groote steden honderden kinderen bij slecht voedsel in vunzen stank door onverpoosd werken weg. Meestal vinden zij reeds voor hun tiende jaar een ontijdig graf, zonder misschien ooit den voet gezet te hebben buiten de enge steeg hunner woning, of boom of bloem te hebben gezien. O , hoeveel goedkoops is er, waaraan bloed en tranen kleven, en dat niemand zou willen aanroeren, als hij door een oogenblik clair-voyance dat bloed en die tranen voor zich zag zichtbaar worden.

Geen wonder dus, dat in het mensch- en kinderlievend hart van Generaal Booth het plan rees, waarnaar een tweetal lucifersfabrieken met christelijke regeling, tot bestrijding van den gruwel,

369

24

-ocr page 388-

BIJLAG EN.

zijn opgericht. \' Moge dezer opvlammend licht zooveel helderheid verspreiden in Londens donkere wildernissen, dat geheel de christenheid zich opmake, om niet meer te willen weten van al de wonderen van goedkoopheid, ten koste van het zweet, het bloed en de tranen der armen verkregen. In deze twee nieuw opgerichte fabrieken geen afbeulen, maar arbeiden naar het acht uren stelsel.

Een der lichtpunten van het nieuwe plan is wel dit, dat als het praktisch begin van het georganiseerd arbeiden voor de door misdaad verlorenen te noemen is; «Ie gevangenis brigade», die aan het bezoeken der gevangenen een terstond bij hun ontslag hen aan de kerkerpoort tot hulp opwachten paait. De eerste 24 uren zijn voor ontslagenen de gevaarlijksten, dikwerf ten kwade beslissend. Bij geringe ontwikkeling en in alles willoos en onzelfstandig geworden, gaan zij als van zelf uit gewoonte mede ten goede of ten kwade, naar wie buiten de kerkermuren het eerst invloed op ben oefent. De man, die in zijn cel beloofde en zelf meende nooit weer te zullen drinken, bezwijkt terstond, als makkers of eigen gezin eenigszins dringend hem tot weder mededoen bewegen. Dit door de cel in wilskracht geknakt en daardoor een lijdelijke afspiegeling van anderen zijn, is haar nadeel; eene schaduwzijde maar al te veel voorbij gezien, doch dit niet door Generaal Booth, wiens Brigadeplan een eenig en afdoend redmiddel is. Zoo lang vereenigingen tot hulp voor ontslagenen dien weg niet opgaan, mogen zij geld bij handen vol geven, redmiddel zal het slechts bij uitzondering zijn. Al was er in het reddingsplan van den Generaal eens niets goeds dan dit ééne, dan was dit ééne nog meer dan twaalf tonnen gouds waard.

Ook de Buiten-hofstede-kolonie heeft reeds een veelbeloovend begin. Bene streek, drie hofsteden bevattend, is ten zuiden van Londen, en langs een waterweg bereikbaar aangekocnt. Niemand verwarre deze poging met die van heideontginning met door stads- en dorpsbesturen naar goedvinden toegezonden bedelaars en armen. De 1010 acres, na nauwkeurig onderzoek door deskundigen aangekochten grond, zijn in dezen den landbouw on-gunstigen tijd voor niet minder dan bijna 200,000 gld. verkregen, en bevatten, deels aan water gelegen, allerlei soorten grond, van zeer zware klei — tot steenbakken voor de huizen geschikt, — tot verschillende soorten van gemengde eu lichtere aarde. Er is daardoor, naar het plan in het boek ontvouwd, gelegenheid voor groente- en bloemcultuur, voor graanbouw en weidegrond. De enkele bestaande gebouwen kunnen blijven dienst

370

-ocr page 389-

BIJLAGEN.

doen. Nieuwe worden van steen of hout gezet, en de gronden tot gemakkelijk vervoer van licht tramspoor doorsneden. 300 mannen hadden terstond werk en voor den winter zullen er 500 bezigheid vinden. Nog zijn het alleen mannen; maar zoodra het vorderen des werks dit gedoogt, zullen ook vrouwen plaatsing ontvangen. En deze zijn niet ballasten, die de eene of andere stad als armlastingen zich van den hals geschoven heeft, maar personen in de te huizen en werkplaatsen wat karakter, bekwaamheid en werklust aangaat, beproefd. Reeds is een hoofdopziener gevonden aan wiens toezicht en leiding zij met volle vertrouwen kunnen worden toevertrouwd; en alles belooft, dat het hier aangevangene zich naar binnenslands en buitenslands vertakken zal, zooals de ontvouwing van het plan dit voorspiegelt.

