-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

quot;^0 0^30X3:^1^0?

BETREFFENDE

H£T AFRICHTEN VAN DE PAARDEN

DER

CAVALERIE.

-ocr page 6-

BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT

3088 837 8

-ocr page 7-

N9 143.

VOORSCHRIFT

KKTREFFENUK HET

AFRICHTEN

Paarden der Cavalerie

^ 4 /j ij quot;X - ---

1 1 U]

\\

gt;\'*S\' O/,

!■ -.-i. c /

I r :»\' gt; vv \'

\\ -r * x m • /

■v , - gt; \' /

BREDA.

DIC KO^vfNKT.TjKI-; MILITAIRK ACADEMIE. 1898.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

f INHOUD.

Biadz.

§ I. Doel der africhting en vereischten van een

goed afgericht cavaleriepaard..........i.

§ 2. Vereischten van den onderwijzer .... 2.

§ 3. De verschillende gangen.......4.

§ 4. Tuigen en toestellen, waarvan bij de africhting wordt gebruik gemaakt......10.

§ 5. Eerste behandeling der jonge paarden . . 14.

§ 6. Beweging aan de hand in de open lucht . 19.

§ 7. Het longeeren van jonge paarden.... 20.

HOOFDSTUK I.

Voorbereidende Africhting.

Eerste Gedeelte.

^ 8. Het gewennen aan het op- en afstijgen en

het dragen van den ruiter......28.

S 9. Het eerste berijden.........33.

§ 10. Hel teugelwijs maken........37.

quot; Tweede Gedeelte.

§ 11. Het buitenrijden..........39.

I

-ocr page 10-

i n h o U d.

HOOFDSTUK II.

Eigenlijke Africhting.

Bladz.

§ 12. Tijdstip waarop met de eigenlijke manége-dressuur wordt aangevangen ; verdeeling van

den africhtingstijd.........44-

§13. Veranderde houding, die het paard door

de africhting moet verkrijgen.....45.

§ 14. Vereischte hoofd- en halsstelling .... 47.

§15. Slechte hoofdstellingen........48-

§ 16. Aanleuning op het bit........49-

Eerste tijdperk.

S 17. Aanmarcheeren..........51-

§18. Bijbrengen............51-

S 19. Buigen in gang..........54-

§ 20. Rijden met hoofdstelling, rijden in meer verzamelden draf en het maken van kortere

overgangen............57-

§21. Wendingen............60.

S 22. De sterke draf..........62.

§ 23. Het afzonderlijk rijden en het formeeren van

het gelid............63-

§ 24. Springen aan de hand........64.

Tweede t ij d p e r k.

S 25. Wijken voorden eenzijdigendruk der beenen. 66.

§ 26. Afbuigen............67.

.... 69.

vi

-ocr page 11-

1

INHOUD. VII

Bladz.

§ 28. Schouder binnenwaarts.......72.

§29. Schouder buitenwaarts........

§ 30. Travers.............-g.

a. Passade...........^g.

tgt;. Verandering van hand in travers. . . 80.

c. Travers langs den hoefslag.....Si.

d. Overschenkelen.........8^.

§ 31. Renvers.............84.

§ 32. Oefening in het verlaten van het gelid . . 86. § 33. Gewennen der paarden aan de trom en het

schieten.............88.

§ 34. Oefening buiten de rijbaan......qo.

Derde tijdperk.

§ 35. Verzamelde draf en het maken van kortere

overgangen............92.

§ 36. Galop.............q6.

§ 37- Teruggaan............io5.

§ 38. Zwenking op het midden.......ioq.

§39. A-Vending op de achterhand......110.

§40. Overwinnen van hindernissen.....m.

a. Het springen aan de hand.....114.

/gt;. Het springen met den ruiter . . . .118.

c. Het doorrijden van breede slooten . . 120.

lt;| Het beklimmen van steile hellingen. . 121.

e. Het rijden door moerassig terrein . .122. ƒ. Het zwemmen.........I22.

§ 41. Oefening in de open lucht......128.

\\

i_

-ocr page 12-

INHOUD.

Vierde tijdperk.

bladz.

§ 42. üpstangen................

§ 43. Besturing met de stang.......\'SS-

§ 44. Gewennen der paarden aan de sabel. . - 136-

§45. Gewone of exercitie-galop......l3T-

§ 46. Overgang in het veld-eskadron.....140-

HOOFDSTUK III.

Voltooiing der Africhting.

§ 47. Oefening der jonge paarden bij het veld-

eskadron ............141 quot;

§ 48. Op adem brengen.............

§ 49. Renloop.............

Aanhangsel.

Duigen aan de hand............

Oefening tusschen de pilaren.....I56-

viii

-ocr page 13-

VOORSCHRIFT

BETREFFENDE

AFRICHTEN

VAN DE

PAARDEN DER CAVALERIE.

§ I. DOEL DER AFRICHTING EN VEREISCHTEN VAN EEN GOED AFGERICHT CAVALERIEPAARD.

Ue africhting .heeft ten doel het paard door de eenvoudigste middelen aan den wil van den ruiter te onderwerpen, zijne krachten zooveel mogelijk te ontwikkelen en het tot een bruikbaar en duurzaam dienstpaard te maken.

Het cavaleriepaard moet onvoorwaardelijk aan de eischen van den ruiter gehoorzamen en de aan den dienst onafscheidelijk verbonden vermoeienissen kunnen doorstaan. Het moet gewillig voorwaarts gaan, de gevorderde tempo\'s kunnen aannemen en gelijkmatig bewaren, in alle gangen gemakkelijk wenden, vloeiend van den eenen gang tot den anderen kunnen overgaan en zonder moeite ophouden.

Het afgerichte paard moet voorts met de minst

-ocr page 14-

mogelijke krachtsinspanning, de gewoonlijk voorkomende hindernissen kunnen overwinnen en gewoon zijn aan het gaan, zoowel afzonderlijk als in het gelid, dit laatste gewillig verlaten en rustig blijven bij het gebruik der wapens en bij het vuren.

Meerdere eischen aan de africhting van het cavalerie-paard te stellen is doelloos, zelfs schadelijk.

Eene systematische africhting, die trapsgewijze in overeenstemming wordt gebracht met ouderdom, krachtstoestand, bouw, bevattelijkheid en temperament van het paard, zal zelfs een eenigszins gebrekkig paard voor den miliUiren dienst bruikbaar kunnen maken, terwijl eene onoordeelkundige behandeling die tegen den natuurlijken aanleg van het paard strijdt, zelfs goede paarden zal bederven.

§ 2. VERE1SCHTEN VAN DEN ONDERWIJZER.

Wil het onderwijs vruchten dragen, dan moet de onderwijzer met de volgende eigenschappen zijn toegerust :

1°. Voldoende bedrevenheid in het rijden, gepaard aan een juist rij kunstig gevoel.

2°. Eene voldoende mate van paardenkennis.

3». Een geoefend oog om de gemaakte fouten te beoordeelen en de middelen ter verbeteiing aan te

kunnen geven.

40. In staat zijn om zich in duidelijke, voor den ruiter begrijpelijke bewoordingen uit te drukken.

Bij het inprenten van bedaardheid en geduld aan

-ocr page 15-

3

I- den ruitei, trachte de onderwijzer lust tot den arbeid

q gaande te houden en zoo noodig op te wekken, en

;t den ruiter te overtuigen, dat flink en krachtig optreden

ij nimmer mag ontaarden in ruwheid, evenmin als zacht

heid in flauwheid en in een steeds toegeven aan den wil van het paard.

De onderwijzer zal zich niet alleen op de hoogte n moeten stellen van alles wat bouw, temperament en

i- geaardheid van het paard betreft, maar ook bekend

n moeten wezen met de eigenaardigheden van ieder

)r ruiter, met betrekking tot zijn karakter en zijne wijze

jl van rijden, ten einde de paarden op eene oordeel-

r- kundige wijze te kunnen indeelen.

n De onderwijzer moet zich in de rijbaan zoodanig

plaatsen, dat hij zooveel mogelijk alles goed kan overzien. De beste plaats is in den regel eenige passen van een der korte zijden.

Bij het onderricht moet de onderwijzer zijne bemer-le kingen kort, verstaanbaar en op kalmen toon maken,

e- Lange redeneeringen zullen den ruiter, die zijn volle

aandacht op zijn paard gevestigd houdt, vervelen en d door hem dikwijls niet begrepen, ja zelfs niet verstaan

worden. Hij moet niet veel in het algemeen spreken, maar ieder ruiter afzonderlijk terecht wijzen. De te commando\'s moeten slechts zoo luid worden uitgespro-

te ken, dat zij behoorlijk door de ruiters verstaan kunnen

worden; het is evenwel soms nuttig en dikwijls nood-;n i zakelijk de stem tot opwekking van ruiter en paard met nadruk te verheften.

in

-ocr page 16-

§ 3- VERSCHILLENDE GANGEN.

Aangezien de beginselen der rijkunst steunen op de wetten, die de bewegingen van het paard beheerschen, is een duidelijk begrip van de beweging in de verschillende gangen van het paard voor den africhter noodzakelijk, teneinde het onderscheid tusschen regelmatige en gebrekkige gangen te kunnen beoordeelen.

Men noemt een gang regelmatig {zuiver), als de beweging der beenen en hunne onderlinge samenwerking steeds plaats heeft op de wijze waarop ondervinding en wetenschappelijk onderzoek hebben aangetoond, dat zulks moet geschieden. Door afwijkingen van deze wijze ontstaan de gebrekkige {onzuivere) gangen, die een gevolg zijn van zwakte, bovenmatigen arbeid, gebreken of wel slechte africhting.

Er moet een bepaald onderscheid gemaakt worden tusschen de natuurlijke en de door africhting verkregen gangen. Bij de natuurlijke gangen van het paard, die nog niet door de africhting geregeld zijn, valt de zwaarte van het lichaam meer op de voor- dan op de achterhand ; de rug en de heupen worden hierbij stijf en verheven gehouden, terwijl in den regel in stap en in draf de hoefslag van de achterbeenen voorbij die der voorbeenen komt.

De natuurlijke gangen zijn : stap, draf en galop.

Stap. De stap geschiedt in 4 tempo\'s. Het stilstaande paard kan deze beweging zoowel met een voor- als met een achtervoet beginnen; dit zal afhangen van de wijze, waarop het op dat oogenblik staat. Staat het

-ocr page 17-

vierkant op een horizontalen bodem, zoo begint een voorvoet de beweging. Begint het paard de beweging b.v. met het rechtervoorbeen, dan is de opvolging aldus: rechtervoorbeen, linkerachterbeen, linkervoorbeen, rechterachterbeen.

Was echter het gewicht sterk op de voorhand, zoo zal eerst een achtervoet worden vooruitgezet. Staat het daarentegen met een voet terug, dan zal met dezen de gang worden aangevangen. Op een niet horizontalen bodem, zal die beweging met een voor-of achtervoet geschieden, naarmate het berg op- of afwaarts gaat.

Bij slappe, krachtelooze of trage paarden komt het voor, dat het oplichten van het voorbeen samenvalt met het neerzetten van het achterbeen aan dezelfde zijde, kenbaar door het klappen in de ijzers, dat men dikwijls bij deze paarden hoort.

