-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

De Feestvierende

KATHOLIJKE KERK

IN NEDERLAND.

-ocr page 4-
-ocr page 5-

De Feestvierende

KATHOLIJKB KERK

IN NEDERLAND.

-ocr page 6-
-ocr page 7-
-ocr page 8-
-ocr page 9-

je

HUISBOEK YÖOH CHRIETLIJKE GEZMEü

Vierde .

S3ftei\'derda ;.linl-ï-

-^r-p

B : J D •. WE D/ 4. B O N TAM P.S. X SB ^

-ocr page 10-
-ocr page 11-

.Vak Ti

DE FEESTVIERENDE

KAÏHOLIJKE KERK

IN NEDERLAND.

HUISBOEK VOOR CHRISTLIJKE GEZINNEN.

Kerklijk goedgekeurd.

-VEIïTXjOO,

3 IJ DE WED. H. BONTAMPS. 18 8 7.

-ocr page 12-

MamM

v z, ■ ,•1 , ., _ ............... ; _ : . \' ■quot; ; 1

,

-ocr page 13-

Goedkeuringen.

Volgaarne verleenen wij onze goedkeuring aan het boek: // De feestvierende katholijke kerk in nedekland, Huisboek voor Christlijke Gezinnen,quot; en bevelen het den geloovigen als nuttig, tev bevordering van godsdienstige kennis en godsvrucht aan.

j. a. p a li E D i s,

Bisschop van lloermond.

Koerraond , den 12 Augustus, 1803.

ik scheuk bij deze mijne goedkeuring aan liet voornemen om De feestvierende kerk in eene volkseditie uittegeven, en hoop dat daardoor dit stichtende boek onder de geloovigen meer en meer verspreid worde.

J. A. PAREDIS,

Bisschop van lloermond.

lloermond, den 3 Januari 1878.

-ocr page 14-
-ocr page 15-

VOORREDE

VOOR DEN EERSTEN DRUK.

ET ontbreekt in ons Vaderland voor de Katholijken uiel aan uitmuntende Gebedenboeken; evenmin is er aan werken van godvruchtige aandaclit en overweging het minste gebrek; en toch kan een Boek, gelijk het thans verschijnende, voor beminnaars van ernstige en stichtende lectuur, niet anders dan hoogst welkom zijn : immers, het zal, gedurende geheel den loop van het Kerklijk jaar, den Katholijk, bij ieder feest eenige schoone bladzijden onder de oogen brengen, waarin de beteekenis van het Hoogtijd, de Kerk-plegtighe den en de Gebruiken, aandien dag eigen, worden verklaard. De bij elk quot;Feest gevoegde Overweging is meereu-deels aan de onsterflijke schriften der groote Kerkvaders, of der meest geachte kerklijke schrijvers ontleend, en de tusschen iedere leestbeschrijving en Overweging geplaatste Verzen zijn, ofwel de Lofzangen, welke de Kerk bij hare openbare diensten pleegt te zingen, of wel het werk van Dichters, zoo als alleen de Kerk, in alle eeuwen, ja, van de eerste dagen des Christendoms af, voor elk geslacht, tot troost, tot stichting, tot heiliging, en als ten voorsmaak der eeuwigePoëzij des Hemels, die voort heeft gebragt.

Dat zulk een Boek uitermate goed geschikt kan zijn ter bevordering van kennis en godsvrucht, behoeft wel geen betoog. Waarom toch neemt men dikwerf zoo weinig deel aan de schoonste plegtigheden der Kerk? Waarom zeggen deze vaak

-ocr page 16-

VOORREDE.

zoo weinig aan ons hart en aan onzen geest, en waarom laten zij ons koud en onverschillig, terwijl zij een vloed van liefde-tranen uit het oog van een Augustinus deden vloeijen? Waarom anders, dan dewijl wij de hooge beteekenis dier plegtigheden niet genoeg beseffen ?

En, inderdaad, drongen wij dieper door in den geest der Kerk, kenden wij wèl den waren zin harer feesten en liarer plegtigheden, dan zouden deze ons, zonder twijfel, diep treffen; zij zouden ons tot zalige gedachten opwekken en ons met heilige gevoelens bezielen; in één woord, zij zoujlen aanhoudend nieuwe kracht en voedsel geven aan het bovennatuurlijk leven van hart en geest. Want, wat is die luistervolle kring van Feesten, dieelkaêr, onophoudelijk, in eene bewonderenswaardige orde opvolgen ? Is hij niet de levende geschiedenis van het Christendom en van de wereld? Is bij niet de altijddurende hulde van dankbaarheid en liefde, die Gode wordt aangeboden, wegens de ontelbare weldaden en barmhartigheid, door Hem bewezen aan den gevallen mensch ? En de plegtigheden der Kerk, wat zijn zij anders dan de aanschouwlijke voorstelling dier geheimen van genade en ontferming, en juist daarom een noodzaaklijk en krachtig middel, om ons gemak-lijker te verheffen boven de stoflijke wereld, en op te doen klimmen tot eene hoogere orde van bespiegeling en gevoel ?

Geen enkele uitstekende gebeurtenis der wereldgeschiedenis wordt, in den loop van het Kerklijk Jaar, vergeten. De heilige tijden van den Advent en de Vaste, van Kerstmis, Paschen en Pinksteren, herinneren ons aan \'s menschen val en herstel; zij toonen ons, hoe wij aan de verdiensten des Heeren deelachtig moeten worden, en zij leeren ons, hoe de mensch, met de hulp der genade, hem door Jesus verworven, zijne pelgrimsreize moet voortzetten, totdat de groote dag des oordeels aanbreekt, en het aardsche Jerusalem ophoudt te bestaan.

-ocr page 17-

VOOREEDE.

In deu loop der heilige tijden die ons den ochtend en den middag, den avond en den nacht, of, zoo men liever wil, de lente en den zomer, den herfst en den winter van het leven des menschdoms voorstellen, ontrolt zich langzaam en plegtig de schitterende keten der kerklijke Feesten en komen, achtereenvolgens, de verschillende hoogtijden ons de blijde Boodschap van \'s Heeren Menschwording, zijne Geboorte en Besnijdenis, zijne Aanbidding door de Oostersche Vorsten, zijiiG Opdragt in den tempel, zijn bitter Lijden en smartvollen Dood, zijne luisterrijke Verrijzenis en troostvolle Hemelvaart voor oogeu stellen, en ons, eindelijk, herinneren aan de zending van den FT. Geest en aan de stichting van Jesus\'quot; Kerk op aard.

Ook de Gezegendste onder alle vrouwen, uit wie de Verlosser is geboren, en de geheimen van haar heilig leven worden veelvuldig herdacht, en met haar worden ook zij ons ter vereering en ter navolging voorgesteld, die, door Jesus\' genade geheiligd, op eeue schitterende wijze den goeden strijd vol-streden, en ons den weg toonden, waar langs wij, naar hun voorbeeld , het hemelsch Jerusalem moeten binnengaan.

Bij al die Feesten en Plegtigheden, wendt zich de Kerk niet alleen tot het verstand, maar ook, en wel bijzonder, tot het hart, om daarin levendige gevoelens van dankbaarheid en liefde, zucht naar heiligheid en deugd, en een innig verlangen naar hoogere volmaaktheid op te wekken. Eu ook hierin blinkt de godlijke schoonheid uit van den luistervollen Feestkriny der Katholjke Kerk. Want, er is geen enkel gevoel, dat ons moet bezielen, geen enkele deugd, welke wij moeten beoefenen, waartoe wij, in den loop van het Kerklijk Jaar, niet worden opgewekt en aangespoord; er is geen enkele behoefte des harten, waaraan niet wordt voldaan. // De mensch, im-n mers, wil niet altijd dezelfde denkbeelden koesteren; hij kan ,/ dit ook niet : de verscheidenheid doet hem leven, de een-

-ocr page 18-

VOOltUEDE.

// toouiglieicl maakt lieu: zwaarmoedig. Hij is aan eeue lier // gelijk, die geene aangenamer klanken geeft, dan wanneer //al hare snaren, door eene meesterliand bespeeld, te zamen // liarmoniscli trillen. Heden willen wij door de zoete lioop // gewiegd, morgen door liet geloof versterkt worden; dan eeus n weuschen wij door blijdschap opgeruimd, dan met eene hei-n lige droefheid overladen, dan weer door liefde te worden // ontstoken. Eveneens behoeven wij verschillende beweegre-// denen, om tot het beoefenen der verschillende deugden // krachtdadig te worden aangezet. quot;Welnu, beschouw, maar // met een aandachtigen en ernstigen blik, de lange rij der // leesten, welke de Kerk achtereenvolgend viert, en gij zult // klaar en duidelijk zien, dat ieder leest u bijzonder tot eene // bepaalde deugd vermaant, en daartoe een passenden beweeg-// grond aanwijst; gij zult zien, dat geen enkele noodwendig-// beid des harten wordt vergeten, maar dat ieder snaar des //gemoeds, op hare beurt, door eene meesterhand getokkeld // wordt.

„ AAquot; ee! wee! die de jaargetijden slechts kent door de afwis-// seling van kou en hitte, aan wiens hart en geest de Plegtig-// heden der Kerk niets zeggen, en voor wien de Hoogtijden en // Feesten voorbijgaan als een rook, die spoorloos verdwijnt!quot;

l)eze eenvoudige beschouwing is meer dan voldoende, om het nuttige aan te toonen van een Boek, dat bestemd is om ons met de Feesten en gebruiken der Kerk nader bekend te maken.

Aan zulk een Boek, dat tevens, zooveel mogelijk, een Ke-derlandsch karakter draagt, maar, vóór alles, echt-Katholijk is in voorstelling en opvatting; dat zich niet alleen voor geleerden, maar voor iederen lezer vatbaar vertoont, en derhalve algemeen als Familie-boek kan dienen, bestond hier te lande eene ware behoefte, waarin wij dus getracht hebben te voorzien.

Overheerlijk schoon is, zonder tegenspraak, het Kerklijk J aar vau onzen geleerden landgenoot vak der ploeg : hij toch

-ocr page 19-

voorredk.

schetst met eeue meesterpen de overeenstemming der natuurlijke en bovennatuurlijke wereld-orde; maar juist wegens deze hooge bespiegeling, waardoor het gelieele Werk wordt be-lieerscht, is dat Kerk lijk Jaar minder geëigend, om voor het algemeen als ïluisboek te dienen.— Eenvoudiger, maar, onzes oordeels, te veel plaats aau opwerpingen inruimende, en alléén de verlichting van liet verstand, niet de verwarming van het hart beoogeude, beantwoordt ook het Boek van Rip-x3£l, door EIimioben op nieuw bewerkt, en in 1850 uit het Iloogduitscli vertaald, niet aan het zoo even aangeduide doel. — De Schriften van Gaume en van den Burggraaf Walsh dragen een te uitsluitend ïransch karakter, en wijzen al te dikwerf op gebruiken en plegtigheden, die alleen in eenige Bisdommen van Frankrijk voorkomen, zoodat wij het door ons beoogde einde, niet eene eenvoudige vertaling van eeu dier Werken, geenszins zouden kunnen bereiken. — T)e Eerwaarde Heer Van Meel heeft, in zijne Vlaamsche vertaling van Gaume, wel een deel, doch ook maar een deel der geopperde bezwaren weggenomen. — Van het heerlijke Werk van Staudenmayek, Der Geist des Christentliums, moeten wij hetzelfde zeggen als van het Kerk lijk Jaar. Zij, die met het Boek van Galoppe d\'Onquaike, les Eêtes de l\'Eglise romaine bekend zijn, zullen gereedelijk bekennen, dat wij, door het overbrengen van dit geschrift in onze taal, onzen Katholijken landgenooten geen wezenlijken dienst konden bewijzen. — l;Année liturgique van Dom Guéranger zon, zeker, volkomen aan ons inzigt beantwoorden : maar een Werk van acht deeleu, zoo als het bedoelde, kan niet als een dagelijksch Huisboek worden gebruikt.

Om het Familie-boek ; De feestvierende katholijkk kerk in nederlani) zanien te stellen, hebben wij van bovenvermelde Schriften echter een niet gering gebruik gemaakt: wij hebben, in die sierlijke waranden, menige bloem geplukt

-ocr page 20-

VOOIUIEDE.

eu ze in deii ruiker geplaatst, dien wij onzen geloofs-genooten aanbieden, terwijl wij het geleerde Werk de l\'estis, van Paus Benedictus XIV., daarbij steeds tot gids en leidsman hebben gehad. Men zal het ons niet ten kwade duiden, dat wij daarbij aan het voordeel en genot der lezers de voorkeur boven onze eigenliefde hebben gegund.

Die bovennatuurlijke, luistervolle kring van Kerkfeesten, dat godlijk schoon geheel, die prachtige bloem - en looverkrans van Gebeden en Hymnen, voor elk Hooggetijde, door de liefderijke hand der eeuwig-verheerlijkte Bruid des Zaligmakers zoo onnavolgbaar rijk, als indrukwekkend-verheven, geordend en gevormd, wordt in het hier geleverde Boekwerk het Katho-lijke -Nederland ter beschouwing en waardeering opgedragen, zonder daarbij te beoogen eenigen roem voor hen, die tot het vergaderen en vereenigen van dezen Bundel hunne zwakke krachten hebben geleend. Voor wat er gebrekkigs in de voorstelling mogt bevonden worden, vraagt hun te kort geschoter, vermogen om verschooniug; voor wat er groots en goeds in te vinden is, komt de eer toe alleen aan God.

Moge dat goede en groote, onder\'sHemels zegen, rijke vruchten voortbrengen in de gemoederen van het Nederland-sche Katholijke volk, bij elke plegtige kerklijke Feestviering, en alzoo ook dit Werk, met zoovele anderen, ruimschoots bijdragen tot de verheerlijking van Christus in zijne heilige Kerk, en ter zaligheid van allen, die zich noemen en beroemen naar en in zijn heiligen Raam.

-ocr page 21-

VOOJREEDE

VOOB DENquot; TWEEDEN DRUK.

E rampzalige kanker, die lieden ten dage aan het ziele-leven der volkeren knaagt, en voortwoekerend alle maatschaplijke standen en betrekkingen dreigt te doordringen en te overheerschen, is ontegensprekelijk het Naturalisme, \'s Men sell en ingeboren werkkracht houdt zich nagenoeg uitsluitend met hetstoflijke bezig ; zoo zien we de geleerden, met al de begaafdheden van hunnen geest, zich bij voorkeur toeleggen op het nasporen en berekenen van de geheime krachten der stoflijke natuur; de fabrikant, de handels- en ambachtsman hunne gansche bedrijvigheid afrigten op het verwerven en vermeerderen van hunne stoflijke welvaart, en helaas ! de meesten hunner als het hoogste goed stellen in het genieten der zinlijke voldoeningen. Zoo is gaandeweg het leven der volken een bloot natuurlijk leven gewordeu, het bovennatuurlijk leven integendeel langzamerhand buitengeworpen. En toch is Js menschen bestemming eene bovennatuurlijke, en is zoowel zijn tijdelijk als zijn eeuwig geluk niet met de hoogere ontwikkeling van zijn natuurlijk, maar van zijn bovennatuurlijk leven innig verbonden. Daarom moet dat bovennatuurlijk leven weer aangekweekt, zijn invloed op het natuurlijk leven weer hersteld,

-ocr page 22-

VOORREDE.

de verclerflijke strekking van liet naturalisme bestreden, de uitingen van het maatschap]ijk en gezellig verkeer weer met den hoogeren geest van het kerklijk leven doortrokken worden, Hoe en wanneer de burgerlijke jaargetijden elkander opvolgen, welk bijzonder vermaak ieder jaargetijde met zich brengt ; daarvan weet een ieder te praten; maar welke de beteekenis is der kerklijke Feestkringen, welke geest eigen is aan elk dier mystieke jaargetijden, en welke de gemoedstemming is die daaraan in het hart der geloovigen moet beantwoorden : dat is voor de meesten een gesloten boek geworden. Hoe geheel anders was het daarmede in den goeden ouden tijd gelegen ! Welkelevendigebelangstelling betoonden toch onze voorouders in het bijwonen en medevieren der kerklijke plegtigheder. ! Hoe ijverig en zinvol trachtteden zij de indrukken daarvan in zich op te nemen! Met welke voorliefde, met welk geestlijk genot zorgden zij er voor, die heilzame gewaarwordingen uit de kerk meê te nemen naar den huislijken haard, en daar in den familiekring voort te zetten, wat zij in de kerk aanschouwd, bemind en genoten hadden! Daarvandaan die vrome en vrolijke liederen, die in den zaligen Advent en Kersttijd aan de lange winteravonden eene hoogere wijding gaven; die roerende strofen, aan \'sHeeren bitter lijden toegewijd, die in den Vastetijd den huislijken arbeid heiligden; die heilwenschen van Zalig Hoogtijd, welke de familieleden malkander op de hooge feestdagen als om strijd toestierden; daarvandaan al die ove rige godsdienstige gebruiken, die, onder verschillenden vorm , het burgerlijk leven omzoomden, doordrongen, verelelden, en zoodoende ouders en kinderen, meesters en dienstboden

-ocr page 23-

voorrede.

ongemerkt hunne hoogere bestemming steeds herinnerden!

Er moet das gezorgd worden dat onze altijd oude en altijd nieuwe kerklijke Feesten hun vorigen heilzamen invloed herwinnen, en het, buiten den geest dier feestkringen, zich bewegend huislijk verkeer in en door dat hooger kerklijke leven wederom opgenomen worde. Ter bereiking van dit doel kan wel niets passender gevonden worden, dan de geloovigen meer met den zin, de natuur en den geest der kerklijke plegtig-heden en feestkringen vertrouwd temaken. Die meerdere kennis te verspreiden wordt dan ook op de eerste plaats beoogd door het sehoone boekdeel, waarvan de tweede uitgave door (leze regelen wordt aangekondigd. De feestvierende ka.tiiot.tjke kerk in nederland verlangt in waarheid te zij it een Huisboek voor C h rist lij ke gezinnen. Alhoewel de inhoud van dit boek, wegens zijn populniren schrijftrant, voor dergelijk doel zeer geëigend bleek, was toch te veel kosten besteed aan diensniterlijken vorm, en kon het bijgevolg, wegens zijn betreklijk hoogen prijs, wel als kostbaar feestgeschenk zijn weg vinden onder de meer gegoede familiën, maar kwalijk eeiT huisboek worden voor den gewonen burgerstand.

Opdat dan de feestvierende ka.tiiolt.tke kerk tn neder-land voortaan in ieders handen komen kunne en in eiken katholijken familiekring een huisvriend worde, hebben wij deze derde uitgave zoo ingerigt, dat haar soliede uitstoffering en bevallig uiterlijke geen hindernis werd om den prijs aanzienlijk lager te stellen. De verblijdende uitbreiding, welke de devotie van Jesus\' heilig Hart en die van den heiligen Josef in de jongsverlcden jaren te beurt is gevallen, heeft

-ocr page 24-

VOORREDE.

liet ons mede ten pligt gemnakt de daarop betreklijke hoofdstukken op nieuw te laten bewerken en met rijkere kleuren op te luisteren.

Moge dan deze nieuwe druk, onder de hoede en voorbede van den allergelukzaligsten Josef, het hoofd der heilige Ta-milie en den vermogenden Besch ermheilige der katholijke Kerk, alom in den schoot der Christlijke huisgezinnen eene welkome opname vinden; opdat, gelijk wij het vurig wen-schen, de heerlijke krans onzer kerklijke feestgetijden weder worde wat hij voorheen, volgens Dom Guéranger, geweest is : // de vreugde der volken, het licht der geleerden, het boek der kleinenquot; !

-ocr page 25-

DE ADVENT.

EK de zou, in den vroegen morgen, zich in haren vollen glans aan de oosterldmmen vertoont, de duisternis van den nacht verdrijft, en licht, leven en vruchthaarheid over den aardbodem uitspreidt, daagt het blijde morgenrood ten trans, om de komst van den lichtreus aan te kondigen en voor te bereiden. Zoo ook verscheen niet eensklaps in de wereld. Hij, die de Zon der Geregtiglerd is; maar de komst van het Eeuwig tvoord des Vaders, dat voor ons is vleesch geworden en onder ons heeft, gewoond, de geboorte van den God-Meusch, die licht en leven brengt aan de zielen en haar door zijne genade vruchtbaar maakt voor den Hemel, werd voorafgegaan door de Oude quot;Wet, het morgenrood, als \'t ware, van het Nieuwe Verbond; en zij werd aangekondigd en voorbereid door een lange rij van Oudvaderen en Profeten : daarna eerst werd de Zaligmaker geboren; daarna eerst sprak God tot ons door zijn eigen Zoon, door wien Hj alles heeft gemaakt, en dien Bij tot erfgenaam van alle volkeren heeft aangesteld; nadat Hij reeds menigmaal en op verschillende wijzen tot onze vaderen door zijne Profeten gesproken had.

Op het hooge feest van Kerstmis viert en herdenkt de Kerk de geboorte van onzen godlijken Verlosser. Maar, opdat wij het geluk, dat ons door Jesus\' komst beschoren is, beter zouden beseffen, wil de Kerk, dat wij ons, vóór het Kerstfeest, den voortijd, den tijd der verwachting herinneren; en dit is de eerste reden, waarom zij den Advent, — hetgeen zooveel wil beteek enen als den tijd, die de komst, adventus, van den Heiland vooraf gaat, — heeft ingesteld. Daarom doet zij ons als-

-ocr page 26-

2 DE ADVENT.

dan in de H. Mis en in de andere openbare gebeden de taal hooren der Profeten, die de komst des Verlossers voorspellen: daarom ook herhaalt zij, zonder ophouden, de verzuchtingen der Oudvaders naar de geboorte van den Messias. Daauwt hemelen den Uegtr,aardige ; en (jij, o aarde, open uwen hoezern en hreng den Verlosser voort, zoo klinkt het gedurig in de kerklijke gezangen. Welaan, zoo luiden weer andere gebeden, laat ons den lieer en Koning, die weldra zal verschijnen, aanbidden ; o Heer der magten, hom ons verlossen; o Gij, Zone Gods, die op deze wereld zult komen , ontferm U onzer.

Wanneer nog maar acht dagen ons van het Kerstfeest scheiden, hoor, daar verheft de Kerk des te luider hare stem en roept nu eens : o Wijsheid, kom ons den iveg der voorzig-tigheid leer en; dan weder : o Leidsman van het huis van Israël, kom en verlos ons door moen mag tig en arm; en zoo vervolgens slaakt zij eiken dag een dezer kreten van vurig verlangen : o Wortel van Jesse, draal niet meer, maar kom en verlos ons ; o Slectel van David, kom open den kei kei, en ontsla het menschdom van zijne hoeijen; o Glans van het eenwig licht, kom en verlicht hen, die in de duisternis zitten en in de schaduwe des doods; o Koning, o Verlangde der volkeren , kom en verlos den mensch , dien Gij uit het slijk der aarde helt gevormd; o Emmanuel, onze Heer en onze Koning, kom, kom en verlos ons! En is nu, eindelijk, de vóóravond van Kerstmis aangebroken, dan verkondigt zij in jubeltoonen het blijde feest en zingt, met vreugde en dankbare stem : morgen zal de boosheid der aarde worden uitge-wischt, en de Verlosser der -wereld zal over ons heerschen.

Dit alles was op vele plaatsen nog niet genoeg voor het katholijke hart. Het was niet genoeg, dat het met de Oudvaders en de Profeten naar den Messias verzuchtte; maar het had er behoefte aan, zijn verlangen ook nog te vereenigen met de Gezegende onder alle vrouwen, die het vurigst van

-ocr page 27-

DE ADVENT. Ö

allen Jesus\' geboorte had verbeid. Vandaar het gebruik om o[j den eersten der Quatertemperdagen in den Advent, eene plegtige Mis, Maria ter eere, te vieren. Deze Mis wordt de Gvlden Mis, of ook wel, omdat zij met de woorden Borate Cceli begint, de Iiorate-Mh genoemd. Het is nog duistere na.eht, als de klok de geloovigen ter Gulden Misse roept. En dit is regt: want dan vieren wij den dag nog niet, waarop de Zon der Geregtigheid voor het mensehdom is opgegaan; maar wij herdenken nog dien bangen nacht van onwetendheid en bedorvenheid, waarin de wereld verkeerde voor Jesus\' komst. De dag is echter nabij, waarop Maria Hem aan de aarde zal schenken. Hem, die het ware licht is dat in de duisternis schittert en alle mensch, die in de wereld komt, verlicht; en daarom is ook de Kerk-zelve, terwijl buiten haar alles nog duister is, heerlijk verlicht, en, als het ware, met een gloed van luister vervuld. Levendig wordt ons op die wijze de genade der Verlossing voor oogen gesteld. Te midden van dien glans klopt het hart dan ook dankbaarder voor de onuitspreeklijke genade, ons geschonken in Hem en door Hem , die ons van de duisternis des ongeloofs heeft bevrijd; en vuriger dan ooit verzucht dan de ziel naar den oogenblik, wanneer zij niet meer met de Moeder-maagd naar de komst van den Heiland smachten, maar zich met haar in zijne geboorte verheugen zal. De Gulden Mis is een voorsmaak van Kerstmis.

Geen wonder dus, dat de Gulden Mis, vroeger, zoo men meent, met Gulden Jetteren in de Misboeken geschreven, zoo dierbaar aan het katholijke volk gebleven is. Bij het eerste klokgelui komt alles op de been, jong en oud, rijk en arm, want bij de Gulden Mis wil ieder tegenwoordig zijn. Vóór alle anderen, echter, hoort men de varensgasten met blijdschap elkander wekken, en vóór alle anderen spoeden zij ter kerke heen. Waaraan men dien ijver der scheepslieden, om het eerst bij dit Feest tegenwoordig te zijn, moet toeschrijven, kunnen

-ocr page 28-

4 BE ADVENT.

wij slechts gissen. Zou het misschien wezen, omdat zij, die zoo dikwerf en nog meer dan de herders, moeten waken, en toch niet het eerst bij de kribbe van Jesns werden geroepen, hiervoor eene vergoeding zoeken en zich dus haasten, om ten minste het eerst bij Jesns\' Moeder, bij die Sterre der Zee, bij die zekere Haven der Zaligheid te zijn ?

De Zou der Geregtigheid, die met Christus\' geboorte voor de wereld is verrezen, moet ook opgaan voor ieder Christen in het binnenste zijner ziel. Maar hoe zal het licht doordringen in een gemoed, dat de duisternis der genade bemint? Hoe zal een bovennatuurlijk leven het hart bezielen, dat, door de zonde gedood, zijnen doodslaap wil blijven doorsluimeren? Hoe zal het rijk der genade heerschen in hem, die onder den ijzeren scepter van satan en in diens slavernij wil blijven voortleven? Daarom roept de Kerk in deze dagen den zondaar toe. Hora est jam nos de sornmo surgere. Het is nu tijd, om uit onzen slaap te ontwaken, want onze Verlossing is naderbij, dan toen wjgeloovig werden. Zij spoort allen aan, om waardige vruchten voort te brengen, en aan de wereldsche vermaken vaarwel te zeggen; zelfs verbiedt zij, dat gedurende den Advent huwe-lijks-feesteu gehouden worden. De Priester bezigt in dezen tijd geen ander gewaad dan het purperkleurige, hetgeen een teeken van boete en droefheid is. Daarenboven beval de Kerk vroeger dat de geheele Advent een tijd van vaste en versterving zou zijn, juist gelijk de veertig dagen, die het heilig Paaschfeest voorafgaan. De vaste van den Advent duurde eertijds óók veertig dagen, en begon daags na liet feest van den H. Martinus. Het is daaraan toe te schrijven, dat, te dien tijde, het H. Mar-tinus-feest veelal, zoo als thans, helaas, nog de Vastenavond, in losbandig vermaak werd doorgebragt. Later is de Advent tot vier weken, ter herinnering aan de 4000 jaren vóór Chrisus\' geboorte, beperkt, en hierdoor vervielen de vermakelijkheden van Sint-Maartensdag, ofschoon men er ook heden ten dage

-ocr page 29-

1)E ADVENT. 5

nog overblijfsels van kan bespeuren, op vele plaatsen, waar, op tien vóóravond van dien dag, vreugdevuren — sint-Maar-tens-vuurtjes genaamd — ontstoken en ommegangen met brandende fakkels gehouden worden. Ook de verpligting, om gedurende den Advent te vasten, bestaat hier te lande niet meer. Maar al heeft de Kerk hare wetten te dien aanzien veranderd, haar geest blijft toch dezelfde; en, willen wij in dien geest binnendringen, dan moeten wij dezen heiligen tijd niet in vermaak en feestviering doorbrengen, maar gedurende die dagen met de zoude en met onze kwade neigingen breken, boetvaardigheid oefenen en in vurig gebed naar Jesus komst verzuchten, ten einde ons voor te bereiden, om het groote Kerstfeest waardig te vieren, en ons gemoed zóó te stemmen, dat alsdan •Jesus door zijne genade ook in ons hart worde geboren.

LOFZANG CREATOR ALME SIDERUM.

Zie, Schepper van het starrenheer. Der Christnen licht, genadig neer. En neig, van uit der zaalgen koor. Tot die ü smeeken, gunstig \'t oor.

Gij, Jesus, die der helle magt Gebreideld hebt met hemelkracht. Gij bragt uit \'s eeuwgen Vaders schoot Aan \'t menschdom redding van den dood.

Gij kwaamt om onze zondeschuld. Als hemelsch toonbeeld van geduld. Als schuldloos offer hier op aard. Uit maagdelijken schoot gebaard.

-ocr page 30-

6 DE ADVENT.

Maar nu, in heerlijkheid gesteld,

ordt langs heel de aard uw IVaam gemeld. Daar Englen dart]en in uw licht.

En de afgrond van uw aanblik zwicht.

En daarom knielen we in het stof. En brengen, Eegter, U den lof Met bede, dat uw magt ons hoed\',

AA aar Js vijands gruwelbende woedt.

Prijs, eere en glorie zij den Zoon, Met Geest en Vader, aangeboón.

En aller harten dank bereid,

A\'an nu af tot in eeuwigheid.

Overweging.

~4lle dal sul gevuld worden, en alle hevfj en heuvel zal worden \'Jtslecht. en de krotmne iccgeu zullen regt en de oneffen icegeu effen worden ; en alle vleesch zal de zaligheid Gods zien. (Luc. 8. 4. 5. (i.)

Dit zijn de profetisclie woorden, welke de Kerk in den Advent tot ons rigt, en die iu onze taal zeggen willen ; bereidt u tot het ontvangen van den hemelschen Koning, die terstond tot u komen zal. Hij is heilig en geheel godlijk! Xiets onheiligs kan voor Hem bestaan! Daarom doet boetvaardigheid, en bekeert ii van ganscher harte. Vernedert u voor God wegens uwe zonde; verandert ernstig van voornemen en wandel; neemt andere gedachten en gevoelens aan: streeft naar alles, wat waarachtig, wat regtvaardig, wat behaaglijk en prijzenswaardig is.

Gij vindt woeste dalen in n : gebrek aan geloof, aan liefde tot God en aan blij vertrouwen. Vul deze dalen, wanneer Christus n tot zaligheid strekken zal. Gij vindt er hergen en heuvels! Trotschheid en blinde eigenliefde hebben ze opgeworpen. Slecht en sloopt zulke hoogten, wanneer Christus u tot zaligheid strekken zal! Gij vindt zoovele kromten, zoovele valsche grondstellingen in u, zooveel onzuiverheid en onredelijkheid in uwe bedoelin-

-ocr page 31-

DE ADVENT.

!ïen, zoovele verkeerdheden in nw willen en handelen, en in het oordeel over beiden. Deze kromten moeten regt gemaakt, de slnippaden der booze Insten, de kromme wegen van huichelarij en menschen-behagen moeten verlaten worden, wanneer Christus u tof zaligheid strekken zal.

Er is in n ook veel ruw- hard- en onett\'enheid, zooveel niagt van onbetamelijke drift, zooveel vijandelijkheid, liefdeloosheid, toorn en hoovaardiglieid, zoo weinig lietde, zachtmoedigheid, mildheid en geduld. Zal Christus u tot zaligheid, zijne komst u ten zeii\'en worden, ruimt dan deze steenen des aanstoots uit don weg. bedwingt u-zelven, trekt geduld, zedigheid, zachtmoedigheid en vredelievendheid aan. Al het ruwe moet worden effen en glad gemaakt.

De genade van onzen God en Zaligmaker is aan alle menschen verschenen; ons onderwijzende, dat wij alle godloosheid en aard-sche lusten verloochenen, en matig, regtvaardig en godvruchtig in deze wereld leven moeten. Maar, wanneer wij ons niet van Cod laten onderwijzen, wanneer wij do godloosheid niet verzaken, do kwade lusten niet beteugelen; niet matig, niet godvruchtig op aarde leven; wat kan het, wat zal het ons baton, dat de genade (iods van onzen Yerlosser aan ons verschenen is? God heeft u geschapen zonder u, zegt de li. Augustinus; maar u verlossen zonder u, n goed en regtvaardig maken zonder u, n eeuwig gelukkig doen worden zonder u: neen, dat zal Hij niet.

Ziedaar een woord ter behartiging overwaardig.

7

-ocr page 32-

SINT NICOLAAS.

jloe lang en lievig, voor drie eeuwen, de staatsstorm, die destijds Europa doorwoedde, ook ons vaderland schokte, en nit den boom van ons volksleven menigen fraaijen tak wegsloeg, tocli lag de wortel van dien stevigen stam te diep in den bodem der bevolking gevestigd, dan dat er niet menige twijg krachtig bleef voortleven, waaraan zich gedurig frissche bladeren vertoonen, die vrolijk wederkeeren, van jaar tot jaar. Welke verdeeldheid er, in Nederland, op godsdienstig gebied, moge gerezen zijn, tusschen broeders en zusters, vroeger zoo innig door den band van een-zelfde geloof vereen igd, en welk eene betreurenswaardige klove er moge ontstaan zijn , tusschen hen, die in den schoot der grijze Moederkerk bleven voortleven, en hen, die haar verlieten, zoo zijn er toch spranken der oude eenheid in den boezem onzer bevolking levendig blijven voortbestaan, en daaronder behoort vooral de Feestviering van den VI. December, de dag van Sint-Nicolaas, om zoo te spreken, den meest populairen Heilige, alom door de Kntho-lijke Kerk, in geheel de christen-wereld, kinderlijk-blijde lier-dacht, en dit niet alleen in den onschuldigen kring der jeugd, maar ook te midden van volwassenen, bejaarden, hoogbedaag-den, ja, tot zelfs achtbare grijzen toe.

Zoo dan viert heden het gansche land, de Katholijk, de Protestant, de Israëliet, in broederlijke eendragt, den Singt; Nicolaas, een feestdag van banket, suikergebak en allerlei lekkernij. Weinig gezinnen blijven daarbij achter. Niemands hart leeft toch zóó afgezonderd van het menschdom , of\' hij heeft hier of daar een petekind, een vriend of een bekende,

-ocr page 33-

SINT NICOLAAS. 9

aau wien iu zijnen naam, de heilige Bisschop een geschenk te bezorgen heeft; en zelfs tie armen, wier ellende velen op dezen dag bijzonder gedenken, genieten het hunne van de al-gemeene vreugd, en verlustigen zich in het schouwspel, wat de bont-versierde winkels en de buitengewoon levendige en helder verlichte straten opleveren. Alleen zeer enkele familiën van germaanschen oorsprong doen niet of slechts ten halve mede. Zij wachten het Kerstfeest af, om in hunne binnenkamers, en hier en daar in den winkel van een hunner Lancles-leute, met een kerstboompje, een variant op hetzelfde feest te leveren, dat, met kindervreugd ten doel, door groot en klein wordtgevierd. Hetkerstboompje wil echter bij ons niet populair worden, en blijft altijd iets pnrtikuliers, waaraan het nationaal karakter ontbreekt. De hollandsche Sint-Mcolaas heeft, nog niets van zijn eeuwen-ouden luister verloren, en is er verre van af, zich door duitsche kerstboompjes te laten dringen van zijn troon. Er zijn lieden geweest, die zich de moeite hadden gegeven, de betreklijke waarde der beide feesten met elkander te vergelijken, om daaruit op te maken, welk de voorkeur verdiende: ijdel onderzoek! Sint-Nicolaas behoudt zijn rang niet, omdat zijn gedenkdag in hooger aanzien behoort te staan dan het Kerstfeest, maar alleen omdat de viering daarvan een geheel hollandsch karakter heeft. — \'s Lands wijs. Lands eer.

Niet altoos werd de Feestdag van St. Nicolaas enkel gevierd met koek en banket; in lang vervlogen tijden was het een kerk-lijke feestdag. De heilige Bisschop was de patroon van Amsterdam, en in de dagen, toen alle steden en gemeenten het feest van haren Schutsheilige met de grootste geestdrift indachtig waren, bleef het kerklijk leven niet besloten binnen de enge muren vaneen gebouw, maar verspreidde zijne krachtige sappen heinde en verre naar buiten.Zoo kwam die eigenaardige viering van den St. Nicolaasdag, welke wij thans beleven, in de wereld. Naast de godsdienstige viering in de bedehuizen, ontstond

-ocr page 34-

10 SINT NICOLAAS.

een familiefeest, dat weldra populair werd en, in andere kringen dan de kerklijke overgeplant, eenigzins van aard veranderde, maar tocli zijn oorsprong niet ontrouw werd, en altijd duidelijk de kenmerkende eigenschappen van den Heilige, namelijk milddadigheid en liefde jegens de kinderen bleef vertoo-nen.Toen Amsterdam vaneen hoop visschershutten eeu stedeke, van een stedeke eene groote stad, en, eindelijk, de grootste, rijkste en invloedrijkste stad van de Yereenigde Nederlanden werd, verspreidden zich haar zeden en gewoonten over het gansche land, en ongemerkt en langzamerhand vierde men op alle punten het Feest van haren Patroon. Het is waar, de moker des beeldstorms had zijn beeld verbrijzeld, maar in het hart des volks bleef het levendig en geliefd; en, ofschoon het Neder-landsch volk gedurende drie eenwen het bisschopskleed nist meer op zijn boden aanschouwd had, was het, toen het weder verscheen, er toch bekend en populair. De populariteit van St. Nicolaas had het in eere bewaard.

Thans deuken bij het St. Nicolaasfeest zeker weinigen aan zijnen oorsprong. Het is een algemeene vreugde geworden,, waar wij trouwens niets tegen hebben in te brengen. Onschuldige en opgeruimde vrolijkheid heerscht heden avond onder menig dak. Hier en daar treedt een goedhartige peetoom of een oude huisknecht, vermomd en met een mijteren staf getooid, het huisvertrek binnen, neemt deze gelegenheid waar, om den kleinen, wegens hunne meest in het oog loopende gebreken, de les op te lezen, maar eindigt altijd, — der legende over St. Nicolaas\'\' gulhartigheid getrouw, — met eene rijklijke uit-deeling van geschenken. Menigeen laat hem vergezellen door een ander personaadje, een Neger, die onderden naam Pieter, mijn knecht, niet minder populair is dan de heilige Bisschop-zelf, en met hem verschijnt, als de jeugdige, stemmen aan het slotvers gekomen zijn van het liedje, hetwelk zij onder den schoorsteen zingen :

-ocr page 35-

SINT NICOLAAS.

Sint Niklaas, goed, heilig man !

Trek je beste tabbert an.

Rijd er ineê naar Amsterdam,

Van Amsterdam naar Spanje,

Appeltjes van Oranje, enz.

Eu zóó zeer valt dit Feest in den geest onzer natie, dat de volwassenen ijverig zorgen, dat liet niet enkel tot de kindereu blijft bepaald. Vrienden wisselen op dien dag hunne gesclien-keu , cu menigeen neemt deze gelegenheid waar, om eeue uitverkorene, onder een doorschijnend anoniem, een hulde te brengen, die altijd gunstig ontvangen wordt.

Nogtans, hoewel de meesten, die lieden van ganscher harte het St. Nicolaasteest, op deze of dergelijke wijze, vieren, niets van zijn oorsprong willen weten, valt die oorsprong toch niet te miskennen. De vereering van den weldadigeu Heilige moet in vroeger eeuwen wel warm en hartlijk zijn geweest, om nu nog zulke breede sporen na te laten. Wij gelooven dan ook, dat andere feiten, die even duidelijk in het oog vallen, maar minder naauwkcurig hunne eerste aanleiding vertoonen,welligt tot dezelfde oorzaak terug te brengen zijn. De vereering van de Heiligen, in vroeger eeuwen, uitte zich vooral in navolging hunner deugden. En zon het niet waarschijnlijk wezen dat die christlijke dengd der weldadigheid, waardoor onze Hoofdstad zich te allen tijde onderscheiden heeft, en waardoor zij in onze dagen niet minder krachtig dan vroeger blinkt, haar grond vindt in den eerbied en de bewondering, welke hare bewoners voor de schoonste eigenschap van hun Patroon steeds hebben bewaard. Ons is althans het denkbeeld immer gemeenzaam geweest, dat wij, naast het gewone jp.arlijksche volksfeest, in die traditionele deugd der milddadigheid nog een ander en luisterijker gevolg hadden te aanschouwen der vroegere vereering van St. Nicolaas.

11

-ocr page 36-

SINT NICOLA AS.

LOFZANG.

Heden steeg hij, die Belijder,

wieu de Volken de eerekroon Juichend brengen, van deze anrde

zalig in zijn hemeltroon.

Vroom, ootmoedig, laiisch, en ijverig

strijdend voor des Ileeren zaak, Rleef hij trouw den pligt volbrengen

van zijn opgenomen taak.

Door zijn deugd en voorbeeld tevens,

keert in \'t uitgeput gemoed Van den strijder Gods weer veerkracht

en verhoogde zielegloed.

Daarom ook stijgt uit ons midden dank en jubel hemelwaart.

Strekt zijn beê ons tot een voorspraak

bij den pelgrimstogt op aard ; Dan toch wordt de lof behaaglijk

in der hemeliugen oor.

Dien wij der Drieëenheid brengen, nu

en eeuw bij eeuwen door. Amen.

Overweging.

De behoeftige draagt in zijne hand do schatten des lleniels; want alles wat liij ontvangt, legt liij in den Hemel neder, teneinde liet op aarde niet verga. Do hand van den arme is de schatkamer van Christus, want Christus-zelf neemt dat alles aan, wat de arme ontvangt. Geef dan, o niensch, wat aarde aan den arme, opdat gij daarvoor den Hemel erlauget; geef een stuiver, om een koningrijk te gewinnen ; geef den arme, opdat gij aan

12

-ocr page 37-

SINT NICOLAAS.

13

u-zelven gevet : want gij zult alles liebbeu, A\\Tat gij den arme gegeven, terwijl alles, wat gij liem znlt Lebben geweigerd, liet aandeel van een ander worden zal. God roept u toe : Ik wil barmliartiglieid. Welnu, die aan God weigert, wat Hij vraagt, die wil ook, dat God liem weigere, wat bij-zelf verlangt. O menscli. God vraagt u niets voor zijn geluk, maar enkel voor het uwe; hij vraagt, dut gij aardsclie barmliartiglieid zoudt oefenen, opdat Hij u daarvoor liemelsclie barmliartiglieid sclienke. ant ook in den Hemel is barmliartiglieid, en tot deze geraakt men door op aarde barmliartiglieid te oefenen. — Eens zult gij voor Gods reg-terstoel verscliijnen; neem u dus tot voorspreekster de barmliartiglieid, want zij zal u daar kunnen verdedigen. Hij waclite gerust op vergeving en twijfele niet aan de vrijspraak, bij , die zeker is, dat de barmliartiglieid zijne zaak bepleiten zal. T\\ant de barmbartiglieid komt niet alleen liet regtsgeding voor, maar in dit leven lierroept zij ook liet vonnis en spreekt de veroordeelden vrij. Dit leert ons de gescliiedenis der inwoners van Ni-ui ve. Zij waren veroordeeld, ter straffe overgeleverd, en zouden den dood sterven; maar zóó kraclitdadig verdedigde lien de barmliartiglieid, dut God liever zijn oordeel introk, dan dat Hij iets aan de barmliartiglieid weigeren zou. Broeders, verwerft u dan barmliartiglieid, door barmliartiglieid te oefenen jegens de belioeftigen, opdat gij verzekerd moogt zijn, de straffen te zullen ontgaan en de zaligheid te bekomen. Zalig zijn de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ontvangen. Te vergeefs, integendeel, hoopt hij op barmhartigheid in den Hemel, die hier op aarde geene barmhartigheid geoefend heeft.

-ocr page 38-

PnBEYLEKTE pNTYANGENIS

VAN MARIA.

s liet regtmatig en billijk, dat wij God in zijne Heiligen loven; dat wij God danken voor de genade, aan de Heiligen hier beneden, en voor de glorie, hier boven, geschonken; dat wij hulde brengen aan hen die, op eene schitterende wijze, over de wereld, den duivel en het vleesch hebben gezegevierd; dat wij hunnen heiligen levenswandel plegtig herdenken, om ons tot het navolgen hunner deugden op te wekken, en dat wij de voorspraak van die vrienden des Heeren, met vertrouwen inroepen, dan is het, voorzeker, ook regtmatig en billijk, dat wij even zoo, maar tevens op eene meer bijzondere en meer verheven wijze, Haar vereeren, die de Koningin der Heiligen is, en die verre boven alle andere gelukzaligen, ja, zelfs boven alle koren der Engelen, in eer en glorie verheven staat.

De Kerk, van deze waarheid diep doordrongen, heeft, om die reden, aan de vereering van Jesus\' Moeder niet éénenkelen dag, maar een reeks van feesten toegewijd, waarop achtervolgens de geheimen van haar heilig leven, en de voor-regten, haar door God geschonken, plegtig worden herdacht en gevierd.

Het eerste feest, Maria ter eere, dat in het kerklijk jaar voorkomt, is het feest Harer Onbevlekte Ontvangenis; een feest, gehaat door allen, die den schoot der grijze Moeder-kerk hebben verlaten, maar dierbaar aan het katholijk hart.

Waarin bestaat het geheim der Onbevlekte Ontvangenis,

-ocr page 39-

ONBEVLEKTE ONTVANGENIS VAN MAMA. 15

dat op dezen dag wordt gevierd? Welk voorregt is liet, dat door ons in Maria erkend wordt, wanneer wij zeggen, dat zij zonder zonde ontvangen is ? Dit voorregt, aan Maria alléén geschonken, bestaat niet hierin, dat zij, bij hare geboorte, zondenvrij de wereld is binnengetreden; noch ook dat zij, gelijk de Voorlooper des Verlossers, in den schoot harer moeder van de erfzonde is gereinigd; maar, noemen wij Maria onbevlekt ontvangen, dan beduiden wij daardoor, dat de smet der erfzonde nooit op haar heeft gekleefd; dat zij nooit zelfs geen enkel oogenblik, een kind van gramschap is geweest, maar, integendeel , van af het eerste oogenblik, dat zij in den moederschoot werd ontvangen, rein, vlekloos, schoon, heilig, vervuld met de heiligmakende genade en een voorwerp van Gods welbehagen was. Voorzeker, ook op haar, als kind van Adam, moest, gelijk op alle andere menschen, Adams zonde overgaan, en de smet dier zonde, welke wij als een treurig erfdeel van onzen eersten vader, mede ter wereld brengen, zou ook hare ziel hebben bezoedeld, indien zij niet door eene bijzondere genade, daarvan bevrijd gebleven was. IVeen, haar voorregt komt niet van de natuur, maar van de genade, en dus, van het Yleesch geworden Woord, dat de bron is van al het goed, wat wij in de orde der genade ontvangen. Jesus is ook haar Middelaar en haar Verlosser ; want er is maar één Middelaar Gods en der menschen, de mensch Christus-Jesus. Maar, er zijn twee wijzen van verlossing, gelijk de H. Augustinus, te regt, opmerkt: eene, wanneer men hem opbeurt, die reeds gevallen is, en eene andere, wanneer men iemand belet te vallen. De tweede wijze van verlossing is de edelste en de volmaaktste, en juist daarom, zegt de H. Bonaventura, heeft de Allerhoogste deze wijze verkozen, om de Allerheiligste Maagd te verlossen. Hij bevrijdde de gezegendste der vrouwen van de schande der zonde, door de zonde haar niet te laten genaken; terwijl Hij alle anderen slechts redt, door hen van de zonde.

-ocr page 40-

16 OSBEYLEKTB ONTVANGENIS

die aan hunne ziele kleeft, te zuiveren en te ontslaan. De prikkel der zonde heeft alle kinderen van Adam gewond, al-leen-Maria niet. Gelijk eene zuivere lelie in het midden der doornen, zoo staat Maria-alléén rein, vlekloos en ongeschonden, te midden van het zondige menschdom. En, geen wonder! Want Maria was bestemd, om de geliefkoosde Dochter des Vaders, de Moeder van den Zoon, en de Bruid te zijn van den H.Geest. En hoe zou zij in die naauwe, in die drie-dubbele betrekking tot de aanbidlijkeDrieëenheid hebben kunnen staan, indien alles in haar niet buitenmate heilig, indien zij ooit, al ware het maar één oogenblik, door de zonde bevlekt en een voorwerp van Gods gramschap geweest ware ?

Als onbevlekt werd dan ook Maria aan de wereld verkondigd, toen God, voor de eerste maal, aan den gevallen meascli een Eedder beloofde. Ik zal vijandschap stellen fusschen u en de vrouw, zoo sprak de Heer lot de helsche slang, in het Paradijs : tusschen mv kroost en het hare. Zij zal n den kop verpletten. De vriendschapsband, die den mensch met den duivel verbindt, is de zonde; maar tusschen Maria en den duivel kon nooit vriendschap bestaan; in haar kon dus nooit de zoude zich bevinden, omdat de Eeuwige God-zelf vijandschap tusschen haar en Satan heeft gesteld. Zij kon dooiden duivel niet overwonnen worden, want zij-zelve moest Satan overwinnen en zijn hoofd verpletten; zij kon dus nooit met de boeijen van Satan, dat is, met de ketens der zonden, al ware het slechts voor één oogenblik, worden belast!

Ook als onbevlekt werd Maria door den Aartsengel Gabriël begroet, met deze beteekenisvolle woorden : Gij zijt vol van genade. Want, wat beteekent dit anders dan dat Maria niet alleen een overvloed, maar de volheid der genade ontvangen heeft. En, is dit zoo, dan ontbreekt haar niets in de orde der genade, ook niet het voorregt, om van de erfzonde bevrijd te zijn.

-ocr page 41-

VAN MARIA. 17

Na den Aartsengel, hebben aclittienhonderd jaren Mariaals de genadevolle begroet, en, bewust van hetgeen in deze woorden ligt opgesloten, hare Onbevlekte Ontvangenis erkend, geprezen en geëerd. Yan af de Apostolische tijden, van af een H. Dionysius van Alexandrië en een H. Martelaar Jnstinus, tot aan Ambrosius en Augustinus, en van af deze wederom tot aan Bruno en Anselmus, verkondigden de Kerkvaders onophoudelijk dit groote voorregt van Maria; en schijnt ook al een of ander zich daartegen te verklaren, dan is dit slechts in schijn, wezenlijk is zulks nooit. Zóó diep was in alle gemoederen deze waarheid geworteld, dat de algemeene Kerkvergadering van Trente, na de leer der Kerk, aangaande de Erfzonde, te hebben verkondigd, er behoefte aan had, om de verklaring af te leggen ; dat het Concilie niet beoogde, in zijn Dekreet over de erfzonde, de Heilige en Onbevlekte Maagd Maria, de Moeder Gods te begrijpen.

Dat het geloof aan de Onbevlekte Ontvangenis van de H. Maagd te allen tijde algemeen was, blijkt overigens overvloedig uit de liturgie van den H. Basilius, gelijk ook uit die aan deu H. Jacobus en aan den H. Marcus worden toegeschreven en van oudsher in de Oostersche kerk worden gebruikt. De feestviering der Onbevlekte Ontvangenis, die reeds algemeen was in het Oosten, en, van af de tiende eeuw, ook in het Westen bestaat, levert hiervan een nieuw bewijs. Verhieven zich ook al eens , iu later tijden, enkele stemmen, die, — uit valsche opvatting daartoe gebragt — dit groot voorregt van Maria wilden ontkennen, de Kerk stoorde er zich niet aan : zij bleef\' in hare gezangen Maria prijzen als de Onbevlekte Maagd, als de geheel-achooue, in welke men geen riek kan lespeuren, als de gesloten tuin, waariu de magten der hel nooit zijn binnengedrongen, als de verzegelde bron, waarin Satan nooit zijn vergif heeft kunnen uitspuwen. Middelerwijl Rome\'s Opperpriesters, onder bedreiging der kerklijki

3

-ocr page 42-

1 8 ONBEVLEKTE ONTVANGENIS

straffen, verboden de Onbevlekte Ontvangenis der H, Moader-Maagd aan te randen, werden van alle kanten kerken ingewijd onder aanroeping der Onbevlekte Maagd; talrijke Bisdommen werden onder hare bescherming gesteld, en plegtiger dan voorheen werd alom dit schoone feest gevierd. Alléén in de laatste vijf-en-twintig jaren verzochten niet minder dan drie honderd Bisschoppen of Religieuze Orden de gunst, om openlijk, in de Litanie van Loretto en in de .Prrefatie bij de H. Mis, Mariaals onbevlekt aan te roepen en te prijzen. Dat die vergunning aan niemand werd geweigerd, behoeft wel niet te worden gezegd.

Terwijl alzoo het godvruchtig geloof aan de Onbevlekte Ontvangenis in liet Oosten en in het Westen, verre van dooiden loop der eeuwen te verzwakken, zich integendeel, luider en luider openbaarde, het vieren van dit geheim sints eeuwen algemeen was geworden, en al lang (bijzonder sedert de Constitutie van Alexander VII.) geen enkele stem zich meer tegen deze waarheid verhief, bleef er voor het katholijk h.xrt niets meer te wenschen over, dan dit Leerstuk, tot dusverre nooit als geloofspunt voorgesteld, als dusdanig, op eene pleg-tige wijze, aan de kinderen der Kerk mogt worden verkondigd. Op den 2. Eebruarij 184-9, zond Pius IX. van uit Gaëta , waarheen de Revolutie hem gedwongen had de wijk te nemen, een rondgaanden brief aan alle Bisschoppen der wereld, waarin aan ieder hunner in het bijzonder werd afgevraagd, welke de gevoelens waren, die hen en de hun toevertrouwde kudde jegens de Onbevlekte Ontvangenis bezielden, en of zij. zoo wel nis de hun ondergeschikte geloovigen, waarlijk verlangden, dat eene dogmatische uitspraak over dit Leerstuk zou worden gedaan. Tevens beval Z.H. dat overal openbare gebeden zouden worden voorgeschreven, om het licht des II. Geestes af te smeeken. Meer dan zes honderd Bisschoppen beantwoordden weldra den Pauslijken brief; en, ofschoon enkelen hunner

-ocr page 43-

VAN MAMA. 19

eenig bezwnar opperden over de tijcligheid dezer dogmatische uitspraak of over den vorm daarvan, zoo waren zij liet nogtans allen ééns, om in hunnen naam en in den naam der hun toevertrouwde kudde, getuigenis af te leggen van hun geloof aan en hunne godsvrucht jegens de Onbevlekte Ontvangenis van Maria. Na rijplijk alles voor God te hebben overwogen en de Kardinalen der Heilige Room sche Kerk te hebben geraadpleegd, riep de Paus de Bisschoppen der wereld naar Rome, teneinde een laatste maal met zijne Broeders in het Bisschopsambt te beraadslagen, en, in hunne tegenwoordigheid, Maria\'s Onbevlekte Ontvangenis als geloofspunt plegtig vast te stellen. Op de stem van Pius hadden talrijke Bisschoppen uitltalië, Frankrijk, Duitschland, Nederland, België, Engeland, Ierland, Spanje, Portugal, Griekenland, America, Indië, China, en zelfs uit Oceanië zich naar Rome, het middenpunt der Christen-Eenheid, begeven, om uit den mond van den Opvolger van Petrus de gewenschte uitspraak te vernemen. Nederland was bij die grootsche vergadering door Mg1\'. Zwijsen, Aartsbisschop van Utrecht, Mgr. van Genk, Bisschop van Adras, i. p. i. Coadjutor van den Bisschop van Breda, en Mg1\'. Yrancken Bisschop van Colophon i. p. i., Vicarius Apost. van Oost-Tndië vertegenwoordigd. Het was den 8.December van het jaar onzes Roeren 185-)«, op den dag, aan de feestviering der Onbevlekte Ontvangenis va.n Maria toegewijd, dat de langverbeide uitspraak zou plaats hebben. Hij zal ten eeuwigen dage in de Jaarboeken der Kerk en in de dankbare harten der geloovigen aangeteekend blijven, die zegenrijke en merkwaardige dag! De f\\aidinalen, de uit alle landen zaamgekomen Bisschoppen, de Generaals der Kloosterorden en de Magistraat van Rome waren in de groote St. Pieters-Kerk vergaderd, en rondom \'sPausen troon geschaard, terwijl eene onafzienbare menigte zich inde onmetelijke ruimte van dit Kerkgebouw verdrong. Zijne Heiligheid zelve droeg het H. Misoffer op. Nadat het Evangelie,

-ocr page 44-

20 ONBEVLEKTE ONTVANGENIS

eerst in liet Latijn en daarna in liet Grieksoh gezongen was , naderde de Deken van liet H. Collegie der Kardinalen, Z. Em. de kardinaal Macclii, vergezeld van de Dekenen der aanwezige Aartsbissclioppen en Bisschoppen; tot den Pauslijken troon, en verzocht Zijne Heiligheid den Hemel en de aarde te verblijden, door de Onbevlekte Ontvangenis van Maria als geloofspunt uit te spreken. Zijne Heiligheid willigde zijn verzoek in, doch wilde nogmaals, alvorens tot de uitspraak over te gaan, het licht des H.Geestes afsmeeken. Nu weerklonk onder de grijze gewelven van St. Pieter het eeuwen-oude Yeni Creator, dat door duizende en duizende monden uitgegalmd werd. Toen de laatste toonen van dezen Lofzang langzaam wegstierven, verhief Pius zijne stem, en las, te midden eener plegtige stilte, het leerstellig Dekreet af, terwijl hij, niet minder dan de aanwezigen, diepgetroffen en van vreugde opgetogen was. // Na den H.Geest met vurige gebeden te hebben ingeroepen , ,/ zoo sprak de Paus, en onder diens ingeving, doen wij uit-// spraak, verklaren en bepalen — ter eere der Heilige enondee;.-// bare Drieëenheid, ter verheerlijking der maagdelijke Moeder ,/ Gods, ter verheffing van het katholijk geloof, en tot gewin ,/ van den christlijken Godsdienst, uit kracht des Gezags van n onzen Heer Jesus Christus, der heilige Apostelen Petrus en u Paulus, en van ons-zelven,— dat de Leer, houdende, dat do ;/ allerzaligste Maagd Maria in het eerste oogenblik harer Onf-,/ vangenis door eene bijzondere genade en voorregt van wege ,/ den almagtigen God, uit aanmerking der verdiensten van ,/ Jesus, den Verlosser van het menschlijk geslacht, van alle // smet der erfzonde ongeschonden werd gevrijwaard, door God // geopenbaard is, en diens volgens door alle geloovigen vastlijk ,/ en standvastig geloofd moet worden. Bijaldien derhalve, wat „ God verhoede, sommigen het wagen, in hun hart eeu strijdig ,t gevoelen met hetgeen wij bepaald hebben, te koesteren, zoo n mogen zij vernemen eu voortaan weten, dat zij door hun

-ocr page 45-

VAN MAUI A. 21

,/ eigen oordeel zijn verdoemd; in liet geloof schipbreuk geleden if hebben, en van de eenheid der Kerk afgevallen zijn, en dat „zij, door die daad-zelve, in de door het regt vastgestelde //straffen vervallen, zoodra zij zich vermeten, om wat zij in u hun hart strijdigs koesteren, door woorden of in geschriften u of op eenigerlei andere uiterlijke wijze te kennen te geven.quot;

Zoodra Zijne Heiligheid het Dekreet had afgelezen, bragt het kanou-gebulder van den Engelenburg die blijde mare aan Eome en aan geheel de katholijke wereld over, Gelijk eertijds de Vaders van het Concilie van Clialcedonië, bij het hooren van den leerstelligen brief van den TL Leo, uitriepen : Petrus heeft door Leo (/esproken; zóu clenlcen, zóó gelooven wij: de banvloek zij over hem, die zoo niet gelooft, evenzoo dachten en spraken in hun binnenste de Vaders der Christenheid, toen zij \'s Pausen uitspraak vernamen. En naauwelijks waren zij in hunne Bisdommen teruggekeerd, of zij verkondigden luide de uitspraak van Pius, en slechts eéne stem werd gehoord, die van het Oosten tot het Westen, van het Noorden tot het Zuiden, weerklonk : Credo, zóó gelooven wij. En die stem, het was de stem der geheele katholijke Kerk.

Eens, in vroeger eeuwen, had een ketter met name Nesto-rius, aan Maria den titel van Moeder Gods betwist. De alge-meene Kerkvergadering van Ephese doemde den ketter, en verkondigde aan allen, dat het geloof gebiedt, Maria als de Moeder Gods te erkennen en te eeren. Zoodra het katholijke volk van Ephese de uitspraak vernam, gaf het zich aan eene onbeschrijflijke blijdschap over, en ontstak bij alle huizen en plaatsen vreugdevuren, ten teeken zijner blijdschap en van zijn geluk. Dit was ook nu het geval te Rome, doch niet te llome-alleen, maar de geheele wereld door. Alle kinderen der katholijke Kerk, die uit den mond hunner Bisschoppen de blijde tijding vernamen, dat Pius eene leerstellige uitspraak over de Onbevlekte Ontvangenis van Maria had gedaan, waren van

-ocr page 46-

20 ONBEVLEKTE ONTVANGENIS

eerst in liet Latijn en daarna in liet Grieksoh gezongen was , naderde de Deken van liet H. Collegie der Kardinalen, Z. Em. de kardinaal Macclii, vergezeld van de Dekenen der aanwezige Aartsbisschoppen en Bisschoppen, tot den Pauslijken troon, en verzocht Zijne Heiligheid den Hemel en de aarde te verblijden, door de Onbevlekte Ontvangenis van Maria als geloofspunt uit te spreken. Zijne Heiligheid willigde zijn verzoek in, doch wilde nogmaals, alvorens tot de uitspraak over te gaan, het licht des H.Geestes afsmeeken. Nu weerklonk onder de grijze gewelven van St. Pieter het eeuwen-oude Veni Creator, dat door duizende en duizeude monden uitgegalmd werd. Toen de laatste toonen van dezen Lofzang langzaam wegstierven, verhief Pius zijne stem, en las, te midden eener plegtige stilte, het leerstellig Dekreet af, terwijl hij, niet minder dan de aanwezigen, diepgetroffen en van vreugde opgetogen was. n Na den H.Geest met vurige gebeden te hebben ingeroepen , ,/zoo sprak de Paus, en onder diens ingeving, doen wij uit-// spraak, verklaren en bepalen — ter eere der Heilige en ondeel-// bare Drieëenheid, ter verheerlijking der maagdelijke Moeder // Gods, ter verheffing van het katholijk geloof, en tot gewin //van den christlijken Godsdienst, uit kracht des Gezags van // onzen Heer Jesus Christus, der heilige Apostelen Petrus en u Paulus, en van ons-zei ven,— dat de Leer, houdende, dat de // allerzaligste Maagd Maria in het eerste oogenblik harer Out-,/ vangenis door eene bijzondere genade en voorregt van wege // den almagtigen God, uit aanmerking der verdiensten vau // Jesus, den Verlosser van het inenschlijk geslacht, van alle // smet der erfzonde ongeschonden werd gevrijwaard, door God // geopenbaard is, en diens volgens door alle geloovigen vastlijk I/ en standvastig geloofd moet worden. Bijaldien derhalve, wat h God verhoede, sommigen het wagen, in hun hart een strijdig h gevoelen met hetgeen wij bepaald hebben, te koesteren, zoo // mogen zij vernemen eu voortaan weten, dat zij door hun

-ocr page 47-

VAN MARIA. 31

„ eigen oordeel zijn verdoemd, in liet geloof schipbreuk geleden // hebben, en van de eenheid der Kerk afgevallen zijn, en dat v zij, door die daad-zelve, in de door het regt vastgestelde //straffen vervallen, zoodra zij zich vermeten, om wat zij in //hun hart strijdigs koesteren, door woorden of in geschriften of op eenigerlei andere uiterlijke wijze te kennen te geven.quot;

Zoodra Zijne Heiligheid het Dekreet had afgelezen, bragt het kanon-gebulder van den Engelenburg die blijde mare aan Home en aan geheel de katholijke wereld over. Gelijk eertijds de Vaders van het Concilie van Chalcedonië, bij het hooren van den leerstelligen brief van den H, Leo, uitriepen : Petrus heeft door Leo gesproken; zóu denken, zóó gelooven w j: de banvloek zij over hem, die zoo niet gelooft, evenzoo dachten en spraken in hun binnenste de Vaders der Christenheid, toen zij \'s Pausen uitspraak vernamen. En naauwelijks waren zij in hunne Bisdommen teruggekeerd, of zij verkondigden luide de uitspraak van Pius, en slechts eéne stem werd gehoord, die van het Oosten tot het quot;Westen, van het Noorden tot het Zuiden, weerklonk : Credo, zóó gelooven wij. En die stem, het was de stem der geheele katholijke Kerk.

Eens, in vroeger eeuwen, had een ketter met name Nesto-rius, aan Maria den titel van Moeder Gods betwist. De alge-meene Kerkvergadering van Ephese doemde den ketter, en verkondigde aan allen, dat het geloot gebiedt, Maria als de Moeder Gods tc erkennen en te eeren. Zoodra het katholijke volk van Ephese de uitspraak vernam, gaf het zich aan eene onbeschrijflijke blijdschap over, en ontstak bij alle huizen en plaatsen vreugdevuren, ten teeken zijner blijdschap en van zijn geluk. Dit was ook nu het geval te Rome, doch niet te Romealleen, maar de geheele wereld door. Alle kinderen der katholijke Kerk, die uit den mond hunner Disschoppen de blijde tijding vernamen, dat Pius eene leerstellige uitspraak over de Onbevlekte Ontvangenis van Maria had gedaan, waren van

-ocr page 48-

ONBEVLEKTE ONTVANGENIS vreugde opgetogen, omdat de Opperpriester eene nieuwe hulde aan liuime beminde Moeder had gebragt, en eene nieuwe parel gehecht had aan hare glansrijke kroon. Het was hun dan ook niet genoeg, te alle plaatse te herhalen : Credo, wij gelooven, wat Petrus ons door den mond van Pius heeft geleerd, maar zij moesten lucht geven aan de gevoelens van hun hart, en daarom werden overal, waar godvruchtige en godsdienstige gevoelens zich in het openbaar mogen vertooneu, groote feest-lijkheden aangerigt, plegtige processiëu gehouden en schitterende verlichtingen aangebragt. Zulks was ook hier te lande het geval in Eoerniond\'s Diocees, terwijl elders de vreugde der Katholijken zich binnen de kerkgebouwen moest bepalen,maar daarom toch niet minder levendig en hartlijk werd geuit.

Te midden van al dat vreugdegejuich, vernam men de grafstem van het Jausenismus niet, dan om er zich over te beklagen , dat het niet geraadpleegd was, en de verklaring afleggende, dat het zich aan de gedane uitspraak niet wilde onderwerpen. Dat een en ander kon geen verwondering baren, want buiten de katholijke Kerk is geene liefde voor Maria, en zij, die zich buiten de Kerk bevinden, zijn er alléén buiten, omdat zij weigeren, zichaan het Gezag, door Christus Jesus ingesteld, te onderwerpen. Helaas, dieongelukkigen! zij verbeelden zich, tot de katholijke Kerk te behooren, omdat zij zich-zelven en katholijk en roomsch noemen, maar zij vergeten, dat de katholijke Kerk hen niet onder hare kinderen telt, dat de Paus van Rome het banvonnis tegen hunne Bisschoppen uitspreekt, en dat zij derhalve geene ledematen der Kerk, maar slechts takken zijn, die van den stam afvielen en daar liggen verdord.

Krachtiger weerklonk, voor een oogenblik, om echter ook weldra magteloos weg te sterven, de stem des Ongeloofs , dat door deze uitspraak innig verbitterd was. Zij, vooral, die onder een schijn van godsdienst en christlijkheid hunne valsche leerstellingen verbergen, zij, die, op den weg van een alles ver-

-ocr page 49-

VAN MARIA. 23

ui cleiid Eatiounh\'smus, cleii \\ al van het menschdom, de Erf-zo nde , de Verlossing, de noodzakelijkheid des Doopsels, enz. loochenen, en zich iiogtans als verlichte katholijken durven voordoen, waren uitermate verbolgen : zij slaakten een kreet, die naar het gehuil der razernij geleek, omdat hun de maskers werden afgerukt, en de Kerk, bij en door het verklaren dei-Onbevlekte Ontvangenis van Maria, luide aan de wereld als hare onveranderlijke Leer de waarheden verkondigde, die door deze leeraars van het Ongeloof worden ontkend. Trouwens, is M aria-alléén onbevlekt en van dc erfzonde bevrijd, dan zijn alle anderen met zonden besmet de wereld ingetreden, dan moet men Adams val en de erfzonde erkennen, dan is er behoefte aan Verlossing, dan blijkt de noodzakelijkheid des Doopsels. Lang, maar altijd te vergeefs, had het Ongeloof gehoopt, dat de Kerk,alsof deze slechts eene menschlijke leer verkondigde, een of ander geloofspunt zou loslaten, of in het een of ander pun t van het geloof aan verandering zou toegeven. Alle eeuwen hebben beurtelings die verandering van leer aan de Kerk gevraagd, maar telkens heeft zij geantwoord : ik verander niet, omdat ik van God kom en God eeuwig en altijd onveranderlijk dezelfde is. En ditzelfde antwoord gaf de Kerk aan het Ongeloof van onzen tijd, op den onvergetelijken dag van den 8. December, 1854! En dit was de reden, waarom het in woede werd ontstoken door eene uitspraak, die alle geloovige harten met blijdschap, met vreugde en geluk had vervuld. Doch laat ons de oogen van dat zwart tafereel afwenden, om ons nogmaals met den Opperpriester te verblijden, om nogmaals zijne stem te vernemen, en door zijne, woorden onze godsvrucht tot de Onbevlekte Moeder-Maagd verlevendigd te zien. //Onze ;/ mond — zoo roept Pius uit, bij het slot der overschoone // Bulle, die de leerstellige verklaring der Onbevlekte Ontvan-I/ genis van Maria bevat, — onze mond is met vreugde en v onze tong met jubel vervuld; terwijl wij Christus, onzen

-ocr page 50-

24 0NBEVLEKTJ5 ONTVANGENIS

,/ Heer, onzen nederigsten en innigs ten dank betuigen en // immer toebrengen zullen, omdat Hij ons, niettegenstaande u onze onwaardigheid, de bijzondere gunst verleend beeft, dat // wij deze eer, glorie en lof aan zijne allerheiligste M oeder // mogten aanbieden en toekennen.Wij voedende zekerste hoop ,/en alle vertrouwen, dat dezelfde allerheiligste Maagd , die // geheel schoon en vlekloos, den giftigen kop djr w reedaar-,/ digste Slang heeft verpletterd, en der wereld heil geb ragt, — // Zij, de lof der Profeten en der Apostelen, de ee r der Mar-//telaren, de vreugde en kroon aller Heiligen, de veiligste // toevlugt en zekerste hulp voor allen die in nood en gevaar /■/ verkeeren, de magtigste middelares en voorspreekster der ;/ wereld bij haren ééniggeboren Zoon, het heerlijkst sieraad, de // luister en onwrikbaarste burg der katholijke Kerk , die steeds // alle ketterijen te niet gedaan, en de geloovige volken uit de //grootste rampen van allerlei aard gered, en ons-zei ven van // zoo menig dreigend gevaar bevrijd heeft; — door har e meest-//vermogende voorspraak zich ge waardigen zal, te bewerken, // dat onze HeiligeMoeder, do Katholijke Kerk, na at wending // van alle hindernissen, zegevierend over alle ketterijen , onder //alle volkeren en op alle plaatsen, van dag tot dag, in kracht u moge toenemen, bloeijen en regeren van de eene zee tot aan // de andere, en van den stroom tot aan de eindpalen der aarde; //dat zij alle rust, vrede en vrijheid moge genieten; dat de //schuldigen vergiffenis, de kranken heil, de kleinmoedige]! v sterkte, de verdrukten troost, en die zich in gevaar bevin-v den, hulp verwerven; dat alle dwalenden na de verdwijning // der duisternissen huns geestes naar het pad der waarheid ,/ terugkeeren, en het ééne kudde en één herder worde!

// Mogen alle, ons innigdierbare, zonen derkatholijk e Kerk, // deze onze woorden vernemen, en met steeds vuriger vroom-// heids-liefde en godsdienstijver de allerheiligste Maagd en // Moeder Gods Maria, zonder erfsmet ontvangen, voortdurend

-ocr page 51-

VAN MARIA. 25

,/ vereeren, aanroepen, gebeden naar Haar opzenden, en tot // deze teederminnende Moeder van barmlinrtigheid en genade ,/ in alle gevaren, angst en nood, in twijfel en vrees, met het // volste vertrouwen hunne toevlugt nemen. Niets toch heeft ,/ men te duchten, maar alles te hopen, onder hare leiding, //toezigt, gunst en bescherming, daar zij, ons waarlijk een ,/ moederhart toedragende, de zaligheid onzer ziel bevordert, n over het geheele menschdom hare zorgen uitstrekt, en, door // den Heer tot Koningin van Hemel en aarde gesteld , boven // alle koren der Engelen en alle rijen der Heiligen verheven, //aan de regterhand van haren Zoon, onzen Heer, Jesus // Christus, staande, hare alles vermogende moederlijke voor-// bede smeekend tot Hem rigt, en verkrijgt wat zij vraagt, // zonder dat haar wensch onvervuld blijven kan.

LOFZANG TER EERE DER

ONBEVLEKTE ONTVANGENIS VAN MARIA.

Door Zijne Eminentie ilon Kardinaal von fieissel,

Aartsbisschop van Keulen.

(UIT HET LATIJN VERTAALH.)

Maagd der Maagden, vol van e:re, \'t Meest bemind van Gad den Ileere,

Heerscheres van \'t Hemelkoor,

Laat ons, op de vroomste wijzen, U bezingen, minnen, prijzen;

Schenk ons biddend lied gehoor.

Wie is, bron van zegeningen. Waardig om uw lof fe zingen, U, lieftallig mild en teer ?

-ocr page 52-

ONBEVLEKTE ONTVANGENIS

Maagd, vol van genade en schoonlieid, Licht, dat hemelglans ten toon spreidt, Woonstee van den Opperheer!

Veel genade, groote dingen Stortte Hij, die \'t al tan dwingen.

Op uw hemelsch wezen uit :

Die de schepping blijft regeeren.

Koos vrijmagtig. Heer der Heeren, U tot Moeder, Kind en Bruid.

Nooit hebt gij, naar Gods behagen, \'t Juk der zondeschuld gedragen

In liet aardsche tranendal; Onbevlekt zijt gij ontvangen, \'t Voorregt, dat gij mogt erlangen, Maakte u vrij van \'s menschen val.

Als Natuur Gena bejaagde En haar stout ten tweestrijd daagde.

Hield Genade d\'overhand;

En zij heett u vrij van zonden. Smetteloos en ongeschonden. Wonderbaar hier neêrgeplant.

Eerstelinge der gekochten,

ü heeft God, bij \'t wonderwrochten.

Niet van zondeschuld verlost; Hij heeft u behoed voor zonde. Eer Hij nog de wereld grondde. En in hemelglans gedost.

Eva van de nieuwe leering, Eoemgenoot van Gods regering,

Steldet gij u in de bres;

Ja, den Draak hebt gij bestreden, Forsch van hiel, zijn kop vertreden, Satans overwinnares!

-ocr page 53-

VAN MAÜIA.

\'t BJaiike kleed ^ dat u omruisclite, U der kuisclieu allerkuisclite,

Droegt gij blank ten liemel in;

Daar zwaaii gij, die steeds blijft gloren, Boven alle Hemelkoren,

Nu den staf, als Koningin.

Daar bidt gij, uw Zoon ter zijde. Dat Hij ons van \'t kwaad bevrijde. Die Hij vrijkocht door zijn bloed. Gaven drupplen van uw banden,

O giet ook op ons, uw panden. Stroomen van dien liemelvloed.

Wees de Zeestar op ons reizen, Stevenend naar Gods paleizen.

Als der stormen woede ons slaat; Uit U is het Heil getreden,

Wees de deur van \'t zalig Eden, Die den Christnen open staat.

Jonkvrouw, vroom en goedertieren.

Blijf op \'t heilpad ons bestieren.

Door dit ballingsleven heen.

Moeder, hoed hier uw beminden.

Geef dat we eens ginds wedervinden U en uwen Zoon bijeen.

Maak, dat wij, die u belijden,

Met ii bidden, waken, strijden,

A7eilig aan uw moederhand;

Wil ons met uw gaven loonen. En u Schutsvrouw, Moeder toonen Van ^t godvruchtig Nederland.

Doe ons steeds opregt gelooven,

Hoop en liefde nooit verdooven In ons hart, van schuld bevrijd;

-ocr page 54-

2 8 QUATERTEMPJOUDAGEN.

En bewaar, voor ramp beveiligd, \'t U van oudsher toegeheiligd Cliristenvolk, ten allen tijd.

Overweging-

Door u, o quot;\'ezeo-ende Genadevindster, lt;lie liot leven lielrf u\'c-baard en de Moeder deslleils zijt, door n worde ons de nadering tot uwen Zoon verleend, opdat Hij. die door n ons is toegekomen, ook door u ons opneme. Uwe onbevlekte reinheid ver-sclioone bij Hem de solmld onzer bedorvenheid , en uwe Gode gevaLlige demoed verwerve do vergiffenis onzer ijdelheid en boo-vaardij. De volheid uwer liefde bedekte de menigte onzer zonden, en uwe glorievolle vruchtbaarheid sohenke ons de vruchtbaarheid der verdienste. O gij, onze koningin, onze middelares, onze voorspreekster, beveel ons aan uwen Zoon, verzoen ons met uwen Zoon , vertoon ons aan uwen Zoon. O gezegende A rouwe, erlang voor ons, door de genade, die u ten deele viel, door de harmhartigheid, die uit u geboren is geworden, dat Hij, wieu het behaagde, door uwe bemiddeling, aan onze zwakte en ellende deel te nemen J ons door uwe voorbede, deelachtig make aan zijne ein-delooze glorie en heerlijkheid.

QUATERTEMPEHD AGEN.

In de derde week van den Advent zijn drie vastedagen, te

_1 weten, op woensdag, vrijdag en zatnrdag, voorgeschreven.

Deze vastedagen, die viermaal [qnater) in liet jaar terugkomen, in den winter, in de lente, in den zomer en in dan herfst,

worden uit dien hoofde Quatertemnerdagen genoemd. Het ge-

-ocr page 55-

QUA TE RTJSMPE11DAGEN. \'2 ü

bruik, om ieder jaargetij door eeu driedaagsch vasten tehei-ligen, klimt op tot de eerste eeuwen des Christendoms, zelfs schrijft de H. Leo de instelling er van .nau de Apostelen toe.

De Quatertemperdagen zijn niet alleen ingesteld, om ieder jaargetij te heiligen, maar ook om, door algemeen vasten en gebed, Gods besten zegen over de aanstaande Bedienaars van het Heiligdom af te smeeken. Op deze dagen, immers, worden de H. Wijdingen toegediend, eu daarom vast en bidt de Kerk, met en voor de Wijdelingen, opdat deze waardige Bedeelers van Gods geheimen mogen worden. Vroeger werden de H. Wijdingen alleen op den Quatertemper-zaturdag in den Advent toegediend , en daaraan is het toe te schrijven, dat men in het leven der oude Pausen gewoonlijk vindt aangeteekend, dat zij in de maand December de H. Wijding hebben verrigt. Later zijn ook de andere Quatertemper-zat urdagen, de Zaturdag vóór Passiezondag, en de Zaturdag van de goede Week voor het toedienen der H. Orden bestemd geworden.

z, De H. Kerk, al het gewigt des Priesterambts kennende, r bezigt ook alle voorzorgen, teneinde geene dan waardige // personen er toe te bevorderen, hun dc pligten welke zij te i, vervullen hebben, krachtig op het hart te drukken, en aan ,/ liet volk, voor de waardigheid van hunnen staat en voor de // magt waarmede zij bekleed zijn, diepen eerbied en groot // ontzag in te boezemen. Want, zal het Priesterambt den in-// vloed uitoefenen, dien de Kerk er van verwachten kan, dan u moeten de Bedienaren van dit Ambt én hunner bestemming // waardig zijn, én door het volk met hoogachting beschouwd, h met liefde en onderwerping gehoord worden. De H. Kerk u heeft dan ook ouderscheiden Orden eu Rangen ingesteld, // waardoor zij, die het Priesterschap verlangen te verkrijgen, v langzaam boven de leeken verheven worden, en tot die hooge // waardigheid allengskens opklimmen. Zoo heeft zij den tijd en v de gelegenheid, om de Adspiranten voor te bereiden en te

-ocr page 56-

30 QÜATEllTEM PERDAGEN.

ii beproeven, en om aan de geloovigen liet nooclige vertrouwen // in te boezemen op diegenen, welke zij tot het Priesterambt // bevordert. Daarenboven, overtuigd zijnde, dat zinlijke voor-,/ stellingen gewoonlijk dieperen indruk maken dan afgetrokken „ bespiegelingen en langwijlige onderrigting, zoo doet zij de // door haar ingestelde Kangen zoowel als de van Christus-zelven // herkomstige Orden met prachtige cn zinlijke plegtighedeu u toedienen, teneinde in den Wijdeling een innig en blijvend u gevoel zijner groote pligten op te wekken, en aan het volk ;/ de waardigheid en de magt van hare dienaren, als zigtbaar // te stellen voor het oog.quot;

Het zou te omslagtig zijn, de plegtighedeu bij de kruinschering en bij ieder der mindere en hoogere Orden, door de Kerk gebruikt, te beschrijven. Bij eene enkele Orde, die als voorbeeld der overigen kan dieren, zullen wij ons bepalen, namelijk, bij het Subdiakenschap, dat de Laatste der hoogere of heilige Orden is. „ De twee andere hoogere Orden zijn — u zoo spreekt Monseigneur van Vree, aan wien wij deze be-,/ schrijving, zoowel als de overigeaanteekeningen, ontleenen — // het Diaken- en het Priesterschap. Deze drie worden hoogere h pt\'heilige Orden genoemd, omdat degenen, die er mee be-,/ kleed zijn, eene grootere magt bezitten, en dichter bij liet „ Heilige, dat aan het altaar opgedragen wordt, naderen mo-// gen; omdat zij op eene meer bijzondere wijze onherroepelijk // aan God worden toegewijd; en omdat zij verpligt zijn, onge-,7 huwd en volkomen zuiver te leven. — Deze laatste ver-// pligting lijdt in onzen tijd veel tegenspraak, schoon liet u ontwijfelbaar is, dat zij van de eerste eeuwen af bestaat, en ,f van de Apostelen-zelven herkomstig is. Zonder ons met de n wederlegging der redeneringen en lasteringen tegen het Celi-u baat in te laten, herinneren wij ons slechts, dat de mang-u delijke zuiverheid eene door den Verlosser (Matth. 10.) en v zijne Apostelen (l.Cor. 7.) aangeprezen deugd is, en wij

-ocr page 57-

QUATERTEMPERDAGEN. 31

//danken de heilige Kerk, dat zij, de verpligting tot dezen // evangelischen raad aan hare hoogere bedieningen hechtende, // ons met den sterrenglans der Leeraren ook de sneeuwvv itte // leliën der Maagden verkrijgen doet. — Dit vooraf over de heilige Orden, in het algemeen, gezegd hebbende, gaan wij nu de toedienig van het Subdiakenschap beschrijven.

// Als de bisschop, na het toedienen der mindere Orden, // eenige oogenblikken staande gebeden heeft, plaatst hij zich \'/ 0P zijnen zetel. De Aartsdiaken wendt zich tot degenen, die // wenschen gewijd te worden, en roept luide : Bat zij, die n het subdiakonaat verlangen, nader komen. Vervolgens hunne n wij-titels opnoemende, roept hij elk hunner bij zijnen naam. // Zoodra nu allen tot op een behoorlijken afstand voor den n Prelaat genaderd zijn, vermaant deze hen, met nadruklijke // woorden, nogmaals ernstig te overwegen, wat zij gaan doen : // hij herinnert hun de zware en altoosdurende pligten, welke //zij op zich nemen, en verklaart hun tevens, dat het hun n uog vrij staat, het voornemen, wat zij aan den dag gelegd //hebben, te laten varen. Geliefde Zonen, zegt hij, op het // puilt staande, om tot de Orde der Subdiakens bevorderd te ,/ ivorden, moet gij ten ernstigste bedenken , dat gij heden uit // eigen beweging verlangt, eenen last op u te nemen. Want // tot nu toe zijt gij nog vrij, en gij kunt naar verkiezing, // tot de wereld terugkeeren : maar, hebt gij deze Orde een-// maal ontvangen, dan moet gij in dienstbaarheid aan God, // (toelke dienstbaarheid nog tans heerschappij is) altij l isol-// harden, en de kuischheid, met \'s Heeren hnlpe, bewaren en, // aan den kerkelijken dienst immer toegewijd blijnen. Bedenkt // u dan, terwijl het nog tijd is : doch behaagt het u, in uw u heilig voornemen te volharden, nadert dan in, den Naam // des Keer en.

// Men moet het ondervonden hebben, om te beseften, wel-// ken indruk deze vermaning maakt, hoe zij het binnenste des

-ocr page 58-

32 QUATERTEMPERDAGEN.

„ gemoeds iu beweging brengt. Het zijn jonge lieden, wien n liet warme, het hartstogtelijke bloed der jeugd door de aderen // stroomt , tot wie gezegd wordt; Gij zijt nog vrij; het zijn z/ jonge lieden, die door de kundiglieden, welke zij hebben t; opgedaan, door de vriendschapsbetrekkingen, welke zij in // hunne studie-jaren hebben aangeknoopt, soms door den // stand, waarin hunne familie geplaatst is, in de wereld groote // bevorderingen kunnen hopen, tot welke de Bisschop zegt: n Gij kunt, naar verkiezing, tot de xvereld terugkeeren; het // zijn jonge lieden, wien de begeerlijkheid der oogen, rijk-n dommen en pracht, de begeerlijkheid des vleesches, verma-„ ken en wellusten, de hoovaardij des levens, grootheid en //lauwerkransen beloven, tot wie gesproken wordt: zoo gij //volhardt, moet gij aan uwe vrijheid, aan uwe lagchende // vooruitzichten inde wereld vaarwel zeggen; alle voldoening u van den prikkel dee vleesches zal u verboden zijn; God en // de Bruid van zijnen Zoon zullen de eenige voorwerpen wezen, // waaraan gij al de krachten van ziel en ligchaam, al de ge-// dachten van uw verstand, al de genegenheden van uwe har-// ten zult moeten toewijden. Als ik de jonge lieden aanschouw, // die daar voor den Bisschop staande, uit diens mond deze ,/ woorden hooren, dan verbeeld ik mij, den jongeling van het // Evangelie te zien, tot wien de Verlosser zei de : Wilt gij vol-// maakt zijn, zoo ga heen, verkoop wat gij hebt, en geej het u den armen; en kom, volg mij. Geliefde jonge lieden, laat het // u niet gaan, gelijk het dezen jongeling ging! Hij werd treu-// rig eu verwijderde zich, want hij was rijk. Verwijdert gij u // toch niet, laat de gestrengheid der pligten, die u voor oogen // gehouden zijn, geene treurigheid in uwe harten storten. Aan // de voeteu van uwen gekruisten Meester geknield, hebt gij // zijne stem gehoord; als Hij iu de H. Communie in uwe har-// ten gedaald was, heeft Hij tot u gesproken; door den mond // van uwen geestlijken Vader heeft Hij tot u geroepen; Hij

-ocr page 59-

QÜATERTEMPEllDAGEN. 33

,/ lieeft u gezegd : Volg mij. Beantwoord aan deze stem. Maar // is er onder u iemand, die deze stem niet gehoord heeft, // wiens hart nog aan de wereld hangt, wiens driften niet ver-// storven zijn, die zijne \\Ieeschlijke begeerlijkheid nog niet in // onverbreekbare kluisters geklonken houdt, o dat hij niet // nadere, dat hij terug keere : hij is nog vrij. Wee hem, zoo // hij durve naderen! Wee hem, zoo hij niet, gelijk Aaron, // geroepen zijnde, zich nogtans dit eerambt durve aanmatigen! // Het is te vreezen, dat van hem, gelijk van den zoon des u verderfs, zal moeten gezegd worden: Hel ivare dezen mensch u heter, nooit geloren te zijn geweest.

// Dank zij den Hemel! Zij naderen allen! Zij doen allen // eene schrede voorwaarts, en in eeuwigheid kunnen zij niet // terug! Achter hunne voeten is tusschen hen en de wereld // eene klove geopend, die nimmermeer kan aangevuld worden; // zij zijn in het heiligdom getreden, en vandaar tot de wereld // is de ruimte onmetelijk. Hemelingen, die door het verachten // der wereld, door de overwinningen op den duivel, door de // onderdrukking des vleesches, daarheen zijt opgestegen, waar z, onverganklijke goederen, reine weelde, ware grootheid, de // zielen zaligen, gij, gij moet deel nemen aan dit feest; gij // moet, voor één oogenblik, in ons nederig Heiligdom ver-// schijnen, om de beloften dezer Wijdelingen en de herhaling n dier-zelfde belofte door de anderen, die ze reeds vroeger // deden, aan te nemen, aan den Allerhoogste op te dragen, // en hulp tot het onderhouden er van af te smeeken.

fi Daar stort de Hoogepriester op zijn aangezigt neder, en al „ de Wijdelingen, voor het Subdiakonaat, Diakonaat en Pries-// terschap, zijn voorbeeld volgende, liggen plat ter aarde. De // talrijke Geestelijken, die in deze plegtigheid dienen, knielen // eerbiedig ter wederzijde van den Bisschop neer. Twee hun-// ner verheffen de stem en, na de aanbidlijke Drievuldigheid // om ontferming gesmeekt te hebben, roepen zij den bijstand

-ocr page 60-

3i QUATERTEMPERDAGEN.

// van alle bewoners des Hemels in. Als de Cantores, in het // zingen der Litanie gevorderd zijn tot aan de woorden : Bat ff gij u gewaarcliget ons te verhooren, zwijgen zij stil. De Bis-v schop rigt zich nu op, en met den mijter op het hoofd en ,/ den staf in de linkerhand, wendt hij zich tot de Wijdelingen, „ die onbeweeglijk liggen blijven. Gelijk weleer in Jeruzalems u tempel het offerdier, door het slagtmes geveld, beweging-,/ loos naar het oogenblik wachtte, waarop het door de handen // des Priesters op het brandaltaar geworpen en als eene den // Heere aangename offerande door het heilige vuur zou wor-,/ den verteerd; zoo wachten ook deze jongelieden, zich vrij-// willig toewijdende, om geheel, zonder de minste terughou-// ding, door den Hoogepriester aan den Almagtige als offers // opgedragen te worden. Hij opent zijnen mond, om aan hun „ verlangen te voldoen; hij spreekt tot den Almagtige : Bat n Gij Ugewaarcliget deze uifgekozeneu te zegenen. Bat Gij U u gewaardiget deze uitgekozenen te zegenen en te heiligen. Bat ,/ Gij ügewaardiget deze uitgekozenen te zegenen, te heiligen u en aan U toe te wijden. Dan valt hij wederom op zijn aan-gezigt neder, en de Cantores zeggen : Bat Gij Ugewaardi-u get ons te verhooren; en allen antwoorden : Wij hidden U, n verhoor ons. Vervolgens wordt de Litanie geëindigd.

H Nu hebben er genoegzame voorbereidingen plaats gehad; u de Kerk heeft den Adspiranten naar hare bediening, door // den mond des Bisschops, voor de laatste maal de lasten, ,/aan die bediening gehecht, voor oogen gesteld; hun, die „ volharden , heeft zij in de bewoners des Hemels voorbeelden // en beschermers gegeven; zij heeft zich tot den Heer gewend // en zijne hulp afgesmeekt; nu meent zij dan ook tot de toe-// diening der Orde, die onherroeplijke verpligtingen oplegt, „ te kunnen overgaan. Allen staan dus op, en zij, die Subdi-,/ aken worden, knielen voor den Bisschop neer. Deze geeft ,/ hun een kort onderwijs betreklijk de verrigtingen hunner

-ocr page 61-

QUATEKÏEMPERDAGEN. 35

n aanstaande bediening, en reikt vervolgens ann ieder hunner // een ledigen kelk met schotel [pateen) ter aanraking over, n Ziet, wiens dienstwerk u toebetrouwd wordt; ik vermaan u v dus, 11 zoo te gedragen, dat Gij Gode hehaget. Dan wekt de // Bisschop de geloovigen op, om voor de Wijdelingen te bid-// den, en wendt zich aanstonds tot den Allerhoogste, om zijnen „ zevenvondigen Geest over hen af te smeeken. Hij kleedt // hen vervolgens met de kleederen, die aan de Orde der Sub-// diakenen eigen zijn, namelijk : de Amict, onder de woorden: // ontvangt de Amict, waardoor de voorzigtigheid der sprake n het eekend wordt. In den naam des Vaders en des Zoons en u des heiligen Geestes. Amen; den Manipel, met het zeggen : // ontvrinqt den Manipel, toaardoor de vruchten der goede wer-,/ ken heteekend worden. In den naam des Vaders en des Zoons // en des heiligen Geestes; de Tunica, met de bede ; de Heer u hekleede u met het kleed der vreugde en blijdschap. In den quot; naam d™ Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes. n Amen; ten laatste reikt hij hun het Epistelboek over, hun v de magt gevende, om voortaan onder den dienst der H. Mis u den Epistel te zingen. Hiermede is de wijding der Subdiakens // voleind, en keeren zij naar hunne plaatsen terug.quot;

Is de wijding van den Subdiaken reeds zoo plegtig, veel indrukwekkender nog is de wijding eens Priesters. Hij wordt tot de H. Wijding niet toegelaten, vóórdat de Aartsdiaken en het Volk getuigenis van zijn heiligen Levenswandel hebben afgelegd. Door de oplegging der handen wijdt de Bisschop hem tot Priester, dat is tot leidsman der geloovigen en uitdeeler van Gods geheimen. Zijne handen, die voortaan het aanbidlijk Offer van Jesus\' vleesch en bloed aan den eeuwigen Vader zullen opdragen, worden door den Hoogepriester gezalfd, en voorde eerste maal draagt hij, dien dag, met den Bisschop het H. Misoffer op. Door de oplegging der handen ontvangt, hij tevens de magt, om de zonden te vergeven; en, nadat hem

-ocr page 62-

36 QUATERTEMPERDAGEN.

uitdruklijk de zware pligteu, die op hem rusten, voor oogeti zijn gesteld, en reeds vóórdat hij eerbied en gehoorzaamheid aan zijne geestelijke Overheid heeft beloofd, zegt hem de Bisschop, in Jesns\' Naam : van nu af zal ik u niet meer mijne knechten, maar mijne vrienden noemen. ,/0 onvergetelijk „ oogenblik! (roept Van Vree wederom uit), dierbaar tijdstip ,/ waarop ik mij in de zaal des laatsten Avondmaals onder de n Jongeren van Christus waande, en die gevoelvolle woorden n uit zijn mond meende te hooren! Nooit, nooit moogt ge uit // mijne ziel worden gewischt. Onbegrijpelijke liefde van mijnen // Zaligmaker, die mij, onwaardige, voor Vriend erkent! Mijne v regterhand verdorre, mijne tong kleve aan mijn gehemelte, // zoo ik niet meer denke aan LT! quot;

Zoo leert ons de Kerk, door de plegtiglieden der heilige Wijding, de hooge waardigheid en het groote gewigt van het Priesterambt naar waarde schatten; zoo spoort zij ons aan om, op dagen, voor de toediening der H. Orden bestemd, door goede werken en gebeden, Godes zegen over de Wijdelingen at te smeeken.

LOFZANG.

W1NTER-QUATERTEMPER EN PRIESTER-WIJDING.

I.

De Leeuw van Juda is geboren,

Wiens stem de wereld siddien doet;

De Satan heeft den strijd verloren.

De Dood zinkt magtloos Hem te voet.

In schaamle kribbe ligt Hij neder.

Wiens scepter aarde en hemel rigt;

Hij brengt den mensch het leven weder,

Eu \'i Eijk des Hemels is gesticht.

-ocr page 63-

QTJ ATERTEMPEEDA GEN.

Knielt, Volken, knielt, en laat uw zangen. Uw feestgeluid, nit dankbre borst.

Het lied van d\'Englenrij vervangen, Die lofzingt aan den Vredevorst.

Hij sluimert hier, de groote Koning, Die Abrams hoop vervullen zal;

Geen ijdle wereld-praalvertoom\'ng Omstuwt den Schepper van \'t heelal;

Maar nedrig treedt Hij op in \'t leven, Wiens wijsheid \'t Heidendom veracht.

En die, bij \'t sinaadlijkst kruisdoodsneven. Het heilwoord uitroept: ,/ \'t is volbragt!quot;

Knielt, Volken, juicht den zuigling tegen. Die aller eeuwen wensch vervult.

Die, louter liefde, de aard ten zegen. Uw vloek verdelgt om Adams schuld.

II.

\'k Zie Stephanus in foltring sterven.

En zooveel argloos kinderbloed Het martlend beulen-slagzwaard verven. Bij \'s levens eersten morgengroet.

U prijs ik zalig, dierbre schimmen.

Die \'t zaad van Jesus\' Kerke waart, En, hoe de Hel u aan raogt grimmen,

Zijn Naam beleedt, trots vuur en zwaard.

U prijs ik zalig, dierbre wichtjens, Die Zijnentwil den dood bekocht, En, met verheerlijkte aangezigtjens, Het eerst Zijn troon omzweven mocht.

-ocr page 64-

QUATERTEMPERUAGEX.

U danken wij het, Bloedgetuigen Van Js Heeren Oppermajesteit,

Ook nu nog, daar we ons nederbuigen In \'t aanzigt van Gods Heerlijkheid.

III.

En Gij dan, dien wij hulde wijden, Joannes, door Gods Zoon geliefd.

Wiens borst, in \'s Meesters zielelijden. Van Jt eigen jammer werd doorgriefd;

gt; groote Apostel, Heilverkonder, Ontvang den dank van \'t Christenhart, Dat, in geloof aan Zoenbloedvvonder, Als gij, den storm des Afgronds tart.

Nog zijt gij zeegnend in ons midden,

Araar de uitspraak van des Heilands mond. Om met ons \'t Offerlam te aanbidden, Welks roem gij de aarde hebt verkond.

Schouw toe, hier mag het al gebeuren,

Wat ge eens verrukt op Pathmos zaagt: Zie, hoe, in mjrrhe- en mastik-geuren.

Hier \'t Godgevalligst schouwspel daagt.

IV.

Daar naakt in gouden plegtgewade.

De Zendling van de onwrikbre Rots, Hij komt op wieken der Genade,

Hij nadert in den Name Gods.

stijgt ten troon, bij \'t lofzangschallen. Met zevenvoudig fakkellicht.

En zie : — de Jongren storten allen Ter aarde neer op \'t aangezigt.

-ocr page 65-

QUATEETEMPERD A GEN.

Hij slaat de heilige Schriftrol open, Die zevenvoud gesloten lag,

De echte steun van \'t aardsche hopen, In \'t uitzien naar den jongsten dag.

// Gij hebt — dus laat zijn stem zich hooren „ Ons Herders van uw volk gemaakt;

// Ook dezen hebt Ge u uitverkoren, ,/ Die voor uw voetbank zijn genaakt.

,/ Geef, quot;Vader, Zoon en Geest, den zegen, // Opdat hun arbeid vruchten draag,

!, En sterkte en bijstand op hun wegen, // Waardoor hun wandel U behaagt!

// Bestijgt, als Priesteren des Heeren,

n Zijn plegtaltaar, van af dees stond;

„ Gaat allen volken waarheid leeren, „ De waarheid van het nieuw Verbond.

// Hernieuwt onbloedig de Offerande,

// Door Jesus aan het kruis volbragt,

/./En draagt, in onbevlekte handen,

n Het Lam op, voor \'t heelal geslagt.quot;

Hoor, millioenen Englenklanken Herhalen \'t Amen op die beê,

En allen bidden, allen danken.

En stemmen in den lofzang mee.

V.

Joannes, ja. Uw geestgezigten

Zijn thans verwezenlijkt voor \'t oog: Wij zagen \'t alles hier verrigten. Wat eens de Godspraak XJ omtoog.

-ocr page 66-

QüATERTEM PERD A.GEN.

Ons is de Juda\'s Leeuw geboren,

Ons leed Hij op het Kruisaltaar, En Satan heeft zijn magt verloren. Hij stierf, en \'t levensuur was daar.

Nog wordt door ons de dag gehuldigd,

Door \'t drietal Koningen gevierd, Eu voelen we onze ziel verschuldigd Om \'t Bloed dat ons ten deele wierd.

Nog staat te midden der orkanen,

\'t Geloof aan JesusJ Zoenleer pal. Schoon \'s werelds roem en luister tanen, En Rijk- bij Rijkstroon neigt ten val.

Wij heffen moedig \'t hoofd naar boven,

In Christus\' Bondbelofte sterk. En mogen weer den hemel loven, Om \'t zegevieren van Gods Kerk.

VI.

Dit kan het uur van heden tuigen. Dat weer in \'t Oude Nederland

Een vrome schaar de knie ziet buigen. Waar \'s Bisschops Zetel sfaat geplant.

Ja, wie de toekomst zwart moog schijnen, \\oor hem, die de Almagt Gods gelooft,

Verrijst van achter rouwgordijnen De zon des Vredes onverdoofd.

Zij rijst met Vrijheid aan de kimmen En schijnt het Ongloof de oogen blind;

Zij rijst, ten spijt van \'t hel-begrimmen, Zij rijst, onfeilbaar, en verwint.

-ocr page 67-

QU ATERTEMPERD A GEN. Die Vrijheid zal de Kerk eens geven •

Zij naakt, in zeegning spoedt zij aan, Bn de aard, door eenen geest gedreven, Verzaamt zich onder Christus\' Vaan.

VII.

Welzalig dan, wien \'t mag geschieden, Bii \'t rijpen van een oogst zoo schoon.

Den Wijngaardmeester hulp te bieden, Voor meer dan \'t hoogste wereldloo\'n.

Welzalig dan. Gij, vrome scharen, Die heden u aan God verbindt.

En in den dienst van zijne Altaren Uw eenig-dierbren wellust vindt;

Gij moogt een vruchtbren tijd beleven : Zie de oogst is rijp en dé arbeid veel;

Hem, die zich-zelf geheel zal geven.

Valt zeker \'t beste loon ten deel.\'

Vaart voort, en predikt van de daken Het zaligmakend Christus\'-woord.

En moge uw ijver \'t vurigst blaken,

Waar meest uw arbeid wordt verstoord.

t Is schoon, Joannes na te streven.

Maar, schooner schouwspel is er niet.

Dan om, als Stephanus, te sneven , Wanneer het Jesus\' Naam gebiedt;

Of om, als de eerste bloedgetuigen.

Met de onschuld van den kinderzin,

Het stervend hoofd voor Jt zwaard te buigen, En sluimreu Jesus toekomst in.

-ocr page 68-

42 QUATERTEMPERDAGEN

Doch moge u God den weg bereiden,

En voorgaan met zijn vlammend zwaard, Zijn arm u op liet pad geleiden,

Dat u bestemd werd hier op aard;

En heffe uw stem in beter oorden,

Met Pathmos\' Balling \'t loflied aau, Waar engelreine klankakkoorden

Het Driemaal-Heilig op doen gaan;

Waar, met verheerlijkte aangezigtjens,

Eu dartiend in nooit moede vaart. De stoet van snood-vermoorde wichtjens Rond huns Verlossers Zetel waart;

Daar worde — ó moge God dat geven —

Ook u een Zetel toebereid.

Waar de Opperpriester zit verheven,

Wien de eere zij in eeuwigheid.

Overweging.

Uit de plegtigheden der H. Wijding kan men zien, dat de Kerk eene menigte van voorzorgen neemt, om onder liet getal harer Dienaren, vooral der zoodanige, die onherroeplijke ver-bindtenissen aangaan, geene dan waardige personen op te nemen; dat die verbindtenissen niet gedwongen, maar met volkomen vrijheid aangegaan worden, en dat de pligten en lasten vooraf aan de Wijdelingen geheel zijn bekend. Hieruit volgt, dat de geloovigen aan hen, welke de H. Kerk met de zorg over limine zielen belast, hun vertrouwen dus veilig schenken kunnen, daar zij niet dan na onderscheiden beproevingen, en na blijken van kunde en braafheid gegeven te hebben, tot het gewijd Ambt van Zielzorger worden gebragt. Verder volgt hieruit, dat de verwijting, door onkathoUjken aan de Kerk gedaan, als oefende zij eene wreede dwingelandij, door hare dienaren tot den staat

-ocr page 69-

QUATEUÏEMPERDAGJSN. 4,3

van zuiverheid te yerpligten, van allen gi-oiul ontbloot en zeer meg vaardig is, daar de Kerk niemand dwingt tot den o-eest-iijken stand maar allen, die „iet geheel vrijwillig tot ee e

:So;rquot;\'uisc,iliei(l zich -1^. u^t. «z

Men kan uit de plegtigheden der H. Wijding al verder on-

dïÏed;,. lï ;VaffUglleid Van (lequot; ^ter aUc aardsche waar-vm ziin \\mU ,0Veu.8\'a;\'!;1\' ^00 negens de verheven doeleinden v- vm quot; , Vt, \'f1100^6 va» de bovenmenschelijke magt

in het Yleesolf 1 r HlJ, Tquot;6^\' 011 het Brood ^raudert en de M r \' u Jquot; het B1°ed van Chuistis; hij spreekt,

Ïii o tv.no7 T ^ lli\'n,le11 lt;leS -quot;-moedigen zondaar

intrede in dp lï flei1 ,,laalquot; ^ Kerk, het kind bij zijne n ede m de wereld, en besproeit het met het water der we-

£ \'tnÏl lt;ler ^ 1Iij ^ aaquot; de sponde

ei io i\' wieii ;ij met.,le 1L Teeis^ze oigt;de ^

o\'eliik d nr versterkt\' -lens uitgang hij zacht doet zijn,

£fd l1P 18\' Waald1e \'quot;J i» den Naam des Heeren ^al dheett; wiens stoflijk overblijfsel, na den dood, hij met

sten dT T P f8;e,leU 1,1 gewiJlt;k\' aarfle\' tot tien jong-vol Pi,l;,i ri egt; ,lij\' (le 0^^dene niet in

Sn lil T? TOrscheiden is, door otterunden en gebeden

d trpn -ï0 rkOTten- Maar\' ik zoquot; \'quot;«t weten te ein-

ambt\' (irr , ? ,verhere11 van het Priester-

fgt;II. \' li f C\'L P ^ §\'\'ledei1 ^eiquot; wijding voorgesteld, wilde op-

duï i-l !i 00 .?llll00lt;liquot;\' dewiji zij in die plegtigheden duidelijk zigtbaar zijn, en deze nadruklijk leeren, dat het Inesteisohap groot, verheven, ja, hemelsch is. Geen verwon-\' enng nioet dan ook baren het gezegde van een Heilige, dat \'ij, een 1 nester en een Engel te gelijk ontmoetende, de eerste eeibewijzing aan den priester betoonen zou; want, is de Engel vcor wat de natuur betreft, boven den Priester verheven, dan wou lij in waardigheid van bediening door dezen overtroffen e Engel inogt Jesus in den Hof, tot het voltrekken van het J oedig oil er versterken, maar de Priester is de onmiddelijke bedienaar van Jesus ui het onbloedig offer, waar de Godmensch zich, als het ware, geheel in zijne handen overgeeft.

