-ocr page 1-

Dtern^tion2ü

UBibuotheek1

PAUL GÖHRE.

Drie maanden

quot;jjTquot;

Fabrieksarbeider.

4

-■r ir^r \'v

f 0.75

O

\'li

Uitö, V TKtJ S.L ■ va^o Looy

Jr H . G e rl i . AMSTERDAn.

-ocr page 2-

Kast 244

PI. J N0.14

\'■CoO-L^V

1 geschenk:

i ctt /Isulc^\' $?. ftp.

-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

DRIE MAANDEN FABRIEKSARBEIDER.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

INTERNATIONALE BIBLIOTHEEK.

Paul Göhre.

^pie maanden

pl)rieksai?bei(leF.

k

1

EEN PRAKTISCH IC SÏÜDIE.

Vertaald door HEL. MERCIER.

BIBLIOTHEEK DER RBKSUNIVERSITEIT UTRECHT

AMSTERDAM. S. L. VAN LOOY. | H. GERLINGS.

-ocr page 8-

11

\'

.

-ocr page 9-

Sfe1

ijn D^ameraden in. de ^Fabriek.

©e ScKrijver.

-ocr page 10-
-ocr page 11-

VOORBERICHT.

Wat ik in de volgende bladzijden den lezer aanbied, is samengesteld met behulp van uitvoerige aanteekeningen, die ik gedurende mijn arbeidstijd heb gemaakt. Een klein gedeelte er van heb ik overgenomen uit artikelen, in den afgeloopen herfst door mij gezonden naar het tijdschrift „de Christelijke Wereldquot;. Volledig zijn mijn mededeelingen niet — dit geef ik gereedelijk toe. Trouwens, dit spreekt van zelf, waar men zijn onderwerp slechts drie maanden bestudeert. Maar wat ik heb gezien en gevonden, heb ik getracht zoo objectief weer te geven, als dit den mensch, die nu eenmaal zijn individualiteit niet kan uitschudden, maar eenigszins mogelijk is. Voorts waarschuw ik den lezer ernstig tegen het generaliseeren van de gevolgtrekkingen, waartoe ik gekomen ben. Ik verzoek hem te bedenken, dat, al wat ik mededeel, slechts den saksischen fabrieksarbeider betreft.

Ik heb mijn boek opgedragen aan mijn gewezen kameraden in de fabriek, als een aandenken aan ons samenzijn en als blijk van de oprechte genegenheid, die ik levenslang voor hen zal blijven koesteren. Mogen zij daarin de bekentenis lezen, dat ik mijn gansche levenskracht in dienst der arbeiderszaak zal stellen.

Niettemin ben ik op verdachtmaking voorbereid. Maar dat zij ten minste mij het recht toekennen te verzekeren, dat ik, zelf van zeer eenvoudige afkomst, het niet minder eerlijk met hen meen dan anderen dit van zich zeiven verklaren!

-ocr page 12-

voorbericht.

Met een beroep op de jonge mannen onder mijn standgenooten wensch ik dit korte woord te besluiten. Ik verzoek hun dringend, hetzij alleen, hetzij twee aan twee, mijn voorbeeld — maar dan met open vizier — te volgen, en dit met geen ander doel dan om hun onbemiddelde broederen en dier levensomstandigheden, dier gedachten en zorgen, dier hopen en streven te leeren kennen, hun door dergelijke offers de liefde en de achting te toonen, waarop zij aanspraak mogen maken, en later, in de maatschappij, onpartijdig en ernstig voor hen op te komen, zoo vaak zij het recht aan hun zijde hebben.

Berlijn, begin Juni 1891.

PAUL GÖHRE,

Cand. Theol.

Se:re!aris-Generaal ran het Evangèlisch-Sociaal Congres te Berlijn.

-ocr page 13-

EERSTE HOOFDSTUK. Mgn weg.

In het begin van de maand Juni des vorigen jaars hing ik mijn candidatenrok aan den kapstok en werd ik fabrieksarbeider. Een afgedankte jas, een dito pantalon, laarzen met dikke zolen en groote spijkers uit mijn diensttijd, een oude hoed en een dikke stok — ziedaar de voor mij vreemde plunje, waarin ik mij stak. Voeg daarbij een versleten, aan een riem op den rug gedragen reistasch met het noodigste ondergoed er in, en met een paar schoenen en den voorgeschreven borstel er op vastgegespt, en ge hebt een volmaakten handwerksgezel vóór u.

Aldus uitgedost, ruig van haar en baard, gelijk het behoorde, ging ik op zekeren morgen met kloppend hart van huis, om kort daarop, te voet, in het mij onbekende Chemnitz aan te komen. Hier in Chemnitz, het middelpunt der uitgebreide Saksische fabrieksnijverheid, heb ik ongeveer drie maanden incognito, als eenvoudig fabrieksarbeider, en nagenoeg zonder eenig verkeer met mijn standgenooten, geleefd, heb in een groote machinefabriek dagelijks elf uren met de arbeiders meegewerkt, met hen gegeten en gedronken, als een der hunnen in hun midden gewoond, de avonden met hen gesleten, des Zondags aan hun uitspanningen deelgenomen, en op die wijze rijke stof vergaard ter beoordeeling der verhoudingen en toestanden in de arbeiders wereld.

Deze mijn ervaringen en indrukken ga ik in de volgende bladzijden mededeelen.

Reeds jaren lang vervuld van liefde voor de studie der sociale vragen, beschouwd van godsdienstig en kerkelijk standpunt, had ik mij, in het verwerven van een helder inzicht,

-ocr page 14-

12

een zeker oordeel, een stevig houvast, steeds belemmerd gezien, hoofdzakelijk door dit ééne: ik kende de werkelijkheid niet voldoende, den feitelijken toestand niet van hen, ter wille van wie wij een sociale kwestie, een arbeidersvraagstuk hebben, \'t Is waar, wij bezitten een rijke litteratuur over dit onderwerp. Doch wie waarborgde mij de juistheid der daarin gegeven voorstellingen? Waar is de waarheid te vinden? Bij den optimist, die den toestand van den arbeider als nog volstrekt zoo beklagenswaardig niet afschildert, of bij den pessimist, die alles zwart op zwart en in de toekomst niets dan revolutie ziet? In de sociaal-democratische geschriften, die, hoe scherp en veelbeteekenend hun kritiek van de bestaande verhoudingen ook zij, toch allesbehalve als onpartijdig en betrouwbaar staan aangeschreven, en, bijna zonder uitzondering behoorende tot de categorie der agitatiemiddelen, in elk geval geen aanspraak kunnen maken op wetenschappelijkheid ? In de minder talrijke verklaringen der werkgevers, die in deze aangelegenheid evengoed een partij vormen als de arbeiders zeiven? Of wel in onze maand- en dagbladen, die bijna altijd partijbladen zijn, en, als vertegenwoordigers van bepaalde groepen van belangen, de zaken steeds van hun eenzijdig, egoïstisch, partijdig standpunt recenseeren en ten gunste hunner partij zoeken te exploi-teeren? Of eindelijk in de geschriften der geestelijkheid? O zeker, door hun herderlijk werk staat den geestelijken een schat van ervaringen ten dienste, maar de vraag is of zij deze wel voornamelijk opdoen in de kringen der arbeiders, en of ze overeenkomen met de werkelijkheid, welke men daar vindt? De arbeiders toch, zoeken zich hoe langer zoo meer op een afstand te houden van de kerk en haren invloed. Daarbij vergete men niet, dat tegenover hem, die een geestelijk ambt bekleedt, een ieder, ook de arbeider, liefst in zijn Zondagsgewaad optreedt, feitelijk en figuurlijk. De innigste gedachten der arbeiders, de gezindheid, waaraan zij slechts uiting geven, wanneer zij onder elkander zijn en zich niet beluisterd weten, leert ook de geestelijke niet dan hoogst moeilijk en slechts ten deele kennen. En dit juist was het wat ik wilde te weten komen, om daarop mijn verdere studie en later mijn werkzaamheid te bouwen: de volle waarheid omtrent de gezindheid der arbeidende klasse, haar materieele wenschen, haar geestelijke, zedelijke en godsdienstige eigenschappen.

Hoe echter te doorgronden wat zich zoo gaarne aan den vorschenden blik onttrekt? Het beste, eenvoudigste, zij het

-ocr page 15-

13

dan ook niet het gemakkelijkste, was, dat ik zelf mij incognito onder de arbeiders begaf, met eigen ooren hoorde en met eigen oogen zag hoe het onder hen gesteld is; hun noo-den, hun zorgen, hun vreugde, hun eentonig dagelijksch leven zelf mee doorleefde; hun zielsverlangen, hun drang naar vrijheid, bezit, genot beluisterde, en zelfstandig naar de innerlijke drijfveeren hunner handelingen zocht. Met welke oogen beschouwen deze lieden de wereld, nadat hun geest misschien al jaren lang onder den invloed der sociaal-democratische leiders heeft gestaan? Welke zijn, als uitvloeisel dezer beweging, hun sociale en politieke ideeën; welke hun zedelijke karaktertrekken, hun innigste godsdienstige gewaarwordingen, de verhouding van den enkele tot de kerk? Hebben zij wellicht nog godsdienstige behoeften? En wanneer, langs welken weg kan aan deze bevrediging worden geschonken? Hoe kan men deze opgehitsten en — voor \'t grootste deel rechtmatig — verbitterden bij mogelijkheid weer nader komen ? Dit alles ik kon het slechts te weten komen door mij tot de bron te begeven, door zelf arbeider te worden. — Vooruit alzoo naar de bron!

Toen ik tegen den middag te Chemnitz aankwam, was ik — opzettelijk zonder plan op weg getogen — geheel aan het toeval overgelaten. Om mij te orienteeren vroeg ik aan den eersten den besten, aan een hoek der straat geposteerden pohtieagent of hij mij ook kon zeggen, waar men hier inlichtingen voor werkzoekenden kon krijgen.

„Wat zijt gij,quot; klonk het vrij wat barscher dan ik dit tot dusver van zijn vakgenooten gewoon was.

„Klerk, schrijver.quot;

„Dan zult gij zeker geen werk te Chemnitz vinden.quot;

„Elk ander soort werk ^s mij ook goed,quot; gaf ik ten antwoord.

„Ga dan maar eens naar de Centraalherberg Zschopauer-strasze; daar zult ge nog het best worden voortgeholpen.quot;

Hiermede was ik op weg geholpen. Ik vroeg naar de Centraalherberg. Deze was tegelijk informatie-bureau en ook, naar ik meen, onder hetzelfde dak met het vereenigingslokaal der vrijzinnige Chemnitzer arbeidersvereeniging.

In de voorkamer der herberg vond ik eenige jongelieden op z\'n Zondagsch gekleed en verscheidene bazen, die hier de aankomst van op ambacht reizende gezellen wachtten. Op een groot bord aan den muur las ik: „Aankomende reizigers mogen niet in de voorkamer blijven.\' Ik gjng dus naar

-ocr page 16-

14

de achterkamer. Daar zag liet er uog kaler uit. Groote, grijs geschilderde tafels met veelgebruikte^ in het midden doorgezeten houten stoelen er omheen, maakten, met een oude gildekas en een ze^r primitief buffet, het eenige meubilair uit van dit vertrek, waar mij een benauwde, vunzige lucht te gemoet kwam. Aan den muur hingen aanplakbilletten met adressen van herbergen en logementen in de verschillende steden.

Ik vond hier slechts vier mannen. Drie, in blauwe kielen en de hoeden op het hoofd zaten, bij elkander; de vierde zat alleen.

Ik ging tamelijk schuchter in een hoek zitten.

Eerlijk gezegd, werd hét mij op dat oogenblik in mijn nieuwe omgeving bang te moede, en ik dacht —■ \'t is de eenige maal, dat mij dit is overkomen — er ernstig over of ik maar niet zou terugkeeren.

Ik bleef ongeveer een half uur zitten wachten. Niet wetende, hoe ik mij onder deze omstandigheden had te gedragen, moest ik voorloopig maar afwachten, wat er gebeuren zou.

Het eerste wat tot mij kwam was het magere, bewegelijke mannetje, dat eenzaam aan een andere tafel zat.

Hij stond op en trad op mij toe:

„Goeden dag kameraad!quot;

„Goeden dag kameraad,\' was mijn antwoord.

„Ook een van het gild?\' Tegelijk hield hij mij den opgeheven wijsvinger voor de oogen.

Ik wist niet wat hij daarmede bedoelde. Ik vermoedde slechts, wat ik even daarna bevestigd zag, dat hij kleermaker was, en ik zei in elk geval „neen.\'

„Wat zijt ge dan?\' vroeg hij verder.

„Klerk, schrijver.\' «

„En waarom reist ge op \'t ambacht?\' — „Zeg\' — daarmee kwam hij vertrouwelijk dichter bij mij — „is niet alles in den haak met je? Mij kunt ge \'t wel vertellen. Je ziet er zoo heerachtig uit. — Ben je gesjeesd?\'

„Neen,quot; zei ik kortaf.

„Heb je dan gezeten?\'

Dat was een mooi begin! Toch durfde ik mijn kleermakertje niet los te laten. Ik hield me of ik boos werd, en viel ruw uit;

„Wat drommel, kerel, geloof je niet wat ik je vertel?\' — Ik bediende „^nij wederkeerig van het algemeen gebruikelijke

-ocr page 17-

15

Jequot;, dat mij al heel spoedig gemakkelijk genoeg afging. — „Ik ben een klerk en ik heb de laatste twee jaren bij een predikant gewerkt, die een christelijk blad uitgeeft. Ik zou daar nog zijn, maar ik heb mijn oogen verzwakt met correctiewerk en met \'s nachts voor mijzelven te studeeren. De dokter heeft mij verboden mijne oogen dezen zomer ook maar eenigszins in te spannen. Maar maandenlang niets doen — dat gaat niet. Thuis is men ook niet graag tot last. Ik ben daarom hier gekomen, in de hoop, dat ik in de een of andere fabriek wat zal kunnen verdienen. Daar zal ikquot; — voegde ik er bij — „de oogen wel niet heel veel meer behoeven te gebruiken, dan wanneer ik niets doe dan luieren en uit wandelen gaan.quot;

Ter bevestiging van dit verhaal haalde ik een getuigschrift te voorschyn, dat de uitgever van het bekende blad „de Christelijke Wereldquot;, waaraan ik twee jaar lang verbonden was geweest, mij voor in geval van nood gegeven had en hetwelk inhield, dat ik zoo en zoo lang bij hem als schrijver en klerk gewerkt had.

Dit trof doel. Mijn kleermakertje kreeg medelijden met mij.

Ik heb genoemd getuigschrift no^ slechts eenmaal behoeven te toonen. Ook in de fabriek gelooide men mij op mijn woord, en schoof men allerhande kennis, die men, in weerwil van de moeite, die ik mij gaf om haar te verbergen, bij mij ontdekte, op rekening van de nachtelijke studie, waardoor ik mijn oogen had bedorven. Dat was wat ik wenschte. Toch heb ik steeds een groote zedelijke overwinning op mij zeiven moeten behalen, om mijn kameraden dit verzinsel voor te liegen, en ik neem deze gelegenheid te baat, om hen hier ter plaatse openlijk vergeving daarvoor te vragen. Ik heb vooraf lang en ernstig naar een ander middel gezocht, maar er geen kunnen vinden, dat geschikter was om incognito met hen te kunnen ver-keeren. En dit was toch een hoofdvoorwaarde om mijn doel ook maar eenigermate te bereiken.

Mijne kennismaking met den kleermaker, een man van ongeveer veertig jaar, kwam mij goed te stade. Wij waren spoedig goede vrienden en zaten onder een glas bier druk te praten. Het duurde niet lang of de drie anderen, een metselaar, een steenhouwer en een steenbakker, zaten ook aan onze tafel.

De kleermaker voerde het woord. Hij zag ietwat beschermend en met vaderlijk mededoogen op het arme schrijvertje neer.

„Ja wij kleermakers,quot; riep hij, „wij zijn er toch beter aan

-ocr page 18-

16

toe dan gij pennelikkers. Wij weten tenminste wat wij geleerd hebben. Een kleermaker, die een jas kan maken, zit nooit in de klem.quot;

Ook hij was op dat oogenblik zonder werk. Den vorigen dag had hij zijn patroon bedankt. Tot zijn spijt, naar hij verklaarde, want hij verliet niet graag een patroon, in wiens zaak hij zich van lieverlee had ingewerkt.

„Maar ziet ge, schrijver,n legde hij mij nit, „de man was een zniplap. En als een patroon dat is, dan is hij verloren en gaat hij naar den kelder. Zoo was het bij dezen ook, en de ellende in zijn gezin kon ik niet langer aanzien.quot;

Hij was een door en door goedhartige vent, maar de verwardheid zelve. Hij vertelde met den grootsten ernst de dolste dingen, zonder dat wij hem daartoe de minste aanleiding gaven.

„Wie niet meer in God gelooft, is verloren,quot; was het om \'t andere woord. „De oude Frits heeft gezegd: Jezns lief te hebben is meer waard dan veel te weten. En hij had gelijk. Buiten Dien weten wij niets. De natuur alleen is ons bekend.quot; — Daarop had hij het, midden tusschen zijn verhalen uit de werkplaats, plotseling over Darwin.

„Wat die vertelde, dat wij van apen afstammen, is dwaas. Apen blijven apen.quot;

„Neen, wij stammen van apen af,quot; riep een dronken kerel, een stamgast van de herberg, die onderwijl naar binnen was gezwaaid, en zich op een houten bank aan de andere zijde van het vertrek te slapen had gelegd.

De drie anderen hoorden alles rustig aan, lachten af en toe, en hielden zich met hun eigen gedachten bezig.

Ik vroeg hun of zij dachten, dat ik op dat oogenblik te Chemnitz werk in een fabriek zou kunnnen krijgen. Zij hielden dit voor niet onmogelijk. De kleermaker dacht er anders over, en had het aan het rechte eind, zooals later zal blijken. Hij raadde mij aan liever naar het Zwickauer kolendistrict te gaan, en daar onder den grond werk te zoeken.

„Dat doen er meer, die hier geen werk kunnen vinden,quot; zei hij zeer nadrukkelijk. „Maar ik geef toe, dat het niet alles is. \'t Is de eenige uitweg, die overblijft, en altijd beter dan hongerleden.quot;

Hij sloeg mij voor, den volgenden dag samen naar het Vogtland te trekken. Intusschen ging hij \'s middags om drie uur plotseling heen, en wij zagen hem niet terug.

-ocr page 19-

17

Ik miste hem niet erg meer. Ik had nu reeds nieuwe vrienden, om mij aan vast te klampen. Inzonderheid den metselaar en den steenhouwer, twee degelijke, verstandige, nette men-schen, zonder een zweem van de ruwheid, die men nu eenmaal onafscheidelijk acht van het arbeiderstype. Vooral door hen werd ik zeer spoedig met de overigen bekend, en raakte ik in een ommezien thuis in de herberg.

Ik leerde al spoedig drie soorten van herbergbezoekers onderscheiden. Tot de eerste, de talrijkste, behooren de jeugdige zeventien- a achttienjarige gezellen, die hun leertijd achter den rug hebben, en zich gewoonlijk op hun eerste ambachts-reis bevinden. Zij hebben een flinke uitrusting, meestal ook voldoende geld op zak, komen in den namiddag bij kleine troepjes aan, houden zich stil en schuchter apart, en brengen, op enkele uitzonderingen na, slechts één avond en één nacht in de herberg door.

De tweede categorie bestaat uit de eigenlijke „klantenquot;, de leegloopers van professie. Zij zijn in doorsnede niet onder de dertig en dikwijls boven de vijftig. Drinkebroers en meeren-deels stamgasten van een of meer Chemnitzer herbergen. Zij hebben bepaalde streken, waar zij „den boer opgaanquot; en waarbij zij inzonderheid altijd weer de goedgeefsche geestelijken en onderwijzers beetnemen, over wier goedhartigheid zij zich daarna in de herberg vroolijk maken. Tusschen de bedrijven arbeiden zij af en toe een halven en een heelen dag; laden steenen, spoelen flesschen, dragen steenkolen, enz. enz. „Ik werk hoogstens twee dagen in de weekquot;, hoorde ik eens een van deze categorie in een andere, de beruchte metselaarsher-berg, zeggen; „dat is genoeg en daar kan men het leven bij houden. De overige dagen laat ik anderen werken.quot; Verscheidene dezer lieden stonden blijkbaar in een goed blaadje bij den kastelein, bij „Vaderquot; zooals men hem noemde.

Tusschen deze twee uiterste categorieën bevindt zich nog een derde. Zij rekruteert zich meerendeels uit twintig a dertigjarige krachtige mannen, die al heel wat van de wereld hebben gezien, veeltijds een of ander vak goed hebben geleerd, en tijdelijk, hetzij vrijwillig, hetzij gedwongen, werkeloos zijn. Houdt deze werkeloosheid lang aan, dan is het gevaar voor hen zéér groot, dat zij tot habitueele leegloopers worden, en dan zijn zij meestal voor altijd voor de maatschappij verloren. Een hunner meest sprekende karaktertrekken — althans van hen, die ik heb ontmoet — is een onverstoorbare kalmte

GÖHEE. 2

-ocr page 20-

18

en zelfvertrouwen, gepaard aan een groote ondervinding.

Voorts vindt men in de herberg op enkele uren van den dag jongelieden, die in Chemnitz aan het werk zijn, maar niet afkeerig zijn van maandaghouden en dikwijls van werkplaats wisselen. Deze bemoeien zich weinig met de reizende gezellen. Zij bleven dan ook meestal in de gereserveerde fraaiere vertrekken, en stonden bij den herbergier zeer in aanzien.

Ruim auht dagen heb ik mij in deze Centraalherberg opgehouden, en er ook de meeste nachten doorgebracht. Verschrikkelijke nachten in de gemeenschappelijke slaapzaal met vuile, stinkende bedden, en vol stiklucht en ongedierte. In mijn woonplaats heb ik ook eens in een volkslogement overnacht, doch er niet veel beter geslapen. Sedert is daar echter een andere kastelein gekomen.

In de centraalherberg werden wij gewoonlijk, bij partijtjes tegelijk, door een jongmensch naar de slaapzaal gebracht; mager, bleek, zonder baard, sjovel maar als een heer gekleed, met ongekamde haren en een knijpbril op den neus. Hij sprak niet met de gasten, deed zich als een soort huisknecht voor, waschte de vaten en hing \'s morgens de bedden te luchten. Men zei dat hij een gewezen kantoorbediende was. Hij maakte een onuitsprekelijk treurigen indruk, maar hield zich helaas ook voor mij gesloten.

Van de sociaal-democratische beweging heb ik, zeer verklaarbaar, onder deze vlottende bevolking niets kunnen waarnemen, op één kleine uitzondering na. Een der gasten las eens een, uit de sociaal-democratische „Presse\', vroeger door hem uitgeschreven gedicht over metselaars voor, tot groot vermaak van allen en onder plagerijen van den metselaar. Drie a vier mannen schreven het vers later af.

Mijn verblijf in de herberg was echter slechts een middel tot mijn doel. Een gedeelte van eiken dag werd dan ook door mij besteed, om, meest in gezelschap van een Westfaler, werk in een fabriek te zoeken. Wij kwamen nergens terecht. Overal werden eer arbeiders afgedankt dan nieuwe aangenomen. De Mac-Kinley-Bill wierp toen reeds haar schaduw voor zich uit. Ook voor den vreemdehng was het gemakkelijker werk te vinden buiten dan in de fabrieken. Zoo had ik bijv. terstond kunnen geplaatst worden bij een pompenmaker. Maar dat begeerde ik niet. Ik moest, om te volvoeren wat ik beoogde, in eeu groote fabriek aan het werk worden gezet.

-ocr page 21-

19

Zoo bleef mij dan niets anders over dan mij aan een fabrikant bekend te maken. Reeds aanstonds waren de eersten tot wie ik mij wendde, de directeuren eener groote machinefabriek, bereid om aan mijn wenscb te voldoen. Ik werd als gewoon sjouwerman aangesteld. Behalve deze twee heeren, die mij ernstig beloofden mijn geheim te zullen bewaren, en hun belofte trouw hebben gehouden, wist niemand in de fabriek wie ik was. Overeenkomstig mijn verzoek behandelden zij mij precies zooals zij het hun overige arbeiders deden.

\'t Is hier de plaats mijn gewezen kameraden te verzekeren, dat er niet de minste grond bestaat voor het wellicht bij hen oprijzende en hen verontrustende vermoeden, dat ik de heeren directeuren mijn dagelijksche waarnemingen in de fabriek zal hebben medegedeeld en voor verklikker zal hebben gespeeld. Niets daarvan! Onmiddellijk bij mijn intrede in de fabriek is tusschen ons afgesproken, dat dit in geen geval mocht geschieden. Ten bewijze, dat dit bovendien geen plaats heeft kunnen vinden, verzeker ik, dat ik, na mijn aanstelling, nog maar eenmaal een bepaald gesprek met de heeren heb gehad. Dat was toen ik afscheid van hen nam. Doch ook bij die gelegenheid hebben wij slechts over de verhoudingen in de arbeids-wereld in het algemeen gesproken.

Ik werd in de afdeeling voor werktuigmachinebouw geplaatst en ingedeeld in een ploeg van vijf sjouwerfieden, die overal moesten inspringen, waar de nood aan den man was. Daardoor was ik — wat voor mij zeer veel waard werd — niet aan een vaste plaats gebonden, maar kon ik mij vrij bewegen, en had ik gelegenheid met bijna iedereen in onze afdeeling van honderd-twintig man kennis te maken en bekend te blijven.

Het was zwaar en voor mij zeer ongewoon werk, wat wij te doen haddén. Als er uit de gieterij stukken ijzer kwamen van allerlei vorm en grootte en dikwijls heel wat centenaars zwaar, dan moesten deze worden afgeladen, gewogen en naar dezen of genen arbeider gebracht, om dan van hem weer naar een anderen te worden getransporteerd, al naar het werk dit vorderde. Een andermaal moesten wij voltooide en zeer zware werktuigen door middel van kranen en rollen naar en van de probeerzaal brengen, machines uit elkander helpen nemen, de bij het probeeren vet en vuil geworden deelen schoonmaken. Dan weer moesten wij steenkolen halen, draaispanen wegrijden, of de een of andere bestelling doen. Onder de hand werden wij ook wel als noodhulp in de smederij

-ocr page 22-

20

gebruikt, moesten wij bijvoorbeeld in sterke ijzeren platen gaten boren van verschillende diepte.

Had ik in den eersten tijd zoo, dagen achtereen, bijna elf unr lang met de handboormachine geboord^ dikwijls in de lastigste houding, plat liggend of bukkend, of staande op een ladder, dan kon ik maar al te vaak \'s avonds bijna niet inslapen van de pijn, die ik in mijn armen had.

Wij waren in één woord duivelstoejagers, acht gevend op eiken wenk, op elk „psst.quot; Zelfs kleine jongens in de smederij (leerlingen) vereerden de sjouwerlieden met opdrachten, nochtans meestal onder protest der ouderen. Dikwijls ging het van het eene zware werk op het andere; dan had ik mijn uiterste kracht in te spannen om op mijn post te kunnen blijven. Thans ben ik blij, dat ik het heb volgehouden. Ik heb daarmee bewezen, dat ik, wat ik ondernam, niet maar voor de aardigheid deed; dat het geen zucht naar avonturen, maar bittere ernst was wat mij dreef.

Er kwamen echter ook betere tijden: uren, halve, heele. dagen, waarop ik niet veel of slechts licht werk had te doen. Van dergelijke tijden maakte ik steeds dubbel ijverig gebruik om met mijn kameraden om te gaan. Dan ging ik van den een naar den ander en, terwijl diens machine ratelde, bracht ik ons gesprek op elk onderwerp, waarover ik zijn oordeel wenschte te vernemen. Of wel ik luisterde aandachtig, waar zich een groepje vormde, en er over allerlei gepraat, gelachen of gestreden werd. Moest ik voor een arbeider een uur lang een ijzeren as of een hefboom vasthouden, of hem op de een of andere wijze een handreiking doen, dan was dit voor mij steeds een gunstige gelegenheid om hem uit te hooren, aangaande zijn meeningen en gezindheden. Ja bijna elke arbeid, dien ik gezamenlijk met een ander verrichtte, elke handreiking gaf mij aanleiding tot belangrijke studiën. Ik verheelde mijn godsdienstige overtuiging niet, en dat gaf dan stof tot tegenspraak. Ik gaf te kennen, dat ik over veel had gelezen, en nagedacht, en dat was voor verscheidenen een aanleiding om mij allerlei en soms zeer wonderlijke* vragen te doen. Weldra heette ik „doctorquot;, „professorquot;. De een vond, dat ik predikant had moeten worden, een ander hield mij voor een verongelukten student, een derde voorspelde, dat ik nog eens naar den rijksdag zou worden afgevaardigd. Toch geloof ik niet, dat men vermoed heeft wie ik was en wat ik voorhad. Ik heb althans ffeen grond om dit te denken. De gedachte.

-ocr page 23-

21

•dat een heer, zelfs maar tijdelijk, vrijwillig en om hunnentwille afstand kon doen van allen comfort, zijn betrekking en zijn toch in elk geval hooge positie verlaten kon, die gedachte kwam niet bij hen op ; \'t was voor hen eenvoudig ondenkbaar.

Veel kwam ik ook te weten gedurende onze korte rustpauze des morgens, als wij in de fabriek in groepen bij elkander zaten om ons ontbijt te gebruiken. Het eigenlijke schaftuur, bestemd voor het middagmaal, (ik gebruikte dit voor weinig geld in de openbare volkskeukens), bracht mij dagelijks in aanraking met de ongehuwde arbeiders van mijn en van andere fabrieken. Ook de avonden sleet ik zelden alleen en op mijn kamer, meestal was ik te vinden in de straten van ons arbeiderskwartier, waar het bij mooi weer op dat uur niet weinig levendig was; men trof er jong en oud uit de buurt aan. Ik verzuimde ook nooit de bijeenkomsten der sociaal-democratische kiesvereeniging bij te wonen, terwijl ik tevens — en dit laatste bij toeneming — af en toe den avond doorbracht in de gezinnen der arbeiders, met wie ik allengs op vriendschappelijken voet was gekomen.

Zondags maakte ik meest een uitstapje in den omtrek met •een paar jonge bankwerkers, of bezocht ik de in die streken bijzonder in den smaak vallende sociaal-democratische arbeiders-en kinderfeesten. Zondagsavonds was ik een getrouw bezoeker der openbare danszalen, die ik bijna nooit vóór het sluitingsuur, dat is vóór middernacht, verliet.

Alleen de nachten hield ik voor mijzelven. Ik had na de ■ondervinding in de herberg opgedaan, terstond het plan opgegeven om een slaapstee in een arbeidersgezin te huren.

Ik zag in, dat het eenvoudig mijn krachten zou te boven gaan na het voor mij ongewone dagwerk ook nog meer of min slape-looze nachten door te brengen. Bovendien had ik de late ■avonduren zeer noodig om onopgemerkt de indrukken van den dag te overzien, en mijn aanteekeningen te maken. Ik meende dan ook trouwens te kunnen volstaan met, midden in een arbeiderswijk, bij eenvoudige burgermenschen een klein kamertje te huren, waar vóór mij eerst een bankwerker en later een koopman had gewoond, en dat niet fraaier was dan de kamertjes, die de jonge arbeiders nu en dan wel eens huren.

Om nochtans iets te leeren kennen van de ellende der slaapsteden, verliet ik half Augustus de fabriek, en besteedde — als werkelooze — eenige dagen aan het bezichtigen der te huur staande slaapsteden. De dagelijksche woninggids van

-ocr page 24-

22

het „Chemnitzer Dagblad\' wees mij den weg. Daarbij voorzag-ik mij van een zakje met suikergoed, om, waar ik kinderen aantrof, daaruit mee te deelen. Dit opende hart en mond der moeders voor mij, en gaf mij gelegenheid onderwijl rustig in de gezinnen rond te zien. Op die wijze heb ik in het geheel minstens een zestigtal slaapsteden goed in oogen-schouw genomen. In een openbare vergadering te Göttingen heeft een sociaal-democraat deze methode, „om door valsche voorspiegelingen en het opwekken van hoop op verhuring, het slaapsteewezen te leeren kennen\', als ,onwaardigquot; gebrandmerkt. Ik verklaar hier, dat het een ieder vrijstaat te huur gestelde woningen te gaan zien, en dat ik geen enkele familie bij het heengaan in het onzekere er over heb gelaten, dat ik de mij getoonde slaapstede niet aannam.

Ten slotte pakte ik nog eens mijn boeltje en trok, ■ nu weer als op ambacht reizend gezel, van Chemnitz naar het Vogtland.

Maar ik kwam niet ver meer. Ik voelde dat mijn veerkracht was uitgeput. Ik maakte er dus — wel wat heel plotseling — een einde aan, en keerde einde Augustus naar huis terug.

Dit een en ander ter aanwijzing mijner uitwendige omstandigheden, en van den weg, dien ik tot dit mijn onderzoek heb ingeslagen. Thans dit onderzoek zelf en de resultaten, waai-toe het mij heeft gebracht.

-ocr page 25-

TWEEDE HOOFDSTUK. De materieele toestand mijner kameraden.

Wij waren met ons vijfhonderden in de fabriek aan het werk. \'t Spreekt van zelf, dat ik met al deze arbeiders niet even goed bekend ben geworden als met de 120 a 150 man, die meerendeels tot een en dezelfde afdeeling, tot den werktuig-machinebouw behoorden, en met wie ik dagelijks op intiemen voet omging. Wat ik mededeel betreft dan ook hoofdzakelijk hetgeen ik door deze laatsten heb ervaren en bij hen heb waargenomen.

De meesten van hen waren Saksers; voor zoover ik heb kunnen nagaan 70 a 75 percent. Ik verzoek den lezer dit feit in het oog te houden bij alles wat ik verder ga mededee-len, en mijn ervaringen niet, tegen mijn wil, zonder onderzoek ook op andere Duitsche stammen toe te passen. Van de overige 25 percent waren ongeveer 10 percent Noordduitschers, 5 percent Zuidduitschers, 10 percent Oostenrijkers en enkelen Zwitsers. Dat er zooveel Oostenrijkers waren, moet aan de nabijheid der saksisch-boheemsche grenzen worden toegeschreven. Overigens kwamen dezen meest uit zuidelijk Bohemen en waren ze reeds in Saksen genaturaliseerd. Onder de Saksers waren weer de geboren Chemnitzers overwegend, of althans de om en nabij die stad en in het Ertsgebergte en het Vogtland thuisbehoorende Saksers Het aantal van ver-

*) Onder deze lieden uit één en dezelfde streek trof men ver-scheidenen aan, die familie van elkander waren. Bij een vluchtig overzicht telde ik, alleen in onze afdeeling, vier broederparen, vijf vaders, die één zoon, verscheidene, die schoonzoons, een, die een zoon en een schoonzoon in de fabriek had.

-ocr page 26-

24

deraf gekomen Saksers was betrekkelijk gering; nauwelijks 15 a 20 percent. Daarentegen was het Saksische element veel sterker vertegenwoordigd in de Ohemnitzer spin- en weverijen dan bij ons; in tegenstelling met de bouwvakken, waartoe de Oostenrijkers, met name de Tschechen, een opvallend groot contingent arbeiders leverden.

Omtrent het inkomen mijner kameraden kan ik niet met juistheid inlichtingen geven. Wat ik daarvan weet, is mij door de personen zelven opgegeven, en ik kan er niet voor instaan, dat zij mij de juiste cijfers hebben genoemd. Het was heel moeilijk op dit punt de zuivere waarheid te vernemen. Een ieder trachtte zijn verdienste voor den ander geheim te houden. Wie meer dan de anderen verdiende, was bang, dat men hem voor een kruiper en gunsteling zou houden, of dat zijn kameraden om even hoog loon zouden gaan vragen. Wie minder verdiende verzweeg dit uit schaamte en uit vrees voor het gespot en geplaag van onverstandige kameraden.

De loonen werden op dat tijdstip klaarblijkelijk gedrukt door het mislukte Meifeest en de naderende Mac-Kinley-Bill. Nu eens werden nieuwe arbeiders aangenomen tegen minder loon per uur dan vroeger aangestelden verdienden, en dan weer werd elk verzoek om loonsverhooging afgewezen. Wie niet tevreden was met hetgeen hij verdiende, werd ontslagen.

Om met mijzelven te beginnen, ik kreeg als nieuweling en sjouwerman 20 Pfennig in het uur, het gewone loon van een beginnende, dat echter, op verzoek — namelijk van gehuwde arbeiders — gewoonlijk spoedig met 1 a 2 Pfennige werd verhoogd. Uitgezonderd Zaterdag en Maandag (op deze beide dagen werd een uur korter gearbeid) verdiende ik dagelijks 2.13 Mark; genoemde dagen 1.93 Mark en alzoo in de week precies 12.78 Mark. Daarvan gingen steeds ongeveer twee Mark af: aan de ziekenbus en aan boeten voor te laat komen en verzuimd werk, zoodat ik zelden meer dan elf Mark voor de week in handen kreeg. De overige sjouwerlieden verdienden 12 a 15 Mark, gemiddeld 14 Mark in de week; de bankwerkers 15 a 21 Mark; hun monteui\'S 22 a 28 Mark; metaalboorders, die voor daggeld werkten, 15 a 19 Mark. Daarentegen kwamen de stukwerkers met hun loon veel hooger. Metaalschavers gemiddeld tot op 25 Mark; metaaldraaiers van 20 tot op 30 Mark; ponsers en hoorders van 20 tot 30 Mark, enkelen zelfs tot 40 Mark in de week. De machinist aan den grooten stoomketel ver-

-ocr page 27-

25

diende, naar zijn eigen opgave, bij een arbeidsdag van 14 urnen nog daarenboven Zondagarbeid in den vóórmiddag, 24 Mark in de week. Bij de monteurs wordt, evenals bij eenige meesterknechts, het loon aanmerkelijk verhoogd door het zoogenaamde percentengeld voor door hen afgeleverde machines. Het jaar-lijksch inkomen der laatsten bedroeg, naar men my verzekerde, gemiddeld 1800 tot 2000 Mark. Onder de arbeiders met hooge loonen, vond men verscheidene jonge lieden, die, naar mij werd opgegeven, nooit minder dan 100 Mark in de maand verdienden. Een gedeelte dezer opgaven zal waarschijnlijk eer te laag dan te hoog zijn. In enkele andere machinefabrieken moeten de loonen althans hooger zijn, maar ook de arbeidsdag langer en het werk meer ingespannen. Ik kon natuurlijk de juistheid dezer verzekeringen niet nagaan.

Uit dit een en ander volgt, dat er van bepaald gebrek lijden bij deze klasse van arbeiders geen sprake kan wezen. In elk geval behoort zij tot de betrekkelijk meest welgestelde, tot die, welke de meeste koopkracht bezitten in den gezamenlijken Saksischen arbeidersstand; zelfs al houdt men in het oog, dat de door mij opgegeven hoogste loonen slechts gelden vaneen kleine minderheid mijner kameraden; dat het gemiddelde loon 80 Mark in de maand bedraagt en een loon van 32 pfennig in het uur reeds als zeer gunstig staat aangeschreven.

De velen, die, zooals bijvoorbeeld de sjouwerlieden, veel minder dan dit gemiddelde verdienden, daarbij een groot gezin, zorgen en schulden hadden, maar die desniettemin vlijtig van aard waren, graag vooruit wilden komen en op hun eigen fatsoen en dat der hunnen gesteld waren, deze allen trachtten door hijver diensten hun inkomen eenigermate te ver-hoogen.

Zij zochten in hun weinige rusturen, alsmede des Zondags, op allerlei wijze, buiten de fabriek, naar nu eens beter, dan slechter betaald, nu eens licht en aangenaam, dan zwaar en moeilijk bijwerk. Ziehier eenige voorbeelden. Een pakker, die gewoonlijk met innig welbehagen van zijn thuis, zijn vrouw, zijn kleine en groote kinderen vertelde, een eenvoudige, trouwhartige kerel, maakte Zondagsmorgens kapstokken en fungeerde \'s avonds op de naastbijgelegen dorpen voor dansmeester. Een gewezen kleermaker hield zich in zijn vrijen tijd met zijn oude handwerk bezig, om voor zichzelven wat zakgeld te verdienen, daar hij, naar hij ons vertelde, zijn gansche loon (27 Mark in de veertien dagen) tot op den laatsten cent

-ocr page 28-

26

aan zijn vrouw en zijn twee kinderen bracht. Een timmerman maakte kleine meubelstukken; een andere, die vroeger barbiersleerling was geweest, maar van zijn baas was wegge-loopen, ging \'s avonds van huis tot huis en schoor bekenden en kameraden uit de fabriek. Meer dan een speelde Zondags in de danshuizen in het orchest; een — een metaaldraaier — speelde in een „fideele\' bierkneip voor muziekale% clown; weer een andere dreef handel in vaten. Een metaalboorder was \'s Zondagsmiddags hulpkoetsier op een der, ten behoeve van het vermeerderde Zondagsverkeer, bijgevoegde wagens van den Chem-nitzer paardentram. Een bankwerker, die zijn zoon winkeher liet worden, een goedhartige veertiger, doch een groote, zij het dan ook niet al te grove vereerder van spiritualiën, was eiken avond, zoowel in de week als Zondags, kellner in een onzer meest bezochte en netste arbeiderskneipen ; niet alleen om wat te verdienen, maar ook om voor weinig geld te kunnen borrelen. Eindelijk vond men onder de fabrieksarbeiders er meer dan een, die handel dreef in goedkoope sigaren; welke hij aan zijn kameraden, voor drie, vier, ook wel vijf pfennige verkocht.

Buitendien zocht men nog af en toe tijdelijk op allerlei wijze wat te verdienen, nu eens door steenkolen te brengen bij heeren opzichters en directeuren, dan eens door in den tuin der laatsten het gras te maaien, enz. enz.

Enkelen hadden nog wat bijverdiensten door overwerk en Zondagswerk in de fabriek. Het waren meest speciale daartoe door de opzichters gekozen arbeiders, wien dit „voordeelquot; ten deel viel: tegen betaling van hun gewone uurloon namen zij Zaterdags, na sluiting der fabriek, het aanvegen van de werkplaatsen op zich. Voorts maakten zij Zondags \'s morgens de stoommachine schoon, en verrichten verder de noodige herstellingen.

Nog een bijdrage tot het loon bracht de arbeid der vrouw en nu en dan — maar niet dikwijls — die der grootere kinderen aan. Het is mij niet mogelijk hieromtrent in bijzonderheden te treden; ik weet alleen dat deze vrouwenarbeid zeer verschillend was; japonnen naaien, linnennaaien voor een winkel, wasschen, uit schoonmaken gaan, het venten van groenten langs de huizen, enz. Slechts enkele vrouwen werkten in fabrieken; veel vaker werden te huis kousen met de machine gebreid.

ilen beschouwde ook het houden van kostgangers en slapers — een last, die geheel op de vrouw drukte — als een bron om

-ocr page 29-

27

het weekloon uit aan te vullen. Ten onrechte, naar ik meen. Want voor zoover ik het heb kunnen nagaan, geeft dit zelden geldelijk voordeel, als men namelijk al de moeite, die de vrouw des huizes er van heeft, en al het ongerief, dat men zich er voor getroost — nog afgezien van ernstiger nadeelen er aan verbonden — mede in rekening brengt.

Dit alles betreft slechts de minder goedgestelde arbeiders. Ik meen te hebben opgemerkt, dat al wie maar even in staat was, afstand van dergelijke bijverdiensten te doen, dit ook, op een enkele na, deed.

Mijn schilderij zou echter onvoltooid blijven, als ik haar niet met een gouden lijst omgaf, en hier nog bij vertelde, dat wij onder de arbeiders in onze fabriek toch ook vijf eigenaren van huizen hadden. Dat is mij althans van vijf bekend geworden : een buitengewoon vlijtige, op stuk werkende metaaldraaier, die zich het avondbrood uit den mond spaarde en dien men schertsenderwijze den „commercienrathquot; noemde, had het zijne door den arbeid zijner handen en door zijn spaarzaamheid — sommigen noemden het gierigheid — verworven. Het zelfde gold van een anderen arbeider. Dan was er nog een jonge metaaldraaier die — door erfenis — eigenaar was geworden van een zeer bloeiend logement in een vlak bijgelegen dorp. Voorts nog een bankwerker en een polijster, die ieder een woonhuisje rijk waren. Dan was er bovendien nog in mijn ploeg een beste door allen geliefde kerel, die uit een boerenfamilie in den omtrek stamde, en die, naar men zeide, zóóveel duizend Marken bezat, dat hij niet noodig had zich in de fabriek af te beulen; een voorstelling, die zeker wel wat overdreven was. Eindelijk heb ik als geleerde „schrijverquot; voor een anderen, reeds bejaarden man, wiens vader gestorven was en zijn kinderen verscheidene honderden Marken had nagelaten, eens een contract moeten opstellen, op grond waarvan hij zijn aandeel aan zijn broeder — als hypotheek op diens huis — overliet; hij zelf had, naar hij mij verzekerde, dit geld toch niet noodig.

Toch behoef ik er nauwelijks nog eens nadrukkelijk op te wijzen, dat deze gelukkige huisheer en en kapitalisten niet den regel bij ons vertegenwoordigden.

Na dit alles herhaal ik echter nog eens wat ik daareven beweerde, dat er in onze arbeidersgroep van bepaald gebreklijden geen sprake kon wezen. Maar zeer zeker ook niet van overvloed! Want het zooeven aangegeven bedrag, het gemiddelde inko-men van 800 tot 900 Mark, is, hij de tegenwoordige hooge

-ocr page 30-

28

huren en de duurte van levensmiddelen, maar even voldoende om een arbeider met een niet al te talrijk gezin in staat te stellen zonder al te groote zorg in de allereerste levensbehoeften der zijnen te voorzien. Veel ongunstiger wordt de toestand terstond daar, waar, zooals bij ons sjouwerlieden, het jaar-lijksch inkomen slechts van G00 tot 700 Mark bedraagt, of waar door ziekte, dood of andere ongevallen, door verlenging van diensttijd of verwisseling van werkplaats (dit laatste vaak gepaard gaande met een tijdlang zonder-werk-zijn) een aanzienlijk deel ook van bet hoogere inkomen wordt verslonden. Bij hen, die van 12- tot 1500 Mark verdienden kon ontegenzeggelijk sprake zijn van een beteren, hoogeren levensstandaard, en mocht ik dezen tot mijn voldoening ook veeltijds aantreffen.

In het algemeen moet men niettemin tot het besluit komen, dat, zelfs bij de door mij aangegeven gemiddelde verdiensten, een arbeidersgezin niet dan hoogst eenvoudig, neen, laat ik liever zeggen, niet dan bekrompen leven kan.

Dat zullen reeds de lang niet volledige waarnemingen bewijzen, die ik aangaande de woning, de kleeding en de voeding mijner kameraden heb gemaakt, en die ik, al zijn ze onvolledig, toch belangrijk genoeg acht, om er het volgende van mede te deelen.

Mijn kameraden woonden meerendeels niet in het landelijk voorstadje, waarin onze fabriek lag en waar ik zelf was ingekwartierd. Verscheidenen van hen woonden in de stad; velen ook in de naastbij of verder afgelegen dorpen. Meer dan een had uren lang te loopen, eer hij thuis was. Een sjouwerman van mijn\' ploeg, de oudste van allen en diep in de vijftig, woonde zóó ver af, dat hij er de voorkeur aan gaf, gedurende de week zijn intrek te nemen bij zijn schoonzoon in onze voorstad, en alleen Zaterdagsavonds naar zijn vrouw te gaan; een tehuis op te zoeken dat een zijner kameraden, die hem eens een bezoek had gebracht, niet genoeg wist te roemen, zoo rein, zoo net, zoo gezellig als het was. Omtrent de huisvesting van dit groote aantal buiten wonende arbeiders kan ik niet in bijzonderheden treden; ik weet alleen, dat zij, die in de stad woonden, veel slechter, zij, die van de vaak in de verrukkelijkste natuur gelegen dorpen kwamen, over \'t algemeen veel beter gehuisvest waren dan wij in ons voorstadje.

Dit voorstadje lag zóó vlak bij Chemnitz, dat de grens

-ocr page 31-

29

tusschen beide plaatsen ternauwernood was aan te wijzen. Stad en voorstadje liepen in elkander en aan het laatste sloot zich een urenlange reeks dorpen aan, zooals dit in het dicht bevolkte Saksen niet zelden voorkomt. Deze samensmelting vond men in mijn woonplaats terug. Mijn voorstad was half stad, half dorp. Midden tusschen de oude karakteristieke lage landhuizen met puntdaken en kleine vensters verhieven zich de doodnuchtere, steedsche, twee- en drie-verdiepingen-hooge kazernehuizen. Er restte nog maar één hoekje, waar het oude karakter van het voormalig dorp zuiver was bewaard in de lage, primitieve, ordeloos door elkaar gebouwde dag-loonershuisjes, met de smalle, zigzag loopende gangen en paden er tusschen. Doch vlak daarnaast groeide met reuzenvaart een zuiver stadsgedeelte op: twee breede, parallel loopende straten, waar, in rechte lijn, kazerne zich naast kazerne verhief, welker kale voorgevels gelukkig door kleine tuintjes voor de deur werden opgevroolijkt en versierd. Op die wijze vond men ook in het uiterlijk voorkomen van mijn voorstaddorp het beeld terug van de economische omwenteling, die de bewoners doormaakten: den overgang van landbouwer tot fabrieksarbeider.

Mijn hier woonachtige kameraden woonden, naar gelang van huurprijs, behoefte, neiging, gewoonte, ja soms bloot toevallig, gedeeltelijk in het geheel nieuwe kwartier, gedeeltelijk in de oudere huizen, die gewoonlijk naar de wijze der nieuwe perceelen waren verbouwd en in verschillende woningen, „partenquot; genaamd, waren verdeeld. Ik weet niet aan welke soort woningen ik de voorkeur zal geven. Die in de oudere landelijke huizen waren laag van verdieping, bekrompen en van kleine vensters voorzien, maar daar stond tegenover, dat deze huizen bijna alle midden in een tuin, in het groen lagen. De nieuwe soort had ruimer en hooger vertrekken, meer lucht en meer licht, maar daarbij ook het onvriendelijke, kale der echte kazernewoningen, en de perceelen waren veeltijds bijzonder licht-en-dicht gebouwd. De minst goede en tegelijk onvriendelijkste woningen vond men in de talrijke achterhuizen van deze nieuwe straten. De meeste dezer laatste woningen hadden al de schaduwzijden der beide door mij genoemde soorten, en lieten aan armzaligheid, zoowel van binnen als van buiten, niets te wenschen over.

\'t Valt moeilijk de ruimte, waarover de arbeiders gewoonlijk te beschikken hadden, familiewomngen te noemen. Of zou men

-ocr page 32-

30

■werkelijk één vertrek met twee vensters en stookplaats, en daarnaast een vierkant hokje met één venster en zonder stookplaats aldus kunnen betitelen? Toch was dit en niets meer het tehuis van — als ik mij niet bedrieg — een zeer groot gedeelte onzer arbeidersgezinnen.

Ik hoorde op de fabriek dan ook altijd slechts van kamers spreken. „Ik ga een kamer huren;quot; — „wat betaalt ge voor uw kamer?quot; was de gewone uitdrukking.

Veel beter, ruimer en vriendelijker indruk maakten reeds die woningen, die uit één vertrek en twee dergelijke kabinetjes (in die streek ten onrechte „alcovenquot; genoemd) bestonden, of die twee vertrekken met stookplaatsen en één alcoof rijk waren. Doch ook bij deze type van woningen miste ik veeltijds — evenals bij alle éénkamerwoningen — de keuken. Daarentegen had elke woning, groot of klein, een zoogenaamde dakkamer; dat wil zeggen een afgeschoten kleine ruimte onder het dak, van een luikje voorzien.

In de meeste der moderne, naar steedschen trant gebouwde huizen vond men een aantal van elk der beide door mij genoemde woningtypen, maar dan ook — drukkend eentonig — niets dan deze. Grooter soort woningen trof men in de eigenlijke huurhuizen voor arbeiders niet aan. Voor de enkele personen daar ter plaatse, die meer ruimte verlangden, waren eenige op zich zelf staande huizen gebouwd, en buitendien vond men er nog een paar villa\'s, of althans huizen met tuinen. De huurprijs dezer arbeiderswoningen was hoog in vergelijking, zoowel van hetgeen men voor dien prijs had, als van het inkomen der meeste arbeiders. Toch was hij nog lager dan die, welke voor soortgelijke woningen in Chemnitz zelf werd betaald. Ik kan hier geen cijfers noemen; de enkele huren, die ik heb opgeschreven, zijn onvoldoende: ik laat ze daarom liever achterwege. Zoo hoog als de huurprijzen te Berlijn, zijn ze echter in en om Chemnitz niet.

Jt Is mij evenmin mogelijk de arbeiders overeenkomstig hun verdiensten over deze verschillende woningtypen te verdeelen. Men kan in het algemeen slechts vaststellen, dat de kleinste woningen bewoond werden door hen, die óf weinig verdienden, óf een groot en daardoor veelbehoevend gezin hadden, óf jonggehuwd waren en dus nog geen of een enkel klein kind bezaten. De grootere woningen werden in den regel door de meestverdienende arbeiders betrokken. Toch was het geen zeldzaamheid dat ook arbeiders met weinig verdiensten een

-ocr page 33-

31

grootere woning huurden, doch dit alleen om een aantal slapers of kostgangers te kunnen houden, en door dezen de hooge huur vergoed te krijgen. Het was — om dit hier nog even bij te voegen — in de fabriek steeds een gezucht en gejammer als de „vervaldagquot; kwam; van het loon, dat uitbetaald werd aan het einde der week, die aan dezen dag voorafging, schoot gewoonlijk al heel weinig over voor de verdere behoeften van het gezin.

Vraagt men, hoe het er in de woningen uitzag? Goed, middelmatig, slecht — dat viel aan allerlei oorzaken toe te schrijven. Bijna altijd vond men er een sofa, een dikwijls ronde tafel, een latafel, een tamelijk grooten spiegel, eenige rieten en verscheidene houten stoelen en een paar prenten aan den wand. Niet zelden ook een naaimachine, een hanglamp, en een aardige, uiterlijk elegante, zij het dan ook niet zeer solide gemaakte hangbast. In een hoek of aan die zijde, waar de kookkachel stond, hing gewoonlijk een paar stuks kook-gereedschap tegen den muur: potten en pannen, schoenen en verdere rommel — misschien ook nog een enkele kast — vonden een plaats in de alcoof, die voor \'t overige meestal geheel door ledikanten en beddegoed was ingenomen. Bij jonggehuwden ontbraken doorgaans nog enkele der bovengenoemde meubelen; de sofa, de spiegel of de hangklok; men had zich deze nog niet kunnen aanschaffen, aangezien men in deze omgeving zonder uitzet trouwt.

Of in de hier omschreven tehuizen orde, reinheid, overleg en — hoe bekrompen en eenvoudig de woning ook mocht zijn — een geest van vriendelijkheid en gezelligheid heersch-ten, dit hing af van het aantal kinderen, van hun leeftijd, van de verdiensten en het gedrag van den man, van de werkzaamheid en vóór alles natuurlijk van het karakter, den aanleg en het verleden der vrouw. Ik kwam bij kameraden aan huis, die ternauwernood een paar pfennige meer dan ik in het uur verdienden, die veel kinderen en maar een paar stuks oude meubelen bezaten, en bij wien ik toch gaarne op bezoek was. Ik kwam bij metaalboorders en ponsers, die op stuk werkten en van 40 tot 50 Mark in de week verdienden, en bij wien het er niet eenvoudiger uitzag dan in mijn ouderlijk huis: een wit linnen kleed op de tafel, op de sofa en op de commode; witte gordijnen voor de vensters, die vol bloemen stonden ; verscheidene platen aan den keurig behangen muur. Ik zag echter ook het tegendeel bij lieden, zoowel met veel als met

-ocr page 34-

32

weinig verdiensten, met veel en met weinig kinderen, met nieuw en met oud huisraad.

In ieder geval — ik leg hier zeer sterk nadruk op — was het aantal gezinnen, waarin men bij alle bekrompenheid en hoe zuinig men het ook moest aanleggen, nochtans alles deed wat men kon, om een indruk van netheid en gezelligheid te geven, oneindig grooter dan dat, waar dit om de eene of andere reden niet het geval was.

Het bedroevende van de huisvesting dezer lieden was dan ook in hoofdzaak de wanverhouding tusschen de ruimte en het aantal bewoners. De door mij geschetste woningen waren voldoende, om jongelui met een of twee kleine kinderen een tamelijk gezond en genoegelijk tehuis te kunnen verschaffen. Kwamen er echter meer kinderen, of nam men, om beter rond te komen, vreemden in den kost, dan verviel men tot toestanden, die zich beter laten gevoelen, dan beschrijven. En toch — men kan het nagaan — juist dit was regel. Verreweg de meeste echtparen hadden een schaar kinderen, hielden slapers en kostgangers. Een inrichting, waarop niets te zeggen viel, vond men dan ook slechts daar, waar noch de eersten, noch de laatsten aanwezig waren. Zij, die geen kinderen hadden, of de meer bejaarden, wier kinderen volwassen en tot hun bestemming waren gekomen, namen, als zij het maar eenigszins met het loon konden schikken, niemand in huis, en maakten het zich daarin zoo aangenaam mogelijk.

Dit was onder anderen het geval bij een ponser, dien ik dikwijls bezocht, en wiens jongste kind juist voor goed de school had verlaten. Hier was het in één woord allerliefst. Ook was de toestand nog gunstig te noemen daar, waar, zooals bij een mijner kameraden, het gezin — bestaande uit vader, moeder, een volwassen dochter uit het eerste huwelijk der vrouw en drie kleine kinderen uit het tegenwoordige — een gedeelte van een der tot huurhuizen verbouwde boerenhofsteden bewoonde. Dit gedeelte bestond uit een ruime hoekkamer, een zoogenaamde aleoof\'met één venster en een dakkamer. Op deze laatste sliep de oudste dochter alleen; de overigen in de alcoof: het kleintje in de wieg, de ouders samen in één ledikant, de twee kinderen in een ander. Dergelijk geregeld te zamen in één bed slapen van ouders, van broeders, van zusters, ja ook wel van broeder en zuster, was overigens, voor zoover mijn ervaring reikt, algemeen gebruikelijk; slechts bij twee kinderlooze echtparen vond ik ook op dit punt iets

-ocr page 35-

33

anders en beters. Hier hadden de echtgenooten elk een bed voor zich.

Ongunstiger reeds dan in het gezin, dat ik zoo even noemde, was de toestand bij een anderen mijner kameraden, met wien ik bevriend werd. Hier bestond het gezin uit het nog jeugdige echtpaar, een kind van twee en een van een half jaar en een volwassen fabrieksmeisje, dat er in den kost was. Tot woning had dit gezin één enkele, lang niet ruime kamer gelijkvloers, en het dakkamertje, waar het vreemde meisje sliep. In dit ééne vertrek, dat natuurlijk woonkamer, slaapkamer, salon en keuken tegelijk was, stonden een ledikant voor de ouders, een kinderwagen, een tafel, een paar stoelen, een latafel, een\' hangkast en keukenbenoodigdheden, alles, gelijk van zelf spreekt, dicht op elkander. Toch was ook dit nog een betrekkelijk redelijke toestand. Ik heb nog erger dingen te vermelden. Een der sjouwerlieden van mijn ploeg, degene bij wien ik het meest aan huis kwam, woonde met zijn energieke, vlijtige vrouw (een gewezen keukenmeid) twee door de ouders hartelijk geliefde en zorgvuldig opgevoede kinderen (een meisje van negen en een jongen van zes jaar) en drie jonge bankwerkers uit onze fabriek in een met menschen volgepropt achterhuis, waarvan hij een kamer met twee vensters, een alcoof en een dakkamer in huur had.. Hier ook sliepen ouders en kinderen in twee ledikanten, die de geheele ruimte der alcoof innamen, en de drie gezellen op de ietwat ruimere dakkamer, eveneens in twee ledikanten; alzoo twee, elkaar vreemde jonge mannen in één bed, en de derde alleen, waarvoor hij natuurlijk heel wat meer had te betalen. Hoe algemeen deze gewoonte was, bewijst de volgende kleine bijzonderheid. Zoo vaak ik, toen ik naar een woning \'zocht, mijn wensch te kennen gaf, om „op mij zelf te slapen; daarmede bedoelende^ dat ik gaarne een vrije kamer had, vatte men dit bijna altijd oj), alsof ik alleen in een hed wilde slapen.

Het ergste wat ik van woningnood heb waargenomen, bei rof een anderen arbeider uit mijn fabriek. Hier was het feitelijk niet langer menschwaardig te noemen. De man was een bejaarde, jarenlang aan de fabriek verbonden arbeider; hij had daar een machine te bedienen. Hij was reeds diep in de vijftig; ren kleine, flinke, goede kerel, met wien ik mij bijzonder gaarne onderhield. Hij had een ziekelijke, halflamme, door bloedverlies uitgeputte vrouw, wier levens- en liefdesgeschiedenis hij mij — evenals die van hem zeiven — in kleuren en geuren

göhre. 3

-ocr page 36-

34

mededeelde met de naïve openhartigheid en kameraadschappelijke vertrouwelijkheid, welke in die kringen zoo spoedig, zelfs tusschen ouderen en jongeren ontstaat. Een verhaal, forsch en ruw, zooals het onder die lieden pleegt toe te gaan; maar toch niet zonder een waas van poëzie. De kinderen van dit echtpaar waren volwassen en gehuwd. Zij hadden slechts één kleinkind bij zich aan huis, waaraan zij met hart en ziel waren gehecht, maar hielden daarentegen vijf vreemde slapers. De woning van dezen arbeider bestond uit één woonvertrek, één werkelijke alcoof, één kabinetje en een dakkamer. In het kabinetje stonden twee ledikanten; in één daarvan sliep een tramkoetsier, in het andere twee boheemsche metselaars. In de alcoof sliep de ziekelijke vrouw alleen in een bed; haar man lag sedert drie jaren — dat is sedert zijn vrouw niemand meer naast zich kon hebben liggen — op de sofa in de woonkamer, waar men van den vroegen morgen tot tien uur \'s avonds — dat wil voor deze lieden zeggen: tot diep in den nacht — pratende, etende en rookende mannen kon aantreffen. quot;Want de twee metselaars moesten \'s morgens reeds om half vijf naar hun werk, na nog eerst hun, dan reeds in die zelfde kamer gekookte, koffie te hebben gedronken, en de tramkoetsier kwam eerst \'s avonds half tien uit zijn zwaren dagdienst thuis, en gebruikte dan nog zijn avondbrood. Hoe kon daar sprake zijn van een verkwikkelijke nachtrust voor man en vrouw? Maar het ergste komt nog. In de overblijvende dakkamer stonden eveneens twee ledikanten: in het eene sliep een jonggehuwd paar, dat hier zijn intrek had genomen, overdag gezamenlijk uit werken ging en letterlijk niets in de wereld bezat; in het andere sliep het twaalfjarig meisje, het kleinkind. Men kan zich voorstellen wat dit kind \'s nachts allicht hoorde en waarnam! Trouwens in deze en dergelijke huishoudens moet het wel op die wijze toegaan; \'t is zelfs bij den besten wil der bewoners niet anders mogelijk.

Kwamen er dan nog bovendien familieleden of bekenden te logeeren, dan werd het samenhokken nog eenige graden bezwaarlijker. Laatstgenoemde arbeider kreeg eens zijn in Thüringen getrouwde dochter met twee harer kinderen te logeeren; „een slang, die haar ouders zoekt uit te zuigenquot;, zooals haar vader haar in een booze bui noemde. Bij die gelegenheid sliepen ook deze twee kinderen bij de grootouders aan huis, en wel op de dakkamer bij het twaalfjarig nichtje; alzoo met hun drieën in één bed; terwijl de dochter bij familie in

-ocr page 37-

I

35

de buurt onder dak werd gebracht. En dergelijke toestanden vond men onder arbeiders, die ik, als behoorende tot de betrekkelijk welgestelden onder de leden der volksklasse, heb voorgesteld !

De meeste en grootste dezer euvelen moeten echter uitsluitend aan het houden van slaapsteden en kostgangers worden toegeschreven. Dat is de ondergang van het duitsche arbeidersgezin! En toch is het, in verreweg de meeste gevallen, een economische noodwendigheid. Het geringe materieele voordeel, hetwelk het aanbrengt, is een vurig begeerde bijdrage tot het huishoudgeld der vrouw. Men behoeft niet te denkon, dat de arbeiders zich voor de aardigheid vreemden in huis halen. Integendeel heb ik herhaalde malen kunnen opmerken, dat, wie er maar eenigszins kans toe ziet, slapers en eters zich van den hals schuift. Gaat men er gedwongen toe over, dan neemt men in elk geval liever jonge mannen dan meisjes in huis.

Er waren bepaalde, van elkander onderscheiden soorten van •slaapsteden: betere en slechtere. De jammerlijkste en uit moreel en hygiënisch oogpunt de gevaarlijkste, zijn gelukkig door een verstandige en navolgingswaardige verordening van het Chemnitzer gemeentebestuur opgeheven. Deze verordening schrijft voor iederen slüper een bepaalde kubieke ruimte voor, en verbiedt ten strengste aan afzonderlijke gezinnen het verhuren van slaapsteden aan ongehuwde mannen en vrouwen tegelijk. — Bij mijn later onderzoek van het slaapsteewezen heb ik nog de volgende typen gevonden.

a) Slaapsteden onder het dak in de reeds beschreven afgeschoten zolderkamertjes. In dit vertrek had bijna elk arbeidersgezin van één tot drie ledikanten staan. Geen enkele verdieping van het geheele kazernehuis is \'s nachts dichter bevolkt dan deze zolderruimte, waarvan het plafond uit daksparren met onbedekte pannen bestaat. In de oudere huizen moeten dit — namelijk in heete zomers — nachtelijke folterkamers zijn; in de solide gebouwde huizen waren het almede de beste slaapgelegenheden. In elk geval was aan deze type van slaapsteden het groote voordeel verbonden, dat zij des nachts de vreemden van het hen herbergende gezin isoleerden. Ik vond ze in groote getale, duurder of goedkooper, al naar ze er uitzagen. De minst goede werden bij voorkeur genomen door de weinig eischende boheemsche metselaars en grondwerkers, die alleen zomers naar Chemnitz komen om aldaar te arbeiden. De

m

-ocr page 38-

36

gemiddelde prijs van een slaapstede was ongeveer 2 Mark in de week; daarvoor kreeg men dan nog \'s morgens een kop koffie. Bij de kleine bazen slapen de leerjongens, en af en toe ook enkele hunner gezellen, vaak met verscheidene vreemde slapers te zamen. In gezinnen uit den kleinen burgerstand (kleine ambtenaren, winkeliertjes, enz.) die een dienstmeisje houden, maar klein behuisd zijn, wordt het ledikant dezer laatste ook op zolder geplaatst, maar dan natuurlijk voor haar alleen bestemd. Behalve het ledikant en een paar spijkers in den muur, vindt men onder dit afdak gewoonlijk geen enkel stuk huisraad, tenzij de slaper een latafel of een kist medebrengt. Het eerste komt zelden, het laatste dikwijls voor. De paar stuks bovenkleêren, die dusdanig menschenkind bezit, worden dan aan de spijkers gehangen; het ondergoed en de andere kleinigheden in de kist, het tweede paar laarzen in een hoek der dakkamer opgeborgen. Wie goedkoop wil of moet logeeren, huurt gezamenlijk met een vriend zulk een afgeschoten kleine zolderruimte met één bed.

b) De tweede type van slaapsteden is die in de eigenlijke woning van het gezin. In den bedenkelijksten vorm komt deze voor, wanneer de vreemden met de huisgenooten in hetzelfde vertrek slapen. Tegenwoordig treft men dezen vorm zelden meer aan. Hij is zoo goed a^ verdwenen met dien, welke door de reeds door mij genoemde verordening is opgeheven. Wie met andere vreemden in een alcoof slaapt (in de stad wordt daartoe ook vaak de keuken gebruikt) betaalt gewoonlijk één Mark in de week; wie in een ledige, dat wil zeggen met slechts één ledikant bezette, alcoof alleen slaapt, minstens twee Mark. Daarop volgen dan nog de twee beste, maar ook minst voorkomende categorieën: eenvoudig gemeubileerde vertrekjes met twee en drie bedden, door met elkander bevriende werklieden (meest nette jonge bankwerkers) voor 2 Mark in de week per persoon, gezamenlijk bewoond ; en eindelijk dezelfde vertrekjes met één ledikant, die nochtans wegens hun duurte (drie Mark in de week) nog minder worden gevraagd, en dan ook reeds den overgang vormen tot de studenten- en heerenkamers.

De door mij genoemde prijzen geven natuurlijk slechts — zij het dan ook vrij juist — de gemiddelde weekhuur aan. Daaronder is altijd de koffie van \'s morgens en vaak ook die van \'s avonds begrepen. Hoog is deze huurprijs niet; althans niet voor jonggezellen, die meerendeels evenveel verdienen als

:

-ocr page 39-

37

de gehuwde werklieden en voor niemand hebben te zorgen, terwijl zij daarbij zeer weinig hebben uit te geven voor de overige eerste levensbehoeften.

Toch is het geen zeldzaamheid, dat een slaper met de noorderzon vertrekt, zonder zijn logies te betalen. De Chemnitzer woninggids had bijna dagelijks een dergelijk bericht in zijn kolommen, en men kan nagaan, dat slechts enkele van deze gevallen op die wijze wereldkundig werden gemaakt. Wie er van-door-gaat laat gewoonlijk een gesloten, ledige, slechts met een paar steenen bezwaarde kist als onderpand achter. Het zijn inzonderheid werkeloozen, die op deze manier manoeuvreeren. Zij verzekeren hun nieuwen hospita, dat zij werk hebben, gaan \'s morgens op het gewone uur van huis, brengen den dag gedeeltelijk in de herberg, gedeeltelijk met wandelen en werkzoeken door, en komen na sluiting der fabrieken in

hun kwartier terug. Op een mooien dag vliegt de vogel uit____

om niet weer te keeren. Dat is altijd een leelijke schadepost voor het gezin.

Aangaande de kleeding mijner kameraden kan ik natuurlijk korter zijn. In de fabriek was ze uitteraard zeer primitief en vuil. Een sterke, zij \'t ook door \'t langdurig gebruik gesleten en glimmend geworden pantalon, een vest en daaroverheen een blauw-linnen kiel, ziedaar het gewone costuum. Liefst trok men in de fabriek de laarzen uit en klompen aan. Houdt men de laarzen aan, dan doen de voeten te veel zeer, na het elf uren achtereen staan en loopen op den steenen vloer. Enkelen slechts arbeidden blootshoofds; deels van wege het overal rondstuivende vuil, deels omdat dit een oud gebruik is, droegen de meesten onder het werk een lichte, goedkoope pet, of ook wel den ouden hoed, waarmede zij naar en van de fabriek gingen. Buitendien bonden wij sjouwerlieden en nog enkele anderen, die veel te heffen en te dragen hadden, ons een voorschoot voor; meestal eigenhandig van oude linnen zakken gemaakt. Was het, gelijk ik het verleden jaar zomer menigen dag heb bijgewoond, buitengewoon warm en, hoe wij met ons drieën daartoe aangewezen handlangers ook water sprenkelden, tot stikkens toe stoffig in de met zweetende mannen gevulde ruimten, dan trok men het vest uit, stroopte de mouwen van den kiel hoog op, en sloeg van voren kiel en hemd wijd open, zoodat de borst geheel bloot lag. Een onderbroek droeg men zelden; daarentegen wollen kousen en gekleurde wollen hemden. Gekleurde linnen hemden zag ik slechts eene

-ocr page 40-

38

enkele maal; een grof wit linnen hemd bij modelmakers en timmerlieden. Over \'t algemeen droegen zoowel vrouwen als mannen liefst wollen ondergoed, niet omdat Professor Jaeger dit voorschrijft, maar omdat een langdurige ondervinding hen gewonnen had voor dat wat juist is aan zijn „systeemquot;.

