-ocr page 1-
-ocr page 2-

--------------- ,,,

GUNNING

7

c

5

JH£üNNIN£J.Hi

^ibi etArni^is

hè^TESAMsi-ÉSRl

W.^-LELSDEiviJ?

\\

-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

fJÜ-T

ING

G

Li

)

OT EEN HEILIG , HEILRIJK EN HEUGELIJK GENOT VAN HET HOOGWAAEDIGE AVONDMAAL DES HEBBEN BE8TUITED EN AANGEMOEDIGD , DOOR EEN SCHRIFTMATIG EN GEMOEDELIJK BERICHT AANGAANDE HET GELOOF , HET VERBOND DEK GENADE EN EEN

IGODEWAARDIG GEBRUIK VAN DAT HEILIGE BONDZEGEL ;GODEWAARDIG GEBRUIK VAN DAT HEILIGE BONDZEGEL ;

nagelaten floor flen WelEerwaarflen, w geleerflen en goflzaligen lieer

PETRUS IMMENS,

in zijn leven: laatst zeer getrouw Leer aar en Voorganger in de Gemeente ■san Jezus ^Christus te Middelburg.

Uitgegeven met eene Voorrede, ter aanprijzing van de gedachtenis des Rechtvaardigen, over Spreuk. X : 7.

JACOBUS WILLEMSEN,

S. S. Theologiae Professor en Predikant te Middelburg.

laar den 7en druk van lïïO onveranderd, doch in nieuwe spelling

met voorwoord door Ds. J. TEVES Tzn.

THEOLOGIi

cftfej afOljlINGEN.

Uquot;r«^e-H T.

-ocr page 6-

Aan den Christelijken Lezeb!

Goede practicale schrijvers, zooals Petrus Immens blijven gelukkig in eere. De „Godvruchtige Avondmaalganger\'\' is, om zijn echt practicale leiding der zielen, een herdruk waard. Want nóg gebruikt de geestelijke vijand van Gods kinderen veelzins dezelfde strikken om den zegen des heiligen Avond-maals te rooven en hen terug te houden van de gehoorzaamheid aan en de gemeenschap met Christus. Onbedachtzaamheid bij dezen en onvrij moedigheid bij anderen zijn voortdurend gebreken in \'t leven der gemeente.

Wat Ds. de Gaay Fortman van Ds. Godefridus Udeman over de „bedenkingen tegen \'t H. Avondmaalquot; ter perse bracht, vond aftrek, maar P. Immens is breeder van opvatting en in zijn soort „eenig.quot;

Omdat gedurig een herdruk met gewone letter en in heden-daagsche spelling gevraagd werd, en de bestaande editie Malga geen rekening hield met verouderde spreekwijzen, terwijl spelling en druk veel te wenschen overlieten, hebben wij deze nieuwe uitgave op ons genomen. De uitgever Boerma, bezield met de begeerte om goed werk te leveren, maakte het mogelijk dat ons Christelijk publiek voor een prijsje weer een bruikbare uitgave op goed papier ontvangt. Brenge dit werkje door \'s Heeren gunste voor menige ziel nog een zegen mede. Is de vijand nog even listig, daartegenover blijft het troostwoord voor Gods volk: „hun Verlosser is sterkquot; (Jer. 50:34). Christus heeft lust om zijne schapen te leiden uit de woestijn in de grazige weiden. Als het heilig Avondmaal ook tegenwoordig weer recht gebruikt wordt, zal de zegen daarvan ook groot zijn, tot sterking des geloofs! Make de Heere vele „godvruchtige avondmaalgangersquot; onder de lezers van dit boek.

Wetsinge-Sauwert , Uw heilbiddende

Augs. 1893. J. ÏEVES Tzn.

v. d. m.

-ocr page 7-

VOORREDE AAN DEN LEZER,

GR AANPRIJZING VAN DE GEDACHTENIS DES RECHTVAARDIGEN.

I. „De gedachtenis des rechtvaardigen zal tot zegening zijn.quot; Spreuk. X : 7.

Zoo luidt het zeer loffelijk getuigenis tot verheerlijking van den rechtvaardigen.

A. De rechtvaardige, die voortreffelijker is dan zijn naaste \'), is het waardige onderwerp van Salomo\'s uitspraak.

Zulk een, naar de kracht der uitdrukking in de heilige taal, en overeenkomstig de heilsleer, die:

a. Afkeerig van het kromme en verdraaide geslacht der genen, die zich neigen tot hunne kromme wegen, daarentegen onverzettelijk en met een onwankelbaar harte zijne gangen houdt in \'s Heer en sporen, die sporen der gerechtigheid 1), die, zonder eenige kromming, rechtuitloopen. 2)

1

) Ps. XVII : 5, XXIII : 3.

2

) Die nadruk ligt in het grondwoord p\'HS, tzaddik, dat de Heilige Geest hier gebruikt en afkomstig is van het wortelwoord pTï, tzaadak, dat in zijn oorspronkelijke bctee-

-ocr page 8-

VOORREDE.

Zulk een, die, belust „om te wandelen op den weg der gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts l), zich onberouwelijk en onverzettelijk vasthoudt :

1. Aan de gerechtigheid des geloofs. Die derhalve in ootmoedige zelfverloochening, gewillig afziet van alle eigen gerechtigheid, als ongelijkvormig aan de zedelijke rechtheid, welke de wet van God vordert, ook deswege krachteloos en in Gods gericht onbestaanbaar.

Die daarentegen, naar \'s Heüands gerechtigheid, welke geheel recht is en kracht genoeg heeft waardoor ze in eeuwigheid bestaat 2), geloovig uitziende; die ook, met eene heerschende en werkzame begeerte, overeenkomstig de voorstellingen van het Evangelie, zonder eenig vooruitbeding, blijmoedig aanneemt en zoo voor God gerechtvaardigd wordt.

2. Die, daar benevens, zich met zulk een onverzettelijk en onwrikbaar voornemen des harten overgeeft aan de gerechtigheid des levens, in een gezet leven voor den Heere, dat hij zijnen wandel voor

kenis, van al zulke zaken gebezigd wordt, die, vast en onbuigzaam zijnde, tegelijk geheel recht zijn, zonder eenige kromming of afwijking naar de eene of andere zijde. Waar van daan het woord, dat wij hier vinden, tot het zedelijke overgebracht zijnde, zulk eenen in nadruk te kennen geeft, die, met een vast en onwrikbaar voornemen des harten, de gerechtigheid des geloofs en des levens oprecht en ernstig najaagt.

1) Spreuk. VIII : 20.

2) Psalm CXI : 3.

IV

-ocr page 9-

VOORREDE.

eg Gods aangezicht, met een nederig opzien tot den les Heere zoekt in te richten.

st- Naar de regelmaat der zedelijke rechtheid, als zulk een, die, gelijk de dieren vanEzechiël, „met rechte ve voeten voor zijn aangezicht henengaatquot;; die, als lIi „een rechte van weg, zijne paden recht maakt en le treedt in de rechte sporenquot;; die, naar de waarheid van het Evangelie, recht wandelt; „die niet afwijkt 3- ter rechter- of ter linkerhandquot;, maar alle \'s Heeren bevelen van alles voor recht houdende, ook alle 5 valsche pad haatquot;; die, gelijk Zacharias en Elizabeth , welke beide rechtvaardig voor God waren, in ; al de geboden en rechten des Heeren onberispelijk i, wandelt.

, Die ook hierin standvastig en onbewegelijk is; die

i met een voornemen des harten bij den Heere blijft\', die, met eenen vasten geest, alle verhinderingen in de oefeningen der godzaligheid overwint en door allen tegenstand heen breekt; die met een harte dat t vast is, vertrouwende op den Heere, ook vaststaat in den Heere, als met voetplanten van een kalf, die rond, verdeeld en daardoor stevig en vast zijnde, eene 1 onwrikbare standvastigheid uitbeelden ; wiens hart, wel ondersteund zijnde, niet vreest; die, ook krachtig in den Heere en in de sterkte van Zijne macht \'), telkens weder opricht trage handen en slappe knieën

\') Ezech. I : 9. Spreuk. XXIX ; 27, IX : \'15, IV ; 11. Gal. II : 14. Spreuk. IV : 27. Ps. CXIX : 128. Luk. I : 6. Hand. XI : 23. Ps. LI : 12, CXII : 7. 1 Thess. III : 8. Ezech. 1: 7.

, Ps. CXII : 1. Efez. VI : 10.

V

-ocr page 10-

VOORREDE.

en rechte paden voor zijne voeten maakt, opdat hetgeen kreupel is niet verdraaid, maar veel meer genezen worde 1).

„Die zoo de rechtvaardigheid doet, die is rechtvaardig, gelijk de Heere Jezus rechtvaardig isquot;, 1 Joh. III: 7.

h. Doch daar is nog iets meer in het woord, waarvan zich Gods Geest hier bedient. Het geeft ook zulk eenen te kennen, die voor de gerechtigheid des geloofs en des levens in het worstel- en strijdperk treedt2)\', die, als een goed krijgsknecht van Christus Jezus, strijdt den goeden strijd des geloofs, om te grijpen naar het eeuwig leven; die, toegerust met de geheele wapenrusting van God, strijdt voor \'t geloof, dat eenmaal den heiligen is overgeleverd; die, moedig als een jonge leeuw, op den dag van Messias heirkracht, met al Zijn vrijwillig volk, staat in éénen geest en met één gemoed strijdt voor het geloof van het Evangelie; die ook daarin volhardt totdat hij, op zijne wederpartijen, als overwonnen en ten ondergebracht ziende 3), in dien triomfzang

VI

1

Hebr. XII : 12, 13.

2

2) Dit gebruik des woords vloeit natuurlijk uit zijne oorspronkelijke beteekenis van eene otibuigzame vastigheid, dewijl die, tot het zedelijke overgebracht zijnde, zeer nadrukkelijk uitbeeldt die onbezweken dapperheid en dat leeuwenhart van een krijgsheld, waarmede hij, vol moed en gloed, op zijne vijanden aanvalt. Van die beteekenis vindt men ook nog eenige sporen in de Heilige Schrift, Jes. XL1X : 25. Ps. XLV : 5.

3

2 Tim. 11:13. I Tim. VI: 12. Efez. VI: 13. Judas vs. 3. Spreuk. XXVIII : 1. Ps. IX : 3. Filipp. 1: 21. Ps. CXII: 8.

-ocr page 11-

VOORREDE.

kan uitbarsten; ik heb den goeden strijd gestreden. Ik heb den loop geëindigd. Ik heb het geloof behouden. Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mi] de Heere, de rechtvaardige Rechter, in dien dag geven zal

B. Gelijk zulk een rechtvaardige in eeuwige gedachtenis zijn zal1), zoo zal ook zijne gedachtenis, naar Salomo\'s uitspraak, tot zegening wezen.

a. Daar is in het woord, dat door gedachtenis vertaald is, iets zeer gedenkwaardigs.

1. Het geeft in nadruk te kennen den wélriekenden geur van den rechtvaardigen. Zoo komt het voor, Hos. XIV : 1. „Israëls gedachtenisquot;, of, naar de aanmerking van onze geleerde kantteekenaren, „zijne welriekendheid , zijn reuk zal zijn als de wijn van Libanon, zoo aangenaam, zoo welriekende als de edelste wijn van den Libanon isquot; 2).

Ook passen die beteekenissen zeer wel te zamen, dewijl een liefelijk reukwerk aan iemand doet gedenken. Salomo zegt: de olie zijner rechterhand, waarmede iemand zijne rechterhand heeft bestreken, roept, dat is, maakt door den aangenamen geur, die er van uitgaat, dat men er aan moet gedenken, Spreuk. XXVH : 16.

Die aanmerking geeft daarbij zeer veel licht aan

Vil

1

Ps. CXII: 6.

2

3) Ook zeggen onze kantteekenaars, op Ps. XX : 4, dat men de woorden: Hij gedenkt, dus mede vertalen kan: Hij riekt al uwe spijsoffers.

-ocr page 12-

VIII VOORREDE.

het andere gedeelte van Salome\'s kernspreuk, dat hij, bij wijze van tegenstelling, onmiddelijk hierop laat volgen; de gedachtenis des rechtvaardigen, zegt

hij, dat is: de liefelijke, de welriekende geur van den rechtvaardige, waarbij men zijns gedachtig is, zal zijn tot zegening; maar de naam der goddeloozen zal verrotten-, die zal, gelijk een verrot lichaam, in plaats van eenen liefelijken geur, veel meer een\' onaangenamen stank van zich geven, en daarom geenszins tot zegening maar integendeel tot vervloeking en tot eene afgrijzing wezen.

2. Dus eigent de wijze spreukschrijver hier aan den rechtvaardige eenen welriekenden geur toe, die oorzaak geeft dat men aan hem gedenke.

Die welriekende geur is als een uitvloeisel van de ingelegde genade of heilsgaven des Geehtes in den rechtvaardige.

Doorgaans worden die in de Heilige Schrift hij ivelriekende specerijen, bij geurige zalfoliën en een liefelijk reukwerk vergeleken.

Zij komen zoo voor als een welriekende nardus, die, terwijl de Koning met de beminde van Zijne ziele zit aan zijne ronde tafel, zijn reuk van zich geeft Hoogl. 1: 12.

Zij zijn die cyprus met nardus, die nardus en saffraan, die kalmus en kaneel, die mijrrhe en aloë, en al die voorname specerijen, wegens welke de kerk van Jezus als een geestelijke speccrijhof wordt uitgebeeld, Hoogl. IV ; 13, 14.

Zij zijn die mijrrhe en specerij, die de liefste Jezus,

-ocr page 13-

VOORREDE.

komende in Zijnen hof, plukt, en waarin Hij zich met een heilig genoegen verlustigt, Hoogl. V : I.

Zij zijn die geurige zalfoliën, wier reuk veel heter is dan alle specerijen, Hoogl. IV: 10.

Ook dat reukwerk, die wierook en allerlei reuk-poeder, waarvan de kerk geroemd wordt, Hoogl. III: 6.

En zeer nadrukkelijk worden die ingelegde genaden van den rechtvaardige daarbij vergeleken, dewijl ze er zeer aan gelijk zijn, niet alleen in verscheidenheid en in uitmuntende dierbaarheid, maar ook en vooral, naar \'t geen hier Salomo op het oog heeft, in dien liefelijken geur, dien zij, veel meer dan de welriekendste specerijen , of oliën , of het geurigste reukwerk, van zich verspreiden, zoo dikwijls die genaden in het rechtvaardige volk des Heeren zich werkzaam vertoonen in hunne ivoorden en daden, en zij, in de uitlatingen van hun geloof, van hunne liefde, van hunne hope, van hunne verloochening, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lijdzaamheid, hemelsgezindheid en geestelijke blijdschap, daardoor een alleraangenaamsten geur van godvruchtigheid uitwasemen.

Met die toespeling zeide een godzalig kerkvader, in zeer krachtige uitdrukkingen: „de mannen onder ons moeten niet rieken naar balsemoliën, maar naar een godzalig leven. De vrouwen moeten naar Christus rieken, \'t welk eene koninklijke zalving is, en niet naar geuroliën of welriekende kruiden. Zij moeten altijd gezalfd zijn met de goddelijke en heilige zalf-

IX

-ocr page 14-

X VOORREDE.

olie van eerbare kuischheid, en zich vermaken in heilige balsemgeuren van den Heiligen Geest.

Die welriekende zalfoliën bereidt Christus voor Zijne vrienden en stelt die uit hemelkruiden samen *).

Een ander prees die geestelijke balsemgeuren aldus nadrukkelijk aan: „die God beminnen, zijn welriekende door godvruchtigheid en verspreiden eenen liefelijken geur van zedigheid, van gerechtigheid en van alle godzaligheid van zich; een geur, die veel aangenamer is dan alle aardsche geurzalven die stoffelijk zijnquot; 1).

Dit is die nardusreuk van de kerk, die reuk barer oliën, welke op het hoogst geroemd en heter dan alle specerijen geschat wordt, Hoogl. 1: 12. IV : 14.

Hiervan dragen Jehova\'s heiligen den eernaam van Christenen, dat is: gezalfden, die, als\'sHeilands medegenooten 2), met de heilige zalfoliën des Geestes ook gezalfd, eenen liefelijken geur van genade in de oefening van godzaligheid van zich verspreiden.

Die reuk van Godvrucht, die van den rechtvaardige uitvloeit, maakt, dat men aan hem gedenkt en zich zijne welriekende gaven en genade gestadig te binnen brengt.

Eene gedachtenis, waarop men al van ouds zeer gezet was.

Men placht daarom dezelve tot eer van den recht-

1

) Eusebius in zijn Evangelisch betoog. B. IV, H. 15.

2

3) Ps. XLV : 3.

-ocr page 15-

VOORREDE.

vaardige, na zijnen uitgang, aan het gemoed der nog levenden op alle mogelijke wijze in te boezemen.

Met dit hooger inzicht denk ik dat Salomo, naar de wijsheid die hem gegeven was, al de wanden van het huis des Heeren, in het heilige zoowel als in het heilige der heiligen, met uitgesneden heelden van Cherubijnen en van pahnboomen en \'opene bloemen graveerde 1), om zoo den priesteren, die in het heilige verkeerden, de gedachtenis daardoor te verlevendigen van de geesten der volmaakte rechtvaardigen, waarop de Cherubijnen zagen, en daarbij hen te herinneren, niet alleen hunne zegepralen over al hunne geestelijke vijanden, die door de palmtakken, maar ook hunne welriekende genaden, die door de opene bloemen afgebeeld werden.

De eerste Christenen hadden ook deswege de gewoonte , dat zij de grafsteden der heiligen met bloemen versierden, ter gedachtenis van hunne geurige godzaligheid ; en die der bloedgetuigen met palmtakken , om de overwinning, die zij in den goeden strijd des geloofs behaald hadden, daardoor in gedachtenis te brengen. Daarop zagen ook de lijkredenen der eerste Christenen, die bijzonder ingericht waren om de specerijgeuren van de welriekende genade hunner vrienden in den Heere, nog na hunnen dood zoo wijd en zijd te verspreiden dat de gedachtenis derzelve daardoor bewaard en bevorderd werd.

XI

Met dat oogmerk werden mede, al van ouds,

1

I Kon. VI : 29.

-ocr page 16-

ï

XII VOORREDE.

eenige heilige overblijfsels van uitmuntende heiligen, N

door de uitgave hunner nagelaten geschriften waarop ovei

een waas van godsvrucht lag, bewaard en ter ge- op lt; dachtenis van de rechtvaardigen in het licht gegeven. ■ ren

h. Die allerliefelijkste geur en de gedachtenis des nie!

rechtvaardigen daardoor veroorzaakt, is zeer dierbaar god

en van een uitnemend belang. zeg*

Salomo zegt er van: zij zal tot zegening zijn. I

1. Hij geeft daarmede vooreerst te kennen : men nef

zal wegens dezelve God in het aangezicht zegenen1), vol

en Hem om den liefelijken reuk die van de godzalig- dei heid des rechtvaardigen uitvloeit, de gedachtenis

derzelven en van zijne geestrijke en geestelijke zalf- Sa oliën aan het gemoed vertegenwoordigt, met blijde

dankzegging grootmaken. va

Zoo waren de eerste Christenen gewoon eens in gc het jaar bij de graven der bloedgetuigen samen te

komen, om den Heere te zegenen en Zijnen Naam w

te danken voor de godzalige voorbeelden , het heilig O\'

leven, den zaligen dood, ook de palmtakken en n

kronen van die getuigen der waarheid 2). d

In volgende tijden vergaderden zij zoo niet maar ^

eens of tweemaal of vijfmaal des jaars , maar hielden I de gedachtenis van die heiligen met lofzangen en

dankzeggingen tot God menigmaal 3). lt;

1

\') In dien zin komt het woord zegenen voor loven, fir ijzen of groot maken voor, Ps. CIII : 1 , 2, „loof den Heer, mijne ziel. Eigenlijk staat er: zegen Jehova, mijne ziel. Ook Ps. CIV : i en op andere plaatsen.

2

) Cave in zijn .,eerste Christendomquot;, bladz. 174.

3

) blz. 177.

-ocr page 17-

VOORREDE.

Naderhand als het Christendom in de wereld de overhand kreeg en de godvruchtigheid der Christenen op die plaatsen daar de bloedgetuigen begraven waren kerken gebouwd had, kwam men in dezelve bijeen niet alleen tot de openbare gebeden , maar ook tot goddelijke lofzangen wegens de gedachtenis en de zegepraal van die geloofshelden en heldinnen

Een der oude kerkleeraars schrijft daarom : „wanneer wij het leven dergenen die in de godzaligheid volstandig gebleven zijn verhalen , dan loven wij eerst den Heere door Zijne dienaarsquot; 1).

2. Doch daar is nog meer nadruk en kracht in Salomo\'s uitspraak.

De welriekende geur en de gedachtenis des rechtvaardigen daardoor veroorzaakt, zal zijn tot zegening geeft ook te kennen dat men dien rechtvaardige zeiven, wegens den reuk die van de oliën des Geestes waarmede hij, door de zalving van den Heilige overgoten was , uitvloeit, met lofgejuich zal zegenen; men zal lof spreken ter gedachtenis van denzelven, men zal zijne geurige genaden waarbij hij gedurig bedacht wordt, tot zijn roem vermelden en bij anderen prijzen en aanprijzen 2).

Zoo zegende David in zijn lijkzang Saul en Jonathan, ook den grooten Ahner, en prees hunne weergalooze

XIII

1

) Basilius de Groote, in zijne redevoering over den bloedgetuige Gordius.

2

) Zoo komt het woord voor, 2 Sam. VIII: 10. Job XXXI: 20. Ps. LXII: 5.

-ocr page 18-

p

XIV VOORREDE.

dapperheid en den liefelijken geur hunner heldengaven v

en krachten die van hen uitging en waarbij zij met z00ver lof gedacht werden, 1 Sam. 1:19—27. 2 Sam. Ill: 38.

Zoo zegende Jeremia den godvruchtigen koning yl00

Josia, wegens zijne hooggeroemde godvruchtigheid r^en

en den reuk der zelve, die aan alle plaatsen open- iu

baar was geworden en die in zijn gansche koningrijk desze\'

met roem gedacht werd. zoo ®

De profeet maakte over hem een klaaglied. Des- g*

gelijks alle zangers en zangeressen spraken in hunne flie i

klaagliederen van Josia; ja zij gaven ze tot een gedw

inzetting in Israël, opdat dezelve jaarlijks tot Josia\'s 0!

lof zouden gezongen worden, 2 Kron. : XXXV : 25. lieid

Zoo plachten ook de eerste Christenen den welrie- God

kenden geur der godzaligheid van hunne overledene gehc

medeheiligen en de heugelijke gedachtenis van dezelven naai

in zegening te houden door gepaste lof- en lijkredenen, het

waarin zij derzelver uitmuntende genaden, deugden zijm

en bedrijven tot hunnen lof vereeuwigden, opdat bezi

hunne deugd, zelfs in de wereld, haren loon niet bini

verliezen mocht1). Zij eerden hen als heilige menschen ade

en Gods vrienden, die tot eer van God en van hunnen in

grooten Zaligmaker, ook tot bevestiging van de waar- als

heid van den godsdienst verkoren hadden hun leven dei

af te leggen2). ( olü

3. Maar nog is, ten derde, de geestrijke en geeste- relt;

lijke balsemgeur van den rechtvaardige en de gedach- rei

1

\') Cave in zijn eerste Christendom, blz. 475. i

2

) Cave » » » ï blz. 181. / O

K

-ocr page 19-

VOORREDE. XV

en tenis van zijne welriekende genade tot zegening, voor !e\' zoover die ook tot een zegen verstrekt en bevorderlijk is tot alle meest gewenschte heil, \') want:

Zoo aangenaam de geur is van welriekende spece-^ rijen of oliën, wier uitgewasemde reukdeeltjes, met l\' de lucht vermengd en ingeademd, het reukvlies en ^ deszelf zenuwen liefelijk aandoen; zoo aangenaam, zoo verkwikkelijk is mede aan het geheiligde oordeel de gewaarwording van den wasem van Godsvrucht, e die van den rechtvaardige uitvloeit en waarbij zijns 1 gedacht wordt.

\' O! als de geur van zijn geloof in God, van zijne

lielde tot God, van zijne hope en vertrouwen op God, van zijne gulhartige opdracht, zelfovergave en gehoorzaamheid aan God, van zijn uitziend verlangen naar God, van zijn verborgen leven voor God, in het zalig eenzaam met God gemeenzaam, en van zijnen geheelen wandel in godzaligheden, bij eene bezadigde herinnering aan het gemoed wordt te binnen gebracht en die geur van heiligheid ingeademd , dan moet de ziel van een heilige die, in in gelijkvormigheid aan den Heere Jezus, niets liever als de vreeze des Heeren riekt, daarover in verwondering uitroepen: „hoeveel beter is de reuk van die oliën dan alle specerijenquot;; dan erkent zij dat de rechtvaardige een reuk heeft, zoo aangenaam als de reuk van den Libanon is, die door zijne welriekende

!) Zoo komt het woord voor: Gen. XII : 2; Ps. XX : 5, CXXXIII : 3; Jes. XIX : 24; Ezech. XXXIV : 20.

-ocr page 20-

VOORREDE.

kruiden, bloemdragende gewassen en geurige cederen ^o zeer beroemd is \'); ja, dat zijne welriekendheid is ware als de edelste en geurigste wijn van den Libanon.1) en r

Wegens die aangenaamheid wordt de geurige ge- zond dachtenis van den vromen Josia in het boek van Jezus Sirach vergeleken bij een samengemengd reukwerk , toebereid door de kunst des apothekers 2).

Zoo was het ook den apostel Paulus tot eene on-gemeene verkwikking, wanneer hij zich in gedachtenis bracht en zoo als rook den liefelijken reuk van het ongeveinsd geloof dat in Timotheus was, en eerst gewoond had in zijne grootmoeder Lois en in zijne moeder Eunice3). Ja! de geur des rechtvaardigen en zijne gedachtenis door denzelven doet zich wel eens zoo aangenaam voor aan het gemoed, zelfs van on-begenadigden , dat zij, der rechtvaardigen liefde tot God en den naaste, hunne ootmoedigheid, zelfverloochening, hemelsgezindheid, zachtmoedigheid, bescheidenheid en voorbeeldige godzaligheid gewaar wordende en dien wasem van godvrucht inademende, daarmede zoo ingenomen worden , dat ze overtuigd, geoordeeld, de verborgene dingen van hun hart geopenbaard worden, en zij op hun aangezicht vallende , God aanbidden en verkondigen, dat God waarlijk onder Zijn volk is 4).

XVI

1

2) Hos. XIV : 8, vergeleken met biz. VII.

2

Hos. XLIX :

3

2 Tim. 1:5.

4

1 Korinth. XIV:24, 25.

-ocr page 21-

VOORREDE. XVII

eren Zoo worden zij, die den woorde ongehoorzaam

d is waren, ziende der rechtvaardigen wandel in vreeze

m.2] en de vreeze des Heeren als riekende, somwijlen,

ge- zonder woord, daarop ook belust en daarom ge-

van wonnen \').

mk- Daarbij , zoo hartsterkend als de geur is van welriekende specerijen , bijzonder als iemand in flauwten

on- de krachten bezwijken, zoo nuttig en heilzaam is

mis mede de geurige nagedachtenis van den rechtvaardige,

het Zijne voorbeeldige godzaligheid aan het gemoed

3rst voorgehouden, is zeer tot versterking van het

ijne geestelijke leven door de zonderlinge moedgeving ter

?en godvruchtige en ijverige navolging van zulke voor-

sns beeldige heiligen.

on- Daarom wees de Apostel de geloovige Hebreën op

tot die groote wolke van getuigen, die zij rondom zich

3r- hadden liggende , om , daardoor aangemoedigd , met

ie- aflegging van allen last der zonde die hen zoo lich-

.ar telijk omringde , met lijdzaamheid te loopen de loop-

le, baan die hun was voorgesteld 2).

d, Daartoe hield men ook van ouds de gedachtenis

e- van getrouwe bloedgetuigen en van andere heiligen,

J- die in den Heere gestorven waren, steeds levendig

)d door het openlijk voorlezen van hunnen godzaligen wandel, ten aanhoore van de gansche gemeente, om die er door op te wekken tot eene godvruchtige navolging. „Het herdenken daarvanquot;, schreef de

\') 1 Petr. III: 1, 2. 2) Hebr. XII: 4.

2

-ocr page 22-

VOORREDE.

vrome Basilius, „is den overledenen tot hunne heerlijkheid gansch niet nut, maar ons , die nog leven, ter navolging noodig 1).

Een ander zeide: „de leerheelden der heiligen worden in de gedachtenis gehracht, om de harten der vromen door het goede dat bij menschen gedenken geschied is, te krachtiger tot navolging aan te sporenquot; 2).

Bijzonder prees de godvruchtige Ephraïm de Syriër, een der uitnemendste kerkvaders in de 4\' eeuw, de gedachtenis der rechtvaardigen aan, met deze nadrukkelijke woorden: „de gedachtenis der heiligenquot;, zegt tij, „is daartoe bij alle uitnemendheid aangenaam, opdat wij ook met gelijken ernst en ijver zouden strijden, en in navolging van hen God lief hebben. Zij maakt ons vurig van geest en drijft ons aan om deze ijdele wereld te verachten, en alles wat in dezelve vermakelijk en aangenaam voorkomt; ja, zij verheft ons gemoed naar boven; zij trekt onze gedachten af van deze lage aarde, zij zet ons in den rei met de engelen; zij plaatst ons, door hooge hemelsgezindheid, bij den troon des allerhoogsten Gods, en maakt dat, terwijl wij nog in het lichaaam zijn, wij de onbelichaamde geesten der volmaakte rechtvaardigen navolgen, en terwijl wij nog op aarde zijn, hemelsche dingen bedenken en daarin smaak hebbenquot; 3).

XVIII

1

1) Over den bloedgetuige Gordius.

2

) Nicetas in \'t leven van Ignatius.

3

) In zijne «lofspraak over al de heiligen.quot;

-ocr page 23-

VOORREDE.

En Cassiodorus, een man van groote ervarenheid in staatszaken, die in de 4e eeuw geleefd, zeer hooge waardigheden bekleed, doch eindelijk, der onrust moede, zich in de eenzaamheid begeven en aldaar zijn tijd in de oefening der godzaligheid doorgebracht heeft, raadt de gedachtenis der rechtvaardigen tot dat oogmerk zeer krachtig aan met de volgende woorden: „leestquot;, zegt hij, „gedachtig zijnde aan de toekomstige gelukzaligheid, met allen vlijt het leven der vaderen, de belijdenissen der geloovigen, de smarten en mar-teldooden der bloedgetuigen, opdat eene heilige navolging u aandrijve en brenge tot een hemelsch koningrijkquot;

Vooral is de gedachtenis der rechtvaardigen, als een welriekende reuk, zeer ter hartsterking van \'s Heeren begenadigden, wanneer hun geestelijk leven als aan het kwijnen is, en zij in de oefening der godzaligheid trage handen en slappe knieën hebben; of wanneer zij als verdrukten, door onweder voortgedrevenen en ongetroosten , moedeloos neder-zijgen.

In het eerste geval kan de gedachtenis van uitmuntende rechtvaardigen, „wier pad was gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot den i vollen dag toequot; 2) wonder veel toebrengen ter aansporing van verslapte heiligen, om vurig van geest

!) In zijne boeken over \'t lezen van geestelijke zaken, hoofdst. XXXII.

2) Spreuken IV : 18.

XIX

-ocr page 24-

VOORREDE.

weder op te richten de trage handen en de slappe knieën, om rechte paden te maken voor hunne voeten, opdat hetgeen kreupel is niet verdraaid, maar veel meer genezen worde *).

O, toen de ijver der Korinthiërs en de gedachtenis daarvan als een liefelijke geur die daarvan uitvloeide, bi] andere gemeenten bekend werd, toen werden die ook er door opgewekt, 2 Kor. IX : 2.

En als het meerder deel der broederen in den Heere te Filippi kennis kreeg en rook den liefelijken reuk van Paulus\' godvruchtig gedrag, van zijne standvastigheid en kloekmoedigheid, die hij betoonde in zijne banden, zoo werd hun matte hart daardoor gesterkt; zij kregen er vertrouwen door op God en op de goede zaak van het Evangelie, dat Paulus predikte; zij werden ook zeiven in het belijden van en in het vrij uitkomen voor de waarheid zeer vrijmoedig en kloekmoedig, en durfden overvloediger het Woord onbevreesd spreken, Filipp. I: 14.

XX

Ook dient de gedachtenis der rechtvaardigen en van hunne welriekende godvrucht in het ander geval zeer tot hartsterking, aanmoediging en troost van kleinmoedigen, verdrukten, door onweder voortgedrevenen en ongetroosten, als .hun daarbij herinnerd worden al die wegen der liefelijkheid en al die paden des vredes, langs dewelke de Heere die rechtvaardigen geleidt; al die aanmoedigingen waarmede Hij hen opbeurt; al die ondersteuningen, waardoor Hij

\') Hebreeën XII : quot;12, 13.

-ocr page 25-

VOORREDE.

XXI

ze staande gehouden, al die genade- en liefdewonderen, waardoor Hij zoo menigmaal het duistere tot licht, het bittere zoet, en hetgeen krom scheen, recht gemaakt heeft; al die verborgene raadgevingen en besturingen in ongelegenheden; al die blijkbare red-gt; dingen uit menigerlei verzoekingen, al die verschooningen en vaderlijke voorkomingen in om- en afzwer-vingen van achter den Heere; al die worstelingen met en behaalde overwinningen op hunne geestelijke vijanden; al die ootmoedige smeekingen en Goddelijke antwoorden op dezelve; al die eerstelingen des Geestes, die druiftrossen en granaatappels, als voorproeven en als eene vrucht van den boom des levens, [ die in \'t midden van het Paradijs Gods is; al die genaderijke voorzienigheden, waardoor de Heere hen die Hem lief hadden, alle dingen ten goede deed medewerken.

O ! die heilrijke en heugelijke gedachtenis der rechtvaardigen, en van \'s Heeren wonderweg met dezel-ven, geeft zulk een liefelijken geur van zich, en is der ziele zoo verkwikkelijk , dat het hart daardoor met genade gesterkt wordt en do zwakke wel eens merkelijk daardoor opgebeurd, met meer vrijmoedig-^ beid en blijmoedigheid des geloofs zijnen weg op Jehova, als de heerlijkheid van Zijns volks sterkte, wentelen kan, ja gemoedigd uitroepen ; ik ben een held »).

i) Hebr. XIII : 9. Ps. LXXXIX : 18. Ps. XXXVII : 5. 1 Joël III; 10.

-ocr page 26-

VOORREDE.

Eindelijk olie en reukwerk, wijl de geur daarvan de zintuigen liefelijk aandoet en opwekt, verblijdt het hart, Spreuk. XXVII : 9. Waarom in vreugde-gevallen , bijzonder op maaltijden en bruiloften, de aanzittende gasten gewoon waren met welriekende oliën zich te overgieten en zoo de onderlinge vreugde ^ en blijde aandoeningen daardoor op te wekken. 1).

Daarop ziet de uitdrukking van vreugde-olie, Ps. XLV:8; Jes. LXI; 3. Daarop oogt de Prediker met die opwekking: „laat uwe kleederen te aller tijd wit zijn en laat op uw hoofd geen olie ontbrekenquot; 2).

Maar even zoo, ja nog wel meer verheugt en ver-vroolijkt de welriekende geur en gedachtenis van den rechtvaardige het gemoed van een heilige.

Stelt die zicli in den geest voor het oneindig overwicht van Jehova\'s weergalooze deugden en heerlijkheden die hij daarbij ontdekt, dan juicht hij van wege de heerlijkheid des Heeren, en verheugt zich den ganschen dag in \'s Heeren naam 8).

Herinnert, hem die gedachtenis de voorbeeldige godzaligheid van dien rechtvaardige en riekt hij door zijn geheiligd oordeel des onderscheids, den wasem van godsvrucht, dien deszelfs welriekende genaden van zich verspreiden; dan „verblijdt hij zich in de hopequot; 3) uit het geloof aan Gods beloften en uit de vervulling daarvan in zulke uitmuntende voorbeelden,

XXII

1

\') Schacchi Myroth, L. I. C. \'12.

2

Pred. IX : 8.

3

Rom. XXII: 12.

-ocr page 27-

VOORREDE.

dat de weg om het in de oefening der godzaligheid ook tot die hoogte te brengen voor hem niet is toegesloten , en houdt daarop bij den Heere aan, om ook zelf „in gedaante naar het beeld van Gods heerlijkheid hoe langer hoe meer veranderd te worden van heerlijkheid tot heerlijkheid, als door des Heeren Geestquot;

Brengt hem eindelijk de liefelijke geur en de gedachtenis des rechtvaardigen te binnen hoe aangenaam, hoe welgevallig zulk een is bij den Heere, die, gelijk „Hij den weg der rechtvaardigen kentquot; 2), ook „een welgevallen heeft aan denzelven, om dien liefelijken reukquot;, Ezech. XXI: 41; hij schept daaruit ook voor zich zeiven, in bewustheid van zijne oprechte gezindheid om mede als een „rechtvaardige in alle \'s Heeren geboden en rechten onberispelijk te wandelenquot;1), een blijde geloofshope op het heil des Heeren, die, gelijk Hij \'t beloofd heeft, het ook zekerlijk doen zal. „Immers is er vrucht voor den rechtvaardigequot; 2). „De Heere zal den rechtvaardige gewisselijk zegenen en hem met goedgunstigheid kroonen als met eene rondas. „De rechtvaardige zal in eeuwigheid niet bewogen wordenquot; 6). O neen! Hem zal geen leed wedervaren tot zulk eene maat, tot die volkomenheid of rijpheid, dat hij daaronder versmachten en daaronder zou blijven liggen 6). Integendeel, de rechtvaardige wordt

XXIII

1

i) 2 Kor. III : 18. 2) ps. i: 6. 3) Luk. I : 6.

2

Ps. LVIII; 12. 5) Spr. X : 30.

-ocr page 28-

XXIV VOORREDE.

uit de benauwdheid bevrijd en, loopende tot \'s Heeren naam als tot eenen sterken toren, „gesteld in een boog vertrek Ja! de Heere zelf zal eens omtrent bet rechtvaardige volk bevel geven: „doet de poorten open, dat bet rechtvaardige volk daarin ga, \'t welk de getrouwigheden bewaart 1).

Waarop de „rechtvaardigen zullen ingaan in het eeuwige leven, en blinken gelijk de zon, in bet koningrijk van bunnen Vaderquot; 2).

O heerlijk getuigenis, dat hier Salomo aflegt van den rechtvaardige, die zich onverzettelijk vasthoudt aan de gerechtigheid des geloofs, waardoor hij voor God gerechtvaardigd wordt, en aan de gerechtigheid des levens, waardoor hij „gerechtigheid werkt, zijne zaken met recht beschikt en op den weg der gerechtigheid wandelt, in bet midden van de paden des rechts 3).

Zijn welriekende geur, die van zijne geurige genade uitvloeit, en zijne gedachtenis daardoor veroorzaakt zal tot zegening wezen.

Men zal wegens dezelve God in het aangezicht zegenen en met blijde dankzegging groot maken.

Men zal dien rechtvaardige zeiven bij anderen zegenen en lofspreken tot zijne gedachtenis.

Ook zal zijn liefelijke geur en gedachtenis tot

1

) Jes. XXVI: 2.

2

) Matth. XXV : 45; XIII: 43.

3

) Spreuken VIII: 20.

-ocr page 29-

voorrede xxv

zegening zijn door den zegen dien er de Heere over gebieden zal.

II. Ofschoon nu het getal van zulke rechtvaardigen in het midden van ons krom en verdraaid geslacht zoo klein is, dat men ten aanzien van de groote menigte, wel zeggen mag: „daar is niemand rechtvaardig, ook niet éénquot; \') en deswege tot God klagen: „o Heere, behoud, want de rechtvaardige (zoowel als de goedertierene) ontbreektquot; 1); zoo zijn er echter nog altoos eenige Noachs te vinden geweest, waarvan de Heere zeggen kan: „u heb Ik gezien rechtvaardig voor Mijn aangezicht in dit geslachtquot; 2).

Een zoodanig rechtvaardige, wiens welriekende en gedachtenis nog tot zegening is, was ook de weleerwaarde , zeer geleerde en godzalige heer Petrüs Immens , die den reuk zijner godsvrucht door het geschrift, dat u in de volgende bladen ter uwe nuttige stichting wordt medegedeeld, openbaar maakt.

A. Ik zeg het met alle vrijmoedigheid: die voortreffelijke Gods-man was waarlijk een rechtvaardige.

a. Zijne godvruchtige opvoeding was hem, in den weg van des Heeren gunstrijke voorzienigheid, daartoe een zeer gewenscht en gezegend middel.

De godzalige, nu zalige heer Jacob Hanappier , laatst geacht en geliefd leeraar in de gemeente van Jezus Christus te \'s Gravendeel, gaf mij kort voor zijn\' dood daarvan eenig bericht, dat hij zelf uit den

1

!) Rom. III: 10. *) Ps. XII: 3.

2

Gen. VII; 1.

-ocr page 30-

voorrede.

mond van den heer Immens , met wien hij zeer gemeenzaam verkeerd heeft, ontvangen had.

De aanleiding, hem daartoe vergund, was zoo gedenkwaardig, dat er mijn hart door wordt opgewekt om deze en Gods wonderweg met dien worstelenden Jacob, reeds in vroegeren leeftijd gehouden, bij deze gelegenheid uit zijn eigen aanteekeningen in een kort tafreel te vertoonen, ter roemruchtige verheffing van \'s Heeren macht, liefde en trouw jegens hem; ook ter gezegende gedachtenis van dien rechtvaardige.

De heer Jacob Hanappiek, te Nantes in Frankrijk, uit zeer aanzienlijke ouders, beiden van den Room-schen godsdienst, geboren, was in zijne jeugd der Roomsche kerk met veel ijver toegedaan, waardoor hij de liefde zijner ouders en het genoegen van zijne vrienden zeer tot zich trok.

Dertien jaren oud zijnde, werd hij door zijn vader naar Holland gezonden , om de Nederduitsche taal te leeren en tot den koophandel bekwaam gemaakt te worden. Doch zijn vader, zeer bekommerd over hem, stelde alles in het werk om, ware het mogelijk, gedurende de afwezigheid van zijn zoon, in des-zelfs plaats een ander Hollandsch kind bij zich te krijgen, omdat bij zijns zoons terugkomst wederom tegen hem uit te wisselen.

Maar dit gelukte hem niet, waarin Gods wonderweg van achteren blijkbaar te zien was.

De jonge Hanappiee na eene zeer gevaarlijke reis behouden in Holland aangekomen, werd straks te Bodegraven ter school besteld en kreeg daar aller-

xxvi

-ocr page 31-

VOORREDE. XXVII

eerst een afkeer van den vleeschelijken godsdienst der Roomschgezinden.

Deze allengskens bij hem toenemende, werd zijn lust daardoor opgewekt tot onderzoek van Gods Woord, waardoor hem als een schemerlicht van den dageraad der genade begon op te gaan.

Veel las hij ook in „des Christensreize naar de eeuwigheidmet die gezegende vrucht, dat ziin gemoed daardoor aangespoord werd, om zich met dat volk op die groote reize in éénen geest te vereenigen en een gezel te zijn van diegenen, die God vreezen.

Te Rotterdam vervolgens gekomen, om daar tot zijn oogmerk op een koopmanskantoor te gaan, deed hij tegelijk alle naarstigheid tot onderzoek van den hervormden godsdienst en van de leer der waarheid, die naar de godzaligheid is tot de hope van het eeuwige leven.

Hij zocht ook en kreeg daar bekwame gelegenheid tot een gemeenzaam verkeer met verstandige en deugdzame Christenen.

Onder het gebruik van die middelen deed de Heere zijn hart dikwijls gevoelig aan. Diep werd hij ingeleid in den gruwel van zijne zonden, en kreeg daarbij de genade van veel en ernstig te bidden om bewaring en kracht tegen dezelve. Vooral toen hij op zijn kantoor aan de grootste verzoekingen en gevaren blootgesteld, zich bevond op eene zeer gladde plaats, opgescheept met een paapschen kantoorknecht, die sterk bij hem aanhield, dat hij bij

-ocr page 32-

VOORREDE.

den Roomschen godsdienst zou blijven. Eens bracht deze het zóó ver, dat de jongeling, schoon tegen zijn wil, met hem mede ging in de Roomsche kerk. Doch zijn geprangd geweten dreef er hem weer uit, eer de dienst nog geëindigd was , en hij weigerde volstandig voor den afgod ooit neder te knielen.

Terwijl ondertusschen door zijn verkeer met de vromen zijn lust meer ontvonkt werd tot den waren godsdienst, en hij hoe langer hoe meer van de Roomschgezinden zich afscheidde, sloeg het gerucht daarvan over tot zijne vrienden, die van toen af allerlei listige aanslagen gebruikten om hem weder naar Nantes te brengen.

Hij kwam daarop in groote bekommering aan het huis van een koopman die, door zijne vrienden aangezocht, alles in \'t werk stelde om hem bij de eerste bekwame gelegenheid heimelijk weg te helpen.

Doch de Heere ontdekte dien aanslag en verloste hem uit dien dringenden nood, terwijl hij door de zorg en bestelling van godzalige lieden, bij eenen godvruchtigen Franschen schoolmeester geraakte, in wiens huis hij in bewaring werd gehouden tegen het geweld en de lagen van zijne vrienden.

Daar kreeg hij, wat zijn bestaan vcor den Heere betreft, eene veel klaardere ontdekking van zijn deer-niswaardigen toestand, waardoor zijne ernst steeds toenam om in diepe verlegenheid met sterke roeping en tranen den Heere achteraan te kermen, om genade te mogen vinden en barmhartigheid te erlangen tot eene tijdige hulp.

XXVIII

-ocr page 33-

voorrede.

De heilige bewegingen werden in hem nog meer aangekweekt en verlevendigd door het onderwijs en verkeer, ook de liefde en hulp van de godzalige Dinant en Hellenbeoek , Brakel en Supebville, die toenmaals uitmuntende leeraars in de Rotterdamsche gemeente, dezen als een vuurbrand uit het vuur zochten te rukken.

Doch daarop kwam nog voor hem een dag der benauwdheid en van gedurigen angst.

De tijd die voor zijn verblijf in Holland bepaald was liep naar het einde.

Hij verzocht zijn vader om nog één jaar te blijven.

Maar te vergeefs. Het gerucht van hem uitgegaan, maakte op \'t gemoed van zijnen vader zulk een krach-tigen invloed, dat die hem gebood ten spoedigste naar huis te keeren.

Doch hij was noch door lief noch door leed daartoe te bewegen.

Liever verkoos hij als Mozes „met het volk van God kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben, en achtte de ver-smaadheid van Christus meerderen rijkdom te zijn dan al de schatten van het Roomsche Egyptequot; \'). Toen rukte de satan al zijne macht tegen hem aan en spande hem overal netten, om hem eindelijk gevangen te nemen en naar Frankrijk heen te voeren.

xxix

Doch de Heere beschikte het telkens zoo in den weg Zijner voorzienigheid, dat de aanslag ontdekt

]) Hebreen XI: 25 , 26.

-ocr page 34-

VOORREDE.

werd. „Hij maakte de gedachten van die arglistigen teniet, dat hunne banden niet één ding konden uitrichten. Hij ving die wijzen in hunne arglistigheid, waardoor de raad dier verdraaiden verstoord werdquot; *).

De Goddelijke bewaring deed het gemoed van den jongeling gevoelig aan. Hij zag er Gods hand in en werd er door in zijne welberadene keuze bevestigd.

Toen schreef hij aan zijn vader omtrent zijne verandering en gezindheid in het stuk van den godsdienst, en drukte tegelijk op eene zeer bewegelijke wijze uit zijne gevoeligheid en hartzeer over zijner ouders en vrienden beschreienswaardigen toestand in de gemeenschap der Roomsche kerk, onder opzien tot den Heere, dat zij ook, als dwalende schapen, van hunnen dwaalweg mochten terecht gebracht en krachtdadig bekeerd worden tot dien eenigen Herder en Opziener van onsterfelijke zielen, den Heere Jezus Christus, die Zijne schapen leidt in het spoor der gerechtigheid, om Zijns naams wil.

Doch hierdoor werd het gemoed van zijnen vader in die mate verbitterd, dat deze daarop aan een van zijne vrienden te Orleans schreef, dat die hem of levend of dood moest te huis bezorgen.

XXX

En tenzij de Heere bij hem geweest ware, toen zouden zij hem levend verslonden hebben, als hun toorn tegen hem ontstak. Toen zouden hem de wateren overloopen; toen zou een stroom over zijne

i) Job V : 12, 13.

-ocr page 35-

VOORREDE.

ziel gegaan zijn. Toen zouden de stoute wateren over zijne ziel gegaan zijn.

Men zocht hem met list te vangen en dagvaarde hem, kwanswijs en met eenen bedriegelijken toeleg om hem in handen te krijgen, om des anderen daags op het stadhuis te verschijnen.

Hij, in twijfel om of al of niet te gaan, zocht hierover des Heeren aangezicht en won daaromtrent den raad der godvruchtigen in, waarmede hij verkeerd had. Het besluit was, dat hij zijnen weg op den Heere wentelende en het Hem toebetrouwende, op den gestelden tijd naar \'t stadhuis zou gaan.

De Heere was hem ook goed en wekte zijn hart zeer op, om vol moeds en gloeds zelfs voor koningen te spreken van \'s Heeren getuigenissen, zonder zich te schamen.

Doch de „volvaardigheid zijns gemoeds, naar welke iemand aangenaam isquot; \'), daar zijnde, deed de Heere hem eene godzalige juffrouw, moeder van den heer predikant Superville , aan wiens huis hij \'s avonds te voren met het godvruchtige gezelschap geraadpleegd had, tijdig ontmoeten.

Deze, bericht over den bedriegelijken aanslag, was op weg naar zijn huis om hem te waarschuwen, doch hij reeds uitgegaan zijnde, deed hem de Heere haar ontmoeten.

XXXI

Zij, schoon ze hem van aangezicht niet kende, had echter door eene bijzondere besturing van de

i) 2 Korinthen VIII : 12.

-ocr page 36-

VOORREDE.

Voorzienigheid het oog op hem, en vroeg hem of hij die jongeling niet was, die \'s avonds te voren bij haren zoon geweest was! Toen hij daarop ja antwoordde, raadde zij hem naar \'t stadhuis niet te gaan, wijl zij met zekerheid wist, dat men toeleg maakte om hem te vangen en naar Frankrijk over te brengen, waarop hij welberaden tehuis bleef.

„Zoo weet de Heere de godzaligen te verlossen uit de verzoekingquot; „Zijne ziel ontkwam als een vogel uit den strik des vogelvangers. De strik werd gebroken en hij is \'t ontkomenquot; 1).

Echter van toen af in het Rotterdamsche Zoar niet meer veilig zijnde, beschikte de Heere hem zooveel als een stedeken Pella: hij werd door de Rotterdamsche vrienden bekend met den zaligen heer Feede-eik van Houten , toen zeer getrouw leeraar in de gemeente van Jezus Christus in de Kaag, bij Leiden. Deze nam hem bij zich in zijn huis en onder zijne bescherming.

Maar dit veroorzaakte nieuwe bewegingen bij de Roomschgezinden, die, opgezet door zijnen vader, zoodra zijn vertrek uit Rotterdam bekend werd, niet als moord en dreiging begonnen te blazen.

Men dreigde Hollandsche kinderen ook alzoo in Frankrijk te zullen houden.

XXXII

Men vervoegde zich bij den magistraat van Rotterdam , die deze zaak onderzocht en met veel ernst behandelde.

1

Psalm CXXXIV : 17.

-ocr page 37-

VOORREDE. XXXIII

Ondertusschen werden de begunstigers van den jongen Hanappier te rade, dat hij voor den magistraat in den Haag openlijk getuigenis zou afleggen van zijne oprechte en ongedwongene gezindheid tot den hervormden godsdienst.

Dat deed hij met alle vrijmoedigheid, eerst afzon-i derlijk, daarna in het openbaar voor de gansche overheid.

Dit getuigenis werd daarop overgezonden aan de regeering te Rotterdam, die door de heeren Bbakel en Supeeville van de\' gansche zaak reeds onderricht, op dat ingekomen getuigenis met eene welberaden overeenstemming heeft goedgevonden, dien jongeling te nemen onder hunne bijzondere bescherming en de voornoemde Roomschgezinden en den koopman met de zijnen uitdrukkelijk te gebieden, van het vervolgen van hem geheel af te zien.

Zoo gaf de Heere hem opnieuw hulp uit de benauwdheid en voerde hem uit in eene overvloeiende ver-versching.

Van toen af brak hij door alle hinderpalen heen, en nam met eene heilige grootmoedigheid voor in den Heere om, tredende in de voetstappen van Levi, „tot zijnen vader en tot zijne moeder te zeggen: ik zie hen nietquot;, ik sla hen niet gade, „en tot zijne broeders: ik ken, dat is, ik erken ze nietquot; *). In gewillige verloochening van alle, zelfs de aangenaamste schepselen, zijne naastbestaande vrienden.

i) Deut. XXXIII : 9.

3

-ocr page 38-

voorrede.

met hunne vriendschap en gunst, ook met al hunne tijdelijke goederen, aanzien en gemakken, die daaraan verknocht zijn, verliet hij het pausdom, en kwam door het beroep van Ds. Van Houten naar Middelburg, tot ons over in het jaar 1702.

Hier te Middelburg genoot hij niet alleen veel liefde, maar ook uitnemende stichting van dien uitmuntenden Gods-man, Middelburgs dierbaar kerk-juweel, den zaligen Van Houten, die hem bij zich in zijn huis hielp en tot eenen geestelijken vader verstrekte.

Uit die betrekking sprak hem vader Van Houten veeltijds dus aan: mijn zoon Jacob! gelijk die hem ook wederzijds als zijn geestelijken vader diep eerbiedigde en zeer teeder beminde. Gedurende de lammigheid, waarmede de vrijmachtige Jehova in \'t jaar 1705 den heer Van Houten bezocht, en die hem ruim zes maanden tot den heiligen dienst onbekwaam maakte, bewees hem zijn oprecht zoon in \'t geloof, de beer Hanappier , alle mogelijke liefdehulp. Hij was ook in dien tijd het gezegende werktuig, waarvan de Heere zich bediende tot bewaring van vele gezangen en gedichten, die het werkzaam gemoed van den godvruchtigen en dichtlievenden heer Van Houten opgaf, en die, uit zijnen mond door dezen zijnen geestelijken zoon opgeschreven, daarna nevens meer anderen gedrukt, en met vele aangenaamheid ontvangen, door alle godvruchtigen met zonderlingen zegen en vrucht gelezen en gezongen worden.

xxxiv

-ocr page 39-

voorrede.

Door zulke bijzondere voorzienigheden baande de Heere voor den jongen Hanappieb den weg tot de heilige bediening, waartoe hij een blakend en lust had, die door zijn geestelijken vader en andere god-vruchtigen steeds in hem werd opgewekt.

Hij maakte ook ter bereiking van dat oogmerk in het jaar 1705 een begin, om de Latijnsche en Griek-sche taal hier te leeren.

Ondertusschen kreeg hij de tijding van zijns vaders dood, wat hem te onbelemmerder maakte in de voortzetting van zijn voornemen tot zoover, dat hij in \'tjaar 1707 naar Leiden\'s hoogeschool zich begevende, daar zijne letteroefeningen met lof heeft voortgezet.

Van daar keerde hij weder in de maand November van \'t jaar 1710 naar Middelburg, en nam wederom zijn intrek bij den heer Van Houten , die toen zeer begeerig was, om zijn geestelijken zoon tot den dienst van het Evangelie bevorderd te zien. Dikwijls zeide hij, en nog kort voor zijnen dood: ik verlang om mijnen Jacob nog eens op den predikstoel te zien, want ik geloof, dat bij een Boanerges, een donderzoon , zijn zal.

Doch de Heere, naar zijne vrijmacht, gaf hem die * begeerte niet, maar loste vader Van Houten kort daarna af van zijnen post door een zaligen dood, die inviel op den tweeden April van het volgende jaar 1711.

Zoo voer die geestelijke Elia ten hoogen hemel in, w terwijl zijn geestelijke Elisa hem achterna riep: „mijn

3*

xxxv

-ocr page 40-

VOORREDE.

Vader, mijn Vader, wagen Israëls en zijne ruiters!quot; \')

Van toen af nam de heer Immens , die met vader Van Houten verkeerd had als David met Jonathan, den jongen heer Hanappieb aan als zijn zoon, en hij zich in zijn huis.

De jongeling gaf zich in dat zelfde jaar in de maand Juli bij de classis van Walcheren aan , om omtrent zijne bekwaamheid in de heilige godgeleerdheid onderzocht en op gegevene proef tot den heiligen dienst te worden toegelaten.

Dit tot genoegen verricht en hij maar een korten tijd proponent geweest zijnde, werd hij al vroeg verwaardigd om \'t Evangelie der heerlijkheid des zaligen Gods te bedienen in de gemeente des Heeren te Kapelle, in Zuidbeveland, waar hij in het voorjaar van het jaar 1712 beroepen werd.

Daar bleef zijn eerwaarde niet langer als tot het einde van het volgende jaar 1713, wanneer hij beroepen werd te \'s Gravendeel, bij Dordrecht.

Hij nam zijn afscheid van zijne eerste gemeente met Mozes plechtige betuiging; Deut. XXX : 9, ik neme heden tegen u lieden tot getuigen den hemel en de aarde. Het leven en den dood heb ik U voorgesteld, den zegen en den vloek. Kiest dan het leven , opdat gy leeft, gij en uw zaad.quot;

XXXVI

En werd daarop in zijne tweede gemeente bevestigd den 10 December in dat zelfde jaar, predikende bij zijne intrede uit Ps. XXXIV ; 5, „Komt gij kin-

\') 2 Kronieken II : 42.

-ocr page 41-

VOORREDE.

ders, hoort naar mij. Ik zal u des Heeren vreeze leeren.quot; In beide die gemeenten heeft hi] het Woord des Heeren met ongemeenen ernst gepredikt en dezelve door zijn godvruchtig voorbeeld in heilige wandelingen en godzaligheden zeer gesticht, met die heugelijke uitkomst, dat deze en die onder zijnen dienst, in Gods Sion geboren werden, die de Allerhoogste ook heeft bevestigd \').

Weinige weken voor zijne zalige ontbinding verhaalde zijn wei-eerwaarde hier te Middelburg, ten mijnen huize, aan mij en aan eenige goede vrienden in den Heere, die er tegenwoordig waren, tot verheerlijking van, Gods macht en liefde, dat de Heere hem in de gemeente van \'s Gravendeel twee voorname oogsttijden vergund had, waarin zijn dienst merkelijk was gezegend, en vele kostelijke zielen als een rein tarwegraan in de schuur der kerk waren ingezameld.

Terzelver tijd berichtte nog zijn eerwaarde, die toen wonder opgewekt en zeer levendig was, met dankzegging aan den Heere, den bijzonderen zegen, dien de Heere weinige dagen te voren geboden had over zijne graaggetrouwe pogingen, die hij in het naburige Sluis, waar hij zich eene korte wijl om zijne vrienden te bezoeken had opgehouden, met zonderlinge levendigheid van gemoed , alsof hij er zijnen zwanenzang zong, in den Heere had aangewend.

XXXVII

Hij heeft ook kort daarna het loon van eenen

gt;) Ps. LXXXV1I : 5.

-ocr page 42-

voorrede.

graaggetrouwen dienstknecht des Heeren ontvangen en is den 12 Juni 1751, na eene ziekte van negen dagen, veilig en heilig, godzalig en gelukzalig, in den Heere ontslapen.

Naar zijn inwendig bestaan voor den Heere wandelde hij ootmoedig met God; ook wel in het licht van \'s Heeren vriendelijk aangezicht, doch niet zonder wolken, die de Heere echter, die licht geeft\'), dan wederom door den opgang van de Zonne der gerechtigheid 1) in zijne ziele, tot zijne vertroosting en blijdschap verdreef. Zijn krankbed was als een predikstoel.

.Dit verdroot den vijand en wraakgierigen satan, die zelfs in de laatste oogenblikken met groote verwoedheid nog op hem aanviel.

Hij daarentegen , zich sterkende in den Heere, riep „den vorst van het heir des Heeren, vorst Michaël, 2) dien held, bij wien hulp besteld isquot;, ter hulp.4) Men hoorde hem, met luider stemme eens en andermaal roepen : Michaël! Michaël! Waarop hij den goeden strijd des geloofs heeft volstreden, en, als een die wettig gestreden heeft, met de onverderfelijke en onverwelkelijke kroon der heerlijkheid is bekroond geworden.

Uit zijn eenig huwelijk, dat hij in \'t jaar 1713 aanging met juffrouw Saea Steijpe, die \'t gemis van zulk een dierbaren echtgenoot betreurt, heeft hij nevens eene

xxxviii

1

i) Ps. CXVIII : 27. 2) Mal. IV : 2.

2

Joz. V : 14. Dan. XXII: 1. *) Ps. LXXXIX : 20.

-ocr page 43-

voorrede. xxxix

dochter en eene kleindochter nog twee zonen nagelaten, waarvan de jongste, der heilige godgeleerdheid gewijd, den 3 Februari van dit loopende jaar voor de classis van Walcheren proponent is geworden.

De Heere verwaardige hem, dat hij de voetstappen der godzaligheid van zijnen heer vader ijverig drukke, en in de toebrenging des Geestes des levens in Christus Jezus, geheiligd worde tot dienst der kerk en inwinning van vele onsterfelijke zielen, die hier zijne blijdschap zijn mogen en hierna zijne kroon in Christus\' dag!

Mijne bijzondere hoogachting en liefde, die ik den zaligen heere Hanappiee heb toegedragen, wekten mijn hart op tot dezen uitstap, die mij echter wederom brengt daar ik wezen moest; want, terwijl zijn eerwaarde bij vader Immens inwoonde, heeft hij meermalen uit den mond van dezen gehoord eenige voorname bijzonderheden, die het volgende historische bericht inhoudt.

De heer Immens werd te Oirschot, in de Meijerij van \'s Hertogenbosch, den 26 October 1664 geboren, niet alleen uit eerlijke, maar ook uit godvruchtige ouders, dat, schoon de genade geen erfgoed is, echter voor een dierbaar voorrecht te houden is, dewijl zulke kinderen de zielsernstige voorbidding hunner ouders, hun deugdelijk voorbeeld en een godvruchtige opvoeding vooruit hebben.

Zijn vader was Robektos Immens, predikant in de gemeente te Oirschot, zeer geacht en beroemd wegens zijne teedere en voorbeeldige godzaligheid.

-ocr page 44-

VOORRKDE.

Deze werd, proponent zijnde, in \'t jaar 1648 door de groote kerkvergadering, vergaderd binnen \'s Hertogenbosch, tot predikant te Schijndel beroepen, en van daar te Oirschot, waar hij ook overleden is.

Zijne moeder was de verstandige en vrome juffrouw Maria van der Delien, dat pronkjuweel der christenvrouwen , dochter van den wei-eerwaarden en god-vruchtigen heer Nikolaas Anthoni van Delien , die een der eerste predikanten van \'s Hertogenbosch, aldaar in den heiligen dienst ingezegend werd op den 18den der maand Augustus in het jaar 1630, en is tot algemeene en ongemeene droefheid van zijne gemeente, op den 3 October van dat zelfde jaar aldaar overleden.

Zij was ook eene godvruchtige dichteres, en heeft verscheidene geestelijke gezangen nagelaten, die in den bundel der gezangen, door Akriaan van Loo bijeengezameld en in het licht gegeven, nog voorhanden zijn.

Zij zijn deze navolgende:

Klacht eener benauwde ziel in geestelijke verlatingen. Eene zielszucht tot den Heere Jezus.

Overdenking van onze zwakheid en de groote noodzakelijkheid van Gods genade en hulp. Een danklied.

Eene zielsopwekking.

Meditatie over Spreuk. XXIII: 26. Mijn zoon, geef

mij uw hart.

Een klacht tot God.

Wederom: Een lied.

XL

-ocr page 45-

VOORREDE.

Strijd tusschen vleesch en geest.

Gebed, om voor God te leven.

Eens christens kloekheid.

En nog eindelijk: Een gebed tot Jezus, dat zij met deze hartelijke zielszuchtingen besluit:

„Ik verlange, vroeg en spade,

„En zie uit naar Uw genade,

„Jezus! naar Uw heilig bloed;

„Neig mijn hart en mijn gemoed.

„Laat m\' er toch de kracht van voelen „Tegen al het zondig woelen,

„Dat niet ophoudt in mijn hart,

„Tot mijn leed en groote smart.

„Heer, dat zou mijn hemel wezen,

„Wil toch mijne ziel genezen,

„O Gij oorsprong aller deugd ,

„O Fontein van alle vreugd.

„Mag ik dat van U ontvangen;

„Nergens zal ik naar verlangen,

„Als dat ware dankbaarheid „U van mij mag zijn gezeid;

„Als dat ik mijn gansche leven „U ten dienst mag overgeven;

„Als dat ik mijri leven lang „U mag geven lof en dank ;

„En gulhartig mij verbinde,

„O Heer Jezus, mijn Beminde,

„Steeds te leven naar Uw wet,

„Die Gij mij hebt voorgezet.quot;

Dit godvruchtig paar werd van den Heere gezegend met een- talrijk kroost.

Zij verwekten samen 12 kinderen, drie dochters en negen zonen, waarvan er vier tot den dienst van het heilig evangelie bevorderd zijn.

XL1

-ocr page 46-

VOORREDE.

De opvoeding die zij aan hunne kinderen gaven,

was zeer deftig en niet minder teederhartig. w

Niemand van de kinderen, van den kleinste tot h

den grootste, durfde in tegenwoordigheid hunner n

ouders spreken. b

Zelfs de oudste zoon, van de hoogeschool te huis ^ n

gekomen, bleef met het zelfde ontzag aangedaan, z

en aan de tafel zittende sprak niet, totdat hem zijn b

vader zelf daartoe vrijheid vergunde en tot hem n

zeide: zoon, nu is \'t u geoorloofd te spreken. g

Zoo volgde hij de les van vader Tillotson , die

den ouders dezen liefderaad gaf: leert, zeide hij, de g

kinderen zwijgen, inzonderheid in de tegenwoordig- k

heid van hunne meerderen. Als zij deze les kennen, g

prent hun dan vervolgens in, niet te spreken als ^ met bedachtzaamheid, zoowel van wat zij spreken,

als voor wien zij spreken. \') p

Daarbij boezemden zij hunne kinderen nadrukkelijk k de vreeze des Heeren in, en zochten hen tot eene

vroege godzaligheid op te leiden, gelijk Abraham v zijnen kinderen en zijnen huize na hem bevelen gaf,

dat zij den weg des Heeren zouden houden, om te g

doen gerechtigheid en gerichte, waarvan hem de \'V n

Heere zelf getuigenis gaf.2) d

Gelijk ook Job zijne kinderen heiligde, en David -fc aan Salomo, en die wederom aan zijnen zoon nadrukkelijke opwekkingen tot godzaligheid gaf. 3) ___Jlt;

K

i) II D., bl. 425. 2) Gen. XVIII ; 19. v

3) Job 1:5. I Kron. XXVIII: 9. Spreuk. IV ; 3, 4. t

XLII

-ocr page 47-

voorrede.

Ook de eerste christenen maakten daarvan veel werk. Augustinus verhaalt van zijne moeder Monika , hoe zij voor zijne bekeering hem dagelijks voorkwam met raadgevingen en smeekingen; hoe zij hulp en bijstand van vrome mannen verzocht en den hemel moeielijk viel om haars zoons behoudenis, met vele zuchtingen en tranen, zoover, dat de godzalige Am-brosius tot haar zeide: wees gerust, het is niet mogelijk dat een zoon van zoovele tranen verloren gaat \').

De vrucht daarvan is ook dikwijls zeer overvloedig geweest tot heerlijkheid van God, ten nutte der kinderen en tot der ouderen blijdschap in den Heere, gelijk in Abia, Obadja, Josia, Jeremia, Timotlieus, Augustinus en anderen gezien is 2).

Die gezegende heilsvrucht plukte ook dat gezegend paar van de godvruchtige opvoeding die zij hunnen kinderen gaven.

De meesten toonden doorslaande blijken van godvrucht.

Een der zonen, Samdêl genoemd, is predikant geweest te Poortvliet, bij Tholen. Deze, toen hij ^ nog te Utrecht ter studie lag en tegen zijn genoegen door een zijner goede vrienden was uitgelokt en

4) Lib. III. Confess, c. 21.

2) 1 Kon. XIV : 13, XVIII ; \'12. 2 Chron. XXIV ; 1—3. Jer. 1:5. 2 Tim. III : 15. Andere voorbeelden heeft de heer Koelman uitgegeven, die achter Guthrys groot Intrest te vinden zijn. En de godzalige W. Eversdijk in zijn „Lof des Heeren uit den mond der kinderen quot;

xliii

-ocr page 48-

voorrede.

xliv

bewogen om mede naar de kerk te ga:in, waar de ^ va groote Witsius, toen hoogleeraar der heilige godgeleerdheid te Utrecht, zou prediken, werd hii gele- is genheid dat die voortreffelijke gods-man predikende pj over 1 Sam. 111:10, een en andermaal onder leven- gj dige aandoeningen, dien uitroep uit zijnen text, — Samuël! Samuël! herhaalde, zoo krachtig aangedaan, u dat het was alsof eene stem uit den hemel hem bij re zijnen eigenen naam toeriep. Hij werd onder de* zi-leerrede tot gemoedelijke indrukken bewrocht over (j( zijnen eeuwigen staat, zijn hart werd hem geheel omgezet en hij binnen korten tijd tot een juichend ge Christendom opgeleid. Zijn dienst in het Evangelie te Poortvliet is ook den ge heiligen aangenaam en bij velen zeer gezegend geweest. ^ Doch het behaagde den Heere , dezen zijnen graag- (jg getrouwen dienstknecht al vroeg en in de kracht van (jj zijn leven van zijnen post af te lossen en te doen ge ingaan in de vreugde van zijnen Heere. Omtrent ve zijn Eerw. is mij nog dit gedenkwaardige bericht ge voorgekomen. Op zekeren tijd nam hij, ofschoon gezond en frisch , in eene plechtige leerrede afscheid m van zijne gemeente, haar betuigende, dat hij henen- \' gC ging naar zijnen vader te Oirschot, om aldaar te uj sterven. Gelijk hij dan ook, in het huis van zijnen \' vader te Oirschot intredende en door zijne zuster, nj Maria Immens, verwelkomd, tot haarzeide: zuster ik m kom hier in vaders huis, om over te gaan in mijn Vaders huis daar boven. Het gebeurde ook zoo. }lt Hij werd kort daarop ziek en is daar aan het huis ^

-ocr page 49-

voorrede.

van zijnen vader gestorven en te Oirschot begraven.

Een andere zoon , die ook met de heilige bediening is verwaardigd geworden, was Robert Immens, die predikant geweest is te St. Anne ter Muyden, bij Sluis in Vlaanderen. Ook deze toonde reeds vroeg beginsels van godsvrucht, die ten tijde als hij op Utrechts hoogeschool zijne letteroefeningen voortzette, reeds zoo doorbraken, dat door zijtien ernst sommigtlh zijner medeleerlingen tot eenen heiligen naijver werden opgewekt.

Oude en beproefde godzaligen, die met zijn Eerw. gemeenzaam verkeerden , hebben meermalen aan voorname christenen, die nog leven en die de goedheid gehad hebben mij dit bericht, met volkomen zekerheid, mede te deelen, verhaald en met roem gemeld den onvermoeiden ijver en getrouwheid van dien waar-digen godsman in zijn heilig dienstwerk, en \'s Heeren genaderijken zegen daarover in de toebrenging van vele zielen door de kracht des Geestes, tot de gemeenschap van den Heere Jezus.

Zijne gemeente nam zeer toe in getal door eene menigte van vluchtelingen, die, om vrijheid van godsdienst uit Frankrijk aangekomen, zich aldaar met der woon hebben nedergezet.

Deze, zeer ijverig en tot beschaming van anderen naarstig in het werken om de spijs, die vergaat, misbruikten ondertusschen de vrijheid van godsdienst, die zij gezocht en nu verkregen hadden tot zorgeloosheid, werden lauw en ongodsdienstig, ja afkeerig van den ernstigen en overtuigden aandrang van den

xlv

-ocr page 50-

voorrede.

heer Immens op de noodzakeliikheid van ware harts-verandering door den Heiligen Geest in de wedergeboorte , waarin zijn Eerw. zoo ernstig aan hield, dat hij zoowel bij de huizen als in het openbaar, voor hun betuigde van het geloof in Christus en het eeuwige belang, dat zij er bij hadden.

En ofschoon zij zich, onder voorwendsel van de bezigheden van hun beroep en noodige kostwinning, aan hem en aan het woord zijner vermaning zochten te onttrekken, zoo stelde hij zich zoo dienstbaar, met het oogmerk om ze uit hunne valsche steunselen uit te drijven en hunne zielen voor God en Jezus te winnen, dat hij zich bij den ploeg en ander akkerwerk op het land liet vinden, leerende hen en vermanende met alle biddingen en smeekingen in den Heere Jezus, hoe zij wandelen moesten en Gode wel-behagelijk dienen met eerbiediging en met godvruchtigheid. De vrouwen sprak hij aan bij de karnton, terwijl zij bezig waren om boter te karnen, of in andere noodige huiszorgen. Daar bepaalde hij ze bij zich zelve en onderwees haar in de groote zaak, betreffende hare eeuwige behoudenis. Mijne zeer waarde vriendin in den Heere te Sluis bericht mij, dat uit die gemeente eene vrouw, beproefd in de genade en zeer geoefend, die zij vele jaren gekend heeft en met welke zij ook gemeenzaam placht om te gaan, haar dikwijls verhaald heeft haren afkeer en gemelijkheid tegen den heer Immens , wiens graagge-trouwe opwekkingen en ziels-ernstige waarschuwingen zij steeds van de hand wees met dat onvriendelijk

xlvi

-ocr page 51-

VOORREDE.

antwoord: ik moet arbeiden. Wij kunnen onzen tijd daartoe niet besteden; dat echter zijne aanspraak tot haar bij de karnton het gezegend middel geweest was, waardoor zij tot zich zelve gebracht en tot wezenlijke en gemoedelijke indrukken bewrocht werd.

Veel genoot zijn Eerw. ook van \'s Heeren verborgen liefde, doch niet zonder menigerlei beproevingen.

Eens was hij in zwaren strijd en kreeg voor een korte wijl iets te smaken van dien bitteren kruis-beker, dien zijn koninklijke Hoogepriester voor hem had uitgedronken.

XLVII

Maar dit bittere wist de Heere wederom zoet te maken. Men heeft mij op het getuigenis van geloofwaardige lieden bericht, dat aan dezen graagge-trouwen dienstknecht des Heeren, bij zijne laatste Avondmaals bediening, staande aan de tafel, in de oefening zijner stille aandacht voor zich zeiven, de liefste Heiland als in verrukking is voorgekomen en het brood hem als toereikte, met dit bevel, „neem, eet, dat is mijn lichaamquot;; benevens den drinkbeker, niet alleen met die woorden, „drink daaruit, want dat is mijn bloed, het bloed des nieuwen testaments, hetwelk voor u vergoten is tot vergeving uwer zondenquot;; maar ook onder die bepaling: „Ik zeg U, dat gij van nu aan niet meer zult drinken van deze vrucht des wijnstoks, tot op dien dag, wanneer gij dezelve met Mij zult nieuw drinken in \'t koningrijk van Mijnen Vader »).

i) Matth. XXVI : 26 , 29.

-ocr page 52-

VOORREDE.

Uit die verrukking tot zich zeiven gekomen, bewaarde hij onder indruk d:e genaderijke ontmoeting in den zin der gedachten van zijn hart, besloot uit dezelve, dat deze zijne laatste Avondmaalsbedie-ning en genieting zijn zou, en gaf zulks nog dienzelfden dag aan éénen zijner bijzonderste vrienden te kennen.

Met die overreding wachtte hij den tijd in. En meer dan eens door zijn vriend gevraagd zijnde, zelfs toen de volgende Avondmaalsbediening reeds zeer nabij was, of hij geen Avondmaal meer met hem houden zou, antwoordde hij bestendig, neen. Hij deed nog de huisbezoeking. Hij hield de voorbereiding. En toen nog frisch en gezond, wederom gevraagd zijnde, of hij geen Avondmaal hier meer zou houden, zeide hij nogmaals, neen.

De Heere gaf hem ook zijne verwachting. Hij kreeg na de gehoudene voorbereiding een schielijken toeval, en werd nog vóór den Avondinaalsdag door eenen zaligen dood ontbonden door zijnen verbonds-God, en geroepen om in te gaan in de vreugde van zijnen Heere om aan te zitten aan het Avondmaal van de bruiloft des Lams en den nieuwen wijn der hemelsche en goddelijke vertroostingen met volle teugen te drinken in het koningrijk van zijnen Vader.

O zalige, heilrijke en heugelijke vergoeding van dien bitteren kruiskelk, die hem voorheen wel was ingeschonken.

Nu kon hij zijnen grooten kruisheld in vollen

XLVIII

-ocr page 53-

VOORREDE.

nadruk naroepen: „de Heere is het deel mijner erve, en mijns bekers

„Die hier met Hem leed, werd en wordt nu ook met Hem verheerlijktquot; a).

God doet Zijn volk ter helle dalen,

En voert hen op naar \'s hemels trans: ^ Zoo rijst de zon met schooner glans ,

Na een verberging van haar stralen3).

Het levenslicht ging hem op, den 7 Juli 1651, en onder, den 8 October 1677, nadat zijn Eerw. den 13 Januari 1675 in den heiligen dienst, met oplegging der handen, in zijne gemeente te St. Anne ter Muiden bevestigd, het Evangelie der heerlijkheid des zaligen Gods daar bijna drie jaren met vrucht en vreugde verkondigd had, in den ouderdom van 26 jaren.

Zijne gedachtenis is ook nog tot zegening door zijne geestelijke gezangen, die door Adriaan van Loc , in zijnen „Bundel van gezangenquot;, aan \'t licht gebracht zijn. Daartoe behooren:

Een avondmaal.

Eene benauwde ziel, klagende tot God over hare drie doodvijanden, en den Heere om hulp en bijstand aanroepende tegen dezelve.

Klacht en gebed tot Jezus in het naderen tot zijne heilige tafel.

Zielsworsteling en overwinning na \'t genieten van het heilige Avondmaal.

!) Ps. XVI : 5. 2) Rom. Vlll : 7.

3) R. Alberthoma in zijne uitmuntende onderwijzingsliederen, bladz. 217.

XLIX

-ocr page 54-

VOORREDE.

De liefelijke vreugde van eene verzekerde ziel, smakende de zoetigheid van de liefde van Christus.

Eene ademhalende ziel, uit het midden van hare zoo lichamelijke als geestelijke bezoeking, tot God vliedende en op haren Vader liefelijk leunende. Liefelijke zielsdwang of innige hartstochten tot den Heere Jezus.

Dit is het laatste, doch geenszins het minste. Om er eenigzins een smaak van mede te deelen, neem ik er dit volgende uit over. Dus zingt hij;

„O Jezus, wat is \'t dat U dringt?

„O lieve Jezus, dat U dwingt

„Een wormken zoo te minnen?

,.0 liefste Jezus, door wat macht „Wordt dus Uw teedre ziel verkracht,

„Om mij, mij te bezinnen ?

„Zou \'t zijn, dat mijn\'

„Reine ziele U beviele „En tot liefde

„Uw teerlievend hart doorgriefde?

„O Jezus, neen, genade-zon !

„O zoete Jezus, liefdebron,

„\'t Is enkel Uwe goedheid,

„O zoetste Jezus, die U dringt,

„O liefste Jezus, die U dwingt,

„\'t Is enkel liefde en zoetheid.

„Hoe goed , hoe zoet,

„Hoe doordringend en zieldwingend,

„Ach! hoe heerlijk „Is Uw liefde, en onwaardeerlijk!

„Een\' breedte zonder eind of maat,

„Een\' lengte, die veel verder gaat

„Dan hemel, zee en aarde.

„Een diepte, zonder peil of giond,

„Een hoogte, die noch oog noch mond „Bereikt of roemt naar waarde.

L

-ocr page 55-

VOORREDE.

„Ach, \'t is gewis

„Zulk een goedheid, en een zoetheid „Daar, met lusten,

„Mijne ziele in kan berusten.

„O liefde, wonderbaar en groot!

„Mijne arme ziel was levend dood ,

„Toen Jezus mij kwam trekken ,

„Ja zich gansch voor mij overgaf,

„Zijn leven offerde om uit \'t graf

„Der zonden mij te wekken.

„Hij riep, ik sliep,

„\'k Sloot mijne ooren, \'k wou niet hooren. „Maar Hij drong mij „Door mijn hart. Zijn liefde dwong mij.

„O neem mijn hart! het komt U toe.

„Het is der vreemde heeren moe,

„O Jezus, Heer en Koning.

„Kom toch, mijn Heiland, kom er in, „Gebied en stuur het naar Uw zin,

„Als in Uwe eigen woning.

„Ach Heer, hoezeer

„Perst en dringt mij, ach! hoe dwingt mij „Uwe teere

„Liefde en goedheid, och mijn Heere!

„Daar is mijn hart geheel en al.

„Of \'t wil of \'t kan, het moet en zal,

„\'t Moet U, mijn Heiland, minnen, „U, lieve Jezus, U alleen,

U, zoete Jezus, anders geen;

„En wil \'t niet, dring er binnen,

„Dring het, dwing het.

„Doe het zwichten door Uw\' schichten, „Al zou \'t scheuren,

„Dring er in; o! \'t zal niet treuren.

„Wanneer mijn Heiland, ach! mijn Heer, „O zoete Jezus, ach wanneer „Zal ik U eens, hierboven,

LI

4*

-ocr page 56-

VOORREDE.

„Bevrijd van aller vreemden dwang,

„Die mij zoo bang valt en zoo lang,

„Met Uwe kind\'ren loven?

„Daar, daar zal maar „Eeuwig schaat\'ren, lieflijk klaat\'ren;

„Liefde dwingt ons,

„O ja! Christus liefde dringt ons!

Een derde zoon, die ook het werk van eenen evangelist met zegen verricht heeft, was Daniël Immens, die, te Oirschot geboren den 3 April 1663, als proponent te Asten en Ommel, onder de classis van Peel en Kempeland, in het jaar 1693 den 6 Januari beroepen, den 26 April daarop bevestigd en in het jaar 1695 overleden is.

Nikolaüs Immens, die te Schijndel geboren den 18 Februari 1653, den krijgsdienst verkoos onder het regiment van den graaf van Styeum, is in de belegering van Bonn gesneuveld door een kogel, die hem in de rechter knie trof en waaraan hij den tweeden dag daarna, den 10 November 1673, stierf.

Een andere zoon, uit dat huwelijk verwekt den 24 October 1654, stierf weinige uren na zijne geboorte.

Johannes Immens, geboren te Schijndel den 15 September 1655, stond proponent te worden; doch werd kort te voren door eene teering, in den ouderdom van 22 jaren, den 29 November 1677, uit het land der levenden afgesneden.

Andreas Immens, ook te Schijndel geboren den 19 Maart 1657, verkoos eene reis te doen naar het Oosten. Hij is als onderkoopman daar heengevaren en aldaar ook gestorven. Hij liet, uit zijn huwelijk met juffrouw Johanna Clement, ééne dochter na. Ei jsabeth Anna Immens, moeder van den heer Thomas van Rhee, postmeester te Middelburg.

Lil

-ocr page 57-

VOORREDE.

David Immens, te Oirschot geboren den 24 December 1661, werd te Utrecht doctor in de geneeskunst en kwam metterwoon te Middelburg, waar hij ook, door het houden van oefeningen ten zijne huize, velen gesticht heeft.

Een zijner zonen is predikant geweest te Kloe-tingen, in het land van Goes.

Vooral was onze zalige Petrus Immens , die te Oirschot geboren werd den 26 October 1664, een gedenkteeken van \'s Heeren macht en liefde, gelijk wij straks zullen toonen.

Twee dochters zijn mede door hare voorbeeldige godzaligheid zeer beroemd. De eene, Anna Marga-eetha Immens die, de eerste uit dat gezegend huwelijk te Schijndel den 2 Maart 1650 geboren, is gehuwd geweest met den heer Aknoldus Brievings , die als proponent in plaats van zijn overleden schoonvader Robertüs Immens, te Oirschot beroepen werd in het voorjaar, en bevestigd den 2:-} November 1681. Van daar vertrok hij naar St. Anneland onder Tholen en Bergen-op-Zoom 1688 en is aldaar overleden, nalatende eene eenige dochter, die getrouwd geweest is met den heer Marcus Zueriüs Boxbornius van Miggkode, predikant te Filippijne.

De andere dochter, Abtgaêl Immens, ook te Schijndel geboren den 22 December 1658, is in den echt vereenigd geweest met den heer Jacobus Züekius, predikant te Arnemuiden.

De derde dochter was Maria Immens , geboren te Oirschot den 3 April 1666, doch kort daarna, den 10 Juli 1667, gestorven.

Ja, zoo gezegend was het huisgezin van vader Eobebtus Immens, dat zijne echtgenoote, de waardige en godvruchtige juffrouw Maria van dek Deliën, op

LIU

-ocr page 58-

VOORREDE.

haar sterfbed liggende en al hare kinderen, van den oudsten tot den jongste toe, plechtig zegenende, niet alleen hare blijdschap uitdrukte over sommigen die reeds genade gevonden hadden in \'s Heeren oogen, maar tegelijk hare stille hope, dat de Heere ook in ontfenningen op de anderen zou nederzien, en komende tot den jongste, onzen Petrus Immens, die toen nog maar negen jaren oud was, zeide zij: ook Ismaël zal leven. Zij stierf den 16 Juni 1673. De Heere gaf haar lang na haren uitgang ook naar haar hart en vervulde hare blijde geloofshope.

O uitnemende troost voor godvruchtige ouders, vooral op hun doodbed! Monika , de moeder van Augustinus, was er zoo mede ingenomen, dat, zoodra zijne bekeering was uitgewerkt, zij niets meer begeerde. Hij zelf verhaalt, dat wanneer hij alleen bij haar zijnde, weinige dagen voor haren dood, van den staat der gelukzaligheid en de vreugde des hemels met haar sprak, zij met dit afscheid afbrak: „voor mij, mijn zoon, ik heb nu geene verdere hope noch vermaak in de wereld. Daar is maar eene zaak geweest om welke ik begeerd heb televen: dat ik u, eer ik stierf, mocht zien een Christen van het algemeen geloof. Hiermede nu heeft mijn goede God mij overvloedig gezegend, hebbende mij laten zien, dat gij, met verzaking van aardsche voordeelen, in Zijn huisgezin en dienst zijt overgegaan. Wat doe ik langer hier? \')

LIV

Nog eenige gedenkwaardige bijzonderheden ten opzichte der voorouders van dat gezegend paar, zijn tot mijne kennis gekomen, nadat deze voorrede dus-Ter gedrukt was.

\') Lib. IX, Confess, c. 10.

-ocr page 59-

VOORREDE.

Robertas Immens, vader van onzen Petrus Immens, had tot zijnen grootvader Robertus Immens, geboren te Gent, waar deze rentmeester was, en van waar wegens de wreede vervolging van den Hertog van Alba, met twee zonen de wijk nam naar Hessen.

Uit hem werd te Gent geboren Robertus Immens, in \'t jaar 1558. Deze werd predikant te Altona buiten Hamburg in de Hoogduitsche en Fransche taal. Hij stierf te Hamburg 1645, oud 87 jaren. Zyne huisvrouw Anna Margaret a van Voorburg is te Amsterdam den 22 Februari 1654 gestorven.

Uit dat huwelijk is verwekt de bovengenoemde Robertus Immens , die te Hamburg , in \'t jaar 1623 geboren en den 27 April 1649 te \'s Hertogenbosch getrouwd is met juffrouw Maria van der Delièn , Moeder van onzen Petrus Immens, gelijk wij reeds hebben aangemerkt 1.

Deze, de eenige dochter van Nikolaas Antoni van der Deliën, Predikant in den Bosch, had tot hare moeder juffrouw AbigaëI de Monier, wier vader predikant geweest is in Vlaanderen. Haar grootvader, ook predikant aldaar, voor en omtrent de tijden van den Hertog van Alba heeft daar veel dienst gedaan. Doch hij moest van daar vluchten. Op zijn lijf werd veel geld gezet.

Hij kwam in Zeeland, toen Middelburg belegerd was, en werd predikant in het land van Goes. In het martelaarsboek staat aangeteekend, dat eene vrouw, wijl ze hem in hare schuur had laten prediken , verbrand is.

lv

b. Uit zulke voortreffelijke voorouderen sproot onze Petrus immens, aan wien zijne godzalige opvoe-

\') Bladz. LUI.

-ocr page 60-

VOORREDE.

ding ook bij uitstek tot zegen en al vroeg zeer bevorderlijk geweest is tot den eer- en gelukstaat van een rechtvaardigen: wiens gedachtenis, daardoor ook tot zegening is.

1. Hij hield zich reeds in zijne jongere jaren onverzettelijk vast, aan de gerechtigheid des geloofs. De Heere gaf hem diepe indrukken van hare hooge noodzakelijkheid en van het eeuwige belang, dat hij had bij dezelve. Hij kreeg, in de toebrenging van \'s Heeren Geest bij het ontdekkend genadelicht, veel in te zien in zijn verloren staat van nature; in den afgrond van zijn verdorven hart, in zijne walgelijke melaatschheid en daaruit voortvloeijende vloek- en helwanrdigheid voor den Heere. Hij werd daarbij krachtig overreed van zijne volslagene onmacht om immermeer het leven zijner hand te kunnen vinden, of zijne ziel bij het leven te houden; welbewust dat „hij zich zeiven niet dekken kon met zijne werken \'), dat ,,dit bed te kort zou zijn, dan dat hij zich daarop zou kunnen uitstrekken en dat dek te smal, als hij zich daaronder voegen zouquot; 1).

Ook ontdekte hem de Heere de ongenoegzaamheid, ja ledigheid van alle schepselen, „als gebrokene bakken, bakken, die geen water houdenquot; 2), en die alle, in sprekende daden, hem toeriepen; het is bij mij niet.

LVI

Die overtuiging wrocht in hem verlegenheid met, en bekommering over zich zeiven en bracht hem tot ootmoedige verloochening van alle eigenwijsheid, gerechtigheid en krachten; oèk tot een gewillig afzien van alle schepselen, in erkentenis, dat men het

s) Jes. XXVIII ; 20.

1

I) Jes. LIX ; 6.

2

) Jer. II : 18.

-ocr page 61-

VOORREDE.

„waarlijk te vergeefs verwacht van de heuvelen en van de menigte der bergenquot;; „dat waarlijk in Jehova, Israëls God, het heil isquot; 1), dat „in Hem alleen gerechtigheden zijn en sterkte; dat men tot hem komen moet, om in dien Heere gerechtvaardigd te wordenquot; 2); dat „de zaligheid in geenen anderen is en dat er onder den hemel geen andere naam is, die onder de menschen gegeven is, door welken men moet zalig wordenquot; 3).

Die overreding drong hem, om „hetgeen hij voorheen dwaaslijk voor gewin hield, nu om Christus wil schade te achten; ja gewisselijk, hij achtte ook alle dingen schade te zijn om de uitnemendheid der kennisse van Christus Jezus, zijnen Heere; om wiens wil bij alle die dingen schade rekende, en achtte die drek te zijn, opdat hij Christus mocht gewinnen, en in Hem gevonden worden, niet hebbende zijne recht-vaardihheid, die uit de wet is maar die door geloof in Christus is, de rechtvaardigheid, die uit God is door het geloofquot; 4).

Naar „die gerechtigheid hongerde en dorste hijquot; 5).

Tot dien oorsprong van het heil nam hij zijne toevlucht. Hij wendde zich naar Jezus met alle zijne schulden, zonden en wonden.

Hij koos Hem voor zich en nam Hem aan, met alle gewilligheid, hartelijkheid en ernst in al die zalige betrekkingen, naar welke Hij zich in het Evangelie aanbiedt, tot zijnen leerenden Profeet, verzoenenden Hoogepriester en gebiedenden Koning.

En zoo werd hij met Jehova, die de „gerechtigheid van Zijn volk isquot; 0), door het geloof op het nauwste

LVII

4) Filipp. III: 7, 8, 9.

5) Matth. V : 6. «) Jer. XXIII : 6.


1

!) Jer. III : 23.

2

) Jes. XLV: 24 , 25.

3

) Hand. IV : 12.

-ocr page 62-

voorrede.

vereenigd, en door dat vereenigend geloof de gerech- talf

tigheid, die in Jezus is zóó deelachtig \'), dat hi], waa

„gerechtvaardigd zijnde uit het geloofquot;, ook tot een ^rie

rechtvaardige gesteld werd 1). c^ei

Maar wel bewust dat het geloof tot rechtvaardiging mgÉ ook „werkende zijn moet door de liefdequot; 2), en „dat degenen, die aan God gelooven, zorg moeten dragen ** om goede werken voor te staan4), gaf hij zich ook,

als een rechtvaardige met een gezet voornemen des ^aiK

harten in den Heere, geheel over aan de gerechtig-

heid des levens, in een leven voor den Heere en in Jan

eene gehoorzame opvolging van het onderwijs der ^111^ zaligmakende genade Gods, die hem verschenen was.

Naar dat voorschrift benaarstigde hij zich in \'s Heeren ^63

mogendheden, om „met verzaking van alle godde- ^

loosheid en wereldsche begeerlijkheden, matig, recht- i

vaardig en godzalig te leven in deze tegenwoordige zom wereld 6).

De zalige Beeükeland, in zijne „Aanspraak aan de

gemeente van Middelburgquot;, die voor de verzameling reD(

van lijkdichten op het afsterven van den heer Immens . ®

gedrukt is, schrijft van zijn eerwaarde; als student Jare

was hij een voorbeeld voor anderen, en werd openbaar ^

van God geleerd te worden. Ons verkeer in die jonge am\']

jaren kan ik, zonder bewogenheid niet nadenken. £\'aai

Maar vooral werd hij, als zulk een rechtvaardige,

die voortreffelijker is dan zijn naaste, openbaar, sedert Wvei

hij de heilige bediening tot de verkondiging van het a^\'elt;

zalig Evangelie in den Heere had aangenomen en die ^

in vier gemeenten vervulde ; omtrent twee en een ^en

bem

lviii

1

Rom. V : 19. 5) Titus II : 12. ^1?0

2

Gal. V : 6. \' bl]

-ocr page 63-

VOORREDE.

half jaar in de plaats van zijne geboorte te Oirschot, waar hij bevestigd werd den 8 Augustus 1688. Ruim drie jaren te West Souburg, in het eiland van Walcheren, waar hij in den dienst des Heeren werd ingezegend den 18 Maart 1691. Voorts te Zaltbom-mel in Gelderland, waar hij ruim twee en een half jaar het werk van een Evangelist met alle .getrouwheid verricht heeft; ten laatste in Zee-lands hoofdstad, mijn dierbaar Middelburg, waar hij den 20 October 1697 beroepen en den 12 Januari 1698 tot den dienst der gemeente is ingehuldigd.

Al wat hij predikte kwam uit op de gerechtigheid des geloofs en des levens.

Die predikte hij, in het openbaar, niet alleen in de gewone beurten zijner dagorden, maar ook in bijzondere oefeningen, die hij vrijwillig had op zich genomen, zoowel \'s Maandags in de week voor het heilig Avondmaal, als des Woensdagsavonds, gedurende het wintersaizoen.

De eerste hield hij alleen en volharde daarin vele jaren tot zijnen dood toe.

De laatste heeft hij, met eenen zijner waarde ambtgenooten, eerst met den zaligen van Hoüten , daarna, als die wegens zwakheid moest uitscheiden, met den werkzamen Bbedkeland , vervolgens met den ijverigen de Feein , bij beurte, en eenigen tijd geheel alleen waargenomen.

Beide hield hij doorgaans in onze Nieuwe Kerk ten aauhoore van zeer vele waarheids- en deugds-beminnaars, die uit de gemeente met vele opgewektheid en lust tot dezelve toevloeiende, daaruit eene algemeene en ongemeene stichting ontvingen, en ook bij die gelegenheid „de bewijzen van hunne liefde,

LIX

-ocr page 64-

voorrede.

door de goeddadigheid hunner mededeelingquot; \') aan z®er de behoeftigen geenszins vergaten.

Tot zulk een uitgebreid werk was hij voorzien Geest met den noodigen en een genoegzamen voorraad zHne van de alleredelste wetenschap der heilige godge- uitve leerdheid, die hii, voornameljik uit het onderwijs van den zoet vloeienden, geestrijken en geestelijken Witsius ,\'

op de hoogeschool te Utrecht met veel zegen en vrucht had ingezogen.

Doch bewust, hoe veel èn taal èn oudheid- èn natuur èn geschiedenis en aardrijkskunde toebrengen tot verstand van de heilige Schriften, zoo heeft hij ook met alle naarstigheid zich daarin geoefend, en. . wate het ongewijde met bedachtzame wijsheid aan het gewijde tot verklaring van \'s Heeren Woord weten dienstbaar te maken.

De Stoffen die hij in de gewone heurten zijner dagorden predikte waren alle geschikt, om de gerechtigheid des geloofs en des levens, waaraan hij zich als een rechtvaardige onverzettelijk vasthield, op het nadrukkelijkst aan te prijzen.

Daartoe koos hij het Evangelie van Johannes, waarvan hij het grootste gedeelte heeft afgehandeld, en waaruit hij den beminnelijksten Heiland „aan wien alles wat aan Hem is, gansch begeerlijk isquot; 1), in zijne heerlijkheid en begeerlijkheid, zooals Hij „Jehova, de gerechtigheid van zijn volk isquot; 3), en hen, in de toebrenging van zijn Geest, ook tot de gerechtigheid des levens heiYigi, zoo zieluitlokkend, zoo hartinnemend en zoo bewegelijk voorstelde, dat er velen tot indruk door bewrocht en Gods kinderen

3) Jer. XXIII: 6.

1

Hoogl. V : 16.

-ocr page 65-

VOORREDE. LXI

ln \'\'quot;\'zeer daardoor opgewekt, aangemoedigd en verlevendigd werden. Ook heeft hij het gansche werk des 3n Geestes, zoo als die in de huishouding der zaligheid l(j zijne zaligmakende genade in de zielen van Gods e. uitverkorenen op verscheidene wiizen en langs ver-in scheidene wegen, naar zijne vrijmachtige, altoos s quot; hoogwijze en gunstrijke hedeeling, begint, voortzet 3n en voleindigt, zóó duidelijk, zoo hartelijk, zoo innig, zoo bevindelijk uit vele plaatsen der heilige Schrift, ;n voor zijne toehoorders opengelegd en ter beoefening ,n van godzaligheid aangedrongen, dut de goede tijding, [y die hij aanbracht en aanprees, telkens was als „koud ;n water op eene vermoeide zielquot; \'), zoo aangenaam, quot; zoo verkwikkelijk, zoo naar het hart van Gods volk, ;n dat elk met Hiskia\'s gestalte betuigen moest; „Heere, bij deze dingen leeft men, en in alle deze is het y_ leven van onzen geest.2).

\'j. In zijne laatste levensjaren nam hij voor, de ^ geheele praktijk der godzaligheid of eene dadelijke ,j, en beoefenende Godgeleerdheid te verhandelen.

Hij legde daartoe ten grondslag de vermaanles des . Apostels aan Timotheus, 1 Tim. IV : 7 , „Oefen u zeiven tot godzaligheid.quot; En predikte vervolgens de ^ allergepaste keurstoffen, die tot zijn oogmerk de geschiktste waren om alle bijzondere plichten der godzaligheid die men jegens God, zich zeiven en den q naasten te betrachten heeft, der gemeente op het ern-^ \' stigste aan te prijzen , hetwelk hij ook zoo verstandig ais godvruchtig heeft uitgevoerd, en waarin hij tot £ zijnen dood toe is bezig geweest.

n In zijne bijzondere oefeningen voor het heilige Avondmaal legde hij het eenigUjk op zulke stoffen toe, die

v j i) Spreuk. XXV : 25. 2) Jes. XXXVIII : 16.

-ocr page 66-

LXII VOORREDE.

tot de oefening der godzaligheid hare naaste betrekking hadden en de allergeschiktste waren om het godvruchtige gemoed tot eene geloovige, blijmoedige en vrijmoedige Avondmaalsgenieting bevorderlijk te te zijn; en om vreemdelingen van de verbondsbelof-ten, die nog buiten God en buiten den Heere Jezus ongelukkig omzwervende, geen hope hadden op God, in Christus belust en verliefd te maken, tot Zijne verbondsgemeenschap ziels-ernstig uit te lokken, en zoo tot een godewaardig gebruik van het heilige bondzegel op te leiden.

In de andere oefeningen, des Woensdagsavonds, had hij tot zijn onderwerp de Handelingen der Apostelen, die hij geheel verklaarde en waarbij hij tegelijk, ten opzichte der reizen van Paulus, aantoonde de gesteldheid dier gemeenten, welke door den dienst van dien apostel gesticht zijn en opgebouwd, hun vorige verkleefdheid aan den dienst der afgoden, hun bekeering tot den waren God, en hoe zij voorts zich die eer- en gelukstaat óf waardig gedragen hebben, óf ook wel eens van Gods genade verachterden en hun eerste liefde verlieten.

Bij die gelegengeid opende hij ook de brieven van Paulus aan die gemeenten en gaf aan dezelve, door opheldering van vele spreekwijzen en toespelingen, die naar de gesteldheid in welke die gemeenten toen waren, daarin voorkomen, zulk een bijzonder licht, dat de weetgierigheid en heilige graagte tot verstand van Gods Woord daardoor zeer werd opgewekt.

Maar hij vergat daarbij geenszins uit die verhandelde stoffen ook nadrukkelijk aan te prijzen de gerechtigheid des geloofs, als het eenige middel om voor God gerechtvaardigd te worden, en de gerechtigheid des levens, als het eenige bewijs dat men door

-ocr page 67-

VOORREDE. LXIII

]£_ ,een hartreinigend geloof aan de gerechtigheid van iej. Jezus deel heeft gekregen.

Zijn voorstel in dat alles was klaar en onder-scheiden.

Zijne uitspraak en stemleiding bevallig en naar vereisch der zaken kunstig gevormd. Niets was er j gemaakt in, of gedwongen.

\' Zijne taal was deftig, schriftuurlijk en overeenkom-J6 stig de verhevenheid der waarheden , die hij predikte.

Levendig waren zijne gebaren en wonder geschikt \' ter opwekking van de aandacht en om de gemoeds-^ bewegingen door gemoedelijke indrukken gevoelig aan te doen.

\' Zijne gebeden waarin hij de gemeente voorging, waren de allerkrachtigste door den Geest der gebeden, die waarlijk op hem rustte. Hierdoor kon hij den hemel als bestormen en een heilig geweld doen op de teederste ingewanden van Gods barmhartigheid. e Hierdoor worstelde hij als Jacob met den Heere en ^ stond, vooral op plechtige boetdagen, als Mozes, ^ „Gods uitverkorene, ook voor Nederlands Israël in de scheure voor \'s Heeren aangezicht om \'s Heeren grimmigheid af te keeren, dat Hij ze niet verdierf \').

En zoo ernstig hij was in het bidden, zoo statig verrichtte hij ook dien hoofdplicht, vervuld met den \' xallerdiepsten eerbied en zulk een heilig ontzag voor de hooge Majesteit van God, dat anderen ook daardoor tot eerbied werden opgewekt.

En wat hij dus predikte in het openbaar, dat predikte hij ook bij alle bijzondere gelegenheden.

In catechisatien, daar hij zeer gezet op was, maakte hij daarvan zijn hoofdwerk en zocht zijnen

\') Ps. CVI : 23.

-ocr page 68-

voorrede,

leerlingen niet alleen klare en onderscheidene bevattingen van de leer der waarheid die naar de godzaligheid is in te boezemen; maar hen ook tot het geloof en de liefde derzelve om er door behouden en zalig te worden, nadrukkelijk op te wekken.

Ook heeft hij eenigen tijd als curator der latijn-sche school met zijn veelwaarden ambtgenoot, den heer Aalstiüs, hoogleeraar der wijsbegeerte in de doorluchtige, en meAz-curator van de latijnsche school, de leergierige jongelingschap in de gronden van den godsdienst naar de handleiding van het „Samenstel der godgeleerdheidquot; van den hoogeerwaarden heer Salomon van Til, met opgewekten lust onderwezen.

lxiv

In de godvruchtige gezelschappen die hij stichte en aankweekte, ja overal, waar hij maar in de gemeente eenige goede bewegingen vernam, toonde hij zich ook als een rechtvaardige, een\' prediker der gerechtigheid, en zocht daar met allen ernst zulken, die lust kregen tot den dienst van God, en anderen die reeds langer op den weg des levens geweest waren, door opwekking en bestuur bekwame handleiding te geven ter toeneming in geheiligde kennis waarop hij zeer gezet was, ook tot voortzetting en voleindiging van reine heiligmaking in \'s Heeren vreeze. Bekommerden beurde hij op. Tragen in het benaarstigen spoorde hij aan, om vurig van geest te zijn. Radeloozen bediende hij van heilzamen raad en wees hen naar dien grooten Raadsman, Gods Zoon, wiens naam Raad is \'), die aan alle radeloozen beloofd heeft: „Ik zal raad gevenquot;2), en die de onheradene of immers „zeer kwalijk beradene gemeente vanLaodicenquot;

|

i) Jes. IX : 5. i) Ps. XXXII ; 8.

-ocr page 69-

VOORREDE.

den allerbesten raad toedient Loopenden bemoedigde hij om in de loopbaan der godzaligheid te loopen zonder moede, en daarin voort te spoeden zonder mat te worden. Allen wenschte hij alles te worden om zielewinst voor zijnen Heere te doen.

Ook predikte hij de gerechtigheid des geloofs en des levens, met alle getrouwigheid, bij de krankbed-den. Hij had een zeer groote bekwaamheid om, met alle liefde, zachtmoedigheid, bescheidenheid en ernst, zielen voor de eeuwigheid te bereiden , en gelijk hij dit voor het zwaarste van zijnen dienst achtte, bij zulken inzonderheid die hem van nabij niet bekend waren, zoo was hij omtrent dezelven met veel teederheid, zorgvuldigheid en bedachtzaamheid vervuld, opdat „zich niemand voeden mocht met asch en zijn bedrogen hart hem ter zijde afleidendequot; 1), met geen leugen in zijne rechterhand naar eene ontzachelijke eeuwigheid henen gaan en met een\' ingebeelden hemel mocht neêrstorten in eene schrikkelijke hel.

Doch hij sprak niet alleen zoo, maar ook hij zelf deed zoo.

LXV

Het leven des geloofs, in eene gedurige gebruikmaking van de gerechtigheid des geloofs tot verzoening zijner dagelijksche struikelingen, waarbij hij, die geen vreemdeling van zijn harte was, veel bepaald werd, was steeds het leven van zijn leven. De volmaaktheid van die gerechtigheid en de diepten van Gods wijsheid en algenoegzaamheid die daarin liggen opgesloten, met gezette aandacht te beschouwen, zich daarin te verlustigen, zich zeiven die toe te eigenen, in geloofsomhelzing van dezelve vrijmoedig tot God te naderen en, pleitende met de vraag van

)) Openb. III ; 8.

5

1

Jes. XLIV : 20.

-ocr page 70-

voorrede.

een goed geweten op het beëedigde en aan hem zoo dikwijls verzegelde verbond, alles van zijn verbonds-God te eischen, wat die aan hem toegezegd en wat hij tot het leven, tot de godzaligheid en zijne eeuwige gelukzaligheid noodig had, was zijn hemel op aarde.

Ook oefende hij zich met alle naarstigheid tot godzaligheid , in eene gezette betrachting van de gerechtigheid des levens.

Zijn leven voor zich zeiven als een Christen was in eene gedurige toegekeerdheid tot den Heere, tot zijn hart en zijnen plicht voor \'s Heeren aangezicht, \'t Was hem, als Azaf, goed, ja het beste, nabij God te zijn 1). In het zalig eenzaam, met God gemeenzaam , was zijne allergrootste vermaking.

Ook was het zyne spijs te doen den wil van zijnen hemelschen Vader.

In alle uitkomsten van \'s Heeren voorzienigheid over hem toonde hij lust te hebben om het Lam na te volgen, waar het hem voorging, ook in wegen die met doornen meer dan met rozen bezaaid waren.

Hij was in allerlei ramp- en tegenspoeden zeer bezadigd, onderworpen en stil onder Gods vrijmachtig bestel.

Eens was des Heeren hand zóó zwaar op hem, dat de bezoeking scheen te gaan boven vermogen om ze te kunnen verdragen.

lxvi

De beminde van zijne ziele, zijne lieve huisvrouw, Kathaeina de Smit , kleindochter van den weledel-gestrengen heer rekenmeester van dee Heide, en dochter van den heer Willem de Smit en juffrouw Cathaeina van der Heide , werd in weinige weken, benevens drie van zijne kinderen, uit de armen zijner liefde door den dood weggerukt.

1

Ps. LXXXIII: 22.

-ocr page 71-

VOORREDE.

00 Doch hij was in dien weg van God zoo stil , zoo \'squot; ootmoedig, zoo verloochend, dat hij met de uiterste

bedaardheid zeide : Hij is de Heere! Al beliefde het ?e Hem mij tot stof te vermalen; ik heb niets te zeg-\'e- gen; zijn doen is majesteit en heerlijkheid, rïquot; Eenige jaren daarna behaagde het den Heere naar kquot; zijne onberispelijke vrijmacht, hem te berooven van zijnen eenigen zoon, dien hij tot den predikdienst |n geschikt had en die hem zeer dierbaar was wegens in de blijde en gegronde hope die hij had, dat God op dien jongeling, zijnen Petrus, zijn\' naamgenoot, in ontfermende liefde nedergezien en reeds zaden van godvrucht in zijn hart gelegd had. Doch hij vernederde zich zoo diep onder Gods krachtige hand, n dat hij met Job zeide: „zie, ik ben te gering, wat zoude ik U antwoorden; ik leg mijne hand op d mijnen mondquot; l). Welke woorden hij ook bij de eerste a gelegenheid, na zijn zoons dood, voor de gemeente 11 predikte en op zijn geval, met vele blijken van god-\'■ vruchtige gelatenheid , toepaste.

Zijn vreugdestof, die hein de zegepralende uitgang \'• van zijnen in den Heere stervenden zoon verschafte, gt; en zijne ootmoedige hartsgestalte met onderwerping Q aan de uitkomst van \'s Heeren hoogwijzen en ondoor-grondelijken raad, drukte hij in zeer teedere en \') hartelijke uitlatingen, op deze wijze in dichtmaat uit:

1

y O zware en bittre stond, door dien gevreesden slag. Ach! wat verschilt die van dien heugelijken dag,

Toen ik, als vader, om die tijding mij verheugde,

LX VII

Dat mij een zoon was geboren , maar die vreugde Is nu in rouw verkeerd. O smartelijke maar\'!

gt;) Job XXXIX : 37.

5*

1

-ocr page 72-

VOORREDE

Mijn dierbre zoon is dood! Die nog geen twintig jaar Bereikte, is als een bloem in \'t bloeien afgesneden, \'t Is waar, ik zag vol vrees den dood met snelle schreden Steeds nad\'ren, wijl zijn kwaal (O, wonde van mijn hart\', Mij dit al vroeg deed zien tot bittre zielesmart.

Dit echter troost mij nog in dit zoo treurig scheiden: Dat hem Gods goede Geest vooraf wou voorbereider, Om wel te sterven, toen de Heere zelf tot hem kwam Met Zijn genade, en hij tot Jezus toevlucht nam.

Toen \'s hemels gunst, naar maat van \'tmeerd\'ren zijner jaren, Ook zijn genadelicht meer in hem op deed klaren;

Vooral op \'tkrankbed, toen hij in den lof van God, Met blijde erkentenis, uitbarstte voor het lot En \'theuglijk ziekbed, dat de Heer hem had gegeven. „\'kZou, sprak hij, zoo mij God deed in gezondheid leven, „Den dwazen jong\'ling licht gevolgd zijn op het spoor, „Maar dank zij God, die mij kwam met genade voor, „En stuitte in mijnen loop, wanneer ik henenrende „Op \'t breede hellepad en mijn gevaar niet kende : „Wanneer ik walglijk lag, gewenteld in mijn bloed,

„Toen zag hij op mij neer, en riep tot mijn gemoed; O jongeling! zoek mij in \'t beste van uw dagen,

Gij zult mijn kind zijn, en ik zal me als Vader dragen, Uw voorrecht is, mijn juk te dragen in uw jeugd.

Sterf gij dan vroeg, zoo erft gij vroeg des hemels vreugd. Zijt gij verlegen met een drukkend pak der zonden,

Daar is gerechtigheid in \'sHeilands dierbre wonden.

Schuil daarin. O! daar \'s troost voor het verbrijzeld hart. Vrees dan geen vloek der wet, geen duivel, leed of smart. Ja, komt de dood, gij wordt van zondenjuk ontslagen. De kroon wordt aan het eind der loopbaan weggedragen. Dan zingt men \'tnieuwe lied voor eeuwig voor Mijn troon, En zegt: de zaligheid zij Gode en Zijnen Zoon!

„Wie ben ik, groote Heer, dat Gij dus in genade,

„Op zulk een zondaar ziet, een armen worm, een made? „Wie ben ik? Wie ben ik? dat Gij uzelf aan mij „Bekend gemaakt hebt, \'t geen ik tot Uw roem belij! „Dat Gij een levensstroom deedt in mijn ziele vloeien. „Dat Gij een liefdevlam deedt in mijn harte gloeien!

LXVIII

-ocr page 73-

VOORREDE.

„Ik sta verwonderd, als mijn ziel het overdenkt,

,,Aan hoe onwaardigen Gij Uw genade schenkt.

„Mijn lieve vader, droog uw tranen, staak uw weenen ! „Worde ik van u gerukt, \'k ga naar den hemel henen, „Alwaar ik u ook, ter bestemder tijd, verwacht,

„En velen vinden zal, o vreugd! van ons geslacht, „Om samen \'s Heeren lof, met Godgewijde psalmen , „In \'thooge hemelkoor voor eeuwig uit te galmen;

„Ik weet, wijl \'s Heeren Geest mijn hart dus heeft bewrocht, „Dat Jezus door Zijn bloed mij voor zich heeft gekocht. „O zaal\'ge liefdedienst, die Hem wordt opgedragen ! „Hij kroont het zwakke werk en neemt daarin behagen. „En gij, mijn zuster, die ik broederlijk bemin,

„Vaar wel, vaar eeuwig wel, God geve u ook dien zin, „Hij doe u Zijnen naam, als Zijne kinders , vreezen! „Dat zal een hartevreugd voor onzen vader wezen,

„Wanneer gij, door genii, naar \'teeuwig leven streeft,

„Daar m\' in den roem van God voor eeuwig zalig leeft „En wilt Gij, groote God, dat mijn benauwdheidsvlagen „Nog hooger klimmen, laat Uw hand mij onderschragen, „Verkort mijn stervensangst, o kom Heer Jezus, kom,

„Mijn Goël, Middelaar, mijn Heer, mijn Bruidegom! „Wat doe ik langer hier ? Hier kan ik U niet loven,

„Gelijk ik wensch , maar \'k hoop \'t volmaakt te doen daarboven.

„Hier is voor mij geen werk in land , in stad , of kerk, „ k Vrees nu geen dood. Mijn dood is \'t eind van \'t worstelperk, „\'tls niet veel maanden, o mijn Heer en God, geleden, „Toen mij Uw Geest bewrocht. Dit troost mij nu op heden. „Mijn vader, sprak hij voorts, Ai treur toch niet zoozeer, „Gij ziet Gods wil o geef mij over aan den Heer.quot;

Ik doe zulks , lieve zoon; God had u mij gegeven;

Eischt Hij u weer, zeide ik. tot een veel beter leven.

Ik offer u Hem op , als eertijds Abraham Zijn zoon. \'k Zwijg Gode, die \'m u gaf en weer ontnam. Maar \'s hemels vrijmacht deed zijn smart nog hooger stijgen. Dit deed zijn bange borst, geprangd, zieltogend hijgen. De vrienden stonden om zijn bed, vol druk geschaard. Wij zonden zucht op zucht met tranen hemelwaart.

I.XIX

-ocr page 74-

LXX VOORREDE.

Wij smeekten dat de Heer hem in dit bitter lijden Toch ondersteunen wou en doen zijn strijd volstrijden. Straks doet hij d\' oogen op en spreekt de vrienden aan, „Vaart wel, was zijne taal, mijn taak is afgedaan. „God geve, naar mijn wensch u allen, dat na dezen, „Uw eind ook, als het mijn, eens mag gezegend wezen. „Ik geef mij over aan mijn zielebruidegom.

„O kom, ontvang mijn geest, o Heere Jezus kom!quot; Een felle doodsneep dreigt zijn jeugdig hart te breken. Dit deed hem voor het laatst nog deze woorden spreken: „O Jezus maak het kort. O kom en neem mij aan.quot; Hij zwijgt! en is den weg van alle vleesch gegaan.!).

En zoo godvruchtig onze godzalige leeraar leefde bi] zicli zeiven , zoo voorbeeldig en stichtelijk was hij in het verkeer ook bij anderen. Van een zeer gezel-ligen en vriendelijken inborst zijnde, maakte hij zich bij allen aangenaam eu wist zich met eene heilige kunstgreep daarvan te bedienen, om overal tot stichting te wezen en zelfs bij natuurlijke menschen of in gemengde gezelschappen tot zielsnuttige en gemoedelijke samenspraken gepaste aanleiding te geven, met zulk eene vriendelijkheid , bescheidenheid en geen mindere deftigheid, d:it hij daardoor de hoogachting en liefde zelfs van „de lieden die van deze wereld zijnquot; 2), tot zicti trok.

Zoo zaaide hij zijn zaad in den morgenstond en trok zijne hand des avonds niet af, wijl hij niet ivi\'d, wat recht, wat van een gelukkigen uitslag zou wezen, of dit, of dat, wat hij óf vroeg, óf wat hij Iaat gezaaid had, „of dat die beide samen goed zouden wezenquot; 3).

■) Weinige weken voor den dood van zijnen vader. Ps. XVII : 14. 3) pred. XI : 6.

-ocr page 75-

voorrede.

Zoo „hield bij tijdig en ontijdig aan met vermanen in alle lankmoedigheid en leer\':

En bewees zich een zoodanigen „schriftgeleerde, die in het Koningrijk der hemelen onderwezen , uit zijnen schat nieuwe en oude dingen voortbrachtquot; 1).

Maar, gedachtig aan het woord des Apostels, dat een opziener ook zijn eigen huis wel regeeren moet, zijne kinders in onderdanigheid houdende met alle stemmigheid, want „zoo iemand zijn eigen huis niet weet te regeeren, hoe zal hij voor de gemeente van God zorg dragen ?quot; 2), zoo was hij ook in zijn huis en onder zijne huisgenooten zeer voorbeeldig. Hij maakte zijn huis tot een Bethel, tot een huis Godes en tot eene kleine kerk. Hij ging zijne kinderen , die de Heere hem gegeven bad, en zijne huisgenooten steeds voor in het gezet lezen van \'s Heeren woord, in het gemeenzaam onderwijzen uit en naar hetzelve, in het vriendelijk vermanen, in het ernstig waarschuwen, in het ijverig voorbidden en in alle andere plichten der godzaligheid die tot eene godsdienstige huishouding behooren.

Zoo volgde hij het voorbeeld der eerste Christenen, bij welke, naar Athanasius 3) getuigenis, „overal zulk eene opwekking tot godzaligheid was, dat men zou gedacht hebben, dat ieder huisgezin een bijzonder godshuis of tempel was, wegens de godvruchtigheid dergenen, die daar in woonden en zoo naarstig tot God baden.quot;

Zij spoorden elkander gedurig op: „laat ons niet daarop bedacht zijn, boe wij onze kinderen geld en

lxx1

1

O 2 Tim. IV : 12. ^ Matth. XIII: 52.

2

j \\ Tim. III : 4, 5.

3

) Epist. ad Solit. vit ag.

-ocr page 76-

voorrede.

goed zullen nalaten, maar hoe zij vroom en deugdzaam zijn mogenquot;

Daartoe strekten ook hunne vermaningen: „verkondigt al uwe onderhoorigen in het huis, van den grootsten tot den kleinste, de liefde en zoetigheid des hemelrijks; ook de bitterheid en vreeze der hel, en waakt voor hun heil, dewijl gij voor hen allen Gode rekenschap zult moeten geven 1). Regeert uwe huizen en kinderen wel. Gelijk de leeraars in de gemeente moeten spreken, zoo moet gijlieden in uwe huisgezinnen doen, opdat gij van degenen, die onder u gesteld zijn, goede rekenschap moogt geven2). Een iegelijk huisvader behoort zich verplicht te achten tot een vaderlijke toegenegenheid jegens zijn huis. Hij behoort allen tot Christus en het eeuwige leven te vermanen, hen te onderwijzen, te waarschuwen en vriendelijkheid en ernst te gebruiken. Alsdan zal hij in zijn huis het ambt eens opzieners verrichten, wanneer hij den Heere Christus dient, opdat hij eeuwig bij Hem mag v/ezenquot; 3).

Ja, het godsdienstig hart van onzen Petkus Immens dreef hem overal aan tot godsdienstige plichten. Ik weet van nabij uit het eigenhandig bericht van den hoogeerwaarden heer Coeneliüs De Witt, hoogleeraar der oostersche talen en leeraar der gemeente van Jezus Christus te \'s Hertogenbosch, dat, wat zijn hoogeerwaarde in zijne leerreden4) o^er Ps. CXXXVIII

lxxii

1

\') Chrysost. Homill. Lin ad Antiochenos.

2

si Augustinus, Lib. de Salut. docum. c. 29.

3

3) In Ps. l. 4) Tractat. li in Joh.

4

) Bladz. 92. In eene aanteekening, die onderaan staat. Deze voortreffelijke leerrede is uitgesproken en aan \'t licht gebracht ter plechtige viering van het Eerste Eeuwfeest van de Classis van \'s Hertogenbosch.

-ocr page 77-

voorrede.

vs. 8, getuigt, waarlijk zoo placht te geschieden door zijnen vader, Coenelis De Witt, en door onzen Immens, beide toen godvruchtige leeraars in dezelfde classis van Peel- en Kempeland, de eerste te Oedenrode en de laatste te Oirschot.

Zoo luiden daar \'s mans eigene woorden: „wij wetenquot;, zegt zijn hoogeerw.: „dat het meermalen gebeurd is, dat godvruchtige predikanten van de Meijerij, (waardoor hij mij bericht heeft, beide voornoemde heeren te beoogen) wanneer die elkander bezocht hadden, de gewoonte hadden, midden in de heide, waar zij zich gansch eenzaam vonden , neder te knielen en den Heere te bidden voor zich zeiven en voor de ingezetenen der meijerij, dat God zich over dezelve ontfermen wilde, met het woord van het Evangelie onder hen ter bekeering van vele zielen, zijnen loop te doen hebben. Die heide, welke onder hartelijke gebeden met zulke tranen besproeid en nat gemaakt is geworden, kan niet onvruchtbaar blijven , maar moet ter zijner tijd nog vruchten voortbrengen , die ook zeker te spoediger zouden opschieten, indien deze praktijk onder de leeraars nog onderhouden werd.quot;

2. Zoo ingenomen met de gerechtigheid des ge-loofs en des levens, streed ook die \') Rechtvaardige man Gods, de zalige Immens, die, moedig als een jonge leeuw, vol kracht was van den Geest des Heeren en vol van gericht en dapperheid, kloekmoedig voor dezelve.

\') Naar de aanmerking te voren gemaakt over het grondwoord , tzaddik, dat, door rechtvaardig vertaald , ook zulk eenen beteekent, die, als een goed krijgsknecht van Christus Jezus, voor de gerechtigheid des geloofs en des levens manmoedig strijdt, bladz. 3.

lxxiii

-ocr page 78-

LXXIV VOORREDE.

Hij streed, in de mogesdfeeden des Heeren: Te

In den dienst van liet heiligdom, ziende op uwe

de bediening, die hij had aangenomen in den Heere , gelei

dat hij die mocht vervullen \'). Hen

Voor de gerechtigheid des geloofs en de daaruit O

voortvloeiende troostrijke heilsleer van de vrije recht- tege

vaardiging des armen zondaars voor God, die de als

liverij is van de ware belijders en het Schiboleth, bij dat

welks uitspraak zich het ware Israël onderscheidt de

van die allen, die wel zeggen, dat zij Jodm, dat is wel

oprechte belijders zijn, doch zijn het niet2). Eene ops

gerechtigheid, die de kostelijke paarl is, welke de I

Evangelische koopman zocht en waarvoor hij al teli

wat hij had, om dezelve te koopen, verkocht 3). toe

Eene gerechtigheid, die de vastigheid is van \'s Mes- we

sias troon 4) de grond der kerke 5), de inhoud en het die

oogmerk van het gansche Evangelie 0), ook het hoofd- en

goed van Gods Koninkrijk 7). de

Die gerechtigheid des geloofs verdedigde hij met alle op macht, niet alleen tegen de vijanden der waarheid, tei die buiten ons zijn; maar ook tegen alle valsche drog- de gronden, die het verstand des vleesches heeft uitge- de dacht en tegen allen ijdelen waan van eigene gerech- ve tigheid, die zoo velen de zinnen verblind heeft en ge doet leunen buiten Jezus gerechtigheid op hun inge- h( beeld goed hart, op doop en avondmaal, op hunne hi uitwendige godsdienstigheid , op hunnen burgerlijken H wandel of eenige schijndeugden, waarin zij somwijlen b boven anderen uitsteken. d ___v

1) Coll. IV ; 7. 5) jez. L1V : 14.

2) Openb. 11:9. «) Rom. 1:17. 111:26.

3) Matth. XIII: 46. \') Rom. XIV : 17.

4) Ps. LXXXIX : 15.

I

-ocr page 79-

VOORREDE. LXXV

Tegen deze betuigde hij met Jezus woorden: „tenzij op uwe gerechtigheid overvloediger zij dan der schrift-\'e, geleerden en Farizeën, gij zult in het Koninkrijk der

Hemelen geenszins ingaanquot; \').

lit Ook streed hij voor de gerechtigheid des geloofs ït- tegen de moedeloosheden der gerechtvaardigden, die, de als zij door nieuwe zonden, oorzaak gegeven hebben sij dat zij met geen genoegzaam licht hun aandeel aan :lt de gerechtigheid des geloofs kunnen opmaken, het is wel eens met hope op het heil des Heeren moedeloos ie opgeven.

Ie Dezen moedigde hij, als een geoefende in dat gees-

il telijk worstel- en strijdperk , aan en wekte hen op om ). toch, opdat het ongeloof geen veld winnen mocht, wel ootmoedig, maar geenzins ontmoedigd zich naar t dien Jehova , die de „gerechtigheid van zijn volk isquot; 2) en die hun van Gode ook „rechtvaardigheid is gewordenquot; 3) geloovig henen te wenden; tot zijne wonden 3 opnieuw hun toevlucht te nemen, zijne gerechtigheid , ter verzoening weder aan te grijpen, met dezelve tot den genadetroon toe te treden, daarop te pleiten, den Heere te manen op Zijne beloften van de vergeving der zonden, die zelfs in den staat der genade begaan zijn: Hem zijn eigen woord voor te houden: „ik zal hunne ongerechtigheid vergeven en hunne zonden niet meer gedenken4), zich ook bij Hem te beroepen op hunne machtige „voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaardige, die eene verzoening is voor hunne zonden, die ook voor hen bidtquot; 5), „en hen volkomenlijk zaligen kan,

\') Matth. V : 20. 3) i Kor. I : 30.

2) Jer. XXXIII: 6. *) Jer. XXXI : 34.

3) 1 Joh. II : 2. Rom. VIII: 24.

-ocr page 80-

LXXVI VOORREDE. % rp

alzoo Hij altijd leeft, om voor hen te biddenquot; \');om delii

zoo, langs dien geloofsweg, in de vriendschap met diga

God weder hersteld en tot eene verzoende gestalte tus

bevorderd te worden. doo

Zoo streed hij ook als een goed krijgsknecht van heb

Christus Jezus voor de cjerechtigheid des levens en oor

drong op dezelve harternstig aan bij onhegenadigden, ma;

die of „de genade van God veranderden in ontuchtig- uiti

beidquot; 1) en misbruikten, om daarop te vrijer te zon- del

digen;of,die „slechts eene gedaante der godzaligheid dei

vertoonende, de kracht derzelve verloochendenquot; 2), en in

genoeg rekenden, dat zij, door de kennis des Heeren lev

en Zaligmakers Jezus Christus, de besmettingen der H

wereld ontvloden waren 3), die, in afstand van som- mi

mige zonden, daarbij eerbaar, uitwendig burgerlijken he

godsdienstig leefden, die, gelijk Herodes vele dingen loc

welke uitwendig goed waren deden 5) en ook wel, ge

gelijk de Farizeërs, God zouden danken dat zij niet ge

waren als andere menschen, roovers, onrechtvaar- is

digen, overspelers; noch ook als de tollenaars , die al

met den Farizeeer opging in den tempel om te ds

bidden 6), dat is als zulke menschen, die zij voor d(

schijnheiligen aanzagen , in schijn slechts godsdien- cc

stigen; maar inderdaad naar hunne verbeelding en O\'

ongegronde vooroordeelen, groote zondaars tegen den Vl

Heere; die daarentegen breed opgaven van hunne v

godsdienstige werken, en zich daarin door de inbeel- h

dingen des harten, die, gelijk in Rubens gedeelten7) ^ groot bij hen waren, onmatig verhieven.

1

) Judas vs. 4. 5) Mark. VI; 20.

2

) 2 Tim. III : 5, «) Luk. XVIII : li

3

7) Richt. VI ; 5.

-ocr page 81-

VOORREDE.

Tegen de eersten betuigde hij, dat dit een schandelijk misbruik was van de genade, die de begenadigden door „de wet des Geestes des levens in Christus Jezus, vrjimaakt van de wet der zonde en des doodsquot; \'), „om als vrijen, doch geenszins de vrijheid hebbende als een deksel der boosheid, noch tot eene oorzaak voor het vleesch of voor de zorgeloosheid, maar als „dienstknechten van God1), waardig die uitnemende weldaad van hunne vrijmaking, te wandelen, en „verlost zijnde uit de band hunner vijanden den Heere te dienen zonder vreeze, in heiligheid en in gerechtigheid voor Hem, al de dagen van hun levenquot; 2).

Hij betuigde aan een ieder, dat „zonder heiligmaking niemand den Heere zien zalquot;3); dat „gelijk het lichaam zonder geest dood is, alzoo ook het geloof zonder de werken dood isquot; 5); dat „Abrahams geloof medegewrocht heeft met zijne wérken en zijn geloof volmaakt is geweest uit zijne werkenquot; 0), dat is verklaard en betoond zulk een geloof te zijn, dat alle zijne deelen had en volmaakt of oprecht was; dat dit ook niet anders kan wezen, wijl het „einde des geloofs liefde is uit een rein hart, uit eene goede conscientie, en uit een ongeveinsd geloofquot; \'), gelijk ook de apostel Johannes in die reden dien alleen voor eenen rechtvaardige houdt, die in de oefening van alle plichten der godzaligheid, de rechtvaardigheid doet*)\', dat is, gelijk het Petrus elders uitdrukt, die „in de toebrenging van alle naarstigheid, bij zijn

LXXVII

-) Jac. II : 40.

8) Jac. II : 22. \'gt;) 1 Tim. 1 : 5. 8) 1 Joh. 111:7.


1

1 Petr. II ; 16.

2

Luk. 1: 47 , 75.

3

Hebr. XII : 14.

-ocr page 82-

VOORREDE.

geloof deugd voegt, en bij de deugd kennis, en bij de kennis matigheid, en bij de matigheid lijdzaamheid , en bij de lijdzaamheid godzaligheid, en bij de godzaligheid broederlijke liefde, en bij de broederlijke liefde, liefde jegens allenquot; \').

Tegen de laatsten , die zich met een cjeclaante der godzaligheid tevreden hielden, pleitte hij voor zulk eene gerechtigheid des levens, die uit een vernieuwd genadeheginsel voortkomende , blijken geeft van een hartreinigend geloof1) , en van eene verandering door de vernieuwing des gemoeds 2); ook, voor zulk eene gerechtigheid des levens, waardoor men Gods eer zich in alles stelt tot zijne hooge bedoeling, en met eene zielsinnige opdracht van zijn hart, zooals het de opperste wijsheid eischt, „den Heere zijnen God lief heeft uit geheel zijn hart, uit geheel zijne ziele, uit geheel zijne kracht en uit geheel zijn verstandquot; 3). Eindelijk, voor zulk eene gerechtigheid, des levens, die de ziel aandrijft, om in eene ongeveinsde oprechtheid den Heere in- en uitwendig te dienen en te verheerlijken in lichaam en in geest, die beide Godes zijn5); ook om in ootmoedige zelfverloochening „niet hooggevoelende te zijn, maar te vreezenu) en der vrije genade zóó eer te geven, dat mond en hart uitroepen: „niet ons, o Heere, niet ons, maar Uwen Naam geef eer, om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wilquot; \').

Hij streed ook voor de gerechtigheid des levens bij \'s Heeren begenadigden, en drong als een der eerste

LXXVIII

1

Hand. XV : 9. \') i Kor. VI : 20.

2

Rom. XIII: 2. «) Rom. XI : 20.

3

\') Ps. CXV : 1.

-ocr page 83-

VOORREDE.

helden in dien geestelijken strijd, daarop zeer krach-tig aan tegen die ernst- en harteloosheid, tegen die geestelijke lauwheid en traagheid in het benaarstigen, waardoor zij somwijlen door „de zonde, die hen nog lichtelijk omringtquot; \'), overvallen worden, en die hen, opziende tegen het werk, door lusteloosheid, door gemakkelijkheid van het vleesch, door inkruipend plichtverzuim of moedeloosheid, de handen doet slap-hangen, wel eens tot die mate, dat, ofschoon Jezus aan hunne hartsdeur kloppende, hen toeroept: „doe Mij open Mijne zuster. Mijne vriendin. Mijne duive. Mijne volmaakte; want Mijn hoofd is vervuld met dauw. Mijne haarlokken met nachtdroppenquot;, zij zich door gezochte uitvluchten, die het verstand des vleesches weet uit te vinden, daaraan onttrekken en met de kerk in sprekende daden zeggen: „ik heb mijnen rok uitgetogen, hoe zal ik dien wederom aantrekken? Ik heb mijne voeten gewasschen, hoe zal ik die wederom bezoedelen?quot; 1). Die treurige onge-stalten in \'s Heeren volk bestreed die dierbare godsman met allen ernst.

Hij riep hun toe door vermaningen, waaraan zijn geheiligde ijver leven en kracht gaf: „richt weder op de trage handen en slappe kniëenquot; 2). „Zijt niet traag in het benaarstigen, maar vurig van geestquot;4). „Waak op, waak op. Trekt uwe sterkte aan, o Sion! Trek uwe sierlijke kleederen aan, o Jeruzalemquot; 5).

Hij drong daarop aan, uit aanmerking van het nadeel dat zij zeiven door harteloosheid en traagheid in \'s Heeren dienst zich zouden toebrengen, terwijl

LXXIX

4) Rom. XII: \\\\\\

5) Jes. LII: \\.


1

2) Hoogl. V : 2, 3.

2

) Hebr. XII : 12.

-ocr page 84-

voorrede.

zij, Gods Geest dus bedroevende, daardoor oorzaak

zouden geven dat die ook Zijn vriendelijk aangezicht te

voor hen verbergen zou. roe]

Daarentegen wekte hij hen op tot eenen heiligen der

ijver in \'s Heeren werk, als ten hoogste betamelijk, hee

wijl Gods eer en hun heil een uitnemend belang E

daarbij heeft; ook aangenaam bij den Heere, van Goc

wien Pinebas deswege een welbehagen trok \'), daarbij hee

als een bewijs en kenmerk van echte liefde tot God. Zijn

„Die niet ijvertquot;, zeide Augustinus, „die heeft ook Chi

niet lief.quot; zij

Hij wees hen, ter meerdere ontvonking van zulk woi

een liefdesijver, op hun groot voorbeeld van navol- E

ging, op Jezus, wiens „ijver voor het huis van Zijnen ond

Vader Hem verteerdequot; 2). Ook op „den ijver des heii

Heeren Zebaothquot; 3), voor het heil van Zijn volk, die zelf

hen brengt onder de duurste verplichting om, in Go(

erkentenis daarvan, ook te ijveren in \'s Heeren ree\'

zaligen liefdedienst, door eene gezette en nauwkeu- f

rige beoefening van de gerechtigheid des levens, en het

alzoo te beantwoorden aan het groote einde, waar- de

toe zich de liefste Heiland voor hen heeft overge- ond

geven, „opdat Hij ze verlossen zou van alle ongerech- de

tigheid en Zich zeiven een eigen volk zou reinigen, zijn

ijverig in goede werkenquot; 4). den

Hij tcekte hen ook, ter bereiking van dat einde, lijk

gedurig op om in ootmoed van den Heere steeds ^

aftehangen, om van Jezus, zooals die hun ook „hei- en

ligmaking van God geworden isquot;5), geloovig gebruik uit\'

2

gen

4) Titus II : 14. —

\'•gt;) \\ Kor. 1: 30. \' !)

3) 3)

lxxx

\') Num. XXV : 11—13. ») Ps. LXIX : 10. Joh. II : 17. 4 Jes. IX : 6.

-ocr page 85-

, 5 VOORREDE. LXXXI

iak

cht te maken en „hulp besteld bij dien Heldquot; \'), in te roepen; om zoo „vervuld te worden met vruchten ?en der gerechtigheid , die door Jezus Christus zijn tot yfc, heerlijkheid en prijs van Godquot; 2).

mg Daartoe streed hij ook voor hen in den gebede tot ran God, „opdat Hij hun gave, naar den rijkdom Zijner rbij heerlijkheid, met kracht versterkt te worden door od. Zijnen Geest in hunnen inwendigen mensch, opdat sok Christus door het geloof in hunne harten wonen en zij in de liefde geworteld en gegrond mochten ulk wordenquot; 3).

rol- Doch gelijk hij ook zelf en voor zich zeiven zich nen onder de kruisbanier van Jezus, den „Vorst van het des heir des Heerenquot; 4), begeven had , zoo streed hij ook die zelf den goeden strijd des geloofs „in de kracht van in God, door de wapens der gerechtigheid aan de ren rechter en aan de linker zijdequot; 5).

eu- Hij streed voor de gerechtigheid des geloofs tegen en het ongeloof, en voor de gerechtigheid des levens tegen ar- de kracht der nog inwonende zonde, die het ongeloof ge- ondersteunde, en waarop zijn veroordeelend hart en ch- de vorst der duisternis wel eens zoo werkten, dat m, zijne vrijmoedigheid voor God en zijne blijdschap in den Heere daardoor gestremd en de hope der beerde, lijkheid in hem verduisterd werd.

sds Maar het was een goede strijd in eene goede zaak lei- en die ook met eene goede, heilrijke en heugelijke uik uitkomst bekroond werd.

Zijn strijd in den dienst van het heiligdom of der gemeente had meer dan ééne zegen.

4. -

50. \' i) Ps. LXXXIX : 10. =) Filipp. I ; 11.

3) Efez. III : 17. *) Jos. V : 14.

s) 2 Kor. VI : 7.

6

-ocr page 86-

voorrede.

De Heer gaf er hem velen, die, gelijk zij hier ,s ^

reeds zijne blijdschap waren, hierna ook eens zijn wer( zullen zijne kroon in Christus\' dag, die, door hem uit-

gelokt en aangemoedigd , zich tot de liefdebanier van ^we( Jezus lieten vergaderen; die, „staande in éénen geest,

ook met één gemoed gezamentlijk streden door het jiaa]

geloof van het Evangeliequot; \') waarvan er reeds velen jee^ het strijdperk uitgetreden en „met de kroon der rechtvaardigheidquot; z) bekroond zijn; die nu al in

zegepraal te „eten krijgen van den boom des levens (jere

die in het midden van het paradijs Gods isquot;3), ter- p

wijl er nog anderen, die ik in den Heere ken, „als von( helden die in het slijk der straten treden in den

strijd4), dien „goeden strijd des geloofs voortzetten we(j

en grijpen naar het eeuwige levenquot; 5), die, „getrouw ^eze

tot den dood, op de kroon des levensquot;0), met eene jiaa]

blijde geloofshoop gemoedigd wachten. ge^(:

Uit zijne acht kinderen, waarvan er eenigen zeer

jong zijn gestorven, heeft er hem de Heere ook ^00(

gegeven, die in den bloei hunner jaren zich hebben ruj1]

laten bewegen, om aan Jezus den eed van getrouw- zy ^ beid af te leggen, en met Messiasquot; „vrijwillig volkquot; 7)

onder Hem dienst te nemen. g

De zegepralende uitgang van zijnen eenigen zoon (|en

is ons te voren gebleken 8). ^en

Zijne oudste dochter, Maria Cathaeina Immens, ge- ^uu

boren te Westsouburg den 3 Mei 1693, kreeg ook gezj

al vroeg indrukken van haar eeuwig belang bij den (jur(

Heere en Zijnen zaligen dienst, waartoe de weg in jlaa

--gesj

1) Filipp. I : 17. 5) i Tim. VI : 12. h

2) 2 Tim. IV : 8. «) Openb. II : 10. als

3) Openb. II : 7. 7) Ps. CX ; 3. __

4) Sach. X: 5 «} Bladz. 78. i)

lxxxii

-ocr page 87-

voorrede.

\'s Heeren voorzienigheid op deze wijze gebaand werd.

De heer P. de la Roque, een godvruchtig leeraar, twee of drie jaren voor haren dood, hier te Middelburg zijnde, sprak haar gemoedelijk aan en wekte haar nadrukkelijk op, om toch de lente van haren leeftijd den Heere te heiligen en in Zijnen dienst te besteden.

Hij bond dit met allen ernst en met geene mindere teederheid op haar hart.

Doch hetgeen toenmaals niet veel ingang bij haar vond, werd eenigen tijd daarna door \'s Heeren in-dachtigmakenden Geest niet alleen aan haar gemoed wederom te binnen gebracht, maar tegelijk zoo gezegend, dat het zaad des Woords, voorheen in haar hart ontvangen, een zaad werd van wedergeboorte en het middel tot hare krachtdadige en zichtbare verandering, gelijk zij op haar krank- en doodbed dikwijls betuigd heeft. Zij stierf met veel ruimte en blijdschap des geloofs in den Heere, eer zij nog het zestiende jaar haars levens bereikt had, den 18 Mei 1708.

Eene andere dochter, Catharina Immens, geboren den 20 October 1706, en in den echt vereenigd met den heer ontvanger Daniël Smit, heeft ook op den duur wezenlijke proeven gegeven van hare oprechte gezindheid voor den Heere. Meermalen heb ik gedurende mijn dienst in het Evangelie aan deze plaats haar ontmoet en tot nuttige stichting met haar gesproken.