Eindelijk, heeft men in de plegtigheden der Wijding kunnen nemerken, wat zware pligten den Priester zijn opgelegd, en van hoeveel gewigt het voor de Christenheid is, dat hij ze ijverig vervulle. KathoHjken, kunt gij hier aan denken, zonder u op

-ocr page 70-

41- QUATERTEMPERDAGEN.

gewekt te gevoelen, om de Priesters door uwe gebeden to ondersteunen ? Gelooft het, zij moeten zoo menige moeilijkheifl overwinnen, zoo menigen hinderpaal nit den weg mimen; zij hebben zoo dikwijls bergen te slechten, en afgronden te dempen: zij behoeven dus, om hunne talrijke en moeilijke plig-ten te volbrengen, grootelijks de genade des Heeren. Ook is er u-zelven ten hoogste aan gelegen, dat do Almagtige hun over-vloedigen bijstand verleeno; want als de herders dwalen, wie zal dan de kudde hoedon? Bidt alzoo Katholijken, bidt voornamelijk op de Quatertemperdagen, wanneer do gewone Wijdingen plaats hebben, opdat het der Kork aan geene THenaren outbroke, en zij allen met den geest vervuld worden, dio hun verheven Ambt van hen vereisoht: gij zult veiliger den weg ten hemel bewandelen, naarmate uwe leidslieden heiliger, od met den geest van hunnen staat meer bezield zullen zijn. T)e H. Martelaar en Bisschop Ignatius, om de belijdenis van Jesus Christus mot ketenen beladen, schreef aan do Ghristonegt;i van Magnosië: „(iodonkt onzer in uwe gebeden, opdat ik den lieer geniete: want wij behoeven zoor uwe in (Jod vereenigde gebeden en liefde.quot; Aan die van Ephese schreef hij: » Gedenkt mijner, gelijk Jesus Christus uwer.quot; Ook 1\'aiilns maakte aanspraak op de gebeden der Christenen: «Bidt te allen tijde in den geest, door allerlei geboden en smeokingen en weest daarin vlijtig, mot alle zorgvuldigheid: als ook in te bidden voor alle heiligen en voor mij; opdat, wanneer ik mijn mond zal openen, het mij vergund worde, met vrijmoedigheid te spreken, eu de verborgenheid van het Evangelie bekend te maken (waarvan ik, in do ketenen, hot gezantschap bedien) : ten einde ik daarover mot zulk eone kloekmoedigheid moge spreken, als het mij betaamt.quot; «Overigens, o Broeders, bidt voor ons, opdat het woord dos Heeren meer en meer verspreid worde, en in eere zij.quot;—Ook Jesus hoeft geboden; « Bidt den Heer des oogstes, dat liij werklieden zende in zijnen oogst.quot;

o-\'Bmnnift—o

-ocr page 71-

KERSTMIS,

\'Slip H liet woord is Yleescli geworden en Hei heefl onder y^lons gewoond.quot; Het is in den heuglijken nacht van 25 I)e-ceniber, dat in vervulling ging die groote en geheimnisvolle ge-beurtenis, zoo krachtig en schilderachtig doordeu verhovensten Evangelist met deze weinige woorden geboekt. Het is in den zegenrijken Kerstnacht, dat eenc Maagd, o wonder! een Kitid baarde, en dat Kind was God. Dc blijde stond, die nu geslagen is, was het uur der verwachting en verzuchting van vier duizend jaren, voorspeld door de Profeten, afgesmeekt door de gebeden der Aartsvaders en godvreezeude Joden, afgebeeld en beteekend door het gansche Oude Testament, dat niet anders kan begrepen worden, dan als de figuur en het zinnebeeld van Jesus\'quot; komst op aarde. O nacht, schooner dan de dagen! uit uwe sombere en huig-gerekte duisternissen is een godlijk licht gerezen, dat de gansche wereld verlicht en verheugt, de dageraad van een dag, zoo als er géén, sinds Adams val, voor het menschdom geschenen had, dc Zon-zelve der Geregtigheid. — Ook daalden de Engelen neder uit den hemel, om in verrukkend-zoete zangen de blijde tijding der geboorte van den Wereld-verlosser den menschenkinderen aan te kondigen. — Welaan dan, kroost van Adam, snel toe naar de plaats der geboorte iivvs Verlossers, strooi bloemen om de wieg van Emmanuel; rijken en magtigen der wereld, praalt nu met uwe schatten en juweelen; koningen en vorsten, opent uwe paleizen; dichters, zansrers. kunstenaars en sreleerden. ontboezemt hart en treest

-ocr page 72-

46 KERSTMIS.

met ongekenclen zwier; jubelt en knielt nllen voorde krabbe van uwen pas-geboren Zaligmaker neer.

Zóó diende toch wel ontvangen te worden, bij zijne intrede in de. wereld, de God-mensch, de groote Middelaar van hemel en aarde, de verwinnaar van hel en dood, de schenker van heil en zaligheid; dus oordeelt de mensch:maar God, die andere wegen bewandelt dan de onze, en den afgrond zijner wijsheid in de diepte der gulden nederigheid verbergt, handelde ook hier, om zoo te zeggen, met godlijke eenvoudigheid, en gaf aan onzen hoogmoed eene treffende les.

Ziethier op welke wijzede gewijde schrijver de Kerkgeschiedenis behandelt. Dit treffend verhaal is liet Evangelie vnn het eerste Kerstmis. //En het geschiedde in die dagen, dat er van den keizer Augustus een gebod uitging, om de geheele wereld op te schrijven. Deze eerste inschrijving geschiedde van den landvoogd van Syrië, Cyrinus. J3n allen gingen, om zich ann te geven, een iegelijk in zijne stad. En ook Josef ging op van Galilea, uit de stad Nazareth, naar Judea, tot de stad van David, die Bethlehem geheeten wordt, dewijl hij was uit het huis en geslacht van David, om zich aan te geven, met Maria , zijne verloofde vrouw, die zwanger was. Maar het geschiedde, toen zij daar waren, dat de dagen vervuld werden, dat zij baren zou. En zij baarde haren eerstgeboren Zoon, en wond hem in doeken, en legde hem in eene krebbe, omdat ervoor hen geene plaats was in de herberg. En er waren herders in dezelfde landstreek, wakende, en de nachtwake houdende over hun vee. En ziet, een engel des Heeren stond bij hen, en de heerlijkheid Gods omscheen hen ; en zij vreesden met groote vreeze. En de Engel zeide tot hen : vreest niet; want ziet, ik verkondig u groote blijdschap, welke voor het gansche volk zijn zal: dat heden in de stad van David, u de Zaligmaker geboren werd, die is Christus de Heer ! en dit zij u het teek en : gij zult een Kindeken vinden, in doeken gewonden, en liggende

-ocr page 73-

KERSTMIS. 47

in eene krebbe. En terstond was er bij den Engel eene menigte van hemelsche heerscharen, God lovende, en zeggende : Glorie zij God in liet allerhoogste, en op de aarde vrede den menschen die van goeden wille zijn.quot;

Wie kan ongevoelig blijven bij het lezen van dit verhaal! Wiens hart zou niet van dankbaarheid slaan, wiens boezem niet van godlijke liefde zwellen, voor die kreb, in dien stal, waar, in kinderlijke gestalte, onzeoneindig-beminnenswaardige Verlosser rust!

De blijde geboortedag van onzen godlijken Jesus valt onher-roeplijk op den 25. December, zoodat de feestviering van de Kerstvreugde afwislend al de dagen der week doorloopt, en ze allen te zamen, en elk afzonderlijk, als \'t ware, met het zegel der verlossing ijkt. De Kerk, roo zinrijk en dichterlijk in hare gebruiken en ceremoniën, wijdt veertig dagen aan de blijde feestviering van des Heeren Geboortedag. De Kersttijd strekt zich tot aan het feest van Maria\'s Zuivering, den 2. Eebruarij, uit. Gedurende al de dagen van dit heilig veertigtal, herdenken hare strijdende leden onafgebroken de groote blijdschap, welke de Engelen des Hemels weleer den Herders van Bethlehem aankondigden. Maar ook de zegevierende kerk deelt in onze blijdschap : de hemelingen komen in glanzenden drom zich rond de kreb van den pas-geboren Koning scharen. Geen ander gedeelte van het kerklijk jaar, stelt in zulk een kort tijdsbestek, zoovele en zoo schitterende Heiligen, als de dagen van den Kersttijd, aan onze vereering voor. Het zijn vonkelende sterren, die zich scharen om de Zon der Geregtigheid, waaraan zij hun licht te danken hebben. De Heilige Stephanus, de eerste Bloedgetuige, de Heilige Joannes, de Evangelist, de H. H. onschuldige Kinderen, de H. Thomas van Kantelberg vereeren de palmen hunner overwinning aan hun godlijken Aanvoerder; het twaalftal der Apostelen zendt Hem zijne twee roemvolle aanvoerders, den H. Petrus, op zijnen Stoel van Rome, den

-ocr page 74-

48 KERSTMIS.

II. Paulus, iu het mirakel zijner Bekeeriug toe. —Het heer der Martelaren vaardigt wakkere kampvechters af: Timotheus, Ignatius van Antiochië, Polyearpus, Vincentius, Pabianus en Sebastianus. De verheven schaar der Kerkleeraars kiest Hila-rias, Chrysostcmns en Ilclefonsus daartoe uit. Bij deze sluiten zich aan die andere herders der volken. Julianus de Wonder-doendei\'j en de engelachtige Franciscus van Sales. Uit het strijdperk der Asceten treden op Paul us, de Kluizenaar, An-tonius, de overwinnaar van Satan, Maurus, de Apostel der kloosters, Petrus Nolascus, de verlosser der gevangen, Ray-mundus van Pennafort, het orakel van het regt, en de wetgever des gewetens. Het koor der Maagden is vertegenwoordigd door de teedere en lieftallige Agues, de edelmoedige Emerentiana, en de heldhaftige Martina. En eindelijk verschijnt uit de rij der nederige Weduwen, Paula, de minnares van \'s Heeren kreb, die als verzonken was in de geheimenissen van Bethlehem. — Zoo vieren dan hemel en aarde, na duizend en hon-derde jaren, den geboortedag van het Kind Jesus, voor wien , in den nacht van zijne geboorte, geeue plaats in de herberg was. Thans echter vieren wij dien blijden herinneringsdag in prachtvolle kerken, ot smaakvol-gesierde kapellen, bij het flikkeren van duizende kaarsen, bij het zingen van vrolijke Kerst-li «.deren, die nog litflijk weerklinken in het huislijk verblijf, aan den gezelligenhaard. — O, wie kan weerstaan aan de zoete gewaarwording, die het hart overstelpt in den Kerstnacht, wanneer voor de oogen des geloofs de godlijke Yerlosser andermaal neerdaalt uit den hemel in de zuivere handen van den Priester, onder de gedaante van Brood en Wijn, terwijl de oogen des ligchaams met zielsgenoegen gevestigd zijn op eene bevallige voorstelling van het Kersttooneel in het heiligdom , ren lagchend Kindje, rustend in eene krebbe, op een handvol stroo : wanneer de zilveren stemmen der koorkinderen den zang-der Engelen, het Gloria in evcehis Deo, of het zalvingsvolle

-ocr page 75-

KERSTMIS.

lied : Adeste, fidelis lieflijk uitgalmen, en, met der Engelen zang hemelsche vreugde uitstorten in het diep-bewogen Gemoed der Christenschaar. ö

In den heuglijken Kerstnacht „was er geene plaats in eene herbergquot; voor onzen lieven Heer. O mogten ten minste nu

\'e ^den eu dorPe^ alle Kijken en landstreken, maar vooral alle harten zich openen voor de intrede des godlijken Vrede-Komngs! Negentien eeuwen leveren het bewijs, dat Jesus voor Bethlehem, en Hij-alleen, voor de wereld is „de weg, de waarheid en het leven. quot; Dat voor de krebbe van Bethlehem de wraakzuchtige zijnen haat aflegge; dat de rijke zijn gemoed tot goedertierenheid neige, om de armen en behoeftigen bij te staan; dat die harten en zielen, rein en onschuldig, blakende van Godhjke hefde, Jesus de gastvrijheid aanbieden! — In de blijde dagen van den Kersttijd meent de Kerk de strengheid

er tucht te moeten verzachten : wanneer Kerstmis opvriidw of zaturdag valt, moet de vasten voor de Kerstvreugd wijkeiK p eemge plaatsen is zelfs op alle zaturdagen tusschen Kerstma en Maria-Lichimis, het genot van alle spijzen, zonder eemge beperking, toegestaan. Maar liet zijn bijzonder de Priesters, die op den hoogen Kerstdag een verheven voorredt bemeten : het is hun, op dit hoogheilig feest, vergund, tot drie malen toe, het H. Misoffer op te dragen, ter herinnering aan de drievoudige geboorte van het Godlijk Woord. De eerste staat vermeld in den 109. Psalm : „ Vóór den dageraad heb i u geteeld.quot; De tweede had plaats in het gezegend uur van den Kerstnacht, toen de eeuwige Zoon van God de zoon werd van Maria, moeder en maagd. De derde geboorte is die van •Tesus m onze harten. Deze geestlijke geboorte verwezenlijkt.

01J cle 11,mgste «ijze in de H. Communie, welke de godvruchtige Christen, met jubelende godsvrucht, in den loop der Kerstdagen ontvangt.

De eerste TI. Mis van dezen dag, die meer bepaald de

-ocr page 76-

50 KERSTMIS.

Kerstmis genoemd, en in den vroegen morgeu, of op middernacht, opgedragen wordt, duidt vooral op de geboorte des Heeren in den stal van Bethlehem; de Herders-Mis, die tegen zonsopgang gezongen wordt, wijst op de geestlijke geboorte van den Heiland in de harten der geloovigen; terwijl in de derde Mis, welke op een meer gevorderd uur plaats grijpt, de eeuwige geboorte van liet ongeschapen Woord herdacht wordt.

Vroeger, was het gebruik vrij algemeen van de Kerstmis op middernacht te zingen. In dien heuglijken nacht, schaarden zich de huisgenooten rondom den vrolijk-flikkerenden haard ; daar waaktenen baden zij; daar spraken zij over het Kerstkindje, den stal eu de krebbe; daar zongen zij oude en nieuwe kerstliederen, tot dat, van uit den hoogen toren, de krachtige stem der klok hen ter kerke noodigde en hun plegtig, te midden der nachtlijke stilte, toeriep : Een Kind is ons geboren , een Zoon is ons gegeven, komt laat ons Hem aanbidden ! Dan stroomden allen naar den heerlijk-verlichten tempel, om Hem te danken, te loven en te aanbidden, die ons, uit den diepen nacht des ongeloofs en der zonde, in zijn wondervol licht van waarheid en deugd, van genade en zaligheid heeft overgebragt.

Nu roept ons de klok veelal eerst in den vroegen morgen ter aanbidding van het Godlijk Kind; op eenige plaatsen is het zelfs, ter voorkoming van ingeslopen misbruiken, verboden de Kerstmis op middernacht te houden. Moge daarom, evenwel , onze godsvrucht niet minder levendig, onze liefde niet minder vurig, onze dankbaarheid niet minder innig zijn !

-ocr page 77-

KERSTMIS.

LOFZANG

HET BLIJDE STABAT MATER.

Uit liet Latijn van Fra Jacopoue.

— XIII. EEUW. —

Naast de strookreb neergebogen, Van verrukking opgetogen.

Staart Maria op den Zoon,

Die haar ziel, van vreugde dronken,

Tot een Lofzang doet ontvonken.

Schallend naar des Hemels troon.

o Hoe zalig, ó hoe blijde Is die hooggebenedijde,

Vlekkelooze Moedermaagd,

Nu haar liefdestralende oogen \'s Aardrijks Licht aanschouwen mogen. Uit haar kuischen schoot gedaagd.

Ja, wiens ziel zou meê niet hupplen.

Waar van louter troostdrankdrupplen

\'t Moederharte óvervliet.

En men de Englenkoninginne,

De eeuwge Hemelrijksvorstinne.

Met het Godkind dartlen ziet-

In den veestal, om de zonden.

Komt dat Kind herstel verkonden.

Zich met \'smenschdoms schuld belaên;

En zoo lijdt het, en zoo schreit het.

Maar den Hemel ons bereidt het,

Reeds van d\'eersten morgen aan.

-ocr page 78-

KERSTMIS.

Zie, daar hoog, in \'t goud der heeralen, Boven \'t Wichtje de Engleii weemlen;

Hoor, hoe juicht daar \'t Geestendom ! Ook \'t gemoed van Maagd en Grijze Jubelt op die Serafswijze,

Maar hun lippen blijven stom.

Lieve Moeder, bron van weelde,

Waar Gods liefde u mee bedeelde,

ó Schenk ook mijn ziel dien gloed: Geef, dat ik uw Uitverkoren, Hem, des Vaders Eeitgeboren, In aanbidding val te voet.

Heiige Moeder, doe mijn harte Deelen al de wreede smarte.

Door uw Hemeltelg geleên;

Maak zijn krebbe ook mij ten zegen, En met Hem, op al mijn wegen. Mij bestendig lotgemeen.

Maar, laat ook, bij \'s werelds lijden, \'t Jesuskindje mij verblijden.

Tot aan de ure van mijn dood;

Laat mij vast aan \'t Wichtje klemmen. Niets de liefdebronwel stremmen,

Waar \'t mijn ziel uit overgoot.

Moog alom die heilstroom vloeijen, Heel het aardrijk mild besproeijen,

Lesschen ieders hemeldorst.

Lieve Maagd, ó, laat ons deelen.... \'k Zon zoo graag u \'t Kindje ontstelen. En het koestren aan mijn borst.

\'k Wil liet dragen, al mijn dagen. Tot mijn sterfuur is geslagen.

En de lijkgroef zich ontsluit:

-ocr page 79-

KERSTMIS.

Immers, toen het werd geboren,

Heeft de Dood zijn prooi verloren En het vratig Graf zijn buit.

Laat me, o Maagd, in blij verrukken, U en \'t Kind aan \'t harte drukken,

Zieletripplend, hel in vlam; En verzwolgen in een weelde, Die nooit zintuig zich verbeeldde. Maar van Boven oorsprong nam.

\'k Stel mij ouder uw bescherming : Schenk Gods Heilwoord mij ontferming,

Zijn Genade zij mijn deel;

53

En, zal eens mijn ligchaam sterven. Doe mijn ziele dan beërven Jesus, uwen Zoon, geheel.

Overweging.

Ziedaar dan de vervulling van \'s Heeren belofte, van de verwachting der volken : hier ligt voor \'t stofiijk oog liet aanvangspunt bloot van dat groote, in de eeuwigheid reikende werk, en begint die alles-schokkende omwenteling van het geestenrijk op aarde. Op het hoofd van het Godlijk Kind rust meer dan de wijsheid aller voorgaande eeuwen : ziehiw den Leeuw van Juda, wiens stem eenmaal de wereld zal doen beven; Hij, de almagtige en toch de zachtmoedige, de hoogverhevene en toch de nederigste van harte, de goede Herder, die komt zoeken, wat verloren is, de Verzoener en tevens de Eegter, wien, door den Vader het oordeel en alle magt in hemel en op aarde werd gegeven, die daar nu armlijk het leven te gemoet sluimert in eene Krebbe, en straks zal sterven aan het Kruis ; Hij, die met de vorst des vredes is, en tegelijk een steen des aanstoots, waardoor veler menschen gedachten openbaar worden; Hij komt het godlijke aan de wereld, het onstof-

-ocr page 80-

de h. h. onnoozelk kinderen.

lijke verkondigen aan liet stof. In Hem is het oorspronklijk beeld van den menscli, in alle volmaaktheid, op aarde verschenen. Heden dan is het licht over ons opgegaan: de Heer komt wonen onder ons, de Schepper van een nieuwen tijd, wiens rijk nimmer eindigen zal. Zie, middernacht is voorbij, eu de zon ter baan gestegen. «Een kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven.quot; I)e belofte der eeuwen is vervuld: de telg-van David is verschenen, te Bethlehem. Hij zal zijn werk volvoeren en ons verlossen. Zingt dan den Heer een nieuw lied, want Hij heeft wonderbare dingen volbragt. Doch, Christen, gij, die u noemt naar zijnen li. Naam, zink neder voor de krebbe van dit godlijk Kind, eu vorm bier het vaste besluit van, in kinderlijken zin, een kind Gods te willen worden, en, als een Stephanus, de heilige Diakeu, belijdenis van Christus af te leggen, met het woord en met de daad, in leven en in dood: of, als een Toannes, de beminde Leerling des Zaligmakers, hem in de aardsche ballingschap lief te hebben boven al; of, als de schuldelooze Eerstelingen, de slagtoffers van den argwanenden, aardsgezinden Herodes, getuigenis van uw geloof in Jesus van Nazareth, te Bethlehem geboren en op Golgotha gekruist, onverschrokken af te leggen, en die, zoo noodig, moedvol te bezegelen met uw bloed. Immers, de Zoon Gods is mensch geworden, om ons te maken tot kinderen des hemel-schen Vaders, die heilig is cn volmaakt.

D E

54.

H. H. ONNOOZELE KINDEREN.

en Godsdienst, die enkel reinheid en teederheirl ademt, moet noodwendig de kinderen lief hebben: vandaar dat de Katholijke Godsdienst de kinderen dikwerf haar heiligdom doet binnen gaan en er behagen inschept, hen bij hare plegtigheden te toonen: zij verheft hen tot broeders der Engelen.

-ocr page 81-

DE H. H. ONNOOZKLE KINDEREN. 55

Maar, de kinderen tot het Altaar te doen naderen, hunne onschuldige handen voor de heilige Offerande behulpzaam te maken, dat was niet voldoende ; de Godsdienst wil ook nog, flat wij de jeugdige Martelaren vereeren, die, op den schoot hunner moeders geslagtofferd, en van uit de wieg in de vreugde des hemels zijn overgebragt.

Herodes, de vriend van Cesar, steunende op de hulp der Romeinen, van lijfwachten omgeven, beefde nogtans in zijn paleis. En wat deed hem beven ? Het was de gedachte aan een Kind : want, van verre gekomen Wijzen, die van hun land tot Jerusalem door eene wonderlijke ster begeleid waren geweest , zeiden tot die hun vroegen : wij zijn uit het verre Oosten gekomen, om een Kind, dat pas in Judea geboren is, en de Koning der Joden wezen moet, te aanbidden. Eene ster, die anders in het uitspansel niet schijnt, heeft ons hierheen geleid, om onze hulde en onze offers aan dat Kind aan te bieden.

Herodes, door deze woorden met grooten schrik bevangen , vereenigde de Priesteroversten om hen te raadplegen, en deze antwoordden hem, dat het Kind, hetwelk deze koningen uit het Oosten kwamen aanbidden, geen ander zijn kon dan de Messias, door de Profeten voorzegd, die in het stadje Bethlehem ter wereld komen moest.

Yreesachtige Vorsten zijn ligt wreedaardig. De vrees, die Herodes voor een onbekend kind deed beven, deed ook een bloedig besluit bij hem opkomen ; om, namelijk, al de pasgeboren kinderen te deen vermoorden, die sedert twee jaren te Bethlehem en in de omstreken der stad van David het licht hadden aanschouwd.

De koning der Joden, dit besluit genomen hebbende, liet fle Wijzen tot zich komen, en zeide hun ; ook ik wil het Kind gaan vereeren, wat gij zoekt : wanneer gij dus zijne geboorteplaats zult gevonden hebben, en naar uw vaderland terug-

-ocr page 82-

de h. h. on.voozele kinderen.

keert, komt dan over Jeruzalem, om mij te zeggen, waar dat wonderkind is, opdat ik, op mijne beurt, er mijne hulde ga brengen.

De Wijzen, zonder achterdocht, stemden hiermede iu; doch weldra kwam een quot;Engel hun het wreede plan van den koning van Judea openbaren, en zij keerden naar het Oosten terug, zonder do stad van Herodes aan te doen.

Omtrent denzelfden tijd, werd Jozef door een Engel des Heeren gewaarschuwd en gelast, om met Maria en haar pasgeboren Kind naar Egypte te vlugten.

Wij zien hieruit, hoe vroegtijdig de menschgeworden God aan de boosheid der menschen was blootgesteld. Met Hem huichelde de wereld niet eens, maar toonde zich onmiddelijk jegens den Verlosser, dien zij miskende, bloeddorstig en wreed. Nog had het godlijk Kind die aarde, waarop het wilde geboren worden, niet betreden, of de vrees voor zijne komst deed haar reeds bezoedelen met bloed.

Jesus lag nog in de wieg, toen de vervolging reeds dermate tegen hem woedde, dat zijne Moeder hem naar het land der ballingschap moest dragen : zoo bleven dan de smarten van den Zoon des menschen niet lang uit : zij namen reeds een aanvang met zijne eerste levensdagen !

Deze vlugt naar Egypte ging van de grootste gevaren vergezeld, want reeds ving men aan met het wreede bevel van Herodes ten uitvoer te brengen; reeds lieten droevige stemmen zich in Rama hooren : de stemmen der moeders, die weenden, zonder getroost te willen worden, dewijl hare zonen door wreede soldaten aan hare armen ontrukt, en met het zwaard gedood, of tegen de muren verplet werden.

O hoe afgrijslijk, hoe gruwlijk moet de strijd geweest zijn tusschen deze gewapende beulen en de moeders, die hare pasgeboren kinderen verdedigden : zij bezaten noch helm, noch harnas, noch lans, noch schild, noch zwaard : zij hadden slechts

-ocr page 83-

DE H. H. ONNOOZELE KINDEREN. 57

de wanhoop der vrouw, de heldhaftigheid eener moeder tot wapen, en toch vreesden zij niet: eerst hadden zij gesmeekt maar, toen zy zagen, dat hare gebeden vruchtloos bleven, dat hare tranen niets op het hart der moordenaars vermoeten toen smeekten zij niet langer, en, indien zij nog hare armen uitstrekten, dan was het niet langer om te bidden, maar om e verscheuren, te kampen, te vechten, en hare kinderen te verdedigen tot den dood: het zijn nu geene schuchtere vrouwen meer, het zijn leeuwinnen, die brullen, van woede schuim-bekken, en hare jongen trachten te bevrijden : maer dan één soldaat van Herodes bezwijkt in dien strijd; meer dan ééne moeder meent een oogenblik, dat haar moed haar kind gered ee rnaai; memve uitvoerders van HerodesJ bevelen rukken aan : zy doorsnuffelen huizen en velden; zij zoeken onder oe ge puinen, onder de stapels vermoorde kinderen, en onder de lijken der moeders, die met hare zonen door dezelfde lans doorboord zijn, en, vinden zij een kind, dat nog ademt eene moeder, die er in geslaagd is, zich met haar telg te ver-ergen dan wordt een martelaar te meer geslagtotferd aan de angsten van Herodes, want geen enkel kind mag ontsnappen . dat eene kind toch kon de Messias, de ware Koning der

n zijn, en wat zou er dan worden van cIjs overweldigers magt r 0

Ie allen tijde en alom gaat overweldiging met list en bloed-orst gepaard : wat het onregt rooft, dat wil de wreedheid verdedigen, de hebzucht handhaven. Sommige schrijvers hebben beweerd, dat het getal der op Herodes^ bevel vermoorde inderen tot 14000 opklimt; wij houden dit echter voor overdreven : stellig, evenwel, heeft toen veel bloed gestroomd, en in die jeugdige bij JesusJ wieg geslachtte offers erkent de Godsdienst even zoovele Martelaars : niet met woorden, maar door het storten van hun bloed, hebben zij de komst des Verlossers beleden. Anderen zijn van af het schavot, uit het met bloed

-ocr page 84-

58 DE H. H. ONNOOZELK KINDEREN.

geverwdc zand der renbaan, en door de vlammen der brandstapels den hemel ingegaan; maar deze werden aan den sclioot, aan de armen, aan de omhelzing hunner moeders ontrukt, en door de Engelen in de hemelsclie woonstede binnen geleid.

Xergens spreidt de Kerk meer poëzij, dan in haren Lofzang op het teest der Onnoozele Kinderen ten toon : \'t is, als waren het de harteklanken eener moeder :

Heil, heil u, eerste Bloedgetuigen Voor Jesus Leer, wieu \'t moordend staal.

Als rozen, in hare ocliteuclpraal,

Het schuldloos hoofd deed nederbuigen!

ó Teedre schaar,

Die \'t Zoenaltaar,

Waarvoor wij in aanbidding knielen,

Het eerst met palmloof hebt gesierd;

De Kerk, die uw herin ring viert.

Prijst zalig u, onnoozle zielen.

Om Jesus, wien, in eeuwigheid.

De hoogste lof is toebereid,

Met, Vader en met Geest te zamen :

Heil, heil u, Eerstelingen. Amen.

Het feest der Onnoozele Kinderen, invallende op den 28 December, dagteekent van de negende eeuw. Van toen af werd het bijna algemeen gevierd, totdat dwaasheden het kwamen onteeren. Terwijl op dien aan zooveel jeugdige Martelaren toe-gewijden dag de voorrang en de eereplants aan de kindschheid gegeven werd, daar het teest, als \'t ware, het eigenlijke feest der Kinderen uitmaakte, was de gezonde rede nogtans niet altijd het rigsnoer voor de plegtigheden, die daarbij op sommige plaatsen werden ingevoerd.

Het schoone feest der Kinderen werd, op enkele plaatsen, misbruikt tot een feest der Dwazen, en daar ontwijdden onedele voorstellingen des Heeren Heiligdom. Doch, Gode zij dank, die onteeringen bestaan niet meer : thans prijkt

-ocr page 85-

DE H. H. ONNOOZELE KINDEEEN. 59

liet feest der jeugdige Martelaren in al zijne reinheid, en menige traan ontrolt, in onze kerken, aan de oogen der cliristen-moeders, wanneer zij voor het altaar, dat nog met al den luister van Kerstmis schittert, het loflied hooren ;

Heil, heil u, eerste Bloedgetuigen ^ oor Jesus Leer, wien \'t moordend staal,

Als rozen, in hare ochtendpraal,

Het schuldloos hoofd deed nederbuiueu.

De Katholijke Godsdienst, die op deze aarde voor iedere ellende bijstand, voor iedere kwaal genezing, voor iedere smart vertroosting aanbiedt, bezit ook in den hemel voor iederen stand beschermers.

De magtigen dezer wereld, zij, die op troonen gezeten zijn, hebben, om bij den Koning der koningen te hunner gunste te spreken, de H. H. Clotildis, Ludovicus, Ferdinand as, Hen-ricus, Casimirns.

De krijgslieden hebben de H. H. Georgius, Mauritius en al de vrome soldaten van liet Thebaansche legioen.

De kuische maagden, die den Heer zijn toegewijd, hebben tot eerste beschermster, Maria, de Koningin der Maagden, en voorts de H. H. Ursula, Theresia, Angela en de geduldige Lidwina.

De grijsaards roepen de heilige Aartsvaders aan, en de kinderen hebben tot voorsprekers in de woningen des hemels, de Cherubijnen, die hunne broeders zijn, en deze jeugdige Martelaren, wier bloed rond de krebbe van het Kind Jesus heeft gestroomd.

-ocr page 86-

DE H. H. ONNOOZELE KINDEREN.

LOFZANG.

O Kerstnacht, schooner dan de dagen, Hoe kan Herodes \'t licht verdragen,

Dat in uw duisternisse blinckt En wordt gevierd en aengebeden ?

Zijn hoogmoedt luistert naer geen reden, Hoe schel die in zijn ooien klinckt.

Hij poogt d\'Onnoosle te vernielen.

Door \'i moorden van onnoosle zielen. En weckt een stad- en lantgeschrei In Bethlehem, en op den acker. En maeckt den geest van Rachel wacker, Die vvaeren gaet door beemt en wei :

Dan naliet Westen, dan na \'t Oosten; Wie zal die droeve moeder troosten,

Nu zij haer lieve kinders derft ?

Nu zij hen ziet in \'t bloed versmoren, Vergaen, die naulix zijn geboren. En zooveel zwaerden rood geverft ?

Zij ziet de melleck op de tippen,

Van die bestorve en bleeke lippen.

Gemekt noch versch van moeders borst Zij ziet de teêre traentjes hangen Als daeuw, aen druppels op de wangen : Zij ziet ze vuil met bloed bemorst.

De wenckbrauw deckt nu met zijn booghjt Geloken en geen lachende ooghjes.

Die straelden tot in \'s moeders hert. Als starren, die met haer gewemel Het aanschijn schiepen tot een hemel. Eer \'t met een mist betrocken werd.

-ocr page 87-

BE H. H. ONNOOZELE KINDEEEK. 61

^ ie kan d\'elleude en\'t jammer noemen,

Eu tellen zoo veel jonge bloemen,

Die vroeg verwelckten, eerze noch Haer frissche bladeren ontloken,

En liefelijck voor ieder roken.

En \'s morgens dronken \'t eerste zogli ?

Zoo velt de zeis de koren-airen,

Zoo schudt de buj de groene blaêren.

Wanneer het stormt iu \'t groene woud.

TV at kan de blinde staatzucht brouwen,

AV anneer ze raêst met misvertrouwen !

Wat luidt zoo schendigh dat haer rouwt!

Bedruckte Rachel! schort dit waren :

Uw kinder? sterven Martelaren,

En Eerstelingen van het zaed,

Dat uit uw bloed begint te groeijen,

En heerlijk tot Gods eer znl bloeien,

En door geen tyrannij vergaat.

Overweging.

Jioe liartversclieivrend moet het voor de moeders dezer jonge kinderen niet geweest ziju, ziek door bloedgierige krijgslieden have lievelingen te zien ontrukken, om hen, op een barbaarsche wijze, ter dood te brengen! Hoeveel tranen moeten die arme moeders niet hebben geplengd, hoeveel kreten van droefheid niet hebben geslaakt! „ Men liuorcU eene klagende stem iu Ra ma , men „ hoorrh\' iceeneu en kermen zonder eind. Het was Rachel, die uver „ hare kinderen weende, en geen troost wilde ontvangen , omdat n hare kmd-ren wet meer zijn.quot; Kn toch is niets gelukkiger dan de dood dier onscluüdige wichtjes, wanneer men dien beschouwt met de oogen van liet Geloof. AA ie weet, hoevelen hunner door de wereld zouden bedorven ziju geworden, indien een langer leven hun d^el wave geweest? Nu hebben zij, bij de intrede

-ocr page 88-

62 DE H. H. ONNOOZELE KINDEREN.

des levens, liet geluk en liet eervolle voorregt gehad, om voor Jesus-Christus te mogen sterven. Zij zijn de eerstelingen der Martelaren. Zij zegevierden over de wereld, alvorens zij haar kenden, en zij ontvingen slechts het leven, om het reeds in deu eersten morgen aan God terug te geven en te verwisselen tegen de onsterflijkheid! Achttien eeuwen hebben op aarde hunnen lof gezongen: ook wij prijzen hen heden nog zalig, en hun lof zal niet ophouden hier beneden, voordat de vervulling der tijden aanbreekt. Over dit alles echter dachten die bedroefde moeders niet na, en daarom wilden zij niet hooren van troost : nolult cousotari, quia non mut. Ach ! hoe menige moeder verliest ook haar kind in de eerste levensjaren, en hoe dikwerf is ook zij trvostloos, omdat zij de oogen niet hemelwaarts rigt. Neen, arme moeders, neen, ik wil uwe droefheid niet veroordeelen, wannear gij, door de smart ter neer geslagen, bittere tranen weent bij het ontzielde ligchaam , of bij het graf van uw kind. Laat ze vrij vloeijen, die tranen : zij zijn de natuurlijke uitdrukking- van uw moederlijk gevoel ; want uw hart is diep gewond, omdat gij een teergeliefd kind, wat gij met onuitspreeklijke blijdschap uio kind noemdet, hebt verloren. Ween dan vrij , arme, bedroefde moeder! maar wees niet troontloos. Laat niet de natunr-alhvn in u spreken, maar leen ook het gehoor aan de stem des (jeloofs en aan de smartlenigende en troostvolle waarheden, die zij n verkondigt. Herinner u vooreerst, dat uw kind een kind van Adam is : dat Adams zonde, met al hare gevolgen, er op is overgegaan , en dat het dm eens moet steroin. Buig uw hoofd voor die uitspraak van (ïods geregtigheid, en herdenk , dat hij gelukkig is, die den zondetol aan den dood betaalt, in een leeftijd, wanneer hij het schrikbarende en bittere van deu dood nog niet kent en niet gevoelt. Ook gij , moeder, gij zijt een kind van Adam, ook tegen u is het vonnis uitgesproken : gij zult Htrrvm. Enig nogmaals uw hoofd voor dit oordeel van den regtvaardigen God. Gij hebt reeds een deel dier straf ondergaan; want, toen uw kind stierf, stierf het niet alléén , maar door zijn dood trotfen ook u de stervenssmarten. Deze dood, dien gij in den dood van uw kind hebt geleden, zal u, zonder twijfel, worden aangerekend; en wie weet of een zacht en gerust afsterven u niet als vergelding zal worden gegeven, voor wat gij door het verliee van uw kind geleden hebt.

Vraag u-zelve in smartvolle oogenblikkeii ook af : uuar uw kind is lilt;-lt; mjnjaan ? L\'w kind is niet altijd voor u verloren :

-ocr page 89-

DE H. H. OXNOOZELE KINDEREN.

geen roover lieeft het u ontvreemd, maar de goede God heeft het tot zioh genomen, om het in de eeuwigheid wederom in uwe armen terug te brengen. Hef uwe oogen dan ten Hemel : daar, voor Jesus\' troon, dartelt uw lieveling met zijne zegekroon, te midden der onnoozele kinderen van Bethlehem, en overal volgt \'t het Lam, werwaarts het zich begeeft, want ook uw kind is rein, zuiver en wit als sneeuw. Nooit heeft de zonde zijn hart, nooit de leugentaal zijn moi d bezoedeld. Zalig, ja, eeuwig zalig, leeft uw kind in het land der volmaakte vreugd. Bedroefde moeder, vindt uw hart hierin geen troost, dan gelooft gij niet aan den Hemel, of gij bemint u-zelve veel méér dan uw kind, dewijl gij het zijn geluk misgunt, om zelve het genoegen te smaken vau uw kind, ten koste zijner hemelsehe blijdschap en zaligheid, aan uwe zijde te zien.

Herinner u ook, bedroefde ziel, dat het uwe schuld niet was, dat uw kindje stierf. God heeft het tot zich geroepen, en Gods raadsbesluiten zijn genade eu barmhartigheid. T)e Heer schiep behagen in die schoone ziel; hij nam haar weg uit het midden der zondaars, opdat niet de boosheid haar eens verleiden eu be-der ven zou. Ach, gij wist niet, wat er van uw kind zou geworden zijn, indien een langere levensloop er aan vergund ware ae-weest. U ie weet, of dat langere leven ook niet een ongelukkig\' en een zondig leven, dat is een leven duizendmaal erger dan de dood, zou geworden zijn ! Verlevendig dan uw geloof in Gods goedheid, wijsheid en liefdevolle voorzienigheid, en gij zult, getroost en overgegeven aan zijnen heiligen wil, in zijne raadsbesluiten over uwen lieveling berusten.

Daarenboven, christen-moeder, gij bemint immers God. niet waar? Maar geeft gij Hem wel een bewijs van liefde, wanneer gij stuiptrekkend het ofter vasthoudt, wat Hij van u vraagt : Bemint gij uwen God, geef Hem dan het offer, wat Hij vergt, gelijk Abraham zijnen Isaac opdroeg; dat is, in ootmoedigheid des harten en met volle overgeving. Zeg tot Hem : Mijn Heer en mijn God, Gij zijt mij dierbaarder dan alles, ja, dierbaarder dan mijn kind ! Ik breng het L:, in ootmoed en liefde, ten otter ! Ik offer 1 mijne smart en droefheid op! Gij hebt mij het kind gegeven, het is dus het uwe; Gij hebt het genomen, het is het uwe; gezegend zij uw naam !

Bedroefde moeder, laat mij een woord tot u rigten. Toen de Kinderen van Bethlehem door de soldaten van Herodes werden vermoord, is het Kind-Jesus door Gods leiding gespaard, en.

63

-ocr page 90-

NIEUWJAAR.

innig dankbaar, blikte Maria ten hemel, omdat liaar Jesus behouden was. Maar de tijd moest komen, en de tijd kwam, waarop Maria haren vurig-geliefden Zoon naar den dood, en naar den pijnlijksten dood moest zien gaan. Welnu christen-moeder, zijt gij méér dan Maria, of beter dan zij, en is de dood van uw kind te vergelijken met den bitteren dood van haren Zoon ? Zie dan ook niet meer op het ontzielde lijk van uw kind : die blik hernieuwt uwe smarten; maar heft uwe schreijende oogen tot Maria, de smartvolle Moeder: aanschouw haar met het doode ligchaam van Jesus op haren schoot : vergelijk uwe smart met de hare, en bid haar, dat zij u sterke en uwe moedeloosheid geneze, door hare kracht in het lijden en door hare volle overgeving aan Gods heiligen wil.

NIEUWJAAR.

i\' den octaaf-dag van het hooge feest van Kerstmis vieren wij de plugtigelieriimering der Besnijdenis des Heer en. Volgens de Oude Wet, moesten al de manlijke afstammelingen van Abraham zich aan de Besnijdenis onderwerpen, als zijnde een teeken des Yerbonds, tusschen God en den vromen Aartsvader aangegaan. De God-Mensch toont, bij deze gelegenheid, dat Hij een Zoon is van Abraham, uit wien de Messias ontspruiten moest. Het was acht dagen na zijne geboorte, dat het godlijk Kind deze pijnlijke plegtigheid, volgens de voorschriften der Wet, in het stalleke van Bethlehem onderging. Het is hier de plaats niet, om te onderzoeken of, en in hoever, de Besnijdenis bij de Joden een krachtdadig middel was, om den Israëliet van de erfzonde te reinigen; noch ook, om na te gaan, in hoever, en op welke wijze, de Besnijdenis een zinnebeeld van liet heilig Doopsel was; maar, wat wij niet onopgemerkt mogen laten voorbij gaan, is, dat de godlijke quot;Verlosser, de

-ocr page 91-

NIEUWJAAR. 65

Eeuwige Wetgever-zelf, door de wet der Besnijdenis niet was gebonden; dat Hij, de oneindige Heiligheid, geen reinigingsmiddel behoefde, en zijne liefde voor ons, gepaard met een onbegrijplijken ootmoed en eene onbeperkte achting voor Wet en Gezag, Hem dus alleen konden bewegen, om zich aan dit voorschrift der Oude Wet te onderwerpen. Zonder ons dan ook te verdiepen in meer wetenschaplijke dan nuttige beschouwingen, knielen wij eenvoudig in aanbidding neer voor het god-lijk kind, dat in de krebbe van Bethlehem, de eerstelingen opdraagt van dat bloedoffer, hetwelk Hij, na drie-en-dertig jaren, op het kruishout voltrekken zal. Stichten wij ons, door de betrachting van den diepen eerbied voor het Gezag en de ^ et, waarvan het Kind Jesus ons, in zijne Besnijdenis, een zoo welsprekend voorbeeld gaf; doordringen wij ons, met diepen eerbied voor alle gezagvoerende Magt, en leeren wij van Hem, die zich vrijwillig onderwierp aan wetten en voorschrif-\' die Hem niet verpligtten, — aan de gestelde magten, niet uit angst, maar bereidwillig en uit gewetenspligt te gehoorzamen. Dat de treffende les van ootmoed en onderdanigheid, welke het feest van heden ons aanbiedt, ons waarschuwe tegen de verleidende taal der valsche vrijheid-denkers , en ons leere, dat de ware vrijheid, door Jesus aan de wereld geschonken, op den eerbied en de onderwerping aan het wettig gezag is gegrond.

Het was ook op den dag der Besnijdenis, dat men aan het nieuwgeboren kind den Naam toevoegde , dien het de overige dagen zijns levens dragen moest. De zoetste en verhevenste onder alle namen werd aan het Kind van Bethlehem seffeven.

i .. O O 7

toen het bij zijne Besnijdenis de eerste druppelen van zijn god-lijk bloed voor ons vergoot. Jesus, zoo spraken, als uit eénen mond, de H. Maagd en de H. Josef: Jesus zal de Naam van den Verlosser zijn !

De eerste dag van het nieuwjaar, dat heden begint, is dan

6

-ocr page 92-

66 NIEUWJAAR,.

geteekend met des Verlossers godlijken Naam; Jesus Naam staat, als liet ware, geschreven op de eerste bladzijde van dit nieuwe boekdeel, hetwelk wij heden voor het eerst geopend hebben. Deze dag is, daarenboven, gemerkt met het eerst-vergoten bloed van het godlijk Lam, en draagt alzoo een dubbel teeken van zegening en zaligheid. Deze gedachte geeft eene schoone en verheven beteekenis aan het algemeen bestaande gebruik van elkander, op dezen eersten dag, een zalig nieuwjaar toe te wenschen : want, zou die wensch niet ijdel wezen , indien hij niet geschiedde in Jesus\' Naam; terwijl geen andere Naam onder den hemel is gegeven, door welken wij moeten zalig worden. En rust niet al onze hoop van zaligheid op het kostbaar Bloed van Jesus, hetwelk Hij voor onze zaligheid vergoten en als losprijs voor ons den eeuwigen Vader aangeboden heeft?

Mogten de Christenen bij het aanbreken van het nieuwe jaar, bij het aanvaarden van dat nieuw geschenk, hun door Gods goedheid toegedacht, zich ook den Naam en de zelfopoffering van hunnen godlijken Verlosser herinneren, en te midden van het gewoel van dezen dag, niet vergeten , dat het geheim van alle heil in Jesus Naam ligt opgesloten, en dat de zelfopoffering het zekerste middel is, om aan de rijke vruchten deelachtig te worden van het grootsche Verlossingswerk. Mogten zij zich niet bij ijdele wenschen bepalen, maar, neergeknield in het heiligdom des Heeren, ook de vervulling hunner wenschen van den Hemel afsmeeken door het bloed en de verdiensten van Hem, die van zich-zeiven getuigt, dat de eeuwige Vader ons alles zal geven, wat wij zullen vragen in Zijnen Naam. — Zalig nieuwjaar dan aan al de Lezers van dit Boek! Dat Jesus hun gestadige helper en Verlosser zij! Jesus zij onze gids en leidsman op de duistere wegen van dit tranendal; Hij zij onze trooster en versterker in droefheid en nood; Hij zij onze eeuwige vreugde en ons loon daar, \\\\aar geene indeeling des tijds meer is, waar geene dagen of jaren.

-ocr page 93-

NIEUWJAAR. 67

met afwisling van korte vreugde en lange droefheid, meer zijn, maar alléén eene eindelooze eeuwigheid heerscht, met de onuitputbare schatten der godlijke vergelding getooid.

LOFZANG.

Daar slaat de klok; — twaalf doffe zuchten Ontglippen den gewiekten tijd, En somber, onder \'t pijlsnel vlugten, Stort zich ee7i Jaar in de eeuwigheid. Een Jaar, begroet met vreugdevuren. Een Jaar, dat eeuwig scheen te duren. Met louter rozen in zijn schoot!

En nu ? — van al dat bloemenloover Blijft enkel de herinriug over Aan \'t leed, dat ons zijn leefkring bood.

Ziet, reeds begint, gehuld in \'t duister. Het Nieuwe jaar zijn snellen loop. ^t Is alles stil : geen morgenluister Beschijnt nog \'t blij gelaat der Hoop. Toch, wees gegroet, ontkiemend leven ! Hees welkom, als van God gegeven! Wees welkom , pas-geboren licht! H at voert ge in uw gesloten handen ? V\\ at sluimert in uw mantelpanden ?

Lacht gij, of fronst ge uw aangezigt ?

De landman ziet reeds \'t golvend koren Tot rijke schoven zaamgestrikt.

De druif gekleurd in \'t zonnegloren,

AA ier fonklend nat hem ^t hart verkwikt. De zeeman, aan den storm ontkomen. Groet reeds de liefelijke zoomen

-ocr page 94-

NIEUWJAAR.

Der vaderlandsclie kusten weer : —

Daar naakt de orkaan, op donderwolken. Hij sleept den oogst mee in zijn kolken; De zeeman bidt — en is niet meer !

Zoo vlot de sterveling door \'t wankelende leven, Zoo dobbert steeds zijn geest, in rustloos ommezweven. Door \'t aardsche leven heen. De Hoop op wassen wiek, Bekoort, verleidt zijn hart, bestendig wisselziek. Dan buldert, raast en giert de storm uit lielsche kolken. Dan lacht het zonlicht weer door de uitgewoede wolken : \'t Is alles slechts een schijn, de schaduw van een schim. Die opstijgt en verdwijnt, al spelend aan de kim.

Maar Gij-alleen, mijn God, die de eeuwen als de jaren In éénen-enkleu blik voor u ziet henenvaren;

Die de ongestuiine vlugt van tijd en tijdgeest leidt. Bij wien noch dag noch uur, maar \'t al is Eeuwigheid; Die van uw hoogen troon steeds rollen ziet den wagen Des Tijds, die niet meer is, der nog te ontluiken dagen : Gij weet, wat \'t jeugdig Jaar omsluijert in zijn schoot, Gij, Gij-alleen zijt Heer van leven en van dood !

o. Zegen, zegen alle dagen,

In \'t eerste morgenrood !

Beveilig tegen onheilsvlageu Het licht, dat Gij geboodt.

Dat de avond, in uw schoot verborgen.

Den zegen melde van den morgen,

Die uit uw goedheid sproot!

o, Zegen de aarde en haar gewassen.

De druif, de korenaar;

Weer schrale droogte en regenplassen.

Weer ziekte en krijgsgevaar.

Spreek over \'t meer uw vaderzegen.

Voer heil de nijvre vloten tegen :

u. Zegen \'t nieuwe jaar!

68

-ocr page 95-

NIEUWJAAR.

ö. Zegen het voor Volk en Koning,

Voor iedren rang en stand :

Die zegen schenk elks hart belooning Voor orde en eendragtsband !

Verligt den Staf in \'s Vorsten handen,

Doe liefde in \'s Burgers borst steeds branden : ó Zegen Nederland!

Overweging.

Velen gaan» zonder daarbij iets te gevoelen, van liet eene jaar tot het andere over, en beginnen van minachting te glim-lagcién, wanneer gij hun zegt, dat gij niet zonder aandoening het eene jaar eindigt, en het andere begint. Wat mij betreft; ik racet bekennen, dat ik nooit, zonder ontroering, op den 31, December, de twaalf klokslagen van middernacht tel: wanneer de laatste slag geslagen heeft, Inister ik nog altijd voort; want de klokgalm, die gedurende eenige sekonden voortdreunt, en alles is, wat van het stervende jaar overblijft, behoort er nog aan toe: het nieuwjaar begint slechts, zoodra die dreun de lucht niet meer trillen doet.

Bij dat overgangspunt moet men, mijns oordeels, eene godsdienstige gedachte te hulp roepen; zonder haar zou immers eene al te groote droefheid zich van onze ziel meester maken : hoevele vrienden toch heeft het jaar, dat daar in den stroom der eeuwigheid verdwenen is, niet in hunne doodskleederen weggerukt?

Met hoop op de toekomst, met gelatenheid omtrent het verle-dene, zeg ik tot het beginnende jaar: «wees gegroet, pasgeboren kind des tijds; wees gegroet, onbekende reiziger: sluijers bedekken geheel uw wezen; wij kunnen niet zien, of uw aan-gezigt lagchend, dan wel of het ernstig is; of uwe nog niet ontsloten handen ons geluk of rampen aanbrengen: gij zijt voor ons geheimzinnig, maar gij komt van God, en daarom zijt gij welkom. Wees gegroet!—Gezegend zij hij, die komt in \'sHeeren Naam.quot;

Soms, wanneer eene bron voor de inwoners eener stad geopend wordt, ziet men, dat een Hoogepriester de opwellende wateren

69

-ocr page 96-

DEIEKONINGENFEESÏ.

7U

komt zegenen. Zoo-ook kon er wel een openbare zegen over de aankomende dagen worden afgebeden. — Immers, bestaat er ouder de zou wel een treffender gelijkenis, dan tusschen de wateren, die wegstroomen, en onze dagen, die daar lienengaan ? De wateren vloeijen naar den oceaan, onze dagen naar de eeuwigheid voort. De oude oceaan zegt wel niet tot de aankomende golven : waarom zijt gij troebel en beslijkt? Maar God zal tot onze dagen zeggen : waarom waart gij niet vlekloos?... Zorgen wij derhalve, zooveel mogelijk, dat onze dagen niet besmet worden, maar rein en zuiver voor Gods oogen blijven.

DRIEKONINGENFEEST.

\'ÏM1e ^Pen^ar^nff van ^ Vleesch-geworden Woord, is heden iJlylliet onderwerp van het feest, dat daarom ook, in de taal der Kerk, Epiphania Domini, de Verschijning des Heer en, wordt genoemd. Veelvuldig zijn des Heeren Verschijningen, die hier worden bedoeld. De Engelen des Hemels veropenbaarden •Jesus\' geboorte aan de herders van Bethlehem. Eene heldere ster verkondigde de komst des Verlossers aan de Wijzen van liet Morgenland, en leidde hen, ter aanbidding van den nieuwgeboren Koning, tot bij de krebbe in den stal. Door de getuigenis des Vaders en des H. Geestes, werd Hij den Joden geopenbaard als de Zoon van den levenden God, toen Hij, in de wateren van den Jordaau, door Joannes werd gedoopt. Op de bruiloft van Cana, in Galilea, wrocht Jesus zijn eerste wonder, en toonde, door deze bovennatuurlijke daad, dat Hij de verwachte Messias was. Al deze Openbaringen des Heeren worden thans feestlijk herdacht, // Reden, zoo zingt de Kerk, in hare getijden, heden vieren wij een heiligen, een door drie

-ocr page 97-

DEIEKONINGENFEEST. 71

wonderwerken verheerlijkten dag : op dezen dag toch heeft de Ster de Wijzen lij de hreb gevoerd; op dezen dag is hij de hruïlojt van Cana het water 171 wijn veranderd; op dezen dag is Christus, om ons zalig te maken, door Joannes gedoopt willen worden in den 3 or daan. Alleluja. De quot;V erschijning echter des Heeren aau de drie oostersche Vorsten is het voornaamste gedeelte der feestviering van dezen dag. Op deze Verschijning wijzen al de gebeden bij de H. Mis en in de openbare diensten; terwijl de twee andere Verschijningen slechts, als in het voorbijgaan, vermeld worden. Het is dan ook niet zonder reden, dat dit feest het Driekoningenfeest wordt genoemd.

De Heilige Boeken verhalen ons omstandig de groote gebeurtenis, tot wier aandenken, vooral, dit feest werd ingesteld. // Toen Jesus te Bethlehem, in Juda, was geboren, in de h dagen van Herodes den Koning, ziet, er kwamen Wijzen uit 1, het Oosten naar Jerusalem, en zeiden : Waar is de Koning ,/der Joden, die geboren is? Want wij hebben zijne Ster in // het Oosten gezien, en wij zijn gekomen om Hem te aan-// bidden. Als Herodes, de Koning, dit hoorde, werd hij ont-u steld, en geheel Jerusalem met hem. Eu hij vergaderde al „ de overpriesters en de schriftgeleerden des volks, en onder-,/ zocht bij hen, waar de Christus geboren worden moest. Eu // zij zeiden tot hem : Te Bethlehem, iu Judea, want alzoo u staat geschreven door den Profeet : en gij, Bethlehem, land // van Judea, zijt geenszins de minste onder de hootdsteden van // Juda : want uit u zal de Leidsman voortkomen, die mijn volk, (// Israël, regeren zal. Toen riep Herodes de Wijzen heimlijk bij n zich, en onderzocht naauwkeurig bij hen naar den tijd, wan-„ neer de Ster hun verschenen was; en hij zond hen naar n Bethlehem, en zeide : Gaat, en onderzoekt naauwkeurig naar ,/ het Kind, en als gij het zult gevonden hebben, boodschapt // het mij, opdat ook ik het kome aanbidden. Als zij den ,/ Koning gehoord hadden, gingen zij henen. En ziet, de Ster,

-ocr page 98-

7 2 DRIEKONINGENFEEST.

// welke zij in het Oosten hadden gezien, ging voor hen uit, n totdat zij, tomende boven de plaats, daar het Kind was, // staan bleef.

// Als zij nu de Ster zagen, verblijdden zij zich met zeer „ groote blijdschap. En in het huis tredende, vonden zij het z/Kind, met Maria, zijne Moeder, en zij vielen neder eu ,/ aanbaden het; en zij openden hunne schatten, en droegen // Hem tot geschenken op Goud, Wierook en Mirre. En in v den slaap vermaning ontvangen hebbende, om niet weder // naar Herodes te gaan, keerden zij, langs een anderen weg, * naar hun land terug. quot;

Ziedaar dan, hoe, voor de eerste maal, de geboorte van Dengene, die, voor de zaligheid der geheele wereld, in het vleesch verschenen was, ook aan de heidenen verkondigd wordt! Eene ster verschijnt den Wijzen in het Oosten, en door dit wondervolle teeken, roept hen Gods genade en barmhartigheid tot het Geloof in Hem, die de weg, de waarheid en het leven is. Edoch, niet alleen voor dit drietal Wijzen, maar voor allen, die in de duisternis en in de schaduw des doods waren nedergezeten, is heden een licht opgegaan.Damp;Aiiz Koningen zijn, wel is waar, de eerstelingen der begenadigden uit het Heidendom, maar alle stammen en alle volken zullen hunne voetstappen drukken; voor alle volken is de Zon der Geregtisf-heid ter kimme gestegen; alle volken en alle stammen zijn heden geroepen, om voortaan in dit licht des geloofs, in dezen glans der waarheid en der deugd te wandelen! O driewerf-zalige dag voor ons, die niet uit Israël gesproten, maar de telgen zijn van hen, die eens, in plaats van den waren en levenden God, het redelooze vee, een gevoelloos hout, een levenloozen steen aanbaden ! O driewerf-zalige dag, waarop de Waarheid op ons haar licht heeft uitgegoten, terwijl het uitverkoren volk zijne oogen voor de glansrijke stralen er van gesloten hield !

Ziedaar de hoogere beteekenis van dezen grooten dr.g ! De

-ocr page 99-

DRIEKONINGENFEEST. 73

Kerk herdenkt niet alleen eene heuglijke gebeurtenis van \'s Heeren leven, maar zij looft en prijst en dankt den Verlosser, omdat Hij ons heden, louter uit barmhartigheid, tot dat Geloof geroepen heeft, zonder hetwelk \'t onmogelijk is Gode te behagen. Ziedaar dan ook waarom de Kerk, van af de eerste dagen van haar bestaan, steeds, met de meeste pracht en luister, het feest van dezen dag, dankbaar en vreugdevol, heeft gevierd. Clemens van Alexandrië gewaagt reeds er van in zijn geschriften, en, zóó hoog stond het in de achting der geloovigen, dat hij den naam van een vroom christen verbeurde, die zich aan de viering van dit hoogtijd zou hebben durven onttrekken.

Over den dag, evenwel, dezer feestviering stemden alle kerken, in den beginne, niet overeen. In de Patriarchaten van Alexandrië en van Antiochië vierde men het feest van ^s Heeren geboorte, te gelijk met het Driekoningenfeest op den 6. Januarij. De overige kerken, zoowel in het oosten als in het westen, hadden steeds Kerstmis oji den 25, December, en Drie-Koningen op den 6. Januarij gevierd. Tegen het einde der vierde eeuw, liet het oosten zijn gebruik varen, en nam dat der westersche Kerk aan, hetgeen op eene oude en gegronde overlevering rustte. Dit voorbeeld werd weldra ook in Egypte gevolgd; de Armeniërs-alléén bleven Kerstmis en het Driekoningenfeest vieren op denzelfden dag.

Op vele plaatsen, prijkt heden, boven het altaar, eene groote, met waskaarsen versierde en verlichte ster, die ons, op eene aanschouwlijke wijze, aan de Ster herinnert, welke eens aan de drie Koningen verscheen, om hun de geboorte van den Verlosser der wereld te verkondigen. Nog aanschouw-lijker werd, op vele plaatsen, tijdens de middeleeuwen, de aanbidding der Drie Koningen voorgesteld. Drie jongelingen, in zijde gekleed, met vergulde kroonen op het hoofd, en een gouden rat in de hand, traden door de hoofddeur de kerk binnen, en zongen, langzaam voorttredende : hoe waardig en

-ocr page 100-

7 I L)RI £KOy ING KNF t EST.

hue heteekenisvoï zijn de geschenken, welke de oosierscJie Vorsten aan het Kind van Bethlehem Ir eng en ! Yoor het altaar gekomen, hief de eerste zijn vat omhoog, en zong: aunnn primo; clan de tweede : thuo secundo; en de derde : myrrham dan ie tertio. De eerde der line Koningen offerde Goud, de twe de Wierook, en door den derde toerd Mirre ten offer ge-Irarji. Daarop verhief wederom de eerste zijne stem, en sprak: aunnn r eg era; de tweede : thus cal es tem; en de derde : mori not at unctio. liet Goud zegt ons, dat Hij Koning, de Wierook, dat Hij God is; en de Mirre, die lij het balsemen der lijken vordt gebezigd, leert ons, dat Hij tevens wensch is, en de hit terheid des doods zal smaken. Daarna wees een hunner, met de hand, naar de ster, die aan het kerkgewelf schitterde, en zong, op hoogen toon : hoe Signum magni regis ; dit is het kenmerk van den grooten Koning; waarop alle het altaar bestegen, om hunne offers neer te leggen, terwijl zij zongen : Kamus, inquiramus Kmn, et off eramus Ei munera, aurnm, thus et myrrham : laat ons opgaan , Hem zoeken, en Hem Goud, Wierook en Mirre ten geschenke aanbieden. Na deze woorden, verhief een koorknaap, die achter de altaargordijnen stond, zijne stem en zong :

Kuntium vohis fero de supernis :

Natus est Christus, dominator orbis,

In Bethlehem Judee; sic enim prophet a dit er at ante.

Ik breng u de boodschap uit den hooge, dat Christus, de beheerscher der wereld, te Bethlehem, in Judea, geboren is, zoo als de profeet het heeft voorspeld.

Daarop gingen de drie Koningen zich achter het altaar plaatsen, zingende : In Bethlehem natus est Bex coelorum : te Bethlehem is de Koning der hemelen geboren!

Vroeger werden op dezen dag, volgens een oud en eerbied-

-ocr page 101-

DRIEKONINGENFEEST. 75

waardig gebruik, de veranderende feestdagen van het loopende jnar aangekondigd, en den dag waarop zij invielen, bekend gemaakt. Op vele plaatsen ecliter gebeurt reeds lang die afkondiging niet meer.

Yerschillende andere gebruiken bestaan nog lieden ten dage, die allen, op hunne wijze, aan het een of ander geheim van dezen dag herinneren. Zoo viert men te Eome, hoogst eigenaardig, de roeping der Heidenen tot het ware geloof, waardoor die hoofdstad des Heidendoms het voorregt erlangde, van te worden de hoofdstad der Christenheid. Daar bevinden zich, in hei Collegie der Propaganda, jongelingen vau alle stammen, talen en spraken, die zich voorbereiden tot het Priesterchap. Deze houden, op het Driekoningenfeest, gewijde voordragten, waarin, ieder in zijne taal, hulde brengt aan den Verlosser, aan die schilferende morgenster, die, ook op hunne landgenoo-ten hatir zaligend licht heeft uitgegoten, en hen vanden dood tot het leven , van de duisternis tot het licht heeft overgebragt.

Ter herinnering aan het Doopsel des Ileeren, in de wateren van den Jordaan, werd in het Oosten, in Africa en in eenige kerken van Frankrijk, op den vooravond van het Drie-koningen-fecst, het H. Doopsel plegtig aan de Catechumenen toegediend, even als op de vooravonden van het Paasch- en Pinksterfeest. Doch reeds vroeg ging dit gebruik in de Westersche kerken te niet, ofschoon op eenige plaatsen een ander gebruik bleef bestaan, om, op dien dag, meteene eigenaardige plegtigheid, hel water te zegenen. Ook heden ten dage, bestaat deze vrome eeremonie nog op verschillende plaatsen; en, verre van haar af te keuren, heeft Paus Eenedictus XIII. geestlijke voordee-len aan deze godvruchtige oefening verleend : hij schonk namelijk, voor altijd, aan degenen, die deze plegtige waterwijding godvruchtig bijwonen, een aflaat van honderd dagen.

liet feest der Kerk is tevens een feest der huisgezinnen. Ook in den familiekring wordt, hier en daar, soms nog voor het

-ocr page 102-

76 DRIEKONINGENFEEST.

Driekoningenfeest een Koning aangesteld. Aan een vrolijk gastmaal neergezeten, staren dan alle huisgenoot en op het gebak, dat een boon verbergt, waardoor de Koning van het Feest zal worden aangeduid. Vooraf wordt een deel van het baksel voor de armen bestemd, opdat ook zij zich, in dit barre jaargetij, zouden verblijden met hunnen Koning, die, te onzer liefde, als de armste onder de armen in een stal geboren werd. Het overige wordt tusschen de aanwezigen verdeeld, en hij, die de verborgen boon treft, wordt, met gepaste vrolijkheid, uitgeroepen, als de koning van eenen dag. Zoo brengt de godsdienst, ook bij den huislijken haard, onschuldige vrolijkheid en reine vreugde aan. Gelukkig de huisgezinnen, waar het Driekoningenfeest nog met die onschuldige blijdschap wordt gevierd, en eene gedachte van geloof, een gevoel van barmhartigheid vereenigd zijn gebleven met het huislijk vermaak!

LOFZANG.

Herodes, wat woedt gij en vreest voor uw kroon, Wat kwelt u de komst van Gods eeuwigen Zoon ? De Emmanuel, die in de krebbe daar lag.

Beoogde slechts \'t hemelsch, geen wereldsch gezag.

Hem zochten de Wijzen, op \'t lichten der ster. En bragten hem \'t offer des eerbieds van ver;

Zijn licht werd hun licht, en, in \'t harte voldaan, Is elk weer in vrede ten zijnent gegaan.

Het Lam zonder vlekken heeft in den Jordaan Het Doopsel des Nieuwen Verbonds ondergaan, Opdat heel het menschdom, gezuiverd van smet, In hem zou vervuld zien \'t herstel van Gods Wet.

-ocr page 103-

DRIEKONINGENFEEST.

Op liet wenken der almagt, die straalt uit zijn blik, Verpurpren de watren en blozen van schrik.

Zij tintien, tot wijn in de feestschaal verkeerd. Ten teeken van Hem, die vrijmagtig regeert.

U, Jesus, wiens liclit aan de volken versclieen, Zij eenwig den pligtcijns van dank en gebeên ; Aanvaard, met den Geest eu den Vader het lied, Dat aan de Eenheid in \'t Drietal ons dienstoffer biedt.

Overweging.

liet godlijk Kind, in de krebbe van Bethleliera, door de Wijzen van liet Oosten, met Goud, Wierook en Mirre vereerd, wordt door ons aangebeden als de Koning der koningen, in wiens allerheiligsten Naam elke knie zich buigen zal, eu wiens Rijk geen einde heeft. lgt;e drie Oostersche Vorsten, den Verlosser der wereld hunne drieledige offerande toebrengende, hebben ons zinnebeeldig voorgespiegeld , hoe de aard onzer hulde aan den tiod-meusch behoort te zijn : in het gelouterd goud van het geloof, geven wij Hem de Koningseere; in den geurigen wierook der dankzegging van onze harten, brengen wij Hem, als aan onzen lieer en God, hefoffer onzer onderworpenheid en de hulde van ons erkentlijk gemoed; in de bittere mirre — de specerij der versterving — drukken wij het mysterie uit van het \\\\ oord, dat, Vleesch geworden, de sterflijkheid des doods heeft aangenomen, doch om den dood zijn prikkel, het graf zijne overwinning te ontnemen, voor altoos.

Willen wij dus, naar het voorbeeld der Heilige Drie Koningen, den Heer een aangenaam eu Zijner waardig offer aanbieden, voegen wij dan bij een waar geloof, een vurig verlangen naaide hemelsche goederen — want dit is de echte wijsheid—; een aanhoudend, innig en vurig gebed, eu de versterving van ons bedorven vleesch en onzer kwade driften; want, een levendig geloof en eene vurige liefde, een aanhoudend gebed en de versterving van ons eigen-zei ven, dat is liet Goud, dat is de Wierook, dat is de Mirre, welke Jesus van ons verlangt, dat zijnde geschenken, welke Hij van ons gaarne aannemen zal.

77

-ocr page 104-

HET FEEST VAN DEN

ZOETEN NAAM JESUS

aar, waar de godsdienstige gebruiken en overleveringen getrouw bewaard zijn gebleven, eu des huisvaders Naamfeest nog niet door den prosaïschen geboorte-verjaardag wordt vervangen, juicht de familiekring op den dag, aan de ver-lering des Heiligen toegewijd, die, bij het heilig Doopsel, nis Schutspatroon aan den vader gegeven werd. Ook iedere parochie viert den dag, aan de vereering van haren Kerk-heilige gewijd, en iedere stad en ieder land viert vreugdevol den feestdag van hem, die hunne vrome voorouders eens tot hunnen Beschermheilige verkozen.

Evenzoo viert heden de Katholijke Kerk, dat groote huisgezin der wereld, het Naamfeest van haren godlijken Stichter, het Naamfeest van Jesus, die haar verworven Leeft door zijn bloed, en die met haar blijft, haar bewaakt, beschermt, behoudt en behoedt, iot het einde der eemven. Daarom is er heden feest in de Kerk, en vreugde in aller hart.

Er is, wel is waar, niet altijd een bijzondere dag bepaald geweest, waarop de Kerk den Zoeten Naam-Jesus plegtig zou veveeren. Eerst in het jaar 1721, werd het Officie van den Allerheiligsten Naam, reeds in enkele landen en kloosterorden gevierd, door Paus Benedictus XIII. aan de geheele Kerk voorgeschreven; maar de vereering van dienaanbidlijken Naam is zoo oud als de Kerk-zelve. Van den beginne af, hebben de geloovigen lucht gegeven aan de innige gevoelens van eerbied en hulde, van onbeperkt vertrouwen en teedere liefde, die hen voor Jesus\' Naam bezielden, en wat was dit anders dan het

-ocr page 105-

HET FEEST VAN DEN ZOETEN NAAM JESUS. 79

vereereu van Jesus\' Naam? Het kou ook niet anders. Want, zou toch ooit het Christenvolk niet van diepen eerbied voor Jesus\' Naam doordrongen zijn geweest, terwijl het wist, hoe godlijk die is in zijnen oorsprong, hoe verheven in zijne verkondiging, hoe eerbiedwaardig in zijne geheimvolle beteekenis? En, inderdaad, het was geen Cherubijn of Seraphijn, maar het was de eeuwige Vader-zelf, die aan zijnen beminden Zoon den zoeten Naam van Jesus gaf. (Eph. 11; 10) Aan een dezer verheven geesten, aan eenen Aartsengel alleen werd het toevertrouwd, dien Naam te verkondigen aan de genadevolle Vrouw, die Jesus in haren maagdlijken schoot ontvangen moest. // Gij ,/ zult in uwen schoot ontvangen,quot; zoo sprak de Aartsengel Gabriël tot Maria, u en eenen Zoon baren: zijnen Naam zult n gij Jesus heeten. Deze zal groot zijn en de Zoon des Aller-// hoogsten genoemd worden.quot; (Luc. I; v. 31, -32.) // Josef, z/gij, zoon van David,quot; zoo sprak een ander Engel in den slaap tot Maria\'s zuiveren bruidegom, „ schroom niet Maria, // uwe vrouw, tot u te nemen, want hetgeen in haar geboren v werd, is van den heiligen Geest. En zij zal een Zoon baren, // en gij zult zijnen Naam heeten Jesus, want hij zal zijn voik u van hunne zonden verlossen.quot; (Matth. I; v. 20, 21.) Jesus\' Naam alleen zegt ons dus, dat Hij het is, die ons van het juk der zonde heeft verlost. Hij is, om ons van Satans slavernij te bevrijden, gehoorzaam geworden tot den dood, tot den dood des /cruises; maar daarom ook heeft de eeuwige Vader Hem verheerlijkt, en Hem een Naam gegeven, die boven alle namen verheven is; opdat in Jesus Naam alle knie zich luige, in den hemel, op de aarde en in den afgrond der hiel, en alle tong hel ij de, dat de Heere Jesus in de heerlijkheid is van God, den Vader. (Ak. Philip. II.v.8,9,10,11.) Zoo wil de drieheilige God, dat Jesus\' Naam geëerd worde door al wat denkt, door al wat leefti Van de eerste tijden af, was deze waarheid diep in de harten der gtloovigen geprent, en daarom lieten zij geene gc-

-ocr page 106-

80 HET FEEST VAN DEN

geilheid voorbij gaan, om lof, eer en aanbidding te geven aan den verheerlijkten Naam van hunnen beminden Verlosser. Vandaar de godvruchtige gewoonte van eerbiedig het hoofd te buigen, zoo dikwerf men Jesus\' Naam uitspreekt, of door anderen noemen hoort. Vandaar ook het aloude gebruik, dat niettegenstaande de onverschilligheid onzer eeuw, nog op vele plaatsen is blijven bestaan, van elkander niet met eenengoeden morgen of goeden avond, maar met een geloofd zij -Jesus Christus te groeten. Weinige jaren verleden, had de algemeene vergadering van het Pius-Verein te Keulen plaats. Ikzalhetoogen-blik nooit vergeten, waarop de grijze graaf von Stolberg, op de tribune verschijnende, zijne redevoering begon met den groet, tot de aanwezigen gerigt : Geloht sei Jesus Christus, en uit duizende monden het daverend antwoord weergalmde : In Ewigkeit! Deze godvruchtige gebruiken zijn niet alleen dooide Kerk goedgekeurd, maar verschillende Pausen hebben ze ook, gelijk mede het eerbiedig aanroepen van den Heiligen Naam, met aflaten begunstigd.

Niet minder diep clan de gevoelens van eerbied, was het vertrouwen in Jesus\' Naam, van af het begin der Kerk, inde harten der geloovigengeworteld. Trouwens, de Apostelen hadden hen reeds geleeraard, dat Jesus\' Naam de Naam des Heils is, en er geen andere \'Naam onder de zon is gegeven, waardoor wij zalig moeten worden. (Handel, der Apost. IV; v. 12.) Meermalen in den loop des jaars, herinnert ons de Kerk aan deze bemoedigende waarheid, en stelt ons met levendige kleuren de kracht voor oogen van dezen Heiligen Naam. Zoo verhaalt ons de Epistel van dezen dag het eerste wonderwerk, hetwelk Petrus en Joannes door de kracht van Jesus\' Naam verrigtten (Handel. der Apost. III.), terwijl ons op andere tijden de plegtige belofte, door Jesus aan zijne Apostelen gedaan, herinnerd wordt. ,/ Deze Teekenen zullen degenen, die gelooven, volgen: „ Jn mijnen Naam zullen zij de duivelen uitdrijven; nieuwe

-ocr page 107-

ZOETEN NAAM JESUS. 81

t, talen zullen zij spreken, slangen zullen zij opnemen; en, in-n dien zij iets doodelijks zullen drinken, zal liet hun niet scha-// den; kranken zullen zij de handen opleggen, en zij zullen // gezond worden.quot; (Marc. XVI; 17, 18.) Thans, gelijk over achttien eeuwen, vraagt de Kerk, altijd en overal, de vervul-// ling harer gebeden door den Heere Jesus Christus — per Dominum nostrum Je sum Christum —, en geeft ons, zoo doende, een voorbeeld van onbeperkt vertrouwen op de belofte van den godlijken Verlosser, die ons zelf heeft verzekerd, dat alles, wat wij in zijnen Naam, zullen vragen, ook ons geivor-den zal. (Joan. XVI; 23.)

Het is dan ook niet te verwonderen, dat het geheele leveu van een Christen een onafgebroken lofzang is, ter eere vau Jesus\' Naam, en een aanhoudend bewijs van het onbeperkt vertrouwen, hetwelk hij stelt in de alvermogende kracht er van. Jesus\'quot; Naam, immers, roept de Christen-ziel aan, wanneer zij, in duisternissen gewikkeld, door de bekoring gekweld, of door Satan bestormd wordt; Hem roept zij aan, wanneer schrik en angst haar bevangen; Hem roept zij aan, wanneer ellende, smart en lijden haar overvallen, want zij weet, dat Jesus alles vermag, en dat bij Hem licht, kracht en sterkte, overwinning der booze geesten, heul, troosten opbeuring te vinden is.

„ O Heere Jesus! zoo roept de Christen-ziel, met den Heiligen Augustinus uit, „ wees ook voor mij een Jesus, dat is een Verlosser; heb medelijden met mij, en verlos mij.quot; En die verzuchting is niet alleen een gebed van vertrouwen, maar ook een kreet van liefde, die, hooger en hooger stijgend, eindelijk, als het ware, bezwijkt, terwijl zij ons in de vervoering des harten, met een H. Ambrosius, doet uitroepen : „ O Jesus Gij zijt mijn Jesus en mijn al!quot; O welke liefde moet die gezegende Naam in ons hart niet ontsteken, terwijl hij in ons geheugen terugroept de ellende en pijnen, de vergunning, de wreede

geeselslagen, de doornkroon, de nagels en het kruis en, ein-

7

-ocr page 108-

82 OP HEÏ FEEST VAN DEN

clelijk, den smartvollen dood, door Jesus, uit liefde tot ons, verduurd! Met welke dankbare liefde moet ons hart niet kloppen voor den Naam van Hem, die de bron is der ontelbare genaden, die ons, van den beginne des levens af, zoo ruimschoots werden geschonken; van Hem, die, in de oneindige glorie gezeten, ook daar nog onze voorspraak is, terwijl Hij zijne verheerlijkte wonden aan den eeuwigen Vader vertoont; van Hem, die, na ons hier met weldaden te hebben overladen, ons eens in het rijk des Hemels met eer en glorie kroonen, met geluk en zaligheid vervullen zal.

O ja, wanneer ik dit alles herdenk, dan begrijp ik, o lieve Jesus, waarom alle geslachten uwen heiligen Naam hebben geloofd, geëerd eu geprezen; dan begrijp ik hun vertrouwen, dan begrijp ik hunne brandende liefde voor uwen nooit volprezen Naam !

Wij ook, o Heere Jesus! wij zullen op uwen heiligen Naam vertrouwen, in leven en in dood! Wij zullen uwen Naam vereeren, hem loven, prijzen en beminnen, in tijd en eeuwigheid !

LOFZANG.

ó Naem ! voor wien de grootheid beeft, Hel, Hemel, en al wat er leeft! u Schooner Naem als dageraet, o Soeter Naem als honigh-raet! o Groener Naem als \'t Levens-hout, ó Rijcker Naem als \'t fijnste gout! ó Sachter Naem als tortelduyf, ó Yerscher Naem als wijngaerts-druyf ! o Klaerder Naem als sonne-strael, ó Stercker Naem als louter stael ! ó Grooter Naem als Keijzer-rijck, ó Naem, die noyt had zijns gelijck !

-ocr page 109-

ZOETEN NAAM JESUS.

Dujkt Bloemkens, wie gij ook meugt zijn ,

Want gy verliest hier uwen schijn,

fin gy, Eevierkeu, loop van my.

Geen silvren uat en haalt hier by !

Gij, trotse Kruytkens, buigt u neêr,

GVen rieckt soo soet niet als de Heer.

Sluyt, Yogelkens, uw beckskens toe,

lek ben uw zingen nu al moe :

Al wat ik sagh of heb gehoort.

Dat is vergeten door één woort:

o Jezu, Jezu, Jezu soet !

ö Naem , gedruckt in mijn gemoet 1

lek ben bewaert, en oock vereert :

Hy heeft voor my getriompheerd !

Laet vry de Werelt nu voortaen Eens komen met haer Masker aen, En d\'IJdelheyt met soet gevley :

lek hou den spot met alle bey.

Al komt Geneneht gelyk zy plagh,

lek ben gewapent tot den slagh,

83

En weet, als ick dees Name draegh, Dat ick naer Doodt noch Duyvel vraegh.

Overweging.

De Naam van Jesus is een naam van Magt, dio ons herinnert aan hot Woord van God, door hetwelk alles werd voort-gebragt; aan Hem, die over de wereld heerscht; aan den Koning\' der Koningen en den lieer der Heeren, wiens geestlijk Rijk bij alle volken en te allen tijde zal bestaan; aan liet Lam, dat de aarde overwon, en vorsten en volken, met of tegen hun wil, doet buigen als een riet, hen verheft, als ze getrouw, en neder-werpt, nis ze weêrspannig zijn. — ifet is een Naam van Liefde,

-ocr page 110-

84 OP HET ÏEESÏ VAN DEN ZOETEN NAAM JESUS.

die ons herinnert aan Hem, wiens armlijk-aardsche leven begon in een stal, om voorts gedurig ten offer gegeven te worden aan beschimping, aan marteling, ja, aan den dood van het kruis: aan Hem, die, uit den doode verrezen en ten hemel gevaren, ook daar nog onze Voorspreker en Middelaar wil wezen, en tevens onze medgezel wil blijven op onze reis naar de eeuwigheid, waartoe Hij dag en nacht op onze Altaren rust. — Het is een Naam van Zegepraal, die ons herinnert aan Hem, wiens kracht de ketenen verbrak, waarin de trotsche beheerscher der onderwereld, Satan, het mensohdom vierduizend jaren lang hield gekneld. Dat juk kwam Jesus , onze Zaligmaker, als Verwinnaar van den Afgrond , verbrijzelen en het gevangen heelal bevrijden uit de banden der slavernij, uit de boeijen der dwaling, der driften en van alle kwalen der ziel. Hij heeft geheel de wereld de glorie der onsterflijkheid deelachtig gemaakt; zonder Hem, die den Naam van Jesus voert, zonk, zoo als achttien eeuwen het zouden getuigen, ook nu nog, de maatschappij weer in den poel van jammeren terug, waaruit Hij haar heeft opgebeurd en vrijgemaakt met zijn bloed.

Die Naam zij dan ons eerste woord bij het ontwaken, ons laatste bij het ingaan van den slaap; Hij zij een stempel op iederen klank onzer lippen, en het krachtig wapen in alle bekoringen en gevaar. Om ons daartoe op te wekken, mogen dienen de gevoelens, uitgedrukt in de woorden van een heiligen dienaar Gods, die uitriep: «alles, wat ik doen zal, wil ik verrigten in uwen Naam. Wakende, zal die Naam voor mijne oogen zweven, slapende, zal ik Hem ademen in mijn gemoed; op de wandeling zal Hij mij vergezellen, neerzittende zal Hij zich bevinden aan mijne zij; onder mijne bezigheden, zal Hij steeds mijn gids en leidsman wezen, en mijne pen zal, onder hooger besturing, steeds gevoerd worden in den Heiligen Naam; Hij zal mij mijne gebeden doen storten, en mijne verkwikking en rust zijn, na de vermoeijenis van den dag; in krankte zal Hij mij strekken tot geneeskracht en ten troost, en in den dood tot mijn eeuwig heil. Zijn Naam zal wezen de Eeretitel van mijn graf.quot;

-ocr page 111-

MARIA-LICHTMIS.

ANNEEK, eene vrouw, onder het Joodsclie volk, liet licht had gegeven aan een zoon, moest zij, volgens de voorschriften der Wet, gedurende veertig dagen van het tabernakel verwijderd blijven, en, na dat tijdsverloop, moest zij een zuiveringsoft\'er den Heere opdragen. De ott\'ergift-zelve was bij de wet bepaald. De moeder moest, namelijk, een lam tot brandoffer , en eene jonge duif of tortel tot offer voor de zonde komen aanbieden. Den armen, evenwel, was het vergund, in plaats van het lam, eene tweede duif of tortel te offeren. Een ander voorschrift der wet bepaalde, dat iedere eerstgeboren zoon Gode zou worden toegewijd, maar tevens, voor een losprijs van vijf sikkels zou worden vrijgekocht. Aan deze bepaling der wet was Jesus, voorzeker, niet onderworpen. Hij-zelf immers, was de ware en • levende God; Hij-zelf was de Heer en de Meester van al het geschapene, en zijn bloed moest eens de waardige en overvloedige losprijs worden van heel het gevallen menschlijk geslacht.

Evenmin werd Maria door de zuiveringswet verpligt: want deze kon niet van toepassing zijn op de gezegende Maagd, die ontvangen had van den Heiligen Geest; die, zonder pijn of smart haren Jesus had gebaard, en wier maagdlijke reinheid even ongeschonden prijkte na de geboorte des Verlossers, als in haren eersten levenstijd. Des niet te min, wilde Maria, enkel uit nederigheid, zich met de gewone vrouwen gelijkstellen, en al datgene doen, wat de Wet van haar en van haren godlijken Zoon scheen te vorderen.

Veertig dagen na het zalig uur, waarop de Engelen des

-ocr page 112-

86 MARIA-LICHTMIS.

Hemels de Geboorte van den Verlosser der wereld, aan de herders van Bethlehem, hadden verkondigd, toog Maria, met Jozef naar den tempel van Jerusalem, om haar zuiveringsoffer, en Jesus\' losprijs aan te bieden. Zij droeg het godlijk Kind op hare armen, terwijl de H. Jozef de vijf sikkels en het offer der moeder in zijne handen hield. De gift was het offer der armen; bij die behoeftige Moeder moest een tortelduif de plaats van het lam vervangen! O wonder van liefde en barmhartigheid! Om mij, armen slaaf, met de kostbare schatten der genade te verrijken, wilde de Meester van het heelal zóó arm en behoeftig worden ( 2. Cor. 8.), dat zijne gebenedijde Moeder niet eens een lam, voor haar zuiveringsoffer, aanbieden kon. Maar hier deed het ook weinig ter zake, dat het offerlam bij de plegtigheid ontbrak : want Maria-zelf droeg op hare armen dat andere ware £am, dat voor ons allen is geslngiofferd, het Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, en waarvan het offer een einde moest maken aan alle offeranden van het Oude Verbond.

Met Jozef en Maria kwam Jesus den tempel van Jeruzalem binnen, en vervulde alzoo, reeds op dit uur, de voorzeggingen van Aggeus en Malachias. Toen de kinderen van Israël, bij het bouwen van den nieuwen tempel, treurden, als zij zich de pracht van Salomo\'s tempel herinnerden, en troostloos weenden, als zij het nieuwe tempelgebouw in zijne bekrompen naaktheid beschouwden, troostten hen die Gods-gezanten. Be glorie van dezen tempel, zoo spraken zij tot het Joodsche volk, zal die van den vorigen ver overtreffen : want, in dezen tempel zal de Verlangde aller volkeren komen; hier zal de vredevorst verschijnen. Dat woord moest in vervulling gaan, want Gods woord blijft in eeuwigheid. Na weinige jaren, wel is waar, zullen de Romeinsche legerknechten Jeruzalem verwoesten, en een vernielend vuur zal den tempel, met zijn verscheurden voorhang, verteren; maar, zoo lang de Messias dien tempel, door zijne

-ocr page 113-

MAMA-LICHTMIS. 87

tegenwoordigliticl, niet heeft verheerlijkt, moet hij op zijue groudvesteu blijven staan, en zijn hoofd ten hemel heffen. — Hij stond dan ook nog overeind, die tweede tempel, toen Jesus op dezen dag aan zijne deuren verscheen, en, door zijne Moeder gedragen, die grijze muren binnentrad. Van nu af kan die tempel krakend nederploflen en lot puin en stof vergaan , want het woord des Heeren is volbragt, de voorzegging der Profeten is voltrokken. Immers, de ware Vredevorst, die Hemel en aarde Icomt verzoenen m zijn Hoed, de Verlangde aller volkeren is heden in zijn midden verschenen, en heeft hem, door zijne tegenwoordigheid, met een weêrgaloozen luister, en eene nooit gekende pracht vervuld!

Bij de intrede des Heeren, heeft, voorzeker, die joodsche tempel van vreugde getrild; maar het volk kende nog zijn Verlosser niet, en bleef onverschillig bij de verschijning van Dengene, wiens komst de Oudvaders en alle volgende geslachten zoo vurig hadden verlangd. Doch, even als aan de krebbe van Bethlehem, zuilen ook hier de erkenning en de aanbidding van het godlijk Kind niet worden gemist.

De stem der Engelen riep de herders bij de krebbe van Jesus; de geheimzinnige taal eener wondervolle Ster voerde de Oostersehe Wijzen naar den stal van Bethlehem; de inwendige toespraak van den Heiligen Geest, zal, in den tempel van Jeruzalem, nieuwe aanbidders voor Jesus\' voeten doen nederval-len. Hier, in den tempel, zullen de grijze Simeon en de bedaagde dochter van Phanuël, den verbeiden Messias, in dat zwakke Kind, erkennen, en zijnen lof bezingen. // Want ziet, er was in Jeruzalem een man, wiens naam was Simeon; en deze man was regtv aardig en godvreezend, verwachtende de ver troosting van Israël, en de Heilige Geest was in hem. En hij had van den Heiligen Geest eene openharing ontvangen, dat hij den dood niet zien zoude, vóórdat hij den Gezalfden des Heeren had aanschouwd.quot; Toen nu Maria en Jozef met het godlijk

-ocr page 114-

88 MAKIA-LICHTMIS.

Kind den drempel van het heiligdom betraden, voelde Simeon zich innerlijk, door den Heiligen Geest, derwaarts heengedre-ven. Hij verliet zijne woning, en rigtte zijne wankelende schreden, met jeugdige geestdrift, naar des Heeren Huis. „En ah

de ouders het Kind Jems hïnnenbragten, opdat zij naar de gewoonte der wet voor Hem deden, zoo nam hij Hem ook in zijne armen, en loofde God, en zeide ; Nu laat Gij , lleere ! uwen dienstknecht, volgens uw woord, in vrede gaan ! Want mijne oog en hehhen uw Heil gezien, hetwelk Gij hereid hebt voor het aangezigt van al de volken, een licht ter verlichting der heidenen, en tot heerlijkheid van uw volk Israël. En zijn vader en zijne moeder waren verwonderd over hetgeen van Hem gesproken werd. En Simeon zegende hen, en zeide tot Maria, zijne moeder : zie, Deze is gesteld tat val en tot opstanding , voor velen in Israël, en ten teeken, dat tegengesproken zal ic or den, (en u zelve zal een zwaard door de ziele gaan !) zoodat uit vele harten de gedachten openhaar worden. quot;

n En er was eene oude Profetes, Anna, dochter van Phanii-el, uit den stam Aser; deze was ver op hare dagen gekomen , en had, van haren maagdlijken staat af, zeven jaren met haren man geleefd. En zij was eene iveduwe van vi er-en-tachtig jaar; zij week niet uit den tempel, en diende met vasten en hidden, nacht en dag. Deze kwam terzelfder ure ook daarbij , en loofde den Heer, en sprak van Hem tot allen, die de verlossing verwachtten van Israël. quot;

Ziedaar de heuglijke gebeurtenis, welke de Kerk, op den veertigsten dag na ■\'s Heeren geboorte, plegtig herdenkt. Wegens het Zuiveringsoffer, hetwelk Maria heden opdroeg , quot;wordt dit feest, het feest van Mar ia-Zuivering genoemd.

In de Grieksche kerk, waar men dezen dag eerder als een leest des Heeren, dan wel als een feest, Maria ter eere ingesteld, beschouwde, werd \'t het feest der Opdragt van Jesus in den tempel, en nog algemeener, het feest der Ontmoeting

-ocr page 115-

MAR1A-LICHTMIS. 89

genoemd; omdat Simeon en Anna, op dezen dag, Jesus in den tempel ontmoetten.

Wegens eene plegtiglieid . aan dezen dag eigen, het wijden, namelijk, en het ontsteken van een aantal Waskaarsen, die bij de Processie worden rondgedragen, is dit feest ook, zelfs vrij algemeen, onder den naam van Maria-lichtmis bekend.

Het feest van Maria-Lichtmis is zeer oud in de Kerk. lieeds in de vijfde eeuw werd het, als een, van oudsher bestaande feestdag, gevierd; en, volgens de meening van onzen geleerden landgenoot Henschenius, en van Paus Benedictus XIV., zou de instelling er van zelfs tot de Aposteltijden opklimmen. De Kaarswijding echter, en de plegtige Processie, die heden plaatsgrijpen, dagteekenen van later, zonder dat het tijdstip juist te bepalen is.

Wanneer de geloovigen heden ter kerke gaan, nemen zij een witte Waskaars mede, opdat de zegen der Kerk er over worde uitgesproken. In panrsch gewaad gehuld, beklimt de Priester, vóór de Hoogmis, het altaar. Zijne dienaren zijn enkel met de alba bekleed, waarover de diaken een paarsche stola draagt. Aan den kant van den Epistel geplaatst , spreekt de Priester zegenrijke gebeden uit over de Kaarsen, die daar ter wijding zijn nedergelegd, opdat zij de kracht erlangen van voor hen, die ze godvruchtig dragen en bewaren, een onderpand der godlijke bescherming te worden, naar ligchaam en naar ziel. Daarna bewierookt en besproeit hij ze met gewijd water, en deelt ze onder het zingen van het Loflied van den grijzen Simeon , aan de vergaderde menigte rond. Zijn nu de Kaarsen gewijd en uitgedeeld, dan begint de Processie, waarbij de Priester en de geloovigen deze brandende fakkels in hunne handen dragen.

De hooge beteekenis der gewijde Kaarsen en der Processie van dezen dag, moet ons opwekken, om met diepen eerbied en innige godsvrucht aan die heilige plegtigheid deel te nemen.

-ocr page 116-

90 MARIA-LICHTMIS.

Immers, deze Kaars, van witte was vervaardigd, verbeeldt liet maagdlijk-rein en zuiver ligchaam des Heeren, en hare vlam zegt ons, dat Hij het ware Licht is, hetgeen in de ■wereld kwam, om alle volken te verlichten. Daarom ook worden deze gezegende Kaarsen niet alleen bij de Processie ontstoken en gedragen, maar men houdt ze ook in de handen, bij de H. Mis, gedurende den geheelen tijd dat, na de Consecratie, Jesus, Mensch en God, wezenlijk, onder de gedaante van Brood en Wijn, op liet altaar rust, en ook dan, wanneer de Diaken, liet Evangelie zingende, ons Gods Woord verkondigt, dat eene fakkel is voor onze voeten, en op al onze wegen een Licht.

Wij willen de betwiste vraag hier niet bespreken, of de Processie van dezen dag haren oorsprong al of niet te danken heeft aan eene wijze beschikking der Pausen, die deze kerk-plegtigheid instelden, om de laatste sporen van oude heiden-sche gebruiken, bekend onder den naam Amhurhalia, te doen verdwijnen; maar, wij kunnen niet nalaten te doen opmerken, dat de Processie van dezen dag, ons levendig aan verschillende waarheden des Geloofs herinnert, en uitermate geschikt is, om onze godsvrucht op te wekken. Die Processie, immers, stelt ons levendig voor oogen, én den togt van Maria naar den tempel, toen zij het ware licht der wereld op hare armen droeg, én de ontmoeting van Simeon, die vóór zijnen dood den troost mogt smaken, Dengene, een oogenblik, aan zijn hart te drukken, die ons door het Waslicht zinnebeeldig wordt voorgesteld. O laat ons nooit vergeten, dat wij, die, onder deze Processie, slechts een beeld des Verlossers in onze handen dragen, zoo dikwerf den Verlosser-zelf, bij de H. Communie, waarlijk en wezenlijk, in ons hart ontvangen, en dat ons hart dus ook, gelijk dat van Maria en dat van Simeon, vervuld moet zijn met die brandende liefde en dat vurig verlangen, die ons door de vlam der gewijde kaars worden verbeeld.

Innig bewust van deze groote waarheid, dat de Kerk nooit

-ocr page 117-

MAMA-LICHTMIS. 91

te vergeefs haren zegen uitspreekt, maar, integendeel, het stoflijke, wat zij wijdt, tot de bovennatuurlijke orde verheft, en met bovennatuurlijke kracht verrijkt, nemen de geloovigen de gewijde Kaars mede naar hunne woning, en ontsteken haar bij onweder en storm, bij ramp en gevaar, bij heilige oefeningen en bij het gebed. Eens, wanneer ons laatste levensuur zal slaan, zullen wij deze gewijde Kaars in onze stervende handen drukken : zij zal ons, als het ware, voorlichten bij onze intrede in het huis der eeuwigheid, waar wij, eeuwig, licht in licht, Maarheid in klaarheid zullen zien. Moge het geweten, in dat beslissend oogenblik, ons de getuigenis geven, dat wij het Licht, dat Christus is, op al onze wegen hebben gevolgd, en dat wij steeds het licht der deugd en der waarheid meer hebben bemind, dan de duisternis des ongeloofs en der zonde!

Een gevolg van dit feest, of liever van Marians Zuivering, is het gebruik der Kerk, om de vrouwen en het kind, hetwelk zij ter wereld bragten, te zegenen, wanneer zij voor de eerste maal weer ter kerke komen. Het is billijk, dat haar eerste uitgang zij naar het huis des Heerenquot;, om Gode dank te zeggen voor ds haar bewezen gunst; om haar kind aan den Heer op te dragen, en, voor zich-zelve en voor haar kroost, Gods zegen te ontvangen uit de hand der Kerk. Met eene Waskaars toegerust, worden zij het heiligdom binnengeleid, en terwijl zij voor het altaar nederknielen, bidt de Priester voor moeder en voor kind, en zegent beiden, in den Naam des Vaders, en des Zoons, en van den Heiligen Geest.

LOFZANG

DE GEWIJDE KAARS.

Ik groet u, heilig licht, gestarnte van \'t altaar ! Uw kroon is zonnegoud, uw troon een kandelaar,

-ocr page 118-

MARI A-LICHTMIS.

Uw slanke ligchfiamsbouw, uit wol en was verkoren, Het pronkwerk van de Bij, \'t insect tot kunst geboren. LTw glinsterend gelaat spreekt tot liet christenhart Als flikkrend zinnebeeld van blijdschap en van smart. Zoo rustig als de dood, zoo levendig als \'t leven,

Blijft gij, op aard gevest, steeds naar den Hemel zweven. De liefdevolle geest, die u het ligchaam schonk.

Glanst immer voort tot aan zijn laatsten levensvonk.

U-zelf verteerend, maar om andren te verlichten.

Blijft gij den Christen steeds door treffend voorbeeld stichten. Gij zijt, o godsdienst-telg! zijn trouwe togtgeuoot Van af zijn wordingsuur, tot aan, tot na zijn dood.

De Kaars beglanst het licht der doopvont, waar Gods zegen Ter neêrdauwt op het kind, in Adams schuld verkregen; De Kaars verwelkomt ook de moeder met haar gloed. Die met haar zuigeling den eersten kerkgang doet. De Kaars bronst met haar goud de roosjes op de wangen Van ■\'t kind, dat voor het eerst de Godheid gaat ontvangen. De Kaars prijkt als getuige in \'s vromen jonglings hand. Wanneer hij wordt gezalfd tot Js Heeren Afgezant. De Kaars laat heure vlam als diadeemsmud zweven

O

Om \'t hoofd des Kloosterlings, die zweert voor God te leven. O Godlijk vuurwerk! dat ook neêrstraalt op de huif Der geestelijke non, der stille kloosterduif.

Die slechts van manna leeft en heilige gedachten.

Haar geest verheffende, als ontplooide Cherubsschachten : Straal op den zondaar neer, nog zwervend op deze aard, Terwijl aan zijne ziel Gods heil zich openbaart!

De Kaars verlicht d\'orkaan en ■\'t hart der schepelingen. Wanneer de golven slaan en \'t vlotte huis bespringen,

Daar \'t woeste stormweer huilt met ongetemde vlerk En \'t schip ten afgrond sleurt, of opzweept tot aan \'t zwerk r Dan zendt haar heilig licht zijn glinstring met de zuchten Des Christenharten op naar uitkomstvolle luchten.

92

-ocr page 119-

MARIA-LICHTMIS.

Waaruit de Star der zee, Maria, blinkt, die vaak Den drenkeling verscheen als trouwe reddingsbaak.

De Kaars verlicht den storm in \'t hart der huisgezinnen, Wanneer de donder rolt rondom haar erf, en binnen De vrees het hart beknelt van ouders en van kroost. Dan is de ontstoken Kaars het middelpunt van troost. Dan rept zich, als van ouds, de meesteres des huizes. En zegent wand en vloer met teekenen des kruises, In zegenuat gesprengd, met den gewijden palm :

Zij haalt de luifels digt en zet de deur in schalm. En knielt met d\'eedlen oogst van hare liefde in \'t ronde, Terwijl \'t gewijde licht, ontvlamd te dezer stonde. Hun moed en hope straalt, totdat het noodweer zwijgt. En \'t uitgestormde zwerk de kalmte weêr herkrijgt.

De Kaars verlicht den strijd in \'t hart des vegen kranken. Wanneer de dood zijn voet zet op diens legerplanken. Dan heerscht stikdonkre nacht: nacht in zijn oog en mond, Nacht in zijn hoofd, nacht in zijn hart, ja, nacht in \'t rond. De tweekamp tusschen ziel en ligchaam gaat beginnen. Wie draagt de zege weg? — Geknakt zijn al de zinnen; De Kaars werpt nog voor \'t laatst den lichtglans om hem neer. Terwijl de Priester bidt: „ schenk eeuwge rust, o Heer! En dat het eeuwig licht der christen-ziel verschijne!quot; — De doopvont zag haar licht, het doodsbed ziet het zijne. De doodkaars treurt bij \'t lijk, waarom een ieder treurt; Ze ontvlamt het in Gods huis, terwijl de wierook geurt. Bij Js Priesters offerande en stille doodenpsalmen. Die biddend-klagend om den afgestorvne galmen.

Zoo gloort de Waskaars steeds tot troost en heul in smart. Tot roem en vreugd bij feest, tot liefde voor elks hart; Geen uur, geen tijdstip, of zij deelt in zoeten vrede, De gaven van haar licht aan Jesus\' vrienden mede; En, altijd even schoon in \'t zedig wasgewaad,

Volbrengt de heusche Kaars de pligten van haar staat.

93

-ocr page 120-

9-1 M ARIA-LICHTMIS.

Laat kunst eu wetenschap de levenskiem der stoffen Ontleden, om haar kracht in licht te doen ontploffen, Uit gloeijend steenkool gaz, uit phosphor bliksemstraal, Ot\', volgens oud gebruik, aan vuursteenslag eu staal De vonk ontwoekren, en uit olielooze deelen Een oogverblindend licht voor \'t duister aardrijk telen, Het werk der Bij, gewijd door Godsdienst, spant de kroon ; De Godgewijde Kaars blinkt, zedig, even schoon; Ja, moge \'t kroonlicht ook in dans- of feestzaal zwieren, Gij blijft, o stille Kaars! den Tempel Gods versieren; Eu schittert soms de Kunst op wereldfeesten meer, Gij viert in \'s Heeren Huis de feesten van den Heer.

Het vonklend licht der Kaars, uit stearien gegoten,

Moog \'t diepst geheim der aard voorden geleerde ontblooten. De zachte Waskaarsglans verlicht oneindig meer, En straalt haar maagdlijk licht op de offerande neêr.

Moog de olielamp, omkrooad met krans en bloemen, schijnen Als een geleerde zon voor de oude boeken-schrijnen.

Waar zij het perkament, vervuld met wijsheid, klaart, Het kerklicht flikkert op het schoonste Boek der aard. Het Evangelieboek, waaruit Gods Woord blijft stralen. Ziet gij, bij avond, die lantaarnezonne pralen Aan de opgesmukte koets der grooten van deze aard. Wanneer hen \'t fier gespan ter feestzaal henenvaart ?

Méér roem is aan de vlam der Wassenkaars beschoren, Daar zij tot gezellin van God-zelf is verkoren,

Wanneer die God zich hult iu blanken tarweschijn, Omgeven en be welf d door \'t sierlijk baldakijn,

Waaronder zijn Gezant, in leliën-gewaden,

Den zieke met het Brood der Englen gaat verzaden. Of als in weidscher praal die God zijn omgang houdt. Met Engelinnenstoet, aan de onschuld nog vertrouwd. Gekleed als bruidjes van den Bruidegom des Hemels, Die dan de keten sluit des heilgen feestgewemels. Gevormd door de muzijk en \'t jongelingenkoor, Dat wierook-walmen zwaait, Arabies rijkst trezoor.

-ocr page 121-

M ARIA-LICHTMIS.

Terwijl het groote lieir van hondercle flambouwen Haar starren prikkelt, om het schuilend Licht te aanschouwen: Dan wijkt de zegetocht eens konings, rijk bestraald,

Voor zulk een gloriepracht, die Gods triomf ons maalt.

Neen! geen geboortefeest eens vorstentelgs, verwelkomd

Door \'t grootsch kanonnen vuur, dat uit zijn kopren hel bromt,

En opgeluisterd door het heerlijkst vuurwerk, dat

In pijlen, slingers of in letters luchtwaart spat.

Treft \'t christen-hart zoo diep, als \'t Kerstfeest met ziju lichtjes.

Die rondom het altaar, als goudgewiekte wichtjes,

flet Kind van Bethleëm begroeten met haar glans.

Terwijl het Gloria stijgt naar den hemeltrans.

Neen! — neen! geen hooggetij van wijdgevierde geesten

Treft zóó de ziel als \'t Licht van de Maria-feesten,

Wanneer het glanst ter eer van haren naam, haar deugd,

Ontvangenis, Geboorte of hooge Hemelvreugd.

Geen licht blinkt op het feest van krijgers, kunstenaren.

Zoo schoon als \'t heilig licht, ontstoken op de altaren,

Gods Heiligen ter eer, die helden van de Kerk,

Die zeiven schittren als gestarnten aan het zwerk.

ó Godgewijde Kaars! duld, dat ik u benijde;

Gij staat het Heiligdom, waar liefde woont, ter zijde Met siersels, rijk en schoon, en bloemen onbesmet. Als starren in een hof, bij \'t Veertig-uurgebed.

O smolt mijn hartals was, en sloeg mijn tong aan \'t blaken. Wat zou ik dag en nacht voor God mijn liefde slaken! Ik zoude naast zijn troon een aardsche Serafijn, Een lichtelaaije brand, een tintiend vlamwerk zijn. Dat liefde alom verspreidde en \'t aardrijk overgloeide. Totdat het werd één vuur, dat zich aan \'t zijne boeide. Om eeuwig... doch, helaas! het kwaad heeft me uitgedoofd, Mij, minder waard dan \'t licht, dat, onbewust. Hem looft.

Vergiffenis, o Gij, wiens Naam het licht blijft roemen. Maar dien mijn zwakke tong niet waardig is, te noemen;

95

-ocr page 122-

M ARIA-LICHTMIS.

Ach, gun, dat ik U door uw schepselen belijd\'.

Waarvan Gij door uw magt oorsprong en schepper zijt! Gij zijt der lichten licht, dat niemand kan bevatten.

Meer dan hier de etherstroom al trillend rond doet spatten. Eens spraakt Gij : u Daar zij lichtquot; — en \'t groote licht

was daar,

Gij zaagt het, en \'t was goed : de duisternis was klaar, o Mogt de waarheid zóó mijne oogen eens doordringen! Schenk Gij dat, bid ik U, o Schepper aller dingen! Een bajert is mijn geest, mijn hart nog ongevormd, Waarin bij duistren nacht de zonde dikwijls stormt.

Spreek over mij dat woord, dat ge eertijds hebt gesproken. En zeg weer : „Daar zij lichtquot; in \'t aardsche kind ont-Dan val ik U te voet en bid U dankend aan; (stoken! Mijn wezen, opgeklaard, zal U een loflied slaan.

Dat uur zal naken en de sluijer nedervallen.

Dan drinkt mijn ziel méér licht dau alle mijnkristallen. Dan zie ik licht in licht, o hemelzoet genot!

Want \'t Licht, dat mij bestraalt, is dan de groote God.

Overweging.

De goclsvruclit tot Maria keeft \'reen anderen stichter dan de Stichter van onzen heiligen Godsdienst. Jesus Christus-zelf heeft daarvan den grondslag\' gelegd. Gij verwondert u welligt over deze stelling; maar gij zoudt mij toch gelijk geven, indien Jesus, op verschillende plaatsen van het Evangelie gezegd had : gij meet Maria vereeren, gij moet haar eene geheel bijzondere eer bewijzen ; dit is de wil mijns Vaders; — en gij zoudt u-zelven als strafbaar moeten aanzien, zoo gij, in dit geval, uwe pligten jegens de allerheiligste Maagd uit het oog mogt verliezen. el nu! wat Jesus Christus gedaan heeft, spreekt daarvoor nog veel sterker, dan wat Hij zou hebben kunnen zeggen.

Jesus Christus heeft wel niet uitdruklijk gezegd : gij moet Maria vereeren, maar Hij heeft in den schoot van Maria , als in een Heiligdom, gewoond; Hij heeft haar tot zijne Moeder

96

-ocr page 123-

MARIA-LICHTMIS. 97

verkozen; Hij liet zich in hare armen dragen, door hare handen verplegen; Hij was hare bevelen hehoorzaam; aan het Kruis nog herinnert Hij zich den eersten pligt der kinderlijke liefde, terwijl Hij haar zijn geliefden leerling aanbeval, wanneer Hij niet meer op aarde zou wandelen; in één woord: Zij is zijne Moeder, de Moeder van Jesus, de Moeder van den God-mensch, de Moeder G ods!

Maria is de moeder van Jesus! dat wil zeggen; het vleesch van Maria is het vleesch van Jesus Christus, het bloed van Maria is het bloed van Jesus Christus, het leven van Maria is de bron en de grondslag des levens van Jesus Christus geworden. Er is geen schepsel, dat zoo innig met zijnen Schepper verbonden en der Godheid zoo nabij is, als deze gezegende Moeder, uit wie Jesus, die Christus genoemd wordt, geboren werd.

En nu vraag ik u: kan God zijnen wil wel duidelijker en bepaalder uitdrukken? Kunnen wij wel te veel ijver in den dienst van Maria aan den dag leggen? Kunnen wij hare vereering wel overdrijven, haar wel te hoog verheffen, zoo lang wij Haar met God-zelven niet gelijk stellen? Maria is de Moeder Gods, en daarom is zij boven alle andere schepselen, zelfs boven de he-melsche geesten verheven. God heeft haar Zoon willen zijn, en daarom, zegt de H. Bouaventura, heeft Hij Maria zoo hoog verheven, als een schepsel verheven worden kan. quot;VVij zouden dus het grootste onregt plegen, indien wij Maria met de andere Uitverkorenen op ééne lijn stelden, en aan haar slechts dezelfde eer als aan genen bewijzen wilden. Zij staat hooger dan deze, zij is de Koningin der Heiligen en der Engelen: wij zijn haar dus een dieper eerbied schuldig; zij bevindt zich, om zoo te spreken, nader bij de Godheid en verdient derhalve van onzen kant een grooter hulde. God alleen is boven haar; wij moeten haar, bij gevolg, alleen de eer, aan God verschuldigd, weigeren, maar wij kunnen in haren dienst niet dwalen, zoolang wij haar den scepter Gods niet in de handen geven. Stelt den Zoon niet op ééne lijn met de Moeder, maar stelt ook de Moeder niet op ééne lijn met de overige dienaars en dienaressen des 11 eeren! God-zelf heeft tusschen beiden eene te groote ruimte gelaten, dan dat wij die mogen wegnemen: Hij heeft hen te ver van elkander gescheiden, dan dat wij tusschen hen eene gelijkheid zouden durven daarstellen. En, bedrogen wij ons, wanneer wij haar boven alles, wat God niet is, verheffen, en

8

-ocr page 124-

98 MAMA-LICHTMIS.

haar op oeue bijzondere wijze vereeren, dan zendt Gij, o Heer, ons in dwaling hebben gebragt! Gij hadt haar niet tot Moeder moeten kiezen, indien Gij niet wildet, dat wij haar boven uwe andere dienaars zouden vereeren; Gij hadt U niet in hare armen moeten laten dragen, indien Gij wildet, dat wij ons niet voor hare voeten zouden nederwerpen; Gij hadt haar niet moeten onderdanig wezen, indien Gij wildet, dat wij haar niet als onze Meesteres, en als de Koningin der Engelen en der Uitverkorenen zouden erkennen; Gij hadt geen ligchaam van haar vleesch en bloed moeten aannemen, indien Gij wildet, dat wij haar niet als de deelneemster aan het groote werk onzer Verlossing zouden beschouwen; Gij hadt ham- niet zoo hoog boven alle andere schepselen moeten verheffen, niet al de kracht van uwen arm moeten bezigen, om haar met heerlijkheid te overladen, indien Gij gewild hadt, dat wij haar niet zouden verheften, dat wij niet zouden ontvlammen in ijver voor haren dienst.

