1 i
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
iillililillIB 3088 818 8
S i
I i
0e)5)9|b5)5gt;5»35»s)5gt;5)95)95gt;E)5)E)g)3DEgt;5)aO5)33!gt;D5gt;=H^
i i
-
I I
2 0
i i
6K)SK®)aaai)sK»3S®3!)0S»!K»S»K»SK®S».i»)S»»)3aS3aS)®K»»!)!»»!»=»KKK^Sa6K®6»5»9S»)396S006)S306»
I I
I !
i i É 1
s
STELSELMATIGE AFRICHTING VAN HET RIJPAARD.
i a
I I
Naar Paul Plinzkek\'s ^
|
„SYSTEM DER PFERDEGYMNASTIKquot;
UT HET H00CDU1TSCI1 VERTAALD 1
|
DOOK $
J. C. CAMERLING HELMOLT,
Luitenant bi) het le Regiment Huzaren.
1
I I
| ZUTPHKN, ^
W. J. TH IE ME amp; Co.
s i.
^ fa
i r
i i g9g0amp;)ë)amp;)999990909aO999»e^)6»g»O900999g»9e»»990O9g)90990eO09S)OE)9990g»09ê»g99999s)^)93S§)ë)96gt;
1 1
|
I i
■V ®
^ SNELPERSDRUK VAN H. C. A. T1I1EME TE NIJMEGEN. $
1 i
00s^)ra)090S)000096®09S)S®090009S0000909S®0999909lDS)99S®6K®9S)^)0906®96^®S®900300M09aKlra!)S)535^ amp; ^
è il
..... .
;l-tgt; ~ ^gt;7^ gt; lt;quot; . :gt;•-
VOOR W O O R D.
Onder de vele werlcen over de africhting van het rijpaard, wellce in den laatsten tyd het licht zagen, is er naar mijn gevoelen geen dat door eenvoud van opvatting en juistheid van beginselen sooeeer de aandacht van den ruiter officier verdient als l\'linz-ner\'s „System der 1\'f\'erdegymnastik\'\'.
Ik hel getracht dien arbeid in de Nederlandsche taal over te brengen, eensdeels omdat het my aanspoorde rekenschap te geven van zijne bedoelingen, anderdeels om er in de praktijk meer nut van te hébhen. Immers, het overbrengen in onze eigene taal noopt tot meer nadenken en nauwgezette ovenveging van hetgeen de Schrijver heeft zvillen uitdrukken, terwijl het de taak van den onderwijzer verlicht bij het mede-deélen van deze beginselen.
♦ \'-i * § • quot;.■..
$ I
O906@S9S)909S)00QS^009S09gH!09g»f)99999g»9?)93005Ki}05^)9g930993999e%)9?)990990S)sH)93)SB9S)S»^)306gt;
I i
1 i i . VOORWOORD. 4
S 2
S
| ^ ...... ..J
Bij de vertaling stuitte ik dikwijls op moeielijk- %
% heden, die ik getracht heh zoo goed mogelijk te over- ij £ X
| winnen. Herhaaldelijk toch moest ik woorden bezigen, j
| die in onze taal niet algemeen hekend zijnen eenigs- |
| zins vreemd klinken, doch ik heh niet geaarzeld deze |
±
^ te gebruiken, ten einde zoo getrouw mogelijk de bedoe-
? lingen van den schrijver toeder te geven.
Aangespoord door eenige kameraden geef ik met
? toestemming van den geëerden schrijver mijne verta-
i ling in het licht, al ivare het alleen om meer de aan-
| dacht te vestigen op Plinmer\'s pennevrucht, die mijns
| inziens zoozeer eene nadere kennismaking verdient.
4-
|
Bet spreekt van zelf dat zulks niet geschiedde, dan j | na het welnemen te hebhen ingewonnen van den Heer | Generaal-Majoor van Helden, inspecteur der Cava- ? lerie, wien ik openlijk dank zeg voor de vele goede wenken mij gegeven. j
Alhoewel de Nederlandsche officier de werken, die | in de naburige landen verschijnen, bij voorkeur in de oorspronkelijke taal leest, vertrouw ik echter dat in dit bijzondere geval eene vertaling niet onwelkom zal zijn.
J. C. CAMEKLING HELMOLÏ,
1Q Luitenant le Regiment Huzaren.
P 1
I 1
CD 2
fas)^\'|fgt;s)35)?)=)©5gt;*D9?gt;gt;%gt;5»30i»5)s)5)s)S)S)s»?)03^^
i amp;
i i
1 I
i i
É £
a g
5 I
i I
i i
I VOOEREDE VAN DEX SCHRIJVER. |
I I
I __I
1 ------
I i
j -
In Nquot;. 65 van den jaargang 1886 van het „Mi- j
j litar-Wochenblattquot; schreef ik onder het opschrift: |
j „ Wordt door de hoogere eischen tengevolge der ?
| Gavaleriewijziglngen aan de africhting van het dienst- |
| paard voldaan ?quot; een artikel, ivaarin ik mijne denk- t
| heelden omtrent de africhting van het dienstpaard, |
| kortelijk uiteengezet, aan de beoordeeling der kava- t
| leristen, die belang in hunnen werkkring stellen, on- |
| derwierp. Uitgaande van de waarneming dat het \\
1 grootste gedeelte van de paarden der veldeskadrons ?
| niet als „ruggangerquot; hun\' arbeid verrichten en daar- ?
% door zich zeiven en hunne ruiters den arbeid aan- ?
£s •
i; merkelijk verzwaren, trachtte ik aan te toonen dat ?
| de onjuiste begrippen omtrent „oprichtingquot; in de |
1 paardendressuur der militairen buitengewoon veel j
| onheil veroorzaken, omdat ons eerste en hoofdstreven J
moest zijn, het dienstpaard in eene „onvoorwaarde- | | lijk bijgebrachte houdingquot; te doen gaan. |
j Ik vereenig de toen mijne grondbeginselen omtrent ?
de [hewerking van het\', paard in de zinsnede: „De verzameling van het paard moet het gevolg zijn van
| een tegen elkander inwerken van de krachten der j
| I
r ■ i
1
VOORREDE VAN DEN SCHRIJVER. |
achterband eencrzijds en het geivicht der voorhand |
anderzijds. De oprichting der voorhand mod alleen S
het gevolg zijn der verzameling en mag niet door I
oprichtende teugelaanhoudingen verkregen worden.quot; |
In Nquot;. 85 van denzelfdcn jaargang hwam vervol- j
gens in het „Militar-Wochenhlatt\'\'\'\' een artikel voor : |
, Zijn inhoud en vorm der tegemcoordige rijkunst j
met elkander in overeenstemming Fquot; waarin de zich |
niet noemende Schrijver van meening ivas, dat de |
door mij aangegeven wijze van rijden diegene was, j
u\'dkc inderdaad door de goede miters in het leger |
zverd uitgeoefend. |
Het is evenwel opvallend, dat deze wijze van rijden |
niet overal ingang heeft gevonden; misschien wordt j
door die goede ruiters op eene andere tcijze onder- I
wijs gegeven, dan dat zij zelf rijden. Terwijl zij per- j
soonlijk steeds het geheele paard bewerkten, zouden i
zij zich hij hun onderricht steeds met het nekgeivricht |
\'bezighouden. Het scheen mij toe dat deze bewering |
buitengewoon veel ivaarheid bevatte. Dat juist altijd ^
enkele deélen van het paard bewerkt worden, terwijl ?
toch met voordeel slechts het geheele paard te bear- |
beiden is, daarin ligt wel de hoofdfout van onze j
gewone paardendressuur. Daar nu de omstandig- j
heid, dat die goede ruiters in het leger anders onder- x
wijzen dan zij persoonlijk rijden, slechts hierdoor is |
te verklaren, dat hun het daadwerkelijke van hun ^
eigen rijden niet helder genoeg voor den geest staat, |
ontwikkelde zich bij mij het denkbeeld, dat het mis- |
seinen niet onnuttig zoude zijn, deze wijze van rijden ^ iets meer ingrijpend te hesjireken. Korten tijd geleden
I i
VOORREDE VAN DEN SCHRUVER.
.
I had ik de met veel geest geschreven nalatenschap van |
I mijn\' hooggeëerden onderwijzer Steinhrecht in eenhoelc i
| openhaar gemaald, dat onder den titel van „Bas
| Gymnasium des Pferclesquot;, het licht zag. Dit hoek |
| hehelst in werkelijkheid alles, ivat ik over de dressuur |
^ van het paard kan mededeelen, maar is wellicht te ?
| omvangrijk en staat, ofschoon in \'t algemeen voor l
* populair gehouden, misschien toch nog te veel opeen |
academisch standpunt om als een practisch hand- |
| hoek ie kunnen dienen voor de officieren der cavalerie. |
In nevensgaand werkje hoop ik nu de grondhegin- 3:
? selen van Steinhrecht in zoodanigen vorm in toepas- |
| sing te brengen, als mij voor de cavalerie noodig |
^ schijnt, dengenen, tvelke meer ingrijpend helang in j
| de zaak stellen, „Das Gymnasium des Ff er desquot; i
| ter studie aanbevelende. |
i Het ontwerp van mijn\'\' arbeid heh ik met een heer, ?
s die een leerling van Steinhrecht is en ook een eska- |
| dron naar de beginselen van Steinhrecht met veel I
| succes geoefend heeft, nauwkeurig besproken en zeg |
| hem voor de vele onmiddellijk uit de practijk ge- |
| sproten wenken hier openlijk dank.
5;
Ik hen mij volkomen bewust, dat mijn „System i
der Pferdegymnastik\'\' van de voorgeschrevene „Reit- |
Instructionquot; in vele opzichten afwijkt. Evenwel hen ^
| ik overtuigd dat, wanneer beide geheel begrepen 1
1 worden, hun verschil zoo luttel wordt, dat men ?
| volgens het door mij ontwikkelde systeem kan te |
| loerk gaan, zonder te handelen tegen de grondhe- |
| ginselen der „Reit-lnstructionquot;. H
Wanneer ik nu, zooals meestal geschiedt op die I
1 i
i i
§
I i
i ■ 1
| VOORKEDB VAN DEN SCHRIJVER.
^ I
| plaatsen, waar afwij\'kinge.n van de. „Heit-Instrucüonquot; ^
| voorkomen of schijnen voortekomen, eene taal gekozen |
I heb, die zelve misschien aan eenen instructietoon doet |
jij n
t denken, spreekt het toch vanzelf dat dit alleen hort- £
S
heidshalve geschiedde. Ik mag echter niet nalaten
j den lezer verschooning te vragen voor het niet naleven |
| van elke hoffelijke en bescheidene behandeling der zaken. |
Ik heb getracht de grondbeginselen, waarop de |
| bewerking van het paard berust, in allen eenvoud |
| voor te stellen, teneinde ze zoo bruikbaar mogelijk i
| te maken, en ze derhalve vrij van onnoodige aan- |
| hangsels het wakkere oog voor to leggen, terwijl ik |
I hoop dat de geheimzinnige voorstellingen der rijkunst, |
| die nog zoo zeer verspreid zijn, er iets door opge- |
S helderd zullen ivorden. |
Mocht het mij gelukt zijn de luijze van rijden der |
| goede ruiters in het leger zóó te schetsen, dat zij ^
I zich in mijn geschrift terugvinden, dan mag ik hopen
| em kleinen dienst aan de duitsche ruiterij bewezen |
te hebben.
VERVOLG DER VOORREDE. |
Toen ik dezen arbeid reeds geëindigd had, vond 3
j ik in Nquot;. 47 van den loopenden jaargang van het ^
I Mi Ut ar- Wochenblatt, hetzelfde opschrift omtrent een |
artikel, dat ook ik tot opschrift gekozen had in Nquot;. 60 |
I van den vorigen jaargang. Tot mijne buitengewone |
I
vreugde ontwaarde ik, dat de wenk, welken ik bijna | een jaar geleden aan de duitsche ruiterij gegeven t
§ had, niet onopgemerkt was gebleven, maar dat een |
i I
I I
i I
i i
I i
n r
| VOORREDE VAN DEN SCHRIJVER. |
| quot; ^ |
1 hoofdofficier van dat wapen het de moeite waard |
| keurde, om met zijne gewichtige stem zijne kamera- |
| den opmerkzaam te maken op hetgeen ik had mede- |
| gedeeld. ? Wanneer ik hierbij nog andere teekenen van sym- |
J pathie voeg, die mij van verschillende zijden zijn |
| geworden, mag ik met vreugde aannemen, dat mijne |
? denkbeelden over de dressuur van het dienstpaard |
| iveerklank in het leger hebben gevonden, zoodat zij I
^ na verloop van tijd, dat tvil zeggen; voor ons tegen- |
| woordig paardenmateriaal en voor de onontbeerlijke |
| hooge eischen, welke men verplicht is te stellen, deze |
j ten goede zullen komen. |
Mocht het gelukt zijn in den navolgenden arbeid |
| mijne denkbeelden zóó duidelijk en overtuigend te j
hebben medegedeeld, dat ook degenen, welke nog niet 1
A
e
i op denzelfden iveg werden geleid, in het ivezen van
A
dit ^System der Pferdegymnastik1\' vermogen door ?
te dringen. |
Ik hoop daarbij dat zij, die dit „Systemquot; werke- |
lijk grondig begrijpen, en besluiten kunnen er naar I
te arbeiden en dientengevolge er aanhangers van ?
| te ivorden, zooveel in hun vermogen is onbevooroor- |
deeld en zonder uiterlijke vormen in aanmerking S
| ie nemen, slechts naar de kern der zaak zullen |
j streven: de ontwikkeling van krachtige en, veerkrach- S | tige gangen is de juiste houding der paarden.
| Helaas, ïli mag niet ontveinzen dat een dergelijk J
^ streven dikwijls op moeilijkheden zal stuiten. |
Be irispecties en de meestal daaraan verbonden |
| overdrevcne aankweeking van uiterlijke vormen, zooals ?
i I
999S^^gt;9999909999099P999S)995^gt;s)É%)gSHH}gH)SK)99SK)9S9099SK»S)amp;K)g)S)S^H)SH)99sgt;x^)9s)9sgt;sH)GGG(£SS@@@
i I
i $
VOORREDE VAN DEN SCHRIJVER.
| mh de stijve houding te paard, van de rydiscipline, van I
fii
? zijn voor de gymnastische vorming der paarden steeds 4
| nadeelig en doen de gaven niet tot volle ontwikke- t
Unci komen. Wanneer deze slechte gewoonte kon i
1 J
tvorden ter zijde gesteld, wanneer men vooral door- ^
drongen wordt van het denkbeeld, dat de zuivere af- j
richting en vorming der paarden eene zaak is, die |
niets te maken heeft met de militaire discipline, |
waarvoor men vele andere middelen heeft om haar j
te onderhouden; wanneer de afdeelingen heiast met £
de africhting, naar geen anderen maatstaf heoor- |
deeld werden dan naar de gangen en de houding |
der paarden ten opzichte van hun practisch gebruik, c
dan twijfel ik niet of de hier ontwikkelde eenvoudige i
grondbeginselen der paardengymnasüek zullen meer ï
en meer veld winnen en zouden de bij onze ruiterij zoo |
ruimschoots voorhanden talenten, liefhebberij en ?
ondervinding, zeer zeker ten goede komen aan de I bruikbaarheid van het tvapen.
gesamenlyke kunststukjes van alle mogelyke soort, |
1
-J-L.
I I
Bk.
INHOUD.
INLEIDING.
1. Wat verstaat men door africhting ? Haar doel
en hare grondbeginselen.........1
2. Beoordeeling der paarden met bet oog op hunne africhting............................9
3. Algemeene gang der africhting.......13
1« TIJDPERK.
HET ONTWIKKELEN VAN DE VOORTDRIJVENDE KRACHT DER ACHTERHAND OM HET PAARD AAN HET BIT TE BRENGEN.
f
Voorbereidende oefening aan de Ion ge. ... 17
Het eerste berijden...........22
Voorwaarden om met goed gevolg eene klasse remontepaarden af te richten.......24
£ ^
É I
I i
| INHOUD. |
I I
I Blz- |
4 4. Het eerste »reclit vóórwaarts richtenquot; van het i
I - 1
paard................37
ij 5. Levendig vóórwaarts rijden, de achterhand »be-
trekkelijkquot; recht gericht zijnde op de voorhand 41 ?
I
| --É
| |
| 2e TIJDPERK. |
$ i
J DE »EVEK WICHT SHOrDIKG . |
I i
s I
J HET BRENGEN VAN HET PAARD ]N DE »EVEN- |
©
1
WICHTSHOUDING DOOR HET RIJDEN MET ZIJ-
£ DELINGSCHE BUIGING DER WERVELKOLOM. S
I i
i i j 1. Wat verstaat men door de »rijkunstige even-
wichtshoudingquot; ?...........48 I
è 2. Buiging der wervelkolom als middel ter verkrij- I
» , ....
king van het rijkunstig evenwicht.....51 $
| 3. Inwerking van den ruiter op bet paard, bij het
rijden met buiging der wervelkolom. (»Buigings-
t lessenquot;)...............52 |
li 4. Voorwaarden, om met goed gevolg de oefening |
in de »buigingslessenquot; aan te wenden .... 59 |
| 5. De verschillende gangen in het tijdperk der ver
zameling, bij het rijden van »buigingslessenquot; . 62 |
^ (3. De oefening in de »buigingslessenquot;.....67 j
| A De buiging, overeenkomstig de wending. (Een- i,
0 . . . if
voudige buiging of buiging).......67 ï;
1 I
S X
I i
É é
INHOUD. |
I Blz. ®
| B De buiging, tegengesteld aan de wending. (Tegen |
i buiging)...............72 |
? 7. Het rijden van gebogene lijnen op één hoefslag 70 j j S. Slotopmerkingen over het tijdperk van africhting omvattende de oefening der »buigginsles-| senquot;. -..............77 |
i i i _ i
i I
3« T IJ D P E E K. |
|
| DE »V FIÏ Z A M K LD E UOt\'DING\'. |
I I
i 1. Algemeene opmerkingen omtrent het volmaken der gangen en het verplaatsen van het zwaarte-
1 punt........ .......83 |
i; 2. De »zwevendequot; of sbalauceerdraf\' (Passage) . . 00 | | 3. De galop op de achterhand (zeer verzamelde galop of »redopquot;)...............97 il
| 4. Wendingen op de achterhand in den verzamelden
galop................100 |
| 5. De vrije gangen gedurende het tijdperk der
| «verzamelde houdingquot;. —........102 |
| 6. Slotopmerkingen, aangevende hoever de gymnas- |
tische oefeningen van het paard behooren te
worden voortgezet...........104 a
S £
2 «s
I I
INHOUD.
I
Elz. i
I
1. De ophoudingen, het teruggaan, het sluiten der
rijen, de zwenkingen op de plaats.....106 j
AANHANGSEL.
2. Het rijden op de stang......
3. Het buiten rijden . . .....
4. Het beoefenen van den langen galop .
5. Het leeren overwinnen van hindernissen
6. Het ontwikkelen der «betrekkelijkquot; grootste snelheid van het paard...........122
110 |
I
114 ?
117 |
I
119
7. Slotopmerkingen over het algemeen plan van africhting der remontepaarden.......125
I
1 lees: door lichte beenhulpen en gewichtsverdeeling. |
E R R A ï A.
|
Blz. 2 |
regel |
11 |
V. |
O. |
staat: |
moet, lees : moeten. |
|
Blz. 6 |
regel |
4 |
V. |
0. |
staat: |
voorwaarden, lees : voor- |
|
waarde. | ||||||
|
Blz. 74 |
regel |
1 |
V. |
b. |
staat: |
to, lees : tot. |
|
Blz. 81 |
regel |
3 |
v. |
0. |
staat: |
bewerking, lees: oefening. |
|
Blz. 92 |
regel |
3 |
V. |
0. |
staat: |
door gewichtsverplaatsing, |
/P/Jt.
I |
I
!• /*rrgt;-
^ Ê i%¥)^ \'X* _1 I \'vf \\
r4 quot;
!«lt;
Uj-» \'vquot;ac
\\
INLEIDING.
1. Wat verstaat meii door africhting? Haar doel en hare grondbeginselen.
De africhting van een paard bestaat in eene stelselmatige, gymnastische oefening, welke ten doel heeft om het voor den rijdienst volkomen geschikt te maken.
Het paard is eerst dan volkomen afgelicht, als het zich duurzaam en zonder dwang in zoodanige houding heeft leeren bewegen, dat de ruiter steeds alle waarborgen heeft het volkomen meester te blijven, en het paard tevens bij machte is met het gewicht van den ruiter \'in den zadel het grootste
*
I 1 A I
n 2
090a®»9S»398»S)96»0S»090K)S)0amp;)S)93S»93S»S^gt;SKKKH»SS3!)S)5KiK»9a3S)9S»5»»99996»^)6»99S»9a®»S»
I I
? Inleiding. ?
| gt;— |
arbeidsvermogen te leveren waartoe het in staat is. — |
Men mag zich die houding geenszins voorstellen als ware zij een bepaalde vorm, dien men het
1
| paard moet dwingen aan te nemen, maar als eene |
1 op juiste grondbeginselen berustende oefening der |
| gezamenlijke spieren van het paard, waardoor het zich |
2 ..... ^
| eene houding kiest evenredig aan zijn bouw en aan ?
* *
| zijne krachten. |
? Alleen in deze door het paard zelf — natuur- I
? ?
I lijk onder inwerking en met behulp van den ruiter — j;
? gekozene houding, zal het zich zonder dwang en ?
j in zekeren zin zelfstandig kunnen bewegen, terwijl |
| het anders in een willekeurig gedwongen vorm ?
j door den ruiter in beweging gebracht moeten |
i worden. ^
a I
| |
Wanneer men regels stelt als deze: dat de I
£ ^
| nek, het hoogste punt van den hals, en de neus, op ?
gelijke hoogte met de heupen moet zijn ge- |
plaatst, dan dient men dit te beschouwen als i
een tnodelvorm, waaraan de ruiter moet trach- |
x. ton «riin r*oavrl to nroTOönnm-» l1
Plet is echter van geen overwegenden invloed, als de neus hooger of lager geplaatst is; de hoofdzaak is hier, de wijze, hoe de aanhoudin-
$ I
i i
I quot; I
^ 3 S
® ten zijn paard te gewennen. I
5 ..........|
I I
i I
5; Inleiding. ^
gen der teugels door het paard wordeu opgeno- i
$ A
men en hoe de achterbeeuen dan worden geplaatst. i
i
amp; 2
Of het paard zich in den vereischten vorm bevindt I
I* ... . ^
I om voor deu rijdienst volkomen geschikt te zijn, |
é è
ï onderkennen wij daaraan, dat het »onvoorwaardelijk j
ü, amp;
? bijgebracht zijnde aan den teugel,quot; voldoende loop- |
I lust toont, en daarbij regelmatige, krachtige, elas- |
\'I tisch voortbewegende en veerkrachtige gangen bezit. J
Ter beoordeeling der gangen, gewenne men zich naar de achterbeenen te zien.
Deze moeten, wanneer zij zich vrij bewegen, slingerend, maar toch gecadanseerd treden. Zij moeten bij eiken tred of sprong zoover vóór treden, dat men deu indruk krijge zij een voldoend gedeelte van den last overnemen.
Door »onvoorwaardelijk bijgebrachte houding aan I den teugelquot; verstaat men zoodanige buiging van den J hals in het verticale vlak en bijbrenging van het
I hoofd, waarbij hals en nekgewricht, onvoorwaardelijk,
J
I gevolg geven aan de teugelwerking, alzoo zonder I eenige tegenwerking, uitwijking of onttrekking.
Men zegt van het paard, dat zich in de «onvoor-
p $ -gt;»3^ Os)5^»5»
^ Inleiding. ^
I I
I waardelijk bijgebrachte houding aan den teugelquot; |
WaaruciyK. uyguui auiiLtj iiuuuiu^ ciau ucu tüugci ^
bevindt, eenvoudig, »het is aan den teugel.quot;
Bevindt het paard zich in eene»onvoorwaardelijk bijgebrachte houding,quot; doch zoekt het nog een steun in den teugel voor zijn te veel op de voorhand overgebracht gewicht, dan zegt men : »het legt zich
A
|
I op den teugel.quot; ^
I Onttrekt het zich aan de werking van den teugel 4
I *
i door zich bovenmatig bij te brengen, dan is het i
| «achter den teugel.quot; j
| Onttrekt het zich aan de teugel werking door den j
I . . ^
| hals naar onderen uit te buigen en den neus naar |
? boven te brengen, dan gaat het »over den teugel.quot; 4
... ?
Het paard eindelijk, dat op den druk van het ?
? gebit nog niet gewillig nageeft, maar door het stijf- |
| houden van het nekgewricht, »over den teugelquot; j
i tracht te komen, gaat »tegen den teugel.\'1
4 Als een paard »aan den teugelquot; gaat, mogen de 4
X £
X teugels slechts zooveel gespannen zijn, als noodig ?
? is om de verbinding tusschen de hand van den rui- 4
4
\'i ter en den mond van het paard in stand te houden. $
I
Het goed afgerichte dienstpaard moet zich voort-4 durend in »onvoorwaardelijk bijgebrachte houding | aan den teugelquot; bevinden of ten minste, door 1
i I
I 4 I
? Inleiding.
lichte inwerkingen van den ruiter, telkens in die
| houding teruggebracht kunnen worden, al mocht
|
4 het ook neiging toonen zich tijdelijk daaraan te ont-
|
? trekken.