Haar einde, waarbij ik tegenwoordig was, is ook als dat „der oprechten, vrede geweestquot; \').

i) Ps. XXXVIII : 37.

l.xxxiii

6*

-ocr page 88-

VOORREDE.

Zij stierf in den ouderdom van 29 jaren en vijf maanden, op den 20 Maart 1736, en is alzoo in de kracht haars levens „ingegaan in den vrede en rust op hare slaapstede, als ééne, die in hare oprechtigheid gewandeld heeft 1).

Aan eene derde dochter Johanna Immens, die te Dordrecht gehuwd aan den koopman Jan de Heeke éénen zoon heeft nagelaten, werd het goede des Heeren door diegenen, die haar kenden, ook met bliidschap gezien.

God geve, dat de Geest der heerlijkheid, die op zijn zaad gerust heeft, ook nederdale op het zaad zijns zaads ! „De goedertierenheid des Heeren, die van eeuwigheid is en tot in eeuwigheid over diegenen, die Hem vreezen en zijne gerechtigheidquot;1), zij en worde, met het geloof geschonken aan heide kinderen, verwekt uit twee zijner dochters!

Zijn eenige achter kleinzoon, Martinüs Lkonaedus , is den 24 Februari 1751 te Westsouburg geboren uit zijne kleindochter, Jozina Catharina de Smit, die, verwekt bij den heer docter Leonardus de Smit en Sara Johanna Immens , in echt vereenigd is met den heer Francois Gaaswijk, secretaris aldaar.

De Heere doe ook deze jonge telg opwassen in Zijne gunst, „als eene spruit van zijne planting, als een werk van Zijne handen, opdat Hij verheerlijkt wordequot; 2).

Nevens die zegepraal in de gemeente en onder zijne huisgenooten, heeft ook de zalige Immens meer dan ééne overwinning behaald voor zich zeiven, en zijnen goeden geloofstrijd met heil bekroond gezien.

lxxx1v

1

i) Jes. LVII: 2. Ps. CII :\'17.

2

Jes. LX : 2-1.

-ocr page 89-

VOORREDE.

Doorgaans was hij zeer geloovig en daardoor gemoedigd.

Hij genoot veel heugeliike bevindingen van \'s Heeren verborgene liefde, die hem somwijlen zoo verrukten en met blijdschap vervulden, dat de verheffingen Godes in zijne keel waren en hij zijne vrienden in den Heere daarvan getuigen maakte.

Wonder was hij ingenomen met zekere genaderijke ontmoeting, waarmede hij in eene drukkende omstandigheid door den Heere verwaardigd werd.

Terwijl hij, te Poortvliet zijnde, bij gelegenheid dat zijn broeder, predikant in die gemeente, gestorven was, daar in zijne eenzaamheid wandelde, kwam hem de Heere op eene bijzondere wijze voor, en het was of hem werd toegeroepen: „Zacheus, haast U en kom af, want ik moet heden in uw huis blijvenquot; \'). Straks antwoordde zijn hart: „Heere ik ben niet waardig dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen.quot; Daarop ging hij naar huis in zijne eenzaamheid, waar de Heere hem, gelijk hij dikwijls aan zijne hartsvrienden verhaalde, zoo heugelijk voorkwam, en op zulk eene gevoelige en nadrukkelijke wijze zich in Zijne zalige nabijheid aan hem openbaarde, dat hij het nimmer vergeten kon, noch zich in staat vond om het, zooals hij het genoten had, in kracht uit te drukken. Hij moest daarbij uitroepen:

O zalig eenzaam !

Met God gemeenzaam !

Duurde dat vrij eeuwen lang! 1)

Eenige jaren voor zijn dood, den 3 Februari 1709,

I.XXXV

1

) Lodensteins uitspann. bladz. 397.

-ocr page 90-

VOORREDE.

werd hij overvallen van eene gevaarlijke krankheid, Weg die hem bracht tot aan de poorten des doods. Mijn afW( gezicht, teekent hij zelf daarvan aan, was reeds ant^ gebroken, mijn doodgewaad al gereed en ik bij allen het voor dood aangezien. Doch het behaagde den Heere T hem toenmaals tot groote blijdschap van zijne echt- Zek( genoote, huis en gemeente, van den oeverrand des nau doods en der eeuwigheid nog terug te roepen en aan te hunne gebeden weder te geven. troi Gedurende de ziekte was hij zeer opgewekt en gev ondervond veel van \'s Heeren liefde, dat hem na I zijne herstelling tot eene ijverige voortzetting van wai zijn lust en dienstwerk in de gemeente zonderling zeg aanmoedigde. ( Zijn laatsten zwanenzang zong hij vijftien dagen ap( vóór zijnen dood, des Zondagsnamiddags in de Ik Nieuwe Kerk, over de T Zondags-afdeeling. Toen hoi sprak hij van de natuur en werkzaamheden des vai geloofs zóo nadrukkelijk, zoo opgetogen, zoo ernstig, za] dat velen die hem hoorden dachten en zeiden : dat zal de laatste predikatie zijn, gelijk hij dan ook van zaquot; dien tijd af zich niet wel heeft bevonden. N( Echter beklom hij nog des Zondagsnamiddags 24 daarna den predikstoel, doch werd door de onge- in steldheid van zijn lichaam genoodzaakt zoo, als hij te maar even begonnen was, zijne rede af te breken. ee Van toen af moest hij blijven liggen en werd in die te laatste ziekte door zware pijnen belet veel te spreken, in maar was zeer stil en gelaten, ook geloovig werkzaam , en uitziende naar den Heere, vervuld met D een reikhalzend verlangen om ontbonden te worden di en met Christus te zijn.

Als één zijner veelwaarde ambtgenooten \'s daags vóór zijnen dood zijne gevoelige droefheid uitdrukte

LXXXVI

I

-ocr page 91-

1

VOORREDE, LXXXVÏI

id, wegens het groot verlies, dat Gods kerk bij zijne -ij\'i afwezigheid door zijnen dood lijden zou, gaf hij ten antwoord: • de Heere heeft mij niet noodig. Ik heb ^en het mijne gedaan. God zal voor zijne kerk wel zorgen. }re Tot andere vrienden zeide hij: Ik weet, ik zal it- zeker zalig worden; doch het zal maar nauwelijks, les nauwelijks, nauwelijks zijn \'). Het is wat te zeggen, an te sterven als een leeraar, dien zooveel is toevertrouwd en daarvan aan God zal moeten rekenschap en geven.

ia De laatste woorden, die hij verstaanbaar sprak ,

in waren deze: nu zal ik haast over alle mijne vijanden sg zegepralen.

O zalige verwachting! \'t is of hij met den grooten 3n apostel zeide: „Ik heb den goeden strijd gestreden ! ie Ik heb den loop geëindigd! Ik heb het geloof be-ïn houden! voorts is mij weggelegd de kroon der rechtss vaardigheid, die mij de rechtvaardige Richter geven ?, zal in dien dagquot; 2).

it Weinige uren daarna is hij heilig en veilig, god-

■n zalig en gelukzalig in den Heere ontslapen, den 18 November 1720, in den ouderdom van 56 jaren en ;s 24 dagen, en is daarop den volgenden 25 November ï- in de Oostersche kerk alhier begraven, terwijl de ij teederlievende gemeente, die de lijkbaar volgde, met i- een diep gezucht en met heete tranen het allersmar-e telijkst verlies van haren liefdewaardigen leeraar ziel-, innig betreurde.

Hij heeft ia de beurten van zijne dagorden des t Dinsdags- en Donderdagsavond , naar \'t gebruik in i deze gemeente, den geheelen Bijbel ééns rond gepre-

3 gt;) -1 Petr. IV ; 15.

3 2) 2 Tim. IV : 13.

i

-ocr page 92-

VOORREDE.

dikt, want toen hij \'s Maandags begraven werd, is Dinsdagsavonds zijn kapittel, 2 Thess. II, gepredikt, waarmede hij in zijne beurt den Bijbel begonnen had.

O gelukkigen, driemaal gelukkigen, driemaal zaligen, die zoo in den Heere ontslapen zijn !

II. Och dat de gedachtenis van dien rechtvaardige, die bij den Heere en bij de vromen in eeuwige gedachtenis wezen zal, ook bij ons zijn mocht tot

zegening !

a. Eene gedachtenis, waarlijk zoo aangenaam, zoo liefelijk als de geur der allervoornaamste specerijen en welriekendste oliën.

1. Zijn godzalige icandel verspreidde bij zijn leven alom, in zijne woorden en daden, voor God, voor engelen en menschen, een reuke van zich van de allergeurigste genaden, door de vrucht des (reestes in hem, als „liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheidquot; 1); die edele sierdeugden, die hij als een ijverig voorstander van de gerechtigheid des geloofs en des levens, zooals wij vernomen hebben, naar buiten vertoonde. De „reuk zijner kleederenquot;, dier heilige sieraden, waarmede luj omhangen was, was „als de reuk van Libanonquot; 2) „Gode welbehagelijk en aangenaam den menschenquot; 3).

LXXXVIII

2. En nog verspreidt zijne godvrucht na zijnen zaligen uitgang haren liefelijken geur, niet alleen bij eene geheiligde overdenking van zijne welriekende genaden, maar ook in zijne geurige en welriekende schriften, die het getuigenis, dat in alles naar waar-

3) Rom. XIV : 12.

1

gt;) Gal. V ; 22.

2

Hoogl. IV : 11.

-ocr page 93-

VOORREDE.

heid, aangaande hem is afgelegd, zeer krachtig bevestigen.

Hi] zelf schreef eene voortreffelijke liikrede, die over den weleerwaarden zeergeleerden en godzaligen heer Fkederik van Houten, zijn dierbaren ambtgenoot, godzalig in den Heere ontslapen den 2 April 1704, vier dagen daarna over Openb. XIV : 13, voor de gemeente uitgesproken en vervolgens door den druk aan het licht gebracht is.

Mijn zalige grootvader, de heer Jacob Willemsen , in zijne rouwklacht over dat smartelijk verlies van Middelburgs Siün, vertoont zeer nadrukkelijk de uitmuntende gaven en genaden van den weergaloozen Van Houten , en zegt daarop van die lijkrede:

Dit zal de nette pen van Immens ons betoogen.

Zijn treurreên hadden kracht, met geestelijk vermogen,

Op duizend zielen, die zijn welbespraakten mond »

Al weenend\' hoorden van \'t gestoelte, daar hij stond.

Ook schreef hij „Het wonder van Gods vrije genade door Jezus Christus, vertoond in een stervenden Christen , of „Het heilig leven en den zaligen dood van jonkvrouw Cornelia Constantia Winckelman, met vele blijdschap in den Heere ontslapen te Middel- | burg in Zeeland, den 22sten Januari 1716, in den ouderdom van vierentwintig jaren.quot; Hij beeldt daarin het heilig leven en het getroost sterven van die geloofsheldin zeer levendig uit.

Hij prijst het ter godvruchtige navolging zielseru-stig aan.

Hij voegt er zijne aanmerkingen bij over Gods wonderweg, in dezen gehouden, en eindigt dat bericht met zeer nuttige besturingen, daaruit afgeleid voor goddeloozen, overtuigden, bekommerden, voor be-

LXXXIX

-ocr page 94-

voorrede.

proefde en meer gevorderde Christenen; ook voor alle graaggetrouwe dienstknechten des Heeren.

Van dit bericht ging zulk een liefeliike geur uit, dat iedereen er op belust en het deswege meermalen herdrukt werd.

De heer secretaris Boddarwt drukte zijn nasmaak op het lezen van hetzelve uit in dit zeer opwekke-lijk en stichtelijk gedicht:

„Ziedaar \'t klein boeksken uitgelezen :

„Mijn ziel, nu dient uw God geprezen,

„En hooggeroemd zijn wonderwerken,

„In \'t zwak geloove te versterken.

„Constantia, die hier beneden

„Standvastig heeft den strijd volstreden,

„Die wel in duisternissen dwaalde,

„Maar hoopte op Hem , die nimmer faalde,

„Zag zich verlost door haren Heere,

„En zingt nu Gode en \'tLam ter eere.

„O heerlijk licht, dat haar bestraalde,

„Wanneer heur Bruidegom haar haalde,

„O schoon en triomfant verschelen ,

„Hoe ging mijn ziele spelemeien

„In \'t lezen van haar heilrijk ende.

„Waar zich mijn ziele keerde of wendde,

„\'t Was even dierbaar, even heerlijk ,

„O dood, zoo wenschlijk, zoo begeerlijk!

„De wijsheid, die op hooge scholen

„Geleerd wordt, mag ons laten dolen;

„Hier hoor ik wijze lessen geven,

„Waardoor een arme ziel leert leven.

„Ik leer van deze doode sterven,

„Om beter leven te verwerven.

„Mij dunkt, \'k voel reeds een sterk verlangen

„Om, was \'tGods wil, die zelfde gangen,

„Op Jezus roepen na te treden.

„Weg aardsche draf, die hier beneden

„Mijn ziele nimmer kan verzaden.

xc

-ocr page 95-

voorrede.

„Uw schijnschoon kan ik nu versmaden.

„Is \'ternst, mijn ziel? wel volg haar schreden, „Om Jezus moedig na te treden.

„Volg, volg haar voorbeeld in dit leven, „Om daaglijks u aan God te geven,

„Om nedrig u onwaardig te achten,

„En alles uit gena te wachten „Voor niet, uit \'s Konings milde handen.

„Ontsla, ontsla u van de banden,

„Die u nog aan het zichtbre hechten.

„Verkies het lot van \'s Heeren knechten.

„Pas op Zijn wenken en Zijn woorden.

„Of kent gij niet die liefdekoorden,

„Daar Hij uw aardsgezinde zinnen „Meê trok en neigde om Hem te minnen „En in uw geest wrocht onder \'t lezen „Dien lust, om ook bij Hem te wezen „Om, met de zaalge schaar hier boven,

„Jehova eens volmaakt te loven ,

„En Vader, Zoon en Geest te prijzen ;

„Kotn Jezus, leer mij toch de wijzen „Van Halleluja\'s englenzangen,

„Mijn nieren in mijn schoot verlangen \').

Nog zijn er na zijn dood, onder zijnen naam aan het licht gekomen eenige uitmuntende oefeningen en predikatiën over 2 Sam. XII: 13, door eenige aanhoorders derzelve uitgegeven en gedrukt te Middelburg bij Willeboord Eling; met eene voorrede, onderteekend 2 December 1721.

xci

)or

lit, len

tak ke-

Meer weet ik niet, dat er van den zaligen heer Immens in druk is gekomen, hoewel zijne doorwrochte zin- en zaakrijke leerredenen overwaardig waren het licht te zien.

1

\') Stichtelijke gedichten, bladz. 530, in 4to.

-ocr page 96-

XCII VOORREDE.

Doch de Heere droeg zorg, dat nog eenige voorraad van zijn graaggetrouwen arbeid in den Heere werd opgezameld.

De welgeboren en deugdrijke jonkvrouw Jacoba Peteonella. Winckelman, die van zijnen dienst in het Evangelie veel en nuttig gebruik gemaakt heeft, schreef de verhandelingen die u hier worden medegedeeld , over het Geloof, het Verbond der genade en het Heilig gebruik van het heilige hondzegel des Avondmaal s ) uit den mond van dien dierbaren godsman, onder het voorstel van dezelve, in zijne bijzondere oefeningen \'s Maandags voor het Avondmaal, met eene weergalooze vaardigheid, niet alleen zakelijk, maar genoegzaam ook tvoordelijk op, en zoo nauwkeurig, dat de heer Immens, bij het overzien van sommige derzelve, die voor echt en voor de zijne erkende.

„De Heere vergelde haar deze daad en haar loon zij volkomen van den Heerequot; \'), die haar dit in het harte gegeven heeft!

„Eene goede, nedergedrukte, geschudde en over-loopende maat van Gods allerdierbaarste zegeningen worde haar voor dezen arbeid der liefde, dien zij aan \'s Heeren naam bewezen heeft, dienende den heiligenquot;\'1), uit genade „gegeven in haren schoot3) en, onder een werkijverige voortzetting van eene blinkende godzaligheid, aan het einde van haren weg „rijkelijk toegevoegd, de ingang in het eeuwig koninkrijk van onzen Heere en zaligmaker Jezus Cristusquot; 4).

I

1

) Hebr. VI: 10. 4) 1 Petr. 1:10.

-ocr page 97-

VOORREDE. XCin

Dor- \'t Geschrift, dat haar vlugge pen u aanbiedt, is

jere als een „paradijs van granaatappelen met edele vruchtenquot; \') door aanwijzing en aanprijzing van de

:oba allerdierbaarste waarheden en welriekende genaden,

het waarop overal zulk een adem van godsvrucht

eft, verspreid is, dat de gedachtenis van dien „rechtvaar-

3de- digen, wiens mond die wijsheid overvloediglijk voort-

g en brachtquot; 1), bij allen , „wier rieken in de vreeze des

md- Heeren isquot; 2), hoogst aangenaam zijn moet en als

an, een welriekende geur.

lere b. Och mocht dezelve ook op de nadrukkelijke

met wijze tot zegening wezen!

ijk, 1- Gezegend zij deswege allereerst de in alle

uw- eeuwigheid gezegende God, en geloofd zij de naam

van Zijner heerlijkheid voor de heugelijke gedachtenis van

ijne dien Rechtvaardige.

Komt, vromen, die verwaardigt zijt geworden u

oon in het licht van dien Rechtvaardige, „die eene brau-

het dende en lichtende kaars was, voor eenen tijd te verheugenquot; quot;).

ver- Komt allen, die het voorrecht geniet om dien

gen lieflijken geur die van dien Rechtvaardige uitvloeit,

zij en den adem van Godsvrucht, die over zijn werk

den verspreid is, te mogen inademen. Zegent Johova in

jt3) bet aangezicht. „Maakt den Heere met mij groot en

lene ons Zijnen naam te samen verhoogenquot; a).

,ren 2. Gezegend zij ook die Rechtvaardige Godsman!

wig O, volk des Heeren, burgers van \'t geestelijke

3zus Sion, die lust hebt te „eeren die Jehova vreezen u); komt ook en zegent dien rechtvaardige.

4) Joh. V: 35. 3) Psalm XXXIV : 4. O) Psalm XV : 4.


|

1

) Spr. X : 31.

2

) Jes. XI: 3.

-ocr page 98-

VOORREDE.

Spreekt lof ter gedachtenis van. zijne welriekende genaden. Verheft, tot zijnen roem, zijne geurige godzaligheid. Prijst ze anderen aan ter godvruchtige navolging.

Zoo zegende hem de welgeboren en godvruchtige jonkvrouw Maeia Winckelman, met de hemelstem, waarmee zij hein, tot zijne hier nog achtergelaten vrienden in den Heere, dus sprekende invoert: „Ai vrienden, die mijn graf beziet, ai treurt toch niet,

„Nu \'khier mag rusten.

„Mijn levensloop was aan zijn end. \'k Had me gewend

„Naar \'s hemels kusten.

„Mijn ziel is reeds voor Godes troon en heeft de kroon

„Nu al ontvangen.

„Die werp ik voor mijn Heiland neêr en geef Hem eer

„Met lofgezangen „\'k Ben in Gods weg u voorgegaan. Op deze baan

„Moet gij ook treden.

„Hebt goeden moed. Daar komt een end van alle ellend

„En tegenheden.

„O! \'tzalig end vergoedt haast al het ongeval,

„Dat u mag treffen.

„Geen sterveling op aarde kan de waarde van

„Dat goed beseffen.

„Zoo haast gij zult van uwen post zijn afgelost,

„Zult ge ook hier komen!

„De plaats is reeds van eeuwigheid voor u bereid

„En al de vromen.

„Weest lijdzaam, onderworpen stil, in \'s Heeren wil:

„Hij zal het maken,

„Gij zult ook als \'tuw tijd zal zijn, uit deez\' woestijn „Eens binnen raken.

XCIV

Zoo zegende hem ook de heer Boddaekt in een „grafschrift voor den zeereerwaarden en nu zaligen Heere Petkus Immensquot;, met die woorden : \')

!) In zijne stichtelijke gedichten, bladz. 544, in 4to.

-ocr page 99-

voorrede.

„Dit graf bewaart het lijk van Immens , die getrouw „Zijn Heer ten dienste stond in Sions tempelbouw, „Die de ongodisterij en \'t zorgloos wereldsleven „Dorst, als een Christenheld, vrijmoedig wederstreven. „Zijn ijver, vrede, liefde en deugd, alom bekend,

„Heeft zijn gedachtnis in der vromen hart geprent. „Nu rust hij van zijn werk, en leeft niet door gelooven, „Maar door aanschouwen, in \'t volmaakte licht hierboven.quot;

Zoo zegende hem zijn dierbare ambtgenoot, de zalige Breukeland, in ziine aan spraak aan de gemeente te Middelburg, die voor de Lijkdichten geplaatst is; „in alle zijne gemeenten, zegt hij, is hij openbaar geworden een vriendelijk, zachtmoedig, ernstig en wakker man, trachtende, zich overal een predikant te betoonen, niet afnemende, maar in ijver toenemende, zoodat zijne laatste jaren de minste niet geweest zijn.quot; En, in zijne rouwklacht, over hem uitgeboezemd, laat hij zich dus hooren:

„Hier ligt de lijkbus van dien man,

„Die met zijn leer en leven stichtte;

„Hij leeft, die, in de hope van

„Het eeuwig heil, zijn loop hier richtte.

„Genade Gods, in hart en mond,

„Heeft hij aan zondaars voorgedragen,

„Naar \'t recht van \'t eeuwig zoen verbond,

„Tot roem van \'s Heerens welbehagen.

„Getrouwe broeder in den geest,

„Wij volgen \'t spoor, van u gewezen;

„Genade die de ziel geneest,

„Om voor Gods troon te staan verrezen.

Zoo zegende hem de hooggeleerde heer P. Wesse-ling, in een latijnsch klaagdicht, dat met deze nadrukkelijke woorden besloten wordt;

xcv

-ocr page 100-

voorrede.

„Hic situs est Immens, quem mors violenta peremit,

„Quod muitos mortis faucibus eriperet.

dat is:

„Hier ligt heer Immens, door den wreeden dood geveld,

„Wijl hij er velen had gerukt uit \'s doods geweld.

Zoo zegenden hem zijne vrienden in den Heere, Johannes Op Soiieb en Petrus Dathenus, die ook in hunne Lijkdichten, de uitmuntende gaven en genade des grooten Iidiens , tot \'s Heeren eeuwigen lof en bewaring van \'s mans roemwaardige gedachtenis, nadrukkeliik aanprezen.

3. Eindelijk, gezegend zij ook en ons tot een zegen de gedachtenis van dien rechtvaardige!

Laat ons toch, ter bereiking van dat heilrijk en heugelijk oogmerk, den adem van Immens geestrijke balsemgeuren, door gebette overweging van zijne ivel-riekende genaden en godvruchtige gebruikmaking van zijne geurige schriften , met aangenaamheid inademen.

Ademt ze zoo in, genadeloozen, met een nedrig opzien tot den Heere, om ook zeiven die zalving van den Heilige deelachtig te worden.

Ademt ze ook zoo in, Volk des Heeren, om er u met een heilig genoegen in te verlustigen. Riekt steeds, door geheiligde zielsaandachten, den liefelijken reuk van die oliën des Geestes, waarmede uw Immens gezalfd was, en die veel beter is dan alle specerijen.

Maakt ze u ten nutte bij alle gelegenheden.

Die liefelijke geur van Immens genade en schriften wekke uwe geesten op, om, vol kracht van den Geest des Heeren en vol van dapperheid , met Josafat, door eene heilige grootmoedigheid „uw hart te ver-

xcvi

-ocr page 101-

voorrede.

heffen in de wegen des Heerenquot; \') om door beletsels heen te breken en uw Christendom in eene werk-ijverige uitoefening van alle plichten der godzaligheid, met zegen voort te zetten.

Is „uw hart in uquot; 1), en uw geestelijk leven aan \'t kwijnen? riekt toch den liefelijken reuk. Brengt u de geurige godzaligheid van uwen Immens dikwijls te binnen. Doorleest deze ivelriekénde bladen om daardoor opgewekt, de verlorene krachten te herstellen, om weder op te richten trage handen en slappe knieen, en, met het oog op den Heere, „die den moeden kracht geeft en vermenigvuldigt de f sterkte dien, die geen krachten heeft, met vleugelen op te varen, gelijk de arenden; om te loopen, zonder moede, en te wandelen, zonder mat te worden 2).

Is uwe „ziel nedergebogen in u ? Is zij onrustig in uquot;4), door kleinmoedigheid, „omdat de Trooster, die uwe ziel zou verkwikken, verre van u isquot; 5) ?

Riekt toch den adem van godvrucht, dien Immens gedachtenis van zich verspreidt.

Stelt aan uw gemoed die wegen der liefelijkheid voor, die paden des vredes, langs welke de Heere hem geleid; ook alle die aanmoedigende vertroostingen waarmede hem God zelf vertroost heeft. Beurt er u door op. Hoopt op God. Gij zult hem nog loven voor de verlossingen zijns aangezichts. Hij is altoos dezelfde. „Hij is de menigvuldige verlossing, ook van uw aangezicht en uw Godquot; 0).

xcvii

4) Ps. XLII : 6. \'-) Klaagl. I : 16. B) Ps. XCIV : G.


1

Jer. VIII : 18.

2

Jes. XL: 29, 31.

-ocr page 102-

voorrede.

Riekt den adem van dien geurigen troostbalsem, die in dit troostboek aan Sions treurigen wordt toegediend , opdat de „vertroostingen Gods, wanneer uwe gedachten binnen in u vermenigvuldigd worden, ook uwe ziel mogen verkwikkenquot; 1).

Dat „ook de blijdschap des Heeren uwe sterkte zij, vanwege dien liefelijken geurquot; 2).

Verblijdt u in den Heere en in zijne zalige verbonds-deugden, die u de gedachtenis van dien rechtvaardigen en zijner welriekende genaden, in hem gelegd door „de genade des Heeren Jezus, door de liefde des Vaders en door de gemeenschap van den Heiligen Geest, tot uwe verkwikking te binnen brengt.

Verblijdt u in de hope, om, aangemoedigd door Immens geestrijke balsemgeuren, ook „uit te zien naar den Heere en te wachten op den God van uw heil, dat Hij, die des Geestes overig heeftquot;3), u ook geve, naar den rijkdom zijner heerlijkheid, met kracht versterkt te worden door zijnen Geest in uwen in-wendigen mensch 4).

Verblijdt u in de hope, ook uit de bewustheid van uwe oprechte gezindheid voor den Heere, om mede, als een rechtvaardige, in alle de geboden en rechten des Heeren onberispelijk te wandelen. „Hoopt vol-komenlijkquot; 5) op het heil des Heeren, aan den rechtvaardigen toegezegd.

„O rechtvaardige, het zal u wel gaan. Gij zult eens de vrucht van uwe werken etenquot; 6).

Maar tracht ook zeiven door genade tot den staat

xcviii

4) Efez. III : 16. ■\'■j 1 Petr. I ; 13. «) Jes.- III, 10.


1

«) Ps. XCIV : 19.

2

s) Neh. VIII : li.

3

Mal. II : 15.

-ocr page 103-

VOORREDE.

en gestalte van zulk eenen rechtvaardige geheiligd te worden, opdat ook uwe gedachtenis tot zegening zijn moge.

„Acht alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, uwen Heere, en acht ze drek te zijn! opdat gij Christus gewinnen moogt, en in Hem gevonden worden, niet hebbende uwe rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof in Christus is, namelijk de rechtvaardigheid , die uit God is, door het geloofquot; \').

Wordt ook „vervuld met vruchten der gerechtigheid , die door Jezus Christus zijn tot heerlijkheid en prijs van Godquot; 1). Tracht, in den Heere, de merkteekens van eenen rechtvaardige, die Gods Geest in de Heilige Schrift opgeeft, meer en meer uit te drukken.

Uw mond vermelde steeds wijsheid! Uw tong spreke het recht!

„De wet uwes Gods zij in uw harte! Dat uwe gangen toch niet slibberenquot; 2).

„Die rechtvaardig is, dat hij nog gerechtvaardigd wordequot; 3).

„Uw pad zij gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot den vollen dag toequot; 5).

Komt voor de gerechtigheid des geloofs en des levens ook manmoedig vit. „Waakt. Staat in het geloof. Houdt u mannelijk. Zijt sterkquot; 6).

„Staat in eenen geest. Strijdt gezamentlijkquot; \') met één gemoed , door \'t geloof van het Evangelie.

XCIX

s) Spreuk. IV ; 18. 0) 1 Kor. XVI : 13. Filipp. I ; 27.


1

2) Filipp. 1:11.

2

Ps. XXXVII : 30, 31.

3

Openb. XXII ; 2.

-ocr page 104-

VOORREUE.

„Wordt krachtig in den Heere en in de sterkte van Zijne machtquot; \').

„Neemt aan de geheele wapenrusting van God, opdat gij kunt wederstaan in den boozen dag, en alles verricht hebbende, staande blijvenquot; 2).

Drukt zoo de voetstappen van \'s Heeren rechtvaardigen dienstknecht, die u in dat spoor der gerechtigheid voorging.

Gedenk aan dien voorganger, die in deze gemeente Gods Woord heeft gesproken , en nu nog door dit heilig overblijfsel zijner godvruchtige overdenkingen tot u spreekt, na dat hij gestorven is.

„Volgt zijn geloof na, aanschouwende de uitkomst van zijne wandelingenquot; a).

De vrucht daarvan zal overvloedig zijn tot heerlijkheid van God en uwe blijdschap in den Heere. Uwe gedaehtenis, de herinnering van uwe welriekende genaden, zal ook eenen liefelijken en aangenamen geur van zich verspreiden.

Die liefelijke geur zal mee tot zegening wezen.

Men zal God wegens u zegenen en Hem met blijde dankzegging groot maken, die u door de zalving van den Heiligen, met de geurige zalfoliën van zijnen Geest overgoten en zoo ivelriekende gemaakt heeft.

Ook zal men u zegenen. Men zal uw geloof, uwe liefde, uwe vrucht en uwen wandel in godzaligheden met achting ophalen en ter ijverige navolging aanprijzen. „Het aangezicht des Heeren is tegen de genen, die kwaad doen, om hunne gedachtenis van de aarde uit te roeien\'\' 4). Maar gij, o recht-

c

i| Efez. VI : 10. ••gt;) Hebr. XIII ; 7.

2) Efez. VI : -13. 4) Ps. XXXIV: 17.


-ocr page 105-

VOORREDE.

vaardigen, „zult bij den Heere, die u in beide zijne handpalmen gegraveerd heeft en wier muren steeds voor Hem zijn, gij zult ook bij de heiligen op aarde in eeuwige gedachtenis zijnquot;

„De goddeloozen zullen hunnen naam aan \'s Hee-ren uitverkorenen ter vervloeking laten. Maar u zal de Heere met eenen anderen naam noemenquot; 1). Waar door ook „een naam van u zal uitgaan, om uwe schoonheid 2).

Ja, uwe gedachtenis zal niet minder tot zegening of tot een zegen voor anderen wezen bij uw leven en na uwen godzaligen uitgang.

De nardus van uwe geurige genaden, in de uitlatingen van uw geloof en liefde, zal zijnen reuk geven, niet alleen tot verkwikking van den Heere Jezus, die zich daarin heilig verlustigt; maar ook tot uitlokking van anderen en bijzonder tot hartsterking en aanmoediging van \'s Heeren volk. De reuk uwer kleederen, door de uitvloeisels uwer welriekende godzaligheid in uwe woorden en daden, zal zoo liefelijk, ja veel liefelijker zijn dan „de reuk van Libanon; niet alleen Gode welbehagelijk, maar ook aangenaam den menschen, die ziende uwe goede werken, daardoor zullen opgewekt worden, om samen met u, uwen Vader die in de hemelen is te verheerlijkenquot; 3).

En die zegen, die onder Gods zegen, uit uwe geurige genade ten nutte van anderen uitvloeit, zal wederom u tot een zegen zijn; want „de zegenende ziel zal vet gemaakt wordenquot;5). „De Heere der

CI

1

Jes. LXV : -15. ■) Ezech. XVI: 14.

2

quot;) Hoogl. 1:12. IV :H. Rom. XIV: 23.

3

s) Spr. XI: 25.

-ocr page 106-

VOORREDE.

heirscharen zal u zegenenquot;. Van u zal het heeten : „gezegend zij mijn volk, het wei\'k mijner handen en mijn erfdeelquot; \'), gezegend, hier reeds, „met alle geestelijke zegeningen in den hernel en in Christusquot;! Maar gezegend vooral hierna, in den liefelijlc\'en en zaligen hemel, daar zegeningen zonder getal, zonder maat, zonder einde, „zullen zijn en eeuwig blijven op het hoofd der rechtvaardigenquot; 1).

O rechtvaardigen, leeft in die hope, sterft in die verwachting!

Heeft de Heere u, als Noach, hier „gezien rechtvaardig voor Zijn aangezicht in dit geslachtquot; 2), Hij „die den weg der rechtvaardi i-en kent, erkent en goedkeurtquot; 3), zal ook „den rechtvaardige zegenen en met goedgunstigheid kronen , als met eene rondas. De Heere tnch heeft de rechtvaardigen lief. Hij ondersteunt de rechtvaardigen, en zal in eeuwigheid niet toelaten, dat de rechtvaardigen wankelen. Ja, het heil der rechtvaardigen is van den Heere; hunne sterkte ter tijd van benauwdheid. De Heere zal ze helpen en zal ze bevrijden. Hij zal ze bevrijden van de goddeloozen en zal ze behouden; want zij betrouwen op Hemquot; 5).

Voor Jezus rechterstoel, in den aanstaanden en ontzachelijken oordeelsdag, „zullen de goddeloozen niet bestaan in het gerichte, noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigenquot; quot;), maar gij rechtvaardigen, gelijk „gij betrouwen moogt. zelfs in uwen

CII

1

Spr. X: 6. 4) Ps. I; 6.

2

5) Ps. V : 13. Ps. CXLVI: 8. Ps. XXXVII; 47. Ps. LV: 23.

3

Ps. XXXVII: 39, 40. «) Ps. 1: 9.

-ocr page 107-

VOORREDE.

doodquot; 1), zult ook met alle vriimoedigheid staan voor uwen Rechter, dien gij te gelijk als uwen Verlosser en voorspraak zult mogen aanmerken.

Het vonnis uwer vrijspraak zal daar in het openbaar bekend gemaakt en gij voor rechtvaardic/en en gerechtigde erfgenamen der eeuwige zaligheid verklaard worden. „ De Koning zal tot u, geplaatst aan zijne rechterhand, zeggen: komt, gij gezegenden van mijnen Vader. Beërft dat koninkrijk hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereldquot; 1).

Daarop zult gij met al de „rechtvaardigen opgenomen in de wolken, den Heere te gemoet in de lucht, ingaan in het eeuwige leven. En alzoo zult gij te samen en altijd met den Heere wezenquot; 2).

„Zoo dan rechtvaardigen, vertroost elkander met deze woordenquot; 3).

Zoo wenscht , zoo bidt uit de innigheden van zijn harte,

Mijne waardste en teederste vrienden,

t/iy heilzoekende dienaar in den Heere: JACOBUS WILLEMSEN.

cm

1

1) Spr. XIV: 32. 2) Matth. XXV: 34.

2

1 Thess. IV : 17. Matth. XXV : 46.

3

i) 1 Thess. IV : \'J 2.

-ocr page 108-

OP DE VERHANDELINGEN OVER HET HEILIG AVONDMAAL VAN DEN ZEER EERWAARDEN EN NU ZALIGEN HEER

PETRUS IMMENS,

in deszelfs leven waardig en getrouw Leeeraar in de gemeente van Jezus Christus te Middelburg in Zeeland.

Spreekt Abel nog na zijnen dood.

Door zijn geloof en heilig leven,

Waarvan hij proeven heeft gegeven,

Als \'s Heeren gunst- en bondgenoot!

Hoort m\' in het woord den roem dier helden, Die \'t koninklijke deugdenpad Betraden naar de hemelstad,

Tot \'s Heeren eeuw\'gen lof vermelden!

Deez\' eer geschiedt nog \'t aller tijd Aan \'tvolk dat Gode is toegewijd:

Hoezeer ze op aarde zijn vetacht, En wereldlingen met hen spotten,

(Wier naam voor eeuwig moet verrotten,

Of tot hun schande aan zijn gedacht) De nagedacht\'nis blijft in zegen Van die godzaligheid en deugd Geschat heeft boven \'s werelds vreugd, Die nimmer daarbij op kon wegen.

O zalig, die zoo rust in \'tstof,

Dat aan hem wordt gedacht met lef!

Die eer geniet ook \'s Heeren knecht,

Die al ruim dertig jaar geleden, Is \'talgemeene pad getreden,

En in het stof des doods gelegd;

-ocr page 109-

\'k Meen IMMENS, die al zijne krachten Verteerd heeft in den dienst van God,

En nu geniet het zalig lot,

Waarop Gods trouwe knechten wachten:

Deez\' groote man, zijn naam en werk Blijft nog tot zegen in Gods kerk.

Geen wonder, daar heeft hij gelicht,

Gelijk een star schijnt in het duister,

Daar heeft hij, met veel roem en luister.

Door woord en wandel saam gesticht. Wie voelt zijn hart niet nog ontsteken In liefde tot den dierb\'ren man!

Als hij zich nog herin\'ren kan Dat aangenaam en ernstig preeken.

Dat lieflijk spreken naar het hart Der zwoegende onder druk en smart.

Die ongemeene vriend\'lijkheid In \'t onderlinge saamverkeeren,

Die lust om anderen te leeren.

Waartoe hij altoos was bereid; Dat bidtalent, aan hem gegeven.

Waardoor hij dikmaals met den Heer Kon worst\'len, pleiten en niet eer Afliet, maar zoolang aan bleef kleven.

Tot hij d\'Almachtige verwon,

Die zijn verzoek niet weig\'ren kon.

Maar zacht! ik zeg niet meer; \'kzwijg stil. Die leeraar is ons lang ontnomen,

En zal ook nimmer wederkomen.

Buk u mijn ziel! \'twas dus Gods wil.

Wees dankbaar, dat gij u moogt tellen Met die een nauwen ommegang Met hem genoten, jaren lang.

Dat ge op zijn dienst ook prijs woudt stellen. Ja \'t zelfs een voorrecht hebt geacht Als ge aan zijn voeten nederzat.

-ocr page 110-

Wat hoordet ge uit zijn dierb\'ren mond. Niet menige aangename woorden,

Die \'t hart innamen en bekoorden ,

Waardoor ge u aan zijn dienst verbondt, Gedenk vooral nog met genoegen Aan die bemoedigende taal,

Die hij voor ieder Avondmaal Aan Sions treur\'gen toe wou voegen, En daar Geds volk bericht ontving, Hoe \'tbest geschikt ter bruiloft ging.

Dit is ook de inhoud dezer blaên,

Door Wilt.emsen ons opgedragen, Die daarin vond zooveel behagen.

Dat hij wel hand aan \'t werk wou slaan, Om \'t met een voorrefin te geleiden, Waarvoor hem ook zij dank gezegd, O Heer! bewaar nog lang uw knecht, Laat hij er velen toebereiden.

Die zijne blijdschap zijn en kroon.

Voor zijn getrouwen arbeidsloon.

Dit bundelke houdt in een schat Van uitgelezene oefeningen,

Die meest behelzen zulke dingen

Die \'s Heeren volk op \'t levenspad Raad en besturing kunnen geven.

O hier, hier kan \'tbenauwde hart. Dat door \'t gezicht der zonde wordt Angstvallig heen en weer gedreven.

Bericht ontvangen hoe het moet Heenvluchten tot des Heilands bloed.

\'t Leert ons van \'t waar geloof den aard, Zooals \'t moet worden ondervonden.

Hier worden ons de vaste gronden.

Waarop men veilig bouwt, verklaard.

-ocr page 111-

CVII

Hier leert men hoe men best zal hand\'len, Om warelijk, en niet in schijn,

Verzekerd van zijn staat te zijn,

En hoe men door \'t geloof moet wand\'len,

Waarvan men zaal\'ge vrucht geniet.

Roem, blijdschap, vreê, die \'t oog niet ziet.

Dan ziet ge een ziel, die staat bereid,

Om met God in \'t verbond te treden, Op \'t allerkrachtigst overreden,

En haar als voor den troon geleid,

Om statelijk \'t verbond te maken Voor nu, voor eeuwig en altijd.

O zalig, die zoo toegewijd Aan God, de zonden mag verzaken!

O zalig, die zoo voor Hem leeft Door Jezus, die er kracht toe geeft!

Dan wordt nog eindlijk ten besluit Geleerd, hoe \'t Avondmaal des Heeren Gebruikt moet worden. Hem ter eeren.

En in wat sieraad Jezus\' bruid Gekleed moet zijn, om toe te treden

IAan Zijnen disch, en zij voortaan In Zijne wegen heilig gaan^Aan Zijnen disch, en zij voortaan In Zijne wegen heilig gaan^

Gelijk het past aan Jezus leden ,

Die, met een dankbaar rein gemoed,

De kracht vertoonen van Zijn bloed.

* Wel is dit de inhoud van dit boek,

Hoe waardig is het dan gelezen!

• Hoe nuttig kan \'t een ziele wezen, .

Die \'t voor zich neemt ten onderzoek !

Komt, Godes vrienden, dien \'tmocht beuren Dien leeraar, zoo vol kracht en geest Te kennen, is hij u geweest Tot nut, moest ge om zijn heengaan treuren, O komt, herdenkt nog eens zijn woord Dat gij met zegen hebt gehoord.

-ocr page 112-

Komt Sions treurigen, wier hart Benauwd is wegens uwe wonden,

Hier vindt gij balsem voor uw wonden,

Die heelen kan uw zielesmart.

Hier ziet ge uw zwarigheên benomen, Een vollen Jezus en zijn bloed U aangeboón, tot wien gij moet.

Al was het bevende, maar komen.

Wijl Hij een ziel nooit heeft veracht. Die Hem ontboezemde haar klacht.

Komt, maakt met mij dan van dit Schrift, Een recht gebruik, \'tzij gij voor dezen Gehoord hebt, of nu eerst moogt lezen.

Ontvangt het als een liefdegift Aan u geschonken, door Gods goedheid, Bij al de midd\'len, die Hij geeft En waarbij uwe ziele leeft,

Smaakt gij hiervan de rechte zoetheid. Het zal uw tong in \'s Heeren lof Ontbinden, voor deez\' dierb\'re stof.

O hoe gelukkig is een volk,

Dat zulk een leeraar heeft gekregen ,

Die hun bescheiden \'s Heeren wegen

Verklaarde, als rechte bijbeltolk, Die zondaars door den schrik des Heeren Bewegen kon, tot \'twaar geloof.

Om niet te worden satans roof.

En zulken, die tot God zich keeren,

Door onderwijs, door hulp en raad. Behandelde naar hunnen staat.

Dit voorrecht heeft ook Middelburg Genoten, daar niet slechts de waarheid In hare zuiverheid en klaarheid Geleerd is, maar Gods liefdezorg

-ocr page 113-

Heeft daar, van tijd tot tijd gezonden Getrouwe leeraars naar zijn hart;

Door wie de kracht der waarheid werd Beleefd, en waarlijk ondervonden;

Die trouw en ijv\'rig in het werk Tot opbouw waren van Gods kerk.

Of werd er door den hangen dood Op \'t onverwacht een neêrgeslagen,

\'tGeen stoffe gaf tot bitter klagen;

In zulk een zwaar verlies en nood Liet God Zijn dierbaar volk geen weezen. De groote Ontfermer hield Zijn oog Gestadig op hen van omhoog,

Die breuken kwam Hij weer genezen;

Ja tot deez\' dag mag \'t nog geschien , Dat wij nog trouwe leeraars zien;

Nog trouwe leeraars, die vol moed Het voetspoor van die zaal\'gen drukken. Die \'s doods geweld ons kwam ontrukken ,

Waardoor \'t verlies weer is vergoed. Och dat die arbeid van Gods liefde, Zoo onvermoeid aan ons besteed,

Maar kracht op \'t hart des zondaars deed; Dat \'s Konings pijl het eens doorgriefde! O Heiland rijd voorspoedig voort Op \'t zalig evangelie-woord!

Zend in een ruimer maat Uw Geest, Dat hij dit deel van Uwe kerke Zoowel als andere, bewerke.

Die lang onvruchtbaar zijn geweest. O mocht men van dit Sion hoeren.

Daar \'t woord met zooveel ernst en kracht, Op \'thart des zondaars wordt gebracht, Dat deez\' en die daar werd geboren,

Die met hun gansche hart en mond. Toestemmen \'t zalig heilsverbond.

-ocr page 114-

Ach werd het volk van Uwen lust, De Sions kind\'ren, die voorhenen Als \'t fijne goud met luister schenen,

Maar nu ontglansd zijn, toegerust Met meer genade, geest en leven! Dat men Uw sierlijk beeld meer zag Uitblinken in hun gansch gedrag! Doe elk op \'tijverigst daarnaar streven,

En zich opbeuren uit het stof; Zoo krijgt Uw naam voor eeuwig lof!

JACOB A PETRONELLA WINCKELMAN.

-ocr page 115-

op de zielnuttige verhandelingen voor des heeren heilig avondmaal, voorhenen te middelburg uitgesproken door wijlen den weleerwaarden en zeer geleerden heer , den heer

3P 3E: T 3=2. quot;CT S I IM: IMl IE SST S,

veel geacht en geliefd Leeraar aldaar.

Wie heilbegeerig vraagt: „wat moest een ziel bevinden, Zal zij gerechtigd treên aan \'s Heeren heil\'gen disch ?

Zie in dit werk, dat elk den Gastheer welkom is.

Die \'t bruiloftskleed vertoont, geen and\'ren zijn Zijn vrienden.

Het waar, schoon klein geloof mag, moet zich onderwinden Ten Avondmaal te gaan; ter sterkte en lafenis;

Vergast de Heiland \'thart, door brood en wijn, gewis Het moet, het zal zich blij ten Zijnen dienst verbinden.

De veinzaard wordt ontmomd; de burgerlijke ontdekt;

Gods volk, hoe zwak , vindt steun; de sterkte een spoor-

[slag: \'t strekt

Ten raad, bestuur een troost, hier alles klaar geschreven.

Dank Immens , Middelburg, die \'t sierlijk heeft geleerd; Prijs Winckelman !), die \'tnu, ten nutt\' der kerk, vereert; Roem Willemsen, wiens brein ons \'t voorwerk gul wou geven.

HELENA BUYTS, nu FILEDT.

J) Jonkvrouw jacoba Petronella.

-ocr page 116-

OP DE stichtelijke oefeningen van den EERWAARDEN , godzaligen en nu zaligen heer

PETRUS IMMENS,

in zijn leven bedienaar van het Evangelie te Middelburg in Zeeland.

UITGEGEVEN DOOR DEN HOOGEEUWAAKDEN , ZEERGELEERDEN EN GODZALIGEN HEER

JACOBUS WILLEMBEN,

Hoogleeraar in de Heilige Godgeleerdheid in de doorluchtige school, en Leeraar in de gemeente van Jezus, te Middelburg in Zeeland.

MET EENE VOOREEDE VAN DENZELFDEN HEER, TEK AANPRIJZING VAN DE GEDACHTENIS DES RECHTVAARDIGEN.

Godgewijde bijbeltolk;

Stichter van \'t godvruchtig volk , Immens! de eer der kerkgezanten, Die in Zeelands eerste stad Als een uitverkoren vat,

Jezus\' wijnstok ook mocht planten: Immens ! hart- en boezemvrind Van mijn Vader, die gezwind Met een starrevlucht onze oogen (Wijl \'t der Godheid zoo geviel) Verre boven \'t zonnewiel Werd tot onze smart onttogen ; \'k Meen den vromen Hannappier, Die, vervuld met \'s Geestes, vier Waakte bij Gods reukaltaren,

Maar nu praalt in \'t hemelhof: Kinderplicht verzwijgt zijn lof Dien men leest in deze blftren.

-ocr page 117-

cxiii

Immens! die ook wordt getoeft,

Daar geen zonde u meer bedroeft,

Aan een disch van reine wijnen,

En van lang beloofde spijs:

Op een ongehoorde wijs;

Daar de schaduwen verdwijnen:

Daar gij, met uw vorst, te hoof,

\'t Eind van \'t zaligend geloof Nu in glorie moogt genieten;

Daar nu nimmer eenig ding Uws geloofsverzekering Hind\'ren zal, of u verdrieten Op het enge levenspad;

Nu ge in Salems vredestad,

Zegeviert langs gouden straten;

Zoo wordt gij na strijd getroost:

Maar helaas! uw letterkroost Moest gij onbezorgd verlaten;

\'t Geen der Siönitenschaar Droef te moe aan \'t hart ging; maar Willemsen, het puik der braven.

Onze waarde predikant,

Leent uw waardig kroost de hand Om in \'s werelds ruim te draven;

Zoo slaat hij uw weezen ga;

En, schoon bezig vroeg en spa,

Gaf hij hen zijn snipperuren Nog veel vergenoegder, dan Voortijds was een akkerman,

Die zijn oogst haalde in zijn schuren,

En wat van zijn goudgeel graan Voor den wees moest laten staan.

Welkom, dies, O! puiktafreelen.

Vaderlooze, die niet meer Treurig zit in \'t duister neêr:

Maar die nu in \'t licht moogt deelen En uw licht deelt aan ons meê;

Op der vromen wensch en beê.

-ocr page 118-

Lezers van verheven dingen !

Ziet hier eene schilderij Van de beste sierkleedij:

In deez\' keurige oefeningen Vindt gij \'t heilig statiekleed,

Waarin Jezus\' kerkbruid treedt, Als zij, met een rein geweten,

Aan Zijn bond- en liefdedisch Tot Zijns naamsgedachtenis Heilig, vroolijk is gezeten.

Hier wordt \'t tijdgeloof ontdekt.

En de zondaar opgewekt Om genade te begeeren.

Als het céne noodig goed Langs den weg van \'s Heilands bloed. Elk kan hier zijn plicht uit leeren. \'t Is al enkle Bijbeltaal,

Recht gepast bij \'t Avondmaal.

Ziet des Vorsten bruid hier prijken, In Zijn oog zoo schoon van leest Op dit prinselijke feest:

Daar ge een snooden gast ziet wijken. Die nu gansch verlegen staat Om zijn ongeschikt gewaad.

En voor Jezus stem moet zwichten. Dank hebbe Immens liefdezorg. Dat hij dus zijn Middelborg In zijn leven wilde stichten.

Dankt ook onzen leeraar t\' saam Wijl hij dus heer Immens naam, En zijn dienst, der kerk geheiligd. Heeft voor \'t roest des tijds beveiligd.

P. M. DE LICHTE.

-ocr page 119-

REGISTER DER VERHANDELINGEN.

I.

Over de natuur des geloofs, met eene aanwijzing van de middelen , om het geloof deelachtig te worden , hetzelve te bewaren en daarin toe te nemen . . .

II.

Over het onderscheid tusschen het tijdgeloof en het

ware zaligmakende geloof..........36.

III.

Over de verzekering, als een vrucht van het ware

67.

zaligmakende geloof .

IV.

Waar het van dan komt, dat vele van Gods kinderen zoo bekommerd en twijfelmoedig heengaan op den weg naar den hemel, en waarin zij in die zwarigheden worden bemoedigd en opgebeurd .... 97.

V.

Over het zalig en heilrijk gevolg van eene welgegronde verzekering in het leven door het geloof ....

-134

VI.

Over den vrede, blijdschap en roem des geloofs, als vruchten, die uit den wandel des geloofs voortvloeien .................174.

.

VIL

Over de verachtering van Gods volk in de oefening

van het geestelijk leven..........210,

-ocr page 120-

VIII.

Over de gulhartige en oprechte toestemming of inwilliging der ziele in het genadeverbond tot voorbereiding voor het avondmaal des Heeren..... 244.

IX.

Het vervolg over de inwilliging in het verbond . . . 279.

X.

De groote Middelaar des verbonds voorgesteld in zijne algenoegzaamheid en gewilligheid, tot uitlokking en bemoediging van bekommerde cn verlegene zielen , die door onvrij moedigheid niet het verbond met God durven maken..............316.

XI.

Van het geloovig gebruik maken van den grooten Verbonds-Middelaar in alle bijzondere betrekkingen, waarin Hij voorkomt, tot heiligmaking en vertroosting ................ 358.

XII.

Over de betamelijke en godvruchtige voorbereiding of schikking van het hart, om het avondmaal des Heeren met vrucht te genieten........ 389.

XIII.

Over de betamelijke geschiktheid, die een ieder op den dag des avondmaals noodig heeft, om Gode waardig en tot nut van zijne ziele toe te naderen . 427.

XIV.

Over de betamelijke nabetrachting hoe een godvruchtige zich waardig Gode zal gedragen, na het gebruik van het heilig avondmaal.......... 465.

-ocr page 121-

EERSTE VERHANDELING

OVER DE NATUUR DES GELOOFS MEI EEN AANWIJZING VAN DE MIDDELEN, DIE ONBEKEEEDBN HEBBEN TE GEBRUIKEN, OM HET GELOOP DEELACHTIG TE WORDEN ; EN REEDS GELOOVIGEN, OM ZICH BIJ HETZELVE TE BEWAREN EN DAARIN VERDER TOE TE NEMEN.

ij gelegenheid van des Heeren heilig en hoogwaardig Avondmaal, tot welks betamelijk en nuttig gebruik wij u bij die gelegenheden wenschen op te wekken, was ik voornemens om nu en in het vervolg, zoo de Heere ons de gelegenheid gunt, met uwe aandacht te spreken over het zaligmakend geloof, zoowel in deszelfs natuur, als zalige vruchten, die daar uit voortvloeien ; doch zoo, dat ik vele waarheden hieromtrent zal vooronderstellen , en voornamelijk het daar op toeleggen, om zoowel natuurlijke menschen te ontnuchteren en den weg tot hun eeuwig heil aan te wijzen , als voornamelijk, om Gods volk te bemoedigen in hunne zwarigheden, en raad en bestuur te geven , hoe zich te gedragen , om in het geloof meer overvloedig te zijn, inzonderheid bij gelegenheid van het Avondmaal, om dat tot troost en nut van hunne ziel te gebruiken.

Ik zal dan thans, onder inwachting van des Heeren zegen, hiermede een aanvang maken en langs deze stukken onze verhandeling schikken.

1

-ocr page 122-

Van de Natuur des Geloofs.

1. Zal ik kortelijk iets zeggen over den aard en en de natuur van het geloof, waarin de wezenlijke daden van hetzelve bestaan.

2. Terwijl het geloof het noodzakelijk vereischte is, om ten Avondmaal te gaan, zal ik natuurlijke menschen opwekken, om alle die middelen te gebruiken, die hen, onder den zegen Gods, zouden kunnen brengen, om het geloof deelachtig te worden.

3. Des Heeren volk zal ik gronden aan de hand geven, om van bun geloof zich te verzekeren, en dat deelachtig zijnde, hoe zij verplicht zijn zich bij hetzelve te bewaren.

Om dan vooreerst iets te zeggen van de natuur des geloofs, merk ik vooraf aan, dat gelooven niet is, iets meenen of in twijfel te staan, of een zaak zoo is of niet is, gelijk het in natuurlijke dingen dagelijks wordt misbruikt; men zegt, ik geloofde dit of dat, wanneer er redenen aan den eenen kant voor zijn, waarom men zoo oordeelt; doch ook nog eenige reden aan den anderen kant tegen , waarom men het in twijfel trekt; doch dat is geen gelooven, maar veeleer aan een zaak twijfelen, hetgeen gansch strijdig is met de zap-k daar wij nu van spreken.

Ook is gelooven, niet blootelijk iets weten, dat is van een zaak ten volle bewust te zijn, hetzij door ons zeiven of door een ander, want ik kan iets weten, dat ik niet toestem, maar veeleer afkeur: nu kan dat in natuurlijke dingen wel plaats hebben, maar niet in het geestelijke; want daar is het geloove zulk een weten , dat met volle toestemming van het oordeel en omhelzing van den wil gepaard gaat, en dat verstaat de Schrift er door, als ze spreekt van het geloof; gelijk het woord hooren, dat zoo menigmaal voorkomt, niet blootelijk zegt,

9

-ocr page 123-

Van de Natuur des Geloofs.

met het lichamelijk oor aanhooren, maar zulk een hooren, dat gepaard gaat met aandacht, eerbied en opmerking.

Het zaligmakend geloof derhalve beteekent; het getuigenis Gods van harte aannemen, met een volkomen opdraging van zijn gansche ziel en alle genegenheden aan God en Christus: het is een kunstwoord, dat niemand in kracht kent, dan die het ontvangt en zoo werkzaam is.

Nu komt ons in Gods Woord tweeërlei woord voor, dat deze daad uitdrukt.

Het eerste woord beteekent: toevlucht nemen , Ps. II: 12, „welgelukzalig zijn ze, die op u betrouwen.quot; Eigenlijk staat er, die de toevlucht nemen, Ps. XXXVI : 8 en op andere plaatsen meer, en dat drukt uit, de eigenlijke, doch zwakke, daad des geloofs , waaraan de zaligheid wordt vastgemaakt.

Het tweede woord beteekent : leunen, steunen, zich ergens veilig op verlaten of te laten dragen van een ander, geljik een kind, dat zich veilig verlaat in de armen van zijne moeder of voedster, zoo staat er Hoogl. VIII : 5, „wie is zij die lieflijk leunt op haren liefste?quot; en Ps. LXXXiv : 13 en dan drukt het uit den verderen trap van het geloof, dat in vertrouwen bestaat.

In het N. T. komt het woord gelooven somtijds voor, of voor het voorwerp dat men gelooven moet, gelijk ze van Paulus getuigden , die ons eertijds vervolgde, verkondigt nu het geloof. Gal. 1:23, dat is, het Evangelie, dat men gelooven moet.

Maar somtijds komt het voor, van die daden van het gemoed, die omtrent dat voorwerp werkznam zijn. Joh. III: 36, „die in den Zone gelooft, die heeft het eeuwig levenquot;; dat is, die zoo omtrent den Zoon

1*

3

-ocr page 124-

Van de Natuur des Geloofs.

werkzaam is, als God het vordert, die is zalig.

Van dat geloof spreken wij nu, dat de ziel waarlijk met Jezus vereenigt, en om met een enkel woord daar iets van te zeggen, moeten we

1. Zien wat er voorafgaat.

2. Waarin het ware wezen des geloofs zei ven begrepen is.

3. De gevolgen daarvan.

Zal dan een ziel tot zaligheid gelooven, daar gaat vooraf:

A. Kennis, die zoo noodzakelijk vereischt wordt, dat het gelooven zelf wel kennen genoemd wordt, Jes. LIII: 11, „door zijne kennis zal Mijn knecht de rechtvaardige, er velen rechtvaardig makenquot;; dat is, door net geloof, want men kan geene waarheid toestemmen of omhelzen en daaromtrent betamelijk werkzaam zijn, tenzij men die eerst wel kenne.

Daar worden dan voorondersteld zekere waarheden die men kennen moet: deze zijn in het algemeen, het gansche getuigenis van God , maar in het bijzonder die waarheden, die tot ons eeuwig heil betrekkelijk zijn. Zoo moet men kennen eenige dingen omtrent zich zeiven; eenige omtrent den Middelaar der behoudenis, eenige omtrent het middel, waardoor men aan dien Middelaar deel krijgt, en eenige omtrent de verplichting, die er op een ziel ligt tot heiligheid; en in die waarheden ligt opgesloten de kennis van ellende , verlossing en dankbaarheid.

Deze waarheden, moet nu iemand, die gelooven zal, kennen in minder of meerder maat en trap; doch alle kennis is niet genoeg , een bloote beschouwing maakt niemand zalig; daar is onderscheid tusschen kennen en kennen, zoo als een natuurlijk mensch die waarheden bevat, of zoo als eene ziel

4

-ocr page 125-

Van de Natuur des Geloofs.

die beschouwt door het ontdekkend licht des Geestes, de eene kent alleen de woorden en uitwendige schors der waarheden, om dat hij het zoo geleerd heeft, maar hij dringt nooit tot het pit en merg derzelve in ; een ander kent ook de zaken, met de waarheden , en dringt tot in het allerinnigste door, om dat hij het dadelijk gevoelt: de eene kent ze zonder de minste aandoening, hij ziet zijne ellende, maar zonder verlegenheid, schaamte en droefheid daar over. Hij beschouwt Christus, maar zonder de minste begeerte, immers niet zulk eene begeerte, die hem tot Christus drijft, om dat hij niet voelt dat hij Hem van noode heeft; maar die waarlijk gelooft, kent de waarheden met aandoening, met indruk, hij ziet zijne ellende met gevoel, met verlegenheid , hij beschouwt Christus als den eenigen weg der zaligheid, met uitgaande begeerten, om aan Hem deel te hebben.

B. Hier moet bijkomen een toestemming van de waarheden, die men kent: doch een bloote toestemming is ook niet genoeg, want men kan de letter der waarheden toestemmen , om dat ze redelijk , Gode betamelijk en heilzaam zijn, en er niets tegen is in te brengen; maar zoo stemmen allen die in de Gereformeerde kerk zijn , de waarheden toe : maar die gelooft, om dat hij de waarheden in zijn hart zoo gevoelt, geeft er een dubbele toestemming aan , hij zegt, ik geloof het niet alleen , om dat God het getuigt in zijn Woord, maar om dat ik het ondervind in mijn hart, en dus getuigt de Geest in het hart, dat de Geest, die in het Woord spreekt, de waarheid is.

Gaat er zulk een kennis vooraf, dan moet noodzakelijk de wezenlijke daad des geloofs volgen: die

5

-ocr page 126-

Van de Natuur des Geloofs.

bestaat, in een hartelijk loopen en vlieden van zich zeiven en toevlucht nemen tot Christus, en Zijne algenoegzame verdiensten.

Begrijpt dan de wezenlijke geloofsdaad eens op deze manier: de Heilige Geest, die hier alleen de werkmeester van is , geeft den zondaar twee oogen, met het eene ziet hij zich zelf, en met het ander den Heere Christus.

A. Hij ziet zich zelf, in zijnen ellendigen, verlorenen en rampzaligen toestand, waarin hij van nature is, hij ziet zijne zonden in alle verzwarende omstandigheden , want „de Geest zou de wereld van zonden overtuigenquot;, of eigenlijk, stom zetten, zoo dat ze niets zoude weten in te brengen. Joh. XVI: 8, door dit gezicht wordt hij verbrijzeld, week en nederig voor God, de hoogheid des harten wordt weggenomen, ja dat gezicht werkt een ware verootmoediging , zoo dat de ziel uitroept met Ephraim: „zekerlijk, nadat ik aan mij zeiven ben bekend gemaakt, heb ik op de heupe geklopt; ik ben beschaamd en schaamrood gewordenquot;, Jer. XXXI: 19 , en dat gaat zoo verre, dat ze wanhoopt aan zich zelve, maar daardoor wordt ze voorbereid:

B. Om met het andere oog den Heere Jezus te zien, als dien grooten Heiland en Zaligmaker, \'t geen zulk een gewonde en radelooze ziele allerdierbaarst en verkwikkelijkst is, want de Geest ontdekt haar in Jezus:

a. Dat Hij om een Heiland te wezen , daartoe van eeuwigheid van den Vader is verordineerd en toegerust.

b. Dat Hij er ook bekwaam toe is, omdat in Hem een volle algenoegzaamheid is, tot. vervulling van het gebrek; terwijl naar het welbehagen des Vaders, „in Hem alle volheid woontquot;, Col. 1: 19.

6

-ocr page 127-

Van de Natuur des Geloofs.

c. Dat Hij ook gewillig is , om alles, wat Hij is en heeft, aan verlegene zielen te schenken, want dat alles wat Hij is, in Zijne naturen, namen, ambten, staten, als de Middelaar, Hij dat niet zoo zeer voor zich zelf is , als wel voor verlegene zondaars , ja dat Hij zelf die noodigt, bidt en roept om tot Hem te komen.

Dit gezicht verwekt eene hoogachting, begeerte, verlangen en uitzien naar den Heere Jezus, waardoor ze het geloof zelve oefent:

Want dat dubbele gezicht verwekt in de ziel een dubbele daad: ziet zij zich zoo ellendig en verloren, ze denkt, blijf ik zoo, daar is niet anders dan een zekeren dood en eeuwig verderf te wachten, maar mag ze in Jezus gevonden worden , daar is haar eeuwig heil.

Wat doet ze dan ? zij loopt en vliedt uit zich zelve, ze ziet af van alle eigen gerechtigheid, ze wil het leven in haar eigen hand niet meer zoeken, en zij neemt dadelijk toevlucht tot den Heere Jezus, en Zijne algenoegzame verdiensten, betuigende dat zij wenscht in hem gevonden te worden.

En om deze geloofsdaad uit te drukken, gebruikt Gods Woord verscheiden spreekwijzen, die ons leeren de rechte gestalte van zulk eene toevluchtnemende ziel.

Nu eens wordt het genoemd, den Heere te zoeken, Ps. LXIX : 33, „gij die God zoekt, u lieder hart zal levenquot; ; en dan wordt de ziel aangemerkt, als eene die zich verloren ziet, maar wetende dat er nog een middel is om behouden te worden , dat met alle naarstigheid naspeurt, door het gebruik van alle middelen.

Dan wordt het eens uitgedrukt, door naar Christus

-ocr page 128-

Van de Natuur des Geloofs.

te vragen, Jes. XI: 10, „zij zullen naar den wortel van Isaï vragenquot;, en dan drukt het uit, die verle-gene, radelooze gestalte der ziele, waardoor ze het bij zich zelve opgeeft, maar gelooft dat het evenwel niet buiten hope is, en daarom vraagt, welke de goede weg is, om daar in te wandelen ?

Dan eens door hooren, Ps. XLV : 11, „hoor ó Dochter! en zie, en neig het oorquot;, en dat zegt dan, op het voorstel des Evangeliums acht te geven , te hooren met aandacht en opmerking, wat God daar in laat voorstellen, ja het oor neigen, even als een kranke, die, wanneer de Medicijnmeesters spreken, of er nog een middel tot herstel is, het hoofd van het bed neigt, en, met begeerte tot zijn herstel, gretig hoort wat er van hem gezegd wordt.

Ook wel door Christus aan te grijpen, Jes. XXVII: 5, „grijpt mijne sterkte aanquot;, even als iemand die in gevaar is, van verdrinken, of verbranden, die het aangeboden middel tot behoudenis gretig aanneemt, om uit dat gevaar gered te worden; zoo ziet eene ziel zich in het alleruiterst gevaar van een eeuwig verderf, maar te gelijk den Heere Jezus, als het eenig behoudmiddel haar aangeboden, steekt ze de hand des geloofs uit, zij grijpt Hem aan, en waagt zich op Hem.

Ook door willen, „gij wilt tot Mij niet komenquot;, dat is, in Mij gelooven. Joh. V : 40 en dan drukt het uit die overgebogene, volvaardige gemoedsgestalte, waardoor de ziel, met verlating van den dienst der zonden, het voorstel Gods van harte goedkeurt, om zoo, als Hij wil, gezaligd te worden.

Ook door komen, Jes. LV : 3, „komt tot Mijquot;. Dan zegt het, hoe de Heere Jezus zich zelf, met al Zijne volheid, aanbiedt, en de ziel, dat hoorende, tot Hem

8

-ocr page 129-

Van de Natuur des Geloofs.

komt, gaande uit zich zelve en uit alle eigen gerechtigheid , om het leven hij Hem te zoeken.

Ook door toevlucht nemen, Ps. II; 12, „welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwenquot; (de toevlucht nemen). Even als een doodslager, die van den bloedwreker gejaagd, met alle haast heen vliedt tot eene vrijstad van behoudenis; of als een, die door mannen achtervolgd wordt, ziende eene sterkte, daar henen loopt, zoo is de naam des Heeren een sterke toren, waarheen de rechtvaardige loopt, en in een hoog vertrek gesteld wordt. Spr. XVIII : 10.

Ook door op Christus te zien of Hem aan te zien, Joh. VI : 40, en dan is- die spreekwijs ontleend van de Koperen Slang, die de kinderen Israëls, wanneer zij van de vurige slangen gebeten waren, moesten aanzien, al was het maar met een gebroken oog, dat is zulk een oog, dat het medelijden van den aanschouwer verwekt, om behouden te worden; en dan geeft het te kennen die daad van het zwakste geloof, waardoor eene zieltogende en doodbrakende ziel evenwel het oog op Jezus vestigt, of hij zich harer nog ontfermde.

Ook een kiezen van den Hoere, Josua XXIV: 15, „kiest u heden wien gij dienen wiltquot;; dat is die daad der ziele, waardoor ze, na bedaard overleg en overrekening van de kosten, tot een besluit komt, om zich voor den Heere en Zijnen dienst te verklaren, zonder meer te willen hinken op twee gedachten.

Dan heet het eens den Zoon te hussen, Ps. II: 12, „kust den Zoonquot;; een kus gelijk onderdanen doen aan hunnen Koning, waardoor ze Hem voor Koning erkennen , zich aan zijne heerschappij onderwerpen, en zijne geboden gehoorzamen; zoo wil de ziel ook den Heere Jezus voor Koning over zich uitroepen.

9

-ocr page 130-

Van de Natuur des Geloofs.

Zijne heerschappij is haar de allerzaligste en lieflijkste , en Zijne geboden te doen, is haar lust en blijdschap.

Vooral komt deze geloofsdaad voor, onder de benaming van hongeren en dorsten, Matth. V:6, „zalig zijn ze, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheidquot;, om dat dit de alleroprechtste, sterkste, aanhoudende, en werkzame gemoedsgestalte uitdrukt, dat de ziel niet rust, voordat ze Christus mag genieten , en daartoe alle middelen in het werk stelt.

Eindelijk wordt het uitgedrukt, door aannemen , omhelzen, en als in de armen drukken. Joh. I: 12, „zoo velen Hem aangenomen hebbenquot;; om het heilig genoegen, de innige liefde en blijdschap der ziel uit te drukken, wanneer zij deel aan Jezus heeft.

Alle deze spreekwijzen, die Gods Woord gebruikt, drukken wel dezelfde wezenlijke do,ad des geloofs uit, maar ze leeren ons tevens de bizondere gestalten der ziele, hoe het geoefend wordt, doch om deze daad wel te verrichten, zijn zekere conditiën, die er toe worden vereischt, waaruit de oprechtheid blijkt; want, zal eene ziel geloovig toevlucht nemen tot Christus

A. Zij doet het hartelijk, o geen doodslager kan met meer vaardigheid loopen naar de vrijstad; geen gebetene van de slangen, met meer gretigheid zien op de Koperen Slang; geen van honger en dorst versmachtende hartelijker begeeren om spijs en drank, dan eene ziel loopt, vlucht, ziet, hongert en dorst naar Jezus.

B. Zij neemt Jezus alleen aan, met opzegging van den dienst aan de zonde, wereld en satan; ze verklaart Jezus vijanden voor de bare, zij weet dat Jezus alleen al haar liefde, al haar tijd en kracht

-10

-ocr page 131-

Van de Natuur des Geloofs.

waardig is; zij wil haar hart niet meer verdeelen tusschen God en de wereld; maar met afzien en verloochening daarvan, roept ze uit, „uwe ben ik o David, en met u ben ik, zone van Isaïquot;.

C. Zij neemt Jezus geheel aan; zij wil niets uit-bedingen, „al wat aan Hem is, is gansch begeerliikquot;, zi] wil Hem in beide Zijne staten, zoowel, om met Hem vernederd als verhoogd te worden; in zijne drie ambten: om door hem als Profeet geleerd, als Hoo-gepriester verzoend, en als Koning beheerscht en geregeerd te worden; zij neemt Hem aan in alle zijne weldaden, zoowel, om door Zijnen Geest geheiligd, als eeuwig gezaligd te worden.

D. Zij doet het voor altijd] zij wil niet weder-keeren tot het oude Sodom , dat zij eens verlaten heeft, maar, in voor- en tegenspoed, in licht en duister, in blijdschap en droefheid, in leven en sterven, ja zij wil het nu en eeuwig met Jezus houden.

Heeft nu eene ziel den Heere Christus zoo door het geloof aangenomen, de gevolgen daarvan zijn, een leunen en steunen op Hem, met vertrouwen en verlaten van zich zelve op Zijne macht en goedheid: Ja een vrolijke bewustheid en verzekering, dat men aan Hem deel heeft; doch hiervan zullen we in het vervolg afzonderlijk handelen.

Daar heb ik de wezenlijke daden van het geloof, zoo kort u voorgesteld, omdat het waarheden zijn, die we over den zevenden Zondag weder verhandelen.

Nu moet ik, ten tweede, volgens mijn bestek, natuurlijke menschen de wegen en middelen aanwijzen , die zij gebruiken moeten, om, onder den zegen Gods, het geloof deelachtig te worden.

Doch deze, schoon ze alle natuurlijke menschen zijn, zijn evenwel niet in denzelfden toestand, waarom

11

-ocr page 132-

Van de Natuur des Geloofs.

ik vooraf moet aantoonen, wie ze zijn, die de middelen, die wij aan de hand zullen geven, best tot hun nut kunnen gebruiken.

1. Daar zijn menschen, die zoo diep onwetend, zorgeloos, en ongevoelig zjin, dat zij om hemel of hel, zaligheid of rampzaligheid, nooit denken , maar die zijn als het redelooze vee, hoe klaar en duidelijk men het hun voorhoudt, zij begrijpen zelfs de woorden niet, veel minder de zaken; Ja zij zijn zoo ongevoelig, dat al kon men hun den afgrond des verderfs openen, en het naar gekerm der rampzaligen doen hooren, zij zouden er nog geen aandoening van hebben; aan de zulken kunnen wij geen middelen geven, die zijn voorwerpen van innig medelijden. Evenwel terwijl zij leven onder de mogelijkheid van zaligheid, is het hun plicht, om alle middelen te gebruiken, waardoor zij tot eenige kennis van de waarheden mogen komen, en voor al zich veel daar te zetten, waar het licht van het Evangelie schijnt onder het Woord: wie weet wat God aog eens doen zou, of hij het hart niet eens zou raken.

2. Anderen zijn er, die wel zoo diep onwetend niet zijn, maar die zoo verzot en overgegeven zijn aan de wereld, aan wereldsche vermaken en gezelschappen, dat, al konden we hun Jezus in Zijne dierbaarheid en beminnelijkheid; den weg naar den hemel in zijne heugelijkheid, en de eeuwige zaligheid in al hare bekoorlijkheid, op bet hart innemendst voorstellen, het heeft geen ingang; dewijl zij het zienlijke zoeken boven het onzienlijke, het schepsel boven den Schepper; en schoon ze wel weten, dat zij nog niet bekeerd zijn, zij stellen het altijd uit, het is nog tijds genoeg, vooral zoo zij nog jong zijn.

12

-ocr page 133-

Van de Natuur des Geloofs.

3. Anderen zijn zoo heslommerd en hezig met dingen van de wereld, dat zij bij dag en bij nacht niets doen dan slaven en wroeten; al hun kommer gaat over het tijdelijke, en zij hebben nooit tijd , om eens bedaard te denken, hoe staat het met mijne zielstoestand? Wat zal het eens zijn als ik sterven moet? Aan de zulken, vrees ik, zullen de middelen, die wij zullen voorstellen, weinig voordeel doen, want ze geven zich geen tijd om ze te gebruiken.

4. Anderen zijn er, die wanneer men hen tot het geloof zoekt te brengen, en daartoe de middelen aan de hand geeft, uitvluchten maken, en daartoe de leer van den Hervormden Godsdienst misbruiken, zeggende, Gods Woord leert ons, dat wij van nature niet bekwaam zijn, om iets goeds te kunnen doen, dat het geloof een gave Gods is, dat het niet is, desgenen die wil of die loopt, maar des ontfermden Gods. Wekt men hen eens op tot hun eeuwig heil, zij hebben het antwoord gereed, ik kan het mij zelf niet geven, en zoo blijven zij zorgeloos.

Maar zondaars, laat ik u eens vragen, zegt gij dit uit kommer van uw hart, omdat gij uwe onmacht aanmerkt als een deel van uwe ellende? Of is het, opdat gij een deksel der schande zoudt hebben om u achter te verbergen, en om God de schuld te geven? zoo gij naar waarheid spreekt, zult gij het laatste moeten belijden; en dan is het niet anders, dan om de waarschuwing van uwe conscientie tegen te gaan, en dus blijkt het, dat het niet alleen niet kunnen is, maar veeleer niet willen \\ want indien gij wildet, dan zou uwe onmacht u niet tot verschooning zijn, maar zij zou u, onder het gebruik van de middelen, naar God drijven met gebeden en smeekingen, dat Hij zijne machtige hand aan u legge.

13

-ocr page 134-

Van de Natuur des Geloofs.

5. Anderen zijn er, en die komen nog een stap verder, die zeggen, mij dunkt het hapert mij niet aan het willen, ik voel mijn hart genegen om God te dienen, ik zie er zooveel voorrecht in, maar ik kan waarlijk niet. Waar hapert het dan aan? want al gebruik ik de middelen, ik vorder niet, ik blijf al dezelfde.

Ai vrienden, komt staat eens stil, gij zegt: ik gebruik de middelen; maar hoe gebruikt gij ze ? het is niet om het even , hoe gij het doet; \'t is misschien in eigen kracht, of gij wacht het alleen daar van, zonder opzien naar God : we zullen straks toonen op wat wijze men hierin moet handelen.

Of zegt ge, ik wil wel, maar ik ben zoo diep onmachtig-, ja dat is waar, gij zijt onmachtig, maar is uw willen nog wel oprecht? Gij meent dat gij wilt, en in zeker opzicht is het waarheid, gij wilt wel zalig worden, maar de weg langs welken gij die zaligheid bekomen kunt, staat u niet aan; gij handelt als iemand, die wel zin heeft om een aangeboden goed te koopen, maar de prijs, die hij er voor moet opbrengen, staat hem niet aan , en daarom gaat de koop niet door; daar is ook nog iets , dat u terughoudt, gij kunt van uwe liefste begeerlijkheden niet afzien, daar zijn zooveel hoogten, daar gij niet over kunt, zooveel banden die u vast houden, om tot geen volkomen besluit te komen: wij hebben het menigmaal bij bevinding gezien in menschen, die, uit overtuiging van hun gemoed, met tranen betuigen zij wilden God wel dienen, en als we hen doortasten in den grond van het hart, dan waren er nog begeerlijkheden, daar het hart aan verkleefd was: zij wilden God en de wereld wel samen paren, en daarom bleven zij dezelfde: och! gelooft het toch,

-14

-ocr page 135-

Van de Natuur des Geloofs.

is het uw toestand, ik moet u zeggen: dat uw willen nog niet oprecht is, al deedt gii nog zooveel betuigingen ; God eischt het geheele hart.

En wilt gij, die in zulk een toestand u bevindt, eenige middelen hebben, wij zullen u die aan de hand geven, of het den Heere behagen mocht daardoor zich zeiven aan u te openbaren; daar zijn eenige dingen, die gij hebt waar te nemen, en eenige daar gij u voor te wachten hebt.

1. De middelen, die gij moet betrachten^ zijn de navolgende;

A. Daar is geen beter, geen heilzamer noch ge-zegender middel, dan u te houden onder die middelen, daar God gewoon is door te werken; komt naarstig onder het gehoor van Gods Woord, waar gij niet alleen in de waarheid onderwezen, maar ook tot uw eeuwig heil gedurig opgewekt wordt; onder de verkondiging van het Woord heeft God Zijnen zegen beloofd, daar wil Hij werken. O het is niet te zeggen hoe schadelijk het is, als God eenige roeringen in het hart geeft, en men zich dan van de middelen zou onttrekken. Neen houdt u daar, zooveel het uwe omstandigheden naar de wereld toelaten, stipt onder; doch denkt niet dat het genoeg is, als gij naarstig ter kerk gaat, och neen! al waart gij daar voorbeeldig in, boven anderen, dat is wel goed en prijselijk, maar het is niet genoeg. Dat zelfs kon een grond van zorgeloosheid worden om op te rusten: of gij wacht het van het middel als middel af, als of dat in zich zelf genoegzaam was, doch het kan ook niets doen; zoo God niet medewerkt, zult gij dezelfde blijven; maar wilt gij het met voordeel doen, zoo gaat nooit uw huis uit, of gaat eerst in uwe eenzaamheid, al was het maar weinige oogen-

ib

-ocr page 136-

Van de Natuur des Geloofs.

blikken, en buigt uwe knieën voor God, of hebt gij daar geen gelegenheid toe, doet het dan zuchtende , en zegt: Heere, nu ga ik op uw bevel mij weer neerzetten in uw huis; ik ben er zoo menigmaal vruchteloos geweest, mocht het nu eens uw tijd zijn om te werken! Laat er eens een woord op mijn hart vallen, laat het voor mij eens een zaad van wedergeboorte zijn. Zijt ge in de kerk, zoekt toch aandacht bij te brengen onder het gehoor: bidt de Leeraar om de bekeering van zondaars, laat uwe begeerten verdubbeld worden. Wordt het Woord verklaard en toegepast, legt er uw hart bij, gij zult er uwen toestand menigmaal in vinden voorgesteld , denkt dan niet dat raakt die of die, maar dat is voor mij-, zoo ellendig ben ik, daar en daar ben ik aan schuldig, en dat zal u mogelijk tot boetvaardigheid en vernedering brengen.

Gaat gij uit den Godsdienst naar uw huis, leg u al weer voor God neer, en zeg: Heere, ik heb nu al zoolang aan het water van Bethesda gelegen en ik ben nog even ellendig, och dat uw Geest mijn hart eens beroere, opdat ik mocht genezen worden, laat dit woord eens klemmen op mijn hart!

Wie weet, als gij zoo handeldet, wat God doen zou.

B. Houdt u, zooveel als gij kunt, bezig in het onderzoek van Gods Woord en van die waarheden, die uw eeuwig heil betreffen; leest zulke boeken meest, die tot ontdekking, opwekking en besturing voor u zijn, over bekeering, wedergeboorte, en het geloof, waarheden, die men moet ondervinden. God werkt ook wel eens onder het lezen, gelijk het den Kamerling gebeurde. Hand. VUL

C. Voegt u bij het gezelschap van Godzaligen, zooveel gij het doen kunt, zonder verwaarloozing

46

-ocr page 137-

Van de Natuur des Geloofs.

van uw beroep, daar God u in stelt: maar het is niet evenveel bij wien gij u voegt, daar zijn er velen die wel een gedaante van godzaligheid vertoonen , maar de kracht daarvan niet kennen, die gerust en zorgeloos leven , en wel van het Christendom kunnen spreken, maar het niet bevinden. Indien gij met zulken verkeert, dat kan zeer nadeelig zijn, om u of in dat vooroordeel te stijven, dat de wereld heeft, dat het maar geveinsden zijn; of om u zorgeloos te maken, als of het uitwendige genoeg was. Neen, voeg u bij de verstandigste, teederste en geoefendste Christenen, die in staat zijn om u naar het Woord van God te raden en te besturen. Maar tot waarschuwing moet ik zeggen , al is het dat gij in dezulken ook gebreken ontdekt, laat dat u niet stooten; denk dat de beste van Gods kinderen met verdorvenheden moeten worstelen, en blijf daarbij niet stilstaan, maar zie liever op de genadegaven, die zij bezitten; om daardoor tot jaloerschheid verwekt te worden.

En, o kinderen Gods! opdat ik dit in het voorbijgaan zegge, wat hebben wij niet van noode om ons teeder, voorzichtig en getrouw in onzen wandel te gedragen, opdat natuurlijke menschen zich aan ons niet mogen ergeren. Wij zijn een stad op een berg, het oog van ieder is op ons , en kan de wereld maar eens iets ontdekken tot nadeel, zij wordt in hare zorgeloosheid gestijfd: laten we dan nauwkeurig op ons gedrag letten, opdat we niemand tot aanstoot mogen zijn, laten wij vrijmoedig voor God en Zijne zaak uitkomen, en velen zoeken uit te lokken door het beminnelijke van den dienst van God. Geeft God ons gelegenheid om dezen of genen te ontmoeten, laten we getrouw zoeken te zijn, om die aan te

2

17

-ocr page 138-

Van de Natuur des Geloofs.

spreken, maar laat het niet zijn met hardigheid, meesterachtig; maar met alle bescheidenheid en vriendelijkheid , met innig medelijden , om hun voordeel te doen.

D. Maar terwijl alle middelen, zonder den zegen van God, vruchteloos zijn, raad ik u , dat gij veel in het gebed tverkzaam zijt; ik weet wel, gij zult * zeggen, hoe kan ik dat middel gebruiken, want een onbekeerde kan niet bidden, en God hoort de zondaars niet?

Dat is waar, God hoort de zondaars niet, wanneer zij bidden en in de zonde willen blijven, maar als gij bidt om bekeering, om hartsverandering, dat is God aangenaam; daarom zeide Petrus tot Simon den toovenaar: „bid God, dat u deze zonde vergeven worde.quot; Hand. VIII : 22. Leg u dan menigmaal als een ellendige en onmachtige neer voor de voeten van den Heere Jezus, erken dat gij zoo ellendig zijt, maar bid Hem, dat Hij met een oog van medelijden op u wil zien, en u ook een deelgenoot maken van Zijne genade.

2. Maar hebt gij dit te betrachten , om , zooveel in u is, het geloof deelachtig te worden, dan moet gij u iook voor alles wachten wat het zou kunnen beletten.

A. Als God onder het Woord, of onder het lezen en de aanspraken van anderen eenige aandoeningen gt; geeft, dat gij overtuigd, verleger en bekommerd wordt, doof toch dat licht niet uit, ga die overtuigingen niet tegen ; gij weet niet of het maar een gemeene overtuiging van uw geweten is, of dat God begint te werken, gij kunt altoos niet slimmer doen, dan dat verdooven: dat zou de oorzaak kunnen zijn, i

18

-ocr page 139-

Van de Natuur des Geloofs.

dat God niet meer met u zou twisten, maar u aan een geheele ongevoeligheid overgeven.

B. Als gij inwendig in uw gemoed eenige opwekkingen voelt tot betrachting van het goede, of waarschuwing om het kwade en zondige na te laten, volg dat toch op, wedersta het niet: wie weet, of het niet van den Geest is. Och ik vrees dat er veel overtuigden zijn, die tegen de waarschuwing van hun geweten , zich menigmaal begeven in wereldsche gezelschappen en ijdelheden, en daardoor die vonken , die in hun zijn , uitdooven, in plaats van met dat bewogen hart naar God te gaan, en te bidden, dat het toch van een waarachtige bekeering mocht achtervolgd worden.

O denk toch, wat zonde dat gij doet door zoo te handelen, dat is den Geest der genade smaadheid aan te doen, en dan wijkt hij eindelijk, en zoo zult gij zorgeloos in het verderf neerstorten, en hoe naar zal u de herinnering hiervan zijn , in de hel te moeten denken: op dien tijd, in die predikatie, onder dat middel, klopte God aan mijn hart, maar ik heb niet geluisterd, ik heb het gekoesterd met wereldsche vermaken, en nu is het in eeuwigheid gedaan, nu is alle hoop afgesneden; wilt gij dat verwijt van uwe conscientie niet hebben , volg dan die opwekkingen op.

C. Wacht u toch voor moedeloosheid en wanhoop, dat gij zoudt denken, bet heeft al zoolang geduurd, en het blijft maar bij overtuiging, en mijne zonden zijn al te groot, God zal ze mij niet vergeven : zoo verre zoekt het de Satan te brengen , om u zorgeloos te maken: neen , zoolang als gij leeft, is er hoop, de kranke had achtendertig jaar aan het water van Bethesda gelegen, en toen genas Jezus

2\'

■19

-ocr page 140-

Van de Natuur des Geloofs.

hem, en al waren uwe zonden nog zoo groot, ja al hadt gij u den duivel in zonden gelijk gemaakt, Gods barmhartigheden en ontfermingen zijn nog oneindig grooter, om ze te willen en te kunnen vergeven ; geef het dan nooit moedeloos op; maar blijf aanhouden, of God zich nog eens over u ontfermde.

Maar laat ons nu tot het derde stuk, dat we verhandelen moesten, overgaan, hetgeen eigenlijk meer betrekkelijk is tot Gods kinderen, die reeds het beginsel des geloofs deelachtig zijn. Deze moeten wij eerst een woord tot bemoediging toedienen, en dan opwekken, om het geloof, dat zij deelachtig zijn, in zich te bewaren, en daarin te trachten overvloedig te zijn, om in hetzelve op te wassen.

Komt dan hier geloovigen, die waarlijk tot Jezus gekomen , maar nog zoo bekommerd zijt, of het wel waarheid is: gij zijt bij uzelven arm, daar gij nog-thans rijk zijt. Ik zal nu niet veel tot uwe bemoediging zeggen, omdat we over de verzekering voornemens zijn afzonderlijk te spreken, alleen moet ik zeggen:

Ai komt eens tot stilte en bedaardheid, om te letten, wat er in uwe ziel al is omgegaan en nog omgaat, ik vraag u :

1. Durft gij ontkennen, dat dat licht, dat in uwe ziel ontstoken is, niet is onderscheiden van de wereld? Ja van tijdgeloovigen zelfs? ziet gij de waarheid niet met een ander oog, dan toen gij nog leefdet in de zonde? zijn er geen andere bewegingen, andere werkzaamheden in uw hart dan te voren ? zoudt gij God niet danken, indien gij het in uwe vrienden en anderen zaagt, wat gij in u vindt?

2. Durft gij ontkennen, dat het gezicht, dat gij

20

-ocr page 141-

Van de Natuur des Geloofs.

hebt van uwen verloren staat, u niet verlegen, bekommerd en bedroefd maakt?

3. Hebt gij geen gezicht van de noodzakelijkheid, beminnelijkheid en dierbaarheid van den Heere Jezus? is Hij u nog nooit dierbaar geworden?

4. Durft gij ontkennen , dat gij nog nooit uit u zeiven naar Jezus zijt geloopen, ja dat gij het niet nog zoudt willen doen, al was het op dit oogenblik, kondet en durfdet gij maar ? is uw hart niet gewillig om het geheel aan Hem op te dragen ?

5. Durft gij ontkennen , dat gij niet eene andere liefdes-gezindheid zijt gewaar geworden ? is de zonde, wereld , en eigenliefde u niet tot vijand; is niet God, die geboren heeft, Christus als de allerdierbaarste, en alle Godvruchtigen, die uit God geboren zijn, zijn die niet het voorwerp van uwe liefde, daar gij vóór dezen afkeerig en vijandig van waart?

Welnu, wie heeft dat in u gewerkt ? zijn dat niet de beginsels van het geloof? geeft er toch God de eer van, en zijt niet langer ongeloovig, maar geloovig.

Doch het is niet genoeg de eerste beginsels deelachtig te zijn, maar gij moet daarnaar staan, om, zooveel in u is, dat geloof te bewaren en daarin meer overvloedig te zijn.

Dit moet ik nu nog wat nader aantoonen, ik zal dan

1. Gods volk toonen, hoe noodzakelijk het is, dat zij zich bewaren in het geloof, dat zij eens ontvangen hebben;

2. Dat zij daarin moeten trachten toe te nemen en op te wassen ;

3. Dan zal ik tot het een en ander, gepaste middelen zoeken aan de hand te geven, om hierin voorspoedig te zijn.

2i

-ocr page 142-

Van de Natuur des Geloofs.

Wat het eerste aangaat, als ik zeg, dat men zich moet bewaren in het geloof, moet het in een gezonden zin verstaan worden; want hiermede wil ik niet zeggen, dan men weer van de genade kan uitvallen , en het geloof weer verliezen, gelijk het Pausdom en de Lutheranen willen, die, de eene een geheelen afval der heiligen stellen, en de anderen voor een tijd; doch dat strijdt tegen Gods Woord, dat allerwege leert, dat de genadegiften en roepingen Gods onberouwelijk zijn. Gods liefde waarmede Hij zijn volk lief heeft, is een „eeuwige liefdequot;, Jer. XXXI : 3; daar God het zaad des geloofs eens in het hart gelegd heeft, daar blijft het altoos, geen vijand kan het daar uitrukken; dat blijkt uit de exempelen van heiligen, die in zonden gevallen zijn. David bad, dat „God zijnen Heiligen Geest niet van hem wilde nemenquot;, derhalve had hij dien nog in zijn diepste verval, Ps. LI : 13. Toen Petrus Christus had verloochend, had Hij „voor hem gebeden , dat zijn geloof niet mocht ophoudenquot;, Luk. XXII : 23 , hetgeen zekerlijk geschied is, want de Vader hoort Hein altijd, zoodat dan het zaad des geloofs altijd onveranderlijk blijft; en spreekt Christus Matth. XIH : 21 , „van het geloof dat voor een tijd isquot;, dat is het ware geloof niet, want Hij zegt dat het „geen wortel heeft.quot;

Doch schoon het zaad des geloofs in het hart blijft, zoo kan het nogthans verslappen in zijne iverkzaam-heden; zoodat het een geheele winter in de ziel wordt, daar geen bladeren, bloesem noch vruchten gezien worden.

Ja het vermindert ook dikwijls in de trappen, daar het in het begin menigmaal zoo hartelijk en levendig was, toen men durfde staat maken op Gods

-Ui

-ocr page 143-

Van de Natuur des Geloofs.

beloften, en groote dingen ondernemen, daar wordt het verminderd, de hartelijkheid en ijver verflauwt, het vertrouwen verzwakt, het wordt gedurig geslingerd door twijfelmoedigheid en ongeloof, waarom de vruchten in den wandel ook weinig worden gezien : tegen dit alles nu moet een Christen zorgvuldig waken, en in dat opzicht het geloof bewaren.

1. Daartoe wekt Gods Woord hen gedurig op, 1 Cor. XVI : 13, „staat in het geloove.quot; Openb. III: 11, „houd dat gij hebt, opdat niemand uwe kroone neme.quot;

2. De Heere heeft een nauw verband gelegd tus-schen Zijn bewaren en ons bewaren. God bewaart het leven der genade onmiddelijk door Zijne almachtige kracht, maar wij moeten het bewaren door naarstig gebruik van de middelen: dat is zoo vast aan elkander gehecht, als eten en drinken is, tot onderhouding van het leven; dit leert Petrus, 1 Petr. 1:5: „gij wordt in de kracht Gods bewaard, dus aan Gods zijde, maar door wat middel ? het geloove; daarom zegt Johannes: „die uit God geboren is, bewaart zich zeiven en de booze vat hem nietquot;, 1 Joh. V : 8.

3.\' Daar is niets, dat meer aan bestrijdingen onderworpen is dan het geloof; daar valt de vijand op aan , om het gedurig te betwisten, dus heeft men dan daar het meest tegen te waken.

4. Het geloof is het schild, dat men in den geestelijken strijd moet gebruiken, om tegen alle aanvallen staande te blijven: maar daarom is het vooral noodig, dat schild, als het voorname wapentuig, te bewaren, om daardoor te overwinnen.

Maar ten tweede, het is niet genoeg het geloof te bewaren, men moet in hetzelve trachten op te was-

23

-ocr page 144-

Van de Natuur des Geloofs.

24

sen en overvloedig te zijn; hiertoe wordt Gods volk gedurig opgewekt; Petrus zegt: 2 Petr. III: 18, „wast op in de genade en kennis van den Heere Jezus Christusquot;, en nog eens, 1 Petr. 11:2, „als nieuw geborene kinderkens, zijt zeer begeerig naar de redelijke en onvervalschte melk, opdat gi] door dezelve moogt opwassen.quot; Paulus wil, dat zij „tot de volmaaktheid zullen voortgaanquot;, Hebr. VI: 1. Zij moeten van „kinderen jongelingen, van jongelingen, mannen en vaders in Christus wordenquot;, 1 Joh. II: 12 , 13. Zij moeten „van gekrookte rieten tot eikenboomen der gerechtigheid opwassen.quot; Zij moeten „toenemen als mestkalverenquot;. Mal. IV : 2, volgens de belofte Ps. XC11: 14, „die in het huis des Heeren geplant is, dien zal gegeven worden te groeien.quot; Zij moeten zijn als de „arenden, die de krachten vernieuwd wordenquot;, Jes. XL:31, als de „wagens en paarden van Pharaöquot;, Hoogl. 1:9, als „het paard van Gods majesteit in den strijdquot;, Zach. X : 3, „bij hun geloof voegen deugd, bij de deugd kennis , bij de kennis matigheid , Godzaligheid , en broederlijke liefde, ja, liefde tegen allenquot;, 2 Petr. 1:5,6; wat geeft dat alles anders te kennen, dan het toenemen in het geloof? dus moet een geloovige 1. Aanwassen in de kennis, hij moet niet als de kindertjes blijven bij de „eerste melk der waarhedenquot;, maar staan naar „vaste spijzequot;, Hebr. V : 12, dat is, hij moet niet te vreden zijn met de eerste beginselen van de grondwaarheden, die tot de zaligheid noodig zijn, te kennen, maar tot de volmaaktheid trachten voort te gaan: hij moet het woord van God, en de diepten die daarin zijn, meer leeren kennen, om er de wijsheid van God in te aanbidden; hij moet vooral een klaar begrip trachten te hebben van het gansche

-ocr page 145-

Van de Natuur des Geloofs.

werk der zaligheid, van den Verbonds-Middelaar in al Zijne dierbaarheden; van den Geest, en Zijne werkingen; van de verplichtingen, die op hem liggen tot godzaligheid: van dat alles, moet hij een klare, juiste, onderscheidene en bevindelijke kennis

t hebben. hebben.

2. Hij moet ook vorderen in de toestemming van de waarheden, wanneer hij, met een nauwkeurig oordeel des onderscheids , de waarheid kan beproeven , wat goed of kwaad, waar of valsch is, daaraan de toestemming geven of niet; vooral, omdat hij bevindelijk de zoetigheid en kracht daarvan kent aan zijn harte; dan, getuigt de Geest dat de geest de waarheid is. Ja hij vordert in de toestemming r wanneer hij zulke waarheden, daar hoogten en diepten in zijn, die hij niet kan bevatten, evenwel omhelst en aanbidt, omdat God het getuigt.

3. Hij moet vorderen in het toevlucht nemen tot den Heere Jezus, om dat hartelijker, gezetter, bedaarder, vrijmoediger en aanhoudender te doen, bij elke daad, en iedere gelegenheid : in afwijkingen , om verzoening in Jezus bloed; in verlegenheid, tot Hem heengaan om raad ; in duisterheid, om licht, en in zwakheid, om sterkte; met één woord, hij moet zoeken in een gedurigen afkeer van zich zeiven, en naar Christus toegekeerd te leven.

4. Een Christen moet trachten toe te nemen, in het geloofsvertrouwen. Dat geloof, dat maar toe-vluchtnemen is, dat zooveel schuddingen onderworpen is, dat zich niet durft verlaten op God, dat geen gebruik durft maken van de beloften, dat zoo licht versaagd is in zwarigheden, datzelve moet toenemen tot een verzekerd geloof, hetwelk pal staat in de verzoekingen, en staat maakt op Gods toezeg-

25

-ocr page 146-

Van de Natuur des Geloofs.

gingen, en de eeuwige zaligheid, en alle belangen , in Gods hand durft overgeven.

Wanneer een Christen hierin meer toeneemt, zoo wast hij in het geloove.

Om nu hiertoe te komen, moet ik ten derde gepaste middelen aan de hand geven, die men heeft te gebruiken ; deze zijn de navolgende :

1. Daar is geen gezegender middel, dat wij aan de hand kunnen geven , om het geloof deelachtig te worden , dan het lezen , onderzoeken en hoor en van Gods Woord; want dat zelfde Woord, dat een zaacZ der wedergeboorte is, is ook de melk, waardoor men moet opwassen: Daardoor mget het verstand meer verlicht worden tot kennis, en het logge, lome en trage hart opgebeurd tot de liefde der waarheid.

O, hebt dan veel op met het Woord, leest en herleest het in uwe eenzaamheid: het is het Testament uws Vaders, daar gij uwen naam in zult vinden, wanneer gij uw hart daarbij legt; verlustigt u in de waarheden, die daarin vervat zijn, let op de plichten , die bet u voorschrijft, begeeft u vooral veel daar het Woord verklaard wordt, in den openbaren godsdienst: het is niet te zeggen, wat nadeel gij u zeiven doet, met u daarvan zoo menigmaal zonder noodzaak te onttrekken, daardoor komt dikwijls een magerheid aan uwe ziele; en in tegendeel, ondervindt gij niet wel eens, dat het geloof daar gesterkt en meer bevestigd wordt? Houdt u dan nabij het Woord.

2. Om in het geloof overvloedig te zijn, is ook zeer gezegend, het recht en betamelijk gebruik van de sacramenten, ik zeg de sacramenten beide, zoowel de doop als het avondmaal.

Wat den doop belangt, mocht wellicht iemand

26

-ocr page 147-

Van de Natuur des Geloofs.

zeggen, hoe kan dat zijn tot bevordering van het geloof? want dien heb ik maar eens ontvangen, en zonder bewustheid, hoe moet ik dan dien tot mijn nut gebruiken ?

\'t Is waar, gij zijt maar eens gedoopt, in uwe teedere jeugd, maar wanneer gij den aard van dien doop wel beschouwt, kan hij tot veel voordeel zijn, als gij er veel bij stil staat, en denkt, ik ben, toen ik nog maar een klein kindeke was, met het doopwater besprengd, en daardoor aan een Drieëenig God opgedragen; daar heeft God de Vader betuigd, dat Hij ook met mij een eeuwig verbond der genade wilde oprichten; de Zoon, dat Hij mij wilde wasschen in Zijn bloed; de Heilige Geest, dat Hij in mij wonen en mij tot een lidmaat van Christus heiligen wilde; en mijne ouders hebben voor mij dat verbond ingewilligd ; nu ben ik tot jaren van onderscheid gekomen , en heb die belofte van mijne ouders overgenomen ; wat liggen er dan al banden van verplichting op mij, om in een godzaligen wandel, oprecht voor God te leven.

Ja, wanneer gij u zeiven menigmaal voor den Heere eens afvraagdet, heb ik ook de beteekende zaak van den doop ontvangen ? ben ik gewasschen in Jezus bloed, en kan ik daardoor oefenen de vraacj van eene goede conscientie tot God, om, uit kracht van dat verbond, alles te eischen , wat ik van noode heb , tot bevordering van het geestelijk leven? dan zou de vrijmoedigheid des geloofs meer worden opgewekt, en gij dus meer bevestigd worden in het geloof.

Desgelijks is het recht gebruik van het avondmaal nuttig, tot aanwas in het geloof, dat is, tot voeding en versterking van het genadeleven.

27

-ocr page 148-

Van de Natuur des Geloofs.

Daar wordt het verstand meer opgehelderd in de kennis van de goddelijke waarheden, vooral, die behooren tot het werk der zaligheid; wijl die als in een schilderij levendig voor het oog worden gesteld: daar worden de begeerten naar den Heere Jezus op nieuw uitgelokt, wanneer Hij beschouwd wordt in Zijne alles overklimmende liefde, om zich ook weer op nieuw aan Hem te verbinden, en door het geloof tot Hem te vlieden.

Daar wordt het geloofsvertrouwen bevestigd, omdat God de zegels van Zijne liefde en trouw in handen. geeft, waardoor men verzekerd kan zijn, dat Hij alle Zijne beloften zal maken ja en amen.

3. Nog een voornaam middel, om in het geloof toe te nemen, is het gehed, want daar is geen een plicht, waarin het geloof meer en beter kan geoefend worden dan deze : alles wat men aan den Heere voordraagt, alles wat men begeert, het is alleen door, en in het geloof. Het gebed is de ademtocht van het geestelijke leven, door het hartelijk bidden vereenigt de ziel zich op het nauwst met Ood, al biddende vliedt en loopt ze uit zich zelve tot God en Christus, werpt zich in Zijne armen, en verlaat zich op Hem.

O volk van God, is het ernstig en aanhoudend bidden zoo nuttig, oefent er u dan veel in; en het is te beklagen, dat gij hierin zoo bekrompen en beperkt zijt, dat het hart niet meer naar God uitgaat: al is uw geloof nog zoo klein en zwak, dat moest u opwekken om biddende met de discipelen te roepen , „Heere vermeerder ons geloofquot;. Luk. XVII: 5. Al wordt het door ongeloof bestreden, dan moest gij zooveel te meer met den Vader des kinds met tranen roepen: „ik geloof Heere, kom mijn ongeloof

28

-ocr page 149-

Van de Natuur des Geloofs.

te hulpquot;, Mark. IX : 24, en langs dien weg zoude uw geloof meer bevorderd worden, dan dat gij door onvrijmoedigheid van God af zoudt blijven.

4. Gij moet uw geloof ook menigmaal beproeven, niet alleen om meer verzekerd te worden van des-zelfs oprechtheid, maar om te zien of en hoeverre gij daar reeds in zijt gevorderd: dit zou, aan den eenen kant dienen, om u tot schaamte en verootmoediging te bewerken, wanneer gij ziet, dat gij nog zoo weinig gevorderd zijt, en om er meer naar te staan.

Of zoo gij, u onderzoekende, bevondt, dat er eenige verwijdering tusschen u en den Heere was, zou het u opwekken, om aanstonds weer te keeren, en dan zou het uwe vrijmoedigheid niet stremmen, of u verder van den Heere doen afwijken.

Aan de andere zijde, indien gij ondervondt, bij het onderzoek, dat gij ergens in waart gevorderd, zou het u dankbaar maken, en uwen ijver nog steeds meer opwekken.

O gelooft toch, dat het eene van de grootste redenen is van uw weinig toenemen, omdat gij zoo weinig leeft bij uw hart, dat gij zulke vreemdelingen van uzelven zijt, en niet meer naar binnen keert: daardoor raakt men ook vervreemd van den Heere, en de genade ligt als stil.

5. Verkeert veel met teedere godvruchtigen, die u tot voordeel kunnen zijn, om elkander te dienen, tot opscherping der liefde en der goede werken; laat uwe onderlinge bijeenkomsten niet na.

\'t Is niet te zeggen, tot wat nut dat kan zijn, en tot bevordering van de kennis, en tot ontvonking van het geloof en de liefde; is de een meer gevorderd dan de andere, dan worden er wel eens trage

29

-ocr page 150-

Van de Natuur des Geloofs.

handen en slappe knieën opgericht, en het hart op nieuw verlevendigd en opgewekt, om gezetter voor God te zijn.

6. Wacht u op het allernauwkeurigst voor alles, wat den wasdom in het geloof zou beletten.

A. Wapent u tegen de listen van den satan , en de booze pijlen , die hij schiet, om het geloof wankelende te maken: somtijds door te willen ondermijnen de wezenlijke grondwaarheden, die de grondslag zijn van het geloof; neemt dan het zwaard des geestes, ik meen Gods Woord, om hem af te weren, Efez. VI : 17. Zegt met Christus „daar is geschrevenquot;, Matt. IV : 4, want nooit hebben zijne pijlen meer ingang, dan wanneer men ontwapend is.

Somtijds zoekt hij het geloof zelf te schudden, door de ziel te doen twijfelen aan hare oprechtheid, en dan wel het meest, wanneer zij het zwakst of in een ongestalte is : geeft u dan niet toe, in ongegronde twijfelingen , opdat de satan geen voordeel daardoor krijge, en de aanwas in het geloof ver-mindere, of belet worde; want zoolang men met het fondament bezig is, kan men het gebouw niet verder optrekken; zoolang men gedurig aan den wortel van een boom gaat zien of hij leeft, belet men den verderen wasdom; maar als de boom zelf uitspruit, dat is het klaarste bewijs van inwendig leven: tracht dan ook uit de geloofsvruchten, van uw geloof verzekerd te zijn.

B. Wapent u ook tegen de wereld, die uwe hoop dikwijls zoekt te verguizen en te bespotten, vooral, wanneer zij u ziet zwoegen onder veel tegenspoeden en rampen; dan zegt ze wel eens: wat wij genieten is zeker, wij bezitten reeds het goede, wij hebben geen banden; maar wat gij bezit is alles nog toe-

30

-ocr page 151-

Van de Natuur des Geloofs.

komende: \'t is maar hopen , wachten, tegemoet zien, en wie weet of er ooit iets van komen zal? en ondertusschen wordt gi] den ganschen dag geplaagd; en het is niet te zeggen, hoe dit het geloof wel eens kan schudden; zelfs Asaph was al aan het wankelen , door dat te beschouwen , zooverre , dat hij zeide: „ik hebbe te vergeefs mijn harte gezui^ verd en mijne handen in onschuld gewasschenquot;» Ps. LXXIII: 13. Staat bij dit alles niet stil, maar zoekt met Asaph in te gaan in Gods heiligdom, en te zien, op het einde van den goddeloozen, en den vromen: gij moet door het geloof trachten dien spot en hoon der wereld te boven te komen.

7. Eindelijk, oefent dagelijks uw geloof, ziet veel op den Heere Jezus en Zijne volheid, staat veel stil bij uw gebrek, en vlied dan gedurig uit uzelven tot Hem, om alle genade van Hem te ontvangen ; dan zal uw geloof meer bevestigd en versterkt worden.

Ziedaar dan u voorgesteld de natuur van het geloof, en de middelen aangewezen , om het of in den aanvang te verkrijgen, of daarin meer bevestigd te worden.

Laat ik dit nu nog met een woord ten nutte van ons zeiven zoeken aan te leggen.

1. Waar zijt gij nu, diep onwetende en zorgelooze? die al mede toenaderen zult aan des Heeren tafel, maar uzelven niet onderzoekt, of gij het geloof hebt, of gij deel aan Jezus hebt, want gij kent uwe ellende niet; gij weet niet, dat gij zijt jammerlijk, arm, blind en naakt; gij gaat gerust heen, en ziet het gevaar niet, dat u over het hoofd hangt; gij zijt voorwerpen van innig medelijden, want gij zijt als een die in het opperste van een mast slaapt, en alle oogenblikken dreigt in de woeste zee neer te storten.

31

-ocr page 152-

Van de Natuur des Geloofs.

2. En gij aards- en wereldsgezinde, gij mist ook nog het geloof, want uw oog en hart is zoo vervuld met een schijnschoon en klatergoud van de wereld, dat gij geen schoonheid ziet in Jezus; al wordt hij u voorgesteld, uwe begeerte gaat er nooit eens naar uit; gij mint de wereld hoven Hem. Och! dat God u eens verlichte oogen des verstands gaf, om te zien, aan den eenen kant de ijdelheid van de wereld, en aan den anderen kant de dierbaarheid die in Jezus is! gij zoudt haast van keuze veranderen.

3. Anderen zijn er, die nooit tijd hebben om zich eens te onderzoeken, of zij in het geloof zijn; zij zijn zoo verslonden in en door de bezigheden en kommer van dit leven , wat zij eten , wat zij drinken zullen, hoe zij door de wereld zullen komen, dat het hart altijd daarmede vervuld is, of zij alleen, of bij men-schen zijn.

Wel arme menschen , gij zijt te beklagen, het was te wenschen , dat God uw deel hier op aarde wat ruimer maakte; maar kunt gij met al uw kommer wel iets winnen? en moet gij dan alleen voor het lichaam zorgen, daar uwe ziel nog veel ellendiger is, zoolang ze buiten Jezus is, en zonder geloof? en het eene is maar voor den tijd en het andere voor de eeuwigheid; och, dat gij eens bekommerd werdt over uw zielstoestand!

4. Anderen zijn wel eens overtuigd, dat zij het geloof nog missen: zij weten wel, dat zij nog geen deel aan Jezus hebben; daar is wel eens eene begeerte, maar, daar blijft het bij: zij laten zich binden aan de wereld en de zonde, en raken dus allengs-kens van den weg verder af; en dat is een zeer gevaarlijke, en allerellendigste toestand.

Vraagt gij dan nog naar raad, wat gij doen moet

S2

-ocr page 153-

Van de Natuur des Geloofs.

om zalig te worden, om het geloof deelachtig te worden ? doet dit:

1. Tracht toch te leeren zien^ hoe het gemis van het geloof u allerrampzaligst en ellendigst maakt, en te meer, omdat gi] leeft onder de ruime en gulle aanbieding van genade en zaligheid: „hoe zult gij ontvlieden, indien gij op zoo groote zaligheid geen acht geeft.quot;

2. Als gij ziet, dat God in dezen of genen, met Zijn Geest werkt, ziet toch wel toe, dat gij het niet veracht en bespot; dan zoudt gij uw hart tegen de overtuigingen bebolwerken ; denkt liever, dat moet ik ook ondervinden, en och, was ik zoo gelukkig als zij zijn !

3. Geeft uzelven geen rust, zoolang gij weet, dat gij het geloof nog mist; maar zijt toch naarstig in het ijverig waarnemen van alle die middelen, waaronder God gewoon is te werken, die wij te voren hebben aangewezen : zijt toch vooral veel daar waar het Woord verkondigd wordt, of het zaad des geloofs daardoor eens in u mocht gelegd worden.

4., Zoo de Geest eenigzins in u begint te werken, al was het maar door gemeene overtuigingen en kloppingen van uw geweten, dooft dat niet uit, maar volgt het op: ja wekt het gedurig meer op, gij weet niet hoe nadeelig het is dat tegen te gaan; dan komt er wel eens een vereeltheid en geheele ongevoeligheid , en dat is de droevigste toestand, waarin iemand ooit kan komen.

Maar kinderen Gods, tot u heb ik nog een woord tot uwe aanmoediging en opwekking.

Waarom zijt gij altijd zoo beroerd en verlegen, vooral tegen den tijd van het avondmaal? gij vreest dat uw geloof niet oprecht is, omdat gij zooveel

3

33

-ocr page 154-

Van de Naiuur des Geloofs.

verdorvenheden nog in u vindt; gij denkt, had ik het geloof, mijn hart zou meer gereinigd zijn, ik zou teerder voor God leven, maar kom , beurt uw hart eens op.

1. Geeft het den satan, de zonde en uw vleesch niet gewonnen, zegt, ja, zoo zondig ben ik , en nog erger, maar Jezus is machtig om mij te helpen.

2. Ai let toch op de ruime aanbieding van genade en zaligheid, die u in het Evangelie gedaan wordt; daar worden alle zwarigheden weggenomen: ja, hoe meer gij uzelveu als ellendig, mismaakt en walgelijk kent, hoe aangenamer gij aan Jezus zijt; en hoe meer gij Hem de kroon op het hoofd zult zetten, dat gij, als een van de allerellendigsten, gezaligd wordt: daar kan u niets terughouden, dan onwilligheid , en zoekt de satan u te beletten , o dat moet u te meer opwekken, om tot Jezus te loopen , en onder Hem te schuilen.

3. Laat u vooral niet terughouden om te naderen aan des Heeren tafel; want daarvan weg te blijven, is ongeloof, en ongehoorzaamheid aan Gods bevel: \'t is God en Jezus onteeren, en uwe vijanden in de hand te werken; en daardoor zoudt gij nog meer uw troost en blijdschap verliezen: daar gij in tegendeel niet weet, wat zegen en verkwikking gij nog zoudt genieten. O, wat staat gij dan nog zoo van verre? werpt uw ziel in Jezus armen, waagt het op Hem, Hij zal u in liefde ontmoeten; al is uw geloof zwak, een klein geloof, is ook geloof, al moet gij roepen met tranen: „Heere, kom mijn ongeloof te hulpquot;, die tranen ziet Jezus met welgevallen; en die stem is Hem lieflijk.

Ondertusschen moet dit verhandelde u tot beschaming zijn, volk des Heeren, die, hoewel gij met

34

-ocr page 155-

Van de Natuur des Geloofs.

meer bewustheid weet, dat het beginsel des geloofs in u is gelegd, evenwel nog zoo weinig in hetzelve gevorderd zijt, en van daar wordt gij in uw vertrouwen nog zoo licht geschud, vooral wanneer gij voelt de kracht der verdorvenheid, daar gij onder worstelt; laat dat u niet terughouden, het moet wel tot uwe verootmoediging zijn, maar ook uw geloof opwekken , om weer naar God te gaan: klaagt Hem, wat overlast gij van de zonden hebt, en hoe gaarne gij daarvan wenschtet verlost te worden. Neemt op nieuw toevlucht tot de wonden van Jezus , om in Zijn bloed de verzoening te zoeken, daartoe zult gij nu, in de toenadering aan des Heeren tafel, gelegenheid ontvangen : nadert daar geloovig toe, vernieuwt uwe keuze, met een ernstig opzet en voornemen des harten, om meer verloochend aan uzelven en aan al wat buiten God is , getrouwer en gezetter voor den Heere te leven, dan zal het avondmaal aan u gezegend zijn.

Nu, ik wensch, dat dit woord mag dienen tot uwe bevordering en verwakkering, om overvloediger te zijn in het geloof, tot heerlijkheid van God.

A M E N.

35

3*

-ocr page 156-

TWEEDE VERHANDELING

OVER HET GROOT ONDERSCHEID TUSSCHEN HET TIJDGELOOF EN HET WARE ZALIGMAKENDE GELOOF.

\'adat we, in de voorgaande verhandeling, hebben gesproken van de natuur van het _1 zaligmakend geloof, dacht ik het niet ondienstig, om nu eens te spreken over het groot en wezenlijk onderscheid, dat er is tusschen dat geloof, dat de ziel waarlijk met Christus vereeniyt, en dus tot de zaligheid brengt , en tusschen dat geloof, dat we gewoon zijn tijdgeloof te noemen, dat nabij-Christenen bezitten; doch dat, hoe nabij het komt, nogthans zoo hemelsbreed van elkander verschilt , als de dood van het leven, en het licht van de duisternis; of dit mocht dienen, aan de eene zijde, tot ontdekking van allen, die zich met een valschen waan en inbeelding nog bedriegen, om hen nog, eer het te laat is, te recht te brengen; en aan de andere zijde, om Gods volk, dat dikwijls zoo bekommerd is, of hun geloof wel oprecht is, te bemoedigen en op te beuren.

Ik zal dan, om aan dit oogmerk te voldoen, deze vijf stukken verhandelen;

1. Aantoonen, dat het onderzoek, of men een tijdgeloovige of een waargeloovige is, zeer noodzakelijk maar moeilijk is.

2. Dan zal ik van den naam van het tijdgeloof

-ocr page 157-

Van het Tijd- en Zaligmakende Geloof. 37

iets zeggen, en tevens aantoonen, dat het niet alleen in naam maar inderdaad van het zaligmakende onderscheiden is.

3. Het wezenlijk onderscheid in verscheidene stukken aanwijzen.

4. Zoo er tijdgeloovigen mochten zijn, die onder het voorstel ontdekt, en verlegen geworden zijn, die zal ik trachten eenigen raad en bestuur te geven, wat zij doen moeten in zulk een toestand.

5. En eindelijk een woord spreken tot ware ge-loovigen, maar bekommerden over hun staat, opdat zij met vrucht en zegen het avondmaal mogen gebruiken.

f ooreerst dan het onderzoek, of men een waar geloovige of maar een tijdgeloovige is, is ten allerhoogste noodzakelijk, nogthans zeer moeilijk.

1. Het is zeer noodzakelijk, want

A. Het is een stuk van de uiterste aangelegenheid; leven en dood , zaligheid of rampzaligheid , behouden te worden of eeuwig verloren te gaan, hangt er van af: want het tijdgeloof, hoeverre het ook komt, maakt iemand maar een bijna en dus geen Christen; want het blijft buiten de gemeenschap van Christus; maar het ware geloof, hoe klein en zwak het is, vereenigt de ziel met den Heere Jezus, en maakt den mensch dus waarlijk tot een Christen, en een erfwachter van de eeuwige zaligheid.

B. Het tijdgeloof komt, in veel stukken, zeer nabij het zaligmakende geloof, waarom zulk een, die niet anders heeft, zeer bezwaarlijk aan zich zeiven te ontdekken is: men kan veel gemakkelijker een openbaar goddelooze overtuigen, dat hij nog moet bekeerd worden, omdat hij niets heeft om achter te schuilen, dan men een bijna-Christen kan doen,

-ocr page 158-

38 Van het Tijd- en Zaligmakende Geloof.

want wordt hem het eene vijgeblad ontnomen, hij bedekt zich weer met een ander: om nu evenwel den grond van het hart uit te halen, moet men een nauwkeurig onderzoek doen, even als een goudsmid, die niet noodig heeft dat hij tin, lood of ijzer aan den toetsteen brengt, want dat vertoont zijn aard aanstonds, maar wanneer er zilver of andere stof is, die het goud zeer gelijk gemaakt is, dan heeft het wel eens een harde proef van noode om het recht te onderscheiden, opdat niemand tot zijn nadeel, daardoor misleid worde: zoo moet men ook handelen met het tijdgeloof, dat zich als het echte goud des geloofs voordoet: het mag wel eens onder een harde proef worden gebracht en aan den toetssteen van G-ods Woord, dat nooit bedriegt, worden gestreken ; het moet dan eens aan deze, dan eens aan gene zijde, bezien worden, opdat het ware van het valsche onderscheiden worde.

C. Het is noodzakelijk zich te onderzoeken, en voor een tijdgeloovige en voor een waargeloovige. De eerste, zoolang hij zich niet onderzoekt, gaat zoet-voerig en zorgeloos naar het verderf en wordt allengs-kens geruster en zijn staat gevaarlijker; en de laatste , door het nalaten van een nauwkeurig zelfonderzoek , blijft dikwijls lang met dien kommer heengaan, dat hij. op zijn best maar een tijdgeloovige is: en mist dus alle troost en zoetigheid van zijn leven.

2. Maar is het onderzoek zoo noodzakelijk, het is niettemin heel moeilijk om het getrouw te doen, want:

A. Om tot een nauwkeurig zelfonderzoek te komen en het goede van het kwade af f.e scheiden, is er van noode een stille aandacht, om naar hinnen te treden, en toegekeerd tot zijn harte, nauwkeurig

-ocr page 159-

Van het Tijd- en Zaligmakende Geloof. 39

gade te slaan hoe het daar gesteld is; terwijl uit die bron alle werkzaamheden voortkomen; daarom wordt het zelfonderzoek genoemd: „het zetten van zijn hart op zijne wegenquot;, Hagg. 1:5; omdat er nu dit toe noodig is, is het heel moeilijk, want een tijclgeloovige onderzoekt zich niet licht en zeer ongaarne, of zoo hij het doet, hij loopt er licht overheen , hij gaat al de schuilhoeken van zijn hart niet na, maar staat alleen stil bij wat uitwendige daden, daar het zoozeer niet op aan komt.

Doch een waar geloovige onderzoekt zich wel gaarne, hij zet er zich wel toe in het eenzame, maar hij vindt dikwijls zooveel tegenstand, dat hij er gedurig in belet wordt, en dat maakt het hem zoo moeilijk.

B. Moeilijk is het omdat de eerste, die zich maar ter loops in het oppervlakkige beschouwt, allicht een goed besluit over zich zeiven velt, en de andere, omdat hij zooveel zonden en boosheid in zich vindt, oordeelt allicht het kwade: de eene door eigen liefde verdwaasd, dringt zich het goede op, opdat hij niet ontrust zoii worden; de andere, door kommer, vrees en benauwdheid om zich zeiven te bedriegen, handelt met zich zelf al te streng.

C. Tot het recht onderzoeken van zich zeiven en daarop een oordeel naar waarheid te vellen, is van noode, het ontdekkend licht des Geestes, om schijn • van zijn te onderscheiden: dewijl nu een tijdgeloovige het ontdekkend licht van den Geest mist, vat hij licht schijn voor zijn op: en een waar geloovige heeft wel den Geest ontvangen , bij wiens licht hij zich zelf heeft leeren kennen, maar hij kan komen in verval: daar kunnen zonden zijn, waarom de Geest rechtvaardig zijn licht intrekt; of, al is het dat niet, dat hij, om wijze en heilige reden, zich

-ocr page 160-

40 Van het Tijd- en Zaligmakende Geloof.

verbergt: in zulk een gestalte is een ziel niet in staat om recht over zich zelve te oordeelen; daarom maken zij beide weder een verkeerd besluit op.

D. De satan, die niet gaarne een ziel van onder zijne heerschappij zou laten, en wel weet, dat de weg van zelfonderzoek het gereedste middel is om ontdekt te worden, spant al zijn list en kracht in om den huichelaar op zijne gronden van zorgeloosheid te laten zitten, en daarom houdt hij hem af van het zelfonderzoek: hij geeft hem zooveel werks met de dingen van den tijd, dat hij niet eens tot bedaardheid kan komen; is hij in eenzaamheid, hij trekt het harte af door duizenderlei gedachten ; komt er eens een bekommerde gedachte in hem op, hij weet aanstonds den eenen of anderen droggrond hem in te boezemen ; en dus blijft de mensch zorgeloos., in tegendeel, schoon hij wel weet, dat hij niemand, die het waar geloof heeft, zal houden uit den hemel, omdat hij een gezworen vijand van Gods volk is, zoekt hij\' hun den weg naar den hemel moeilijk te maken; omdat er nu veel vertroosting afhangt van het recht zelfonderzoek , tracht hij ook zoolang hjj kan , een bekommerde daarin te stuiten: of komt hij er toe, dan beroert hij het hart door vreeze; waardoor het werk dikwijls gestremd wordt.

E. Het is zeer moeilijk, door onderzoek den tijd-geloovige aan zich zeiven te ontdekken, omdat hij altijd blijft denken en staroogen op zijne uitwendige daden, die hij zeer groot uitmeet, omdat hij zich wenig bekreunt over de wijze hoe die verricht worden : dan is het eens, ik doe alles wat Gods kinderen doen, ik neem naarstig den godsdienst waar, ik voeg mij hij het gezelschap van vromen, ik spreek van het Christendom met hun mede; ja zooverre,

-ocr page 161-

Van het Tijd- en Zaligmakende Geloof. li

dat zii mij voor vroom houden; ik maak mij niet schuldig aan uitwendige zonden; „wat ontbreekt mij dan nog?quot; met den jongeling, Matth. XIX ; 20; hij nu, alleen op ó.ie gronden bouwende, zonder op het hart te zien, en de ivijze hoe alles wordt verricht, is het bezwaarlijk hem daarvan af te rukken; in tegendeel een waar geloovige, al kan hij ook iets-doen dat inwendig goed is, omdat hij weet, dat die niet een Christen is, die het in het openhaar is, maar die den verborgen menschen des harten heeft, die vindt zijne beste werken , zelfs zijne heiligste godsdienstplichten , zoo bezoedeld en bevlekt, dat hij menigmaal zegt, hoe zou ik het besluit ten goede over mij durven opmaken ? daar mijne daden meer gelijken naar vruchten van den ouden dan van den nieuwen mensch; en dus de ééne door zijne daden te hoog te verheffen, stelt zich zonder grond, gerust, en een ander door zijne daden al te zondig aan te zien, blijft tusschen heiden staan, met beroering en kommer; en dat maakt het onderzoek en het besluit dat, na gedaan onderzoek, moet opgemaakt worden, zeer moeilijk en bezwaarlijk.

Ons tweede stuk, dat we moesten verhandelen was, om van den naam van het tijdgeloof iets te zeggen en aan te wijzen, dat het niet slechts in naam, maar inderdaad van het ware zaligmakende geloof is onderscheiden.

Wat aangaat den naam , wij vinden dien Matth. XIV : 5 vergeleken met vs. \'20 , 21, daar Christus het voorstelt onder de gelijkenis van het zaad, dat in steenachtige aarde gezaaid, zijnde, wel schielijk opwast voor een tijd, maar omdat het geen diepte van aarde heeft, geen wortel maakt, en dus door de hitte der zonne weder ras verdort. Hier van daan draagt

-ocr page 162-

-42 Van het Tijd- en Zaligmakende Geloof.

het nu den naam van tijdgeloof, omdat het volgens ) die geliikenis en de toepassing, die de Heere Jezus daarvan maakt, maar voor een tijd is, en wegens de hitte van verdrukkingen afvalt.

Doch wij kunnen dit, wel zoo bekwaam, met vele anderen noemen een waan- en ingebeeld geloof, omdat, toen Christus dat voorstelde, Matth. XIII, er 4 tijden voorhanden waren, om voor de waarheid van het Evangelie te moeten lijden, en dan zou het openbaar worden, als die hitte der vervolging eens kwam, of het zaad in het hart wortelen had geschoten, of dat het maar in de steenachtige aarde van een natuurlijk boos hart gezaaid was; en daarom niet bestaan zou, maar in den tijd der bezoeking afvallen.

Doch in zulke tijden als wij nu beleven, daar men het Evangelie zonder schade en schande kan belijden en het geloof niet door het vuur van vervolging beproefd wordt; in tegendeel, dat het zelfs een eer is, het vrijmoedig te belijden , daar wordt het schijngeloof niet altijd ontdekt; want velen leven en sterven met die inbeelding, en storten zorgeloos, zonder ooit te ontwaken, neder in een eeuwig verderf.

Dat nu dit waan- en ingebeeld geloof, dat met het ware zaligmakende in vele stukken groote overeenkomst heeft, nogthans van hetzelve niet alleen verschilt in den naam, maar in de daad zelve, dat leert ons de Heere Christus in het bovengemelde XIII46 kap. van Mattheus ; want; f

1. De Heiland geeft reden waarom dit tijd- of waangeloof niet groeit; het is omdat het in een steenachtige aarde is gezaaid en dus geen wortel had: in het eerste, zegt Christus, groeit het wel, maar het is niet bestand tegen de zon; dan wordt het dor.

In tegendeel het waar geloof, dat vergeleken wordt ;

-ocr page 163-

Van het Tijd-- en Zaligmakende Geloof. 43

bij het zaad, dat in een welbereide aarde gezaaid wordt, dat schiet diepe wortels, en kan staande blijven, al schijnt de zon in hare kracht.

En hier wijst Christus ons naar de bron, waarin het onderscheid ligt, het hart des eenen is steenachtig, ongevoelig en onbewogen, een harte dat hard is, en hard blijft, daar geen vermurwen aan is; maar daar al de arbeid, die er toe wordt aangewend, vergeefs aan is; daarom valt het zaad, dat er in geworpen wordt, wel in het verstand en het oordeel, maar het wortelt niet in het harte; de ander heeft een hart, dat gelijk is aan een zachte, welbereide, goede aarde, dat door overtuigingen, zelf-ontdekkingen en ware droefheid naar God, is week gemaakt, en dus in staat, om het zaad niet alleen in het oppervlakkige te ontvangen, maar ook zoo, dat het wortels kan schieten.

Willen we eens twee voorbeelden aanwijzen van zulken , die do één een week en de ander een verhard harte had ? ziet het in den vromen koning Josia en in den goddeloozen koning Zedekia; de eerste, Josia, wanneer hij het Wetboek hoorde lezen, werd tv eek, verbrijzeld en boetvaardig van harte, dat zaad schoot zijn wortel, 2 Kon. XXII: 19, en wanneer Baruch, hetzelfde Wetboek las voor Zedekia, viel het in de steenachtige aarde, want in plaats van week te worden, verhardde hij zijn hart daartegen, zooverre, dat hij de rolle, daar de wet op ivas geschreven , in stukken sneed en in het vuur verbrandde, Jer. XXXVI: 21—24.

2. Het wezenlijk onderscheid tusschen het schijnen zaligmakend geloof blijkt ook uit hetgeen Paulus ons leert, 1 Kor. 1:2,3, waar hij aantoont, dat alle geloof, tot wat hoogte het ook steigert, al was

-ocr page 164-

Van het Tijd- en Zaligmakende Geloof.

het zelfs zooverre, dat men al zijn goed gaf aan den armen en zijn lichaam overgaf om verbrand te wor den, dat het evenwel nog niets is, zoo het dat geloof niet is, dat door de liefde werkzaam is, en ware vruchten van heiligmaking tot eer van God voortbrengt; derhalve is het ééne een dood geloof, daar de liefde aan ontbreekt, en het ander levendig en werkzaam in de vruchten die het voortbrengt.

En dit zullen wij nu nader bi} de stukken moeten toonen , waarin het wezenlijk onderscheid zelf gelegen is, hetgeen het derde stuk is, dat we zeiden te verhandelen : om dit zoo klaar als het mogelijk is te doen , zal ik:

1. Aantoonen, dat het zaligmakend- en het schijngeloof elkander in vele stukken zeer nabij komen en gelijken ; ja, dat het tijdgeloof zelfs het ware in eenige opzichten schijnt te boven te gaan.

2. Dan zal ik toonen , waarin het echter mank gaat, en hemelsbreed van het zaligmakend geloof is onderscheiden.

A. Het waan- en ingebeeld geloof heeft in veel opzichten overeenkomst met het zaligmakende; want zij hebben beide een grond, waarop het gebouwd is, beide een zekere rvijze, waardoor het wordt verkregen, beide verscheidene daden, waardoor het geoefend wordt, beide vruchten waardoor het zich vertoont , en beide somtijds een blijdschap en vreugde.

Zien we dit elk eens in het bijzonder.

a. Zij hebben beide een grond en fondament, waarop het rust; deze is God en Christus, die door het Woord des Evangelies en deszelfs ernstige toediening wordt bekend gemaakt: zij omhelzen alle de waarheden van God ontdekt, als het voorwerp van het geloof.

44

-ocr page 165-

Van het Tijd- en Zaligmakende Geloof. 45

Ja, zegt een tijdgeloovige, het Woord is niet alleen mijn grondslag, maar ik heb onder het Woord ook den Geest in mii werkzaam gevoeld; omdat zijn hart door de kracht der waarheid wel eens is geklemd, en hij daardoor eenige ontroeringen en aandoeningen ondervond, die, zoo hij dat licht had opgevolgd, hem op een goeden weg zouden gebracht hebben.

Een waar geloovige heeft ook hetzelfde voorwerp van het geloof, het Woord van God, en onder hetzelve heeft hij ook den Geest ontvangen, die het verstand heeft geopend, om in de waarheden met een ander oog te zien, dan hij ooit te voren deed.

h. Zij komen overeen in de wijze hoe zij het geloof deelachtig werden.

Vraagt gij een sckijngeloovige, hoe zijt gij aan het geloof gekomen ? het antwoord van velen zal gereed zijn, het was niet alleen door onderwijs, onder het lezen en hooren van Gods Woord, maar ik ben ook dikwijls overtuigd geweest, ik zag wel eens dat ik bekeerd moest worden, ik kreeg menige waarschuwingen en kloppingen van mijne conscientie, en het heeft in mij een geheele verandering te weeg gebracht,

Iwant daar ik eerst goddeloos was, ben ik burgerlijk geworden; ja, van burgerlijk werd ik godsdienstig, ik nam alle godsdienstplichten waar, ik voegde mij bij de vromen en verliet wereldsche gezelschappen; J zoodat ik de besmettingen der wereld ontvloden ben.want daar ik eerst goddeloos was, ben ik burgerlijk geworden; ja, van burgerlijk werd ik godsdienstig, ik nam alle godsdienstplichten waar, ik voegde mij bij de vromen en verliet wereldsche gezelschappen; J zoodat ik de besmettingen der wereld ontvloden ben.

Vraagt men een xoaar geloovige naar de wijze hoe hij het geloof verkreeg, hij durft er dikwijls niet veel van zeggen, maar het is doorgaans door denzelfden weg van overtuiging, daar gaat al dikwijls . veel benauwdheid, angst en vreeze vooraf, eer hij tot het besluit durft komen.

-ocr page 166-

46 Van het Tijd- en Zaligmakende Geloof.

c. Zij komen overeen in de daden van het geloof, neem eens ;

Tot het geloof behoort kennis, een schijngeloovige zal zeggen, ik ben onderwezen in de waarheden en vooral in de waarheden die tot de zaligheid te weten noodig zijn: ik weet dat ik ellendig hen, ik weet dat er de Heere Jezus is en dat ik Hem van noode heb, zal ik eeuwig behouden worden, en dat er geen andere weg is om tot Hem te komen, dan het geloof, en dat geloof moet in de vruchten zich naar buiten vertoonen. Van al deze waarheden heeft hij somtijds een zeer klare, nauwkeurige en onderscheidene bevatting.

Behoort er tot het geloof toestemming van de waarheden ; een tijdgeloovige zegt, ik stem het van gan-scher harte toe, ja zooverre, dat ik er geen den minsten twijfel aan sla; ik wil ze ook gaarne verdedigen tegen hen die ze tegenstaan; en ten blijke dat ik de waarheden geloof, ik schik er mijn wandel naar als een die naar en door de waarheid veranderd en vernieuwd is.

Is de eigenlijke daad van het geloof, het toevlucht nemen en aannemen van Christus, hier kan een schijngeloovige, door het licht van de Waarheid dat in hem ontstoken is, al verre komen, hij gelooft dat hij een zondaar is, dat hij door Christus alleen moet gerechtvaardigd worden voor God; wat doet hij? wordt hij eens overtuigd, ziet hij Gods rechtvaardigheid en heiligheid, hij loopt en vliedt tot Christus, hij neemt Hem aan om door Hem gerechtvaardigd te worden, opdat hij voor God zou kunnen bestaan en daardoor stilt hij zijne beroerde conscientie, maar voorts bemoeit hij zich weinig om het beeld van Jezus in heiligmaking gelijk te zijn.

-ocr page 167-

Van het Tijd- en Zaligmakende Geloof. 47

En wat het geloofsvertrouwen aangaat, daarin streeft een waangeloovige, een bekommerden doch oprechten, verre voorbij; want hij past zich Christus en al de beloften met veel vrijmoedigheid toe, daar de andere niet dan met beroering en schudding, en dan nog niet altijd, het besluit durft opmaken, en vreest, dat hij geen onderwerp is waaraan de beloften gedaan zijn.

d. Zij komen overeen in de vruchten van het geloof ten opzichte van de heiligmaking; een tijd-geloovige kan zonden zien, haten, verfoeien, hij kan ze vlieden en er tegen strijden : maar dan zijn het in het oo^loopende zonden, die hem zijn goeden naam ontnemen zouden, en waardoor hem het masker zou worden afgerukt; of zonden, die zijn gemoed in die stille zorgeloosheid zouden beroeren: ómdat hij nu zulk een groot liefhebber is van zich zei ven, zou hij liever ik weet niet wat al doen om geacht te worden en gerust te leven; daarom pijnigt hij zich zeiven om de zonden niet te laten uitbreken, en dat is zijn strijden tegen dezelve: hij kan ook verre komen in betrachting van de deugd, zeer naarstig zijn in de waarneming van den godsdienst; gaarne in gezelschappen zijn bij vromen, daar met veel vrijmoedigheid en aangenaamheid, naar dat hij natuurgaven heeft, spreken, niet alleen over beschouwelijke waarheden, maar over het wezenlijk Christendom, omdat hij daar veel van gehoord heeft; ja, hij gaat wel eens voor in het bidden, dat somtijds al zeer beweeglijk kan zijn, zoo hij wat talenten heeft, om zich wel uit te drukken, en de zaken nadrukkelijk voor te stellen: hij kan zeer milddadig zijn in het uitdeelen van aalmoezen aan de armen, in zijn huis stichtelijk, in zijn verkeer zedig, stil, matig, in zijne

-ocr page 168-

48 Van het Tijd- en Zaligmakende Geloof.

kleeding dikwijls beneden zijn staat, zoodat men, wat liet uitwendige aangaat, moet zeggen, daar ontbreekt niets aan.

Exempelen hiervan geeft Gods Woord op; dwaze maagden hadden ook lampen, ze stonden op het geroep, „ziet de bruidegom komt!quot; mede op, en riepen, „Heer, Heer, doe ons jopen!quot; Matth. XXV. Daar zullen er zijn ten genen dage, die zullen roepen: „Heere, hebben wij niet in Uwen naam geprofeteerd en duivelen uitgeworpen en veel krachten gedaan?quot; die nogthans zullen moeten hooren: „gaat weg van Mijquot;, Matth. VII : 23.

Paulus spreekt van zulken: „die verlicht zijn, de hemelsche gave gesmaakt hebben, ja gesmaakt hebben het goede Woord Gods en de krachten der toekomende eeuwe, en evenwel weder zijn afgevallen, Hebr. VI : 4 , 5 , 6.

En Jesaja beschrijft ze als zulken: „die God dagelijks zoeken, die lust hebben aan de kennis van Zijne wegen als een volk dat gerechtigheid doet en het recht zijns Gods niet verlaat, die vragen naar de rechten Zijner gerechtigheid en lust hebben om tot God te naderen, Jes. LVIII: 2.

c. Een tijdgeloovige kan ook verre komen in de blijdschap des geloofs; want omdat hij zich als gezegend acht in de beloften en zich Christus met al Zijne goederen toepast, daar al de troost in gelegen is, leeft hij blijmoedig; hij verblijdt zich dat er zulk een Zaligmaker is en dat hij daar maar in moet gelooven om behouden te worden; doch deze blijdschap maakt hem opgeblazen; zij laat zich niet uit in liefde tot God, maar in liefde tot zich zeiven.

Ziedaar, zooverre kan het waan- en ingebeeld geloof komen, hetgeen men nauwelijks zou kunnen

L

-ocr page 169-

Van het Tijd- en Zaligmakende Geloof. 49

gelooven, indien Gods Woord en de voorbeelden van sommigen, die God tot waarschuwing van anderen wel eens doet openbaar worden, het niet bevestigden.

B. Maar nu moeten wij eens zien dat dit geloof, hoe schoon het ook schijnt, ja het waar geloof overtreft in het uitwendige, evenwel mank gaat in alle die stukken, die wij daar opnoemden, en dan zullen wij moeten besluiten, dat het eene van het andere zooveel verschilt als het licht van de duisternis en de hemel van de aarde.

2. Ten opzichte van den grond waarop het rust, is het hierin onderscheiden, dat de tijdgeloovige wel eenige overtuigingen heeft, maar het zijn maar ge-meene overtuigingen, die niet door den Geest gewerkt worden; want ze laten hem zooals hij is; hij wordt nooit uttgestooten en ontworteld van zijn eigen grond, hij blijft staan in zijn ouden grond, zonder dat hij overgeplant wordt in Gods Hof; ik wil zeggen, hij blijft altijd dezelfde en het komt nooit tot een uitgaan uit zich zeiven en volkomen overgang tot God in Christus in het Verbond; daarom hoort gij hem zelden klaar en onderscheiden spreken van het zaligmakend werk des Geestes, als hij menschen bekeert en overbrengt uit de duisternis tot het licht, en van de macht des satans tot God; want van wezenlijke verandering weet hij niet: spreekt men hem eens aan, vraagt men wanneer zijt gij bekeerd, hoe is die verandering in u gekomen? daar gij zoowel als anderen in zonden en vervreemding van God geboren zijt! dan neemt hij de verscheidene wegen Gods, langs welke Hij de menschen bekeert, tot zijn voordeel; van zulk een wezenlijke verandering, zegt hij, weet ik niet, of: ik heb al van jongs af lust gehad om zoo te leven of: ik ben langzaam en allengskens

4

-ocr page 170-

50 Van het Tijd- en Zaligmakende Geloof.

overreed, ik heb veel gehoord en gelezen van de groi

waarheden, ze kwamen mij net, ordentelijk en prijslijk wiji

voor; ik verlustigde mij daarin , ook heb ik mijnen ach

wandel daarnaar gericht, en dat is immers genoeg. E

Maar hier is het geheel anders met een oprechte, alle

ofschoon het waar is, dat God die wel van jongs af zeg

trekt of langzaam tot Zijne gemeenschap overbrengt; ik

dan zijn er evenwel wezenlijke blijken van genade; mij

dan is hij niet gerust in zijn staat maar onderzoekt 0p(

zich dikwijls aan de kenteekens van Gods Woord: va] daar legt hij zijn hart bij, en ofschoon hij noch tijd noch plaats van zijne bekeering kan noemen, moet

hij zeggen : als ik eens eenigen tijd terug zie, vinde de ik dat ik nu anders ben dan ik te voren was; toen

leefde ik zorgeloos heen in de zonde, ik volgde de se)

drift van mijne begeerlijkheden; maar God heeft mij Ue

aan rnij zeiven ontdekt van den tak tot den wortel, ve

en ik zie nog hoe langer hoe meer hoe zondig dat vi

mijn hart is; ja daarom veroordeel ik wel mijnen glt; staat; en daar ik voorheen een afkeer vond tegen

God en Zijn dienst, daar voel ik nu een hartelijke k

liefdesgezindheid tot God en den Heere Jezus; daar d

ik te voren een dienaar was van de wereld en een n

slaaf van mijne begeerlijkheden, daar acht ik het nu d

mijn grootste voorrecht God te mogen dienen, en b

daarom moet ik besluiten dat God Zijne hand aan v

mij gelegd heeft om mijn hart om te zetten. i Ja, ik wil God niet alleen dienen omdat ik moet, . i

omdat ik anders niet zalig kan worden, maar ik zie e

zooveel waardigheid in God en in den Heere Jezus, 1

dat ik het mijn voorrecht acht voor Hem te mogen leven, al was er geen zaligheid cf rampzaligheid aan vast.

h. Is er zulk een wezenlijk onderscheid in den

-ocr page 171-

Van het Tijd- en Zaligmakende Geloof. 51

grondslag van het geloof, het is niet minder in de wijze of manier hoe de een en de ander het is deelachtig geworden.