Een van beiden, of Jesus-Christus heeft zich-zelven bedrogen, of de vijanden van Maria bedriegen zieh, wanneer zij de bijzondere eer, welke wij haar bewijzen, veroordeelen, en onzen ijver in haren dienst onverstandig en blind durven noemen. Immers, kunnen wij van onzen kant wel te veel doen, wanneer wij betrachten, wat God voor haar heeft gedaan? Hebben wij te vreezen van, door al te groote vereering der Moeder, misschien te kort te doen aan de heerlijkheid van den Zoon, nadat die Zoon-zelf zijne Moeder duizendmaal méér geeërd heefd, dan wij haar kunnen vereeren? Neen, nooit zal Jesus Christus u verwijten, dat gij zijne Moeder te zeer bemind, haar te veel verheven, u te dikwijls voor hare voeten nedergeworpen hebt. Nooit, nooit zal Hij het u als eene misdaad aanrekenen, dat gij te veel ijver in den dienst zijner Moeder getoond, dat gij haar te hooge eere-titels gegeven, haar uw middelaarster, uwe voorspreekster genoemd hebt! Nooit, nooit zal Hij, in zijne gramschap, tot u zeggen: o gij, dwaze! waarom hebt gij geloofd, dat mijne Moeder zonder zonde ontvangen, van het bederf des grafs bewaard gebleven en wederom heerlijk verrezen is? Nooit, nooit zal Hij u verwerpen, omdat gij u een te verheven denkbeeld van zijne Moeder gemaakt, en haar, uit wie Hij wilde geboren worden , voor hoog-bevoorregt gehouden hebt.

Neen, wij weten, en dit met de zekerheid des Geloofs — want de algemeene, onafgebroken en eenstemmige Overlevering is even onfeilbaar als het Evangelie-zelf — wij weten, dat de liefde,

-ocr page 125-

dj; vaste.

99

de vereering en aanroeping van Maria eene godsvrucht is, gesproten uit liet hart van Jesus, geregtvaardigd door de Apostelen, bevestigd door de gelieele Kerk, door die Kerk, waartegen de poorten der hel niets vermogen. quot;Wij weten, en dit met de zekerheid des Geloofs, dat de Moeder van Jesus deel neemt aan onze behoeften en nooden, dat /.ij voor ons het hart en de gevoelens eener moeder heeft, en dat zij, door hare alvermogende voorspraak, alles voor ons heil kan bewerken, ofschoon Jesus-alléén de oorsprong onzer zaligheid is.

Jesus heeft Maria bemind en geëerd, Hij heeft haar in den hemel verheven. Hij eert en bemint haar nog; — waarom dan zouden wij aarzelen, haar te eeren, haar te beminnen en ons voor hare voeten neder te werpen in het stof?

DE VASTE

et leven van den mensch (zegt de H, Augustinus) wordt n in twee groote tijdvakken verdeeld : het eerste bevat i, het tegenwoordige leven, dat daarheen vliedt, te midden van //bekoring, kommer en ellende; het andere begint, om nooit v te eindigen, met onze intrede in het huis der eeuwigheid , „ waar rust en zaligheid, vreugde en vrede ons deel zullen // zijn. Beide tijdstippen worden, te onzer leering, afgebeeld t, door de verdeeling van het kerklijk jaar. De tijd vóór Pa-,/ scken is het beeld der bekommeringen van het tegenwoordige // leven, terwijl de tijd na Paschen het beeld dier gelukzalig-// heid is, welke wij eens in den Hemel zullen genieten. Daar-u om vasten en bidden wij vóór Paschen; na Paschen vasten // wij niet meer, maar stemmen alsdan, in stede van rouwlie-// deren, louter vreugdezangen aan.quot; Het tegenwoordige leven is, daarenboven, eene voorbereiding tot het toekomende. Door de beproevingen van den tijd, moeten wij tot de vreugd

-ocr page 126-

100 DE VASTE.

der eeuwigheid geraken : wij moeten eerst de woestijn dezes levens doortrekken, alvorens wij het beloofde land kunnen binnengaan : wij moeten de smarten der ballingschap, in dit Babyion, verduren, eer wij in ons ware vaderland, hethemelsch Jerusalem, terugkeeren. Levendig stelt ons de Kerk ook deze waarheid voor oogen, terwijl zij ons, door een tijd van boetvaardigheid, tot het groote leest van Jesus\' Opstanding leidt, en ons de Paaschvreugd niet laat smaken, voordat wij vrijwillig de ontberingen der versterving, gedurende den Vastetijd , hebben verduurd.

De Vaste is echter meer dan een enkel beeld onzer pelgrims-reize, want zij herinnert ons niet alleen onze ballingschap, maar geeft ons ook de middelen aan de hand, om in ons vaderland terug te keeren en onze ware eindbestemming te bereiken. Trouwens, wij moeten ons-zelven afsterven, om eens eeuwig met Jesus te leven; wij moeten deelachtig worden aan \'s Hoeren lijden, om in zijne glorie te kunnen deelen; om met den Heiland te verrijzen, moeten wij uit het graf der zonde opstaan en, door het beoetenen der deugd, trachten gelijkvormig te worden aan Hem Welnu, de Kerk beijvert zich, op eene bijzondere wijze, gedurende den Vastetijd, om al die gevoelens in ons te verlevendigen. Zij wekt ons aanhoudend op tot droefheid des gemoeds, en spoort ons aan, om den steen onzer harten te breken, en onze zonden, voor het aanschijn des Hee-ren, te beweenen. // Laat ons van kleederen veranderen, zoo // spreekt zij tot ons in hare gezangen, de boetepij omgorden , ,/ en ons met asch overdekken ; laat ons vasten en iveenen, \'want // onze Heer en God is allerbarmliartigst; Hij zal een verbrij-n zeld enverootmoediqd hart niet verstooten, Hij zal denrouio-n moedige zijne zonden vergeven. quot; — // Keert tot mij terug , // zoo laat zij den Heer, door den mond van zijnen Profeet, // den zondaars toeroepen, keert tot mij terug in tranen, in H vasten en in zuchten. quot; — r, En gij, Priesters des Heeren ,

-ocr page 127-

DE VASÏE. 101

,/ zoo roept zij den Bedienaren des Heiligdoms toe, weent tus-// Hchen het voorportaal en het altaar, en zegt: spaar, o Heer ! u spaar uw volk! laat niet toe, dat de ongeloovigen ons averil heerschen. quot; Gedurig stelt de Kerk, in deze heilige dagen, ons het bitter lijden van den God-Meusch voor oogen, om onze liefde voor den godlijken Verlosser te verlevendigen, en i n ons hart niet alleen een onverzoenlijke!) haat tegen de zonde, en een waar berouw over onze begane feiten op te wekken , jnaar ook een vurig verlangen, om met Jesus en voor Jesus te lijden. Zij spoort ons aan, om, in dezen tijd, meer dan ooit, te volharden in het gebed, en om in ruimere maat den goeden geur van Jesus Christus, door onze goede werken, te verspreiden. Zij schrijft ons vasten en onthouding voor, opdat wij ons verdorven vleesch kastijden, onze driften beteugelen, en, zoo doende, in het vervolg, zekerder al datgene vermijden, waardoor wij schade zouden lijden aan onze ziel. Alles, in één woord, werkt in dezen heiligen tijd te zamen, om ons tot Boetvaardigheid te stemmen, teneinde wij ons waardig zouden maken de kwijtschelding onzer zonden, en het H. Sakrament van Boetvaardigheid te erlangen, en dan, volmaakt gezuiverd, heilig, den God van heiligheid, het onderpand onzer verheerlijkte Verrijzenis, gedurende den Paaschtijd te ontvangen.

Wanneer wij dit een en ander ernstig overwegen , en ons tevens herinneren, dat de veertigdaagsche Vaste, in vroeger tijd, ook nog ten doel had, de openbare zondaars tot hunne verzoening, en de catechumenen of nieuwelingen tot hun Doopsel voor te bereiden, dan zal het ons niet verwonderen , dat deze heilzame oefening reeds van de Aposteltijden af in de Kerk heeft bestaan; zoowel in het dagengetal als in de boetevoorschriften zal men verschillende gebruiken, op verschillende plaatsen, kunnen aantreffen; maar de Vaste voor het Paaschfeest, is zoo oud als de Kerk-zelve.

Eertijds waren de voorschriften der kerklijke tucht, ten

-ocr page 128-

102 DE VASTE.

opzigte van de Vaste veel strenger, dan lieden ten dage. Het was slechts eenmaal op den dag, en wel bepaald eerst na zon-nenondergang, geoorloofd^ eenige spijs of drank te gebruiken. De zondagen alléén waren hiervan uitgezonderd. Eerlang echter werd het uur van het avondmaal vervroegd. In de veertiende eeuw was het gebruik reeds algemeen geworden, om het vastemaal ten drie ure, na den middag, te houden, en er was nog geen eeuw sinds dien tijd verloopen, toen men reeds algemeen den maaltijd omstreeks het middaguur nam. Eene herinnering der aloude tucht bestaat heden ten dage nog in de Vaste, namelijk, men bidt de vespers, die vroeger eerst tegen den avond gezongen werden, en ook nu nog, buiten den Vastetijd, in den namiddag worden gebeden, thans vóór het uur, waarop men den maaltijd mag nemen, dat is, vóór het middaguur.

Ook in het voorschrift van slechts eenmaal op den dag eenige spijs te genieten, kwam van lieverlede eene verzachting, en wel vandaar, waar zulks het minst te verwachten was. Buiten en behalve de algemeene vaste-dagen, telden de kloosterlingen nog een aantal dagen in het jaar, waarop hun, door hunne kloosterregels, onthouding van vleesch en vaste voorgeschreven was. De H. Benedictus veroorloofde aan de monniken van zijne Orde, om op de bijzondere vaste-dagen van het klooster, des avonds, na het zingen der Completen, een weinig water en wijn te gebruiken, en weldra werd het gebruik ook bij de andere kloosterorden ingevoerd. Onder het nuttigen van een luttel dranks, hield de Overste eene korte toespraak tot zijne onderhoorigen, of werd er eene geestlijke Lezing — Collatio spiritualis — gedaan. Om deze reden, is die avonddronk toen met den naam van Collatio bestempeld, welken naam hij heden nog draagt.

Langzamerhand werd dit gebruik, zoowel in als buiten de kloosters, ook op de algemeene vaste-dagen toegepast; en, dewijl men het nadeelig achtte voor de gezondheid, dien drank

-ocr page 129-

DE VASTE. 103

zonder toevoeging van een weinig spijs te nemen, zoo werd ook deze in eene kleine hoeveelheid bij den drank gevoegd, eu dus ontstond de ook thans nog gebruiklijke en geoorloofde Collatie.

In de Vaste is alzoo slechts één volle maaltijd geoorloofd, en ook daarvan is nog het uur bepaald. Het gebruik van verschillende spijzen is tijdens de Yaste mede verboden. Men behoeft zich, wel is waar, niet bij water, brood en groenten te bepalen, gelijk de Christenen der eerste eeuwen, maar vleesch, eijeren en melkspijzen zijn in de Vaste ons ontzegd. Het gebruik heeft, op vele plaatsen, het verbod aangaande de melkspijzen gewijzigd, en, wat het gebruik van vleesch en eijeren betreft, hierin wordt, bij ons te lande, met Pauslijke vergunning, door ieder Bisschop in zijn kerspel, in meer of mindere mate, gedispenseerd.

De Joden dwaalden veertig jaren heen en weder door de woestijn, alvorens hun vergund werd, het beloofde land binnen te gaan ; Mozes vastte veertig dagen eer hij, op Sinaï, onder liet ratelen van den donder en het schitteren van het bliksemvuur, Gods Wet ontving; Elias bragt veertig dagen in vasten door, eer hem de Heer op den berg Horeb verscheen; en onze godlijke Verlosser-zelf vastte veertig dagen en veertig nachten in de eenzaamheid der woestijn, alvorens Hij zijn openbaar leven begon. Ten gevolge dezer voorbeelden en ter herinnering aan dat Veertigtal, door het vasten van den Heere Jesus, geheiligd, heeft de Kerk de Vaste, die het Paaschfeest voorafgaat en, zoo als wij reeds vroeger opmerkten, het zinnebeeld is onzer pelgrimsreize door de woestijn des levens naar het beloofde land van eeuwige vreugd, op veertig dagen bepaald. Zij begint met den eersten zondag van quadragesima, dat wil zeggen, op den eersten zondag, die na den veertigsten dag vóór Paschen komt, en zij eindigt met het hoogheilig feest van \'s Heeren Verrijzenis.

-ocr page 130-

104 DE VASTE.

In de Grieksche Kerk, waar men op zondag, donderdag en zaturdag niet vast, en waar, dien ten gevolge, het geheiligde veertigtal op verre na niet zou bereikt worden, indien de Vaste eerst met quadragesima begon, neemt die verstervingstijd reeds vroeger zijn aanvang. Hij begint daar, namelijk, op den eersten zondag, of, om juister te spreken, op den eersten maandag na den zeventigsten dag vóór Paschen. Deze zondag wordt wegens het getal dngen, die hem van het Paaschfeest scheiden, Dominica in septuagesima genoemd. De twee volgende zondagen worden om dezelfde reden, de eerste in sexagesima, en de tweede in quinquagesima geheeten. Op eenige plaatsen, in het Oosten, was op zondag en zaturdag geen vasten voorgeschreven, terwijl de donderdag onder de vaste-dagen opgenomen was. Op deze plaatsen begon de Yaste met sexagesima; op andere werden alléén de Zondagen, Goede Donderdag en Goede Zaturdag niet onder de vaste-dagen gerekend, en daar nam de H. Vastetijd zijn aanvang met den eersten dag, die op den zondag van quinquagesima volgt. Bij de Latijnsche Kerk bestond geen soortgelijke reden, om den Yastetijd te vervroegen, en zij nam daarom ook het gebruik der Oostersche kerken niet over. Doch, opdat er, zooveel mogelijk, gelijkvormigheid tusschen het Westen en het Oosten zou bestaan, en de eene Kerk geen vreugdezangen zou aanheffen, terwijl de andere reeds rouw- en boeteliederen zingt, staakt ook de Latijnsche Kerk, van septuagesima af, alles, wat, in hare openbare diensten en plegtigheden, blijdschap ademt of vreugd.

Gedurende het geheele jaar zingt de Kerk, herhaaldelijk , bij al de H. Diensten, het vrolijk Alleluj a, dat als ^en voor-toon is van het eeuwige loflied, dat wij eens in het hemelsch Jeruzalem zullen aanheffen. Maar die vreugdekreet past niet in den mond des zondaars, die, tenzij hij zich opregt bekeere, nooit het lied der gelukzaligen zingen zal. De Kerk wil deze

-ocr page 131-

DE VASTE. 105

waarheid, op eene gevoelige wijze, doen doordringen in het hart van den zondigen mensch ; zij wil hem levendig het eeuwig ongeluk doen gevoelen, dat hem te wachten staat, teneinde hem zoodoende krachtiger op te wekken, om in dezen heiligen boetetijd terug te keeren tot den God, dien hij heeft verlaten, en daarom zingt zij, gedurende de geheele Vaste geen Alleluja meer.

Voor de laatste maal klinkt die jubeltoon, bij het einde der Vespers op den vooravond van septuagesima; hij zwijgt van dien oogenblik af, en zal onder de gewelven van het tempelgebouw uiet meer weergalmen, voordat de dag der overwinning aanbreekt, en hij, bij het verheerlijkte graf des Verlossers, als een triomf-kreet, de Verrijzenis verkondigt van den Heer. Op den vooravond van septuagesima wordt, in strijd met het gewone gebruik, het Alleluja tweemaal herhaald, omdat het ons op dat oogenblik verlaat, en, als \'t ware afscheid van ons neemt. Het is ligt te bevroeden, welke gevoelens dit afscheid in het christen-hart doet ontstaan. Wij ontwaren die gevoelens niet genoeg, omdat wij te weinig acht geven op de kerklijke plegtigheden, of haren zin of hooge be-teekenis niet genoeg begrijpen. Onze godvruchtige voorouders gevoelden die aandoeningen des gemoeds des te dieper en des te sterker. Op veelvuldige wijze, en met kinderlijke eenvoudigheid, drukten zij luide hunne droefheid uit, wanneer die getrouwe gezel hunner gebeden hen verlaten ging. „ Alleluja, // zoo zongen zij, op eenige plaatsen. Alleluja, blijf heden u nog bij ons : morgen kunt gij vertrekken, en bij het krieken u van den dag uwe reis aanvaarden.quot; Gods Engel, zoo heette n het in Spanje, begeleide u, Alleluja-, hij zorge dat uwe reis „ voorspoedig zij, opdat gij met Paschen vrolijk tot ons weder-// keeret. Alleluja, Alleluja.quot;— En, terwijl het zangerenkoor, in Duitschlands kerken, alle schepselen uitnoodigde, om met hen een laatst vaarwel aan het Alleluja toe te roepen, en

-ocr page 132-

1 06 DE VASTE.

dien zegezang een laatste maal te herhalen, zong men teeder en treurig in de kerken van Frankrijk : // Alleluja, dat is de n kreet uwer gelukzalige bewoners, o hemelsch Jeruzalem, o u heilig Vaderland, naar hetwelk wij verzuchten ! Aan ons, n arme ballingen, die hier hij de wateren van Babyion zijn u neergezeten, aan ons, helaas l resten slechts tranen en // zuchten ! O Alleluja ! ivij zijn niet waardig u altijd te „ zingen; wij zijn zondaars, en nu is de tijd aangebroken, // icaarop wij onze zonden moeten heweenen; daarom moeten n wij u nu ook uit onzen mond verbannen ! O aanbiddelijke u Drieëenheid! schenk ons de genade, van eens tot het he-u melsche Paaschfeest te loorden toegelaten; daar zullen wij n vreugdevol, U ter eere, eemoig en altijd, een onafgebroken /,• Alleluja zingen !quot;

Met het Alleluja , houdt tevens de Lofzang der Engelen op. Alléén wanneer het feest van een heilige, in den loop der week, voorkomt, en op den onvergelijklijken dag, waarop het Offer en het Priesterschap der Nieuwe Wet ingesteld werden, wordt het Gloria in excel sin gebeden of gezongen onder de H. Mis. Ook het Te Deum verdwijnt bij de nachtgetijden van den zondag, en, na het H. Misoffer, zendt de Diaken de ge-loovigeu niet meer weg met de plegtige woorden : Ite, Missa est, maar hij noodigt hen enkel uit, 0711 den Heer te danken, die ons, in weerwil onzer boosheden, niet heeft verworpen, maar barmhartigheid aan ons heeft gedaan. In de H. Mis, blijft het drievoudig Alleluja, na het Graduale, achterwege en is door een gebed vervangen, dat, wegens de droevige en slepende melodie, waarop het gezongen wordt, den naam van Tract us draagt.

Op en rond het altaar toont alles eveneens, dat wij een tijdperk van rouw en droefheid zijn ingetreden.

In het Oosten, wordt het H. Misoffer, gedurende de Vaste, alleen op zon- en feestdagen opgedragen. Op de andere dagen

-ocr page 133-

DE VASTE. 107

bepaalt zich de Priester bij het nuttigen eener heilige Hostie, die op den vorigen zondag werd geconsacreerd. In de Latijn-schc Kerk gebeurt dit alleen op Goeden Vrijdag. In de Vaste verdwijnen de bloemen eu sieraden van het altaar; gele was-fakkels vervangen de feestlijk witte kaarsen; het orgel zwijgt en de bedienaars van het heiligdom verschijnen aanhoudend — met uitzondering der in de week voorkomende feesten van Heiligen — in paarsch gewaad gehuld. Tot aan Aschwoensdag, draagt nog de Diaken zijn dalmatica, en de Subdiaken zijne tunica; maar, reeds op dien dag, leggen zij voor de geheele Vaste dat kleed, hetgeen hun als een teeken van vreugde werd gegeven, — tunica jucunditatis — af. In deze dagen, wil de Kerk geen pracht, geen luister op de altaren van Hem, wiens bitter lijden en smartvollen dood zij gedurig herdenkt. Alléén op den vierden zondag vermindert zij, ter gunste der catechumenen, die eertijds op den woensdag dezer week onderzocht werden, of zij in staat waren het H. Doopsel met Pa-schen te ontvangen, de uiterlijke teekenen harer droefheid : de Diakeu en Subdiaken bekleeden zich op dezen dag met hunne dalmatica en tunica, en op eenige plaatsen ziet men dan zelfs bloemen naast het tabernakel geplaatst.

Naarmate de dagen afloopen, en de weken ons nader brengen tot den grooten Lijdensdag, wordt alles treuriger in het Heiligdom. Het : eere zij den Vader, den Zoon en den heiligen Geest, dat zoo vaak in alle heilige diensten, de H. Drieëen-heid ter eere, werd gebezigd, komt reeds met Passie-zondag zeldzamer voor, en sterft, eindelijk geheel weg in de drie laatste dagen der Goede Week. De lezingen der H. Getijden worden uit den droevigsten der Profeten, uit Jeremias, genomen, en in de goede week zullen alleen de klaagliederen van dien Godsgezant beantwoorden aan de droefheid der Kerk.

Reeds met Passie-zondag bedekt zij met een somberen voorhang de crucifixen en de beelden der Heiligen; zij overdekt

-ocr page 134-

108 DE VASTE.

het kruis, om ons aan de vernedering des Verlossers te doen gedenken, die gedwongen werd zich te verschuilen, wilde Hij niet door de Joden gesteenigd worden. De beelden dei-Heiligen worden achter een paarsclien voorhang verborgen, omdat het billijk is, dat ook de dienaar verdwijne, wanneer de glorie zijns Meesters taant. Viermaal wordt, in de Goede Week, telkens volgens een anderen Evangelist, de geschiedenis verhaald van Jesus\' lijden en dood. En zoo naderen wij dan den grooten lijdensdag des Heeren, den sterfdag van een God, een dag, waarop de paarsche kleur te zwak zal zijn, om de droefheid van Jesus\' Bruid uit te drukken, en door zwarte rouwkleur vervangen worden zal. Zoo stelt de Kerk, in hare heilige handelingen, ons de groote geheimen voor oogen, die in dezen heiligen tijd, het voorwerp onzer overweging moeten zijn. Zoo spreekt zij tot ons niet alleen door den mond des Priesters, of door hare voorschriften en geboden, maar ook door hare gebruiken en door hare plegtig-heden; zij spreekt even krachtig tot de oogen als tot het gehoor; zij grijpt den geheelen mensch aan, om levendig in het gemoed te prenten, die gevoelens, waarmede zij hem wenscht bezield te zien. Hij is te bekingen, en bitter te beklagen, die voor de driedubbele stem van Priester, Gebed en Pleg-tigheid geen hart, geen ooren heeft.

LOFZANG.

Zie, Heer, van uit uw heerlijkheid Meewarig neêr op \'t hart, dat schreit, En veertig dagen boete pleegt Voor \'t schuldjuk, dat er zwaar op weegt.

-ocr page 135-

DE VASTE.

Gij dan, die \'s harten bodem peilt, De zwakheid kent, waardoor het feilt. Versterk met uw genadekracht De ziel, die naar vergeving smacht.

Ja, Heer, wij hebben véél misdaan. Maar neem ons in ontferming aan. En rigt ons op uit \'s werelds slijk. Tot burgers van uw eeuwig Rijk.

Ons vasten en ons boete-doen Moog voor \'t hervallen ons behoêu. Opdat ons hart steeds zonden vrij. En onze wandel heilig zij.

Oneindige Drievuldigheid,

109

Verhoor het hart, dat tot u schreit. Zoo brengen wij U, wel te moe. Ons vasten en ons bidden toe.

Overweging.

ik ga u spreken, mijne geliefden, over de groote en heilige Vaste; en hoe zou ik beter deze ondemgtiug kunnen beginnen, dan dat ik u aau den Epistel van dezen dag herinner, eu u met den Apostel toeroep : ent Gode gevaliige tijd is verschenen, dagen van zaligheid zijn voor u aangebroken ! Te allen tijde ontvangen wij, wel is waar, hemelsche gaven, en ook ten allen tijde kunnen wij, door de genade van God, bij Hem barmhartigheid verwerven. Maar, nu wij op het punt staan van plegtig dien Dag te herdenken, waarop het groote Verlossings-werk voltrokken is, nu moet ons vertrouwen grooter, onze godsvrucht levendiger zijn, nu moeten wij ons, meer dan ooit, beijveren, om vorderingen te maken in deugd en godzaligheid, opdat wij, met gezuiverde ligchamen en geheiligde zielen, het wondervolle en kostbare Geheim van \'s Heeren lijden vieren mogen. Jesus\'

-ocr page 136-

DE VASTE.

lijden en dood moesten altijd noo diep in ons hart zijn geprent, zij moesten ons steeds opwekken tot zulk een diepen eerbied, en zulk eeno teedere godsvrucht, dat wij, te allen tijde, dusdanig voor Gods oogen hieven, als wij op het hoogheilig Paaschfeest moeton zijn. Maar zóó handelen er slechts weinigen. De zwakheid onzer natuur dwingt ons vaak, de strengheid onzer boete te matigen; de menigvuldige zorgen des levens veroorzaken ons tallooze verstrooidheden, en zoo worden zelfs godvruchtige zielen met het stof der wereld besmet. Het is derhalve allervoordeeligst voor ons, dat eene veertigdaagsche voorbereiding tot het Paaschfeest is ingesteld, teneinde wij, in die dagen, door eene ijveriger beoefening der deugd onzen geest zonden zuiveren en, door heilige oefeningen en boetewerken, de feilen, in vroeser dagen begaan, zouden beweenen en herstellen.

Heden begint die zalige tijd, waarin wij aan de heiliging-van ons ligchaam en van onze ziel, op eene bijzondere wijze,, moeten arbeiden. Draagt dan zorg, mijne geliefden, om u gehoorzaam te toonen aan de voorschriften, door de Apostelen-zei ven gegeven. Zuivert u van alle smet, die aan uw ligchaam of aan uwe ziele kleeft. Strijdt met verdubbelden ijver tegen uwe verdorven neigingen, opdat uwen geest de heerschappij geworde, welke hij over het ligchaam voeren moet. Leei\'t zoo heilig, dat gij niemand eenige aanstoot geeft, en niemand u over iets moete of kunne berispen. Want, teregt, zonden de ongeloovigen ons laken, ja, wij zouden het zijn, die hun aanleiding gaven, om met onzen H. Godsdienst te spotten , indien wij, te midden onzer boete-oefeningen, de volmaaktste zuiverheid in onze zeden, in onzen handel en wandel niet bewaarden ! Denkt er dus wel aan, dat de Vaste niet alleen bestaat in het onthouden van spijs, en dat gij vruchteloos het voedsel zoudt onthouden aan uw ligchaam, indien gij niet tevens aan uwen geest alles, wat zondig is, onttrokt.

110

-ocr page 137-

ASCHWOENSDAG.

E veertigdaagsclie Vaste begint met den eersten zondag ran quadragesima. Wanneer men echter de dagen, die zichtusschen dezen zondag en het hoogePaaschfeest bevinden, zamentelt, en daarbij tevens opmerkt, dat het, van oudsher, geoorloofd was, op de zondagen in de Vaste meermalen daags eenige spijs te gebruiken, zoodat deze niet onder de vaste-dagen kunnen gerangschikt worden, dan ontwaart men, dat er vier dagen ontbreken, om het heilige Veertigtal te volmaken. Reeds in de zesde eeuw, trok deze onregelmatigheid de aandacht der geloovigen tot zich, en daar zij de Vaste niet vreesden, gelijk heden ten dage bij velen het geval is, maar, als een Go de gevalltgen tijd, en als dagen van zegen en zaligheid, er naar verlangden, zoo begonnen zij de boete-oefeningen van de vaste, uit eigen godsvrucht, op den woensdag der haar voorafgaande week. In de negende eeuw, was dit gebruik reeds algemeen geworden, zoodat Paus Gelasius slechts het bestaande bekrachtigde, toen hij dit vroom gebruik voorschreef, als verpligtend voor de geheele Kerk. Nu staat dan de woensdag, die op zondag van quinquagesima volgt, aan de spits der vaste-dagen, die ons tot het hoogheilig Paaschfeest moeten voorbereiden, en om deze reden wordt hij in capite jejunii genoemd. De heilige Getijden echter, die aan den Vastetijd eigen zijn, worden in deze dagen nog niet gebeden, maar beginnen eerst met den vooravond van den eersten zondag van quadragesima.

De Vaste is een tijd van versterving, van heilige oefeningen en van gebed; maar de goede werken, in staat van doodzonde

-ocr page 138-

112 ASCH WOENSDAG.

gedaan, zijn dood voor Gods oogen en zonder verdiensten voor den Hemel.

Diep doordrongen van deze waarheid, naderden eertijds al de geloovigen — op enkele plaatsen was dit vroom gebruik als een verpligtend gebod voorgesclireven — iu de week van quinquagesima tot het H. Sakrament van Boetvaardigheid, teneinde van hunne zonden ontslagen, met de heiligmakende genade verrijkt, en zoodoende, in dien staat van geregtigheid gesteld te worden, die noodig is, om ware verdiensteu voor het eeuwig leven te kunnen vergaderen. Yoor enkele, bepaalde, en openbaar bekende zware zondeu, werd eene openbare boetpleging opgelegd, die soms lange jaren duren moest. Zij nu, die zich aan deze openbare boete moesten onderwerpen, begaven zich, op Aschwoensdag, vóórdat het H. Misoffer werd opgedragen, naar de kerk, om hunne boetestraf te vernemen, en, onmiddelijk daarna, met die heilige oefeningen te beginnen.

Barvoets en met een grof kleed omhangen, stonden die rouwmoedige zondaars aan de deur der kerk, waar ieder hunner de boete werd aangewezen, welke zij vrijwillig moesten doen. Daarna, werden zij het Huis des Heeren binnengeleid. Terwijl zij in het Heiligdom nederknielden, wierpen zich ook de Priesters en de vergaderde geloovigen op hunne knieën, en spraken luide over hen de zeven psalmen van boetvaardigheid uit. Was dit gebed geëindigd, dan werden die zondaars met eene boetepij bekleed en met asch bestrooid, weshalve zij reeds door Tertullianus conciliati en concinerati genoemd werden. Dit gebruik was aan het voorbeeld der boetelingen van het Oud-Verbond ontleend, want daar was steeds het be-strooijen met asch een teeken van droefheid, de boetepij een teeken van rouw en smarte, en het een en het ander eene oefening van boetvaardigheid. Trouwens, in zak en asch zien wij de Oud vaders zuchten en weenen, in zak en asch gehuld

-ocr page 139-

ASCH WOENSDAG. 113

liooreu wij de Profeten hunne klaagliederen aanheffen. In de boetepij eu met asch bestrooid zuchtten Job en David, Judith eu Esther, en, op de stem van Jonas, bogen de bewoners van het zondig Ninive hunne hoofden, om in zak en asch boetvaardigheid te plegen, en van zich af te wenden des Heeren strafte nde hand. Zoo ook zien wij, in het Nieuw-Verbond, een aantal Heiligen huune lendenen, uit liefde tot de boetvaardigheid, met een haren kleed omgorden, en zich in hunne laatste levensuren op het d one aschbed laten nederleggen, teneinde op zulk een boeteleger hunnen geest te kunnen geven.

Na deze eerste boetpleging begon de Processie. Terwijl de Priesterschaar in hare gezangen, aan den vloek, over Adam en diens zonde uitgesproken, herinnerde, en de woorden des Heeren herhaalde; „In het zweet vwn aangezigts zult gij // coortaan inv Irood eten, totdat gij terugkeeret in de aarde, u waaruit gij gevormd zjt; want gij zijt stof, en tot stof zult // gij w ederkeeren,quot; naderde de Processie allengskens tot aau de deur der kerk. Daar werden de openbare boetelingen, op eene plegtige wijze, door den Bisschop, buiten het Heiligdom ver wezen, en vernamen uit den mond van den Kerkvoogd deze indrukwekkende woorden : // Gelijk de eerste mensch, ivegem // de overtreding van het gebod des Allerhoog sten, uit het // aanhche fjaruuijs werd verbannen, evenzoo verdrijven wij u h uit de Kerk des Heeren, wegens uwe zonden en uw wanbe-n drijf.quot; Dan werden de kerkdeuren gesloten en het was den boetelingen niet meer geoorloofd, den drempel van het kerkgebouw te overschrijden, vóórdat de Goede Donderdag aanbrak, wfiarop zij, die huu boetetijd hadden volbragt, huune vrijspreking in het Heiligdom kwamen ontvangen.

Deze plegtigheden waren uitsluitend, zooals herhaaldelijk reeds is opgemerkt geworden, voor dezulken bestemd, die zich aau eene openbare boete moesten onderwerpen. Allengskens, echter, voegden zich, uit zucht naar boetvaardigheid, gods-

9

-ocr page 140-

114 ASCHWOENSDAG.

vrucht en ootmoed, ook andere gele ovigeu bij dc openbare zondaars, om met hen de gewijde asch op hunne vernederde hoofden te ontvangen. Reeds in de elfde eeuw , toen de openbare boetplegjig al meer en meer buiten gebruik raak te, was deze handelwijze der geloovigen vrij algemeen. De Kerkvergadering van Bene ven to, op het einde dier eeuw ( 1091) gehouden, schreef den Priesters voor, de gewijde assche aan al degenen, die het verlangden, uit te dealen, en zij p rees deze oefening, als een loflijk werk van boetvaardigheid en ootm oed, allen geloovigen aan. In de twaalfde eeuw, was dit vroom gebruik overal ingevoerd, en nam, van dien tijd af, eene aanzienlijke plaats onder de kerkplegtigheden in.

Aschwoensdag is, derhalve, ook heden ten dage nog een plegtige dag in Gods heilige Kerk. Alle gebed en , alle handelingen van dien dag wekken ons op tot boetva ardigheid en stemmen aller gemoederen, op de krachtdadigste wijze tot gevoelens, die hen gedurende den geheelen vastetijd moeten bezielen.

De palmtakken, in het vorige jaar, op Palmzondag, gewijd, zijn tot asch verbrand geworden, en op het altaar geplaatst. // Verhoor ons, Heer, zoo zingt het koor, want uwe harmhar-H tïgheid is vol mededoogen. Werp een hlik op ons af, maar neen hlik van overvloedige genade en barmhartigheid.quot; Inmiddels beklimt de Priester het altaar, om de asch te wijden. Hij is in paarsch gewaad gehuld, en, tot teeken van diepen rouw, zijn de Diaken en Subdiaken zonder dalmat ica of\' tunica verschenen aan het altaar. De gebeden, bij het zegenen der asch, behelzen allen eene opwekking tot vernedering des geestes en rouwmoedigheid van het hart; zij doen allen een beroep op Gods oneindige barmhartigheid voor ons. arme zondaars. Is de aschwijding geëindigd, dan keert de Priester zich tot het volk, om eerst zelf met asch te worden bestrooid, en ze daarna aan de geestelijkheid en aan de geloovigen uit te

-ocr page 141-

ASCmVOKNSHAG. 115

cleelen. Dewijl echter niets krachtiger is, om den menscli tot degelijke boet vaardigheid te doen besluiten, dan hem zijne geringheid en nietigheid te herinneren, zoo wil de Kerk, dat de geloovigen, op dit eerste uur van de groote Vaste, bij de droevige plegtigheid van Aschwoensdag, aan hunne vergank-lijkheid eu aan hunnen dood worden herinnerd. De dood ! ach! hij is de onvermijdelijke gezel ouzes levens! Hij staat ons ter zijde van af het eerste oogenblik van ons bestaan; hij vergezelt ons langs de kronkelende paden van een langer of korter leven, en laat ons niet los, voordat hij ons ten grave gevoerd en aan de deur gebrngt heeft van het rijk der eeuwigheid, waarin hem geen toegang wordt verleend. En toch wordt de dood vaak uit de gedachten der menschen verbannen; maar juist daarom hechten zij zich aan het verganklijke, alsof het nooit voor hen moest vergaan ! Wij wandelen over graven, wij leven te midden van de verwoestingen des doods, wij worstelen onophoudelijk tegen den onverwinlijken vijand, en toch denken wij niet, dat ook wij sterflijk zijn, en dat ook voor ons het uur des doods zeer zeker eens zal slaan. Wij zijn, in dat opzigt, het kind gelijk, dat, spelend, langs den lijkwagen huppelt, zonder na te denken, dat dit zwarte voertuig ook eens, — weldra misschien — zijn stoflijk overschot naar het kerkhof voeren zal. En juist daarom laten wij ons zoo dikwerf door onze driften, of door de wereld tot zonde verleiden, en ook dien ten gevolge denken wij er zoo weinig aan, om, door werken van ware boetvaardigheid, aan Gods regtvaardigheid voor onze misdrijven te voldoen.

Het is, derhalve, eene bewonderenswaardige, ja, eene hemel-sche wijsheid, welke de Kerk, op dezen dag, ten toon spreidt, wanneer zij aan al hare kindereu de indrukwekkende stem des doods hooren doet. — De bedienaren van het Heiligdom knielen voor het altaar, de leeken op de communiebank neder. Tot in het binnenste zijner ziel bewogen, staat do Priester

-ocr page 142-

116 ASCHAV0ENSDA6

voor de vergaderde menigte : hij moet eiken christen, èn den grijsaard, die ten grave gaat, èn den bloeijenden jongeling, die zich in zijne verbeelding nog ontelbare jaren belooft, èn het onschuldig wicht, dat nog, zonder de kruisen des levens te kennen, zijn asch-kruisje tegenlacht, het doodvonnis, dat tegen hen allen geveld is, verkondigen. O mensch! zoo spreekt hij tot ieder hunner in het bijzonder, terwijl hij, met ontroerde hand, de asch, hun het zinnebeeld onzer verganklijkheid, op het vernederde voorhoofd drukt : „ O mensch! gedenk, dat gij stoj zijt, en tot dof zult wederheeren! Memento homo, quia imlvis es, et in pulverem reverterisquot; En dat woord dringt door tot inliet binnenste der ziel, en stemt tot ernstige gedachten. Krachtiger dan de kernachtigste redevoering, of de verhevenste bespiegeling, wekt dat woord ons op, om met de zonde te breken en bDetvaardigheid te doen, terwijl het ons, in het binnenste onzer ziel, onophoudelijk toeroept: de wereld met haren glans en hare vreugde gaat voorbij; gij-zeli\' zult tot stof en asch wederkeeron : God-alléén is eeuwig, en alléén onsterflijk is uwe ziel.

Vergeet dan, zoo gij wilt, uw ligchaam, dat wegsterft, maar vergeet uwe onsterflijke ziel niet!

Laat ons onze ooren niet sluiten voor deze heilzame stem : // beijveren wij ons, integendeel, oin de zonden, welke wij, door n de ivereld verblind, hegaan hebben, door tranen en werken // van ware boetvaardigheid uit te wisschen, oinlat ivij niet door ti den dood verrast icorden, en dan eerst, maar te vergeefs, // naar een tijd van boetvaardigheid zouden uitzien.quot;

De eerste dagen dezer week, die den Aschwoeusdag voorafgaan, zijn, als het ware, de vooravond van de veertig-daagsche Yaste. Zij worden daarom vasteuavonddagen geheeten. Elders worden zij carnaval genoemd, omdat liet de laatste dagen zijn, waarop men, zonder dispensatie, vleesch mag gebruiken, en na welke meu aan die spijs voor veertig

-ocr page 143-

ASCHVOENSDAG. 117

dagen vaarwel, caro vale, zeggen moet. In plaats van deze dagen te gebruiken, om zich, door ingetogenheid en gebed, tot de ernstige plegtigheid van Aschwoensdag en van den H. Yastetijd voor te bereiden, verkwist men, helaas, maar al te veel! dien kostbaren tijd in ligtzinnige, ja, vaak zondige vermaken; de nacht-zelfs wordt in dag herschapen, om het vreugde- of zondegenot zoo lang mogelijk te rekken. ,/ Zij den-/•/ ken niet, die dwazen, zoo spreekt de zachtmoedige en toege-n vende Eranciscus van Sales, dat in denzelfden oogenblik, // waarop zij zich aan vermaak en losbandigheid overgeven, dui-// zende zielen voor hare zonden, bij diezelfde gelegenheid be-n dreven, in den fbltergloed der helsche vlammen, bitter ker-v men, weenen en lijden. Zij denken er niet aan, dat, terwijl // zij, te middernacht, nog de vermaken genieten en najagen, // duizende dienaars en dienaressen des Heeren, op datzelfde // oogenblik, hunnen slaap afbreken, om den lof des Heeren u te gaan zingen, en zijne barmhartigheid voor de zondaars af // te smeeken. O ongelukkigen! op denzelfden oogenblik, als // gij u in uwe dwaze vermaken verlustigdet, stierven duizende // uwer natnurgenooten in benaauwdheid en diepe ellende! Op ,/ dien oogenblik hebben God en zijne Engelen uwe wegen ga-// degeslagen, zij hebben in het boek des oordeels eene droe-// vige bladzijde over u opgeteekend, en intusschen vervloog // uw leven, en kwaamt gij een stap nader tot uwen dood // en tot het oordeel, dat u te wachten staat. quot;

In hare moederlijke bezorgdheid, is de Kerk er op bedacht geweest, om ons in deze bewogen dagen een middel aan de hand te geven, teneinde ons aan de wereldsche vermaken te kunnen onttrekken, en de gramschap des Heeren, die door de buitensporigheden van het Carnaval worden ontstoken, te bedaren en te ontwapenen. Gedurende de vastenavonddagen, namelijk, wordt het Lam, dat de zonden der wereld wegneemt, te onzer aanbidding, op de Altaren uitgesteld. Daar, als op den

-ocr page 144-

118 ASCHWOEXSDAG.

troon zijner barmhartigheid gezeten, ontvangt Jesus de hulde zijner aanbidders, die Hem als hunnen God en hunnen Koning erkennen; daar aanvaardt Hij de tranen van berouw dergenen, die, voor Hem neergeknield, den tijd beweenen, waarin zij een anderen meester hebben gediend; daar biedt Hij zich zijnen eeuwigen Vader aan voor hen, die, als niet tevreden met hunne vroegere misdaden, ook nog deze dagen gebruiken, om Hem te beleedigen, meer dan ooit. — Het was de godvruchtige Kardinaal Gabriël Paleotti, Aartsbisschop van Bologna, eu tijdgenoot van den H. Carolus Borromeus, die het vroom gebruik, om op de vastenavonddagen het gebed van veertig-uren te vieren , instelde in de 16. eeuw. Be H. Carolus Borromeus volgde het voorbeeld van Paleotti. De geleerde Kardinaal Prosper Lambertini bevorderde dit vroom gebruik, te Bologna, toen hij in de 18. eeuw den aartsbisschoplijken zetel dier stad bekleedde; en, later, onder den naam van Benedictus XIY,, op St. Petrus-Stoel gezeten, opende hij de schatten der Kerk en verleende verschillende aflaten aan hen, die in deze dagen Jesus in het geheim zijner Liefde zouden komen bezoeken en om vergiffenis voor de zonden der wereldlingen smeeken. Deze gunst, die zich vroeger bij Italië alléén bepaalde, werd door Paus Clemens XIII, in het jaar 1765, aan de geheele wereld toegestaan, en, van toen af, het gebed van veertig uren, door ijverige zielzorgers, voor de vastenavonddagen, op tallooze plaatsen ingevoerd. Laat ons aan deze godvruchtige oefeningen deel nemen; onttrekken wij ons aan het gedruisch der wereld en aan de gevaren, die ons in hare vermaken wachten, om aan de voeten des Heeren neder te knielen, en daar zijne stem te vernemen; dm zullen ook wij, zoo als eertijds Maria, de zuster van Lazarus, het beste deel verkozen hebben, en onze belooning zal zich niet laten wachten.

-ocr page 145-

ASCHWOBNSDAG.

LOFZANG.

ÜITVAARTGROET DER GRIEKSCH-KATH0L1JKE KERK.

— UIT HET GUIBKSCII DEll VII. EEUW. —

Komt herwaarts, broeders, hier den laatsten groet gebragt Aan \'t dierbaar overschot, dat op de grafrust wacht. En, uit de rij der aanverwanten weggetreden. Met achterlating van des levens ijdelheden.

Zich niet meer kreunt aan \'t aardsche en diep-rampzalig stof. Treedt toe hier, maag en vriend, brengt Gode dank en lof; Doch voegt, voordat gij keert, daarbij de vrome bede :

Geef, Heer, d\'ontslapene des Hemels eeuwgen vrede.

Wat scheiding, broeders, welk gejammer, welk een klagt, In \'t plegtig oogenblik, dat ons hier zamenbragt.

Om voor het allerlaatst den stofgenoot te groeten,

Die thans op aarde ons oog nooit weder zal ontmoeten : Straks toch dekt, voor altoos, liet somber lijkgesteent, In ^s grafkuils duister, \'t door ons luid beschreid gebeent. Verwanten, vrienden, \'stort, voordat gij keert, de bede : Geef, Heer, d\'ontslapene des hemels eeuwgen vrede.

Eén oogwenk nog, daar stort de schoone bouw tot asch. De tent, die \'t inbegrip van broos- en dwaasheid was, De hut, verzwart van leem, verzonken uit haar naden. Het weefsel ligt verscheurd dier pracht- en feestgewaden : Gevoel en spraak verdween voor d\'adem van den Dood, Die aan \'t ontzielde stof de poort des grafs ontsloot.

Wij, die \'t geleiden, slaken luid de zielebede :

Geef, Heer, d\'ontslapene des Hemels eeuwgen vrede.

Wat is ons leven? — damp en morgendauw, niets meer; Een bloemkelk op een stengel, zwak en teer.

119

-ocr page 146-

ASCHWOENSDAG.

Komt, letten we ernstig en doordringend op dees graven, De kolk, die \'t schoon verzwelgt van deugd en ligchaamsgaven, Waarin het vleesch verdort, als stoppels stroo op \'t veld : Roept, broeders, Christus aan, terwijl ge in tranen smelt.

Wat tranen, broeders, ach, hoe vreeslijk is de nood. Het wee- geschrei bij \'t zielescheiden in den dood!

Hel en verderf, de schaduwen des grafs, de ellende Der aard vervaren \'t hart, dat aan zijn dwaalslaap wende. Om bang te ontwaken uit den zondestroom van \'t stof : Ons streven zij voortaan alléén naar \'s Hemels hof.

Ea nu nog eens den blik op \'t dierbaar stof gerigt Des broeders, die daar roerloos op de lijkbaar ligt :

Als rook verdween hij, als de grasbloem in de weiden Verbloeide hij, voor wien wij \'t doodsgewaad bereidden En \'t graf hier dolven in des aardrijks stillen schoot.

Komt, broeders, smeeken wij, dat Hij, die graf en dood Voor altijd overwon, op onze hartebede,

D\'ontslapene bedeel met \'s Hemels eeuwgen vrede.

Komt, herwaarts, Adams kroost: ziedaar ons aller beeld. Die doode, dra aan \'t grafgewormte als aas bedeeld.

En in de duisternis des doods verteerd, aan de oosren

\' O

Der wereld voor altoos, in \'t hart der aard, onttogen.

Higt, broeders, vóór gij keert, tot Christus dan de beê :

Geef, Heer, d\'ontslapene des Hemels eeuwgen vree.

Wanneer de ziele door den Engel van den Dood Wordt weggenomen uit des ligchaams broozen schoot. Dan vliedt voor haar het beeld van vrienden en van magen, En houdt ze alleen den blik op de eeuwigheid geslagen. Die afhangt, goed en kwaad, van wat ze op aard volbragt. Komt, broeders, komt, stort vóór het oordeel, dat haar wacht Aan \'s Regters Troon, in \'t stof, uw aller vrome bede :

Geef, Heer, d\'ontslapene des Hemels eeuwgen vrede.

120

-ocr page 147-

ASCmrOENSDAG.

ó Laat ons in het graf beschouwen \'t stof en de asch, Waaruit de ontslapene, aan ons gelijk, geschapen was : Waar loopt ons pad heen? en wat lot is ons beschoren? \'t Zegt weinig, wie er arm, wie rijk, wie Yorst geboren Of burger werd begroet : wij allen zijn -slechts stof; De frissche jeugd verwelkt als \'t bloemperk in den hof, De schoonheid van \'t gelaat is \'t voorwerp der bespotting Des Doods, die haar bestemt ten buit der grafverrotting.

Voorwaar, de roem en al \'t vermaak der wereld is verderf En zinsbedrog; wat kan \'t mij baten, als ik sterf ? Wij allen, wie we ook zijn, \'t zij Vorst of onderzaten, Krijgvoerders, regters, arm of rijken, niets zal baten : Het graf voerde in zijn schoot hun aller stofkleed mee; Wij bidden : Heer, schenk aan hun zielen d\'eeuwgsn vree.

Heel \'t ligchaams-raderwerk, dat zóó nog zich bewoog, Vertoont geen zweem meer van beweging voor het oog; \'t Mist alle veerkracht. - Zie slechts : de aanblik ging verloren; Geen voet verzet zich, geen geluid dringt door in de ooren; De handen zijn verstijfd, de tong stokte in den mond; Het rif zinkt in den kuil van dJopgedolven grond : Wat ook de mensch op aarde ooit duurzaams wilde stichten, ■quot;t Bleek louter rook te zijn en ijdelheid-verrigten.

Maar Gij, ó Moeder van de Zon, die nimmer dooft. Bewaar al wie in Hem met liefde en hoop gelooft, Verwerf, Maria, ons bij uwen Zoon genade;

Uw teedre moedermin kom heilvol hun te stade.

Die hier ontslapen : ó, schenk ginds de zielen rust Der Godgetrouwen, in \'t volop van weelde en lust.

Gelijk die wordt gesmaakt in \'s Hemels eeuwge woning : Schenk, onbevlekte Maagd, daar d\'üwen hun belooning.

121

-ocr page 148-

ASCH WOENSDAG.

Overweging.

Wanneer zouden wij passenclei\' dan op dezen dag, een woord over de begTafenisplegtiglieden kunnen zeggen ? De Kerk, dio zoo zorgvol waakt over liet wichtje, dat ons tranendal binnentreedt, verwaarloost ook niets, om den eerbied die liaar voor hare kinderen bezielt, aan den dag te leggen, wanneer de Christen, bij het. einde zijner loopbaan, in het donkere graf nederdaalt , om tot stof en asch weder te keeren. Ja, dat ontzielde ligchaam is eerbiedwaardig in hare oogen, want het is niet bestemd, om, ten eeuwigen dage, de prooi der wormen te zijn, maar eens zal het, verheerlijkt, met glans en glorie bekroond, verrijzen, om eeuwig te leven, om nooit meer te sterven. Dat ligchaam is het werktuig der ziel geweest, bij het beoefenen der deugd; het heeft den last der versterving, de pijn der l)oetvaardigheid gedragen; het heeft zijn aandeel gehad in de verdiensten en de goede werken, eens zal liet ook zijn deel hebben in het eeuwig loon. Het ligchaam eens Christens is met de wateren des Doopsels besproeid geworden ; bij zijne intrede in de wereld, bij den aanvang der jongelingsjaren, in den laatsten strijd, is het met de 11. Oliën gezalfd. Op het thans bleeke voorhoofd is duizend en duizende malen het te eken der Verlossing gedrukt; op die verstijfde tong heeft menigmaal het aanbidlijk Ligchaam en Bloed des Heeren gerust; dat nu ijskoude hart, door de god-lijke genade verwarmd, heeft zoo dikwerf en zoo liefdevol voor zijnen God en Heer geklopt; neen, neen; dat zoo vaak, op zooveel verschillende wijzen, geheiligde ligchaam , die tempel des Heiligen Geestes, die gewijde woonstede kan niet bestemd zijn, om voor altijd het lot te deelen der redelooze dieren, het lot van het stomme vee.

De Kerk is diep van deze waarheid doordrongen, en bewijst daarom zooveel eer aan het stoflijk overblijfsel van den Christen, wanneer zij het op zijne laatste rustplaats nederlegt.

Tn het licht dezer waarheid begrijpen wij ook de handelingen der H. Kerk bij de begrafenisplegtigheden, die anders zonder be-teekenis, ja, zelfs tegenstrijdig zouden schijnen met de liefde , welke zij hare kinderen toedraagt. Wanneer een afgestorvene ten

122

-ocr page 149-

ASCmvOENSDAG.

grave wordt gebragt, zien wij zijne ouders en vrienden in bittere tranen wegsmelten; wij liooren do klokken langzaam en treurig de treurmare verkondigen van zijnen dood; rouw en droefheid omringen ons van alle kanten ; en ziet! de Kerk zingt, zij zingt altijd. Hoe is dat mogelijk? Kan eene Moeder zingen bij het lijk van haren zoon, en is de Kerk niet de teederste aller Moeders? O ja ! de Kerk bemint ons, en niet minder vurig dan verheven is de liefde, welke zij ons toedraagt. Maar hoe kan zij dan zingen? Er is niet veel noodig, om deze schijnbare tegenstrijdigheid te verklaren. De Kerk is de bewaarster van de beloften der Onsterflijkheid; zij herinnert ons aan die beloften op den rand des grafs. Zij weent, maar gelukkiger dan Kachel, vindt zij overvloedige redenen van troost, omdat zij weet, dat hare kinderen haar eens zullen teruggegeven worden. In de tranen der bloedverwanten spreekt de Natuur, maar in den zang der Kerk toont zich, op de gevoeligste wijze, het Geloof. De Natuur treurt en herhaalt o-edurig\' : ik moet sterven; — hot Geloof troost ons en herhaalt onophoudelijk : gij zult verrijzen.

Zoodra een geloovige gestorven is, kondigt ons het somber geluid der klok aan, dat een onzer broeders of zusters het huis zijner eeuwigheid is binnengetreden, en wekt ons op, om voor den overledene te bidden. Op den dag der begrafenis, komt de Priester het ontzielde ligchaam afhalen, om het ter aarde te bestellen. Hij treedt het sterfhuis binnen, besproeit de doodkist met gewijd water, en bidt, met zijne dienaren, den roerenden Psalm : Be profmulis clamavi ad te, Domine. Is dit gebed geëindigd, dan wordt het lijk, processiesgewijze, onder het ziugen van den Miserere, ter kerke gebragt. Het kruis, dat onderpand onzer Hoop, dat teeken onzer Verrijzenis, gaat voorop; dan komen de zangers, de geestelijkheid en, ten slotte het lijk, op-gevolgd door de bloedverwanten, vrienden eu bekenden van den overledene, die hem de laatste eer willen bewijzen. Zoodra de stoet de Kerk binnentreedt, stemt het koor den volgenden smeek-zang aan : snelt ter linlpe, o Heiligen Gods; kond te gemoet, o Engelen des Heeren, ontvangt zijne ziel en voert haar op in het aanschijn des Allerhoog sten ! Bal Christus, die u heeft geroepen, h onlvange ; en dat Gods Engelen u in den schoot van Abraham brengen. Geef hem, o Heer, de eeuwige rust, en het altijddurende licht verlichte hem ! Intusschen wordt het lijk op de daartoe bestemde plaats neergezet, en van rondom worden wasfakkels er bij ontstoken. Deze brandende kaarsen beteekenen het levendig

123

-ocr page 150-

ASCHWOENSDAG.

geloof en do brandende liefde van den overledene : zij verbeelden zijnen overgang tot een beter leven , en wijzen oji de eeuwige vreugde, die den Christen, na don kommer en de ellende van dit loven, te wachten staat. Zoo staan het tegenwoordige en het toekomstige lovon, de tijd en de eeuwigheid, te zamen rondom dezelfde lijkbaar geschaard.

Na dozo voorafgaande plogtigheden, worden de getijden der overledenen gezongen, en, zoodra deze geëindigd, zijn, wordt her heilig Misoffer voor den afgestorvene opgedragen. De eerste toonen van hot Requiem dringen reeds diep door in de ziel, zij stemmen haar tot ernstige gedachten on tot gebed; maar dieper nog wordt het hart getroffen, wanneer, onder de gewijde gewelven, het Biet ires weergalmt, de hartroerende zang, die ons den dood en hot oordeel in vurige trokken voor oogen stelt, en zoowol tot onder-rigting dor levenden, als tot lafenis dor dooden dienen kan.

Is hot 11. Misoffer geëindigd , dan plaatst de Priester zich wederom mot de dienaren bij hot lijk, om do geboden te doen. die de vrijsprekingen worden genoemd. In deze gebeden laat de Kerk den afgestorvene-zelf zijne stem verheffen, eu om verlossing smeekon. „ Verlos mij, c lieer ! van den eeuwigen dood, op dien schrikbaren dag, wanneer hemel en aarde zullen hetcogen Korden en Gij de wereld zult komen oordeelen door het vuur. Ik vree» en sidder voor het oogenhlik, waarop het onderzoek zal beginnen , en mee gramschap zal losbarsten: want die dag zal een dag van gramschap, van ramp en van eUende, een groote, een allerbitterste dag zijn.quot; Zou men bij dit treffend smeekgebed niet gelooven , dat men Jonas, van uit de ingewanden van den grooten visch , tot God hoorde roepen ; verlos mij, Heer, verlos mij : o dat de duistere afgrond mij niet verslinde !

Daarna zegt de Priester : Hoor, ontferm U onzer ! het koor antwoordt : Christus, ontferm U onzer! Heer, ontferm U onzer 1 zegt nogmaals de Priester, en, terwijl hij met de vergaderde menigte het Onze Vader bidt, besproeid hij het lijk met gewijd water eu bewierookt het. Dat bosproeijen is, als het ware, eene laatste zuivering van den afgestorvene, eu die wierook beteekent zoowel de gebeden dor Kerk, die als een reukoffer voor den overledene ten hemel stijgen, als den goeden geur der deugden, welke do Christen, tijdens zijn leven, hooft beoefend, on die zich met hem, als de rook dor reukwerken, hemelwaarts verheffen.

O Christen ziel, welke deugden zal die wierook bij uw graf

124

-ocr page 151-

ASCUWOJSNSDAG.

verbeelden? Welke zijn do deugden, door u thans beoefend? \'Wat antwoordt uw leven op deze vraag ?

Xu verlaat de overledene voor het laatst de kerk, om voortaan, in de schaduw van het heiligdom, op het kerkhof te rusten. Vaartwel dan, gewijde wanden, waarin ik het H. Doopsel heb ontvangen; vaarwel, heilig Preekgestoelte, vanwaar de leer der zaligheid zoo dikwerf, als een vruchtbare dauw, op mij nedervloeide. Vaarwel, getuige van mijn berouw, en van mijne boetvaardigheidstra neu, vaarwel o Biechtstoel, waar ik zoo menigmaal vergiftenis mijner zonden, vaderlijke vermaningen, en ouuitspreek-lijke vertroostingen ontvangen heb. Vaarwel, heilige Tafel, waar God zelf mij versterkt heeft met zijn onsterflijk Yleesch en Bloed! Vaartwel, ouders, kinderen, vrienden, vaartwel, tot op den dag-der eeuwigheid en der algemeene verrijzenis 1 IHt alles houdt ons de uittogt naar het kerkhof voor.

Üp dit plegtig oogenblik, verdubbelen de zuchten der ouders en de tranen der vrienden; maar de Kerk, wat doet zij ? Met een zoete en bijna blijde stem, zingt zij deze treffende woorden : Ijat de Engelen u hel hemelsch Paradijs biuuenlciden ; dat de Martelaren n ie yemoet kohien , en u in het heilig Jeruzalem brengen : het Engelenkoor onlvange u, en, geniet gij, met den eens zoo armen Lazarus, de eeuwige rust.

Luider nog spreekt zij haar geloof en hare hoop op de toekomstige verheerlijking van dat ontzielde ligchaam uit, wanneer zij, na liet eindigen van de zoo even aangehaalde woorden, op nieuw , zingende hare stem verheft , en sprekende in den naam des Verlossers, zegt : Ik beu de Opstanding en het Leven ; die in Mij gelooft, al is hij ook gestorven, zal uogians leven, en ieder die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven. Die belofte des eeuwigen levens, die hoop op de aanstaande verheerlijking, doet haar alle leed vergeten, en zij zingt den Heer een Danklied, omdat hij zijn volk heeft bezocht en van de ballingschap dezes levens verlost : Benedictns iJominus Deus Israël, quia visitavit et fecit redetnptionem plebis succ.

Terwijl aldus de Natuur, in rouw, op ons, op het einde onzer loopbaan, slechts een graf met sombere lijksteeneu aanwijst, toont ons de onsterflijke Godsdienst den hemel, met zijne onver-ganklijke weelde, en zijn laatste woord is een woord van hoop en van troost.

Nadat het graf nog eens met gewijd water is besproeid, wordt hel voor goed gesloten, en het Kruis, dat er opgeplant wordt,

125

-ocr page 152-

SINT JOZEl\'.

verwittigt den voorbijganger, dat daar liet ligcliaam van een Christen den dag der algemeene Opstanding verbeidt. AVelk eene troostvolle gedaclite! Ouder do schaduw van dit Kruis gelijkt de Christen aan een afgematten reiziger, die zachtkens onder het boomloof ligt te rusten, en den tijd der koelte afwacht, om zijnen togt voort te zetten, ü Kruis, o toeken van hoop en van leven , onder uw lommer zal ook ik eens ruston en hopen ! O Kruis , o zoete troost, wees gezegend, van nu af, en altoos.

SINT JOZEF.

2|r|3N eene schamele woning te Nazareth, woonde Maria met aLsal Jozef , haren bruidegom. Jozef stamde uit liet geslacht van .David, zoo als blijkt uit liet geslachtsregister van Jesus Christus, in het eerste hoofdstuk van Mattheus. Hij was een stamgenoot van Jesus\' Moeder, daar deze eveneens tot den stam van David behoorde.

Jozef was verloofd aan Maria, de Moeder Gods, volgens het woord : // de Engel Gabriël werd van God gezonden tot ,/ eene Maagd, verloofd aan een man, met name Jozef, en de // naam der Maagd was Maria.quot; Maar dat huwelijk werd geheiligd door ongeschonden zuiverheid, naar luid der woorden van Maria aan den Engel Gabriël, toen deze gezegd had : // gij zult ontvangen en een Zoon baren; quot; waarop zij antwoordde : //hoe zal dit geschieden, daar ik geen man beken? quot; Hij leefde dus met haar als een knische broeder met eene beminde zuster, als een hemelsche gelukzalige, met alle zinlijke begeerten onbekend. Zij leefden vreemd aan de wereld, in stille afzondering, in nederigheid en eenvoud, terwijl Jozef door zijn handenarbeid voorzag in de geringe behoeften van het

126

-ocr page 153-

SINT JOZEF. 127

gezin. Hoogmoed had den meuscli ten val gebragt; hoogmoed zou geboet worden door de vernedering van den Zoon Gods, die der wereld ging tooneu, dat juist deze nederigheid de grondslag der volmaaktheid is. Daarom koos hij zich eeue moeder in Maria, een beschermer in Jozef ouder de afstammelingen van een aardschen koning, maar vervallen van dat aardsche koningschap, even als de mensch door zijne zonde van het hemelsche koningschap was beroofd.

Jozef werd, na Maria, op aarde het eerst door een hemelsche ingeving van het aanbidlijk Geheim der Mensch wording van den ZoneGods onderri^t. Ejn Ena-el des Heeren verscheen

O O

hem in den slaap, en zeide: „ Trees niet, Maria, uwe vrouw , wtot u te nemen, want wat in haar geboren werd, is uit den //H. Geest.quot; Het heil en de verlossing der wereld werden hem op deze wijze door den Engel bekend gemaakt: //Zij zal //een Zoon baren, dien gij Jesus zult noemen, omdat Hij zijn // volk van de zonde verlossen zal. T)it alles is dan geschied, // opdat zou worden volbragt hetgeen van den Heer door den //Profeet gezegd is: //Zie, eene Maagd zal bevrucht worden, //en zij zal een Zoon baren, en men zal Hem Emmanuel //noemen, dat is: God met ons.quot; -Tozet, die regtvaardig was, zooals het Evangelie hem noemt, geloofde terstond, en verbeidde de vervulling dier hemelsche belofte met eene heilige vreugd. Toen gebeurde het, dat Jozef met Maria de stille afzondering moest verlaten en eene moeilijke reis ondernemen, om aan het bevel van Keizer Augustus te gehoorzamen, die eene algemeene volkstelling uitgeschreven had. Zij togen dan naar Judea, tot de stad van David, die Bethlehem wordt genoemd, omdat zij uit het huis en het geslacht van David waren: Jozef, met zijne verloofde vrouw, Maria, die zwanger was. Dus werden de voorzeggingen der Profeten vervuld: maar voor de Maagd, die de verwachting der volkeren in haren onbevlekten schoot droeg, was geene plaats in de herberg. Zij

-ocr page 154-

128 SINÏ JOZEF.

moest en beiden, Jozef en Maria, in een stal vernachten, In dien geringenstal bragtMaria haren godlijken Zoon ter wereld; in dien stal werd de Koning aller koningen, de Vorst van hemel en aaide geboren. Hij, die den vrede tusschen den Schepper en het schepsel zou herstellen en de boeijenvan Satan verbrek en, waarin geheel het menschdom lag gekromd.

Toen de acht dagen vervuld waren en het godlijk Kind zou besneden worden, Mas hij het, die aan dat Kind, zooals de Engel hem had bevolen, den naam van Jesus gaf, omdat hij als de vader werd aangezien, en omdat bij de Joden de vader den iia;,in aan zijn kind gaf, gelijk wij dit mede zien bij de geboorte van Joannes den Dooper, Nu nam hij bezit van zijne v aderlijke magt, en wijdde zijne teederste zorgen aan het Kind, dat hem door God was toevertrouwd. O, welke gelukzali ghtid \\ oor Jozef, daarbij niet alleen Jesus aanschouwt,, maar hem hoort, op zijne armen draagt, voedt en verpleegt, deelachtig aan deonuitspreeklijke Geheimen, nog voor de wereld ver borgen. — O gij, wonder van verheven, en weêrgalooze waardigheid ! Jozef! GodsMoeder, de Koningin der Hemelen, noemt u haren Heer: het Vleesch geworden Woord noemt u Vader, en is u gehoorzaam! O Jesus, o Maria, o Jozef! Gij vormt op aarde een heerlijk drietal, waarinde ondoorgroudlijkc Drieëeuheid in den Hemel haar welbehagen heeft!

Meer dan eens werd de H. Jozef door een bezoek van een Engel vereerd. De Engel Gods verscheen hem in den slaap, toen hij het Kind met Maria naar Egypte moest geleiden, om het tegen de vervolging van Herodes te beschermen, die vreesde, dat Jesus hem ten eenigen dage zijne wereldsche kroon betwisten zou. In het Boek der Koningen staat geschreven u voor het aangezigt dts Heeien davert Egypte; —voorliet aangezigt van den God van Jacob beven de valsche goden op hunne altaren; hmme beelden storten in onderscheiden tempels neder, gelijk weleer Dagon voor de Arke des Verbonds. En

-ocr page 155-

SINT JOZEF. 129

Isaias zegt : ,, zie, de Heer zal in Egypte komen, en alle afgoden van Egypte zullen voor zijn aanschijn beven.quot;

De vervolger van Gods ééngeboren Zoon. Herodes, de beklagenswaardige koning, was gestorven. En zie, de Engel Gods verscheen op nieuw Jozef in den slaap, en gelastte hem, naar het land van Israël terug te keeren. Jozef gehoorzaamde, ging naar Galilea en vestigde zich te Nazareth.

En de jaren, die aan het openbaar leven van den wereld-Yerlosser vooraf gingen, vloden daarin stille vergetelheid, bij een kommervollen arbeid heen.

ïoen Jesus twaalf jaren oud was geworden, vergezelde hij Maria en zijn pleegvader. Jozef, naar Jeruzalem, ter viering van het Paaschfeest. De plegligheid was afgeloopen, maar bij de terugreize, misten de ouders hun godlijk Kind. Terstond , met angst en droefheid in het harte, keerden zij naar Jeruzalem terug, om hem te zoeken. En zie, zij vonden hem, na drie dagen, in den tempel, te midden der leeraren, deze hoorende en ondervragende. Nadat Jesus verklaarde, dat hij met de aangelegenheden zijns Yaders moest bezig zijn, keerde hij met Maria en Jozef naar Nazareth terug, en was hun onderdanig.

Na deze gebeurtenis, komt Jozef in het Evangelie niet meer voor. quot;Wij zien hem niet tegenwoordig op de bruiloft te Cana, waar Jesus het eerste wonder verrigtte en zijn openbaar leven een aanvang nam. Met grond kunnen wij besluiten, en niemand zal er aan twijfelen, dat Jozef in de armen van Jesus en Maria den geest gegeven heeft. Het is daarom, dat men dien Heilige aanroept, teneinde, door zijne vermogende voorspraak, van God de genade te verwerven van eenen zaligen dood.

De H. Geest heeft van zijne deugd en heiligheid getuigenis afgelegd, door ons in het Evangelie te leeren, dat hij een regtvaardig man was. Yeel-beteekenende woorden, welke wij nimmer genoeg kunnen overwegen !

10

-ocr page 156-

130 sint jozef.

Nimmer toch zou de driewerf-zalige God hem uitverkoren hebben, om de zuivere Bruidegom van de allerzuiverste dei-Maagden, de voedstervader van zijn ééngeboren Zoon te zijn, wanneer hij niet van eene ongeschonden zuiverheid , van eene uitstekende heiligheid ware geweest. Overwegen wij de groote voorbeelden , welke Jozef, met betrekking tot alle overige deugden, ons gegeven heeft; bewonderen wij zijn levendig geloof : want ootmoedig heeft hij zijn geest onderworpen en geloofd aan de ondoorgrondelijkste geheimen der Menschwor-ding van Gods Zoon; huldigen wij zijne vurige liefde, zijne vaderlijke zorgen voor den godlijken Jezus, zijne teederheid en zachtmoedigheid voor de Allerheiligste Maagd , toen hij, met de grootste verbazing, haren zwangeren staat bespeurde; overwegen wij zijne volkomen gehoorzaamheid aan den wil des Hemels, zonder gemor of tegenspraak, hoe groot ook de bezwaren en vermoeijenissen mogten wezen, welke hij bij het volbrengen daarvan te verduren had : zooals toen hij genoodzaakt was, te vlugten naar het verwijderde Egjpteland; beschouwen wij zijngeduld in droefheid en vervolging; zijne ootmoedige onderwerping, schoon van koninklijken bloede, bij de drukkende werkzaamheden van zijn beroep, waarmede hij, in het zweet zijns aanschijns , het dagelijksch onderhoud voor Jesus en Maria verdienen moest; leeren wij, eindelijk, uit het voorbeeld van Jesus, van Maria en van Jozef, hoe groot de dwaling van den wereldling is, die met zooveel inspanning den arbeid en den behoeftigen staat ontvlugt, en ze als groote plagen beschouwt, terwijl Jesus, de Wijsheid Gods, ze voor zich-zelven, voor Maria, zijne allerheiligste Moeder, en vooï zijn Voedstervader, Jozef, heeft verkozen, als een hemelschen schat.

Heeft dan de Almagtige God, onder al zijne Heiligen, den gelukzaligen Jozef uitgekozen om hier op aarde de allerzuiverste en ware bruidegom der onbevlekte Maagd Maria en de

-ocr page 157-

SINT JOZEF. 13!

voedstervader van zijn eeniggeboren Zoon te wezen; heeft de Alwijze God zijnen uitstekenden dienaar, opdat hij de verheven verpligtingen dezer dubbele waardigheid getrouwelijk kon nakomen, met heel bijzondere genaden overvloedig begiftigd : dan is het ook niet te verwonderen, dat de katholijke Kerk den heiligen Jozef, met eer en glorie gekroond in den hemel, steeds met de innigste gevoelens van godsvrucht ook hoog vereerd heeft hier beneden. Te regt toch heeft zij hem vergeleken met den roemwaardigen Patriark van het Oud Verbond. Gelijk deze door den koning Pharaö van Egypte belast was geweest met de verzameling en bewaring der granen, noodig voor het ligchamelijk onderhoud van zijn volk; zoo had ook de tweede Jozef van den Allerhoogste in last gekregen des Heeren ligchaam te kweeken en te bewaren : het brood des Hemels, \'t welk eens den geloovigen als geestlijk voedsel hunner zielen zou geschonken worden. En gelijk genoemde konini; Pharaö zijne om voedsel smeekende onderdanen naar Jozef heenwees, zeggende : Ite ad Joseph, „ Gaat tot Jozefquot;; zoo vermaant en roept ook de Kerk hare kinderen toe, in al hunne noodwendigheden, met vertrouwen tot den tweeden Jozef te gaan : diep overtuigd zijnde dat Christus de vriendschap, den eerbied, de kinderlijke voorkomenheid, welke Hij aan den heiligen Jozef, als een zoon aan zijn vader, hier op aarde bewezen heeft, thans in de hemelsche woonstede niet zal ontzeggen, maar eerder verhoogen en voltooijen.

Ten einde dit zoo gegrond vertrouwen der geloovigen op den veelvermogenden bijstand van den heiligen Jozef nog te verheffen en uit te breiden, heeft de weleer zoo roemvol reo-e-rende Paus Pius IX, in de vreugde zijns harten, bij dekreet van den 19 September 1847, naar het voorbeeld zijner doorluchtige voorgangers, en bewogen, gelijk hij het zelf verklaart, door de bijzondere godsvrucht, die hij van af zijne jeugd dien-zelfden heiligen Patriark heeft toegedragen, het feest der

-ocr page 158-

132 SINT JOZEF.

Bescherming van den R. Jozef, reeds bij pauslijke vergunning op vele plaatsen gevierd, voor de gansclie Kerk als verpligtend ingesteld.

En ziet, levendiger en algemeener verbreidt zich de devotie tot den H. Josef in het liart des geloovigen volks; krachtiger en inniger klimt het vertrouwen in zijne vaderlijke Bescherming; ruimer een plaats neemt zijn eeredienst in bij de plegtig-heden der Kerk en in de gebeden der geloovigen : ja, het scheen dat, naarmate de gruwlijke oorlog, der Kerk van Christus aangedaan, al verder om zich greep en met den dag in heftigheid toenam, de devotie tot den H. Jozef eveneens zich uitzette en in vurigheid toenam. De heilige Jozef kan helpen, zoo dacht men, de heilige Jozef zal helpen. En zoo werden uit alle oorden der wereld talrijke smeekschriften aau de voeten van Christus- Stedehouder neergelegd, nog tijdens het quot;Va-tikaansch Concilie vernieuwd en door vele Kardinalen en Bisschoppen gesteund, de dringende bede bevattende, dat het aan Zijne Heiligheid mogte behagen, ten einde des te krachtiger Godes ontferming te kunnen afsmeeken door de verdiensten en voorspraak van den H. Jozef, tot afwering aller rampen die ons te midden dezer droevige tijden van alle kanten ontroeren, hem tot Beschermer der gansche Kerk uit te roepen. De achtste December van \'t jaar 1870, de eigen feestdag der Onbevlekte Ontvangenis zijner Bruid, was de heuglijke en gedenkwaardige dag, waarop Zijne Heiligheid, Paus Pius IX, aan deze vele en vrome verlangens zijne goedkeuring schenkende, in zijne drie patriarkale Basilieken, onder deheiligeMis, een dekreet liet afkondigen, waardoor de heilige Patriark Jozef plegtig tot Patroon der Katholijke Kerk verklaard werd.

Laten wij dan, beantwoordende aan des Pausen vrome bedoeling en aan de insprake van ons eigen hart, in al onze zoo tijdelijke als geestlijke nooden onze toevlugt nemen tot de zoo vermogende voorspraak van den H. Jozef; laten wij inzonder-

-ocr page 159-

SINT JOZEF. 133

heid de allerwege bedreigde verlangens der Kerk aan zijne thans zoo schitterend verheven Bescherming met onbegrensd vertrouwen aanbevelen; laten wij bij hem heul en bijstand zoeken te midden der gevaren die ons omringen naar ziel en ligchaam : hij toch dien wij met zoo\'n kinderlijke toeneiging als onzen Beschermer vereeren hier op aarde, zal zich mede als onzen magtigen Voorspreker betoonen in den hemel,

LOFZANG.

U, Jozef, viert het koor der zaalge geestenscharen. En heel de Christenkerk stemt met dien lofzang in : Zij eert in u den man, dien \'t Gods bevel kwam paren, In knischen huwlijksband, met\'s Hemels Koningin;

Den man, die, toen de Vrucht - Gods wonderkrachtvermogen-Ontkiemd, de aard ten heil, in d\'ougerepten schoot, Op \'s Engels woord, aan vrees en twijfelzucht onttogen, Berust heeft in \'t Geheim, dat \'s Heeren wil besloot;

Den man, die toen het Kind gebaard was, \'t trouw ten hoeder Verstrekte op \'t moeilijk pad, dat naar Egypte ging;

Die \'t Godspand heeft gezocht met de afgetreurde Moeder, En \'t weer mogt vinden in der Schriftgeleerden kring.

Teregt siert, na den strijd des levens, \'t eeuwig lover De kruin der Vrienden Gods, ten loon van trouwe deugd;

Doch U kwam reeds op aard het heil der heemlen over. Bij d\'aanblik van de Zon, wier glans \'t heelal verheugt.

Verhoor, drie-éénig God, de beden, die wij slaken.

Neem ons, om Jozefs wille, in liefde ontfermend aan, Opdat we in eeuwigheid deel van uw heemlen maken, En met het Englenkoor ü \'t loflied op doen gaan.

-ocr page 160-

SINT JOZEF.

134

Overweging.

W ij loven en prijzen n, o gelukkige Jozef! Wij groeten u als den Bruidegom der Koningin des Hemels, als Voedstervader van onzen Verlosser en Heer. Aan welken sterveling werden ooit zulke verheven Eeretitels gegeven? De Kerk des Homels bewondert u wegens gunsten en gaven, welke God u heeft verleend , en de Kerk der aarde verheugt zich over de hooge eer, die u werd gegeven, en zij dankt en zegent u wegens de weldaden, welke gij haar onophoudelijk schenkt.

Ü koninklijke zoon van David, die tevens de ootmoedigste der menschen waart; het scheen, dat gij ongeëerd, onbekend, en, als het ware, verborgen, uwe levensdagen zoudt moeten slijten; en dit was ook uw hartewensch; maar de Heer beschikte anders over u: Hij wilde, dat gij deel zoudt hebben aan het verhevenste zijner werken. Er is eene edele Maagd, uit hetzelfde bloed als gij gesproten, die een voorwerp van bewondering is voor den Hemel, en bestemd, om de glorie en de hoop der aarde te worden. Gij zijt uitverkoren, om de Bruidegom te zijn dier wondervolle Maagd. Op haar moet de H. Geest, als op een allerheiligst tabernakel, komen rusten, en aan u, o zuiver en regtvaardig man, zal die overkostbaren schat ter bewaring worden toevertrouwd. Word dan, o Jozef, word de Bruidegom van haar, in wier schoonheid de Eeuwige-zelf zijn welbehagen

had!

De Zone Gods zal uit den hemel dalen, en onze natuur aannemen, om als een mensch op deze aarde te wandelen. Hij komt de familie, hare banden en hare liefde heiligen. Met uwe ooren, n Jozef, zult gij u door hom Vader hooren noemen , met uwe oogen zult gij hem aan uwe bevelen zien gehoorzamen. Welke moeten wel de gevoelens van uw hart zijn geweest, toen gij, volkomen onderrigt nopens de grootheid uwer Bruid en de Godheid van uwen Pleegzoon, de taak op u moest nemen van aan het hoofd te staan van een gezin , waarin hemel en aarde vereenigd werd? AVelke teedere en hooge eerbied bezielde u niet voor Maria, uwe Bruid? Hoe groot was uwe dankbaarheid en uwe aanbidding niet voor Jesus, voor dat godlij k Kind, dat aan u gehoorzaam en onderworpen was? O wonder-

-ocr page 161-

SINT JOZEF.

vollle eu hartroerende geheimen van Nazareth! Een God woont onder de menschen, en dnldt, dat hij de Zoon van Jozef worde genoemd!

O verheven dienaar des Heeren! gewaardig u, onze voorspraak te zijn hij het Vleesch geworden Woord des Vaders. Vraag Hem voor ons de nederigheid, die u zoo zeer heeft verheven, en die voor ons de grondslag van eene ware bekeering zal zijn. De hoogmoed hragt ons tot zonde en tot val; maar, in zijne barmhartigheid zal de goede God ons vergeving schenken, indien wij hem een vernederd en rouwmoedig hart ten otter brengen. Verwerf ons toch die deugd, zonder welke er geene ware boetvaardigheid is. Bid voor ons, o H. Jozef, opdat wij rein en kuiseh mogen leven. Zonder de zuiverheid des harten en der zinnen kunnen wij niet naderen tot een God van Heiligheid, die niets wat bevlekt of onrein is in zijne nabijheid duldt. Hij wil ons ligchaam door zijne genade tot Tempels maken van den H. Geest. Help ons, opdat wij die hooge waardigheid niet verliezen , of haar terug bekomen , indien wij het ongeluk hebben gehad, ze te verliezen door zinlijken lust.

Beveel ons ook aan onze H. Moeder-Maria, gij, getrouwe Bruidegom dier allerreinste Maagd. Indien zij hare genadige oogen op ons slaat, dan is onze zaligheid verzekerd. Zij is im-mers de Koningin der barmhartigheid, en haar Zoon Jesus, Hij, die u hier beneden zijn Vader noemde, wacht slechts, om ons te bekeeren, dat Maria voor ons ten beste spreken zal. Herinner Maria aan Bethlehem, aan Egypte, aan Nazareth, waar gij overal haar tot steun en troost hebt verstrekt; zeg haar, dat wij u eeren en u beminnen, en zij zal genadig op ons neder-zien, wegens de hulde, welke wij u brengen, o Jozef, die eens haar beschermer waart.

Sta ons, eindelijk, ook bij, o groote Heilige, in het beslissend doodsuur, wanneer de poorten der eeuwigheid zich voor ons zullen openen, en verwerf ons dan van uwen lieven Voedsterzoon, Jesus, de genade, dat wij in zijne lietde mogen sterven, eu onze laatste woorden de nooit volprezen namen van Jesus, Maria en Jozef mogen zijn.

135

-ocr page 162-

FEEST DER ZEVEN WEEËN VAN MARIA.

p vrijdag na Passie-zondag, herdenkt de Kerk, op eene plegtige wijze, de droefheid en de smarten van Maria, bij het bitter lijden van haren godlijken Zoon. Dit feest wordt het feest der Zeven Smarten of Weeën van Maria genoemd, en is, op eenige plaatsen, onder den naam van het feest vau Medelijden, festum conipassionis bekend. Eerst in 1413, werd het, door een provinciaal Concilie van Keulen, ingesteld; weldra volgden andere landen het voorbeeld der Keulsche kerkprovincie, en, in het jaar 1727, beval Benedictus XIII, dat dit feest in de geheele wereld zou worden gevierd. Deze feestviering dagteekent alzoo slechts van de nieuwere tijden. Meu geloove echter daarom niet, dat de godsvrucht tot de smartvolle moeder nog nieuw is in de Kerk; integendeel, zij is zoo oud, dat haar oorsprong zich in den nacht der tijden verliest. Zulks getuigt het hartroerend Stab at Mater, in het begin van de XIII. eeuw reeds door Innocentius III. — of, zoo als anderen beweren, door Jacopone— vervaardigd; zulks bewijzen die overoude beelden der bedrukte Moeder, welke men vaak in de grijze tempels aantreft, waarover eeuwen aan eeuwen zijn he-nengegaan; en dit dubbel bewijs wordt nog meer bekrachtigd door de aloude gebeden der Kerk, waarin Maria als de Koningin der Martelaren geprezen wordt.— En kon het wel anders ? Is het lijden van Maria, die in Jesus heeft geleden, en weenend onder zijn kruis heeft gestaan, niet te innig verbonden met het lijden van haren godlijken Zoon, dan dat het katholijk hart het zou kunnen verwaarloozeu, om Maria\'s lijden te ge-

-ocr page 163-

fEBST DER ZEVEN WEËEN VAN MARIA. 137

denken en te vereeren? Is het, daarenboven, niet uit liefde tot ons, dat zij geleden heeft? Is het niet ter belooning, ter vergelding als het ware, der smarten, welke zij onder het kruis heeft verduurd, dat zij ons tot Moeder en wij haar tot kinderen gegeven zijn? En hoe dan zou het mogelijk wezen, dat hare kinderen zich ooit ongevoelig of onverschillig voor hare smarten zouden hebben betoond ?

Reeds bij de voorstelling van Jesus in den tempel, had Simeon aan Maria het bitter lijden voorspeld, dat haar te wachten stond. U, zoo sprak hij tot haar, U zal een zwaard door de ziele gaan; en ach! hoe smartvol voor Maria heeft zich deze voorspelling niet vervuld! Van de eerste levensjaren van Jesus af, zweefde haar gedurig het lijden, dat hem wachtte, voor den geest, en, hoe groot de zaligheid ook was, welke zij door de tegenwoordigheid en de liefkozingen van haren Jesus smaakte, zoo bleef haar hart nogtans bedroefd door de gedachte, dat diezelfde Jesus, haar geluk en haar troost, het welbehagen van den Eeuwigen Vader, eens den smadelijken dood des kruises sterven zou. Elke dag bragt haar eene schrede nader tot dit gevreesd oogenblik, en vermeerderde hare smart.

Volgens eene godvruchtige overlevering, was Maria tegenwoordig bij het plegtig onthaal, dat haren Zoon, te Jeruzalem, op Palmzondag, te beurt viel; maar de vreugdekreten-zei ven, welke zij hoorde, verscheurden hare ziel, want zij wist maar al te wel, dat dezelfde stemmen, die hem nu het hosanna Jilio David (Hosanna! den Zone van David) aanhieven, weldra in woeste woede den moordkreet zouden doen weergalmen: weg, weg met hem, naar het kruis, en dat zijn bloed kome over ons en over onze kinderen! — Ach, wie zal ons den omvang van Maria\'s smarten beschrijven, wie zal ons zeggen, hoe diep het zwaard van lijden in hare ziele drong, toen zij haren geliefden Zoon voor den regterstoel van Annas en Caïphas, en later voordien van Pilatus, zag sleuren, waar dat onnoozel

-ocr page 164-

1-38 FEEST DER ZEVEN WEEËN

Lam — gelijk de Profeet het liad voorzegd — met verguizing werd overladen, en toch zijnen mond uiet opende, om te doen hooren één-enkele klagt ? Wie zal ons het bittere der bitterheden schetsen, die het hart van Maria troffen, gedurende dien akeligen nacht, door Jesus in het huis van Caïphas doorge-bragt? Iedere geeselslag, die, den volgenden morgen, Jesus\' ligchaam verscheurde, iedere doorn, die zijn godlijk hoofd verwondde, was een zwaard, dat, door merg en been, haar diep in \'t harte ging. Iedere beleediging, Jesus aangedaan, iedere bespotting, iedere verguizing, iedere godslastering, welke de woeste soldaten tegen hem uitbraakten, was voor Maria eene nieuwe foltering, zoodat de heilige Vaders teregt op haar deze woorden van de H. Schrift toepassen : Magna est velut mare contritio tua. Is de oceaan onmetelijk, o bedrukte Moeder! onmetelijk ook is uwe smart. En toch was dit alles voor haar, zoowel als voor haren Jesus, slechts een begin van het bitterste lijden. Haar hart scheurde van weemoed, toen zij Jesus, met zijn kruis beladen, van het hoofd tot de voeten doorwond, onder den last van dat schandhout bezwijkende, op den lijdensweg ontmoette: en, bezweek zij niet, noch bij deze ontmoeting, noch onder het kruis, dan was dit enkel aan de hulp van boven toe te schrijven; immers, de hevigheid dei-smarten, welke zij verduurde, was meer dan genoeg, om haar niet eens, maar duizendmaal, den dood te geven. Desniettegenstaande, steeg zij den berg des lijdens op, waar Jesus\' bloedig offer moest worden volbragt. Zij wilde bij dat offer tegenwoordig zijn, om het hare met dat van Jesus te vereeni-gen. Ten koste der onuitspreeklijkste hartepijn, wilde zij, onder het kruis, Jesus laatste woorden opvangen en zijnen laatsten wil vernemen, waardoor zij ons tot Moeder, en wij haar tot Kinderen zouden worden gegeven. Zij had Jesus zonder pijn of smart gebaard, maar onze Moeder moest zij niet worden zonder in Jesus\' pijn en smart, in Jesus\' lijden en dood te

1

-ocr page 165-

VAN MARIA. 139

Iiobbeu gedeeld. O, vergeten wij tocli nooit, wat het Maria ]gt;ceft gekost, om onze Moeder te worden! Alles, wat Jesus leed in zijn ligebaam, leed zij in hare ziel, zegt de H. Bernar-flus. In haar droevig moederhart weerklonken, op eene vreeslijke wijze, de hamerslagen der beulen, die Jesus5 handen en voeten aan het kruishout nagelden. Op dat hart viel, als een doodlijke smart, hdere zucht, elke bloeddruppel van haren godlijken Zoon. O! nu begrijp ik, waarom de H. Kerk, mijne gezegende Moeder, de Koningin der Martelaren noemt: want uw lijden overtreft niet alleen hun lijden, maar, in uwe ziel, hebt gij-alleen meer geleden, dan alle Martelaars te zamen ooit in hun ligebaam hebben verduurd. (II. Bernardus.) Trouwens, in het kruis van Jesus vonden dc Martelaars troost, kracht, sterkte, bemoediging in het lijden, ja, eene hemelsche zoetheid te midden der barbaarsche folteringen, terwijl voor u dat kruis eene oneindige bron was van droefheid en van lijden. Met Jesus\' ligebaam was het hart van Maria aan het kruis genageld; daar werd het hart met het vlijinendste zwaard doorstoken, niet alleen, dewijl zij op dat kruis haren Zoon doodsangst en zielesmart zag lijden, maar ook omdat zij aan haren geliefden Jesus geen troost, geen heul, niet de minste verligting geven kon. Zij, die teedere moeder, zij zag haren Zoon afgemat en uitgeput, zij zag hem rust zoeken voor zijn godlijk hoofd, rust zoeken voor zijne doorwonde ledematen, zonder die rust te kunnen vinden; en zij, — zoo spreekt de H. Bernardus — zij breidde hare armen te vergeefs naar Jesus uit, daar het baar niet vergund was, hem op baren schoot te laten rusten. Zij hoorde Jesus, smachtend van dorst, uitroepen : silio, ik hel dorst, en zij kon hem niet laven; zij kon hem slechts zeggen : f li! non haheo nisi aquarn lacrymarum: mijn Zoon, ik heb geen water, om uwen dorst te lesschen, maar slechts tranen om u te beweenen. (St. Vine. Eerr.:) O gij allen, die in uwen boezem een moederhart omdraagt, ik vraag het u: bestaat er

-ocr page 166-

140 FEEST DER ZEVEN WEEËN

iets, dat bij deze kwelling, bij deze bitterheid des harten vau Maria te vergelijken valt! O vos omnes, qui transit is per viam, attende et videte si est dolor sicut dolor mens! O smartvolle Moeder, die mij in zulk eene zee van bitterheid onder het krviis hebt gebaard, voortaan wil ik, uit dankbare liefde, uwe smarten herdenken, niet alleen, maar ze ook godvruchtig vereeren en deelen in al die smart.

Geef o Moeder! bron van lietde,

Dat ik voele wat u grieide,

Dat ik met u medeklaag;

Dat mij \'thart ontgloei van binnen.

Om mijn Heer en God te minnen.

En ik ïlem-alléén behaag.

LOFZANG

STABAT MATER.

Schreijend naast het kruis gebogen. Stond de Moeder, diep bewogen.

Daar de Zoon doornageld hing, En haar iu \'t verzuchtend harte, Krimpende van wee en smarte, \'t Zevenvoudig slagzwaard ging.

O hoe droevig, hoe vol rouwe, Was die zegenrijke Vrouwe,

Om Gods eengeboren Zoon : Ach, hoe streed zij! ach, hoe kreet zij, En wat folteringen leed zij,

Bij des Reinsten smaad en hoon.

-ocr page 167-

VAN MARIA.

ó Wie kan zijn tranen houên,

Bij liet vreeselijk aanschouwen,

Hoe haar boezem openrijt?

Wie kan zonder mee te weenen, Christus Moeder hooren steenen,

Daar ze met haar Zone lijdt?

Ach, voor uwe en mijne zonden. Zag zij Jesus dus doorwonden.

Door de wreede geeselstraf; \'t Dierbaar Kind zag zij hier lijden, Gants-alleen den doodkamp strijden. Tot Hij God den geest hergaf.

Geef, o Moeder van genade !

Dat ik al, wat u belaadde,

Met u drage, en met u ween! Dat de liefde mij doorblake.

En ik Christus minnend nake, Hem behage, Hem-alleen !

Eeine Moeder, druk de smarte quot;Van het lijden in mijn harte,

Dat den Kmisling nederboog! Dat ik al, wat hem doorwoelde,

Al de wonden, die hij voelde.

Met u lijdend deelen moog!

Mogt ik klagen, al mijn dagen.

Innig al die smarten dragen,

Tot het leven mij ontvlugt!

Willig u naar \'t kruis te leien, Met u siddren, met u schreijen, Is mijn teerste boezemzucht.

Maagd der Maagden, nooit volprezen, Wierd mij deze gunst bewezen. Dat ik aan uw zijde klaag!

141

-ocr page 168-

142 FEEST DER ZEVEN WEEËN

Doe mij strijden, tloe mij lijden Christus\' striemen langs de zijden, Waar ik eeuwig van gewaag!

Wierd me een deel dier pijn geschonken! Make \'t Kruis mij vreugdedronken.

Door de liefde van uw Zoon! \'k Voel mijn ziel in vlam gerezen : Wil dus gij mijn voorspraak wezen. Als ik sta voor \'s Regters troon !

Maak, dat mij het Kruis beware. Dat mij Christus\' sterven spare,

In de schaduw van zijn gena! En, zal eens mijn ligchaam sterven. Doe mijn ziele dan beërven \'t Heerlijk Paradijs hierna!

Overweging.

De voorzegging van Simeon en do geschiedenis van \'s Heeren lijden leggen beiden getuigenis af der smarten van Maria. Deze, zoo sprak de grijsaard van het Kind Jesus, is gesteld tot een teeken, dat tegengesproken zal worden; en tot Maria zeide hij : u zal een zicaard (jaan door de ziel. Ja, waarlijk, mijne gebenedijde Moeder, n is een zwaard door de ziel gegaan, want alle smarten, welke .Tesns in zijn ligchaam heeft verduurd, zijn eerst door uwe ziele heengedrongen. Toen uw godlijke Zoon reeds den geest had gegeven , werd zijne zijde nog geopend door eene wreede lans; die verwonding kon Hem, ja, geen lijden meer berokkenen, maar toch drong die lanssteek door tot in liet diepste van uw hart.

Teregt stellen wij u boven de martelaren, dewijl uw harteleed verre alle pijn overtreft, welke de Bloedgetuigen in hun ligchaam hebben verduurd. Ja, dat woord, vrouw, ziedaar nw Zoon, was scherper dan een zwaard, want het drong door tot in het

-ocr page 169-

VAN MAMA.

binnenste uwer ziel, en sloeg daar eene doocllijke wonde. En geen wonder : want, in dien oogenblik, werd u Joannes voor Jesus, een slaaf in plaats van den Heer der heeren, een leerling in stede van den Meester, de zoon van Zebedeus in plaats van den Zoon des Allerhoogsten, enkel een mensch in stede van den waaraclitigen God, gegeven tot zoon en tot kind! Welke bittere verwisling! Hoe moest dat woord uwe teederminnende ziel niet grieven , daar het berdenken-alleen van liet lijden onze steenen en stalen harten breekt?

Verwondert u dan niet, mijne Broeders, wanneer ik zeg\', dat Mi u-ia. eene martelares in hare ziel is geweest. Hat hij zich daarover verbaasd toone, die niet weet, dat de H. Paulus het den heidenen als een hunner grootste euveldaden aanrekende, dat zij gevoelloos waren.

In het hart van Maria was zelfs de schijn niet van zulke ongevoeligheid , en ook van ons, hare dienaren, moet alle gevoelloosheid steeds verre verwijderd zijn.

Maar wist Maria dan niet vooruit, zal men misschien zeggen, dat Jesus zulk een dood sterven moest ? Ongetwijfeld wist zij dat. Hoopte zij dan niet, dat Hij weldra zou verrijzen? Ja, voorzeker, hoopte zij dat, en wel met vast vertrouwen. En heeft zij dan toch den Gekruiste beweent? Ja, en zelfs allerbitterst beweend. Bevreemt u dit, mijn broeder? Maar wie zijt gij dan toch, en hoe vreemdsoortig zijn uwe begrippen, dat gij liet meer te bewonderen vindt, dat Maria medelijden had met de smarten van haren Zoon, dan dat de Zoon van Maria smart en lijden moest verduren ? Hoe ! Jesus zou naar het ligchaam hebben kunnen sterven, en Maria zou in hare ziel den angst en de smarten des doods niet hebben kunnen voelen? De liefde, maar de grootst denkbare liefde, werkte het eerste wonder, eu het was ook de liefde, maar eene liefde, nooit door eene andere geëvenaard, die het tweede wonder heeft gewrocht.

143

-ocr page 170-

..............................................................................................................

DE GOEDE WEEK.

an de eerste tijden der Kerk is altijd de week, die het hooge Paaschfeest onmidlijk voorafgaat, door de geloovi-gen betracht geworden als de heiligste tijd van het geheele jaar, en als eene week, gedurende welke men tot meer godsvrucht en heiligheid is gehouden, wegens de groote Gods-geheimen, die dan worden herdacht. Daarom is zij van oudsher de Heilige Week genoemd. Men heeft haar ook nog verschillende andere namen gegeven. Zóó wordt zij de Goede Week ge-heeten, omdat in deze week het groote werk onzer Verlossing voltrokken is. Jesus heeft in deze week voor onze schulden voldaan, en ons met den eeuwigen Vader verzoend. Eusebius noemt haar de Week der Nachtwaken, omdat men gedurende die week, bijna alle nachten geheel in oefeningen van godsvrucht doorbragt, teneinde het bitter lijden van den Zaligmaker te vereeren, en bijzonder dien smartvollen nacht te herdenken, waarin de godlijke Heiland met bespotting, smaad en verguizing wrerd overstort. Het was immers in dien nacht, dat Jesus bedroefd werd tot den dood, en bloed en water zweette. Het was in dien nacht, dat hij verraden werd door zijn ontrouwen Apostel; in dien nacht werd hij, als een booswicht door de straten van Jerusalem gesleurd, en van het eene geregtshof naar het andere gebragt; in dien nacht werd Hij in zijn aanbidlijk aangezigt geslagen, bespuwd en door den prins zijner Apostelen verloochend; in dien nacht werd hij aan eene bende woeste soldaten overgeleverd, die hem alle pijnen en beleedigingen deden ondergaan, welke zij in hunne ongeloofllijke godloosheid en allerbarbaarste wreedheid slechts

-ocr page 171-

DE GOEDE WEEK. 145

konden uit denken. Ter eere van dat nachtlijk lieden, van den Heere Jesus, hr.igtcn de gelcovigen al de nachten der Goede Wee k in get cd en in oefeningen van godsvrucht en boetvaardig heid door. Gedurende verschillende eeuwen bleef dit vroom gebruik bestaan, en daaraan is het toe te schrijven, dat deze week veelal de quot;Week der Nachtwaken werd genoemd. Men noemt haar ook de Lij dens- Week, wegens de smarten en pijnen, welke Jesus in deze week geleden heeft. Om dezelfde reden wordt zij door de Grieken onder den naam der dagen va n smart, der dagen van het kruis, der dagen van straf en lijden, en in de Latijnsche Kerk als de Week van Smarten aangeduid. Men noemt haar ook nog de Week van Kwijtschelding, niet alleen, omdat de openbare boetelingen alsdan van de hun opgelegde straffen werden vrijgesproken en tot de gemeenschap der geloovigen toegelaten, maar ook, omdat de dagen dezer week, de dagen der groote barmhartigheid van onzen godlijken Yerlosser zijn. De naam echter dezer week, die in de Kerk algemeen is geworden, is die der Heilige of ook wel der Groote Week.

// Noemen wij de goede week bij uitnemendheid de groote // we ek, dan is zulks niet, zegt de H. Chrysostomus, omdat // zij meer dagen telt dan eene andere, of omdat hare dagen if langer duren, maar omdat Jesus Christus in deze week de // grootste geheimen van liefde voor ons voltrokken heeft.quot; Trouwens, in deze week heeft hij ons van de slavernij des duivels verlost; hij heeft ten volle aan de godlijke regtvaar-digheid voor onze zonden voldaan; hij heeft het heilig Sacrificie der Mis ingesteld, en, ons alle zonden vergevende, heeft Hij ons, zooals de Apostel spreekt, het leven wedergegeven. Hij heeft het rcnnis, dat ons veroordeelde, uitgewischt : hij heeft het vernietigd, en aan het krvisgenageld. In deze week heeft hij over de helsche mag ten gezegevierd en haar haren

hint ontrukt. Het is dus waarlijk eene groote week voor

11

-ocr page 172-

146 DE GOEDK WEEK.

den Christen, en daarom beijveren zich de geloovigen ook , voegt de heilige Chrvsostomus er bij, om hunne werken van godsvrucht in deze dagen te vermeerderen. ,/ Eenigen hunner // vasten strenger dan ooit, anderen waken aanhoudend, ande-„ ren deelen rijke aalmoezen uit. De Keizers-zelts vereeren ,/ deze groote week door de barmhartigheid des Verlossers na // te volgen, want, in deze week, doen zij de poorten der ge-;; vangenissen openen. Laat ons dan ook, — zoo besluit die ,/ heilige Kerkvader, — deze dagen vereeren, en, tegelijk met // takken en palmen, ook ons hart aan den Heere Jesus, onzen „ Heiland en onzen Ver losser, ten offer brengen.quot;

De goede week is, te allen tijde, een week van versterving en van boetvaardigheid geweest. Reeds in de eerste eeuwen, oefende men, deze week, strengere onthouding en een langer vasten. Aan die strengheden onttrok zich geen-enkel Christen, hoe lauw hij anders ook wezen mogt. Vrijwillig voegde ieder eene of andere strengheid aan de gewone vaste toe, en eenigen bleven zelfs verscheiden dagen zonder het geringste voedsel. Men was ten hoogste verwonderd en bedroefd, gelijk de H.Dyonisius van Alexandrië getuigt, wanneer men menschen aantrof, die op Goeden Vrijdag en Goeden Zaturdag slechts vastten, gelijk op gewone vastedagen. De H. Epiphanius noemt deze week de week van streng vasten, dat is te zeggen, van een vasten, waarbij het alleen geoorloofd was, water en brood, of ten hoogste eenige drooge vruchten, zonder eenige toebereiding, te gebruiken. Soms noemde men deze week ook de Paaschweek, dewijl zij dient, om ons onmiddelijk tot dit hooge feest voor te bereiden. De strenge vaste, waarvan wij zoo even spraken, dat is : de onthouding van groenten, melkspijzen en visch, was wel niet door een bepaald gebod algemeen voorgeschreven, maar werd zoo algemeen onderhouden, dat het een schande zou zijn geweest, er zich van te ontslaan. In later tijden, werd die stren-

-ocr page 173-

Dü GOEDE WEEK. 147

gere vaste alléén op Goeden Vrijdag en Zaturdag bijbehouden, maar ook hierin is men later verflaauwd.

Met de strenge vaste waren steeds lange nachtwaken verbonden. De plegtigste dezer nachtwaken was die van Goeden Donderdag op Goeden Vrijdag. Deze wordt, heden ten dage , nog bijbehouden door vele godvruchtige personen, die dezen geheelen nacht in gebed voor het allerheiligste Sakrament doorbrengen, teneinde de vernederingen, den smaad en de pijnen te herdenken, welke Jesus, in den nacht, die het instellen van het Allerheiligste Sakrament volgde, en zijnen kruisdood voorafging, voor ons heeft verduurd.

Zoowel in de Grieksche als in de Latijnsche Kerk, werden , in de eerste eeuwen, alle dagen der week, die het Paaschfeest voorafgaat, zoowel als die der week, die daarop volgt, als feestdagen gevierd. Geen slaaflijke arbeid was veroorloofd, en regtsgedingen mogten er niet worden gehouden. Keizers-zelfs bevalen aan de magistraats-personen, gedurende dezen tijd, alle pleidooijen te staken en alle burgerlijke bezigheden te laten rusten.Later evenwel, werd, op die dagen, handenarbeid veroorloofd, maar de regtsspraken bleven verboden. Dit verbod heeft in later tijden opgehouden te bestaan.

Ook van de eerste tijden af, werd de Goede Week als een tijd van kwijtschelding en vergeving beschouwd. Ter eere van Hem, die ons, door zijnen dood, uit de eeuwige gevangenis heeft verlost en ons de kwijtschelding onzer schulden heeft verworven, en, tevens, om hunne handelwijs in naauwer overeenstemming te brengen met de handelwijs der Kerk, die in deze dagen aan de boetelingen vergiffenis en kwijtschelding schenkt, openden de Keizers hunne gevangenissen, en oefenden zoodoende tijdelijke barmhartigheid, in navolging van de oneindige barmhartigheid, door den Heere Jesus aan ons allen betoond. „Het is dan ook wel billijk, zegt wederom de heilige ,/ Crysostomus, dat de christen-volken liet voorbeeld hunnov

-ocr page 174-

148 . DE GOEDE WEEK.

// Eegeerders volgen, en, op hunne beurt, barmhartigheid // oefenen, door zich de een den ander hunne schulden en be-// leedigingen te vergeven, en zich opregt te verzoenen met n elkaêr. Dan, maar ook dan-alleen, zullen zij deel hebben // aan de genade, welke Jesus Christus ons door zijn bitter // lijden en smartvollen dood heeft verworven en verdiend.quot;

Uit dit alles kunnen wij ligt opmaken, hoe groot de eerbied is, dien de geloovigen, door alle eeuwen heen, gehad hebben voor deze Heilige Week, waarin het groote geheim onzer Verlossing is voltrokken, en de Zaligmaker voortdurend de schatten zijner barmhartigheid ruimschoots aan al zijne dienaars bedeelt. Laat ons dan ook die heilige Week, door ware godsvrucht, heiligen. De keus en de verhevenheid der diensten, de geheimzinnige majesteit der plegtigheden, de al-gemeene rouw der Kerk, alles, in één woord, onderwijst ons en roept ons toe : vernedert en verbrijzelt uw hart, doet boetvaardigheid en oefent u in alle godsvrucht en deugd, indien gij waarlijk deze Week wilt heiligen en verlangt, dat zij ook voor u eene Goede en heilige Week wezen zal. O moge toch , voor geen enkel kind der Kerk, deze teedere opwekking en vermaning vruchtloos zijn !

LOFZAN-Q-

Salve mundi salutare.

Van den H. Bernard us.

Om U, \'s werelds Heil, te groeten.

Stort ik, Jesus, voor uw voeten,

Schreijend onder \'t zonden]uk;

Kom het licht van uw genade Mijner arme ziel te stade,

In haar kommer, smart en druk !

-ocr page 175-

DE GOEDE \'WEEK.

Heiige voeten, wreed doorklonken, Ik omhels u, weggezonken

Aan het kruishout van den Heer; Ach, wie voelt er, bij ^t aanschouwen Van die foltring, \'t hart niet rouwen. En zinkt niet in \'t stof ter neer ?

Jesus, ó, doe aan uwe voeten Mij de rust en vrede ontmoeten,

Waar geen wereld ooit mee streelt; En zij door deez^ gruwbre wonden Mij vergifnis van mijn zonden.

Hier en eeuwig meegedeeld.

Zijt gegroet, ó heiige handen. Die geslaakt hebt de ijzren banden.

Waar ons Satan mee omving;

Zijt gegroet, o liefdrijke armen, Toegestoken uit erbarmen.

Als de Godmensch stervend hing.

Ja, mijn ziel brandt van verlangen. Om de kruisbanier te omvangen Met den hoogsten liefdegloed; Ja, des Heersn handewonden Houden eeuwig mij verbonden.

Bloeden me eeuwig in \'t gemoed.

In die handen rust ik veilig,

In die wonden blijft men heilig En gestemd tot hemelvreugd;

Laten mij die handen dekken,

Heere Jesus, en mij strekken

Tot een steun op \'t pad der deugd.

Wees gegroet, ó zijdewonde.

Bloedend voor des menschdoms zonde, Overkostbre levensvloed !

-ocr page 176-

DE GOEDE WEEK.

Moog uw kracht mij sterkte schenken, En mijn dorre ziele drenken, Zijdewonde, wees gegroet!

Stort mij troost en vreugd in \'t harte, Laafnis voor de bittre smarte.

Die dees aard te lijden geeft; Doe mij hier vooraf reeds smaken, Wat mijn heil eens zal volmaken, Waar de Christen eindloos leeft.

Derwaarts streef ik, heiige wonde. Bloedend ook voor mijne zonde.

150

Heiige wonde in Js Heeren zij\'; Met de handen, met de voeten. Kom ik mede u nedrig groeten : Heilig Yijftal, zuiver mij !