Bij het militaire rijden zijn er ongetwijfeld verschillende storende invloeden, die ten nadeele strekken van de «onvoorwaardelijk bijgebrachte houding aan den teugel.quot;
Indien men evenwel het skelet den gewensch-ten vorm heeft doen aannemen en de veerkrachtige werking der achterbeenen naar behooren heeft bevorderd, zal er geen blijvend nadeel door dergelijke storende invloeden worden teweeggebracht.
Ofschoon in de «onvoorwaardelijk bijgebrachte houding aan den teugelquot; de hals steeds gekromd en het hoofd bijgebracht moet zijn, zoo kan er aan die voorwaarden voldaan worden, zonder dat de houding dier deelen bij alle paarden eenvormig behoeft te zijn.
Of de hals namelijk meer of minder in elkander geschoven en opgericht is en of de neus loodrecht of iets naar voren of naar achteren is geplaatst, hangt niet alleen van den bouw en van de inner-
I a t
I
I Inleiding.
lijke kracht van het paard af, maar ook van het-
I geen er van de achterhand wordt gevorderd.
amp; . . 5;
Het goed afgerichte dienstpaard zal, steeds in de i
| «onvoorwaardelijk bijgebrachte houding aan den |
j teugelquot; blijvende, zich in den hals des te meer op- i
| richten, naarmate de dragende, eu zich des te |
amp; dj
? lager stellen naarmate de voortdrijvende krachten ?
? der achterhand de overhand hebben of meer in wer- |
| king worden gebracht. ?
De «onvoorwaardelijk bijgebrachte houding aan |
i 5
? den teugelquot; is om tweeërlei redenen de eerste en |
S meest noodzakelijke eigenschap van het dienstpaard |
* .. ^
| om volkomen bruikbaar te zijn.
Vooreerst is door haar gewaarborgd, dat iedere j
x aanhouding van de teugels, ongehinderd door de ge- j
j _ j
| heele wervelkolom heen, op de achterband inwerkt, |
i. . ^
X waardoor de hoofdvoorwaarde is vervuld om den j
? .. 1
| ruiter steeds volkomen meester van zijn paard te |
j doen zijn.
| Voorts is de rug, alleen onder die gestelde voor-
j t n
i waarden, in staat den gewelfden vorm aan te nemen, j
I
| zooals wordt vereischt om te verkrijgen dat het
| paard zijn volle arbeidsvermogen onder het gewicht
I van den ruiter zal kunnen ontwikkelen.
£
A
I Inleiding. J
i ^ ........... ■ I
T
De goed gewelfde rug vormt eene vaste en daarbij toch elastiseh-veerende verbinding tusschen de voor- en achterhand en is derhalve de hoofdvoorwaarde om regelmatige, krachtige en veerkrachtige
| bewegingen onder den ruiter te verkrijgen,
i Paarden die op deze wijze hun rug welven, noemt ?
| men »ruggangersquot; en men zegt, dat zij zich met |
| »elastische rugwelvingquot; bewegen. Men moet vooral |
j J
| onderscheid maken tusschen dezen, goed gewelfden, i
S . |
? elastisch-veerenden rug en den krampachtig opge- i
i ^
j trokken of gespannen rug, een middel van verzet ?
* I
? van het paard om zijn tegenzin aan den dag te leg- %
j gen voor het te dragen gewicht van den ruiter. (Of | ? voor te ruwe teugelaanhouding).
S
Paarden, die zich met een aldus gespannen of opgetrokken rug bewegen, zoo ook diegenen welke met een doorgebogen of doorgezakten rug gaan, noemt men »schenkelgangers.quot; Zij hebben alsdan een gang, waaraan alle veerkracht ontbreekt, daar de achterbeenen, of teruggehouden en stootend, of slap en krachteloos worden bewogen.
r ... »
Naast de «elastische rugwelving,quot; is het van de goed |
i Ir
i ontwikkelde krachtsuitoefening der achterhand, dat ?
ï J
I de goede gangen van het paard afhankelijk zijn.
I ?
quot;0 amp;
I I
è ^
Inleiding. S
2
?
De achterhand van het paard heeft een voort- i
I , , , i
drijvend-, een dragend-, en een vesrend vermogen.
Alle drie moeten bij het dienstpaard zooveel mogelijk ontwikkeld en onder de heerschappij van den ruiter worden gebracht. Het goed afgerichte dienstpaard moet steeds bereid worden bevonden gevolg te geven aan lichte ;nwerkingen van den ruiter, zoowel om in vrije gangen den last met de achterhand krachtig voorwaarts te schuiven, als, om dien dragende, in de gewrichten te buigen en daarna den aldus gedragen last krachtig op- en vóórwaarts te bewegen.
Zulk eene geoefendheid der achterhand waarborgt | niet alleen reeds op zich zelve een zoodanigen graad van buigzaamheid als het dienstpaard dien tot het doen van korte wendingen behoort te bezitten, maar ?
duidt ook een graad van geoefendheid aan, die niet i
?
kan worden bereikt, zonder gelijktijdig de zijwaart- | ^ sche buigzaamheid der wervelkolom te ontwikkelen. i | De onvoorwaardelijk bijgebrachte houding aan den |
j teugel,quot; de »elastische rugwelving,quot; en de goed ge- ?
i regelde krachtsuitoefening der achterhand, zijn alzoo ?
jij
? de onderling nauw verbonden eigenschappen, die ?
x het afgerichte dienstpaard kenmerken.
4 S
T 2
96)5)9£D=»=»=gt;=gt;93E)=)^
i
i i
| Inleiding. |
I |
I 4
I I
^ O
| 2. Beoordeeling der paarden met het oog ?
I i
j op liimne africhting. |
i i
i ^
| Niet alle paarden kumien tot een gelijken graad ?
| van africhting worden gebracht, I
j • ,
z De beoordeeling der paarden, naar het uiterlijk, is |
? zeer bedriegelijk, daar de meest opvallende gebre- ?
^ i.
i ken aan het oog kunnen worden onttrokken door i.
| innerlijke kracht en bloed, terwijl de meest regel- |
% matige bouw het gemis van sterke band-, pees- en |
* . ?
| spiervezels niet vergoedt. | Ook is de beoordeeling van het temperament zeer |
| bedrieglijk, aangezien hierin eene opvallende veran- |
? dering plaats heeft, zoodra het paard door de af- ;
i. I
S richting zóóver is gebracht, dat het zich zonder j
| dwang in de houding, die hem dienstig is, heeft |
| leeren bewegen. |
| Wat voor uiting van het temperament wordt |
I gehouden^ heeft dikwijls zijn oorsprong in lichame- |
| lijke zwakte of gebreken. 5 Uit hoeveel verschillende soorten de paarden der I
? cavalerie ook bestaan, toch moet de africhting, voor |
f? j)
ï 9 4
£ Inleiding. I
I
elk in het bijzonder, naar dezelfde grondbeginselen (Üj plaats hebben. ?
Het verschil zal hoofdzakelijk daarin bestaan, f dat het eene paard bij de africhting langer aan |
s
| eene bepaalde oefening moet worden onderworpen, of | ? wel nog meer, dat het eene paard beter in eene be- ?
£ (J}
j paalde richting kan worden geoefend dan het andere. | Ofschoon eene juiste beoordeeling van het paard
1 en de wijze, waarop het moet worden bewerkt, zich
£
% eerst in den loop der africhting aangeven, zal men
^ v
j toch wèl doen den rug als uitgangspunt zijner
i overwegingen te kiezen of liever de wijze, waarop ? • £ | het paard dien onder het gewicht van den ruiter |
I gebruikt, omdat, zoowel de werkzaamheid der ach- 1
| terhand als de houding van de voorhand daarmede |
£ £
? in het nauwste verband staan. — i
£ ^ Behalve de weinige paarden, die als een gevolg |
* i, ? der groote overeenstemming, welke er bij hen be- i.
| staat in de middelen, waarover zij beschikken, reeds ?
^ 1
in \'t begin der africhting de juiste «elastische rugactiviteitquot; hebben, en als er geene groote misslagen begaan worden deze ook behouden, kan men ten
a
ii . . 1
1 dezen opzichte twee groepen onderscheiden namelijk : i
| paarden, welke de neiging hebben hunnen rug door 1
rf ^
I S
io -
i * 9Sgt;99amp;)990O999g^gt;999?)Sgt;990SK»S)999S%)9^)9S»999g999399999939999g9999999999Sgt;995H)90S»;\'gt;33K^gt;399
Inleiding.
i te buigen en die, welke hem bovenmatig spannen
jè
i en in dien toestand houden.
Meestal zoeken eerstgenoemden, door hoofd en
£
ij hals omhoog, en laatstgenoemden, door ze omlaag è ,
i te brengen zich aan de teugelwerking te onttrekken
3|
| of er de werking van te ontgaan.
Bij de eerste blijven de achterbeenen slepend en
?
| krachteloos terug, bij de laatste worden zij kramp-
X t
ï achtig vastgehouden, terwijl zij meestal kort en ^ • •
i trekkend, soms ook gespannen maar eenigszins zwe-
%
? vend voorwaarts gaan.
?
Het doel der africhting nu is, om, bij de eerste | soort, den rug te welven, bij de laatste soort, dien j te doen toegeven en daardoor elastisch te maken, | zoodat de teugelwerking zich door den rug op de t achterhand kan voortplanten.
Gelukt dit, dan zijn de paarden van beide groe-| pen tot »ruggangersquot; gevormd; gelukt het niet, dan
j blijven zij »schenkelgangers.quot;
?
Het meerendeel onzer tegenwoordige cavalerie-
ë
| paarden kan men tot degenen rekenen, die den rug
moeten leeren welven. f
Zonder onderscheid moet elk dienstpaard tot een zoodanigen graad van africhting worden gebracht,
6)900gSa90999S»999g999g)35^)3g»6^gt;%)9000Sgt;99g99999999996K^)ë)S)SH)6K)9Sgt;Sgt;99S^)95»S05»9=H^S)093
i 4
I ■ I
I
Inleicliiig. j
i
dat het, goed opgetoomd en door een voor hem ?
geschikten ruiter gereden wordende, zich onvoorwaar- |
delijk met elastische rugwelving dus als »ruggan- j
gerquot; beweegt. j
Kan eeu paard niet aan deze voorwaarde voldoen, |
dan is het voor het wapen der cavalerie weinig |
geschikt, een gevolg van de hooge eischen, die men i
?
tegenwoordig aan het arbeidsvermogen der cavalerie- j paarden genoodzaakt is te stellen.
£
Ofschoon in den regel slechts dun een paard zijn arbeid als »ruggangerquot; verricht, wanneer het zich in de ^onvoorwaardelijk bijgebrachte houding aan den teugelquot; bevindt, zoo kan toch niet worden ontkend, dat men bij de cavalerie soms paarden aantreft, die niettegenstaande zij den neus schuin naar voren en dus te hoog dragen, toch geen »schenkelgangersquot; zijn.
De hier bedoelde, zijn paarden van een korten ineengedrongen bouw, met goeden, krach-tigen rug en sterke achterhand, maar met een voor het bijbrengen ongunstig gevormden hals.
Ofschoon men in den regel de beste ruiters
*
in het eskadron bestemd om de paarden te rij- „ den, wier vorm bepaaldelijk dient gewijzigd te ;
s é
Inleiding.
worden ten einde er goede dienstpaarden van te maken, zoo kan men de hierboven bedoelde wel in hun natuurlijken vorm laten gaan, alhoewel zij zonder twijfel zeer veel in bruikbaarheid zouden winnen, door hun halsvorm te wijzigen.
3. Algemeene gang der africhting.
i
De gymnastische oefening van het jonge paard, ? • • • • •
die wij africhting noemen, kan men in drie tijdper- j
I
ken verdeelen. ?
|
1 6 t m d t e r k. Het richten van de achterhand i.
i
op de voorhand, waarbij deze laatste meer belast | is dan de eerste. |
De volkomene ontwikkeling van de voort- | drijvende kracht der achterhand om de paarden I
aan het bit te brengen. |
I
2 e t ij d p e r K. De »evenwichtshoudiug,quot;
Het brengen van het paard in de »evenwichts- |
? houding,quot; door het rijden met buiging der wervel- | | kolom. («Buigingslessenquot;).
? In \'t bijzonder, de ontwikkeling der draag- en ?
x veerkracht van het binnenachterbeen.
i amp;
i i
s
Inleiding.
Het ontwikkelen van vrije gangen in de »even-wichtshouding.quot;
%
3de tij dp eek. De »verzamelde houdingquot;.
Vermeerderd overnemen van gewicht door de achterhand tot bevestiging der «evemvichtshoudiug.quot;
Vermeerderd in werking brengen der veer- en draagkracht van beide achterbeenen in verzamelde gangen.
Volmaking der vrije gangen.
Tot grondslag der africhting dient de volgende j
| eenvoudige gedachtengang. |
a . ^
Door de voortdrijvende kracht der beweging voor- ?
waarts verkrijgt de ruiter in de eerste plaats, dat
i
? tusschen zijne hand en den mond van het paard ?
i I
j eene onafgebroken verbinding wordt daargesteld.
? ?
Is deze verkregen, dan is de ruiter in staat een |
| gedeelte van het gewicht van de voorhand door |
| middel der beide teugels op de achterhand over te j
? brengen, terwijl de gang zelve opgewekt door de 5
i , i
j voortdrijvende hulpen, de krachten der achterbeenen j
f i
i
P |
| Inleiding. i
o n
d» ?
j naar voren in werking brengt, waardoor eene inéén-•
i schuiving van het paard en het verleggen van zijn
s
i
%
x zwaartepunt naar achteren mogelijk wordt gemaakt.
Het gewicht van de voorhand en de krachten der
achterhand zijn de beide groote factoren bij de africhting.
Indien het den ruiter, door de inwerking van hand I
en onderbeen, steeds ondersteund door eene juiste
I
| verdeeling van zijn eigen gewicht, gelukt de voor- |
i en achterhand voortdurend zoodanig op elkander x
| gericht te houden, dat, eensdeels, de krachten der j
? A
i achterhand en, anderdeels, het gewicht der voorhand i
^ i.
| onverzwakt op elkander inwerken, dan bewerkt het j
i paard in zekeren zin zich zelf. — Eéne voor- j
| waarde moet evenwel altijd gesteld worden: dat j
| voor- en achterhand door een\' elastisch gewelfden I
rug met elkander verbonden zijn en dat de «onvoor- |
waardelijk bijgebrachte houding aan den teugelquot; |
teeds bewaard blijve.
Terwijl hierbij, ^ensdeels, elke tred van een ach- ?
| tervoet tegen de hand des ruiters inwerkt en het i.
paard uitnoodigt het bit af te knabbelen, zal de ?
hand, anderdeels, — hetzij zij het gewicht der voor- i
I
i hand duldt of door nadrukkelijke aanhoudingen s
^ I
15 J
i i ffl I:
Inleiding.
naar achteren verplaatst — dit gewicht op den ondertredenden achtervoet overbrengen, en wel in dier j
i
voege, dat zij dezen, door hem te belasten, buigt
en daardoor tot vermeerderd veerkrachtig afzetten |
?
of voorwaartsschui ven aanzet. Eene dergelijke zelf- i
bewerking door het paard is ondenkbaar, zonder $
vastberadene, veerkrachtige bewegingen voorwaarts, i ook in de meest verzamelde gangen.
I \' \' i
ï 16 i
•»-gt;-)J-»»
^ï2 Sg-- vS^SjiÈ«»?quot;\'Samp; -«-\' vi;- viï- «gt;\'\'\'Sv \'•quot;- \'••- ;-®-J-SstyS--••ï-\' ^
le ï IJ D P E R K.
Het ontwikkelen van de voortdrijvende kracht der achterliand, om liet paard aan het bit te brengen.
1, Voorbereidende oefeuing: aim de longe.
Eeue volkomene ontwikkeling der voortdrijvende kracht van het paard tegen de hand van den ruiter is slechts mogelijk bij «onvoorwaardelijk bijgebrachte houdingquot; en ^elastische rugwelvingquot;. (Hier kan men nog niet spreken van «onvoorwaardelijk bijgebrachte houding aan den teugel.quot;)
Laat men het jonge paard al dadelijk het gewicht van den ruiter dragen, dan zal het zijn rug of verkeerd, d. w. z. krampachtig spannen, of wel hem
B
17
I i
? I
| Tijdperk der ontwikkeling van de voortdrijvende
É
| doorbuigen, en eerst, na aan het gewicht van den ? | ruiter gewend te zijn, zal het ons gelukken den ?
S rug elastisch te doen welven.quot;
gt;S o
■f
Deze ^elastische rugwelvingquot; en de, meestal nauw
............. |
zijn van een zoo bijzonder gewicht, dat zij het paard, | als het ware, tot eene tweede natuur moeten worden. ?
I
Hoogst wenschelijk is het daarom dan ook dat het j
I
s
paard, zoo mogelijk reeds bij het eerste berijden, deze houding aanneemt. Dit is te verkrijgen wan-| neer rnen begint met het paard zonder het gewicht van den ruiter te longeeren, om het uit te noodigen t zich in «bijgebrachte houdingquot; met »elastisch ge-
I
welfden rugquot; te bewegen.
Bij deze voorbereidende longe oefening mag het paard volstrekt niets anders doen, dan met bijge-
I
j brachten neus op de groote volte in een vrij tempo j
i; 4
| draven eu galoppeeren en eerst in stap overgaan i
i als het in deze gangen rustig gaat.
t ... ?
De regelmatige krachtige beweging voorwaarts j
? m . X
4 maakt dat het paard zich op het bit afstoot door 4
middel van de trensteugels, die niet nageven, zoodat het zich dus al dadelijk in de «onvoorwaardelijk bijgebrachte houdingquot; leert bewegen.
*
1
I 18 1
I *
I I
I I
kracht tegen de hand van den ruiter. *
De binnenste treusteugel moet iets korter worden |
| aangegespt clan de buitenste, opdat het paard, dat j
| zich volgens het beloop van de groote volte buigt, |
? daardoor eene gelijkmatige aanleuning op beide teu- ?
| gels verkrijgt. ?
In \'t algemeen is het gebruik van opzetteugels bij ?
| deze oefening, in beginsel, verwerpelijk, aangezien I
| niets zoozeer het krachtig voorwaarts treden der ?
| achterbeenen benadeelt als die teugels, wanneer zij ? di , ,
? worden misbruikt. i
4 i
Eene stelling van den neus, die veel te laag is, |
j verhelpt men door eene hoogere bevestiging der I
? t
| trensteugels aan den singel en, in zeer buitenge- ?
$ ^
I wone gevallen, door een kruisen dier teugels vóór 4 I de schoft.
£ ... ?
Een ongedwongen, vrije draf zal voor deze oefe- i
i | niug de aangewezen gang zijn.
Een vrije galop, dien het paard uit eigen wil on- I
| derhoudt, is niet nadeelig maar zelfs zeer wenschelijk. |
Het is evenwel niet geraden het paard te dwingen I
| dien gang aan te nemen of te behouden.
In den beginne zal de stap hem moeielijk vallen; i
i......... :
door lichte voortdrijvende hulp van den zweep-
houder zal het er zich echter spoedig aan gewennen.
I 1
X A
€)Sgt;05|^gt;3sgt;j)a39»sgt;i»95gt;^gt;9939DDOïgt;sH)s»5!gt;ïgt;^:gt;^^
«
ï .. 51
Tijdperk der ontwikkeling van de voortdrijvende
?
Rukken met de louge, om daardoor het tempo te vermindereu, zijn ondoelmatig. Zij verstoren de goede aanleuniug op het bit.
Het paard moet zich zelf bewerken.
De hoofdzaak bij deze oefening is te zorgen dat de voorwaartsche beweging niet worde verstoord en vooral niet eindige door een plotseling halthouden. Om dit te voorkomen moet hij, die de zweep voert, steeds oplettend en met die hulp gereed zijn.
Het is aanbevelingswaardig om eenige onderoffi- ? eieren en korporaals de eenvoudige grondbeginselen | van de eerste longeoefening duidelijk te maken en hen I in hare eveneens eenvoudige leerwijze te bekwamen. |
In \'t algemeen is een half uur oefening voor elk | paard volkomen voldoende, mits de jonge dieren z daarbij in stap de noodige beweging aan de hand | en in de frissche lucht worde gegeven.
Mocht het door gebrek aan personeel of om an- s dere overwegingen niet doenlijk zijn alle remonten ? de geheele longeoefening te laten doorloopen, dan j
is het wenschelijk, dat die paarden, welke haar het |
(jh
meeste noodig hebben, worden uitgezocht, hetgeen | men het beste doet door hen spoedig na hunne komst door lichte ruiters te doen berijden.
* dj I 20 I
i I
i ! kracht tegen de hand van den ruiter.
I __________________ $
Men zal dan weldra zijne keuze kunnen doen, te
? werk gaande naar de in het vorig hoofdstuk aan-
j geduide sorteering der paarden ten opzichte hunner
| werking van den rug, en dan zullen het in de eerste
| plaats de paarden met »te welvenquot; ruggen zijn, die
| in geen geval mogen onttrokken werden aan die
? oefening.
Zijn er aanwezig, die men als geboren rijpaarden
i kan opmerken, dat zijn degenen, welke uit zich zel-
j ven in goede houding en met «elastische rugwei-
£
1 vingquot; onder den ruiter gaan, zoo kunnen deze de
| longebewerking het beste missen.
Die paarden ten slotte, wier ruggen niet nageefe-
| lijk zijn en waarbij alzoo de werking der teugels
s niet op de achterhand kan inwerken, zullen, hoe-
? wel in mindere mate dan die met te welven rug-
? gen, toch zeer veel voordeel van eene longebewer-
i king hebben.
Bij deze soort paarden zullen meestal de teugels
| wat langer aangegespt moeten worden, omdat bun
| in \'t algemeen een benedenwaarts krommen van
| den hals niet moeielijk valt en men zich ten doel
4 stelt om door vrije gangen in meer gestrekte hou-
J ding de rugspieren te ontspannen. Het is raad- I
I 1
Tijdperk der ontwikkeling van de voortdrijvende
!---
* I
| het eskadron met de longeoefening te beginnen.
5S
zaam om zoo spoedig mogelijk na hunne komst bij
S
Mocht men niet in de gelegenheid zijn om alle
S ^ 1
| paarden er aan te doen deelnemen, dan zal men j
? . ?!
j toch goed doen eenige dagen vóór het eerste be- 4
A •• • • .A
% rijden hen hierin te oefenen, om ze met de overigen |
| op de hierna volgende wijze aan de longe te doen ?
| aanrijden.
I i
2. Het eerste berijden. t .
I I
è i 1
| Het eerste berijden geschiedt het best door een |
| lichten ruiter, die in staat is om een vasten, mee-
| gaanden en lichten zit aan te nemen. |
I
* Heeft het paard op de gemelde wijze op beide |
| handen aan de longe geloopen, dan laat men den |
| singel met de bijzetteugels afnemen en den ruiter ?
| voorzichtig opzitten, daarbij het paard nog aan de |
| longe houdende. J
Is het nu door een helper eenige malen in stap | • ■
j op de groote volte rondgeleid, dan laat de zweep- ï
I voerder het door zijne voortdrijvende hulpen draven I •*.
| |
£ of c.q. galoppeeren. |
j , ?
De ruiter moet er nu vooral naar streven om ? quot;
| de, uit de natuur bestaande of wel door longeoefe- ?
1 1
S \' S
I l
m
1 \' |
I I
X kracht tegen de hand van clon ruiter. ?
^................... I
¥
ning verkregene, «onvoorwaardelijk bijgebrachte houding,quot; en «elastische rugwelving\'\' niet te verstoren.
Hij moet den rug voor iederen schok vrijwaren door het bovenlijf voorzichtig iets voorover te brengen en geheel met de beweging mede te gaan.
Zijne laag bij de schoft geplaatste handen moeten de teugels op passende lengte gespannen houden, ten einde het paard in de «onvoorwaardelijk bijgebrachte houdingquot; te doen verblijven, terwijl de ruiter iedere oprichtende werking der teugels moet vermijden.
$
Het mag geene verwondering wekken, dat, zoowel hier als later tot sparing van den rug van het paard, een lichte zoo noodig voor-overgebrachte zit wordt aanbevolen.
Als voorwaarde wordt gesteld dat de rug zich in zuiver elastische werkzaamheid bevindt, met andere woorden : dat de doorgebogen of zwakke rug zich gewelfd, de sterke zich nagegeven heeft.
Door harde stooten wordt de elastische buigzaamheid bij beide gestoord ; de zwakke buigt | zich nog meer door, de sterke wordt aangespoord om zich krampachtig te spannen.
■T ^
1 1
1 i
I i
^ Tijdperk der ontwikkeling van de voortdrijvende ^
i i
Langzamerhand moeten bij deze longeoefening ? de inwerkingen vpn den ruiter de overhand ver-
| krijgen op die van den longehouder en zweepvoerder.
?
Zijn de hulpen van den eersten niet meernoodig
i,
| dan neemt men de longe weg en gaat de ruiter
| langzamerhand van de groote volte op den hoef-
it
j slag over, waarbij de zweepvoerder het paard be-
| geleidt totdat ook dit blijkt niet meer noodig
£ .
? te zijn.