Hiervan weet een tijclgeloovige niet te zeggen , dan alleen dat het was op een langzame wijze. Ik zag, zegt hij, dat het betamelijk; en noodzakelijk was dat ik mij aan het Evangelie onderwierp, en om rustin mijne conscientie te hebben , heb ik mij de genade opgedrongen ; maar van smarten van wedergeboorte, van droefheid naar Ciod, weet hij niets.

In tegendeel, vraagt men Gods kinderen naar de wijze van hunne bekeering, en hoe zij het geloof zijn deelachtig geworden:

De een zal zeggen, op eene zeer zachte Evangelische wijze; God trok mij met menschen zeelen en liefdekoorden; van het oogenblik dat ik aan my zeiven ontdekt werd, kwam mij Jezus en de weg van vrije genade in het oog en aanstonds werd mijn hart genegen om mij aan God op te dragen.

Een ander zal zeggen, het is met mij zoo gemakkelijk niet toegegaan; och, wat heb ik al angsten der wedergeboorte moeten doorworstelen! wat al naarheid, vreeze, benauwdheid des harten, wat al droefheid en jammer, wat al vernedering, belijdenis, boetvaardigheid en tranen heeft het gezicht en gevoel van zonden mij wel afgeperst! Hoe dikwijls heb ik moeten op de heup kloppen, beschaamd en schaamrood worden voor God van wege mijne zonden! Ja, eer ik tot die hoogte kwam om mij Jezus eenigzins te durven toeëigenen: wat al uitzien naar Hem, wat al honger en dorst en hartelijke begeerten, wat hoogachting en liefde was er niet in mijn hart; vooral toen, als ik in het gezicht van mijne zonden worstelende, Hem in het oog kreeg, mij toeroepende,

4*

-ocr page 172-

52 Van het Tijd- en Zaligmakende Geloof.

wend u naar mij toe! Met wat vurige begeerten zou

vlood ik naar Hem om mij in Zijne armen neder te ^et

werpen; hoe harteliik nam ik Hem aan als mijn ^

eigendom, om door Hem gezaligd te worden! een

Van dit alles weet een tijdgeloovige niet: hij weet ^ van geen schaamte, ootmoed en boetvaardigheid of

wat het is, Jezus in het oog te krijgen. Go

c. Gelijk het tijdgeloof zoo onderscheiden is ten a^(

aanzien van de wijze hoe het verkregen wordt, niet js

minder is het zulks ook in de daden waarin het z0( geloof bestaat en geoefend wordt.

Het eerste dat tot het geloof behoort is de kennis. ^ij Een waanyeloovige heeft veeltijds veel kennis van v0 waarheden, maar ze is niet zaligmakend noch. hevin- er delijk: hij beschouwt de waarheden alleen met het en verstand, maar keert er nooit mede naar binnen om ve zich af te vragen : ondervind ik het ? Hij kent ze ee zonder eenige aandoening: hij kan God in Zijne hei- rc ligheid en rechtvaardigheid, de zonde in hare afschuwelijkheid , de hel in haar naarheid en den j( hemel in zijne lieflijkheid beschouwen, maar zonder tc aandoening, gelijk iemand die in een schilderij op n; de vreeselijkste gezichten kan blijven staroogen zonder S( ontzetting of vreeze. Maar wanneer God door het ^ licht van Zijn Geest die waarheden doet kennen, ei dan wordt de ziel wel eens gebracht als aan Sinaï\'s z berg, daar zij God op den richterstoel geplaatst ziet, n zoodat zij moet uitroepen: „met het gehoor des j oors heb ik U gehoord, maar nu ziet U mijn \'i ooge en daarom verfoei ik mij en heb berouw in stof ^ en asch\'quot;. Job XLII; 5 , 6. En dat is de grond van x het ontzag en de vreeze voor God, omdat de ziel 1 God kent in Zijne hoogheid en majesteit, en dat Hij ■, alle liefde en vreeze waardig is; dan is het: „Wie lt;

-ocr page 173-

Van het Tijd- en Zaligmakende Geloof. 53

zou U niet vreezen, Gij Koning der Heidenen, want het komt U toe!quot;

Wat de kennis van zich zeiven betreft, och, zegt een waar geloovige: ik weet dat ik ellendig, jammerlijk, arm, blind en naakt hen; niet alleen omdat God het getuigt, maar omdat ik het ondervinde, want God heeft mij aan mii zeiven ontdekt; ik weet niet alleen dat mijne daden zondig zijn, maar mijn hart is een onreine modderpoel, die al mijne daden bezoedelt en walgelijk voor God maakt.

Een tijdgeloovige in tegendeel, gelooft wel dat hij een zondaar is, maar hij kan wel eens pleiten voor de zonden; hij is nog de ergste niet, daar zijn er slimmer dan hij; hij meent het zoo kwaad niet, en niemand leeft er zonder zonden, daar zijn er nog veel erger; even als de Pharizeër, Luk. XI, daar een oprechte met een tollenaarsgestalte moet uitroepen: „o God, wees mij zondaar genadigquot;, vs. 13.

Zien we op de kennis ten opzichte van den Heere Jezus, daarin schiet een ingebeeld geloovige ook verre te kort; hij kent Hem wel in Zijne namen, ambten, naturen en staten; hij zou Hem in al Zijne graveer-selen kunnen beschrijven en aan anderen beminnelijk maken; ja, hij verwondert zich wel eens dat er zulk een Middelaar is, maar omdat hij nooit recht aan zich zeiven ontdekt is, gaat ook het hart er niet naar uit; hij ziet er voor zich zooveel dierbaarheid niet in; hij gelooft niet dat hij Hem zoo noodig heeft; \'t is eveneens alsof iemand die gezond is hoort zeggen , dat er een medicijnmeester is die dooven hoo-rende, blinden ziende maken en alle ellenden genezen kan; die verwondert zich wel over de bekwaamheden van zulk een; maar laat dit eens gezegd worden aan een die met zulk een kwaal bezet is; het doet

-ocr page 174-

54 Van het Tijd- en Zaligmakende Geloof.

zijn hart aan met bliidschap en begeerte; och, zegt hij, breng mij daar heen om geholpen te worden , en hii rust niet, zoo er maar mogelijkheid voor is, vóór dat hij daar is, en dat is de kennis van een die waarlijk gelooft; o zegt hij, ik had voor dezen ook wel wat met Jezus op, maar sedert dat God mij aan mij zeiven heeft ontdekt en dat ik zie hoe noodig ik Jezus heb om behouden te worden, kan ik niet uitdrukken hoe dierbaar Hij nu aan mijne ziel is, in alle opzichten, in Zijn gansche persoon, in Zijne namen, in Zijne ambten, zoowel als Koning om Zijnen troon in mijn hart op te richten, om over mijne lusten te heerschen en mij geheel te regeeren , als om mij gelijk een Hoogepriester met God te verzoenen en als een Profeet te leeren; Hij is mij dierbaar in Zijne daten van vernedering en verhooging, in Zijne naturen als God en mensch; „ja alles wat aan Hem is, is gansch begeerlijkquot;; en ten blijke daarvan gaat mijn hart naar Hem in liefde en begeerten gedurig uit.

Nog eens, een tijdgeloovige kent iets van de natuur van het geloof, hij weet dat het bestaat in een dadelijk heen vlieden naar en een aannemen van Christus: doch dat weet hij niet omdat hij het oefent, omdat bij met opzegging van den dienst der zonden tot Jezus toevlucht genomen en zich aan Hem overgegeven heeft, maar omdat hij het uit Gods Woord geleerd heeft, terwijl een waar geloovige, al kon hij geen nauwkeurige beschrijving van den aard van het geloof geven, het kent bij ondervinding; o zegt hij, ik weet wat hongeren en dorsten is, omdat ik mijn hart in onlesbare begeerten menigmaal ontstoken voelde : ik weet wat het is uit mij zei ven tot Jezus heen te loopen, omdat ik het zoo menigmaal heb geoefend.

-ocr page 175-

Van het Tijd- en Zaligmakende Geloof. 55

Ten opzichte van de heiligmaking, daarvan heeft een tijdgeloovige wel eenige bevatting ; hij weet dat ze bestaat in het afsterven van den ouden en de opstanding van dsn nieuwen mensch , dat in de bekeering begonnen en het gansche leven door moet voortgezet worden, maar in de betrachting heeft hij weinig lust: hij zou wel willen evenzooveel laten en doen als er van noode is om in den hemel te komen.

Of bestrijdt hij zonden, het zijn alleen uitwendige, maar hij daalt niet in den grond van het hart om aan den wortel te komen, daar is hij onkundig in.

Oefent hij deugden, \'t zijn maar, gelijk we te voren opnoemden, uitwendige, doch van de verborgene gemeenschaps-oefening met God in het eenzame, van het gebruikmaken van Christus tot geestelijke vruchtbaarheid , van het leven nabij zijn hart, in een gedurige waakzaamheid, zijn altemaal dingen waarvan hij diep onkundig is.

In tegendeel een ivaar gdoovige weet, dat hij moet heilig zijn, omdat God die hem geroepen heeft, heilig is; hij weet, dat men om zonden te dooden moet beginnen met het hart, en dat daar veel arbeid aan vast is ; niets is hem tot meer smart en droefheid dan dat er nog zooveel onreins en zondigs in hem is: hij weet dat de betrachting van de deugd moet voortvloeien uit een gereinigd hart, of dat het Gode niet aangenaam is; daarom kent hij het door bevinding, wat het is met God om te gaan en Jezus\' kracht in te roepen om tot alles bekwaam gemaakt te worden.

Eindelijk, zoo verscheiden is ook de kennis ten opzichte van den hemel. Een tijdgeloovige verheelt zich een hemel, daar het genoegelijk en aangenaam zal zijn, daar men eeuwig van de straf verlost zal

-ocr page 176-

56 Van het Tijd- en Zaligmakende Geloof.

zijn, en daarom begeert hij ze ook, maar niet een Te

hemel, daar men volmaakt heilig zal ziin , die be- neme

staan zal in God volmaakt te kennen en te genieten. chen\'

Maar elk waar geloovige weet, dat er in den hemel maai

niet is dan heiligheid, en daarom verlangt hij er naar; tot c

opdat hij eens volmaakt zonder zonde God mag oude

dienen en van al het gebrekkeliike en onreine dat in 1

hem nog aankleeft bevrijd worden. lijkt

De tweede daad van het geloof is de toestemming: gevlt;

hierin zijn de tijdgeloovigen van de oprechten ook niet

zeer onderscheiden; de een stemt alle de waarheden \' mas

die God in het Woord ontdekt toe, omdat ze aan- ^

nemelijk zijn, omdat er zulk een schoone samen- aar

hang in is en hij de eene waarheid uit de andere alti

kan afleiden. wa

Ja, hij stemt bevindelijke waarheden toe, omdat hai

het zoo moet zijn; doch alles is maar een enkele toe- Kc

stemming zonder bevinding. scl

Maar de ander geeft een dubbele toestemming: hij hij stemt het eerst wel toe omdat God het getuigt, en

dus verzegelt hij „dat God waarachtig isquot;, Joh. III: 33, in

maar dan ook omdat het in zijn hart waarheid is: w*

\'t is eveneens als een kranke die den medicijnmeester lij zulk een juiste beschrijving hoort maken van zijne

kwaal, alsof hij het zelf ondervond, omdat hij de vi

gesteldheid van de lichamen kent: maar de lijder, zi

al kan hij het zoo niet beschrijven , moet zeggen, h

ja zoo is het, ik ondervind het zoo; o, zegt een op- v

rechte, al wat God van Zich zeiver. ontdekt, al wat g

Hij ontdekt van den Heere Jezus en van de ellende e

des zondaars, daar zeg ik van harte amen op; want i

dat is mijn toestand, zulk een Middelaar heb ik van 5 noode; en dus getuigt de Geest in mijn hart, dat de Geest, die in het Woord spreekt, de waarheid is.

%

-ocr page 177-

I Van het Tijd- en Zaligmakende Geloof. 57 Van het Tijd- en Zaligmakende Geloof. 57

Ten derde, zij zijn onderscheiden in- het toevlucht be- nemen tot den Heere Jezus. De tijdgeloovige verloo-;en- chent de zonde, wereld en satan in zijne oppervlakte, nel maar omdat zijn hart niet is geëindigd van de liefde arj tot de zonde, zoo schreeuwt en hunkert hij nog zijne iag oude boelen, zijne boezemzonden achterna. Hij is lat in het heimelijke in onderhandeling met de begeerlijkheden , terwijl hij het hart aan Jezus schijnt te 9: geven; hij neemt Jezus aan tot Zaligmaker, maar ^ niet geheel; wel, opdat Hij de zonden wegnemen 3n maar niet opdat Hij Koning in het hart zijn zou. Qquot; Maar een waar geloovige neemt den geheelen Jezus

aan met zijn gansche hart; vrijwillig, voor nu, voor \'e altijd, en voor eeuwig; hij verloochent vrijwillig alles wat buiten Jezus is, geen een zonde wil hij aan de hand houden, hij roept Jezus wel duizendmaal tot Koning over zijne ziel uit! en omdat hij dikwijls geschud wordt of zijn overgang wel oprecht is, hervat j hij het bij alle gelegenheden en vernieuwt zijne keuze. i d. Is het tijdgeloof zoo onderscheiden in den grond,

, in de tv ij ze hoe het verkregen wordt en in de daden

waarin het werkzaam is, niet minder blijkt het wezenlijk onderscheid in beider vruchten die zij dragen.

Een tijdgeloovige draagt niet alleen vruchten, maar vele en groote vruchten, waardoor hij niet alleen zich zei ven bedriegt, juaar ook anderen bedrogen worden; hij kan, om geëerd en voor godzalig aangezien te worden , zulk een gedaante vertoonen, alsof hij een groot Christen was, en ondertusschen, hij verloochent er de kracht van: hij doet een schoon aangezicht voor, maar het hart van binnen is verrot; hij is uitwendig nederig in ivoorden en gewaad en zijn hart is zoo hoogmoedig, dat hij het oor wel eens leent om te vernemen wat anderen van hem zeggen; en wordt

)

-ocr page 178-

38 Van het Tijd- en Zaligmakende Geloof.

hij geprezen, hij behaagt er zich in, zonden als zonden haat hij niet, want al doet hij iets dat strijdt tegen de oprechtheid, zoo het maar verborgen kan blijven , zijn hart klopt er niet eens over.

Doet hij eenige goede daden, hij wenschte wel dat het iedereen wist, en zou ze wel met emmers uitmeten, gelijk de Pharizeën als ze aalmoezen gaven.

Een ivaar grloovige, in tegendeel, draagt goede vruchten, voortkomende uit een hart dat door de goddelijke genade gezuiverd is van de zondige eigenliefde, met oogmerk niet alleen of zoozeer om aan de menschen, als om aan God en Christus te behagen; hij haat de zonden, omdat God ze haat, doet hij iets, dat tegen de oprechtheid zou aanloopen, het beroert zijn hart, hij is er bedroefd en beschaamd over, en zou er zijn staat wel om verwerpen; of doet hü iets dat strijdt met de liefde tot den naaste, al wist het de naaste zelf niet, hij kan geene vrijmoedigheid in zijne toenadering tot God hebben, zoo het niet is weggenomen.

In de betrachting van de deugd hoort men hem doorgaans klagen , dat hij verre te kort schiet; vordert hij ergens in, al weet het niemand, het is hem genoeg als God het weet en als hij maar waardig den Heere mag wandelen: hij weet wel dat hij ook uitwendige vruchten moet dragen en zijn licht laten schijnen voor de menschem, maar daar kan hij niet in berusten zoo er het hart aan ontbreekt, omdat hij weet, „dat God niet aanziet dat voor oogen is, maar het hartequot;, I Sam. XVI: 7. Daarom verkleint hij zijne daden bij anderen; oefent hij werken der liefde, \'t is zooveel hij kan in het verborgene, „hij laat zijne linker hand niet weten wat de rechter

-ocr page 179-

Van het Tijd- en Zaligmakende Geloof. 59

doetquot;, Matth. VI : 3, en wenscht alles te doen uit een recht beginsel en met een goed oogmerk.

e. En ten laatste., het een en ander is zeer onderscheiden in de blijdschap; een tijdgeloovige, zegt Christus, neemt het Woord „terstond met blijdschap aanquot;, Matth. XIII : 20, hij kan zoo ingenomen met de waarheden en met zooveel genoegen daarin bezig zijn, dat hij zijn tijd en kracht daarin verliest; ja hij past zich zeiven de waarheden toe, hij zegent zich in de beloften ; hij gelooft dat Jezus voor hem gestorven is en hij daarom van een eeuwig verderf verlost is, en dat baart in hem blijdschap.

Maar een tvaar geloovige, al heeft hij in het beschouwen van waarheden zooveel vergenoeging, dat hij kan zeggen, ivaarlijk, bij deze dingen leef ik, en in alle deze is het leven van mijn geest, hij durft ze evenwel zich niet met blijdschap toepassen, voordat God het hem zelf doet zien ; hij wordt menigmaal geschud en beroerd of hij niet maar de waarheden kent door een bloote beschouwing; of, doet God hem zien dat hij deel aan Jezus en recht tot de beloften heeft; dat maakt hem zoo nederig, zoo ootmoedig en klein, dat hij met Maria wel blijde maar evenwel nederig zegt; „ziet de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede naar Uw Woordquot;, Luk. I : 38, „en Hij heeft de nederigheid Zijner dienstmaagd aangezienquot;, vs. 48.

Ja, het is een blijdschap, die het hart in de liefde tot God en Christus als wegrukt, zoodat de ziele uitroept: „hartelijk heb ik U lief, Heere, mijne sterkte! Ps. XVIII: 2. De liefde van een Drieëenigen God dringt het hart tot wederliefde, en om dat te vertoonen in een heiligen wandel, 2 Kor. V : 14,15.

Ziedaar, zooveel wezenlijk onderscheid is er tus-

-ocr page 180-

60 Van het Tijd- en Zaligmakende Geloof.

schen een waan- en ingebeeld-, en tusschen het ware zaligmakend geloof; maar om dit nog nader te kennen, moet ik tot ontdekking van den eenen en tot aanmoediging van oprechten nog deze klare keutee-kens er bijvoegen:

1. Een tijdgeloovige is afkeerig van zelfonderzoek; als men hem eens wil doen afdalen in zijn hart, om het aan de onbedriegeliike kenteekens van Gods Woord te toetsen, daar is hij schuw van, en waarom? omdat hij wel weet dat hij de proef niet zou doorstaan , maar dat het onklaar zou uitkomen : hij legt nooit zijn staat eens open voor een leeraar of godvruchtige ; hij brengt zijn hart niet voor God, opdat Die het beproeve en onderzoeke; maar gelijk hij eens zijn staat vastgesteld heeft, zoo blijft hij ze vasthouden.

In tegendeel, ware geloovigen; (schoon zij wel eens schuw kunnen zijn van zelfonderzoek wanneer zij in verval zijn; die dan handelen als een koopman, die zijne boeken niet durft inzien, omdat ze zoo verward zijn), zijn doorgaans zeer genegen tot zelfonderzoek , omdat ze altijd hun hart wantrouwen en een afschrik hebben om zich zei ven te bedriegen; daarom leggen zij hun hart wel eens open aan beproefde Christenen ; ja, zij leggen het met David voor God neder, zeggende: „doorgrond mij Heere en beproef mij, zie of er een schadelijke weg bij mij is en leid mij op den eeuwigen wegquot;, Ps. CXXXIX : 23 , 24.

2. Een tijdgeloovige kan niets minder verdragen dan dat hij ontdekt zou worden; daarom, is hij eens onder een predikatie of in een godvruchtig gezelschap , daar de schijngronden van den huichelaar ontdekt worden, al wordt er niet eens om hem gedacht , omdat hij een getrouwe waarschuwer van

-ocr page 181-

Van het Tijd- en Zaligmakende Geloof. 61

binnen heeft die tegen hem getuigt, zegt hi]: dat is op mij; hij wordt heimelijk kwaad en moeilijk, al durft hij het niet vertoonen.

In tegendeel, een waar geloovige zoekt zulke predikanten , zulke gezelschappen, daar hij ontdekt kan worden; hij gaat er wel met dat oogmerk, al biddende naar toe, hij zegt: „de rechtvaardige sla mij, en het zal weldadigheid zijn; hij bestrafFe mij, en het zal olie des hoofds zijnquot;, Ps. CXLI : 5.

3. Wordt een tijdgeloovige eens berispt wegens zijn gedrag en wandel, dat kan hij niet dragen, al geschiedt het uit liefde, op een bescheidene wijze; hij weet zich met het een of het andere te verschoonen, en eindelijk tracht hij zulken te schuwen.

Een waar geloovige heeft niets liever dan dat hem zijne gebreken, die hij zelf niet ziet, worden onder het oog gebracht; niet dat het hart er niet wel eens tegen opkomt; maar dat is dan; wanneer het geschiedt op eene beschimpende of heerschzuchtige wijze, of in tegenwoordigheid van anderen (waarvoor Christenen zich wel te wachten hebben), maar zoo het geschiedt in het verborgene, met veel liefde en bescheidenheid, alleen met dat oogmerk, om zulk een te verbeteren ; dan neemt een oprechte het in dank aan en is blij, als hij gewaarschuwd wordt.

4. Een tijdgeloovige ziet zijne deugden door een vergroot- en zijne zonden door een verkleinglas; geringe deugden acht hij hoog, maar spreekt men van zonden, dat zijn maar zwakheden, die alle men-schen , zelfs de besten , hebben.

Maar een oprechte denkt heel nederig van zijne deugden, hij durft ze niet eens noemen, veel minder dat ze hem tot een grond zouden zijn om op te rusten; en zijne zonden, al ziet ze een ander niet,

-ocr page 182-

62 Van het Tijd- en Zaligmakende Geloof.

hij zegt menigmaal j daar is geen zondiger dan ik. valsch

5. Een tijdgeloovige zal zich niet licht laten over- zoo p tuigen, dat zijne gronden niet goed zijn, al toonde daar { men hem vele daden die er tegenstreden, en hij kon een n er maar een opnoemen die wat schijn had, hij blijft uw vt zijnen staat vasthouden. ellend

Een tvaar geloovige in tegendeel, laat zich licht Is

schudden, al vindt hij vele goede dingen en maar legen

een zonde daartegen , die hij niet overwinnen kan; Ik

hij zou wel vragen, kan dat met genade hestaan, 1.

en hij bekommert er zich over. hoevt

6. Een tijdgeloovige blijft altijd dezelfde en in de tans zelfde gestalte : hij weet van geen duister of licht, midd of hij zonden doet of deugden oefent, zijn staat 2. staat vast. stam

Een waar geloovige in tegendeel heeft vele en ver- van

scheidene gestalten; hij weet wel wanneer hij in het Jezu

duister of in het licht wandelt, wanneer God Zijn zeen

aangezicht verbergt, of laat lichten ; wanneer hij dor, helllt;

doodig en harteloos is, of opgewekt en levendig; en eeu\\

het een is hem tot droefheid, en het ander tot „da

blijdschap. gevi

Dus heb ik zoo klaar ik immers kon, dit groote nog

stuk , dat van een eeuwig gewicht is, u voorgesteld. gro

Laat ik nu tot ons vierde stuk nog iets zeggen, 3

namelijk om zulke ongelukkigen en ellendigen, die ont

met een ingebeeld geloof heengaan , en onder dit zoe

voorstel tegenwoordig zijnde, mochten verlegen en mi(

bekommerd geworden zijn (en och of het zoo ware!), en

om die nog eenigen raad en bestuur te geven hoe vee

zich te gedragen. we

Vooraf moet ik zeggen, arme ellendige menschen, die

gij zijt voorwerpen van medelijden, dat uwe oogen nu

zoo verduisterd zijn, dat gij geen waarheid van de

-ocr page 183-

Van het Tijd- en Zaligmakende Geloof.

\'k. valschheid kunt onderscheiden, en dat gij uzelven \'r- zoo pijnigt met het aannemen van een gedaante r ie daar gij geen ander voordeel van hebt, dan dat gij een naam hebt van godzalig te zijn, en waardoor ift uw verstand allergevaarlijkst is, en gij hoe langer hoe

ellendiger wordt.

^ Is er evenwel hier de een of de ander die ver-tr legen is, en vraagt wat zal ik doen? J Ik zoude den zulken raden :

, 1. Uit hetgeen we gezegd hebben te leeren zien, hoeverre iemand komen kan in schijn, zonder noch-3 tans ware genade te bezitten in het hart; of het een , middel mocht zijn om ontdekt te worden, t 2. Denkt dan eens, hoe rampzalig zulk een toestand is, daar is niets dat walgelijker is in de oogen van God dan geveinsdheid; daarom heeft de Heere Jezus ze zoo menigmaal berispt in de Phari-zeën: en dezulken zullen het allerzwaarste in de helle hebben; want als den grootsten zondaren hun eeuwig verderf bedreigd wordt, dan wordt er gezegd, „dat hun deel zal zijn in den poel des vuurs, bij de geveinsdenquot;, Matth. XXIV : 51. En al kondt gij u nog zoo verbergen voor menschen, de Heere doorgrondt en ziet uw hart.

3. Schuwt toch nooit zulke middelen, die tot uwe ontdekking zouden kunnen zijn, maar in tegendeel zoekt ze; voegt u het meest onder zulke genademiddelen , daar men niet pleistert met looze kalk, en laat er uw hart niet tegen opkomen, maar denkt veel liever dat het geschiedt om u op den rechten weg te brengen, tot uwe behoudenis; ja, gaat met die zucht onder de middelen; zegt: Heere, laat het nu eens tijd zijn, dat mijn hart geraakt wordt; ontdek Gij de schadelijke wegen die nog in mij zijn!

65

-ocr page 184-

64 Van het Tijd- en Zaligmakende Geloof.

4. Wanneer gij geraakt wordt, dat gij zoudt beginnen te denken, zou dat mijn toestand zijn, doof toch dat licht niet uit, zoek geen uitvluchten, maar ga met die overtuigingen naar God; doe belijdenis van uwe dwaasheid; zeg: Heere, ik heb lang genoeg in zulk een staat geleefd, en zoo bedriegelijk met mij zeiven en U gehandeld; ik verfoei mijne dwaasheid ; breng mij toch terecht eer het te laat is; laat ik niet in schijn maar in waarheid tot Christus loo-pen en Hem aannemen, om door Hem behouden te worden !

Wie weet, als gij zoo handeldet, of de Heere u niet in gunst zou aanzien: Hij is een ontfermend en goedertieren God.

Ons laatste stuk was, om Gods volk, dat zoo bekommerd en verlegen is, vooral tegen den tijd des Avondmaals, op te wekken en te bemoedigen.

Hier zal een bekommerde , die deze dingen met aandacht gehoord heeft, zeggen: is dat nu een stof tot opbeuring? het is veel meer om mij te ontroeren en neder te slaan; want dat is mijn gedurige kommer, dat ik nog maar een tijdgeloovige ben.

Ik antwoord u, indien gij uw hart hebt neder-gelegd bij hetgeen we gezegd hebben, zult gij moeten erkennen, dat het onderscheid tusscben het een en het ander zoo groot is, dat er gronden genoeg in zijn om u te kunnen geruststellen, want:

1. Zoudt gij u zelf wel gaarne onder het getal van die, die maar in schijn het geloof hebben, willen tellen ? Kan u bet uitwendige wel vergenoegen ? Smaakt u wel iets als het hart er aan ontbreekt? Is het u genoeg, als gij menschen behaagt? of ondervindt gij niet het tegendeel?

2. Onderzoekt gy uzelven niet gaarne en wordt

-ocr page 185-

Van het Tijd- en Zaligmakende Geloof.

gij niet gaarne onderzocht? Ja. brengt gij uw hart niet menigmaal ter beproeving voor den Heere ?

3. Jezus is u immers dierbaar, omdat gij weet hoe noodig gij Hem in alle opzichten hebt? Gij zijt ontworteld uit den grond van eigengerechtigheid, en overgegaan tot God; gij hebt Christus niet in schijn, maar in waarheid aangenomen.

Ja zegt ge, dat is mijn kommsr, of het wel in waarheid is! Maar verlegene:

1. Wilt gij God en den Heere Jezus niet hebben, zooals Hij Zich aanbiedt? wilt ge Jezus niet zooals Hij is, in alles en tot alles; wilt ge wel iets uitzonzonderen ; is niet al wat aan Hem is u even begeerlijk en dierbaar ?

2. Wenscht gij ook uw gansche hart aan Hem niet op te dragen, opdat Hij het geheel en al bezitten , beheerschen en regeeren zou ?

3. Wanneer gij ziet dat gij nog zoo weinig vruchten draagt, zijt gij daarin tevreden, of is het u tot droefheid en smart? zou het niet uwe blijdschap zijn dat de zonden meer in u mochten gedood worden , en het beeld van God meer doorstraalde in uwen wandel ?

4. Loopt gij daarom niet gedurig naar Jezus, om in en door Hem vruchtbaar gemaakt te worden? neemt gij Hem niet aan tot heiligmaking?

5. Verlangt gij daarom niet naar het Avondmaal, om daar den dierbaren en vollen Jezus te vinden, die onder de teekens van brood en wijn wordt voorgesteld; en hebt gij aan uwe zijde geen lust om u weder opnieuw aan Hem te verbinden ? kunt gij niet betuigen, ik wil gaarne alles wat ik heb en ben aan Jezus geven; en al was het nog nooit oprecht geweest , ik wil het dan nu nog doen! en dat is er

5

65

-ocr page 186-

66 Van het Tijd- en Zaligmakende Geloof.

het bewijs van; omdat ik lust heb tot heiligheid, om teederder voor God te leven; om volmaakt heilig te zijn.

Welnu, vindt gü dit in u, laat u dan niet beroeren , maar ga met vrijmoedigheid ten Avondmaal, gebruik het tot uwe vertroosting en versterking van het begonnen leven der genade: werp u weder opnieuw in Jezus\' armen neder; Hij zal Zich uwer zekerlijk ontfermen en in Zijne liefde weder omhelzen.

De Heere, die machtig is alle genade te doen overvloedig zijn, zegene dit woord tot ontdekking van onbekeerden en tot bemoediging van Zijn volk!

A M E N.

-ocr page 187-

1

DERDE VERHANDELING

OVER DE VERZEKERING, ALS EEN VRUCHT VAN HET ZALIGMAKEND GELOOF.

\'adat we over de natuur van het geloof en het groot onderscheid dat er is tusschen het ware en valsche geloof, in het voorgaande spraken , ga ik voor tegenwoordig over om te handelen van de verzekering van het geloof, en om hierin onze gedachten niet orde te leiden, zullen we het langs deze stukken doen :

1. Zal ik aantoonen, dat de natuur van het geloof niet bestaat in de verzekering, maar dat de verzekering een vrucht is die uit het geloof wordt geboren.

2. Dat iemand kan, mag, ja moet staan, om verzekerd te zijn van het geloof.

3. De natuur van de verzekering, waarin die eigenlijk bestaat, aanwijzen.

4. Zal ik Gods kinderen opwekken om er naar te staan.

5. Aanwijzen waar het van daan komt dat er zoo weinig bemoedigde en verzekerde Christenen zijn.

6. Hulpmiddelen aan de hand geven om tot verzekering te komen.

7. Het een en ander zal ik dan weer, èn tot nut van nog onbekeerden, èn voor ware geloovigen zoeken aan te leggen.

Wat het eerste betreft, dat het wezen van het

5*

-ocr page 188-

68 Van de Verzekering.

geloof niet bestaat in de verzekering, maar dat die des

behoort tot het welwezen van het geloof, dat is kan

noodzakelijk om te bewijzen niet alleen tegen de tijd

Remonstranten, Hebreën en Libertijnen, die, om oefe

een mensch in zijne zorgeloosheid te stijven, geen 3.

ander geloof begrijpen dan dat men zich maar toe- verz

past: „Jezus is mijn zaligmaker,quot; maar ook tot be- gek

moediging en opwekking van bekommerden, die dit dor.

niet recht begrijpende, daardoor menigmaal geschud Ps.

worden. toe1

De gronden waarmede wij dit bewijzen, zijn de „gij

navolgende; hou

1. Gods Woord leert nergens, dat de verzekering nen voor het geloof gaat, maar wel, dat ze er op volgt, gee Efez. III: 12, „in den welken wij hebben de vrij- A moedigheid en den toegang door het geloofquot;, zoodat gel het geloof het middel is waardoor men die vrijmoe- be\\ digheid verkrijgt, en 2 Tim. I: 12 zegt Paulus, „ik vat weet in wien ik geloofd heb.quot; Hij had eerst geloofd de en daarvan was hij bewust; Rom. 1: 17 wordt ge- hij zegd, dat men moet gaan „van geloof tot geloofquot;, nie namelijk van een zwak tot een meer bevestigd geloof, ; en Johannes zegt, „deze dingen heb ik u geschreven wij die gelooft, opdat gij weet, dat gij het eeuwige leven zw hebt, en dat gij gelooftquot;, 1 Joh. V : 13, alwaar het Jo: weten van het gelooven weer onderscheiden wordt; gel en Paulus wekt de Hebreën op, „om te komen tot on de volle verzekerdheid des geloofsquot;, Hebr. X : 22; en ten bewijze, dat men kan gelooven en nogthans de lai verzekering missen. en

2. Het blijkt ook uit de natuur van de zaak zelve,

want het toevlucht nemen tot Jezus is het middel ve

om tot het vertrouwen te komen; gelijk nu het mid- zo

del van het einde is onderscheiden, zoo is het wezen di(

-ocr page 189-

Van de Verzekering.

die des geloofs van het vertrouwen onderscheiden ; ik

is kan het geloof oefenen, maar dan kan er eenigen

de tijd tusschen beide komen om te weten, of die

om oefening wel verricht is.

3en 3. Nergens wordt de zaligheid vastgehecht aan de

oe- verzekering, als een meerder en hooger daad van het

be- geloof, maar aan mindere daden^ als; hongeren,

dit dorsten, loopen, vlieden, toevlucht nemen tot Christus,

ud Ps. II: 12, „welgelukzalig zijn allen, die tot Hem de toevlucht nemen.quot; Aan het zoeken , Ps. LXIX : 33,

de „gij die God zoekt, ulieder hart zal leven.quot; Nu is hongeren en dorsten nog geene verzadiging; toevlucht

ng nemen nog niet gerust zich verlaten; en zoeken nog

gt. geen vinden.

fï)quot; 4. De voorheelden van heiligen die, hoewel ze

lat geloovig waren, nogthans de verzekering misten,

)e- bevestigen dit. Asaph zeide, „ik drage Uwe ver-

)ik vaarnissen, ik ben twijfelmoedigquot;\'; David bad „om

rfd de verzekering van zijne zaligheid ; ten bewijze, dat

\'e- hij die toen miste; ofschoon de Heilige Geest nog

fquot;, niet van hem geweken was. Ps. LI; 10—14.

of, 5. Gods Geest gebruikt doorgaans zulke spreek-

en wijzen van het geloof, die wel het oprechte doch

en zwakke geloof uitdrukken , als het zien op Christus,

iet Joh. VI; 40, „die den Zoon aanschouwt en in Hem

it; gelooftquot;; daar vrordii hei aanschouwen exilwi gelooven

ot onder elkander verwisseld ; \'t is een „gekrookt riet

2; en glimmende vlaswiekquot;, Matth. XII: 21, 22; het zijn

ie lammertjes, die Jezus „in Zijne armen wil vergaderen

en in Zijnen schoot dragenquot;, Jes. XL : 11.

\'e, 6. Indien het geloof bestond in verzekering en

el vertrouwen, dat men deel aan Jezus heeft, dan

i- zouden waan- en ingebeeld geloovigen het geloof hebben ;

3n die zich doorgaans met veel vrijmoedigheid de ge-

69

-ocr page 190-

70 Van de Verzekering.

nade durven toeëigenen, en oprechten die God in waarheid vreezen, maar gedurig minder geloofsdaden oefenen en gestadige schuddingen onderworpen zijn, die zouden van de genade zijn verstoken, hetgeen de uiterste ongerijmdheid is en alle troost voor bekommerden wegneemt. Ja, dan zou men van daag in den staat der genade zijn en morgen daar weder van verstoken ; daar Gods Woord nogthans overal de waarheid va,n de vastigheid in den staat der genade bevestigt.

Zegt men evenwel, om dit wangevoelen staande te houden , dat Paulus en andere heiligen zoo verzekerd zijn geweest, en wat in één onderwerp waarheid is, dat het in alle dan moet waarheid zijn: ik antwoord hierop, dat Paulus een held was in de genade; maar dat sluit niet uit dat er ook zwakken en kleinen zijn; daarom spreekt Johannes van „kinderen en vaders in Christusquot;, 1 Joh. II; en dat argument, omdat Paulus zoo was, moet het ieder geloovige zijn, gaat al zoo weiaig door, alsof ik zeide, Simson is een sterk man geweest, en daarom moeten alle inenschen sterk zijn.

Dat onze onderwijzer liet oprecht geloof beschrijft te bestaan in een verzekerd vertrouwen, is geen bewijs; want:

1. Wanneer we die beschrijving wel inzien, dan vooronderstelt zij het toevluchtnemend vertrouwen; want het geloof wordt in alle zijne deelen daar beschreven ; zoowel wat er vooraf gaat, als waar het in bestaat, en wat gevolg het heeft.

2. Dat het geloof op die wijze, in dien tijd, toen de catechismus opgesteld is, beschreven werd, had zijn wijze redenen; want het pausdom betwist die troostelijke leer van de verzekering der zaligheid; en

-ocr page 191-

Van de Verzekering. 71

daarom hebben die geloofshelden zich daar tegen verzet, en getoond, dat men verzekerd kan zijn.

Het blijkt dan uit dit alles, dat het geloof niet bestaat in de verzekering.

Ons tweede stuk, dat we moesten uitbreiden was, dat ik moet aanwijzen, dat iemand er naar kan, mag, ja moet staan, om verzekerd te worden.

1. Men kan van zijn genadestaat verzekerd zijn, want:

A. De voorbeelden der heiligen bevestigen dat allerwegen; Paulus wist in wien hij geloofd had, 2 Tim. I : 12. David bidt om de vreugde van Gods heil wederom te ontvangen, Ps. LI: 14; ten bewijze, dat hij dien voorheen genoten had.

B. Te vergeefs zou Gods Geest ons dan opwekken om naar de verzekering te staan, indien men er niet toe kan komen; maar nu zegt Paulus, 2 Cor. XIII: 5, „onderzoekt uzelven of gij in het geloof zijtquot;, en Petrus, 2 Petr. I : 10, „benaarstigt u broeders, om uwe roeping en verkiezing vast te makenquot;, en op meer andere plaatsen.

C. De geloovigen worden gedurig opgewekt tot dankbaarheid, maar waarvoor en hoe kunnen zij recht danken , zoo zij niet weten dat zij de genadegoederen door Christus deelachtig zijn.

D. De redelijke geest des menschen kan op een redelijke wijze een sluitrede opmaken om de ken-teekens van Gods Woord te vergelijken met de bevindingen van het hart, en daaruit, of het goede of het kwade te kunnen besluiten; en op die wijze moet men tot verzekering komen. God zegt niet: gij en gij zijt een geloovige, maar Hij stelt de karakters in Zijn Woord voor, om een ieder, die lust heeft om

-ocr page 192-

72 Van de Verzekering.

getroost te leven, op te wekken tot een nauwkeurig d.

zelfonderzoek. nade

E. Indien men niet tot verzekering kon komen, is, t

zoo was al de troost, verkwikking en zoetigheid voor vang(

een Christen weggenomen, dewijl er geen rechte D.

blijdschap zijn kan zonder bewustheid van het deel- het

genootschap aan Christus. liefd(

2. Kan men dan verzekerd zijn van de genade; flauw

men moet het zijn; en het is zonde, dat men er niet zegg(

meer naar staat. den

A. Daar is geen grooter zonde dan het ongeloof, hand dat men God op Zijn Woord niet gelooft, en staat vrijn maakt op Zijne toezeggingen; daarom heeft de Heere mon Jezus het ongeloof zoo menigmaal in Zijne discipelen E. berispt, en hen bestraft, als „tragen van harte om en 2 te geloovenquot;. Luk. XXIV : 25. er c

B. De twijfelmoedigheid komt dikwijls uit onkunde, voor gelijk zij doorgaans daaruit voortkwam in de disci- den pelen; is het dan geen zonde, dat men zich niet meer L oefent in de kennis van die noodige waarheden, wat nati het geloof uitmaakt en wat er al in het hart omgaat. H

C. Onverzekerd te zijn stuit de ziel in de oefening 1 van vele deugden. 2,

a. Het beneemt haar de vrijmoedigheid in de we

verborgene gemeenschaps-oefening met God, om met 3

Hem gemeenzaam als met een Vader om te gaan, te 1

en alle nooden in Zijnen schoot uit te storten. 4

h. Het stremt den voortgang in de heiligmaking, me(

omdat een ziel door ongeloof niet durft gebruik -A

maken van de beloften en van den Heere Jezus, «

omdat zij niet weet of ze er wel deel aan heeft. dat

c. Het beneemt al den troost, blijdschap en zoetig- Goi

beid van het leven, omdat de ziel door gedurigen Jcz

kommer wordt neergedrukt. ope

-ocr page 193-

Van de Verzekering.

d. Men kan God den roem van ontvangene genade niet toebrengen, dat nogthans zoo betameliik is, tenzij men wete dat men de genade heeft ontvangen.

D. Onverzekerd te zijn is zeer nadeelig, omdat het veel wangestalten in de ziel verwekt; want de liefde tot God en Christus wordt menigmaal verflauwd ; daar komt wel eens mismoedigheid, om tamp; zeggen: „miine hoop is vergaan en mijne sterkte van den Heerequot;, dan eens murmureeren tegen Gods handelwijs; men wordt gedurig teruggehouden om vrijmoedig voor God uit te komen bij anderen; de mond wordt gesloten uit vrees van onoprechtheid.

E. Het geeft aanstoot aan anderen, alsof God en Zijn dienst niet vermakelijk was ; de wereld wordt er door gestijfd, dat het is in het zwart te gaan voor het aangezicht des Heeren ; en dus belet het den naaste te winnen.

Laten we nu ten derde eens zien, waarin de natuur van de verzekering bestaat.

Hier moet ik toonen :

1. Hoevelerlei verzekering er is.

2. Waarin de middelijke verzekering, waarvan we eigenlijk spreken, bestaat.

3. Hoe en langs wat weg men handelt om er toe te komen.

4. Hoe Gods Geest tot alles moet en ook dadelijk medewerkt.

A. Daar is meer dan eenerlei verzekering, die is:

a. Of een verzekering in het voorwerp, dat is, dat ik staat maak met volle gerustheid op alles wat God in Zijn Woord van Zich zeiven, van den Heere Jezus en van den ganschen weg der zaligheid geopenbaard heeft; dit noemt Johannes: „het aan-

-ocr page 194-

74 Van de Verzekering.

nemen van Gods getuigeqisquot;, waardoor men „verzegelt dat God waarachtig isquot;, Joh. Ill: 33. Zoodat dit meest gaat omtrent God, als het voorwerp, en in de verzekering noodzakelijk wordt voorondersteld.

h. Maar dan is er nog eene in het onderwerp dat gelooft; want het is wat anders of ik weet en geloof dat er een God en Zaligmaker is, of dat ik geloof dat Hij mijn God is, dat Hij mijn Zaligmaker is; ■en dit is wederom tweezins.

Of middel ijk, dat ik uit Gods Woord zie, wat er getuigd wordt van een erfgenaam der Zaligheid, en mijn hart daarbij leggende, besluit: dat vind ik, zoo moet ik dan tot het getal van die behooren; en dat zoude ik noemen, een recht uitgaande daad der ziel tot God, in oefening van geloof; hetgeen met veel bedaardheid en stilheid kan geschieden , op eene verstandige wijze.

Of daar is een onmiddelijke verzekering, wanneer God liet geloof en de liefde van Zijn volk goedkeurt. Zijn genoegen toont en met wederliefde beantwoordt; en dat is de wederom stuitende daad, waardoor God de liefhebbende ziel in liefde omhelst.

Laat ik deze tweeërlei verzekering, om het recht te begrijpen, eens met een gelijkenis ophelderen.

Een kind dat eenigen tijd van den vader afwezig geweest is, wanneer het den vader ziet, zal het naar hem toeloopen, en het weet aan zijne zijde dat het hem hartelijk lief heeft; maar omdat de vader het aanstonds omhelst en in zijne armen drukt, ja iets geeft tot bewijs van zijne liefde, zoo wordt het van \'s vaders liefde tot zich ook verzekerd. Zoodat liefde te oefenen of in liefde omhelsd te worden, twee onderscheiden dingen zijn; het eerste kan een ziel jaren na elkander bezitten door het oefenen van een

T

i

-ocr page 195-

Van de Verzekering.

gezet en teeder Christendom ; het andere geniet ze nu en dan eens, en somtijds wel niet, vóór dat ze op een doodbed komt, daar ze de voorproeven van die zaligheid, die ze haast volop genieten zal, smaakt.

B. Maar waarin bestaat nu de natuur van de verzekering zelve\'? deze bestaat daarin:

Dat een ziel uit vergelijking van haar hart met de wezenlijke kenteekens van Gods Woord, dat besluit durft opmaken, dat zij een kind van God en dus een erfgenaam der zaligheid is.

Daar behooren dan drie dingen toe: vooreerst, onfeilbare kenteekens uit Gods Woord; ten tweede, een vergelijking van zijn hart met die kenteekens, en dan volgt een wettig besluit, dat men daaruit opmaakt.

Zal dan een ziel op goede gronden zich verzekeren van hare gemeenschap aan God, dan moetquot; zij allereerst nagaan die kenteekens, die behooren tot bet wezen van den genadestaat, die in alle geloovigen ten allen tijde moeten gevonden worden, en waarvan de lieere zelf verklaring doet, die dat ondervindt is zalig.

Bijvoorbeeld :

a. God verklaart in Zijn Woord, dat een ieder die gemeenschap aan Hem heeft, den Geest moet ontvangen hebben, 1 Joh. IV : 13, waarbij hij, door het ontdekkend en bestralend licht heeft leeren zien dat hij jammerlijk, arm, blind en naakt is en in alle dingen gebrek heeft, en zoo hij in zulk een staat blijft, dat hij zeker eeuwig moet verloren gaan.

b. God verklaart, dat men om zalig te worden deel moet hebben aan den Heere Jezus, en Zijn teweeggebracht zoenoffer; want dat er „geen anderen naam is onder den hemel om zalig te wordenquot;, Hand.

75

-ocr page 196-

76 Van de Verzekering.

IV; 12, derhalve moet men erkennen, dat men kenn

niets in zich zeiven heeft om meê voor God te feleti

bestaan, maar dat al het heil alleen in Jezus is Mi

gelegen. hiikc

c. God zegt, hoe een ziel moet gesteld zijn, die merl deel aan Jezus heeft; zij moet Hem in Zijne nood- nad( zakelijkheid, beminnelijkheid en algenoegzaamheid tot hebben leeren kennen, dat „al wat aan Hem is E gansch begeerlijk isquot;, Hoogl. V : 16. Uit die kennis het moet geboren ytorAen eene hoogachting; 1 Petr. H : 7, mijr „u die gelooft is Hij dierbaar.quot; Uit die hoogachting kun een hartelijken honger en dorst; Matth. V : 6, „zalig ting zijn zij die hongeren en dorsten.quot; En een oprecht heb aannemen van Hem; Joh. 1: 12, „zoovelen Hem aan- ned genomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kin- A deren Gods te worden, namelijk die in Zijnen naam ziel gelooven.quot; vinlt;

d. God verklaart in Zijn Woord dat, die deel om aan Jezus heeft, de „slechtigheden moet verlaten en kan treden op den weg des verstandsquot;; Spr. IX : 6, dat a is, dat men den ouden zondenweg, waarop men wandelde, moet vaarwel zeggen , zich aller zonden ^ vijand verklarende en den weg van heiligmaking,

dien nauwen weg van Gods geboden verkiezen, met we\'-

een ernstig voornemen des harten, om daarop te 611

wandelen. lt;■

e. God zegt in Zijn Woord, dat „al wie uit den ^11 dood in het leven is overgegaan, de broeders moet ^0lt; liefhebbenquot;, 1 Joh. Hl: 14; dat is, dat hij allen 1116 die God vreezen, van wat rang of staat zij zijn, S01 moet hoog achten , omdat zij het beeld van God 1 dragen. Re:

Alle deze dingen nu, als onfeilbare merkteekens 8G van God zeiven ter neergesteld, moet men recht

-ocr page 197-

Van de Verzekering.

kennen en aan de waarheid van dezelve niet twijfelen, omdat de God der waarheid het getuigt.

Maar dat is niet genoeg; daar moet ten tweede bijkomen een vergelijking van zijn hart met die merkteekens; en hoe dat geschiedt zal ik straks nader toonen , als wij zien, door wat wegen men tot een besluit komt.

En dan volgt, na gedaan onderzoek, ten derde, het besluit zelf, dat ik zoo beredeneer: wanneer ik mijn hart bij dit alles leg, zou ik niet durven of kunnen ontkennen, dat ik niet slechts door bevatting iets kenne van die genadegestalten, maar ik heb het ook bij bevinding; ik mag dan besluiten in nederigheid, dat ik een kind van God ben.

Alhoewel het ook wel gebeurt dat, ofschoon eene ziel niet durft ontkennen dat zij die dingen ondervindt , zij evenwel tot die hoogte niet durft komen, om het genadewerk in zich te erkennen, hetgeen kan veroorzaakt worden :

a. Door listen van den satan, die op allerlei wijze de ziel zoekt te veroveren en te schudden.

h. Door onopmerkzaamheid omtrent zich zeiven en de goddelijke waarheden; dat men niet genoeg het wezen der genade van het w^-wezen onderscheidt, en daardoor in verwarring geraakt.

c. Omdat, niet tegenstaande er wel veel goede dingen in het hart zijn, er evenwel nog zooveel boosheid en zonde in is, dat de ziel denkt, dat kan met geen genade bestaan; en daarom durft ze het goede niet besluiten.

d. Eindelijk vooral, omdat Gods Geest geen genoegzaam licht geeft, om het wezenlijke van de genade in zich te ontdekken.

Anderzins maakt zij nederig en geloovig het besluit op:

77

-ocr page 198-

78 Van de Verzekering.

C. Door wat ivey, en op wat ivijze handelt nu jggg een ziel, om zich op vaste gronden te verzekeren ?

Het geschiedt op deze wijze: zij zondert zich in het zoej{

eenzame af met den indruk, dat zij onder Gods van

alziend oog is; en dat het van het alleruiterste naai

belang is een goed of kwaad besluit te maken, jjg];) want dat er de zaligheid of rampzaligheid van af-

hangt, hierom zet ze zich in bedaardheid neder, v

onder biddingen en opzien naar Gods licht en in- ^jg

vloed ; in die werkzaamheid gaat zij; ^gh.

a. Al die kenteekens eens voor zich leggen; zij , Vg

beschouwt ze van nabij met nauwkeurigheid. jjjgt

h. Dan vraagt zij zich in conscientie met bedaard- ]iet

heid af, of dat niet in haar wordt gevonden! Hier :stra

handelt eene ziel gemeenzaam en getrouw met zich wer

zelve; zeggende : kom o mijn geweiten ; vóór dezen gen

waart gij mij een vijandin, als gij milquot; waarschuwdet, ^ maar nu zijt gij mijn grootste vriendin, wanneer gij

getrouw uwen plicht doet; ik heb geen lust om mij ^g^ zeiven te bedriegen ; getuig nu eens onder het al-

ziend oog van God, wat er in mij is omgegaan; vert

kunt gij mij tegenspreken dat ik nog ooit aan mij mo(

zeiven ontdekt ben ? Heb ik niet mijn ellendigen, c

walgelijken en doodschuldigen toestand gezien ? Jjqj

Maakte dat gezicht mij niet diep verlegen, bedroefd gen beschaamd ? Zijt gij geen getuige van mijne

tranen, worstelen , klagen en smeeken om genade We]

bij God? Heeft God mij niet doen zien, dat in onl

Jezus, ja in Jezus alleen, al het heil en de zalig- eer

heid te vinden was ? Is Hij mij niet beminnelijk bet

en dierbaar geworden? Heeft dat mijne liefde naar om

Hem niet uitgelokt ? Ja ondervond ik niet die be\'

onverzadelijke , sterke en driftige begeerten; ik moest ,

Jezus hebben , het koste wat het koste ? Dreef die no:

-ocr page 199-

Van de Verzekering.

nu begeerte mij niet uit mij zeiven zoo menigmaal in in \'■ het eenzame op de knieën, om Hem met tranen te zoeken ? Ja als Jezus mij Zijne geopende armen van liefde liet zien en mij toeriep: „kom wend u s^e naar Mij!quot; heb ik mij daarin niet nedergeworpen ? in\' Heb ik Hem niet aangenomen in alles en tot alles, a^quot; met een voornemen des harten om de slechtigheden fr\' te verlaten, en den weg des levens te willen bewan-in* delen? En heb ik niet nog lust om den Heere wel-behagelijk te zijn ? Is mijn hart ook niet in liefde 2;9 vereenigd met allen die God vreezen, omdat God met Zijn Geest in hen woont en werkt; ja met die het meest, daar het beeld van God meest in door-ier straalt, al waren zij gering en veracht naar de wereld; kan ik niet zeggen , ik ben een gezel der-en genen die den Heere vreezen?

Wanneer nu de ziel zich zelve zoo onderzoekt, quot;H dan geeft het geweten getuigenis naar waarheid, en QW het mag in sommige dingen beschuldigen van tekort-komingen, evenwel wat het ivezen der zaak aangaat, [15 veroordeelt het haar niet, en dus heeft de ziel vrij-llJ moedigheid voor God.

15 c. Doch omdat zij zich zelve wantrouwt, en be-1 \'■ kommerd is of die bevindingen wel de echte zijn,

gaat zij hare werkzaamheden eens vergelijken met die ae \'van beproefde en ervarene Christenen, en vraagt die |e wel eens af, wat zij ondervinden ? zij legt haar hart in onbeschroomd voor die open , en vindt ze een over-eenkomst des harten met dezulken, dan zegt ze, jk het moet immers dezelfde geest zijn die in ons werkt, *r omdat het dezelfde weg is; en dat dient tot veel

16 bevestiging en opbeuring.

d. Maar om ten volle verzekerd te gaan, is er 16 nog een weg open; de ziel die een diepen indruk

19

-ocr page 200-

Van de Verzekering.

C. Door wat weg, en op wat tvijze handelt nu een ziel, om zich op vaste gronden te verzekeren ? Het geschiedt op deze wijze; zij zondert zich in het eenzame af met den indruk, dat zij onder Gods alziend oog is; en dat het van het alleruiterste belang is een goed of kwaad hesluit te maken, want dat er de zaligheid of rampzaligheid van afhangt , hierom zet ze zich in bedaardheid neder, onder biddingen en opzien naar Gods licht en invloed ; in die werkzaamheid gaat zij:

a. Al die kenteekens eens voor zich leggen; zij beschouwt ze van nabij met nauwkeurigheid.

h. Dan vraagt zij zich in conscientie met bedaardheid af, of dat niet in haar wordt gevonden! Hier handelt eene ziel gemeenzaam en getrouw met zich zelve; zeggende: kom o mijn geweten ; vóór dezen waart gij mij een vijandin, als gij mij waarschuwdet, maar nu zijt gij mijn grootste vriendin, wanneer gij getrouw uwen plicht doet; ik heb geen lust om mij zeiven te bedriegen; getuig nu eens onder het alziend oog van God, wat er in mij is omgegaan; kunt gij mij tegenspreken dat ik nog ooit aan mij zeiven ontdekt ben ? Heb ik niet mijn ellendigen, walgelijken en doodschuldigen toestand gezien ? Maakte dat gezicht mij niet diep verlegen, bedroefd en beschaamd ? Zijt gij geen getuige van mijne tranen, worstelen, klagen en smeeken om genade bij God? Heeft God mij niet doen zien, dat in Jezus, ja in Jezus alleen, al het heil en de zaligheid te vinden was ? Is Hij mij niet beminnelijk en dierbaar geworden? Heeft dat mijne liefde naar Hem niet uitgelokt ? Ja ondervond ik niet die onverzadelijke, sterke en driftige begeerten; ik moest Jezus hebben, het koste wat het koste ? Dreef die

78

-ocr page 201-

Van de Verzekering.

begeerte mij niet uit mij zeiven zoo menigmaal in het eenzame op de knieën , om Hem met tranen te zoeken ? Ja als Jezus mij Zijne geopende armen van liefde liet zien en mij toeriep: „kom wend u naar Mij!quot; heb ik mij daarin niet nedergeworpen ? Heb ik Hem niet aangenomen in alles en tot alles, met een voornemen des harten om de slechtigheden te verlaten, en den weg des levens te willen bewandelen? En heb ik niet nog lust om den Heere wel-behagelijk te zijn ? Is mijn hart ook niet in liefde vereenigd met allen die God vreezen, omdat God met Zijn Geest in hen woont en werkt, ja met die het meest, daar het beeld van God meest in doorstraalt , al waren zij gering en veracht naar de wereld; kan ik niet zeggen , ik ben een gezel dergenen die den Heere vreezen?

Wanneer nu de ziel zich zelve zoo onderzoekt, dan geeft het geweten getuigenis naar waarheid, en het mag in sommige dingen beschuldigen van tekort-komingen, evenwel wat het ivezen der zaak aangaat, veroordeelt het haar niet, en dus heeft de ziel vrijmoedigheid voor God.

c. Doch omdat zij zich zelve wantrouwt, en bekommerd is of die bevindingen wel de echte zijn, gaat zij hare werkzaamheden eens vergelijken met die \'van beproefde en ervarene Christenen, en vraagt die wel eens af, wat zij ondervinden ? zij legt haar hart onbeschroomd voor die open , en vindt ze een overeenkomst des harten met dezulken, dan zegt ze, het moet immers dezelfde geest zijn die in ons werkt, omdat het dezelfde weg is; en dat dient tot veel bevestiging en opbeuring.

d. Maar om ten volle verzekerd te gaan, is er nog een weg open; de ziel die een diepen indruk

791

-ocr page 202-

80 Van de Verzekering. 1

ik

heeft van het schadelijk zelfbedrog, legt haar be- naa

kommerd en verlegen hart voor den alwetenden God mal

neder en ze zegt: Heere, Gij zijt getuige van alles S

wat ooit in mij is omgegaan; is er nog een schade- rin\\

lijke weg hij mij, ontdek het mij, en leid mij op niel

den eeuwigen weg; en is het ook waarheid, erken ofs(

dan: is dat uw staf, snoer en zegelring niet ? getuig ged

dan met mijnen geest, dat ik een kind van God ben! zou

D. Maar hoe werkt nu Gods Geest in dit alles S

mede? want schoon het hart niet veroordeelt, zoo stil

moet nogthans de Geest met onzen geest samen ge- nin

tuigen: de Geest is werkzaam omtrent al die stukken, Wc

waarin de verzekering bestaat. dm

a. Omtrent de Kenteekens uit Gods Woord geeft nie

hij haar onderscheidene en klare bevattingen, en doet ik

haar zien, dat zulke dingen in minder of meerder \'

mate moeten ondervonden worden , zal men gelukkig gee

zijn; daarbij doet hij zien, wat dingen het eigenlijk vei

zijn, die een Christen uitmaken; opdat men niet te vei

groot, noch te klein van het Christendom denke; pa:

om door het een niet beroerd, en door het ander vai

niet zorgeloos te worden. I

h. Omtrent de bevindingen van het hart is de Geest on

aldus werkzaam, dat hij niet alleen alle die genaden zie in het harte werkt, maar hij wekt ze op dien tijd lie

op, hij maakt ze levendig en werkzaam, hij leidt de Gc

ziel in hare ellende van nature in, hij ontsteekt op no

dien tijd het hart in honger en dorst, naar den kr

Heere Jezus, hij wekt de vrijmoedigheid op om tot va

Hem de toevlucht te nemen; hij maakt de liefde he brandende in een ernstige begeerte en lust om voor ke

God te leven. st£ c. Dan doet de Geest haar het besluit opmaken: Oj ik ondervind die dingen, die Gods Woord zegt, dat

-ocr page 203-

Van de Verzekering.

ik ondervinden moet, derhalve ben ik een erfgenaam des levens; doch dit gaat nog altijd zoo gemakkelijk niet.

Somtijds wordt het besluit opgemaakt met beroering, met ontzetting, \'t is alsof de ziel tot die hoogte niet komen kon, om het goede over zich te besluiten; ofschoon zij het niet durft ontkennen; \'t is nog al gedurig, och! zoo ik mij eens bedroog, hoe naar zou het zijn bedrogen uit te komen!

Somtijds doet ze het met veel bezadigdheid en stilheid, zonder veel levendige en werkzame aandoeningen , maar geloovig; de ziel maakt staat op Gods Woord, en daar zich zelve bijleggende, zegt ze, ik durf, ik kan, of mag niet ontkennen, dat ik het niet ondervind; ik zou ontrouw aan God zijn, indien ik het aan de werkingen van de natuur toeschreef.

Somtijds geschiedt het met veel aandoening des geestes en der gemoedsbewegingen; met een innige vergenoeging, een hartelijke blijdschap, en diepe verwondering, dat God op zulk een zien wil, gepaard met liefde-tranen, met hernieuwde opdracht van zich zeiven aan den Heere en zijnen dienst.

Somtijds gaat het ook wel eens gepaard met het onmiddelijk getuigenis van den Geest, waardoor de ziel als overstelpt wordt van gevoel der Goddelijke liefde ; dat is die weder omsluitende daad, waardoor God de ziel in liefde omhelst en kust, en Zijn genoegen toont in hare liefdesuitgangen tot Hem; dan krijgt ze een zegel en onderpand, dat zij een kind van God is; dat noemt Gods Geest, „te eten van het manna dat verborgen isquot;, dat is „den witten keursteen te ontvangen, daar de nieuwe naam op staat, dien niemand kent, dan die hem ontvangt, Openb. II; 17quot; dat is „dronken te worden van de

6

81

-ocr page 204-

Van de Verzekering.

vettigheden van Gods huis, en gedrenkt te worden uit de beken van zijne wellusten.quot;

Dan geeft de Geest wel eens zulk een opgeklaarde kennis, dat zij met een ongedekt aangezicht de heerlijkheid des Heeren aanschouwt, en door dien glans als verslonden wordt; zij wordt in het volle licht gesteld, om te zien alle de deugden Gods, die in het werk der verlossing uitblinken!

Ja dan opent de Geest wel eens het gordijn, om in den hemel zeiven in te zien, daar ze eens zal worden ingeleid, en krijgt een eersteling en voorproef, hoe zalig dat genot zijn zal, en de ziel dat smakende, moet uitroepen : zijn dat maar eerstelingen , zijn die zoo goed en verkwikkelijk! wat zal dan het volle genot eens zijn wanneer ik zal verzwolgen zijn in de oneindige zee van de Goddelijke liefde en algenoegzaamheid, als ik God van nabij zal zien en volmaakt genieten, als ik volkomen heilig zal zijn; nu weet ik nog maar wat het is „te wandelen door geloofquot;, en door eenige bevinding en gevoel, maar dan zal ik „wandelen in aanschouwen!quot;

Ziedaar, zoo kort en klaar als het mij mogelijk is iets van de verzekering zelve gezegd, hoe en op wat wijze die geschiedt.

Nu moet ik, volgens ons vierde stuk, Gods kinderen opwekken om naar deze zoo heugelijke verzekering te staan, niet zoozeer naar de omniddelijke, want dat hangt alleen van Gods vrijmacht af, maar naar de middelijke; die zoo begeerlijk en dierbaar is, dat er nauwelijks opwekkingen toe noodig waren; doch omdat vele oprechten het als gewoon worden in bekommering en twijfelmoedigheid te leven, zoo moet ik het navolgende tot uwe opwekking zeggen:

1. leder mensch heeft lust tot wetenschap en om

82

-ocr page 205-

Van de Verzekering. 83

tot kennis van zaken te komen, inzonderheid zoo het dingen zijn daar zijn tijdelijk geluk of voordeel aan vast is; wanneer hij een twijfelachtige hoop heeft dat hij van een groot goed erfgenaam zal zijn, wat moeite wendt hij niet aan, hoe verlangt hij niet om te weten of zijn naam in het testament staat?

Handelt men zoo in het tijdelijke, zal dan deze wetenschap voor uwe ziel niet liefelijk zijn, daar uw geestelijk heil, voordeel en vergenoeging aan vast is ? bedenkt dat het raakt uwen eeuwigen staat, zaligheid of rampzaligheid, uw geluk of ongeluk, \'t Is waar, indien gij maar waarlijk gelooft, gij zult evenwel in den hemel komen, al waart ge nooit verzekerd ; maar als gij altijd met zooveel kommer treurig heengaat, kan de hemel u hier op aarde dan wel tot zooveel blijdschap zijn? kan het uw verlangen naar denzelven wel zoo opwekken ?

2. Ieder mensch is genegen om vergenoegd, vertroost en met blijdschap te leven. Wel, hebt gij daar ook lust toe, dit is de weg; want wat kan meer tot troost zijn dan te mogen denken, ik heb deel aan een algenoegzaam God hier reeds op aarde! ik mag met blijdschap denken aan den dood; want stervende zal mijn geluk volmaakt worden! doch door nu gedurig zoo te twijfelen , neemt gij al het vermaak van uw leven weg en leeft in gedurige bekommering; wat zal het nog eens met mij zijn, wie weet of het wel ooit icaarheid is geweest!

3. De satan die een vijand van uw geluk is en u dat benijdt, zoekt u gedurig van God af te leiden ; maar nooit kunt gij edelmoediger zijne pijlen uit-blusschen, dan wanneer gij verzekerd zijt; want dan kunt gij „staan in het geloof, mannelijk en sterk zijnquot;, 1 Cor. XVI; 13.

6*

I

-ocr page 206-

84 Van de Verzekering.

4. Hebt gij lust om in heiligheid toe te nemen? hier is het allerbeste middel: want als gi] verzekerd zijt, kunt gij God eerst recht danken voor de genade, die in Christus aan u bewezen is. \'t Is waar, gij kunt God danken dat Hij u een Middelaar besteld en den weg der verzoening geopenbaard heeft; maar zal het de dankzegging niet hartelijker maken wanneer gij het woordje mij daarbij kunt doen en zeggen; „ik dank u vaderquot;, die mij bekwaam gemaakt hebt om deel te hebben in de erve der heiligen in het licht! Col. 1: 12 ; „gezegend zij de God en Vader onzes Heeren Jezus Christus, die mij gezegend heeft met alle geestelijke zegeningen in Christusquot;, Efez. I: 3. Kan het uwe liefde tot God niet meer opwekken, als gij denken kunt: op mij van eeuwigheid te zien, mij een voorwerp van de liefde van een Drieëenig God te maken! Wat moet mij dat niet in wederliefde doen ontvlammen, om alles vreer aan zulk een God op te dragen!

En zoo zoudt gij recht in staat zijn om God te verheerlijken.

5. Het zal u de genademiddelen met meer voordeel doen gebruiken; want nu verwerpt gij door ongeloof en twijfelmoedigheid dikwijls die opwekkingen en vermaningen die u gedaan worden; \'t is altoos, wie weet of ik wel tot het getal van Gods volk behoor? gij zoudt de bondzegels en vooral het Avondmaal met veel meer verkwikking gebruiken; want dan zoudt gij die aanmerken als pander, van de Goddelijke liefde; in het verkeeren met menschen zoudt gij nuttiger kunnen zijn om anderen te besturen en te raden; maar omdat gij altijd zoo in de laagte zit, vordert gij niet voor uzelven en zijt niet recht nuttig voor anderen.

I

-ocr page 207-

Van de Verzekering. 85

6. Gij brengt een kwaad gerucht over den weg naar den hemel; \'t is of het de dienst van God medebracht altoos treurig te zijn , dat men in het zwart moest gaan voor het aangezicht des Heer en , en dus stijft gij de wereld in dat vooroordeel, daar gii door een gemoedigden wandel zoudt toonen, dat God te dienen blijdschap is, en daardoor zoudt gij anderen uitlokken.

7. \'t Zal u in alle gevallen van dit tijdelijke leven zeer nuttig zijn :

A. In voorspoed, als Gods verborgenheid over uwe tente is en gij uwe gangen in boter wascht, dan zult gij die zegeningen kunnen aanmerken als een aangenaam toewerpsel bij betere goederen , u geschonken van een verzoend God en Vader, in het recht dat Christus voor u verworven heeft, en dus zal het u recht dankbaar maken; maar omdat gij u een beter goed kunt toeleggen, moet het uw hart er van los maken, om „niet aan te merken de dingen die men ziet, maar de dingen die men niet ziet, omdat ze eeuwig zijnquot;, 2 Cor. IV : 18.

B. In tegenspoed zal het u geduldig en onderworpen maken onder de hand van God; denkende, het is mijn hoogste goed niet, ik heb een heter en blijvend goed in de hemelen. Gij zult alle zwarigheden in de hand van God kunnen overgeven, denkende, mijn Vader weet wat nut is; mogelijk is deze weg nuttiger voor mij dan een andere; ik vertrouw het Hem toe.

C. In schielijke en onverwachte toevallen zal het u bedaard maken , en doen zeggen, „al veranderde de aarde hare plaats, en al werden de bergen verzet in het hart van de zee, ik zal niet wankelen; want de Heere is met mijPs. XLVI; 3.

I

-ocr page 208-

Van de Verzekering.

D. Het zal u allen hoon en smaad van de wereld verzi doen verachten, en door alles gemoedigd doen heen daai stappen, omdat gij roemen kunt in God. Chri

E. De geestelijke dingen en werkzaamheden krij- Di gen dan eerst hare rechte zoetigheid en smaak; dan zoek kan Jezus u eerst recht dierbaar zijn, dan kunt Ei gij u, „hoewel Hem niet ziende, maar geloovende, aan verheugen, met eene onuitsprekelijke en heerlijke gelot vreugde,quot; 1 Pet. 1:8. 1.

F. Gij zult in uw leven niet vreezen voor den A dood, noch voor het oordeel, maar die wel eens met van blijdschap kunnen tegemoet zien, want omdat gij lichl deel aan Christus hebt, zult gij den dood aanmer- duis ken als zijnen prikkel verloren hebbende; en dien van Jezus, die in den laatsten oordeelsdag de Richter aanl zal zijn, zult gij mogen aanmerken als uwen Borg, B Vriend, Bruidegom en Man; ja, over de hel zult hoiu gij zegepralende mogen uitroepen, „hel! waar is uwe zou( overwinning? 1 Cor. XV : 55. eige

G. Het zal in u een vruchtbare baarmoeder van tege vele deugden zijn, \'t zal u zoo ootmoedig en nederig nem maken voor God, om met David te zeggen, „wie een ben ik, Heere Heere?quot; 2 Sam. VII: 18, en met tot Jacob, „ik ben veel geringer dan al deze weldadig- duis heden en trouwe,quot; Gen. XXXII : 10, \'t zal u ver- C loochend maken aan de dingen van de aarde, en uw om verlangen naar den hemel opwekken\', het zal u ge- wor trouw maken omtrent den naaste, om die zooveel ten in u is, ook tot dat geluk te brengen; \'t zal u he- zulk dachtzaam en voorzichtig in uwen wandel maken om heb uwe vrijmoedigheid niet te verliezen; en door dit mac alles zult gij beantwoorden aan het einde van uwe en ( roeping, die is tot heerlijkheid en deugd. 2

Is er nu zooveel zoetigheid in eene welgegronde daa

I

-ocr page 209-

Van de Verzekering. 87

verzekering, hoe is het dan, en waar komt het van daan, dat er zoo weinig bemoedigde en verzekerde Christenen in onze dagen gevonden worden?

Dit was ons vijfde stuk , dat we moesten onderzoeken.

En hiervan kunnen redenen gegeven worden èn aan de zijde van God, èn aan de zijde van de geloovigen zeiven.

1. Aan de zijde van God, behaagt het den Heere:

A. Om Zijne vrijmacht te toonen in het bedeelen van de genade; het behaagt Hem dezen met veel licht en blijdschap te leiden, en een ander door veel duisterheid en naarheid, zonder dat Hij reden geeft van alle Zijne daden; en hierin moet men Zijnen weg aanbidden, zonder daarover te twisten.

B. God wil Zijn volk hierdoor nederig en klein houden, opdat het zich niet op de ontvangene genade zoude verheffen; want hoewel de verzekering in haar eigen aard den hoogmoed niet werkt, maar het tegendeel, zoo gebeurt het nogthans door de inwonende zonden en listen van den satan, dat zij een verkeerde uitwerking heeft omdat God nu lust tot nederigheid heeft, wil Hij die door den weg van duisterheid in hun bevorderen.

C. De Heere doet het om der goddeloozen wil, om te toonen, dat men zoo gemakkelijk niet zalig wordt; dat de poort eng en de weg nauw is, die ten leven leidt, opdat zij zouden denken: hebben zulken het zoo bang, die naar den hemel gaan! wat heb ik dan te wachten ? Worden de rechtvaardigen maar nauwelijks zalig, ivaar zal dan de goddelooze en de zondaar verschijnen.

2. Maar heeft God zulke wijze en heilige redenen, daar zijn er ook aan de zijde van Gods volk; zij zijn

gt;

-ocr page 210-

88 Van de Verzekering.

dikwijls zelve de oorzaak van hunne twijfelmoedigheid.

A. Omdat zij zich niet genoeg oefenen in de kennis van de waarheden, waardoor ze geen rechte bevatting hebben van het geloof, van de natuur van de verzekering en andere waarheden, en daardoor raken zij in slingeringen, daar zij zich zeiven uit vele zwarigheden zouden kunnen redden indien zij meerdere kennis hadden.

B. Velen geven er zich in toe, die worden het klagen gewoon; zij houden zich bijna met niets anders op, alsof het tot het wezen van het Christendom behoorde; beneemt men hun ééne zwarigheid, zij hebben er weder vele andere ; en in zulken is het als een ziekte geworden.

C. Velen leven niet ernstig, niet teeder noch gezet genoeg in het eenzame voor God; zij houden zich niet genoeg bezig in heilige meditatiën en ernstige gebeden; men bidt wel, doch niet met die aandacht, met dien ernst, met inspanning van alle krachten; men berust dikwijls in den gedanen plicht; daar is die heilige ontevredenheid niet, als men den Heere niet vindt, en daar van daan komt er eene verwijdering tusschen den Heere, en die trekt Zijn licht in.

D. Velen leven niet zorgvuldig, niet icaakzaam en teeder genoeg omtrent de wereld, om met wijsheid en voorzichtigheid te verkeeren in het midden van een krom en verdraaid geslacht; men maakt zich de wereld te veel gelijkvormig in woorden en daden; men komt niet vrijmoedig noch hartelijk genoeg voor God en Zijne zaak uit; wanneer zulken dan bedaard tot zich zeiven komen, dan worden zij bekommerd; dan is het; waarin ben ik onderscheiden van de

-ocr page 211-

Van de Verzekering.

wereld? waar blijkt het, dat in mij iets anders is dan in de wereld; dan verwerpt men zijnen staat en blijft in bekommering en duisterheid leven, en o! hier moet ik zeggen, kinderen van God, schaamt er u over voor den Heere; vernedert u, dat gij door uw gedrag de wereld niet alleen tot aanstoot zijt, maar dat gij uzelven de zoetigheid en den troost van het Christendom beneemt; want de heiligheid is de weg om tot zekerheid te komen; als men teeder omtrent God is, beantwoordt God dat door Zijn genoegen aan de ziel weer te toonen; en ofschoon uw wangedrag u niet zal houden uit den hemel, het maakt den weg evenwel voor u nauw.

Vraagt ge dan welke de middelen zijn, om tot een gegronde en bestendige verzekering te komen? Dit zal ik nu ten vijfden aanwijzen.

1. Is uwe onkunde een oorzaak van uwe twijfelmoedigheid , staat dan daar naar, dat gij eene klare rechte en onderscheidene bevatting krijgt van de waarheden, vooral van de natuur vaii het geloof en de verzekering; gij oefent menigmaal het geloof en gij weet het niet, omdat gij niet weet waarin de natuur en wezenlijke daad bestaat; indien gij begreept, dat gelooven is een hartelijk loopen en vlieden tot Christus en gij vergeleekt uw hart bij GodsWoord, gij zoudt moeten erkennen, dat gij het waarlijk bezat.

2. Vergelijkt uzelven niet met groote en meergevorderde Christenen, daar gij dan zoudt denken: omdat ik zoo niet ben , heb ik geen genade; neen, denkt, daar zijn eikenboomen en gekrookte rietjes; daar is een klein, een zwak en een sterk geloof; en het zwakke is Gode zoo aangenaam als het sterke.

3. Leert onderscheid maken tusschen uwen staat

89

-ocr page 212-

90 Van de Verzekering.

en gestalte; uw staat is altoos vast, wanneer die eens oprecht is begonnen, maar uwe gestalte verwisselt menigmaal; wanneer nu uw harte wat opgewekt , de gestalte levendig is, dan zoudt ge u wel eens verzekeren, maar als het dor en doodig is, dan ligt aanstonds de moed in de asch, en zoo leeft gij in een gestadige twijfelmoedigheid; maar beter deedt gij, als gij dacht: ofschoon ik eens doodig en niet zoo gezet werkzaam omtrent God ben , God is evenwel dezelfde, en Zijne hand zal wtl eens ten goede veranderen.

4. Onderzoekt uzelven menigmaal in trouwe voor den Heere aan die kenmerken, die wij te voren aanwezen. Vraagt uzelven af, zou ik durven ontkennen dat ik dat niet ondervind? Heere ik zou niet gaarne mij zeiven bedriegen, ik zou ook niet gaarne den dag der kleine dingen verachten en het genadewerk des Geestes benadeeien, alsof het een werk van de natuur was; immers dat en dat kon ik mij zeiven niet geven? dat kon geen leeraar mij geven; is dat dan niet het werk van Uwe almachtige genade? doe het mij toch gelooven!

5. Legt uw hart voor verstandige godvruchtigen open, die ervarenheid en bekwaamheid hebben om u te bestui-en; maar aan allen, al zijn het godvruchtigen moet het niet geschieden , dat kon nadeelig zijn; men moet ieder niet tot zijne hartvrienden maken; velen zijn meer bekwaam om u verder in den grond te helpen , dan om u op te beuren; of door onwetenheid of door onvoorzichtigheid of door een meesterachtig oordeel en liefdeloosheid; maar zoekt zulken , die in staat zijn om u den weg Gods bescheiden uit te leggen en die met liefde en getrouwheid u behandelen.

-ocr page 213-

Van de Verzekering.

6. Houdt de oefening van uw geloof gedurig levendig, wekt uwen honger en dorst naar Christus gedurig op; vliedt, loopt tot Hem dagelijks met al uwe nooden; als gij gezondigd hebt, neemt toevlucht tot Zijn hloed ter verzoening; langs dien weg zoudt gij van uw geloovig uitgaan bewust worden en dat het u om Jezus te doen is.

7. Vernieuwt dagelijks uwe keuze voor den Heere dat gij de Zijne wilt zijn, dat gij het met verlating van de zonde en de wereld, met Hem wilt houden.

8. Tracht toch vooral zeer gezet en teeder voor God te leven. 0, wacht u toch van een wereldgelijk-vormigen wandel; toont dat gij niet zijt van de wereld, maar dat gij tot het getal van Gods volk behoort.

Als men zich niet teeder genoeg gedraagt, dan trekt God Zijn licht en liefde in.

9. Erkent toch de allerminste vonkjes van genade, want die hebben zoowel het bloed van Jezus gekost als groote genade; zij zijn zoowel een almachtig werk van den Geest als de troost en blijdschap is; denkt dat gij God oneer aandoet om het niet te erkennen; neen, roept liever met den vader des kinds met tranen: „ik geloof Heer, kom mijn ongeloof te hulp.quot;

10. Weest toch nooit gezet om verzekerd te zijn of laat het met bewustheid en betuiging voor God zijn , dat gij wenscht heiliger te zijn; dat het u niet alleen te doen is om troost en blijdschap, maar om tot eere van God te zijn, en om de genade te beantwoorden door een heilig gedrag; dan zal de Heere zich niet onbetuigd laten.

11. Eindelijk, als God u eens eenig licht geeft, bewaart het getrouw, schat het hoog, zijt er dank-

91

-ocr page 214-

92 Van de Verzekering.

baar voor en blijft toch altijd nederig en ootmoedig,

want aan zulk een gestalte beeft de Heere een wel bebagen.

Ziedaar wat wij te zeggen badden van de verzekering; nu moet ik dit nog ten onzen nutte wat nader aanleggen, en vooral eerst tot overtuiging van natuurlijke menschen, en dan nog een woord tot Gods volk.

Vraagt iemand, wat hebben natuurlijke menschen toch voor nut van dit gesprokene, zij „begrijpen toch niet de dingen die des Geestes Gods zijn!quot; Ik ant- heid woord, bet kan eensdeels dienen om ben op het i® Christendom te doen verliefd worden, om ook naar zulk een staat begeerig te zijn, daar men getroost zlft\\ kan leven en sterven; anderdeels kan het ben over- renc tuigen, dat zij, als ze gerust zijn, op valsche gronden 1 bouwen ; want is er zooveel aan gelegen om verze- nie^ kerd te worden voor een kind van God, zoo hebben zij reden om zich op het nauwkeurigste te beproeven, en \' vooral nu zij weer ten Avondmaal zouden gaan, om ^ zich geen oordeel te eten en te drinken.

Kom dan verdwaasde zondaar, die zoo stil en ge- SS rust heengaat; ik heb zoozeer u niet in het oog, die 01111 openbaar in de zonden leeft en evenwel zorgeloos mis zegt, vrede, vrede, en zonder gevaar, daar het verderf u over het hoofd hangt, maar ik zie vooral op zulken, dio burgerlijk in hunnen wandel en uitwendig godsdienstig zijn, en die de satan zoekt in slaap te wiegen; om op gronden, die de proef van Gods Woord niet kunnen uithouden, hen te doen storten in het verderf; wij moeten uwe gronden eens ophalen, of het den Heere behaagde u aan uzelven te ontdekken eer het te laat is ; wat is het toch dat u zoo verzekerd doet zijn ?

1. Is het omdat gij kennis hebt van de waarheden,

ja zei geen leera; bang hem dat i zoo 1 Juda apos even

-ocr page 215-

Van de Verzekering.

93

wel-

rze-

ider lur-lolk. ^hen ;och

ja zelfs eene klare en uitgebreide kennis? o, dat is geen grond om op te bouwen; al was iemand een leeraar, die de waarheden schoon in haren samenhang en onderscheiden kon voorstellen, dat maakt hem tot geen Christen; Paulus zegt: „al ware het dat ik alle de kennis had, en ik had de liefde niet, zoo ware ik nietsquot;, 1 Cor. XIII : 2, wie weet hoever Judas in de kennis gevorderd was, want hij was een apostel en genoot het onderwies uit Jezus mond, en evenwel was hij „een zoon des verderfsquot;; de waaruit* heid moet aan de ziel waarheid worden, of daar het is •i6 minste grond niet om er op te bouwen. aar 2. Of is het omdat gij burgerlijk in uwen wandel )ost , niemand tekort doet, ja godsdienstig, verkee-\'er. rende met godvruchtigen ? \'tis wel goed, en het kon Jen de weg zijn om u tot God te brengen, maar het is •ze. niet genoeg; wij hebben in de voorgaande verhan-)en deling getoond, hoever iemand het kan brengen, 3n) en evenwel nog kan verloren gaan.

om 3. Of denkt gij dat gij genade hebt omdat God u naar de wereld zegent met tijdelijke goederen, alsof tq. gij Hem daarom aangenamer waart? of een ander, Jie omdat hij geslagen en met tegenspoeden bezocht wordt? ,os misbruikende daartoe het zeggen van Paulus: „die 3r. de Heere lief heeft, die kastijdt hijquot;, Hebr. XII: 6. 0p O, ellendige gronden, eenerlei ivedervaart immers den •n. rechtvaardigen en goddeloozen: dien , die God vreest ap en dien , die Hem niet vreest! Geeft God u zegenin-(Js gen ? het is uw deel in dit leven, en zoo gij anders Bn niet hebt, gij zijt arm genoeg; of zendt Hij u tegen-spoeden toe? het zijn beginsels en voorboden van t- eeuwige smarten, zoo gij niet bekeerd wordt. )0 4. Of denkt gij, ik ben van godvruchtige ouders geboren en opgevoed, en van jongs af zijn die in-

1

-ocr page 216-

94 Van de Verzekering.

drukken reeds in mij gelegd; mijne ouders hebben Por8e] menigmaal met en voor mij gebeden, mag ik daar l0111 21 niet op bouwen? I6611 (

Och neen, het is wel heugelijk en wenschelijk; P00 11 het heeft u van vele zonden bewaard , waartoe gij J1 mogelijk anders zoudt gekomen zijn, maar uwe ouders I\'16^ kunnen uw hart niet veranderen, de genade is geen |rerze erfgoed; Ismaël was ook van den godvruchtigen vader | ^an \' aller geloovigen, Abraham, en wij lezen evenwel | breed nergens, dat hij bekeerd is geweest; Ezau had een | ?™nc godvruchtigen vader, Izaak, en evenwel was hij ver- z worpen! Cham, die vervloekt was, had een god- |ryaar vruchtigen vader, Noach. tevre

5. Of denkt gij, ik bouw nog op vaster gronden, l13\' quot; die Gods Woord opgeeft; ik heb liefde tot de god- , 7quot; vruchtigen, en Johannes zegt, dat hij „die uit God (Jaan geboren is, de broeders lief heeftquot;; o ja, ik hoor vera\' daarne en liefst ernstige en getrouwe leeraars; maar ra^ 1 dit is ook geen grond om zorgeloos op te zijn; want vlt; dat gij liefde hebt tot godvruchtigen is mogelijk, i\'e(^a omdat gij er voordeel van of door geniet, omdat zij Joen met uw humeur overeenkomen en vriendelijk en ^61 bescheiden zijn; maar is het wel omdat zij Gods beeld dragen? hebt gij hen zoo lief als zij u getrouw waarschuwen, als wanneer zij u wéldoen en naar uw ■ harte spreken? en wat de liefde tot ernstige leeraars ^ \' betreft, Herodes hoorde Johannes ook gaarne en an hield hem in waarde, en evenwel bleef hij goddeloos. ^aa

6. Of denkt gij, ik mag mij wel verzekeren,

want ik hen van leeraars zelfs wel verzekerd, als ik . 0 eens op een krankbed lag, en ik zou er op naar de 0 eeuwigheid gegaan zijn, en die weten immers wel 1 wat er toe behoort?

Ik beken, dit kan wel een grond zijn van uwe

stof

U t(

-ocr page 217-

Van de Verzekering.

zorgeloosheid, wanneer men hierin niet getrouw is Dm zielen te behandelen; o het is wat te zeggen op een doodbed bij menschen te komen, die dikwijls zoo nabij komen, en die naar troost begeerig zijnde, iet minste woord tot hun voordeel opvatten ; maar iet kan u evenwel niet helpen, al had men u eens verzekerd. Leeraren kunnen niet anders oordeelen (Jej. i dan naar hetgeen gij zegt; nu kunt gij misschien te wel | breed van uzelven hebben opgegeven, en op die een I ?ronden die gij voorgaaft, konden zij maar bouwen ; er-|wij zijn geen hartenkenners, en gelooft het, die waarlijk God vreezen , kunnen noch willen zich ooit evreden stellen op het zeggen van een ander, bet |is: „Heere, zeg Gij tot mijne ziel, Ik ben uw heil!quot;

7. Of gij bouwt misschien uwen staat op voorbaande overtuigingen, en dat die overtuigingen eenige veranderingen in u hebben teweeggebracht? maar dat is ook een zandgrond ; want misschien waart gij te voren openbaar goddeloos of hadt een grove zonde gedaan, daar uw geweten door beroerd werd, en toen naamt gij voornemens, gij woudt anders gaan leven; maar als die overtuiging weer gestild was, zijt gij wederom dezelfde, ja erger geworden, en het pal u daarom te zwaarder zijn.

Zijn dan al deze dingen maar zandgronden daar gij op bouwt? wat is uw staat rampzalig en ellendig; dan hebt gij geen recht tot het Avondmaal, wij waarschuwen u om toch niet toe te naderen, blijft liever terug; belijdt uwen ellendigen toestand voor God, bidt Hem, dat Hij u wil terecht brengen, eer het nog te laat is.

Maar volk van God, die nog onverzekerd zijt, deze stof is vooral tot u gericht, om, ware het mogelijk, u tot licht te brengen; staat nu vooral naar bewus-

95

ben laar

i)k; gij Iers

een 1

-ocr page 218-

Van de Verzekering.

heid van uwen staat, nu gij u weer toebereidt om ten Avondmaal te gaan; laat u toch nu niet beroeren; wij hebben de gronden, waaraan gij u beproeven moet, uit Gods Woord voorgesteld, legt uw hart daar bij neder, en al vindt gij zoo klaar alle ken-teekens niet, ziet maar of gij de wezenlijkste niet ondervindt; wordt gij omtrent uwe vurige werkzaamheden geschud, ziet of gij nu voor tegenwoordig niet hebt een hartelijke begeerte naar den Heere Jezus, en een ernstig voornemen des harten om voor God te leven, met verlating van den dienst der zonden, en kunt gij dat in oprechtheid betuigen, al zijt gij dan niet verzekerd, gaat evenwel aan het Avondmaal ; misschien zal God u daar eens ontmoeten en met het uitwendig zegel, het zegel van Zijn Geest aan uw harte geven.

En gij die van uw deel aan God verzekerd zijt, o, wat is uw staat onwaardeerbaar! niet alleen genade te hebben, maar te zien dat gij die hebt, dat is een dubbele genade ; wat is het heilzaam in het licht te wandelen, daar er zoo velen duister heengaan; dankt er toch God voor, zoekt die genade teeder te bewaren (de middelen hiertoe zullen wij in de volgende verhandeling aan de hand geven); weest voor bekommerden tot besturing en opwekking; gaat nu vrijmoedig en blijmoedig ten Avondmaal , verlangt er naar, omdat gij daar weder gelegenheid zult hebben om u plechtig aan den Heere te verbinden; en verlangt ondertusschen naar het Avondmaal van de Bruiloft des Lams, waar uwe verzekering nooit weer zal worden afgebroken, maar waar gij eeuwig met blijdschap God zult dienen voor Zijnen troon.

AMEN.

S6

-ocr page 219-

VIERDE VERHANDELING

WAARIN AANGETOOND WORDT WAAE HET VAN DAAN KOMT, DAT VELE VAN GODS KINDEREN ZOO BEKOMMERD EN TWIJFELMOEDIG HEENGAAN OP DEN WEG NAAR DEN HEMEL , EN WAARIN ZIJ IN DIE ZWARIGHEDEN WORDEN BEMOEDIGD EN OPGEBEURD.

adat wij in de voorgaande verhandeling spraken over de natuur van de verzekering en Gods volk opwekten om daarnaar te staan, dacht ik het nu noodig te zijn om de voorname redenen van bekommering, die hen beletten om tot een bestendige verzekering te komen, eens voor te stellen, en zooveel het mogelijk is weg te nemen, opdat ik langs dezen weg een medewerker hunner blijdschap moge zijn.

Om dan dit oogmerk te bereiken, zal ik:

1. Bewijzen dat zulke twijfelingen en bekommeringen kunnen plaats hebben in ware begenadigden, ja maar al te veel gevonden worden.

2. De voorname gronden waaruit die bekommeringen voortkomen, opgeven.

3. Dan zal ik trachten geneesmiddelen aan de hand te geven, om zulke verlegene en klagende zielen te recht te brengen. En eindelijk:

4. Eenigen raad en bestuur, hoe zij nu moeten handelen, om aan het Avondmaal te gaan, tot hun nut daar bij voegen.

Vooreerst, dat er in Gods kinderen, die waarlijk in den staat der genade zijn, vele bekommeringen

7

-ocr page 220-

Van de Bemoediging.

plaats kunnen hebben en waarlijk maar al te veel gevonden worden , dat bewijs ik :

1. In het algemeen uit Gods Woord, dat ons leert, dat de weg naar den hemel eene enge weg en de poort nauw is, Matth. VII : 13 , 14; dat de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, 1 Petr. IV : 18; dat men strijden moet om in te gaan, Luk. XIII: 24.

2. In het hijzonder leert het ons, dat er een zwak en sterk geloof is; daar zijn zoowel gekrookte rieten als eikenboomen, waar uit volgt, dat de één met meer schudding en twijfelmoedigheid leeft dan de andere.

3. De voorheelden van voorname heiligen die zoo getwijfeld hebben , bevestigen het; David zelfs bad om den vrijmoedigen Geest en om de vreugde van Gods heil, ten bewijze dat hij die miste, Ps. LI:14; en Ps. XXX : 8: „als gij Uw aangezicht verbergdet, werd ik verschrikt.quot; Hoe klaagde Asaph, Ps. LXXVII : 8—10: „dacht ik aan God, zoo maakte ik misbaar; peinsde ik, zoo werd mijne ziel overstelpt ; zal dan de Heere in eeuwigheid verstooten, en voortaan niet meer goedgunstig zijn? houdt Zijne goedertierenheid in eeuwigheid op ? — heeft God vergeten genadig te zijn? heeft Hij Zijne barmhartigheden door toorn toegesloten ? dit krenkt mij.quot; Hoe klaagde Heman, Ps. LXXXVHI : 16: „van der jeugd aan ben ik bedrukt en doodbrakende, ik drage Uwe vervaarnissen , ik ben twijfelmoedig.quot; En dat blijkt uit zoovele klachten der heiligen, over verberging van Gods aangezicht, en daaruit voortkomende duisterheden , als Ps. XIII: 2 , en in de Kerk Ps. CH : 4—9 en dergelijke.

4. De ervarenheid van alle tijden leert het mede. Vele van Gods kinderen, in hun eersten overgang,

98

-ocr page 221-

Van de Bemoediging.

wandelen wel eens in het licht en met veel vei troosting en blijdschap; vooral zoo zij op eene aangename en beminnelijke wijze geleid worden; maar komen zij eens wat verder, als God de invloeden van Zijne genade wat intrekt, als de Satan begint te toonen dat hij vijand is en de verdorvenheden, welke in dien eersten ijver schenen ten ondergebracht te zijn, weer aan den gang raken , dan worden zij duister, dan beginnen zij te denken, wie weet of het nog wel ooit oprecht geweest is , want zij hebben nog niet geleerd door het geloof te leven , maar wel door gevoel.

Anderen leven van het begin af in veel duisterheid; zij durven niet gelooven dat hunne overtuiging waarheid is, gelijk de dagelijksche ervarenheid ons leert.

Het blijkt dan dat liet waar is, dat er bekommeringen in Gods kinderen plaats hebben , en deze merken wij tweezins aan :

1. Of zulken die nog maar eerst beginnen , daar men de gegronde hoop van heeft dat God met Zijn Geest in hun werkt, maar die gestadig geschud worden of het wel waarheid is.

2. Of zulken die langer op den weg zijn geweest, en voorheen wel eens in het licht hebben gewandeld, maar nu in vele duisterheid en naarheid heengaan.

In dezen kunnen de twijfelingen aangemerkt worden als een schielijk toeval, dat hen , hoewel teeder en hartelijk voor God levende, in de oefening van geloof en liefde , op het onverwachtst door den satan als een pijl in het hart wordt geworpen ; wie weet, of gij wel oprecht zijt, of uw geloof wel het rechte is , doch door het licht, dat hun bestraalt en gewoon zijnde door het geloof te leven , wijzen zij dat van de hand; en hoewel het hun voor dien tijd wel eens

7\'

99

-ocr page 222-

Van de Bemoediging.

beroert en in verwarring brengt, werkt het nochtans daarna ten goede, om hen meer te bevestigen.

Dit ondervond David wel eens; als bij hem n\'s avonds het geween vernachtte, was er \'s morgens gejuichquot;, Ps. XXX : 6; waarom hij in dat zelfde vers zegt: „een oogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven in Zijne goedgunstigheid.quot;

Dan zijn er ook anderen, die doorgaans zeer duister leven en daar het klagen als een kwijnende ziekte is geworden en die dikwijls zooveel hebben, dat zij het hoofd boven water kunnen houden.

En op dezen hebben wij voornamelijk het oog.

Laat ik nu ten tweede de voorname gronden van twijfeling eens voorstellen, naar de verscheidene onderwerpen in welke die plaats hebben; en wel:

A. In eerstbeginnende Christenen , die eerst op den \' weg komen en nog nooit zijn verzekerd geweest; de gronden van twijfeling zijn deze navolgende:

a. Dat zij vreezen, dat hunne overtuiging de rechte niet is ; omdat het niet met die naarheid en beroering is, als zij zien en hooren van anderen, wien hunne zonden als eene slagorde wordt onder het oog gebracht; die God zien in Zijne heiligheid en rechtvaardigheid; die de hel voor zich als geopend zien; zoo, denken zij, mocht het met hun ook geweest zijn, en dat zooveel te meer, als zij zien op hunne zonden, die in hun natuurstaat zeer groot, ja boven anderen zijn geweest; zij hebben volop de wereld gediend; v zij zijn vijanden geweest van God en Zijnen dienst, ja, hebben misschien wel aan buitensporigheden zich schuldig gemaakt; o, denkt zulk een, hoe zou het mogelijk zijn, dat ik zoo gemakkelijk zou bekeerd worden, daar burgerlijke, godsdienstige menschen dikwijls als langs den rand van de hel geleid worden;

-100

-ocr page 223-

Van de Bemoediging.

en dus wilden zij wel eene evenredigheid hebben tusschen hunne zonden en overtuigingen, eer zij durven gelooven, dat het waarheid zou zijn.

b. Anderen zijn bekommerd, omdat zij den tijd en de plaats van hunne verandering niet kunnen noemen, gelijk velen, die dag, uur en oogenblik, bij wat gelegenheid, van ziekte, of onder een predikatie, of aanspraak, noemen kunnen, wanneer God hen in het hart heeft getroffen; maar dit weten zij niet; zij leefden van jongs af met een ontwaakt geweten; zij werden burgerlijk, ja godsdienstig opgevoed, zij hadden nooit gelegenheid om diep in de wereld gewikkeld te worden, maar voegden zich al van jongs af bij godvruchtigen, zonder dat nogthans het hart , waarlijk veranderd was; wanneer God nu daarna in het hart door Zijnen Geest werkt, durven zij niet besluiten, dat het ware genade is, vooral wanneer het werk stilletjes en bedaard is toegegaan, zonder veel naarheid; dat het hart allengskens werd overgehaald tot God en Zijnen dienst; dan vreezen zij, dat het maar vruchten zijn van een beschaafde opvoeding , van een zacht humeur, van een natuurlijken afkeer van de wereld; omdat zij niet weten te zeggen wanneer het werk in hun begon.

En ik beken, dat zulken zoo gemakkelijk het goede niet altijd kunnen besluiten over zich zeiven en, wan-neer het hun bestreden wordt, al klare kenteekens noodig hebben om er zich\'op gerust te stellen.

Anderer bekommering komt voort, omdat zij, ofschoon levende in de wereld, niet schielijk en op eenmaal zijn bekeerd, maar dikwijls zeer langzaam (niet aan de zijde Gods, want de eerste levendmaking geschiedt op een stond, maar aan hunne zijde); zij kregen onder den godsdienst al menigen slag op het

10-1

-ocr page 224-

Van de Bemoediging.

geweten, die lang afgekeerd, verzet en tegengegaan werd ; bij elke gelegenheid klopte God alweer eens aan het hart, maar dat werd niet opgevolgd; daar was wel een voornemen , dat men anders zou gaan leven, maar dat werd alweer gestuit en niet achtervolgd met een dadelijk overgeven van zich zeiven aan God en Christus, totdat God hen eindeliik te machtig werd en het hart geheel en al overhaalde cm Hem te dienen.

Nu zullen dezen zeer bekommerd zijn of hun werk Wel waarheid is; want, zeggen ze, ik was voor dezen ook zoo bijna overtuigd en al nader dan ik nu geweest ben , en het is weder overgegaan; wie weet of het nu beter is; misschien als dezelfde gelegenheid van zondigen mij andermaal voorkwam , dat ik lt; alweer dezelfde zijn zou.

d. Velen zijn bekommerd, dat zij de zonde tegen den Heiligen Geest gedaan hebben, en dan denken zij,

er is toch geen vergeving; of men al berouw heeft, of men bidt, smeekt, worstelt om genade, het is alles vruchteloos; want Christus zegt: „die zonde zal niet vergeven wordenquot;, Matth. XII : 32. En hier gaat al dikwijls een list van den duivel mede gepaard, om zulk een bekommerde te doen stilzwijgen, dat hij dit aan niemand zou openbaren; och, zegt hij, dat is te gruwelijk, dan dat het iemand wéten zou! en met die gedachten kan een ziel lang worstelen en bezwaard zijn , daar zij, indien ze die bezwaarnis \' aan anderen bekend maakte, er van zou kunnen ontheven worden.

e. Sommigen vreezen, dat zij niet uitverkoren zijn, en zoo zij niet uitverkoren zijn, zullen zij toch niet zalig worden; en die kommer maakt hen niet alleen moedeloos, maar ook werkeloos, zoodat zij de handen

102

-ocr page 225-

Van de Bemoediging.

slap laten hangen, want alles is dan toch vergeefs.

/. Anderen (en dat heeft nog meer plaats in meer bejaarden) vreezen dat het voor hun te laat is, dat zij te lang hebben gewacht, en hunnen besten tijd en krachten hebben versleten in den dienst der zonden en der wereld, en dat God hen nu niet aannemen zal; en dat is toch de list van den duivel; als de menschen nog jong zijn, dan zegt hij, het is nog tijds genoeg, wildet gij uw besten leeftijd zoo treurig leven? men moet ook wat van de jeugd, van de wereld hebben: als gij tot wat meer jaren komt, dan is het tijd om aan den dood en de eeuwigheid te denken; en als zij dan oud worden , dan is het: nu is het te laat; om hen dan te beroeren.

Dit zijn de voorname gronden van bekommering die zich opdoen in eerst overtuigden, daar men de hoop van heeft, dat hunne overtuiging hen op den rechten weg zal brengen.

B. Nu zijn er ook nog vele twijfelingen in zulken, die langer op den weg naar den hemel geweest zijn , waarvan sommigen voorheen wel wandelden in het licht, maar nu in het duister zijn; of ook wel sommigen, die nog nooit tot zekerheid van hunnen staat hebben kunnen komen.

De voorname redenen van hun kommer zijn :

a. Omdat zij de kracht der verdorvenheden nog zoo levendig voelen, en zij zoo onmachtig zijn om tegenstand te bieden : och, zegt zulk een ziel, hoe zou het kunnen zijn, dat zulk een hart als ik hebbe, een woonstede voor den Heiligen God zou zijn, daar nog zooveel onreine zonden en begeerlijkheden in zijn; ik word gedurig van God afgeleid, mijn hart wordt vervoerd eer ik het weet, hier door de ijdel-heid van mijn humeur, daar door haastigheid; dan

103

-ocr page 226-

Van de Bemoediging.

door gezetheid op mijn zin en lust; en hoe zou dat kunnen zijn, indien ik ware genade had ? dan wordt immers de zonde gedood; want Paulus zegt; „de zonde zal over u niet heerschenquot;, Rom. VI : 14; en wat voornemens ik menigmaal heb, ik word van de zonde overrompeld.

h. Sommigen laten zich schudden omdat zij zoo onwetend zijn, omdat zij geen klaarder, uitgebreider en juister kennis van waarheden hebben, maar verwarde begrippen; hoe 4ou ik , denken ze , met zulk een geringe kennis kunnen in den hemel komen, en dat zooveel te meer als zij anderen zien , die in de kennis der waarheden ver gevorderd zijn, en vermogens hebben om er van te kunnen spreken en anderen tot nut te zijn.

c. Anderen zijn bekommerd omdat zij zich met die blijdschap en ruimte aan den Heere in hunnen eersten overgang niet hebben kunnen overgeven als wel anderen; het was zoo bedwelmd en al bevende, met zooveel vreeze , dat het niet oprecht was, daar anderen zoo hartelijk en blijmoedig konden handelen.

d. Of omdat zij, ofschoon zich aan God en Zijnen dienst hebbende opgedragen , gelijk zij zeggen , dat ze niet beter weten, of zij deden hèt oprecht, niet meer groeien in de genade; zij zien anderen, die nog maar korten tijd op den weg zijn geweest, die loopen hun verre voorbij; die zijn zoo ijverig en ernstig, zoo vrijmoedig om voor God en Zijne zaak uit te komen; hun toenemen wordt aan allen openbaar; maar zien ze dan op zich zeiven, dat zij, hoewel al lang op den weg geweest zijnde, evenwel maar dezelfden blijven, ja dikwijls blijven stilstaan, daar dezen doorbreken , dan worden zij beroerd, dan denken ze, indien ik ware genade had, ik zou ook daarin

104

-ocr page 227-

Van de Bemoediging.

toenemen; want „die in het huis des Heeren geplant is, dien wordt het gegeven te groeien in de voorhoven onzes Godsquot;, Ps. XCII: 14; en daarom vrees ik of ik nog wel in Gods huis geplant ben.

e. Nog een grond van twijfeling in velen is, omdat zij voor dezen wel eens verzekerd waren van de genade, maar nu zijn ze zoo duister, en zij zijn evenwel niet bewust, dat er merkelijke zonden tusschen beiden zijn geweest, en daarom vreezen zij, was het maar verbeelding; want was het waarheid geweest, zij zouden nu zoo duister niet zijn; God zou het licht van Zijn aangezicht wel eens laten schijnen.

f. Anderen weten, als zij de wegen van God met hun gehouden eens nagaan, niets te zeggen van verandering , van wedergeboorte, van overgaan uit den dood in het leven, omdat zij al van jongs af bekeerd zijn; daar waren in hunne kindsheid reeds zoete bewegingen van liefde tot den Heere Jezus, van haat en afkeer van de zonden, van lust tot het hooren van Gods Woord; maar kwamen zij tot wat meer jaren, als de begeerlijkheden wat sterker begonnen te woelen, dan verslapten die bewegingen wel eens; evenwel, God hield er de hand aan, het werd alweder eens opgewekt; de haat en afkeer van de zonden en de wereld, de liefde tot God en den Heere Jezus, tot den dienst van God en de godvruchtigen, nam al meer toe; en zoo wandelden zij al stilletjes voort op den weg; wanneer nu zulk een mensch anderen hoort spreken van wezenlijke verandering, dan begint hij alles verdacht te houden en denkt, dat al wat hij ondervonden heeft, maar kinderlijke bewegingen waren, en de vruchten van eene godvruchtige opvoeding; want hij heeft nooit zulk een verandering ondervonden.

10amp;

-ocr page 228-

Van de Bemoediging.

(j. Velen wordeft wel eens geschud en twijfelmoedig, wanneer zij zien op den voorspoed der goddeloozen, die het aan alle kanten voor den wind gaat, die geene banden hebben tot hunnen dood, en zij integendeel, zij zwoegen onder zoovele tegenheden; de een onder armoede en schaarschheid in zijn tijde-lijk bestaan, levende vol zorg en kommer; een ander met langdurige lichaamszwakheden, pijnen en ellenden ; anderen met veel verdriet en tegenheden in de zijnen; dit ziende, gaan dezen wel eens een verkeerd besluit opmaken en zeggen met Gideon: „zoo de Heere met mij is, waarom is mij dit alles wedervaren?quot; Richt. VI; 13. Och! zeggen zij, zou God mijn Vader zijn, en zou ik in zooveel armoede en kommer leven , komt dat met Zijne Vaderlijke liefde overeen ? zou Hij niet als een Vader voor mij zorgen? gewisselijk „mijn weg is voor den Heere verborgen, en mijn recht gaat van mijnen God voorbijquot;, dit was ook de toestand van Asaph, eer hij in Gods heiligdom werd- ingeleid, Ps. LXXIII; en het is niet te verwonderen dat het de ziel wel eens kan beroeren, want het is wat te zeggen van alles ontbloot zijnde, met Job op den mesthoop, dan nog te zeggen : „de Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen , de naam des Heeren zij geloofdquot;. Job I; 21.

h. Nog weer zijn er sommigen die aan hun staat twijfelen omdat zij met zoovele zondige, ja gruwelijke en Godonteerende gedachten te worstelen hebben; zijn ze onder den godsdienst, in hunne eenzaamheid, zelfs onder het bidden, het hart wordt ginds en herwaarts heen verstrooid , ja daar komen wel op het onverwachtst gedachten in op, daar men van schrikt en beeft; men zou het voor geen nog zooveel aan anderen durven zeggen; dat nu, denken zij, kan

-lOö

-ocr page 229-

Van de Bemoediging.

met geene genade bestaan; daarom veroordeelen zij zich zeiven.

i. Nog weer een ander zegt, ik durf althans niet hopen dat mijn werk goed is, want het leven der genade is een verborgen leven, dat meest in het eenzame wordt geoefend; maar ik ondervind dikwijls het tegendeel; want als ik bij menschen ben, dan gelijk ik nog wel naar een Christen; ben ik in een godvruchtig gezelschap, ik kan nog wel meê spreken, ja wel eens hartelijk meê bidden; en in mijnen wandel zie ik wel, dat ik van de wereld onderscheiden ben; ik heb andere lust en geneigdheid; onder den godsdienst is mijn hart wel eens opgewekt, maar ik kom niet in mijne eenzaamheid, of mijn ijver en aandacht is weg; ik kan met geene gezetheid denken aan God of goddelijke waarheden; mijn bidden is flauw en slechts als een plichtvverk; ik ben doorgaans in mijne eenzaamheid dor en doodig, dat is immers de rechte aard van geveinsden, die voor anderen wat schijnen en eene gedaante van godzaligheid vertoonen, maar de kracht er van verloochenen! o ik vrees, dat ik maar op het best genomen van die ben, die anderen den weg wijzen en dien zelf niet bewandelen.

k. Eindelijk (want wie kan alle zwarigheden opnoemen) zegt nog iemand, ik vrees, dat ik in alles wat ik doe, geen goed oogmerk heb\', dat ik niet de eere Gods, maar mij zeiven bedoel; ga ik bij vromen, het is meer om te stichten dan om gesticht te worden; doe ik iets dat waarlijk goed is, ik behaag er mij zeiven dikwijls in; ik voel vele vonken van hoogmoed ih mijn hart; dat is immers iets dat in Gods kinderen niet kan vallen? en daarom verwerp ik wel geheel mijnen staat.

Ziedaar de zwarigheden die Gods kinderen hebben,

107

-ocr page 230-

Van de Bemoediging.

waarom zij zoo twijfelmoedig op den weg naar den hemel heengaan.

Nu moet ik ten derde tegen alle deze kwalen gepaste geneesmiddelen aan de hand geven, om zulke klagende, bekommerde en door onweder voortge-drevene zielen te recht te helpen, opdat zij met meer gemoedigdheid hunnen weg mogen bewandelen; ik zal elk dezer zwarigheden in het bijzonder beschouwen.

In eerstbeginnende Christenen ontstond hunne bekommering :

1. Omdat hunne overtuiging met geen meer naarheid en beroering is geweest, gelijk het in anderen wel gebeurt; maar ik zeg:

a. Leert toch onderscheidenlijk acht geven op de wegen Gods; God leidt alle Zijne kinderen niet op dezelfde wijze; de een wordt door een bitter Mara en de ander door een liefelijk Elim naar Kanaan geleid ; ja somtijds zal God wel ztdken, die het meest buitensporig in de zonden geweest zijn, op het liefelijkste lokken en noodigen tot Zijne gemeenschap, en hun geen meer zondengezicht en overtuiging geven dan zij noodig hebben, om hen tot Jezus te brengen; ja van het begin hunner overtuiging af het oog op Jezus en Zijne algenoegzaamheid doen vestigen, waardoor alle naarheid wordt weggenomen; en anderen, die burgerlijk hebben geleefd, ja godsdienstig en zedig waren, wel eens door zulk zzn naren weg leiden, dat ze als de spranken van de hel in hunne conscientie gevoelen , waardoor de Heere hen wil leeren, dat het steunen op eigengerechtigheid evenzoo verfoeielijk voor Hem is, als openbaar in de zonden te leven; leert dan tot uwe bemoediging de verscheidene wegen Gods kennen.

b. Meet uzelven nooit aan anderen\\ denkende die

108

-ocr page 231-

Van de Bemoediging. 109

zijn zoo en zoo naar geweest, en daarom moet ik zoo zijn; want een anders bevinding is onze regel niet, maar het Woord van God; nu leert Gods Woord nergens hoe groot en hoe naar de overtuigingen moeten zijn; maar als iemand verlegen is, wordt hij gewezen naar Christus, dat is de eenige weg, het geloof in f Hem; blijft dan niet staan op de grootheid uwer overtuiging, maar op de waarheid van dezelve; gij zult zeggen, dat is wel gezegd, op de waarheid, maar hoe weet ik dat het waarheid is? dat is al mijn kommer! wel, zoudt gij durven ontkennen, dat uwe overtuigingen u niet hebben gebracht tot Christus? zaagt gij niet zooveel in de zonden, dat gij geloofdet dat gy Jezus van noode hadt en zonder Hem voor God niet bestaan kondt? ja dreef het zonden-gezicht u niet als een ellendige tot Hem, om het leven van uwe ziele bij Hem te zoeken? zegt ge, ja dat durf ik niet ontkennen, dat Jezus mij niet dierbaar en geheel dierbaar is; wel, dan verzeker ik u, dat uwe overtuiging groot genoeg is; want dat is het einde daarvan, als ze een mensch als een ellendige naar Jezus drijft; en als het dat ook niet is, al was iemand nog zoo naar, het zal hem eer wanhopende met Judas doen loopen naar den strop, dan dat het hem zou brengen in den hemel; want niet de grootheid van de overtuigingen, maar Jezus en het geloof in Hem is de grond van zaligheid; en heeft God u op een zachte wijze tot Jezus geleid, dank er Hem voor; \'t is immers veel aangenamer zoo liefelijk gelokt te worden, dan met zooveel naarheid en beroering?

c. Ik raad u, weest nooit zoo dwaas om te wen-schen, dat gij de zonde in hare grootheid zoo moogt zien als ze is: want geen mensch hier op aarde was

-ocr page 232-

Van de Bemoediging.

daartoe in staat; men zou onder dat gezicht in wan- J

hoop moeten versmachten; daar zijn velen die dat 2

wel eens gewenscht hebben, en als God er hun maar c iets van deed zien, moesten zij bidden dat het toch \' i weer werd weggenomen; want dat ze het niet dragen ^ )

konden; ik moet hier zeggen, gelijk de Heere Jezus } tot de discipelen : „gij weet niet wat gij begeertquot;, ^ t Matth. XX : 22.

2. Of gaat uwe bekommering omdat gij den tijd s

en plaats van uwe verandering niet weet, maar dik- i

wijls met een ontwaakt gemoed wel zijt heengegaan; (

en dat gij daarom niet weet, waar gij het werk be- 1 ginnen moet? ik antwoorde :

a. Dankt er God voor, dat Hij u al uw leven met j

een ontwaakt geweten heeft doen heengaan; \'t is een (

bewijs, dat Zijn oog ten goede op u was, om u daar- i

door te bewaren voor vele zonden. i

h. Was uwe opvoeding stil en zedig? werdt gij i

niet veel ingewikkeld in de wereld? gij kunt ü dan ( te gemakkelijker daarvan aftrekken, daar anderen

dikwijls lang tusschen beiden staan. ]

c. Denkt dat het niet tot het wezen van de zaak doet, of gij den tijd van uwe verandering kunt noemen,

even weinig als het doet tot het wezen van een mensch \'

of hij het oogenblik van zijne geboorte weet of niet;

als hij maar weet dat hij een mensch is.

d. Ziet eens eenigen tijd terug en vraagt uzelven eens af, ben ik nu niet anders dan ik toen was? \\ zie ik de waarheden niet met een ander licht? voel

ik geen andere begeerten ? heb ik geen andere pogingen en werkzaamheden? kan ik wel berusten in het uitwendige, gelijk ik toen kon doen ? is het mij niet tot blijdschap als ik voel, dat de overtuigingen aanhouden , dat ze meer doorzetten, als ze mij naar

-110

-ocr page 233-

Van de Bemoediging.

Jezus drijven ? kunt gij op dit alles niet hartelijk ja zeggen ? welnu, werpt dan uwen staat niet weg, omdat gij den tijd niet weet wanneer God Zijn werk in u begon; maar zegt met den blindgeborene: „een ding weet ik, dat ik blind was en nu zie, maar hoe hij mij de oogen geopend heeft, weet ik nietquot;, Joh. IX : 25.

3. Zijt gij bekommerd omdat God u niet zoo schielijk en als op eenmaal, maar van tijd tot tijd uit de wereld getrokken heeft, en daarom in vreeze dat het nu ook wellicht weer zal overgaan, gelijk het te voren wel gebeurd is ? ik antwoorde:

a. Mogelijk is het vóór dezen, toen de overtuiging eerst begon, ook ware genade geweest, maar omdat God het zoo krachtdadig niet liet doorwerken, zijn die eerste vonkjes wat uitgedoofd; en door zulke wegen werd uw hart stilletjes van de liefde der wereld afgetrokken en als gereed gemaakt en toebereid tot een volkomen overgang tot God en Zijnen dienst, want de overtuigingen mogen weer zijn overgegaan, maar gingen ze wel zoo geheel over, dat ze niet nalieten een ontwaakt geweten, dat u voor veel dingen bewaarde, die gij met die ruimte niet durfdet of kondet doen als vóór dezen ? bleef er niet altijd vreeze en ontzag voor God in u over?

h. Onderzoekt eens of uwe vorige overtuigingen niet meer voortkwamen uit schrik en vreeze voor de rechtvaardigheid van God en de straf die op de zonde volgt, dan wel uit liefde en hoogachting voor God: ziet gij nu niet meer het verfoeielijke van de zonde zelve, omdat ze u zoo ongelijkvormig aan God maakt? ziet gij nu niet meer waardigheid en beminnelijkheid in den dienst van God dan te voren?

c. Heeft het nu niet al veel verandering in u

Ml

-ocr page 234-

Van de Bemoediging.

teweeggebracht, daar uw hart te voren nog zoo hunkerde naar de wereld, gaat het nu niet naar God en Christus uit? daar gij van de wereld en hare vermaken en gezelschappen niet kondet afstappen, wilt gij die nu niet verlaten en u voegen bij die den Heere vreezen ? daar uwe eenzaamheid u tot een last was, is het nu niet uw grootste vermaak en blijdschap? ondervindt gij dit, dan moogt gij hope scheppen , dat God de hand aan u gelegd heeft.

d. Zijt gij bekommerd, als gij dezelfde gelegenheid van zondigen kreegt, dat het weer zou overgaan ? die kommer is goed, \'t is een bewijs, dat u uwe onmacht ontdekt is, en het zal u te meer bij God doen aanhouden , dat het werk toch waarheid zijn moge.

e. En hier moet ik in het algemeen tot waarschuwing zeggen, tv ie gij zijt, wacht u toch zorgvuldig dat gij nooit de eerste overtuigingen in iemand tegengaat, opdat gij geen oorzaak zijt van het naar en troosteloos leven van eene ziele, die bij God dierbaar is, en gij, overtuigden, stuit het nooit in uzel-ven, laat de bewegingen die in uw hart zijn toch nooit door iets zondigs verzetten; daar legt het de duivel maar op toe, om u in zijnen strik te houden; neen, kweekt het aan, wekt het op door alle middelen , totdat het tot een volkomen overgave aan den Heere komt.

4. Vreest gij, dat gij de zonde tegen den Heiligen Geest gedaan hebt en geeft gij daarom alle hoop van zaligheid op?

a. Gelooft, dat het een list van den duivel is, om u moedeloos te maken , om u hierdoor als met een pak bezwaard te doen heengaan.

b. Gij zegt, ik heb die zonde gedaan, en ik geloof

-ocr page 235-

Van de Bemoediging. *• 113

niet dat gij zelf weet wat die zonde is; want indien gi] het wist, zoudt gij moeten overreed zijn, dat gij u daaraan niet hebt schuldig gemaakt; want de zonde tegen den Heiligen Geest kan niet gedaan worden dan door verstandigen, die wel overreed zijn van de waarheden, maar die dezelve zonder nood-* zaak, om tijdelijk voordeel, uit haat tegen God, verloochenen, zonder ooit berouw te hebben; want indien iemand die die zonde doet, zulk een berouw kon hebben, dat hem naar God toe dreef, voor dien zou zoowel vergeving zijn als voor anderen; maar God geeft zulken over aan de verharding van hun hart. Legt uw hart nu eens hierbij neder en vraagt uzel-ven af of gij ooit zulk eene zonde begaan hebt; ik weet dat gij moet antwoorden, neen; want dan zoudt gij geen berouw hebben, het zou uw gemoed zoo niet bezwaren; uwe zonden zouden u niet naar God heen-drijven om verzoening; laat u dan daardoor niet op-\'• houden.

5. Of denkt gij dat gij niet zijt uitverkoren en daarom niet zult zalig worden?

Maar wat grond hebt gij om dat te denken? hebt , gij in Gods verborgen raad gezien? dat zijn immers verborgene dingen, die voor den Heere zijn! zoolang i als iemand leeft, zijn er geen volstrekte bewijzen dat hij verworpen is, dan alleen de zonde tegen den Heiligen Geest; doch daarover zou ik evenwel nog quot; niet absoluut durven oordeelen, omdat de bevinding ons al geleerd heeft tot wat hoogte van zonden iemand kan komen en evenwel nog bekeerd worden; wij kunnen den rijkdom van Gods genade geen palen zetten; integendeel, de bewijzen dat men niet verworpen maar uitverkoren is, geeft Gods Woord over-» vloedig op, en dit is er één van, of men lust heeft

8

-ocr page 236-

Van de Bemoediging.

om God te verkiezen en heilis: te leven; vraagt dat ^ uw hart af, en ondervindt gij dat, dan moogt gi] u hierdoor niet laten beroeren.

6. Zijt gij bekommerd omdat gij vreest, dat het voor u te laat is, dat gvi te lang hebt gewacht ? dat is niets anders dan een list van den duivel; het kan immers nooit te laat zijn om genade bij God te zoe-ken! een overtuigend voorbeeld heeft God daarvan | gegeven in den moordenaar, opdat niemand zou wanhopen (hoewel het ook geen grond van zorgeloosheid mag zijn voor anderen); daar werden er zoowel „ter elfder uur als ter negende ure geroepenquot;, Matth. XX : 5 , 6; en hebt gij lang gewacht, te eerder is het tijd om u te haasten; God breidt Zijne handen den ganschen dag ook voor u nog uit, en Hij noodigt u tot Zijne gemeenschap.

Maar hebben wij aldus de zwarigheden van eerst-beginnenden zoeken weg te nemen en hen op te beuren, laat ik nu dezulken, die wat langer op den weg geweest zijn, doch nu twijfelmoedig zijn, ook een woord naar het harte spreken.

1. Was de oorzaak van uwe bekommering, dat gij nog zoovele verdorvenheden in u voelt, die bij de minste gelegenheid aan den gang raken, en vreest gij dat zulks met geen genade kan bestaan?

a. Weet, dat de genade de verdorvenheden niet uitsluit; het heeft God behaagd die in Zijne kinderen over te laten, opdat zij zich niet verheffen op de amp; ontvangene genade; opdat zij .Jezus en Zijn bloed zouden dierbaar achten en daarvan gebruik maken;

en opdat hun verlangen naar de volmaaktheid zou worden opgewekt; groote heiligen, zelfs een Paulus, klaagden daarover, Rom. VII.

b. Het moet ook tot uwe beschaming en veroot-

114

-ocr page 237-

Van de Bemoediging.

moediging zijn, dat gij niet ernstiger strijdt tegen de zonden, vooral tegen uw humeur en boezemzonden; dat gij niet meer waakt over uw hart, en daardoor zoo licht van dezelve overvallen wordt.

c. Maar onderzoekt eens tot uwe bemoediging hoe uw hart omtrent de zonden is aangedaan; wordt gij van dezelve teyen uwen ivil en opzet niet menigmaal overrompeld? en als gij de zonde doet, klopt uw hart er niet over? is het u niet tot innige smart, kunt gi] niet aan den Heere betuigen dat gij niets liever wenschtet dan om maar heiliger te zijn? dat de zonden in u mochten gedood worden ? Gaat gij met uw zondig hart niet menigmaal naar den Heere Jezus? niet alleen om verzoening in zijn bloed, maar om kracht door Zijnen Geest om ze tegen te gaan? Moet gij niet wel eens zeggen, o mijn God, ik kan het niet langer dragen, de zonden zijn als een zware last mij te zwaar geworden!

Is dat geen bewijs dat der zonde in u hare heerschappij benomen is en dat er een beginsel van genade in het hart is?

2. Zijt gij bekommerd, omdat gij zoo onwetend zijt, dat gij over waarheden heel weinig kunt spreken ?

a. Dat mag u wel tot beschaming, maar niet tot ongeloof brengen; gij moest er naar staan om meer in de kennis te vorderen.

h. Maar tot uwe bemoediging moet ik zeggen, gij hebt misschien in uwe jeugd niet veel gelegenheid gehad om u te oefenen! en toen God u aan uzelven ontdekt heeft, waart gij misschien in omstandigheden in de wereld, dat gij u niet zoo kondet oefenen, en dat weet de Heere.

c. Men kan met weinig kennis ook zalig worden,

8*

115

-ocr page 238-

Van de Bemoediging.

de maat heeft God niet bepaald; als gü maar de waarheden weet die tot zaligheid van noode zijn, en dat durft gij niet ontkennen.

d. Gij ondervindt mogelijk meer van de zoetigheid en kracht der waarheden dan anderen, die veel kennis hebben, en kunt er meer van zeggen bij bevinding dan over redekavelen met het verstand. en daar komt het vooral op aan.

e. En kunt gij hierdoor anderen niet tot zooveel nut zijn als gij wel wenschtet, weet, daar is verscheidenheid van gaven; doet maar wat gij kunt, dat is God aangenaam.

f. Troost u daarmede, dat de verandering voor u zooveel te grooter zal zijn , als gij eens in den hemel komt; daar uw gebrekkelijke kennis zal veranderen in volmaaktheid; wanneer gij zult kennen zooals gij gekend zijt.

3. Wordt gij geschud, omdat gij uzelven met die blijdschap en ruimte aan God niet hebt kunnen opdragen als anderen wel doen? wel, wat zwarigheid! het is waar, het is wel heugelijker als men zich dat herinneren kan , maar het maakt de waarheid van de zaak niet uit; een bevende hand en betraand oog is den Heere wonder aangenaam; men komt wel eens bevende tot den Heere en Zijn goedheid. Al kwam Esther met schroom tot den koning, met de gedachten in het hart, „kom ik om, zoo kom ik omv; de scepter werd haar evenwel toegereikt, en zij vond genade in \'s konings oogen, Esther IV : 10. In zulk een gestalte tot God naderende, is het geloof dikwijls reeds sterker dan wanneer men zoo blijmoedig durft toegaan; naderhand toont God wel eens Zijn genoegen , gelijk gij zelf mogelijk wel hebt ondervonden.

4. Bekommert het u, dat gij niet meer groeit in

116

-ocr page 239-

Van de Bemoediging.

de genade en dat anderen, die nog zoo kort op den weg zijn geweest, u voorbij loepen?

a. Dit mag en moet zeker wel tot uwe vernedering zijn, en het is geen wonder dat het u al eens doet stilstaan en denken, ben ik wel op den weg? of hoe is het, dat ik niet meer toeneem , daar er immers voor mij zoowel als voor anderen eene volheid is tot geestelijke vruchtbaarheid; onderzoekt dan, of de oorzaak niet aan uwe zijde is, en schaamt u er over voor God.

b. Maar het gebeurt ook wel door het vrijmachtig bestel van God, dat de eene meer groeit in de genade dan de andere; het gaat in de genade gelijk in de natuur: de eene mensch is veel eerder volwassen dan de andere; jongeren loopen menigmaal ouderen van jaren voorbij; \'t is ook zoo in het geestelijke, gij moet mogelijk (om heilige reden) als kwijnende heengaan onder vele zwarigheden en duisterheden, en anderen wandelen hunnen weg met blijdschap, en maken daardoor spoediger voortgang.

c. Gij groeit mogelijk reeds meer dan gij zelf weet, al is het zoo oogenschijnlijk en zichtbaar niet in u als in anderen; en de vruchten die gij draagt, zijn misschien al zooveel bewijzen van genade, indien gij het zien kondet, als in anderen ; o dat nederig en ootmoedig harte; dat aankleven aan den Heere, die dierbaar ad ding van den Heere Jezus; die uitgangen van liefde; dat afzien van al het eigene en het leven op de vrije genade, zijn dat geen verborgene vruchten, is dat geen toenemen ? Maar God verbergt het voor u, om u nederig te houden.

d. Anderen, die nu zulke groote stappen doen en toenemen, zullen mogelijk ook nog wel eens een tijd beleven, dat het zoo voorspoedig niet gaan zal; gij

1-17

-ocr page 240-

Van de Bemoediging.

zijt in het eerste wellicht meer gevorderd dan nu; zoolang als het eerste vuur nog brandt en de eerste ijver en ernst nog gaande is, breekt men door alles heen en verwint allen tegenstand; maar als dat wat verflauwt, dan schijnt het werk als stil te staan; doch dit zeg ik niet om eerstbeginnenden ter neer te slaan en hen moedeloos te maken, och neen, maar om ze te waarschuwen, dat zij aan den eenen kant toch waakzaam over zich zeiven zijn, dat zij in geene verachtering komen, maar blijven voortgaan op hunnen weg; en aan de andere zijde, dat zij niet liefdeloos of lichtvaardig over anderen oordeelen, en dezel-ven nog verder nederslaan; „die staat, ziet toe, dat hij niet valle; zijt niet hoog gevoelende, maar vreest.quot;

5. Of zegt gij, ik was voor dezen wel eens verzekerd , maar nu leef ik doorgaans zoo duister en daarom vrees ik dat het toen maar inbeelding was, want anders zou God zich nog wel eens aan mijne ziel openbaren! dit is eene zwarigheid, die in u voorkomt uit onkunde, want daar is niets gemeener, dan dat de hand des Heeren dikwijls verandert; leest het gansche Woord van God door, het is hier nu eens duister dan eens licht; God wil dat men door het geloof zal leven en niet door gevoel; gebeurt het eens dat Hij het hart gevoelig aandoet, het is als toewerp en tot aanmoediging op den weg, maar het zijn de gronden niet om op te bouwen en heeft de Heere in voorgaande tijden het u wel eens doen ondervinden en geloofdet gij dat uw werk toen waarheid was, dan is het immers nog waarheid, want God is getrouw, maar gij hebt dat licht mogelijk niet genoeg bewaard en zorgvuldig op uwen wandel gelet; en daarom heeft de Heere zijn aangezicht voor u verborgen; vernedert u dan wel deswege, doch werpt

118

-ocr page 241-

Van de Bemoediging. 119

*

uwe vrijmoedigheid niet weg; als gij niet ziet, moet gij gelooven.

6. Zijt gij bekommerd, omdat gi] van geen wezenlijke verandering weet te spreken, maar al van jongs af met veel indrukken waart aangedaan? ik antwoord: a. Dat men van jongs af kan bekeerd zijn, gelijk Gods Woord ons leert in Obadja, Jeremia en Timo-theus en buiten Gods Woord zijn er vele voorbeelden van; het is dan niet ongemeen zoo God u daar ook toe verwaardigd heeft.

h. Gij moet uwen staat niet beproeven aan zulke kenteekens, die behooren tot de wedergeboorte en het eerste beginsel van genade, maar aan zulke, die Gods kinderen ondervinden zoolang als zij op den weg naar den hemel zijn; komt, staat dan niet op het beginsel van genade, maar onderzoekt eens hoe gij u nu tegenwoordig bevindt, kent gij u zelcenmet als geheel zondig, walgelijk en onrein? is er wel iets in u daar gij op zoudt durven bouwen, om er mede voor God te bestaan ? integendeel, moet gij niet zeggen, het is of ik hoe langer hoe zondiger word! dat is een bewijs dat gij ontdekkend licht hebt om uw zondig hart te kennen; nog eens, voelt gij niet dat uw hart in geloofs- en liefdes-uitgangen naar God en Christus werkzaam is ? Hebt gij geen hoogachting voor den Heere Jezus, is hij u niet dierbaar, ja, boven alles dierbaar, draagt gij uw hart niet menigmaal aan hem op en ten bewijze dat het u ernst is, hebt gij niet een hartelijken lust en gezindheid om voor Hem te leven, en al uwen tijd en krachten in zijnen dienst te besteden?

Moet gij zeggen : dat durf ik niet ontkennen, wel dan hebt gü ook geen reden om uwen staat te verwerpen of moedeloos te worden; geeft er God de eere

-ocr page 242-

Van de Bemoediging.

van en dankt Hem, dat Hij u van jongs af hier toe verwaardigt heeft.

7. Worden anderen geschud, wanneer zij zien op den voorspoed der goddeloozen en dat hun weg in zoovele tegenspoeden is, gelijk Asaph, Ps. LXXIII.

Daar is even weinig grond voor u, om u daarover zoo te bekommeren, als er voor Asaph was; want a. Daar is geen waarheid zoo zeker, dan dat „de tegenspoeden des rechtvaardigen vele zijn,quot; en dat God „kastijdt dien Hij lief heeft,quot; Hebreën XII: 6. Ja zelfs zijne liefste kinderen moeten wel eens onder de zwaarste tegenspoeden worstelen, daardoor wil God hen spenen van de wereld en vele deugden in hun bevorderen; en hebben de goddeloozen voorspoed: het is al dikwijls in Gods toorn en op zijn best maar hun deel in dit leven; zoo merkte het Asaph aan, toen hij in het heiligdom geleid was, Ps. LXIII : 18. Houdt u dan niet vreemd zoo gij ook met tegenspoeden bezocht wordt.

h. Ondervindt gij niet menigmaal in het midden van alle uwe tegenheden dat God toont met u te wezen, dat Hij u uit vele benauwdheden redt en dat wel meest, als gij geen raad of uitkomst ziet, welnu leert daar uit, dat God voor u zorgt, dat zijn vaderlijk oog op u is, dat Hij u niet begeeft of verlaat; en als gij dit opmerktet, zou het meer tot bevestiging van uwen staat zijn, dan om dien te verwerpen.

c. Onderzoekt u eens, of gij de gezegende vruchten van de verdrukkingen ook niet wel ondervindt; maakt het uw hart niet wel eens los van de aarde, om uw deel in dit leven niet te zoeken ? wekt het uw verlangen niet op naar den hemel? leert gij niet al dikwijls uw vertrouwen van het schepsel aftrekken, als ongenoegzaam, en op den Heere alleen te stellen ?

■120

-ocr page 243-

Van de Bemoediging.

dat zou immers bewijzen, dat de verdrukkingen voor u medewerken ten goede.

8. Zegt een bekommerde, ik heb altbans reden om aan mijnen staat te twijfelen, want ik durf niet zeggen, wat gruwelijke gedachten er al in mijn hart opkomen, en veelzins als ik in de heiligste plichten bezig ben; tot uwe bemoediging zeg ik :

a. Dit is niet ongewoon aan Gods volk, vele voorname heiligen hebben daarover geklaagd en het ondervonden , houdt u dan niet vreemd zoo gij het ook ondervindt.

b. Leert onderscheid maken tusschen gedachten die uit uw eigen hart voortkomen , of die door den satan als vurige pijlen in u worden geworpen; \'t is waar, ons hart is boos genoeg om vele zondige gedachten op te werpen , en daarom is bet moeilijk om het te onderscheiden; evenwel denk ik dat men het hieraan best kan kennen : wanneer zulke gedachten onverwacht, als men met heel iets anders bezig is, in de ziel komen, en aanstonds een schrik en heven verwekken, en zij er tegen worstelt, bidt en strijdt; ondervindt gij dat, denkt dat het van den satan is en dat het in u meer als een lijden dan als eene zonde moet aangemerkt worden.

Of zegt ge, het zijn niet alleen zulke verschrikkelijke gedachten, maar nietige, ijdele en aardsgezinde, waarmede mijn hart zóó vervuld is, dat het mij onbekwaam maakt tot heilige plichten.

Dit is wel een bewijs van de inwonende verdorvenheid waarover gij u hebt te vernederen , maar niet om uwen staat te veroordeelen ; want dat gij het ziet, dat gij er over bezwaard zijt en onder zucht, dat zelfs is een kenteeken van genade.

9. Vreest gij, dat gij niet oprecht zijt, omdat gij

121

-ocr page 244-

Van de Bemoediging.

in uw eenzaamheid zoo dor en doodig zijt, en bij menschen nog wel eens opgewekt ?

Ik beken dat dit liet hart wel eens kan beroeren, en dat er vele geveinsden zijn, die van het Christendom wel spreken , doch het niet ondervinden in der waarheid; maar van zulken spreek ik niet; want die zullen doorgaans weinig bekommering daarover hebben ; maar tot u, die hier over klaagt, en uwen geheelen staat daarom wel omverwerpt, moet ik tot uwe moedgeving zeggen:

a. Dat de satan het nergens meer op toelegt, dan om de ziele in haar eenzaamheid onbekwaam te maken; naardien hi] wel weet, dat van eene betamelijke werkzaamheid veel troost en blijdschap afhangt.

b. Ik vraag u voorts, kan het u vergenoegen, als gij zoo geesteloos en dor in uwe eenzaamheid zijt ? is dat niet de stof van uwe klacht voor den Heere ? en zoo uw hart eens opgewekt is, is dat niet het leven van uwe ziele ? is een heele wereld bij u wel zoo dierbaar ? welaan, is dat niet een bewijs van oprechtheid ?

10. Eindelijk is er nog een ander die aan zijnen staat twijfelt, omdat hij nog wel iets goeds somtijds verricht, maar daarin dikwijls zulke verkeerde doeleinden ontdekt, dat hij er zich zelf en niet Gods eer in bedoeld ? ik antwoord: het is waar, en het was te wenschen dat dit niet zooveel ondervonden werd; maar het is wat anders, wat iemands opzettelijke toeleg is, of wat er als een zondig bij-einde zich in vermengt; groote Christenen , die al ver gevorderd zijn , ondervinden het maar al te veel; neem eens om dit klaar te maken , een leeraar, die zich toebereidt om openbaar te preken; hij zal uit zijne

i22

-ocr page 245-

Van de Bemoediging.

kamer komende, het zuiverste en heiligste oogmerk hebben om het koningrijk van Jezus uit te breiden, om zondaars te lokken tot den dienst van God; met die betuigingen gaat hij heen ; gebeurt het nu, dat God onder het voorstel zijn hart aandoet, dat hij wordt opgewekt om ijverig aan te dringen, dan zal de satan na het gedane werk wel eens vonken van hoogmoed in het hart werpen , en zeggen: dat zal die en die wel behagen; maar geeft God hem genade om over zijn hart te waken , dan werpt hij aanstonds die vonken vuurs van zich, en tracht die gedachten geen oogenblik te laten huisvesten , wetende dat niet hem , maar Gode alleen de eere toekomt, en dat alle zijne bekwaamheid is uit God.

Zoo ziet ge, dat het oogmerk zuiver kan zijn, maar dat er zondige einden kunnen bijkomen , die het verderven, zoo God niet een wakend hart geeft; maar dat is geen grond waarom gij uwen staat verwerpen moet, indien gij dit ondervindt. Vraagt gij dan evenwel wat moet ik doen; want het houdt mij terug van vele dingen, die ik anders doen zou ?

a. Laat hierom geen enkelen plicht na, waarvan gÜ overreed zijt, want zoo gij zoudt wachten tot dat er niets zondigs bij kwam, zoudt gij nooit iets doen. God wil dat alle uwe daden bevlekt zullen zijn opdat gij nederig zoudt blijven en tot Jezus\' zoenbloed gedurig heenvlieden.

b. Als gij voelt, dat uw hart u tot hoogmoed aan-prikkelt, staat dan veel stil bij uw gebrek, bij het booze en zondige dat in uw hart is, om nederig te blijven.

c. Vernedert u met Hiskia over de verheffingen uws harten voor den Heere; o, daar is niets dat onbeta-melijker is voor arme aardwormen , dan hoogmoedig te zijn.

123

-ocr page 246-

Van de Bemoediging.

d. Ondertusschen troost u daarmede, dat uwe klacht hierover een bewijs is van uwe oprechtheid; want hartzonden te zien, daartoe is geestelijk licht van noode; en ze te betreuren en te bestrijden, is een teeken dat hare heerschappij reeds is verbroken.

Dus heb ik zoo kort als doenlijk de reden van uwe twijfelingen zoeken weg te nemen.

Nu gaan we over tot ons vierde en laatste stuk, om aan zulke twijfelende en sukkelende zielen raad en bestuur te geven, hoe zij nu omtrent het Avondmaal handelen zullen om dat ten hunnen nutte te gebruiken.

Ik zal nu, om dat ik reeds uwe zwarigheden heb zoeken weg te nemen , eenige gewone middelen voor den een en den anderen aan de hand geven.

1. Zoekt uw hart te zetten in eene stille en bedaarde gestalte, om langs dien weg rechte bevattingen te maken :

a. Van den rechten aard der overtuigingen; gij meent dat er geen overtuigingen zijn, dan die met vele beroering en schudding, met veel naarheid en vreeze gepaard gaan; dat men de zonden in hare grootheid en gruwelijkheid moet zien; maar dit is een kwade bevatting, gelooft maar altijd , (gelijk wij tevoren reeds hebben aangemerkt) dat de overtuigingen enkel dienen om een mensch te leeren afzien van al het eigene, en hem naar Jezus te drijven , om als een ellendige het leven bij Hem ta zoeken.

Wenscht dan nooit om een meerder en naarder gezicht van zonden te hebben; o als God de zonden deed zien zooals ze zijn, gij zoudt onder dat gezicht versmachten, want geen mensch op aarde is daartoe in staat.