Overweging.

De grondslag van het kristlijk leven, is, te begrijpen, dat wij niet liet eerst God bemind hebben, maar dat God liet eerst ons heeft bemind, niet alleen alvorens wij Hem beminden, maar zelfs reeds toen wij zijne vijanden waren. Het bloed des Nieuwen Verbonds, tot vergeving onzer zonden gestort, legt van deze waarheid getuigenis af. Immers, indien wij geene vijanden van God waren geweest, hadden wij geenen Middelaar noodig gehad, om ons met Hem te verzoenen, geen Slachtoffer, om zijne gramschap te bedaren, geen Bloed, om zijne regtvaardigheid te bevredigen. Hij heeft ons dus het eerst bemind, en zijn eenigen Zoon gegeven ter liefde van ons. Maar welligt is deze genade te algemeen en ons hart er gevoelloos voor; gaan wij dan de bijzondere weldaden na, waarmede zijne liefde ons voorkomt. — Wat zullen wij zeggen van onze roeping tot het Doopsel ? Hadden wij Gods hulp ingeroepen, hadden wij Hem door onze gebeden gesmeekt, opdat zijne barmhartigheid ons geleide tot de heilzame wateren, waarin wij herboren zijn? Of liever was

-ocr page 177-

DE GOEDE WEEK.

Hij liet niet, die ons te gemoet is gekomen, en ons liet eerst lieeft bemind? Doch mogelijk is deze genade reeds te oud en heeft onze ondankbaarheid ze al vergeten: letten wij dan op onze dagelijksche ondervinding. Herinnert gij u, zondaar, met welke drift gij de zonde najaagt? De wraakzucht of het vermaak dreven u voorwaarts; hoe dikwijls heeft God tot uw hart gespro ken, om u op de helling terug te houden? Ik weet niet, of gij naar zijne stem geluisterd hebt, maar wel weet ik, dat Hij u menigmaal geroepen heeft. Noodigdet gij Hem uit, wanneer gij Hem vlugttet? Eiept gij Hem, wanneer gij tegen Hem opstond ? En toch is Hij met zijne genade tot u gekomen: Hij heeft aangeklopt. Hij heeft geroepen, en is Hij u dus niet voorgekomen, heeft Hij niet het eerst u bemind?

Doch hoe menige behoeft niet meer de zonde na te jagen, daar hij reeds geheel tot slaaf is geworden; immers hij is overgegeven aan godslastering, aan kwaadspreken, aan ontucht: om zijn hoogmoed te bevredigen, ontziet hij noch het goed, noch de eer van anderen: hij ademt slechts liefde voor de wereld. Zal Jesus in den afgrond van dat hart, in die hel nederdalen? Eertijds daalde Hij ter helle neder, maar daarheen riepen Hem de stemmen en het verlangen der Profeten, die naar zijne komst verzuchtten. Hier, integendeel, verwerpt men zijne inspraken, men vlugt Hem, men doet Hem den oorlog aan. En toch. Hij komt. Hij nadert: bij een Paaschfeest, bij een Jubeljaar, bij eene heilige plegtigheid doet Hij aan die misdadige ziel schrik gevoelen ; Hij wekt haar inwendig op tot boetvaardigheid. De zondaar vlugt, en God volgt hem: hij blijft ongevoelig, en God verdubbelt zijne slagen, om die slapende ziel te doen ontwaken. Heet dat niet den mensch voorkomen raet eene overmaat van barmhartigheid ?

Maar gij, regtvaardigen, gij, kinderen Gods, gij weet, dat gij uwen Vader lief hebt: gij zijt het dan , die het eerst Hem bemind hebt? Belijdt gij niet met den Apostel: „ dat de liefde in mee harten gestort is door den H. Geest, die u gegeven Kerd?quot; En zou God u zoo een heerlijk geschenk geven, indien Hij u alvorens niet beminde? Hij is het dus, wij mogen er niet aan twijfelen, die ons voorkomt, die altijd den eersten stap doet. Maar weet dan ook, dat Hij ons slechts voorkomt, opdat wij Hem zouden voorkomen. Wat zegt gij? Is dat mogelijk? Ja, dat is mogelijk. Luistert naar den Psalmist, die ons daartoe uitnoodigt: laten wij zijn aanschijn voorkomen, zegt hij: prceoc-

151

-ocr page 178-

DE GOEDE WEEK.

cupemus faciem ejus. Wat moeten wij dan doen, om Hem voor te komen? God heeft twee eigenschappen, die in \'t bijzonder den mensch betreffen : de barmhartigheid en de regtvaardighei/J. De barmhartigheid kunnen wij niet voorkomen, want zij komt ons altijd voor; maar dit geschiedt slechts, opdat wij de regt-vaardigheid zouden voorkomen. Het kan u niet onbekend zijn, zondaar, dat gij door uwe misdaden schatten van gramschap vergadert. Indien deze ergerlijk zijn, zal God voor de geheele wereld er regt over plegen, en al waren zij ook verborgen, God zal ze toch aan geheel de wereld bekend maken. Kom die regt-vaardige gramschap voor: neem wraak over uwe zonden, en God zal geene wraak nemen ; openbaar ze , en God zal ze niet openbaren: Prreocctipemus faciem ejus in confessione. Ik weet wel, dat belijdeiüs — in confessione—^ hier wil zeggen lofprijzing , dat heet, Gods grootheid loven, maar ik meen van den natuurlijken zin niet af te wijken, met daaronder mede de boetvaardigheid te verstaan. Immers, kan de zondaar beter Gods grootheid belijden, dan door zich voor Hem te vernederen, en zich-zelven voor zijn aanschijn te beschamen? Laten wij ons, derhalve, voor God vernederen, opdat Hij ons in dien vreeslijken dag niet vernedere; laten wij zijne regt vaardige gramschap door de belijdenis onzer misdaden voorkomen; dalen wij neêr in het diepste van ons geweten, waar onze vijanden zich schuil houden; dalen wij daarin neder met een fakkel in de eene, en een zwaard in de andere hand : een fakkel, om door een naarstig onderzoek onze zonden te ontdekken; een zwaard, om ze met den wortel, door een waar berouw en eene openhartige belijdenis aan Gods plaatsbekleeder, uit te roeijen: zoo zullen wij de gramschap van dien grooten God voorkomen, wiens barmhartigheid ons voorgekomen is.

O Maria! gij, die wonderlijk voor de zonde gevrijwaard en met barmhartigheid voorgekomen zijt, schraag onze zwakheid door uwe gebeden en verwerf ons de genade, van in dezen heiligen Paaschtijd , zoodanig de wraak, die ons wacht, door de boetvaardigheid voor te komen, dat wij eindelijk in het rijk des eeuwigen vredes worden opgenomen. Het zij zoo!

152

-ocr page 179-

PALMZONDAG.

et rassclie schreden nadert liet beslissend uur, waarop het groote Verlossingswerk zal worden volbragt. Nog maar weinige dagen, en Jerusalem zalden woestenbloedkreethooren: kruis Hem, kruis Rem. Tolle, tolle, crueïjige eum ! Jesus zal, als een booswicht veroordeeld, met een zwaar kruis beladen, door de straten dier ondankbare stad gesleurd worden, om op Golgotha in zijn eigen bloed, het groote zoenoffer der wereld, aan den eeuwigen Vader te gaan opdragen. Het outrouwe en ongeloovige Jerusalem, da t de Trof eten doodt, en hen steenigt, die tot haar gezonden worden, zal ook den Verlosser der wereld miskennen; zij zal den, door alle eeuwen heen, zoo vurig verlangden, Messias* verguizen en verwerpen; in de overmaat harer boosheid, zal zij den dood vragen van Hem, die de bron en oorsprong is van alle natuurlijk en bovennatuurlijk leven; zij zal den Zoon van den levenden God den bitteren kruisdood sterven doen..

En toch had het dien verblinden niet ontbroken aan licht: de Profeten hadden den tijd van Christus komst voorzegd, en die tijd was verschenen. Zij hadden met vurige trekken, het leven en den dood van den Messias afgemaald, en Jesus van Nazareth was daardoor als dusdanig met den vinger aangewezen. Nog op het laatste oogenblik, had de Voorlooper des Heeren, dien de Joden als een Godsgezant erkenden, hun openlijk verklaard, dat hij de beloofde Messias niet was, maar dat het Lam, dat wegneemt de zonden der wereld, dat de Heiland der menschen, wiens schoeisel hij niet waardig was te

-ocr page 180-

15i PALMZONDAG.

ontbinden, zich al reeds in hm midden hevond, ofschoon zij Hem nog mei kenckn. De eeuwige Yader-zelf had de plegtige getuigenis afgelegd, ten aanhoore van liet volk, dat Jesus zijn hem inde Zoon teas, in wien Hij zijn loelhehagen had gesteld.

Drie volle jaren, had de godlijke Heiland Judea doorwandeld : overal had Hij weldaden verrigt, en bewijzen zijner Godheid gegeven. Uit de bezetenen had Hij den duivel verjaagd, en deze had Hem al knarstandend als de Zoon van David erkend en luide uitgeroepen. Hij had den schuldigen hunne zonden vergeven, en door wonderwerken getoond, het regt le bezitten, om yan de zondeschuld te ontslaan; zoodat Hij, volgens de getuigenis der Joden-zelve, als de ware Zoon van den levenden God moest worden erkend. Kreupelen en lammen zonder tal had Hij genezen, aan de dooven had Hij het gehoor, aan de blinden het gezigt, en aan tallooze kran-ken de gezondheid weêrgeschonken. Wind en storm waren op zijn bevel bedaard, en in zijne handen had het brood zich duizendvoudig vermenigvuldigd. Als meester der natuur, beval Hij het graf zijn prooi terug te geven, en de dood gehoorzaamde aan zijne stem. Op zijn woord stonden de ontslapenen van h un sterfbed op, of traden uit den schoot der aarde en van de reeds diep-doorgrijpende ontbinding, vol kracht en leven , te voorschijn. Geheel de natuur, de dood-zelf en de hel hadden al zijne bevelen geëerbiedigd, en Hem als haren opperheer erkend. Israël-alleen hield de oogen gesloten. Nog een oogenblik, en dat ongeloovig volk zal voor een heidenschen regter verklaren, dat het Jesus niet voor den Gezalfde des Hee-ren erkent, en Hem niet voor zijnen vreedzamen Koning wil aannemen. In zijne verblindheid, zal dat volk het bloed van den Regtvaardige eischen, en spottend uitroepen : dat zijn bloed l-ome over ons en over ons kroost! Dit moest echter volgens de raadsbesluiten van Gods eeuwige Wijsheid, niet geschieden.

-ocr page 181-

PALMZONDAG. 155

vóórdat de godlijke Heiland , iu datzelfde Jerusalem, door datzelfde volk, als de beloofde Messias, als de langverwachte Davids -Zoon, uitgeroepen en gehuldigd was. Datzelfde volk moest den Heiland eerst, in triomf, Sions grijze veste binnenvoeren, alvorens het zijn bloed vergen zou; langs diezelfde straten, waar de moordkreet tegen den Gezalfde des Heeren zou worden aangeheven, moest eerst uit aller mond, het Hosanna Jilio David worden gehoord. Want, het verblinde Jodendom moest, vóór het den Godsmoord beging, ten aanzien der geheele wereld, zijn eigen vonnis vellen; het moest plegtig de getuigenis afleggen, dat het den Messias aan zijne werken liad herkend, vóór dat het er toe kwam, om dienzelf-den Messias als een boosdoener te veroordeelen, en als een bedrieger te verwerpen. De heilige boeken verhalen ons omstandig dez e allergewigtigste gebeurtenis, die ons reeds iets doet begrijpen van de ontzettende straf, die, sedert achttienhonderd jaren, zoo bitter op het verworpen Jodendom rust.

Het was nog niet lang geleden, dat Jesus den ontslapen Lazarus van den dood had opgewekt. // Terwijl de godlijke // Heiland dan nog in Bethanië was, begaven zich vele Joden v derwaarts, niet alleen om Jesus te zien, maar ook om Laza-u rus, dien Jesus uit de dooden had opgewekt, te aanschou-n wen. Maar de overpriesters overlegden, oin ook Lazarus te n dooden, dewijl velen om hem van de Joden afvielen, en in u Jesus geloofden. Des anderen daags als zij Jerusalem gena-H derd, en te Bethphage, aan den Olijfberg gekomen waren, // zond Jesus twee discipelen uit, en sprak tot hen : Gaat naar i, het vlek, dat tegen u over ligt, en terstond derwaarts in-„ gaande zult gij vinden eene ezelin, die vastgebonden is, en ii bij haar een veulen, waarop nog geen mensch gezeten heeft; ii maakt het los, en brengt het hier. En zoo iemand tot u zegt: n waarom maakt gij het los ? zult gij aldus tot hem zeggen : n de Heer heeft het noodig. En hij zal het terstond laten

-ocr page 182-

15 G PALMZONDAG.

n volgen. Dit alles nu is geschied, opdat vervuld zou worden // hetgeen gesproken is door den Profeet, zeggende : zegt aan n de dochter van Sion : zie, uw Koning komt tot u, zacht-n moedig, zittende op eene ezelin, en eeu veulen, het jong i, eener jukdragende. De discipelen gingen dan henen , endeden // zoo als Jesus het hun geboden had. En als zij het veulen n losmaakten, zeiden de eigenaars er van tot hen : waarom // maakt gij het veulen los ? Zij antwoordden, gelijk Jesus hun // gelast had : de Heer heeft het noodig; en zij lieten het hun // toe. En zij bragten de ezelin en het veulen bij Jesus, en // legden hunne kleederen er op, en deden er hem op zitten, v gelijk geschreven staat: vreest niet, dochter van Sion, zie „ uw Koning komt, zittende op het veulen eener ezelin. Dit // verstonden zijne discipelen in het eerst niet; maar, als Jesus //verheerlijkt was geworden, toen werden zij gedachtig, dat ,/ dit van hem geschreven stond, en zij hem dit hadden ge-n daan.quot; Hoe eenvoudig, hoe nederig is die intrede des Hee-ren in Jerusalem ! JViet op een prachtigen wagen, maar op de wijze, door de min-gegoeden in het Oosten gevolgd, namelijk, gezeten op een veulen, waarnaast eene ezelin gaat, om het veulen gewilliger te doen loopen, trekt Hij naar Jerusalem op. ,/ Als nu de groote schare, die tot het feest gekomen was, ,/ gehoord had, dat Jesus naar Jerusalem toog, namen zij tak-// ken van palmboomen, trokken Hem te gemoet en riepen: // Hosanna! Gezegend, die komt in den naam des Heeren, u de Koning van Israël! En eene groote menigte spreidde hare // kleederen op den weg, en anderen hieuwen takken van de „ boomen, en strooiden ze langs den weg. En de scharen, die „ vooruitgingen, en die volgden, riepen, en zeiden : Hosanna t/ den Zoon van David! Gezegend Hij, die komt in den Naam // des Heeren! Gezegend het rijk, dat komt, van onzen vader u David! Hosanna in het allerhoogste! De Phariseën konden // hun spijt over deze openbare hulde, welke Jesus ontving.

-ocr page 183-

PALMZONDAG. 157

u uiet verbergen, en zeiden tot Hem ; „ Meester bestraf uwe n leerlingen! Hij echter sprak tot hen : Ik zeg u : indien deze v zwijgenj zullen de steenen roepen.quot;

Plegtig herdenkt de Kerk heden die heuglijke gebeurtenis; zij stelt ons, op eene aanschouwlijke wijze, den roemvollen intogt van den Heiland in Jerusalem voor oogen. In dezen tijd van droefheid wil zij ons een oogenblik vreugde vergunnen, opdat ook wij, met blijde harten, den Heere Jesus voor onzen Koning zouden uitroepen. Vreugde en droefheid mengen zich op dezen dag te zamen, en daarom drukken ook de H. Diensten nu eens blijdschap uit, wanneer de Kerk de vreugdekreet van ■Jerusalem, het hosanna den Zoon van David herhaalt; en dan wederom droefheid, wanneer zij ons het lijden van haren godlijken Bruidegom verhaalt en over diens smarten weent.

De H. Dienst van Palmzondag bestaat uit drie verschillende plegtigheden, te weten : de Palmwijding, de daarop volgende Processie en de H. Mis.

De eerste dezer drie plegtigheden is de Wijding der palmen. Met de paarsche koorkap bekleed, en van een Diaken en Subdiaken begeleid, bestijgt de dienstdoende Priesterhetaltaar. Hij leest een antiphoon bij wijze van Introïtus en bidt de Collecte; de Subdiaken zingt den Epistel, de Diaken het Evangelie, dat ons JesusJ intrede in Jerusalem verhaalt, en na een zinrijk gebed, heft de Priester de Prefatie aan. Alles, in één woord, volgt elkaêr in dier voege op, alsof het H. Misoffer ware begonnen en voltrokken worden moest. Maar, zoodra het driemaal heilig gezongen is, worden deze plegtigheden afgebroken, en de eigenlijke Palmwijding begint. De Priester spreekt, in den naam der Kerk, over de palmen zin-en zegenrijke gebeden uit, waarin de beteekenis der gewijde palmen verklaard, en aan de luistervolle intrede van Jesus in Jerusalem herinnerd wordt. Vervolgens worden die palmtakken met wijwater besproeid, bewierookt en aan de aanwezige

-ocr page 184-

158 PALMZONDAG.

priesters en leeken uitgedeeld. Gedurende de Processie, en onder de H. Mis, tijdens de Consecratie, en wanneer de lijdensgeschiedenis des Heeren wordt gezongen, dragen de ge-loovigen de gewijde palmen in hunne hand, ten bewijze van hun geloof, en ten teeken van hun vertrouwen op Gods bijstand en hulp. Na de H. Dienst, nemen zij die palmen meê naar hunne woning, planten ze op hunne akkers, plaatsen ze aan den ingang van hun huis, versieren er het kruisbeeld mede, ol leggen ze, bij het wijwater, in hun slaapvertrek. De wereldsch-gezinde mensch ziet met minachting op dit vroom gebruik neder, omdat hij er niet aan denkt, dat de gebeden en de zegen der Kerk die palmen hebben geheiligd, dat die zegen deze stoflijke voorwerpen tot de bovennatuurlijke orde verheven, en hun de kracht verleend heeft, om ons ligchaam en onze ziel, onzen akker en onze woning, te bewaren voor schade en allerlei ramp! Immers, wanneer de Kerk haren zegen uitspreekt, dan wenscht zij hem niet alleen toe, maar geeft hem waarlijk en met der daad. En wat dan vraagt zij van den Heer, wanneer zij de palmtakken door haren zegen wijdt? // Dat die-// genen, o Heer, — zoo bidt zij bij die wijding, — dat die-„ genen, o Heer, die deze olijftakken ontvangen, uwe bescher-// ming voor hunne ziel en hun ligchaam ontwaren! Dat die ,/takken ons een hulpmiddel ter zaligheid wezen, en een u onderpand van uwe genade! Uw zegen ruste op die plaatsen, n waar deze palmen, ter eere van uwen Naam gewijd, zullen // worden neergelegd; en dat zij allen, die deze plaatsen be-// wonen, aan uwen zegen deelachtig worden! quot;

Soms gaat de wereldling zoover, dat hij den spot drijft met dit aloud en godvruchtig gebruik. Ja, hij heeft er zoo lang mede gespot, totdat hij, aan menige arme ziel, die te midden van hare ontberingen en harer ellende, geen ander goed, geen anderen troost dan Godsdienst en Godsvrucht op deze wereld bezat, kwaadaardig dat dubbel, dat kostbaar kleinood ontnomen

-ocr page 185-

PALMZONDAG. 159

heeft. Hij weet misschien niet, hoe groot de wonde is, welke hij heeft geslagen; hij kent de diepte niet van den afgrond , dien hij heeft gedolven, en waarin hij-zelf zal vergaan. Hij trede de woning van den armen, door hem van Godsdiensten Godsvrucht beroofden werkman binnen, en hij beschouwe zijn werk! Aan dien naakten wand, naast dat harde leger, boven die gebroken tafel, waarop soms geen bete broods meer ligt om den nijpenden honger te stillen, hing vroeger het beeld van den armen en lijdenden Jesus; en dat Kruis werd, op dezen dag, met een gewijden Palmtak versierd. Neergeknield voor dat Kruisbeeld, bad hij, iederen morgen ; Geef ons heden om daqeljksch brood. Werd soms zijne bede niet verhoord; had hij te vergeefs aan nlle deuren geklopt, om, door harden arbeid, een karig dagloon te verdienen, waardoor hij in de dringendste behoefte der zijnen kon voorzien; keerde hij moedeloos en afgemat in zijne koude woning weder, zonder de tranen te kunnen stillen van een onnoozel wicht, dat, op de armen zijner hongerende moeder, om een luttel broods tot zijnen vader riep en weende, dan knielde hij, met zijne geliefden voor datzelfde Kruisbeeld neder, en, met tranen in zijne stem, sprak hij tot zijnen Verlosser : Uw wil geschiede; en dat woord gaf kracht en sterkte, ja, bragt niet zelden redding aan.

Spotter! gij hebt den gewijden Palm van dat Kruisbeeld afgerukt, en nu is ook dat Kruisbeeld-zelf uit dat verblijf der smarte verdwenen. Maar, daar stijgt ook thans geen bede meer ten hemel: daar verneemt gij de taal van geduld, van onderwerping aan Gods heiligen wil niet meer. Daar, waar vroeger een ellendige met zijn hard iot tevreden woonde, brult nu een ongetemde tijger, die een kreet van wanhoop en een afschuwlijken gil van wraak en bloed hooren doet. Sedert hij zijn ong niet meer ten hemel heft, heeft het zich op u, op u, spotter, gevestigd. Hij ziet uwe rijkdommen, hij aanschouwt uwe schatten, hij staart woedend op de pracht en de weelde, welke gij

-ocr page 186-

160 PALMZONDAG.

ten toon spreidt. Huilend roept liij uit: zou ik van honger en ellende vergaan, terwijl anderen zich in genoegen baden ? Zij hebben lang genoeg zich met mijn zweet verrijkt; zij hebben lang genoeg het vet der aarde bezeten! Mijn dag is gekomen, het nur is daar, om hun lot tot het mijne, mijn lot tot het hunne te maken. Broeders, zoo roept hij den deelgenooten zijner ellende toe ; Broeders, wij hebben allen hetzelfde regt op alle goederen der aarde! Hij krenkt ons regt en pleegt diefstal aan ons, hij, die méér durft bezitten dan wij, hij, die rijk durft zijn, terwijl wij in diepe armoede gedompeld liggen. Laten wij die verdrukkers den oorlog verklaren, op leven en dood. Wij hebben niets te vreezen in dien strijd: wij zijn duizend gespierde mannen tegen één verwijfden meester! De overwinning is aan ons; wie zou ze ons betwisten? En, moesten wij ook al bezwijken , en onder de puinhoopen der ve rniefigde maatschappij worden begraven, wat ligt er ons aan gelegen? Er zou des te eerder een einde zijn aan ons lijden, en wij zouden ten minste eene voldoening, den zoeten wellust mogen smaken eener bittere wraak !

Zóó redeneert het Socialisnius, de scherpe geesel onzer dagen, die eens den godloozen spotter, met den liefdeloozen rijken kastijden zal. Zoo spreekt de Proletariër, gelijk men den quot;Werkman thans pleegt te noemen, aan wien men de godsvrucht, en na de godsvrucht het geloof, en met het geloof alle geduld en lijdzaamheid ontnomen heeft. Ach! had die ongelukkige nog het Kruisbeeld, met den palm getooid, in zijne woonstede bewaard; had hij, voor dat Kruisbeeld neergeknield, den Heiland in zijne naaktheid en armoede beschouwd, en aan zijne voeten gebeden, dan zou het eerste gevoel van wraak in zijne kiem gesmoord, de eerste toon van ongeduld en klagt op zijne lippen gestorven zijn. Nu, helaas! is zijne ziel verwond, en wie zal ze genezen? Nu smeedt hij plannen van verwoesting, en wie zal ze verijdelen?

-ocr page 187-

PALMZONDAG. 161

Spotter! gij beeft bij de gedachte aan het onheil, dat u dreigt, gij siddert bij het denkbeeld van het gevaar, dat u staat te wachten, en dat, van dag tot dag, grooter wordt en nader ko mt. Ach! erken, maar erken met tranen van berouw, dat gij-zelf den storm hebt gewekt, die u dreigt te verpletten : ivant, die wind zaait, moet crkaan oogsten. Herstel, indien gij kunt, het kwaad, wat gij hebt aangerigt. Giet in de diepe wonden, welke gij hebt geslagen, den olie en den wijn van den barmhartigen Samaritaan; den olie, namelijk, der barmhartigheid , niet den ontstekenden en prikkelenden olie der philan-tropie, maar den verzachtenden olie eener medelijdende en weldadige naastenliefde! Voeg bij dien olie een heelenden en versterkenden wijn, niet den zuren wijn eener valsche wijsbegeerte of staatshuishoudkunde, maar den geurigen wijn van een levendig Geloof, dat zich door goede werken en stichtende voorbeelden toont, en overal den kostlijken geur van Jesus-Christus verspreidt. Maar keer, voor alles, eerst zelf terug op de heilaanbrengende wegen van den Godsdienst en der Godsvrucht : zij alléén kunnen heul en redding aanbrengen, want aan haar alléén zijn de leloften gedaan van geluk, voor tijd en eeuwigheid.

Doch keeren wij weder tot de feestviering van dezen dag. Zoodra de Zegening der palmen geëindigd is, begint de Processie, welke men als de voortzetting dier wijding beschouwen kan. Het is bijzonder door dezen plegtigen Omgang, dat Jesus\'\'glorierijke intredein Jerusalem levendig wordt afgebeeld. Daarom dragen Priesters en leeken, gedurende de Processie, de gewijde palmen in hunne hand, en daarom ook herhaalt het koor, verscheiden malen, den triomftoon, die eigen is aan dezen dag : Hosanna, den Zoon van David, gezegend zij Bij, die komt in den Naam des Heer en. Wij ook gaan op dezen dag onzen Koning te gemoet, en zingen een loflied den overwinnaar des doods ter eere, omdat Hij zijn volk heeft verlost.

12

-ocr page 188-

162 PALMZONDAG.

Tijdens de middeleeuwen, was het op verscliillende plaatsen gebruiklijk, liet Evangelieboek, als zinnebeeld onzes Heeren Jesus Christus, wiens woorden het bevat, in deze Processie rond te dragen. Op eene bepaalde plaats hield de Omgang stil ; de Diaken opende het H. Boek, en zong daaruit het verhaal van Jesus\'plegtig onthaal te Jerusalem; daarna ontdekte men het Kruisbeeld, dat vooraan in de Processie gedragen werd, en alle Priesters naderden het, om, als huldebewijs, een gedeelte hunner palmtakken aan den voet er van neer te leggen. Vervolgens zette de Processie haren weg voort, terwijl het Kruisbeeld ontbloot bleef, totdat men de Kerk weêr binnentrad. De zin dezer ceremonie is ligt te begrijpen : want, wordt het Kruisbeeld met een voorhang bekleed, wegens de vernederingen, den Heer aangedaan, clan mogt die voorhang wel voor een oogenblik worden weggenomen bij die roemrijke , maar kortstondige huldiging, die den Verlosser op dezen dag te beurte viel. In Engeland en Nornaandië bestond een ander gebruik, dat nog levendiger aan die groote gebeurtenis herinnerde. De Heer Jesus, namelijk, werd aldaar Zelf in het Allerheiligste Sakrament, bij de Processie rond gedragen, ter vernedering van de ketters, die de dwaalleer van Berengarius aankleefden, en ter verheffing van dit hoog-heilig Geheim, dat door genoemden ketter, voor de eerste maal, sedert de stichting van Jesus\' Kerk op aarde, openlijk geloochend was.

Wanneer de Processie haren togt heeft volbragt, en op het punt staat, om de Kerk wederom binnen te trekken, vindt zij de deur van het Heiligdom gesloten. Zij staat dus stil, maar de triomfzangen duren voort. Binnen de kerk heft de teedere stem der koorknapen den Lofzang aan : gloria, laus et honor tibi sit enz., dien ïheodulphus. Bisschop van Orleans, vervaardigde, toen hij, tengevolge van valsche beschuldigingen, door Karei den Goede, in de gevangenis geworpen was. Het koor, dat buiten de kerkdeur staat, herhaalt het gloria, laus

-ocr page 189-

PA LM ZON DAG. 163

et honor, na iedere strophe, welke de koorknapen zangen. De kinderstemmen, die in de Kerk Jesus als Koning en Verlosser prijzen, verbeelden de Engelen, die, in het heiligdom des Hemels, de intrede des Heilands in zijn eeuwig Koningrijk bezingen, terwijl het koamp;r, dat buiten de kerk den kinderzang herhaalt, het menschdom verbeeldt, dat, nog verwijderd van de woning der gelukzaligen, slechts de intrede viert van Davids Zoon in het aardsch Jerusalem. Is deze lofzang geëindigd , dan verheft de dienstdoende Priester zijne stem en zingt, tot driemaal toe, terwijl hij telkens een toon hooger aanslaat: ontgrendelt uwe deuren, o Vorsten, en gij, eeuwige poorten , opent u, opdat de Koning der Heerlijkheid binnentrede!

Wie is die Koning der Heerlijkheid? vragen, al zingend, telkens de koorknapen, die zich nog alleen bevinden in de kerk. Het is de Heer, sterk en mag tig, zoo antwoordt, twee keeren de Priester, de Heer, mag tig in den strijd. Ten derden male, antwoordt hij ; de Heer der heerkrachten, dat is die Koning der heerlijkheid. Dan klopt de Subdiaken, met het kruis, hetwelk hij in zijne hand voert, op de kerkdeur; deze wordt alsdan geopend, en de Processie trekt den tempel binnen, terwijl zij Hem looft, in hare gezangen, die alléén de Opstanding en het Leven is.

Door deze beteeknisvolle plegtigheid, wordt ons de intrede voorgesteld van den Godlijken Verlosser, in dat ander Jerusalem, waarvan de Joodsche stad slechts het zinnebeeld was. Dat ander Jerusalem is de Hemel, dien Jesus ons geopend heeft door zijn bloed. De eerste mensch had, door zijn val, ons de deuren van het hemelsch Jerusalem gesloten; maar Jesus, de Koning der Heerlijkheid, heeft ons, door de kracht van het Kruis, die deuren weer geopend. Zóó brengt de Kerk onze gedachten al hooger en hooger : in het begin herinnerde zij ons aan eene zeer gewigtige gebeurtenis, die , vóór achttien eeuwen, op dezen dagplaatshad, en bij het eindigen der Processie,

-ocr page 190-

164 PALMZONDAG.

voert zij onzen geest op tot het glorievolle geheim van \'s Hee-ren Hemelvaart, waardoor de zending van Gods Zoon op aarde, in den Hemel, haar einde neemt. Maar de dagen, waarop deze dubbel zegevierende intrede des Heereu wordt herdacht, zijn ver van elkander verwijderd, en de tijd, dietusschen het een en het ander feest inligt, is niet altijd een tijd van vreugd. Dagen van droefheid en smart moeten dit tweede feest nog voorafgaan, en daarom laat ook heden de Kerk, na een oogen-blik hare droefheid te hebben laten varen, hare tranen wederom vloeijen en hare zuchten hooren, op nieuw. Diepe droefheid kenmerkt de H. Mis en de andere H. Diensten van dezen dag. Voor de eerste maal wordt heden het verhaal des lijdens van den Heer in zijn geheelen omvang, voorgelezen of gezongen, en, zeker, is er niets meer geschikt, om aller harten tot treurigheid te stemmen. Sedert vijf of zes eeuwen wordt dit Evangelie op eene bijzondere, ik zou bijna zeggen, op eene dramatische wijze voorgedragen. De Mis-Diaken zingt alléén het laatste gedeelte ervan; het lijdensverhaal wordt door drie andere diakens gezongen, zonder dat een hunner het Evangelieboek bewierookt, of de koorknapen met brandende kaarsen naast hen staan. Op een ernstigen toon zingt een der Diakens het verhaal van den Evangelist; de tweede zingt, op zachten en lagen toon, de woorden van Hem, die van zich-zelven getuigt, dat hij zachtmoedig en ootmoedig van harte is; de derde, eindelijk, heft een hoogentoon aan, die tot in het binnenste der ziele dringt, wanneer hij de moordkreten der Joden herhaalt, ot de godslasteringen, welke zij tegen den Gekruiste uitbraakten. Tijdens het zingen van de Passie, houden allen hunne palmtakken in de hand, om door dit teeken Hem voor hunnen God en Koning te erkennen, Hem, die door het Jodendom verworpen en ter dood veroordeeld werd.

Ziedaar de plegtigheden, en tevens de verheven beteekenis der ceremoniën van dezen dag, die algemeen Palmzondag,

-ocr page 191-

PALMZONDAG. 165

doch, op enkele plaatsen, ook Hosanna-zondag genoemd wordt. De Franschen heeten hem ook wel: de Zondag van het bloei-jende Paachen, omdat het groote Paaschfeest, dat na verloop van eene week zal opdagen, nu reeds in bloei staat, en men van dezen dag af aan zijnen paaschpligt al kan voldoen. Aan deze Fransche uitdrukking, die mede in Spanje gebruiklijk is, heeft Florida, dat op dezen dag, in 1513, door de Spanjaarden werd ontdekt, zijn naam te danken. Ook werd deze dag soms Cajo\'dUavium geheeten, wegens de hoofdwassching der kinderen, die met Goeden Zaturdag moesten worden gedoopt. Om een soortgelijke reden, wegens de laatste voorbereiding, namelijk, der Catechumenen V(j(5r hun H. Doopsel, werd deze dag ook wel Pascha competentmm genoemd.

LOFZANG.

Vexilla Regis prodeunt.

Ontrol des Konings Zegevaan, De kruisbanier, het levensteeken,

Dat hel en dood te niet deed gaan, En licht in \'t duister door deed breken.

De wonde in des Verlossers zij,

Die bloed met water heeft doen vloeijen. Was balsemdruplend ook voor mij. Om de erfsmet uit de ziel te roeijen.

Nu, David, is uw woord vervuld, Tot troost der Volken, die het zagen : God heeft, in \'t aardsche kleed gehuld. Op \'t hout zijn Rijkstroon neergeslagen.

-ocr page 192-

PALMZONDAG.

o Kruisboom, schittrend-schoon van gloor, Met Koningspurper opgeluisterd,

Hoe blinkt uw smaadheid heerlijk door, Hoe hebt ge alle aardsche praal verduisterd !

Op u heeft \'s Heeren last gedrukt,

Om onze borst er van te ontheffen.

Aan ii is \'t zegeloof geplukt .

En stierf de schuld, die ons moest treffen.

ó Kruisboom, teeken van gena.

Kom, bij \'t herinren van Gods lijden. Ons met Geloof en Hoop te sta,

Opdat wij in \'t hart de Liefde u wijden.

Scheuk, Bron van heil. Drievuldigheid, Dat ons, die lof en eere U geven. Het Kruis de zege op aard bereid\',

Iti6

En we in zijn schaduw eeuwig leven.

Overweging.

Overweeg, o Christen, de intrede van Jesus in Jerusalem, on zie hoe vaak hetgeen daar voorviel, zich hernieuwt, wanneer Jesus, door het allerheiligste Sakrament, het hart der geloovigen binnentreedt. quot;Die godlijke Heiland komt tot ons, in de H. Communie, als een allerzachtmoedigste Koning. Met hoeveel bewijzen van eerbied, met hoeveel teekenen van godsvrucht wordt Hij niet ontvangen? Wat is men niet geregtigd, om van al deze liefdeen eerbewijzen te verwachten? Welke zedeher vorming, welke tee-dere godsvrucht, welke regelmatigheid iu handel eu wandel? Maar, helaas! ook bij de Christenen ziet men soms hetzelfde gebeuren, dat in deze week, bij de Joden plaats had. Jesus Christus wordt als Messias ontvangen, en terstond wederom vergeten of miskend. Zes dagen na zijn plegtigen intogt in Jerusalem , werd de godlijke Heiland er met ongehoorden smaad

-ocr page 193-

GOJSDE DONDERDAG.

167

bejegend, en met barbaarsche wreedheid verguisd. De Christen wacht soms niet eens zoo lang, om Hem te beleedigen, die hij in de Paaschcommunie ontvangen heeft. Blijft men lang verwijderd van die wereldsche bijeenkomsten, waar men zich zoo zeer schaamt over zijn geloof, vau die schuldige vermaken , van die heidensche tooneelen, waar de duivel zich zoo ruim schadeloos stelt voor het verlies, wat hij door eene kortstondige godsvrucht had ondergaan? Hoevelen hebben daar, door hunne booze werken, den moordkreet der Joden niet herhaald tegen Hem , die zich voor weinige dagen aan heu had gegeven, om de spijs en de drank hunner zielen te zijn? Hoe weinigen zijn er, die op den goeden weg\' volharden ! Moge ons geweten ons de getuigenis geven , dat wij tot het getal dier ondankbaren niet behooren !

O mijn God! zou het mogelijk zijn, dat ik, na de ernstige overweging der Joodsche ondankbaarheid, mij ooit nog aan diezelfde ondankbaarheid zou schuldig maken ? Laat dit niet toe, o mijn God! en doe mij duizendmaal liever het leven verliezen, dan uwe liefde en uwe genade te verbeuren ! Nooit, o mijn God, wil ik U meer verlaten : ik wil altijd aan ü gehecht blijven, het koste wat het wil! Nu en immer, zal ik, met een hart vol liefde, tot U, mijn Verlosser toeroepen : Hosanna, den Zoon van David, gezegend zij Hij, die daar komt in den Naam des Heer en : Hosanna in het allerhoogste /

GOEDE DONDERDAG.

ijn wij niet in het midden der groote lijdensweek gekomen? Zijn wij heden niet op den vooravond van Jesus\' smartvol-len dood? Is het niet heden de dag, waarop de Koning der eeuwen, wiens Rijk geen einde zal hebben, door een zijner Apostelen verraden werd? Is het niet de dag, waarop de godlijke Heiland, in angst en benaauwdheid, bloedig zweet in den

-ocr page 194-

168 GOEDB DONDERDAG.

olijfhof stortte, eu gevaugeu voor de regtbank van Annas

en Caïplias werd gesleurd ?

Maar, hoe komt het dan, dat de paarsche voorhang vau het kruis afgenomen en door een hagelwitte doek vervangen is ? Vanwaar dan die witte kaarsen op het filtaar ? Vanwaar die luister in het heiligdom ? Waarom dan luiden zoo feestlijk alle klokken van den toren, eu paren zij hare krachtige stemmen met de welluidende toonen van het orgel-accoord? Waarom heeft, op een dag van zulke droevige herinnering, de Bedienaar des heiligdoms het treurkleed afgelegd en verschij nt hij in feestgewaad? Waarom aarzelt hij niet, het zoolang uit den kerkdienst verwijderde lied der Engelen, met de volle borst aan te heffen ? Waarom, in één woord, al die vreugdeteekenen op een dag, die treuriger dan alle andere dagen in de kerk moest worden herdacht ?

Ja, het is op den avond van dezen dag , dat het bitter lijden des Heeren een aanvang nam, en daarom treurt de Kerk in hare getijden; maar het is ook op dezen-zelfden avond, dat de Heere Jesus het ofter der Nieuwe Wet en het Priesterschap des Nieuwen Verbonds instelde. Op dezen avond schonk de godlijke Bruidegom aan zijne geliefde Bruid den kostbaarsten aller schatten, het hoogheilige Sakrament, dat de hartader is van het leven der Kerk, het voorwerp van al hare feestvieringen, hare kroon, haar sieraad en haar roem ! Eu daarom is op dezen dag der geheimen, gelijk hij in het Oosten wordt genoemd, vreugde naast droefheid geplaatst. Daarom was deze dag, van de Aposteltijden af, een groote en pleg-tige dag in Gods heilige Kerk ! Op dezen dag werd zelfs, in vroegere tijden, de strengheid van de vaste getemperd, en vandaar, zoowel als naar den witte voorhang, die heden het kruis bedekt, werd hij Witte Donderdag genoemd. Na deze mede-deeling moet het ons dan ook niet verwonderen, dat het hoogaltaar heden feestlijk is getooid. Daar, immers, rust onophou-

-ocr page 195-

GOEDE DONDERDAG. 169

delijk de kostbare schat, die ons op dezen dag werd geschonken; daar rust bij dag en bij nacht, onder broodsgedaante, verscholen, Jesus\' Ligchaam en Bloed; daar wordt telken dage het onbloedig Offer der Nieuwe Wet aan den eeuwigen Vader opgedragen. En wanneer dus zou dat altaar eerder in volle pracht verschijnen, dan op dezen dag?

Maar wij willen de daaraan verbonden plegtigheden niet vooruit loopen. Wij moeten, integendeel, wegens haar getal en hooge beteekenis, ze van elkander scheiden, en achtervolgens afzonderlijk nagaan.

DE DONKERE METTEN.

In de laatste drie dagen der Goede Week vervroegt de Kerk het uur der nachtgetijden, opdat de geloovigen ze gemaklij-ker zouden kunnen bijwonen. In deze heilige diensten is alles treurig en somber : zij malen ons met de levendigste kleuren de droefheid, waarin de Kerk gedompeld is, en zouden den godvruchtige, die ze bijwoont, bijna doen gelooven, dat hij bij eene begrafenis tegenwoordig was. De getijden worden, op deze dagen, zonder hoojdman of herder gezongen, opdat wij, den godlijken Verlosser in zijne verlatenheid betrachtende, de voorzegging van den Profeet zouden herdenken : ik zal den herder slaan, en de schapen der hulde zullen verstrooid vjor-den. Het gewone voorgebed, en evenzoo de dubbele bede : Heer, open mijne lippen, om moen lof te zingen ; Heer, kom mij te hulp; Heer, haast U, om mij te helpen, worden achterwege gelaten; zelfs het Eere zij den Vader en den Zoon en den H. Geest, dit eeuwige loflied, der Allerheiligste Drieëenheid ter eere, dat, op alle andere tijden, onophoudelijk weerklinkt in de gebeden der Kerk, wordt in deze dagen geen enkele keer meer gehoord. De zang der psalmen is zoo somber, alsof hij met tranen en zuchten ware doormengd, en, nog treuriger

-ocr page 196-

ITO GOEDE DONDERDAG.

clan de psalmen weerklinken, in de eerste nachtwake, de treurige klaagliederen van den allertreurigsten der Profeten. Jerusalem was ontrouw geworden aan zijnen Meester, en had zijn knie voor valsche goden gebogen. De gramschap des Heeren was door die euveldaad gewekt, en zijne straffende hand viel loodzwaar op het zondige Israël neer. Jerusalem werd verwoest, het heilige der heiligen werd onteerd, en, alseene kudde vee, werd het uitverkoren volk gevangen en in ballingschap naar Babyion vervoerd. Met onnavolgbare woorden klaagt Je-remias in zijne liederen over het bittere lot van zijn volk, en schildert met vurige trekken de schrikbarende straffen af, die op het ongeloovig Jerusalem zijn neergestort. Die straffen, echter, die verwoesting, die gevangenis, die ballingschap, waren slechts de figuur der kastijding, die het joodsche volk, voor eene nog grootere misdaad, te wachten stond, en niet zestig jaren, maar tot het einde der eeuwen duren moest.

Die ijzingwekkende vloek, waaraan de komst van Elias, vóór het wereldgerigt, slechts een einde zal maken, rust alreeds sedert achttien eeuwen op het joodsche volk, omdat het zijn Messias verworpen, en zijne handen door een Godsmoord bezoedeld heeft. Wanneer nu het jaar, in zijnen loop, de dagen terugbrengt, waarop deze misdaad der misdaden werd begaan, dan stemt de Kerk, met het oog op de bittere straf, welke Israël verduurt , de klaagliederen van Jeremias aan : zij zingt ze op eene droevige wijze, die van de oude joodsche tijden herkomstig is, en spoort, bij het eindigen van ieder lied, het verblinde jodendom tot bekeering aan, terwijl zij het deze hartroerende woorden toevoegt; Jerusalem, Jerusalem, heer toch terug tot uwen Heer en uwen God! Deze woorden echter zijn niet alleen tot de Joden gerigt, maar ook tot ons. Ons geest-lijk Jerusalem, onze arme ziel, is misschien ook op dit oogen-blik nog in een betreurenswaardigen staat; zij ligt misschien nog in de banden der zonde gekluisterd, en dan is zij ook ver-

-ocr page 197-

GOEDE DONDERDAG. 171

woest eu outeerd, want schrikbareud is de verwoesting, welke de zonde in het hart aanrigt, en ontzettend is de gruwel, welke zij brengt in het heiligdom der ziel. Ook tot u, zondaar, roept in deze dagen de klagende stem der Kerk : Jerusalem, Jerusalem, arme en ellendige zondaar, beheer u dan toch, eindelijk, tot uwen Heer en uwen God. — Na ieder uur der Getijden, wordt de psalm Miserere, die zoo zeer geschikt is om ware gevoelens van berouw in ons op te wekken, gebeden, en ter verlevendiging van onze hoop en van ons betrouwen op vergeving, wordt telkens na het Miserere, een gebed uitgesproken, dat ons aan den kruisdood des Heeren herinnert, als aan de bron van alle verdiensten, aan de oorzaak onzer hoop.

Men noemt den nachtdienst der laatste drie dagen van de Goede Week gewoonlijk de donkere Metten. Zij dragen dezeu naam niet alleen daarom, dewijl deze dieust laat in den namiddag begint en eerst na zonne-oiidergang eindigt, maar ook nog wegens eene zinrijke eu treffende plegtigheid, die in den dienst dezer drie dagen alleen voorkomt. Er wordt, namelijk, digt bij het altaar een groote driehoekige kandelaar geplaatst, waarop vijftien gele waskaarsen gezet en ontstoken worden. Na iederen psalm of eiken lofzang, wordt eene dezer kaarsen gedoofd, met uitzondering evenwel van de kaars, die op de spits van den driehoek staat. Onder den lofzang Bene-dictus, op het einde der Laudes, worden, na gelijke tus-schenpozing, ook de zes kaarsen, die op het altaar branden, gebluscht. Wanneer de Antiphoon na den Benedictus gezongen wordt, neemt de Ceremoniemeester de eenige nog brandende kaars van den driehoek af, houdt haar op het altaar, terwijl gezegde Antiphoon gezongen wordt, en verbergt ze dan, zonder ze uit te dooven, achter het altaar. Zoodra de psalm Miserere en het gebed : respice qucesumus geëindigd zijn, kloppen de zangers, met hunne koorboeken, op de banken, totdat de eenige nog ontstoken kaars, van achter het altaar.

-ocr page 198-

172 GOEDE DONDERDAG.

wederom te voorschijn komt, en den aanwezenden verkondigt,

dat de donkere Metten van dien dag geëindigd zijn.

Laat ons een woord van verklaring bij de zoo even vermelde kerkgebruiken voegen. Wij beleven, in deze week, de dagen, waarop de glorie van den Zone Gods, door zijn smaadvol lijden, in zekeren zin, verduisterd werd. Hij, die voor weinige dagen met zooveel geestdrift door het geheele volk werd ingehaald, wordt nu van allen, zelfs van zijne leerlingen, verlaten. Petrus, ja. Petrus-zelfs, verloochent hem op de stem eener vrouw, eener onbeduidende dienstmaagd. Die gedurig grooter wordende verlatenheid van den lijdenden Jesus wordt ons levendig verbeeld door het achtereenvolgend uitdooven der kaarsen. De op den driehoek geplaatste verbeelden de leerlingen; de kaarsen op het altaar verbeelden Petrus en de andere Apostelen en lievelingen des Heeren. De kaars, die boven op den driehoek staat, is het zinnebeeld des Verlossers, het licht der wereld, dat, hoe ook miskend, echter wel verre van uitgedoofd te worden, op nieuw uit het graf te voorschijn treden en alle volken en landen verlichten zal. Om deze reden wordt die kaars niet uitgedoofd, maar een oogenblik op het altaar geplaatst en dan verborgen, ten einde eerst aan Jesus\' kruisdood en dan aan zijne begrafenis te herinneren. Op het oogenblik, dat Jesus stierf, ontstelde geheel de natuur over haren Scheppers dood; winden loeiden, donders kraakten, rotsen scheurden, het licht der zon verdween, de dood-zelf werd met schrik en angst bevangen; de duistere graven scheurden en vele dooden kwamen uit den schoot der aarde wederom te voorschijn. Ziedaar het feit, waaraan het kloppen op de banken te midden der duisternis ons herinnert. Maar de verwinnaar des doods moet niet voor altijd in het donker graf blijven rusten : na drie dagen zal hij verrijzen en, met eeuwige glorie bekroond, glansrijk te voorschijn treden. Hierop wijst ons het terugbrengen der nog altijd brandende kaars, die, te midden der diepste

-ocr page 199-

GOEDE DONDERDAG. 173

stilte, waarin ieder op dat oogenblik den godlijken quot;Verlosser aanbidt, uit de duisternis te voorschijn treedt en hare verheven plaats wederom inneemt.

Hoe menigmaal hebben wij deze plegtigheden bijgewoond, en toch hoe weinig indruk hebben zij op ons gemaakt, omdat wij in den geest der Kerk niet genoeg indrongen, en misschien de beteekenis niet eens kenden van hetgeen ons op zoo aan-schouwlijke wijze levendig werd voorgesteld?

DE VERZOENING OF VRIJSPRAAK DER OPENBARE BOETELINGEN.

Eertijds werden op Goeden Donderdag drie H. Missen gezongen. Vóór de eerste dezer drie H. Diensten, had de verzoening der openbare boetelingen plaats. Eeeds vroeg in den morgen, stonden zij, in slordige kleederen, barvoets, met lange haren en een sinds Aschwoensdag ongeschoren baard, aan de deur der kerk, wier drempel zij niet durfden overschrijden.

Wanneer de Hooge Priester in het heiligdom verscheen en voor het altaar nederknielde, om de zeven boetpsalmen met de Litanie van alle Heiligen te bidden, dan wierpen zich ook de boetelingen, in het voorportaal der kerk, op hunne knieën neder. Onder de Litanie van alle Heiligen, vaardigde de Bisschop, tot driemaal toe, gezanten naar de openbare boetelingen af, om die zondaars hoop en troostvolle woorden toe te spreken. Eerst kwamen twee Subdiakenen, die den boetelingen zeiden ; // Ik leef, zegt de Heer, ik wil den dood des zondaars niet, maar dat hij zich heheere, en leve.quot; Een tweedemaal , zeiden hun twee andere Subdiakenen : de Heer zegt: // Boet boetvaardigheid, want het rijk der hemelen komt nader Ten derden male, werd hun een diaken gezonden, die hun toesprak en zeide : „ Heft uwe hoofden op, want uwe verlossing is nabij.quot; Hadden deze boden van hoop en troost hunne zending vervuld, dan stond de Bisschop op, en zette zich in

-ocr page 200-

170 GOEDE DONDERDAG.

dau de psalmen weerklinken, in de eerste nachtwake, de treurige klaagliederen van den allertreurigsteu der Profeten. Jerusalem was ontrouw geworden aan zijnen Meester, en had zijn knie voor valsche goden gebogen. De gramschap des Heereu was door die euveldaad gewekt, en zijne straffende hand viel loodzwaar op het zondige Israël neer. Jerusalem werd verwoest, het heilige der heiligen werd onteerd, en, als eene kudde vee, werd het uitverkoren volk gevangen en in ballingschap naar Babyion vervoerd. Met onnavolgbare woorden klaagt Je-remias in zijne liederen over het bittere lot van zijn volk, en schildert met vurige trekken de schrikbarende straften af, die op het ongeloovig Jerusalem zijn neergestort. Die straffen, echter, die verwoesting, die gevangenis, die ballingschap, waren slechts de figuur der kastijding, die het joodsche volk, voor eene nog grootere misdaad, te wachten stond, en niet zestig jaren, maar tot het einde der eeuwen duren moest.

Die ijzingwekkende vloek, waaraan de komst van Elias, vóór het wereldgerigt, slechts een einde zal maken, rust alreeds sedert achttien eeuwen op het joodsche volk, omdat het zijn Messias verworpen, en zijne handen door een Godsmoord bezoedeld heeft. Wanneer nu het jaar, in zijnen loop, de dagen terugbrengt, waarop deze misdaad der misdaden werd begaan, dan stemt de Kerk, met het oog op de bittere straf, welke Israël verduurt, de klaagliederen van Jeremias aan : zij zingt ze op eene droevige wijze, die van de oude joodsche tijden herkomstig is, en spoort, bij het eindigen van ieder lied, het verblinde jodendom tot bekeering aan, terwijl zij het deze hartroerende woorden toevoegt; Jerusalem, Jerusalem, keer toch terug tot uwen Heer en uwen God! Deze woorden echter zijn niet alleen tot de Joden gerigt, maar ook tot ons. Ons geest-lijk Jerusalem, onze arme ziel, is misschien ook op dit oogen-blik nog in een betreurenswaardigen staat; zij ligt misschien nog in de banden der zonde gekluisterd, en dan is zij ook ver-

-ocr page 201-

GOEDE UONDEllüAG. 171

woest en outeerd, waut schrikbareiid is de verwoesting, welke de zonde in het hart aanrigt, en ontzettend is de gruwel, welke zij brengt in het heiligdom der ziel. Ook tot u, zondaar, roept in deze dagen de klagende stem der Kerk : Jerusalem, Jerusalem, arme en ellendige zondaar, hekeer u dan toch, eindelijk, tot uwen Heer en uwen God. — Na ieder uur der Getijden, wordt de psalm Miserere, die zoo zeer geschikt is om ware gevoelens van berouw in ons op te wekken, gebeden, en ter verlevendiging van onze hoop en van ons betrouwen op vergeving, wordt telkens na het Miserere, een gebed uitgesproken, dat ons aan den kruisdood des Heeren herinnert, als aan de bron van alle verdiensten, aan de oorzaak onzer hoop.

Men noemt den nachtdienst der laatste drie dagen van de Goede Week gewoonlijk de donkere Metten. Zij dragen dezen naam niet alleen daarom, dewijl deze dienst laat in den namiddag begint en eerst na zonne-ondergang eindigt, maar ook nog wegens eene zinrijke en treffende plegtigheid, die in den dienst dezer drie dagen alleen voorkomt. Er wordt, namelijk, digt bij het altaar een groote driehoekige kandelaar geplaatst, waarop vijftien gele waskaarsen gezet en ontstoken worden. Na iederen psalm of eiken lofzang, wordt eene dezer kaarsen gedoofd, met uitzondering evenwel van de kaars, die op de spits van den driehoek staat. Onder den lofzang Bene-dictus, op het einde der Laudes, worden, na gelijke tus-schenpozing, ook de zes kaarsen, die op het altaar branden, gebluscht. Wanneer de Antiphoon na den Benedictus gezongen wordt, neemt de Ceremoniemeester de eenige nog brandende kaars van den driehoek af, houdt haar op het altaar, terwijl gezegde Antiphoon gezongen wordt, en verbergt ze dan, zonder ze uit te dooven, achter het altaar. Zoodra de psalm Miserere en het gebed : respice quaisumvs geëindigd zijn, kloppen de zangers, met hunne koorboeken, op de banken, totdat de eenige nog ontstoken kaars, vau achter het altaar,

-ocr page 202-

172 GOEDE DONDERDAG.

wederom te voorschijn komt, en den aanwezenden verkondigt,

dat de donkere Metten van dien dag geëindigd zijn.

Laat ons een woord van verklaring bij de zoo even vermelde kerkgebruiken voegen. Wij beleven, in deze week, de dagen, waarop de glorie van den Zone Gods, door zijn smaadvol lijden, in zekeren zin, verduisterd werd. Hij, die voor weinige dagen met zooveel geestdrift door het geheele volk werd ingehaald, wordt nu van allen, zelfs van zijne leerlingen, verlaten. Petrus, ja. Petrus-zelfs, verloochent hem op de stem eener vrouw, eener onbeduidende dienstmaagd. Die gedurig grooter wordende verlatenheid van den lijdenden Jesus wordt ons levendig verbeeld door het achtereenvolgend uitdooven der kaarsen. De op den driehoek geplaatste verbeelden de leerlingen ; de kaarsen op het altaar verbeelden Petrus en de andere Apostelen en lievelingen des Heeren. De kaars, die boven op den driehoek staat, is het zinnebeeld des Verlossers, het licht der wereld, dat, hoe ook miskend, echter wel verre van uitgedoofd te worden, op nieuw uit het graf te voorschijn treden en alle volken en landen verlichten zal. Om deze reden wordt die kaars niet uitgedoofd, maar een oogenblik op het altaar geplaatst en dan verborgen, ten einde eerst aan Jesus^ kruisdood en dan aan zijne begrafenis te herinneren. Op het oogenblik, dat Jesus stierf, ontstelde geheel de natuur over haren Scheppers dood; winden loeiden, donders kraakten, rotsen scheurden, het licht der zon verdween, de dood-zelf werd met schrik en angst bevangen; de duistere graven scheurden en vele dooden kwamen uit den schoot der aarde wederom te voorschijn. Ziedaar het feit, waaraan het kloppen op de banken te midden der duisternis ons herinnert. Maar de verwinnaar des doods moet niet voor altijd in het donker graf blijven rusten : na drie dagen zal hij verrijzen en, met eeuwige glorie bekroond, glansrijk te voorschijn treden. Hierop wijst ons het terugbrengen der nog altijd brandende kaars, die, te midden der diepste

-ocr page 203-

GOEDE DONDERDAG. 173

stilte, waarin ieder op dat oogenblik den godlijken Verlosser aanbidt, uit de duisternis te voorschijn treedt en hare verheven plaats wederom inneemt.

Hoe menigmaal hebben wij deze plegtigheden bijgewoond, en toch hoe weinig indruk hebben zij op ons gemaakt, omdat wij in den geest der Kerk niet genoeg indrongen, en misschien de beteekenis niet eens kenden van hetgeen ons op zoo aan-schouwlijke wijze levendig werd voorgesteld ?

DE VERZOENING OP VRIJSPRAAK DER OPENBARE BOETELINGEN.

Eertijds werden op Goeden Donderdag drie H. Missen gezongen. Vóór de eerste dezer drie H. Diensten, had de verzoening der openbare boetelingen plaats. Reeds vroeg in den morgen, stonden zij, in slordige kleederen, barvoets, met lange haren en een sinds Aschwoensdag ongeschoren baard, aan de deur der kerk, wier drempel zij niet durfden overschrijden.

Wanneer de Hooge Priester in het heiligdom verscheen en voor het altaar nederknielde, om de zeven boetpsalmen met de Litanie van alle Heiligen te bidden, dan wierpen zich ook de boetelingen, in het voorportaal der kerk, op hunne knieën neder. Onder de Litanie van alle Heiligen, vaardigde de Bisschop, tot driemaal toe, gezanten naar de openbare boetelingen af, om die zondaars hoop en troostvolle woorden toe te spreken. Eerst kwamen twee Subdiakenen, die den boetelingen zeiden : ,/ Ik leef, zegt de Heer, ik wil den dood des zondaars niet, maar dat hij zich hekeere, en leve.quot; Een tweedemaal , zeiden hun twee andere Subdiakenen : de Heer zegt: // Boet loetvaardigheid, want het rijk der hemelen komt nader.quot; Ten derden male, werd hun een diaken gezonden, die hun toesprak en zeide : ,/ Heft uioe hoofden op, want uwe verlossing is nabij.quot; Hadden deze boden van hoop en troost hunne zending vervuld, dan stond de Bisschop op, en zette zich in

-ocr page 204-

1.74 GOEDE DONDERDAG.

liet midden der kerk, met liet gezigt naar de boetelingen gekeerd, op een zetel neder. Daar kwam de Aartsdiaken bij de Bisschop en smeekte hem, met hartroerende woorden, dat hij zich mogt gewaardigen, zijne boetende kinderen in barmhartigheid op te nemen, en met de Kerk te verzoenen. Wij zeggen, met de Kerk, dewijl deze boetelingen reeds vroeger, in het Sakrament van boetvaardigheid, de vergiffenis hunner zonden en de kwijtschelding der eeuwige straffen hadden ontvangen, en in zooverre reeds met God waren verzoend. Na het verzoek van den Aartsdiaken sprak de Bisschop tot de nog altijd neergeknielde boetelingen over Gods oneindige barmhartigheid; hij wees hun den weg aan, dien zij voortaan moesten bewandelen, en zeide hun, ten slotte : Komt, mijne kinderen, en hoort naar mij, ik zal u de vreeze des Heeren leer en. Dan stonden de boetelingen op, en de Aartsdiaken rigtte voor hen de volgende bede tot den Bisschop : gelief in deze boetende zondaars te herstellen, wat de duivel, door zijne kwade ingevingen, in hen heeft bedorven en vernield. — Zijn zij dan nu waardig, vroeg de Bisschop, om aan de genade der verzoening deelachtig te worden? Ja, antwoordde terstond de Aartsdiaken, ja, ik weet en getuig, dat zij die waardig zijn. Door deze getuigenis gerust gesteld, nam de Bisschop een der boetelingen bij de hand, en deze hielden op dezelfde wijze de een zich aan den ander vast, en zoo trokken zij allen, door den Bisschop geleid, de kerk binnen, en naderden tot bij den zetel, vanwaar de Hooge Priester hun het eerst toegesproken had. Inmiddels zong het koor : // Voorwaar, ik zeg het u, Gods Engelen verheugen zich , wanneer ook waar één zondaar boetvaardigheid doet.quot; ,/ Verheug «, mijn zoon, wan/ mv broeder was verloren, maar hij is teruggevonden; hij was gestorven, maar hij is verrezen!quot; Op zijne beurt, verhief de Bisschop zijne stem en zong, op den toon der prefatie, een allertreffendst gebed, waarin hij Gods goedheid over deze

-ocr page 205-

GOEDE DONDERDAG. 175

zondaren afriep, en den Heer herinnerde aan zijne vroegere barmhartigheid. Na dit gebed, knielden al de aanwezigen en baden de drie psalmen, welke met het woord Miserere beginnen. Dan stond de Bisschop alleen op, stortte verschillende gebeden voor die rouwmoedige zondaars, strekte zijne handen over hen uit, en verzoende hen, eindelijk onder deze indrukwekkende woorden : Dat de Heere Jesus, die zich getoaar-digd heeft, zich voor ons aan zijne vijanden over te leveren; die roer ons zijn kostbaar Hoed heeft gestort, en daardoor aide zonden der wereld heeft uitgewischt; die aan zijne leerlingen heeft gezegd: alles, wat gij hinden zult op aarde, zal gebonden zijn in den Hemel, en alles, wat gij op aarde zult ontbinden, zal ontbonden zijn in den Hemel; dal die Heere Jesus Christus, die mij, hoe onwaardig dan ook, onder het getal dergenen heeft opgenomen, wien Hij deze magt heeft verleend, zich ook gewaardige, u, door mijne bediening, op de voorspraak van Maria, Gods Moeder, van den Aartsengel Michaël, van den H. Apostel Petrus en van alle Heiligen, door de verdiensten van zijn bloed, hetwelk hij ter vergiffenis der zonden heeft vergoten, te ontslaan van alles, wat gij, door gedachten, woorden of werken hebt misdreven. Bat Hij de banden uwer zonden breke, en n tot het eeuwige leven voere !

Na deze vrijspraak, besproeide de Bisschop de boetelingen met gewijd water, bewierookte hen, en zond hen weg met deze woorden : Staat op, gij, die slaapt! staat op van onder de dooden, Christus zal voortaan aio licht zijn! Vol vreugde, rigtten zich dan de boetelingen op, en ijlden naar hunne woning, om de boetepij ai te leggen, en met een zedig en passend gewaad in de kerk terug te keeren, teneinde, aldaar, met de andere geloovigen, aan de tafel des Heeren, het brood des levens te ontvangen.

Deze vrijspraak, die, even als de openbare boetpleging.

-ocr page 206-

176 GOEDE DONDEKDAG.

alreeds sedert acht eeuwen niet meer gebruiklijk is, heeft aanleiding gegeven tot eene buitengewone plegtigheid, die heden te Eome plaats heeft en de Pavslijke Zegen wordt genoemd. Op Goeden Donderdag, verschijnt de Opperpriester, na de H. Mis, met eene koorkap bekleed, en de driekroon op het hoofd, in de loggia, die zich boven de hoofddeur van Sint Pieter, de Vatikaansche Bazilica, bevindt. Eene ontelbare schare, uit alle streken der wereld, is op het St. Pieters plein vergaderd, en verbeidt, met ongeduld, het oogenblik, waarop de Stedehouder van Jesus Christus hun zijnen zegen, en met dien zegen de kwijtschelding zal schenken der tijdelijke straffen, welke zij , wegens hunne schoon reeds vergeven zonden, nog moeten voldoen. Aan de voeten van den Paus neêrgeknield) bidt een der Prelaten, in naam van al de aanwezigen, het Confiteor. Daarna smeekt de Opperpriester Gods barmhartigheid af, roept de voorspraak der H. H. Apostelen Petrus enPaulus in, heft zijne handen ten hemel, alsof hij uit de schatten der eeuwige barmhartigheid kwijtschelding en vergeving wilde putten, en, terwijl allen nederknielen, en aller hoofden zich buigen, gelijk korenhalmen, waar, op den akker, een zachte wind mee speelt, schenkt hij aan die tallooze menigte, in den Naam der heilige Drieëenheid, zijnen pauslijken zegen. Die zegen, waaraan een volle aflaat is verbonden, wordt, ofschoon men deze uitdrukking niet in den letterlijken zin moet opvatten, urhi et orhi, dat is, de zegen voor Eome en voor de wereld genoemd, en werd eerst alléén op Goeden Donderdag gegeven; thans echter gebeurt zulks eveneens op Paaschdag, op \'s Heeren Hemelvaart, eu op den dag der ten Hemel opneming van Maria, de H. Moeder Gods.

DE WIJDING DER HEILIGE OLIËN.

Onder de tweede Mis, die eertijds op dezen dag gezongen werd, had de wijding der H. Oliën plaats. Thans geschiedt

-ocr page 207-

GOEDE DONDERDAG. 177

deze onder de eenige Mis, die heden, ter herinnering aan het laatste Avondmaal opgedragen wordt. Aangezien deze wijding door een Bisschop moet geschieden, wordt die plegtigheid alleen in de Katholijke kerken verrigt. Drie verschillende Oliën worden op dezen dag gewijd. De eerste is de Olie voor de Ziehen. Deze is de stof van het Sakrament des laaiden Oliesels, dat den Christen, in zijnen laatsten strijd, tot heul van lig-chaam en ziel wordt toegediend. De tweede H. Olie is het Chrisma, hetgeen een mengsel van olijfolie en van balsem is. In dezen heiligen Olie wordt het Sakrament des Vormsels toegediend. Het H. Chrisma wordt buitendien nog gebezigd, om onze hoofden bij het ontvangen des Doopsels te zalven, ten teeken, dat de Christen door dit Sakrament aan het geestlijk Koningschap van Christus Jesus deelachtig wordt. Ook dient het H. Chrisma bij de wijding der Bisschoppen, wier hoofd en handen met dezen H. Olie worden gezalfd; eindelijk, wordt het ook nog gebezigd bij het inzegenen der klokken en het wijden der kerken, der doopvont, der kelken en der altaren. De derde H. Olie wordt de Olie der Catechumenen genoemd. Deze is wel niet de stof van het een of ander Sakrament, maar de instelling er van is, desniettemin, van de Apostelen herkomstig. De Olie der Catechumenen wordt bij de plegtigheden van het H. Doopsel, bij de krooning van Vorsten en van Vorstinnen, en voor de zalving der handen bij de Priesterwijding gebruikt.

Hoe groot het wijdingswerk der heilige Oliën in de oogen

der Kerk is, blijkt uit de veelvuldige ceremoniën, die daarbij

voorkomen. Twaalf Priesters, als getuigen en medewerkers

optredende, zeven Diakens en even zooveel Subdiakenen, allen

met de heilige gewaden hunner orden bekleed, zijn bij deze

plegtigheid tegenwoordig. Wanneer de H. Mis tot aan het

Vat er noster genaderd is, treedt de Bisschop van het altaar

af, en zet zich voor de tafel neder, waarop de H. Oliën moeten

13

-ocr page 208-

178 GOEDE DONDERDAG.

gezegend worden. Hij begint met de wijding van den Olie voor de zieken, die door een Subdiaken op de tafel wordt geplaatst. De wijding van dezen H. Olie is zeer eenvoudig. Zij bepaalt zich bij een exorcismus- en een wijdingsgebed, waarin klaar en duidelijk is uitgedrukt, welke bovennatuurlijke kracht, door \'sBisschops zegen, aan deze stoflijke zaak gegeven wordt. Een Subdiaken draagt dezen H. Olie eerbiedig weg, en de Bisschop zet het H. Misoffer voort. Na de H. Communie neemt de Bisschop wederom bij de reeds bovenvermelde tafel plaats. Intusschen begeven zich de Priesters, Diakens en Subdiakens naar de plek, waar zich de twee andere met olijfolie gevulde kruiken bevinden. Een der Subdiakens houdt den balsem in zijne hand, en twee Diakens dragen ieder eene met olijfolie gevulde kruik, en zoo naderen zij den Bisschop, terwijl de zangers het schoone loflied : O Tiedernptor aanheffen en het tot na de woorden : Consecrare tu dignare enz. voortzetten. Nu begint de wijding van het H. Chrisma. Vooreerst spreekt de Bisschop zijnen zegen uit over den balsem, welken hij zeer dichterlijk noemt: een welriekende traan , die uit de schors van een gelukkigen tak is gevloeid, om een priesterlijk reukwerk te worden. Daarna ademt hij driemaal kruisgewijze over den olie, en de twaalf aanwezige Priesters doen, ieder op zijn beurt, hetzelfde. Dit ademen verbeeldt de kracht des H. Gees-tes, die aan dezen Olie zal worden medegedeeld. En wie zal het ontkennen, dat dit beeld zeer juist gekozen is, daar wij in de H. Boeken lezen, dat de Geest des Heeren blaast, waar hij wil, en eens, onder een hevigen wind, op de Apostelen nederdaalde. Verder spreekt de Hooge Priester, in eene overheerlijke Prefatie, den wijdingszegen over dezen Olie uit, en ten slotte mengt hij den gewijden balsem met den gewijden olie zaam. Dan staat de Bisschop op, en om eene plegtige hulde te brengen aan den H. Geest, die, door middel van dit stoflijk wezen, zijne heerlijkste gaven in de harten der geloovigen zal

-ocr page 209-

GOEDE DONDERDAG. 179

uitstorten, groet hij driemaal dezen H. Olie, met de woorden ; ik groet u, heilig Chrisma, en eerbiedig drukt hij zijne lippen op de kruik, die dit geheiligd vocht omsluit. De twaalt aanwezige Priesters herhalen, ieder op zijne beurt, dezen drie-dubbelen groet, geven hetzelfde eerbewijs aan het heilig Chrisma, en de chrisma-wijding is voltrokken.

Genoegzaam op dezelfde wijze, zonder bijvoeging echter van balsem, geschiedt de wijding van den Olie voor de Catechumenen Ook aan dezen brengt de Bisschop, na de wijding er van, een driedubbelen groet, die door het twaalftal Priesters herhaald en in deze woorden geuit wordt: ik groet u, heiliqe Olie ! Twee Diakenen dragen de gewijde Oliën op hun vorige plaats terug, terwijl de geestlijkheid, die hen vergezelt, het laatste gedeelte van den lofzang : O Reciewptor teestlijk zuM, en de Bisschop naar het altaar terugkeert, om de H. Mis te voltrekken.

Zoo eindigt de tweede plegtigheid van dezen dag.

DE H. MIS OP GOEDEN DONDERDAG, EN HET H. GRAF.

De Kerk viert en herdenkt heden, op eene bijzondere wijs, des Heeren laatste Avondmaal, waarin het aanbidlijk Sakra-ment des Altaars, het reine otter der Nieuwe Wet, en het altijddurend Priesterdom van het Nieuwe Verbond werden ingesteld.

De eerste dag der ongedeesemde brooden, waarop de Joden, na zonne-ondergang, hst Paaschlam moesten eten, was aangebroken. Jesus bevond zich nog in Bethanië, maar, vóór den avond, wilde Hij te Jerusalem zijn: zóó immers gebood het de Wet, en die Wet wilde Hij stiptelijk onderhouden, totdat Hij haar, doorzijn bloedig offer op het Kruis, zou hebben afgeschaft. Hij zond dan twee zijner Apostelen vooruit, om het feestmaal, door de Wet bevolen, in gereedheid te brengen. Petrus en Joannes werden voor deze zending uitverkoren, en

-ocr page 210-

180 GOEDE DONDERDAG.

niet zonder reden ; want Petrus, die het eerst getuignis van Jesus\'Godheid had afgelegd, verbeeldt het Geloof, en Joannes, die straks op Jesus\'borst zal rusten, is het zinnebeeld der Liefde. Niemand, zeker, kan beter dan zij belast worden met de voorbereiding van dat onvergetelijk Avondmaal, waarin het hoogheilig Geheim, dat zich door het Geloof aan de Liefde openbaart , het Geheim, dat meer dan ieder ander, een Geheim van Geloof en Liefde is, moest worden ingesteld. Gaat, zoo sprak de Heiland tot Petrus en Joannes, en bij uwe intrede in de stad, zal u iemand tegenkomen, die eene kruik water draagt. Volgt hem in zijne looning, en zegt aan den heer des huizes : de Meester zegt: mijn tijd is nabij; ik kom bij u , met mijne discipelen, het Paaschlam eten. De Apostelen deden gelijk hun bevolen was. Zij ontmoetten den man; en de huisheer, een rijke Israëliet, die aan de godlijke Zending des Heeren geloofde, stelde eene groote en fraai-versierde plaats ter beschikking des Verlossers. Hij mogt wel fraai en rijk versierd zijn die zaal, waarin, voor de eerste maal, het offer der Nieuwe Wet zou worden opgedragen, waar de voorzegging van Malachias zou worden vervuld, waar het Priesterschap van ■\'t Nieuwe Verbond zou worden ingesteld, en waar, op Pinksterdag, de H. Geest, op eene wondervolle wijze, op de Apostelen moest nederdalen.

Toen Jesus, met de overige leerlingen, te Jerusalem kwam, vond Hij alles gereed, wat tot de viering van het Paaschfeest werd vereischt: het lam, het ongedeesemd brood en de bittere groenten stonden op den disch. Gegord, en met den reisstaf in de hand, waren de Meester en de leerlingen om dezelfde tafel geschaard, en vervulden, voorde laatste maal, volgsns de voorschriften der Wet, de Paaschplegtigheden van het Oude Verbond.

Ik heb vurig verlangd, zoo sprak de godlijke Verlosser zijne leerlingen toe, ditmaal het Paaschlam met n ie eten. En van-

-ocr page 211-

GOEDE DONDEKRAG. 181

waar dat vurig verlangen ? Omdat de Heer . voordat Hij den Kruisdood zou sterven, en wel op dezen avond, het kostbaarste onderpand zijner liefde, aan zijne beminde discipelen wilde schenken. Alle Apostelen, ook Judas, den verrader, waren tegenwoordig. Hij, voor wiens oogen de diepste geheimen des harten niet verborgen zijn, kende des verraders helsche plannen, doch, desniettegenstaande, beval Hij hem niet, de feestzaal te verlaten, maar trachtte, integendeel, het hart van Judas te stemmen tot boetvaardigheid, en zoo de deuren der ontferming voor dien ontrouwen leerling te openen. Ten dien einde zeide Hij aan zijne leerlingen : In xvaarJietd, ik zeg het u, een moer zal mij verraden. Hij, die met Mij zijn brood in dezen schotel doopt, dat is de verrader. Deze onverwachte openbaring zijner misdaad moest Judas diep treffen, en de bekende barmhartigheid des Zaligmakers moest hem tranen van leedwezen doen storten en om vergeving doen smeeken. Maar, harder dan de steenrotsen, die bij den dood des Verlossers scheurden, bleef Judas onbewogen. Hij durfde zelfs met de andere Apostelen vragen ; len ik het, Heer ? Zacht antwoordde hem Jesus : gij helt het gezegd; hetgeen zoo veel wil zeggen als -.ja, gij zij t het. Maar ook dit woord vermogt niets op des verraders ijskoud hart. Hij blijft te midden der Apostelen, hij wacht koelbloedig het uur des verraads af, en bezoedelde in-tusschen, door zijne tegenwoordigheid, het heiligste Geheim.

Inmiddels was het paaschlam gegeten. Nu zetten zich de Meester en de leerlingen aan de tafel neder, om deel te nemen aan een tweede, dat is aan het gewone, avondmaal. Joannes zat aan de linkerhand des Heeren, en mogt, als de beminde leerling, aan Jesus5 harte rusten, en daaruit de grootste schatten en de verhevenste geheimen der godlijke liefde putten. Bij dit maal heerschte een algemeene droefheid, want loodzwaar drukte op aller ziel het woord des Heeren : een uwer zal mij vtr raden.

-ocr page 212-

182 GOEDE DONDERDAG.

Tegeu alle verwachting, volgde nog een derde, maar een oneindig meer verheven gastmaal op de eerste twee. De dag was aangebroken, waarop de Heiland de belofte zou vervullen, welke Hij eens, ten aanhoore eener groote schare, had gedaan; Het brood zoat ik zal geven, is mijn vleesch voor het leven der ivereld... Die mijn Vleesch eet en mijn Bloed drinkt, bezit het eemvig leven. Het uur, waarop deze belofte zou verwezenlijkt worden, is nu geslagen, want Jesus is reeds aan zijne vijanden verkocht: zijn bloedig offer is dus begonnen, en niets verhindert Hem nu meer, om zijn Vleesch en zijn Bloed aan zijne geliefden tot zielespijs te geven. — Met verwondering zagen de Apostelen den Heere Jesus eensklaps van tafel opstaan. Als een geringe dienstknecht, omgordt zich de Heer der Heeren met een voorschoot; Hij giet water in een vat, en maakt zich gereed de voeten der Apostelen te wasschen. De godlijke Gastheer, die, op dit oogenblik, zijne geliefden tot een godlijk feestmaal noodigde, wilde hun, vooraf, dezen, bij de Oostersche volken gebruiklijken welkomsgroet geven, en hen tevens daardoor leeren, hoe zuiver de ziel moet zijn, die deel wil nemen aan het gastmaal van het Lam. u Die ge-wasschen is, zeide Hij hun, behoeft zich nog maar alleen de voeten te zuiveren, om geheel rein te zijn ; en gij, zoo voegde Hij er bij, gij zijt rein, maar gij zijt het niet allen.quot; O Judas, zullen dan alle vermaningen des Heeren vruchtloos voor u zijn? Ach, ook dit woord laat den verrader ongevoelig! Jesus nadert tot Petrus, om de voeten van dezen Apostel te wasschen. Petrus wil die vernedering des Heeren aan zich eerst niet toelaten, maar, door het aanhouden en het bedreigen des Heeren bewogen, geeft hij eindelijk toe, en de godlijke Meester wascht de voeten van Petrus en daarna die der andere Apostelen, zelfs die van Judas, den verrader. Na die vernederende handeling, zet de Heiland zich weder naast Joannes aan den disch. Hij nam ongedeesemd brood in zijne gezegende han-

-ocr page 213-

GOEDE DONDJJllDAG. 183

den, hief zijne oogen ten Hemel, zegende het brood, brak en-gaf het aan zijne leerlingen, zeggende : neemt en eet, dit is mijn Ligchaam. De Apostelen ontvingen en aten die godlijke spijs, en nu was Jesus niet meer alleen met hen aan talel gezeten, maar Hij woonde ook wezenlijk en waarachtig met zijn Yleesch en Bloed, met zijne Godheid en zijne Menschheid, in het binnenste van hun hart. Ook Judas at dit Brood des Levens en dronk het Bloed des Heeren, maar met dat Brood at die godlo oze zijn oordeel en met dat Bloed bezegelde hij zijne verdoemenis. O mijn God, behoed ons, wij bidden en smeeken er U om, voor het schriklijk ongeluk, van ooit, gelijk Judas, onwaardig aan uwe tafel te komen nederknielen !

Jesus echter wilde niet alleen een hoogheilig en kostbaar Sakrament, maar ook een wezenlijk en waarachtig Offer instellen. Daartoe was het evenwel niet genoeg, dat hetzelfde Slagtoffer, dat op Golgotha zijn bloed ging vergieten, wezenlijk tegenwoordig werd gesteld, maar het was ook nog noodig, dat de slagting des Offers levendig werd herinnerd, voorgesteld en op eene geheimzinnige wijze hernieuwd. Te dien einde moest h et Bloed des Heeren als gescheiden van zijn Ligchaam worden daargesteld. Jesus nam derhalve den kelk in zijne handen, veranderde den wijn in zijn godlijk Bloed, en gaf dit tot drank aan zijne geliefden, hun zeggende : drinkt allen hiervan, want dit is mijn Bloed van het Nieuwe Verhond, dat voor velen zal vergoten worden, ter vergiffenis der zonden. Nu was het onbloedig offer der Nieuwe Wet voltrokken en voor de eerste maal aan den eeuwigen quot;Vader opgedragen. Maar dit offer was niet voor dezen dag alléén bestemd : het moet duren door alle eeuwen heen, tot aan de voleinding der tijden. Daarom stelde de Heere Jesus met het Nieuwe offer ook het Priesterschap in der Nieuwe Wet, terwijl Hij den Apostelen en hunnen opvolgers in het Priesterschap de magt verleende, om hetzelfde Offer op te dragen, hun zeggende; doet dit te mijner gedachtenis.

-ocr page 214-

184 GOEDE DONDERDAG.

Is dan deze dag getuige geweest der instelling van het hei -ligste onder alle Sakratnenten en tevens van dj i i sij Hing van hbt Nieuwe Offer, gelijk ook van het Nieuwe Priesterschap , dan kan het ons wel niet verwonderen, dat de Kerk, die trouwe bewaarster van dezen driedubbelen en kostbaren schat, hare droefheid, altoos voor een poos, doet zwijgen, om vreugdevol de blijde geheimen van dezen onvergetelijken oogenblik luisterrijk te herdenken.

Teneinde ons, op eene gevoelige wijze, voor te stellen de eenheid van het Offer, hetwelk de Opperpriester, Jesus Christus, op alle punten der aarde, door de bediening der Priesters, aan den eeuwigen Vader opdraagt, verbiedt de Kerk, op dezen dag, alle stille Missen. Slechts één plegtig Misoffer word t heden opgedragen. Onder deze H. Mis naderen de Priesters, met hunne witte koorkleederen en met de stola versierd, tot de H. Communie, en ontvangen, uit de hand van hunnen dienstdoenden medebroeder, des Heeren Ligchaam en Bloed.

Plegtig, blijde en vreugdevol begint de H. Dienst op dien dag. Het altaar is prachtig versierd; en, rijk uitgedost, alsof het Kerstmis of Paschen ware, verschijnt de Priester , met zijne dienaren in het heiligdom. Het orgel laat zijne wellui-dendste akkoorden hooren, en wanneer het Gloria in excelsis, dat, sedert Septuagesima, uit den kerkdienst was verbannen, feestlijk wordt aangeheven, voegen de klokjes der kerk, en de zware klokken van den toren, hunne schelle en statige stemmen bij die van het orgel, opdat ènin de kerk èn daarbuiten, heinde en verre, het vreugdefeest worde gehoord. Maar zoodra de zang van het Gloria geëindigd is, hervalt de Kerk in de droefheid, die al de plegtigheden van deze week kenmerken. De klok en het orgel zwijgen en zullen geen geluid meer geven, voordat zij de Verrijzenis des Heeren mogen verkondigen. De klokken zijn op reis naar Rome, om Paasch-eijeren te halen, zegt het vrome kind, dat ook, in deze laatste

-ocr page 215-

GOEDE DONDERDAG. 185

dagen, zijn deel in de algemeene versterving neemt; maar ernstiger gedachten bezielen den nadenkenden Christen. De sombere stilte, die alom heerscht, drukt loodzwaar op stad en land, en vervult alle harten met een gevoel van verlatenheid en van schrik. Zij zegt hun, dat Jesus gaat rusten, of alreeds dood is neergelegd in den schoot van het graf, en dat eene diepe stilte den doodslaap des Heeren moet eerbiedigen; zij herinnert hen aan de akelige stilte, die rondom Jesus, bij zijn lijden, heerschte, terwijl de Apostelen hunnen Meester hadden verlaten, en zich geen enkele stem te zijner gunste verhief.

Ook de H. Dienst wordt, van dezen oogenblik af al treuriger. Na den Epistel, herinnert ons het koor aan Jesus\' bitteren dood, terwijl hij zingt: Christus is voor ons gehoorzaam geworden, tot den dood, ja, tot den dood van het kruis. Wegens de herinnering aan den kus des verraders, wordt heden in de Mis de Vredekus niet gegeven. Noch bij het driemnal heilig, noch bij de Consecratie, noch aan de Communie, hoort men de zilveren stem der schel, die de aandacht verlevendigt; ook zij zwijgt en wordt door het ruw geluid van een houten ratel vervangen. Dit gebruik herinnert aan de eerste tijden des Christendoms, toen het \'t éénige teeken was, waardoor de geloovigen ter kerke werden geroepen. Er is iets treffends in het bijbehouden van dit aloude gebruik , want daardoor schijnt ons de Kerk te zeggen : indien ik zoo getrouw ben, om een gebruik van zoo weinig belang in stand te houden, hoe groot moet dan mijne zorg niet zijn, om den schat der heilige waarheden, die mij toevertrouwd is, ongeschonden te bewaren? Vreest dus niets, mijne kinderen, ik zal het erfdeel uwer vaderen niet verspillen.

Nog eene andere buitengewone ceremonie doet zich in de Mis van dezen dag voor. In plaats van ééne Hostie consacreert de Priester er twee; de eene nuttigt hij bij de H. Com-

-ocr page 216-

186 GOEDE DOKUEKDAG.

muuie, terwijl hij de andere in een zorgvuldig gedelcten kelk nederlegt, om ze morgen, ouder liet bijvoegen van enkele ge-Leden, te nuttigen. Want, morgen, op den dag, waarop het bloedig Offer op Golgotha is voltrokken, zal de Kerk de onbloedige Offerande niet opdragen. Zoo bitter valt haar de herinnering aan Jesus\' smarfvollen dood! Zij wil evenwel niet, dat haar godlijke Bruidegom, wegens deze kortstondige verpozing van het eeuwigdurende Offer, minder liefdebewijzen in liet allerheiligste Sakrament ontvangen zal. Daarom wordt in een der zijpanden, eeue prachtige rustplaats voor den Verborgen God opgerlgt. Na de heilige Mis, draagt de Priester, te midden eener talrijke processie, en ouder het zingen van het loflied : Pange lingua, de H. Hostie, welke hij voor den dienst van morgen heeft bewaard, naar deze feestlijk versierde plaats. Diiar zal het heilig Sakrament tot morgen in het tabernakel blijven rusten. Bij dat heilig Graf zal de genadevolle ziel hare liefdegevoelens voor Jesus\' voeten komen uitstorten; daar zal de zondaar de gunst zijner bekeering afsmeeken; daar zal, noch bij dag, noch bij nacht, de aanbidding ééu-enkel oogen-blik worden geschorst; daar zullen alle geloovigen komen ne-derknielen, om, door ware aandacht en aanbidding, den smaad, de laauwheid en de beleedigingen te vergoeden, welke de Heer Jesus, iu dit geheim zijuer liefde, vaak verduren moet. — quot;W anueer de kelk, die het H. Sakrament bevat, in het tabernakel weggesloten is, blijft de priester nog een oogenblik bidden aan den voet van het heilig Graf. Daarna keert hij naaide sacristij terug, om zijn kasuifel af te leggen en de Vespers te beginnen, die op dezen dag, wegens den diepen rouw dei-Kerk, wel luide gebeden, maar niet gezongen worden.

-ocr page 217-

GOBDE DONDERDAG.

DE ONTKLEEDING DEK ALTAREN.

Na de Vespers beklimt de Priester, door zijn Diaken en Subdiaken begeleid, het lioog-altaar. Ten teeken dat liet heilig- Misoffer afgebroken wordt, en ter herinnering aan de vernedering des Zaligmakers, die door zijne beulen van zijne kleederen werd beroofd, neemt hij de linnen doeken, die den altaarsteen bedekken, er van at, terwijl hij luide met zijne die-naren den XXI. Psalm bidt, waarin de koninklijke Profeet, met duidelijke woorden, deze omstandigheid van \'s Heeren lijden heeft voorzegd : n zij hébhen mijne Jcleederenonderelkaêr verdeeld, en over mijn opperkleed het lot geworpen.quot; De overige altaren worden insgelijks ontbloot; alle sieraden verdwijnen, het tabernakel staat open en ledig. Alles is stil en doodsch in het heiligdom, en overal, met uitzondering alleen dier plaats, waar het heilig Graf is opgerigt, ontwaart men teekenen van droefheid, ik zou bijna zeggen van verwoesting en wee.

DE VOETWASSCHING OF HET MANDATUM.

Ter navolging van den godlijken Verlosser, die, in het laatste Avondmaal, de voeten zijner Apostelen wieseh, beijverden zich te allen tijde vele Christenen, om datzelfde liefdewerk te verrigteu, en zoodoende den ootmoed van den Heere Jesus navolgende te vereeren. Dat vroom gebruik vond men niet alleen in de kloosters, maar ook bij hen, die in de wereld leefden. Op Goeden Donderdag daalden ook de Vorsten en Vorstinnen van hunnen troon, om datzelfde liefdebewijs, in een geest van ware nederigheid, aan twaalf armen of aan even zooveel bedaagde mannen of vrouwen te geven. Ook de Stedehouder van Jesus Christus op aarde volgt, op dezen dag, het voorbeeld van zijnen godlijken Meester, en wordt hierin gevolgd door zijne Broeders in het H. Bisschopsambt. De Paus

187

-ocr page 218-

]88 GOEDE DONDERDAG.

wascht, op Goeden Donderdag, de voeten van dertien Priesters, uit dertien verschillende landen afkomstig, en bedient hen bij het middagmaal, dat hun na de voetwassching in het Vatikaan aangeboden wordt. Wegens het woord, waarmede de eerste Antiphoon begint, die bij de Voetwassching wordt gezongen, heelt deze ook den naam van het Mandatum gekregen. Benedictus de XIV geeft de reden op, waarom de Paus niet aan twaalf, maar aau dertien Priesters de voeten wascht. Wij willen die hier aanhalen, en daarmede de beschrijving van dit feest sluiten, dewijl de verklaring, door Paus Benedictus gegeven, ons tevens toont, hoe welgevallig dit werk van ootmoed en liefde is aan Hem, die tot ons allen gezegd heeft: leert van mij, dat ik hen zcichtmoeclir/ en ootmoedig van hart.quot;

Toen de H. Paus Gregorius de Groote op Sint Pieters-stoel te Rome was gezeten, wiesch hij dagelijks de voeten van twaalf armen, welke hij ook allen noodigde aan zijnen disch. Op zekeren dag waren er dertien, in plaats van twaalf. Niemand had dien dertienden zien binnenkomen, en weldra bleek het, dat het een Engel des Heeren was, die door zijne tegenwoordigheid aan Gregorius het bewijs leverde, dat zijne liefde aan den God der eeuwige liefde hoogst-welgevallig was.

LOFZANG.

PANQE LINGUA.

Meldt, o lippen, \'t godlijk wonder Van des Heeren Vleesch en Bloed;

Zij mijn mond de lofverkonder Van die \'t menschdom heeft behoed.

En, als eeuwge vredegronder,

De aard verlossend heeft begroet.

-ocr page 219-

GOEDE DONDERDAG.

Ons geboren j ons gegeven Uit Maria\'s maagdeschoot,

Stroomde \'t zegen bij zijn leven En genade bij zijn dood;

Doch, alvorens de aard te ontzweven, Schonk hij haar het hemelsch Brood.

Bij het laatste maal, in vrede.

Zittend onder \'t Broedrental,

Deelt hij, na de zegenbede.

Die den disch besluiten zal.

Zich als Spijs den Jongren mede.

Dees tot redding, dien ten val.

\'t Heilig Scheppingswoord des Heeren Had vrijmagtig \'i aardsche Brood In Gods Ligchaam doen verkeeren; En, vóórdat zijn Bloed nog vloot. Deed hij \'t reeds ten Drank vereeren, In den Wijnkelk, dien hij bood.

Zie, dat Brood, der Englen spijze. Biedt hij ons tot voedsel aan;

Laat, op eerbiedvolle wijze.

Elk ten liefdedisch dan gaan.

Rijke en arme, jeugd en grijze.

Allen mogen \'t Woord verstaan.

Zulk een heilig Wonderteeken Eeren wij met diep ontzag; \'t Oud-Yerbond is nu geweken.

Voor den nieuwen Reddingsdag;

Waar \'t begrip dan moog ontbreken, Koom \'t Geloof, dat al-vermag.

189

-ocr page 220-

riOEDU DONDERDAG.

190

Vader, Zoon en Geest te zamen Zij ons loflied toegebragt,

In dit Drietal heiige Namen Ligt de heerlijkheid, de kracht, Met de wijsheid en de iriagt. Eeuwig opgesloten. — Amen.

Overweging.

Om ons te verlossen, heeft de eeuwige Vader zijn eeniggebo-ren Zoon gegeven. quot;Dene is voor ons nit het licht des Hemels neergedaald, op do duistere aarde, en heeft zich-zelven diep vernietigd en de gedaante van een slaaf aangenomen. Voor ons is hij gehoorzaam geworden tot den dood, ja, tot den dood van het kruis. Hij heeft met den dood gestreden , en is, als de sterkere, binnengedrongen in het huis van dezen magtige: hij heeft hem zijne wapenen ontrukt, zijne tanden uitgebroken, en hem getemd, zooals men de wilde dieren temt, opdat hij voortaan niet meer, als leenman der hel, over de stervelingen zou heerschen, maar als een onderdanige knecht, als een trouwe, maar strenge bestierder zou dienen in het Nieuwe rijk van God op aarde. Wel schijnt hij zijn werk ook thans nog voort te zetten, zooals hij het van den beginne af heeft gedaan. Ook zijne uitwendige o-estalte is nog wel dezelfde gebleven ; maar hoezeer is, sedert den dood en de opstanding van Olmstus, zijn wezen veranderd, voor hen, die in Christus gelooven ! Zij zijn de ledematen van het verheerlijkte ligchaam van Christus Jesus; door Geloof, Hoop en Liefde zijn zij innig met hun hoofd . dat Christus is, verbonden, en daarom vreezen zij geen dood, geen graf, geene verrotting meer. Want, is het hoofd zegevierend daaruit te voorschijn getreden, dan zullen ook de ledematen den kerker van het graf verlaten en verbrijzelen de ketenen des doods. Voor hen is de dood een dienaar Gods, die het werk hunner verlossing en hunner bevrijding moet voltrekken. Want de nieuwe mensch, die in hen gevormd is , door de wedergeboorte in Christus, door doopsel, boete en heiliging, voelt zich gedrukt, geboeid en verlamd in dit sterflijk kleed. Hij weet,

-ocr page 221-

GOEDE DONDERDAG.

dat vleescli eu bloed liet rijk des hemels niet zullen bezitten, en liet yerganklijke de onverganklijkheid niet zal verkrijgen; en daarom verlangt liij, tenminste in zijne meer heilige, aan God gewijde uren, naar de verlossing uit dat ligchaain des doods, in welks ledematen de wet der zonde geweldig strijdt tegen de wet van den geest; uit dat ligchaam, hetgeen hem loodzwaar neerdrukt in zijn streven naar het bovenaardsche, en hem met duizend draden aan het verganklijke hecht. Welnu, het is het ambt van den dood, in Gods huishouding, om op het uur, hetwelk de Heer, in zijne wijsheid en liefde, als het goede uur voor ons kent, de geloovigen van dit drukkend hulsel te bevrijden, de boeijen te slaken, die hen nog steeds met de bedorven natuur, die van Adam afstamt, verbinden, en hen dan van ketens en boeijen ontdaan, in het ware vrije leven binnen te leiden.

M oge ook al het doorbreken van dat hulsel met angst en smart verbonden zijn; moge ook de geest nog niet, met een heiligen Paulus, wenschen, om van dit ligchaam des doods te worden verlost, teneinde overkleed te worden met liet nieuwe geestlijke ligchaam der heerlijkheid, dan toch bemoedigt en versterkt ons de blik op Hem, die niet alleen een zwaarderen doodstrijd voor ons heeft doorgestaan, maar ook aan zijne getrouwe dienaars hulp verleent in dat beslissend uur, en hen, met overwinnende hand, door de poorten des doods , in het huis der eeuwige zaligheid binnenvoert,

Ook het lot des ligchaams na den dood, dat voor den zinne-lijken mensch zoo afgrijslijk is, bekommert den geloovige niet. Hij weet, — en de Verrijzenis van Christus is zijn waarborg — dat het ligchaam, even als de aan de aarde toevertrouwde zaadkorrel, wel is waar, tot stof eu verrotting zal overgaan, maar alléén, om eens in verheerlijkte gestalte wederom te voorschijn te treden. De zinnelijke, in aardscli genot verzonken mensch, die niets verhevener kent dan de bevrediging zijner lusten en ile zorg voor zijn ligchaam, mou-e sidderen voor den oogenblik, waarop dit zijn afgodsbeeld, waaraan hij alles, alles opotfert, in slijk vergaan en den wormen tot spijze worden zal; maaide Christen, die zijn ligchaam, als een tempel van den Heiligen Geest, met heiligen eerbied en door strenge tucht heeft bewaard, en het, als hij het ooit ontheiligde, met zuchten en tranen van boetvaardigheid op nieuw heeft ingewijd, de Christen ziet zijn ligchaam gaarne tot stof vervallen, opdat alles.

191

-ocr page 222-

GOEDE VRIJDAG.

wat onheilig is, volkomen in bem worde verdelgd: want hij hoopt en hij gelooft, dat de Heer ook dezen tempel op zijnen tijd weder heerlijk kan en zal opbouwen.

En om ons hiervan een zeker onderpand te geven, heeft ons de goede Heiland, in onovertreflijke liefde, op dezen dag, zijn eigen Vleesch en Bloed tot spijs en drank onzer zielen achtergelaten. Hij-zelf is dat Brood des Levens, hetgeen aan allen, die het waardig ontvangen , wezenlijk de kiem der onsterflijkheid mededeelt; want de Heer Jesus heeft zelf gezegd : Die mijn Vleesch eet en mijn Bloed drinkt, hezit het eeuwig leven , en op den jong sten der dagen zal ik hem. doen verrijzen.

Door deze innige betrekking, waarin, volgens de uitspraak der eeuwige Waarheid, het ontvangen van Jesus\' Vleesch en Bloed met onze toekomstige opwekking staat, kunt gij de reden vinden, waarom de H. Kerk, juist ten tijde van Paschen, hare kinderen tot het ontvangen van deze godlijke spijze uitnoodigt, en hen daartoe met moederlijke liefde als het ware , dwingt. Want op den dag des levens moet het brood des Levens genoten worden, opdat de hoop der verrijzenis geene ijdele, ingebeelde, wankelbare hoop zij, maar, door de werklijke deelneming aan het verheerlijkte Ligchaam van den verrezen Heiland, een waarachtig onderpand hebbe, en opdat ieder ziel met het reddend kenmerk van Jesus\' heilig Bloed worde geteekend, en de engel des verderfs, als hij dit teeken bespeurt, zonder te schaden, voorbij ga,

GOEDE VRIJDAG.

192

----

u breekt de groote lijdensdag aan, de verhevenste dag vau af het begin der wereld, tot aan de voleinding der eeuwen; de dag, waarop de raadsbesluiten der eeuwigheid in vervulling zijn gegaan, toen de Dood en het Leven dien wonderbaren tweestrijd hebben gevoerd. In de kerken heerscht eene plegtige stilte; verheven ernst en teedere smart zijn op

-ocr page 223-

GOEDE VRIJDAG. 193

aller gelaat te lezen, en diepen indruk maken de geheimvolle plegtigheden van dezen dag.

Geen waslicht is ontstoken; de altoos brandende vlam der godslamp zelve, het zinnebeeld van het eeuwig licht, is uitgedoofd. Ben enkele witte doek is over het altaar gelegd: het is de grafdoek des Heeren. In zwart gewaad treedt de Priester voor het altaar en werpt zich aan deszelfs voet ter aarde neder. Daar ligt hij lang op het aangezigt en bidt. Dan hoo-ren wij de woorden van den Profeet Osee : (VI, 3.) „ Na twee dagen zal Hij ons levend maken, en ten derden dage zal Hij ons opwekken, en wij zullen voor zijn aangezigt leven;quot; en er wordt uit Ex. XII, 1 — 11 gelezen, hoe het paaschlam ge-slagt en gegeten moest worden, waarop, ten laatsten male, de lijdensgeschiedenis in haar geheel voorgedragen wordt.

De gansche menschheid toeft inmiddels op den zegen van het stervend Offerlam.

En de Priester stort in naam der Kerk, de innigste en treffendste gebeden uit: voor haar-zelve, dat zij overal verbreid en in vrede en eendragt bewaard worde; voor den heiligen Vader, het opperhoofd der Kerk; voor de Bisschoppen en Priesters; voor alle overige Geestlijken en voor het Volk; voor Koningen en Vorsten, dat God hen met wijsheid ver-vuile, om regtvaardigte regeeren; voor de doopleerlingen; voor alle behoeften der menschheid, in iedere betrekking; dat God de wereld van alle dwalingen zuivere, de krankheden weg-neme, de honger verdrijve, de gevangenissen opene, de hoeijen verbreke, aan de reizigers eene gelukkige wederkomst, aan de zieken gezondheid, en aan die op de wateren zijn een behouden haven verleene. Dan bidt de Kerk voor die haar verlieten en buiten haar omdolen : dat zij mogen wederkeeren; voor de verblinde Joden : dat ook zij Jesus Christus voor den waren Messias mogen erkennen; voor de Heidenen : dat zij de afgoderij verlaten, om zich tot den waren en levenden God te

14

-ocr page 224-

194 GOEDE VRIJDAG.

bekeeren. Buigen wij onze knieën! zoo zegt de Priester voor ieder gebed; maar als hij voor de Joden gaat bidden, laat hij die uitnoodiging achter; dan knielt hij niet, en verfoeit het aldus, dat de Joden zich weleer uit spot voor Jesus hebben nedergeworpen.

quot;Na deze gebeden neemt de Priester het omhulde kruis, keert zich naar het volk, maakt den sluijerdoek los, ontdekt het hoofd des Gekruisten, eu zingt, met diepe stem : Zie het hout des kruises, waaraan het heil der wereld hing. Eu het koor antwoordt : Komt, laat ons aanbidden! Dan werpen zich allen op de knieën; de Priester treedt een weinig naar voren, maakt den doek ter regterzijde los, en zingt hetzelfde, met eenigzins verhoogde stem,* eu zoo ten derden male, totdat het kruisbeeld geheel ontdekt is. — En met heilige siddering aanschouwt het volk zijn gekruisteu Jesus !

Die driemaal herhaalde vereering is een eerherstel voor de driemaal herhaalde beschimping, welke de Joden hunnen Messias, bij Caïphas, Pilatus, en aan het kruis aandeden. Nu wordt het kruisbeeld op een zwart kleed gelegd, eu, gelijk Mozes weleer, trekt de Priester zijn schoeisel uit, knielt driewerf voor zijnen gekruisten God, en kust zijne wonden ; welke vereering door anderen wordt vervolgd, terwijl door het koor de roerende lofzang gezongen wordt, waarin Christus de tee-derste eu liefderijkste verwijten doet én aan het ondankbare volk, dat Hem kruisigt, én aan allen, voor wie Hij gekruist is en die zijne liefde niet erkennen. Mijn volk! zoo vraagt zijne minzame stem, mijn volk! wat heb Ik u gedaan? of waarin heb Ik u bedroefd ? Zeg het Mij! Ik heb u uit het land van Egypte gevoerd, en gij hebt uwen Verlosser een kruis bereid ? Wat heb Ik u meer kunnen doen, en wat Ik niet heb gedaan ? Zeg het Mij ? En bij de herinnering der ontelbare weldaden, die de Zaligmaker ons schonk, weet een tweede koor Biet anders dan met een kreet om ontferming te antwoorden :

-ocr page 225-

GOJiüK VRIJDAG.

O Heilige God !

O Heilige en sterke God !

O Heilige en onsterflijke God !

Ontferm U onzer.

Die bekomen ontferming vermeldt de Antiphooii, aan het einde der kooreu : n Wij aanbidden het kruis, o Heer! en wij loven en prijzen uwe heilige verrijzenis, want zie, door het hout is vreugde over de gansche wereld gekomen.quot; Op eens kondigt een beurtgezang, deels op een t eed eren, deels op een zegevierenden toon, den lof aan van het Kruis, en de geheimnissen door Gods Zoon daaraan volbragt Trouwe kruisstam ! zoo heft het eene koor aan :

Trouwe kruisstam ! in \'t geboomte Is geen boom aan u gelijk ;

In al \'t woud is geen aan loover Geen aan bloem en vrucht zoo rijk.

Zoete kruisboom, zoete nng\'len.

Zoete last Klemt gij vast.

Deze teedere uitboezeming onderbreekt telkens den zegezang, die aldus aanvangt:

Zing, mijne tong! het magtig voeren Van den grooteu worstelstrijd;

Zij der kruistrofee des Heeren Een triomfzang toegewijd,

Hoe Hij door zijn dood verwonnen En heel de aarde heeft bevrijd.

Aan het einde der Kruisvereering worden de Kaarsen op het altaar ontstoken, en de Priester gaat, in zwart misgewaad.

195

-ocr page 226-

196 GOEDE VRIJDAG.

in statigen optogt, naar het H. Graf, en draagt den kelk met het Allerheiligste naar het hoogaltaar, onder den lofzang van des Konings kruisvaan. Het onbloedig Misoffer wordt niet opgedragen, wijl Christus op dezen dag het bloedig Offer opdroeg; er wordt geen brood of wijn geconsacreerd, maar de H. Hostie van gisteren wordt opgeheven, aan het volk ter aanbidding vertoond, en dan genuttigd.

Na een kort gebed, verlaat de Priester het altaar; treurig bidt het koor, even als den vorigen dag, de Vespers zonder zang; aan het einde hooren wij op somberen toon ; Toen Jesus den edik genomen had, zeide Hij : het is volbragt! en, zijn hoofd nederbuigende, gaf Hij den geest. En de Priester heeft het altaar ontbloot; het tabernakel staat open en ledig, en hij zegt, met weemoedige stem : Christus is voor ons gehoorzaam g mor den tot den dood, ja, tot den dood van het kruis. Hij bidt een wijle in stilte, en stil blijft het in de kerk; de plegtigheden zwijgen, totdat de nachtgetijden van den Paaschavond beginnen, en zwijgend keeren de diepgetroffen geloovigen naar hunne woning weder, om, in eenzame stilte het verheven sterven van hunnen God te vieren.

Het is Stille Vrijdag — ook de Goede, de Heilige Vrijdag genoemd.

Zij herdenken nu, wat hun in herinnerende daad in het huis des Heeren vertegenwoordigd en voor oogen gesteld is.

Lofzang. Het Lijdenslied

der Pifferari van Rome.

\'s Nachts den Olijfberg betreden. Slaakte ik voor u mijn gebeden. En uit mijn sidderende leden

-ocr page 227-

GOEDE VRIJDAG.

Stroomde het bloedzweet voor u: Ach! en wie weet het, of gij Wel denkt één oogwenk aan mij.

Laat het u de Englen verkonden, Hoevele striemen en wonden Ik, aan een schandpaal gebonden. Zwijgend verduurd heb om u :

Ach! en wie weet het, of gij Wel denkt één oogwenk aan mij.

Toen ik door beulen gehoond werd, Smaadvol met doornen gekroond werd En zoo, als koning, vertoond werd. Dacht ik voortdurend aan u :

Ach! en wie weet het, of gij Wel denkt één oogwenk aan mij.

Ja, des doods schuldig geheeten, \'t Hoofd wreed met doornen doorreten \'t Kruis op mijn schouders gesmeten, Steeg ik ten bergtop voor u :

Ach! en wie weet het, of gij Wel denkt één oogwenk aan mij.

Daar, onder ruw hamerbonken. Wreed aan den kruisbalk geklonken. En in een smartkolk verzonken, Stierf ik vrijwillig voor u :

Ach! en wie weet het, of gij Wel denkt één oogwenk aan mij.

ïoen mij de krijgslans doorgriefde, Breed mij de zijde doorkliefde. Vloeide, als uit de ader der liefde,. Water des levens voor u:

Ach! en wie weet het, of gij Wel denkt één oogwenk aan mij.

-ocr page 228-

GOEDE VRIJDAG.

Zie toch, in al mijne wonden.

Die u mijn lijden verkonden,

quot;Wordt geen drop bloed meer gevonden. Dien ik niet prijs gaf voor u:

Ach! en wie weet het, of gij Wel denkt één oogwenk aan mij.

\'k Smeekte mijn Vader, bij \'t sterven : u Doe hen vergeving verwerven.quot; — \'k Liet n mijn Moeder beërven. Als eene Moeder voor n :

Ach! en wie weet het, of gij Wel denkt één oogwenk aan mij.

Denkt toch, hoe uit mededoogen, Hemel en aard zich bewogen,

Toen ik mijn hoofd had gebogen En ik verscheidde van n :

Ach! en wie weet het, of gij Wel denkt één oogwenk aan mij.

Kondt gij ooit iets meer van mij vragen? \'k Heb mij, zelfs zonder te klagen, Grensloos van liefde, opgedragen. En gansch geofferd voor u :

Ach! en wie weet het, of gij Wel denkt één oogwenk aan mij.

Heb ik, aan \'t kruishout geheven. Mij tot uw zoenprijs gegeven,

\'k Wil in het eeuwige leven Ook nog het loon zijn voor u ;

Ach! en wie weet het, of gij Wel denkt één oogwenk aan mij.