Zijn de verschillende jonge paarden zóóver ge-
i
? vorderd, dat zij op deze wijze gewillig en in de
| gewensehte houding op beide handen draven, c.q.
? galoppeeren, dan kan men ze tot eene klasse ver-
i eenigen en met de eigenlijke africhting beginnen.
J 3. Voorwaar den om eene klasse remontepaarden 5 met goed gevolg\' af te richten.
De africhting eener klasse remonten kan slechts ?
dan naar wensch slagen, wanneer het personeel, dat |
.. . ?
daarbij wordt gebruikt, geheel voor zijne taak is ? berekend. |
De onderwijzer moet voor zijne werkkring niet alleen de vereischte karaktereigenschappen bezitten, maar ook zoodanig doordrongen zijn van de zeer
I I
I I
l I
^ kracht tegen de hand van den ruiter.
I _ ^ I
z eenvoudige grondbeginselen der paardendressuur, j
? i
j dat hij steeds het «werkelijke,\'\' van het »niet wer- ?
| kelijkequot; kan onderscheiden.
In het bijzonder moet zijn oog goed geoefend zijn ?
| in het onderkennen of een paard al dan niet zijn |
. |
? arbeid als sruggangerquot; verricht. ?
Het is niet gemakkelijk gedurende het geheele j
| verloop der africhting steeds de aandacht hierop |
I gevestigd te houden en zulks, omdat men in latere |
ï tijdperken van africhting zoo licht gevaar loopt ;
j . ?
| niet genoeg acht te slaan op het veerkrachtige en ?
verhevene der beweging, hetgeen ten koste van de t
| verzameling geschiedt. |
De onderwijzer eener klasse remonten moet zich i,
geen auder doel stellen, dan voor den dienst vol- |
? komen bruikbare rijpaarden te vormen. | amp; .. .
| Hii moet dit doel steeds voor oogen hebben en ?
? . . . I
I nooit vergeten dat de africhting slechts het middel ?
| is dat tot het doel leidt en niet het doel zelf. De |
| eerzucht, de lust om veelsoortige moeielijke oefenin- |
j gen van de paarden te vergen, moet hem geheel |
vreemd zijn. j
Niet genoeg kan hij voor oogen houden dat voor j
j het dienstpaard slechts die lessen als eene nuttige i
S ^
i 35 i
É dgt;
I I
Tijdperk der ontwikkeling van de voortdrijvende g
i 1
t voorbereiding zijn te beschouwen, waarbij aan de f
I voorwaarden voldaan wordt eener »onvoorwaardelijk ?
I bijgebrachte houding aan den teugel en der «elastische t
4 . *
? rugwelving.quot; |
De rernonteberijders moeten, behalve dat zij in het i
quot;Jquot; -j.
| bezit zijn der vereischte karaktereigenschappen, ook ?
f een lichten, volgzamen zit hebben, omdat alleen 4
| . I
i; uit dezen zit het ruitergevoel kan worden ontwik- |
J fa
? keld, dat zoo onmisbaar is voor juiste inwerkingen ?
| op het paard. |
De remonteberijder moet niet alleen juist kun- j
j ^
i nen voelen waar het zwaartepunt van zijn paard is ?
I ■ ^
? gelegen ten einde zijn eigen zwaartepunt hiermede
| in overeenstemming te brengen, maar moet ook |
| met ontwijfelbare zekerheid kunnen voelen hoe de ?
t achterbeeneu worden ondergezet, omdat hand- en |
i . ?
j beenhulpen des ruiters eerst diin hun invloed op |
| den achtervoet kunnen doen gelden, als zij op het I
? . é
j oogenblik worden aangebracht dat de bedoelde ach- j
x . , I
i tervoet vooruit treedt. |
j ... %
Wanneer hier en bij andere gelegenheden wordt ?
gezegd, dat de inwerkingen van het onderbeen ? zoowel als die van de hand moeten plaats vin- j
den op het oogenblik dat de achtervoet voor- ?
I
$ . . . . . m
^y-yi ^ y-y-y-yy-y-y-yyy-y-y-y-y-y- •• •y-y-yyy-y-y- o •y-y-yy-y-y-ysy.y.yz)
§ $
kracht tegen de hand van den ruiter.
I
uit treedt, dan vereischt dit misschien eeuige
I
opheldering.
Het belasten van een achtervoet door de inwerking der hand met het doel hem te buigen, kan natuurlijk eerst dan plaats hebben als die achtervoet op den grond komt.
Daar nu de werking eerst intreedt op het oogenblik dat de voet op den grond staat, moet wel het begin der aanhouding plaats hebben tegelijk met het vooruitbrengen van den achtervoet, op welken men wenscht in te werken.
Dit voor den ruiter zoo onontbeerlijk gevoel kan slechts door een zacht meegaan roet de bewegingen
van het paard worden verkregen en zal dan ook on-
ft ....
ij getwijfeld aan dengene ontbreken, die, in eene stijve
? houding en met gespannen spieren te paard zit. Zoo
ó
| dan ook bij het doen eener keuze voor remonteberijder,
? men hoofdzakelijk heeft te letten of de ruiters in
$
j staat zijn een lichten, meegaanden zit aan te nemen,
| dan moet er toch niettemin ook gedurende het rijden
? van jonge paarden steeds naar worden gestreefd,
| deze eigenschap meer en meer te ontwikkelen, en zal
| men stramme houdingen bepaaldelijk moeten tegen-
I gaan.
I
d? £
Pi I
Tijdperk der ontwikkeling van de voortdrijvende
i i
De ondervinding leert dat een militaire zit, |
| zooals men dien gaarne ziet, zeer goed kan aan- 1
genomen en behouden worden, ook al zijn de t
ruiters gedurende de eigenlijke dressuur niet |
voortdurend aan eene bepaalde houding gebon- ?
den geweest, mits de zit meegaande en onge- ?
dwongen zij.
Een goed remonteberijder moet onvoorwaardelijk in staat zijn, om in alle gangen met gesloten oogen zonder te twijfelen aan te geven, wanneer iedere achtervoet voortreedt, hetgeen zich bij een volgzamen zit, door de schommelende beweging van het licht aangesloten onderbeen aan dezelfde zijde van den vóórtredenden achtervoet, duidelijk laat waarnemen.
De africhting der paarden is van zulk een overwegenden invloed op hetgeen een eskadron kan volbrengen, dat de keuze van het personeel, dat voor deze dienstverrichting wordt gebruikt, van groot gewicht is.
Om paarden met goed gevolg af te richten, moet men ontegenzeggelijk het daartoe vereischte
talent bezitten en wel in dier mate, dat het ?
eene dwaasheid zoude zijn tot onderwijzer bij de |
remonten of tot remonte berijder iemand te kie- |
. , . . . X zen, die er niet de vereischte geschiktheid voor j
x £
i X
£ 28
? $ d} dl
kracht tegen de hand van den ruiter.
bezit. Wel kan men een door de natuur naar Hchaam en geest niet nl te slecht bedeeld mensch tot een middelmatigen luiter voor een goed afgericht paard vormen, maar men kan niet allen zoover brengen, dat zij in staat zijn een paard behoorlijk af te richten. Daarom moet men bij de keuze van het personeel, dat bij de africhting wordt gebruikt, niet letten op ouderdom van graad en andere overwegingen en mag men zich door niets laten bewegen, om eene voor de africhting ongeschikte persoonlijkheid voor dezen dienst te gebruiken.
Het is daarom van veel meer nut, weinige, goede africhters te hebben, ook al verrichten zij geene andere diensten dan paarden africhten, dan vele, waarvan slechts weinig voor die taak geschikt zijn.
De africhting eeuer klasse remonten kan alleen met goed gevolg plaats hebben als men van het publiek verkeer is afgezonderd, want het africhten kan niet gepaard gaan met het gewennen der paarden aan genoemd verkeer. Ook moet men niet opzien tegen de moeite en geringe kosten, vereischt, om eene geschikte ruimte met een eenvoudig beschot te omgeven. Het aanwezig zijn van een beschot ver-
i I
t I
Tijdperk der ontwikkeling van de voortdrijvende
I - |
j licht in hooge mate deu arbeid in alle tijdperken i
? ?
i der africhting. |
-f .
? De omstandigheden brengen mede, dat de jonge j
? ?
? paarden niet anders dan in klassen vereenigd kunnen ?
. %
j worden afgericht. ?
In het eerste tijdperk der africhting heeft dit i
I zijne eigenaardige voordeeleu, omdat het er dan 1
z vooral op aankomt, om, bij het gewillig voorwaarts I
^ ^
| gaan, eene goede aanleuning op het mondstuk te ?
è .
s verkrijgen en juist, door het te zamen gaan, wordt jè
? |
? de looplust opgewekt. J
i . i
i In het verder verloop der africhting kunnen daar- i
| aan groote nadeelen verbonden zijn. Daarom is het |
? dan aan te bevelen de paarden op groote afstanden S
| te laten gaan, zonder te eischen dat deze streng |
| worden behouden. |
% • ^
De afstanden in eene remontenklasse dienen hoofd- j
i 4
? zakelijk om zooveel mogelijk ieder ruiter in staat |
j . ... s
j te stellen op eigen gelegenheid zijn paard te be- j
t 5
| werken. I
Het verdient aanbeveling om elk paard beurtelings
j aan het hoofd der klasse te nemen, als ook, om ze, |
1....... 1 \' - - ■ \' \' ■ 1
door elkander rijdende, afzonderlijk te laten be werken. ?
S 2
I I
I t
kracht tegen de hand van den ruiter. S
^ __P
g
De uadeeleu van het rijden in eene klasse zal | men kunnen verminderen, wanneer men de klasse in
tweeën verdeelt, met name de paarden bij elkander | voegt in overeenstemming met de wijze waarop zij j hunnen rug moeten oefenen; alzoo te zamen nemende Z zij, die den rug moeten leeren welven en zij, die i hem moeten leeren ontspannen. De paarden, die den I rug in den gewensehten vorm onder den ruiter geit bruiken, kan men dan indeelen zooals men wenseht.
| ter wille van het aantal of om andere overwegingen,
Z
Bij dusdanige iudeeliug is de onderwijzer in de
I gelegenheid om wanneer de omstandigheden zulks
£
| vorderen de eene afdeeling langs den hoefslag te
| laten bewerken terwijl de andere op de groote
1 volte rondstapt of rust.
J Hulpteugels om bij te brengen, mag men niet
| dan bij groote uitzondering gebruiken.
Wanneer de remonten de voorbereidende oefening
| aan de longe hebben doorloopen en daardoor ge-
| leerd hebben vaa het begin af den rug te welven,
| wanneer verder de onderwijzer de juist veerende
| rugactiviteit gedurende het geheele verloop der af-
?
? richting tot hoofddoel neemt, dau is het verloren i
I I
j gaan van de bijbrenging niet te vreezen.
! i
A 2
A X
£ 31 £
I
4;
Tijdperk der ontwikkeling van de voortdrijvende
Komt dit evenwel bij zeer ongunstig gebouwde
x
i paarden bij uitzondering voor, bijvoorbeeld, bij lan-
| gen, slappen hals en korten nek, en mocht het niet
£
i gelukken de fout te herstellen door eene doelmatige
I . . . S!
| verwisseling van ruiter, dan zal men het beste |
j doen zulke paarden aan de longe te nemen zonder |
I hei gewicht van den ruiter, ten einde op deze wijze i
I het welven van den rug te verkrijgen.
I I
£ • ?
4 Nietteirenstaande het voorafgaande is het 2
X 0 X
i wellicht niet zonder nut hier eene zekere leer- I
A 5!
wijze in het bijbrengen nog meer in \'t bijzon- t
der te bespreken, omdat het in de praktijk j
I eene zoo groote rol speelt bij het militaire rijden |
Onder normale omstandigheden, dat wil zeg- |
geu, wanneer alle paarden door geschikte rui- |
ters onder goede onderwijzers naar juiste ?
I grondbeginselen gereden en als »ruggangersquot; ?
voldoende gevormd waren, zou deze leerwijze ï
tot bijbrengen van het paard genoegzaam ? 1 overbodig zijn.
§ De onvolmaaktheid van \'s menschen doen j
I en laten is oorzaak dat, zelfs als algemeen |
voor gunstig erkende grondbeginselen worden |
in acht genomen, niet alleen elk eskadron bij ?
1 het einde der zomeroefeningen een aanzienlijk ?
I I
099^)0909909ë)S)Si)93099S)993S)S)SK)Sgt;ÉD5gt;399SHgt;é^gt;E)S)$gt;S)93$gt;S)QSKgt;sX!)3SKHH)^)99$)0SH)S)S)3933)S)^9SH^)0S^)s;
kracht tegen de hand van den ruiter.
getal »schenkelgangersquot; heeft gekregen, welker ?
verbetering inzonderheid door bijbrengen is ?
te verkrijgen, maar dat bedoeld middel tot j
? verbetering ook in de remonte- en andere klas- ?
sen veelvuldiger moet worden aangewend dan t wel zou behooren plaats te vindon.
Bij de verbetering door het bijbrengen moet ?
men de volgende twee zaken goed onderschei- ?
den : de wijze om het paard duidelijk te maken ?
wat men van hem verlangt, en de gymnasti- |
sche oefening zelve, nadat men door het paard |
is begrepen. Wil men het paard leeren zich | bij te brengen, dan neemt men het op den
I hoefslag en rijdt in een korten teruggehouden |
stap voorwaarts, zonder acht te slaan op bui- |
I ging) maar goed acht gevende op den binnen- 1
A n
I achtervoet. I
j .... *
De zit moet hierbij zeer licht en meegaand ?
I zijn. Het onderbeen met de spoor moeten x
het paard steeds opwekken in het voorwaarts j
gaan en behooren dit te doen in de oogen- j
blikken, die door een goed rijkunstig gevoel |
instinctmatig worden aangeduid; gelijktijdig j
moeten de handen door lichte aanhoudingen j
de gevoelzenuwen der lagen opwekken en |
| feitelijk het paard terughouden.
Na korter of langer tijd zal het oogenblik ?
ff
1 i
| 33 c 1
%
I I
I i
I I
Tijdperk der ontwikkeling van de voortdrijvende ^
§
I
aaubrekeu, dat het paard, gevolg gevende aau J beide inwerkingen, den hals, als \'t ware, ombuigt en zich, om zoo te zeggen, «achter den g teugelquot; werkt.
Het komt er op aau dit oogenblik juist |
waar te nemen en reeds, zoodra men voelt dat
het paard nageeft, houdt de werking der hand |
^ ... , £
op en blijft passief op haar werkingspunt, i.
waarbij de ruiter alleen zorg heeft te dragen |
I
i
x dat het paard voorwaarts blijft gaan.
Men blijft alsnu zoolang passief afwachten |
? O
| als het paard met naar beneden gebogen hals ?
voorwaarts gaat en begint eerst dan weder in I
te werken, zoodra het uit die houding tracht te 1
komen, dan zal na korten tijd het paard vol- 1
komen begrijpen wat de ruiter van hem verlangt. I
Op den grondslag dezer bewerking begint ?
nu de gymnastische oefening, in draf en in |
galop, welke inzonderheid ten doel heeft de |
achterbeenen tot veerkrachtige eu vrije bewe- |
gingen uittenoodigen, waarbij dan ook de rug | gewelfd eu de hals gebogen moeten zijn.
Hierdoor zal het aanvankelijk »achter den |
teugelquot;gebrachte paard, »aan den teugelquot; komen. |
Het spreekt vanzelf dat bij deze oefening een voldoende lust tot gaan bij het paard aanwezig moet zijn.
I M |
j
| i kracht tegen de hand van den ruiter.
i
Is dit niet het geval, dan moet de looplust |
o . •» n
worden opgewekt door het paard in vrije gan- i
gen krachtig voorwaarts te drijven, al moet |
11 it nfiIr trpsnliipflpn tprwi\'i 1 lipt nn.fl.rd nipt in t
s dit ook geschieden terwijl het paard niet in |
^ de goede houding is.
Zulks moet telkens worden herhaald, zoodra 1
de looplust begint te verminderen.
Het is van veel belang dat de onderwijzer I
in staat is, de aangegeven middelen om het ?
1 paard bij te brengen, den ruiters aan te toonen, i
omdat zij het dau veel spoediger begrijpen t
i dan door eeue mondelinge uitlegging. i
1 I
i . i
? Nog minder dan het gebruik van bijbrengende- ?
| zijn oprichtende hulpteugels aan te bevelen. |
Zelfs korte, onbuigzame ruggen die in den be- |
dj , 2
X ginne bij eene zeer lage hoofdstelling worden vast- ?
^ A
| gehouden, zal men niet door een werkzaam op- |
^ ^
| richten tot nageven brengen, hoewel men ze hier- i
| door wel tijdelijk kan beletten, dat zij met kracht |
\'X. . \'S
J tegenwerken. Vrije gangen, in eene niet te verza- i
j t
| melde houding, derhalve met niet te kort gehou- ?
ff •• ^
i den teugels, zullen bij het begin der africhting I
£ |
| reeds het spannen van den rug zeer verminderen, |
en wanneer dau later in het verzamelingstijdperk I
J__L.
I \' 35 1
s
J i
$ i \'. i
»
Tijdperk der ontwikkeling van de voortdrijvende
iets krachtiger terugwerkende teugelaanhoudingen, £
die op \'t juiste oogenblik wordeu aangebracht, door I
den rug gaan en deze als \'t ware weeker maken, ?
zal zich zeker gaandeweg de elastische veerkracht I
4
van den rug ontwikkelen.
Ook zal men bij dergelijke paarden zoo noodig j
den rug iets meer kunnen belasten en de handen J
een weinig hooger plaatsen, ten einde zoodoende | beter op den rug in te werken.
Het gebruik van een zoogenaamden, lossen neus- t
riem is zeer aan te bevelen. Schaden doet hij nim- i
nier, doch is in de meeste gevallen van zeer veel nut. j
| Zonder neusriem is het paard bij machte, door het |
? openen van den mond, zich aan de inwerking van |
| de teugels te onttrekken. ?
%
Het ware nageven heett echter alleen plaats als :
i .. ?
j ook de bovenkaak wordt bijgebracht en niet de on- |
? A
? derkaak alleen. i
De onderwijzer moet vooral toezien dat de neusriem op de juiste maat wordt vastge-gespt. Veelal hebben de ruiters de neiging hem te vast te gespen, denkende dat het paard door een nauwsluitenden neusriem lichter in de hand is. Het tegendeel is waar.
i* is \'
1 36 I
9sgt;3gt;3És)S)33339sgt;ï)339f)5gt;35»aSgt;a!gt;33S»3a9ï):gt;ïgt;3?)5)^j»S)aD39a3^
kracht tegen de hand van den ruiter.
(De ruiter moet steeds drie vingers, plat naast elkander, tussehen den neus en den neusriem kunnen plaatsen).
JL Het eerste „recht vóónvaarts richtenquot; van liet paard.
Zoodra de jonge paarden zóóver gevorderd zijn, dat zij, in draf, met lage hoofdstelling gewillig achter elkander langs den hoefslag gaan, trachtte men de achterhand en de voorhand in de strekking der beweging juist op elkander te richten, omdat alleen dan kan verkregen worden, dat de voortdrijvende kracht der achterhand tegen de hand van den ruiter tot volle ontwikkeling komt.
Van nature is het jonge paard steeds geneigd, ouder den ruiter, met één achtervoet (meestal den rechter), in stede van rechtuit, zijwaarts te treden. In de besloten rijbaan komt hierbij de omstandigheid, dat het paard aan zijne neiging overgelaten met schouder en heup evenver van den wand der rijbaan verwijderd loopt en daardoor reeds in eene scheeve houding gaat, omdat elk paard breeder is in de heupen dan in de schouders.
O5gt;=gt;3£0s)^.%gt;5»Diö9?Hgt;=)=)?gt;?)5»D:)=gt;9dDa5)!*^;Hgt;ï)3)3?)^^
I I
l ^ I Tijdperk der ontwikkeling van de voortdrijvende
$ S
I i
Daarom moet de ruiter, op de rechterhand rijdende, $
| des te meer trachten door eene verplaatsing van |
I zijn gewicht en door de werking der beide handen I
| naar binnen, den buitenschouder van het paard j
| van den wand der rijbaan af te brengen. |
| De natuur schijnt het paard de gave ontzegd te ^
* ... ^
i hebben met zuiver rechtuit gerichte wervelkolom i
| I
| onder den ruiter te gaan. j
£ ^
i Om het paard in al zijne deelen veerkrachtig te |
I voelen, moet ook de ruiter, zelfs bij het gaan op de I
rS t
| rechte lijn, steeds eenige buiging — hoe gering dan |
(J) lt;5
I ook — aan de wervelkolom van het paard geven. |
i De achterhand en de voorhand moeten ook dan
§
| echter zóó op elkander gericht zijn, dat de eerste | geheel en al op de laatste inwerkt. Wij noemen dit het rechtuit rijden van het paard, de achterhand
I
X betrekkelijk recht gericht zijnde op de voorhand,quot;
| of wel de »betrekkelijk rechte richtingquot; van het paard. |
£ .... . ^
| In de besloten rijbaan bevindt zich het paard in j
| eene «betrekkelijk rechte richtingquot; wanneer de bin- i
^ %
i nenschouder en binnenheup, evenwijdig aan de wand |
| der baan, op elkander zijn gericht en de wervelkolom |
| in hare geheele lengte zóóveel gebogen is, als noodig |
S
j om te maken dat de buiten achtervoet niet zijwaarts
JL $
i i Qg30@99S»39906^)9S)996%)93^)S)g»g)993Sgt;^g»996»993Kgt;9S»999eKgt;?)99009s)lt;%)99399^)9909S)906)S)99^)099
1 1
^ kracht tegen de hand van den ruiter.
s
| wordt geplaatst, maar recht onder den last treedt. |
werking van de voortdrijvende kracht der achter-
hand tegen de hand van den ruiter wordt verkregen, «
| maar ook dat het paard, in de ruime gangen, I
| door die geringe buiging in een voortdurend nage- i
? ven wordt gehouden en derhalve steeds gereed is i
| om van den hoefslag af te wenden.
S . 4
Zoodra de jonge paarden gewillig de hulpen vol- ?
| gen, die den buitenschouder naar binnen moeten |
o brengen, is het eerste wat men moet trachten te |
| verkrijgen, hen de beschrevene «betrekkelijk rechte i
x richtingquot; eigen te maken. ?
Terwijl alzoo de ruiter, door verplaatsing van zijn ?
? gewicht en de werking zijner beide handen naar bin- |
S £
| nen, den binneuschouder vóór de binnenheup brengt, ?
| moet hij tevens trachten de daarbij behoorende bui- |
| ging der wervelkolom van het paard te verkrijgen. ?
* . . . i?
| Het middel om zonder dwang deze buiging te ver- j
| krijgen, is het aannemen van een daarvoor vereisch- ? | ten zit, dien wij den »buigingszitquot; noemen.
1 \'---- J 00 -------- |
Deze »buigingszitquot; berust hierop, dat de ruiter j
* £ ® Dit »betrekkelijk recht richten,quot; alzoo het rechtuit -
i
i niet alleen het voordeel dat door haar eene volle I
I I
i werking van de voortdrijvende kracht der achter- 4
1
rijden met eenige buiging der wervelkolom, verschaft
39 |
^ i
i
Tijdperk der ontwikkeling van de voortdrijvende
É ---------------------------------------------- *
steeds zijne heupeu evenwijdig houdt met de heupen I
S ..... ;..... ^ 1
van het paard en zijne schouders evenwijdig met de
| schouders van het paard, zoodat bij het, om het j
| binnenbeen zuiver gebogen paard, de binnenheup ?
S en de buitenschouder van den ruiter evenveel voor- |
1 *
| gebracht zijn eu wel in eene mate, overeenkomstig ?
4 den graad van buiging van het paard.
I ... . . I
j Wanneer de ruiter, bij volkomen buigzaamheid |
^ .... £
| van al zijne lichaamsdeelen, dezen »huigingszitquot; aan- |
S
neemt, dan is het zeker dat ook langzamerliand het
i quot; i
? paard zonder dwang de verlangde buiging zal aan- |
i: gt; ^
^ nemen, want als het iets naar voren geplaatste bin- j
ft ^
^ nenbeen van deu ruiter, bij elk vóórtreden van den j
? binnenachtervoet, met het onderbeen en zoo noodig j
| met de spoor op den buik van het paard inwerkt, |
| dan wordt het daardoor genoodzaakt zich in de i
| ribben te buigen. Zijn iets meer naar achteren ge- |
| plaatst buitenbeen zorgt voor het niet afwijken van ?
? . Z
i den buitenachtervoet. j
? I
\'s Ruiters vóórgebrachte buitenschouder doet het ?
I gewicht van zijn lichaam naar voren eu naar binnen j
| overbrengen, hetgeen, in verband met zijne naar bin- ?
t nen werkende handen, den buitenschouder van het -i
5 -1 , , , ... , T 1 \'5
paard van den wand der rijbaan verwijderd houdt.
I $
$ *0 %
1 I
2 ^ 2 S
kracht tegen de hand van den ruiter.
a ®
amp; ®
r- • S
x Het spreekt van zelf dat iu overeenstemming met i
ff J
1 de geringe buiging, welke liet »betrekkelijk recht ?