\'t Was de gewoonte, dat eiken Maandagmorgen een schoone blauwe kiel werd meegebracht, en het werd dan ook onmiddellijk opgemerkt als een der arbeiders zijn vuilen kiel van de vorige week weer aantrok. Alleen een kleedingstuk van een sterke, engelsche, lederachtige stof, dat moeilijk te was-schen en niet gauw vuil was, werd zonder aanstoot te geven, twee a drie weken gedragen. Deze soort werkkielen kon men, met goedvinden der directeuren, bij een bediende op ons kantoor, die slechts één hand had, goedkoop en goed, op afbetaling, koopen.

Hoe oud en glimmend het werkpak ook meestal was en wel moest zijn, toch droeg men over \'t algemeen zorg niet met gescheurde kleeren te loopen. Kwam dit bij gehuwde arbeiders voor, dan viel het altijd op. Men maakte er mij aanstonds opmerkzaam op, dat dit bij een paar arbeiders geregeld het geval was; er echter onmiddellijk, half verontschuldigend, half medelijdend bijvoegend: „Het kan ook niet anders; zijn vrouw is een slons.quot;

Bij ons deed men zelden wat, luidens verhalen van een jongen bankwerker, te Berlijn onder de jeugdige arbeiders met goede verdiensten gebruikelijk moet zijn: na afloop van het werk in de fabriek het werkpak uit en een beter pak aantrekken. De meesten van ons gingen in hun werkpak naar huis; over den blauwen kiel een oude jas aan, en in de hand de blikken flesch, waarin \'s morgens de koffie werd meegebracht. Af\'en toe kwam het voor, dat men een anderen pantalon aantrok, of gedurende het werk een oude, verbleekte over de betere blauwe linnen pantalon aandeed.

Een groot contrast met het hier beschreven werkpak vormde de Zondagsche plunje. Deze was bij verreweg de meesten keurig net en naar de laatste mode; dikwijls zelfs zóó, dat ik menigen kameraad niet herkende, toen ik hem voor de eerste maal des Zondags zag. De jonggezellen vooral waren er bijzonder op gesteld. Zondags netjes voor den dag te komen. In een der voornaamste openbare danszalen, waar men Zondagsavonds jonge officieren in burgerkleeding, ambtenaren, kantoor-heeren, -kooplieden, handwerkslieden en fabrieksarbeiders met

-ocr page 41-

39

elegante winkeljuffrouwen en rijk gekleede vrouwen van verdachte zeden bij elkander vond, waren de arbeiders te nau-wernood te onderscheiden van hun dansgenooten uit hooger sfeer. Alleen hadden ze gewoonlijk grooter en grover handen dan de laatsten, en niet als dezen een knijpbril op den neus.

Doch ook de gehuwde arbeiders maakten \'s Zondags betrekkelijk veel toilet. De lust tot opschik werd bij hen echter natuurlijk minder botgevierd, naarmate zij een grooter huisgezin hadden, aan de hunnen gehecht waren, en dientengevolge zich tot zuinigheid en eenvoud verplicht gevoelden. Zij, die van ■ buiten kwamen of nog altijd buiten woonden, gingen, gelijk van zelf spreekt, minder nieuwmodisch gekleed dan de stedelingen en bewoners der voorstad. Niettemin had ook op hen onze nivelleerende tijd zijn invloed uitgeoefend. De roode slipdas en die enorme flambard, die een zoo onnoemlijk komieken indruk maakt bij jonge, baardlooze aangezichten, zag ik veel minder dragen, dan ik mij had voorgesteld.

Van dit onderwerp afstappend, voeg ik hier alleen nog bij, dat schier allen zich beter kleedden dan hun middelen eigenlijk gedoogden, en wat zij aan deze specifiek saksische zucht ten offer brachten aan hun lichaam, anders gezegd aan voedsel uitspaarden.

Over de voeding mijner kameraden valt heel wat te zeggen. Ten eerste: wij hadden in de fabriek twee schafttijden, \'s Morgens van acht uur tot 20 minuten over achten voor het ontbijt en van twaalf tot één uur voor het middagmaal. Voor \'t overige werden de bijna elf uren arbeids, van \'s morgens zes tot \'s avonds zes, niet onderbroken. Allepn de leerlingen mochten \'s middags om vier uur een halfuur vrijaf nemen; had een der overigen honger, dan nam hij onder het werk af en toe een hap van zijn boterham. Het vrije half uur in den namiddag, dat vroeger regel was, hadden de directeuren met goedvinden van hun arbeiders afgeschaft, zoodat voor dezen om zes uur \'s avonds de werkdag was afgeloopen.

Het ontbijt werd door schier allen in de fabriek gebruikt. Slechts enkelen, die vlak bij woonden, gingen er voor naar huis. Ook gingen een paar naar een dicht bij de fabriek gelegen kom-en-eisch-winkel, waar men voor weinig geld goede kaas kon krijgen. Zij gebruikten deze bij het brood, dat zij hadden medegebracht, staande voor de toonbank of gezeten in de stampvolle huiskamer van den winkelier. Aan

-ocr page 42-

40

eenigen mijner kameraden werd hun ontbijt door hun vrouwen of kinderen gebracht, meestal stipt op de minuut.

Verreweg de meesten gebruikten het door henzelven van huis medegebrachte brood in de fabriek. Men deed dit, waar men wilde. Was het mooi weêr, dan ging men buiten zitten; dat wil zeggen tegen het rasterwerk aan, dat het ruime fabrieks-plein van een daar langs loopende spoorbaan scheidde. Men maakte daar in allerijl een zitplaats van oude kisten, planken of stukken ijzer. Verscheidene arbeiders ontbeten daarentegen geregeld in het eetruim: een groot, licht vertrek gelijkvloers, met nuchtere kale muren, lange houten tafels en banken, een kachel en het buffet van den cantinehouder, die tegelijk de koetsier der fabriek was. De jonge bankwerkers bleven ook wel in hun werkplaats en Keten hei zich daar goed smaken.

Veel omslag werd er bij dit ontbijt niet gemaakt; niemand dacht er aan, er zich voor op te knappen. Wij hadden zelfs den tijd niet, om onze zwarte handen behoorlijk aan den waschbak te reinigen; wij veegden ze slechts af aan ons smerig voorschoot of aan den eersten den besten poetslap, aan wat zaagsel of wat wij maar konden vinden. Ik kan niet zeggen, dat dit ons ook maar in \'t minst de appetijt benam, die wij allen om acht uur geducht hadden. Den ganschen dag hadden wij niet zooveel trek meer als in dit morgenuur, na twee uren te hebben gearbeid.

Er werd dan ook duchtig geschranst: dikke boterhammen en daarbij een stuk worst of rauwe ham, kaas en nu en dan gekookte eieren met zure augurken. Hoe verder de betaaldag achter ons lag, hoe meer de kaas de hoofdrol speelde. Behalve de sjouwerlieden en anderen, die bijzonder weinig verdienden of met veel kinderen gezegend waren, was het brood steeds rijkelijk van toespijs voorzien. Ook werd er altijd iets bij gedronken, hetgeen bij een werkzaamheid als de onze, even noodig was als goed te eten. Men dronk gewoonlijk warme of koude koffie of karnemelk, dit laatste een bij de Chemnitzers algemeen geliefkoosden en tegelijk voedzamen en goedkoopen zomerdrank. Alleen de meest verdienenden zag ik beiersch bier koopen, en dit deden zij gewoonlijk slechts de eerste dagen na het innen van hun loon. Daarentegen nam het drinken van gewoon bier voor zeven pfennige de flesch als het ware bij den dag toe, en verdrong dit bier al meer en meer den borrel. Dit was inzonderheid te danken aan de uitvinding der alom

-ocr page 43-

41

bekende patentsluiting. De arbeider toch, die vroeger de drank-fiesch in zijn zak droeg, neemt nu het even gemakkelijk in den zak te steken bierfleschje mede. Zoo ziet men, dat een kleine technische uitvinding van groote sociaal-zedelijke betee-kenis kan worden — meer uitwerkend dan tal van mora-liseerende toespraken en tractaatjes en andere dergelijke bekee-ringsmiddelen.

Spijs en drank werden, hetzij van huis meegebracht, hetzij in de fabriekscantine gekocht. Het eerste deden gewoonlijk de oudere, gehuwde en daarom zuinige arbeiders; het laatste de ongehuwden. In deze cantine mochten slechts brood, drieërlei soort worst, kaas, af en toe eieren, koffie en gewoon bier worden verkocht. De prijzen waren niet hoog, maar toch zoo, dat de cantinehouder er nog iets aan verdiende: een kop koffie met suiker kostte vier pfennig ; een flesch bier zeven pfennig. Een door de directie der fabriek gemaakte regeling werd door allen gewaardeerd. Wij waren met ons vier a vijfhonderd arbeiders; neemt men aan, dat van dezen slechts een vierde in de cantine kocht, dan volgt hieruit, dat ongeveer honderd mannen elkander eiken morgen, klokke acht, voor het buffet zouden hebben moeten verdringen en de laatst aankomenden blijde zouden hebben mogen zijn, zoo zij tegen het einde van den schafttijd bediend werden. Om aan dit bezwaar tegemoet te komen, mocht een van ons sjouwers (een die daarvoor speciaal was aangewezen) een uur te voren van man tot man gaan, diens bestelling aannemen, en tegen acht uur het bestelde bij een ieder aan zijn plaats brengen; de kokende koffie in een groote, blankgeschuurde, blikken kan, waaruit de verlangde hoeveelheid in ieders eigen blikken flesch werd over-geschonken.

Hoe primitief in menig opzicht dit geheele ontbijt ook mocht zijn, toch deed het ons niet onaangenaam aan. Men zag in, dat het niet anders kon worden geschikt en liet het zich goed smaken.

Voor het middagmaal hadden — zooals ik reeds zeide — alle fabrieken van 12 tot 1 uur vrij. Regel was, dat al wie naar huis kón gaan om te eten — ging. Dat konden zeer velen in onze fabriek, en dientengevolge viel er dagelijks in onze voorstad een hoogst eigenaardig schouwspel waar te nemen. Zoodra klokke twaalf de stoompijpen hun signalen gaven, werden de anders stille straten als met een tooverslag vol leven en beweging: honderden menschen liepen in gestrek-

-ocr page 44-

42

ten pas alleen of met hun tweeën en drieën elkander in alle-richtingen voorbij. Wie tot hen behoorde, zag eiken dag dezelfde gezichten. En daarop een uur later, omstreeks één uur, dezelfde vertooning, totdat hetzelfde signaal de straten weer leegveegde. Zoo regelt — gelijk vroeger het klokkegelui — heden het schel gefluit der stoompijpen het dagelijksch leven der bewoners onzer fabrieksplaatsen. Want, evenals om twaalf en om één uur, stooten diezelfde pijpen ook \'s morgens en \'s avonds zes uur hun schrillen kreet uit.

Wat er ?s middags in de gezinnen gegeten werd, weet ik niet recht. Ik vroeg nu en dan wat de pot had geschaft, maar het rechte hoorde ik lang niet altijd. Was dit het geval, dan kon ik wel aannemen, dat schraalhans keukenmeester was geweest. Bij de hooge vleeschprijzen kon er natuurlijk niet altijd vleesch op schotel zijn; toch wist een knappe, zuinige huisvrouw het nog al eens op tafel te brengen. Want binnen de grenzen, onverbiddelijk door het inkomen getrokken, komt hier alles aan op het talent en de waarde der vrouw. Een flinke huishoudster — en dezen maken niet de minderheid uit — weet het schier onmogelijke mogelijk te maken. De vrouwen van twee mijner kameraden, die nog geen 15 Mark in de week verdienden, verzekerden mij, dat zij altijd onder den een of anderen vorm vleesch schaften. De eene had een kind van twee en een van een half jaar, de andere een van negen, een van vijfjaar, een, dat zij onder het hart droeg en twee op het kerkhof: de eerste had, buiten man en kinders, nog een fabrieksmeisje, de tweede nog twee bankwerkers aan tafel. Beide vrouwen hadden vóór haar huwelijk gediend. Daarentegen hadden wij in onze fabriek een monteur, \'die betrekkelijk veel verdiende : wie zijn vrouw zag, wist, waarom de man zoo slordig was gekleed, waarom hij. zooals hij mij eens vertelde, dikwijls zelf den pot kookte, en niet toeliet, dat zijn vrouw er de hand naar uitstak. Eens op een Zondag moet er, luidens de verhalen, als een extratje gebraden hondenvleesch bij hem op tafel zijn geweest.

In plaats van boter, werd in menig gezin vet en lijnolie gebruikt. Als regel kan men aannemen, dat, kort na ontvangst van het loon, de voeding over \'t algemeen beter was dan tegen het einde van de veertien dagen.

Van twee Chemnitzer coöperatieve winkelvereenigingen werd door de arbeiders veel gebruik gemaakt. Na ontvangst van het loon werden nog dienzelfden avond voor verscheidene dagen

-ocr page 45-

43

inkoopen gedaan. Een dezer vereenigingen was een bepaald sociaal-democratische stichting; de andere van zeer jongen datum. Beide waren bloeiend.

Verscheidene familiën hielden, gelijk gezegd — buiten de leden van hun eigen gezin, kostgangers, die meestal ook bij hen onder dak waren. Toch hadden zij bovendien vaak genoeg jongens en meisjes aan tafel, die op fabrieken werkten, en af en toe ook getrouwde mannen, die te ver van huis woonden om met de hunnen te gaan middagmalen, hun vrouw of kind de last van het brengen van het eten wenschten te besparen, het ietwat duurdere middagmaal in de volkskeukens wilden vermijden, en toch geen lust hadden zich met een koud gerecht of een stuk brood in de fabriek tevreden te stellen. Zondags gebruikte een ieder het middagmaal in het gezin, waarbij hij inwoonde. Voor zoover ik het heb kunnen nagaan, kwamen daar, waar vreemden meeaten, vaker vleesch en altijd betere spijzen op tafel, terwijl de prijs, door de kostgangers betaald, steeds geringer was dan die, welken wij in de restauratie betaalden.

\'t Was weer een andere en betrekkelijk groote groep, die, welke het middagmaal ging gebruiken in een dicht bij de fabriek gelegen eenvoudige restauratie. Deze groep bestond meerendeels uit jonge ongehuwde arbeiders met betrekkelijk hooge verdiensten; inzonderheid uit bankwerkers, die de bekrompenheid eener arbeiders woning vooral hinderlijk op het middaguur, als in de woonkamer-keuken in allerijl moest worden gegeten — onaangenaam vonden, en aan de rustiger en ruimer restauratie de voorkeur gaven. Of wel zij woonden zeer ver af en hadden in de buurt geen bekende door wien zij in het schaftuur konden worden opgenomen. Ik volgde hun voorbeeld, omdat het mij aanvankelijk evenzoo ging. Achtereenvolgens heb ik in drie restauraties het middagmaal gebruikt, en in een daarvan ongeveer drie kwart van den tijd, dien ik in de fabriek heb doorgebracht, \'t Was een klein, eenvoudig, maar net lokaal; de aardige dochter van den kastelein bediende ons, stipt volgens de rij af, zooals wij zaten, en, om niemand te ontstemmen of te verongelijken, eiken dag bij een anderen gast beginnend. De spijzen waren vrij smakelijk en wij kregen ruimschoots genoeg. Om den anderen dag kregen wij gebraden vleesch, waarvan de meesten, hoe waterig het ook was, veel hielden; op de tusschendagen gekookt vleesch met groenten, wat mij beter smaakte. Bij een stevige portie aardappelen werd dan

-ocr page 46-

44

nog een groot stuk brood gevoegd, en dit alles kostte, een glas gewoon bruin bier er onder begrepen, nooit meer dan veertig pfennig. Het ging zeer ordelijk onder de bezoekers toe ; er heerschte een beleefde toon en goede manieren. Men at rustig, zonder haast. Er werd weinig gesproken en veel gelezen ; had men zijn courant uit, dan ging ze aanstonds over aan een, die er op wachtte. In het tweede lokaal was alles op denzelfden voet ingericht. Het derde, slechts door weinigen bezocht, was van minder allooi. Het was de zoogenaamde „koetsierskneipquot; van een groot établissement. Deze overal te vinden koetsierskneipen zijn, zoowel uit maatschappelijk als zedelijk oogpunt, verderfelijke inrichtingen : meestal onzuiver, klein en ongezellig, vormen zij den overgang tot die beruchte, vaak met een winkel verbonden bierhallen en kroegen, waar men staande voor de toonbank iets gebruikt, en die, juist omdat men er zoo vlug en zonder omslag wordt bediend en terstond weer heen kan gaan, zooveel aanleiding geven tot drinken in de lagere kringen van het volksleven.

In stee van de door mij beschreven restauratie, vond men in de stad zelve de stedelijke volkskeuken, die dagelijks van 12 tot 1 uur was geopend, door honderden mannelijke en ook vrouwelijke arbeiders werd bezocht, en, naar men beweerde, goed rendeerde. Vier groote eetzalen gelijkvloers en een op de eerste verdieping waren op dit uur altijd stampvol ; zelfs in den kalen grooten tuin stonden tafels en banken. Men had hier twee klassen. In de eerste kostte het middagmaal dertig pfennig, in de tweede vijftien. In de eerste zat men aan een gedekte tafel en kreeg men ongeveer hetzelfde als in onze voorstadsrestauratie, doch zonder bier; in de tweede bediende men zich zeiven : men haalde zich eigenhandig een groote schotel vol boonen, rijst, gepelde gerst, linzen en dergelijke peulvruchten, gewoonlijk met een schijfje worst of vleesch er bij. Gedurende mijn verblijf in de herberg heb ik in beide klassen gegeten; in beiden kreeg men genoeg en waren de spijzen tamelijk goed. Eens ben ik bij die gelegenheid de zaal uitgegooid. Een verloopen heer met lange grijze haren en het voorkomen van een gewezen^ aan lager wal geraakten kunstenaar, een trouw bezoeker van de herberg, verkocht daar eens drie spijskaartjes tweede klasse, elk voor vijf pfennig. Ik nam er natuurlijk ook een en ging er \'s middags mee naar de volkskeuken. Toen ik het kaartje overreikte en mijn schotel boonen in ontvangst wilde nemen, vroeg men mij op barschen

-ocr page 47-

■45

toon hoe ik aan dit kaartje kwam, dat er geheel anders uitzag dan de andere. Ik vertelde het, maar men scheen mij niet recht te vertrouwen ; men zeide dat het armenkaartjes waren, die ik waarschijnlijk gestolen had, en joeg mij op staandenvoet den tempel uit. Toen ik daarop in de herberg terug kwam en daar het geval mededeelde, liep ik bovendien nog een standje op van den herbergier; een dat zich geregeld herhaalde, zoo vaak wij „die hem den ganschen dag, zonder iets te verteren, de stoelen doorzatenquot; \'s middags ergens anders gingen eten. Want ik was niet de eenige, die zich op die wijze van de herberg bediende. Meer dan een was er onder dak, die geen pfennig meer op zak en honger in het lijf had, en die daarom naaide volkskeuken ging, om ongemerkt in het gedrang de restjes op te eten, die men in de schotels op tafel had laten staan. Een mijner nieuwe vrienden recommandeerde mij heimelijk deze manier van doen als de beste, om voor niets de maag gevuld te krijgen.

Mijn overige kameraden bleven gedurende het schaftuur in de fabriek. Het waren jonge en oude, gehuwde en ongehuwde arbeiders en hun aantal was waarlijk ook niet gering. Het waren al degenen, die te ver van de fabriek woonden om naar huis te kunnen gaan, en te zuinig waren of te weinig verdienden om bij vreemden een warm maal te betalen. Zij stelden zich tevreden met brood en koffie, evenals bij het ontbijt, of warmden de groenten met aardappelen op, door hun vrouw of moeder, den avond te voren gereed gemaakt en die zij \'s morgens in een blikken pan meebrachten. Voor hen was het kale eetruim een ware uitkomst, want aangezien in het schaftuur alle werkplaatsen gesloten werden, was dit de eenige plaats, waar zij zich konden neerzetten. Ik had altijd met deze lieden, vooral met de meer bejaarden onder hen te doen. Hun, die elf uur per dag waarlijk geen licht werk te verrichten hadden, ontbrak het in dit eenige rustuur aan schier allen comfort en verkwikking. Men denke zich in hun toestand ; men beproeve zelf eens dagen achtereen een koude keuken of wat opgewarmd eten voor lief te nemen, en men zal erkennen, dat dit op den duur geen voldoende middagkost is voor een mensch, die den ganschen dag in touw is. Dat voelden deze mannen zeiven ook zeer goed. Kwam ik op dit uur bij toeval e$ns in de fabriek, en wenschte ik hen naar duitschen trant „gezegenden maaltijdquot; dan gebeurde het wel, dat ik op bitteren toon tot bescheid kreeg, dat dit geen „maaltijdquot; en allerminst een „gezegendequot; was.

-ocr page 48-

46

Was het mooi weer of zeer warm en voelde men zich daardoor nog matter en vermoeider dan gewoonlijk, dan legde men zich, als de boterhammen verorberd waren, buiten de fabriek op een schaduwrijke plek neer, en ging, op den grond op een plank uitgestrekt, zuchtend een middagslaapje doen. Als wij daar zoo afgemat bij elkander zaten en lagen, was het maar zelden dat het stilzwijgen werd afgebroken en dan nog was het meestal slechts een wrevelig en ironisch: „Wat heeft de arbeider het toch goed!quot; wat men te hooren kreeg.

Wat bij de arbeiders in onze fabriek bijna in het geheel niet voorkwam, dat was het zich laten brengen van eten door vrouw of kind. Waarschijnlijk waren de afstanden daartoe al te groot. In de stad was dit daarentegen zeer gebruikelijk; honderden arbeidersvrouwen en kinderen zag men daar dagelijks, kort vóór twaalven door de straten ijlen, om, stipt op tijd, met het warme eten bij den wachtenden, hongerigen man of vader te zijn. Op alle banken in de plantsoenen vond men dan ook uitrustende arbeiders zitten, de rookende pan in de eene, een lepel in de andere hand; vrouw of kind daarnaast gezeten en menigmaal meeëtend — want de stedelijke volkskeuken is, gelijk van zelf spreekt, slechts bereikbaar voor hen, wier werkplaats in de nabijheid ligt. Ik noem het een schande op deze wijze het middagmaal-te gebruiken. Een schande, dat fatsoenlijke lieden zich daartoe gedwongen zien. Een schande voor onzen tijd, die op humaniteit stoft! Een schande, voor de mannen, in wier handen heden ten dage het wgl en wee dezer fabrieksarbeiders berust. Hoe kan zulk een straatmaaltijd ooit een gezegende zijn? Hoe kan men het in ernst laken, dat dit voedsel zonder gebed en handen vouwen wordt opgeslokt? In hoeveel sterker mate dan het opruiend woord dit vermag, moet zulk een disch afbreuk doen aan den zin voor huiselijkheid, en daarmede aan het familieleven en het huiselijk geluk. Want deze toestanden en hun gevolgen deren niet alleen den man, wien een weinigje middageten in een pan op een bank in het plantsoen wordt gebracht — ze werken terug op het gansche gezin. Dikwijls wordt dientengevolge ook tehuis, bij moeder, de middagdisch niet meer aangerecht. Wil men hiervan een sterk sprekend voorbeeld ? \'t Is een waarvan ik getuige was in de allée bij den grooten Chemnitzer vijver. Ik zat daar op «en bank naast een werkman, die op een kwartier afstands vandaar bij het leggen van het trottoir had geholpen. Hij was in zeven minuten gedraafd naar de plaats, waar ik zat, en

-ocr page 49-

47

wachtte nu op zijn zoontje, dat hem daar het middageten zou brengen. Maar het werd kwartier over twaalven, het werd halfeen — de jongen kwam niet. Wij liepen hem daarop te

gemoet en eindelijk, tien minuten over halfeen____daar kwam

hij buiten adem aangehold; de angst op zijn gelaat voor vader, die stellig boos zou zijn. De school, die anders klokke twaalf uitging, was, zeide hij, twintig minuten te laat geëindigd. Dp jongen was daarop zoo hard hij \'kon van school naar huis en van huis naar ons toe geloopen. In vijf minuten tijds had vader het eten binnen, om onmiddellijk daarop naar zijn werk terug te keeren; terwijl zijn kind moe, hongerig, verdrietig naar huis sukkelde, om eerst nu in zijn eentje voor het bord te gaan zitten, dat moeder, broers en zusters en kostgangers voor hem hadden over gelaten. Wat ik hier schets komt waarschijnlijk zelden in zóó onvriendelijken vorm voor, maar dit neemt niet weg, dat dagelijks niet één, maar honderden kinderen, die van ?s morgens acht tot \'s middags twaalf uur op de schoolbanken vermoeid en hongerig zijn geworden, dagelijks, zonder zelf eerst een hap te hebben gegeten, naar vader moeten, om dezen zijn maal te brengen.

Doch terug naar onze fabriek. Enkelen van hen, die zich \'s middags met brood tevreden stelden, kregen \'s avonds thuLs warm eten; menigmaal gebruikte het geheele gezin eerst dan het eigenlijke middagmaal. In dat geval was de zaak in orde, indien tenminste het gezin uit volwassenen bestond of de kinderen niet klein meer waren. Voor kleine kinderen is het, naar men weet, niet dienstig en niet gezond, de hoofdmaaltijd \'s avonds te houden.

Het avondmaal bestond bij mijn kameraden gewoonlijk uit aardappelen of brood met boter, vet of lijnolie en ook wel toespijs. Kwantiteit en kwaliteit dezer spijzen regelden zich steeds naar het inkomen, naar de spaarzaamheid en naar de •overige oogenblikkelijke uitgaven van het gezin. Nimmer echter ontbrak \'s avonds de koffie, waarvan de slapers steeds om niet een paar koppen kregen. Brood en boter verschaften dezen zich gewoonlijk zeiven.

Ziehier wat ik omtrent woning, kleeding en voeding mijner kameraden vermag mede te deelen. Reeds deze onvolledige gegevens bewijzen in mijn oog de waarheid mijner hierboven gemaakte opmerking omtrent de bekrompenheid, de armzalige manier van leven, waartoe deze menschen noodwendig gedwongen zijn. Maar zij geven tevens de verklaring van een feit, -dat men, met hen medelevende, dagelijks kan waarnemen en

-ocr page 50-

48

wat veel gewichtiger en noodlottiger is dan hun zeer primitieve leefwijze op zich zelf zou zijn: het feit namelijk, dat ten gevolge van dezen toestand, hij de fabrieksbevolking onzer groote steden het familieleven in zijn overgeleverden vorm reeds niet meer bestaat. De oude, op de bloedverwantschap van ouders en kinderen berustende en slechts uit deze bloedverwante leden te zamen gestelde familiekring, waaraan zich tot dusverre in de hoogere standen slechts enkele dienstboden meer of minder vast aansloten, heeft werkelijk in deze laag van ons volksleven op dit oogenblik reeds meer of minder plaats gemaakt voor een uit bloedverwanten en vreemden bestaanden kring, toevalligerwijze gevormd tengevolge van de zuiver materieele behoeften, die het te-zamen-leven en te-zamen-wonen met zich brengen. Duidelijk ziet men hier het familiegevoel voor de economische verplichtingen op den achtergrond treden. De moeder wordt hier de huishoudster, die van haar eigen man, van haar volwassen kinderen en van vreemden een vaste geldsom ontvangt, en verplicht is daarvan de woninghuur, de uitgaven voor voeding, bewassching, verlichting enz. te bestrijden, terwijl een ieder voor zijn eigen kleedingquot; zorgt. En het zijn niet de sociaal-democraten aan wien men in deze de schuld moet geven; het zijn de toestanden, voortgekomen uit onze tegenwoordige ecomonische verhoudingen, welke het den leden onzer arbeidersgezinnen onmogelijk maken te zamen te ontbijten en te middagmalen; welke hen dwingen ellendige vervallen huisjes of enkele kamers te betrekken, daarin bovendien nog wildvreemde en telkens afwisselende slapers en kostgangers op te nemen, en dezen in den vertrou-welijken, gemeenzamen omgang te doen deelen, dien men vroeger slechts met de eigen, naaste bloedverwanten had. Men bedenke, hoe dicht in onze hedendaagsche arbeiderskazernes vertrek aan vertrek — dat wil hier zeggen woning aan woning grenst — zonder dat deze van weerszijde iets hebben wat naar een gesloten voordeur zweemt. Men bedenke, hoe dun de muren zijn in deze licht en dicht gebouwde perceelen, zoodat elk eenigs-zins luid gesproken woord duidelijk door de buren wordt verstaan, en dat drie, vier woningen op één verdieping gewoonlijk slechts één gemeenschappelijke gang hebben met gemeenschappelijk gebruik van de op die gang aangebrachte waterleidingskraan en het zich daar tevens bevindend privaat. Dat alles drijft tot een familiariteit in den omgang en een onafgeslotenheid van het familieleven, die men met schrik ontwaart, en

-ocr page 51-

49

die noodwendig moeten leiden tot den ondergang van het familieleven. De kinderen nit deze onderscheiden gezinnen moeten — het kan niet anders — als broeders en zusters samen verkeeren, de gemeenschappelijke gang tot hun speelplaats makend. Jongens en meisjes moeten in de nauwste aanraking met elkander komen; de mannen elkander ieder oogenblik spreken, en daardoor maar al te gemakkelijk aan het twisten geraken; de vrouwen met de minste kleinigheid bij haar buren bekend zijn. Daarbij geeft het voortdurende elkander leenen van de huishoudelijke artikelen een zeer communistischen trek aan de huishouding dezer, van die artikelen meestal zeer schraal voorziene, gezinnen. Men bedenke voorts, dat de bekrompenheid der woning de lieden met geweld de deur uit en de straat op drijft, hun aanleiding geeft bij buren, die ruimer behuisd zijn, binnen te loopen of bierhuizen en vergaderingen te bezoeken. Men bedenke eindelijk hoezeer deze bekrompenheid der huisvesting verergerd wordt door de aanwezigheid van vreemde slapers, die vaak van elders vreemde, en niet altijd netter en beter zeden en gewoonten medebrengen, een andere manier van doen, andere beschouwingen en behoeften hebben, waarmede zij, even ongegeneerd, als zij dit in hun eigen tehuis gewoon waren, voor den dag komen. Dat bovendien deze vreemde gasten tegelijk met den echtgenoot en de volwassen kinderen het huis verlaten, om er op hetzelfde uur als dezen terug te keeren, en dan meestal, totdat de tijd van naar-bed-gaan daar is, aan dezelfde tafel met het gezin zitten lezen, rooken, praten en kaartspelen. Het is inderdaad zóóver gekomen, dat in tal van gezinnen ouders en kinderen slechts gedurende den nacht, onder het slapen, ongestoord alleen kunnen zijn. Want ook de laatste gelegenheid tot gemoedelijk samenzijn, namelijk bij het ontbijt en het middagmaal, wordt, naar men uit hetgeen ik schetste kan afleiden, opgeheven door de eischen van den hedendaagsehen arbeid; eischen, die den vader, den zoon, de dochter weerhouden tegen het etensuur naar huis te gaan. En zelfs daar, waar die gelegenheid blijft bestaan, bij de vele arbeiders aan groote fabrieken, die op geringen afstand van hun werkplaats wonen, zelfs daar is, naar mijn overtuiging, één uur schafttijd ternauwernood voldoende om naar en van huis te loopen en daartusschen gehaast het voedsel te verorberen, zonder dat daarbij zelfs sprake kan wezen van een wijle rustig uitblazen.

Over den invloed dezer toestanden op de zeden, het

GÖHRE. 4

-ocr page 52-

50

kiirakter en de gezindheid der arbeiders zal ik in een later hoofdstuk hebben te handelen. Hier heb ik slechts het feit te constateeren, dat het wezen van het arbeidersgezin alree een wijziging heeft ondergaan, en de oorzaken aan te geven, die deze wijziging hebben te voorschijn geroepen. Ik herhaal nogmaals, dat ze een vrucht zijn van den economischen toestand, waarin wij heden ten dage verkeeren. Daarom moet deze, en moeten niet de sociaal-democraten als de hoofdschuldigen worden aangeklaagd. Zij hebben slechts — gelijk zij zoo menigmaal doen — uit de werking der heerschende toestanden de laatste gevolgtrekkingen gemaakt, en deze in een stelsel gebracht. De treurige bestaande toestanden zijn de grondslag van en de aanleiding tot de verbreiding van het sociaal-democratische familie-ideaal der toekomst. In zekere kerkelijke kringen moest men dit feit niet zoeken te loochenen, maar, instee van klaagliederen aan te heffen over het niet weg te redeneeren verval van het oude christelijke familie-ideaal, en de sociaal-democraten daarvan de schuld te geven, moest men mede de handen aan het werk slaan, om de noodlottige economische oorzaken van dit verval grondig en duurzaam uit den weg te ruimen.

-ocr page 53-

DERDE HOOFDSTUK. De arbeid in de fabriek.

Onze fabriek was door den vorigen, nog levenden eigenaar van een klein zaakje tot een grootsclie industrieele onderneming opgevoerd, maar kort geleden tot een naamlooze vennootschap geworden, waarin hij een der grootste aandeelhouders was. Op dit oogenblik stonden aan het hoofd der zaak een technische directeur en een, die het financieel beheer had. De fabriek lag, zooals ik zeide, in een der voornaamste buitenwijken van Chemnitz. Twee groote, parallel loopende gebouwen maakten het middelpunt uit van het geheele fabrieksterrein. Aan de eene zijde stoomden onophoudelijk de treinen voorbij, die wij vaak met smachtend verlangen naoogden; aan de andere zijde lag de straatweg. Van die zijde gezien maakte de fabriek een bijna vriendehjken indruk. Een goed onderhouden boomgaard van de directeuren, een breede, zeer rein gehouden ingang en een aardig portiershuisje met een bloemtuintje er voor hielden het zwarte stof verborgen dat — hoe kon het anders — op huis en hof en al, wat tot zulk een ijzerfabriek behoort, rustte.

Ons terrein, dat zich tot aan de spoorbaan uitstrekte, besloeg een aardig lapje grond. Niet ver van het portiershuisje stond een kleine gashouder en daarnaast een grooter gebouw, waarin de woning voor den koetsier en voor de opzichters, het eetruim met de cantine, het ketelhuis voor een der beide stoommachines en de paardenstal. Verderop een schuur met roestende stukken van machines, die eens veel waarde hadden gehad, maar thans van verouderde constructie waren. In deze schuur vond men ook nog een paar verweerde ijzeren dood-

-ocr page 54-

52

kisten, die vroeger in onze fabriek werden gemaakt en voorts draaikrullen, die verzameld en daarna voordeelig verkocht werden, benevens allerliand oud-roest. Dieper in lag een open timmermanswerkplaats met een grooten voorraad planken er naast onder den blooten hemel, en vlak daarbij een bergplaats voor kisten, alsmede groote hoopen steenkolen. In de onmiddellijke nabijheid van het rasterwerk verhief zich een reusachtige houten kraan, die tot het inladen diende van de werkstukken, welke tot verzending gereed waren. Door rails was dit gevaarte met de spoorlijn verbonden. Op alles lag een dikte laag steenkolen- en ijzerstof. Bijna nergens bleef het oog op iets behagelijks rusten; tenauwernood zag men hier en daar een enkelen armzaligen boom en wat gras, dat wild en spichtig tusschen de overal verstrooid liggende stukken ijzer opschoot. Slechts in één afgezonderd hoekje had de koetsier een tuintje aangelegd, waarin hij wat groenten teelde. Hier bloeiden enkele bloemen, ruikend kruizemunt en pepermuntkruid. Meer dan eens hebben wij onder het werk heimelijk een blad daarvan gehaald.

Het gebouw, dat het fabrieksterrein aan de eene zijde afsloot, was de oude oorspronkelijke fabriek en dientengevolge primitiever gebouwd, met lage verdiepingen, kleine vensters, donkere werkplaatsen, welke op den beganen grond met meerendeels zeer uitgesleten tichelsteenen waren bevloerd. In dit gebouw vond men de kantoren en de bureaux der ingenieurs en teekenaars. Tusschen dit en het nieuwere gebouw stond een van kleiner afmeting, namelijk de smidse met de gereedschapmakerij en het magazijn.

In het grootste gebouw was ik aan het werk. Dit was later verrezen en daarom beter en gemakkelijker ingericht; lichter, luchtiger, ruimer gebouwd. Het had de hoogte van een huis met twee a drie verdiepingen, en deed mij door zijn vorm onwillekeurig aan het inwendige van een kerk denken. Het had geen étages. In het midden staande, zag men tegen het dak op, dat grootendeels van glas was, om meer licht te doen binnenvallen. Aan beide zijden liepen twee breede, boven elkander gebouwde gaanderijen, waarheen van beneden af steile houten trappen voerden; moeilijke en ongeschikte trappen, vooral wanneer daarlangs groote stukken moesten vervoerd worden. Op een dier gaanderijen bevond zich de probeerzaal, waar de voltooide machines geprobeerd werden^ en waar, vanwege het groote gevaar voor verongelukken, niemand mocht komen, die er niet te maken had. Aan het andere einde

-ocr page 55-

53

dezer gaanderij was de draaierswerkplaats. De overige gaanderijen stonden voor \'t oogenblik bijna ledig, aangezien de tak van ons bedrijf, die hier uitgeoefend werd, zeer kwijnende was. Aan de oostzijde — dat is aan de eene smalle zijde van het langwerpig vierkante gebouw — ontbraken de gaanderijen, op een zeer kleine na, geheel; vandaar dat men aan die zijde een open en daardoor lichter en vriendelijker plek zag — gelijk aan de plaats, waar in de kerk het altaar staat. En daar, waar men in de kerk de sacristie pleegt te vinden, bevond zich hier de machinekamer met het ijzeren steunende gevaarte, dat zijn reuzenkracht door het gansche gebouw deed uitstroom en, en dozijnen zware machines en honderden menschen in spanning en beweging hield. Daarnaast verhief zich de groote schoorsteen, waarvan de met roet bedekte, rookende spits naar den hemel wees. Klokkengelui en orgeltonen ontbraken hier — dat is waar — maar in plaats daarvan dreunden voortdurend andere tonen door deze halle: het hameren en vijlen der smeden, het stampen en steunen der machines, het knarsen en slijpen der raderen, het klepperen der riemen. En wat die zwarte blauwgekielde mannen daar deden was het geen dienst, geen werk van God? Kon het dit ten minste niet zijn?

Wij hadden nochtans niet veel plaats in dit groote, hooge gebouw. Aan beide zijden onder de vensters stonden de bankschroeven der-smeden; tegen de pilaren aan, die de gaanderijen droegen, waren de groote en kleine werktuigen opgesteld en waar verder maar een geschikte plaats, en slechts eenigszins voldoende licht was. Het grootste werktuig, een kolossale boormachine, lag dwars over de volle breedte in het lokaal; wat zeer hinderlijk was, vooral bij het transporteeren van machines. Rondom de werktuigen lagen op den hier en de ar zeer hobbe-ligen steenen vloer stukken ijzer, die bearbeid moesten worden, of onder handen waren geweest; in de buurt der bankwerkers stonden half of geheel voltooide machines van grooter of kleiner kaliber. Hier zag men gerangeerde stukken; ginds planken en lange ijzeren assen. In een hoek vond men den blaasbalg en daarnaast het terrein der pakkers; aan het tegenovergestelde einde van het lokaal nam onze oude, groote, afgedankte stoommachine, die, uit elkaar genomen, op een gelegenheid tot verkoop lag te wachten, veel plaats in, en belemmerde ons niet weinig in onze bewegingen. Een reusachtige veel gebruikte loopkraan, die door twee man met moeite in beweging

-ocr page 56-

54

werd gebracht, liep door het geheele gebouw heen; twee kleine kranen dienden den arbeiders, die in dat gedeelte aan het werk waren, dat ik met de plaats voor het altaar in een kerk heb vergeleken. Onder de gaanderij liepen langs het plafond de lange drijfassen, welke door de stoommachine in de snelst denkbare omwenteling werden gehouden, en door middel van riemschijven en de verbindende drijfriemen al de groote en kleine werktuigen van nooit rustende beweegkracht voorzagen. De eerste dagen na mijn intrede in de fabriek kon ik uit dat alles niet dan met groote moeite wijs worden. Schijnbaar verward, planloos lag, stond, bewoog in deze ruimte zich alles door elkander. Van lieverlede slechts ontdekte het oog de orde, die hier toch inderdaad heerschte, vond de voet zijn weg langs de smalle paadjes, die van de eene machine naar de andere voerden, en die door hun engte en hun krommingen ons, sjouwerlieden, het vervoeren van grootere, omvang-rijke stukken vaak zeer bemoeilijkten. Alleen in dat meer vriendelijke, lichtere gedeelte, waarvan ik sprak, was het ook in dit opzicht beter.

Dit nu was de werkplaats der honderdtwintig a honderd-vijftig man, die hier hun dagtaak verrichtten; hier, in dit naakte, onvriendelijke, zwarte verblijf, zonder iets erin wat naar geriefelijkheid zweemde, en waar eindeloos, zonder ophouden, een oorverdoovend, zenuw verscheur end rumoer heerschte, de schrilste geluiden tegen elkander inkrijschten. Toch lag over dit alles ook adel en poëzie. Niet alleen als het zonlicht naar binnen stroomde en zelfs over het zwarte stof en het ijzer haar lichtglans goot, maar ook als een grauwe hemel het naakte, onvriendelijke, zwarte nog naakter, onvriendelijker, zwarter maakte, \'t Was de poëzie van een grootsch, in elkander grijpend bedrijf, dat zich hier rusteloos en toch in gelijkmatige bewegingen afwikkelde, \'t Was de adel van den menschelijken arbeid, die, saamgetrokken op dit ééne punt, door meer dan honderd menschen, strijdend om brood, om leven, om genot, dag in dag uit werd verricht.

In ons gebouw, evenals in de geheele fabriek, waren uitsluitend mannen aan het werk; geen enkele vrouw, geen meisje, geen kind was er te vinden. Voor zoover ik weet, werkte er in de gansche fabriek geen half dozijn knapen tus-schen dertien en veertien jaar, en van veertien a zeventienjarigen vond men er slechts een paar dozijn. Ook dit drukte

-ocr page 57-

op onze fabriek en onze arbeidersgroep een eigendommelijk stempel; mij verhinderde het aangaande vrouwen-en kinderarbeid ook maar eenige persoonlijke ervaring op te doen.

Toch was de samenstelling van ons personeel nog altijd bont genoeg; een getrouwe afspiegeling van het karakter onzer geheele grootkapitalistische productiewijze. De meest onderscheiden beroepen waren hier vertegenwoordigd en werden hier uitgeoefend: oude, door onze vaderen van uit den gildentijd in eere gehouden, en jonge, door de groote uitvindingen en de gewijzigde behoeften onzer dagen te voorschijn geroepen. Ik kan meer dan twaalf ambachten opnoemen, die bij ons te pas kwamen. Het talrijkst waren natuurlijk de bankwerkers vertegenwoordigd; daarop volgden in afnemende reeksen de metaaldraaiers, de metaalschavers, de modelmakers, de metaalboorders, de ponsers, de smeden, de timmerlieden, de schilders, de riemsnijders en de koperslagers. Dan kwamen de nieuwe en basterdberoepen; de ritsers, de gatenboorders, de polijsters, de radersnijders; vervolgens de machinisten, de stokers, de pakkers, de vervoerlieden, allerlei soort sjouwerlieden — want ook onder hen vindt men arbeidsverdeeling — koetsier en portier. Een bonte keten, waaraan geen schakel kon wegvallen, wilde men ook maar het kleinste werktuig naar behooren kunnen afleveren: een vorm van menschelijke arbeidsgemeenschap zóó nieuw, zóó oorspronkelijk, zóó grootsch, als de eeuwen, die achter ons liggen, haar niet hebben gekend ; de zichtbare uitdrukking van de geestelijke en economische omwenteling, welke op dit oogenblik op dit wereldrond in vollen gang is, en aangaande welke onze tijd heeft te beslissen, of zij der menschheid ten zegen of tot vloek zal worden.

Onze arbeidersschaar was, gelijk vanzelf spreekt, in groepen verdeeld. Vooraan gingen de bankwerkers in groepjes van vier tot tien man. De een of andere chef, de zoogenaamde monteur, leidde hier den gemeenschappelijken arbeid en dirigeerde en controleerde voorts elk lid der groep. Metaalschavers, metaaldraaiers, modelmakers, pakkers hadden hun bazen. Over allen stond de chef-monteur, tegelijk opzichter der geheele afdee-ling, waartoe wij behoorden. Hij was tegelijk de sergeant-majoor van deze 120-man-sterke arbeiderscompagnie; de overige bazen waren de onderofficieren en sergeanten; de monteurs de korporaals; hun afdeelingen, „montages\'\' genaamd, de afzonderlijke Korporaalschappen. De chefs en bazen

-ocr page 58-

56

waren verantwoordelijk aan de directeuren, inzonderheid aan den teehnischen directeur. In hun afdeeling echter traden zij, wat de leiding der onderdeelen van het werk betrof, zelfstandig op; in overleg met hen zag de chefmonteur toe op de détails van het geheele arbeidsproces.

Dit arbeidsproces was zwaar, gecomphceerd, langzaam, maar het behoorde niet tot die, welke den meusch door hun eentonigheid geestelijk, moreel en physiek dood maken. Want de machinebouw is een der hoogst ontwikkelde takken onzer moderne industrie, en neemt tegelijk de hoogste plaats in wat betreft den zedelijken invloed, dien zijn arbeidsproces uitoefent op de schaar arbeiders, welke er zich mede bezighouden. Het volgende zal dit duidelijk doen gevoelen.

Het arbeidsproces begint op de modelmakerszaal. Een groote machine, zeg een schaafmachine naar het nieuwste systeem, is besteld geworden. Constructie en berekeningen zijn dooiden techniker gemaakt en de teekeningen daarvoor gereed. Het eerste wat nu gedaan moet worden, is het maken van modellen voor de verschillende deelen der nieuwe machine. Dit werd, zooals ik zeide, door modelmakers gedaan. Ook hierbij werd zooveel mogelijk met de machine gewerkt. Een houtzaag, waarmede men bij de kleinste onvoorzichtigheid een ongeluk kon krijgen, maar die tienmaal vlugger en nauw-keuriger werkte dan de menschenhand, stond met een hout-schaafmachine den modelmakers voortdurend ten dienste. Doch slechts de grove stukken werden onder deze werktuigen gebracht; het meeste van wat op deze zaal werd verricht was handenarbeid, en kon ook niet anders zijn. Want deze groote en kleine modellen hadden vaak de zonderlingste vormen, eu ieder stuk was verschillend van vorm en zij moesten nauwkeurig naar de voorgeschreven grootte, met stipte juistheid en zeer solide worden gemaakt. Wie hier werkte moest dus niet alleen vaardigheid bezitten, maar ook kunnen denken. Hij moest eenig begrip hebben van de constructie der machine waarvan hij het model vervaardigde; hij moest de teekeningen begrijpen, die hem maat en vorm van zijn werk aangaven; hij moest de kunst verstaan om uit de minst mogelijke planken en plankjes practisch en vlug den vorm samen te stellen, die de teekening voor het door hem te leveren stuk aangaf. De verhouding tot zijn meesterknecht bepaalde zich niet tot ee n diciplinairecontrole van den meerdere over den mindere, maar moest noodwendig bestaan in een gedachtenwisseling over

-ocr page 59-

57

de best mogelijke manier om het gevorderde werk gereed te krijgen. DaarBij kon de arbeider bij de uitvoering toch altijd met eenige zelfstandigheid te werk gaan, en wat hij voortbracht was geen brokstuk, maar een afgerond en waardevol geheel, dat, na in de gieterij te zijn gebruikt, niet werd weggeworpen, doch blijvend bij de modellenverzameling der fabriek werd ingelijfd. Van een gedachte- en karakterloozen, van een zuiver mecha-nischen fabrieksarbeid was alzoo in deze afdeeling der fabriek geen sprake. Daarbij was het lokaal, waar deze lieden in niet al te grooten getale met elkander aan het werk waren, al mede het beste uit de geheele fabriek; groot, hoog, licht en luchtig. Stof vond men helaas ook hier nog genoeg, evenals dit in alle schrijnwerkers werkplaatsen met hun grof en fijn zaagsel is te vinden, en dientengevolge was de gelaatskleur dezer modelmakers bleek.

De meestal roodgeverfde modellen werden, wanneer zij gereed waren, naar de nabijgelegen gieterij gezonden, die ons gewoonlijk het zoogenaamde gietwerk leverde. Zoodra dit werd gebracht, was het aan ons, sjouwerlieden, het af te laden en te wegen, waarop de zuiverende hand van den chef der modelmakers, die ook het opzicht had over de modellen-verzameling, er over heen ging. Zijn geoefend oog kon gemakkelijk zien welke de aard en de bestemming waren der afzonderlijke ruwe stukken, die vaak al zeer weinig gelijkenis hadden met hun zuiver afgewerkt model. Hij gaf aan ieder stuk het nummer, waarmede, volgens het gebruik, later de voltooide machines in het productiejournaal der fabriek werden aangewezen.

Hierop werden de gezamenlijke stukken aan den monteur overgedragen, die met den bouw der machine was belast. Deze opdracht geschiedt niet zonder wikken en wegen. Niet elke monteur krijgt ieder voorkomende machine te bouwen. De verdeeling richt zich over het geheel naar de ancienneteit. de ervaring en de geschiktheid van den persoon en naar de talrijkheid zijner groep. Jeugdige en ongeoefende monteurs met kleine afdeelingen, die nog weinig in functie waren geweest, zagen zich slechts den bouw van eenvoudige en bekende machines opgedragen. Toch zal ik niet zeggen, dat hierbij geen uitzonderingen voorkwamen. Voor iedere voltooide machine zijn namelijk, naar gelang harer grootte en saamgesteldheid, dusgenaamde percenten vastgesteld, die, evengoed als aan de directeuren, aan de meesterknechts en monteurs, evenredig aan hun rang, worden uitbetaald. Stond een der laatsten in een

-ocr page 60-

58

goed blaadje bij zijn meesterknecht, dan kon hij natuurlijk allicht eens voorgetrokken worden en machimes te bouwen krijgen, die meer percentengeld gaven dan andere. Ik heb dit nochtans zelf niet duidelijk kunnen waarnemen; mijn kameraden hebben het mij verteld. De toewijzing wordt ook hierdoor bepaald, dat de eene monteur altijd de eene soort, de andere een ander soort machines bearbeidt; de een zich heeft toegelegd op den bouw van schaafmachines en cirkelzagen, de andere op dien van boormachines, draaibanken enz.

Gewoonlijk worden twee en meer verschillende machines tegelijkertijd in één afdeeling onder handen genomen; wat van groot gewicht voor de arbeiders is, het opvoedend karakter van den handenarbeid niet weinig ten goede komt. Daardoor toch werd het bloot werktuigelijke van den fabrieksarbeid in deze geheele afdeeling opgeheven. Deze maatregel werd echter niet genomen met het oog op het zedelijk belang, maar krachtens den aard van het fabrikaat. Hij is noodzakelijk om de bankwerkers voortdurend aan het werk te kunnen houden, want de aangewezen monteur en zijn groep kan met de grove, uit de handen van den modelmeester overgenomen stukken meerendeels nog niets aanvangen. Voordat de bankwerkers de laatste hand aan de stukken leggen, en het hoofdbrekende werk der samenstelling van de machine begint, gaan de meeste ijzeren deelen nog door heel wat handen.

Het eerst komen zij op de richtplaat van den ritser, een der meest beteekenende en meest geziene arbeiders in onze fabriek, zoowel door zijn vak als door zijn persoonlijkheid. Deze man had een taak, waarvan zeer veel afhing. Hij moest met ritsijzer en passer aan de grootere en kleinere stukken gietijzer alle gaten, die geboord, alle kanten, die afgeschaafd, alle hoeken, die afgerond of verscherpt moesten worden, met juistheid berekenen en aanteekenen. Van hem inzonderheid hing het af, of ten laatste alle deelen goed ineensloten en op elkander pasten, of de geheele machine ten slotte „klopte.quot; Moge ook deze werkzaamheid door jarenlange oefening, steeds toenemende bekendheid met allerlei machines, een practischen blik en een zekere hand gaandeweg minder inspanning vorderen, meer tot een gewoonte worden, dit staat toch vast, dat ze nooit zonder de meest stipte opmerkzaamheid en zonder nadenken ten uitvoer kon worden gebracht. Waarschijnlijk omdat ik onder de sjouwerlieden de vlugste van begrip scheen, heb ik den ritser zeer dikwijls bij zijn arbeid behulpzaam moeten wezen en

-ocr page 61-

59

hem de ijzeren linialen, de winkelhaken enz. moeten nadragen, ze voor hem moeten vasthouden en ondersteunen; altijd zag ik den man midden onder het dreunend geraas met de teeke-ning vóór zich, passend, metend, rekenend, zwijgend zijn werk verrichten. Men is in menigen kring zóó weinig bij machte zich een recht begrip te vormen van het karakter des fabrieks-arbeids, men is zóó licht geneigd iederen fabrieksarbeid over het algemeen als de eenvoudigste, laagst staande en daarom dan ook goedkoopste soort menschelijke werkzaamheid te beschouwen, dat ik het mij tot plicht reken, hier aan deze plaats tegen dat lichtvaardig oordeel op te komen, en naar den arbeid van dezen man te verwijzen; een arbeid, die, in mijn oog, veel grooter geestelijke en lichamelijke inspanning vordert en toch veel minder beloond wordt dan bijvoorbeeld de werkzaamheid van verscheidene lagere beambten, kantoorbedienden en anderen, die eene veel hooger maatschappelijke positie innemen en meerendeels ook een veel grooter jaarlijksch inkomen hebben, dan deze en andere met hem gelijkstaande fabrieksarbeiders.

Ik aarzel niet het uit te spreken, dat in mijn oog het eenzijdig en in de mate, waarin het geschiedt, onwaar en belachelijk vooropstellen en overschatten van lichamelijken, van handenen van fabrieksarbeid door de sociaaldemocraten voor een groot deel moet worden toegeschreven aan de geringschatting en miskenning, welke dergelijke veelbeteekenende fabrieksarbeiders, wier aantal waarlijk niet gering is, van de zijde der burgerij ondervinden. Het is de rechtmatige drang, het handwerk zedelijk gewaardeerd en daarmede maatschappelijk hooger dan tot heden gesteld te zien, welke hier, even als in de geheele moderne arbeidersbeweging in kinderachtigen, onbeta-melijken vorm tot uitdrukking komt.

Van den ritser brachten wij de stukken, volgens beschikking hunner meesterknechts, naar de metaalboorders en metaal-schavers, de ponsers en bankwerkers. Bij de beide eerste categorieën vinden wij het tegenovergestelde van geestverheffenden fabrieksarbeid. Schier onafgebroken staat metaalboorder of -schaver aan zijn grooter of kleiner werktuig, en laat dit, eindeloos eentonig, gaten, altijd maar gaten, boren ; vlakken, altijd maar vlakken, schaven. Altijd van nieuws aan ziet hij de * ijzeren schaaf over de ijzeren platen ploegen; altijd weer de ijzeren boor als ?t ware spelend in het gietijzer graven. Altijd van nieuws af aan giet hij het koelend zeepwater op de

-ocr page 62-

60

gloeiende plek; veegt hij het grove ijzervijlsel aan een kant, blaast hij het fijne met de lippen weg. De eenige bezigheid, welke hier voor een poos ietwat nadenken en opmerkzaamheid vereischt, is het juist stellen der stukken, die doorboord of geschaafd moeten worden. De gaten moeten, volgens het voorschrift van den ritser, zuiver loodrecht, de vlakken zuiver horizontaal worden. Daarom moet de juiste en vaste stand voor het stuk worden gevonden met behulp van houten schragen en planken, van hamer en waterpas, waarbij een of meer sjouwerlieden hun hulp verleenen. Is deze juiste stand echter gevonden, dan gaan voor de millioenste maal boor en schaaf hun werk verrichten, waarbij het menschenoog niet anders heeft te doen dan toe te zien en op te letten. Verwonderlijk is het, dat men onder deze lieden tegelijk weinig en veel verdienenden vindt. Een van hen, een metaalschaver, die de grootste vlakken had te schaven, en de andere, een metaalboorder, die met de grootste boormachine de grootste en diepste gaten bad te boren in de voornaamste, vaak vele centenaars zware machi-nedeelen, moesten, volgens de gelijkluidende verzekering van verscheidenen mijner kameraden, het hoogste loon verdienen van alle arbeiders in onze afdeeling; in elk geval — beiden Werkten op stuk — niet minder dan 160 a 170 mark in de maand; terwijl, naar mij gezegd werd, de ritser hoogstens dertig pfennig in het uur, en alzoo nauwlijks twintig mark in de week moet hebben gehad. Zoo werd ook de inspannende arbeid van den bankwerker van gemiddelde capaciteit en den smid veel slechter beloond. Van den „grooten metaalboorderquot; liet zich dit nog beter hooren dan van genoemden schaver, die, met behulp van ons, sjouwerlieden, de yzeren stukken op het spiegelgladde vlak van zijn schaafmachine hief, ze daar slechts behoefde te stellen en vast te schroeven, en daarna den stoom het werk liet doen, dat soms een halven dag duurde. Over het geheel genomen was de taak van den metaalschaver vervelender en gemakkelijker dan die van den metaalboorder. En onder deze laatsten hadden zij het weer gemakkelijker — maar dan ook vervelender — die aan groote werktuigen stonden. Hy, die een klein werktuig te bedienen had, moest op gansch andere wijze zijn aandacht richten op het eeuwig ronddraaiende staal, want op deze werktuigen konden slechts kleine en ondiepe gaten in dunne platen en kleine stukken worden geboord; deze vast te schroeven was ondoenlijk; hier had alzoo de hand van den arbeider zeker en met kracht aan te grijpen; hier het oog

-ocr page 63-

61

scherper en sneller toe te zien; hier de longen onophoudelijk fijn ijzerstof in te ademen. En toch hadden — indien ik goed ben ingelicht — onder de metaaltoorders juist deze lieden het laagste loon en wdren zij ook over \'t algemeen jonger dan de metaalboorders met groote werktuigen.

Anders was het weer gelegen met den arbeid der ponsers en metaaldraaiers. Beide vakken, hoe verschillend ook overigens, komen hierin overeen, dat zij van den man, die aan de draaibank en van hem, die aan de ponsmachine staat, grootere zelfstartdigheid en zelfwerkzaamheid eischen. De ponser, die aan de meerendeels reeds glad en blank gevijlde stukken vlakken, hoeken, kanten, nu eens rechtlijnig, dan boog- of cirkelvormig heeft af te stooten, moet zich stipt houden aan de voorgeschreven lijn. Dit dwingt hem, zoodra hij het werktuig in gang brengt, met onafgebroken opmerkzaamheid, in half gebukte houding, de beweging er van na te gaan en te leiden. Êvenzoo de metaaldraaier, wiens taak het is ijzeren bouten, assen, krukken, hevels zoo te verkorten, te vervormen, zoo van groeven, spleten, insnijdsels en punten te voorzien, dat zij terstond bij de nieuwe machine kunnen worden aangewend, of in elk geval nog maar een kleine bewerking met de vijl der bankwerkers behoeven te ondergaan. Een groot gebrek heeft echter ook deze arbeid met dien der metaalboorders en -schavers gemeen: alles is hier slechts stukwerk. Nimmer wordt door den metaalboorder, den metaalschaver, den ponser, den metaaldraaier iets vervaardigd, dat ter verkoop gereed, laat staan een in elkander gezet, voltooid product is. Het is een organisch geheel, noch wanneer hij het onder handen neemt, noch wanneer hij het uit handen geeft. Het is altijd slechts jammerlijk stukwerk. Men denke niet gering over dit feit, waarvan de kwade gevolgen, gelijk wij zullen zien, slechts ten deele weer opgeheven werden. Aan haar is te wijten, wat ik steeds in onze fabriek heb opgemerkt: dat juist onder de arbeiders, die tot déze vakken behooren, zich datgene openbaart, waarop men ten onrechte als op een vasten karaktertrek van den modernen duitschen fabrieksarbeider vol ergernis pleegt te wijzen: gedachtelooze oppervlakkigheid, gepaard aan zedelijke onrijpheid.

Als een rechtaf bedroevende arbeid kwam mij steeds die der quot;naboorders voor, twee bejaarde mannen, die dag in dag uit, van \'s morgens zes tot \'s avonds zes, niet anders hadden te doen dan de gaten, door de machine ruwweg

-ocr page 64-

62

geboord, fijn, zuiver, glad na te boren — alles met de hand en altijd maar door hetzelfde. Hoe zon hier nog sprake hebben kunnen zijn van het genot van iets te wrochten, van innerlijke bevrediging door geestvol streven, van zedelijke karaktervorming ?

Lijnrecht hiertegenover stond de werkzaamheid onzer bankwerkers. Was alles, zooals de teekening dit voorschreef, geboord, geschaafd, geponsd, gesneden en gedraaid, waren de schroeven, moeren, bouten en inzetstukken gegloeid en gehard, waren de enkele smeedijzeren en de geelkoperen stukken bijeen, dan begon hun werk, begon de eigenlijke machinebouw. Onder leiding van hun monteur, voortdurend de teekening voor oogen, de vijl, den hamer, den beitel in de hand, werd het eene stuk op en in het andere gevoegd, en dit vaak niet dan met de grootste moeite. Want hoogst zelden pasten de deelen terstond in elkander; meestal hadden de andere arbeiders vooraf niet met die zorgvuldigheid en afgerondheid hun werk gedaan, welke dit mogelijk zou hebben gemaakt. Men moest dus overal bijwerken; tienmaal opnieuw probeeren; tienmaal de stukken weer uit elkander nemen, om ze dan nog weer voor de elfde, twaalfde maal tevergeefs in elkander te zetten. De gladde vlakken, die, maar ruwweg geschaafd, bestemd waren om elkander heen te wentelen, moesten — een zwaar werk — met glaspoeder, olie en ijzerstof zoo lang worden ingewreven, tot ze dicht en vast op elkander sloten, en tegelijk glad en gemakkelijk liepen. Bij dezen verre van ge-liefkoosden arbeid werden wij, sjouwerlieden, bij voorkeur te hulp geroepen. Vervolgens moesten ruwe plekken geschuurd worden, groote schijven op ijzeren assen met een spie worden vastgedre-ven; met de handboor gaten worden geboord op plaatsen, waaide boormachine niet bij kon; een schroefdraad gesneden, ijzeren bouten en andere stukken worden ingelascht. Alles menigmaal in de onmogelijkste houding ; hoog op de ladder staande, gebukt, geknield, gehurkt, op den rug of op den buik liggend. Midden onder de bedrijven, als het volstrekt niet ging, werd de een of andere der machinesmeden of een metaalboorder, ponser of metaaldraaier gehaald en deze, niet juist op de zachtzinnigste manier, in kennis worden gesteld met de „fatalequot; geschiedenis, die hij op zijn geweten had; af en toe moest hem een stuk ter verbetering worden teruggegeven. Maar van lieverlede ging het\' toch: men zag de machine groeien, tot eindelijk de laatste schroef was aangedraaid en het geheel

-ocr page 65-

63

kant en klaar gereed stond. Daarop volgden, als het mogelijk was op stel en sprong en tezelfder plaatse, de eerste ruwe pogingen om de nienwe machine in gang te zetten, en eindelijk — alweder door ons sjouwerlieden — haar transport naar de probeerzaal.

Ook hier waren bankwerkers en monteurs op hun post en begon een ander deel van den arbeid. Want de nieuwe machine werkte niet terstond naar behooren. Herhaaldelijk werd ze van nieuws af aan in gang gezet, die gang nauwkeurig nagegaan ; op de kleinste storingen acht geslagen; dat wat aanleiding daartoe gaf, uit den weg geruimd of bijgewerkt — tot eindelijk het doel bereikt was, bet nieuwe stuk onberispelijk werkte. Dan nog een laatste hoofdproef voor den directeur, den onderchef en den monteur, die de machine gebouwd had en zij ging over in de handen van den lakker, die het zwarte gevaarte een vriendelijk glanzend gewaad gaf en van wien de pakkers het te lange leste in ontvangst namen.

Zoo veel moeilijker en langduriger als dit werk der bankwerkers was, zoo veel hooger moet het uit zedelijk oogpunt boven dat der machinearbeiders worden gesteld. Ginds is mechanische hier vrije arbeid. Ginds eeuwigdurend stukwerk, hier organisch voortschrijdende werkzaamheid, waarvan het product ten slotte een afgerond geheel is. Wel komt ook hier menige onaangename opdracht tussehenbeide; menig uur van vervelend vijlen, beitelen, boren, doch bier is dit niet de regel en het bevordert den anderen, den belangi.\'ijken arbeid; laat, als het is afgeloopen, het aangename gevoel na van de zaak verder te hebben gebracht. Het gaf werkelijk blijdschap en voldoening als, na lang tobben en probeeren, het bewerkt stuk eindelijk in elkander zat; de assen regelmatig in hun kussenblokken liepen, de bevel gemakkelijk werkte, de vlakken vast op elkander sloten. Hoe vaak heb ik bij jeugdige en oudere bankwerkers die vreugdevolle voldoening kunnen waarnemen, al wilden zij mij, als ik er van sprak, dit ook niet altijd toegeven. Dat steeds in dezelfde afdeeling verscheidene machines tegelijkertijd in bewerking waren en wel in verschillende stadiën van volkomenheid, dit bracht, ik zeide bet reeds, bet zyne er toe bij om de belangstelling in het werk te verhoogen. Want wanneer een bankwerker, al naarmate het voorwerk gevorderd was, eerst een paar dagen aan deze, dan een paar uren aan die, dan weer een namiddag aan een derde machine had te werken, zag bij zich tot dubbele, ja driedubbele opmerkzaamheid

-ocr page 66-

64

genoodzaakt; hij moest met zijn hoofd bij de zaak zijn, de verschillende stukken, die hij achtereenvolgens onder handen kreeg, niet in zijn gedachten door elkander haspelen en de volledige machines bij elkander leeren vergelijken. En dit werkt zóó gunstig, dat daardoor het anders zoo nadeelige beginsel van arbeidsverdeeling, hetwelk natuurlijk ook bij de „montages\' in zwang is, zijn gewone slechte gevolgen voor den enkele bijna niet heeft. Uit dit alles kan men opmaken, dat aan het zedelijk karakter van den arbeid onzer bankwerkers, even als aan dat van den arbeid onzer modelmakers, het grootkapitalistische fabrieksbedrijf niet alleen niet schaadde, maar integendeel daaraan rechtaf bevorderlijk was. Want het hief beide beroepen boven den engen kring, waartoe ze in de kleinindustrie zijn beperkt: het voerde ze tot een werkzaamheid, waardoor ze nauw verwant werden met de kunstindustrie.

Daarentegen had ditzelfde bedrijf een geheel tegenoverge-stelden invloed op andere, even oude en eerwaardige ambachten; bijv. op dat van schilder, zadelmaker, grofsmid, koperslager en timmerman. Deze alle werden in onze fabriek tot hulp-beroepen verlaagd. In andere fabrieken zal ditzelfde weer met andere vakken, misschien wel met fijnsmeden en schrijnwerkers het geval zijn — dat hangt af van den aard van hetgeen gefabriceerd wordt. In elk geval gold bij ons van de zooeven door mij opgesomde bedrijven, wat ik hierboven gezegd heb aangaande de zedelijke waarde van den arbeid der ponsers, metaalboorders, metaaldraaiers en metaalschavers: zij, die deze ambachten uitoefenden zagen zich, over het geheel genomen, niets dan vervelend, onbevredigend stukwerk opgedragen. De schilders hadden bij ons niet anders te doen dan de machines altijd weer met dezelfde grauwgroene verf te lakken; de grof-smeden altijd slechts enkele, zeer eenvoudige stukken smeedijzer af te leveren en voorts, evenals de koperslagers, slechts reparatiewerk te verrichten; de zadelmakers niets dan drijfriemen volgens de verlangde lengte te snijden, terwijl de drie timmerlieden uitsluitend den meesterpakker ten dienste stonden, voor wien zij slechts de kisten en schragen in elkaar hadden te spijkeren, waarin de machines verzonden werden.

Niettemin werd — en hiermede kom ik tot den indruk, dien de arbeid in onze fabriek in zijn yeheel op mij maakte — bij hen, evenals bij de andere lagere arbeidscategorieën de slechte

-ocr page 67-

65

gevolgen dezer arbeidsverdeeling werkelijk verzacht en hun werkzaamheid van dieper zedelijke heteekenis dan ze op zich zelve zou zijn geweest door het karakter van gemeenschap-pelijkheid, dat ons arbeidsproces eigen was. Want dit proces berustte bij ons op het beginsel, dat allen tegelijk aan een en hetzelfde stuk bezig waren. Van den baas en den monteur tot den pakker en den voerman werkte iedere enkele mede tot de vervaardiging van hetzelfde voorwerp, tot schepping van een eenig bewonderenswaardig geheel: het zinrijke, saamge-stelde kunstwerk, dat werktuigmachine wordt genoemd. quot;Daardoor bleef ten eerste bij allen het bewustzijn van wederzijdsche onontbeerlijkheid en verantwoordelijkheid en ten tweede de belangstelling levendig, die zelfs de eenvoudigste gatenboorder en sjouwer voor het product, dat onder handen was, gevoelde. Immers elk onderdeel van den arbeid werd bij dit arbeidsproces belangrijk; ieders taak stond in het nauwste verband met de meer of minder nauwgezette en oordeelkundige wijze, waarop zijn kameraad de zijne had verricht. Men wist bijvopr-beeld precies hoeveel er voor de bankwerkers aan gelegen was, dat de metaalboorder nauwkeurig naar het voorschrift boorde; men zag hoe ontzettend veel moeite het kostte, dingen, die door een der arbeiders verknoeid waren, weer goed en bruikbaar te maken, en men vreesde de rechtmatige verwijten en klachten der kameraden, die ze bij zulk een gelegenheid tot onaangename verantwoording riepen. Men zocht zich in twijfelachtige gevallen daarom liever op de hoogte te stellen van de bestemming en het doel van het stuk, en men deed zelfs het eentonigste werk niet geheel zonder oplettendheid en overleg, en zonder gedachtig te zijn aan het in elkander zetten der gansche machine. En terwijl aldus schier elk der 150 man aan het welslagen van schier elke machine, die door onze fabriek werd afgeleverd, zijn aandeel en zijn verdienste had, kon dientengevolge ook iedereen, de eenvoudigste sjouwerman incluis, haar beteekenis en algemeene constructie zich meer of minder- juist en helder voor den geest roepen. Vandaar dan ook, dat, als het kunstwerk gereed was en voor de eerste maal in^ gang werd gezet, al wie daartoe maar gelegenheid had, met critischen blik en innerlijke bevrediging naderbij trad, om de stukken te zoeken, die zijn schaaf geschaafd, zijn boor doorbroken, zijn beitel getroffen, zijn hand met inspanning tien, twintigmaal nu hier dan daar had heengesleept. De meesten waren zich van den heilzamen invloed van dit gemeenschap-göiire. 5

-ocr page 68-

66

pelijk arbeiden niet bewust, maar mij viel hij steeds onmiddellijk op, als liet toeval oi\' nieuwsgierigheid of de een of andere opdracht mij naar de zaal voerde, waar de naaimachines werden vervaardigd, en waar geheel anders dan bij ons werd gewerkt. Waar de meeste arbeiders een doodeenvoudige werktuiglijke bezigheid hadden, zonder dat hun fabrikaat in zijn geheel hun het voordeel en cle vergoeding kon aanbieden, die het onze, door zijn nauwen samenhang, met zich bracht. Hier had men een arbeid, waarvan men met recht zegt, dat hij te eenenmale mist dat zedelijk opbouwend karakter, dat hem, naar de evangelische opvatting, moet eigen zijn ; een arbeid, waarbij het den arbeider, zelfs indien hij dit wilde, niet mogelijk was zich in te spannen, toe te pagsen wat hij geleerd had, of wat hem docht goed te zijn. Waar hij veeleer willoos, gedachteloos, krachteloos altijd weer van voren af aan hetzelfde stalen plaatje op dezelfde hoogte, door dezelfde handbeweging, in hetzelfde tempo moest laten doorboren, of steken, altijd maar steken te tellen had, dag in dag uit, elf uren lang. Een arbeid, die voor den man met eenig vuur in de aderen, met lust om vooruit te komen, geen dienst van God, maar foltering moet heeten. Wel was ook in dit gedeelte onzer fabriek deze soort arbeid niet zóó overwegend als hij dit in menige andere industrie is, maar toch was ze er sterk genoeg vertegenwoordigd, om het contrast met het arbeidspi\'oces in onze afdeeling scherp te doen uitkomen; om mij te doen gevoelen, dat, bij al de schaduwen, die ook bij ons vielen waar te nemen, de arbeid nochtans aldaar den enkele niet uiterlijk en innerlijk isoleerde, maar hem veeleer deed opnemen in een levendige gemeenschap, welke hem droeg, hem verhief en zelfs het eentonigste stukwerk dragelijk voor hem maakte.