■124

-ocr page 247-

Van de Bemoediging.

b. Leert ook goede bevattingen maken van de natuur van het geloof, dat zal u nu vooral te pas komen als gij ten Avondmaal zult gaan.

Het geloof schjint u een veel zwaarder werk te zijn; gij kunt niet begrijpen dat hongeren en dorsten, loopen en vlieden tot Jezus, het aannemen van Hem, het werpen van zich zeiven op Hem, daden zijn, waardoor men waarlijk met Christus vereenigd wordt, en waarop men de zaligheid deelachtig zou worden, omdat het u zoo gemakkelijk valt en gij gedurig in die werkzaamheden bezig zijt.

Maar ik bid u, zie het gansche Woord van God door of niet aan het hongeren en dorsten, aan het hartelijk en oprecht willen, aan het wenden naar Jezus, de zaligheid vastgemaakt wordt.

Of denkt gij, dat er eene evenredigheid tusschen het geloof en de zaligheid moet zijn ? dan zoudt gij van het spoor der waarheid afwijken; neen, erkent toch dat het alles en alleen Zijne genade is; o kon ik u eens doen gelooven, dat die hartelijke, sterke, oprechte en bestendige begeerte naar den Heere Jezus, dat werpen van uzelven voor Zijne voeten om als de alleronwaardigste, ja doodwaardigste gezaligd te worden, gelooven is? gij zoudt moeten erkennen, dan heb ik het geloof, want dat is bij dag en nacht en bij alle gelegenheid mijne gedurige werkzaamheid; nu, ik verzeker u dat er velen met geen ander geloof zijn naar den hemel gegaan.

c. Leert ook den aard van de verzekering wel hennen, dat er is eene middelijke en onmiddelijke; gij meent, dat men dan maar verzekerd is, als God de ziel liefelijk omhelst, als ze in Gods schoot vriendelijk getroeteld en naar het hart gesproken wordt; maar dit is de onmiddelijke verzekering, wanneer

125

-ocr page 248-

Van de Bemoediging.

God het geloof en de liefde van Zijn volk goedkeurt en gevoelig Zijn genoegen daarin toont.

Maar de middelijke verzekering is wat anders, die kan men hebben door een verstandig overleg (althans zoo het hart eenigszins bedaard is), wanneer men zijn hart op de kenteekens van Gods Woord neder-legt en zich afvraagt, durf ik ontkennen dat ik dat in minder of meerdere mate niet heb ondervonden, wat God zegt, dat men ondervinden moet? ben ik niet arm van geest? niet bedroefd over mijne zonden? honger en dorst ik niet naar Jezus? heb ik geen lust om heilig voor God te leven? zoo dat waar is, dan ben ik zalig; want aan al die dingen heeft Jezus de zaligheid vastgemaakt.

2. Ik raad u, nu gij u weder tot de Avondmaals-genieting bereidt, gaat eens in de eenzaamheid neder-zitten en denkt eens aan uwe voorgaande dagen, of gij u niet een tijd kunt herinneren, dat uw hart in liefde tot God, in brandende begeerten naar den Heere Jezus werkzaam was, dat gij begeerte op begeerte naar Hem opzondt, ja dat gij u hartelijk aan Hem kondt opdragen; zegt ge, ja maar dat was zoo oogenblikkelijk, het werd mij aanstonds weer bestreden, en alles is mij tegenwoordig zoo duister, dat ik niet weet wat ik er van moet oordeelen; ik vreeze, dat het altemaal maar gemeene gaven van den Geest zijn geweest, waarvan Paulus spreekt Hebr. VI.

3. Dan raad ik u verder, laat eens al uw vorig werk daar, zonder te oordeelen of het ooit waarheid was of niet, en overdenkt eens deze vier dingen:

a. De uitnemende en onbegrijpelijke liefde van een Drieëenig God, die Hij in het zaligen van zondaars betoont.

426

-ocr page 249-

I

Van de Bemoediging. 127

\'t * De algenoegzaamheid, noodzakelijkheid en dier

baarheid die er in den Heere Jezus is, tot heil van e zondaars.

s c. De volle, ruime, gulle en welmeenende aan-

n biedingen van leven en zaligheid, die God laat doen

in het Evangelie.

t « d. En dat die geschiedt aan allen, die onder het j Evangelie leven , zonder iemand uit te sluiten, hoe

£ langdurig, hoe zwaar en groot hij gezondigd heeft;

? dat de Heere Jezus betuigt, al wie maar tot Mij wil

t komen, die maar erkent dat hij ellendig is en het

i leven van zijne ziel hij Mij zoekt, wie hij ook zij,

3 Ik zal hem geenszins om geen reden uitwerpen; neen.

Ik stel er Mijn eer in om de grootste zondaars te zaligen en die tot voorwerp van Mijne liefde te maken.

Wat dunkt u, als gij deze dingen eens overdenkt

met bedaardheid, al was het nog nooit waarheid geweest, zou dat uwe vrijmoedigheid niet moeten opwekken om het op dit oogenblik te beginnen? wel kom:

4. Neemt dan eens in uwe verlegenheid en kommer een hartelijk besluit, loopt naar den Heere Jezus, waagt het met de koningin Esther en zegt, „kom ik om, zoo kom ik omquot;; gij moet toch van twee één kiezen, sterven of naar Jezus gaan; daar is geen andere weg; doet als iemand die schipbreuk lijdt en die zich nog op een plank nederzet, denkende, wie weet of ik niet nog aan den oever zal aanlanden; want doe ik dat niet, daar is niets dan een gewissen dood te wachten; werpt u ook in den nood en benauwdheid, waarin gij u nu bevindt, op Jezus, die Arke van behoudenis; denkt, Hij mocht Zich nog eens over mij ontfermen; en ik verzeker u. Hij zal

-ocr page 250-

Van de Bemoediging.

het doec, gij zult niet omkomen, gaat maar vrijmoedig toe; o werpt u in Jezus geopende liefdearmen; Zijn naam is ontfermer, Hij heeft een innig medelijden met ellendigen; zoo het u maar om Hem te doen is, Hij zal u aanzien in gunst.

5. Ja gaat nog een stap verder, neemt den Heere Jezus hartelijk aan, en zegt: lieve Heere Jezus, al had ik het nog nooit oprecht gedaan, dan doe ik het nu; Gij zijt mij dierbaar en alleen dierbaar, en ik zal er ook op ten Avondmaal gaan, om tetoonen, dat het mij ernst is, och of het U behagen mocht onder de teekenen U aan mij te openbaren!

O wie weet als ge eens zoo handeldet, of de Heere zich aan u niet openbaren, of Hij uwe duisterheden niet zou opklaren, en u in gunst ontmoeten en naar het harte spreken; althans zoudt gij aan uwe zijde beter doen dan altijd zoo ongeloovig van verre te staan en u door zoovele zwarigheden te laten terug houden.

Maar eer ik eindig, moet ik nog een woord van toepassing voor ons en elk hier bijvoegen.

Voor eerst natuurlijke menschen, denkt ge niet wel onder het voorstel, moet men zoo zalig worden, wat is de weg naar den hemel dan nauw! och ja hij is nauw, en dat moest u tot nadenken brengen, omdat gij nog nooit zijt bekommerd geweest, dat gij ook nog nooit op dien weg zijt gekomen, en daarom nog rampzalig; maar is het niet beter langs een nauwen en treurigen weg zalig te worden, dan op een ruimen verloren te gaan?

Maar anderen zijn er die niet gaarne bekommerd zijn; die stellen zich gerust, zij zijn verzekerd van hunne zaligheid; want zij gelooven dat Jezus hun Zaligmaker is, en daarop vertrouwen zij.

428

-ocr page 251-

Van de Bemoediging.

Maar laat ik u eens voorstellen het groot onderscheid tusschen een waan- en ingebeelde verzekering, en tusschen eene ware; of het mocht dienen tot uwe ontdekking, deze zijn onderscheiden in de gronden waarop zij rust, en in de vruchten die er uit voortvloeien.

1. In de gronden, want een ingebeeld verzekerde :

a. Heeft of geen grond, hi] kan niets wezenlijks noemen waarop hij bouwt, óf heeft hij een grond, hij kan de proef niet uithouden, want hij heeft nog nooit God, noch zich zeiven leeren kennen; maar een ivare verzekerde heeft, bjj het licht van den Geest, God en zich zeiven leeren kennen en hij weet wat de Heere aan zijne ziele gedaan heeft.

h. De grond van den eenen, is de kracht van een zondige eigenliefde, waardoor hij gereed is om het minste, dat maar goed schijnt, aan te nemen; .eowcfew kent hij voor geen zonden, althans maar voor kleine zonden, zoo ze niet uitbrekende zijn; zijne deugden, die waarlijk geen deugden zijn , schat hij hoog als de Pharizeër, Luc. XVIII.

Maar een waar verzekerde, ziet in de minste zonde zooveel afschuwelijkheid, dat hij zich voor God verfoeit en zijne ieste werken, in zich zeiven beschouwd, weet hij dat een wegwerpelijk kleed zijn.

c. Een ingebeeld verzekerde zet alleen zijn grond op een valsch vertrouwen op eigen gerechtigheid, zonder afzien en verlaten van den weg der zonden, maar een waar geloovige heeft geen grond, dan de gerechtigheid van den Heere Jezus, waarop hij zich nederlegt, hij is naakt uitgeschud bij zich zei ven, hij neemt toevlucht tot Christus , met verlating van

9

129

-ocr page 252-

Van de Bemoediging.

zijn ouden zondenweg, hij zegt tot de zonden, henen uit!

2. Zij zijn ook onderscheiden in de vruchten.

a. Eene ware verzekering heeft tot hare vrucht een ernstig opzet om teederder en heiliger voor God te leven; want omdat het hart is gereinigd door het geloove van de liefde tot de zonden, wordt het ook werkzaam in de betrachting van alle deugd; o zegt een oprechte, zouden zulke groote beloften aan mij gedaan zijn en zou ik mijne heiligmaking niet bevorderen in Gods vreeze?

Maar een waan-verzekerde, gelijk hij zorgeloos is, is ook doorgaans slordig in zijnen wandel; mag hij maar in den hemel komen, dan is het wel; maar hij heeft geen lust tot den nauwen weg.

h. De ware verzekering wekt het hart op in liefde tot God, in verwondering, aanbidding en dankzegging , dat God op zulk een het oog heeft willen wenden.

Maar daar weet de ander niet van, hij kan wel eens van de liefde Gods tot zondaren spreken, maar zijn hart blijft ijskoud, het wordt nooit in wederliefde gaande.

c. De ware verzekering maakt iemand zeer ootmoedig en nederig voor God, hij zou wel in het stof kruipen en uitroepen: wat is uw knecht, wat is uwe dienstmaagd ; ik ben veel te gering, dan alle deze weldadigheden en trouw! maar een waan-verzekerde is hoogmoedig; hij beroemt zich op zijne deugden, hij is vol van inbeeldingen.

d. Een ware verzekerde wil wel onderzocht worden; hij schaamt zich niet om zijn hart open te leggen voor een ander; ja hij brengt het menigmaal ter toetse voor den Heere, omdat hij

130

-ocr page 253-

Van de Bemoediging.

nog altijd bang is voor zijn hart, om zich toch niet te bedriegen.

Maar een waan-verzekerde schuwt alle ontdekkingen omdat hi] niet gaarne in zijne stille rust zou gestoord worden.

c. Een oprechte, al is hij al eens verzekerd , hij is het niet altijd; komen er eens zonden tusschen beiden en wordt zijn wandel eens min ernstig, hij wordt geschud en beroerd, en gelijk hij het zoo gemakkelijk niet verkreeg, heeft hij ook alweer veel werk om het weder te verkrijgen; dat bleek in David, Ps. LI; maar een ingebeeld verzekerde , gelijk hij niet veel werks had om het te verkrijgen, kost het hem ook niet veel moeite om het te bewaren; hij blijft altijd dezelfde.

Legt nu uw hart hier eens bij neder, stil geruste en zorgelooze zondaren, en vraagt het u eens af, of de gronden, waarop gij bouwt, de proef wel kunnen uithouden, of het niet maar een stille gerustheid is, die u zal brengen in een eeuwig verderf! o zou men zooveel werks hebben om bekommerde zielen te troosten en te bemoedigen, en zoudt gij het zoo gemakkelijk verkrijgen? denkt veel om Petrus woorden, „indien de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, waar zal dan de zondaar verschijnen?quot; 1 Petr. IV : 18.

Maar gij, godvruchtigen, die verwaardigd zijt om met meer vrijmoedigheid te gelooven dat God op u gezien heeft, wat is uwe verplichting niet groot, om aan de liefde die God u bewezen heeft te beantwoorden.

Wandelt gij nu in het licht, bewaar het toch zorgvuldig, opdat gij Gode geen oorzaak geeft dat Hij

9-

131

-ocr page 254-

Van de Bemoediging.

het weder intrekt; vraagt ge hoe gij het het best zult bewaren ?

1. Door zeer omzichtig, gezet en teeder met en voor den Heere te wandelen; laat de bedachtzaamheid over u de wacht houden, om niets te doen dat uwe vrijmoedigheid voor God zoude belemmeren.

2. Wanneer gij ergens in afdwaalt en in zonden valt, staat aanstonds op, keert met schaamte en verootmoediging weder tot den Heere, belijdt Hem uwe dwaasheid; daar zal de Heere genoegen in nemen; want Hij weet dat wij zondige menschen zijn.

3. Vernieuwt dagelijks uw verbond met God, draagt u aan Hem op, doet dat plechtig bij alle gelegenheden, vooral nu bij gelegenheid van het Avondmaal, dat zal weder een nieuw zegel zijn van uw trouw; en dan zal God Zijne liefde ook aan u verzegelen.

4. Onderwerpt u in vrijwillige gehoorzaamheid aan het beleid van uwen Vader, in al de wegen die Hij met u houdt; men wordt dikwijls daarom zoo geschud, omdat men des Heeren weg zoo bedilt en tegenspreekt; neen, denkt: is God mijn Vader, Hij weet dan ook wat voor mij het beste is en ik geef het in stilheid in Zijne handen over.

Maar heeft God u verwaardigd om met bewustheid te gelooven dat gij een kind Gods zijt, hebt dan ook een innig medelijden met bekommerden en twijfel-moedigen; behandelt hen nooit hard, maar bescheiden en vriendelijk, komt ze in hunne zwarigheden voor; \'t is uw plicht, die weet dat gij bekeerd zijt, uwen broeder te versterken; gij weet uit eigen bevinding wat werk er aan vast was eer gij tot die bewustheid kwaamt.

•132

-ocr page 255-

Van de Bemoediging.

133

Ondertusschen gaat maar gemoedigd op uwen weg voort, en wordt het licht weder eens afgewisseld met duisternis, het is hier een tijd van strijd; de tijd nadert, dat gij eens zult wandelen in het volle licht, wanneer gij God „van aangezicht tot aangezicht zult kennenquot;, en eeuwig zonder stoornis genieten!

AMEN.

-ocr page 256-

VIJFDE VERHANDELING

OVER HET ZALIG EN HEILRIJK GEVOLG VAN EENE WELGEGRONDE VERZEKERING IN HET LEVEN DOOB HET GELOOF.

wij in de twee voorgaande verhande-i p ij lingen spraken over de verzekering , en die zwarigheden, die Gods volk beletten om tot eene bestendige verzekering te komen, hebben zoeken uit den weg te ruimen, zoo was ik nu voornemens om de verzekerden op te wekken tot een gemoedigden geloofswandel.

Om dit te doen zal ik uwe en mijne gedachten langs deze drie stukken leiden:

1. Zal ik aantoonen waarin het leven door het geloof bestaat, en in wat daden het wordt öeoefend.

2. Gods volk zoeken op te wekken , om met ernst er naar te staan dat zij meer geloovig werkzaam zijn.

3. Die er lust toe hebben, zal ik de bekwame middelen aan de hand geven , die hen daarin kunnen bevorderlijk zijn.

Beginnen wij dan van het eerste, om van het leven door het geloof te handelen, waarin hetzelve is gelegen.

Doch eer ik tot het stuk zelf kom, moet ik de een en andere aanmerking vooraf laten gaan, namelijk:

1. Vraagt wellicht iemand of een geloovige, in wat toestand hij ook is, hoe dor, hoe doodig, ja in welk een zondige en verachterde gestalte, evenwel moet worden aangemerkt te leven door het geloof?

-ocr page 257-

Van het leven door het geloof.

Hierop antwoord ik volstrekt ja; want indien dat niet waar was, dan was hij in zulk een staat van de genade vervallen en dat is onmogeliik; dat houden wij vast tegen de Roomschgezinden en Luther-schen: daar God eens het leven gegeven heeft daar blijft het tot in eeuwigheid , dat is „het zaad Gods, dat in het hart blijftquot;, 1 Joh. III : 9. Geen verdorvenheid inwendig is zoo sterk, geen satan zoo listig en machtig, geen wereld zoo verleidende, geen tegenheden zoo hooggaande, die dat zaad uit het hart kunnen rukken ; God bewaart zijn volk door een almachtige kracht ; zij zijn gebouwd op een onbeweeg-baren rotssteen, die geen poorten der helle kunnen overweldigen; het bloed waardoor ze gekocht zijn, is van eeuwige kracht, de hand van vereeniging tusschen hen en Christus is te nauw en te vast, dan dat ze ooit zou worden verbroken; de Heilige Geest, die hun eens is gegeven, blijft tot in eeuwigheid bij hen\', ja, hij is in hun een fontein van leven die hen gestadig rnet nieuwe genade voorziet; hierom is Hij hun ook tot een zegel en onderpand van de hemelsche erfenis; zoo onmogelijk het dan is dat zij uit de handen van een Drieëenigen God ooit zouden gerukt worden, even onmogelijk is het ook, dat zij ooit kunnen zijn zonder geloof in het hart; daarom zegt Christus : Joh. X : 28 , 29 : „Mijne schapen zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, niemand zal dezelve uit Mijne hand rukken. Mijn Vader, die ze Mij geven heeft, is meerder dan alle , en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders.quot;

Het verbond waarin zij staan; is een eeuwig zoutverbond dat niet zal wankelen, met één woord, God zal nooit „laten varen het werk Zijner handenquot;, Ps. CXXXVHI : 8 ; „Hij zal in eeuwigheid niet toelaten ,

135

-ocr page 258-

Van het leven door het geloof.

dat de rechtvaardige wankelequot;, Ps. LV : 23. \'t Is waar, iemand kan in zware zonden vallen, dat men wel zou vragen: waar blijkt het geloof? gelijk in Petrus, die tot drie malen toe zijn meester verloochende ; maar omdat Jezus voor hem had gebeden, hield evenwel zijn geloof niet op, Luc. XXII: 32 ; waarom Augustinus zegt: toen de belijdenis op zijne lippen bezweek, gloeide zijn hart in liefde van binnen.

Al worden er dan op dien tijd geen geloofsdaden naar buiten vertoond, het is evenwel in het hart; al was het maar dat het zich eens vertoonde in begeerten , in een honger en dorst, in wenschen om uit dien staat van doodigheid gered te worden; zulk een Christen is als een boom in het midden van den winter, men kan hem niet onderkennen , al staat hij in het midden van doode boomen, maar omdat de wortel goed is, toont hij zijn leven, zoodra, als het aardrijk vruchtbaar wordt door den regen en verwarmende zonnestralen; of als een dood-krank mensch, van wien men geen leven meer bespeurt, en slechts nu en dan een benauwde ademhaling, maar naderhand (wanneer hij hersteld wordt), blijkt het, dat hij waarlijk leefde; zoo kan het ook zijn in het geestelijke leven; het is wel eens zoo ver , dat men twijfelt of er ooit leven was, maar als God het naderhand weder eens opwekt, dan wordt het zooveel te zichtbaarder.

2. Vraagt wellicht een ander, of er tot een leven door het geloof verzekering wordt verëischt, ■ dat is, of een kind van God , geen bewustheid hebbende van zijn geloof, evenwel door hetzelve kan leven en werkzaam zijn?

Hierop antwoord ik , dat het zeker is wanneer iemand bewust is van zijne ■gemeenschap en zalig

136

-ocr page 259-

Van het leven door het geloof. 137

deel aan God en Christus, dat hij dan ook beter in staat is om in het geloof recht werkzaam te zijn T dan kan hij beter gebruik maken van den Heere Jezus, en omdat hij God als zijn Verbonds-God kan aanmerken , kan hij ook beter gebruik maken van de beloften , tot zijne geestelijke sterkte en voortgang op den weg des levens.

Maar desniettegenstaande kunnen anderen, die van hun geloof niet verzekerd zijn, evenwel in de oefening van hetzelve in vele daden hartelijk werkzaam zijn; ofschoon zij niet durven gelooven, dat God hun Vader en Bonds-God is en Jezus hun Heiland en Borg, zoo vertoont zich hun geloof in deze daden:

A. Zij oefenen het geloof wanneer zij heengaan aan den eenen kant, in een diep gezicht en levendig gevoel van hun ellendigen , zondigen, dood- en doem-waardigen toestand, en aan den anderen kant in een overtuigend gezicht van de volle algenoegzaamheid, dierbaarheid en noodzakelijkheid van den Heere Jezus, met stille, hartelijke en aanhoudende begeerten en uitgangen van het hart naar Hem.

B. Als het er eens op aan komt in deze of gene ongelegenheid, in nooden, in gevaren, in schielijke en onverwachte toevallen, dan loopen en vlieden zij dadelijk uit zich zeiven naar God en Christus, en nemen hun toevlucht tot Hem ; zij werpen zich op Hem zonder te vragen, durfikwel, heb ik wel geloof?

C. Komen zij eens op een ziek- en doodbed, en vraagt men hen: gelooft gij dat God uw God is? dat gij deel aan Jezus hebt? och neen, zeggen ze, dat is mij zoo duister, ik durf het niet gelooven ; vraagt men dan verder, hoe zult gij het dan maken als gij naar de eeuwigheid gaat? Het antwoord is

-ocr page 260-

Van het leven door het geloof.

gereed: ik weet evenwel geen anderen weg, ik zal het op Jezus en op den weg van vrije genade wagen; €n hierop gaan zij naar de eeuwigheid.

D. Ja het gaat wel zoover, dat onverzekerden dikwijls veel grooter geloofsdaden oefenen dan verzekerden ; want den laatsten , omdat zij in het licht wandelen , is het gemakkelijker te gelooven; maar hoe menigeen gaat er duister en bekommerd heen , die evenwel blijft aankleven , vasthouden , gelooven op en tegen hoop ; was het geen sterker geloof in de Kana-neesche vrouw, die, toen Jezus een en andermaal haar verzoek afsloeg , evenwel bleef aanhouden , dan van den blinden, tot wien aanstonds gezegd werd: „heb goeden moed , de Meester roept u ?quot;, Matth. XV : 18 , en Marcus X : 49.

Dit moeten we vooraf aanmerken , tot bemoediging en opwekking van de treurigen Sions , die van zich zeiven niet durven denken dat zij het geloof hebben, en het evenwel in vele daden vertoonenom hen te doen zien, dat het ook hun plicht is, om door het geloof te leven en werkzaam te zijn.

Dit vooraf gezegd zijnde, kom ik nu tot het stuk zelf, om te spreken van het leven door het geloof; zoo wordt de wandel van Gods volk op den weg naar den hemel genoemd, HabakukII;4: „de rechtvaardige zal door zijn geloove levenquot;; en Paulus zegt. Coll. II: 6: „gelijkquot; gij Jezus Christus den Heere hebt aangenomen, wandelt alzoo in Hemquot;, dat is: wandelt op die wijze, als toen gij Christus aannaamt, dat door het (jeloove was. Gal. II: 20 zegt dezelfde apostel van zich zeiven: „het leven dat ik in het vleesch leve, dat leef ik door het geloove des Zoons Godsquot;, en 2 Cor. V : 7: „wij wandelen door geloove en niet door aanschouwen.quot;

438

-ocr page 261-

Van het leven door het geloof.

Ik zal dezen wandel des geloofs eerst in het kort beschrijven en dan die beschrijving hij de stukken nader uitbreiden.

Ik versta door het leven des geloofs:

Die heilige werkzaamheid van een wedergeboren en aanvankelijk geloovigen Christen, waardoor hij, uit een bijblijvend gezicht en indruk van zijne gedurige afwijking en zonden en diepe onmacht ten goede, het oog en hart gevestigd houdende op den Verbonds-Middelaar, van Hem in en tot alles gebruik maakt, en uit aanmerking van de macht, goedheid, waarheid en trouw van den onverander-lijken God, met verloochening van alles, zich aan den wil Gods onderwerpt; vertrouwende, dat Hij het wel zal maken; welk vertrouwen hem kloekmoedig maakt in den strijd tegen alle vijanden , en in de oefening van deugd en godzaligheid zóó doet werkzaam zijn, dat hij in alle verrichtingen, zelfs van natuurlijke dingen, het hart naar boven verheft, om door het lichamelijke en zienlijke tot het geestelijke en onzienlijke op te klimmen.

Hier wordt dan iets voorondersteld, en verscheiden zaken er door te kennen gegeven.

Er wordt voorondersteld:

Dat een ziel altoos moet hebben en blijven behouden eene levendige en gevoelige bewustheid:

1. Van hare diepe ellende, dood- en doemwaardigheid in zich zelve; dat zij niets heeft om mee voor God te bestaan; maar gelijk ze in de eerste bekeering het bloed van Jezus noodig had tot verzoening, dat zij het niet minder alle oogenhlikken noodig heeft tot wegneming van dagelijksche struikelingen, ja tot verzoening van de zonden der heilige dingen; dit gezicht is noodig om Christus niet uit het oog te

139

-ocr page 262-

Van het leven door het geloof.

verliezen en om altoos nederig, klein en ootmoedig voor God te wandelen ; dit gezicht had Abraham, hoe groot een geloovige hij ook was; dat deed hem belijden, dat hij maar stof en asch was, Gen. XVIII: 27 en David, Ps. XIX: 13: „wie zoude de afdwalingen verstaan , reinig mij van de verborgene zonden.quot;

2. Daarbij moet komen een bijblijvend gezicht en eene gedurige erkentenis van de diepte der onmacht, want ofschoon God aan zijn volk Ae hebbelijke genade in de wedergeboorte mededeelt, die zij verplicht zijn werkstellig te maken, zoo blijft het nogthans waarheid , en de ondervinding leert het gedurig, dat zij zonder Jezus niets doen kunnen; dit erkende Paulus, welk een groot apostel hij ook was: „niet dat wij van ons zelf bekwaam zijn iets goeds te denken als uit ons zeiven, alle onze bekwaamheid is alleen uit Godquot;, 2 Cor. III : 5; geen één plicht kan er recht betracht, geen eene zonde overwonnen , aan geen eene verzoeking tegenstand geboden worden zonder den invloed en kracht van God ; en hoe meer deze indruk in de ziel levendig blijft, hoe beter zij in staat is tot oefening van geloof; want zoodra iemand begint te denken, dat hij iets door eigen kracht vermag, dan vermindert de oefening van het geloof; dan raakt God en Jezus uit het oog, alsof men met Die zoo noodzakelijk niet te doen had; dan is hij in gevaar van vallen ; dat is gebleken in Petrus, die, te veel op eigen kracht steunende, zijn Meester verloochende.

3. Hierbij moet de ziel altijd in het oog houden den Heere Jezus in Zijne volle algenoegzaamheid, macht en gewilligheid om Zijn volk in al hunne nooden te helpen; zij moet erkennen, dat Hij is de fontein des levens, dat Hij genade voor genade teil

140

-ocr page 263-

Van het leven door het geloof.

mededeelen; dat Hij volheid genoeg heeft om alle ledigen, alle ellendigen en armen te verrijken, dat

Hij kan geven boven hetgeen men kan bidden of denken; dat Hij door Zijn lijden en dood alles heeft verworven, en eene eeuwige gerechtigheid tot verzoening van alle zonden aangebracht; dat Hij nog als Hoogepriester en Koning voor den troon leeft en voor Zijn volk bidt, opdat zij, uit kracht van die voorbede , alles ontvangen zouden wat zij naar ziel of lichaam noodig hebben, terwijl Hij, als de barmhartige en getrouwe Hoogepriester, die medelijden heeft met de gebreken en zwakheden van Zijn volk, hen ook dat alles dadelijk schenken zal.

4. De ziel moet ook hebben en blijven hebben een overtuigend gezicht van Gods waarheid en trouw, om dat alles te vervullen wat Hij beloofd heeft; want de beloften Gods en Zijne trouw in het volbrengen van dezelven, zijn de twee vaste zuilen waarop het geloof zich nederzet; dat deed Abraham „op en tegen hope gelooven, overmits hij God getrouw achtte, die het beloofd hadquot;, Rom. IV: 21.

Dit voorondersteld zijnde, oefent nu een ziel dagelijks haar geloof of leeft door het geloof, hetwelk in de navolgende stukken gelegen is.

1. In een gedurig gebruik maken van den IIeere Jezus in alles waartoe Hij van den Vader is gegeven en waartoe eene ziel Hem alle oogenblikken van noode heeft; want het gedurig gevoel van de inwonende zonden en dagelijksche struikelingen, drijft haar naar Jezus volwichtig zoenbloed, om daar verzoening te zoeken; het gevoel van de onmacht ten goede drijft haar naar Jezus Geest, dien Hij verworven heeft tot heiligmaking; dat doet haar pleiten op Zijne toezeggingen, dat Hij „Zijn Geest zou geven

141

-ocr page 264-

442 Van het leven door het geloof.

in het hart, welke maken zou dat ze in Zijne wegen ?LXI

zouden wandelenquot;, Ezech. XXXVI: 27. van

De kracht en het geweld der vijanden doet haar vleei

gedurig Jezus als Koning inroepen, dat Hij Zijn troon heid

in het hart oprichte, dat Hij de macht der vijanden het

beteugele, en dadelijk kracht om dien wederstand te aan

bieden, geven wil. * - niet

Ja in elke daad , hetzij geestelijke of lichamelijke in \'

verrichtingen, wenscht zij \'t oog op Jezus te vestigen, gele

wetende dat zij zonder Hem niet alleen niets doen uitc

kan, maar ook niets doen wil. van

Doch terwijl we in het vervolg in het breede voor- hec

nemens zijn te handelen van het geloovig gebruik dez

maken van den grooten Verbonds-Middelaar, zal ik die

dit nu niet nader uitbreiden. 1

2. De tweede daad van het leven door het geloof der

bestaat in eene heilijje, nederige, eerbieding en gehoor- en

zame onderwerping aan den wille Gods, met verlooche- we

ning van eigen wil en zin; zoowel aan GLods gebie- (

denden als besluitenden wil. im

A. De geloovige ziel onderwerpt en gedraagt zich bel

in alle gehoorzaamheid aan Gods besluitenden wil, vk

zij wil blindelings Gods raad dienen; is het duister ee

of licht, is het voor- of tegenspoed, blijdschap of m;

droefheid, zij aanbidt des Heeren weg als wijs, hf

heilig en goed, en zegt met Job : „de Heere zal he

brengen dat over mij bescheiden isquot;. Job XXHI: 14. h£

God zal om mijnent wil Zijnen raad niet veranderen, -•gt; hi

en daarom wensch ik dien maar in getrouwheid te C

dienen, de wil des Heeren die geschiede; wil onder- w

tusschen het zondig vleesch murmureeren en tegen- d spreken, omdat het al menigmaal wegen van naar-

heid en duisterheid zijn, het geloof zoekt dat tegen n

te gaan en roept de ziel toe: „zwijgt Gode!quot; Ps. n

-ocr page 265-

Van het leven door het geloof. 143

LXII: 6; het dringt door om te zien op het einde van des Heeren weg, die, hoe zwaar ook voor het vleesch, nogthans altoos is vol majesteit en heerljik-heid, en bi} de uitkomst tot nut voor de ziel; door het geloof zegt zij met David: „zoo de Heere lust aan mji heeft, zal Hij mij wederbrengen, maar indien niet, ziet hier ben ik, Hij doe met mi] wat goed is in Zijne oogenquot;, 2 Sam. XV : 25 , 26. Ja door het geloof, wanneer het recht werkzaam is, kan zij alles uitdagende in triumf uitroepen: „wie zal ons scheiden van de liefde van Christus! noch verdrukking, noch benauwdheid, noch gevaar, noch zwaard; maar in de7;e allen zijn wij meer den overwinnaars door Hem, die ons heeft lief gehad! Rom. VIII; 35, 37.

B. Het geloof onderwerpt zich aan Gods gebiedenden ivil, met verloochening van den wil des vleesches en der gedachten; en om dit te doen is de ziel werkzaam :

a. Om te kennen met het verstand en te beproeven met het oordeel, welke Gods goede, volmaakte en wel behagelijke wille zij; daarom gaat zij niet te rade met vleesch en bloed, zij is niet gerust op het zeggen van een ander, zij wil geen kwade voorbeelden volgen; maar eene geloovige ziel is een groot liefhebber van het Woord van God; zij wendt zich tot de Wet en het getuigenis, en onderzoekt wat plichten God van haar eischt; zij weet dat de wille Gods is hare heiligmaking; bestaande in de betrachting van alle Christelijke deugden, en in den strijd tegen alles wat daaraan hinderlijk is; zij leert uit dat Woord, dat de hoofdplicht van het Christendom is zich zeiven te verloochenen, zijn kruis op te nemen en Jezus na te wandelen, en dat God wil, dat men dat alles met alle nauwkeurigheid, met alle naarstigheid en

-ocr page 266-

Van het leven door het geloof.

standvastigheid betrachte, om niet traag te zijn in het benaarstigen, maar altijd „standvastig, onbeweeg-liïk en overvloedig in het werk des Heerenquot;, 1 Cor. XV : 58.

b. Maar het geloof berust niet in het kennen,

maar wetende, dat die niet zalig is , die den wil des Heeren weet, maar die hem doet, en dat het geen 1 ^en geloof is dat Gode behaagt, indien het niet gepaard gaat met de gehoorzaamheid aan Gods geboden: wil het ook dadelijk de hand aan het werk slaan; dan zegt de ziel met oprechtheid wat Israël eens zeide,

Exod. XXIV : 7: „al wat de Heere gesproken heeft zullen wij doen.quot; Zij heeft een opzettelijk voornemen des harten, om aan den eenen kant niets te doen dat God verboden heeft; o zegt de ziel. gelijk ik mij zeiven door het geloof vrijwillig aan God heb opgedragen , zoo ben ik mijns zelfs niet meer maar des Heeren, en daarom moet en wil ik Hem in alles wat Hij verbiedt gehoorzaam zijn, of ik zou mij aan Zijn dienst onttrekken.

Aan de andere zijde wil ze ook alles doen wat God geboden heeft, niettegenstaande zulks het vleesch onaangenaam is en dit wel anders zou willen; gelijk nu het geloof in de eerste bekeering geen uitzondering maakt, zoo wil het ook in de verdere oefening het niet doen ; zijn de geboden des Heeren wel eens zwaar, zijn ze duister, kan er de ziel de reden en het waarom niet in doorgronden, zij wil het ook niet onderzoeken , als zij maar ziet, dat het Gods wil is; zij doet als Abraham, van wien Paulus zegt, dat hij „door het geloove gehoorzaam was , om op Gods roeping uit te gaan naar de plaats die hij tot een erfdeel ontvangen zou, niet wetende waar hij komen zoudequot;, Hebr. XI : 8.

444

-ocr page 267-

Van het leven door het geloof.

Hierdoor geraakt ze in die gestalte, dat zij om lief noch om leed, om belofte noch bedreigingen, ja om geen heele wereld, iets zou doen dat strijdig is tegen het gebod Gods; maar als het er op aan zou komen, dan zegt ze met de apostelen: „oordeelt zelf wien men meest moet gehoorzaam zijn, Gode of den menschenquot;, Hand. IV : 19.

O, zegt de ziel: gelijk een onderdaan zijn koning, een knecht zijn heer, een leerling zijn meester en een kind zijn vader gehoorzaamt, zonder dat het hun past te vragen, waarom doet mijn koning en meester zoo, zoo past het mij ook mijn verstand gevangen te leiden en Gods geboden in alles altijd voor recht te houden.

c. Maar in dit te doen is het geloof op de rechte wijze werkzaam, want om door geen bijgeloof of geboden, die inzettingen der menschen zijn, misleid en afgetrokken te worden, blijft het Woord van God

j altijd de regelmaat en het richtsnoer van alle daden ; altijd de regelmaat en het richtsnoer van alle daden ; Gods gebod is hier eene lampe, en Zijne wet een licht, Spreuk. VI : 23, en dat doet de ziel haar „pad zuiver houden, omdat het is naar Gods Woordquot;, Ps. CXIX : 9.

3. Te leven door het geloof bestaat ook in een werkzaam en gegrond vertrouwen der ziele op God, in alles wat haar naar ziel of lichaam, in het geestelijke of lichamelijke ontmoet.

A. Dit vertrouwen oefent eene ziel in alle geestelijke ongelegenheden, als:

a. Onder het gezicht en gevoel van hare afwijkingen en van de kracht der nog inwonende verdorvenheden ; het ongeloof zegt wel, dat kan met geen genade bestaan; indien God uw Vader en Jezus uw Heiland en Borg was, zou de zonde ook zoo haar

10

145

es ïn

-ocr page 268-

Van het leven door het geloof.

kracht niet betoonen ; zoo Jezus in het hart woonde, zou het meer gereinigd worden.

Maar dan toont zich het vertrouwen werkzaam; de ziele ziet wel hare zonden, zij belijdt ze, en is wel ootmoedig, maar daarom niet onvrijmoedig; terwijl ze God heeft leeren kennen als genadig, barmhartig, groot van goedertierenheden, en de kracht van Jezus\' bloed tot aanvankelijke reiniging heeft ondervonden; doet ze als David, die, na eene ootmoedige belijdenis gedaan te hebben, bidt om genade ; Ps. LI : 3 : „Zijt mij genadig o God , naar Uwe goedertierenheid , delg mijne overtredingen uit, naar de grootheid Uwer barmhartigheden, ontzondig mij met hysop.quot;

Dan pleit ze op Gods naam als een ontfermend God, die de zonden wil vergeven , die zich wil ontfermen als een Vader over Zijne kinderen; „omdat Hij weet wat maaksel ze zijn, gedachtig zijnde dat ze maar stof zijnquot;, Ps. CIII .• 13 , 14; en dan legt ze God zijne beloften voor, daar Hij gezegd heeft: „Ik, Ik ben het, die uwe overtredingen uitdelg , Ik gedenk uwe zonden nietquot;, Jes. XLIII: 25; en zij maant Hem daarop, dat Hij als de God der waarheid die vervullen wil.

Zij pleit op Jezus\' zoenoffer, op Zijn uitgestorte bloed, op Zijne gerechtigheden en voorbede, dat toont ze aan den Vader, en in geloovig vertrouwen daarop weet ze, dat God haar niet zal afwijzen.

b. Dit vertrouwen ontdekt en oefent de geloovige ziel in geestelijke verlatingen, in verbergingen van Gods aangezicht, wanneer de Heere haar Zijn licht onttrekt, als de Heere Jezus staat achter den muur, en het klein geloof wel eens zou zeggen: „mijne hoop is vergaan en mijne sterkte van den Heerequot;,

-146

-ocr page 269-

Van het leven door het geloof.

Klaagl. III: 18; en met Zion: „de Heere heeft mij vergeten, de Heere heeft mij verlatenquot;, Jes. XLIX: 14.

Dan grijpt de ziel in vertrouwen de beloften Gods aan, die gezegd heeft: „Ik zal niet eeuwig twisten, noch den toorn behouden; voor een kleinen oogenblik heb Ik u verlaten, maar met groote ontfermingen zal Ik u vergaderen, in een kleinen toorn heb Ik Mijn aangezicht verborgen , maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij uwer ontfermenquot;, Jes. LIV : 7, 8; op die beloften legt zij zich neder, en omdat ze gelooft dat God de God der waarheid is, maakt ze staat, dat Hij die ook waarheid zal maken , en trouwe, houden tot in eeuwigheid.

c. In aanvallen van den satan en zijne vurige pijlen, is dit geloofsvertrouwen een schild; de ziel weet, dat de Heere Jezus den satan onder zjjne voeten heeft, dat Hij hem den hop heeft vermorseld, en omdat zijne macht is benomen, dat hij daarom ook niemand van die Christus toebehooren zal benadee-len; maar dat de God des Vredes den satan haast onder de voeten zal verpletteren, en alle geloovigen eens met Christus doen zegepralen.

B. Dit vertrouwen betoont zich ook in lichamelijke ongelegenheden; brengt God Zijn volk eens op de proef, komen ze voor zich zei ven in naarheden, door ziekten, armoede, bekrompeneomstandigheden; wordt het aan alle kanten duister, zien ze geen uitkomst of redding, noch waar die van daan zal komen, en worden die wegen, waardoor zij het wachten, verijdeld en nog uitgesteld, ja dikwijls nog duisterder, zij geven evenwel den moed niet op, maar zij vertrouwen op den naam des Heer en en steunen op hunnen God; en dat wel op deze wijze:

a. Zij zien af van zich zeiven, van alle schepselen

10\'

147

-ocr page 270-

448 Van het leven door het geloof.

en van alle middelen, daar zij wel eens op gesteund hadden, en ziende, dat alles ijdel en ongenoegzaam is, nemen zij toevlucht tot God, zij werpen zich zeiven met al hunne nooden en zwarigheden voor Zijne voeten en erkennen, dat bij den Heere alleen raad, hulp en uitkomst is, dat Hij uit de duisternis het licht kan voortbrengen; dat er niets te wonderlijk is voor den Heere; en hierom wentelen zij hunnen weg op Hem, opdat Hij het zou maken; dan is het: „Gij aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uwe hand gevequot;, Ps. X : 14, en dat gaat wel zoo ver, dat, hoe duisterder het wordt, hoe meer de ziel vertrouwt dat God nabij is, om te helpen en te redden; terwijl zij in voorgaande tijden dat wel ondervond, en in de wegen, die God met anderen gehouden heeft, gezien heeft; dat doet haar op diezelfde macht van God staat maken en gelooven en vertrouwen op en tegen hoop, dat Hij niet alleen kan, maar ook zal redden.

b. Dit geloovig vertrouwen vertoont zich door alle zwarigheden heen, in het oog te vestigen op de geestelijke , hemelsche en onzienlijke dingen; o, denkt de ziel, moet ik hier een duisteren weg bewandelen, loopt het mij overal tegen, heb ik weinig van de tijdelijke goederen, ik heb een beter en blijvend goed in de hemelen, ik wacht op eene eeuwige zaligheid, op hemelsche goederen, die voor mij bewaard zijn, daar al het aardsche niet bij is te vergelijken; en daarom merk ik niet aan de dingen die men ziet, omdat ze tijdelijk, vergankelijk en onbestendig zijn, maar de dingen die men niet ziet, omdat ze eeuwig en ziel-verzadigend zijn.

Ik ben maar een vreemdeling op aarde, mijn Vaderland is boven; en ofschoon ik nu nog uitwoon van

-ocr page 271-

Van het leven door het geloof. 149

den Heere, is reeds daar mijn oog, mijn hart en wandel; en ik verwacht in geloove, dat God mij op Zijn tijd ook daar zal brengen, waar de volle erfenis voor mij bewaard is.

c. Dit vertrouwen vertoont zich in het oefenen van eene taaie lijdzaamheid; door het geloovig inwachten van de vervulling van Gods beloften, ofschoon het nog wordt uitgesteld, en de Heere Zijne komst tot redding schijnt te vertragen; dat is geloovende niet te haasten, maar God getrouw te achten die het beloofd heeft. Met de kerk, Mich. VII : 7, „ik zal uitzien naar den Heere, ik zal wachten op den God mijns heils, mijn God zal mij hooren. Zoo lijdzaam en vertrouwende wachtte Abraham Gods beloften in; want, toen hij vijf en zeventig jaren oud tvas, deed God hem de toezegging, dat hij een zoon zou hebben uit Sara; dit werd in de vervulling uitgesteld tot zijn honderdste jaar; evenwel bleef bij die belofte Gods, hoe onwaarschijnlijk het scheen , inwachten; want hij heeft „aan de beloften Gods niet getwijfeld door ongeloof, maar is gesterkt geweest in het geloof, gevende God de eer, en, ten volle verzekerd zijnde, dat hetgeen beloofd was, Hij ook machtig was te doenquot;, Rom. IV : 20, 21; en Paulus zegt van de geloovige aartsvaders, dat zij, hoewel zij de belofte van de bezitting van het land Kanaan niet hadden verkregen, evenwel de vervulling van verre gezien, geloofd en omhelsd hebben; en in die geloovige verwachting waren gestorven, Hebr. XI: 13; en \'t is opmerkelijk, als Paulus hiervan spreekt, dan bewijst hij hunne lijdzame verwachting; want „zij zouden tijd gehad hebbenquot;, zegt hij, „om weder te keerenquot; naar hun vaderland, „maar nu zijn zij zeer begeerig naar een beter, dat is naar het hemelschequot;, vs. 35, 36,

-ocr page 272-

Van het leven door het geloof.

terwijl zij ondertusschen met lijdzaamheid, in een geloovig vertrouwen op den Heere wachtten; evenzoo handelt eene ziel die op den Heere vertrouwt, al ziet ze het niet, zij wacht het met lijdzaamheid; dat doet haar alle zwarigheden die het ongeloof inwerpt, te boven komen; al verminderen de waarschijnlijkhedein, al stelt God het nog al uit, zij geeft den moed niet op, maar wacht lankmoedig, gelijk de landman op de vrucht des lands; dat doet haar niet te veel of te ver vooruitloopen, door angstvallige bekommeringen, hoe zal dit en hoe zal dat zijn! maar zij geeft het Gode in handen, zeggende: Gij zult het wel maken, en het is niet te zeggen, welk een aangenaam en troostelijk leven het is, zoo den Heere achterna te wandelen, Hem te volgen gelijk een kind zijnen vader, al is \'t dan zuurheid, al is \'t dan zoetheid; \'t is altijd goedheid omdat God het doet; en dit is dat heilige zorgeloos zijn.

4. Het leven door het geloof vertoont zich ook in die heilige werkzaamheid der ziel, waardoor ze zich kloekmoedig en heldhaftig in de ^mogendheden des Heeren zet tegen alle hare vijanden, om die tegen te gaan en te overwinnen, en , niettegenstaande zij ten volle overtuigd is van hare onmacht, weet ze dat God beloofd heeft, dat de vijanden haar niet zullen overwinnen. Doch zij blijft niet werkeloos of zorgeloos, maar oefent de wonderlijke kunst des ge-loofs (die niemand kent, dan die ze ondervindt) om, onder inwachting van des Heeren licht en sterkte, den strijd aan te vangen tegen de zonden , de wereld en satan; om die tegenstand te bieden, onder verzoekingen en aanvechtingen het oog op Jezus vestigende als den grooten heirvorst, die voor haar aangezicht wil heengaan en aan de spits wezen; al

150

-ocr page 273-

Van het leven door het geloof.

kooit er dan een helsche Goliath, met zwaard en spies gewapend, dan zegt de ziel met David: „ik kom tot u in den naam des Heeren der heirscharenquot;, 1 Sam. XVII : 45; en uit vorige bevindingen van des Heeren hulp , maakt het geloof staat op het tegenwoordige ; dan is het, die God, die mij voorheen • Zijne hulp niet weigerde , is nog dezelfde, Hij zal ook nu Zijne hulp aan mij niet onttrekken.

Komt de zonde om de ziel te overmeesteren, zij ziet door het geloof dat Christus door Zijn dood, den dood der zonden verdiend heeft, dat zij derhalve met een overwonnen vijand heeft te strijden, dien het nooit zal gelukken de ziel te overmeesteren. Woelt de zonde evenwel nog, het geloof brengt ze voor de voeten van Jezus, het roept Zijn Geest en kracht in, het pleit op de kracht van Zijne verdiensten, op de belofte : „de zonde zal niet over u heerschenquot;; en ondertusschen zuigt en haalt het uit Jezus kracht om tegenstand te kunnen bieden, en wordt dan wel eens overwinnaar.

Komt de wereld met verdrukkingen, vervolgingen, hoon , smaad en laster , of met velerlei verleidingen, door het geloof wordt de wereld overwonnen, daardoor staroogt de ziel op Jezus toezeggingen. Joh. XVI: 32. „in de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen.quot; Door het geloof wil ze met Mozes „de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom achten, dan alle schatten van Egypte , ziende op de vergelding des loonsquot;, Hebr. XI: 26. Het geloof erkent dat de wereld tijdelijke, maar Jezus eeuwige goederen aanbiedt, dat de ééne ongenoegzaam zijn en de ziel ledig laten, en de andere cille schatkameren vervullen kunnen; en daarom veracht het grootschheid , wellust en rijk-

151

-ocr page 274-

152 Van het leven door het geloof.

dom, voor de wellusten, eere en goederen, die in de gemeenschap van God worden genoten.

5. Die door het geloof leeft, vertoont zich ook werkzaam in de dadelijke betrachting van deugd en Godzaligheid, om alles, hetzij in het geestelijke, hetzij in het burgerlijke, te doen op de rechte wijze, en tot het rechte einde. gt;i

A. Ik zeg, het maakt de ziel werkzaam in de oefening van de deugd, want het geloof is de wortel, waaruit de godzaligheid voortspruit en zich in alles ontdekt.

a. Het vertoont zich werkzaam om meer te vorderen in een gegronde en uitgebreide kennis van de goddelijke waarheden; want terwijl het geloof steunt op het getuigenis van God, moet dat getuigenis wel gekend worden, zal het geloof zijne vastigheid niet verliezen; de ziel is dan niet tevreden met de eerste beginselen , maar jaagt naar meer volmaaktheid, met het oog gevestigd op die belofte: „zij zullen kennen, ja, zullen vervolgen den Heere te kennenquot;, Hozea VI: 3; echter berust zij niet in eene bloote bevatting en uitwendige letterkennis, maar het geloof dringt door om de waarheid van de waarheid, dat is de kracht, de zoetigheid en nuttigheid van de waarheid te kennen door ondervinding daarvan aan het hart, en de uitdrukking daarvan in den ganschen wandel.

b. Het geloof vertoont zich ook werkzaam in de liefde; daarom spreekt de apostel van een „geloof dat door de liefde werkende isquot;, Gal. V: 6, en daaruit blijkt de echtheid en oprechtheid van hetzelve; en hoe kan het anders zijn, als eene ziel gelooven durft, dat zij een voorwerp van de liefde van een Drieëenig God is geworden, dat God van eeuwigheid

-ocr page 275-

Van het leven door het geloof.

en in den tijd aan haar in liefde gedacht heeft, of het hart wordt ontvonkt in eene brandende wederliefde! dan smelt ze wel eens weg in liefdetranen en berst uit in die liefdewoorden: „harteljik lief heb ik U, Heere, mijne sterktequot;, Ps. XVIII : 2.

c. De oefening van het geloof brengt voort vruch-\\.i ten van ware dankbaarheid, zoowel voor geestelijke

als lichamelijke zegeningen, zeggende: Col. 1:12, „dankende den Vader, die mij bekwaam gemaakt heeft om deel te hebben in de erve der heiligen in het lichtquot;; en Eph. 1:3, „gezegend zij de God en Vader onzes Heeren Jezus Christus, die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegeningen, in den hemel in Christus.quot; De ziel, geloovende dat zij verrijkt is met de goederen van Gods Koningrijk, roept in verwondering uit: „wat zal ik den Heere vergelden voor al Zijne weldaden aan mij bewezen, ik zal den beker der dankzegging opnemenquot;! Ps. CXVI: 12,13, en Pé. CIII: 1, 2: „looft den Heere mijne ziel, en al wat binnen in mij is Zijnen heiligen naam; looft den Heere mijne ziel, en vergeet geene van Zijne weldadenquot;! De verheffingen Gods zijn onder hunne tong en in hunne keelen, om hunnen Weldoener te verheerlijken.

Of geniet ze tijdelijke weldaden, omdat het geloof het aanmerkt als haar toekomende uit de handen van een verzoend God en Vader, in het recht dat Jezus verworven heeft, zoo brengt het ook dat alles weder tot God, om er Hem voor te verheerlijken, en „ziel en lichaam Gode te stellen tot een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerandequot;, Rom. XII: 1.

d. Het geloof is een vruchtbare baarmoeder van de godvruchtigheid, om met een heilige vreeze en diep ontzag voor God te wandelen; want hoewel het ge-

153

-ocr page 276-

Van het leven door het geloof.

loof vrijmoedig en gemeenzaam met God verkeert als met een verzoend Vader en Bonds-God, echter omdat het God heeft leeren kennen in Zijne ontzaggelijke hoogheid en verhevene Majesteit, die een ontoegankelijk licht bewoont, die heilig, rechtvaardig en alwetend is, een Koning der koningen en Heer der heeren, oneindig boven alles verheven, blijft zij ^ daar altoos een diepen indruk van behouden, en die indruk doet de ziel met een heilige omzichtigheid wandelen, om aan den eenen kant niets te doen wat God mishaagt en aan de andere zijde, alles te doen wat Hem behaagt; dat doet de ziel met Job zeggen: „het verderf Gods is mij tot een schrik en ik vermag niets wegens Zijn hoogheidquot;, Job XXXI : 23, en met Josef, Gen. XXXIX : 9, „zoude ik zulk een kwaad doen, en zondigen tegen God?quot; Dat is den Heere te dienen, maar met vreeze; zich in Hem te verheugen, maar met beving\', Ps. II : 11, en „bevende te komen tot den Heere en tot Zijn goedheidquot;, Hozea III: 5.

e. Het geloof brengt voort vruchten van liefde tot den naaste, om, ware het mogelijk, die ook te brengen tot de gemeenschap met God; och, zegt de geloovige ziel, mochten mijne vrienden en bekenden, die nog leven buiten God, ook eens dat zelfde geloof deelachtig worden! en dien wensch brengt zij menigmaal voor God, om het biddende Hem voor te dragen en om bekeering aan te houden; ja, die liefde tot den naaste vertoont zich in de oefening van alle liefdeplichten omtrent hen, in barmhartigheid, vreedzaamheid , langmoedigheid, vriendelijkheid, bescheidenheid en wat dies meer is.

f. Het levend en werkzaam geloof brengt ook voort een hemelsgezinden wandel, om verloochend aan de aarde in het onzienlijke te leven; want het geloof

454

-ocr page 277-

Van het leven door het geloof.

dringt tot boven de wolken; daar beschouwt de ge-loovige ziel den hemel zeiven als haar vaderland, God als haren Vader, Jezus als haar Hoofd en Borg, als den verheerlijkten Hoogepriester en Koning op Zijnen troon, de zaligen als haar maagschap, de engelen als hare dienaars; want nu „is alles tot één vergaderd, beide, dat in den hemel, en dat op de aarde is.quot;

Daar ziet ze de zalige goederen die voor haar zijn weggelegd; en dit geloofsgezicht maakt de ziel in alle gevaren kloekmoedig; dat doet haar alles klein achten wat beneden is, met Mozes zich „door het geloof vasthoudende, ziende den Onzienlijkenquot;, Hebr. XI: 27, met Abraham en de andere aartsvaders, „verwachtende de stad die fondamenten heeft, daar God de kunstenaar en bouwmeester van isquot;, Hebr. XI : 10.

g. Het geloof doet eene ziel ook zeer nederig en ootmoedig voor God wandelen; want omdat de ziel zich zelve heeft leeren kennen in hare zonden en onwaardigheid, en de dagelijksche struikelingen nog ondervindt, roept ze met Job uit, kap. XLH:5, „ik verfoei mij en ik heb berouw in stof en asch!quot; hier van daan is het dat zij hare deugden niet durft achten, maar erkent dat het beste zelfs walgelijk is en onrein voor God, zoo het door het reinigmakend bloed van Jezus niet besproeid wordt, en zoo er iets goeds in is, dat het alleen door de genade Gods is; hierdoor zegt ze, „ben ik dat ik ben.quot;

h. Het geloof heeft ook zijn invloed op de tijdelijke verrichtingen in het burgerlijke, om in alles wat men doet, in zijn beroep en omstandigheden naar de wereld, het oog op God te hebben; niets te beginnen dan met God, onder inwachting van Zijnen

155

-ocr page 278-

Van het leven door het geloof.

zegen, niet murmureeren als het tegengaat, dankbaar zijn onder voorspoed, en in twijfelachtige zaken den veiligsten weg te kiezen, liever wat nalaten dat geoorloofd is, dan de vrijheid die men heeft te ver uit te strekken, tot ontstichting van anderen; naar het voorbeeld van Paulus, die, hoewel hij vrijheid had om vleesch te eten, het liever wilde nalaten, dan zijn broeder ergeren, 1 Cor. VIII: 13.

B. Maar brengt het geloof zoovele deugden voort, het leert de ziel die ook oefenen op de rechte wijze en tot het rechte einde.

a. Op de rechte wijze, naar de regelmaat van Gods Woord, dat altoos het richtsnoer moet zijn van alle daden; het geloof leert, dat men het noodige voor de ziel altijd eerst en meest, en het lichamelijke het laatst en minst moet bezorgen, en dat men het moet doen op den rechten tijd, om zich zooveel bezigheid niet te geven in de dingen van den rijd, dat er voor de oefening van geestelijke dingen geen tijd zou over zijn.

b. En tot het rechte einde, om God in alles te verheerlijken, om „hetzij men eet of drinkt, of iets anders doet, het te doen ter eere van Godquot;, naar Paulus vermaning, 1 Cor. X : 31, dat doet de ziel van zich zelve afzien, geen verkeerde oogmerken hebben om zich zelve of om menschen te behagen, maar alleen den Heere; ja zooverre, dat al leed zij er smaad en verachting door, en God kan er door verheerlijkt worden , zij dan getrouw wil blijven en zich van geene plichten laten aftrekken; en in tegendeel, al kon ze voordeel, eer en achting bij menschen verkrijgen, en Gods naam zou er door gesmaad worden, het dan liever na te laten.

6. Ontdekt zich die geloofswerkzaamheid in de

156

-ocr page 279-

Van het leven door het geloof. 157

gestadige oefening van hartelijke en godvruchtige ge-heden , waardoor de ziel aan God, aan Christus en aan den hemel, als vast verkleefd wordt, gelijk de gordel kleeft aan de lenden van een man; in het gebed gaan de begeerten der ziel naar God en Christus uit, daar betuigt ze hare liefde en hoogachting, daar verbindt ze zich aan des Heeren dienst, en biedt zich gulhartig aan den Heere aan, waartoe en waarin Hij ook van haar zal willen gebruik maken, zeggende: zie hier ben ik tot uwen dient gewillig en bereid, als bewust dat gij mij nergens toe zult roepen, of gi] zult mij ook dadelijke kracht geven om het te volbrengen; bijzonder oefent zich het geloof in die heilige en hartelijke uitschietende gebeden, in die opwellingen van het hart, die men in alle gelegenheden en bezigheden naar boven zendt; welke ook van eene wonderlijke kracht zijn, gelijk het in Mozes, in Nehemia, Daniël en anderen gebleken is.

7. Eindelijk, het leven door het geloof vertoont zich werkzaam door onder de tijdelijke verrichtingen, met een geestelijk hart tot geestelijke dingen op te klimmen; bijvoorbeeld door in het aanschouwen der zon, zich Christus, de zon der gerechtigheid, voor te stellen; in het zien van planten, kruiden en bloemen in haar schoonheid en luister, met het geloofs-oog te zien op den oorsprong van dat alles en zich den geestelijken groei en vruchtbaarheid te herinneren; in het aanschouwen van den hemel, de plaats van eeuwige blijdschap en zaligheid ; met één woord , om door alles wat men doet of wat men ziet, het hart hooger op te beuren tot het onzienlijke en geestelijke.

Zie daar, wat het is door het geloof te leven.

Wij hebben dit stuk, waarin de gansche wandel der godzaligheid bestaat, slechts in eene korte schets

-ocr page 280-

Van het leven door het geloof.

u voorgesteld, om er iedereen op verliefd te maken.

Nu moet ik ten tweede Gods volk opwekken om met ernst er naar te staan, dat zij in zulk een ge-loofswandel op den weg naar den hemel toch ijverig mogen voortgaan; want hoewel deze weg, zoo be-minlijk, zoo noodzakelijk en heugelijk is, zijn er echter vele van Gods kinderen, die op denzelven traag en ijverloos zijn.

o Volk van God! hier moet ik een woord tot uwe beschaming zeggen; gij leeft, het is waar door het geloof, want anders waart gij buiten de gemeenschap met Christus, omdat het geloof alleen de band van vereeniging maakt, maar waar is die werkzame oefening van dat geloof?

Velen uwer zijn al lange jaren op den weg geweest, maar maken yeen voortgang , omdat ze door gestadige twijfelingen geschud worden; zij blijven altijd arbeiden aan de gronden, \'t is altijd : ik vrees, dat het met mij niet recht is. Zij willen leven door gevoel, maar niet door geloof, en daarom blijven zij altijd dezelfde in plaats van staat te maken op het getuigenis Gods; en als men eens de gronden met vrijmoedigheid heeft durven opmaken , ontbreekt het om die vast te houden tegen alle inwerpingen van het ongeloof, en dus is uw geloof in veel stukken werkeloos en oefent zich maar in de zwakste daden van begeer en , hongeren , dorsten en loopen tot Jezus ; maar dat heilig en gegrond vertrouwen, dat vasthouden aan God en aan de beloften, daarvan kent gij weinig bij bevinding, en ofschoon het waar is, dat een zwak geloof genoeg is om zalig te worden, zoo is het toch niet genoeg om getroost en gemoedigd uwen weg te bewandelen.

Staat dan toch naar meer gegronde verzekering

158

i

-ocr page 281-

Van het leven door het geloof.

van uwen staat, en laat u door het minste niet beroeren ; gij hebt met een getrouw God te doen, die de kleinste vonkjes van genade in u zal bewaren en voortzetten; geeft het Hem maar in handen.

Maar anderen zijn er, die, hoewel ze hunnen staat nog al veelzins vasthouden, evenwel niet zóó leven door het geloof als het betaamt; gij leeft niet genoeg met diepe indrukken van uwen ellendigen, doodswaar-digen en onmachtigen toestand; want ofschoon gi] genade hebt, maakt gij u gedurig schuldig voor God door duizenderlei afdwalingen en deze wegen dikwijls niet genoeg op uw hart; en van daar is het dat gij niet hartelijker tot Jezus en Zijn bloed toevlucht neemt, om verzoening daarin te zoeken ; gij erkent wel, dat gij onmachtig zijt en zonder Jezus niets doen kunt, maar om alle oogenblikken in elke daad, bij iedere gelegenheid, in het geestelijke en lichamelijke , het geloofsoog op Christus te vestigen en door den mond des geloofs kracht, voedsel en sap uit Jezus te trekken, daar kent gij nog zoo weinig van; hoe dikwijls onderneemt gij iets in eigen kracht zonder dat afhankelijk opzien om licht, invloed en sterkte; daar van daan is het, als gij denkt tot het oefenen van dezen of genen plicht in staat te zijn, dat gij wel eens beschaamd wordt, en in tegendeel, als gij dacht het alleronbekwaamste te zijn en maar weerloos kondt opzien naar boven en in Gods kracht het ondernaamt, dat gij dSu wel eens moest erkennen , dat Gods kracht in uwe zwakheid werd volbracht ; opdat gij langs dien weg zoudt leeren van uzelven af te zien en door het geloof te leven.

Ja, waar is dat geloovig en stil onderworpen zijn aan den wil Gods? het gaat gemakkelijk als het alles voorspoedig is, als men zijne gangen in hater

159

-ocr page 282-

Van het leven door het geloof.

wascht; maar is het eens tegenspoed, wat is het hart niet ras genegen tot murmureeren en tegenspreken; roept God eens tot verloochening van hetgeen ons dierbaar is, wij zijn aanstonds zoo gewillig niet als Abraham, toen God hem dat zware gebod gaf om zijnen zoon te slachten; al hebben we er lust toe, we hebben zooveel werks om het hart te buigen onder Gods wil.

En waar blijft de oefening van dat heilig geloofsvertrouwen in ongelegenheden, zoowel in het geestelijke als lichamelijke? verbergt God eens Zijn aangezicht, wandelt men in het duister, men is haast moedeloos, men wordt ongeloovig, men durft zich op de beloften niet verlaten, noch God als een Vader aanmerken; schiet de satan dan zijne vurige pijlen, men zet er het schild des geloofs niet voor, om ze aanstonds af te weren, maar wordt versaagd en kleinmoedig, en daarom treffen ze zoo haast in het hart; want nooit is de vijand méér op zijne hoede, dan wanneer wij ontwapend zijn.

Of zijn er duistere omstandigheden naar dit tijdelijke, men durft het dikwijls zoo weinig aan God toevertrouwen ; als men wat hoop van uitkomst ziet, dan gaat het wel, maar is het zoo duister dat er geen licht is, dan ligt de moed neder, alsof God niet machtig was om het licht uit de duisternis te voorschijn te brengen!

Hoe weinig is het geloof ook werkzaam in het oefenen van al die deugden, die we hebben opgeteld; o, wie onzer is er, die niet beschaamd en schaamrood zijn tekortkomen moet erkennen? doch dat te zien en te erkennen is niet genoeg, als het gebrek niet verbeterd wordt in de mogendheid des Heeren. ■ Komt laat u dan opwekken om in dezen geloofs-

460

-ocr page 283-

Van het leven door het geloof.

wandel standvastiger, onbeweeglijker en altijd overvloedig te zijn.

1. Gij kunt u met bestendig verzekeren van de oprechtheid van mv geloof, zoo het niet werkzaam is door de liefde in de betrachting van de plichten der godzaligheid; want als het geloof zijne werkzaamheid mist, dan gelijkt het meer naar een dood dan naar een levend geloof-, zoo leert Jacobus kap. II: 17, hoewel het nu waar is dat het nooit geheel zijne werkzaamheid kan missen, zoo verzwakt het echter wanneer het niet gedurig geoefend wordt; \'t is hier even als bij iemand die eenige kunsten en wetenschappen geleerd heeft, als hij zich daarin niet gedurig oefent, raakt hij de hebbelijkheid kwijt, maar door de oefening wordt hij er hoe langer hoe meer in ervaren; zoo is het met het geloof, wanneer het gestadig wordt geoefend en levendig gehouden, dan kan de ziel daar uit opmaken, dat zij geleerd heeft wat gelooven is, en dan zouden de bestrijdingen en schuddingen over de eerste geloofsdaad, of die wel oprecht is, zooveel vat niet hebben, omdat het gedurig weder hervat wordt door het opnieuw opdragen van zich zeiven aan den Heere Jezus.

2. Daar is geen gezegender middel, om in de heiligmaking toe te nemen, dan de weg des geloofs; want gelijk het hoofd het hart reinigt van de liefde tot de zonde, zoo maakt het ook de ziel werkzaam in de betrachting van de deugd; het leert gedurig in erkentenis van eigen onmacht het oog op Jezus vestigen; het is de hand, die Jezus en Zijne sterkte aangrijpt, de voet, die tot Hem loopt; hierdoor brengt men het ledig vat van zijn hart voor een algenoegzaam God en Zaligmaker om vervuld te worden; hebt dan lust om heilig te zijn, oefent veel

11

■161

-ocr page 284-

462 Van het leven door het geloof.

uw geloof dat is het beste en gezegendste middel.

3. Door de oefening van het geloof zullen we ook manmoedig, heldhaftig en kloekmoedig in den naam en kracht des Heeren staan kunnen tegen alles wat eenkjen tegenstand biedt; komt de zonde, de wereld en de satan zich tegen ons in strijd begeven , door het geloof waagt men het om tegenstand te bieden; daardoor slaat men de hand aan Gods beloften,

eed en trouw, daar maant men God op , daar houdt men zich aan vast; door het geloof ziet men op Christus als den oversten Leidsman, en, door Zijne kracht gesterkt, kan de ziel midden in den strijd wel eens juichende zeggen: „in alle deze ben ik meer dan overwinnaar, door Hem die mij heeft lief gehad !quot; Rom. VIII : 37.

4. Langs den weg des geloofs kan men recht wam getroost en blijmoedig leven , want: 6.

A. Omdat de ziel, geloovende, zoo licht niet ge- geloi schud wordt omtrent haren staat, kan ze zich zegenen UijJce in de gemeenschap van een Drieëenig God, en al die of d zalige voorrechten die daaruit voortvloeien, ja, zich wam „verblijden in de hope der heerlijkheid.quot; |)eve

B. In voorspoed en het genot van tijdelijke zege- | died ningen maakt het geloof haar recht dankbaar om in ap0S erkentenis van eigen onwaardigheid te zeggen: „ik. Matt ben te gering dan al deze weldadigheden en trouw.quot; i iet , Ja door het geloof heeft men het geheiligd recht tot hebb alles, omdat Christus, met wien het geloof de ziel jflied heeft vereenigd, dat heeft verworven. gaan

C. In tegenspoed, kommer en zwarigheden maakt uw et het geloof de ziel heilig zorgeloos, om het alles in ©p de handen van een getrouwen God over te geven, zeggi die altijd voor Zijn volk zorgt; dan tverpt men zijne Heer zorg op den Heere, die het teel zal maken, dan maakt gij z

men zal 5. moe moet met om te g dooi ster ik o het kan het dan

-ocr page 285-

Van het leven door het geloof.

men staat op Gods beloften, die gezegd heeft: zal u niet begeven noch verlaten.quot;

5. Op den weg des geloofs is niet alleen een blijmoedig leven, maar het baant den weg tot een ge-moedigd, getroost en zalig sterven; men kan hier reeds met blijdschap aan den dood denken, als het middel om in de onmiddelijke gemeenschap met God over te gaan, waar men „niet wandelt door geloof, maar door aanschouwenquot;; op het doodbed kan men den stervenden Jacob na zeggen: „op Uwe zaligheid wacht ik o Heerequot;, Gen. XLIX ; 18 ; en met Paulus: „ik heb het geloof behoudenquot;, I Tim. IV : 7. \'t Is waar. God kan nog wel eens Zijn licht intrekken, maar dan is het om het geloof op de laatste proef te stellen, en dan blijft er nog een stil wachten op den Heere; want „de rechtvaardige vertrouwt zelfs in den dood.quot;

6. Ja, zoudt gij niet staan naar zulk een gezetten Jgeloofswandel; het zal u zeer bedaard maken in schielijke en onverwachte toevallen, het zij omtrent u zelf of de uwen, of in oordeelen die het land treffen ; wanneer een onbekeerd zondaar moet sidderen en beven, en dan met Benhadad van kamer in kamer vliedt, en kleingeloovigen met Petrus en de andere apostelen vreesachtig roepen: „Heere wij vergaan!quot; Matth. VIII : 25; dan zult gij, die gewoon zijt door liet geloof u op God te verlaten, ook vrijmoedigheid hebben om tot Hem als een veiligen rotssteen heen te vlieden, „om daarin te wonen, om gedurig daarin te gaanquot; Ps. LXXI ; 3; dan zult gij u in de handen van Uwen Vader kunnen aanmerken, en, staat makende

Zijne trouw in het vervullen van Zijne beloften , zeggen: „ik zal vertrouwen en niet vreezen, want de Heere is met mij, als een verschrikkelijk heldquot;, ja gij zult moedig zijn als een jonge leeuw.

H*

1G3 Jk

el.

ok tin ■at !ld ior

n; n,

idt op

jne •ijd

Ber ?e-

cht

genen die ;ich

sge-i in „ik. w.quot; tot ziel

iakt 3 in ren,

\',ijne iakt

-ocr page 286-

Van het leven door het geloof.

7. Zulk een wandel is ook God verheerlijkende; want dan maakt men staat op God, als op een algenoeftzaam, zalig, getrouw en goedertieren God; dan leert men afzien van alles wat buiten Hem is, en afhankelijk van Hem leven ; dan wordt men zoo nederig en klein bi) zich zeiven, wijl men erkent alles uit vrije genade te ontvangen, en men roept met Paulus uit, „door de genade Gods, ben ik dat ik ben !quot;

Dan durft men van zich zeiven of van zijne deugden niet groot denken; doet men iets goeds voor God en Zijne zaak, het is: „niet ik, maar de genade die in mij woontquot;, en gelijk ik het heb van God, zoo breng ik het weder tot God, Hem zij de heerlijkheid.

8. O volk van God, zoudt gij op zulk een geloofs-wandel niet verliefd worden? het is de weg, waardoor gij alles kunt verkrijgen\', door het geloof hebt gij toegang tot den genadetroon om uwe nooden in in Gods schoot uit te storten; door het geloof opent men zijnen mond, om uit Jezus volheid alle genade te ontvangen; door het geloof hebt gij recht tot alle tijdelijke dingen, al waart gij arm en veracht naar de wereld; en de geestelijke en eeuwige goederen moogt gij u ook toeleggen, ja, door het geloof woowi Jezus in uw hart, en uw hart in den hemel, terwijl gij nog op aarde zijt.

Eindelijk, leeft gij hier door het geloof, gii zult na uwen dood de eer hebben , dat gij onder het getal van de wolke der getuigen zult aangeteekend staan, waarvan Paulus zegt: „zij zijn in het geloof gestorvenquot;, Hebr. XI : 13; na uwen dood zullen üe vruchten van uw geloof nog geroemd worden , gelijk van Abel staat: „hij spreekt nog nadat hij gestorven isquot;, Hebr. XI: 4; dat is, door zijne rechtvaardige geloofs-

■164

-ocr page 287-

Van het leven door het geloof.

daden. Die hier het verste gekomen is in den wandel des geloofs, wordt het meest gedacht na zijnen dood.

Is er dan zooveel heil en zaligheid aan vast, om te leven door het geloof, vraagt gij wellicht: langs wat weg kom ik daartoe? dit was ons derde en laatste stuk, om bekwame middelen aan de hand te geven, die u hier in kunnen bevorderljik zijn.

Ik zal hier eerst algemeene besturingen geven en dan aanwijzen, hoe vooral het Avondmaal hiertoe een gezegend middel is.

De algemeene middelen die ik u aan de hand geef zijn deze navolgende:

1. Staat naar eene vaste, bestendige en op Gods Woord gegronde verzekering van uwen staat; wanneer gij eens volgens echte kenteekens uit het Woord, met vergelijking van uw hart daarbij, vrijmoedigheid vondt om te durven gelooven, dat gij het eigendom Gods waart; houdt het daarbij, geeft u niet toe in ongeloof en twijfelingen; maar zegt: is het ééns waarheid geweest, God is getrouw, het zal altoos waarheid blijven; zoolang als die grond niet vast ligt, kunt gij niet voortgaan; daarom zeg ik met Petrus, „benaarstigt u om uwe roeping en verkiezing vast te maken; want dat doende, zult gij nimmermeer struikelenquot;, 2 Petr. I ; 10.

2. Weest niet al te zeer gezet op gevoelige genade en bewerkingen van Gods Geest tot vertroosting en blijdschap; behaagt het God het u te schenken , weest dankbaar, acht het groot en bewaart het getrouw; maar mist gij het, denkt, het is hier de tijd niet van gevoelen maar van gelooven; het eene gaat en komt, maar het geloof blijft, als het gevoel weder overgaat; het ééne veroorzaakt een gezetten, beza-digden en teederen wandel, maar het andere is zeer

165

-ocr page 288-

Van het leven door het geloof.

ongestadig; zoo lang als men het gevoel heeft van Gods liefde, zou men bergen verzetten en zeggen: ik zal niet wankelen; maar houdt dat op, dan staat men voor het minste verlegen en wordt haast moedeloos, doch het geloof blijft, zelfs in de grootste duisterheid; dan houdt men God vast op Zijn Woord en toezeggingen, en dan hebben alle verzoekingen minder kracht.

3. Houdt u veel bezig in het onderzoek van Gods Woord en de goddelijke waariieden, oefent u in de kennis, want die is de grondslag waarop het geloof rust; de onkunde is de moeder van het ongeloof; want dan staat men voor de minste tegenwerping verlegen , die men anders door een gegronde kennis zou kunnen oplossen ; beproeft ook in het Woord welke Gods goede, volmaakte en welbehageliike wille zij, om dien te houden tot den regel van uwen wandel.

4. Weest toch gezet op een teederen, gezetten en nauwkeurig en ivandel in de heiligmaking; nergens wordt de vrijmoedigheid meer door verloren dan door de zonden ; dan verbergt God Zijn aangezicht, dan durft men van de beloften geen gebruik maken; dan wordt de toegang tot den genadetroon wel eens gesloten ; daarom wordt in Gods Woord doorgaans het geloof met de heiligheid saam verbondenen die de grootste helden waren in het geloof, waren ook het verst gevorderd in de heiligheid, ziet Hebr. XI.

5. Gaat dagelijks, ja, alle oogenhlikken door het geloof tot Christus, zoekt in Zijn bloed gedurig verzoening over uwe afwijkingen; als gij uwe onmacht ondervindt, gaat bij Hem om sterkte, maant Hem op dat woord, dat Hij zelf gezegd heeft: „zonder Mij kunt gij niets doenquot;. Joh. XV : 5. En vertrouwt dan ook op die kracht, waardoor men alles vermag;

106

-ocr page 289-

Van het leven door het geloof.

dat is het rechte geloofsleven, dat niemand kent dan die het ondervindt.

6. Maakt dagelijks in alle gelegenheid veel gebruik van de beloften \\ daar is geen een ongeval, waarin gij kunt komen , geen een plicht die gij moet betrachten of daar zijn beloften van hulp, ondersteuning en redding; legt u daarop neder, maant er den Heere op; zegt met David: „gedenkt des Woords tot Uwen knecht gesproken, op hetwelk Gij mij hebt doen hopen, Uwe toezegging heeft mij levend gemaaktquot;. Psalm CXIX : 49, 50.

7. Stelt u veel de geloofshelden voor, die u op denzelfden weg zijn voorgegaan, tot uwe aanmoediging en opbeuring; volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst hunner wandeling\', men zegt van de loopbanen der Grieken, dat de beeltenissen van voorname helden en standvastige loopers daarbij stonden, om anderen in hunnen loop aan te sporen ; en zulke voorbeelden zijn er vele in Gods Woord bekend, en ook nog buiten hetzelve; gaat dan ook op de voetstappen der schapen, zoekt die in uwen wandel te drukken, naar Paulus vermaning: „dewijl wij zoo groote wolke van getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons met lijdzaamheid loopen de loopbaan die ons is voorgesteldquot;, Hebr. XII : 1. Maar gelyk deze middelen in het algemeen nuttig zijn, zoo is het Avondmaal in het bijzonder heilzaam en gezegend om in het leven des geloofs toe te nemen, wanneer het op een rechte wijze wordt gebruikt; want gelijk het bondzegel des Doops aan u beteekende en verzegelde de inlijving van Christus door het geloof, zoo is het Avondmaal tot versterking en verdere opwassing en toeneming in hetzelve; een kind dat door de geboorte het leven heeft ontvangen, heeft gedurig

-167

-ocr page 290-

Van het leven door het geloof.

voedsel noodig, om daarin op te wassen en tot sterkte te komen ; dus is het Avondmaal geschikt om het geestelijk genadeleven, het leven des geloofs, tot meerdere sterkte te brengen, en dat voor ieder een, in wat gestalte men zich bevindt.

1. Zegt gij, ik heb nog maar pas mijnen voet op den weg des geloofs gezet, ik ben nog maar een kindeke in Christus, mijne werkzaamheden zijn maar begeerten, uitzien, verlangen en wenschen om genade, om deel aan Jezus te hebben ; o komt tot de bonds-tafel met zulk een gestalte; daar staat de Heere in Zijne volle algenoegzaamheid, om uwe begeerten te vervullen; gaat met die gestalte naar Hem toe; gelijk een teeder kind snakt, reikhalsten hunkert naar de borst van zijne moeder of voedster, om daaruit verzadigd te worden; loopt, snakt en begeert ook zoo naar den Elschaddai, den Algenoegzarnen God; en het is opmerkelijk, dat liet woord Elschaddai afkomt van een woord dat beteekent een vollt borst, om te kennen te geven dat er bij God een\' volle en onledigbare volheid is, en eene gewilligheid om die volheid mede te deelen; komt dan en opent uwen mond maar in hartelijke begeerten, loopt naar die redelijke en onvervalschte melk; ik verzeker u, dat geen teederlievende moeder zoo genegen is om haar hongerig kind met hare melk te voeden, als de algenoegzame Jezus om eene ziel, die het orn Hem te doen is , te vervullen met Zijne genade; en dat verzegelt Hij in het Avondmaal; hoe dorstiger en hongeriger gij zijt, hoe uitgeledigder bij uzelven, hoe gepaster voorwerp gij zijt om verzadigd te worden.

2. Durft gij niet ontkennen, dat gij het geloof bij aanvang zijt deelachtig geworden, maar moet gij klagen dat gij zoo flauw en zwak daarin zijt, dat

168

-ocr page 291-

Van het leven door het geloof.

het zoo menigmaal aan bet bezwijken is, ja, dat gij een zieke, kranke en gewonde ziel hebt? komt met uwe krankheid tot dezen maaltijd, Jezus is de heelmeester, die de gebrokenen van harte verbindt; Hij heeft medicijnen voor alle kwalen; is uw hart gewond door het gezicht en gevoel van zoovele aanklevende zonden? Hier is Jezus bloed een genezende balsem tot reiniging van alle zonden; zijt ge in de wereld door veel omstandigheden ingewikkeld en zijt gij machteloos om er u uit te redden ? Jezus verzegelt in het Avondmaal, dat Hij Zijnen Geest verworven heeft om u te heiligen, en Hij belooft dat Hij tot alles kracht zal geven; legt uwe hand maar op de beloften, grijpt ze door het geloof aan, maant er Jezus op; Hij zal ze vervullen; o daar is geen gebrek, hoe groot het is, al waart gij van het hoofd tot de voeten melaatsch, en dat gij moest uitroepen, onrein! onrein! of Jezus heeft olie en wijn tot genezing en Hij wil als de barmhartige en ontfermende Hoogepriester die op uwe wonden leggen; en dat alles verzegelt Hij in het Avondmaal.

3. Zijn er die hartelijk werkzaam zijn in het leven des geloofs, maar die begeerig zijn om vrolijk en gemoedigd te leven, die wel eens wilden proeven en smaken hoe goed God is, om daardoor in hun geloofs-wandel nog meer versterkt en bevestigd te worden?

In dezen heilsmaaltijd wordt brood tot versterking van het geestelijk leven en wijn tot vervrolijking aangeboden; Jezus roept u toe: komt eet van Mijn brood en drinkt van den ivijn dien Ik gemengd heb! Hier moogt gij u verlustigen in de goederen van Gods huis en drinken uit de heken van Zijne wellusten; maar met dat oogmerk, om door de kracht van die spijze en drank door de woestijn van deze wereld

169

-ocr page 292-

470 Van het leven door het geloof.

heen te gaan, tot dat gij aanlandt aan den berg Gods, den hemel, gelijk Elia, die veertig dagen door de spijze die God hem bezorgde, gesterkt, heenging, totdat hij kwam aan Horeb\\ zoo moet gij niet slechts éénen dag, maar van het eene Avondmaal tot het andere trachten gesterkt te wezen.

Maar mogelijk zegt ge, ja, dat zou wel zijn, indien ik in die vertroostende gestalte bleef, die ik nog wel eens aan de tafel ondervind, maar ik ben er dikwijls zoo haast niet af, of ik mis die vertroosting en aangename bevinding van Gods liefde, en raak dan daardoor in het duister; doch weet, dit kan zeer wel zijn; want God wil u hierdoor leeren, dat gij niet moet leven op het gevoel maar door geloof; heeft God opnieuw Zijne beloften aan u verzegeld, leeft dan ook op dezelve, legt u daar geloovig op neder, en denkt, ik wandel op een weg des geloofs, het genieten is voor den heme1- bewaard\'. God wil u door de bevindingen van Zijne liefde weder nieuwen moed en kracht geven in den strijd tegen de vijanden, want gij zult ondervinden, dat de satan het er nooit meer op toelegt om u of tot zonde te vervoeren óf uwe werkzaamheid te bestrijden, dan wanneer God u heeft verkwikt; en dan is het alsof al de vrucht van het Avondmaal aanstonds weg was; neen, dan komt het te pas; „waakt, staat in het geloof, houdt u mannelijk, zijt sterk.quot; En daartoe geeft God u gedurig nieuwe panden van Zijne liefde, om uw geloof te versterken en Zijne trouw omtrent u te bevestigen.

Maar eer ik eindig, moet ik nog een kort woord bij wijze van toepassing hierbij voegen. Vooreerst tot u, natuurlijke menschen, die nog dood zijt in zonden en misdaden, voor u is al het verhandelde een onverstaanbare taal, gij kent er door bevinding

-ocr page 293-

Van het leven door het geloof.

niets van; al wat gij er van weet, is maar door eene uitwendige letterkennis; want „gij begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijnquot;, want gij zijt nog nooit het eerste beginsel des geloofs deelachtig geworden , hoe zou ik u kunnen opwekken om door het geloof te leven ? o dat gij nog eens zaagt uwen ellendigen toestand waarin gij zijt; want leeft gij hier niet door het geloof, zoo zult gij ook niet eeuwig leven; wel leven, ja maar uw leven zal slim nier zijn dan de dood\', want het zal zijn „tot versmaadheid en eeuwige afgrijzingen!quot; och werdt gij nog eens verliefd op zulk een geloofswandel als wij hebben beschreven! dat gij eens vragen mocht welke de goede weg is om daarin te wandelen, want zoolang gij nog omzwerft en wandelt op den weg des verderfs, hebt gij geen deel aan de voorrechten van Gods volk; dan heb ik ook geen vrijheid om u te noodigen aan de bondstafel, want alles\' wat daar verricht en genoten wordt is alleen door het geloof; legt u dan voor Jezus voeten neer, bidt Hem, dat Hij het werk des geloofs met kracht in u wil werken, en dat Hij Zijn machtigen arm eens wil ontblooten tot Zijne heerlijkheid en uw eeuwig heil.

Maar ten tweede, bekommerde en klein geloovige, mij dunkt ik hoor u klagen: ik heb daar zooveel gehoord wat het is door het geloof te leven; maar in plaats dat het mij zou opwekken, slaat het mij ter neder; ik vrees, dat ik het geloof nog mis; want ik ken nog zoo weinig van al die dingen, wat zouden wel de bewijzen zijn van een geestelijk leven? ik antwoorde:

1. De gevoeligheid en de aandoening, die gij in u ondervindt, is een bewijs van leven-, want een doode is ongevoelig; tast hem aan, snijdt en kerft hem, hij

171

-ocr page 294-

Van het leven door het geloof.

is en blijft zonder beweging; en zoo is een dood zondaar, al wordt hij nog zoo ernstig aangesproken en de oordeelen Gods over hem nitgedonderd, hij is zorgeloos; welnu, ik vraag u, is uw hart niet week, niet beroerd en aangedaan als gij hoort voorstellen de ellende van den zondaar, de volheid van Jezus, en het groote voorrecht van allen die God vreezen? dat is immers een bewijs van leven ?

Doch ik wil hiermede niet zeggen, dat allen die nu en dan eens beroerd worden onder eene predikatie , het geestelijk leven hebben, neen, dat. zij verre, maar die gevoeligheid moet gepaard gaan :

2. met zulke werkzaamheden, die een heivijs van leven zijn; met moet er door gedreven worden op de knieën voor God, om het beroerde hart voor Hem neder te leggen, om genade bij Hem te zoeken; hebt gij dit ondervonden? weet gij wat het is om genade te worstelen voor den genade-troon?

3. Leeft hij niet die dagelijks hongert, dorst, roept, schreeuwt, loopt en vliedt naar Jezus, om in Hem gevonden te worden? en is dit ook uwe werkzaamheid niet? gaat uw hart niet naar Jezus uit? zou u wel iets zoo dierbaar zijn als eenige kruimtjes der genade te mogen smaken? kunt gij niet zeggen, ja de Heere weet het en Hij is er getuige van, of ik niet wenschte om met verloochening van alles mij aan Hem op te dragen en in mijnen ganschen wandel dat te vertoonen; mijn licht te laten schijnen voor de menschen!

Ondervindt gij dit, dan durf ik u volgens het Woord van God verzekeren, dat gij reeds bij aanvang het geloof zijt deelachtig geworden; tracht dan door hetzelve te leven en op dien geloofsweg, waarop gij gezet zijt, voort te gaan.

-172

-ocr page 295-

Van het leven dooiquot; het geloof.

173

En troost u ondertusschen met die hoop, dat gij, die hier wandelt door geloof, eens zult wandelen in aanschouwen; de wandelstaf des geloofs zal u brengen tot, ja tot over de Jordaan des doods, maar dan zult gij dien nederzetten; en die goederen waarop gij hier geloovende hebt gehoopt zult gij dan eeuwig genieten, tot uwe blijdschap en zaligheid!

AMEN.

-ocr page 296-

ZESDE VERHANDELING

OVER DEN VEEDE , BLIJDSCHAP EN ROEM DES GELOOFS , ALS VRUCHTEN, DIE UIT DEN WANDEL DES GELOOFS VOORTVLOEIEN.

jadat wi] de laatste maal gesproken hebben ; over den edelmoedigen geloofswandel van

_j een Christen op den weg naar den hemel,

ben ik nu voornemens om te toonen de zalige en heugelijke vruchten die uit zulk een wandel voortvloeien , namelijk vrede, blijdschap en roem , of het mocht dienen aan de eene zijde om Gods volk, die reeds hunnen voet op den weg des geloofs gezet hebben, op te wekken om daarop ijverig voort te gaan, dewijl er zulke zalige vruchten op te genieten zijn, en aan de andere zijde om natuurlijke menschen uit te lokken tot verkiezing van zulk een weg waarop men met vrede en blijdschap kan leven en sterven.

Ik zal dan, om aan dit oogmerk te voldoen, deze drie stukken verhandelen.

1. Elk dezer genoemde geloofsvruchten, den Vrede, blijdschap en roem, op zich zelve kortelijk bezien, en aantoonen hoe ze uit het geloof voortvloeien.

2. Onderzoeken of die in alle geloovigen , en ten allen tijde gevonden worden, tot bemoediging van zwakgeloovigen en bekommerden.

3. Dan zal ik het een en ander bij wijze van toe-

-ocr page 297-

Over de vruchten des geloofs.

passing voor ons en een ieder zoeken aan te leggen.

Doch eer ik tot het stuk zelf kom, merk ik aan dat iemand mij misschien zal vragen, waarom ik maar alleen deze drie stukken noem: den vrede, blijdschap en roem, als heilsvruchten van een geloofs-wandel, daar er veel meer toe kunnen gebracht worden !

Ik antwoord:

1. Omdat we in de voorgaande verhandelingen reeds tusscbenbeiden vele voordeelen, die uit het geloof voortvloeien , hebben aangewezen.

2. Omdat ik in deze laatste verhandeling, waarin ik het stuk over het geloof sluiten zal, den hoogsten trap waartoe het kan stijgen, wilde voorstellen, hebbende in het voorgaande de laagste trappen aangewezen.

3. Omdat in deze drie stukken alle andere die men er nog toe brengen kan . begrepen zijn.

Dit vooraf gezegd zijnde, spreek ik nu van elke geloofsvrucht in het bijzonder, wat ons eerste stuk was.

Het eerste dat ik noemde was de vrede, waardoor ik versta „die genadige werking van God in de ziel van een geloovig en gerechtvaardigd bondgenoot, waardoor, de vorige vijandschap met God zijnde weggenomen, God met de ziel en de ziel wederom met God in onderlinge vriendschap verkeert; waaruit voortvloeit eene stille kalmte en rust des gemoeds in alle gevallen dezes levens, en vrede met alle schepselen buiten God.quot;

Volgens deze beschrijving moeten we eerst zien, wat deze vrede vooronderstelt, en dan waarin dezelve eigenlijk bestaat, en eindelijk wat gevolgen hij heeft.

1. Het vooronderstelt, dat een mensch van nature

175

-ocr page 298-

476 Van de vruchten des geloofs.

een vjiand van God is; want als er geen vijandschap is, behoefde er geen vrede gemaakt te worden; en dus, dat die vorige vijandschap is weggenomen.

De mensch, eerst door God geschapen met Zijn beeld , ging gemeenzaam met God om ; hij verkeerde met Hem als met een vriend, doch door de tusschen-komende zonden zijn die banden van vriendschap verbroken en de mensch is een vijand van God geworden ; hij heeft de wapens tegen zijnen Maker opgevat; want „hij loopt tegen den Almachtige ge-weldelijk aan met zijnen hals en dikke hoogverhevene schilden, en zegt tot Hem, wijkt van ons, want aan de kennis uwer wegen hebben wij geenen lustquot;. Job XV : 25, 26. En God, die een hater van de zonden is en Wiens heiligheid en rechtvaardigheid door de zonden ten hoogste benadeeld is, is ook een vijand van den mensch geworden; want „de boozen kunnen bij Hem niet verkeeren, noch voor Zijn aangezicht bestaan; Hij haat alle werkers der ongerechtigheidquot;, Ps. V : 5 , 6; en in zulk een staat van vijandschap komt ieder mensch in de wereld, en in zulk een staat leeft hij, want „het bedenken des vleesches is vijandschap tegen Godquot;, Rom. VHI : 7, en in zulk een staat zou hij moeten sterven, indien God zelf niet van eeuwigheid gedachten des vredes gehad had om hem uit dien rampzaligen toestand te redden, waarom Zijne eeuwige wijsheid het middel uitvond om den Zoon Zijner liefde af te zonderen tot eenen Middelaar en Borg, en Zijne onnaspeurlijke goedheid en almacht dat uitgevonden middel ten uitvoer bracht, wanneer Hij in de volheid des tijds Hem in de icereld zond, toen Hij de menschelijke natuur aannam om in dezelve aan de gerechtigheid Gods te voldoen, door alles te doen, wat er te doen, en te lijden, wat er

é

-ocr page 299-

Over de vruchten des geloofs.

te lijden was; waardoor God in staat gesteld werd om vrede met den zondaar te kunnen maken; want „de straf die ons den vrede aanbracht was op Hemquot;, Jes. LUI: 5, en Paulus zegt, dat „God was in Christus , de wereld met Zich zeiven verzoenendequot;, 2 Cor. V ; 19.

Dien vrede, zoo uitgevonden en door Christus verworven , laat God aanbieden aan ieder mensch, die onder het licht des Evangelies leeft, wanneer Hij „het Woord der verzoening legt in den mond van Zijne gezanten, die hen bidden van Christus wege, laat u met God verzoenen!quot; 2 Cor. V : 20; doch dit alles zou nog niet genoeg zijn, indien niet God de Heilige Geest door eene almachtige en zieloverredende kracht het vijandig en van nature afkeerig hart des zondaars bewerkte om die vijandschap te zien, die met schaamte en verlegenheid te erkennen en de wapens van vijandschap tegen God neder te werpen, om met verloochening van eigengerechtigheid, de gerechtigheid van Christus door het geloof aan te nemen, en daardoor „vrede, ja vrede met God te makenquot;, Jes. VII : 4.

2. Waar dit nu is voorafgegaan, kan God met zulk een ziel en de ziel wederom met God in vriendschap en vrede verkeeren; en die vrede is het eigenlijk waarvan we hier spreken.

a. De Veroorzaker van dezelve is in het algemeen God, die daarom genoemd wordt „de God des vredesquot;, 1 Thess. V : 23, en de vrede zelf heet eene „vrede Godsquot;, Fil. IV : 7, want Hij heeft ze uitgevonden en verordineerd; in het bijzonder is het de Heere Jezus Christus, die daarom een Vrede- Vorst genoemd wordt, Jes. IX : 5, de „Silo, de Vredemakerquot;, Gen. XLIX: 10, en Hij noemt den vrede Zijnen vrede; Joh. XIV: 27, „Mijnen vrede laat Ik uquot;; want Hij heeft dien vrede

12

177

-ocr page 300-

Over de vruchten des geloofs.

verworven en „door het bloed des kruises de vijandschap weggenomenquot;, Col. 1: 20; maar allerbijzonderst is het de Heilige Geest, die dien verworven vrede aan de ziele toepast; waarom de vrede onder Zijne vruchten wordt geteld; Gal. V : 22, „de vrucht des Geestes is vredequot;, en de „goederen van Gods Koningrijkquot;; die de Geest den geloovigen toepast, zijn niet alleen gerechtigheid, maar ook vrede, Rom. XIV ; 17.

h. Het onderwerp waarin deze vrede wordt gevonden, is in het algemeen het hart; want het is een vrede Gods, die „harten en zinnen bewaartquot;, Fil. IV : 7, maar het is het hart van een yeloovig en door het geloof gerechtvaardigd bondgenoot, die, met neder-werping van de wapens van vijandschap, door het geloof toevlucht genomen heeft tot den Vorst des Vredes, en door dat geloof voor God rechtvaardig is, zoo merkt Paulus de rechtvaardiging aan als de grond van den vrede; Rom. V : I, „wij dan gerechtvaardigd zijnde door het geloof, hebben vrede met God.quot;

c. De vrede zelf bestaat in een innige, verborgene en gemeenzame vriendschaps-oefening en omgang met God.

God, aan Zijnen kant, ontdekt Zich als een verzoend en bevredigd God in Zijne liefde aan de ziel, wanneer Hij haar Zijne „verborgenheden bekendmaakt, want de verborgenheid des Heeren is voor die Hem vreezenquot;, Ps. XXV : 14, als Hij Zijnen troon gedurig open zet en de ziel vrijmoedigheid geeft om tot Hem in het binnenste heiligdom te naderen en als geestelijke priesters gemeenzaam te verkeeren; wanneer Hij haar gebed niet versmaadt maar het oor neigt tot hun geroep en dadelijk de vervulling geeft van al de begeerten; ja, wanneer Hij hun toe-

478

-ocr page 301-

Over de vruchten des geloofs.

roept: „Ikquot; ben de uwe! en vreest nietquot;, en hun hierdoor bemoedigt, verkwikt en versterkt.

De ziel, aan hare zijde, oefent dien vrede en vriendschap met God, door gedurig tot Hem te naderen in het gebed, om vriimoedig alle nooden, be-kommerinaien , klachten en verborgene hartsgestalten in Zijnen schoot uit te storten , als aan haren verzoenden Vader en Bondsgod ; door Hem in alle verlegenheid raad te vragen , in afwijkingen weder om Zijne gunst te smeeken en zich opnieuw aan Hem op te dragen, ja, vrijmoedig om de vervulling van al het gebrek aan te houden, den Heere manende op Zijne toezegging.

3. Deze vrede- en vriendschapsoefening met God heeft ook heugelijke gevolgen, want daaruit vloeit voort:

a. De vrede met de conscience; want is de ziel met God verzoend, gaat zij zoo gemeenzaam met Hem om, dan beschuldigt of veroordeelt de conscientie niet, maar die, als de stedehoudster Gods, roept uit Gods naam vrede toe, dat is die „vrede Gods, die alle verstand te boven gaat!quot; Phil. IV: 7; dat is „die vraag van een goede conscientie tot Godquot;, 1 Petr. III : 21 ; en wanneer die vrede des gemoeds wordt ondervonden, dan is er ook niets machtig dien te storen, maar in alle gevallen kan de ziel het hoofd vrijmoedig opbeuren; in beschuldigingen van den satan kan ze met Paulus zeggen : „wie zal beschuldiging inbrengen? God is het die rechtvaardigt, wie is het die verdoemt? Christus is het die gestorven is, die ook ter rechterhand Gods zit, die ook voor ons bidt, Rom. VIII : 33, 34. Onder het gevoel van de inwonende zonde loopt ze tot Jezus\' gerechtigheid, om daarin alleen gevonden te worden; geniet ze

12\'

179

é

-ocr page 302-

180 Over de vruchten des geloofs.

voorspoed naar de wereld, het is dubbel aangenaam, omdat het bevredigd gemoed getuigt, dat het in de gunst van God is en dit aanmerkt als een pand van Zijne Vaderliike liefde, hetgeen het hart zooveel nauwer aan God verbindt; in tegenspoeden , rampen en wederwaardigheden maakt deze vrede het hart bedaard, het is het plechtanker waarop de ziel zich neerzet, geen stormwinden noch woedende baren kunnen het zieleschip van dien grond afdrijven. Wordt de vrede eens gestoord, de ziel heeft geen rust, maar roept zich zelve toe: „mijn ziel, keer weder tot uwe ruste, want de Heere heeft aan u wel gedaanquot;. Ja met één woord, in alle aanvallen van vijanden, in nooden en gevaren, bezet deze vrede als een garnizoen het hart, gelijk het woord eigenlijk te kennen geeft, Phil. IV : 7.

h. Uit den Vrede Gods komt niet alleen voort vrede met de conscientie, maar ook vrede met de Engelen, die Gods „dienstknechten zijn, uitgezonden tot dienst van die de zaligheid beërvenquot;, Hebr. 1:14. Deze dienen tot bewaring der geloovigen, want „de Engel des Heeren legert zich rondom degenen, die Hem vreezenquot;, Ps. XXXIV :8. Zij zijn als de „vurige wagens en paarden, die Elisa zag tot zijne beschermingquot;, 2 Kon. VI: 17; ja, zij zijn gereed om bij hun verscheiden van hier hen te vergezelschappen, om de ziel van de aarde op te voeren in de hemeïsche heerlijkheid, in Abrahairis schoot, waar ze eeuwig veilig bewaard zal zijn.

c. Alle Gods vrienden zijn met hun bevredigd, zoowel die in den hemel als die op aarde zijn: zij zijn tot een hoofdsom vergaderd, als medeburgers der heiligen, en huisgenooten Gods; zij hebben een en denzelfden Middelaar die hen met God verzoent; een

-ocr page 303-

Over de vruchten des geloofs.

en denzelfden Geest die hen bewerkt; zij bewandelen éénen weg, hebben hetzelfde einde in het oog en zullen eens dezelfde heerlijkheid deelachtig worden.

d. Zij hebben vrede met alle schepselen, want niets of niemand kan ze beschadigen , alle dingen moeten hun medewerken ten goede; het ligt alles aan den band van Gods voorzienigheid, alles is het hunne, omdat zij van Christus zijn ; de vloek, die om der zonden wil op het schepsel lag, is er uit weggenomen, ja, hemel en aarde, de starren zelfs in hare loopbanen strijden, als het noodig is, voor hun, en met „de steenen des velds is hun verbondquot;, Richt. V : 20, Job V : 28.

e. Ja zij zijn zelfs bevredigd met den dood, die de grootste vijand van de natuur is, en waarvoor een onbekeerde zondaar, die nog in vijandschap met God staat, vreest en beeft, wanneer hij er maar aan denkt; ja zelfs voor ware begenadigden een koning is van verschrikking, voor zoover hij den nauwen band, die de ziel met het lichaam vereenigt, verbreekt en het lichaam overgeeft aan het graf; doch omdat de geloovige, die met God bevredigd is, deel heeft aan Christus, die den prikkel des doods heeft weggenomen, daarom merkt hij dien aan als een vriend, als een doorgang tot het eeuwige leven in Gods gemeenschap; en daarom kan hij met blijdschap menigmaal daaraan denken, en dien met verlangen tegemoet zien.

O dierbare en allerwenschelijkste vrucht van het geloof, een zoodanigen vrede met God te hebben. De tweede vrucht die we noemden is de blijdschap, waarvan we nu wat nader moeten aantoonen waar ze in bestaat.

Van deze blijdschap van Gods volk wordt in het

•181

-ocr page 304-

Over de vruchten des geloofs.

Woord dikwijls gesproken; zij behoort tot de goederen van Gods koningrijk; die niet alleen zijn gerechtigheid en vrede, maar ook blijdschap, Rom. XIV : 17, daarom worden zij er dikwijls toe opgewekt; Psalm XXXII: 11 , „verblijdt u in den Heere, en verheugt u gij rechtvaardigen, en zingt vroolijk alle gij oprechten van harte.quot; En Paulus zegt, Fil. IV : 4, „verblijdt u in den Heere te aller tijd, wederom zeg ik, verblijdt u.quot; En Petrus beschrijft ze als eene „onuitsprekelijke en heerlijke vreugdequot;, 1 Petr. 1: 8. Versta door deze blijdschap: die aangename kalmte en stille vergenoegde zielsgestalte, door Gods Geest in het hart van een geloovig en met God bevredigd bondgenoot gewerkt, ontstaande uit eene klare bevatting, en levendige en gevoelige genieting van Gods gunst tot zich, en het geloovig aandeel aan alle heils-goederen, door Christus verworven, welke hij hier reeds in aanvang bezit, of nog in hope verwacht; en welke kalmte der ziele zich naar buiten vertoont in woorden en daden.

1. De werkmeester van deze blijdschap is alleen God; want het is een geestelijke, een goddelijke en hemelsche blijdschap, die niemand dan God kan werken; daarom wordt God genoemd: „de God der blijdschap en der verheugingequot;, Ps. XLIII : 4, en de blijdschap wordt geteld onder „de vruchten van den Geestquot;, Gal. V : 22, deze werkt do Geest, wanneer Hij door het Woord, en ook wel onder het gebruik van het Avondmaal, inwendig door een goddelijk licht, de ziel inleidt om die zalige goederen en voorrechten , die de stoffe van blijdschap zijn, te kennen in hun dierbaarheid en bij die kennis haar geloovig aandeel aan dezelve; waaruit die stille kalmte en vergenoeging geboren wordt.

d82

-ocr page 305-

Over de vruchten des geloofs.

2. De zetel van deze blijdschap is het hart van een gerechtvaardigd en met God bevredigd bondgenoot; het is het hart, want daarom zegt de dichter, Ps. IV : 8, „Gij hebt vreugde in mijn hart gegevenquot;, en wederom „het hart dergenen die den Heere zoeken , verblijde zichquot;, Ps. C\\ : 3. Het kan zijn, dat er uitwendig veel stof van droefheid is, en dat nogthans het hart inwendig in God van vreugde opspringt; want „als vleescb en hart bezwijkt, dan is God nog de rotssteen van het hart, en deszelfs deel in eeuwigheidquot;, Ps. LXX1II: 26, maar het is het hart van een met God bevredigd bondgenoot; want gelijk de goddeloozen geen vrede hebben, zoo hebben zij ook geen blijdschap; en als zij zich al uitwendig verblijden, heeft het hart inwendig onder het lachen smarte, omdat zij nog leven buiten God.

3. De stof van deze blijdschap is God zelf, en alle de zalige en heerlijke goederen die in Zijne gemeenschap worden genoten, zoowel die hier reeds in den tijd als die nog tegemoet gezien worden in heerlijkheid namaals; de goddeloozen mogen juichen wanneer hun koorn en most vermenigvuldigd wordt, als zij alles naar de wereld tot hun genoegen genieten en alle dagen vroolijk en prachtig zijn, maar een godvruchtige verblijdt zich in God zeiven als bet hoogste goed, dat meer is dan duizend werelden; de ziel verblijdt zich in een eeuwige verkiezing, dat God op haar het oog heeft willen wenden in ontferming, met voorbijgaan van zooveel duizend anderen; zij staat stil bij den weg, langs welken God dat heil, dat van eeuwigheid besteld was, toepast en hoe alles rust op de dadelijke aangebrachte gerechtigheid van Christus.

Vooral zijn al de zalige goederen, door Christus

183

-ocr page 306-

CK er de vruchten des geloofs.

verworven en in het verbond beloofd, de stof van blijdschap; dat God de zonden vergeven wil, die anders het gemoed meest bezwaren, door de genadige rechtvaardiging; dat Hij snoode zondaars van nature wil aannemen tot Zijne kinderen, en ondertrouwen met Zijn Zoon, waardoor ze deel krijgen aan al Zijne schatten en rijkdommen; dat Hij hen wil schenken alles wat zij hier in den tijd noodig hebben en daarbij nog belooft „een gansch zeer uitnemend , eeuwig gewicht van heerlijkheid hier na-maalsquot;, 2 Cor. IV : 17.

4. De blijdschap zelve is een aangename kalmte, een stil en heilig genoegen der ziele, het geen zich vertoont:

a. In eene levendige aandoening, die de ziel ondervindt onder de beschouwing bij het Goddelijk licht van den zaligen, algenoegzamen Verbonds-God, in Zijne deugden en volmaaktheden, vooral zooals Hij die in het genadewerk ontdekt, waardoor zij „met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwt, en naar dat zelfde beeld in gedaante veranderd wordt van heerlijkheid tot heerlijkheid als door des Heeren Geestquot;, 2 Kor. III: 18; benevens een levendig gezicht en aandoening vanwege al de heilgoederen des verbonds, dat is de zalving van den heiligen te ontvangen, waardoor men alles weet, 1 Joh. II : 20.

b. Dit alles is niet alleen het voorwerp van beschouwing, maar het gaat nog hooger wanneer God door het inwendige getuigenis van den Geest aan het hart, de ziel verzekert van haar zalig aandeel aan die goederen; dat Hij haar God is en dat zij het voorwerp van Zijne eeuwige liefde is; dat al hare zonden vergeven zijn; dat een volle en algenoegzame

184

-ocr page 307-

Over de vruchten des geloofs.

Jezus met al Zijn schatten en goederen voor haar is; wanneer de ziel dit ondervindt, o het is niet te zeggen wat genoegen, wat aandoening en kalmte het geeft.

c. Maar het gaat nog hooger, als God door een terugwerkende daad, gevoelig en levendig de ziel doet proeven en smaken hoe goed Hij is , dat zij niet alleen zeggen kan: ik weet in wien ik geloofd heb en ik hen verzekerd, dat Hij machtig is mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot dien dag ; maar wanneer de Heere aan Zijne zijde dat geloof beantwoordt en de ziel liefelijk omhelst, als Hij haar naar het hart spreekt en toeroept: zoon of dochter, zijt goedsmoeds, uwe zonden zijn u vergeven! Ik ben uw heil, vreest niet, Ik ben uw God! en deze stem kent de ziel, zoowel als Maria. toen Jezus tot haar riep: Maria! zij antwoordde met blijdschap: Rab-bouni, mijn Meester! Dit is te eten van het Manna dat verborgen is! dat is dronken te worden van de vettigheid van Gods huis, en te drinken uit de heken Zijner wellusten; dat is den witten keursteen te ontvangen, daar een nieuwe naam op staat, dien niemand kent dan die hem ontvangt. En wat is die nieuwe naam anders dan de naam van kinderen Gods?

d. Deze inwendige aandoening van blijdschap wordt vreugde, wanneer die verruimdheid des harten zich naar buiten vertoont door woorden en daden.

A. Met woorden spreekt ze uit de eer der heerlijkheid van Gods majesteit en \'wonderlijke daden.

„Dit koorn maakt de jongelingen, en deze most de jonkvrouwen sprekendequot;, Zach. IX : 17; de blijdschap des harten ontbindt de tong tot den lof van God.

B. Door daden , gelijk de blijdschap in het natuur-

-185

-ocr page 308-

Over de vruchten des geloofs.

Hike een mensch vaardig en bekwaam maakt tot zijn werk, zoo doet deze geesteljike blijdschap de ziel „loopen zonder moede, wandelen zonder mat te wordenquot;, Jes. XL : 31; daarom zegt David; „ik zal den weg Uwer geboden loopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebbenquot;, Ps. CXIX : 32.

5. De eigenschappen van deze vreugde zijn naar Petrus verklaring onuitsprekelijk en heerlijkquot;, 1 Petr. I : 8.

a. Het is eene onuitsprekelijke vreugde, want het kan beter ondervonden dan met woorden uitgedrukt worden; daarom heet het een verborgen manna. Paulus zegt, dat het „alle verstand te boven gaatquot;, Fil. IV ; 7; men moet er van uitroepen: „geen oog heeft het gezien en geen oor heeft het gehoord!quot; Niet alleen kent een natuurlijk mensch het niet, maar zelfs eene ziel die het ondervindt is niet machtig om het zoo uit te drukken, als het gevoel daarvan is.

h. Het is ook eene heerlijke vreugde, niet alleen omdat ze door den Geest der heerlijkheid in het hart wordt gewerkt, maar omdat ze in zich zelve heerlijk is, want:

A. Zij overtreft alle ijdele wereld-vreugde, die maar schijn is, omdat zij over dingen gaat, die maar lichamelijk en tijdelijk zijn, die het hart niet verzadigen kunnen, waarom het hart in het lachen zelfs wel smart heeft; doch deze blijdschap, omdat ze goddelijke zaken tot haar voorwerp heeft , is wezenlijk; zij vervult het hart met een innig genoegen, zoodat het met Maria kan zeggen: „mijne ziel verheugt zich in God , mijnen zaligmakerquot;. Luk. 1: 36.

B. Het is eene heerlijke vreugde omdat ze bestendig is, want Jezus belooft, Joh. XVI: 22, „niemand

486

-ocr page 309-

Over de vruchten des geloofs. \'187

zal die blijdschap van u wegnemen.quot; Zij blijft als alles ons begeeft en verlaat; dan nog kan de ziel zeggen met Habakuk, kap. III: 17, 18, „alhoewel de wijnstok niet meer bloeit en er geen rund meer in de stal is, zal ik nogthans in den Heere van vreugde , opspringen, ik zal mij verheugen in den God mijns heilsquot;; ja in de grootste rampen wordt zij wel het allermeest genoten; al zat een geloovige met Joh op den mesthoop, van alles ontbloot; al zag hij zich herooven van goederen; hij kan het met blijdschap wel aanzien; hij kan dan nog juichen in God en in een beter goed, dat hij heeft in de hemelen; in schaarsch-heid en armoede kan het gevoel van deze blijdschap het brood wel met tranen besproeien, omdat de ziel smaakt hoe goed dat God is en zich daarin verheugt, dat zij een rijken en vollen Jezus heeft, die meer is dan alles wat op de wereld is; ja in alle rampen en wederwaardigheden kan het haar met de kerk doen zeggen, Ps. XLVI:3,4: „Al veranderde de aarde hare plaats en al werden de bergen verzet in het hart van de zee, de beekskens der rivieren zullen verblijden de stad Gods.

C. Het is een heerlijke vreugde, omdat ze de ziel heilig maakt. O, hoe meer deze blijdschap ondervonden wordt, hoe ootmoediger, hoe nederiger en teederder zij voor God wandelt.

Bij deze vrede en blijdschap voegen we nog een derde vrucht van het geloof, namelijk een heiligen geloosroem, welke uit zulk een vrede met en blijdschap in God voortvloeit.

Hiervan vinden wij in Gods Woord dikwijls gewag gemaakt; zoo wordt er beloofd, Jes. XLV : 25, „in den Heere zullen zich beroemen het gansche zaad ^ Israëls.quot; En Paulus spreekt, Rom. VI, van te

-ocr page 310-

Over de vruchten des geloofs.

,roemen in God , in verdrukkingen en in de hope der heerljikheid.quot;

Door dezen roem versta ik die levendige en grootmoedige werkzaamheid van een verzekerd doch nederig Christen, die, uit aanmerking van zijne gemeenschap aan een Drieëenig God en alle zalige verbonds-goederen, die hij zoowel in bezitting als in verwachting heeft, zich gelukkig en heerliik acht, met afzien en verachting van alles wat daarbuiten is.

Deze roem sluit dan uit alle eigen roem in zich zeiven , in exgemcijsheid, eigen kracht of eigen waardigheid ; want „een wijze mag zich niet beroemen in zijn wijsheid, noch een sterke in zijn sterkheid, noch een rijke in zijn rijkdom, maar daarin, dat hij den Heere kentquot;, Jerem. IX : 24, 25. Hierom heb ik dezen roemende geloovige beschreven als een nederig Christen die, met den vader aller geloovigen, zich belijdt stof en asch te zijn. Als een die niets heeft in zich zeiven, waarom de grond van roem alleen is het geloovig aandeel van God en Christus, en het heil daaruit voortvloeiende, hetgeen wij zooeven zagen, dat de stof van hun blijdschap was.

De roem zelf bestaat in die grootmoedige werkzaamheid , waardoor de ziel zich gelukkig en heerlijk acht in haren verheven staat; dus acht zij zich gelukkig en roemt:

1. In God, dat Jehova, de Vader, haar Vader is, dat zij uit God geboren is, en zij, die van nature een kind des toorns was, en het eigendom des satans, tot een kind Gods is aangenomen; dat God haar verhonds-God is\\ o wat stof van roem heeft hij niet, die den God van hemel en van aarde tot zijnen God heeft, die het voorwerp is van Zijne teederste liefde, die als een lieveling en vriend met Hem mag ver- *

188

-ocr page 311-

Over de vruchten des geloofs.

keeren. Kan de gunst van een koning, die maar een sterfelijk mensch is, iemand grootmoedig maken, hoeveel te meer dan een aardworm, een zondig stof, als hij met den Koning des hemels gemeenzaam ver-keeren mag.

Zij roemt in Christus en Zijne verdiensten, als haar quot;Borg, grond- en hoeksteen, waarop zij zoo vast gebouwd is, dat geen \'poorten der hel haar ooit zullen overweldigen; in al Zijne schatten, goederen en rijkdommen; o zegt de ziel, daar ik niets was, word ik door Jezus alles; daar ik arm was, word ik in Hem rijk gemaakt; daar ik dwaas hen, is Hij mij tot wijsheid; daar ik schiddig ben, tot gerechtigheid; daar ik machteloos ben, tot sterkte, en daarom begeer of wensch ik niets boven of benevens Hem.

Zij roemt in den Geest der heerlijkheid, die op haar rust, die haar door de geloofsvereeniging met Jezus in de bezitting van al Zijne goederen overzet, die in haar woont; die ze gedurig bedauwt, verzegelt, verzekert en vertroost door den invloed van Zijne genadewerkingen, tot bljjdschap.

2. Omdat de geloovige ziel roemt in God, roemt ze ook in de verdrukking, Rom. V : 3; niet in de verdrukking als verdrukking, en zooals dezelve een gevolg van de zonde is, en het vleesch pijnen en smarten aandoet; want dan is het waarheid wat Paulus zegt, dat „de kastijdingen, als zij tegenwoordig zijn, geene oorzaak zijn van vreugde, maar van droefheidquot;, Hebr. XH : 11, maar omdat zij die aanmerkt als haar toekomende van een verzoend God en Vader, uit liefde, tot een bewijs, dat zij een kind is; want „dien deHeere lief heeft, dien kastijdt Hij, en Hij tuchtigt eeneu iegelijken zoon dien Hij aanneemtquot;, Hebr. XH : 6; en terwijl ze de dierbaarste

189

-ocr page 312-

Over de vruchten des geloofs.

genietingen van Gods goedertierenheid onder dezelve wel eens ondervindt, wordt zij verzekerd dat al „het lijden dezes tegenwoordigen tijds, niet is te waar-deeren met die heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard wordenquot;, Rom. VIII : 18. Ja zij roemt in de verdrukkingen, omdat die haar nader tot God brengen , meer gespeend doen zijn aan de dingen van de aarde, en het verlangen opwekken naar den hemel; dan zegt ze met David: „eer ik verdrukt werd dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw Woordquot;, Ps. CXIX : 67.

3. Zij roemt tegen alle vijanden; hier kan de ziel vrijmoedig het hoofd opbeuren tegen alle vijandelijke aanvallen.

Dondert de Wet hare vloeken uit wegens menigvuldige overtredingen, zij roept roemende uit, daar is geen verdoemenis meer voor die in Christus Jezus zijn! Hij heeft het recht der Wet vervuld, en de zonden veroordeeld in Zijn vleesch! omdat ik met den „mantel der gerechtigheid omhangen ben, mag ik mij verheugen in den Heerequot;, Jes. LXI : 10.

Beschuldigt de conscientie over dagelijksche struikelingen en afdwalingen, de ziel roemt en acht zich gelukkig dat zij zulk een Borg heeft die volkomen kan en wil zalig maken; die haar Voorspraak is bij den Vader en verzoening voor alle zonden heeft teweeggebracht, en wiens bloed van een oneindige kracht en altijd even versch is.

Beschuldigt de satan , die aanklager der broederen, zoekt hij de ziel te beroeren, te schudden en het geloof te doen wankelen; zij kan roemende zeggen: ga „achter mij satan, de Heere schelde u, ja de Heere schelde uquot;, Zach. Ill: 2. Ik ben uw geweld als een vuurbrand ontrukt, ik heb voor u niet meer

190

-ocr page 313-

Over de vruchten des geloofs.

te vreezen; mijn Borg, met wien ik door het geloof eeuwig vereenigd ben, heeft mi] „in Zijne handpalmen gegraveerdquot;; ik weet dat mi] niets zal scheiden van Zijne liefde, maar dat ik „meer dan overwinnaar zal zip, en zoo kan ze „juichen en de vaandelen opsteken in den naam des Heerenquot;, Ps. XX : 6.

Wil de wereld haar deel klein achten en door hoon, smaad, verachting en bespotting, verguizen; of wil ze door verleidingen als eene Delila, haar van God aftrekken; zij roemt tegen de wereld dat zij het evenwel met God wil houden, omdat haar rotssteen niet is als die van de wereld; roemt de wereld op grootschheid, rijkdom en wellust, zij in Jezus kruis, waardoor de wereld haar gekruist is, en zij der wereld; Jezus kruis is haar kroon, Jezus smaad hare eer, Jezus ivonden hare toevlucht en verberging.

4. Zij roemt tegen den dood en het aannaderend oordeel, en, omdat zij door het geloof met Jezus den Vorst des levens vereenigd is, kan zij met een verhevener gemoed en op vaster grond uitroepen als Agag, „de bitterheid des doods is geweken!quot; want want den angel heeft Christus door Zijn dood er uit weggenomen; ze is nu maar een doorgang tot het eeuwig en zalig leven; zij vreest niet om voor Gods richterstoel te verschijnen; want die haar richter zal zijn, is haar Vriend, haar Borg en Voorspraak, waarom zij niet anders dan een vonnis van vrijspraak heeft te verwachten; waarom zij vrijmoedig alle vijanden, ja alles wat eenigen schrik zou aanbrengen durft verachten en met Paulus zeggen: „niets zal mij scheiden van de liefde van Christusquot;, Hom.

vin : 35.

5. Deze geloofsroem strekt zich uit tot de aanstaande heerlijkheid; want de geloovigen „roemen,

191

-ocr page 314-

Over de vruchten des geloofs.

zegt Paulus, „in de hope der heerlijkheidquot;, Rom. V : 2. Want „het einde des geloofs is de zaligheid der zielenquot;, 1 Petr. 1 : 9.

Deze roem in de hope der heerlijkheid bestaat in die volle en vroolijke bewustheid , die eene geloovige ziel heeft, dat zij eens aan het einde van haren loop, als de strijd zal volstreden zijn, de kroon des levens zal ontvangen; welke bewustheid gegrond is in de zalige eerstelingen en voorproeven die zij reeds heeft van den hemel; welke de ziel opwekken tot een hemelsgezinden wandel, in heiligheid en godzaligheid.

A. Deze roem vooronderstelt dan de volle en en vroolijke verzekering der ziel, dat zij weet, dat zij voor den hemel en de hemel voor haar bewaard is, omdat zij alreeds de eerstelingen en voorsmaken daarvan op aarde deelachtig is geworden, welke eerstelingen bestaan :

a. In een verlichtende, klare en onderscheidene kennis van de heerlijkheid des toekomenden levens, dat de hemel als in de ziele daalt of de ziele in den hemel wordt ingeleid, daar zij zich God en Jezus en de zalige geesten voor den troon zoo vertegenwoordigt , dat zij met aanbidding en verwondering moet uitroepen: „geen oog heeft het gezien en geen oor heeft het gehoord!quot; 1 Cor. II: 9.

h. In eene allerlevendigste en allerhartelijkste liefdes-uitlating, zoowel van de ziel tot God, in brandende begeerten, in heilig genoegen en berusten in God, als van God tot de ziel, die door een weder-keerige daad, haar wederom in liefde omhelst, zoodat de ziel aan hare zijde betuigt: „ik heb u hartelijk lief, Heere, mijne sterkte.quot; En God aan Zijne zijde beantwoordt die liefdestem: ja „Ik heb u lief gehad met een eeuwige liefde, en daarom trok

-192

-ocr page 315-

Over de vruchten des geloofs.

Ik u met goedertierenheid.quot; Dan „stort God Zijne liefde in het hart uit door den Heiligen Geestquot;, Rom. V : 5.

c. Deze eerstelingen van den hemel bestaan in die heerlijke en onuitsprekelijke vreugde, waarvan wij zooeven spraken.

Alle deze dingen, wanneer ze in eene hooge mate, of al is het in een minderen trap, worden ondervonden, zijn voorsmaken van den hemel; en daaruit besluit de ziel, omdat zij dat ondervindt, dat ze ook eens in den hemel zelve zal worden ingeleid; want op de eerstelingen volgt de oogst.

B. De roem zelf bestaat daarin, dat de ziel zich gelukkig acht en zegent in hare verwachting, dat ze eens in volkomenheid die zaligheid genieten zal, die ze reeds in de beginselen bezit.

O, zegt ze, is het hier zoo goed en zoet God te kennen in een spiegel, en als bij het maan- en ster-licht, wat zal het dan zijn als ik zal ingaan in des Konings paleis, en Hem zal zien van aangezicht tot aangezicht; wanneer er nooit eenige duisterheid meer plaats zal hebben, daar nooit nacht zal zijn, maar daar de heerlijkheid die stad zal verlichten en het Lam de kaars zijn!

Is het hier zoo goed eenige vonkjes van liefde tot God en Gods liefde tot mij te ondervinden, wat zal het dan zijn als die liefde zonder eenige verflauwing in volle vlam zal branden! Is hier de blijdschap zoo aangenaam, dat ze alle ellenden van dit leven kan doen kleinachten, wat zal het dan zijn als ik zal genieten verzadiging van vreugde voor Gods aangezicht, en eeuwige lieflijkheden aan Zijne rechterhand; als eeuwige blijdschap op mijn hoofd zal zijn, en droef-„ heid en treurigheid zullen wegvlieden?

193

13

-ocr page 316-

Over de vruchten des geloofs.

C. De uitwerkingen of gevolgen van dezen roem zijn, dat ze de ziel opwekken en aansporen tot eenen hemelsgezinden wandel, welke zich vertoont;

a. In het gestadig zoeken van de dingen die hoven zijn, daar Christus is zittende aan de rechterhand Gods; dat men zich dikwijls door het geloof den hemel vertegenwoordigt in alle lichamelijke bezigheden , veel omtrent den hemel werkzaam is; want „waar de schat is, is ook het hartquot;, dat is „zijnen wandel te hebben in den hemel, en aan te merken de dingen die men niet zietquot;, 2 Cor. IV : 18.

b. In een kleinachten van de dingen van de aarde als beneden de waardigheid van een Christen, omdat het hart met zulk een goed vervuld is, dat al de schatkamers der ziel kan vervullen. Zijn de wereld-lingen zoo verzot op het zienlijke, hebben zij er zooveel mee op! o denkt de hemelsgezinde ziel, het is mijne liefde niet waardig; daar van daan is het dat ze in voorspoed zich niet te zeer verblijdt, en in tegenspoed tevreden is, omdat ze een heter en blijvend goed in den hemel heeft, dat voor haar bewaard wordt.

c. Die hemelsgezindheid ontdekt zich in een levendige en werkzame hoop en hartelijk verlangen naar den hemel, met een stil en lijdzaam wachten naar dien tijd, dien God er toe bepaald heeft; wetende dat die God, die door Zijne almachtige kracht haar op den weg gezet heeft, haar ook zeker in den hemel zelf zal brengen, wanneer zij het einde van haar geloof, de zaligheid der ziel zal verkrijgen; want dat Hij „nooit laat varen het werk van Zijne handenquot;, maar het begonnen genadeleven zal volmaken.

Ziedaar kortelijk voorgesteld, waarin de vrede, blijdschap en roem bestaat, en ieder op zich zelve beschouwd. Hoe dit alles nu voortvloeit uit het geloof,

194

-ocr page 317-

Over de vruchten des geloofs.

is klaar; want het geloof vereenigt de ziel met Jezus, het grijpt Zijne gerechtigheid aan, door welke gerechtigheid de ziel voor God gerechtvaardigd wordt, en „gerechtvaardigd zijnde, heeft ze daardoor vrede met God.quot; Zoo redeneert Paulus, Rom. V;I, en die bewustheid dat zij, die van nature een vijand en hater Gods was, nu met Hem in vriendschap leeft, kan niet anders dan een heerlijke blijdschap verwekken, die, wanneer ze ondervonden wordt, zulk een roem des geloofs voortbrengt; daarom wordt de blijdschap en roem samengevoegt; Ps. XXXIV : 3, „mijne ziel zal zich roemen in den Heere, de zacht-moedigen zullen verblijd zijn.quot;

O recht dierbaar geloof, daar zulke dierbare vruchten uit voortvloeien!

Nu moeten we tot ons tweede stuk overgaan, om te onderzoeken of deze vruchten in alle geloovigen en ten allen tijde worden gevonden

Het is zeker, dat de grond hiervan in alle ware geloovigen is; want hoe klein en zwak ook het geloof is, het vereenigt evenwel de ziel op het nauwst met Jezus; en daarom heeft ze deel aan de heilsvruchten, die daaruit voortspruiten; doch alle geloovigen hebben er niet altijd het levendig gevoel en die zalige bevinding van, in die mate als wij het hebben voorgesteld; de Heere handelt hierin naar Zijne aanbiddelijke wijsheid en vrijmacht; de eene moet somtijds zijn gansche leven tot zijn dood toe klagende en duister heengaan met een aanklevend geloof; een a«c?er proeft wel eens eenige droppels uit dien beker der vertroosting tot zijne aanmoediging en opwekking; hij ziet nu en dan wel eens het licht, maar het is maar als door een reet en spleet, en voor weinige oogenblikken; anderen wandelen in het licht van Gods aangezicht, en ver-

13*

-195

-ocr page 318-

Over de vruchten des geloofs.

heugen zich den ganschen dag in Zijnen naam; zi] wandelen met den kamerling hun weg met blijdschap. En God weet wat ieder van Zijne kinderen noodig heeft; somtijds brengt Zijne voorzienigheid hen in zulke duistere omstandigheden en roept ze tot zulke posten, waarin zij bezwijken zouden zonder de bevinding van zulk een goddelijken vrede en blijdschap; daarom zag men dat martelaren, die banden, gevangenissen en wreede dooden moesten ondergaan, die heugelijke gestalte het meest ondervonden tot hunne aanmoediging; daarom hoorde men hen zoo menigmaal roemen in verdrukkingen; en zoo handelt de Heere nog met Zijn volk; dat manna wordt maar aan weinigen geschonken, en die het nog al genieten, hebben het niet altijd; de Heere weet best wanneer Zijne kinderen het noodig hebben; Hij wil ons hierdoor leeren:

1. Dat zulke heugelijke bevindingen niet volstrekt noodig zijn tot de zaligheid; ze zijn wel zoet en aangenaam en maken den weg naar den hemel beminnelijk , maar het is hier de tijd om door het geloof te leven op het Woord en de beloften, als onfeilbare wegwijzers naar den hemel; het is verkwikkelijk in het zonlicht te wandelen, maar bij het maan- en sterlicht kan men ook zijne reis voortspoeden: „wij wandelen door geloof en niet in aanschouwenquot;, 2 Cor. V : 7, dat is voor den hemel bewaard.

2. Ja de Heere leert ons hierdoor dat de trooste-lijke bevindingen van Zijne liefde geen bewijs zijn van grooter en meer gevorderde genade dan in anderen die dat missen; het tegendeel is dikwijls waarheid, want anders zouden eerstheginnenden dat niet moeten ondervinden, die nog maar even hunnen voet op den weg gezet hebben, en anderen die er lang op geweest

496

-ocr page 319-

Over de vruchten des geloofs.

zijn, het missen; een schipper, die tusschen klippen en banken in het donker heenzeilt, toont meer zijne ervarenheid dan een ander die bij het daglicht in aangenaam weder vaart; het is veel grooter genade te gelooven als men niet gevoelt, en te vertrouwen als men niet ziet, dan in het licht te wandelen; en hierom moet het niemand hoogmoedig maken die het ondervindt, maar altoos nederig en dankbaar.

3. Het is ook geen bewijs, dat zoo iemand dierbaarder is in Gods oog en dan anderen; want de grond, waarom God een welgevallen in Zijn volk heeft, is alleen de gerechtigheid van Jezus waarmede zij bekleed en versierd zijn, en of dat nu met minder of meerder gevoel is, is even aangenaam bij God; en alle beloften worden vastgemaakt, niet aan het gevoelen van Gods liefde, maar aan het geloof en vertrouwen.

En hierom moeten bekommerden en zwakgeloovigen onder Gods kinderen, die in het duister wandelen, niet kleinmoedig zi.jn, alsof hun werk geen waarheid was, omdat zij die verkwikkingen niet hebben; och neen, laat u dat niet beroeren; al was het dat gij niet anders ondervondt dan maar een stil aankleven, vasthouden, uitzien en wachten op den Heer, hebben we in de voorgaande verhandelingen aangewezen, dat zulks óók gelooven is, en derhalve ware genade.

Maar laat ik nu ten derde het een en ander dat wij gezegd hebben, bij wijze van toepassing voor ons en anderen tot nut aanleggen.

En allereerst heb ik een woord tot u, arme en dwaze wereldlingen: o is de staat van Gods volk zoo heerlijk, is er in den dienst van God zoo veel vrede, blijdschap en roem voor de ziel, hoe komt het dan dat gij op zulk een dienst niet meer verliefd wordt, dat gij er nog

197

-ocr page 320-

Over de vruchten des geloofs.

zulke lag;e en geringe gedachten van hebt, en het leven van Gods kinderen voor zoo naar en melankolyk uitmaakt , alsof men alle vreugd moest verloochenen, zoodra men een Christen wordt; want dat is doorgaans uw taal, zou ik zoo naar en droefgeestig leven? dan zou ik geen genoegen hebben in de dingen van de wereld; maar zoo dwaas oordeelt gij, omdat gij nooit bij ondervinding gesmaakt hebt, hoe heugelijk het is God te dienen; och hadt ge ondervonden wat het te zeggen is, een vijand van God te zijn, en wat nare gevolgen dat zal hebben, hoe dierbaar zou u de vrede met God zijn en hoe ernstig zoudt gij begeeren om met Hem verzoend te worden; maar nu leeft gij nog gerust en zorgeloos in zonden; hadt ge ooit iets gesmaakt van die blijdschap in God, en dat een droppel daarvan te proeven méér wezenlijke blijdschap geeft, dan al de vreugde die gij ooit in de wereld hebt ondervonden ; ja wist ge wat het is, in een heiligen roem het hoofd vrijmoedig in alle zwarigheden te kinnen opheffen , hoe haast zoudt gij van oordeel veranderen, maar omdat gij nog geen genoegen kent dan wat het vleesch voldoet, en uwe wellusten streelt daarom oordeelt gij zoo dwaas, \'t Is waar, gij leeft wel in vrede, en vrolijk in de wereld, maar het is geene vrede dien Jezus geeft, maar een stille zorgeloosheid en onge-voeligheid, die zoo oneindig onderscheiden is van dien vrede, waarvan we gesproken hebben, als het leven is van den dood, en de hemel van de aarde; en wilt ge het onderscheid weten? het is hierin gelegen :

1. Gij spreekt u zei ven den vrede toe zonder eenigen grond, door een dwaze verbeelding; want gij hebt nooit uwen staat en vijandschap recht betreurd, gij hebt nog nooit tot Christus den Vredevorst de toevlucht genomen met nederwerping van alle wapenen

198

-ocr page 321-

Over de vruchten des geloofs.

n en vijandschap; terwijl Gods kinderen nooit tot dien

vrede komen zonder voorafgegane beroering in min i- of meerdere mate; hun staat van vijandschap, waarin

v zij van nature leefden, bracht God hun op het hart;

dat maakte hen verlegen en bekommerd, dat deed ; hen roepen om verzoening! en heen loopen tot den Vorst

des Vredes, om door hem met God vrede te maken. 8 2. Gij wilt in uwen vrede niet gestoord zijn, gij

, wordt kwaad als iemand u wil ontrusten; wordt

t uwe conscientie eens beroerd, gij zoudt met Felix

i | wel zeggen, „voor ditmaal gaat heen, totdat ik ge-i legener tijd zal hebben). En gij doet alle moeite

t om u weder gerust te stellen, terwijl een , die waar-

t lijk den vrede met God heeft, nog menigmaal be

kommerd is , omdat hij zijn harte wantrouwt; daarom , wil hij gaarne ontdekt en eens ontrust worden, en

hij legt zich menigmaal voor God neder met de bede: „onderzoek mij o God en beproef mijquot;, Ps. CXXXIX: 23. i 3. Uwe vrede doet u gerust leven in de zonde en

de wereld, gij zegt in uw hart, ik zal vrede heiben, ofschoon ik in het goeddunken van mijn hart wandel. En in tegendeel, hoe meer een kind van God den vrede Gods ondervindt, hoe meer hij er op gezet is om teeder en heilig voor God te leven; hij weet, dat de minste zonde de vriendschap met God stoort, en daarom wandelt hij in vreeze, en werkt zijns zelfs zaligheid met vreezen en heven.

Wanneer gij uw hart hierbij nederlegt, zult gij moeten erkennen, dat gij dezen vrede nog mist, en is dat waar, dan mist gy ook de ware en wezenlijke blijdschap en roem; gij verblijdt u wel tot opsprin-gens toe, maar het is een ijdele en zondige wereldvreugde, daar geen bestendigheid in is; ja daar, naar Salomo\'s zeggen, in het lachen zelfs smarte is,

199

-ocr page 322-

Over de yruchten des geloofs.

want wanneer in uwe grootste vreugde maar eens de gedachten van den dood en de eeuwigheid u te binnen komen, kan dit al de blijdschap wegnemen; terwijl in tegendeel de blijdschap in God in allen nood en dood blijft, ja dan wel het meest wordt ondervonden.

En wat is toch de stof van uwen roem ? niets anders dan wat de wereld heeft en geeft, de ééne op grootheid en rijkdom, de andere op gaven en he-hwaamheden; maar te roemen in God, in verdrukkingen , in de hope der heerlijkheid, daar kent gij in \'t geheel niets van: och zondaars, dat God het u nog eens deed zien, dat gij nog eens aan u zeiven ontdekt werdt, dat uw staat van vijandschap u nog eens op uw harte woog! nu wordt de vrede met God u nog aangeboden, ofschoon gij als rebellen en vijanden Gods nog leeft; ik heb den pardonbrief van den God des hemels, die betuigt, dat Hij vrede met u wil maken; zoo gij vrede met Hem wilt maken, o legt dan de wapens van vijandschap neder, brengt uw vijandig hart voor God met gebeden en smeekingen , dat God zelf alle hoogten wil nederwerpen; zoekt den vrede alleen in Jezus bloed, en dat zal de weg zijn tot ware blijdschap; och gelooft het toch, dat de vreugde der wereld maar ijdelheid en haast voorbijgaande is, maar de blijdschap van Gods volk wezenlijk en bestendig; ja, dat zij zelfs in de tranen die zij in \'t verborgene voor God storten om hunne zonden, méér blijdschap hebben dan gij ooit ondervondt in al wat in de wereld is; bidt dan met David, o Heere, gedenk mijner naar het welbehagen tot uw volk, laat ik mij ook verblijden met de blijdschap van uw volk, en roemen met uw erfdeel, Ps. CVI: 4, 5.

200

-ocr page 323-

Over de vruchten des geloofs.

Maar ten tweede heb ik vooral nog een woord tot Gods Volk, tot hunne bemoediging en bestiering.

Hier zal een kleinmoedige en bekommerde mogelijk weder geschud wezen en zeggen , ja ik durf wel niet ontkennen, als ik mij onderzoek van de laagste trappen van het geloof, als hongeren, dorsten, be-geeren en uitzien, dat ik dat niet ondervind, maar als ik hoor wat vruchten het geloof heeft, dan vrees ik evenwel dat het nog geen waarheid is; want dan zou ik het nu of dan ook wel eens ondervonden hebben; maar ik vraag u:

1. Acht gij zulken niet gelukkig en zalig, die verwaardigd worden om zóó in vriendschap met God te leven, dat zij die hartelijke blijdschap mogen ondervinden ? is het niet dikwijls uw wensch, och of ik het ook ondervond! waar komt die hoogachting en en begeerte van daan, dan omdat gij die goederen in hun dierbaarheid hebt leeren kennen?

2. Kan iets dat in de wereld is u wel eenige wezenlijke blijdschap en vergenoeging geven ? is het alles in uw oog niet schade en drek, als gij het beschouwt bij dat goed, dat in de gemeenschap met God wordt genoten? zoudt gij uw twijfelachtig en bestreden deel aan God en al de zalige goederen die Hij in Zijne gemeenschap schenkt, wel willen verwisselen met alles wat op aarde is ? is God u niet dierbaarder dan alles ?

3. Hebt ge wel eenigen roem in uzelven ? zoudt ge wel met eenige van uwe deugden voor God durven komen ? is al uw roem niet alleen in den Heere, in de gerechtigheid van Jezus? hebt ge niet leeren afzièn van eigen gerechtigheid, eigen wijsheid en eigen kracht? verfoeit gij het niet, zoo het ooit in uw hart op zou komen, om u te beroemen op iets dat in u is! maar integendeel, moet gij niet erkennen,

201

-ocr page 324-

Over de vruchten des geloofs.

dat gij maar zondig stof en asch zijt, een onwaardig schepsel, in uzelven walgelijk voor God?

4. Zijt gij niet vaste.lijk gezind om het evenwel hij den Heere te houden, al was het dat Hij u niet verkwikte, al moest gij uwe wegen in veel duisterheid bewandelen? als de Heere Jezus u eens vroeg, gelijk Hij aan Zijne discipelen deed, wilt gij niet weggaan ? zoudt gij niet antwoorden met Petrus: „Heere, tot wien zoude ik heengaan, gij hebt alleen de woorden des eeuwigen levens!quot; Joh. VI : 68; het gaat dan hoe het gaat, de Heere make het hoe Hij het maakt, is dan niet uwe betuiging: liever wil ik voor Jezus voeten sterven dan leven in de zonden en in de wereld? welaan! is dat niet een bewijs, dat het u om God te doen is, dat Zijn gunst u boven alles dierbaar is?

5. Ofschoon gij zoo klaagt dat gij die heugelijke geloofsvruchten nog nooit gesmaakt hebt, zoudt gij evenwel, zonder ontrouw aan God te zijn, wel durven ontkennen dat gij er iets hij bevinding van kent, al is het dan in die hoogste mate niet? heugen u niet wel zulke stonden, dat gij onderscheiden kondt of God met Zijn licht en invloed ver of nabij uw hart was? wanneer ge al eens in uwe eenzame binnenkamer met God worsteldet in gebeden en tranen, als uw hart in zooveel liefde naar God uitging; als al wat in de wereld is zoo laag en klein in uw oog werd, ondervondt gij toen niet wel eens eene stille kalmte en aangename vergenoeging in uwe ziel? waren die tranen van zonden-belijdenis, van liefdesuitgangen u niet tot méér blijdschap, dan al de vreugde die gij ooit in eenige dingen op aarde hebt ondervonden? moest alle wereldvreugde daar niet voor wijken? en als God u eens tot zware posten riep, waartoe gij

202

-ocr page 325-

Over de vruchten des geloofs.