%
richtenquot; in dit tijdperk vau het paard vordert, ook
de »buigingszitquot; slechts in zeer geringen graad moet |
worden aangenomen. |
Het kan iu sommige omstandigheden uoodig ziju |
de oefening iu het recht richten der achterband op ?
| de voorhand te staken en toe te laten dat het paard |
? voorloojng nog den hem gemakkelijk vallendeu, |
ff \' $
$ scheeven gaug behoudt, namelijk, als tengevolge der *
amp; . . . , ^
| oereniug in het betrekkelijk recht richtenquot; van het |
dj . ^
1 paard, dit hem zóó moeielijk valt, dat het »onvoor- p;
| waardelijk bijbrengenquot; of wel de looplust verloren ?
ij.
dreigt te gaau. |
s
Zijn deze weer verkregen, dan eerst vangt men opnieuw aan met de oefening in het recht richten vau de achterband op de voorhand.
5. Levendig voorwaarts rijdeu, de achterliand be-trekkelijk recht gericht zijnde op de voorhand, alzoo met buiging der wervelkolom.
Hoewel de oefeningen iu het rechtrichten der achterhand op de voorhand reeds moeteu geschied zijn met krachtig veerende achterbeenen, zoo moet men
1 1 ? 4i i.
i JL.
«3S)s»É995B9900a6)99gg)9»9S)99993S»993^)S)S)9i)g0a990999s)S»S)39S»ggt;s)9999999g999S^)39gg5^»9S09909
i 1 Tijdperk der ontwikkeling van de voortdrijvende |
i I
zich toch hoofdzakelijk ten doel stellen, zoodra de | | paarden op de daarvoor vereischte inwerkingen | gewillig met de achterhand «betrekkelijk recht gerichtquot; |
8
ÜS
j , . , , .....?
ï
^ op de voorhand voorwaarts gaan, om de achterhand A
■gt; • ^
£ geheel en onverdeeld tegen de hand van den ruiter |
I n ö\'r» i y~i Timy Iron I lif £11quot;» tyiqc»C! rv^trri rtK i oi-ö 1
te laten inwerken. Dit eerste en meest gewichtige doel der africhting kan slechts door het rijden van
|
ï ruime gangen worden verkregen. 2
Al moet men in dit tijdperk bij voorkeur een 4 5 beslissenden draf rijden, zoo is toch een vrije galop, | | die zich door zijn eigen cadans onderhoudt, niet al- | i!; leen niet verwerpelijk maar zelfs zeer aan te bevelen. |
Bij het grootste gedeelte der paarden zal de beoe- j
fening van den galop, reeds in dit vroege tijdperk
der africhting, geene moeielijkheden of bedenkingen |
opleveren, want de galop is een natuurlijke gang, ?
die door de paarden wanneer zij in vrijheid zijn ?
Jij
veel meer gebruikt wordt dan de draf.
Reeds door de voorbereidende longe oefening |
| hebben de meeste paarden daarin eene zekere ge- j
I 4 ................ ................. 1
s
oefendheid verkregen, ten minste om, zonder het %
è
gewicht van den ruiter, in juiste houding, met geca-danceerde sprongen te galoppeeren.
Door de reeds ondergane oefening in het recht- ?
0 amp;
? S5
? 42 I
i 1
I I
I I
? kracht tegen de hand van den ruiter. ±
richten van de achterband op de voorhand zijn zij voorbereid om dit ook onder het gewicht van den ruiter te doen.
Wanneer er zich enkele paarden voordoen, die zich bijzonder ongeschikt betoonen in het ontwikkelen en onderhouden van den galopsprong, zal men goed doen hen dagelijks op beide handen aan de longe te laten galoppeeren, tot dat zij zich dien gang eigen hebben gemaakt. Men kan dan de oefening dier paarden, onder den ruiter, bekorten.
Het verdient geene aanbeveling in dit tijdperk de geheele klasse te gelijk in galop te doen gaan, omdat de paarden elkander dan te veel zouden verontrusten.
Men neme liever vier of vijf paarden te gelijkertijd en verdeelt ze over den geheeien hoefslag, zoodat ieder zich op zich zelf beweegt. De overige paarden laat men dan in het midden der baan opmar-cheeren of rondstappen.
De ontwikkeling van den galop uit den draf, bij bet betrekkelijk recht richten der achterband op de voorhand, zal in \'t algemeen met weinig moeite gelukken, wanneer de ruiter met sterker werkenden buitenteugel op den binnenachtervoet inwerkt en
i
Osgt;agt;9i0s)S)?0a5gt;5)D0039a3)3S)!gt;S)999039iDsgt;igt;5gt;D0995gt;5)9S)?)5)j)^^
1 i £ 43 a
i i
Tijdperk der ontwikkeling van de voortdrijvende
S
gelijktijdig met het iets naar voren geplaatste binnenbeen krachtig medewerkt om den binnenach-tervoet tot een vermeerderd onderplaatsen aan te sporen, terwijl het buitenbeen door een vermeerderden druk zich goed moet verzekeren van den buitenachtervoet, zelfs, in sommige gevallen, de achterhand naar binnen brengen. Zoo noodig kan ook de tongslag of de karwats op den binnenschou-der hiertoe meewerken.
Hoe fijngevoeliger en juister deze hulpen worden aangewend, des te bedaarder zal ook de ontwikkeling van den galop plaats hebben.
Aan het licht en sierlijk aanbrengen der hulpen bij het aangaan in galop moet van \'t begin af en telkens eene groote waarde worden gehecht, omdat de neiging van den ruiter tot het tegendeel bijzonder groot is en dit van grooten invloed is bij het in galop gaan der geheele afdeeling.
Indien de cadans van den gang niet voldoende
is om het paard in galop te houden, is het aan te ? bevelen dat de ruiter zijn binnenbeen krachtiger £ aandrukt in de oogenblikken dat de achterhand |
onderspringt. ?
X
In dit tijdperk vooral moet men, zoowel in draf J
amp; 44 £
kracht teffen de hand van den ruiter.
*
| als in galop, bijzondere zorg dragen dat de rug |
| van het paard voor iederen schok of harde inwer- |
I king worde gespaard, door in den gang met de I
? beweging van het paard licht mee te gaan, ten |
| einde zoodoende de «elastische rugwelvingquot; te be- i
| stendigen. |
Werkzame teugelaanhoudiugen moet de ruiter |
? . |
? vooralsnog zooveel mogelijk vermijden.
i . |
Zelfs de aanleuning op het bit moet in dit ?
^ j
j tijdperk bij eene juiste werkzaamheid van den rug ?
1 iets veerends hebben en raag derhalve de hand niet %
X i;
i onaangenaam belasten. j
De stap is in \'t algemeen maar vooral in dit tijdperk |
j een gang, die weinig geschikt is voor het bewerken j
I van het paard, en wel omdat hij het gecadanceerde |
? van den draf en den galop mist.
i . ?
i Ofschoon de stap in hoofdzaak dient om het X
4 I
| paard weder op adem te laten komen en te doen J
I uitrusten, zoo behoort de aandacht van den ruiter |
£ .. ^
4 toch er op gevestigd te blijven, dat, al gaan de ?
j è
4 paarden met meer gestrekten hals, de aanleuning j
5 op den teugel niet mag verloren gaan. ?
Om deze te behouden moeten de paarden ook in ?
-f ,
? stap worden aangedreven, hetgeen geschiedt door j
n ^
if
I i
Tijdperk iler ontwikkeling van de voortdrijvende |
- I
I
het ouderbeen in de tijdmaat van den gang aan te
¥ drukken. ?
è |
Zonder het als eene bijzondere oefening te be-| schouwen, moet de ruiter nu en dan trachten om
| ook stilstaande zijn paard het bit te doen afknab- |
| beien. |
De veereude rug en het, daarmede in nauw ver. I
baud staande, buigzame nekgewricht, zijn de meest |
I onontbeerlijke voorwaarden voor eene werkelijk goede | | africhting.
Men kan er zich dus reeds bij het begin der ?
jj africhting niet genoeg op toeleggen om het paard ?
? die hoedanigheden te doen verkrijgeu. j
§
Bij het doorrijden der hoeken moet de ruiter er vooral op bedacht zijn om de regelmatigheid van deu gang niet te verliezen, reden waarom zij vooral in het begin der africhting goed moeten wordeu I afgerond. Het paard zal vlotter door de hoeken
j gaan naarmate het beter rechtuit heeft leeren gaan j
| met de achterhand betrekkelijk recht gericht op de ?
| voorhand. ï
J ?
Men trachte nimmer dit eerste tijdperk der af- *
| richting te bekorten. J
^ i i ^
Men moet aan geen verzamelen denken zoolang j
I I
I
£ £
399Sfö333£gt;aRgt;3Sgt;33Sgt;3a)~)33é)5gt;39egt;3)33s)S)3gt;33399a£)339sgt;33ggt;3^
i 1
| kracht tegen de hand van den ruiter.
^ men niet van elk, zelfs van het minst gunstig ^
het bestendig met zooveel wilskracht voorwaarts
| gebouwde paard der klasse heeft verkregen, dat |
i i
!j gaat, dat men een veerende aanleuning op de hand j
S . . . o
| voelt terwijl het paard zich rechtuit beweegt met |
I
| buiging der wervelkolom, in «onvoorwaardelijk bij-
^ X
^ gebrachte houdingquot;, en met selastische rugwei- |
I ving.quot; I
^ i
Den tijd, dien men gebruikt om dezen grondslag ?
4 _ ..... é
te leggen, zal men later ruimschoots winnen, want slechts daarop bouwende is het mogelijk te bereiken, dat de paarden, niet alleen gedurende den nu volgenden, onmisbaren arbeid der verzameling, maar ook later in het gebruik, »ruggangersquot; blijven.
i I
1 I
1
li1 TIJDPERK.
DE »EVENWICHTSHOUDINGquot;.
Het brengen van het paard in de „even-wichtsverhoudingquot;, door het rijden met zijdelingsche buiging der wervelkolom.
1. Wat verstaat mon bij de rijkunst door de
X \' Z
? „eveinvichtslioudingquot;.
2 | Onder de »rijkunstige evenwichtshoudingquot; verstaat j
è rgt;
I men de houding, welke het paard aanneemt, als het j
j •
j zoowel stilstaande als in gang den last van het *
^ r
? geheele lichaam op de ondersteunende voeten ge- ?
^ £
| lijk verdeelt. |
S ï
4 48 6
« \' I
j Tijdperk der »evenwicntshoudingquot;.
Of een paard in »rijkunstig evenwichtquot; is of niet, kan slechts het rijkunstig gevoel met zekerheid beslissen. Het paard dat »aan den teugelquot; is, bevindt zich in de »evenwichtshouding.quot;
Evenals in het eerste tijdperk, bij »het richten van de achterhand op de voorhandquot;, de aanleuning »op den teugelquot; een vereischte is, zoo is ditde aanleuning »aan den teugelquot; gedurende het tijdperk der »even-wichtshoudingquot;. Daar de voorbeenen door de natuur meer belast zijn dan de achterbeenen, kan het »rijkunstig evenwicht\'\' slechts worden verkregen
S
| door de paarden eene houding te doen aannemen,
| waarbij een gedeelte van den last der voorhand
| door de achterhand wordt overgenomen.
Deze, den paarden te geven, kunstmatige hou-
? ding, de »evenwichtshoudingquot; genoemd, moet het x #
I gevolg zijn van een zeker in elkander schuiven der
js wervelkolom, waardoor de bijgebrachte voorhand te-
1 rug — en de achterhand naar voren wordt gebracht.
| Doordat de achterbeenen zich in heup-, knie- en
? spronggewrichten buigen, treden zij meer onder
| den last van hot lichaam, waardoor de achterhand
| in verhouding tot de voorhand lager wordt.
Slechts op deze wijze laat zich de «evenwichts-
§
-f 49 D
i I
É É I Tijdperk der »evenwiohtshoudingquot;.
1 . I
| houdiog,quot; met de «elastische rug welvingquot; ende»on- $
voorwaardelijk bijgebrachte houding aan den teugelquot; |
vereenigen.
Een paard kan met laag gesteld hoofd gaan en toch volkomen in de ^e ven wichtshouding1\' zijn.
I ........ .
rfgt;
* . I
| Hiertoe moet het verzameld zijn en de achterhand, j
j é
s bij een goed voortreden, door buiging in de heup-, 4
4 t
| knie- en spronggewrichten ouder het zwaartepunt |
I geplaatst zijn, en zich daardoor lager maken. 1
Het renpaard en het dienstpaard moeten in den j
£ Z
1 langen galop met laag gesteld hoofd gaan, willen ?
I zij met goed gevolg aan hunne bestemming beant- |
I ^
| woorden. Het renpaard heeft alsdan eene hou- ?
| ding aangenomen waarbij het gewicht meer op de I
voorhand is geplaatst, terwijl het dienstpaard zich in |
I . .
| de »eveuwichtshoudingquot; bevindt. De jonge paar- 4
1
den loopen gedurende het eerste tijdperk der dressuur met het gewicht meer op de voorhand, terwijl de meest begaafden onder hen bij de oefening van het richten der achterhand op de voorhand, ten gevolge van het veerend ondertreden der achterbee-nen, reeds meer »de even wichtshoudingquot; nabij komen. Nu evenwel moet men zich teu doel stellen ze allen in de »evenwichtshoudiugquot; te brengen, door
1
so |
i
| Tijdperk der »evenwielitshoiidingquot;
1 I i - -------------------------------------- .
s
| de wervelkolom meer in elkander te schuiven en | de achterhand lager te krijgen, ten gevolge van
f\' 0 t Sj;
I vermeerderde buiging der verschillende gewrichten. %
1 ?
i i | 2. Buiging\' der wervelkolom, als middel ter ver- |
I
krijgiug van liet rijkunstig evenwicht.
De overgang van de houding waarbij de last meer op de voorhand is geplaatst tot de «evenwichts-houdingquot;, moet men langzamerhand trachten te verkrijgen door trapsgewijze de oefening op te voeren naarmate de spieren van het paard in staat geraken het skelet voordurend in de »evenwichtshoudingquot; te doen verblijven.
$
s i
t Daar zooals reeds vermeld is, eene elastische 4
| werking van het spierenstelsel slechts dan plaats
I heeft als de wervelkolom een weinig gebogen is, al
I is deze buiging ook nog zoo gering, is men genood-
i zaakt zoodanige oefening aan te wenden, waarin
^ aan die voorwaarde wordt voldaan. —
%
? De buiging der wervelkolom brengt mede dat
i deze laatste aan de holle of binnen zijde meer
8
ï in elkander wordt geschoven,, waardoor de achter- i I voet van die zijde genoodzaakt wordt meer vóór |
*
te treden. i
ï i?
I
51 1
1 i I i
J Tijdperk lt;ler »evenwiehtshonclingquot;. ji
Het ligt daarom voor de hand, dat de buiging S
der wervelkolom, die, hoe dan ook, niet te vermij- i
den is, als middel wor.lt gebezigd ter verkrijging ?
van de »evenwichtshouding,quot; zoodat, bij het meer |
opvoeren der oefening, ook het in elkander schui- |
ven en het voortreden van den binnenaehtervoet |
wordt vermeerderd. ?
Wisselt men nu met de buigingen aan beide I
$
zijden op eene goede, geregelde en aan de krachten |
x
van het paard geëvenredigde wijze af, dan zal men | zonder twijfel verkrijgen, dat het paard, ook bij het «betrekkelijk recht richten van de achterhand op de voorhand,quot; zóó in elkander is gesehoven, en die ontwikkeling der achterhand heeft verkregen, welke voorwaarden zijn der »evenwichtshouding.quot;
3. Imverkingr van den ruiter op liet paard, bij hot rijden met buiding- der wervelkolom. („Bnigingslcssenquot;).
Terwijl bij dezen gedachtengang het beginsel | j wederom op den voorgrond treedt, dat de dressuur $
| ten doel heeft, het paard zulke houdingen te doen | | aannemen waarin het gedwongen is zichzelf te be- i
| iS
€gt;i)^^3D99Sgt;3SH)!)ï)5H)a2)35)sgt;5)35)5gt;=)3S»=»:)3ïgt;?gt;35)9Sgt;3b^
I I
I I
Tijdperk der »evenwiclitshoiidiiigquot;. ^
I ; ; ~~ .. I
p werken, bestaat de inwerking van den ruiter bij |
I het verzamelen vau af het tijdperk, waarin de lichaams- 1
| last meer op de voorhand is geplaatst, tot de »eveu- |
$ wichtshouding,quot; uitsluitend in het streven om bet |
i paard zuiver gebogen te houden.
Is de buiging zuiver, met andere woorden, is de f
i wervelkolom van voren naar achteren als een ge- i
| deelte van een cirkel gebogen en wel iu een\' graad, |
1 geëvenredigd aan de richting en tijdmaat der be- ?
%
4 weging, dan gaat het paard ook in de sterkste
4 . . . 4
buigingen in zóóverre rechtuit, dat ook dan vóór- |
i
en achterband in staat zijn vol en krachtig op elk- |
ander in te werken. i
De ruiter op het aldus gebogene paard steeds |
voor de zuiverheid der buiging zorgende, moet met |
Tl*
het binnenbeen of met de binnenspoor in de tijd- i
z
maat van cleii gang den binnen achtervoet tot een ?
vermeerderd vóórtreden opwekken, terwijl zijne ban- i
den öf op hun werkingspuut blijven staan, óf, al ?
naarmate dit noodig is, door aanhoudingen in de |
richting van dien achtervoet, een gedeelte van de | zwaarte der voorhand daarop overbrengen.
A ^ r ^. 11 — „ „ — 1 . i\'_i____i — i^ ______ i _r _ i.
S
Niet alleen zal de vóórtredende achtervoet zich door deze meerdere belasting buigen, maar ook
J_________________
^ *
J 53 J
i I
I i
I I
Tijdperk der »evenwichtshoudingquot;.
I - ~ I
n i • • ^
i net gewicht der voorhand wordt in dezelfde mate i
? teruggebracht als die achtervoet dea hem toege- |
5 schoven last gewillig overneemt. i
De ruiter heeft bij de oefening in de »buigings- j
? lessenquot; eveneens eene dubbele werkkring. I
J ^
Vooreerst moet hij zoodanig voor de zuiverheid |
? der buiging zorgen, dat achter- en voorhand steeds j
? juist op elkander kunnen inwerken ; vervolgens j
? moet hij dit op elkander inwerken op passende i | wijze bevorderen.
Evenals de juiste zit, die het gewicht van den |
ruiter met dat van zijn paard in overeenstemming |
weet te brengen, in \'t algemeen, de grondslag is I
i • • . ^
| voor zuivere inwerkingen, zoo is de juiste «buigings- |
| zit,quot; het grondbeginsel voor zuivere inwerkingen |
? gedurende de »buigingslessen.quot; Ofschoon de regel, j
| dat de heupen van den ruiter aan de heupen van |
| het paard, en zijne schouders aan die van het ?
j paard evenwijdig moeten zijn, eene maatstaf is voor |
X x
J den aan te nemen »buigingszit,\'\' zoo kan slechts i
| het rijkunstig gevoel met zekerheid beslissen of de |
? . ^
| zit van den ruiter werkelijk in overeenstemming is |
% , %
? met de buiging van het paard. j
I
Wanneer het paard gewillig de van hem ver- J
* i $ 54 I
i 1 09S)^)393a3S)S)S)6»303SH»5gt;^»S»9S)SK»a5)3ï»9999S)S»9S»Sgt;99SÖS»905H»ï»9Sa99S»a9S)909S»S)aS)5Ma6»
f 1 1 I
* Tijdperk der »evenwichtshoudingquot;.
| langde buiging heeft aangenomen is het binnen- ? been van den ruiter geplaatst, daar waar de bin- A
v LLl 1 UCU. VttULL t« IA II. 1 uc KJ t U~
nenzijde van het paard het meest gebogen is; het
£
paard buigt zich derhalve om het binnenbeen van | • • •
den ruiter. Terwijl nu dit been licht tegen het |
paard is aangesloten, wordt het als van zelf reeds |
daardoor aangespoord om met den binnenachtervoet |
• ^
verder vooruit te treden. j
De binnenteugel werkt in de richting van den I
§
binnenachtervoet, en is derhalve te beschouwen als |
eene koorde van den boog, die door de wervel- j
|
kolom wordt gevormd. |
Doordat de binnenband in deze richting zacht |
?
tegenhoudt, zal het paard genoodzaakt worden zich ?
tegen haar af te stooten, telkens als de binnen- ?
achtervoet weder voortreedt. De graad van buiging ?
der gebogene zijde staat in nauw verband met de |
werking der buitenhulpen, die in zekere mate den ?
boog spannen. | Het buitenbeen van den ruiter, overeenkom- ?
z stig den buigingsgraad in mindere of meerdere j
? mate teruggeplaatst, beheerscht den buitenachtervoet. |
i Alhoewel dit been in \'t algemeen slechts in lijde- |
z . |
? lijke voeling met het paard behoeft te zijn, ten einde ^
X é
A S
i
Tijdperk der »evemviehtshoudingquot;.
te beletten dat door uitwijking, dat is zijwaarts
I
I plaatsen van den buitenachtervoet, het zich aan de |
o i • ^
werking onttrekt, zal toch nu en dan dit been |
\'ë
werking onttrekt, zal toch uu en dan dit been
? krachtiger moeten inwerken, ten einde dien voet
| meer voortdrijvend te doen treden, in tegenstelling |
(f- A
| met den meer dragenden binnenachtervoet. £
x . . è
| Wil men den buitenachtervoet aansporen om 4
| levendige passen te doen, zoo zal de ruiter het |
| paard met de spoor licht aantikken in de tijd-
| maat van den gang. Ook kan het voorkomen dat
| hij door vermeerderden druk van het onderbeen of
! door de spoor en met de hand nagevende, het paard
tot krachtdadiger voorwaarts schuiven van zijn ge- ?
5 . è
6 wicht moet aansporen zoodra aanhoudend terug- £
S
a
•• •
? blijven van den buitenachtervoet merkbaar wordt. | De buitenband, die bij een voorgerichten buiten- I
(? ^ rj;\'
| schouder in \'t algemeen boven de schoft hara jS;
i . ?
J plaats zal vinden, beheerscht den buitenschouder |
I van het paard door den zich om den hals sterk I
| buigenden buitenteugel. Haar werk is door aan- |
% . . ?
t houdingen in de richting van den binnenachtervoet,— ?
j welke aanhoudingen krachtiger moeten worden aan- j
^ . . ?
1 gebracht naarmate zulks noodig is — te beletten, dat ?
| het paard door te groote passen van den buiten- j
ij
« 53
2
j 66 |
lt;•
0=)5gt;^»s)5)sgt;935gt;D?gt;5gt;idD5)5gt;35»990a90rgt;=gt;2gt;5^^
i I
1 I
Tijdperk der gt;evenwichtshoudiiigquot;.
x voorvoet zich bestendig aan de buigius onttrekt. I
i . I Daar hierdoor de buitensehouder meer ontlast ¥
I i
s wordt, is het hoofdzakelijk de buiteuteugel, die ver- x
i ?
? zamelend op het paard inwerkt, omdat hij niet ?
| alleen den binnenachtervoet belast en buigt, maar |
| ook de voorhand terugbrengt naarmate die achter- |
I voet den last gewillig overneemt, zoodat alsdan de |
ij, _ .. 1
| hals meer opgericht en zuiver gebogen te voorschijn |
1 komt. I
I |
| De omstandigheid dat de, in hoofdzaak dragende jj
^ l . lt;-
« binnenachtervoet, onder het zwaartepunt tredende, ?
ft ^ ft
% zich onder den last buigt, brengt mede dat de naar ij
| j
| voren geplaatste binnenheup van den ruiter, even- |
jj j
| als die van het paard, iets lager komt dan de bui- i
| tenheup, waardoor dan met iedere zuivere buiging
| van het paard eene daaraan geëvenredigde gewichts-
%
| verdeeling van den ruiter naar binnen overeen-
i komt.
De voorgebrachte en lager geplaatste binnenheup
| en de vóórgebrachte buitenschouder bevorderen een |
| Juist méégaan van den ruiter in de buiging van i
\'■ . . i het paard, waardoor eene zuivere harmonie tusschen |
I ruiter en paard ontstaat. De hier beschrevene zit I
£ . £
£ van deu ruiter op het gebogeue paard, gepaard t
i I
1
Tijdperk der »evenwichtshoudingquot;. ^
. ^ ...... - quot;quot;quot; |
*
aan de door hem verrichte inwerkingea, doen het |
paard als van zelf in de buiging gaan, die van S
hem verlangd wordt. ?
Het spreekt vanzelf dat, zoolang dit nog niet ?
heeft plaats gehad, menigvuldige afwijkingen ten |
opzichte van dien zit moeten voorkomen; vooral i
zal er dikwijls aanleiding bestaan om het binnen- I
i
been meer naar achteren te doen inwerken, met *
?
name, als de binnen-achtervoet niet voldoende onder 4
i
den last treedt en zich, door zijwaarts uitwijken, |
aan de buiging tracht te onttrekken. |
rt*
2
In zulk een geval moet de werking van het bin- | | nenbeen krachtig ondersteund worden door een |
1 tegenhouden van de voorhand met den buitenteu- s
? ■ .. .. I
2 gel en door een tijdelijk verplaatsen van het ge- |
? wicht op het binnenzitbeen. s
i ^ Beproeft daarentegen het paard, door het buiten- ?
| waarts afzetten van den buitenacbtervoet zich aan |
| de buiging te onttrekken, niettegenstaande het bui- |
I tenbeen dit tracht te beletten, dan kan de ruiter I
| wel genoodzaakt zijn den buitenschouder vóór den *
£ 3?
| buiten-achtervoet te plaatsen, door met den buiten- 3 ? ••
\' teugel de voorhand zijwaarts te brengen.