Niemand verwondere zich dan ook over de bijna vorstelijke wijze, waarop de Generaal in Zuid-Afrika en vooral in Australië is ontvangen. Wat in en om Melbourne het heilsleger reeds voor misdadigers en hulpbehoevenden deed, is reden, dat alle gronden, welke zij voor landverhuizers behoeven, hun door particulieren en regeerenden verzekerd zijn; overtuigd als men is, dat Generaal Booth niemand zenden zal, van wien men niet verzekerd kan zijn, dat hij door arbeid tot den bloei der kolonie zal medewerken.

Waar ik naar het bestek dezer bijlagen geene volledige mede-deelingen kan doen, maar enkel door eenige losse opmerkingen tot nader onderzoek aansporen, verblijdt het mij te kunnen berichten, dat na ongeveer eene maand een geschrift zal verschijnen, waarin omtrent den tegenwoordigen stand van zaken volledige inlichtingen verschaft worden.

Hoe men over bijzonderheden oordeele, reeds dit alleen is de onschatbare waarde en beteekenis van de maatschappelijke plannen van Generaal Booth, dat hij tegenover de luchtkasteelen en theoriën op papier daden stelt, die duizenden harten hebben verwarmd en duizenden hoofden tot nadenken bewogen. Niemand heeft recht te eischen, dat wat nieuw is ook terstond volmaakt zij ; en ontbreekt hier nog de volmaaktheid, willens blind moet men wezen om niet het hoogst voortreffelijke van dit maatschappelijk plan te ontdekken. Wanneer men zich niet allereerst op afkeuren en naar fouten zoeken spitst, maar zonder blind te zijn voor het onvolkomene het vele goede in den geest der liefde erkent, moet ons maatschappelijk leven meer en meer heilrijke vruchten plukken van een werk, dat in den geest des geloofs en der liefde werd begonnen.

371

-ocr page 390-

BIJ LAO EN.

V.

Kerk, societcit, leger.

Deze zijn de drie vormen, waarin tot hiertoe de gemeente van Christus aan haar gemeenschapsleven een maatschappelijken bestaansvorm heeft zoeken te geven. Waar in onze Nederlandsohe Bijbelvertalingen gelukkig het woord kerk niet voorkomt, kunnen wij het zonder misverstand bezigen, in onderscheiding van de gemeente als de schepping van God zeiven, voor wat de menschen als gemeente gewrocht hebben op dat gebied. In de meeste andere talen ia de onderscheiding zeer moeilijk. Zoo sprak ik eens met een mij later blijkend hoogkerkelijk Engelsch geestelijke en wij schenen het volkomen eens, tot op eens bleek, dat hij de geestelijkheid alleen en ik de gansche gemeente, voorgangers en leden als gelijken onder eénen Meester bedoelde. Wat ik dus in het bovenstaande met het woord «kerk» aanduid, is de door menschenwil bestaanden vorm, en wel meer bepaald het gewrocht van Keizer Constantijns staatkunde, als het einde van den reeds in Paulus dagen aangevangen strijd, om «de aanbidding des Vaders in geest en waarheid» op nieuw aan synagoge- en tempelvormen te verbinden en daarin op te sluiten. Dus verstaan bedoelt het woord kerk eigenlijk staatskerk, de vorm, die op Roomsch en op Grieksch Katholiek en op Protestantsch gebied de in Christus vrije gemeente altijd weder in slechts anderen vorm onder het staatsjuk heeft willen doen bukken. In ons land en elders zien wij dien band gebroken, maar daarmede de gevolgen der Egyptische dienstbaarheid niet geweken. Het verlagend stempel der geweldigen is aan het kerkelijk gemeenteleven zoo diep ingedrukt, dat het ware gemeenteleven, dat nooit vorst of priester zelfs met pijnbank en brandstapel hebben kunnen dooden, als een woekerplant meest daarbuiten, dikwijls, helaas, in wilde woekerplanten leeft en tiert. Gelukkig, dat in bedoelden zin de tijd der kerk is geweest. Wie zonder staatsmeerderheid den ouden vorm zoeken te behouden, pogen vergeefs hun nieuwen wijn in de oude lederzakken te gieten. De dus verminkte staatskerk kleedt zich vergeefs in oude vormen. In dien vorm kunnen Staat en kerk slechts als twee vijandige machten tegenover elkander staan, in plaats van in eenheid van geest te komen tot een maatschappelijk leven, geheel door den zuurdeesem van een waar gemeenteleveu geheiligd; een toestand, waardoor alleen de profetie Jes. XI tot vervulling

373

-ocr page 391-

bijlagen.

komen kan. Wat verouderd is, moet voorbij gaan en — gelijk in de oude wereld — voor het nieuwe, dat in en uit Christus is wijken.