\'k Werd door Maria, mijn Moeder, Eens uw gezel en uw broeder; \'k Word op de altaren uw voeder

198

-ocr page 229-

GOEDE VRIJDAG.

En blijf tot spijs daar voor u:

Ach! eu wie weet het, of gij Wel denkt één oogwenk aan mij.

Was ik u, stervende, indachtig. Steeds blijft gij mijner deelachtig. Daar ik, den hemeltroon magtig. Eeuwig blijf denken aan u:

Ach! en wie weet het, of gij Wel denk één oogwenk aan mij.

Overweging.

Zoo er een dag in onzen jaarkring is, die de zielen der men-sclien met een gevoel van ontsteltenis moet vervullen, liet is, voorzeker, de Goede Vrijdag, de dag van liet gruwzaam lijden onzes Heeren; zoo er een avond daalt, die ons tot ernstige en sombere gedachten stemt, het is de avond, die thans de aarde met een geheimzinnig graanw overdekt, de avond van den dood van Jesus Christus!

Ja ! het was voor ruim achttien eeuwen, dat op dezen avond, op een berg buiten Jerusalem, een tooueel plaats greep, dat de aarde nog nooit had aanschouwd. Zij ziet hare telgen dagelijks tot haren schoot wederkeeren : maar, dat de oorsprong van het leven sterven kon, dit wist zij niet.

Op dien berg, rondom het kruis, het smartvol en smadelijk sterfbed van den Godmensch, zijn geen talrijke magen of vrienden, om den dood des rampzaligen te beweenen; maar de geheels natuur haast zich, haren droeven doodenzang over den Schepper, in vreeslijke toonen uit te galmen.

De krachten der hemelen worden beroerd; de elementen staau tegen elkander op, en het is als ware de natuur in barensnood of hadde haar laatste uur geslagen, en viel zij krakend in puin. De zon is met een rouwfloers overtogen en weigert haar licht; de maan klimt aan den hemel, maar als Bloed gekleurd. ^ rees-lijk rolt de donder, en het is alsof Golgotha\'s kruin in laaije vlammen staat van het bliksemvuur dat haar omslingert. Stor-

199

-ocr page 230-

GOEDE ZATURDAG.

men huilen, orkanen loeijen, en de aarde wordt in hare ingewanden geschokt. De dood geeft zijn prooi terug, en de graven werpen hunne dooden uit, die als de levende schimmen om den rookenden berg heen waren. De zee is woedend en zweept de brullende baren verder dan het strand; de bergen schudden, de steenrotsen splijten van één en verstuiven als zand. De hemel-lingen geven een angstgeschrei, en van uit de diepe kolken der hel gaat een afgrijslijk gehuil op.... En de Gekruiste heft het bloedig gekroonde hoofd omhoog, als de Beschenner van het heelal, en spreekt, met heldere stemme en bovenaardsche kracht, zijn laatste woord: het is volbragt!

Het is volbragt! En dat woord drong door tot de duistere holen der hel, en vervulde ze met beschaming; en dat woord werd door de loeijende winden naar de vier hoeken der zondige aarde overgebragt, en boodschapte aan de menschheid verlossing en heil; en dat woord steeg op ten hemel, en werd dooide verzoende Godheid aangenomen.

Dat was het sterfuur van den Godmensch, van Jesus Christus, den Heiland der wereld.... van mijn Verlosser!

GOEDE ZATURDAG.

m de plegtigheden van dezen dag, zooals zij thans in de Latijngche Kerk voorkomen, wèlte begrijpen, moeten wij ons tot vóór de elfde eeuw terug verplaatsen, toen nog het doopsel plegtig aan een groot getal Catechumenen op Goeden Zaturdag werd toegediend.

Op dezen dag rustte de Zaligmaker nog in het graf, en daarom werd, eertijds, heden geene H. Mis opgedragen en zelfs geen dienst gehouden, die, zooals op Goeden Vrijdag geschiedt, eenige overeenkomst met hetH. Misoffer heeft. Maar op den vooravond van het hoogheilig leest van Pasehen, die ook nu nog eene der grootste vigiliën is van het kerklijk

200

-ocr page 231-

GOEDE ZATUKDAG. 201

jaar, werden de Catecliumenen een andermaal onderzocht, gedoopt en door den Bisschop gevormd, T)e overige geloovigen waren bij deze plegtigheid tegenwoordig. Sints het avondmaal, dat zij, op Goeden Vrijdag, namen, hadden zij geen spijs of drank meer gebruikt, teneinde, op het eerste uur van het Paaschfeest, de H. Communie te kunnen ontvangen. Voor dat men den Catechumenen het H. Doopsel toediende, werd het licht ontstoken en gezegend, en, dewijl de doopplegtigheid lang moest duren, deed men eene buitengewone groote wasch-fakkel branden. Onder het doopen der nieuwelingen, las meu den geloovigen verschillende schriftuurplaatsen voor, die allen op den val van den mensch, op zijne verlossing, op de zonde en hare gevolgen, op de redding van het Joodsche volk eu het paaschlam, en zoodoende, zinnebeeldig, op onze Verlossing door Hem, die het ware Paaschlam is, en op het Doopsel betrekking hadden. Deze voorlezingen, ten getale van twaalf, werden door gezangen en gebeden afgewisseld, en dienden, om, onder de langdurige plegtigheden des Doopsels, de aandacht en de godsvrucht der aanwezige geloovigen nieuw voedsel te geven. Inmiddels naderde het plegtig uur van des Heeren Verrijzenis. Dan begon de H. Mis, die op de feest-lijkste wijze, den verrezen Verlosser ter eere, aan den Drie-heiligen God, in dit nachtlijk uur opgedragen werd. Onder deze H. Offerande naderden de geloovigen met de nieuwge-doopten tot de Tafel des Heeren, om in het geheim van Jesus\' liefde, met zijn minnelijk Vleesch en Bloed, tevens het onderpand hunner verheerlijkte opstanding te ontvangen.

Toen later het getal doopelingen verminderde, werd het uur van middernacht niet meer afgewacht, om de Paaschmis te beginnen. Allengskens werd zij al meer en meer verzet, totdat zij, eindelijk, toen er geene Catechumenen meer te doopen waren, in den voormiddag van Goeden Zaturdag gehouden werd. Eeeds in de XHI. eeuw was deze verandering in de

-ocr page 232-

202 GOEDE ZATÜEDAG.

H. Diensten algemeen bij de Westersche Kerk ingevoerd , terwijl de Oostersche den ouden ritus behouden bleef.

Niettegenstaande deze veran (lering, werden de verscliillen-de, eertijds gebruik! ijke, ceremoniën bij bewaard. Maar, dewijl deze niet meer in verband staan met bet toedienen van het H. Doopsel aan de Catechumenen, en ook ten opzigte van den tijd uit haar vroeger verband zijn gerukt, zoo moet men, gelijk wij dit hierboven deden opmerken, het doel, hetwelk deze plegtigheden eertijds hadden, niet uit het oog verliezen, wil men ze in haren waren zin en wezenlijke beteekenis verstaan. Wegens het groot getal der ceremoniën, die op dezen dag plaats grijpen, zullen wij ze hier, elk afzonderlijk, beknopt verklaren.

DE ZEGENING VAN HET NIEUWE VUUR.

Na des voormiddags voor de laatste maal onderzocht te zijn, kwamen de Catechumenen, en met hen de andere geloovigen, ten drie ure na den middag ter kerk. Geen enkel licht brandde in de heilige plaats : alles was er d uister en doodstil, omdat Jesus nog in de duisternis van het graf rust, en de Kerk nog zwijgend en weenend bij het kille graf van haren Bruidegom neergezeten is. Evenzoo is het heden nog in de kerk, voordat de H. Dienst begint. De eerste plegtigheid, die destijds en ook heden op dezen dag wordt verrigt, is het zegenen van het nieuwe vuur en licht.

In de eerste eeuwen der Kerk, was het gebruiklijk, iederen dag na de Laudes, de lampen der kerk uit te dooven. Gedurende den dag verlichtte de heldere zon de heilige plegtigheden; des avonds, vóór de Vespers, werd telken dage nieuw vuur uit een steen geslagen, en met dit nieuwe vuur stak men de kerklichten aan. Thans gebeurt zulks alléén op Goeden Zaturdag, maar het geschiedt dan ook met meer plegtigheid.-

-ocr page 233-

GOEDE ZA.TURD.VG. 203

In paarsch gewaad gehuld, begeeft zich de Priester met zijne dienaren buiten de kerk, waar de benoodigdheden voor het nieuwe vuur, en tevens den wierook, die voor de paaschkaars moet gezegend worden, zijn neergelegd. Het vuur, dat zoo dadelijk uit den steen zal vonkelen, is het zinnebeeld van den Heer Jesus, die het ware Licht der wereld is. Men slaat dit vuur uit een steen, om ons te herinneren, dat de godlijke Verlosser de deen is, diende Joden hebben verworpen, de steen, die hun een steen des aanstoots is geworden, terwijl Hij de hoeksteen werd van het eeuwigdurend gebouw van Gods heilige Kerk.

De lichtvonk, welke het metaal aan den steen ontlokt, stelt ons ook nog zinnebeeldig het groote geheim van dezen dag voor oogen; de Verrijzenis, namelijk, van onzen godlijken Heer, die, als een alles doordringend vuur, heen kwam, door den zwaren steen, die zijn graf bedekte, en uit de harde rots , die hem tot rustplaats diende, vol heerlijkheid en licht, te voorschijn trad.

Het graf des Heeren bevond zich buiten de muren van Jerusalem. De heilige vrouwen moesten, derhalve, zich buiten de stad begeven, toen zij het ligchaam des Verlossers wTilden gaan balsemen. Zinnebeeldig wordt ons deze omstandigheid van des Zaligmakers begrafenis en opstanding voorgesteld en herinnerd, wanneer de Priester de kerk verlaat, om met het nieuwe vuur ook de vijf wierookkorrels te wijden, die den balsem en de welriekende specerijen beteekenen, welke de vrome vrouwen met zich namen naar des Heeren graf.

Zoodra er vonken uit den steen geslagen zijn, en zijeene ligt ontvlambare stof hebben ontstoken, wordt dit nieuwe vuur gezegend. Alles, ook het vuur en licht, mag wel nieuw zijn, op dezen dag, waarop de Zaligmaker der wereld het groote Verlossingswerk voltooide, aan het geheele menschdom een nieuw en hooger leven schonk, en het aanschijn der aarde vernieuwde!

-ocr page 234-

% 04 GOEDE ZATURDAG.

Teregt wordt ook dit nieuwe vuur, onder het uitspreken van zinrijke gebeden, gezegend, bewierookt, en met gewijd water besproeid; want, het is voor den dienst der Kerk bestemd, en de Kerk bezigt niets van al het geschapene dezer, eens door God vervloekte aarde, zonder het vooraf te zuiveren door haren zegen en te heiligen door haar gebed. Het is buitendien ook daarom billijk, dat dit nieuwe vuur door den zegen der Kerk worde geheiligd, omdat het de lichten van liet altaar en de Paaschkaars moet ontsteken, die beiden een zinnebeeld van den Heilige der Heiligen, van den verrezen Verlosser zijn.

In vroeger tijden bestond, op vele plaatsen, het gebruik, om ook in de huizen alle licht en vuur op dezen dag uit te dooven, totdat het nieuwe vuur gezegend was; later werd alle licht en alle vuur van stad of dorp ontstoken aan het nieuw gezegend vuur. Deze vrome gewoonte is thans spoorloos verdwenen.

Zoodra over het vuur en den wierook de zegen der Kerk is uitgesproken, kleedt zich de Diaken, ten teeken van heilige vreugde, met een witte dalmatica. Van dezen oogenblik af, schemert de vreugde der Kerk in al hare verrigtingen door, en, als van verre, laat zij ons reeds den zegezang der overwinning hooren. De Priester keert, met zijne bedienaren, in de kerk terug. De Diaken draagt in zijne handen een rietstok, waarop een drietakkige waskaars bevestigd is. De rietstok verbeeldt de menschheid en het lijden des Zaligmakers, terwijl de drietakkige kaars een zinnebeeld is der allerheiligste Drievuldigheid, die, wegens het groote Verlossingswerk, op dit uur plegtig wordt geprezen en geloofd. Bij het binnentreden der kerk, ontsteekt de Diaken een tak der kaars, welke hij in zijne handen draagt. Eeeds bij den dood des Verlossers, was het Oud Verbond verbroken, en de voorhang des tempels gescheurd: nu treedt het ware Licht der wereld te voorschijn, en verdrijft de laatste schaduwen der Oude Wet. De Diaken

-ocr page 235-

GOEDE ZATURDAG. 205

knielt neder, lieft den drietak omhoog, en zingt luide : Lumen Christi; Het Licht van Christus. In het midden der kerk, en voor het altaar doet hij datzelfde, terwijl hij telkens een andere kaars van den drietak ontsteekt, en het koor daarbij antwoordt : Deo gratias : Goeie zij dank ! Dank wordt de eerste maal toegebragt aan den eeuwigen Yader, die, te onzer verlossing, zijn eeniggeboren Zoon heeft gegeven; dank wordt de tweede keer gezegd aan den Zoon, die ons door zijn dierbaar bloed heeft verlost; lof en dankzegging wordt, ten derde: male uitgesproken aan den Heiligen Geest, van wien geschreven staat : De heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen ; daarom ook zal hei Heilige, dat uit u zal geboren loorden, Gods Zoon worden genoemd.

Zoo dient dan het nieuwe vuur, om den drieheiligen God , wegens het groote geheim der Menschwording van het ongeschapen Woord, te loven, te danken en te prijzen ; daa^m ook blijft de drietakkige kaars gedurende geheel den dienst van dezen morgen branden bij het altaar; na dezen dag mag zij niet meer in de kerk worden gebruikt.

DE PAASCHKAARS.

Heeft het nieuwe licht alreeds de glorie van één God in drie personen verkondigd, nu moet het ook nog, bij de inwijding der Paaschkaars, den lof vermelden van het Vleesch-geworden Woord. Trouwens, de Paaschkaars beteekent niet alleen, voordat zij ontstoken is, de wolk, die de kinderen van Israël, hij hunnen uittogt uit Egypte, bedekte, maar ook den gestorven Christus in het graf, en, wanneer zij daar helder flikkert en brandt, beduidt zij niet alleen de vuurkolom, die het Joodsche volk in de woestijn geleidde, maar ook den verrezen Middelaar, die, met licht en glans omstraald, uit het

-ocr page 236-

206 GOEDE ZAÏURDAG.

donkere gral, te voorschijn treedt. Wegens deze hooge betee-kenis, wordt de Paaschkaars met smaak versierd, en met bui-teugewonen luister gewijd. De wijding van de Paaschfakkel geschiedde, in den beginne, alléén in die kerken; waar eene doopvont was, en de Catechumenen op dezen dag, het Sakra-ment der wedergeboorte ontvingen. Paus Zozimus, echter, schonk reeds, in de Y. eeuw, aan alle Kerken liet regt, om deze plegtigheid te verrigten, teneinde alle geloovigen haar zouden kunnen bijwonen, eu zóó den voorsmaak genieten van het Paaschfeest der Nieuwe Wet.

Wanneer de Kerk haren zegen uitspreekt, doet zij dat steeds door den mond van een Bisschop of Priester. De wijding der Paasclikaars maakt hierop eene uitzondering. Deze inzegening is aan een Diaken voorbehouden; omdat de Diaken, bij deze gelegenheid, Magdalena en de andere vrome vrouwen verbeeldt, die, in weerwil van de ondergeschiktheid van haar geslacht, het eerst van allen de Verrijzenis des Heeren uit den mond van Hemelboden vernamen, en haar verkondigden aan de Apostelschaar.

De Paaschkaars is neergezet op de plaats, waar gewoonlijk het Evangelie wordt gezongen, omdat zij Hem verbeeldt, die de goede tijding des hei Is aan het zondige menschdom heeft gebragt. Met zijne feestlijke dalmatica bekleed, nadert de Diaken, na vooraf \'sPriesters zegen te hebben ontvangen, tot bij de versierde fakkel. Daar heft hij, op een verheven toon, het onnavolgbaar Exultet aan, om in den lof der Paaschkaars Hem te verheffen, dien zij verbeeldt. Heeft hij dien wondervollennacht bezongen, die de stille getuige van Jesus\' Opstanding was, dan neemt hij de vijf\'gewijde wierook-korrels en plaatst ze, kruisgewijs, in de Paaschfakkel, om de vijf heilige wonden des Verlossers daardoor af te beelden, en aan de-welriekende specerijen te herinneren, welke Magdalena eu hare gezellinnen, om Jesus\' ligchaam te balsemen, hadden be-

-ocr page 237-

GOEDE ZATUEDAG. 207

reid. Daarna hervat de Diaken den afgebroken zang van het Exultetj en, zoodra hij de Paaschkaars, in allersierlijkste bewoordingen, aan den eeuwigen Vader heeft opgedragen, ontsteekt hij haar aan het drietakkige licht. Door deze eenvoudige maar zinrijke handeling , herinnert hij ons aan die groote waarheid des Geloofs, dat het voor ons vleesch geworden Woord, van alle eeuwigheid, door den Vader is geteeld ; dat Hij God van God, Licht van Licht, waren God van den waren God, en in zelfstandigheid en wezen één \'met den Vader is. Een oogenblik later, worden de andere lichten der kerk met liet gewijde vuur ontstoken, om ons te zeggen, dat de tleer Jesus, het eeuwige Woord des Vaders, het ware Licht is, dat alle mensch verlicht, die in deze ivereld komt. Nog eens hervat de Diaken den lof der Paaschfakkel : op denzelfden feest lijken toon stort hij vurige gebeden voorden Paus en den B isschop, en de wijding der Paaschkaars is nu volbrag t.

De Diaken legt vervolgens zijn witte dalmatica wed erom af, herneemt zijne paarsche stola, en keert naar den dienst doenden Priester terug, terwijl het beeld der Verrijzenis, de Paaschkaars, vrolijk blijft flikkeren en het hart der geloovigen verblijdt. Tot den dag, waarop Jesus de aarde verliet, om tot zijn hemelschen Vader terug te keeren, blijft de Paaschkaars hare plaats in het heiligdom innemen, en ontsteekt men op eiken Zon-en Feestdag, onder de Hoogmis en de Vespers, haar licht.

DE TOEDIENING VAN HET H. DOOPSEL AAN DE CATECHUMENEN.

In vroeger eeuwen, toen de Catechumenen, op dezen dag, het H. Doopsel moesten ontvangen, begon men de wijding der Paaschkaars, met de bezwering des duivels, de zalving met den H. Olie, en de andere ceremoniën , die de toediening van dit heilig Sakrament vooraf moeten gaan. Inmiddels ge-

-ocr page 238-

208 GOEDE ZATURDAG.

sclüedden de voorlezingen uit de H. Schrift, die ook heden ten dage nog zijn bijbehouden, en waarover hierboven reeds genoeg is gezegd. Als deze heilige verrigtingen waren geëindigd, was ook het nachtlijk uur al ver gevorderd, en het oogenblik verschenen, om met het doopen der Catechumenen te beginnen. Hoe heerlijk schoon was dit uur uitgekozen, om den nieuwelingen het heilig Sakrament der Wedergeboorte toe te dienen ! Het is nacht in de natuur, maar het is ook nacht in den geest dier ongedoopte:!, die het Sakrament des Geloofs nog niet hebben ontvangen; het is ook nacht in hunne met zondenschuld besmeurde ziel. Maar, gelijk het daglicht weldra de duisternis van den nacht zal verdrijven, zoo zullen ook straks de geest en het hart der nieuwelingen met het licht des Geloofs en met den glans der godlijke Genade worden bestraald ! ïe midden der duisternis flikkert klaar en helder de pas-gewijde Paaschkaars, het zinnebeeld van Hem, die in de duisternis verscheen, om ze te verdrijven. In hare geheimzinnige taal, roept zij aan de doopelingen toe : nadert, en gij zult verlicht worden; Christus-zelf zal u verlichten! Accedite et illumina-rnini; en illiminabit te Christus ! He godlijke Verlosser werd geboren, toen de geheele wereld was neergezeten in de schaduw des doods, toen alles zweeg, en de nacht van ongeloof en bederf in het midden van haren loop was gekomen. Ook in het hart van den nacht, in het diepste der duisternis , zal het kind van Bethlehem in de ziel dier nieuwgeloovigen, door zijne genade, geboren worden. Zij zullen, door het Sakrament der Wedergeboorte, een nieuw, een verhoogd, een bovennatuurlijk leven vinden in Hem.

Ook in de keus der dagen, welke de Kerk eertijds voor de plegtige toediening van het H. Doopsel had bepaald, straalt dezelfde godlijke wijsheid door. Twee dagen, de vooravonden, namelijk, van Paschen en van Pinksteren, waren voor deze plegtigheid bestemd. Op Paaschavond rust de Zaligmaker nog

-ocr page 239-

GOEDE ZATURDAG. 209

in liet graf; maar, na weinige uren zal Hij verrijzen, glorievol ! Ook de doopeling sterft op dit oogenblit den ouden mensch en de zonde af, maar om weldra een nieuw leven van hemel s che reinheid en genade in de heiligmakende wateren des Doopsels te erlangen. Zoo wordt derhalve voor hem de tijd tusschen den dood en de Verrijzenis des Heeren, het uur van overgang van den dood tot het leven, van de zonde tot de gena de, van de duisternis tot het licht! Krachtiger nog werd dit be eld uitgedjukt door de wijze, waarop men eertijds meestal het H. Doopsel toediende. Driemaal werd de doopeling onder het water gedompeld en aan aller oogen onttrokken, even gelijk de Heilsrd drie dagen in de aimen des docds, en in den schoot der aarde verborgen, rustle. Maar ook even als zijn godlijke Meester, staat hij op uit het graf, levend en krachtvol, blinkend van genade en schitterend van heiligheid.

Zegt dan de vooravond van Paschen aan den doopeling, dat hij met Christus moet worden begraven, om met Hem te verrijzen, dan zegt hem Pinksteravond even nadruklijk, dalt; hij gedo opt wordt in het vuur van den heiligen Geest, en den Gever aller gaven ontvangt, die hem door zijne genade een bovennatuurlijk leven schenkt, en dit onderhoudt en voltooit.

Alvorens men het Sakrament der wedergeboorte aan de Catechumenen toediende, werd, volgens een gebruik, dat van de Aposteltijden af in de Kerk bestaat, het water der doopvont gezegend. Ook heden ten dage nog grijpt die waterwijding plaats, ofschoon het uur dezer plegtigheid vervroegd is, dewijl er thans geene Catechumenen meer te doopen zijn.

Processiesge^ijs trekt de Priester met zijne bedienaren eu het zangerkoor naar de doopvont, onder het zingen van deu voor dit oogenblik zoo passenden psalm : gelijk het hert dorst naar de woierbronnen, zóó verlangt mijne ziel naar U, o mijn God! De Paaschkaars wordt bij deze processie voorop gedragen, ter herinnering aan de vurige kolom, die de kinderen

15

-ocr page 240-

210 GOEDE ZATXIRDAÖ.

van Israël, te midden der duisternis van den nacht, door de wateren der Zoode-Zee geleidde, waarin zij hunne redding vonden, gelijk de doopeling de zaligheid zijner ziel iu de wateren der heilige fontein vinden zal. In een verheven en statig en zang, spreekt de Priester den zegen uit over deze wateren, die voor zoo velen de wateren des heils maten wordan. O id die zegeningen en gebeden, verdeelt hij, kruisgewijs, het water, om ons te toonen, dat het door de verdiensten des Ge-kruisten Verlossers is, dat liet de kracht erlangt om de zielen te reinigen. Vervolgens raakt hij, met de vlakke hand, het water aan; en deze aanraking door dc gezalfde priesterhand schenkt aan dit stofllijk wezen een begin van bovennatuurlijke kracht, op grond van het Priesterschap van Jesus Christus, waaraan de Priester, bij zijne heilige wijding deelachtig werd. Dan maakt de zegenspreker driemaal het teekeu des kruises over het doopwater, en daarna scheidt hij het in vier deelen, en sprenkelt het naar de vier hoeken der wereld, ten teekeu, dat deze bron van zaligheid niet door een uitverkoren volk alléén, maar voor alle volken der wereld geopend is. Ouder deze ceremoniën zingt de Priester, op den statigen troon der Pnefatie, verschillende met zijne handelingen overeenstemmende gebeden. Daarna gaat hij door zijn zegengebed de kracht des Heiligen Geestes op deze wateren doen nederdalen. Doch, alvorens deze bede plegtig aan te stemmen, stort hij eerst op min-verheven toon een voorafgaand gebed, en ademt driemaal, kruisgewijs, over het water, om zoo de werking van den H. Geest zinnebeeldig voor te stellen. Drie keeren doet hij de Paaschkaars, die Dengene verbeeldt door wien de H. Geest werd gezonden, in het water dompelen, terwijl hij driemaal, telkens op hooger toon, de volgende bede zingt : dat de kracht van den heiligen Geest in de volheid dezer iron neder dale! De derde keer laat hij de Paaschkaars in het water staan, eu zingt, na driemaal op het water geblazen te hebben : Hij geve

-ocr page 241-

GOEDE ZATUKDAG. 211

aan het gansche loezen van dit water de vruchtbare kracht, om. de geestelijke wedergeboorte te bewerken! Dan neemt hij de Paaschkaars uit het water, en eindigt het wijdingsgebed. Met dit gezegend vocht wordt het volk besproeid, en een gedeelte er van, voor den kerkdienst, en het gebruik der geloovigen, ter zijde gezet.

Wel is de zegening des waters geëindigd, maar tot grooter eer en meerdere heiliging van deze bron, waarin zoovele zielen voor het eeuwig leven zullen herboren worden, giet de Priester iets van de H. Oliën, die op Goeden Donderdag weiden gewijd, in de Doopvont. Eerst mengt hij den olie der Catechumenen, dan het H. Chrisma met het doopwater, en eindelijk giet hij, telkens onder passende gebeden, te gelijker tijd de beide H. Oliën in die bron des heils, en de wijding der doopvont is volbragt.

Na deze plegtigheid werden eertijds de Catechumenen gedoopt, en ontvingen zij onmiddelijk daarna uit de handen des Bisschops het H. Sakrament des Vormsels, tot kracht en sterkte, om hun geloof standvastig te belijden immer en altijd.

DE HEILIGE MIS.

Te midden dezer verschillende plegtigheden was het eene uur het andere gevolgd, en het oogenblik verschenen, waarop het hoogheilig Offer, den Verrezen Heiland ter eere, moest worden opgedragen. Zoodra de nieuwelingen gedoopt waren, of, zoo als zulks thans geschiedt, zoodra de doopvont gewijd is, keert de Priester met zijne bedienaren naar het altaar terug. De Paaschkaars en de Nieuwgedoopten gaan voor hem op, en hij wordt door een aantal geloovigen gevolgd. Met zijn Diaken en Subdiaken werpt hij zich, voor het altaar, op zijn aangezigt neder, om in de nederigste houding den Heer voor zijne weldaden te danken. Zoo blijft hij diepverootmoedigd liggen, terwijl

-ocr page 242-

313 GOEDE ZATÜEDAG.

het zaugerkoor de Litanie van alle Heiligen zingt. Bij de woorden : wij zondaars, wij hidden U, verhoor ons, staat hij op, om zich met het feestlijk Paaschgewaad te gaan bekleeden en het heilig Misoffer te beginnen. Op eene onbloedige wijze zal het ware Paaschlam worden geslagt, en met de andere geloovigen zullen ook de nieuwgedoopteu zich er meê voeden. De Mis van Paaschnacht begon zonder inganspsalm, omdat het volk reeds sedert lang in de Kerk vergaderd was; en ook thans nog wordt die ingangspsalm achterwege gelaten. Zoodra de bedienaren des heiligdoms in hun feestgewaad bij het altaar verschijnen, stemt het koor den Kyrie aan, en is deze geëindigd, dan weerklinkt uit \'s Priesters mond het verheven loflied der Engelen, als de blijde mare, dat de boetetijd voorbij en het uur geslagen is, waarop wij ons met den Verrezen Heiland moeten verheugen. Eene heilige blijdschap vervult nu aller gemoed; ieders boezem klopt, ieders hart trilt van vreugde; vrolijk klingelen de outer-schelleu; het orgel juicht, en van den hoogen toren af verkondigt de metalen tong der klok de heuglijke tijding van \'s Heeren glorievolle Verrijzenis. De Collecte en de Epistel worden naar gewoonte gezongen, maar zoodra de Epistel, die eene overheerlijke vermaning voor de nieuwgedoopteu bevat, geëindigd is, hoort men een zegekreet, die sinds Septuagesima niet meer in het heiligdom werd vernomen : Alleluja! zoo zingt de Priester, Alleluja! zoo antwoordt het koor! Driemaal herhaalt de Priester, telkens op verhoogden toon, dien kreet der overwinning, en driemaal antwoordt het koor met stijgende geestdrift: Alleluja, Alleluja, Alleluja! Wat er op dit oogenblik in het geloovige hart omgaat, welke zalige vreugde door bloed en aderen stroomt, welke heilige geestverrukking den Christen aangrijpt en tot diep in zijn binnenste doordringt, is ligt te bevroeden.

De overige plegtigheden der H. Mis worden zooals gewoonlijk verrigt. Alleen het Credo en liet Offertorium worden

-ocr page 243-

r-

I

GOEDE ZAÏUEDAG. 213

noch door den Priester gebeden, noch door het koor gezongen; het Credo wordt achterwege gelaten, omdat de Catechumenen de geloofsbelijdenis vóór hun doopsel luide hadden opgezegd; en het Offertorium, omdat de geloovigen, op dezen dag, geen brood of wijn voor den H. Dienst ten otter bragten. De vredekus wordt in deze H. Mis niet gegeven, en ook het Agnus Dei, waarin bij de derde maal, om den vrede wordt gebeden, blijft achterwege, dewijl de dag nog niet verschenen is, waarop de Heere Jesus, na zijne verrijzenis, zijn geliefden den vrede was komen wenschen.

Ofschoon deze H. Mis van Paaschnacht tot op den morgen van Goeden Zaturdag is vervroegd, wordt toch al het eigenaardige er van ook thans nog bijbehouden. Eene enkele in het oog loopende verandering heeft zij echter ondergaan. Op Goeden Zaturdag, namelijk, werden eertijds geene Vespers gebeden, omdat de talrijke plegtigheden van dezen dag elkander, onafgebroken, van drie ure na den middag tot in den vroegen Paaschmorgen opvolgden. Thans worden de Vespers, op het einde der Mis, na de H. Communie, gezongen.

// Met deze Vesperbede, zegt de uitmuntende schrijver van liet Kerk lijk jaar, ,/ wordt het otter gesloten : Alleluja, Al-u leluja. Alleluja! Looft den Heer, gij alle geslachten, looft u Hem, alle volkeren! want zijne barmhartigheid is over ons // bevestigd, en de waarheid des Heeren blijft in eeuwigheid! ,/ Glorie zij den Vader, en den Zoon, en den H. Geest! Gelijk // het was in den beginne, en nu, en altijd, en in de eeuwen ,/ der eeuwen. Amen! Alleluja, Alleluja, Alleluja! Dan wordt u nog een andere lofzang, die van Maria, de groote Kruisheldin, // aangeheven. Aan de vreugdetoonen is geen einde. Alleluja ! // is de zegekreet! Alleluja! klinkt het weder. Alleluja! duizend // malen. Alleluja ! Christus is waarlijk verrezen, Alleluja ! ;/ Alleluja !

// Op morgen zal het Peest der Peesten de geloovigen in den

J_

-ocr page 244-

1lt; GOEDE ZATURDAG.

// lieiligen tempel vereenigen, om den Yerwinuaar van zonde, n dood en liel te aanbiddea en lof te zingen. O zalig hij, die, „ in dezen tijd der geestlijke hernieuwing, het leven der genade „ in zich zal hebben opgewekt, en op dien grooten verwinnings-,/ dag ook zijn eigen zegepraal zal kunnen vieren.quot;

LOFZANG.

Het Exultet van den H. Augustinus.

( V. EEUW.)

— Nageschetst. —

Jubelt, hemelsche Englenkoren,

Juich, gewijde Priesterschaar;

Eeestbazuin, doe \'t loflied hooren :

Zie, de Zege vorst is daar! —

In haars Konings zonneluister

Dartelt de aard, van vreugd verrukt; Het heelal ontstijgt aan \'t duister.

En de wereld, vrij van kluister.

Ligt voor \'s Eeuwgen Troon gebukt.

Hoor, van blijde feestdagsgalmen Trilt de stem der Moederkerk.

Volken, mengt uw hoogtijdspsalmen Met des Outers wierookwalmen : \'t Is volbragt, \'t Verlossingswerk.

Daarom dan, geliefde Broeders,

die met mij, bij \'t heilig licht Van de ondoofbre Paaschfeestfakkel,

oog en hart ten hemel rigt.

-ocr page 245-

GOEDE ZAÏTIRDAG. 21\'\'

Smeekt, dat de Almagt, door wier

goedheid ik in het Levitenkoor Onverdiend werd toegelaten, mij

omschitter met haar gloor. En mijn mond, door haar geopend,

waardig \'t heil verkouden moog. Dat de Paaschvlam heeft doen schittren

voor der volken starend oog. Ja, \'t is billijk en regtvaardig,

dat ons woord aan \'t wereldrond. God-des-Vaders lof doe hooreu,

en den Zoon, dien hij ons zond. Luid verheerlijk; daar de schuldbrief,

Adams nakroost opgelegd.

Door zijn zoenbloed is vernietigd

en het groote pleit beslecht. Immers, heden is het Pascha,

heden \'t hemelsch Lam geslagt, Dat zijn leven voor heel \'t menschdom

blij ten offer heeft gebragt.

Hier, hier is de nacht weerspiegeld,

toen het kroost van Abraham, Uit Egyptes ijzren smaadjuk,

droogvoets door de watren kwam. Hier, hier ziet men \'t licht weêrkaatsen,

dat, van uit de duisternis, Als een vuurkolom, te midden

der woestijn verschenen is. Uit den nacht en \'t slijk der zonde

heeft zijn star ons voorgeleid. En door \'t heilbad der Genade

\'t pad ten Hemel toebereid.

Hier rijst leven uit den dood op

en hergeeft het graf zijn buit; Hier stijgt Christus, als Verwinnaar,

d\'afgrond der verderfnis uit.

-ocr page 246-

^10 GOEDE ZATUBDAG.

Waartoe zou ons \'t voorregt strekken

van op aarde \'t licht te zien, Als het voorregt der Verlossing niet

het menschdom hulp kwam biên ? Doch, hoe groot is dan uw liefde,

hoe barmhartig, zijt Ge, o God, Dat Gij, enkel uit ontferming, en

bewogen met ons lot.

Om den mensch-slaaf vrij te koopan ,

uwen Zoon ten losprijs bragt. En om Adams zonde en afval

uwen Izaak hebt geslagt. ó Noodzaaklijk kwaad des menschen,

dat den Godmensch sterven deed, ó Gelukkig schuld bedrijven ,

waarvoor zulk een Offer leed ! o Volzaligste aller nachten,

die het heiluur hoordet slaan. Dat den Christus, zegepralend ,

nit zijn grafrust op zag staan. Van dien nachtstond staat geschreven ,

dat hij zijn zal als de dag.

Waarop aard en hemel tevens

in Gods vreugde jublen mag :

Daar toch zonde en gruweldade n

uitgedelgd zijn, sinds het Lam, Dat ter slagtbank heengesleurd werd,

heel de zoenschuld op zich nam. Zondaars krijgen de onschuld weder,

zielsbedroefden scheppen moed.

Haat en nijd zijn weggebannen ,

eendragt zet het hart in gloed ; Aardsche kroonen buigen neder,

verootmoedigd in het stof.

Heel \'t herboren aardrijk jubelt

en juicht enkel tot Gods lof.

-ocr page 247-

GOEDE ZAÏÜRDAG. 217

— De Diaken steekt, kruiswijze, vijf kon-els gewijdeu wierook in de Paaschkaars, welke hij vervolgens ontsteekt. —

Neem dan, heilig God en Vader,

in herinring aan dien nacht,

Deze Rak kei, als een reukwerk,

door de Kerk U toegebragt. Uit Egyptes digten nevel rees

voor Isrel de ochtendglans, En voor ons steeg Mensch- en Godheid,

\'t aardsche en hemelsche, ten trans. Daarom, Heer en Zaligmaker,

geef, dat voor het Eakkellicht, In uw heilgen Naam ontstoken,

\'s aardrijks duister vliede en zwicht. Neem, u neem in gunst dees Eeesttoorts

als welriekende offerand.

En moog zij haar glanzen paren

met de Zou, die eindloos brandt. Met die eeuwge Morgensterre,

wier verkwikkelijke gloed Nooit gemist wordt aan de kimmen,

waar zij \'t harte juichen doet : Morgenster, die uit het duister

van driedaagschen grafkuilsnacht \\ oor deze aard weldadig oprees

in onsterfelijke pracht :

ö Wij smeeken, dat haar lichtglans

tot den jongsten dageraad Zaam moog smelten met de Paaschvlam,

die ons hart ü branden laat.

Eindlijk, God, liefhebbend Vader,

en vrijmagtig Opperheer,

-ocr page 248-

218 GOEDE ZATURDAG.

Zend, op dezen dag, uw zegen

in de mildste volheid neer Over kudde en herders tevens,

over \'t Hoofd der Christenheid, Over Vorsten, over Volken, —

en verleen uw Majesteit Al haar schepslen vrede op aarde

en hiernamaals, voor uw Troon, Die den goeden strijd volstreden,

de onverwelkbre zegekroon.

Overweging.

DE KLOK EN HET ORGEL.

Wie bewondert niet het verheven gevoel, door de Kerk, in de plegtigheden harer eeredienst , ten toon gespreid, en waardoor zij op hare zinnebeelden liet zegel van haar genie, het kenmerk harer grootheid drukt? Om Gods weldaden en lol\', met eene zijner opperste Majesteit waardige pracht en heerlijkheid te verkondigen, bedient zij zich van twee stemmen , wier kracht en uitgebreidheid elkander evenaren : het Orgel en de Klok.

Het Orgel! eene stem naar binnen, die hare welluidende golvingen voortstuwt onder de zangerige gewelven der basiliken , rondom de oude pijlers van het groote kerkschip, tot in de geheimzinnige eenzaamheid van het heiligdom.

De Klok! de stem naar buiten, die, tot in de verte, de lucht onder het geluid harer wijdstrekkende galmen trillen doet. Het Orgel I uitdrukking van het openbaar gebed in de Godgewijde tempels; de Klok! uitdrukking van het algemeen gebed , in den heerlijken tempel der natuur. Het Orgel! stem der Engelen en der Heiligen, die, van af de kerkramen, waarin hun strijd en hunne overwinning staan afgebeeld, op de ingetogen menigte nederdaalt, om de vreugden en heerlijkheden des hemels te fluisteren in hun oor. De Klok! stem van het volk en van geheel het menschdom , die van uit dit dal van

-ocr page 249-

GOEDE ZATURDAG.

baUiugsohap en tranen, de klacht des lij duns en liet geroep der bemiauwdlieid, met het verlangen der hoop en der liefde, op doet stijgen tot des Almagtigen troon, liet Orgel! heerlijke stem, wel is waar, maar die, daar zij de grenzen van het heiligdom niet overschrijdt, slechts door de vrome geloovigen gehoord wordt. I)e Klok! eene stem vol deugd en kracht, die in de ooren des geloofsverzakers doordringt, ten spijt hunner pogingen, om aan hunne gewetenswroegingen te ontgaan; eene stem, die den godlooze, al is hij ook den Ceder des Libanons gelijk , in zijnen hoogmoed neder vel t; eene stem, die de vrees voor do toekomst en den angst voor de eeuwigheid neerlegt in het geweten. waaruit God verbannen is; ware woestenij, die, door een gloeijeuden wind is verdord en door geen dauw bevochtigd wordt; eene stem, die, als door een onheilspcllenden straal, de duistere plooijen, waarin dat geweten zich wikkelt, en den ake-liue afgrond, waarin het zich stort, verlicht.

Ziedaar de reden, waarom do Klok, aan heilige en kuische zielen zoo dierbaar, voor de boozen zoo hatelijk en lastig is. Als voorwerp van haat of van liefde, even als de Godsdienst-zelf. wiens onuitwisbare regten zij verkondigt, wekt zij alle gevoelens op, behalve de onverschilligheid. Wien zij niet treft, als een troost, dien kwetst en verbitterd zij, als eene verwijting. Niets ontbreekt alzoo aan hare glorie; de atkeer , dien zij den ongeloovige inboezemt, is eene hulde, die haar niet minder verheft, dan de vrome eerbied, waarmede de Christen haar om-geelt.

IX; Klokken moeten wij alzoo eerbiedigen en liefhebben , op het voorbeeld onzer vaderen , die over hare verbanning zoovele tranen stortten, die op het gevaar af van vrijheid en leven, haar met zooveel ijver voor begeerige opsporing verborgen, en die haar, zoodra een dageraad van vrede over de Kerk begon up te gaan, haar zegevierend en juichend in de al te lang stomme torens herplaatsten.

Maar, onze vereering der Klokken moet eene vereering wezen vol begrip en gevoel: ons Geloof, onze Hoop, onze Liefde moeten de Klok bezielen : want, wat zou zij anders zijn , als een klinkend metaal, dat de lucht van een nutloos geluid weergalmen doet? Zucht de Klok, dan moeten wij met haar zuchten; juicht zij van vreugde, dan moeten wij ons, met haar, verheugen in den Heer; looft en dankt zij, dan moeten wij, met haar, loven en danken; noodigt zij ons uit tot het gebed,

219

-ocr page 250-

PASCHEN.

tot den arbeid, tot dc rust, dan moet haar toeken voor ons als een bevel van God-zelven zijn; roept zij ons op naar bet llei-ligdom, dan moeten wij uitroepen: Mijn hart heeft zich verllijd over wat mij gezegd is : wij zullen opgaan naar des Heeren Huis. Lu zoo dikwerf zij ons oor treft, zeggen wij ; wederom oen uur minder aan den dag mijns levens, wederom een schrede meer naar hot einde mijner baan. Maar, welken voortgang heb ik, bij hot ton einde spoeden mijns levens, gemaakt op den wes der eeuwigheid? Eens komt het laatste uur, waarna mijn bestaan door geen tijd meer zal gemeten worden, en, indien dat uur thans sloeg, zou dan mijne ziel in de handen van eeu barmhartigen Vader, of van een vertoornden Rogtor vallen ■

PASCHEN.

ASCHJiN ! Paschen! zoo riep, vreugdedronken, het jood-sche volk, alreeds vóór dertig eeuwen, telkens, wanneer de dag terugkeerde, waarvan de Heer had gezegd : deze dag zal voor u zijn als een gedenkzuil mijner bescherming en mijner ■weldaden: jij zult hem te allen tijde, van geslacht tot geslacht, als een plegtig feest, uiven Heer en God ter eere, vieren. En, vroegen de kinderen van Israël aan hunne ouders ; wat heteehent dit feest, dan antwoordden hun deze: wij slagten het Paaschlam en offeren het den Heer, ter herinnering aan den laatst en nacht, dien ons volk in Egypte aoor-hragt, toen de Engel alle eerstgeborenen onzer verdrukkers doodde, maar onze huizen spaarde, omdat zij met het Moed van het Paaschlam waren ge teekend. En vroegen Israels kinderen nogmaals: wat heteekent dit plegtig feest? en waarom wijdt gij den Heer alle eerstgeborenen toe? dan werd hun geantwoord: omdat Hij, door de kracht van zijnen arm, ons uit het huis zijner slavernij heeft verlost.

220

-ocr page 251-

PASCHEN. 221

Luider, evenwel, dan aan de oevers van den Jordaan, weerklinkt heden diezelfde vreugdekreet van het Noorden tot het Zuid, van het Oosten tot het West. Pasehen ! Paschen ! zoo roept, met vreugde en blijdschap, het verloste menschdom. Alleluja ! het groote Verlossingswerk is voltrokken! Alleluja! Ook tegen ons, — zoo antwoordt de Christen aan die hem vraagt, wat die zegekreet beduidt, — ook tegen ons had de Engel des verderfs het moordstaal gezwaaid : hij dreigde, niet alleen ons ligchaam, maar ook onze ziel met een eeuwigen dood; doch de Heere Jesus, dat ware Paaschlam der geheele wereld, heeft onze zielen geteekend met zijn bloed, opdat de Engel des verderfs, die dit godlijk teeken niet durft schenden, zou terugdeinzen en voorbijgaan, zonder ons te schaden. Wij ook, wij zuchten, sindts vier duizend jaren, in de wreedste slavernij. Geen aardsche vorst, maar de prins der duisternis, de woedende Satan had alle kinderen van Adam in de ijzeren boeijen der zonde geklonken, en oefende op ons een helsche dwingelandij uit. De Heere Jesus heeft onze ketens verbrijzeld en ons de vrijheid geschonken der kinderen Gods; Hij heeft ons uit de slavernij verlost, en ons gemaakt tot erfgenamen van den driewerf-heiligen God ! Ja, Hij heeft ons verlost, en wel ten koste van zijn leven, ten koste van zijn bloed! Maar Hij, die in zijnen dood over hel en zonde zegevierde, heeft ook op dood en graf de overwinning behiald. Hij heeft, op dezen dag, de kluisters des doods verbroken, en is, vol leven en kracht, vol glans en heerlijkheid, te voorschijn getreden uit het graf! Hij is verrezen, om niet meer te sterven ! O zondig, o ellendig menschdom, kniel neder in het stof, en aanbid uwen Redder, uwen Verlosser! Zing een loflied, den Gekruiste van Golgotha, zing een loflied, den Zegevorst ter eere! Het rijk uws dwingelands is vernield; de prins der wereld is buitenge worpen; uwe verlossing is voltooid, de aarde is herschapen en haar aanschijn hernieuwd.

-ocr page 252-

l\'ASCHEN.

In liaiir Konings zonneluister,

Dartelt lt;le aard, van vreugd verrukt.

Het heelal ontstijgt aan \'t duister.

En de wereld, vrij van kluister.

Ligt voor \'s Eeuwigen troon gebukt.

Ziedaar de hooge beteekenis van dezen dag, die bij uitstek een dag van Geloof, van Hoop en van Liefde is. Paschen is een feestdag voor ons Geloot\', dewijl de Verrijzenis des Heereu een onwederspreeklijk bewijs levert van de waarheid des Ge-loofs, en er, als het ware, het zegel, met liet merkteeken der Godheid, op drukt. Want, Is Christus niet verrezen, zoo spreekt de Apostel Paulus, dan zijn uw geloof en onze prediking jdel ! Paschen is ook het feest der Hoop. Christus, immers, is van de dooden opgestaan, als hoofd van het groote ligchaam der Kerk. Maar, is het hoofd verrezen, dan zullen de ledematen niet ten eeuwigen dage der verrotting worden prijsgegeven; dan zullen ook deze eenmaal uit hunnen graf-slaap ontwaken en glorievol zullen zij, die in geloof en liefde vereenigd bleven met hun godlijk hoofd, verrijzen uit den dood. De Verrijzenis des Heeren is derhalve het onderpand der verheerlijkte Opstanding des vleesches, die ons staat te wachten. Trouwens, is Christus van den dood verrezen, zoo roept ons wederom de groote Apostel toe : hoe zou dan nog iemand durven heiveren, dat de dooden niet zullen verrijzen ? Want, zegt men, dat de dooden niet zullen opstaan, dan moet men ook zeggen, dat Christus niet verrezen is.\' Gelooven wij , integendeel, dat Jesus gestorven is en verrezen, dan moeien wij ook gelooven, dat God hen, die in den Heere Jesus zijn ontslapen, eenmaal uit de graven zal te voorschijn roepen, om in Jesus\' glorie te deelen voor altoos. Ja, Paschen is een feest van Geloof, een feest van Hoop; maar het is, daarenboven , ook nog een dag van dankbare Liefde èn jegens den eeuwigen Vader, die ons zijnen eenigen Zoon gegeven, diens zoenoffer

222

-ocr page 253-

PASCHEN. 223

aanvaard, en liem heden opgewekt heeft van uit den dooden; èu jegens den Zoon, die op dit uur het groote Verlossingswerk voltooid, ons Geloof bevestigd en onze Hoop verlevendigd heeft; èn jegens den H. Geest, die ons, door zijne genade, deelachtig heeft gemaakt aan de verdiensten van den smart-vollen dood en glorierijke Verrijzenis van den nooit volprezen Verlosser en Heer.

Bij de beschouwing dezer hooge beteekeuis van het Paasch-feest, begrijpen wij, waarom de Heilige Vaders Paschen, het Peest der Peesten, den Dag der Dagen, de Plegtigheid der Plegtigheden hebben genoemd. Op aller gelaat staat dan ook heden de blijdschap te lezen : de geheele schepping juicht en viert met den verrezen Verlosser feest. Er is feest in het hart des zondaars, die zich in de dagen van boetvaardigheid met zijn God heeft verzoend, en die nu, met Jesus verrezen, uit het graf zijner zonden is opgestaan. Er heerschteene hemelsche vreugde in het binnenste der vrome ziel, die, op dezen dag, vroegtijdig, met Magdalena naar het verheerlijkte graf van haren Zaligmaker ijlde, aan de Tafel des Heeren nederknielde, en zich met het godlijk Ligchaam en Bloed des Heeren Jesus heeft gevoed. Op Paaschdag, voelt zich de grijsaard verjeugdigd, en deelt met zachte en innige blijdschap de heilige vrolijkheid van des huizes kind. Heden is er feest in de Kerk, die al hare kostbaarheden ten toon spreidt, en hare zoetste zangen aanstemt, terwijl klok en orgel, ieder in zijne taal en op zijne wijze, de zegepraal des Heeren luide verkondigen en zonder eind het Alleluja! den kreet der overwinning herhalen. Ja, er is heden feest in het hart, feest in het huisgezin, feest in de Kerk, en zelfs de natuur, die onder de koesterende stralen der voorjaarszon herleeft, en, als verjeugdigd, uit den winter-dood te voorschijn treedt, viert met en door hare verrijzenis, de opstanding van haren Schepper, van onzen Verlosser, Meester en Heer.

-ocr page 254-

234- PASCHEN.

Verre van dit vreugdegevoel tegen te gaan, wekt de Kerk in hare H. Diensten ons tot eene innige en heilige vrolijkheid op. Zij had geweend bij Jesus\'lijden; stilzwijgend, ofschoon hoopvol, had zij gewaakt bij zijn graf. Maar, nu de steen, die het graf van haren Beminde sloot, is afgewenteld, nu de zegels er van verbrijzeld zijn, nu, onder het oog der wachters, de dood zijn buit heeft verloren, nu hemelsche glans en eeuwige luister het hoofd van haren Bruidegom omstraalt, nu spreekt zij niet langer van boete of versterving, nu plengt zij geen tranen meer. Louter vreugdekreten ontsnellen aan hare hijgende borst : al hare zangen zijn vreugde- en zegeliederen, en zonder eind en zonder maat doet zij het blijde Alleluja weergalmen door de gewelven van Gods huis. De Heer is waarlijk verrezen, Alleluja: dit is haar eerste woord, bij de nachtgebeden van het feest. Dit is de dag, dien de Heer heeft gewaakt : laten wij ons dus aan vreugde en vrolijkheid overgeven ! zoo spreekt zij ons bij ieder uur der H. Getijden toe. Ik hen. verrezen en toch nog met u, Alleluja! met die blijde woorden begint zij het H. Misoffer van dezen dag, waarin alles op het groot geheim der Verrijzenis terugwijst. In den Epistel dezer H. Mis, herinnert ons de groote Apostel, dat Christus ons Paaschlam is, en dit enkele woord doet de harp der Kerk op nieuw trillen, en ontlokt haar een nieuwen zang. Zij heft het victimmpaschali laudes aan, en zingt met blijde stem :

Zing luide \'t Feestdagslied, den maatzang der victorie, Nu , vrome Christenschaar, weer \'t Pascha voor u rijst;

Heft aan dien blijden Psalm, den jubeltoon, ter glorie Van Hem, wien al, wat ademt, prijst.

De Godmensch stierf; zijn dood gaf ons het leven weder. Hij toog verwinnaar door de afgrijslijkheid van \'t graf;

Het bloed van \'t vlekloos Lam stroomt heilvol op ons neder, En lost de schuld van allen af.

-ocr page 255-

PASCHEN.

De Hel ontzet in toorn, en tracht haar prooi te ontrukken

Aan die de wereld redt, maar, bevend, buigt zij \'t hoofd; De Dood verbleekt, bij \'t diep en siddrend nederbukken Voor die haar arm van kraoht berooft.

En gij, Maria, zeg, ••vat mogt uw oog aanschouwen?

n Ik zag, in \'t flikkeren als van bliksemschicht op schicht, w Den Doode, dien \'k begroef, den God van mijn vertrouwen, « Verrezen met het morgenlicht.

« Ik vond de windsels wel, maar \'t grafgesticht verlaten;

Geen kluister van den dood hield Hem in \'t stof gekneld, » ïot weerstand van wiens magt, geene aardsche krachten baten, // En die den Satan heeft geveld.quot;

Hij leeft! Hem hopen wij;—dra zullen allen \'thooren,

Dat Hij verrezen is, naar de uitspraak van zijn woord.

Dra zal zijn minlijk oog weer\'t Jongren-hart bekoren, In \'t door Hem begenadigd oord.

6 Gij. die, door uw dood . den Hemel hebt ontsloten,

Verwinnaar van het Graf. gezalfde Vorst en Heer,

Wil ons niet van \'t bezit uws koningrijks verstoeten ,

Maar zie, in \'t uur des doods, barmhartig op ons neer.

Alle gebeden der H. Mis ademen dezelfde vreugde, en zelfs

)p het oogenblik dat de Diaken den geloovigen aankondigt,

dat het hoogheilig Offer voltrokken is, en hen met het gewone

Ife, Missa est naar huis zendt, moet hij nogmaals lucht

geven aan zijn hart; nog tweemaal doet hij, op verheven toon,

het Alleluja weerklinken, en tweemaal herhaalt het zangkoor

dienzelfden zegekreet!

Het Paaschfeest werd alreeds door de Apostelen ingesteld,

t\'ii is derhalve zoo oud als de Kerk-zelve. In den beginne was

men het echter niet eens over den dag, waarop dit feest moest

worden gevierd. Benige Oostersche kerken, en wel bepaald die

van Klein-Azie, vierden het op denzelfden dag, waarop de

Joden hun Paschen vierden, namelijk, op den 14. dag der

Maartsche maan, om \'t even, op welken dag der week deze

16

225

-ocr page 256-

226 PASCHEN.

dug ook inviel. Al de overige kerken, daarentegen, vierden, met de Kerk van Rome, het Verrijzenisfeest op den eersten Zondag, die op den zoo even vermelden dag volgt. Het gebruik der iloomsclie Kerk verdiende, ontegenzeglijk, de voorkeur, vooreerst, omdat de Zaligmaker op den Zondag is verrezen, en, ten andere, omdat het Pascha der Joden, niet hun eeredienst werd afgeschaft, en het derhalve zeer wensch-lijk was, dat het Paaschfeest niet te gelijk met het Pascha der Joden werd gevierd. Te vergeefs had Paus Victor, zelfs onder bedreiging van zware straffen, de kerken van Klein-Azië willen verpligten, om aan hun oud gebruik vaarwel te zeggen, teneinde Paschen overal op denzelfden dag gevierd zou worden; eerst in de algemeene kerkvergadering van Nicea werd aan dit verschil een einde gemaakt, en bepaald, dat voortaan alle kerken van het Oosten en liet Westen, zich, te dezer zake, naar het gebruik der kerk van Home moesten voegen.

Voor de Hoogmis wordt, bij uitzondering, met Paschen, en evenzoo op Pinksterdag, geen water gewijd; maar, ter besproeijing der geloovigen, neemt de Priester water ui\' de heilige fontein, die den vorigen dag werd gezegend, en waaruit de Catechumenen voor een nieuw leven herboren, te voorschijn traden. Ook zingt de Kerk, bij het sprenkelen van dit gewijd water, niet den asperges me, met liet begin van den voor dezen tijd al te treurigen boetpsalm miserere, maar van heden af, tot Pinksteren toe, zingt zij het opwekkende : Vidi aquam, waarvan de zin ons in deze schoone dichtregelen van den Hoog-Eerwaaarden Heer Van der Ploeg leruggegeven wordt.

Zie ginds ter regter spoedt Uit \'t heiligdom de vloed Des levens voort met zoet geschal,

In watreu, helder als kristal.

Alleluja.

-ocr page 257-

PASC1EEX.

Tot wien dat wonder kooin\',

Hij drinkt uit \'s levens stroom.

En allen zingen : zalig hij !

En weder allen zingen zij :

Alleluja, Alleluja!

Tot in de XVI. eeuw bestond er een gebruik, dat zich van het Oosten aan het Westen had medegedeeld en destijds vrij algemeen onderhouden werd; namelijk, bij het krieken van den dag, begaven zich de geloovigen op Faaschdag ter kerk. Zoodra de Priester in het heiligdom verscheen, nam hij het kruisbeeld in zijne handen, en verkondigde aan de vergaderde menigte de opstanding des Heeren, met deze woorden : Christus is opgestaan van de dooi ten! Allelvja! Dan kuste hij het beeld van den verrezen Zaligmaker, die den waren vrede aan de wereld heeft geschonken, en, alvorens het Paaschlied aan te stemmen, gaf hij den vredekus aan den aanzienlijkste der vergadering, die hein voorts aan al de andere mannen overdroeg. De vrouwen deden dit insgelijks onder elkander. Hij, die den vredekus gaf, zeide : Jesus is verrezen, en degene die hem ontving antwoordde : Hij is waarlijk verrezen. Diezelfde broederlijke omhelzing werd in den familiekring en zelfs op de openbare straten herhaald; ook werd zij vaak als een middel gebruikt, om zich met zijne vijanden te verzoenen , dewijl niemand den vredekus van Paschen zou hebben durven weigeren of afwijzen. Dit oud gebruik bestaat ook thans nog in Polen; in onze streken is er niets van overgebleven; op enkele plaatsen echter van ons vaderland, werd nog op het einde der vorige eemv, in den vroegen morgen van dezen dag, eene processie gehouden, die niet weinig overeenkomst met de zoo even vermelde plegtigheid had. Een ander gebruik, dat genoegzaam algemeen is en, voorzeker, vermelding verdient, ofschoon het zich niet in de kerk, maar alleen in den huislijken

-ocr page 258-

228 PASCHEN.

kring voordoet, is liet gebruik der paascheijeren. Die frissdie en fraai gekleurde eijeren verblijden liet kinderhart, en schenken aan de lieve kleinen eene vergoeding voor het aandeel hetwelk ook zij, door de zorg eener vrome moeder, in de algemeene versterving, tijdens de groote lijdensweek, hebben gehad. De meer gevorderden in jaren wijzen mede dit geschenk niet van de hand, maar genieten de Paascheijeren onder bekende teekens van vriendschap en van ware broederlijke liefde. Die paascheijeren zeggen ons, dat de tijd der versterving en der boete voorbij is. Zij zijn, daarenboven, ook nog een beeld van \'s Heeren Verrijzenis, en van onze toekomstige Opstanding. Immers, de uitwendige harde schaal van het ei gelijkt den grafsteen, dien de Heer verbrak, en welken wij ook eens zullen verbreken op den jongsten der dagen, zoo als het kuiken in het ei de schaal verbreekt , om daaruit levend te voorschijn te treden.

Moge mede voor ons liet paaschei, hoe klein en onbeduidend ook, eene herinnering zijn aan het groot geheim van dezen dag, en een middel, om onzen naasten een sprekend bewijs te geven van een hun toegenegen hart.

L O F Z A N O.

Wat willen deze ontstelde vrouwen, Dit open graf, uit rots gehouwen,

Door Joodsche wachters streng bewaard? Hoe zijn dees woeste legerknapen.

Vaak onverschrokken in het wapen, Thans zóó, tot vlugtens toe, vervaard?

Hij, dien men, voor slechts weinig dagen. Zijn moordhout zag t?r strafplaats dragen,

-ocr page 259-

PASCHEN.

En \'t schandlijksr, vonnis ondergaan; Die door zijn Vader werd verlaten.

Gehoond, bespot door die Hem haten. Schoon met ons aller schuld belaên;

Hij, bij wiens bloedig, smartlijk sneven. Men de aard zag op haar grondvest beven.

De zon met nevelfloers bedekt; De steenrots siddrend opgespleten. Des Tempels voorhang losgereten. En dooden uit hun graf gewekt;

Hij, die uit liefde door twee braven In deze groeve werd begraven.

Verzegeld door den Hoogen Raad; Hij heeft, trots zegels en soldaten. Het wèlbewaarde graf verlaten.

Bij \'\'t krieken van den dageraad.

Juich, Christenschaar, door blijde zangen Den sombren rouwtoon nu vervangen.

Geslaakt om Jesus\' droeven dood! Doe aan heel de aard uw lofzang hooren. Stem luide in \'t lied der Englenkooren, Eu juich : de Heer is waarlijk groot!

Triomf\'! door \'s Heilands bloedig lijden, Kwam hij ons van den dood bevrijden.

Ons opgelegd door Adams schuld. Triomf! hij heeft het eeuwig leven Ons, door zijn sterven, weergegeven. En Gods beloften trouw vervuld.

Triomf ! hij is uit \'t graf verrezen. En heeft ons schitterend bewezen

Zijn roeping, als Gods Afgezant;

Triomf! hij heeft door zijn herleven Het burgerregt ons weergegeven, In quot;quot;t eeuwig hemelsch Vaderland.

229

-ocr page 260-

l\'ASCHKN.

, ó J®sus. wieu ik, door mijn zonden,

Staag \'t hart doorgriefde in wond bij wonden,

En \'t hoofd met doornen hel) gekroond, Doe me ook uit \'t zondengraf verrijzen. En laat mijn mond uw goedheid prijzen. Ons in uw sterven mild betoond.

Overweging.

Uc lieugiijke gebeurtenis, welke wij Leden herdenken, ofeclioou meer dan achttien eeuwen v.ui ons verwijderd, heeft inde wereld /00 diepe indrukken achtergelaten, dat liet ons voorkomt als quot;ave zij eerst heden voltrokken. Een heerlijke en majestueuze empel was geslecht: de verwoesters waanden hunne taak te enen voltooid en, gelijk een beul, die zijn slachtoffer heeft gemaakt, hadden zij zich begeven ter rust. Maar. na drie .lag-en is deze tempel uit zij,ie bouwvallen verrezen, en zie daar staat hij nu. onverganklijk en roemvol, omgeven met meer pracht en luister dan ooit voorheen. Alleluja! Looft den Heer\' Want Jesus onze Koning, die den kruisdood gestorven was is. zooals Hi, voorzegd had, opgestaan uit zijn graf. Resnrrexit\' dixit Alleluja! De gesloopte tempel is herbouwd! Te rer-geets had de Jood zijn graf verzegeld , te vergeefs was een zware steen op de grafstede gelegd, te vergeefs waren gewapende a enters er bij geplaatst, om de buit van den dood te bewaken en den gevangene in den kerker te houden : de ketenen van «len gevangene zijn verbroken, de Leeuw van .luda is ontwaakt uit ( en slaap des doods, en de zware steen weggenomen als ten igte veer. In plaats van de verschrikte wachters, zit nu bii het ledige graf een Bode van het eeuwige licht, vol schoonheid en jeugd, een m glans gehulde Engel des Hemels, die aan de vrome vrouwen van Jerusalem, die den Godlijken Gekruiste quot; Uden komen balsemen, de vreugdevolle tijding viiu \'s Heereit \\emjzems verkondigt, terwijl hij haar zegt; Hij is verrezen ;; li met hier. Waar dan, o dood. is uwe overwinnin\'»? Waar is uw prikkel, o Dood?

Welk een groote dag is alzoo de Faaschdag! Het is de dag-

-ocr page 261-

PASCHKN.

der zegepraal, der levendige vreugde en der onsterflijke venvad:-rinn-, l5cn woord slechts omvat de gelieele t\'eestlijklieid van dezen dag, het is ons Alleluja, het vrolijke Alleluja, dat onder de gewelven onzer tempels weergalmt en door den Priester gestadig uitgesproken en gezongen wordt: Alleluja!

Rik groot feest, evenwel, vordert, om plegtig te worden gevierd, den glans van een groot Gastmaal, en tot een plegtigen «lag behoort eene plegtige feestviering. Hij de inwijding van den tempel, te Jerusalem, werden door Salomon (luizende offerdieren opgedragen aau den Heer. Gedurende een tal van dagen, nam geheel Israël deel aan de vreugde van een echt-koninklijken disch, en de feestvierenden keerden jubelend en vol heilige vreugde naar hunne haardsteden terug.

Ken roemrijke tempel, de Godlijke tempel van het Ligchaam onzes Heeren .Tesus, is op den dag zijner Verrijzenis herbouwd, en. Christenen! het is eene behoefte van ons hart, in een feest-lijk gastmaal, den grooten God een Hem verschuldigd otter to brengen.

Moet ik het u nog verkondigen, mijne Broeders, reeds wordt hef otter opgedragen en de disch is bereid, zoodat ik u slechts de feestzaal behoef binnen te leiden, [n den naam van God en van de II. Kerk. noodig ik u allen uit om binnen te treden, ■ li ik bespeur met vreugde, dat gij allen daartoe zijt bereid.

In (iods-huis zelf is de disch in gereedheid gebragt; op het altaar wordt hef otter opgedragen. Ziet. hoe die drommen van genoodigden zich eerbiedig naar de feesttafel heenbewegen! Daar zie ik den godvruchtigen aanbidder, in de zalige verwachting van den God der liefde, zijne godminnende ziel voorbereiden en louteren. Daar zie ik hem, door zijn Kngelbewaarder gesteund en geleid, met langzamen tred gaan naar des Heeren disch. Aan het altaar-zelf zie ik den Dienaar des Heeren met de witte stola bekleed, zich tot de neergeknielde menigte wenden. Hij houdt in zijne priesterlijk-gezalfile hand den Kelk de* If nils: ootmoedig biedt hij de godlijke Spijs den genoodigden ter beschouwing aan , en spreekt tot hen deze roerende woorden : zied hier het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt. In diepen eerbied klopt de knielende schaar op de borst, eu, terwijl menige bekeerde zondaar tranen van boetvaardigheid en van reine vreugde plengt, herhalen allen met den Priester de woorden van den Hoofdman : Heer! ik hen niet waardig, dat Gij komt onder mijn dak. maar spreek slechts met een woord.

231

-ocr page 262-

f\'ASCHEN.

en mijne ziel zal genezen zijn. En zie! de Priester verdeelt de

lemelspijs: hij plaatst op de tong der genoodigden des Heeren . g am en Bloed, onder de blanke gedaante eener Hostie verborgen en het Brood der Engelen is het voedsel geworden van den pelgrim op aard. Al deze verzadigden heften zich van de heilige tatel op, als even zooveel Christophoren , want zii dni-gen den Heere Jesus in hun hart. Het is de menseh niet meer, die leeft aanbidt en zijne dankbare ziel voor God uitstort , liet is Jesus Christus-zelf, die in hem leeft, en in hem den liemel-schen Vader aanbiedt \'s menschen ontboezemingen van eerbie-ui^en dank.

O, aanschouwt de gelaatstrekken van dien gelukkigen (\'liriston, die daar zoo even de Paaschcommunie ontvangen heeft! bla hem gade m zijne heilige ingetogenheid, de ziel als overstelpt van een hemelsch geluk en eene onuitspreeklijke vreugde-meent gij met, dat, wanneer deze door de godsvrucht gesloten mond zich eensklaps opende, hij eene stem zou doen liooren, gelijk aan den zang van een zuchtenden Engel, of die de zucht van een zingenden stervling evenaart?

Ik zie een dezer patriarchale gezinnen, die, zooals men er (»ode zij dank, nog al vaak ontmoet, drie geslachten bevatten\' de grootouders, de ouders en de kinderen, allen van het Paascli-feest terugkeeren, waarbij zij allen aan denzelfden disch heli-ben gezeten en dezelfde heilige vreugde hebben gesmaakt. Wie zal het geluk kunnen schetsen van dat gezin, \'innig- in liefde en 111 geest van opoffering vereenigd door den Godlijken -nist-heer, die m ieder dier harten zijne woonstede heeft o-eve^fJ Wie vermag de verhoogde liefde en eerbied te schetsen dier kmderen tot en jegens hen, die hun het leven schonken? Wi« zal ons de verdubbelde teederheid en zorg- dier ouders schetsen m het bewaken hunner zonen en dochters, teneinde aan deze panden hunner wederzijdsche liefde eene jeugd vol onschuld en eene heilvolle toekomst te verzekeren ? Wie voelt zich bij magte een tafereel op te hangen van het vertrouwen en de ieu4W kracht dier gelukkige, door het brood der sterkte \'quot;-evoede grijsaards i Zij staan, wel is waar, op den rand van het -n-af maar zij weten dat hun graf luisterrijk zal zijn, en dat uit «le doodelijke duisternis van dat graf, de dageraad van hef eeuwig leven voor hen op zal gaan : want in de H. Communie hebben zij en de belofte, en den waarborg, èn het onderpand van een eeuwig geluk en van de glorievolle verrijzenis huns

-ocr page 263-

belokkn paschtn.

ligchaaras ontvangen. Wie, eindelijk, zon het wagen, de innig-gevoelde werking der H. Paaschcommunie op alle leden van dat gezin in woorden over te brengen ?

Waar Jesns Christus in de harten huisvest, daar beveelt de meester met zachtmoedigheid, daar gehoorzaamt de dienaar met liefde, en deelt elk lid van het gezin in het lijden van alle overigen. En, geen wonder, want daar, waar Jesus komt, wordt hij vergezeld door alle deugden, die Nazareths nederige stulp eertijds hebben herschapen in het Ijekoorlijtst verblijf. De zachtmoe-digheid, de verpligtende voorkomenheid, de nederigheid, de onschuld, een werkzaam leven en de gestadige vooruitgang in de volmaaktheid , ziedaar het erfdeel der gezinnen, wier leden zich steeds meer en meer naauw-vereenigen met Hem, die voor ons allen, de IFer/, de Waarheid en het Ltveu is.

Vergt van mij geene meerdere bewijzen of redeneringen op dezen grooten Paaschdag, dien het licht zoo helder en zoo overvloedig omstraalt. Alleen zal ik, tot slot, de heerlijke woorden aanhalen van den schrijver der Navolging van Christus (iv. Boek: quot;l Hoofdst.) „ Aan twee zaken heb ik hier beneden vóór en bovenal ;/ behoefte, en zonder deze zou ik den last van dit ellendig leven ii niet kunnen torschen. Opgesloten in het ligchaam, heb ik èn ii voedsel èn lich t noodig, en daarom geeft Gij aan dien armen ii gebrekkige uw heilig Vleesch tot voedsel van zijne ziel en vau ii zijn ligchaam, en uw Woord, om als eene lamp zijne schreden ii te verlichten. Ik zou niet kunnen leven zonder deze twee din-z/gen, want Gods Woord is het Licht der ziel, en uw heilig n Sakrament is des levens Brood. quot;

BELOKEN PASCHEN.

e vooravond van Pascheu was eertijds de groote stond, waarop het II. Doopsel aan de Catechumenen werd toegediend. De Doopelingen werden alsdan bekleed met een sneeuwwit gewaad, het zinnebeeld derreinheid en der onschuld, waarin

-ocr page 264-

BELOKEN PASCHEN.

zij door dit heilig Sakrament waren hersteld. Zij behielden deze witte doojikleederen tot op den vooravond van den volgenden Zondag, wanneer zij ze in de kerk terugbragten. Aan dit aloud gebruik heeft de eerste Zondag na Paschen den naam ontleend van Dominica in albis of in alhis depositie, hetwelk zoo veel nis de Zondag na het afleggen der Doopkleederen zeggen wil. Eertijds was de geheele Paaschweek een voortdurende feestdag. Dit werd, volgens den H. Chrysostomus, bijzonder ten gunste der Nieuwgedoopten dus geregeld. ,/ Jesus ,/ Christus, (zoo spreekt de Kerkvader) werd na zijn doopsel // bekoord; de nieuwe geloovigen hebben dat insgelijks van den //helschen vijand te verwachten. Het is dus eene wijze inrig-// ting, dat de Kerk deze nieuwelingen nog gedurende zeven „ dagen versterkt vóór den strijd, die hen te wachten staat. quot;

Daar het onderrigt der nieuwgedoopten veel tijd en moeite vergde, en men die nieuwelingen niet, door al te langdurige diensten, wilde vermoeijen, verkortte men de H. Getijden dezer week, in dier voege, dat er slechts drie Psalmen in do Metten gezongen werden. Datzelfde geschiedt, om dezelfde reden, gedurende de Pinksterweek. Dit gebruik, dat ook thans nog bestaat, heeft tevens een meer verheven doel. De Kerk wilde door het bidden dier drie Psalmen de Nieuwbekeerden herhaaldelijk herinneren, dat zij in het heilig Doopsel het Geloof, de Hoop en de Liefde hadden ontvangen, en hen opwekken, om de heilige Drievuldigheid van harte te danken voor de groote genade des Doopsels, waardoor zij kinderen Gods en erfgenamen des Hemels geworden zijn. Zoo onderwijst de Kerk hare kinderen niet alleen door woorden, maar ook door hare handelingen. Hiervan vinden wij in den Paaschtijd ook nog een ander bewijs; in dezen tijd, namelijk, schrijft de Kerk geen vasten voor, omdat het een tijd van geestlijke vreugde en blijdschap is, en zij spreekt bare gebeden niet knielend, maar staande, om ons zoo aanhoudend aan Hem te her-

-ocr page 265-

BELOKEN PASCHEN. 235

in noren, die uit den dood is opgestaan, en in wiens Verrijzenis lief onderwerp der liooge vreugde van het Paasehfeest bestaat.

Bijzondere plegtiglieden zijn op dezen dag niet te vermelden, en toch is deze Zondag dierbaar aan liet ehristenhart, niet alleen omdat hij de voortzetting en, als het ware, de stille avond is van het plegtige feest der Verrijzenis des Fleeren, weshalve hij ook beloken, dat is gesloten of afgeloopen Paschen wordt genoemd, maar ook, omdat deze dag op vele plaatsen wordt verkozen, om de IT. Communie uit te deelen aan de kinderen, die, voor de eerste maal, tot de Tafel des Meeren gaan. T)e dag der eerste IT. Communie blijft steeds de schoonste van het leven, en diens herinnering is altijd honigzoet. Daarom blijft de Zondag in Albis, dewijl hij ons, van den eenen kant, aan ons II. Doopsel en, van den anderen, aan onze eerste II. Communie herinnert, een der schoonste en meest-geliefde feestdagen van hef Kerklijk Jaar. TTij, bijzonder, voelt zich gelukkig op dezen dag, die, op de verloopen jaren terugziende, zich de getuigenis kan geven, dat hij zijn sneeuwwit doopkleed niet heeft bezoedeld, en dat de loop der jaren niets ontnomen heeft aan de godsvrucht en de liefde, die hein bezielden, toen hij het geluk had, voor de eerste maal, het Ligchaam en Bloed des Ileeren te ontvangen en Jesus te laten rusten in zijn gelukkig hart !

LOFZANG.

AD BEGIAS AGNI DAPES.

Gij, die, in sneeuwwit feestdagskleed,

üeu disch van \'t Lam thans nader treedt,

Breug Hem, die door een zee van Bloed U heenbragt, veilig en behoed.

Den blijden dank- en jubelgroet.

-ocr page 266-

BELOKEN PASCHEN.

Hij, Jesus Christus, \'t eeuwig Woord, [h wien de nieuwe schepping gloort. Hij, de Opperpriesterlijke Magt,

Heeft u zijn Vleesch ten spijs gebragt. Zijn Bloed tot drank, opdat uw ziel Niet tot een buit des doods verviel, En uit der zonde dienstbaarheid U \'t hemelpad werd toebereid.

Hij, \'t Pascha van de Nieuwe Wet, Heeft u deez\' Eeestdisch voorgezet. Waar hij, die \'t Paaschlam heeft geslagt. De opregten van gemoed nu wacht.

Ja, heilige Offraar, schuldloos Lam, Dat voor mijn heil ter slagtbank kwam. Gij hebt des Afgronds schrikbre magt Voor goed gebreideld door uw kracht. Gij hebt het menschdom vrij gemaakt. De banden onzer schuld geslaakt. En bragt ons ^t leven wederom. Met de aanspraak op uw Heiligdom.

Zoo stoudt Gij op uit dood en graf, Naamt heel natuur haar kluisters af. En, op der wolken hemelglans, Ontzweefdet Ge ons naar hooger trans.

Daar smeeken wij U, Vorst en Heer, Ei, zie genadig op ons neer.

En geef ons door den Paaschfeestdisch Al wat op aarde ons noodig is.

Dan grimt geen dood of hel ons aan. Maar loopt ons pad op effen baan; Zoo brengen we uwer Majesteit Den lof, den dank in eeuwigheid.

236

-ocr page 267-

BELOKEN PASCHEN. 287

U, cn den Vader, met den Geest,

Die Drie in Eenlieid zijt te zamen.

Amen. Amen.

Overweging.

Toen eens de grootste Veldheer van den nieuweren tijd , na eone schitterende overwinning, te midden zijner wapenbroeders uitrustte, zeide hem een der aanwezige Officieren ; Sire ! dezen dag moogt gij teregt onder de gelukkigsten uws levens tollen.quot; •Ta. hernam de veldheer, onder de gelukkige dagen zal hij voorzeker tellen, maar hij is er ver van af de gelukkigste mijns levens te zijn. Verwonderd zagen de krijgers elkander aan, en, door het zonderlinge van dit antwoord nieuwsgierig geworden , herinnerde, elk op zijne beurt, aan eene der merkwaardigste gebeurtenissen in \'s Keizers leven. Ieder meende den gelukkigsten levensdag des Keizers te hebben aangeduid, maar telkenmale werd hun geantwoord: neen, dat is hij niet. Eindelijk stond een grijze strijder op. Het was de even dappere als trouwe tieneraal Drouot. « Sire. sprak hij. gij zult mijne woorden niet logenstraffen : de gelukkigste meer levensdagen was die uwer eerste Heilige Communie.quot; Een traan ontglipte aan het oog des Veldheers; en, diep bewogen, riep hij uit: Drouot, gij hebt mij begrepen. Ja , dat is de gelukkigste stonde mijns levens geweest.quot; Deze woorden — zij mogen al of niet als geschiedkundig worden aangenomen — zijn de uitdrukking van hetgeen ieder Christen-hart, waaraan de worm des twijfels of des on-geloofs nog nier heeft geknaagd, in zijn binnenst gevoelt. Lang moge de reeks van jaren zijn, welke men heeft beleefd: geluk en voorspoed mogen ons steeds hebben vergezeld; rijkdom, eer, en roem mogen ons deel zijn geworden, dit alles zullen, ja, wel bloemen wezen op den dorren weg des levens, maar zij hebben ons het waar geluk niet geschonken, en konden dit ook niet, omdat zij kinderen zijn der nooit bevredigende verganklijkheid. Die bloemen, helaas! verwelken allengskens; door den tijd verliezen zij al het aanloklijke harer kleuren, en dikwerf ziet liet hart slechts onverschillig op dat bloeijend verleden terug; maar de eerste H. Communie, het zuivere genot, de hemelsche

-ocr page 268-

::;38 BELOKEN i\'ASCHEN.

vrouwde up dien dag gesmaakt, ziettlaar eeue bewomlereuswaar-dige bloem, die altijd frisch, altijd geurig, altijd bekoorlijk blijft, gelijk op den oogenblik, dat zij voor liet eerst outlook. .Ta, roept te regt een godvruchtig sclirijver uit, ja, er is eeu dag in liet leven van ieder Katliolijk, die zóó heerlijk, zóo kalm en vol van de schoonste verwachtingen aanbreekt; een dag, zoo vervuld met heilige en genadevolle overwegingen, dat het schijnt, alsof God zich vernedert, om als \'t ware, met eeu zachten blik van zelfvoldoening op onze onschuldige kiudschheid neder te zien: die dag, is de dag onzer eerste Heilige Communie, waarop de Kerk zich, ton teckon van vreugde, met hare feestkleederen versierende, ook ons met het witte kleed der onschuld tooit en ous toestaat, om van het verhevens te barer geheimen deelgenoot te worden. Ach! boe rampzalig moet liij zijn, die zich dezen gelukkigen dag uiet meer herinnert, en liem niet met vreugde terugbrengt voor zijnen geest!

Ook gij, die sedert dien tijd van reine vreugde, uwe lippen reeds hebt bevochtigd met den bitteren kelk der wederwaardigheden des levens; ook gij, niet waar, herinnert u, met schokkende weemoedigheid , dien schoouen dag, waarop de zilveren toonen der luidende kerkklok uw hart, door ééue enkele gedachte van liefde bezield, heviger deden kloppen; dien dag, waarop gij God tot getuige naaint van de blijdschap, die u«r gemoed vervulde, en van uwe vurige begeerte, om Mem te ontvangen in uw hart? Gij zeidet tot u-zelven, dat het uw God was, die in uw binnenste zou komen rusten, — en uwe godvruchtige verzuchtingen, uwe liefdevolle gewaarwordingen waren toen in eeue volmaakte overeenstemming met uw heilig verlangen. O, breng, indien gij kunt, dat alles in uw geheugen terug. Herinnert gij u nog de plotselinge aandoening, de godsdienstige verrukking, die uwe ziel doorstroomde op den oogenblik, dat het Geheim zou voltrokken worden, en die aan geheel uw wezen de nadering verkondigde van uwen God? ileri,inert gij n nog den oogenblik, waarop uw verlangen vervuld was en ih-diepste vrede heersebte in uw gemoed: den oogenblik, waarop gij uwen God hadt ontvangen en volkomen met Hem vereenigd waart? O! wie zon de onuiNpreeklijke verrukking, die toen uwe ziel beheerschte, kunnen beschrijven, de vurige betuigingen uwer godsvrucht en de uitnemende liefde vermogen ie schetsen, die u toon bezielde voor uwen God, en u zóó dankbaar voor zijne oneindige liefde deed zijn, dat gij u, als bet

-ocr page 269-

MARIA BOODSCHAP.

ware, gedompeld voeldet in een oceaan van geluk en zaligheid!\'

NTeeii, nimmer kunnen zulke herinneringen uit liet geheugen worden gewisoht. De eerste 11. Communie is een baken, wat wij uitgezet hebben, om den weg te kennen dien wij moeten bewandelen, teneinde te geraken tot het ware heil. Gelijk de zeeman zijne blikken vestigt op de ster, die hem ten gids verstrekt o]) de onstuimige zee, zoo zullen ook wij onze oogen gestadig vestigen op dit teeken, om niet af te dwalen van den regten weg.

MARIA BOODSCHAP.

O—c

IglfliEU duizend jaren lang liad liet zondig meusclidom, van iBAABl een Verlosser verstoken, zijne zwakheid en ellende leeren kennen, opdat het des te vuriger naar zijnen Zaligmaker verlangen, en des te beter de weldaad der verlossing waardeereu zou. De nacht van ongeloof en verderf, die de aarde bedekte, was op het midden van zijnen loop gekomen : allerduisterst waren de nevelwolken van dien hangen nacht. De stem dei-waarheid en der deugd werd in de wereld niet gehoord : er heerschte eene ijzingwekkende stilte, de stilte van het graf.

Nu waren de tijden vervuld. Het plegtig uur, door de Profeten voorspeld, waarop de barmhartige God zijn ecnigen Zoon in de wereld zon zenden, opdat de wereld door Hem heil en zaligheid zou erlangen, was aangebroken, u Ziet, zoo had de Profeet Isaïas uitgeroepen, toen hij deze wondervolle gebeurtenis in de verste verte vooruitzag en verkondigde, zie/, eene Maagd zal ontvangen en een Zoon baren, wiens Naam Emmanuël (dat is : God met ons) zal zijn..,. Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven : de heerschappij is up zijne

-ocr page 270-

240 MARIA BOODSCHAP.

schouderen gelegd, ev Hij zal de Wonderbare, de Raadsman, God, de Krachtige, de Vader der toekomende eexmen , de Prins des vredes worden genoemd.quot; Het oogenblik was nu daar, waarop die voorspelling, de hoop eu de troost van het gevallen menschdom, in vervulling zou gaan.

Keeds droeg Elisabeth den H. Joannes, den voorlooper des Heeren, in haren schoot ; de komst van den Godmensch , aan wien Joannes den weg moest voorbereiden, was derhalve nabij. u In de zesde maand — der zwangerheid van Elisabeth — h werd de Engel Gabriel van God gezonden naar eene stad n vanGalilea, met name Nazareth, tot eene Maagd, die onder-// trouwd was aan een man, wiens naam was Joseph, uit het // huis van David; en de naam der maagd was Maria. n En de Engel kwam tot haar binnen, en sprak : Wees gegroet, gij vol vin genade ! De Heer is met n! Gezegeiul n zijt gij onder de vrouwen !

n Als zij dit hoorde, ontstelde zij over zijne woorden , en h peinsde, wat dit voor een groet mogt zijn. En de Engel h sprak tot haar : Vrees niet, Maria ! w\'ant gij hebt genade „ gevonden bij God ! Zie, gij zult in uwen schoot ontvangen, // en een Zoon baren, en zijnen naam zult gij Jesus heeten. // Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genoemd u worden, en de Heere God zal hem den troon van zijnen n Vader David geven; en Hij zal over het huis van Jacob f, heerschen in eeuwigheid; en aan zijn rijk zal geen einde ,/ zijn. Toen zeide Maria tot den Engel : hoe zal dit geschie-,/ den, dewijl ik geen man beken ? En de Engel antwoordde , // eu sprak tot haar : de Heilige Geest zal over u komen , en ,/ de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen : daarom „ ook zal het Heilige, dat uit u zal geboren worden, Gods // Zoon worden genoemd. En zie, Elisabeth, uwe bloedver-wante, ook zij heeft een Zoon ontvangen in haren ouder-;/ dom : en deze maand is voor haar, die onvruchtbaar heette.

-ocr page 271-

MARIA BOODSCHAP. 241

// de zesde : want geen woord zal bij God onmogelijk zijn. En // Maria zeide : ziehier dan de Dienstmaagd des Heeren; mij u geschiede naar uw woord! En de Engel vertrok van haar.quot; ( Luc. I. v. 26 — 38.)

Op ditzelfde oogenblik, ontving Maria, door den Heiligen Geest, het Eeuwige Woord des Yaders in haren maagdelijken sc hoot. Uit haar nam de Zone Gods onze menschelijke natuur aan; om voor ons te kunnen lijden en sterven, en om ons, door zijn lijden en dood, te verlossen, van de eeuwige pijnen en de n eeuwigen dood. Op dit gezegend oogenblik is het dat het Wo ord is Vleesch geworden en onder ons is komen women. De Kerk viert en herdenkt op dezen dag dit Godsgeheim, dat geen menschlijk denkvermogen kan bevatten, veelmin verklaren ; zij viert het wonder der oneindige vernedering van een God, die, om ons te redden, van den hemel is neergedaald, zich-zelven heeft vernietigd en de gedaante van een slaaf heeft a angenomen; zij herdenkt, met innige dankbaarheid, de on-uitspreeklijke barmhartigheid van den Zone Gods, die, in dit wo nderwerk van liefde, op ds schitterendste wijze uitblinkt. Daarom buigt ook heden, dieper dan op andere dagen, de Priester het hoofd, wanneer hij aan de voeten van bet altaar nederknielt, wanneer deze plegtige woorden van het Credo w orden gezongen : et incarnains est de Spiritu Sancto, ex Maria virgine, et Homo factus est. — Die het vleesch heeft aangenomen, door den Heiligen Geest, uit de Maagd Maria, en Mensch geworden is.

Eeeds in de eerste eeuwen, zooals menigvuldige oorkonden, die tot de vijfde eeuw opklimmen, zulks getuigen, werd dit feest, zoowel in de Oostersche als in de quot;Westersche Kerk, luisterrijk gevierd. Met haren godlijken Zoon werd tevens Maria plegtig vereerd, die, op dezen heuglijken dag, het on-uitspreeklijk voorregt ontving, van de Moeder te worden van haren God en Schepper, de Moeder van onzen Verlosser en

i7

-ocr page 272-

242 MARIA BOODSCHAP.

van onzen Zaligmaker, en dit, zonder op te houden eene zuivere en ongesclionden Maagd te zijn. Loven wij dan, op dezen dag, de oneindige liefde van onzen Heer, tevens loven en prijzen wij den luister, de eer en de glorie, aan Jesus\' Moeder geschonken, en, met dankbare vreugde en blijdschap herhalen wij haar lied van dankzegging : // Mijne ziel maakt // groot den Heer, en verheugd heeft zich mijn geest in God, n mijnen Zaligmaker! Omdat Hij uederzag op de geringheid // zijner Dienstmaagd : want zie, van nu af zullen alle geslach-„ ten mij zalig prijzen; dewijl Hij groote dingen aan mij heeft // gedaan, Hij, die magtig is; en Heilig is zijn Naam ! En // zijne barmhartigheid is van geslachte tot geslachte over de-u genen, die Hem vreezeu. Hij heeft kracht geoefend door ,/ zijnen arm; verstrooid heeft Hij die hoogmoedig zijn in huns n harten waan. Magtigen heeft Hij van den troon geworpen, u en geringen verheven. Behoeftigen heeft Hij met goederen ,/verrijkt, en rijken ledig weggezonden. Hij heeft Israël, ,/ zijnen dienstknecht, aangenomen, indachtig zijner barmhar-„ tigheid : gelijk Hij het aan onze vaderen heeft toegezegd, „ aan Abraham en aan zijn kroost, in eeuwigheid ! quot;

Ofschoon de Kerk, in het feest van heden op eene meer bijzondere en plegtige wijze de Menschwording van den Verlosser, en de glorie der H. Moeder-Maagd viert, zoo doet zij zulks evenwel niet op dezen dag alléén, maar dagelijks weerklinkt, in hare openbare gebeden, de dankbare geloofsbelijdenis wegens dit troostvol Geheim. Daarenboven, wekt, sedert acht eeuwen, de zilveren stem der klok, iederen dag driemaal, de geloovigen op, om dit Geheim van Liefde, in een stil gebed te vereeren. Zoodra het klokje den Angelus klept, hetzij in den vroegen morgen, in den laten avond, of op het volle middaguur, dan ontdekken zich aller hoofden en buigen zich alle knieën; de gesprekken, hoe levendig ook, worden afgebroken. en. in stille godsvrucht, bidt ieders mond en ieders

-ocr page 273-

MARIA BOODSCHAP. 343

hart: De Engel des Heeren boodschapte Maria, en zij ontving van den Heiligen Geest.quot;

u Wees gegroet Maria, vol van genade, de Fleer is met u; gezegend zijt gij onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht uws ligchaams, Jesus; — Heilige Maria, Moeder Gods, bid voor ons, zondaars, nu en in de ure van onzen dood. Amen/\'\' // Zie de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar uw woord.

Wees gegroet! quot;

// En het Woord is Vleesch geworden, en het heeft onder ons gewoond. Wees gegroet!quot;

// Bid voor ons, heilige Moeder Gods,

Opdat wij waardig worden de beloften van Christus.quot; // O Heer! wij bidden U, stort uwe genade in onze harten, opdat wij, die door de Boodschap des Engels, de Menschwording van Christus, uwen Zoon, gekend hebben, door zijn lijden eu kruis, tot de heerlijkheid der Opstanding mogen geraken, door Jesus Christus, onzen Heer. Amen.

Is dit gebed geëindigd, dan wenscht men elkander een zaligen morgen, een zaligen middag, of een zaligen avondstond. Op vele plaatsen in het vrije Nederland wordt het schoone Angelus-klokje niet gehoord : bekrompen vooroordeelen verbieden het, om de dankbare geloovigente roepen tot het gebed: mogen daarom echter de mond eu het hart der geloovigen niet zwijgen: mogen zij, integendeel, getrouw aan het aloude gebruik , geen dag laten voorbijgaan, zonder, driemaal, de Blijmaar van des Heeren-Engel te gedenken, met hart en mond.

Tijdens de Middeleeuwen, werd het onderwerp van dit feest, in vele kerken, op eene dramatische wijze voorgesteld. Twee jongelingen of ook wel een koorknaap eu een jeugdig bruidje plaatsten zich, ieder op eene verhevene en daartoe bestemde plaats, in de nabijheid van het altaar, terwijl eene duif, den H. Geest verbeeldende, aan het gewelf was opgehangen. Het

-ocr page 274-

244 MARIA BOODSCHAP.

rijk uitgedoste bruidje stelde Maria voor en zat, in biddende houding, op eene knielbank; de koorknaap, daarentegen , die in een rijk kleed gehuld en met een gouden schepter in de hand, den Aartsengel Gabriël verbeeldde, bleef overeind staan. Wanneer de Mis tot aan het Evangelie gevorderd was, zong de Diaken : Be Engel Gahriël werd van God gezonden naar eene stad van Galilea enz., zoo als boven is vermeld; maar alle woorden, door den Engel tot Maria gesproken, werden door den koorknaap, en de vragen en antwoorden der heilige Maagd, door het jeugdige bruidje gezongen. Wanneer de koorknaap de woorden des Engels herhaalde : De Heilige Geest zal over U komen, wees hij met zijn gouden schepter naar de duif; deze werd dan langzaam afgelaten tot boven het hoofd van haar, die de Moeder-Maagd verbeeldde, en bleef daar hangen tot na het Agnus Dei. Bij dit alles bleef het kleine bruidje knielend op haar bankje zitten; maar, voor dat het de zegenrijke woorden zong : zie hier de dienstmaagd des He er en; mij geschiede naar uw woord, stond het kind op, keerde zich naar het altaar, en stak, als deelde het in het gevoel dat Maria op dat oogenblik ontwaarde, wijd en breed zijne kleine armtjes uit. .Na de Mis, keerden Maria en de Engel, stil en zedig naar de Sacristij terug.

Op de meeste plaatsen, geschiedde deze voorstelling onder de Gulden Mis, in den Advent, waarin hetzelfde Evangelie wordt gezongen. Het is zeer waarschijnlijk, dat de Gulden Mis haren naam verschuldigd is, niet alleen aan den gloed van licht, die alsdan het heiligdom als goud doet schitteren, noch ook alleen aan de plegtige wijze, waarop zij werd gevierd, noch ook uitsluitend aan de verhevenheid van het Godsgeheim dat alsdan wordt herdacht, maar ook aan de dramatische en den volke zoo welgevallige voorstelling van Maria Boodschap, //Deguide Misse, zegt een schrijver der X\\ IIe, eeuw, // is, omdat men alsdan het Evangelie singt van Onser \\ rouwe

-ocr page 275-

MAMA BOODSCHAP. 245

// Boodschap, encle van onses Heereu ontfanglienisse, voor-,/ waer wel guide. quot;

Even waarschijnlijk is het, dat men grootendeels aan deze dramatische voorstelling den buitengewonen toeloop der geloo-vigen bij de Gulden Mis moet toeschrijven, ofschoon het niet te ontkennen valt , dat eene andere oorzaak hieraan krachtdadig medewerkt, te weten, de vrij algemeene opvatting, dat aan deze Mis een bijzonderen zegen, die, namelijk, om ons van alle gevaren op land en water te beschutten, verbonden is. En hierin vinden wij eene nieuwe, misschien meer voldoende verklaring van den ijver, dien de varensgasten aan den dag leggen om de Gulden Mis bij te wonen.

De dramatische voorstelling van Maria Boodschap leefde, op eenige plaatsen, tot in de laatst-verloopen jaren voort. Ouden van dagen, in het Bisdom Roermond, hebben dezelve nog zien plaats grijpen, en te ïhielt, in België, werd zij eerst omtrent het jaar 1840 afgeschaft.

LOFZANG.

MARIA BOODSCHAP.

ROMANCE.

Naar het Spaansch Tan Lopez de Vega.

In haar cel, met God onledig. Zat Maria vroom en zedig.

Diep verzonken in \'t gebed. Peinzend, wie toch eens als Moeder D\'eengen Zoon van dJAlbehoeder Baren zoude zonder smet.

-ocr page 276-

MARIA BOODSCHAP.

Op haar knielbank neergezeten Las ze in \'t boek van Gods Profeten

Het geheimnis volle woord,

Dat haar ziel verlangend maakte, D\'aardschen band haars harten slaakte En het hief naar \'s Hemels oord.

Ja, zij las daar in die bladen.

Dat een maagd door Gods genaden,

Eeine moeder, kuische vrouw.

Door geen man ooit te bekennen, Noch hen maagdenschoot te schennen. Eens het God-Kind baren zou.

u O gezegend ste aller vrouwen ! quot;

Riep zij, vol van Godbetrouwen En van diepe vroomheid uit:

Zonder in \'t gemoed te weten.

Dat de heilige Profeten

Haar hier hadden voorbeduid.

,/ Ach! wie is \'t geluk beschoren. Als Gij eens op aard geboren.

Hier komt vestigen uw woon, In uw heiige dienst te leven,

U als dienares te omzweven !

II te zien, waar \'t hoogste loon quot;

Jonkvrouw! groet u nu reeds teeder! \'k Leg aan uwe voeten neder

\'t Lofwoord, dat mijn ziel vervult; \'k Groet u, akker vol van zegen, Die, bedauwt met hemelregen,

Zulk een heilvrucht dragen zult.quot;

Door dit heilig, vroom verlangen Had haar geest alreeds ontvangen \'t Eeuwig Woord, dat in haar schoot

346

-ocr page 277-

MARIA BOODSCHAP.

Straks zal rusten en zicli kleeden Met om\' brooze menschenleden, Worden onz\' natuurgenoot.

Als de Maagd, door liefde ontstoken, Dezen wenscli had uitgesproken.

Blikte, in \'s hemels hoogste sfeer God de quot;Vader op zijn Zone,

En de Gods Zoon, van zijn\' trone, quot;Boog zich voor den Vader neer.

Lit der geesten zalig Eden Snelt een Engel naar beneden.

Waar hij \'t Woord verkonden gaat. Zie ! het luchtruim vangt de stralen. Die al dartiend nederdalen

Van zijn tintiend lichtgewaad.

Hij zal, bij zijn nederzweven,

Zich naar Nazareth begeven,

\'t Stille dorpje, arm van bouw. Waar de Heer der Starrenbanen Voor een tijd van negen manen Met zijn hemel toeven zou.

Zacht gedaald in \'t aardsch beneden. Hult hij zich in jonglingsleden

Schooner dan van Absalon.

Als een God-zelf mensch wil worden, Vraag niet, of uit de Engelen-orden, Een dien vorm wel kiezen kon ?

De Engel buigt, vol hemelwaarde. Voor de Maagd de knie ter aarde;

Afgezant van \'s Heeren troon Meldt hij zich bij \'t eerst ontmoeten, En dat hij haar thans komt groeten Als de Moeder van Gods Zoon.

-ocr page 278-

248 MARIA BOODSCHAP.

Nedrig, vol geloof en teeder,

Buigt Maria, blozend, neder,

TVu zij d\'Engel heeft gehoord; En zij roept, naar Gods begeeren : ,/Zie! ik ben de Maagd des Heeren! Mij geschiede naar uw woord ! quot;

En terwijl aan hare lippen Deze woorden blij ontglippen,

Ligt een God in haren schoot: Want Gods Geest kwam nederdalen Op zijn\' bruid, en haar omstralen, Toen zij \'t harte Hem ontsloot.

Ja, gij zijt het, o Vorstinne!

Die de Heer van den beginne

Uitkoos voor zijn Heilbesluit, Die Emmanuël tot Moeder,

En de Geest, onze Albehoeder,

Zich verkoos tot lieve Bruid !

Gij zijt de Ark, waarin wij schuilen. Als de stormen ons omhullen!

Gij zijt ons de vredeboog.

Die zijn zeven schoone kleuren Uit den zondenvloed komt beuren. Om te flonkeren iu ons oog!

\'t Duifken zijt gij, uit den hoogen. Dat naar Noachs ark gevlogen,

D\'eersten scheepling op zijn togt Tot een vreugdewekkend teeken Van ontdekte landings-streken Den olijftak bieden mogt.

Gij zijt \'t Braambosch aller landen, Dat eens schittrend stond te branden In de lichtelaaije vlam.

-ocr page 279-

MARIA BOODSCHAP.

Toen zijn kruin den gloed trotseerde En liet vuur zijn loof niet deerde,

Noch zijn levenskiem ontnam !

Gij zijt de beloofde Vrouwe,

Die \'t serpent zoo vol van rouwe

En vergif voor onze ziel,

In dit ondermaansch beneden,

D\'ijdlen schedel mogt vertreden Met uw zegerijken hiel!

Gij zijt de Ark der nieuwe leere!

Gij, de Tempel, God ter eere Staande op Salomons bevel.

Waar de mokerslag der zonden Nimmer heeft het oor geschonden Van den Vorst van Israël!

Gij zijt de eenige Onbevlekte,

Die, toen God uw wording wekte.

Zonder smet ontvangen zijt;

Die Hij \'t heilwoord toegezeid heeft.

Die Hij tot zijn woon bereid heeft En tot zijnen troon gewijd!

Overweging.

Ü zalige Maagd Maria, wie vermag er n naar waarde voor te loven en te danken, dat gij, door de beaming van den groet des Engels, de verloren wereld ter Imlpe gekomen zijt? Welke lofspraak zal het armzalig niensclidom u kunnen toebrengen, n, door wier bemiddeling-alleen het de toenadering ter verzoening met God erlangde ? Neem alzoo onze dankbetuiging aan, al is zij ook nog zoo gebrekkig en uwer verdienste onwaardig. Hebt gij ze aangenomen onze gebeden, o verwerf ons dan, door uwe voorspraak, vergiffenis en kwijtschelding onzer schuld. Draag onze bede over in het heiligdom der ontferming, en breng ons

349

-ocr page 280-

£50 t5e meimaand.

vandaal\' het heilmiddel der verzoening -sreêr. Door u mogen wij verwerven, wat wij door u, vol vertrouwen, afsmeeken, en ons worde vergeven, wat wij door u van God verbidden. Aanvaard, wat wij opdragen; schenk ons wat wij u vragen; spaar ons voor wat wij vreezen : want gij zijt de onwrikbare hope der zondaren: door n wachten wij op de vergiffenis onzer misdrijven; op u, o allerheiligste Maagd, rust het oog des uitziens naar de eeuwige belooning. H. Maria, sta den ellendige bij, help den moedelooze, troost den schreijende, bid voor het volk, steun de Priesterschap, bescherm de godverloofde vrouwen; laat allen uwe hulpe wedervaren, allen, die uwe heilige nagedachtenis vieren; zijt den smeekenden tot eene krachtige hulpe in hun gebed, en verwerf allen de gewenschte verhooring. Neem steeds ter harte de voorbidding voor het volk bij God, gij, gezegende, die in uwen schoot hebt mogen dragen den Verlosser der wereld. Hem , die leeft en regeert, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.

Hf

Sa

DE MEIMAAND.

e vereeriiig van Maria, die ons door Jesus, op het kruis, tot Moeder werd gegeven, de vereering van Haar, die onze meestres, onze voorspraak en onze middelaarster is bij haren godlijken Zoon, is eene wezenlijke behoefte van het Christen-hart. Vandaar die lange rij van Maria-feesten, door de Kerk ingesteld, waarop achtereenvolgens al de geheimen van haar heilig leven worden herdacht; vandaar de toewijding der zaturdagen van het geheele jaar aan de onbevlekte Moeder-maagd; vandaar die tallooze kerken en bidplaatsen, op alle punten der wereld, te harer eere opgerigt; vandaar, eindelijk, die veelvuldige broederschappen en godsvrucht-oefeningen, welke men, Maria ter eere, allerwege aantreft, en die niet alleen de goedkeuring der Kerk genieten, maar

-ocr page 281-

UE MEIMAAND. 251

ook met geestlijke gunsten zijn bevoorregtigd en met aflaten verrijkt.

Onder deze godvruchtige oefeningen moeten wij, o]) eene bijzondere wijze, vermelden de viering van de Maria-maand die, ofsclioon nog geen eeuw bestaans tellende, bijna algemeen is geworden en met buitengewonen luister alomme wordt gevierd.

Het gebruik van de Meimaand aan de allerheiligste Maagd toe te wijden, is uit Italië tot ons overgekomen. Sicilië, Ka-pels, Rome, kunnen als de drievoudige bakermat der Meimaand worden beschouwd. Trouwens, van oudsher bestond aldaar, in de meeste huisgezinnen de godvruchtige gewoonte, om de eerste lentebloemen aan de voeten en ter zijde eener Madonna te plaatsen. Op het einde der achttiende eeuw, kwam een vroom Priester deze godvruchtige oefening te gemoet, door haar zamen te vatten, te regelen en te brengen tot een geheel. Hij vereenigde al deze huisgezinnen tot eene Broederschap ter eere van Maria, hield zelf de predikatiën, meestal betrekking hebbende op de instelling-zelve, en op het doel daarvan, te weten, om, door aanroeping van Maria, te bevorderen Gods grooter eer, en naasten eeuwig heil. De Broederschap, die een teeder, vrolijk en levendig karakter had, als de lente-maand-zelve, wier naam zij draagt, kreeg van lieverlede vertakkingen, hot eene huisgezin sloot zich bij het andere aan; gemeenten vereenigden zich met buurtgemeenten, totdat de Meimaand, nu in Maria-maand herschapen en gedoopt, allengskens meer en meer in steden en dorpen bekend, zich over geheel Italië verspreidde; ja, weldra ging de bekendheid daarvan de grenzen over, en kwam in Frankrijk, waar, reeds in het begin der tegenwoordige, negentiende eeuw, een vroom Priester haar te Marseille vestigde. Het eene land nam van het andere deze godvruchtige instelling over, die, heden ten dage, algemeen geworden is. Paus Plus VIL, zaliger gedach-

-ocr page 282-

253 de meimaand.

tenis, dit goede werk ziende, en gedachtig, dat hij in eene Meimaand gelukkig in zijne staten was teruggekeerd, keurde deze godvruchtige oefening niet alleen goed, bij eene Breve van den 21. Maart 1815, maar begunstigde haar ook met groote aflaten. Ieder geloovige, die de oefening dezer maand afzonderlijk verrigt, of ze openlijk in de kerk bijwoont, verdient dagelijks een aflaat van 300 dagen, en, daarenboven, een vollen aflaat op een dag naar verkiezing dezer maand, mits hij biechte en communicere en de gewone gebeden storte volgens de meening des H. Vaders. Deze aflaat kan ook worden toegevoegd aan de lijdende zielen in het vagevuur.

Niet slechts in den huislijken kring, maar ook in de kerken, wordt de Meimaand gevierd. Op eene verheven plaats, te midden van het heiligdom, prijkt, in die dagen, het prachtig versierde Maria-beeld, door geurige bloemen en brandende fakkels omringd. Rond dat beeld knielen de kinderen van Maria neer; daarhooren zij den lof hunner Moeder verkondigen; daar zingen zij zoete Mei-liederen; daar doen zij met de wierook-walmen en den lieflijken bloemengeur huun e bede hemelwaarts stijgen. Alles in het heiligdom, alles ook in de natuur, stemt tot gevoelens van geestlijke liefde, van innige godsvrucht en van vurig gebed. ,/ De Meimaand, immers — zooals de Eerw. Heer Van der Horst, teregt, doet opmerken , —is de schoonste der twaalf. Dan is de aarde uit haren winterslaap verrezen, en heeft zich weder getooid met kruid en bloem; zij verspreidt hare geuren wijd en zijd in \'t rond, en geeft aan alles leven en vreugde terug. Zij is dus ook bijzonder geschikt, om de teedere en zoete godsvrucht der geloovi-gen op te wekken en te verheffen; zij leent hare bloemen en hare geurige pracht, opdat zij, die in Jesus Christus herboren zijn, en nu als kleine kinderen in eenvoud en heiligheid voor het oog des Heeren wandelen, de Moeder gaan verheerlijken en loven en prijzen, die hen tot hare kinderen aangenomen

-ocr page 283-

DE MEIMAAND. 253

heeft. En die bloemen, zij spreken het uit, dat er geestlijke bloemen van heilige besluiten en goede voornemens worden aangeboden; en de geuren welke zij verspreiden, zij zeggen u, dat een aangename geur van goede werken opklimt tot voor Gods troon. Daarenboven, gelijk de Meimaand den winter heeft verdreven, om den zomer te doen herboren worden, zoo hebben die oefeningen ook ten doel, om hen, die sluimerden of ongelukkig den dood der zonde gestorven waren, weder tot het leven der genade en der goede werken op te wekken, en door de voorspraak van haar, die de toevlugt der zondaren is, terug te brengen op den weg des heils. Ja, zij, die deze godvruchtige oefening gevolgd, en reeds meermalen de Meimaand gevierd hebben, zij zullen kunnen getuigen, wat voordeel zij daarvan hebben gehad.quot;

Laat dan ons ook, in deze schoone maand, onze bloemen aan de voeten der Moedermaagd komen neerleggen; laat ons ook haren lof bezingen en hare deugden prijzen; maar, vereeren wij haar, vooral, door het navolgen van haar heilig leven : dan zullen ook wij, gedurende deze maand, ons in den dienst van Maria bevestigen, en rijke vruchten van genade inoogsten, voor tijd en eeuwigheid.

LOFZANG.

Het ,gt; Omni diequot; van den H. Casimirus.

Alle dagen. Met behagen,

Zingt der heemlen Koningin; Wilt haar prijzen En bewijzen Uwe teedre kindermin.

-ocr page 284-

DE MEIMAAND.

Wie vergaêrde Ooit op aarde Zooveel gimsten, zooveel deugd ? Wien bekroonde Wien beloonde God met zooveel zaalge vreugd ?

Komt haar eeren Haar, des PI eeren Moeder en geliefde bruid; Komt verkonden Alle stonden Haren lofzang overluid.

Komt haar groeten,

Voor haar voeten Laat ontspringen uwe klagt, Door een teeken Zal zij breken Heel ■\'t geweld der helsche magt.