Vooral zal bij deze handeling een vermeerderd |
I i
doorzitten van den ruiter op het buitenzitbeen van veel belang zijn, De ruiter moet zich steeds ten doel stellen om, in alle »buigingslessenquot;, op eene, zoo juist en fijn mogelijke wijze, zijn paard tusschen
f
§
| binnen en buiten hulpen in »de even wichtshoudingquot; i
| te doen gaan en altijd weer trachten, door het aan- |
* amp;
| nemen van een meegaanden »buigingszitquot;, het zonder ?
if . . . . ^
j te veel inwerkingen in de verlangde houding te doen j
| balanceeren. ?
I ^
j Een paard dat in de »buigingslessen\'\' goed gaat, ^
X é
| is te vergelijken met eene fijne weegschaal, wier ^
| evenwicht reeds door verplaatsing van het kleinste J
$ • ?
gewicht wordt verstoord. ?
4. Voorwaarden oiu met g-oed gevolg de oefening
Hetgeen reeds in de verschillende afdeelingen over den algemeenen gang der dressuur is vermeld, moet hier met bijzonderen nadruk herhaald worden ; ? namelijk, dat zoowel de beschrevene zuiverheid der
s
buiging als de «onvoorwaardelijk bijgebrachte houding aan den teugel,quot; verbonden aan «elastische rugwelvingquot; en gecadanceerde gangen, de onmisbare
i \'i
| 1
n w
| Tijdperk der »evenwichtshoudingquot;. ^
| voorwaarden ziju, waaraan moet worden voldaan, |
| zullen de »buigingslessenquot; werkelijk van nut ziju,
| omdat dim alleen het krachtige tegen elkander in-
? werken van vóór en achterhand kan worden bereikt,
£
1 waarop de ware verzameling van het paard berust.
| Er kan niet dikwijls en uitdrukkelijk genoeg op ge-
é
? wezen worden, dat het gevaar buitengewoon groot is om gedurende de tijdperken der verzameling in
fS o
| slepende gangen te vervallen. Met het verwaar- |
loozen eener krachtige beweging voorwaarts, ook in i
? verzamelde gangen, gaat zeer spoedig de werkelijke |
| «onvoorwaardelijk bijgebrachte houding aan den teu- |
| gelquot; en de ^elastische mgwelvingquot; verloren, zoodat f
J in zulk een geval van eene volkomen zelfbewer- i
1 .. I
| king van het paard geen sprake meer kan zijn. i
t Daar de ondervinding geleerd heeft, dat de neiging bij- ?
i. *
zonder groot is om bij den arbeid van het verzamelen in slepende gangen te vervallen, dient de ouderwijzer hierop steeds zijne aandacht te vestigen.
Ofschoon het tempo in de »buigingslessenquot; natuurlijk niet overijld mag ziju, zoo verdient het aanbeveling om het liever iets vrijer te nemen dan dat het te kort worde.
I
De onderwijzer moet het tempo zóó regelen, dat j
^ quot;T.
x ^
% 00 %
A S
Tijdperk (lev »evenwichtshourlingquot;.
het minst begaafde paard nog altijd een geeadan- ;
ceerden gang kan gaan. 1
Hoewel altijd, zoo moet toch in het bijzonder in |
de »buigingslessen\'\', het, voor den rniter duidelijk |
voelbaar, en voor den toeschouwer zichtbaar zijn, |
dat de teugelbewerking bij iederen pas of galop- |
sprong beslist door den gebogen hals gaat, daarbij |
moet, in draf, eene gecadanceerde beweging der heupen |
steeds merkbaar, en in galop, bij iederen sprong, I
£
een krachtige drieslag onder alle omstandigheden ?
duidelijk hoorbaar zijn. Nooit mag eene verzameling J
der gangen gevorderd worden, waarbij het in acht- J
nemen dezer voorwaarden, zij het ook slechts in ge- J
X
ringe mate, iu gevaar wordt gebracht. Iedere minuut |
arbeid in niet volkomen gecadanceerde gangen, zelfs |
in verzameld tempo, is voor het later praktisch ge- ?
bruik van het paard volkomen verloren. Men be- ?
hoeft daarbij niet te vreezen dat de paarden, door j
het rijden van gecadanceerde gangen, te veel op den j
teugel gedreven worden. Juist het tegendeel is het |
geval, want het werkelijk gecadanceerde der gangen J
is niet afhankelijk van het tempo, maar berust op 5
A
het veerkrachtig en vrij treden der achterbeenen, onder ?
den elastisch-gewelfden rug, en in den gebogen hals. ?
I Cl |
I I
I I
Tijdperk der »evemviehtshoudingquot;. |
i I
Het is deze gang, die het paard licht in de hand J maakt zonder dat de looplust onderdrukt wordt j omdat het geheele spierenstelsel tot een elastisch | | veeren wordt aangezet. De slepende of matte gangen | zijn het daarentegen, die, terwijl zij dit elastisch | veeren tegengaan, de paarden nog harder en minder nagevend in de hand doen zijn dan het meest onbezonnen hard en woest rijden.
5. De verscliillende gangen In liet tijdperk der verzameling, bij het rijden Tim „bnigingslessenquot;.
s
%
Eene zelf bewerking van het paard door middel | | van xbuigingslessenquot;, is slechts denkbaar in draf en i £ in galop.
De stap is hiertoe niet geschikt, als missende de | J noodige cadans en wordt dan ook het beste gebruikt ?
I om den ruiters eene vereischte voorbereidende uit- i
legging te geven van hetgeen zij, in draf en in j
I , . I
? galop, moeten uitvoeren. |
x .. $
Het hangt hoofdzakelijk van den graad van be- i
j drevenheid der paarden in den galop af, of deze |
I gang dan wel de draf in meerdere mate aauge- |
X wend tot oefening der paarden zal strekken.
Q990||!}S)99*)!3a3Sgt;sgt;3sgt;3sgt;333S)3~gt;S}3339939333sKgt;333amp;)933~gt;amp;^
1 ? I I
Tijdperk der »evenwichtshoudmgquot;.
| Meestal zal de galop in den beginne nog niet |
| zóó ontwikkeld zijn, dat liet voordeelig is om de i
rfi .. $
| geheele klasse gezamenlijk te laten galoppeereu. j
n ^
Het is daarom als het ware aangewezen, dat de ?
draf bij voorkeur dienstig is in het begin van het $
gingslessenquot;.
n
| tijdperk der verzameling door middel van »bui-
£
lutusschen blijft men zoolang voortgaan met het É . .
| rustig in galop doen gaan der paarden, totdat de
I hoefslag gaat.
Is ook dit verkregen, dan kan men met het ver- |
j gezamenlijke klasse in een\' vrijen, gecadanceerden ^
| ^
| en toch rustigen galop met de achterband «betrek- |
1 kelijk recht gerichtquot; op de voorhand langs den |
| noeisjag gaat. $
I
2
zamelen in galop beginnen, totdat, bij verder ver-
| loop van dit tijdperk, de draf en de galop, vrij wel ^ •
| in dezelfde mate, tot verzameling van het paard
? kunnen worden benut.
f
Plet is van zeer groot belang om de bewerking
| in de »buigingslessenquot; van tijd tot tijd te doen op-
è
houden, en dan weder, bij het recht voorwaarts |
S richten der achterhand op de voorhand, vrijere gan- |
£ . ^
? gen te ontwikkelen. I
x .. ^
? De voortdrijvende kracht der achterhand wordt j
| I
| 63 |
2 ©
Tijdperk der »evenwichtshoiidingquot;. *
I ~ |
x hierdoor opnieuw opgewekt en daarmede de »onvoor- ?
t waardelijk bijgebrachte houding aan den teugelquot; en ?
X ^
I de »elastische rugwelvingquot; telkens weder bevestigd, i
i wanneer deze door eene te ver gedreven verzame- |
t 5
| ling mocht dreigen verloren te gaan. Daarom moe- |
1 ten de ruiters er steeds op bedacht zijn om door een\' S
I lichten en meegaanden zit den rug te sparen en zijn |
| veerende werking vooral niet te storen door een |
| |
? bard neervallen in den zadel. d;
| Wanneer hier en bij andere gelegenheden het |
rijden voorwaarts in vrije gangen tot het her- i
I krijgen of bevestigen van de «onvoorwaardelijk |
bijgebrachte houding aan den teugelquot; wordt |
? aanbevolen, zoo moet echter uitdrukkelijk in ?
aanmerking worden genomen, hoe en op welke |
I wijze dit voorwaarts drijven geschiedt, daar het |
| al of niet gunstig gevolg er geheel van afhan- |
1 kelijk is. |
| Het zou toch eene dwaasheid zijn te verwach- |
| ten, dat een paard, hetwelk »over den teugelquot; |
| geraakt, alleen door het rijden van vrije gangen |
| in deze gebrekkige houding kon worden verbe- |
? terd; het tegenovergestelde is waar; daardoor |
zou het nog meer als sschenkelgangerquot; worden |
? . n
| bestendigd. |
t 6t t.
I .......I
I Tijdperk der »evenwiehtshoudingquot;. •*
%
Het werkelijk nut van een verbeterend rijden voorwaarts ligt volstrekt niet in de ruimheid | der gangen, doch in het krachtig gecadanceerde
van dit rijden, waarom men hiervan gebruik maakt om het paard op de passieve (c. q. het gebit licht in beweging brengende) hand tot | afstooten te brengen.
Wanneer de onderwijzer bemerkt dat dit verbeterend voorwaarts rijden niet spoedig het ge-wenschte gevolg heeft, zou het eene groote dwa-
I ling zijn het te willen voortzetten, daar dan
£
. | zeer zeker de fout zou worden vergroot. In zulk
een geval, \'t welk aantoont dat de misslag | reeds dieper heeft wortel geschoten en niet in
zijn ontstaan is opgemerkt, zal het, als het ware, aangewezen zijn, om de reeds op blz. 33 beschrevene wijze tot verbetering van het bijbrengen toe te passen, ten einde daardoor het paard, dat zich krampachtig spant, te doen nageven.
Is de ruiter daartoe niet in staat, dan laat de onderwijzer dit paard door een ander ge- | schikt ruiter berijden. (Of berijdt het zelf, tot ? eigen onderzoek of praktisch nut.) |
Bereikt men op deze wijze ook niet spoedig | | genoeg zijn doel, dan zijn eenige lessen aan de j
longe volgens de grondbeginselen der voorbe- j
| reidende longeoefening, een onfeilbaar middel |
é ï J l
i I
S a
s
I
Tijdperk der -evenwiehtshoudingquot;.
| | om het bijbrengen weder te verkrijgen en zoo-
ê
doende een paard, dat »schenkelgaugerquot; dreigde te worden, te verbeteren.
i ^
i ^
Tevens zal op deze wijze, juist door de oefening |
| in het verzamelen, de volmaking der vrije gangen |
S ij 3 op de beste wijze worden verkregen.
Veelvuldige, vloeiende overgangen van de verza- j
$5 •• amp;
mftldfi tot de vriie iraiiffen en omcrpkeerrl y.iin hui- *
melde tot de vrije gangen en omgekeerd zijn bui-
s . s
j tengewoon nuttig. ¥
^ ..... amp;
| Een vereisehte hierbij is, dat, als gevolg der ver- j
| zameling, de vermeerderde buiging van de gewrich- |
| ten der achterhand en het naar achteren brengen |
iü . i
!? van een gedeelte der zwaarte van de voorhand, uit |
... ^
j de verzamelde gangen in de vrije en omgekeerd de j
$ . . s
S vermeerderde krachtige beweging voorwaarts, uit de |
| vrije tot de verzamelde gangen zooveel mogelijk ^
| worden overgenomen. |
| Vooral zijn deze overgangen, mits goed uitgevoerd, |
i voor den galop zeer aan te bevelen, in wier volma- 1
¥ ?
? king de africhting van het rijpaard zetelt. |
Zij zijn een voornaam middel om te verkrijgen, |
£ ... ^
i dat de paarden zich niet slechts in den gewonen |
i galop maar ook in de sterkere tempo\'s, in »de |
i I
i i I I
: Tijdperk der »eveiiwiehtshoudingquot;. |
, |
® evcnwichtshoudiugquot;, met »goed gewelfden rug,quot; in j
É \' ^ j de «onvoorwaardelijk bijgebrachte houding aan den 1
I
Bij het behandelen der oefening in het «betrekke
teugel,quot; met lange, rustige sprongen en derhalve met
. i
$ ......................... .......................................
P I
i I
6. De oefening in de „Iniig-ingslessenquot;. 5
I I
S A. De buiging\', overeenkomstig de wending. ;
(Eenvoudige buiging of buiging.) j
I
5 Ail quot;et//wcticrwivc- |
ï lijk rechtrichten der achterhand op de voorhand,quot; i
n ^
| hebben wij gezien, dat hiermede steeds eene geringe |
^ buiging der wervelkolom gepaard ging. I
? Als wij deze buiging gaandeweg vermeerderen P
1
%
rustigen, krachtigen adem leeren voortbewegen.
j. terwijl wij de achtervoeten den hoefslag doen vol- £ 9 gen, dan worden de schouders van het paard, naar- ^
| mate wij de buigingen versterken, meer naar bin- |
% 7
j5 nen gebracht. |
t ? De hierdoor ontstane oefening, wanneer zij volko- t
£ . . . . t
4 men juist wordt uitgevoerd «schouder binnenwaartsquot; i
j genoemd, is verreweg de geschiktste om geheel zonder 4
P . P
i dwang \'elke gewenschte verzameling van het paard ?
4 van lieverlede met zekerheid te verkrijgen.
Om de «evenwichtshoudingquot; te verkrijgen en daar-
8
%
I i
Tijdperk der «evenwichtshoudingquot;.
door aau het doel te beantwoorden dat voor het militaire rijden moet worden gesteld, is in den regel een geringe graad van buiging voldoende, bij welke alzoo de buiging slechts weinig sterker behoeft te zijn dan die, welke het »betrekkelijk recht richten der achterhand op de voorhandquot; vereischt; verondersteld, dat deze buiging geheel juist en zuiver is.
Bij de oefening in het »betrekkelijk recht richten der achterhand op de voorhandquot; moet, om tot de oefening in de »buigingslesseuquot; over te gaan, de buiging zóó geleidelijk vermeerderd worden, dat noch ruiter noch paard een oogenblik het gevoel krijgen, dat er iets nieuws wordt beoefend, hetgeen dan ook in werkelijkheid niet het geval is.
Het doel is niet een zoogenaamden zijgang uit te voeren, wèl echter om ter wille der verzameling de buiging langzamerhand iets te vermeerderen.
Door gaandeweg de inwerkingen te versterken, welke aangewend werden om de achterhand betrekkelijk recht op de voorhand te richten, wordt zulks met zekerheid bereikt.
Deze inwerkingen van den ruiter bestonden daarin, dat, terwijl zijn buitenschouder naar voren
Z 63 i
|___________
1 ■ • ■ ..... -. I
©
$
%
B
geplaatst was, hij met zijne naar binnen werkende handen den buitensehouder van het paard langzamerhand meer van den wand der rijbaan verwijderde, terwijl hij met eene vóór geplaatste binnen-heup het binnenbeen met de spoor krachtig liet werken om liet paard in de ribben te buigen.
Zijn goed teruggeplaatste buitenbeen werkte daarbij op den buiten achtervoet in, om dien voorwaarts te drijven en te beletten, dat deze buitenwaarts uitweek.
In hoofdzaak zijn de regels voor de hulpen in de »buigiagslessenquot; reeds behandeld.
Het zal dus voldoende zijn er hier nog op te wij zen dat, wanneer het paard zich gewillig buigt, het
i binnenbeen en de buitenteugel, in hoofdzaak, moe- | * ten werken; het eerste, om den binnenachtervoet tot 4
5
een vermeerderd onder plaatsen en daardoor buigen
£ aan te sporen, de laatste om door aanhoudingen ?
If . ^
% den binnenachtervoet te belasten en daardoor een i
X %
lt;• i
j gedeelte van den last van den buitenschouder op |
£ dien voet over te brengen. i
X |
Het geheel en al meester zijn van den buiten- i
? achtervoet is van beslissenden invloed op1 de 4
1 . . I
| zuiverheid der buiging, waar het bij de geheele af- ?
-f S
4 S
Tijdperk der levenwichtshoudingquot;.
| richting zoozeer op aankomt.
*
1
09 I
!O0=)i ;ÊjaS)5H)aSgt;Sgt;95gt;5)=!gt;?»?)03=Oaa3?gt;?)Egt;3^*»ï)»Di9?gt;K)5»^
}
ï Tijdperk der »evenwichtshoudingquot;.
I
Naarmate nu het paard meer neiging toont om j zich aan de buiging te onttrekken door met dien | voet uit te wijken, moet ook de werking van \'s ruiters ? buitenbeen versterkt worden, terwijl dan tegelijker-
j tijd de binnenteugel meer in werking gesteld wordt,
?
| om aan de voorhand de voor eene juiste buiging
| vereischte tegenwerking te geven.
%
In \'t bijzonder zal dit op de linkerhand voorkomen, daar bijna alle paarden de natuurlijke neiging hebben met den rechterachtervoet bui-j tenwaarts te treden.
I
Ook zal het nuttig zijn, om bij de zich gewillig 1 buigende paarden van tijd tot tijd door sterkere werking van het buitenbeen en van den binnenteugel, de zuiverheid der buiging te verhoogen, om daarna met nog beter gevolg tot de bewerking van den binnenachtervoet door middel van het binnenbeen en den bui ten teugel terug te keeren.
Hoe gemakkelijker het paard nu deze sterkere buiging, van lieverlede, wordt, des te meer neiging zal het toonen om gevolg te geven aan de sterkere werking van het buitenbeen en den binnenteugel.
Wanneer nu door deze hulpen de binnenheup van het paard van de zijde der rijbaan wordt verwijderd
I I
^ Tijdperk der »evenwichtshoudingquot;. ^
? en de buitensehoucler haar op evenredige wijze |
| nadert, komt men tot eene oefening, die zuiver uit- I
? gevoerd «traversquot; wordt genoemd en alsdan eene ?
i van de fijnste der rijkunst is, die wij echter bij liet |
| militaire rijden slechts in zeer geringen graad en |
j wel voorbijgaande beoefenen, om er de zuiverheid I
X . , X
4 der buiging door te verhoogen.
X X
Hierin alleen, ligt het nut van hare toepassing. i
ï Een met kracht naar binnen brengen der achter- s
% (£j
| hand, hetgeen steeds ten koste der buiging gaat, moet 4
é i 1 streng worden afgekeurd.
I Men houde steeds voor oogeu, dat het ons doel |
dj
1 is om door eene zuivere buiging der wervelkolom ^
2 het middel te vinden, waardoor de binnen achter- j $ i
voet kan worden bewerkt. Ouder voorwaarde eener j
? .... . j
xonvoorwaardelijke bijgebrachte houding aan den j
teugel,quot; verbonden met .«elastische rugwelving,quot; kan ?
men met eene krachtige vóórwaartsbeweging door ?
dit middel alles van het paard verkrijgen, wat ten |
opzichte der verzameling op oordeelkundige wijze ?
x
kau worden gevorderd. 4
Men verkrijgt dit, om het zoo uit te drukken, door eene vloeiende overgang der inwerking van »schou-
? der binnenwaartsquot; en «travers.quot; ?
17) j
-è
amp; amp;
Tijdperk der »evenwichtshoudingquot;.
----—________________ $
\'.V
Natuurlijk is eene bewerking iu dezen ziu slechts i
| mogelijk, wanneer het noodzakelijke eener zuivere ?
rS . . . . é
i buiging zóó in merg en been vau de ruiters is j
é
| doorgedrongen, dat zij beslist gevoelen welke oogen- |
•tj
j blikken de binnenteugel en het buitenbeen en wan- ?
4 neer de buitenteugel en het binnenbeen sterker moe- ^
I j
? ten werken. ?
5 1 Ook wanneer door het paard niet voldoende ge- ?
volg gegeven wordt aan eene beenhulp van den ruiter, j
dan moet hij die hulp dadelijk weteu te ondersteu- |
nen, door den teugel aan dezelfde zijde te doen |
werken. I
B. Buiging, teucugesteld aan de wending.
? (Tegeubuiglug). j
? |
1 -..... •..................-.......... f
Zooals wij gezien hebben is het doel der oefening
(i-
j m de »bui^m2slessenquot; om, door afwisselende be-
werking van den »binnenachtervoet,quot; het paard
| -Uiiluouo.VlU.CJ. ÏUCL, HOI; U J
s 5
| langzamerhand tot die meerdere belasting en daar- j
? door buiging van beide achterbeenen te krijgen, |
? waarop de »evenwichtshoudingquot; berust. Daar nu |
^ . 1 . ^
| iedere gymnastische oefening slechts zoolang van |
j werkelijk nut is, als zij niet doorgezet wordt tot- ?
I dat de lichaamsdeelen, die bewerkt worden, volsla- |
ii: s
É 72 |
4
Tijdperk der «evenwichtshoudiugquot;.
gen vermoeid ziju, zoo is eene veelvuldige afwisseling in de buiging noodzakelijk.
Aangezien de behoefte aan afwisseling in de buiging geenszins bij alle paarden even dikwijls voorkomt, zoo bepaalt de bovengenoemde omstandigheid of wij tot de »tegeubuigiugquot; overgaan.
Bij deze, wordt het paard genoodzaakt in tegengestelde richting te wenden als waarheen het gebogen is.
Het voordeel der tegenbuiging is echter niet alleen, dat men daardoor in staat is om, zonder van hand te veranderen, nu den éénen dan den anderen achtervoet te belasten en ze beurtelings als binnenvoet te buigen^ maar is ook daarin gelegen, dat zij het beste middel is om insluipende kleine afwijkingen van de zuivere buiging in hun begin te onderdrukken en ze dus te herstellen, op dezelfde wijze als men een krom gebogen rieten stok door buiging naar de tegengestelde zijde weder recht maakt.
Eerst door de wendingen wordt de stegenbuigingquot;, eene bijzondere les en wel, omdat het paard in de wending gedwongen wordt tot ondersteuning vau den last met den buitenvoet, — alzoo dengene, die naar de binnenzijde der rijbaan is gericht, — ouder te
\'S ?
£ quot;3 S
I
1 i
^ 5)
I Tijdperk der »evenwichtshoudingquot;. |
I 7 ... ^
I treden, terwijl door de buiging het binnenbeen to
I nog verder voortreden wordt aangespoord. | Op de rechte lijn gelden, uit den aard der zaak, |
0
1 dezelfde regels bij de beoefening der »tegenbuigingquot; ? I als bij de »eenvoudige buiging.quot; j
Zoowel hier als daar moeten de vermeerderde wer- ?
5J 2
I king van binnenbeen en buitenteugel eenerzijds, I
I en die van buitenbeen en binnenteugel anderzijds, x
I bij goed toegepaste medewerking der tegenhulpen, |
1 elkander aanvullen en verbeteren.
Het tegengesteld aan de wending gebogene paard I
2 ^ I wordt, wanneer het in «betrekkelijk rechte rich- |
? . ?
I tingquot; gaat, door een langzamerhand meer verwij- ^
% , ,, jè
1; deren der binnenheup van de zijde der rijbaan, tot i
is ,S
I die les gebracht, welke in hare volkomenheid »schou- |
? derbuitenwaartsquot; wordt genoemd. |
■f- ^
Door een steeds vermeerderd verwijderen van den ?
I binnenschouder van de zijde der rijbaan, welke in S
I hoofdzaak moet volgen uit de sterkere werking van |
I \'s ruiters buitenbeen, gaat men over tot de les »ren- t
I vers,quot; die mede tot de fijnste en moeielijkste oefe- |
? .. ^
I ningen derrijkunst beho ort en, bij het militaire rijden, |
S slechts bij uitzondering kan worden beoefend. I
% . I
I De oefening in de »tegenbuigingquot; is bij eene juis te S
? ?
? ?
è T-t $
© \'i
Tijdperk der »evenwichtshoudingquot;.
j uitvoering buitengewoon nuttig, doch heeft hare,
?:
? niet gering te schatten, moeielijkheden.
Deze ontstaan, doordat het meester blijven van | den buitenachtervoet niet door den wand der rijbaan wordt ondersteund, zoomede de buitenschouder geneigd is veel te groote passen te maken, door een instinctmatig dringen naar de zijde der wending. Hieruit volgt, dat de ruiter bij deze oefening zijn volle aandacht moet vestigen op de buitenhulpen en dat het in elkander vloeien der werkingen voor »schouderbuitenwaart3quot; en »renversquot;, nog inniger moeten zijn dan bij de overeenkomstige inwerkingen der «eenvoudige buigingquot; (»schouderbinnenwaartsquot; en straversquot;).
De moeielijkheden dezer oefeningen in de «tegen-buigingquot; vermeerderen nog door de wendingen. Hier wordt het fijne mitergevoel op de proef gesteld, daar, terwijl de »buigingszitquot; bewaard blijft, de ruiter, door een juist meegaan in de buiging, deze zuiver moet houden en tevens de wending moet volgen.