Er is echter één groot zedelijk nadeel, waarvoor zelfs dit zoo hoog uitblinkend arbeidsproces, evenmin als eenige andere tak der grootindustrie in haar hedendaagsche organisatie, den arbeider kon vrijwaren : namelijk die zekere onzelfstandigheid van karakter, die altijd te wachten is daar, waaide arbeider niet bij machte is vrij te beschikken over den verkoop van zijn arbeidsproduct. Hem ontbreekt, wat de eenvoudige kleine werkbaas nog altijd heeft, of althans nog kort geleden had: de persoonlijke verantwoordelijkheid voor de rentabiliteit en het debiet van zijn product. De arbeider in de fabriek, ook in de onze, levert het hem opgedragen werk: maar van \'t oogenblik af, dat hij het aan den monteur, den

-ocr page 69-

67

meesterknecht, den directeur overgeeft, heeft hij er niets meer over te zeggen, er niet het minste recht meer op ; het bestaat niet meer voor hem, evenmin als hij voor de handelsmarkt bestaat, waarop het ten verkoop wordt aangeboden. Hierdoor blijft elke arbeider bij de grootindustrie, hij mag nog zoo degelijk en bekwaam zijn en nog zoo veel dienstjaren tellen, eeuwig en altijd op het lage standpunt van den gewezen handwerksgezel. Hieraan moet worden toegeschreven zijn aanhoudende jongensachtige afhankelijkheid van den directeur der fabriek, die in zijn plaats zijn arbeid op de markt brengt en voor hem de risico van den verkoop op zich neemt, maar daarmede tegelijkertijd voor hem een der gewichtigste factoren doet verloren gaan, waardoor ook de onbeduidendste beroepsbezigheid prikkelend en belangrijk wordt; waardoor de levenstaak het opvoedingsmiddel bij uitnemendheid wordt tot afronding van het karakter, tot vorming van een bevredigde, haar levensdoel helder bewuste persoonlijkheid. Hier ontbreken de zorg voor het te gelde maken van zijn arbeid, de vreugde over het welslagen van dezen verkoop, de prikkel en de eerzucht om den juisten en besten weg voor den afzet te vinden. En juist dit gedeelte van zijn taak brengt den wil, het karakter, den geestelijken aanleg van den man tot rijpheid, tot vastheid, tot klaarheid; maakt hem volkomen tot man. Heden ten dage is, zooals ik zeide, in de plaats hiervan getreden de jongensachtige afhankelijkheid, die niet aan zich zeiven, maar altijd aan een hooger gestelde en alleen aan dezen verantwoording schuldig is. In vergelijking met diens goedgunstigheid, zijn lot en geluk, in vergelijking met diens wil en machtwoord, diens regeling en beschikking zijn de eigen goede wil en de eigen, zelfs grootst mogelijke geschiktheid en bekwaamheid van geringe beteekenis ; is ook het recht om in beroep en leven naar eigen wil te handelen van nul en geener waarde.

Alleszins verklaarbaar dan ook, dat de arbeider zich nu eens met onbeduidende bijzaken en kinderachtige liefhebberijen, dan weder met moeilijke, buiten de grenzen van zijn bevattingsvermogen liggende problemen bezig houdt, aan het pretmaken gaat of zich in de politieke agitatie stort. In elk geval maakt het hem abnormaal en drukt het op zijn karakter dien stempel van ondegelijkheid, dien ik ook bij mijn kameraden, ten nadeele van hun zedelijk levensgedrag, heb opgemerkt. En op die wijze vernietigt — ik had in onze fabriek dagelijks gelegenheid het waar te nemen — het grootkapitalistisch fabrieksbedrijf zelf

-ocr page 70-

68

juist datgene, wat tegenwoordig de groote meerderheid nog steeds tot voorstanders maakt van de individualistische productiewijze ; de zelfverantwoordelijkheid van iederen enkele in zijn bedrijf, diens mannelijke zelfstandigheid in de economische sfeer, waartoe hij behoort, de mogelijkheid van persoonlijke risico, de vi-ijheid\' van voortbrenging, het gaandeweg opbouwen van eigen toekomst en daarmede de edele eerzucht en het krachtige streven.

En deze noodlottige, in de techniek der grootindustrie noodwendig wortelende werking, werd nog verhoogd door de arbeidsregeling, die bij ons was vastgesteld. Deze ga ik in de volgende bladzijden omschrijven. Zij was, — terloops gezegd — in een boekje van dertien pagina\'s in druk verschenen en werd ■ aan iederen arbeider bij zijn intreden in de fabriek overhandigd, onder voorwaarde, dat hij het bij zijn vertrek zou terug-geven.

Om der volledigheid wille begin ik met den arbeidsduur, waarvan ik reeds vroeger gewaagde. Hij duurde van quot;s morgens 6 uur tot \'s middags 12 uur en van \'s middags 1 uur tot 6 uur \'s avonds. \'sMaandags^ of liever op eiken eersten arbeidsdag eener nieuwe week, begon het werk eerst om zeven uur ; een bekorting, waarmede allen waren ingenomen, niet het minst de jongelui, die Zondags aan den zwier gingen, zondagsavonds tot 12 uur in de danszaal bleven en den nacht verder bij hun liefje doorbrachten. Dezen hadden daardoor gelegenheid nog een paar uren te slapen, en behoefden niet geheel uitgeput van de nachtwaak tot den arbeid aan te treden. Ook Zaterdags liet men één uur vallen. Dan hadden wij reeds om vijf uur vrij-af. Voor \'t overige werd het werk alleen nog maar \'s morgens tusschen 8 en 8.20 onderbroken ; het kwartier, waarin wij het reeds door mij beschreven ontbijt gebruikten. Het kwartier rust in den namiddag was opgeheven om de lui reeds om zes uur naar hiiis te kunnen laten gaan. Afwijkingen van dezen arbeidsduur vonden; zoolang ik in de fabriek heb gewerkt, geen plaats. Wel was er in die maanden onder mijn kameraden meer dan eens sprake van overwerken, als het gerucht van de een of andere groote bestelling uit het kantoor tot de fabriek doordrong. Dergelijke geruchten werden nooit met genoegen opgevangen en verder verbreid, want indien zij zich bevestigden, werden de twee bepalingen in1 ons fabrieks-reglement van kracht, waardoor alle arbeiders gedwongen werden, dergelijk overwerk, zonder eenige tegenwerping, voor het

-ocr page 71-

69

gewone uur- en stukloon te verrichten. Deze bepalingen luidden aldus :

„Afwijkingen van den gewonen arbeidsduur worden door aanplakking bekend gem aakten , Ieder arbeider is verplicht tegen het overeengekomen loon ook na het gewone sluitingsuur te arbeiden.\'

Daarentegen hing van ieders eigen wil af of hij in zijn vrijen tijd bepaalde bezigheden op zich wilde nemen. quot;Veel van dit laatste soort overwerk kwam gedurende mijn verblijf in de fabriek niet voor. De Saksische wet tegen zondagsarbeid maakte dit trouwens ook niet weinig bezwaarlijk. De overuren en de zondagsarbeid, welke in deze zomermaanden voorkwamen, bepaalden zich dientengevolge dan ook tot de noodigste reparatiën en tot een handreiking van het halve personeel bij de jaarlijksche inventarisatie, die op een Zondag en Maandag plaats vond. Tot het behulpzaam zijn bij deze inventarisatie werden bepaalde arbeiders aangewezen; tot de reparatiën werden alleen\' zij gebruikt, die zich daartoe vrijwillig aanboden. Slechts eens heb ik een geval bijgewoond, waarin die zoogenaamde vrijwilligheid kort en goed dwang was. Op zekeren zaterdagavond werden vier van ons, sjouwerlieden, ter beschikking gesteld van den chefmachinist om onmiddellijk een der groote stoommachines een extra schoonmaakbeurt te geven. Ik behoorde tot het viertal eu had juist dienzelfden avond een hoogst belangrijke sociaal-democratische bijeenkomst willen gaan bijwonen. Daar het echter, naar de chefmachinist met ■een leuk gezicht verzekerde, maar één uur zou duren, trad ik mede aan. Ik zag echter terstond, dat het werk driemaal langer zou aanhouden. Ik werkte één uur mede en verzocht daarop te mogen heengaan, wat ik mij niet dan na sterk aanhouden zag toegestaan. In mijn plaats werd een metaal-boorder geroepen, die juist op dat oogenblik met zes anderen van het vegen en opruimen der werkzalen terugkwam; een werk dat eiken zaterdagavond door deze zeven vrijwilligers werd gedaan. Hij had niet den minsten lust mijn plaats in te nemen, maar bleef niettemin. „Wat zal men doen,quot; zei hij, „men kan het toch niet bij den baas verkerven.quot; Voor \'t overige vonden dergelijke soort reparatiën, indien zij noodig waren, altijd zondagsmorgens gedurende kei\'ktijd plaats. De eenigen, die zich verbonden hadden geregeld eiken zondagmorgen te arbeiden, waren de beide machinisten, die — het kon hier niet anders — hun machine slechts schoon konden maken, wanneer ze niet in gang was.

-ocr page 72-

70

Het werk werd gedeeltelijk bij het nur, gedeeltelijk bij het stuk betaald; het loon werd bij het aannemen van een arbeider gewoonlijk door de bazen, zelden door den directeur, vastgesteld. In onze afdeeling was het uurloon overwegend. Het verderfelijke „ploegloon,quot; waarbij een, vaak verre van geschikte of bekwame, maar alleen slimme en kruiperige, zoogenaamde ploegbaas een bepaalde som ontvangt voor het herstel van een machine of voor een of andere gelijksoortige werkzaamheid, een som, waarvan hij de hem toegewezen arbeiders meestal zóó slecht betaalt, dat aan hem, die bij \'t werk maar alleen het opzicht heeft gehad, die zelf geen hand heeft uitgestoken, het leeuwendeel toevalt — kortom het engelsche ,sweatingquot; stelsel in duitsch gewaad, kwam bij ons, voor zoover ik weet, in het geheel niet voor. Afkeerig van het stukloon was men, op een paar socialistische „principienreiter\' na, in onze fabriek niet, en dit zou dan ook trouwens de grootste dwaasheid zijn geweest. Het groote gevaar, dat bij het stukloon dreigt, en dat er, naar mijn kameraden mij verzekerden, in een andere groote Chemnitzer machinefabriek ook werkelijk aan moet zijn verbonden, is, dat de arbeider door het stukloon-systeem den ganschen langen werkdag tot neervallens toe wordt voortgejaagd. Dit gevaar werd echter bij ons vermeden, door het niet te langzame maar ook niet te snelle tempo, waarin overal in de fabriek werd doorgewerkt, en dat er niet weinig toe bijdroeg om ook de nuchterste, werktuigelijkste arbeid dragelijk te maken. Zonder dat er getreuzeld of geluierd werd, zag ieder arbeider zich zóóveel vrijheid en speelruimte gelaten, dat hij in het eene uur, overeenkomstig zijn toevallige behoefte, wat tijd voor zich zeiven kon nemen, dien hij in een volgend uur kon inhalen. En dit gold juist nog meer van hen, die op stuk werkten, dan van hen, die bij het uur werden betaald. Ik herinner mij, dat een paar ponsers, die veel verdienden, in de eerste helft van de veertien dagen slechts af en toe, al naar de muts hun stond, vlijtig waren, en zich eerst in de laatste helft der loonperiode rechtaf inspanden. Zij, die bij het uur werden betaald, waren altijd jaloersch van de stukwerkers. Nog kort vóór mijn komst in de fabriek had een metaalboorder, tot zijn groote voldoening en zijn geldelijk voordeel, het weten door te drijven, dat hij voortaan op stuk zou werken, hetgeen mij herhaaldelijk door zijn kameraden met afgunst werd verhaald. Ook beklaagde een flinke smid, met wien ik bevriend werd, zich meermalen

-ocr page 73-

71

tegen mij over het vervelende van zijn uurloon; hij snakte letterlijk naar stukwerk, omdat men daardoor met zijn loon op en neer ging, en ook uitzicht had op meer verdiensten.

Ik heb reeds gezegd dat het loon alle veertien dagen werd uitbetaald. In het fabrieksreglement stond dienaangaande het volgende te lezen:

De berekening van het loon heeft plaats naar het aantal werkuren of naar den vooraf hij schriftelijk contract overeengekomen prijs.

De loonperiode duurt — zoolang geen andere regeling noodig blijkt te zijn — van den zaterdag der eene week tot en met den vrijdag der tweede week daaraanvolgende.

De uitbetaling van het loon geschiedt op den vrijdag, die de loonperiode sluit, \'s avonds om zes uur 20 minuten.

Van het loon worden afgehouden: de bijdragen tot het ziekenfonds, de eventueele boeten, de verschuldigde schadevergoeding en de borgtochtgelden.

Uit de laatste alinea valt af te leiden, dat de directie der fabriek altijd van iederen arbeider het loon inhield der eerste arbeidsweek na zijn intrede in de fabriek. Zoo zelfs, dat, wanneer een arbeider den eersten zaterdagmorgen van een loonperiode in dienst trad, hem, na veertien dagen arbeids slechts de verdienste van één week werd uitbetaald, en hij eerst daarna regelmatig zijn veertiendaagsche loon ontving. Dit deed de directie niet met de leelijke, listige bedoeling om eventueele werkstakingen te verhinderen — ik zeide reeds, dat wij bij ons geen opzeggingstermijn hadden en daardoor het gevaar van een contractbreuk bij ons niet bestond. De directie wenschte slechts, dat de arbeider, die haar fabriek, om welke reden dan ook, verliet, eenig geld in handen mocht hebben, zoodat hij met minder zorg en zonder aanstonds gebrek te lijden een nieuwe werkplaats zou kunnen zoeken. Zij, die onder mijn kameraden onbevooroordeeld waren, erkenden, zoo vaak ik met hen er over sprak, dankbaar de goede bedoeling van dezen maatregel, zij het ook dat het hun lang niet gemakkelijk viel in dien eersten tijd het, door dit gedwongen sparen, wegvallende gedeelte van het loon te missen. De bazen sprongen in dit geval echter steeds bij met een voorschot, dat bij kleine gedeelten, van lieverlee van volgende weekloonen werd afgehouden. Ik heb dit meer dan eens bijgewoond en heb zelf de eerste dagen van mijn verblijf in de fabriek ondervonden, dat velen mijner kameraden, die het goed meenden met den nieuweling, en mij natuurlijk als platzak moesten beschouwen, er bij my op aanhielden, dat ik, zonder mij te geneeren, ook zulk een voorschot bij onzen baas zou gaan halen.

-ocr page 74-

72

Waar het andere gevallen gold, vond men in het arbeidsreglement, niet ten onrechte, de volgende vrij strenge bepaling ten opzichte van het uitbetalen van voorschotten:

Betaling van voorschotten heelt slechts bij hooge uitzondering en met goedvinden der directie plaats.

Op stukwerk van langer duur sloegen de volgende bepalingen :

De uitbetaling van stukloon geschiedt eerst na schriftelijke verklaring van den met het opzicht over het werk belasten baas, dat het betreffende werk voltooid en op voldoende wijze is uitgevoerd.

Geëvenredigde voorschotten worden toegestaan, wanneer het verlangen daartoe te rechter tijd d. w. z. vóór den afloop der loonperiode wordt kenbaar gemaakt.

Stukwerk, dat niet binnen twee maanden, gerekend van af den dag van het aangaan des accoords, tot voltooiing en verrekening komt, wordt niet betaald, wanneer althans niet vóór het verstrijken van dezen tijd de verlenging van het accoordtermijn door de directie uitdrukkelijk is toegestaan.

\'t Was een algemeen gebruik, dat er, bij gelegenheid der Chemnitzer jaarmarkt, één Maandag niet werd gewerkt, en dat alsdan vooraf in de fabriek werd aangeplakt, dat aan een ieder, die dit verlangde, na afloop van het werk een voorschot van hoogstens tien Mark zou worden uitgereikt. Dit was in vroeger tijd een verstandige maatregel, maar heden ten dage overbodig, aangezien de jaarmarkten zich zelf overleefd hebben en men in de winkels in de steden — waar men bovendien bekend is — alles even goedkoop en goed, zoo niet goed-kooper en beter kan krijgen dan in de kramen. De meeste mijner kameraden wisten dit ook zeer goed en spraken het openlijk uit. Toch haalden zij bijna allen de tien Mark — om er natuurlijk den volgenden betaaldag voor te bloeden. Ik moet zeggen dat deze kleine trek mij geen zeer hoogen dunk gaf van hun overleg.

Het met iedere veertien dagen terugkeerende uur der uitbetaling van het loon was voor allen een met smart verbeide, een blijde stonde. Dien namiddag werd er niet hard gewerkt, was met klokslag van zessen ons gebouw in een oogwenk ledig en de gansche schaar arbeiders bijeen in het andere fabrieksgebouw, waar de gewichtige handeling in twee lokalen vlug en zonder omslag werd afgespeeld. Een baas riep de namen der arbeiders in alphabetische volgorde op. Op ieders „hierquot; werd hem door een anderen baas een blikken doosje overhandigd, waarin, nevens de berekening van het loon, het geld lag, in een ronde som afgepast. Eén blik

-ocr page 75-

73

en men had zich van de juistheid der berekening vergewist; één greep en het ledige doosje verdween in een daarvoor neergezette mand. Wij kregen nooit de onderdeelen van een Mark uitbetaald. Had men bijv. 29 Mark 27 pfennig verdiend, dan kreeg men slechts 29 Mark. De 27 pf. hield men te goed; ze werden bij de volgende loonsbetaling verrekend. De arbeiders namen hiermede genoegen.

Voor mij had die geheele scène iets bijzonder aantrekkelijks, \'t Was. een rechtaf boeiend tafreel. De zwarte gestalten met hun werkpak aan, den hoed op het hoofd, de blikken flesch in de hand, stonden, dicht op elkaar gedrongen, in een halven cirkel rondom de twee bazen. Ouden en jongen door elkander; enkelen gekheid makend; anderen rustig, zwijgend wachtend of met gefronst voorhoofd en gespannen blik op den namen afroependen baas lettend, tot zij hun eigen naam hoorden, hun „hierquot; ten antwoord gaven, hun arm uitstrekten en het zuurverdiende loon in ontvangst namen. Tot achtergrond de groote stoommachines, die, na het rusteloos drijven des daags, thans zwijgend, als slapend daar nederliggen. Tegen deze aangeleund, hier en daar een arbeider, die met onderzoekenden blik, \'t zij met een glimlach van voldoening, \'t zij met teleurstelling op zijn gelaat, den inhoud van zijn doosje monstert. En over alles heen het avondrood der ondergaande zon, wier laatste zachte stralen door de onbedekte ruiten der hooge fabrieksvensters vallen.

Straften, en wel schier uitsluitend geldboeten, kwamen in ons fabrieksreglement in grooten getale voor. Nochtans — dit kan ik niet ontkennen — was men bij haar vaststelling over het algemeen noch onrechtvaardig noch onpractisch te werk gegaan. De hoogste boete bedroeg twee mark, de laagste twintig pfennig. De eerste werd opgelegd, wanneer men betrapt werd op rooken of op het drinken van borrels in de fabriek, alsook op het zonder noodzaak gebruik maken van de elec-trische signalen; de laatste was gesteld op het te laat komen op het werk. De zware straf op het gebruik van sterken drank en op het misbruiken der electrische schellen — een straf die in beide gevallen verhoogd kon worden tot oogen-blikkelijk ontslag — was alleszins gerechtvaardigd, en juist de zwaarte er van was oorzaak, dat ze hoogst zelden behoefde te worden toegepast. Er werd inderdaad schier nooit een borrel in de fabriek en onder den arbeid gedronken. Slechts een paar bekende drinkebroers en oudgedienden maakten hierop een uit-

-ocr page 76-

74

zondering. Deze brachten \'s morgens Imn zoogenaamde „pulletjequot; mee, een klein flesehje, waarin de inhoud van drie a vier borrelglaasjes ging en dat zij in den loop van den zes-uur-langen voormiddag sloksgewrjze als opwekking en versnapering leegdronken; dus een geheel onschadelijke overtreding van het gebod. De straf, die het meest werd toegepast, was de boete voor het te laat komen. Met klokslag van zes uur \'s morgens en met klokslag van één uur \'s middags wierp de portier, die het komen en gaan der arbeiders had te controleeren. de poort, vaak vlak voor den neus der aanstormenden, toe. Menigmaal werden tien a twintig arbeiders op die wijze buitengesloten. Want door den grooten afstand, dien velen hadden af te leggen, hield men zich allicht een enkele minuut te lang op. Meer dan tien minuten te laat komen werd met 50 pfennig gestraft, wat een te hooge boete was. Dit toch was voor velen evenals voor mij, meer dan een uur verdienste, ja wel twee ii twee en een half uur. In dergelijke gevallen, die trouwens niet dikwijls voorkwamen, gaf men er de voorkeur aan, twee uren later te verschijnen, en zich dan persoonlijk bij den meesterknecht te verontschuldigen. De boete verviel dan, maar in haar plaats werden de twee uren verzuim van het loon afgetrokken. Dezelfde hooge boete (50 pfennig) was gesteld op het luieren gedurende den arbeid ofhetzondernoodzaakverlaten van de werkplaats, op zich zelf een noodzakelijke bepaling, die echter ook hoogst zelden werd toegepast, niettegenstaande ze dikwijls werd overtreden. De bazen waren verstandig genoeg wat door de vingers te zien. Ik heb het slechts eens bijgewoond — een geval waarbij ik zelfs betrokken was — dat deze laatste boete werd opgelegd. Hier snapte ons de directeur in eigen persoon midden in een hoogst geanimeerd discours, dat wij onder elkander hielden. Wij moesten allen met 50 pfennig bloeden. Ik moet zeggen, dat deze handelwijze van den directeur mij voorkwam niet geheel correct te zijn. Want er werden arbeiders door getroffen, die langer dan twaalf jaar aan de fabriek en nog nooit beboet waren. Hier had het onberispelijke gedrag in het verleden in aanmerking moeten zijn genomen, en had de directeur niet met militaire gestrengheid, zonder aanzien des persoons, moeten te werk gaan. Eindelijk had men ook nog strafbepalingen voor nalatigheid bij den arbeid, voor het onnauwkeurig noteeren in het stukloon-journaal, voor het ongeoorloofd gebruikmaken van de machines en werktuigen, voor moedwillige beschadiging van deze, voor het vuilmaken van kost-

-ocr page 77-

75

bare teekeningen. Ik heb echter nooit bespeurd, dat een dezer bepalingen in werking is getreden.

Slechts één zaak wekte, mijns inziens zeer terecht, groote verbittering bij de arbeiders: dat was de wijze, waarop de gezamenlijke boeten werden besteed. In het fabrieksreglement was dienaangaande vastgesteld dat „voor zoover de gelden niet moeten dienen tot herstel van het beschadigde in de fabriek, de directie zich de beschikking daarover onvoorwaardelijk voorbehoudt\'. Geen enkele arbeider wist wat er met het geld werd gedaan. Men vermoedde, dat de gratificatie, het jaar te voren op Kerstavond aan een paar dozijn arbeiders voor overwerk gedurende de feestdagen uitgereikt, en door dezen natuurlijk met groote vreugde ontvangen, uit genoemde gelden was verstrekt; de heeren directeuren hadden zich alzoo, zonder zelf eenig offer te brengen, op kosten van de in den loop van het jaar gestrafte arbeiders, bij een deel van het personeel populair en geliefd gemaakt. Dit was het verhaal, dat onder de heden de ronde deed en veel kwaad bloed zette. Men moest heusch dergelijke dingen zoeken te vermijden. Zij zijn het zaad van voortdurend wantrouwen; kleinigheden als men wil, maar die geen kleinigheden blijven. Het beste is altijd, dergelijke strafgelden, na aftrek van de schadevergoeding, waarop de fabriek rechtens aanspraak heeft, ten bate van alle arbeiders en voor hun oogen, zoo mogelijk met hun medewerking, uit te geven.

Mijn hierboven gemaakte opmerkingen aangaande de mutatie onder de arbeiders gedurende mijn aanwezigheid in de fabriek moeten beschouwd worden in verband met den economischen toestand, waarin wij ons in die dagen bevonden. Er waren — ik zeide het reeds — twee factoren, welke hierop inwerkten: het achter ons liggend feest van den Isten gt;£ei en de ons wachtende Mac-Kinley-Bill. Deze laatste hing als een dreigend onweder boven de Chenmitzer grootindustrie, en drukte, toen reeds, op de productie; het eerste was te Chemnitz totaal mislukt. Zóó volkomen zelfs, dat, volgens de bladen, slechts vier arbeiders in dat uitgebreide fabrieksdistrict den eersten Mei niet aan het werk waren gegaan. Niettemin had datzelfde Meifeest aanleiding gegeven tot het optreden eener machtige vereeniging van ijzerfabrikanten in die streek, en deze hield, gelijk zich laat denken, na de ondervonden teleurstelling allen strijdlust in toom. Onder deze omstandigheden kon er geen sprake zijn van een noemenswaardige uitbreiding der werk-

-ocr page 78-

76

krachten, doch veeleer van een zich ontdoen van minder goed aangeschreven personen. Voor de machinearbeiders stonden de zaken nochtans over \'t algemeen gunstiger dan bijv. voor de wevers. Bij ons werden ten minste slechts enkelen ontslagen, terwijl bij de weverijen met iederen dag meer menschen broodeloos werdefl. Toen ik, na mijn vertrek uit Chemnitz, het Vogtland doortrok, ontmoette ik daar een spinner uit Chemnitz, een eenvoudige, rustige man, vader van een gezin, die mede gebukt ging onder de ramp van werkeloosheid. Om werk te zoeken had hij op één dag den enormen afstand afgelegd van Chemnitz over Zwickau tot Crimmitschau ; ik trof hem den volgenden dag doodmoe en wanhopig op den terugtocht aan. Hij liet mij zijn getuigschrift zien; ik las er in; „Heeft op 1 Mei overeenkomstig het reglement gearbeid.quot; Zonder er eenige drukte over te maken vertelde hij mij, dat te Chemnitz reeds 1100 gehuwde arbeiders broodeloos waren — op dat oogenblik zeker een veel te hoog cijfer, maar teekenend wat betreft de heerschende stemming en de geruchten, die toen reeds onder het volk de ronde deden.

Door dit een en ander heb ik slechts een geringe verandering van personeel in onze fabriek bijgewoond. Volgens mijn aanteekeningen in mijn afdeeling in het geheel zestien gevallen van zeer verschillenden aard. Ik weet echter niet zeker of dit getal volkomen juist is. Ga ik die gevallen één voor één na, dan herinner ik mij, dat negen plaatsen terstond weer werden bezet; twee bezet werden na, om mij niet bekende redenen, (ik denk gebrek aan werk) een tijdlang open te zijn geweest; drie door arbeiders, die slechts eenige dagen bleven en terstond vervangen werden door anderen, die evenmin aanbleven, terwijl eindelijk twee plaatsen juist even vóór mijn vertrek openkwamen. De vacante plaatsen, die vacant bleven al den tijd, dien ik in de fabriek ben geweest, tel ik hier niet mede. Ziek of aan huis gebonden, \'t zij tengevolge van een verwonding, \'t zij door familieomstandigheden, waren in dezen tijd vier arbeiders. Hun plaatsen bleven open; hun kameraden vielen voor hen in. Zoodra zij zich weer aanmeldden, konden zij hun oude plaats weer innemen. Van hen die de fabriek verlieten, was één een sjouwerman, waren twee metaaldraaiers en de overigen bankwerkers. De grootste helft was gehuwd.

Belangrijker dan deze dorre opgave is het onderzoek naaide redenen van vertrek. Een paai- jonge bankwerkers gingen „voor de verandering\' heen; dezelfde reden, die eenige mijner

-ocr page 79-

77

bekenden uit de herberg tot langdurige en bij ondervinding verre van genoegelijke werkeloosheid veroordeeld had. Weer twee anderen vertrokken, omdat elders een voordeeliger betrekking voor hen open was.

Bij een van deze laatsten was een onaangenaam voorval de eerste aanleiding tot zijn vertrek. Ik heb dit niet persoonlijk bijgewoond; ik geef de zaak weer, zooals ze mij door mijn kameraden is medegedeeld. Of die mededeeling met de feiten strookt, weet ik niet. Er blijkt in elk geval uit met hoeveel vuur de arbeiders in deze aangelegenheid voor hun kameraad

— een volbloed sociaal-democraat — partij kozen, en welk een diepe verontwaardiging het geval bij allen verwekte.

De man in quaestie was een metaaldraaier, die twee en twintig jaren lang in onze fabriek aan een en dezelfde werkbank had gestaan. Op zekeren betaaldag — hij werkte op stuk

— werd hem een inderdaad opvallend laag loon uitbetaald. Hij beklaagde zich hierover op scherpen en heftigen toon bij zijn baas, een voor \'t oog netten man, over wien ik overigens niet heb hooren klagen. Het komt tot een hevigen woordenstrijd, die op het kantoor ook met den directeur wordt voortgezet, en waarvan het besluit is, dat de arbeider zijn ontslag neemt. Toen hij daarop — aldus luidde het verhaal van zijn twintigjarigen neef, een eenvoudig, aardig kereltje, die tot mijn ploeg behoorde — om zijn getuigschrift vroeg, werd hem dit, met rooden inkt geschreven, overhandigd. Daarop nieuw spektakel, waaraan eerst een einde komt, als men de politie dreigt te halen en de man daarop heengaat. Het getuigschrift moet hij op de tafel in het kantoor hebben laten liggen, maar desniettegenstaande reeds den volgenden dag, zonder getuigschrift, een zeer goede plaats in een andere fabriek hebben gevonden, dank zij de omstandigheid, dat hij als een flink werkman bekend stond.

Van beteekenis is vooral de indruk, dien dit voorval op de achtergeblevenen maakte. Luid en openlijk er over geredeneerd werd er niet, maar des te meer in stilte van man tot man. De overtuigde sociaal-democraten keken in die dagen bijzonder strak voor zich heen; anderen haalden slechts de schouders op; voor enkelen was het geval een welkome gelegenheid om hun babbelzucht bot te vieren; voor allen echter een nieuwe waarschuwing om voorzichtig te zijn.

Een andere bankwerker nam zijn ontslag en kwam een week later terug. Hij had twist gehad met een monteur, in drift

-ocr page 80-

78

zijn gereedschap neergegooid en was weggeloopen. Daar hij, hoewel Zuidduitscher en ongehuwd, ik weet niet om welke reden, in Chemnitz wenschte te blijven, kwam hij, toen hij nergens werk kon vinden, na eenige dagen terug en verzocht zijn baas nederig hem weer te willen aannemen. Deze hield zich een paar dagen doof, maar stelde hem daarop werkelijk weer onder een anderen monteur aan. De man had echter van dit oogenblik af bij zyn kameraden afgedaan. Men rekende het hem als een schande aan, dat hij het hoofd in den schoot had gelegd; velen negeerden hem volkomen van dien dag af. De monteur, onder wien hij thans, en wel zoo vlijtig als hij maar kon, werkte, was verstandig genoeg hem deze zijn „karakterloosheidquot; niet ook zynerzijds te laten misgelden, en chicaneerde hem niet — wat hem geen moeite zou hebben gekost. Maar ik weet ook, hoe hoog deze zich zeiven die bijzondere onpartijdigheid aanrekende.

Bij drie anderen was hun liederlijk, door de meesten mijner kameraden veroordeeld levensgedrag oorzaak, dat zij reeds na de eerste acht dagen eenvoudig wegbleven. Eén van hen (een regimentskameraad van mij) had, den dag voordat hij in de fabriek kwam, zijn vijfde kind gekregen, en vroeg daarom reeds terstond na afloop van het werk om een voorschot aan den baas, hetgeen deze hem gaf. Vervolgens zocht hij — doch zonder gevolg — van ons geld af te halen, en verdween daarop, om, naar het praatje ging, den daarop volgenden Zondag te worden gezien, fideel met drie vrienden in een droschke rijdend. Hij en zijn beide vrienden werden door allen in mijn omgeving innig veracht en hun gedrag luid of zwijgend veroordeeld; een omstandigheid, waarop ik de aandacht vestig. Dit drietal behoorde tot een categorie van arbeiders op wie ook in de volksklasse laag wordt neergezien; lieden, die het nergens lang uithouden, en die het beste of in elk geval het zekere materiaal leveren, waaruit de heffe des volks, anders gezegd het proletariaat in zijn slechten zin, voortkomt.

Het is hier de plaats, in aansluiting aan het voorafgaande, een kort overzicht te geven van den tijd, gedurende welken de honderdtwintig man, waartoe ik behoorde, aan de fabriek verbonden waren geweest, van de dienstjaren, die mijn kameraden telden. Ik wijs er echter nadrukkelijk op, dat dit overzicht berust op waarnemingen uit een tijd, waarin onder de bovengenoemde arbeidsvoorwaarden werd gewerkt. Niettegenstaande deze kan men zeggen, dat ons personeel over \'t algemeen

-ocr page 81-

79

bijzonder stabiel was. Wij hadden bij ons een zeer talrijke stam van uitteraard meerendeels bejaarde lieden, die reeds jaren en jaren lang tot ons fabriekscorps hadden behoord, helaas niet omdat zij op bij toeneming hooger loon konden rekenen, doch vanwege dien goeden ouden karaktertrek van ons volk: gezetenheid en gehechtheid aan de geboorteplaats en aan den kring, waarin men zich is gaan thuis gevoelen; een karaktertrek, die, al is de gewone opvatting dienaangaande ook een andere, naar ik verzekeren kan, nog opvallend diep, althans bij de oudere generatie mijner kameraden is geworteld. Het tegenovergestelde element, het vlottende werd, gelijk van zelf spreekt, bij ons vertegenwoordigd door de jeugdige ongehuwde gezellen, die het langer of korter in dezelfde fabriek en in dezelfde plaats uithielden, al naar lust of luim, gelegenheid of begeerte om wat te leeren, ja ook wel zuiver toevallige omstandigheden dit meebrachten, en die, zooals ik in mijn inleiding te kennen gaf, veelal heel wat van de wereld hadden gezien. Tusschen deze beide groepen stond een derde, mede, als ik mij niet bedrieg, zeer talrijk. Deze werd gevormd door hen, die bijna zonder uitzondering gehuwd, nooit langer dan ongeveer van zes tot tien jaar in dezelfde fabriek, maar steeds in dezelfde woonplaats blijven. Men kan hen dus even goed „gezetenquot; noemen als hen, die tot den ouden stam behooren, waarvan zij veelal de rekruten zijn. Dat zij af en toe van werkplaats verwisselen, geschiedt óf omdat zij hun positie meenen te zullen verbeteren, óf maar al te vaak alleen om iets of wat vurig begeerde afleiding te brengen in de vervelende eentonigheid van de hun eindelijk meer dan overbekende fabriekssleur. Voor \'t overige maakten nog slechts de fabrieksleerlingen een kleine zelfstandige groep uit, en hadden wij ten slotte nog de enkele zoo even door mij geschilderde pretmakers en drinkebroers.

Het verlaten van de fabriek had bij ons zonder eenige formaliteit plaats. Er bestond van weerszijden geen termijn van opzegging, wat ik zeer verstandig vond. Artikel 2 van het arbeidsreglement hield hieromtrent het volgende in:

De verbreking van het arbeiderscontract kan van weerszijden te allen tijde zonder voorafgegane opzegging plaats vinden, voor zoover namelijk op dit punt geen bijzondere schriftelijke overeenkomst is aangegaan. Niettemin is, wanneer de directie dit verlangt, ieder arbeider verplicht eventueel aangevangen stukwerk vóór zijn vertrek te voltooien.

Men moet den baas, onder wien men op dat oogenblik werkt,

-ocr page 82-

80

kennis geven van zijn vertrek. Bij het heengaan moet men zijn plaats aan kant maken, namelijk zijn machine oppoetsen, de ten gebrnike ontvangen gereedschappen aan den haas afgeven, en van dezen een hewijs vragen, dat ze in goede orde zijn afgeleverd.

Door deze regeling was de kwestie van contractbreuk bij ons geheel van de baan geschoven. Beide partijen bevonden zich daar wel bij. De directie, omdat zij daardoor de vrije hand behield, wat betreft de regeling van haar arbeidskracht; een vrijheid, waarvan zij over het algemeen verstandig en hnmaan gebruik maakte; de arbeiders, omdat zij daardoor van elke gelegenheid om hun positie te verbeteren terstond konden gebruik maken, terwijl aan het voor hen thans voorzeker grootere gevaar, van zich plotseling werkeloos te zien, althans eenigermate werd te gemoet gekomen, doordat zij bij hun vertrek het ingehouden loon der eerste week in handen kregen.

Er is den laatsten tijd veel twistgeschrijf geweest over het vraagstuk van de contractbreuk en haar bestraffing. Men ziet zich hier een weg aangewezen om dit vraagstuk op de eenvoudigste wijze en zonder geldelijk verlies voor de zaak op te lossen, zooals de ervaring in onze en, naar ik hoor, in andere fabrieken, waar dezelfde regeling is gemaakt, heeft bewezen. Doch zelfs al mochten dergelijke verUezen niet zijn te ontgaan, dan zou dit toch niet voor een afdoend bezwaar mogen gelden, waar veel hoogere belangen op het spel staan. Ook in het economisch leven der volken moeten zedelijke ovenvegingen wederom vóór materiëele belangen gaan, en juist wij, onpartijdigen onder de hooger ontwikkelden, wij, die met een maatstaf aan ernstige zedelijke beginselen ontleend en vrij van materiëele vooringenomenheid tot de oplossing der sociale vraagstukken wenschen mede te werken, wij moeten er op aandringen, dat deze stelregel steeds meer in de werkelijkheid worde toegepast. Het moet ons onverschillig zijn of door de grootindustriëelen een paar duizend Mark meer of minder wordt verdiend, indien maar een toestand worde opgeheven, die, ja formeel rechtvaardig is, doch feitelijk door het economische dwangjuk, waaronder de arbeider leeft, een onrechtvaardigheid wordt, en op dit oogenblik bezig is aan het rechtsbewustzijn van ons volk een geduchten stoot toe te brengen. En zou werkelijk van onze duitsehe industriëelen moeten worden gezegd, dat zij minder rekening blijken te kunnen houden met dit hoogst ernstig zedelijk bezwaar dan

-ocr page 83-

81

onze duitsche arbeidersklasse, die, blijkens de door de sociaaldemocratische partij voorgeslagen aanvulling der arbeiderswet, ter verkrijging van de opheffing aller opzeggingstermijnen zich harerzijds bereid heeft verklaard, de daardoor teweeggebrachte geringere zekerheid van steeds werk te hebben te aanvaarden? Ik betuig hier mijnerzijds openlijk mijn volle sympathie met dezen stap door de sociaal-democraten gedaan.

Nog een enkel woord over mijn ervaringen bij het zoeken naar werk. Voor flinke vakarbeiders, zooals bankwerkers en metaaldraaiers, was het destijds altijd nog gemakkelijker dan voor sjouwerlieden, wevers en machinisten om in fabrieken en kleinere werkplaatsen geplaatst te worden. Bij onze aanvragen om werk werden wij meestal reeds door den portier van de fabriek kortaf afgewezen. De enkele malen, dat wij den directeur kregen te spreken, werden wij vriendelijk en beleefd te woord gestaan, en zelfs eens van goeden raad voorzien, welke ons nochtans niet heeft kunnen baten. Ook kwamen wij niet verder door de informatiën voor werkzoekenden, waartoe wij onze toevlucht namen. Deze vonden wij in de herbergen en in de couranten. De eerste bestonden hierin, dat de kastelein van de centraalherberg op een groot zwart bord, dat tegen den muur hing, de werkplaatsen opschreef, waar men arbeiders noodig had, het aantal arbeiders dat gevraagd werd, en den aard van het werk, dikwijls met bijvoeging van het daaraan verbonden loon. Iedereen kon zich hier op de hoogte stellen. Dat daarbij — gelijk het naar ik hoor, in bondsherbergen moet voorkomen — enkele personen door hem werden voorgetrokken, die hij vooraf heimelijk op de beste aanvragen attent maakte, heb ik niet kunnen bespeuren, hoewel ik voor het tegendeel toch ook niet durf instaan. Onder de lasten van dit vruchte-looze zoeken naar werk leden natuurlijk wij, van elders komen den, het meest. Wie in Chennitz bekend was en daarbij eenige routine bezat, mocht het eerder gelukken aan werk te komen dan aan ons. Zoo gebeurt het meer dan eens, dat een arbeider, in stee van zich door den portier te laten afwijzen, zich juist van dezen, door middel van een „douceurquot;, bedient, om te vernemen, wanneer er in zijn fabriek een plaats openkomt. Ook krijgt men dergelijke wenken en aanwijzingen van goede bekenden en gewezen kameraden. Van deze laatsten verneemt uien waar en bij wien men in de fabriek, waar zij werken, moet aankloppen, terwijl zij dikwijls zelf voor den werkzoekenden vriend een goed woord doen bij hun baas.

GÖHIÏE. 6

-ocr page 84-

82

Het toeval speelt hierbij natuurlijk ook een groote rol, maar wie vreemdeling is in een plaats moet zich daarop toch maar niet te veel verlaten. In elk geval kan ik, op grond mijner eigen ondervinding, verklaren, dat er weinig dingen zoo onnoemelijk ontzenuwend zijn, als het vruchteloos van de eene fabriek, van de eene werkplaats naar de andere loopen, altijd van nieuws af aan zijn werkkracht te koop biedend, altijd op denzelfden smeekenden toon om werk vragend en dit telkenmale zonder gevolg. Onvrijwillige werkeloosheid is, zelfs wannoer de honger nog niet met zijn ijzeren vuist op de deur beukt, het afschuwelijkste wat een gezonden, vverkzamen, voor de zijnen het brood verdienenden man kan treffen, te bitterder lijden, naarmate hij ernstiger, degelijker van karakter is. Van werkeloosheid is meer zedelijke en physieke verwaarloozing te duchten, dan de opruiing der sociaal-democraten ooit zou kunnen te weeg brengen.

Twee pagina\'s eindelijk van ons arbeidsreglement behelsden duidelijke voorschriften ter voorkoming van ongelukken. De werklieden waren meerendeels verstandig genoeg ze op te volgen. Gedurende mijn aanwezigheid in de fabriek heeft er slechts één ernstig ongeluk plaats gehad, hetwelk den arbeider, dien het trof, veertien dagen tot werken ongeschikt heeft gemaakt. Een ijzeren staaf van ongeveer twintig kilo was hem op den voet gevallen, had met zijn scherpen kant zijn laars doorboord, een diep gat in het vleesch gemaakt en dit van het been losgescheurd. Kleine ongevallen kwamen daarentegen herhaaldelijk voor: het kwetsen van vingers en teenen, het verwonden van de handen aan de scherpe hoeken en kanten en van de oogen door de wegspringende ijzersplinters. Vooral dit laatste had dikwijls plaats, doch liep in de meeste gevallen goed af. Men hielp elkander hierbij terstond met de meeste bereidwilligheid en heel geschikt.

Het grootste gevaar, dat bij schier eiken arbeid in onze fabriek dreigde, was het laten vallen van groote, vaak vele centenaars zware stukken ijzer. Eén misgreep, een niet tijdig genoeg aanvatten kon beenen en voeten kosten. Dit maakte, dat men bij ons als instinctmatig voorzichtig en bedachtzaam werkte. Grondregel was: wat men eenmaal in zijn handen heeft, laat men niet los, voordat het secuur kan worden neergelegd, het moge ook nog zooveel krachtsinspanning kosten. Daarbij was eens en voor altijd het bevel gegeven, dat tot ieder werk zóóveel arbeiders moesten aantreden, dat het zonder schade, zoowel voor

-ocr page 85-

de arbeiders als voor het werkstuk, kon worden verricht. Hierdoor behoefde bij ons niemand zich te overspannen, wat de arbeiders dankbaar erkenden. Zoo werd ook het transporteeren van de stukken in onze afdeeling zeer verlicht door de drie aldaar aangebrachte kranen. Voorts vond men, zooals ik reeds te kennen gaf, overal electrische geleidingen, waardoor, bij een ongeluk, in een oogwenk aan de machinisten het signaal kon worden gegeven om de stoommachine te doen stilhouden. Ook bestonden er strenge bepalingen tegen het onbevoegd betreden van de probeerzaal, tegen het opleggen van riemen, terwijl de machine in gang was, enz. enz. Voorgeschreven was tevens het dragen van engsluitende kleeding-stukken, welke niet door de in beweging zijnde raderen konden worden gegrepen. Eigenlijke voorbehoedmiddelen vond men aan de machines zelve veel minder dan ik had gedacht, doch zij waren aanwezig, in geval men ze noodig had. Voor de ongelukken, die mochten voorkomen, had men in een hoek van ons gebouw een matras neergelegd en een verbandtafel en -stoel neergezet, benevens verband- en waschbenoodigdheden. Een onzer arbeiders, die vroeger in een hospitaal in betrekking was geweest, werd steeds bereid bevonden de eerste hulp bij verwondingen te verleenen ; in ernstige gevallen legde hij een noodverband en transporteerde hij den gewonde naar het gasthuis. Kort vóór mijn komst in de fabriek had de directie eene groote verbetering in dit transporteeren aangebracht, een, die door de arbeiders ten zeerste werd gewaardeerd, al beschouwden zij haar ook als de vervulling van een schuldigen plicht: in stee van met de harde, in de fabriek gebruikte handkar, werd de gewonde thans in het equipage van de directeuren naar zijn woning of naar het gasthuis vervoerd. Zeer onvolledig was echter nog steeds de waschgelegenheid, waarmede men niet dan bezwaarlijk alleen gezicht en handen kon reinigen. In dusdanige zwarte machinefabrieken moest de directie zich kort en goed verplicht rekenen een badlokaal in te richten, waarvan al haar arbeiders vrij gebruik moesten kunnen maken. Zij moest bedenken hoe bekrompen de arbeidswoningen zijn, hoe dicht personen van beiderlei kunne in die woningen op elkander leven, en hoe hoognoodig het is, dat het zoo vuile lichaam dagelijks gansch en al op voldoende wijze worde gereinigd. Doch van iets wat naar een badgelegenheid zweemde was bij ons niets te vinden; buiten het reeds door mij beschreven eetruim hadden wij geen enkele zoogenaamde

-ocr page 86-

84

inrichting ten behoeve van het personeel, tenzij men daartoe rekenen mocht den door de directie toegestanen verkoop op afbetaling van goede en goedkoope arbeidskielen: een handel, die, naar ik reeds mededeelde, door een klerk met één hand werd gedreven.

Daarbij was de arbeid in onze fabriek voor alle arbeiders zwaar en afmattend. Ik zeg dit niet op grond van mijn eigen ondervinding; ik weet dat ik een uitzondering was en dat, althans in den eersten tijd, mij alles dubbel zwaar viel. Ik zeg dit alleen naar wat ik van de anderen vernam, en op grond van den indruk, dien zij op mij maakten. Uitgezonderd de jongelieden, waren des avonds, na afloop van het werk, alle arbeiders meer of minder vermoeid en afgemat; hun gang was minder vlug en veerkrachtig dan \'s morgens en \'s middags; hun stemming minder opgewekt; het werk ging hun de laatste uren zichtbaar langzamer af. Het is niet te loochenen, dat zelfs bij een zoo geschikt arbeidstempo, bij een zoo hoogstaand en betrekkelijk den geest wakker houdend fabrikaat en bij de vrijheid en zelfstandigheid gelijk deze bij ons werden gevonden, niettemin een fabrieksarbeid van het karakter van den onze, dagelijks de kracht van een volwassen man te eenenmale uitput. Het is inderdaad geen kleinigheid het, dag in, dag uit, elf uur lang met 120 man uit te houden in een met olieachtige, vuile dampen en met steenkool en ijzergruis bezwangerde heete ruimte. Het is niet zoozeer de meestal zware handenarbeid, het is het samen leven, samen ademen, samen zweeten van een groot aantal menschen, de daardoor ontstane neerdrukkende benauwde atmosfeer, het nooit verstommende, zenuw-sloopende, geweldige, krijschende, dreunende, ratelende rumoer, het onafgebroken elf uren staan in eeuwig een en dezelfde omgeving, vaak als vastgeklonken aan een en dezelfde plaats — het is dit alles te zamen, wat onzen hedendaagschen fabrieksarbeid maakt tot een alle krachten inspannende en verbruikende werkzaamheid, die gerust, zoo niet boven, dan toch naast eiken inspannenden geestesarbeid mag worden gesteld. Immers zij moet met inspanning van \'s mans volle en beste kracht worden volbracht — en dit, niet haar resultaat, niet het meerdere of mindere nut dat de maatschappij van haar trekt, is de juiste zedelijke maatstaf te harer beoordeeling. Hierbij moet ik nochtans constateeren, dat wij in ons arbeiderscorps een betrekkelijk groot aantal grijsaards hadden. Zoo vond men onder de bankwerkers een paar, die al als reservisten mee

-ocr page 87-

85

naar Frankrijk waren geweest; van de vier pakkers waren er als ik mij niet vergis, drie om en nabij de zestig; tot mijn ploeg behoorde een, die midden in de veertig en een, die een goede vijftiger was; onder de modelmakers vond men een allervriendelijkst oudje met sneeuwwitte haren. Aan de groote boormachine stond een mij zeer dierbaar geworden man, die reeds jaren lang grootvader was en die met frissche opgewektheid trouw en rustig zijn plicht deed; een broeder van hem, ongeveer van gelyken leeftijd — een bankwerker — stond niet ver van hem af. Hoe meer ik aan het optellen ga, hoe meer ik dergelijke grijskoppen voor mij zie. Zelfs hadden wij twee meer dan zeventigjarigen, die, naar men mij zeide, slechts licht werk behoefden te doen, maar dan ook helaas bitter weinig verdienden. De meerderheid was bij ons natuurlijk van middelbaren leeftijd, meest sterke, flinke kerels tusschen de twintig en de veertig jaar. Veel minder talrijkwaren de zeventien- a twintigjarigen en leerlingen hadden wij slechts enkele.

Wil men zich ten slotte een oordeel vormen over het eigenlijke karakter van het hier medegedeelde arbeidsreglement in onze fabriek, dan behoeft men slechts de zinsneden te lezen, welke in het begin van het boekje voorkomen en welke bepalingen inhouden aangaande het aannemen van arbeiders en eventueele veranderingen in het reglement. In de eerste dier zinsneden staat woordelijk te lezen: „Recht tot het aannemen van arbeiders hebben alleen de directie of haar gevolmachtigden. Door het aannemen van iverk onderwerpt ieder arbeider zich aan de hepalingen van het fabrieksreglement, van hetwelk hem bij zijn intrede in de fabriek een exemplaar wordt overhandigd, en waarvan hij de ontvangst heeft te bewijzen door eigenhandig zijn naam te schrijven in een op het kantoor berustend boekquot;. En op een andere plaats vindt men eveneens woordelijk het\' volgende : Veranderingen in, zoowel als hijvoegingen tot dit reglement worden van wege de directie door aanplakking hekend gemaakt en zijn telkens onmiddellijk van kracht.

Hier treedt zelfs voor den meest argelooze het geheele karakter van dit en zeker wel van bijna alle fabrieksregle-menten scherp en klaar aan den dag. Het is maar al te duidelijk een maaksel van de directie, te eenenmale geknipt naar de uitsluitend tot maatstaf gekozen gezichtspunten van haar eigen eenzijdige belangen. Het is een huisorde, die het hooi\'d des huizes uitsluitend naar zijn eigen wil

-ocr page 88-

86

uitvaardigt, en waarnaar een ieder zich heeft te voegen, \'zoolang hij of zij lid van het gezin is. Er blijft den arbeiders tegenover dusdanig arbeidsreglement geen ander werkdadig protest over, dan uittreding uit den kring, waarbinnen het wet is. Het bestaan en de geldigheid van het stuk duidt op de volkomen en zwijgende afhankelijkheid aller arbeiders in elk voorkomend geval van eenige beteekenis; het is een toepassing van absolutisme, lijnrecht tegenovergesteld aan de economische vrijheid, die men beschouwt als de thans heer-schende wet in het economisch leven der volken; het is een nieuwe en aan gevolgen rijke oorzaak van de onzelfstandigheid en de onrijpheid van karakter, die bij den hedendaagschen fabrieksarbeider vallen waar te nemen.

Nochtans werd — en dit is het laatste wat ik over dit pnnt heb te zeggen — de scherpte van dit zoo eenzijdige reglement zeer verzacht, ja menigmaal geheel opgeheven door de verstandige, tactvolle wijze, waarop het bij ons werd toegepast. Wat den directeur betreft, bij hem verdween de geschreven wet totaal achter zijn energieke persoonlijkheid; of liever door diens krachtige, militaire, doch verstandige, bedaarde en vóór alles rechtvaardige en onpartijdige wijze van optreden, nam zij een nieuwe, een levende gestalte aan, waaraan men, zooals ik later nog zal aantoonen, zonder weerstand te bieden gehoorzaamde. De overige chefs, inzonderheid de bazen handhaafden de orde in den regel met zóóveel overleg, zóó mild, en zóó toegevend, dat de arbeiders de in het reglement voorkomende tirannieke bepalingen op den koop toe namen, zonder zich veel rekenschap te geven van een gestrengheid, die dan ook slechts in uiterste gevallen op pijnlijke wijze tot hun bewustzijn kwam.

Aan het slot van dit hoofdstuk wensch ik nog eenige bijzonderheden mede te deelen aangaande de houding der arbeiders gedurende het werk en hun verkeer onder elkander en met hun chefs. Ons geheele corps arbeiders verdeelde zich ook in dit opzicht in twee groote groepen, in die van de werktuigen-machinebouw en in die van de naaimachinesfabrieatie. De volkomen scheiding der arbeidsprocessen dezer twee afdeelingen had voor de betrokkenen over \'t algemeen een even scherpe scheiding in het verkeer ten gevolge ; zóó zelfs dat zeer vaak de arbeiders elkander wederzijds in het geheel niet kenden. In dat geval ging men elkander bij het aangaan en uitgaan dei-fabriek zonder groet, zonder een woord te wisselen voorbij,

-ocr page 89-

87

wist men hoegenaamd niets van elkander af, kende men elkaar zelfs niet bij naam. Tusschen hen echter, die reeds jaren lang in de fabriek hadden gewerkt, was er, in weerwil van de scheiding tusschen de twee takken van het bedrijf, van lieverlede eenige toenadering ontstaan ; toch bepaalde ook deze zich meestal tot een oppervlakkig, vluchtig en zelden voorkomend verkeer gedurende de schafttijden. De sjouwerlieden, die natuurlijk meer dan de anderen overal in de fabriek kwamen, waren eigenlijk het eenige en voornaamste verbindende element tusschen de twee groote groepen van arbeiders, waarnaast men als derde groep nog de kleine op zich zelf staande modelma-kerskolonne kan stellen.

In elk dezer groepen was het verkeer gedurende den arbeid zeer levendig. Hiertoe droeg veel bij het hierboven door mij geschetste karakter van onzen gemeenschappelijken arbeid. Het kwam dan ook hoogst zelden voor, dat oudere arbeiders, zij die bijvoorbeeld reeds sedert twintig jaar in dezelfde afdeeling werkten, den een of ander onder de jeugdige bankwerkers niet kenden en geen woord met dezen wisselden. Dergelijke uitzondering moest worden toegeschreven aan het met de jaren eenzelviger worden der oudgedienden en aan de voortdurende mutatie onder het jeugdige element. Voor \'t overige echter bracht, gelijk ik zeide, de gemeenschappelijkheid voor ons arbeidsproces de lieden snel, vaak en dicht bij elkander en dwong hen tot voortdurend onderling verkeer.

Dit verkeer was uitteraard bijzonder levendig tusschen de arbeiders van gelijken leeftijd, tusschen hen, die naast elkander aan één werkbank stonden, en tusschen hen, die tot dezelfde ploeg of dezelfde montage behoorden, of onder denzelfden baas stonden. Hier werd de omgang als van zelf vaak een intieme en werd iedere gelegenheid tot langer of korter samenspraak gretig aangegrepen. En al naar het. viel, sprak men nu eens over koetjes en kalfjes, maakte men grappen, had men het over ernstige dingen, plaagde men elkaar of zat men elkander in het haar. Inzonderheid werd iedere nieuw-aangekomene steeds uitvoerig gecritiseerd; of wel men vertelde elkaar de nieuwtjes uit de fabriek; bijvoorbeeld dat de cantine-houder en de portier hun ontslag hadden gekregen of dat de koetsier zijn betrekking had opgezegd, en wat de reden van dit alles was. Vaak ook werd een voorval uit de buurt, waar men beiden woonde, lang en breed besproken of het laatste Zondagspretje herdacht en plannen beraamd voor den eerst-

-ocr page 90-

88

volgenden feestdag. Het meest nog had men het ovev de kinderen en over wat men zelf in zijn leven had doorgemaakt en ondervonden. Toch liep, terwijl men de vijl heen en weer schoof en de machine ratelde, terwijl men mat en vergeleek, het gesprek ook zeer vaak — maar dan meest tusschen drie, vier, vijf man tegelijk — over ernstige dingen, over godsdienstige, economische, politieke quaestien en ook wel over kunst. Dergelijke redeneeringen waren natuurlijk overeenkomstig de kennis, die de arbeiders in staat waren geweest zich eigen te maken. Doch hierover in de volgende hoofdstukken; hier behoef ik dit slechts aan te stippen.

Gekheid maken, elkander plagen, elkaar in het haar zitten was aan de orde van den dag. Voortdurend zocht men hen, die goed tegen plagerijen konden, een poets te spelen: Zoo wierp men bijv. den argeloos voorbijgaanden kameraad ongemerkt met klei, trok de banden van zijn voorschoot los, of in het schaftuur de plank weg, waarop hij zat, versperde hem den weg of „meende het goed met henr\'. Dit „goed-meenenquot; had meestal tegen het einde der week plaats, als de ouderen onder de arbeiders, die een sterken baardgroei hadden en zich, zooals het de gewoonte is onder het volk, alleen des Zaterdagsavonds of Zondagsmorgens lieten scheren, tamelijk stoppelig waren. Een, met een gezicht vol lange, harde stekels pakte dan opeens een of ander jong ventje, dat nog ter nau-wernood wat dons om de lippen had, stevig bij zijn hoofd vast, en wreef da.arop bliksemsnel zijn eigen ruwe wang met alle macht tegen de zachte wangen op en neer; wat, dunkt mij, nu niet juist een prettig gevoel moet zijn. Kwam de aldus geliefkoosde tot bezinning, dan was de dader al lang weg. Nog onpleizieriger was een andere grap, die men met mij gelukkig slechts eenmaal heeft uitgehaald; namelijk het zoogenaamde „baardvegen.\' De een of ander staat achteloos tegen een pilaar of deurpost aangeleund, toevallig op dat oogenblik niets te doen hebbende. Twee anderen zien den niets kwaads vermoedende staan; zij geven elkaar een wenk; de een sluipt achter hem en slaat zijn armen om hem heen, zoodat hij zich niet meer kan verroeren, tegelijkertijd grijpt de \'andere hem met zijn twee vuile zwarte handen om de kin en gaat daarop doodrustig met zijn twee vastaangedrukte duimen den snorbaard van den weerlooze uit elkander strijken; hetgeen, naar ik verzekeren kan, heel pijnlijk is. Bij mij herhaalde men deze aardigheid gelukkig niet, omdat mij de eerste maal, door een

-ocr page 91-

89

afwerende beweging van mijn hoofd, de bril van den neus viel, gelukkig zonder te breken. Dat wilden de lui niet ten tweeden male risqueéren, en daarom lieten zij het voor het vervolg met mij achterwege. Onder de intieme bekenden liep niemand vrij; zonder aanzien des persoons en zonder dat wegens den leeftijd eenig onderscheid werd gemaakt, moest een ieder zich de strafoefening getroosten. Dergelijke dingen gebeurden natuurlijk slechts dan, wanneer men zich zonder opzicht waande. Ander soort grappen en aardigheden kwamen ook voor en waren dikwijls allerorigineelst en komiek, zoodat men er hartelijk om moest lachen; niet zelden waren ze echter ook grof en ruw. Ik kom daar later nog op terug.

Bijnamen werden in menigte uitgedeeld; zelfs de Directeur had er een, hoewel een zeer onschuldigen: zijn voornaam. Voor \'t overige werden in de fabriek alleen de bijzonder geliefde kameraden bij hun voornaam geroepen en ook wel de grappenmakers, die, waar zij zich ook maar vertoonden, altijd aanleiding gaven tot luidruchtige vroolijkheid.

Opgewekt, vroolijk, ja uitgelaten was, althans in mijn afdee-ling, de stemming gedurende den arbeid; een stemming, die zelfs gedurende de laatste uren van den langen werkdag, als de vermoeidheid en uitputting zich deden gelden, niet geheel verloren ging. Dit was te danken aan het gelukkig karakter van ons arbeidsproces, niet minder dan aan den jovialen, vroo-lijken aard van het Saksische volk. Deze vroolijke, frissche, schertsende toon was de goede genius, die het zware werk licht en dragelijk hielp maken.

Het verwonderde mij, dat men desniettegenstaande onder den arbeid weinig zong. Enkelen slechts neurieden een liedje voor zich heen, en alleen een groepje bankwerkers, grooten-deels bestaande uit verliefde jongelui, hieven af en toe in koor een volks- of soldatenlied aan. Het eindelooze rumoer maakte — dat is waar — het zingen tamelijk bezwaarlijk.

Het elkaar tutoijeeren was geen algemeen gebruik; het bepaalde zich tot de kameraden in de naaste omgeving, die van één leeftijd waren. Bankwerkers, inzonderheid zij, die van elders waren gekomen en van ietwat hooger stand dan de anderen waren, maakten zeer karig en kieschkeurig van het „jequot; en „jijquot; gebruik. Zij bezigden het zelden buiten den kring der bankwerkers, en schudden het hoofd, wanneer een der hunnen er den eersten den besten sjouwerman mee vereerde. Vaak ook hoorde ik het „jequot; en „jijquot; wederzijds tusschen hoogst

-ocr page 92-

90

ervaren bejaarde bankwerkers of tusschen raacbinesmeden en een baas; ook wel wederzijds tusschen bazen en monteurs, nog vaker tusschen monteurs en allerlei soort arbeiders, — zelfs sjouwerlieden — doch dan waren het zelden arbeiders van dezelfde ploeg. Had dit laatste plaats, dan betrof het de ouderen, die reeds jaren in de fabriek waren geweest. De monteurs zijn meestal onder elkaar bijzonder op het „jequot; en Jijquot; gesteld; de bazen daarentegen meestal niet. De hoogere maatschappelijke positie der laatsten, maakt er dezen te voornaam voor, terwijl bij de overigen de aangeboren gemeenschapszin, het in de kazerne gekweekte gevoel voor kameraadschap en de zoo licht ontstaande wederzijdsche genegenheid er als vanzelf toe doen overgaan.

Opmerkelijk was de bijzondere verhouding tusschen ons sjouwerlieden. Bij ons was het gemakkelijker dan in andere vakken ten koste van onze kameraden te luieren. Er waren in de fabriek allerlei verborgen hoeken en plaatsen, waar men, zonder dat de baas het zag, kostelijk een half uurtje kon gaan uitrusten. Of wel, men had een goeden vriend onder de bankwerkers en machinesmeden, en werd door dezen maar voor de leus aan het werk gezet. Om dit te voorkomen werd, zonder dat wij het afspraken, wederzijds een geheime controle uitgeoefend. Twee van ons vijftal waren er vooral op uit, zich bij een onaangenaam werk uit de voeten te maken; op hen hielden de drie anderen dus bijzonder scherp het oog. Wel zag men veel bij hen door de vingers, maar maakten zij het al te bont, dan werden zij voor het volle front en dikwijls lang niet malsch onder handen genomen; wat dan altijd op een hevig standje uitliep en eenige dagen of weken lang wrokken tusschen de woordvoerders ten gevolge had. Maar de vermaning hielp toch altijd en van lieverlede werd de verhouding tusschen de ontstemden weer tamelijk goed. Een intieme kameraadschappelijke verhouding bestond echter slechts tusschen de drie anderen, zoodat een ieder van hen naar de mate zijner kracht het werk aangreep, en niet gaarne den ander in den steek liet. Voor mij, den nieuweling, waren alle vier bijzonder vriendelijk en voorkomend. Bij mijn komst in de fabriek viel het al dadelijk den eersten dag den besten in het oog, dat ik niet bij machte was even flink en krachtig aan te pakken als zij, die aan dergelijken arbeid gewoon zijn. Men hield terstond hiermede rekening, en in plaats dat men van den nieuwen, schuchteren kameraad

-ocr page 93-

91

haalde wat men krijgen kon en hem voor zich liet werken, gaf men hem altijd de gemakkelijkste plaats, ja schoof men hem, zonder spreken, soms geheel op zijde, om zelf vlugger en beter te kunnen voortkomen. Dezelfde kameraadschappelijke gezindheid, dezelfde vriendelijke inschikkelijkheid ondervond ik van de meeste bankwerkers en machinisten. Later toen ik krachtiger en geschikter was geworden en het langer kon uithouden, hield dit natuurlijk en met recht op, en werd er van mij niet minder, maar toch ook niet meer, dan van de anderen gevergd.

De verhouding der bankwerkers, machinesmeden en grof-smeden tegenover ons, sjouwerlieden, was ook dikwijls interessant. Buiten het werk bestond er tusschen ons en de overgroote meerderheid van hen, geen rangverschil. Wel echter gedurende den arbeid. Men wist, dat wij waren aangesteld om hun handlangers te zijn, en men maakte van deze wetenschap, zij het dan ook met onderscheid, zonder schroomvalligheid gebruik. De ouderen namen ongaarne, en alleen als het niet anders ging, toevlucht tot onze ondersteuning; de jongeren daarentegen gebruikten ons dikwijls; zelfs leerlingen beproefden ook wel dit te doen. De sjouwerlieden gehoorzaamden al naarmate zij behandeld werden. Onderofficierachtig afsnauwen \'liet zich geen van allen. quot;Wie het probeerde, werd stilzwijgend zonder eenige onderlinge afspraak „geboycotf; d. w. z. wij sjouwerlieden ignoreerden hem volkomen, kwamen niet in zijn nabijheid, deden als hoorden wij niet, wanneer hij ons aanriep en kwam hij rechtstreeks op een van ons af, om ons een of ander werk op te dragen, dan had men zoogenaamd juist op dat oogenblik iets voor een ander te doen. In dat geval moest de aan zijn lot overgelatene zich tot den baas wenden en dezen verzoeken hem een handlanger te verschaffen. Beklaagde hij zich daarbij over ons, of beschuldigde hij een van ons van een bepaald verzuim en kwam ons dit ter oore, dan had hij het nog harder te verantwoorden: dan liet men hem als verklikker, eerst rechtaf links liggen, en dikwijls vond hij ook bij onzen baas al heel weinig troost. Daarom was het den arbeiders ook altijd maar geraden, op een goeden voet met de sjouwerlieden te blijven en hen op beleefden toon toe te spreken, wanneer zij hen noodig hadden. De gewone manier van hun om een handreiking te vragen was: „hé daar !. . psst! . . . heb je tijd?quot;

sJa.quot;

-ocr page 94-

92

„Dan zullen wij dit of dat samen even in orde maken; het houdt volstrekt niet lang op.quot; Of wel men zei: „Wij moesten eens gauw die as hier vandaan zien te krijgen; maar ze is zwaar; je zult nog een paar anderen moeten opzoeken en meebrengen.quot;

En meestal hielpen zij, die ons dergelijke opdrachten deden, zeiven mede.

De monteurs nemen bij hun ploeg ongeveer de plaats in van onderbaas. Hun verhouding was half die van chef, half die van kameraad. In zaken het werk betreffend, werden zij door de bankwerkers onvoorwaardelijk gehoorzaamd, maar voor \'t overige was hun omgang met dezen een meer vriendschappelijke ; vooral wanneer gelijken in jaren of ouderen onder hen werkten; hetgeen niet zelden voorkwam, aangezien wij bij ons tamelyk jeugdige monteurs aan het hoofd van eenige ploegen hadden. Hoe dezen reeds op dien leeftijd in die betrekking waren gekomen, heb ik niet vernomen; zij moeten te voren als bankwerkers niet boven anderen hebben uitgeblonken. Zij lieten de oudere bankwerkers dan ook meestal stil hun eigen gang gaan, en kwamen af en toe slechts met de hoogst noodige aanwijzigingen tusschenbeide. Enkelen der oudste bankwerkers behoorden tot geen ploeg. Zij stonden voortdurend rechtstreeks onder den chef-monteur.

De oudere monteurs drukkeTi op hun ploeg steeds eeniger-mate hun eigen technischen stempel. Ploegen met kundige, flinke monteurs waren — duidelijk waarneembaar — vlugger, geschikter, meer ontwikkeld, tot meer dingen bekwaam dan andere, welker voorwerkers meermalen raad gingen vragen bij hun meer ervaren collega\'s. Ook in zedelijken zin was de monteur hier en daar van invloed op zijn ploeg. Deze invloed was echter meestal geen gewilde, bewuste, maar een toevallige, en daarbij zeer verschillend. Bij enkele ploegen een goede, bij de meerderheid een minder gelukkige. Dit laat zich gemakkelijk verklaren, als men bedenkt, dat de monteurs vroeger gewone arbeiders zijn geweest, en men hen nooit heeft gewezen op de verplichting, als hooger geplaatsten een goed voorbeeld te geven. Ik hoorde dan ook zelden, dat een monteur zijn arbeiders een verwijt maakte van een onkiesch woord, een vloek of een leelijke streek, \'t Was al veel als hij zich persoonlijk daarvan vrij hield en er het zwijgen toe deed; dikwijls stemde hij, als het ruw toeging, met de arbeiders in; vloekte hij en sloeg hij zelf vuile taal uit. Van groote betee-kenis is de monteur voor de leerlingen, die bij elke montage

-ocr page 95-

93

plegen te worden ingedeeld. Al naar de degelijkheid van den monteur en van de ploeg, waartoe hij behoort, zal de jongen iets leeren. Ik heb echter zelden mogen waarnemen, dat een monteur of dat de chef-monteur zich in een of ander opzicht veel aan de leerlingen in zijn omgeving liet gelegen liggen. Eén monteur slechts, en wel de bekwaamste en degelijkste, (een driftkop, die Zondags wel eens boven zijn bier was, maar overigens een goedhartige kerel) behandelde den hem toegewezen leerling met vaderlijke goedmoedigheid en welgevallen. Trouwens deze leerling was een bijzonder aardige en vlugge knaap, wiens vader daar ter plaatse onderwijzer en eigenaar van verscheidene huizen was; in welke laatste hoedanigheid hij persoonlijk betrekkingen met genoemden monteur onderhield, welke dezen materieel nu juist niet tot nadeel strekten.