Draf. Deze geschiedt in twee tempo\'s waarbij de schuin tegenover elkaar staande beenen gelijktijdig worden opgelicht en weder neergezet.

Galop. De galop geschiedt in 3 of 4 tempo\'s; in dezen gang bestaat een oogenblik van zweven. Het aantal tempo\'s hangt af van het meer of minder belast zijn van de voorhand.

Het geheel onafgerichte paard, waarbij de voorhand te veel belast is, galoppeert in 4 tempo\'s, dat wel langzamer maar niet verkort kan worden. Zelden is de beweging daarbij zacht, meestal stootend.

Is het paard door africhting buigzamer geworden ■en daarbij de voorhand minder belast, dan heeft de

-ocr page 18-

6

galop in 3 tempo\'s plaats. Alsdan vallen de gelijktijdige hoefslagen van een paar schuin tegenover elkaar staande beenen tusschen de afzonderlijke hoefslagen van het andere paar; van dit laatste paar begint het achterbeen den galopsprong, terwijl het voorbeen — waarnaar de galop heet — hem eindigt. Dus b.v. in galop rechts :

1. linker achterbeen

2. linker voor- en rechter achterbeen

3. rechter voorbeen.

Bij de door africhting verkregen gangen is het gewicht van het lichaam meer gelijkmatig over voor- en achterhand verdeeld; in sommige gevallen zelfs meer op de achterhand. De grootte der passen onderling is gelijk. Het opheffen en neerzetten der voeten geschiedt met gelijkmatige tusschenpoozen, de voorvoeten bewegen zich vrijer en hooger, de hoefslag der achtervoeten valt in stap en in draf niet meer voorbij dien der voorvoeten, terwijl hij bij den galop verder naar voren komt, dan tot dusverre bij den natuurlijken gang het geval was.

Men zegt dat een paard in rij kunstig evenwicht gaat, wanneer het zich met juiste gewichtsver-deeling beweegt, en daardoor in staat is, gehoorzamend aan den ruiter, op elk gewild oogenblik, door verplaatsing van het zwaartepunt, zijn snelheid te vermeerderen of te verminderen of wel te wenden.

Het verkorten en uitstrekken van het tempo in stap en in draf moet ontstaan door verkorting

-ocr page 19-

7

en verlenging der passen, waarbij de tijdmaat dezelfde blijft; daardoor ontstaan twee soorten van stap en drie van draf.

De vrije stap. De gewone exercitie- of vrije stap wordt met afgerichte paarden in het voorgeschreven tempo en in ongedwongen houding gereden ; de beweging moet vrij, levendig en ruim zijn. Deze stap moet bij alle oefeningen gereden worden.

De verzamelde stap. Deze wordt daarentegen in een verkort tempo met verzamelde houding, voornamelijk bij de africhting der paarden in de manége gebruikt, waarbij echter altijd het vrije voorgrijpen behouden moet blijven.

De gewone of exercitiedraf. Deze wordt in het daarvoor aangegeven tempo en in vrije houding bij alle exercitiën gebruikt.

De verkorte draf. Deze wordt in de manége in korter tempo met vermeerderde hoofdstelling en in verzamelde houding gereden, waardoor meer buiging en verheven beweging der beenen ontstaat. Daar echter niet alle paarden, hetzij door minder gunstigen bouw of uit gebrek aan kracht, dezen gang met juistheid kunnen uitvoeren, en deze, vooral bij verkeerd aangebrachte hulpen, nadeelig is, zoo moet de verkorte draf, waarbij steeds een gebogen ondertreden der achterbeenen moet gevorderd worden, met voorzichtigheid en kennis, slechts dan beoefend worden, wanneer het paard den gewonen draf met juistheid heeft leeren gaan. Gedurende de africhting komt men door de buigzaamheid, die het paard langzamerhand

-ocr page 20-

8

in al zijne deelen verkrijgt, waardoor sterkere verzameling mogelijk wordt, tot den verzamelden draf.

De sterke draf. Deze wordt alleen als africhtings-middel gebezigd, om de gangen van het paard en het voortdrijvend vermogen der achterbeenen te ontwikkelen.

In den sterken draf vallen de hoefslagen der achtervoeten vóór die der voorvoeten.

Bij den galop verricht het buitenachterbeen de grootste krachtsinspanning tot het vooruitwerpen van het lichaam en treedt het binnenachterbeen het verst onder.

Van de voorbeenen komt het buitenste eerst op den bodem en grijpt het minder bezwaarde binnenbeen het verst vooruit.

Tot het vooruitbrengen van het lichaarr;. in galop, dienen voornamelijk de achterbeenen. Degelijkheid der sprongen, de opgerichte stelling van hoofd en hals, de buiging van lenden en heupen en het meer op de achterhand overgebrachte gewicht van het lichaam, onderscheiden den door de africhting geregelden van den natuurlijken galop.

Bij de cavalerie komen drie soorten van galop in aanmerking : de gewone, korte en sterke galop.

De gewone of exercitiegalop. Hierbij moet de sprong gestrekt, laag langs den grond en daarbij zeer rustig zijn, opdat het paard dezen gang lang zou kunnen volhouden en daarin bij adem blijven ; want hoe rustiger en langer de sprong is, des te rustiger is ook de beweging der longen en juist dit alleen kan het paard doen volhouden. Om de paarden te sparen, moet de

-ocr page 21-

9

gewone galop zoo weinig mogelijk in de manége doch indien de weergesteldheid het eenigszins toelaat, steeds buiten op eene uitgestrekte vlakte, of op daartoe geschikte wegen met gunstigen bodem beoefend worden.

Het paard Tieeft hierbij het gewicht slechts zooveel op de achterhand gebracht, als voor eene vrije beweging der voorbeenen noodig is.

Dc korte galop wordt niet beoefend, dan nadat het paard den gewonen galop met juistheid heeft leeren gaan. Hierbij is het paard zooveel mogelijk in eene verzamelde houding, met sterk gebogen heupgewrichten.

Bij de africhting dient deze gang om het paard eene volmaakte houding te geven.

Hij moet evenwel behoedzaam beoefend worden, daar niet alle paarden zoo goed gebouwd en krachtig zijn, dat zij den korten galop in eene juiste houding en stelling kunnen uitvoeren.

Dc sterke galop moet zoodanig gereden worden, dat alle paarden kunnen volgen, zonder in den ren te vallen ; hij wordt hoofdzakelijk gebruikt om hen trapsgewijze tot den snelsten gang voor te bereiden.

Dc rcnloop is de snelste gang, dien het paard gaan kan en geschiedt in vier tempo\'s. Deze gang onderscheidt zich van den galop voornamelijk daardoor, dat de voorvoeten bijna gelijktijdig opgelicht en vooruit-gebracht worden, terwijl de achterbeenen zich met de meest mogelijke kracht van den grond afzetten.

Bij beide laatstgenoemde gangen moet de snelheid niet verkregen worden door eene snelle opvolging van

-ocr page 22-

IO

korte sprongen, maar integendeel door deze zoolang en zoover mogelijk vooruitgrijpend te doen zijn.

§ 4. TUIGEN EN TOESTELLEN, WAARVAN BIJ DE AFRICHTING WORDT GEBRUIK GEMAAKT.

Bij de africhting wordt, behalve van het model-zadeltuig, van de volgende tuigen en toestellen gebruik gemaakt.

De dubbele of af richtingstrens, samengesteld uit een gewoon hoofdstel met dik trensgebit en uit een tweede hoofdstel, bestaande uit een lang en een kort hakstuk, dat onder het eerste wordt geplaatst en waaraan een dunner trensgebit gegespt wordt. Aan elk der trens-ringen bevindt zich een teugel. Hierbij is nog een neusriem met doorloopend kopstuk en bakstuk, die onder de kopstukken der beide hoofdstellen gestoken wordt. Kop-, kin- en neusstuk zijn aan weerszijden in een kleinen ring genaaid, terwijl een geerpassant aan beide zijden de hakstukken met het neusstuk verbindt. Bij het gebruik wordt het kinstuk van den neusriem onder de trensringen vastgegespt.

In den regel wordt bij de africhting met de dikke trens bestuurd. Van de dunne wordt gebruik gemaakt bij paarden, die minder gevoelig in den mond zijn, en bij het rijden met hulpteugels.

In het algemeen moet het gebruik van hulp teugels zooveel mogelijk vermeden worden, en deze dan alleen aangewend, wanneer eene gebrekkige houding van hoofd en hals een nadeeligen invloed op het paard

-ocr page 23-

zoude uitoefenen. Hierbij dient men wel in het oog te houden, dat zij nooit dienen moeten om met geweld het paard een zekere plaatsing van hoofd en hals te geven, maar alleen om het aannemen van eene goede houding te bevorderen.

Voor de africhting doeltreffende hulpteugels zijn:

De martingale, bestaande uit een vorkgedeelte, ter Jengte van 25 cM., aan de uiteinden van een ring voorzien en een stooteinde met 8 gaten, gesp en passant, eveneens van 25 cM. Met het stooteinde wordt de martingale bevestigd door den ring van het voortuig.

Bij het gebruik worden de teugels der kleine trens gestoken door de ringen van de martingale, die ter hoogte moeten geplaatst zijn van de heupen van het paard, en met die van de groote trens in beide handen zoodanig verdeeld, dat zij evenals bij het gebruik van alle hulpteugels ook hierbij over den pink gaan.

Seidlefs bijzeiteugcl. Een hulpteugel, die dikwijls-zeer goede diensten bewijzen kan en in handen van minder geoefende ruiters niet de nadeelen heeft, aan de andere hulpteugels eigen, is de volgende:

Een teugel van ongeveer 2,30 meters is aan eeneinde van gesp en passant voorzien ter bevestiging aan den ring van het voortuig, terwijl op 0,40 meter van dit uiteinde een ring is aangebracht. Deze teugel gaat van den ring van het voortuig van onderen naar boven door een kinstuk, dat de ringen der kleine trens vereenigt of wel door den neusriem, vervolgens

-ocr page 24-

12

■door den op dezen teugel aangebrachten ring en wordt «indelijk in een der handen van den ruiter genomen. Het voordeel van dezen teugel is, dat hij zoowel in de rechter- als in de linkerhand gehouden en, waar zulks noodig is, aan den zadel kan bevestigd worden (nuttig bij paarden die met het hoofd slaan.)

De dubbele bijzetteugels bestaan uit teugels, die iets langer zijn dan de gewone.

Deze worden aan weerszijden aan den singel (hooger of lager naarmate van het doel, dat men beoogt) gegespt, gaan dan van onderen naar boven door de ringen der kleine trens en terug in de hand van den ruiter. Ook kan men deze teugels alvorens ze dooiden ring van de trens te halen nog door den ring van een martingale laten gaan, of wel, als men meer bepaald op eene zijdelingsche nekbuiging wil inwerken den aan den linkerkant bevestigden teugel dcor den rechter-trensring steken en in de rechterhand nemen, dien, aan den rechterkant gegespt, door den linker-trensring, in de linkerhand.