£ ff
I
s
| I
Tijdperk der «venwichtshoudiiigquot;.
l l
| 7. Het rijden ran gebogene lijnen op één hoefslag. \') *
X $
Het beste bewijs in hoeverre door de vroeger j medegedeelde lessen de paarden eene zuivere bui- v
s
»
ging hebben verkregen, ligt in het juist rijden van
n .
| gebogene lijnen op één hoefslag. Hier voelt ook de i
I ongeoefende ruiter zeer spoedig in hoeverre hij zijn
^ ?
| paard tusschen binnen en buitenhulpen in even- j;
| wicht kan houden, alsmede of een der buiten- |
is
j voeten neiging toont om zijwaarts uit te treden, wes- j
£ . \'.S
j halve hij hieruit voor de verdere bewerking van zijn ¥
I paard zijn voordeel kan trekken. lt;i;
£ £
De gebogene lijnen langs welke men rijdt, moeten i
? ^ X
i natuurlijk worden gekozen overeenkomstig den ver- |
i kregen graad van buiging. | Het is zeer aanbevelingswaardig om onmiddellijk
i
j na het beoefenen der »buigingslessenquot; langs den x
I hoefslag, tot gebogene lijnen op één hoefslag over |
£ $
1 te gaan. |
I I
4- 1) Noot van den vertaler. i
x . . x Onder „gebogene lijnenquot; verstaat men alle cirkels en ^
* i-
| gedeelten er van, voorts slangevolten met 3, 5, enz. bogen, j
\'£
X zoowel gelièéle als halve baan, benevens het openen en a
1 |
S sluiten der groote volte. ^
^ jB
s s
I I
I ?
j Tijdperk der «evenwichtshoudingquot;. f
Door zulke overgangen krijgt men dadelijk de |
? proef op de som of in de »buigingslesquot; de neiging j
jij
j tot voorwaartsgaan bij het paard is blijven bestaan. j
? ..... .. .. j
Overigens zijn, bij het rijden van gebogene lijnen |
| op één hoefslag, de regels voor de bewerking in i
| »buigingslessenquot; over \'t algemeen ook van toe- |
| passing. I Een juist in evenwicht zijn in den »buigingszitquot;, |
I zóó, dat achter- en voorhand steeds goed op elkan- I
? |
i der gericht zijn, is ook hier een vereischte. Slechts i
t . A
a onder deze gegevens, waartoe een geheel zuivere bui- ?
ï ?
£ ging van het paard eene onmisbare voorwaarde is, j
,}s S
j zijn gebogene lijnen van nut. Wie echter gelooft |
j zijn paard te bewerken alleen door het op gebogene, i
i \' ?
? slingerende lijnen te laten loopen, zonder op de ?
X . . .
é juiste buiging te letten, vergist zich ten zeerste. t
I I
? I
% 8. Slotbeiuerkingen over liet tijdstip van africh- i
j ?
i ting, omvattende de oefening der „bui- ?
? -gt;
è giugslessen,,• Z
I |
De onderwijzer eener klasse remonten, die steeds ?
1 voor oogen heeft dat bij met de jonge paarden eene ?
¥ gymnastiek beoefent, die middel en geen doel is, zal |
X if
I 5
s é
I i
s i
Tijdjierk der seven wichtshoudingquot;.
s
zeer spoedig inzien dat het niet mogelijk is de ge- |
6?
heele klasse gelijktijdig op commando in de »bui- | gingslessenquot; te doen oefenen, alvorens alle paarden |
hebben geleerd zich met hun ruiter in de »even- |
S
wichtshoudingquot; te bewegen. ?
Hij zal in dit tijdperk zijn doel het best bereiken, |
?
door niet te rusten voordat alle ruiters zonder uit- |
zondering volkomen het doel en wezen der »buigings- |
|
lessenquot; begrijpen.
Zich hierop grondende, zal hij iederen ruiter af- | zonderlijk uitvoerig moeten onderrichten, om hem ^ geheel op de hoogte te stellen van de middelen die |
$ • 1 1 rS
^ hij noodig heeft om te voldoen aan de eischen, welke £
| men in dit tijdperk aan de paarden moet stellen.
Hij zal dit evenwel niet met juistheid kunnen |
| doen, alvorens elk paard der klasse niet ééns maar
| meermalen te berijden en alzoo zelf te voelen hoe ^
| liet onder den ruiter gaat. |
X Zoodra ieder ruiter nu volkomen op de hoogte is |
I van het gaan van zijn paard, zal de onderwijzer
| goed doen om die afdeeling, welke hij voldoende
| geoefend oordeelt, om door »buigingslessenquot; op
| verzameling in te werken, slechts mede te deelen :
| de paarden in »buigingslessenquot; oefenen! ?
amp; £
I I
£ |
É 78 |
i i
^ :A
£ . !?
Tijdperk der »evenwichtshoiidiugquot;. ^
|__________________ |
| ®
I
I
i?
i; |
i I
i Indien dan in hoofdzaak in de lessen van »schou-
j
S derbinnenwaartsquot; engt;-gt;schouderbuitenwaartsquot; geoefend
\'i wordt, staat het niet alleen iederen ruiter vrij naar
| zijn eigen oordeel deze beide lessen te verwisselen,
| maar kan hij ook, tot geringere mate van buiging
I overgaande, zelfs terugkeeren tot het »betrekkelijk
| recht voorwaarts richten der achterhand op de voor-
S hand,quot; maar ook oefeningen in »traversquot; en »ren-
| versquot; houden.
Het achter elkander rijden met veranderlijk groote
Ó
| afstanden is voor deze oefening gunstiger dan het
| doorelkander rijden, daar ieder ruiter gebruik kan
maken van de voordeelen, die het rijden op den hoef- 1
slag aanbiedt, echter onder voorwaarde, dat een mid- | den-tempo voor alle paarden dienstig is.
Het is reeds medegedeeld dat, in het begin van |
dit tijdperk, de „ buigingslessenquot; bij voorkeur in t
draf worden gereden, terwijl bij meerdere oefening 4
men den draf en den galop, vrijwel in gelijke mate, |
daarvoor kan benutten. I
In den galop gaat eene verwisseling van buiging I
natuurlijk met eene verwisseling van been ge- s
paard. ? Het vóórgrijpen van één achtervoet in dezen gang,
4
A ^
i 1
Tijdperk der »evenwichtshoudingquot;.
Ë
I i
| stelt als voorwaarde dat dit steeds de binnenvoet i
moet zijn.
Reeds alleen het verwisselen van buiging, althans het vermeerderen dier buiging, noopt het paard zeer spoedig uit zich zelf van voet te veranderen.
Is er in \'t algemeen reeds opgewezen dat ter-wille van de zuiverheid der buiging de ruiter den buiten achtervoet geheel moet beheerschen, in \'t bijzonder is dit in galop het geval.
Eene oefening in „schouderbinnenwaartsquot; in dezen gang, hoe nuttig zij ook bij eene goede uitvoering is, moet zeer voorzichtig geschieden en om het zoo uit te drukken, „iets traversachtigsquot; in zich sluiten.
Zoodra de buitenachtervoet in de noodzakelijkheid komt zijwaarts te worden afgezet, gaat ook spoedig de vloeiende samenhang, de krachtige vóór-waartsbeweging en de regelmatigheid van den ga-
| lopsprong verloren. |
X .... ^
De «onvoorwaardelijk bijgebrachte houding aan j
t . . A
t den teugelquot; en de «elastische rugwelvingquot; zijn, zoo- |
x als steeds weer wordt opgemerkt, voor den onder- |
? wijzer de zekerste kenmerken eener zuivere be- ?
? werking. ?
i 1 I
ffi !x!
Tijdperk der »evenwiehtshoudingquot;.
Zoodra hij dan ook te dien opzichte de geringste
i*5
| nalatigheid bemerkt, al was het slechts bij een
I enkel paard, zoo is het oogenblik reeds gekomen
A
? om een vlotter tempo te nemen en als dit niet
| voldoende blijkt te zijn, moet de oefening in de
| »buigingslessenquot; worden gestaakt en door het rijden
cl •• •
? van vrije gangen, in de «betrekkelijke richting recht-
| uit,quot; aan deze hoofdvoorwaarden wederom worden
| voldaan.
|
Deze maatregel zal den paarden, die zulks niet
A
? rechtstreeks behoefden, niet alleen niet schaden.
X maar zelfs nuttig zijn. —
i $
§ i
| Het spreekt van zelf dat, bijaldien een paard I
door zulk een levendig voorwaarts rijden niet I
spoedig tot de »onvoorwaardelijk bijgebrachte 1 houding aan den teugelquot; terugkeert of den rug | | niet spoedig genoeg elastisch welft, de onder- |
wijzer dit paard uit de les moet nemen en het afzonderlijk moet oefenen tot aan bovengenoemde hoofdvoorwaarden is voldaan.
De bewerking der paarden in de »buigingslessenquot; kan als voltooid worden beschouwd, wanneer allen bij een rustigen, passieven zit van den ruiter niet
ra 2
H ■ 81 F £
i i
t I
? t
Tijdperk der sevenwichtshoudingquot;. §
I
x slechts in de verzamelden maar ook in vrije gan- J
£ ^
| gen »aan den teugelquot; gaan. |
^ £
I Hierin ligt het bewijs, dat liet leeren overbrengen |
| van het gewicht der voorhand naar de achterhand |
I en het lager worden van deze, door het buigen der ?
| gewrichten, zijn bereikt, hetgeen de voorwaarden zijn |
j 2
^ voor het »rijkunstig evenwicht.quot; |
Hiermede zou dus inderdaad het eigenlijke doel jj
8 . ïquot;
| van het militaire rijden bereikt zijn, ware niet het |
% rijkunstig evenwicht bij het gebruik in dienst aan |
I zoo veelvuldige afwijkingen blootgesteld door de |
Z meerdere of mindere ongeschiktheid van den ruiter, |
i zoodat het niet genoeg kan worden bevestigd.
Het is alzoo hoogst wenschelijk dat bij de gymnas- s
tische oefening van het paard de verzameling nog 1
verder wordt doorgezet dan het tijdperk, waarin het |
rijkunstig evenwicht is verkregen, zoodat, binnen |
bescheidene grenzen, althans voor korte oogenblik- ?
ken, het gewicht nog meer op de achterhand wordt |
overgebracht, zooals dit, bij het militaire rijden, vooral |
bij het halt houden en bij het verrichten van korte ?
wendingen niet zonder nadeel gemist kan worden. — J
S É
8
82 $
lt;quot;v.t-;y^ ri j^ï^Ag
IIIe TIJDPERK.
DE »VERZAMELDE HOUDING.\'
1. Algeuieeiic opmerkingren omtrent liet roliuakeu der sraii^en en liet verplaatsen van Ijet zwaartepunt.
Wanneer het gelukt is de op verzameling doelende oefening in xbuigingslessen,\'\' in eene »onvoor-waardelijk bijgebrachte houding aan den teugel,quot; tot in den tot dusverre aangegeven graad uit te voeren, zal daardoor eene beduidende vermeerdering van de veerende werkzaamheid van den rug verkregen zijn.
De verhoogde veerende werkzaamheid van den
amp; \' lt;
Tijdperk der ^verzamelde houdingquot;.
mg brengt mede, dat ook de paarden in staat zijn in de verschillende gangen den last met de beenen
S
, veerkrachtig van den grond af te brengen.
Het kan niet anders of het gevolg van het juiste in elkander schuiven der paarden moet, door de oefening die tot dusverre gevolgd is, zich meer en meer geopenbaard hebben.
Voor het oog van den toeschouwer zullen de gangen niet alleen in bevalligheid en kracht hebben gewonnen, maar ook voor het gevoel van den ruiter is het merkbaar, dat de stalen veerkracht bij het paard zich steeds heeft ontwikkeld.
De volmaking der gangen, zooals zij bedoeld |
wordt in dit tijdperk, zal slechts in zooverre de ware zijn, d. w. z. natuurlijk en iu overeenstemming
$
I met den graad van ontwikkeling en gymnastische | vorming der paarden, als zij het gevolg is van eene i ougedwongene oefening iu de verzameling door de | »buigingslessen.quot;
| Iedere gewelddadige opvoering der gangen, verkre-? gen door sterke, opwekkende inwerkingen van den j ruiter, is verwerpelijk, als men zich op het stand-? punt plaatst van het doel van het militaire rijden, j dat slechts het duurzaam nut en gebruik beoogt.
* ^
ra ?
^ 84 é
$
% ®
* é
lt;*■ -1?
I 1
J Tijdperk der »verzameide houdingquot;. 3j
| ...... 1
J Het kan bij uitzondering noodig zijn een |
| bijzonder traag paard, kunstmatig sterk op te ¥ wekken, om het tot energieke kracbtsontwikke- j
i ling te brengen. |
* Ö O
it \' R
I quot; quot;quot; quot; .....
%
Bij nagenoeg alle paarden zal de volmaking dei-gangen, die in werkelijkheid op vermeerderde krachtsinspanning van den rug berust, onvoorwaardelijk intreden zonder dat men tot gewelddadige middelen behoeft over te gaan, als men met geduld op do vroeger aangegevene wijze voortarbeidt. voortdurend inachtnemende de herhaaldelijk aangegevene grondbeginselen. | Bij het meestal goede gehalte onzer cavalerie-
*
paarden en in aanmerking nemende de groote voor- j
| liefde, die bij oordeelkundige behandeling van het I
* 1 1 •• •• ^ | onderwerp bij onze reraonteberijders zoo spoedig ï
-f- è
ij ontwaakt, zal de onderwijzer in dit opzicht eerder ?
| moeten waken tegen het te veel vergen van het I | ° 0 |
| paard, dan dat hij aansporend te werk zal moeten |
| gaan. |
i
A
Eeu ware toetssteen voor eene juiste verzameling is, dat het in zekere mate noch voor het oog van den toeschouwer zichtbaar noch voor het gevoel van den ruiter merkbaar zij, dat de gangen worden
amp;
85 ï
I
Tijdperk der »verzamelde houdingquot;. |
afgekort, omdat de energie der beweging voorwaarts | in geen enkel opzicht door de verzameling mag |
verminderen. ?
j
Wel kan men eene afkorting van gang verkrij- |
gen als men door eene actieve oprichting der voor- |
hand en eene daarmede gepaard gaande doorbui- ?
ging van den rug, de achterhand belet hare voort- j
drijvende kracht tegen de voorhand uit te oefenen. ? Terwijl men daardoor de verbinding tusscnen ï
voor- en achterband vermindert, verlamt men niet I
i
alleen de voortdrijveude-, maar ook de dragende- en j
veerende krachtsuitoefeningen der achterhand. |
5
Dergelijke verkorte gangen missen niet alleen |
|
energie en veerkracht, maar ook geven zij geen j waarborg dat de ruiter in vrije gangen meester ? van zijn paard blijft, omdat zij wel een middel zijn t om de krachten der achterhand te verlammen, niet | echter om ze te beheerschen wanneer zij in volle |
werking zijn. |
?
Is de verkorting der gangen uitsluitend het ge- |
volg van vermeerderd in elkander schuiven of ver - |
zameling bij «onvoorwaardelijk bijgebrachte houding |
aan den teugelquot; met «elastische rugwelvingquot;, dan j
zullen daarentegen, omdat de verbinding tusschen vóór- j
I i
I I
^ so |
ï ffi
Tijdi^erk der «verzamelde houdingquot;.
| en achterhand inuiger en meer rechtstreeks wordt ?
j ^
| verkregen, de krachten van de laatste meer door- i
s
tastend en met beter gevolg op de voorhand kun- ^
i.
nen inwerken. ?
§
De energie en veerkracht worden dan ook door |
eene juiste verzameling niet alleen niet verminderd ?
maar bepaaldelijk vermeerderd. ?
Eene werkelijk praktische verbetering der vrije |
gangen is alleen door eene verzameling als hier i
wordt bedoeld te verkrijgen, omdat zij de paarden ?
in staat stelt om, ook bij het vermeerderen der ?
voortdrijvende kracht, de draag- en veerkracht op ^
|
evenredige wijze te doen medewerken, waardoor de ?
vrije gaugen elastischer en voor ruiter en paard ?
aangenamer worden. |
Al wordt nu ook het volhardingsvermogen, voor |
wat den tijd van duur betreft, door de verzameling |
ongetwijfeld verhoogd, zoo moet men daaruit niet i
afleiden, dat in de verbeterde gangen dezelfde j
S
absolute snelheid te verkrijgen is als in die, waar ?
bij de voortdrijvende kracht meer tot haar recht |
komt en de voorhand meer belast wordt. i
Plet vermogen om de grootste snelheid te ontwikkelen gaat intusschen door de verzameling
s 8
f* O
9g90ki9é»eK396)99S»S9SH^)3SBS»3999993KKH^^9S^H^)gK%^gt;3S^)9393935)S»9S»9a^)930s»9sKgt;9é9399
1 1
^ I
| Tijdperk der »verzamelde houdingquot;.
| |
n • • r*
geenszins verloren, daar de hiertoe noodige ver- i
S?
plaatsing van het zwaartepunt naar voren veel ge- ?
1
s
S
makkelijker te verkrijgen is dan zijne verplaatsing
naar achter, omdat zij geheel overeenstemt met de | aangeboren neiging van het paard.
Gedurende het verder verloop der africhting leeren |
i de paarden zonder moeite de zwaarte meer naar i
| voren verplaatsen als dit noodig is om meer snel- |
I 1 . • .... . É
| heid te ontwikkelen, terwijl de juiste verzameling ?
| steeds het middel aan de hand geeft om, elk oogen- |
? . ?
| blik het zwaartepunt zooveel terug te brengen als ?
| het doel vereischt, zonder de »onvoorwaardelijk bij- j
| gebrachte houding aan den teugelquot; en de «elastische |
I rugwelvingquot; te schaden. 1
Een paard op dergelijke wijze afgericht, blijft I
{*5 . \'
I ook in de snelste gangen volkomen in de hand I
jj van den ruiter, omdat het geleerd heeft iedere teu- |
s • ^
| gelaanhouding onmiddellijk op den onder het lichaam |
S . ^
| geplaatsten achtervoet te laten inwerken. j
? s
De meer achterwaartsche verplaatsing van het |
j zwaartepunt laat zich door de rijkunst tot geheele I
| overname van den lichaamslast op de achterhand |
? opvoeren. ?
Een zoo hooge africhtiugsgraad is evenwel bij
n n
% s
É SS $
I I
$1 S
I I
Tijdperk der »verzamelde houdingquot;.
j
i het militaire rijden door gemis aan tijd en middelen *
É . ^
I niet te bereiken en is ook niet noodig.
s De militaire paarden kunnen als voldoende af- I
I • ^
| gericht worden beschouwd, als zij zich in middel- |
?S •
j matig snelle gangen voortdurend in «evenwicht\'\' |
| hebben leeren bewegen ; steeds bereid zijn om, over- ?
| eenkomstig den wil van den ruiter, eensdeels hun I
I ?
| zwaartepunt meer naar de voorhand te verplaatsen
1 tot vermeerdering van de snelheid, anderdeels het I
- .
| voor korte oogenblikken naar de achterhand te ï
^ 1 - 1 • ^
| verleggeD, tot het uitvoeren van ophoudrngen en ?
* .
| korte wendingen. |
Ofschoon nu de tijdelijke overbrenging van het |
| zwaartepunt op de achterhand, zooals zij voor dit j
(jh : ^
j laatste doel vereischt wordt, in den regel wel te |
f*!
| verkrijgen is alleen door eene trapsgewijze meer- |
X . . . amp;
^ dere oefening der ophoudingen en. wendingen, zoo j
1
I
4 met het streven om dit laatste daardoor steeds te
| verbeteren, niet onvoorwaardelijk op deze wijze te ï
^ i
j verkrijgen. ?
^ . . . é
Hiertoe zijn oefeningen noodig die, al is het |
i i
^ I
S 89 |
*
is toch het hoofddoel n.1 het verplaatsen van het zwaartepunt verder naar de achterhand dan noodig is voor het »rijkunstig evenwichtquot;, gepaard gaande
2 0 s sb
I ^
? Tijdperk der »verzamelde houdingquot;.
«i ®
| slechts voor korten tijd, toch altijd van het paard |
X ^
? een arbeid vorderen met sterk verzamelde achter- i
I I
| hand en daarvoor wordt eene meerdere oefening in de j
^ verzameling in draf en in galop vereischt, opdat het I
\'t ^
| paard zich daarbij bewege met het zwaartepunt
| verder naar achteren verlegd dan bij het »rijkunstig
I evenwicht.quot;
A
Op deze wijze worden de kleine wendingen en
| het halthouden op de beste en werkzaamste wijze
| voorbereid, want het paard dat geleerd heeft zijn
? arbeid te verrichtea met liet zwaartepunt hoofd- |
$
zakelijk overgebracht op de achterhand, zal zeker | geene moeite hebben deze houding voor korte oogen- J
blikken aan te nemen. j
|
|
2. De ..zwevendequot; of „balanceerdrafquot;
(Passage).
Hoe meer het paard goed in elkander wordt geschoven, hoe meer met «onvoorwaardelijk bijge- |
S
brachte houding aan den teugelquot; het gewicht der |
£
voorhand door de achterhand wordt overgenomen *
| terwijl de gebogene achterbeenen steeds meer voor- 4
j treden, des te meer verzameld en krachtiger zal de 4
? . !?
| veerende welving van den rug zijn.
£ ®
I i
É fl0 è
• (S (fi
i
I I
É I
I I
I i
I Tijdperk der »verzamelde houdingquot;. |
i i i
§
Door de volkomene welviug van deu rug zulleu de drafpassen langzamerhand meer verheven worden en ietszwevends krijgen, zoodat bij nog hooger verzameling een zekere »baianceerdrafquot;zal ontstaan, die in zijne
ï n
| grootste volkomenheid, «passagequot; wordt genoemd. |
Door de benaming »balanceerdr afquot;, verklaart zich het eigenaardige dezer beweging als van zelf. Het paard namelijk balanceert in zijne, elkander langzaam opvolgende, maar zeer krachtig veerende passen op waarneembare wijze den last op de onderge-plaatste voeten, hetgeen zeker dan eerst uitvoerbaar
i wordt als de achterhand het grootste gedeelte van
I
den last overneemt. |
£
De »balanceerdrafquot; is voor het gevoel van den ?
ruiter eene hoogst aangename beweging. |
Hij wordt niet uit den zadel geworpen, maar ?
volgt, rustig daarin blijvende, de bewegingen van
het paard en voelt naarmate het paard met dien ?
gang vertrouwd geraakt, hoe gelijktijdig met het |
.. . S
vóórtreden van iederen achtervoet ook zijn eigen |
been aan diezelfde zijde in sterkere aanraking en 4
de teugel in sterkere werking komt. De duidelijke |
%
wijze, waarop de ruiter bij deu goed uitgevoerden »balanceerdrafquot; door de regelmatige afwisseling van
| 91 |
I I
Tijdperk der verzamelde houdingquot;.
de bewegingen van het paard de te geven hulpen
S
leert opmerken, is voor hem buitengewoon leerzaam, |
amp; amp;
S hetgeen de stempel drukt op zijn volgend rijden. — |
Hij leert hierdoor op de zekerste wijze voe- ?
I len in welke oogenblikken de hulpen het werk- j
| zaamst zijn, omdat de achtervoet alleen onder het |
| vóórtredeu bereid is, zich door het been van den |
S . X
| ruiter te laten aandrijven en door de hand te doen j
| belasten en buigen. ?
I I
Zooals reeds is medegedeeld mag in rt algemeen |
| de »balanceerdrafquot; op geene andere wijze worden |
0 . t
| verkregen dan door eene verzameling in den draf. ?
| Men zal hem met zekerheid verkrijgen, wanneer ?
1 het gelukt is het paard door de tot dusverre ge- | | volgde gymnastische oefeningen in zijne hoedanig- |
i heid als »rugganger\'\' te bestendigen en wel in de ?
1 S
oogenblikken, waarin men er in slaagt de aanhoudin-
?
gen der hand tot op de achterhand te doen dóórgaan. Hiertoe is niet alleen noodig dat de verzameling | van het paard volkomen verzekerd zij, maar ook
dat de ruiter zoodanig meester van de achterhand zij, I dat hij door gewichtsverplaatsing haar ieder oogenblik zóó kan plaatsen, dat de volle teugelwerking on-
3 voorwaardelijk daarop inwerkt.
i a
ra n
I ^
J 93 ?
È 8
S
s É
^ ?
j; Tijdperk der »verzamelde houdingquot;. ?
rf)
Hiertoe voert met zekerheid eene juiste oefening * | in de »buigingslessen.quot;
Vau het ontstaan der eerste zwevende passen i
$
tot aan die uitvoering van den »balanceerdrafquot;, ?
welke voor het militaire rijden weasehelijk is, heeft ?
• • • • ^
men gedurende langen tijd geduldige oefening noo- j
i
dig. Men kan aannemen den vereisehten graad van ^
oefening te hebben bereikt, als het paard eene reeks |
van 20 tot 30 «zwevende passenquot; met zekerheid I
kan uitvoeren. j
Nimmer vergete men dat de »balanceerdraf,quot; even - g
als de xbuigingslessenquot;, uitsluitend een middel zijn om |
tot het doel te geraken en neme zich in acht hen |
als kunststukjes te beschouwen, die men het paard |
wil leeren. ?