Zoo door iemand is hiertoe door John Wesley een machtige stoot gegeven. Bij het ideaal, dat hem allengs duidelijker voor oogen stond, was hij zich niet bewust, dat hij zich van Enge-lands Staatskerk, en in den grond van al wat in den werkelijken zin des woords «kerk» is, scheidde. Meeneude daardoor binnen de grenzen der kerk te blijven en niet een werkelijk nieuwen vorm te bedoelen, noemde hij zijne steeds aangroeiende wereldparochie «societeit». Zich zeiven mocht hij daarmede blinddoeken, niet alzoo de geestelijkheid der Staatskerk, die zijn geestelijk hervormen ongehoorzaamheid noemde en hem buiten hare kerkmuren sloot. Toen daarop toch Wesley, buiten de kerkmuren, op het graf zijns vaders staande, aan eene even ongehoorzame schare het Evangelie des kruises predikte, was aan het kerkelijk priesterbewustzijn een niet te heelen wonde toegebracht, en voor het gemeenteleven met machtige hand eene nieuwe bedding gebroken.

De korte schets, die wij reeds van Wesley\'s optreden gaven, moet het voor ieder aanschouwelijk maken, dat hij grondslagen heeft gelegd, die onverbeterlijk zouden kunnen schijnen, wanneer niet de tijd, die onverbiddelijke rechter, ook de gebreken van het in zoo vele opzichten voortreffelijke en nieuwe had geopenbaard. Het is daarbij genoeg op twee bijzonderheden te wijzen. Het ideaal, dat Wesley in het woord «societeit» voor oogen stond, een ware, innige verbroedering, tot krachtdadigen arbeid, ter doorzuring der gansche maatschappij van den geest van Christus werkzaam, is vernietigd door allerlei splitsing uit den de broederschap vernietigenden geest van kerkelijke heerschzucht. Zulke splitsingen konden niet uitblijven, zoodra ónder Wesley\'s volgers «het geld», waaraan hij alleen tot bevordering van het goede waarde hechtte, zijn oude macht hernam, en meer en meer «geldgierigheid» in hare zachtere en hardere vormen zich «de wortel van alle kwaad», de verwoestende zuurdeesem van alle waar gemeenteleven toonde. Evenals de Staatskerk in hare overblijfsels, is Wesley\'s societeit niet de macht gebleken, welke in de gemeente vormen kan in leven roepen voor den geest, dien de Heer met eigen hand geteekend heeft, toen hij zeide: «hieraan zullen zij allen bekennen, dat gij mtjne discipelen zijt, (discipelen, die mij en niet één anderen Meester volgt) zoo gij liefde hebt onder elkander.»

Ware Wesley\'s Societeitsideaal bereikt, voor Generaal Booth

378

-ocr page 392-

BIJLAGEN.

zou geene plaats zijn geweest. Deze heeft diens plan doorzien; zijne macht verstaan, en — den legervorm in leven geroepen. In zijne voorstelling is natuurlijk het komen vau «societeit» tot «leger» een werkelijke vooruitgang. Onloochenbaar is het leger eene uitgebreider ontwikkeling van Wesley\'s denkbeelden, uitgezet tot de einden der aarde, en heeft, bij het onwillekeurig komen tot den legervorm, de hervormer Booth ingezien, dat Wesley\'s macht voor een zeer groot deel in zijn keizerlijk «sic volo, sic jubeoï gelegen was. Maar zelfs Wesley heeft, door alles aan regels te binden en 40,000 raaien te prediken «de heersehzucht en de geldzucht» niet kunnen onttroonen. Evenmin als zijne geweldige huisvrouw heeft hij die beide machten in zijne societeit kunnen onderwerpen. Hield hij ze bij zijn leven in bedwang, na zijn heengaan ontplooiden zij haar onver-broken macht. De heerschzucht van enkelen en de geldzucht der groote meerderheid, zijn van Constantiju\'s dagen af, altijd de twee formeerders van «zulk eene kerk», als waarmede de raadzalen en koopmansbeurzen dezer wereld, als een niet lastig surrogaat van het Koninkrijk Gods, in vrede kunnen leven.