De Kaploom bestaat uit een gewoon trenshoofdstel, met dikke trens, doch zonder neusriem. Deze laatste -wordt vervangen door een tweede hoofdstel met een met leder bekleeden ijzeren neusriem, voorzien van drie ringen. Aan den middelsten wordt de longe vastgegespt, de twee buitenste dienen ter bevestiging van hulpteugels. De hakstukken van dit hoofdstel, moeten in het midden van een tweeden keelriem worden voorzien, om te beletten, dat zij bij het longeeren tot aan het buitenoog van het paard ver-

-ocr page 25-

13

schuiven, zonder dat het noodig is dit te voorkomen, door den ijzeren neusriem te vast aan te halen. Ter weerszijden aan het kopstuk van het trenshoofdstel is een ring genaaid ter bevestiging van de loopers, door welke de opzetteugels gaan. De laatste bestaan uit drie rondgenaaide gedeelten, waarvan twee, aan eene zijde voorzien zijn van een gesp, aan de andere zijde van gesp met stoot, ter bevestiging aan de ringen der trens. De andere einden worden verbonden door het derde gedeelte, dat, gestoken door den middelsten ring van den africhtingssingel, aan weerszijden een plat stooteinde heeft. Vérder behooren daarbij twee bij-zetteugels, die aan de beide ringen der trens en aan de buitenste ringen van den africhtingssingel worden gegespt.

Bij zeer gevoelige paarden is het dikwijls aan te bevelen, den ijzeren neusriem van den kaptoom van binnen te bekleeden met schapenvacht.

Een brccde of africhtingssingel voorzien van twee kussens en drie of meer ringen. De middelste dezer ringen, welke boven het midden van den zadel wordt geplaatst, dient bij het longeeren tot bevestiging van den opzetteugel; aan de andere ringen worden de bijzetteugels vastgemaakt.

Eene longc. van ongeveer 6 meters lengte, vervaardigd van sterk, buigzaam en licht singelstof of touw en voorzien, aan het eene uiteinde van een stoot met gesp en passant tot bevestiging aan ;den middelsten kaptoomring, aan het andere uiteinde van een oog en de noodige knoopen, om het glijden door de hand des africhters te voorkomen.

-ocr page 26-

X4

Eene sweep of chambrüre, bestaande uit een lichten, buigzamen stok van 2 meters, voorzien van een slagkoord van ongeveer 3 meters lengte.

Eene kanvats of een rij stokje.

§ 5. EERSTE BEHANDELING DER JONGE PAARDEN.

Zoodra de jonge paarden aangenomen zijn, moet de africhter onderzoeken, of zij zich op stal rustig laten behandelen, optrensen en de voeten laten opnemen voor het beslaan, ten einde die, welke zich daarbij onwillig betoonen, afzonderlijk, onder zijn toezicht, daaraan te gewennen en te voorkomen, dat bij een dezer verrichtingen met ruwheid worde te werk gegaan.

Het gewennen van kopschuwe paarden aan het optoomen, eischt vooral eene zeer voorzichtige behandeling.

De africhter laat zulk een paard door een behendigen €n bedaarden ruiter, aan wien het voor vast ter behandeling is ingedeeld, met den stalhalster aan, op de standplaats omkeeren. Deze ruiter (helper), aan wiens linkerarm de trens met teugel en kopstuk hangen, blijft, terwijl de africhter het uiteinde van den halsterketting, of wel dat van eene aan den halster gegespte longe in de hand neemt, bij het hoofd van het paard en zoekt, onder vriendelijke toespraak, het gebit in den mond te brengen en het kopstuk van de trens over de ooren te schuiven. Het eerste wordt spoediger verkregen, wanneer de helper,

-ocr page 27-

i5

in de linkerhand, bij het gebit tevens een weinig hooi neemt waarnaar het paard zal happen, en daardoor den mond openen, of door het strijken met een vinger over de lagen. Wijkt het paard terug, wil het den mond niet openen enz., dan mag daartoe geen geweld worden gebruikt, maar moet met volhardend geduld het optoomen zoo dikwijls worden beproefd, totdat het gelukt.

Het paard houdt den stalhalster zoolang aan, totdat het zich volkomen gewillig laat op- en aftrensen.

Paarden, die bij het opnemen der voeten lastig zijn, moeten steeds met de meeste zachtheid en het grootste geduld hieraan gewend worden. Blijven zij evenwel onwilligheid betoonen, zoo zal met vrucht van den kaptoom kunnen gebruik gemaakt worden.

Het paard wordt opgetoomd met trens en kaptoom, waaraan de longe is gegespt, en wordt op eene plaats gebracht, waar het zooweinig mogelijk afleiding heeft. Behalve de africhter zijn daarbij tegenwoordig een helper, die in het oplichten der voeten goed bedreven moet zijn, een man om aan het paard haver toe te reiken, wanneer de africhter dit noodig acht, en later de smid.

Tot het doen opnemen van een rechtervoet, neemt de africhter de longe in de rechter- en de trensteugels in de linkerhand, en plaatst het paard zooveel mogelijk vierkant op een effen bodem. Door het licht heen en weer schudden van den kaptoom, door geruststellende toespraak, door kloppen of strijken op het voorhoofd enz. tracht de africhter de aandacht

-ocr page 28-

van het paard tot zich te trekken en die zoodoende van de handelingen des helpers af te leiden.

De oefening wordt met de voorbeenen aangevangen.

Om den rechtervoorvoet op te nemen begeeft de helper zich met zelfvertrouwen tegenover den rechterschouder van het paard, met het gezicht naar diens hoofd gekeerd. Met de volle linkerhand tegen den schouder steunende, strijkt hij met de vlakke rechterhand, langzaam, maar niet te zacht, met het haar mede, van den schouder over het been tot onder aan den voet. Toont het paard zich hierbij onrustig, dan houdt hij onmiddellijk op, om hetzelfde te herhalen, zoodra het paard weder bedaard is. Kauwt of bijt het, dan geeft de africhter onder bestrafifende toespraak, een bestraffing met den kaptoom, geëvenredigd aan de gevoeligheid van het paard, en de mate der betoonde weerspannigheid.

De helper gaat met het strijken voort, totdat het paard zich gewillig den voet laat aanvatten; vervolgens plaatst hij den duim der rechterhand achter de koot en de vier vingers er voor, drukt met de linkerhand de voorhand een weinig links over, en heft het been eerst voorwaarts van den grond; daarna brengt hij, de knie buigende, den hoef tot aan den elleboog omhoog. Na het paard eenigen tijd in deze houding te hebben doen verblijven, wordt de voet jacht op den grond gezet, waarbij de linkerhand de voorhand links over blijft drukken.

Laat het paard deze behandeling van beide voorbeenen gewillig toe, dan neemt de helper, na den voet

-ocr page 29-

17

te hebben opgelicht, de houding aan als om het paard te laten beslaan, zorgdragende geen der gewrichten in eene tegennatuurlijke richting te buigen, noch, door het been te hoog op te lichten, het paard in een gedwongen en moeilijken stand te brengen.

Om den rechterachtervoet op te lichten plaatst de helper zijne rechterhand tegen de heup en strijkt het been van boven naar onderen tot aan den voet met de vlakke linkerhand, plaatst de vingers achter de koot en licht het been naar voren op. In deze houding moet het paard eenigen tijd verblijven om het te gewennen, op één achterbeen te rusten. De voet wordt weder zacht op den grond gezet, waarbij de rechterhand het paard links overdrukt. Laat het dit gewillig toe, dan wordt het been, nadat de voet naar voren is opgelicht, naar achteren gebogen, en de houding tot het beslaan aangenomen.

De africhter moet het achteruitslaan voorkomen, door op het oogenblik, dat het paard daartoe zijn voornemen met ooren of oogen te kennen geeft, zijne stem te verheffen en sterker met de longe te schudden. W anneer een voet is opgelicht moet dit zoo geschieden dat het paard niet terugkruipt, waardoor de helper genoodzaakt zou worden het been los te laten. Slaat het vóór dien tijd en heeft de africhter den slag niet kunnen voorkomen, dan moet hij het met den kaptoom streng bestraffen en eenige passen doen terug treden.

Vele paarden gaan terug om zich tegen het oplichten der voeten te verzetten; de africhter tracht dit door middel van de longe tegen te gaan ; gelukt dit niet, dan

-ocr page 30-

bestuurt hij de achterhand tot in een hoek en bestraft het paard daar gestreng met den kaptoom, waarna hij het weder onder vertrouwelijke toespraak op de vorige plaats terug brengt.

Om geen letsel te bekomen plaatst de helper zich, bij het achteruitslaan en bij het bestraffen door den africhter vlug tegenover den schouder van het paard. Laat het paard zich gewillig de vier voeten opnemen, dan gewent de smid het aan de beweging, die de hoef ondergaat bij het beslaan ; blijft het ook hierbij rustig, dan kan het onder toezicht van den africhter beslagen worden.

Jonge of vreesachtige paarden moeten met zachtheid en geduld behandeld, en in de eerste les, slechts met de beslagplaats, den africhter en den helper bekend gemaakt worden. Aan werkelijk boosaardige paarden, die echter zeer zelden voorkomen, moet aanstonds met den kaptoom ontzag voor den africhter worden ingeboezemd. Paarden, die ten gevolge van geneeskundige behandeling of gewelddadig beslag zijn bedorven, verzetten zich meestal slechts bij het opnemen van het beleedigde been. In dit geval wordt dat been het laatst in behandeling genomen. Is het paard alleen weerspannig bij het opnemen der achtervoeten, dan wordt het eerst van voren beslagen, en als het zich daarbij rustig houdt, met haver beloond.

De africhter moet de aandacht van het paard voortdurend tot zich trekken. Vooral op het oogenblik, dat er eene nieuwe beweging wordt uitgevoerd, moet hij trapsgewijze zijne stem verheffen en sterker aan

-ocr page 31-

de longe schudden, welke daartoe dicht bij den ring kan worden aangevat. Door het paard op het juiste oogenblik, en nimmer onrechtvaardig te straffen, waartoe men nauwkeurig de reden van het verzet moet nagaan, en door het niet te beloonen dan wanneer het zich gewillig laat behandelen, begrijpt het zeer spoedig wat van hem gevergd wordt, en zal het zich ook zonder uitzondering geneigd toonen aan het verlangen van den africhter te voldoen.

Na terugkeer van een wandelrit laat een man de gevouwen deken en den singel door het paard beruiken. Daarna beproeft hij die aan de linkerzijde op te leggen, en singelt niet vaster aan dan noodig is om de deken op hare plaats te houden. Aan de jonge paarden wordt dan nog eenige beweging gegeven.

Verzetten de paarden zich niet meer tegen het aansingelen, dan wordt op een der volgende dagen hetzelfde met den zadel herhaald. De zadel, van stijgbeugels en voortuig ontdaan, wordt voorzichtig en eenigszins naar voren op den rug geplaatst, daarbij zorg dragende den singel in den beginne niet te vast aan te halen.

Blijven de jonge paarden hierbij nog rustig, dan wordt op de gebruikelijke wijze opgezadeld.

§ 6. BEWEGING AAN DE HAND IN DE OPEN LUCHT.