Hoort verhalen \'t Zegepralen Van de Maagd, die God verkoor, Om het leven Weer te geven.

Die het menschdom eens verloor.

Ongeschonden,

Vrij van zonden.

Kwam zij in den moederschoot; Satan duchtte En hij vlugtte.

Toen God haar het leven bood.

Zijn vermogen.

Trots zijn pogen.

Werd door haren voet verplet.

25i

-ocr page 285-

DE MEIMAAND.

Hoe hij woedde,

Bang te moede, Om \'\'t behouden van zijn wet.

De vermeten Zag zijn keten,

Die ons boeide in dood en schand, Losgereten,

Weggesmeten,

Door Maria\'s sterke hand.

Lieve kringen,

Wilt haar zingen Haar beminnen i\' allen tijd.

Haar beschouwen,

Haar vertrouwen Al hetgeen gij doet of lijdt.

Smettelooze Hemelroze,

Lelie, door geen vlek besmet, Wil toch geven,

Dat ons leven Steeds getrouw blijft aan Gods wet.

Wil God vragen,

Alle dagen.

Dat ik Hem gehoorzaam zij, Eu mijn pligten Moog verrigten Zonder omzien, immer blij.

Blijf mijn rigting Eu verlichting In dees donkre rampwoestijn ! Kom mij vrijden,

Doe mij mijden D\'afgroud van der zoudepijn.

255

-ocr page 286-

DE MEIMAAND.

Laatjmij smaken De vermaken quot;Van een zuiver-minnend hart; Doe mij dulden Voor mijn scliulden Met gedweeheid al mijn smart.

Maak, sclioon pligtig. Mij voorzigtig En van alle traagheid vrij;

Matig, goedig En ootmoedig ,

Warsch van trots en hoovaardij.

\'k AYil zachtaardig En regt vaardig Jegens mijne broeders zijn;

^k Zal ook trachten Te verzachten Al hun smarten, al hun pijn.

Onderwezen Moog ik wezen In Gods hoog-verheven leer, En gedurig Even vurig Bieden Hem mijn liefde en eer.

Mogt ik ■\'t liegen En \'t bedriegen Vlugten als de helsche slang. En bewaren In gevaren Jesus\' wet mijn leven lang.

Gij, wie \'k blijde.

Eertijds wijdde Mijne kindschheid en mijn jeugd.

256

-ocr page 287-

DE MEIMAAND.

Bij mijn sterven.

Doe mij erven \'t Eeuwig leven, de eeuwge vreugd.

Wil dan spreken,

Wil dan smeeken Voor mij bij uwen lieven Zoon :

\'k Zal daarboven TJ dan loven Neergeknield voor Jesus\' troon.

Overweging.

IJ slijk groot is het ongeluk, dat door één man en ééue vrouw ons berokkend werd. Docli Gode zij dank, door een anderen man en eene andere vrouw is dit ongeluk niet alleen hersteld, maar zijn wij ook nog met een grooteren genadeschat verrijkt geworden. Eva was eene middelaarster, maar eene allerwreedste middelaarster; door haar toch heeft het oude serpent, ook in het hart van den man, zijn doodend gif doen binnendringen; Maria, integendeel, oefent haar middelaarschap uit als eene getrouwe bestuurster; zij schenkt aan allen, aan mannen en aan vrouwen, een reddend tegengif. Eva was de dienstmaagd der verleiding, Maria die der verzoening; Eva spoorde aan tot zonde en t ot val, Maria brengt herstel en verlossing aan.

O zwak, o gevallen menschdom! waarom zoudt gij vreezen tot Maria te naderen ? Zij is niet terugstootend, niet schrikwekkend : zij is zacht, zoet en goedertieren, zij biedt aan allen melk en wol, spijs en kleeding aan! Doorblader gansch het Evangelie en, vindt gij op eene enkele bladzijde iets bitters in eene enkele daad van Maria, een hart verwijt in haren mond, of het geringste teeken van verontwaardiging of gram scha]), mistrouw dan de goedheid van Maria en vrees tot haar te gaan; maar vindt gij, integendeel, — en zoo is het inderdaad — dat in haar alles godsvrucht en genade, goedheid en liefde, zachtmoedigheid en ontferming ademt, dank dan Dengene, wiens oneindige barmhartigheid u zulk eene middelares geschonken heeft, welke gij niet behoeft te vreezen, welke gij niet mistrouwen kunt. De liefde van Maria kent geen paal of perk:

18

257

-ocr page 288-

K HUIS VINDING.

zij strékt zicli uit tot allen, tot de grooten en de kleinen, tot do wijzen en de dwazen: voov allen opent zij den schoot harer Larmliiirtigheid. Bij haar vindt de gevangene verlossing, de zieke genezing, de bedroefde troost, de zondaar vergiffenis, de regt-vaardige nieuwe genade, en de engelen des hemels blijdschap en vreugd. Zij vraagt niet naar vroegere verdiensten; zij is voor niemand onverbidlijk : zij is allergoedertierenst voor allen en voor alle behoeften en ellenden vol medelijden.

Laat ons dan vol vertrouwen tot Maria gaan; volgen wij hare voetstappen, en werpen wij ons aan hare voeten neder; bieden wij haar, zonder vrees, met innige godsvrucht en vertrouwen, onze bede aan; zij zal ons ter hulpe komen, want zij is magtig; laat ons aan haar vasthouden en haar niet los laten, voordat zij ons haren zegen geschonken heeft.

KRUISVINDING.

jpj|f]EEDS in liet begin der achtste eeuw, (720) werd, op den USIclerdeu Mei, de merkwaardige gebeurtenis der Kruisvinding, in de westersclie Kerk, plegtig herdacht. Volgens de Bollandisten, zou deze feestviering op eene nog veel hoo gere oudheid aanspraak kunnen maken. Wat hier ook van zij, dit is zeker, dat de vinding van het heilig Kruis, in het begin der vierde eeuw, en wel ten jare 326, plaats had.

Zoodra de godlijke Verlosser op het Kruis gestorven, van dat lijdenshout afgenomen, begraven en verrezen was, haastten zich de Joden, dat Kruis, door het bloed des Heeren besproeid en geheiligd, te gelijk met de kruisen, waarop de twee moordenaars waren gestorven, in eene diepte, aan den voet van den Calvarieberg, neder te werpen. Zij bedolven vervolgens dat glorievolle werktuig onzer Verlossing met puin en steen, om het te onttrekken aan aller oog. Zij waanden, die

258

-ocr page 289-

KUÜIS VINDING. 259

dwazen! dat zij, met liet Kruis, ook alle lierinnering, alle aandenken aan Jesus van Nazareth, ten eeuwigen dage, begraven hadden. Veertig jaren later, bezweek liet zondige Jerusalem, onder den schrikbarenden last der godlijke wraak : zijn tempel werd verwoest, zijne bewoners, die nog aan den hongersnood ontkomen waren, werden vermoord of in verre ballingschap gevoerd, en de Heiden kwam zijn vaandel planten daar, waar het uitverkoren Volk zoo lang den eenicren waren God vereerd en aangebeden had.

Woedend tegen Dengene, die hem op liet Kruis had overwonnen, spoorde Satan de ongeloovigen aan, om, op de onwaardigste wijze, die plaatsen te onteeren, waar zijn Verwinnaar geboren, gestorven en verrezen was. Op liet graf des Heereu werd een afgodsbeeld van Jupiter, daar, waar eens Jesus\' krebbe stond, werd een andere afgod. Adonis, en, op den Calvarieberg, een tempel ter eere van Venus, de godin der ontucht en der booze lusten, geplaatst; daar, waar de Zone Gods zichzelven voor ons had geofferd, droegen nu de Heidenen hunne afschuwlijkste offers op.

Drie eeuwen lang, had Satan zich in deze schandlijke ont-eering der heilige plaatsen verheugd, toen,eindelijk, een duurzame vrede aan de Kerk werd geschonken, en de dag naderde, waarop aan deze ontheiliging een einde zou worden gemaakt. In en door het Kruis, had de groote Keizer Gonstantijn zijne vijanden overwonnen en, uit innige dankbaarheid, had hij besloten, daar eene prachtige kerk te bouwen, waar de Heer Jesus voor ons aan het Kruis gestorven was. De moeder des Keizers, de H. Helena, ondersteunde krachtdadig dit godvruchtig voornemen van haren zoon. Dewijl echter, tengevolge der verwoestingen, op de heilige plaatsen door de Heidenen aangerigt, de juiste plaats waar Jesus\' Kruis gestaan had, moeilijk te bepalen was, zoo besloot de vrome Vorstin, om, door hare tegenwoordigheid, het opbouwen van het nieuwe heilig-

-ocr page 290-

260 KllUIS VINDING.

dom ie gaan bespoedigen, en bijzonder door eene godlijkc vermaning aangezet, om liet heilig Kruis zelve op te sporen, zoo toog zij op tachtig jarigen leeftijd, naar Palestina op weg. Bij hare aankomst haastte zij zich, de schandbeelden van Jupiter, Adonis en Venus te doen omverhalen, en, onder de leiding van den H. Macarius, Bisschop van Jerusalem, het H. Kruis te zoeken. Helena sjjaarde geene moeite, om dien kostbaren schat te vinden. Zij kon echter geene zekere inlichtingen inwinnen over de plaats, waar het heilig Kruis verborgen was, dewijl de Christenen de heilige plaatsen hadden moeten vermijden, om niet den schijn op zich te laden van de heidensche afgoden te gaan aanbidden. Op grond eener oude overlevering, die bij de Joden bewaard was gebleven, begon men de werkzaamheden aan den voet van den Calvarieberg, in de nabijheid van het H. Graf, en men hoopte des te zekerder te zullen slagen, dewijl het gebruiklijk was bij de Joden, alles, wat tot de strafoefening had gediend, in de nabijheid der plants, waar de veroordeelden begraven werden, te werpen in een diepen kuil. Met welken heiligen angst Helena de opdelvingen gadesloeg, is ligt te begrijpen. Haar ijver werd echter met een gunstigen uitslag bekroond; want zie, nadat puin en stee-nen waren weggeruimd, kwamen drie kruisen, de ijzeren nagels en het opschrift, door Pilatus boven het hoofd van Jesus geplaatst, te voorschijn. Groot was, op dit oogenblik. Heiena\'s vreugde, maar zij was nog verre van volkomen gerust te zijn. Immers, welk van die drie zou nu het Kruis wezen, waaraan Jesus voor onze zonden geleden had? Hieromtrent heerschte de grootste onzekerheid. Het opschrift, toch, was van het Kruis afgerukt en op eene afzonderlijke plaats bij de drie kruisen teruggevonden; het paste wel beter aan het eene kruis dan aan het andere, maar dit-alleen kon men niet als een afdoend bewijs beschouwen. \\ ol geloot rigtte Macarius zijne vurigste bede tot den godlijken Verlosser en, door eene hoogere

-ocr page 291-

KKTJISVINDINO. 361

ingeving verlicht, nam hij, met een vast vertrouwen, zijne toe-vlngt tot een middel, dat met het beste gevolg werd bekroond. Eene voorname vrouw, te Jerusalem, lag op sterven. In de teffenwoordighcid van de Keizerin en van het volk, liet men haar de kruisen aanraken. Op de twee eersten lag men haar te vergeefs neder, maar, zoodra zij het derde had aangeraakt, stond zij geheel genezen, vol gezondheid en kracht weder o]). Nu was het ware Kruis door een wonderwerk aangeduid, en alle twijfel weggenomen. T)e H. Paulinus, Sozomenus en Sulpitius Severus verhalen mede, dat men een doode op het H. Kruis neerlegde, die op datzelfde oogenblik het leven wederkreeg. De blijdschap van alle aanwezenden, maar vooral die van Helena en van Macarius was onbeschrijflijk groot, en groot ook was de eerbied, die aan de nu ontdekte heilige plaatsen, aan de werktuigen va.n het lijden des Verlossers bewezen werd. Vol dankbare vreugde, stichtte Helena eene kerk, die de plaats van de kruisiging en van liet heilig Graf omsluit en de kerk van het heilig Graf genoemd wordt. Deze kerk, de heiligste plaats der wereld, werd in het jaar 335 voltrokken en plegtig ingewijd. Van toen af stroomden tallooze pelgrims naar dit uitstekend heiligdom, om bij Jesus\' graf te bidden en zijn H. Kruis te vereeren. Vijftien eeuwen zijn sinds dien tijd vervlogen; het zand der woestijn heeft de voetstappen der pelgrims niet bewaard; de wind heeft het zand naar alle zijden heen en weer doen stuiven, maar in het christenhart is de liefde en eerbied voor die heilige plaats blijven voortleven, en, heden, zoowel als voor vijftien eeuwen, brengt die liefde van alle streken der wereld godvruchtige aanbidders bij het graf des Verlossers te zaam.

Helena deed het H. Kruis met een zilveren kas omsluiten, en schonk dien onwaardeerbaren schat aan den Bisschop van Jerusalem, om, in de kerk van het H. Graf, aldaar, te worden bewaard en vereerd. Een gedeelte echter dezer kost-

-ocr page 292-

263 Kil UIS VINDING.

bare reliek, gaf zij aan eene kerk, welke zij te Rome, onder den naam van het heilig Kruis van Jerusalem, bouwen deed, terwijl zij een ander gedeelte er van aan haren zoon Constan-tijn zond, wien zij ook de nagels overbragt, waarmee de Zoon Gods aan het Kruis geklonken werd. Van toen at, beval Constantijn, dat het Kruis in het vervolg niet meer gebruikt zou worden, om misdadigers ter dood te brengen, en zoo werd het Zegeteeken der Verlossing, dat vroeger een voorwerp van spot en verachting was, nu voortaan een voorwerp van eerbied en liefde en die]) ontzag.

LOFZANG.

Wees welkom, ó Kruis,

dat Jesus schouder druckte. Den Godt droeght, die u droegh,

op dat een ieder pluckte De levendighe vrucht

van \'t eeuwigh paradijs. Een rechte teghengift

voor Evaes slanghespijs.

Ghij kunt de bitterheên

der traenen hier verzoeten,

En in dees wildernis

den dorst der zielen boeten.

Door deze klare bron,

die uit u nedervloeit,

O stut van al wat kranck,

vermast is en vermoeit!

Ghy zijt het hooghaltaer,

daer \'t Lam aan hingh doorsteecken,

-ocr page 293-

kruisvinding.

Ten zoen van d\'appelsmet.

Gliy heelt onze erfgebreecken,

Gliy zijt cle ladder,

van liet helsche spoock begrimt ;

De trap, waar langhs

Godts Zoon de starren inneklimt.

O scliantmerck, eer gevloeckt,

hoe blinckt uw glans in \'t midden

Der heilighen,

Die u vereeren, en aanbidden,

En vvieroocken,

srelijck den troon en voetschabel Van Jesus, Godt met ons,

de rechte Emanuël.

Wanneer zich openbaert

de Rechter aller volcken,

Zult ghy met majesteit

verschijnen in de woleken.

En schieten uwen glans

in \'t westen uit het oost,

Den boozen tot een\' schrick,

den Heilighen tot troost.

Doch midlerwijl wij hier

voor Jesus kruiseer strijden, En worstlen met gedult,

verandert al dit lijden In blijdschap, door de kracht

des Troosters, dien ghe droeght. Zoo voere ons \'t Kruis naer Godt,

die lijf en ziel vernoeght.

263

-ocr page 294-

KRUISVINDING.

Overweging.

Christenen, verheugt u in de wondervolle vinding des Krui-ses, waarvan heden de gedachtenis wordt gevierd, \'t Is het kostbaar Overwinningsteeken, waarmede de Verlosser de hel-sche Slang doorboorde, en over dood en hel zegevierde: het is de wijsheid en de wetenschap der wereld; het is de toevluat van allen, die zich-zelf willen behouden, die het hei 1 hunner zielen liefhebben; het is de banier, het wapenschild van hen, die den eerenaam van Jesus\' volgelingen willen dragen, die tot het uitverkoren geslacht der kinderen van .Tesus behooren, voor hetwelk Hij * in het üijk zijns A aders, de woningen der glorie en zaligheid bereidt.

Hoeveel biedt deze feestdag ous ter overweging aan ! Wanneer wij den moed van Helena niet bezitten, om ons kruis op te sporen, dan althans moeten wij het ontvangen en moedis,quot; op de schouders nemen, zoodra God het ons toezendt, teneinde Hem na te volgen, die ons door liet bloedig Kruis heeft wij-gekocht. Wanneer wij de schatten van genade op deze wereld en de glorie van het eeuwig leven beseften, die voor ons in het Kruis besloten zijn, dan zouden wij ons niet alleen met geduld aan dat Kruis onderwerpen, maar wij zouden het met vreugde omhelzen, als de onuitputlijke bron van alle goed. Christenen, weest verzekerd, dat gij den hemel niet kunt bereiken, dan langs den weg van het Kruis. Gij moet met .Tesus Christus lijden, om met hem te kunnen heerschen.

Het Kruis is de oefenschool van alle christlijke deugd. .Tesus Christus, die ze ons van de hoogte des kruises geleerd heeft, heeft ons ook tevens de gelegenheid verschaft, om ze te beoefenen. Terwijl wij de kruisen aanvaarden, welke Hij ons toezendt, leereu wij zijne volkomen onderwerping aan den wil zijns Vaders na te volgen : en, terwijl wij ons in de hand Gods vernederen, leeren wij vernedering en ootmoed beoefenen. Zijne zachtmoedigheid, zijn geduld, zijne liefde jegens zijne vijanden, zijne gehoorzaamheid tot den dood leeren ons, diezelfde deugden beminnen, en — wat voor ons hot moeilijkst is — de armoede , de versmading en de folteringen van het kruis boven

264

-ocr page 295-

DE KRUISDAGEN. 265

de rijkdommen, de genoegens en eerbewijzingen der aarde verkiezen.

O gezegende school, waarin wij zulke verheven en stichtende lessen ontvangen !

DE KRUISDAGEN.

Ie drie dagen, die het feest van .Je?us\' Hemelv aart voor-11 afgaanj zijn onder den naam van Kruisdagen bekend. Waarschijnlijk werd hun deze naam gegeven, omdat dePfiester iu de Processie, die op ieder dezer dagen war lt gehoulen, het kruisbeeld in zijne handen draagt. De Kruisdagen zijn openbare boet- en bededagen, en worden derhalve Tlogationes, en wegens de Processie niet zelden Litanise genoemd. Bij deze openbare gebeden en boetpleging, stelt zich de Kerk bijzonder voor, om van God het behoud van de vruchten der aarde te vragen. Zij roept \'s Hemels zegen af over den oogst, en smeekt den Heer, dat Hij ons van de tegenwoordige rampen vevlosse, en ons beveilige tegen de gevaren en de onheilen die o is dreigen. Hoe bewonderenswaardig is toch de Katholijke Godsdienst! roept, teregt, een ongeloovige wijsgeer uit. Zij beoogt, wel is waar, vóór alles het eeuwig geluk harer kinderen, maar zij blijft toch ook voor hun tijdelijk welzijn niet onverschillig : zij smeekt, integendeel, in hare openbare gebeden Gods milden zegen af over weide en veld, over vruchten en gewassen, over nijverheid en handel, over land en zee, over Vorst en volk.

De instelling der Kruisdagen dagteekent van het eindj der vijfde eeuw. Reeds sedert geruimen tijd, werd de stad Vienne, in Frankrijk, geteisterd door eene vreeslijke ramp. D.j hechtste

-ocr page 296-

266 DE KKUISDAGEN.

gebouwen w erckii door aaulioudeiicle aardbevingen ter neer geworpen, en vele buizen door brand vernield. Akelige stem-nui\' wcicl(}i lij lierlialing geboord, en wilde dieren verlieten bij klaar licbtcn dag bunne donkere boien, om te midden der bevolking, de inwoners te vervullen met schrik en angst.Tan tlag t(.t drg grceiden de ellende en de vrees der menigte aan. Jn Paaseb-nacbt van bet jaar 469, was al bet volk in de kerk vergaderd, om de H. Dienst bij te wonen. Te midden der plegtigbeid weergalmt op eens de noodkreet: brand! brand! Het stadhuis staat in laaije vlam, en het vernielend element woedt met zulk eene kracht, dat ieder voor het behoud zijner eigen woning vreest. Al het volk verlaat de kerk. De heilige Bisschop Mamertus blijft alleen aan \'t altaar staan. Vol vertrouwen op G cds ba: mbartigbeid, bidt en smeekt hij den Heer, onder een vloed v; n tranen, dat Hij zijne straffende hand moge terug trekken en bet volk van zijne rampen en kwellingen verlossen. En ziet, naauwlijks beeft hij zijn gebed geëindigd, of de brand, door een boogeremagt beteugeld,houdt eensklaps op. De tranen van den H. Bisschop hadden het brandend vuur gibluscht. Het volk keerde terstond naar de kerk terug, waar de H. Mamertus alstoen het H. Misoffer voortzette. Zoodra de dienst geëindigd en Gode dank gezegd was, voor de bijzondere genade, zoo wondervol aan de stad, op dezen dag, verleend, verklaarde de H.Bisschop aan de verzamelde menigte, dat zij in boetvaardigheid en gebed bet behoedmiddel moesten zoeken legen de onheilen, waaronder zij reeds sedert zoo langen tijd gingen gebukt. Tevens maakte hij bun bekend, dat bij zoo straks aan God had beloofd, om te dien einde, gedurende drie dagen, met zijn volk te vasten en eene Processie met openbare gebeden te houden. Iedereen was met de belofte van den heiligen kerkvoogd tevreden, en gezamenlijk werd er bepaald, dat men op de drie dagen vóór \'s Heeren Hemelvaart de belofte des Bisschops volbrengen zou.

-ocr page 297-

DE KRUISDAGEN. 267

Dit godv ruclitig gcbmik werd weldra in andere Bisdommen nagevolgd, en reeds in liet begin der zesde eeuw was het in Frankrijk algemeen. In dezelfde eeuw werden de Kruisdagen ook in Spanje ingevoerd, en allengskens door geheel de AVes-lersclie Kerk gevierd. Te Eome stelde Paus Leo III. ze ten jare 7 95 in. Van oudslier bestond het gebruik, om van Pa-schen lot Pinksteren geen vastedagen te houden, en het was om deze reden, dat de Grieksche Kerk, die aan gezegd gebruik niets veranderd wilde hebben, bij zich de Kruisdagen niet invoerde.

T)e vaste werd bij de Kruisdagen stipt onderhouden in Frankrijk , althans in de zesde eeuw, zooals blijkt uit de akten der Kerkvergadering, in het jaar 511, te Orleans, gehouden. Weldra echter werd, op verschillende plaatsen, de vaste der Kruisdagen, wegens den nog voortdurenden Paaschtijd, verzacht, cn bepaalt zich thans overal bij het onthouden enkel van vleesch. Ofschoon het vastegebod op die dagen zich alleen tot het vleesch derven uitstrekt, wordt echter het onthouden van spijs tot den middag nog in vele Bisdommen aanbevolen als een loflijk gebruik.

Hoe schoon is het, op dezen dag, daar, waar het geloof levendig bewaard bleef, en de openbare kerkplegtigheden niet zijn verboden, die lange rijen van mannen en vrouwen, van kinderen en grijsaarde te zien, die biddend daarheen trekken, langs de kronkelende paden van welige weiden, bloeijende akkers en vruchtbare velden, om Gods miklen zegen af te smeeken over alle gewas! Kan de mensch op luidsprekender wijze hulde brengen aan Gods opperheerschappij, klaarder zijne afhanklijkheid van dien grooten God uitdrukken, en gevoeliger zijn vertrouwen aan den dag leggen op Gods vaderlijke voorzienigheid ?

// Na de Processie, — zegt Chateaubriand, — keert ieder // naar zijn werk terug. Met welk vertrouwen beploegt de

-ocr page 298-

268 WE KRUISDAGEN.

„ landman dan zijn akker, daar hij \'smorgens den zegen lieeft ;/ afgesmeekt van Hem, die de zon drijft op hare baan, van // Hem, die in zijne schatten de koesterende winden en de v vruchtbare regens bewaart! Om een zoo heilig begonnen v dag goed te eindigen, komen de ouderlingen van het dorp v zich \'s avonds gemeenzaam onderhouden met hunnen pas-,/ toor, die, op het voorplein van zijn huis, onder het lom-,/ mer der populieren, zijn avondbrood eet. In die avondstilte, „ bij het zachte licht der maan, meent men van alle kanten de, „ vruchten in de aarde te hooren ontkiemen, en alle planten ,/ te hooren groeijen. Onbekende stemmen verheffen zich dan „ in het stille woud; het is alsof men het koor hoort zingen „ van de engelen des velds, wier bijstand men des morgens ,/ heeft ingeroepen, terwijl het oor der grijsaards, die daar ,/niet verre van de graven zijn gezeten, de teedere zuchten „ van den nachtegaal verneemt.quot; ö, Wat is dat eenvoudige „ feest der Kruisdagen dichterlijk-schoon!

LOFZANG.

DE PROCESSIE OP DE KRUISDAGEN.

■Stil! wat hoor ik ? — Beurtgezangen ! —

op een toon, die \'t hart bekoort ; Een processie — \'k wijke zijdwaarts; —

ziet, hoe statig treedt zij voort!

Ziet eens, welk een aantal menschen ,

allen deftig schoon gekleed ,

Na wie \'t heir der Altaardienaars,

in hun boetgewaden, treedt;

Nu eens met het hoofd naar boven,

als door dankbaarheid verrukt;

-ocr page 299-

UE KRUISDAGEN. 269

T)an, door uederigen ootmoed,

met liet hoofd naar de aard gebukt;

D aiikend-ziiigeud, biddend-zingend!

\'t hart der grijsheid, \'t hart der jeugd,

\'t Hart der rijken, \'t liart der armen,

is vertrouwen, hoop en vreugd !

Door \'t gebed, zoo vroom, zoo vurig,

zoo hartroerend, zoo vol kracht,

Wordt de droeve zorg verdreven,

en de ziel in rust gebragt.

•Ja ! elk woord, waardoor men, zingend,

\'t omgelegen dal vervult,

Drukt besef uit van Gods goedheid,

en gevoel van eigen schuld.

Eer zij Gode! zingt de Priester

zijn gemeente, dankbaar, voor;

Eer zij Gode! lof zij Gode!

juicht en zingt geheel het koor.

Geef, Algoedheid! bidt de Priester,

geef aan ons een vruchtbaar jaar

Geef een vruchtbaar jaar. Algoedheid!

bidt met hem de gansche schaar.

Geef ons warmte, bidt de Priester,

die de druif tot rijpheid kweekt;

Geef ons warmte, is ook de zegen,

waarom \'t volk, al biddend smeekt.

Geef ons, bidt de Priester, regen,

geef ons droogte, op zijnen tijd!

Geef ons droogte, geef ons regen!

is de beê, die \'t volk God wijdt.

Neem \'t berouw, zoo smeekt de Priester,

van ons aan; het is opregt.

Waarop dan geheel de schare,

zingende, amen, amen ! zegt.

Nu keert men ter kerke weder;

ieder groet nog eens het Kruis;

-ocr page 300-

268 KRUISDAGEN.

,/ landman dan zijn akker, daar hij \'smorgens den zegen lieeft ;/ afgesmeekt van Hem, die de zon drijft op liare baan, van „ Hem, die in zijne schatten de koesterende winden en de „ vruchtbare regens bewaart! Om een zoo heilig begonnen // dag goed te eindigen, komen de ouderlingen van het dorp n zich \'s avonds gemeenzaam onderhouden met hunnen pas-„ toor, die, op het voorplein van zijn huis, onder het lom-„ mer der populieren, zijn avondbrood eet. In die avondstilte, „ bij het zachte licht der maan, meent men van alle kanten de, „ vruchten in de aarde te hooren ontkiemen, en alle planten // te hooren groeijen. Onbekende stemmen verheffen zich dan h in het stille woud; het is alsof men het koor hoort zingen n van de engelen des velds, wier bijstand men des morgens it heeft ingeroepen, terwijl het oor der grijsaards , die daar „ niet verre van de graven zijn gezeten, de teedere zuchten ,/ van den nachtegaal verneemt.quot; ó. Wat is dat eenvoudige ,/feest der Kruisdagen dichterlijk-schoon!

LOFZANG. DE PROCESSIE OP DE KRUISDAGEN.

Stil ! wat hoor ik ? — Beurtgezangen ! —

op een toon, die \'t hart bekoort ; Een processie — \'k wijke zijdwaarts; —

ziet, hoe statig treedt zij voort! Ziet eens, welk een aantal menschen ,

allen deftig schoon gekleed, Na wie \'t heir der Altaardienaars,

in hun boetgewaden, treedt; Nu eens met het hoofd naar boven,

als door dankbaarheid verrukt;

-ocr page 301-

DE KRUISDAGEN. 269

Dan, door nederigeu ootmoed,

met het hoofd naar de aard gebukt;

Daiikend-zingeiid , biddend-zingend!

\'t hart der grijsheid, \'t hart der jeugd,

\'t Hart der rijken, \'t hart der armen,

is vertrouwen, hoop en vreugd !

Door \'t gebed, zoo vroom, zoo vurig,

zoo hartroerend, zoo vol kracht,

Wordt de droeve zorg verdreven,

en de ziel in rust gebragt.

Ja ! elk woord, waardoor men, zingend,

Jt omgelegen dal vervult.

Drukt besef uit van Gods goedheid,

en gevoel van eigen schuld.

Eer zij Gode! zingt dc Priester

zijn gemeente, dankbaar, voor;

Eer zij Gode ! lof zij Gode !

juicht en zingt geheel het koor.

Geef, Algoedheid! bidt de Priester,

geef aan ons een vruchtbaar jaar

Geef een vruchtbaar jaar. Algoedheid!

bidt met hem de gansche schaar.

Geef ons warmte, bidt de Priester,

die dc druif tot rijpheid kweekt;

Geef ons warmte, is ook de zegen,

waarom \'t volk, al biddend smeekt.

Geef ons, bidt de Priester, regen,

geef ons droogte, op zijnen tijd!

Geef\' ons droogte, geef ons regen!

is de beê, die \'t volk God wijdt.

Neem \'t berouw, zoo smeekt de Priester,

van ons aan; het is opregt.

Waarop dan geheel de schare,

zingende, amen, amen ! zegt.

Nu keert men ter kerke weder;

ieder groet nog eens het Kruis;

-ocr page 302-

DE KRUISDAGEN.

En gaat, vreedzaam , vol vertrouwen

op Gods goedheid, vroom naar huis.

Overweging.

Onze eerste pligt in deze dagen is, om de Vasten, zooals die door de kerklijke overheid wordt voorgeschreven, getrouw te onderhonden; de tweede, om de Processie, als het mogelijk is, bij te wonen. Is het niet droevig, hier en daar, slechts eenige kinderen en vrouwen den Priester te zien volgen, wanneer hij voor allen den zegen des hemels afsmeekt ? O meusch ! die over uwe tijdelijke zaken zoo bekommerd zijt, terwijl de Kerk n tot het gebed roept, vergeef gij dan dat hij, die plant en besproeit, geen magt over de vruchten heeft, maar dat alles moet voortkomen van Hem, die alléén den wasdom geeft? Vergeet gij, dat gij te vergeefs des morgens opstaat, als God uwe pogingen niet ondersteunt? En gij, onverschilligen, die, met de armen over elkander, van op den dorpel uwer koop- of werkplaatsen, de Processie ziet voorbijgaan, hebt gij niets te vreezen, niet? te vragen? Gebiedt gij over wind en onweer, over hagel en vuur? En bezit God de magt niet meer, om zich over uwe verachting te wreken ? Goede God ! de onverschilligheid brengt deu mensch zóó ver, dat hij zelfs zijn tijdelijk welzijn uit het oog verliest!

Wat ons aangaat, stellen wij het ons ten pligt, om altijd met opregte gevoelens van eerbied, van berouw en vertrouwen de Processie dor Kruisdagen bij te wonen; roepen wij Gods mildeu zegen over ons in, en bidden wij Hem om de genade van steeds zijne gaven aan te wenden tot een heilig gebruik.

276

-ocr page 303-

HEMELVAARTSDAG.

-o—0 -

oor zijn bitter lijden eu zijn smiidelijkeu dood, liad JesiH de poorten des Hemels, die sedert Adams val gesloten waren, weder geopend. Nog veertig dagen bragt Hij na zijne Verrijzenis, met de Apostelen, door; en, toen deze verloopen waren, keerde hij tot zijnen Vader terug. Hij klom op ten Hemel, om ons eene plaats te gaan bereiden in het Rijk, hetwelk Hij ons door zijn bloed verworven had. Op dezen dag, viert de Kerk plegtig het voor ons zoo hoopvol geheim van Jesus\' Hemelvaart, en stelt ons deze groote gebeurtenis, op eene gevoelige wijze, voor oogen. Trouwens van Passhen aft): gt;1 dezen dag wordt, op alle Zon- eu Feestdagen, onder de H. Mis en de Vespers, de Paaschkaars, het zinnebeeld van den Verrezen Verlosser ontstoken, ten teeken dat de godlijke Heiland, gedurende deze veertig dagen, zigtbaar bij zijne Apostelen bleef. Maar, zoodra heden het Evangelie gezongen is , wordt die feestfakkel uitgedoofd, en uit de kerk verwijderd, teneinde ons te herinneren, dat de Heere Jesus, op dezen dag , de aarde verlaten heeft en ten Hemel opgeklommen is. Deze feestviering dagteekent van de eerste tijden des Christendoms; want, de H. Augustinus getuigt, dat zij door de Apostelen-zelven is ingesteld. Eenvoudig verhalen ons de H. Boeken dit wonder, door Jesus op aarde gewrocht.

// Na zijn lijden — zoo lezen wij daar — heeft Jesus ziek //aan zijne Apostelen levend betoond, door menigvuldige be-// wijzen, gedurende veertig dagen van hem gezien wordende , ,/ en sprekende over het Rijk Gods. En, met hen etende, ge-,/bood hij hun, zich niet van Jerusalem te verwijderen, maar

-ocr page 304-

272 H KMKL VAAKTSDAG.

;/ de belofte des Vaders te verbeiden, welke, (zoo sprak hij) // gij uit mijnen mond hebt gehoord. Want Joannes heeft „ wel met water gedoopt, maar gij zult met den H. Geest ge-ff doopt worden, niet lang na deze dagen. Zij dan, die zameu-I/ gekomen waren, ondervraagden hem, zeggende: Heere! zult // gij in dezen tijd het Eijk van Israël herstellen ? Doch hij // sprak tot hen : u komt het niet toe, tijden of stonden te h weten, welke de Vader in zijne magt heeft gesteld/\'\'

Hetgeen de Heer hun beloofde, (merkt, teregt, Mr. Lipman hier op aan), dat niet lang na deze dagen geschiedeu zoude, was voor hun verstand duister, en bevredigde slechts onvolkomen hun al te ongeduldig verlangen. Vandaar de bestraffing in \'sHeeren antwoord. Overigens de H. Geest zou weldra over hen komen en hun de wetenschap geven van wat thans nog duister was voor hunnen geest, n Maar gij, (zoo ging de Za-;/ ligmnker voort) zult de kracht ontvangen des Heiligen Gees-// tes, die over u komen zal, en gij zult mij getuigen zijn in //Jerusalem, in geheelJudsea en Samarië, en tot aan het uit-„ einde der aarde. Eu als hij dit gesproken had, leidde hij hen tt buiten naar Bethanië; en, zijne handen opheffende, zegende „ hij hen. Eu het geschiedde, als hij hen zegende, dat hij van // hen scheidde, en hij werd, terwijl zij toeschouwden, opge-//nomen, en eene wolk voerde hem weg uit hunne oogen, // en hij werd opgenomen ten hemel, alwaar hij zit aan de reg-,/ terhand Gods. En als zij Hem, die ten hemel voer, nastaar-// den, ziet, daar stonden bij hen twee mannen, in witte klee-h ding, die ook zeiden : Galilesche mannen, wat staat gij he-//melwaarts te zien ? Deze Jesus, die van u opgenomen is in // den hemel, zal alzoo komen als gij hem hebt zien ten hemel „ varen. Toen keerden zij van den berg, Olijfberg genaamd, // naar Jerusalem terug. quot;

Hoe verheven is deze beschrijving der Hemelvaart van onzen Heer JesusChristus, door hare onopgesmukte eenvoudigheid !

-ocr page 305-

HEMELVAARTSDAG. 273

Op den oogenblik dnt Jesus ten liemel voer, werden de deuren van het voorgebergte der hel verbrijzeld, en de tnl-looze Heiligen van het Oud-Yerbond haastten zich, om, onder h et geleide van hunnen Koning en Verlosser, zegevierend den hemel binnen te gaan. ,/Prinsen van Gods woonstede, ont-u grendelt uwe deuren, en gij eeuwige poorten opent u, om // den Koning der Heerlijkheid, en hen, die hem vergezellen, ,/ te laten binnen treden.quot; Zoo zongen zij met blijde stem, en wanneer het Engelenkoor, dat zijnen godlijken Koning te gemoet snelde, hun zingende vroeg : „ Wie is die Koning der u heerlijkheid? dan zongen zij luider, Jesus ter eere : „ het ,/ is de Heer, die waarlijk sterk en magtig is, de Heer, die v magtig is in den strijd. Haast u, o Prinsen van Gods woon-n stede, ontgrendelt uwe deuren, en de Koning der heerliik-// heid zal binnentreden in zijn Eijk.quot; £n vroeg nogmaals een talloos koor van Engelen : ,/ wie is die Koning der Heerlijkheidquot;? dan vloeide uit den mond dier Oudvaders als in een stroom van melodij, het verheven antwoord : „ de Heer, de almagtige God zelf is die Koning der Heerlijkheid.quot; Onder dezen jubelzang der victorie traden die eerstelingen der verlosten, met Jesus, hunnen Eedder, het hemelsch Sion binnen, om daar den Overwinnaar van den Duivel, van de Zonde en van den Dood te loven en zijne oneindige barmhartigheid te prijzen, in eeuwigheid.

O Heere Jesr.s! ook ik ben vrijgekocht door uw dierbnar bloed, ook voor mij hebt gij de deur des Hemels geopend, ook voor mij hebt Gij in het land der eeuwige vreugde, in het rijk uws Vaders, een troon bereid! O Heere Jesus! ook mij moge toekomen uw rijk! Middelerwijl die eeuwige poorten zich ook voor mij zullen openen, zal ik niet ophouden, in dit tranendal, naar mijn waarachtig en eeuwig vaderland te verzuchten, en met den koninklijken Profeet uit te roepen : wanneer, o Heer, wanneer zal het zalig uur slaan, waarop ik

19

-ocr page 306-

27 t HEMELVAARTSDAG.

tot U komen en voor mo aangezigt verschijnen zal! Qua n do

veniam et apparebo ante faciem Domini !

LOFZANG

Salutis humanse sator.

Verlosser der wereld, Gij vreugd des gemoeds,

Gij poolstar der harten eu bron alles goeds,

Hoe heeft uw ontferming, met de aarde begaan,

U-zelveu ons juk op de schouders gelaên !

Hoe heeft uwe liefde voor \'t menschdom geboet.

En hebt Gij de wereld gekocht met uw bloed !

Hoe hebt Gij den dood en de hel overkracht,

En \'t schepsel op nieuw tot den Schepper gebragt!

Hoe toogt Gij, Verwinnaar, door lijden eu kruis.

Voor eeuwig terug in het Vaderlijk huis,

En zit daar in glans aan Gods regterhand neer.

Als Regter der volken. Verlosser en Heer.

o Hoor toch de stem van die vrij zijn gekocht,

o Dat onze beê tot TJ doordringen mogt.

Zoo knelt ons geen band meer, of drukt ons geen schuld.

Maar wordt dra de wensch onzer harten vervuld.

En smaken wij \'t heil van uw godlijk gezigt,

In de oorden des vredes, bij \'t eeuwige licht.

Doch vóór ons uw glorie daar ginds wordt verklaard.

Blijf Gij onze gids en ons doelwit op aard,

Totdat al de tranen van smart hier geschreid,

Verpaarlen in vreugd, die Ge omhoog ons bereidt. Amen.

-ocr page 307-

pinksteren.

Overweging.

Onze ü\'odlijko Heiland, mijne geliefden, heeft heden deze wereld verlaten, om ten Hemel op te klimmen; hechten wij ons dan ook niet aan liet aardsche, en laten wij ons niet ver-ontrnsten door tijdelijke zorgen. Willen wij, reeds hier beneden, kalmte en vrede vinden, dan moeten onze gedachten steeds op den Hemel gevestigd zijn. Eens zullen wij, met ziel en ligchaam, Jesns volgen in zijn Rijk; maar, zoo lang die beloofde dag voor ons nog niet aanbreekt, kunnen en moeten wij ons tot Hem verheffen met het hart, dat is, door innige verlangens en vurige wenschen. Doch, broeders, denken wij er wel aan, o-een boosheid, geen zonde, geen hoovaardij, geen gierigheid of on-regtvaardigheid kan, met den Godlijken geneesheer, den Hemel binnengaan. Willen wij derhalve in het rijk der eeuwige vreuade worden toegelaten, dan moeten wij ook met de zonde breken en alle kwade neigingen en gewoonten afleggen. Wilt gij God zien? Hoort dan wat Hij-zelf u zegt : zalig zij, die zuiver vov harte zijn, want zij zullen God aanschotm-en. Beijvert u dus, om uw hart te zuiveren ; rukt weg uit dat hart alles, wat Gode mishaagt, en dan, maar ook dan-alleen, zult gij eens uwen God aapschouwen in zijne heerlijkheid.

PINKSTEREN.

-—-

llj\'föS erstmis , Pasclien, Pinksteren, welke namen! IMll welke herinneringen! Al de helieimen van Gods oneindige liefde voor den gevallen menscli liggen in dit drietal leesten opgesloten. Kerstmis herinnert ons aan de oneindige liefde van den Vader, die zóó de wereld heelt bemind, dat hij haar zijn eenigen Zoon geschonken heeft. Pasehen is het feest der oneindige liefde van den Zoon, die voor ons den kruisdood stierf. Pinksteren, op zijne beurt, toont ons

-ocr page 308-

376 PINKSTEREN.

de oneindige liefde van den Heiligen Geest, die als Heiligmaker op ons nederdaalt en ons met zijne genade ver-Tiilt. Kerstmis kondigt ons het begin, Paschen de voltrekking en Pinksteren de nog altijd voortdurende voleinding van het groote Verlossingswerk aan. Op den dag van heden immers was het, dat de H. Geest op de Apostelen nederdaalde, hen verlichtte, versterkte en volkomen uitrustte, om de nooit meer op te houden verkondiging dei-goede Boodschap te beginnen, en den mensch te leeren, wat hij doen moet, om aan de verdiensten van de geboorte, van den dood en de verrijzenis des Heeren deelachtig te kunnen zijn. Kerstmis, Paschen, Pinksteren, in dit verheven drietal ligt het keerpunt der geschiedenis van het menschdom; eene geschiedenis, die zonder \'s menschen val en verlossing, zonder de godlijkheid des Christendoms en de verkondiging van het Evangelie, niet te begrijpen, niet te verklaren is. Geen wonder dus, dat het Pinksterfeest, voor een der drie hoogfeesten van het kerklijk jaar wordt gehouden, en, gelijk Paschen en Kerstmis, door een tijd van voorbereiding vooraf wordt gegaan. Even als de Advent de tijd van voorbereiding is tot het Kerstfeest, en de veertigdaagsche Vaste het Paaschfeest vooraf gaat, zoo dient ook de Paasch-tijd, de vijftig dagen, namelijk, tusschen Paschen en Pinksteren, tot voorbereiding van dit laatste hooge feest. De aard echter dezer drie voorbereidingstijden is geheel verscbillend. De Vaste is een tijd van boete, versterving, en geastlijke droefenis; en alles, wat in de kerklijke plegtigheden gedurende de Vaste voorkomt, stemt tot rouwmoedigheid des harten en spoort den Christen aan, om met Jesus te lijden, teneinde eens in zijne verheerlijking te kunnen deelen. Ook de Advent is een tijd van vaste en versterving; maar, wegens de blijde hoop op de komst van den Verlangde der volken, paart zich vreugde aan droefheid, en, ofschoon ook in den Advent gedurig de

-ocr page 309-

PINKSTEREN.

an

purperkleur bij de H. Diensten wordt gebezigd, blijft toch het vrolijk Alleluja onder de kerkgewelven weergalmen. De Paaschtijd, integendeel, die ons op het Pinksterfeest voorbereidt, is een tijd van geestlijke vreugd, ja, hij is een aanhoudend leest, dat vijftig dagen duurt, en als dusdanig ook in vroeger tijden werd beschouwd. Men was, wel is waar, niet verpligt, zich gedurende die vijftig dagen van slaaflijken arbeid te onthouden, maar de schouwburgen bleven gesloten, en iu de kerk-zelve was het aanhoudend feest. Veelvuldiger dan op ieder ander tijdstip van het jaar , weerklinkt dan het feestlijk Alleluja. Niet knielend, maar staande, om de opstanding des Heeren te gedenken, worden in die dagen de openbare gebeden uitgesproken, en veelvuldig ook de wonderwerken der Apostelen, waardoor \'s Heeren Verrijzenis wordt bevestigd, ter bemoediging der geloovigen, voorgelezen, terwijl tevens, in de eerste vijf eeuwen, geen vaste gedurende den paaschtijd bevolen werd. Ook op den plegtigen vooravond van het Pinksterfeest was eertijds, wegens de Paaschvreugde, geen vaste voorgeschreven; later evenwel is deze vigilie, althans in de Latijnsche Kerk, in een vastedag herschapen. De vooravond van Pinksteren heeft eene groote overeenkomst met dien van Paschen, hetgeen daaraan is toe te schrijven, dat eertijds het H. Doopsel eu het Vormsel alléén op deze twee dagen plegtig aan de Catechumenen werden toegediend. Vandaar, dat op deze vigilie, gelijk op den vooravond van Paschen, ook heden ten dage nog, de H. Dienst begint met het voorlezen van zes schriftuurplaatsen, die allen meer of min betrekking hebben op het H. Doopsel; dat de Doopvont gezegend wordt, en de H. Mis zonder Introïtus begint. Even gelijk Paschen, duurde, in vroegere tijden, ook het Pinksterfeest acht volle dagen lang. Met den laatsten dag van dit octaaf wordt de Paaschtijd gesloten. Deze acht dagen werden, om dezelfde redenen, en op dezelfde wijze, als de Paaschwruk gevierd. Om dezelfde

-ocr page 310-

278 PINKSTJillEN.

oorzaak ook, bevatten de naclitgetijden van dit octaaf slechts drie psalmen. Toen later liet getal doopelingeu verminderde, werd het Pinksterfeest op vier, en, nog later, op drie dagen bepaald.

Op dit hoogheilig feest, dat door de Apostelen-zelven werd ingesteld, — zooals de H. Leo getuigt — herdenkt en viert de Kerk eeu dubbel geheim van onzen H. Godsdienst, te weten : de nederdaling van den heiligen Geest op de Apostelen, en de verkondiging van het Nieuw-Verbond, of, zoo men liever wil, de vestiging van Jesus\' Kerk op aarde.

Meermalen had de godlijke Verlosser aan zijne Apostelen beloofd, dat hij hun, na zijne Hemelvaart, een Trooster zou geven; dat is, dat Hij hun den 11. Geest zou zenden, die hun alle waarheid leeren zou. Onmiddelijk vóórdat hij deze aarde verliet, om ten Hemel op te klimmen, herhaalde hij deze belofte ; gij zult — zoo sprak de Heere Jesus tot de getuigeu zijner Hemelvaart, — gedoopt ivorden met den II. Geest, niet lang na deze dagen... Gij zult de kracht ontvangen des Heiligen Geestes, die over u komen zal, en gij zult mij getuigen zijn te Jerusalem, hi geheel Judcea en Samarië, en tot aan het uiteinde der aarde. Tevens gebood hij hun, zich niet van Jerusalem te verwijderen, maar de vervulling af te wachten van de helofte des Vaders, welke gij — zoo sprak hij — uit mijnen mond hebt gehoord.

Getrouw aan dit bevel, begaven zich de Apostelen met •Jesus\' moeder, de leerlingen en de vrome vrouwen, te zamen omtrent 120 in getal, naar Jerusalem, waar zij allen eendragtig in het gebed hieven volharden. En als de Pinksterdagen nu vervuld waren, en het uur was geslagen, waarop Jesus\' beloften in vervulling zouden gaan, waren zij allen in dezelfde plaats hijeen. En er ontstond plotseling een gedruisch uit den hemel, als van een opkomenden geweldigen wind, en vervulde het geheele huis, waar zj zaten. En er verschenen hun ver-

-ocr page 311-

FlNKSTiyREK. 279

deelde iongen, ah van vuur, zich nederzeütnde op een ieder van hen. En allen werden vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen in rerschillende talen te spreien , naardat de Heilige Geest hun gaf uit te spreken. Yoorzeker, wooude re eds de H. Geest, door zijne heiliginakende genade, in al die zuivere harten, voordat hij zich aan hen met Pinksterdag op deze buitengewone wijze mededeelde. Maar op den dag van heden stortte hij in die zielen de overmaat, de volheid zijner genade uit. Hij schonk haar, daarenboven, de kostbare gaven van wijsheid en verstand, van raad en sterkte, van wetenschap, godsvrucht en vreeze des Heeren, en deelde haar in overvloed de vruchten zijner genaderijke werking mee. Hij ontstak in aller hart een brandenden ijver voor de eer van God en het heil der zielen; hij wapende hen tegen alle menschenvrees; hij versterkte hen tegen de vervolgingen den dood, die hen in het vervullen hunner verheven zending te wachten stonden; in één woord, hij rustte hen uit met al de gaven en genade, die hun noodig of nuttig waren om het Apostelambt te aanvaarden, en de pligten er van getrouw te vervullen tot den einde toe. En zie! op dat oogenblik zijn de Apostelen in geheel andere menschen herschapen : zij, die zoo traag waren om te gelooven, werken nu wonderen uit door de levendigheid van hun geloof! Zij, die ongeleerden, die zoo moeilijk Jesus\' woorden konden vatten, kennen nu met volle klaarheid al de waarheden des geloofs; zij redetwisten met de geleerden, en doen de wijsgeeren verstommen. Zij, die vrees-achtigen, die Jesus in het oogenblik van gevaar verlieten, en wier dapperste zijnen Meester driemaal verloochende, uit angst voor een zwak schepsel, voor eene vrouw, voor eene slavin, zij kennen nu noch angst noch vreeze meer. Prinsen en Koningen spannen tegen hen zamen; men vervolgt hen te vuur eu te zwaard; men dreigt hen met gevangenis, geesels en dood; men vindt alle soort van folteringen uit, om hen te pijnigen;

-ocr page 312-

280 PINKSTEREX.

men roept zelfs de wilde dieren der woestijn te hulp, om hen te verscheuren; maar, alles te vergeefs. Zij zijn bekleed geworden met de kracht van boven, en niets is meer in stant, om hen af te schrikken; zij leven voortaan alleen, om Christus te verheerlijken en zijn Rijk uit te breiden; zij verlangen naar verachting en verguizing, zij hunkeren naar mishandeling en vervolging; ja, de dood-zelf is in hunne oogen een geluk geworden en een gewin. Bewonderenswaardige verandering, zegt de H. Chrvsostoinus, wie zou hier Gods hand niet erkennen, en niet met den Profest uitroepen ; h-eo midatio dexter a Excels). : deze verandering komt van Boven.

Zoodra de xVpostelen met den tl. Geest vervuld waren, aan-vairiden zij, zonder de minste vertraging, hun heilig Ambt. Reeds denzelfden dag verkondigden zij het Woord Gods aan de tallooze menigte, die, wegens hetJoodsche Pinksterfeest, uit alie oorden der wereld, te Jerusalem was zameng evloeid. Petrus, aan het hoofd der Apostelen geplaatst, leert hun, dat in den Heere Jesus de voorzeggingen der Profeten zijn vervuld; dat hij de ware Messias is, die zich als dusdanig heeft kenbaar gemaakt door vele teekenen en wonderwerken ; dat zij hem, wel is waar, gekweld hebben en ter dood gebragt, maar dat hij glorievol van den dood is verrezen en nu aan d e regterhand zijns eeuwigen Vaders zit. // IF// allen, zoo spreekt hij, zijn er getuigen om, dat God den Heere Jesus van de dooden heeft opgewekt; en om deze getuigenis van Jesus5 opstanding te bevestigen, beroept hij zich op het wonder waarvan zijne hoorders oog- en oorgetuigen waren. De Apostelen, namelijk, hadden, buiten en behalve de reeds vermelde gaven, ook nog van den H. Geest de gave ontvangen van verschillende talen te spreken, de toekomst te voorzeggen en wonderwerken te verrigten. Toen nu Petrus, op Pinksterdag , voor liet eerst het woord rigtte tot mannen uit alle hemelstreken afkomstig, hoorde hem toch ieder zijne eigene taal spreken.

-ocr page 313-

PINKSTEREN. 281

en allen verstonden de woorden des heils. Zóó werd op dezen dag de voorzegging van den Profeet Joël vervuld : en het zal geschieden in de. laatste dagen , zegt de Heer, dat Ik van mijnen Geest over alle vleesch zal uitstorten ; en uwe zonen en uwe dochteren zullen profeteren , en uwe jongelingen zullen gezigten zien, en uwe ouden droomen hebben. En zelfs over mijne dienstknechten en over mijne dienstmaagden zal Ik, in die dagen, van mijnen Geest ults torten, en zij zullen profeteren.

Als de Joden dit alles zagen en de zoo wondervol bekrachtigde getuigenis van Tetrus hoorden, toerden zij bewogen van harte, en zeiden tot Petrus en tot de overige Apostelen ; \'ivat zullen wij doen. Broeders! Petrus dan zeide tot hen : doet boete, en een iegelijk uwer ivorde gedoopt in den Naa7n van Jesus Christus toi vergeving uwer zonden, en gij zult de gave des H. Geestes ontvangen... Die nu zijn woord aannamen, teerden gedoopt; en er werden op dien dag toegevoegd ongeveer drie duizend zielen.

Zóó werd dan op Pinksterdag Gods Kerk gesticht op aarde ! Zóó begon dan heden de afkondiging van het Nieuw-Verbond, die tot aan het einde der eeuwen duren zal! Ook op dezen dag werd voor \'t eerst het nooit meer te eindigen Offer dei-Nieuwe Wet, door de Apostelen des Heeren, aan den Eeuwigen Vader opgedragen ! Het Oude Verbond, reeds vervuld en verbroken bij Jesus\' dood, hield op verpligtend te zijn van af het uur, dat de Nieuwe Wet plegtig werd afgekondigd, en, bleef de onderhouding er van nog eenigen tijd geoorloofd , dan was zulks alléén om de Synagoog met eer ten grave te brengen. — Hoe klein was nog op dezen eersten dag Christus\' Kerk op aard! Doch, nog maar eenige dagen, en de Apostelen zullen aan de geheele wereld de goede boodschap brengen; zij zullen de leer des heils verkondigen aan alle volkeren, want in Christus Jesus is geen onderscheid meer van Griek of Barbaar, van Heiden of Jood ; hij is gekomen, om alles wat ver-

-ocr page 314-

28£ PINKSTEREN.

loren was, te verlossen; hij wil, dat alle menschen zalig worden en tot de kennis der waarheid naderen. Van heinde en verre zullen nieuwe kinderen tot de Kerk, tot de weêrgalooze Moeder komen, en, gelijk zijn eeuwig Rijk, zoo zal ook Jesus\' rijk op aarde weldra zonder grens en einde zijn. Het Rijk der Hemelen, dat is de Kerk, is gelijk aan een mostaardzaad, hetwelk een mensch nam en op zijnen akker zaaide, dat wel het kleinste is onder alle zaden; doch, als het opgeschoten is, zoo is het groot er dan alle moeskruiden, en wordt een hoorn , zoo dat de vogelen des hemels komen en in zijne takken wonen. Ja, die op Pinksterdag nog zoo nietige Kerk, is een groote boom geworden, een boom des levens voor den mensch en de maatschappij; hij heeft zijne takken over de geheele wereld uitgebreid, en onder die weldadige lommer is, sedert achttien honderd jaren, het menschdom komen rusten. Onder de schaduw er van zijnde rijken en de armen, de geleerden en de onwetenden, de vorsten en de volken zich komen nederzetten; de rijke heeft er liefde en barmhartigheid geleerd, de arme heeft er troost, de onwetende de wetenschap des heils, all en hebben er waarheid, deugd en leven gevonden. Onder de rijk gebladerde takken van dien heilaanbrengenden boom zijn de Volken tegen de brandende hitte der dwingelandij, en de Vorsten tegen den alles vernielenden orkaan van opstand en muiterij beveiligd geworden; want daar hebben de Volken de ware vrijheid en beschaving gevonden, daar hebben zij den eerbied voor het wettig gezag, en de Vorsten de regt-vaardigheid geleerd, die alleen de troonen schraagt en het geluk der natiën bevordert.

De twee groote feiten, die heden plegtig worden herdacht, de Nederdaling van den H. Geest op de Apostelen, en de stichting der Kerk, zijn de twee groote gebeurtenissen, die de wereld hebben herschapen en vernieuwd. Deze twee feiten hebben, boven alle andere gebeurtenissen, in de orde der

-ocr page 315-

PINKSTEREN. 28-\'i

genade, liet voorregt — hetwelk zij alléén met de H. Sakra-menten en niet liet offer der Nieuwe Wet deelen — van tot nan het einde der wereld voort te duren en zich onophoudelijk te hernieuwen. De boom der Kerk, op Pinksterdag geplant, blijft immer krachtvol en jeugdig. Al barst het onweer der vervolging boven hem los, al loeit de vreeslijkste orkaan, van donder en bliksem vergezeld, om hem heen, hij staat pal en onwrikbaar; al poogt de worm des ongeloofs zijn wortel af te knagen, hij blijft vol sap en leven en brengt onophoudelijk hemelsche vruchten van waarheid en regtvaardigheid, van tijdelijk heil en eeuwige zaligheid, voort. Tevergeefs heeft sedert achttien eeuwen de geest des verderfs dien godlijken boom trachten uit te roeijen; de bijl der vernieling is in dezen vrucht-loozen arbeid afgestompt; maar de boom, ja, de schors zelfs van den boom des levens is ongedeerd gebleven ! Door ketterij t-n scheuring zijn, wel is waar, eenige takken afgevallen, die van levenssap ontbloot, aan zijnen voet zijn verdord; maar het leven van den boom der Kerk is daardoor niet verminderd : onophoudelijk schiet hij nieuwe takken en vertoont hij nieuwen bloesem en nieuwe vruchten, terwijl het Kruis steeds nieuwe overwinningen behaalt op ongeloof en ketterij, de af-gedwaalden in den schoot der moederkerk terugvoert, tot in de verstafgelegen landen de Goede Boodschap brengt, en in nieuwe oorden Jesus Kerke sticht. Ja, het groote bekeerings-werk, door de Apostelen begonnen, wordt steeds door hunne opvolgers in het Priesterdom voortgezet, en zal tot aan het einde der eeuwen nooit worden gestaakt.

Ook de Nederdaling van den H. Geest op de Apostelen wordt dagelijks hernieuwd in de harten der geloovigen, en zal zich ook blijven hernieuwen tot aan den jongsten dag. De Nederdaling des H. Geestes in ons hart geschiedt wel niet op eene zigtbare wijze, zijne komst wordt nïet meer door een hevigen wind voorafgegaan en door brandende tongen aan-

-ocr page 316-

28 i PINKSTEREN.

schouwlijk gemaakt; maar desniettemin, neemt diezelfde H. Geest waarlijk bezit van ons hart, zoo dikwerf wij, ons met God verzoenend, uit kinderen van gramschap, in kinderen Gods worden herschapen, en zoo dikwerf de heiligmaken-de genade in ons hart vermeerderd wordt. Hij deelt ons dan wel de uitwendige en buitengewone gaven van de toekomst te voorzeggen en wonderwerken te verrigten niet meer mede ; maar, wanneer wij ons waardig tot zijne komst voorbereiden, en ons hart voor hem openstellen, dan schenkt hij ook aan ons in overvloed èn de inwendige genade, welke wij behoeven, en die zevenvoudige gaven, welke hij op Pinksterdag over de Apostelen uitstortte, waaruit, als uit even zoovele bronnen, de liefde, de inwendige vreugde, de vrede der ziel, het geduld, de langmoedigheid, de welwillendheid, de goedheid, de zachtmoedigheid, de opregtheid, de zedigheid, de reine zuiverheid en de matigheid, die de vruchten des H. Geestes worden genoemd, voortvloeijen. De wateren der godlijke bron, die op Pinksterdag voor \'t eerste ontsprong, zullen blijven vloeijen, zoolang Jesus\' Kerk zal duren, dat is , tot der eeuwen eind. Want het was ook tot ons, dat de Heiland sprak, toen hij aan zijne Apostelen zeide : gij zult (jeen weezen blijven, maar ik zalu eenen trooster zenden. Daarom bepaalt de Kerk er zich niet bij, den Heere Jesus te loven en te danken, omdat hij op dezen dag den H. Geest heeft gezonden, maar zij roept ook, met vertrouwen en vurig verlangen, dien heiligmakenden Geest aan, hem biddend en sir eekend , dat Hij zich gewaardige, de harten der geloovigen met zijne gunsten en gaven te verrijken. Daarom stemt zij voor de Hoogmis den verheven lofzang; Yeni Creator, aan: daarom herhaalt zij ditzelfde gebed verscheiden malen in flare getijden, en daarom ook verzucht en smeekt zij zoo teeder, zoowel op dezen dag, als gedurende het geheele octaaf van Pinksteren , in de H. Mis, nadat de Epistel is gelezen :

-ocr page 317-

PINKSTEREN.

Kom, Heilige Geest, en moog een vonk van \'t godlijk liclit.

Dat glansrijk U omgeeft, ons in den boezem stralen;

Kom, armen-troost, kom, dat uw schittreud aangezicht

In ons gemoed genade en klaarheid neer doe dalen;

Kom, beste raadsman, heul en toeverlaat voor \'t hart.

Die als Ge in \'t binnenst heerscht er vrede en vreugd doet wonen,

Die laafnis schenkt in druk, verademing in smart.

Kom, wil U ook met ons geschrei meewarig toonen.

Ons bijstaan in de hitte van den dag, uw gloed

Aan onze zielen, die U trouw zijn, mild bedoelen.

Want zonder U bestaat er voor den mensch noch goed,

Noch deugd, noch onschuld. — Ach, wil onze wonden heelen.

Ons reinigen van smet, het dorre van den geest

In ons bedaauwen. het stugge en koele op doen houden.

Dat steeds do bron van alle zonden is geweest.

Geef, Heilige Geest, aan die zich uwer toevertrouwden.

De zevengaaf, en zij het eindloos loon der deugd.

Dat hun is toegelegd, die op uw sterkte bouwen.

Onze erfschat en ons deel, bij de onverstoorbre vreugd.

Waarmee do Heenüen U in eeuwigheid aanschouwen.

Ja, het zij zoo ! Moge ons hart de woning zijn ea blijven van den Geest des Heeren, en zich voor die onuitspreeklijke genade steeds dankbaar betoonen.

Zinbeeldig stelt ons de Kerk heden in hare plegtigheden de verheven beteekenis van dit hoogheilig feest voor het oog. De bedienaren van liet heiligdom bekleeden zich op dezen dag en gedurende het Octaaf met het roode misgewaad, dat ons zoowel aan de vurige tongen, die op de Apostelen nederkwa-rnen, en aan de inwendige zuivering, welke het geheimzinnig Pinkstervuur in de harten der geloovigen uitwerkt, herinnert, rlsook aan het bloed, hetwelk de Apostelen en de Martelaars, versterkt door de kracht van den H. Geest, voor Jesus\' Leer en Kerk, met stroomen, hebben vergoten.

In de middeneeuwen was het ook gebruiklijk, althans in eenige Kerken, om door een luid trompetgeschal, dat naden Veni Sancte Spiritus werd aangeheven, den hevigen

285

-ocr page 318-

280 PINKSTEREN.

wind te verbeelden, die de nederdaling van den H. Geest op Pinksterdag voorafging, terwijl tallooze rozenbladen, welke aan de vurige tongen moesten herinneren, boven uit liet gewelf der kerk op de verzamelde menigte werden gestrooid. Andere gebruiken bestonden er op andere plaatsen, die allen ten doel badden, het groote geheim van Pinksteren met al zijne omstandigheden levendig in het geheugen te prenten. Al deze gebruiken zijn echter van lieverlede vervallen ; moge intussehen de dankbaarheid voor de kostbare gaven , ons door den PI. Geest geschonken, nooit aan ons geheugen, nooit aan ons harte ontgaan.

LOFZANG.

Veni, Creator Spiritus.

Kom, Schepper, Geest, daal in \'t gemoed Van die op uw genade wachten.

Vervul het met den overvloed Van bovenaardsche zielekrachten.

U prijzen wij als Wonderbaar, Als Godsgeschenk en leventeeler, Als liefde en vuur op \'t zielsaltaar, Als zalvend boezemwondenheeler.

Gij, zevenvoudig Godsgeschenk, En vinger van zijn eeuwge sterkte, Die, op des Vaders almagtswenk, In tonggevonkel taalkracht werkte;

Ontsteek uw licht ons in den zin. En vloei uw liefde ons in het harte; Uw kracht neem onze zwakheid in. Opdat zij moedig \'t euvel tarte.

-ocr page 319-

PINKSTEREN.

Dan maakt nooit vijand ons bevreesd, En mogen wij steeds vrede smaken; Daar, in uw hoede, Heiige Geest,

Geen leed ons immer kan genaken.

Doch geef, vooral, dat, door uw kracht. Wij U en Zoon en Vader tevens Erkennen als de hoogste magt.

Als einde en aanbegin des levens.

187

Zoo zij den eeuwgen Vader lot\', Den eeuwgen Zoon, die door zijn lijden Ons plaats bereidde in \'t Hemelhof, En U, den eeuwgen Geest van beiden. Amen.

Overweging.

W anneer (iod lauden en volken wil bekeeren en aan zijnen dienst, verbinden, dan kiest Hij daartoe geen mensclien, even bedorven van verstand als van hart; Hij kiest uitgelezen mannen, bezield met zijn Geest, die heiligen maakt, en zendt zijne dienaren met die godlijke kracht omgord, om zijnen strijd te strijden. Zoo koos hij een Abraham, het toonbeeld van geloof en liefde, tot Vader van zijn uitverkoren volk, in wien alle geslachten zonden gezegend worden; zoo vormde Hij ouder het Oude Verbond tot zijn afgezant een Moses; getrouw, zachtmoedig, heilig; zoo zuiverde Hij de lippen van den Evangelist des Ouden Verbonds, den profeet Isaias; zoo deed Hij op den drempel tusscheu het Oude en Xieu\\*\'e een Joannes den Hooper optreden, uitblinkende in onschuld en boetvaardigheid, om de geloovigen tot het Kijk van den Messias voor te bereiden ; zoo zal Hij ook zijne Kerk vestigen door de Apostelen. Maar hoe? Door die Apostelen, door mannen, die gedurende heel den levensloop van deu Verlosser niets waren, dan een zameuweefsel van vermetelheid en zwakheid, of liever enkel zwakheid, dii-

-ocr page 320-

^88 PINKSTEREN.

zich dikwerf onder den vorm van vermetelheid vertoont; die tm geloofden, dan weêr twijfelden, eindelijk, hem allen verlieten en, nog kort vóór de Hemelvaart huns Meesters, zijne ernstige berisping verdienden; die altijd onder elkander twistten over den voorrang, en dit zelfs op het gewigtigste en tevens droevigste oogenblik van Jesus\' leven ? .Ta, door die Apostelen , maar door die Apostelen, vervuld van den Geest, die wanneer hij ademt, alles vernieuwt; die, volgens het Boek der Schepping, over de doode stof zweefde en alles verlevendigde; die ook in hen, en in hen vooral, het groote voorbeeld zal geven zijner wonderlijke werkingskracht.

Hebt gij ooit, mijne Geliefden, het ondervonden, hoe ziekte of kwelling u aandeed ? De lucht is betrokken, de adem van den noordstorm is doodend; maar de lieflijke lentezon breekt door de wolken, het westewindje ruischt verkwikkend : dies is veranderd, de mensch is niet meer dezelfde. Zóó was het ook in de orde der genade. De Geest van God daalt neder, vurige tongen verspreiden zich over de hoofden der Apostelen, het gemisch van een sterken wind wordt gehoord, en alles is uit zijne dood-sche sluimering opgewekt; alles herleeft, alles krijgt een nieuw aanschijn, nieuwe krachten. Zendt Gij uwen geest, alles wordt herschapen en Gij vernieuwt het aanschijn der aarde.

Neen, neen, de Apostelen twisten nu niet meer om de eerste plaats: ieder hunner beijvert zich, om de minste te ziju; zij vragen niet meer, om aan de regter- of linkerzijde te zitten, maar om den kelk des lijdens te ledigen tot den bodem toe; zij bidden niet om het wraakvuur des Hemels te doen nederdalen, maar brengen gaarne zich-zelven ten offer voor hunner broederen heil. Petrus, de vreesachtige Petrus, die op de stem eener zwakke dienstmaagd zijn Meester verloochende, durft, ten aanschouwe van het Sanhedrin, aan het vergaderde Joodsche volk den Godsmoord verwijten; Hem, zegt hij, die de oorsprong is van uw bestaan, hebt gij gedood. En Thomas, de onge-loovige Thomas, die eens verklaard had, dat hij aan de verrijzenis geen geloof zou hechten, tenzij hij zijne vingers in de plaats der nagelen stak en zijne hand in de wonde der zijde, roept nu met de daad, wat hij eens met woorden zeide ; Laat ons gaan en met hem sterven\' Hij verkondigt in het verre Indië de Godheid van zijn Meester, en bezegelt de waarheid van zijn geloof met zijn bloed. Saulus , de trotsche leerling van Gamaliël, de wreede vervolger der Christenen, wordt op

-ocr page 321-

PINKSTEREN.

de stem der genade door Gods Geest in een van liefde blakenden Paulus veranderd, en nu belijdt hij voor Jood en Heiden, voor lieel de wereld zijn misstap, en verklaart niets anders te kennen dan Christus en dien gekruist, den .Tood eene ergernis en den Heiden eene dwaasheid; hij wordt het uitverkoren vat, om den Naam van Hem, die aan een schandhout stierf, aan Koningen te verkondigen, en een wijsgeerige Dionysius, de Areopa-giet, wordt door zijne bezielde en bezielende taal verplet, en door denzelfden Geest aangevuurd, een ijverig verkondiger der zaligmakende leer. Maar niet alleen de Apostelen moesten het voorbeeld zijn van de werking van den Heiligen Geest. En hoe kon het anders? Immers, het vuur en de wind, welke do H. Geest tot zinnebeelden koos, toonen die werking genoegzaam aan: of tracht niet een en ander zich altijd te verspreiden, alles met zich te voeren, of houdt zich het vuur tevreden met het voorwerp, dat het als \'t ware doordringt en bezielt, te verlichten en in vuur om te scheppen ? tracht het niet altijd zijne werking uit te breiden en alles, wat het omringt en er mede in aanraking komt, te ontvlammen ? drijft een hevige wind niet de wolken naar de verste gewesten , om een weldadigen regen op de dorre velden te doen nederdalen ? Is het dan wonder, dat de Geest, die de Apostelen bezielde, zich zoo snel verspreidde? Is het wonder, dat de eerste Kerk zoo treffende voorbeelden geeft der werking van den H. Geest ?

Tan waar die onwetende geloovigen, die. ten minste in de kennis van het bovennatuurlijke, geheel en al onbedreven waren, eensklaps in leeraars der wereld veranderd ? Yanwaar die verbanning van zelfzucht en eigenliefde, om zich met de harten van den evenmensch zamen te smelten en de goederen van natuur, fortuin en genade zoo liefderijk met elkander te deelen ? Vanwaar die heldhaftige vergeving van het zwaarst aangedaan ongelijk in de eerste Christenen, waarvan de geschiedrollen der Kerk getuigen? Vanwaar een moed, eene kracht en sterkte, die teedere jongelingen, zwakke maagden, foltering en dood voor Jesus deden trotseeren ? Door welke werking anders werden , in verdere eeuwen, een Chrysostomns, een Athanasius geleid, om beurtelings de Kerk door hunne vurige taal en nog vuriger voorbeeld te stichten, en de ketterij eu scheuring te beschamen? 01\' welke geest ontvonkte de Augustinussen en Magdalenaas, om hun vorige misstappen zoo bitter te beweenen en hunne zondige harten door het vuur der liefde te louteren ? Welke geest bezielde

20

2S9

-ocr page 322-

288 PIXKSTKREN.

zicli dikn-evf onder den vorm van vermetelheid vertoont; die mi geloofden, dan weer twijfelden, eindelijk, hem allen verlieten en, nog kort vóór de Hemelvaart huns Meesters, zijne ernstige berisping verdienden; die altijd onder elkander twistten over den voorrang, en dit zelfs op het gewigtigste en tevens droevigste oogenblik van .Tesns\' leven? Ja, door die Apostelen, maar door die Apostelen, vervuld van den Geest, die wanneer hij ademt, alles vernieuwt ; die, volgens het Boek der Schepping, over de doode stof zweefde en alles verlevendigde; die ook in hen, en in hen vooral, het groote voorbeeld zal geven zijner wonderlijke werkingskracht.

Hebt gij ooit, mijne Geliefden, het ondervonden, hoe ziekte of kwelling u aandeed ? De lucht is betrokken, de adem van den noordstorm is doodend; maar de lieflijke lentezon breekt door de wolken, het westewindje ruischt verkwikkend: alles is veranderd, de mensch is niet meer dezelfde. Zoo was het ook in de orde der genade. De Geest van God daalt neder, vurige tongen verspreiden zich over de hoofden der Apostelen, het geruisch van een sterken wind wordt gehoord, en alles is uit zijne dood-sche sluimering opgewekt; alles herleeft, alles krijgt een nieuw aanschijn, nieuwe krachten. Zendt Gij uwen geest, alles wordt herschapen en Gij vernieuwt het aanschijn der aarde.

Neen, neen, de Apostelen twisten nu niet meer om de eerste plaats : ieder hunner beijvert zich, om de minste te zijn; zij vragen niet meer, om aan de regter- of linkerzijde te zitten, maar om den kelk des lijdens te ledigen tot den bodem toe; zij bidden niet om het wraakvuur des Hemels te doen nederdalen, maar brengen gaarne zich-zelven ten offer voor hunner broede-ren heil. Petrus, de vreesachtige Petrus, die op de stem eener zwakke dienstmaagd zijn .Meester verloochende, durtt, ten aanschouwe van het Sanhedrin, aan het vergaderde Joodsche volk den Godsmoord verwijten; Hem, zegt hij, die de oorsprong is van uw bestaan, hebt gij gedood. En Thomas, oe onge-loovige Thomas, die eens verklaard had, dat hij aan de verrijzenis geen geloof zou hechten, tenzij hij zijne vingers in de plaats der nagelen stak en zijne hand in de wonde der zijde, roept nu met de daad, wat hij eens met woorden zeide : Laat ons gaan en met hem sterven\' Hij verkondigt in het ven-o Indië de Godheid van zijn Meester, en bezegelt de waarheid van zijn geloof met zijn bloed. Saulus, de trotsche leerling van Gamaliel, de wreede vervolger der Christenen, wordt op

-ocr page 323-

PINKSTEREN.

lt;le stem der genade door Gods Geest in een van liefde blakenden Paulus veranderd, en nu belijdt liij voor Jood en Heiden, voor lieel de wereld zijn misstap, en verklaart niets anders te kenrien dan Christus en dien gekruist, den .Tood eene ergernis en den Heiden eene dwaasheid; hij wordt het uitverkoren vat, om den Naam van Hem, die aan een schandhout stierf, aan Koningen te verkondigen, en een wijsgeerige Dionysius, de Areopa-giet, wordt door zijne bezielde en bezielende taal verplet, en door denzelfden Geest aangevuurd, een ijverig verkondiger der zaligmakende leer. Maar niet alleen de Apostelen moesten het voorbeeld zijn van de werking van den Heiligen Geest. En hoe kon het anders? Immers, het vuur en de wind, welke de H. Geest tot zinnebeelden koos, toonen die werking genoegzaam aan; of tracht niet een en ander zich altijd te verspreiden, alles met zich te voeren, of houdt zich het vuur tevreden met het voorwerp, dat het als \'t ware doordringt en bezielt, te verlichten en in vuur om te scheppen ? tracht het niet altijd zijne werking uit te breiden en alles, wat het omringt en er mede in aanraking komt, te ontvlammen? drijft een hevige wind niet de w olken naar de verste gewesten , om een weldadigen regen op de dorre velden te doen nederdalen ? Is het dan wonder, dat de Geest, die de Apostelen bezielde, zich zoo snel verspreidde? Is het wonder, dat de eerste Kerk zoo treffende voorbeelden u-eeft der werking van den H. Geest ?

Vanwaar die onwetende geloovigen, die, ten minste in de kennis van het bovennatuurlijke, geheel en al onbedreven waren, eensklaps in leeraars der wereld veranderd? Vanwaar die verbanning van zelfzucht en eigenliefde, om zich met de harten van den evenmensch zamen te smelten en de goederen van natuur, fortuin en genade zoo liefderijk met elkander te deelen ? Vanwaar die heldhaftige vergeving van het zwaarst aangedaan ongelijk in de eerste Christenen, waarvan de geschiedrollen der Kerk getuigen? Vanwaar een moed, eene kracht en sterkte, die teedere jongelingen, zwakke maagden, foltering en dood voor .Tesus deden trotseeren ? Door welke werking anders werden , in verdere eeuwen, een Ghrvsostomus, een Athanasius geleid, om beurtelings de Kerk door hunne vurige taal en nog vuriger voorbeeld te stichten, en de ketterij en scheuring te beschamen? 01\' welke geest ontvonkte de Augustinussen en Magdalenaas, om hun vorige misstappen zoo bitter te beweenen en hunne zondige harten door het vuur der liefde te louteren ? Welke geest bezielde

20

-ocr page 324-

288 PINKSTEREN.

zich dikwerf onder den vorm van vermetelheid vertoont; die nu geloofden, dan weer twijfelden, eindelijk, hem allen verlieten en, nog kort vóór de Hemelvaart huns Meesters, zijne ernstige berisping verdienden; die altijd onder elkander twistten over den voorrang, en dit zelfs op het gewigtigste en tevens droevigste oogenblik van Jesus\' leven ? Ja, door die Apostelen, maar door die Apostelen, vervuld van den Geest, die wanneer hij ademt, alles vernieuwt; die, volgens het Boek der Schepping, over de doode stof zweefde en alles verlevendigde; die ook in hen, en in hen vooral, het groote voorbeeld zal geven zijner wonderlijke werkingskraoht.

Hebt gij ooit, mijne Geliefden, het ondervonden, hoe ziekte of kwelling u aandeed ? De Ineht is betrokken, de adem van den noordstonn is doodend; maar de lieflijke lentezon breekt door de wolken, het westewindje ruischt verkwikkend : alles is veranderd, de mensch is niet meer dezelfde. Zóó was het ook in de orde der genade. De Geest van God daalt neder, vurige ton-o-en verspreiden zich over de hoofden der Apostelen, het geruisch van een sterken wind wordt gehoord, en alles is uit zijne dood-sche sluimering opgewekt; alles herleeft, alles krijgt een nieuw aanschijn, nieuwe krachten. Zendt Gij uwen geest, alles wordt herschapen eu Gij vernieuwt het aanschijn der aarde.

Neen, neen, de Apostelen twisten nu niet meer om de eerste plaats : ieder hunner beijvert zich, om de minste te zijn : zij vragen niet meer, om aan de regter- ot linkerzijde te zitten, maar om den kelk des lijdens te ledigen tot den bodem toe; zij bidden niet om het wraakvuur des Hemels te doen nederdalen, maar brengen gaarne zich-zelven ten offer voor hunner broederen heil. Petrus, de vreesachtige Petrus, die op de stem eener zwakke dienstmaagd zijn Meester verloochende, durft, ten aanschouwe van het Sanhedrin, aan het vergaderde Joodsche volk den Godsmoord verwijten; Hem, zegt hij, die de ocrsprong is van uw bestaan, hebt gij gedood. En Thomas, de onge-loovige Thomas, die eens verklaard had, dat hij aan de verrijzenis geen geloof zou hechten, tenzij hij zijne vingers in de plaats der nagelen stak en zijne hand in de wonde der zijde, roept nu met de daad, wat hij eens met woorden zeide : Laat ons gaan en met hem sterven\' Hij verkondigt in het verre Indië de Godheid van zijn Meester, en bezegelt de waarheid van zijn geloof met zijn bloed. Saulus, de trotsche leerling van Gamaliel, de wreede vervolger der Christenen, wordt op

-ocr page 325-

PINKSTEIUSN.

lt;le stem der genade door Gods Geest in een van liefde blakenden Paulns veranderd, en nu belijdt Lij voor Jood en Heiden, voor lieel de wereld zijn misstap, en verklaart niets anders te kennen dan Christus en dien gekruist, den Jood eene ergernis en den Heiden eene dwaasheid; hij wordt het uitverkoren vat, om den Naam van Hem, die aan een schandhout stierf, aan Koningen te verkondigen, en een wijsgeerige Dionysius, de Areopa-giet, wordt door zijne bezielde en bezielende taal verplet, en door denzelfden Geest aangevuurd, een ijverig verkondiger der zaligmakende leer. Maar niet alleen de Apostelen moesten het voorbeeld zijn van de werking van den Heiligen Geest. En hoe kon het anders? Immers, het vuur en de wind, welke de H. Geest tot zinnebeelden koos, toonen die werking genoegzaam aan; of tracht niet een en ander zich altijd te verspreiden, alles met zich te voeren, of houdt zich het vuur tevreden met het voorwerp, dat het als \'t ware doordringt en bezielt, te verlichten en in vuur om te scheppen ? tracht het niet altijd zijne werking uit te breiden en alles, wat het omringt en er mede in aanraking komt, te ontvlammen ? drijft een hevige wind niet de wolken naar de verste gewesten , om een weldadigen regen op de dorre velden te doen nederdalen ? Is het dan wonder, dat de Geest, die de Apostelen bezielde, zich zoo snel verspreidde? Is het wonder, dat de eerste Kerk zoo treffende voorbeelden geeft der werking van den H. Geest?

Vanwaar die onwetende geloovigen, die. ten minste in de kennis van het bovennatuurlijke, geheel en al onbedreven waren, eensklaps in leeraars der wereld veranderd ? Vanwaar die verbanning van zelfzucht en eigenliefde, om zich met de harten van den evenmensch zamen te smelten en de goederen van natuur, fortuin en genade zoo liefderijk met elkander te deelen ? Vanwaar die heldhaftige vergeving van het zwaarst aangedaan ongelijk in de eerste Christenen, waarvan de geschiedrollen der Kerk getuigen ? Vanwaar een moed, eene kracht en sterkte, die teedere jongelingen, zwakke maagden, foltering en dood voor Jesus deden trotseeren ? Hoor welke werking anders werden , in verdere eeuwen, een Chrvsostomus, een Athanasius geleid, om beurtelings de Kerk door hunne vurige taal en nog vuriger voorbeeld te stichten, en de ketterij en scheuring te beschamen? Of welke geest ontvonkte de Augustinussen en Magdalenaas, om hun voriare misstappen zoo bitter te beweenen en hunne zondige harten door het vuur der liefde te louteren ? Welke geest bezielde

quot;20

289

-ocr page 326-

290 het feest der

een Willebrordus, een Bonifaoius en zoovele andere Apostolisclic mannen, om den hun dierbaren geboortegrond te verlaten, en dienselfden geest in de harten van hun tot dusverre onbekende volkeren over te storten? O, zeker, dat alles is eene uitwerking van denzelt\'den (ieest, het is eene gedurige voortzetting van het Pinksterfeest.

HET PEEST DER

H. DRIEVULDIGHEID.

et feest der H. Drie-eenheid is nog uiet oud in de Kerk. Eerst in de achtste eeuw zag men het op enkele plaatsen invoeren en voor het begin der tiende eeuw bestonden er nog geene getijden van. In den jare 920 stelde Stephanus, Bisschop van Luik, de dag- en nachtgetijden van dit feest te zamen, die, zoowel als het l\'eest-zelf, door vele bisdommen en kloosters langzamerhand werden aangenomen. Evenwel, ten tijde van Pans Alexander II., zooals uit diens eigen getuigenis blijkt, werd het te Rome nog niet gevierd, en ook daar, waar liet ingang had gevonden, kwam men over den dag der viering niet overeen, terwijl eenigen het op den eersten Zondag vóór den Advent, anderen op den eersten Zondag na Pinksteren vierden. Eerst in de veertiende eeuw, schreef Joannes XXII., Pans van Rome, aan de geheele Kerk voor, den eersten Zondag na het Pinksterfeest, op eene bijzondere wijze a-nn de vereering en aanbidding van de II. Drie-eenheid toe te wijden.

Bij den eersten blik kan het aan velen vreemd schijnen, dat dit hooge feest zoo laat werd ingevoerd, terwijl vele andere geheimen vanaf het begin der Kerk, op bepaalde dagen, feestlijk

-ocr page 327-

HEILIGE DKIEVULDIGHEID. 291

herdacht, en zelfs,- eeuwen lang, vóór liet bevel van Joannes XXII., talrijke dagen aan de vereering van verschillende Heiligen toegewijd, in den feestkring van het kerklijk jaar, waren opgenomen. Men zal echter gereedelijk moeten bekennen, dat deze bevreemding van allen grond ontbloot is, wanneer men zich herinnert, dat het geheele leven eens Christens, zoowel als het gansche leven der Kerk, eene gedurige vereering is van den Drie-eenigen God; en dat, op deze vereering der H. Drievuldigheid, alle plegtigheden, alle gebruiken en alle feesten der Kerk uitloopen als op één doel. Er bestond dus geene behoefte, om aan de vereering der H. Drie-eenheid, een bijzonderen dag toe te wijden; in den beginne, werd zelfs de instelling van dit feest, wegens de zoo even aangehaalde reden, door sommigen als overbodig en minder passend beschouwd; geschiedde zulks evenwel in latere tijden, dan gebeurde dit alléén om aan de godsvrucht der geloovigen jegens dit ann-bidlijk geheim bevrediging en nieuw voedsel te ^even.

Het geheele leven eens Christens, zeiden wij zoo even, is eene aanhoudende vereering en aa nbidding van de allerheiligste Drievuldigheid; en, in der daad, in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes, treedt de mensch de wereld binnen, in dienzelfden naam daalt hij ten grave, en in de ruimte tusschen deze twee tijdstippen, die een geheel leven omvat, komt er geen enkele daad van eenig gewigt voor, die niet vergezeld gaat van eene geloofsbelijdenis aan dit geheim, en van eene vereering en aanbidding der allerheiligste Drievuldigheid. Wordt de mensch herboren in de wateren van het H. Doopsel, wordt hij, in later dagen, ten strijde uitgerust tegen de vijanden des heils, ontvangt hij in het H. Sakrament der boete de kwijtschelding zijner zonden, of wordt bij bij de poorten des grafs met het H. Oliesel gesterkt, het geschiedt altijd in,den Naam des Vaders, en des Zoons en des heiligen Geestes. Ontvangt hij het Ligchaam des Heeren, dan wordt

-ocr page 328-

292 HET FELST DEll

hem die gudlijke spijs onder het teeken der H. Drie-eenheid toegediend. Worden zijne handen bij de Priesterwijding gezalfd, of wordt, aan de voeten des altaars, zijn huwelijk ingezegend, het is altoos in den Naam der H. Drievuldigheid, dat zulks geschiedt. Zegent hem zijnen vader of zijne moeder, zegent hem Gods Priester, het is altijd met het teeken en in den Naam des Vaders, en des Zoons en des H. Geestes. Staat de Christen op, of legt hij zich ter ruste neder; neemt hij plaats aan den disch, om zijne ligchaamskrachten met nieuw voedsel te versterken, of verlaat hij de tafel; treedt hij Gods woning binnen, of begint hij zijnen arbeid ; bestrijdt hij de bekoring, of\' dankt hij den Heer voor de behaalde overwinning, het is altijd met het teeken en in den Naam der allerheiligste Drievuldigheid. En is het laatste levensuur voor den Christen geslagen, dau roept hem Gods Priester biddend en vertrouwend toe : // vertrek, o christen ziel, in den Naam des 1\'aders almagtig, die v. heej( geschapen, in den Naam van Jesus Christus, den Zoon van den levenden God, die voor u geleden heeft, en in den Naam van den H. Geest, die voor u is uitgestort; in dien Naam beveelt de stervende ten laatste male zijne ziel in Gods barmhartigheid aan; met het teeken der Drie-eenheid wordt hij in zijn laatsten strijd gewapend, en in dien Naam treedt hij, onder \'s Priesters zegen, het huis zijner eeuwigheid in. Aanroeping, vereering, aanbidding der H. Drievuldigheid , ziedaar dan het geheele leven eens Christens, en ziedaar ook het geheele leven der Kerk. Inderdaad, zegent die goede moeder hare kinderen, — en wanneer heft zij hare handen niet op, om te zegenen? — zegent zij hunne woning, of hunne spijs, hunne akkers of hunne vruchten, zegent zij het schip, dat de zee moet doorklieven, of den spoorwagen, die ons met vertiendubbelde snelheid zal vervoeren; zegent zij in het heiligdom het gewijde water of de heilige Oliën; zegent zij de. kerkgebouwen, de Misgewaden, de heilige Vaten of wat

-ocr page 329-

HEILIGE ÜEIEVULDIGHEID. 29-3

er al meer bij den lieiligen Dienst of bij het heilig Offer wordt gebruikt, immer en altijd spreekt zij haren zegen uit in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes, of zij doet althans haren zegen vergezeld gaan van het teek en der H. Drievuldigheid. Treedt zij op als uitdeelster van Gods gaven en geheimen, dient zij den geloovigen de heilige Sakra-menten toe, dan doet zij zulks immer in den Naam van den Drie-eenigen God. Wordt het Offer der Nieuwe Wet opgedragen, wie is het dan anders dan de Heer Jesus-zelf, die, door de handen des Priesters, deze onbevlekte offerande daarbrengt aan den driewerf heiligen God, die één in wezen maar drievoudig in personen is? En hoe menigmaal wordt gedurende deze heilige handeling geen hulde gebragt aan de allerheiligste Drievuldigheid? De Priester — wij willen slechts eenige voorbeelden aanhalen — begint de heilige Offerande met zich te zegenen in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes; hij aanbidt één God in drie Personen, wanneer hij, bij het Kyrie, eleïsov, driemaal den Vader, driemaal Christus-Jesus, en driemaal den H. Geest om ontferming smeekt; hij belijdt dit geheim bij het Credo, wanneer hij luide erkent, te gelooven in éénen God den almagtigen Vader, en in zijnen ééniggeboren Zoon, en in den heiligen Geest, die van den Vader en den Zoon voortkomt, en met hen wordt geloofd en aangebeden; telkens wanneer hij het heilig Offer opdraagt, prijst hij driemaal heilig den éénen God in drie Personen; en wanneer hij, na de Mis, den laatsten zegen schenkt aan de vergaderde geloovigen, dan doet hij ook dit in geen anderen Naam, dan in dien des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes. Evenzoo is het met alle andere plegtigheden der Kerk gesteld. Glorie zij den Vader, den Zoon en den II. Geest, zoo looit en prijst de Kerk, van de eerste dagen harer wording af, de nooit volprezen Drievuldigheid. Met dit gebed van vereering en aanbidding begint zij al hare getijden; met dit gebed ein-

-ocr page 330-

~\'J1 HET ÏJSEST UEU

digt zij iedereu psalm, en dit loflied, den drie-eenen God ter et-re, wordt door haar, daarenboven, bijna zonder opliouden, in al hare openbare gebeden herhaald.

Iedere zondag is aan de vereering der H. Drie-eenheid gewijd; want, op dien dag, voor den dienst des Heeren bestemd, wordt den \\ader dank gezegd voor de weldaad der Schepping, den Zoon voor de genade der V erlossing, en den H. Geest voor zijne heiligmaking en zijne gaven. lederen Zondag, wanneer de heilige tijden van het kerklijk jaar zulks niet beletten, wordt de verheven Prefatie der H. Drievuldigheid gezongen, waarin de Kerk plegtig haar geloof verkondigt en hare liefde uitspreekt jegens den eeuwigen God, die een in wezen en drievoudig in personen is.

\\iert de Kerk het feest van een Heilige, dan looit en prijst zij den Vader, die hem verheerlijkt en tot erfgenaam des Hemels opgenomen heeft; dan prijst zij den Zoon, die door zijn dierbaar bloed voor dien verloste liet regt op dit erlschap heeft verworven; dan verheerlijkt zij den H. Gesst, die door zijne genade dezen gelukzalige heeft geheiligd en zijne werken verdienstlijk voor den hemel gemaakt. Op de feesten, aan de vereering der Moeder-maagd gewijd, o ja, dan prijst zij, voorzeker, die genadevolle Vrouw, maar, terwijl zij haar looft, prijst zij ook den Vader, die haar verkoor voor zijtie Dochter; zij prijst den Zoon, die zich gewaardigde in haren schoot de menschlijke natuur aan te nemen; zij prijst dea H. Geest, die haar uitkoos tot zijne Bruid en haar met zijne schaduw overlommerde; want de Kerk is zich volkomen bewust, dat alle verhevenheid van Maria voortspruit uit hare innige verbinding met de drie personen der godlijke Drie-eenheid. Voor Maria en met Maria looft zij den drie-heiligen God, omdat Hij groote zaken aan haar heeft gedaan !

Wanneer, eindelijk, de Kerk de feesten des Verlossers viert of de nederdaling van den H. Geest plegtig herdenkt, dan

-ocr page 331-

heilige drievuldigheid. 395

vereert zij inet den Zoon ook den Vader en den H. Geest, en niet den H. Geest ook den Vader en den Zoon, dewijl zij één in wezen, ofschoon verschillend in personen zijn. Is overigens Kerstmis niet een feest, waarin, voorzeker hulde van dankbare aanbidding wordt gebragt aan het Yleesch geworden Woord des Vaders, maar waarin ook de eeuwige Vader wordt geprezen, die ons, in de overmaat zijner liefde, zijn eenigen Zoon heeft gegeven, en waarin ook dankbare eer en lof den heiligen Geest wordt toegebragt, door wiens werking het eeuwige Woord in den schoot der Moeder-maagd ontvangen werd ?

Ditzelfde kan ook van Paschen en Pinksteren, van \'s Hee-ren Hemelvaart en van de overige Feesten van het kerklijk jaar worden gezegd; en is dus niet het leven der Kerk, zoo wel als het leven van ieder Christen, eene aanhoudende ver-ee ring van de aanbidlijke Drievuldigheid?

Prijst dan de Hemel, door den mond der Cherubijnen eu der Seraphijnen, den éénen God in drie Personen; looft Hem de aarde, door de woorden en handelingen der Kerk en harer kinderen, laat dan die nooit volprezen Drie-eenheid ook door ons geloofd zijn en geprezen, alle dogen onzes levens, hier beneden, en in aller eeuwen eeuwigheid.

LOFZANG.

O Güdï, oneindig eeuwigh Wezen Van alle ding, dat wezen heeft. Vergeef het ous; o noit volprezen

Van al wat leeft, of niet en leeft, Noit uitgesproken, noch te spreecken;

Vergeef het ons, en schelt ous quijt Dat geen verbeelding, tong, noch teken U melden kan. Ghj waert, Ghv zijt.

-ocr page 332-

296 het feest der

GMiy blijft de zelve, alle Englekeuuis

En uitspraeck, zwak, en onbequaem , Is maer ontheiliging, en schennis :

Want ieder draegt zijn\' eigen naem, Behalre Ghy. Wie kan u noemen

By uwen jVaem? wie wort gewijt Tot uw Orakel ? wie durf roemen ?

Ghy zijt alleen dan die Ghy zijt. Uw zelf bekent en niemant nader.

U zulx te kennen, als Ghy waert üer eeuwigheden glans en ader :

Wien is dat licht geopenbaert ? Wien is der glansen glans verscheenen?

Dat zien is noch een hooger heil Dan wij van uw genade ontleenen;

Dat overschrijf het perk en peil Van ons vermogen, wij verouden

In onzen duur; Ghy nimmermeer. Uw wezen moet ons onderhouden. Verheft de Godtheit : zingt haer eer.

Heiligh, heiligh, noch eens heiligh,

Driemael heiligh : eer zij Godt. Buiten God is \'t nergens veiligh.

Heiligh is het hoogh gebodt.

Zijn geheimenis zy bondigh.

Men aenbidde zijn bevel.

Dat men overal verkondigh\' :

Al wat Godt behaegt, is wel.

Overweging.

Wacht u dit oiuloorgrondelijk g-elioim nieuwsgierig en nutteloos te willen navorschen, indien gij u in geen afgrond van (wijfel dompelen wilt.

-ocr page 333-

HEILIGE DKIEVrLDICHtlD.

IViz God* Majesteit wil onderzoeken , zal van de glorie overmeesterd Korden. (Prov. 25. v. 37.) God vermag meer dingen uit te werken, dan de mensch begrijpen kan.

Een godvruchtig en ootmoedig onderzoek van de waarheid is to dulden , wanneer slechts de onderzoeker bereid is, onderrigt te worden , en langs de wegen der heilige Vaders tracht te wandelen.

Zalig is de eenvoudigheid, die de moeielijke en zware geschil-Ion daar laat, en op de effen en vaste paden van Gods geboden wandelt.

Velen, door te hooge dingen te hebben willen onderzoeken, hebben hunne godsvrucht verloren.

Ik vraag van u een vast geloof en een regtziunig leven, maar niet, dat gij mijne hooge geheimnissen moet verstaan.

Indien gij dingen, die onder n zijn, niet kunt vatten, hoe f.ult gij dan datgene, wat boven n is, begrijpen?

Verneder u onder God, onderwerp uw verstand aan het geloot, en ik zal u verlichten, zooveel u dienstig of noodig wezen zal.

Sommigen lijden groote bekoring tegen het geloof, maar dit i* meer aan den boozeu vijand, dan aan hunne zwakheid te wijten.

Wil dit niet achten, en met uwe gedachten niet twisten, noch op de ingeving des duivels antwoorden; maar geloof de woorden ▼an God, geloof aan zijne Heiligen en Profeten, en de booze vijand zal n vlieden.

Het is dikwijls nuttig, dat een dienaar van God zulke kwelling te lijdeu heeft : want de ongeloovigen en de zondaars, welke hij nu reeds gerust bezit, bekoort hij niet, maar hij kwelt en kastijdt de geloovigen en godvruchtigen op velerlei wijs.

Ga derhalve met een eenvoudig en vast geloof voort, en beveel alles, wat gij niet kunt vatten, gerust aan Gods almogendheid; (icid kan niet bedriegen; maar die te veel op zich-zelven betrouwt, die wordt bedrogen.

God wandelt altijd met de eenvoudigen, openbaart zich aan de ootmoedigen, geeft verstand aan de kleinen, opent het begrip der reine zielen, doch verbergt zijne genade voor de nieuwsgierigen en hoovaardigen.

De menschlijke rede is zwak, en kan falen ; maar het ware geloof kan niet falen.

De rede en het natuurlijk licht moeten altijd het geloof volgen, doch hot niet voorafgaan of dat willen kreuken.

207

-ocr page 334-

OH. SAKRAMKNTSDAG.

(iod, die eeuwig, onmeetbaar en almagtig is, doet in den liemel en op de aarde groote en onbegrijplijke dingen, en memand kan do wonderen zijner werken achterhalen.

Indien Gods werken zoodanig waren, dat zij door het menscli-lijk verstand ligtelijk begrepen werden, zouden zij niet wonderlijk of onuitspreeklijk worden genoemd.

H. SAKR AMENTSDAG.

amp;WilE\'r was U1 ^611 vooravond vau zijn bitter lijden, dat do ILülgodlijke Verlosser het hoogheilig Sakrament instelde van zijn Yleesch en Bloed. Vandaar dat, van de Aposteltijden af, do instelling van dit aanbidlijk Liefdegeheim op Goeden Doudeï-dag wordt herdacht en gevierd. Maar, te midden der dr3e\\ige herinneringen aan \'s Heeren lijden en dood, kan de Keik niet, volgens haar verlangen, lucht geven aan de gevoelens van dankbaarheid en liefde, die haar bezielen voor dien kostbaren schat, haar door Jesns geschonken, voor die hoogheilige Erfgift, welke de oneindige wijsheid van een God-alléén kon uitdenken, voor dat onwaardeerbaar liefdepand, dat ons door Gods almagt-alléén kon gegeven worden. De vreugdekreten en jubelzangen, een God ter eere, die, bij dag en bi;, nacht, onder den schijn van brood verborgen, in ons midden wil wonen, die zich, iederen dag, voor ons, aan den eeuwigen Vader, als zoenoffer, opdraagt, ter vergeving onzer zonden, en die, in dit aanbidlijk geheim van liefde, de spijs en drank onzer zielen wordt, onze jeugd verblijdt, onze rijpere jaren versterkt, en op den weg der eeuwigheid onze teerspijs wezen wil, die vreugdekreten en jubelzangen worden gesmoord onder deklaagtoonen van Jeremias, en door de tranen en zuchten.

-ocr page 335-

H. SAKllAMKNTSÜAG. 299

ncfke hüt herdenken v.111 Jesus, smartvollen dood zoo overvloedig in de Goede Week storten doet. Om deze reden, verlangden vele godvruchtige zielen, dat, op een ander tijdsti,) van liet jaar, een dag zou worden aangewezen, waarop men met volle vreugde de Instelling van het allerheiligste Sakra-jnent herdenken en vieren kon. Door een bovennatuurlijk gc-zigl, toonde de Heer (12o0) aan een der ijverigste voorstanders dezer Instelling, de H. Juliana van Luik, hoe aangenaam hem dit verlangen was. Dientengevolge, werd reeds in het jaar 12 tö, hut zoo vurig gewenschte feest in het Bisdom van Luik, door den Bisschop llobertus, ingevoerd. Intusschen slier! Juliana. Haar verlangen was slechts ten duele vervuld geworden, want haar vurigste wensch was steeds geweest, den feestdag van het heilig Sakrament geheel de wereld door te zien ingevoerd. Dit verlangen liet zij, als haren erfschat, aan eene godvruchtige kluizenares, met name Eva, achter, en deze bleef er bij den vromen Kobertus op aandringen, dat hij van den II .Stoel zou trachten te erlangen, dat de feestviering van dezen dag aan de geheele Kerk voorgeschreven worden mogt. Destijds zat op Sint Petrus\' Stoel, te lloinc, onder den naam van I rbanus IV, Jacob Pantaleo. Deze was vroeger Aartsdiaken van Luik geweest, en, met de verschijning, aan Juliana verleend, opperbest bekend, want hij-zelf had die mede naauw-keurig onderzocht, en daarna er niet weinig toe bijgedragen, om dit teest in te voeren in het Bisdom van Luik. Urban us echter haastte zich niet, om aan het herhaald verzoek van Robert us gevolg te geven; maar, middelerwijl, stak de ketterij van Berengarius op nieuw het hoofd op, en de wereld vernam wederom de godlasterende stem, die de wezenlijke tegenwoordigheid van den Heer Jesus in het Allerheiligste Sakrament durtde loochenen. Teneinde die afschuwlijke dwaalleer te beteugelen en het katholiek geloof te verhelfeu, vaardigde de Paus, in 1264, een plegtig besluit uit, waardoor aan de gö-

-ocr page 336-

300 H. SAKRAMENTSDAG.

heele Kerk bevolen werd, voortaan het feest van het hoogheilig Sakrament, op donderdag na het feest der H. Drievuldigheid plegtig te vieren. Ook de instelling der Processie, die o]) dezen dag gehouden wordt, is toe te schrijven aan dezen CTooten Paus. Het besluit van Urban us IV. werd door Paus Clemens V. en de Kerkvergadering van Vienne, in Frankrijk, (1311) op nieuw bekrachtigd; door Martinus V. en Euge-nius IV., werd de feestviering van dezen dag met aflaten verrijkt, en, door de Kerkvergadering van Trente, is zij de triouil over de ketterij genoemd. De engelachtige leeraar, de H. Thomas van Aquine, stelde de zalvingvolle getijden van dit feest op, die, voorzeker, onder de schoonste van het kerklijk jaar

moeten worden geteld.

Neen, wij kunnen van dit feest, zoo zoet voor het hart, zoo schoon voor den geest, niet scheiden, zonder de, op dezen dag voorkomende plegtigheden een weinig meer van nabij te hebben beschouwd.

Heerlijk is het, op dit Feest, in de natuur, plegtig in de kerk, prachtig op alle plaatsen, waar de statige Processie zich heenbeweegt.

Het is heerlijk in de natuur. Wij zijn in de bloemrijke Meimaand of in de schoone dagen van Junij. Een zacht en donzig grastapijt, met bloemen van alle kleuren en diamanten daauwdruppelen rijk bezaaid, spreidt zich onder onze voeten uit; de roos heeft hare krullende blaadjes, de lelie haren geu-risren kelk ontsloten; zij zenden hare reukwerken, door deu zoelen wind opwaarts gedreven, als een aanhoudend dankotter ten hemel; de zon rijst vroeg en helder : zij stemt door hare verkwikkende stralen het heelal tot nieuwe vreugd; het vischje dartelt vrolijk langs den oever, en de nachtegaal is op het midden van zijn onnavolgbaren hymnus gekomen; kortom , geheel de natuur zingt het loflied der Verrijzenis.

Tiet is plegtig in den tempel Gods : de laatste toonen van

-ocr page 337-

H. SAKRAMENTSDAG. 301

liet Ave Maria der Mei-maaiid weergalmen nog door de hooge koorgewelven; de bloem- en wierookgeuren stijgen nog rondom den troon der Hemel-Vorstin omhoog. De feestmaand der Koningin spoedt ten einde : nu gaan de feesten des Konings weer beginnen, en de glans des heiligdoms zal nog vermeerderd worden. De grootst-denkbare liefde, ons bij de Instelling van het allerheiligste Sakrament betoond, moet met de dankbaarste wederliefde en de meest-mogelijke plegtigheid worden gevierd. Luisterrijk en verteederend is dan ook deze dag dei-dagen; hij heeft voor het geloovig hart zijns gelijken niet. Nog vroeg is het, en onvermoeid roept de metalen stem uit de hooge torens ter vrome feestviering. Talrijker dan ooit, stroo-iiien de geloovigen de wijdgeopende deuren des tempels binnen. In de kerk prijkt goud en zilver en branden talrijke waskaarsen op\'t altaar. Het priester-koor, van hemelvreugde dronken, staat, met gouden plegtgewaden omhangen, rond den troon van den verborgen God, die hen tot zijn tempel-dienst verkoor. Statiger dan ooit zweeft de feestzang onder de gewijde bogen, en langzaam zingt het koor : Lauda, Sion, Sat valorem, // Zing, Sion, het lied, uw Verlosser ter eer, verhef in uw zangen den Leidsman, den Herder. quot;

Maar niet slechts binnen de kerk, ook daar buiten, is alles in feestgewaad, want het geldt, den triomf des Heeren te vieren. De groote Koning wil heden zijn rijk, dat noch door grenzen, noch door tijden wordt afgesloten, doorwandelen en zijne volken zegenen. Zoodra het heilig Offer voltrokken is , zal hij, in\'sPriesters handen gedragen, door stad en dorp, door veld en beemden gaan, om overal zijn rijksten zegen uil te storten. Reeds, toen, op den vooravond, de zon in den schoot der wateren als lagchend verdween, werd alle aardsche zorg en tijdelijk zwoegen vergeten, en in het stille heiligdom der familie, of voor het altaar der heilige Maagd, bad de Chris-tenschaar met verdubbelde godsvrucht : Heer, verleen ons voor

-ocr page 338-

.302 H. SAKRAlfENTSDAG.

morgen reti lielcler-schoonen dag. En zie nu, daar daagt hij, die hoogheilige dag, en, vóór nng de zon het oosten in goud en purper getooid heeft, wordt hem door den mensch een feestlied tot welkomstgroet aangeheven, en, vóór nog de mor-genklok klept, hebben duizend handen het heilig dagwerk reeds aanvaard. In stad en dorp zijn alle huizen en buurten met vlaggen en wimpels, met kransen en festoenen, met eere-bogen en altaren versierd. Daar nadert Hij!... De zegerijke Koningsbanier, welke Mij-zelf heeft gedragen en gepurperd met zijn bloed, komt voor op, en zij, die nog den strijd des levens niet kennen, en zij, die reeds lange jaren, met den helm des heils bekleed , met het schild des geloofs gedekt en de wapenen des gebeds omgord, met de vlam der liefde — door de brandende fakkels verzinnebeeldigd— in het hart, onder de Kruisvaan van .Tesus streden, zij volgen op twee lange rijen. Schouw, sterveling, schouw toe, kniel neder, en aanbid !

Ziet gij daar die schitterwitte koor-engelen, die voo1.\' den troon van den geheiinvollen God, in lossen zwaai, hunne zilveren wierookvaten zwierig rondslingeren; die kleine maagdekens, die, met onschuldige hand, daar, op de paden des Hei -ren palm en bloemen strooijen ; dat biddend Priesterkoor, dat, rondom zijn genadetroon, de liederen van het Hemelseh Jerusalem zingt? Ziet gij den grijzen Offeraar der Nieuwe Wet, dien gelukkigen Simeon onzer dagen, met zijne zilveren lokken en zijn gouden koorgewaad, die daar langzaam voorttreedt, door een glanzenden draaghemel overschaduwd ? Zijn gelaat i~ vurig, zijn boezem van geloof en liefde gezwollen, want zijne handen dienen den Koning der koningen tot een troon,

I n de eerste rijen ruischt de muzijk, en hier, bij de laatste omgeving, heerscht eene stilte, even plegtig, als die van de groote wateren, in het uur der zeldzame kalmte op zee.