Generaal Booth is zeker geen minder machtige figuur dan Wesley, een geestelijke Cromwell op\'het gebied van het gemeenteleven, maar zal met het wegvallen zijner persoonlijkheid zich niet de geschiedenis van Wesley\'s societeit herhalen?

Welk een troost voor de gemeente, dat zoo dikwijls zij tot zulke reuzengestalten opziet, ook hun falen, haar niet ontzetten moet of mag, omdat zij slechts één Meester heeft, de Heer, die alle macht ontvangen heeft in den hemel en op aarde, en die met haar blijft tot de voleinding der eeuwen. Hoeveel «heerschzucht en geldzucht» verstoren en vervalschen kunnen, niet het fundament van het Godsgebouw, «het kruis van den man van smarten.» Dit fundament staat onbewegelijk vast, en doet de gemeente een zegel lezen, waaraan zij alle «kerk-, societeits- en legervormen» te toetsen heeft: «de Heer kent degenen, die de zijnen zijn, en een iegelijk, die den naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid.»

Evenals in den gevallen mensch is in geen kerkvorm het beeld Gods geheel verloren maar slechts meer of minder verduisterd, en ook zien wij in societeits- of legervorm niet een zuiveren afdruk van hem, die niet gekomen was om gediend te worden, maar om te dienen. Toch hebben wij zijne machtsopenbaring te erkennen en te eerbiedigen in het al machtiger optreden van persoonlijkheden, die telkens den sluier oplichtend van bet dorre kerkelijk routineleven der gemeente, haar als met don-

374

-ocr page 393-

BIJLADEN.

derstem wakker roepen uit een slaap van vormendienst en eigengerechtigheid.

Een der merkwaardigste verschijnselen van dezen tijd is wel het opnemen van den vorm van het heilsleger in Engelands staatskerk! Zij noemt dit: «eene zending van mannen en vrouwen uit den werkenden stand onder hunne standgenooten onder de leiding en het bestuur der kerk.» ïoch ligt in spijt van die laatste toevoeging in deze woorden de belijdenis, dat «de geestelijkheid» deze staudgenooten niet heeft bereikt eu dat «mannen en vrouwen uit den werkenden stand» de kans hebben beter te zullen slagen. Welk een belijdenis op kerkelijk gebied! Zij herhaalt echter slechts in woorden wat met de daad reeds lang was toegegeven eu erkend. Stadszendelingen eu Bijbelvrouwen hebben reeds lang wonderen verricht onder de duizenden verwaarloosden,\'die in elke staatskerk waren «als schapen zonder herder,» als «tollenaars en zondaars en paria\'s geachten» door hen, wien nu het oppermachtig bestuur van den Christus dwingt te erkennen, dat «ook mannen eu vrouwen uit deu werkenden stand» dus «niet juist priesterlijk gevormden en aan hoogescholeu onderwezen geleerden» hem dienaars kunnen zijn om «visschers van menschen» voor zijn koninkrijk te blijken. Mij zou het een ideaal zijn, wanneer, zonder de minste verwaarloozing der godgeleerde studiën, het kerkelijk spreekgestoelte behalve voor de leeraars en opzieners der gemeente, althans voor manuen uit alle standen der maatschappij openstond. Zelf zag ik daar niet minder gaarne eene vrouw van leeftijd, vooral eene moeder als opvoedster in haar verkeer met kinderen geheiligd. Daar onze God een God van orde is, zou hierbij noodiging öf machtiging en dit van de wettig gekozen opzieners der gemeente behooren uit te gaan. Een groote aanwinst voor het gemeenteleven zou ik het achten, wanneer minder uitsluitend vruchten van het studeervertrek de geestelijke spijs der gemeente waren, maar ook christen-staatslieden, christen-kooplieden en anderen naar verkregen menschenkennis en ervaring op hunne wijs, dat is als uitvloeisel van hun bepaalden levenskring, het woord des levens tot de gemeente spraken. Hoe weinig weten godgeleerden vaak, bijna schreef ik meestal, van alles, wat omgaat buiten hun levens- en gedachtensfeer, zoodat soms hun spreken en getuigen door zijn onbepaalde stichtelijkheid de macht mist om hart en geweten tot wakkerschrikken en bekeering te treffen ! Bij hoe menige voorbereiding voor mijne evangelieverkondiging heb ik mijne groote onbeholpenheid en armoede in dit opzicht gevoeld, en dit te sterker, naarmate ik mij meer in

375

-ocr page 394-

BIJLAGEN.

het leven der gemeente in al zijn omvang zocht in te leven.