Bij eene gepaste voeding en verpleging is het noodzakelijk, dat de remonten dagelijks, ongeveer ander-

-ocr page 32-

20

half uur in de open lucht beweging genieten, hetgeen plaats heeft aan de hand naast reeds afgerichte paarden.

Nuttig zal het zijn om, wanneer de paarden op den stal aan het opzadelen gewend zijn, bij deze beweging aan de hand steeds den zadel op te leggen.

§ 7. HET LONGEEREN VAN JONGE PAARDEN.

Bij de africhting van jonge paarden wordt van het longeeren gebruik gemaakt om degenen, die den ruiter nog niet mogen dragen, beweging te geven, looplust op te wekken, aan het zadeltuig te gewennen, vertrouwen in te boezemen en eenige gehoorzaamheid te leeren; verder vóór het berijden, naar gelang van hun temperament, den stalmoed te matigen en bij gevoelige paarden het optrekken van den rug te doen ophouden. Voorts ter verbetering van weerspannige of boosaardige paarden en in onderscheidene gevallen van bijzonderen aard, b. v. bij gebrekkig ondertreden der achterbeenen, moeilijke aanzetting van hoofd en hals, weinig nageeflijke ruggen enz.

Het paard wordt met of zonder zadel, met een breeden singel en kaptoom met longe in de rijbaan gebracht. De teugels worden aan de ringen van den singel min of meer gespannen en hooger of lager aangebonden of vastgegespt naarmate van den graad van bijgebrachte houding waarin het paard moet gaan.

Aanvankelijk laat men de teugels slechts matig in werking komen.

Tot het longeeren zijn in den beginne drie personen

-ocr page 33-

21

noodig; een van hen houdt de longe, de andere neemt de zweep : de longehcuder of africhter bestuurt de oefening, de zweephouder is helper. De derde persoon, die bij eenige oefening spoedig ontbeerd kan worden, leidt het paard op den weg, dien het door-loopen moet.

De kaptoom moet zoo worden aangebracht, dat hij op het onderste gedeelte van het neusbeen, doch niet op het kraakbeen, werkt.

De longe wordt aan den middelsten ring van den kaptoom vastgegespt.

Het verdient aanbeveling het eerste longeeren op de linkerhand aan te vangen, omdat het jonge paard reeds gewend is aan de rechterhand te worden geleid.

Wil nu de africhter daartoe het paard op den cirkel laten loopen, dan neemt hij het regelmatig opgenomen uiteinde der longe in de rechterhand, houdt met de linkerhand het begin daarvan dicht bij den kaptoomring vast, en stelt zich vóór het paard met het gezicht naar hetzelve toegekeerd. De geleider houdt met de rechterhand het paard bij het bakstuk der trens, met uitgestrekten arm naast het hoofd van het paard staande en met het gezicht naar de zijde gekeerd, waarheen het paard ziet.

De helper blijft rustig op zekeren afstand, doch gereed, om het terugtreden door het verheffen dei-zweep te voorkomen.

De longehouder geeft het teeken tot den aanvang, door een weinig op zijde, naar den linkerkant van

-ocr page 34-

het paard te gaan; de geleider leidt het recht vooruit en daarna links op den cirkel, die vooral niet te klein genomen mag worden: de africhter laat de longe van lieverlede door de hand glijden en begeeft zich langzamerhand, daarbij met de beweging van het paard medegaande, naar het midden van den kring, waarop het paard moet gaan; hij geeft den geleider de grootte van den cirkel aan en tracht de longe altijd licht gespannen te houden; hij zelf gaat eveneens in een kleinen cirkel mede, steeds tegenover het hoofd van het paard blijvende. Dit volgen in een kleinen kring is noodzakelijk, zoolang het paard nog aarzelt voorwaarts te gaan op den cirkel; is het daaraan gewoon, dan worden de hulpen van den longehouder duidelijker en regelmatiger, terwijl hij in het midden blijft staan en ronddraait in overeenstemming met de beweging van het paard.

De rechterhand steunt hij dan tegen de rechterheup, de linkerhand houdt het lange einde der longe zoodanig vast, dat de bovenarm zacht aan het lijf is gesloten en de voorarm daarmede ongeveer een rechten hoek maakt.

Heeft nu de geleider het paard eenige malen op den cirkel rondgeleid en blijft het daarbij rustig, dan laat hij het op aanwijzing van den longehouder los en laat het paard langzamerhand hem voorbij gaan, waarna hij zich buiten den cirkel opstelt.

De helper neemt de zweep in de rechterhand, laat het slagkoord los, en werpt dit van onderen naar boven in de richting der voorhand van het paard, of

-ocr page 35-

23

ook meer naar achteren, wanneer hij het wil aanzetten tot sneller gaan. Door het meer of minder wijzen en opheffen der zweep, heeft de helper het steeds in de hand de grootte van den cirkel te bepalen. De helper moet zijn blik steeds op het paard gericht houden, ten einde in medewerking met den longehouder de hulpen te kunnen regelen. Zal dit echter mogelijk wezen, zoo moeten beide personen niet alleen goed met de verrichtingen van hunnen werkkring bekend zijn en de hulpen zuiver, op het goede oogenblik, in de juiste wederkeerige verhouding aanbrengen, maar ook op de hoogte zijn van het doel, dat men beoogt. Zij moeten voortdurend hunne geheele oplettendheid op het paard gevestigd houden, opdat zij uit zijn gedrag, ja dikwijls alleen uit zijn voorkomen, het juiste oogenblik kunnen afleiden tot aanwending der hulpen of straffen.

Om het paard, dat op den cirkel stapt, den draf te doen aannemen roept de longehouder met eenigszins levendige stem : draf. De helper verheft daarop een weinig de zweep en werpt het slagkoord, van onderen naar boven, tegen het voorste gedeelte van den buik. Dit aanzetten met stem en zweep wordt zoolang herhaald, totdat het paard draaft.

Loopt het paard te snel, dan schudt de africhter met de longe slangsgewijze regelmatig heen en weer; hij regelt zich daarbij naar de gevoeligheid en het temperament van het paard, en spreekt het met eene zachte stem gerustellend toe: de helper brengt den stok van de zweep omlaag en houdt zich eenigszins

ruit

te

nge

ich

het

ng,

der

nge

en-

het

een

lOg

het

ien

in

en-

up.

00-

is

ten

-ocr page 36-

24

terug. Loopt het paard te langzaam, wil het in stap overgaan of maakt het toebereidselen tot omkeeren, dan verheft de helper den stok der zweep, nadert het paard, neemt een sterker gang aan, en raakt het, zoo noodig, met het slagkoord van onderen naar boven, tegen den buik. De africhter spreekt daarbij het paard opwekkend of dreigend toe en zorgt met de longe de beweging steeds vooraf te gaan.

Sommige jonge paarden loopen plotseling den kring binnen. In dit geval treedt de helper snel met opgeheven arm een paar pas langs de longe in de richting van het paard vooruit, wijst het: met de zweep af of tikt het op den binnenschouder aan; helpt dit niet, zoo treedt de africhter dadelijk vlug terug en neemt de longe snel op, zoodat die niet op den grond kan slepen en het paard daar overheen stappen. Het wordt dan opnieuw door den helper op den cirkel geleid.

Ontaardt dit naar binnendringen in eene gewoonte, zoo kan men den buitenteugel iets verkorten en met de zweep achter den schouder het paard aanraken.

Moet het paard van den draf in stap overgaan, dan roept de africhter met een lage en gerekte stem ; stappen-, en schudt zacht met de longe; de helper laat de zweep zakken en houdt zich een weinig terug.

De meeste paarden merken dit teeken zeer spoedig op, en zoodra de verwijdering van den helper geruststellend op hen werkt, worden zij meestal ook, slechts door het naderen van den helper, zonder dat hij daarbij eenige hulp met de zweep behoeft te geven, tot snellere gangen aanuezet.

-ocr page 37-

25

Vele jonge paarden nemen in de eerste dagen gaarne een onstuimigen galop aan. In dit geval zorgt de africhter dat het paard hem niet medeslepe, wanneer het daarbij buiten den kring, meestal naar den ingang der manége dringt; hij steunt de hand, welke het einde der longe vasthoudt, flink tegen de heup, spreekt het paard geruststellend toe, terwijl de helper de zweep laat zakken en zich terughoudt.

Het is geen groote fout, als het paard uit dartelheid eenige malen in galop rond loopt, in plaats van te draven.

Menig jong paard is zeer woest en onhandelbaar, wanneer het alleen in de manége genomen zijnde, al zijne gedachten op het verlangen naar gezelschap gesteld heeft; dikwijls is het dan zeer moeilijk om zijne opmerkzaamheid op den mensch te doen vestigen. Na het eenige dagen met geduld te hebben behandeld, gelukt dit evenwel gewoonlijk. Zeer verkeerd zou het zijn, het reeds dadelijk den eersten dag, streng daarvoor te behandelen.

Eene rustige, zeer geduldige, vertrouwen inboezemende behandeling moet steeds de grondtrek van den geheelen arbeid uitmaken, want door onvoorzichtige, ruwe rukken kan men de gewrichten van het jonge paard zeer licht beschadigen.

Om het paard op de andere hand te doen overgaan, doet men het eerst halt houden, waartoe men een oogenblik, kiest, dat het goed in den verlangden gang gaat. De longehouder roept op bedaarden toon : halt, en tracht gelijktijdig door slangsgewijze schuddingen

.

-ocr page 38-

26

met de longe, het paard te doen halt houden. Deze hulpen worden zoolang aangehouden, totdat het paard stil staat, en desnoods door een kleinen ruk daaraan meer nadruk bijgezet. De helper laat te gelijk de zweep geheel zakken en blijft staan. Gehoorzaamt het paard niet op deze hulpen, zoo laat de longehouder, door zelf in evenwijdige strekking te gaan, het paard recht op het beschot der rijbaan aanloopen en op deze wijze stilstaan of wel de helper plaatst zich bedaard vóór het paard. Heeft het paard halt gehouden, zoo begeeft de longehouder zich vooruitgaande er naar toe, rolt de longe op in de rechterhand en streelt het paard door het aan den hals en zacht op het voorhoofd te kloppen, terwijl hij het wat haver doet geven.

Alvorens hetzelfde op de rechterhand te herhalen, laat, in den beginne, de africhter het paard eenige minuten met losse teugels rusten.

Het kan zich zulke oogenblikken van rust seer goed ten nutte maken, door het paard recht op de vier beenen te plaatsen en de voeten beurtelings door den helper te laten oplichten.

Om het paard op de rechterhand in beweging te stellen, gaat de africhter langzaam naar het midden der volte terug, ontrolt daarbij de longe en houdt met de rechterhand het ontrolde deel daarvan vast. De helper gaat naast het hoofd van het paard, aan den rechterkant, neemt met de linkerhand het bakstuk van de trens, terwijl verder wordt gehandeld, als hiervoren is verklaard.

-ocr page 39-

27

Longe noch zweep mogen in de nabijheid van het paard op den grond worden gelegd. Heeft de helper met beide handen iets te verrichten, b. v. de teugels aan te binden of vast te gespen, dan neemt hij de zweep, met den stok naar achteren en omlaag, hoog onder den linkerarm. Heeft de africhter de longe los gegespt, dan hangt hij die op een arm, om beide handen vrij te hebben.