\'t-
Het praktisch nut van den »balanceerdrafquot; is |
• •• i
buitengewoon groot, omdat hij de veerkrachtige |
werking van den rug, meer dan eenige andere les i
volmaakt, de «onvoorwaardelijk bijgebrachte hou- J
ding aan den teugelquot; bestendigt en het »rijkunstig |
evenwichtquot; bevestigt, terwijl hij het paard in staat |
stelt het zwaartepunt naar de achterhand te ver S plaatsen.
Vloeiende overgangen van den sbalanceerdraf\'
|
I 93 |
iï S
É I
v Tijdperk der «verzamelde houdingquot;. |
S
| tot den gewonen draf en omgekeerd, zijn het, die |
® amp;
S de voordeelen van den eersten tot hun recht doen i
t . I
£ komen, omdat het «elastisch veerendequot; van dien draf j ? ook op den gewonen draf wordt toegepast.
Wanneer in eene klasse rem on ten door de oefe- |
? ning in het verzamelen bij alle paarden de »on- |
voorwaardelijk bijgebrachte houding aan den tengel1\' z
niet alleen bewaard maar scherper en volkome- |
ner is geworden, met andere woorden: wanneer zij i.
door verzameling in hunne hoedanigheid als »rug- |
5;
gangerquot; zijn bevestigd, dan zullen zonder twijfel |
bij de meesten hunner zich de eerste »zweveude pas- |
senquot; vertoonen, zoodra zij nog iets meer worden J
verzameld. $
«
Mocht echter een paard, öf door gebrek aan bloed |
en innerlijke kracht, of doordat het wellicht iu ontwikkeling achterlijk is gebleven, door een geca-danceerd afzetten niet in den »balanceerdraf\'quot; kunnen komen, dan zou het een groote misslag zijn,
I indien men een dergelijk paard wilde noodzaken f
^zwevende passen\'\' te verrichten.
Met dergelijke paarden moet men zoowel deze als verdere verzamelingsoefeningen staken. Wan-
is
ï neer zich bij de paarden, (behalve bij de zooeven |
? ?
I i
% M I
Tijdperk der «verzamelde houdingquot;.
J genoemden) de eerste zwevende passen vertoonen, zal | de onderwijzer, om tot de oefening in den »balan-| ceerdrafquot; over te gaan, het beste doen de i klasse in tweeën te verdeden. (Het is altijd het | meest praktisch dit te doen naar gelang van hunne
| werking van den rug). ?
Terwijl dan de eene helft in het binnenste ge- I
| deelte der rijbaan door elkander rijdt en de paar- |
| den in draf of in galop op eene groote volte be- |
^ ^
I werkt, beschikt men voor de andere helft over den ¥
I I
1 hoefslag en laat men op zoo groote afstanden rij- |
I den als de ruimte het toelaat. |
Deze laatste laat men in een verzameld tempo |
| van draf rijden, terwijl de paarden dan door de »bui- |
É gingslessen1\' tot meerdere verzameling worden voor- |
I bereid. I
In de oogenblikken, waarin ieder ruiter zijn paard j | .4
| daartoe bereid waant, vermeerdert hij de verzameling %
? naar eigen gevoel, tot het paard eenige «zwevende I
| i
I jjasseuquot; doet en gaat daarna weder tot den gewo- ?
? nen draf over. |
Terwijl op deze wijze, gebruik makende van de |
| beschikbare afstanden, het getal zwevende passen |
quot;X ^
1
j gaandeweg vermeerderd wordt, zal langzamerhand x
k %
i I
I 1
a I
Tijdperk der «verzamelde houdingquot;.
i de gewensehte zekerheid in de beoefening van den
| »balaneeerdraf worden verkregen.
ê |
Men kan de ontwikkeling der «zwevende passenquot; zeer bevorderen door liet paard gedurende het rondstappen uu en dan, tot drafpas-sen aan te zetten, in een soort korten drafquot; | blijvende.
ül
Men moet daarbij zeer vrij en meegaand zit- | ten, met de handen in de tijdmaat der passen I | zacht veerend meegaan en met het onderbeen, |
zoo noodig met de spoor, eveneens in die tijd- I * maat, het paard voortdurend aandrijven.
| Terwijl dan de voortredende achtervoet telkens |
tot krachtiger afveeren en verder voortreden |
C ft
wordt aangezet, zal het paard gewoonlijk lang- ^
zamerhand aan »\'t zwevenquot; komen.
? i 4
| Daar echter bij het militaire rijden de »balan- |
| ceerdrafquot; slechts een middel om het doel te be- |
reiken en niet het doel zelf is, kan men in \'t alge- |
1 meen rustig afwachten tot de verzameling van |
den draf gaandeweg tot »zwevende passenquot; leidt. |
In enkele gevallen echter, waar het bij een |
paard met korte overijlde drafpassen in \'t bij- |
zonder op de ontwikkeling der rugactiviteit |
j aankomt, zal bovengenoemd middel steeds met g
0 ft
? nut toe te passen zijn. ^
1 I $ % ^
ffi g
i ■ 1
^ É
^ Tijdperk der «verzamelde ^houdingquot;.
1 i
I j
i 3. De ^galop op de achterliand.quot;
j £
J (Zeer verzamelde galop of „redopquot;). i,
t i
Terwijl de sterk verzamelde draf uitsluitend te beschouwen is als een middel om het doel te be-
| reiken, zoo is de sterk verzamelde galop gedeeltelijk i
J ook als doel te beschouwen, want de ruiter heeft i
i 1*)
4 dezen noodig voor het afzonderlijke gevecht. j
I w..________J________1 .1________|
Wat aangaande de verzamelde gangen in \'t alge-
I • - - quot;
* meen is gezegd, moet, met bijzouderen nadruk, be- |
| treffende den galop worden herhaald, namelijk, dat |
• • o
| iedere verzameling, die plaats heeft ten koste der |
1 krachtig verheffende voorwaartsbeweging eene fout is. |
Ook in de sterkste verzameling moet bij den £
1 galopsprong een duidelijk geaccentueerde drieslag t I hoorbaar zijn.
Dit zal alleen dan het geval zijn als bij het paard i
•f\' • • • J
j gedurende de verzameling de rugactiviteit niet alleen j
J niet verminderd maar vermeerderd is, alzoo alleen t
J bij eene scherpe onvoorwaardelijk bijgebrachte hou- |
| ding aan den teugel.quot; I % „
| De sterk verzamelde galop in zijne volkomenheid |
v rLii i f 111 i rf-gt;i it ii-gt;i ■ li ■ lA/MMi\'im lit-» siij-arif i m f li li rui i *j r» n Tquot; Ö r» i1
«redopquot; genoemd, waarbij de sterk gebogen achter- |
i É
^ beenen verreweg het grootste gedeelte van den last ifc
J i
ié O
^ - I
S I
n •• * X
± Tijdperk der »verzamelde houdingquot;. ?
1 — —--------------------------- I
A
overnemen en veerencl afzetten, is de gang waarin het |
paard in staat is de kleinste wendingen te volbrengen.
Daar deze wendingen met de voorhand om de achterhand heen geschieden, geeft men den paarden, | reeds in \'t begin dezer oefening, eene geringe stelling met de achterhand naar binnen, waardoor tegelijkertijd de verzameling nog wordt vermeerderd. Eene voorwaarde, die hierbij zooals vanzelf spreekt
ï
| moet worden vervuld, is, dat de buiging zuiver zij, ?
t ten einde de volle inwerking der achterhand op de j
2 . , , t
x voorhand te waarborgen. s
i |
| De ruiter moet in den zeer verzamelden galop j
• ii • • • •• ^
| niet alleen iedere vaste aansluiting vermijden, maar |
| hij zal zelfs goed doen de aansluiting met de knieën
i iets te verminderen, ten einde het uitzetten der rib- 5
| _ J
j ben, dat met het sterk buigen der achterhand ge- i
| paard gaat, door niets te belemmeren.
S j
Zoo mag hij ook niet zwaar in den zadel door- i
i • ^
Z zitten, maar moet door het aannemen van eensier- £
| lijken, lichten zit, het welven van den rug en het j
1 onderzetten der achterbeenen gemakkelijk trachten |
| te maken. |
S I
Verder moet hij trachten den vóórgebrachten bin- i
n A
j nenheup en buitenschouder in de buiging van het j
i |
4
8
I i
A 2
I I
| Tijdperk der »verzamelde houdingquot;. |
i I
i i
^ . - |
? en in de tijdmaat van den gang telkens aandrij- ?
j vende, opwekt. j
Het juiste oogenblik om de verzameling van den | i galop tot de »redopquot;\' te vermeerderen, zal zich door
| beproeving bij gelegenheid der oefening in de »bui- |
gingslessenquot; vanzelf aangeven. Het zal dan ingetreden zijn wanneer, bij oogenblikkelijke meer verzamelde inwerkingen, het paard, bij die verkorting van galop, een krachtig veerenden galopsprong blijft
* behouden. %
| I
Ter beoefening van den xgalop op de achterhaud \' |
\'l\' r#fii »■» r» rl/il nn oio hn Vi/üf \'x\'
zal de onderwijzer handelen als bij het beoefenen van
den »balanceerdraf.quot; Hij zal namelijk ook bij deze I
j oefening een gedeelte der klasse op den hoefslag |
1 nemen en wel met de grootst mogelijke afstanden.
De oefening heeft plaats in \'t algemeen gedurende |
j de »buigiugslessenquot; en wel in een kort tempo, waarbij ?
4 ieder ruiter naar eigen goedvinden van buiging en |
£ ^
| van hand veranderen kan, terwijl hij vrij blijft om, j
| naar eigen inzicht, zijn paard te verzamelen, ten |
X einde eenige sprongen in den »redopquot; te verkrijgen. |
^ . . .. . * \'
paard te brengen, terwijl de binuenhand het paard scherp stelt eu het teruggeplaatste buitenbeen met
de spoor den buitenachtervoet volkomen beheerscht 5
^ ®
?
f Tijdperk der »verzamelde houdingquot;.
4. Wendingen op de achterhand in den
yerzamelden galop.
I I
i 1
De »redopquot; vindt zijne ware toepassing bij de i | wendingen op de achterhand.
De volmaaktste wending op de achterhand is de |
P . 1 ..
| «pirouettequot;, waarbij het paard om zijn binnenach- |
$ O
5 tervoet heen galoppeert. ^
$ m ^
| Slechts zeer krachtige en energieke paarden zijn |
S
I
na langdurige, kunstmatige voorbereiding hiertoe in I
n
staat.
Wij stellen ons daarom tevreden met eene uit- ï
I
voering, die de «pirouettequot; nabij komt en die wij i
pirouettevoltequot; noemen. $
I I
i Bij de »pirouettevoltequot; galoppeert het paard, sterk I
I
n ^
I verzameld op twee hoefslagen, zoodanig om zijne j I achterhand heen, dat deze een\' zoo klein mogelijken kring beschrijft.
1
S • • • 1 • ^
In de juist uitgevoerde j^pirouettequot; of »pirouette- amp; I ........ , v . . . i
| voltequot; bevindt zich de achterhand in zeer gedwongen ^ •
i verzameling. Aan dien dwang tracht het paard zich
J te onttrekken, door met de achterhand buitenwaarts
| uit te wijken.
Het welslagen van bedoelde oefening is dus groo- |
I 1
i ioü i
I I
Tijdperk tier «verzamelde houdingquot;.
™,„ I I I
j tendeels afhankelijk van het meester zijn van den ¥ # ^
t buiten achtervoet. j
\'
Deze moet in bedwang gehouden worden door het ?
? paard met de buitenspoor bij eiken sprong kort aan j
amp; . . ^
j te tikken, dien hulp zoo noodig ondersteunende |
t i
| door den buitenteugel eu door het gewicht op het ?
^ I • • ?
j buitenzitbeen over te brengen. |
Hoe meer de buitenspoor deze ondersteunende i
t hulpen missen kan, des te zuiverder wordt de »pi- i
4 rouettevoltequot; gereden, omdat alsdan de ruiter in j
É , ...... . ..... , |
*
staat is de buiging zoo zuiver mogelijk te doen zijn, wijl hij dan meer naar binnen kan doorzitten en
amp;
i den buitenteugel sterker kan laten werken.
Tot het beoefenen van de »pirouettevoltequot; neemt de onderwijzer, terwijl de klasse in »buigingslessenquot; ? in draf of in galop op den hoefslag arbeidt, de rui-
i
s
S\' ters één voor één op de groote volte. I
Hier verzamelt de betrokken ruiter zijn paard tot j
^ ^
j zich de »redopquot; ontwikkelt, vermeerdert alsdan de |
? stelling met de achterhand naar binnen (traversstel- j
i
$
I ling), en verkleint langzamerhand de volte tot hij 0 I ten naastenbij de «pirouettequot; verkrijgt. De sterk te- *
¥
1 4
4 rugwerkende hulpen, die hier kunnen worden aange- X
£ wend, breogen het paard buitengewoon goed op de *
\'è i
Tijdperk der «verzamelde houdingquot;.
achterhand, mits het den ruiter gelukt, den buitenachtervoet van het paard goed in bedwang te houden.
Bij deze oefening leereu de paarden met de achterhand krachtig en levendig onderspringen, waarbij de achtervoeten een krachtigen dubbelslag laten hooren.
De »pirouettevoltequot; stelt het paard in staat wendingen op de achterband gemakkelijk te verrichten, zooals die bij het afzonderlijk gevecht na den aanval voorkomen.
5. De vrije gangen gedurende liet tijdperk der „verzamelde houding.quot;
Hoe hooger men de verzameling opvoert des te meer moet de onderwijzer indachtig zijn om de werkzaamheid van den rug niet alleen te behouden maar ook te vermeerderen.
De juiste rugactiviteit heeft plaats als de paarden in de «onvoorwaardelijk bijgebrachte houding aan den teugelquot; den arbeid gewillig verrichten. Eene verzameling welke aan dien eisch niet onvoorwaardelijk voldoet is van geen praktisch nut. Het gevaar dat door een te spoedig en overdreven ver-
•s
1 i 1 102 |
1 1
I S
I Tijdperk der «verzamelde houdingquot;. |
| ~ — |
? meerderen der verzameling nadeelen ontstaan, die de i
* - I
| paarden »over der teugelquot; doen gaan en waardoor ?
j| ^
j de veerkracht en energie der bewegingen zeer spoe- i.
É . ..... ?
? dig komen te lijden, is niet gering te schatten,
fjj ,
Evenais het krachtig en beslist voorwaarts rijden, j
| in levendigen gang, het eenige middel is om de hier- |
| bedoelde fout uit te roeien en de «onvoorwaardelijk |
| bijgebrachte houding aan den teugelquot; alleen kan wor- |
1 den verkregen door juist toegepaste, sterk voortdrij- t
I \' i
I vende hulpen, zoo is ook het eenige middel om in j
? i
? \'t geheel niet in bedoelde fout te vervallen, dat men |
i den arbeid der verzameling dikwijls afwisselt met het j
| beslist voorwaarts rijden in ruime gangen, waardoor |
| dan ook tevens de zoo nuttige invloed wordt ver- ?
| kregen, die liet afwisselen van vrije en verzamelde |
I gangen wederkeerig op elkander uitoefent (zie biz. G4). t
rf ^ ^ r, X
Hebben de ruime gangen zich door het beoefenen j
i: , |
? der »buigingslessenquot; reeds wezenlijk verbeterd, nog j
j ... ®
| zooveel meer zullen zij zich ontwikkelen door de i
4 S
| oefening in het onderbrengen der achterhand. |
De vermeerderde veerkrachtige beweging van het paard zal gelijken tred houden met de vermeerderde bestendigheid in de »onvoorwaardelijk bijgebrachte I houding aan den teugel,quot; zoodart het den ruiter nu
*
£ ?
i amp;
i 1
^ Tijdperk der «verzamelde houdingquot;. |
® _______________________________________________________ —- jl!
^ i
| zal gelukken, de krachten der achterhand onvoor- i
® ,, ?
1 waardelijk te beheerschen, zonder ze in \'t minst in i
1
hare werking te belemmeren.
ft. Slotopmerkingen, aangevende hoever de gym-nastiscJie oefeningen van het paard behooren
K 0
| te worden voortgezet. |
Het gehalte der cavaleriepaarden is over \'t algemeen van dien aard, dat het grootste gedeelte den aangegeven graad van africhting kan bereiken. Hoewel het niet valt te ontkennen, dat er enkelen ouder zijn, die, tenminste met de ten dienste staande mid-
i . ... I
i; delen, niet zoo ver te brengen zijp, zoo is het 4
ook zeker dat er even zoovele zijn, die een nog
$ . . . £
? hoogeren graad van africhting kunnen bereiken. |
| Mocht men dus, in enkele gevallen genoodzaakt |
f*»
| zijn beneden de gemiddelde eischen te blijven, zoo j
jè # rjh
[i! mag dit alleen betrekking hebben op den graad |
| van verzameling. i
| Onder alle omstandigheden moet echter als eisch I
i i
i worden gesteld, dat het paard, in alle voorgeschre- ?
^ $
| ven tempo\'s der gangen, goed getoomd zijnde en ?
(Jj . è,
j door een\' geschikt ruiter gereden, zijn arbeid als |
S 2
X S
J lOi ^
I I
Tijdperk der «verzamelde houdingquot;.
»rugganger\'? verricht. In dit opzicht mag men niets toegeven.
Mocht dan ook een enkel paard, dat zich minder goed verzamelt, voor het afzonderlijk gevecht en voor ruiters, die eene bijzondere plaats in het eskadron innemen, minder geschikt zijn, zoo zal het toch als gewoon eskadronspaard zeer goed te gebruiken zijn en noch stoornis, noch wanorde veroorzaken, terwijl het tegendeel te verwachten is van een paard, dat men heeft trachten te verzamelen, zonder «onvoorwaardelijke bijbrenging aan den teugelquot; en krachtige werking van den rug te verlangen.
4 los i
*
AANHANGSEL.
1. De oplioiitliug\'eii, het teriig:ara!iii, liet sluiten der I
quot;quot; i? rijen, tie zwenkingen oji de plaats. |
Cl
h X
De dienst in rij en gelid eischt van de paarden ? der ruiterij, behalve de hoofdvoorwaarden van bruik- | baarheid, die de gymnastische africhting reeds van- ? zelve aankweekt, ook nog andere vaardigheden, ? die de paarden zich door oefening moeten eigen ? maken, al zijn zij ook daartoe voorbereid door de ? | gymnastische africhting zelve. |
? Hiertoe behooren: ?
4 I
\'gt;€gt;igt;y-07gt;?gt;D \'y^y-yy^hj^yy-^y-y^y^y^ -o-yy
106
t *
Aanhangsel.
a. De ophoudingen, met andere woorden: hei hall- | houden uil de verschillende rjanqen.
* I
Een vereischte bij de ophoudingen is, dat zij niet |
worden uitgevoerd op eene wijze, die nadeelig werkt ?
op de ledematen van het paard. j
Dit is slechts te verkrijgen, wanneer de paarden |
gewend worden hunne ophoudingen zoodanig te ?
verrichten, dat het oogenhlik waarin de daarvoor j
noodzakelijke teugelaanhouding geschiedt, zij geen |
steun op het bit zoeken doch nageven. i
Terwijl de ruiter zijn paard verzamelt in ver- |
• ?
houding met de snelheid van den gang, en hij het |
paard in bijgebrachte houding het onderbrengen |
der achterhand onder den gewelfden rug moet ge- I
s
makkelijk maken door het aannemen van een lichten zit, moet het paard, als \'t ware, vroeger willen ophouden dan noodig is, zoodat op het laatste oogenhlik de teugel zelfs nagegeven kan worden.
Dan alleen zullen de ophoudingen vloeiend en dus zonder stooten plaats hebben.
Het halt houden uit den galop vereischt in het bijzonder veel zorg en opmerkzaamheid.
A
s ?
I 107 |
I i
T
nadat de teugel werking zich ook nog op den binnen-
I I
I Aanhangsel. |
Het belangrijkste daarbij op te merken, is, dat |
$ ^
| wanneer het paard door de verzameling tot de op- |
j houding is voorbereid, de beslissende teugelaanhou- |
^ I
J ding plaats heeft op het oogenblik dat — na het in J
^ . 1
1 vrijheid zweven dat bij eiken galopsprong plaatsvindt |
\'j\\ •, jè
| — de buitenachtervoet den last overneemt, zoodat bij £
j X
| het onmiddellijk daarop volgende nageven der hand, |
I
| achtervoet heeft doen gelden, de beide voorvoeten J
amp;
(t* tio c»! b-QTirlaiquot; r\\Y\\ rlnn nrrnnrl noorlrnm^n ^
^ kort na elkander zacht op den grond neerkomen.
Voor den ruiter, die gewoon is zijne hulpen in j ■i de tijdmaat van den gang aan te brengen, is dit
ï
8
| oogenblik niet moeielijk te treffen. Zeker is het, 4quot;
js A
| dat het grootste gedeelte der kreupelheden en been- ?
I 4
gebreken aan slechte ophoudingen, vooral uit den
J galop, zijn toe te schrijven. |
$ . ij
i. Het is daarom van veel belang iedere gelegen- |
s . .. I
| heid aan te grijpen, om ruiters en paarden de vaste ?
gewoonte eigen te maken goede ophoudingen te
$ S
| verrichten. j
I |
b. Het teruggaan. J
I
I , I
Aangezien het teruggaan in het gelid slechts voor | X enkele passen noodig is, moet het paard daarbij
I
pi i
X è
* 108 |
I |
1 i
| Aanhangsel. |
I steeds goed »aau den teugelquot; zijn, om ook op te j
8
ï kunnen houden, als een pas nog niet geheel is |
1 -- - è
£ volbracht.
Het teruggaan valt het paard van nature moeielijk. i
Het goed geredene paard zal in den regel aan de uitnoodiging om terug te gaan gewillig gevolg
5 m .........|
i geven, omdat het geleerd heeft iedere aanhouding 4 | van den teugel op den achtervoet te laten inwerken. ? Bij het beoefenen van het teruggaan moet de |
I
ruiter eerst rug en achterhand een weinig ontlasten
i
| door iets voorover te zitten. Naarmate nu de terug- | waartsche beweging het paard bij meerdere oefe- |
iÜ .. . I
® ning gemakkelijker valt, moet de ruiter door een
i
geëvenredigd doorzitten en gebruik van het onder- |
quot;i ^1^-v V-vïi »-»o n T«/1 -é-vtn4 Ark \'♦quot;o VAOVIrlcm
i been, de neiging bij bet paard trachten te behouden |
^ . £
| om, gedurende de terugwaartsche beweging, toch |
j onmiddellijk weer voorwaarts te gaan.
É t
I I
c. Het sluiien der rijen, (door overschenkeleri).
\'i zijwaarts te verrichten, wel echter eene zijwaarts-
%
„ Het paard is niet in staat eene beweging zuiver ?
S - .... .. |
i
| voorwaartsche beweging, !f % Juist doordat de paarden, bij het begin van het |
a00A»3aa00SiBSffiS0s»fi0a3aaMa00a0araass0aa®B93!®0aaaasB00eK»s)aKi09a6)Msa99s)30aEs0s
s $
i 109 i
I I
I Aanhangsel. |
j sluiten, niet recht maar schuin op de frontlijn ge- |
j plaatst worden, zal de verlangde zijwaartsche be- |
0 weging in eene zijwaarts-voorwaartsche veranderen. | Men zal goed doen de schuine stelling niet te |
? gering te nemen ten einde te voorkomen dat het |
| paard met de beenen tegen elkander slaat.
j _ ?
Bij het beoefenen van het sluiten der rijen moe- |
1 ten in den beginne voornamelijk de binuenteugel j
| en het buitenbeen gebruikt worden, terwijl, wanneer |
i. de zijwaartsche beweging het paard gemakkelijker |
ï valt, de binnenhuipen meer in werking treden, ten I
i. ?
j einde een voordringen der achterhand tegen te gaan. J
Naarmate het paard meer neiging hiertoe toont, ?
wordt ook meer hoofdstelling genomen naar de %
zijde waarheen men gaat.
f d. Be zwenkingen op da j^ciats. ?
I I
I i
Het paard, dat door de oefening in de »buigings- i
I lessenquot; de inwerkingen van teugel en been, elk |
| in het bijzonder heeft leeren volgen, zal geaie j
i moeite hebben om de zwenkingen op de plaats te |
^ # %
| verrichten. ?
5 |
? Ook hier moet de aandacht van den ruiter er j
1 I
I no si
*
8
I I
I s
I Aanhangsel. |
bijzonder op gevestigd zijn, om bij juist afgemetens %
ten twee oefeningen worden doorloopen, namelijk: in de eerste plaats, liet verkrijgen eeuer juiste aanleuning op de stang en vervolgens een onvoorwaardelijk nageven op lederen stangteugel afzonderlijk. Het verdient aanbeveling om, zoolang men zich
I
hulpen, door voortdrijvende inwerkingen de «volmaakte aanleuning aan den teugelquot; te behouden.
2. Het rijden op de stang.
Om het met de stang getoomde paard voor te | % bereiden tot de besturing met de linkerhand alleen, | | hetgeen bij het militaire rijden onvermijdelijk is, moe- |
nog ten doel moet stellen eene bepaalde aanleuning |
op de stang te verkrijgen en het paard derhalve |
| nog noodig heeft meer of minder op de trens te |
£ ^
? te worden gereden, op de bekende wijze de stang- ?
| teugels en den linkertrensteugel in de linkerhand, en I
| den rechtertrensteugel in de rechterhand te nemen. |
| Deze wijze van besturen in de beste om de stang 4
1 langzamerhand in juiste voeling met den mond van |
|
het paard te brengen.