Wanneer zal dit onder ons anders worden, gelijk het elders reeds bij aanvang ten goede verkeerde? Wanneer zal in Nederland de geest overwonnen zijn, die den kerkeraad eener groote gemeente, als gold het eene heilige levensvraag, avonden met warmte deed beraadslagen; «of het niet reeds kanselontheiliging was, wanneer een geacht godsdienstonderwijzer van zoo hoog standpunt der gemeente het evangelie des kruises verkondigde?» Znurdeesem der Fariseën en Schriftgeleerden, wanneer zult gij uit het kerkelijk leven zijn uitgebannen! Zonder eene voller uitgieting des Heiligen Geestes is het nauwelijks denkbaar! Helaas, nog is het doodsch winterachtige zoo min in ons kerkelijk gemeenteleven als in het type daarvan — zoo menig oud, donker, doodsch en kil kerkgebouw — overwonnen, maar een warmer lenteadem en vriendelijk lentevoorjaarszonnetje ontbreken niet geheel. Mocht de twintigste eeuw onze gemeenten en geheel de Christenheid door een geestelijk zomergetijde de volle ontwikkeling van het Christusrijk met macht nader brengen.

Dat die gehoopte tijd met steeds rasscher schrede komen zal, is onze hoop en ons vast geloof, want raenschen en hunne macht en heerlijkheid gaan voorbij, maar beginselen en denkbeelden blijven. Eens levend en werkzaam geworden werken zij door, totdat de zegepraal behaald is.

In den aanvang dezer eeuw hooren wij Schotlands kerken zich openlijk uit geldelijk belang de vijand verklaren der zending, de vijand van het gehoorzaam zijn aan het groot bevel: «predikt het evangelie aan alle creaturen.» Onverholen sprak de kerk in den geest van onzen Staatsminister, die aan Professor Heringa de vergunning tot het oprichten eener matigheidsvereeniging weigerde: «omdat er gevaar bestond, dat door vermindering der onmatigheid de belangen der schatkist te gevoelig zouden Ijjden». Het einde dezer eeuw ziet de zending alom als eene macht, en deze tot door de staatkunde dezer wereld erkend en geëerbiedigd.

Zoo zal geene enkele goede gedachte en beginsel in kerk-, sociëteit- en legervorm verloren gaan. Nu zien wij deze nog meest gescheiden werkzaam, misschien door eigen hooggevoelend-heid elkander steeds afstootend; doch reeds de haat en weerstand der wereld, en zeker niet minder een wederzijdsch waar-deeren, zullen meer en meer hen samendrijven, en eens, «de ééne kudde onder één herder», ook voor het oog der wereld zichtbaar maken. In welke vormen eene volgende eeuw dit zich steeds meer ontwikkelen van het Christusrijk openbaren zal, wie zal

376

-ocr page 395-

bijlagen.

het met de geschiedenis dezer eeuw voor zich durven beslissen. Dit toch durven wij uit volle overtuiging beweren, dat wat John Wesley in de IS110 eeuw voor de negentiende eeuw is geweest, zijn geestverwant en zelfstandige volger, Generaal Booth, dit na hem voor de 20ste zal blijken.

Ik mag dit vluchtig overzicht niet eindigen, zonder op te merken, dat wat ons de zwakke zijde des Christendoms schijnen kan, juist zijne heerlijkheid is. Met den ernstigsten nadruk wees daarop reeds de Apostel Paulus, vooral in zijn schrijven 2 Kor. III, dat zich zoo nauw aan zijn woord 1 Kor. XIII aansluit. Waar het hart van Jood en Griek zoo sterk aan tempel- en synagogedienst hangen bleef, ontkende hij de heerlijkheid dier vormen niet, maar handhaafde, dat zij in het Nieuwe Verbond hunne beteekenis en waarde verloren hadden. Wat Stefanus het eerst in volle klaarheid had ingezien, sprak ook Paulus na hem steeds uit: «dat het blijvend heerlijke, wegens zijne uitnemende heerlijkheid (ten dezen aanzien) niet verheerlijkt is.»