203

in uzelven onmachtig waart, hebt ge niet wel eens kunnen roemen op Zijne kracht ? werd die in uwe zwakheid niet volbracht, zoodat gij kondt heengeen in de mogendheden des Heeren? hebt gij nooit eenige eerstelingen van den hemel ondervonden, in eene heer-schende, onverdeelde en hartelijke liefde tot God en den Heere Jezus ? en is het uw teederste lust niet om in een hemelsgezinden wandel het voorbeeld der hemelingen na te volgen? Ondervindt gij deze dingen , al hebt gij dan die gevoelige bevinding van dien vrede, blijdschap en roem niet in die mate, gelooft evenwel dat gij er de beginsels van bezit; en stelt den Heere geen perk om een meerdere mate van genade; denkt, dat God vrijmachtig is, en dat zijne hoogste Wijsheid weet wat gij van noode hebt, en als gij het noodig hebt, zal Hij het u ook niet onthouden; veracht maar den dag der kleine dingen niet, maar weest dankbaar voor het minste dat gij mocht genieten; acht het uw voorrecht door het geloof te leven, in een stil aankleven, uitzien en wachten op den God van uw heil, al was het uw gansche leven tot den dood toe, dan zal God u mogelijk nog verkwikken: o hoe menigmaal gebeurt het, dat vele klagenden in bekommering en duisterheid heen gaan hun gansche leven door, maar dat God hen op het laatst op hun doodbed nog zooveel bevinding van Zijne liefde geeft, dat de hemel al in de ziel daalt, eer de ziel nog in den hemel is; en zij overstelpt worden met eene hemelsche, heerlijke en onuitsprekelijke vreugde, waardoor zij roemen kunnen in den dood, en uitroepen, „al ging ik ook in een dal der schaduwe des doods, ik zal niet vreezen, want God is met mij, en Zijn stok en staf vertroosten mij!quot; Ps. XXIII: 4.

-ocr page 326-

Over de vruchten des geloofs.

Maar daar zijn anderen van Gods kinderen, die voorheen wel eens in het- licht wandelden, doch nu moeten klagen, dat het zoo duister is, dat de Trooster , die hunne ziel placht te verkivikken, verre van hun geweken is. Die met Job zeggen, „ga ik voorwaarts, zoo is Hij daar niet, en ga ik achterwaarts, zoo aanschouwe ik Hem niet,quot; Job. XIII : 1, en die het zooveel te ondragelijker valt, omdat zij vooi\'heen ondervonden hoe goed het hun was nabij God te zijn.

Tot u, kinderen Gods, moet ik zeggen, dat het zeker niet ongewoon is, dat de hand des Heeren verwisselt; het zou een ongewone weg zijn, altoos in het licht te wandelen, de zon wordt menigmaal met een wolk bedekt; en hiervoor heeft God wijze en heilige redenen waarom Hij zoo handelt, zoowel aan Zijne zijde, als aan uwe zijde.

God aan Zijn kant wil hierdoor leeren:

1. In het duister te vertrouwen, staat te maken op zijne toezeggingen , en op die bevindingen, die gij weleer genoot, nu te leven; men kan niet recht door bevinding leeren wat vertrouwen is, als er niet eens duistere wegen komen waarin het moet geoefend worden.

2. God wil uw geloof, liefde, standvastigheid en lijdzaamheid beproeven; het is gemakkelijk bij God te blijven als God nabij is, maar het is een standvastiger geloof, met Job te zeggen: „al doodde mij de Heere, evenwel zal ik op hem hopen, en Hij zal mij tot zaligheid zijn ;quot; o , de Heere hoort zoo gaarne de kirrende stem van Zijne tortelduive, en dat het Zijn volk om Hem te doen is.

3. God wil u door ondervinding leeren, hoe smartelijk het den Heere Jezus viel, die altijd gewoon was in het liefelijke licht van zijns Vaders aange-

204

-ocr page 327-

Over de vruchten des geloofs.

zicht te wandelen , onder verbergingen te moeten worstelen, toen Hij moest uitroepen, „miin God, mijn God , waarom hebt Gij mij verlaten ?quot; opdat uwe liefde tot Hem nog meer zou worden gaande gemaakt, en gij ook hierin Zijn beeld gelijkvormig worden.

4. De Heere wil u hierdoor nederig houden, en opdat gij u op de ontvangene genade niet zoudt verheffen ; och! wij zijn zulke hoogmoedige schepsels, als men eens wat geniet boven anderen, komt het zoo heimelijk in het hart op, alsof men wat meer was dan een ander; en God wil toonen, dat het alleen vrije genade is.

5. Eindelijk om de genade-hevindingen van Gods goedertierenheid als gij die eens weder genieten zult, hooger te schatten, en teederder te bewaren. Want nooit wordt een zaak dierbaarder geschat, dan wanneer men ze eens genoten hebbende, die weer moet missen.

Doch heeft God aan Zijne zijde zoovele wijze redenen, aan uwe zijde zijn mogelijk de grootste: want de Heere verwisselt Zijne hand doorgaans dan, als men de genade niet teeder genoeg behandelt, als men niet namvkeurig, niet gezet en ootmoedig voor Hem wandelt, als men verzuimachtig en traag wordt in het benaarstigen; o daar liggen zulke groote verplichtingen op eene ziel, die God veel doet proeven en smaken hoe goed Hij is; daar wordt zooveel voorzichtigheid en heilige bedachtzaamheid vereischt, om den vrede met God in het gemoed te bewaren; daar moet een gespeendheid en verloochening zijn aan de dingen van de aarde! maar in dit alles hebt gi] u misschien niet getrouw genoeg gedragen; en daarom toont God zijn ongenoegen, en doet u voor een tijd in het duister wandelen.

205

-ocr page 328-

Over de vruchten des geloofs.

Moet gij erkennen dat het waarheid is, dat gij den Heere reden hebt gegeven?

1. Blijft evenwel .niet moedeloos bij uzelven neerzitten in het gezicht van uwe nalatigheid, maar verootmoedigt en vernedert u voor God, loopt naar Jezus en Zijn bloed om verzoening, „Hij is de voorspraak bij den Vaderquot;, 1 Joh. II: 1.

2. Betuigt aan God, dat gij uw omzwerven buiten Hem moede zijt, dat gij het zonder Hem niet kunt stellen, dat gij geen vrede noch vergenoeging in het schepsel buiten Hem voor uwe ziele kunt vinden, maar dat het u om Hem, en om Hem alleen te doen is!

3. Geeft u door vernieuwde geloofsoefeningen weder hartelijk aan den Heere over, o werpt u opnieuw in de eeuwige liefde-armen van uwen Bonds-God en Middelaar, draagt u opnieuw in het verbond aan Hem op!

4. Bidt ernstig en aanhóudende met David, Ps. LI: 14, „o Heere, geef mij weder de vreugde van Uw heil, Uw vrijmoedige Geest ondersteune mij, doe mij vreugde en blijdschap hooren, dat de beenderen zich verheugen, die Gij verbrijzeld hebt.quot; De Heere is een ontlermer. Hij zal niet altoos twisten], noch den toorn behouden. Heeft Hij u voor een ooyenhlik verlaten, Hij zal zich met eeuwige goedertierenheden weder ontfermen; ivant een oogenhlik is er in Zijnen toorn, maar een leven in Zijne goedgunstigheid.

5. En als God zich weder aan uwe ziel openbaart, doet dan als Ae bruid, die, wanneer zij haren bruidegom wedergevonden had, hem vasthield en niet liet gaan; houdt ook den Heere vast door uwe tranen en gebeden, door een betamelijk gedrag,

206

-ocr page 329-

Over de vruchten des geloofs.

waardig der genade. Spreekt God tot u weer van vrede, ziet toch toe dat gij niet weer tot dwaasheid keert, Ps. LXXXV : 9.

Maar ik heb ook nog een woord tot u, bemoedigde Christenen, die dezen vrede, blijdschap en roem, als vruchten van het geloof, dadelijk ondervindt.

O wat is uw geluk en voorrecht niet groot, waartoe gij boven anderen van uwe medegeloovigen verwaardigd wordt, niet alleen genade te hebben, maar te zien dat gij genade hebt; niet alleen met God verzoend en bevredigd te zijn, maar in vriendschap gemeenzaam met Hem te mogen verkeeren; niet alleen te gelooven, maar te zien en te smaken hoe goed God is, dat is dubbele genade! gij geniet alreeds de voorsmaken van den hemel op aarde.

Maar weet evenwel:

1. Dat zoo gevoelig en levendig ingeleid te worden, zoo gemoedigd te wandelen , geen dagelijksch brood is en doorgaans van geen langen duur; de hand des Heeren zou wel eens kunnen veranderen, het gaat niet altijd zoo voorspoedig. David en andere heiligen hebben het zoo ondervonden; en daarom geniet het goede ten dage des voorspoeds, maar ten dage des tegenspoeds, ziet toe; laat het u dan niet bevreemden als God het eens weder van u wegneemt.

2. Tracht die blijmoedige gestalte nog meer in u op te wekken en levendig te houden door eene dage-lijksche vriendschapsoefening met God, vooral in het eenzame, door ernstige gebeden tot God , raadvra-gende aan God, en geloovig vertrouwen op God, vooral door gedurig gebruik maken van den Heere Jezus; o loopt naar dezen boom des levens, daar alleen plukt men zulke vruchten.

3. Gedraagt u toch voorzichtig, door een recht ge-

207

-ocr page 330-

Over de vruchten des geloofs.

bruik te maken van dezen voorspoed; zet onder dat zonlicht uwe reize naar den hemel voort, door een teederen, gezetten en heiligen wandel voor den Heere; want is uw voorrecht zoo groot, uwe verplichting is ook groot om er aan te beantwoorden; o wacht u dan zorgvuldig voor zorgeloosheid, traagheid en ongezetheid in uwen wandel, denkt dat de duivel het er nooit meer op toelegt om u tot zonde te brengen, dan wanneer gij veel van God geniet; en daarom moet gij ook nooit meer op uwe hoede zijn als dan ; waakt dan voor de allereerste beginsels van verslapping en lauwheid in het waarnemen van uwen plicht; blijdschap en heiligheid moeten altijd samen gaan.

4. Laat uw mond en hart dikwijls ontsloten zijn tot den lof van God; geeft God u de verzekering dat Hij u geroepen heeft uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht, verkondigt dan Zijne deugden. Hebt gij deel aan de erve der heiligen in het licht, dankt dan den Vader, die er u toe bekwaam gemaakt heeft. En zingt met de kerk, Jes. LXI: 10, „ik ben zeer vroolijk in den Heere, mijne ziel verheugt zich in mijnen God; want Hij heeft mij bekleed met de kleederen des heils, en den mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan.quot; En met David: „mijn harte zal zich verheugen in Uw heil; ik zal den Heere zingen, omdat Hij aan mij wel gedaan heeft.quot; Laten de verheffingen Gods onder uwe tong en in uwe kelen zijn.

5. Toont altijd aan de wereld, dat God te dienen blijdschap is; geniet inwendig de vreugde van Gods heil, toont het uitwendig en beneemt hun het vooroordeel , dat het een naargeestig en melankolyk leven is; integendeel, toont altijd met woorden en

-208

-ocr page 331-

Over de vruchten des geloofs.

daden, dat er nergens meer wezenlijke blijdschap genoten wordt dan wanneer men God dient, opdat zij er ook toe mogen uitgelokt worden, en zeggen: „ik zal met u gaan, want ik heb gehoord dat God met u is.quot;

6. Is de vrucht uit het geloof ook een blijmoedige roem in God in verdrukkingen en in de hope der heerlijkheid, toont dan dat gij tot zulk een hoogen staat verheven zijt, door kleinachting en verloochening van alles wat beneden is ; o verheft uw hart met Hiskia in de wegen des Heeren. Zoekt de dingen die hoven zijn, en niet die heneden zijn. Stelt u door het geloof den hemel veel voor, denkende, ik zal eens verkrijgen het einde van mijn geloof, de zaligheid der zielen.

En is het hier zoo goed en zoet in de woestijn om van de voorsmaken van het beloofde land te proeven en te smaken, zijn de eerstelingen zoo aangenaam, o wat zal dan het volle genot zelf zijn! kan de blijdschap in God, die hier op aarde zoo afgebroken is, u nogthans gemoedigd maken in alle wederwaardigheden dezes levens; wat zal het dan eens zijn, wanneer gij genieten zult verzadiging der vreugde voor Gods aangezicht, en liefelijkheden aan Zijne rechterhand eeuwig en altoos! als eeuwige blijdschap op uw hoofd zal zjjn en treurigheid en zuchtingen zullen wegvlieden? Moogt gij hier roemen op uwen eerestaat waartoe gij verheven zijt, daar gij op aarde nog dikwijls arm en veracht naar het uitwendige zijt, wat zal er dan voor u niet stof van roem zijn, wanneer gij zidt ingaan in des Konings paleis, en met Christus zitten op Zijnen troon? als gij zult verkrijgen het einde van uw geloof, de zaligheid der zielen.

AMEN, JA AMEN.

209

14

-ocr page 332-

V€ VC

ZEVENDE VERHANDELING ai

OVER DE VEEACHTERINS VAN GODS VOLK IN DE OEFENING VAN tr

t

HET GEESTELIJKE LEVEN.

Ie

--V£

adat wij de werkzaamheden van het geloof v(-

I PJ en de zalige vruchten, die daaruit voort- V(

\' vloeien, hebben voorgesteld, dacht ik het

niet ondienstig te zijn, terwijl we zulke tijden beleven te waarin het Christendom veel van zijn glans verloren heeft, om het ook eens aan dien kant te beschouwen,

en aan te wijzen, hoe een waar bondgenoot, die

weleer hartelijk en ernstig voor God leefde, kan bi

komen in een staat van verval, en zoo verachteren in Z(

de genade en de oefening van het geestelijk leven, t£

dat de vorige glans en luister die op hem lag, ver- \'w doofd en ontsierd wordt; opdat het mocht dienen

om dezulken die, of reeds in zulk een toestand zijn L

terecht te brengen, of anderen, die hoewel ze nog 9\'

tot die laagte niet gekomen, echter aan het afwijken ^

zijn , nog staande te houden ; en hen te waarschuwen et

dat zij toch wederkeeren tot den Heere, en zulken, J

die nog teeder en hartelijk zijn op te wekken, dat zij v

zich toch zorgvuldig bewaren en wakende blijven, v

om nooit tot zulk een staat van verval te geraken. h

Om dan dit stuk met orde te verhandelen, zal ik v

uwe en mijne gedachten langs deze stukken leiden, d dat ik:

1. zal bewijzen, dat er zulk eene verachtering en i z

-ocr page 333-

Over de verachtering in het geestelijke leven. 2H

verslapping in de genade kan plaats hebben in Gods volk, ja, maar al te veel gevonden wordt!

2. zal ik met de stukken aanwijzen, waarin die alzoo gelegen is en in wat daden het zich ontdekt;

3. de oorzaken hiervan aanwijzen, en langs wat trappen iemand tot zoo droevigen toestand geraakt;

4. aan zulke verachterde geloovigen zal ik middelen aan de hand geven, om uit dien staat des vervals op te staan en weder te keeren tot den Heere;

5. en eindelijk aanwijzea, wat gebruik wij elk voor zich van deze stof hebben te maken, om er ons voordeel mede te doen.

Ik maak dan een aanvang met het eerste stuk, om te bewijzen, dat er eene verachtering in Gods volk kan plaats hebben, en waarlijk heeft, dit leert ons:

1. het Woord van God op vele plaatsen; we lezen van eene slapende bruid, die haren kloppenden bruidegom liet heengaan, terwijl zij op het bed van zorgeloosheid was neergezeten, met die liefdelooze taal, „ik heb mijnen rok uitgetogen, hoe zal ik hem weder aantrekken? ik heb mijne voeten gewasschen, hoe zal ik ze wederom bezoedelen,quot; Hoogl. V : \'2 en 3. De wijze maagden waren zoowel als de dwaze in slaap gevallen, omdat de bruidegom in zijn komst vertoefde, Matth. XXV ; 5. De gemeente van Efeze had hare eerste liefde verlaten, Openb. II : 4, de bekeerde Joden in het laatste der dagen komen aldus klagende voor, Jes. LXIII: 17. „Heere, waarom doet gij ons van uwe wegen dwalen? waarom verstokt gij ons hart, dat wij u niet vreezen ?quot; de kostelijke kinderen van Sion, bij fijn goud geschat, worden wel eens de „aarden fiesschen gelijk,quot; Klaagl. IV : 2 ; hierom is het dat de Heere tot beschaming van zijn volk zegt, Jer. II : 2. „Ik gedenk der weldadigheid

14*

-ocr page 334-

212 Over de verachtering in het geestelijke leven.

uwer jeugd, de liefde uwer ondertrouw, toen gij Mij nawandeldet in de woestjin.

2. Hiertoe ziin al die ernstige vermaningen en op-wehkingen van den Heere Jezus en de apostelen aan de goloovigen gedaan, tot een heilige wachthouding om staande te blijven; hoe dikwijls riep Christus den zijnen toe, waakt! en de apostelen in navolging van Hem. Paulus roept den Corinthiers toe, 1 Cor. XVI : 16, „waakt, staat in het geloof, houdt u mannelijk, zijt sterk!quot; Hebr. XH : 15, „ziet toe, dat niet iemand veraohtere van de genade;quot; 2 Cor. VI; 1, „wij bidden u, dat gij de genade Gods niet te vergeefs moogt ontvangen hebben. Eu hij vermaant de geloovige Romeinen , dat zij dezer wereld niet zouden gelijkvormig worden, Kap. XII : 2. Alle deze opwekkingen en waarschuwingen zouden te vergeefs zijn, indien Gods volk door de kracht der nog inwonende zonde, naar Gods aanbiddelijken wil, in zulk een staat niet kon geraken.

3. Exempelen van voorname heiligen in het Woord bevestigen dit; David, een man naar Gods hart, was niet alleen in zulke zware zonden van overspel en doodslag gevallen, maar hij bleef daar zoolang in liggen, totdat God hem door Nathan liet waarschuwen, en tot boetvaardigheid bracht, 2Sam.XII:7—10. Salomo, dien de Heere lief had, week zoo ver af, dat hij zich liet vervoeren tot afgoderij, 1 Kon. XI: 4, 5. En de dagelijksche ervarenheid bevestigt het maar al te zeer van velen, tot wie men met Paulus moet zeggen; „gij liept wel, wie heeft u verhinderd?quot; Gal. V : 7; die met Demas de tegenwoordige wereld lief krijgen, hetgeen we zoo aanstonds nader met de stukken zullen toonen.

Doch eer wij tot dit stuk zelf overgaan, moet ik

-ocr page 335-

Over de verachtering in het geestelijke leven. 213

nog vooraf aanmerken, dat gelijk het niet alles genade is wat voor genade wordt gehouden, het ook alles geen verachteren is, wat men daarvoor houdt.

1. Ik zeg, het is niet al genade wat men wel voor yenade houdt; men vindt dikwijls menschen die, óf door eene godsdienstige opvoeding óf door gemeene overtuigingen die zij kregen onder het ernstig voorstel van de waarheden, zoo ver komen, dat zij de uitwendige besmettingen der wereld ontvloden zijn, zich voegen hij de godzaligen, en veel lust schijnen te hebben om den weg des \'levens te bewandelen ; want het is niet te zeggen waartoe eene krachtige overtuiging, als het geweten eens gaande wordt, een mensch al kan brengen; zoodat zij schijnen te beginnen met den geest, maar omdat het hart nooit van de liefde der zonden gezuiverd was, voleindigen zij met het vleesch; wanneer nu dezen tot de wereld wederkeeren, dat is geen verachteren; want zij hadden nog nooit ware genade gehad; al wat zij deden was maar iets uitwendigs, het hart was in den grond nog nooit veranderd en overgebogen geweest tot God en Zijnen dienst; en daarom konden zij het niet uithouden ; dat zijn ranken die in Christus geen vruchten dragen; en daarom eindelijk verdorren, Joh. XV : 2.

2. Het is ook al geen ver achter en in de genade, wat somtijds door vele oprechten, doch zwakgeloovigen, daarvoor wordt gehouden; het gebeurt menigmaal, als God eene ziel tot Zijne gemeenschap krachtdadig overbrengt, dat de verandering zeer groot en zichtbaar is, vooral wanneer zij te voren in de wereld en de zonde leefde; men stapt in één slag van alles af, men breekt door alle banden heen, en de wereld een scheldbrief gevende, verklaart men zich voor God en Zijn dienst; daarbij leidt God zulk eenen

-ocr page 336-

214 Over de verachtering in het geestelijke leven.

wel eens op een aangename, zoete en Evangelisclie wiize; het hart wordt van het begin af ontvlamd in harteliike liefde tot God en den Heere Jezus, en God geeft den zoodanigen ook vele aangename bevindingen van Zijne liefde; maar daar is dikwijls nog weinig ontdekking aan zich zeiven; wanneer nu naderhand die ziel meer wordt ingeleid in zich zelve om in den poel van het zondig hart in te zien, en God Zijn licht wat intrekt; als die aangename zomer afwisselt met een winter, en God de vijanden wel eens los laat, en de verdorvenheden, die schenen ten ondergebracht te zijn , weder aan den gang raken en daardoor die vrijmoedigheid , die hartelijkheid en ernst vermindert; dan begint zulk een mensch te denken dat hij verachtert, doch het is een verkeerd besluit, ja het is juist het tegenovergestelde; want aan zich zeiven meer ontdekt te worden, ootmoedig, nederig en klein voor God te worden , door geloof vast te houden, als men niet ziet en smaakt, dat is reeds grooter genade dan in het licht te wandelen, maar dit ziet zulk eene ziel niet; en daarom vreest ze dat ze verachtert.

3. Moet ik nog aanmerken, dat het vooral in Gods kinderen in tweeërlei opzicht kan plaats hebben; óf het kan zijn dat iemand onverhoeds door onwaak-zaamheid en onbedachtzaamheid in eene zonde valt, doch daarin niet blijft liggen; zoo ras hij het gewaar wordt, staat hij weder op, \'tis maar voor een korten tijd, en hij keert met schaamte weder tot den Heere; en dan is het geen geheel verval, maar alleen in eenige daden van het geestelijk leven. Zoo was het in koning Hiskia, wiens hart zich verhief op zijnen rijkdom, maar hij vernederde zich over die verheffing van zijn hart, 2 Chron. XXXII: 26, en in Petrus,

-ocr page 337-

I

Over de verachtering in het geestelijke leven. 215

lie die in dien zwaren val kwam, dat hij zijnen meester

in verloochende; maar zoo haast Jezus hem aanzag,

?n weende hij bitterlijk, en keerde weder tot den Heere,

n- Luk. XXII : 26; en was naderhand zooveel te ern-

ig stiger. Of daar kan een verval komen in alle deelen

r- van het geestelijk leven , een geheele slaperigheid en

m 1 verflauwing, die zelfs eene hebbelijkheid wordt, die

d lang duurt eer men wederkeert.

f- Het eerste is wel een vallen in de zonde, maar

is geen verachteren in de genade; omdat de gevallene ziel aanstonds weder opstaat; maar het Zaaisie is het stuk, waarop wij nu het oog hebben,

t En dit moeten we nu, wat ons tweede punt was,

met de stukken wat nader toonen, waarin dit al gelegen is; en om dit te doen, zal ik aanwijzen hoe Gods kinderen kunnen verachteren in de kennis, in de wezenlijke daden van het geestelijke leven, in de heiligheid en teederheid in den wandel; zoowel in het dooden van de zonden, als in de oefening van de deugd en godzaligheid, en eindelijk in de troost en heugelijke bevindingen van Gods liefde.

1. Zeg ik, een geloovige kan verachteren in de kennis van de Goddelijke waarheden, waarin de ziel, toen God haar eerst met genade voorkwam, wonderlijk toenam , en meer in een korten tijd vorderde dan anderen door langdurige oefeningen; ja zich met zooveel naarstigheid en ijver daarin bezighield, dat geen moeite te zwaar, of tijd te kostelijk was, om die van tijdelijke bezigheden af te breken en uit te koopen, al was het met verbreking van lichaamskrachten ; men vond er zooveel smaak en zoetigheid in, dat men met Jeremia betuigen kon, „Heere, als ik Uw Woord gevonden heb, heb ik het opgegeten, en Uw Woord is mij geweest tot vreugde en tot

-ocr page 338-

216 Over de verachtering in het geestelijke leven.

bliidschap mijns hartenquot;, Jer. XV : 16; daartoe maakte men gebruik van alle middelen, waar men zoowel in de kennis als liefde der waarheden kon toenemen; maar in dat alles komt eene verslapping en verachtering.

A. Men wordt lui en traag in het onderzoek; door het minste beletsel laat men zich aftrekken , men begint de moeite te ontzien, want men kan tot geen gegronde kennis komen dan door naarstigheid, eu in plaats van tot de volmaaktheid voort te varen en te vorderen tot leeraars, van wege den tijd en gelegenheid, wordt men weder als de kinderen die de melk van noode hebben, waarover Paulus de Hebreen bestraft, Hebr. V ; 12.

B. Men wordt door die traagheid ook nalatig, men begint zich wijs te maken, dat de kennis zoo noodzakelijk oet is, en spreekt die wel in anderen tegen, omdat in velen eene letterkennis gevonden wordt, waar nogthans geen genade in het hart is, en daarom willen ze ook geen moeite meer doen, om in de kennis toe te nemen.

2. Men kan ook verachteren in de wezenlijke daden en oefening van het geestelijk leven, hetwelk in de navolgende stukken zich ontdekt.

A. In de verborgene gemeenschap met God in het eenzame, dat hartelijk en kinderlijk verkeer met den Heere, dien vrijmoedigen toegang tot den troon der genade, om zoo openhartig alle nooden in Gods schoot uit te storten, waarop men voorheen zdo gezet was toen men den Heere nawandelde en niet dragen kon dat er iets tusschenbeide was, waardoor de nabijheid met God gestoord werd; of, zoo er eenige verwijdering was, niet rusten kon voor die weder was weggenomen; gelijk de liefde tusschen

-ocr page 339-

Over de verachtering in het geestelijke leven.

hartsvrienden niet kan dragen dat er eenige verkoeling komt, zoo was het de ziel ook ondrageliik als zij dien toegang, dat verkeer en dien omgang met God zoo hartelijk niet kon oefenen; maar nu integendeel , gaat de vertraagde en verachterde ziel in hare eenzaamheid, daar heft zij trage handen op, daar is het hart geesteloos en dor, vol verstrooide en aardsgezinde gedachten , en met weinig indruk voor de hoogheid van God en van eigen zielsnooden; van daar is het dat ze zich niet zetten kan tot heilige overdenkingen van God of goddelijke waarheden; of denkt men aan God, het is wel eens met beroering en vreeze, dat men met Asaph moet zeggen: „dacht ik aan God, zoo maakte ik misbaar, peinsde ik, zoo werd mijne ziel overstelptquot;, Ps, LXXVII : 4; daar is zij in het hidden harteloos en doodig, men kan nauwelijks het hart naar boven verheffen om de nooden aan God voor te dragen, veel min, dat men zoo hartelijk en aanhoudende zou worstelen met den Heere; en ofschoon de troon der genade gesloten is, en de Heere zich verbergt, kan men het zoo gemakkelijk dragen, men is op Zijne nabijheid niet zoo hartelijk gezet; ja daar komt zulk eene verwijdering, dat men nauwelijks meer weet wat het is zoo hartelijk gemeenzaam met God te verkeeren, maar men komt dan tot Hem als een vreemde, met een gesloten f hart en mond; waarom de Heere met recht mag * klagen: „Mijn volk heeft Mijner vergeten, dagen zonder getal!quot;

B. Gods kinderen kunnen ook verachteren in de oefening des geloofs omtrent den Heere Jezus; o wat hadden zij in hun eersten tijd op met Christus, wat was Hij hunne zielen dierbaar! en zoo dierbaar, dat alles buiten Hem gerekend werd als schade en drek;

217

-ocr page 340-

218 Over de verachtering in het geestelijke leven.

men zond begeerte op begeerte naar Hem op in elke te daad , bij iedere gelegenheid; men nam tot Hem de bl toevlucht, hoe hartelijk kon men zich in Zijne armen nederwerpen , zich aan Hem opdragen, men kon oj noch wilde zonder Hem iets doen, maar deed alles e( in afhankelijkheid van Hem, doch nu is het geloof y, zoo werkzaam niet, het is alsof er zooveel dierbaar- * d heid in Jezus niet was, of men minder belang in w Hem had, ja, men wordt wel eens hoogmoedig en ji steunt op eigen kracht; en hierdoor komt men in y, de verkeerde bevatting, alsof Jezus nu zoo nood- G zakelijk niet was als in het begin, en dat de ziel zelve nu moet gaan werken; wat wel waar is, doch d het moet niet zijn in eigen kracht, maar met opzien a

naar en gebruikmaken van Jezus, zonder ivien men z

niets kan doen; maar die geloofswerkzaamheid ver- c flauwt, en het blijft op het beste maar een gekroold 1 riet, dat door ongeloof en twijfelmoedigheid wordt 5 heen en weder geslingerd, en men weet eindelijk nauwelijks meer wat van zich zeiven te oordeelen; /

en het slimste van alles is, als er eene ongevoeligheid \\

en slaperigheid bij komt, gelijk het in de Bruidkerk ]

was , Hoogl. V : 3 en 4 , „die op het bed van vleesche- (

lijk gemak neerliggende, weigerachtig was om den Bruidegom harer ziel in te laten,quot; waarom zij ook zijn heilig ongenoegen moest ondervinden.

C. Dan kan ook een verachteren plaats hebben, ten opzichte van den Geest en Zijne werkingen, die * kan men nitblusschen, 1 Tiiess. V ; 19 en bedroeven,

Efez. IV : 30, dat is te zeggen, zich zoo omtrent den Geest gedragen, dat, indien er droefheid in Hem vallen kon, Hij daardoor zou bedroefd worden, en waardoor de Geest zich zoo gedraagt, als iemand die bedroefd is; door inhouding van Zijne werkingen,

-ocr page 341-

Over de verachtering in het geestelijke leven. 219

ter vertroosting en tot blijdschap. En waardoor bluscht men den Geest uit?

a. als men Zijne leidingen, raadgevingen en opwekkingen niet opvolgt; wanneer het hart tot eenzame afzonderingen, tot bidden, tot vernieuwing van het verbond eens wordt opgewekt, dat is van den Geest; wanneer dat nu niet zorgvuldig wordt waargenomen , maar een en andermaal tegengegaan , ja verontschuldigd wordt met aardsche dingen, waarmede men zich ophoudt, dan bedroeft men den Geest.

h. Of als Hij waarschuwt voor zonden en inwendig zegt: dit is de weg, wandelt in denzelven, en dit wordt niet opgevolgd\', of als men zich begeeft op zulke plaatsen , waar men in gevaar van vallen is, en dan tot zonden wordt vervoerd, dat is zich onbetamelijk omtrent den Geest te gedragen, omdat Zijn licht niet wordt opgevolgd.

c. Men bluscht den Geest uit, wanneer Zijne vertroostende werkingen niet teeder en omzichtig genoeg worden behandeld\', wanneer het de ziel hoogmoedig maakt of zorgeloos, om niet door eenen gezetten en ootmoedigen wandel daaraan te beantwoorden.

Wordt de Geest nu zoo bedroefd en uitgebluscht, dan onttrekt Hij zich ook a:in de ziel, Hij wekt haar zoo niet meer op maar geeft ze als aan zich zelve over, en werkt Hij nog in het hart, het is meer tot verschrikking en naarheid, zoodat Hij wel bittere dingen tegen haar schrijft, en ze daardoor doet ondervinden hoe kwaad en bitter het is, den lleere haren getrouwen Bondsgod te verlaten; en om ze hierdoor weder te recht te brengen.

Want is men zoo van God afgeweken, men komt zelden anders dan door een weg van naarheid weder

-ocr page 342-

220 Over de verachtering in het geestelijke leven.

te recht, gelijk het Petrus hittere tranen hostte eer hi] weder van zijnen zwaren val hersteld was.

D. Waar Gods kinderen zoo verachterd zijn omtrent den Drieëenigen Verbonds-God, daar komt eene verslapping en verflauwing in de wederzijdsche liefde.

God de Heere aan Zijnen kant, ontdekt zich zoo niet meer in gunst en goedertierenheid aan het hart van Zijn trouweloozen bondgenoot; nadert de ziel tot Hem in het gebed, de troon is c/esloten en de Heere bedekt Zich met een wolke, dat er geen gebed door kan; Hij antwoordt niet op het hidden , maar houdt Zich als doof; en daar is ook eene verkoeling in de liefde aan de zijde van de ziel, waar het hart eertijds brandende was in een liefde tot Jezus, „sterk als de dood , een ijver hard als het graf., welker kolen waren vurige kolen, vlammen des Heeren, die vele wateren niet konden uitblusschen. Ja, al had iemand al het goed van zijn huis daarvoor\' willen geven, de ziel zou het veracht hebbenquot;, Hoogl. VIII : 6, 7; door die liefde gedrongen, kon men alles voor Jezus doen, en was men gewillig alles voor Hem te dragen; door die liefde gaf men zich onbepaald aan Hem over, met de betuiging dat, mocht men maar deel aan Hem hebben, niets te hoog of te zwaar was; door die liefde zocht men ook anderen tot Jezus te brengen, maar nu is het, de eerste liefde is verlaten, de begeerte naar Jezus en Zijne gemeenschap is doodig en harteloos; het is of men het buiten Hem kon stellen; men wordt ook onvrijmoedig om voor Hem uit te komen; want omdat het hart koud is, wordt de mond gesloten.

En de Heere Jezus gedraagt zich ook zoo liefderijk niet meer omtrent haar, want hoewel Hij die, die Hij eens heeft lief gehad, tot het einde toe lief

-ocr page 343-

Over de verachtering in het geestelijke leven. 221

heeft, zoo houdt Hij nogthans de zoete bevindingen daarvan in; Hij verbergt zich voor hen omdat ze Zijne liefde zich hebben onwaardig gemaakt; dit ondervond de bruid, wanneer zij klaagde: „mijn liefste was geweken, Hij trok Zijne hand van het gat der deur en mijn ingewand werd ontroerd om Zijnentwillequot;. Hoogl. V : 4.

Gods kinderen kunnen verachteren in hun levendige hoop op den hemel en de eeuwige zaligheid; omdat het geloof verzwakt en de liefde verflauwd is wordt de hope wankelende, de ziel wordt geschud en beroerd of de hemel ivel haar deel zal zijn; of zij de haven der eeuwige zaligheid wel ooit bezeilen zal en binnen raken; daarom kan ze niet dan met schrik aan den dood en de eeuwigheid denken, omdat zij onzeker is wat nog het einde met haar zal zijn; daar is ook weinig werkzaamheid omtrent don hemel, het geloof vertegenwoordigt zich zoo de onzienlijke dingen niet; want omdat men op de innige gemeenschap met God niet hartelijker gezet is,- is er ook geen vurig verlangen naar de onmiddelijke genieting van Hem in heerlijkheid; het is menigmaal of men altijd op aarde zou blijven; zoo raakt de hemel uit het oog en hart.

2. Maar gelijk een godvruchtige kan verachteren in de kennis, in de wezenlijke daden van het geestelijk leven, in de verborgene gemeenschap met God, zoo ook in de heiligmaking en teederheid in den wandel, zoowel in het dooden van de zonden als in de oefening van deugd en godzaligheid.

A. Ten opzichte van de zotiden, waar men voorheen in de eerste liefde zoo omzichtig en waakzaam was over zijn hart om toch niet door zonden overvallen te worden; waar men eene wacht zette voor

-ocr page 344-

222 Over de verachtering in het geestelijke leven.

zijnen mond en de deur zijner lippen behoedde, en wanneer er maar de minste zonde was waardoor men overrompeld werd, dat dan het hart sloeg, dat men geen rust had voor men in Jezus bloed weer verzoening had gevonden ; daar kan men nu wel eens ongevoelig in de zonden blijven liggen; ziet het in David, toen hij door tegenheden gedrukt, ernstig voor God leefde, sloeg hein zijn hart, omdat hij de slip van Sauls mantel had afgesneden\', en naderhand toen hij op zijnen troon bevestigd was, kon hij maanden lang in zulk een zware zonde van overspel en doodslag ongevoelig blijven liggen, 2 Sam. XI. Hetgeen te voren ondragelijk was, wordt nu een krankheid , die men wel kan dragen; en is er zoo weinig ernst om de zonden tegenstand te bieden; de duivel, die een listige vijand is, verlokt de afdwalende ziel van de eene zonde tot de andere, want:

a. Omdat de liefde tot God vermindert, komt er meer liefde tot de wereld\', wanneer de gedachten niet tot goede voorwerpen bepaald zijn , moeten zij evenwel werkzaam zijn en gaan dan over tot wereldsche, ja vaak zondige dingen; men begint zijn vermaak en genoegen te zoeken in de zienlijke dingen, waarin de ziel toch nooit rust kan noch zal vinden.

h. Omdat men niet zoo gezet is op het eenzaam en verborgen leven met God, begint men de eenzaamheid te schuwen, men wordt verwilderd en afgeleid door wereldsche gezelschappen , men kan zoo gemakkelijk met alle menschen gaan verkeer en, avonden , ja dagen doorbrengen met nietswaardige dingen, is het al niet direct zondig, het is ook niet tot stichting en opwekking, zoodat natuurlijke menschen wel eens moeten zeggen, waar is het onderscheid van die menschen, die God vreezen, in te ontdekken.

-ocr page 345-

Over de verachtering in het geestelijke leven. 223

c. Ja men wordt der wereld wederom in vele stukken gelijkvormig, die men voor eeuwig den dienst had opgezegd, toen men het hart aan Jezus gaf; men laat zich door die verleidende Delila aftrekken en volgt hare zondige zeden en gewoonten na; wat wel zóó ver gaan kan, dat men nauwelijks meer voor godvruchtig gekend wordt; ja, o diep verval, dat men zich toegeeft in werken des vleesches, tot aanstoot van de wereld, tot onteering van God, tot droefheid van de godoruchtigen, en schade van zijn eigen ziele\', het voorbeeld hiervan zien we in David, wanneer hij tot overspel vervoerd werd, waarom de Heere hem liet zeggen : „gij hebt de vijanden des Heeren grootelijks doen lasterenquot;, 2 Sam. XII : 12.

B. Geeft men zich zoo toe in de zonden, daar komt ook eene nalatigheid en verachtering in de oefening van deugd en godzaligheid, want:

a. Men wordt traag in het hooren, lezen en onderzoeken van Gods Woord en waarheid, men laat zich allicht aftrekken van den godsdienst; waar men voorheen moest zeggen: „waarlijk, bij deze dingen leef ik, en in alle deze is het leven van mijn geestquot;, daar is het hart nu dor, doodig en zonder aandoening.

h. Het hidden, dat men weleer een voorrecht rekende, daar men zooveel mede ophad, begint een sleurwerk te worden; er is nog wel te veel licht en indruk in het hart voor God om het geheel na te laten , maar het geschiedt meer uit gewoonte, en om het gemoed te vreden te stellen, dat van de noodzakelijkheid der plicht overtuigd is, dan met opgewektheid en lust; men is heimelijk te vreden als men eens verhinderd wordt, of is blijde als het werk gedaan is.

c. Men vermijdt teedere godvruchtigen, om daar-

-ocr page 346-

224 Over de verachtering in het geestelijke leven.

mede te verkeeren, terwijl men schuw wordt om daarmede te spreken, en het hart voor hen open te leggen, omdat het daar zoo droevig mede gesteld is; want men wordt een vreemdeling van zich zei ven en weet nauwelijks meer hoe men leeft.

d. Komt er nu en dan eens eenige aandoening, geeft God eens licht en overtuiging om het verval te zien (gelijk het niet anders zijn kan, omdat het leven der genade in het hart altoos blijft), wat doet men? men staat er niet bij stil, men volgt dat licht niet op , maar, het zoo ellendig vindende, wordt men moedeloos

1. Omtrent God\', omdat de verwijdering zoo groot is tusschen den Heere en de ziel, durft men niet denken om hersteld te worden; \'t is of het desperaat en buiten hoop was, en alsof de Heere zich nooit weer zou ontfermen en genadig zijn, maar dat Zijne barmhartigheden door toorn tegen zulk een trouwe-looze zijn toegesloten.

2. Omtrent de vijanden, die zoovele, zoo listig en machtig zijn, denkt men, ik kan er niet tegen op, ik zal nog een der dagen door hunne handen omkomen, en het eindelijk moeten gewonnen geven.

3. Omtrent zich zeiven, men ziet zich nederge-zonken in een grondelooze diepte van ellende; de klove van scheiding tusschen den Heere is zoo groot, dat men geen raad ziet om die weder te heelen of waar men het zal opvatten om hersteld te worden; waarom men moedeloos wordt en door die moedeloosheid werkeloos ; men laat de handen slap hangen en is nalatig in het gebruik van die middelen, die tot herstel zouden kunnen dienen, en blijft dus stil zitten; en o jammer, o naarheid, men wordt zulk een staat gewoon, men kan het zoo gemakkelijk

-ocr page 347-

Over de verachtering in het geestelijke leven. 225

dragen, men wordt het omzwerven buiten God niet eens moede, noch zoekt naar middelen om gered te worden.

Uit dit alles kan niet anders volgen, dan dat zoo iemand verachtert in de vertroosting en blijdschap, die hij voorheen ondervond. God, die een heilig God is en de zonden in Zijn volk niet kan verdragen, toont ook Zijn ongenoegen door inhouding van de strahn van Zijn licht, door verberging van Zijn aangezicht, ja door wel bittere dingen tegen de ziel te schrijven. De Heere Jezus laat zich in de bevindingen van Ziine liefde niet uit, zoodat ze troosteloos en klagende heengaan, als een verlatene en bedroefde van geest.

Ziet daar den naren en droevigen toestand waarin somtijds Gods kinderen kunnen geraken door Gods heilig en vriimachtig bestel, en waarin zi] zouden blijven, zoo God zelf hen niet door een almachtige hand herstelde.

Laat ik nu tot het derde stuk overgaan en eens aanwijzen de oorzaken van dit verval, en langs wat trappen men daartoe komt.

Vooreerst de reden en oorzaken zijn menigvuldig; men kan die of aan Gods zijde, óf aan de zijde van de ziel beschouwen.

1. God handelt hierin naar Zijne souvereine vrijmacht , die niet antwoordt van alle Zijne daden, maar Wiens doen majesteit en heerlijkheid is. Doch terwijl de hoogstwijze God niets doet zonder wijze redenen, zoo laat de Heere zulk een verval in sommigen van Zijne bondgenooten toe.

A. Om Zijne almachtige en goddelijke kracht te vertoonen, die het genadewerk midden in zoo diep verval nog in het hart bewaart en levendig houdt

15

I

-ocr page 348-

226 Over de verachtering in het geestelijke leven.

als een vrucht van Jezus voorbede, dat het geloof niet mag ophouden, Luk. XXII: 32.

B. Om Zijne getrouwheid en de onveranderlijkheid van het verhond te bevestigen, niettegenstaande de ontrouw van Zijn volk; want hoe groot het verval is, er is een tijd des welbehagens bij den Heere, om die nedergebogene zielen iveder opterichten.

C. Ook wel tot een baken en waarschuwing voor anderen, wanneer zij zulke verachterden ziende, zich zouden wachten voor de allereerste gelegenheid, waardoor men tot zulk een staat gebracht wordt, maar zich teeder en getrouw jegens den Heere gedragen.

2. Maar vooral zijn de redenen te zoeken aan der geloovigen zijde zelf; want God is aan niemand een dorre woestijn of een land van uiterste donkerheid, maar hunner is de schuld, en de redenen kunnen zijn:

A. Of een zware zonde, of zonden waarin ze gevallen zijn zonder aanstonds op te staan en weder te keeren tot den Heere, om in het bloed van Jezus door boetvaardigheid de verzoening te zoeken; kan men toch onder ééne zonde ongevoelig blijven liggen, dan volgt wel haast een tweede; zoo was het in David, hij had niet alleen zich aan overspel met Bathseba schuldig gemaakt, maar daarop volgde ook de doodslag van Uria; en hierdoor raakt hij in verval.

B. Of omdat zij niet hebben gestaan naar een dadelijken overgang met God in het verbond, en om dan als een bondgenoot van het verbond te gaan leven; of zij leefden te veel op de gevoelige genade en bevindingen van Gods liefde, en als dat licht wat verdoofd werd, werd men geschud en beroerd, en daardoor wel eens moedeloos; en door die moede-

-ocr page 349-

Over de verachtering in het geestelijke leven. 227

loosheid werd men nalatig in die plichtsbetrachtii)gen, en dus achteloos en traag; en dit is nog dikwijls een gebrek in Gods volk, dat zij in de eerste bekeering als het hart overreed wordt niet aanstonds zich plechtig aan God verbinden; dan hadden zij een fondament om hun voet op te kunnen nederzetten , al werd het dan al eens duister bij hen , men zou zoo haast niet moedeloos zijn , ja men zou zoo licht tot de zonden niet worden vervoerd, maar denken, ik sta met God in een verbond , dat past mij niet.

C. Men heeft Gods goedheid en liefde niet hartelijk en teeder genoeg behandeld, maar werd dikwijls koel, onverschillig en flauw omtrent den Heere; Gods nabijheid was niet dierbaar genoeg. Als Hij eens aan het hart klopte, werd Hem niet aanstonds open gedaan , zeggende: kom in gij gezegende Heere, waarom zondt Gij buiten staan? ik heb het huis van mijn hart bereid. O als de Heere tot de ziele komt, wil Hij daar opgewacht en verwelkomd worden; Zijne tegenwoordigheid moet daar zoo aangenaam en dierbaar zijn, dat alle zonde en schepselenliefde veracht wordt, of Hij gaat heen en doet dat in het vervolg ondervinden, wat het is Zijne gunst en vriendschap niet te waardeeren.

D. Als de Heere tot vertroosting en blijdschap in het hart werkte, hebben zij er niet naar gestaan om dien troost te bewaren door een heiligen wandel en vernieuwde opdracht aan den Heere; of als het hart belemmerd was, niet onderzocht waar het van daan kwam en zich geen rust gegeven voor het weder hersteld was, en wanneer de vertroostingen Gods gemist worden, geeft men zich wel afleiding met andere dingen.

E. Of men geeft zich te veel toe in traagheid des

15*

-ocr page 350-

228 Over de verachtering in het geestelijke leven.

vleesches; het logge, loome lichaam wordt te veel toegegeven , waar men voorheen wel eens van den slaap wat afkorte en \'s morgens en \'s avonds tot eenzame oefeningen zich afzonderde, wordt men vadsig en daardoor ook wel nalatig in het waarnemen van godsdienstplichten; waardoor eene doodigheid in het hart komt en de ijver verslapt.

F. Gods kinderen hebben somtijds te veel gesteund op hun eerste werk, en op hetgeen God aan hun gedaan heeft in voorgaande tijden ; dit zou goed en heilzaam zijn, indien het ben opwekte tot een teederen wandel en om na de afwijking op te staan en weer te keeren; maar dit kan misbruikt worden, wanneer die grond wordt vastgehouden en men daarop zorgeloos wordende, verder en verder van den Heere wijkt, denkende, al hen ik ontrouw, God is getrouw; is het werk ééns waarheid geweest, en dat kan ik niet ontkennen, het zal altoos waarheid zijn; dan is het zeer schadelijk en nadeelig.

Maar zijn dit de redenen en oorzaken van bet verval, langs wat trappen, ten tweede, komt iemand daartoe? want zoo diep verval komt niet op eenen stond, door ééne zonde, maar het gaat van trap tot trap voort, dat zulk een zelf menigmaal niet weet hoe hij zoover is vervallen; het gaat wel als met twee hartsvrienden , die voorheen zoo gemeenzaam verkeerden, dat niemand machtig was die liefde te storen, maar met ter tijd komt er een stremming in de vriendschap en men weet zelf dikwijls niet waarom; zoo raakt de ziel menigmaal ongevoelig aan het dalen, evenals iemand die van een boogen berg nederwaarts gaat; hij voelt het niet omdat het gemakkelijk gaat, maar ziet bij eens achter zich om, dan denkt hij, hoe is bet mogelijk dat ik van zulk een hoogte ben gekomen.

-ocr page 351-

Over de verachtering in het geestelijke leven. 229

Laten wij dan eens zien langs wat trappen dit al geschiedt, op dat het zulken die nog maar beginnen af te zakken staande mag houden, om niet lager neder te zinken.

1. Zulke verachterde Christenen hebben niet genoeg geleefd hij hun hart, om op de uitgangen daarvan te letten, om het dagelijks te beproeven, of het nabij of verre van den Heere was; hiervan daan is het dat zij, omzwervende van den Heere, achteloos zijn geworden , minder gezet op het eenzaam en verborgen leven met God, of, als zij al de eenzaamheid waarnemen , kunnen zij er in berusten, al was het doodig en harteloos.

2. Zoo achteloos wordende, begonnen zij met min wezenlijke dingen zich op te houden, met bespiegelende waarheden, die buiten het hart zijn; niet, dat het onderzoek van waarheden iemand zou doen teruggaan, dat zij verre, het is\' een gezegend middel tot voortgang op den weg naar den hemel; maar om dat het hart zondig, en de vijanden zoo listig zijn, kon datgene, wat anders tot voordeel is, worden misbruikt, en dat is dan, wanneer men zich bezig houdt met zulke waarheden, die wel goed zijn, maar buiten het hart, en daarin al zijnen tijd besteedt , of als men de wezenlijke waarheden die men kent niet brengt tot het hart en zich afvraagt, wat kracht ze daarop doen? en ze niet aanlegt tot deugd en godzaligheid; en langs dien weg wijkt men allengs-kens verder van het hart en ook van den Heere.

3. Hierdoor begon men zich stilletjes te onttrekken van de godvruchtigen en vooral van zulken, met wie men van nabij zou spreken, en door wie men zou kunnen opgewekt worden; want omdat het hart dor en ledig is, is de mond ook gesloten.

-ocr page 352-

230 Over de verachtering in het geestelijke leven.

4. Men werd met ter tijd ingewikkeld in veel omstandigheden naar de wereld, waardoor het aards-gezinde hart zoo verslingerd en verslaafd wordt, dat God uit het oog verloren wordt, de één door heslom-mering en menigvuldige bezigheden en bekommeringen naar de wereld, een ander door voorspoed, rijkdom, eer en aanzien, waardoor hij meer moest verkeeren met wereldlingen, wat eindelijk zoover komt, dat men er zich niet meer uit redden kan; ja daardoor deelt men dan mede in de besmettingen der wereld, men wordt ze gelijkvormig en neemt weer vele dingen aan, die voorheen al waren weg geworpen, alsof het daar zoo nauw niet meer op aan kwam en men daar meer vrijheid toe had; en is dus het gedrag zoo slordig, dan vindt men .den toegang tot God in het eenzame gesloten, de vrijmoedigheid belemmerd en zulk een blijft omzwerven buiten den Heere;

want God die zoo heilig is en de zonde in Zijne kinderen niet kan dragen, toont Zijn ongenoegen en verbergt Zich; wanneer nu iemand in dat ailes ongevoelig begint te worden en het zoo gemakkelijk kan stellen, raakt hij allengskens verder in zulk een droevigen staat, totdat God met een almachtige hand hem Zelf weder te recht brengt.

Ik geloof, als velen hun hart hierbij eer,s neerleggen , dat zij tot hunne schaamte zullen moeten belijden , ja zoo is het toegegaan, en gezegend is hij ^ die het nog bij tijds mag zien, eer hij tot de laagte is nedergedaald.

O nare toestand, wanneer het fijne goud zoo verdonkerd is en den aarden flesschen gelijk geworden.

Doch het is niet genoeg het kwaad te zien en de oorzaken daarvan nagespeurd te hebben, maar wil men zulk een afgedwaalden van zijnen weg doen -

-ocr page 353-

Over de verachtering in het geestelijke leven. 231

wederkeeren, dan moet men hem de middelen aanwijzen, en dat was het vierde, dat we zeiden te zullen verhandelen.

Komt dan verachterde en trouwelooze bondgenooten , die moet zeggen, och dat is mijn toestand! komt staat eens stil, zoekt eens tot een bedaarde gestalte te komen, zet uw hart eens op uwe wegen, en laat ik u in Gods naam en van Zijnentwege eens vragen , hoe komt het dat gij nu zoo harteloos en flauw zijt in den dienst van God? vindt gij er dan nu minder zoetigheid in dan in dien tijd toen gij u eerst aan Hem verbondt? is er nu meer wezenlijk genoegen in de dingen van de wereld dan toen gij dezelve den scheidbrief voor eeuwig gaaft, en uw hart aan God opdroegt ? of hebt gij ooit onrecht aan God gevonden ? wat heeft Hij u gedaan ? waarmede heeft Hij u vermoeid? betuigt tegem Hem. Integendeel, is God niet getrouw geweest omtrent u; zelfs dan , wanneer Hij u door duistere en nare wegen van tegenheden wel eens henenvoerde? ondervondt gij toen niet de blijken van Zijne liefde en goedheid? heeft Hij u ooit begeven of verlaten? moet gij niet antwoorden, och neen, God was mij nooit tot een dorre woestijn, of een land van donkerheid. Al Zijne wegen waren goedertierenheid en waarheid, en al Zijne paden rechtvaardig; mijns is de schuld, het waren mijne zonden , mijne onachtzaamheid en dwaasheid die mij zoover vervoerden , en wat raad nu om geholpen te worden ? want ik vrees dat ik in zulk een toestand zal blijven , ja nog erger worden, en dat het te ver gekomen is om gered te worden!

Ik antwoord, ja uw toestand is ellendig, doch daar is nog hoop dezen aangaande, daar zijn er meer geweest die God vreezen en dat tot hun smart onder-

f

-ocr page 354-

232 Over de verachtering in het geestelijke leven.

vonden, maar die God weder hersteld heeft door een tweede bekeering; geeft het maar niet moedeloos op, dan waart ge onbekwaam tot het gebruiken van de middelen, die wi} u zullen aan de hand geven.

Wordt gij van uw omzwerven buiten God moede, wenscht gij weder te keeren? daar zijn eenige middelen die gij te betrachten hebt, en eenige dingen, waarvoor gij u nauwkeurig moet ivachten.

1. Staat eens stil bij uwen ellendigen toestand, beschouwt dien eens in zijne verzwarende omstandigheden , hoe gij, door zulk een gedrag, God tot oneer zijt geweest, alsof Zijn dienst niet genoegelijk, heugelijk en zalig was; alsof de weg naar den hemel zoo nauw niet was en men wel door een ruimeren kon zalig worden; denkt eens hoe gij de godzaligen hebt bedroefd en geërgerd, wat de Heere Jezus voor zulk een zware zonde rekent; hoe de wereld er zich aan stoot\', o gij hebt de vijanden des Heeren grootelijks doen lasteren. Ja wat leeft gij voor uzelven niet een naar en droevig leven; gij hebt God tot uwen Vader en Bonds-God, maar hebt geen vrijmoedigheid om tot Hem te gaan, de troon is gesloten, gij zijt als een verstootene; gij hebt Jezus tot uwen Vriend, Bruidegom en Man, maar daar is zóóveel tusschen-beiden , dat gij uwe liefde niet eens aan Hem durft uitlaten; het is of Hij u een vreemde was, omdat uw hart u veroordeelt, dat uwe liefde tusscben Hem en de wereld verdeeld is; gij hebt den Geest van God tot uwen inwoner, leidsman, raadgever en bestuurder; maar gij ondervindt Zijne vertroostende werkingen niet, omdat Hij door u bedroefd is, en zoo leeft ge als een verlatene; de middelen der genade zijn u van weinig nut, komt gij eens in ongelegenheden, dan zijt gij vol angst, vrees en benauwdheid; maar gij durft

-ocr page 355-

Over de verachtering in het geestelijke leven* 233

of kunt u niet op God verlaten; a!s gij aan den dood denkt, wordt gij ontroerd omdat uwe gronden zoo diep bedolven liggen onder de asch van zonden, dat gij niet gelooven durft dat het einde vrede zal zijn.

Beschouwt dit alles eens met bedaardheid, en denkt, dat hoe langer het duurt dat gij zoo leeft,

Ihoe erger het zal worden ; want de aandoening die gij nu en dan nog ondervindt, zal allengskens verminderen , het zal als een gewoonte worden.hoe erger het zal worden ; want de aandoening die gij nu en dan nog ondervindt, zal allengskens verminderen , het zal als een gewoonte worden.

2. -Brengt u dan te binnen Gods hevel en opwekking om op te staan en weder te keeren; hoort eens wat God zegt, Jer. III : 22, „keert weder gij afkeerige kinderen. Ik zal uwe afkeeringen genezen, en vs. 1, „gij hebt wel met vele boeleerders geboeleerd, keert nogthans weder tot Mij, spreekt de Heere.quot; De Heere Jezus roept tot de gemeente van Efeze, die hare eerste liefde had verlaten : „gedenkt dan van waar gij zijt uitgevallen, bekeert u, en doet de eerste werken!quot; Openb. II : 4, 5. O, de Heere is zoo vriendelijk en goedertieren, als gij maar met berouw en leedwezen tot Hem komt; Hij wil het u vergeven, Hij wil het niet gedenken noch uwe zonden verwijten, maar u weder inlaten in Zijn verbond; al zijt gij aan uw kant ontrouw geweest. God blijft evenwel getrouw, het verbond onveranderlijk; en omdat het een genade-verhond is, zal God u genade bewijzen, en wilde de Heere Jezus u geenszins uitwerpen toen gij in uwe eerste bekeering door het geloof tot Hem den toevlucht naamt. Hij zal het ook nu niet doen, als gij door eene tweede bekeering tot Hem henen vliedt en uwe gewonde ziel voor Zijne voeten nederlegt; daar is geen ellende zoo groot, die Hij niet kan en wil genezen.

-ocr page 356-

234 Over de verachtering in het geestelijke leven.

3. Wordt uw hart door de noodigingen Gods aangedaan , blijft dan niet stilstaan}, maar zondert eenige uren en tijden af in het eenzame tot vasten en bidden. O ik geloof dat de Heere zulken , die zoo diep zijn afgeweken, niet te recht brengt dan door buitengewone middelen; aan Zijne zijde wel eens door een weg van tegenheden en tijdelijke bezoekingen ; hetzij door zware ziekten of andere droevige omstandigheden ; want Zijne eer heeft er belang bij, dat Hij toont een hater van de zonden te zijn, en die vooral in Zijne kinderen niet te kunnen dragen; want ofschoon zij door Christus verlost zijn van het eeuwig verderf, kan God het hun wel zoo bitter maken, dat zij moeten klagen: „ik draag Uwe vervaarnissen, ik ben twijfelmoedig.quot; Hij is wel een vergevend God, maar doet nogthans wrake over de zondige daden, zoodat zij de vruchten van de zonde smaken. Is dit niet klaar gebleken in David, dien man naar Gods hart, die, nadat hij zoo zwaar gezondigd had, en de Heere hem door Nathan de toezegging had gedaan dat zijne zonden vergeven waren, evenwel moest hooren; „het zwaard zal van uw huis niet wijkenquot;? 2 Sam. XII : 10. En daarom verwondert u niet, zoo God u Zijne Vaderlijke roeden doet proeven, maar dankt Hem zoo Hij u daardoor terecht wil brengen, en aanbidt met goedkeuring Zijnen weg; want het is een bewijs dat Hij de hand nog niet van u aftrekt.

Doch aan uwe zijde past het u ook ongemeene middelen te gebruiken; houdt dan vast- en bededagen, om God te zoeken; o toont dat het u ernst is. dat het u om de gunst van God te doen is.

Vraagt ge, als ik mij nu zoo tot vasten en bidden wil zetten en daartoe één dag of dagen afzonderen, hoe zal ik mij dan gedragen ? ik antwoorde:

-ocr page 357-

Over de verachtering in het geestelijke leven. 235

A. Door belijdenis voor God, met schaamte, met verootmoediging, en verfoeiing van uwe wangestalte en onbetamelijk gedrag; roept met Ezra: „o mijn God, ik ben beschaamd en schaamrood om mijn aangezicht tot U op te heffenquot;; zegt met David: „ik heb gezondigd, ik heb zottelijk gedaan. Gi] zult rechtvaardig zijn in Uw spreken en rein in Uw richten , zoo Gij met mij in tegenheid wandelt. Tegen U, U alleen heb ik gezondigd, en gedaan dat kwaad is in Uwe oogen.quot;

B. Zoo schuldbelijdende, gaat dan met gebeden en smeekingen u voor den genadetroon nederleggen, biedt u den Heere aan, toont Hem uive gedaante zooals gij zijt, zegt: Heere, ik kan noch wil het verbergen, ik kom mij zoo zondig als ik ben tot U wenden, ik heb lang genoeg ver van U omgezworven en ik wil liever hier voor Uwe voeten sterven dan van U afwijken en in de zonden blijven.

C. Beschuldigt en veroordeelt uw geweten u, gaat dan, als een veroordeelde, met Benhadads knechten, met de stroppen om den hals (die zeiden: „wij hebben gehoord, dat de koningen Israëls goe-dertierene koningen ^ijn), tot den troon en zegt: Heere, ik heb gehoord, dat Gij de God Israëls, een goedertieren Koning zijt; en daarom kom ik al bevende tot Uwe goedheid, om te smeeken om genade en geen recht, „zijt mij genadig, delg mijne overtredingen uit, naar de grootheid Uwer goedertierenheden , vergeef mij mijne ongerechtigheid, want ze is groot.quot;

D. Oefent uw geloof omtrent den Heere Jezus, neemt tot Zijn verzoenend bloed de toevlucht, werpt u opnieuw in Zijne armen neder, en geeft Hem de eer van Zijne genade en de kracht van Zijn bloed,

-ocr page 358-

236 Over de verachtering in het geestelijke leven.

dat het machtig is van alle zonden te reinigen , en draagt dan uw zondig, onrein en omzwervend hart aan Hem op; Hii is de groote medicjinmeester, die het kan en wil genezen.

E. Vernieuwt plechtig het verbond met God, alsof gij het nimmer hadt gedaan, en dan zal de kommer van uw hart zijn , of het wel ooit waarheid was; daarom kunt gij niet beter doen dan het werk van voren aan te beginnen, en u opnieuw, onbepaald, harteli-ik en oprecht aan God op te dragen.

F. Maar venvondert u niet, al is het dat de Heere niet aanstonds antwoordt, en Zich in gunst aan uwe ziel openbaart; gij hebt Hem zoo menigmaal laten roepen en gij hebt niet geluisterd, maar Hem laten henengaan , alsof u aan Zijne gunst en vriendschap niets gelegen was; nu wil God toonen, dat Hij Zich ook niet aanstonds laat vinden, ja het kon wel gebeuren , dat gij al uw leven tot op uw doodbed toe in het duister zoudt wandelen, en zoo naar de eeuwigheid gaan; maar al was het zoo, blijft maar zoeken en aankleven, God is het waardig; en al vondt gij Hem dan hier niet, gij zult Hem zeker vinden na den dood, in een zalige eeuwigheid; en dan zal de verandering zooveel grooter zijn, als het nu duisterder is.

G. Voegt bij dit alles eene vernieuwde bekeering, door dadelijken afstand en verlating van dien dwaalweg waarop gij zoo lang gewandeld hebt: betracht ware deugd en heiligmaking en laat het in uwen wandel blijken, opdat daardoor de aanstoot, die gij gegeven hebt, worde weggenomen.

Maar hebt gij dit te betrachten, daar zijn ook eenige dingen, waarvoor gij u wachten moet.

1. Hoedt u met allen ernst voor die zonden, die

-ocr page 359-

Over de verachtering in het geestelijke leven. 237

de oorzaak waren van uw verval; hebt daar een heiligen haat en afschrik van; wordt gij er door aangevallen, stelt er u tegen in strijd.

2. Wacht u voor traagheid, om de handen te laten slaphangen , neen , „richt op trage handen en slappe knieën, en maakt rechte paden voor uwe voeten.quot;

3. Voor het nalaten van die middelen, waardoor gij kunt opgewekt worden; neemt naarstig den godsdienst waar, onderzoekt Gods Woord, gaat in godvruchtige gezelschappen; al hadt gij u van hun onttrokken , zij zullen u in liefde weder aannemen , als gij toont, dat gij wilt wederkeeren, en zij zullen u door gebeden, raad en besturingen, terecht zoeken te brengen.

4. Vooral wacht u toch van het verkeer en met zondaren, en vermengt u zonder noodzaak niet met hun; dat zou u al weder opnieuw doen afwijken.

5. Steunt niet op uw eigen kracht; dat was de reden van Petrus val, maar erkent gedurig, dat gij van u zeiven tot niets bekwaam zijt, en zoo de Heere niet gedurig nieuwe ondersteuning geeft, dat gij al weder zoudt afwijken; ziet dan gedurig ge-loovig op naar Jezus, om van Hem in alles gebruik te maken.

Vraagt mij nu nog iemand, hoe zulke verachterde zielen zullen handelen, ten opzichte van het Avondmaal, of zij vrijheid hebben om toe te naderen, of dat het beter was terug te blijven? ik antwoord, dat het zeker is, dat niemand met achter te blijven ooit vorderde, maar veeleer erger geworden is; doch hierdoor geef ik zulken nog geen vrijheid om in zulk een ongestalte te naderen: Want zijt gij nog in die doodige ongevoelige gestalte, zoo omzwervende vaij God, dan zijt gij niet in staat, ja onwaardig, de

-ocr page 360-

238 Over de verachtering in het geestelijke leven.

panden van Zijne liefde, te ontvangen; maar is uw hart eenigszins bewogen, wildet gij gaarne uit uw verval opstaan, dan raad ik u:

1. Vernedert en schaamt u op het diepste voor God, dat gij zoo menigmaal in zulk een ongestalte het Avondmaal hebt gebruikt, dat gij, niettegenstaande gij opnieuw den Heere trouw hadt gezworen, weder ontrouw zijt geweest.

2. Tracht dan het Avondmaal niet zoozeer te gebruiken als een spijs en drank tot voeding en versterking van het geestelijke leven, maar als een heilzame medicijn, om uwe gewonde en doodkranke ziele te genezen ; o daar wordt het bloed van Jezus voorgesteld in zijn genezende kracht, daar zijn de bladeren van den boom des levens tot genezing. Gaat dan met uwe wonden tot dezen grooten Samaritaan; opdat Hij er olie en mijn in giete, dan zal het u ten nutte zijn.

3. Draagt u dan opnieuw aan God op, met een voornemen des harten, om getrouwer te zijn dan gij tot heden waart, en dat het uw lust is, om te houden

de rechten van Gods gerechtigheid. IS

Maar mogelijk zult gij zeggen, al die middelen zijn goed, wanneer men zijn grondstaat kan vasthouden , maar ik vrees, dat ik geen bondgenoot ben, dat al wat ik ooit ondervond maar een tijdgeloof is geweest, en dat ik van die ben, waarvan Paulus spreekt, „die eens zijn verlicht geweest, de hemel-sche gave gesmaakt hebben, gesmaakt hebben het goede woord Gods en de krachten der toekomende eeuw, maar weder afvallig wordenquot;, Hebr. VI: 5, 6.

Tot u moet ik zeggen, dat het zeker niet is te verwonderen, al wordt gij ook geschud en beroerd, al leeft gij in veel duisterheid en naarheid; want \\

-ocr page 361-

Over de verachtering in het geestelijke leven. 239

het is geen geringe zaak God zoo te verlaten, zoo ontrouw te zijn, zoöveel reden te geven, dat Gods naam om uwentwil gelasterd wordt, maar evenwel kunnen er midden in dat alles nog al eene en andere bliiken van genade zich in n ontdekken; want al sliep de Bruid, haar harte waakte. Ik vraag u dan:

1. Als gij eens bedaard zijt, en terug ziet op uw eersten tijd, moet gij er niet met veel schaamte aan denken? maar tegelijk met een hartelijke zucht en wensch, och of ik was als in de vorige jaren, in de dagen toen God mij bewaarde, toen Hij zijne lamp over mij deed schijnen, en ik hij zijn licht de donkerheid doorwandelde !

2. Hebt gij niet een haat en afkeer van de zonden, en voor al die zonden, die de oorzaak waren van uw verval? moet gij ze niet verfoeijen? ja zoudt gij niet wel wrake over u zeiven roepen, dat gij zoo dwaas waart, om dat te liefkozen, waardoor gij u de gunst en vriendschap met God onwaardig gemaakt hebt, en is dat u niet tot innige smart en droefheid.

3. Als gij den Heere Jezus in zijne dierbaarheid en hartinnemende schoonheid eens hoort voorstellen, zoudt ge durven ontkennen dat er geen vonkjes van liefde in uw hart zich opdoen? komt er geen hoogachting , geen verlangen en begeerte naar Hem in uw hart?

Wenscht gij niet hartelijk uit den staat van verval, waarin gij zijt, op te staan en weder te keeren tot den Heere? zou het u niet tot blijdschap zijn, dat God u terecht bracht, al was het door een weg van beproeving, liever als zoo te blijven afdwalen? is het uwe bede niet, „ik heb gedwaald als een verloren schaap, zoek uwen knecht, want ik heb uw geboden nog niet geheel vergeten?quot; Ps. CXIX : 176.

-ocr page 362-

240 Over de verachtering in het geestelijke leven.

Vindt gij deze dingen, dat is een bewijs, dat de lijkheu wortel der zaak in u is, en gebruikt dan in getrouw- nauwe heid de middelen die wij u hebben voorgesteld, de de goc Heere zal het niet ongezegend laten. de zo

Laat ik nu eindelijk deze verhandelde stukken tot of bie nuttig gebruik voor ons en een ieder zoeken aan te | dan 1 leggen; maar mogelijk denkt de een of ander wel, toch waartoe is dit noodig, om zoo breedvoerig het ver- te Ie1 val van Gods volk voor te stellen; want de meesten werk verstaan het niet, weinige van Gods kinderen zijn veria in zulk een staat, en de wereld stoot er zich aan. den \'t Is waar, en ik wenschte dat ik het zeggen kon M dat de wereld het niet hoorde, maar zij zien het dikwijls, en wanneer zij het dan hooren voorstellen,

moet het dienen om hen te doen oordeelen, dat de weg nauw is die ten leven leidt; terwijl het Gods bondgenooten zelf, als zij dien te ruim nemen, zooveel angst, smart en benauwdheid kost, eer zij weder terecht komen, en dat moet hen doen denken , als het zoo gaat met diegenen die zoo dierbaar in Gods oogen zijn, wat moet ik dan van mij zeiven denken; wat zal het nog eens met mij wezen ?

O zorgelooze zondaren, laat het u vrij tot ontzetting en beroering zijn! geschiedt dit aan het groene hout, wat zal aan u, het dorre geschieden? wil God de zonden in Zijne kinderen met roeden bezoeken, moeten zij er nog zulke bittere vruchten van proeven , daar zij een Borg hebben die hen voor eeuwige straffen heeft bevrijd; daar God hun deel en rotssteen is, daar Jezus Koning over is, daar de Geest in het hart woont? o wat zal dan uw deel naar zijn, die gij nog met zooveel genoegen in de zonden leeft, wanneer gij eens tot straf zult lijden een eeuwig ver-derj van het aangezicht des Heeren, en van de heer-

-ocr page 363-

Over de verachtering in het geestelijke leven. 241

at de lijkheid Zijner sterkte! wordt de rechtvaardige zoo quot;ouw- nauwelijks en met zooveel moeite zalig, waar zal dan i de de goddelooze en de zondaar verschijnen? geloof mij, de zonden moeten gezien en betreurd worden , hier n tot of hier namaals; doet gij het hier niet, gij zult het m te dan tot in eeuwigheid moeten doen; en daarom zoekt wel, toch het verfoeieliike en schadeliike van de zonden ver- te leeren kennen, bidt God dat Hij uw hart wil besten werken tot een oprechte bekeering, opdat gij met zijn verlating van den weg der zonden, rnoogt treden op \'n- den weg des verstands.

kon Maar dit moet vooral ten nutte van Gods Volk het dienen , en wel:

en, 1. Om dezulken, die al aan het vallen zijn en de reeds heginnen te struikelen, nog tijdig te waarschu-)ds wen dat zij nog opstaan en wederkeeren tot den gt;o- Heere eer zij verder afdwalen; zijn hier dezulken zij tegenwoordig, die, hoewel ze nog in zulk een laagte n- niet zijn nedergezonken, evenwel met schaamte bear lijden moeten, dat zij voorheen veel hartelijker en ïn teederder met en voor den Heere wandelden ; o staat toch stil, spiegelt u aan anderen, ziet eens door wat t- wegen men al kan afwijken, en ongevoelig al dieper e en dieper in een laagte komen, waaruit men niet 3 dan met veel moeite en naarheid wordt opgericht; j richt dan op trage handen, belijdt uwe afwijkingen voor God, en neemt nu weer een nieuw voornemen \' des harten, nu gij aan het Avondmaal zoudt gaan, om getrouwer voor God te zijn; geeft u opnieuw aan Hem over, om, onder inwachting van Zijne kracht, 1 uwe heiligmaking te bevorderen, in de vreeze Gods.

2. Het kan, en is ook zeer nuttig voor sterk ge-\' loovigen en voor allen die nu nog lustig voortgaan op don weg des levens.

16

-ocr page 364-

Over de verachtering in het geestelijke leven.

O godvruchtigen, weest toch niet hooggevoelende van uzelven, denkt niet, dat het uwe wijsheid en voorzichtigheid is, dat gij nog zijt staande gebleven; zoo God u niet bewaarde, zoudt gij haast in dienzelfden toestand komen; want gij hebt hetzelfde boos en zondig hart, dezelfde vijanden die u zoeken af te leiden ; daarom zeg ik: die staat, zie toe dat hij niet valle. Vraagt gij naar gepaste middelen om bewaard te worden? ik zou u raden:

A. Zijt toch waakzaam tegen de allereerste heyin-sels, waardoor men tot verachtering kan komen; het gelijkt in het begin dikwijls zoo klein, maar het is niet te zeggen, hoe ras de kracht der inwonende verdorvenheid, aangezet door de vijanden van buiten, aan den gang kan raken, en hoe licht men gevoerd wordt tot de zonden, en traag en nalatig wordt in plichten.

B. Zoekt altijd dien indruk te behouden, dat gij met een heilig God te doen hebt, die de zonden niet kan verdragen, en dat daarom de minste zonde, zoo die niet betreurd wordt, een vervreemding tusschen u en den Heere kan maken; laat daarom geen zonden , die gij kent, onverzoend liggen , maar vliedt dagelijks tot het bloed van Jezus, en maakt gebruik van Zijne voorbede.

C. Begeeft u nooit, buiten noodzaak, op zulke plaatsen en gelegenheden, ivaar gij gevaar loopt om verleid te worden; had Petrus zich onthouden van de zaal des hoogepriesters, hij ivas licht tot zulk een val niet gekomen; wordt gij door Gods voorzienigheid in Eulke omstandigheden gebracht, bidt dan, in erkentenis van uwe onmacht, om Gods bewaring, denkt altoos, dat gij uzelven niet één oogenblik bewaren kunt.

D. Zijt toch gezet op het verborgen leven met God,

242

-ocr page 365-

Over de verachtering in het geestelijke leven. 243

laat nooit uwe eenzaamheid na, koopt er den tijd toe uit van uwe bezigheden en toont, dat gij op Gods nabijheid gezet zijt, dat is het beste bewaarmiddel voor de zonden.

E. Laat de onderlinge bijeenkomsten niet na, maar tracht elkander tot opscherping te zijn in de liefde en goede werken; en ontmoet gij er die in hunnen loop beginnen te vertragen of in zonden vallen , zoekt ze te recht te brengen, hebt er een innig medelijden mede ; denkt om Paulus vermaning, Gal. VI : 1, „Broeders, indien iemand overvallen wordt door eenige misdaad, gij die geestelijk zijt, brengt den zoodanigen te recht door den geest der zachtmoedigheid , ziende op uzelven.quot;

F. Eindelijk, leeft nabij uw hart, let gedurig waar het naar uit gaat; dat zal u zoo voorzichtig maken, en dan zult gij het aanstonds kunnen ontdekken , zoo het van den Heere afwijkt. Behoedt uw hart hoven alles wat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens.

En is dit uwe werkzaamheid, dan zal de Heere, die getrouw is, u ook getrouw doen zijn, en maken dat gij van achter Hem niet zult afwijken, maar standvastig, onbeweeglijk en altijd overvloedig voortgaan op Zijnen weg, totdat Hij u daar zal brengen, waar alle zonden en verleidingen tot dezelve voor eeuwig zullen ophouden.

AMEN, het zij zoo /

4

16-

-ocr page 366-

ACHTSTE VERHANDELING

OVER DE GULHARTIGE EN OPRECHTE TOESTEMMING OP INWILLIGING DER ZIELE IN HET GENADEVERBOND TOT VOORBEREIDING VOOR HET AVONDMAAL DES HEEREN.

erwijl de zegelteekens van het verbond alleen maar met vrucht kunnen genoten worden door diegenen die daarin staan, dacht ik

het niet ondienstig, nadat wij eenige keeren over het geloof spraken, bij deze gepaste gelegenheid, waar wij ons hart schikken om te naderen aan des Heeren tafel, nu ook eens te toonen hoe een ziel of bi} aanvang of bi] vernieuiving werkzaam is, wanneer zij zich in het verbond aan God overgeeft; hetgeen onder des Heeren zegen zal kunnen dienen tot bestuur en bemoediging van de oprechten en tot ontdekking en uitlokking van allen die nog buiten bet verbond leven.

Om dit dan wat breedvoerig te doen, zal ik de navolgende stukken verhandelen.

1. Zal ik toonen, dat alle uitverkorenen, zoolang zij nog buiten het genadeverbond zijn, moeten worden aangemerkt als onmachtig, onwillig, onachtzaam, ja weerstrevig.

2. Zullen we zien, wat God de Heilige Geest aan Zijne zijde doen moet om dien onmachtigen en on-willigen zondaar te bewerken, dat hij het verbond van harte toestemt.

-ocr page 367-

Over de inwilliging in het genadeverbond. 245

3. Dan onderscheiden handelen van de inwilliging in het verbond zelve.

4. Zal ik aan zulken, die belust zijn om met God het verbond te maken, handleiding en bestuur geven hoe zij het best in trouw voor den Heere en tot troost van hunne ziel handelen zouden.

5. Dan zullen we onderzoeken wanneer een ziel dit verbond maakt en, het eens gemaakt hebbende, bij wat gelegenheden zi] het het best weder zou vernieuwen.

6. Aan ware bondgenooten, die in dat licht staan , dat zij in waarheid het verbond hebben toegestemd, zal ik de middelen aanwijzen, hoe zij zich het best bij die vrijmoedigheid zullen bewaren, en geschonden zijnde, op wat wijze die het best wederom te herstellen.

7. Dan zal ik eenige zwarigheden oplossen, die bekommerden hiertegen zouden kunnen inbrengen tot hunne bemoediging en vertroosting.

8. Zal uit dit alles blijken, hoe nuttig en noodig deze stof is , om het hart te schikken tot het gebruik van het Avondmaal.

9. Zal ik het tot nut van ons en ieder, hetzij onbekeerde of bekeerde, zoeken aan te leggen bij wijze van toepassing.

Doch daar dit alles van zulk eene wijduitgebreid-heid en noodzakelijkheid is, zal ik voor tegenwoordig maar de drie eerste en twee laatste stukken verhandelen , het volgende sparend tot eene andere verhandeling.

Wij beginnen dan met het eerste stuk, om aan te toonen, dat alle zondaars, ofschoon uitverkoren, echter van nature zijn onmachtig, onwillig, zorgeloos, ja iveerstrevig.

1. Hij is onmachtig, want gelijk hij van nature

-ocr page 368-

246 Over de inwilliging in het genadeverbond.

tot alle goed werk onbekwaam is, zoo ook om zich aan den eiscli van Gods verbond te onderwerpen; hij blijft gekluisterd aan de ketenen en boeien dei-zonde en des satans , die hem gevangen houdt, al wordt hem het genadeverbond nog zoo klaar en ernstig voorgesteld, hij is onbekwaam om de dierbaarheid daarvan te zien ; want het ontbreekt hem aan verlichte ooc/en des verstands, waardoor het hem als dwaasheid voorkomt.

2. Hij is niet alleen onmachtig, maar ook onwillig, want:

A. Hij is zoo verzot op de wereld en op de zondige begeerlijkheden, dat hij zich om lief of leed daarvan niet wil laten aftrekken.

B. In tegendeel komt de eisch van Gods verbond hem voor als rechtstreeks strijdig met de begeerlijkheden , want daarvan zou hij moeten afstappen , en daarom zegt hij tot God veel liever, „wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lustquot;, ja het is wel eens wat een vermoeidheid! Mal. I ; 13.

3. Hij is diep zorgeloos en onachtzaam, de zondaar komt nooit zoover dat hij eens bedaard stil staat om aan zich zeiven, aan zijn eeuwig heil, zaligheid of rampzaligheid , hemel of hel, gezet te denken; als de gerusten te Sion en de zekeren op den berg van Samaria, denkt hij nooit: wat zal nog eens het einde van mijn weg zijn? daarom is het dat hij ook nooit gezet denkt aan God, aan het verbond, aan den Middelaar en aan al de voordeden die uit dat verbond vloeien, want hij rekent er geen belang in.

4. De zondaar is ook geheel weerstrevig, daar is in het hart zulk eene tegenkanting tegen God, tegen

-ocr page 369-

Over de inwilliging in het genade verbond.

Zijn dienst en hinderen, dat het niet is uit te drukken ; hier van daan is het, wanneer hij onder de bediening is en de weg wordt wat nauw voorgesteld, dat er een haat en afkeer in het hart komt; ja het gaat wel eens zoo hoog, dat men het lastert en er mede spot; hoewel dit in allen niet even ver gaat; maar de wederstrevigheid des zondaars blijkt, omdat hij zoolang als hij kan tegenstand biedt aan God en het tegen Hem uit houdt, totdat God hem te machtig wordt.

En dit was bet tweede stuk, dat we moesten aanmerken \\icat eigenlijk God de Heilige Geest doet, als Hij zulke onmachtigen , onwilligen , zorgeloozen en weerstrevigen, die evenwel tot het getal van Zijne keurlingen behooren, bewerkt om te komen onder den band des Verbonds , door eene oprechte toestemming aan hetzelve te geven ; dit zullen we tot deze navolgende stukken brengen :

1. God, de Heilige Geest, den zondaar dood vindende , stort in hem het beginsel des geestelijken levens; en hetgeen de ziel is voor het lichaam, dat wordt de Geest voor de ziel: een fontein van leven; door dat leven komen er andere bewegingen, aandoeningen en werkzaamheden als er ooit geweest zijn ; doch dit geestelijk leven wordt niet aanstonds zoo onderscheiden gekend , of het van den Geest is, of maar vonken van eene overtuigde conscientie; dat wordt eerst in het vervolg openbaar , wanneer het gepaard gaat met die dingen , die we nader zullen toonen. Want:

2. de Heilige Geest, dit leven verwekt hebbende , maakt het werkzaam. Hij begint aandacht en opmerking in de ziel te verwekken , en dat is als de eerste sprank van het geestelijke leven, de zondaar begint met den verloren zoon tot zichzelven te komen. Komt

247

-ocr page 370-

Over de inwilliging in het genadeverbond.

hij onder de bediening, hij begint met een ander oor toe te luisteren, hij begint vooral acht te geven op die waarheden, die zijn eeuwig heil raken, op hetgeen God ontdekt in het Woord van des zondaars ellende en van het heil dat in God en Christus is; ik weet dat Gods kinderen en de overtuigden, hun hart hierbij nederleggende, zullen moeten zeggen : och ja, dat is zoo, te voren las ik Gods Woord, ik ging ter kerk maar ik sloeg er geen acht op, ik stond er niet eens bij stil, maar sedert God mijn hart heeft aangeraakt, begin ik op te merken, de waarheden komen mij nu veel klaarder en levendiger voor, ja, \'t is of de leeraars heel anders prediken dan te voren.

3. Heeft de Geest den zondaar zoo opmerkende gemaakt, Hij doet hem nu zien zijn verloren, ellen-dlgen en rampzaligen staat , waarin hij van nature is buiten Christus , Hij ontdekt hem aan zich zeiven ; daar hij te voren rijk was, begint hij nu uit te roepen: nu zie ik dat ik „arm , ellendig, jammerlijk, blind en naakt ben en alle dings gebrek heb!quot; Openb. IH : 17 ; nu zie ik en geloof, wat ik nooit geloofd had, dat ik vol wonden , striemen en etterhuilen hen, en buiten God en Jezus eeuwig rampzalig ; nu word ik in staat om met mijn hart en hand te onderschrijven, dat al wat God getuigt in Zijn Woord van een zondaar, dat hij zoo vuil, zoo walgelijk, zoo boos en vijandig is, dat dat getuigenis Gods waarachtig is; ik dacht te voren wsl eens, ik ben niet zoo ellendig, ik was rijk en verrijkt, maar nu zie ik dat mijne ellende zoo groot is, dat ze niet kan worden uitgedrukt, ik hen de grootste der zondaren; en dit gezicht maakt hem bedroefd, verlegen , beschaamd, ootmoedig voor God, zoodat hij

248

-ocr page 371-

Over de inwilliging in het genadeverbond.

wel eens smelt in tranen, en uitroept; ik verga; wat zal ik doen om zalig te worden; blijf ik zoo , ik ben eeuwig verloren!

4. Dan doet de Heilige Geest de ziel zien, de volheid, algenoegzaamheid en dierbaarheid die er in Jezus is , hoewel dit niet altijd met zooveel licht aanstonds wordt gezien. Want terwijl zij door het gezicht en gevoel van hare ellenden gedrukt wordt, kan ze de volheid, die in Jezus is , zoo ras niet in het oog krijgen, maar de Geest doet het haar zien als door een reet en spleet, om zoo te spreken, opdat de ziel niet moedeloos zou worden en in vertwijfeling en wanhoop \'vallen; dan doet Hij haar zien dat er gedachten des vredes bij God zijn , dat er een genade-verbond. is, en dat dat is voor zondaren , voor groote zondaren, ja voor de allergrootste , en dat het ook aan hem in het hijzonder wordt aangeboden; dat het er* maar alleen op aankomt, of hij gewillig en genegen is den weg van God, zooals Hij dien in het Evan-gelium voorstelt, te verkiezen zonder uitbeding, dat God dan aan Zijne zijde genegen is hem in die liefde aan te nemen.

5. Hieruit vloeit nu voort, dat de Geest dan in de ziel verwekt een wonderlijken, nederig en, ootmoe-digen en onleschbaren honger en dorst naar God en Christus en het verbond; honger en dorst, die wel zóó hoog gaat, dat de ziel uitroept: mijn ziel dorst naar u, mijn vleesch verlangt naar u! ja, gelijk een hert schreeuwt naar de versche waterstroomen, alzoo , en nog veel meer, schreeuwt mijne ziel naar God, naar den levenden God! die honger en dorst wordt zoo sterk, hevig en krachtig, dat ze de ziel gedurig biddende, begeerende en uitziende maakt naar den Heere; ik weet niet, zegt ze wel eens,

249

-ocr page 372-

Over de inwilliging in het genadeverbond.

waar het van daan komt, maar mijn hart gaat gedurig naar God uit, zelfs onder mijne bezigheden, en daar ik niet wist wat bidden was, kan ik nu liggen worstelen om genade, om deel aan Jezus te hebben; echter is dit niet zonder tegenstand aan de zijde van den satan, die gedurig zegt: uw werk deugt niet, H is niet oprecht, \'t is niet uit God; maar al die kommer werkt haar al weder ten goede, het drijft de ziel te vaardiger naar God en in het eenzame op de knieën; zij legt dien kommer voor Hem neder en, hoezeer bestreden, neemt ze wel eens vrijmoedigheid om hikkende en snikkende met tranen te zeggen: Heere, gij weet dat het mij om U te doen is , ik kan het zonder U niet stellen, o mijn hart is zoo gewillig om mij aan U op te dragen, dat niets in de wereld mij zoo dierbaar is als Uwe gemeenschap.

6. Dan begint de Geest de ziel zoo krachtig , met zulk een ziel-innemend, dwingend en dringend geweld te klemmen en haren wil te buigen, dat ze niet alleen hongerig en dorstig wordt naar God en Christus , maar daar komt zulk een hartelijke, zulk een ziel-overredende en krachtige liefdesdrang, dat zij loopt, vliedt en vlucht naar God; ze ziet zóóveel waardigheid en dierbaarheid in God, in den Heere Jezus, in het verbond , dat ze zich niet langer wil of kan onttrekken, maar ze vindt zich opgewekt om het verbond in te willigen , om ja en amen te zeggen ; o , zegt ze, is dat inwilligen , dat genegen hart te hebben, dat amen zeggen op het getuigenis Gods? mij dunkt, ik zal ook zeggen met Rebekka: ik zal trekken. Ik ben genegen met de koningin Esther tot den Koning in te gaan, het uiterste van den scepter aan te roeren, en kom ik dan om, zoo

250

é

-ocr page 373-

Over de inwilliging in het genadeverbond. 251

kom ik om. Ik zal het op dien weg evenwel wagen.

En dit is eigenlijk het. toestemmen en inwilligen , dat we in het vervolg nog nader zullen uitbreiden.

7. Als de ziel zoo heeft ingewilligd, dan gaat de Geest haar ook wel eens verzekeren, dat zij waarlijk met God in het verbond staat, en dat hare werkzaamheden oprecht zijn, en dat doet Hij tweezins:

A. Middelijk, wanneer Hij licht geeft om te zien , als ze zich bij de kenteekens die in het Woord zijn nederlegt, dat hare werkzaamheden daarmede overeenkomen en daarom oprecht zijn.

B. Maar omdat de Geest zoo rijk is in Zijne genadewerkingen, zegt Hij als het ware wel eens onmiddelijk: Mijne kinderen, Ik wil u niet alleen doen zien door geloof, maar doen proeven en smaken door bevinding en levendige aandoeningen, wat het is deel te hebben aan zulk een Verbonds-God, aan zoo dierbaren Middelaar, aan zulk een verbond, dat zoo zalig en heerlijk is; wilt ge eens bij voorsmaak eten en drinken van die druiftrossen en (jranaat-appelen. de eerstelingen van den hemel? ziedaar, ik geef u den witten keursteen, het verborgen manna. En het volzalige is nog voor u weggelegd in den hemel; gij zijt kinderen van God, en daarom erf-wachters van de eeuwige heerlijkheid. En dit gaat gepaard met zooveel nederigheid, ootmoedigheid, blijdschap, verwondering en dankzegging in de zul-ken, dat het beter ondervonden dan uitgedrukt kan worden.

8. Als nu de Geest de ziele zoo verzekerd heeft van haar deel aan God, dan gaat Hij ze ook opsieren en opschikken , opdat zij eene aangename bruid voor Christus worde; Hij gaat Zijne heerlijkheid op haar leggen, haar der goddelijke natuur deelachtig maken

ft?

-ocr page 374-

Over de inwilliging in het genadeverbond.

door het inwerken van zulke deugden, waardoor ze God gelijk wordt en „volmaakt in schoonheid, wegens Gods heerliikheid, die Hij op haar legtquot;, Ezech. XVI : 14. Zoodat Jezus haar noemen kan : „Mijne zuster, Mijne bruid, Mijne duive, Mijne volmaaktequot;; ja wel eens zegt: „wend uwe oogen van Mij af, want zij doen Mij geweld aan; geheel zijt gij schoon , Mijne vriendinne, en daar is geen gebrek aan uquot;, Hoogl. IV : 7.

9. Dan geeft de Heilige Geest de ziel vrijmoedigheid om als een bondgenoot met den Bonds-God die wonderlijke gemeenzaamheid te onderhouden; Hij doet ze zien, dat God genegen is Zijne verborgenheden hekend te maken aan die Hem vreezen; dat Hij zich in liefde wel eens uitlaat en het licht van Zijn aangezicht over haar verheft; en de ziel aan hare zijde gaat gemeenzaam met God om, zij opent Hem haar gansche hart, zij belijdt Hem hare afwijkingen, zij pleit op het verbond, maant God op de beloften; dat is dat nabij God zijn , dat aan de ziel zoo goed is. En zij ondervindt dat „de naam des Heeren een sterke toren is, dat de rechtvaardige daarheen loopende, in een hoog vertrek gesteld wordtquot;. Spreuk. XVIII : 10.

10. Als de Geest haar werk tot die hoogte gebracht heeft, laat Hij het nog niet varen, maar houdt er gedurig de hand aan, en dat zoc vaderlijk, zoo vriendelijk, zoo minzaam; al heeft de bondeling gezondigd, Hij betuigt, dat Hij hem daarom niet verlaten zal, dat hij maar zou wederkeeren en in schuldbekentenis op zijn aangezicht vallen, dat God hem weder zal aannemen; en al is het dat Hij wel eens den weg van kastijding inslaat, het werkt ten goede mede en is ten nutte, om daardoor nader tot God gebracht te worden.

252

-ocr page 375-

Over de inwilliging in het genadeverbond.

11. Eindelijk is het de Heilige Geest, die den bondgenoot niet alleen leidt hier in den tijd tot den dood, maar die ook op zich genomen heeft om hem te brengen over den dood, en in te leiden in heerlijkheid, in het volle bezit van al de verbondsgoederen.

Zietdaar, dat alles doet de Geest; doch gij ziet wel dat ik hier ook dingen genoemd heb, die niet alleen behooren tot den eersten overgang in het verbond, maar ook tot het gansche leven, ja den dood der bondgenooten zelve, maar ik wilde het werk des Geestes hier in het kort eens bijeentrekken en u voorhouden.

Nu gaan wij over tot ons derde en voorname stuk, om ordentelijk te handelen van de inwilliging en toestemming des zondaars in het verbond; om dit te doen, zullen we zien :

1. Wat hier voorondersteld wordt.

2. Den aard en natuur van deze toestemming in het bijzonder in zijne ruimte toonen.

3. Zullen we onderzoeken wanneer eene ziel moet gerekend worden die toestemming te geven.

A. Hetgeen hier wordt voorondersteld is, dat we moeten aanmerken, dat God de God des Ver-bonds aan alle zondaars die leven onder het Evangelie laat doen een uit- en aanbod van genade en zaligheid, met alle conditiën die daaraan vast zijn; en dan kunnen wij het gansche Woord van God aanmerken als een verzoekbrief, dien God van den hemel zendt aan den zondaar, om met Hem in verbonds-gemeenschap te komen; en dan kunnen we het verbond best onder de benaming van een huwelijksverbond aanmerken; dan zijn de leeraars de geestelijke Eliëzers, die eene bruid voor Christus zoeken; zij stellen den zondaar het verbond voor in al zijne

253

-ocr page 376-

254 Over de inwilliging in het genadeverbond.

deelen: wat God verzoekt, wat Hij eischt, wat Hij belooft; zij openen al de schatten en rijkdommen des Konings; wat doet nu de Geest? Hij maakt dat voorstel klemmende op die ziel, die Hij tot het verbond zal brengen; Hij doet ze de betamelijkheid en beminnelijkheid van dat voorstel zien; Hij maakt de ziel begeerig om er deel aan te hebben; Hij doet ze begrijpen de kracht van die spreekwijs, wat het is te hongeren en te dorsten; wat het is, te loopen en te vlieden naar God in Christus, als een ellendige, ontbloote, arme en gejaagde; Hij brengt ze onder het oog Gods ontfermend medelijden, waarmede Hij is aangedaan omtrent ellendigen ; de ziel nu opmerkende gemaakt zijnde, staat hierbij stil, ze denkt: wat genade is dit; zal de God van den hemel zooveel doen om Zijn genegen hart te toonen, zal Hij mij laten bidden , noodigen en verzoeken dat ik tot Hem zou komen, ja zal Hij het met een eed zweren dat Hij mijnen dood niet begeert, maar mijne zaligheid en eeuwig heil en zal ik nog langer blijven weigeren? neen, ik wil mij zei ven niet langer onttrekken, maar mij den raad Gods laten welgevallen! Dan doet de Geest zóó ver alle duisterheden opklaren , dat zij in staat is om met God het verbond te maken , en zoo gehard komt ze tot de toestemming zelve, welker aard en natuur we nu

B. nader moeten inzien.

Ik zal dit eerst kort beschrijven, en dan bij de stukken het nader uitbreiden.

Door de toestemming in het verbond versta ik:

Eene verstandige , gewillige , hartelijke , nederige , geloovige en innige omhelzing van het gansche verbond , zoowel de conditiën als de beloften.

De toestemming maakt eigenlijk het verbondmaken

-ocr page 377-

Over de inwilliging in het genadeverbond. 255

uit, en dan zal het niet anders zijn dan het jawoord te geven dat wij Amen zeggen op Gods voorstel, en ons genegen en gewillig toonen om het gansche hart aan God en Christus op te dragen, het zal er dan bizonder op aankomen dat we de bijzondere stukken van deze toestemming nu wat nader gaan aantoonen.

1. Ik zeide, dat het is een verstandige toestemming , doch als ik dit zeg, moet het kleinwetenden niet bekommeren , alsof ik hiermede wilde leeren , dat niemand een bondeling zijn kan dan die op zulk eene verstandige wijze gehandeld heeft; neen, daar zijn er wellicht velen, die al jaren lang in het verbond met God gestaan hebben, ja velen zijn al naar de heerlijkheid gegaan , zonder dat zij omstandig èn tijd èn plaats zouden kunnen noemen, waar zij zulk eene verstandige en welberadene toestemming hebben gegeven en zoo plechtig met God een verbond hebben gemaakt; wat in de zulken veroorzaakt wordt, of uit kleinwetendheid, dat zij het onder die benaming niet begrijpen ; of uit ongeloof, dat zij zooveel vrijmoedigheid niet durven nemen, om zoo gemeenzaam met God te handelen; evenwel desniettegenstaande is het eene toestemming die verstandig is, omdat God met den mensch handelt op eene redelijke wijze; want zoodra hij overtuigd wordt, komt er licht in het verstand om omtrent God anders te oordeelen dan hij ooit gedaan heeft; en dat doet hij niet los, maar met indruk; hij slaat het nauwkeurig gade, en zoo wordt hij allengskens overreed van het beminnelijke en betamelijke van den weg Gods om zondaren te zaligen, zoodat hij zeggen moet: sedert dat God mij indruk heeft gegeven, zie ik de waarheden met een ander oog dan te voren.

2. Het is niet alleen eene verstandige, maar ook

-ocr page 378-

Over de inwilliging in het genadeverbond.

een gewillige en vrijwillige toestemming; ik onder-schejd een gewillige van vriiwillige; want men kan iets gewillig doen, waartoe men door zekere reden genoodzaakt wordt; men doet het wel gewillig maar was er die dwang niet bij, dan zou men het niet doen; stel, om dit klaar te maken, u dit eens voor onder deze gelijkenis: iemand die onder de moordenaars is, zal, om zijn leven te behouden, zijn geld

wanT wV^ lll,-fWillig\' inaar niet vrijwillig want was hij in vrijheid, hij zou het niet doen •

maar zulk een ziel geeft zich aan God over niet

alleen gewillig maar vrijwillig, zonder dwang; \'t is

waar, zij wordt wel eens door het prangen van het

door de C 00/r mn G0ds rVaardigheid,

door de vloeken van de wet, en de vrees voor de hel

611 1ge,dwon^en om de genade bij God te o®ken, maar dat gaat gepaard met de uiterste vrijwilligheid; want God, de God des Verbonds, is de ormeerder van s menschen geest, en omda.t Hij de formeerder is heeft Hij ze als deeg in Zijne hand en maakt en buigt ze zooals Hij wil. Hijquot; buigt het onwdlige hart tot Zijnen dienst en maakt het vrij-

A. tegen de zonden, wereld en satan; zoo genegen als de ziel voorheen was om die te dienen en op te passen, waarvan niemand haar kon aftrekken ot overtuigen, zoo genegen wordt ze nu, om dat alles te verlaten en een scheldbrief te geven; en dat met zulk eene vrijwilligheid, dat de ziel betuigt: ik verlaat de zonde en de wereld niet omdat ik moet maar omdat ik wil- ik lean niet meer bezig zijn in die dingen, ik heb er een afkeer van.

•• ■•ii?el|k ^et hart genegen wordt gemaakt om vrijwillig den dienst der zonden te verlaten, zoo vrij-

256

-ocr page 379-

Over de inwilliging in het genadeverbond. 257

willig wordt het ook ten opzichte van God en Christus en Zijn dienst; de ziel kan zeggen; ik verkies den dienst van God, niet omdat ik moet, omdat het mijn plicht is, maar omdat ik wil, en al was er geen dood of eeuwigheid, zaligheid of rampzaligheid; ik zie zooveel waardigheid in G^éd, zóóveel beminnelijkheid in Ziinen dienst, dat ik mij niet langer kan onttrekken; en\'daarom „harteliik lief zal ik U hebben , Heere mijne sterktequot;, Ps. XVIII : 2.

3. Het is een hartelijke toestemming, waardoor ik versta:

A. Dat het niet is met den mond en lippen alleen maar met het hart; de God des Verbonds eischt: „Mijn zoon,quot; geef Mij uw hart; en de ziel zegt: Heere, ik geef TJ mijn hart, dat draag ik aan U op, het uitwendige kan mij niet vergenoegen.

B. Als het hartelijk is, is het ook met het gan-sche hart; de ziel doet het met al haar verstand, met al haar oordeel, met al hare wilsneigingen, met al hare hartstochten, ja met ziel en lichaam en alle deszelfs krachten, dat is met het gansche hart.

a. Als de ziel het doet met haar gansche verstand, zegt ze: ik kan mij niet voldoen in de beschouwing van den God des verbonds, van den Middelaar en Geest des verbonds, van den eisch, van de zalige goederen; want waar ik het beschouw, ik zie er zooveel heerlijkheid in, dat ik mij aan God moet en wil opdragen.

b. Zij doet het met haar gansche oordeel; zy wordt van een en hetzelfde oordeel met God; zij oordeelt zich gelukkig of ongelukkig te zijn, al naar ze met God in het verbond staat, of nog buiten hetzelve is, en daarom :

c Zij doet het met al hare wilsneigingen en innige

17

-ocr page 380-

Over de inwilliging in het genadeverbond.

een gewillige en vrijwillige toestemming; ik onder scheid een gewillige van vrjiwillige; want men kan iets gewillig doen, waartoe men door zekere reden genoodzaakt wordt; men doet het wel gewillig, maar was er die dwang niet bij, dan zou men het niet doen; stel, om dit klaar te maken , u dit eens voor onder deze gelijkenis: iemand die onder de moor denaars is, zal, om zijn leven te behouden, zijn geld geven, dat doet hij gewillig, maar niet vrijwillig want was hij in vrijheid, hij zou het niet doen maar zulk een ziel geeft zich aan God over niet alleen gewillig maar vrijwillig, zonder dwang; \'t is waar, zij wordt wel eens door het prangen van het geweten, door het gezicht van Gods rechtvaardigheid door de vloeken van de wet, en de vrees voor de hel gedrongen en gedwongen om de genade bij God te zoeken, maar dat gaat gepaard met de uiterste vrij willigheid; want God, de God des Verbonds, is de formeerder van \'s menschen geest, en omdat Hij de formeerder is heeft Hij ze als deeg in Zijne hand en maakt en buigt ze zooals Hij wil. Hij buigt het onwillige hart tot Zijnen dienst en maakt het vrij willig;

A. tegen de zonden, wereld en satan; zoo genegen als de ziel voorheen was om die te dienen en op te passen, waarvan niemand haar kon aftrekken of overtuigen, zoo genegen wordt ze nu, om dat alles te verlaten en een scheidbrief te geven ; en dat met zulk eene vrijwilligheid, dat de ziel betuigt: ik verlaat de zonde en de wereld niet omdat ik moet, maar omdat ik icil; ik kan niet meer bezig zijn in die dingen, ik heb er een afkeer van.

B. Gelijk het hart genegen wordt gemaakt om vrijwillig den dienst der zonden te verlaten, zoo vrij-

256

-ocr page 381-

Over de inwilliging in het genadeverbond. 257

willig wordt het ook ten opzichte van God en Christus en Zijn dienst; de ziel kan zeggen; ik verkies den dienst van God, niet omdat ik moet, omdat het mijn plicht is, maar omdat ik wil, en al was er geen dood of eeuwigheid, zaligheid of rampzaligheid; ik zie zooveel waardigheid in Gód, zóóveel beminnelijkheid in Zijnen dienst, dat ik mij niet langer kan onttrekken; en daarom „hartelijk lief zal ik U hebben, Heere mijne sterktequot;, Ps. XVIII ; 2.

3. Het is een hartelijke toestemming, waardoor ik versta:

A. Dat het niet is met den mond en lippen alleen maar met het hart; de God des Verbonds eischt: „Mijn zoon,quot; geef Mij uw hart; en de ziel zegt: Heere, ik geef U mijn hart, dat draag ik aan U op; het uitwendige kan mij niet vergenoegen.

B. Als het hartelijk is, is het ook met het gan-sche hart; de ziel doet het met al haar verstand, met al haar oordeel, met al hare wilsneigingen, met al hare hartstochten, ja met ziel en lichaam en alle deszelfs krachten, dat is met het gansche hart.

a. Als de ziel het doet met haar gansche verstand, zegt ze: ik kan mij niet voldoen in de beschouwing van den God des verbonds, van den Middelaar en Geest des verbonds, van den eisch, van de zalige goederen; want waar ik het beschouw, ik zie er zooveel heerlijkheid in, dat ik mij aan God moet en wil opdragen.

h. Zij doet het met haar gansche oordeel; zij wordt van een en hetzelfde oordeel met God; zij oordeelt zich gelukkig of ongelukkig te zijn, al naar ze met God in het verbond staat, of nog buiten hetzelve is, en daarom :

c. Zij doet het met al hare wilsneigingen en innige

17

-ocr page 382-

258 Over de inwilliging in het genadeverbond.

bewerkingen; o zegt ze, al had ik zoovele begeerten als ik haren op mijn hoofd heb, ze zouden altemaal naar God uitgaan; wat acht ik het mi] een voorrecht dat ik mijne toestemming geven mag op het voorstel Gods!

d. Zij doet het met, al hare hartstochten; hare liefde, haat, hoop en vrees, bliidschap en droefheid werken allen mede om de ziel vuur en leven bij te zetten; om zich zooveel te meer te verlaten op den Heere.

e. Ja, zegt ze, ik heb niet alleen mijne ziel maar ook mijn lichaam voor God over; ik wil dat ook gewillig in Zijnen dienst besteden en „mijne leden stellen tot wapenen der gerechtigheid, Gode tot heerlijkheidquot;, Rom. VI: 13.

4. Deze verbondstoestemming is ook zeer nederig en ootmoedig. O, het is niet te zeggen, niettegenstaande de ziel zoo vrijmoedig met God handelt, hoe nederig, hoe arm, hoe klein zij voor God is, hoe zij wegzinkt in het gezicht van hare onwaardigheid en uitroept: wat is Uw knecht, wat is Uwe dienstmaagd! maar omdat ik gehoord heb dat gij op de armen wilt zien, dat Gij de kleinen aanneemt, en ik niets in mij zeiven heb, zoo word ik gedrongen om mij als een arme bedelaar neder te leggen voor den genadetroon; hier kom ik dan als een tollenaar, mijne oogen nauwelijks durvende opslaan naar den hemel; ik word met den hoofdman genoodzaakt uit te roepen: „Heere, ik ben niet waardig dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen!quot; dan zegt ze met de Kananeesche vrouw: deel mij maar als aan een hondeken de kruintjes van genade. O zulk een gestalte is zoo aangenaam in de oogen Gods, die is als een schoone blos op het aangezicht van eene

-ocr page 383-

Over de inwilliging in het genadeverbond.

bruid, die is zoo God verheerlijkende; want dan wordt de God des Verbonds alles en de bondgenoot niets.

5. Het is eene geloovige toestemming; want het toestemmen is gelooven; maar hoe oefent de ziel dat geloof? \'t is op deze wijze: de Heilige Geest, hebbende haar twee oogen gegeven, één oog om zich zeiven te zien in haren ellen digen en walgelijken toestand, en ééii oog om Jezus te zien als den alge-noegzamen Zaligmaker, wordt ook een dubbele daad gewaar, een afzien en vlieden uit zich zeiven en een loopen en koraen tot Christus en Zijne volheid, op Zijne aanbieding; nu zegt ze, ben ik gereed om het getuigenis Gods, dat Hij van Zijnen Zoon getuigt, dat in Hem het leven is, toe te stemmen, en zoo te verzegelen dat God waarachtig is. Ja ik geloof ook, dat God niet alleen de Bonds-God van zondaars wil worden, maar dat Hij het ook voor mij wil worden, en daarom zeg ik geloovig: ja en amen.

6. Het is ook een oprechte toestemming, niet zoo volmaakt, dat er geen zonden, gebreken en dwaasheden meer ondervonden worden, o neen; maar het is evenwel oprecht. Och zegt de ziel, de Heere is mijn getuige, dat ik het oprecht met Hem meen, dat ik oprecht aan de zonden, wereld en satan den scheidbrief heb gegeven, dat ik ze verklaard heb voor mijne vijanden en tel onder de dingen die mij drukken en bezwaren; de Heere kent mijn strijden, worstelen en zuchten daaronder, en deswege Heere durf ik dat hart, dat nog zoo zondig is, evenwel bloot leggen bij Uw Woord, bij de bevindingen van Uwe kinderen, en voor Uw alziend oog.

A. Wat mijne conscientie betreft, ik weet, dat ik een bedriegelijk hart heb en dat het mij in vele stukken veroordeelt, dat ik zonden, ja vele en groote

17*

259

-ocr page 384-

260 Over de inwilliging in het genadeverbond.

zonden heb, maar in dit stuk veroordeelt het mij niet, het kan niet zeggen, dat ik met U bedriegelijk handel.

B. Ik durf mij ook bloot leggen voor Uw Woord, want als ik daaruit zie wat er vereischt wordt in de zulken, die gi] tot Uw verbond noodigt, en ik keer tot mij zeiven in, dan durf ik niet ontkennen, dat ik dat niet ondervind; want noodigt Gij de armen, de treurigen, hongerigen en dorstigen, die, die hunne ziel hij het leven niet kunnen houden ? zoodanig vind ik mij zelf; en daarom ben ik dan één van die, met wien gü een verbond wilt maken.

C. En als ik met Uwe kinderen omga, als ik hoor hunne bevindingen, zie hunne werkzaamheden, lees hunne geschriften, al heb ik hen nooit gezien, kan ik toch miin hart er zoo mede vereenigen ; ik ondervind ook dezelfde gestalten; het mag onderscheiden zijn in de omstandigheden en wijze, maar mi] dunkt die beloften vind ik bewaarheid : „Ik zal ze eenerlei weg en eenerlei hart gevenquot;, Jer. XXXII; 30.

D. Maar opdat ik mij evenwel niet bedriegen zou, kom ik met mijn hart, ik leg het voor Uw alziend oog open, „doorzoek en beproef Gij mij; zie of bij mij een schadelijke weg zijquot;, en zoo er die nog zijn mocht, „ontdek het mij en leid mij op den eeuwigen wegquot;, Ps. CXXXIX : 23, 24.

Wanneer nu de ziel zoo handelt en God spreekt tot haar van vrede, mag het dan niet heeten eene oprechte toestemming?

7. Gelijk het zoo oprecht is, is het ook eene innige toestemming; daar versta ik door; dat het in het eenzame geschiedt, waar niemand als God en de ziel getuige van is; want in eene verbondmaking is eene onderhandeling; men doet beloften en betui-

-ocr page 385-

Over de inwilliging in het genadeverbond. 261

gingen van trouw, en vooral in het sluiten van een huwelijksverbond; als de bruidegom en bruid zich aan elkander verbinden, roepen zij geen derde tus-schenbeiden, zoo is het ook hier, de ziel die in \'t geestelijk echtverbond met Christus treedt, wil met God alleen zijn, en daar innis; en op een geestelijke wijze omgaan; \'t is waar, het komt onbegrijpelijk voor, hoe wij, die op aarde wonen en zulke eindige schepsels zijn, gemeenschap kunnen oefenen met God den Oppergeest, die zoo oneindig is: maar o neen, geen kind kan zoo vriendelijk omgaan met zijnen vader of met zijne lieve moeder; geen vriend zoo gemeenzaam met een vriend; geen vrouw zoo openhartig met haren man, als de ziel met God omgaat, dat weten Gods kinderen alleen door bevinding; o dat heilig, dat geloovig, dat vrijmoedig, dat ootmoedig en nederig handelen met God, dat worstelen, dat pleiten en bidden om genade; dan eens ootmoedig als een veroordeeld misdadiger, dan eens vrijmoedig, aandringende op Gods naam, op Christus verdiensten,- op het verbond, op Gods beloften en eed; dan eens geloovig amen zeggende, ja ik wil des Heeren zijn, en dat alles met zooveel aandoening, aanbidding, verwondering en blijde goedkeuring, dat men verwonderd zou staan als men zulk een eens beluisteren kon; ja, zag iemand zelfs eens een stamelaar, die voor de menschen geen zes woorden kan uitbrengen, hij zal, voor God liggende, als de allerwelsprekendste advocaat zijn; is dat niet innig en hartelijk met God handelen?

8. Wij noemen deze verbondstoestemming ook eene daad, die zich uitstrekt over het geheele verbond, zonder iets uit te zonderen; want is het Gods verbond, doet Hij alleen eischen en beloften, dan laat

-ocr page 386-

262 Over de inwilliging in het genadeverbond.

Hij ook niet toe, dat er iemand af of toe doet; wan dat is de eisch van God, dat men zich op Gods wijze, naar Zijnen wil zal laten leiden, den weg des ver-bouds niet beknibbelen, maar alles aan Gods vrijmachtig bestel overgeven; verwachtende maar genade van God, om getrouw de verbondsplicliten te volbrengen.

Vele zondaren zouden nog wel zin hebben in het verbond, als zij er wat in maken en breken mochten, maar op die wijze als God wil, zeggen ze: „wijk van ons, want aan de kennis uwer wegen hebben wij geen lustquot;, Job XXI : 14. Maar die oprecht het verbond maakt zegt: ik heb er niets tegen in te brengen, ik heb een welbehagen in het gansche verhond, de plichten zijn mij zoo dierbaar als de beloften; God, de God des Verbonds, is de wijste, die best weet wat mij noodig is; zou ik dwaze mijn wijzen Bonds-Heer perk stellen ? dat zij verre; ik stem toe al de eischen, ik neem aan al de beloften; ik verbind mij tot vervulling van al de plichten; niet alsof ik in mij zeiven bekwaam was om dat alles te volbrengen, och neen, maar omdat ik weet, dat ik met een getrouw, algenoegzaam en ontfermd God te doen heb, die mij genade en kracht belooft om getrouw te zijn, zeg ik: „uwe ben ik, o David, en met u ben ik, o zoon van Isaï, „ik zeg met mijnen mond en schrijf met mijne hand, ik ben des Heerenquot;, Jes. XLIV : 5.

Deze verbondstoestemming nu, die wij tot hiertoe hebben voorgesteld, komt onder verscheidene benamingen in het Woord voor; dan wordt het eens uitgedrukt, door zijn hart voor Jezus te openen, als eene deur waardoor men ingaat; Openb. III : 20, „zoo iemand de deur opendoet, Ik zal tot hem inkomenquot;, en dan drukt het uit die vol vaardige zielsgestalte,

-ocr page 387-

Over de inwilliging in het genadeverbond. 263

waardoor zij Hem inlaat, opdat Jezus in haar wone en leve als in Zijnen tempel.

Dan eens een aangrijpen van Christus, Jes. XXVII: 5, „of hij moest Mijne sterkte aangrijpenquot;, evenals een die in gevaar is van verdrinken, die iets dat hem wordt toegeworpen, gretig aangrijpt om uit het gevaar gered te worden; en dan geeft het den ernst van de ziel te kennen.

Dan eens onder den Zoon te kussen, Ps. II : 12, dat is Hem voor Koning te erkennen, zich aan Zijne heerschappij opdragen en gewillig te zijn om Hem te gehoorzamen.

Dan eens onder nederhuigen, Ps. XLV : 12, „dewijl Hij uw Heer is, zoo buig u voor Hem nederquot;, dat is een nederbukken voor zulk een, die alle liefde en eere waardig is.

Ook stelt de Geest het wel voor door het vallen op zijn aangezicht; zoo deed Abraham, als God met hem het verbond oprichtte, Gen. XVII: 17, hetgeen te kennen gaf die aangename toestemming, dat blijde goedkeuren van vader Abraham; evenals een onderdaan de wetten van zijnen koning goedkeurt.

Of ook wel een lachen, Gen. XVII : 17, waar van Abraham gezegd wordt; „hij lachtequot;; hetwelk geen lachen was uit ongeloof, gelijk in Sara, maar een lachen dat zijn heilig genoegen en verwondering uitdrukte, alsof hij zeide: Heere, zult Gij zooveel beloven, ik omhels het met blijdschap!

Nog drukt het Mozes uit, Deut. XXVI: 17, door „den Heere te doen zeggen, dat Hij ons tot een God zal zijnquot;, en „dat wij Hem tot een volk des eigen-doms zijn zullenquot;; en dat is eigenlijk het verbond maken.

Dan heet het eens „zeggen en schrijven dat men

-ocr page 388-

264 Over de inwilliging in het genadeverbond.

des Heeren wil zijnquot;, Jes. XLIV : 5, om te toonen dat men het niet alleen zegt, maar er zich ook aan wil houden, en het verbond onherroepelijk maken.

Dan eens onder zweren; van Juda staat: „zij zwoeren en traden in een verbondquot;, 2 Kron. XV : 12, dan toont het aan de vastigheid van het verbond en dat men het met God meent; gelijk God aan Zijne zijde zweert, zoo zegt de ziel ook; „ik heb gezworen, en zal het bevestigen, dat ik zal onderhouden de rechten Uwer gerechtigheidquot;, Ps. CXIX : 106.

Ook onder de eigenlijke benaming van verbond-tnaken; Ps. L : 5, „verzamelt Mij mijne gunstgenooten die Mijn verbond maken, met (of over) offerhandenquot;, een spreekwijs, die ontleend is van de gewoonte der ouden, die bij het maken des verbonds een beest offerden en over den rook van dat offer hunne handen in één brachten; zoo maakt de ziel het verbond met God, over het offer van Christus.

Ons vijfde stuk dat we verhandelen moesten, was, om te onderzoeken, wanneer eene ziel moet gerekend worden dit verbond met God te maken.

Dit kan men zeggen geschiedt in het algemeen bij de allereerste levendmaking, als de Geest begint in de ziel te werken; want al is de ziel overtuigd en bekommerd over hare zonden, al moet zij God aanmerken als een vertoornd, heilig en rechtvaardig Richter, en men vroeg haar eens in die overtuiging of zij tot de zonden en de wereld wilde wederkeeren: och neen zou zij zeggen, ik wil liever sterven dan dat ik dat doen zou; in wil mij liever voor God nederleggen en daar genade zoeken; ofschoon zij het dan onder die benaming niet begrijpt, is dat evenwel niet een omhelzing van den dienst van God, met verlating van de zonde en de wereld ? Als men hier

-ocr page 389-

Over de inwilliging in het genade verbond. 26S

iu nog eens bij aanmerkt, hoe de ziel, met dat God ia:ir overtuigt, in harteljike gebeden werkzaam wordt; 10e menigmaal zij zich met tranen voor den troon lederlegt, hare zonden belijdt, genade en barmhar-bigheid zoekt, betuigt lust te hebben om voor God te leven, ja niets liever wenscht, dan maar deel te lebben in het verbond en zalig gemaakt te worden zooals God wil; zijn dat geen toestemmingen\'? al houdt zij het daar niet voor, al wordt ze door ongeloof geslingerd; zij doet den ganschen dag niet anders dan toestemmen, inwilligen, ja en amen zeggen, laar genoegen toonen in den weg, dien God houdt om zondaars te zaligen.

Doch als we dat eigenlijk aanmerken, en door het toestemmen verstaan een plechtigen en statelijken overgang in het verbond met God, dan zijn er vele van Gods kinderen, die reeds lange jaren op den weg nanr den hemel geweest zijn; ja velen sterven en gaan naar de heerlijkheid, die wij op goeden grond ge-ooven dat zalig zijn, en die evenwel moesten zeggen, ik weet van zulk een verbondmaking niet; mijn hart is menigmaal in begeerten, in verlangen, in hartelijke liefde naar God gaande geweest; maar daar sta ik voor stil! omdat zij het onder die benaming niet | begrijpen en, óf door onkunde, öf door neerslachtigheid en ongeloof worden teruggehouden om zoo met God te handelen, denken zij: God is te hoog en zij te onwaardig, en evenwel staan zij waarlijk met God in het verbond.

oneu aan

3n »zi] 12 1 en ijne en, de

Maar dan zijn er ook anderen, die ja statelijk en plechtig met God in het verbond treden, en zich aan den Heere ernstig verbinden, omdat zij, ziende den Verbonds-God, den Verbonds-Middelaar, en het verbond zelf in alle zijne deelen, alles even dierbaar

*k.

-ocr page 390-

266 Over de inwilliging in het genadeverbond.

en uitlokkende, en daarbij het eeuwig belang , dat zij er bij hebben, worden uitgelokt, om ja en amen te zeggen op Gods voorstel , en zoo zich verbinden in \'s Heeren kracht, om als een bondgenoot te zullen leven; en ik denk dat als een ziel daartoe komen kan, het zeer nuttig en gezegend is; want als het eerste licht eens wat overgaat, en de ziel in het duister raakt, dan kan het haar bewaren om haren staat niet aanstonds omver te werpen ; maar altoos tot een grond zijn om haren voet op neder te zetten om op dat eens gemaakte verbond staat te maken en te kunnen zeggen: Heere, gij zijt getuige wat er tusschen U en mijne ziel is omgegaan ; en nu geef ik het in Uwe hand.

Om nu dezulken , die lust hebben om op zulk een wijze te handelen, besturing te geven, zal de stof zijn, die wij vervolgens zullen moeten zien.

Alleen moeten wij op de verhandelde zaken laten volgen, dat dit een voegzame stof is voor het Avondmaal , om er ons hart toe te bereiden.

Geen stof kan nuttiger zijn dan deze; want het Avondmaal is alleen voor bondgenooten; het komt er dan op aan om ons zeiven te onderzoeken en voor God af te vragen, of we ons ooit zoo hartelijk, zoo vrijwillig, zoo geloovig, innig en oprecht aan God hebben opgedragen en overgegeven; en of wij nu lust hebben, nu we het Avondmaal weder zullen gebruiken (terwijl God aan Zijn kant opnieuw Zijne hand weder toereikt en het verbond aanbiedt, dat we het maken zouden op Christus offer, waarvan het Avondmaal een schilderij is) om het verbond óf te maken óf te vernieuwen ; of wij kunnen betuigen, Heere , gelijk ik zal verlaten mijn huis, zoo genegen zal ik verlaten de zonde, wereld en satan, mijn oude vaders-

-ocr page 391-

Over de inwilliging in het genadeverbond.

huis; gelijk ik naderen zal tot Uw huis en heilige bondstafel, zoo vaardig wensch ik met den voet des geloofs tot U te loopen; gelijk ik mijne hand uitsteek om de teekenen aan te grijpen, zoo hartelijk en gewillig neem ik Christus aan ; gelijk mijn oog ziet op de teekenen, zoo is mijn geloofsoog gevestigd op Christus en Zijn zoenoffer; gelijk ik zal eeten en drinken, zoo betuig ik, dat ik wenschte innige gemeenschap te oefenen met Christus, en mij op het nauwst met Hem te willen vereenigen ! Nu ziet ge wel, als een ziele zoo kan werkzaam zijn , dat zulk een stof als deze is, haar daartoe kan aanzetten en opwekken.

Ja vooral is dit nuttig voor zulke zielen, die waarlijk met God in verbond staan, maar die in ver-achtering, en daardoor in duisterheid zijn; hun ver-bondstoestemming is hun zoo klaar niet; nu is er immers niet beter om hen te recht te brengen, dan dat zij wederkeeren ? want al is het dat God bij de eerste making van het verbond eischt, dat Zijne bond-genooten getrouw zullen zijn en zij aan hun kant trouw gezworen hebben, verlaat Hij hen evenwel niet, al is het dat zij ontrouw zijn ; maar Hij is zoo goedertieren, dat Hij zegt: „Mijn bondgenoot, ofschoon gij gezondigd hebt, keer nogthans weder. Ik weet, een man zal zijn overspelige vrouw niet weder aannemen , maar Ik doe veel meer: al hebt gij met vele boeleerders gehoereerd, keer maar weder, Ik zal u aannemen. Ik zal u weder in Mijne liefde omhelzen,quot; zou dat nu eene ziel niet beter te recht brengen, zoo zij op die uitnoodiging Gods wederkeerde, dau dat ze om hare afwijkingen zich ging aanmerken als nog buiten het verbond, en denken, ik heb geen genade, mijn werk is geen waarheid ?

267

-ocr page 392-

268 Over de inwilliging in het genadeverbond.

Ik bid u, afdwalende bondgenooten, wat kan u meer opwekken dan dat gji weet, dat uw Bonds-God getrouw is, dat Hij medelijden met u heeft; Hij weet dat Zijne bondgenooten menschen zijn, zondige men-schen vol afdwalingen; Hij weet dat zij vele vijanden hebben van binnen en van buiten, die hen bestrijden en dat zij te machteloos zijn om tegenstand te bieden; Hij weet dat ze gedurig leven, licht en sterkte noodig hebben ; en dat belooft Hij ook te zullen geven als zij maar tot Hem wederkeeren; ja zegt God , ziet-daar het bloed des verbonds, om u te reinigen en dat bied Ik u in het Avondmaal aan. Wel vrienden kan er iets verkwikkelijke!- voor u zijn, terwijl gi) door twijfelmoedigheid en vreeze wordt ondergehouden, dan dat gij hoort, dat er voor kranken, gewonden , armen en ellendigen een heilsmaaltijd is, waar niet alleen spijs en drank, maar medicijnen en genezende balsem voor uwe wonde is! blijft dan toch niet achter, maar loopt recht hartelijk naar God en zegt: Heere ik heb eens het verbond met U gemaakt, maar ik ben van U weder afgeweken, doch omdat Gij zulk een ontfermer zijt, kom ik tot U, ik wil weder het verbond vernieuwen en mij aan U overgeven.

Eer we nu eindigen , moet ik deze verhandelde stof ten mdte van anderen aanleggen.

Hier heb ik allereerst een woord voor u ellendige, onwetende en zorgelooze zondaren, die nog buiten het verbond zijt.

Tot u moet ik zeggen, dat ik een brief heb van den God des hemels, waarvan het begin en einde van achteren tot voren, niet anders is dan een aan-minnelijk aanbod, om u te noodigen dat gij met God in een verbond zoudt komen; en deze uitnoodiging wordt u in Gods naam op het allerkrachtigst en

-ocr page 393-

Over de inwilliging in het genadeverbond.

ernstig voorgesteld, om , was het mogelijk, uw hart te winnen; dan wordt het eens noodi.ge.nder wijze voorgesteld; Jes. XLV : 22 , „wendt u naar Mii toe en wordt behoudenquot;, dan eens biddende door Zijne gezanten, die „van Cristus wege bidden, laat u met God verzoenenquot; , 2 Cor. V : 20; somstijds radender wijze; „Ik rade u dat gij van Mij koopt goud, beproefd, komende uit het vuurquot;, Openb. III: 18; somstijds klagender wijze : „och uf gij naar Mij geluisterd hadtquot;, Ps. LXXXI : 14; dan weder-eens verwijtende : „gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven hebtquot;, Joh. V : 40 ; ja dan zweert God wel eens „zoo waarachtig als ik leef , Ik heb geen lust in uwen doodquot; , Ezech. XXXIII: 11; ook wel dwingender wijze: Luk. XIV : 23; dan is het: „dwing ze om in te komen.quot; En wat zijn die dwangmiddelen anders dan al die hartelijke betuigingen, die de Heere van Zijnentwege aan den zondaar laat doen; waardoor hij wel eens zoo in het nauw wordt gebracht, dat hem alle uitvluchten ontnomen worden.

Ik kom dan nu heden ook als een gezant van God, uit Zijnen naam en van Zijnentwege , datzelfde aanbod van genade en zaligheid doen : ik kom u lokken en noodigen, dat gij u aan Gods verbond zoudt onderwerpen , dat gij toch uwe zielen niet langer zoudt onttrekken, maar in den raad Gods een welbehagen nemen. O hier is een God, die met uitgebreide armen, met rommelende ingewanden van barmhartigheid, staat en u toeroept: „hoe , zoude Ik u stellen als Adama en als Zeboim! Mijn ingewand is in Mij omgekeerd en al Mijn berouw is te zamen ontstokenquot;, Hosea XI: 8; zult gij nu zulk een vermanende, biddenden, smeekenden, noodigenden, ja dwingenden God langer weigeren te hooren ? die betuigd , zondaars! wat zal

269

-ocr page 394-

270 Over de inwilliging in het genadeverbond.

u de dienst van de zonden en wereld baten ? „wendt u naar Mij toe.quot; In Mijnen dienst is leven en zaligheid.

En wat kan of mag u hier toch terughouden ? alle zwarigheden, die gij kunt inbrengen, worden weggenomen, de aanbieding is algemeen, aan allen die leven onder de bediening der genade, daar wordt niemand uitgezonderd, die maar wil, die home. Of zoudt ge zeggen:

1. Ik heb te veel en te groote zonden? och neen, dat kan u niet beletten; in het genadeverbond belooft God vergeving van alle zonden; ja al had een eenig zondaar al de zonden van de geheele wereld gedaan, als hij ze maar belijdt en betreurt; God wil ze vergeven.

2. Zegt ge, ik heb te langdurig gezondigd? die zwarigheid wordt u ook ontnomen, want God zegt: „Ik breide Mijne handen den ganschen dag uit.quot; Niet alleen \'s morgens, maar ook des avonds: of iemand in den morgenstond van zijn leven is, in zijne jonkheid of op den middag, in zijne mannelijke jaren, of in den laten avond van zijnen ouderdom, Ik breide mijne handen den ganschen dag uit; Rom. X: 21.

3. Zegt ge, ik heb evenwel niets dat God aangenaam zou kunnen zijn? wel de Heere eischt ook niets, dan dat gij maar genegen en gewillig zijt om alles uit handen van dezen Bonds-God te ontvangen; gij hebt u maar zoo zondig als gij zijt naar Hem te wenden; dan wil Hij u in Zijne liefde omhelzen en aannemen.

Zoo gij nu verloren gaat, het zal uw eigen schuld zijn, niet alleen om de verbreking van het werkverbond in Adam, maar omdat gij niet hebt willen tot

-ocr page 395-

Over de inwilliging in het genadeverqond. 274

God komen, omdat gij het verbond veracht en de aanbieding Gods versmaad hebt. De duivelen hebben ééns gezondigd en zijn overgegeven aan eeuwige ketenen der duisternis; maar gij zondigd tweemaal, en dat tegen de rommelende ingewanden van een barmhartigen God, die u de genade laat aanbieden; tegen het Evangelie en tegen het lich van ons geweten ; o hoe zwaar , hoe zwaar, zal het voor u zijn l verloren te gaan.

Zeg nu niet, ik kan het mij zeiven niet geven: ik ben onmachtig om tot God te komen; dat is een waarheid, die ik geleerd en beleden heb; \'t is waar, zondaar, gij zijt onmachtig , maar het scheelt u daar niet aan, maar aan een boosaardig niet willen; o gij hebt te veel liefde tot de zonde en wereld, gij wilt van uwe begeerlijkheden niet afstappen ; en daarom is de dienst van God u te zwaar, omdat gij den dienst der wereld dan zoudt moeten verlaten; en dat gij u beroept op uwe onmacht is maar om een uitvlucht te hebben, om uzelven te veronschuldigen en de schuld op God te leggen; want uwe onmacht bracht u nog nooit in het eenzame voor God op uwe knieën om te bidden , dat God in u zou werken door Zijnen Geest; en daarom gij moogt u nu daar noch mee gerust stellen, maar de Heere God zal in den dag des oordeels, als gij voor Hem staan zult, u doen verstommen; och dat gij dan nog ontwaaktet uit de strikken des duivels, dat gij u den raad Gods nog eens liet welgevallen en u of door den schrik des Heeren óf door de aanminnelijke noodigingen liet bewegen tot bekeering!

Maar ik heb ook nog een woord tot zulke men-schen, die overtuigd zijn, die hun ellende-staat zien en de volheid en dierbaarheid van het genadeverbond,

-ocr page 396-

272 Over de inwilliging in het genade verbond.

die wel wenschten, dat zij er deel aan mochten hebben.

Tot u moet ik zeggen, och blijft toch niet staan bij die bewegingen en eerste overtuigingen; want gelijk men het geestelijk leven in zijn eerste begin niet wel kan onderscheiden, of het een waar leven of vonken van een overtuigde concientie zijn; tenzij het achtervolgd wordt met eene overgave van het hart aan God en Zijnen dienst, zoo zult gij ook niet tot rust komen vóór dat gij daartoe komt; weest dan niet tevreden met dat gij zeggen kunt: ik ben overtuigd geweest en ik ben het nog; want dat is niet! genoeg, ja al nam die overtuiging in u veel grove 1 0J zonden -weg, al maakt zij u in het uitwendige geschikt, f quot;f zedig en godsdienstig / men kan door de overtuigingen | wel de besmettingen der wereld ontvlieden , doch zoo | het anders niet is dan overtuiging, wederom afvallig .G worden, Hebr. VI: 4—8. O overtuigden! laat die „ ,e teks in uw hart diep inzinken, opdat het u mag dringen en dwingen om met God waarlijk in verbond te treden; ja al vindt ge al eens een beaeerte, een lust een uitgang van uw hart naar God en Christus, denkt niet dat dat genoeg is om zalig te worden ; het kan wel oprecht zijn, maar de zucht tot het eeuwig heil en het middel om dat te bekomen, kunnen dikwijls zoo klaar in de bevatting zijn, dat men met veel voorzichtigheid daarover moet oor-deelen; en daarom laat die begeerte nederdalen tot in het binnenste van uwe ziel en zegt: het is mij niet genoeg, dat ik die begeerte vinde, het moet komen tot eene volle overreding, tot een volkomen overgang met God, ik moet mij hartelijk aan Hem opdragen; dan moogt en moet gij u wel gedurig voor God nederleggen, u aan Hem aanbiedenuwe begeer-

ten da\' bes bo: ka scl we he ee de of

-ocr page 397-

Over de inwilliging in het

273

genadeverbond.

ten betuigen , maar als ge dat eens doen kunt, weest dan evenwel niet te haastig , om aanstonds daaruit te besluiten, dat gü al metterdaad met God m het verbond ziit overgegaan; het kan wel waar zi]n, maar ue kan ook wel zijn, door een klaar oordeel des onderscheids; want als iemand de zonde ziet in hare alschu-weliikheid, God en Jezus in hunne beminnelykheid, het verbond in zipe volheid, en dat er nergens anders eenig heil is te hopen, wie zou niet wenschen daar deelquot;aan te hebben? maar gaat eens onderzoeken of gü wel zin hebt in al de deelen van het verbond, of de eisch Gods u zoo aangenaam is als de beloften; dan zult ge misschien wel eens bekommerd worden, doch zoo het werk oprecht is, zal dat schudden u geen kwaad doen; \'t zal u maar opwekken om naar God te gaan en die zwarigheid voor Hem neder te leggen met biddingen, dat Hij u onderzoeke en beproeve en u nog meer aan uzelven ontdekke.

Derhalve, overtuigde zondaars, ik zou u raden veel te beschouwen den God des Verbonds, den Middelaar, ia het gansche verbond in al zijne deelen en dat oii uw hart dikwijls voor God afvroegt, of gy lust hebt om daaraan deel te hebben, en dan zal misschien uw hart tot een dadelijken overgang bewogen worden.

Ondertusschen gaat maar voort; en heeft God m u een goed werk begonnen, Hij zal het niet laten naren, maar het volmaken en bevestigen, tot Zijne eer en

| UWMaar kinderen Gods, die gedurig zoo bekommerd 1 zijt of gij nog wel ooit waarlijk het verbond met God gemaakt hebt, tot u heb ik nog een woord van

bemoediging en opbeuring.

Wat is de oorzaak, van uwe twijfeling, zou het u niet wel hierom overkomen :

■18

-ocr page 398-

Over de inwilliging in het genade verbond.

die wel wenschten, dat zij er deel aan mochtei hebben.

Tot u moet ik zeggen, och blijft toch niet staan bij die bewegingen en eerste overtuigingen; want gelijk men het geestelijk leven in zijn eerste begin niet wel kan onderscheiden, of het een waar leven of vonken van een overtuigde concientie zijn; tenzij het achtervolgd wordt met eene overgave van het hart aan God en Zijnen dienst, zoo zult gij ook niet tot rust komen vóór dat gij daartoe komt; weest dan niet tevreden met dat gij zeggen kunt: ik ben overtuigd geweest en ik ben het nog; want dat is niet genoeg, ja al nam die overtuiging in u veel grove zonden weg, al maakt zij u in het uitwendige geschikt, zedig en godsdienstig; men kan door de overtuigingen wel de besmettingen der wereld ontvlieden, doch zoo het anders niet is dan overtuiging, wederom afvallig worden , Hebr. VI: 4— 8. O overtuigden ! laat die teks in uw hart diep inzinken, opdat het u mag dringen en dwingen om met God waarlijk in verbond te treden; ja al vindt ge al eens een begeerte, een lust, een uitgang van uw hart naar God en Christus, denkt niet dat dat genoeg is om zalig te worden; het kan wel oprecht zijn, maar de zucht tot het eeuwig heil en het middel om dat te bekomen, kunnen dikwijls zoo klaar in de bevatting zijn, dat men met veel voorzichtigheid daarover moet oor-deelen; en daarom laat die begeerte nederdalen tot in het binnenste van uwe ziel en zegt: hetlis mij niet genoeg, dat ik die begeerte vinde, het moet komen tot eene volle overreding, tot een volkomen overgang met God, ik moet mij hartelijk aan Hem opdragen; dan moogt en moet gij u wel gedurig voor God nederleggen, u aan Hem aanbieden , uwe begeer

272

ten b dan e beslui bond kan ( schei\' weiijl het v eenif deel of g: of d

-ocr page 399-

Over de inwilliging in het genadeverbond.

ten betuigen , maar als ge dat eens doen kunt, weest dan evenwel niet te haastig , om aanstonds daaruit te besluiten, dat gij al metterdaad met God in het verbond zijt overgegaan; het kan wel waar zijn, maar het kan ook wel zijn, door een klaar oordeel des onderscheids; want als iemand de zonde ziet in hare afschuwelijkheid, God en Jezus in hunne beminnelijkheid, het verbond in zijne volheid, en dat er nergens anders eenig heil is te hopen, wie zou niet wenschen daar deel aan te hebben ? maar gaat eens onderzoeken of gij wel zin hebt in al de cleelen van het verbond, of de eisch Gods u zoo aangenaam is als de beloften; dan zult ge misschien wel eens bekommerd worden; doch zoo het werk oprecht is, zal dat schudden u geen kwaad doen; \'t zal u maar opwekken om naar God te gaan en die zwarigheid voor Hem neder te eggen met biddingen, dat Hij u onderzoeke en )eproeve en u nog meer aan uzelven ontdekke.

Derhalve, overtuigde zondaars, ik zou u raden veel te beschouwen den God des Verbonds, den Middelaar, ja het gansche verbond in al zijne deelen, en dat gij uw hart dikwijls voor God afvroegt, of gij lust hebt om daaraan deel te hebben , en dan zal misschien uw hart tot een dadelijken overgang bewogen worden.

Ondertusschen gaat maar voort; en heeft God in u een goed werk begonnen, Hij zal het niet laten varen, maar het volmaken en bevestigen, tot Zijne eer en uw heil.

Maar kinderen Gods, die gedurig zoo bekommerd zijt, of gij nog wel ooit waarlijk het verbond met God gemaakt hebt, tot u heb ik nog een woord van bemoediging en opbeuring.

Wat is de oorzaak van uwe twijfeling? zou het u niet wel hierom overkomen:

273

chten

staan want )egin even enzij van ook eest ben niet rove ïikt, gen zoo llig die lag gt;nd ;en as,

n;

iet D,

at r-

18

-ocr page 400-

Over de inwilliging in het ganadeverbond.

274

nartel hemer 2.

leden vreesa ik ni maar coms alwet daar zielei

gil n uw 1 loos wil het geel het ¥ ver1 ik Eijn wei bie

1. Omdat gij geen recht betamelijke gedachten hebt van God; gij denkt daar of te groot of te klein van; gij hebt te groote gedachten van Gods grootheid majesteit en heerlijkheid, van Zijne heiligheid en rechtvaardigheid; en te kleine gedachten van Zijne genade en liefde, barmhartigheid\' en ontferming; en dat houdt u terug; het scheelt u niet aan het hartelijk en oprecht tv Uien, maar aan ongeloof, dat gij niet durft; och, zegt ge, zou zulk een arme, nietige, ellendige, zulk een doodwaardige, die maar zondig stof ben, zou die met zulk een oneindig heerlijk God in een verbond komen\'? zou ik den Heere de liand durven geven? dat komt mij onbegrijpelijk voor; mij dunkt het zou stoutheid zijn; en zoo blijft ge van verre staan. Maar bekommerde, ik moet tot u zeggen, och ja, het is goed, het is betamelijk dat gij groote gedachten hebt van Gorl, om met een eerbiedig ontzag voor Hem te zijn ingenomen en gij kondt nooit te geringe en te kleine gedachten hebben van uzelven om nederig en ootmoedig te zijn; maar van de liefde, barmhartigheid en genade van God te klein te den ken, dat is ongeloof, en daarom zondig! Neen, gi] moet blijven staroogen op God als een goedertieren God, die niet anders van u eischt, dan dat gij maar arm, naakt, ontbloot van alles tot Hem komt en zoo voor Zijnen genadetroon u nederlegt om genade te zoeken; kan God nu aan Zijne zijde wel meer doen om u in uwe bekommeringen voor te komen? en zult ge nu nog blijven dralen en van verre staan, gelooft ge dan Zijne getuigen niet? O gij benadeelt er de liefde Gods mee, gij doet Hem oneer aan, en het ongeloof is eene van de grootste zonden; zegt ge dan nog: ik wil wel tot God komen als ik maar mag; dan betuig ik u van Gods wege, gij moogt, zoo ge maar

-ocr page 401-

Over de inwilliging in het genadeverbond.

275

hebt\\

lartelijk en oprecht wilt, Hij is genegen u aan te

van; s aemen.

2. Ja maar, zegt ge, daar zijn nog al moer zwarigheden, die mijne vrij moedigheid benemen; ik zagen, vreesde wel, eer ik met God het verhond maakte, dat ik niet getrouw zou zijn aan de verbondsplicliten , maar gedurig zondigen; en ik heb ook bij de uitkomst gezien, dat het waarheid is; hoe durf ik dan alweer als zulk een trouwelooze tot God komen, daar ik het gedurig zoo bederf? maar kleinmoedige zielen, ook dit mag u niet beletten, ja ik geloof dat gil met reden klaagt over uwe ontrouw, maar God , uw Bonds-God , wint ook wel, dat gij gansch trouweloos zoudt handelen en van Hem afwijken ; doch dat wil Hij in Zijne bondgenooten verdragen, daarom is het een genadeverbond, dat Ilij met u maakt; Hij geeft u vrijheid om tot Hem weder te keeren en in iet bloed van den Middelaar verzoening te zoeken.

Maar, zegt ge, of ik nu al opnieuw mij aan God verbind, ik zal het toch wederom bederven, want ik moet worstelen met zulk een zondig hart, daar fijn zoovele verleidingen van buiten , en ik heb zoo weinig kracht om staande te blijven en tegenstand te bieden.