Ook bij het longeeren moet men slechts trapsgewijze met zijne eischen opklimmen en nimmer het paard door op- en bijzetteugels in eens eene veranderde houding willen geven, en vooral wel bedenken, dat naarmate de teugels korter worden ook de voortdrijvende hulpen dikwijls overeenkomstig versterkt moeten werken.

In sommige gevallen bijv. ; bij de eerste oefeningen in de zijgangen en bij het teruggaan kan het nuttig zijn, dat de onderwijzer den ruiter behulpzaam isT door het paard een kaptoom met longe aan te doen, teneinde het paard bij voortdurend verzet, nadrukkelijk te kunnen bestraffen of wel in de gelegenheid te zijn met karwats of zweep de hulpen van den ruiter te versterken.

Het is niet aan te raden, vooral met sterk bijgezette en opgerichte paarden veel en lang in stap te longeeren, daar het zeer moeilijk is, in dezen gang het paard aan den teugel te houden, of te beoordeelen of het aan den teugel gaat of niet. Het is verder zeer afkeurenswaardig om een sterk bijgezet (en opgericht) paard lang op de plaats te laten afknabbelen.

A

1

-ocr page 40-

28

daar het in deze beide gevallen zéér lastig is uit te maken of zij in het eerste geval aan den teugel gaan en in het tweede geval aan den teugel staan. De aanleuning is dan goed te noemen, wanneer het gespannen zijn der teugels het gevolg is van de werking der achterbeenen, zoowel in gang als stilstaande, daar zij anders ontstaan is uit het stijfhouden der nekspieren of door het hangen van de voorhand in de teugels.

HOOFDSTUK I. VOORBEREIDENDE AFRICHTING.

Eerste Gedeelte.

§ 8. Het gewennen aan het op- en afstijgen

en het dragen van den ruiter.

Wanneer het jonge paard aan zijne nieuwe levens-en voedingswijze gewoon is, een gezond voorkomen heeft, zich aan de hand in stap en draf voldoende krachtig beweegt, zal men het den ruiter leeren dragen, waaraan het gewennen aan het op- en afstijgen voorafgaat.

De paarden zijn gezadeld en met de dubbele trens getoomd.

De beide bitten der dubbele trens moeten zoodanig in den mond van het paard geplaatst zijn, dat zij niet

-ocr page 41-

29

in aanraking komen met de onderste baaktanden, noch de mondhoeken optrekken : het bit der groote trens iets hooger dan dat van de kleine.

Verkieslijk zal het zijn het eerste bestijgen te doen geschieden na terugkeer van een kleinen wandelrit met den zadel. In elk geval moeten de ruiters zorg dragen, dat de paarden reeds een half uur vóór den aanvang der oefening opgezadeld worden, zonder den singel te sterk aan te halen.

Behalve een ruiter, die op een afgericht paard aan het hoofd der colonne rijdt, moet zich bij deze eerste oefening bij ieder paard nog een helper bevinden, om den ruiter bij het opstijgen, en later bij het in beweging stellen, behulpzaam te zijn.

In de manége gekomen, wordt de ligging van den zadel nagezien, de singel zoo noodig iets aangehaald en de paarden, na eenige malen op de linkerhand langs den hoefslag te zijn rondgeleid, ten einde hen met de wanden vertrouwd te maken, met groote afstanden aldaar met de voorhand één pas naar binnen opgesteld. De ruiters zullen zich nu nogmaals met nauwgezetheid van de juiste plaatsing van den zadel overtuigen.

Tot de oefening in het opstijgen overgaande, vat de helper, die zich ter rechterzijde van het paard plaatst, met de rechterhand de hakstukken, met de linker- den stijgriem zoo hoog mogelijk aan. De ruiter streelt het paard aan hoofd en hals, neemt de teugels en een vlok manen in de linkerhand, klopt met de rechter- een paar malen zacht en daarna iets sterker op de zitting.

-ocr page 42-

30

-van den zadel. Blijft het paard hierbij rustig, dan wordt met de rechterhand de beugel aangevat, eenige keeren krachtig omlaag getrokken eenigszins van het paard verwijderd naar den linkervoet, dien de ruiter op het voetstuk van den beugel plaatst, zorg dragende het paard niet met de punt van den voet aan te raken. De rechterhand wordt nu aan den achterlepel gebracht, waarbij evenwel de ruiter zoo ver hij kan naar voren blijft staan. Deze houding blijft hij eenige oogenblikken bewaren, klopt afwisselend met de rechterhand in den zadel, drukt steeds sterker met den linkervoet in den beugel en verheft zich langzamerhand met den rechtervoet een weinig van den grond. Laat het paard ook dit gewillig toe, zoo geeft hij zich licht en veerkrachtig, doch langzaam in den beugel op, blijft hierin, met eenigszins over den zadel gebogen lichaam even staan; naarmate het paard hierbij min of meer rustig blijft, laat hij zich weer langzaam naar beneden en herhaalt deze oefening tot er volkomen rust in treedt; of wel hij brengt den rechtervoet over het kruis en zet zich zoo zacht mogelijk in den zadel, waarna hij voorzichtig, door den helper bijgestaan, ook den rechtervoet in den beugel geplaatst.

Bij het afstijgen moeten de ruiters en de helpers op dezelfde wijze handelen.

De ruiter brengt onmerkbaar zijn rechtervoet uit den beugel, verheft zich dan voorzichtig in den zadel, brengt het been over kruis en zet het goed naar voren op den grond neder. Hierop brengt hij even voorzichtig de linkervoet uit den beugel, waarbij hij dezen met

-ocr page 43-

3i

de rechterhand vasthoudt, en treedt onder voortdurend streelen en bedarend toespreken naar het hoofd van het paard vooruit.

Het toereiken van wat haver aan de paarden zal bij deze oefening dikwijls een gunstigen invloed hebben.

Blijven niettegenstaande alle voorzorgen sommige paarden weerspannig, zoo kan de onderwijzer den ruiter met longe en kaptoom behulpzaam zijn.

Zijn de ruiters opgestegen, zoo blijven zij even stilstaande het nageven van den rug afwachten, de helpers begeven zich aan den linkerkant van het paard, en vatten met de rechterhand het linkerbakstuk aan.

Aangezien men aanvankelijk niets anders beoogt^ dan de paarden het gewicht van den ruiter te leeren dragen en zich hiermede voort te bewegen, zoo moet deze ook in den beginne alle hulpen aan den onderwijzer en de helpers overlaten en rustig blijven zitten. De teugels worden zoodanig aangenomen, dat die der kleine trens in de volle hand over den pink gaan en die der groote met de drie voorste vingers worden vastgehouden, en op zulk eene lengte aangevat, dat het paard geen merkbaren druk van het mondstuk op de lagen gevoelt en men toch in staat is om, wanneer het wil bokken, dit door eene desnoods krachtige werking opwaarts tegen te gaan.

De helpers doen de paarden langzaam aangaan, geleiden ze vooruitgaande weer op den hoefslag, en blijven elkander op groote afstanden volgen, hierbij handelende als of er geen ruiters op de paarden zaten. De onderwijzer drijft, alléén waar het noodig is, een

-ocr page 44-

32

weinig met de zweep aan. Soms zijn er paarden, die niet van de plaats willen gaan ; de helper tracht dan door de voorhand heen en weer te brengen het paard in beweging te krijgen.

Na de manége eenige malen te zijn rondgegaan, wordt halt gehouden, het paard beloond, opnieuw aangegaan en van hand veranderd. Blijven de paarden in stap rustig, zoo wordt een langzame draf aangenomen. De ruiter zal er nu op bedacht moeten zijn, zoo rustig mogelijk te zitten, den schok te breken door het aansluiten en opvangen met dijën en knieën en het zoeken van steun in de beugels, ten einde te voorkomen, dat het paard uit angst of onrust zich op eenigerlei wijze verzet.

Somtijds is het verkieslijker zeer kort, nadat de ruiters opgestegen zijn, in stap te doen aangaan, en spoedig daarna te laten aandraven, daar anders, terwijl de heftige paarden zich te veel opwinden, de trage nauwlijks in gang te houden zijn.

Naarmate de paarden zich nu ook in draf rustig toonen, worden ze door de helpers losgelaten; aanvankelijk draven deze met de paarden mede, komen daarna langzamerhand naar binnen, en kunnen spoedig gemist worden.

De duur der lessen, die bij deze eerste oefeningen vooral niet te lang, b. v. een klein half uur, moet zijn, kan bij meerdere oefening op drie kwartier worden gebracht.

-ocr page 45-

33

§ 9- het eerste berijden.

Het eerste berijden heefl: ten doel het paard te leeren zich onder den ruiter te bewegen, aan het bit te komen en op te schieten voor den druk der beenen.

Wanneer de ruiter door een rustigen zit en zijne bedrevenheid in het rijden goed op het jonge paard weet in te werken en overeenstemming weet te houden met de natuurlijke gangen van het paard, dan zal dit veel bijdragen om aan het jonge paard vertrouwen te geven, waardoor het eerste berijden een goede grondslag wordt voor de latere africhting.

De ruiter moet steeds rekenschap geven van het gevoel dat een jong paard geeft dat zich langzamerhand ontwikkelt, om daardoor te leeren beoordeelen wat hij van het paard in de volgende tijdvakken van de africhting kan vergen en hoe hij kan inwerken in verband met de bevattelijkheid van het paard. Het geheel ongereden paard heeft die houding aangenomen, waarin het op de meest gemakkelijke wijze staat, en zich zonder moeite of inspanning in de verschillende gangen kan bewegen. Hoe deze natuurlijke houding ook zijn moge, ze is altijd zoodanig gekozen, dat ze rekening houdt met de krachten, en, wat de gangen betreft, met het zuiver neerzetten der voeten, afgezien van fouten, die ontstaan uit een gebrekkigen stand der ledematen. Het gewicht van den ruiter zal nu min of meer invloed uitoefenen op deze natuurlijke houding. Het paard zal zich als het ware met dit gewicht één moeten maken, ten einde die houding te

3

-ocr page 46-

34

kunnen aannemen, waarin het zich daarmede in de verschillende gangen opnieuw gemakkelijk en gelijkmatig bewegen kan. Deze veranderde houding — de natuurlijke houding onder den ruiter — te verkrijgen moet tevens het doel van het eerste berijden zijn. De rustige houding van den ruiter, een lichten steun gevende vuist en voortdrijvende hulpen zijn de middelen tot verkrijging dezer natuurlijke houding. Zij dient tot eigenlijke basis der dressuur en alle verdere bewerking van het paard is te veroordeelen, zoolang deze houding niet verkregen is.

Hebben de paarden door de voorgaande oefeningen geleerd het gewicht van den ruiter te dragen en zich ook zonder helpers hiermede voort te bewegen, zoo moeten zij nu het bit met vertrouwen leeren aannemen en gewend worden aan den druk der beenen.