Bij oppervlakkig aanschouwen kan het ons voorkomen, alsof de Heer belet is geworden of er niet op bedacht is geweest, aan het gemeenteleven zijner belijders een bepaalden en vasten vorm te schenken. Toch heeft hij het in de duidelijkste bewoordingen te kennen gegeven, dat hij het zoo en niet anders wilde. Tot de aan vormen gehechten zeide hij: «het Koninkrijk Gods komt niet met uitwendig gelaat.» Tot zijne discipelen: «Hieraan zullen zij allen bekennen, dat Gij mijne discipelen zijt, dat gij liefde hebt onder elkander.® Het kleine mostaardzaadje, dat uit eigen leven zich ontwikkelt en vormt, de groene scheut, die tot een de volle aar dragende halm groeit, zijn de beelden zijns konink-rijks. Hunne vormen wisselen tot den dag des oogstes toe.

Des Heeren schepping is gelijk de ceder en de eik, die door innerlijk leven tot de vorsten des wonds groeien. Wat men-schen in dezen doen, is als ons sierlijk kweeken van een leiboom, maar die, zoodra de dwingende menschenhand zich terugtrekt of verslapt, verwildert, zoo dat wat zijne schoonheid was tot wan-stallige misvormdheid wordt.

Ook laat, met het oog op het kenmerkende teeken voor Jezus aan zijne discipelen gesteld (Joh. XIII : 35), de Apostel niet onvermeld, welke de blijvende heerlijkheid des Nieuwen Verbonds is. (2 Kor. III : 18.) Het zijn allen, die een nieuw leven kennen leerden, toen de Geest hen verloste van het dekkleed, dat hen verhinderde de heerlijkheid Gods in het aangezicht van Christus te zien, door welk aanschouwen zij naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid veranderd werden.

377

-ocr page 396-

BIJLAGEN.

Het is de natuurlijke afkeer van dit zelf geheel vervormd worden, (Matth. 19, 25; Mark. 10, 26; Luk. 18, 26) dat boven alles ons naar vaste, onveranderlijke vormen van belijdenis en eeredienst haken doet. Toch verzekert ons de Apostel, dat zooveel wat nog heerlijker is dan deze, (1 Kor. XIII, 1—5) waardeloos is zonder de liefde. Voor de liefde laat zich geen vaste vorm of bepaalde maat denken. Nagebootst is zij als eene kunstbloem zonder leven.

Niet vormen maar levende personen, nieuwe schepselen, vernieuwd naar den geest huns gemoeds zijn de heerlijkheid van het Koninkrijk Gods, hoe zij ook als het geboomte in Gods rijke schepping in vorm en kleur van groen mogen verschillen. Wie is niet verlegen, als hij naast het karakterbeeld der grootste geloofshelden, dat van een man als ïom in de Negerhut geteekend ziet, welk van de twee uitnemender te achten? Ja, waarlijk laat-sten en minsten kunnen de eersten en grootsten zijn in het koninkrijk der hemelen. Dit beseffende dringe ook ons de heerlijkheid des Nieuwen Verbonds tot de belijdenis; «O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennisse Gods! Hoe ondoor-zoekelijk zijn zijne oordeelen, en onnaspeurlijk zijne wegen. Uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen.

378

-ocr page 397-

INHOUDSOPGAVE.

Bladz.

Voorrede.............I—VIII

EERSTE DEEL.

DE DUISTERNIS.

Hoofdstuk I. Waarom „En^elauds donkerste wildernissenquot;. . 1

Vergelijking van Engeland\'s en Afrika\'s donkerste wildernissen. .......... 1

Hedendaagsche poel der vertwijfeling.....9

De tijd der oplossing heden.......11

Hoofdstuk H. Het diepgezonken tiende deel......13

Het voermanspaard ideaal. . . . . . .15 De afmetingen van het kwaad. . . . . .17 Vreeselijke getallen.........19

Hoofdstuk Hl. Zonder onderkomen........23

Uit het leven der dakloozen.......23

Getuigenissen dezer ongelukkigen......27

Optochten dezer Lazarussen.......31

Hoofdstuk IV. De werkeloozen.........32

Omvang van het vraagstuk. ...... 32

Naar wat maatstaf op te lossen......37

In de dokken. ......... 39

Hoofdstuk V. Op den rand van den afgrond......41

Wanhoopskreten uit de diepte. ..... 41

Eene reddingsboot bemanning. ...... 45

Het lichaam behouden tot redding der ziel. ... 47

Hoofdstuk VI. De op slechte wegen verdoolden.....49

Hoe ze den Moloch geofferd worden. ... .49 De stroom der vergetelheid.......53

-ocr page 398-

INHOUDSOPGAVE.