Na de geringe ervaring door mij op dit punt opgedaan, durf ik niet beslissen wat betere oefenschool is voor de knapen : de fabriek of de kleinere werkplaats. Een groote fabriek als de onze is, naar ik zou meenen, meer geëigend om de leerlingen tot bekwame arbeiders te vormen dan de kleine voor eigen rekening werkende baas, die meestal in zeer beperkte verhoudingen den strijd om het bestaan voert, en bij wien repara-tiewerk maar al te vaak de hoofdzaak is. Wat de zedelijke gevaren betreft, deze kunnen in beide gevallen even groot zijn.

Buiten de fabriek werd de monteur de gelijke geacht zoowel van den bankwerker als van den grofsmid en den sjouwerman. Daar viel elk rangverschil weg, dat onder den arbeid zich noodwendig moest laten gelden. Daar waren en gevoelden allen zich in den gemeenzamen omgang — arbeiders. Het persoonlijk verkeer buiten de fabriek hing alleen af van de meerdere of mindere wederzijdsche sympathie, van de meerdere of mindere overeenstemming in denken en gevoelen, van het al of niet elkanders buren zijn.

Anders dan met de monteurs was het met onze bazen gesteld. Hoewel ook zij meestal van hoogst eenvoudige afkomst en — zij het ook niet allen in onze fabriek — van gewone arbeiders tot baas waren opgeklommen, kwam niettemin hun hoogere maatschappelijke positie niet alleen onder, maar ook — en niet het minst — na den arbeid helder aan den dag. Door hun kleeding reeds onderscheidden zij zich in de fabriek van alle overige arbeiders. Zij droegen geen werkpak, doch ook onder den arbeid jas en vest en zelfs boord en overhemd. Zij vormden den schakel tusschen de arbeiders en de hoogere

-ocr page 96-

94

beambten der fabriek. Zij waren — ik weet inderdaad geen betere vergelijking — de sergeant-majoors onzer arbeiders-kolonne, de technisclie leiders van het bedrijf in zijn details; op dit punt, evenals voor de persoonlijke handelingen van eiken arbeider, slechts verantwoording schuldig aan den directeur. Zij controleerden de arbeiders en hadden — wat van veel beteekenis was — invloed op de hoogte zoowel van het uur- als van het stukloon des enkelen. Ook gaven zij het arbeidstempo aan en hadden het daardoor in hun macht, dat in tijden van slapte de arbeiders niet terstond werden ontslagen, doch er mee doorgesleept werden. Moest het nochtans tot een belangrijke inkrimping van het bedrijf komen, dan was het weer aan hen te beslissen wie der arbeiders moesten vertrekken; ook waren zij bij machte menig verongelukt stuk heimelijk uit den weg te ruimen, en te bemantelen dat iets verknoeid was. Dit alles maakte hen voor de arbeiders even goed als voor de directeuren, tot de gewichtigste persoonlijkheden in de fabriek en dit bepaalde ook blijkbaar hun verhouding tot en hun verkeer met de arbeiders en omgekeerd.

Deze verhouding was altijd die van den chef tot den ondergeschikte; \'t hing alleen van de persoonlijkheid der chefs af, of zij een aangename of een onaangename was. Wij hadden in onze naaste omgeving vier bazen. Een van dat viertal werd mij door al mijn kameraden eenstemmig afgeschilderd als ruw, gemeen, als een verklikker; daarbij als verre van bekwaam en valsch; vriendelijk in iemands gezicht, kwaad van hem sprekend achter zijn rug. Kortom als een voor wien elke nieuweling moest worden gewaarschuwd. Ook hem gehoorzaamde men zonder de minste tegenspraak. Allen namen echter tegenover hem een zekere hooghartige, strakke houding aan, wezen elke zweem van toenadering zijnerzijds terug en hoorden zijn bevelen aan met een heimelijk spotachtigen lach. Twee andere bazen deden eenvoudig hun plicht, lieten zich niet te veel met de arbeiders in, werden af en toe onbeschoft jegens hen, en zagen zich dan meestal met gelijke munt betaald. Voor \'t overige viel in hun optreden niets bijzonders waar te nemen; men hield niet veel van hen. Wel van den vierde. Deze mocht zich, over \'t geheel genomen, in een groote mate van populariteit verheugen. Hij was een ih zijn vak doorkneed man. welvarend, schrander en de groote kunst verstaande van geschikt met de lui om te gaan. Hij kon af en toe geweldig tegen de arbeiders uitvaren, maar hield toch ook wel van een grap.

-ocr page 97-

95

en nam altijd zijn arbeiders tegenover de andere bazen en zelfs tegenover de directeuren in besclierming. Als hij \'s morgens kwam, zei bij een ieder goeden morgen, zag door de vingers dat er af en toe getreuzeld werd, als er geen haast bij het werk was; ook hield hij zich niet doof of ontoegankelijk bij aanvragen om loonsverhooging. Hij was verstandig genoeg, de oudere arbeiders en hen, die jarenlang in de fabriek waren geweest, anders te behandelen dan de jongere; netter, minzamer, vriendschappelijker. Hij had — wat zielkundig maar al te verklaarbaar is en bij lieden van zijn beschaving van zelf sprekend moet worden geacht — ook wel zijn beschermelingen en zijn zondebokken, maar gelukkig wisselden dezen nog al eens. Allen gehoorzaamden gewillig en onmiddellijk aan zijn steeds op den juisten toon en op aangename wijze gegeven bevelen, zij het ook, dat ieder voor zich — al naar zijn gezindheid, zijn leeftijd, zijn karakter — in stilte, \'t zij meer. \'t zij minder op hem mocht hebben aan te merken en dienovereenkomstig een andere houding tegenover hem aannam dan zijn buurman; de een een meer vriendelijke, de ander een meer terughoudende; de een een zelfstandige, de ander een onderdanige, en maar al te duidelijk er naar strevend in een goed blaadje bij hem te komen. Zoo was er een bejaarde sjouwerman bij mijn ploeg, die, reeds diep in de vijftig, zoo vaak de baas naderbij kwam, zijn afnemende krachten — pijnlijk om aan te zien — met alle macht inspande, alleen om te toonen, dat hij nog best zijn man kon staan. Weer anderen hadden in hun optreden tegenover hem iets vertrouwelijks, iets rustigs; bij enkelen ontevredenen nam ik te zijnen opzichte een heimelijk vijandige stemming waar. Het jeugdige en vlottende element gehoorzaamde hem zonder spreken, en deed zijn best hem niet te vertoornen. Een noemenswaardig gunstige moreele invloed ging ook van deze bazen niet uit. Integendeel, door het gezag, dat zij uitoefenden, werkte de wijze, waarop zij zich bij voorkomende gelegenheden plachten te uiten, zelfs nog ongunstig terug op de weinig prijzenswaardige zedelijke houding en gezindheid hunner ondergeschikten, aan wie zij trouwens, wat beschaving en ontwikkeling in denken en gevoelen betreft, innerlijk volkomen gelijk waren.

Een meer intieme verhouding bestond tussehen de bazen en de meeste monteurs, met wie de eersten dikwijls een praatje maakten en met wie zij natuurlijk ook het meest in aanraking kwamen, daar zij alles aangaande den bouw der

-ocr page 98-

96

maoMnes, die onder handen waren, met hen hadden te bespreken. Hoe de bazen elkander gezind waren, weet ik niet recht. Voor \'t uiterlijk stonden zij als collega\'s op vriendschappe-lijken voet met elkander, maar toch viel er een zekere rivaliteit tusscben ben waar te nemen; afgunst aan den eenen, spotachtige geringschatting aan den anderen kant. De geheele verhouding kan bij die der lagere ambtenaren vergeleken worden. Op zekeren dag kwam het in de fabriek tot een hevig standje tusscben twee bazen; tot groot vermaak der arbeiders wierpen zij elkander allerlei scheldwoorden naar het hoofd.

Er rest mij nog een blik te werpen op de verhouding tusscben de arbeiders en het kantoorpersoneel, inclusief de teekenaars en de ingenieurs. Deze allen werden door mijn kameraden beschouwd als lieden van hooger stand, met wie zij innerlijk en uiterlijk niets gemeen hadden. Deze opvatting werd versterkt door de omstandigheid, dat de leden van dit personeel weinig met de arbeiders in aanraking en zelden in de fabriek kwamen. De enkele maal, dat dit voorkwam, was, minstens in de helft der gevallen, de klacht der arbeiders over de aanmatiging dezer heeren uit kantoor en teekenzaal, voor zoover ik kon nagaan, gegrond. Er was inzonderheid één teekenaar of ingenieur (dat weet ik zoo juist niet meer) die af en toe met den ritser over de teekeningen bad te spreken. Zelfs niet iets wat naar een groet zweemde, kwam over de lippen van dezen heer, niet eens tegen den ritser, die dooreen ieder werd gegroet. Dit ergerde niet weinig mijn op dergelijke punten zeer fijngevoelige, eenvoudige kameraden. Des te meer werd daarentegen dan ook door hen de vriendelijkheid gewaardeerd van een paar andere heeren, met name van een blonden slanken kantoorbediende, wiens beleefde groet en eenvoudige manieren ons aller hart stal. Een paar bladschrijvers voelden zich uit den aard der zaak meer de gelijken dei-arbeiders.

Op twee trekken valt inzonderheid bet licht bij de beoordeeling van den zooeven door mij geschilderden omgang dei-arbeiders met elkander en vooral met de personen, die onmiddellijk boven hen stonden: ten eerste op de wonderlijke verhouding — half die van gelijken, half die van ondergeschikten — der verschillende arbeiderskategorieën tot bun chefs, als ik dezen zoo mag noemen, en tot elkander, en ten tweede, op de betreurenswaardige afwezigheid van alle ook maar eenigszins opbouwende zedelijke krachten.

-ocr page 99-

97

Deze half vriendschappelijke, half ondergeschikte verhouding is daarom zoo wonderlijk en opvallend, omdat zij een scherpe tegenstelling vormt met het gansche karakter der organisatie van ons groot industrieel bedrijf, en met de daarbij ingevoerde discipline. Deze organisatie — wij hebben het in het arbeidsreglement gezien — berustte geheel op het aristocratisch beginsel van absolute onderwerping der arbeiders aan hun chefs, en hun afhankelijkheid van dezen in alles wat betreft de regeling van het werk en van het loon. Toch laat deze schijnbare tegenspraak zich zeer goed verklaren uit datzelfde beginsel van Lmssez-nller, dat ons economisch leven over het algemeen beheerscht. Terwijl men dit beginsel van vrije beweging aller mertschen en krachten in deze aangelegenheid heeft opgevat als sloot het in zich absolute vrijheid voor de hoofden der fabrieken, om over hun arbeiders naar welgevallen te beschikken en dezen hun arbeidsvoorwaarden op te dringen, heeft men, krachtens ditzelfde beginsel, de regeling van de verhouding der arbeiders onderling eenvoudig aan dezen /.elven overgelaten. En de aldus naar eigen onderlinge schikking verwezenen zijn aanvankelijk begonnen met de overgeleverde verhouding tusschen meester en gezellen in het voormalige handwerk toe te passen op de groote, nieuwe arbeidsverhoudingen der grootindustrieele bedrijven.

In deze laatste echter, waar de meester van voorheen zelfs niet eens meer zelfstandig persoon is, nam de zaak terstond een democratisch karakter aan, en hieruit vloeide als vanzelf voort, dat de arbeider zich, zonder eenig geschreven wetsartikel of reglement, voor het gezag zijner thans zelf ondergeschikte bazen slechts in zoover buigt, als het bedrijf dit vordert en zijn waardigheid als mensch dit toelaat. Het ligt voor de hand van hoeveel beteekenis deze democratisch-socia-listische omgangsgewoonten onder het werk voor de sociale ontwikkeling der arbeiders moeten zijn.

Over het tweede punt, de afwezigheid van zedelijke factoren, of van het bewuste hooghouden en aanwenden van deze door alle hoogere en lagere chefs, behoef ik niet veel meer te zeggen. Zonder woorden spreekt het feit bedroevend luid voor zichzelf. Het bewijst datgene, wat dit gansche hoofdstuk over den arbeid in de fabriek voor een ieder blootlegt en wat ik aan het slot er van hier nog eens in het licht wensch to stellen: dat al onze grootsche nijverheidsondernemingen, zeer eenzijdig, slechts inrichtingen zijn tot voortbrenging van OÜIIRK. 7

-ocr page 100-

98

bloot materieele waarden. Wat als zedelijke kracht in deze ondernemingen werkzaam is, moet beschouwd worden als de vrucht van zuiver toevallig gunstige verhoudingen, niet als die van een bewust oogmerk. In al deze grootsche inrichtingen mist men nog den zedelijken adel, waarvan zij doortrokken zullen zijn, zoodra men ze bovendien inricht en aanwendt als instellingen, welke, als vertegenwoordigend den nieuwsten en meest grootschen vorm van menschelijke levens-en arbeidsgemeenschap, tevens bestemd zijn om, van hoog tot laag, allen, die in haar werkzaam zijn, door hun, deelname aan den arbeid, waartoe zij roept, dezelfde gunstige gelegenheid te bieden tot vreugdevolle ontplooiing hunner geestelijke krachten en harmonische ontwikkeling, huilner zedelijke persoonlijkheid. Eerst dan wanneer déze opvatting van de roeping van het fabriekswezen, hetzij vrijwillig, hetzij gedwongen, algemeen als de alleen rechtmatige zal worden erkend en gehuldigd, eerst dan heeft die schepping van den nieuwen tijd, de fabriek, haar zedelijk recht van bestaan bewezen en kan zij het gezegend middel worden om de meuschheid een groote schrede verder te brengen op den weg barer onafzienbare ontwikkeling. En ik waag het de overtuiging uit te spreken, dat de verwezenlijking van dit doel zich zeer goed laat vereenigen met een inderdaad niet minder beteekenisvolle opvatting van hetgeen dezelfde groote instellingen, uit economisch oogpunt, in staat zijn tot stand te brengen en materieel vermogen af te werpen. Tenminste voorzoover de leiders der fabrieken eenigennate beseften, van welke grootsche opvoederstaak zij zich, krachtens hun beroep, ter wille van vaderland, volk, zedelijkheid en godsdienst behooren meester te maken. Daartoe dienen zij echter, hetzij willens of onwillens, door den drang eener nieuwe, betere, meer ideale, meer zedelijke, meer christelijke openbare meening, eenvoudig eerst zeiven te worden opgevoed.

-ocr page 101-

VIERDE HOOFD\'STUK.

Het agiteeren der Sociaal-Democraten.

Chemnitz is een der oudste zetels van de duitsche sociaaldemocratie. Reeds in 1867 zoud het den sociaal-democraat Fosterling, koperslager te Dresden, naar den noord-duil schen rijksdag, welken hij echter spoedig weer moest verlaten. Daarop richtte, kort na den oorlog, de „woedende Most\' zijn hoofdkwartier in Chemnitz op, en werd in 1874 en in 1877 daar zelf tot lid van den rijksdag gekozen. Bij de herkiezingen in 1878, na de moordaanslagen, werd hij wel is waar niet herkozen, maar de sociaal-democratie heroverde in 1881 het district door de verkiezing van den Breslauer schrijver, Bruno Geiser, en mocht het ook in 1884 behouden. In 1887 verloor zij het nochtans andermaal. Doch reeds bij de laatste verkiezingen in 1890 viel al weder de keus op een sociaaldemocraat, den bekenden Max Schippel, wiens vader te Chemnitz hoofd eener school is.

Zoo wordt dus in Chemnitz en omgeving reeds sedert ongeveer vijf en twintig jaren door de sociaal-democraten geagiteerd, en wel voortdurend door de hoofden der partij. ïe verwonderen is liet dan ook niet, dat aldaar reeds in 1881 over de 10.000, in 1887 over de 15.000 en in 1890 34642 stemmen op sociaal-democraten zijn uitgebracht, en dat dezen in de voorstad, waar onze fabriek stond en waar de meerderheid van ons woonde, bij de laatste verkiezing 700 stemmen mochten verwerven, terwijl de zoogenaamde „rijksgetrouwenquot; er slechts 150 kregen.

In overeenstemming met dit een en ander was de partij

-ocr page 102-

100

ook den vorigen zomer onafgebroken werkzaam en was hier, gelijk schier overal elders in Duitschland, deze beweging de eenige, die in de arbeiderskringen viel waar te nemen. Er werd krachtig geagiteerd volgens een vast plan, en met alle ten dienste staande middelen. Wekelijks werd door groote openbare bijeenkomsten, niet alleen van de beoefenaren van een of ander handwerk, maar ook van mannen en vrouwen uit het rolk in het algemeen, de belangstelling in de arbeiderspartij bij het volk levendig gehouden. Druk bezocht werden deze vergaderingen niet; althans niet die, welke ik heb bijgewoond. Zij zwollen slechts tot indrukwekkende volksverzamelingen aan, wanneer een of ander voorval in een der arbeiderskringen hiertoe aanleiding gaf, of een bekende van elders gekomen spreker, een sociaal-democratische grootheid optrad. Gewoonlijk bepaalde het aantal bezoekers zich tot 1 a 200 mannen. Dezen waren de arbeiders, die in de beweging vooraan stonden en die steeds den toon aangaven, zoodra er in het sociaal-democratisch kamp iets gaande was. Zij behoorden meerendeels tot wat men „gezetenquot; werklieden noemt. Ik herinner mij. dat ik in de eerste dier bijeenkomsten, welke ik als arbeider bijwoonde, de eenige was die aldaar in mijn vuile werkpak, zonder boord en das verscheen; de anderen waren allen net gekleed. Toch werd, ook zonder dat zij veel publiek trokken, het doel dezer bijeenkomsten reeds bereikt door de groote roode biljetten, die vooraf aan alle hoeken der stad en ook in onze voorstad werden aangeplakt: de aandacht der bevolking werd daardoor voortdurend op de beweging gericht. Overigens waren de samenkomsten slechts het kader voor de meer intensieve, meer individueele agitatie in de enkele stadsgedeelten en voorstadsdorpen. Want schier elk district had — en dit niet alleen tegen den tijd der verkiezingen voor den rijksdag — zijn sociaal-democratische kiesvereeniging, welke het gansche jaar door in stilte, maar met veel overleg en op doortastende wijze werkzaam was en waarvan de leden tot de meest overtuigde en vurigste aanhangers der partij behoorden. Deze kiesvereeniging heeft de leiding der beweging voor de rijksdag- en laatstelijk ook voof de gemeenteraadsverkiezingen in handen. Voor de groote meetings, welke bij die gelegenheden worden gehouden, heeft zij steeds een nooit in gebreke blijvende schaar getrouwen beschikbaar, die alsdan blindelings, volgens het bekende levenmakende recept, de zijde harer volksredenaars kiezen. Zij

-ocr page 103-

101

doet bovendien dienst als depót voor de gelden der partij, en — wat het voornaamste is — zij is de hoogeschool voor de sociaal-democratische sprekers. Want niet alleen de onlangs opgerichte vereeniging tot ontwikkeling der arbeiders, niet alleen speciaal daartoe bestemde instellingen, gelijk er een te Hamburg in stilte met veel vrucht moet werkzaam wezen, worden dienstbaar gemaakt aan dit doel. Men kan met alle gerustheid verzekeren, dat iedere soc.-dem. kiesvereeniging een redenaarsschool is voor beginnenden. Dat was ten minste die onzer voorstad, eene vereeniging, welke ongeveer 120 leden telde en een contributie hief van 10 pfennig in de maand. Daarom werd dan ook steeds in het bijzonder nadruk gelegd op de debatten, welke zich vastknoopten aan de gehouden toespraak of aan de voorlezing van artikelen uit de sociaal-democratische „Volkstribune.quot; De voorzitter deed dit door bij den aanvang der debatten tot levendige deelneming aan deze op te wekken, en deze opwekking steeds in de volgende woorden te kleeden: „De zittingen onzer kiesvereeni-gingen worden in de eerste plaats gehouden ter wille der debatten. Wenschelijk wordt geacht, dat een ieder het woord voere, een ieder uitspreke wat hij te zeggen heeft. Moge dit ook in den jammerlijksten vorm geschieden, een ieder kan er zeker van zijn, dat hij niet zal worden uitgelachen. Want juist hiertoe komen wij (die veertien dagen hijéén, opdat wij ohs oefenen, om in de groote bijeenkomsten onzer tegenstanders met goed gevolg te kunnen antivoorden*. Men gaf — dit. moet ik zeggen — getrouw gehoor aan deze oproeping. Van acht uur des avonds tot ongeveer middernacht rekten zich gewoonlijk de debatten dezer, door den arbeid des daags, niet weinig vermoeide mannen. Wie maar iets op het hart had, sprak het uit, zoowel jongen als ouden, zonder onderscheid. Dikwijls op de meest onbeholpen wijze, in zinnen, waarvan geen enkele goed gebouwd was, gedachten weergevend, die een schrikwekkend mengelmoes waren van kennis en onwetendheid, van practische ondervinding en gebrek aan blik op het groote geheel, en die vaak van een dolzinnigheid in opvatting getuigden, waarvan de heldere hoofden zelfs onder de eigen geestverwanten schrikten. Maar evenzeer hadden wij in ons midden een aantal sprekers, zóó vlug, zóó slagvaardig. yaóó scherp en juist in het oordeelen, dat ik in stilte, vol bewondering en schaamte, deze eenvoudige mannen, deze wevers, bankwerkers, sjouwerlieden aanhoorde: nederig erkennend, dat

-ocr page 104-

102

naar mijn ervaring slechts enkelen der leeken onder mijn standgenooten zicli in welsprekendheid, in zekerheid van denken en optreden, met hen kunnen meten. En allen, die aldaar het woord voerden, werden, ook al brachten zij het onzinnigste voor den dag, rustig, aandachtig en met bijna kinderlijken ernst aangehoord, terwijl men tot mijn verwondering, zeer goed begreep wat zij eigenlijk wilden zeggen. Dat men elkander onder deze debatten geweldig in het haar zat, dat zeer strijdige meeningen met elkander in botsing kwamen, is ook en juist daarom opmerkenswaardig, omdat door de sociaaldemocraten, zoodra zij in groote meetings tegenover tegenstanders staan, de meest vast aanééngesloten eenheid aan den dag pleegt te worden gelegd. Eenigermate als een voortzetting der debatten moet de beantwoording der vraagbriefjes worden beschouwd, die gedurende de debatten door de toehoorders in de vragenbus werden geworpen, en meestal het verzoek inhielden, om nadere verklaring van een in het debat aangeroerd punt, van een uitheemsch woord of van een in de courant gevonden en niet begrepen opmerking. Meestal waren de antwoorden, door den voorzitter, den spreker of een ander gegeven, tamelijk voldoende, maar, gelijk zich laat denken, af en toe toch ook wel verre van afdoende, ja wel eens ten eenenmale onjuist. Doch gegeven werden ze alle met die rustige, eigendunkelijke zekerheid, die steeds den halfontwikkelde, den aan een zaak of aan zich zeiven geloovende eigen is. De voordrachten stonden klaarblijkelijk achter bij deze debatten. Ze waren meestal kort en werden steeds door de aldaar aanwezige hoofden der partij, alzoo door Chemnitzers, gehouden. Dikwijls hadden zij niets te beteekenen en waren zij eenvoudig uit de nieuwste courantenberichten saamgeflanst. Dergelijke voordracht werd — dit is ook elders onder de soc. dem. gebruikelijk — door den spreker niet alleen in onze, maar in wel vijf, ja soms wel tien andere kiesvereenigingen gehouden en dit steeds met denzelfden nadruk en hetzelfde vuur. Dit iaat zich alleen verklaren uit het fanatisme, waarmede deze partyleiders voor de zaak, die zij voorstaan, ijveren en uit de gedeeltelijke beschaving, die zij zich eigen hebben gemaakt. Daardoor komt het meer dan vervelende van dit eindeloos herkauwen niet tot hun bewustzijn.

Zoowel voordracht als debat werden, naar ik zeide, steeds met de grootste aandacht gevolgd door de ongeveer veertig personen, die deze vergaderingen geregeld bijwoonden. Men

-ocr page 105-

103

las het op deze belangstellende aangezichten, men zag het als uit de oogen dezer mannen lichten, hoe hun hersenen zich inspanden om de voorgedragen gedachten op te nemen en te verwerken. Er werden veel pijpen en enkele sigaren gerookt en gemiddeld één, hoogstens twee glazen bier gedronken: gewoon bier voor 8 pfennig, of lagerbier voor 15 pfennig. Slechts enkelen verlieten de vergadering vóórdat zij gesloten werd, zij het ook dat deze en gene, door de vermoeidheid tengevolge van de dagtaak overmand, tegen het einde ervan rustig was ingedommeld. Maar over het geheel was, zooals ik zeide, de belangstelling groot en de aandacht onverdeeld. Deze avonden toch waren voor deze mannen geen uitspanning, geen vermaak, maar inspanning, zware inspanning; uren van ijverig leeren, van gezet nadenken, van verkwikking en bemoediging in hun eentonig, geestdoovend fabrieksleven. Voor velen — men kan het zonder groote overdrijving zeggen — waren zij een vergoeding voor het vroeger gebruikelijke ter kerke gaan. En hieruit juist laat zich verklaren de groote agitatorische betee-kenis, die aan deze sociaal-democratische kiesvereenigingen, met hun regelmatige wederkeerende bijeenkomsten, in middelmatig groote steden als Chemnitz moet worden toegeschreven. Zij zijn het, die den tot de sociaal-democratie neigenden arbeider voortdurend, zonder tusschenpoozen en als \'t ware ongemerkt bearbeiden, tot hij met zijn droomen en denken geheel in den gedachtenkring der socialistische partij opgaat. Zij zijn het, die den bearbeide oefenen, tot hij in staat zij het vuur dei-overtuiging, door haar toedoen in hem ontvonkt, niet nutteloos te laten vergloeien, maar aan te wenden tot ontsteking van hetzelfde vuur bij kameraden en familieleden, en tot verdediging der gemeenschappelijke zaak in de openbare bijeenkomsten der tegenstanders.

Voor het uiterlijk hadden deze avonden steeds hetzelfde verloop. Aanneming van nieuwe leden, voorlezing der notulen, voordracht — of bij verhindering van den aangekondigden spreker — voorlezing van een artikel uit een socialistisch blad, meestal de zich daartoe zeer goed eigenende „Berlijn-sche Volkstribune\', debat en vragenbus. Even eenvormig en stereotiep waren de woorden, waarmede de overigens zeer begaafde voorzitter de vergaderingen leidde en was de wijze, waarop de secretaris het in de vorige zitting behandelde weergaf. Men kon duidelijk zien, hoe met moeite aangeleerd, hier bij deze eenvoudige lieden, de parlementaire vormen

-ocr page 106-

104

waren. Gasten waren steeds welkom; doch er kwamen niet veel en niet dan uit de kringen der arbeiders. Elke bijeenkomst werd hetzij door een koninklijken gendarme of een plaatselijken politieagent bijgewoond. Zij namen in een bescheiden hoekje plaats, verroerden zich bijna niet en het kwam mij voor, dat hun persoonlijke verhouding tot de arbeiders en omgekeerd, geen bijzonder vijandelijke was. Men wenschte elkaar althans wederzijds „goeden avond,quot; \'en ik zag ook menigmaal op andere avonden denzelfden agent in uniform aan één tafel met ons, arbeiders, in de kneip zitten, doodge-moedelijk zijn glas bier drinkend.

Terwijl het maar al te duidelijk was, dat mijn kameraden mij tot lid hunner kiesvereeniging zochten te winnen, is het my maar niet mogen gelukken in aanraking te komen met de vakvereeniging der Chemnitzer metaalarbeiders. In de fabriek werd nooit over deze vereeniging gesproken, en van mijn kant moest ik mij wachten dit te doen, wilde ik niet als een indringer worden beschouwd of mij zeiven als spion verdacht en daardoor onmogelijk maken. In andere vakvereenigingen, met name die der lithographen, werd destijds reeds op de vergaderingen (welke ik af en toe bezocht) de gewichtige vraag opgeworpen, die heden in alle vakvereenigingen aan de orde is, en in ernstige overweging wordt genomen : welke vorm onder de tegenwoordige beperkte verhoudingen de beste moet worden geacht om met vrucht werkzaam te zijn: centrale of locale organisatie der arbeiderspartij.

De vergaderingen onzer kiesvereeniging werden in de restauratie onzer voorstad gehouden, tevens het officieele, zij het dan ook niet het eenige vereenigingslokaal der te Chemnitz woonachtige sociaal-democraten, \'t Was het beste lokaal van de geheele plaats. De kastelein en zijn vrouw waren beiden sociaal-democraten, hoewel zij er zich steeds voor wachtten, zich in uitvoerige politieke gesprekken te mengen. De vrouw onderscheidde zich door een ruwheid in denken en spreken, zooals ik die nog nooit bij vrouwen heb waargenomen. Ik herinner mij nog zeer goed hoe zij eens tegen middernacht ons (haar laatste gasten) gapend en slaapdronken verzocht heen te gaan met de godslastering: „Ik heb begeerte ontbonden te worden en met Christus te zijnquot;. Toch was dit, zooals ik zeide, niet het eenige sociaal-democratische lokaal. Men kan aannemen dat de meeste en in elk geval al de kleine bierkneipen te Chemnitz door sociaal-democratische kasteleins werden gehouden.

-ocr page 107-

105

In twee groote café\'s met concerttuinen eraan verbonden en door zoogenaamd „fijne luiquot; bezocht—café\'s, waar eiken Zondagavond betrekkelijk nette publieke bals werden gegeven — waren slechts de daaraan verbonden koetsierskneipen en hun onderkasteleins sociaal-democratisch getint. Klaarblijkelijk was het meestal zuiver eigenbelang, wat de kasteleins in deze had doen partij kiezen.

Ditzelfde kon men waarnemen in de kleine winkels, vooral in die waar etenswaren werden verkocht. Ik heb dikwijls gelegenheid gehad op te merken met hoeveel ijver de eigenaar en vooral de eigenares van dergelijke affaires op de socialistische gezindheid hunner koopers ingingen. Dit zaaksocialisme is in alle middelpunten der grootindustrie meer verbreid dan over \'t algemeen wordt vermoed. Het wordt gerepresenteerd door een zeer bonte verscheidenheid van winkeliers en het is een punt van ergernis voor alle ideaal gezinde sociaal-democraten, aangezien het in de meeste gevallen gelijkluidend is met afwezigheid van gezindheid, \'t Is echter tegelijkertijd een nieuw bewijs van de macht, die de sociaal-democratische beweging in de nijverheidscentra werkelijk op dit oogenblik reeds is.

In alle bovengenoemde café\'s en bierkneipen vond men, naast kleurlooze provinciale bladen en de „ Kladderadatsch quot; en „ Fliegende Blatterquot;, altijd ook één of meer exemplaren van sociaal-democratische couranten; vóór alles van de Chemnitzer „Pressequot; en van enkele vakbladen. Het is reeds geruimen tijd van alge-meene bekendheid welk een middel tot machtsuitbreiding de sociaal-democratische partij in het heirleger couranten bezit, dat zij over het geheele Duitsche rijk verspreidt. Op dit oogenblik reeds over de honderddertig. In onze voorstad kon men in een beperkten kring den invloed en de beteekenis van dit middel zien. Het spreekt van zelf, dat iedere arbeider zijn eigen courant las. Uitzonderingen bewezen ook hier den regel. Hoofdzakelijk hield men alleen of met z\'n tweeën en drieën de sociaal-democratische „Pressequot; er op na, een door en door degelijk en ernstig blad, dat beter geredigeerd werd dan de meeste onzer kleinsteedsche lokaalbladen, en dat zich de vrijheid veroorloofde nu en dan gedichten van Gerok of Uhland te geven, nevens die van den een of anderen windbuil der allerjongste duitsche, in het sociaal-democratische kamp overgegane dichterschool. Voorts werden veel gelezen de goed en rustig geschreven „Landesanzeiger,quot; alsook de nog goedkoo-pere „Neuesten Nachrichten,quot; een klein, onpartijdig blaadje.

-ocr page 108-

106

waarschijnlijk een stekje van het eerste blad. Het tamelijk klenrlooze, behoudende „Chemnitzer Tageblatf werd alleen nu en dan ingezien wegens de vele aanwijzingen van te huur zijnde woningen en van patroons, die arbeiders zochten. Geregeld gelezen werd dit blad slechts door een klein aantal arbeiders, die de élite vormden der sociaal-democraten en zich tot regel hadden gesteld, van elk der voornaamste politieke partijen één blad aan te schaffen, hetgeen voor deze lieden wil zeggen: geregeld en nauwkeurig bestudeer en. (Een zeer aanbevelenswaardig beginsel, dat aan menigen behouds-man ter navolging wordt aanbevolen.) De Berlijnsche „Volkstribune,quot; destijds geredigeerd door Max Schippel, en wetenschappelijker, zaakUjker, voornamer dan de andere partijbladen, vrij van kleine politiek, personaliteiten, en party-twist, (deugden, die het helaas onder de nieuwe redactie, onder den radicalen en sterk demagogisch gezinden Paul Ernst schijnt te hebben verloren) heb ik ook slechts in dezen kleinen kring van uitverkorenen gevonden. Vaker het vakblad van de groote metaalarbeidersvereeniging, dat echter op verre na niet uitsluitend vakaangelegenheden ter sprake brengt.

Voor de verspreiding van andere sociaal-democratische literatuur zorgde in ons district een, tengevolge van den Isten Mei werkeloos geworden arbeider, die als colporteur het zeer interessante sociaal-democratische humoristische blad „Der wahre Jakobquot; en diens pendant, de te Weenen verschijnende „Glühlichterquot; verkocht, inteekeningen zocht te verkrijgen op de sociaal-democratische werken, welke in afleveringen verschenen, en voorts snuisterijen als lucifersdoosjes, doekspelden met het portret van Schippel, Bebel, Liebknecht, alsmede photografieën van deze heeren aan den man zocht te brengen. Men vond hem steeds in alle vergaderingen der soc.-democraten even als bij alle gelegenheidsfeesten der partij, welke hij vaak mee hielp van stapel loopen. Wat hij verder uitvoerde weet ik niet; in elk geval heb ik hem geen bijzondere pogingen zien aanwenden om nieuwelingen te bewerken. Hij was de agent van de drie sociaal-democratische boekhandelaren, die men te Chemnitz vond. Het is bekend dat bij deze boekhandelaren, ongehoord eenzijdig, niets dan sociaal-democratische partijliteratuur is te verkrijgen, of althans slechts die geschriften, welke indirect bevorderlijk zijn aan den bloei der partij. Eerst kort geleden schijnen zij zich zóóveel geestelijke vrijheid en onpartijdigheid te hebben eigen gemaakt, dat zij

-ocr page 109-

107

ook werken van Goethe en Schiller te koop stellen, dingen die in hun oogen natuurlijk producten zijn van de meest ingekankerde bourgeoisie. Deze sociaal-democratische boekwinkels moeten worden medegeteld onder de uitgangspunten van de zoo krachtige beweging der partij, en waren ook in Chemnitz een belangrijk element voor de hedendaagsche volksontwikkeling.

Een eigenaardige en voor den invloed der partij waarlijk niet laag te schatten beteekenis hadden de twee reeds door mij genoemde humoristische bladen, door den colporteur gevent. Wie ze kent, zal toegeven dat ze op dit gebied mogen worden medegeteld. De platen zijn doorgaans artistiek, de aardigheden natuurlijk altijd politiek getint en gescherpt, maar geestig en op den man af, de humor gezond en pittig. Het bestaan dezer bladen is voor mij steeds een oorzaak van innerlijke voldoening geweest, want het is mij een bewijs van het onbloedige karakter der geheele groote sociaal-democratische beweging. Een bende wanhopigen, een partij, wier uitsluitend en bewust doel het-doen-uitbreken is eener bloedige revolutie, wier eenige en grootste vreugde de vernietiging zou zijn van al het bestaande, zulk een partij denkt er niet aan en zou ook niet in staat wezen iets voort te brengen, wat op deze humoristische bladen gelijkt. Waar de met echten vroolijken humor vermengde „Witz,quot; in tegenstelling van de slechts van verbittering en verbeten woede vervulde satire, tot zoo onschuldige uitdrukking kan komen als in deze bladen geschiedt, daar kan men de gedachte aan „bloedigequot; plannen gerust op zijde zetten; daar mag men veeleer uit dergelijke kleine, op zichzelf onbeduidende teekenen het besluit trekken, dat er in deze beweging — hoeveel moreel bedenkelijks en geestelijk onrijps haar ook aankleeft, hoeveel ernstige en gevaarlijke ontploffingsstoffen ook ontegenzeggelijk in haar bezonken liggen — toch tevens zóóveel gezonde kracht en frisch bloed voorhanden is, dat, zoo men haar met wijsheid en rechtvaardigheid tegemoet treedt, zij nog tot een zeer gewichtigen, door God gewilden, door God gezegenden factor kan worden in de voortschrijdende geestelijke ontwikkeling van het menschdom.

Als agitatiemiddel dienden voorts de, gedurende de zomermaanden, des Zondags plaats vindende arbeiders- en kinderfeesten. Ik weet niet of deze een bepaalde specialiteit waren der Chemnitzer sociaal-democraten, wel is mij bekend,

-ocr page 110-

108

dat in Berlijn \'s winters allerlei bals, comedievoorstellingen, concerten en maskeraden met hetzelfde doel en met evenveel succes gegeven worden.

Ik heb drie dergelijke zomerfeesten bijgewoond, één in ons voorstadsdorp, twee in verrukkelijk gelegen plaatsen op een paar uren afstands van Chemnitz. Men kreeg hier sterk den indruk, dat het gemunt was op het winnen van hen, die zich gewoonlijk op een afstand plegen te houden van politieke en economische vraagstukken, namelijk de arbeidersvrouwen -meisjes en -kinderen. Wie niet te trekken is door den ernst dei-politieke partijbegrippen, die moet door gezellige vreugde, door allerhande vermakelijkheden en genoegens voor de partij worden gewonnen, en zoo van lieverlede, zonder moeite en strijd, onder opgewekte vroolijkheid, den sociaal-democratischen geest als \'t ware inzuigen. Terwijl men de kinderen een prettigen dag verschaft, wint men het hart der moeders; terwijl men de jongelui gelegenheid geeft tot een dansje, brengt men de slechts op vermaak beluste jonkheid onbewust in aanraking met de sociaal-democratische beweging en verbindt men persoonlijke kleine belangen met de groote belangen der party. Vooral op plaatsen, waar de sociaal-democratie nog niet al te vasten voet heeft verkregen, wordt werk gemaakt van deze soort feesten. Daardoor toch laat de partij zich van haar beminnelijkste, haar onschuldigste zijde zien, en doet zij zich ook aan rustige en vreesachtige arbeiders als aannemelijk en volstrekt niet te duchten voor.

In dergelijke gevallen, doet zulk een zomerfeest in zekeren zin tegelijk pioniers- en agitators werk, en dit meestal met meer succes dan door het houden van een aantal openbare vergaderingen wordt verkregen. Daarbij hebben deze feesten nog een andere taak. Zij zijn een financieele onderneming der lokale partijleiders, want het surplus, waarop het wordt aangelegd en dat ook meestal behaald wordt, moet de partijkas helpen stijven. Bovendien brachten allerlei zaken, waarop ik zoo aanstonds terugkom, nog een gewillig betaald extratje op. Met dit al gaven de meesten, die aan deze feesten deelnamen, zich eenvoudig aan een zeer onschuldig vermaak over; de kinderlijke, diep in den volksaard wortelende behoefte om nu en dan ongedwongen, zonder nevenbedoeling, met elkander vroolijkte zijn en pret te hebben, deed voor velen onder de aanwezigen het eigenlijke partijdoel op den achtergrond treden. Onder deze omstandigheden maakt een dusdanig sociaal-democratisch kin-

-ocr page 111-

109

derfeest uiterlijk denzelfden indruk als de meeste onzer gewone „onzijdigequot; volksvermaken en volksfeesten.

Het al of niet slagen van zulk een feest hangt grootendeels af van de plaats, het weder en de meer of minder gelukkige regeling der zaak. Twee van de drie door mij bijgewoonde feesten hebben een rechtaf aangenamen indruk bij mij achtergelaten; namelijk dat in het zoogenaamde jagershuis dicht bij Siegmar en dat te Einsiedel, een op twee uren van Chemnitz idyllisch gelegen dorp. \'tWas beide keeren heerlijk mooi weêr; een blauwe hemel, een zonnige lucht. Bij het eerste feest speelden de kinderen de hoofdrol; het was een echt karakteristiek volkskinderfeest, met kinderwagens en kindergeschreeuw, met blikken trompetjes en mondharmonicamuziek, met stersteken en luchtballons. Hoe onschuldig men zich daar vermaakte, blijkt uit een aardig spel, dat ik niet kende. Een jonge bont uitgedoste arbeider had zich van boven tot onder met stukjes peperkoek behangen, en ging daarmee aan het loopen. Wie der kinderen hem inhaalde mocht hem een stukje koek afrukken. Dat gaf een vroolijke dolle jacht; ?t had iets van een modernen rattenvanger van Hameien. Rechtaf schik had ik ook in verscheidene andere spelen, die meer dan één volwassen arbeider onvermoeid met de kinderen uithaalde en waarbij de ouderen in groote getale vroolijk lachend, toekeken. Zoo werd, blijkbaar zonder eenige partij-tendenz het bekende: „Adam had zeven zonenquot; en dergelijke gespeeld. De danslustigen haalden inmiddels in een zeer primitief lokaal hun hart op aan walsen en polka\'s, door citherspel begeleid; de getrouwde lui zaten in den tuin onder de boomen te babbelen. De twee eigenaardigheden, waardoor deze sociaal-democratische feesten zich plegen te onderscheiden, vond men ook hier: het rariteitenkabinet en de aardigheid van het arresteeren. Doch ik kom op deze beide van zelf terug, als ik het feest te Einsiedel beschrijf, dat reeds weer een ander, een meer tendenzachtig, een minder naief vroolijk karakter had. Dit lag misschien wel aan het groot aantal Chemnitzer arbeiders, welke hier, in tegenstelling met het feest te Siegmar, het overwicht hadden op de bezoekers uit het plaatsje zelf, en daardoor den toon aangaven. Een toon, die, wanneer hij uitgaat van arbeiders uit groote steden, als \'t ware gedrild in sociaal-democratische gezindheid en houding, gewoonlijk gemoedelykheid, en ongekunstelde natuurlijkheid mist.

Niet onbelangrijk is het program, dat, met roode letters

-ocr page 112-

110

op geel karton gedrukt, mij op het tweede feest te Einsiedel, tegen betaling van 15 pfennig entreegeld, werd overhandigd, en als volgt luidde:

VRIENDELIJKE UITNOODIGING tot het GROOTE ZOMERFEEST

van de

WEVEKSVAKVEItEENIGING VAN EINSIEDEL EN OMGEVING,

tot vermaak der groote en kleine kinderen beiderlei kunne. Zondag 3 Augustus 1890

IN HET KEIZERSHOF TE EINSIEDEL.

Bij wolkbreukachtigen regen 14 dagen later.

PROGRAM:

Iste DEEL.

2 uur. Bijeenkomst van alle groote en kleine kinderen

in het Keizershof.

3 uur. Opwachting der bezoekers, die met den trein van

Chemnitz komen ; daarop gezamenlijke aftocht naar het feestterrein.

3 uur 41/i minuut. Aankomst op dit terrein.

IIde DEEL.

1. Groot vrijheidsconcert van de wereldberoemde Huiskapel, genaamd ; Achturenkapel.

2. Groote wedstrijd in het schieten voor kinderen van beiderlei kunne.

8. Voor kleine wevers of andere loonslaven wordt een met worst en andere dingen behangen klimpaal opge-

-ocr page 113-

Ill

richt. Niemand mag echter hooger klimmen dan de paal lang is.

4. Proeven met het wereldberoemde instantané-photografie-toestel.

5. G-roote wedstrijd in het kloenopwinden voor groote kinderen van het vrouwelijk geslacht.

6. Bezichtiging van het grootste rariteitenkabinet dei-wereld.

7. Terugtocht naar de stad te 9 uur of te half elf uur \'s avonds.

8. Alle 36 uur moet ieder deelnemer eenmaal naar huis gaan.

9. Ieder, die een uitnoodiging heeft ontvangen, kan deelnemen, mits hij niet jonger zij dan drie dagen en niet ouder dan 90 jaar.

10. Het feestcomité is herkenbaar aan hun ledige magen en hun vereelte handen.

11. Honden mogen niet worden meegebracht, daar er reeds genoeg speurhonden aanwezig zijn.

Tot slot groote fakkeloptocht en afscheid der gasten, die met den trein van half elf vertrekken.

Het concert duurde slechts van 4—5 uur. Onderwijl had op het kleine grasveld der restauratie het klimmen der groo-tere knapen, het sterresteken der meisjes, het blindemannetje spelen der kleintjes plaats. Ieder ontving een kleinigheid; de jongens zakmesjes, mondharmonica\'s, pennehouders, zakdoekjes, worstjes; de meisjes oorringen, broches, portemonnaies, kousenbanden, zakdoekjes, worstjes; alle zeer goedkoope zaakjes, waarschijnlijk een gelegenheidskoop, aangezien de zakdoekjes het kleurige beeld droegen van Keizer Wilhelm I.

Toen om vijf uur de dans begon en de muziek door de open vensters over het feestten\'ein klonk, vormde zich onder de talrijke bezoekers een groep mannen, die, nadat de politie geïnspecteerd en zich daarop een weinig verwijderd had, uit den sociaal democratischen verzenbundel op bekende wijzen sociaal-de;uocratische liederen zongen. In een engen kring rondom de zangers stonden mannen, vrouwen en kinderen dicht op een, vol aandacht de woorden opvangend van het lied, dat voor velen in wegslependen, bezielenden vorm van een nieuwe wereld vol stoutmoedige gedachten sprak.

-ocr page 114-

112

In een hoek van het terrein stond ook hier het reeds genoemde rariteitenkabinet en een nabootsing van het bekende op jaarmarkten en elders nooit ontbrekende toestel voor photo-grafiie instantanée. Een ieder moest een dezer tenten binnengaan. Wie het niet vrijwillig deed, werd door een arbeider — in een oude uniform gestoken en gewapend met een houten sabel — onder assistentie van verscheidene kameraden, met geweld naar binnen geduwd; anders gezegd: „gearresteerd.quot;

In het „kabinetquot; was een wonderlijke collectie rariteiten bijeen. Men vond er een reusachtigen maar dood gewonen stok: „de Kaïnsknuppelquot;; een rond stuk glas: „de aard spie gelquot;; een ingedroogden haring: „een reuzenwalvischquot;; een oude verroeste sabel en een dito mes; „wapenen uit het jaar 1848quot; enz. Een ieder, die binnen kwam, betaalde 10 pfennig, die door den zoogenaamden uitlegger der wonderlijke verzameling in ontvangst werden genomen en in een notitieboek werden opge-teekend. Ik was juist in de tent, toen de koninklijke gendarme en de plaatselijke politieagent het verdachte lokaal inspecteerden. Ik moet eerlijk bekennen dat het een belachelijke vertooning was. Die twee rustbewaarders, die met strenge, booze gezichten al die flauwiteiten monsterden, de naïef brutale antwoorden van de twee, op dergelijke gevallen steeds voorbereide slimme vogels: den kassier en den explicateur van het kabinet; het schampere lachen der overigen, der bezoekers. Toen de heeren heengingen, trok men een neus achter hun rug.

Verre van aardig was het feest in ons eigen dorp, bij regenachtig weder gegeven in den kleinen, kalen tuin der restauratie. Ook hier een rariteitenkabinet en daarin een vat met — arbeiderszweet. De kinderen met roode schorten, de volwassenen met roode strikken op de borst. De beide gelagkamers vol menschen en walm, en dit tot \'s nachts elf uren toe. Aan een groote ronde tafel stonden de gasten dicht opéén gedrongen, luisterend naar een hevigen twist tusschen eenige sociaal-democraten en een Beier, een koopman, die, zoo juist van de reis gekomen (hij kwam uit Amerika) toevallig in dit lokaal was aangeland. Naast hem zat zwijgend de directeur der brouwerij, welke den kastelein het bier leverde; een leverantie, die den directeur aanleiding gaf tot dit bezoek. De strijd was hevig, maar kwam herhaaldelijk tot bedaren door de joviale leukheid van den kalmen, doch niet op de juiste wijze zich verwerenden geamerikaniseerden Beier. Tusschendoor

-ocr page 115-

113

werden heftige sociaal-democratische liederen gözongen, totdat eindelijk de discussie tot een einde kwam en in een algemeens bierdrinkerij, op kosten van den Beier, verliep. Bij deze gelegenheid heb ik veel gehoord en gezien, waarvan ik in een ander hoofdstuk zal gewagen. Dit kinderfeest was geen kinderfeest, maar een door en door sociaal-democratisch, tamelijk onstuimig partijfeest, dat de scherpste tegenstelling vormde met het prettige, aardige feest der Hirsch-Dunckerische Chemnitzer-metaalwerkers- en weversvereeniging, dat ik den daarop volgenden Zondag bijwoonde. Ik vond daar twee bankwerkers uit onze fabriek, twee onzer rustigste, netste arbeiders. En even net, rustig en beleefd als dezen gedroegen zich alle overige leden en gasten, zoowel gedurende het concert als bij den dans. Er heerschte een opvallend andere toon, dan op het zooeven door mij geschetste sociaal-democratische kinderfeest.

In de fabriek zelve viel gedurende den arbeid weinig of niets waar te nemen van een openlijke en de aandacht op zich richtende agitatie der als zoodanig optredende sociaaldemocraten. Dit werd in de eerste plaats onmogelijk gemaakt door de energieke houding van onzen technischen directeur. Hij handelde in elk geval verstandiger dan sommige fabrikanten. Hij was streng maar overdreef niet. Hij liet, zelfs nog na zeven maanden, rustig boven den ingang onzer afdeeling de groote, met krijt geschreven oproeping staan: „Arbeiders kiest allen Schippel!\' Hij ignoreerde haar doodeenvoudig, even als het: „Leve de internationale sociaal-democratie!quot; dat men in meer dan één hoek dei-fabriek kon lezen. Doch overigens had hij zijn arbeiders doen weten; „De sociaal-democratie gaat mij niets aan; buiten de fabriek kunt ge zoo rood zijn als ge wilt, maar hier binnen niet. Hier ben ik de baas ; wie er hier mee aankomt, gaat de poort uit\'. Men wist, dat hij meende wat hij zeide en wachtte zich dus wel zijn verbod te overtreden. Slechts tegenover intieme bekenden, op wie men zich kon verlaten, gaven enkele vurige en overtuigde sociaal-democraten nu en dan lucht aan hun politieke gevoelens ; voor het overige bepaalde de kleine schaar agitators zich er toe een des te dieperen indirecten invloed uit te oefenen ten opzichte van alles, wat het bedrijf betrof. Ik bespeurde reeds eenige dagen na mijn intrede in de fabriek, dat bij dergelijke aangelegenheden de gezamenlijke arbeiders mijner afdeeling zich bukten voor een on-naspeurelijk en niet te omschrijven gezag, en dat de draden göhke. 8

-ocr page 116-

114

van dezen stillen invloed te zamen liepen in de handen van eenige bepaalde, en zeer karakteristieke persoonlykheden. Werd bijvoorbeeld door de directie een verandering ingevoerd in de werkzaamheden of in den arbeidsduur of in de loonsbetaling, dan kon men duidelijk bespeuren, dat de meerderheid dei-arbeiders besluiteloos, vreesachtig, zich van het uitspreken van een oordeel onthield, totdat op een gegeven oogenblik het parool gegeven was, „de openbare meeningquot; zich gevestigd had. En was deze meening ook menigeen niet naar den zin, omdat zij lijnrecht indruischte tegen zijn oogenblikkelijk belang, toch bleek ze een macht te zijn, die men eerbiedigde en waartegen men zich openlijk slechts zelden durfde verzetten.

Ziedaar hetgeen ik in onze omgeving van het agiteeren der sociaal-democratische party, volgens een vast plan, heb bespeurd. Ik beweer niet, en ik geloof evenmin, dat die agitatie zich hiertoe bepaalde, maar ik heb er niet meer van kunnen waarnemen dan ik hierboven schilderde. De hoofden en leiders der beweging waren de kleine schaar der uitstekende, der diep overtuigde aanhangers van de sociaal-democratische leer, de élite, die overal de keurbende vormt, overal het aanknoopings-het cristalisatiepunt is voor de duizenden, die er zich omheen scharen. Uit deze keurbende kwamen de candidaten voort der sociaal-democratische kiesvereeniging, benevens de onderaanvoerders in de enkele districten, de presidenten der kies- en vakvereenigingen, de comitéleden bij de verkiezingscampagnes enz. Zij alleen waren in afnemenden graad meer of minder ingewijd in de plannen van het Centraalbestuur, zij waren de uitvoerende macht van dit bestuur, ontvingen daarvan allerlei mededeelingen en aanwijzingen. Zij regelden de feesten, waren de woordvoerders in de openbare bijeenkomsten en in de meetings met de tegenstanders, de in den omtrek rondreizende sprekers, de onvermoeide redenaars in de wekelijksche vergaderingen van kies- en vakvereenigingen. Ook onderwezen zij in de leer de toonaangevende personen in die vakken, waartoe geen enkele van hen zeiven behoorde. Door de overige arbeiders werden zij — voor \'t uiterlijke ten minste — onvoorwaardelijk als de aanvoerders erkend en met een hoogst eigenaardige mengeling van kameraadschappelijke vertrouwelijkheid en eerbiedige hoogachting bejegend. Toch werden zij niet allen door iedereen even hoog gesteld. De een beviel beter dan de ander; de een was meer bemind dan de ander. Dit hing af van de wijze van zijn optreden, van zijn spreken, van zijn

-ocr page 117-

115

gezindheid. Er waren bijvoorbeeld twee broeders R. die destijds aan het hoofd der beweging te Chemnitz stonden, en die — althans één van hen — op de vergaderingen onzer vereeniging en bij de zondagsfeesten het hoogste woord voerden. (Naar ik hoor, moeten zij thans niet meer tot de partij behooren; de een omdat hij er uitgezet is; de ander omdat hij haar verlaten heeft.) Deze waren wegens hun twistzoekend, heftig, aanmatigend karakter niet zeer gezien; men stelde anderen, die rustiger, zachtzinniger, ernstiger waren, boven hen. Meer dan eens heb ik in de fabriek de meer bejaarden onder mijn kameraden aldus een zelfstandig oordeel over de leiders hunner partij hooren vellen. Maar niettemin erkende men hen als zoodanig, boog men voor hun gezag, en eerbiedigde men de voorschriften, die zij namens de partij meenden te moeten geven ter uitbreiding van de door hen georganiseerde en geleide, en inderdaad ook meestal goed overlegde, beweging. Tot de uitvoering van dergelijke bevelen liet zich slechts een kleine schaar, meerendeels jeugdige mannen van tusschen de 18 en 23 jaar vinden; jongelieden, verteerd door blinde partijdrift en onrijpen drang naar daden. Zij waren de bruikbaarste en gevaarlijkste werktuigen in de handen der agitatoren; het jonge groene hout, waaruit defen hun onderdanige adjudanten en navolgers sneden. De groote meerderheid dei-aanhangers van de partij, namelijk zij, die zich eenigermate zelfstandig voelden aangelegd en gemoedelijk van aard waren, gaven zich met deze georganiseerde partijbeweging niet af, hadden daartoe trouwens geen tijd, geen kracht en geen geld genoeg.

Deze laatsten werkten op een andere en voor hen gemakkelijker wijze tot de beweging mede; een werkzaamheid die evenwijdig liep met de georganiseerde, de, van een middelpunt uit, in gang gezette en geleide. Men kon deze laatste beweging, in tegenstelling met de eerste, de meer vrijwillige, ongeregelde, toevallige noemen ; overgelaten als zij is aan de vindingrijkheid, de oogenblikkelijke opwelling, de bekwaamheid en de standvastigheid der afzonderlijke aanhangers. Zij was met één woord de persoonlijke invloed, dien de sociaal-democratische arbeider op den nog niet of nog slechts weinig sociaal-democratisch gezinden kameraad uitoefende ; zij was het vleesch, de andere is het geraamte van het monster, dat sociaal-democratische propaganda heet. Zij was van meer belang, dieper gaande, rijker aan gevolgen dan de andere,

-ocr page 118-

116

waaruit zij toch haar kracht, haar gedachten, haar geestelijke voeding, ja, voortdurend bezieling trok, maar die zij echter ook harerzijds eerst rechtaf leven en heteekenis schonk. Zij werd niet bijzonder gecontroleerd, zij was aan geen tijd, geen plaats, geen voorschriften van hooger hand, geen kostbare ondernemingen, geen feestelijkheden gebonden, zij \'t ook, dat zij, bijvoorbeeld op de door mij beschreven zondagsfeesten, mede en wel bijzonder werkzaam was. Zij was slechts gebonden aan de persoonlijkheid der duizenden aanhangers, die de partij in een district telde ; aan hun bezieling, hun volharding, hun overredingskracht. Zij liet den aldus voor de partij arbeidende de vrije hand in de keuze aller middelen en wegen, waarvan hij zich tot zijn doel wenschte te bedienen: lange theoretische verklaringen, gesprekken in bierkneip en vereenigings-lokaal, in muziekgezelschap en club ; ja ook gesprekken van man tot man, onder den arbeid, op de wandeling, na afloop van het werk, op lange zomeravonden, bij bezoek aan vrienden en buren, onder het kaartspel, kortom waar maar twee of drie personen bijeen waren. Zij trad op — en juist hier vaak met bijzonder veel succes — in een enkele uiting, als onwillekeurig, in een onbewaakt oogenbük, aan de lijopen ontsnapt, in de scherts, die van Aond tot mond gaat, in het oordeel over afwezenden geveld, in een boosaardige opmerking, ja in een veelzeggenden glimlach, een scherpen blik, een opzettelijk zwijgen, een kort maar veelbeteekenend gebaar. En dit karakteriseert deze beweging in de tweede plaats, dat zij menigmaal den agitator zeiven niet bewust is, en juist dan eerst een rechtaf diepgaanden indruk maakt. Dan toch is zij inderdaad het onmiddellijk uitvloeisel van het eigen innerlijke gevoelen, het eigen innerlijk bewustzijn, van gedachten, die de ziel beheerschen, die een geloofsmacht, een drijfkracht voor het leven zijn; uitdrukking, stempel van de eigen ware persoonlijkheid, welke daarom het beste geeft wat zij vermag aan te bieden, omdat zij getuigt van hetgeen haar het liefste en het hoogste is. Overal, waar men sociaal-democraten vindt, is déze beweging van zoo groote heteekenis, omdat achter haar de geheele persoonlijkheid van den agitator staat, en deze een waarlijk niet gering gewicht aan de aangevoerde argumenten toevoegt.

Hieraan moet het echter tegelijkertijd worden toegeschreven, dat deze vorm van ongeregelde, persoonlijke agitatie meer dan de andere, de georganiseerde, de gecontroleerde met een

-ocr page 119-

117

fanatisme kan gepaard gaan, dat, zoo de gelegenheid er zich toe voordoet, tot een ruw terrorisme leidt. Dat terrorisme viel in den omgang met sociaal-democratisch gezinde arbeiders inderdaad dikwijls te bespeuren, inzonderheid in de fabriek, waar het persoonlijk verkeer het langdurigst en het nauwst was. Hieruit laat zich verklaren dat men zich, naar ik aanwees, aan het parool, door de partijleiders gegeven, ook in vak--aangelegenheden, althans voor het uiterlijk hield; dat men allerlei dingen met anderen meedeed, die men voor zich zeiven liever zou hebben nagelaten ; dat men gezegden in den mond nam, die nu juist niet altijd eigen innigste wenschen en neigingen weergaven; dat de meesten zich, waar het op oordeelen aankwam, lieten influenceeren of overbluffen, hetgeen, gelijk wij zullen zien, vooral op geestelijk en zedelijk-godsdienstig terrein plaats vond.

Doch ook tot feitelijk geweld kon dit terrorisme af en toe voeren. Zoo vertelde mij een arbeider (lid van de sociaal-de-mocratische verbruiksvereeniging en alzoo tot de partij behoo-rend, maar daarom toch een man, die liefst zijn eigen weg ging) dat de directie der fabriek eens bij een bijzonder groote bestelling overuren had aangekondigd. Opruiing daartegen door de toonaangevende sociaal-democraten in de fabriek. Het parool, dat, in weerwil van den eisch in het arbeidsreglement, niemand tot dit overwerk mocht aantreden. Verzet hiertegen van enkelen, alleen reeds ter wille van het voordeel, dat overwerken hun zou aanbrengen. Hierop neemt men heimelijk het gereedschap van deze laatsten weg, om hen zoodoende tot werkeloosheid te dwingen.

Dit is kort en goed terrorisme, en wel een, waarop bovendien nog een zeer eigenaardig licht valt door de verzekering, mij door mijn zegsman gedaan, dat de aanstokers zeiven aan het werk zijn gegaan, nadat de arbeiders, die zij bewerkt en met geweld hadden weerhouden van zich te voegen naar het reglement, naar huis waren gegaan.

Ik was niet in de gelegenheid te onderzoeken of dit verhaal in alle opzichten met de waarheid strookte. Doch dit is ook niet noodig. Het feit, dat het mij gedaan werd, bewijst de aanwezigheid van een terrorisme, dat ook ik persoonlijk maar al te vaak, zij het dan ook meer instinctmatig dan duidelijk aanwijsbaar, heb waargenomen. Ten bewijze hiervan nog één staaltje uit een vergadering der reeds genoemde verbruiksvereeniging. Bij de bespreking van een voor de vereeniging zeer

-ocr page 120-

118

gewichtige vraag betreffende het inwendig bestuur der zaak, werd van de zijde der kalmgezinde leden niet alleen geen voordracht, maar evenmin het uitspreken eener meening geduld, — men liet hen eenvoudig niet aan het woord komen — een geheel tegenovergestelde wijze van handelen, als die, welke ik vaak in de vergaderingen onzer kiesvereeniging heb bijgewoond.

Wat deze gansche beweging beoogde, was niet alleen de verbreiding van nieuwe politieke inzichten en economische leerstellingen, zij trachtte tegelijkertijd een ommekeer te bewerken in de hedendaagsche beschaving, in de godsdienstige overtuiging en het zedelijk karakter der duitsche arbeidersklasse. Alleszins verklaarbaar, waar de sociaal-democratie van heden niet slechts is een nieuwe politieke partij of een nieuw economisch systeem of deze beide vereenigd, maar waar zij tegelijkertijd een nieuwe wereld- en levensbeschouwing is, de wereldbeschouwing van het consequente materialisme, de toepassing van de leer der natuurlijke wereldorde, in tegenstelling met de zedelijke, de goddelijke. Ik behoef dit hier ter plaatse niet te bewijzen uit de geschiedenis, uit de geschriften, uit de bladen der sociaal-democratie, uit den ontwikkelingsgang en het karakter harer tegenwoordige aanvoerders. Dit zou mij ver buiten het kader voeren, dat ik mij gesteld heb, en ook verder gaan dan het doel, dat ik met dit geschrift beoog. Wie echter maar eenigermate deze geschiedenis kent, deze geschriften bestudeert, deze bladen opmerkzaam doorleest, op de leidende elementen en hun belangen eenigermate acht geeft, die zal mij, zonder nader bewijs, de met iederen dag meer erkende waarheid dezer stelling toegeven. Om nochtans iets te noemen, herinner ik hier alleen aan de treffende tegenstelling tusschen de sociaal-democratische bemoeiingen en die der voorstanders van de landnationalisatie, onder leiding van Michael Flürschheim. Ten opzichte van land- en bodemquaestiën is deze laatste even radicaal als de eerste zijn; met andere woorden: Flürschheim wil den grond geheel aan den staat brengen en zoekt — wederom evenals de sociaal-democraten — dit doel niet slechts door woord en schrift, maar ook door de vorming van politiek-economische genootschappen agitatorisch te verwezenlijken. Toch is deze landnationalisatie-voorstander mijns erachtens, volstrekt geen sociaal-democraat, en wel, omdat hij dit zijn politiek economisch ideaal niet vermengt met een diepgaand verzet tegen de overgeleverde zeden, tegen christendom en kerk, en met een bewust streven naar omverwerping der

-ocr page 121-

119

zedelijke grondbeginselen, die tot heden bij het duitsche volk gehuldigd en nageleefd werden. Doch dit in het voorbijgaan. In dit geschrift wensch ik slechts de waarheid der zooeven door mij neergeschreven stelling met de practische ervaring te staven, die ik gedurende mijn driemaandelijkschen arbeidstijd heb gemaakt. Ik heb aan te toonen; dat de tverking dezer zoo veelzijdige en energieke sociaal-democratische beweging tot dusver veel minder diep gaat, veel minder invloedrijk en vooral veel minder noodlottig is, wat betreft de politieke gezindheid en de economische heschotnvingen der arbeiders, die ik ontmoet heb, dan wat betreft him geestelijke ontwikkeling, hun godsdienstige overtuiging en hun zedelijk karakter. Men zou kunnen zeggen, dat de officieele, georganiseerde beweging meer de politieke en de sociale grondbeginselen der partij — namelijk zooals zij tot dusver in het Eisenacher program geformuleerd waren — op allerlei wijze in de hoofden der arbeiders zoekt te brengen; de zoogenaamde vrijwillige, ongeorganiseerde, de gelegenheidsbeweging daarentegen vóór alles den sociaal-democratischen geest, de materialistische gezindheid, de wereldbeschouwing der partij telkens meer, telkens verder, telkens dieper zoekt te doen ingang vinden, en dit met een succes, waarvan men zich over \'t algemeen op verre na geen rekenschap geeft. Het trekken van een scherpe grenslijn in dezen is nochtans lang niet gemakkelijk. Want het gaat met deze tweevoudige beweging over \'t algemeen, zooals het met de sociaal-democratische dagbladen gaat, welke vóór alles dienen tot agitatiemiddelen, tot het maken van propaganda voor het officieele program, maar die niettemin in eiken regel schrifts den geest der specifiek sociaal-democratische wereldbeschouwing ademen. Evenzoo vloeide de eene soort propaganda voortdurend in de andere over; de eene droeg en verhief de andere, en beide traden des te vaster aaneengesloten, des te harmonischer, als ik het zoo mag noemen, op, naarmate de personen, die haar maakten, vastberadener, overtuigder, sociaal-democratischer gezind waren; naarmate het geheele eenzijdige, maar toch in deze haar onbuigzame eenzydigheid grootsche sociaal-democratische systeem vollediger en helderder in de enkele persoonlijkheden tot uitdrukking kwam.

-ocr page 122-

VIJFDE HOOFDSTUK.

Sociale en politieke gezindheid mijner kameraden.

De eerste en belangrijkste uitwerking der zoo even door mij geschilderde beweging is het feit, dat, voor zoover ik heb kunnen nagaan, de gezamenlijke arbeiders van Chemnitz en omgeving, op geringe uitzondering na, heden ten dage op de een of andere wijze met de sociaal-democratische partij in betrekking staan, meer of minder volkomen in de atmosfeer harer denkbeelden leven en in elk geval in haar, in deze arbeiderspartij par excellence, haar eenige, krachtige, en bevoegde vertegenwoordigster zien. De arbeider, met wien ik heb omgegaan, is bewust of instinctmatig doordrongen van het gevoel der bestaande vijandschap tusschen de belangen zijner werkgevers en die van hem zeiven; hij is vervuld van den drang naar een krachtige, werkzame organisatie der menigte, waartoe hij behoort, van een vurig verlangen naar vooruitgang, naar verheffing van den ganschen vierden stand. Kind van den nieuwen, den van gedachten doorbruisten, den gistenden tijd heeft hij, als al zijn tijdgenooten, tal van nieuwe belangen, hoogere — zoowel lichamelijke als geestelijke — behoeften waaraan hij bevrediging wil zien geschonken, en hij weet, hij ziet, hij voelt, dat tot heden niemand aan dit streven en begee-ren, onvoorwaardelijk en zonder bijbedoeling, krachtig en volledig voldoening zoekt te geven — dan alleen de sociaal-democratische partij.

En daarom — wat hem ook van haar scheiden moge, wat hem in haar wezen moge afstooten — daarom behoort hij haar toe, daarom zal, ik ben er zeker van, geen oogenblikke-lijke dwang, geen geweld, ja zullen zelfs geen geestelijke machten

-ocr page 123-

121

hem weder van deze partij kunnen losrukken en kunnen bewerkstelligen, dat de gedachten door haar opgewekt, en waaruit zij voortdurend als van nieuws geboren wordt, ooit weer geheel in het niet verzinken. Daarom hangen zij haar zonder onderscheid meer of minder sterk aan, jongen en ouden, geleerden en ongeleerden, fatsoenlijken en liederlijken, arbeidzamen en lanterfanters, verstandigen en dommen, voorspoedigen en verongelukten, landslieden en vreemden, alle groepen, klassen en categorieën van fabrieksarbeiders tot op een nauw merkbaar klein aantal na; daarom voelen zij zich allen sociaal-democraten; volgen zy hun leiders en gelooven zij aan hen, aan hun woorden en geschriften als aan een nieuw evangelie. Men heeft het my in de fabriek meer dan eens rondborstig gezegd : „Wat tot dusver Jezus Christus was, dat zullen eens Bebel en Liebknecht zijn.quot;..

Men hoort in deze woorden zich lucht geven het bewustzijn dat de sociaal-democratie heden ten dage het volk is, dat dit zich in haar terugvindt of in elk geval met iederen dag meer in haar zal gaan terugvinden; en dat, hoe veel er onder hen, die tot dit volk behooren, ook zij en steeds wezen zal wat tegenspraak, verschil, scheiding te weeg brengt, zij als klasse bij elkander behooren; één in lijden, in vreugde, in idealen zijn.

Ten bewijze hiervan volgt hier een reeks geheel spontane uitingen, opgevangen uit den mond van de meest uiteenloopenden onder mijn kameraden. Volgens hun beteekenis zijn ze alle aan elkander gelijk: „Bij ons hebben alle arbeiders, tot op den laatste toe, sociaal-democratisch gestemdquot;. — „De arbeiders zijn en kiezen allen sociaal-democratenquot;; — .Ieder die arbeider is, is sociaal-democraat;quot; — „Ik kies mijns gelijken;quot; en byzonder teekenend: „Hier is alles sociaal-democratisch, zelfs de machines!quot; — Wat zich hier uitspreekt is altijd weer hetzelfde, altijd, zij \'t ook zeer in het algemeen, de meening - dat arbeidersklasse en sociaal-democratie een en hetzelfde moet wezen, \'t Is waar, eenige gezegden van andere kameraden druischen hier rechtstreeks tegen in. Er waren er, die beweerden dat „slechts de helft onzer 4 a 500 man sociaal-democraatquot; was. Doch dit is slechts een schijnbare tegenspraak. Deze laatsten doelden uitsluitend op hen, die met hun sociaal-democratische gezindheid te koop loopen ; op hen, die lid waren van de eene of andere sociaal-democratische kies- vak- muziekvereeniging of ondersteuningsfonds. In dezen zin kon men lang niet de helft onzer arbeiders sociaal-democraten noemen. Maar sociaal-

-ocr page 124-

122

democratisch gezind — dat was, naar ik zeide, de overgroote meerderheid mijner kameraden ontegenzeggelijk.