Men zal echter stilstaande nog geene goede houding verlangen, doch de teugels buiten werking laten ; de overgang uit den draf tot den stap en uit dezen het halt houden moet door aanhoudingen zoodanig geschieden, dat het paard als het ware langzaam uitloopt; de hoeken worden sterk afgerond en het veranderen van hand heeft op de gewone wijze in stap plaats. In het algemeen moet men in den beginne tevreden zijn, als de paarden zich niet verzetten, op den hoefslag blijven en de gewenschte gangen bewaren.

De ruiter, die nu zelf handelend begint op ce treden, zal bij de geheele dressuur in acht moeten nemen, dat de uitkomsten, die door zachtheid verkregen worden, 7neer duurzaam zijn dan die door geweld worden af ge-

-ocr page 47-

35

dwongen. Nimmer late hij na, het jonge paard, dat aan zijne hulpen gehoorzaamd heeft, onmiddellijk hiervoor te beloonen, ten einde het duidelijk te maken, wat van hem verlangd wordt.

De ruiters worden van eene karwats of een rijstokje voorzien, terwijl de onderwijzer slechts in sommige gevallen hun nog met de zweep behulpzaam is. Aanvankelijk worden de hulpen met de karwats op den schouder aangebracht, waartoe die met de punt omlaag in een der handen gehouden wordt. Ook een tongslag kan hierbij soms eene doelmatige hulp zijn.

De eerste aanleuning op het bit wordt nu het best verkregen in den natuurlijken draf, die rustig, gelijkmatig en in een tempo moet zijn, dat alle paarden der klasse, zonder te ijlen, kunnen volgen. In dezen draf moet de ganglust opgewekt en bevredigd worden, en het paard, waarvan het natuurlijk evenwicht door den last van den ruiter verstoord is, en dat hierom min of meer den rug optrekt, geleerd worden zich in alle deelen los te laten, dat is de rugspieren veerkrachtig te spannen (nageven van den rug).

Bij een rustigen zit moet de ruiter de vuisten met licht gespannen teugels stil laten staan, het paard met de beenen, aanvankelijk desnoods door de karwats geholpen, vooruitdrijven en die stelling van hoofd en hals laten aannemen, welke hem door het paard wordt aangegeven en waarin dit de gelijkmatigste en rustigste passen maakt. Het paard, waarvan de voorhand toch reeds het meest belast was, zal nu door dezen draf, die langzamerhand wat langer moet aan-

-ocr page 48-

36

gehouden worden, een steun in den teugel zoeken. De ruiter moet het dezen steun toestaan, en kan, aangezien het paard nu ook in zekeren zin eenigszins trager zal worden, het ook sterker met de beenen voortdrijven, waardoor de aanleuning op het bit nog vermeerderd zal worden. De passen worden dan langzamer en verder vooruitgrijpend; de achterhand die tot dusverre nasleept, zal haar voortstuwend vermogen ontwikkelen, terwijl door het aandrijven met de beenen, in verband met eene stille vuist, de nek en de hals zoowel als de achterste ledematen zich langzamerhand eenigszins zullen buigen.

Het is thans bovenal noodig, dat het paard gewend worde aan de beenen en voor den druk daarvan leere opschieten, daar een natuurlijke draf, zonder vooruitdrijvende hulpen, niet aan het doel beantwoordt en voor de verdere africhting nutteloos is. Daarom moet de ruiter langzamerhand eischen, dat het paard werkelijk op den druk der beenen vooruitgaat of zijn gang versterkt.

Sommige paarden zullen bij dit eerste berijden sprongen uit vroolijkheid maken; de ruiter zal dit niet terstond moeten beletten, daar, wanneer hij slechts rustig blijft zitten, de paarden na eenige oogenblikken in den regel van zelve zullen bedaren.

Begint een paard te bokken, dan zoekt men het in beweging te houden, daar het vooruitspringende den ruiter minder losmaakt, dan bij het bokken op de plaats. Geschiedt dit laatste, dan begeeft zich terstond een helper naar het paard, die de teugels tracht te vatten en het weder in gang brengt.

-ocr page 49-

37

Vaarden, welke achter de teugels blijven en niet willen opschieten, moeten steeds, desnoods met behulp van de zweep, voorwaarts gedreven worden en, al vallen zij hierbij ook in galop, de ruiter blijft steeds voortdrijven en tracht, door op een goed gekozen oogenblik door eene aanhouding, weder in den draf terug te komen, en onmiddellijk het voortdrijven te hervatten. Paarden die zich sterk op het bit leggen of met vooruitgestoken neus voortijlen, moet men nimmer door trekken aan de teugels willen houden, maar zal men door streelen langs den hals, door rustig aanhouden, nageven beproeven in de hand te stellen.

§ tO. HET TEUGELWIJS MAKEN.

Nemen de paarden nu al eenigszins met vertrouwen het bit aan en hebben zij geleerd voor de beenen op te schieten, dan gaat men over tot de oefening in het teugelwijs maken. Aanvankelijk heeft men reeds getracht, bij het overhoeks van hand veranderen, de paarden te leeren gehoorzamen aan de eenzijdige teugelwerking ; thans gaat men hier verder mede voort, en wisselt het voorgaande af door het rijden van de groote volte en wendingen met eenen rechts en links en later met het afzonderlijk rijden.

In den beginne zij men tevreden, wanneer het paard maar de door de teugels aangegeven richting volgt, hetgeen spoedig zal verkregen worden, doordat de paarden als van zelve het aan het hoofd der colonne gaande afgerichte paard in de wending zullen volgen.

-ocr page 50-

38

Deze wendingen moeten aanvankelijk groot gereden worden en door vermeerderde werking van den binnen-teugel geschieden, waartoe de ruiter desnoods de buitenvuist vooruit mag brengen. Door wendingen met eenen rechts en links, leert men vervolgens ook ieder paard afzonderlijk aan de teugelwerking gehoorzamen. Bij meerdere oefening worden de wendingen gaandeweg kleiner gemaakt, door het meer in werking treden van den buitenteugel, waarbij de ruiter zorge door voortdrijvende hulpen van becneti den gang te bewaren.

Het afzonderlijk rijden, dat nu dikwijls in stap beoefend moet worden, leert de paarden zonder te kleven, vlot van en door elkaar gaan en dient tevens tot verdere oefening in het teugelwijs maken. Hierbij laat; men nu en dan de ruiters alle te gelijk of wel afzonderlijk, halt houden, met geheel losse teugels op- en afstijgen, op- en afspringen, afgezeten de paarden op het kruis slaan, een der beenen oplichten, in een woord die bewegingen uitvoeren, die tot het mak maken der paarden kunnen leiden.

Neemt het paard nu het bit met vertrouwen aan, heeft het geleerd op te schieten voor den druk der beenen en eenigszins aan teugelwerking te gehoorzamen, dan is de tijd daar om over te gaan tot de oefeningen in het Tweede Gedeelte beschreven.

-ocr page 51-

39

Tweede Gedeelte.

S ii. Het buitenrijden.

Het paard treedt hierbij een tijdperk van de dressuur in, dat op zijne verdere ontwikkeling van den grootsten invloed is; de onderwijzer moet daarom, meer dan ooit, de meest mogelijke aandacht vestigen op de aan zijne leiding toevertrouwde remontepaarden.

Het doel is nu niet alleen om de gezondheid te bevorderen en de krachten van het paard in alle lichaamsdeelen te ontwikkelen, maar ook om het onder den ruiter te leeren loopen, d. i. dat het zich in natuurlijke houding, ongedwongen leert voortbewegen. Dit is niet het geval wanneer, bij eene te vroeg aangevangen manége-dressuur, de ruiter door een te sterk terugwerken met de teugels houding en gang wil regelen.

Men geeft het paard ter bereiking van bovengenoemd doel, zooveel mogelijk beweging in de open lucht en in het vrije veld. Dit heeft nog het groote voordeel, dat het jonge paard nu niet zooals in de manége, gedwongen is, aanhoudend wendingen te maken, hetgeen hem vooralsnog moeilijk zal zijn. Al zijn er onder de remontepaarden enkele, die, voor dat zij als soldaten-paard werden aangenomen, geleerd hebben den ruiter te dragen, zoo hebben zij waarschijnlijk niet datgene geleerd, wat in dit tijdperk beoogd wordt.

Bij dit buitenrijden waarvan de duur, die aanvankelijk één uur is, bij meerdere oefening tot twee uren

-ocr page 52-

40

kan opgevoerd worden, is het niet voldoende, dat de onderwijzer in eene lange colonne de paarden achter elkander beweging geeft; hij moet, om ieder paard nauwkeurig te kunnen beoordeelen, het ieder afzonderlijk zijn weg laten volgen, waartoe hij na in colonne te zijn afgemarcheerd en door een draf den stalmoed der paarden te hebben doen bedaren, de ruiters uit elkander laat rijden. Al heeft hij op stal en bij het eerste berijden in de manége gelegenheid gehad, zich met den lichaamsbouw en ook eenigszins met de gangen en het karakter der paarden bekend te maken, zoo kan hij deze en vooral hun temperament eerst juist beoordeelen, wanneer hij de paarden in het vrije veld gereden ziet.

De onderwijzer, zijne aandacht voortdurend op ruiter en paard vestigende, zal den ruiter de middelen moeten aangeven, om door beredeneerde, bedaarde hulpen de driftige paarden te kalmeeren en de trage op te wekken. Hij zal hem aantoonen, dat de gewenschte kalmte alleen verkregen wordt, door eene stille vuist, rustige ligging der beenen en daarmede gepaard gaande rustigen zit. Driftige paarden moeten niet in te sterke gangen, maar gedurende langen tijd in quot;gelijkmatig tempo gereden worden, waarbij de beenen nooit mogen worden afgestoken, iets wat men bij het berijden van dergelijke paarden veelal ziet. Zonder ze plotseling aan te leggen, moeten de beenen steeds zacht aan het paard gehouden worden, opdat het aan den druk daarvan gewenne, daar bij een bruikbaar cavaleriepaard, het aanleggen der beenen geen onrust mag veroorzaken. Bij trage

-ocr page 53-

41

paarden daarentegen, moet alles aangewend worden om hen levendiger te doen gaan, waarbij men zorgvuldig dient na te gaan, wat de reden der traagheid zij: of het gebrek aan temperament of onwil, dan wel gebrek aan kracht of algemeene lichaamszwakte is. Den lust tot gaan zal men in beide eerste gevallen bevorderen, door het rijden in levendige gangen. De goedaardige, leerzame en vreesachtige paarden moeten steeds met groote kalmte en geduld, de onwillige echter met nadruk behandeld worden.

De onderwijzer zal zijne grootste aandacht wijden aan het in natuurlijke houding geheel vrij en ruim leeren stappen der paarden, die zelf hun weg zoekende leeren zich over oneffenheden van het terrein te bewegen, zonder dat dit hun gang stoort of tot onrust aanleiding geeft.