380

Bladz-

Hoofdstuk VI. Wat moet voor dronkaards geschieden? . Een leven midden in den dood.

Niemand oordeels dezen haastig.

Vreeselijk einde van den weg der misdaad.

Hoofdstuk VII. De misdadigren.......

Mededeelingen uit de gevangenis.

Hulp voor gevangenen......

Hoofdstuk VIII. Kinderen van hen, die verloren moeten worden.........

\'eacht

Reeds in de wieg door een vloek gedrukt.

Kindermoord. ......

Moet alle gedachte aan hulp bieden worden opge geven........

Hoofdstuk IX.

Staatshulp.......

Ervaringen van hen, die geholpen werden.

Onvoldoende hulp......

Ongepaste middelen......

Onbekookt drijven tot landverhuizing. Schoolgaan nog geen opvoeden.

Coöperatie en sparen. ....

Aanvangen met den enkele. Revolutiedrijvers......

TWEEDE DEEL.

DE WEG TOT ONTKOMEN.

Hoofdstuk I. Blik op het omvangrijke Tan het te verrichten werk. 93 Eerste afdeeling.

Vereischten tot welslagen.......iOl

Wat het redmiddel moet bepalen. ..... 103

Het verplichtende daarvan. 105

Mogelijke eenvoud van het redmiddel.....107

Tweede afdeeling.

Het door mij ontworpen plan. ...... 108

Hulp voor wie geen helper hebben. . . . . .109

de stadskolonie. . . quot;......111

de hofstee- of buitenkolonie.......111

de overzee-kolonie. .... ... 112

Hoofdstuk II. Op ter redding. — De stadskolonie.....114

Eerste afdeeling.

Voedsel en onderkomen voor elk hulpbehoevende. . .114

Wat reeds beproefd werd.......115

Inrichting voor nachtverblijf.......117

Uitbreiding van het stelsel.......121

Eenige reeds in den slrijd veroverde zegeteekens. . . 122:

-ocr page 399-

INHOUDSOPGAVE.

Bladz.

Tweede afdeeling.

Hoofdstuk II. Arbeid voor wie buiten zijn. — De factory. . . .126

Hulp door arbeid geven........126

Niet liefdadigheid maar werkverschaffing. . . . 129 De legerafdeeling voor het maatschappelijk hervormingswerk. ...... .... 130

Haar tijdelijk hoofdkwartier. ...... 130

Stadsnijverheid werkplaatsen.......130

Uitkomsten eu uitbreiding des werks.....131

Derde afdeeling.

Het reglementeeren der werkeloozen.....134

Ons arbeidsbureau.........135

Uitkomsten. ......... 137

Vierde afdeeling.

De brigade voor het afhalen van afval.....137

Werkzaamheid der brigade.......141

Hulpmiddelen..........145

Leesinrichting en boekhandel. . . . . . . 147

Hoofdstuk III. Naar buiten. — De landbouwkolonie. . . .149 Wat van beter regeling van den landbouw voor ons plan te hopen...........150

Eerste afdeeling.

Do bouwhoeve op zichzelf. ......152

Welk soort van hoeve door ons begeerd. . . .152

Lot van oudgediende militairen en zeelieden. . . . 155

Hulpbronnen..........159

Tweede afdeeling.

Het aan industrieel leven gewijde dorp.....161

Regels en bepalingen voor kolonisten. .... 164

Derde afdeeling.

Landbouwdorpen. ........ 166

Vierde afdeeling.

De coöperatieve hoeve. ....... 167

Hoofdstuk IV. Nieuw-Brlttannic en lt;le overzeesclie kolonie. . .169

Ons stelsel van landverhuizing......171

Eerste afdeeling.

De kolonie en de kolonisten.......172

kolonisten voor de kolonie.......174

overbrenging naar de kolonie over zee. . . .175

Tweede afdeeling.

Vrije landverhuizing. ....... 177

Derde afdeeling.

Het reddingsschip. .......178

Arbeid aan boord. ........180

381

-ocr page 400-

inhoudsopgave.

Bladz-

Hoofdstuk V. Nieuwe reddingstochten............182

De taak der liefde.........183

Eerste afdeeling.

Een kruistocht in de achterbuu» tskrotlen. — Onze in die

holen der ellende werkzame zusters.....185

Voorpostenstrijd.........180

New-Yorks onderwereld........quot;189

Londen niet heter dan New-York......195

De prediking met borstel en boender. .... 197

Hoeveel er te hervormen valt......19(^

Tweede afdeeling.