O de Heere weet het ook wel, dat gij weder zondigen zult, maar het komt er op aan, of liet u tot een last is, daar gij onder zwoegt, en van wenscht ontdaan te zijn, en als God u eens zou vragen, ivat wilt gij dat Ik u doen zal, zoudt ge niet moeten antwoorden: Heeere, niets liever wenschtt ik dan dat de zonde meer in mij gedood was, dat ik meer kracht had om de wereld en den satan tegenstand te bieden en dat ik U maar hartelijker dienen mocht? welaan is dat geen bewijs, dat de zonden tegen uwen wil in u zijn?

18*

-ocr page 402-

276 Over de inwilliging in het genadeverbond.

3. Mij dunkt, ik hoor u nog tegenwerpen: gij hebt zooveel gezegd, wat Gods Geest doet, als Hij een zondaar in het verbond brengt, maar het hapert mij aan het zevende stuk\', ik kan of durf niet ontkennen , dat ik mij hartelijk en gewillig aan God heb opgedragen, dat is mij te klaar, maar ik vrees evenwel of het wel oprecht is, omdat God het nog nooit aan Zijne zijde heeft beantwoord, door het getuigenis van Zijnen Geest; tot antwoord hierop zeg ik:

a. Is God niet vrijmachtig? zult gij Hem paal en perk stellen en niet tevreden zijn, omdat Hij u op den hoogsten trap van genade niet brengt? strijdt dat niet met uwe betuigingen, als ge maar om eenige kruimtjes van genade badt, toen ge eerst tot God kwaamt ?

b. Gij wilt de verzekering langs een verkeerden weg gaan zoeken, pij zegt, zoo mijne toestemming oprecht was geweest, zou God het wel eens beantwoorden, en gij wacht zulk eene onmiddelijke verzekering die u in het volle licht stelt; maar als gij eens van achteren begont en die eerste werkingen van den Geest nagingt, zoudt ge wellicht reeds veel stof van dankzegging vinden; bij voorbeeld: zoudt ge God niet moeten danken dat Hij aandacht in uwe ziel verwekt heeft, dat gij met opmerking hoordet? moet gij niet zeggen: God heeft mij mijnen zondigen en ellendigen staat doen zien, Hij bracht mij de volheid die in Jezus is, onder het oog; mijn hart is menigmaal in begeerten, honger en dorst naar Christus gaande geweest, ja ik ben zoo dikwijls gedrongen geworden om mij aan God in Christus op te dragen; wanneer gij uzelven dit dikwijls voorsteldet, zoudt ge dan niet moeten erkennen , dat het groot is wat God aan u gedaan heeft?

c. Gij klaagt, en genitt dikwijls reeds veel, maar

-ocr page 403-

Over de inwilliging in het genadeverbond.

omdat het juist dat niet is, wat gij begeert, zijt ge niet te vreden; en waar dat van daan komt, zal ik in de volgende verhandeling toonen.

Och weest toch tevreden in den weg van God; moet gij in het duister wandelen, uw wijze Bonds-God weet wat best is; Hij doet het om u klein en nederig te houden, om u te leeren leven door geloof en Hem te blijven aankleven; laat het dan maar aan God over, schrijft Hem geen wijze of weg voor, hoe Hij u zal leiden; maar zeut liever: Heere, hoe duister en bestreden het ook is , ik heb evenwel nog geen berouw, dat ik die keuze gedaan heb om de zonden, wereld en satan den scheldbrief te geren en U tot mijn deel te kiezen ; het gaat hoe het gaat, ik wil het er nog bijhouden, ik verlaat mij op de goddelijke toezeggingen. Wanneer gij zoo handeldet. dan zou het een leven des geloofs zijn; en langs dien weg zult ge beschaamd worden.

Maar, volk van God, die meer verzekerd en gemoe-digd zijt, zoekt uwen staat hoe langer hoe vaster te maken; en tot dat einde, onderzoekt u dikwijls aan de kenteekens van genade, gaat dikwijls uwe eerste werkzaamheden eens na; toen gij zoo hongerig en dorstig om genade bij God aanhieldt, toen de Geest u te machtig werd en uw hart zoo klemde, dat gij moest zeggen: Heere, al waart Gij nog zoo hoog, omdat gij evenwel met zulk een wormke Jacobs wilt handelen, kom ik als een arme en ontbloote tot U en verbinde mij in Uwe kracht, om voor U te leven.

Maar zijt gij bondgenooten van God, tracht dan ook opgesierd te zijn met allerhande Christelijke deugden, om het beeld van God meer gelijkvormig te worden, opdat men het aan u mag kunnen zien,

277

-ocr page 404-

278 Over de inwilliging in het genadeverbond.

dat gij behoort tot dat volk, dat God zich geformeerd heeft om Zijnen lof te vertellen.

De bondgenooten zijn God-gezinden, die het met God houden, voor God werken, voor de zaak van God uitkomen , die van Hem spreken en gedurig omtrent Hem bezig en werkzaam zijn; tracht daar ook naar, houdt het met den Heere, geeft uw hart gedurig aan Hem over, geeft Hem de hand des geloofs dooide vernieuwing des verbonds bij gelegenheid van het Avondmaal, waartoe gij nu weder zult naderen, en houdt u zoo gedurig bij Hem, dan zal God niet alleen hier toonen , dat Hij uw Bonds-G od is, maar ook alle beloften van het verbond eens ja en amen maken , wanneer Hi] u zal inleiden in het volle bezit van dezelve, in heerlijkheid voor Zijnen troon.

AMEN, het zij zoo! het zij zoo!

-ocr page 405-

NEGENDE VERHANDELING

HET VERVOLG OVER DE INWILLIGING IN HET VERBOND,

joen we laatst met u spraken over de toestemming des zondaars op den eisch Gods,

____vonden wi] die stof van zulk een omvang,

dat wij nog eenige stukken voor deze gelegenheid overlieten, namelijk :

1. Wij moeten nu aan dezulken, die belust zijn met God het verbond te maken , of te vernieuwen , handleiding en bestuur geven, hoe zij daarin het best in trouw voor den Heere en tot troost van hunne ziel handelen.

\'2. Dan zullen we onderzoeken wanneer eene ziel het best dit verbond zou maken, en of zij het maar eens of meermalen doen zou, en bij wat gelegenheid zij het best zou vernieuwen.

3. Zal ik ware geloovigen, die in dat licht staan dat zij bondgenooten zijn, de middelen aan de hand geven om hunne vrijmoedigheid levendig te houden, of, geschonden zijnde, op wat wijze die best te herstellen.

4. Eenige bekommerde vragen van kleinmoedigen, die tegen deze en de vorige verhandeling zouden kunnen worden ingebracht, oplossen.

5. Dan zal ik weder aantoonen hoe wonder gepast deze stof is tot voorbereiding voor het Avondmaal

6. Zal ik weder alles tot nut van een ieder zoeken aan te leggen.

-ocr page 406-

280 Over de inwilliging in het verbond.

Wat het eerste betreft, hoe een geloovige, belust zijnde om met God op eene plechtige wijze in het verhond te treden, dat het best zal aanleggen om tot nut en troost van zijne ziele te handelen, zoo moet ik, eer ik hiertoe handleiding kan geven, eerst eenige dingen laten voorafgaan.

1. Zeg ik, als ik handel van eene plechtige ver-bondsoprichting, dat ik daarmee niet wil veroordeelen dezulken, die waarlijk met God in het verbond staan, doch juist niet op die wijze en in die orde, als wij zullen tonnen, werkzaam geweest zijn ; want Gods weg in het zaligen van zondaren is vrijmachtig; Hij brengt Zijne bondgenooten niet allen op dezelfde wijze tot het verbond; ook zijn er vele godvruchtigen , die, door onkunde van de waarheden, zoo niet kunnen handelen , en die wel duizend en duizendmaal het verbond hebben toegestemd en goedgekeurd, en het evenwel nog nooit onder die benaming begrepen hebben; wij zeggen dan vooraf, dat het ons oogmerk niet is om zulke zielen te schudden en wankelende te maken, maar veeleer, om hen vast te zetten en te bevestigen in het verbond.

2. Nabij-Christenen en tijdgeloovigen moeten wij waarschuwen, dat zij dit niet misbruiken tot zorgeloosheid; want die kunnen dikwijls in de bevatting hier al te schielijk te werk gaan, wanneer zij het verbond in alles zoo dierbaar en heilrijk hooren voorstellen en aanbieden; zoo wordt hun verstand en oordeel wel eens overreed, ja daar komt wel sens een begeerte in het hart; zij zeggen wel eens: wie zou dat niet aanmerken? ja zij deden het mogelijk wel eens door een verstandige beschouwing, óf toen ze hunne belijdenis deden óf bij eene andere gelegenheid, en daaraan houden zij zich vast, zonder dat ze het nog-

-ocr page 407-

Over de inwilliging in het verbond.

thans ooit oprecht gedaan hehhen; want zij stemden het verbond niet toe in alle zijne deelen, en het was niet door een overredend licht des Geestes, doch alles maar door een bloote bevatting van de waarheden; want zij zijn nog nog nooit recht aan zich zeiven ontdekt geweest.

3. Tot verhoeding van de blinde en zorgelooze wereld moet ik ook zeggen, dat zij geen geringe gedachten moeten maken van deze bevindelijke waarheden ; want al wat ik hier van zeggen zal zijn dingen, die een natuurlijk mensch niet verstaat, het is hem eene dwaasheid; God moet het zelf, door het ontdekkend licht des Geestes, doen kennen.

Dit vooraf aangemerkt zijnde, komen we tot de zaak zelve, om aan te wijzen, hoe iemand , wiens hart door den Geest vrijwillig gemaakt is om met _God in een verbond te treden, het best handelen zou.

Ik zal het langs deze drie stukken doen.

1. Aantoonen, wat voorbereidende schikkingen daartoe wel noodig zijn.

2. Dan de verbondmaking zelve zien.

3. Eindelijk zal ik aantoonen ivat gevolgen het in de ziel moet hebben, om haar te verzekeren van hare oprechtheid.

Wat het eerste betreft: die het verbond met God zal maken, heeft dit vooraf aan te merken :

1. Dat hij niet haastig in dit werk handelen moet\', doch hiermee wil ik niet zeggen, dat iemand, overtuigd zijnde van zijne ellende, en overreed van het beminnelijke, waardige en betamelijke van den dienst van God, zich te ras aan den Heere zou kunnen opdragen; o neen, hij kan het hartelijk en godvruchtig doen van het eerste oogenblik af dat God hem levend maakt; want Gods weg is wonderlijk en zeer

281

-ocr page 408-

Over de inwilliging in het verbond.

onderscheiden in het bekeeren van menschen; somtijds trekt God wel eens met liefdekoorden, op eene aangename, liefelijke, Evangelische wijze, dat de ziel aanstonds zoo veel waardigheid in God ziet en overreed wordt van het beminnelijke van Zijnen dienst, dat ze niet tusschenbeide kan blijven staan, maar het naar God henen wendt; en wanneer God langs zulk een weg iemand leidt, dan kan hij niet te ras zicli gulhartig aan Hem opdragen ; maar als ik zeg niet te haastig, dan wil ik zeggen , dat niemand in dat statelijk uitgebreid en plechtig handelen met God te schielijk moet zijn, en dat gedaan hebbende, dan dat besluit maken: ik ben een bondgenoot; waar door hij dan wel eens min ernstig wordt in den wandel in het vervolg; neen , men moet de kosten wel overrekenen, zich wel menigmaal afvragen; heb ik daar wel lust toe? opdat het werk langs dien weg zooveel vaster en te meer bestendig zij.

2. Maar gelijk iemand niet al te gereed en schielijk moet zijn , moet hij ook niet al te lang dralen; even alsof hij door dat wachten en uitstellen die gestalten zou krijgen , die hij noodig heeft om met God in het verbond te treden ; deze misvatting bekruipt dikwijls eerstheginnenden; en het is nog een wortel van eigengerechtigheid\', zij denken dat zij niet tot God mogen gaan, of zij moeten eerst die en die gestalte bezitten, die mate van verbrijzelingen en van geloof, als zij zich voorstellen, en dan zullen ze geschikt zijn om met God te handelen; en zoo blijven zij dralen en bij zich zeiven kunnen ze het nooit vinden; neen, dat is te lang gewacht; zijt gij overreed , gaat dan maar toe om den Heere de hand te geven; die gestaltenis, die gij noodig hebt, moet God u zelf geven.

282

-ocr page 409-

Over de inwilliging in het verbond.

3. Dan wenschte ik dat zulk een ziel, zullende het verbond maken, zich zocht te stellen in een bedaarde, stille, handelbare, gestalte, zoowel naar het lichaam als naar den geest\', naar het lichaam, afgetrokken van bekommerende bezigheden; naar de ziel, om zich niet te laten beroeren of door ongeloof schudden, maar met eenen stillen geest zich voor God nederzettend, om op eene redelijke wijze te kunnen handelen; hiermede wil ik nu weder niet zeggen, dat iemand, in zware omstandigheden komende van ziekten, gevaren of ongevallen, dan niet tiet hart zou mogen opdragen aan God; o ja, laat hij het dan maar doen zooals hij kan, dan is het tijd, en dan is het Gode aangenaam; maar ik spreek zooals hij buiten die omstandigheden is.

4. Zoo bedaard zijnde, moet de ziel zich ook tot zulk een statelijk werk schikken en voorbereiden door eene behoorlijke afzondering in het eenzame\', als God met Abraham Zijn verbond oprichte, „bracht Hij hem naar huiteuquot;. Gen. XV : 5; toen Izaak met God wilde handelen, door het statelijk bilden, ging hij „eenzaam in liet veldquot;, Gen. XXIV : 63; toen God aan David zulke groote verbonds-beloften gedaan had, 2 Sam. VII; 11 , zoo ging hij, toen Nathan was weggegaan, „in voor het aangezicht des Heerenquot;, om aan zijne zijde toe te stemmen en te zeggen: „Heere, wat is Uw knecht!quot; vs. 20. In het eenzame mag men zijn hart onbeschroomd aan God uitlaten.

Maar mogelijk vraagt iemand of het ook nuttig en noodig zou zijn dat men , om het verbond zoo plechtig met den Heere te maken, het deed met het afzonderen van een vastendag? om hierop te antwoorden zeg ik, dat het zeker is, dat er voorbeelden in Gods Woord zijn van heiligen, die het zoo gedaan

283

-ocr page 410-

284 Over de inwilliging in het verbond.

hebben; wanneer Israël met den Heere in een ver- j^erboi

bond kou komen, nadat zij uit Babel waren weder- j ^jgj-ba

gekeerd, deden zij het met het uitroepen van een H

plechtigen vast- en bededag, Ezra VIII: 21; en I werk;e wanneer het zoo kan geschieden, zou het zekerlijk

niet onnut zijn, maar dienen om den ernst en gezet- 1 Iiatur

heid te toonen, dat men het hartelijk en waarlijk asc^.

met God meent; doch, terwijl Gods Woord daarin zoo \'

geen bepaling maakt, willen we ook geen strikken ; onm£

voor iemands gemoed leggen; sommigen, die in een geiia

zwaar beroep zijn of veel tegenstand hebben, zouden ] ,

daardoor kunnen verhinderd worden; anderen door m0(

kleinwetendheid en mingeoefendheid, zouden den dag i quot;

dikwijls niet behoorlijk kunnen doorbrengen, waarom i ^ n:

men hierin met voorzichtigheid moet handelen; maar ;

dit is zeker, het moet geschieden met hartelijke ge- il ^er-beden, onder opzien naar God en een inwachten van

Zijn licht en kracht: o het is niet te zeggen hoe het gt; ^

gebed de ziel kan aanzetten; hoe het hart daardoor | ^

van de aarde los, opstijgende naar boven werkzaam | ^1U1

is om zich aan God te verbinden. fl am

5. Dan zou ik zoo iemand raden om in die stille |

eenzaamheid gebeden hebbende, het gansche verbond i Z01

in al zijne deelen te gaan leggen tot het voorwerp van \' sc]

aandachtige bespiegeling; want we toonden te voren, f^(

dat het een verstandige toestemming was, en daartoe ^ behoort, dat men het verbond in al zijne deelen kent;

en niet alleen zou die beschouwing dienen om het m

verstand te vervullen, maar om de liefde op te et wekken, te verwakkeren en te ontvonken ; bij voor-

beeld, als zij eens gaat beschouwen den Verbonds- ^ God in zijne aanminnelijke deugden die Hij in het verbond openbaart; dat Hij zich niet schaamt de God van een zondaar genaamd te ivorden, hoewel Hij zoo

-ocr page 411-

Over de inwilliging in het verbond.

hoog en verheven is ; als ze eens stilstaat bij den \\erhonAs-Middelaar in Zijne volheid, beminneliikheid, dierbaarheid en noodzakelijkheid ; bij den Geest des verhonds, wat Hij heeft op zich genomen om te werken in het hart; als ze zich zelve eens gaat beschouwen, die tot het verbond genoodigd wordt, van nature onmachtig, onwillig, afkeerig, zondig stof en asch; en den eisch dien God doet, zoo betamelijk, zoo redelijk, alleszins geschikt naar des zondaars onmacht; de beloften zoo beminnelijk en dierbaar, genade in den tijd en heerlijkheid hiernamaals ; ja dat zij op haar gelooviy toestemmen vrijmoedigheid zal mogen gebruiken, om alles wat zij noodig heeft volgens de verbondsbeloften te eischen van God; o het is niet uit te drukken, hoe de aandachtige beschouwing van dat alles de ziel in aanbidding, verwondering en liefde gaande kan maken; \'t is wel gebeurd dat Gods kinderen dor begonnen, maar dat eer zjj ter helft gekomen waren, het hart al werd verlevendigd , en dat eer zij het ten einde gebracht hadden, hunne ziel het al toestemde en op elk deel ja en amen moest zeggen.

6. Maar terwijl dit werk doorgaans niet geschiedt zonder tegenstand, moet ik Gods kinderen waarschuwen, dat zij zich door geen hinderpalen en listen, die de vijanden gebruiken, moeten laten terug houden, maar zich daartegen verzetten.

A. Laat u niet belemmeren door de hoogheid, majesteit en heerlijkheid van God; het past u wel als een worm voor God in het stof te kruipen, en nederig uit te roepen; loie ben ik , dat ik met zulk een heilig God zal gaan handelen!

Maar de satan brengt u dit dikwijls voor, om u bedeesd en onvrijmoedig te maken; als ge dit zoudt

285

-ocr page 412-

Over de inwilliging in het verbond.

ondervinden, zegt dan: ja God is hoog en oneindig verheven, maar Hij ontdekt zich in het verbond als een God , die vol liefde, genade en barmhartigheid is, staat dan stil bii Zijne rommelende ingewanden, bij Zijn naam dien Hij voor Mozes heeft geroepen, als Heere , Heere, God , barmhartig, lankmoedig , en groot van goedertierenheid , die barmhartigheid bewijst aan duizenden; ja denkt dan dat geen vader of moeder ooit zoo teeder kan handelen met een zuigeling , als God met Zijne kinderen , dat Hij het ge-kronkte riet niet wil verbreken, noch de glimmende vlaswiek uitblusschen; dat Hij Zijne hand wil wenden tot zulke kleinen , armen en ellendigen; en dan zal Gods hoogheid u niet tot verschrikking zijn.

B. Laat u dan ook niet ophouden cfoor w (/eèrsA:, dat gij denkt al te zondig en ellendig te zijn om zoo met God te handelen , gij moogt en moet nederig en klein voor God zijn en uitroepen : Heere , wie ben ik! Maar het moet u niet van God afhouden, dat gij zoudt zeggen , omdat ik zoo ben durf ik niet tot God gaan , och neen, als gij u zoo ellendig erkent, moet gij gaan en u zoo voor God nederleggende, zeggen: Heere, ik kom als de alleronwaardigste, om uit vrije genade gezaligd te worden.

C. Laat u niet beletten door booze inwerpingen van den satan , die niet gaarne een ziel van onder zijn geweld zou laten, en daarom alles doet wat hij kan om ze in zijne strikken te houden; althans om ze te beletten, dat zij tot die hoogte komt, om zijnen dienst te verlaten en zich geheel aan God op te dragen; dan eens haar voorhoudende, dat Ae zonden te groot zijn, dat zij te lang gewacht heelt, of dat zij niet getrouw zal zijn aan het verbond; neen, laat u door dat alles niet beroeren, gelooft maar dat het

286

-ocr page 413-

Over de inwilliging in het verbond.

van den satan is en denkt,, omdat hij zoo woelt en raast, is het een bewijs, dat ik zjjn eigendom niet meer ben en daarom wil ik mij te hartelijker aan den Heere verbinden.

D. Denkt niet, het werk is te yroot! zou ik onderstaan met den God van hemel en aarde zoo gemeenzaam te handelen? en zou ik op zulk een eenvoudicje daad van toestemming en inwilligen ingelaten worden in het verbond? dat komt mij onbegrijpelijk voor! ik beken, ja aan dien kant beschouwd, het werk is groot; het is voor alle menschen, ja \'t zou voor engelen zelfs te groot zijn; maar beschouwen we het aan de zijde van den hoogen God, dan is het niet te groot; daarom wil Hij zulke groote genade bewijzen, omdat Hij zoo oneindig is; en wil zulk een oneindig heerlijk God zoo met u handelen , handelt gij dan ook gemeenzaam met Hein.

7. Doet het toch vooral onder inwachting van des Heeren invloed en genadekracht, dat Hij het werk bedauwt met Geest en leven , opdat het niet flauw en slechts met een klare bevatting van het verstand en overreeding van het oordeel zij, maar met een gulhartige, levendige, opgewekte en vurige gestalte van het hart; waaruit blijken zal uw ernst en wel-meenendheid met God, dat de zaak u ter harte gaat en dan zal de vijand u ook het minst van onoprechtheid kunnen beschuldigen.

Ik denk dat al deze dingen eene ziel, die nu staat over te gaan in den eed en in het veerbond, behoorde in acht te nemen.

Maar id at is nu de inwilliging zelve? Ik geloof dat hier meer van ondervonden, dan van gezegd kan worden, vooral wanneer de wind des Geestes wat waait in de zeilen van de ziel en het haar vergund

287

-ocr page 414-

Over de inwilliging in het verbond.

wordt om onder veel licht en levendigheid hier in te werk te gaan.

Maar om hier evenwel iets van te zeggen: stel u voor eene ziel, die tot de daad van toestemming komen zal, na die schikking des harten; zij legt zich voor den Heere neder, zeggende: nu sta ik gereed om deze groote keuze te doen, God of de wereld te dienen; ik wil niet langer hinken op twee gedachten, ik heb reeds lang genoeg tusschenbeide gestaan en mijn hart aan den satan, de wereld en zonde gegeven ; ik heb de kosten wel overrekend, en het verbond dat God mij aanbiedt aan alle zijden beschouwd , en ik vind mi] ten volle overgebogen tot God en Zijn zaligen dienst; en daarom , ik betuig heden, dat ik opzeg den dienst aan de wereld, zonde en satan, ik wil er mijn hart niet meer aan geven; zij hebben mij lang genoeg in hunne boeien gekluisterd; en integendeel betuig ik, Heere, dat ik ten volle goedkeur en omhels het gansche verbond, zooals Gij het voorstelt, zonder iets te willen uitbe-dingen ; schrijft Gij mij een nauwen weg voor van zelfverloochening, opneming van het kruis, en Jezus na te wandelen, daar heb ik een welbehagen in; ik wensch op geen andere wijze zalig te worden dan dat Gij er door verheerlijkt wordt; wilt Gij dan, o God! die zoo hoog verheven zijt, mijn God en deel worden ? hebt gij lust om mij te behouden ? Amen, zie hier hen ik, ik wil ook voor eeuwig de Uwe zijn; en dat betuig ik niet slechts met mond en lippen, maar met mijn gansche hart; ik draag aan U op ziel en lichaam en al mijne vermogens; dat doe ik wel met diepe nederigheid en ootmoed, omdat Gij de Bonds-God, zoo hoog en heilig zijt, en ik zulk een arm, onwaardig en gering schepsel; maar ik doe

*288

-ocr page 415-

Over de inwilliging in het verbond. 289

het evenwel ook geloovig, met het oog gevestigd op den Heere Jezus en Zijn dierbaar offerbloed, dat de eenige grond is van mijne vrijmoedigheid; ja ik doe het in erkentenis van mijne onmacht; ik weet, zoo ik op mij zeiven stond, of iets in eigen kracht doen moest, dat ik geen oogenblik getrouw zou zijn , maar ik wacht uit het verbond, volgens uwe belofte, alle noodige genade; en daarom, o Drieëenig God, ik neem U aan tot mijn deel en goed, U Heere Jezus, tot mijn Heiland en Zaligmaker, tot mijn Propheet, Priester en Koning, om van U mij te laten leeren leiden en besturen , TJ God, Heilige Geest, tot mijn Raadgever, Wegwijzer en Trooster in alle ongelegenheden ; en dit alles doe ik met een volkomen gewilligheid des harten, want al waren heden al de leden van mijn lichaam, al de haren van mijn hoofd liefdesuitgangen, zij zouden nergens anders dan in U eindigen.

O, ik kan dit maar met woorden voorstellen, maar als die woorden zaken zijn en het vuur des Geestes in de ziel ontstoken is, dan kan het met geen woorden uitgedrukt worden; dan staat de ziel zelfs wel eens verstomd, verwonderd en verlegen, dan smelt ze weg in tranen, en zegt met David: „is dat naar de wet der menschen , wat zal uw knecht wat zal uw dienstmaagd zeggen? gij kent mij Heere, Heerequot;, 2 Sam. VH : 20. Vraagt mij nu iemand in wat voor lichaamsgestalte de ziel deze werkzaamheid het best oefent, daaromtrent kunnen we geen bepaling maken; in het algemeen is het zeker, dat zulk een gestalte het betamelijkst is, die de eerbied en het ontzag voor God het best uitdrukt; we vinden in Gods Woord dat de Godvruchtigen het op allerlei wijze gedaan hebben; toen Israël zoo plechtig met

19

-ocr page 416-

290 Over de inwilliging in het verbond.

God het verbond maakte „stonden zij voor het aangezicht des Heerenquot;, Neh. IX : 2 ; Abraham „viel op zijn aangezichtquot;, Gen. XVII : 17, zich nederbuigende en knielende ; doet de ziel het staande , het kan uitdrukken hare wilsvaardigheid om als een dienstknecht des Heeren geboden te doen; doet ze het knielende, zi] toont hare ootmoedige, nederige, maar ook vrijmoedige gestalte, waardoor ze den genadescepter dien God haar toereikt aanroert, ja dien kust door geloof en liefde.

Ook doet ze het wel sprekende, met hoorbare woorden ; Israël „zwoer met luider stemmequot;, 2 Kron. XV : 14; om hun ernst en welmeenendheid te ver-toonen, soms ook wel eens schrijvende, en „met de hand onderteekenende, ik ben des Heerenquot;, Jes. XLIV : 5 ; waarmede zij het onherroepelijk maakt. Geliik twee door den band des huweliiks zich saam willende vereenigen, onder het huwelijks-contract hun naam zetten, zoo wil de ziel het huweliiks-ver-, bond dat zi] aangaat, gaarne onderteekenen, ja zij doet het wel zwerende, want, zegt de ziel, wil God die zoo onveranderlijk is, Dien ik op Zijn Woord moet gelooven , evenwel om „de onveranderlijkheid van Zijnen raad te bewijzen, met een eed tusschen-beide komenquot;, Hebr. VI : 17 ; dan wil ik ook aan mijnen kant zweren en met eede „bevestigen , dat ik onderhouden zal de rechten van Gods gerechtigheidquot;, Ps. CXIX ; 106; daarom wordt dit verbond-maken uitgedrukt door „den Heere de hand te gevenquot;, 2 Kron. XXX: 8; alsof de Heere aan Zijn kant zeide; zietdaar Mijne kinderen. Ik bied u Mijne hand, neemt ze vrijmoedig aan; de ziel staat wel eerst verbaasd, ze denkt, zou ik mijn bemorste, onreine hand durven brengen in de hand van een heilig God! maar dit geschiedt over het offer van

-ocr page 417-

Over de inwilliging in het verbond.

Christus, wanneer de Geest de allernauwste band van vereeniging door geloof en liefde tusschen God en de ziel maakt, en dat wordt genoemd „het verbond te maken met offerhandequot;, Ps. L : 5.

Heeft nu eene ziel op deze of dergelijke wijze het verbond met God gesloten, het laat dan ook eenig gevoelen in haar na, waaruit zij zich kan verzekeren van de oprechtheid van haar werk; neem eens, zou zij zich dan niet mogen verzekeren, wanneer zij, opstaande van dat statelijk verbondmaken met God, opstaat met meer licht en vrijmoedigheid, dat ze van de oprechtheid van haar werk, hoe langer hoe levendiger overtuigd wordt, wetende dat zij het waarlijk en wèl met God meent; als zij daardoor in zich ondervindt een innig genoegen en hartelijke vreugde in God, die haar opwekt tot dankzegging, verwondering en aanbidding, dat God zoo laag nederkomt om met zulk een wormske Jacobs te willen treden in een verbond; wat haar zoo ootmoedig en klein maakt, dat ze met Abraham uitroept: „wie ben ik, dat ik mij heb onderwonden om met den Heere te spreken, daar ik maar stof en asch ben?quot; Gen. XVIII; 27; ja, wanneer zij opstaande moet zeggen: ik zou niet durven zeggen, dat God zich geheel onbetuigd heeft gelaten; dat Hij mijne ziel niet heeft ontmoet; ik deed het niet slechts met mijn verstand, maar mijn hart iverd er zoo onder aangedaan, dat het alles aan den gang raakte; mij dunkt, de Heere heeft er het zegel opgezet en mij ook doen zien dat Hij mijn God wil zijn; vooral blijkt de oprechtheid van het werk wanneer de lust om voor God te leven, om heilig te zijn , om de zonden te dooden, hoe langer hoe sterker ivordt, waardoor ze ook meer getroost en gemoedigd wordt in den Heere.

291

19*

-ocr page 418-

Over de inwilliging in het verbond.

Evenwel gebeart het ook wel, dat de ziel het met meer schudding en beroering doet, en nauwelijks tot die hoogte durft komen; maar onvrjimoedig van verre staat, hoewel zij het wel meent; doch dat hartelijk, oprecht, geloovig uitgaan naar God, die teedere begeerten, dat welgevallen hebben in Gods weg, die betuigingen: ik wil liever voor de voeten van Jezus sterven, dan tot de wereld wederkeeren, zijn niet anders dan zoovele opdragingen van het hart aan God; maar omdat zij gestadig geschud wordt, houdt ze het daar niet voor; doch wanneer God haar naderhand tot meer licht brengt, doende de donkerheden opklaren en den strijd van de vijanden wat bedaren en zij gaat dan hare vorige werkzaamheden na, dan zegt ze wel eens, zijn dat toestemmingen in het verbond? dan heb ik mij wel duizendmaal aan God opgedragen , ofschoon ik het toen niet geloofde, en dan doet God zulk een wel eens proeven en smaken hoe goed Hij is, en wat het te zeggen is als Hij in het verbond zegt: Ik ben uw God.

Tot zooverre zagen we, op wat wijze een ziel het best zou handelen om met God in het verbond te treden.

Ons tweede stuk dat wij tegenwoordig moesten verhandelen was, ivanneer eene ziel het best dit verhond maken en of zij het maar eens of dikwijls doen moet, en hij wat gelegenheid het dan best te vernieuwen ?

1. Wanneer de ziel dit verbond moet maken; daarvan hebben we reeds iets gezegd, toen we toonden, dat het niet te haastig moest geschieden, noch ook, dat iemand te lang moest dralen; we kunnen hiervan geen bepaling maken; zijt gij aan uzelven recht ontdekt, ziet ge het waardige dat in God en in het verbond is; wekt God uw gemoed wat op, dan is het tijd; haalt dan maar den knoop

292

-ocr page 419-

Over de inwilliging in het verbond.

toe, en brengt u onder den band des verbonds.

2. Vraagt iemand, of de ziel dit maar eens of dikwijls doen moet?

Ik antwoord, het is zeker dat als men eens in waarheid heeft ingewilligd in het verbond, men dan altoos een bondgenoot blijft, want Gods genadegiften en roepingen zijn onberouwelijk; nogthans, om getroost en gemoedigd te leven , moet die keuze niet slechts eens gedaan, maar dikwijls vernieuwd worden, ja het kan niet te dikwijls geschieden.

Menigmaal wordt eene ziel bestreden of haar werk wel waarheid is, maar nergens door kan zij zich meer verzekeren van hare oprechtheid, dan dat ze zegt: Heere, ik ben nog in dezelfde gezindheid, en al was het nog nooit waarheid geweest, ik wil het dan nu nog doen; daar is geen gereeder weg om den vijand af te keeren als zoo te handelen ; ook komen er menigmaal zonden tusschenbeiden, de ziel wordt ontrouw; de vrijmoedigheid wordt daardoor belemmerd; daar is niets beter om dat te herstellen dan weder opnieuw zich aan God te verbinden.

Ja als we eens zien hoe de Heere aan Zijn kant handelt, dan worden wij geleerd wat wij doen moeten ; Hij maakte het genadeverbond met de geloovige aartsvaders menigmaal; eerst met Adam, toen met Noach, voor en na den zondvloed; Hij maakte het menigmaal met Abraham, daarna met Izaak en Jacob, met David en andere heiligen, en \'t was altoos /jeteeZ/üe verbond; wel, waarom denkt ge heeft God dat zoo dikwijls vernieuwd ? anders dan om te toonen, dat het Hem ernst was , dat Hij het met den zondaar meende, en om alle ongeloof en twijfeling in hem te benemen, als wilde Hij zeggen: Ik richt Mijn verbond niet alleen op met die en die, maar ook met

293

-ocr page 420-

294 Over de inwilliging in het verbond.

u in \'t bijzonder; wil nu God, die zoo onveranderlijk is, en het maar ééns behoefde te doen, evenwel, om Ziin ernst en trouw te toonen en al het ongeloof van Zijn volk weg te nemen, het zoo menigmaal herhalen; wel, waarom zullen wij, ontrouwe, zondige en tot afdwalingen geneigde menschen, ons eens gemaakte verbond niet gedurig vernieuwen om onze trouw te verzegelen aan den Heere ?

3. Bij wat gelegenheid zou dan een bondgenoot dit verbond het best vernieuwen?

A. Volk van God, dit kan niet te dikwijls geschieden , al deedt ge het dagelijks, ja al deedt gij het in elk gebed, om u gedurig zoo in Gods schoot als een bondeling neder te leggen en te zeggen: Heere ik wil de Uwe zijn, ik zoek, ik omhels t , ik verkies U tot mijn deel, ik draag mijne liefde aan U op.

B. Het moet ook dan geschieden, als het licht van Gods genade wat helder in de ziel straalt; als God het gemoed eens verlevendigt en opwekt, het zij in de eenzaamheid, het zij onder de bediening; o, die gelegenheid moet gij niet laten voorbijgaan ! dan is het weder tijd om den Heere de hand te geven en u aan Hem te verbinden ; dat maakt zulk een vast en gezet Christendom, dat zou u leeren door het geloof te leven; want als God Zijn gevoelige genade weer eens inhield, en gij in de duisternis wandeldet, dan zoudt ge uzelven daardoor kunnen opbeuren en zeggen: toen en toen, bij die gelegenheid heb ik weder mijn hart aan God gegeven en ik meende het oprecht, en daar houd ik het bij.

C. Vooral moet dit geschieden in plechtige tijden ; hetzij bij gelegenheid van het Avondmaal of bededagen ; dan wordt men geroepen tot zelfonderzoek, tot het nagaan van zijne wegen, in welk onderzoek

-ocr page 421-

Over de inwilliging in het verbond.

men veel trouweloosheden ontdekken zal; was is er nu beter, dan met belijdenis en schaamte weder te keeren tot den Heere, en opnieuw Hem trouw te zweren? we vinden ook in Gods Woord, dat de heiligen dit gedaan hebben bij gelegenheid van plechtige bededagen.

D. Het is dan de tijd, als God iemand, tot hooge en zware posten roept, of tot verandering van staat in de wereld, waarbij dikwijls veel genade noodig is om aan God getrouw te blijven; neem eens, iemand zal zich bereiden tot het leer aar samht of regent worden, of het een of ander ambt bekleeden, óf hij wil zich in het huwelijk begeven; niemand moest daartoe komen zonder alvorens plechtig aan den Heere te betuigen: Heere, ik doe het niet om eenig nadeel toe te brengen aan het trouwverbond, dat ik met U gemaakt heb; en om dat te toonen, wil ik mij te voren opnieuw aan Uwen dienst verbinden; en ofschoon ik dat ambt bekleeden zal of tot dien staat zal overgaan, wensch ik evenwel van U, mijn Verbonds-God, niet trouweloos af te gaan, maar U te blijven aankleven.

E. Het verbond moet vernieuwd worden wanneer een bondgenoot naar Gods aanbiddelijke toelating, gevallen is in zware en merkelijke zonden; o dan is het tijd om, al was het een geheelen dag, tot vasten en bidden af te zonderen ; toen David in die zware zonden gevallen was, en daardoor de vreugde van Gods heil verloren had, heeft hij ze niet weder gevonden dan door de belijdenis van zonden en het ernstig zoeken van Gods aangezicht, en ik geloof, ook door vernieuwde opdracht van zich zeiven aan den Heere , Ps. LI. Dan is het tijd om met schaamte

1 weder te keeren, om belijdenis te doen. om tot

295

-ocr page 422-

Over de inwilliging in het verbond.

Jezus\' bloed toevlucht te nemen en opnieuw aan den Heere trouw te zweren.

F. In bijzondere ongevallen , als God een weg van tegenheden met den mensch ingaat of in zware ziekten, ja in de ure des doods, dan is het de tijd om het hart aan God op te dragen en te betuigen: het gaat hoe het gaat, ik blijf het bij God houden; en alhoewel mijn huis niet altijd zoo geweest is bij God als het mij betaamde, evenwel heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld, dat in alles zoo tv el geordineerd en bewaard is, een verbond dat ik zoo menigmaal heb toegestemd, „voorzeker, daarin is nog al mijn heil en lustquot;, 2 Sam. XXIII : 5.

Het derde stuk dat we zeiden te zullen verhandelen was, om de middelen aan te wijzen die 9en bondgenoot heeft te gebruiken om zijne vrijmoedigheid levendig te houden; of wanneer die belemmerd is, hoe die icederom hersteld kan worden.

1. Om de vrijmoedigheid des geloofs te bewaren , heeft een bondgenoot deze plichten te betrachten:

A. Zoekt de uitgangen uwer liefde naar God en Christus gedurig levendig te houden in hartelijke begeerten , hoogachting en liefdesbetuigingen, dikwijls zeggende: Heere! ik zal U hartelijk lief hebben; nergens wordt de Heere Jezus meer mede ingenomen, dan met de liefde van Zijn volk, dan zegt Hij wel eens „gij hebt Mij het hart genomen met eene van uwe oogen, ja wend uwe oogen van Mij af, want zij doen Mij geweld aanquot;, Hoogl. VI : 7 ; „Mijn lust is aan uquot;, gelijk in het natuurlijke zelfs liefde liefdeswetsteen is, zoo belooft de Heere Jezus : „die Mij lief heeft. Mijn Vader zal Hem lief hebben, en wij zullen tot Hem komen en woning bij Hem makenquot;, Joh. XIV : 23 ; en „Ik heb lief die Mij lief hebbenquot;,

296

-ocr page 423-

Over de inwilliging in het verbond.

Spreuk. VIII: 17 ; zijn er nu zoo vele en groote beloften gedaan aan die den Heere lief hebben, wat is er dan beter dan die oefening van liefde, om de vriendschap met God te bewaren? gelijk er niets is wat het genoegen volmaakt in een huwelijk dan eene wederzijdsche liefdesoefening, zoo is er ook niets, dat den band tusschen God en de ziel vaster maakt en de vrijmoedigheid onbelemmerder , dan wanneer de liefde van de ziel gedurig als rookpilaren naar boven stijgt, dan stort God wel weder eens het vuur van de liefde neder in het hart , waardoor Hij haar liefde beantwoordt.

Om nu deze liefde zóó te oefenen , dat het Gods liefde wederom uitlokke, spreekt het van zelf, dat het eene zuivere en ongedeelde liefde moet zijn, daar geen schepsel- of eigenliefde tusschenbeide komt; want God is een jaloersch God, Hij wil het geheele hart hebben.

B. Daartoe is noodig: zich veel aan God te gewennen\', Job XXII : 21, „gewent u toch aan Hem, en hebt vrede.quot;

Gewennen, door veel aan God en Zijne volmaaktheden, vooral Zijn verbondsdeugden, met het verstand te denken; zich te gewennen aan Hem, door een gemeenzaam verkeer en omgang, door oefening van geloof, door vurige gebeden, door vrijmoedig raad vragen; ja gewennen door veel van God tot anderen te spreken, dat is eigenlijk het wandelen met God, wat van Noach getuigd wordt, Gen. VI: 9 , als met zijnen Vriend en Leidsman.

Zóó wandelen, dat men God gedurig tot een voorbeeld stelt om Hem na te volgen, en dan maakt de Heere ook Zijne verborgenheden aan de ziele bekend als zij hare nooden in Gods schoot uitstort; de Heere

297

-ocr page 424-

•298 Over de inwilliging in het verbond.

wil ze dan vervullen; ja de ziel gewent zioh aan God door vele godvruchtige alleenspraken te houden, en door den Heere te loven met Psalmen en lofzangen.

C. Om de vrijmoedigheid als een bondgenoot te bewaren wordt vereischt: een wonderlijken ernst en ieedere gezetheid, om zeer godvruchtig, heilig en voorzichtig te wandelen, zoowel omtrent den Ver-bonds-God als omtrent den naasten; want als iemand slordig wordt in zijnen wandel, niet nauw let op zich zeiven , veel zonden tusschenbeiden laat komen ; omtrent den naaste onvoorzichtig en liefdeloos zich gedraagt, dan komt er eene verwijdering tusschen hem en den Heere; dan wandelt\'God wel eens in tegenheid , dan verbergt Hij Zijn aangezicht, dan is de toegang tot den troon gesloten ; dan wandelt de ziele in het duister, en God leert de ziel hierdoor hoe Hij, die zoo onbevlekt zuiver en heilig is, ook op eene heilige wijze wil gediend worden; want dat het kwaad en bitter is tegen Hem te zondigen.

D. Doch hoe teeder iemand zich ook wenscht te gedragen, het is nogthans zeker, dat hij een mensch en een zondig mensch is, en dat er gedurige afwijkingen en struikelingen tusschenbeide komen; om dan evenwel in die vrijmoedigheid te blijven , is het zeer noodig, dat men geen zonden onverzoend late liggen, zonder die te belijden, op te staan en weder te keeren tot den Heere, om verzoening te zoeken; hier geldt het zeggen van Johannes, 1 Joh. II : 1, „kin-derkens, ik schrijve u deze dingen, opdat gij niet zondigt, en zoo gij gezondigd hebt, wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus den rechtvaardige , die een verzoening is geworden voor onze zonden.quot; Wanneer wij aanstonds nadat we gevallen zijn weder opstaan en boetvaardig tot den Heere

-ocr page 425-

Over de inwilliging in het verbond. 299

wederkeeren, met het oog des geloofs gevestigd op Jezus bloed; dan heeft de Heere een welgevallen in ons; dan zal Hij geen stremming laten komen, maar de ziel weder aannemen; \'t is eveneens als bij een kind, dat een misdaad begaan heeft, zoo het aanstonds tot den vader gaat en leedwezen betoont, zal een rechtgeaard vader het vergeven en het weder omhelzen ; maar als het kind halstarrig is en geenzins belijden wil, ja geheele dagen heengaat zonder aandoening, dan komt er een stremming in vaders liefde om die in te houden, ofschoon de betrekking van vader en kind altijd blijft; evenzoo handelt God, als een vader met zijne kinderen; is het hart gevoelig en teeder over de zonden, kan het niet rusten voor dat het wederkeert en belijdenis doet, dan zegt God, „gelijk zich een vader ontfermt over zijne kinderen, zoo ontferm Ik Mij over die Mij vreezen; Ik weet, wat maaksel zij zijn, en ben gedachtig dat zij maar stof zijnquot;, Ps. CIII : 13, 14, maar kan men in het afwijken van God zoo blijven voortgaan, dan heeft men lang werk eer die klove weder geheeld is.

E. Om zijne vrijmoedigheid als een bondgenoot te bewaren, is er niets nuttiger dan eene gedurige en dagelijksche vernieuwing van het verbond, waarvan wij reeds te voren spraken.

Vraagt mij iemand: moet ik dan alle dagen zoo statelijk en plechtig met God het verbond oprichten? ik antwoord, het behoeft juist zoo statelijk en uitgebreid niet te geschieden, maar gij moest een gebed in het eenzame voor God uitstorten, met deze ernstige betuiging: Heere, ik wil evenwel de Uwe zijn, ik houd het met U , met Uw zaak en volk , laat ik maar aan U getrouw zijn.

F. Vooral past het een bondgenoot, uit aanmer-

-ocr page 426-

Over de inwilliging in het verbond.

king van Gods hoogheid en verhevene majesteit, en zijn eigen nietigheid en geringheid, met een heilig ontzag, diepe nederigheid en eerbied voor God te wandelen; er is niets dat aangenamer is in de oogen Gods en dat Zijne liefde meer uitlokt om de goederen des verbonds in ruime mate mede te deelen ; want den nederigen geeft Hij genade, en niets is walgelijker in Zijne oogen dan hoogmoed en verheffing des harten; daarom moest ook „Hiskia zich vernederen over de verheffing van zijn hartquot;, 2 Kron. XXXII : 6.

Wanneer eens een koning, die vele onderdanen heeft, op een van zijne hovelingen het oog liet vallen en dien voor zijne gunsteling en gemeenzaamsten vriend wilde houden, dien hij met vele eerambten en rijkdommen begiftigde, dan zou zulk een hoveling, wilde hij in \'s konings gunst blijven, zich den koning niet gelijk moeten maken en temeer nederig trachten te blijven? dewijl hij dan nog steeds meer liefdesbewijzen ontvangen zal. O, heeft God , die groote Koning , Zijn oog van liefde laten nedervallen op arme en geringe schepselen, hoe past het dan niet te waken tegen alle verheffing van het hart, en ootmoedig te zijn; om langs dien weg nog meer van Gods liefde te ondervinden.

2. Maar gelijk er zooveel noodig is om de vrijmoedigheid te bewaren, zoo gebeurt het echter, ofschoon het verbond onveranderlijk blijft, dat de vrede en rust wel eens gestremd wordt; de God des Verbonds verbergt wel eens Zijn aangezicht, Hij houdt de blijken van Zijne liefde wel eens in, opdat men klagende uitroepe: Heere, waarom verbergt Gij Uw aangezicht voor mij! en dit kan verscheiden oorzaken hebben , of aan de zijde van den Bonds-God, of aan de zijde Zijner bondgenooten.

300

-ocr page 427-

Over de inwilliging in het vel\'bond.

A. Aan de zijde Gods, doet het de Heere;

a. Om te tooneu, dat Hij een zeer vrij Heer is, en de opperste en souvereine uitdeeler van Zijne goederen; want men moet niet denken, dat er altijd redenen aan de zijde der geloovigen zijn; neen, God zegt zelf van Job, dat Hij hem zonder oorzaak verdrukt heeft, Job II : 3; dat is, dat er in hem niets was boven anderen noch bijzondere zonden, waarom hij in zulk een beproevingsweg gebracht werd.

b. Om de genaden op de proef te hrewjen, en werkzaam te maken; dan wordt wel eens het geloof sterker, de liefde brandender, het aanhoudend worstelen hartelijker en de zelfverloochening meer beproefd.

c. De Heere doet het, opdat Hij dus de aarde van den hemel zou onderscheiden; hier zijn de dierbaarste bevindingen aan verandering onderworpen, maar hier boven zal het zijn verzadiging van vreugde en eeuwige blijdschap.

cl. Opdat de God des Verbonds alzoo de zoetigheid van Zijne genade te dierbaarder zou maken aan de ziel, die, wanneer ze gesmaakt wordt na een uitgedronken beker van bitterheid , zooveel te aangenamer is.

e. Opdat Hij betoonen zou de uitnemendheid van Zijne kracht en goedheid, wanneer Hij die ziel, die door zoovele benauwdheden geprangd is, niettemin bij het geestelijk leven bewaart, haar wederbrengt tot hare vorige sterkte, en doet zegepralen over den satan ; dat is een verslagen geest opheffen, hetgeen de krachten van een menseh te boven gaat.

B. De redenen van deze handelwijze van God aan de zijde der geloovigen, hebben haar opzicht of op het voorledene, of op het toekomende.

301

-ocr page 428-

302 Over de inwilliging in het verbond.

Wat het voorledene aangaat, God houdt de stralen van Zijne gunst in:

a. als Ziine gunstgenooten zware misdaden begaan hebben, dan ligt er Zijne heiligheid aangelegen dat zij de roeden van Zijn Vaderlijk ongenoegen gewaar worden en dat zij Hem zoo gemeenzaam niet mogen genieten; dan toont God dat Hij geene gemeenschap kan hebben met de zonden ; dit moest David ondervinden die een man naar Gods harte icas, hij „miste de vreugde van Gods heilquot;, Ps. LI : 14.

h. Als zij de goedheid Gods misbruikende, min eerbiediglijk Zijne Majesteit behandelen, en de zalige bevinding van Zijne liefde en genade door traagheid en slaperigheid is bejegend, en de bondgenooten achteloos beginnen te worden, gelijk de bruid, die op het bed van zorgeloosheid was neergezegen, en haren kloppend,en bruidegom liet buiten staan , die daarna moest ondervinden „dat Hij van haar geweken wasquot;, Hoogl. V : 2—7.

c. Als hun bekropen heeft een vleeschelijk vertrou-iven, een lichtvaardige roem, en steunen op eigen kracht, zeggende met Petrus: „Ik zal U niet verloochenen , al deden het anderenquot;, Matth. XXVI: 33.

d. Wanneer een geestelijke hoogmoed op gaven en bekwaamheden in de bondgenooten bespeurd wordt, daar toont de Heer doorgaans zijn ongenoegen over, want „Hij wederstaat den hoovaardigenquot;, 1 Petr. V : 5.

e. Als zij niet genoeg verloochend en gespeend zijn aan de dingen van de aarde; men ziet dikwijls dat vele van Gods kinderen , als God hen eerst tot Zijne gemeenschap brengt, de dingen van de aarde heel gering achten, hun hart is er zoo los van; maar zijn ze wat lang op den weg geweest, komen ze in

-ocr page 429-

Over de inwilliging in het verbond.

omstandigheden dan worden zij der wereld meer gelijkvormig , daarover moeten zij Gods ongenoegen ondervinden ; dan zegt Jezus : „Ik heb tegen u, dat gij uwe eerste liefde hebt verlatenquot;, Openamp;. 11:4.

C. Dit zijn de redenen, die God heeft ten opzichte van het voorledene; maar daar zijn er ook voor het toekomende, want de Heere doet het

a. opdat Hij hun geloof beproeve , waardoor zij, hoewel niet ziende en smakende door gevoel, moeten gelooven op Gods getuigenis dat de Heere goodertieren is, en zoo toonen dat zij Hem lief hebben om Zijn zelfs wil.

b. Opdat God in hun verwekke een ijver in den gehede , die dikwijls verflauwd is ; dan zeggen ze met Heman wel eens „o Heere, God mijns heils, hij dag en bij nacht roep ik voor Uquot;, I\'s. LXXXVIII : 2. Toen de kloppende bruidegom van de bruid was weggegaan, moest zij „Hem in de wijken en straten gaan zoekenquot;, Hoogl. V ; 6 , 7.

c. Opdat Hij hen leere de ware wijsheid; want de handelingen Gods werken een uitnemend verstand in de ziel om de wegen Gods , die Hij met Zijn volk houdt, te leer en verstaan.

d. Eindelijk, opdat Zijne bondgenooten naderhand als God het licht van Zijn aangezicht weder verheft, zorgvuldiger Zijne gunst zouden bewaren; die gezegende uitwerking had het in de bruid, toen zij haren liefste gevonden had; „zij hield Hem vast en liet Hem niet gaanquot;, Hoogl. III : 4.

3. Maar als nu de vriendschap met God zoo gestoord is, en de Heere verbergt Zijn aangezicht, wat moet dan de ziele doen om de vrijmoedigheid weder te herstellen ?

A. Dan moet de ziel zorgvuldig nazoeken, wat de

303

-ocr page 430-

Over de inwilliging in het verbond.

oorzaak van deze verwijdering is, of zij God aan hare zijde reden gegeven heeft, en met Job zeggen; „o Heere, doe mij weten waarom Gij met mij twistquot;, Job X ; 2.

B. De reden gevonden hebbende, past het haar met schaamte en belijdenis, met diepen ootmoed tot den Heere weder te keer en en met David te zeggen: „ik heb gezondigd, ja ik heb zeer zottelijk gehandeldquot;, 2 Sam. XXIV : 10.

C. Dan met gedurige gebeden bij den genadetroon aan te honden, dat God haar toch als een bondgenoot behandele , dat Zijn vrijmoedige Geest haar onder steune, zeggende met David „ik heb gedwaald als een verloren schaap , zoek uwen knecht, want uwe geboden heb ik niet vergeten!quot; Ps. CXIX : 176.

D. Dan is het tijd om plechteJijk en statelijk het verhond met God te vernieuwen en te betuigen, dat men het met God wil houden , want niet eer keert de ziel weder tot hare rust.

E. Zij moet met stille lijdzaamheid verwachten den tijd, dat God haar wederom genadig zij, zonder nalating van haren plicht omtrent den Heere, of zonder Hem paal of perk te stellen.

Het vierde stuk dat we nu nog moeten zien, was, om eenige zwarigheden, die zich in het gemoed van sommigen zouden opdoen tegen deze en de vorige verhandeling, op te lossen en weg te nemen.

1. Vraagt wellicht iemand, wat onderscheid is er tusschen een verstandige inwilliging in het verbond en tusschen eene hartelijke en bevindende? want ik heb gehoord, dat het moet zijn een verstandige werkzaamheid, en het bekommert mij menigmaal of het niet maar is met het verstand, of dat het ook is met het geheele hart.

304

-ocr page 431-

Over de inwilliging in het verbond.

Zeker, dit is eene vraag, die van belang is, en met veel voorzichtigheid moet worden beantwoord , opdat het voor nabrj-Christenen niet zij een grond van zorgeloosheid ; want iemand , levende onder de aanbieding van genade en zaligheid, die niet geheel afkeerig is van het goede, beschaafd en ordenteliik in den wandel, ja nog wel eens overtuigd en bekommerd , die zou, al die stukken hoorende, ook wel eens zeggen: wie zou daar geen lust in hebben? ik hang er mijn zegel aan; ik wil ook wel het verbond toestemmen; ja het gaat wel zoover, dat hij zich wjis-maakt, dat bi] het gedaan heeft, omdat hij het met het verstand heeft beschouwd; en nogthans deed hij het niet in waarheid; want zijn hart was nog niet ontdaan van de liefde tot de zonde\', hij was nooit recht aan zich zeiven ontdekt; hij is nooit van zijn eigen grond afgedreven, dat blijkt omdat de wandel in het vervolg weder aardsch en natuurlijk is, dus deed hij nooit anders dan dat hij met het verstand alle deelen van het verbond beschouwde; hij stemde het verstandig toe; maar daar bleef het besloten, verder kwam het niet, hij zag het alles maar als in zijne oppervlakte; zulk een kan spreken van de wezenlijke waarheden, maar zonder de minste aandoening.

Doch geheel anders is het met Gods kinderen, die in waarheid met hun gansche hart het verbond hebben ingewilligd; zij hebben het ook wel met het verstand beschouwd; doch met een ander oog, bij het licht van Gods Geest; zij drongen door tot de kracht van die waarheden\', ja zij zullen moeten zeggen, ik weet wel onderscheid te maken, wanneer ik doodig en dor of wanneer ik hartelijk en opgewekt was; ik ben menigmaal onder den godsdienst en onder een ernstig 1 voorstel geweest, maar had geene andere aandoening

20

305

-ocr page 432-

Over de inwilliging in het verbond.

dan dat het de toestemming van miin verstand had; maar ik ben er ook wel geweest, dat myn hart zoo levendig, zoo opgewekt en werkzaam was, dat ik als in het volle licht van de waarheden werd gesteld ; ja mijn hart ging in zooveel liefde daar naar uit, dat het geheel overgehaald werd tot God en Christus, zoodat iii met mijn gansche hart mocht zeggen: weg wereld, zonde en satan, ik zeg u voor eeuwig den dienst op, het is mii om God en Jezus te doen, die kies ik hartelijk, vrijwillig, geheel, alleen en standvastig ! en dat is er het bewijs van: ik voel hoe langer hoe meer lust om voor God te leven, en om mij als een bondgenoot te gedragen! Ja maar, zegt een bekommerde ziel, daar hapert het mij aan; zag ik dat mijn wandel eenigzins was gelijk het een bondgenoot betaamt, mij dunkt, ik zou nog iets goeds over mij durven besluiten , maar die is zoo zondig en verkeerd; ik moet met zoovele verdorvenheden worstelen , dat het al mijne vrijmoedigheid wegneemt.

Tot u moet ik zeggen, dat gij uwen staat niet moet opmaken uit uwen wandel; want dan zal er altijd stof van klacht zijn; maar laat ik u eens vragen: is het u niet tot smart, dat gij nog zoo zondig zijt? kunt gij niet betuigen, och dat zou al mijn lust en blijdschap zijn, als ik maar waardiger voor God mocht leven, mochten de zonden maar meer in mij gedood worden, mocht ik maar meer beantwoorden aan de genade,- en kracht van doorbrekende genade bezitten! dat is immers een blijk van uwe oprechtheid, omdat gij de waarheid wenscht te betrachten in de liefde.

2. Nog zal iemand vragen, waar komt het van daan, dat, toen ik eerst ondernam het verbond met God te maken, of daarna als ik het eens vernieuwde, het zoo hartelijk, zoo geloovig, met zooveel aandoening

306

-ocr page 433-

Over de inwilliging in het verbond.

deed en het mij zoo Maai\' en levendig was, dat ik dacht, ik zou nooit weer geschud worden; en naderhand is het mij zoo duister geworden , dat ik niet gelooven durf, dat het oprecht is?

Maar, kinderen Gods, om u hierin te bemoedigen, moet ik zeggen, dat gij al uwe werkzaamheden moet beschouwen bij het licht van Gods Geest om daarvan te oordeelen of het waarheid is; nu gebeurt het dat God Zijn licht wel eens inhoudt, dat er duisternis in de ziel komt; en dat komt somtijds door den weg van zonden en een slordig gedrag omtrent den God des Verbonds; wat wel zoo ver gnat, dat, in plaats dat de ziel tot hare opbeuring zou gedenken aan de dagen van ouds, zij zich die niet dan met beroering en schudding kan te binnen brengen.

Vraagt pe dan, als ik nu zoo duister ben, mag ik dan mijn vorig werk mij niet te binnen brengen , tot een grond om er mijn voet op neder te zetten?

Dit kan somtiids kwaad en somtijds goed zijn; het is dan kwaad als het u zorgeloos en min ernstig zou maken in uwen wandel, denkende, het gaat hoe het gaat, ik weet, wat tusschen God en mijn ziel is omgegaan , dat ik mij aan Hem opgedragen heb, en al ben ik ontrouw. God is getrouw; het verbond is onveranderlijk; en ondertusschen is men ijverloos en flauw in het werk des Heeren; het is wel waar, God is getrouw, maar waar is uw ijver en ernst ? waar is uwe hartelijke liefde? zoo gij die niet ondervindt is het bouwen op uw vorig werk niet goed.

Maar dan kan het nuttig zijn :

A. Als het dient om de ziel tot verootmoediging en schaamte te bewerken; als zij eens in stilheid zich voor den Heere stelt, en Hem afvraagt: heb ik mij toen niet aan U verbonden en opgedragen tot Uwen dienst?

20\'

307

-ocr page 434-

Over de inwilliging in het verbond.

en de Heere wel eens antwoordt: „ja Ik heb u liefgehad met eene eeuwige liefdequot;, Ik heb u aangenomen in Mijn verbond; maar is dat nu een wandel, die aan Müne liefde beantwoordt ? is dat volgens den eisch des verbonds en naar uwe betuiging in uwen eersten overgang ? o, dan zou het de ziel, als zij afgedwaald is, tot veel ootmoedigheid brengen.

B. Het is ook nuttig om het hart te bemoedigen en op te beuren, als de Heere Zijn aangezicht verbergt ; om dan terug te zien en zich te binnen te brengen die werkzaamheden, die zoo hartelijk en levendig waren; als de ziel dan zich daarmede troosten kan en zeggen, dat kon immers de natuur niet in mij verwekken? de Heere is getuige van mijn worstelen, bidden, aankleven en opdragen van mii zeiven aan Hem.

C. Vooral is het dan nuttig, wanneer de herinnering van het vorig werk dient voor de ziel, niettegenstaande God Zijn aangezicht verbergt, om ze op te wekken tot teederder wandel in heiligmaking, dat zij voor den Heere betuigen kan: ofschoon Gij mij nu niet vertroost, heb ik evenwel lust om heilig te zijn; ik weet wat verplichting er op mij ligt en daaraan wensch ik te beantwoorden.

3. Nog zegt een ander, ja ik zou niet durven ontkennen , dat ik mij niet hartelijk aan mijne zijde aan God heb overgegeven en amen gezegd op het gan-sche verbond; maar ik ben evenwel bekommerd of mijn werk wel waarheid is; omdat God het nog nooit aan Zijne zijde beantwoord heeft; ik heb nog nooit eens gesmaakt en geproefd hoe goed dat God is, gelijk anderen van Gods kinderen het ondervinden; mij dunkt, zoo het waarheid was, dan zou de Heere mij ook wei eens in liefde omhelzen.

308

-ocr page 435-

Over de inwilliging in het verbond.

A. Tot uwe bemoediging moet ik zeggen, al is het dat God zich zoo gevoelig niet aan u ontdekt, laat u dat niet èeroere»; want is het niet reeds eene groote genade van God, dat Hij zooveel licht in uwe ziel geeft, dat gij dat genadig oordeel kunt vellen over u, dat gij in oprechtheid u aan Hem hebt opgedragen en bewust zijt van uw geloovig uitgaan.

Men heeft dikwijls al te groote gedachten van de ontmoetingen Gods aan de ziel, men verbeeldt zich dat God van den hemel, als met eeue hoorbare stem riep: uwe zonden zijn u vergeven; Ik ben uw God! \'t is waar. God doet het wel eens, maar dat is niet algemeen ; gij hebt misschien ook al eens geproefd en gesmaakt, dat de. Heere goedertieren is; ofschoon gij het daar niet voor houdt; als gij u eens eene mindere mate van genade en gevoelige bevinding voorsteldet, gij zoudt er dan mogelijk zoo vreecod niet van zijn; neemt eens ;

Als gij eens met ootmoedigheid, boetvaardig en nederig, als een worm voor den troon kondet liggen worstelen om genade, en wegsmelten in tranen wegens het gezicht en gevoel van uwe zonden , smaakten u die tranen niet? of als ge Jezus in Zijne dierbaarheid , beminnelijkheid, algenoegzaamheid en noodzakelijkheid onder het oog kreegt, dat gij moest uitroepen: Gij zijt veel schooner dan de menschen kinderen, genade is uitgestort op Uwe lippen? en dat gij tranen van liefde, van begeerte en verlangen kondet uitstorten , smaakten u die tranen niet ?

Ja, als ge zoo worstelende voor den troon laagt en God u nu en dan eens een proefje en druppeltje van vertroosting gaf; als Hij u Zijn genade-scepter toereikte en gij dien, al was het bevende, aanroerdet, zoodat gij door een verborgene kracht getroost, ge-

309

-ocr page 436-

Over de inwilliging in het verbond.

sterkt en opgebeurd vverdt, smaakten u die ontmoetingen Gods niets?

Al hadt gij dan nooit iets anders ondervonden, houdt evenwel uwen staat vast; wij worden niet behouden omdat wij van de genade verzekerd zijn, maar om de waarheid van dezelve.

Zoo zagen we, volgens ons bestek , wat er al behoort tot de inwilliging in het verbond, met de zwarigheden die daaromtrent in het gemoed van Gods volk komen oprijzen.

Dat deze stof nu recht geschikt is tot voorbereiding voor het Avondmaal des Heer en, zal elk mij moeten toestemmen; want zoo het ooit te pas komt om met God in een verbond te treden, het is dan; want wat is er betamelijker dan dat wij, naderende tot het heiligdom , den Heere de hand geven\'? o volk van God, dit kan tot uwe opwekking zijn om eens weder opnieuw verstandig, hartelijk, geloovig en innig met God te handelen , en aan de andere zijde dient het ook tot beproeving en onderzoeking van alle natuurlijke menschen, die, zoolang zij hier geen lust toe hebben, ook geen recht hebben tot den verbonds-maaltijd; want die geen deel heeft aan het verbond, mag ook de bondszegels niet ontvangen.

Maar laat ik nog nader een woord spreken ten nutte van een ieder.

Hier heb ik een woord tot beschaming van u, onkundige en zorgelooze menschen, die u niet eens laat gelegen liggen om het verbond, zelfs in de letter maar, te kennen; wat zoudt gij er dan deel aan hebben! Och wat handelt gij dwaas en zottelijk met uzelven! zoudt gij het niet voor dwaasheid en eene onverschoonlijke zorgeloosheid achten, als eens aan een mensch by testament vele goederen gemaakt

310

-ocr page 437-

Over de inwilliging in het verbond. 311

waren, en hij liet er zich niet eens aan gelegen liggen om te weten wat het testament inhield, en of hij de goederen krijgen kon? maar arme, dwaze en zorge-looze zondaar, gij doet nog veel erger; de God van den hemel laat u een testament vol heerlijke en zalige goederen aanbieden; en gij hebt nog nooit zooveel gedaan om te vragen: staat er mijn naam in ? of wordt die aanbieding ook aan mij gedaan? en o/i ivat wijze krijg ik er deel aan? en zoo gaat gij zorgeloos henen buiten God en buiten het verbond; o, zullen dan al die dure betuigingen Gods geen ingang bij u maken, en niet anders zijn als een zaad, dat bij den weg bezaaid wordt!

Maar alle menschen zij zoo onwetend niet, daar zijn er die méér kennis van de waarheden hebben, en zich daarom inbeelden, dat zij de zaak zelve bezitten, en dezulken zijn moeilijker aan zich zeiven te ontdekken; maar weet dit, zondaars , wij zijn allen van nature buiten het verbond; zoo komen we in de wereld, zoo leven we en moeten we sterven, indien er niet eene wezenlijke verandering tusschenbeide komt; daar is buiten den weg des verbonds geen behoudenis of zaligheid; blijft gij zoo, gij gaat zeker eeuwig verloren; ach mijne toehoorders, wereldlingen, uiterlijke belijders en avondmaalgangers, wie gij moogt wezen, ik bid u legt dit eens op uw hart! God laat zich niet bespotten; Hij stelt Zijn verbond voor; Hij biedt het u aan, Hij laat u zoo vriendelijk noodigen! zult gij nu nog de aanbieding Gods versmaden en weigeren tot Hem te komen? zal God u Zijn Zoon in Zijn volle algenoegzaamheid laten voorstellen en zult gij zeggen, ik heb er geen lust in ? o wat onbezonnen dwaasheid!

Ja maar, zegt een tijdgeloovige, ik weiger niet;

-ocr page 438-

Over de inwilliging in het verbond.

312

ik heb het verbond reeds dikwijls verstandig beschouwd ; ik weet dat daar alleen mijn heil in is, en daarom, ik stem het ook toe; want wie zou geen lust hebben om zalig te worden? maar ik bid u, och sta eens stil en laat ik u dit eens afvragen; gij zegt ik stem het verbond toe, maar hebt gij u nog wel ooit eens in het eenzame met bedaardheid als in Gods tegenwoordigheid nedergezet, en zoowel den eisch die God doet, als de beloften u voorgesteld? en als gij dat hadt overdacht, hebt gij u toen op uwe knieën voor God nedergelegd, en God en uwe conscientie tot getuige durven aanroepen, dat gij voornemens waart om op dat oogenblik over te gaan in het verbond, om den Heere hartelijk en vrijwillig, geheel en voor altijd, met opzegging van den dienst van de wereld en satan, tot uw deel te verkiezen? of zijt ge wel overtuigd geweest van de betamelijkheid , en hebt ge evenwel met de eene hand het verbond omhelsd, en met de andere gegrepen naar de ivereld en de zonden, waaraan uw hart nog vast was? o, dat is een blijk, dat het nog nooit in waarheid is geweest; dat is behalve God nog andere goden nahoereeren; ik bid u, laat ik u nu nog opwekken tot een oprechte omhelzing van het gansche verbondj; het is nog tijd, God laat u nog noodigen, ook heden op dit oogenblik: daar is weder een verbondsdag voorhanden; komt, deedt ge het nog nooit oprecht, doet het nu; de Heere meent het zoo harteli]k met u; ik roep u in Zijn naam toe: „kiest u heden wien gij dienen wilt!quot; daar moet een keuze gedaan worden, „is het de Heere God, zoo dient Hem; en is het Baal, dient hem; gij moet niet ten halve blijven staan, gij kunt geen twee tegenstrijdige heeren dienen; die hier niet met God is, die is tegen Hem; die niet

-ocr page 439-

Over de inwilliging in het verbond.

vergadert, die verstrooit; gij moet de wereld een scheidbrief geven. Maar hiermede wil ik niet zeggen, als gij God verkiest, dat er dan geen vijanden zullen zijn; och ja, wellicht nooit meer dan wanneer gij zult staan om die keuze te deen ; maar dan zal het een blijk zijn, dat gij het met God meent, en dat gij Gods vijanden voor uwe vijanden verklaart.

Wilt gij nu nog bedriegelijk met God blijven handelen; niettegenstaande zoovele vermaningen en opwekkingen ? dan moet ik u zeggen, zondaars, dat niemand, al was het een engel uit den hemel, in staat is uit te drukken hoe verschrikkelijk en vreese-lijk het voor u zal vallen, als gij eens voor God zult verschijnen! gij moogt het avondmaal gebruiken, maar het zal u tot een oordeel zijn ; gij moogt het nu niet met God meenen, maar Hij zal het wel met u meenen in de ontdekking van Zijn toorn en gramschap; wanneer Hij u als Zijne vijanden zal behandelen en overgeven in een eeuwig verderf. Och, dat gij dit nog eens geloofdet! dat \'God het u eens op het hart bracht, om, terwijl het nog tijd is, te bekennen wat \' tot uwen vrede dient.

Maar kinderen Gods, en vooral bekommerden en kleingeloovic/en, laat u dat woord van verschrikking niet moedeloos maken ; mag dan de zorgelooze wereld niet ontdekt worden, of het moet u schudden? ik heb reeds vele van uwe zwarigheden zoeken weg te nemen; komt beurt uw hart op, dit is voor u een woord van vertroosting; want zoo weinig als ik in staat ben om den naren toestand van een zondaar, en de vreeselijkheid van Gods toorn uit te drukken, die over hem zal komen, evenzoo weinig ben ik in staat u uw geluk en de grootheid van de Goddelijke liefde, genade en barmhartigheid voor

31»

-ocr page 440-

Over de inwilliging in het verbond.

oogen te stellen! ik kan u zeggen: de Heere heeft zulk een liefderijk hart voor u; uwe onuitgesprokene zuchtingen, uwe tranen, uw uitzien, verlangen en begeeren is Gode heel aangenaam; ja Hij is zulk een Ontfermer; al zijt gij van Hem door de zonden afgeweken , zoo gij maar lust hebt om op te staan en tot uwen Vader te gaan en te zeggen, ik heb gezondigd ; ik kan u zeggen, dat een vader zijnen zoon niet met zooveel liefde en ontferming kan tegemoet-loopen, en hem weder omhelzen, als de Heere u zal doen; Hij heeft rommelende ingewanden van barmhartigheid ; het is er zooverre van daan, dat het gezicht van zonden u moet terughouden, dat het u temeer moet opwekken om tot God te gaan; als het u maar tot smart is, gij staat in een verbond, dat een genadeverbond is, en het zou geen genadeverbond zijn, zoo er geen zonden waren ; nu betuigt God: „al waren uwe zonden zoo rood als scharlaken, Ik zal ze maken als sneeuw, en al waren zij als karmozijn, Ik zal ze maken als witte wolquot;; „komt maar en laat ons samen richtenquot;, Jes. I ; 18; laat u dan door niets ophouden, om nu weder het verbond met God te vernieuwen; denkt niet, de zaak is voor mij te groot; ja het is groot, dat God op zulk een wormpje, zulk een zandkorrel en nietig stof wil neder zien; maar God is groot! \'t is voor u wel groot om te ontvangen, maar niet voor God om te geven; hoe kleiner gij zijt, hoe grooter Gods genade is, en hoe meer het een eeuwige stof van aanbidding en verwondering zal zijn; komt dan en zegt: Heere, wilt gij met zulk eenen handelen? wilt Gij mijn God zijn? ik wil U ook tot een eigendom zijn.

Ja maar, zegt ge, ik heb zulk een zondig hart, ik vrees dat ik al weder ontrouw zal zijn; \'t is goed

314

-ocr page 441-

Over de inwilliging in het verbond. 315

dat gij daarover bekommerd zijt, maar God eischt niets in eigen kracht; Hij weet ook wel dat gij ontrouw zoudt zijn, zoo gij op uzelven stondt; maar gij staat in een verbond, daar alles beloofd ivordt; niet alleen eene voorkomende, maar gedurig achtervolgende genade wil God u schenken om u getrouw te maken; pleit dan maar op die beloften Gods; zegt; daar maak ik staat op, Gij zijt de getrouwe God, en zult mij licht, leven en kracht geven, zooveel ik noodig heb, uit de volheid van den Heere Jezus.

Maar gij verzekerden, die uw aandeel aan het verbond met meer licht ziet, en wier hartelijke toestemming klaar en levendig is:

Dankt God dat Hij u verwaardigd heeft om uw hart, dat van nature zoo afkeerig was, gewillig te maken tot omhelzing van zulk een zalig verbond; het is vrije genade; maar gedraag u dan ook waardig zooals het een bondgenoot betaamt, in een heiligen wandel en godzaligheid; weest tevreden in den teeg des verbonds dien de Heere met u inslaat; dat hebt gij beloofd toen gij u aan God hebt opgedragen, dat gij op Zijne wijze wildet gezaligd worden; beknibbelt dan nooit Gods handelwijze met u, al was het dat Hij een weg van tegenheden met u insloeg; houdt u maar nabij uwen Bonds-God; verkeert steeds met Hem gemeenzaam als met uwen Vader en Vriend, en zijt aan uwe belofte getrouw; de Heere zal aan Zijn kant getrouw zijn. en het werk der genade, dat Hij in u begonnen heeft, volmaken en bevestigen; u leidende door den tijd, naar Zijn raad, totdat Hij u zal opnemen in heerlijkheid, tot volle zaligheid.

AMEN.

-ocr page 442-

TIENDE VERHANDELING.

BE GEOOTE MIDDELAAR DES VEHBONDS VOORGESTELD IN ZIJNE ALGENOEGZAAMHEID EN GEWILLIGHEID, TOT UITLOKKING EN BEMOEDIGING VAN BEKOMMERDE EN VKKLEGENE ZIELEN, DIE DOOR ON VRIJ MOEDIGHEID NIBT HET VERBOND MET GOD DURVEN MAKEN

adat wii breedvoerig gehandeld hebben van de inwilliging van een ziel in het genade-verbond, dacht ik het niet ondienstig, tot opbeuring van kleinmoedigen en bekommerden, nu eens te spreken van den groot en Verhonds- Middelaar, die de eenige weg is waardoor men tot God kan naderen; en hier zal ik:

1. Aantoonen hoe in den Heere Jezus, die de eenige Middelaar is, naar het welbehagen des Vaders, al de volheid woont; tot heil en zaligheid des zondaars.

2. Dan zal ik aanwijzen hoe de Heere Jezus niet alleen algenoegzaam maar ook gewillig is om Zich tot zaligheid mede te deelen.

3. Zal ik het een en ander zoeken aan te leggen, zoowel tot ontdekking van den zondaar als vooral tot opwekking van kleinmoedigen.

Wat het eerste belangt, hoe in den Heere Jezus alle volheid woont, als de groote Middelaar, vooronderstel ik, naar al die waarheden , die jaarlijks uit den Heidelbergschen catechismus over de noodzakelijkheid en hoedanigheden die in Hem vereischt worden, geleerd worden; zullende nu in \'t bijzonder

-ocr page 443-

Van den Verbonds-Middelaar

aantoonen de volle algenoegzaamheid die in Jezus is; dus woont in Hem :

1. een volle algenoegzaamheid als Ood, met den Vader en den Geest; Hij is de zalige en alleen machtige Heere, die alle volmaaktheden van het goddelijk Wezen bezit.

2. Maar vooral heeft Hij eene volheid als de groote Middelaar, want omdat Hij het groote werk der verzoening op zich heeft genomen van eeuwigheid en in den tijd uitgevoerd door gehoorzaamheid en lijden, zoo heeft de Vader in Hem alle volheid gelegd die de zondaar noodig had tot zijn eeuwig heil, opdat alle uitverkorenen „uit die volheid zouden ontvangen genade voor genadequot;, Joh. I: IC. En dat moeten we nu wat nader gaan aantoonen.

A. Al de namen die Hij draagt drukken Zijne volle algenoegzaamheid uit; neemt maar eens Zijne twee eigenlijke en gewone namen die Hij draagt; Jezus Christus, wat is daar een volheid in! Wordt Hij Jezus genoemd, wat drukt het anders uit dan dat Hij de behouder en zaligmaker van Zijn volk is, die hen bevrijdt van alle kwaad en overzet in de volle bezitting van alle goed voor tijd en eeuwigheid !

Is Hij Christus, dan is Hij de gezalfde, die afgezonderd en bekwaam gemaakt is tot drie groote eerambten: van Profeet, Hoogepriester en Koning; waarin al het heil voor Zijne gunstgenooten is gelegen.

Ja Hij wordt genoemd „Jehova onze gerechtigheidquot;, Jer. XXHI : 6; Hij heet „Wonderlijk, Raad, sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorstquot;, Jes. IX:5.

B. Hij draagt ook zinnebeeldige namen, die Zijne volheid uitdrukken; Hij heet een Engel, niet alleen omdat Hij als des Vaders gezant wordt aangemerkt, maar een engel bij uitnemendheid, uitstekende boven

317

-ocr page 444-

Van den Verbonds-Middelaar.

alle engelen; Hij is het in wiens binnenste Jehova\'s naam is\\ hetgeen Jehova zelf miAruVi, Exod.XXII:21; „den Engel van Gods aangezichtquot;, Jes. LXIII: 9. Het Hoofd en de Heere der engelen, wien „zij allen moeten aanbiddenquot;, Hebr. 1: 6.

Hij is een „Zonquot;, Ps. LXXXIV : 12. Een „Zon der gerechtigheidquot;, Mal. IV : 2. Een „ster, voortgaande uit Jacobquot;, Num. XXIV; 17; de „blinkende morgensterquot;, Openb. XXII : 26. Hij wordt vergeleken bi] den „dageraadquot;; want Hij zal zijn „als het licht des morgens wanneer de zon opgaat, zonder wolkenquot;, 2 Sam. XXIII: 4, en waartoe anders, dan om te toonen, dat al wat de zon is aan den hemel, Hij dat is aan den hemel van Zijne kerk, tot verlichting, tot verwarming, tot verkwikking en vruchtbaarmaking.

C. Om Zijne algenoegzaamheid en volheid uit te drukken werd Hij voorgesteld als een mensch, ja als de „schoonste van al de menschen kinderen, op wiens lippen genade is uitgestort!quot;, Ps. XLV : 3, Dien de bruid beschrijft ten aanzien van Zijn hoofd, haar, hals, borst, handen en voeten, en eindelijk uitberst in die roemtaal: „al wat aan Hem is, is gansch begeerlijkquot;, Hoogl. V : 16.

Ja Hij is zulk een mensch , in wiens binnenste Jehova\'s Geest is; de „Geest der wijsheid en des verstands, de Geest des raads en der sterkte, de Geest der kennis en der vreeze des Heerenquot;, Jes. XI 2.

D. Hij is het tegenbeeld van al die mannen, die ooit beroemd en groot geweest zijn vóór Zijn komst in het vleesch; die tweede Adam, die het hoofd is van het gansche geslacht der uitverkorenen. De tegenbeeldige Noach, de ware Trooster, die heil en verlossing zou aanbrengen, en Zijn volk zoude troosten „van de smarten hunner handenquot;, geiijk de naam

318

-ocr page 445-

Van den Verbonds-Middelaar.

van Noach uitdrukt, Gen. V : 29. Hij is de ware Izaak, die een heilig lachen, en de vreugd voor Zijn volk zou zijn. Een andere Mozes, ja veel grooter profeet dan Mozes, die den ganschen raad van God geopenbaard heeft. De rechte David en Salomo, die wegens hunne wijsheid, vreeze Gods, uitnemenden rijkdom en zegepraal over hunne vijanden zoo beroemd zijn in Gods Woord.

En waarom anders wordt Hij als het tegenbeeld van al die mannen voorgesteld ? dan om ons te leeren, dat Hij veel meer en overvloedig bezit tot heil van Zijn volk, dan ooit eene van die heiligen gedaan hebben.

E. Hij was onder het Oude Testament afgescha-duwd onder vele dingen, die ons de volheid die in Hem is ook leeren; de lossers en goëls, die hunne nabestaande verarmde vrienden moesten vrijmaken van de schidd en hun de vervreemde goederen weer aanbrengen, opdat ze uit de dienstbaarheid verlost zouden worden, verbeeldden dien waren Goël, dien grooten Verlosser, die Zijne broederen zou trekken uit de macht des satans, hen vrijmaken van de heerschappij der zonden, en het verloren beeld van God weder in hun herstellen.

Vooral werd Hij afgeschaduwd door den hooge-priester in zijn prachtig sieraad, die dagelijks verzoening moest doen door de offerhanden; zoo is Hij die groote Hoogepriester over Gods huis, „die door ééne offerhande volmaakt heeft allen die geheiligd wordenquot;, en „nadat Hij door lijden volmaakt is, is ingegaan in het ware heiligdom den hemelquot;, Hebr. X : 14.

F. Hij wordt onder het zinnebeeld van eenen herder voorgesteld, dien oversten, eenigen grooten en

319

-ocr page 446-

Van den Verbonds-Middelaar.

oppersten herder, die „zijne kudde weidt met wetenschap en verstandquot;; die „de lammertjes in Zijn schoot draagt en de zogenden zachtkens leidtquot;, Jes. XL: 11; die als Jacob „zich voegt naar den gang van de kuddequot;, Gen. XXXIII: 14.

Hij is de ware medicijn- en geneesmeester voor de zijnen, om ze van al hunne ellenden en zielekwalen te ontheffen, door den balsem van Zijn bloed.

G. Nog meer. Christus wordt als de groote Middelaar, in het Woord vergeleken bij de „edelmoedigste en heerlijkste onder de dierenquot;; bij een edelmoe-digen en verheven arend r die „zijn nest opwekt, over zijne jongen zweeft, en die draagt en dekt met zijne vlerkenquot;, Deut. XXXII : 11; zoo draagt Hij de Zijnen „op vleugelen als de arendenquot;; Hij dekt ze, om voor alle gevaren veilig te zijn, Hij verzorgt ze van al het noodige, en houdt Zijn oog van liefde op hen.

Hij is die sterke leeuw uit Judas stam, die door Zijne macht den satan, de oude slang, heeft overwonnen en hem den kop vermorzeld. Ja Hij is een zachtmoedig lam, die, toen Hij ter slachting geleid werd, „Zijn mond niet op deed.quot;

H. Hij wordt vergeleken hij redelooze dingen: Hij is de „boom des levens, in Gods paradijsquot;, Openb. 11:7. Bij een „cederboom op Libanon.quot; Bij een appelboom-, Hoogl. II: 2, „gelijk een appelboom onder de boomen des wouds, alzoo is mijn liefste onder de zonenquot;; ik heb grooten lust in zijne schaduwen, en zit er onder.quot; Bij een Joh. XV: 7, „Ik ben de ware wijnstok.quot; Bij een roos, een roos van Saron, en lelie der dalen.quot; En waarom wordt de Heiland onder al die zinnebeelden voorgesteld?, dan omdat God ons leeren wil, als wij die dingen in hun aan-

320

-ocr page 447-

Van den Verbonds-Middelaar.

genaamheid beschouwen, dat wij daardoor als met ladders moeten opklimmen om te zien het waardige, beminnelijke en aangename dat in Jezus is.

I. Nog eens, Christus wordt vergeleken bij zulk wapentuig, dat tot heveiliging en bescherming dient, om te toonen dat er aan Hem niets ontbreekt; Hij is een schild, achter wien men schuilen en zich verbergen kan voor de vurige pijlen des satans, Psalm LXXXIV : 12. Hij is een rondas en beukelaar, die de Zijnen onderschraagt. Eene banier die opgericht moest worden; naar wien men vragen moet, Jes. XI: 10; een burgt en hoog vertrek\', een sterke toren; waarheen de rechtvaardigen loopende, in een hoog vertrek gesteld worden. Spr. XVHI : 20. Een verberging tegen de vloeden van Gods toorn. Een schaduw van een zwaren rotssteen, in de hitte van aanvechtingen ; een vurige muur rondom Zijn volk, die hen beveiligt en bewaart tegen alle aanvallen van de vijanden.

K. Nog meer, onder alles wat in de natuur noodzakelijk is, wordt Christus voorgesteld; onder het zinnebeeld van icater, en wel levend water, dat van zelf opwelt; Hoogl. IV: 15, „o fontein der hoven, put van levende wateren.quot; Onder vuur, daarom is Hij een zon, die uit zuiver vuur bestaat, Mal. IV : 2. Onder brood, en het manna dat uit den hemel is nedergedaald, Joh. VI: 33. Onder den regen en dauw, Ps. LXXH: 6; en waarom is dit anders dan om aan te toonen, dat, zoo noodzakelijk het water is tot dorstlessching en verfrissching, het vuur tot licht en warmte, het S?,oofZ tot voedsel, het jwcwwa tot levensonderhoud, de regen tot vruchtbaarmaking, en de dauw om de verzengde kruiden en planten in den zomer te verfrisschen, Jezus nog veel méér noodig

21

321

-ocr page 448-

Van den Verbonds-Middelaar.

is, om dat alles in het geestelijke voor Zijne gunst-genooten te zijn.

L. Hem wordên , als een algenoegzamen Middelaar, drie yroote eerambten toegeschreven; want hoe hadden wij den weg der zaligheid, het verbond Gods verstaan, zoo die groote Profeet en Leeraar der gerechtigheid het ons niet geleerd had ? wij waren duister, ja de duisternis zelve; verblind in het verstand , niet begrijpende de dingen die des Geestes Gods zijn. Maar Hij, die een tong der geleerden heeft ontvangen, die Leeraar van God gezonden, heeft den raad Gods uitgelegd. Dat deed Hij al vóór Zijn komst in het vleesch, in Zijne omwandeling op aarde; en Hij doet het nog door Zijn Woord en Geest.

Hoe hadden wij, schuldige, onreine, verdoemelijke zondaars van nature, ooit tot God kunnen naderen en ingaan in het verbond , zoo Hij, als de groote Hoogepriester, den weg niet had gebaand door Zijn bloed en een eeuwige gerechtigheid teweeggebracht? ja zoo Hij met Zijn bloed niet was ingegaan in het heiligdom, en daar nog leefde om voor Zijn volk te bidden, opdat wij „langs dien verschen en levenden weg zouden toegaan tot den troon der genade!quot; Hebr. X : 20.

Hoe hadden wij ooit het verbond kunnen omhelzen, ofschoon het ons was bekend gemaakt, daar wij zoo diep in onmacht lagen neergezonken en daarbij af-keerig en onwillig waren, zoo Hij niet als een machtig Koning, door den scepter van Zijne sterkte, alle hoogten had nedergeworpen en het hart voor zich overgebogen? ja hoe zouden we kunnen staande blijven, zoo Hij niet nog als een Koning leefde om Zijn erfdeel te beschermen tegen de listen en het geweld van hunne geestelijke vijanden?

322

-ocr page 449-

Van den Verbonds-Middelaar.

Eindelijk, laat ik er dit nog bijvoegen, dat het des Vaders welbehagen was, dat in den Middelaar zulk eene volheid zou zijn, die recht geschikt en gepast ■was om al het gebrek van de Zijnen te vervullen; want zijn zij dwaas, bij Hem is eene volheid van wijsheid; zijn zij schuldig, bij Hem is eene volheid van gerechtigheid-, zijn zij door de overblijvende verdorvenheid onrein, bij Hem is eene volheid van heiligmaking\', worden zij door vele vijanden overvallen, of moesten ze met vele rampen worstelen, bij Hem is eene volheid van verlossing, ja van volkomen verlossing , 1 Cor. I; 30; zijn zij arm en behoeftig, Hij heeft volle genadeschatten om hen te verrijken ; zijn zij naakt, Hij heeft kleederen des heils en den mantel der gerechtigheid om hen te bedekken en optesieren , Jes. LXI : 10, zoodat in Hem is alle heil, genade, licht, leven en sterkte.

3. Doch het zou niet genoeg zijn, dat er zulk eene volheid in Jezus was, gelijk wij daar in zoovele stukken getoond hebben, zoo ze niet werd medegedeeld aan de uitverkorenen; maar die volheid woont zoo in Hem, dat wij uit dezelve genade voor genade moeten ontvangen. Hiertoe heeft Hij macht en en recht om het mede te deelen op die wijze en in die mate, als het Hem behaagt.

Hij heeft macht, omdat Hij God is, en dus een volstrekt Heer en eigenaar, die over Zijne goederen kan beschikken naar Zijn welgevallen , en Hij heeft er ook als Middelaar volkomen recht toe; want volgens het eeuwig vredesverdrag had de Vader Hem beloofd: „als Zijne ziel zich tot een schuldoffer zou hebben gesteld, dat Hij dan zaad zoude zi^nquot;, Jes. LUI: 10. Nu Hij dat gedaan had, kwam Hem die belofte toe; daarom zeide de Vader: „eisch van

21*

3\'23

-ocr page 450-

324 Van den Verbonds-Middelaar.

Mü , Ik zal u de heidenen geven tot uw erfdeelquot;, Ps. II: 8; kreeg Hij nu dat zaad, zoo moest Hij het uit Ziine volheid verrjiken, en alles schenken wat het noodig had, en daarom zegt Christus: dat de Vader Hem alles in Zijne hand had gegeven, Joh. 111:35, want nu Hii als een verheerliikt koning op Zijnen troon zit, is Hij in de volle bezitting van al de goederen die Hem beloofd zijn; zoowel voor Zichzelven als tot heil van Zijne gunstgenooten.

O, wat moest de beschouwing van zulk een alge-noegzamen Zaligmaker kleinmoedigen en bekommerden niet opwekken om met al hun gebrek tot Hem heen te loopen, opdat Hij het vervulle; maar dezen zullen zeggen: ja ik geloof wel dat er zulk eene volheid in Jezus is, daar hapert het mij niet aan; maar ik weet niet of Hij gewillig is om die volheid aan mij mede te deelen , en daarom durf ik tot Hem niet komen.

Dit is ons tweede stuk, dat we tot uwe bemoediging moeten zien.

Om dit wat nader te toonen, zal ik: 1. aanwijzen, hoe Jezus om Zijne gewilligheid te toonen, op het allervriendelijkste den zondaar tot Zich noodigt.

2. Hoe Hij al de zwarigheden wegneemt, die deze kan inbrengen.

3. Hoe Hij zich op aarde omtrent ellendigen, om Zijne gewilligheid te toonen, gedragen heeft.

4. En eindelijk, hoe Hij de allergrootste zondaren

gezaligd heeft.

A. Do Heere Jezus, ten blijke van Zijne gewilligheid, noodigt den zondaar op het allervriendelijkste en hartinnemend tot Zijne gemeenschap; Hij staat als met uitgebreide armen en roept: komt verlegene,

-ocr page 451-

Van den Verbonds-Middelaar.

radelooze, „wend u naar Mij toe en gij zult behouden worden!quot; Jes. YLV : 22: „die dorst heeft, kome, en die maar wil, neme het water des levens om nietquot;, Openb. XXII : 17; „zoo gij maar begeert, Ik zal u van het levende water gevenquot;, Joh. IV : 10; „doet uwen mond wijd open en Ik zal hem vervullenquot;, Ps. LXXXI ; 11. Hij betuigt Zijn innig medelijden over hunnen ellendigen toestand: „Mijn ingewand is in Mij omgekeerd en al Mijn berouw is te zamen ontstokenquot;, Hosea XI : 8 ; „bekeert u, want waarom zoudt gij sterven?quot; Ezech. XXXIII: 11; ja hoezeer Hem het heil van zondaars ter harte gaat blijkt, omdat Hij zelfs weenende uitroept: „och, of gij nog bekendet in dezen uwen dag, wat tot uwen vrede dientquot;, Luk. XIX : 42 ; dan betuigt Hij eens, dat Hij zondaars wil „bijeen vergaderen als eene hen hare kiekens onder de vleugelenquot;, zoo zij maar willen, Matth. XXIH : 37. Dan is het weder eens: „komt herwaarts tot Mij, alle vermoeiden en belasten, Ik zal u ruste gevenquot;, Matth. XI : 28. O vriendelijke en hartinnemende noodigingen ! bekommerde zielen , gelooft ge nog niet dat Jezus gewillig is om u te zaligen ?

Ja maar, zegt ge, daar zijn nog zoovele zwarigheden, die in den weg staan; en dat beneemt mijne vrijmoedigheid.

B. Jezus neemt ook die met kracht weg; een eenige hoofdbelofte stelt Hij voor, waarvoor alle zwarigheden moeten wegwijken; Joh. VI : 37, „al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen, en die tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen.quot; Hier kan niemand iets tegen inbrengen; want indien Jezus honderd ja duizend gestalten voorgesteld had, dan zou een bekommerde nog al zwarigheid hebben kunnen maken en

325

-ocr page 452-

Van den Verbonds-Middelaar.

denken, dat is mijn gestalte niet of ik bezit het niet in die mate en omstandigheid, maar dat alles voorkomt Jezus en betuigt, niemand, om geen reden, te zullen voor het hoofd stooten, zoo men maar tot Hem wil komen.

Of zoo iemand evenwel zou zeggen, ik ben te groote zondaar, ik heb al te lang de aanbieding van genade versmaad, en van God omgezworven.

Jezus neemt ook die zwarigheid weg, want Hij zegt; „Ik ben gekomen, om te zoeken en zalig te maken dat verloren was.quot; Let wel op het einde van Jezus komst; Hij zegt niet, Ik ben gekomen om de zoekenden van Mij te zaligen, maar om zelf op te zoeken die verloren en nog afdwalende zijn, Luk. XIX : 10; dat gij nu zulk een gezicht en gevoel hebt van de grootheid van uwe ellende, dat is een bewijs, dat Jezus zoekende hand aireede aan u gelegd is; want dat is doorgaaas het eerste als Hij iemand aan zich zeiven ontdekt; en dit bevestigt Paulas, 1 Tim. I : 15, wanneer hij zegt: „dit is een getrouw woord, dat Jezus Christus in de wereld is gekomen, om zondaars zalig te maken.quot; Wanneer ge nu hier eens bij stil stondt, zoudt ge dan niet moeten zeggen: indien Christus en Paulus woord waar en waarachtig is, gelijk het is: want het is een getrouw Woord, dan is het ook voor mij, die een zondaar en een verlorene ben !

C. Jezus heeft tot ontdekking van Zijne gewilligheid hier op aarde Zich liefderijk en medelijdende omtrent ellendigen gedragen; want waarom heeft Hij anders „onze krankheden op Zich genomen en onze smarten gedragenquot;, dan om te toonen dat Hij met de lichamelijke ook de 2:jeZskrankheden genas? heeft Hij wel ooit een ellendige, die tot Hem kwam, afge-

326

-ocr page 453-

Van den Verbonds-Middelaar.

wezen, al waren het zelfs heidenen, die toen als onreine honden gerekend werden? \'t is waar, er wordt getuigd, dat Jezus te Nazareth niet vele krachten deed, maar dat lag niet aan Jezus, maar aan hun ongeloof; doch al wie gewillig tot Hem kwam, werd geholpen; ja menigmaal werd Hij zelf met ontferming bewogen over hunne ellende! kwamen er geraakten , melaatschen, stommen , blinden, van den duivel bezetenen , Hij genas ze allen, en hierin heeft Hij een vertoog willen geven hoe genegen Hij is om de ziele van alle geestelijke ellenden te genezen , zoo men maar tot Hem wil komen.

D. Jezus heeft om Zijne gewilligheid te toonen, de grootste zondaars gezaligd; kan er wel grooter zondaar begrepen worden dan Adam ? die niet alleen zondigde voor zich zeiven; maar door zijne zonde het gansche menschelijke geslacht in de allerdiepste rampzaligheid heeft nedergestortV evenwel voor hem was er genade en zaligheid; want zoo haast had hij niet gezondigd of God ontdekte hem den levensweg door de belofte van het vrouwenzaad, Gen. 111:15. Neemt ook eens Manasse, die zijns gelijke onder de koningen Israëls in goddeloosheid niet gehad heeft, en niet alleen zelf zondigde, maar gansch Israël deed zondigen; zoover, dat God zich over Jeruzalem om zijne zonde niet wilde laten verbidden; en evenwel aan zulk een heeft God genade bewezen, zelfs nadat hij langdurig tot in zijnen hoogen ouderdom volhard had in de zonden; wanneer hij in benauwdheid gebracht werd en zich verootmoedigde, toen liet de Heere zich verbidden, en toen kende Manasse, dat de Heere God was, 2 Kron. XXXHI: 12,13.

Gaan we eens naar het Nieuwe Testament en beschouwen we den moordenaar aan het kruis; is

327

-ocr page 454-

Van den Verbonds-Middelaar.

die ook niet een bewijs van de goddelijke barmhartigheid en de grootheid van Christus liefde ? hij was een moordenaar, die om zijne misdaad gekruist werd en evenwel op het allerlaatste van zijn leven krijgt hij genade; Jezus doet hem de toezegging: „heden zult gij met Mij in het paradijs zijnquot;, Luk. XIII: 43, en waarom deed Jezus dit\'? eensdeels omdat Hij op dit oogenblik wilde toonen de kracht van Zijn uitgestorte bloed, om de grootste zondaars te kunnen zaligen; anderdeels, opdat niemand ooit aan de genade zou wanhopen, maar gelooven, dat zoolang men leeft het nog de tijd van genade en zaligheid is.

Staan wij eens stil bij een Paulus, die eertijds Saulus was; wat was die een groot zondaar, een vervolger der gemeente, een lasteraar, die een welbehagen in den dood van Stephanus had!

Maar hoort eens wat hij zelf zegt: hij verbergt zijne zonden niet, maar tot meerder roem van de vrije genade zegt hij: „daarom is mij barhartigheid geschiedquot;, 1 Tim. I : 14.

Ja velen van de Joden, die hunne handen geslagen hadden aan den Vorst des levens zeiven, die „den Heere der heerlijkheid gekruist hebbenquot;, voor die was nog genade, want toen Petrus hun dat voorhield , werden zij „verslagen in hun hartquot;, Hand. II: 37, en zoo zouden we nog meer voorbeelden uit Gods Woord hier kunnen bijvoegen; doch deze zullen genoeg zijn, om te toonen, dat er voor de grootste zondaars nog genade is te hopen.

Zietdaar dan een vollen Jezus, die, omdat Hij zoo algenoegzaam is, kan, en wijl Hij zoo (jeioillifi is, ook waarlijk zal zalig maken allen die tot Hem komen en door Hem tot God gaan.

Komt nu alle overtuigde en verlegene zielen, die

328

-ocr page 455-

Van den Verbonds-Middelaar.

door de goddelijke genade geraakt zijnde, indruk hebt gekregen van uwe ellende; die wel genegen zijt ora met God in een verbond te treden , maar door on vrijmoedigheid u laat terughouden, ziet hier den grooten middelaar u voorgesteld, in wien alle gronden zijn om u op te wekken; niets kan of may u langer terughouden van God; zoo gij maar lust hebt om van Hem recht gebruik te maken.

1. Weest nu niet te zeer verschrikt en ontroerd over de veelheid, grootheid en langdurigheid uwer zonden, over Gods heiligheid en rechtvaardigheid en over de overtreding van Gods wet, onder welker vloek gij van nature ligt.

A. Zeg ik, zijt niet te zeer verschrikt over uwe zonden ; niet, dat gij geen reden hebt om daarover bedroefd , beschaamd en verlegen te zijn ; och ja, wanneer gij de zonden in hare schrikkelijkheid ziet, dan kunt gij er u niet genoeg over verootmoedigen; en ik verbeelde mij, zoo God die indrukken niet somtijds matigde en nu en dan een straal van Zijne genade liet zien , dat eene ziel er onder bezwijken zou; maar evenwel, blijft bij dat gezicht niet stil staan, dat gij zoudt denken, mijne zonden zijn te groot om genade te ontvangen ; dat is toch de list van den satan doorgaans; leidt God iemand op eene evangelische wijze, door een beminnelijken weg, dan zegt hij: het gezicht van uwe zonden is niet groot genoeg, gij moest meer verbrijzeld en verslagen zijn ; of leidt God een ander door een naarder weg, dan zegt hij: uwe zonden zijn al te groot, zo\'udt gij, zulk een zondaar, tot God naderen? hoe durft ge het onderstaan! en hij houdt zoolang als hij kan Jezus uit het oog; neen, laten uwe zonden u niet afschrikken , ziet op den Middelaar, dien grooten

-ocr page 456-

Van den Verbonds-Middelaar.

Hoogepriester; deze heeft verzoening voor alle zonden aangebracht; Zijn bloed is van eene oneindige kracht; neemt toevlucht tot Hem; al deedt gij het al bevende met beroering, hikkende en snikkende, met een betraand oog en bevende hand, het zal Jezus niet minder aangenaam zijn; zegt: ik wil Jezus niet langer die oneer aandoen, maar Hem de kroon op het hoofd zetten, dat Hij machtig is ook mij als een van de grootste der zondaren te zaligen.

B. Laat u nu niet te zeer verschrikken door de heiluiheid en rechtvaardigheid van God, nu gij ziet, dat er een Middelaar is die door Zijn bloed de vlammen van Gods toorn heeft gebluscht en aan Zijne gerechtigheid heeft genoeg gedaan , en betuigt God: „daar is geen grimmigheid bij Mij, grijpt Mijne sterkte aan, Ik zal vrede met u maken.quot;

C. Vreest niet voor de vloeken van de wet, omdat gij weet, dat gij een overtreder van dezelve zijt en aan den eisch onmogelijk kunt voldoen, ziet op den grooten Middelaar; Hij heeft het recht der wet vervuld, Hij heeft den vloek gedragen toen Hij zelf een vloek geworden is.

2. Bekommerde zielen, laat u ook ^ bemoedigen, als gij eens denkt hoe die God, die u zoo heilig en rechtvaardig voorkomt en als een vertoornd Richter, Zelf den Middelaar besteld heeft als het eenig en genoegzaam middel om u te zaligen; hiermede was Hij bezig van eeuwigheid om Hem af te zonderen; Dezen heeft Hij in den tijd ontdekt door beloften, schaduwen en voorbeelden; Dien heeft Hij in de volheid des tijds in de wereld gebracht; toen Hij mensch werd, den broederen in alles gelijk; Dezen, mensch zijnde, heeft Hij doen lijden en sterven, om te betalen aan de Goddelijke gerechtigheid; ja de Vader

330

-ocr page 457-

Van den Verbonds-Middelaar.

betuigde Zijn volkomen genoegen te hebben in dien Zoon; dat verklaarde Hij door eene stem uit den hemel: „deze is Mijn Zoon , in welken Ik Mijn welbehagen hebquot;; en niet alleen in Hem , maar ook in Zijne offerande, als zijnde genoegzaam en voldoende aan Zijne gerechtigheid; dat betoonde Hij met der daad, als Hij Hem uit de dooden heeft opgewekt, in den hemel opgenomen en aan Zijne rechterhand geplaatst; indien gij nu, bekommerde zielen, hier eens bij stil stondt en dacht, ik leef in een overtuigend gezicht van mijne zonden, maar daar wordt mij in het evangelie ontdekt, dat die God, dien ik door mijne zonden heb beleedigd, uit vrije liefde en ontferming ZelJ een Middelaar heeft aangesteld om zondaars met Hem te bevredigen ; en Dezen biedt Hij aan verlegenen en bekommerden aan; Hij roept van den hemel toe: zietdaar is Mijn Zoon! Mijne sterkte die de verzoening heeft gevonden, met Zijne verdiensten ben Ik tevreden, Ik heb er een welbehagen in; toont gij ook maar uwe goedkeuring in Hem ; neemt Hem aan , omhelst Hem door het geloof, en dan zult gij met Mij vrede hebben.

Wat kan u dan nog van God terughouden ?

3. Ja denkt eens, dat God in alles wat Hij doet de eer en glorie van Zijne deugden beoogt, en dat Hij dat ook van u vordert; nu worden die deugden Gods nooit luisterrijker ontdekt, dan in het zaligen van zondaars; daar wordt Zijne wijsheid, goedheid, genade , barmhartigheid, heiligheid, rechtvaardigheid ; Zijne macht, waarheid en trouw ten toon gespreid; deze deugden wil God nu dat gij erkennen zult, en waardoor anders dan door u als ellendigen naar Hem in Christus te wenden. Die het afschijnsel is van Gods heerlijkheid; door te toonen dat gij den

331

-ocr page 458-

Van den Verbonds-Middelaar.

weg van God goedkeurt en zegt: Heere, wilt Gij verheerljikt worden in zulke ellendigen te zaligen, zie liier ben ik, word dan in mij verheerlijkt en groot gemaakt.

Maar laat ik nu nog eens wat nader deze dingen aanleggen ten nutte van ons allen , die ons bereiden om tot het Avondmaal des Heeren te naderen.

Geene waarheden kunnen nuttiger en gepaster zijn bij zulk eene gelegenheid dan deze; want is het Avondmaal niet het Avondmaal van den Heere Jezus Christus, dat Hij heeft ingesteld tot Zijne gedachtenis? waar men in de teekens Zijn vleesch als verbroken en Zijn bloed vergoten ziet, waardoor Hij het eeuwig testament en verbond der genade heeft verzegeld; hier is Hij als de groote Middelaar, als die eene steen, op uien alle oogen der geloovigen gevestigd zijn, gelegd op de bondstafel, als de grondsteen en het fondament onzer zaligheid ; hier stelt Hij zich voor in Zijne volle algenoegzaamheid, als een spijs en drank tot verzadiging voor behoeftigen. Hier biedt Hij al Zijne volheid aan en toont Zijne gewilligheid om allen die tot Hem komen daarmede te verrijken. Hij roept: „komt, eet van Mijn brood en drinkt van den wijn, dien Ik gemengd heb!quot; Spreuk. IX : 5.

Maar nu zal het er vooral op aankomen, of men recht heeft om zoo vrijmoedig te mogen toenaderen.

Hier zullen onbekeerde zondaars weinig zwarigheid maken, die gaan maar stoutmoedig en onbeschaamd toe en zullen zich noch door onze waarschuwing, noch door waarschuwingen van anderen laten terughouden ; zij zeggen , God is genadig en barmhartig en zij beschouwen die deugden Gods buiten den Middelaar; en dan Aran God geen genade bewijzen,

332

-ocr page 459-

Van den Verbonds-Middelaar.

of Zijne heiligheid en rechtvaardigheid zouden benadeeld worden. Gij zegt, God is genadig, en gij hebt nog nooit toevlucht genomen tot Zijnen Zoon, in wien Hij alleen genade bewijst; gij nadert tot de tafel en hebt nog nooit eenige hartelijke begeerte ondervonden naar den Heere Jezus, of uitgangen van geloof en liefde. O dat gij eens zaagt hoe schuldig gij voor God zijt, dat gij de wet hebt overtreden , die hare vloeken tegen u uitdondert, en die kunt gij immers in eeuwigheid niet voldoen in u zeiven ? ziet eens, wat het den Zone Gods gekost heeft; Hij moest den troon Zijner heerlijkheid verlaten , Hij moest mensch worden, den vervloekten kruisdood sterven, eer een zondaar tot Gods verbond kon worden ingelaten; en denkt dan eens hoe mogelijk het u is om zonder Borg tot God te naderen.

Ik weet wel, daar zijn er velen die wel weten, omdat ze het geleerd hebben, dat er huiten Jezus geen zaligheid is; zij beschouwen dat met het verstand en beelden zich in, dat zij aan Hem deel hebben ; maar ik bid u, op wat grond steunt uwe inbeelding? want Jezus is wel een Zaligmaker, maar Hij maakt niet alle nienschen zalig; \'t zijn de minste, ja verre weg de minste; als Christus de uwe zou zijn, dan zoudt gij moeten veranderd zijn in den geest van uw gemoed? dan zoudt gij moeten ontdaan zijn van de liefde tot de zonden; want in de zonden zorgeloos te blijven leven en te denken: Christus is de mijne, dan zoudt gij u schandelijk teleurstellen; hebt gij nog nooit bij bevinding uwen ellendigen toestand gezien en dat er een Middelaar noodig was om u tot God te brengen; heb gij in Hem nooit dierbaarheid gezien, zijt ge nooit tot Hem heen-gevloden met begeerte om in Hem gevonden te

333

-ocr page 460-

Van den Verbonds-Middelaar.

worden? gelooft het, gij zijt nog buiten Christus en ligt onder den toorn Gods.

Anderen gaan ten Avondmaal, omdat zij lidmaten zijn, uit sleur en gewoonte; zij weten zelfs niet waarom, dan omdat anderen het doen en zij denken niet eens om den Heere Jezus, veel minder dat zij tot Hem den toevlucht zouden nemen ; o ellendige en gevaarlijke toestand! is het waarheid, gelijk het is, dat „die niet een Jood was, die het alleen uitwendig was, en het teeken der besnijdenis had ontvangen , maar die het in het verborgen was, en de besnijdenis des harten deelachtigquot;; zoo is het ook nu waar, dat die niet een Christen is, die gedoopt is, die zijne belijdenis heeft gedaan, die ten Avondmaal gaat, maar die deel aan Christus heeft, die Zijner zalving deelachtig is, die den verborgen mensch des harten heeft. Gij moogt nu weder ten Avondmaal gaan, maar het is te vreezen, wanneer Christus komen zal aan Zijne tafel, om als de gastheer, de aanzittende gasten te overzien, dat Hij zal zeggen: vriend, hoe zijt gij hier gekomen, geen bruiloftskleed aanhebbende? en gij zult moeten verstommen. Ziet dan toe, stoute, onbezonnen zondaren , wat gij te doen hebt; God laat Zich niet bespotten.

Anderen zijn er, die zoo roekeloos niet zijn, die wel eens beklemd en geraakt worden onder de genademiddelen ; ja in wier hart wel eens een begeerte komt naar den Heere Jezus, als zij Hem in Zijne noodzakelijkheid, dierbaarheid en beminnelijkheid hooren voorstellen; en dat leggen zij dan wel tot een grond, dat zij reeds deel aan Hem hebben; en dus bedriegen zij zich jammerlijk ; want:

1. Zij worden wel eens overtuigd van deze of gene zonden, maar niet van alle; zij gelooven niet,

334

-ocr page 461-

Van den Verbonds-Middelaar.

dat zij heel en al in zonden zijn; dat het hart walgelijk en onrein voor God is; en zoolang als gij dat niet ziet, zondaars , wanneer gij niet geheel naakt en bloot wordt uitgeschud, en gelooft en belijdt, dat gij arm, jammerlijk, blind en naakt zijt, is het niet anders dan een overtuiging van uwe conscientie.

2. Een ware overtuiging brengt een mensch tot Christus, want overtuiging als overtuiging maakt niemand zalig, integendeel heeft het menigeen tot wanhoop gebracht; maar als het eens ware overtuiging is, dan komt Christus in het oog, dan komt er licht om te zien dat men met Christus te doen heeft, dan wordt Hij beminnelijk en dierbaar, dan komt er een stille begeerte : och was Hij de mijne! zoolang ge nu dat niet ondervonden hebt, moet gij u niet met eenige overtuigingen vleien; want die zullen uwen staat nog ellendiger maken.

Of zegt ge, och ja, dat is mijn hartelijke wensch, dat ik eens deel aan Jezus hebben mocht, ik zou mij zoo gelukkig achten ; mijne begeerte gaat naar Hem uit, en ondertusschen laat gij u gedurig afleiden en met wat anders buiten Jezus tevreden stellen; even als iemand die spijs en drank begeert en hij houdt zich met wat anders op; is dat niet een blijk dat zijn honger en dorst niet groot is ? want zoo die hem pijnigden, dan zou hij zeggen, al werd mij een geheele wereld aangeboden en spijs en drank onthouden , zoo moet ik sterven; zoo is het ook hier; gij zegt, ik begeer Jezus, en komt er ondertusschen wat anders tusschenbeiden , dan laat gij er u mede tevreden stellen; gij hunkert nog uwe oude boelen na. Gelooft het, zoolang gij niet aller zonden vijand zijt, dat niet alleen de mond wordt gebreideld, maar ook het hart van de liefde tot de zonden niet ontdaan,

335

-ocr page 462-

Van den Verbonds-Middelaar.

is uw begeerte naar Jezus niet oprecht; want gij kunt geen twee heer en dienen , Christus en Belial, en daarom bedriegt toch uzelven niet, uwe eeuwige zaligheid hangt er aan.

Wilt ge dan nog eens klare proeven hebben of gij recht hebt om ten Avondmaal te gaan ? en vraagt ge, wanneer heb ik recht om toe te naderen ? ik antwoord:

1. Gij hebt geen recht, zoo gij nog nooit met u zeiven verlegen zijl geworden, en bekommerd over uwen eeuwigen welstand, denkende met ernst, mijn God! wat zal het nog met mij worden? ik ben nog onbekeerd en blijf ik zoo, dan ga ik eeuwig verloren, en wat zal voor mij de verdoemenis naar zijn; want ik heb zoolang geleefd onder de aanbieding van zaligheid, en dat versmaad ! is dit nog nooit op uw hart gekomen met verlegenheid, met schaamte en bekommering? dan hebt gij reden om uwen staat verdacht te houden.

2. Is Jezus, die groote Middelaar, als de eenige weg om in Gods gunst te komen, u nog nooit hemin-nelijk geworden? zaagt gij in Hem nog nooit zulk een algenoegzaamheid en gewilligheid, dat Hij daardoor aan uwe ziel dierbaar werd, omdat Hij het alleen was die u tot de gemeenschap met God kon brengen?

3. Heeft dat dubbele gezicht in u verwekt een dadelijk heenvlieden en loopen uit uzelven naar Jezus; om alleen in Hem gevonden te worden? werdt gij hongerig, dorstig, uitziende naar Hem; was dat uw dagelijksch werk ?

4. Heeft dat zulk een wonderbare verandering in u teweeggebracht, dat men het in uwen wandel zien kon ? zoodat gij moest zeggen , zoo genegen als ik liep tot de zonden, tot de wereld en haren dienst,

330

-ocr page 463-

quot;AT-rv

Van den Verbonds-Middelaar.

met nog veel meer genoegen ben ik nu bezig in den dienst van God?

Onderzoekt u nu aan deze dingen in getrouwheid voor God; zoo die nog niet in u zijn in mindere of meerdere mate, nadert dan niet aan de bondstafel, het is voor u niet; gij zoudt er u maar een oordeel eten.

O dat gij nog eens zaagt uwen ellendigen en naren toestand waarin gij zijt; en hoe ongevoeliger gij zijt, hoe gevaarlijker uw staat is; evenals iemand die het vuur in zijn lichaam heeft: zoolang hij niet voelt dat men hem snijdt en kerft, is zijne wonde doodelijk , en zoolang gij ook geen gevoel van uwe ellende liebt, zijt gij in een doodelijken staat, in het uiterste gevaar om eeuwig verloren te gaan; en, of gij uzelven streelt en denkt, de leeraars zeggen het maar om mij te beroeren, maar ik ben nog zoo slecht niet als anderen ; \'t zal met mij zoo kwaad niet afloopen, mijn hart is goed; o weet en gelooft het toch dat wij niet in staat zijn om met woorden uit te spreken de grootheid van uwe ellende; en blijft gij zorgeloos, versmaadt gij de aanbiedingen Gods, dan doet gij erger dan de duivelen, die ééns zondigden, en de genade is hun nooit aangeboden, waarom zij daartegen ook niet kunnen zondigen; maar gij zondigt duizend en duizendmaal tegen het verbond der genade, en hoe schrikkelijk is dat! God zal nooit weder een anderen en tweeden Middelaar zenden om die breuke te heelen; de Middelaar zal ook der-zulken naam op Zijne lippen niet nemen. Hoort eens wat Paulus van dezulken zegt: Hebr. XII: 25, „indien zij niet zijn ontvloden, die dengenen verwierpen , die op aarde goddelijke antwoorden gafquot;, namelijk Mozes, „hoe zullen die ontvlieden, die den-

22

337

-ocr page 464-

Van den Verbonds-Middelaar.

g«nen verwerpen, die van de hemelen is.quot; Ja, wat straffe meent gij, zal hij worden waardig geacht, die dm Zone Gods vertreedt en het hloed des Testaments onrein acht ? En daarom, onbekeerde, zorge-looze, nog onverlegene met uzelven, geruste zondaars, versmaders van Gods eeuwige liefde, och dat gij nog eens ontwaaktet uit de strikken des duivels, waarin gij gevangen zijt! laat u toch niet langer bedriegen door den satan, die u wijs maakt, God is barmhar-tig\', het zou met Zijne goedheid niet overeenkomen, dat Hij u liet verloren gaan; of, het is nog tijd genoeg, gij zijt nog jong, de dingen van de wereld lachen u nog te veel toe; of, zou het juist zoo nauw moeten zijn? zou men geen deel aan Jezus kunnen hebben of men zou alles moeten verloochenen? och neen, vrienden , door dat alles wordt gij maar in slaap gewiegd, Gods Woord leert geen anderen weg dan wij u voorstellen.

O zondaars, ik roep u dan nog toe met Paulus, „ontwaakt gij die slaapt, en staat op uit de dooden, Christus zal over u lichten!quot; en blijft gij nog zorgeloos ? „wee, wee dan, gij gerusten te Sion, gij zekeren op den berg van Samariaquot;; uw ongeluk is aanstaande; och bracht God deze dingen eens met kracht op uw hart!

Maar kinderen van God, vooral tot u bekommerden en kleinmoedigen heb ik nog een woord; daar zult gij nu mogelijk weder beroerd en geschud zijn, door hetgeen we tot ontdekking en overtuiging van zondaars gezegd hebben; want dat is het allerzwaarste voor een leeraar, aan de eene zijde een huichelaar en zorgeloozen zondaar te ontnuchteren en aan zich zeiven te ontdekken; en aan de andere zijde bekommerden niet te schudden en wankelend te maken,

338

-ocr page 465-

Van den Verbonds-Middelaar.

want doorgaans zal een bekommerde tot ziin nadeel opnemen, wat tot overtuiging gezegd wordt; en aan de andere zijde, hetgeen we zeggen tot bemoediging van de oprechten, daar vleit zich de zondaar mede; en dat zijn de twee uitersten waartoe de satan een mensch brengt, hem zorgeloos of moedeloos te maken.

Komt dan bekommerden en twijfelmoedigen, laat ik u eens vragen:

1. Zijt gij wel ergens meer van overtuigd dan dat gij zondaars, groote, ja de allergrootste der zondaars zijt; en waardig dat God u in het verderf zou neder-storten? pleit gij wel voor uw goed hart? integendeel , zegt ge niet dikwijls: zou er wel zulk een ellendige zijn als ik ben, die zulk een zondig hart heeft? dat is toch het onderscheid tusschen een geveinsde en oprechte: de één is zoo slecht niet in zijne oogen, daar zijn er wel slimmer, denkt hij, als hij; en een oprerhte is altijd de slimste\', geen ver-legener, geen armer, geen zondiger, geen walgelijker kan er zijn , hij roept wel duizendmaal, ik ben de grootste der zondaren! en dat maakt hem zoo bekommerd en verlegen; kunt gij hier ook uw hart niet bij leggen, moet gij dit niet toestemmen, klein-moedigen ?

2. En wat vindt gij voor gestalten in uwe ziel wegens dat gezicht van uwe ellende? is het niet eene hartelijke droefheid en smart, eene begeerte naar genade en om verzoening? is het niet een uitgaand verlangen en een wensch: och mocht ik deel aan Jezus hebben? was Hij de mijne, mocht ik eens toegang tot Hem vinden! ja ondervindt gij niet dat uitgaan uit uzelven, dat hopen tot Jezus, dat werpen van uzelven op Hem, dat overgeven aan Hem? is

22*

339

-ocr page 466-

Van den Verbonds-Middelaar.

Hji niet dierbaar, en zoo dierbaar, dat gi] Hem honger en waardiger schat dan al wat in de wereld is ? kunt ge niet betuigen: noch eer, noch aanzien, noch riikdom , wat het zou mogen wezen, kan mij vergenoegen, zoo ik Jezus niet heb? wel, is al dat worstelen en dat betuigen niet een bewijs dat gij deel aan Jezus hebt? denkt gij, dat een onbekeerd zondaar zoo werkzaam is?

3. Is Christus, die zulk eene volle algenoegzaam-heid bezit, ook niet alles in u ? van waar is dat licht van overtuiging dat in u ontstoken is, dan van Christus , dien grooten Profeet, die het u heeft doen zien? van waar is dat gezicht van Zijne dierbaarheid? wie heeft u het waardige dat in Hem was ontdekt, als Hij zelf? ja is Christus niet alles in u tot heiligmaking ? waarom wenscht gi.j dan om Zijn beeld meer gelijkvormig te worden? is dat dan niet een bewijs dat Hij in u woont en leeft?

4. Gij zegt: zou Christus in mij zijn, en zouden er dan nog zoovele verdorvenheden in mij zijn ? dat durf ik niet gelooven ; doch weet tot uwe bemoediging dat de genade de verdorvenheid niet uitsluit, maar daar blijft altijd een tweeërlei bestaan; daar is een zondig beginsel en een genade beginsel, en zoo gij verstandig handeldet, zoudt gij zelfs hieruit leeren dat het genade is; want gij koudt immers betuigen: de zonden zijn mij tot smart, ja tot de grootste smart, en God is mijn getuige, dat niets mij tot meer blijdschap zou zijn, dan dat de zonde meer in mij mocht gedood worden en de genade meer levendig en werkzaam zijn.

Ja, zegt ge, dat durf ik niet doen; want zoo Jezus de mijne was, zou ik dan altijd zoo twijfelmoedig zijn? zou de Heere Jezus mij niet eens omhelzen in

340

-ocr page 467-

Van den Verbonds-Middelaar.

Zijne liefde en een drupje uit Zijne volheid te smaken geven?

Maar dit moet u niet ongeloovig maken, treurige zielen, blijft gij maar wachten, houdt bij den Heere aan; Hij is het immers waardig dat gij Hem blijft aankleven? Hij is souverein in de bedeeling van Zijne genade; gij moet leeren door geloof te leven en niet door gevoel; ja gij zijt zelf dikwijls oorzaak van uwe duisterheid; want:

1. Gij bouwt uwen staat te veel op gestalten\', als uw hart eens levendig, gemoedigd en opgewekt is, dat gij u eens hartelijk aan Jezus kunt opdragen, dan is het wèl, dan gelooft gij, dan zoudt ge wel zeggen: „ik zal niet wankelen, Gij hebt mijnen berg door Uwe goedgunstigheid vastgesteld.quot; Maar als de verdorvenheden eens aan den gang raken, het hart wat dor en doodig is, dan denkt men, dan kan met geen genade bestaan ; en zoo is men van daag geloovig en morgen wordt men weder geschud en beroerd\', neen, gij moet niet op gestalten maar op Jezus bouwen; is het eens waarheid geweest, het zal eeuwig waarheid blijven.

2. Het hapert u hieraan, omdat gij niet recht begrijpt de voorwaarden die er gevorderd worden om tot Jezus te komen; gij woudt wel zulke werkzaamheden hebben die in de weegschaal konden gelegd worden met Gods genade en Christus liefde; och zegt ge, zou ik door willen, door begeeren, hongeren en dorsten deel aan een Drieëenjg God krijgen? dat komt mij onbegrijpelijk voor; mij dunkt daar moesten veel heviger, werkzamer, driftiger en sterker bewegingen van liefde zijn\', maar gelooft toch dat er nooit iets evenredigs zal zijn tusschen de genade en uwe gestalten; en dat het dat ook niet is, wat u

341

-ocr page 468-

Van den Verbonds-Middelaar.

vrijmoedigheid moet geven; daar wordt niets geëischt dan een hartelijk en geloovig willen.

Ja, zult ge zeggen, moet men maar willen? wie zou dat niet doen, die gaarne zalig zou worden ? maar ik bid u:

A. Heugt u zulk een tijd niet, dat gij niet wildetf dat gij afkeerig waart van God en Zijn dienst? als u de genade werd voorgehouden en de nauwe weg aangeprezen, dat uw hart er tegen opkwam en tegen aandruischte; en. dat gij, al was het niet met woorden , nogthans met daden zeidet tot God: „wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust!quot;

B. En als God u nu al een gezicht en indruk gaf, is er niet reeds al veel te doen geweest, eer gij tot die hoogte kwaamt, om u gulhartig en gewillig voor God en Christus en Zijn dienst te verklaren, en daardoor afstand te doen van uwen ouden weg, van den dienst der zonden? ging het wel zoo gemakkelijk toe, waren er niet veel hoogten neder te werpen ? bood de duivel, de wereld en zonde u niet gedurig tegenstand om u zulks te beletten ? naamt gij niet wel dikwijls eens het voornemen dat gij nu anders zoudt leven ? gij zoudt u nu afscheiden van de wereld, en evenwel liet gij u al weder aftrekken; koste het u niet reeds menige benauwdheid, menige zuchting en tranen? tot zoo lang, dat God u te machig werd; en gij moest uitroepen: Heere Gij hebt mrj overreed en en ik ben overreed geworden, Gij zijt mij te sterk geweest en hebt overmocht; welaan, zoo gij dit onder-vondt, zoo gij dat niet durft ontkennen doet gij dan niet zondig, dat gij den dag der kleine dingen veracht?

C. Was Jezus en de weg van de vrije genade u niet alleen in het begin zoo dierbaar, dat gij daarom

342

-ocr page 469-

Van den Verbonds-Middelaar.

;ht den dienst aan de zonde opzeidet, maar blijft dat niet nog de keuze van uw hart ? berouwt het u wel ? rie moet gij integendeel niet erkennen, ik zie dagelijks a? nog hoe langer hoe meer, hoe zondig en ellendig ik ben, hoe noodig ik den Heere Jezus heb; Hij is mij hoe langer hoe dierbaarder en begeerlijker; ja alleen ils en boven alles begeerlijk? dat is het leven van mijne 3g ziele, als ik maar mag ondervinden, dat mijne be-sn geerten en verlangens, mijne liefde en hoogachting r- gedurig omtrent Hem werkzaam zijn, welnu, u die jk gelooft, is Hij dierbaar , en dien Hij dierbaar is, die ■n gelooft\', dat is een klaar kenteeken, dat Petrus opgeeft, 1 Petr. 11 : 7, en „die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.quot;

)t D. Is het niet uw opzet en lust om voor Jezus,

d aan Wiens dienst gij u verbonden hebt, te leven ? r ja zegt ge, dat is wel mijn lust, ik zie wel hoe beta-t melijk het is, maar ik vind het zoo weinig in de i uitvoering-, Jezus is mij wel dierbaar, ik heb mijn , hart wel aan Hem opgedragen, maar mijn ernst en i en gezetheid voor Jezus is nog zoo flauw; ik laat mij 3 zoo licht aftrekken, en dat beneemt dan mijne vrij-j moedigheid.

1 Ik geloof ja, dat dit uwe rechtmatige klacht is,

i maar ik vraag niet rvat uwe betrachting, maar wat \' uw lust en opzet is; zou het u niet tot het grootste genoegen zijn, dat gij heiliger waart? gaat gij daarom niet dikwijls naar Jezus en Zijne volheid , om kracht en genade van Hem te ontvangen ? doet u wel meer wee, dan dat gij ergens in tot Zijne oneer zijt? wel is dat niet een bewijs, dat het er u om te doen is; en dat God Zijne hand in genade aan u gelegd heeft.

O, gelooft het dan, Jezus, met al Zijne volheid, wil de uwe zijn; komt staroogt maar veel op Zijne

|

J_

343

-ocr page 470-

Van den Verbonds-Middelaar.

volle algenoegzaamheid, Hij heeft dat alles voor u; maakt er toch gebruik van; zijt gij onwetend, dwaas en duister, bij Hem is wijsheid om u te leeren van den weg, dien gij gaan moet; maakt gij u opnieuw gedurig schuldig voor God, bij dezen Hoogepriester is eene volheid van gerechtigheid; zijt gij nog zoo onrein en besmet, is uw wandel zoo gebrekkelijk, bij Hem is heilig ma-hing-, wordt gij door vele vijanden omringd, bij Hem is een volheid van volkomen verlossing\', hebt gij een zieke, neergehogene, ongeloovige en verslagene ziele? gaat naar Jezus, Hij is een barmhartig en getrouw Hoogepriester, die medelijden heeft met al uwe ellenden; Hij is de medicijnmeester, die u kan genezen; bij Hem is licht, leven, kracht en sterkte; Zijne volheid staat altijd open; Hij biedt ze gedurig aan, aan allen die zich naar Hem wenden.

Ja Hij heeft een innig medelijden met uwe ellende; laten dan de rommelende ingewanden van zulk een barmhartigen en ontfermenden Heiland u lokken om u tot Hem te wenden , ik kan u verzekeren, als gij met een oog des geloofs op Hem ziet, Hij zal met een oog van liefde op u zien, en zeggen: „gij hebt mij het hart genomen met een van uwe oogen.quot; Als gij u in Zijne armen nederwerpt, Hij zal u omhelzen, en naar het hart spreken; als gij naar Hem toeloopt, Hij zal u Zijn genadescepter toereiken; Hij wil u voorkomen met een Goddelijke, eeuwige en ontfermende liefde, die alle verstand te boven gaat. Daarvan geeft Hij nu weder opnieuw een bewijs, terwijl Hij u noo-digt aan Zijne tafel; daar zal Hij staan, en u en alle verlegene zielen toeroepen: zietdaar Mijne bloedplassen, waarmede Ik u wil reinigen! Dat bloed heb Ik om uwentwil uitgestort; daarom verliet Ik Mijnen troon; „Ik, Ik ben het, die uwe overtredingen uit-

344

-ocr page 471-

Van den Verbonds-Middelaar.

delg, Ik gedenk uwer zonden niet. Al waren ze als scharlaken, door dat bloed zal Ik ze wit maken als sneeuwquot;; en als gij nog van verre staat en niet durft toenaderen, Hij zal wachten om u genadig te zijn; en als de vader van den verloren zoon, zelf toe-loopen en u omhelzen. Zijt ge dan gewillig en genegen , komt staat op, hebt goeden moed, de meester roept u! weest niet langer ongeloovig maar geloovig, en nadert vrijmoedig tot Zijne tafel.

Maar nog een kort woord moet ik spreken tot ur kinderen Gods, die meer verzekerd zijt van uwe gemeenschap aan dezen Middelaar.

1. Zijt niet alleen veel werkzaam omtrent God den Vader, als den Verbonds-God, omtrent het verbond zelf, om dat in al Zijne deelen te beschouwen ; maar vooral, vestigt het oog van uw geloof op dezen Middelaar en al Zijne zalige volheden; ik vrees dat gij hieromtrent niet genoeg werkzaam zijt, en daar van daan komt dan uwe on vrijmoedigheid in het toenaderen aan des Heeren tafel; daar gij anders nog al vrijmoedigheid hebt om uwen staat vast te houden, blijft ge te veel staan op uwe zonden en verdorvenheden; gij weet dat gij u niet gedragen hebt zooals het betaamde, dan blijft gij van verre staan ; ja het is wel goed, het is betamelijk dat gij uwe zonden u onder het oog brengt; gij hebt veel reden van schaamte voor God! maar het moet u niet van God afhouden; het oog van uw geloof moet gij gevestigd houden op den Verbonds-Middelaar, om uwe ongerechtigheden op Zijn zoenoffer neder te leggen , en dan is het een gezegende gestalte , dan zal het u wel ootmoedig, klein en nederig maken maar niet onvrijmoedig; ja langs dien weg zal Jezus u hoe langer hoe dierbaarder worden, dan zult

34»

-ocr page 472-

Van den Verbonds-Middelaar.

gij leeren hoe noodig gij Hem hebt tot alles en in alles.

2. Zijt ook veel werkzaam omtrent den Heere Jezus, om Hem te gebruiken tot heiligmaking; tracht Hem daartoe aan alle zijden te beschouwen, zooals we getoond hebben, en zooals Hij volkomen gewillig is om die volheid aan Zijn volk mede te deelen; maakt daarvan dan ook dagelijks gebruik in al uwe nooden en bijzondere gestalten; zijt gij ellendig naar ziel en lichaam, gebruikt Hem als den Medicijnmeester tot genezing; voelt gij u genegen tot afdwalen van den rechten weg en onmachtig om staande te blijven, gebruik Hem als den grooten Herder, die Zijne schapen wil opzoeken en onder Zijn opzicht bewaren; hebt gij licht van noode in duistere gevallen, gebruikt Hem als een zon, als een leeraar en raadgever, om u te onderwijzen, want Hij heeft beloofd: „Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn, hebt ge bescherming van noode tegen uwe vijanden, als die u aanvallen, gebruikt Hem als een schild, om den vijand af te keeren, om er u achter te verbergen; wordt gij gejaagd door den vijand, vlucht tot Hem als een sterken toren, waarheen „de rechtvaardigen vlieden en in een hoog vertrek gesteld worden.quot;

En zoo doende, zoudt gij meer vorderen in heiligmaking en met meer gemoedigdheid leven.

Laat vooral de Heere Jezus nu het voorwerp van uwe beschouwing zijn , nu gij weder aan Zijne tafel naderen zoudt, waar Hij al Zijne volheid voor u zal openzetten; vereenigt u daar op het nauwste met Hem; zet daar uw hart maar voor Hem open, Hij zal het verrijken met Zijne genadeschatten; gaat dan toe met vrijmoedigheid en blijmoedigheid, en Hij zal zich aan u niet onbetuigd, laten; komen u onder-tusschen uwe zonden onder het oog, laten deze u

346

-ocr page 473-

Van den Verbonds-Middelaar.

347

niet belemmeren, want dat is uw troost: heht gij gezondigd, gij heht een Voorspraak en Hoogepriester bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaardige, die een verzoening is geworden voor vele, en ook voor uwe zonden.

Nu, de Heere die machtig is om meer te doen dan wij bidden of denken kunnen, schenke ons al het noodige uit de volheid van den Heere Jezus, tot Zijne heerlijkheid en onze zaligheid en blijdschap, amen!

Ja, AMEN!

-ocr page 474-

ELFDE VERHANDELING

VAN HET GBLOOVIG GEBRUIK MAKEN VAN DEN GEOOTEN VERBONDS-MID DEL A AR IN ALLE BIJZONDERE BETREKKINGEN, WAARIN HIJ VOORKOMT, TOT HEILIGMAKING EN VERTROOSTING.

\'adat wij in de voorgaande verhandeling de volheid en gewilligheid van den Heere

_j Jezus hebben voorgesteld tot troost en

bemoediging van bekommerden en eerstbeginnenden, die gaarne met God in een verbond zouden treden, zijn we nu voornemens aan te toonen, hoe iemand, die reeds met God in een verbond staat, den grooten Verbonds-.Middelaar zal gebruiken tot zijne geestelijke sterkte en voortgang in de genade; en om dit oogmerk te bereiken, zal ik deze stukken verhandelen :

1. Iets vooraf zeggen tot waarschuwing van Gods kinderen, opdat zij zich in dit stuk niet laten beletten.

2. Dan zullen wij het gebruikmaken van Christus zeiven, in al Zijne leden en deelen, wat nader inzien.

3. Zal ik eenige zwarigheden, die in het gemoed van Gods volk zich zouden kunnen opdoen omtrent dit stuk, zoeken weg te nemen.

4. Het een en ander naar tijdsgelegenheid tot overtuiging, opwekking en bemoediging aanleggen.

Belangende het eerste, hetgeen tot waarschuwing

-ocr page 475-

Over het gebruik van den Middelaar.

voor Gods volk is, voor dezen valt te letten op de navolgende stukken:

1. Dat zij niet te veel God in het algemeen moeten beschouwen, maar zooals Hij zich ontdekt als Drieeenig : Vader, Zoon en Heilige Geest, in de bijzondere betrekkingen, die elk der Goddelijke Personen heeft in het werk der zaligheid; men beschouwt dikwijls den Vader te veel buiten den Zoon; en dan komt Hij voor als een heilig en rechtvaardig Richter, en daardoor wordt de ziel onvrijmoedig om tot God te naderen; of men beschouwt den Zoon dikwijls zonder den Heiligen Geest, en dan zijgt de ziele in hare onmacht neder en kan geen recht gebruik van Hem maken, terwijl het de Geest alleen is die haar tot Jezus moet brengen; het is dan noodig om God Drieëenig veel zóó aan te merken, als Hij zich in het Woord ontdekt, om door den Zoon, in den Geest, te naderen tot den Vader.

2. Gods kinderen handelen niet genoeg verbonds-wijze; of, zoo zij al verbondswijze handelen, vertegenwoordigen zij zich een verbond als het was in Adam; waar zij zelf veel moeten doen en werken; zij beschouwen het verbond niet genoeg in den Middelaar, als die de grond, het fondament en steunsel is, waarop het gebouw staat; en ofschoon zij zich verbinden tot vervulling van alle plichten die God van hun vordert, doen zij het niet in eigen kracht, maar op beding van die genade, die hun in het verbond wordt beloofd, en uit de volheid van Jezus door den Geest medegedeeld.

3. Vele van Gods kinderen, ais zij handelen met den Middelaar, doen dit:

A. Te veel in het cdgemeen, zij gebruiken Hem niet genoeg in al hunne bijzondere nooden en omstan-

349

-ocr page 476-

Over het gebruik van den Middelaar.

digheden, waarin zij komen, hetzij naar ziel of naar het lichaam ; evenalsof de groote Heiland, nu Hij voor den troon verheerlijkt is, niet meer bezig was om Zijne kerk in het algemeen en ieder lid in het bijzonder, te onderhouden, te bewaren, kracht en sterkte te geven, en in alle gevallen, hun ook alles te willen zijn; och ja, de Heere Jezus heeft nog hetzelfde hart voor Zijn volk , al is Hij verheerlijkt, en Hij geeft hun vrijheid om alle bizondere nooden voor Hem neder te leggen.

B. Velen handelen ook verkeerd omtrent den Mid-delaar, zij beschouwen Hem te veel in het afgetrokkene, of in zijne Godheid, of als mensch, of als een richter die vol majesteit en heerlijkheid is.

a. Zij beschouwen Hem te veel ah God, buiten betrekking als Middelaar; dan staan ze stil bij Zijne ontzachelijke deugden, Zijne heiligheid en rechtvaardigheid, zooals Hij een ongenaakbaar licht bewoont; dit is wel goed en betamelijk zoo het de ziel recht ootmoedig, nederig en klein maakt, om met diepen eerbied, ontzag en vreeze, voor Hem te wandelen; maar zoo het is, om haar te verschrikken , om ze onvrijmoedig te maken, dat zij niet durft toenaderen, dan moet het geloofsoog op Hem gevestigd worden, als op den grooten God en Zaligmaker te gelijk; en dan zal het wel een ootmoedige, maar tevens vrijmoedige gestalte verwekken.

b. Somtijds wordt de Middelaar te veel in het afgetrokkene als mensch beschouwd; \'t is waar, Hij kan niet genoeg in Zijne schoonheid en luister als de schoonste van de menschenkinderen, op wiens lippen genade is uitgestort, aan alle zijden beschouwd worden, wanneer het hart daardoor in liefde tot Hem wordt gaande gemaakt; maar de satan, die

350

-ocr page 477-

Over het gebruik van den Middelaar.

een listige vijand is, kon dit wel eens gebruiken, óf om de ziel min eerbiedig omtrent Hem te doen ver-keeren, of om het gelooj te schudden, haar inwerpende: zult gij uw vertrouwen stellen op een mensch, daar hij vervloekt is, die op een mensch vertrouwt; ja op zulk eenen, die den „Joden een ergernis, en den Grieken een dwaasheid was ?quot; dan moet het oog weder gevestigd worden op zijne Godheid; om den vijanden te kunnen toeroepen: ik geloof in Hem, die niet alleen een mensch is, maar ook God boven al te prijzen in der eeuwigheid!

c. Gods kinderen beschouwen Hem ook dikwijls te veel als Richter en dan zien zij te veel op den text; Hebr. IV : 13, „daar is geen schepsel onzichtbaar voor Hem, maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de oogen van dien God , met wien wij te doen hebben.quot; Dan denken zij, wat zal dat eens wezen, als Hij zal komen op de wolken , en ik ook voor Hem zal gesteld worden om rekenschap van al mijne daden te geven ? dit is wederom goed wanneer het de ziel in heilige omzichtigheid doet wandelen, wetende dat zij onder het oog is van Hem , die alles ziet; maar het moet niet dienen tot schudding en beroering; hier geldt hetgeen Christus eens zeide, Joh. XH ; 47, „Ik ben niet gekomen om de wereld te oordeelen, maar om haar te behoudendat niet alleen waar is van Zijne eerste komst in het vleesch, maar ook van Zijne tweede komst op de wolken; wanneer Hij komen zal, om de wereld der uitverkorenen vrij te spreken.

d. Velen voeden ook wel eens deze verkeerde gedachten door minwetendheid, dat zij den Middelaar wel noodig hebben om hen voor God te rechtvaardigen en vrij te maken van de schuld, maar dat zij gerechtvaardigd zijnde, zich zeiven moeten gaan

351

-ocr page 478-

• Over het gebruik van den Middelaar.

heiligen; \'t is waar het is de wille Gods onze heiligmaking , en onze zaligheid uit te werken in vreezen en beven. Maar het is de wille Gods niet, dat we het doen in eigen kracht; de Heere Christus is van den Vader den Ziinen zoowel geworden tot heiligmaking als tot gerechtigheid; die indruk moet in de ziel altoos ziin, dat men zonder Jezus niets kan doen; en dat het Gode buiten Hem, ook niet aangenaam is; en dan zal het oog op Hem gevestigd blijven.

Dit vooraf aangemerkt zii\'nde, gaan we nu ten tweede tot het stuk zelf over.