Wil het paard hierbij het hoofd omlaag brengen.\' dan zorge de ruiter dit met de hand niet te beletten, integendeel hij noodige het daartoe uit. Evenmin store hij het paard, als dit het hoofd wat omhoog of zijwaarts wil brengen, wanneer eenig voorwerp zijne aandacht trekt. Het zal dus den ruiter vergund zijn met de vuisten de bewegingen van hoofd en hals te volgen. Dikwijls zoekt het paard om zijn natuurlijken gang te bewaren steun in de stilstaande vuist des ruiters, hetgeen deze niet door inwerkingen met den teugel of op andere wijze mag trachten te beletten, daar zulks slechts een verkorten van den stap en vermindering van»rustig gaan bij het paard ten gevolge zoude hebben. Heeft dit laatste plaats gehad, dan kruist men de teugels

-ocr page 54-

42

en tracht de verstoorde rust te herstellen door het paard met de hand langs den hals te strijken of op het kruis te kloppen. Met de beenen belet men, dat de achterhand slepend volgt en noodzaakt men het paard de achterbeenen reeds eenigermate onder te zetten. Dit verkrijgt men hoofdzakelijk in den draf.

In dezen gang moet het paard zich in zijne natuurlijke houding voortbewegen. De draf dient nu om de spieren te oefenen, de gewrichten buigzaam te maken en het paard te noodzaken de nog gespannen deelen langzamerhand los te laten, eene betere aanleuning op het mondstuk te verkrijgen en, zooals boven gezegd werd, om trage paarden op te wekken. In den beginne raag de draf niet sterk en niet van langen duur zijn, daar zulks de jonge paarden niet alleen vermoeit en lusteloos maakt, maar tevens een zeer nadeeligen invloed op hunne gewrichten uitoefent. Kvenals in stap moeten ook thans de vuisten op hare plaats worden gehouden,

zonder terug te werken, aangezien het paard meer nog dan in den stap, nu een steun zal zoeken in de hand van den ruiter. Om dezelfde redenen als vroeger opgegeven zijn, zal hij dit hierbij evenmin mogen beletten maar zoodanig aandrijven, dat het paard zich vrij kan voortbewegen. De ruiter moet het paard niet ^ met den zit verontrusten en niet sterk achter in den ^en zadel doorzitten, doch zijn zit verlichten door zich goed met de knieën tegen den zadel aan te sluiten, meer steun te zoeken in de beugels en zijn gewicht dus meer voor in den zadel te brengen (geen achteruitbrengen van het achterdeel).

-ocr page 55-

43

Al maakt men ook gebruik van hulpteugels, zoo zal men toch het onderbrengen der achterbeenen nooit moeten trachten te verkrijgen door hoofd en hals terug te schuiven of met geweld lager te stellen, waardoor integendeel de achterbeenen meer zouden terugblijven, maar zulks steeds door voortdurend aandrijven trachten te verkrijgen.

Wil men van den draf tot den stap overgaan, dan moet dit niet door eene plotselinge aanhouding der teugels geschieden, maar door met de vuisten trapsgewijze zooveel aan te houden of tegenstand te bieden, dat het paard vloeiend in stap kan uitloopen, zonder dat de ruiter daarbij de beenen afsteekt. Het paard wordt daarna zooveel teugelvrijheid gegeven, dat het na den overgang, den neus vooruit kan steken, om den hals te rekken.

Alles strekt in dit tijdperk om het paard, gelijktijdig met de ontwikkeling zijner krachten, te leeren zich in zijne natuurlijke houding in zuivere, vrije gangen voort te bewegen, en wanneer dit na maanden oefening verkregen is, dan eerst is het tijdstip aangebroken, waarin het zonder nadeel de volgende tijdperken der dressuur in de manége kan doorloopen.

De onderwijzer zal vooral zijne aandacht vestigen op den toestand der paarden na de oefening. Daardoor is hij in staat te beoordeelen of de arbeid te zwaar is geweest, hetgeen blijkt uit hun vermoeid voorkomen en verminderden eetlust.

*

-ocr page 56-

44

HOOFDSTUK II. EIGENLIJKE AFRICHTING.

:§ 12. Tijdstip waarop met de eigenlijke manége

dressuur wordt aangevangen\' ; verdeei.ing van den africht1ngstijd.

Bewegen zich de jonge paarden onder den ruiter in stap en draf voldoende krachtig, zoodat de oefeningen, in het vorige hoofdstuk vermeld, aan het doel hebben ■beantwoord, dan gaat men tot de eigenlijke manége-dressuur over.

De africhting, wat hoofdstuk II betreft, wordt verdeeld in vier tijdperken, die wat duur betreft zoodanig moeten worden verdeeld, dat de eigenlijke manége-dressuur in ongeveer acht maanden voltooid is. Het is niet goed zich bij den overgang in de verschillende ■tijdperken aan eene bepaalde tijdruimte te binden, hetgeen allicht aanleiding kan geven tot overhaasting en het stellen van hoogere eischen, dan voor eene goede ontwikkeling van de kracht der paarden dienstig is.

In het eerste tijdperk wordt aangevangen met de bewerking van hoofd- en halsstelling, het verzamelen, de ophoudingen en de wendingen. In het tweede tijdperk met de zijgangen. In het derde tijdperk met den galop. In het vierde tijdperk worden de paarden metj de stang gereden.

Blijkt op het oogenblik, dat eene klasse in een volgend tijdperk overgaat, dat een of meer paarden de

vereis moetlt; terug; afdee vorde De dat ( Die geva: gebr; bego trap!

D lessc Is dan eeni E\'

-ocr page 57-

45

iNEGE VAN

iter in lingen, ebben anege-

.t ver-)danig mége- i Het Hen de nden,

asting eene

snstlg § 13. VERANDERDE HOUDING, DIE HET PAARD DOOR DE AFRICHTING MOET VERKRIJGEN.

;t de

leien. Het paard doet bij de voortbeweging de grootste-tijdquot; krachtsinspanning met de achterhand. Bij het overgaan ■ den van sneiie t0t kortere gangen, bij het ophouden en-met wenden nemen de achterbeenen, verder onder het zwaartepunt tredende, tijdelijk een grooter gedeelte van een; het gewicht des lichaams over. Daar dit ondertreden n de bij het onafgerichte paard gewoonlijk op eene gebrekkige

vereischte geoefendheid daartoe nog niet bezitten, dan. moeten die paarden in eene jongere klasse worden teruggeplaatst, opdat de africhting van eene geheeie afdeeling niet worde opgehouden door de mindere vorderingen van enkele paarden.

De oefeningen moeten elkander zoodanig opvolgen, dat de eene steeds dient als inleiding tot eene volgende-Die oefeningen, waarmede in het eene tijdperk is aangevangen, worden in het volgende tot volkomenheid gebracht. Evenzoo wordt in elke les raet dezulke begonnen, die de minste inspanning vereischen, en trapsgewijze tot de meer vermoeiende overgegaan.

De klassen moeten niet te talrijk en de duur der lessen in den regel drie kwartier uurs zijn.

Is het weder gunstig en zijn de paarden niet te warm, dan is het aan te bevelen, na afloop der les, hen eenigen tijd buiten te laten rondstappen.

Eens in de week zullen de paarden naar buiten gereden worden.

-ocr page 58-

46

en onvoldoende wijze geschiedt, zijn zijne gangen minder snel en mist het de geschiktheid, om plotseling van den eenen gang tot den anderen over te gaan en van de plaats eenen snellen gang aan te nemen, evenals die vlugheid in het wenden welke aan het krijgspaard eigen moet zijn, terwijl bovendien de te sterk belaste voorbeenen vroegtijdig verslijten zullen. Om dit te verhelpen is het noodig, dat die vooroverhellende last. meer op de achterhand worde teruggeschoven en dat het paard zich leere bewegen in eene houding, waarin zijn gewicht meer gelijkmatig op de voor- en achter-beenen is verdeeld.

Deze houding wordt de eve-muic hts houding genoemd.

De hals is daarbij hoog geplaatst en in de richting van de schoft teruggeschoven; hij is in het bovenste derde gedeelte zoo gebogen, dat het hoofd den loodrechten stand zooveel mogelijk nabij komt, en de achterranden der kaken onder langs de oorklieren, tegen de halsspieren liggen. De voorbeenen staan recht onder het lichaam, de rug is zooveel mogelijk waterpas en de achterbeenen zijn, door de vermeerderde buiging der gewrichten, verder onder het lijf geplaatst.

Voor alle paarden zal evenwel deze houding van hoofd en hals niet de meest doelmatige zijn en de ruiter zal haar moeten regelen naar den bouw en de krachten van het paard.

Tot het volbrengen van korte wendingen en ophoudingen, is hel noodzakelijk dat de paarden eene nog meer ineengedrongen houding kunnen aannemen. Daartoe wordt de hals nog sterker teruggeschoven en moeten

-ocr page 59-

47

de achterbeenen, door vermeerderd buigen der gewrichten, waaraan nu voornamelijk het knie- en sprong-gewricht deel nemen, verder ondertreden, zoodat zij het grootste gedeelte van den last, desnoods het geheele gewicht van de voorhand, overnemen.

Deze houding wordt de verzamelde houding, en de bewerking, waardoor de ruiter het paard die houding doet aannemen: verzamelen genoemd.

Door de dressuur moeten de achterbeenen de noodige buigzaamheid en kracht verkrijgen, om het gewicht van het lichaam niet alleen over te nemen en te dragen, maar ook flink vooruit te werpen, zoodat de voorbeenen. bevrijd van den te veel op hen rustende last, zich met lichtheid bewegen. De door teugelwerking aan hoofd en hals gegeven stelling, geeft, in verband met de beenhulpen, aan het paard de bovenbedoelde houding. De voortstuwende kracht, uitgaande van de achterbeenen, werkt dan onder gunstiger omstandigheden, terwijl de ruiter, door de aan hoofd en hals gegeven stelling, regelmatig en zonder moeite die kracht kan matigen en de gangen regelen.

§ 14. Vereischïe hoofd- en halssïelling.

Het paard heeft eene goede stelling van het hoofd, wanneer dit zoo geplaatst is, dat de teugelwerking op de achterhand kan inwerken, en dat het op de aanhouding van een der teugels nageeft, waardoor eene onmiddellijke gehoorzaamheid aan den wil des ruiters wordt verkregen.

-ocr page 60-

4S

Eene normale hoofdstelling, die voor alle paarden past is niet aan te geven, toch zal voor de meeste paarden de doelmatigste hoofdstelling zijn, die, waarbij het hoofd bijna loodrecht is geplaatst, en de neus zich nagenoeg ter hoogte van de heup bevindt en waarbij de hals in het onderste 3/g gedeelte in de richting van de schoft is teruggeschoven, zoodat de buiging van den hals alleen in het bovenste gedeelte (de nek) plaats heeft.

§ 15. Slechte hoofdstellingen.

Draagt het paard het hoofd te hoog, dan ontstaat zeer licht eene verkeerde stelling van den hals, waarbij deze even vóór de schoft terug gebogen is, terwijl het paard door den neus in den wind te steken, de aansluiting der kaken tegen de halsspieren ontduikt. In den regel zal de achterhand hierbij slepend volgen door de ontspanning der spieren van rug en achterhand.

Is het hoofd te laag gesteld, hetgeen veelal plaats heeft, wanneer het paard te vroeg op de stang gereden wordt, of als de ruiter zich door een gunstigen bouw laat verleiden tot het te vroeg of overdreven bijbrengen, dan wordt de gewehschte aansluiting evenmin verkregen.