Driewerf klinkt de schel, en, links en regts, knielt de

-ocr page 339-

H. SAKRAMENTSDAG. 308

(lio-te menigte neder. T)e grijsaard, stram en afgemat op zijne lange levensbaan, stort warme tranen, terwijl zijne voeten hem de dienst weigeren, om dien heiligen togt te vergezellen ; maar hij heeft nogmaals den Heer, zijn heil, gezien, hij heeft den zegen des Allerhoogsten ontvangen, en zoo nu verbeidt hij getroost de ure der eeuwige rust, die weldra voor hem aanbre-Icen zal. üe man, te midden van de stormen des levens, heeft nieuwen moed geput, en de moeder heeft, met een traan in het oog, haren lieveling onder de zegenende hand van den Godlijken kindervriend gesteld. Maar, waar gaat die edele feesttrein henen? Ziet gij ginds, in het midden der golvende akkers, die digte linde, die met hare groene takken over het beeld van den Gekruiste heenwelft? Daar, aan den voet van het Kruis, hebben de maagden der buurt eene rusttent voor den Koning der heerlijkheid, voor den Bruidegom harer harten opgeslagen; daar hebben zij Hem een troon bereid, met rozen en leliën versierd, en met het groene mos omzoomd. Van dien troon daalt de zegen des hemels over vader en kinderen, over veld en weide, over stulpen en kasteelen neêr. Op die geheiligde plek knielen allen ; daar knielden ook eens hunne ouders, daar hebben, sinds eeuwen, verschillende geslachten geknield, want die stichtende Processie is niet van gisteren, maar eene onwaardeerbare erfenis, door de diepge-loovige middeleeuwen aan het verste nakroost vermaakt.

Helaas ! sedert drie honderd jaren, is het, in een groot gedeelte van ons Nederland, den onsterflijken Koning der eeuwen niet meer vergund, buiten de enge muren van liet tempelgebouw te verschijnen : sedert drie honderd jaren is daar aan liet katholijk hart de troost ontzegd van, langs de openbare straten en wegen, eene hulde van vereering en aanbidding toe te brengen aan het geheim der oneindige liefde van den verborgen God. O, Heere Jesus ! Gij weet, hoe bitter hard het valt aan hen, die U beminnen, verstoken te zijn van het voor-

-ocr page 340-

JJ04 H, SAKRAMENÏSDAG.

regt, om luide en openbaar U hunne dankbare liefde te be-toonen. Gewaardig U, de bitterheid hunner harten als een welgevallig offer te aanvaarden, en zegen hen, in des te ruimer mate, omdat zij bij het goud hunner liefde en den wierook van hun vurig gebed, U, zelfs op dezen dag van geestelijke vreugde, ook nog de mirre der zielesmart ten offer brengen met bereidwillige onderworpenheid.

LOFZANG

Lauda Sion.

Zing, Sion, het lied uw Verlosser ter eer,

Verhef in uw zangen den leidsman, den herder;

Stem hooger den jubel, zooveel gij \'t vermoogt,

En toch zal uw lof nooit naar waarde hem prijzen.

Het levend en levenverwekkende Brood,

Dat aan de verbroederde twaalf werd gegeven Ten spijze, in den nacht, aan den heiligen disch.

Geeft stof voor opzetlijke lofliedakkoorden.

Zoo klink dan uw zang uit de volheid van \'t hart. En dartel de ziel in betaamlijke vreugde ;

T)e Feestdag wordt heden toch plegtig gevierd,

Die \'t eerst dezen godlijken disch aan zag rigten.

Het Pascha van \'t Oude \\ erbond wijkt voor t Aieuw, En neemt in het Nachtmaal des Heeren een einde. Zoo vliedt voor de waarheid de schaduw daarheen. De nacht voor den dag, en het oude voor \'t nieuwe.

Wat Christus volbragt in den nacht vóór zijn dood, Ten avonddisch, onder de Jongren gezeten.

Dat doen we op zijn woord ter gedachtnis steeds na, Eu heiligen \'l Brood en den ijn tot een Offer.

-ocr page 341-

H. SAKRAMENTSDAG.

Dat het Brood wordt tot Vleescli en de Wijn wordt tot Bloed, Is \'t Geloofspunt, door Christus zijn volgers gegeven. En vnt ook \'t verstand of het zintuig dit niet,

\'t Geloof toch houdt vast, wat hier boven natuur gaat.

Daar huist iets voortreflijks hier onder den schijn Der beide gedaanten, — slechts teekens, geen zaken : — De spijs is het Vleesch, en de drank is het Bloed, En Christus blijft heel onder elke gedaante.

Hij wordt niet gebroken, ontleed, of verdeeld.

Maar door die hem nuttigt, volstandig ontvangen; En duizend, of één, elk erlangt evenveel,

Doch, schoon ook genuttigd, toch nimmer verteerbaar.

En goeden en boozen ontvangen die spijs.

Tot leven en dood naar \'t verschil van hun toestand;

De braven ten zegen, de snooden ten straf.

Zoo verschilt het gevolg hier van de eigenste Nutting.

Al wordt ook het schijnbrood veelvoudig gesplitst.

Geen twijfel bevang u toch daarom het harte,

TTant weet, dat er zooveel verschuilt in elk deel, Als onder \'t aanbidlijk geheel ligt verborgen.

De zaak staat in \'t minst aan de scheiding niet bloot. Maar enkel het teeken des Broods wordt gebroken.

En zoo wordt noch staat, noch gestalte van hem. Die hier is verholen, gedeerd of geschonden.

Beschouw, hoe der Englen Brood tot een spijs Van den christlijken pelgrim op aard is geworden. Het Brood van de kindren des eeuwigen Rijks,

Een spijs, die geen honden ten voedsel mag strekken.

W erd Izaak aan God tot een ort\'er gebragt, Het Paaschlam aan Isrel ter slagting bevolen , En \'t Manna den vadren ter spijze vergund.

Zoo is door dat alles ons Kruislam beteekend.

305

-ocr page 342-

30(i h. sakramentsdag.

Goedaardige Herder, waarachtige spijs ,

ó Jesus, wil onzer U liefdrijk ontfermen.

Bescherm ons, en hoed otis, en doe ons in Jt land Der levenden de eindlooze goedren aanschouwen.

Verlosser, die alles doorgrondt en vermoogt,

Pie ons hier op aard reeds zoo hemelzoet spijzigt,

ó Laat ons hiernamaals, ten eeuwigen disch,

Ons erfgoed, in \'t bijzijn der aaalgen genieten.

Overweging.

Assueres, de rijke en magtig\'e Perzen-touing-, gaf eens, gedurende honderd-tachtig dagen, aan al de voornamen zijns rijks, een «-root. gastmaal, eu vervolgens, gedurende zeven dagen, een aan de volkrijke stad Susan.

Wie bewondert niet de mildheid, waarmede gedurende een zoo langen tijd, zoo velen werden onthaald? Doch wat heteeke-nen die velen, aan de tafel van eenen aardschen koning, vergeleken bij de talloozen, die uitgenoodigd zijn tot het maai. her-welk Christus, de Memel-Koning, voor eeuwig in zijne Kerk ho\'l\'t bereid

Hij heeft dat bereid voor de duizenden en duizenden, die, op het woord der Apostelen, de Kerk zijn binnengegiiau : liij heeft het bereid voor de millioenen, die nog niet geboren waren en in den loop van achttien eeuwen geboren zijn; hij heeft liet bereid voor de millioenen, die thans met ons de aarde bewonen, en voor de millioenen, die haar na ons bewonen en in de Kerk treden zullen. Higt uwe blikken luuir Europa en Ay.ic. luuir Afrika eu Amerika, naar de talrijke eilanden van den Oceaan: ziet overal heen, waar de Kerk het tabernakel des lleeren heeft opgerigt : gij ziet millioenen van alle kleuren en talen, die heden, met ons, voor den in het II. Sakrament wonenrlen Heer. in aanbidding uederknielen ; die zich verheugen bij het aanschouwen van het hemelsch (Jastinaal, eu zich verheven gevoelen liij de gedachte: «één Heer, één Geloof, één Ligchaam ! quot; die zich gelukkig gevoelen door het bewustzijn, dat zij , door dien éénen lieer gevoed, aan dat écne godlijke Gastmaal neer-

-ocr page 343-

H. SAKRAMENÏSDAG. -307

gezeten, slechts één enkel huisgezin Gods, en één enkel ligcliaum van Jesus (\'hristus uitmaken. — Is dat niet eene groote, eene oneindige, eene onuiiipreeklijke liefde, voor millioenen en milli-oeuen zoo rijk !

Toen .lesus het Heilig Sakrament des Altaars instelde, blikte zijn oog door alle eeuwen heen, en vestigde zich met liefde op de geslachten aller tijden; het rustte ook op ieder van ons, wie of wat wij ook zijn mogen, rijk of arm, verheven of laaa; v:m stand; tot allen zeide hij : „Neemt en eet!quot; en : „ Komt tot mij, allen, die vermoeid en beladen zijt. Ik zal u verkwikken.quot; Zoo woest dan blijde, gij bedrukten, gij vergetenen en veriatenen : al zijn ook dikwerf de deuren en de harten der rijken voor ii gesloten, ééu hart en ééne deur zijn nooit voor u o-eslo-ten : immer staat de Kerk, de groote Spijszaal des Heeren voor unpen, en te allen tijde is zijn discli bereid voor allen, die met geloof en liefde tot Hem naderen. — De lieer overzag, in het uur der Instelling, de eenwen, en zag ook hoe in haren loop falloozen hem, in het Heilig Sakrainenl met blauwheid en onverschilligheid zonden ontvangen : en toch gaf hij zich-zelven aan het menschdom tot voedsel. i)e Heer overschouwde de toekomstige eenwen, en /.ag, boe in haren loop, velen Hem in zondige harten ontvangen en onteeren zouden; hij voorzag hoe talloozen hem, in het Sakrament zijner liefde, zouden bonenen bespotten: hoe zij, met een gevoelloos hart, het Geheim zijner liefde zouden loochenen, en toch gaf bij zich-zelven aan het menschdom als voedsel, tot het einde der eeuwen toe. Liever wil hij ondankbaarheid en beleediging, hoon en smaad verduren, dan de behoeften van hen, die van goeden wille zijn, ongelenigd laten. 1^ er dan eene liefde grooter dan -lesus\' liefde? Moeten wij dat nnr niet zegenen, waarin hij het Heilig Sakrament zijner liefde instelde, het uur, dat de ingang is van een nieuw tijdperk, waaruit een zegen opwelde, die, door alle eeuwen heen, tot aan het einde der wereld, zijne wateren vloeijen doet?

Kn wanneer sloeg dat groote zegenuur? u In den mekt. torn Jesus verraden werd!quot; O bedenken wij die woorden wel : In den nacht, loen hij vje.rd verraden. — Als gevaren en rampen over den inensch neerkomen, als een kruis op zijne schouderen drukt, dan woont ook gewoonlijk gemelijkheid in zijne ziel, dan knaagt er kommer aan zijn hart : dan rigten blik en gedachte zich naar de ramp, die dreigt, dan keert de ziel, met eiu-eu nood begaan, in zich-zelve terug. Hoe zon dan de inensch op

-ocr page 344-

H. SAKRAMENTSDAG.

lenigen van vreemden nood, op de grondvesting van anderer go-Ink bedacht zijn? Doet liij dit, en lenigt hij, eigen ramp vergetend, die van anderen, — o, hoe schoon, hoe edel, hoe ver-lieven, hoe ottervaardig is dan zijne liefde! — Zien wij nu op Christus! Is er op aarde een lijden, zoo wreed als des Heeren lijden, een nood, van zulke hoogte en diepte, als des Heeren nood, een kruis, zoo zwaar als zijn kruis, eene pijn, zoo smart-lijk, als die hem te wachten stond in den nacht, toen hij verraden werd? Hij voorziet het verraad van Judas, zijn trouwloozen vriend, hij ziet de boosheid, die tegen hem knarsetandt, den haat, die tegen hein raast, de woede, die tegen hem schuimt : hij ziet deboeijen, de geeselen, de doornenkroon, de spotgewaden; hij ziet al de lijdenswerktuigen, die op hem wachten; hij ziet den smaadvolsten en bittersten dood aan het kruis ; — en toch zien wij hem, in den kring zijner Apostelen, niet over eigen leed bekommerd, maar vol zorg voor anderer heil. Daaraan denkt hij, daarop peinst hij. daarvoor gloeit hij; zich-zelven en zijn lijden vergetend, stelt hij het Heilige Sakrament in van zijn heilig Ligchaam en Bloed : daarin opent hij de bron van het hemelsche, eeuwige Heil. 1 it den schoot van den akeligen nacht verheft zich zijne liefde, als eene zon, wier stralen allo eeuwen verlichten en verkwikken ! Zelfs spreidt hij zegen over hen, die vloek verdienden.

Is dat niet eene liefde sterker dan de dood; eene liefde, wier ijver magtiger dan de hel; eene liefde, wier stralen vurige en schitterende tongen zijn; eene liefde, die door de wateren niet gebluscht. door geen stroomen overweldigd wordt? En zouden wij zulk eene liefde ooit kunnen vergeten? Neen, in aanbidding vallen wij neder voor het Tabernakel, ons door hem gemaakt tot een rustbank zijner voeten, waar hij woont in het Allerheiligste Sakrament; en vol liefde, roepen wij met den Psalmist, uit : 1,ooft den Heer, onzen God. aanbidt hem op zijnen heiligen berg.

308

-ocr page 345-

FEEST VAN HET

HEILIG HART VAN JESUS.

o-^rrnTTTjg^

e godsvrucht tot het hart van Jesus is, zoowel in haar doel, als in hare oefeningen, lofwaardig en heilig; zij is Gode ten hoogste aangenaam, en voor de geloovigen eene bron van zegen en gena. Wie kent niet de namen der H. H. Tternar-dus, Thomas, Bonaventura, Theresia, Rosa van Lima, Catha-rina van Siëna, Magdalena van Pazzi, Gertrudis en Mechtil-dis, en van zoovele anderen, die allen met de vurigste liefde tot het heilig Hart van Jesus waren bezield, zoo als wij zien in de teedere en van liefde gloeijende uitboezeiningen des harten in gebeden, die zich in hunne nagelaten schriften bevinden, of in hunne levensbeschrijvingen staan geboekt?

Deze godsvrucht was, in vroeger tijden, als het ware, slechts het eigendom der heiligste zielen; maar toen — met de ont-eering en den smaad, door de zoogenaamde Hervorming Jesus in het godlijk Sakrament zijner liefde aangedaan — de ijver van velen begon te verkoelen, en de laauwheid meer en meelde overhand kreeg, ontstond bij vele godvruchtige zielen het verlangen, om den Heere Jesus eene vergoeding, als het ware, te geven voor dien smaad en die laauwheid, door zijn Heilig Hart op eene bijzondere wijze te vereeren.

Ten einde deze zoo heilzame en zoete godsvrucht in te stellen, en onder de geloovigen in ruime mate te verspreiden, heeft onze godlijke Verlosser zich gewaardigd eene nederige maagd tot werktuig uit te kiezen. Deze vrome dochter, Margaretha Maria Alacoque genaamd, was op haar drie- en twintig-jarigen leeftijd in het klooster der orde van de Visitatie onzer Lieve

-ocr page 346-

•gt; I O FEKSÏ VAX HET

\\ rouwe^ tc Pamy-le-Monial in Bourffondië welcu\'en, ^etrecli-ii,

*• O O O ^ O y

tou einde zicli in dit rustig verblijf geheel en al toe te wijden aan den quot;Bruidegom barer ziele. Hoe volkomen zij dit doel bereikte, daarvoor hebben wij geen verder bewijs noodig, dan baar zalige dood, den J 7 October 1691 voorgevallen, en vooral de heuglijke omstandigheid, dat het aan zijne Heiligheid Pius TX behaagd heeft haar, den 16 September van \'t jaar 1864, onder het getal der gelukzaligen op te nemen.

Als deze maagd dan, op zekeren dag, in bovengenoemd klooster, voor bet altaar, in aanbidding en in de betrachting der grenslooze liefde van Jesus tot ons, zondaren, diep lag verzonken, vernam zij, bij een wonderbaar gezigt, eene inwendige stem, die haar opwekte, om de vereering van het Allerheiligste Hart van Jesus te bevorderen; tevens werd aan deze vrome ziel, zooals weleer aan den Apostel Pan\'us, getoond, hoeveel zij om de verbreiding dezer heilige godsvrucht zou te lijden hebben : en waarlijk, slechts door zwaar lijden en diepe vernedering, inogt die zalige bruid van den gekruis-ten Jesus er in slagen, die niet minder lieflijke dan heilzame godsvrucht te vestigen en uit te breiden.

Gelijk Christus-zelf tot een teeken gesteld was, dat tegengesproken zoude worden, zoo ondervond ook de vereering va n zijn Allerheiligste Hart, van alle zijden tegenspraak; zelfs had zij laster en vervolging te verduren. Maar, zooals de Heer aan zijne groote dienaren had beloofd, droegen al die hatelijkheden er slechts toe bij, om deze heilige aandacht des te meer te verspreiden. Op vele plaatsen, waar zij werd ingevoerd, gaf de Heer, door luid-sprekende teekenen, zijn welbehagen te kennen; en zoo geschiedde het, na vele wonderbare blijken van genade en zegen, waarmede Gods goedheid de vrome vereerders van Jesus\' godlijk Hart begunstigde, dat deze aandacht in een zeer kort tijdbestek door bijna geheel de Christenheid verbreid werd.

-ocr page 347-

H. HART VAN JESUS. 3il

He Heilige Stoe],clie steeds met de uiterste voorzigtigheid te werk gaat, ziende, hoe de vereering van het Hart van Jesus zich toen ter tijd over alle landen der katholijke wereld, onder begunstiging der Bisschoppen, bereids had uitgestrekt, beslont eindelijk toe te geven aan de verzoekschriften der genoemde, kerkvoogden; en zoo liet Paus Clemens XIII, ten jare 1 765 , een dekreamp;t uitvaardigen, \'t welk aan eeiiige kerken, die zulks gevraagd hadden, verlof gaf het feest van het Heilig Hart te vieren. De daarvoor uitgekozen dag was de eerste Vrijdag, invallende na het Octaaf van het Allerheiligste Sakrament des Altaars. En ziet ! gelijk een welige rozenstam, die, in vruchtbaren grond geplant, ongemerkt zijne talrijke wortelen en vezeltjes in het duistere aardrijk heeft rondgeslagen, en slechts op het geschikt oogenblik wacht dat de tuinier ook van boven den toevoer van regen, lucht en warmte openstelt, om in duizendvoudige loten, knoppen, bloemen uit te slaan en zijne bladrijke kroon breed in het luchtruim te ontspannen : zoo ontwikkelde, en ontspande, en verspreidde zich ook yan af dit oogenblik de devotie tot het heilig Hart. De eene bisschop-lijke Kerk na de andere vroeg van den H. Stoel verlof dit feest mede te mogen vieren; broederschappen werden opgerigt, kerken gewijd ter eere van het heilig Hart; totdat eindelijk Paus Pius IX, wiens bezielende hand op alle gebied van het kerklijk leven dezer eeuw ligt ingeprent, den geloovigen een nieuwen prikkel willende geven om met liefde en wederliefde het gewond Hart te omhelzen onzes Heeren, die ons heeft liefgehad en van onze zonden afgewasschen in Zijn bloed, door dekreet van den 23 Augustus 1856 bevel gaf, dat het feest van het heilig Hart voortaan jaarlijks door de geheele Kerk 7.ou gevierd worden.

Liefde verwekt wederliefde. Dat is de eenvoudige, doch diepingrijpende wet, die der godsvrucht van het H. Hart ten grondslag ligt. Liefde, zietdaar haar hoofdonderwerp; wederliefde.

-ocr page 348-

3i2 FEEST VAN HET

zietdaar liaur hoofddoeleinde. Dit aan te tooneu, entevens om te doen zien, lioe beide, voorwerp en doel dezer godsvrucht, volgens de even aangehaalde bedoeling der Kerk, zoo uiterst geschikt zijn om het vuur der liefde, dat Christus is komen uitstorten op aarde, te ontsteken in de harten der geloovigeu , moeten wij denatuurdezer godsvrucht eenigzins dieper nagaan.

Welk is dan het hoofdvoorwerp der vereering van het H. Hart? Dat hoofdvoorwerp is geen ander dan de mateiooze liefde on/,es Heeren Jesus Christus, waarvan Hij onsgedurende gansch zijn leven, maar hoofdzakelijk door zijn lijden en sterven, en door de instelling van het AllerheiligsteSakramentdes Altaars, dat wonder der liefde, ons zulke schitterende bewijzen gegeven heeft. Christus toch heeft ons zoo vurig liefgehad, dat Hij zich zeiven voor ons geleverd heeft. Koude Hij ons een hooger bewijs geven zijner liefde? Hij leert ons immers zelf: // Niemand ,•/heeft grooter liefde dan deze is, dat iemand zijn leven geeft // voor zijne vrienden.quot; (1. Joann. XV, 13.) En opdat wij die greuslooze liefde nimmer zouden vergeten, stelde Hij , tot voortdurende gedachtenis van zijn lijden en dood, het Allerheiligste Sakrament des Altaars in, het eene wonder der liefde op het andere stapelend. Die overmaat nu van liefde, gelijk deze uit Christus\' menschlijke en godlijke natuur voortspruit, wordt ons onder den figuurlijken naam van hart voorgesteld; zoodat het ligchaamlijk hart onzes Heeren niet op de eerste plaats het hoofdvoorwerp is dezer devotie, maar het Hart onzes Heeren in figuurlijken zin genomen; dat is te zeggen , zijne door dit zinnebeeld aangeduide matelooze liefde Er bestaat trouwens tusschen de aandoeningen en gewaarwordingen van \'smenschen ziel en de bewegingen zijns harteu een innig verband. Vooral de gevoelens van liefde werken zoo bestendig en regelmatig terug op het hart, doen dit naar omstandigheden zwellen of zamenkrimpen, dat bij alle volken, bij geleerden zoowel als bij ongeleerden, in de tale der ongewijde zoowel

-ocr page 349-

H. HART VAN JESUS. 3Li

als der gewijde schrijvers, het hart steeds gegolden heeft als het zinnebeeld der liefde. Roepen wij tot God in de vurigheid van ons gebed : o, mijn God, ik schenk U mijn hart ! dan bedoelen wij daarmede hetzelfde, alsof wij zeiden : o, mijn God, ik schenk U mijne liefde ! quot;Welke zinnebeeldige uitdrukking was dan beter geschikt, om als in (\'éu begrip , de geheele lengte en breedte, de hoogte en diepte van Jesus\' oneindige liefde zaatn te vatten dan die van zijn H. Hart ? Is dan hoofdvoorwerp dezer godsvrucht onzes Heereu matelooze liefde, zoo is van een anderen kant diezelfde liefde tevens haar hoofdbeweeggrond. Waarom vereeren wij Jesus\' Hart? Om wille van Jesus\' liefde. Omdat Hij ons eerst heeft lief gehad.

Dit alles neemt echter niet weg, dat, met de vereering van Jesus\' matelooze liefde, ook die van zijn eigen ligehaamlijk Hart onafscheidbaar verbonden is, en op de tweed e plaats het hoofdvoorwerp dezer devotie uitmaakt. Wij toch, zwakke en zinnelijke menschen, kunnen ons moeilijk gedurende een ge-ruimen tijd met afgetrokken begrippen bezig houden, en behoeven vaak, om voedsel te geven aan onze godsvrucht, een onder de zinnen vallend voorwerp, ten einde, zooals de Kerk zingt, door de zigtbare dingen tot de onzigtbare opgevoerd te worden. En daar wij zoo even erkend hebben, dat de liefde eenparig door het hart op figuurlijke wijze beteekend wordt, en dit figuurlijk zinnebeeld als zoodanig ook door de Kerk is goedgekeurd : welk stotlijk voorwerp ware beter in staat dan het eigen ligehaamlijk Hart onzes Heeren, om den geloovigen tot geleidelijken overgang te strekken van het zigtbare tot het onzigtbare, van de aanschouwing en vereering van dit zigt-baar hart tot de overweging en vereering van onzes Heeren onzigtbare liefde? Doch niet alleen moeten wij dit ligehaamlijk Hart onzes Heilands vereeren, wij moeten het ook aanbidden; want het is het Hart van een Godmensch, onafscheidbaar, gelijk zijne gansche aanbidlijke menschheid, in de eenheid van

-ocr page 350-

•514 1\'iOESÏ VAN HET

persoon, met zijne godheid vereenigd. En de beweeggrond, waarom wij in deze devotie onder de andere deelen van \'s Hee-ren lig eliaam zijn aanbid lijk Hart op eene bijzondere wijze vereeren, is juist hierin gelegen, dat dit stoflijk TI art het na-tuurlij k zinnebeeld is der liefde, en wij dientengevolge door geen ander voorwerp, op waardiger, geraaklijker en krachtdadiger wijze konden opgewekt en geholpen worden tot het bereiken van het hoofddoel dezer godsvrucht.

Dat hoofddoel is de wederliefde. Wat toch zoekt de ware vereerder van het Heilig Hart? Hij zoekt op de eerste plaats in zich zeiven eene vurige liefde tot Jesus Christus te ontsteken, door de gestadige overweging zijner tallooze weldaden, waarmede Hij ols, als evenzooveel blijken zijner grenslooze liefde, overladen heeft; hoofdzakelijk door de overweging van zijn lijden en dood, en de daarmede zoo naauw in verband staande i nstelling van het allerheiligste Sakrament des Altaars, waarin Hij den rijkdom zijner liefde als uitgeput heeft. Hij zoekt, bij het zien der onverschilligheid, der ondankbaarheid, ja, der beleedigingen en versmadingen, waaraan onze godlijke Verlosser in zijn allerheiligst Sakrament van den kant der menschen dagelijks bloot staat, in zijn eigen hart eene gevoelige smart, een diep medelijden op te wekken, ten einde door deze g evoelens aan den godlijken Bruidegom zooveel mogelijk eenige ve rgoeding le schenken. Hij zoekt bij zich zeiven eeu vurig en werkdadig verlangen te voeden, om door tranen en gebeden, door veelvuldige communies en bezoeken bij het Allerheiligste, door woord en daad, voor zooveel het hem gegeven is, de aangedane smaad te herstellen, de schuldige onversch illigheid der menschen te bestrijden, het getal der trouwe aanbidders van het Allerheiligste te vermenigvuldigen; om in een woord niets te vergeten, noch te verzuimen van hetgeen strekken kan tot meerdere verheerlijking van onzen nooit volprezen Heer en Meester.

-ocr page 351-

H. HART VAX JKSÜS. 315

Liefde verwekt wederliefde. Hoe ook zouden wij, opgewekt door het aanscliomveii van Jesus\' heilig Hart, diens onbegrijp-lijke liefde kunnen herdenken en overwegen, zonder in o:;s eigen hart de vlam der wederliefde te voelen ontbranden !

Aanschouw dan, vrome lezer, het Hart van uwen Verlosser, en aanbid het, want het is het Hart van uwen God! Arm-sehouw dat Hart, om uwentwil met eene lans doorstoken en druppelende van bloed! Verbeeld u hoe het van liefdevlammen blakend, met het kruis in top en met doornen omwonden, u tof wederliefde oproept! Zie, dat is het Bart, \'t welk u en alle mensehen zoo vurig bemind heeft en nog bemint, en des-jiicltemir, voor die mateiooze liefde van het meerendeel der mensehen niets anders inoogst dan de snoodste ondankbaarheid. Zullen ook wij koud en onverschillig blijven bij het zien van die overmaat van liefde, ons door het godlijk Hart betoond? Zullen ook wij, die er toch voor uit komen zijne bijzondere vereerders te zijn, de wonde van zijn heilig Hart als liet ware dieper willen uithalen, door zeiven van de misdadige onverschilligheid der mensehen de onverschillige getuigen te blijven? Zullen ook wij verwaarloozen, ons de onuitputbare schatten, in Js Heeren Hart verborgen, ten nutte te maken, nnze genegenheden en gevoelens met de zijne in overeenstemming tc brengen, ons hart aan het Zijne gelijkvormig te maken? Op het hart toch komt het aan. Is liet hart zuiver, dan is de geheele mensch zuiver; is het hart vol van God, dan is de geheele mensen vol van God; behoort het hart gansch aan God, dan behoort de geheele mensch gansch aan God. Liefde immers is liet, die den geheelen mensch overheerscht in al zijn doen en laten. Hoe inniger, hoe vuriger, hoe heiliger die liefde is, des te heiliger zal ook geheel onze levenswandel wezen. Laat ons dan binnengaan in onzes Heeren allerzoetste en aller-beminnenswaardigst Hart, opdat ons eigen naar liefde dorstend hart ontstoken en verteerd worde door het vuur der godlijke

-ocr page 352-

3 ; f; FKEST VAN HET

liefde^ God alleen in de schepselen, en de schepselen alleen om God beminnende.

Ten einde onze godvruchtige lezers in staat te stellen op gemaklijke en veilige wijze vorenstaande gevoelens te verwekten, meeneu wij niet beter te kunnen doen, dan hier de Akte van Toewijding te laten volgen, gelijk ze ten jare 1875 door de Vergadering der heilige Riten is goedgekeurd.

AKTE VAN TOEWIJDING

AAN HET

H. HART VAN JESUS,

(JOEDGEKEURD

hij dekreet van de 11. Vergadering der Kerkgehruikeii ran den ïi April 1875.

O Jesus, mijn Verlosser en mijn God ! hoewel Gij den menschen, tot wier verlossing Gij geheel Uw kostbaar bloed hebt vergoten, eene groote liefde toedraagt, bewijzen zij II toch zoo weinig wederliefde, ja zij beleedigen en versmaden U zoo zeer, voornamelijk door hunne godslasteringen en door de ontwijding der feestdagen. Ach! konde ik aan Uw Godlijk Hart eenige voldoening schenken, konde ik zooveel ondankbaarheid en miskenning, waarmede de meeste menschen Ü bejegenen, herstellen! Mogt ik U kunnen toonen hoezeer ik verlang, ten aanschouwe van alle menschen, aan dat aanbiddelijk en liefderijkst Hart wederliefde en eer te bewijzen, en aldus in ruime mate Uwe glorie te vermeerderen ! Mogt ik de bekeering der zondaren kunnen verkrijgen en de onverschilligheid doen verdwijnen van zoo vele anderen, die, hoewel zij

-ocr page 353-

II. 11 All T VAX JESUS. 317

het geluk hebben lot Uwe Kerk te behooren, nogtans de belangen van Uwe glorie en van de Kerk zelve, Uwe Bruid, niet ter harte nemen! Mogt ik tevens kunnen verkrijgen dat ook die Katholieken, welke niet nalaten zich als dusdanig door vele uitwendige liefdewerken te toonen, maar te zeer aan hunne meeningen vasthouden en weigeren zich aan de beslissingen te onderwerpen van den H. Stoel of van diens leering afwijkende gevoelens koesteren — tot inkeer komen, met zich te overtuigen dat wie de Kerk niet in alles hoort, God niet hoort, die niet Haar is. Ten einde deze allerheiligste doeleinden te bereiken en verder de zegepraal en eenen duurzamen vrede voor de Kerk, Uwe onbevlekte Bruid, het welzijn en het geluk van Uwen Plaatsvervanger op aarde te verwerven en zijne heilige meeuingen vervuld te zien; ten einde tevens geheel de Geest-lijkheid ruimschoots in heiligheid toeneme en L welgevalliger worde, ter bereiking nog van zoo vele andere doeleinden, die Gij U, o mijn Jesus, in overeenstemming met Uwen Godlijken wil, voorstelt, en die op de eene of andere wijze voor de bekeering der zondaren en de heiliging der regtvaardigen dienstig zijn, opdat wij allen eens de eeuwige zaligheid onzer zielen bekomen, en eindelijk omdat ik weet, o mijn Jesus, dat dit ami uw allerzoetst Hart aangenaam is; erken ik plegtig, voor Uwe voeten neergeknield in tegenwoordigheid van de Allerheiligste Maagd Maria en van geheel het Hemelscli Hof, dat ik, onder eiken titel van regtvaardigheid en dankbaarheid, ueheel en alleen aan U toebehoor, mijn Verlosser Jesus Christus, eenige bron van alle goed dat in mij is naar geest en ligchaam. In vereeuiging met de meening van Zijne Heiligheid den Paus, wijd ik mij zeiven en al mijne zaken toe aan het Allerheiligste Hart, dat ik alleen wil beminnen en dienen met geheel mijne ziel, met geheel mijn hart, met alle mijne krachten, Uwen wil tot den mijnen makende en al mijne verlangens met de Uwe vereenigende.

-ocr page 354-

318 I\'JiEST VAN HET

Tot een openbaar blijk eindelijk van deze mijne toewijding, verklaar ik plegtig aan 11 zeiven, o mijn God, dat ik in de toekomst, ter eere van datzelfde Heilig Hart, de geboden feestdagen, volgens de voorschriften der Heilige Kerk, wil vieren en door de personen, die onder mijn invloed of gezat; staan, wil doen vieren.

lerwijl ik al deze heilige verlangens en voornemens, gelijk ze Uwe genade mij ingeeft, in Uw schoon Hart vereenig, vertrouw ik aan hetzelve eene vergoeding te kunnen geven voor zoo vele ueleedigingen, die het van de ondankbare kinderen der menschen ontvangt, en tevens het iieil mijner ziel en het algemeen heil der zielen van al mijne evennaasten in dit en in het ander leven te kunnen vinden. Amen.

Naderen wij zoo steeds met vertrouwen tot den troon van genade, tot Jesus\'\' liefdevol Hart. Hij is, zooals de Apostel ons verzekert, gisteren, en heden, en in eeuwigheid dezelfde. Ook thans nog, nu hij ter regterhand van zijn hemelscheu Vader troont, gloeit zijn Hart van liefde tot ons. Geen enkel van zijne zoo duur gekochte kinderen wordt door hem vergeten; steeds nog is liij onze Middelaar in den hemel, steeds noy vergeelt hij, door zijne Priesters, onze zondenschuld; steeds nog stort hij de volheid zijner zegeningen uit door de heiligma-kende genade der Sakramenten, welke hij voor ons heelt ingesteld; steeds nog is hij het onzigtbaar Hoofd zijner Kerk, eu blijft, volgens zijn godlijk woord, met ons tot de voleinding der eeuwen. jVimmer kan hij ons vergeten, dewijl zijne liefde eeuwig is, en Hij met den Vader en den Heiligen Geest één God is, van eeuwigheid tot eeuwigheid.

-ocr page 355-

H. HABT VAN JESUS.

LOFZANG-.

Jesu dulcis me mor ia.

ó Jesus, wiens gedachtenis Mijn ziel reeds louter blijdschap is, Wat zoete vreugde is hem bereid, Die juicht in uw aanwezigheid.

Geen liefelijker zangakkoord,

Geen klank wordt streelender gehoord. Geen denkbeeld ooit meer wonderschoon, Dan Jesus, Gods gezalfde Zoon.

Die boetenden tot hope strekt, U-biddenden tot vreugde wekt :

o Jesus, welk een zaligheid Is, die U zoekt en vindt, bereid.

o Jesus, zuivre liefdebron.

Des harten vreugd, des geestes zon. Gij zijt het hoogste zielegoed, \'t Volmaaktste rustpunt van \'t gemoed.

Geen taai, die \'t openbaren kan.

Geen spraak meldt ooit het zoet er van. Dat slechts de Christen ondervindt. Die Jesus en zijn dienst bemint.

En of ik mij te slapen leg.

Aan huis en haard, op zee, op weg, Alomnie, waar ik me ook bevind, Is Jesus mijn vertrouwdste vrind.

Bij d\'eersten straal van \'t morgenlicht Is \'t zielsoog naar uw Graf gerigt. En zoek ik, met Maria, daar Mijn Jesus, U, mijn Middelaar.

-ocr page 356-

330 F lot ST VAN HfcT

Dan pleug ik tranen van geneugt, Dan baad ik in een zee van vreugd, Dan stort ik mij aan \'s Heeren voet, En smeek Hem met een vol gemoed :

ó Jesus, Koning, wondersterk, Vrijmagtig Opperheer der Kerk, U, onuitspreekbre hartelust,

Zoekt zich mijn ziel ter levensrust.

Blijf met ons, Heer, en zij uw licht Ons poolgestarnte op \'t pad van pligt; \\erdrijf ons \'t duister uit den zin, En neme uw Leer heel \'t aardrijk in.

Ontsteek uw outer in mijn borst. Uw liefde laaf mijn zieledorst, Zoo blijft voor wereldsche ijdelheid Geen plaats in \'t binnenst meer bereid.

u Heer, wat is uw liefde zoet,

^ oor \'t afgestreden, krank gemoed! Geen taal, hoe feeder, rijk of stout. Die ooit de kracht er van ontvouwt.

W at was uw menschenlieide quot;\'root !

O

Gij, die voor ons uw bloed vergoot. Hebt ons den Hemel opgedaan, En \'s A aders Rijk doen binnengaan.

Ontvlam uw liefde mij in \'t hart. En ban er de aardsche zorg en smart. Opdat het enkel zich bereid\'

A oor \'t gunstgenot der eeuwigheid.

ó Gij, der ziele hoogste goed, Der liefde bron in overvloed,

Geef, dat ik U, uit \'s harten zin, Met de eigen liefde wedermin.

-ocr page 357-

H. HA1ÏT VAX JiSUS. o2L

Gij, eindloos heil, mijn hoop, mijn troost, A olmaaltste vreugd, als \'t hart verpoost A an \'s werelds kommer, zoude en leed.

En, Heer, in L zich-zelf vergeet.

u Laat me, o Jesus, in U zijn.

Dan voel ik kwelling, angst noch pijn.

Maar smacht ik, stof en banden moé,

Ü in uw eeuwge glorie toe.

Al is mijn mond uw lof niet waard.

Toch brengt hij hulde U toe op aard,

En daartoe schenkt uw liefde moed, Gij eenig-dierbaarst zielegoed.

Mijn Jesus, ó, uw kracht-alleen Sterkt mij in Elevens tegenheên.

En \'t hart, dat I ten voedsel zoekt,

^ ordt door geene nardschheul meer verkloekt.

Die van U eten haken nog,

Die van U drinken dorsten toch Naar d\'oeverloozeu liefdevloed.

Dien Gij voor de uwen stroomen doet.

^ ie van uw glorie is vervuld,

u Jesus, die voelt ongeduld.

En \'t kwellen van de zoetste pijn.

Om met en bij U steeds te zijn.

Want Gij toch zijt dtr Englen lust,

Der heemlen onverstoorbre rust.

Den mond een eindloos honigzoet.

Het oor en \'t oog een eeuwig goed.

Gij weet, ff eer, wat ik om Ü lij,

C) Daie uw geest dan over mij,

En doe het aan mijn hart verstaan.

Wanneer ik tot U op moog gaan.

22

-ocr page 358-

FEEST VANquot; HET

Heer Jesus, mijn Verlosser, ach, Hoe zoet, wie \'t oiidervinclen mag, Dat Gij bestendig in hem woont, Ku niet uw gunst zijn liefde loont.

Ach, wees ook mij tot zielevreugd, Tot troostgestarnt op \'t pad der deugd, Mijn harteblijdschap, steun en kracht, De burg, waar ik mijn hulp van wacht.

\\Vat is het zalig, slechts voor Hem, Te jubelen met luider stem.

En, voor de wufte wereld dood. Te leven in Gods liefdeschoot.

o Jesus, licht der eeuwigheid. Gij troost de ziel, die tot ü schreit; Geen schepsel is er U gelijk,

Op aarde of in uw hemelrijk.

Waar ik mij ook bevinden moog, U wenscht mijn hart, ü zoekt miju oog. En als mijn hart en oog ü vindt. Dan ben ik uw gelukkigst kind.

\'k Omhels U dan, uit \'sharten grond; En, lieve Jesus, zegt mijn mond.

Laat ons nu nimmer scheiden gaan, Maar hang mij ais uw Broeder aan.

Wat ik gezocht heb, vind ik nu, \'k Bezit, wat ik verlangde in U; ik blaak van \'t hoogste heilgenot, En juich en leef nu slechts voor God.

Wie U, o Jesus, zoo bemint.

En in U al zijn blijdschap vindt, Hij zal, in \'t eeuwig-zalig oord, 1\'w liefde eens smaken ongestoord.

322

-ocr page 359-

H. MART VAN JESUS.

Hoe fel gloeit uu de liefdevlam,

Die heel mijn ziel gevangen nam, Eu naar de bronwel smachten deed, Wier water heulsap scheukt in leed.

Die zegen daalt van boven neêr. Die liefde vlamt uit iiooger sfeer.

Het is met ongeschapen glans.

Dat deze zonne praalt ten trans.

Die gloed verteert mij merg en been. En dringt door hart en adren heen; Dat vuur legt plotsling in de asch. Wat in mij stof en aardsch nog was.

Die glans, uit hooger kring gedaald, En op deze aarde neêrgestraald,

Blonk \'teerst den Herders, wonderschoon. Ter kribbe van Gods eeuwgen Zoon.

En nu, o Jesus, klinkt mijn zang Uw Naam ter eer, mijn leven lang. En zij de aanbidding U gewijd Op aard, hier, en in eeuwigheid.

Kom, Koning, uit de wolken neêr; Kom, Vader, eindlooze Opperheer,

En zij uw hemelsch aangezigt Barmhartig steeds naar ons gerigt.

Voor U, o Jesus, dooft de pracht Der zonne weg tot enkel nacht.

Voor ü wijkt alle specerij In geur- en smaakgenot er bij.

Uw adem is vol lieflijkheid,

Uw stem, die ons ten hemel\' leidt. Zoo zoet, dat, wie haar ééns slechts hoort Geen aardsche slijk ooit meer bekoort.

323

-ocr page 360-

FEEST VAN Ui/I\'

Eu daarom smeek ik U, in \'t stof, Met zielsverlaugst naar \'t hemelhof. Waar Gij, in uw barmhartigheid. Ook mij een plaats hebt toebereid.

ó Daal nog eens op aarde neer.

Verlaat der Heemlen blijde sfeer.

Waar Gij, aan \'s Vaders regterhand. De vierschaar over \'t aardrijk spant.

En \'k zal U volgen, waar Ge ook gaat : Gij blijft mijn schild, mijn toeverlaat, Mijn deel, mijn erf, mijn eeuig goed. Mijn heil, mijn roem, mijn overvloed.

Gij, hemelburgers, komt, snelt aan , En doe de poorten opengaan \\an Jt eeuwige Jerusalem,

Dat jubel schatert op zijn stem.

o Koning van alle eeuwigheid.

Drijf \'t duister weg, dat mij omspreidt; Genadebron en hemelkroon,

Ach, voer ons bij uw hoogen troon.

Daar, waar een glanzende Englenschaar ü \'t loflied schalt, met stem en snaar, In \'t licht, waar uwe aanwezigheid De zielen \'t hoogst geluk bereidt;

Daar heerscht Ge in vrede, o Hemelheer, En slaat Ge zeegnende oogeu neer. Ach, moge ik eens aan \'t heilfestein Uw dischgenoot voor eeuwig ziju.

Jesus, geef, dat, als ik sterf,

Mijn ziel het hemelsch deel verwerf, En stel mij, in uw eeuwig Rijk,

Met de Englen te uwer dienst gelijk.

-ocr page 361-

II. HART VAN JKSVS. 325

Gij zijt mijn loflied, te, n.llen tijd,

Aan V is Jieel mijn geest gewijd,

Eu zweeft, «■ercinigd door uw Bloed,

Den opt-u hemid in \'t gemoed. Amen.

Overweging.

Ons hart is voor God geschapen, en Hij, die het voor zich schiep, gai\' daaraan zulk een omvaiig\' en begeerlijkheid . dat duizend werelden niet in staat zijn. het te vervullen en te verzadigen. Hij-allcén is onze zaligheid; Hij alleen onze eeuwige vreugde en rust. Ten hoogste wonderbaar is onze (xod in al zijne werken : hij maakte de wereld zoo schoon, zoo lieflijk, dat wij uit zijne werken hem, den Schepper, herkennen moeten; maar tevens maakte hij haar zoo arm, zoo verganklijk, en, met al hare grootheid, zoo gering voor ons hart, dat wij, om den wille van haar, die ons (iods heerlijkheid verkondigt, God-zelven niet zouden vergeten. Ons hart mat zich af, te midden van de vreugde der wereld: ja, men mag beweren, dat een bijzondere vloek op deze vreugde rust, dewijl in de bittere walging, in de algeheele verslapping, in de verstomping des g\'eestes, welke zij voor alles, wat bovennatuurlijk is. na zich sleept, het edelste deel in den mensch ten ouder gaat. Maar Merdoor-zelfs zegt ons de wereld duidelijk : ik ben uwe zaligheid niet.

Hes menschen zaligheid bestaat, totdat zij eens in den hemel volmaakt wordt, hier beneden, in de overeenkomst van zijn wil met den wil van (iod ; en hoe meer deze overeenstemming volkomen is, des te volmaakte]1 ook is zijne zaligheid. Maar Gods wil is niets anders dan het gebod der Liefde, namelijk, dat wij hem beminnen uit geheel ons hart, uit geheel onze ziel, uit al onze krachten, en onze naasten gelijk ons zeiven.

ii Wie onzen Heer Jesus Christus niet lief heeft, die zij vervloekt.\'\' I Oor. XII; :22.

-ocr page 362-

SINT PETRUS EN PAULUS.

et is heden feest te lloine ! maar liet Rome, flat thans feest viert en van vreugde op zijne zeven heuvelen trilt, \'1 is niet het oude Rome, bezoedeld met het bloed van een broedermoord, niet het Rome der heidensche Keizers, dat dronken is van der Christen-martelaren bloed, ( Openb. 17, 6.) maar het is het Home, de Eeuwige Stad, geroodvervvd door het bloed der twee Kerkvorsten, Petrus en Paulus; Petrus, de Rots , waarop Jesus Christus zijne Kerk gebouwd heeft; Paulus, het uitverkoren werktuig, bestemd, om des Heereu Naam te bren gen voor de volken en koningen des Heidendoms ! O zalig Rome, geheiligd doorliet bloed van ontelbare martelaren, geen luister kan halen bij denglans, die heden over u is verspreid ! Geen paarlen schitteren zoo heerlijk aan uwe kroon, als die twee vorsten. Petrus en Paulus! Sla uwe oogeu in \'t rond, eu zie : Carthago bukt thans voor u met eerbied zijn hoofd, en kust met liefde het stof uwer voeten; voortaan behoeft gij geene kracht van wapenen meer, om de barbaren te onderwerpen, en hunne verwonnen koningen aan uwe zegekar te kluisteren : van nu af wandelen de volkeu met blijdschap in uw licht, en de koningen in den luister, die opgaat over u !

Daarom viert niet Rome-alléén heden feest, maar met Rome geheelhet Christendom : want Rome is ons Sion, de stad onzer sterkte; de Verlosser-zelf is haar muur en haar beschermer : daar toch waakt de Herder, aan wien hij de hoede van lammeren en schapen heeft toevertrouwd; daar leeft Petrus nog altijd in zijne Opvolgers; daar staat de onwrikbare rots, waarop Jesus zijne Kerk heeft gesticht. Het is nu achttien eeuwen verleden, dat Petrus, de visscher van Galilea, te Rome aankwam.

-ocr page 363-

SIKT PETRUS EN PAUI.ÜS. 327

maar toen was liij niet meer de zwakke Apostel, die voor het woord eener dienstmaagd terugdeinsde : liij was Cephas, hekleed met de kracht van hoven, hestemd, om aan de wereld te toonen, hoe God de zwakheid weet uit te kiezen, om de sterkte te beschamen. Vorstenhuizen zijn verheven en vernederd geworden, menschengeslachten zijn opgestaan en in het stot terncfgekeerd : wat is er zelfs geworden van de oude zetels der Apostelen, Jerusalem, Antiochië, Alexandrië, eertijds de glorie van het Oosten? Sedert lang hebben ketterij en ongeloof ze ingenomen of verwoest, maar nog altijd leeft het woord des Heeren : n gij zijt Peins, claf is de Steenrots, en op deze Steenrots zal ik mijne Kerh houwen, en de poorten der lel zvllen niets tegen haar vermogen . quot; (Matth. 1 6; ] 8.) En terwijl hemel en aarde voorbij gaan, gnat dat woord niet voorbij, maar blijft in eeuwigheid. Te vergeefs hebben de RomeinscheKeizers hunne zwaarden aangegord, om, met het Hoofd, geheel de Kerk te vernietigen : tegen die Kots zijn hunne zwaarden verbrijzeld, en, wat de Engel van Jesus\' vervolgers zeide, werd ook in hen vervuld : zij zijn gestorven, dienaar het leven van het kind stonden. (Matth. 2; 20.) Te vergeefs heeft de ketterij die Rots willen ondermijnen, en een anderen grondslag leggen, dan dien Jesus Christus gelegd heeft,: de steen is op hen gevallen, en heeft hen verbrijzeld; te vergeefs heeft de godloosheid het addergif, dat onder hare tong schuilt, naar Petrus heengespuwd, en het zwaard van een magtige met hare listen weten te paren ; weldra ontviel het zwaard aan de lieiligschen-dende hand, die het, werk des Heeren had willen vernietigen. Op de Rots zetelt nog altijd de vreedzame Vorst, wiens Rijk op liefde en geregtigheid is gegrond; daar woont nog immer de trouwe en voorzigtige dienaar, dien God over zijn huis gesteld heeft, om zijne kinderen ten bekwamen tijde te voeden ; daar staat nog voortdurend de rustlooze wachter op de muren van het heilig Si on; daar strijdt de nooit verwonnen

-ocr page 364-

SINT PETRUS EX P A UI,US.

veldheer van \'sHeeren leger, die on? in din kamp voorbaat, en onSj met zijnen godlijken Meester, aanhoudend toeroept t woTclt met inosd^toos : ik hth rfe w^yehl ovopwomicn,

Van waar die onveranderlijkheid te midden van zoovele wisselvalligheden ? Vanwaar die onverddgbarj hechtheid, te midden van zoovele puinhoop^n? Van wisn anders dan vnn Hem, die tot Petrus gezegd heeft : non prwv ilehunt : zij zullen u niet overweldigen ! Aan Petrus-alléén behoort dat groote, dat almagtige woord, dat de eens dag aan den anderen mededeelt, dat de nacht aan den nacht verkondigt, en de eenwen elkander toeroepen : zj zullen u niet overweldigen !

Maar op nieuw is de geest des verderfs uit den afgrond gestegen : hij heeft de vorsten doen opstaan tegen den Heer en zijn Gezalfde, en onder zijne heibanier scharen zich de volkeren ; in zijn euvelmoed wil hij zich n;stelen op den Snoei , waarop nooit de leugen gezeten heeft Na de vorsten gewonnen te hebben, wil hij doordringen in het heiligdom : maar danr zetelt een Grijsaard, zwak, indien hij op armen van vleesch steunen moest, doch sterk, doir de hoede van den Alma?tige. Aan het oproer, dat zich bjroemt, alles gewonnen te hebben, antwoordt hij, met eene hemalsche kalmte : gij hebt nog nooit zegevierend tegen den Stedehouder van den Heer der heerkrachten gestreden ! —Vandaar de haat, die hem lastert, de woede, die tegen hem opschuimt, de wanhoop, die hem te-gengrijnst.\'t Is, als in de eerste dagen der Kerk : van den eenen kant, dezelfde wrok, dezelfde aanslagen, maar oik van den anderen kant, dezelfde liefde, dezelfde moed en kracht. O ! hoe menigmaal, in den loop djr eeuvven, hebben de zonen des verderfs zegekreten aangeheven! ho? menigmaal is hunne borst van ijdele blijdschap opgez.vollen, als zij hun nachtlijk duister wroeten meteen goeden uitslag waanden bekroond.\' Die verblinden ! zijn er dan geen achttien eeuwen, die hen leeren. dat alles vergaat, maar dat te vergeefs de golven en stormen

-ocr page 365-

SINT PETRUS EN PAULTTS. SSf»\'

woeden rondom Petrus\' Rots? Zou de orkaan der negentiende eeuw haar verbrijzelen ? Verwacht zulks niet, gij godloozen! Ook Voltaire zag in zijne razernij liet Christendom reeds verplet; ook Luther droomde, in zijn laaste uur, dat met hem het Pausdom ten grave dalen zou; ook Diocletiaan meende, dnt hij , tot den naam toe van Christenen had weggevaagd; ook de Joden juichten bij des Heeren verzegeld graf: maar, daar dreunde eensklaps de aarde, daar klonk hun eene stem tegemoet, die hen deed ter neder storten : surrexit; non esf hic! hij is niet meer hier : -— hij is verrezen. Hij is verrezen ! Zegevierend klinkt tot den jongsten der dagen diezelfde stem bij Petrus\' graf.

LOFZANG.

O)), Christncn, gaat bezoeken.

Bezoeken in den geest. De vergelegen hoeken.

Herdacht met dit ons feest; Waar de ongelijkbre helden. De Helden van den Heer, Hun heilig leven stelden Tot Christus\' meerder eer.

Daalt met een groot verlangen

In hun gevangenis,

Stelt u met hen gevangen,

Daar \'t al voor Christus is; Eu smaakt voor alle dingen

De levende fontein, Die Christus deed ontspringen. Die vlekloos maakt en rein.

-ocr page 366-

SINT PETRI\'S EN PAUIJJS.

Trekt dan, ten tweeden dage. Met Petrus uit de stee.

En laat niet na te vragen : Quo vadis, Domine?

Wilt wel het antwoord vatten : ,/Tot Eoine, naar liet Kruis!quot;

Want darrmeê zijn de schatten Te winnen van Gods Huis.

En gaat van hier geleiden Het heilig Broederpaar;

En ziet, hoe dat zij scheiden Yol liefde van elkaêr;

Vol blijdschap en vol liefde; Geen smarte, die ze deer\',

Geen droefheid, die ze griefde ; Zij schreiden om den Heer.

Dan zult gij Petrus volgen Tot op het Vatikaan,

Waar Nero, fel verbolgen. Hem aan het kruis doet slaan;

Met opgerigte voeten.

Slechts dit acht hij zich waard;

Zoo wil hij nu nog boeten. En staart al Hemelwaart.

Als gij den laatsten zegen Van dees Apostelprins

Hebt over u gekregen.

Zoo spoedt u heen naar ginds;

Ginds, waar zij Paulus leiden Ten Salviaanschen vloed :

Ziet hein den doodslag beiden En storten \'t heldenbloed.

;i30

-ocr page 367-

SINT l\'KTiU\'S JiN PAULUS.

1\'ln bidt, rlnf, als voorrlezen,

Zijn vruchtbaar stroomeml bloed Der Kerk moog nuttig wezen,

En menig hard gemoed!

Gaat, zoekt de teedre vrienden,

In ^t eigen graf geleid.

Die \'t loon te zaam verdienden : Geen stervling die ze scheidt.

Weest gij met hen de derde Begraven naar den geest :

Opdat u \'t loon geweide

Van \'t hoog Yerrijsnisfecst. Dat Petrus u doe blijven

In \'s Heeren ware Kerk, En Paul us u moog stijven In lieiligheid van werk.

Overweging.

DK UTKRAUCHIK.

(lelijk oen reusachtigo bergketen, getuide van de dagen fier schepping, door hare opgestapelde lagen en vormingen, ons de hooge wetten verkondigt, die God aan zijne werken ten grondslag heeft gelegd; gelijk zij door allerlei versteeningen en overblijfselen van den voortijd, ons herinnert, wat ;il omwentelin-2\'en de aarde heeft ondergaan ; en. na lucht en landstreken, welke zij van hare hoogten te beschouwen igt;-cett. verdeeld te hebben, haren loop zegevierend door den woelenden oceaan voortzet, uit daarin groenende eilanden het hoofd boven de golven opheft, tot zij, in een ander werelddeel, weder omhoog klimt, en zich in de wolken verliezen gaat: — zoo zegt ons de Katholijke Hiërarnhie, dat bergrit\' der zedelijke wereld, naar welke wetten deze door Christus werd gegrond ; zoo getuigt,

-ocr page 368-

SIST I\'ETÜCS EN PAÜI.TJS.

zil. door have ontwikkelingen en de overblijfselen, welke zij meevoert, de lotgevallen der volken; zoo geeft zij ons telkens een stmidpnnt aan, om de geschiedenis te overzien; zij be-lieerscht die in haren loop, verdeelt ze in hare tijdperken; en, van af de dagen haars Stichters, in onafgebrokene opvolging; voortdurend, blijft zij, —terwijl eene vroegere wereld, als in de wateren ondergaat, — alleen zigtbaar, alleen het verledene met het tegenwoordige verbinden, om ons opnieuw, door de meest verschillende oefening en de wonderbaarste verheffing haver krachten, dien God te verkondigen, en tot dien Verlosser op fe voeren, die in haar de heerlijkheid, hem van den Vader beloofd, voor het oog des inensclidoms schitteren doet.

Wij begrijpen het niet, neen, wij begrijpen het niet, hoe-zoovele Protestanten, die de geschiedenis onderzocht hebben, en toch ook wat schoon, wat edel en verheven is gevoelen, hei kunnen laten blijven bij eene meevdeve of mindere betuiging van hunne bewondeving. Daarin ligt geen rustpunt voor den geest. Wie toch heeft die bevgveeks geschapen? Is dat inenschen-werk\'r Ol\' is God slechts te zien in de stomme natuuv, i i plan-h\'ii i\'ii vedelooze dieren, niet iu den hein kennenden nienschr (lok zou die kracht der Katholijke Kei-k zoo groot niet zijn. indien zij niet weldadig de kracht ware des Offers eener liét-de, sterker dan de dood. Ja, luider dan het koud verstand, dat zich slechts verwonderen , of door redenen gedwongen worden kan, zon het gevoel der dankbaarheid in het hart moeten spreken, en de liefde er eenig vrijwillig antwoord moeten ontvangen. Hoeveel, hoe onberekenbaar veel toch is men aan die Hiërarchie èn in liet verledene cn op het oogenblik niet vet-pligt! [s het niet een feit, dat door het vevguisde Pausdom zij tot ons gezonden zijn, die ons het (\'hvistendom gepvedikt, en de waarheid ev van bezegeld hebben met hun bloed? Is het niet een feit, dat Kuvopa aan dat, doov het Pausdom met duizend opoffevingen gepvedikte. Christendom zijne verlichting en beschaving te danken heeft? Is het ons niet eveneens door feiten gewaarborgd, dat, waar de waarheden des Christendoms uit den geest verdwijnen, de barbaarschheid met ontelbare rampen wederkeert? Is het niet een feit, dat die waarheden zich in het Protestantismus oplossen, en daar — alsof het verschil tus-schen eindig en oneindig niet bestond, niet van waarde, niet van gevolg was — de Predikanten het in onverschilligen twijfel laten, of Christus God is al dan niet? Ts het, eindelijk.

332

-ocr page 369-

SINT PJSTKUB JSK PALLUS. \'ó\'d\'A

niet een feit, - en (leze vraag is beslissend — dat liet Paus-flem viog met dezelfde kraelitj met dezelfde overtuiging, diezelfde waarheden, die licht eu leven onder ons verspreid heb-ben. aan alle volken verkondigen blijft? Waar dan, — men antwoorde! - waar is de wet, het doel, de hoop der toekomst? waar is ons heil? — Wie zm! ons behoeden voor de reeds, aan den gezigtseiuder, dreigende slavernij, en al de rampen win eeue verfijnde, maar daarom juist des te vreeslijker barbaarsch-heid? Zij is niet te ontvlugten op snelle spoorwagens, niet te koeren niet academische redevoeringen , en , voorzeker, is zij niet weg te rekenen met de (luizende cijfers eener Begrooting van Staat! Neen, het Cristeudom is bloed en leven; en daarom ook met al zijne weldaden niet te behouden, dan door degenen, die zijne belijdenis hebben onderschreven met hun leven eu bloed. Het Pausdom, en hot Paus\'dom-alléén, bezit en verkondigt de blijde Boodschap, en daar van-alleen is te verwachten der volken heil. Die keten van bergen, welke men onvruchtbaar waant en nutloos acht. omdat er geene tunnels zijn doorheen te graven, en welke men zou willen \\ernietigen, omdat men er op stuit in zijn dolenden loop, waarvoor men slechts siddert en beeft, alsof zij ons ieder oogeublik over het hoofd zouden vallen; neen, die bergen staan er niet te vergeefs! Daar boven verrijst voor ons de dag; aan die bergen zijn de dalen gehecht, wanneer wij omwandelen; zij zijn het, die de lucht voor ons temperen, en de stormen atkeeren op hunne kruin; die de stralen der zon voor ons opvangen en weerkaatsen over onze akkers en wijngaarden en , met ouuitputlijke weldadigheid, in volle stroomen het levende water uitgieten, wat zij in de wolken des hemels ontvangen en bereiden, en waarin alles hier groeit en bloeit en zich altijd vermenigvuldigende vruchten draagt.

-ocr page 370-

DE TEN-HEMEL-OPNEMING

VAN MARIA.

jij\'jMriomï, Kiitliolijk, triomf! bij het groote verlieerlijkings-iSLs leest onzer allerheiligste Moeder; bij de geboorte van Ma-rif. voor den Hemel. Dat de narde zwijge! dat alles, wat zij in hare verblindheid hoogschat, aan ons ontzinke ; dat onze ziel de vlagt van den arend neme, en boven de starren opstijge, om het heerlijk tooneel te aanschouwen, dat heden onze verblijding uitmaakt. Pat de teederste vreugdesnaar in ons hart irille : want buitemnate zoet en troostvol is liet viervoudig geheim van den dood, de weder-opstanding, de opvoering en de krooning van Maria, het feest, dat heden hemel en aarde verheugt!

Met is eene zeer oude overlevering inde Kerk, zegt de II, Joannes van Damascus, dat Maria, te Jerusalem, in het bijzijn der Apostelen, die daar, door de godlijke beschikking, van de verste hoeken der aarde vergaderd waren, in gezegenden ouderdom overleed. De Geest Gods riep de Apostelen naar Jerusalem, om de stervens-sponde van Maria te omringen, en een laatste maal de Gezegende onder alle vrouwen, de Moeder van hunnen Heer te begroeten, of liever, om ons door hun voorbeeld te leeren, hoe hoog Maria bij ons allen in eere moet staan. Maria, door een Engel van haar naderend einde onder-rigt, zoo gaat de Legende voort, verdeelde hare twee kleederen tusschen twee heilige vrouwen, zegende de Leerlingen, beval hare ziel in de handen des Heeren, en sliep in. Ja, dat rustig verscheiden van de zoetste der Maagden, kan geen sterven he (.ten; het was slechts een insluimeren (Dormitio), zooals de

-ocr page 371-

DE TEU-HEMEL-OPNJSMING VAN MAMA. 335

ouden het noemden ; en toch weenden de Apostelen bitter,, nu Jesse\'s spruit verdord en de Lelie der dalen verwelkt was, nu zij daar dood ter neder lag, van wie het leven der wereld was uitgegaan. Maar hunne droefheid moest weldra verkeeren in vreugd. Neen, de Dochter van den Vader des levens was niet dood, maar zij sliep. Het gebeurde, op den derden dag, nadat Maria in het graf werd nedergelegd, en terwijl de Apostelen de rustplaats, waarin het hun zoo dierbaar overschot van de Moeder des Heeren was weggesloten , nog met hunne tranen bevochtigden, dat de heilige Thomas, verschroeid door de zon, en met het zweet van het verafgelegen Indië overdekt, ook naderde, om nogmaals Maria te vereeren. Maar reeds was de Moeder des Heeren ontslapen, en haar graf gesloten door den zwaren steen van Gethsemani. Thomas wenschte haar nog eenmaal te zien, en deed den steen wegnemen. Doch zie, o wonder ! de Jongeren vonden slechts een ledig grat, waarin niets meer voor hunne vereering was overgebleven, dan de doeken, die het ligchaam van Maria hadden omkleed. Een verkwikkende geur, aangenamer dan de welnekendste wierook en de kostbaarste balsem, stroomde hun te gemoet, en zeide aan Thomas, dat daar de hoogzalige Dochter van David, de Moeder van den verrezen Verlosser, had gerust. En welke gedachte rees er bij de Leerliugen van Jesus toen op? Geen andere dan deze, dat Hij, die liet godlijk Woord en de Heer der glorie is, die uit haar zijn vleesch heelt aangenomen, en haar, na het baren, ongeschonden heeft bewaard, ook na den dood, haar ligchaam van alle bedert had willen bevrijden en lang vóór den dag der algemeene opstanding de eeuwige heerlijkheid had binnengevoerd. O ja. Christen, zóó is het : dit is de eerbiedwaardige leer der Kerk, welke wij niet zonder roekloosheid en dwaling zouden kunnen verwerpen. W elk eene eer valt dan lieden Maria ten deel ! Zie den grooten Koning in zijn rijk, dat niet van deze wereld is, in het he-

-ocr page 372-

•3oU DE TEN-HfcMüL-üPNtMlNG VAN MAKTA.

melscli Jerusalem, op ziju troon gezeten; zijn blik doordringt lt;le duisternissen en de eeuwen, zijn hoofd draagt een kroon, waarbij ile edelsteen verdonkert, zijne hand een schepter waarvoor de winden zich buigen, en waaraan de vier hoeken der wereld gehoorzamen. Niet een stoet van eenige duur gekochte aanbidders en vleijende hovelingen omgeeft hem, maar een rij van Ouderlingen, die zeiven kroonen dragen; Maagden met witte kleedereu. Martelaren met de palmen der overwinning, Engelen, die op gouden cithers spelen, en met de snelheid van den bliksem heenvaren, werwaarts hij hen uitzendt; duizenden en millioenen Dienaars, die niet ophouden hem te loven en, door de eeuwen der eeuwen, het driewerf heilig toe te zingen. Daar rijst hij op van zijnen troon, de Koning der eeuwen, oin Maria als Koningin des Hemels te verwelkomen en te huldigen. En zij, de kuische, de zachtmoedige Duif, die aanhoudend naar reiner sfeeren verzuchtte, vaart opwaarts lit liet aardsche tranendal. O, ziedaar Maria, de welbeminde Dochter des Hemels, omgeven met eeue glinsterende wolk, door de Engelen gedragen, die Gode glorie toezingen, nu hunne Koningin het rijk der Hemelen naakt. De glanzende poorten van liet hemelsch Jerusalem, die eens niet meer geopend of gesloten zullen worden, openen zich, en het onbevlekte koor der engelreine Maagden, met hare witte kleedereuen blanke leliën, is in verrukking, nu zij hare Kouingiu, in haar midden ontvangen. De Vader heet haar welkom als zijne Dochter, de Zoon als zijne Moeder, de H. Geest als zijne Welbeminde. De -Zoon, die zich herinnert, hoe eens Maria zuchtte naast de harde kreb, op de terugreis van Jerusalem, en vooral auu den voet van het kruis, hij, die al hare tranen heeft aanschouwd, zegt tot haar ; „ nu is het barre jaargetij voorb.j, de ■torinvlaag afgedreven : kom thans, mijne Vriendin, gij gaat gekroond worden.quot; Eu Maria stijgt, aan de hand van hateu godlijken Zoon, de koren der zaligen, de rijen der Maagden,

-ocr page 373-

DE TEN-HEMEL-OPNEMING VAN MARIA. 337

Belijders en Martelaren voorbij, en allen roepen, vol verbazing : // Wie is zij, die daar uit de woestijn opstijgt, ovcr-vloeijende van geneugten, zachtkens op haren Welbeminds geleund?quot; Zij stijgt en stijgt al hoog en liooger, ook den Cherub en den Serat voorbij, totdat de Koning der eeuwige heerlijkheid haar aai zijne zijde op een troon, als van diamant en smaragd, doet nederzitten, waar de Engelen haar in vreugde kroonen en de godlijke Koning haar den scliep-ter vau genade en barmhartigheid in handen geeft.

O kind van Adam, vrees dan nu niet meer, en, zoo de Koning op zijnen troon, met zijn gelaat vol majesteit en zijn bliksemenden scepter, u afschrikt, zie dan op tot de Koningin der Hemelen, die ook de Koningin der aarde is : bij Haar huist geene wraak, maar slechts genade en ontferming.

Christen, blik nu vreugdevol ten hooge, want zij, die daar in onbeschrijflijke glorie heerscht, is u niet vreemd. Neen, gij kendet en bemindet haar van af de7i schoot uwer aardsche moeder, die u leerde, dat er in uw feeder ligchaam huist eene groote en onsterflijke ziel; dan wees zij u ten Hemel, en herhaalde u de woorden door Tesus, onzen zieltogenden Verlosser, gesproken: n ziedaar uwe Moeder !____uwe Moeder naar

de ziel.quot; O welk een geluk, eene Moeder in den Hemel te bezitten, die onze zwakheden en ellende kent, en aanhoudend voor ons ten beste spreekt! Neen, wij zullen voortaan nocli de stormen des levens, noch de aanvallen van den boozen vijand vreezen; wij zullen zelfs in het graf der zonde niet wanhopen, maar, met kinderlijk vertrouwen, ons in uwe bescher-rning begeven, hemelsche Moeder, en onze schuilplaats nemen nt de schaduw van uwen koninklijken troon.

Is het geheim der ten-hemel-opneming van Maria zoo troostvol en zoo opbeurend voor den Christen, geen wonder dan ook, dat de Kerk, reeds spoedig na hare bittere vervolgingen, eerst op den 18. Januarij, en later, in 582, op verzoek van

23

-ocr page 374-

338 DE TEN-HEMEL-OPNEMING VAN MARIA.

Keizer Mauritius, op den 15. Augustus, liet feest van den dood en de hemelvaart van Maria begon te vieren. Geen wonder dan ook, dat dit leest van lieverlede den eersten rang-onder de feesten van Maria innam, en allengs door een vooratkaanden boetedag aangekondigd werd. De opvoering van Maria ten Hemel, waarover de Engelen juichen en den Zoon Gods loven, werd een blijde dag voor het Christendom.

In ons Vaderland, vooral, werd hij de bij uitstek plegtige da;/ ter eere van Maria, zooals ons door de benaming van Hooge Lieve-Vrouw, aan dezen feestdag toegekend, genoegzaam wordt aangeduid. In vele streken wordt hij door eene plegtige Processie opgeluisterd : daar schaart de geloovige menigte zich, in feestlijken optogt, en volgt, in vreugde, van Jesns en Maria de Banier. Geen Palmtakkan, maar trossen vnn welriekende bloemen en kruiden, door vrome handen zaam-gevlochten en op dezen feestdag van Maria-Kruidwjdiw) (O. L. Vr. Kruidwis), voor het Hoog-Altaar, door den quot;Bedienaar des Heeren gezegend, worden door engelen van onschuld rondom de Vaan van Maria gevoerd. De ernstige Christen volgt, in stil gebed; en heden, op den hoog gevierden gedenkdag van het zalig afscheiden van Maria., herhaalt hij, mei warmer godsvrucht dan ooit, zijne meest geliefde bede : // Heilige Maria, Moeder Gods, bid voor ons, zondaars, nu en iu de ure van onzen dood. Amen.quot;

LOFZANG.

Zie, daar klimt naar d\'eeretroon,

Naast heur Zoon,

In de hoogste hemelzalen \'s Heeren moeder : Eng\'len ! spoedt

Haar te moet.

Om haar jublend in te halen.

-ocr page 375-

DE TKN-H EM KL-OPNEMING VAN MARIA.

Steekt bazuin en loftrompet!

Vrij van smet Is haar glans als van uw zonnen : Hem droeg ze in haar maagdenschoot,

Die den dood En de heislang heeft verwonnen.

Strooit hier Edens bloemen uit

Voor de Bruid Van den Heer der legerscharen, Die omlommerd is geweest

Van den Geest,

Eti des Vaders Zoon mogt baren.

Stemt voor ^s Hemels Koningin

\'t Feestlied in, Jvimmer-zwijgende Englenkoren !

Laat ook in uw lofgeschal,

Vadrental!

Laat de stem der eeuwen hooren.

Breid uw gulden vleugelslag

Op dees dag Schittrend uit, o Cherubijnen ! En waar Gij om \'t godlijk Lam

Staat in vlam,

Jubelt meê, gij Serafijnen !

Mar.r, daar treedt Gods eeuwge Zoon

Van zijn troon Om zijn Moeder in te halen :

Zie, met wat een minlijkheid

Hij haar leidt Door de hoogste hemelzalen.

-ocr page 376-

DE ÏEN-HEMEL-OPNEMING VAN MARIA.

Stemmen, harpen, alles zwijgt.

Waar zij stijgt,

Om haar glorie aan te staren; En verrukt nog zoekt haar \'t oog-

Waar ze omhoog Tot haar troon is opgevaren.

Zacht kwam om haar aangezigt

\'t Zonnelicht Als een glorie toegegleden,

En de maagdelijke maan

Ging er staan Ten schabel voor hare schreden.

En zij draagt de starrenkroon,

Die de Zoon Haar vereerde, als Rijksvorstinne; Haar aanschouwde van omhoog

\'s Vaders oog,

Met quot;een onbeschrijtbre minne.

En de Geest omhelst zijn Bruid :

Toen is luid Weer der Englen zang gestegen. Die zij dankt met zoeten lach;

Sinds dees dag Lacht ze in glorie ook ons tegen.

Laat ook onze zegetoon

Tot uw troon.

Glorievolle Moeder ! rijzen;

Laat ook ons, ontgloeid van min.

Koningin !

Met het hemelkoor u prijzen.

-ocr page 377-

13E TEN-HEMEL-OPNEMING VAN MAMA.

Zie, o Moeder van den Heer!

Op ons neer,

Toon uw kind ren mededoogen : Dat we aan \'t eind der pelgrimsbaan,

Tot u gaan,

En uw glans aanschouwen mogen.

Overweging.

Een Bedevaart is liet bezoeken van verwijderde ot\' ver-afgelegen lieilige plaatsen, uit. godsvruclit en om te bidden. De menscli voelt een natuurlijk verlangen in zich, om liet oord te zien, waaraan zich herinneringen van gebeurtenissen vastknoo-peu, die in een miauw verband staan niet zijn eeuwig heil. Wanneer hij zulk een oord in den vreemde bezoekt en daar verwijlt, dan wordt die herinnering in hem door de zinlijke mm-schouwing tot de hoogste levendigheid gevoerd: dan stijgt in hem het gevoel van dankbaarheid voor de genoten weldaden, of van bewondering voor de uitstekendste deugden ; dan kan hij inniger en met meer vertrouwen bidden. pleegt strenger boete, en stelt zich ontvanklijk voor meerdere genade. \\ andaar worden de Bedevaarten in de geschiedenis van alle godsdiensten gevonden, liij Heidenen, Joden, .Mahomedanen ; en ofschoon bij die allen misschien een meer nationaal en soms minder edel doel zich uitsprak, de diepere grond van het ter Beevaart gaan was gemeen aan alle godsdienstige volkereu en laü\' in de natuur van het meuschlijk hart.

De Katholijke Kerk weet en leert, dat God alomtegenwoordig en ons overal even nabij is; dat wij hem dus overal vinden, overal tot hem bidden en overal van hem verhoord kunnen worden\'; maar zij weet en leert ook evenzeer, dat de mensch niet bloot geest is, en, als geestlijk en stoflijk wezen, ook aan de werking en den invloed van de zinnenwereld onderworpen blijft; en dat er diensvolgens, al is God dan ook den mensch overal even nabij, plaatsen kunnen bestaan, waar de stervling, wel niet ligchaamlijk maar geestlijk, den Onsterflijke naderbij treedt: en dit heeft plaats, wanneer de menschlijke geest, door

341

-ocr page 378-

DE TKN-HEMEI.-OPNEMING VAN IIARIA

den invloed der zinnenwereld, op de eene plaats meer dan op de andere, tot eene koogere godsdienstige stemming gevoerd wordt, waardoor hij beter bidden, danken, boete doen, heilige voornemens maken, met één woord, waardoor hij beter in innige vereeniging niet God zich stellen kan.

Ue oudste Bedevaarten der Katholijke Kerk zijn die naar het Heilig Land, die reeds in de tweede eeuw plaats vonden, maar vooral nadat Konstantijn de Groote een einde aan de vervolging\' der Christenen gemaakt, en met zijne H. Moeder Helena tempels op liet graf des Verlossers en op de plaats zijner geboorte te Bethlehem, gesticht had. De H. Hiëronymus getuigt dan ook, dat eene lange rij van geleerde en heilige mannen, van ai\' de Hemelvaart des 1 leeren, uit godsvrucht, naar de heilige oorden van Palestina Pelgrimsreizen deed, om Christus op dezelfde plaats te gaan aanbidden, waar het Evangelie des Krui-ses \'t eerst verkondigd was. Met de uitbreiding des Christen-doms won ook de toevloed der geloovigen naar het H. Land aan, en de kruistogten der middeleeuwen zijn het gevolg geweest : van de klagten der vele pelgrims, die door den moedwil der ongeloovigen in hunne godsvrucht bemoeilijkt waren, of daarvan werden afgeschrikt.

(ielijk de eerbied voor die heilige plaatsen, door den Yerlo»-ser betreden, de beweegreden was van liet ter beevaart gaan naar Jerusalem, zoo was ook de groote vereering van Gods heiligen en vrienden de prikkel, om vele vrome geloovigen naaide graven en overblijfselen der Heiligen te voeren. Het t«r beevaart gaan naar de graven en overblijfselen der Heiligen is dus zoo oud in de Kerk, als haar leerstuk over de vereering der Heiligen, of, laat ik liever zeggen, als zij de gemeenschap der Heiligen belijdt. Uitdruklijke getuigenissen van zulke Pel-grimstogten trett\'en wij in de derde en meer nog in de vierde eeuw aan.

In ouderdom en beroemdheid staat de Bedevaart naar de graven der H. H. Apostelen Petrus en Paulus, te Home, bovenaan, en deze trekt nog altijd duizenden vrome pelgrims naar het middenpunt der Katholijke Kerk. Bijna ieder land heeft zijn bijzonder oord, waar of de li. Maagd, of een andere Heilige op bijzondere wijze wordt geëerd, en waar men jaarlijks iu plegtigen optogt zich heen begeeft. Wereldberoemd zijn O. L. V. van l.oretto en Sint Jacobus van Compostella. In Seleucië ging men naar het graf van de H. Thecla, de eerste Martelares: in

-ocr page 379-

engelen-bewaarders. 34 3

Africa, naar liet g\'ebeeute van den H. Steplianus, te Hippo; in Cappadocië, naar de veertig Martelaars; in Gallic, naar liet graf van den H. Martinus van Tours. Later vormden zich de Bedevaarten naar den H. Adelbert, te Gnesen, naar den H. Willebrordus, te Ecliternacli, naar den H. Thomas, te K;m-telbera\', en meer anderen. In ons vaderland trekt men vooral ter Pelgrimsreize uit naar het beroemde Kevelaar, een klein stadiën op de grenzen van Pruissen; ook naar HaJle, oi\' naar Scherpenheuvel, in België, en naar O. L. Vrouw in het Zand, nabij Roermond.

Wat de Kerk doet met betrekking tot de Bedevaarten, kun-nen wij kort zamenvatten in deze woorden: zij keurt het ter beevaart gaan goed en prijslijk, verklaart liet voor nuttig, en verdedigt het tegen hare vijanden; zij beloont het en hecht er gunsten aan, legt het als boet- en voldoeningswerk op, zoekt er de misbruiken eu alle bijgeloof verre van te verwijderen, en treeft, zooveel mogelijk, aanleiding, om goed en naar behooren den Pelgrimstogt te doen.

ENGELEN - BEWAARDERS.

e katholijke Kerk heeft onderscheiden feesten ter eere der zalige wezens, welke wij Engelen noemen, ingesteld. Zoo viert zij, den 29. September, het feest van den H. Michael, eu den 8. Mei de Verschijning van dienzelfden Aartsengel; zoo vergunt zij, dat op eenige plaatsen de Aartsengelen Gabriël, op den 18. Maart, en Eaphaël, op den 24. October, feestlijk worden herdacht. Doch, hiermede niet tevreden, heeft zij nog gewild, dat een feest ter eere vau alle H. H. Engelen-Be-waarders worde gevierd, en daartoe den 2. October vastgesteld. Er bestaan nogtans landen, waar de godsvrucht der geloovigeu een geheel Ocfaaf aan de vereering dier hemelsche Wachters

-ocr page 380-

3\'i4 ENGELEN-BEWAARDERS.

wensclite toe te wijden, hetgeen dan ook, met Pauslijke vergunning, te beginnen met den eersten zondag van September, in veie kerken geschiedt. Dit schoone feest der Schutsengelen is bijzonder geschikt, om ons hart op te beuren en te verruimen, onzen geest tot het hemelsche vaderland te verheffen en onze ziel met bewondering van Gods goedheid, met dankbaarheid jegens deze hemelsche geesten, en met heilzainen eerbied voor ons-zelven te vervullen. Inderdaad, niets staat in de gansche schepping alléén : alles hangt zamen; hemel en aarde, de wereld der onsterflijke geesten en die der sterflijke aardbewoners zijn op \'t innigst zaamgesnoerd. Dit blijkt, onder anderen, duidelijk uit de geestlijke gemeenschap, welke Gods barmhartigheid tusschen zijne H. H. Engelen en ons heeft vastgesteld. O, hoe goed is God, hoe vaderlijk de zorg, welke hij voor ons ten toon spreidt. Teneinde ons de grootheid zijner magt, de majesteit van zijn hof te toonen, en ons te gelijker tijd een schitterend bewijs te geven van de overgroote liefde, welke hij ons toedraagt, heeft hij gewild, dat de Engelen, welke de H. Schrift ons voorstelt als geschaard om Gods troon, onophoudelijk bezig met zijnen heiligen Naam te loven en te prijzen, tevens de werktuigen zijner voorzienigheid bij de menschen zouden zijn. Ja, ieder mensch heeft van Gods milde hand een Engel-bewaarder ontvangen, die hein, van zijne geboorte af, tot na zijnen dood, begeleidt, hem bijstaat, hem beschermt en verdedigt. God had, voorzeker, deze dienst dei-Engelen niet noodig, want Hij vermag alles door zich-zolveu; maar Hij vindt er behagen in, zijne schepsels te vereeren en te verherten, door hun een aandeel in zijne werking te schenken. En zoo was het U dan niet voldoende, o Gever van alle goed, hemel en aarde, met alles wat zich daar tusschen beweegt, voor onzen dienst geschapen te hebben, maar hebt Gij tevens de vorsten-zelven van uw rijk gelast, om ons oo hunne handen te dragen, opdat wij onzen voet niet mogten stooten

-ocr page 381-

ENGELEN-BEWAARDERS. 345

aan den steen des verderfs. Zoo hebt Gij dan medelijden gehad met onze zwakheid, en ons hemelsche Wachters ter zijde gesteld, sterk genoeg, om alle aanvechtingen der booze geesten af te weren ! De mensch is immers bestemd, om de opengevallen plaatsen der afvallige Engelen te gaan bekleeden, eu bijgevolg medgezel der goede en trouw gebleven Engelen in het heilige Sion te worden. Vandaar die helsche haat, dieti de afvallige Engelen tegen het menschdom hebben gezworen. Tegen de aanvallen nu van den afgunstigen en hoovaardigen Lucifer en diens ontelbare trawanten, helpen ons de Engelenbewaarders den strijd zegevierend voeren; zij beschermen ons tegen de aanvallen en listige kunstgrepen des duivels, ontdekken ons de strikken, welke hij ons gespannen heeft, versterken ons in de bekoring, ons tevens moed inboezemende, om te volharden tot het einde onzes levens in dezen aanhoudenden, altijd terugkeerenden strijd. Zij doen meer : zij wekken ons op tot de deugd, spreken tot ons hart door geheime ingevingen, onderwijzen en verlichten ons aangaande de geestlijke belangen onzer onsterflijke ziel. Zij bevorderen ons streven naar hoogere volmaaktheid, en dragen, daarenboven, onzi gebeden op aan God, en leggen ze als een welgevallig reukoffer voor den troon zijner Majesteit neer. Gods engel is voor elk onzer een trouwe vriend, een magtige beschermer, een wijze raadsman, een liefderijke arts, een waakzame herder. Hij staat ons ter zijde, bij dagen bij nacht; hij helpt ons in nood en lijden, troost ons in droefenis en alle wederwaardigheid, ja, verwaarloost zelfs niet, voor onze tijdelijke behoeften zorg te dragen, als zij ons slechts ter zaligheid dienstig zijn; doch , voornamelijk, in den albeslissenden stond, op den oogenblik dat voor ons de tijd gesloten wordt en de eeuwigheid aanbreekt, in het verschriklijk sterfuur, wanneer de duivel al zijne krachten inspant, om over onze ziel de eindzege te behalen, en haar voor eeuwig in zijn rampzalig lot te doen deelen, dan.

-ocr page 382-

•346 ENGE L E N - BEWAARDERS.

o, dnii strijdt onze goede Engel met ons, dan bedekt hij ons met zijn schild, dan weert hij af van ons \'s vijands herhaalde aanslagen, en verlaat ons niet, alvorens ons in het hemelseh vaderland te hebben binnengeleid. Zoo ontstaat eene innige gemeenschap tusschen hemel en narde : hoewel nog lid zijnde der aardsche maatschappij, zoo behoort toch de mensch, door zijne betrekkingen, reeds tot die der hemelen; hij telt er een zeer bijzonderen vriend, en die vriend noopt hem, in afwachting van het hooge geluk, voor hem in de andere wereld weggelegd, om niet te veel prijs te hechten aan het vergank-lijke stof, wat zijne voeten nog eeuige jaren, hier beneden, zullen drukken. Daarom schrijft de II. Augustinus, dat wij met de Engelen slechts éene Stad Gods uitmaken, waarvan bet eene deel in ons nog als pelgrim ronddwaalt, en het andere in de Engelen ons bijstaat en ondersteunt.

Hoe hartroerend, hoe verteederend, hoe treffend is niet deze gemeenschap van Gods lieve Engelen met ons, maar, bovendien ook, hoe leerzaam ! Trouwens, zij leert ons, dat eene vurige dankbaarheid ons jegens onzen Schutsengel moet bezielen wegens de onschatbare diensten, welke hij ons bewijst. Zij leert ons, dat wij hem steeds eene drievoudige hulde moeten brengen, dewijl wij aan dien hemelschen Beschermgeest eerbied voor zijne onafgebroken tegenwoordigheid, wederliefde voor zijne goedwilligheid, en vertrouwen voor zijne waakzaamheid verschuldigd zijn.

Hoezeer moeten wij, daarenboven, ons bij die gedachte niet opgewekt gevoelen, om ons-zei ven hoog te schatten en te eerbiedigen ! God heeft mij toevertrouwd aan een hemelschen Wachter; ik leef aanhoudend in het gezelschap van een Engel ; welk eene eer voor mij! Welke waarde moet ik niet bezitten in Gorls oogen, daar hij mij zulk eene hoogachting toedraagt! Hoe ware het dan mogelijk, dat ik, mij-zelven verlagend, mijne eigen grootheid kou vergeten, en in des Engels tegen-

-ocr page 383-

ENGiSLEls-BEWAAUDEIlS. -i )•?

«oordighcid iets begaan, waarvoor ik zou moeten blozen in do oogen van een menscli ? Niet alleen leeren wij zoo ons zeiven, maar ook onzen evenmenscb, nit achting voor diens Engel, eerbiedige;). Nemen wij ons in acht, onze evennaasten, vooral niet de kleinen, te ergeren. Wachten wij ons voor den heiligen naijver hunner Engelen-bewaarders ; zij toch zouden ons niet ongestraft laten begaan en bun werk doen verijdelen, zij, van wie de Zaligmaker zegt, da! zij iu \'en Hew el altijd zien het aangezigt zijns Vaders, die In den Hemel is. — Eindelijk, moet ons de gedachte aan de gemeen-gt;cha]) dier hemelschc geesten met ons, Gods goedheid leeren hoogschatten en ons opwekken tot eene dankbare lielde jegens hem. Want, wat is dan toch de menscli, o mijn God, dat Gij zooveel zorg voor hem draagt, en hem de grootste vorsten van uw liof tot leidsman schenkt! Moet dan de meester den onderdaan, de wijze den onwetende, de regtvaardige den zondaar dienen\'\' En was het dan noodig, dat een zoo edele en verheven geest den hemel verliet, om den menscli, misschien een booswicht, voet voor voet, te volgen, zonder hem ooit te verlaten, ja, zelfs niet in den dood? O! overmaat van liefdeen goedheid van mijn God, hoe zou ik U niet bewonderen, U niet loven en prijzen, zoo lang ik leef!

LOFZANG.

Custodes hominum psallimus angelos.

Wij brengen den juichtoon aan d\'Englenstoet,

Op aarde den menscli tot bescherming gegeven.

Opdat, aan de listen des boozen ontheven,

Hij \'t heilpad steeds volg, door Gods Wachters behoed.

-ocr page 384-

ENGELEN-JiEW A AKDERS.

Want, zeker, de lageu des Satans zijn groot;

A\'adat liij, liet lienielrijk buitengestooten,

Den stervling liet Eden des Heils zag ontsloten,

Ontstak hij in gramscliap, en zwoer ons den dood.

Snelt toe dan, gij Englen, en blijft ons ter wacht, Zoo deert ons geen leed, en zoo leven we in vrede. Terwijl door ons harte de dank en de bede Ootmoedig der Godheid ten cijns wordt gebragt.

Drie-eenheid, wij buigen de knie in het stof;

ó Geef, dat we eens zamen, met de Engelenkoren, U \'t jubelgeruisch van den lofzang doen hooivn,

In \'t zalig verblijf van den eeuwigen hof. Amen.

Overweging.

De Eeuwige God heeft zijne Kngeleu bevolen, u te bewaren, op al uwe wegen. Bewonder die Imrmhartiglieid. die overmaat van liefde! Wie toch is het, die dit bevel uitvaardigde, tot wie werd het gerigt, in wiens belang werd het gegeven, en wat werd er bevolen? Laat ons dit alles van nabij betrachten. Wie gaf dit bevel? Het is de oneiudig-groote en heilige God, want aan liem-alléén behooren de Engelen toe : zij gehoorzamen alléén aan zijne bevelen. God-zelf is liet dus, die zijnen Engelen het bevel gaf, om n te bewaren op al uwe wegen, en die heilige geesten volbrengen dat bevel, niet met traagheid of weerzin, maar met de raeest-inogelijke bereidvaardigheid. Ja, zij bewaren n niet alleen, maar zij dragen u zelfs op hunne handen, opdat gij uwen voet niet zoudt stooten aan den steen des verderfs.

(üj zijt het dus, o mensch! die aan de hoede dezer verheven en gelukzalige geesten, die zich in de naaste omgeving van den Koning der Heerlijkheid bevinden, wordt toevertrouwd. Maar, wat zijt gij dan toch? Wat is de mensch, o mijn God, dat Gij hem zulke verheven wachters ter zijde stelt? Is dan de mensch niet een nietige worm , en is de zoon des menschen niet stof en bederf? En toch //prft God zijnen Engehn bevoloi, dat zij v zouden beicami!!

348

-ocr page 385-

EXGELEN-BEWAARDERS.

Welken eerbied, welke dankbaarheid, welk vertrouwen moet dit woord niet opwekken in uw hart! Eerbied voor de tegenwoordigheid van uwen Schutsengel, dankbaarheid voor zijne goedheid en zijne liefde, vertrouwen wegens zijne waakzaamheid en zijne zorg! Zie toe, o mensch! dat uw wandel heilig zij en onbesmet, want denk er wol aan, op al uwe wegen slaat Gods Engel u ter zijde. Bewijs, waar gij u ook moogt bevinden, zelfs in de verborgenste schuilhoeken en in de verholen-ste plaatsen, een diepen eerbied aan uwen Engelbewaarder. Verstout u nooit, om in zijne tegenwoordigheid iets te doen, wat si\'ij onder \'s menschen oogen niet zoudl durven vemgten! Bemin uwen hemelscheu begeleider, en met hem alle hemelsche geesten, want zij, die ons nu door den Vader tot leidslieden en beschermers zijn gegeven, zullen eens onze medeërfgenamen, onze broeders in den Hemel zijn. Schenk dan aan uwen Schutsengel een onbeperkt vertrouwen: onder zijn geleide hebt inj niets te vrezen: hem zal niemand overwinnen of misleiden, en, zeer zeker, zal hij u niet verlaten, maar u integendeel beuaren op al uwe wegen. Die heilige Geesten zijn trouw, zij zijn voorzigtig, zij zijn sterk en magtig: onder hunne hoede behoeven wij niet te vreezen. Schenk hun dus al uw vertrouwen, en, komt eene zware bekoring u overvallen, komt een dreigend gevaar u verontrusten, roep dan uwen Bewaarder, uwen Leidsman, uwen Helper aan en zeg hem: Heer, red mij, opdat ik niet verga. En hij zal zijne ooren voor uwen noodkreet niet sluiten, maar u in zijne handen dragen, opdat geen kwaad of letsel u treffe op uwe baan.

Wees, eindelijk, dankbaar jegens uwen Engel voor zijne waakzaamheid en zijne zorgen, en toon hem die erkentlijkheid door u aan hem te hechten en zijne heilige ingevingen te volgen : dan, wees er zeker van, dan zult gij onder de bescherming van den Allerhoogste veilig rusten, en niet afdwalen van den weg iler zaligheid.

•\'i 1-9

-ocr page 386-

MARIA GEBOORTE.

mr.UK niets den afgematten en vordooldcii reiziger, n;) een j^^llangen en aTigst,vollen nacht, meer verblijdt, dan dat hij de eerste schemering van het morgenrood aan den ^ezi^t-emder ziet opdagen, zoo ook kon niets den gevallen mensch . na een vierdnizetidjarigen nacht van dwaling en ellende. meer verheugen dan de Geboorte der beloofde Vrouwe, uit wie de Verlosser der wereld geboren worden moest. Immers, even als het morgenrood het einde van den nacht verkondigt, zoo kondigde ook de Geboorte der Moeder-maagd het einde aan van onze geestlijke ellende, en het bes:n van den zaligen dag der Verlossing, waarnaar alle geslachten zoo vurig hadden verlangd. (H. Tdelphonsus.)

Rij hare Geboorte, zegt de H. Bernardus, begon de hemel zich met de aarde te verzoenen; hare intrede in de wereld was een onmiskenbaar teeken van de naderende komst des Zaligmakers, en de voorbode van den vrede, dien Jesus Christus tusschen de beleedigde Godheid en het zondige menschdom sluiten kwam. Geen wonder dan ook, dat de Kerk, alreeds sedert meer dan veertien eeuwen, in het Oosten zoowel als in het Westen, den Geboortedag van haar, door wie wij allen herboren worden, (H. Petrus Dam.) dankbaar herdenk , en op de plegtigste wijze viert, üwe geboorte, o heilige Maagd, zoo roept zij vreugdevol in hare gezangen uit, heeft aar., de ge-heele wereld eene blijde tijding qebragt; want uit n is de Zon der Geregügheid opgegaan; nit u is Christus geboren , ome lieer en onze God!

Volgens het oordeel der wereld, moest, voorzeker, de Go-

-ocr page 387-

MARIA GEBOORTK. 351

boorte van Gods Moeder vol pracht en luister zijn ; maar, God oordeelt niet zoo als de wereld. Hij schonk wel aan die uitverkoren vrouw , van af haar eerste wordingsuur, de volheid zijner genade; hij versierde haar met de uitstekendste deugden en verrijkte haar dusdanig met alle gaven der natuur en der genade, dat zij alle Israels dochters verre overtrof, en izvamp;gi het meesterstuk van alle eeuioen (H.Bernard.) kou worden genoemd; docli tevens wilde hij, dat de glans dier koningsdochter geheel innerlijk roezen, en in de oogen der wereld niet uitschijnen zou.Tusschen Jesus en Maria moest volgens de raadsbesluiten der Eeuwige Wijsheid, eene volmaakte overeenstemming bestaan ; even als Jesus, moest Ma ria den gulden weü\' der nederigheid en der armoede bewandelen, en

D ~ O \'

daarom ook moest hare geboorte, zoowel als die van haren godlijken Zoon, zonder uitwendige pracht of luister zijn. Maria werd te Nazareth, een onaanzienlijk stadje van Galilea geboren. Hare ouders, de H. Joachim en de H. Anna, uit het huis van David gesproten, waren, wel is waar, van koninklijken bloede, maar zij leefden stil en eenzaam, en, ofschoon rijk in deugden en genade, waren zij toch gering en behoeftig in de oogen der wereld , zoodat aan geen praalvertoon bij de wieg van hunne genadevolle dpchter te denken viel.

Verschillende heiligen Vaders zijn van meening, dat een Engel den Heiligen Joachim en Anna zou hebben geboodschapt, dat hun, niettegenstaande hun hoogen ouderdom en langdurige onvruchtbaarheid, eene dochter zou worden geboren, en dat die gelukzalige dochter de moeder van den lang verwachten Messias worden zou. Wat hier ook van zij, dit is zeker, dat nooit een kind dierbaarder dan Maria aan zijne ouders is geweest. Maar ook verdiende nooit een kind meer alle ouderlijke liefde en teederheid dan zij, die, van hare onbevlekte ontvangenis af, een voorwerp van Gods welbehagen en voorliefde was.

-ocr page 388-

352 MARIA GEBOORTE.

Naauwgezet in het onclerhouden der Wet, gaven de H. H. Joachim en Anna, op den achtsten dag na hare geboorte, een Naam aan hare dochter, gelijk het gewijde voorschrift zulks gebood. Zij gaven haar den geheimvollen Naam van Maria, die in de Syrische taal beteekent : Meestres of Vorstin , en in het Hebreeuwsch zeggen wil: Sterre der zee, die den schepeling zeker in behouden haven brengt, en welke de stuurman in den nacht niet uit het oog mag verliezen, wil hij zich niet blootstellen aan het gevaar van schipbreuk te lijden en jammerlijk te vergaan. Was het ingevolge eener bijzondere openbaring, dat de heilige Joachim en Anna dien Naam aan hare dochter gaven? Wij willen het niet beweren; maar stellig is het, zooals de heilige Vaders opmerken, dat Maria-alleeu al de beteekenissen van dien Naam, en al de geheimen, die er in zijn verborgen, kon vervullen; zoodat men met reden mag gelooven, dat haar die zoete Naam ten gevolge eener godlijke inspraak gegeven werd.

O zoete, zoete Naam van Maria ! onze kinderlippen hebben u reeds uitgestameld, in onze eerste levensjaren; op rijperen leeftijd waart gij onze hoop, onze toevlugt, onze troost, onze redding en onze kracht! O blijf toch steeds dierbaar aan ons hart! Mogen onze stervende lippen dien Naam nog herhalen; mogen de Namen van Jesus en Mai n ons laatste woord, onze laatste zucht op aarde zijn !

Uw Naam, o Maria, zegt ons, dat gij onze Vorstin, onze Meestres en onze Reddingster zijt. O gezegende Moeder-Maagd! ja, wij erkennen u als onze Koningin : heersoh onverdeeld over onze harten; wij wijden ze u toe, voor nu en voor altoos. Wij kiezen u tot onze Meestres; ootmoedig werpen wij ons aan uwe voeten neder, en smeeken u, ons onder het getal uwer dienaren aan te nemen. O Maria, o Reddingster, wees ook onze ster en geleidster op de onstuimige zee des levens; toon ons den weg, dien wij volgen moeten, om

-ocr page 389-

MARIA GEBOORTK. 35S

ile klippen en gevaren te vermijden, en breng ons zeker n behouden in de veilige haven der eeuwige zaligheid !

Wees de zeestar op ons reizen, Stevenend naar Gods paleizen.

Als der stormen woede ons slaat! Fit u is het Heil getreden.

Wees de deur van \'t zalig Eden, Die den Christnen open staat.

LOFZANG

Ave maris steil a.

Gegroet, gij, die daar blinkend daagt. Gij , Poolstar op de baren,

Gegroet, o reine Moedermaagd, Gij, toevlagt in gevaren.

Gegroet, gij. Moeder van mijn God, Gij, deur van •\'t zalig Eden,

Poor u verandert \'s menschen lot, I it u is \'i Heil getreden.

Aan u deelde eens des Engels groet De blijdste tijding mede.

Toen Eva werd het Ave zoet. Dat woord brenge ons den vrede.

Verbreek des zondaars stalen juk. Verlicht liet oog des blinden;

Bevrijd ons van alle ongeluk,

Doe ons genade vinden.

24

-ocr page 390-

354 M \\lï 1 .V-GEBOORTE,

Toon dat gij onze Moeder zijt;

Geveel God, uwen Zone,

\'t Gebed dat ons gemoed hem wijdt , Opdat Hij het beloone.

Maria! Gij zijt eindloos goed,

Zoetaardig boven allen,

u. Doe ons smeekende aan n\\v voet. Uw gunst ten deele vallen.

Zij, op uw bede, ons aller schuld. Door uwen Zoon vergeven !

Verwerf ons ootmoed en geduld. Een rein en zuiver leven.

Geleid ons aan uw moederhand. Beveilig onze wegen;

Dan knelt geen zonde ons meer in band. Maar zijn wij vroom van leven.

Dan blikt, na wèl voltreden baan. En \'s werelds schemerduister.

Ons oog gestadig Jesus aan, In eeuwge vreugd en luister.

Drie-eenheid, U zij eer en prijs Door ons in \'t stof voldongen, En, boven, eens op Englenwijs Yoor eeuwig toegezongen.

Overweging.

Kti lt;le Naam der Maagd was Maria.

Niet veel, slechts weinige woorden wil ik tot u spreken, en wel over de/.en Naam, die men door Zeestar kan vertalen, en

-ocr page 391-

MARIA GEBOORTE.

die op de Moedermaagd volkomen past. Teregt, immers, wordt zij bij eene Ster vergeleken ; want, gelijk eeue Ster hare lichtstralen schiet, zonder dat zij daardoor eenig bederf ondergaat, evenzoo baarde deze Maagd haren Zoon . zonder dat hare maaad-lijke reinheid in het minst werd geschonden ; en , even als de uitgegoten lichtstraal de klaarheid der Ster niet vermindert, zoo werd ook de zuiverheid van Maria\'s maagdendom door de geboorte van haren godlijken Zoon niet gekrenkt. Zij is derhalve die edele Ster, die opgegaan is uit Jacob, wier stralen de geheide wereld verlichten. Tot in de hemelen schittert haar glans; iiij dringt door tot in den afgrond der hel, beschijnt de aarde, en verwarmt niet zoo zeer de ligchamen als wel de harten; haar licht doet de deugd veilig opgroeijen en de ondeugd verdorren. Ja, zij is die heldere en uitschijnende Ster, die, schitterend van verdiensten en ons voorlichtend boven de woeste wereldzee, verheven aan liet uitspansel prijkt, om ons te geleiden op onze baan.

O mensch, gij, die veeleer door den stroom des tijds, temidden van storm en onweder, wordt heen en weer geslingerd, dan dat gij rondwandelt op de aarde: wilt gij in dien storm niet vergaan, wend dan uwe oogen niet af van het licht dezer Stevl Loeit de wind der bekoring, stoot gij op de klippen der beproeving, zie naar die Ster, en roep Maria aanI Xomeu de schuimende golven van toorn, van gierigheid, of van onzuivere driften woedend tegen het scheepje uwer ziele slaan, zie dan naar Maria op ! Wanneer gij bij het herdenken uwer boosheden, door haar getal en grootheid ontsteld, beschaamd, en met schrik voor (iods oordeel bevangen, reeds begint neer te zinkeu in den poel der droefheid en der wanhoop, denk, deuk dan aan de Moeder der barmhartigheid, denk aan Maria\'.

Denk aan Maria, roep Maria aan in alle o-evaar. in allen twijfel, in allen angst, in alle kwelling. Zij outvalle nooit aan nu mond, nooit aan uw hart! Maar, wilt gij op haren bijstand mogen rekenen, beijver u dan ook, het voorbeeld van haar heilig leven na te volgen. Gij wordt het spoor niet bijster, indien gij hare voetstappen drukt; indien gij haar aanroept, zult irij niet wanhopen; indien gij aan haar denkt, zult gij niet afdwa-1-u. Houdt zij u vast, dan zult gij niet vallen: beschermt zij u, dan zult gij niet vreezen; geleidt zij u, dan znlt gij u niet vermoeijen; is zij u goedgunstig, dan zult gij onverlet en zeker de veilige haven der zaligheid bimienloopen en in u zeiven on-.

-ocr page 392-

K U L\'is V Ellllli 1\' F ING.

dervinden, d.it niet zonder reden van liaar geschreven staaf d e N a a m d e r M a a gd w as Maria.

KRUISVERHEFFING.

I TBJIeermalen reeds had Chosroas, koning der Perzen, over BflJide Romeinsclie legerbenden gezegevierd, toen hij zich) eindelijk, tijdens de regering van Keizer Phocas, van Egypte enAfrica meester maakte, en ook Jerusalem overweldigde.

In deze stad liet hij een groot getal Christenen ter dood brengen en, hiermede niet tevreden, roofde hij ook nog het Heilig Kruis. Hij bragt deze kostbare relikwie naar Perzië over. Inmiddels was Phocas gestorven en door Heracleus opgevolgd. Ontmoedigd door den tegenspoed zijner wapenen, stelde Heracleus aan den Perzen-koning voor, om een eervollen vrede te sluiten. Maar, hoe gunstig ook de vredesvoorwaarden mogten zijn, die hem aangeboden werden, Chosroas wees ze toch gestadig van de hand, dewijl hij door het geluk zijner krijgsverrigtingen verblind was, en zijn overmoed, na de talrijke overwinningen, welke hij behaald had, geen grenzen meer kende. A\'u bleef aan Heracleus niets meer over, dan zich met het zwaard op nieuw te omgorden en, andermaal, het krijgsgeluk te beproeven. Doch, alvorens ten strijde te trekken, beijverde hij zich, door vurige gebeden en goede werken, Gods hulp en bijstand te verwerven. Aangemoedigd door eene hemelsche ingeving, trok hij tegen Chosroas op. Binnen korten tijd, versloeg hij driemaal het leger der Perzen, en zóó groot was het gewigt dezer driedubbele overwinning, dat Chosroas de vlugt moest nemen, en zijn zoon Medarses tot deel-

•3Ü6

-ocr page 393-

KRUISVERHEFFING. 357

genoot van zijn koningschap aanstelde. Siroës, de oudste zoon van Chosroas, werd, door deze laatste beschikking, uitermate verbitterd : hij besloot zijn vader en zijn broeder te vermooi-den, en dan zelf den troon te bestijgen. Hij volvoerde weldra zijn godloos plan, en verzocht den Romeinschen Keizer, hem als Koning te erkennen en den vrede met hem te sluiten. Een en ander werd hem toegestaan, doch onder drukkende voorwaarden : Siroës moest zich, onder anderen, verpligten, onverwijld het H. Kruis, hetwelk zijn vader uit Jerusalem had weggevoerd, terug te geven. De nieuwe Perzen-koning nam alle voorwaarden aan, en gaf het heilig Kruis aan den Romeinschen Keizer terug.

Als nu Heracleus met dezen kostbaren schat te Jerusalem kwam, wilde hij zelf het H. Kruis op zijne schouderen diagen, langs denzelfden weg, en tot op dezelfde plaats, waar de Heer Jesus datzelfde Kruis gedragen had. Prachtig gekleed, met goud en edelgesteente versierd en van eene ontelbare menigte volks omgeven, trad Heracleus, met zijn heiligen last beladen, voorwaarts naar den Calvarieberg. Maar zie, toen de Keizer aan de poort, die naar Golgotha leidt, gekomen was, kon hij niet meer voortgaan; eene onzigtbare magt hield hem tegen, en, hoe meer kracht hij inspande om zich te bewegen, met des te meer geweld werd hij weerhouden en, als het ware, op die plaats vastgenageld. Keizer en volk, alles stond verbaasd; niemand kon zich dit zonderling voorval verklaren, toen de vrome Bisschop van Jerusalem, Zacharias, liet woord opnam en Heracleus in dezer voege toesprak : verwonder u niet, o Keizer, over hetgeen thans geschiedt, want arm en ootmoedig droeg Jesus zijn Kruis; gij wilt, met datzelfde Kruis beladen, zijnen lijdensweg volgen, maar hoe weinig volgt gij hem na in zijne armoede en zijnen ootmoed, terwijl gij met keizerlijke pracht zijt uitgedost! Neen, niet alzoo, maar alléén op den weg der armoede en der vernedering kunt gij Hem vol-

-ocr page 394-

O Ö 8 K RU ISVfiKH E F h\' ING.

gen, die eens voor ons arm en behoeftig werd. Diep getroffen door deze. woorden, legde H era deus zijn prachtig gewaad at\', om, in eenvoudige kleedinaquot;, en barvoets, den heiligen lijdensweg at\' te leggen.

Van dezen oogenblik af, werd hij door niets meer weerhouden : hij klom den heiligen berg op, en mogt de zalige vreugde smaken van het H. Kruis, neer te leggen op die plaats, waar de Heiland der wereld er aan gestorven was.

Ter herinnering aan deze troostvolle gebeurtenis, werd, van toen at, het aloude teest der Kruisverheffing, plegtiger flati voorheen, op dezen dag, in de Kerk gevierd.

LOFZANG

o Kruis, o heilig liefdeteeken,

Ik kom, als Magdalene, u smeeken

Om hulp in nood, om troost in smart! Eerbiedig buig ik voor u neder.

Omhels u vroom en kus u teeder.

Ik dank u op mijn minnend hart.

o Zoen-altaar, waarop het Leven Heeft willen zuchten, lijden, sneven!

o Kruis, geverwd met Jesus\' bloed! Op u heeft de Onschuld door haar wonden De schuld gedelgd van onze zonden, Gij zijt de bron van alle goed.

L prijzen alle tongen.

Gij hebt de magt der hel bedwongen, Den kop der helsche slang verplet, ó! Help ook ons zoo zegevieren!

Bewaar en wil ons hart versieren Met deugden, zonder vlek of smet.

-ocr page 395-

KB.ÜIS VJiRHK mXG.

Help ons den duivel overwinnen,

De booze lusten onzer zinnen,

De wereld met haar praalvertoon !

Dat uwe schaduw ons bedekte.