Ook zal men later, bij het rijden op de stang, tot deze
* \' s
quot; quot; ^ i I I
a ®
| ------|
Üi
Aanhangsel.
i
1 ^
4 wijze van besturen terugkomen, zoodra het om de eene |
jjj $
| of andere reden wenschelijk is de trens meer te doen |
I werken. Zoodra evenwel de goede aanleuning op de i
| stang is verkregen, zal men het eigenlijke doel van |
| het berijden op de stang, namelijk het nageven op |
| iederen stangteugel afzonderlijk, slechts door verdeelde |
I stangteugels kunnen verkrijgen, zoodat iedere hand |
| de trens- en stangteugels van hare zijde vast houdt. | In den beginne wordt daarbij met trens- en stang
1
(S ft
| teugels, evenveel aangehouden, gereden; later wor- | * den de stangteugels meer aangehouden, totdat ten |
?
I laatste de stangteugels uitsluitend in werking zijn.
Daar alleen bij deze wijze van besturen volko- j
I
t kan worden medegedeeld.
? men gelijkmatige inwerkingen zoowel ter rechter-
I als ter linkerzijde van het paard mogelijk zijn, gelden |
hiervoor in het algemeen dezelfde regels als voor |
het rijden op de trens, evenwel gewijzigd, in over- |
eenstemming met de sterkere werking der stang. |
De besturing van het paard met de vereenigde |
stangteugels in de linkerhand blijft steeds onvolko- |
men, omdat de werking van den éénen en de tegen- |
werking van den anderen teugel door geen draaien |
der hand op werkelijk duidelijke wijze gelijktijdig ?
112 I
met ééne hand, is derhalve steeds meer of minder
ffi
eene zaak van overeenkomst tusschen ruiter en i
$ 4
i paard.
I j
Toch kan men bij deze besturing als regel stel- J
I len, dat door eene draaiing der vuist met den pink |
| in de richting van den rechterschouder, de linker-, |
| en met den pink in de richting van den linker- |
| schouder, de rechterteugel in meerdere werking wordt i
| gebracht. |
i Dit neemt evenwel niet weg, dat in de praktijk |
£ .. . . ^
| bijna alle wendingen door eene verplaatsing der hand j
* i
j naar de binnenzijde worden uitgevoerd. Inderdaad |
^
j berust de besturing in hoofdzaak op het navolgende: 4
£ ... ^
? het paard door eene juiste gewichtsverdeeling en de |
dj # £
t overeenstemmende samenwerking van het binnen- en . i
1 buitenbeen of, zoonoodig, van binnen- en buitenspoor, |
£ . . . ^
j in elke gewenschte buiging tot afkauwen te bren- i
I I
J gen, d. w. z. tot de «onvoorwaardelijk bijgebrachte j
| houding aan den teugel.quot; Z
| Dit is alléén te verkrijgen door eene zorgvuldige |
? bewerking van het paard in de »buigiugslessenquot;, ;
| eerst op de trens, daarna op de stang met ver- I
% gt; ?
amp; % s Aaohangsel. ?
I
De volgzaamheid van het paard bij de besturing i
^ mp . TianH is HprlinlvA stpprl« mppr nf minrïov 2
1
a deelde teugels. Is dit verkregen dan zullen slechts J
% ^ I 113 « I
I I
I i
^ Aanhangsel. è
S . %
^ lichte aanduidingen met de hand en door gewichts- |
j verdeeling uoodig ziju, om het paard met volkomene ?
^ S
X zekerheid te besturen, 4
I I
1 I
3. Het buitenrijden. j
I 1
I S
De eigenlijke gymnastische ontwikkeling van het 4
jS gt;
v jonge paard moet in de besloten rijbaan tot stand |
^ £
J worden gebracht, alvorens men met werkelijk goed |
S gevolg naar buiten kan gaan rijden. Hiertoe is ?
j onder alle omstandigheden noodig, datj de ruiter i
2 ,, , ^
^ zijn paard onafgebroken door lichte inwerkingen ?
| in de «onvoorwaardelijk bijgebrachte houding aan j
den teugelquot; kan doen gaan. |
Doen zich te dien opzichte bij een paard nog | moeielijkheden voor, dan zal men deze veel spoediger i
j in de besloten rijbaan dan buiten overwinnen. Naar- |
2 mate echter het paard zich gemakkelijker in de i
j «onvoorwaardelijke bijgebrachte houding aan den s
| teugelquot; heeft leeren bewegen, zal het door het rijden |
% • 1 ^
f naar buiten winnen, en eerst daardoor zich met |
j dien graad van vlugheid en zelfstandigheid bewe- |
| gen, dien het verkrijgen kan. Ofschoon de ruiter, 4
| bij het rijden naar buiten, zich van eene ernstige j
2 lt;b
t 114 I
I I
I I
I Aanhangsel. I
bewerking van het paard moet onthouden, zoo mag hij zich toch ook niet als een dooden last laten dragen.
Tusschen ruiter en paard moet steeds eene verstandhouding, eene innige overeenkomst bestaan, het-
J geen slechts mogelijk is als het paard zich in eene
^ . j
I «onvoorwaardelijk bijgebrachte houding aan den teu- |
I gelquot; bevindt. t
| |
Zoolang de ruiter te paard zit moet deze toestand s
I
ï
bestaan, zelfs in de oogenblikken, dat men het paard veroorlooft den hals uit te strekken, ten einde daardoor zijne zelfstandigheid te verhoogen.
1 ^ Evenwel mag het streven van den ruiter om zijn |
| paard bij het naar buiten rijden in de »onvoor- i
s
% waardelijk bijgebrachte houding aan den teugelquot; |
| te doen gaan, nimmer in overdreven stelselmatig- I
| heid ontaarden, omdat daardoor spoedig de looplust i
| van het paard zou lijden. |
Het,paard dat in de rijbaan goed bewerkt is, zal |
| zich als het naar buiten gereden wordt, door eene |
zekere, vlotte behandeling, zeer spoedig uit eigen | beweging in de verlangde houding voegen.
Naast het behoud der «onvoorwaardelijk bijge- i
brachte houding aan den teugelquot; en daarmede in I
4
$ i
i I
1 1
| Aanhangsel. |
i I
I I
J nauw verband staat het streven van den ruiter
£
| om steeds zijn paard «betrekkelijk rechtuit gerichtquot; ^
5 te houden. 1
| Slechts het nauwgezet richten der achterhand op j
jt ..... A
J de voorhand is, bij eene juiste verbinding tusschen j
4 |
I hand en mond, zoowel een waarborg voor de gehoor- ?
% . t
i zaamheid als voor de zuiverheid en de verheven- 4
| |
| heid der gangen. ?
i ^
I Hoe gemakkelijker het voor het paard geworden i
| is ten gevolge van de gymnastische oefeningen, die |
ff . . ^
j het heeft doorloopen, zich in alle gangen in juiste t
| houding rechtuit gericht te bewegen, des te beter en aangenamer zal het buiten gaan en des te minder moeielijk zal het den ruiter vallen om de derde en hoofdvoorwaarde bij het met goed ge-
| volg naar buiten rijden te vervullen, namelijk : om
I ¥
? zijn paard steeds onvoorwaardelijk voorwaarts te ?
i doen gaan.
Jonge paarden toonen hunne schuwheid voor
•è
i vreemde voorwerpen door de neiging tot blijven
staan of tot keeren.
Wie nu bij dergelijke voorwerpen blijft staan om ?
£ £
^ het paard vertrouwen in te boezemen, versterkt het £
^ .... ^
J slechts in zijne natuurlijke neiging en ontdoet zich |
$ $ $ 116 *
i 1 900^)9999S)ë)a6gt;9SK»s»ë»S)9sK»99g^)SK»3g)£»)909S)g0%)39eK»9095»°XiKt)909S)909S»09999S999g»S^^)0Q9
1
1 É ^ Aanhangsel.
i j
I van het voornaamste middel om hem meester te i
I i
1 blijven, dat juist in de beweging voorwaarts be-I staat.
I
Hoe minder de ruiter zelf acht slaat op vreemde
| voorwerpen, des te spoediger verdwijnt de angst der j
| paarden er voor. ?
£ . amp;
Het is echter in alle gevallen raadzaam om in 1
| \'t begin van het naar buiten rijden der remonte- J
I paarden, een paar oudere, goedgaande paarden als |
| leiders mede te nemen. I
1
Om de jonge paarden te leeren zelfstandig en
A
| met vertrouwen op de wegen en in het terrein zich |
| te bewegen, onthoude men zich van elke regelma- |
£ P
| tige opstelling. |
Alleen in den zwermvorm hebben de ruiters ge- |
| legenheid om hunne paarden rustig en ongedwongen 1 i te laten gaan, zoodat zij in dien vorm het beste
tÜ
$ geoefend worden. i
I x
Het spreekt van zelf dat men zich met de jonge |
J paarden zooveel mogelijk in het terrein begeeft.
Wanneer er geen voldoend open terrein voorhan- i
j • . É
I den is, zal er toch overal wel een geschikt bosch- |
I achtig terrein te vinden zijn. Vooral het galop- I
| peeren door de bosschen geeft het paard het spoe- 1
* 4
I I
I I
É ii\' ■ I
I.
! I
Aanhangsel.
I , I
ü digst en op de zekerste wijze, de gewenschte zelf- i
| standigheid iu het gaan. j
I I i
I i
1 TT.i ______ U-.\'i______1_____M-i quot; i_______j. • . 4
s
Het naar buiten rijden bereikt zijn toppunt in
$
? het oordeelkundig ingaloppeeren der jonge paarden. | Men moet trachten te verkrijgen dat de gezamenlijke | paarden zich voortbewegen in een\' »evenwichtsgalopquot;
| in de hand blijvende, dat de ruiter niet veel meer dan de zwaarte der teugels voelt, daarbij zoo rus
| van 500 pas in de minuut, in «onvoorwaardelijk
bijgebrachte houding aan den teugelquot; en zóó licht *
I
i .
j tig mogelijk gaande en den adem zóó krachtig en *
. ..
| regelmatig uitstootende, dat men den indruk krijgt 4 £ alsof zich een stoommachine vóórwaarts beweegt.
$
I ^
Dit kan alleen verkregen worden door eene doel- j
d
matige gymnastische vorming of bewerking der j
* ^
| paarden, waartoe de «onvoorwaardelijk bijgebrachte |
t . . t
I houding aan den teugelquot; en de »elastische rugacti- |
| viteit\'\' tot grondslag dienen, doch evenzeer is het ?
i een vereischte, dat de ruiter met een rustigen zit ?
| door de beweging van het paard te volgen, het f
ji; ... £
| nimmer pijn in den rug veroorzaakt, zelfs niet bij ?
j oneffenheid van den bodem. ^
1 1
X 118 I
4 Het beoefenen van den langen galop.
I i
5
1 i I Aanhangsel. S
I
Wordt aan deze beide voorwaarden voldaan, dan i
I I
| berust het ingaloppeeren uitsluitend op een rustig j
• rS
j beoefenen van den galop in den zwerm vorm.
PTöf ö*v»r\\/-v tt o ti iquot;! r\\tt rro 1 r\\-r\\ loo tv-1 /-vt-» r»-Pit n tt lt;-*/■gt;\'» ^
I
? . S
j Het doet niets ter zake of de paarden van galop j
| ®
veranderen, zelfs op een »overkruisquot; galoppeeren j
^ . . r;
i. wordt niet gelet; de ruiter moet zich alleen tot ?
? taak stellen het paard geen pijn in den rug te i
X veroorzaken en het de buiging te geven, die over- j
i 4
? eenkomt met de hand, waarop het galoppeert. j
i j
Alle wanorde en bezwaren, die uit het tempe- ?
I
*
rament voortkomen, verdwijnen met den tijd.
Een oordeelkundige oefening in den langen galop is niet alleen als doel van groot gewicht, maar | heeft ook belangrijken invloed op den algemeenen graad van ontwikkeling van het paard, omdat ook de andere gangen er door aan vastheid en veerkracht winnen. Slechts het paard, dat in den langen galop oordeelkundig geoefend is, zal zich
*
vrij en met vertrouwen in het terrein bewegen.
s s
I 1
4 119 ï
Het tempo van den galop laat men afhangen van den gang van het paard dat het meest onrustig en heftig is.
i 1 1 1
Aanhangsel.
Het leeren overwinnen van hindernissen. |
(het inspringen).
Het overwinnen van hindemissen is wel in de j
hoogste mate eene aangeborene gave, doch laat ?
zich door zaakkundige oefening buitengewoon aan- ;
leeren. Evenals er «ruggangersquot; en schenkelgangersquot; |
zijn, kan men de paarden ook in »rugspringersquot; en ?
»schenkelspringersquot; onderscheiden. |
Slechts het paard dat met volkomene rugactiviteit ?
springt, kan vloeiend en elastisch hindernissen over- |
winnen. |
Hoe beter een paard als »ruggangerquot; is geoefend, |
I
des te zekerder zal het ook, bij oordeelkundige oefe- |
ning, met volkomene rugwerking springen. |
Bij het zoogenaamde inspringen is het een eerste | vereischte den paarden den angst voor de hindernissen te ontnemen.
l
Het spoedigst geschiedt dit door het paard zon- |
I der ruiter aan de longe te nemen, of wat nog beter |
1 is, geheel vrij. |
j |
Het paard, dat geleerd heeft aan de afzonderlijke ?
I inwerkingen van teugel en been te gehoorzamen, zal f.
l I
? 120 $
€)990S?)99e)g)9099g)0ë»990g^)999906K)9g)9g)95^BSH)9s)S^^H^gt;996B99Sgt;3)95»39s»g90EDé)90GGGG@
I i
^ Aanhangsel. ^
é. i
ook met den ruiter in den zadel met zekerheid sprin- j
1
i $
| gen, zoodra het geleerd heeft zonder het gewicht van j
amp; . .. iè
den ruiter de natuurlijke vrees voor de hindernissen i
S
te overwinnen. Het zal des te beter springen, naarmate J
de ruiter met meer vastberadenheid op de hindernis |
|
aanrijdt, hoe minder het in den afzet vóór den sprong | gehinderd wordt en hoe minder pijn het wordt aan- |
gedaan in mond en rug bij het neerkomen. i
j
Wanneer de ruiter op eene hindernis aanrijdt, j
4-
onverschillig in welken gang dit geschiedt, is het X
I
een vereischte om bij het paard, door gepaste voort- ? drijvende hulpen met goede aanleuning op het bit I en door een zuiver bewaren van het evenwicht, de | achterhand op de voorhand gericht te houden.
£
Wanneer de ruiter op korten afstand vóór de | hindernis voelt dat het paard tot den sprong is |
besloten, moet hij het hoofdzakelijk door zijn zit- i
£
vlak vóór in den zadel te brengen nog een laatste t
voortdrijvende hulp aanbrengen, zoonoodig de teu- i
gels iets door de hand latende glijden, om het paard ?
genoegzame vrijheid te laten tot het zelfstandig ?
kiezen van het oogenblik waarop het den sprong %
wil nemen. |
Van het grootste gewicht is het, dat de ruiter |
I i
? 121 |
i i
$
Aanhangsel.
1
Ï _ ..... ... . _ _____ . _
s daarbij zijne hand laag houdt en blijft houden, j
i ^
? omdat niets het voor het afzetten tot den sprong ?
S noodzakelijke spannen van den rug zoozeer bemoeie- i
| lijkt, dan het opheffen van de hand.
4 *
\'i
Juist tegen dezen regel wordt het meest gezon-
digd, en daardoor ontstaat voornamelijk het halt- |
houden vóór de hindernis.
Daarom roepe de ruiter vóór eiken sprong zich-
? zelf toe: »handen laag.quot; x
X \' ^
Gedurende het verrichten van den sprong moet j
? de ruiter er op bedacht zijn, niet achter te blijven j,
2 . . ^
| in de beweging maar goed met haar mede te gaan. j
^ $
Alleen dan zal het hem gelukken, nii den sprong j
è . è
i goed op te treden, d.w.z. vooral het paard niet hard 4
i • ®
? in den rug te vallen, waarmede in den regel een j
I ruk in den mond gepaard gaat. I
1 s
Wanneer sommige paarden afkeerig van- en ?
| onzeker bij het springen zijn geworden, hetgeen j
| meestal bij niet veel aanleg van den ruiter voor- S
2 | | komt, dan zal men trachten het vertrouwen bij het j
| paard te herkrijgen door het nogmaals zonder ruiter J
| te laten springen. |
i De fouten van den ruiter moet men trachten te ver- \'i
® |
I beteren door hem theoretisch te onderrichten en hem ?
I I
§
122
I i
i t
1 i
0 gt;!■
ji Aanhangsel. j
s
65
praetisch te laten springen met een paard, dat iu
| alle omstandigheden de hindernissen vlot neemt.
6. Het ontwikkelen van de „betrekkelijkquot; grootste
snelheid van het paard. f
I
Wanneer de remonten, in een tempo van 500 pas |
| in de minuut, derwijze in den langen galop geoefend j
| zijn, dat zij zich »in evenwicht,quot; volkomen rustig be- |
wegen, dan kan men overgaan tot het ontwikkelen ?
van grootere snelheden, steeds in het oog houdende |
dat hunne krachten nog niet geheel ontwikkeld zijn. i
Slechts dat paard kan worden beschouwd voor |
\'S ... .. ?
| den dienst bij de cavalerie voldoende te zijn afge- ?
I richt, hetwelk volkomen rustig den galop tot de i
I |
? voor hem bereikbare grootste snelheid kan ontwik- ?
\'f . .. .. ?
i kelen, zonder uit de »onvoorwaardelijk bijgebrachte ?
4 ^ j houding aan den teugelquot; te geraken, zoodat de |
| ruiter zelfs bij den aanval nog op de achterhand ?
0 * j kan inwerken. Dit kan slechts verkregen worden
£ als men zijne eischen langzamerhand vermeerdert.
Eene hierbij te vervullen hoofdvoorwaarde is, dai
5 de ruiter de rugactiviteit en de voortdrijvende kracht
j der achterhand bevordert door geheel met de beft
| weging van zijn paard mee te gaan.
js
I |
0090^)SH)S»099s)SK)S)gSgt;?f)Sgt;SH^)9sgt;SHX%H)s^H)9399S09S)a09099^)9i)9S»s)9^gt;3936»3^)9S»9999S6€^SGeG
I ^
Aanhangsel.
1
1 1
I Bij het goed afgerichte paard is een sterk leunen ^
op den teugel meestal het gevolg van pijn in den |
? ° | 1 rug, hem door den ruiter aangedaan. |
De ruiter moet, zelfs in den gestrekten galop,
. i $ in staat zijn zijn paard het bit te doen afkauwen. |
De samenwerking van voortdrijvende en terug- ? werkende hulpen hiertoe vereischt, is slechts moge- j lijk wanneer de ruiter een juist gevoel der beweging heeft.
Het in de maat van den galopsprong zacht aankloppende onderbeen is hiertoe de beste hulp.
*
S
♦ 11 i
n ■ 1
Si door den nek voortplant en een lichte aanraking S.
met de spoor in de oogenblikken dat de achter- j
hand onderspringt, doen het paard spoedig en |
bestendig afkauwen, terwijl dit daarentegen zeker j
niet altijd wordt verkregen door een vast aanhou- |
den der teugels en een krachtigen druk van het |
£
onderbeen. i
$
x Wanneer men van oordeel is, dat in de j
? . i
veldeskadrons het gemiddelde gehalte der rui- i
ters niet zóó goed is om dergelijke inwerkin- J -f . .-ié
gen in den langen galop te verrichten, dan zal £
I men toch niet ontkennen, dat in elk eskadron I
i 1
Eene terugwaartsche werking der hand, die zich
1 i
1 i
i i
| Aanhangsel. |
ffl ffi
vereischte ruitergevoel wel in die mate kan
2 £
worden ontwikkeld.
Het zou eene dwaasheid zijn te beweren, dat
vele ruiters aanwezig zijn bij wien het hiervoor
I
elk paard door de africhting zóóver is te bren- j
Y ■ • i •
gen, dat het bij een ruiter, die alleen passief rijdt, toch als ïruggangerquot; kan worden gevormd. I I Men moet er niettemin naar streven om ?
rS • . • ^
te verkrijgen dat de inwerkingen hiertoe ver- | * eischt, door de dressuur zoo gering mogelijk ?
f
kunnen zijn. Hoe meer inwerkingen bij een paard noodig zijn om het als »ruggangerquot; te doeo gaan, des te geschikter moet de ruiter zijn, die het behoort te rijden. De oordeelkundige indeeling van het eskadron is evenals
I
de africhting der paarden van beslissenden invloed op zijne innerlijke waarde.
7. Slotbemerkiugeu over het algemeen i»laii van africhting der remontepaardeu.
De voor de africhting der remontepaardeu ten l
| ?
| dienste staande tijd — ongeveer lll.2 jaar — moet | J in \'t algemeen zóó ingedeeld worden, dat de paarden I
| 4
die, na voorbereid te zijn door eene longeoefening, in den herfst worden aangereden,, na het einde van den eersten winter het tweede tijdperk der africhting heb-
05)5^6)6)39 T000900S»009S)9SH»09S0S)000006ö6»9S»9939095)S)SaS)9S6»09S»S®K»9030099999Sgt;5)9S)®)96»
I 125 1
J Aanhangsel. |
0 ffi
| ben volbracht, zoodat zij alzoo door middel der »bui- |
| gingslesseuquot; in de »evenwichtshoudingquot; zijn gebracht. |
j Ook verdient het aanbeveling om de paarden zoo j
| . ^
? mogelijk tegen het voorjaar op de stang te rijden. |
t ?
| Bij paarden, die bij het inwerken der teugelhulpen £
| op de achterhand zich verzamelen, kan de ruiter 1
1 met de stang veel gemakkelijker het paard in de | ? «onvoorwaardelijk bijgebrachte houding aan den teu- j i. gelquot; bestendigen dan door de overeenkomstige in-1 werkingen met de trens, hetgeen voor het naar buiten
? rijden een groot voordeel is.
*
| Het zal grootendeels van elk jjaard in het bijzon-
| der afhangen of men het al dan niet met goed
£ gevolg op de stang naar buiten kan rijden.
^ i Paarden, die buiten vreesachtig en onzeker loopen, £
i moet men op de trens blijven rijden totdat deze
i toestand aanmerkelijk is verbeterd.
? De zomer moet voornamelijk benut worden voor het
| rijden naar buiten en de daarmede overeenstemmende
j oefeningen, zooals die van den langen galop.
I
Indien de voorbereidende oefeningen goed zijn ge- |
i
1
i
houden, behoeft men in \'t algemeen niet te vreezen dat door het buiten rijden het »rijkunstig evenwichtquot; zal verloren gaan.
? 126 I
i I
É É
| Aanhangsel. |
ffl \'
Bij enkele paarden, die van nature weinig houding |
| hebben, verdient het aanbeveling om, vóór het uit- I
ï (f
r
rukken door goed gekozen »buigingslessenquot; het »rij- |
i , . .. I
^ kunstig evenwichtquot; steeds weer te bevestigen. ?
Gedurende den tweeden winter moet door oefe- ? | ningen in de «verzamelde houdingquot; het »rij- j
S
kunstig evenwichtquot; grondig worden bevestigd, en |
s zoo mogelijk in merg ea been zijn doorgedrongen.
. £ 4 Met des te meer zekerheid zal dit gelukken, naar- |
mate men zich daarbij meer uitsluitend leiden laat door de vorderingen, die het paard als \'t ware van zelf aangeeft.
|
Wie voor den tweeden winter van \'t begin af een |
i , I
£ te groot doel voor oogen heeft en daardoor te snelle ?
vorderingen wil maken, dien kan het overkomen dat de paarden na atioop van den winter slechter
1 gaan dan in \'t begin. I
ft .
4 duist voor deze, om haar zoo te noemen, fijnere 4 J
| africhting in bedoeld tijdperk, kan de onderwijzer
4
| niet genoeg voor oogen houden, dat alles wat hij
| verkrijgen wil slechts een middel is om het doel te
$
? bereiken.
$
| I
I I
| I
1
ipi
I
I i
I I
I i
I Ê
I I
1 I
i i
1 I
i I
I I
I i
I i
1 1 ^gt;3?.);gt;-gt;.j^»^gt;gt;gt;gt;),).gt;gt;-»rgt;.gt;»\';gt;gt;)igt;gt;gt;gt;1-gt;gt;gt;-gt;gt;;gt;gt;gt;gt;rgt;-gt;»igt;-»;gt;gt;gt;gt;)igt;-gt;gt;gt;gt;;gt;-gt;gt;gt;gt;gt;)-gt;gt;;\'-gt;:gt;S»=»igt;34-gt;V»,a
I i28 i
a
A. A. BEEKMAN Mot toekoningen van WILLEM STARING.
Trijs /\' 2.25, in praelitbaiid /\' 2.\',H).
A. A. BEEKMAN.
Beschrijuiny van den eigenaar dig en toestand der belangrijkste helft van ons land,
TKVUXS liUV.\\tti:xi)K
de Topographie van dat gedeelte met de voornaamste details.
Toegclklit door kaartcii eu tcckciiingcn.
l\'rijs /\' 1.80, in lialf marocco /\' lt;gt;. -•