En hier moet ik weder:

1. Iets leggen tot een grondslag.

2. Dan het gebruik maken zelf aantoonen.

A. Tot grondslag merk ik aan dat, willen Gods kinderen met vrucht en voordeel hierin te werk gaan, zij niet alleen :

a. Christus moeten aanmerken als het eenige fondament, den hoeksteen en petra van de zaligheid, maar ook als de fontein, de springbron, het kanaal om zoo te spreken waardoor wij alles ontvangen; Hij is de schatkist en bewaarplaats, waarin al de schatten van genade liggen; de Vader heeft Hem, als den erfgenaam van alles, alles in Zijne hand gegeven; opdat Hij het bestel hebbe over het werk der zaligheid en de uitverkorenen uit Zijne volheid alles zouden ontvangen.

b. Die van Christus recht gebruik zal maken dient te weten, dat hij met Hem staat in eene allernauwste gemeenschap; want wat nuttigheid is het, dat men weet dat er zulk eene volheid in Jezus is, zoo men voor zich zeiven daaraan geen deel kan rekenen? deswege heeft God zulk een bestel gemaakt, dat er zulk een nauwe band van vereeniging zou zijn tus-

352

-ocr page 479-

Over het gebruik van den Middelaar. 353

schen Christus en Zijn volk; aan hunne zijde door liet geloof, en aan Zijne zijde door den Geest, waardoor zij deel en recht hebben aan en op den ganschen persoon van Christus, in Zijne namen, ambten, naturen, staten, en al de rijkdommen en schatten die Hij bezit; want alles wat Christus de Middelaar heeft, heeft Hij niet voor zich zelf alleen, maar voor Zijn uitverkoren erfdeel; hierom zijn in Gods Woord al die overvloedige gelijkenissen, die de allernauwste gemeenschap uitdrukken, bijvoorbeeld: dat zij der Goddelijke en Hij hunne menschelijke natuur deelachtig is; dat zij een Geest met Hem zijn; dat Hij is de boom, zij de takken; Hij de wijnstok, zij de ranken; Hij het hoofd, zij de leden; Hij het fondament en de hoeksteen, zij steenen op Hem gebouwd , die een huis uitmaken ; Hij de Koning, zij de onderdanen; Hij de Heer, zij de knechten\', Hij de Bruidegom en Man ; zij de hruid en vrouw, die met Hem in het geestelijk huwelijksverbond staan; gelijk nu eene vrouw, al was het eene arme slavin, die met een koning in het huwelijk treedt, daardoor recht krijgt aan al wat de koning heeft, aan zijnen troon, kroon en rijkdommen; zoo komt een arm zondaar, door de nauwe vereeniging met Christus, in de bezitting van al Zijne schatten, en uit dien grond hebben zij recht om in nederigheid alles van Hem te eischen wat zij noodig hebben; en daaruit vloeit al de troost en verkwikking voor de ziel, dat zij zulk een vollen Jezus tot haar deel en eigendom heeft.

c. Om met voordeel van Christus gebruik te maken, heeft eene ziel zich gedurig te herinneren, dat er geen één gebrek in haar is, hoe groot het ook is, of in Christus is eene tegenovergestelde gepaste volheid om dat te vervullen; en dat er ander-

23

-ocr page 480-

354 Over het gebruik van den Middelaar.

zijds niets in Christus is, waartoe zij, als met Hem zoo nauw vereenigd, geen recht heeft, want alles is het hare, omdat zij van Christus is.

D. Dit ten grondslag gelegd zijnde, is de ziel recht in staat om van Christus in alles gebruik te maken.

Laat ons dit nu eens in het breede zien en toonen:

1. Hoe men gebruik te maken heeft van Hem in

de kwaden die ons drukken, en

2. hoe tot bevordering van heiligmaking en tot verkrijging van alle goederen der genade die men noodig heeft tot het leven en de godzaligheid, ja de eeuwige gelukzaligheid.

Vooreerst, wij moeten den grooten Middelaar en Heiland gebruiken tegen de kwaden die ons drukken of die men vreest; tegen dat alles is Christus een schild.

A. Wij moeten Hem gebruiken tegen de schuld der zonden, welke de ziel zoo menigmaal benauwd valt; daar ziet ze een heilig en rechtvaardig God, eene aan hare overtreders vloek uitdonderende wet, een veroordeelende conscientie en een aanklagenden satan; ten opzichte van God, moeten zij in het gezicht van hunne schuld menigmaal met David uitroepen : „zoo Gij Heere de ongerechtigheden gadeslaat, wie zal bestaan?quot; Ps. CXXX ; 3; „treed niet in het gericht met mij, want niemand die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijnquot;, Ps. CXLIII:2 en met Job, „niet één uit duizend kan ik U antwoordenquot;, Job IX ; 3.

Wat raad nu hiertegen? zij gaat in dat overtuigend gezicht tot God in den Middelaar, achter wien zij zich als een schild verbergt en zegt: zijt langmoedig over mij en ik zal U alles betalen, niet in mij zeiven

-ocr page 481-

Over het gebruik van den Middelaar. 355

maar in miinen Borg, dien ik door het geloof aanneem ; in Hem zijt g;j voldaan, Hij heeft aan Uwe gerechtigheid genoeg gedaan , en Gij als een rechtvaardig Richter, eischt geen tweemaal betaling; dan pleit ze op het gewichtvol offer van Christus, en vraagt God: hebt Gij Hem niet gesteld tot een verzoening, door het geloof in Zijn bloed ? hebt Gij niet getoond voldaan te zijn, toen Gij Hem uit de dooden hebt opgewekt? zie mij dan aan in het bloed van Uwen Zoon! En dat worstelen en pleiten op Jezus en Zijn bloed is zoo gezegend, dat de ziel wel eens opnieuw die toespraak krijgt: „zoon of dochter, „zijt goedsmoeds, uwe zonden zijn u vergeven. Ik, Ik ben het, die uwe overtredingen uitdelge, Ik gedenk uwer zonden niet.quot;

Ziet ze op een vloek uitdonderende wet die om straf en wraak roept over hare overtreders, en ziet ze hare schuld en verbreking van die wet? hier is Jezus weder een schut en scherm; zij kan ja wil niet ontkennen, dat ze tegen alle geboden zwaarlijk gezondigd en geen derzelve gehouden heeft; maar zij gaat weder tot den Vader en zegt: Gij hebt Uwen Zoon gezonden in de wereld , opdat Hij zelf een vloek zou worden en daardoor aan den eisch der wet voldoen; Hij heeft de zonde veroordeeld in zijn vleesch, en het recht der wet vervuld. En daarom is ze nu krachteloos geworden; laat dan der wet ten mijnen opzichte hare eisch ontzegd worden.

Komt de satan, die aanklager der broederen, die zich aan hare rechterhand plaatst, zoowel als bij Jozua den hoogepriester, haar beschuldigende als onwaardig om tot God te naderen; hier neemt, de ziel weder toevlucht door het geloof tot Christus, als die den satan den kop heeft vermorzeld en sterker

23*

-ocr page 482-

Over het gebruik van den Middelaar.

is dan die sterke; ze schuilt achter Hem als een schild, opdat de pijlen des boezen daarop zouden afstuiten; brengt hij hare schuld onder het oog, zij stelt hem het bloed van Christus voor, dat reinigt van alle zonden.

Beschuldigt de conscientie, wegens gedurige afwijkingen met gedachten , woorden en daden, zelfs in de heiligste godsdienstplichten? hier maakt de ziel weder gebruik van Jezus bloed, dat de conscientien reinigt van alle doode werken; en dat verzoening, ook voor de zonden van de heilige dingen , heeft teweeggebracht.

B. Een heilige moet Christus ook gebruiken tegen den smet der zonden of de inwonende verdorvenheid, die nog in hem is ; o het is niet te zeggen, wanneer eene ziel eens bij het ontdekkend licht des Geestes wordt ingeleid om den modderpoel van haar boos en zondig hart te zien, dan zou ze wel eens zeggen: geen duivel uit de hel is boozer dan mijn hart is; daar is geen zonde zoo gruwelijk, als Gods genade mij niet bewaarde, waar ik niet toe zou komen, en uit dien grond zijn al mijne daden bezoedeld;/ï«er is mijn wandel bevlekt door onvoorzichtigheid, onvrij-moedigheid en ongezetheid; daar, onder godsdienstplichten, ontbreekt het mij aan gepaste indrukken voor Gods hoogheid, aan ijver en ernst; ja mijn bidden zelfs, dat het beste zou zijn, daarover moet ik mij schamen en verootmoedigen , het heeft in alles wat ik doe, zijne zoetigheid verloren wegens al het zondige; ik heb geen eene deugd, die ik zou durven aantee-kenen goed te zijn of in de weegschaal van het heiligdom leggen; ik wil gaarne onderteekenen, dat ik van den hoofdschedel af tot de voetzool toe, onrein en melaatsch voor God ben. „Ach! ik ellendig mensch,

350

-ocr page 483-

Over het gebruik van den Middelaar. 357

wie zal mij verlossen van het lichaam dezes dood?quot;

Maar in dit alles kan zij zich bemoedigen, en de kracht der verdorvenheden tegengaan, door het geloovig. gebruik maken van Christus. Hier ziet de ziel, dat Jezus niet alleen voor de schuld der zonden heeft betaald, maar dat Hij een Geest heeft verworven, om de heerschappij der zonden te breken en de heiligmaking gedurig meer te bevorderen; daarom gaat ze onder het gevoel der zonden wel zuchtende, bedroefd, nederig en ootmoedig, maar ook geloovig, tot Christus; ze legt haar bemorste hart en al hare bevlekte daden voor Zijne voeten neder, en bidt met Hiskia „o Heere, doe verzoening over de zonden van mijne heilige dingen , die niet verricht zijn naar de reinigheid van het heiligdomquot;, 2 Chron. XXX : 18, 19, zij zegt: „Gij zijt rein geboren, opdat ik van de onreinheid, waarin ik geboren ben, zou worden gezuiverd; Gij hebt uwen Geest verworven; om het werk der heiligmaking in uw volk te bevorderen ; laat dan die Geest aan mij in meerdere mate worden medegedeeld; Gij weet, hoe onmachtig ik in mij zeiven ben, maar bij U is kracht genoeg, laat er dan eens kracht van U uitgaan, om de kracht der verdorvenheden te verbreken!quot;

C. Gods kinderen zwoegen onder vele tegenheden, verdrukkingen en rampen, ja meer dan de wereld wel weet; verdrukkingen van buiten door hoon, smaad, vervolgingen en laster; tegenheden inwendig, in hun persoon, in hun huis, in de hunnen; Gods hand is wel eens zwaar op hen, dat ze moeten klagen: mijne bestraffingen zijn er alle morgen; maar hiertegen moeten ze weder Christus den grooten Middelaar gebruiken. Hem aanmerkende;

a. Als die den vloek van dat alles, door Zijn

-ocr page 484-

358 Over het gebruik van den Middelaar.

lijden en dood heeft weggenomen, zoodat het hun geen wezenlijk nadeel kan toebrengen, maar integendeel tot veel nut is, en hun moet medewerken ten goede.

h. Ja, als die zelf zooveel tegenheden heeft ondergaan, toen Hij een man van smarten was; zoodat zij zich niet vreemd moeten houden, terwijl Hij, hun Hoofd en Heer, hun is voorgegaan en „een dienstknecht niet meer is dan zijn Heerquot;; indien Hij vervolgd is, dan is het geen wonder zoo het aan Zijne leden geschiedt. En het is niet te zeggen tot wat sterkte en aanmoediging het is onder het lijden, om zijn oog op Jezus te vestigen en te denken, zou Jezus zooveel gedragen hebben, en zou ik onwillig zijn om mijn kruis op te nemen?

c. Ja de ziel moet Christus aanmerken als een medelijdenden en barmhartigen Hoogepriester, die, in het midden van al de verdrukkingen , Zijn oog op haar houdt, die in al hare benauwdheden mede benauwd is, en zorg zal dragen, dat zij niet verzocht wordt boven vermogen, maar op Zijn tijd uitkomst zal geven.

d. Ja als dengene, die staat onder haar kruis, om haar gedurig te bemoedigen, te vertroosten en naar het hart te spreken; Hij roept haar toe: „vreest niet, want Ik ben met u; zijt niet verbaasd, want Ik ben uw God; Ik help u, ook sterk Ik u, ook ondersteun Ik u met de rechterhand Mijner gerechtigheidquot;, Jes. XLI : 10. Het staat niet te vergeefs aangeteekend, toen de eerste martelaar en bloedgetuige Stephanus gedood werd, dat hij zag „den Zoon des menschen, staande ter rechterhand van Godquot;, alsof die gereed stond tot zijne hulpe, en om zijne ziel tot Zich op te nemen in heerlijkheid,

-ocr page 485-

Over het gebruik van den Middelaar.

bun Hand. VII : 56. Zoo staat Jezus nog aan de rechten- terhand van Zijnen Vader om al Zijn volk te onderten steunen in het lijden.

D. Behalve uitwendige tegenheden komen Gods

ier- kinderen wel naar de ziel inwendig in het duister

\'dat door geestelijke verlatingen, als God Zijn aangezicht

liun in liefde verbergt, waardoor het is schrik van rond-

Jst- omme! en zij wel eens klagende moeten zeggen:

\'er- ,,mijn oog, mijn oog, vliet af van water, omdat de

ijne Trooster, die mijne ziele zou verkwikken, verre van

vat mij isquot;, Klaagl. 1: 16. Hoe zal een ziel zich nu hierin

om gedragen en het hoofd boven water houden, dan

:ou door het geloovig gebruiken van Christus? dat zij

lig denkt:

a. Christus mijn Hoofd, Heer en Koning, met

en wien ik op het nauwste vereenigd ben , heeft dien

in bitteren kelk ook moeten drinken , toen Hij benauwd

op uitriep: „Mijn God! Mijn God! waarom hebt Gij Mij

de verlaten?quot; en dan kan het haar doen zien de groot-

r- heid en onbegrijpelijkheid van Jezus liefde, denkende:

jd heeft mijn Heiland dat smartelijke ook voor mij willen dragen, als de Borg, opdat ik daarvan eeuwig zou

\'■, worden bevrijd; heeft Hij een vollen beker gedron-

\'n ken, zou ik dan niet eenige druppels smaken ? dat

\'t kan het hoofd opbeuren.

it h. En hoe heeft de Heiland zich in het midden

k van dat alles gedragen? Hij bleef evenwel vertrouwen

- op God! ik weet dan ook geen beter raad, dan om

quot;s het geloof op God te vestigen, om in het duister op Hem te vertrouwen en met Jezus te zeggen : mijn

i Vader en mijn God.

i c. Dan moet de ziel naar Jezus gaan en zeggen:

i o Heiland, viel het u zoo bang, daar Gij God waart

gt; en nooit zonde gekend hadt, daar Gij het leedt als

359

-ocr page 486-

360 Over hst gebruik van den Middelaar.

Borg, o denk dan eens hoe zwaar het mij ongeduldige valt, die een zondig mensch ben, zoo diep onmachtig; en hebt Gij het niet ondergaan om Uw volk daarvan te verlossen? laat dan ook dezen drink-heker van m ij voorbijgaan !

d. Zij moet op de uitkomst van Jezus lijden zien, tot hare bemoedigingen opbeuring, denkende, gelijk er aan het lijden van mijn Heiland een einde kwam en Hij Zijn glorierijk aangezicht opbeurde, zoo zal ook dit lijden niet altijd duren, maar ik zal ook eens het hoofd opheffende in triumf, zegepralen.

E. Gods kinderen moeten dikwijls ondervinden vele en nare bestrijdingen en vuistslagen van den satan, den god dezer eeuw; die hen dan eens wankelmoedig maakt en twijfelende omtrent hunnen staat, dan eens zoekt tot zonden te vervoeren , dan eens booze en Godslasterlijke gedachten inwerpt; zoodat ze worden gezift als de tarwe en met vele beroeringen en naarheden geprangd; hoe zal de ziel dit nu weder te boven komen, dan in de gemeenschap met Christus, haar Hoofd ? want geen verzoekingen kunnen zoo groot en zwaar zijn, of Christus heeft ze in Zijn eigen persoon ondervonden; ziet het eens wanneer de verzoeker tot Hem kwam, Matth. IV.

a. Hij dorst Hem betwisten Zijn eeuwig Zoonschap, vs. 3, „Indien gij Gods Zoon zijt, zeg dat deze steenen brooden worden.quot; Is het dan wel wonder, daar hij het Zoonschap van Christus durft aantasten\' dat hij ook Gods kinderen doet twijfelen, of zij wel zonen en dochteren Gods zijn?

b. De satan dorst Hem verzoeken omtrent Gods voorzienigheid, om die te beproeven, wanneer hij zegt: „werp U zeiven nederwaarts, want gij hebt de belofte dat de Engelen U op de handen zullen

-ocr page 487-

Over het gebruik van den Middelaar. 361

ui- dragenquot;, vs. 6. Is het dan wonder dat hij Gods iep kinderen een kwaad gebruik zoekt te doen maken Jw van de Voorzienigheid?

c. De satan dorst Christus zelfs verzoeken tot het alleruiterste, tot afgoderij, om „nedervallende hem ni te aanbiddenquot;, met belofte om hem alles te geven, ]k vs. 8, 9. Is het dan wonder dat hij door het schijn-Qi schoon dat in de wereld is, zoo dikwijls het hart van de geloovigen vervoert en van God aftrekt en k hun brengt tot geestelijke afgoderij?

Hoe zal nu eene ziel zulke verzoekingen weder-n staan, dan als zij denkt: heeft de dierbare Heere v Jezus dat alles moeten lijden, maar zijn die vurige pijlen die hij schoot op Zijne borst weder omgestuit, » zonder dat ze Hem in het minste benadeelden? heeft \' Hij over den satan getriumfeerd, Hij zal dan ook ; niet toelaten, daar ik met Hem in een nauwe gemeenschap sta, dat zijne pijlen mij wezenlijk nadeel zullen toebrengen; want Christus is mijn schild, achter wien ik schuil, ja Hij heeft den duivel overwonnen en zal mij ook doen overwinnen in Hem.

F. Een geloovige moet Christus gebruiken tegen de vreeze des doods; o het is niet te zeggen hoelang en benauwd menigmaal eene ziel kan zijn, als zij eens denkt, wat zal dat zijn, als dat lieve paar, ziel en lichaam, zal van één scheiden; als die nauwe band zal verbroken worden en het lichaam nederligt in het stof, om te worden een spijze der wormen.

Maar hierin kan ze zich weder bemoedigen, als zij denkt, dat Christus ook wel in de macht des doods is geweest, maar daar niet onder gebleven; dat Hij den dood heeft overwonnen, en over dood en graf door Zijne opstanding gezegepraald; en

\' daarom denkt ze, is de angel, die in den dood was,

)

-ocr page 488-

Over het gebruik van den Middelaar.

weggenomen; en deze zal voor mij het middel zijn om mij over te brengen in heerlijkheid; en ofschoon mijn lichaam nog een wijle tijds in het graf moet liggen, Jezus heeft het graf geheiligd tot een plaats der ruste, en \'t zal mij maar als een slaapstede zijn; ja, omdat Jezus is opgestaan, zal ik ook niet altijd in het graf blijven, maar Hij zal mij opwekken ten uitersten dage, en niet rusten, voor dat Hij de laatste hand aan mij zal gelegd hebben, wanneer Hij den laatsten vijand, den dood, zal hebben te niet gedaan

G. Eindelijk, heeft de ziel ook wel te worstelen met angstvalligen schrik en naarheden tegen het aannaderende oordeel, ten jongsten dage; als zij eens denkt: wat zal het eens zijn, als Christus zal komen op de wolken, als ik ook voor den rechterstoel staan, zal, om mijn vonnis te ontvangen!

Maar hier kan ze wederom, gebruik makende van Christus, gemoedigd zijn, wanneer zij op nieuw tot Hem toevlucht neemt en Hem aanneemt als den Borg en Zaligmaker; denkende, het is waar, ik zal ook voor dien rechterstoel verschijnen, maar Hij die mijn Heer, mi.jn Man, mijn Hoofd, mijn Borg en Middelaar is, zal daar mijn Rechter zijn; Hij die mij hier bekleed heeft met Zijne gerechtigheid en gemaakt, dat ik tegen alle beschuldigingen voor God bestaan kon, zal ook maken dat ik, om diezelfde gerechtigheid, zal kunnen bestaan voor dat oordeel, en mijn aangezicht met vrijmoedigheid durven opheffen, daar ik geen vonnis der verdoemenis heb te wachten; maar omdat Hij hier al reeds iets van Zijn beeld in mij heeft gelegd zal Hij dan zeggen: „kom gij gezegende mijns Vaders beërft het koningrijk , dat voor u bereid is, van voor de grondlegging der wereld,quot; Math. XXV : 34.

362

-ocr page 489-

Over het gebruik van den Middelaar.

Ziet daar, hoe een geloovige Christus tot troost gebruikt tegen alle de kwaden die hem drukken.

Ten tweede moeten we nu zien, hoe men Christus moet gebruiken tot het goede, om te vorderen en toe te nemen in de genade; en hier zal ik moeten aan-toonen wat gebruik men heeft te maken van Zijne namen, naturen, ambten, staten en hoe Hem te stellen tot een voorbeeld van navolging; met een gedurig afzien van ons zeiven en van al wat in ons is, en een gedurige toekeer tot Christus en Zijne volle algenoegzaamheid.

Doch wegens de veelheid der zaken zullen we van ieder maar het hoofdzakelijke aantoonen; om Gods volk te leeren, hoe zij tot hun troost en heiligmaking omtrent den Middelaar moeten verkeeren.

Vooreerst ten opzichte van de namen, die Hij draagt, die moeten zij aanmerken, niet zoozeer naar zijne Goddelijke natuur, als wel, zooals hij de Middelaar en Borg is, en deze zijn, of de gewone en eigenlijke namen, of oneigenlijke, gelijk we in de vorige verhandeling breeder aantoonden. Omtrent deze moet een ziel, om er recht gebruik van te maken, denken:

1. Dat Hij niet één van al die namen te vergeefs draagt, maar om te toonen dat al wat die in hunne kracht beduiden, nog veel meer en overvloediger inderdaad in Christus gevonden wordt.

2. Zij moet die namen naar den aard en omstandigheden van de nooden of ongelegenheden, waarin zij zich gesteld vindt, gebruiken , bij voorbeeld : wordt de Heiland genaamd Jezus, deze is die naam, die als een olie die uitgestort is, als een balsem is op de ziele; wanneer deze in het gezicht van hare zonden wordt ingeleid doet die haar denken, ik heb

363

-ocr page 490-

Over het gebruik van den Middelaar.

een Middelaar, wiens naam is Jezus, Behouder en Zaligmaker, die gekomen is om Zijn volk zalig te maken van al hunne zonden, hoe groot, hoe veel, hoe langdurig; ik behoef dan niet versaagd te zijn, maar ik mag mij op Hem verlaten, als die ook mij van de zonden bevrijden zal; merkt ze Zijn naam als Christus aan, den gezalfde, dien God zelf van eeuwigheid tot Middelaar verordineerd en in den tijd bekwaam gemaakt heeft, toen Hij den Geest zonder mate op Hem heeft doen rusten, dan kan ze zich veilig op Hem verlaten en met Hem door het geloof vereenigd bij Hem aanhouden om hoe langer hoe meer van dienzelfden Geest, die op Hem rust, te mogen ontvangen.

Wordt Hij genoemd onze Reere, dan moet zij het oog op Hem houden, gelijk de oogen van de dienstknechten op de handen hunner heeren zijn geslagen, gewillig om Zijne bevelen te gehoorzamen; ja dan 1 kan de ziel van Hem verwachten, dat Hij ze bewaren zal. Is Zijn naam Raad dan moet ze in alle verlegenheid naar Hem gaan om wijsheid, en om voorzichtigheid , gelijk Hij beloofd heeft, ik zal raad geven.

Maar ten tweede, een geloovige moet den Middelaar ook gebruiken in heiveVkmg io\\,Zx\\n gansche persoon, als God, als mensch, en als den Middelaar Gods.

1. Ten opzichte van zijne Goddelijke natuur, zoo als Hij met den Vader en den Heiligen Geest is, de waarachtige God en het eeuwige leven, moet de ziel Hem gebruiken:

a. Tot sterkte en steunsel van het geloof; want omdat Hij God is, is zij ten volle zeker, dat Zijn lijden volwichtig is, en dat er niets aan de verwerving der zaligheid ontbreekt. I

364

J a aan lend\' aller bew£ h. beili wan ziet 2. men nu Hen geri digs kan zoo

Hij Her

a verl dan gel: mij

l

dig.

gen

mij

ge\\

hec

is

noi

Ch

-ocr page 491-

Over het gebruik van den Middelaar.

Ja daarom is Hij het voorwerp van het vertrouwen, aan wien men zich mag en moet overgeven; zullende Hij, als de Almachtige God, Zijn volk onder allen tegenstand van vijanden door Zijne kracht bewaren tot de zaligheid.

h. Is Hij God, dan moet het de ziel ook in heilige vreeze, ontzag en eerbied voor Hem doen wandelen, dewijl Hij met Zijn alwetend oog alles ziet en kent.

2. Ten opzichte van Zijne menschelijke natuur moet men Hem ook aanmerken; \'t is waar we kennen Jezus nu niet meer naar den vleesche; evenwel moet men Hem als mensch beschouwen niet zoozeer in zijne geringe gedaante, zooals Hij veracht en de onwaardigste onder de menschen was ; hetgeen wel dienen kan om de liefde tot Hem op te wekken, dat Hij zoo laag heeft willen blikken; maar bovenal zooals Hij nu in den hemel verheerlijkt is ; dan moet men Hem gebruiken:

a. Tot heiligmaking, denkende, heb ik zulk een verheerlijkten Heiland in den hemel, hoe meer ik dan in heiligmaking toeneem, hoe meer ik Zijn beeld gelijkvormig ben, hoe minder Hij zich zal schamen mij ook Zijn broeder te noemen.

h. Dat kan aan de ziel eene wonderlijke vrijmoedigheid geven in de toenadering tot den troon der genade; te denken, daar staat mijn broeder, die mijne natuur deelachtig is, die mij in alles is gelijk geworden, uitgenomen de zonden; die medelijden heeft met mijne zwakheden; omdat Hij zelf verzocht is geweest, gelijk wij, en daarom durf ik mijne nooden aan Hem klagen.

c. Dat dient vooral tot vertroosting\', want is Christus in den hemel verheerlijkt, wij zullen dan

365

-ocr page 492-

366 Over het gebruik van den Middelaar.

ook eens Zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig worden. En wat kan dat de ziel niet bemoedigen : te denken, Jezus, die mijn vleesch en bloed heeft aangenomen, die mijn Hoofd is, met wien ik op het nauwste ver-eenigd ben , is nu reeds in den hemel; en zoo is er al een gedeelte van mijn vleesch , hetgeen mij een bewijs en zeker onderpand is, dat ik ook daar komen zal; want is het Hoofd verheerlijkt dan moeten ook de leden verheerlijkt worden!

3. Vooral moet men Christus als den Middelaar, zooals Hij God en mensch in één persoon is, aanmerken en Hem als zoodanig gebruiken; dit Midde-laarswerk heeft Hij van eeuwigheid op Zich genomen, dat heeft Hij in den tijd uitgevoerd door gehoorzaamheid en lijden ; dat aangebrachte heil heeft Hij als de groote Profeet bekend gemaakt en dat past Hij ook toe aan iederen uitverkorene; die Hij één voor één overbrengt uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht; ja Hij is het die nog dagelijks bezig is om het heil van Zijn volk te bevorderen; zullende niet rusten vóór dat het gansche lichaan der kerk volmaakt is.

Zal nu eene ziel hier recht gebruik van maken, dan moet ze:

a. dezen Middelaar gedurig in al die opzichten met diepen eerbied, aanbidding en verwondering, geloovig beschouwen, dewijl „al wat aan Hem is, gansch begeerlijk is.quot;

b. Is Hij de Middelaar, dan is Hij de Petra, het fondament en grondslag van de gansche zaligheid, op wien de gansche kerk in het vierkant gebouwd is, waarop de ziel zich ook mag laten nederzinken, wetende dat de poorten der hel niet machtig zijn haar daarvan af te trekken.

-ocr page 493-

Over het gebruik van den Middelaar.

c. Als den Middelaar moet men door Hem tot God naderen, tot den genadètroon, die buiten Hem ontoegankelijk was; dat gebruik wil Paulus, dat men van Hem zal maken; want nadat hij Hem in het breede als den grooten Hoogepriester had voorgesteld, besluit hij met te zeggen: „laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan, met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofsquot;, Hebr. X : 22.

d. Heeft God de Vader in Hem als den Middelaar een spiegel van Zichzelven en van al Zijne deugden gegeven, zoodat Hij zeggen kon: „die Mij gezien heeft, heeft den Vader gezien!quot; Joh. XIV :9, dan moet Hij het voorwerp van onze aandachtige beschouwing zijn, „om de heerlijkheid des Heeren met een ongedekt aangezicht in Hem zoo te zien, dat we naar dat zelve beeld in gedaante veranderd wordenquot;, 2 Cor. III : 18.

e. Men moet Christus ook gebruiken in al die middelaarsbetrekkingen, waarin Hij wordt voorgesteld : als het Hoofd, om gedurig levenskracht uit Hem te halen; als de Bruidegom en Man; om door Hem verzorgd, bewaard en beschermd te worden; als de Herder, om onder Zijne hoede voor de aanvallen van den helschen leeuw bewaard te worden; als een sterke toren, om in verlegenheid en benauwdheden naar toe te loopen ; als het verzoendeksel, om het gezicht van de zonden; als het reukaltaar, om den wierook der gebeden op Hem neder te leggen; als het waschvat, tot heiliging en reiniging van de zonden, ja met één woord, als de weg, de waarheid en het leven, zonder welken „niemand tot den Vader komen kanquot;. Joh. XIV : 6.

ƒ. Heeft Christus als de Middelaar de zaligheid verworven en toegepast, dan moet men Hem ook

367

-ocr page 494-

368 Over het gebruik van den Middelaar.

gebruiken tot vertroosting; als den voleinder des geloofs, wetende dat Hij een getrouw Zaligmaker is; daar Hij eens de hand aan legt, zal Hij niet rusten voor dat het geheel tot zijne volkomenheid is gebracht; want „Hij laat niet varen het werk van Zijne handen.quot;

Ten derde, niet alleen moet men Christus gebruiken in Zijne namen, in Zijn persoon als God, als mensch en als middelaar, maar ook in Zijne drie ambten, als Profeet, Hoogepriester en Koning; ambten , die in den Middelaar noodig waren, om den zondaar tot God te brengen; want daar waren vooral drie kwaden die den zondaar drukten, te weten: zijne dwaasheid en diepe onkunde van den weg der zaligheid; de schuld waaronder hij verzonken lag, en de onmacht om zich uit het verderf te redden; hiertoe hadden we van noode een Profeet, die ons van de dwaasheid onthief, een Priester, die de schuld betaalde, en een machtig Koning, om de banden der zonden te verbreken en ons tot God te brengen.

Maar laat ons, na dit algemeene, eens elk dezer ambten in het bijzonder zien,

1. Als den grooten Profeet moeten wij Hem aanmerken als grooter dan Mozes, die maar een knecht was, en deze de Heer van zijn huis; en dus blijkt Zijne verhevenheid boven alle profeten, die ooit geweest zijn in zijn persoon; in de wijze, hoe Hij Zijne wetenschap ontvangen heeft en in de manier, hoe Hij die mededeelt.

a. Ten opzichte van Zijn persoon, alle profeten waren menschen, zondige menschen; van zich zeiven dwaas en duister, aan welke al wat zij wisten van God werd bekend gemaakt, maar deze is ook wel een mensch , maar heilig en rechtvaardig, afgescheiden van de zondaren, nooit besmet met zonden, ja

-ocr page 495-

Over het gebruik van den Middelaar.

daarenboven God en mensch in één persoon; waarom nooit eenige duisterheid in Hem plaats had.

h. Ten opzichte van de wijze hoe Hij Zijne leer ontvangen heeft, is Hij zeer verheven; de oude profeten hadden het door openbaringen en gezichten ; maar al wat Jezus heeft bekend gemaakt, had Hij van den Vader gehoord en geleerd; Hij was des Vaders metgezel in den eeuwigen vrederaad in Zijnen schoot; daarom de eeuwige wijsheid, en als mensch is Hij overstort met den Geest der wijsheid, zonder mate, zoodat nooit iemand zoo sprak, als Hij heeft gesproken.

c. Hij is zeer verheven in de manier hoe Hij leert; de oude profeten konden het maar doen door woordelijk of schriftelijk onderwijs, en het dan maar brengen tot het oor, maar deze groote Profeet brengt de waarheden aan het hart, Hij leert inwendig, Hij opent het verstand, ja Hij maakt het harde hart week, en schrijft er Zijne wet in; Hij bestuurt het oordeel, om rechtmatig de bekendgemaakte waarheden te beproeven; Hij buigt den wil om ze in liefde te omhelzen, en Hij geeft lust en kracht om volgens die waarheden te leven; ja Hij doet de zoetigheid en kracht bij bevinding proeven en smaken , zoodat men zeggen mag: ivie is een leer aar als Hij?

Maar wat gebruik moet men nu van zulk een grooten Leeraar en Profeet maken?

a. Wij moeten Hem als zoodanig een, met eene heilige verwondering, nederige aanbidding en innige blijdschap aannemen en omhelzen, door het geloof de hand op Hem leggen; zegt de Vader, deze is het in wien Ik Mijn welbehagen heb. hoort Hem! Matth. XVH : 2, zoo moeten wij dat getuigenis Gods toestemmen en ook een welbehagen in Hem nemen. h. Wij moeten met Maria veel gaan zitten aan

24

369

-ocr page 496-

870 Van het gebruik van den Middelaar.

Zijne voeten, om door Zijnen Geest uit Zijnen mond geleerd te worden; om de zalving van dien Heilige te ontvangen, waardoor men alles weet, 1 Joh. II: 20; men moet dan het hart gedurig voor Hem openzetten en de waarheden zoo onderzoeken , dat men naar Hem opzie om licht en kracht om in dezelve te worden ingeleid.

c. Wij moeten ons aan Zijn onderwijs onderwerpen en het verstand gevangen leiden, al komen er hoogten en diepten in voor, die men niet doorgronden kan; ook moeten wij niemands getuigenis aannemen, zoo het niet met het Zijne overeenkomt, maar het altoos daaraan beproeven; want Zijn onderwijs inwendig stemt altoos overeen met het Woord, en daarom moet men alles beproeven aan het Woord.

d. Wij moeten Christus in Zijn profetisch ambt zoeken gelijkvormig te zijn, om van God geleerd te worden, volgens de belofte van het verbond, Jes. LIV ; 13, „alle uwe kinderen zullen van den Heere geleerd zijnquot; ; om, dus geleerd zijnde, ook anderen te leeren, wat Paulus profeteeren noemt, 1 Cor. XIV : 24, vooral, gelijk Christus als profeet Zijne leer met een heiligen wandel bevestigd heeft, zoo moeten wij onze belijdenis versieren met eenen wandel, die met de waarheden overeenkomt.

2. Christus is ook de groote Hoogepriester over het huis Gods en als zoodanig moeten wij Hem aanmerken , en van Hem geloovig gebruik maken.

a. Wij moeten Hem aanmerken als den tegen-beeldigen en waren Hoogepriester van het nieuwe verbond, die eertijds was afgeschaduwd door den ouden hoogepriester in zijn prachtig gewaad, in zijne inwijding en werk, hetgeen we nu niet alles in het breede kunnen toonen; maar alleen zooals hij

.

-ocr page 497-

Over het gebruik van den Middelaar. 31i

in zijn heilig dienstwerk offerhanden moest opofferen , voor het volk bidden; eenmaal des jaars op den grooten verzoendag ingaan in het heiligdom met bloed; en het volk zegenen.

Gelijk nu een geloovig Israëliet zich in dat alles den waren Hoogepriester moet vertegenwoordigen, zoo kunnen wij, die alles in de vervulling zien, nog veel klaarder, als we het lichaam leggen bij de schaduwen, daarin zien een aanbiddelijke wijsheid van God; ja gelijk het lichaam oneindig de schaduwen overtreft, zoo is Christus een uitnemender hoogepriester dan Aiiron; want daar had men een priester die een zondig mensch was, die eerst verzoening moest doen voor zijne eigene zonden, eer hij in staat was tot God te naderen voor het volk, een priester, die onderscheiden was van het altaar en het offer, waarom hij met vreemd bloed inging in het heiligdom ; een priester, die, omdat hij de icare verzoening niet kon aanbrengen, nooit gedaan werk had, maar dagelijks vele slachtofferen moest offeren ; een priester, wiens voorbidding gebrekkelijk was en wiens zegenen maar bestond in wenschen.

Doch hier is een priester in het tegenbeeld, die dit alles overtreft, die onzondig is; want „zoodanig een hoogepriester betaamde ons: heilig, onnoozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren,quot; Hebr. VII : 26; waarom Hij niet noodig had voor Zijne eigene zonden te offeren; een priester, die, omdat Hij zich zeiven geofferd heeft, door ééne offerhande volmaakt heeft allen die geheiligd worden ; die niet het bloed van kalveren en bokken, maar Zijn eigen vergoten heeft; dat bloed, dat betere dingen spreekt dan dat van Abel; dat niet roept om wrake, maar om verzoening\', zoodat er geen zonden zoo groot,

24*

-ocr page 498-

372 Over het gebruik van den Middelaar.

zoo zwaar of langdurig zijn, die dit bloed niet machtig is weg te nemen; ja Hij is een Hoogepriester, wiens hidden eischen is, dewijl het rust op Zijn offer, en daarom hoort de Vader Hem altijd; ja de gehrek-kelijke gebeden van Zijn volk bewierookt en ze daardoor veraangenaamt bij den Vader, en die nog in eeuwigheid leeft om voor Zijn volk te bidden.

Hij is die Priester, die Zijne zegenende hand opendoet , om Zijn volk te overstroomen met alle geestelijke en hemelsche zegeningen.

En die, nadat Hij door lijden volmaakt was, is ingegaan in het ware heiligdom , niet met vreemd, maar met Zijn eigen bloed: Zijn teweeggebracht zoenoffer, hetwelk Hij aan den Vader heeft vertoond; waardoor Hij den weg tot het heiligdom gebaand heeft, ja nu nog verschijnt voor het aangezicht Gods voor ons.

b. Wij moeten ook van Christus als zoodanigen Hoogepriester gebruik maken:

1. Door dadelijk en dagelijks door het geloof tot Hem toevlucht te nemen, als den eenigen weg tot de zaligheid; we moeten de hand des geloofs op Hem leggen, en onze zonden op Hem overbrengen, gelijk eertijds de Israëlieten hunne handen op het hoofd van het zoenoffer moesten leggen; om daardoor de schuld als over te dragen op hetzelve; zoo moeten wij ook zeggen: o Heere, ik word onderdrukt door de zonden, maar wees Gij mijn borg, Jes. XXXVHLlé.

2. Wij moeten met Christus offer, dat Hij als de Hoogepriester heeft teweeggebracht, naderende tot den troon der genade, daarbij pleiten, zoowel om dagelijksche verzoening in hetzelve als om heiligmaking; zeggende: o Vader, heeit Uw Zoon niet volkomen betaald? is Zijn bloed ook niet tot ver-

i

-ocr page 499-

Over het gebruik van den Middelaar.

zoening van de dagelijksche struikelingen en afwijkingen ; \'t is waar, als ik op al mijne afdwalingen zie, zou ik moeten van verre staan, maar ik wensch mij in dat bloed van Uwen Zoon, dat altijd even versch is; te dompelen; en dan mag ik immers mijn aangezicht tot U opheffen?

Ja heeft Uw Zoon ook niet verworven den Geest tot heiligmaking, om de leemten en vlekken van mijn vuil gemoed uit te zuiveren? is dat niet het einde van Zijnen dood, „op dat ik der zonden zou afsterven, en der gerechtigheid leven?quot; 1 Petr. II: 24.

3. Men moet ook vooral gebruik maken van Christus hoogepriesterlijke voorbede; o wat geeft het niet veel vrijmoedigheid, wanneer men zich in bet gebed Christus vertegenwoordigt; denkende, daar staat Hij voor den troon als de tegenbeeldige hooge-priester, die Zijn volk op Zijn hart draagt; die zoo medelijdende is om mijn gebed, mijne godsdienstplichten, die zoo gebrekkelijk zijn, te veraangenamen bij den Vader; daar neemt Hij mijn naam op Zijne lippen, zeggende: Vader, voor dezen ben Ik gestorven , voor dezen heb Ik Mijn bloed gestort, „laat ze niet in het verderf nederdalen, omdat Ik de verzoening heb gevondenquot;. Job XXXIII: 24.

4. Wij moeten Hem gebruiken als de fontein, de springbron, het kanaal, waardoor alle geestelijkeen hemelsche zegeningen nederdalen, om Wien en door Wien God alles mildelijk geeft, zonder verwijten; we moeten ons dan maar als armen en ontblooten aanbieden en het hart open zetten; opdat stroomen der genade daarin nederdalen.

5. Wij moeten ook trachten geestelijke priesters te zijn, in navolging van Christus; de gewone priesters onder het Oude Testament waren in het wit gekleed,

373

-ocr page 500-

374 Over het gebruik van den Middelaar.

zoo moeten wij trachten opgesierd te worden met de Meechren des heils en den mantel der gerechtigheid, zonder welken we niet in het heiligdom tot God mogen naderen; als priesters moeten wij ons zeiven Gode opofferen, ziel en lichaam „Hem stellen tot eene levende, heilige en Gode welbehagelijke offerandequot;, Rom. XII : 1; vooral de verdorvenheden, den ouden mensch, moeten we dooden, met zijne bewegingen en begeerlijkheden; en dagelijks met het reukwerk van gebeden naderen tot in het heiligdom; en die leggen op Christus, als het gouden reukaltaar, dat voor God staat.

En gelijk de priesters zich moesten wachten van ceremoniëele onreinigheid om niet besmet te worden door het een of andere, moeten wij ook niet alleen met een rein hart en goede conscientie omtrent God verkeeren, maar ook onzen wandel uitwendig zoeken onbesmet te bewaren van de wereld, om aan anderen geen aanstoot te geven en onze kleederen niet te bevlekken.

3. Niet alleen is Christus een profeet en hoogepries-ter, maar ook een Koning: als koning was Hij al van ouds beloofd, die „heerschen zou van zee tot zee, en van de rivieren tot aan de einden der aarde als koning is hij menigmaal verschenen, vóór Zijne komst in het vleesch, aan Jesaia, Cap. VI, aan Ezechiel, Cap. 1. en aan anderen. Na Zijne komst aan Johannes in de Openbaring, Cap. XIX : 16. Als hebbende op Zijn kleed en dij geschreven dezen naam; Koning der Koningen en Heer der Heeren. Ja als Koning komt Hij voor als een overwinnend held, die voortrijdt op den wagen des evangeliums, en met Zijne genadepijlen treft in het hart van Zijne vijanden; om die aan Zijne zalige heerschappij te onderwerpen

amp;

-ocr page 501-

Over het gebruik van den Middelaar. 375

en zoo voorts te bewaren, te regeeren en te beschermen.

Maar wat moet nu het gebruik zijn, dat men van dezen Koning heeft te maken:

A. Wij moeten met een diepen eerbied omtrent Zijne ontzachelijke majesteit zijn aangedaan, en te gelijk worden opgewekt, om, als Christus bruid, gedichten te zingen van dien Koning, Ps. XLV : 2. en elkander daartoe gedurig op te wekken, om Zijnen lof groot te maken.

B. Wij moeten Hem gedurig bij vernieuwing als Koning over onze ziel uitroepen; in gehoorzaamheid des geloofs ons aan Hem onderwerpen; Hem kussen, met een kus van geloof en liefde; „dewijl Hij uw Heer is, buig u voor Hem neder,quot; is de eisch, Ps. XLV : 12.

C. Wij moeten als armen en ontblooten in ons zeiven, met nederige vrijmoedigheid tot Zijnen genade-troon naderen, om alle heilsgenaden, die Hij van daar uitdeelt, te ontvangen; wetende dat Hij een rijk, goedertieren en machtig Koning is.

D. Wij moeten dagelijks bij Hem gaan om kracht en genade, om de vijanden, wereld, zonde en satan tegen te gaan, Hem biddende dat Hij hoe langer hoe meer het rijk der zonden, de heerschappij, ja tirannie des satans en de liefde tot de wereld wil van den troon werpen en verbreken; dat Hij in het hart heersche, en daarin hoe langer hoe meer Zijn rijk oprichte, roepende menigmaal:

Leef, leef, o Koning, leef!

En in en door mij zweef,

Ai dood al wat mij smart,

Door uwe offerhanden,

Door uwe liefdebanden,

O Harte van mijn hart!

-ocr page 502-

376 Over het gebruik van den Middelaar.

Ten vierde, wij moeten ook gebruik maken van Christus in Zijne verscheidene staten, zoowel der vernedering, als der verhooging.

1. Van den staat der vernedering vooral, als we beschouwen het lijden van den Heiland; als wij Hem nagaan in Gethsemané, en zien worstelen met God in veel angst en benauwdheid; of met Hem klimmen op Golgotha, waar Hij een allersmartelijksten , smade-lijken en schandelijken dood stierf; nergens levendiger kunnen we de ellende, verlossing en dankbaarheid, als de drie middelen noodig tot zaligheid, kennen, dan daar, waar Christus lijdt; men mag de zonden zien door een overtuigde conscientie, maar nooit is de schrikkelijkheid van de zonde meer ten toon gesteld en de toorn Gods tegen de zonden ontstoken, dan wanneer de Zone Gods om der zonden wille aan het vervloekte kruis werd genageld, nooit gaf God meer blijken van Zijne rechtvaardigheid en heiligheid dan toen; want al had Hij al de duivelen en het gansche menschelijk geslacht Zijne gunst ontzegd en hen overgegeven aan het eeuwige verderf, dan bad men moeten zeggen. God handelt als een rechtvaardig Hechter; maar nu Hij Zijnen lieven Zoon aan zulk een lijden overgeeft, toont Hij Zijnen heiligen haat en afkeer van de zonden, dat Hij den zondaar niet tot Zijne gemeenschap kan inlaten zonder voldoening; en dat daarom Christus als Borg de straf moest ondergaan, die op de zonden bedreigd was; wil men nu hiervan recht gebruik maken, het moet dan dienen:

A. Om ons een levendigen indruk te geven van het gruwelijke en verfoeijelijke van de zonden, dieniet konden verzoend worden, dan door het bloed van den Zone Gods; opdat het in ons verwekke eene

-ocr page 503-

Over het gebruik van den Middelaar.

heilige waakzaamheid om toch door dezelven niet overvallen te worden.

B. Om ons te doen aanmerken de grootheid en onbegrijpelijkheid van de liefde Gods, die nergens meer in haar daglicht gesteld wordt dan in Christus dood; daarom zegt Paulus, „God bevestigt Zijne liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars warenRom. V : 8, en Christus zegt, dat „niemand meer liefde heeft, dan dat hij zijn leven stelt voor zijne vriendenquot;, Joh. XV : 13, want al had God al de engelen en Adam en Eva in hunnen staat bevestigd, dat zij nooit gevallen waren, men had dan moeten zeggen, het is een bewijs van Zijne goedheid; maar nooit had men met zooveel verwondering kunnen uitroepen : „Alzoo, ja zoo oneindig , zoo onbegrijpelijk lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft! Joh. III: 16 Het moet dan de ziel opwekken om met verwondering en aanbidding in dezen afgrond neer te zinken en uit te roepen, „hoe dierbaar is uwe goedertierenheid o God!quot; Ps. XXXVI: 8 en vooral het hart in eene heilige wederliefde ontvlammen, denkende, werd Jezus om mijnentwil zoo diep vernederd, moest Hij gevangen, gebonden, gegeeseld en gekruist; o laat er dan niets te dierbaar zijn, dat ik niet aan Hem zou opdragen, maar ziel en lichaam en alle krachten in Zijnen dienst besteden en opofferen.

C. Het moet de ziel opwekken om met alle hare nooden, al hare zonden, al de wangestalten van haar hart naar Jezus te gaan, die neder te leggen voor Zijne voeten, Hem biddende dat, terwijl Hij haar van een eeuwig verderf heeft willen verlossen. Hij ook door Zijn bloed en Geest alles in haar weg-neme, wat haar tot Zijnen dienst onbekwaam maakt;

377

J

£

-ocr page 504-

378 Over het gebruik van den Middelaar.

vooral dat de oude mensch der zonden met Hem gekruist, gedood en hegraven worde, „om in nieuwigheid des levens met Hem te wandelenquot;, Kom. VI vs. 4—6.

2. Wij moeten Christus beschouwen in den staat van Zijne verhooging:

A. Zooals Hij is opgestaan van de dooden, waarin de grondslag is van onze rechtvaardig-, heilig- en heerlijkmaking, want omdat Christus is opgewekt, heeft de Vader getoond, dat er volkomen aan Zijn recht voldaan en Hij nu in staat gesteld was om den zondaar te kunnen rechtvaardigen; ja daaruit zien we onze verplichting om, met Hem opgewekt zijnde, niet meer „ons zeiven en der zonden te leven, maar voor dien Heiland, die voor ons gestorven en opgewekt isquot;, 2 Cor. V : 15. Wij moeten dan maar gedurig bidden , om „Hem meer te mennen, en de kracht van Zijne opstandingquot;, Phil. HI: 10, en dan zal Christus opstanding een grond zijn van de zalige opstanding, en dus tot troost verstrekken, wetende, omdat het Hoofd leeft, dat ook de leden eens zullen leven met Hem.

B. Beschouwen we Hem als opvaren ten hemel, om daar een plaats te gaan bereiden voor Zijn erfdeel , om van daar Zijnen Geest te zenden, dat moet dienen, om het hart van de lage aarde hemelwaarts op te beuren, en met de gedachten en werkzaamheden daar te zijn , waar Christus is; en veel te bidden om een overvloedige mate van Zijnen Geest.

C. Zit Jezus ter rechterhand Gods, verheven boven alle overheid en macht, die daar als het Hoofd der kerk haar bewaart, beschut en beschermt tegen alle vijanden, en ze eens eindelijk tot Zich zal opnemen in heerlijkheid; dit moet dienen tot bemoediging en

-ocr page 505-

Over het gebruik van den Middelaar.

opbeuring in alle zwarigheden, zoowel voor de kerk in het algemeen, als voor ieder lid in het bijzonder; waarom Calvijn zeide: zoolang als Jezus aan Gods rechterhand is, heeft de kerk geene zwarigheid, Hii zal nooit toelaten dat de viianden haar zullen overwinnen , noch ook dat één lid, zelfs niet het allergeringste , zal verloren gaan; want Hij houdt Zijn oog op haar ten goede; o wat is het niet tot aanmoediging en vertroosting te denken: daar zit mijn Koning, ter rechterhand van God, ook voor mi], om mijne zaak te handhaven, aan Wien ik het zoo veilig mag toevertrouwen en overgeven, wetende dat Hij niet zal rusten vóór dat Hij mij ook bij Zich brengt in heerlijkheid !

Laten we nu ten vijfde eens zien hoe men gebruik te maken heeft vaii Christus, door Hem tot een voorbeeld ter heilige navolging te stellen.

Daartoe worden de geloovigen dikwijls opgewekt, zij moeten „alzoo wandelen, gelijk Hij gewandeld heeftquot;, 1 Joh. II; 6; en „gelijk zij Christus Jezus den Heere hebben aangenomen , alzoo in Hem wandelenquot;, Col. II : 6; zij zijn „verordineerd om Zijn beeld gelijkvormig te zijnquot;, Rom. VHI: 29; dit verkrijgen zij wel in aanvang, wanneer Christus in de wedergeboorte Zijn beeld in de ziel overdrukt; maar in den voortgang van de heiligmaking moet het hoe langer hoe meer volmaakt worden.

Op wat voor eene wijze zal nu eene ziel den Heere Christus in dezen gebruiken?

1. Zij moet dat sierlijk deug denkleed van Christus, dat Hij op aarde in het oefenen van alle deugden betoond heeft, zich gedurig vertegenwoordigen, om daarop verliefd te worden.

2. Zij moet er dagelijks zich zeiven hij nederlegyen

379

-ocr page 506-

Over het gebruik van den Middelaar.

en afvragen, hoever zij daarnaar gelijkt, of nog er 1-

van af is! hier moet de ziel handelen als een schil- vert

der; zij moet zich het origineel, het patroon gedurig zon(

voorstellen, zich zelve aanmerken als het paneel, wan

waarin het doodverfsel in flauwe trekken reeds is geei

gelegd; de genade als het schilderwerk, dat hoe A

langer hoe meer wordt opgehaald en volmaakt, en zijn

zij, als een heilig schilder, moet gedurig letten, er,

waar het ontbreekt, wat trekken er zijn die nog lief

niet gelijken, en dan aan het verbeteren gaan, en zij

daar zal werk toe zijn zoolang men op aarde is; hoe

want het schilderwerk zal niet volmaakt zijn vóór mai

dat men Christus gelijk zij in heerlijkheid. zaa

3. En in dit alles moet de ziel aan de eene zijde gij

zoo ijverig bezig zijn, alsof ze het door eigen kracht mei

kon uitwerken ; en aan de andere zijde, overtuigd liet

van hare onmacht dat ze niets doen kan, en daarom nie

in afhanging van Jezus Geest en kracht, gedurig opv

bidden; dat

I

Heil\'ge Jezus, druk Uw leden, jez

Ten leven, op de mijn\';

Doe mijn voet als d\' Uwe treden,

Mijn oog als \'t Uwe zijn; SeE

Bovenal, maak dat mijn hart, t\'611

Als het Uw\' recht vurig werd! bei

Heilig mij, heilig mij, ges

Ik moet heilig zijn als Gij. du

ev(

Zietdaar zoo kort ik kon dit breedvoerig stuk, vai dat de gansche praktijk der godzaligheid bevat,

afgehandeld. ik

Nu moet ik nog een en andere vraag hieromtrent vo:

kortelijk beantwoorden, hetgeen ons derde stuk was , de

dat we zeiden te zullen doen. ik

380

-ocr page 507-

Over het gebruik van den Middelaar.

er 1. Mogelijk vraagt iemand: kan ik met Christus lil- vereenigd zijn, ja dadelijk gebruik van Hem maken, rig zonder nogthans verzekerd te zijn van mijn staat? el, want daar hapert het mij aan, en daarom durf ik

is geen gebruik van Jezus maken. Ik antwoord ; 10e A. Dat de gemeenschap aan Christus wel degelijk en zijn kan en is zonder verzekering; want velen zijn in, er, die teederlijk God vreezen, die Jezus hartelijk log lief hebben, en evenwel twijfelmoedig zijn ; zouden en zij daarom van Hem geen gebruik maken; och ja, is; hoe bleven zij anders staande onder de list en gt;or macht van zoo vele vijanden? en als ge uwe werkzaamheden nagaat, moet gij zelf niet erkennen, dat de gij er iets bij bevinding van kent? werpt gij u niet ;ht menigmaal onmachtig voor Jezus voeten? als gij gd licht raad en sterkte noodig hebt, gaat gij daarom )m niet tot Hem? wat zijn anders die begeerten, die ■ig opwellingen van het hart naar boven? niet anders dan het inroepen van Zijne kracht.

B. Hebt ge ook niet wel eens ondervonden, als gij Jezus krachtig inriept, dat Hij zich aan u niet onbetuigd liet, maar dat gij wel op het onverwachtst gesterkt werdt in den Heere tot uitvoering van plichten , die u als bergen schenen; is dat niet een bewijs, dat Hij u met kracht omgordde? en al geschiedt het dan aan uwe zijde met ongeloof, met duisterheid, met beroering; het is Jezus daarom evenwel aangenaam, als gij maar aan Hem blijft c, vastkleven.

t, 2. Een ander zal zeggen, ik weet niet beter, of

381

ik maak ook gebruik van Jezus, tot bemoediging en it vordering in de heiligmaking, maar ik blijf steeds i, dezelfde, ik zie niet dat ik vorder; en daarom vrees ik, of ik wel waarlijk met Christus vereenigd ben,

J

-ocr page 508-

382 Over het gebruik van den Middelaar.

en of ik wel recht van Hem gebruik maak; ik antwoord hier op:

A. Het kan wel zijn dat gij, waarlijk met Jezus vereenigd zijnde, evenwel niet hartelijk, niet ernstig en opzettelijk genoeg leeft, en daarom in uwe vrijmoedigheid gestremd wordt, om zoo gemeenzaam met Hem te handelen; en dat Jezus zich dan ook van u onttrekt en Zijnen invloed inhoudt.

B. Maar uwe klacht kan ook ongegrond zijn; want men kan icaarlijk vorderen in de genade en het evenwel niet zien, even als een tak die in een boom is ingeënt, schoon men niet aanstonds ziet dat hij groeit, is hij evenwel met den boom vereenigd, en ontvangt van deszelfs vochtigheid en sap; zoo kunt gij ook met Christus vereenigd zijnde, in Hem opgroeijen en het evenwel niet zien; of, omdat het meest naar binnen is, in ontdekking aan u zeiven in ootmoedigheid en nederigheid, en wanneer gij dan dieper in uwe verdorvenheden wordt ingeleid, denkt ge, ik heb geen genade; en ondertusschen is dat al een groote en meest noodige genade; of wel de Heere verbergt voor u dat gij toeneemt, om u arm, nederig en klein te houden; om u ootmoedig te doen wandelen met Hem: och wij zijn zulke afgodische menschen! zagen we altijd in ons zeiven het goede dat we bezitten , we zouden zoo licht hoogmoedig worden en ons op onze eigen gaven en bekwaamheden verheffen; of we zouden zoo licht steunen op eigen kracht; maar nu wil God ons van alles afdrijven en gedurig meer op Jezus doen zien, om Hem de eere van alles te geven, en door Zijne kracht alles te vermogen.

3. Nog zal iemand zeggen: ik durf zoo vrijmoedig geen gebruik van Jezus maken; omdat ik nog zoo zondig en onrein ben: en Jezus is zoo zuiver en

-ocr page 509-

Over het gebruik van den Middelaar.

rein; ik vrees, dat ik Hem niet aangenaam zal zijn.

Maar ik antwoord:

A. Moet ik zeggen, foei zulke taal! dat is ongeloof l wilt ge dan, eer gij naar Jezus gaat, gereinigd worden? weet gij ergens raad om geholpen te worden? gij handelt evenzoo dwaas als iemand zou doen in het natuurlijke, die zou zeggen: ik ben al te ziek om naar den medicijnmeester te gaan om mij te laten genezen; ik ben al te onrein om gezuiverd te worden; zou men tot zoo iemand niet zeggen: omdat gij zoo zijt, moet ge te meer die middelen gebruiken ; wel gaat naar Jezus, Hij wil u Zelf heiligen.

B. Hebt ge geringe cjedachten van Jezus, alsof Hij niet machtig en gewillig was om de ellenden, waaronder gij zwoegt, weg te nemen en u tot alles bekwaam te maken; heeft Hij niet allen, die tot Hem kwamen geholpen, wanneer zij maar wilden geholpen wezen en geloofden, dat Hij het doen kon ? gaat dan ook tot Hem en zegt: Heer, indien gij wilt, gij kunt mij reinigen. O het is tot oneer van Christus , als gij zoo handelt; \'t is alsof Hij een Middelaar was, die niet alle vereischte hoedanigheden had, daar Hij ten volle alles bezit, wat gij noodig hebt.

4. Zegt ge mogelijk: ik ga wel tot Christus, ik biedt mij wel aan Hem aan, maar ik ondervind Zijn invloed niet, Hij houdt Zich als doof voor mij; ja mij dunkt. Hij verbergt Zijn aangezicht hoe langer hoe meer; ik blijf in het duister zitten; is dat niet een bewijs, dat ik nog geen gemeenschap met Hem heb ?

O neen, de Heere Jezus doet dat menigmaal om het geloof in Zijn volk te beproeven, en schijnt wel eens tegenovergestelde wegen in te gaan, ofschoon Hij willens is hen te helpen ; ziet het eens in den

383

.

-ocr page 510-

Over het gebruik van den Middelaar.

blindgeborene: Jezus legde slijk op zijne oogen, men zoü gezegd hebben: is dat een middel tot genezing? en evenwel was het zoo, opdat Hij Zijne macht te meer zou ontdekken; en nog allerklaarst zien we het in de Kananeesche vrouw: zij blijft al maar roepen : „Zone Davids, ontferm U mijnerquot;! Jezus hoort haar wel, maar Hij antwoordt niet, dan van ter zijde tegen de discipelen: „het is niet betamelijk het brood der kinderen den hondekens voor te werpen.quot; Een antwoord dat haar scheen te zullen afschrikken ; de vrouw hoort het; zij vat dat woord op en zegt: „ja Heer, de bondekens eten ook van de kruimkens die van de tafel hunner heeren vallen, en dat aanhouden was Jezus zoo aangenaam, dat Hij eindelijk zegt: „vrouwe, groot is uw geloofquot;, Matth. XV : 22; o, al hebt ge dan niet aanstonds het gewenschte antwoord, houdt evenwel maar aan, dat is Jezus aangenaam.

Ziedaar dan de volle springbron van genade en zaligheid, die in Jezus is, u voorgesteld.

Komt nu alle ellendigen en verlegenen, die onder zoovele nooden en gebreken dikwijls nederzijgt; hier moogt gij vrijmoedig tot Hem gaan, die het alles kan vervullen; zijt ge dwaas, gaat naar Jezus om verlichting, Hij wil, Hij kan uw verstand openen en u door zijnen Geest leeren.

Zijt ge door het gezicht van uwe zonden beroerd? Jezus roept u toe, wendt u naar mij toe; het is des Vaders welbehagen, dat in Mij, den grooten Heiland, een volheid van gerechtigheid zou wonen.

Zwoegt ge onder de kracht der verdorvenheden ? Jezus roept u toe: komt tot Mij, ik zal u heiligen en reinigen, en u kracht geven door Mijnen Geest om uwe heiligmaking te bevorderen!

384

-ocr page 511-

Over het gebruik van den Middelaar.

Wordt ge omringd door vele geestelijke vijanden ? Ik ben de Machtige Jakobs, die den vijand heb overwonnen; ja met één woord, al wat gij noodig hebt, is in Jèzus te vinden ; ach maakt er dan een geloo-vig gebruik van; blijft niet van verre verlegen staan; maar gebruikt die genade-schatten, die u worden aangeboden ; brengt maar het ledig vat van uw hart, laat dat diep inzinken in den oceaan van Christus vol-heid; gij moet met den emmer des geloofs icater scheppen uit deze fontein des heils, en daartoe moet gij trachten altoos een levendigen indruk te hebben van uwe onmacht en ledigheid; dan eerst zult gij zien, hoe noodig gij Jezus hebt tot alles, en dat gij zonder Hem niets doen kunt, want dat zal u vuriglijk naar Hem drijven! maar daar hapert het dikwijls aan, dat gij nog al te veel in eigen kracht onderneemt; gelooft het toch, alle Gods kinderen, zoowel de allergrootsten als de allerkleinsten in de genade moeten erkennen, ik heb niets in mij zei ven, noch kan iets doen door mij zeiven, ik moet geheel van het eigen afzien; het is Jezus, en Jezus alleen, door wien ik moet behouden worden en die mij kracht moet geven, zal ik iets goeds verrichten; ik heb geen ééne daad, geen ééne deugd die ik voor God zou durven brengen, het is alles bezoedeld en onrein; mijne gerechtigheden zelfs zijn als een weg-werpelijk kleed.

O mochten nu deze waarheden ook dienen ten nutte van ons en iedereen, om er naar tijdsgelegenheid voordeel mede te doen.

Arme, dwaze, blinde en zorgelooze wereld, wie gij zijt, van al die dingen die we daar hebben voorgesteld, zijt gij geheel onkundig, omdat gij nog leeft buiten Christus; gij weet niet wat het is met Hem

25

385

-ocr page 512-

386 Over het gebruik van den Middelaar.

door het geloof te zijn vereenigd en uit Hem kracht te halen; och wat zijt gij ongelukkig en rampzalig, want zoo heilrijk en heugelijk het is gemeenschap aan Christus en aan al Zijne volheden te hebben zoo naar is het ook daarvan verstoken te zijn, want leeft gij huiten Christus, zoo zijt gij zonder God, huiten het verhond en zonder hoop in de ivereld, en zijt een erfwachter van de eeuwige rampzaligheid; want Christus is de „eenige naam, die onder de menschen gegeven is, waardoor men moet zalig worden.quot; Hij is de eenige weg die ons tot God kan brengen.

Of denkt gij, tijdgeloovige, die zoo nabij komt, dat uw staat zoo rampzalig niet is, omdat gij ingetogen en godsdienstig zijt, omdat gij in uitwendigheden Gods volk niet alleen gelijk zijt, maar wel overtreft? hier wordt uw grond ontdekt, hier is de grenspaal tusschen de natuur en genade; want al bracht gij het nog zoover en het blijft buiten Christus, dan zijt gij maar te ongelukkiger, en des te bezwaarlijker te overtuigen; en gij weet dat gij nooit recht aan u zeiven ontdekt zijt, en gezien hebt, dat uwe beste werken walgelijk voor God zijn; de Middelaar des verbonds is u nooit recht dierbaar geworden; als gij al eens een flauwe begeerte naar Hem gevoel-det, het was maar om van het verderf bevrijd, maar niet om heilig te worden, en derhalve een klaar blijk, dat gij nog geen deel aan Hem hebt; wat zult gij dan aan het avondmaal doen? want dat dient, om de gemeenschap met den Heere Jezus te bevestigen en te verzegelen. Alle Zijne volheden, die daar worden voorgesteld, zijn voor u niet; en nadert gij evenwel, het zal u niet tot voordeel maar tot een oordeel zijn.

-ocr page 513-

Over het gebruik van den Middelaar. 387

Maar, volk van God, voor wie eigenlijk deze stof is, hier moet ik zeggen is veel tot uwe beschaming; gij ziit, het is waar, in Christus; gij hebt deel aan alle Zijne goederen; maar hoe is het dan, dat gij als een rank van den wijnstok, die sap en vochtigheid genoeg wil mededeelen, niet meer vruchten draagtquot;) dat gij zoo dor en doodig zijt? het scheelt immers niet aan Jezus maar aan u zelve, en zouden dit niet wel de oorzaken zii\'n:

1. Omdat uw hart al te veel met de aarde is ingenomen, hetgeen de invloeden van Jezus en Zijnen Geest terughoudt; want het hart is dikwijls zoo\'vervuld met aardsche dingen , met zorg en kommer, dat gij uwe gedachten niet hemelwaarts kunt vestigen!

2. Gij maakt geen geloovig gebruik genoeg van Christus; wel in het algemeen, maar niet in elke bijzondere daad, die gij verricht; in elke ongestalte, waaronder gij zwoegt; in iedere particuliere zonde\', die u doet zuchten; om daarmede naar Jezus te gaan, die voor Zijne voeten te leggen en te zeggen: groote Heiland, dat bezwaart mij, daar word ik door overvallen, geef mij genade en kracht om het te overwinnen. Gij zijt er machtig toe.

. 3- _ Gij onderneemt nog te veel in eigen kracht, gjj zijt niet genoeg van uwe onmacht bewust, en dat gjl zonder Jezus niets doen kunt; en daarom wordt gij zoo dikwijls beschaamd; daar gij integendeel ] ondervindt als gij zoo machteloos opziet naar Jezus, dat gij wel eens in zwakheid kracht krijgt.

4. Gij legt uw ledig hart niet genoeg open voor Jezus volheid, dat Hij het vervulle; het is u niet genoeg om Zijn invloed te doen; gij kunt te veel leven buiten Christus; en is het dan wel wonder, dat Hij u ook niet méér van Zijne zalige volheden mededeelt?

25*

-ocr page 514-

388 Over het gebruik van den Middelaar.

0 komt, richt op trage handen en slappe knieën, gij wordt nu weder genoodigd aan de heilige honds-tafel; daar zal die fontein des heils weder geopend worden tot vervulling van al het gebrek; daar zullen we Christus in al die betrekkingen zooals we Hem hebben voorgesteld, op het levendigst zien afgeschilderd ; daar zullen we Hem zien in de kracht van Zjine namen, in Zijne doorluchtige eereambten, in Zijne verhevene naturen en heide staten, waarin Hij de zaligheid verworven heeft en toepast; nadert dan tot Hem met vrijmoedigheid; laat u door geen ongeloof of ongegronden kommer ophouden; Jezus biedt Zich in Zijne gansche volheid aan, doet uwen mond maar wijd open , Hij zal hem vervullen. En al kunt ge niet komen met die vrijmoedigheid, al was het dan met een beroerd hart, met een betraand oog en bevende hand, zoo het u maar om Jezus te doen is; het zal Hem aangenaam zijn, al moest gij roepen: „ik geloof Heer, kom mijn ongeloof te hulp, vermeerder mijn geloofquot;! die stem is Hem zoet en die gedaante liefelijk\', en al behaagde het Hem niet u te ontmoeten, laat het u eere genoeg zijn op Hem te blijven wachten; ontmoet Hem aan uwe zijde met hartelijke opdragingen van uzelven aan Hem, met de uitgangen van uwe liefde, met geloovige omhelzingen; dan kunt gij u verzekeren, dat die Jezus, die u hier is tot wijsheid, tot gerechtigheid en tot heiligmaking, ja tot alles, u ook eens zal worden tot volkomene verlossing, hier in genade, bij aanvang en namaals in heerlijkheid, tot volle zaligheid.

AMEN.

-ocr page 515-

TWAALFDE VERHANDELING

OVER DE BETAMELIJKE EN GODVRUCHTIGE VOORBEREIDING OF SCHIKKING VAN HET HART , 051 HET AVONDMAAL DES HEEREN MET VRUCHT TE GENIETEN.

erwijl van een goede toebereiding tot het gebruik van des Heeren hoogwaardig Avondmaal dikwijls de zegen en vrucht afhangt, en vele oprechten onkundig zijn , hoe daarin het best te handelen, zoo dacht ik het niet ondienstig om hiervan ook eenig bericht te geven ; doch vooraf moet ik zeggen, dat ik dit niet al te uitgebreid zal doen, dewijl er over dit stuk veel geschreven is, hetgeen breeder kan nagelezen worden; ook zal ik niet van de zelfbeproeving spreken, langs die drie gronden , die de Heidelbergsche Catechismus opgeeft en waarvan in het formulier van het Avondmaal wordt gesproken ; maar vooronderstellende te spreken tot zulken, die waarlijk het leven der genade in hunne ziel deelachtig zijn , is het alleen mijn oogmerk, om hun eene bekwame handleiding te geven hoe zij in hunne voorbereiding zich moeten schikken tot het betamelijk toenaderen aan des Heeren tafel. Tot dat oogmerk zullen we onze gedachten langs deze gronden leiden :

1. Zal ik aantoonen de noodzakelijkheid van zulk eene voorbereiding.

2. Eenige hinderpalen, die iemand zouden stremmen uit den weg ruimen.

-ocr page 516-

390 Over de voorbereiding tot het heilig Avondmaal.

3. Dan zal ik aanwijzen waarmede men zich in de voorbereiding moet bezig houden, of waarin die eigenlijk bestaat, en daaromtrent eenige bestieringen geven.

4. Eindelijk eenige zwarigheden uit den weg ruimen, die men uit het gezegde mocht opvatten.

Vooreerst dan, zeg ik, dat de voorbereiding en schikking van het hart zeer noodzakelijk is om navolgende redenen.

1. Al is men waarlijk een Christen, al staat men met God waarlijk in het verbond, al is men het geloof deelachtig geworden, zoo is het nogthans zeker dat we zondig zijn en blijven, zoolang we hier op aarde zijn; al heeft men zich nog zoo hartelijk aan God en Zijnen dienst verbonden, daar komen weder honderd dingen tusschenbeide; het hart is als een looden gewicht, dat steeds naar de aarde zakt, en noodig heeft gedurig naar boven getrokken te worden; hierdoor komt ook niet zelden eene verwijdering tusschen God en de ziel; zal men nu weder nauwer gemeenschap met God oefenen door het bondzegel des Avondmaals, wat is er dan noodiger, daar we met een heilig God te doen hebben, dan eens bedaard te gaan nederzitten en te onderzoeken in welke daden we gezondigd hebben ? hoe ver we van God zijn afgeweken, en die afwijkingen te belijden , opdat die geen oorzaak zijn, dat de Heere Zich zou verbergen.

2. Is er tot verrichting van alle voorname godsdienstplichten eene voorbereiding en schikking van het hart noodig, zoo wordt het vooral in dit gewichtig stuk vereischt; want in het avondmaal komt God als de God des Verbonds , die Zich op het nauwst met de ziel wil vereenigen; hier komt de Heere Jezus

-ocr page 517-

Over de voorbereiding tot het heilig Avondmaal. 391

met al de schatten van Zijne algenoegzaamheid Zich aanbieden, willende als de bruidegom der ziele Zich opnieuw met Zijne bruid ondertrouwen, en gaat Zijne schatten mededeelen; zal zij nu toenaderen, dan moet zij ook aan hare zijde ten minste bewust zijn, dat zij gewillig en genegen is öm zich opnieuw aan den Heere in het verbond over te geven, en hoe zal ze daarvan bewust zijn dan door een godvruchtig en bezadigd onderzoek en beproeving van het hart voor den Heere?

3. Zou het niet noodzakelijk zijn het hart wel voor te bereiden? daar de Heere Jezus Christus, als de groote Gastheer, zelf aan Zijne tafel teyen-woordig komt, om met Zijn alwetend oog, dat harten en nieren beproeft, Zijne aanzittende gasten te overzien, of zij met het ware bruiloftskleed voorzien zijn, of zij in zulk eene gestalte genaderd zijn als het hun past; o zou die indruk van Jezus tegenwoordigheid de ziel niet opwekken om te staan naar zulk een gestalte, die Hem aangenaam is en waardoor ze een welgevallen van Hem kan trekken ?

4. Het bereiden en schikken van het hart is een plicht, die in Gods Woord dikwijls wordt aangedrongen; Job XI : 13, „indien gij uw hart bereid hebt, zoo breid uwe handen tot Hem uitquot;; Zefanja II : 1, „doorzoekt uzelven nauw, ja doorzoekt nauw.quot; En de apostel Paulus roept den Corinthiërs toe: 2 Cor. XIII : 5, „doorzoekt uzelven of gij in het geloof zijt, beproeft uzelven!quot; en dat wil hij vooral, dat plaats zal hebben ten aanzien van het gebruik van het Avondmaal; 1 Cor. XI: 28 , „de mensch beproeve zich zeiven en eete alzoo van het brood, en drinke van den drinkbeker.quot;

5. Het godvruchtig schikken van het hart is

-ocr page 518-

392 Over de voorbereiding tot het heilig Avondmaal.

doorgaans zeer gezegend en nuttig voor de ziel; hoe-vele van Gods kinderen hebben het niet wel ondervonden, wanneer hun hart in de voorbereiding har-telijk werkzaam was, hoe gezegend zij het aan de tafel vonden; hoe de Heere hun wel is ontmoet in Zijne liefde ! ja wanneer zij in hunne eenzaamheid zich opnieuw aan Hem in het verbond hadden opgedragen en betuigd: ik zal des Heeren zijn; hoe God aan de genadetafel hen wederom ontmoette en toeriep : Ik zal uw God zijn! en daarvan geef Ik u het zegel zelf in handen; en integendeel als zij onbereid en slordig toenaderden, dat zij dan moesten klagen dat hun hart dor en doodig was.

6. De voorbereidingen tot het Avondmaal zijn al van oude tijden onder de Christenen in gebruik geweest, en die waren er zeer op gezet; \'t is waar, in de tijden der apostelen was het niet noodig, toen was de ijver en ernst zoo groot en de wandel zoo teeder en gezet, dat zij altijd in staat waren om het Avondmaal te houden, waarom het ook alle week gehouden werd; maar zoodra verslapte de ijver niet in de kerk, of men had voorbereidingen , die vooral in eene belijdenis van zonden bestonden; hierom was het dat Luther, ofschoon de pijnbank wegnemende, echter de belijdenis van zonden, in de Roomsche kerk onder den naam van Hecht bekend, nog liet overblijven, en de Lutheranen hebben nog de gewoonte, wanneer zij in hunne voorbereidingspredikatiën de zonden belijden, dat bat gansche volk met amen het toestemt; daar van daan zijn bij ons ook de voorbereidingspredikatiën, om de menschen te leeren hoe zij hun hart voor God moeten schikken om Hem te ontmoeten.

Ons tweede stuk, dat we moesten verhandelen

-ocr page 519-

Over de voorbereiding tot het heilig Avondmaal. 393

was, eenige hinderpalen uit den weg te ruimen , die Gods volk tot het doen van een betamelijke voorbereiding zouden verhinderen; ik zal hier de beletselen zelve voorstellen en tevens aanwijzen hoe hierin het best te handelen om het te overwinnen.

1. Daar is geen grooter hinderpaal, dan dat men altijd uitstel zoekt\', dan en dan zal men eens tijd nemen om zijn hart te schikken; daar is nog tijd genoeg toe, ofschoon het Avondmaal drie weken te voren door de leeraars aan de gemeente wordt bekend gemaakt, met dat oogmerk, opdat ieder zijn hart betameli.jk zou bereiden; men denkt: ik zal het nu nog niet doen, maar in de volgende week; komt die, men stelt het van dag tot dag uit, men heeft veel bezigheden, men kan dat werk niet ter loops doen, totdat de tijd zoo doorschiet, dat men somtijds geen drie dagen heeft; ja wat zeg ik, dat er niets meer overblijft dan de tijd dat men uit den godsdienst komt, en dan is het hart dikwijls weinig in staat.

Dit wenschte ik, dat Gods kinderen leerden opmerken als een geheime list van den satan, die dikwijls door onnoodige bezigheden iemand zooveel werk verschaft, dat er geen tijd meer overblijft, en dat zi.j daartegen leerden waken, om den tijd op allerlei wijze uit te koopen; vooral om dien niet te verwaar-loozen, maar dien waar te nemen als God er u gelegenheid toe geeft.

2. Als nu de tijd al eens wettig is benomen, en men wordt door noodzakelijke bezigheden van tijde-Ujke dingen belet, dan gebruikt de satan, die booze en listige vijand, een andere hinderpaal, en zoekt de ziel wijs te maken dat het nu te laat is, dat er te veel werk te doen is, dan om het in zulk een korten tijd te doen; hij zegt tot de ziel; of gij u nu al wilt

-ocr page 520-

394 Over de voorbereiding tot het heilig Avondmaal.

bereiden, het werk zal toch vergeefs zijn, gij moest uw tijd beter hebben waargenomen; hierdoor wordt het hart beroerd en de tijd, die er nog zou zijn, onnut gemaakt; de duivel gebruikt hier dezelfde list als wanneer iemand eerst bekeerd wordt; want begint een mensch eens te denken, dat hij van weg moet veranderen om gelukkig te zijn, dan maakt hij hem wijs: het is nog tijd genoeg, gij zijt nog jong en gezond; stelt hij zijne bekeering uit tot een hooger ouderdom, dan is het, nu is het te laat, gij hebt te lang gewacht, en beroert daardoor de ziel dermate, dat zij niet tot God durft gaan.

Diezelfde list gebruikt hij nog omtrent Gods volk, omdat hij weet wat troost en zaligheid er in gelegen is als men het hart bij tijds door heilige werkzaamheden bereidt; zoo ontfutselt hij stilletjes en ongevoelig den tijd, door altijd het een of het ander in den weg te brengen en, is de tijd benomen, dan beroert hij de ziel zoo, dat zij buiten staat raakt om het nog te doen, wat zij nog zou kunnen doen ; ik geloof dat velen dit al eens ondervonden hebben, en , is het zoo, vernedert u dan wel voor den Heere, dat gij u zoo dikwijls verdiept in de tijdelijke bezigheden , dat er zoo weinig tijd voor God overblijft; maar werpt daarom uwe vrijmoedigheid niet weg; neemt dan den korten tijd met zooveel te meer ernst waar, en kunt ge in alle stukken van voorbereiding niet bezig zijn , laat het dan in de noodigste zijn; geeft het den satan maar niet gewonnen.

3. Wanneer iemand gewoon is nauwkeurig acht te geven op de listen van de vijanden, zal hij ondervinden , dat de duivel, de wereld en de zonde, het nooit meer er op zoeken toe te leggen om het hart van God af te trekken en iets in den weg te

-ocr page 521-

Over de voorbereiding tot het heilig Avondmaal.

brengen, dan bij en omtrent het Avondmaal.

De duivel die, gelijk hij altijd rondom gaat en door list en geweld de ziel zoekt te beletten, toont zich hier ook een vijand te zijn; gaat men in het eenzame om zich voor den Heere af te zonderen, dan weet hij het hart zeer te beroeren, alles over hoop te werpen, de gedachten menigmaal zoo te verstrooien, dat men met geen gezetheid iets kan verrichten, het is of alles op de been komt; tegen het Avondmaal schrikt men als een dag van beroering, in plaats dat men het zou aanmerken, als een dag van verlustiging en blijdschap; men durft over zijn staat niet oordeelen, maar wordt door ongeloof geslingerd, en hierdoor tot alles onbekwaam.

Hierbij komt de wereld die, door den satan aangezet , alles in den weg brengt om Gods volk te beletten; wordt het niet menigmaal ondervonden, dat het een of ander zich opdoet tegen den lijd des Avondmaals om de ziel te beroeren? dan komen eens deze, dan gene omstandigheden voor, daar men niet om gedacht had; daar malen dan de gedachten op en het hart wordt er door van God afgeleid; ja dikwijls komen er zulke dingen in het hart, daar men in lang niet om gedacht had, en die evenwel de ziel zoo kunnen beletten, dat het haar tot wezenlijke dingen onbekwaam maakt.

Hiertegen moeten Gods kinderen toch vooral waken, als tegen een listigen vijand, en zich daarin niet toegeven , maar het zoeken ter zijde te zetten ; want hoe meer men zich toegeeft, hoe erger het zal worden ; men stelle dan, zooveel het mogelijk is, de dingen van den tijd ter zijde, wetende dat er nu wat anders te doen is.

Ja de zonde die in ons woont, staat hier niet stil;

395

-ocr page 522-

396 Over de voorbereiding tot het heilig Avondmaal.

het gebeurt ook al eens dat de ziel omtrent den tijd des Avondmaals in deze of geene zonden valt; dan ligt ze aanstonds overhoop; dan is de vriimoe-digheid weg, dan durft ze niet tot God gaan; dan weet zij niet waar ze het zal beginnen, en zit moedeloos neder, in plaats van op te staan en tot den Heere weder te keeren door belijdenis en boetvaardigheid.

Vraagt nu iemand wat zal ik doen, wanneer al die vijanden zich zoo opdoen? ik zou u raden;

a. Weest niet al te zeer beroerd als zij zich in strijd begeven; denkt, dat zij altijd hunne vijandschap op het meest vertoonen, wanneer gij bezig zijt om ze hun kracht te benemen; stelt er u dan in slagorde tegen, en zoekt door allen tegenstand heen te breken.

h. Vindt gij u onmachtig, ziet op naar God, roept de genadekracht van Christus in, zoekt uw hart met genade te sterken; erkent dat gij des Heeren ondersteuning van noode hebt, en gaat dan heen in Zijne mogendheden om tegenstand te bieden.

c. En zoo het al eens gebeuren mocht dat de eene of andere vijand eenig voordeel op u behaalde, zoekt evenwel het hoofd boven water te houden en laat het u niet al te zeer nederdrukken, maar denkt: gelijk ik in al mijne plichten mijne ongeschiktheid tot alles bovenaan moet zetten, om het zondige dat er mij in aankleeft, zoo wil ik het ook hier doen, en daarom schik ik mij tot de genieting dos Avondmaals, om verzoening over en kracht tegen de zonden.

4. De vierde hinderpaal die Gods volk menigmaal terughoudt, dat zij zich niet betamelijk voorbereiden is, omdat velen een zondige gewoonte hebben , om door het minste beletsel van het avondmaal

-ocr page 523-

Over de voorbereiding tot het heilig Avondmaal. 397

af te blijven; de een heeft een twist met zijn naaste, de andere is in veel droevige omstandigheden, die zijn hart vervullen ; een derde heeft zooveel bezigheden in de tijdelijke dingen, dat hij geen tijd van afzondering kan nemen; een vierde worstelt onder deze of gene verdorvenheid, die hij niet kan te boven komen, en dat belet zijne vrijmoedigheid; een vijfde is in een ongestalte, hij is dor, doodig en harteloos, en daardoor wordt hij bekommerd of zijn hart wel oprecht is en of hij wel recht tot het Avondmaal heeft; wat volgt hier uit? boort men het afkondigen van de leeraars, of wordt men particulier verzocht, dan neemt men een besluit dat men niet zal gaan; en derhalve behoeft men zich dan ook niet te bereiden; maar ik bid u:

a. Ontslaan zulke geringe beletsels u van uwe verplichting? staat het aan uwe vrije keur het Avondmaal te gebruiken of na te laten ? heeft de Heere Jezus niet gezegd, „doet het tot Mjjne gedachtenisquot; en hebt gij vrijheid om dat na te laten als gij wilt? is dat niet ongehoorzaam te zijn aan het gebod van uwen Heiland?

I. En ofschoon het al waar was, dat gij door wettige verhindering werdt teruggehouden , dan moest gij evenwel aan uwe zijde u trachten voor te bereiden; dan moest het uwe ziel tot innige smart zijn, dat gij tot die bruiloft niet koudet naderen , maar echter in het verborgene bezig zijn om u plechtig en hartelijk aan God te verbinden, en dan in stilheid wachten wat God doen zou.

5. Ja maar, zegt een ander, of ik mij al wil voorbereiden, ik heb zoo weinig bekwaamheid, ik weet niet waar ik beginnen of eindigen moet, als ik er mij toe wil zetten dan sta ik verlegen; doch dit ont-

T

-ocr page 524-

398 Over de voorbereiding tot het heilig Avondmaal.

slaat u ook niet van uwe verplichting; gij hebt gelegenheid genoeg om hierin onderwezen te worden en gij moest er uw werk van maken om te weten wat van u wordt geëischt; of is het waarheid, dat gi] onkundig zijt en weinig gelegenheid hebt om u te oefenen, dan eischt de Heere ook van u niet dat gij zoo uitgebreid hierin handelt als anderen ; maar dit blijft evenwel uw plicht, dat gij toont dat het u ernst en het opzet van uw hart is; zegt dan, ik zal mij aan God aanbieden, mij voor Hem nederleggen met alle mijne zonden zooals ik ben, en aan Hem betuigen dat het mij om Hem te doen is en dat Hij er getuige van is, hoe gaarne ik mijn hart zou schikken om Hem te ontmoeten; ik zal naar Hem opzien om Zijn Geest en kracht, dat die mijn hart bewerken; o dan zoudt gij toonen wat het opzet van uw hart was, en de Heere, die ieders omstandigheden en gestalten weet, zou zich niet onbetuigd laten.

6. Eindelijk zal nog een ander zeggen, ik heb mij wel voorbereid en ik dacht, dat ik al in een goede gestalte was; mijn hart was levendig en opgewekt , en evenwel had ik aan het Avondmaal weinig zegen, \'twas of alles van mij week; ik ben ook wel toegegaan onbereid, en ik genoot zooveel verkwikking , dat het mij goed was daar te zijn; zou het dan niet beter zijn dat ik maar onbereid toenaderde? want ik zie dat het daar niet van afhangt.

Hierop antwoord ik, dat het zeer zondig en dwaas geredeneerd zou zijn: zal een jongeling die, de tuchtroede zijns vaders verdiend hebbende, door hem vriendelijk behandeld wordt, dat misbruiken en zeggen: omdat mijn vader mij zoo wèl gedaan heeft, zal ik maar voortgaan en in de zonden volharden;

-ocr page 525-

Over de voorbereiding tot het heilig Avondmaal. 399

ibt zou dat zijn des vaders liefde beantwoorden? integen-en deel, moest het hem niet tot beschaming zijn en tot en zijn plicht meer opwekken ? zoudt gij dan ook , om-lat dat God uw Vader, toen gij onbereid kwaamt, u zoo u vriendelijk omhelsde, zeggen; ik zal altijd zoo maar at gaan; dat was immers ten uiterste onbetamelijk ? ar Vraagt gij dan, wel waarom doet de Heere het

u dan wel, dat Hij de ziel, al is ze verbeurd, in liefde al ontmoet, en anderen onder dorheid laat worstelen? 3n hiertoe heeft Hij wijze en heilige redenen, m a. Hierdoor wil God het vrijmachtige van Zijne

lij genade op het meest verheerlijken, want als Hij Zijne iu kinderen altijd zoo vriendelijk ontmoette, als zij hun m hart bereid hadden, zouden zij licht denken dat de rt zegen daar eeniglijk van afhing, maar nu toont .n Hij dat wij wel aan de middelen gebonden zijn, maar Hij vrij is om Zijne genade te geven daar en aan d wien Hij wil.

b. Daarentegen ontmoet Hij de ziel wel eens, al b is zij zoo geschikt niet, om haar door weldoen te n beschamen, alsof Hij zeide: geef Ik u zooveel te i- genieten eer gij Mij hartelijk zoekt, wat genade hadt g gij dan te wachten als gij meer toondet dat het u il om Mijne gunst te doen was.

En daarom mag niemand deze handelwijze van t God misbruiken tot zorgeloosheid; wij zijn altijd ? verplicht alle middelen te gebruiken, en moeten

dan den zegen aan God overlaten.

3 Hebben wij zoo de hinderpalen, die iemand weer

houden om zich niet voor te bereiden, zoeken weg i te nemen, laten we dan ons derde stuk wat nader gaan inzien, namelijk om eenig onderricht te geven , met wat dingen men zich in de voorbereiding moet ; bezig houden.

-ocr page 526-

400 Over de voorbereiding tot het heilig Avondmaal.

Hier moet ik vooraf zeggen, dat ik geen strikken w

voor iemands gemoed wil leggen, en dat het daarom z\\

niemand moet schokken, alsof hij nog nooit recht m

aan het avondmaal geweest was, omdat hij zoo niet w:

is werkzaam geweest, als wij het zullen voorstellen; zi

wij geven de middelen maar aan de hand die, wel vi

gebruikt ziende, wel eens beproefd zijn gevonden , vt

zonder nogthans iemand te bepalen dat bi] daaraan bc

volstrekt verbonden is; want mogelijk zullen veler de

staat en omstandigheid niet toelaten om alles te dc

kunnen waarnemen , als men zich maar bewust is, w(

dat het niet door traagheid of achteloosheid wordt wi

nagelaten, dan kent de Heere het hart. to

Ik zal dan, om van het stuk zelf te spreken, gc

deze vi-if dingen doen: wf

1. Onderzoeken of het nuttig en noodig zou zijn gi; een gezetten dag tot vasten en bidden af te zonderen. te

2. Zal ik iets zeggen van de heilige overdenkingen mi waarmede men zich het best in de voorbereiding zou en bezig houden. hu

3. Toonen dat een voornaam deel van de voor- w£ bereiding bestaat in eene plechtige verbondsver- de nieuwing. de

4. Zal ik onderzoeken of het nuttig zou zijn eenige aa aanteekemugen van zich zeiven te maken van zijne zoi bevindingen. ee]

5. Eindelijk, naar wat sieraad een ieder te staan nei heeft om den Heere betamelijk te ontmoeten. tol

Vooreerst dan, vraagt mij iemand, of het nuttig scl

zou zijn dat een Christen voor en bij gelegenheid en

van het Avondmaal een gezetten dag ajzonderde tot sto

vasten en bidden, en om zich te verootmoedigen en bic

te vernederen voor den Heere? ik denk zekerlijk van do»

ja, doch ik moet dit om niemand te schokken met ha:

-ocr page 527-

Over de voorbereiding tot het heilig avondmaal. 401

en wat nader bepaling aantoonen; ik weet dat hier veel )m zwarigheden kunnen in den weg staan; bij voorbeeld iht men zal zeggen: dit is gemakkelijk te doen, voor iet wie een hoofd is van het huisgezin, waarnaar anderen m; zich moeten voegen; maar als die eens God niet vel vreezen, en de minderen deden het, zouden deze n , veel tegenstand vinden, ja gehoond, gesmaad en ,an bespot, en voor geveinsden gehouden worden; en Ier dan zou zulk een dag meer tot nadeel dan tot voor-te deel zijn ; tot dezen zeg ik tot hun bestuur, elk moet is, weten in wat omstandigheid hij zich bevindt en in i-dt wat betrekking de Heere hem gesteld heeft; zou het tot aanstoot en tot nadeel zijn, dan was het best m, gelaten; doch zoo het de hartelijke lust van uwe ziel was om zulk een dag voor God af te zonderen, en 4in gÜ kunt het zoo zichtbaar niet doen zonder aanstoot en. te geven, doet het dan wat bedekter; want hoe jen minder opzichtelijk het kan geschieden, hoe beter zou en hoe aangenamer het aan God is; men kan in het huisgezin onder menschen verkeeren, zijne bezigheden ior- waarnemen en het hart kan ondertusschen al bid-rer- dende naar God uitgaan , en al was het al eens dat de wereld merkte dat het hart week, bewogen en lige aangedaan was, wat zwarigheid ; gij zoudt hun dan ijne zonder woord wel eens overtuigen; wij zien hiervan een levendig voorbeeld in den vorst Nehemia: wan-aan neer zijn hart in droefheid overstelpt en hij biddende tot God was-, dan zegt hij niet, ik kan des konings ttig schenker niet zijn, maar hij is getrouw in zijn plicht; leid en toen de koning zag dat zijn aangezicht treurig tot stond, en hem naar reden vroeg, toen was zijn hart en biddende tot God, Nehem. II. Zoo kunt gij ook van doen; zondert voor uzelven een dag af, zoekt uw met hart te brengen en te bewaren in een biddende ge-

26

1_

-ocr page 528-

402 Over de voorbereiding tot het heilig avondmaal.

stalte, gebruikt wat minder voedsel als gij gewoon zijt, indien gij er u in het geheel niet van onthouden kunt; neemt zooveel tijd als het u immer mogelijk is voor uwe eenzaamheid en toont God, al was het maar in korte oogenblikken, uwe gedaante; betuigt Hem uw lust en opzet, waar het u om te doen is; o die stille werkzaamheden zullen Hem zoo aangenaam zijn.

Vraagt nu iemand of het nuttig is zulk een dag met vasten door te brengen? ik antwoord: och ja! want dat geeft de allerdiepste verootmoediging en vernedering te kennen; maar deze plicht is in onze kerk maar al te zeer in onbruik geraakt; ja bi] velen wordt er niet eens aan gedacht, dan bij het houden van een algemeenen verbodsdag; daar dit een plicht is die niet alleen van de heiligen in het Oude Testament is waargenomen, maar ook in het Nieuwe Testament. De Heere Jezus berispt wel het verkeerd vasten der Farizeën , maar geeft tegelijk bericht van de wijze en manier hoe men vasten moet, en daardoor keurt Hij het goed, Matth. VI: 16—18. De apostelen, in bijzondere gevallen, baden God met vasten; en Paulus, in den brief aan de Corinthiërs, toont ook dat het in de kerk in gebruik was, 1 Cor. V : 7. De oude Christenen maakten er ook veel werk van; maar sedert de ijver en ernst verminderd is, is ook dat deel van den godsdienst verslapt.

En waarom zou het niet nuttig zijn bij gelegenheid van het Avondmaal, daar er zooveel verwijdering tusschen den Heere en de ziele is gekomen door de zonden, om die te belijden, zich op het diepste te verootmoedigen en verzoening daarover te zoeken? o dan zouden we toonen dat het ons ernst was dat we op de gunst van God gezet worden; en ik geloof

-ocr page 529-

Over de voorbereiding tot het heilig avondmaal. 403

dat God zich ook meer aan de ziel zou ontdekken.

Maar hoewel ik dit aanprijs, moet elk hierin voorzichtig handelen, dat hij geen aanstoot geeft, naardat het zijn tijd en omstandigheid toelaat.

Ook moet niemand denken, omdat ik nooit zulk een dag van afzondering gehouden heb, ben ik met geen vrucht ten Avondmaal geweest, dat zou verkeerd zijn; want ik heb te voren gezegd dat ik het als een middel aan de hand geef; maar niet als zoo volstrekt noodzakelijk, dat er de zegen van afhangt.

Vraagt nu iemand die er lust toe heeft en zich in zulke omstandigheden bevindt, dat hij het onbelemmerd doen kan met zijn huisgezin of voor zicli zeiven alleen, hoe hij dien dag het best ten nutte zou doorbrengen? het zou gevoegelijk op deze wijze kunnen geschieden : de dag kan hecjonnen worden met openlijke gebeden, waarin de zonden , inzonderheid van het huisgezin, beleden moeten worden en daarover verzoening gezocht in Jezus bloed ; met vernieuwde betuigingen van den ernst en opzet der zielen , om teederder voor God te zijn; dan kon men door godvruchtige samenspraken en het heilig psalmgezang, elkander opwekken; dat gedaan zijnde, elk zich begeven in zijne eenzaamheid, daar komende, het hart zich in stille zuchtingen naar boven verheffen om Gods kracht en invloed; dan zich zeiven onderzoeken , en na dat onderzoek alle particuliere zonden waaraan men zich schuldig vindt, voor den Heere belijden; de verborgene afdwalingen van het hart de menigvuldige struikelingen met woorden en daden in het verkeer met menschen, het weinig vorderen en toenemen in d© genade; met één woord, alle zonden, bekende en onbekende, in al hare verzwarende omstandigheden vrijmoedig voor God leggen,

26*

-ocr page 530-

404 Over de voorbereiding tot het heilig avondmaal.

daarover verzoening zoeken en nieuwe genade af-smeeken tot dooding van dezelve; voorts, het een of ander ten nutte lezen en vooral zich opnieuw plechtig aan den Heere verbinden, door vernieuwing van het verbond; en wanneer de eenzaamheid zoo is doorgebracht, dan weer met openlijke gebeden eindigen, en dus den dag besluiten.

O dat wij zoo handelden, dan zouden wij toonen dat het ons om God te doen was; \'t is waar, men ziet er tegen op, omdat het werk zoo groot is en wij zoo onbekwaam; maar gelooft het, als wij in Gods kracht maar begonnen, het zou zoo zwaar niet zijn; men zou er het heugelijke van ondervinden en allengs-kens door ervarenheid er meer in geoefend worden.

Het tweede, wat we zeiden noodig en nuttig te zijn tot voorbereiding, is de heilige overdenking of meditatiën en alleenspraken met zich zeiven.

Dit is een plicht ten allen tijde noodzakelijk, waarin men niet alleen in bijzondere gelegenheden maar dagelijks zich moest oefenen; ja ik denk als iemand een half uur in zijne eenzaamheid tijd heeft om te bidden, dat hij een kwartier daarvan in heilige overdenking moest besteden; want men komt dikwijls zco uit zijne tijdelijke bezigheden, men is niet geschikt, de gedachten zijn verstrooid; is het dan niet betamelijk , eer men zich voor God nederlegt, eens bedaard bü zich zeiven te gaan nederzitten, om liet hart in een betamelijke gestalte te brengen? dat men zich eens herinnere de hoogheid en majesteit van dien God, tot wien men zal toenaderen? dat men zich zelf eens beschouwe in zijne onwaardigheid, en onderzoeke wat wij van den Heere te begeeren hebben; en zoo toebereid zich dan in het gebed voor Hem legge? Is nu zulk eene overdenking dagelijks

-ocr page 531-

Over de voorbereiding tot het heilig avondmaal. 405

noodig, vooral dan bij gelegenheid van het Avondmaal.

Doch hiertegen zullen velen inbrengen; ik heb geen bekwaamheid om te mediteeren, ik weet niet waar ik beginnen of eindigen zou; en als ik het al deed, het zou zoo verward en ongeschikt zijn, dat het Gode niet behagelijk zou zijn; en ik zou er zelf geen nut van hebben.

Maar hierop moet ik zeggen, dat het wel zijn kan dat gij er weinig bekwaamheid toe hebt, maar daarom moet gij het niet nalaten; toen gij eerst bekeerd werdt, waart gij toen bekwaam om te bidden? en evenwel liet gij het wel na? ja hoe menigmaal hebt gij met tranen, al worstelende, zoo ernstig, aanhoudend, geloovig gebeden om genade, dat gij zelf verbaasd moest staan , daar gij het nooit geleerd hadt, ja niet wist wat bidden was. Wie had u dat geleerd, dan God zelf door Zijnen Geest? wel nu, diezelfde God kan en zal u hierin ook bekwaam maken ; als gij het maar bij Hem zoekt en de hand aan het werk slaat.

Vraagt gij naar raad en eenige besturing hoe hierin te werk te gaan ? welaan:

1. Daar zijn verscheidene boekjes geschreven over het Avondmaal; neemt er een bij de hand! en kiest zulk eene stof uit, die het meest nuttig is en u aanleiding tot nader overdenken geeft; leest en herleest het, of gij door behulp van anderen kondt aan den gang raken.

2. Wanneer gij nu een gepaste stof hebt onder het oog gekregen, slaat dan zelf eens de hand aan \'t werk; blijft bij een bijzonder stuk eens wat stilstaan om er wat dieper in te dringen; maar doet het nooit zonder zuchten, bidden en opzien naar

-ocr page 532-

406 Over de voorbereiding tot het heilig avondmaal.

den Heere om Zijne hulp, in erkentenis van uwe onbekwaamheid.

3. En zegt ge, mijne gedachten worden gedurig zoo verstrooid, dan door het een, dan door het ander, dat alles menigmaal overhoop is; of ik word door het stil en eenzaam denken vadsig en loom naar het lichaam, zoodat ik geheel onbekwaam word; wanneer gij dit ondervindt, dan raad ik u, laat het werk evenwel niet na , maar mediteert, al zoudt ge het al wandelende doen , dat zal u voor vadsigheid bewaren; of al sprekende, hetzij tot God door stille gebeden ; of dat gij u voorstelt te spreken met een ander, door samenspraken, of door alleenspraken met uzelven; dat zou u bewaren voor verstrooiing van gedachten, en ik verzeker u, wanneer gij u hierin meer oefendet, dat gij allengs zoudt toenemen, en God zou zich ook niet onbetuigd laten, maar u kracht geven.

Vraagt gij nu, wat zou dan wel best het onderwerp van onze godvruchtige overdenkingen zijn, opdat wij onze gedachten met eenige orde leiden mogen?

Hier is een ruim veld en overvloed van stof, die ik niet alle kan noemen; ik zal er evenwel iets over zeggen, hetgeen u tot bandleiding zijn kan, zonder dat gij nogthans u daaraan moet bepalen; wekt God uw hart op tot iets anders, volgt des Heeren leiding; gij kunt ondertusschen gevoegelijk uwe gedachten laten gaan , of omtrent de goddelijke waarheden in het Woord vervat; en vooral die ivmrheden, die betrekking hebben tot het Avondmaal of omtretii uzelven.

Vooreerst zeg ik, omtrent de goddelijke waarheden; gaat eens beschouwen met een stille aandacht den

-ocr page 533-

Over de voorbereiding tot het heilig avondmaal. 407

Drieëenigen God, den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest, zooals die in het werk der zaligheid is werkzaam geweest; beschouwt eens

1. God den Vader, die, hoewel Hij zoo oneindig verheven is boven ons, zoo vol majesteiten heerlijkheid, en niet van noode heeft door menschenhanden als iets behoevende gediend te worden; ja die zoo heilig en rechtvaardig is, dat Hij volgens Zijne heiligheid den zondaar eeuwig had moeten straffen; hoe die God van eeuwigheid in liefde en goedertierenheid aan zondaars gedacht heeft; dat Hij sommigen verkoren heeft tot vaten der barmhartigheid, en die aan Zijnen Zoon gegeven , opdat Hij als borg hen verlossen zou; dat Hij dat eeuwig voornemen in den tijd heeft bekend gemaakt en Zich ontdekt als een God van zaligheid, die al Zijne deugden ten hunnen goede wil verheerlijken; dat Hij Zijn eenigen Zoon, den Zoon Zijner liefde, heeft in de wereld gezonden, waarvan Christus zelf met zooveel verwondering uitriep, „alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeftquot;, Joh. IH; 16. Staat bij deze liefde van God eens wat stil, en die zal uw hart onder die beschouwing wel eens in wederliefde gaande maken.

2. Denkt eens met stillen aandacht aan den Heere Jezus; ziet eens hoe Hij van eeuwigheid de borgtocht heeft op zicli genomen en gezegd: „laat deze niet in het verderf nederdalen, ik heb de verzoening gevondenquot;, Job XXXIII: 24. Hoe Hij uit liefde voor zondaren in de wereld gekomen is, in de gestalte van een dienstknecht, vleesch en bloed aangenomen, ja zich aan het lijden en in den dood overgegeven heeft, om de Zijnen van den eeuwigen dood te verlossen.

Beschouwt Hem in al Zijne graveerselen en schoon-

-ocr page 534-

408 Over de voorbereiding tot het heilig avondmaal.

heden, hoe al wat aan Hem is, gansch hegeerlijk is; begeerlijk in Zijn persoon, in Zijne namen, ambten, naturen, staten ; begeerlijk in al Zijne goederen en schatten, die Hij wil mededeelen; wanneer gij dit van stuk tot stuk gaat beschouwen, zult gij stof genoeg tot overdenking vinden.

3. Denkt eens aan God den Heiligen Geest, hoe Hij het is, die het heil, door Christus verworven, van tijd tot tijd aan iederen uitverkorene toepast; hoe Hij die dood zijn, levend maakt, en die verre zijn nabij brengt, op het nauwst vereenigt en hen in het bezit van al Zijne heilgoederen, die Hij verworven heeft, stelt.

Hebt ge zoo God Drieëenig beschouwd, laat dan uwe gedachten gaan omtrent het verbond der genade, in al zijne deelen; staat eens stil bij de partijen\', den zaligen God en den armen zondaar; bij den Middelaar, in al Zijne zalige volheden, in Zijne macht en gewilligheid om zondaars te zaligen; bij den Geest, zooals Hij den zondaar tot omhelzing van het verbond bewerkt; beschouwt eens de voorwaarden van het verbond, zoo redelijk, zoo betamelijk, zoo noodzakelijk ; de beloften, zoo beminnelijk, trooste-lijk en zielondersteunende; de teekenen des verbonds, zoo vast en tot steunsel van het geloof; staat een weinig stil bij het bondszegel des Avondmaals , en denkt eens:

1. Wat een groot en dierbaar voorrecht het is, dat gij, in uzelven zoo ellendig, dood en doemwaardig , niet alleen genoodigd wordt om met God een verbond te maken , maar dat God u de teekenen en zegels zelf wil in handen geven en als met eede bevestigen, dat Hij uw God wil zijn.

2. Ja dat gij genoodigd wordt aan dien maaltijd.

-ocr page 535-

Over de voorbereiding tot het heilig avondmaal. 409

die voor de vrienden is, waar gij gemeenschap oefent met den Drieëenigen God, met al de heiligen hier op aarde, als die behooren tot één broederschap en de zaligen die reeds zijn voor den troon, die hier ook al de voorbruiloft gegeten hebben; ja tot dien maaltijd, die een voorsmaak is van den hemel, van het Avondmaal van de bruiloft des Lams! daar Jezus Zijne bruid onthaalt op de goederen van Zijn koninkrijk.

3. Wilt gij eens een levendige schilderij zien van de drie hoofdwaarheden van onze religie, de ellende, verlossing en dankbaarheid ? dat kunt gij in het Avondmaal ontdekken; in de breking van het brood kunt gij zien uwe ellende, hoe waardig gij waart verbroken te worden en hoe Christus voor u moest verbroken worden om u te verlossen van het verderf. In het aannemen en eten van het brood en drinken van den wijn, kunt gij zien hoe gij Christus moet aannemen en met Hem door het geloof op het nauwst vereenigd worden, gelijk het brood en wijn met het lichaam. En gelijk het betamelijk is dat, wiens brood men eet, men ook Zijn Woord spreekt, zal het u leeren hoe gij verplicht zijt tot eere van Christus te zijn, Zijnen lof te vertellen, en heilig te zijn gelijk Hij is; zoo kunt ge in het Avondmaal een korte schets van al de waarheden vinden.

Kunt gij het alles nu niet met toepassing op u zeiven beschouwen, laat u dat niet ophouden , gaat maar voort, en onder de overdenking zal God uw hart mogelijk wel eens ontmoeten, en van vrede spreken.

Maar ik zeide ook, dat gij, ten tweede, stof van overdenking hebt omtrent uzelven.

Keert eens terug tot uwen eersten tijd, toen God

-ocr page 536-

410 Over de voorbereiding tot het heilig avondmaal.

u allereerst met Zijne genade voorkwam, hoe Hij uw hart bewerkte; gaat al die bijzondere bevindingen en ontmoetingen eens na, die gij op den weg naar den hemel gehad hebt; hoe menigmaal God u is voorgekomen in Zijne liefde en gunst; hoe dikwijls Hij u uit zwarigheden heeft gered; in duisterheid en verlegenheid raad gaf; wanneer gij dat alles nagaat, zult gij zoovele Ebenhaëzers, zoovele gedenk-steenen moeten oprichten en zeggen, daar en toen heeft my de Heere geholpen; en gij zult aan den eenen kant veel reden van dankzegging vinden, en aan de andere zijde veel stof van schaamte over uw te kort komen.

Maar mogelijk zal een bekommerde zeggen, het zou nog al wel gaan, indien ik dorst gelooven, dat ik waarlijk genade had; maar nu belet mij gedurig die kommer en vreeze, en dat weerhoudt mij in de overdenking, omdat ik het mij niet durf toepassen.

Dit. kan zekerlijk iemand wel beletten, maar misschien wilt gij u aan den hoogsten trap van genade beproeven, in plaats dat gij van het minste beginnen zoudt, en dan van trap tot trap opklimmen; neemt eens:

1. Als gij eens dacht, ik ben onder het licht van het Evangelie geboren, waar de waarheid zuiver wordt geleerd en in die waarheden ben ik ook onderwezen.

2. Vraagt dan uzelven eens af, zou ik durven ontkennen, dat het onderzoek van de waarheden altoos onvruchtbaar aan mij is geweest? heeft God mijn hart onder het Woord niet wel eens gezegend en opgewekt?

3. En was het niet van die uitwerking, dat mijn hart in liefde tot God en de waarheid uitging? is

-ocr page 537-

Over de voorbereiding tot het heilig avondmaal. 411

mij wel iets zoo dierbaar als God, de Heere Jezus en die, die God lief hebben? en mag ik dat niet houden voor een bewijs van Gods liefde tot mij; want ik kan God niet eerst lief hebben!

4. Ja heeft God mij niet wel eens nu en dan bij deze of gene gelegenheid ontmoet in Zijne gunst? heeft Hij mij niet wel eens bemoedigd en naar het hart gesproken, en mij doen zien, dat Hij mijn God wilde zijn? durf ik wel ontkennen dat ik mij hartelijk en vrijwillig aan Hem heb opgedragen? en wil ik niet nog Hem tot mijn deel verkiezen? heb ik geen lust om teeder en heilig voor Hem te leven?

Wanneer gij zoo eens van het mindere tot het meerdere opklomt, zoudt gij tot meer zekerheid van uwen staat komen, en dan zou de kommer u niet ophouden in de overdenking.

Of zegt een ander, mijn staat is mij nog al eenig-zins klaar, maar zie ik op mijne gestalte, zooals die tegenwoordig is, dan zou ik eerder van mij zei ven wegloopen , dan aan mij zeiven denken ; ik ben zoo zondig, zoo doodig, zoo hart- en geesteloos; kom ik in mijne eenzaamheid , ik kan mijn hart niet werkzaam houden , ik zwerf gedurig af van den Heere, dat ik niet weet wat te doen!

Ik geloof en weet dat velen van Gods kinderen reden hebben om over hunne droefheid, lauwheid en geesteloosheid te klagen; maar zal daarom het werk blijven steken? neen , de weg van overdenking van zich zeiven zou het middel kunnen zijn tot verbetering , dat kou de ziel opwekken tot schaamte, verootmoediging en belijdenis voor den Heere, en dan zoudt ge in de rechte gestalte geraken om het Avondmaal te gebruiken.

Maar laten we overgaan tot ons derde stuk, dat

-ocr page 538-

412 Over de voorbereiding tot het heilig avondmaal.

we tot de voorbereiding brachten, namelijk eene -plechtige verbondsvernieuwing, en opdraging van zich zeiven aan den Heere.

Doch wanneer ik dit bepale tot het Avondmaal, zoo sluit ik daarmede niet uit dat het niet meer moet geschieden; och ja, ik acht die onder Gods volk het allergelukkigste, het allergodvruchtigste en teeder-ste, die het dikwijls, ja dagelijks doen, en betuigen dat zij des Heeren willen zijn, dat ze zich aan Zijnen dienst verbinden; dat maakt de ziel zoo gezet en omzichtig in den wandel; en daarom als God het hart eens opwekt, moesten de gelegenheden worden waargenomen; maar wanneer ik het bijzonder bepale tot het Avondmaal, wil ik daarmede te kennen geven dat men het dan statelijker, plechtiger en uitgebreider moet doen, omdat God aan Zijne zijde zich daar als de Verbonds-God aanbiedt en de zegels van het verbond toereikt.

Waarin nu deze vernieuwing van het verbond bestaat en hoe de ziel daarin werkzaam is, heb ik in de negende verhandeling in het breede aangetoond waarom ik dat hier voorbijga.

Vraagt nu iemand, als ik zulk een dag van afzondering neem, waarvan in het voorgaande is gesproken , wanneer moet ik dan het verbond vernieuwen? moet ik er den dag mede beginnen of eindigen? dit bepaal ik niet, dat zal tot het wezen van de zaak niets doen; doet het als God uw hart daartoe opwekt, al was het in den aanvang van den dag, laat die werkzaamheid niet overgaan ; als de wind des Geestes waait in de zeilen van de ziele, moet men het waarnemen.

Maar zegt ge, als God nu helaas! de ziel niet opwekt, maar zij dor en doodig is, moet ze

-ocr page 539-

Over de voorbereiding tot het heilig avondmaal. 413

het dan nalaten en wachten totdat Hij werkt ?

Ik antwoord, dat het zeker harteliiker, levendiger en met meer gemoedigdheid en blijdschap is, als God de ziel ontmoet; maar ofschoon het zoo niet mocht zijn, moet het evenwel niet worden nagelaten.

Zegt ge, dan is het maar hersenwerk en met het verstand; dit kan wel zijn, en evenwel Gode aangenaam ; want het is in Gods kinderen, die eens in waarheid het verbond hebben gemaakt, niet zoozeer hersenwerk als in een natuurlijk mensch; want zij hebben door den Geest verlichte oogen des verstands gekregen, en die inwonende en bijblijvende Geest, die hen in alle waarheid leidt, leert hen dagelijks inwendig; al hebben zij dan op dien tijd geen nieuw licht, zoo hebben zij dat licht, dat eens in hun ontstoken is; en als God zich dan eens verbergt, moeten zij dat gebruiken.

Ondervindt gij dan tot uwe smart, dat uw hart niet levendig en opgewekt is, komt dan en wendt u tot den Heere, legt uw dor, doodig en machteloos harte voor Zijne voeten en zegt: Heere, zooals ik mij bevinde bied ik mij aan U aan; en omdat Gij in het verbond betuigt, dat Gij de God van ellen-digen wilt zijn en belooft al het gebrek te willen vervullen, zoo stem ik dat verbond van harte toe, ik omhels het met mijn gansche hart en ik wil Uw eeuwig eigendom zijn; al deedt gij dit dan voor dien tijd met wat minder gevoel, dan zou de kracht des geloofs zooveel meer openbaar worden, en dat is God wonder aangenaam ; dan ziet Hij het opzet van het hart, hetwelk is om den Heere achter aan te kleven en Hem vast te houden.

Het vierde stuk dat we zeiden te onderzoeken was, of het nuttig zou zijn aanteekeningen te maken van

-ocr page 540-

414 Over de voorbereiding tot het heilig avondmaal.

zijne hevindingen, van het eene Avondmaal tot het andere? of van de ■wiize hoe God de ziel al is ontmoet, en hoe ze in de voorbereiding werkzaam was?

Hierop moet ik vooraf zeggen, dat ik niet gaarne iemand een strik wilde leggen; want velen wanneer zi] zich daartoe wilden zetten, zouden mogelijk veel nuttiger werk verzuimen, en dan is het best nagelaten ; maar heeft men ruimte van tijd, gelegenheid en eenige bekwaamheid, dan geloof ik dat het van veel nut kan zijn; althans het is door vele beproefde en ervarene Christenen goed gevonden, die niet alleen bi] gelegenheid van het Avondmaal aanteekeningen hielden, maar een dagregister maakten, waar ze zoowel hunne zonden, als deugden en bijzondere ontmoetingen opschreven ; hetgeen hun naderhand , als zij het nalazen, dan eens diende tot diepe schaamte, somtijds tot bemoediging in zwarigheden, en tot veel opwekking in doodigheid en dorheid.

Maar inzonderheid kon het zeer nuttig zijn bij gelegenheid van het Avondmaal, in de voorbereiding. Maar hierin:

1. Moet niemand te breed uitweiden, om alles te willen aanteekenen; dan zou al ds tijd daarin worden besteed en men zou tot ander werk onbekwaam zijn.

2. Vooral moest men aanteekening houden, hoe het op den dag der voorbereiding gegaan is; of het hart wat levendig en opgewekt was, of God de ziel in liefde omhelsd heeft; of dat het duister was.

3. Zou ik zulken raden aanteekeningen te houden van hoofdzonden en hoofddeugden.

Vraagt gij mij van wat nut zulk een aanteekening zou zijn ? het zou:

1. Het opzet van uw hart vertoonen, dat gij er

-ocr page 541-

Over de voorbereiding tot het heilig avondmaal. 415

niet los overheen loopt, maar met bedaardheid en gezetheid werkzaam zijt.

2. Wanneer gij ziet op de zonden, die daarin zijn, waarmede gij in voorgaande tijden al te worstelen hadt, en die nu nog al dezelfde zijn, hoe weinig gy nog in de dooding daarvan gevorderd zijt, vooral van uw karakterzonden, dan zal het u tot diepe schaamte en verlegenheid voor God brengen, aan den éénen kant; maar aan de andere zijde bemoedigen, en het hoofd doen boven water houden, als gij zien zult, dat gij u aller zonden vijand hebt verklaard; en voor den Heere betuigen kunt, Heere Gij weet het, van dat oogenblik af, dat ik mij aan IJ heb overgegeven, heb ik lust gehad om tegen de zonden te strijden en dat heb ik nog; ze zijn tegen wil en dank in mij, ik vind nog dezelfde gezindheid van mijn hart, die ik voorheen ondervond; en dan zou het tot uwe bemoediging zijn.

3. Als gij op de rol van uwe deugden ziet waar gij wel eens getrouw bevonden werdt voor God en Zijne zaak, om er vrijmoedig voor uit te komen en voor de eer van God te staan; of als gij in de mogendheden des Heeren dit of dat eens kondet verrichten; dan zal het u opwekken tot dankzegging en verwondering, dat God van zulk een onwaardigen, in Zijnen dienst heeft willen gebruik maken; en als gij weder eens geroepen wordt tot dergelijke of nog grooter deugden, zal die bevinding van Gods ondersteuning u tot aanmoediging zijn.

4. Het zal dienen om u te leeren, waartoe gij naar Jezus moet gaan; hoe gij Hem tot alles en in alles gedurig van noode hebt; als gij uwe zonden zult zien, zult gij die voor de voeten van Jezus brengen en zeggen, ziedaar Heere, daar ligt de rol van

-ocr page 542-

416 Over de voorbereiding tot het heilig avondmaal.

miine zonden, daarover zoek ik in Uw bloed de verzoening en kracht door Uwen Geest tot dooding van dezelve; en daar ligt de rol van mijne deugden te ze zijn in zich zelve zeer gebrekkelijk en onvolmaakt, jj ven maar Uwe volmaakte gerechtigheid moet het goed raa maken. ,

5. Als uw hart eens doodig en dor is, en gij ziet e eens naar uwe vorige gestalte, die gij wel eens ®n ondervondt toen het meer levendig en opgewekt a was, zoo zal dit het koude hart wel eens gaande maken, en den Geest in de raderen brengen, om met ^ meer ijver werkzaam te zijn.

Maar mogelijk zult gij zeggen, wanneer ik mijne voorgaande bevindingen nazie, en ik leg er mij nu 21.. bij neder, het is al het zelfde, ik zie niet, dat ik vr^ gevorderd ben; en dat beroert en schokt mij; waar l hapert het aan? ben ik dan wel op den rechten e. weg? is er geen kracht in Jezus? of is het er mij niet om te doen ? zoek ik het niet recht; wat moet ik van mij zeiven oordeelen?

1. Dat schokken kan geen kwaad, dat zal u tot rm\' onderzoek brengen. ,

2. Het zal uwen ijver en ernst wel eens op nieuw a opwekken, om meer voortgang te maken op den weg des levens.

3. Het moet uwe begeerte opwekken naar het z^n Avondmaal, om dat te gebruiken, zoowel tot een aai? heilzaam medicijn voor uwe ziele , als tot een geeste-

lijk zielenvoedsel, om meer op te wassen in de genade. a

Nu moeten we, ten vijfde, nog eens zien, of men in de voorbereiding niet moet staan naar een betamelijk sieraad om er mede aan de tafel te verschijnen? ®oe en wat sieraad het allernoodigst zou zijn?

Zeker past het, zal men aan de bruiloftstafel 011V

IS

-ocr page 543-

Over de voorbereiding tot het heilig Avondmaal. 417

naderen, ook met het rechte bruiloftskleed voorzien te zijn; opdat het den Koning, wanneer Hij daar ^ ■ verschijnen zal aangenaam zij; en het allerbeste sie-oe(j raad, dat ieder past, is :

1. Dat elk, wie hij zij, hetzij groot of klein in zjej. de genade, hebbe een nederige, ootmoedige, kleine ens en verbrijzelde gestalte, welke daar niet in bestaat, dat men door het gezicht van eigen onwaardigheid en zondigheid de genade onttrekt en zich niet durft toepassen, hetgeen de ziel terug houdt om vrijmoedig toe te naderen en dezelve doet van verre staan; dat jjne is ongeloof; want hoe zondiger en ellendiger men ■nu zich bevindt, hoe gepaster voorwerp men is voor de t ik vriie genade.

,aar Maar ik wilde zulk een nederige gestalte, waardoor iten \' zien,ie, wat dierbare genadeschatten God in

Zijnen Zoon langs den weg van het verbond aan 10e^ zulke ellendigen, dood- en doemwaardigen schenken wil, dat ze in verbazing, aanbidding en verwonde-^ ring weg zinkt, en met Jacob uitroept: Gen. XXXII vs. 10, „Heere, ik ben geringer dan al deze wel-euw dadigheden en trouwe, die Gij aan mij gedaan hebtquot; (jen en met David, toen God hem zulke dierbare beloften had laten doen tot van verre henen over hem en kgf. zijn huis, 2 Sam. VII : 18—21, die inging voor het een aangezicht des Heeren, en in verwondering uitriep: iSj.e_ „wie ben ik, Heere, Heere, en wat is mijn huis, a(je dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt? wat zal David nog meer tot U spreken. Gij kent Uwen knecht, l(^a. Heere, Heere!quot; hij was zoo overstelpt door alle Gods en v goedertierenheden en stond deswege als verstomd, zoodat hij nauwelijks woorden kon vinden om zijne .a£ej onwaardigheid uit te drukken; o hoe grooter iemand is in de genade, hoe meer hij van God heeft ont-

27

-ocr page 544-

418 Over de voorbereiding tot het heilig Avondmaal.

vangen, hoe meer het hem past om klein en nederig te ziin; dat is een gestalte die God het meest verheerlijkt , en daarom Hem het alleraangenaamste is; •want „zoo zegt de Hooge en Verhevene, die in de eeuwigheid woont, en wiens naam heilig is. Ik woon in de hoogte en in het heilige, en hij dien, die eens verbrijzelden en nederigen geestes isquot;, Jes. LVII; 15; „nederigen geeft Hij Zijne genadequot;, 1 Petr. V : 5, zulk eene gestalte past vooral om ten avondmaal te gaan; want dan wil God zich in Zijne liefde en genade aan de ziel openbaren.

2. Bij dat sieraad van eene ootmoedige gestalte moet het oog des geloofs gevestigd zijn op de volheid, de ruimheid en beminnelijkheid van het genadeverhond, dat God in Zijnen Zoon aanbiedt en dat in het Avondmaal wordt afgebeeld, waar de groote Heiland staat en roept tot allen die willen: „komt eet van Mijn brood en drinkt van den wijn dien Ik gemengd hebquot;, Spr. IX ; 5. Ziet hier mijne zalige algenoeg-zaamheid voor u geopend; „wie dorst heeft kome, en die wil, neme het water des levens om nietquot;, Openb. XXII: 17; wendt u naar Mij toe, in Mij zijn gerechtigheden en sterktenquot;, Jes. XLV ; 22—24; Ik heb alles wat gij noodig hebt tot vervulling van uw gebrek; „rijkdom en eer is bij mij, duurachtig goed en gerechtigheid, ik doe mijne liefhebbers beërven dat bestendig is, en wil al hunne schatkamers vervullenquot;, Spr. IX : 10 en 21.

3. Dan wilde ik ook dat de ziel, die volheid ziende aangeboden, ook trachtte haar verlangen, honger, dorst en begeerte naar Christus en Zijne volheid op te wekken, want zal de geestelijke spijze met smaak genoten worden, dan moet er een heilige begeerte zijn; men moet hier doen als iemand die aan een

-ocr page 545-

Over de voorbereiding tot het heilig Avondmaal. 4!9

ig grooten bruiloftsmaaltiid genoodigd wordt, waar aller-r- lei smakelijke spijzen zijn; hij zal van te voren zich 3; niet gaarne voeden met geringe spijze en verzadigd le aan de tafel komen , maar in tegendeel zijn eetlust m opwekken; zoo moet ook de mond des geloofs wijd is geopend ivorden , Ps. LXXXI: 11, opdat de Heere ); dien vervulle; de „hongerigen worden met goederen ), vervuldquot;, Luk. I : 53.

;e 4. Zoo hongerig en dorstig moet zij dan hare n vrijmoedigheid opwekken, om onbeschroomd toe te naderen, zonder van verre te blijven staan en door ;e ongeloof zich te laten belemmeren of door het gezicht i, van de hoogheid en heiligheid van God te worden l, afgeschrikt; want de Heere Jezus zegt niet alleen ;t ik heb u lief, maar de Vader zelf heeft u lief, Joh. d XVI: 27; dit moet de ziel opwekken om toe te nade-n ren,, en te zeggen: Heere, ofschoon Gij zoo hoog d en heilig zijt, omdat Gij een God der liefde zijt, en Gij U zoo gul aanbiedt, kom ik wel ootmoedig, maar s, ook vrijmoedig, om de aangebodene genadegoederen aan te nemen; dat is vrijmoedig toe te naderen tot n den troon der genade, waartoe Paulus de Hebreën k opwekt, in hoofdst. IV : 16.

sv 5. Gelijk iemand die zijnen besten vriend zal ont-d moeten alles toebereidt om hem wel te ontvangen, en n wat hij weet dat hem het meest aangenaam zal zijn, toebrengt; zoo moet de ziel, die onder de bondzegels Jezus wenscht in zich te ontvangen, door de berich-d ten van Zijne liefde ook trachten in die gestalte te 1- zijn, die Hem het meest aangenaam is; en welke is d die gestalte? het is die hartelijke begeerte, dat ver-k langen, dat opzet des harten om zoo werkzaam te e zijn met de vermogens der ziele omtrent Jezus, als n het lichaam bezig is omtrent de avondmaalsgenieting;

27*

-ocr page 546-

420 Over de voorbereiding tot het heilig Avondmaal.

als de ziel zeggen kan: och ik hoop dat de oefening van mijn geloof levendig zal zijn, om zoo blijmoedig tot Jezus te naderen als ik aan de tafel kom; om met het oog des geloofs zoo op Jezus te zien, als mijn lichaamsoog op de teekenen; om met den voet des geloofs zoo naar Jezus te loopen, om met de hand des geloofs Hem vrijwillig aan te nemen; ja om zoo nauw met Hem vereenigd te worden, als de spijs en drank met mijn lichaam ; zulk een gestalte is Jezus aangenaam ; dan ziet Hij dat het de ziel waarlijk om Hem te doen is.

G. Vooral moet men zijne liefde tot God, tot den lleere Jezus en alle de heiligen opwekken; want in het Avondmaal is het al liefde, wat er ontdekt en geoefend wordt; daar ontdekt zich God de Vader,

als de God der liefde, die uit liefde Zijn Zoon van eeuwigheid en in den tijd geschonken heeft en dien Zoon nog aan iedere verlegene ziel aanbiedt; daar ontdekt zich de Heere Jezus in zijn liefdewerk, dat Hij verricht en betoond heeft in de verwerving van de zaligheid; daar vertoont Hij Zijn gekruist lichaam,

Zijn vergoten bloed, Zijne opene wonden, die Hij ontving, alles tot heil des zondaars; daar is de Geest der liefde, die het hart van vijandige en afkeerige zondaars tot de liefde Gods bewerken, en Gods liefde in het hart uitstorten wil; deze liefde Gods moet het yert hart in brandende wederliefde gaande maken en doen jjiei zeggen, „ik zal U hartelijk liefhebben, Heere mijne sterkte,quot; Ps. XVIII: 2.

Ja men moet zich op het nauwst vereenigen en liefde oefenen met de zaligen, die reeds voor den troon zijn, en alle de geloovige leden van Christus,

die op aarde zijn, als welke samen een lichaam uitmaken, en met elkander op het nauwst verbonden zijn.

-ocr page 547-

Over de voorbereiding tot het heilig Avondmaal. 421

7. Eindelijk is het een Gode behageliik sieraad , als de ziel haar lust en liefde opgewekt vindt tot ijveriger betrachting van ware deugd en heiligmaking, en aan het Avondmaal nadert met een hartelijk en gezet voornemen om bij den Heere te blijven: om de zonden, die de grootste scheiding tusschen God en de ziel maken, meer te dooden, en voortaan standvastiger en onbewegelijker in Gods werk bevonden te worden.

Zietdaar de stukken, die wij dachten tot een betamelijke voorbereiding nuttig en noodig te zijn, zoo kort voorgesteld; om u hierdoor eenige handleiding en bestuur te geven.

Nu moest ik nog iets van ons vierde of laatste stuk zeggen, namelijk eenige zwarigheden tegen dit gezegde wegnemen.

Deze zwarigheden zijn van tweeërlei soort; zij worden gemaakt vf van natuurlijke menschen, óf van ware begenadigden.

Vooreerst, natuurlijke menschen zullen tegen dit verhandelde veel inbrengen.

1. Sommigen zullen zeggen: moeten de geloovigen nu nog zoovele zware plichten betrachten, daar wij onder het Nieuwe Testament leven , van het juk der dienstbaarheid ontslagen, en tot vrijheid geroepen zijn? dat strijdt tegen den aard van het nieuwe verbond, daar men God in den Geest moet dienen. Hierop antwoord ik.

a Die zoo spreken toonen, dat zij geen ware Christenen zijn , en niet weten door bevinding wat het is , God in den geest te dienen.

b. Al is het dat God ons van het juk der dienstbaarheid, dat onder het oude testament plaats had, verlost heeft, zijn de geloovigen niet vrij van alle verplichtingen; o neen , zij hebben vrijwillig het aan-

-ocr page 548-

422 Over de voorbereiding tot het heilig Avondmaal.

gename liefdejuk van Jezus op zich genomen, die Die gezegd heeft „mijn juk is zacht, en mijn last is ligtnia

Matth. XI: 28 en het is er zooverre van daan, dat milt;

zij dat tot een last zouden rekenen, dat ze in tegen- de

deel kunnen betuigen, dat het al hun lust, blijdschap, vai

troost en verkwikking is; zij weten dat „zijne gebo- ze?

den niet zwaar zijn,quot; 1 Joh. V ; 3. me

2. Anderen zeggen, ja, men moet wel zeker plichten betrachten, en als men zooveel doet, zal we God het beloonen, want Hij is een belooner, van die Hem zoeken\', deze berusten in het gedane werk, S®1 gelijk het pausdom, en die wortel ligt al diep in het hart van een natuurlijk mensch.

Doch hierop zeg ik: \'t is waar, wij nemen de vei

goede werken niet weg; gelijk het pausdom ons ni£

lastert, maar prijzen die in tegendeel als goed, vr( heilzaam en nuttig, ja ten hoogste noodzakelijk;

maar het is een groot onderscheid, of ik het werk Av doe in eigen kracht en in het gedane werk berust

en daar alleen den zegen van afwacht, als of dat v0 zoo waardig bij God was, dan of ik het doe met

opzien naar God, in afhanging van Hem en als W€

middelen waardoor de Heere wil werken ; en tot dat

einde hebben wij het voorgesteld, waarom niemand lai

dit moet misbruiken. u

3. Anderen slaan tot een heel ander uiterste over, die zien geheel van de werken af, omdat Christus alles verdiend heeft en de Geest het hart bewerken de moet; en daarom zeggen ze: men moet maar stil *f.e zitten en laten God werken; een mensch is geheel ^ onmachtig, Paulus zelfs leert, dat we „niet bekwaam zijn iets goeds te denken, maar dat alle onze a bekwaamheid uit God is,quot; 2 Cor. III : 5. a

\'t Is waar, en dat ontkennen we niet, dat een 1111

-ocr page 549-

Over de voorbereiding tot het heilig Avondmaal. 423

die mensch onmachtig is en God alles moet werken; jtmaar het is ook waar, dat Hij ons bindt aan de

dat middelen; wij hebben geen zegen te wachten, zoo wij

^en- de middelen nalaten; we kunnen niets tot bevordering

lap, van ons eeuwig heil uit ons zei ven doen, en evenwel

ebo- zegt Paulus, Phil. II : 2 , „werkt uw zelfs zaligheid met vreezen en bevenquot;; om ons te leeren, dat men

3ker alle naarstigheid moet toebrengen ; anders is het de

zal weg tot zorgeloosheid.

i dig Maar ten tweede, Gods kinderen zullen tegen het

erk, gezegde ook de een en andere zwarigheid inbrengen ,

het die we met een woord nog moeten oplossen.

Mogelijk zullen velen zeggen: wordt er zooveel

de vereischt tot een betamelijke voorbereiding? ik weet

ons niet, dat ik het ooit op die wijze heb gedaan, en ik

^ed, vrees dat ik het ook nooit zoo ver zal brengen, en

lijk; daarom ben ik mogelijk nog nooit met vrucht ten

?erk Avondmaal geweest.

rust In het algemeen antwoord ik hier op, dat wij

dat vooraf gezegd hebben, dat we niemand aan al deze

met plichten willen verbinden, even alsof hij het nooit

als wel gedaan had, zoo het niet op die wijze geschied

dat was; och neen, heeft God u verkwikt en wèl gedaan

and langs een anderen weg, dankt er Hem voor en laat

u door dezen kommer niet beroeren.

lVer) Of mogelijk zijt gij in omstandigheden, dat gij zoo

stus niet handelen kunt, óf door onwetendheid in de god-

-ken delijke waarheden, of omdat gij nog niet lang op den

stil we3 des levens fjeweest zijt, en daardoor weinig bevin-

heel ding hebt, en dan eischt de Heere het niet; een

aam vader zal geen ongenoegen toonen aan zijn kind,

5nze dat eerst begint te leeren, omdat het zooveel niet kan als een volwassene, maar hij is tevreden als het

een maa.r naarstig is en zijn best doet; zoo eischt de

-ocr page 550-

424 Over de voorbereiding tot het heilig Avondmaal.

Heere ook van u zooveel niet als van meer geoefen-den, als het maar niet voortkomt uit traagheid, is Hij tevreden met het gebrekkelijke werk.

Of mogelijk hebt gij in de wereld veel beslommering en bezigheden, dat gij zooveel tijd niet kunt afzonderen zonder merkelijk verzuim van uw tijdelijk beroep, en dat waar te nemen is ook godsdienst; als dan uw hart onder de bezigheden naar God uitgaat, is het Hem aangenaam.

Anderen zullen zeggen, wij hebben, ja, wel tijden van voorbereiding genomen, we zonderden ons af, wij begonnen , maar waren zoo onbekwaam, dat we het werk lieten steken.

Maar ik bid u, is dat geen dwaasheid? zal een leerling, die eerst begint, omdat hij het werk, dat zijn meester hem belast, niet aanstonds zoo kan doen als het zijn moet, het daarom laten staan en zeggen: ik schei er meê uit? zal hij het niet een en ander maal ondernemen, totdat hij er een hebbelijkheid van krijgt? en zoudt gij, omdat het aanstonds niet naar uw zin gaat, het laten steken? neen, oefent er u zeiven in, maakt er uw werk van , totdat gij meer bekwaam wordt.

Anderen zullen mogelijk zeggen; ik heb mij al dikwijls tot eene statelijke voorbereiding gezet en het ging nog al wel, ik bad, ik las, ik mediteerde, maar het was meer met het verstand dan met het hart; want het ging zoo flauw en harteloos toe, als of er geen geest of leven bij was; en daarom denk ik dat het beter is het na te laten.

Maar wat dwaasheid zou dat zijn, zoo kan het met uw bidden ook zijn; hoe menigmaal gebeurt het dat gij niet bidden kunt met die levendigheid en opgewektheid, als gij wel wenschtet, en zult gij het

-ocr page 551-

Over de voorbereiding tot het heilig Avondmaal. 425

en- daarom nalaten? is het niet beter minder hartelijk is dan niet te bidden ? wel doet hier ook zoo, laat het u wel tot droefheid zijn dat het zoo geesteloos is, \'.nrj maar evenwel niet te zeer nederslaan; gaat met dat )n- hart naar God en zegt, Heere, Gij zijt getuige wat )6- mijn opzet was, en ik had het gaarne hartelijker ils gedaan, maar Gij hebt het niet believen te bedauwen it, met Uw Geest; ik leg het werk voor Uwe voeten, doe verzoening over het zondige! misschien zal de en Heere u nog wel ontmoeten, óf aan Zijn tafel of -f, naderhand, en al was het zoo niet, blijft in uw ve plicht maar getrouw.

Zegt ge evenwel, als ik het zoo flauw en harteloos m doe, dan heb ik er geen genoegen in, ja in plaats it dat het mij tot verkwikking zou zijn, is het mij tot in beroering; want de Heere ziet op het hart, als er i: dat aan ontbreekt, kan het Hem niet behagen, ir \'t Is waar, het hart is het voorname, en het gaat

d aangenaam en gemakkelijk ais er dat bij is, maar it al is het eens zoo niet, moet het u niet tot bekom-t mering en schudding zijn? neen, in tegendeel, om-ij dat gij zoo over uw hart klaagt, is het een bewijs, dat gij in geen uitwendige plichten berusten kunt en 1 dat het u niet voldoet zoo het hart er niet bij is, t ja hieruit blijkt, wat het opzet van uw hart is, dat , het u waarlijk om God te doen is; wel, gaat dan t maar voort, blijft in gehoorzaamheid de middelen i gebruiken met een stil opzien en wachten op den Heere; het gebeurt wel eens dat men dor begint en dat onder het werk het hart verlevendigd wordt, en al was het zoo niet, o werpt daarom uwe vrijmoedigheid niet weg, veel min, blijft daarom van des Heeren tafel niet terug; doet als de Kananeesche vrouw, die, ofschoon Jezus haar een en andermaal

-ocr page 552-

426 Over de voorbereiding tot het heilig Avondmaal.

afwees, evenwel bleef aanhouden, totdat zij dat getuigenis kreeg: „vrouwe, groot is uw geloof!quot; zoomoet gÜ ook in geloof blijven aanhouden, daar heeft de Heere een welbehagen in; en is het werk gebrekkelijk en onvolmaakt, zet dat mede op de rol van uwe bevindingen; dat zal u bewaren voor hoogmoed, wanneer gij in alles het zondige ontdekt; gaat daarom ook ten avondmaal, biedt u aan God en den Heere Jezus aan , zooals gij zijt, blijft niet van verre staan, ziet daar het Lam Gods! dat om uwe zonden geslacht is, dat aan de tafel gereed staat, om u den scepter van gunst en liefde toe te reiken ; raakt die maar vrijmoedig aan, wie weet of Hij zich aan u niet zal openbaren.

Nu, de Heere onderwijze uzelf door Zijnen Geest, Hij make u tot alle goed werk bekwaam. Hij ontmoete u in Zijne gunst en liefde, en terwijl gij uw hart bereidt om hier met Hem Avondmaal te houden in genade, bereidt Hij u tot het Avondmaal van de bruiloft des Lams in heerlijkheid! waar gij niet meer over doodigheid en lauwheid klagen zult, maar altoos onder het levendigst gevoel van de goddelijke liefde u in Hem zult verlustigen.

AMEN.

-ocr page 553-

DERTIENDE VERHANDELING

OVER DE BETAMELIJKE GESCHIKTHEID , DIE EEN IEDER OP DEN DAG DES AVONDMAALS NOODIG HEEFT , OM GODE WAARDIG EN TOT NUT VAN ZIJNE ZIELE TOE TE NADEREN.

ips^ladat we in de voorgaande verhandeling j||iyjl hebben aangewezen hoe een Christen zich tot de Avondmaalsgenieting heeft voor te

jereiden, zal ik nu tot noodig onderricht iets zeggen, wat op den dag des Avondsmanls zeiven, noodig en nuttig zou zijn te betrachten. En hierin zal ik:

1. Iets tot voorbehoeding bij wijze van waarschuwing vooraf zeggen.

2. Dan tot het stuk zelf komen , namelijk de welvoegende geschiktheden, die er vereischt worden, wat nader aanwijzen.

Vooreerst, moet ik dit tot waarschuwing zeggen:

1. Dat Gods kinderen zich toch nauwkeurig wachten om niet te komen in een achtelooze en onbedachtzame gestalte, om niet met dien gepasten eerbied en diepen indruk aangedaan te zijn; o als men met den God van hemel en aarde zal handelen, dan moet vooral de bedachtzaamheid over ons de wacht houden, om op het hart acht te geven, dat het niet door het een of ander worde afgeleid en omzwerft van den Heere; en dat men zoo maar zou toenaderen uit gewoonte ; hier past vooral Salomo\'s les, Pred. IV: 17, „bewaart uwen voet als gij ten huize Gods ingaat.quot; Hier moet men de schoenen

-ocr page 554-

428 Over de geschiktheid tot het heilig Avondmaal.

van aardsgezindheid uittrekken, en zorg dragen om waai door geen verstrooiing der gedachten zijn gestalte te waai

verliezen. daal

2. Gelijk het past niet onbedachtzaam te naderen, liefd

zoo moet men zich aan de andere zijde wachten Jezu

voor eene al te vreesachtige en beroerde gestalte; doo(

velen blijven dikwijls te veel stilstaan bij de groot- Hoo

heid van het werk, zij zien God in Zijne hoogheid, zich

zich zeiven in hunne onwaardigheid en onbekwaam- die

heid: och denken ze, zou ik, zulk een onwaardige, mor

zoo zondig stof, zoo gemeenzaam met God gaan ban- gen

delen, dat zou stoutheid zijn; hier van daan schrikt ban

men tegen het Avondmaal, als een dag van beroe- die

ring; \'t is bijna of men voor het oordeel Gods moest aan

verschijnen, waar men God als een Richter zal wa£

ontmoeten, en hierdoor verliest men de gepaste ^

vrijmoedigheid; doch dit is verkeerd; laat een onbe- zou

keerd en onbedachtzaam zondaar vrij beven en vee

schrikken, die zoo onbedacht, los en ongebonden, ^

zonder indruk toenadert; ja gij moogt wel toezien da^

zondaar, dat gij het heilige niet ontheiligt. God laat zac

zich niet bespotten, spiegel u aan Nadab en Abihu; teg

die zoo toenadert eet en drinkt zich zeiven een has

oordeel. hoi

Maar gij godvruchtigen, daar hebt gij geen reden evt toe; ik wil den betamelijken eerbied en het ontzag

voor de hoogheid van God niet wegnemen, o neen, za^

dat toonde ik zooeven, maar dit moet uwe vrijmoe- óf

digheid en blijdschap niet hinderen; hebt gij in te

uwe voorbereiding u zeiven onderzocht? durft ge dii

niet ontkennen, dat gij die gestalte in u vindt die en de Heere eischt, en dat uw hart zich genegen vindt

om Hem in waarheid te zoeken? dan moet gij het 1111

Avondmaal aanmerken als een vrolijken maaltijd, to

-ocr page 555-

Over de geschiktheid tot het heilig Avondmaal. 429

waar u volle genadeschatten worden aangeboden, waar een Drieëenig God als uit den hemel nederdaalt, de Vader zich vertoonende in Zijne eeuwige liefde, in het schenken van zijnen Zoon; de Heere Jezus, als de Borg en Middelaar, die zich in den dood heeft overgegeven, en als de barmhartige Hoogepriester, die u in liefde wil voorkomen, die zich daar aan u aanbiedt in alle Zijne zalige volheden, die u toeroept, wendt u naar mij toe, opent uwen mond, ik zal hem vervullen ! de Heilige Geest, die gereed staat, om uwe hand te brengen in Jezus hand, en u op het nauwst met Hem te vereenigen, die u de vruchten van Zijnen dood wil toepassen en aan uw hart inwendig datgene wil verzegelen, waarvan gij uitwendig de panden geniet.