Bewust niet aldus gestemd en openlijk daarvoor uitkomende heb ik onder de 120 man mijner afdeeling slechts drie kunnen ontdekken. Daarvan behoorden twee tot de, naar ik hoorde, ook te Chemnitz bestaande en ongeveer 70 leden tellende Hirsch-Dunckersche weversvereeniging. De derde was een goede, trouwe ziel, die te innig godsdienstig was en tot een te conservatieve en te welvarende boerenfamilie behoorde, om met een goed geweten en uit innerlijken drang sociaal-democratische neigingen te kunnen hebben. Men zeide van hem, dat hij voor zijn pleizier naar de fabriek ging, want dat hij het niet noodig had. Buiten deze drie waren er op de fabriek nog enkelen, die niets met de sociaal-democratie ophadden. Toch hielden zij dit voor zich, en gaven er de voorkeur aan hun kameraden in het onzekere te laten aangaande hun gezindheid. Vaak bracht aangeboren schuchterheid en geen berekening hen hiertoe. Ofschoon hun aantal moeielijk valt te schatten, geloof ik toch niet dat zij velen waren. In elk geval vormden deze neutralen met de openlijke moedige niet sociaaldemocraten een zéér kleine minderheid tegenover de arbeiders, die zich, alsof het vanzelf sprak, tot de sociaal-democraten rekenden, of er openlijk voor uitkwamen dat zij feitelijk tot de partij waren toegetreden.

Ik wil hiermede niet zeggen, dat elk van dezen een zielsbewuste, van beginsel en program der partij zich volkomen op de hoogte gevoelende sociaal-democraat was. Dat kan ternauwernood van drie, hoogstens vier percent der arbeiders worden gezegd; dat geldt slechts van de kleine schaar leiders en drijvers en hun naaste vrienden en leerlingen. Dezen alleen hadden de geschriften der partij eenigermate grondig en met kennis van zaken gelezen; dezen alleen kenden en verstonden het geheele officieele program, zijn eischen voor het overgangstijdperk niet minder dan zijn laatst radicaal einddoel. Met een vaak gloeiend fanatisme hadden zij de niet met dit program strookende eigen ondervindingen uit de praktijk des levens, de geestelijke erfenis van hun verleden, de critiek van hun gezond menschenverstand met geweld onderdrukt en tot zwijgen gebracht; hadden zij zich, vaak met ongeloofelijke moeite, met geldelijke offers van allerlei aard, in dit program ingewerkt, tot zij ten laatste geheel in zijn gedachtengang opgingen, slechts daarin, slechts daarvoor leefden, slechts door den

-ocr page 125-

123

bril van dit program menschen en dingen, toestanden en gebeurtenissen vermochten te beschouwen en te beoordeelen. Het waren meest echte, eerlijke duitsche droom er s en idealisten, waaruit deze groep arbeiders was samengesteld, terwijl meer dan één van hen nog bovendien van een bandelooze eerzucht en drang tot daden was vervuld. Doortrapte egoïsten, die heimelijk slechts persoonlijk voordeel zochten en wisten te vinden, vond men, voor zoover ik heb kunnen nagaan, niet dan bij uitzondering onder hen. — In deze kleine groep, maar ook in haar alleen, hoorde ik de inzichten en stellingen der sociaal-democratie werkelijk helder en zuiver weergeven ; zag ik haar beginsel en doel zonder weifeling aannemen en nastreven. Toch kwam het minder voor dan ik vermoed en verwacht had, dat men hiervan openlijk getuigenis aflegde.

Van een even besliste en der zake kundige politieke en sociale gezindheid was bij de overige, bij de overgroote meerderheid der sociaal-democraten geen sprake.

Bij dezen vond men veeleer de meest onderscheiden, de meest tegenstrijdige, de meest verwarde begrippen en inzichten, in bonte mengeling, in alle tinten en kleuren vertegenwoordigd. Bij dezen waren de eigen persoonlijke ondervindingen, de persoonlijke wenschen en verwachtingen, de eigenaardige indrukken uit den vroegeren, den niet sociaal-democratischen tijd en uit het ouderlijke huis, niet met zooveel geweld onderdrukt en uitgewischt, maar integendeel dikwijls nog zeer levendig en frisch. En dit alles te zamen — eigen ervaring, persoonlijke wenschen, vroegere invloeden — was op een won-derlijke manier en dikwijls tamelijk los en onvolledig met sociaal-democratische beschouwingen en leerstellingen in verbinding gebracht. En ook deze laatsten waren op zich zelf verre van volledig, verre van klaar en geordend in den geest opgenomen. Want slechts enkelen uit deze grootere groep hadden de partijgeschriften bestudeerd met iets wat naar de volharding en den moed zweemde van hen, die tot de eerste, de kleine groep behoorden. Wat zij zich aangaande politieke cn economische inzichten van sociaal-democratischen oorsprong hadden eigen gemaakt was bij hen blijven hangen, deels door de lezing van korte, slechts half verteerde, bij stukken en brokken gelezen artikelen uit de sociaal-democratische bladen, deels door de voordrachten in de sociaal-democratische bijeenkomsten, deels door den omgang met kameraden, die van de zaak geheel en goed op de hoogte waren.

-ocr page 126-

124

En naarmate nu één of meer der hier genoemde factoren liet overwicht hadden gehad, of naarmate de man helderder van verstand en doortastender van aard was, zag men een meer of minder afgerond, een meer of minder logisch, een meer of minder dwaas, maar in elk geval een zeer wonderlijk mengelmoes ontstaan van politieke en sociale gedachten, welke in geen geval in één adem te noemen waren met de zuivere sociaal-politieke denkbeelden der normale, der echte sociaaldemocraten ; gedachten, die bij geen enkele afdeeling der partij waren in te deelen, en die nu eens op lieflijke, vriendelijke, rustige wijze, dan weer in ruwe, afstootende, hatelijke vormen, nu eens met helderheid, dan niet weinig onbeholpen, nu eens herhaaldelijk, dan hoogst zelden ten gehoore werden gebracht.

En ofschoon alzoo een ieder van hen noodzakelijkerwijze tegenover het sociaal-democratisch program op zijn eigen, van den ander afwijkend standpunt stond, en maar al te vaak allerlei vreemde, ja soms de meest conservatieve begrippen daaraan toevoegde, gevoelden en beschouwden zij zich toch allen als sociaal-democraten en was er menigeen onder hen, die stijf en sterk volhield, dat zijn eigen onzuivere, fragmentarische denkbeelden juist die der partij waren; zijn eigen wonderlijk ideaal het volledige ideaal der sociaal-democratie was. Het is onder deze omstandigheden niet mogelijk een afgeronde voorstelling te geven van deze verwarrende massa ongelijksoortige, ten halve of in het geheel niet duidelijk geuite begrippen. Daarbij heb ik ze persoonlijk natuurlijk niet alle leeren kennen, en ik moet mij alzoo er toe bepalen hier slechts enkele weer te geven, die mij bijzonder getroffen hebben.

Ten opzichte van één voornaam punt naderden ze tamelijk dicht tot elkander. Dat was hun verhouding tot het radicale einddoel van het sociaal-democratisch partijprogram. Ik zeg niet, dat men dit doel openlijk verwierp, of er zich zelfs maar consequent tegen verzette, maar hij de meerderheid dezer gematigde sociaal-democraten, en juist hij de meer verstandige, nadenkende, practische, veelervaren mannen van middelharen leeftijd, die men in hun midden vond, was noch het officieel democratisch repuhlikanisme noch het economisch communisme populair. Dit waren grootsche denkbeelden, waarvan de meeste hoofden het rechte begrip niet konden vatten, waarvoor de meeste harten niet te ontgloeien waren. Men nam echter ook dit, evenals zooveel van de sociaal-democratie, op den koop

-ocr page 127-

125

toe, als iets wat er nu eenmaal bij behoorde; het eenvoudig aan de leiders overlatend het met deze problemen klaar te spelen maar nochtans in stilte overtuigd, of in elk geval verwachtend, dat deze profetieën nooit tot vervulling zouden komen. Zoo zei mij dan ook eens een tamelijk welvarend metaalboorder, die geen kinderen had en daarom vrij zorgeloos kon leven, een bejaarde, goedmoedige, nette man, maar daarbij vurig aanhanger van de sociaal-democratie: „Zooals Bebel de zaken in de toekomst wil zien ingericht, zoo zal het toch nooit worden. Hij is dan ook al tot ander inzicht gekomen en zal op dit punt nog wel meer veranderen\'. Een andere verstandige, ernstige en overtuigde sociaal-democraat liet zich eens in een gesprek met mij volgenderwijze uit; „Ge moet weten dat ik nooit een sociaal-democratisch boek en zelden een hunner couranten lees. Voorheen heb ik mij in het geheel niet niet de politiek ingelaten. Maar sedert ik getrouwd ben en vijf geduchte etersbazen in huis heb, moet ik het wel doen. Maar ik denk over de dingen op mijn eigen hand. Ik ben niet voor roode dassen, groote ronde hoeden en dergelijke dingen. Dat is maar malligheid. Wij willen ook volstrekt niet gelijk worden aan de rijken en voornamen. Rijk en arm moet en zal er altijd zijn. Wij verwachten niet anders. Maar wat wij willen, dat is een meer rechtvaardige, een betere orde van zaken in fabriek en staat, en wat ik dienaangaande denk, dat verkondig ik openlijk, al moge het dan ook niet aanstaan. Iets onwettigs doe ik echter niet.\' Over \'t algemeen schroomden de meer ontwikkelde en meer zelfstandige arbeiders niet voor hun standpunt in dezen uit te komen. Dat deed bijv. een monteur, de oudste en meest ervarene in de gansche afdeeling, die, gelijk hij bij een andere gelegenheid mij duidelijkmaakte, over de sociaal-democratie ongeveer dacht als de arbeider, wiens woorden ik zooeven aanhaalde; evenmin als deze verwachtte, dat alle eischen der partij verwezenlijkt zouden worden, ja dit zelfs ternauwernood wenschte. Deze man was, evenals velen, niet zeer gesticht over de houding der leiders tegenover de quaestie van den vrouwen- en kinderarbeid. Zooals men weet, drongen dezen er kort geleden op aan, dat de gansche sociaal-democratische partij het wettelijk verbod van dien arbeid zou eischen en de enkele arbeider voor zich zeiven er vrijwillig afstand van zou doen. „Dat is onzin\', zeide hij. „Verdient de man genoeg, dan laat hij van zelf zijn vrouw en zijn kind niet in de fabriek werken. Is er echter geen geld in huis, dan moeten vrouw en kind

-ocr page 128-

12G

wel zoo goed of kwaad het gaat aan den arbeid. Men moest de verdiensten niet nog geringer zoeken te maken dan ze zijn. Want het is een praatje dat de loonen er door zonden sty-gen. Een beetje misschien, maar veel zeker niet. Om werkelijk het verlies te vergoeden, zouden de loonen gemiddeld verdubbeld moeten worden ; dan alleen zou niemand meer zijn vrouw of kind laten werken. Maar wie kan dat van de fabrikanten vergen ? Ik geloof niet dat zij — al wilden zij — het zouden kunnen lijden.\'

\'t Is de vraag niet of deze redeneeringen juist zijn, o£ zij uit economisch oogpunt kunnen verdedigd worden — van de laatste kan men dit zeker allerminst verklaren — wat ik in het licht wenscb te stellen. is slechts dit; dat geestelijk ontwikkelde en degelijke arbeiders, al voelen zij zich over \'t algemeen met de sociaal-democratische partij verbonden, toch hun eigen meeningen blijven koesteren en zich niet schamen voor deze tegenover hun kameraden uit te komen. En dat zij voorts behoefte gevoelen zich met gansch andere vragen bezig te houden, dan met droomerijen over een republikeinsch communistisch geregelde maatschappij.

De talrijke groep degelijke arbeiders acht vóór alles belangrijk de oogenblikkelijke, en zij die met hooger aanleg en breeder blik zijn begaafd — ook de verder liggende — de prin-cipieele vragen, die hun eigen bedrgf raken ; het vak dat zij kennen en verstaan, waarbij zij onmiddellijk betrokken zijn, waarvan zij ondervinding hebben en waarover zij kunnen oor-deelen. Zoo liet reeds de vrij onschuldige kwestie der veer-tiendaagsche uitbetaling van het loon menigeen rust noch duur. Zij wenschten vurig een achtdaagsche betaling. Ik gaf te kennen, dat ik dit al zoo wat om het even vond, maar daarmede sloeg ik de plank heel en al mis. De behoeften van een week kon men overzien, het geld daarvoor bij elkaar houden en behoorlijk over de dagen verdeelen. Dat ging bij een loon van veertien dagen veel bezwaarlijker; grootere uitgaven, die er steeds tusschenbeide komen, namen dan al te veel weg, en tegen het einde van de veertien dagen was het: zich duchtig bekrimpen of borgen. Dat waren alweder geen steekhoudende argumenten, maar wel helaas een nieuw bewijs voor het reeds besproken gemis aan overleg bij onze arbeidersklasse. Weer bij anderen was het vraagstuk van een meer rechtvaardige loonsregeling het een en het al hunner politieke en sociale beschouwing. Maar al te begrijpelijk in mijn oog !

-ocr page 129-

127

Ik heb in een vorig hoofdstuk dit punt reeds aangestipt. Het is een daadzaak — en een, waarover niet weinig wordt geklaagd en die mij herhaaldelijk is opgevallen — dat er geen recht of regel heerscht bij de vaststelling der loonen in enkele vakken, evenmin als bij die van het loon der verschillende arbeiders in een en hetzelfde vak. Het gaat hiermede als met de eveneens door mij besproken schromelijke nalatigheid op het punt der regeling van de verhoudingen der lagere chefs tot de onder hen staande arbeiders, het moet evenals dit worden teruggevoerd tot dat noodlottig beginsel van laissez-faire en van verachting der menschelijke persoonlijkheid, dat in zijn meesterachtigen eigenwaan het de moeite niet waard acht, het in het minst niet als een zedelijken plicht beschouwt, hier orde en recht te doen heerschen, opdat er niet voortdurend een rijke bron van ontevredenheid welle. Zoo was het de gewoonte, dat de bankwerkers en fijnsmeden — geleerde arbeiders dus — voor hun moeilijken, zwaren, vaak ingewik-kelden en veel nadenken vereischenden arbeid gemiddeld veel minder loon ontvingen dan een groot aantal aan machines werkende metaalboorders, metaaldraaiers, schavers en ponsers. En gelijk gezegd, hadden van dezen juist zij, die aan de groote draaibanken, de groote boor-, schaaf- en ponsmachines zonder schier eenige inspanning werkten, een buiten verhouding hooger loon dan dezelfde soort arbeiders, die aan machines van veel kleiner kaliber tot onafgebroken opmerkzaamheid genoodzaakt waren, — om nog niet eens over de sjouwerlieden te spreken.

Dat deze misstanden uit den weg zouden worden geruimd was de meest dringende eisch voor velen onzer sociaal-democraten. Zij verlangden op dit punt een meer rechtvaardige schatting en regeling, vervolgens voor de gansche schaar arbeiders een loon, stijgend met het aantal jaren, dat men in hetzelfde bedrijf werkzaam is, en eindelijk, voor zoover dit mogelijk was, een zekere opklimming in werkzaamheid, bij voorbeeld van sjouwerman tot arbeider aan een klein en gaandeweg van dit aan een telkens grooter machine; namelijk aan die machines, welke ook thans reeds bediend worden door arbeiders, die geen bepaald ambacht hebben geleerd. Aanleiding tot het maken van zulk een opklimmingsschaal was er in onze fabriek zeer zeker, maar in aanmerking genomen werd dit niet. Ik voor mij zou niet kunnen begrijpen, waarom onze werkgevers — ik vermoed dat het elders eveneens toegaat—juist dezen wensch

-ocr page 130-

128

hunner arbeiders tot heden zoo volkomen geïgnoreerd hebben, ware het niet een bekend feit, dat zij niet het flauwste besef hebben, als werkgevers tot de vervulling van zedelijke plichten geroepen te zijn. En toch zou inderdaad het gehoorgeven aan dien wensch ook in hun eigen voordeel wezen. Veel geld zou het hun niet kosten — dit is voor hen toch steeds van zoo bijzonder veel gewicht — en zij zouden daardoor winnen een veel grooter, een veel standvastiger en daarmede tegelijk een veel conservatiever arbeidersstam.

Nog weer anderen onder mijn kameraden gingen in hun denken verder, strekten hun gedachten van de vragen in ons bedrijf uit tot de algemeene problemen der geheele economische sfeer, namelijk zooals deze door de sociaal-democraten worden geformuleerd. Daarbij kwamen hun de reeds vroeger door mij geschilderde verschijnselen te stade, die ook aan hun opmerk-zamen blik niet waren ontgaan; bijv.: dat ons geheele bedrijf— althans wat zij daarvan konden waarnemen — volkomen gemeenschappelijk, zuiver socialistisch was; gegoten was in den vorm van gezamenlijke- productie van een enkel kunstvol geheel, en van onderling verkeer bij dezen arbeid, niet alleen tusschen gelijken maar ook tusschen dezen en hooger gestelden. Daarbij kwam hun evenzeer te stade de omstandigheid, dat de eigenlijke hoofdleiding van dergelijk groot etablissement: de werkzaamheid op het kantoor en op het bureau der ingenieurs en teekenaars, zich schier geheel aan hun blik onttrok; zoodat deze eenvoudige lieden maar al te gemakkelijk tot het dwaalbegrip konden komen, dat juist hun arbeid het eigenlijke, het voornaamste, ja het eenige werk was; dat zij het waren, die de machines bouwden, zij de eigenlijke scheppers en makers waren ; zij — de arbeidersschaar — de fabriek vertegenwoordigden. Doch ook zij, die aldus welbewust, vol trotsch zelfgevoel met hun droomen en denken een wijd, in nevelen als wegsmeltend verschiet omspanden, ook zij deden dit toch zonder zich bepaald in de eigenlijke communistische beginselen te verdiepen; zonder zich althans helder rekenschap te geven van het ware wezen en de consequentiën van dit communisme. En byna altijd ook zonder te deelen in de erbarmelijke anti-vaderlandsche politieke gezindheid der leiders en hoofden van de sociaal-democratie, wier humaniteitsdroomerijen tot het meest verslappende cosmopolitisme voeren, en daarmede tot miskenning en veroordeeling van alle waarlijk patriotische gevoelens en noodwendigheden.

-ocr page 131-

129

Ik geloof het met nadruk te mogen herhalen, dat van dit laatste, dit erger soort sociaal-democratie onder de middelsoort sociaal-democraten zelfs onder de meest vooruitstrevende, de meest vurige van dezen, tot nog toe zeer weinig als innerlijke overtuiging voorhanden is; dat men veeleer onder hen een verrassend vriendelijke gezindheid voor het duitsche vaderland, voor den keizer en het leger aantreft. Hoe moeilijk, ja hoe onmogelijk het mij ook weder te dezen opzichte is, uit de verwarde en onklare meeningen dezer lieden een afgerond beeld samen te stellen, zoo meen ik toch aangaande hun verhouding tot den militairen dienst, tot den keizer, tot den koning van Saksen, tot de revolutie en tot Bismarck tamelijk volledige en juiste aanwijzingen te kunnen doen door mede-deeling van het volgende, voor de waarheid waarvan ik insta.

Over den militairen dienst heb ik mij, volgens mijn aanteekenin-gen, zeker wel twintigmaal in de meest onderscheiden richting, toevallig ot opzettelijk, langer of korter met lieden van allerlei slag onderhouden. Ik deed dit reeds in de herberg. Daar was ik met een metselaar van mijn eigen leeftijd bijzonder bevriend geworden. Ook hij was sociaal-democraat \'van de gewone soort; daarbij door en door goed en rechtschapen, zonder eenige bitterheid in een gemoed, dat nog vol was van veel, waaraan hij vroeger gehecht was geweest. Hij had in de residentie van een der kleine vorsten in een Thuringsch bataillon gediend. Van dat dienen, van de parades, die hij had meegemaakt, van de officieren, die over hem commando hadden gevoerd, verhaalde hij veel en gaarne op onze gemeenschappelijke tochten als werkzoekenden. Inzonderheid had het hem getroffen, dat zijn eigen vorst, als militair lager in rang, den ouden oppermaarschalk von Blumenthal de honneurs had bewezen, toen deze eens het garnizoen geïnspecteerd had. Vooral von Blumenthal was zijn ideaal. Deze schilderde hij met extra fraaie kleuren en met groot enthousiasme. Voor schitterende uniformen en knappe, fraai gebouwde officieren scheen hij bijzonder veel oog te hebben.

Ook in de fabriek dachten de meesten met genoegen aan hun diensttijd terug. Kwam, als wij met meerderen te zamen waren, het gesprek er toevallig op, dan raakte men gewoonlijk in een ommezien in vuur. Men vertelde met groote voldoening van wat men in dienst al had meegemaakt: van de heete zomerdagen op het exercitieveld en van de koude winternachten op wacht. Meer dan één was niet weinig trotsch göure. ^9

-ocr page 132-

130

op zijn regiment. En het waren toch allen sociaal-democraten, die zoo spraken, oude en jonge. Onder de laatsten was er een, een kleine, aardige, nette, vlugge bankwerker van 18 jaar, die zich in het hoofd had gezet, zich als vierjarig vrijwilliger bij de rijdende artillerie te Riesa te laten inschrijven. Hij was van dit plan niet af te brengen, hoeveel moeite een andere welmeenende kameraad — een onzer sjouwerlieden — daartoe — mijns inziens terecht — ook aanwendde; hoe deze ook zijn best deed hem de schaduwzijde van een vierjarig kazerneleven aan te toonen. Voorts was er nog een aantal reeds tot de lichting behoorende recruten, die tegen het najaar in dienst moesten treden. Tot dezen behoorde ook een Oostenrijker. Deze allen, de laatste niet het minst, zagen als kinderen, vol ongeduldig verlangen en toch natuurlijk ook met popelend hart den dag hunner oproeping tegemoet, zij ook nu reeds trotsch op het grenadiers- of garderegiment, waarbij zij waren ingeschreven. De Oostenrijker nam reeds bij voorbaat een militaire houding aan en groette bijna nooit anders meer dan door aanslaan met de hand tegen de pet. Ook deze jongelui waren allen meer of minder „sociaalschquot;, zooals een van hen het eens niet onaardig uitdrukte. Ja, de aanstaande garderuiter, een tamelijk lichtzinnige knaap, was degeen van wien het hierboven aangehaalde fameuze „bij ons is alles sociaal-democratisch, zelfs de machines,quot; afkomstig was. Wij hadden onder ons ook nog een zoogenaamden tienweekschen, dus een plaatsvervangenden reservist. Ook hij moest binnen vier weken aantreden. En ook hij sprak hierover — ik had het meer dan eens met hem over dit onderwerp — nooit anders dan met een zekere stille en trotsche voldoening. Hij verheugde er zich in dat hij thans moest leeren sparen, wilde hij gedurende die tien weken diensttijd iets hebben om in de melk te brokken ! Eens stond ik met vijf sociaal-democraten te praten. Hot gesprek kwam op den militairen dienst en inzonderheid op de laatste manoeuvres in de buurt van Chemnitz. Ook hier had men allerlei aardigheden te vertellen van manoeuvres die men tot zijn voldoening, \'t zij als toeschouwer, \'t zij als deelnemer had bijgewoond. Onder de sjouwerlieden onzer fabriek bevond zich een gewezen kleermaker, die in Dresden bij de artillerie had gelegen en aan deze periode als aan den schoonsten en genoegelijksten tijd zijns levens terugdacht. Toen ik hem eens bij gelegenheid, dat hij ziek lag, ;s avonds bezocht, liet hij zich door zijn vrouw de photo-

-ocr page 133-

grafieën zijner kameraden in de kazerne op zijn bed geven, om mij dezen, benevens een groote photographie van de gebeele batterij, met merkbare ingenomenheid te laten zien, en mij de geschiedenis van alle deze landsverdedigers in bijzonderheden mee te deelen. Zoo verklaarden mij ook eens twee pakkers, oude, ruwe knorrepotten, die men moest we en te vangen om met hen over weg te kunnen : „Wij zijn met hart en ziel soldaat en zullen het tot onzen dood blijven.quot; Datzelfde zou ik op mijn beurt van een aantal anderen kunnen verzekeren, die \'s morgens onder het ontbijt of \'s avonds in de kneip op denzelfden toon over hun militair-zijn spraken. Ook de aan lager wal geraakte bankwerker, die maar acht dagen in de fabriek bleef, reeds den eersten dag een voorschot vroeg, ook van ons geld ter leen zocht te krijgen en ten slotte een regimentskameraad van mij bleek te wezen, haalde dolgraag op van de ons beiden bekende officieren, ons regiment, de kazerne en allerlei dergelijke dingen, \'t Is waar, enkelen spraken nu en dan met weinig lof over hun officieren, die hen, naar zij zeiden, onheusch hadden behandeld. Een jonge sociaal-democratische bankwerker kende de bekende Abelsche brochure, en zeide, dat hij volkomen met deze instemde, doch ook bij hen, even als bij de anderen, die zich over hun officieren beklaagden, waren dit meer persoonlijke veeten, en gold hun veroordeeling meer enkele personen en op zichzelf staande voorvallen dan de gansche inrichting van het leger.

Eens hoorde ik twee arbeiders een gesprek voeren over ■den sociaal-democratischen eisch: afschaffing van het staande leger. De eerste, die niet gediend had, verdedigde hem, maar met dit voorbehoud, dat hij natuurlijk niet terstond en niet op eens was uit te voeren. Het moest gaandeweg geschieden. De ander bestreed deze meening en noemde de eventueele afschaffing der regimenten en het ontslag van honderd duizenden jonge, frissche arbeidskrachten een groote ramp, ja den ondergang der arbeidersklasse. Dan toch zou de industrieele reserve op schrikwekkende wijze aangroeien, de loonen geweldig naar beneden gaan en wij arbeiders allen te zamen verhongeren.

Een wonderlijke beschouwing vernam ik van twee andere sociaal-democraten, waarvan een tot onze fabriek behoorde. Het was bij gelegenheid van het kinderfeest in het Jagershuis bij Siegmar. Zij spraken over werkstakingen. Daar zeide de een, •de mij niet bekende, op eens: „Ja als de officieren maar eerst aan het werkstaken gaan. Het begint al onder hen te gisten.

-ocr page 134-

132

Daarom heeft de regeering kortelings hun tractementen verhoogd, om hen maar tevreden te stellen. Maar het gaat tocli al aan den gang, in Engeland, in Spanje enz____quot;

Een bepaald vijandige gezindheid heb ik slechts eens onder het middagmaal in onze restauratie, bij een somber, ingetrokken jongmensch met een fanatiek jesuietengezicht aangetroffen. Deze las aan een vriend een artikel voor dat over militairen handelde. Daarin werd de kapitein de vader, de sergeant-majoor de moeder der compagnie genoemd. Dat maakte den man niet weinig boos en hij voer in niet al te vleiende bewoordingen tegen deze inderdaad maar al te vaak twijfelachtige vaderen moederliefde der beide heeren uit. Maar hij was dan ook een sociaal-democraat van de bovenste plank van wien geen ander oordeel te verwachten was. Voor ?t overige vond ik echter, gelijk ik zeide, steeds sympathie voor het militaire leven.

Die sympathie kwam inzonderheid voor den dag bij hen, die den veldtocht in Frankrijk hadden meegemaakt. Ik herinner mij in het bijzonder drie van dezen: een Uhlaan, een jager en een infanterist. Alle drie verhaalden vol trots van dat in Frankrijk gesleten jaar; zij schilderden hun ondervindingen aldaar met al de uitvoerigheid, den luim en de levendige natuurlijkheid, die dergelijke verhalen in den mond des volks zoo origineel en aantrekkelijk maken. De een, de jager — een metaalboorder — zou dolgraag de destyds plaatsvindende samenkomst der oude gewezen kameraden van het saksische jagerscorps in Meiszen hebben bijgewoond, maar aan de vervulling van dien wensch viel natuurlijk niet te denken bij een verdienste van 27 of 29 pfennigen per uur en bij de hoop kinderen, die hij had. Ten slotte wijs ik nog op de in mijn oog niet geheel onbelangrijke kleinigheid, dat mij herhaaldelijk opviel het-groot aantal meestal leelijke prentjes met militaire voorstellingen, die op de kastjes waren geplakt, waarin de arbeiders hun gereedschap als anderszins wegborgen. Ook dit toch scheen mij een bewijs van de voorliefde voor het Duitsche volksleger, die, in weerwil van de twintigjarige sociaal-democratische opruiing, nog steeds onder de arbeidersbevolking eener groote Duitsche industrieplaats werd gevonden.

Ik schrijf dit verblijdend verschijnsel niet zoozeer hieraan toe, dat men in deze kringen, even als in die der adellijken en aanzienlijken, er trots op is den koning als soldaat te dienen; want van dergelijk idealisme heb ik weinig bespeurd. Ik geloof

-ocr page 135-

133

veeleer dat het volk zich eenvoudig tot de kleurige uniform, tot den glans en praal van het militair vertoon voelt aangetrokken, alsmede tot het frissche, vroolijke, zorgelooze leven, dat de krachtvolle levenslustige jonkheid een tijdlang mag doormaken. Ja, ik ben er zeker van, dat al wat tot het leger behoort den arbeider bovenal lief is, omdat de diensttijd voor hem de langdurigste, grootste en schoonste afwisseling is in de doffe eentonigheid van het fabrieksbestaan; de eenige glansrijke plek op zijn dorre levenspad. Hierin ligt dan ook voor mij de verklaring van het opvallend verschijnsel, dat men (ten minste wanneer men het niet al te armzalig had, niet al te diep gebukt ging onder de zorgen voor het gezin) betrekkelijk gaarne en gewillig aan de reserve-oefeningen deelnam. Daardoor toch leefde men weer eens voor enkele weken gezamenlijk in de herinnering aan den ouden heerlijken diensttijd. En dit verschijnsel wordt van nog grooter zedeljjke beteekenis als men bedenkt, dat voor deze mannen uit de arbeidersklasse de reserveoefeningen tot dusverre gepaard zijn gegaan met een totaal ophouden der verdiensten, met gebrek lijden der hunnen en alzoo met veel grooter offer voor het vaderland, dan de zonen van welvarende ouders brengen, wanneer deze als reserveofficieren, of ten einde dit te worden, jaarlijks acht weken aan de militaire oefeningen besteden.

Tweemaal werd in mijn tijd in de fabriek over.de militaire vereenigingen gesproken; beide keeren op een wijze, die het mij de moeite waard doet achten liet gesprokene mede te deelen. De vraag werd behandeld, of sociaal-democraten lid van dergelijke vereeniging mochten zijn: het bleek, dat onder mijn kameraden dienaangaande drie meeningen heerschten welke rechtstreeks tegen elkander indruischten. De eene partij was van meening. dat men onder alle omstandigheden eerlijk -en man van karakter moest wezen. Het was een feit, dat de militaire vereenigingen officieel verplicht waren iederen sociaal-democratischen kameraad te weren. Daarom moest dan ook ieder lid dier partij genoeg gevoel van eigenwaarde hebben, om uit zich zelf deze vereenigingen te verlaten of nog liever om er nooit in te gaan. Dan toch wachtte hy zich voor bedrog en liep hij geen gevaar van op een mooien dag er toch te worden uitgegooid. Twee anderen, die nooit gediend hadden, bestreden deze meening met vuur en stelden daar het volgende tegenover: „Ieder sociaal-democraat die gediend heeft, is verplicht in een militaire vereeniging te gaan, en

-ocr page 136-

184

daar er toe mede te werken, dat deze vereenigingen sociaal-de-moeratiseh worden en ook de nog anders gezinde leden dier vereeniging voor de partij gewonnen wordenquot;. Deze twee jonge energieke mannen hadden hierbij waarschijnlijk de militaire vereeniging onzer voorstad op het oog, aangezien deze werkelijk grootendeels uit verklaarde sociaal-democraten bestond, hier openlijk voor uitkwam en dientengevolge uit den saksischen militairen vereenigingsbond had moeten treden en het recht verloren had het koninklijk wapen in haar banier te voeren. Weer een andere beschouwing was een derde groep toegedaan, die de houding van laatstgenoemde vereeniging èn betreurde èn veroordeelde. Deze groep, uit oudere mannen bestaande trad zeer beslist tegen de beide geuite meeningen en wel met een bemiddelende op. Zij redeneerden in dezer voege: „Wij zijn soldaten en sociaal-democraten; beide met hart en ziel. De-militaire vereenigingen zijn tegelijk soldatenbonden en ondersteuningskassen, voornamelijk het laatste. Nu hebben wij jaren lang deze kas helpen stijven en alzoo recht op het genot van de voordeden er aan verbonden. Daarom reeds mogen wij in de vereeniging blijven. Daar echter haar statuten de politieke gezindheid der sociaal-democraten uitsluiten, zou het de domheid en de driestheid zelve zijn, aan die gezindheid in dergelijke vereenigingen lucht te geven of aldaar propaganda voor onze partij te maken. Men doet beter zijn denkbeelden daar voor zich te houden en over iets anders te spreken.quot;

In geen der beide gesprekken kwam het tot iets wat naar overeenstemming zweemde tusschen deze drie beschouwingen. Iedere groep bleef stokstijf eigen meening voor de alleen juiste houden en wilde niets van een andere opvatting hooren. Ook hieruit bleek mij weer hoe verschillend, bij gelijke politieke gezindheid, de innerlijke drijfveeren. en beginselen dezer middelsoort sociaal-democraten zijn. Bij de eerste groep was de ideale opvatting overwegend en eischte open vizier en streng-zuivere en eerlijke scheiding; bij de tweede dreef de lust tot agitatie en het maken van propaganda voor de zaak tot doldriftig wagen; bij de derde streed de door de sociaal-democratische partij opgedrongen onverschilligheid voor het vaderland met het warme patriotische gevoel van den soldaat, terwijl persoonlijk voordeel daarbij nog een extra gewicht in de schaal legde. Ik geloof te mogen aannemen, dat deze drie verschillende opvattingen ook in den wijden kring mijner kameraden werden gevonden, aangezien zij door dat, wat met de

-ocr page 137-

135

militaire vereeniging onzer voorstad was voorgevallen, zich van zelf met deze vraag moesten bezighouden. Welke van de drie richtingen in onze fabriek bovendreef, weet ik niet.

Onder deze omstandigheden werd — ik meen er hier ter plaatse op te moeten wijzen — een goede dienst bewezen door de gymnastiekvereeniging in onze voorstad. Zij bestond nog niet lang en dit in aanmerking genomen was ze zeer veel leden rijk. Jeugdige bankwerkers, wevers, arbeiders in allerlei vakken maar ook winkelbedienden en kantoorklerken waren tot het lidmaatschap er van toegetreden. Ook trof ik eens een onzer teekenaren — alzoo een der hoogere beambten - bij het „turnenquot; aan. Men vond er kortom alle vakken en bedrijven vertegenwoordigd en evenzoo roode, minder roode en nog niet of anti-sociaal-democraten. En alle leden schenen zeer goed samen overweg te kunnen, er heerschte een rechtafkameraadschappelijke toon.

Zoo was dus deze gymnastiekvereeniging het neutrale terrein, waarop de meest onderscheiden politieke gezindheden en neigingen vreedzaam en, volgens de statuten der vereeniging, onuitgesproken bijeen waren. Men had daarmede een gelegenheid tot wederkeerige persoonlijke toenadering geschapen, hoog boven de bekrompen partijzucht. Hierin zie ik voor mij de groote zedelijke beteekenis aller gymnastiekvereenigingen, die, in plaatsen met een even samengestelde bevolking als de onze was, op dezelfde grondslagen zijn opgericht en werkzaam zijn. Uit- dit oogpunt stel ik ze hooger dan de militaire ver-eenigingen, die heden ten dage werkelijk conservatieve partij-vereenigingen en anti-sociaal-democratische strijdhonden zijn geworden.

Van even welwillenden aard is wat ik heb ervaren betreffende de gezindheid der arbeiders jegens den Duitschen Keizer en den Koning van Saksen. Wel was het zeer moeilijk op dit punt tot een helder inzicht te komen. Iedereen wachtte zich voor majesteitsschennis, daar niemand zijn buurman recht vertrouwde. Ook geloof ik dat meer dan één ten opzichte van keizer en rijk, evenals op zoo menig ander punt, ten eenenmale onverschillig was, haat noch liefde voelde, te veel ingenomen was met eigen kleine belangen of genoegens om zich daarover het hoofd te breken of er voor in vuur te geraken. Anderen weer met de zuivere sociaal-democratische gezindheid ook op dit punt vertrouwd, werden innerlijk nog heen en weer geslingerd tusschen genegenheid en afkeer, vaderlandsliefde en

-ocr page 138-

136

antipatriotisme. Voor de groote meerderheid echter ook van de gematigde leden der sociaal-democratische partij ivas de keizer een zeer sympathieke, hij het Duitsche volk behoorende figuur. Niet slechts hoorde deze zonder tegenspraak en zonder zwart te kijken billijke en vriendelijke beschouwingen over den keizer aan — dit zou in dit geval nog geen bewijs zijn voor de waarheid mijner bewering — maar ik heb zelf meer dan eens uit den mond dezer lieden de rondborstige verklaring gehoord: „De keizer is goed en flink.quot; Eens bij gelegenheid van het kinderfeest, toen men geheel onder vrienden wag en zich dus minder geneerde, kwam deze verre van vijandige stemming bijzonder helder aan den dag.

„Keizer Wilhelm heeft de beste bedoelingen, maar hij kan niet zooals hij wil. Zij houden hem terug en dwingen hem zich naar hun plannen te voegen. Maar misschien gelukt het hem toch zijn eigen weg te gaan.quot; Daar ter plaatse hoorde ik ook de vaak geuite klachten over Keizer Frederik\'s dood. „Dat hij moest sterven! Wat zou alles anders zijn als hij maar vijfjaren had mogen regeeren!quot; Eens zei mij een tamelijk aan lager wal geraakte slagersknecht met wien ik een eindweegs samenging: „Keizer Frederik had meer op met de arbeiders dan met iemand anders. Maar zij hebben ook gelijk.quot; Vooral in Saksen, gelooft men in Keizer Frederik. De zachtmoedige, vriendelijke Hohenzoller is nog in zijn graf een vredestichter, een middelaar tusschen den troon en het volk, en een zegen voor beide. Hier en daar vond ik een portret van hem en van den regeerenden keizer op enkele werkbanken geplakt. Voorts, zij \'t ook in de weinig beteekenende stuiversuitgaven, trof ik patriotische lévensbeschrijvingen van Frederik den derden en van Wilhelm den eersten aan in gezinnen, waarvan het hoofd niettemin openlijk één lijn trok met de sociaal democraten. Later zal ik een gesprek van twee sociaal-democraten uit onze fabriek over Bismarck meedeelen, dat de haren te berge doet rijzen. Ook deze twee mannen toonden — hoezeer zij ook Bismarck vloekten — volle vertrouwen in den keizer te hebben. Toen ik bij deze gelegenheid beweerde, dat de keizer, zelfs al mocht een nieuwe moordaanslag plaats vinden, de socialistenwet stellig niet in stand zou houden, stemden beiden dit volmondig toe. Een andermaal verdedigde een arbeider zijn kameraden zeer beslist tegen de aanklacht van vijandelijke gezindheid jegens de regeering. „Wij zijn niet tegen gt;de regeering en den keizer, maar tegen hun valsche vrienden.\'*

-ocr page 139-

137

En een andere gematigde sociaal-democraat met wien ik mij dikwijls over politieke zaken onderhield, aan wiens weldoordachte meeningen ik bijzonder veel waarde hechtte, en die, reeds negen jaren in de fabriek werkzaam, de arbeiders aldaar door en door kende, verzekerde mij eens openhartig en zonder dat ik hem bepaald naar zijn meening in dezen vroeg: „Ik ben in het minst niet tegen onzen keizer of tegen onzen koning. Ik heb geen van beiden ooit gezien, maar voor onzen koning zon ik door een vuur gaan. En zooals ik er over denk, denken onder ons een massa.quot; Tot deze door zoovelen gedeelde welwillende gezindheid werkte eenerzijds mede het van oudsher diep en vast bij het Duitsche en Saksische volk gewortelde, monarchale bewustzijn, andererzijds de oprechte hervormingsgezindheid, de sociale neigingen des keizers, van wiens eerlijkheid men ook bij ons soms zelfs tegen wil en dank, overtuigd scheen en eindelijk het binnen enge perken blijven van het antimonarchale agiteeren der sociaal-democratie, die men juist op dit punt sterk gekortwiekt had.

Men moet zich nochtans niet voorstellen, dat deze gunstige monarchale gezindheid ook maar in één opzicht naar die oude onderdanigheid zweemt, die met diep ontzag, onder sidderen en beven, voor zijne almachtige majesteit het leven liet. Met prijsgeving van eigen wil, eigen oordeel gaat niet één onder het volk meer door dik en dun voor zijn vorst. Doch in plaats daarvan — naar mijn overtuiging een veel waardevoller verhouding — is in wijden kring die achting gekomen voor den eersten dienaar van den Staat, de noodwendigheid van wiens bestaan erkend wordt, aan wiens billijkheid, aan wiens trouw aan zijn plicht, aan wiens genegenheid voor het volk, aan de onpartijdigheid en rechtvaardigheid van wiens bedoelingen men gelooft; van wien men echter meer vermoedt dan weet, dat hij op verre na niet almachtig is, maar een heerscher die door den dwang en. de tegenstrijdigheid van tal van tegen elkander indruisende belangen, aan handen en voeten gebonden is. Ik ben na al wat ik heb waargenomen overtuigd, dat het der sociaal-democratische beweging tenau-wernood zal gelukken deze gelukkige gezindheid bij het volk uit te roeien, indien althans de keizer voortgaat gelijk hij begonnen is, en de gezonde eischen der arbeiders niet alleen erkent, maar ook zooveel hij vermag, tot vervulling doet komen.

In samenhang hiermede laat het zich tevens hooren, dat

-ocr page 140-

138

verreweg liet grootste gedeelte mijner kameraden in het minst niet dacht aan een geweldige en bloedige revolutie. Ik voer als bewijs voor deze daadzaak niet alleen mijn zeer bepaalden algemeenen indruk aan, maar ook talrijke rechtstreeksehe en oprechte verzekeringen uit den mond der arbeiders opgevangen. Op dien onstuimigen Zondagavond, toen, na afloop van het kinderfeest, in onze kiesvereeniging die hevige woordenstrijd plaats vond met den geamerikaniseerden Beier en zijn vriend den bierbrouwer, toen het eene sociaal-democratische lied na het andere werd gezongen en harten en monden werkelijk los kwamen en overstroomden, verklaarde meer dan één mij: „Wij arbeiders willen geen revolutie. Wij zijn daartoe veel te beschaafd. Wij willen langs vreedzamen weg ons doel bereiken: heden zoo veel verkrijgen als mogelijk is en de rest voor onze nakomelingen laten.quot; En dat waren jonge mannen die zoo spraken. In de fabriek verzekerde mij een arbeider reeds een der eerste dagen dat ik aan het werk was: „Het valt ons niet in revolutionairen te zijn; hier in Chemnitz en omgeving denkt tenminste niemand daaraan.quot; En later een ander: „Dat de arbeiders revolutie willen maken, dat gelooven de leiders in ernst zelve niet.quot; En een der beide reeds genoemde heftige Bismarckhaters zeide bij gelegenheid, dat wij over de opheffing van de socialistenwet spraken: „De keizer heeft gezien, dat alles ook zonder socialistenwet, rustig en ordelijk zijn gang gaat. Revolutie komt er ten slotte alleen dan, als men onze zaak met geweld onderdrukt.quot; In gelijken geest sprak een, reeds meer door mij genoemde, zeer ervaren en zelfstandige monteur: „Wij zouden de grootste domkoppen zijn als wij revolutie maakten en de fabrieken verwoestten. Het zou de grootste dwaasheid zijn en ons zelf het meest schaden.quot; Zoo ook een van de hoofden der weversbeweging,, een forsche kerel en een uitstekend gymnasticus: „De rijken wenschen, dat wij revolutie maken, maar wij zullen hun in geen geval dat genoegen verschaffen.quot; Eindelijk hoorde ik eens in een gesloten vergadering, onder de zwijgende toestemming der aanwezigen, den voorzitter, sterk nadruk op zijn woorden leggende, zeggen: „Wij in onze vakvereeniging willen geen oproermakers zijn, maar veeleer een goed voorbeeld geven en slechts verbetering van toestand in onzen eigen stand najagen.quot; Eens slechts hoorde ik een uitdrukking,, waaraan men een andere uitlegging kan geven. „De groote heeren moesten ons met meer liefde tegemoet komen. Dan

-ocr page 141-

139

zou er zooveel haat en strijd niet zijn. Als zij dit echter niet verkiezen te doen, dan gaat het ons eindelijk als den man, die honger heeft en niets te eten krijgt: dan nemen wij wat-wij noodig hebben,\'\'

Ik vertrouw, dat deze uitdrukkelijke verzekeringen, die bijna alle van tamelijk warme sociaal-democraten afkomstig zijn, mij in ieders oog het recht geven om nogmaals de onwrikbaar bij mij vaststaande overtuiging uit te spreken: de Chemnitzer fabrieksarbeider met wien ik gewerkt heb, verzet zich heden nog met hand en tand tegen de gedachte aan een bloedige revolutie. Wel echter weet hij, dat de diepgaande verbetering van zijn toestand, waarnaar hij met al de zijnen vol verlangen uitziet, waarnaar hij streeft, waarop hij hoopt, zonder strijd niet te verwerven is. Daarbij kent en ondervindt hij zelf te vaak, naar ik zeide, de heden niet te overbruggen klove tusschen de belangen van hem en de gezamenlijke werkgevers. Maar hij beschouwt die kloof heden nog als een natuurnoodwendigheid en slechts in een of ander bepaald geval als schuld zijns werkgevers. Gewoonlijk houdt hij dan ook diens persoon en diens zaak uit elkander, en wil hij ook zijnerzijds niet een strijd van ruw geweld, maar het mannelijk en onverzettelijk doch wettelijk debat tusschen twee georganiseerde partijen in een parlementair vrijen staat. Niet aan het aantal vuisten zal de beslissing zijn, maar aan het aantal stemmen en aan de macht der waarheid.

Men versta mij wel. Ik loochen geenszins het dreigende gevaar eener revolutie. Maar dit gevaar schuilt niet in de bedoeling, in de oogenblikkelijke politieke en sociale gezindheden der arbeiders, maar in de toch nog altijd mogelijke staking of verslapping van de grondlegging eener sociale hervorming, en vóór alles in de erbarmelijke nieuwe levensbeschouwing, welke, begunstigd door de tegenwoordige innerlijke crisis der Kerk, en door onze verwaarloosde economische en sociale toestanden, zich heden ten dage, tengevolge van het werken der sociaal-democraten, wijd en zijd onder het volk heeft verbreid. Hierin alleen — niet in de nog slechts for-meele economische opvoeding van den arbeider in zuiver socialistischen en communistischen geest — ligt het eigenlijke, het groote gevaar, het werkelijk noodlottige gevolg der geheele beweging. Daarover nader in de volgende hoofdstukken.

In verband met de zooeven weergegeven revolutiebeschou-

-ocr page 142-

140

wing is de door mij gemaakte opmerking niet onbelangrijk, dat de zoo nauw met revolutie verwante gedachte, de sociaaldemocratische phrase van de verbroedering aller volkeren, tot dusver in de praktijk volstrekt geen vruchtbaren bodem heeft gevonden. Het tegendeel veeleer viel dag aan dag in Chemnitz waar te nemen, aangezien aldaar, tengevolge van de nabijheid der saksisch-boheemsche grenzen, honderden Tschechen (Sefts bijgenaamd) inzonderheid in de bouwvakken aan den arbeid waren. Tusschen hen en de te Chemnitz woonachtige duitschers heerschte een duidelijk waarneembare antipathie. In verscheidene arbeidersgezinnen waren zij welkom als voorwerpen om voordeel van te trekken, en werden zij als zoodanig niet slecht behandeld, maar men zag niettemin uit de hoogte op hen neer. Zij hadden ook hun eigen danshuis, waar mijn kameraden liefst niet heengingen, omdat het er te ruw toeging, en vechtpartijen met hen kwamen dan ook niet zelden voor. Bi/ons in de fabriek hadden zelfs de duitsche Bohemers te lijden onder deze antipathie tegen hun landgenooten. Van een omgang tusschen Tschechen en onze arbeiders viel hoegenaamd niets te bespeuren.

Daarentegen was het — hoewel het nu juist niet onverklaarbaar mag worden genoemd — diep bedroevend om aan te zien met hoeveel succes de sociaal-democraten de gansche arbeidende bevolking van den heftigsten sociaal-democraat tot den kalmsten toe — tegen vorst Bismarck hadden opgestookt. Daar in Chemnitz wordt niemand bitterder, gloeiender gehaat dan de grondvester van het duitsche rijk. Er was maar één stem, één oordeel over hem: „Bismarck is de grootste vijand der arbeidersquot;, en; „Bismarck is een bedriegerquot;. Dit is woordelijk weergegeven wat ik meermalen heb gehoord. Eens stonden wij met ons zessen bij elkander voor een groote ijzeren plaat, waarin ik met een handboormachine gaten moest boren. Een van het zestal schreef onderwijl met krijt Bismarck\'s naam in groote letters op de plaat, en gaf ons te raden wat dit beduidde. Hij gaf daarop zelf de oplossing. Van voren naar achteren gelezen beduidden de letters: „-Bismarck is zijner (6\'eins) il/ajesteits ^./machtige .ftyks-iTanselierquot; en van achteren naar voren: „geen (ÜTein) .Kyk Arbeidt .Met zulk {So) een In-telligenten .Beambte.quot; „Ja,quot; zei daarop een ander, „Bismarck is een groot denker.quot; „Hoe zoo?quot; vroeg ik. „Hij heeft de meeste belastingen bedacht,quot; was het antwoord. In beide uitingen weinig geestigheid maar veel haat. Later stond ik

-ocr page 143-

141

met een anderen arbeider over den leten Mei te praten. De man verklaarde dat er bij ons in de fabriek vóór noch na den „eerstenquot; een woord over een Meifeest was gerept. „En toch,quot; zei hij, „zijn er zulke zwaarwichtige maatregelen tegen ons genomen, niet alleen door de werkgevers, maar ook door de regeering! Maar dat is Bismarck\'s schuld: deze heeft het grootste onheil aangericht. Wel is waar is hij er niet meer en dat is maar goed, maar nog altijd zijn zijne aanhangers en getrouwen bij de regeering zeer machtig.\' Nog teekenénder is het volgende, door mij reeds aangestipte gesprek tusschen twee arbeiders;

A. Wat zou Bismarck thans uitvoeren?

B. Die zit rustig op Friedrichsruhe en beraamt misschien weer moordaanslagen evenals in 1878.

A. Wat meent ge toch?

B. Wel dat is klaar als de dag. Nobeling noch Hüdel waren sociaal-democraten. De eerste was een liberaal; de tweede een volgeling van Stöcker. Beiden waren door Bismarck omgekocht, opdat hij de socialistenwet zou kunnen invoeren.

Tk: En waarom zou hij nu weer aan zoo iets denken?\'

B, Om te verhinderen, dat de socialistenwet op den eersten October worde opgeheven.

Hoe dwaas dit gansche gesprek ook zij, er spreekt in den hoogsten graad wantrouwen, haat eu verachting uit, terwijl ik niet één welgezind oordeel gehoord heb, om er temperend tegenover te stellen.

Uit de breede rij der door mij geschilderde middelsoort sociaal-democraten trad nog een zeer belangrijke groep naar voren, die, naar ik op goede gronden vermeen, op dit oogen-blik allerwegen met den dag aangroeit. Zij bestond uit de verstandigste, meest practische, meest ernstige en ontwikkelde individuen; — meerendeels mannen van middelbaren leeftijd — die zich wel ernstig met der soc. democraten verder reikende economische en politieke problemen inlieten, en — zij het ook dat zij zich niet van critiek onthielden — deze in den geest der heethoofden opvatten, maar die niettemin zich voor de zuiver politieke beweging der partij niet of matig warm maakten. Daarentegen, belust op handelen als zij waren, hadden zij zich geworpen op de naderbij liggende, onmiddellijke practische gevolgen en op den meer bevrediging belovenden arbeid in de vak- en werkliedenvereenigingen. in het bestuur der zieken-.

-ocr page 144-

142

pensioen- en verzekeringskassen der onderlinge weerstands- en ondersteunings-fondsen en vóór alles op de werkzaamheid in hun eigen locaal-politieke vereeniging. Natuurlijk steeds met de vaste bedoeling dezen arbeid te verrichten in den geest tier sociaal-democratische grondbeginselen en ten bate der sociaal-democratische belangen. Maar terwijl zij zich op deze wijze bezighielden, waren zij — hoe zij ook hun soc. dem. gezindheid zochten te gebruiken — genoodzaakt met reëele daadzaken rekening te houden, op reëele doeleinden af te gaan. En dit reëele begon hun dan van lieverlede belangstelling in te boezemen. Het feitelijke, het tegenwoordige gaat in hun gedachte de overhand verkrijgen op de problematische en veraf liggende belangen der partij in haar geheel, en op die wijze worden deze mannen, die intusschen meestal overtuigde sociaal-domocraten blijven, tot wezenlijk praktisch politieke en speciale werkzaamheid opgevoed. Daarmede is dan voor hen een krachtdadig tegenwicht geschapen tegenover de droome-rijen en den strijd voor utopieën, die vroeger voor hen het een en het alles waren, wanneer zij zich met politiek gingen afgeven; en tevens is daarmede het dreigend gevaar afgewend dat de sociaal-democratie een kinderachtige, een tot waarachtige hervorming onbekwame partij, een schaduwbeeld worde en zich belachelijk make.

Deze ervaring, die als het ware bekrachtigd is geworden door het oplettend nagaan van de jongste ontwikkeling der sociaal-democratische beweging in de vakvereenigingen, deed ik eens bijzonder verrassend op in een vergadering onzer sociaal-democratische kiesvereeniging. Hier hield de redacteur van de Chemnitzer soc. dem. „Pressequot; een, naar ik meen, later in het licht verschenen lezing over de destijds nog niet in werking getreden wet op de verzekering tegen den ouden dag en tegen ongelukken. Het was over het geheel genomen een zeer zaaklijke rede. Haar zwaartepunt lag in de tweeledige slotsom, dat de nieuwe wet wel op menig punt nog onvolledig is, in geen geval den arbeiders afdoende hulp verleent en dus volstrekt niet als de oplossing van dit sociale probleem mag worden beschouwd, maar dat men zich hierom tocll niet behoefde te laten afschrikken van de aanneming van hetgeen aangeboden werd, doch slechts met kracht aan de geleidelijke verbetering der wet moest zoeken te arbeiden. Men moest, luidde zijn slotwoord, eindelijk eens ophouden met het geheel overbodige redeneeren, zwetsen en schimpen. In weerwil van

-ocr page 145-

143

.alles had de wet een gezonde kern; het ontbolsteren van deze was in hoofdzaak de aangewezen taak. Hij sprak hiermede moedig eene meening uit, die onder mijn kameraden niet weinig verbreid was, maar slechts zelden en alsdan niet dan schuchter te voorschijn kwam, nadat de officieele sociaal-democratie haar afkeuring van de verzekeringswetgeving had uitgesproken. Want thans reeds ondervindt men de bereids duidelyk waarneembare goede werking der wet, en is men dankbaar gestemd, ook voor wat men als iets van zelf sprekends beschouwt. Waar ik over de wet heb hooren klagen, daar betrof dit, voor zoo ver ik kon nagaan, enkele fouten, die haar aankleven, zooals de driedaagsche pensioensderving bij den aanvang van elke ziekte, of misstanden, die zich bij de toepassing voordeden en waaraan veelal slechts de personen schuld hadden, die hierbij als gezag-hebbenden optraden. Zoo vernam ik, op zekeren dag een zieken kameraad bezoekend, een geval dat niet weinig ergernis gaf. Het betrof een boheemsche vrouw, die den vorigen zomer bij mijn zieken vriend in den kost was geweest en, gelijk dit in Ohemnitz veel voorkwam, in het bouwvak werkzaam was. Deze vrouw werd ziek. In plaats van haar te behandelen, zond de dokter, die men geroepen had, haar onverwijld naar haar woonplaats en haar welgestelde ouders terug. De arbeidersvrouw bij wie zij aan huis was en die haar liefderijk verpleegde, vond de zaak verdacht; zij deed onderzoek en het bleek, dat de boheemsche arbeidster met de gansche schaar harer vrouwelijke kameraden niet aan het ziekenfonds was opgegeven. Bouwondernemer en dokter van het ziekenfonds hadden dat zaakje samen in orde gemaakt en trokken er beiden profijt van, althans naar de verklaring van mijn zegsvrouw, die ik echter op haar woord heb moeten gelooven, omdat ik geen gelegenheid had de zaak persoonlijk te onderzoeken.

In de fabriek ging het kiezen van de leden der commissie van toezicht op de gelden van het pensioenfonds rustig, stil, schier onmerkbaar in zijn werk. De noodzakelijkheid van dergelijke verkiezing voor een of andere beroepsafdeeling werd door aanplakking aan de poort der fabriek bekend gemaakt, en op den voor die verkiezing bestemden dag ging alsdan midden onder het werk een van een spleet voorziene groote ruw houten bak, die natuurlijk zorgvuldig gesloten was, van man tot man onder de betrokkenen rond. De gansche ver-

-ocr page 146-

144

kiezing was in een half uur afgeloopen, de bak werd in bijzijn der afgevaardigden van de arbeiders geopend, en den volgenden dag de uitslag der verkiezing, wederom door aanplakking, ter zelfder plaatse bekend gemaakt.

Dezelfde welwillende gezindheid ten opzichte der verzekeringswet trad ook bij de talrijke bezoekers van de door mij genoemde vergadering onzer kiesvereeniging aan den dag. Wel — ik herhaal dit met nadruk — ontbrak het niet aan tegenspraak van hen, die het officieele oordeel der sociaaldemocratische partij onderschreven, maar de meening van den spreker was ook die der meerderheid. De eindelooze debatten liepen hoofdzakelijk uit op een hardnekkigen strijd tusschen den spreker en zijne medestanders te eener, en de enkele verdedigers der door de sociaal-democraten beheerde vrije verzekeringsfondsen ter anderer zijde.

Onder deze laatsten was er een die deze vrije fondsen alleen hierom met zooveel vuur verdedigde, omdat hij, na de ervaring door hem in een klein fabrieksplaatsje in het Ertsgebergte opgedaan, van meening was, dat bij het rijkspensioenfonds de vertegenwoordigers der arbeiders geheel afhankelijk waren van de met hen tot hetzelfde comité behoorende werkgevers, zich door dezen als stemvee lieten drijven en dat daardoor slechts het belang en het voordeel der heeren bevorderd werd. Dit werd ten stelligste ontkend door die arbeiders, die reeds van af de inwerkingtreding der wet in dergelijke gecombineerde comité\'s zitting hadden. Zij eischten, wat hen zeiven betrof, de erkenning, dat zij zich nooit op bovengenoemde wijze hadden laten gebruiken, maar veeleer, zoo vaak dit was voorgekomen, met alle macht en in zuiver sociaal-democratischen geest voor de belangen der hunnen waren opgekomen. En dit steeds met goed gevolg. „Als wij,quot; beweerden zij „bij verschil van gevoelen maar fatsoenlijk en met argumenten tegenover de met ons in comité zittende werkgevers optreden, gaan zij meestal met ons mede en stemmen zij vaak tegen hun eigen collega\'s.quot; „Ja het is voorgekomenquot; verklaarde een bijzonder degelijke en naar het scheen op dit punt zeer ervaren arbeider, dat loij tegen toekenning van schadevergoeding bij een ongeluk, de werk-(jevers er voor hebben gestemd. Maar men moet niet doorslaan, men moet altijd zakelijk blijven en rechtvaardig en billijk oordeelen. Dan gaan de meeste werkgevers met ons mede. En dan zijn deze wetten een weldaad en kan er veel meer mede bereikt worden dan met de vrije ondersteunings-

-ocr page 147-

145

fondsen. Maar niettemin moeten wij die wetten blijven verbeteren ; ons best blijven doen meer uit haar te halen dan zij thans geven, en ook vast blijven houden aan onze sociaaldemocratische gevoelens. Maar dat kan ook zeer goed samengaan. Zooals de zaken op het oogenblik staan, hebben de officieele, niet de vrije ondersteuningsfondsen, levensvatbaarheid, behoort de toekomst aan de eerste: het zou dwaasheid zijn geen profijt van ze te trekken.\' En in dien geest werd hij door anderen bijgevallen. De debatten werden zóó levendig en heftig, dat er zelfs tegen middernacht, toen de vergadering werd opgeheven, nog geen einde aan wilde komen; de woordenstrijd werd alzoo op straat voortgezet en toen wij aan den hoek van de straat waar ik woonde, uit elkander moesten gaan, bleven de voornaamste woordvoerders nog wel een half uur met elkander staan redetwisten. Wat dit voorval voor mij van bijzonder veel beteekenis maakte, was ten eerste dit: dat zich hier nu toch werkelijk weer eens in een bepaald geval een aangename, een van wederzijds vertrouwen blijk gevende verhouding tusschen arbeiders en werkgevers voordeed, en ten tweede, dat hier sociaal-democraten voor werkelijk practische belangen streden en zich daarvoor op de bres stelden. Wat dit laatste punt betreft, denk ik hier wel deugdelijk ook aan de verdedigers der vrije ondersteuningsfondsen. Want terwijl zij zich bezighouden met de organisatie en het bestuur dezer laatste instellingen, met de tijdroovende inning en belegging der gelden, met de zorgen voor het finantieele slagen van dergelijke onderneming, zien zij, evenals hun kameraden, die in de officieele comités zitting hebben, zich genoodzaakt hun aandacht van de utopische fantasien af en öp bereikbare, al hun denkkracht eischende onderwerpen te richten — in mijn oogen een groote, veelbeteekenende stap voorwaarts. Datzelfde geldt — en zal later in nog hooger mate gelden — van de werkzaamheid, waartoe reeds eenige leden van onze soc.-dem. kiesvereeniging zich geroepen zagen, doordat zij tot lid van den gemeenteraad van hun plaatsje waren gekozen. Ook in die hoedanigheid deden zij zich zeer zeker als sociaaldemocraten kennen, ijverden zij, al naar gelang van hun leeftijd, hun bekwaamheid, hun ervaring en hun karakter, meer of minder vurig voor het doelwit der partij, maar het verblijdende is ook hier weer, dat de harde feiten, dat de juist vaak bij het geldelijk beheer van gemeentezaken voorkomende groote misstanden, de bestaande, niet weg te redeneeren moeilijkhe-GÖIIIÏE. 10

-ocr page 148-

146

den hen dwingen, aan de verwezenlijking van hun idealen en wenschen, stuksgewijze, punt voor punt, nu in het eene dan in het andere concrete geval te arbeiden; hun eigen inzichten toetsend en slijpend aan anderer inzichten; ze in overeenstemming brengend met den wil van hen, die anders gezind zijn dan zij ; ziuh tevreden stellend met het mindere als het meerdere voor hen niet te bereiken valt. Bedrieg ik mij niet, dan valt dezelfde hoopvolle verklaring te geven van den arbeid van hen, die aan het hoofd staan der jongste beweging in de sociaal-democratische vakvereenigingen. Op dit punt zal ik echter niet nader in bijzonderheden treden, omdat ik niet bij machte ben deze verklaring met overtuigende bewijzen en voorbeelden uit den tijd, dat ik fabrieksarbeider was, te staven.

Bij dit groot aantal middelsoort sociaal-democraten sluit zich eindelijk nog een laatste, niet minder talrijke groep arbeiders aan. Zij omvut al diegenen, die in het minst geen eigen politieke en sociale overtuiging hebben en ook niet trachten er een te verwerven, maar die zich niettemin sociaal-democraten noemen en zich ook als zoodanig gevoelen en beschouwen. Zij zien hoogst zelden een sociaal-democratisch blad in; zij gaan bijna nooit naar een sociaal-democratische vergadering; zij quot;mengen zich niet in de sociaal-democratische gesprekken. Toch zweren zij bij het sociaal-democratisch program. Maar er zich in verdiepen! — daartoe zijn zij te lichtzinnig, te genotzuchtig^ te dom, te gedachteloos, te lui of te indolent; of ook wel — de stakkers — te gedrukt en te moedeloos door de nooit wijkende zorg. Zij kiezen sociaal-democraten, maar bekommeren zich overigens bitter weinig om de partij, waarin zij vóór alles de uitdrukking zien hunner ontevredenheid. Zij hebben van niets een heldere voorstelling; slechts onbestemde wen-schen; zij zijn verbitterd gestemd en hebben slechts één vurig verlangen, namelijk dat er in den ellendigen toestand, waarin zij met of zonder hun schuld zijn geraakt, ten spoedigste verandering en verbetering kome. Zij zijn maar al te vaak de gi\'ootste schreeuwers, de ruwste gezellen, echte vertegenwoordigers van het lompenproletariaat — dit woord in zijn oorspronkelijke beteekenis genomen. Maar evenzeer vindt men onder hen stille, gedrukte, hulpelooze stumpers; zielen die geen schepsel zouden willen kwaad doen, maar die in de hooggaande golven van den econumischen vloed het hoofd niet boven hebben kunnen houden. In deze groep treft men candidaten aan voor verbeteringhuizen en voor christelijke

-ocr page 149-

147

arbeidersvereenigingen. Ook zijn in haar alle beroepen en alle leeftijden vertegenwoordigd, ofschoon de jeugd, de 16 ii 20jarige, verreweg de overhand beeft. Want naar mijn ondervinding hebben de meeste jongelieden nog geen heldere en bewust gekozen politieke en sociale meeningen, zelfs niet de hen veelal toegeschreven gewone sociaal-democratische. Dit viel — althans bij de door mij bestudeerde arbeidersgroep — hoofdzakelijk toe te schrijven aan de grenzelooze genotzucht der jonggezellen en aan de vele gelegenheden om deze zucht te bevredigen. Den Zondagmiddag en avond brengen dezen doorgaans in de danshuizen, de weekavonden meestal ook zooveel mogelijk met hun liefjes, maar dan wandelende, door; de besten van hen zijn lid van muziekgezelschappen of gymnastiek- en brandweerclubs. Dientengevolge hebben zij onder het werk of in de schafturen meerendeels lust noch kracht noch voldoende gelegenheid en tijd zich met moeilijke politieke kwestiën in te laten. Dat komt later, als zij gehuwd zijn, door den ernst en den nooddwang des levens. De — voor zoover ik heb kunnen nagaan — niet talrijke jeugdige ongehuwde mannen, die, in tegenstelling met hun kameraden van gelijken leeftijd, reeds vroegtijdig belang stellen in politieke en sociale aangelegenheden, doen dit met al de onstuimigheid en den doldriftigen ijver der jeugd en zijn, gelijk ik reeds zeide, de beste handlangers en schildknapen der agitators in hun woonplaats.

Deze derde groep heeft een zeer sterk sprekenden en vrijmoedig voor den dag tredenden karaktertrek: het steeds bedacht zijn op eigen voordeel. Zij geven, gelijk te verwachten is, den brui van alle sociaal-democratie — ze moge hun nóg zoo op het hart worden gebonden — indien zij er voor zich zeiven geen nut van kunnen trekken. Steeds leed in de fabriek bij deze groep in de eerste plaats het gezag der sociaal-democratische aanvoerders schipbreuk.

Zij deelden deze eigenschap — dat is waar — met een quot; groot aantal van hen, die tot de tweede groep, ja ook wel met eenigen die tot de eerste^ tot de élite der sociaal-democraten behoorden. Maar bij deze laatsten waren de beweegredenen tot ontrouw toch altijd ietwat gewichtiger, nimmer zóó beginselloos en laag; hier wikte en woog men en gaf men slechts na langdurigen, innerlijken strijd aan de stem van het eigenbelang gehoor. Wat intusschen niet wegneemt, dat als regel mag worden aangenomen: bij alle kleine vragen het dagelijksch bedrijf betreffende, die gedurende mijn oponthoud

-ocr page 150-

148

in de fabriek zijn voorgekomen, gaven niet den doorslag de

onwrikbare, niets ontziende eischen en beginselen der partij, niet de zoo mak in stormachtige bijeenkomsten met sociaal-democratische geestdrift geroemde trouw aan het bondgenootschap, doch — tot verdriet en ergernis aller heethoofden in de bent — de zelf-onderzochte practische ervaring, het nuchtere en rustige voor- en tegenwegen, het maar al te heldere besef van de grenzen hunner macht, de gedachte aan vrouw en kind, ja, zelfs bij de meer ideaal aangelegden en de dieper doordenkenden, het rekening houden met het persoonlijk wel en wee, met het prozaïsche oogenhlikkelijk eigenbelang.

Dit niet te weerspreken feit trad bijzonder helder aan den dag bij de poging tot vestiging eener vaste vertegenwoordiging van arbeiders in onze fabriek. Deze zaak is ook op andere punten zoo interessant en, bij de op dit oogenblik hangende strijdvragen betreffende de arbeiderscommissien zoo leerrijk, dat ik de geheele geschiedenis der invoering dezer zoogenaamde arbeidersvertegenwoordiging hier uitvoerig ga mededeelen. Zij doet onze directie wel is waar in een niet zeer gunstig licht verschijnen, maar in weerwil hiervan geloof ik vast, dat zij in dit geval bona fide, in alle oprechtheid, met de beste bedoeling gehandeld heeft.

Op zekeren dag — ik was nog niet lang in de fabriek — zagen wij plotseling aan alle uitgangen der fabriek het volgende biljet aangeplakt:

„Ten einde bij fabrieksinstellingen en dergelijke regelingen ook de wenschen en inzichten onzer arbeiders te leeren kennen, zullen wij een arbeidersvertegenwoordiging, bestaande uit zes personen, doen kiezen.

,Kiesgerechtigd zijn al degenen, die hun 22ste levensjaar zijn ingegaan.

„De te kiezen vertegenwoordiger moet minstens 30 jaar oud zijn en minstens 3 jaren onafgebroken in onze fabriek werkzaam zijn geweest.

„Het kiezen heeft volgenderwijze plaats: Ieder kiesgerechtigde schrijft de zes namen van hen, die hij tot zijn vertegenwoordigers wenscht te zien gekozen, op de ééne zijde van het loonsberekeningpapier dat hij den volgenden Vrijdag inlevert,. De zes personen, die de meeste stemmen op zich vereenigen, worden als gekozen geacht en de uitslag door aanplakking bekend gemaakt.

„Wij behouden ons het recht voor, die gekozen arbeiders.

-ocr page 151-

149

die door ons voor deze post van vertrouwen niet geschikt worden geacht, niet als gekozen te erkennen. In hun plaats treden alsdan die arbeiders op, die, na hen, de meeste stemmen op zich hebben vereenigd.