Tot schild (in wapen ons verstrekke.

En leide tot de zegekroon !

Niets, heilig Kruis, niets zal ons beiden In heil of onheil kunnen scheiden;

Gij zijt mijn steun in weelde of nood.

U wil ik steeds met liefde omarmen,

o Kruis, u teeken van erbarmen.

Vooral in de ure van mijn dood !

Wanneer dat schriklijk uur zal naken.

Als ik den jongsten zucht zal slaken.

Wees dan mijn hoop, o heilig Kruis !

Moge ik u dan op \'t harte drukken En roepen, in een blij verrukken :

„ \'k Zal ingaan in des Heeren huis ! quot;

Overweging.

Onze godlijke Zaligmaker heeft, ten koste van zijn bloed, ons vandeu eeuwigen dood verlost. Wij zijn hem, derhalve, op eene bijzondere wijze dankbaarheid en aanbidding schuldig. Alles, wat ons aan zijn smartvol otter herinnert, moet in ons de levendigste gevoelens van liefde en erkentlijkheid opwekken. Eerbied en godsvrucht moeten ons bezielen voor al, wat in betrekking staat met dit geheim van liefde, dat door tien Apostel Paubis het meesterstuk der godlijke almagt en wijsheid wordt genoemd. Voorzeker, moet die godsvrucht vooral in ons hart zetelen : maar, wil zij opregt zijn, dan moet zij zich, daarenboven, ook uitwendig vertoonen: want die uitwendige handelingen werken krachtig mede, om onze inwendige gevoelens te bewaren en te verlevendigen.

359

-ocr page 396-

kruisverhkffing.

Ouder de uitweudige oefeningen van godsvrucht, die ou^ Jesus\' bitter lijden herinneren, is er geene, die eerbiedwaardiger is door haren ouderdom, heiliger door hare beteekenis. en meer, zoowel in het gewone leven als in openbare gebeden en plegtigheden der Kerk, wordt gebezigd dan het teeken van het Kruis. » Dit heilig en godvruchtig gebruik klimt tot den (/tijd der Apostelen op. Bij iederen stap, dien wij doen, zon r/ getuigt de Oudvader Tertullianus van de eerste Christenen. // bij iedere handeling, welke wij verrigten, wanneer wij ons «baden of kleeden, wanneer wij ons aan tafel zetten, het vuur «of het licht ontsteken, ons neerzetten of ter rust begeven, «in een woord, bij alles, wat wij doen, beginnen wij immer n met het Kruisteeken op ons voorhoofd te drukken. Te vergeefs // zoekt gij in de H. Boeken eene wet, die dit gebiedt: gij zuit ver daar geene vinden. De overlevering is het, die deze oefe-// ning heeft ingevoerd, het gebruik heeft haar bekrachtigd en vde getrouwheid heeft haar bewaard.quot; Op eene andere plants getuigt diezelfde Oudvader, dat de Christenen dikwerf huune armen als een kruis uitstrekten, wanneer zij in stilte, met neêr-geslageu oogen, hunne gebeden verrigtten. Dat dit godvruchdg gebruik van af de eerste tijden des Christendoms niet alleen in de VVestersche, maar ook in de Grieksche en Oostersche Kerk algemeen was, zulks getuigen ons de heilige Cyrülus, Kis-schop van Jerusalem, en de heilige Kphrem, de geleerdste Leeraar der kerk van Syrië, n Wachten wij ons wel, — zoo «sprak de H. Cyrülus tot de Catechumenen, welke hij voor-«bereidde, om het H. Doopsel te ontvangen, — wachten »ij // ons wel van ons ooit te schamen over het kruis van den Ver-//losser der wereld. Volgt hen niet na, die dat Kruis niet open-« lijk durven vereeren ; maakt integendeel het Kruisteeken, // drukt het op uw voorhoofd , en de duivel zal, bij het zieu // van dezen standaard , met vrees bevangen worden en verre // van u vlugten. Maakt gebruik van dit aanbidlijk teeken, liet-« zij gij eet, hetzij gij drinkt, hetzij gij u te slapen neder legt, // hetzij gij ontwaakt, hetzij gij gaat, hetzij gij spreekt, in één // woord, bij alles wat gij verrigt.

liet hart van den H. Ephrem slaat in brand van liefde tot Jesus-Christus, wannneer iiij spreekt van Jesus\' Kruis. « Het // teeken van het M. Kruis is het wapen van den Christen ; be-// dekt er u dus mede, als een schild, dat u beschutte. Plaatst //dat teeken, ja drukt het op uw ligchaam en op uw liart.

-ocr page 397-

K RUISVERH EFFING.

eu doet dit niet alleen met de hand, maar ook met uwen wil. Wapent u met dit teeken, wanneer gij u ter studie begeeft, wanneer gij ergens binnentreedt, of eene plaats verlaat; wapent er u mede te allen tijde en in alle omstandig-lieden. Teekent met het Kruis uwe legerstede, en alles wat gij aanraakt; zegent in den Naam des Vaders , en des Zoons , en des heiligen Geestes alles, wat gij gebruikt. Met het Kruis-teeken gewapend, zult gij onverwinlijk zijn; de vijanden uwer ziel zullen u wel aanvallen , maar zij zullen u de minste wonde niet kunnen toebrengen.quot;

«Laat ons, zoo roept diezelfde Heilige, een andermaal, uit, laat ons dit teeken des levens indrukken op de deuren van onze woning, op ons voorhoofd, op onze oogen, op onze borst, op onzen mond, op al onze ledematen. Dat deze wapenrusting, die altijd de overwinning behaalt, ons schoonste sieraad zij! Het Kruis heeft den dood overwonnen, het is de hoop der wereld , het lioht van alle volkeren, de sleutel de? hemels, de plaag der ketterijen, de burg van het ware geloof, het behoedingschild der Kerk. O Christenen ! draagt dan dit teeken met u, te allen tijde, bij dag en nacht, op ieder uur, ieder oogenblik met u, Doet of onderneemt niets, ontwaakt of slaapt, werkt of rust, eet of drinkt niet, reist noch te land noch ter zee, doet niets, in een woord, zonder u met het Kruisteeken te hebben gewapend; maar hebt gij dit heilig teeken op uw ligchaam gedrukt, verbant dan ook gerust allen angst en vrees uit uw hart.quot;

Te allen tijde zijn de Christenen gewoon geweest, al hunne ebeden met het teeken van het Kruis te beginnen en te ein-igen. Evenzoo werd het Kruisteeken veelvuldig bij het H. acrificie der Mis en het toedienen der H. Sakramenten ge-ruikt. a Ilet is tegen de heilige voorschriften, zegt de H. Augustinus, het kruisteeken bij het doopsel, of bij het wijden van het doopwater of van den Heiligen olie achter te laten.quot;— Men bedient zich van het Kruisteeken, zegt de H. Joannes (\'hrysostomus, wanneer men aan iemand het Doopsel, het 11. Sakrament der wedergeboorte, moet toedienen; evenzoo wanneer men het godlijk Voedsel, dat in onze heilige geheimen is verborgen, moet uitreiken, de heilige wijdingen toedienen of eenige andere genade meêdeelen. Daarom ook zorgen wij, dat het op onze huizen wordt afgebeeld, en de muren en vensters onzer woningen er mede worden versierd; daar-

361

-ocr page 398-

o(i.i KRUISVERHEFFING.

„ om teekeiien wij veelvuldig ons voorliooftl er meê; want /, wij weten . dat liet Kruis de krachtigste verdediger is onzer n ziel.quot;

Dit gebruik, welks algemeenheid en oudheid niemand ooit heeft kunnen, ot\' durven ontkennen, dient den H. Basilius, om liet bestaan en de noodzaaklijkheid der Overlevering tegen de ketters te bewijzen, //Indien wij, zoo spreekt deze Oudvader, // de gebruiken verwerpen, die in de H. Boeken niet staan // opgeteekend, dan randen wij het Evangelie-zelf aan, eu ver-// lagen het geloof tot een ijdelen naam. Want, kent men een // gebruik, dat ouder en algemeeuer is dan het Kruisteeken? en // toch leest men nergens in de heilige Schrift, dat wij dit « teeken over hen moeten maken, die in Christus .lesus hopen.\' Behalve de reeds aangevoerde bewijzen, getuigen de liturgische boeken van alle kerken, dat het gebruik van het Kruisteeken van de Aposteleu-zelven herkomstig is.

De godvruchtige oefening van zich met het Kruisteeken te zegenen, is in de Kerk steeds beschouwd geworden als een uitnemend gebed, dienende, om door de verdiensten van den gekruisten Jesus den zegen des hemelschen Vaders te erlangen, die ons kracht geeft, om aan de zigtbare en onzigtbare vijanden onzer zaligheid te wederstaan. In de vervolgingen, welke zij moesten verduren, wapenden zich de Martelaren met het Kruisteeken en stelden al hun vertrouwen er in. Zoo deden de heilige Martelaars Euplius, die in de derde, Theodotus, die in het begin der vierde eeuw den marteldood stierven; zoo deed een heilige Romanus , zoo deden de Martelaars allen.

De duivel is door het Kruis overwonnen en van zijn rijk beroofd: daarom siddert en beeft hij voor dit teeken des hei Is, en juist daarom hebben steeds alle Heiligen zich, in een onbeperkt betrouwen, met het Kruisteeken gewapend tegen de bekoringen van den helschen geest.

Ook hebben alle Heiligen, die sedert de komst van .lesus Christus de gaaf van wonderwerken hebben ontvangen, steeds het Kruisteeken gebezigd, om den duivel te bannen, de zieken te genezen en de dooden tot het leven op te wekken.

Dit alles is, voorzeker, meer dan genoeg, om ons eene hooge achting en diepen eerbied voor het Kruisteeken in te boezemen. Wij zullen het echter nog hooger schatten, indien wij de menigvuldige beteekenissen herdenken, die er in liggen opgesloten. Trouwens, het is eene openbare belijdenis van ons ge-

-ocr page 399-

K1U ■ IS VKK H KF !•\' ISO. 3 H 3

loof; want, zeggen wij, terwijl wij ons zegenen: in den mtaiu. en niet in de namen, in den naam des Vaders, en des Zoons, en des II. Geestes, dan belijden wij één God, in drie personen; dan belijden wij het geheim der menschwording van het eenwig Woord en verkondigen luide, dat Jesus door zijn kruis en lijden het lielsch serpent overwonnen en ons van den eeuwigen dood heeft verlost. Daarom is ook, ten allen tijde, het Kruisteeken aangemerkt als het heiligste onderpand en bet zekerste toeken van een waar geloof. Met dit Teeken-alleen antwoordden de Martelaars dikwerf aan hunne vervolgers , en ook heden nog erkennen de Christenen, zelfs de afvallige \'\'hristenen van het Oosten, dengenen niet voor een waar (\'Ims-ten, die dit Toeken niet godvruchtig maakt.

Het Kruistooken is, daarenboven, eene getuigenis van onze hoop en eene opwekking onzer liefde tot Hem, die door zijn Kruis ons erfgenamen der hemelsehe goederen heeft doen zijn. Wanneer wij het Kruistooken maken, loven en aanbidden wij onzen godlijken Verlosser; want dan toonon wij , dat wij , verre \\an ons te schamen over de vernederingen des Hoeren, het ^mis en lijden van Jesus betrachten als de bron van onze eeuwige glorie, die allo oor en lof en dankbaarheid, in hemel en op aarde, verdient.

Wanneer wij hot Krnisteekon maken, getuigen ,wij ook. open-ijk. dat wij de voetstappen van Jesus willen drukken, en zijn Kruis als ons hoogste en kostbaartste eereteeken beschouwen. Wij herinneren ons dan, bovendien, het geduld, don ootmoed, ile overgeving van Jesus aan don wil van zijnon godlijken Nader, en wekken ons op, oin, naar hot voorbeeld, dat ons is o-egeven, diezelfde deugden te voeden in ons hart. Hoe zalig is dus dit heilig gebruik, om dikwerf het Kruistooken te maken : en te leven alsof men een vijand ware van het Kruis van \'\'hristus, zou wezen eene onvergeeflijke huichelarij. Zich met het Kruistooken zogenon en zijne godsvrucht er niet door op-wekken, zou oen bewijs zijn, dat ons geloof niet levendig, maar zwak is en Haauw.

Willen wij uit deze heilige oefening, die van de Apostelen herkomstig is, waarlijk nut trekken voor onze zielen, volgen wij dan hot voorbeeld der eerste Christenen, en voegen wij er de goede moeniiig bij, van door het Kruistooken al onze werken aan God toe te wijden, zijne hulp in te roepen, zijne genade af te smeeken, hem do hulde onzer dankbare harten

-ocr page 400-

SC 1 KRUISVERHEFFING.

a;ii! te bieden , en liem te danken voor de groote genade di-r

Verlossinsr, welke bij ons beeft verworven door zijn lijden oh Kruis.

ALLERHEILIGENDAG.

B Kerk weet in hare heilige tijden ons de geheele geschiedenis der menschheid weder te geven; zij zoekt ons gedurig onze eeuwige bestemming te herinneren en daartoe op te leiden. De vier weken van den Advent, die op het Geboortefeest des Verlossers uitloopen, vertegenwoordigen de 4000 jaren, die zijne komst vooraf gingen en voorbereidden. Gedurende den tijd, die er van Kerstmis tot Paschen verloopt, doet zij ons ingaan in het verborgen en openbaar, in het lijdend en verrezen leven des Heeren. Op Hemelvaartsdag zien wij den Terwinnaar van dood en graf in zegepraal bezit nemen van zijn rijk, waar hij ons is voorgegaan, om er ons eene plaats te bereiden. Op het Pinksterfeest gedenken wij de zoo lang afgebeelde en toen voltooide stichting der Kerk, die zijn heiligen Geest ontving, om in de menschheid het godlijk Verlossingswerk voort te zetten en te voltrekken. In de lange weken tusschen den Pinksterdag en het feest van Allerheiligen, zien wij dan ook de Kerk alom de genade der Verlossing uitbreiden, alle volken, naar de zending haar gegeven, onderwijzen en herscheppen; en nu, aan het einde van haren loop, in overeenstemming met den oogsttijd der natuur, ziet zij over de grenzen dezes tijds op de reeds in het eeuwige leven vergaderde vruchten; wijst zij ons op allen, die, gezaligd in haren

-ocr page 401-

ALLEKHEILIGJSNDAG. ^65

schoot, of reeds den hemel zijn ingegaan, of, nog voor een lijd in de zuiveringsplaats weerhouden, onze hulp inroepen, om van hunne smarten verlost en het eeuwig leven deelaeh-tig te worden. Ons blijft dan nu nog over, eerst liet Feest van Allerheiligei!, dan de Gedachtenis van alle Overledenen voor te stellen, en daarbij de Kerk, met de verkondiging van het groote wereldgerigt, hare heilige tijden te zien voltrekken iii sluiten.

Meermalen zagen wij onze tcedere Moeder, op haren pel-grimstogt naar den hemel, hare uitverkorenen vergaderen, in de vier hoeken der winden verspreid; en beurtelings vierde zij, om zich te troosten in hare ballingschap en zich te bemoedigen in haar lijden en strijden, de feesten van hare zegevierende kinderen : va» hare Apostelen en Martelaren, hare Belijders en hare Maagden. Ook gedacht zij de Engelen en de koren der zalige geesten, die God uitzendt, om haar en hare kinderen te beschermen. Doch de beperkte dagen fles jaars zijn niet toereikend, om de tallooze scharen harer verheerlijkte leden, allen afzonderlijk te gedenken, en daarom heeft zij een dag voor de gezamenlijke vereering van al hare Heiligen vastgesteld.

Reeds inliet jaar 608, deed Paus Bonifacius . het Pantheon van Rome, een tempel voor alle afgoden gesticht, openen en reinigen, en wijdde dien aan den T)rie-ceuigen God, onder de inroeping van de 11. Maagd en van alle Martelaren. Ruim ene eeuw later, in 731, werd door Gregorius III. in de St. Pieterskerk eene kapel ter eere van alle Heiligen gewijd. Nog eenigen tijd later echter schijnt alleen te Rome het feest van Allerheiligen gevierd te zijn, totdat Gregorius IV., in 835, in Frankrijk gekomen, Lodewijk den Goede verzocht, dit feest in al zijne staten te vieren. Die Torst bewilligde dit gaarne. Pil sinds breidde zich door de gansche Kerk dit teest uit, waaraan Sixtus IV., in 1480, een octaaf verbonden heeft.

-ocr page 402-

;;.;e all er heiligen dag.

Wanneer dan de herfst is gekomen en de vruchten der aarde, het loon van zooveel arbeid en zorg, zijn ingezameld? vtMiineer de mensch zich verheugt in het bezit der ingeoogste goederen van allerlei aard, dan roept de Kerk fan :il hare Idnderen toe: helt uwe oogen cn harten omhoog! Dan opent zij de poorten der eeuwige stad Gods, en laat hun eenige stralen zien van de onuitspreeklijke glorie, die God aan zijne Heiligen heeft, toebereid; en zij spreekt tot allen, tot de rijken cn de armen, tot de geleerden en de ougeletterden . die goederen, welke gij vergadert, die kostbare oogst, zijn hei beeld van de eeuwige goederen, welke gij op aarde te verdie-ren hebt. Ziet, zoovele Heiligen, weleer aan u gelijk, zij roepen u toe : weest onze navolgers, zoonis wij het van ( hns-tus zijn. (I. Cor. XI, 1.) Zij waken over n, zij bidden voor it, als gij, die hunne broeders zijt en mede-ertgemmen van Christus, hunne voorspraak zult inroepen.

Want de zigtbare Kerk op aarde weet, dat zij van de ou-üisflbare na dit leven niet gescheiden, maar met haar op het innigst vereenisrd is door eene bovennatuurlijke, gcegt;tlijke ge-meonscha.p, die door meer dan aardsche, door godlijke krachten gedragen wordt. Blijft immers God haar niet ten ^ ader immer en eeuwiglijk? Is niet haar Hoofd zijn eeuwige Zoon Jesus Christus? is niet de H. Geest haar onsterflijk leven ? en heett niet de liefde, die de band is tusschen dit en het toekomende leven, de eeuwigheid in zich? ts het niet juist die eeuwige, eindelooze liefde, welke hier de Kerk doet worstelen ?n strijden, de afgestorvenen in het vagevuur doet lijden en de Heiligen gelukzalig maakt? Die eene liefde dan ook doet ons, in al onze verscheidenheid van roep en werkkring, heden eenparig opzien vaar de vele woningen in het huis onzes Vaders; (Joan. X IA . 2.) daar ook is Christus aller eeuwig licht, doch schijnt ii. it-der der regtvaardigen weder anders uit. Want een anderen glans heeft de zon, een anderen glans de maan, een anderen

-ocr page 403-

allerhett.igexdag. 367

glansde sterren, en de eene ster is van de andere weder in ld aarheid onderscheiden. Immers, gelijk wij het beeld van het aardschehebben gedragen, zoo zullen wij ook het beeld van het hemelsche dragen. (1. Cor. XV; 49.) Verheffend en troostend scezigt, dat de Kerk ons heden ontsluit!

Daar staan lt;le Verlosten, door riiristus vergaêrd Uit alle geslachten en Heidnen der aard!

Zij komen,

Zij stroomen,

In talloozen stoet,

Met galmende psalmen.

Met wuivende palmen,

In sneeuwwitte kleedren, hun Koninfr te moet ;

De heilige Zieners, bezield van omhoog.

Die \'t Godsrijk voorspelden, met adelaarsoog:

De magtige Apostlen, die, vruchtloos verstoord.

De wereld verwonnen, door \'t zwaard van (iods woord; De juichende Marl laars, wier weerloozen moed Gestaald werd in vlammen, gedrenkt in hun bloed; De Dankbren in stilte, die Christus den Heer In de armen verpleegden, zijn liefde ter eer:

De Strijders en Lijders, verzocht en verdrukt.

Maar wie geen beproeving de kroon heeft ontrukt: De Zonen des Vredes, de Dochtren der Sinnrt: De Schaamlen van geeste, de Reinen van hart.

Allen die verlossing zochten

langs den kruisweg des Geloofs, Erfgenamen Gods des Vaders.

levendige Leên des Iloofds !

Ziet, /.ij staan daar om hun Koning,

cirkelend in rij op rij.

Digt of verder, naar zij rijpten.

maar toch allen IIkm nabij.

Allen hebben zij dan, op verscheidene wijze, eens gestreden en geleden, gelijk wij; allen hebben zij getracht, aan de verschillende roeping en genade, hun gegeven, te beantwoorden, het beeld van Christus uit te drukken, en in zich, door den

-ocr page 404-

:i6i ALLERHEILIG END AG.

Zoon, den Vader te verheerlijken. En gelijk zij, in den tijd, God in den onuitputlijken rijkdom zijner liefde openbaarden, zoo blijven zij nog in de eeuwige verheerlijking van hun wezen hem openbaren en loven, wiens liefde zich in hen op oneindig verscheidene wijze weerspiegelt en verheerlijkt. Die opwekking, om God te loven en te danken in zijne Heiligen, die aansporing, om Christus in zijne wederbeelden te vereeren en na te volgen, dat eenig gevoel van gemeenschap met die verheven toonbeelden vau deugd, dat troostend vertrouwen op hunne magtige voorspraak, keeren telkens terug in de getijden en gebeden van dezen dag.

Reeds met den ingang der H. Mis hooren wij de blijde woorden : Verheugen wij ons allen in den Heer, terwijl wij den feestdag ter eere van alle Heiligen vieren, over wier verheerlijking de Engelen-zelveu zich verheugen en den Zoon Gods loven. De Lesse (A.pok. VII, 2—12) voert ons met den verrukten Joannes in de eeuwigheid-zelve over, waar hij eene groote schare zag, welke niemand konde tellen, uit alle natiën en geslachten, volken en talen; zij stonden, met witte kleederen en palmtakken in hunne hand, voor den troon van het Lam, en zij riepen met luide stemmen en spraken : Glorie onzen God, die op den troon zit, en aan het Lam ! Alle Engelen stonden om den troon en om de ouderlingen en de vier dieren; en zij vielen voor den troon op hun aangezigt, aanbaden God en riepen : Amen ! Lot\' en glorie en wijsheid en dank, eer en magt en sterkte onzen God, in alle eeuwigheid. Amen.

En wie zijn ze, die zaligen, die als overwinnaars voor Gods troon staan en hem lofzingen ? Dat zegt ons de Heer-zelf, in hrt Evangelie van dit feest (Mat. V. t. — 12.) : Zalig zijn de arm?ii van geest; de zachtmoedigen; die treuren; die hongeren en dorsten naar de rogtvaardigheid; de barmhartigen; die rein van harte zijn; de vreedzamen; en zalig zij, die vervolging

-ocr page 405-

ALLER HEILIGEND AG. -369

ijflen, en om Zijnentwille beschimpt, vervolgd en gelasterd worden ; verheugt en verblijdt u, zoo roept ons Jesns toe, want uw loon zal groot zijn in den hemel.

Doch die daar zalig zijn, wonen in vrede; daarom zegt het Otfertorie ; de zielen der regtvaardigen zijn in Gods hand, en geen ramp treft hen; in de oogen der dwazen schijnen zij te sterven : zij echter zijn in vrede (Sap. III, ] — 3.); en meermalen wordt dien dag dit zinrijk gebed herhaald: Almagtiïe, eeuwige God, die ons vergund hebt, de verdiensten van al uwe Heiligen in een enkel Feest te vieren; wij smeeken U, dat Gij ons den gewenschten overvloed uwer goedertierenheid door de vermenigvuldigde voorsprekers gelieft deelachtig te maken.

Deze feestdag is dan ingesteld, om God te danken en te verheerlijken in de wonderwerken zijner genade, inde tallooze koren zijner Heiligen, en om daarbij ook die Heiligen te vereeren, wier namen niet bijzonder worden herdacht; om ons tor hunne nastreving op te wekken, onze zwakheid aan te moedigen en onze laauwheid te beschamen; om ons aan onze eeuwige bestemming te herinneren, en aan het onver-ganklijk loon, ons daar weggelegd; om door de voorspraak onzer verheerlijkte broeders nieuwe gunsten en diezelfde vergelding te verwerven. Zoo hopen wij, aan het einde der een wen, eens met de Kerk te zegevieren, en haar op den grooten triomtdag in hare volle heerlijkheid te zien.

LOFZANG.

Placare, Christe, servulis.

Zie, Christus, liefdrijk God en Heer,

Op ons, uw schuldbelijdend kroost,

In vaderlijke ontferming neer.

En blijve uw Moeder ons ten troost.

-ocr page 406-

170 ALLEllHEILIGENDAG.

Eu gij, wier negendubble rij Den troon des Eeuwigen omgeeft,

o Englen, sta uw hoede ons bij Terwijl ons hart ten hemel streeft.

Apostel- en Profetenschaar,

Verbidt gij \'s Hemels toornegloed,

En worden wij den vree gewaar,

Die enkel woont in \'t rein gemoed.

Gij, heiige Martelarendrom,

Eu gij, Belijders, hoog in eer,

Bereidt ook ons in \'t heiligdom Een zetelplaats bij God, den Heer.

o Maagdeustoet en Pelgrims-tal,

Die \'t leven boetedoende sleet,

Koept gij ons uit liet aardsche dal Naar \'t oord, waar smarte huist noch leed.

Des vijands bende, die ons kwelt,

Zij inagtloos in haar overmoed;

Daar, onder Christus\' staf gesteld,

Gods kudde veilig wordt gehoed.

Den Vader, op zijn hemeltroon.

Zij, met den Zoon, en met den Geest,

Het lied der eere in \'t stof geboon Door \'t schepsel, dat zijn Schepper vreest.

Overweging.

Daar is maar (\'én Middelaar tusschen God en de menschen. Zoo predikt het Evangelie, zoo predikt ook de Katholijke Kerk. Maar waartoe dan, vraagt men, die inenigie Middelaars, die ginds, in hooger sfeer, tiods glorietroon om-si-tiaivn, en welke Home, dat arme, blinde Home, ten spot van

-ocr page 407-

A LI.ERll ElLi (S END AG. 371

dun óéuigeu MuUlekar, zoo (Iwaaslijk aanvoept en vereei-t? Veelvuldig, zekoi-, zijn lt;le beschuldigingen, welke men hier tegen Eome opstapelt; inanr, hoe veelvuldig ook, gij zult ze. aU zoovele nevelen voor het licht der waarheid, zien verdwijnen. In liet nog heidensche Rome, bestond een tempel die, ter eere van al de afgoden gesticht, later in een Christlijken tempel veranderd, en, ter eere van Maria en alle Heiligen, aan God werd toegewijd ; doch, wat meent men nu daarin te vinden, dat zoo zeer de verontwaardiging gaande maakt ? Is het niet veeleer een schoon, een treffend, eeu ragt dichterlijk tafereel, dien tempel der afgoden herschapen te zien in een gedenkzuil ter eere dier tallooze scharen, door den grooten Middelaar verlost? Treedt met uwe gedachte, treedt dien ouden tempel, dat voormalig Pantheon, binnen: beschouwt daar al wat u omrinet, maar beschouwt het met dat eenvoudig oog, waarvan onze Zaligmaker zegt : indien uw oor/ zuiver ii , zoo zal lied mv lip-chaain helder zijn. Werpt vrij uwe blikken in het rond. Neen, gij ziet hier geen afgoden meer: in hunne plaats wordt Christus .lesus, de Koning der glorie, de eenige Middelaar, op liet Altaar gehuldigd en vereerd. Ziet om u, en gij ontdekt lansrs de wanden zijne troplieën, do afbeeldsels der Heiligen, welke hij met zijn bloed vrij heeft gekocht. Ziet Maria, die gezau-ende onder de vrouwen, uit wier schoot de Heiland werd ueboreu : ziet de Apostelen, de Martelaars, wier bloedende wonden ge-tnigeu van den strijd des geloofs, dien zij met zooveel roem hebben voleind. Ziet de Belijders, die onvermoeide arbeiders, die in den wijngaard des Heeren den last van den dag en de hitte hebben getorscht. Wat zeggen zij u, die edele gestalten , die daar als voor uwe oogen schijnen te leven? Niet waar, zij roepen n toe, zij verkondigen n luide : daar is slechts één Middelaar , Christus Jesns, ome Heer.

Ondertusschen, liet is waar, wij vereeren die Heiligen, nuuir wij vareeren hen niet als (iodeu, niet als halve Goden : wij vereeren hen als vrienden Gods, die reeds bezit hebben genomen van dat hemelsche erfdeel, hun door Christus geschonken en verdiend. Wij vereeren de Heiligen, ja, maar aanbidden lien niet. Wij aanbidden God, en God-alléén. Wil men er zich van overtuigen, welaan dan : men kome in onze tempels, men kon ie er, indien men wil, ook op het Allerheiligenfeest. lOn dan, zoo men slechts niet te zeer door vooroordeel en verblind is. dan zal men liet zien, dan zal men hef ondervinden, wij Katliolij-

-ocr page 408-

;3T2 DE OEUACHTKNIS

ken, wij aanbidden God en God alléén. Terwijl zij opstijgen de wierookwalmen, waarin wij een afbeeldsel des gebeds beschouwen, dan rnisclien, bet is waar, onze hymnen, maarzij ruiscben Hem ter eere, die de oorsprong van alle genade, de bron van alle heiligheid is. Blijde klimmen dan onze lofliederen hooger en hooger tot den troon dos Eeuwigen, en roepen onze harten in dankbare vreugde uit: u Glorie zij God in den allerhoogste, én vrede op aarde den hieuscktn, die van goeden wille zijn. In verhoogd gevoel vloeijen dan do beden van ouze lippen, ou zeg-u\'on onze bevende stemmen het de bugeleu na : Heilig . Heilig, Heilig is de Heer, de God der Heerscharen. Hemel en aarde zijn vol van mee heerlijkheid. Hosanna in den allerhoogste. Met den diepsten eerbied buigen wij de knieën voor den troon dos Middelaars, voor hot Lam zonder vlekken, dat wegneemt do zonden der wereld: wij buigen zo, in de volste overtuiging, dat Hij-alléén eer en aanbidding verdient, en dat er buiten Hom geen heil en zaligheid te vinden is.

Het is waar, terwijl wij alzoo aan God on Jesus do hulde onzer aanbidding brengen , denken wij ook aan Maria , denkeu wij ook aan do Heiligen Gods. Met haar, mot hen, naderen wij tot den troon des .Vllerhoogsten; met haar, niet hen, buigen wij ons voor de voeten des Middelaars; door haar, door hen, en met haar, mot hen, smeeken wij om nieuwe genade-giften. Kn wanneer hot dan den Heere behaagt, minzaam neer te zien op de geboden, welke de Heiligen voor ons storten, wie zal de vermetele zijn, die durft beweren, dat Hij zonder den eenio-en Middelaar te krenken, dit niet kan doen?

DE GEDACHTENIS

V A N

ALLE OVERLEDENEN.

li is geen oogenblik in het Kerklijk Jaar, dat de heilige gemeenschap der lijdende, strijdende en zegevierende Kerk den geloovigen helderder en treffender in het oog doet

-ocr page 409-

VAN ALLE O VEELEI) ENEIf. 37-3

springen, dan de plegtige stond, waarop de overgang plaats grijpt van liet Allerheiligen- tot het Allerzielenfeest. Immers, te midden der lofzangen, welke de Kerk over het aardrijk laat weergalmen, als wilde zij ons eenige zwakke toonen laten vernemen van het eeuwigdurend zegelied, dat daar door het hemei-sche Sion ruischt, te midden der onbeschrijflijke vreugde, welke de Kerk, als eene teedere moeder, wegens het geluk harer reeds verheerlijkte kinderen in haren boezem voelt opwellen, schijnt zij eensklaps haar oog te slaan op die andere ontelbare zielen, die ook eenmaal als deze Heiligen, den zegepalm zullen dragen in den hemel, maar die thans nog liggen opge-sloten in de smartvolle zuiveringsplaats. En ziet, met mede-doogen bevangen, staakt zij plotseling haar feestgejuich : hare tempels leggen hun feesttooi af en hullen zich in rouwgewaad; lijkkaarsen worden aangestookt en droevig klaaggezang vervult liet gewijde koor. Want, alhoewel het op eiken dag des jaars eene heilzame gedachte is voor de overledenen te bidden, zoo wil de Kerk ons toch inzonderheid op den gedenkdag van 2. November dezen pligt met nog treffender kleuren voor oogen houden; dan toch moeten wij gezamenlijk de gebeden en offeranden aanvullen, die dagelijks voor de afgestorvenen worden opgedragen; dan vinden wij gelegenheid tot het herstel der verzuimnissen, waaraan wij ons in het volbrengen onzer verpligtingen jegens de overledenen mogten hebben schuldig gemaakt, en worden wij aangespoord, deze met nieuwen ijver in het vervolg te volvoeren.

Niet altijd werd Allerzielendag, zooals thans, in de Kerk gevierd. Wel heeft zij, van den beginne af, voor de afgestorvenen dagelijks gebeden gestort, en jaarlijks hunne gedachtenis gevierd; maar een bijzonderen dag, om al de overledenen te gedenken, schijnt zij in de eerste tien eeuwen niet te hebben vastgesteld. Eerst in 998, werd in de beroemde Benediktijner Abdij Cluny, in Frankrijk, voorgeschreven,

-ocr page 410-

o 7 t de gedachtenis

dat, daags na het feest van Allerheiligen, de gedachtenis van alle gcloovige zielen moest worden gevierd. Dit stichtend gebruik werd eerlang door andere kerken gedeeld en spoedig, ook zonder bepaald gebod voor de geloovigen, door de ganse he (\'hristenheid nagevolgd.

Kn geen wonder! De verheerlijking Gods, het heil der zielen, de pligt der naastenliefde, vvelligt die der regtvaardi^-heid, en dan nog ons eigen belang zijn, immers, even zoovele spoorslagen, die ons moeten aanzetten tot het betrachten van dit vroom gebruik. Ten einde ons daarvan te overtuigen, zal de beknopte ontvouwing van eene enkele dezer beweegredenen voldoende wezen.

A\\ at lijden de zielen in het vagevuur ?

Laat ons, om deze vraag wèl te beantwoorden, met den geest in dien onderaardschen afgrond nederdalen, en er in stillen weemoed des harten de folteringen beschouwen, welke, zoovele zielen, die beter leefden dan wij, hebben uit te slum. Helaas, daar ontsluiten zich voor onze oogen de poorten van dien vnrigen kerker! Daar stijgen en dalen de vlammen, en kronkelen zich met altijd nieuwen gloed om de zielen, die sr in begraven liggen. Dit vuur, hetgeen, volgens de leer der \\ aders, niet verschilt van dat der hel, is geschapen, om tot werktuig te dienen van Gods regtvaardigheid : wie is in staat de schrikwekkende eigenschappen op te sommen, welke Gods toorn, die het heeft aangeblazen, daaraan moet hebben verleend? Het brandt zonder te verteeren en foltert de geesten, die van het kleed des ligchaams zijn ontbloot. De kleinste smart in het vagevuur, zoo leert ons de H.Thomas, overtreft de grootste smart, welke men in dit leven lijden kan. Ziedaar een kranke op het bed van jammer uitgestrekt! Hoe zijne haren ton berge rijzen; hoe zijne oogen stuiptrekkend in hunne kassen ronddraaijen; hoe het koude zweet langs zijn wegkrimpend aangezisjt afdruipt; hoe al zijne zenuwen trillend zamenkriin-

-ocr page 411-

VAX ALLE OVEULEDEKEN. ;i75

pen, en al zijne ledematen huiveren bij het grievend wroeten der pijn in het hart van den ongelukkige ! Brengen wij ons een oogenblik te binnen de helsche uitvindingen der heidensohe dwingelanden en de uitmergelende, pijnen, waarin zij de Martelaren lieten wegsterven. Denken wij even aan de nijpende tangen, die gloeiiende roosters, dat kokend pek, die snijdende raderen, dat ziedend metaal, die rekkende pijnbank : welnu, al die pijnen der smartelijkste ziekte, al die folteringen, door de Martelaars geleden, geven ons nog geen toereikenden maatstaf van de pijnen, welke eene ziel i?i die zuiveringsplaats zal hebben door te staan.

Eu mogt zich bij deze pijnen het lijden der zielen in het vagevuur bepalen ! Maar, er bestaat nog eene andere kwelling voor haar, eene kwelling, die, volgens het Concilie van Provence, de onverdragelijkste aller folteringen is : de pijn, namelijk, van beroofd te wezen van het aanschijn Gods ! Verbeelden wij ons die zielen, die in Gods liefde gestorven zijn. Zij beminden God, als haar opperste goed, reeds zoo vurig, hierop aarde : thans bevinden zij zich in een staat, waardoor zij veel beter geheel de liefderijkheid Gods kunnen beseffen. Thans zijn ze ontbloot- van dat stoflijk hulsel, dat haar verstand benevelde, verlost uit dien dierlijken kerker, die haar het gemoed naar de aarde drukte en ze aan het stoflijke vastgeklui-sterd hield : hoe pijlsnel vliegen thans hare begeerten opwaarts naar dat hoogste goed, zoo ligtvaardig in dit leven door haar beleedigd ! Hoe brandt thans haar verlangen naar het gelukkig oogenblik, waarop zij zich in die zee van zaligheid zullen kunnen dompelen! Hoe smachten zij thans naar die bron van liefde en van heiligheid ! Eiken oogenblik doen zij eene hernieuwde poging om zich uit den kerker te bevrijden, waarin zij liggen opgesloten, en telkens gevoelen zij, met verdubbelde smart, het nijpen der ketens, die ze in den afgrond houden vastgekneld; voortgestuwd door hare brandende liefde tot

-ocr page 412-

•376 DE GEDACHTENIS

God, trachten zij, ouophoudelijk, zich te gaan verzadigen aan diens oneindige heerlijkheid, en telkens stoot de hand van Gods regtvaardigheid die blakende zielen ver van ziel iif, en dompelt ze op nieuw in dien afgrond van stnar t en lijden. Neen, zoo lang wij hier op aarde wandelen, zullen wij al het bittere dier straf, al het pijnlijke dier foltering niet begrijpen.

o. Laten wij dan onze harten voor het deerniswaardig lot dier arme zielen niet sluiten! Hebben zij al het voorregt niet. als het een voorregt heeten mag, met bevende stem ons mede-doogen gaande te maken, gelijk de verlaten behoeftige hier op aarde, zoo houdt toch de Kerk niet op, in haren naam 011-toe te roepen: //hebt medelijden met mij, hebt medelijdel met mij, gij ten minste, die mijne vrienden zijt, want de hand des fleeren heeft mij getroffen.quot; O zalige gedachte ! quot;VYannee; wij bidden voor het eeuwig heil onzer broeders, die nog met ons op deze aarde strijden, verrigten wij zonder twijfel eei. uitstekend werk van christelijke barmhartigheid, hetwelk Goc niet onbeloond zal laten; maar altijd blijft het onzeker, of on-gebed wel met den gewenschten einduitslag zal worden bekroond, dewijl wij niet weten of hij, voor wien wij onze bede storten, misschien zelf niet een beletsel stelt, om aan de vruchten onzer gebeden deelachtig te worden; bidden wij echter, met de noodige vereischten voor onze broeders, die reeds in dc genade des Heeren ontslapen zijn, zoo zijn wij er zeker van ten minste het unr bespoedigd te hebben, dateene uityerkorene te meer plaats zal nemen in de rij der zalige geesten, die Gods liefde en glorie jubelend bezingen, door alle eeuwen heei . En tot de daaruit voortspruitende meerdere verheerlijking Gods zullen wij hebben meegewerkt! — Verzuimen wij dan niet, mei der daad de waarheid te behartigen, welke de heilige Pau-lus ons voorhoudt, als hij zegt, dat het lijden van één lid gedeeld wordt door al de andere ledematen. Wij zijn immers allen

-ocr page 413-

VAN ALLE OVJSELEDENBN. 87 7

broeders! — 0 hoe zal God, die een dronk water, te zijner liefde gegeven, niet onbeloond laat, hein niet beloonen, die door het H. Sacrificie der Mis, door het toevoegen der aflaten, door zijne gebeden en liefdewerken, de godlijke Barmhartigheid in staat gesteld zal hebben, om de rijkste schatten der ontferming over die innig-geliefde zielen uit te storten! En, mogt het geluk ons ten deel vallen, zoodoende eene enkele ziel verlost te hebben,op welkeonbegrijplijke wijze zal onsdan niet diezielhare hemelsche erkentlijkheid betoonen voordes Allerhoogst en troon!

Laten wij dus geen enkele dag onzes levens voorbijgaan , zonder iets ten voordeele dezer armeen lijdende zielen te doen. Zorgen wij, het oogenblik harer verlossing te bespoedigen door onze gebeden en goede werken, en bijzonder door voor haar het H. Misoffer te doen opdragen en op haar, althans ten deele, de aflaten, welke wij verdienen, toe te passen. Doch, dat lieden, vuriger dan ooit, onze bede voor die zielen, in vereeniging met die der geheele katholijke Kerk, ten hemel opstijgen, en dat niet alleen onze mond, maar ook ons hart dikwerf het smeekgebed herhale : Heere Jesus! groote Verlosser, barmhartige Tader, heb medelijden met die arme zielen, welke Gij door uw dierbaar bloed hebt vrijgekocht ! Geel\' haar, o Heer, de eeuwige rust, en het eeuwige licht verlichte haar ! dat zij rusten in vrede ! Amen.

LOFZANG.

DIES I R JE.

De toornedag, die dag snelt aan.

Als de aarde in vlammen op zal gaan,

Gelijk Sibyl en David spellen.

Wat angst treft dan niet ieders borst,

Wanneer hij, de Opperhemelvorst,

Het vonnis over de aard komt vellen;

-ocr page 414-

T)E GEDACHTENIS

En \'t graf, op schel bazuingeluid, Van schrik verbleekt, zijn schoot ontsluit. Om alle stof te zien ontwaken.

Terwijl natuur, verbaasd en stom.

Dien onafzienbren volkendrom Des Regters vierschaar ziet genaken.

Dan wordt het schuldboek aangebragt, ^ aarin heel \'t menschelijk geslacht Zijn goed en kwaad zal zien geschreven: En heeft de Regter \'t pleit beslist.

Zoo is daarbij geen feit gemist.

Geheim of openbaar bedreven.

Ach mij, ellendige, als ik ben,

Die hier in \'t stof reeds schuld beken,

Hoe zal ik \'t vonnis daar ontvlugteu ?

Wie keert dan \'t vreeslijk oordeel af

Der mij beschoren hellestraf.

Daar zelf de Heiligen nog duchten ?

Gij Heer, ontzachtbre Majesteit, Die, louter uit barmhartigheid.

Den uwen \'t Rijk des hemels opent, 6 Eed ook mij, door uw gena.

En kom mij .Tesus\' bloed te sta.

Waarop ik , vol vertrouwen hopend.

Alleen mijn uitzigt heb gesteld. Ach , Eegter, eer Gij \'t oordeel velt. Bedenk, dat Ge ook om mij kwaamt sterven, Dat Gij ook mij kocht met uw bloed ; Ach, zie mij kermend aan uw voet. Ach, laat mij uwe gunst niet derven.

Gij hebt mij onvermoeid gezocht.

Aan \'t folterhout mij vrijgekocht.

En is dat al voor mij verloren ?

-ocr page 415-

VAN ALLE OVERLEDENEN.

o Kcgter, strengj maar liefderijk,

Geef mij van uwe ontferming blijk, Vóórdat uw toornedag zal gloren.

Ik zucht, met schaamte op \'t aangezigt. Te pletter liggend onder \'t wigt Van tallooze en afgrijsbre zonden;

En toch nog blijft de hoop mij bij :

Want heeft dc Moorder aan uw zij, Maria-zelfs geen heil gevonden ?

Wel is mijn bede uw oor niet waard, Doch Gij, die liefst vergeeft en spaart. Zult mij aan \'t vuur der hel niet wijden. Maar eerder aan uw regter zij Een plaats bestemmen nok voor mij.

Bij \'t bokken en het lamren scheiden.

Wanneer Gij \'t doemtal van uw stoot En neerploft in der vlammen schoot, o. Zij uiijii lot dan met de vromen! In \'t stof gebukt, voor U geknield,

l!nep ik, het hart met rouw bezield : ó. Laat me in Jt einde tot f\' komen.

Ja wM vol jammer breekt hij aan, De dag, ais de aarde in vlam zal staan, Gelijk Sibvl en David spellen ;

De stond, als \'t sciiepsel in \'t gerigt Gedaagd wordt voor Gods aangezigt. Om \'t eeuwig vonnis te zien vellen.

ó Regter, vol langmoedigheid !

Verhoor de zondaar, die hier schreit. Bewust van \'t kwaad, door hem bedreven Ach, geef, door \'t overkostbaar Bloed, Waarmee Gij hebt voor ons geboet. Die oj) I hopen, \'t eeuwig leven.

-ocr page 416-

DK OKDACHTKNIS

Overweging.

HET GRAF DEK OU DEES.

liet is eeu overoud gebruik, dat op dit Feest, als zijnde uc lieriuneriugsdag aan alle afgestorven geloovigen, kinderen, to\' zelfs volwassen en gehuwde kinderen, somwijlen twee, drie, j;, nog meer uren ver daarlieen gaan, waar kunne ouders, wawr vader of moeder begraven zijn.

Oj) vele plaatsen bestaat zelfs liet gebruik, dat kinderen, kleine en groote, niet /on- en Feestdagen, vóór ot na de godsdienstoefening, op den (iodsakker staan blijven, en bidden, bi hunner ouderen graf. Velen ziet men daar weenen, bitter wee-nen op de plek, waar hun vader en hunne moeder rusten.

Dit is een schoon en loHijk gebruik, want er staat geschreven — en God heeft dit op steenen tafelen en lederen mensc in het hart gegrift — : (tij zult vader en moeder eeren. Het U een goed toeken, wanneer kinderen hunne ouders eeren; het h een zeker teeken, dat zij goede kinderen zijn, en zei ven eenmarl ook goede ouders zullen worden.

Wij moeten voor alle afgestorven geloovigen bidden; daarti wekt ons de katholijke Kerk op. die den dag van heden daarti L-bijzonder heeft bestemd, dat wij ook de arme zielen in het vag -vuur gedenken, die op aarde misschien geen mensch meer he -ben, die harer gedachtig is.

Wij moeten voor alle afgestorven geloovigen bidden, dewijl allen Gods kinderen zijn. God bemint hen, hij straft hen aU vader, niet uit gramschap, maar uit liefde; hij wil slechts he geheel, slechts als hei goud door het vuur, reinigen, opdat zij zonder vlek of smet verschijnen voor zijn heilig aangezigt.

Wij moeten voor alle afgestorven geloovigen bidden, opd.ii allen onze medemenschen , onze broeders en zusters in Jesus Christus zijn; dewijl hel ook ons lief wezen zal, als eens. na ons verscheiden. ook anderen bidden voor ons.

Wij moeten derhalve, uit liefde tot God en uit liefde tot den naaste, voor alle afgestorvenen bidden, maar voor onze a\'-gestorven ouders, in het bijzonder, uit dankbaarheid. K

380

-ocr page 417-

VAN ALLE OVKliXKDliNEgt;\'. 381

zeg: uit dankbaarheid. Onze ouders toeli zijn na God onze grootste weldoeners: aan hen hebben wij het meest, ja, alios te danken.

.Vis echtelieden eenmaal kinderen hebben, dan houden zij, Is het ware, op. voor zich-zelven te bestaan, en beginnen geheel te leven in en voor hun kroost. \\aii den tijd af, dat zij kinderen hebben, heet de man zijne vrouw moeder, en de vrouw haren man vader. Zij geven daardoor te kennen, zij herinneren en waarschuwen daardoor elkander, dat zij nu geheel, met lijf en ziel, vader en moeder zijn, dat zij uitsluitend voor hunne kinderen moeten leven en zorgen.

Maar vele kinderen zien niet door, wat zij in hunne ouders bezitten; velen erkennen en ondervinden dit eerst dan, wanneer ij hunne ouders hebben verloren, wanneer hunne ouders reeds gestorven zijn.

Kinderen! groote, volwassen kinderen! gehuwde en ongehuwde kinderen! gij waart gisteren en van daag bij het graf uwer ouders, bij het graf van uwen vader, van uwe moeder; —o, gaat er dikwerf heen, en denkt dan bij u-zelven :

a Hier, hier ligt mijn vader begraven! het was een goede .ader; veel heb ik aan hem verloren! hij was een brave vader; hij zorgde voor mij in alles zoo liefderijk; hij arbeide, vroeg en laat, om mij te kunnen opvoeden; hij spaarde voor mij me-nigen beet uit eigen mond, ja, hij leed misschien zelfs gebrek, üpdat ik ook na zijn dood, zonder gebrek te lijden, zou kunnen . oortleven.quot;

ii En hier, hier ligt mijne moeder begraven. Zij heeft om mijnentwil, nog meer dan mijn vader, moeten doen en uitstaan: ij heeft mij met smarten gebaard; zij heelt mij in mijne kind-sehe jaren moeten opheffen, nederleggen en verplegen; zij heeft uij bestendig op hare afgematte armen moeten dragen; zij heeft, dikwijls, vele uren lang, soms den geheelen nacht door, geen iog geloken; zij heeft veelal niet eens eenige oogenblikkeu •ustig kunnen eten, zonder door mijn gekerm te worden opgejaagd en gestoord.

Ja, zie, daar rusten thans uwe ouders, daar ligt uw vader, iwc moeder begraven! O, herinner u dan nu bij hun graf. wat ■ij al gedaan hebben, om u goed en christlijk op te voeden, .an u in deugd, in onschuld, in godsvrucht te bewaren, en u au het kwaad, van de eerste zware zonde, terug te houden! Met hoeveel ijver hebben zij u naar de school, naar de christ-

-ocr page 418-

ufeji DK GEDACHTENIS VAN ALLE OVERLEDENEN.

lijke leeriiio\' gezonden! lioe dikwijls hebben zij u tot het gebed, lot het veelmalen en waardig ontvangen van de Heilige Sakrainenten der Boetvaardigheid en des Altaars opgewekt! met hoeveel zorg hebben zij u gewaarschuwd voor booze gezelschappen, voor gevaarlijke vermaken, voor het spel, voorden opschik! hoe dikwijls heeft u uw christlijke vader, uwe toch reeds genoeg gekwelde moeder, met weeneude oogeu, met opgeheven handen, om Gods wil, en om nwer ziele zaligheid, gebeden, wel ligt nog in hunne laatste ziekte, nog op hun sterfbed, vermaand en gesmeekt, van u toch niet hier of niet daarheen te begeven, met dezen of met die niet om re gaan. in tijds huis-waarts te keeren, en duizend andere lessen en wenken meer toebedeeld. Welke vruchten hebben die vernuiningen uwer ouders gedragen.\' liebt gij hunne liefde en zorgen betaald;\' Waarmee: Hebt gij hun vreugde; maar. o mijn God! wat zeu\' ik. vrenü-de quot; hebt gij hun niet kommer en verdriet, door uwe ongehoorzaamheid, door uwe oneerbiedigheid, door n\\\\ slecht gedraü\' zooveel kommer en verdriet veroorzaakt. dat uij daardoor hun leven verbitterd en verkort, dat gij uwen vader, uwe moeder voor den tijd, onder de aarde, in het graf gebrast hebt?

Ik zeg nog meer : zie, daar ligt uw vader, daar is uwe moeder begraven, maar slechts hun ligchaani. dat welligt reeds vergaan is : daar zijn slechts hunne dorre beenderen begraven : waar, waar is hunne ziel, hunne onsterflijke ziel ? Wij hopen quot;el het beste; maar, wij moeten niet alleen hopen : wij moeten ook gelooven.

liet geloof mi leert ons, dat de ziel des menschen, na haar scheiden van het ligchaani, of in den hemel, of in de hel, of in het vagevuur komt. Welnu, waar is thans de ziel van uwen vader, van uwe moeder? Misschien in het vagevuur, misschien reeds lang, reeds vele jaren lang in het vagevuur, en dit om uwentwil, dewijl zij voor 11 te goed waren, dewijl zij n te veel hebben ingewilligd.

Kunt gij verlangen, dat uwe ouders, die om n op deze wereld reeds zooveel moesten lijden en uitstaan, kunt gij het ove-uw gemoed krijgen, dat zij ook nog in de andere wereld moeten lijden, om uwentwil?

-ocr page 419-

DE H. WILLIB RORDU S.

Aartsbisschop , Apostel der Nederlanden.

A.AT ons, met kinderlijke dankbaarheid, het leven van onzen Apostel en den eersten Aartsbisschop van Utrecht lezen, van onzen vader in het geloof, die thans , uit den hemel, beschermend op ons nederziet, en ons toeroept ; gij zijt het teeken van mijn Apostelschap in den Heer.

Willibrordus, de zoon van Wilgis, werd in Northumberland, in 657, uit even vrome als aanzienlijke ouders, geboren, en in het klooster van den H. Wilfried opgevoed. ATede-rig, zachtzinnig en zedig, vaardig en naauwgezet in het vervullen zijner pligten, mogt hij welhaast zijne gelofte afleggen. In al zijn doen en spreken straalde eene wijsheid en ernst van houger jaren en gaven uit, terwijl hij, door eene onvermoeide studie der H. Schrift, zijne kennis en godsvrucht voedde. Met vergunning van zijn Abt, ging hij, op zijn 20. jaar, naar Ierland, om zich onder de leiding van den H Egbertus te stellen. Na hier tien jaren verbleven en tot Priester gewijd te zijn, voelde hij, zijne Angel-Saksische afkomst gedachtig, zich gedreven, om, wat zijn heilige Abt en de Tl. Wigbertus te vergeefs hadden beproefd, te hervatten, en het Evangelie aan de nog heidensche Friezen, Saksen, en naburige volken te gaan brengen. Met een ijverig elftal kloosterlingen, onder welke Werenfried, Adalbert en Suitbertus met zekerheid te noemen zijn, zette hij hier, in 690, bij Katwijk, voet aan land, en, zich met zijne togtgenooten op de knieën werpende, smeekte hij Gods zegen over hunnen arbeid af.

Door Frank rijks Opperhofmeester, Pepijn van Herstal, was Radboud, Koning der Friezen, cijnsbaar gemaakt, en een

-ocr page 420-

■jS4 de h. willtbrordus.

deel van Friesland, met Wiltemburg (thansUtreclit), indehan-den der Franken gekomen. Willibrordus vroeg zijne besclter-ming, die hem gaarne toegezegd, en trouw gegeven werd. Fieue zijner eerste zorgen was nu, om naar Home te gaan, en, met de zending en den zegen van Paus Sergius wedergekeerd, te Wiltenburg eene bedeplaats te bouwen, om er liet H. Offer op te dragen en de niemvbekeerden te doopen. Ten spijt van het getier der afgodspriesters, wist hij, door geduld en zachtheid, de harten te veroveren. Apostel, herder, vriend en vader, liet hij overal slechts de taal eener ootmoedige en vredever-kondigende liefde hooren, en duizende trotsche hoofden boffen zich voor des Heeren nederig kruis. Om het bekeeringswerk met te meer kracht te kunnen voortzetten, werd Willibrord, welligt op aanbeveling van den H. Lainbertus, Bisscho|) van Maastricht, die den ijverigen zendeling had leeren kennen , tot Aartsbisschop der Friezen verkozen; en, hoezeer zijne in-derigheid er zich tegen aankantte, moest hij, eindelijk, aan Gods beschikking toegeven, en trok hij weder naar Rome, waar hij, in 696, toen 39 jaar oud, door Paus Sergius I. gewijd, en voortaan Clemens (de Zachtmoedige) hetzij om zijne zachtaardigheid, of naar den feestdag zijner wijding, werd ikenoemd. De nieuwe Aartsbisschop koos Utrecht tot zijn zetel, en de kerk des H. Verlossers (Sint Salvafor) welke hij bouwde, tot hoofdkerk. Hij rigtte er ook een gesticht voor geestelijken en scholen op ?oor de jeugd.

Xa de vestiging van dit middenpunt, breidde Willibrordus zijne prediking verder uit, ook tot Koning Radboud zeiven , die versteend van harte bleef, tot den woesten vorst der Denen, die, evenmin als zijne onderdanen, naar den vredes-Apostel wilde hooren. De eerste zelfs, verwoed, dat de heilige geloofsverkondiger openlijk de onmagt van den afgod Fosite had doea blijken, vorderde herstel voor dien gewaanden smaad. Doch Willibrordus antwoordde hem, onverschrokken: „Fosite, dien

-ocr page 421-

DE H WILLIBROEDÜS. 335

gij, O Koiüug! vereert is geen God, maar de Duivel, die u schandelijk misleiden blijft. Indien gij mij, die u den weg des heils aantoon, blijft verachten, weet dan, dat gij de eeuwige straften met den Duivel, dien gij gehoorzaamt, niet zult ontgaan.quot; Verbaasd over dien moed, hervatte de Vorst; „ Ik zie, dat gij onze bedreigingen niet vreest en dat uwe taal uwe lt; ?(leii niet tegenspreekt,quot; — doch hij bekeerde zich niet. Onvermoeid zette Wilhbrordus intusschen zijne prediking voort, e n verspreidde zich met zijne medegezellen door alle streken vau ons Vaderland. Zoo kwam hij in Zeeland, op het eiland alcheren, waar hij een afgod, met menschenoffers geëerd, verbrijzelde, en door een heiden, met een slag van diens zwaard, aan het hoofd werd gewond; ter plaatse waar nu v lissingen ligt, en waar hij een weinig wijn door de kracht G ods vermeerderde; over de Schelde, in een gedeelte van Vlaanderen; in Antwerpen en Luxemburg; in Kempenland en \'s Hertogenbosch, waar hij, overal, vele zielen voor aen hemel won; te Vlaardingen, Kerkwerve, Velzen, Oe?t-geest, Petten, Heiloo, waar hij kerken stichtte en inwijdde. Op de laatste plaats is nog het putje, dat, toen hij daar met zijne medearbeiders hevigen dorst leed, op zijn gebed, zoet Y.c-ter opgaf, hetgeen ook als geneesmiddel tegen verschillende kwalen heeft gestrekt. Inzonderheid was hij er op bedacht, ■dom scholen, ook voor jeugdige kerkbedienaars, godvruchti_d gestichten en kloosters te vestigen, waarin hij vrome kloosterlingen plaatste, om door hun eendragtig en aanhoudend g^bed, door hun onderrigt en voorbeeld, zijn apostolischeu vbeid te ondersteunen en te bestendigen. Over den Apostel der Nederlanden hebben wij eene schoone getuigenis van den Apostel van Duitschland, den PI. Bonifacius, die hem in liet jaar 720 bezocht, en drie jaren met hem arbeidde. Hij schreef lang na des Heiligen dood, aan Paus Stephanus II., „ dat do

gelukzalige Willibrordus een Prelaat was, wonderbaar in ont-

26

-ocr page 422-

3^6 HE H. WILUBRORDUS.

houding en heiligheid; die, gedurende vijftig jaren, aan hef onderwijzen der Friezen arbeidde, en het meerendeel van hen tot het geloof bekeerde; die de tempels, door hunne vaderen voor de afgoden opgerigt, vernielde, en een aantal kerken bouwde, terwijl hij zich, wegens zijn hoogen ouderdom, een Bisschop tot medehelper koos, om hem in de bediening van het predikambt bij te staan; en dat, toen de mate zijner verdiensten vervuld was, God zijnen arbeid in de eeuwige heerlijkheid gekroond heeft.quot;

Keeds iu 726, had Willibrordus, bij uitersten wil, al de hem geschonken goederen aan de geliefde abdij van Echtev-nach vermaakt, en verlangd, om aldaar begraven te worden. Toen, in zijn 82 jaar, mogt de eerbiedwaardige grijsaard met vertrouwen op zijn vijftig-jarigen onvermoeiden arbeid onder de Friezen, onze voorouders, terugzien : overal schitterden de bewijzen van zijn nooit vertraagden ijver voor zijnen Meester, wiens Naam en Kruis allerwege werd vereerd : hij had Nederland voor Jesus Christus gewonnen, en onze vader in den Heer ging nu, vol van dagen en verdiensten, het loon van zijnen arbeid smaken, op den 6. November 739. Het feest van den H. Willibrordus wordt den 7. November gevierd. Naar zijn verlangen werd hij in het klooster van Echternach begraven, waar God het graf van zijnen trouwen dienaar met vele wonderen verheerlijkt heeft. Tot op den dag van heden toe, wordt dat grat door talrijke pelgrims bezocht, die zijne hulp en voorspraak komen inroepen. Het is ook te zijner et-re, dat men jaarlijks te Echternach een eigenaardige Processie houdt, die steeds door meer dan tien duizend pelgrim? wordt bijgewoond.

-ocr page 423-

DE H. WTT.r.TBDOTiDTJS.

LOFZ AJSTG.

Eede aan den heiligen Willibrordus,

Apostel en Patroon der Nederlanden.

O Willibrord! tlie , van omhoog, Ons gfislaat met beschermend oog. Hoor \'t nageslacht der vadren aan. Met wie gij zelf hebt omgegaan.

Zie Neerland aan, uw roem en kroon. Gij, onze Apostel en Patroon !

Hier hebt gij, moedig Godsgezant, Hier •Jesus\' Heilbanier geplant;

Hier half een eeuw zijn Naam verbreid. Zijn Bruid een zetel toebereid.

Flier, door uw ijver en gebed.

Mijn vadren uit den dood gered.

Ach! elfmaal ging een eeuwkring rond, Sinds gij hier Satans rijk verwont, 7\';n nu, ach! meer dan \'t half geslacht. Zonk weer terug in \'s vijands magt.

Geliefde Vader en Patroon ! Zie Neerland aan, uw roem en kroon : Bid, Willibrord ! bid bij den Heer, Dat al wat doolt eens wederkeer !

Ach, voer hen met uw trouw gezin, Ach, voer ook hen uw glorie in; O gij, die \'t kruis hier hebt geplant,. Bid voor uw dierbaar Nederland !

387

-ocr page 424-

DE H. WILLIBRORDÜS.

\\

Overweging.

Kenden wij Gods gaven, diicliten wij aan don toestand, waarin onze voorouders leefden en die, zonder liet liivangelie, ook nog de onze wezen zon; met welke dankbaarlicid zouden wij dan onze stemmen bij die der Kerk voegen, ons hart bij liaar hart, en ons gebed bij haar gebed, om Hem te danken, die ons in hot midden des Christendoms heeft doen geboren worden ! Hoe vurig zonden wij God danken . dat hij ons door den H. Willibrordns, do genade des Geloofs geschonken heeft! Hoe dankbaar zouden wij onzen Vader in Jesus-Christus voreeror , die ons nog als zijne kinderen bemint !

Treft u die herinnering der heidenscho tijden niet, slaat dan uwe oogen op de ongelukkige volken, die nog onder de afgoderij liggen gebukt. Ziet, zoo roepen zij ons toe, ziet onze ellende, onze vernedering, ons bederf, onze dwingelandij, onze menschenoffers; gij zijt geweest, wat wij zijn. en zonder het Christendom zoxult gij het nog wezen. Bewaart toch wel, wat gij bezit : de godsdienst, die u aan de slavernij des duivels en aan die der menschen onttrokken heeft, is alleen bekwaam, om er ons vrij van to bewaren. Ondervraagt de landen, die eens het Geloof ontvangen hadden, maar het verlaten hebben: wat leert ons Africa, dat vaderland van een Augustinus, een Cy-prianus en een Tertulianus ? wat leert ons Azië. wat leert ons Griekenland, dat met het zweet der Apostelen zelt werd besproeid? Daar vond men eertijds do godvruchtige Christenen van Antiochië, van Ephese, van Corinthe, van Thessalonica, heilig en tevens vrij en gelukkig. En wat ziet men er nu ? Verwoestingen, de eene op de andere. De Turksche halve maan bekleedt de plaats van het heilig Kruis; de ontucht, die dot-reine deugd ; de onbeschaafdheid. die der wetenschap ; de slavernij . die der vrijheid; de vreugde is er opgevolgd door droefheid, jammer, armoede en gebrek. 1 it het midder der overblijfsels van hunne oude grootheid. roepen die volken en die steden ons toe: bewoners van Europa, wij waren u voorafgegaan in het geloof en in de beschaving: hier werd uw Geloot gevestigd; wij waren, wat gij zijt, verlicht, gelukkig eu vrij,

;388

-ocr page 425-

kerkwijding.

bewaart toch wel den schat, dien gij besdt : de Godsdietist. die ii deugdzaam en groot heeft gemaakt, kan alleen voor u het terugvallen in de barbaarschheid, voor den ondergang bewaren 1

Zoo leert ons de ellendige toestand der heidensche ol\' afgevallen volken de gaaf dos Geloofs hoogschatten ; zoo wekt ons het ijslijk schouwspel, hetwelk hun toestand vertoont, tot levendige dankbaarheid op.

M ogen die groote lessen ons dan doen nadenken, en moge het aanschouwen van zooveel ellende ons hart raken 1 Laten wij ons niet tevreden stellen met een vruchtloos medelijden , maar laat ons ook die ongelukkigen ter hulpe snellen. Laat ons, door onze aalmoezen en gebeden, den ijver der Missionarissen ondersteunen, opdat de blijde Boodschap der Verlossing weldra ook aan die ongelukkigen worde verkondigd , die. zoowel als wij, door iiet bloed van Jesus Christus zijn vrijgekocht, liet licht des évangelies aan degenen bezorgen . die nog in de duisternis zitten en in de schaduw des doods; het onze bijdragen om degenen, die de ware Kerk verlaten en het waar Geloof verloren hebben, in den schoot der ware Kerk terug te brengen, zijn de zekerste middelen, om de genade te bekomen van zelf te blijven volharden in het waar Geloof.

389

Smeeken wij dan ook dikwerf den II, \\\\ illilimrdus. dat liij op deze landen, onder zijne bescherming gesteld, in liefde nederzie en bidde, dat wij het ware Geloof mogen behouden en allen tot de kennis der ééne Waarheid, door hem gepredikt, komen. Spreken wij dagelijks, te dien einde, een vurig, kort gebed, bij voorbeeld : H. Willibrordus, onze Apostel! bid voor ons en voor ons dierbaar Nederland.

KERKWIJDING.

)en Salomon den tempel van Jerusalem, den eenigen waren God ter eere, had voltrokken, wijdde htj dien toe aan den Heer, te midden van lofzangen, offeranden en pleg\'tig-

-ocr page 426-

■\'] 9 o kerkwijding.

lieden, die zeven dagen duurden. Met meer regt worden onze kerken, waar niet ledige elementen en zinnebeelden, maar verwezenlijking er van zich bevindt; waar niet de Wet van Mozes, de Roede van Aaron en het Manna der woestijn, maar de eeuwige et ge ver, de God, die alleen wonderen verrigt, als een hemelsch Manna, onder de nederige gedaante van Brood wordt bewaard; waar niet redelooze dieren door Priesters der Oude Wet wordengeslagtofferd, maar Jesus-Christus-zelf, door d( handen der Priesters van het Nieuw Verbond, zich aan den hemelschen Vader opdraagt, plegtig ingezegend en gewijd, vóórdat zij tot hare verheven bestemming worden gebruikt.

Pen vloek indachtig, die tegen de aarde is uitgesproken, — maledicta terra in opere tuo — bezigt de Kerk voor hare gebruiken niets van al het aardschc, alvorens door haren zegen den vloek er van te hebben weggenomen : en hoe dan zou zij een aardsch gebouw tot de woonplaats maken van den levenden God, en hare verhevenste geheimen er in verrigten, zonder het vooraf door haren zegen ot hare wijding te hebben gezuiverd en gewijd r\'

Xiet altijd echter werd de Kerkwijding zoo plegtig, als heden ten dage, verrigt. In de ceste drie eeuwen der Kerk, tijdens de bloedige vervolgingen, waaraan de Christenen van de zijde der Romeinsche Keizers onophoudelijk bloot stonden, waren er, wel is waar, van den tijd der twaalf Apostelen af, bepaalde plaatsen, oratorio, (bidplaatsen) of Ecclesife (Kerken) genoemd, aan God toegewijd, waar de geloovigen te zamen kwamen, om te bidden, liet Woord Gods te hooren, de heilige Geheimen bij te wonen, en de TL Communie te ontvangen ; maar de plegtige en openlijke wijding der Christen kerken dagteekent eerst van den tijd van Paus Silvester, dat w van den oogenblik, dat door Keizer Constantijn rust: en vrede aan de Kerk geschonken werd. De plegtige wijding der nieuwe kerken werd weldra als verpligtend voor alle plaatsen voorgo-

-ocr page 427-

KERKWIJDING. 1)91

schreven, zoodat liet buiten het geval eener dwingende nood-zaaklijkheid, niet geoorloofd is, de H. Diensten te verrigteu in eene kerk, die noch door den Bisschop gewijd, noch duor .:en daartoe gemngtigden Priester voorloopig ingezegend is.

Menigvuldig en indrukwekkend zijn de plegtigheden, die bij de Kerkwijding voorkomen. Wanneer het besloten is, eene nieuwe kerk te bouwen, en hare plaats door den Bisschop werd aangewezen, wordt daar, waar later het hoogaltaar zal staan, een kruis geplant, als zinnebeeld der overwinning, door liet kruis op de afgoderij en de heidensche wereld behaald. Zoo plaatst een veldheer de vaan der overwinning op de bolwerken eener veroverde vest! Bij die voorloopige plegtigheid worden lofzangen aangestemd, vurige gebeden gestort, en wordt op eene bijzondere wijze de Heilige aangeroepen, die tot schutspatroon der nieuwe kerk verkozen is. Men denke echter niet, dat de kerk aan dien Heilige zal worden toegewijd : aan God en aan God-alleen kan een tempel toegewijd worden; maar deze wordt onder de bescherming van een bepaalden Heilige gesteld, en onder diens bijzondere aanroeping Gode toegewijd. Is het kruis geplant, dan zegent de Bisschop den eersten steen der nieuwe kerk, tot een zinnebeeld van Hem, die in de heilige Boeken de Hoeksteen der Kerk wordt genoemd; hij plaatst dien in de tondamenten en besproeit hem, benevens de plaats, waar het kruis is geplant en voorts de geheele fondering met gewijd water. ]\\ u kan de bouw der kerk beginnen, en is deze voltrokken, lian breekt de dag der wijding aan. De Bisschop en de gemeente bereiden zich door een vastedag tot het groote wijdingsfeest voor. Op het einde van dezen boetedag, dat is op den vooravond der Kerkwijding, sluit de Bisschop de relikwieu der Heiligen, die in het altaar zullen worden geplaatst in eene daartoe bestemde doos, waarin hij tevens drie korrels wierook legt en een perkament, waarop de dag, de maand en het jaar der Kerkwijding aangeteekend, en de aflaten vermeld zijn, die

-ocr page 428-

392 KERKWIJDING.

te dezer gelegealieid en op dea verjaardag der wijding aan de geloovigen worden verleend. Deze doos wordt verzegeld en vervolgens onder eene, ten dien einde in de nabijheid der kerk \' gerigte en versierde tent, tusschen twee brandende kaarsen geplaatst, en daar worden de Metten en Landes gezongen,tereere van de heilige Martelaars, wier overblijfsels er zijn neêrgez et.

Tn den vroegen morgen van den volgenden dag, treedt de Bisschop, die het wijdingswerk zal verrigten , den nieuwen tempel in. Op de wanden van het kerkgebouw zijn twaalf kruisen geteekend, en bij ieder er van is een kaars geplaatst. Zoodra deze twaalf kaarsen, (het zinnebeeld der twaalf Apostelen, door wie het licht des Geloofs over de wereld is verspreid) ontstoken zijn, verlaten de Bisschop en alle andere aanwezigen, met uitzondering van slechts één Diaken, de kerk, en de deuren er van worden gesloten. Door de geestelijkheid en de geloovigen vergezeld, begeeft zich de Bisschop naar de plaats, waar ds reliquien den vorigen dag zijn neergezet, en kleedt zich daar, terwijl de Boetpsalmen worden gezongen . in zijn bisschoplijk gewaad. Zoodra de zang der Boetpsalmen geëindigd is, plaatst zich de Bisschop voor de gesloten deur der nieuwe kerk en begint de plegtigheid, nadat de Litanie van alle Heiligen — waarin ook de Patroon der kerk, tot tweemaal toe, wordt aangeroepen — geëindigd is, met Gods hulp en bijstand in te roepen en water te wijden. Terwijl het koor verschillende lofzangen aanheft, gaat de Bisschop rondom het kerkgebouw, en besproeit de muren er van, met gewijd water. Daarna klopt hij met zijn Bisschopstaf op de kerkdeur en zinyt: v o Prinsen nan Gods woonstede, ontgrendelt moe deuren , en gij, eeuwige poorten, opent u, opdat de Koning der Heerlijkheid binnen ga.quot; Wie is die Koning der Reerijkheid, vraagt, al zingende, de Diaken, die in de kerk is gebleven, en de Prelaat antwoordt hem : y Het is de Heer, die sterk en mae/-tig is, de Heer, die magtig is in den strijd.quot; Driemaal wordt

-ocr page 429-

KERKWIJDING. 393

diezelfde plegtigheid herhaald. Wanneer de Bisschop ten derden male op de vraag van den Diaken heeft geantwoord, dan roept de vergaderde geestelijkheid, als uit éénen mond : opent, opent, opent!Tgt;t deur wordt ontsloten, en met den heilwensch, vrede zij aan dit huis, treedt de prelaat den nieuwen tempel in. Zoo ook zullen wij eens, na meer of minder jaren in dit oord van ballingschap te hebben rondgedwaald, de woning des eeuwigen vredes, ons door den Opperpriester, Jesus Christus, geopend, blij en vreugdevol binnengaan. Bij het intrekken der kerk, heft het zangerkoor het vreugdelied aan : pax ceterna ah feterno huic domui: eeuwige vrede kome van den Eeuwige over dit huis ! Intusschen gaat de Bisschop tot in het midden der kerk, alwaar hij den Veni Creator aanstemt. Is deze hymuus geëindigd , dan wordt de zang der Litanie van alle Heiligen, die vroeger niet was afgeloopen, voortgezet, tot aan de woorden : dat gij aan de geloovige zielen de eeuwige rust gelieft te verleenen. Wanneer de zang der Litanie tot deze aanroeping is gevorderd, staat de Bisschop op, en zegent driemaal de kerk en het altaar, welke hij wijden gaat. Dan knielt hij wederom neêr, terwijl het nog overige gedeelte der Litanie van alle Heiligen nu tot den einde toe voortgezongen wordt. Middelerwijl strooit een der aanwezige geestelijken, in den vorm van een kruis, welks armen zich van den eenen kant van het gebouw tot aan den andere uitstrekken, asch , op de vloer der kerk. Met zijnen staf schrijft de Bisschop het alphabet in Grieksche letters op den eeneiig en in Latijnsche letters op den anderen arm van dit kruis, om ons zinnebeeldig te zeggen, dat er in Christus Jesus, die door dat kruis wordt verbeeld, geen onderscheid meer is tusschen Jood en Heiden, tusschen Griek en Barbaar; dat iiij voor allen op het kruis is gestorven, en voor allen, zonder onderscheid van taal of stam, de deur zijner Kerk, de bewaarster en uitdeelster zijner ge-ii ad en, openstelt.

-ocr page 430-

394 KERKWIJDING.

Xli nadert de Bisschop het altaar, dat gewijd zal worden, en zegent in de nabijheid er van wijn, zout, asch en water, welke hij met elkander vermengt. Daarna gaat hij tot aan de deur der kerk, maakt met zijnen stat\'een kruisteeken op het bovenste en een ander op het onderste gedeelte er van, en keert, na te dier plaatse een hartroerend gebed te hebben uitgesproken, naar het altaar terug.

Indrukwekkend en verheven zijn de ceremoniën en gebeden, die de wijding van het altaar vergezellen. En geen wonder : want het altaar is het zinnebeeld van den Heere Jesus, die ons Altaar, onze Ofterande ea onze Hoogepriéster is. Op dat altaar zal voortaan, alle dagen, op eene onbloedige wijze, door de bediening der Priesters het Offer worden hernieuwd, hetwelk Jesus eens op den berg van Calvarië, op eene bloedige wijze, aan den eeuwigen Vader opdroeg voor \'s werelds zaligheid en heil! Op dat altaar moet het Ligchaam en Bloed des Heeren, Jesus\'godheid en verheerlijkte menschheid, onder de nederige gedaante van Brood en Wijn rusten! Het is dan ook billijk, dat het altaar, welks bestemming zoo verheven, zoo heilig is, op eene hem waardige wijze aan God worde toegewijd. Met het zoo even gewijde water maakt de Bisschop vijl\'kruisen op den altaarsteen, een in het midden en een op ieder der vier hoeken er van. Dan gaat hij zevenmaal rond liet nieuw altaar en besproeit het met het gewijde water. Eveneens gaat hij driemaal de geheele kerk rond en besproeit met hetzelfde water eerst de wanden en dan de vloer van het kerkgebouw, terwijl het priesterkoor onophoudelijk nieuwe lofzangen onder de gewelven van den nieuwen tempel weergalmen doet. Andermaal verlaat nu de Bisschop, door de geestelijkheid vergezeld, de kerk. De Priesters treden met hem de plaats binnen, waar sedert den vorigen avond, de H. relikwiëu werden bewaard, en zij dragen deze gewijde overblijfsels proces-siesgewijze eerst rondom, en dan in de kerk, tot bij het altaar,

-ocr page 431-

KEllKWIJUING. 395

waarin zij moeten worden geplaatst. Onder den altaarsteen is eene opening gemaakt, welke men het graf pleegt te noemen. In ieder der vier hoeken van dat graf en op de binnenzijde van den sluitsteen, maakt de Bisschop een kruis met het heilig Chrisma, zet de II. reükwiën ten eeuwigen dage in dat graf, sluit het met een steen en reeds vooraf bereid cement, en maakt eveneens op de buitenzijde van dat graf met het heilig Chrisma een kruis. Een der aanwezige Priesters wischt het H. Chrisma at\', terwijl een andere, nadat de Bisschop-zelf tweemaal het altaar heeft bewierookt, tot aan hef, einde der altaarwijding met het brandend wierookvat in de hand, rond het altaar blijft gaan. Daarna zalft de Bisschop tweemaal den altaarsteen, met den olie der Catechumenen, in het midden en op de vier hoeken; hij herhaalt ten derde maal dezelfde zalving met liet H. Chrisma, bewierookt tusschen iedere zalving het altaar, en giet, ten slotte, den olie der Catechumenen en het 11. Chrisma uit op den altaarsteen, dien hij geheel met deze 11. Olie bestrijkt. Nogmaals verlaat de wijdende Bisschop het altaar, zalft en bewierookt de twaalf kruisen, die op de muren van den nieuwen tempel zijn gemaakt, en keert wederom naar het altaar terug. Daar zegent hij wierook, waarvan hij vijf\' kruisen maakt, welke hij op die plaatsen van den altaarsteen nederzet, waarop hij vroeger met de fl. Oliën en het gewijde water het kruisteeken had gezet. Dunne, kruisvormige waskaarsen worden op deze wierookkruisen geplaatst en ontstoken, door en met welke tevens de wierook wordt verbrand. De asch er van wordt door een der aanwezige Priesters verzameld en in liet Sacrarium geworpen. Nu weergalmt het vrolijk Alleluja ! Ten laatsten male maakt de Bisschop nog eens met het H. Chrisma een kiuisteeken voor op het altaar en op ieder der vier hoeken, en de Kerkwijding is voltrokken. Voortaan is deze plaats, zoo plegtig aan God toegeheiligd, aan alle wereldsche gebruiken onttrokken ; zij behoort toe aan

-ocr page 432-

396 KERKWIJDING.

God, en aan God-alléén. Verscliriklijk is die plaats geworden, want zij is niets minder dan Gods woning en des hemels deur.

Acl) ! hoevele prachtige kerken, welke onze voorouders uit het stof hebben doen rijzen en die door de opvolgers van Willibrordus, Plechhelmus en Bonifacius, plegtig waren gewijd, zijn, sedert drie honderd jaar, aan hare vroegere bestemming ontrukt! Zij staan daar nog als een bewijs van liet geloof en de godsvrucht onzer vaderen, maar ook als een bewijs van den alval van een groot aantal hunner kinderen ! Zij staan daar nog, maar zonder Priester, zonder Altaar, zonder Offerande! Zij staan daar nog, maar ledig en ontwijd; ledig voor den geest, die licht en waarheid; ledig voor het hart, dat kracht en sterkte zoekt; ledig, omdat de Zone Gods, die de Weg is, de Waarheid en het Leven, binnen hare muren niet meer rust in liet aanbidlijk Altaargeheim ! O mogten die steenen, getuigen vaneen vroegeren afval, luide genoeg spreken, om onze afgedwaalde broeders terug te brengen tot het geloof hunner vaderen, terug*te brengen in den schoot dier grijze Moederkerk, welke wij zoo vurig wenschen, dat zij nooit hadden verlaten.

Jaarlijks wordt de wijding eener Kerk op eene daartoe dooiden Bisschop bepaalden dag feestlijk herdacht. De feestlijkheid van den dag der wijding, en de verjaring er van, lokte op die dagen vele kooplieden naar die plaatsen heen, en hunne tegenwoordigheid trok ook in die dagen, toen men zich alle soort van benoodigdheden niet zoo gemaklijk overal als thans kon verschaffen, menigen vreemdeling uit de naburige plaatsen derwaarts; dit is de eigenlijke oorsprong onzer Kermissen , die van dagen van godsvrucht, helaas, nagenoeg geheel en al in dagen van ijdel vermaak en louter losbandigheid zijn ontaard.

-ocr page 433-

kerkwijding.

LOFZANG

Ccelestis urbs Jerusalem.

Jerusalem, volzaalge stad,

,/ Gezigt des Vredesquot; is uw naam. Gij, in het hemelsch koningrijk-Uit levend bouwgesteent voltooid,

Zijt door een Englendrom omgloord. Gelijk de Bruid voor \'s Bruigoms blik.

Nieuw stijgt zij uit deu Hemel af, Als uit het kuische slaapvertrek, Om, uitverkoren, met den Heer In eeuwgen huwlijksbond te treên. Haar straten en haar muren zijn Uit fijn gelouterd goud bereid.

Haar poorten staan, in parelglans. Steeds open tot het Heiligdom,

Voor allen, die, om Christus\' wil, Op aard in smaadheid zijn gedrukt. En wien hier, enkel uit gena, Het binnengaan veroorloofd wordt.

Door strenge proeve naauw gekeurd, Is elke steen vooraf geglad.

Eer dat des wijzen Bouwheers hand Aan ieder zijne plaats beschikt. En zóó het heilig praalgesticht Voor de eeuwigheid gevestigd wordt.

Drie-eenig God, aan U zij de eer ! U, Vader, Zoon en Heiige Geest, Zij \'t dank- en jubellied gewijd.

-ocr page 434-

KERKWIJDING.

LT, wien de majesteit, de kracht, Ondeelbnar en alléén , behoort, In aller eeuwen eeuwigheid. Amen.

Overweging.

WAT IS l)K DORPSKKIIK VOOR DEN LANDMAN.

Wuimeer men do katliolijke landstreken van Kuropa door-knust, vindt men bijna op ieder uur afstands een groep boeren-T/ouingen , die een dorp vormen. Ouder die nederige daken leeft in rust en stilte de arbeidzame landman. Te midden van liet dorp verheft /,ilt;-li een gebouw , dat, door liet regelmatige en de grootte zijner vormen, boven alle andere woningen uitscliijnt. gelijk in een stillen , helderen nacht de maan boven alle andere sterren des uitspansels blinkt. Dit gebouw is de kerk van liet dorp. .Die kerk is den landman zoo dierbaar als de appel van zijn oog , omdat do zoetste herinneringen zijns levens innig met haar verbonden zijn.

Hij was nog door de erfsmet bezoedeld, toen liij voor \'r eerst die kerk binnenkwam. Maar in die kerk werd. in den vroegsten ochtend zijns levens, zijn voorhoofd geteekend niet liet ïeeken des kruises, en daar werd zijne ziel door de wateren des Doopsels gezuiverd en geheiligd. Tn die kerk deed hij eens zijne eerste heilige Goiuuiunie; in die kerk zegende Gods Priester zijn huwelijk in. Hoe menigmaal, wanneer zijn hart bedroefd was en de wereld hem geeu troost kon of wilde schenken, heeft hij aan de voeten van het altaar in zijne kerkgebeden, endaar heul gevonden en heil? Wanneer zware, soms vruchtlooze arbeid, zijn hart tot ongeduld en zijne tong tot morren wilde stemmen, • oud hij in het Huis des Heeren kracht, om met volle overgeving aan Gods heiligen wil, in zijne zware taak te volharden. Wanneer het vuur der driften hem soms van het pad der deugd had afgeleid , vond hij in Gods woonstede vergiffenis voor zijne zonden , rust en vrede voor zijn gemoed.

O ja, de Dorpskerk is den landman dierbaar, want daar. langs die grijze muren des tempels, rust, onder gewijde aarde, in de schaduw van het heiligdom, de asch zijner vaderen . en

-ocr page 435-

KERKWIJDING.

liij zou sidderen bij de gedachte, dat hij daar niet zou worden begraven, waar zijn vader en zijne moeder, zijne bloedverwanten en zijn onvergeetlijk kroost reeds ter ruste zijn gelegd , en den blijden dag der Verrijzenis afwachten. .Ta, die kerk is hem dierbaar, want het is do kerk zijner geboorteplaats, het is zijne kerk. Het is dan ook zeer natuurlijk, dat zijne kerk hem naauw aan het harte ligt, en hij een afkeer gevoelt van hem. die zijne kerk niet bemint en haar slechts als eene gewone woning beschouwt. Zijne liefde voor zijne kerk is levendig, omdat zij rein en zuiver is: zij is vurig, omdat hij op het voorhoofd zijner kerk twee teekenen ziet, die haar eerbiedwaardig maken, namelijk, het teeken der Godsdienst en der Oudheid.

De Oudheid! Zijne kerk. immers, staat daar reeds eeuwen en eeuwen lang. Zijn vader en zijne moeder, zijne grootouders en hunne voorvaderen hebben in diezelfde kerk gebeden. I\'.r is niets in het dorp, dat, wat oudheid betreft, met haar kan vergeleken worden. Instellingen, die door alle menschlijke kracht waren geschraagd, en eeuwen aan eeuwen moesten duren . Republieken, Koning- en Keizerrijken heeft de landman zien aanvangen en vervallen, gelijk in den herfst het verdorde loover van de hooge populieren nederstuift. Te midden van al die verwoestingen , staat z ij n e kerk pal . gelijk een onbeweegbare rots; en, terwijl alles rondom haar in den afgrond der vernietiging nederploft, blijft zij haar, van glans en glorie glinsterend voorhoofd, kalm ten hemel heffen. lederen dag, ieder uur brengt in de landsregeringen, in de kunsten en wetenschap iets nieuws te voorschijn, maar wacht slechts tot morgen, en dat nieuwe zal reeds versleten, den volgenden dag door wat anders vervangen en den derden dag der vergetelheid prijs gegeven zijn ! Zoo gaat het met de aardsche zaken, maar zoo gaat het niet. met de kerk. Daar hoort de landman eeuwig en altijd hetzelfde Evangelie, dat nooit vergaat. Terwijl de geleerdste wetten gedurig gewijzigd, hermaakt en atgeschaft worden, en de landman de eene wet boven op de andere aan het raadhuis ziet vasthechten, hoort hij onder de gewelven zijner kerk altijd hetzelfde Credo, dezelfde tien geboden, denzelfden Pater n o s t e r , hetzelfde 11 e M i s s a es t. Geene magt dezer wereld heeft van dat alles een enkel woord kunnen afnemen, of een enkel woord, zelfs niet de schaduw eener komma er aan kunnen toevoegen. lederen morgen en iederen avond klinkt, van af den hoogen toren de klok zijner kerk. en wekt de

309

-ocr page 436-

KERKWIJDING.

inwoners van liet dorp en de afgelegen gehuohtcn, om dienselfden God te aanbidden, dien hunne voorouders hebben aangebeden en vereerd.

Dit tegenstrijdig verschijnsel treft den landman, en zijn helder verstand doet hem, met éénen blik, twee wonderen daarin ontwaren, die hem tot nadenken brengen: hij herinnert zich , op den kerktoren dundoeken van allerlei vorm en kleur, tweekleurige, driekleurige, roode, blaauwe, witte en n\'eele te hebben zien wapperen: de eene vlag heeft de andere vervangen; slechts als trekvogels hebben zij een oogenblik op den toren vertoefd, maar geen enkele heeft er genesteld : geen levendiger bewijs kan hij hebben van de verganklijkheid der menschelijke dingen, en van de onophoudelijke verandering van het wereldlijk bewind; maar, boven al die vlaggen, heeft hij steeds hetzelfde Kruis ontwaard, hetwelk zijne voorouders er reeds op hebben gezien, en hij is innig overtuigd, dat, wanneer hij er ook niet meer zal zijn, zijne kinderen nog immer hetzelfde Kruis zullen aanschouwen. Luide verkondigt hem dat Kruis, dat onbeweeglijk en onveranderd zooveel nienschlijke grootheid aan zijne voeten heeft zien nederzinken en vergaan, en ziek zegevierend boven al die puinhopen verheft, dat Christus niet regeert gelijk de meuseh, en zijn rijk nooit een einde neemt. Dit alles begrijpt de landman, zonder een doolhof van redeneringen te doorloopen. en daarom hecht hij zich met hart eu ziel aan zijne Kerk. In haar voortdurend bestaan alléén ziet hij klaar en duidelijk den vinger Gods, en de vervulling der belofte van haren godlijken Stichter, ik hen met n alle (Imjvn, tot het einde der eenwen toe.

lïn toch is die Kerk, die de eeuwen tart, op alle mogelijke wijzen bestormd geworden : men heeft haar aangerand met het zwaard, met het vuur. met valsche wetenschap, met list, met bespotting en hoon. Van alle kanten zijn woedende vijanden, die haren ondergang hadden gezworen, op haar losgestormd; men heelt haar belaagd van onder en van boven, links en regr.s. Maar sterker dan de sterkste vesting met hare honderde vuurmonden en meer dan honderd duizend bajonetten, staat de Kerk daar, trots al die stormen, ongedeerd, vollevenen kracht, gelijk een onbeweegbare rots, te midden der woeste baren van de zee.

Dit feit, dat klaarblijklijk getuigenis aflegt van het godlijke der Kerk, door Christus Jesus gesticht, is zonder weerga in de jaarboeken der geschiedenis; alle geleerdheid der godloozen

400

-ocr page 437-

kerkwijding.

is niet bij magte, het weg te redeneren of de bewijskracht er van te ontzenuwen. De landman ziet, gevoelt en begrijpt volmaakt goed dit verbazend feit, en de gevolgtrekking, die er in opgesloten ligt; en juist daarom bemint hij zijne Kerk als bet heiligste en het eerbiedwaardigste, wat hij op aarde vindt.

O landman! o mijn vriend! vraag mij dus nooit, waarom de Heere .Tesus zijne onverdelgbare Kerk uiterlijk 7,00 zwak heeft willen doen zijn, te midden harev magtige vijanden : want, ook dit is een geheim van liefde, en wel van liefde jegens u: daarin immers ontvangt gij dagelijks een d u b b e 1 bewijs van de god-lijkheid der Kerk, door de getuigenis va,i hen. die haar beminnen en door de magtlooze aanvallen van hen, die haar haten. Oij behoeft uwe oogen slechts te openen, om de waarheid te vinden, die redding aanbrengt en zaligheid schenkt. Hoe voordeelig is dit voor u, die ook behoefte hebt aan waarheid, maar haar iu de boeken niet kunt gaan opsporen, omdat gij uwe dagen iu werken en zwoegen doorbrengen moet. Maar nu is hef niet noo-dig, dat gij, 0111 de waarheid te vinden, de boekzalen der geleerden binnentreedt : immers, met brandende letters, ziet gij door de stift der geschiedenis op den gevel uwer Kerk deze hoogst belangrijke woorden geschreven : « Ik ben met u, alle dagen, tot het einde der eeuwen; de poorten der hel zuilen tegen haar niets vermogen.quot; En zoo bewaarheidt zich ook voor u, wat een groote wijsgeer heeft gezegd : «de waarheid is zoo 11 moeilijk niet te vinden : hij, die van goeden wil is, behoeft 11 slechts de oogen te openen, om haar te zien, en hij vindt baar «niet in vergelegen landen, maar, rustig neergezeten, aan de ii deur zijner woning, waar zij dengene verwacht, die haar zoekt w ku haar bemint. quot;

401

27

-ocr page 438-

DE LAATSTE ZONDAG

VAN

HET KERKLIJK JAAR.

1 S3jSET Kerklijk jaar is ten einde: de laatste Zondag, die UMjJhet besluit , is aangebroken. Mijn God ! hoe rijk was ook wederom dit jaar voor ons aan genade en allerlei zegening! Hoevelen zijn er door de wateren des Doopsels gereinigd, en tot kinderen des Allerboogsten aangenomen! Hoevele anderen hebben de heiligmakende genade, welke zij door hun eigen schuld hadden verbeurd, in het heilig Sakrament van Boetvaardigheid wederom teruggevonden ! Hoevele regtvaardigen hebben, door Gods hulp, op den weg der deugd volhard, en zijn al hooger en hooger in volmaaktheid en heiligheid gestegen! Hoe dikwert heeft de goede God niet ons verstand verlicht, ons hart verwarmd en onzen wil versterkt! Hoe dikwerf heeft hij ons niet met het brood der waarheid en met zijn eigen Ligchaam en Bloed gespijsd ! Aan hoevelen, die het huis hunner eeuwigheid zijn binnengetreden, heeft hij niet een zaligen dood verleent!

Dankbaar herdenkt onze Moeder de H. Kerk die tallooze blijken van genade, in den loop van dit jaar, aan hare kindereu geschonken. Zij wil, dat wij ons met haar vereenigen, om Hem te loven, te prijzen en te danken, die de bron en de oorsprong is van al het goede, dat ons ten deele viel. Daarom is, op eenige plaatsen, de plegtige Hoogmis van dezen dag eene Mis van dankzegging, en die wordt opgevolgd door eene Processie, gedurende welke aanhoudend lof- en dankliederen worden gezongen. Doordrongen van de diepstgevoelde erkentlijk-heid, stemt de Kerk, door den mond des Priesters,het eeuwen-

-ocr page 439-

DE LAATSTE ZONDAG VAN HET KEEK LIJK JAAR. 403 oude maar altijd jeugdig-schoone Te, Deum, la u dam us aan. Zij roept hare kinderen toe : laat ons den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest danken; loven en prijzen tvij Hem, in Eeuwigheid. Maar zij voelt, dat hare tonnen te zwak zijn, en dat hare dankzegging niet in verhouding is met de uitgestrektheid van quot;s Heeren gaven en gunst. Zij kan er zich dan ook niet bij bepalen, alléén met hare kinderen haren Weldoener en diens gaven te prijzen : zij roept alle schepselen op, om hun danklied bij het hare te voegen, en hunne stem met de hare te vereenigen. ,/ Dat alle werken des Heeren — zoo roept zij — den Schepper prijzen en hem verheerlijken in eeuwigheid! Engelen Gods en krachten des Hemels, zon, maan en sterren, looft uwen Schepper! Daauw en regen, vuur en water, koude en hitte, ijs en sneeuw, dagen en nachten, licht en duisternis, prijst den Heer! Hemel en aarde, bergen en heuvelen, bloemen en planten, zee en rivieren, visschen des waters en vogelen der lucht, en gij ook, gij dieren, die in de vruchtbare weiden uw voedsel vindt, of in de woestijn en in de donkere wouden woedend brult, looft uwen Schepper, prijst den Heer! Dienaars des Heeren, Priesters van het heiligdom, en gij allen, regt-vaardige zielen, hetzij gij nog op de zee der verganklijkheid ronddobbert, hetzij gij reeds de zalige haven der eeuwigheid zijt binnengeloopen, looft uwen Schepper, prijst uwen Verlosser, looft en verheerlijkt hem, in tijd en eeuwigheid !quot; Met deze dankliederen op de lippen, verlaat de Processie het altaar, en met diezelfde gezangen, keert zij, langs de grijze tempelwanden, naar het altaar terug.

Zoo ook treedt de mensch uit Gods hand de wereld in; maar voor God-alléén geschapen, moet hij ook wederom tot God, als tot zijn laatste einde, terugkeeren. Wij hebben hier geene vaste woonplaats, wij zijn slechts pelgrims, die terug reizen naar hun vaderland. Gelukkig, voorwaar, indien ons leven, gelijk heden de zang der feesfprocessie, een aanhoudend dank-

-ocr page 440-

lOi DE LAATSTE ZONDAG

en loflied is voor den driewertheiligeii God! dan zullen wij, na onzen pelgrimstogt, voor het altaar des Allerhoogsteu, voor den troon zijner glorie verschijnen, en hem daar aanschouwen, niet meer gelijk op onze altaren, bedekt eu verborgen, maar van aanschijn tot aanschijn, in volle kennis en in het volle licht. Eerbied, liefde en zaligheid zullen ons voor dien troon doen nederknielen, om er het eeuwig loflied der verlosten aan te heffen en te eindigen nimmermeer.

Het einde van het Kerklijk jaar zegt ons in zijne beteeke-nisvolle taal, dat die dag der verheerlijking weldra voor ons zal aanbreken; want, zoo pijlsnel als dit jaar, zullen ook de overige jaren vervliegen, die ons resten hier beneên; zij zullen verdwijnen als een rook, en de dag des oordeels en der eeuwigheid zal zoo straks voor ons daar zijn. Gelukkig, nogmaals, hij, die, in dit kortstondig leven, Gods genade zóó gebruikt en den wil des Heeren zóó volbragt zal hebben, dat hij in het oordeel genade, en in de eeuwigheid de belooning zijner deugd en zijner verdiensten erlange !

Tot deze ernstige gedachten stemt ons bijzonder het Evangelie van dezen Zondag, waarin de jongste en schriklijkste der dagen de

Dag van jammer en ellenden,

Die des werelds loop zal enden,

wordt aangekondigd, waarop de bazuin des oordeels ons, en alle geslachten, die ons zijn voorgegaan of hebben opgevolgd, zal toeroepen : s(aat op, ó do oden, en komt ten oordeel\'.

Zalige waarheid, die ons met de vreeze des Heeren vervult, tegen de bekoring versterkt, van de zonde, die alleen in dat oordeel te vreezen is, bewaart, de nietigheid van al het aard-sche doet beseffen, en ons met den Wijzen man en met den gelukzaligen Thomas k Kempis doet uitroepeu : ijdelheid der

-ocr page 441-

VAN HET KERKLIJK J AAK. 405

ijdelheden, en alles is ijdelheid, behalve God te beminnen, en te dienen Hem-alleen.

LOFZANG.

De Jongste dag.

Eens eindt de worsteling der tijden.

Vervult zich \'s werelds barensnood,

Schilt goed en kwaad zich, vreugd en lijden

En \'t eeuwig leven van den dood !

Eens klieft de wraakbazuin de wolken,

En, bij het angstgeschrei der volken,

Galmt luider steeds haar schrikbaar uitgeholde toon ! Daar stort het zonlicht van zijn troon !

Daar verwarren Zich de starren.

Zwicht de natuur!

Grijpt het vuur Om des aardrijks krakende assen; De oceaan huilt in zijn plassen !

Aller elementen kracht Vecht in vlammen! Uit den nacht Spuwt de brand met vonkenloover. Bliksemstraal en slag te voor!

Rolt bergen over,

Afgrond door!

Totdat \'t eerste rotsgesteente,

\'t Diep gebeente Van de wereld, dondrend kraakt.

En in laaije vlammen blaakt !

Maar wie redt uit dit vuur ? —

Wie, als straks, zonder krachten,

-ocr page 442-

DE LAATSTE ZONDAG

Weer de eerste baijert drijft,

en \'t Scheppingswoord blijft wachten; Wie dan, wie spreekt hem toe ? —

Gij, mijn onzigtbre God, dien \'k knielend hulde doe.

Wie dan zal niet vergaan in d\'at\'grond? — Wie herrijst?

Vloeit uit, vloeit uit, mijn dankbre zangen !

Zij zullen \'t leven weer, voor immer weer erlangen.

Mijn God ! al die Gij spijst!

Overweging.

De heilige Augustiuus sprak eertijds deze zoo solioone, zijn hart zoo waardige woorden : « Mijn Zaligmaker is altijd schoon, «in welken toestand hij zich ook hevinde: hij is schoon in n den Hemel, en schoon op de aarde; hij is schoon in den schoot //zijns Vaders, en schoon op de armen zijner Moeder; hij is /, schoon in zijne wonderen, en schoon onder de geeselslagen ; « hij is schoon op het kruis, en schoon in het graf; hij is altijd n mijn Zaligmaker, en in mijne oogen altijd onvergelijklijk n schoon.quot; Dat zijn ook de gevoelens van den waren geloovige, ten opzigte zijner Godsdienst. Zij is altijd groot in zijne oogen, zij heeft voor hem altijd eene verrukkende schoonheid; zij is schoon op het Kapitool, gezeten op den troon des Cesars, en schoon ook wanneer zij genoodzaakt is, in de Katakomben schuil te gaan; zij is schoon, wanneer de koningen het stof harer voeten komen kussen, en het zich tot eene eer rekenen, haar te dienen, en schoon ook wanneer zij voor hunne vervolgingen vlugt; zij is schoon in hare vergulde tempels, en schoon ook np den bemosten rotssteen, die haar tot altaar dient. De Hemel, die altijd zijne oogen op haar gevestigd houdt, is verrukt over hare schoonheid en beveelt zijnen Profeet, haren lof te zingen, met deze ivoorden ; icat zijn uuie tenten schoon. o Israël, en welk volk kan met u worden gelijk gesteld !

Wonderlijke inrigting der Christlijke godsdienst ! V oor haar zijn alle tijden het jaargetij der glorie! In den vrede, zegt een kerkvader, versieren de goede werken harer kinderen haar met een lieflijk wit, en gedurende de vervolging, verwt het bloed harer martelaren haar met schitterend purperrood ; zoo ontbreekt

-ocr page 443-

VAN MKT KERK LIJK J AAK.

liet haar nooit aan leliën of rozen; op liet liemelsoli slagveld levert de vrede zoowel als de oorlog bloemen op, om de soldaten van Jesus Christus er mee te kroonen.

Ziedaar, wat wij weten van de lotgevallen des Christendoms; het verledene verzekert ons de toekomst. Gedurende achttien eeuwen heeft het alles zien instorten, alles zien vergaan. De hechtste instellingen zijn verdwenen; de tijd, die over de steden heenging, heeft ze in gehuchten of wildernissen veranderd ; de omwentelingen hebben de grootste rijken onder den voet quot;•ehaald, en hunne puinhoopen verstrooid : het Christendom-al-leen is staande gebleven, en al die dooden hebben, toen zij in het «raf nederdaalden, en zonder hoop op terugkeer van het schouwtooneel dezer wereld verdwenen, aan het Christendom dezen roem vollen groet toegeroepen: wij gaan voorbij, wij sterven, maar gij leeft, gij blijft altijd dezelfde en uwe jaren eindi-u-en niet ! Zoo zullen alle geslachten het Christendom groeten. Het Christendom van den hemel gezonden , om het menschlijk quot;•eslacht te verlichten, te troosten en gelukkig te maken, zal de aarde eerst verlaten, nadat het den laatsten mensch de oogen zal hebben gesloten. Dan eerst zal het ten hemel stijgen, te midden der hemelsche liederen, te midden van den lofzang der eeuwigheid, dien de koninklijke Profeet op aarde had begonnen : „ de wereld ging voorhij, maar gij duurt langer dan de wereld : gij dv-urt eeuwig, dewijl gij de Waarheid zijt en dewijl de Waarheid eeuwig is. Veritas Domini manet in tetermm.quot;

407

»-=3 —

-ocr page 444-

mSiKBsm

mmmm MB

iiiilPli

-ocr page 445-

INHOUD.

Bladz.

Voorrede..............................v

De Advent............................1

Lofzang. Creator alme siderum, door Br. Wap. 5

Overweging, Rass en Weiss..................H

Sint Nicolaas. Naar ,/ de Tijd.quot;.......8

Lotzang. Iste Confessor, door Br. Wap .... 12

Overweging. H. Petrus Chrysologus......12

Onbevlekte ontvangenis van Maria.....14

Lofzang. Virgo virginum prseclara, van Z. E. den

Kardinaal von Oeissel, door Sm iets......25

Overweging. H. Bernardus..........28

Quatertemperdagen...........28

Lofzang. Br. Wap............36

Overweging. Z. B. Hoogiv. van Vree......42

Kerstmis...............45

Lofzang. Stabat Mater speciosa, can Fr*. Jacopone,

door Br. Wap............51

Overweging...............53

De H. H. Onnoozeli Kinderen. Walsh.....54

Lofzang. Tondel.............60

Overweging. Vrij naar Hirscfier.......61

-ocr page 446-

— 410 -

Nikuwjaar..............64

Lofzang............,...67

Overweging. Walsh............69

din ^koningenfeest............70

Lofzang. Cru del is Herodes, door Br. Wap. . . 76

Overweging...............77

Het feest van den zoeten Naam Jesus .... 78

Lofzang. Poirters.............82

Overweging...............83

M aria-Lichtmis.............85

Lofzang. De gewijde Kaars, door Smiets. ... 91 Overweging. Col war, Bisschop van Mainz ..... 96

De Vaste...............99

Lofzang. Audi, benigne Conditor, door Br, Wap. 108

Overweging. H. Leo............109

Aschwoensdag..............111

Lofzang. Uifvaartgroet der Grieksch-Katholijke Kerk. Uit het Grieksch der VII. eeuw, door B. Wap . 119

Overweging. Vrij naar Gaume........122

Sint Joseph. Nonhuys...........126

Lofzang. Te, Joseph, celebrent, door Br. Wap. . 133

Overweging. Bom G vér anger.........134

Feest deii zeven Weeën van Maeia......136

Lofzang. Stabat Mater dolorosa, door Br. Wap . 140

Overweging. H. Bernardns.........142

De goede week.............144

Lofzang. Salve mundi salutare, van den H. Ber-

nardus, door Br. Wap.........148

Overweging. Bossuet...........150

Palmzondag..............153

Lofzang. Vexilla Regis prodeunt. door Br. Wap. 165 Overweging. Croisset...........166

-ocr page 447-

Gokde Donueruag............167

Lofzang. Pange, lingua, door Br. Wap .... 188 Overweging. Z. Ëm. Kardinaal van Diepenhroek . . 190

Goede Vrijdag. Van der Ploeg........193

Lofzang. Het Lijdenslied der Pifterari van Rome,

door Smiets...............196

Overweging. Van der Horst.........199

Goede Zatürdag.............200

Lofzang. Ex uit et, van den H. Atigustinns, door Br.

Wap................214

Overweging. Z. Em. Kardinaal Giraud.....218

Paschen...............220

Lofzang, door Br. JVap..........228

Overweging.............. 230

Beloken Paschen............2.\'i3

Lofzang. Ad regias Agni da pes, door Br. Wap. . 235

Overweging..............237

Maria Boodschap............239

Lofzang. Romance, van Lopez de Vega, door Smiets. 2i-5 Overweging. H. Augustinus.........219

De Meimaand.............250

Lofzang. Het ,/ Omni diequot; van den II. Casimirus, door

Schoofs...............253

Overweging. H. Bernardus.........257

Kruisvinding..............258

Lofzang. Vondel.............262

Overweging. Nouhut/s...........261

Kruisdagen..............265

Lofzang. De Processie op de Kruisdagen .... 268

Overweging. Gaume............270

Hemelvaartsdag.............2?i

-ocr page 448-

— 412 —

Lofzang. Salutis humanse sator, door Br. Wap . 274

Overweging. H. Awgustinus.........275

Pinksteren..............275

Lofzang. Veni Creator Spiritus, door Br. Wap . 286

Overweging. Haakman...........28/

Het feest der heilige Drievuldigheid . . . , 290

Lofzang. Vondel.............295

Overweging. 2homan a Ken/pis........290

H. Sakramentsdag............29s

Lofzang. Lauda Sion, door Br. Wap......304

Overweging. Bode............306

Feest van het heilig hart van .tesus.....309

Akte van Toewijding aan het H. Hart van Jesus . . 310

Lofzang. Jesu, dulcis memoria, door Br. Wap. . 319

Overweging. Alexander Prim van Hohenlohe. . . . 325

Sint petrus en paulus..........320

Lofzang. Stalpaert van der Wiele.......329

Overweging. Broere............331

De ten-hemel-opneming van maria......33 i

Lofzang. Van der Ploeg...........335

Overweging. Van der Horst.........34-

Engelen-bewaarders...........343

Lofzang. Custodes horainum psallimus angelos,

door Br. Wap.............347

Overweging. H. Bernardm.........348

Maria-geboorte.............350

Lofzang. Ave, maris stel la, door Br. Wap . . .353

Overweging. H. Bern ar du*.........354

Kruisverheffing............350

Lofzang................35S

Overweging. Buttler...........359

-ocr page 449-

— 413 —

Allbrheiligendag. Van der P/oeg.......•i\'54

Lofzang. Placare, Christe, servulis, door Lr.

Wap................^69

Overweging. Frentrop...........

De gedachtenis van alle overledenen.....373

Lofzang. Dies irse, door Br. Wap.......377

Overweging. Het graf tier Ouders, door -Tais. • • • 380 De H. Willibrordus , Aartsbisschop, Apostel

der Nederlanden. Hessevelt.......383

Lofzang. Bede aan den H. Willibrordus. Van der Ploeg. 387

Overweging. Van Meel...........388

Kerkwijding..............389

Lofzang. Coelestis urbs, Jerusalem, door I)r. JVap 397

Overweging. Kaudf............398

De laatste zondag van het kerklijk jaar . . . 403 Lofzang. De jongste dag. Broere en Van der Ploeg. 405 Overweging. Polge............406

----

-ocr page 450-
-ocr page 451-
-ocr page 452-
-ocr page 453-
-ocr page 454-
-ocr page 455-
-ocr page 456-