Wanneer gij het Avondmaal zoo beschouwdet; dan zou het die onbetamelijke vrees uit u wegnemen, en veeleer uw verlangen naar hetzelve opwekken.

\'6. Dan wilde ik u ook waarschuwen om op den dag des Avondmaals toch met eenige orde werkzaam te zijn; niet te zeer verward, of door alles tegelijk overhoop te halen, en de dingen niet op haar rechte plaats te schikken of u bezig te houden met dingen, die ofschoon goed op zich zelf, evenwel dan zoo zeer niet te pas te komen.

Men weet dikwijls niet, wat men eerst beginnen zal op den dag, of te lezen, óf te lezen óf te bidden, of te zingen, óf heilige overdenkingen bij zich zeiven te houden|; of begint men iets, dan zoekt de satan, die listige vijand, wel eens het hart af te trekken en weer op iets anders de aandacht te bepalen; maar hier moet men zich niet te zeer willen pijnigen maar dat eerst doen, waar God het hart het meest toe neigt; laten we maar de leiding van des Heeren

-ocr page 556-

430 Over de geschiktheid tot het heilig Avondmaal.

Geest opvolgen; wekt Hij het hart op om den dag te het beginnen met dankzeggingen en gebeden, of tot het als i heilig zingen, of mediteeren, het is wel; als het dat maar dient om het hart in een betamelijke gestalte verr te brengen. is ei

4. Men moet zich ook wachten om niet al te aan eigenwerkelijk te zijn, dat is, dat men zich zoo mid( noest met zooveel dingen bezig houdt dat men God geen tijd geeft om te werken, om zoo te spreken; men wil zich zeiven in zulk een gestalte brengen als men denkt, dat er vereischt wordt; \'tis waar, men moet alle naarstigheid toebrengen om God betamelijk te kunnen ontmoeten, dat is tevoren aangewezen;

maar het moet niet in eigen kracht zijn, men moet, alle middelen gebruikt hebbende, zich dan in stilheid dicht bij den Heere houden en wachten wat Avo gestalte Hij zal believen te werken; Hij weet het maa best, wat Hem het meest behaagt, en ons meest past en nuttig is en door al dat blijven staroogen op zijn eigen gestalte, ziet men menigmaal het geheele oogmerk van het Avondmaal voorbij, om den dood van Christus te verkondigen, en het te doen tot Zijne gedachtenis; als men daaromtrent bezig was, zou het koude hart wel eens in veel liefde ontvonkt worden; en dat is een gestalte, die Jezus wonder aangenaam is.

5. Eindelijk moet ik ook nog tot waarschuwing zeggen, dat Gods volk niet moet denken, dat van hunne goede geschiktheid alleen, de vrucht en zegen van het Avondmaal afhangt; och neen, dan zou men het verwachten van zijne eigene gestalte, en niet van den invloed van Gods genade en Geest: het gebeurt wel eens, wanneer wij meenen het minst geschikt te zijn en maar in stilheid wachten op den Heere, dat

-ocr page 557-

Over de geschiktheid tot het heilig Avondmaal. 431

te het dan wel allerhartelijkst toegaat; en in tegendeel,

iet als men meent wel bereid te zijn en daar op wacht,

iet dat het hart dor en doodig is, en de Heere van

Ite verre staat; en zoo wil Hij toonen, dat Hij vrijmachtig is en dat het alleen van Hem afhangt; wij zijn wel

te aan middelen gebonden, maar de zegen op de

;oo middelen hangt van God alleen af.

od Dit hadden we tot waarschuwing te zeggen,

n; Nu moet ik overgaan tot het voorname stuk, dat

ils ik te verhandelen heb; namelijk, de betamelijke

en geschiktheid, die men op den dag des Avondmaals

ijk noodig heeft, wat nader aan te wijzen,

n; En wanneer ik dit zal doen, moet het niemand

en schokken, dat hij denken zou, omdat ik het zoo niet

in gedaan heb, of doen kan, ga ik niet recht ten

at Avondmaal; dat zou verkeerd zijn: wij geven het

et maar tot bestuur aan de hand, behaagt het God u

ist op eene andere wijze te bewerken, volgt dat op.

an Om dan aan te wijzen hoe men den ganschen dag

et des Avondmaals zal doorbrengen; zal ik het langs

m deze orde schikken, dat we zien:

te !• Wat men doen moet in den morgenstond, eer

nt men uit zijn huis gaat.

el 2. Wat te doen, uit zijn huis naar de kerk gaande,

ie 3. Hoe men zich moet gedragen onder de Godsdienstoefeningen, in de kerk zijnde.

ig 4. Hoe onder het lezen van het formulier des

t,n Avondmaals.

5. Dan in de toenadering tot de heilige Verbonds-

•n tafel.

m 6 En eindelijk, wat men te betrachten heeft na

rt de iAvondmaalsgenieting zoowel in het opstaan van

te de tafel, als in het wederkeeren tot zijn huis, en

it het overige van den dag.

-ocr page 558-

432 Over de geschiktheid tot het heilig Avondmaal.

aanf

Tot deze zes stukken kunnen wij alles bekwamelijk ^an

brengen. jezu

Beginnen we dan met het eerste, namelijk, wat 00^

aan iemand in den morgenstond, eer hij uit zijn huis p

gaat, te doen staat. hezk

Vooreerst, zeg ik dat men op dien weg des mor-

gens ordentelijk van zijne slaapstede moet opstaan, p

niet al te vroeg, doch ook niet al te laat: niet qoci

|(

te vroeg: opdat het lichaam daardoor op den dag i meci

niet onbekwaam, slaperig of vadsig zijn zou; want inoe zoolang wij hier op aarde zijn, hebben we logge en

loome lichamen, die spoedig buiten staat kunnen rej(j

geraken; en omdat de ziel daar zoo nauw mede ver- eenE eenigd is, wordt die ook in hare werkingen gehinderd; daarom moet het de behoorlijke rust hebben en niet

te veel gevergd worden: maar het moet ook niet te jjee

laat zijn; opdat er tijds genoeg zij, om het lichaam gr0(

zoowel als den Geest te schikken tot de dingen, die we

er op den dag noodig zijn verricht te worden. ^roc

Zoo tijdig opstaande; moet men al aanstonds de

gedachten bewaren voor verstrooiing, en daartoe, van wanneer men het daglicht ziet, denken, dit is de dag, ^ dien de Heere gemaakt heeft, om op den zeiven

vroolijk en verblijd te zijn; dit is de dag, waarin ik 0pCT

weder op het nauwst gemeenschap mag oefenen met VOg-

God ; daar ik statelijk het verbond mag vernieuwen; -g.

ziet men, dat de natuurlijke zon is opgegaan om het ^ aardrijk te verlichten, dan moest het hart in stille zuchtingen zich naar boven verheffen opdat Christus ]

als de Zonne der Gerechtigheid ook zou opgaan in W0I het harte. j:

In het aantrekken van de kleederen brengt men pie(

zich te binnen de kleederen des heils en den mantel zeg( der gerechtigheid, het rechte bruiloftskleed om Gode

-ocr page 559-

Over de geschiktheid tot het heilig avondmaal. 433

aangenaam te zijn. Reinigt men zich naar het lichaam, e dan moet men door het geloof toevlucht nemen tot Jezus bloed, dat reinigt van alle zonden, om daarin wat ook gewasschen te worden.

ims ]}an moet men zich met gezette godsdienstplichten bezig houden, vooral in een stille eenzaamheid, voor :nor\' zich zeiven.

J\'a.n\' Daar moet men het een of ander gedeelte van quot;iet Gods Woord lezen, maar zich niet tej lang daar-afgt; ■ mede ophouden, omdat de tijd kort is. Voorts rant mogf; men zich bezig houden met heilige meditatien; e en hetzi], dat men zich die dingen, die in de voorbe-men het voorwerp van overdenking waren, nog

ve!quot;quot; eens kortelijk herinnere om te denken aan God, aan er. \' den Heere Jezus\', aan zich zeiven en aan het ver-met bond ; hetzij, dat men meer bepaald denke aan den ^ te Heere Jezus en Zijn lijden en dood, of aan het aa™ groote voorrecht, dat ons weder gebeuren mag, dat 16 we met God, met de. zaligen, die reeds voor Zijnen troon zijn en met al de heiligen op aarde gemeen-\' e schap mogen oefenen, en de voorbruiloft houden 06\' van het Avondmaal des Lams.

a£gt;\' Deze overdenking is noodig, omdat het dikwijls gebeurt, dat de ziel in hare voorbereiding wel eens n 1 opgewekt was , maar \'s morgens zich dor en doodig me voelde en klagen moest, dat hare levendigheid weg r®n\' is; nu is er niets beter om haar weder in die gestalte te brengen, dan om diezelfde waarheden zich te tille herinneren, waardoor God toen het hart opwekte; 3 Vs of het weder op nieuw verwarmd of ontvonkt mocht 1 m worden in de liefde.

Hierbij moet men zijn hart voor God uitstorten in

nei* plechtige, ernstige, godvruchtige en geloovige dank-

^ zeggingen en gebeden tot God. ode ^

-ocr page 560-

434 Over de geschiktheid tot het heilig avondmaal.

Ik zeg:

1. In dankzeggingen, voor die schoone en aangename gelegenheid, die God geeft, om zoo vrij en onbelemmerd te mogen opgaan met de feesthoudende menigte tot Gods huis, om niet alleen onderwezen te worden van Zijne wegen, maar om met den Koning zelf aan te zitten aan Zijne tafel en verzadigd te worden met het goede van Zijn huis en het heilige van Zijn paleis.

Dat men weder opnieuw voor God, voor engelen en voor menschen, verklaring mag doen dat men des Heeren is, dat menl het met Hem wil houden en over het offer van Zijn Zoon verbond maken.

Ja, dat men de panden van Gods liefde tot bevestiging van Zijne trouwe, uit. Zijne handen mag ontvangen , en zoo onderling de nauwste gemeenschap met God oefenen.

2. Bij die dankzeggingen moet men (/eèedew voegen, die geschikt zijn naar de gestalte van het hart; vooral heeft men te bidden! dewyl we nu weder zouden toenaderen tot des Heeren tafel, dat ons hart toch recht verlevendigd en opgewekt zij; dat we in eene betamelijke gestalte den Heere mogen ontmoeten; dat onze honger en dorst, het geloof, de liefde, de hope, en alle genade recht werkzaam zijn mogen ; en het hart in gulle liefde vereenigd zijn met alle heiligen, die deszelven broods zullen deelachtig zijn; en dat de Heere aan Zijne zijde de ziel ook in genade en liefde wil ontmoeten en voorkomen , dat Hij haar Zijnen scepter wil toereiken en van vrede spreken.

Voorts dat God Zijne knechten gepaste woorden wil leggen in den mond, die meest nuttig zij\'n, om het hart in een goede gestalte óf te brengen of te

-ocr page 561-

ver de geschiktheid tot het heilig avondmaal. 435

bewaren, en dat Hij het met Zijnen Geest wil bedauwen.

Vooral moeten we ons in dat eenzaam gebed, gulhartig en vrijwillig aan den Heere in het verbond opdragen, en zeggen, ja zweren, dat we de Zijne willen zijn; want zal men in het openbaar den Heere de hand geven dan moet men het eerst in het verborgene doen tusschen God en de ziel; dat is het grootste blijk van oprechtheid.

Och het is niet te zeggen, wanneer men in den vroegen morgen zoo met God mag handelen, hoe aangenaam het Hem is; hoe Hij dat wel eens beantwoordt door de uitlatingen van Zijne liefde aan het hart; doch al beliefde het den Heere al eens niet te bedauwen met Zijnen Geest, is het evenwel geen eere genoeg om zoo worstelende Hem te zoeken ? dan toont men dat men belang heeft in Zijne gunst.

Is dit de plicht van elk christen voor zich zelf in zijne eenzaamheid, dan moesten vaders of moeders, of andere hoofden des huisgezins die eenige bekwaamheid en gelegenheid daartoe hebben, ook met elkander komen en naar de bepaaldheid van den tijd, een kort gedeelte van het woord lezen, hunne knieën met elkander voor God buigen ; en, wijl het een dag is waarin op eene bijzondere wijze de gemeenschap der heiligen zal worden geoefend, ook bidden met en voor elkander zoowel die daar tegenwoordig zijn, als die afwezig zijn; men moet ook bidden voor de leeraars , die de voorgangers zijn, dat God hen naar ziel en lichaam wil ondersteunen en bekwaam maken, dat Hij de gemeente wil zegenen, en vooral Zijne kinderen met Zijn goed verzadigen en hunne ziel met vettigheid dronken maken.

Deze godsdienstplichten verricht zijnde, moet men zich in een stille, bedaarde, gelijkmoedige gestalte

28\'

-ocr page 562-

436 Over de geschiktheid tot het heilig avondmaal.

houden, hetzij we alleen of in het huisgezin zijn; we moeten nauwkeurig zorg dragen, dat ons hart toch niet door het een of ander van God wordt afgeleid, alles vermijdende wat daartoe eenige aanleiding zou geven; ach we hebben zulk een zondig hart en zulk een listigen vijand; \'t is niet te zeggen door wat geringe omstandigheden we van onze gezetheid kunnen geraken; daarom past het ook hier te waken over zich zeiven.

Heeft men zich zoo te gedragen in den morgenstond, zoo laat ons ten tweede zien, hoe het gedrag moet zijn als men zich uit zijn huis naai- de kerk begeeft.

1. Hier moet men hebben een stil en eerbaar gewaad, waarvan aan de êéne zijde geweerd zij alle pracht en hoovaardij; foei! dat past niet als men \' gaat om den hoogen God te ontmoeten en om met een nederigen Jezus aan Zijne tafel te zitten; wanneer men dan zich met optooien zou bezig houden, zou het een bewijs zijn, dat het hart niet welgesteld was; daarbij geeft het aanstoot aan anderen; hier past het dan nederig en zedig in zijne Meeding te zijn; maar aan de andere zijde moet men zich niet gering aanstellen beneden zijn rang en staat; dat is even zoowel tot aanstoot als het andere, elk moet zich naar dien staat, waarin God hem gesteld heeft, schikken; is hij van meerderen rang, hij gedrage zich deftig en stil; is hij van minderen rang, ja al was hij arm en behoeftig en met een garing kleed gedekt, hij blijve daarom niet terug; God ziet op het hart, als men maar rijk in God is, dat is Hem aangenaam; Hij wil nederzien zoowel op den arme naar het lichaam als op anderen, als zij maar arm van geest zijn.

-ocr page 563-

Over de geschiktheid tot het heilig avondmaal. 437

rt 2. Dan moet men, uit zijn huis over straat gaande,

(jj. zich zoeken te bewaren in een stille, eerbiedige en n. bedaarde gestalte, en daartoe, zooveel mogelijk is, jg het spreken vermijden tegen deze of gene, die men Bn ontmoet, althans wanneer het tot afleiding zou ze dienen; ook moet men zich wachten om het oog .jk ginds en herwaarts te laten heenweiden ; door het een en ander raakt men zoo haast zijn hart kwijt; n. want, gelijk wij zoo eng van geest zijn dat we op jg geen twee dingen te gelijk denken kunnen, zoo zeker is het, als onze geest met aardsche dingen zich bezig houdt, dat het andere moet wijken; en de 2r satan, die een listige vijand is, neemt alle gelegen-le heden waar; hij stelt zich ook in het midden als we 3n • ons voor het aangezicht des Heeren zullen stellen , gj; en het is hem om het even waardoor hij het hart n. van God afleidt, als hij onzen geest maar ergens op n kan doen hechten; daarom is er niet beter dan stil, jij bedaard voor zich heen te zien, met vermijding van er alle aanspraak; echter met het oefenen van de bur-gerlijke beleefdheid en christelijke bescheidenheid naar Gods huis zich te begeven.

is 3. Zoo uit zijn huis gaande kon men zich ook

jl! gepast te binnen brengen de noodiging, Ps. XLV:11, ^ ^ „hoor, o dochter, en zie, neig uw oor, en vergeet uw volk en uws vaders huis, zoo zal de Koning lust as hebben aan uwe schoonheidquot;, en daarbij denken , t, SeUjk ik mijn huis verlaat, zoo wensch ik te ver-^ laten de zonde, gelijk Isriiel Egypte en Lot Sodom, J. zonder daar met mijn hart naar om te zien; ik e(. wensch te verlaten alle aardsche zorgen en kommer sj. en mij nu alleen met geestelijke dingen bezig te houden.

Maar laten we, ten derde, zien hoe men zich gedragen zal in en onder den godsdienst.

JÉ_

-ocr page 564-

438 Over de geschiktheid tot het heilig avondmaal.

1. Men begeve zich vroegtijdig onder den gods- -woi dienst, om dien van het begin af bij te wonen. Het gez is te verfoeien en af te keuren in velen, die eene hei( zondige gewoonte hebben, om niet alleen op den en dag des avondmaals, maar ook in de gewone gods- die diensten , altiid zoo laat te komen, even alsof dat 3 wat vóór de predikatie gaat, geen godsdienst was; god ik weet wel dat er sommigen zijn die door eene ges zware huishouding van kinderen belet kunnen worden ove en in die is het toe te geven; maar daar zyn er u r ook velen, die uit een loutere gewoonte en met opzet alle niet eer in de kerk komen, voor dat de leeraar trel begint te spreken, en dan beneemt me-n de aandacht ziei zoowel voor zich zelf als voor een ander; dit is voo onbetamelijk, ja zondig, en moet niet alleen in Wc andere godsdienstoefeningen, maar vooral op den zuil dag des avondmaals verbeterd worden. ver

2. In de kerk gekomen en in stilheid nedergezeten een zijnde, wachte men zich toch zorgvuldig van alle dat soort van gemaaktheden, hetzij door het laten hangen wel van het hoofd of trekken van het aangezicht, of mo hoorbare zuchtingen en gemoedsaandoeningen; dat zin, is tot aanstoot van anderen en het is God ook niet ten. aangenaam; hier moet ik het nadrukkelijk zeggen als van den godzaligen en beroemden Brakel te pas das brengen, als hij dit wil tegenspreken: foei! zegt hij heg die gemaaktheid, die zoo riekt naar geveinsdheid, en hij leelijk is voor vroom en onvroom! Neen , de Heere stei ziet op het hart en al die dingen komen dikwijls bij meer voort uit gewoonte, dan dat ze de gestalte van uiü het hart uitdrukken. V00

Doch hiermede wil ik niet tegenspreken een stil, dai

zedig en bezadigd gelaat, of zeggen dat het kwalijk ma

zou zijn wanneer iemands aandoeningen gaande doe

-ocr page 565-

Over de geschiktheid tot het heilig avondmaal. 439

tds- worden , dat deze van anderen zouden gehoord of Het gezien worden; o neen, dat kan als het in oprecht-ene heid is, anderen wel eens tot jaloersheid verwekken ien en tot opwekking zijn; maar ik zie op die dingen, ds- die de wereld en godzaligen zelfs tot aanstoot zijn. dat 3. Men moet zich voegen tot al de deelen van den as; godsdienst, en niet denken, het moet met mijne ene gestalte overeenkomen, en als het daar niet mee ien overeenkomt, is het voor mij vruchteloos; neen, zet er u maar in stilheid neder, en vereenigt uw hart met •zet alles wat er geschiedt; gij zult er uw nut uit kunnen aar trekken, ja menigmaal ondervinden dat Gods voor-cht zienigheid het zoo bestuurt, dat er een gepast woord is voor u gesproken wordt; bij voorbeeld, hoort ge het in Woord van God lezen, en doorgaans op dien tijd 3en zulke gedeelten, die op Christus en het werk der verzoening zien; dat kan uwe liefde tot Hem wel ten eens gaande maken; onder het heilig psalmgezang, ille dat langzaam geschiedt, kunt gij uw aandacht op-»en wekken , het van stuk tot stuk nagaan, en met uwen of mond, zoowel als met uw hart, uwe gedichten opdat zingen van uwen Koning, en lof spreken ter gedach-üet tenis van Gods heiligheid. O, het is niet te zeggen gen als men zoo in den geest zingt, hoe het gemoed pas daaronder kan verlevendigd en opgewekt worden; hij begint de leeraar met het hidden om een zegen, wenscht en hij voor zich zeiven om Gods hulp en bijstand; onder-ere steunt hem dan met uwe zuchtingen tot God, dat ijls hij mag bekwaam gemaakt worden om te zijn een Fan uitdeeler van de verborgenheden Gods. Bidt hij voorts voor de gemeente, vereenigt uw hart daarmede; bidt til, dan niet voor uzelven naar de gestalte die gij bezit, lijk maar oefent daarin ook de gemeenschap der heiligen ade door eenparig den Heere te zoeken, en wekt God

-ocr page 566-

440 Over de geschiktheid tot het heilig avondmaal.

het hart van Zijne knechten eens wat op, dan ge- zag r beurt het wel dat de ziel daardoor aan den gang niet € raakt onder de predikatie. Zoekt u toch te bewaren maal voor verstrooide gedachten, al waren het goede zinkei dingen; het komt dan niet te pas; gaat stil al de geloo waarheden na, legt er u zeiven bij neder, vooral wanneer er kenteekens van genade worden voorgesteld , brengt dat van stuk tot stuk bij uw hart; dat zal tot uwe bemoediging en bevestiging zijn.

Nu komen we tot ons vierde stuk, namelijk hoe toevli men zich zal gedragen om voordeel te doen met het hooren lezen van het Fonmdier des avondmaals.

Hier zeg ik in het algemeen , dat het noodig is daar aandachtig op te letten en zich or der het lezen niet bezig te houden met het lezen van een gedeelte uit Gods Woord of van andere boekjes, die bij zulk een gelegenheid door sommigen wel worden gebruikt,

maar men moet al de stukken van het Formulier ordentelijk nagaan, en zoeken het hart daarbij te heb houden; en dan kan het wel eens zeer gezegend zijn; waa: want aldaar wordt:

1. Getoond en bewezen dat het Avondmaal van een goddelijken oorsprong is, dat Christus het heeft ingesteld tot Zijne gedachtenis; dan zien wij niet alleen dat wij verplicht zijn om hetzelve waar te nemen , maar ook hoe gegrond wij den zegen van God kunnen inwachten; omdat wij op Zijn bevel daar zijn saamvergaderd.

2. Worden daar drie voorname kenteekens opgegeven die er in een recht Avondmaalganger vereischt worden, men vrage zich zeiven af, kan ik daar dan Ja en amen op zeggen? ken ik mijne zonden in hare grootheid en veelheid? zou ik wel durven ontkennen dat God mij niet aan mij zeiven ontdekt heeft? dat ik

-ocr page 567-

Over de geschiktheid tot het heilig avondmaal. 441

ge- zag miine zonden en vloekwaardigheid? heb ik dat ang niet erkend met schaamte? heeft dat mij niet menig-ren maal als een worm voor God doen kruipen en weg-ede zinken in miine onwaardigheid ? heb ik grond om te de gelooven dat mij al mijne zonden om Christus wille iral vergeven zijn? weet ik niet hoe beminnelijk en dier-or- baar Jezus mij werd toen ik mijne verdoemelijkheid rt; voor God zag? ja ik kan niet ontkennen hoe ik tot ; Hem uit mij zeiven geloopen ben, hoe ik tot Hem hoe toevlucht nam, en mij door het geloof in Zijne het eeuwige liefde-armen nederwierp, om door Hem gezaligd te worden.

Ik weet ook wat een opzet en voornemen ik had in \'s Heeren naam en kracht, om heilig te zijn, om de zonden te dooden, en om mijn gansche leven zoo in te richten, dat ik Gode dankbaarheid betoonen en voor Zijn aangezicht in oprechtheid wandelen mocht, en omdat ik God liefheb die geboren heeft, heb ik ook liefde tot die uit Hem geboren zijn; waarom ik van harte alle haat en vijandschap met mijn naasten wil afleggen en zooveel mogelijk is vrede houden met alle menschen.

3. Hoort men voorstellen de zonden en ergernissen, die iemand het recht tot het Avondmaal benemen, dat kan het hart opwekken tot dankzegging aan God om te zeggen: Heere, door uwe bewarende genade heb ik mij nooit aan die zonden voor U schuldig gemaakt, en heb ik in het een of ander gezondigd , Gij weet toen Gij het mij ontdekt hebt en met genade zijt voorgekomen, dat ik het beleden en verzoening in Jezus bloed gezocht heb, en door Uwe genade en Geest hebt Gij de kracht daarvan verbroken.

4. Zegt het formulier dat men niet tot het Avond-

-ocr page 568-

442 Over de geschiktheid tot het heilig avondmaal.

maal komt om daarmede te betuigen, dat men zonder zonden is, maar integendeel, om in Christus uitge-stortte bloed vergeving voor, en door Zijn Geest kracht tegen de zonden te zoeken?

Dit kan tot bemoediging en vertroosting van het hart zijn dat, door het gevoel van de kracht der verdorvenheid, dikwijls van verre zou staan en niet durven toenaderen om te zeggen: Heere, Gij zjjt getuige dat ik daarom ten Avondmaal kome, om de reinigmakende kracht van Jezus bloed te ondervinden; ik zal mijn onrein hart Hem aanbieden, opdat Hij het reinige; Gij weet dat het mij van harte leed is, en wat lust ik door Uwe genade heb om er tegen te strijden.

5. Wordt het voorname oogmerk van het Avondmaal aangewezen, dat het geschiedt tot gedachtenis van Christus, en om Zijnen dood te verkondigen? daar krijgt men aanleiding om aandachtig te beschouwen al dat smartelijk ziels- en lichaamslijden, dat Christus om der zonden wil, uit liefde tot zondaars, heeft willen ondergaan , om hen van den toorn Gods te verlossen; ja dat Hij zich in den dood overgaf, om hen van het eeuwig verderf vrij te maken; wanneer men dat met toepassing op zich zeiven kan beschouwen, dan is het een gezegend middel, om het hart in gulle en hartelijke liefde tot God en Christus gaande te maken, en in wederliefde aan Hem op te dragen.

6. Wordt er gezegd, dat men in het Avondmaal gemeenschap der heiligen oefent, omdat men van één brood samen eet, en van éénen wijn drinkt; dat kan de liefde tot alle geloovigen, die deel aan denzelfden Jezus hebben, gaande maken, om zich in den geest met hun te vereenigen, ja ook met die, die reeds

-ocr page 569-

Over de geschiktheid tot het heilig avondmaal.

voor den troon zijn, die mede van datzelfde brood iten hier op aarde, aan de vóórbruiloft, maar nu in volmaaktheid aanzitten aan het Avondmaal van Ide bruiloft des Lams.

7. Wordt het besloten met het gebed en de helij-denis des geloofs, dan moeten wij God ook om een zegen bidden en wenschen dat Hij onder het gebruik van het Avondmaal bij ons tegenwoordig zij, en wij moeten met ons gansche hart ook amen zeggen opdat geloof, waarvan wij in het openbaar belijdenis doen, om te toonen, dat wij de waarheden niet alleen met den mond belijden, maar met het harte gelooven tot zaligheid.

Wanneer men zoo van het formulier zocht gebruik te maken, dan was het hart recht geschikt om het tot de avondmaalsgenieting te bereiden.

Dit was nu het vijfde en voorname stuk dat wij moesten inzien, namelijk, hoe men zich moet gedragen in de toenadering tot en het zitten aan de tafel des Heer en.

Hier moet ik vooraf zeggen, dat al diegenen, die op eene rechte wijze toenaderen [want tot die spreek ik nu alleen], zich moeten aanmerken als leden van een lichaam, vereenigd met hetzelfde Hoofd; dat moeten wij altijd in het oog houden , om ons als leden, waardig zulk een Hoofd, te gedragen; hiertoe nu zijn eenige uitwendige geschiktheden noodig, die meer betrekkelijk zijn op elkander, en dan eenige inwendige. die een Christen voor zich zeiven te betrachten heeft.

Beginnen we dan eerst van het uitwendige.

1. Hier moet geweerd zijn alle wanorde, om eerst of laatst aan de tafel te gaan; staat dan op, als God uw hart meest opwekt, dit doet niet tot het

443

-ocr page 570-

444 Over de geschiktheid tot het heilig avondmaal.

velen

wezen van de zaak; want of men eerst of laatst gaat, men eet toch van hetzelfde brood en drinkt Lje^ van denzelfden wijn; en dus oefent men gemeenschap -met al de heiligen; zelfs met zulken, die daar nietj jjeer tegenwoordig ziin. | teger

2. Weest niet al te zeer gezet om naast of oven ger0( den leeraar te zitten , om het brood en den wijn uit sma^ zijne hand te ontvangen, en dat gij daarom anderen ( zoudt verdringen of voorbijloopen; dit is eene bijge- Lg\'gjj, loovigheid, waar sommigen op gezet zijn, maar het eten is dwaasheid; zij kunnen u alleen het uitwendig zquot; teeken geven , maar de verzegelende kracht is Gods p\'anc werk; als Jtzus u Zijn liefdescepter toereikt, zal het g evenveel zijn, of gij het brood van den leeraar zelf een^ ontvangt, of dat het wordt omgedeeld.

3. Doet weg alle uitwendige groeten en huigingen, onze hetzij voor den leeraar of voor elkander , dat komt j^g daar niet te pas; als men met God bezig is, moet q0(j men op die lage dingen niet denken, daar zijn andere aan gelegenheden genoeg om te toonen dat het niet voort- van komt uit onbescheidenheid en onvriendelijkheid, maar zou, omdat nu uw hart met hoogere dingen is ingenomen.

4. Laten uwe oogen hier voor u zien , om niet ginds en herwaarts om te zien, wie af of aan de tafel gaat, hoe zij zich houden, hoe zij gekleed zijn; j] dat zou een bewijs zijn, dat men niet nabij zijn hart z00i was, en de vijand kan die gelegenheid allicht waar-nemen om het oog ergens op te laten vallen, dat gev dan aanstonds vat op den geest krijgt om er aan te j denken; en zoo raakt men zijn hart kwijt, eer men het weet; tracht dan uw verléidend oog van alles dat hinderen kan af te wenden.

5. Als gij aan de verbondstafel neder zit, vestigt dan uw oog op de teekenen, het brood en den wijn;

en I hoe von

nog iem de gev

-ocr page 571-

Over de geschiktheid tot het heilig avondmaal. 445

velen hebben de gewoonte van hunne oogen te sluiten, etgeen uit een zuiver oogmerk kan geschieden, om %iet afgeleid te worden; ook kan het wel zijn uit inwendige aandoeningen van het gemoed, als de Heere het hart bewerkt, en dan wil ik het niet tegenspreken ; maar in het Avondmaal worden wij geroepen niet alleen om te hooren, te proeven en te smaken , maar ook om te zien hoe goed God is; gelijk wij dan een geopende hand moeten hebben om de Steekenen aan te nemen; een geopende mond, om te eten en te drinken; zoo moeten de oogen geopend zijn om het brood en den wijn te zien, als zichtbare panden van Jezus liefde.

6. Allen die zich aanmerken als geloovigen, ver-eenigd met Christus en met elkander, moeten voor elkander hidden; ziet men er aan de tafel gaan, die onze broeders en zusters zijn in den Heere, dan moeten wij hen ondersteunen met onze gebeden, dat God hun met Zijne genade wil voorkomen, dat zij aan de tafel mogen verzadigd worden met het goede van Gods huis en het heilige van Zijn paleis; en dan zouden die weder voor ons bidden, als wij toenaderen; en het is niette zeggen, als dat hartelijk geschiedt, hoe de kracht van die gebeden wel eens wordt ondervonden.

Dit moesten wij aanmerken van het uitwendige, zooals het betrekking heeft tot elkander; hetgeen echter ook veel invloed op de inwendige hartsgestalte geven kan.

Eer wij nu tot het inwendige overgaan, moet ik nog eene aanmerking laten voorafgaan. Mogelijk zal iemand vragen, wat beter is, óf dat de leeraar onder de bediening van het Avondmaal alleen blijft bij de gewone woorden, die men gewoon is te gebruiken

ien,

)mt

oet

ere

irt-

lar

en.

liet

de

jn;

irt

ir-

lat

te

en

les

gt q;

-ocr page 572-

446 Over de geschiktheid tot het heilig avondmaal.

bii het breken en omdeelen van het brood en den

wijn, öf dat hij er nog reden bijvoege, die hij denkt dat het meest gepast zijn om het hart van Gods volk te ondersteunen en te bemoedigen?

Hierop antwoord ik met dit onderscheid, dat het zeker is, dat de een of andere godvruchtige wel eens gestalten kunnen bezitten, dat zij geen aanspraak of opwekking noodig hebben, dat zij in stilheid werk- ^ zaam zijn in de oefening van geloof en liefde; ja dat ^ God hun wel eens wonderlijk ontmoet, en de uit- ^ gangen van hunne liefde met wederuitlatingen van \' Zijne liefde beantwoordt; voor dezulken zou het mogelijk beter zijn hen door geen tusschenspraken gt;iee^ te hinderen ; maar, terwijl dezulken de minsten zijn quot;^aa in onze geestelooze dagen, en velen, in plaats van vrijmoedig toe te naderen , van verre staan , vol kommer, beroering en benauwdheid, zich niet durvenden «S61 het heil, dat hun wordt aangeboden, toepassen, en de hand leggen op de beloften, is het nuttig, ja noodig, dat men die trachte te ondersteunen met ^ezv zulke redenen, die hunne vrijmoedigheid kunnen opwekken. z^en

Men moet de weenende Maria\'s, die Jezus niet zien , ofschoon Hij aan de tafel tegenwoordig is, toeroepen ; wat weent gij! wien zoekt gij ? en haar toonen, dat het voor treurigen en bekommerden is,

en zij daarom vrijheid hebben om toe te naderen.

Anderen zijn dikwijls dor en geesteloos, zij kunnen hun hart niet verheffen; deze worden wel eens door de opwekkingen die er gedaan worden verlevendigd en opgewekt; God bestuurt wel eens den mond van Zijne knechten, dat het op hunne gestalte past.

zege wor(

de 1 de ( L zich

nu vai

des mon M nedi V zou zijn geei het niet met den

Ja zelfs omtrent diegenen, die hartelijk werkzaam zijn, behaagt het God wel de aanspraken zóó te

i

-ocr page 573-

Over de geschiktheid tot het heilig avondmaal. 447

zegenen, dat zij nog meer opgewekt en werkzaam worden.

Waarom wij besluiten, dat het het best is, onder de bediening van het Avondmaal met gepaste redenen de dischgenooten te ondersteunen, en voor te komen.

Laat ons nu het inwendige, dat elk Christen voor zich zeiven in de toenadering tot en het zitten aan de tafel te betrachten heeft, wat nader inzien.

Voor eerst, als hij zal toenaderen, moet hij in het opstaan van zijne plaats zich voorstellen, alsof de Heere Jezus tot hem in het bijzonder riep: ,,alle „dingen zijn gereed, komt tot de bruiloft; komt, „eet vrienden, drinkt en wordt dronken, o liefste! „laat uwe ziel zich in vettigheid verlustigen, ik heb „mijne tafel toegericht voor uw aangezicht; komt eet „van mijn brood, en drinkt van den wijn, dien ik „gemengd heb!quot; en op deze uitnoodiging, naar de tafel heengaan, met de betuigingen aan den Heere, dat men hartelijk wenscht zoo werkzaam omtrent Jezus te mogen zijn, als het lichaam omtrent de teekenen ; om met het oog des geloofs Hem te mogen zien als hangende aan het kruis, om met de hand des geloofs Hem te mogen aannemen, en door den mond des geloofs Hem te mogen genieten.

Met die zuchtingen moet men zich aan de tafel nederzetten.

Vraagt gij nu, wat men aan de tafel het best zou denken; of waaromtrent men werkzaam zou zijn? hierop moet ik in het algemeen zeggen, [hetgeen te voren ook is aangemerkt] dat gij, omdat het maar een korte tijd is dat gij aan de tafel zit, niet te veel moet willen doen; zet u maar stil neder met een uitzien naar den Heere en een wachten op den God uws heils ; brengt het ledig vat van uw

-ocr page 574-

448 Over de geschiktheid tot het heilig avondmaal.

hart tot Gods volle algenoegzaamheid, om genade voor genade van Hem te ontvangen; misschien zal Hij tot u van vrede spreken, en uwe ziele liefelijk omhelzen.

Maar dewijl er evenwel geen beloften zijn, dat God u onmiddelijk ontmoeten zal, moet gij niet werkeloos zijn; en dan is er niets nuttiger of noodi-ger, dan dat de ziel aan den eenen kant inzinkt in hare eigen onwaardigheid, nietigheid en verdoemelijkheid voor God, dat ze zegt, ik, zulk een aardworm, zulk een niet, die maar een zondig stof en verdoemelijke asch ben, mag ik hier nederzitten aan des Heeren tafel? mag ik eten van Uw brood en drinken van Uwen wijn? wordt het mij gegund in*te gaan in \'s konings paleis? worden mij de vettigheden van Uw huis , en de goederen van Uw koningrijk uitgedeeld? Heere, ik ben te gering dan al uwe weldadigheden en trouwe, die Gij aan mij bewijst; wilt gij Uw oog op5 zulk eenen wenden? wat zal Uw knecht, wat zal Uwe dienstmaagd tot U zeggen, Heere, Heere? ik ben niet waardig dat Gij onder mijn-dak zoudt inkomen?quot; O, bet is niet te zeggen, hoe zoet en verkwikkelijk zulk eene gestalte is voor de ziel, en hoe aangenaam in de oogen Gods, daar wil Hij Zijne genade aan bewijzen; maar dit gezicht van de onwaardigheid moet de ziel niet onvrijmoedig en ongeloovig maken, om van verre te blijven staan en te denken: ik ben al te onwaardig en al te zondig, mijn gebrek is al te groot, dar. dat ik zou durven toenaderen; och neen, omdat het zoo groot is hebt ge zulk eene grootheid noodig om uw gebrek vervuld te krijgen; omdat gij zoo onwaardig zijt, moet gij Jezus de kroon opzetten, dat Hij naar zulken wil omzien; omdat gij zoo zondig zijt, moet gij lóopen

-ocr page 575-

Over de geschiktheid tot het heilig avondmaal. 449

tot Zijn uitgestort bloed, om daarin gewasschen te worden; omdat gij vloekwaardig zijt, moet gij verberging zoeken in Zii\'ne wonden ; men kan immers niet te ellendig zijn, om genezen te willen worden? niet te arm om rijk gemaakt en met goederen verzadigd te worden? dit alles moet dan uwe vrijmoedigheid veel meer opwekken om naar die volheid heen te gaan, waar al uw gebrek kan vervuld worden.

Maar als gij dus stil staat bij uzelven, ziet dan aan de andere zijde aan de tafel een afgrond van liefde en genade geopend; o, hier zult gij zien den allerliefdragensten God in Zijne eeuwige ontfermingen; een Drieëenig, Zalig, Algenoegzaam God, die den zondaar niet van noode had, maar alleen uit vrije genade op hem wilde nederzien.

Denkt, dat gij God den Vader, als van den hemel boort roepen: „Ik heb u lief gehad met eene eeuwige „liefde en daarom trek Ik u met goedertierenheid, „o mijne kinderen! liever dan dat gij zoudt sterven „en in den afgrond des verderfs nederzinken; Ik heb „Mijnen Zoon, den Zoon Mijner liefde, die Mijne „vermaking was van eeuwigheid, willen afzonderen, „tot Borg aanstellen, in de wereld zenden in de „gestalte van een dienstknecht, en overgeven aan „den allerschandelijksten, smadelijksten en vervloek-„sten dood des kruises, om voor u te worden een „oorzaak van eeuwige zaligheid; hierin bevestig Ik „Mijne liefde jegens u, dat Christus voor u gestorven „is, toen gij nog zondaars waart; ai zoo lief, zoo „onbegrijpelijk lief heb Ik de wereld gehad, dat Ik „Mijnen eeniggeboren Zoon gegeven heb, opdat een „iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve maar het „eeuwige leven bebbe.quot;

29

-ocr page 576-

448 Over de geschiktheid tot het heilig avondmaal.

hart tot Gods volle algenoegzaamheid, om genade voor genade van Hem te ontvangen; misschien zal i tot Hij tot u van vrede spreken, en uwe ziele liefelijk wor omhelzen. i

Maar dewijl er evenwel geen beloften zijn, dat\' mc\': God u onmiddelijk ontmoeten zal, moet gij niet werkeloos zijn; en dan is er niets nuttiger of noodi-ger, dan dat de ziel aan den eenen kant inzinkt in hare eigen onwaardigheid, nietigheid en verdoemelijk- ^166 heid voor God, dat ze zegt, ik, zulk een aardworm, wor zulk een niet, die maar een zondig stof en verdoeme- ^ lijke asch hen, mag ik hier nederzitten aan des aan Heeren tafel? mag ik eten van Uw brood en drinken ^efl van Uwen wijn? wordt het mij gegund in*te gaan a^\'e in \'s konings paleis? worden mij de vettigheden van een Uw huis , en de goederen van Uw koningrijk uit- zon\' gedeeld? Heere, ik ben te gering dan al uwe wel- 8en dadigheden en trouwe, die Gij aan mij bewijst; wilt ^ gij Uw oog op- zulk eenen wenden? wat zal Uw knecht, wat zal Uwe dienstmaagd tot U zeggen, quot;^e Heere, Heere? ik ben niet waardig dat Gij onder »0 mijn dak zoudt inkomen?quot; O, het is niet te zeggen, hoe zoet en verkwikkelijk zulk eene gestalte is voor de ziel, en hoe aangenaam in de oogen Gods, daar wil Hij Zijne genade aan bewijzen; maar dit gezicht quot;to\' van de onwaardigheid moet de ziel niet onvrijmoedig quot;^e en ongeloovig maken, om van verre te blijven staan en te denken; ik ben al te onwaardig en al te zon-dig, mijn gebrek is al te groot, dan dat ik zou durven toenaderen; och neen, omdat het zoo groot ■ is hebt ge zulk eene grootheid noodig om uw gebrek quot;1S\' vervuld te krijgen; omdat gij zoo onwaardig zijt,

en Mi ve:

moet gij Jezus de kroon opzetten, dat Hij naar zulken ■ wil omzien; omdat gij zoo zondig zijt, moet gij löopen quot;le^

„eei

l

-ocr page 577-

Over de geschiktheid tot het heilig avondmaal. 449

• tot Zijn uitgestort bloed, om daarin gewasschen te worden; omdat gij vloekwaardig zijt, moet gij verberging zoeken in Zijne wonden ; men kan immers niet te ellendig zijn, om genezen te willen worden? niet te arm om rijk gemaakt en met goederen verzadigd te worden ? dit alles moet dan uwe vrijmoedigheid veel meer opwekken om naar die volheid

Iheen te gaan, waar al uw gebrek kan vervuld worden.heen te gaan, waar al uw gebrek kan vervuld worden.

Maar als gij dus stil staat bij uzelven, ziet dan aan de andere zijde aan de tafel een afgrond van liefde en genade geopend\', o, hier zult gij zien den allerliefdragensten God in Zijne eeuwige ontfermingen; een Drieëenig, Zalig, Algenoegzaam God, die den zondaar niet van noode had, maar alleen uit vrije genade op hem wilde nederzien.

Denkt, dat gij God den Vader, als van den hemel hoort roepen: „Ik heb u lief gehad met eene eeuwige „liefde en daarom trek Ik u met goedertierenheid, „o mijne kinderen! liever dan dat gij zoudt sterven „en in den afgrond des verderfs nederzinken; Ik heb „Mijnen Zoon, den Zoon Mijner liefde, die Mijne „vermaking was van eeuwigheid, willen afzonderen, „tot Borg aanstellen, in de wereld zenden in de „gestalte van een dienstknecht, en overgeven aan „den allerschandelijksten, smadelijksten en vervloek-

(„sten dood des kruises, om voor u te worden een „oorzaak van eeuwige zaligheid; hierin bevestig Ik , „Mijne liefde jegens u, dat Christus voor u gestorven „is, toen gij nog zondaars waart; al zoo lief, zoo „onbegrijpelijk lief heb Ik de wereld gehad, dat Ik „Mijnen eeniggeboren Zoon gegeven heb, opdat een „iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve maar bet „eeuwige leven hebbe.quot;„sten dood des kruises, om voor u te worden een „oorzaak van eeuwige zaligheid; hierin bevestig Ik , „Mijne liefde jegens u, dat Christus voor u gestorven „is, toen gij nog zondaars waart; al zoo lief, zoo „onbegrijpelijk lief heb Ik de wereld gehad, dat Ik „Mijnen eeniggeboren Zoon gegeven heb, opdat een „iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve maar bet „eeuwige leven hebbe.quot;

29

-ocr page 578-

450 Over de geschiktheid tot het heilig avondmaal.

„Dit alles bied Ik u aan; en om uw ongeloof te „hulp te komen, zietdaar de zichtbare panden, waar-„mee Ik het wil verzegelen; neemt die aan, zegt „maar amen op Mijn voorstel; omhelst, in het genieten van dezelve, Mijn Zoon; en dan zult gij het „leven vinden, en een welgevallen van Mi] trekken.quot;

Daar zult gii den Heere Jezus zien als voor uwe oogen afgeschilderd, hangende aan het kruis, die Zich uit enkele liefde voor zondaren in den dood overgaf; die Ziin bloed stortte, om ze daardoor vrij te koopen van het verderf; denkt dat gij Hem daar aan de tafel hoort roepen , alsof Hij het tot u in persoon zeide: „Mijn verlegen kind, kom treed toe, „wat draalt ge? hoe staat gij van verre? Ik, uw „meester roep u; Ik heb eene eeuwige zaligheid voor „u verworven, die zal Ik u toepassen; Ik sta gereed „om u Mijn liefdescepter toe te reiken, Ik wil u „omhelzen ; Ik bied al Mijne zalige schatten en volgheden u aan; kom, wend u maar naar Mij; in Mij „den Heere Heere, zijn gerechtigheden en sterkte; „al is uw gebrek nog zoo groot, al zijt gij nog zoo „ellendig. Ik heb volheid genoeg om het te vervullen ; „Mijn naam is ontfermer, Ik ben de barmhartige „Samaritaan, die uwe wonden wil verbinden; kom „maar tot Mij, Ik zal u geenzins uitwerpen; zie-„daar, de panden van Mijne liefde geef Ik u in „handen, neem die aan , werp u op Mij neder als „uw Borg en Middelaar.quot;

Op deze liefderijke noodiging moet gij vrijmoedig-lijk de zegelteekens aannemen; u niet door ongeloof laten terughouden, maar denken, zou Jezus zich in den dood voor zondaars hebben overgegeven, en zou Hij mij nu verstooten ? Hij heeft in Zijne omwandeling op aarde zoo menigen ellendige geholpen, die tot Hem

-ocr page 579-

Over de geschiktheid tot het heilig avondmaal. 451

wam, en zou Hij mij afwijzen , daar Hij zich zelf n liefde aanbiedt? indien Hi] lust tot mijn verderf ad, Hij zou de tafel niet dekken voor mijn aange-icht; ik wil dan het aangeboden heil aannemen en ij toepassen.

Ja daar zult gij ook door het geloof zien God den Heiligen Geest, die de werkmeester is van alle genade en gereed staat, om u op liet nauwst met Jezus te vereenigen; die uwe hand, al was ze bevende, in de hand van Jezus wil brengen, om Hem opnieuw het woord van trouw te geven, die, onder het gebruik van de liefdepanden , de liefde Gods wil verkegelen aan uw hart.

O, het is niet te zeggen, hoe zulk een werkzaamheid omtrent den Drieëenigen God , het hart wonderlijk kan opwekken, verlevendigen en in liefde gaande maken om den Heere te omhelzen en te betuigen, Heere, wilt gij zooveel doen in liefde aan zulk een als ik ben, welaan, ik wil U dan ook hartelijk liefhebben ; ja wilt Gij U als de God des Verbonds aanbieden en zeggen. Ik wil uw God zijn, ik zeg: amen Heere, ik wil ook de Uwe zijn voor nu en voor eeuwig; ik verklaar openlijk dat ik het met U wil houden; en daarop neem ik het zegelteeken uit Uwe hand.

Zie, dit was een recht betamelijke en Gode behage-lijke gestalte onder de avondmaalsgenieting.

Maar vele godvruchtigen zullen mogelijk zeggen; ja dat is waar, het is heugelijk als men zoo hartelijk kan werkzaam zijn, maar het gaat al dikwijls anders; al zoekt men zich die waarheden voor te stellen, het hart is er zoo niet onder opgewekt; het belieft God niet altijd te bedauwen met Zijnen Geest; ik ga nog al dikwijls dor en doodig ten avondmaal, en dan heb ik er die zoetigheid en troost niet van.

29*

-ocr page 580-

452 Over de geschiktheid tot het heilig avondmaal.

Dit kan wel gebeuren, het is waar, en zoo toont 1-

de Heere, dat Hij vrijmachtig is in het bedeelen van uwe

Zijne genade, daar en in die mate, als Hij wil; 200

maar het kan wel ia u ontstaan, omdat gij veeltijds ^100!

te groote gedachten hebt van het Avondmaal; het is 2.

alsof men daar wonderlijke en onmiddelijke ontdek- dier

kingen zou hebben van Gods liefde; of men met schc

Paulus tot in den derden hemel zou worden opge- wat

trokken, en God onmiddelijk aanschouwen; het is 3

waar, de Heere doet het wel eens aan dezen of ver]

genen, maar dat is Zijne gewone weg niet, het gaa.

geschiedt dan meest als Hij iemand wil brengen in (jgg]

beproevingen en door duistere wegen leiden, om

hem van te voren aan te moedigen en tot den strijd ^

toe te rusten; of als Hij ze haast door den dood zal

weghalen, dan gebeurt het wel, dat Hij hen in het

Avondmaal nog eens een onderpand van Zijne liefde

geeft; dat Hij het hart wonderlijk bemoedigt en zo?

opwekt, door ze te doen proeven van het Manna

dat verborgen is, en als bij voorsmaken iets van

dat volop, dat in den hemel voor hun is weggelegd

te smaken geeft, om het verlangen op te wekken; ^

kon

zijn

maar dit zeg ik, is iets ongemeens, dat moeten wij niet verwachten; want daar heeft God nergens beloften van gedaan; wij moeten daar ook niet te zeer op gezet zijn of naar verlangen , laten wij dat aan den Heere laten , Hij is vrij; wij moeten hier niet door gevoelen en onmiddelijk genieten, maar door me* gelooven wandelen; en daar worden wij ook in het zeSl Avondmaal toe geroepen; het is alleen geloof, dat daar geoefend wordt; en mag men geloovig toenaderen, dat is een dierbare gestalte, ja uitnemend groot, als gij maar begrijpt wat gelooven is; want is het niet groot: Hei

zoo zoo

r

v1.U( aan en

-ocr page 581-

Over de geschiktheid tot het heilig avondmaal, 453

oont 1- Als gij zoo in het gezicht van uw gebrek in

van uwe eigen onwaardigheid moogt nederzinken; als gi]

wil; zoo nederig, zoo klein en zoo ootmoedig voor den

tijds hoogen God moogt komen ?

et is 2. Is het niet groot dat de Heere Jezus aan u is

dek- dierbaar geworden? dat gij kunt zeggen: Hij is de

met schoonste, de rijkste, de beminnenswaardigste, al

pge- wat aan Hem is, is gansch begeerlijk?

^ j , 3. Is het niet een groote genade, als uw hart in 1 0\' verlangen, in hongeren en dorsten naar Hem uit-f\' gaat, dat niets in de wereld u zoo dierbaar is dan n in deel aan Jezus te hebben, dat gij daarom alles wel wilt verloochenen ?

I zal n^et i als gij geloovig de teekenen

het moo^t\' ^ebrtiiken en betuigen, gelijk ik het brood efde en ^611 w^n\' worc^ aangeboden, aanneem ,

en zoo wensch ik ook Jezus aan te nemen, gelijk ik er nna me(le vereenige, zoo wensch ik op het nauwst van met ^em vereen\'g{l te zijn; al genoot gij dan anders legd n^e\'\' heugelijk?

[en; Ja\' Zu^ Se zesfSen gt; dan zou het nog al wel zijn, kon ik maar zoo geloovig naderen; maar het is op zijn best maar een toevluchtnemend geloof, dat nog zoo duister is; en als ik zoo nader, dan heb ik er zooveel vrucht niet van , en het beneemt al mijne niet vrijraoedigheid, omdat ik vrees , dat het voor mij loor is; ik durf mij de genadegoederen, die daar ver-jjgt zegeld worden, niet toepassen.

dat 3na-iend rant

Wl] 3lof-zeer aan

Doch dit moet u ook niet terughouden ; een toevluchtnemend geloof is ook geloof, en Gode zoowel aangenaam als het verzekerde; gaat maar hongerende en dorstende, loopt en vliedt tot Jezus, en betuigt Hem, dat gij liever voor Zijne voeten wilt sterven

-ocr page 582-

454 Over de geschiktheid tot het heilig avondmaal.

dan van Hem afbljiven, en zoo zult gij ook met vrucht ten Avondmaal gaan.

Zien we nu nog eens .ons zesde of laatste stuk, namelijk hoe een geloovige, aan de tafel geweest zijiide, moet werkzaam zijn in het wederkeeren van dezelve onder de overige plichten van den godsdienst en het gaan naar zijn huis. Vooreerst, nog onder den godsdienst, past het:

1. Als de leeraar in het afgaan van de tafel den zegen geeft, dat men dien biddende aanhoort en zegge: Heere, nu ga ik heen, maar laat Uw vrede en zegen op mi] rusten , blijf Gij mij bij met Uwe genade; in kan hier niet altijd aan Uwe tafel zitten terwijl ik in de woestijn van de wereld ben , maar evenwel kleeft mijne ziel U achter aan; laat dan Uwe rechterhand mij ondersteunen.

3. Dan moet men het hart in dankbaarheid tot God ontboezemen en in schaamte wegzinken voor Hem, wegens de grootheid van Zijne liefde, dat wij, zoo onwaardigen en ellendigen, hebben mogen zitten aan Zijne tafel, en gemeenschap oefenen met God, met de zaligen voor den troon en met al de heiligen op aarde; dan moeten we in verlegenheid zeggen : Heere, wat zal ik U vergelden voor al Uwe weldaden? wat zal ik doen om Uwe liefde te beantwoorden? „hartelijk zal ik U wederom liefhebben, Heere mijne sterkte.quot; Nu zal de liefde Gods in Christus mij dringen, om te oordeelen , dat gelijk één voor allen gestorven is, dat het ook betamelijk is dat wij allen gestorven zijn; om nu niet meer ons zeiven te leven, maar dien, die voor ons gestorven is. Nu zal ik, in des Heeren naam en kracht, mijne leden stellen tot wapenen der gerechtigheid, Gode tot heerlijkheid. Ik heb het gezworen en ik wil het

-ocr page 583-

Over de geschiktheid tot het heilig avondmaal. 455

bevestigen, dat ik zal houden de rechten Uwer gerechtigheid.

3. Dan moeten wij ons afvragen, of de Heere onze ziele verkwikt en met Zijne goedertierenheid verzadigd heeft! of wij, aan Zijne tafel zittende, ook de geestelijke spijs en drank genoten hebben, en dan moeten wij voornemens zijn om door de kracht van die spijze door de woestijn van de wereld henen te gaan, al onze dagen, opdat het blijke, dat het waarlijk een zielenvoedsel zij.

4. Zijt gij aan de tafel geweest, neemt dan weder in stilheid uwe plaats, om de overige deelen van den godsdienst waar te nemen; het is slecht en te misprijzen in velen, dat zij, van de tafel komende, aanstonds naar hun huis wederkeeren, alsof er nu geen werk meer te doen was; neen, wij moeten daar blijven totdat de gansche godsdienstoefening geëindigd is; tenzij iemand noodzaak had om uit te gaan; en ook dan moeten wij dezulken met gebeden helpen en ondersteunen; maar anders moet men saam vergaderd blijven totdat de lofzegging en het gebed geëindigd, de psalm gezongen en de zegen uitgesproken is, en dat alles met aandacht nagaan; men let er doorgaans niet genoeg op, als men den Heere prijst, en elk als tot zichzelf zegt: „looft den Heere mijne ziele, die al uwe zonden vergeeft, die uwe krankheden geneest, die uw leven verlost van het verderf, die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden!quot; als zulke en dergelijke gedeelten uit Gods Woord, met een aandachtig, nederig en eerbiedig hart worden gezegd, het is niet te zeggen van wat nut het kan zijn.

Maar ten tweede, uit de kerk naar zijn huis weder-keerende, moet men;

-ocr page 584-

456 Over de geschiktheid tot het heilig avondmaal.

1. Zich zorgvuldig wachten om niet aanstonds in gesprek met anderen zich te begeven; opdat het hart niet van zijne gezetheid rake en van den Heere worde afgeleid; men moet alle gelegenheid zoeken te ontgaan, of kan men er niet van tusschen, dan toch niet spreken van wereldsche dingen, maar óf van de gehoorde waarheden, óf aan elkander eens vertellen , hoe het ons gegaan is; opdat de harten nog eens in de liefde Gods ontvonkt mochten worden en de een den ander tot jaloersheid verwekke; dan kan het van nut zijn.

2. Dan moeten wij, thuis komende, als wij eenige gelegenheid hebben, ons begeven in de eenzaamheid; daar, naar den bepaalden tijd, den Heere danken dat we in Zijn huis aan Zijne tafel hebben mogen zitten, dat wij met andere heiligen ons verbond hebben mogen vernieuwen en openlijk verklaren, dat wij den Heere willen dienen met een eerparigen schouder, en dan moeten wij ons nog opnieuw aan Hem verbinden en opdragen.

3. Dan moeten wij ons vooral wachten als wij tot het huisgezin wederkeeren, dat het hart door het een of ander niet van God wordt afgetrokken, dat wij ons niet bemoeien met dingen die men vermijden kan, en dan niet te pas komen; maar dat men elkander voorts opwekke, al was het dat men samen de knieën nog eens voor God boog, om een zegen af te bidden over de volgende godsdienstoefening.

Wat nu verder te doen is in het overige van den dag en in het vervolg, zal de stof zijn van een volgende verhandeling als wij van de nabetrachting zullen spreken.

Dit dacht ik noodig en nuttig te zijn tot dit stuk te zeggen.

-ocr page 585-

Over de geschiktheid tot het heilig avondmaal. 457

Nu moet ik, bi] wijze van toeëigening, nog een woord hierbij voegen, zoowel tot overtuiging van nog onbekeerden, als tot bemoediging van Gods volk.

Vooreerst heb ik een woord tot zorgelooze en natuurlijke m.enschen; deze zullen, dit alles hoorende, mogelijk zeggen, wel wat last, wat een vermoeidheid, moet men zoo ten Avondmaal gaan ? wordt er zooveel vereischt op zulk een dag, dan is de dienst van God wel zwaar; want wie is daartoe in staat? ja dan zijn wij of geen rechte avondmaalgangers, óf het is niet noodzakelijk zoovele plichten te betrachten; want zoo zijn wij nog nooit werkzaam geweest.

Maar arme, dwaze en blinde wereld, denkt gij dat dit een last is? o het is een allerlevendigst bewijs dat gij nog nooit iets van het beminnelijke van den dienst van God hebt leeren kennen; want daar is niets dat Gods kinderen meer tot lust, tot blijdschap en wezenlijke vergenoeging is; zij kunnen, als zij welgesteld zijn, naar den dag van het Avondmaal verlangen als naar den dag van een bruiloft; daar is hun niets heugelijker dan daar het hart eens op te halen, daar innig en hartelijk met God gemeenschap te oefenen; maar omdat gij nog nooit bij bevinding weet, hoe goed het is God te dienen, weet gij ook hier niet van ; en het besluit dat gij maakt is de waarheid: moet het zóó zijn, dan ben ik nog nooit recht ten Avondmaal geweest! want gij neemt het slechts waar uit sleur en gewoonte, en denkt dat het uiterlijke genoeg is, en daarom is het u zoo gemakkelijk.

Ja maar, zegt ge, zou men zooveel moeten doen, en zoovele plichten betrachten ? wel, dan leert men den mensch eene werkgerechtigheid; en dat strijdt

-ocr page 586-

458 Over de geschiktheid tot het heilig avondmaal.

tegen onze religie; want daar leert men, dat de mensch diep onmachtig is om iets goeds te doen, en dat God het alles moet werken.

Ja dat is waar, God moet alles werken , en wij houden, volgens Gods Woord, de leer van de onmacht des menschen staande; maar, dewijl hij een redelijk schepsel is, wil God dat hij de middelen zal gebruiken ; want of men zegt, God moet alles doen, wij zijn machteloos, en gij slaat dien weg niet in langs welken God den zegen wil doen nederdalen, dan kunt gij dien ook niet verwachten; neen, de Heere bindt u aan de middelen, en als gij die in getrouwheid en met naarstigheid gebruiktet, wie weet wat zegen God daarop zou geven; en met dat oogmerk stellen wij de middelen voor, om die in afhankelijkheid van God te gebruiken; o dat gij meer belang rekendet in den dienst van God, gij zoudt ook ijveriger de middelen waarnemen om daarin bevorderd te worden; Gods volk doet het met zooveel blijdschap, en zij ondervinden wel eens, als zij er in bezig zijn, dat de zuidewind van Gods Geest den hof van hun hart doorwaait; en hun geloof, liefde, hoop, verlangen, verwondering en blijdschap aan den gang raakt.

Ach ellendige, arme mensch, die zoo lang ten Avondmaal zijt gegaan en nog nooit op de rechte wijze; legt het toch eens op uw hart, denkt eens, wordt er evenwel zooveel toe vereischt? [en het moet waarheid zijn, omdat Paulus zelf zegt: „die onwaardig eet en drinkt, die eet en drinkt zich zeiven een oordeel.quot;] Welaan waar blijf ik dan? die zoo onbereid toenadere, die \'s morgens lui, loom en vadsig uit mijn bed opsta, die niet eens in mijne eenzaamheid mijn knieën voor God buige, of op zijn best een formulier gebed bidde, maar die niet weet van

-ocr page 587-

Over de geschiktheid tot het heilig avondmaal. 459

dat roepen, dat schreien tot God; ik, die zoo onbedachtzaam, met een hari dat met zonden en ijdel-heden vervuld was, toenaderde; ik, die aan de tafel zijnde mijne oogen ginds en herwaarts liet heen-vliegen, naar dezen en genen zag, zonder eens aan mij zeiven te denken, of aan God, of aan den Heere Jezus en Zijn dood, dien ik daar uitwendig in verkondigde.

Indien gij zoo eens uzelven beschouwdet, zoudt gij haast zien moeten dat gij maar uit sleur en gewoonte genaderd zijt, dat gij maar een gast waart zonder bruiloftskleed; o wat rampzalige toestand is dat? dan hebt gij te wachten dat de Koning in het bezien van Zijne aanzittende gasten tot u zeggen zal, vriend, vriendinne, hoe zijt gij hier gekomen, geen bruiloftskleed aanhebbende? bindt ze handen en voeten en werpt ze uit in de buitenste duisternis, waar zijn zal weening der oogen en knersing der tanden; en gij zult moeten verstommen.

Ach dat de Heere u hier eens een indruk van gaf en u overtuigde van uw zondig en onbetamelijk gedrag omtrent Hem , en ziet gij het, belijdt het met schaamte, zoekt er verzoening over in het bloed van Jezus; en weest toch zorgvuldiger, om zoo los en onbedacht niet weder toe te naderen; de tijd is nu weer voorhanden, gaat eerst eens bedaard bij u zeiven nederzitten, en denkt: ik ben zoo menigmaal toegenaderd op een onbetamelijke wijze, mocht het nu eens met meer indruk zijn, ik wil aan mijn kant de middelen waarnemen en mij schikken om God te ontmoeten, wie weet wat de Heere nog doen zal.

Maar voornamelijk heb ik nog een woord tot u, volk van God, bekommerden, beroerden en ver-

-ocr page 588-

460 Over de geschiktheid tot het heilig avondmaal.

legenen, vooral tegen avondmaalstijden; gij denkt, ik heb geen recht otn zoo vrijmoedig toe te naderen, mijne zonden zijn te groot; het heil dat daar wordt aangeboden is voor mij niet; ik vrees dat ik mij een oordeel zal eten en drinken, en daarom; durf ik niet ten Avondmaal gaan.

O, tot u moet ik zeggen, ja gij moogt en moet niet achterblijven , gij zijt de rechte voorwerpen van Jezus noodiging; zoo gij maar tot Hem komt. Hij doet die groote belofte: Ik 7sa]. ze geenszins, om geen reden uitwerpen, wel waarom zou Hij u dan uitwerpen ? en dat woord geenszins neemt al uwe zwarigheden weg, want al had de Heere Jezus nog zoovele gestalten ter neder gesteld en maar iets uitgezonderd , dan zoudt gij mogelijk denken, dat raakt mij, maar nu is het maar: al wie komt, hoe groot, hoeveel, hoe langdurig hij gezondigd heeft, hoezeer hij nog onder de zonden zwoegt, Ik zal hem aannemen, Ik bied hem al Mijne heilgoederen aan, dat wil Ik in het Avondmaal verzegelen.

Wel zult ge zeggen, is dat waarheid? dan raag een stout zondaar ook wel toenaderen ; want dan wordt niemand uitgesloten.

Ja dat is waarheid, een stout zondaar raag ook komen, als hij raaar wil op zulk eene wijze door Christus gezaligd worden, als het Evangelie voorschrijft ; maar omdat hij liever in de zonden blijft leven, als daarvan vrijgemaakt worden. toont hij dat hij niet wil, raaar dat durft gij immers niet zeggen? integendeel, kunt gij den Heere niet tot getuige roepen en zeggen : Gij weet tot wat last mij de zonde is, hoe het mij tot innige smart is, hoezeer ik daar onder zwoeg en worstel; Gij zijt getuige van mijne tranen, die ik daarover in het verborgene

-ocr page 589-

Over de geschiktheid tot het heilig avondmaal. 461

uitstort; hoe menigmaal ik roep, och ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen van dit lichaam der zonde; Gij weet, hoe gaarne ik daarvan zou worden vrijgemaakt, hoe dikwijls ik Jezus als Koning uitroep om ze in mij te verbreken; welnu, kunt gij dit in oprechtheid betuigen? dan moet ik u zeggen, dat uwe zonden niet te groot zijn, en uwe vrijmoedigheid niet mogen benemen; wendt u maar naar Jezus, werpt u voor Zijne voeten neder en betuigt, dat gij als een ellendige wilt gezaligd worden; gij zijt immers geen grooter zondaar dan de verloren zoon, die van zijn vader was weggeloopen, die op eene baldadige wijze zijn geld had doorgebracht, en die evenwel, toen hij begon tot zich zeiven te komen, het besluit nam en zeide, ik zal opstaan en tot mijn vader gaan en belijdenis doen van mijne zonden; en die vond genade; de vader had wel reden om hem te verstoeten ; maar neen, hij loopt met wel zooveel liefde tot zijn zoon, als de zoon tot hem; hij omhelst hem, hij neemt hem weder aan en onthaalt hem aan zijne tafel; welaan, bekommerden, dit heeft de Heere Jezus tot uwe bemoediging gezegd, om u hierin een schilderij te geven van de grootheid van Zijne liefde, dat Hij groote zondaars niet wil afwijzen, maar roept: wie gij zijt, al waart gij nog zoo zondig, al hadt gij Mijn beeld vertrapt, Mijne goedheid versmaad, u in allerlei wellusten gebaad, zoo gij maar als de verloren zoon, u tot Mij wendt, uwe zonden en onwaardigheid belijdt, Ik zal u ook omhelzen en aannemen; Ik stel er Mijn eer in dat Ik de grootste zondaars zalige; daarom heb Ik Mijn bloed gestort en Mij in den dood overgegeven, en Ik wil het u in het Avondmaal verzegelen.

Kan de Heere Jezus wel méér doen om u uit te

-ocr page 590-

462 Over de geschiktheid tot het heilig avondmaal.

lokken? wel gaat dan vrijmoedig tot Hem en zet u aan Zijne tafel neder.

Ja maar, zegt ge, ik mocht mij evenwel eens bedriegen, dat ik niet recht kwam; daar is zoo veel aan gelegen; och neen, gij kunt u niet bedriegen, als gij bewust zijt dat het u waarlijk om Jezus te doen is, dat gij u aller zonden vijand verklaart, en niet wilt iets aan de hand houden , maar tot ieder van die zeggen, henen uit! dat is een bewijs van oprechtheid; wel, dat kunt ge immers betuigen voor den lleere? en is dat waarheid, dan kan ik u verzekeren, dat mve zonden u niet alleen niet mogen terughouden, maar veel meer opwekken om tot de genadetafel te gaan, waar Jezus bloed tot verzoening wordt voorgesteld.

Maar zult ge zeggen, het is evenwel zoo groot, hoe zou ik onwaardige zulke groote genade mij durven toepassen? hoe zou ik mij durven nederzetten aan de tafel, om het brood der kinderen te nemen?

Ja het is groot, het is onbegrijpelijk groot voor een zondigen aardworm om te ontvangen, maar het is voor God niet te groot om te geven; omdat God zoo oneindig en onbegrijpelijk is in Zijn wezen, is Hij het ook in Zijne liefde, en wat kan het anders dan groot zijn, wat van zulk een God wordt geschonken ? men moet er over uitroepen: o, hoe groot is Uw goed, dat Gij weggelegd hebt voor diegenen, die U vreezen ? en, zoo hoog de hemel is boven de aarde, zoo geweldig is Zijne goedertierenheid over die Hem vreezen! en dat zal eene eeuwige stof van verwondering en dankzegging zijn, maar daarom moet het uwe vrijmoedigheid niet benemen.

Maar anderen van Gods kinderen zullen zeggen: ik weet nauwelijks wat te doen, ik durf niet ten

-ocr page 591-

Over de geschiktheid tot het heilig avondmaal.

Avondmaal gaan, omdat ik geen goede gestalte heb en ik durf er niet van afblijven, omdat ik tegen het gebod van God zou zondigen.

Zie ik op mijne gestalte, die is zoo geesteloos, zoo dor, zoo ongevoelig, dat, al zoek ik mij tot eenige werkzaamheden op te wekken, het is of er geen geest noch leven in was, hoe zoude ik zoo aan des Heeren tafel durven gaan ?

Ik antwoord, dat gij zeker reden van schaamte hierover hebt, en dat het bondzegel te dierbaar is, dan om het harteloos te gebruiken; maar kom, sta, eens stil, zijt niet te zeer beroerd! laat ik u eens afvragen, is uw staat en uwe gestalte waarover gij zoo klaagt, u tot genoegen of ongenoegen? klaagt gij het alleen maar voor menschen ? zijt gij wel gerust om zoo te leven? is het u niet tot innige droefheid dat uw ijver, uw ernst en gezetheid zoo verslapt is; zou het niet uwe hartelijke blijdschap zijn als uw hart meer verlevendigd mocht zijn ? kunt gij hierop antwoorden: och ja, zoo is het, de Heere weet hoe ik er onder gebukt ga; wel dan mag het u geenszins van het Avondmaal terughouden; dat zou zijn, of een kranke weigerde door den medicijnmeester geholpen te worden; dan moet gij het gebruiken als een medicijn om genezen te worden; waar wilt gij anders heengaan? daar is immers geen andere weg? is het Jezus niet alleen , die u moet helpen? kom dan als een kranke en gewonde, leg u aan dat Bethesdawater neder, wacht op de roering des Gees-tes, dat die uw dor en doodig hart aanrake, wie weet, wat God nog doen zal; en kunt gij niet zoo ellendig en opgewekt gaan, doet het dan geloovig en wacht op den Heere.

Of zegt ge, ik was onder de waarneming van den

463

-ocr page 592-

464 Over de geschiktheid tot het heilig avondmaal.

godsdienst nog al eenigszins opgewekt, maar het is of het, zoodra als ik opsta om aan de tafel te gaan, weg is; ik kan mijn aandacht niet bepalen, mijn hart wordt dor, en dat beneemt mijne vrijmoedigheid.

Maar dat kan hier wel van daan komen, dat uw oog in het heengaan eens hier of daar op valt; dat trekt aanstonds het afleidend hart af van den Heere, als het niet werkzaam genoeg is, en de satan neemt aanstonds die gelegenheid waar; en het is niet te zeggen hoe weinig er toe van noode is; maar als u dit gebeurt, zijt niet te zeer ontroerd, zoekt uw oog maar aanstonds af te wenden; en ziet er uit de groote kracht der verdorvenheid, die in u is, dat het allerminste u tot de oefening van de heiligste plichten onbekwaam maakt; gaat daarom ook naar Jezus en Zijn bloed, dat u in het Avondmaal wordt voorgesteld, om verzoening over de zonden van uwe heilige dingen en om kracht tegen dezelve, dan zal ook dit u niet hinderen, om met vrucht te eten en te drinken.

Laat ons dan samen met vrijmoedigheid toegaan,

hetzij met minder, hetzij met meer opgewektheid. De Heere wensch ik, dat ons in Zijne gunst wil ont- 16 moeten en die genade schenken, die Hem het heerlijkst en ons het gezegendst en zaligst is, opdat het via* ons zij een geestelijk zielevoedsel, om op te wassen in de genade, Gode tot heerlijkheid en roem!

AMEN, het zij zoo!

É

-ocr page 593-

t is .an,

nijn

eid. OVER DE BETAMELIJKE NABETRACHTING HOE EEN GODVRUCH-UW TIGE ZICH WAARDIG GODE ZAL GEDRAGEN , NA HET

(Jat GEBRUIK VAN HET HEILIG AVONDMAAL.

ere,

emt

t te iüï

als esproken hebbende over de godvruchtige

uw Ml toebereiding tot en noodige geschiktheid lllfeg^sll des harten onder het gebruik van het Avondmaal, moesten wij nu nog spreken over de gste betamelijke nabetrachting, of welke de beste en Gode-laar behagelijkste plichten ziin, waarin een christen zich [)r(j|. heeft te oefenen om recht vrucht van het Avond-uwe maal te hebben.

zal ^ ^oen za^ langs deze gronden onze

l en gedachten leiden.

1. Ik zal bewijzen hoe noodzakelijk het is door lan een waarlt;iis gedrag, Gode dankbaarheid te bewijzen.

2. Toonen, welke voornamelijk de stukken zijn on^_ die iemand tot nabetrachting heeft waar te nemen. eer_ 3. Dan zal ik eenige bekommerde en kleinmoedige jjgj. vragen van zwakgeloovigen, die zij over deze drie

ssen verhandelingen zouden kunnen doen, voorstellen en beantwoorden.

4. Het een en ander, bij wijze van toepassing, wat nader op het gemoed aanbinden.

Beginnen wij dan van het eerste, namelijk de noodzakelijkheid van eene godvruchtige nabetrachting, deze blijkt;

1. Alle weldaden die God bewijst, zelfs in de iiatuur, eischen ware dankbaarheid, zoowel uit aan-

30

VEERTIENDE VERHANDELING

-ocr page 594-

466 Over de nabetrachting van het heilig avondmaal.

merking van God den gever, die ze schenkt uit onverdiende goedheid, als van ons, die ze ontvangen , die zoo onwaardig zijn, en van de weldaad zelve, die zoo groot is. Eischen dit alle weldaden, bijzonder dan deze groote en uitmuntende weldaad, die God geschonken heeft, dat wij, arme aardwormen, met den God van hemel en aarde, hebben mogen zitten aan Zijne tafel; dat wij daar met Hem eene allernauwste en innige gemeenschap hebben mogen oefenen, dat God daar de panden van Zijne eeuwige liefde ons in handen gegeven heeft tot bevestiging van het geloof; dat ons gelegenheid gegeven is om plechtig en openlijk het verbond met God te vernieuwen ; vereischt dat alles niet een gulhartige dankerkentenis ?

2. Letten wij op het oogmerk van het Avondmaal\', dat is, om gedachtenis te houden van Christus dood en dien te. verkondigen totdat Hij komt; hoe wordt nu die dood verkondigd? niet alleen door het godvruchtig gedenken aan denzelven zoolang men aan de tafel is, maar door eene gedurige, hartelijke en geloovige erkentenis van Zijne liefde aan zondaars bewezen , in de uitlating van een gulhartige wederliefde , die door woorden en daden moeten blijken in den ganschen wandel; gelijk men „Jezus Christus den Heere heeft aangenomen, zoo moet men ook in Hem wandelenquot;. Col. II6. Het gemeene spreekwoord zegt: wiens brood men eet, wiens woord men spreekt; is dat in het natuurlijke waar, \'t is nog veel meer waar in het geestelijke, daarom werd het Avondmaal zelfs van ouds genoemd eene dankzegging.

3. Dit werd al afgebeeld in het oude Pascha, in welks plaats het Avondmaal is ingesteld; daar moesten de goedertierenheden Gods aan Israël bewezen, in

-ocr page 595-

Over de nabetrachting van het heilig avondmaal. 467

de genadige verschooning van den slaanden engel, die in der Egyptenaren huizen alle eerstgeborenen versloeg, worden gedacht en erkend, naar Mozes bevel, Exod. XII: 27, en daar was een beker der dankzegging, dien de huisvader omdeelde, welke gewoonte de Heere Christus schiint overgenomen te hebben, en alles werd geëindigd met een lof/ang, welken lofzang Christus ook met Zijne discipelen na het Avondmaal heeft gezongen; alles om ons te lee-ren, dat wij na het gebruik van het Avondmaal, waar de geesteljike weldaden worden gedacht, verplicht zijn, God te verheerliiken ; hier van daan is het ook bil ons in gebruik, dat wij, nauweliiks van de tafel zijn opgestaan, of de leeraar spreekt dien gewonen lofzang uit: „looft den Heere mijne ziele, en al wat binnen in mij is, Zijnen heiligen naam, die al uwe ongerechtiaheden vergeeft, die al uwe krankheden geneest, die uw leven verlost van het verderf, en u kroont met goedertierenheid en barmhartighedenquot;, enz., uit Psalm CIII: 1 —18. Hiertoe zijn ook de dankpredikatiën na het Avondmaal, om de gemeente tot haar plicht op te wekken en tot dankbaarheid aan te sporen.

4. Hiertoe kan men ook bijbrengen al die texten uit Gods Woord, waar op het loven, danken, prijzen en verheffen wordt aangedrongen, als: Psalm CXVI vs. 12, 13, „wat zal ik den Heere vergelden voor al Zijne weldaden aan mij bewezen? ik zal den beker der verlossing opnemen, en den Naam des Heeren aanroepenquot;; Ps. XCV : 1, 2, „komt laat ons den Heere vroolijk zingen, laat ons juichen den Rotssteen onzes heils, laat ons Zijn aangezicht tegemoet üaan met lof, laat ons Hem juichen met psalmen. Ps. XV vs. 1, 2, 3, ,looft den Heere, roept Zijn naam aan,

30-

-ocr page 596-

468 Over de nabetrachting van het heilig avondmaal.

zingt Hem, psalmzingt Hem, spreekt aandachtig van alle Zijne wonderen, roemt u in den naam Zijner heiligheid.quot; En wat dergelijke meer zijn.

5. Van een godvruchtige en betamelijke nabetrachting hangt de rechte vrucht van het gebruikte Avondmaal af; want geeft men zich aanstonds toe in een ongezetten wandel, dan wordt men door de kracht, van deze geestelijke spijze niet gesterkt; alzoo weinig als de lichamelijke spijze tot gezondheid van het lichaam verstrekt, als ze op een onmatige en onbehoorlijke wijze gebruikt wordt; omdat ze dan niet tot al de deelen overgaat van het lichaam, dat daardoor gesterkt moet worden.

Ja door eene goede nabetrachting wordt men weder voorbereid tot een nuttig gebruik van het volgende Avondmaal; als het hart nabij God blijft, heeft men zooveel werk niet om het weder thuis te roepen; want daarom is er zooveel voorbereiding noodig, omdat wij niet trouwer aan God zijn; daardoor raken wij onze vrijmoedigheid kwijt, en hebben telkens zooveel werk om de klove te heelen.

Bewezen hebbende hoe noodig het is om zich betamelijk na het gebruik des Avondmaals te gedragen, zullen wij tot ons

tweede stuk overgaan, om te zien wat dingen hiertoe voornamelijk te betrachten zijn. En wel vooreerst

Tot den dag des Avondmaals zelf, dan moet men zich bevlijtingen om in de namiddag-godsdienstoefening te komen; om met de vergadering der heiligen den Heere te loven, om Hem openlijk te danken, en onderwezen te worden van die plichten, die er nu te betrachten zijn. Uit de kerk komende, trachte men het hart toch in die stille bedaarde gestalte voor den Heere te houden; zooveel mogelijk is te

-ocr page 597-

Over de nabetrachting van het heilig avondmaal. 469

vermijden alle gezelschappen en samenspraken; ten ware het kon dienen tot onderlinge opwekking en stichting; anders begeve men zich liefst in zijne binnenkamer in de eenzaamheid, om met die gestalte, waarmede men ten Avondmaal is geweest, naar God te gaan, eer er iets tusschenbeiden komt, om met Hem hartelijk te handelen, door gebeden en dankzeggingen ; zoo deed de godvruchtige David, wanneer God hem door den profeet Nathan zulke dierbare beloften had gedaan, tot van verre tijden heen; hij wachtte niet lang, hij wilde die gestalte niet laten overgaan, maar zoo haast Nathan weg was, eer er iets tusschenbeiden kwam, terwijl zijn hart zoo met die zegeningen was ingenomen, gaat hij met dat bewogen gemoed zich voor het aangezicht des Heeren stellen in zijne eenzaamheid en uit de volheid van zijn hart berst hij in verwondering uit in die woorden : „wie ben ik, Heere Heere, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt, wat zal David, wat zal Uw knecht meer tot U spreken, Gij kent Uwen knecht, Heere, Heerequot;, alsof hij zeide: Heere, ik sta verstomd en verlegen ; Gij omringt mij met zoovele goedertierenheden, dat ik geen woorden meer kan uitdenken , om mijn heilig genoegen uit te drukken ; zult Gij aan zulk een aardworm zooveel doen ? is dat naar de wet der menschen, Heere, Heere? ik zeg er amen op; ja Heere, doe zoo als Gij tot Uwen knecht gesproken hebt, en Uwe woorden zullen waarheid zijn, 2 Sam. VII : 18—29.

O, zoo moesten wij ook doen, zoo hartelijk, zoo geloovig en gemeenzaam met God handelen, zoo blijde, zoo verwonderd en dankbaar zijn, voor Zijne goedertierenheid.

Dan moesten wij ons in die eenzaamheid gaan

-ocr page 598-

470 Over de nabetrachting van het heilig avondmaal.

onderzoeken hoe het ons aan het Avondmaal gegaan is, ten opzichte van ons zeiven en in opzicht tot den Heere; ten opzicht van ons zeiven, hoe ons hart werkzaam was: of het in hartelijke en gulle liefde naar God uitging; of wij hongerig en dorstig: ia een vurig verlangen heengingen; of wij ons geloovig de teekenen durfden toepassen en de hand leggen op de beloften; of dnt het met vreeze en bekommering was; in opzicht tot den Heere: of Hij in het overzien van Zijne aanzittende gasten ons vond met het rechte bruiloftskleed, en ons toeriep: eet vrienden, drinkt en word dronken o liefste! of Hij ons bracht in Zijne binnenkamer en onze liefde, ons verlangen en uitzien naar Hein beantwoord heeft met de uitlatingen van Zijne liefde aan het hart; of Hij ons den scepter toereikte, van vrede sprak en toeriep: zijt goedsmoeds! of wij onder het genieten een voorproef hadden van de zalige bruiloft des Lams in heerlijkheid ?

Dit onderzoek zou dienen aan den eenen kant, zoo het ons welgegaan was, om het hart op te wekken tot dankzeggingen, en om het al nauwer en nauwer aan zulk een goedertieren weldoenden God te verbinden , om ons nederig en klein te maken voor den Heere, en in het gezicht van onze onwaardigheid weg te zinken; aan de andere zijde, vonden wij ons dor, om dan de oorzaken daarvan na te speuren; vinden wij die aan onze zijde, ons dan te vernederen voor den Heere; kunnen wij die niet ontdekken, dan Gods vrijmacht te erkennen in hat bedeelen van Zijne genade.

Maar het moet niet blijven bij den dag des Avond-maals, men moet ook vervolgens ten tweede, de navolgende plichten betrachten.

-ocr page 599-

Over de nabetrachting van het heilig avondmaal. 471

1. Zoeken te bewaren eene hedaarde, gelijkmoedige en feedere yestalte, die zich vertoont:

a. Omtrent den Heere, door een gezet voornemen des harten om bij Hem te blijven, Hem vast te houden en achteraan te kleven , gelijk eene vrouw aan haren man, een kind aan zijn vader en moeder, een leerling aan zijn meester en een knecht aan zijnen heer; dat heet in Gods Woord „te wandelen voor Gods aangezicht, en oprecht zijnquot;. Gen. XXII: 1. Dat is het wandelen met God, gelijk er van Noach en Henoch getuigd wordt, Gen. V : 24 en hoofdstuk VI : 2. Dat is „aan den Heere te kleven, gelijk een gordel kleeft aan de lenden van een manquot;, Jeremia XIII: 11. O, zoo moest men den Heere nawandelen, op Zijne hevelen acht geven en in alle wegen, langs welke Hij ons leiden wil, gewillig volgen, zeggende: spreek maar Heere, Uw knecht, Uw dienstmaagd hoort.

h. Die bedaarde en eerbiedige gestalte moet men vertoonen in den geestelijken strijd; want een christen moet weder aanstonds in het worstelperk treden, om tegen de vijanden, die gewapend op hem aankomen , te strijden; zal nu een krijgsman dapper strijden, dan moet hij niet te zeer verbaasd en beroerd zijn , want dan wordt hij buiten staat om manmoedig te staan en is in gevaar om overwonnen te worden; zoo moet een Christen, die een geestelijk krijgsman is en op zijn post wordt geroepen om te strijden wanneer de oorlogsbazuin geblazen wordt, ook met een bezadigd gemoed henengaan in de mogendheden des Heeren Heeren, wetende dat zijn groote Heirvorst vooraan in de spitse staat om hem met dapperheid en heldenmoed te voorzien en toe te roepen: vreest niet, Ik ben met u! maar deze

-ocr page 600-

472 Over de nabetrachting van het heilig avondmaal.

bedaardheid moet hem niet achteloos maken en stil doen zijn, wanneer de vijanden stil liggen; neen daar moet een gedurige waakzaamheid zijn; want als de vijand stil is, is het gevaar het allergrootst.

2. Tot eene godvruchtige nabetrachting wordt ook vereischt een ware en oprechte dankbaarheid voor de genoten weldaden, welke bestaat in die nederige, hartelijke en godvruchtige erkentenis der ziele, uit aanmerking van alle goedertierenheden en trouw van Jehova God, die Hij in Christus, door den Geest, aan de ziel gedaan heeft; welke dankerkentenis door het hart, de tong en daden vertoond wordt; men erkent het met het hart bij God, door den Heere onze wegen te vertellen en te roemen al Zijne wonderen; want hoewel de Heere wel weet wat Hij aan ons gedaan heeft, wil Hij evenwel hebben dat wij het ook weten en voor Hem belijden zullen; van daar ziet men zooveel lofpsalmen, waarin de daden des Heeren worden gemeld, en dat zal ons zoo klein en ootmoedig voor God maken , om met Jacob te zeggen: „Heere, ik ben geringer dan alle Uwe weldadigheden en trouwe, die Gij aan mij gedaan hebtquot;. Gen. XXXII : 20. Het zal ons wel eens beschaamd op het aangezicht doen vallen en in verwondering doen uitroepen met Mephiboseth: „wat is uw knecht, dat de koning heeft omgezien naar zulk een als ik ben!quot; 2 Sam. IX: 8. Het zal ons al menigen gedenksteen doen oprichten en doen zeggen: daar en daar heeft mij de Heere geholpen.

Maar men moet de dankbaarheid ook betoonen met den mond en de tong, om aan den eenen kant door psalmen, liederen en lofzangen den Heere te loven en te vermelden, dat Zijn naam groot is, en aan den anderen kant ook aan menschen; men moet

-ocr page 601-

Over de nabetrachting van het heilig avondmaal. 473

met den dichter zeggen: „komt alle gij die God vreest, ik zal vertellen het goede, dat God aan mij gedaan heeftquot;, Ps. LXVI: 16. Doch hierin moeten wij ons zorgvuldig wachten om van onze bevindingen niet te breed op te geven; daar doet zich zoo haast een heimelijke hoogmoed in op, om voor groote christenen te worden gehouden; en dan moet het nog maar zijn bij weinige vertrouwde vrienden, maar het kan dienen tot elkanders nut, om de een den anderen tot opwekking, raad en bestuur te zijn; men mag het ook bij gelegenheid wel eens aan de wereld doen, om haar te doen zien, hoe heugelijk de dienst van God is, om haar daarop verliefd te maken.

Maar vooral moet de dankbaarheid betoond worden in de daden, om door een heiligen wandel God te verheerlijken en te toonen, dat het onze lust is onze ledm te dooden die op aarde zijn, opdat het blijke, dat wij met Christus gestorven en opgewekt zijn; „o de liefde van Christus moet ons dringen om te oordeelen dat, indien één voor allen gestorven is, wij ook allen gestorven zijn; om niet meer ons zei ven te leven, maar Christus, die voor ons gestorven en opgewekt isquot;, 2 Cor. V ; 14, 15.

3. Tot eene betamelijke nabetrachting is vooral noodig veel en recht werkzaam te zijn omtrent het verhond, waarin wij met God staan, en dat op deze wijze :

a. Herinnert u veel de dierbaarheid van dat verhond, welks teekenen gij gebruikt hebt, beschouwt het in zijne grootheid, vastigheid en eeuwigheid; herinnert u de beloften van hetzelve en de getrouwheid van God, om die te willen en te zullen vervullen; dat zal tot steunsel van uw geloof zijn; dit was Davids betrachting: 2 Sam. XXIII : 5, „hoewel

-ocr page 602-

474 Over de nabetrachting van het heilig avondmaal.

mijn huis alzoo niet is bij God, nogthans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld, dat in alles wel geordineerd en gewaard is; voor zeker is [daarin] al mijn heil en alle lust.quot;

h. Tracht uwe betrekking ten aanzien van God, als uw Verhonds-Gods, altoos levendig te bewaren. Is God uw Vader in Christus geworden? dat moet u doen denken, indien ik tot een vader aanroep dien, die zonder aanneming des persoons oordeelt, hoe past het mij dan niet in vreeze te wandelen den tijd van mijne inwoning. Ja, is God mijn Vader, dan heb ik met zulk een God te doen, die vol ontfermingen medelijden is, die rommelende ingewanden heeft, en zelf betuigt: „gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen , zoo ontfermt zich de Heere over die Hem vreezen.quot; Zelfs in zonden en afwijkingen wil Hij mij verschoonen, als een man zijn zoon verschoont. Ja, als de Verhonds-God is Hij de getrouwe en onveranderlijke God, die gezegd heeft: het verbond Mijns vredes zal niet wankelen; wat kan zulk eene betrekking de ziel in alle gevallen niet bemoedigen en tot sterkte zijn; maar ook omzichtig en teeder doen wandelen; en in zonden en afwijkingen het hart opwekken, om daarmede naar God te gaan, die te belijden, en verzoening daarover te zoeken en te zeggen: Heere, zijt Gij niet mijn Vader? hebt Gi.j niet van eeuwigheid in ontferming op mij gezien ? hebt Gij mij Uwen Zoon niet geschonken, en met Hem alle dingen? het zou u dan immers niet van het hart kunnen, om mij nu om mijne zonden te verstoeten; want Gij hebt gezegd: „Ik heb u in beide handpalmen gegraveerd!quot; Jes. XLIX : 16.

Nog eens, met moet zijne betrekking op Christus, als den Verbonds-Middelaar, ook levendig bewaren,

i

-ocr page 603-

Over de nabetrachting van het heilig avondmaal. 475

denkende, dat wij aan Zijne tafel een uitmuntend bewijs gehad hebben van Zijne alles overklim mende liefde, die Hij voor zondaars betoond heeft, door zich in den dood voor hun over te geven; waardoor Hij hun Borg, Middelaar, Hoogepriester en Broeder geworden is; dit moet men zich gestadig herinneren, of het hart door de liefdevlammen van den liefhebbenden Jezus in wederliefde mocht ontstoken worden; ja men moest van Hem in al die betrekkingen gebruik maken, daarop pleiten en zeggen: dierbaarste Heiland, hebt Gij U voor mij in den dood overgegeven ? laat ik dan de kracht van Uw bloed tot heiligmaking ondervinden; treed als de groote middelaar en hoogepriester voor mij toe bij den Vader, draag mij op Uw hart; ik weet, de Vader zelfheeft mij lief, maar Uw voorgebed zal mij veel sterkte geven , Gij zijt de barmhartige en getrouwe hoogepriester, ja de machtige Koning; verbreek dan in mij de kracht der zonden!

Verder, wij moeten den Heiligen Geest aanmerken als onzen Leeraar, Leidsman, Trooster, Verzegelaar en Onderpand; wij moeten veel naar Hem opzien om door Hem geleid te worden op den weg des levens en zeggen: waart Gij het niet die mijn hart allereerst gewillig maaktet om toe te stemmen in het verbond? waart Gij het niet die mij tot Jezus bracht en mij met Hem vereenigdet? mag ik dan ook niet verwachten dat Gij mij verder leiden, bewaren en heiligen zult? dat Gij mij onderwijzen zult van den weg dien ik te gaan heb; dat Gij in duisterheid mij tot licht, in treurigheid mij tot troost, en in verlegenheid tot raad zult zijn ? en dat Gij de wet Gods zult schrijven in mijn hart, en maken dat ik daar in wandel?

-ocr page 604-

474 Over de nabetrachting van het heilig avondmaal.

mijn huis alzoo niet is bij God, nogthans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld, dat in alles wel geordineerd en (bewaard is; voor zeker is [daarin] al mijn heil en alle lust.quot;

h. Tracht uwe betrekking ten aanzien van God, als uw Verhonds-Gods, altoos levendig te bewaren. Is God uw Vader in Christus geworden? dat moet u doen denken, indien ik tot een vader aanroep dien, f, die zonder aanneming des persoons oordeelt, hoe past het mij dan niet in vreeze te wandelen den tijd van mijne inwoning. Ja, is God mijn Vader, dan heb ik met zulk een God te doen, die vol ontferming en medelijden is, die rommelende ingewanden heeft, en zelf betuigt: „gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, zoo ontfermt zich de Heere over die Hem vreezen.quot; Zelfs in zonden en afwijkingen wil Hij mij verschoonen, als een man zijn zoon verschoont. Ja, als de Verhonds-God is Hij de getrouwe en onveranderlijke God, die gezegd heeft: het verbond Mijns vredes zal niet wankelen; wat kan zulk eene betrekking de ziel in alle gevallen niet bemoedigen en tot sterkte zijn; maar ook omzichtig en teeder doen wandelen; en in zonden en afwijkingen het hart opwekken, om daarmede naar God te gaan, die te belijden, en verzoening daarover te zoeken en te zeggen: Heere, zijt Gij niet mijn Vader? hebt Gij niet van eeuwigheid in ontferming op mij gezien ? hebt Gij mij Uwen Zoon niet geschonken, en met Hem alle dingen? het zou u dan immers niet van het hart kunnen, om mij nu om mijne zonden te verstoeten; want Gij hebt gezegd: „Ik heb u in beide handpalmen gegraveerd!quot; Jes. XLIX : 16.

Nog eens, met moet zijne betrekking oi) Christus, als den Verbonds-Middelaar, ook levendig bewaren,

-ocr page 605-

Over de nabetrachting van het heilig avondmaal. 475

denkende, dat wij aan Zijne tafel een uitmuntend bewijs gehad hebben van Zijne alles overklim mende liefde, die Hij voor zondaars betoond heeft, door zich in den dood voor hun over te geven; waardoor Hij hun Borg, Middelaar, Hoogepriester en Broeder geworden is; dit moet men zich gestadig herinneren, of het hart door de liefdevlammen van den liefhebbenden Jezus in wederliefde mocht ontstoken worden; ja men moest van Hem in al die betrekkingen gebruik maken, daarop pleiten en zeggen: dierbaarste Heiland, hebt Gij U voor mij in den dood overgegeven ? laat ik dan de kracht van Uw bloed tot heiligmaking ondervinden; treed als de groote middelaar en hoogepriester voor mij toe bij den Vader, draag mij op Uw hart; ik weet, de Vader zelt heeft mij lief, maar Uw voorgebed zal mij veel sterkte geven , Gij zijt de barmhartige en getrouwe hoogepriester, ja de machtige Koning; verbreek dan in mij de kracht der zonden!

Verder, wij moeten den Heiligen Geest aanmerken als onzen Leeraar, Leidsman, Trooster, Verzegelaar en Onderpand; wij moeten veel naar Hem opzien om door Hem geleid te worden op den weg des levens en zeggen : waart Gij het niet die mijn hart allereerst gewillig maaktet om toe te stemmen in het verbond? waart Gij het niet die mij tot Jezus bracht en mij met Hem vereenigdet? mag ik dan ook niet verwachten dat Gij mij verder leiden, bewaren en heiligen zult? dat Gij mij onderwijzen zult van den weg dien ik te gaan heb; dat Gij in duisterheid mij tot licht, in treurigheid mij tot troost, en in verlegenheid tot raad zult zijn ? en dat Gij de wet Gods zult schrijven in mijn hart, en maken dat ik daar in wandel?

-ocr page 606-

476 Over de nabetrachting van het heilig avondmaal.

c. Men moet zich menigmaal herinneren, dat wij aan onze zijde gezegd en gezworen hebben, dat wij des Heeren zouden zijn en voor Hem leven en wandelen ; dat wij ons daartoe statelijk en plechtig hebben verbonden; op die verbintenis kunnen wij ook pleiten bij den Heere, en zeggen: immers hebt Gij die inwilligende genade niet te vergeefs in mij gewerkt? zoudt Gi] mijn hart genegen gemaakt hebben om het aan U op te dragen en zoudt Gij mij geen genade geven om daaraan te beantwoorden, door een verbondsmatigen wandel? ja, die herinnering zal ons ook zoo omzichtig maken omtrent de zonden om te denken, wanneer zonde, wereld of satan komt om de ziel te verzoeken en van God af te leiden, dat wij dan zeggen: ik heb die den scheldbrief gegeven om die niet meer te dienen; maar mij voor God en Zijnen zaligen dienst verklaard; Luther zeide, dat men nergens beter de verzoekers mede van de hand kon wijzen dan met te zeggen: ik ben mijn woord kwijt, ik heb het aan Jezus gegeven; o het is zoo gezegend wanneer de satan komt met zijne verzoekingen, om te zeggen: ik ben u als een vat ontroofd, ik sta niet meer onder uw gebied, ik heb u den dienst opgezegd en Jezus voor Koning erkend; komt de ivereld met hare verleidingen, om dan te zeggen : ik ben niet meer van de wereld, ik heb mij dien slaafschen dienst door Gods genade onttrokken toen ik mijn hart aan Jezus gaf, en dat liefdejuk op mij nam; komt de zonde, om dan te zeggen, ik ben van uw heerschend geweld vrijgemaakt, zoude ik mij, nu ik onder de genade ben, weer toegeven in die zonden, die mij zooveel smart, benauwdheid en tranen gekost hebben ? o het is niet te zeggen hoe teeder, hoe waakzaam en voorzichtig dit ons zou doen wandelen.

-ocr page 607-

Over de nabetrachting van het heilig avondmaal. 477

d. Men moet zich gedurig voorstellen de beloften van het verhond, en Gods getrouwheid om die te vervullen, en dan in de vraag van een goede consciëntie den Heere daarop manen, dat Hij ze vervullen wil; en hierin mag men in nederigheid veel vrijmoedigheid gebruiken, naar het recht van het verbond, zeggende:

Heere, Gij hebt zoovele beloften gedaan van heiligmaking om Uwe wet te willen schrijven in het hart, beloften van bewaring, vertroosting, verzegeling en ondersteuning, ja van alles wat ik noodig heb; en ik heb er amen op gezegd, ik heb er de hand opgelegd en ben daarop tot Uwe tafel genaderd; nu dan, Heere, laat dat woord waarheid zijn. Gij zijt immers de Jehova, de onveranderlijke, die Uw woord, dat Gij gesproken hebt, niet verbreken, maar hetzelve vervullen en ja en amen maken zult, tot Uwe heerlijkheid ? dat hebt Gij met eede bevestigd, als de God Elohim, de God des eedzwerens, zoudt Gij mij dan niet alle noodige genade schenken? Heere doe het om Uwes naams wille.

c. Men moet het mis plechtig gemaakte verbond dat aan het Avondmaal bevestigd is, gedurig vernieuwen ; om te toonen dat wij er geen berouw van hebben maar, gelijk wij het gezworen hebben, dat wij ook houden willen de rechten van Gods gerechtigheid.

O, daar mocht nauwelijks eene opwekking des harten, eene gelegenheid zijn, of wij moesten die waarnemen, wij moeten niet denken dat het genoeg is om het te doen bij gelegenheid van het Avondmaal ; neen, het moet dagelijks geschieden, in elk gebed moeten wij ons aan den Heere opdragen; dat is een gezegend middel om teeder en omzichtig te

-ocr page 608-

478 Over de nabetrachting van het heilig avondmaal.

wandelen en ons op te wekken om altoos, het ga hoe het ga, in voor- en tegenspoed, het aan de zijde Gods te houden.

4. Maar tot nabetrachting is ook noodig, niet alleen zoo werkzaam te zijn omtrent het verbond, maar ook dat Gods kinderen, die zoo in het verbond staan , nauwkeurig toezien dat zij de leidingen en opwekkingen, die de Geest inwendig aan het hart doet, toch opvolgen; men moet den Heiligen Geest Gods, met welken men nu weder verzegeld is onder het genot van het bondzegel, niet bedroeven, niet tegenstaan noch uitblussehen, wanneer Hij het hart eens opwekt tot eenigen plicht, om zich eens eenzaam af te zonderen, eens te bidden en met God te handelen; of als Hij waarschuwt tegen de zonden en gelegenheden tot zondigen, of als Hij in duistere gevallen raad geeft, dat moet men nooit tegengaan; dat zou den Geest bedroeven en maken dat Hij Zijne heiligende en vertroostende werkingen zou intrekken, maar men moet daarnaar luisteren en Zijne leiding opvolgen; o het is zulk een goede Geest als wij naar Hem hooren, Hij zal ons altijd „leiden in een effen landquot;, Ps. CXLHI: 10.

5. Dan moeten Gods kinderen ook leeren hoe te handelen omtrent de zonden, die hen zoo licht omringen , hieromtrent moet men om niet geslingerd te worden :

a. Niet denken, als men ten Avondmaal is geweest, dat dan de zonde minder hare kracht zal oefenen; neen, integendeel, gelijk het God behaagt die in Zijn volk te laten overblijven, zal ze zich dan wel het meeste opdoen ; daarom past het dan vooral te waken en te bidden en op ons hart acht te geven; want dat is zeker, daar is niets wat onze vrijmoedig-

-ocr page 609-

Over de nabetrachting van het heilig avondmaal. 479

heid méér beneemt en waarom God Zip aangezicht méér verbergt, dan de zonde; Hij is een heilig God, Jjdie de zonden in Ziine kinderen niet kan verdragen, en daarom moeten wij gedurig denken: zou ik zondigen tegen God, ik, die in zulk een betrekking met Hem sta; ik, die ten Avondmaal ben geweest en opnieuw de zonde voor vijand verklaard heb, dat zou strijden tegen mijn opzet en voornemen.

b. Maar als het nu gebeurt, dat wij al wederom onze zwakheden ondervinden , dan moeten wij niet meenen. dat nu al de vrucht van het Avondmaal weg is; och neen, als het maar geen stoute, verwoestende en opzettelijke zondèn zijn; dan moeten wij altijd vasthouden, dat wij niet komen tot het Avondmaal om daarmede te betuigen, dat wij zonder zonden zijn, maar integendeel, dat wij zondig zijn en daarom tot Jezus bloed loopen, om verzoening voor en kracht tegen de zonden te zoeken; dat moet ons wel nederig maar niet onvrijmoedig maken; dat is het wat Johannes tot bemoediging zegt; 1 Joh. II: 1, 2, „kinderkens , ik schrijve u deze dingen, opdat gij niet zondigt; maar indien gij gezondigd hebt, daar is een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus de rechtvaardige, die eene verzoening is geworden voor onze zonden.quot;

c. Dan moeten wij onder het gevoel van de zonden gaan werken met het verhond, en denken: waren er geen zonden, dan was het geen genadeoerbond, maar nu heeft de God des Verbonds gezegd; Mijne schapen, schalden Mijner weide, Ik weet, dat gij menschen, zwakke en zondige menschen zijt; Ik wist, dat gij trouweloos zoudt handelen, eer Ik u aannam in Mijn verbond, maar Ik hen de Heere Uw God, uw getrouwe uw onveranderlijke Verbonds-God, die

-ocr page 610-

480 Over de nabetrachting van het heilig avondmaal.

daarom Mijne liefde van u niet zal aftrekken.

Ja daarom is er een Middelaar des Verbonds, en een Blotd des Verbonds, dat altijd even versch en van evenveel kracht is, en dat wil Ik toepassen zoo dikwijls gij maar in \'t geloof toevlucht neemt tot den Middelaar, en u met al uwe zonden op Hem nederwerpt.

6. Tot eene godvruchtige nabetrachting van het Avondmaal is noodig een dagelijksch onderzoek, en examen van onze conscientie, om ons zeiven gedurig met bedaardheid voor den Heere af te vragen, wat is nu mijne gestalte? waar gaat mijn hart naar uit; waar is het mij om te doen? hoe heb ik mij in dezen dag gedragen ? was ik in die en in die gelegenheid wel getrouw aan God en Zijne zaak? was mijn oogmerk wel zuiver? bedoelde ik wel de eere Gods? o wij spreken niet genoeg met ons hart, wij zijn al te veel vreemdelingen van ons zeiven; en als men het nog al eens gaat onderzoeken, dan loopt men er te licht overheen, men blijft er niet genoeg bij stilstaan om al de schuilhoeken uit te halen? en daar van daan is het dat er zooveel verwijdering tusschen den Heere en onze ziel komt, en dat men dan in de toebereiding tot het Avondmaal ook zooveel werk heeft om de rekening, om zoo te spreken, effen te maken.

7. Wij moeten ons zeiven teederder en omzichtiger bewaren in de liefde Gods en Christus en der broederen, dat is Judas vermaning in zijnen brief; vs. XXI, „geliefden, bewaart uzelven in de liefde Gods.quot; Wij moeten wel toezien dat onze liefde niet verflauwt en tusschen God en het schepsel verdeeld wordt, maar integendeel die gedurig opwekken en denken: zou God mij zulk een bewijs van Zijne uitmuntende liefde

-ocr page 611-

Over de nabetrachting van het heilig avondmaal. 481

gegeven hebben, en zou ik Hem niet wederom hartelijk liefhebben? neen, Hij is al mijne hoogachting, al mijn verlangen en liefde waardig, en daarom „hartelijk lief heb ik U, Heere mijne sterktequot;, Psalm XVIII: 2. En gelijk wij God liefhebben, die geboren heeft, zoo moeten wij ook hen liefhebben, die uit Hem geboren zijn; die een hartelijke liefdesgezindheid toedragen, en alles doen wat tot vrede en stichting dienen kan; want het is niet te zeggen hoe, door het ongenoegen tot den naaste, onze vrijmoedigheid tot God gehinderd kan worden.

Wij moeten niet te hekrompen, niet te beschroomd en vreesachtig ivandelen, ik wil zeggen, niet al te zeer bekommerd en altijd nedergebogen, alsof er geen blijdschap en genoegen in den dienst van God was; neen, denkt dat gij een groot God tot uwen Vader en Bonds-God hebt, dat gij een algenoegzamen, getrouwen en barmhartigen hoogepriester tot uwen Middelaar, Hoofd, Heer, Man en oudsten Broeder, en een krachtig werkenden Geest, tot uwen Leidsman , Leeraar en Onderpand hebt; wandelt met een edelmoedig hart, toont dat het Christendom blijdschap geeft; komt onbeschroomd voor God en Zijne zaak uit, laat de wereld aan u zien, dat gij van haar onderscheiden zijt en behoort tot dat uitverkoren geslacht, dat koninklijk priesterdom, het heilig en verkregen volk, dat Gods deugden wil verkondigen. Langs dien weg zoudt gij haar tot overtuiging zijn kunnen.

8. Eindelijk, als gij het eene Avondmaal hebt gebruikt, verlangt alweder naar het andere, om God wederom in Zijn heiligdom te aanschouwen; dat zou een bewijs zijn, dat het hart wel gesteld was en dat het ons om de gunst en nauwe gemeenschap met God te doen was.

31

-ocr page 612-

482 Over de nabetrachting van het heilig avondmaal.

Zietdaar, dat waren de stukken die wij tot nabetrachting dachten noodig te zijn.

Nu moet ik overgaan tot ons derde stuk, namelijk eenige bekommerde vragen van kleinmoedigen, omtrent deze drie verhandelingen, voorstellen en beantwoorden.

Vooreerst: mogelijk zal iemand zeggen: ik ben overtuigd dat het betamelijk is zich zoo te bereiden tot het waardig gebruik van het Avondmaal, en zoo betamelijk er zich onder te gedragen; ik ben ook overtuigd dat het zoo wezen moet, maar ik ken er nog zoo weinig van bij bevinding; en daarom kan ik mij in al die plichten, die tot betrachting noodig zijn, zoo niet oefenen; hierop antwoord ik:

1. Dit moet een stof van schaamte en vernedering voor den Heere zijn; gij moet er u over voor God verootmoedigen; want gij krijgt gedurig gelegenheid om hierin onderricht en er toe opgewekt te worden; maar gij maakt er geen werk van, gij loopt er al te licht overheen, gij ziet tegen het werk op en geeft u te veel toe aan de gemakkelijkheid van het vleesch.

2. Onderzoekt eens waar het van daan komt; is het niet door een ongezetten-, slordigen en werelds-gezinden wandel; daar zijn misschien verborgen zonden, waaraan gij nog niet ontdekt zijt, of zoo gij er aan ontdekt zijt, waar gij niet genoeg tegen waakt, waarin gij u te veel toegeeft.

3. Gij stelt u niet genoeg in het eenzame voor den Heere om uw hart te onderzoeken; en omdat uw wandel niet teeder genoeg is, durft gij er niet aankomen; maar zoo gij eens in getrouwheid begont en gij liet uw hart eens spreker., wat zou het u niet al van vele dingen beschuldigen en zeggen: daar en daar waart gij niet getrouw, daar handeldet gij niet oprecht, daar liet gij u wegsleepen om met de wereld

-ocr page 613-

Over de nabetrachting van het heilig avondmaal. 483

mede te doen, en maaktet u aan haar gelijkvormig! o het is zulk een kwaad teeken als een Christen zoo schuw voor het zelfonderzoek is; het is een bewijs, dat het niet wel gesteld is, gelijk bij een koopman, die zijn boeken niet durft nazien, omdat hij vreest, dat het kwalijk zal uitkomen; daar een welgesteld Christen toch zoo gaarne zijn hart voor God wil bloot leggen; en wie weet, als gij daar ook eens aankwaamt en als gij eens openhartig voor God uit-kwaamt met biddingen en smeekingen, dat Hij u de schadelijke wegen die er nog bij u zijn wilde ontdekken, of het niet de weg zou zijn om u weder terecht te brengen; wel, neemt daartoe de gelegenheid van het Avondmaal waar, die is er het geschiktste toe.

4. Maar misschien zijn er ook kleinwetenden die, onkundig zijnde van de waarheden, ook in al die stukken die wij hebben aangewezen, zich niet kunnen bezighouden, ofschoon zij er wel lust toe hebben ; deze is hun plicht zich zeiven, zooveel mogelijk is, naar den tijd en gelegenheid die ze hebben te oefenen, om tot meer kennis te komen, of ontbreekt het u daaraan, daar is veel geschreven door godvruchtige mannen over het Avondmaal met het oogmerk om u en anderen die daar gebruik van maken, met raad te ondersteunen; gebruikt dat tot eenige handleiding, leest het met bedaardheid, met opmerking, staat bij elk stuk wat stil, brengt het tot uw hart, gij zult er mogelijk wel wat in vinden dat op uwe gestalte past, dat uw hart aandoet, of dat God u daardoor eenig hartekwaad ontdekt, dat gij nog niet kendet; is het zoo, legt het dan eens neder; gaat er mede naar God toe, dankt Hem zoo het tot uw ontdekking mocht zijn met ernstige gebeden, dat gij nog meer

31quot;

-ocr page 614-

484 Over de nabetrachting van het heilig avondmaal.

moogt ontdekt worden; of is uw hart daardoor wat lijk opgewekt en aan den gang gebracht, neemt dat waar, 3 brengt dat bewogen hart voor God, draagt het harte- in lijk aan Hem op, laat toch die gelegenheid niet waa voorbiigaan; wie weet, als gij zoo eens handeldet, dat of het u niet wonderlijk zou helpen; maar gij zijt zier niet bedaard genoeg, als gij leest, gij loopt er te is 1: licht overheen, en als gij niet aanstonds uwe gestalte mal daarin vindt, laat gij het na. 4

Ten tweede: een ander zal zeggen, ik heb mij naar geh de bekwaamheid die ik had en den lust dien God van mij gaf, zoeken toe te bereiden van te voren, ik heb en mij aan God opgedragen, ik ben ook toegenaderd niei aan de tafel; maar bet heeft den Heere niet behaagd hei\' mij te ontmoeten, ik was dor onder de genieting zoo van het bondzegel en ik ben er dor weder van daan dat gekomen; en evenwel de Heere weet het hoe gaarne goe ik het hartelijker en levendiger gedaan had ; hoe kan l en moet ik dan in de nabetrachting werkzaam zijn? Op deze wijze :

1. Erkent met aanbidding des Heeren vrijmacht in het bedeelen van Zijne genade, Hij geeft het dan en in die mate, als het Hem behaagt; en wanneer gij u in het verbond aan God hebt opgedragen, hebt gij geen voorwaarden gemaakt hoe God u leiden zou, of door duister of door licht; gij liet dat aan het bestel van uwen wijzen Bonds-God over; doe nog zoo,^ Gods weg is altoos heilig en goed!

2. Misschien heeft de Heere reden, die gij nu nog niet ziet, gij zijt wellicht al te veel gezet op gevoelige genade, op onmiddelijke ontdekkingen van Gods liefde, en gij wordt aan het Avondmaal geroepen tot oefening van geloof, tot uitlatingen van uwe: liefde; belieft God dat te beantwoorden, dat is heuge-

-ocr page 615-

Over de nabetrachting van het heilig avondmaal. 485

lijk en aangenaam; maar dat is maar een toewerp.

3. Het komt misschien daar van daan, omdat er in uwe voorbereidingen verborgene zonden waren, waaraan gij nog niet ontdekt waart, en dat God u dat langs den weg van verberging heeft willen doen zien, opdat gij tot onderzoek zoudt komen, en dan is het een gezegende weg tot bevordering in de heiligmaking.

4. Of gij zijt mogelijk in uwe toenadering niet geloovig genoeg geweest, maar bleeft onvrijmoedig van verre staan en dralen; gij liet u door ongeloof en vele listen van den satan ophouden en durfdet niet blijmoedig den Heere de hand geven en tot Zijn heiligdom komen; en dat is Gode niet aangenaam; zoo gul als God het heil u aanbiedt, zoo gul wil Hij dat gij het aanneemt; het is anders alsof gij Zijne goedertierenheid en trouw wantrouwt.

5. De Heere doet het ten uwen nutte, opdat gij Hem zoudt blijven achteraankleven en zeggen, ofschoon het U behaagde mij dor en duister te laten, wil ik het evenwel bij U houden; waar zou ik henengaan ; Gij alleen hebt de ivoorden des eeuwigen levens ; bij U alleen is de volheid; ik wil liever voor Uwe voeten blijven liggen, dan van U teruggaan; ja het is om u zooveel meer prijs te leeren stellen op Zijne tegenwoordigheid, en als de Heere eens zal komen, dat het u zooveel te aangenamer zou zijn en gij u langs dien weg zorgvuldiger zoudt bewaren voor alles wat God reden zou geven om zich voor u weder te verbergen; want het gebeurt wel eens dat God naderhand , als men aan de tafel geweest is, het hart opwekt, als het zoo zoekende, zoo begeerig, zoo hunkerende en uitziende naar den Heere blijft, gelijk gij wel eens ondervindt als gij in de kerk gaat; vóór

-ocr page 616-

486 Over de nabetrachting van het heilig avondmaal.

dien tijd zal het Woord wel eens vruchteloos wezen, maar blijft men bij de waarheden wat stilstaan, dat men geen vergetelijk hoorder is maar die het nog nadenkt, onder die nagedachte zal God het hart wel eens verlevendigen.

Stelt dan des Heeren Geest geen paal of perk, maar blijft in stilheid op Hem wachten.

Ten derde: nog zal een ander zeggen, daar is getoond, dat de nabetrachting bestaat in eene gulhartige dankbaarheid voor het goede dat men genoten heeft; dat is wel voor die het genoten heeft, maar ik heb veel meer stof van klagen dan van danken, waarvoor zal ik dan danken?

Wel vrienden, is er geen stof van dankzeggen? zoudt gij dan den dag der kleine dingen verachten? is het allerminste geen groote genade en dus dankbaarheid waardig?

1. Is het geen groote genade dat gij voor den Heere kunt betuigen, dat gij aan awe zijde hartelijk en getrouw hebt zoeken te handelen; dat gij zeggen kunt: Heere, Gij zijt er getuige van dat het mij om U en om U alleen te doen was en nog is?

2. Is het geen groote genade, als gij zoo in uwe eigen onwaardigheid en nietigheid voor God moogt wegzinken, dat gij als de Kananeesche vrouw om de kruimkens van genade aan de voeten van Jezus moogt liggen worstelen ? o dat klein, dat nederig en ootmoedig zijn voor den Heere, voor, onder en na het Avondmaal, dat is Hem zoo aangenaam, dat is zulk eene betamelijke gestalte, te zeggen met den hoofdman: Heere, ik hen niet waardig dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen. Dat zal den Heere Jezus wel eens opwekken om te zeggen, als tot Zacheus, „Ik moet heden in uw huis zijn.quot;

-ocr page 617-

Over de nabetrachting van het-heilig avondmaal. 487

3. Is het geen groote genade als gij uw hart zoo gewillig voelt, om op de aanbieding Gods in het verbond ja en amen te zeggen; om uwe toestemming daarop te geven; als gij uw gansche hart aan God moogt opdragen en zeggen, schrijven en zweren, dat gij des Heeren wilt zijn?

Al klaagt gij dan dat gij geen stof hebt van dankzegging, als gij op deze dingen acht gaaft, zoudt gij het tegendeel ondervinden; en omdat gij dat niet erkent voor genade, schenkt God u ook niet meer; want het allerminste is eeuwige dankzegging waardig.

Ten vierde: een ander zegt, ik hoor sommige van Gods kinderen met zooveel genoegen en harteljikheid spreken van het Avondmaal, maar Avondmaalstijden zijn voor mij doorgaans tijden van beroering, en daarom geniet ik daar ook de rechte vrucht niet van; waar komt dat van daan?

1. Dat kan wel een strik van den vijand zijn, om u daardoor buiten staat te stellen tot eene rechte werkzaamheid; want hij brengt u onder het oog óf de grootheid van het Avondmaal, alsof God daar als aan Sinaïs berg zou tegenwoordig zijn; en dan denkt gij, hoe zou ik, zou een aardworm tot zulk een heilig God durven naderen; öf door vele bekommeringen zoekt hij u te schudden; dat gij geen recht hebt om het te genieten; dat het alleen een brood voor kinderen is, dat gij niet voorzien zijt met het ware bruiloftskleed, en Jezus als Hij Zijn gasten overzien zal, tot u zal zeggen : vriend, vriendin, hoe zijt gij hier gekomen? en dat gij zoo toenade-rende u een oordeel zoudt eten en drinken.

Dit bekommert en beroert u dat gij niet durft komen, dan al bevende! maar hier tegen moet gij u zoeken te verzetten; kunt gij in de voorbereiding,

-ocr page 618-

488 Over de nabetrachting van het heilig avondmaal.

al was het maar in een aanklevend geloof omtrent den Heere werkzaam zijn, nadert ook zoo toe, gij hebt er vrijheid toe.

2. Het kan ook wel zijn dat de Heere zelf om wijze en heilige redenen zoo handelt; de satan doet den het om u te beroeren; maar de Heere doet het om en d u eerbiedig, nederig en klein te maken, om u in ontvi vreeze en heilige bedachtzaamheid te doen handelen was, en met indruk omtrent het heilig bondzegel werk- hoew zaam te doen zijn.

3. Daar kan ook wel een beroerte zijn in het lichaam, dat men altijd ontzet is als men toenadert,

zonder dat men zelf de reden daarvan weet; en sloej daardoor wordt de geest dan ook ontsteld; maar toe hiertegen moet men door verstandige redeneeringen zoeken te worstelen en die beroeringen te boven komen, opdat het den geest niet mag hinderen.

Ten vijfde: eindelijk zullen mogelijk sommige van Gods kinderen zeggen: ik wordt helaas zoo menigmaal even na het gebruik van het Avondmaal weder vervoerd tot zonde, ik ben niet trouw aan den Heere; is dan de vrucht van hetzelve niet weg? hoe kan ik dan recht in de nabetrachting werkzaam zijn?

Vooreerst moet ik in het algemeem hierop zeggen, hetgeen ik meermalen gezegd heb. dat de vijand het er nooit meer op toelegt om ons te doen zondigen, dan voor of even na het Avondmaal, gelijk hij doorgaans ook doet als wij eenige verkwikking van God genieten, om daardoor de zoetigheid van het genadeleven te benemen; die verzoeking stelde hij te werk aan vele heiligen; toen de koning Hiskia alles voor den Heere gedaan had, en hervormd en verbeterd wat er te verbeteren was, dat hij mocht zeggen: „Heere, Gij hebt mijne ziele liefelijk omhelsdquot;, viel

I

-ocr page 619-

Over de nabetrachting van het heilig avondmaal. 489

ent hij aanstonds in de zonde van hoogmoed, want toen gij de gezanten van den koning van Babel tot hem kwamen, „toonde hij hun al zijne schattenquot;, Jesaja om XXXIX. Ja die gebruikte de satan zelfs omtrent oet den Heere Jezus, toen Hij maar even gedoopt was om en de verzegeling met een stem uit den hemel had in ontvangen dat Hij de Zoon van Gods welbehagen len was, toen trachtte hij Hem te brengen tot deze zonde, rk- hoewel het hem mislukte, omdat Hij nooit zonde gedaan noch onrecht in Zijn mond geweest is; toen Paulus tot in den derden hemel was opgetrokken, kreeg hij een engel des satans, die hem met vuisten sloeg; en dat is zijn list nog, en kan hij het daartoe brengen, dan heeft hij veel gewonnen.

Maar in het bijzonder moet ik tot uwe moedgeving zeggen, dat gij onderscheid maken moet tusschen zonden en zonden.

1. Daar zijn zonden, die uit de ongesteldheid van het lichaam voortkomen, die ons even na het gebruik van het Avondmaal kunnen overvallen; bij voorbeeld iemand is des morgens vroeg opgestaan, hij is in den morgenstond werkzaam geweest in het gebed tot God; hij gaat weder onder den godsdienst; is aandachtig en ingespannen, hij gaat weder in den namiddag in de kerk; het gebeurt dat het lichaam loom, traag en vadsig wordt, men kan die aandacht niet meer bijbrengen als men wel wenschte; ja men wordt slaperig en geheel onbekwaam; dat zou misschien iemand beroeren, die zou denken, past mij dat, zoo oneerbiedig onder het Woord te zijn? maar dit is zulke zware zonde niet, dat daarom de vrucht van het Avondmaal weg zou zijn; neen, zoolang het God behaagt dat wij in deze woestijn met zulke logge, loome lichamen worstelen moeten, wil Hij dat

-ocr page 620-

490 Over de nabetrachting van het heilig avondmaal.

genadig verschoonen; Hij weet wat maaksel wij zijn opgev en wil gedachtig zijn dat wij maar stof zijn; doch mijn dit gezegde moet niemand misbruiken om zich hierin toe te geven en te denken, dat het geoorloofd is; o neen, ons lichaam wil zoo gaarne van onder den te lo band zijn; en ons hart, ons hart is zoo arglistig, en d(

te be zijt, gii e

méér dan eenig ding, ja doodelijk, wie zal het kennen? dan zou het een zwaardere zonde worden.

2. Onderzoekt uw hart voor den Heere, hoe het omtrent de zonden werkzaam is; zoo het gebeurt wilt dat gij er in valt, is het u tot genoegen of onge- Vade noegen? zijt gij er onverschillig onder? doet het u maar niet veel aan? doet gij het willens en wetens? dan geret is uw toestand bekommerlijk; maar kunt gij integen- La

ons i van was, Vc schei W dent dage zond voor vern het M ding er ( zone een zijt quot; A zich

deel zeggen, de Heere weet het hoe ik daar tegen worstele, tot wat smart het mij is, hoe ik het veroordeel ; hoe het mijne vrijmoedigheid omtrent God beneemt; ja ik zou er mijn heele grondstaat wel over omver werpen; want ik vrees clat het met geen genade kan bestaan; dat is een bewijs, dat gij de zonde voor vijand hebt verklaard; want een natuurlijk mensch zondigt en troost zich met Gods genade en de gerechtigheid van Christus, en daarop gaat bij zorgeloos in dezelve voort; o kon ik dit tweeërlei zondigen den wereldlingen en Gods kinderen eens inscherpen; dezen tot hunne ontnuchtering, en de anderen tot hunne bemoediging en vertroosting; want Gods genade en het bloed van Jezus is wel voor zondaars, ja voor groote zondaren, maar niet voor die, die met genoegen in de zonden volharden.

3. Ondervindt gij, dat gij op die wijze omtrent de zonden zijt aangedaan, wat zult gij dan doen? onvrijmoedig van God afblijven? en het moedeloos

dan? eerde

-ocr page 621-

Over de nabetrachting van het heilig avondmaal. 491

zijn opgevende, denken: daar is nu al de vrucht van och mijn avondraaalhouden weg? och neen! waar heen dan? de beste, heiligste en veiligste weg is, hoe eerder hoe liever weder tot den genadetroon heen 3en te loopen, eer er verdere verwijdering tusschen u ;ig, en den Heere komt; daar met schaamte uwe schuld en? te belijden, dat gij al wederom in de zonden gevallen zijt, maar dat het tegen uw wil en dank is, en dat het gij evenwel uwe plechtige verbintenis aan God niet urt iwilt verbreken; o, wij moeten opstaan en tot onzen ge- Vader gaan en zeggen, ik heb gezondigd tegen U, t u maar neem mij weder in genade aan; en dat is de lan gereedste weg om geholpen te worden.

Laat ik nu nog het een en ander ten nutte van ons allen wat nader op het gemoed leggen, bij wijze van toeëigening; hetgeen ons vierde en laatste stuk was, dat wij zeiden te zullen verhandelen.

Vooreerst is hier een woord tot natuurlijke men-schen, tot hunne overtuiging en ontdekking.

Wat de voorbereiding aangaat, velen zijn er die denken, dat zij zich al wel bereiden, als zij eenige dagen vóór het Avondmaal zich onthouden van die zonden, daar ze anders hun vermaak in vinden en voor pleiten; dient men de wereld door spel en andere vermakelijkheden, men zegt, ik mag dat nu niet doen, het zal Avondmaal zijn.

Maar zulken wilde ik wel eens vragen, zijn die dingen, die gij nu nalaat, zonde? waarom pleit gij er dan op andere tijden voor ? dan is het ook zonde en gaat gij weder in dezelve voort, het is een bewijs dat gij nog nooit recht ten Avondmaal zijt geweest.

Anderen gaan nog een stap verder, die houden zich bezig met het lezen van Gods Woord en stichte-

inn is;

-ocr page 622-

492 Over de nabetrachting van het heilig avondmaal.

lijke boeken en meenen, dat dit genoeg is, maar zij weten voorts van geen voorbereiding, zij keeren nooit (^e tot hun hart, en zoo naderen zij tot des Heeren tafel, zonder berouw of leedwezen te hebben over hunne zonden; en zoo komen zij met dat onreine ^n^ir hart tot een heiligen God; o zondige, onreine wereld! s^rïl( ontziet gij u niet zoo tot God te naderen ? zoudt gij ket e aan de tafel van een groot vorst durven gaan zitten zWm; met vuile onreine kleederen? en zult gij met uwe onreine harten tot den God van den hemel en aarde naderen, zult gij uwe onreine handen uitsteken om de heilige teekens te ontvangen? hoe zal dat afloopen? wat zal God tot u zeggen? dit woord: „waarom neemt gij Mijn verbond in uwen mond? Ik zal u straffen en het ordentelijk voor uwe oogen stellenquot;,

Ps. L.

Anderen willen zich ook schikken, zoo zij meenen, om betamelijk op den dag des Avondmaals toe te naderen, en denken dat zij al welgesteld zijn als zij een stil kleed aan hebben, als zij een geheelen dag [hetgeen anders tegen hunne gewoonte is] den godsdienst naarstig waarnemen en zich onthouden van zonden; dan denken zij, dat zij al wonder veel hebben uitgericht; maar o zondaar, tot u moet ik zeggen, de Heere zal tot u zeggen; uwe verbodsdagen zijn voor Mij een gruwel, uwe feesten vermag Ik niet. Zou God een welbehagen hebben in een stil kleed,

daar uw hart zoo zondig en onrein is? neen, als de Koning zal komen om Zijne aanzittende gasten te overzien, zal Hij tot u zeggen: „vriend, hoe zijt gij hier gekomen ? geen bruiloftskleed aan hebbende!

werpt hem uit in de buitenste duisternis, daar zal zijn weening der oogen en knersing der tanden; en gij zult moeten verstommen.quot;

-ocr page 623-

Over de nabetrachting van het heilig avondmaal. 493

En gaat het zoo met de voorbereidingsbetrachting, de nabetrachting zal niet beter zijn.

Velen willen nog wel eenige dagen na het Avondmaal zich voor de zonden wat wachten , die wat inbinden; zoo aanstonds zich daarin toe te geven strijdt tegen het licht van de conscientie; maar is het eenige dagen geleden , dan breekt men weder uit in zijne vorige zonden, zonder meer om het Avondmaal te denken; o is dat niet bedriegelijk met God handelen? gij nadert tot des Heeren tafel en schaamt u niet tot de zonden weer te keeren ; heeft dan de tafel Gods gemeenschap met de tafel der duivelen? gij betuigt aan het Avondmaal dat gij God zult dienen, en zoo haast keert gij niet terug of gij verbreekt uw verbond met God, en loopt weer tot de zonden en tot de wereld met het uiterste genoegen; en gij hebt sedert gij de laatste maal zijt toegenaderd mogelijk er niet eens om gedacht, en zult gij nu weder op diezelfde wijze handelen? en niet eens stilstaande denken, zal ik met die voeten, waarmede ik geloopen heb tot de zonden, weder naderen tot de heilige bondstafel? zal ik met die handen, die de zonden gediend hebben, het heilig brood en den wijn aannemen? !zal ik met die oogen, die zoo omzagen naar de ijdelheid, Christus in de teekenen aanschouwen? zal die mond en tong, die zoo menigmaal sprak tot oneer van God, die heilige spijs en drank smaken?

Dacht gij dit eens met bedaardheid, het zoude u tot nadenken moeten brengen, en het zou misschien een middel zijn om u aan uzelven te ontdekken.

Ach! dat de Heere u dit nog eens op uw hart bracht en met indruk deed zien wat het in heeft, zoo onbedacht en roekeloos toe te naderen, en het

-ocr page 624-

494 Over de nabetrachting van het heilig avondmaal.

brood der kinderen zonder eenig recht naar zich te nemen.

Maar vooral moet ik nog een woord spreken tot Gods volk, die dit eigenlijk maar raakt; want gelijk natuurlijke menschen vervreemd zijn van het leven Gods, en niet begrijpen de dingen die des Geestes Gods zijn, zoo weten zij ook van deze dingen niets.

Hier moet ik iets zeggen tot uwe beschaming en berisping, namelijk;

Dat velen van Gods volk nog wel eens werk maken van de voorbereiding om hun hart gereed te maken om God te ontmoeten, ook nog wel op den dag des Avondmaals, om welgesteld te zijn; maar men bevlij-tigt zich niet tot eene godvruchtige nabetrachting; als het werk is afgedaan, dan is het menigmaal of het genoeg was; gij gaat weder tot uwe bezigheid, wordt van nieuws ingewikkeld in ds wereld, en zoo raakt het hart al stilletjes van den Heere weder verwijderd. Gij vraagt uzelven dagelijks niet in ernst af, mijn ziel, weet gij wel wat gij gedaan, waartoe gij u zoo plechtig aan den Heere verbonden hebt? komt dat en dat met uwe betuiging overeen ? strijdt dat niet tegen uw vernieuwd voornemen om voor God te leven ? o als dat meer geschiedde, wat zoudt gij bedachtzamer wandelen, en dan zoudt gij de rechte vrucht van het Avondmaal genieten.

Of wil men zich nog bevlijtigen in het betrachten van deze of dergelijke plichten, als wij hebben aangewezen, het is niet op de rechte wijze, men gaat dikwijls werken in eigen kracht, men oefent de plichten, maar niet met dat nederig en geloovig opzien naar den Heere, in dat afhangen van Hem, en daar van daan is het, dat men er zoo weinig voortgang

in m zullei

-ocr page 625-

Over de nabetrachting van het heilig avondmaal. 495

in maakt; God wil wel, dat wij onze Heiligmaking zullen bevorderen; maar niet in eigen kracht, wij tot moeten heengaan in de mogendheden des Heeren, Heeren; want toen wij het Verbond hebben ingewilligd , was het immers onder beding, dat God genade zou geven om getrouw te zijn; en dat heeft Hij beloofd: waarom dan daar geen meer gebruik van gemaakt, en gepleit met die beloften, Ik zal maken, dat gij in Mijne wegen wandelen zult, Ik zal Mijne wet schrijven in uw hart; en gezegd, Heere, hebt gij het niet beloofd, zijt gij niet de getrouwe God, die opnieuw uwe beloften aan mijne ziele hebt verzegeld, laat dan uwe kracht in mijne zwakheid worden volbracht; zoo zoudt gij meer voortgang maken op den weg naar den hemel.

Maar nog eens, volk van God, dit moet tot uwe beschaming zijn, dat God u zooveel middelen aan de hand geeft, dat gij zoo menigmaal het Avondmaal moogt genieten: en dat gij evenwel zoo zwak blijft in het geloof, en zoo weinig vordert op den weg der Godzaligheid; waar komt dat van daan ? \'t is immers niet, omdat God niet getrouw genoeg is? maar de schuld zal aan uwe zijde zijn; zou het niet daar van daan komen, omdat gij u in de nabetrachting van het Avondmaal niet zoo hebt gedragen als het u paste (gij zijt niet in die stille bedaardheid bij den Heere gebleven; toen de vijanden op u aankwamen om u weder af te trekken, hebt gij, als een slecht soldaat, die haast bevreesd is, de wapenen weggeworpen); hoe! zult gij zoo plechtig den oorlog verklaren, en het zoo slecht laten liggen ? zult gij met geen meer heldenmoed de wapenen opvatten, daar uw heirvorst voor aan de spitse staat, en met u wil strijden? gij leeft niet genoeg bij uw hart, in een dagelijks onderzoeken en

-ocr page 626-

496 Over de nabetrachting van het heilig avondmaal.

beproeven van u zeiven, of gij aan uwe betuiging, die gij aan God gedaan hebt, wel beantwoordt:

gij zijt niet dankbaar genoeg, als God u eens wat doet genieten, maar werpt het door ongeloof zoo ^ menigmaal weg, en dat is God niet aangenaam; het minste kruimt] e van genade is eeuwige dankbaarheid waardig; gij houdt uwe betrekking, die gij op God, als uw Verbonds-God hebt, niet gedurig levendig,

door het plechtig gemaakte verbond dagelijks te vernieuwen; en daardoor verslapt gij in de liefde tot God; ja, men leeft dikwijls in ongenoegen met den naaste\', en dat verwoest het hart en beneemt de vrijmoedigheid tot God: en ten opzichte van de zonden, daar waakt gij niet genoeg tegen, gij laat u te licht aftrekken van God door nietige dingen, ja wat zeg ik, daar zijn mogelijk nog beminde zonden,

daar men niet van af kan, daar men voor pleit, als voor zwakheden en zonden van de natuur, die men zoo gemakkelijk niet kan laten; alsof dat u minder schuldig voor God maakte; o het is een bewijs, dat men niet teeder genoeg leeft, dat men op de gemeenschap met God niet gezet is; omdat het zulk een karakterzonde is, moest men zooveel te meer waken en strijden, om ze tegen te gaan; foei onzer! zoo wij ooit willens en wetens eewe zonde aan de hand houden; al is het geen grove en- anderen in het oogloopende zonde, het is even verfoeilijk in het oog van een alwetend God, die de zonden in Zijn volk niet kan verdragen.

Of het hart verheft zich wel eens tot hoogmoed\',

daar zijn er wel onder Gods kinderen, die klein schijnen in het oog van een ander, en ondertusscher bij zich zelf groot zijn; men spreekt bij anderen breed van zijne bevindingen en werkzaamheden, alsof men

-ocr page 627-

Over de nabetrachting van het heilig Avondmaal. 497

een groot cliristen was, en ondertusschen gaat het dikwiils dor en droevig; toe in de eenzaamheid, en de wandel is zeer slordig en ongezet; of, heeft men al eens iets meer dan anderen van God ontvangen, leid ^ menigmaal of het een vrucht van onzen eigen od akker was, en zoo meent men dat men iets is, daar Hg ^ men nochthans niets is, o zullen wij nietige aardig wormen, wij zulke onwaardige, zondige en walgelijke ifdg schepsels, ons verheffen? gelooft het, daar is geen zonde die God minder kan dragen, dan de zonde van hoogmoed; toen het hart van den Godvruchtigen David zich verhief, toen hij het volk van Israël liet tellen, zond God den propheet Gad tot hem, en liet hem drie zware plagen voorstellen, daar hij uitkiezen moest, tot zijne vernedering, 1 Sam. XXIV. Als Hiskia\'s hart zich verhief, liet God hem Zijne oor-deelen aankondigen, Jes. XXXIX. De Heere wederstaat de hoovaardigen, maar den nederigen geeft Hij Zijne genade; Hij wil Zijne hand tot de kleinen wenden; o zagen wij eens recht onze zonden en walgelijke gestalte voor God; zonken wij meer neder in den afgrond van ons niet, wij zouden als wormen voor God kruipen ; als het hart zich verheft, is het een bewijs, dat het in eene ongestalte is; want als een Christen welgesteld is, zal hij zich laag bij den weg houden, en hoe grooter hij is in de genade, hoe kleiner hij voor God zal worden; was er wel grooter man dan Paulus ? en evenwel getuigt hij van zich zeiven , dat hij do grootste der zondaren was, de minste van al de apostelen, en alleen alles was door de genade Gods; al bezaten wij dan al grooter genade als Paulus, wij hebben veel stof van vernedering en schaamte, om met God te wandelen.

32

-ocr page 628-

498 Over de nabetrachting van het heilig Avondmaal.

Door dit alles blijft men dezelfde, van het eene Avondmaal tot het andere; daardoor wordt de vrijmoedigheid voor God benomen; ja, men blijft altijd bekommerd over zijnen staat; ziet men eens terug op dien tijd, toen God het hart eerst overhaalde tot Zijnen dienst; herinnert gij u die uren en stonden, toen God uw hart bewerkte om u aan Hem op te dragen; dan moet gij wel eens zeggen, ik durf het evenwel niet ontkennen, daar is te veel omgegaan, maar zie ik op mijnen wandel , dan weet ik niet wat ik van mij zeiven gelooven moet; en zoo beneemt gij u de zoetigheid en troost van het leven.

Komt dan volk van God, gij hebt nu weder gehoord wat uw plicht is, richt eens op trage handen en slappe knieën, dankt God dat het Avondmaal weder aanstaande is, daar gij weder nieuwe gelegenheid zult ontvangen om tot den Heere weder te keeren, om uw tekortkomen met schaamte te belijden, om uw verbond te vernieuwen en den Heere trouw te zweren; God is zoo goedertieren, dat Hij u om uwe ontrouw niet verlaat, maar dat Hij u Zijn verbond weder aanbiedt; gaat dan ootmoedig en vrijmoedig , verlangt hartelijk zoo naar het Avondmaal, alsof het voor u het laatste zou zijn, hetgeen gij aan deze zijde van zon en maan genieten zoudt; laat uw hart in gulle en onverdeelde liefde naar God uitgaan, geeft Hem hartelijk de hand en zegt: Heere, zoolang het U behagen zal, dat ik in deze woestijn van de wereld moet omzwerven, zal ik het Avondmaal gebruiken als een pand van Uwe eeuwige en onveranderlijke liefde; ja, als een onderpand van de zalige bruiloft des Lams in heerlijkheid; laat ik, door de kracht van die spijze gesterkt, heengaan al mijne dagen, totdat ik eens zal gebracht worden boven

Ï I

i

-ocr page 629-

Over de nabetrachting van het heilig Avondmaal. 499

voor Uwen Troon; waar ik U niet meer middelyk, onder het gebruik van teekenen gelijk hier, maar onmiddelijk, in volmaaktheid, genieten zal; wanneer het Lam, dat in het midden des Troons is, ons zal leiden aan de levende fonteinen der wateren, en alle tranen van de oogen zal afwisschen. Amen!

JA AMEN!

-ocr page 630-
-ocr page 631-

I

mwm

V

m

\' \' :r i -quot;5?

-ocr page 632-

^ ^5/é

-ocr page 633-
-ocr page 634-