Het rondtrekkend hospitaal.......201

Ziekenverzorging aan huis...... . 203

Derde afdeeling.

Hervorming onzer misdadigers. — De gevangenis-brigade. 205 Voorkomen van misdrijf. ....... 209

Aanmoedigende voorbeelden. ...... 210

Vierde afdeeling.

Eene proefhoudende redding van den dronkaard. . 214

Zijn toestand.....• . . 215

Macht van den drank........217

Macht van het godsdienstig lied. . . 221

Strijd om het leven.........223

Welke reddings-te-huizen noodig......225

Vijfde afdeeling.

Een nieuwe weg tot verlossing van gevallen vrouwen.

— Reddingshuizen. 220

Moeilijkheden. Voorbeelden. ...... 229

Zesde afdeeling.

Beschermend toevluchtsoord voor meisies, die nog niet

gevallen zijn, maar in gevaar verkeeren.....232

Gevaarvolle toestanden........233

Zevende afdeeling.

Inrichting tot onderzoek naar personen, waarvan te vergeefs het verblijf of eenig spoor gezocht wordt. . . 234 Voorbeelden. 230

Achtste afdeeling.

Toevluchtsoorden voor op straat zwervende kinderen. . 242 Negende afdeeling.

Industrie-scholen. ... ..... 243 Tiende afdeeling.

Toevluchtsoorden voor zedelijk krankzinnigen. . . 245

382

-ocr page 401-

inhoudsopgave.

Bladz.

Hoofdstuk IV. Hulp bieden in het algemeen......240

Eerste afdeeling.

Verbelerde woningen. ....... 250

Eene eigen armenstad. . . . . . . .151

Tweede afdeeling.

Modeldorpen als deel der voorsteden..........252^

Werkmansdorpen. ........253

Derde afdeeling.

Des armen mans bank........254

Vierde afdeeling.

Ues armen mans rechtsgeleerde......260

De ware maatschappelijke verhouding, broederzin. . . 261 Des armen mans hulp in rechtszaken en openbare aangelegenheden..........264

Hulp aan weduwen en verdrukten......265

De verdediging der weerloozen......268

Vijfde afdeeling.

Ons voorlichtings departement. . . . . .270 Hoe \'t best de maatschappelijke vraagstukken te leeren kennen. ..........271

Zesde afdeeling.

Coöperatie in den wijdsten omvang......272

Beteekenis daarbij van orde en tucht. .... 275

Zevende afdeeling.

De coöperatieve proefneming te Ralahine. . . . 277 Achtste afdeeling.

Het huwelijksbureau........280

Schaduwzijden van het stadsleven. . . . . .281

Wat in eene goede huisvrouw vereischt wordt. . . 283

Negende afdeeling.

White Ghapel aan zee........285

Des werkmans rustoord....... . 289

Hoofdstuk VII. Kan liet tot stand komen en op welke wijze. . 293

Eerste afdeeling.

Welke geloofsbrieven het heilsleger reeds toonen kan. . 293

Gezag en gehoorzaamheid. ...... 295

Doelmatigheid des werks. ....... 297

Tweede afdeeling.

Op hoeveel gelds zal ons reddingswerk te staan komen? 299 Derde afdeeling.

Eenige voordeden van het plan in het licht gesteld. . 306

Hulp aan allen............307

38»

-ocr page 402-

INHOUDSOPGAVE.

Bladz.

Jïoofüstuk VII. Arbeidgeven grondslag........309

Het behoud «Ier kinderen.......311

Vierde afdeeling.

Eenige bezwaren weerlegd.......314

Vijfde afdeeling.

Terugblik op den afgelegden weg......327

De uitkomst proefsteen........329

Getuigenis uit Australië........335

B IJ L A G E N.

Bijlage I. John Wesley als voorganger en wegbereider van

Generaal liooth.........337

liuLAGE II. Een oordeel uit Amerika over het inaatscliappelijli

plan van Generaal Booth.......360

Bijlage III. Het oordeel eener Engelselie en eener Amerikaan-

sche vrouw over Generaal Booth\'s werk en plan. . 361 Bijlage IV. Aanvankelijke volvoering van het wereldplan, om door redding en hervorming de inaatsrliappij meer van christelijke beginselen te doortrekken. . . 364

Bijlage V. Kerk, soeieteit, leger........372

384.

INHOUDSOPGAVE. . . . .379

//

-ocr page 403-
-ocr page 404-
-ocr page 405-
-ocr page 406-