„Tot deelneming aan de telling der stemmen worden draaier H. en smid N. aangewezen.quot;

Met andere woorden: Het doel der arbeidersvertegenwoordiging is openbaarheid te geven aan de gevoelens en meeningen der arbeiders ten opzichte van elk nieuw fabrieksregle-ment. Zij bestaat uit zes personen, die, onverschillig uit welk vak ook, kunnen worden gekozen. Kiesgerechtigd is elk 21-jarig arbeider. Verkiesbaar elke SOjarige, die drie jaren tot de fabriek heeft behoord. De keus is openlijk en voorwaardelijk. Wie der gekozenen als zoodanig niet aan de directie geschikt voorkomt, wordt afgewezen. In zijn plaats treedt de arbeider, die na hem de meeste stemmen heeft.

De bekendmaking werd den dag, dat zij was aangeplakt, met de meeste aandacht en door velen herhaaldelijk gelezen. Zoo vaak ik, zonder daardoor de aandacht te trekken, dit kon doen, hield ik mij op nabij de plaats, waar de lezers stonden. Ik merkte op, dat een groot aantal mijner kameraden het stuk stil voor zich heen bestudeerden en óf nadenkend óf onverschillig, gelijk zij gekomen waren, weer aan hun werk gingen. Niet weinigen ook maakten er grappen over, deels van onschuldigen aard, deels vol bijtende satire. Stond, tegelijk met hen, de een of andere onnoozele bloed het blad te lezen, een uilskuiken, die ten allen tijde door de anderen voor het lapje werd gehouden, dan verzekerde men dezen schijnbaar in vollen ernst, dat men in elk geval juist hem zou kiezen en hem dit eerepostje zou zien te bezorgen. Enkelen slechts toonden er zich gebelgd over. Een jonge man, ongeveer dertig jaren oud, gaf onmiddellijk en in scherpe woorden zijne afkeuring van de geheele zaak te kennen. In den vorm, waarin ze hier was gegoten, deugde ze volstrekt niet, meende hij. \'t Was een doodgeboren kind. Een paar mannen, die er bij stonden, waagden schuchter een enkele tegenwerping. Ze gaven toe dat het plan niet goed was opgezet, maar men moest de zaak afwachten. Vroeg ik dien dag en den volgenden dag de arbeiders om mij heen wat zij er van dachten, dan kreeg ik slechts schouderophalen tot antwoord. Na een paar dagen was men het er echter over eens — dit was althans de publieke opinie, die zich openlijk uitsprak — dat de gansche zaak minstens

-ocr page 152-

150

verkeerd was aangevat, maar waarschijnlijk wel weer een slimme zet van de directie tegenover de arbeiders zou wezen. Dat bleek reeds uit de wijze waarop gekozen moest worden: Deze mocht niet geheim zijn, opdat men de gezindheid van iederen arbeider persoonlijk zou leeren kennen. Koos hij energieke, helder denkende, hem werkelijk eerlijk en moedig en open vertegenwoordigende kameraden, dan wist de directie terstond, dat men sociaal-democraat was evenals de gekozene. Want slechts dezen hadden den moed voor hun meening uit te komen. Koos hij tamme en nietsbeteekenende kameraden, dan had de gansche instelling niets te beduiden, want dezen zouden ja en amen zeggen op alles wat de heeren wenschten, en bij werkelijke misstanden geen mond opendoen. Nu, de heeren verlangden juist deze tammen gekozen te zien; dat bleek duidelijk uit de vijfde alinea van het biljet. Zoodra men het eerste doel bereikt had, de gezindheid van eiken arbeider afzonderlijk had leeren kennen, zou men dood eenvoudig uit hen, die de meeste stemmen hadden bekomen, de tamme en gedweeë kandidaten uitzoeken en uit hen een vertegenwoordiging vormen, die «voor de heeren „net zooveel beteekende als niets.quot; Ook hoopte men waarschijnlijk door de instelling dezer schynvertegenwoordiging later zich van andere groo-tere verplichtingen ontslagen te zien. Want het was slechts een quaestie van tijd, dat, na het in werking treden van de nieuwe wet op de arbeidersverzekering, een deugdelijke arbeidersvertegenwoordiging wettelijk zou worden ingevoerd. Men hoopte dus deze gedwongen vertegenwoordiging te voorkomen; wellicht er om heen te kunnen gaan en tegelijkertijd als arbeidersvriend te poseeren. Men had dan drie vliegen in één klap geslagen en de arbeiders, die er op ingingen, hadden zich voor de zooveelste maal weer om den tuin laten leiden.

Deze opvatting bleef de toongevende; het gevolg was dat als ik goed heb waargenomen en men mij juist heeft ingelicht, op den aangewezen dag nauwelijks de helft der arbeiders namen op hun afrekeningspapier hadden geschreven. De overigen hadden zich standvastig van kiezen onthouden. Daarop verscheen een nieuw aanplakbiljet, verklaarde de eerste onvolledige verkiezing, wegens te geringe deelneming, voor niet geldig, bepaalde een nieuwen kiestermijn, en riep alle arbeiders met nadruk tot deelname op: Dit werkte. De overgroote meerderheid koos, en wel candidaten, die zonder uitzondering genade vonden in de oogen der directie. Hun namen werden bekend gemaakt en de

-ocr page 153-

151

nieuwe arbeidersvertegeuwoordiging daarmede geconstitueerd verklaard. Ik heb echter gedurende de twee maanden, die ik na dit voorval nog in de fabriek doorbracht, nooit weer ook maar het geringste levensteeken van deze vertegenwoordiging bespeurd. Hoe dikwijls ik mijn kameraden er ook naar vroeg — niemand wist er iets van te zeggen. Voor de nadenkenden en vurig sociaal-democratisch gezinden was dit een nieuw bewijs voor de juistheid van hun hierboven omschreven opvatting.

Nog een ander geval, waaruit hetzelfde bewijs valt te trekken. Dit betreft een zeer overtuigden sociaal-democraat, een der degelijkste arbeiders in onze fabriek, op wiens waarde-vollen arbeid ik reeds vroeger heb gewezen. Die arbeid werd in onze geheele afdeeling door hem alleen verricht, terwijl vóór hem twee mannen zich daarmede hadden beziggehouden. Deze man werkte echter van stonde af aan zóó opvallend vlug en Hink (hoewel hij niet op stuk werkte) dat men den tweeden, veel minder vluggen arbeider al spoedig kon missen. Men ontsloeg dezen daarom en gaf den thans alleen arbeidende ietwat hooger loon. Dat was dus wel is waar voordeelig voor hem zeiven en ook niet onverdiend, maar niettemin ten eene-male indruischend tegen het sociaal-democratisch solidariteitsbeginsel, dat, als ik mij niet bedrieg, de middeleeuwsche gildespreuk weer van kracht wil zien gemaakt: „wat twee kan voeden, mag één niet verrichten.quot; Doch ook hier weer bleek wat ik daareven heb aangetoond en wat zich maar al te vaak voordoet: Het eigen oogenblikkelijk voordeel zegeviert over een zeer veelbelovend sociaal-politiek beginsel en over een overigens zuivere en welbewuste sociaal-democratische gezindheid.

Zoo blijkt dan uit al het aangevoerde dat — waarschijnlijk ten gevolge van het phantastisch, onuitsprekelijk, ontastbaar karakter harer leerstellingen, in verband met den nuchteren practischen aard, die den duitschen arbeider, hoe hij ook moge droomen en „schwarmenquot;, toch nog altijd eigen is — de zuiver politieke en sociale beweging der sociaal-democratische partij tot dusver in Chemnitz nog geen groote gevolgen heeft gehad; indien men althans bedenkt hoeveel tijd\'en kracht reeds sedert eenige tientallen van jaren aldaar aan deze beweging is ten koste gelegd. Gelukt is het haar in elk geval nog niet de meerderheid der arbeiders voor haar bepaalde politieke beschouwingen en wenschen te winnen. Ik geloof niet dat dit in vervolg van tijd anders zal worden. In elk geval is het mijn vaste overtuiging, dat de geheele sociaal-democratische

-ocr page 154-

152

propaganda haar grootste kracht, haar meest diepgaanden invloed niet op dit gebied uitoefent.

Haar gewichtigsten arbeid heeft men op een meerbeteekenend veld te zoeken, waarover ik in het volgende hoofdstuk zal handelen. Maar dit ééne — en dit mag waarlijk niet als een kleinigheid worden beschouwd — heeft zij als sociaal-politieke partij toch onder de arbeiders bereikt, dat dezen geleerd hebben zich, in weerwil van al wat hen scheidt, van elk verschil in opvatting, meening en inzicht, als één groote politieke en sociale laag te beschouwen, zich blijvend solidair met elkander verbonden gevoelen en zich — om het even in welke verhouding ze persoonlijk tegenover haar staan — door de sociaal-democratie vertegenwoordigd achten. En hoezeer eener-zijds ook zij gelijk hadden, die zich in de fabriek bitter tegen mij beklaagden, dat de arbeiders in de vergadering één waren, maar daarbuiten nooit schouder aan schouder stonden, een feit is het evenzeer, dat zij zich tegenover andere politieke partijen en maatschappelijke lagen onwillekeurig, instinctmatig als één groote ondeelbare massa overstellen, en dit juist in uren, waarin de geestdrift ontwaakt: bij verkiezingen, in meetings in tijden van spanning belegd, en bij alle soortgelijke gelegenheden.

Alles te zamen genomen kan men de groep arbeiders, waaronder ik geleefd heb, wat haar politieke en sociale gezindheid betreft niet als een eenvormige, gelijkmatige, in waarde aller-wege aan elkander gelijke massa beschouwen maar veeleer — om een beeld te gebruiken — als een grootsche pyromide, door de mokerslagen der sociaal-democratische beweging forsch en vast te zamen gebeukt. De top dezer pgr amide wordt door de élite der partij gevormd. Van deze kleine schaar aanvoerders en hun getrouwen af gaat het geleidelijk, in steeds breeder vorm naar beneden tot op den grondslag, gevormd door de chaotische massa van hen, die slechts daarom sociaal-democraten zijn, omdat zij — wat men hen heden ten dage niet euvel kan duiden — bij de verkiezingen steeds aan een der „hunnen,quot; aan een van huns gelijken, aan een arbeiders-candidaat, aan een sociaal-democraat hun stem geven.

-ocr page 155-

ZESDE HOOFDSTUK. Beschaving en Christendom.

Het arbeiderscorps in onze fabriek was, duidelijk waarneembaar, uit drie groepen der bevolking saamgesteld: uit gewezen boerenknechts, daggelders enz., die deels hun dorp hadden verlaten, deels dagelijks uit hun dorp naar de fabriek togen; uit stedelijke fabrieksarbeiders, reeds van kindsbeen af voor de fabriek bestemd, omdat hun ouders, ja ook wel hun grootouders levenslang hun brood in de grootindustrie hadden verdiend, en eindelijk uit leden van den kleinen ambtenaars-en ambachtsstand, meerendeels uit kleine of middelmatig groote provinciesteden, hoogst zelden uit een hoofdstad, tot ons overgekomen. De middelste groep was natuurlijk de talrijkste, maar toch kwam die der voormalige landbouwers haar zeer nabij. De kleinste groep werd gevormd door de laatstgenoemde kleinstedelingen. Dezen waren doorgaans beschaafder dan de overigen; de meesten van hen waren bankwerkers van 18 a 23 jaar; die van het platteland deden het grofste werk, waren sjouwers, of bedienden de groote boor-, schaaf- en ponsmachines; de eigenlijke fabrieksarbeiders vond men bij alle categoriën van den arbeid ingedeeld, bij de groote en bij de kleinste machines; ook wel, hoewel niet in grooten getale, bij de „geleerdequot; ambachten; bij dat der fïjnsmeden, der grofsmeden, der modelmakers en der timmerlieden.

Het laat zich hooren, dat door deze drie groepen in fabrieken fabrieksleven bijeen werden gebracht de geest, de gezindheid, het sociale karakter, de levensbeschouwing en de gewoonten, die, buiten de fabriek, in de drie van elkander

-ocr page 156-

154

gescheiden afdeelingen der bevolking onvermengd, ja als zeer van elkander verschillend, vallen waar te nemen. Natuurlijk bleven zij in de fabriek niet duurzaam van elkander gescheiden ; althans niet scherp tegenover elkander staan. Veeleer slepen zij elkander, door hun veelvuldige wrijving, wederzijds af; vooral door het werken der sociaal-democraten en door hét eigenaardige nieuwe fabrieksleven werden ze zelfs allengs meer of minder genivelleerd. Bij den enkele had dit sneller en vollediger plaats, al naarmate hij langer of korter het fabrieksleven had meegemaakt en meer of minder volkomen de banden met zijn verleden verbroken had. Maar niettemin vloeide altijd weer van nieuws af aan en altijd weer rein en frisch de drievoudige zeden- en gezindheidsstroom, de drieërlei politieke en sociale inzichten en wenschen onze fabriek binnen, wijl ook altijd weer van nieuws af aan nieuwe, frissche krachten uit de dorpen en de kleine steden hij ons arbeiderscorps werden ingelijfd; de dorpelingen om voor goed bij ons te blijven, de kleinstedelingen om slechts korter of langer daar in de fabriek te leeren wat er te leeren viel, en daarna naar de vaderlijke werkplaats, naar het kleine eigen zaakje terug te keeren, of wel bij staatsspoorwegen, gemeentelijke gasfabrieken, by waterleiding of brandweercompagnie als lagere technische beambten op te treden. Bleven zij in de fabriek, dan was het meestal, omdat zij daar als monteur of bazen werden aangesteld. Maar daarmede waren zij dan toch uit de eigenlijke arbeidersklasse getreden.

In overeenstemming met deze, duidelijk in haar onderdeelen te onderscheiden, en in alle opzichten belangrijke driedubbele sociale laag vond men onder de arbeiders ook drieërlei soort geestelijke ontwikkeling. Deze moet niet alleen aan genoemde plaatselijke invloeden worden toegeschreven, maar evenmin uitsluitend aan dien anderen, even gewichtigen factor: het onderricht in de verschillende scholen, door deze mannen in hun kinderjaren bezocht; de dorpsschool door de gewezen landlieden, de zoogenaamde burgerschool door de uit ietwat hooger stand afkomstige kleinstedelingen, de gewone lagere, de volksschool door de eigenlijke fabrieksarbeiders. Bij den eersten factor is het verschil tusschen leefwijze, inkomen en gewoonten, bij den tweeden het verschil tusschen leeraars, leervorm en leerstof niet groot genoeg, om op zich zelf de drieërlei beschaving te voorschijn te roepen. De gemeenschappelijke invloed slechts van beide factoren heeft dit verschil

-ocr page 157-

155

naar mijn ervaring te weeg gebracht. Want alleen doordat deze drieërlei soort scholen door de kinderen der drie genoemde volksgroepen worden bezocht; met andere woorden, doordat de geestelijke eigenaardigheden der school samensmelten met de maatschappelijke eigenaardigheden van de groep, wier kinderen die school bezoeken, en als \'t ware op de persoonlijkheid van elk kind uit een bepaalde groep inwerken, ontstaat er een duidelijk van de beide andere groepen te onderscheiden kwaliteit van weten, van denken, van geestelijk leven, welke als een afzonderlijke categorie van beschaving mag worden aangemerkt en door elk der arbeiders, nu eens scherper dan eens vager, vertegenwoordigd werd.

Ik begin met de beschrijving der dorpsschoolbeschaving, zooals deze bij mijn gewezen, van het platteland gekomen kameraden voor den dag kwam. Haar voornaamste karaktertrek was, dat zij godsdienstig, confessioneel dogmatisch, bijbelsch getint was. Dit was even natuurlijk als verklaarbaar. Het onderwijs in den godsdienst heeft, gelijk men weet, zoowel wat kwantiteit als kwaliteit betreft in de dorpsschool het overwicht. En dit niet alleen; men kan het ook de ruggegraat noemen van het overige onderwijs.

De geest en de toon, die in het eerste heerschen, worden ook bij de overige lessen ingevoerd, niet zoozeer door woorden en uitdrukkingen of met een bewuste tendenz, als wel door de persoonlijkheid en de houding van den onderwijzer en door de manier, waarop hij onderwijs geeft; zij zijn in elk geval inliet oog der kinderen niet van elkander onderscheiden. Gedurende de zangles worden, behalve vaderlandsche en volksliederen, die meestal ook reeds een godsdienstige kleur hebben, vooral choralen en gezangen gezongen; het boek, dat bij de leesoefeningen wordt gebruikt, is vol godsdienstig-moreele verhaaltjes, en de geschiedenisles bestaat voor een groot gedeelte in onderricht in de joodsche en bijbelsche geschiedenis ; evenzoo wordt, zoo vaak natuurkunde, aardrijkskunde, reken- en schrijfkunde enz. uit een hooger oogpunt worden opgevat, dit geheel onwillekeurig het godsdienstige. Hier komt nog bij, dat het familieleven in het ouderlijk huis, de algemeene levensbeschouwing onder de dorpsgenooten en de zeden en gebruiken, die in de gemeente heerschende zijn, den invloed en de heerschappij van kerk en godsdienst verraden, en dat alzoo, ook buiten de school, de opgroeiende knaap altijd en overal een gedachten-kring, inzichten, woorden, daden en gewoonten ontmoet, welke

-ocr page 158-

156

door dezelfde geestelijke factoren beheerscht worden, die het geheele onderricht in de school vervullen en bezielen. En deze invloeden ondergaan geen wijziging, wanneer hij de school verlaat en als boerenknecht, daggelder of kleine pachter in zijn geboorteplaats blijft wonen. Gevoelt hij — wat zelden voorkomt — ook na de schooljaren eenige behoefte aan verdere geestelijke ontwikkeling, dan is alweder de geestelijke van het dorp de eenige onder de meer beschaafden met wien hij af en toe samenkomt, en tegenover wien hij zich kan uitspreken. Deze heeft echter van zijn kant bij die gelegenheden steeds allereerst zijn plicht als zieleherder te gedenken, en kleedt daarom de nieuwe denkbeelden, waarmede hij het schaap zijner kudde vertrouwd zoekt te maken, weder zooveel mogelijk in godsdienstig gewaad, terwijl ten slotte de kansel de eenige plaats is, bijbel, gezangboek en misschien een van zijn overgrootvader geërfd overoud gebedenboek de eenige boeken zijn, waaruit hij geestelijk voedsel en bezieling trekt.

Het wordt op die wijze iets noodwendigs, dat de eenvoudige boerenarbeider in een godsdienstig getinte wereld leeft; dat het weinigje kennis, hetwelk hij bezit, binnen de grenzen ligt van de profane wetenschap der gewijde boeken en ten eenenmale bepaald wordt door het intellectueel standpunt dier schriftgeleerden, en dat de gedachten, waartoe hij van lieverlede door eigen nadenken komt, zich kleeden in de vormen, zich bewegen langs de banen, zich richten naar de begrippen van de menschen der heilige schrift. Zijn opvatting van de geschiedenis is onscheidbaar saamgeweven met het geloof aan wonderen, zonder welke ook de oudheid, de middeleeuwen en de eeuwen na de hervorming tot op het einde der vorige eeuw zich het verleden niet hebben kunnen denken of voorstellen. De natuur is hem een onverklaard, onoplosbaar raadsel, een zwijgende sphinx in een dichten sluier gehuld. Hij weet niets van de wet der ontwikkeling door de moderne wetenschap geleeraard, niets van oerslijm en stofwisseling; het bijbelsche scheppingsverhaal is voor hem van a tot z de eigenlijke bron der natuurbeschouwing, het eenig uitgangspunt zijner gedachten over de wereld. En het maatschappelijk leven der menschheid eindelijk beschouwt hij — indien hij er al over denkt — als, evenals dat der Israëlieten, beheerscht door godsdienstige en zedelijke drijfveeren, en geregeld door het in de verstijfde zeden besloten kerkelijke gemeenteleven.

-ocr page 159-

157

En deze bijbelsche opvatting van menschen en dingen bleek daarom zoo gemakkelijk ingang bij deze lieden te hebben gevonden, omdat zij in hun oogen maar al te duidelijk gedragen en gesteund, erkend en bezegeld werd door het overgeleverd en onfeilbaar gezag der heilige schrift, waaruit zij afkomstig was. Dit gezag is — overeenkomstig de oude opvatting der openbaring — voor hen niet alleen geldig voor zoo ver de schrift „over Jezus Christus handelt\', het wordt door hen even onvoorwaarlijk erkend in alles wat die schrift aangaande de profane wetenschap behelst; geen tittel of jota gaat voor hen daarvan af. Ik zag, dat zij in den bijbel niet alleen een bevredigend antwoord zochten op de vraag hoe de mensch den vrede des harten kon deelachtig worden, doch ook op alle twijfelvragen van het verstand. Ja ik durf zeggen, dat zij zich inzonderheid bij deze laatste van den bijbel plachten te bedienen. terwijl de waarde der schrift voor de oplossing der eerste vraag hun meestal ten eenenmale verborgen was gebleven.

Hierbij kwam nog, — wat alle ernstige en nadenkende lieden reeds lang hebben ingezien en wat ik gedurende mijn omgang met mijn kameraden dagelijks bevestigd zag — dat de boodschap des heils door het evangelie verkondigd tegenwoordig op school niet als persoonlijk ervaren, als levende waarheid rechtstreeks, maar integendeel als iets dat wordt uit het hoofd geleerd, kortom als catechismus in de hoofden — niet in de harten der kinderen — pleegt te worden gebracht. Het\' godsdienstig onderwijs op school is voornamelijk verstandsoefening, in stee van karaktervorming; de christelijke heilsleer koude leerstof, in stee van warme, alles doordringende levenskracht. Jezus Christus — naar het dogma dit leert — meer een metaphy-sisch raadsel dan een historische, van God vervulde persoonlijkheid. En indien ik op mijne ervaringen mag afgaan, biedt het latere catechetisch onderwijs geen vergoeding voor het gebrekkig godsdienstonderwijs, op de lagere school. Het moet hoofdzakelijk dienen tot het leggen van een stevigen grondslag voor de uiteenzetting der eeuwige waarheden van den godsdienst tegenover de menigvuldige feiten der ervaring, maar — te oordeelen naar de uitwerking, die het op mijn kameraden had — bereikte het dit zijn hoofddoel niet. Het viel mij herhaaldelijk op, dat de indruk, door de plechtigheid dei-aanneming tot lidmaat der kerk toch waarschijnlijk wel gemaakt, in korten tijd bij de jongelieden spoorloos was uit-gevvischt.

-ocr page 160-

158

Deze drie trekken: het houden van den geest binnen den gedach-tenkringquot; der heilige schrift, de verkeerde opvatting van het gezag dier schrift en het uit het hoofd leeren en tot verstandsoefening-maken van de waarheden des Christendoms drukken hun stempel op de geestelijke ontwikkeling der voormalige dorpelingen; een stempel, dien zij allen zonder onderscheid — zij \'t ook dat hij bij den een scherper uitkwam dan bij den ander — mee naar de stad en in de fabriek brachten, en die daar hen allen, tot op den laatsten man toe, telkens van nieuws af aan een zware intellectueele en godsdienstige crisis deed doorstaan, gedurende welke hun meegevoerde geestelijke ballast meestal reddeloos te gronde ging en voor een andere plaats maakte.

Een ander karakter droeg de vorming der jongelieden, die van eenigszins hoogeren stand, wier vaders kleine bazen of lagere ambtenaren waren. Op de burgerscholen die zij bezocht hadden, zijn de lesuren talrijker, is het leerplan uitvoeriger, de leerstof rijker en degelijker dan in de dorpschool. Wat hier onderwezen wordt zijn niet maar de eerste beginselen alleen, het is een afgerond, afgesloten systematisch geheel, dat ten doel heeft — niet de kinderen grondig bekend te maken met een of ander onderdeel der wetenschap, maar hun een helder overzicht te doen verkrijgen over het kennisgebied bijv. over aardrijkskunde, natuurlijke historie enz. kortom over de hoofdzaken, die voor de praktijk des levens van het meeste belang zijn; hun het geheele geraamte der leering te geven. Daarbij is het onderwijs in de enkele vakken hier, in tegenoverstelling met de dorpsschool, niet slechts middel, maar doel; het is op verre na niet in gelijke mate doortrokken van een godsdienstig moraliseerenden geest. Wat in deze school wordt geleerd, berust veeleer op de grondslagen der nieuwere moderne wetenschap en is onafhankelijker van de leerstof, die men in den bijbel vindt en van de gedachtenwereld van het overgeleverde dogma. Het onderricht is alzoo tegelijk moderner en profaner; niet ieder lesuur is hier, gelijk in de dorpsschool, in zekeren zin een uur van godsdienstige beschouwing.

Wel neemt ook in deze school het godsdienstonderwijs een voorname plaats bij het onderricht in, maar het is ook hier leerstof^ geen opvoedingsmiddel; het is een leervak als de andere vakken; het wordt althans als zoodanig opgevat. Want ook hier weer, evenals in de dorpsschool, is het de catechismus die de hoofdrol speelt. Vóór alles wordt behandeld

-ocr page 161-

159

het, met de hnlpmiddelen eener reeds lang verouderde wetenschap, logisch opgebouwde kerkelijke dogma, het opnemen van dit dogma door het verstand, het zich eigen maken van deze geloofsartikelen, alsmede van bijbelteksten en gezangen, door middel van het geheugen, zonder daarbij tegelijkertijd in het binnenste der jeugd te planten de godsdienstige en zedelijke levenskrachten, die in den persoon Jezus Christus aanwezig zijn. En dit alles ook hier weder onder de stilzwij-genden als van zelf sprekende erkenning, dat de schrift woordelijk door God is ingegeven, en ook in al haar profane onderdeden juist en onfeilbaar is. Ten opzichte van dit laatste veroorlooft men zich echter in de praktijk een sterke, zij het ook wederom stilzwijgende, correctuur; men zet namelijk in de overige lesuren dit — volgens innerlijke logische noodwendigheid — aUjemeen geldige gezag op zij, en erkent en gebruikt hier de moderne begrippen als autoriteit, zonder nochthans deze innerlijke tegenspraak helder uiteen te zetten. Zoo wordt het godsdienstonderwijs hier eenerzijds, evenals het overige onderwijs, tot een zaak van het verstand gemaakt, maar tegelijk aan den anderen kant, als iets dat bijzonder teergevoelig is, pijnlijk zorgvuldig geïsoleerd.

\'t Is waar, dit komt hoogst zelden tot bewustheid in de naïve kinderziel der scholieren; te minder, wijl ook in het ouderlijk huis de kerkelijke gebruiken welstaanshalve nog in eere worden gehouden, en de rationalistisch-ethische gezindheid in zekeren zin een houvast biedt, althans zoolang de opgroeiende knaap, maatschappelijk in tamelijk besloten kring zich bewegend, binnen dezen kring gehouden wordt. Zoodra hij dezen echter verlaat om bij de grootindustrie te gaan arbeiden, en daarmede tot een andere sociale groep over te gaan, meestal de groep der grootsteedsche sociaal-democratische fabrieksarbeiders — van dat oogenblik af gaat hij deze innerlijke tegenspraak, deze groote leemte in zijn geestelijke en godsdienstige vorming maar al te duidelijk gevoelen, moet ook hij, evenals zijn kameraad van het platteland, een crisis doormaken, die wel niet ook zijn profane kennis radicaal doet schipbreuk lijden, maar waaruit toch ook bij als een nieuw mensch te voorschijn treedt, en waarbij hij (gelijk zal blijken) geheel zijn aangeleerd en tot dusver als waarheid erkend Christendom inboet.

Blijft nog de vorming in de gemeenteschool der groote steden, anders gezegd het onderricht verstrekt aan de laatste

-ocr page 162-

160

en talrijkste groep van ons fabriekspersoneel. Naar den indruk,, dien ik er van heb gekregen, komt dit in menig opzicht met dat der burgerschool overeen, maar staat het toch — overeenkomstig doel en karakter der school — in den grond der zaak op één lijn met het onderricht in een groote, naar den aard ingerichte, uit acht klassen bestaande dorpsschool. Ook hier weer het overdreven van den bijbel afhankelijk maken van het profane weten; ook hier weer de onjuiste opvatting van het gezag der schrift; ook hier het tot het verstand en het geheugen brengen der evangelische heilsleer, als ware deze een leerstof, die men zich intellectueel moet eigen maken.

Hier echter treedt de noodlottige werking van dezen toestand veel sneller, ja van stonde af aan aan den dag. Bij de leerlingen van deze soort scholen toch ontbreekt doorgaans de aanvullende, opbouwende, verbeterende kracht, die in de beide andere groepen van de huiselijke en maatschappelijke zeden pleegt uit te gaan. Want door den druk van het nieuwe, alles wijzigende grootindustrieele fabrieksbedrijf wordt de jongste laag der grootsteedsche fabriekarbeiders losgerukt van alle overgeleverde, alle vaste levensvormen, welke uit den bodem van vroegere maatschappelijke groepeeringen zijn opgegroeid, en in de plaats waarvan de nieuwe nog niet zijn geschapen, althans nog ter nauwernood een bepaalden vorm hebben aangenomen, veelal nog slechts in onrijpen, nog niet voor het leven geschikten staat voorhanden zijn. Het tegenovergestelde van alles wat op vastheid, gezetenheid gelijkt, een voortdurend onrustig heen en weer zwalken, waardoor het leven dezer lieden maar niet tot een gelijkmatigen gang kan komen — ziedaar de wet, waaraan zij onderworpen zijn, ziedaar wat den toon aan hun leven geeft. De macht van het oogenblik is in de plaats der oude krachtige, rustige zeden getreden.

Deze onrust van ons nieuw maatschappelijk leven oefent ook op de geestelijke en godsdienstige ontwikkeling der meesten een aan gevolgen rijken invloed uit. Door haar komen zij niet tot het onderhouden en bevestigen van het in de school geleerde; veel daarvan drijft zelfs in een oogenblik weg en wat behouden blijft wordt al heel spoedig niet betrouwbaar geacht, terwijl tegelijkertijd de behoefte, ja het smachtend verlangen naar een beter en meer omvattend onderwijs, ontwaakt. Een onderwijs, dat vrij is van innerlijke tegenspraak, dat voor de moderne kritiek kan bestaan, dat hun ontzag

-ocr page 163-

161

inboezemt en tegelijkertijd hun een vergoeding, een bevrediging biedt tegenover de drukkende leegte en verveling van den — althans voor zeer velen van hen — eentonigen, oninteressan-ten fabrieksarbeid. Een onderwijs voor hetwelk zij volgaarne het geheele oude, nooit liefgekregen, nooit recht vruchtbaar geworden schoolonderricht prijsgeven. Dientengevolge treedt bij de meesten en juist bij de meest begaafden, de meest vooruitstrevenden, de meest doordenkenden dezer derde groep de reeds genoemde crisis meer plotseling en tegelijk heviger en ernstiger in, dan bij hen, die tot de beide andere groepen behooren ; terwijl ze bovendien — in tegenstelling met de crisis der laatsten — zonder aandrang en invloed van andersdenkenden, voortkomt uit den druk der verhoudingen, waaronder deze lieden zijn grootgebracht, uit het zelf-tot-besef-komen van tegenspraak en leemte in het aangeleerde, uit het zelfstandig nadenken over menschen en dingen om hen heen.

Deze drang naar geestelijke ontwikkeling zat diep, als een elementaire macht, in de hoofden en harten van velen, die tot de derde groep arbeiders in onze fabriek behooren. Hij trad dagelijks en overal den opmerkzamen waarnemer in allerlei kleine trekken voor oogen, en uitte zich telkens weer in andere vormen: in woorden en wenschen, in vragen en zuchten; nu eens duidelijk, dan onbestemd; nu ernstig en weemoedig, dan schertsenderwijze. Bij bijzonder krachtige naturen werd hij tot een honger naar geestelijk voedsel, die, zonder te onderscheiden of te oordeelen, alles verslindt wat hij maar kan machtig worden. Zijn meest grootsche, zijn meest ware uitdrukking vindt hij in de internationale beweging voor den achturendag. Want dit is niet maar een manifestatie van luiheid en genotzucht, van overmoed en lust tot verzet; niet maar van sociaal-democratische gezindheid en economische eischen, doch, voor zoover ik heb kunnen nagaan en naar mijn vaste overtuiging, tegelijk een bewijs van het verlangen der fabrieksarbeiders naar meer licht, naar waarheid en kennis. Men wil vrijen tijd hebben om ook den geestelijken mensch tot zijn recht te doen komen, om aan hem die zorg te kunnen wijden, waarop hij, zelfs in den eenvoudigsten arbeider, aanspraak heeft. Dit te doen is den meesten — ik heb het meer dan duidelijk aan mij zeiven ondervonden — heden ten dage niet mogelijk, wanneer zij van \'s morgens zes tot ?s avonds zes, en soms langer, aan hun plaats in de snikheete en rumoerige fabriek zijn vastgeklonken, en bovendien vaak nog langer

GÖHRE. 11

-ocr page 164-

162

dan een uur naar huis hebben te loopen, om daar eindelijk: vuil, hongerig en vermoeid aan te komen. Mij op dit standpunt plaatsend en de beweging voor den achturendag hoog ernstig opvattend, in den zin waarin ze, niet minder ernstig, werkelijk door een deel des volks wordt opgevat, namelijk als de eenig mogelijke weg tot een waarlijk voldoende bevrediging van den drang naar geestelijke ontwikkeling — van dit standpunt aarzel ik geen oogenblik, niet alleen haar zonder vooroordeel als rechtmatig te erkennen, maar mij ook voor haar geleidelijke, trapsgewijze vervulling op de bres te stellen, zonder mij te laten weerhouden of verbijsteren door de omstandigheid, dat zij door ruwe elementen gebruikt wordt tot een aanleiding voor een, even zedelooze als nuttelooze en kwajongensaohtige demonstratie.

Doch inderdaad, hoe sterk de drang naar geestelijke ontwikkeling ook zij, even talrijk zijn de hindernissen, die aan de bevrediging er van in den weg staan. De voornaamste, den te langdurigen arbeidsdag, verbonden met groote afstanden tusschen fabriek en woning, heb ik reeds genoemd. Tot de weinig minder groote moeten gerekend worden de bekrompenheid der woningen en de velen, die zich in één vertrek moeten ophouden. Voorts de zorgen hier, de vele gelegenheden tot vermaak ginds. Dit alles te zamen is oorzaak, dat bij velen met niet al te vasten wil, ook al mogen zij tot de idealistische naturen behooren, deze drang naar ontwikkeling voortdurend slechts wensch en drang blijft, zelden het punt der goede voornemens voorbijkoutt. Dit alles is mede oorzaak, dat bij de meerderheid der jongeren deze behoefte eigenlijk niet eens voorkomt. De voormalige landbewoners gevoelden haar zelden uit eigen aandrang, en bij hen, die uit de meer welvarende arbeiderskringen kwamen, deed zij zich veelal voor in den vorm van behoefte aan vakkennis. De vooruitstrevenden, de leergierigen, de naar geestelijk voedsel hunkerenden waren meest mannen tusschen de twintig en de dertig jaar uit de laatste, de derde sociale groep.

Deze drie door mij geschilderde wijzen van geestesvorming ondergaan nu in de fabriek een volledige wijziging. Onder den invloed der sociaal-democratie worden zij onophoudelijk aangetast en gaan van lieverlede in een nieuwe, in de sociaaldemocratische vorming onder.

Want de sociaal-democratie heeft zich ook van de vraag der volksopvoeding meester gemaakt. Zij heeft, zooals niet

-ocr page 165-

163

één onder haar tijdgenooten, het zuchten naar kennis daarin de diepte beluisterd, en zich sedert twintig jaar aangegord om door systematischen arbeid aan die zucht op groote schaal voldoening te schenken. Zoo heeft zij van lieverlede een volkslitteratuur in het leven geroepen, van welker uitgebreidheid tegenwoordig de catalogussen der sociaal-democratische bibliotheken getuigenis afleggen, en die een inhoud hebben, zooals men tot dusver nog nooit in volksboeken heeft durven aanbieden. Wel is waar oppervlakkiger en lichtzinniger dan die der algemeen bekende godsdienstige en vaderlandsche werken, maar niet minder populair dan deze, en nieuw, modern, van den tijdgeest vervuld, gelijk geen enkel van die beide. Zij heeft daarin ondernomen, wat tot heden verzuimd was; met een koene greep heeft zij de moderne wetenschap gepopulariseerd. Zij heeft zich daarbij niet ontzien het volk ook droge cijfers, vervelende, nuchtere uiteenzettingen, ernstigen, zwaren kost aan te bieden; dingen, die het vooreerst nog niet ten volle zal verstaan. Doch juist dit begeert het volk heden ten dage. Het wil met inspanning van al zijn denkkracht meeworstelen aan de problemen, die ook hèm tegenwoordig aangaan, ook zijn hoofd en hart in gloed zetten. Het wil zich datzelfde nieuwe eigen maken, evenals de anderen, de beschaafden, tot wie het tot heden, zonder begeerte naar hun kennis, heeft opgezien. Het wil, met dezen, zelfstandig souverein zijn — ook in het rijk der gedachte.

Maar de sociaal-democratie is, toen zij de nieuwe volkslitteratuur schiep, niet edel en eerlijk te werk gegaan. Zij heeft het vertrouwen misbruikt, waarmede het volk haar in dezen is tegemoet getreden. Zij heeft het niet de ware, moderne wetenschap geboden, doch een extract er van, een brouwsel van agitatorische berekening. Zij vervalschte en ontnam aan de nieuwe waarheid wat haar goeddocht; zij doopte alles in de kleur der partij en stelde, wat zij op die wijze verkregen had, in dienst harer belangen. Is het maar al te duidelijk haar eerste en hoogste doel de arbeiders in hun denken, gevoelen en handelen te ontdoen van de natuurlijke banden, waarmede zij tot dusver met de overige maatschappij waren verbonden, hen — met een niet te overbruggen kloof er tus-schen — tegenover „de overige gezamenlijke reactionaire massaquot; te stellen en hen niet alleen de nieuwe politieke en sociale begrippen der partij in te gieten, maar hen ook al Aaster en vaster tot een zeer bijzondere, zeer eigenaardige

-ocr page 166-

1G-4

gezindheid en levensbeschouwing aaneen te smeden, dan bestaat er inderdaad geen beter middel om dit doel te bereiken dan een vernuftig daartoe gereed en geschikt gemaakte volkslitteratuur. Deze vermag beide tegelijk; den dorst des volks naar de nieuwe beschaving te stillen, en het overblijfsel der oude beschaving snel en grondig en voor goed uit de hoofden en harten des volks weg te rukken. En daar de oude beschaving, gelijk wij weten, geheel van den geest des Christendoms is doortrokken, in bijbelschen grond wortelt, gedrenkt is met de levens- en wereldbeschouwing, welke deze beide vervult, in bijbel en Christendom haar laatsten houvast, haar kern, haar samenvattende, verbindende, ondersteunende kracht vindt, met één woord, daar deze Christelijke wereldbeschouwing in den grond der zaak de overgeleverde beschaving zelve is en men wel inzag, dat men alles zou hebben gewonnen, wanneer men haar maar eerst den doodsteek had gegeven, richtte men de geheele nieuwe volkslitteratuur, die men schiep, met het oog op den strijd tegen deze christelijke wereldbeschouwing in, en koos men uit de resultaten der moderne wetenschap juist datgene, wat óf met haar in tegenspraak was, óf gemakkelijk in tegenspraak met haar was te brengen. Tegenover de leer en het geloof aan een goddelijke wereldorde, uitgangspunt van al wat deze lieden hadden geleerd, stelde men in deze nieuwe litteratuur de leer en het geloof aan een bloot natuurlijke wereldorde, en dit in een onafzienbare reeks groote en kleine, goede en slechte brochures, handelende over godsdienst, natuurkunde, geschiedenis, philosophic, over kunst en litteratuur. Men werkte de werken van Darwin, Haeckel, Büchner om; men sneed Spinoza en Feuerbach, Schopenhauer en Hart-mann in stukken: de nieuwe ontdekkingen der sterrenkunde en der geologie — objectiever dan andere — werden gebezigd; van Strausz en Rena\'n, Bruno Bauer en moderne fransch-katho-lieke encyclopedisten werd gebruik gemaakt, en ten slotte ver-valschte men — in de eeuw der geschiedvorsching bij uitnemendheid ! — de geheele wereldgeschiedenis, en verkondigde men haar aan het arme volk uitsluitend uit het oogpunt der materialistische philosophic, der economische ontwikkeling.

Aldus ontstond de jongste volkslitteratuur, een eenige, in zijn soort stoutmoedige en grootsche poging, om, in verbinding met de verbreiding der nieuwe radicale, economische en politieke leerstellingen der partij, de oude leer en beschaving, christendom en bijbel uit hart en hoofd des volks, ja uit de gansche maat-

-ocr page 167-

165

schappij weg te vagen. In deze litteratuur geen plaats meer voor het geloof aan een levenden persoonlijken God, die onze Vader is, en aan een eeuwig leven! Zij heeft niets mee te deelen aangaande zonde en schuld! Zij weet niets van genade, van verlossing, van heiliging! In de plaats der eeuwige heilige zedenwet, stelt zij de koude versteende natuurwet; in de plaats der liefde het solidariteitsgevoel; in de plaats van het ideaal der zedelijkheid de macht der zeden alleen, zich wijzigend naaide economische verhoudingen der volkeren.

En gulzig wierp zich thans de schaar der hongerenden naar geestesvoedsel op de nieuwe spijs, welke men haar bood. Dat was ja wat zij bedoelden, wat zij zoo lang hadden gezocht, waar zij zoo lang smachtend naar hadden uitgezien, waarom zij, de „groote heerenquot; zoo lang en zoo bitter hadden benijd! Dat was de Waarheid, de Kennis, de Beschaving! Deze schatten zouden dan ten minste hun eigendom worden, daar zij voorloopig nog niet der heeren geld, comfort, huis cn hof konden krijgen. Als geestelijke wezens wilden zij ten minste de gelijken van deze laatsten, neen, hun meerderen zijn. En bovendien hadden zij de verzekering der sociaal-democratische aanvoerders: dat in het teeken dezer nieuwe waarheid en dezer nieuwe wetenschap de wereld een andere zou worden; onder het aanlichten dier waarheidszon, de dag van den nieuwen heerlijken socialis-tischen toekomststaat zou naderkomen, en de verkondigers dier waarheid de beheerschers van den nieuwen tijd zouden zijn. Voor deze worstelende, voorwaartsstrevende arbeidersgeesten hing alzoo heden en toekomst aan den nieuwen schat. Zij wisten dan ook van geen matiging meer: om deze waarheid te bezitten, om deze toekomst te beleven, wierpen zij gewillig van de oude kennis niet alleen het versletene, verouderde, den hun hinderlijken ballast weg, maar ook het blijvende, het edele, de waarachtige levenskrachten : alles, alles zooals het hun in de nieuwe boeken zoo wijselijk bevolen werd. Zoo leefden zij zich in in de nieuwe denkbeelden, die hun, evenals weleer de oude leer, de oude bijbel, als onfeilbaar, als met het hoogste gezag bekleed, werden afgeschilderd. Zoo werd de nieuwe sociaal-democratische beschaving hij het volk geboren — een half beschaving, gelijk er nog nooit eene op dit wereldrond is geweest.

Zij begon onmiddellijk haar zegetocht onder de honderdduizenden Duitsche arbeiders. De eersten, die voor haar gewonnen werden en haar aanhingen werden volgens eèn wet, die op gansch het geestelijk gebied heerscht, haar nieuwe

-ocr page 168-

166

profeten, haar meest bezielde verkondigers. Het waren mee-rendeels heldere koppen, begaafden van nature en daarbij degelijke, eerlijke karakters. Hun gansche kracht, al hun vermogens stelden zij uit innerlijken aandrang in haar dienst. Niet slechts in de vergaderingen der partij, maar ook onder den arbeid en gedurende den schafttijd in de fabriek, bij middag- en avondmaal, onder het wandelen en het huiswaarts keeren ; waar zij maar twee, drie arbeiders bijeen vonden, redeneerden zij en gaven zij de gedachten weer, die zij uit één, twee, vijf, tien boeken der nieuwe litteratuur hadden getrokken ; soms tamelijk goed hadden begrepen, soms voor de eene helft verwerkt hadden en voor de andere helft vergeten waren, maar die zij zich telkens opnieuw zagen voorgezet in de artikelen hunner sociaal-democratische bladen. Ik behoef dit alles niet uitvoeriger te schilderen; men heeft hier die geheele vrijwillige, ongeorganiseerde beweging der nieuwe sociaal-democratische gezindheid, waarover ik aan het slot van het vierde hoofdstuk heb gehandeld; het meest geduchte, het scherpste, het meest overweldigende wapen der partij, waarvan het han-teeren door geen fabrikant, door geen politie ter wereld kan verboden worden, en hetwelk berust in de machtige handen van overtuigde persoonlijkheden.

De uitwerking dezer beweging was de gewenschte. Onder haren invloed ging de der gansche arbeidersklasse in haar jeugd bijgebrachte beschaving te gronde, gelijk ze nog dag aan dag-te gronde gaat in den enkelen arbeider, die een onder sociaal-democratischen invloed staande fabriek binnentreedt. In die omgeving wreken zich als met één slag, de drie groote fouten, die, naar wij zagen, onze geheele tegenwoordige volksopvoeding aankleven: het brengen van de profane leerstof in den gedachtenkring en op het peil der geestelijke ontwikkeling van de schriftgeleerden, de onjuiste oj)vatting van het gezag der schrift, het overwegend tot verstandsoefening maken van de heilleer des Christendoms. Voor de nieuwe factoren op het kennisgebied kunnen de oude der schrift, voor het gezag der exacte wetenschappen kan dat van den bijbel — dat tot dusver ook voor deze wetenschap gold, zich ook te dezen opzichte, evenals ten opzichte der religieuze waarheden, onfeilbaar en onaantastbaar verklaarde — niet bestaan. Voor de kritiek van den modern-realistisch onderwezen mensch zinken de metaphysische stelsels der overgeleverde dogma\'s, waarin men tot dusver de waarheid van het Christendom hoofdzakelijk

-ocr page 169-

167

heeft gezocht, in het niet. Wel voelt meer dan één eerlijke ziel instinctmatig, dat aan deze nieuwe leer ook niet alles goud is wat blinkt, dat zij niet minder dan de oude leer veel onverklaard laat, op menig punt niet bevredigt, zeer vreugdeloos is; dat, in weerwil van alles, de oude leer toch wel de laatste eeuwige, onveranderlijke waarheid zou kunnen behelzen, maar dezen zijn niet in staat het bepaalde punt te vinden van waar dit te ontdekken is. Het ontbreekt hun aan personen, die hun hier de helpende hand reiken, hun den weg wijzen om het verouderde, het veranderde, het vergankelijke, het bloot verstandelijke, de dwaling van de eeuwig ware kern te scheiden. Niemand in die groote menigte, waaronder zij leven, bekommert zich om hen; niemand smeedt voor hen de nieuwe wapenen, giet voor hen de nieuwe kanonnen, brengt tot hen de ware, echte, volledige, niet te weerleggen, onvervalschte gegevens der jongste wetenschappen, waarvan het bezit hen alleen in staat kan stellen de met macht aanstormende voorvechters der sociaaldemocratische halfkennis te weerstaan, dezen het bewijs te leveren, dat geest en kracht ook buiten hen om zijn te vinden, dezen hun dwaasheden bloot te leggen. Daartoe smachten in die kringen allen zonder onderscheid té vurig naar verbetering der economische toestanden; een verlangen, waarvan de sociaal-democratie zich mede heeft meester gemaakt, en waaraan zij de meest schitterende voldoening belooft, alweder door middel van de zegepraal der nieuwe wetenschap. Ook dat brengt de nog weifelenden ten slotte op de knieën voor deze wetenschap. En zoo valt — zij mogen het willen of niet — man voor man reddeloos der nieuwe gezindheid, der nieuwe, sociaaldemocratische wereldbeschouwing ten prooi, werpt met het oude weten het oude gelooven weg, zonder in bet nieuwe geloof de vergoeding te vinden, die hem is toegezegd en die zijn bezielde profeten meenden deelachtig te zijn. Zoo blijft hij altijd zoekend, rondtastend, met smachtend verlangen achterwaarts ziende of het oude zich niet nog verjongen en als waarheid openbaren wil, en telkens opnieuw vertwijfelend onder de vernietigende bewijsgronden der scherpzinnige, ontwikkelde kameraden tegen wie hij niet is opgewassen. Op die wijze brengen de meesten hun armzalig leven door, zonder vreugde, zonder hoop, zonder hulp. „Als het maar weer van avond zes uur was;quot; — „als het maar weer Zondag was!quot; dat is de eeuwigdurende, wie zal zeggen hoe dikwijls op een dag gehoorde zucht. En hoe vaak ook hoorde men hier bijvoe-

-ocr page 170-

168

gon: 7,Het is toch vreemd van ons arbeiders; wij verlangen altijd naar den dag van morgen, alsof wij zoo begeerig zjjn ons den ouden dag op den hals te halen. Dat is toch eigenlijk dwaasheid. Voor ons is de eene dag precies gelijk aan den anderen; morgenvroeg gaat het weer van voren af aan den tredmolen in. — En nog moeten wij blij zijn, dat wij zoo aan den gang kunnen blijven, dat er iets voor ons te verdienen valt!quot; — Dat is de toon der volslagen hopeloosheid, der vertwijfeling aan alles wat waarde, wat beteekenis, wat een doel geeft aan het bestaan. Eéne schrede verder — en die toon wordt tot een kreet van woede, van doldriftig verzet, dat alles te pletter werpt, omdat het niets de moeite van het leven waard vindt; dat aan alles vertwijfelt, wijl het aan zich zelve moet vertwijfelen. Dan is de ontboeiing aller hartstochten, de revolutie des volks daar. Er is geen twijfel aan: heden is deze laatste schrede nog niet gedaan, heden denkt het volk naar wij zagen nog niet aan verzet, nog niet aan revolutie. Maar evenmin is er twijfel aan, dat het gevaar dichter bij is dan het volk zelf vermoedt. En zij zal daar zijn de revolutie, zoodra de godsdienstige verwaarloozing van de massa der fabrieksarbeiders {heden een voldongen feit) door de zedelijke verwaarloozing wordt opgevolgd; zoodra uit gene de laatste consequentie voor deze wordt getrokken. Hier alzoo — en niet in de politieke en economische organisatie der menigte — moet de noodlottige invloed der sociaal-democratische beweging worden gezocht; hier. in de vernietiging van het overgeleverde christendom, heeft zij haar tot dusver meest heteekenend gevolg gehad. Dit is wel niet geheel haar eigen verdienste, of geheel haar eigen schuld: zij is ook hier slechts de maaister, die, welgeoefend, met scherpe zeis triomfantelijk de vruchten oogst, welke andere handen gezaaid hebben. Doch dit verandert niets aan den jammer, waaronder wij gebogen gaan, en ook niets aan de grootte van het gevaar, dat ons dreigt.

In de volgende bladzijden ga ik de waarheid van het hier aangevoerde bevestigen met hetgeen ik in de fabriek heb ondervonden. Ik zal, zonder bepaalde volgorde, gesprek aan gesprek, citaat aan citaat, beeld aan beeld schakelen, zonder er veel bij op te merken. Gesprekken, citaten en beelden zullen voor zich zelve spreken.

Op zekeren dag werd aan twee man van onzen ploeg opgedragen riemschijven, dat zijn groote, van vijftien tot twintig centimeter breede, ijzeren raderen, waarover de drijfriemen der werktuig-

-ocr page 171-

169

machines loopen, uit de benedenverdieping naar de tweede gaanderij te brengen. Wij laadden elk twee daarvan op onzen rug en klommen naar boven. Daar, waar wij ze hadden op te stellen zat eenzaam voor een venster een arbeider in de volle kracht des levens. Hij had nooit iets anders te doen dan honderden kleine stalen veeren van altijd een en hetzelfde gaatje te voorzien. Naast hem lag, half verborgen onder een ijzeren plaat, het laatste nummer van de „Presze.quot; Door het hooge venster, waarvoor hij was gezeten, overzag hij de geheele stad met haar honderden rookende schoorsteenen.

. Mijn kameraad, die sterk snoof, trad op hem toe en bood hem een snuifje aan. Uit de eerbiedige wijze, waarop hij dit deed, leidde ik af, dat de mij nog niet bekende man een der veelbeteekenende arbeiders in de fabriek en erkend sociaaldemocraat moest zijn. Ik nam ook een snuifje en weldra waren wij met elkander in gesprek.

Hij vroeg mij waarom ik eigenlijk hier in de fabriek was. Ik loog hem met bezwaard gemoed mijn sprookje voor van een klerk, die tijdelijk buiten betrekking was.

„Wat was dat voor een theologisch blad, dat uw predikant uitgafV vroeg hij verder. Zoo iets als het Zondagsblad : „De Naastequot; ?

„Neen,quot; was mijn antwoord. „Dat blad schrijft voor meer ontwikkelden, inzonderheid voor de leeken onder dezen. Het beoogt in zijn artikelen het bewijs te leveren, dat er tusschen het Christendom en de hedendaagsche beschaving, tusschen godsdienst en wetenschap volstrekt geen kloof bestaat.quot;

„Dat is niet waar. Daar kan uw predikant wel eindeloos mee bezig zijn. Dat bewijs is niet te leveren.quot;

.„Dat ben ik niet met u eensquot;, hernam ik.

„De moderne wetenschapquot; ....

„De moderne wetenschap, die op natuuronderzoek berust, heeft zich slechts met de zichtbare wereld, met de geheele ^ zinnelijk waarneembare natuur om ons heen bezig te houden;

zij kan slechts bestudeeren wat wij hooren, zien, voelen, ruiken, proeven, en slechts daarover kan zij een meening hebben.quot;

„Ja dat is alles mooi en goed. Maar nu de gevolgtrekking.quot;

„Nu ja, laten wij er de gevolgtrekking uit maken.quot;

En ik trachtte, avenals ik meermalen deed een proef te nemen. Men beweert nog altijd, dat God zich wetenschappelijk voor het verstand laat bewijzen. Hier was klaarblijkelijk een man die Hem met het verstand loochende. Hield de bewering waar

-ocr page 172-

170

heid in, dan kon ik hem misschien met de gewone argumenten overtuigen. Ik trachtte dit dus zoo eenvoudig mogelijk, ongeveer op de volgende wijze, te doen.

De man kende Darwin; \'t was dus het best mijn betoog aan dezen vast te knoopen.

„Darwin leert immers dat al het bestaande zich uit lagere vormen ontwikkeld heeft?\'

,Ja.quot;

„Hij zeide dat het eerste wat bestond het oerslijm was.quot;

„Ja.quot;

„Maar iedere werking moet een oorzaak hebben. Het oerslijm dus ook?quot;

„Ja.quot;

Er moet dus een kracht voorhanden zijn geweest, die het heeft voortgebracht, en het heelal zich er uit heeft doen ontwikkelen. Noemen wij deze kracht nu eens God. Wij zien dat in dit ontwikkelingsproces en de daaruit ontstane wereld bepaalde wetten heersehen. Deze moeten vq^i die kracht afkomstig zijn. Waar echter wet en orde heersehen moet verstand, moet geest aanwezig zijn. In dit heelal hebben zich nu niet alleen steenen en planten, maar ook dieren en menschen ontwikkeld — natuurlijk onder den invloed dierzelfde kracht. Menschen zijn met verstand en geest begiftigde persoonlijkheden. De met verstand begaafde kracht, die hen heeft doen ontstaan, moet de heerscheresse van haar voortbrengsel, moet meer dan dit en in elk geval alzoo zelf een met verstand begaafde geestelijke persoonlijkheid zijn. Verder is het hoogste wat de mensch kent, de volkomenheid, waarnaar hij jaagt, in het woord liefde besloten. De scheppende, zielsbewuste, met verstand begaafde persoonlijke kracht moet alzoo datgene bezitten, waar diegenen naar streven, die zij geschapen heeft. Daaruit volgt, dat er een persoonlijke God is en dat deze de Liefde is, de Vader zijner schepselen.\'

Doch mijn tegenstander schudde het hoofd en hernam:

„Mijn geloof is: de natuur is God, maar geen met verstand begaafd wezen. Eenvoudig Kracht.quot;

Het was het logische antwoord dat ik verwacht had, want bewijzen, als die welke ik had bijgebracht, hebben slechts w-aarde voor hen, die reeds christenen zijn.

„Gij hebt dus toch ook een geloof?\' vroeg ik, daar hij verder zweeg.

„Ja, doch het christendom is geen geloof, maar een waan.

-ocr page 173-

171

Het is eerst in de vierde eeuw ontstaan, en door een besluit de oudsten ingesteld... De bijbel is een boek als elk ander. Hij is vijfhonderd jaar na Christus willekeurig saam-gesteld. \'t Is een boek, waar de rijken hun voordeel mee doen. In den bijbel staat van alles; men kan er alles uit lezen wat men wil. Elk boek er in is verzonnen.quot;

Ik beweerde dat dit overdreven was.

„Voor zoover ik van den predikant, onder wien ik werkte, heb gehoord, hebben hoogleeraren aan de Universiteit dit zorgvuldig onderzocht en vastgesteld, welke boeken in elk geval niet verzonnen kunnen zijn. Zoo weet men, geloof ik zeker, dat de brieven aan de Romeinen, de Korinthiërs en de Galaten van den Apostel Paulus afkomstig moeten zijn.quot;

Maar hij vervolgde:

„Er bestaat geen enkel betrouwbaar dokument aangaande Christus, zooals aangaande Socrates en anderen. Hoe komt het, dat er niets bekend is omtrent het leven van Christus vanaf diens twaalfde tot diens dertigste jaar? Dat bewijst immers dat ook het overige niets dan legende is.quot;

Hem hierop van repliek te dienen was zoo moeilijk niet en zoo kwam hij dan ook ietwat naderbij.

„Waar is alleen, dat Christus een mensch is geweest als wij. Hij wilde zijn medemenschen helpen en hij kleedde zijn leeringen in naar het gebruik van zijn tijd — d. w. z. in een godsdienstig gewaad. Tegenwoordig is de godsdienst alleen nog maar bangmakerij; een middel om dien grooten lummel „het volkquot; gedwee te honden. . . . Waarom volgen de rijken Christus\' voorschrift niet? Waarom helpen zij niet; heffen zij den nood niet op, brengen zij geen offers? Indien zij godsdienst bezitten en de godsdienst waarheid is, dan moeten zij die waarheid met de daad bewijzen, dan moeten zij beginnen met het Christendom in praktijk te brengen. Wij zouden dan eerder kunnen gelooven.....quot;

Hij eischte als bewijs: de in het geloof sterke, levende. Christelijke persoonlijkheid; juist datgene, waardoor wij alleen bij machte zijn van de waarheid onzes geloofs te overtuigen.

„Zeker,quot; luidde mijn antwoord, „gij hebt grootendeels, hoewel niet volkomen, gelijk. Ik haat, evenals gij, dat vervloekte ras, dat huichelt, met het heiligste zijn voordeel doet en het daardoor in het slijk sleurt. Maar staat of valt de waarheid van het Christelijk geloof, met zijn belijders? Is het bankwerk knoeiwerk, omdat er knoeiers onder de bankwerkers zijn? Ik

-ocr page 174-

172

heb wel degelijk de laatste jaren met goede en edele Christenen verkeerd, die hun best deden aan hun geloof een gestalte te geven in hun leven. Dezulken zijn voor mij een bewijs van de waarheid van het Christendom.quot;

„Deze lieden hebben u eenvoudig gehypnotiseerd. Gaat men lang met iemand om, dan wordt men door hem gehypnotiseerd. quot;

„Dan zijt gij door lieden van tegenovergesteld inzicht gehypnotiseerd. Dan bestaat er geen eigen mannelijke, door eigen inspanning gewonnen overtuiging. Dan is alles leugen en bedrog. Dan berust ten slotte alles op gelooven.quot;

Hierop zweeg hij. Ik voer voort:

„En ja, eigenlijk is het ook zoo; eigenlijk komt alles op gelooven neer. Die boom daar bij voorbeeld. Hoe weten wij dat het een boom is? Men heeft het u van kindsbeen af geleerd en gij hebt het geloofd, en nu meent ge dat gij \'t weet.quot;

Hij erkende, dat dit zoo was, doch gaf terstond aan de zaak een andere wending. „Maar van het bestaan van dien boom kan ik mij overtuigen — van het bestaan van een God niet.quot;

„Toch wel. Alleen niet op dezelfde wijze, niet met het verstand. Dat die boom daar werkelijk bestaat, dat zie ik, voel ik, hoor ik, als de wind er door heen ruischt. Er is echter nog een ander gebied, dat niet met de zinnen is waar te nemen, niet met het verstand te omvatten of door te denken. Dat is het gebied van het zedelijk leven, waarop het verstand u in den steek laat, waarop geweten en geloof gezag voeren; waarvan geweten en geloof de noodwendigheid en de waarheid bewijzen. De wetenschap, het verstand kan inderdaad evenmin bewijzen, dat er een God bestaat, als dat er geen God bestaat. Dit bewijs echter, het onomstootelijke bewijs, vinden wij in den geschiedkundigen menschelijken persoon Jezus Christus. Diens leer, diens leven, diens sterven dwingen ons tot de erkenning, dat er een God is. Want in hem was een kracht, die vóór noch na hem iemand heeft bezeten, en die hij, naar hij zelf zegt, van God heeft ontvangen. En daarin zien wij tegelijkertijd dat deze God liefde is. En dat dit zoo is, dat deze door Christus gepredikte levende God werkelijk bestaat, dat ervaart een ieder, die begeerig is, die den moed heeft zijn leven naar dat van Christus in te richten, die tot de besliste keuze komt, zich met heel zijn ziel aan dezen God

-ocr page 175-

173

over te geven; met andere woorden — dat ervaart een ieder die gelooft.quot;

Doch hij schudde alweder het hoofd.

„Wie eenmaal dezen waan bezit, die zoekt natuurlijk op allerlei manieren zijn zaak aanneembaar te maken. Maar daadzaken aanvoeren kan hij niet.quot;

Hij bedoelde tastbare, met oogen waarneembare, stoifelijke daadzaken, zooals het materialisme ze eischt en heeft aan te wijzen. Van historische, zedelijke, geestelijke daadzaken had hij geen begrip en naar vrede strekte zijn verlangen zich niet uit. En zonder dit verlangen is het Christen-zyn onmogelijk.

Ik brak dus af en wij spraken over andere dingen. Echter nog maar een oogenblik. Want een werkbaas, die ons reeds geruimen tijd had gadegeslagen, joeg ons met een paar hartige vloeken uit elkaar.

Een veertien dagen later hadden wij eens niet veel te doen. Ik stond dus te lanterfanten bij de werkbank van een metaaldraaier, een bedaarden man, dien ik graag mocht. Een half uur te voren had men een mijner kameraden, een sjouwer, naar zijn woning gebracht. Hij had — ik gewaagde er reeds vroeger van — een ijzeren staaf van twintig pond op zijn voet gekregen. De metaaldraaier sprak met mij over het geval. Ik vertelde hem, dat de gewonde mij nog juist dien morgen met een blij gelaat had meegedeeld, dat hij den vorigen dag aan een groot gevaar was ontsnapt. Een groote, verscheidene centenaars zware, voor een parket-schaafmachine bestemde ijzeren plaat, die reeds een onzer voerlieden een teen had gekost, was bij het opheffen gevallen en het had maar een haar gescheeld, of beide beenen waren hem verpletterd geworden.

„Nu heeft hem daar straks toch een ongeluk getroffen, al is het dan ook gelukkig een van minder beteekenis,quot; ging ik voort. — „Is dat nu toeval of beschikking?quot;

„Dat zijn zaken waarvan men niets afweet,quot; was het antwoord van mijn draaier.

„Maar voor een Christen bestaat er geen toeval.quot;

„Wat is christendom? — Niets. Wat is Onze lieve Heer. — Niemand heeft hem ooit gezien. En Gods Zoon? — Dan zijn wij immers altemaal kinderen Gods?quot;

„Ja zeker,quot; zei ik, „zijn wij dat. Als wij ten minste Christus navolgen, Gods wil doen, van ganscher harte in Hem gelooven en hem dagelijks daarom bidden. Op bidden vooral komt het aan.quot;

-ocr page 176-

174

Hij glimlachte en zei:

„En dan de Bijbel. Zeker staat daarin veel waars. Maar ook veel wat volstrekt niet waar is. Hij is dan ook trouwens niet gemaakt voor ons, maar voor de rijken .. ..quot;

Alweder die verschrikkelijke aanklacht.... Daarop spraken wij over de geesteliikheid.

„O zeker,quot; zei hij, „onder de geestelijken vindt men goede en degelijke menschen. Maar voor de rest... zij leven van het Christendom en bevinden zich daar niet kwaad bij. Waar vindt men er heden ten dage één, die als Christus leeft? Die zich evenveel ontberingen getroost als hij, die vervolgd wordt als hij?

„En als er nu eens een geestelijke evenals Christus tot ons fabrieksarbeiders kwam — zou hij iets uitrichten?quot; vroeg ik.

„Niet veel. Het is te laat. Nu Christus zelf niet bij machte is geweest den nood uit de wereld te bannen, vermag het Christendom heden ten dage zoo goed als in het geheel niets meer.quot;

„Het Christendom zoekt den nood niet op te heffen — dat beoogde ook Christus niet. Het zoekt slechts den mensch dien inner lij ken vrede en die heilige kracht te schenken, die hem in staat stellen den uitwendigen nood te dragen en te overwinnen. quot;

„Kracht? vrede? — Dat geven andere dingen veel meer.quot;

„Dat is niet waar. Kan het Christendom ze ons niet geven, dan is er niets ter wereld dat het vermag.quot;

Hierop zwijgt hij en ook dit gesprek is ten einde.

Kort vóór mijn vertrek uit de fabriek vroeg ik een mijner kameraden op den man af wat hij van godsdienst en Christendom dacht. Ik wist dat hij een ijverig sociaal-democraat was, maar tegelijk de goedmoedigheid en netheid in persoon, een echte Sakser. Hij had vroeger in het huis van een advocaat gewoond en daar allerlei in opgeknapt en vertimmerd. Daarom had deze hem, boven het verschuldigde loon, allerlei boeken ter lezing gegeven over aardrijkskunde, geschiedenis, natuurwetenschap enz. De titels dier boeken wist hij zich niet goed meer te herinneren. — Mjjn openhartige vraag beantwoordde hij even openhartig, eerlijk en kort: „Ik spreek weinig over godsdienst en twist er nooit over; ik laat ieder zijn overtuiging op dat punt. Maar ik heb mijn eigen en deze is: waar niets valt waar te nemen daar is niets. En daarmee basta.quot;

-ocr page 177-

175

Hij drukte zich minder scherp nit dan een zijner bondge-nooten, mede in onze voorstad woonachtig en naar het uiterlijk een fabrieksarbeider met tamelijk goede verdiensten. Ik ontmoette hem eens bij een gymnastiekuitvoering. De man was wat men een ^sportgeniequot; pleegt te noemen, onberispelijk van lichaamsbouw en spiervorming; een prachtig, krachtig men-schenexemplaar. Na afloop van de gymnastiek-uitvoering ging ik met hem in onze kneip een glas bier drinken. Ook innerlijk was hij een flinke kerel, fanatiek voorstander van de koud-watergeneesmethode en de sociaal-democratie, en een dergenen, die zich aan het hoofd hadden gesteld van de beweging door de wevers te Chemnitz op touw gezet. Het aantal dezer wevers was zeer groot en bitter de nood, waaronder zij gebukt gingen, zonder dat daarop door hun werkgevers, althans oogenschijnlijk, veel acht werd geslagen. Hij verhaalde mij veel van de „strikesquot; om hooger loon, die hij had medegemaakt en waarbij hij in \'t voorste gelid had gestaan; hij deed dit met den ernst, de objectiviteit, de epische kalmte, die zoo-velen van de leden der volksklasse eigen is. Ik bracht ook hem gaandeweg op de godsdienstvraag en zocht hem tot het uitspreken van een oordeel te bewegen. Het was kort en bondig en consequent sociaal-democratisch. „De kerk is niets dan een inrichting om ons dom te houden en een uit berekening in het leven geroepen staatsinstelling. Opheffen moet men haar nochtans niet; men moet haar door en door hervormen. Men moet het daarheen zoeken te leiden, dat zij de natuurwetenschap aan het volk onderwijst en predikt.quot;

De arbeiders over wie ik hier spreek, behoorden tot de groep der diep overtuigden, moedig doordenkenden, naar waarheid dorstenden onder de sociaal-democraten. Bij al hun afwijzen van den godsdienst, hun geringschatten van de kerk, waren zij gematigd in hun oordeel en niet ruw in hun uitdrukkingen, terwijl zij zich meer of minder moeite gaven het standpunt van hen, die nog geloofden, althans eenigermate te begrijpen en te verklaren. Er was echter een veel talrijker groep van even overtuigde sociaal-democraten, die, ruwer dan zij, niets dan hoon, spot en godslastering op de lippen namen, zoo vaak zij de ons heilige geloofswaarheden bespraken. Ook bij hen was het stopwoord: De Natuur is God; God is de Natuur. Doch zij varieerden deze uitspraak meestal en dan vaak op een zeer gemeene manier. Zoo zaten bijvoorbeeld eens eenige van deze snaken bij elkander in de kneip. Het

-ocr page 178-

176

gesprek kwam op godsdienstige onderwerpen, en daarbij werd godsdienst kort en goed voor idiotisme verklaard. „Och wat,\' riep er een, „onze God is een mollig wijf.\' Schaterend gelach om de „aardigheid\' maakte een einde aan het onbeduidende, oppervlakkige praatje. Andere gelijksoortige gemeenheden. die ik af en toe hoorde, zal ik niet herhalen.

\'t Waren meestal de jongeren, die van dergelijke gezindheid blijk gaven. Bij hen was hoogst zelden sprake van een ernstig streven naar een objectieve beoordeeling van het vraagstuk. Men voelde zich natuurlijk al lang over dergelijke dingen heen! Er was één onder hen — een echte ïhuringer — bij wien Christendom doorging voor anti-semitisme, dat hij verfoeide, omdat hij het even onedel als onrechtvaardig vond, en dat hij — niet geheel ten onrechte — voor het tegendeel van Christelijk uitmaakte. Men ging, beweerde hij, naar de kerk, zette daar zijn gezicht in een vrome plooi, maar leefde voor \'t overige daar buiten geen haar beter dan de anderen, de onverschilligen, die veel eerlijker te werk gingen. Ik kon hem niet anders antwoorden dan wat ik bij zijn geestverwanten uit de eerste categorie had aangevoerd. Hij bracht hier niets tegen in, maar van zijn gelijkstelling Christendom — anti-semitisme was hij niet af te brengen. Trouwens lang met hem er over spreken kon ik niet. Hij vond blijkbaar — evenals anderen, die mij dit ronduit in mijn gezicht zeiden — de zaak de moeite van het bespreken niet waard. „Want godsdienst — dien vindt men niet meer onder ons arbeiders,\' zeide eens een gelijkgezinde jonge man, uit de omstreken van Berlijn geboortig. Hij had aanvankelijk een hoogen toon tegen mij aangeslagen, zoo vaak ik van mijn Christelijke gezindheid deed blijken. Later ging ik veel en gaarne met hem om, want in weerwil van zijn Berlijnsche manieren, was hij een flinke, scherpzinnige, energieke knaap, die alleen maar niet beter wist en van lieverlede — hij was de eenige van wien ik dit kan zeggen — door mijn, overigens van allen bekeeringsijver vrijen, omgang tot een andere, een dieper, ernstiger opvatting van godsdienst en Christendom, zij het dan ook niet bepaald tot werkelijke vroomheid is gekomen. Ik ontmoette hem reeds den eersten Zondagmiddag, en ging een wandeling met hem doen. Onderweg vroeg hij mij wat ik \'s morgens had uitgericht. „Ik ben in de kerk geweest,\' was mijn antwoord. „Hoe onnoozel,\' riep hij. Ik vroeg hem zonder eenige bitterheid hoe hij dat kon zeggen

-ocr page 179-

177

en gaf hem met breede trekken iets van mijn godsdienstige overtuiging te verstaan, Kort vóór mijn vertrek uit Chemnitz zei hij mij op een Zaterdagavond geheel uit zich zeiven, dat hij den volgenden morgen met mij naar de kerk wilde gaan, en daar beviel het hem inderdaad zeer goed.

Ten slotte kreeg ik nog een soort liefdesverklaring van hem: hij zou wel altijd willen omgaan met iemand zooals ik; dan zou hij een heel ander mensch worden.

Hij had trouwens al het beste gezelschap, dat ik maar voor hem kon wenschen. Met een kameraad van gelijken leeftijd, een twintigjarigen knaap, had hij een nette kamer gehuurd. Dezen, die in Pommeren thuis hoorde, had hij, als ik mij wel herinner, te Berlijn leeren kennen, en was daarop met hem naar Chemnitz getogen, \'t Was een stille, zachtzinnige jongen, zoon van een doodarmen werkman, een van de weinigen bij wien het Christendom nog zóó vast geworteld zat, dat er geen losrukken aan was, en op wien dan ook alle tegenovergestelde invloeden niet den minsten vat hadden. Deze oefende een stillen maar goeden invloed op zijn kamergenoot uit.

Dit jonge mensch stond in de fabriek — hij was bankwerker — tusschen twee bankwerkers in, die ongeveer even oud waren als hij. Van de godsdienstige gezindheid van één dezer beiden weet ik weinig af. Hij kwam uit een klein stadje dicht bij Leipzig, waar zijn vader een groote, drukke smederij had, waarin ook de zoon later zou optreden, na eerst in de wereld en het fabrieksleven naar hartelust te hebben rondgekeken, en — zijn wilde haren te hebben uitgeschud. Hij hield mij eens lachend een flesch kristalhelder drinkwater voor met de, naar hij meende, geestige opmerking. „Het zuivere Godswoord.quot; De andere buurman was het type van den gewonen jongen bankwerker en een geduchte pretmaker. Zondag vóór, Zondag na was hij met zijn meisje in de danszaal te vinden ; hij wist, dat zijn ouders in tamelijk goeden doen waren. Bij hem had het tegen den godsdienst gerichte streven der sociaal-democratie zijn normale, hierboven door mij geschetste uitwerking gehad. Hij was, om iets te noemen, peet over een kind van een zijner getrouwde jonge vrienden. Zijn petekind kwam op zekeren dag te sterven, en werd drie dagen later \'s middags om drie uur begraven. Den volgenden dag was hij vermoeid, blijkbaar tengevolge van een slapeloos doorgebrach-ten nacht. Toen ik hem naar de plechtigheid van den vorigen dag vroeg, vertelde hij mij in één adem, dat de geestelijke

göhre. 12

-ocr page 180-

178

mooi aan het graf had gesproken en dat zij daarna den avond en den ganschen nacht door hadden „gekneiptquot; en gedronken. Men had het er ran genomen, dat men eens een vrijen werkdag had. Maar de vader van het gestorven kind was al om tien uur uit de kneip naar huis gegaan.

Ik herinner mij nog een anderen jongen bankwerker, die, wat gezindheid betreft, het evenbeeld van den vorigen mocht heeten. Hij geloofde aan een hooger wezen, waarvan hij zich nochtans niet de minste voorstelling maakte en dat hem ten eenenmale onverschillig was. Hij geloofde er aan, omdat dit „er zoo bij hoorde.quot; Er moest toch iets zijn, dat den menscli van het dier onderscheidde.

Ziehier enkele staaltjes van de gezindheid omtrent godsdienst en godsdienstige zaken door de jeugdige fabrieksarbeiders aan den dag gelegd: ze bevestigen mijn reeds vroeger uitgesproken oordeel over hen. Ik keer thans terug tot de kenschetsing der gezindheid van de ouderen, de met hart en ziel aan de sociaal-democratie verpande mannen.

Op \'zekeren middag boorde ik in een zware ijzeren plaat met alle macht gaten, die ik mijzelven met krijt had voorge-teekend. \'t Was een werk, waaraan ik reeds eenige dagen had besteed. Een bejaarde monteur, die in de nabijheid aan het werk was, kwam er bij staan kijken.

Een sjouwer, van wien ik nog veel te vertellen heb, voegde zich bij hem, en later nog een derde arbeider, over wien ik het reeds meermalen heb gehad. De laatste was een consequent sociaal-democraat, consequenter en in zijn denken meer bewust één met zijn partij dan de beide anderen. Het kwam tusscben ons vieren tot een uitvoerig gesprek.

Van een oogenblik, dat ik een anderen kant uitkeek, maakte het drietal gebruik om de cirkels, die ik op mijn ijzeren plaat had geteekend, uit te vegen. Ik nam, toen ik het bemerkte, de plagerij als scherts op, en zei: „Wisch toch mijn cirkels niet uit.\' „Wat bedoelt gij daarmee,quot; vroeg de een. Ik vroeg of hij de geschiedenis van Archimedes en de verwoesting van Syrakuse niet kende. Het antwoord luidde ontkennend, waarop ik hun het welbekende verhaal deed, en hun daarna mijn aanhaling duidelijk maakte.

Een ander vroeg of dit tijdens den trojaanschen krijg was voorgevallen. Van dezen krijg wist hij alles, had hij alles gelezen. Met enkele trekken gaf hij het homerisch verhaal juist en beknopt weer. Hij scheen den in het duitsch vertaal-

-ocr page 181-

179

den Ilias in de volksuitgave in handen te hebben gehad. Daarop kwamen wij op Egypte en de Pharao\'s, van wien allen het een en ander wisten. Wij spraken over de pyramiden, welke hun groot belang inboezemden ter wille der arbeiders, •die eens met zóóveel inspanning, onder zoo onnoemelijk zwaar lijden, die steenblokken op elkander hadden gestapeld.

H. „Dat waren de lastdieren, de slaven van vóór 4000 jaren. Wij fabrieksarbeiders zijn de slaven en lastdieren van heden.quot;

Dat was overdreven, beweerde ik, en ik haalde als voorbeeld aan de hoogere algemeene ontwikkeling, die tegenwoordig ook de arbeidersklasse bezit.

Hier kwam H. tegen op.

„De menschen waren vroeger niet onontwikkelder dan ze tegenwoordig in doorsnede zijn.quot;

„Neen, vroeger waren de menschen nog veel knapper dan nu,quot; kwam half ironisch, half ernstig de ander, S. genaamd, tusschenbeide. .Vroeger kon men water in wijn veranderen.quot; Hij zei dit weifelend, half vragenderwijze, zoodat ik er niet uit kon opmaken wat hijzelf er van dacht.

De monteur lachte luid. H. glimlachte veelbeteekenend.

„Nu ja,quot; ging S. voort, „dat moet men gelooven maar ...quot;

„Och wat geloof,quot; viel de monteur hem in de rede. „Ons geloof is, dat men van tien pond ossevleesch een lekkere soep kan maken.quot;

S. bracht hier geen woord meer tegen in. Daarop kwamen .wij, voortpratend, op economisch terrein, waarbij ik mij van de uitdrukking: „de sociale quaestiequot; bediende. Dat deed H. aanstonds vuur vatten; hij gaf tamelijk uit de hoogte te kennen, dat ik niet wist wat de sociale quaestie was.

„Dat is de vraag.quot; was mijn antwoord. „Zoo heel gemakkelijk te zeggen is dat ook waarlijk niet. Men kan daar uren, dagen, ja weken lang over redeneeren. In elk geval is ze een samenstel van verschillende quaesties, en heeft ze twee kanten: een materieelen en een geestelijken, evenals de mensch, die uit lichaam en ziel bestaat.

Hierop lachte H. even luid als de monteur.

„Geest? Er is geen geest. Er zijn hersenen, er is een zenuwstelsel, dat als een machine werkt. Deze werking, dat, wat daardoor wordt teweeggebracht, noemt men heden ten dage geest.quot;

„Wie bewijst u dat?quot; vroeg ik. „Dat is toch hoogstens maar

-ocr page 182-

180

een meening, een vermoeden, alzoo niet anders dan wat ik van mijn kant had bij te brengen. En gronden voor mijn meening heb ik evengoed als gij voor de uwe. ISTeem bijvoorbeeld een trompet en blaas daarin, dan geeft ze een toon. Maar de toon is iets heel anders dan de trompet. Zoo is het — zoo kan het ten minste ook zijn — met de hersenen en den geest. De eerste zijn het orgaan; de tweede is de inhoud er van.

H. scheen een oogenblik na te denken. Doch daarop glimlachte hij weer half meelijdend, half minachtend, en zeide, de juistheid mijner bewering aan het begin van dit hoofdstuk door zijn woorden bevestigend:

.Ik zie het wel. Gij. blijft nog altijd onvoorwaardelijk bij orthodoxie en bijbel zweren. De hedendaagsche wetenschap gaat daar lijnrecht tegen in.quot;

„Ja en neen,quot; was mijn antwoord. „Overigens is het noch een schande, noch een ongeluk, maar het tegendeel van beide, dat men nog aan den bijbel hecht.quot;

„Men lacht er u alleen maar om uit. Zegt gij tegen iemand uit de hoogere standen wat gij daar tegen mij zegt, dan vraagt hij u wie gij zijt. Hoort hij dan, dat gij maar een arbeider zijt, dan lacht hij u eenvoudig uit, maar vindt hij uw onwetendheid niet onverklaarbaar.\'

Nu kwam een vierde zich in het gesprek mengen; wederom een sjouwer, van wiens innerlijke godsdienstige gewaarwordingen ik zoo aanstonds nog veel heb mee te deelen. Hij was even wantrouwend en hopeloos op het punt van het geloof, als hij vurig verlangde te kunnen gelooven. Hij verhaalde:

„Gisteren pakten wij een der ijzeren doodkisten in, die de fabriek nog altijd heeft staan, en waarvan er eindelijk weer eens één aan den man is gebracht. Wij deden dit werkje met ons drieën, en hadden het daarbij over de vraag of er een eeuwig leven was. Mijn twee kameraden waren zeker van neen, evenals de baas, die er bij kwam, en zich in het gesprek voegde. Deze beschouwde den mensch als een brandende sigaar, die van lieverlee opbrandt en niets dan wat asch achterlaat. — Hadden deze mannen het nu aan het rechte eind ? Is er een wederzien na den dood of niet?quot;

„Jawel in Luilekkerland,quot; lachte de monteur.

„Maar waarom vertellen de geestelijken het dan?quot;

„Wel, omdat de menschen, heel zoet en gedwee, arm en dom en tevreden zullen blijven,quot; verklaarde hy, die even te voren.

-ocr page 183-

181

het wonder te Kana had aangehaald. De monteur voegde er bevestigend bij:

„De mensch is een roofdier, ja erger dan dat. Het roofdier wil alleen maar genoeg hebben, maar de mensch wil meer dan dat. Was er niet een beetje godsdienst in de wereld, dan zouden wij iederen morgen heel wat lijken hebben op te ruimen.quot;

Dat was de algemeene beschouwing in de fabriek: de reed* lang verouderde, de innerlijk onware hij haar leven reeds doodc kerk is heden niets meer dan een zeer gewenschte politiemacht van den bestaanden Staat, die haar, vol ijver, kunstmatig staande houdt.

Ten slotte kwamen wij ook nog op Darwin en diens leer van de afstamming des menschen. De sjouwer en de monteur zijn haar toegedaan, S. is er tegen; H. doet er het zwijgen toe. S. beweerde, dat die leer onmogelijk waar kon zijn, want wij hadden verstand, en dat scheidde ons onoverkomelijk van de dieren en dus ook van de apen.

„Dat is waar,quot; bracht de sjouwer hiertegen in, „maar toch geloof ik er aan. Want wat zou ik anders moeten gelooven? Ik kan toch niet aannemen wat in den bijbel staat, dat de mensch uit leem is vervaardigd.quot;

Toen wij daarop uit elkander gingen, bleef de sjouwer bij mij staan, en kwam nog eens terug op het sterven en het eeuwige leven, wat hij trouwens later nog menigmaal deed als wij te zamen waren. Hij had kort te voren een half volwassen meisje verloren, en werd verteerd van verlangen haar weer te zien. Hij wilde altijd weer van nieuws af aan hooren wat ik daarvan dacht en geloofde. En altijd weer als ik mijn binnenste voor hem had opengelegd, mijn innigste gedachten had uitgesproken, schudde hij het hoofd en zuchtte:

„Och kon ik maar gelooven! Maar wij moeten zekerheid hebben, stellige zekerheid.quot;

Ook deze beklagenswaardige had geen begrip meer van een zekerheid, die niet berust op wat met oogen gezien, met de ooren gehoord, met de handen getast wordt.

Een andermaal had een bankwerker mij naar een bejaarden metaaldraaier gezonden om een stuk te halen, dat deze onder handen had.

„Het is nog niet af, het komt eerst morgen gereed, als de duivel mij ten minste niet vóór dien tijd haalt,quot; — was het barsche antwoord dat ik kreeg.

„Er is geen duivel,quot; zei een draaier, die naast hem stond.

„Maar zonde is er wel,quot; voegde ik er bij.

-ocr page 184-

182

„Onzin, het een weerspreekt het ander,quot; meende de eerste spreker. „Als er geen duivel is, is er ook geen zonde. Maar gelooft gij dan werkelijk nog aan dien nonsens, die ons op school wordt wijsgemaakt?quot;

Men heeft inderdaad — en dit is een nieuwe, zeer sterk uitkomende karaktertrek — over \'t algemeen in \'t minst geen bewustzijn meer van schuld en zonde, zelfs zij niet. die nog tusschen godsdienstig en godsdienstloos heen en weer worden geslingerd, nog met zich zeiven in tweestrijd en midden in de door mij geschetste geestelijke crisis zijn. Dat bleek mij o. a. uit een gesprek, dat ik eens met een bejaarden, ernstig gezinden man voerde. Deze had mij gezegd, dat hij wel eens een of ander artikel — ik weet niet recht meer wat — schroeven geloof ik — uit de fabriek mee naar huis had genomen.

„Maar dat is verboden en dus zonde,quot; viel ik in, om het gesprek op dit onderwerp te brengen.

„Neen, dat is geen zonde. Zonde doet men niet in zulk een groote zaak als deze. De eigenaars der fabriek bezondigen zich ook aan ons, arme stakkers.quot;

Toch heb ik hoogst zelden de arbeiders heimelijk iets zien meenemen uit de fabriek. Wel zag ik hen af en toe voor zich zeiven iets vervaardigen, bijv. een scharnier, een slot of iets dergelijks.

Uitdrukkingen, gelijk aan die, welke ik daareven aanhaalde,, hoorde ik reeds toen ik nog in de herberg was. Bijvoorbeeld van een, die mij zijn levensgeschiedenis verhaalde. Hij was vroeger in goeden doen geweest, maar thans zonder betrekking, zonder dak, en slechts af en toe als losse arbeider iets verdienende. Zijn vrouw had hij verlaten, zijn kinderen waren tot menschen opgegroeid en bekommerden zich even weinig om hem, als hij zich aan hen liet gelegen liggen. De drank was zijn ongeluk geweest; kort geleden nog had hij, beschonken zijnde,, te Dresden zijn ransel met al zijn ondergoed er in verloren.

„Ik ben te eerlijk geweest; daardoor ben ik naar den kelder gegaan,quot; klaagde hij. „Ik heb mij met geen bedrog opgehouden, zooals de ryken doen, wier streken ik maar al te goed ken; die de lui bedotten en toch bij iedereen in een goed blaadje staan.quot;

„Dat is toch niet altijd het geval. En moge het ook al eens voorkomen, \'t is en blijft zonde én schande.quot;

„Schande?quot; herhaalde hij. „Wat is zonde en schande? Vraag eens aan die welgedane heeren of zij daar iets van afwetenquot;. ...

-ocr page 185-

183

Het volgende speelt weer in de fabriek.

Ik werkte met een metaalboorder en met dienzelfden S. die aan het vorige, door mij weergegeven gesprek had deelgenomen. Ik weet niet meer waardoor, doch zonder mijn toedoen kwam het gesprek op God. De metaalboorder, een der meest verdienende arbeiders in de fabriek, een forsche, bedaarde man van 40 a 45 jaar, beweerde dat Onze Lieve Heer nog moest worden ontdekt.

„Of eigenlijk neen,quot; ging hij voort. „Hij bestaat al; ik heb een kennis te X; dien noemen zij: „ Onze Lieve Heer.quot;

S. is ditmaal minder gesloten; hij spreekt den boorder tegen en daarmede zich zelve open uit:

„Ik geloof aan een hooger wezen. Ik heb, toen ik bij mijn ouders was, veel godsdienstige boeken en den bijbel van het begin tot het einde doorgelezen. Thans doe ik dat niet meer, want de bijbel past niet meer voor onzen tijd. Maar bidden doe ik nog dagelijks: het „Onze Vader,quot; \'smorgens vroegen ?s avonds als ik naar bed ga. Maar ik doe het uit gewoonte, omdat ik het sedert mijn kinderjaren altijd heb gedaan en mijn ouders het mij hebben ingeprent. Ik weet heel goed dat het niets geeft.quot;

Daarop hebben wij het over Luther.

„Die heeft veel kwaad gedaan,quot; zegt S. „Hij heeft de geestelijkheid zoo machtig gemaakt als ze heden ten dage is.quot;

Terwijl ik bezig ben Luther tegen dezen aanval te verdedigen, gaan twee arbeiders, een dertigjarige monteur en een metaaldraaier, beiden volbloed sociaal-democraten, langs de plek waar wij staan en hooren toevallig wat ik zeg. Zij blijven staan luisteren en de monteur valt mij in de rede:

„Luther heeft veel goeds gehad, maar ook veel dat lang niet goed was. Ik weet dat alles, heel precies; ik heb er een boek over gelezen.quot;

„Welk boek?quot;

„Het papendom sedert de twaalfde eeuw.quot;

„O dan weet ik genoeg ; dat is een boek vol laster en leugen.quot;

„Dat is niet mogelijk,quot; luidt het in allen ernst gegeven antwoord. „Al wat er in staat moet waar zijn. Anders luidden zij het (d lenig verboden.quot;

De man dacht blijkbaar aan de socialistenwet, die alle sociaal-democratische geschriften, welke omverwerping van het bestaande predikten, weerde. Men ziet het, de socialistenwet heeft allerlei soort vruchten doen rijpen.

-ocr page 186-

184

De monteur komt op Lutlier terug en op zijn houding in den boerenkrijg.

„Eerst hitste hij de boeren op en later smaalde hij op hen. Eu hoe heeft hij de vorsten niet geholpen, ondersteund, gevleid. Wat heeft hij niet voor hen gekropen! En ook dat is zijn werk, dat de kerk zóó machtig, zóó sterk is geworden, dat wij haar nooit meer kunnen ontkomen.

De metaaldraaier voegt er zijn meening bij:

„Ja, dat moet men Luther nageven, dat hij een leepe vogel was. Maar dat komt zoo bijzonder sterk uit, omdat het volk destijds zoo dom werd gehouden. Tegenwoordig zou Luther niets bijzonders meer zijn. Tegenwoordig staan wij allen op hetzelfde standpunt als hij tegenover de kerk en de gansche godsdienstige humbug. Ik voor mij ten minste bekommer mij om den heelen boel niet meer; ik ga met een groote bocht om elke kerk heen.quot;

Ook Christus komt gaandeweg ter sprake. „Hij was de eerste socialist en is voor zijn overtuiging gestorven,quot; luidt het eenparig getuigenis.

„Maar Jezus heeft zich toch zeer bepaald niet ingelaten met de private verhoudingen, met der menschen stoffelijk bezit, met den wereldhandel,quot; waagde ik hiertegen in te brengen. „ Hij heeft de menschen slechts vroom en goed willen maken.quot;

„Neen,quot; beweerde de monteur, ;7dat is niet waar. Christus heeft niet maar alleen dat gewild, \'t Is de geestelijkheid die er deze wending aan geeft. En al zou het zoo wezen, de godsdienst is in vroeger tyden, toen de menschen minder kennis bezaten, goed en dienstig, ja hoog noodig geweest. Maar dat is hij thans niet meer. Thans hebben wij wetten. Wie naar de wet leeft is een achtenswaardig mensch; wie het niet doet een hondsvot/\'

Men ziet het, dit stemt volkomen overeen met de sociaaldemocratische leer.

Met dezen metaalboorder en monteur heb ik later nog een paar malen een dergelijk gesprek gevoerd.

Den eerste trof ik kort daarna in het morgenschaftuur aan in de dicht bij onze fabriek gelegen koomenij, waarover ik in het tweede hoofdstuk heb gesproken. De winkel en de woonkamer daarachter waren stampvol fabrieksarbeiders. Een van hen, een vaste klant, vroeg voor tien pfennig limburgsche kaas en een flesch bier. Toen men hem dit bracht, zei hij: „Dank u; Onze Lieve Heer zal betalen.quot;

-ocr page 187-

185

„Dan kan ik lang wachten,quot; schertste de koomenijjuffrouw. ^Ik ben al dikwijls daarmee afgescheept, maar hij heeft nog nooit betaald.quot;

„Er zal ook wel geen Lieve Heer bestaan,quot; kwam de metaalboorder, die naast haar stond, tusschenbeide.

„Dat geloof ik ook,quot; zei de vrouw met een lach. „Bidden is ouwerwetsch. Het geeft dan ook trouwens niets. Wie niet werkt krijgt niets te eten.quot;

Dienzelfden namiddag riep genoemde monteur mij bij zich.

„Wat is er?quot;

„Ik zal u Onze Lieve Heer toonen; breng deze as naar den groote-gaten-boorder; de rest zult gij wel zien.quot;

„ Gij kunt mij God nog lang niet toonen. Ik kan het u wel doen.\'Wilt ge?quot;

„Neen liever niet!quot;

En hij liep lachend weg.

Later trof ik hem aan bij het kinderfeest van onze sociaaldemocratische kiesvereeniging. Onder meer kwamen wij ook over godsdienstige aangelegenheden te spreken. Hij vroeg mij op den man af:

„Waarom geeft gij u toch zoo met die dingen af. Gij kunt er toch niets van bewijzen.quot;

Ik beproefde alweder den persoon Jezus Christus ten bewijze ■aan te voeren. Doch hij liet mij niet uitspreken.

De papen zeggen precies hetzelfde. De godsdienst is alleen goed voor onbeschaafden. Mijn leuze is:

Zorg, dat dit leven zijn gaven n biedt,

Want een hiernamaals is er niet.quot;

„Een fraaie leus. De mijne is ze niet.quot;

„De mijne wel. Overigens hebben de papen zelve schuld -aan de vijandschap van het volk jegens de kerk. Want zij hebben partij getrokken voor de groote heeren. Er is bijna niet één, die hierop een uitzondering maakt. Daar is bijvoorbeeld die van Langenberg, hier vlak bij.quot;

De minachting voor de „papenquot;, die ook hier weer onomwonden zich -uitte, was even algemeen als de bijnaam zelve, waarvan zich iedereen in die kringen bediende; zelfs zij die nog niet bepaald vijandig tegenover den godsdienst stonden. Niet onverklaarbaar in mijn oog. Want wie in de kerk niets ziet dan een middel tot machtsbetoon in de hand eener klas-seregeering en eener niet meer geloovende bourgeoisie, die

-ocr page 188-

186

kan natuurlijk ook geen achting en eerbied meer hebben voor de dienaren dier kerk, voor haar ambtelijke vertegenwoordigers. Die moet in deze laatsten huichelaars zien, menschen, die hun overtuiging prijsgeven om een goed en gemakkelijk leven te hebben. Ik merkte dan ook dikwijls op, dat men de „ zwartrokkenquot; niet langer haatte, maar hen alleen nog maar verachtte. Men zag hen aan voor dagdieven en luiaards, omdat men niets voelde voor een geestelijken arbeid, welke geen stoffelijke en dadelijke voordeelen afwierp, en evenmin besef had van den omvangrijken aard der werkzaamheid, die een nauwgezet en bekwaam geestelijke te verrichten heeft. Dit alles uitte zich maar al te vaak op een wijze, die mij niet weinig hinderde. Bijvoorbeeld bij gelegenheid van datzelfde kinderfeest, waarop ik het laatst door mij aangehaalde gesprek voerde.

De spreker, waarop ik hier doel, was een mij onbekende arbeider, die niet tot onze fabriek behoorde. Hij onderhield zich met een, naar het scheen, toevallig daar aanwezigen onder-wijzer, terwijl ik, als niet bij de zaak betrokken derde, er stil bijstond en onopgemerkt toeluisterde. De onderwijzer trachtte zijn toehoorder duidelijk en zakelijk zonder eenige heftigheid of groote woorden voor zijn meening te winnen. Doch de ander liet zich niet van zijn stuk brengen.

„Och wat,quot; riep\' hij, „over de kerk zijn wij al lang heenr en een preek maken kan ik ook wel, als ik er maar de heele week den tijd toe heb. Dat leert de man uit boeken van buiten.quot;

De onderwijzer trachtte hem aan het verstand te brengen, hoe onjuist deze opvatting was; dat men wel degelijk daartoe vooraf op gymnasium en universiteit hard moest hebben gewerkt, veel moest hebben geleerd, moeilijke examens moest hebben afgelegd, maar de opgeblazen schreeuwer — want dat was hij — gaf op dit alles niets dan telkens weer een minachtend „och wat!quot; ten antwoord, zoodat de ander er al spoedig van afzag zich verder met hem in te laten.

Dezelfde beschouwing hoorde ik bijna in dezelfde woorden reeds op den eersten dag, dat ik in de Centraalherberg kwam. Ik vond daar een barbier van wien ik in het volgend hoofdstuk nog het een en ander zal hebben mee te deelen. Deze-ging te Chemnitz van de eene herberg naar de andere en schoor de gasten voor vijf, knipte hun het haar voor tien pfennig. Hij oefende zijn handwerk uit midden in de gelag-

-ocr page 189-

187

kamer, en redeneerde met den patiënt, dien hij onder handen had, over alle mogelijke dingen en zoo ook over den geeste-

lijkc.

„Die heeft ook maar een handwerk, waarvan hij leeft; hij moet wel preeken, daar is hij voor aangesteld. Natuurlijk kan hij niet bewijzen wat hij ons voorwauwelt; dat is ook maar....quot; „Drek en larie,quot; vulde de ander aan.

„Ik kom ook niet in de kerk,quot; stotterde een half uitgeslapen drinkebroer. nIk ben er eens in geweest. Dat is lang geleden. Ik wou er gaan uitslapen. Gesticht? geen zier! gesticht . . . nou nog mooier! . ..quot;

Zoo hoorde ik eens vijf jonge mannen, meerendeels gehuwd, onder het ontbijt samen over den geestelijke van hun plaats spreken. Zij kwamen namelijk alle vijf dagelijks naar de fabriek gestapt uit een dorp, dat op een uur afstands van Chemnitz was gelegen. Een van hen had over het inkomen van den keizer gesproken, en uitgerekend wat deze op één dag te verteren had. Daarop voegde een tweede er bij;

„\'t Is net als met onzen geestelijke, dien schelm. Die heeft 271/2 daalder inkomen in de week, en is daar nog niet mee tevreden. De pastorie was vroeger een boerenhofstede. Toen hij bij ons kwam en haar zag, was hij er over uit, zoo mooi en groot als ze was. Er waren zóóveel kamers in, dat hij bijna niet wist, zei hij, waar hij de meubels vandaan zou halen om ze te vullen. En hij is nog geen half jaar bij ons, of hij vraagt om een nieuwe pastorie, omdat de oude hem wel eens boven zijn hoofd zou kunnen in elkander vallen.quot;

„Ja,quot; zei een derde, „en dan preekt die kerel altijd maar 25 minuten en kijkt onderwijl alle vijf minuten op zijn horloge.... En dan zegt hij altijd, dat hij geen onderscheid maakt tusschen rijk en arm, en hij doet het toch, vooral bij het trouwen en doopen .... Maar ik heb den zwartrok laatst in de herberg eens een flinken steek onder water gegeven, en hij heeft geen woord geantwoord maar is heengegaan.quot;

Daarop verhaalde de eerste weer:

„Hij heeft eens gezegd, dat een gezin heel goed kon rondkomen met negen mark in de week, en hij zelf heeft 83 mark. En daar komt hij zelf niet mee uit. Want toen hij laatst een kind kreeg, verzocht hij op dezen grond om jaarlijks 200 mark meer inkomen ! Ik moet niets hebben van het heele papendom.quot;

Daarmede bedoelde hij ook het Christendom, waarvan de geestelijke de drager moet zijn.

-ocr page 190-

188

Terwijl de anderen dit gesprek voerden, vertelde de vierde wat er onder den kerkgang voorviel tijdens hij in dienst was; afschuwelijke dingen, die echter helaas overeenstemden met wat ik met eigen oogen gezien heb.

Gedurende de preek werd onder de bank écarté gespeeld, dat het een lust was. Ja, gedronken werd er uit de borrel-flesch, terwijl men zich quasi den neus snoot en met den zakdoek de flesch bedekte.

Men lachte hartelijk om dit alles en schimpte van nieuws af aan op de geestelijken. Ik kon natuurlijk niet nagaan met hoeveel of hoe weinig recht. Maar dat is hier ook niet de vraag. De hoofdzaak is, dat men uit dit alles ziet hoe onnoemelijk bedachtzaam en tactvol een geestelijke moet zijn, hoezeer hij er voor moet waken, dat hij, \'t zij gegrond of ongegrond, geen aanstoot geeft.

Dit blijkt uit het volgende verhaal door een onzer pakkers gedaan. Ik mocht den man bijzonder graag en dat deden ook de andereu. Hij was reeds grootvader, maar had zelf nog onvolwassen kinderen, die hij innig liefhad en waarvoor hij zich, evenals zijn vrouw, afsloofde. Hij was een eerlijke, altijd sobere, eenvoudige, vriendelijke, opgewekte kerel. Hij vertelde mij:

Ik ga nooit naar de kerk. Mijn jongste kind — zij is acht jaar oud — bedelt er mij letterlijk voortdurend om. Maar ik ga niet. Ik geloof wel aan een God, die voor ons zorgt, ik vloek niet en ik duld niet dat anderen dit doen ; ik vind ook goed dat vrouw en kinders naar de kerk gaan, maar ik ga niet. Ik wil mij door die lui niet voor den gek laten houden.quot;

„Voor den gek laten houden? Wat meent ge?\'

„Ja, vroeger jaren ging ik ook naar de kerk. Maar daar zie ik me op een Zondagmorgen, heel in de vroegte, (de man woonde ook in een dorp dicht bij Chemnitz) onze oude predikant van de jacht komen. Op Zondagmorgen! een half urn-vóór kerktijd! Toen was het bij mij uit. Ik keerde op staanden voet om en ik heb nooit weer een voet in de kerk gezet. Voor den gek houden laat ik mij niet.\'

Nog iets dergelijks moet ik verhalen. Het bedroevendste van alles wat ik heb meegedeeld en gelukkig iets wat hoogst zelden voorkomt. Een ongeveer dertigjarige bankwerker, een onzer grappenmakers, die zich in het minst niet bekommerde om politieke en sociale aangelegenheden, vertelde mij eens;

„In ons dorp — ik kom uit de bergen (uit het doodarme

-ocr page 191-

189

Ertzgebergte) — hield de predikant het met de vrouwen uit het dorp, en was hij bovendien een zuiplap, die het, met zooveel moeite bijeengebrachte geld voor een nieuw lijkkleed verzoop. Hij werd daarvoor wel van zijn ambt ontzet, maar sedert dien tijd heb ik een hekel aan alle zwartrokken. Ik geef toe, dat er een hooger wezen mag bestaan, en godsdienst zal wel altijd moeten worden onderwezen. En zoolang als er niets op een geestelijke valt aan te merken, moet men hem wel beleefd behandelen, is hij een achtbaar persoon. Maar voor de rest gelooven die kerels zelf niet wat zij ons wijsmaken. \'t Is alleen maar hun beroep; zij moeten er van leven. Men mag hun dus niet kwalijk nemen, dat zij maar napreeken wat in boeken staat.quot;

Een andere reeds bejaarde arbeider, een warhoofd, sociaaldemocraat zonder een zweem van zelfstandigheid of eigen oordeel, schimpte eens:

„De predikanten zijn als de advocaten. Zij vreten alles op wat zij maar krijgen kunnen. Maar tegenwoordig zijn de lui zoo dwaas niet meer als vroeger; zij geven hun niet langer zoo veel.quot;

De man dacht zeker ook alweder aan het goede, gemakkelijke, luie leventje, dat een geestelijke, naar zijn opvatting, leidt en aan de geschenken, waarmede vooral de landlieden hem in vroeger tijd overlaadden. Doch tevens, gelijk ik uit zijn aanwijzingen opmaakte, aan de gelden, die voorheen in Saksen voor geestelijke doeleinden moesten worden opgebracht, en die in hoofdzaak \'s predikants inkomen uitmaakten. Deze belasting is gelukkig sedert een twintigtal jaren in Saksen opgeheven, maar de aanmerking van dezen man bewees mij, hoe diep het besef van het, uit sociaal oogpunt, ongepermitteerde dezer regeling nog den ouderen leden der volksklasse in het hart zit. Ja, op dat punt gaat men heden ten dage nog verder. Het volk beschouwt als een sociale onrechtvaardigheid, dat er verschil is in de wijze, waarop de predikant bij godsdienstige plechtigheden voorgaat, overeenkomstig het verschil in de bijdragen, die hij voor deze plechtigheden ontvangt. Zoo beklaagde zich eens een jonggehuwde uit onze voorstad, wiens politieke en godsdienstige gezindheid ik niet heb leeren kennen, dat de geestelijke de rijken, die het betalen konden, veel móóier doopte en trouwde en aan hun begrafenis veel meer plechtigheid bijzette, dan hij bij zijn arme gemeenteleden aan dit alles ten koste legde. Deze man was echter

-ocr page 192-

190

verstandig genoeg den predikant hier niet persoonlijk voor verantwoordelijk te stellen. Veeleer was zijn oordeel over den hulpprediker, die in ons voorstadsdorp als predikant optrad, bijzonder gunstig. Deze was, beweerde hij, zeer goed en medelijdend en bezocht de armen zijner gemeente trouw. Ik hoorde nog menigmaal op dezen toon van dienzelfden hulpprediker gewagen, maar steeds werd hij als een uitzondering beschouwd, betrof dit gunstig oordeel niet den predikant, veel minder het geestelijk ambt, maar den mensch, den individu op zich zeiven; een nieuwe, ernstige aanwijzing van den weg, die de zielenherder heeft in te slaan, wil hij dezen lieden iets toonen van den adel, de schoonheid, de waarde van ons Christelijk geloof, \'t Is de weg van het oprechte, hartelijke, offervaardige, door en door ware zich zeiven geven in een verkeer, dat zich niet opdringt, waarbij geen sprake is van aanmatiging, waarin men, volkomen open en eerlijk, als waarachtig volksman optreedt.

Deze indruk werd bij mij bevestigd door de niet minder vriendelijke gezindheid jegens dienzelfden hulpprediker aan den dag gelegd door een zeer sterk sociaal-democratisch gezinden man. Hij vloekte wel is waar zoo erg als ik het zelden heb gehoord, maar verzekerde niettemin ernstig en nadrukkelijk, dat hij vast geloofde aan iets goddelijks op aarde. Over het Katholicisme sprak hij daarentegen met de grootste minachting. Dit was zeer verklaarbaar, aangezien hij een in Duitschland genaturaliseerde duitsch-bohemer was en alzoo het Katholicisme in zijn geboorteplaats had leeren kennen. Hij zou nooit een vrouw willen trouwen, die Katholiek was, want deze stonden allen onder den wil en het machtwoord van den pastoor. Bij de geboren Saksers vond ik daarentegen zelfs geen spoor van een juist begrip van het verschil tus-schen beide belijdenissen; laat staan van een voorkeur voor de eigen leer boven die der vreemden.

Thans nog een half en half waardeerend oordeel over de .papenquot; ter kenschetsing van de enkele vriendelijke trekken, die ik tusschen de vele booze en ernstige heb mogen waarnemen. Het is afkomstig van een metaalboorder uit een dichtbijgelegen dorp ; denzelfde, die als Freiberger jager den veldtocht van 1870—71 had meegemaakt en daarvan zoo vaak met trots en ingenomenheid verhaalde.

Hij kwam eens met de opmerking voor den dag:

„Men moet den geestelijken hun geloof laten. Zij hebben daarover gestudeerd en dat kan niet iedereen.quot;

-ocr page 193-

191

Men gevoelt alweder wat in deze opmerking ligt opgesloten. quot;Voor den man, die toch op het land was grootgebracht, was lt;le godsdienst slechts een logisch in elkander gezet stelsel, ■dat men door verstandelijk nadenken, door wetenschappelijke studie, door geestesarbeid in zich moest opnemen; iets wat voor hem zeiven te hoog, te moeilijk, niet te bevatten was — alzoo de oude, zuiver middeleeuwsche katholieke verhouding tot de mysteriën der, uit de verbinding met het neoplatonisme opgegroeide, dogmatieke speculation. Het gevolg was dat de door en door goede kerel, die klaarblijkelijk van nature godsdienstig was en aan godsdienst behoefte gevoelde, innerlijk zonder eenigen steun, innerlijk verlaten door het leven ging te meer wijl hij bovendien maar al te duidelijk gebukt ging\' onder den druk van het sociaal-democratische terrorisme. AV ant veelbeteekenend liet hij aanstonds op bovenstaande opmerking volgen:

„Doch wij zullen daar maar niet verder over spreken, want zoo iets mag men in de fabriek niet hardop zeggen.quot;

Het is hier de plaats om nog wat dieper in te dringen in •de innerlijke gesteldheid dier groep onder mijn kameraden, die, staande onder den demonischen invloed der fanatieke •sociaal-democraten, nog midden in de veelbeteekenende crisis waren van den overgang uit de oude cultuur met haar verouderde geloofsvormen tot de nieuwe, voor hen niet minder onvolledige, sociaal-democratische halfontwikkeling en godsdienstloosheid. Midden in den twijfel met zijn heilloos gedobber en geslinger. Bij waarlijk godsdienstig aangelegde naturen uitte zich deze innerlijke strijd soms op aangrijpende wijze. Ik herinner bijvoorbeeld aan den sjouwer, op wien ik reeds meer dan eens heb gewezen, \'t Was bij hem, die critisch van aanleg was, sedert den dood van zijn innig geliefd kind een voortdurend vragen, zoeken, verlangen, smachten; doch de in zijn oog niet te weerspreken argumenten der godsdienstlooze sociaal-democraten werkten zoo aanhoudend en met zooveel kracht op zijn denken in, dat hij na iederen aanval van die zijde in hopelooze vertwijfeling terugviel, \'t Was niet den eenigen keer, dat hij tot mij kwam om zekerheid, „maar heel stellige zekerheid\'\', toen hij mij dien dag, na dat lange gesprek onder het gaten-boren, opzocht. Ik trof hem bijvoorbeeld \'eens op een Zondag op het kerkhof in onze voorstad aan; met zijn vrouw, die in zijn twijfel en hopeloosheid deelde, bij het graf van zijn kind staande. Ik moest hem hier andermaal alles van mijn geloof

-ocr page 194-

192

mededeelen; de gronden uiteenzetten mijner overtuiging, dat er een opstanding is uit den dood. Ook thans weer tevergeefs. Want een paar dagen later zei hij plotseling en zonder eenige directe aanleiding tot mij — wij waren aan het polijsten van twee groote ijzeren platen :

„Gij met uw geloof!.. Er is toch niets van aan. Gisterenavond was ik weer op het kerkhof. Ik ontmoette er twee vrouwen. Die hadden ook niet veel hoop op wederzien na den dood. Zij konden er zich niet indenken, waar al die millioenen dooden zouden moeten belanden, als iedereen het eeuwige leven had.quot;

Ik beproefde nog weer eens deze onder het volk veelvuldig verbreide gedachte, ook een vrucht van het oude onware ver-standsgeloof, te weerleggen. Ik wees hem op het geloof aan Gods almacht, en betoogde hem, dat wij over dergelijke vraagstukken ons het hoofd niet moesten, niet mochten breken,, omdat wij langs dien weg nooit ons doel zouden bereiken, nooit tot gelooven zouden komen. Ik zeide hem, dat wij uitsluitend aan Gods liefde moesten vasthouden; een liefde, waarvan wij door de gansche persoonlykheid van Jezus Christus met onwrikbare zekerheid overtuigd worden.

Maar ook hierop klonk het weer:

„Ja, het moet heerlijk zijn te kunnen gelooven, heel zeker te kunnen gelooven; heerlijk zoowel bij leven als bij sterven. Maar wie niet gelooven kan, is daarom nog geen zondaar. Het is alles hetzelfde; zooals ook in den grond der zaak Katholieken, Joden en Turken hetzelfde gelooven.quot; En hiervan liet hij zich niet afbrengen.

Op een anderen dag zaten wij samen in een kleine gezellige bierkneip, en verhaalde hij my het volgende met diepen, bitteren ernst, mij daardoor zijn inwendige gesteldheid als blootleggend :

„Gij moet weten, dat, even nadat ons kind gestorven wasr de hulpprediker bij ons kwam en ons zocht te troosten. Wij moesten, zei hij, vóór alles God om kracht en troost bidden. „Dat hebben wij de geheele ziekte door gedaan,quot; gaf mijn vrouw ten antwoord. „Maar het heeft niets geholpen: ons kind is toch gestorven.quot; — En weet ge wat hij hierop antwoordde?... „Gij hebt toch immers wel gebeden: „Vader, niet mijn wil, maar uw wil geschiede?quot; — Ziet ge, op die manier weten die lid er zich altijd uit te redden*

In de eerste dagen van mijn fabrieksleven had ik met hem

-ocr page 195-

193

en vier anderen een groote schaafmachine, die vuil was geworden, schoon te maken. Het viertal was, evenals hij, nog midden in de crisis, steeds aan het vragen en twijfelen. Ik had aanvankelijk geen acht geslagen op hun gesprek en ging op de knieën liggen om yzerspaanders bijeen te rapen. Daar hoorde ik opeens een van hen luid en met nadruk zeggen:

„Neen, neen; ik laat het mij niet ontnemen. Er weenhooger Wezen.quot;

De spreker was de eenige arbeider in de fabriek, die er nog openlyk voor uitkwam, dat hij een overtuigde Christen was. Hij verhaalde mij later, dat hij de eerste jaren veel wegens zijn geloof te verduren had gehad, bitter door zijn kameraden bespot was geworden, maar dat men hem — moderne martelaar — eindelijk als onverbeterlijk had opgegeven, en hem nu rustig, zonder onvriendelijk jegens hem te zijn, zijn gang liet gaan en zijn geloof liet behouden.

Toen ik hem dat „neen, neenquot; zoo krachtig hoorde zeggen, wendde ik onwillekeurig verrast het hoofd om. Mijn verwondering werd terstond opgemerkt, en een derde zocht mij de zaak duidelijk te maken, door te zeggen:

„Die twee hebben dikwijls dergelijk parlement met elkaar. En dan luister ik heel graag toe. Ik heb ook een kind verloren, en daar loop ik dikwijls over te denken. Is het geloof werkelijk niets dan inbeelding, zooals de meesten hier zeggen ? Of is het niet maar louter omdat het hun vak is, dat de geestelijken aldus prediken en spreken? Waarom doet God heden ten dage geen wonderen meer? Waarom laat hij zooveel ellende in de wereld toe? Waarom gaat het zooveel brave lieden slecht?quot;

„Ja, en als het mij slecht gaat — dan gooi ik alles overboord, quot; kwam een ander tusschenbeide. Terwijl de vijfde riep:

„Houdt toch eindelijk eens op met dat gezanik.quot;

Maar de „belijderquot;, die zijn kameraad zocht te beantwoorden, zoo goed of zoo slecht hij dit met zijn verward, naaiden ouden vorm geknipt geloof vermocht, en die zich ditmaal eens de sterkste voelde, omdat hij wist dat de anderen in dezen op zijn hand waren, legde den schreeuwer onmiddellijk het zwijgen op.

„Houd gij u maar stil. Gij zijt niet veel meer dan een halve duivel. Gij zijt precies een stuk vee, dat het beetje, wat het te vreten heeft, naar binnen slokt, en slaapt en daarmee tevreden is.quot;

göhre. 13

-ocr page 196-

194

Zoo erg was het intusschen niet met hem. Want ook deze schreeuwer was veeleer een type van een wel is waar kleine groep voormalige boerenarbeiders, die ook thans nog in de omliggende dorpen woonden. Hij verzekerde mij later, dat wat de predikant vertelde, wel meerendeels nonsens was, maar dat hij toch wel naar de kerk ging „zoo eens nu en dan*\'. Hij was er nu in lang niet geweest, maar dat kwam doordat hij geen ordentelijke jas had. Hier openbaarde zich een echt katholieke trek, die ons kerkelijk leven op het land eigen is: deze namelijk, dat men naar de kerk gaat, zonder dat men noodig acht er een innerlijken drang toe te gevoelen. De kerkgang zelf, het aan Onzen Lieven Heer verschuldigde bezoek is een goed werk, en dat is voldoende. Voor \'t overige zorgt die „lieve heerquot; en die kerk door middel van den predikant, die wordt aangesteld en betaald om heilig en vroom te zijn.

Overigens was het kerkbezoek van de fabrieksarbeiders zoo gering als zich maar denken laat. De echte sociaal-democraat, dat wil zeggen, hij die het werkelijk was, of er voor door wilde gaan, ging, dit spreekt vanzelf, nooit er heen. Formeel uit de kerk getreden waren echter slechts weinigen. Als ik mij wel herinner was de monteur, die zoo afkeurend over Luther had gesproken, de eenige. Hij was het ten minste, die tegenover mij zich spottend uitliet over de slapheid, het gebrek aan veerkracht bij de kerkelijke gemeenten. Deze waren zoo geheel zonder leven, dat de predikant hem, die er openlijk uittrad, nog een compliment maakte over zijn trouw aan zijn overtuiging. De anderen, die er in bleven, hadden waarschijnlijk in het geheel geen overtuiging meer en waren de onver-schillligheid zelve. — Had deze man eigenlijk wel ongelijk? En bewijst ook dit niet alweder wat ons ontbreekt, wat wij noodig hebben: levende, krachtige christelijke gemeenten?

Maar ook van de twijfelaars, de nog niet zelfstandigen, de half overtuigden, die hulploos, willoos, zuchtend en steunend tusschen de twee wereldbeschouwingen heen en weer dobberden, bij wie alzoo over \'t algemeen nog de meeste behoefte aan godsdienstige voorlichting en bevrediging gevonden werd — ook van dezen ging slechts een enkele, en dan nog maar nu en dan naar de kerk. Te vaker daarentegen naar het kerkhof, naar de graven der hunnen, om daar te treuren en in moedeloosheid te verzinken.

De reeds Zoo vaak door mij genoemde sjouwer bijvoorbeeld was, naar hij mij zeide, sedert vijf jaren maar eens in de kerk

-ocr page 197-

geweest, terwijl hij vroeger op zijn dorp eiken Zondag daarheen placht te gaan. Maar dat alles was al lang vergeten, men dacht nu zelfs Zondags aan geen kerk meer. Het geheele tegenwoordige sociale leven der bewoners van een fabrieksdistrict brengt dan ook trouwens geen ter kerke gaan des Zondags meer mede; zelfs niet daar waar men, gelijk in Saksen, reeds sedert lang, vrij algemeen werkelijk zoogenaamde Zondagsrust heeft. Dit viel duidelijk op te maken uit de volgende uiting.

Ze werd gedaan door een arbeider, die van het platteland, of beter gezegd uit het gebergte tot ons was gekomen. Hij behoorde tot de weinigen, die niet op hun geestelijke schimpen, al had hij ook niet bijzonder met hem op. Hij zeide op kal-men toon:

Vroeger gingen wij in ons dorp altijd ter kerke. \'tWas daar een schande het niet te doen. Maar sedert ik hierheen ben verhuisd, kom ik er bijna nooit meer. Hls kier de mode niet, en daarom spelen wij hier \'5 Zondagsmorgens liever écarté.

Zou dit — want wat ik hier meedeel is maar één staaltje uit vele — mogelijk zijn, indien het kerkelijke leven op het land werkelijk levendig, de prediking overeenkomstig de eischen des tijds en vol gloed en bezieling was? Dan toch moest het verlangen naar het woord Gods en naar de kerk deze lieden, ook in hun nieuwe woonplaats, onweerstaanbaar naar het bedehuis drijven. Maar over de kerk is men „al lang heen.quot; Ook zij, die nog brokstukken van haar leer hebben vastgehouden, en dit, wijl men in haar meestal niet anders dan de zuster van de school ziet; in haar niet het heiligdom gevonden heeft, waar de mensch — ook de fabrieksarbeider — eiken Zondag van nieuws af aan vrede, geluk, kracht opdoet voor het harde leven, dat hij in de week heeft te leiden.

Dit gaf onder anderen een metaaldraaier te kennen, een opgewekte ofschoon tamelijk flegmatieke man, die steeds met een verstandig en zelfstandig oordeel voor den dag kwam.

„JX* ga*, zeide hij, „schier nooit meer naar de kerk; ik héb van dat alles op school genoeg gehoord. Maar toch moet de kerk er zijn; anders zag het er spaansch in de maatschappij uit. Ik vind dan ook heel verkeerd van de sociaal-democratie dat zy zoo tegen de kerk aangaat. Ook van mijn schoonvader. De meeste geestelijken zeggen ook evengoed de waarheid aan de rijken als aan ons. Zij kunnen er immers niets aan doen, dat men hen maar laat praten.quot;

-ocr page 198-

196

Ook hierin ligt iets waars. — Zoo sprak ook een ander, een echte buitenman;

„Ik geloof aan een hooger Wezen en aan een Voorzienigheid. Ik hid ook nog altijd, zooals ik het als kind heb geleerd. Ik zou \'s avonds niet kunnen inslapen, als ik het „Onze quot;Vaderquot; niet gebeden had; al weet ik ook heel goed dat het niets baat. Voor de rest geloof ik aan niets meer, ook niet aan een eeuwig leven, en Christus was niets anders dan wat de , socialen\' zijn. Maar naar de kerk ga ik sedert lang niet meer. Want wat daar gepreekt tvordt, zveet ik al lang van de school en van de catechisatie.quot;

De twee laatstgenoemden behoorden weer tot een groep die een eigendommelijk karakter had. Niet zeer talrijk, bestaat ze uit de gezondste en krachtigste individuen. Schier zonder uitzondering gewezen landlieden, zijn zij, evenmin als alle overigen, verschoond gebleven van de crisis, waarvan ik heb gewaagd. Daar hun echter noch de oude noch de nieuwe kennis, het oude noch het nieuwe geloof vermocht te bevredigen, en zij toch aan iets soortgelijks behoefte hadden, hebben zij zich zeiven aan een beetje kennis, een weinigje philosophie geholpen, vaak een wonderlijk mengsel van oud en nieuw, doortrokken van een beslist persoonlijke kritiek, met bewijsvoering op eigen hand verdedigd, maar toch met heel wat overblijfsels uit het verleden aangelengd. Natuurlijk stonden en staan ook dezen onder den invloed der sociaal-democraten, tegenover wie hun overtuigingen en de gronden, die zij daarvoor aanvoeren, over \'t algemeen geen steek houden. Zij bekennen daarom niet licht kleur, zijn over het algemeen terughoudend en trekken af en toe één lijn met de sociaal-democraten, hoofdzakelijk om te ontkomen aan een spot en een hoon, waar tegenover zij zich volslagen weerloos voelen. Daarom geven zij zich gewoonlijk slechts bloot tegenover hen, die zij als gelijkgezinden of althans als niet tegenover hen staanden hebben leeren beschouwen. En ook zelfs dan nog spreken zij zich liefst onder vier oogen uit. Ook hun ontbreekt het echter ten eenenmale aan alle geloofswarmte, aan het bewustzijn, dat het Christendom een kracht is, een innerlijke vrede, een zaligheid, die niet van deze aarde is. Ook bij hen is dat, wat zij van hun geloof hebben weten te redden, een brokstuk van een stelsel, een fragment van het oude weten en de oude zeden, „O, die vervloekte papen,quot; viel eens een van dezen tegen mij uit, toen ik hem vroeg of hij een kerk in zijn buurt had.

-ocr page 199-

197

„Hoe dat?quot;

„Dat zijn allemaal de grootste huichelaars, die er bestaan. Grooter dan een van ons allen. Ik laat mij door hen nooit meer de les lezen.quot;

„Het eerste zult gij moeilijk kunnen bewijzen, en wat het laatste betreft, hebben deze lieden toch meer geleerd dan allen, die hier in de fabriek zijn. Iets van hen aan te nemen zou dus zoo erg nog niet wezen. Men kan en moet van iedereen leeren.quot;

De man keek mij verrast en onderzoekend aan. Toen hij zag welk geesteskind hij vóór zich had, sloeg hij terstond een anderen toon aan, hoewel hij woedend bleef op de „papenquot;. Slechts over één van hen sprak hij op waardeerenden, vriendelijken toon, namelijk van den bekenden vijftigjarigen geestelijke Würkert in Zschopau, bij wien hij tot lidmaat aangenomen was.

„Hierquot;, ging hij voort „lees ik Zondags liever een goed boek dan dat ik naar de kerk ga. Daar heb ik meer aan. Maar al wenschte ik ook te gaan, dan zou ik er toch niet toe komen. Ik heb er geen tijd voor. Ik moet mijn vrouw helpen, die Zondags voor al onze slapers moet koken. Maar verleden jaar, bij gelegenheid van onze zilveren bruiloft, ben ik met mijn vrouw naar het heilig avondmaal geweest.quot;

„Dat klinkt anders dan daar straksquot;, kwam ik tusschen-beide.

„Ja, ik doe ook niet als de echte sociaal-democraten, die bij een begrafenis de kist in het graf neerlaten en dan meteen aan den haal gaan. Ik luister aandachtig naar de toespraak van den geestelijke, en denk daar later nog eens over na. \'t Is ook niet zooals het behoort, dat de socialisten de menschen zoeken te bewegen tot uittreden uit de kerk. Ik ben gedoopt •en ik houd mij daaraan.quot;

„Ja, men moet aan z\'n geloof blijven hechtenquot;, bevestigde ik.

„Mijn geloof is er een op eigen handquot;, verbeterde hij. „Van alles wat in het Oude Testament staat, geloof ik geen woord. Ook niet aan de geschiedenis van de schepping der wereld. En van het Nieuwe Testament geloof ik ook niet alles. Alleen mag er misschien iets waar zijn van hetgeen daarin aangaande God en den Heiland staat.\'\'

Tot deze categorie behoorden ook twee katholieken. De een was een duitsch Oostenrijker. Hij had in Boheme een eigen zaakje gedaan, dat te niet was gegaan, en was daarop in onze fabriek gekomen, eerst als sjouwer, daarna als metaalboorder.

-ocr page 200-

198

Daar hij geen geldelijke zorgen meer had, kinderloos was en ook zijn vrouw nog wat verdiende, was hij steeds in een goed humeur. Hij was tegenwoordig geweest bij ons uitvoerig gesprek gedurende mijn gaten-horen, maar had grootendeels zwijgend toegeluisterd. Eens slechts had hij, hij een spotachtige opmerking van een zijner tegenstanders met nadruk zijn bijval betuigd. Kort vóór mijn vertrek uit de fabriek kwam ik nog eens, maar ditmaal met hem alleen zijnde, over godsdienstige zaken te spreken. Zijn toon was nu een gansch andere. Ik hoorde, dat hij meer dan eens met zijn vrouw naar de kerk ging. Het laatste jaar was hij er vier keeren geweest — natuurlijk in een protestantsche kerk, gelijk hij er vol trots bijvoegde. Dat was inderdaad reeds veel, de plaatselijke verhoudingen in aanmerking genomen. Hij roemde de protestantsche godsdienstoefening zeer, vooral de huwelijksinzegening, waarbij zulk een mooie „leerquot; was. Hij geloofde niet meer aan heiligen, aan de moedermaagd enz., maar nog wel aan God en aan Christus.

Minder betrouwbaar wat karakter en godsdienstige gezindheid betreft, was zijn geloofsgenoot. Deze was een vijftigjarige kinderlooze weduwnaar, die echter weer aan het verkeeren was, wat hem nochtans niet weerhield zich, als de gelegenheid er zich toe voordeed, met andere meisjes af te geven. Hij was langen tijd bode geweest voor een Saksische vereeni-ging voor uit- en inwendige zending, en ging, naar hij verzekerde, alle drie a vier weken eenmaal ter kerke. „Maar zeg het aan niemand\', voegde hij er bij. „Want dan krijg ik het hier te kwaad.\'

Zoo ging het ook met een jongen dertigjarigen Hamburger. Ook hij had vroeger op weinig vleienden toon over kerk en Christendom tot mij gesproken. En ook hij sloeg tegen het einde van mijn fabriekstijd, nadat hij mij had leeren kennen, een gansch anderen toon aan.

,Ziet ge, ik ben daarbuiten een geheel andere dan in de fabriek\', zei hij eens zonder de minste aanleiding daartoe van mijne zijde. „Ik geloof aan Vader, Zoon en Heilige Geest en ook aan wonderen, want die heb ik zelf beleefd. Als ik Zondags niets te doen heb, ga ik met mijn vrouw naar de kerk. Maar hier in de fabriek moet men daarvan maar niets laten merken.quot;

Ik weet niet of dit zijn innigste overtuiging was. Hij nam het leven zeer licht en oppervlakkig op, maar was voor het

-ocr page 201-

199

overige een aardige vent, die niet weinig onder de pantoffel zat van zijn even flinke en energieke als jaloersche vrouw. Ik vertrouwde hem niet recht. Hij had mij eens gezegd dat hij het er op aanlegde, dat niemand uit hem wijs kon worden. Dat was het allerbeste. Eens betreurde hij het, dat hij geen sociaal-democraat was, en later zei hij weer, dat hij uit onze sociaal-democratische kiesvereeniging wilde gaan.

Toen ik zijn hier aangevoerde bekentenis beantwoordde door te zeggen, dat, indien dit werkelijk zijn overtuiging en zijn Christelijk geloof was, hij dit niet mocht verloochenen maar er open en eerlijk mee voor den dag moest komen, keek bij mij met de grootste verbazing, en blijkbaar zonder eenig begrip van wat ik bedoelde, aan.

Doch genoeg van deze weinig opbeurende feiten, die ik nog met verscheidene andere zou kunnen vermeerderen. Ik ben echter overtuigd, dat het door mij aangevoerde meer dan voldoende is ter bevestiging van mijn bewering. Inderdaad, er blijft ons geen uitweg open: of wij willen of niet, wTij moeten erkennen, dat de materialistische sociaal-democratische invloed op geen enkel gebied de overgeleverde denkbeelden en gevoelens der arbeiders zóó volkomen heeft weggevaagd als op dat van den godsdienst. De oude beelden en vormen waarin het Christelijk geloof tot dusver was gekleed en besloten, zijn voor de groote meerderheid der groot-industrieele fabrieksarbeiders voor altijd vernield. En met de vormen is voor velen van hen ook de geest, die ze vervulde, gevloden; de geest, die alleen het wezenlijke, het waardevolle, ja, de waarheid is. Thans groeit daar in de diepte van het volksleven een wereld op zonder God, trekt voortdurend wijder kring om zich heen, dwingt voortdurend de nog worstelenden, de dobberenden, de moedeloozen, die in den grond des harten zich tegen de kille geloofsleer der materialistische wereldbeschouwing verzetten, haar ijzigen toovercirkel binnen te gaan. Door hun eigen kerkgenootschap zonder hulp, zonder licht, zonder leiding, zonder steun gelaten, en daarbij aanhoudend omgeven van den dampkring der socialistische denkbeelden, sterven zij allen een langzamen, vaak zeer pijnlijken geestelijken dood.

Eén schat is allen gebleven: de achting en eerbied voor Jezus Christus. Zelfs de vurigste sociaal-democraat en geloofshater bezit hem; ja deze zelfs in ruimer mate dan menige niet-sociaal-democraat. Wel schept men zich van dezen

-ocr page 202-

200

Jezus van Nazareth een geheel ander beeld dan tot dusver: wel ruist hij in hun oogen den gloriekrans, dien de kerk hem om de slapen heeft gewonden; wel lacht men om de hem door de theologen „aangewreven\' goddelijkheid; wel is hij voor hen alleen nog maar de groote hervormer die — hoewel te vergeefs — met godsdienstige middelen de gouden eeuw heeft zoeken te doen aanlichten, de gouden eeuw waarop ook zij afgaan en die zij, gelukkiger dan hij, voor de mensch-heid zullen doen aanbreken — doch voor zijn grootsche persoonlijkheid staan toch allen peinzend stil.

-ocr page 203-

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Zedelijke Toestanden.

De zedelijke toestanden, die ik onder mijn kameraden aantrof, waren, nog veel duidelijker dan hun sociale, politieke en godsdienstige gezindheden, het gemeenschapj^elijk product van de oude christelijke zedelijkheid, van de nieuwe nog niet door haar geadelde levensvormen, van de sociaal-democratische leer en van de menschelijke hartstochten, die, slechts half bedwongen, natuurlijk ook in deze lieden gisten en koken.

Over de eerste dezer vier uitgangspunten behoef ik nauwelijks een woord ter nadere aanduiding te zeggen. De zedenwet van het Christendom, die in den geschiedkundigen persoon van Jezus van Nazareth ons als verwezenlijkt ideaal door God geopenbaard is, en die door alle tijden heen de sterke ruggegraat van elke christelijke opvoeding is gebleven, die wet ligt nog steeds, ofschoon hun zeiven vaak onbewust, als het beste deel van hun zedelijk karakter bezonken in het hart der arbeiders met wie ik in aanraking ben gekomen. Ook voor hen is ze nog steeds maatstaf en waardemeter voor alle handelingen en gedachten, één met die onzichtbare laatste vierschaar, die macht van het geweten dat, wel is waar vaak gepaaid, ter zijde gesteld of tot zwijgen word gebracht, maar dat desniettegenstaande, ook in hun oogen, een onaantastbare autoriteit bezit en een van zelf sprekend en natuurlijk element der menschelijke persoonlijkheid is. \'t Is waar, deze christe-lijk-zedelijke begrippen zijn, evenals de godsdienstige geloofswaarheden, dien arbeiders meer uitwendig aangetrokken dan ingeplant, dan in hun noodwendigheid en schoonheid hun geopenbaard. Maar hier is deze methode meer noodzakelijk en

-ocr page 204-

202

daarom ook minder schadelijk; en zoo blijven deze begrippen: ook veel beter dan genoemde geloofswaarheden, als een nooit weer uit te wisschen stempel, inde ziel gedrukt, ja worden ze inderdaad tot een deel der menschelijke persoonlijkheid. Zelfs hij, die met de laatste godsdienstige gewaarwording heeft afgedaan, draagt die begrippen nog meer of minder diep in het hart, hoewel ze dan helaas hun besten steun, het altijd zich vernieuwende bewijs hunner noodwendigheid en waarheid, hun machtigste impulsie, hun meest rechtstreeksche drijfkracht hebben verloren. Zij verharden dan vaak tot een uitwendig omhulsel, waarachter zwak en verborgen het vuur van het zedelijke leven nog glimt. Maar hoe ook verhard, ze zijn toch nog aanwezig; willens of onwillens, sterker of zwakker toch nog steeds richtsnoer ook voor het gedrag der fabrieksarbeiders, maatstaf der zedelijke toestanden, die onder hen heerschen; toch nog altijd de bodem, waaruit deze laatste opschieten.

Wel is waar hier, evenmin als elders, onaangevochten zuiver en onvermengd. Juist de nieuwe, ongeordende, slechts door het eigenbelang van den sterkste beheerschte sociale toestanden, waarin die nieuwe volkslaag, de groot-industrieele fabrieksarbeiders, zich geplaatst ziet, oefenen hier een hoogst noodlottigen. zy het ook niet — gelijk de sociaal-democratie leert — den eenigen invloed uit. Men denke slechts een oogen-blik aan wat ik in het tweede hoofdstuk aangaande het inkomen en de woning der arbeiders heb meegedeeld. Deze twee factoren reeds maken in de meeste gevallen het den mensch van gewonen aanleg onmogelijk dat oude, schoone christelijke familie-ideaal te verwezenlijken, waarover men op den kansel met zooveel voorliefde predikt. Men denke voorts aan den elf a twaalfurigen arbeid in de rumoerige, benauwde, heete fabriek. Hoe bezwaarlijk kan daarop worden toegepast dat evangelische begrip van het beroep, dat zij zoo menigmaal verkondigen ! Hoe kan deze taak den mensch innerlijk bevredigen en vreugde schenken, en het middel worden, waardoor hij zijn persoonlijkheid leert ontvouwen, tot een afgerond, harmonisch, ten volle zelfbewust, energisch en levensvol geheel? Men denke er aan, dat eenerzijds de door de steeds nijpende zorg voor het dagelijksch brood gedwongen, afwezigheid van het ouderpaar uit de woning, anderzijds de aanwezigheid in diezelfde woning van meestal jeugdige, zelf niet goed opgevoede vreemden elke ook maar ietwat ge-

-ocr page 205-

203

regelde opvoeding der kinderen onmogelijk maakt. Men denke er eindelijk aan, dat de, naar verhouding, gunstige geldelijke positie, waarin de aan zich zeiven overgelaten jongelieden in de arbeiderskringen verkeeren, dezen noodwendig tot lichtzinnigheid, ruwheid en verkwisting moet voeren; welke ondeugden dan ook in schrikbare mate onder hen worden aangetroffen.

Doch het is niet noodig hier ter plaatse weer eens op dit alles te wijzen, \'t Is reeds vaak en objectief genoeg door anderen opgesomd. Hier wensch ik slechts nogmaals er aan te herinneren, dat wij hier voor een zeer groot deel te doen hebben met gevolgen der anarchische economische toestanden, met de vruchten der verachting, die het groot-industrieele fabrieksbedrijf over zedelyke vraagstukken en zedelijke waarheden aan den dag legt.

En deze gevolgen moesten voor het zedelijk karakter dei-arbeiders te noodlottiger worden, omdat met het optreden er van gepaard ging de verflauwing van dat godsdienstig leven, dat, vervangen door de sociaal-democratische leerstellingen, eerlang geheel tot verval zou geraken.

Wij weten, dat de sociaal-democratie een nieuwe anti-christelijke wereldbeschouwing heeft. Zij heeft dientengevolge ook een andere anti-christelijke zedelijkheid. Volgens haar is, ik zeide het reeds, het begrip van zedelijkheid slechts een andere uitdrukking voor de heerschende zeden. Deze nu zijn, beweert zij, ten eenenmale het product van den bestaanden economi-schen toestand, waarin een volkslaag zich bevindt. Elke volkslaag heeft haar eigen zedelijkheid, die met het economisch niveau verandert. Er bestaat dus geen voor eeuwig geldige, den mensch van boven ingeplante zedewet. Men weet dus niets van een zedelijkheid om Gods en des gewetens wille, doch slechts van een, die ter wille van den stoffelijken toestand, van het aardsch voordeel bestaat. De sociaal-democratie vordert wel theoretisch voor en van den enkele de verwezenlijking van deze „zedelijkheidquot; met het oog op het welzijn van anderen, doch ook dit weer ter wille van het eigen voordeel, dat verloren zou gaan. als de boog te strak werd gespannen en het welzijn van den een met dat van den ander werd betaald. Dan immers zou die ander in zijn toorn aan dat van den eerste spoedig een einde maken. Zoo moet dus het nuttige, niet het goede, naar den eisch der sociaal-democratie de drijfveer van alle zedelijke handelingen zijn. In volkomen over-

-ocr page 206-

204

eenstemming met den geest der economische leer van het Manchesterdom, heeft de sociaal-democratie — zij het ook in een andere gestalte en op een anderen grond — het egoïsme tot den god geproclameerd, die alles hier beneden regeert. Het spreekt vanzelf, dat deze grondstellingen een nieuwe, bedroevende uitwerking moesten hebben op het reeds door een gebrekkig godsdienstig bewustzijn en door sociale wanverhoudingen verzwakte zedelijke karakter der arbeiders. Een uitwerking, die niet verminderd werd door het feit, dat deze wijsgeerig-ethische leerstellingen der wetenschappelijke sociaal-dcmocratie slechts door weinig arbeiders recht begrepen werden. Want sedert het succes der sociaal-democratische agitatie omgeeft de geest dezer leer hen als een nieuwe dampkring, waaraan zij evenmin kunnen ontkomen, als aan de stoffelijke lucht, die zij inademen. En uit deze agitatie zelve kunnen zij den nieuwen geest als het ware proeven. Het is de geest dei-absolute gewetenloosheid, die alle middelen en wegen even goed acht, zoo zij de partijzaak maar niet schaden, \'t Is de geest der bandelooze hartstochtelijkheid, die, zoodra er maar voordeel voor de partij mede te behalen is, ook bij anderen dezelfde elementaire hartstochten zoekt te wekken; tot haat, verbittering, lastering, geweld prikkelt, \'t Is tevens de geest van de bewuste, met opzet gepleegde vervalsching, die, met helderen blik en in koelen bloede, heerschende misstanden — en alzoo toestanden, welke als tijdelijke uitzonderingen moeten worden beschouwd — door partijzucht gedreven voor ideale kiemen van nieuwe sociale levensvormen verklaart; ze theoretisch aanvult en afrondt, en ze daarna, krachtiger gemaakt dan te voren, als nieuwe werkzame beginselen in het openbaar leven terugslingert; daardoor teweegbrengend, dat die misstanden al grooter en grooter, dat toestanden, die nog uitzondering waren, chronisch worden, en dat dientengevolge de christelijk-zedelijke gezindheid der betrokken arbeidersmassa\'s voortdurend verzwakt, telkens minder tot weerstand bieden bij machte wordt. Ik herinner hier slechts aan de leer der sociaal-democraten aangaande het huwelijk en aan hare leuze tegen het sparen.

\'t Is waar, ook een aantal ideale krachten wordt door deze agitatie in het hart des volks gewekt. Geestdrift voor een nieuw, breed beschavingsdoel, het streven naar verheffing uit een economischen toestand, waarin alle hooger leven wordt uitgedoofd, het geloof aan een hooge staathuishoudkundige

-ocr page 207-

205

en politieke roeping voor den vierden stand, en het, zij het dan ook overspannen, bewustzijn van de noodzakelijkheid eener internationale verbroedering aller volkeren met uitwissehing van de grenzen van eigen vaderland. Doch ook deze ideale krachten verliezen door de wijze, waarop zij in werking treden grootendeels den opvoedenden invloed, dien zij zonden kunnen uitoefenen. Want ook zij worden in dienst gesteld van die nuttigheidsraoraal, zij worden verlaagd en misbruikt door een beweging, die niets erkent dan het belang der klasse en der partij.

En nu voege men bij dit alles nog de zoozeer van elkander onderscheiden karakters, die men ook in de arbeidersklasse vindt; ja die hier zelfs oorspronkelijker, scherper aan den dag treden dan in andere volkslagen, waar ze door de conventie onderdrukt of belemmerd worden. Men voege er al de goede en slechte neigingen en aandoeningen bij, die bij den enkele door zijn levensloop gewekt worden: de hartstochten, die ook in zijn binnenste woelen en koken en maar al te vaak met niets ontziend geweld losbreken — kortom men neme de menschen, zooals ze van nature zijn, met hun zonden en zorgen, hun wenschen en voornemens, allen verschillend en toch ieder een eenheid op zich zelf; men vermenge dit alles met de nawerking dier hoogere christelijke zedewet, hun in hun jonge jaren in de ziel geplant, met de vaak erbarmelijke sociale toestanden, onder den druk waarvan zij gebogen gaan, met die wonderbare sociaal-democratische leer, die hen omzweeft, als de lucht, die zij inademen — en men verkrijgt door dit alles een product, dat een vrij getrouw beeld vertoont van de zedelijke toestanden, die in de door mij gadegeslagen arbeiderskringen heerschen. Zij zijn, gelijk overal, een mengsel van goed en kwaad, een tragische vereeniging van eigen en anderer schuld. En \'t is in duizenderlei schakeeringen, dat men ze bij de duizenden individuen waarneemt. Daarom is het een dwaasheid te meenen, dat men het zedelijk karakter der arbeidersklasse vermag te schilderen door het weergeven van enkele in het oog vallende trekken. Wil men den diepsten grond hunner ziel, geheel hun zedelijk karakter grondig verstaan en met juistheid schetsen, dan moet men hen langen tijd bestu-deeren, en daarbij fijn zielkundige zijn en een hart hebben, dat met den arbeider medegevoelt, medehjdt, dat voor zijn belangen klopt. Tot het leveren van een dergelijke schets acht ik mij, na een waarneming van slechts drie maanden, niet

-ocr page 208-

206

bekwaam. Ik vermag slechts het een en ander aan te wijzen, wat mij bijzonder getroffen heeft, het aan arbeid van later ■dagen overlatend om dit weinige tot een volkomen beeld bij te werken.

Een opmerking, die zich aan het bovenstaande als vanzelf aansluit, moet ik, ter wille der waarheid, als de eerste dei-door mij waargenomen feiten voorop stellen. Men meene niet, dat, onder de arbeiders, de volbloed sociaal-democraten de zedelijk meest verdorven, de minst sociaal-democratisch gezinden de reinste naturen zijn. Het is even vaak het tegendeel van dit als omgekeerd. De man, die, van nature edel en diep gevoelend, door brave ouders en achtenswaardige onderwijzers is opgevoed, en zich tot een ernstig, degelijk karakter heeft ontwikkeld, die man zal noch door de drukkende sociale verhoudingen, noch door de sociaal-democratie bedorven worden; veeleer zullen door de eerste zijn weerstandsvermogen en zijn energie worden gestaald, en zal de laatste hem met een geestdrift vervullen, waartegen het kwade machteloos afstuit. Reeds in zulk een kleinen kring als waarin ik mij heb bewogen, treft men een gansche reeks persoonlijkheden aan, waarvan August Bebel het type is: eerlijke lieden met een edele kern, rijkbegaafd, maar beneveld door de resultaten dier moderne wetenschap, waarvan zij, half ontwikkeld als zij zijn, de laatste gevolgtrekkingen naar achteren noch naar voren kunnen maken, die zij niet op hun rechte waarde vermogen te schatten. Mannen, vervuld van een dwepend idealisme, dat, evenals van elk afgerond stelsel, ook van het materialisme uitstraalt, en slechts ten deele aangetast door den giftigen adem, die er tegelijkertijd van uitgaat en die de zedelijke krachten van anderen te gronde richt.

Ten bewijze hiervan herinner ik aan de veertig tamelijk welgestelde Chemnitzer arbeiders, die ik reeds vroeger noemde; van wie een reiziger in wijnen mij vertelde, dat zij hem jaarlijks elk een vaatje afkochten en dit prompt betaalden; ja zelfs wat niemand anders deed, hem het geld er voor in zijn hotel brachten. Volgens hem waren deze arbeiders de netste men-schen, die men zich kon denken, spaarzame, vlijtige mannen, trouwe echtgenooten en vaders, flinke degelijke arbeiders maar tevens met hart en ziel sociaal-democraten. Deze omschrijving is misschien ietwat overdreven, maar in den grond der zaak is ze waar; in den mij bekend geworden kring kan ik op mijn beurt dezelfde typen aanwijzen. Mannen, die met angstvallige

-ocr page 209-

207

nauwgezetheid voor hun goeden naam waakten ; er een eer in stelden, dat er op hun zedelijk gedrag niet het minst viel aan te merken; als goede burgers zich gedroegen en toch sociaaldemocraten waren, die ook het overgeleverde Christendom ter zijde hadden gesteld. Ook te anderer zijde waren er niet weinigen onder mijn kameraden die — ik verwijs hier naar hetgeen ik daaromtrent in het vijfde hoofdstuk heb geschreven — zich weinig of niet met sociaal-democratie afgaven en in het geheel niet deugden; schreeuwers en pretmakers, die hun vrouw en kinderen — voor zoover zij deze hadden — verwaarloosden, telkens van werkplaats wisselden enz. En tusschen deze twee groepen in, de enkelen, die zich als degelijke menschen gedroegen, terwijl zij zich tegelijkertijd stelselmatig aan allen invloed der sociaal-democraten onttrokken, en de velen, die sociaaldemocraat waren zonder zich boven het, niet zeer hooge, zedelijke peil der groote meerderheid te verheffen — allen te zamen iilzoo de gegrondheid mijner waarschmving bewijzend, om toch vooral niet de huidige onzedelijkheid der arbeidersklasse uitsluitend aan de werking der sociaal-democratische leer toe te schrijven. De sociaal-democratische geest is gelijk aan dikke zware fabrieksdampen, die gezonde longen geen kwaad doen, maar zwakke nog zwakker en teringachtiger maken. En dit juist is het noodlottige van den toestand, dat die zedelijke gesteldheid der meerderheid bereids zeer veel te wenschen overlaat, zoodat ook hier de sociaal-democratie slechts den laatsten stoot heeft toe te brengen.

\'t Is hier de plaats om nog het een en ander aan te voeren aangaande de wijze, waarop de door mij gadegeslagen arbeiders hun uitgaven plachten te doen. Arbeidersbudgets kan ik wel is waar niet overleggen; de eenige dokumenten, die te dezen aanzien een juisten maatstaf ter beoordeeling aan de hand zouden doen. Ik heb slechts in het algemeen kunnen waarnemen, dat een laag loon bij een talrijk gezin evengoed tot de grootste, tot heldhaftige spaarzaamheid, als tot hopelooze ver-dierlijking voert, maar in elk geval zeer vaak leidt tot een maatschappelijk hoogst ongezonden toestand. Daarentegen meen ik te hebben opgemerkt, dat, bij ietwat hooger inkomen, zich bij de meerderheid aanstonds de neiging openbaart tot een ordelijke, nette, verstandige, door hooger en edeler behoeften gedragen levenswijze, en dat aan deze neiging veelal op meer of minder gelukkige wijze gevolg wordt gegeven. Van deze meer verdienenden hoort men dan ook dikwijls, ook al zjjn zij

-ocr page 210-

208

sociaal-democraten, betuigingen van een zekere tevredenheid^ van een zeker gevoel van welbehagen in het leven; eengelukr dat zij nn ook aan hun minder verdienende kameraden wen-schen te verschaffen, voor dezen zoeken te veroveren.

Van de jeugd, d. w. z. van de halfvolwassenen en de nog niet gehuwde volwassenen, valt niet even gunstig te getuigen. Dezen leefden meerendeels van de hand in den tand. Wat zij bezitten moet verteerd, en wordt meestal aan vermaak besteed. Voor een getrouwd en met kinderen gezegend man is het, gelijk vanzelf spreekt, zeer moeilijk iets over te leggen, zelfs waar zijn loon over de 1200 Mark bedraagt. Een ongehuwd jong-mensch daarentegen — verscheidenen van dezen verdienen even veel als de gehuwden — zou dit gemakkelijk kunnen doen. Toch doet hij dit zelden — mijn ondervinding stemt in dezen met de algemeen gehoorde klacht overeen. Althans de eigenlijke, de geboren fabrieksarbeider, de afstammeling van fabrieksarbeiders. Hij gelijkt in zijn vroolijke, luchthartige levensopvatting als twee droppelen waters op zijn broederstudent; ook hij wil het leven genieten, vóórdat hij de rustige rust, het saaie eenerlei van het huwelijksleven eens fabrieksarbeiders binnengaat. Eenig verschil valt nochtans waar te nemen bij de jongelieden, die van buiten komen, en bij hen; die tot den klein-burgerlijken stand behooren. In beide groepen heb ik meer dan één ernstig, vlijtig, aan de toekomst denkend en ook spaarzaam jongmensch gevonden. Den eersten viel het sparen gemakkelijk, omdat zij, in verhouding tot hetgeen zij, op hun dorp hadden verdiend, zich werkelijk, wat hun loon betreft, verbeterd hadden, en by hun geringere behoeften aanvankelijk als van zelf geld overhielden, hetgeen voor hen een spoorslag werd om door te gaan met opleggen; de laat-sten werden doorgaans van uit de ouderlijke woning tot sparen aangemaand, en aangespoord tot het verwerven van deugdelijke vakkennis, om daardoor zich zelve op te werken tot die onafhankelijkheid en die meerdere welvaart, welke zij in den kring, dien zij verlaten hadden, hadden leeren kennen. Hoe ver — om daar nog even op terug te komen — bij een aantal huisvaders de, helaas vaak door andere maatschappelijke ondeugden en ongeschiktheden geneutraliseerde, spaarzaamheid soms gaat, bewijst het feit, dat meer dan één van hen de oude gebruiken der volken in hun kindsheid weer in eere bracht, zoo goed mogelijk in zijn huishouding eigenhandig allerlei bezigheden verrichtte, die men in onze hedendaagsche

-ocr page 211-

209

maatschappij gewoonlijk aan anderen opdraagt. Zoo was het vrij algemeen de gewoonte, dat men allerlei lederafVal en oude schoenen bijeenzamelde, om zelf voor zich en de zijnen de schoenen te kunnen lappen. Zoo deed men te eigen gerieve allerhande timmer- en smidswerk zelf: knipte men hoogst eigenhandig het haar zijner kinderen enz. enz. Geheel in overeenstemming hiermede nam deze en gene, die een handwerk had geleerd, maar om de een of andere reden zijn ambacht had vaarwel gezegd om fabrieksarbeider te worden, in zijn vrije uren zijn oude bedrijf weer ter hand, en wel om voor goede vrienden en kennissen voor een koopje iets te vervaardigen.

Zoo zien wij — of wij hier met een oud overblijfsel of een nieuw begin hebben te doen mogen zaakkundigen beslissen — onder de vleugelen van het groot-industrieele fabrieksbedrijf en dus onder nieuwe, nog niet voorgekomen omstandigheden, het oude klein-handwerkersbedrijf weer opkomen.

Wat het schulden maken mijner kameraden betreft, op dit punt weet ik niets met beslistheid te zeggen. Wel verzekerde men mij menigmaal: ,Ieder arbeider heeft schulden,quot; doch ik ben er, eerlijk gezegd, nooit recht achtergekomen, wat men hiermede bedoelde. Ik geloof, dat ieder arbeidersgezin tegen het einde der veertiendaagsche loonperiode af en toe zich genoodzaakt zag, het een en ander bij de winkeliers te borgen. Maar ik geloof tevens, dat men deze schuld meestal op den eerstvolgenden betaaldag afloste. Grooter en drukkender schulden, die de meest energieke man en de spaarzaamste vrouw niet dan zéér langzaam konden afdoen, werden gemaakt bij langdurige en hevige ziekten in het gezin, bij sterfgevallen, bij werkeloosheid, en ook wel gedurende de reserveoefeningen van den man en vader. Elkander geld lee-nen deden, voor zoover ik heb kunnen nagaan, mijn kameraden niet; ik heb hoogstens eenmaal daartoe een zwakke en vergeefsche poging zien aanwenden. Op één trek wil ik hier nog even de aandacht vestigen: den lust, dien ik bij al mijn kameraden heb waargenomen, om op den betaaldag of den daarop-volgenden Zondag, alsook bij gelegenheid van de Chemnit-zer jaarmarkt, iets extra\'s te koopen. Dat waren in aller oog feestdagen, en op feestdagen kan het — meent men onder het volk — wel wat lijden. Natuurlijk is een ieder dan royaal op zijn eigen manier. Hier juist kon men onderscheiden op welk zedelijk standpunt de lieden stonden. Er waren degelijke of

OÖIIIÏE. 14

-ocr page 212-

210

zeer weinig verdienende arbeiders, alsmede vaders van groote gezinnen, die zich, na inning van hun loon, slechts de weelde veroorloofden van een enkele sigaar of van een enkel, op weg naar huis, gedronken glas beiersch of gewoon lagerbier. Er waren er echter ook, die den ganschen Zaterdagavond, \'t zij alleen, \'t zij met hun vrouw, „uit,quot; dat wil zeggen naar de kneip gingen en daar grooter of kleiner verteringen maakten om een uur of wat later meer of minder nuchter naar huis te gaan.

Er waren er, die op dezen avond — soms in de zondag-sche jas gestoken maar vaker in de arbeidskiel — van den eenen distillateur naar den anderen, kneip in kneip uit gingen, tot zij smoordronken naar huis waggelden. Tot de laatsten konden verscheidenen der veel verdienende „opgeleide\' jonge arbeiders worden geteld. Ik heb bijgewoond, dat eenigen van hen, die van 35 tot 40 mark (hun veertiendaagsche verdiensten) in handen kregen, op zulk een avond 8 tot 10 mark versmulden, verdronken, verrookten, verspeelden — verkwistten in één woord. Doch ik heb ook bijgewoond dat een van dezen maar 15 pfennig uitgaf, wat echter een groote zeldzaamheid was. De meerderheid der arbeiders verteerde op zulk een avond 1 \'/a tot 2 mark; gemiddeld echter bijna altijd meer dan zij in verhouding tot hun loon mochten doen. \'t Ging evenzoo bij gelegenheid van de jaarmarkt, toen wij vrijaf hadden en iedereen tien mark voorschot van de fabriek mocht vragen voor het doen van inkoopen. Velen kochten hiervan wel meerendeels nuttige zaken, doch tracteerden er zich zeiven en de hunnen toch ook van; al wisten zij maar al te woed hoe pijnlijk zij den volgenden betaaldag het gemis van het tienmarkstuk zouden gevoelen. En ditzelfde verschijnsel viel — zij \'t dan ook minder algemeen en geregeld — waar te nemen bij de uitgaven, die voor den Zondag werden gedaan.

Een enkel woord over het misbruik maken van sterken drank. Het ergst en het walgelijkst zag ik dit in de herbergen doen. De klasse der eigenlijke sjouwers — ik heb ze in het eerste hoofdstuk geschilderd — bestaat bijna geheel uit volslagen zuiplappen; men kon dag aan dag eenige zwaar beschonken exemplaren in de Chemnitzer herbergen vinden. Doch ook door de overige geregelde herbergbezoekers, met uitzondering van de jeugdige pas aangekomen reizende handwerkersgezellen, werd duchtig geborreld; voor den bran-

-ocr page 213-

211

dewijn liet men het bier meestal staan. Ik trofquot; in een dezer herbergen den reeds genoemden barbier aan, die mij vertelde dat hij vroeger een vaste drinkebroer was geweest; zoo zelfs, dat hij in het geheel geen bier meer, doch altijd brandewijn dronk, en door het beven zijner handen niet meer in staat was de lui te scheren. Sedert eenigen tijd dronk hij echter in het geheel niet meer; hij had zich zeiven gaandeweg die ondeugd afgewend. Ik kon ook hier weer niet nagaan of hij mij de zuivere waarheid mededeelde; toch meende ik zijn verzekering hier ter sprake te moeten brengen, omdat algemeen beweerd wordt, dat zelfgenezing van een dronkaard een onmogelijkheid is. Ook in de fabriek had ik een kameraad, die vroeger gedronken had, doch thans geen druppel sterken drank meer over de lippen nam; men mocht er hem toe aansporen zooveel men wilde. Onder de gezeten werklieden trof men weinig drinkgewoonten aan. Wel vond men in de fabriek eenige vaste of tijdelijke drinkebroers met roode neuzen, doch dezen maakten op de massa een schier in het niet verzinkende minderheid uit, en zij waren klaarblijkelijk in het oog der meesten verachtelijke; walgelijke wezens. Toen eens een van hen in de fabriek een aanval van delirium-tremens kreeg en weggedragen werd, heb ik geen woord van medelijden, daarentegen menige harde uitdrukking gehoord. Blijkbaar heeft het, reeds voor jaren in de meeste fabrieken uitgevaardigde verbod van het gebruik van sterken drank gedurende den arbeidstijd een goeden invloed gehad, al moge dit verbod dan ook waarschijnlijk slechts met het oog op het werk, op de zaak zijn uitgevaardigd. In onze fabriek werd dientengevolge^ gelijk ik gezegd heb, slechts bij hooge uitzondering een enkelen borrel, daarentegen veel onschadelijk, zuiver, goedkoop bier gedronken, dat tot lessching van den dorst uitstekend was. Daarbij was het bierdrinken buiten de fabriek geen vaste da-gelijksche gewoonte onder de arbeiders, zooals het dit in den middenstand is. De gezeten Chemnitzer arbeider ging, behalve als het betaaldag of vergadering van zijn kiesvereeniging was, op weekavonden zelden uit. Bij fraai zomerweer maakte hij een wandeling in de naaste omgeving der stad, maar zonder deze met een bezoek in de kneip te besluiten; de meesten hadden daarvoor trouwens te weinig geld op zak. Bij feestelijke gelegenheden echter en des Zondags werd er stevig bier gedronken. Iedereen dronk mee en de meesten konden heel wat verdragen. Gewoonlijk werd daarbij een enkele borrel

-ocr page 214-

212

genomen, maar hoogst zelden kwam het bij die gelegenheden voor, dat er uitsluitend sterke drank werd gebruikt. Waar dit geschiedde, ging men alle grenzen te buiten, kwam de echte volksaard boven, die, onder leed noch lust, van zelfbe-heersching weet. Dan was er menigeen, die niet ophield, voordat hij geheel beschonken was; ja, die zich reeds van te voren dit buiten-de-maat-gaan als toppunt van genot had voorgesteld. En bij déze gelegenheden werd dit zelden als een schande, laat staan als zonde beschouwd. Ik sprak dikwijls hierover met mijn kameraden en kreeg altijd hetzelfde antwoord: „Zich een enkele maal bedrinken is geen schande; dat doen de rijke heeren ook, maar die doen het in het geniep; wy openlijk.quot; Eens kreeg ik het hierover bijna aan den stok met twee overigens goede, degelijke mannen. Zij maakten er zich werkelijk boos over, dat ik bij mijn opvatting bleef. Alles te zamen genomen kan ik alzoo zeggen: onder de vlottende arbeidersbevolking is het drankgebruik een pest; de gezeten Saksische arbeiders daarentegen drinken, voor zoover ik heb kunnen waarnemen, veel meer bier dan brandewijn, drinken veel bier doch zijn geen dronkaards.

Thans een woord over de danshuizen. Ik heb bijna eiken Zondagavond één of meerdere en in het geheel acht a tien van die gelegenheden bezocht. Het eene was fijner in zijn soort dan het andere. Het ergste van die, welke ik te Chemnitz gezien heb, was de „Keizerskroonquot; ; onder het volk, zeer teekenend, de Bloedige Knuisten bijgenaamd. Want hier was werkelijk ranselen en dansen het gecombineerde vermaak. Hier vond men het liederlijkste gespuis, lichtekooien en fabrieksmeisjes van het minste allooi met jonge fabrieksarbeiders en een groot aantal militairen van het Chemnitzer garnizoen. Ik wijs hier nadrukkelijk op en ik reken het der militaire overheid als een ernstigen plicht aan, er zorg voor te dragen, dat voortaan den militairen niet slechts verboden worde het bezoeken van lokalen, welke in kwaad gerucht staan als sociaaldemocratische verzamelplaatsen, maar ook het frequenteeren van zedenbedervende danszalen. Wie hier onverzeld komt en als heer gekleed is, heeft heel wat last te lijden. Ik ben er met een mijner kameraden ruim een uur geweest. En hoe dikwijls zijn wij niet in dien korten tijd, in weerwil van ons hoogst eenvoudig voorkomen, door de vrouwen met haar brutale gezichten op de gemeenste wijze met al haar lichaams-deelen aangeraakt! Zóó zelfs, dat men eindelijk óf met haar

-ocr page 215-

213

mee moest dollen en gemeen zijn, öf twist kreeg en een pak slaag dreigde op te loopen. Wij onttrokken ons aan beide deze liefelijkheden door tijdig heen te gaan. Aan de deur werd ons door den jeugdigen kastelein gevraagd, waarom wij al vertrokken, of wij ons niet amuseerden? Wij prevelden iets onhoorbaars en daarop zei de man vol trots: „Ja, toen mijn vader nog leefde ging de zaak geducht achteruit, maar God zij dank, ik heb haar weer in trek en in de hoogte gebracht.quot;

Het tegenovergestelde van dit lokaal was het „ Kolosseumquot; te Kappel. Deze danszaal was de voornaamste van die, welke ik heb gezien, wat betreft de grootte en de meubeleering der zaal, de muziek, die er gemaakt werd, en het gezelschap, dat men er vond. Hier kwamen niet alleen de jonge bankwerkers en metaaldraaiers uit onze fabriek, maar ook jeugdige kantoorbedienden en, naar men mij verzekerde, ook ambtenaren en militairen in burgerkleeding. Het vrouwelijk geslacht was er vertegenwoordigd door allerlei winkeljuffrouwen en modistes, maar ook door „fijnequot; lichtekooien; daarentegen kwamen er weinig dienstmeisjes en fabrieksarbeidsters. Het ging hier werkelijk toe alsof men op een bal was. De dames — waaronder zeer schoone menschenkinderen waren — nieuwmodisch, dikwijls bovendien kostbaar en bijna altijd zeer smaakvol gekleed; de heeren even net en elegant, hoewel niet zwart gerokt; allen te zamen in houding, beweging en gedraging bedaard, fatsoenlijk en vol jeugdige elasticiteit. De fabrieksarbeiders vielen van de anderen alleen hieraan te onderkennen, dat zij geen knijpbril op den neus droegen en grooter, grover, harder handen hadden. Want niemand droeg handschoenen, hetgeen menige dame aanleiding gaf haar cavalier onder het dansen, zonder te spreken maar met een zeer verstaanbaar gebaar, haar zakdoek aan te bieden, opdat de zwee-tende hand bij het omvatten van de leest haar japon niet mocht vuil maken.

De overige door mij bezochte danszalen stonden, naar den indruk, dien zij maakten, tusschen deze beide in. Meerendeels waren ze in de voorstad gelegen, en hadden zij een half steedsch, half landelijk karakter, gelijk ze ook door een deels stedelijk, deels landelijk publiek werden bezocht. Hier zag men, tusschen de nieuwmodische toiletten der in de stad woonachtige fabrieksarbeiders en arbeidsters, nog de smake-looze kleedij onzer dorpelingen; hier droegen verscheidene der meisjes nog den om het hoofd gewonden doek en het

-ocr page 216-

214

fraaie bonte voorschoot. Ook de muziek was hier primitiever, de entreeprijs lager (ongeveer 25 pfennig) terwijl hij in de Kappelerdanszaal, als ik mij wel herinner, 50 pfennig bedroeg. Natuurlijk kostte ook hier, evenals daar, elke dans waaraan men deelnam, altijd 10 pfennig extra. Op die wijze gaf menigeen op één avond, alleen voor het dansen 3 a 4 mark uit. Ook heerschte er in deze zalen een vrijer toon. Men zong luid allerlei liederen op de wijzen, die de muzikanten speelden, men judelde en riep elkander iets toe van het eene einde der zaal naar het andere, over de hoofden der gasten heen. \'t Was hier dikwijls een waar gedrang en een onuitstaanbare hitte, zoodat het zweet den lieden van het voorhoofd gutste en het eene glas bier na het andere naar binnen werd geslagen. Maar juist dan heette het op z\'n mooist en op z\'n prettigst te zijn.

In de netste van deze zalen ging het in dit opzicht — maar ook in dat alleen — rustiger toe. Daar schertste, lachte, stoeide men in kleiner kring: aan tafeltjes gezeten of in een hoek der zaal, en ook wel op de gaanderij. Gevrijd werd hier zelfs uitbundig, \'t Was in al die afzonderlijke groepjes een gekus en gekoos, omhelzingen vóór en na. En ook hier weer lachende, hoog blozende, lieve gezichtjes, stralende oogen vol leven en vuur, fraaie gestalten, volle, frissche vormen. Ook hier onbedwongen uiting van zinnelijken lust; een opgewondenheid, die haar hoogste punt had bereikt, als met klokslag van twaalven de muziek zweeg, de zaal ontruimd werd, de lichten werden uitgedraaid. Dan trekken ze paar aan paar heen, de velden in, om een nachtelijke wandeling te doen; een wandeling, waarop slechts de sterren de zonde zien, die hier begaan wordt. Of wel het liefje wordt tot aan haar deur gebracht — tenzij men liefjes kamer en bed opzoekt. Want dit is, naar al wat ik dienaangaande heb opgemerkt, zoo niet de vaste regel dan toch in verreweg de meeste gevallen het einde van elke Zondagsche danspartij. In de danszaal, in den nacht tusschen Zondag en Maandag verliest onze arbeidersjeugd heden ten dage niet alleen haar meestal zuur verdiende loon, doch ook haar beste kracht, haar idealen, haar deugd en haar kuischheid. Het is trouwens geen wonder; \'t zou een wonder zijn indien het anders ware. Men denke slechts na. Gedurende de week dag aan dag hetzelfde eentonige eenerlei in de leelijke fabriek; meestal vervelend vuil werk, dat in een onuitstaanbare hitte moet worden ver-

-ocr page 217-

215

richt; in het middaguur geen behagelijke rustplaats; \'s avonds na afloop van het werk drentelend voor de deur ot achter in den tuin der arbeiderswoning, zoo men tenminste den avond niet verlangt door te brengen onder het genot van kinderge-schreeuw en kooklucht, in het bekrompen, armelijke vertrek van het gezin, waarbij men inwoont; de nachten op de vuile harde legersteden; daarbij een tamelijk goed loon — en zonder controle, zonder opzicht, zonder ouderlijke zorg of liefde; kortom zonder den zegenrijken invloed van een intiem familieleven. Bij dit alles jeugdig vuur in de aderen, de begeerten der jonkheid in hoofd en hart... nu komt de Zondag met zijn uitslapen, zijn uitrusten; met een vrijheid, die door niemand belemmerd wordt en waarvan het rechte gebruik hem door niemand wordt geleerd; daar lokken de tonen der muziek, daar lachen hem frissche meisjesgezichten toe, daar stralen de gaslichten hem tegen, daar welft zich hoog boven zijn hoofd de ruime, fraaie beschilderde danszaal — ja hier is vergoeding voor al het vuile, leelijke, eentonige der weekdagen; op één avond, in één nacht honderdvoudige vergoeding voor de honderden leelijke indrukken der gansche week! Is het te verwonderen, dat de vrijgewordenen zich hals over hoofd in den verrukkelijken maalstroom werpen ; zich door hem laten bedwelmen, hun beste deel aan hem prijsgeven? Ik klaag niet aan en ik verontschuldig evenmin; ik schilder slechts de werkelijkheid; ik wijs aan hoe het met noodwendigheid aldus geschieden moet.

Ten gevolge van dit alles geloof ik, dat in de Chemnitzer arbeidersklasse een zeldzaamheid geacht mag worden een jongeling of een meisje boven de 17 jaar, die nog kuisch en maagdelijk zijn. Geslachtelijke omgang, vooral door de danszaal bevorderd, is heden ten dage onder de jonkheid in deze kringen iets zeer algemeens. Hij wordt eenvoudig beschouwd als iets natuurlijks, als iets dat vanzelf*spreekt; van het bewustzijn, dat men daardoor zondigt, is zelden een spoor te ontdekken. In dezen zin bestaat het zesde gebod in deze omgeving niet.

Met vrouwen, die zich laten betalen geeft men, dit is waar, zich bijna nooit af. Dat wordt een schande geacht en die vrouwen worden veracht. Maar daarentegen heeft ieder jongeling een liefje en ieder meisje een lief die elkander schier zonder uitzondering dezen wederzijdschen dienst bewijzen. Bovendien zoekt de jonge man, als zich daartoe de gelegenheid aanbiedt, ook nog van andere meisjes partij te trekken

-ocr page 218-

216

en er aan te treffen, die zich daartoe laten vinden is alweder zoo moeilijk niet. Niettemin heeft in veler schatting ook zij haar goeden naam verloren, die zich reeds bij de eerste ontmoeting overgeeft. Met een zoodanige „verkeert menquot; niet op den duur.

Wordt een meisje zwanger, dan huwt men haar doorgaans, om het even of men reeds geruimen tijd of nog slechts eenige weken met elkander heeft omgegaan, of men elkander kent of niet, of men deugt of niet, of men bij elkander past of niet. Zoo drijven het toeval, de geslachtsdrift met haar gebeurlijke gevolgen, doch zelden ware liefde, innerlijke drang en verstandig overleg de jongelieden in de huwelijksboot.

Hieruit inzonderheid laten zich de ongelukkige huwelijken in de arbeiderswereld verklaren en de bittere klachten daarover geslaakt door allen — ook de sociaal-democraten — die het goed met het volk meenen. Hieruit vloeit het verlangen voort naar de verheffing, de emancipatie der vrouw, hieruit het nieuwe sociaal-democratische huwelijksideaal. Ik verwijs hier naar mijn opmerkingen aan het slot van het tweede hoofdstuk. De vrouw is inderdaad in veler mannen oog niet anders dan een middel tot bevrediging der geslachtsdrift, een hinderpaal om in het leven vooruit te komen, hoogstens — als alles goed gaat — een flinke huishoudster, die, als ze energiek is, bovendien den man in bedwang weet te houden. Het huwelijk is, naar de verklaring van verscheidenen mijner kameraden, de „laatste en grootste dwaasheid, die iemand kan begaan.quot; In een aantal gezinnen is de verhouding voorzeker een betere, en tusschen menig echtpaar komt het van lieverlede tot onderlinge achting en genegenheid. Ja ik heb zelfs in weerwil van alles meer dan één werkelijk voorbeeldige echtverbintenis gezien; huwelijken door ware liefde tot ware huwelijken gemaakt; doch in het algemeen blijft het toch een feit, dat, in de volksklasse, de vrouw door den man uit oneindig veel lager oogpunt Beschouwd, oneindig minder gewaardeerd, veel slechter behandeld wordt dan in de hoogere standen. Zij wordt ruw bejegend en niet zelden geslagen. Daarbij vordert de man van haar echtelijke trouw, zonder zich zeiven daartoe verplicht te rekenen. Ook ten opzichte van al het overige neemt men een groot gebrek waar aan bewustzijn van de weder-zijdsche zedelijke verplichtingen, die het huwelijk voorschrijft.

Een lichtpunt in dit droevige, op z\'n best niet ongelukkige huwelijksleven zijn de kinderen. De liefde, die vader en moeder elkander niet betoonen, dragen zij meestal op de kin-

-ocr page 219-

217

deren over; zoo zelfs, dat deze liefde maar al te vaak ertoe medewerkt, dat de opvoeding der kinderen te wenschen overlaat, anders gezegd, dat de kinderen bedorven worden. Hun kinderen stoppen ze toe wat zij maar kunnen; voor deze zorgen zij zóóveel in hun vermogen is; met de kinderen houden zij zich bezig: gaan zij \'s avonds en Zondags uit wandelen. Velen ook beijveren zich, stellen er een eer in hun jongen, als het maar eenigszins kan lijden, iets ,ordentelijksquot; te laten leeren, d. w. z. in elk geval tot iets meer te maken dan zijn vader is. De sjouwer ziet gaarne, dat zijn zoon metaaldraaier, bankwerker, schrijnwerker, kortom „opgeleidequot; arbeider wordt, terwijl deze laatste op zijn beurt zijn jongen gaarne winkelier, lagere ambtenaar of iets dergelijks zag worden. Hard werken moesten de kinderen in de gezinnen mijner kameraden in elk geval niet. Konden zij af en toe iets er bij verdienen, dan was dit welkom; tot geregelden arbeid en tot vast geld verdienen werden zij echter, voor zoover ik heb kunnen waarnemen, hoogst zelden gebruikt. Zoo lang mogelijk gunde men den kinderen vrijheid en rust. En werd een kind ziek, dan werd het zorgvuldig verpleegd en alles in het werk gesteld om het in het leven te behouden. Dan gaf ook de strenge sociaal-democraat, die natuurlijk een vijand was van het verplichte ziekenfonds en daarom meestal maar zelf dokterde, zijn dwaze standpunt op, liet zich door het gesmeek zijner vrouw verteederen en haalde den duren arts. De liefde tot zijn kind bleek dan nog grooter dan de verblinding eener alles beter wetende halfkennis.

Nog een andere opmerking voeg ik hier tusschenbeide. Ze betreft het schromelijke vloeken der lieden. Bijna iedereen deed het: de arbeiders in de fabriek, de jongens onder elkander, de meisjes die ik \'s avonds op straat tegenkwam. Men vloekte in alle toonaarden bij de onnoozelste gelegenheden; men wist dikwijls zelf niet dat men het deed. Alle gewaarwordingen werden in deze vloeken uitgedrukt. Drift, haat, verbittering, snaaksche luim, gemaaktheid en bluf. Ik heb eens de vloeken geteld, die ik toevallig op één dag hoorde: als ik mij wel herinner waren het ongeveer honderd. Ik geloof zeker, dat hetquot;\'vloeken een geschenk en een vrucht van ons militairisme is. In dit opzicht zou dit dan voorzeker alles behalve een oefenschool van zedelijkheid blijken te zijn.

Daarentegen heb ik onder mijn kameraden in de fabriek nooit iets van diefstal bespeurd, wel daarentegen in de her-

-ocr page 220-

218

bergen. Daar moest men inderdaad zeer op zijn hoede zijn. Een mes, dat men onvoorziens op een tafel of een stoel liet liggen, een wandelstok, dien men zonder nadenken in een hoek zette, waren vaak in een ommezien verdwenen en naar den lomberd verhuisd, waarop het bagatel, dat mén er voor in handen kreeg, aanstonds in brandewijn werd omgezet. Ik wil hiermee niet zeggen, dat iedereen, die gewoon was de herberg te bezoeken, te lange vingers had. Maar onder de oude, echte stamgasten, de vaste klanten versmaadde bijna niet één deze zeer gemakkelijke wijze om zich zeiven te verrijken. Men gaf daarom gewoonlijk terstond bij het binnentreden stok en hoed aan den herbergier in bewaring, en deponeerde vóór den nacht bij hem al wat men aan waarde bij zich had. Liet men geld uit de portemonnaie op den grond vallen, dan durfde niemand zich verroeren ; de man, dien het betrof, bukte zelf en zocht zonder iemands hulp zijn paar pfennigen bij elkaar.

Meer dan eens heb ik reeds de verhouding mijner kameraden onderling besproken, uitvoerig hun verkeer gedurende den arbeid geschetst. Ik voeg tot afronding nog enkele opmerkingen hierbij. Bij alle kameraadschap, die onder hen heerschte, en die, naar ik verhaalde, duidelijk aan den dag trad in het door het bedrijf gevorderde elkander in-de-hand-werken gedurende den arbeid, kwamen toch onder het eentonige eenerlei en de nietigheden van ons alledaagsch bestaan het soli-dariteits — het gemeenschapsgevoel, de innerlijke overeenstemming niet dan gebrekkig te voorschyn. Deze gevoelens gingen als het ware schuil achter de eigenaardigheden van ieders persoonlijk karakter; de goede en minder goede kanten gaven zich bloot, kleingeestige belangen lieten zich gelden; ijverzucht, nijd, hoogmoed, drift, zelfzucht^ gemeenheid, onverschilligheid, bitterheid, wantrouwen, dit alles kwam — evenals overal waar de gemeenschap een door de omstandigheden gedwon-gene is — tot vaak scherpe uiting en niet zelden in botsing; hier, gelijk overal, bracht dit alles verdeeldheid, afzondering, groepenformatie teweeg; betoonde zich machtiger dan het gemeenschappelijke, waardoor de arbeiders toch inderdaad verbonden, inderdaad een eenheid waren, \'t Is een kleinigheid, maar een, waarin veel waarheid ligt opgesloten: meer dan eens had ik de klacht aan te hooren: „de arbeiders zijn nooit onder één hoed te vangen; alleen in de vergaderingen sluiten zij zich aaneen.quot; Zoo hoorde ik ook wel eens: „Als een arbeider maar vijftig pfennig meer verdient dan een ander, ziet hij

-ocr page 221-

219

dien ander met den nek aan en verbeeldt hij zich heel wat voornaams te zijn.quot; Een, die mij een dienst wilde bewyzen, zei eens: „gij moet de anderen niet zooveel uit uw verleden vertellen; zij lachen u er maar achter uw rug om uit.quot;

Diezelfde man waarschuwde mij ook eens, dat ik niet al te vertrouwelijk jegens een zijner kameraden moest zijn, zeggende: „Die oude X is een verklikker.quot; En toch heb ik betreffende dezen mijn getrouwen Eckehardt meer dan eens met potlood op de deur van het privaat gelezen: „R is een listige pluimstrijkerquot;. Weer een ander, wel is waar een brompot, dié altijd bitter gestemd was, verzekerde mij eens: „er zijn heel wat schurken hier in de fabriek.quot; Dergelijke verschijnselen deden zich, gelijk vanzelf spreekt, nog duidelijker voor in de kazernewoningen, en daar voornamelijk onder de vrouwen.

Aangaande den arbeid vond ik twee zeer van elkander afwijkende opvattingen onder mijn kameraden verbreid. De eene party beschouwde den arbeid als niets dan een last. „Niemand werkt voor zijn pleizier,quot; verklaarde eens een van deze categorie. Een andermaal hoorde ik onder het ontbijt in de fabriek het volgende gesprek, waartoe het vel van een stuk worst aanleiding had gegeven. Een bankwerker raapte dit op, wischte het af en stak het bij zich: „Ik neem het voor mijn hond mee,quot; zeide hy.

„Wat doet ge met een hond?quot; vroeg zijn buurman. „Dat kost maar geld aan belasting.quot;

„Ik houd een hond voor mijn pleizier. Men wil toch wel iets hebben in z\'n leven.quot;

„Dat is niet noodig. Ge moet genoeg hebben aan uw werk,quot; was het ironische antwoord.

Werken en nietsdoen waren voor een zeer talrijke groep twee begrippen, die gelijkluidend waren met last en lust, verveling en afwisseling. De „rijkenquot;, de „groote heeren,quot; die niet behoefden te arbeiden, verveelden in hun oog zich nooit, „Die vreten, zuipen, reizen, lezen, zien mooie beelden en schilderijen, genieten van mooie natuur en hebben mooie vrouwen.quot; Eens waagde ik het met kracht hiertegen op te komen, en gaf ik als mijn meening te kennen, dat voor menschen met een degelijk karakter — wat de „rijkenquot; trouwens volstrekt niet altijd bezitten — juist dit niets-om-handen hebben, dit door-niets-gebonden zijn, dit doellooze van het bestaan, de grootste ramp is: een drukkende last, een bron van eindelooze verveling. Doch deze bewering stuitte af op absolute beseffe-loosheid op dit punt. „Onzinquot;, was het korte scherpe antwoord.

-ocr page 222-

220

waarmee mij het zwijgen werd opgelegd, „de rijken kunnen zich niet vervelen!quot; De arbeiders schijnen blijkbaar niet te weten, dat er heden ook nog een volkslaag is, die vlijtig arbeidt, daarbij waar idealisme bezit, dezen idealen zin verbindt met een zeer eenvoudige levenswijze, en zich bij een edel geestelijk genot waarachtig gelukkig gevoelt.

Deze opvatting mijner kameraden ging steeds gepaard met een ijzige kilheid, een gevoel van vervreemding, van wantrouwen jegens de „voorname\'\' lui, met een diep besef van de onmetelijke kloof tusschen dezen en hen zeiven; een besef dat zelden op persoonlijke ondervinding steunde, maar juist daardoor, voor wie den toestand uit een algemeen oogpunt beschouwt, een des te droeviger indruk maakt. Een mijner vrienden noemde dit eens treffend: „een objectieve haat.quot; Vaak uit deze haat zich, veredeld, in een zekere hooghartigheid, die men zijnerzijds aan die der hoogere standen overstelt. Een voorval, dat ook nog in ander opzicht belangrijk is, stelt dit helder in het licht. Wij hadden vergadering van onze kiesver-eeniging. De spreker las uit een of ander blad een lang artikel voor, dat een verklaring inhield van het bestuur der Chem-nitzer vacantiekoloniën, waarvan, als ik mij wel herinner, de quintessens was, dat men zich, cengevolge van het bij toename agitatorische karakter der Chemnitzer arbeidersbeweging, genoodzaakt zag voortaan de kinderen van verklaarde sociaaldemocraten niet meer te laten deelen in de weldaad der vacantiekoloniën.

Hierop stond een uit de aanwezigen op en sprak vol ernstige verbittering ongeveer in dezer voege:

„Kameraden, gij hebt gehoord, dat men een zoogenaamd liefdewerk misbruikt tot een strijdmiddel in de partij-politiek. Dat zijn nu eenmaal bourgeoismanieren. Wij zullen er het zwijgen toe doen en er slechts dit tweevoudige teeken tegenoverstellen: Wij zullen met alle kracht er naar streven, dat onze kinderen in het geheel niet meer noodig hebben van deze „weldaadquot; gebruik te maken, en vooral zullen wij geen kwaad met kwaad vergelden. Wij willen hedenavond elkander opnieuw beloven, dat het blijft zooals het geweest is: Ziet een arbeider het kind van een rijke in nood en gevaar, dan zal hij ook voortaan zijn leven in de waagschaal stellen om het aan dit gevaar te onttrekken.quot;

De tweede niet minder verbreide opvatting van den arbeid staat hooger en is toch een veel grooter struikelblok voor

-ocr page 223-

221

de toekomstige werkzaamheid van den theoloog. De arbeiders, die haar waren toegedaan, achten niet eiken arbeid een onge luk voor den mensch. Maar zij hadden slechts eerbied voor dien arbeid, die oogenblikkelijk stoffelijk voordeel brengt. Uit dit oogpunt beschouwd, stond voor hen de lichamelijke, de handen-, de fabrieksarbeid op één lijn met dien geestesarbeid die zich eveneens rechtstreeks met geld laat betalen, zooals die van den winkelier, den koopman, den techniker. Van den geestelijken arbeid van den geleerde, den theoloog, van een arbeid, dien men om zijns zelfs wille of met een zuiver geeste-lijk doel verricht, hadden zij in het minst geen begrip. Vandaar hun verwaande toon over de „kinderachtigequot; werkzaamheid der geestelijken; vandaar ook dat zij met den besten wil niet toegankelijk waren voor de geestelijk-zedelijke bewijzen der waarheid van het Christendom, zooals ik in het vorig hoofdstuk heb aangetoond.

Deze materiahstische trek stempelt geheel de zedelijke ont-wikkelingsphase, waarin zich de groep arbeiders bevindt, die mijn kameraden zijn geweest. Zij allen hebben, bij menige slechte, menige goede, beminnenswaardige eigenschap; zij staan over het algemeen, naar mijn vaste overtuiging, zedelijk niet lager dan andere groepen in de maatschappij. Doch hun goede kanten vallen — duidelijk waarneembaar — in telkens minder mate toe te schrijven aan zedelijk-godsdienstige drijf-veeren ; worden telkens meer economische, meer standsdeug-den; het idealisme, dat hen vervult is het idealisme niet ter wille van het goede, maar van het nuttige. Een noodwendig gevolg hiervan is, dat zich een zedelijk karakter vormt, hetwelk telkens minder vastheid vertoont, minder weerstand vermag te bieden aan de verleiding, en dat alzoo zichtbaar gaandeweg de deugden verliest, die tot dusverre er de beste kracht van uitmaakten.

Ik meen na al het aangevoerde niets onbillijks, niets on-* rechtvaardigs te zeggen, wanneer ik ook deze betreurenswaardige karakterontwikkeling niet alleen aan de economische toestanden, maar ook voor een groot deel aan de agitatie der sociaal-democratie toeschrijf. Het bleek mij allerwegen duidelijk, dat hier het tweede punt is, waarop die partij haar meest verderfelijken invloed heeft uitgeoefendj met het meeste succes werkzaam is, en het eigenlijk gevaar voor de toekomst heeft opgeroepen. Daarbij kan ik, na al wat ik ervaren heb, mij niet vleien, dat er in den eersten tijd op dit punt verbetering is te wachten.

-ocr page 224-

ACHTSTE HOOFDSTUK. Uitkomsten en Ëischen.

Ik ga thans de uitkomst mijner onderzoekingen te zamen vatten.

Eén ding meen ik te hebben bewezen: dat het arbeidersvraagstuk niet alleen een maag- en loonquaestie is, maar ook een vraagstuk van geestelijken en godsdienstigen aard. En wel een der belangrijkste die er bestaan. Zelfs indien het grootst mogelijk aantal arbeiders het hoogste loon verdiende, en daardoor materieel een goed leven had, zou er — misschien in anderen vorm — maar in elk geval zeer zeker toch nog altijd een arbeidersvraagstuk bestaan. De loonsvraag is, naar mijn ondervinding, slechts één en voorzeker niet de gewichtigste factor der beweging; zij geeft er gewoonlijk slechts den stoot toe — meer niet. Het spreekt vanzelf, dat de agitators onder de arbeiders steeds den materieelen nood tot uitgangspunt nemen, en daar, waar geen nood heerscht, dezen als feitelijk bestaande zoeken voor te stellen, maar wat nu reeds sedert tientallen van jaren de schare voor den grooten strijd der massa in geestdrift doet ontvonken, wat de meest welgestelde en ernstigste individuen in deze kringen aan de spitse der beweging brengt, dat is, ik herhaal het, niet de loonvraag alleen. Dat is in de eerste plaats het vurig verlangen van al wie fabrieksarbeider heet naar meer achting, meer waardeering, en — in tegenstelling met de politiek-formeele rechtsgelijkheid — naar een sociaal-feitelijk gelijk-recht-voor-aUen. Dat is het geloof aan de mogelijkheid van een — trots alle bezwaren — betere regeling der economische productie, en het duister besef, dat inzonderheid de thans tot zelfstandigheid ontwakende

-ocr page 225-

223

arbeidersklasse in de eerste plaats geroepen is deze betere regeling der voortbrenging voor te bereiden door den demo-cratischen invloed, welken de massa reeds heden ten dage in het parlement uitoefent, en door het parlement zelfs in de allerhoogste kringen. Het is de vurige wensch in deze nieuwe aanstaande economische orde van zaken niet langer alleen de zwijgende, gedachtelooze uitvoerders te zijn van een hoogeren wil, niet langer slechts gehoorzame werktuigen, doch krachtige, zelfstandig medewerkende personen; niet slechts handen maar ook hoofden. Het is de onweerstaanbare drang naar grooter geestelijke vrijheid, het verlangen naar de gaven, die beschaving en kennis met zich voeren, naar meer licht over de hoogste en diepste problemen der menschelijke ziel; problemen, die, trots allen gouddorst, alle zucht naar uiterlijke praal, heden weer in nieuwe gestalten als nieuwe raadsels voor de mensch-heid beginnen op te doemen. Dit alles valt voor denopmerk-zamen toeschouwer, wel nog ruw en onbeholpen, wel nog troebel en gistend, maar toch duidelijk genoeg in de duitsche arbeidsbeweging waar te nemen. En juist hierdoor onderscheidt zich deze duitsche beweging van die in alle andere landen, met name van de Chartistenbeweging in het Engeland van het jaar 40: ginds was het — zooals het heden schier nog overal is — inderdaad de jammerlijke materieele toestand, de gruwzame economische nood, die op deze beweging zijn stempel drukte ; ginds vroeg men vóór alles voedsel, hooger loon, betere kleeding, een menschwaardig bestaan. Wat het Char-tisme verder kenmerkte was van ondergeschikte beteekenis. Bij ons is dit gansch anders; is het zooals ik het daareven heb aangegeven, en juist daardoor is onze duitsche arbeidersbeweging zoo ontzettend ernstig, zulk een veelhoofdig monster. Maar dat is ons tevens een waarborg, dat, als zij eenmaal in vredige banen zal zijn geleid, zij voor later tijden en geslachten een geheel andere, een veel meer beteekenend, meer blijvende vrucht zal hebben* afgeworpen, dan wij bijvoorbeeld thans reeds voor ons zien in de organisatie der engelsche vakvereenigingen.

Het tweede wat wij onverholen moeten uitspreken is het feit, dat deze duitsche arbeidersbeweging haar uitdrukking en haar vertegenwoordiging vindt in de sociaal-democratie. Deze beide zijn, voor het tegenwoordige en voor de naaste toekomst, ten nauwste met elkander verbonden; ja de sociaaldemocratie is heden ten dage deze beweging zelve. Het is

-ocr page 226-

224

daarom een waan, waaraan velen zich nog steeds overgeven, te meenen, dat het nog altijd mogelijk is haar te vernietigen, nit te roeien, uit de wereld te bannen. Van deze meening ging de ontwerper der socialistenwet uit, evenals de aanvoerder der christelijk-sociale beweging; beiden richtten hun tactiek en hun werkzaamheid in naar de kwaliteit der leiders, niet naar die der honderdduizenden, die achter deze leiders staan en van gansch andere geaardheid zijn. In beide gevallen is gebleken, dat deze meening op een dwaling berustte. De duitsche sociaal-democratie uit te roeien is heden even onmogelijk als het tot stilstand brengen der geheele moderne arbeidersbeweging. Het is veeleer mijn innigste overtuiging, dat de sociaal-democratie ook in vervolg van tijd nog zal toenemen, dat zij, vooral te plattelande, zich zal uitbreiden. Inzonderheid daar, waar het groot grondbezit overwegend is en optreedt in verbinding met groot-industrieele bedrijven, als sui-kerfabricatie en brandewijnstokerijen; bedrijven, die op het land een arbeidersklasse in het leven hebben geroepen, volkomen gelijk aan die welke in de steden wordt gevonden. Geen vrijzinnige vakvereenigingen, geen christelijke jongelings- en mannenvereenigingen, geen evangelische arbeidersvereenigingen zullen deze ontwikkeling kunnen tegenhouden. Want zij is naar mijn overtuiging tot een historische noodwendigheid geworden. Zeer zeker hebben ook de daareven genoemde instellingen hun eigen beteekenis en roeping. Vóór alles zullen met name de arbeidersvereenigingen tot één brengen en versterken de nog altijd bij duizenden te tellen arbeiders, die in den socialen storm het hoofd niet weten boven te houden, de rustige, ernstig gestemde zielen, die een afkeer hebben van het strijdgewoel, hen, die hun overgeleverd christelijk geloof niet hebben prijsgegeven voor een rusteloos zoeken en jagen naar het nieuwe. Maar invloed in wijder kring van deze vereeni-gingen verwachten mag men niet; hoe zwaar het mij ook valt het uit te spreken, ik moet nochtans verklaren: men bedriegt zich wanneer men in haar het uitgangspunt ziet eener nieuwe zegevierende tegenorganisatie tegenover de sociaaldemocratie. Ook hier weer gaat men van de onjuist gebleken gedachte uit, dat de sociaal-democratie nog weer van den aardbodem zou kunnen verdwijnen. Dat is, zooals ik zeide, een onmogelijkheid en het zou ook niet eens wenschelijk zijn. Doch mogelijk, wenschelijk en noodzakelijk is, dat de sociaaldemocratie geleid, geadeld en geheiligd worde.

-ocr page 227-

225

Dit zal zeker in de eerste plaats geschieden door een krachtige, diepgaande hervorming, door de onvoorwaardelijke vervulling aller rechtmatige wenschen der millioenen, die de arbeidersklasse vormen, door hun organisatie tot een afzonderlijken stand en door het planten van dezen in den rechtshodem van den modernen staat. Dit echter is de taak der regeering en der geheels in het parlement vertegenwoordigde maatschappij. Op dit punt heb ik geen oordeel uit te spreken, geen raad te geven. Slechts op dit ééne dring ik op grond mijner ervaringen aan: dat alles wat vóór de arbeiders gedaan wordt, heden ten dage door hen, met behulp van hen, met hun goedvinden geschiede. De tijd van het patriarchaat is voorbij; ook de enkele uit de groote menigte is tot zelfstandigheid ontwaakt; wil meeraden, meehandelen, waar het om eigen wel en wee gaat. Slechts door ernstig en aanhoudend deel te nemen aan het leggen der grondslagen voor de toekomstige maatschappij zal de arbeidersklasse tot rustige bezonnenheid, tot practisch handelen komen.

Maar de tweede en niet de minste helft der opvoederstaak heeft de kerk te volvoeren. Ik stel hier voorop wat ik als derde algemeens uitkomst mijner waarnemingen heb aangewezen, het feit namelijk, dat de hedendaagsche duitschs sociaal-democratie niet slechts een politieke partij, niet slechts draagster van een nieuw economisch stelsel en evenmin deze beide vereenigd is, maar dat zij, volgens haar innigsts wezen, de belichaming moet worden geacht eener nieuwe wereldbeschouwing: de wereldbsschouwing van het consequente antichristelijke materialisme, üit dit materialistisch beginsel groeit haar economisch sn politiek stslsel op; dit beginsel — karikatuur eener zoogenaamde door haar aanhangers aangebeden „wetenschap\' — vormt haar stevigen grondslag, geeft aan de partij haar gezag en haar idealisme. En datzelfde beginsel heeft bewerkt, dat zij tot heden haar meest noodlottigen, haar meest diepgaanden invloed niet zoozeer heeft uitgeoefend ten opzichte van de politieke en socials gezindheid des volks, dan wel ten opzichte van het geestslijk sn godsdienstig-zedehjke karakter der gansche duitsche arbeidersklasse. Aan de kerk is alzoo haar arbeid en haar weg in dezen aangewezen. Zij heeft geen andere taak dan zich tegen de anti-christelijke wereldbeschouwing van het sociaal-democratisch materialisme over te stsllen. Het politieke doel, de sociale droomen en wenschen dier partij behoeven haar even weinig te verontrusten, als zij zich heeft

GÖHKE, 15

-ocr page 228-

226

in te spannen voor het bestendigen der hedendaagsche toestanden, voor het instandhouden van den bestaanden staatsvorm. Deze, hun vertegenwoordigers en hun belanghebbenden, mogen en moeten voor zich zei ven zorgen. De Kerk heeft hier in \'t minst geen belang bij; zij kan met een rustig hart het bestaande te gronde zien gaan, indien het in den geestelijken strijd zijn krachteloosheid en ongeschiktheid voor \'t leven mocht hebben bewezen. Het is der kerk en hare dienaren onverschillig of zij in een feodalen, een Manchester of een socialistischen Staat arbeiden. Zij zijn niet daar ter wille van een Staat, maar ter wille der menschen, die in den Staat leven. En daarom — al moge ook in een meer of minder nabij zijnde toekomst zelfs de radicaalst socialistische Staat optreden, al moge het indeelen van alle staatsburgers in arbeiders batail-lons werkelijkheid en waarheid worden — wat gaat dit ons aan? Dan treden ook wij, evangelische papen, mede aan in het gelid, dan arbeiden ook wij onze vier of zes uren daags in mijn of fabriek, in werkplaats of op akker, en de overige twintig uren verkondigen wij, als de apostelen van weleer, vrij en krachtig het evangelie onzes Heeren, aan allen, die naar ons willen luisteren.

Doch zoover zijn wij nog lang niet, vooraf nog hebben wij een veel dichterbij liggend gewichtig doel in het oog te vatten : wij moeten verhinderen dat de sociaal-democratie het volslagen antichristendom worde. Wij moeten tot daadzaak maken de grondstelling: ook een. sociaal-democraat kan een Christen, een Christen een sociaal-democraat zijn.

Daartoe moeten wij echter aan de sociaal-democratische wereldbeschouwing haar materialistische ruggegraat ontnemen. Wij moeten te niet doen, het gezag dier vervalschte wetenschap, die door haar bekoring de oogen der eerlijk strijdende arbeiders verblindt, en hun geest willoos in haar ketenen slaat. Wij moeten de pseudo wetenschap der socialistische volkslitteratuur haar huichelaarsmasker van het aangezicht rukken; wij moeten tegenover de vervalschte de ware, tegenover de partijdige de onpartijdige, tegenover de misbruikte de reine, wetenschap overstellen. Dat is de sociale roeping der waarlijk ontwikkelden onzer dagen, der mannen van het spreekgestoelte en het studeervertrek. Zij moeten in dezen onzen dag van den katheder dalen, tot zy midden onder het volk staan, en dit zonder terughouding mededeelen van de schatten hunner kennis, van den rijkdom hunner gedachten.

-ocr page 229-

227

Daar in de diepte, daar worstelt eene nieuwe, breede volkslaag zich met macht omhoog uit het sociale moeras, uit den geestelijken draaikolk. Steken wij hun de hand toe, brengen wij hun het licht, het volle licht en de volle waarheid, waarnaar zij verlangen ; laten wij het niet langer lijdelijk aanzien dat men hen met vergiftigde kennis te gemoet treedt; schenken wij hun alles, alles wat wij naar ons beste weten, naar onze heiligste overtuiging zeiven bezitten. Gaan wij in de vakver-eenigingen der arbeiders, in hun kiesvereenigingen, ja waar zij maar bijeen zijn; bieden wij ons zeiven hun ten dienste aan, vriendelijk dringend, doch zonder bijgedachte, zonder propaganda voor een partij te maken, zonder aan eigen voordeel te denken; slechts dit ééne beoogende : hun de schatkamer der ware wetenschap te ontsluiten, daaruit onversaagd zoowel rugwaarts als voorwaarts gevolgtrekkingen te maken, maar tegelijkertijd hun ernstig en bezonnen de grenzen te wijzen, die ook aan hun zijn gesteld en hen voor liet overschrijden dier grenzen, het betreden van dwaalwegen te waarschuwen. Wij protestantsche theologen wij vreezen dezen arbeid niet, wij verheugen ons er in, wij zoeken hem op. Want wij weten, dat de echte, onbevooroordeelde, onderzoekende wetenschap aan de waarheid van ons geloof niet schaadt, maar ten goede komt. Ook onze menschelijke oogen zijn nog door menigen sluier bedekt. Welkom een ieder, die ons helpt ze weg te rukken. Steeds dieper, klaarder, krachtiger zal dan de eeuwige, de onuitputtelijk heerlijke waarheid onzes geloofs voor ons opgaan, en wij zullen haar brengen aan al wie naar vrede dorsten. Des te beter, sneller, grondiger zal dan de evangelische kerk deze haar hoogste roeping in het heden kunnen vervullen ; den modernen arbeider een modern Christendom aan te bieden.

Want dit lijdt na al mijn onderzoek voor mij geen twijfel meer, dat minstens de Saksische fabrieksarbeider, die tengevolge der sociaal-democratische propaganda den modernen gedach-tenkring is binnengegaan, in zijn gevoelen, denken en opvatten, even zoo weinig meer als de dusgenaamd beschaafde mensch van onzen tijd, tot de geestelijke opvatting van vervlogen tijden kan worden teruggevoerd. Ook niet naar die der eerste eeuwen na Christus\' geboorte, niet naar den tijd van het neoplatonisme en de vorming onzer overgeleverde geloofsbegrippen. Het gaat den modernen „verlichtenquot; arbeiders gelijk het den leden van onzen middenstand gaat, onder wien de Egidische beweging verbazend veel stof maar helaas

-ocr page 230-

228

ook niet anders dan stof heeft omhoog gejaagd — zij, die evenals alle diep gevoelenden naar waren vrede smachten, kunnen hem in het Christendom niet meer vinden, wijl hun zijn eeuwige, onveranderlijke heilleer in een vorm wordt aangeboden, die in dezen onzen dag voor hen onaannemelijk is. En daar zij, evenals de meeste leden van den middenstand, noch den tijd, noch de .ontwikkeling, noch de wijdte van blik hebben om zelf dezen vorm te verbreken ten einde de kern, het edelgesteente machtig te worden, werpen zij — bovendien nog door den schijn van onzen tijd verblind en in den maalstroom van \'t vermaak rondgesleept — het kostbare kleinood weg; verliezen met het omhulsel den waardevollen inhoud. Zoo moeten dan wij, dienaren der kerk, dezen weggeworpen schat weder opnemen; wij moeten voor hen doen wat zij zeiven niet meer kunnen, ja vaak zelfs niet meer willen beproeven : de oude vormen verbreken en, uitgaande van nieuwe gedachtenwegen, hun de gansche heerlijkheid en waarheid onzes geloofs in een nieuw omhulsel aanbieden, in een vorm, waarin de moderne mensch zich kan terugvinden. Daarbij kunnen alle hulpmiddelen der echte moderne wetenschap ons hun dienst verleenen. Wij behoeven daarbij geen vonkje teloor te laten gaan van dat wat naar onze innigste overtuiging de kracht en het wezen van het Christendom uitmaakt. De inhoud is eeuwig, de vorm is vergankelijk. Hier ter plaatse heb ik echter dezen arbeid niet te verrichten. Trouwens de enkele is allerwegen onbekwaam tot deze taak die reeds sedert lang door een aantal hooge geesten is voorbereid geworden. Slechts te zamen strijdend, eendrachtig, ernstig, vol bezonnenheid maar tegelijk vol moed en kracht, stap voor stap voorwaarts strevend, hebben wij allen, die ons aan den dienst der Kerk wijden, haar te ondernemen; haar daarbij telkens meer vastknoopend aan den historischen persoon Jezus van Nazareth, voor wiens rustige hoogheid ook de arbeider van heden zich nog buigt. Maar verricht worden moet deze arbeid — anders, het is mijn vaste, uit de bitterste ervaring geputte overtuiging, loopt het daar in de diepte van het volksleven, en ja ook elders, met het Christendom op z\'n end. De sociaal-democratie is, van religieus-kerkelijk standpunt beschouwd, de eerste groote geestelijke beweging sedert de dagen der hervorming, die ook den kleinen man, ook den enkele uit de volksklasse tot de besliste keuze roept: „Voor of tegen het Christendom.quot;\' Met dezen haar eisch om tot een beslissing te

-ocr page 231-

229

komen, tast zij ieder persoonlijk in zijn innerlijkste wezen, tast zij ieders ziels- en geesteskrachten aan. Maken wij ons dat ^ merkwaardig verschijnsel in de geschiedenis der menschheid ten nutte; brengen wij het daarheen, dat de beslissing luide: „Ja Heer ik geloof!quot; Dan zal eenmaal de sociaal-democratie, ja nog altijd als een hevige crisis worden betreurd, maar tegelijkertijd worden geprezen als een onnoemelijke zegen, als het middel, waardoor de menschheid een nieuwen, grooten stap voorwaarts ook op religieus-kerkelijk gebied heeft gedaan. En zij, die wij niet tot gelooven brengen? Hen zullen wij dan minstens imponeeren door de kracht van ons wetenschappelijk overwicht, een kracht die ons dan opnieuw ten dienste zal staan. En ook dit is inderdaad hoog noodig.

Doch de toekomstige zegepraal onzes geloofs, de herwinning van de arbeidersklasse voor het Christendom, hebben wij niet alleen te verwachten van dezen apostolischen wetenschappelijken arbeid, van deze verbinding der oude heilswaarheden met de nieuwe inzichten en denkvormen, maar ook van de kracht, uitgaande van vrome persoonlijkheden, menschen, die dat practische bewijs voor de waarheid van het Christendom leveren, dat in de eerste plaats de arbeider — ik herinner aan eenige door mij in het zesde hoofdstuk medegedeelde gesprekken — vordert, alvorens, naar hij voorgeeft, van nieuws af aan te kunnen gelooven. Christelijke persoonlijkheden groeien echter slechts op uit den bodem der kleine levende gemeente. Deze te voorschyn te roepen is daarom op dit oogenblik een sociale noodwendigheid. Dat zij in de voorstad, waar ik gearbeid heb, sedert jaren zoo goed als niet aanwezig is geweest en eerst sedert kort enkele flauwe levensteekenen is beginnen te geven; dat de arbeiders aldaar te midden van een schier doode kerkelijke gemeenschap als verlaten daarheen leven, zonder zedelijken steun, zonder hulp bij de kerk te vinden, ja zonder die zelfs langer bij haar te zoeken, dat maakte hen nog veel minder bestand tegen de aanvallen der tegenpartij, dan zij buitendien reeds waren; dit vooral deed hen ten eenen-male het geloof verliezen in eenigerlei practische waarde van het Christendom voor hun armzalig ledig bestaan. Doch ik behoef over de behoefte aan de vorming van kleine gemeenten niet uit te weiden; het denkbeeld leeft reeds in alle hoofden en de verwezenlijking er van is slechts een quaestie van tijd. Wat zal het over een twintig, dertig, veertig jaren een geheel andere toestand zijn, als men ook in de groote steden slechts

-ocr page 232-

230

kleine gemeenten vindt van 5 tot 8000 zielen! Als overal in deze het levensbloed met frissche kracht door de aderen stroomt; het woord weer over den drempel van iedere woning wordt gebracht, de zielezorg \'zich weer tot in den schoot van het gezin uitstrekt! Als deze zorg mede gedragen en gedeeld wordt door een talrijke schaar vrome leeken uit alle standen bijeengekomen, die, één en gelijken in edele, heilige gezindheid, georganiseerd de werken der liefde en dei-barmhartigheid doen aan al wie arm en zwak en krank is. Dit is geen utopie gelijk Bebel\'s in alle oprechtheid gedroomde toekomststaat; dit is niets dan een. quaestie van organisatie, waaraan bereids de hand geslagen is, en die stap voor stap haar afronding nadert. En wanneer dan de opgeruiden, de overbluften, de onverschilligen, de spotters verwonderd opzien en vragen: „Door welke kracht doet gij al deze dingen?\' dan zullen wij met de eerste Christenen antwoorden ; „Door de kracht van Jezus van Nazareth\' en wij zullen ook de nieuwe heidenen overwinnen.

Eén ding zal ook deze toekomstgemeente niet vermogen; zij zal niet te niet kunnen doen den nood, die uit de tegenwoordige zieke economische samenleving voortvloeit. De inwendige zending, opgenomen in elk gemeenteleven, kan slechts de wonden verbinden, de pijnen verzachten, die de zichtbare teekenen zijn der zware ziekte, waaraan geheel het lichaam des volks lijdende is. Deze ziekte zelf kan zij echter niet genezen; zij heeft tot dusver nog ternauwernood den waren aard ervan leeren kennen. Deze arbeid voor de evangelische kerk moet door een andere jeugdige instelling, moet door het evangelisch-sociale congres worden gedaan. Ik gewaag hiervan dit congres niet als officieel persoon, niet als zijn alge-meene secretaris. Ik schrijf hier neder hoe ik persoonlijk mij het liefst haar toekomst denk, deze het uitvoerbaarst acht. Ik meen, dat het evangelisch-sociale congres een dubbele roeping heeft. Zijn wapen is de ethiek van het evangelie. Met dit wapen moet het onverbiddelijk, open en eerlijk, zonder aanzien van partij of persoon kritiek uitoefenen over de toestanden en verhoudingen van dezen onzen dag. Het moet er voor waken, dat de zedelijke grondstellingen van het evangelie niet andermaal bij het optreden van nieuwe sociale levensvormen achteloos worden voorbijgegaan; dat niet andermaal slechts materieele belangen in aanmerking worden genomen. Het moet alle invloedrijken onder de beschaafden en alle machthebben-

-ocr page 233-

231

den in de industrieele kringen — als het niet anders kan__

door den druk der openbare meening dwingen geheel de economische samenleving voortaan te beschouwen als ook bestaande ter wille van die menschen, die, gelijk vóór alles de arbeiders, van haar afhankelijk zijn. Het moet zorg dragen, dat ook de fabriek van lieverlede een plaats worde, waar allen, die er in werken, niet alleen voldoende levensonderhoud vinden, maar ook innerlijke bevrediging en een zedelijk verheffende levenstaak. Zoo zal het congres inderdaad een evangelisch-sociale, een sociaal-ethische rechtbank worden, waarmede Staat en wetgevende macht voortaan niet minder rekening zullen moeten houden dan bij voorbeeld met de centraalvereenigintr der duitsche industrieelen en de sociaal-democratische fractie in den rijksdag.

Maar het congres heeft, wanneer het aan bovengenoemde verplichting voldoet, in mijn oog nog een andere opdracht te vervullen: het moet aan de kerk, haar organen en dienaren de ware bron van den materieelen nood, d. i. den samenhano-der economie, blootleggen, hun de oogen openen voor de economische problemen, hen overtuigen dat voortaan bij alle kerkbeheer, alle kerkelijke organisatie, alle herderlijk werk, ook op deze problemen behoort te worden acht geslagen. Ieder geestelijke moet jaarlijks op het Congres zich de kracht en de geschiktheid eigen maken om zijn gemeente en de onderlinge verhouding zijner gemeenteleden ook eens van het economisch standpunt te bezien; den nood, die in zijn ^meerite heerscht, te onderzoeken, den invloed daarvan op het zedelijk en godsdienstig karakter zijner parochianen na te gaan; bekwaam moet hij zich maken om, gedurende zijn verkeer\'met hen als zieleherder, dezen nood met de aanzienlijkste leden zijner parochie te bespreken, ook hun oog voor deze toestanden te openen, het besef van verantwoordelijkheid bij hen te wekken, opdat ook zij, voorzoover zij dit vermogen, zoowel in hun openbaar als in hun privaat leven van een ernstige sociale gezindheid blijk geven.

Vervult het evangelisch-sociale congres deze zijn dubbele roeping, dan is zijn missie een zeer hooge, dan zal het er krachtig toe medewerken, dat het doel, der evangelische kerk gesteld, eindelijk bereikt worde : de opvoeding, de veredeling, de verchristelijking van de thans nog ongetemde, nog heidensche sociaal-democratie en de vernietiging harer anti-christelijke materialistische wereldbeschouwing.

-ocr page 234-

INHOUD.

Bladz.

EERSTE HOOFDSTUK.

MIJN WEG.....................11

TWEEDE HOOFDSTUK.

DE MATERIEELS TOESTAND MIJNEK KAMERADEN......23

DERDE HOOFDSTUK.

DE ARBEID IN DE FABRIEK.............51

VIERDE HOOFDSTUK.

HET AGITEEREN DER SOCIAAL-DEMOCRATIE........99

VIJFDE HOOFDSTUK.

SOCIALE EN POLITIEKE GEZINDHEID MIJNER KAMERADEN . . . 120

ZESDE HOOFDSTUK.

BESCHAVING EN CHRISTENDOM............153

ZEVENDE HOOFDSTUK.

ZEDELIJKE TOESTANDEN................201

ACHTSTE HOOFDSTUK.

UITKOMSTEN EN EISCHEN...............222

-ocr page 235-

Bi

-ocr page 236-
-ocr page 237-

mm

mÊÊÊÊÊÊlÊÊÊÊÊ

-ocr page 238-

•-C-f

nternationale Bibliotheek.

In deze Serie zijn reeds verschenen:

EDW. BELLAMY. In het jaar 2000. 2e druk. / 0.75

Mr. S. VAN HOUTEN. Bijdragen tot den strijd over God, Eigendom en Familie.

2e druk . ............ 0.60

ERNEST GILON. De strijd om welvaart . „ 0.90

SOCIALISME. Deel I. Grondslagen. . . 0.75 „ II. Regeling. Vooruit- ^ zichten............. 0.50

HENRY GEORGE. Het vraagstuk van den

arbeid. . ,.......... 0.60

PAUL GÖHRE. Drie maanden fabrieksarbeider , 0.75

Rev. en Mrs. S. A. BARNETT. Uitvoerbaar

Socialisme...........„1.—

Graaf LEO TOLSTOÏ. Het Koninkrijk Gods

is binnen in U.......... 2.25

I.

2.

3-

4-

5-

6.

7-8.

4