In beide gevallen wordt het terugwerken op de achterhand moeilijk en gaat de teugelwerking voor het grootste gedeelte in den hals verloren, waardoor geen volkomen meesterschap over het paard denkbaar is; verzameling is hierbij niet mogelijk en alle bewegingen geschieden ten koste van de voorhand.

-ocr page 61-

49

Bij een scheeve hoofdstelling, waarbij het eene oor hooger dan het andere gehouden wordt, heeft bovengemelde aansluiting ook niet volkomen plaats; het paard onttrekt zich ook dan gedeeltelijk aan de juiste teugelwerking.

Wordt de hals in het onderste gedeelte niet vastgesteld, dan onttrekt het paard zich, door dezen uit te buigen, aan de zijdelingsche bewerking van het bovenste gedeelte, waarbij de zuivere inwerking der teugels op de achterhand verloren gaat.

§ 16. Aanleuning op het bit.

Door goede aanleuning verstaat men die waarbij het paard een zachten gelijkmatiger) steun van het bit op de lagen zoekt, dit is voor het cavaleriepaard in het bijzonder noodig, daar het dikwijls met een hand gereden, korte wendingen en ophoudingen moet maken of wel snel voorwaarts gereden moet worden, hetgeen alleen bij goede aanleuning op het bit kan geschieden.

Een goed gebouwd paard neemt die aanleuning spoedig aan; bij een minder goed gebouwd paard moet de ruiter dit trachten te verkrijgen door eene juiste inwerking en door eene doelmatige hoofd- en halsstelling te geven overeenkomstig den bouw en de krachten van het paard.

Goede aanleuning is moeilijker te verkrijgen bij heftige en bij trage, dan bij minder gunstig gebouwde paarden. Afwijkingen van de goede aanleuning zijn: i0. te sierke aanleuning, waarbij de ruiter te veel

4

-ocr page 62-

krachtsinspanning moet doen om het paard te besturen of aan eene aanhouding te doen gehoorzamen.

2°. te lichte aanleuning (achter het bit zijn), waarbij het paard zich terughoudt en niet voorwaarts wil gaan.

3°. de ongelijke aanleuning, waarbij het paard dan op de eene dan op de andere laag eene gebrekkige aanleuning neemt, hetgeen veelal voorkomt bij paarden met veel temperament, die een gevoeligen mond hebben.

Eet ste Tijdperk.

Het doel van de verdere africhting is om de natuurlijke houding waarvan het paard zich tot nu toe met den ruiter bewoog en waarbij het gewicht nog steeds het meest op de voorhand rustte, zoodanig te wijzigen, dat dit meer gelijkmatig op voor- en achterhand verdeeld is.

Om tot deze evenwichts houding te geraken, moet het gewicht langzamerhand worden teruggeschoven, hetgeen men verkrijgt door het bijbrengen en oprichten, gepaard gaande met het buigzaam maken van het paard in al zijne deelen, waarbij meerdere buiging der achterbeenen noodzakelijk is en de voortstuwende kracht der achterbeenen moet worden ontwikkeld, waartoe afwisselend in een verkort en een levendig tempo wordt gereden. Dit laatste moet alléén worden verkregen door middel van den druk der beenen, waarbij in acht moet worden genomen, dat eenmaal de gewenschte gang verkregen zijnde, de beenhulpen steeds gereed moeten zijn om dien te bewaren.

-ocr page 63-

5i

Zoowel in dit tijdperk, als in de volgende, moet de onderwijzer zijn aandacht er op vestigen, dat de africhting die het paard verkrijgt, niet ten nadeele kome van de gangen en dat ten alle tijde een regelmatige, ruime, vrije stap behouden blijve.

De wendingen moeten nu eenigszins nauwkeuriger worden uitgevoerd, de hoeken scherper ingereden en de overgangen korter gemaakt worden, terwijl thans reeds het rijden in een korter tempo van draf eene meer verzamelde houding en een vermeerderden graad van oprichting ten gevolge heeft.

§ 17. AANMARCHEEREN.

De paarden worden in één gelid, met tusschenruimten, in het midden van de manége opgesteld.

Hoewel zulks in den beginne niet geeischt mag worden, moet in den loop van dit tijdperk het paard zonder dralen in stap aanmarcheeren, waartoe het vooraf aan de teugels wordt geplaatst, door het aandrukken der beenen en stilhouden der vuisten. Vervolgens worden de beenen iets sterker aangedrukt en de werking daarvan, met gelijktijdig nageven der hand, verminderd, zoodra het paard in gang is. Het bovenlijf mag hierbij noch voor- noch achterover hellen.

*

§ 18. BIJBRENGEN.

Het paard, dat door de voorgaande oefeningen reeds geleerd heeft het hoofd omlaag te brengen, heeft daar-

-ocr page 64-

door eenigszins een opwaartschen boog van den hals verkregen, die den ruiter in staat stelt, met de teugels op het paard in te werken.

De eerste hinderpaal, welken men bij deze inwerking ontmoet, is de pijnlijke druk, dien het paard gevoelt in de oorklieren, welke tusschen de kaken en de onderste halsspieren geklemd worden. Om dezen pijnlijken druk te verminderen en weg te nemen, dient de oefening in het bijbrengen, die, gepaard met het oprichten, bestaat in het aanleggen der kaken tegen de onderste halsspieren, zoodanig, dat de oorklieren worden uitgedrukt en buiging in het nekgewricht wordt verkregen.

Na halt te hebben gehouden wordt op het commando : Bijbrengen, dat zeggenderwijze wordt uitgesproken, het paard, zooveel mogelijk recht op de vier beenen rustende, recht op den hoefslag geplaatst. Door het aandrijven met de beenen, waarbij de vuisten op haar werkingspunt blijven, zal eene neiging tot voorwaarts gaan ontstaan, waarin het paard echter belet wordt, door de stilstaande vuist des ruiters; hiervan is het gevolg, dat het paard het hoofd bijbrengt en het gebit zal afknabbelen. Doet het dit laatste niet uit eigen beweging, dan wordt het daartoe gebracht, door den druk der beenen opklimmend te versterken en tevens met eene kleine werking der pinken, het (bit in den mond te laten spelen.

Onder het bijbrengen treden de jonge paarden dikwijls terug, brengen de achterhand naar binnen of boren zoodanig in de teugels, dat het den ruiter zeer

-ocr page 65-

53

moeilijk valt de handen op dezelfde plaats te houden. Dit laatste is evenwel noodzakelijk, wijl juist daardoor het paard gewoon wordt aan de teugelwerking te gehoorzamen. De beide handen moeten in dit geval dicht bij elkander gehouden worden, en een standpunt nemen op den zadel, zoodat het paard ze niet verplaatsen kan. Treedt het paard in den aanvang bij deze bewerking terug, tengevolge van de pijn door den druk der kaakranden op de oorklieren veroorzaakt, dan zal men dit niet onmiddellijk beletten, doch afwachten of het paard niet van zelf blijft staan en de bijgebrachte houding aanneemt. Dit zal in den regel reeds na eenige oefeningen geschieden.

Nimmer zal het achteruit treden door sporen mogen belet worden, omdat dit licht steigeren of ander hevig verzet kan veroorzaken. Brengt het paard de achterhand naar binnen, dan laat men het in die houding staan of brengt het vooruitgaande weder naar den hoefslag, aangezien het de eenzijdige werking der beenen nog niet heeft leeren kennen.

Wanneer het paard eenmaal weet wat van hem wordt verlangd, dan moet men het eenigen tijd in de bijgebrachte houding laten staan om daaraan te gewennen.

In deze houding zal men daarna trachten het paard te laten aangaan en den draf te doen aannemen. Ten einde het vrije voorgrijpen bij de gangen niet te verliezen, en te voorkomen, dat de goede aanleuning op het mondstuk verloren ga, zal men van tijd tot tijd tot een meer beslissenden draf desnoods in ongedwongen houding doen overgaan.

-ocr page 66-

54

§ 19- BUIGEN IN GANC.

Door het buigen in gang wil men het paard op den eenzijdigen teugel werking leeren nageven en tracht men eenige buiging bij de oorklieren en in den hals te verkrijgen, verder het nageven van den rug en vermeerderd ondertreden van het binnen achterbeen onder het zwaartepunt, hierdoor moet het binnen-achterbeen het gewicht meer overnemen en zal dit door verder ondertreden buigzamer worden. Verder verkrijgt men door deze oefening nageeflijkheid op de binnenhuipen en het komen tegen de buitenhulpen in juister hoofd- en halsttelling, verbeterde houding en gang.

Men begint met deze oefening zoodra het paard in natuurlijken draf en bijgebrachte houding gelijkmatige aanleuning op het bit heeft verkregen en de hals aan de schoft is vastgesteld. In de aanvang zij men met de kleinste graad van buiging tevreden.

Om het buigen in gang te beoefenen zit de ruiter eenigszins binnenwaarts over, met den binnenteugel, door dezen aan te houden, wordt de noodige buiging genomen, waarna de binnenvuist passief, dat is stil doch gereed om in te werken, gehouden wordt, de buitenteugel met eenigszins hooger geplaatste vuist (2de stelling van vuisten) geeft aanvankelijk geheel na, doch regelt later de halsbuiging ; met het binnenbeen drijft de ruiter het paard vooruit om het binnenachterbeen iets meer onder het zwaartepunt te doen treden, terwijl het buitenbeen des ruiters gereed is om het

-ocr page 67-

buitenwaarts afvallen der achterhand tegen te gaan, terwijl het in verband met het binnenbeen zorgt dat steeds de neiging om vooruit te gaan behouden blijft. Door deze hulpen moet het paard meer gewicht op het binnenachterbeen overnemen en zal dit door verder ondertreden buigzamer worden.

De binnenteugel en het binnenbeen, voornamelijk de knie, houden het paard op den hoefslag en drukken liet bij het naar binnen komen weer op den hoefslag terug; gelukt dit den ruiter niet dan moet hij het paard rechtuit stellen en blijft hij rechtuit rijden, todat het de juiste houding weer heeft verkregen.

Op deze wijze verkrijgt het paard eene binnenwaart-sche buiging, de binnenschouder is vóór, de binnen-voorvoet treedt naar de binnenzijde vooruit, zonder dat een overtreden over de buitenvoet plaats heeft. De binnenachtervoet eenigszins meer onder het zwaartepunt tredende blijft op den hoefslag.

Het geheele paard moet aan het buigen in gang deelnemen. Door het ondertreden van het binnen achterbeen wordt het zoogenaamd vallen op het buitenvoorbeen vermeden. Wil het paard het binnenachterbeen niet onderzetten, dan moet men dit been niet te veel belasten.

Buigen in gang zonder dat het binnenachterbeen meer ondertreedt is nadeelig, omdat door het voorbrengen van den buitenschouder het gewicht te veel op het buitenvoorbeen valt, waardoor het evenwicht verbroken en de gang onregelmatig wordt.

De oefening heeft aanvankelijk in stap plaats, men

-ocr page 68-

56

zij echter indachtig, dat hel niet raadzaam is veel in dezen gang te buigen, daar de paarden geneigd zijn, daardoor achter het bit te komen en den vrijen stap te verliezen.

De beste uitkomsten verkrijgt men in den natuurlijken draf en later in den verkorten draf. In draf is de neiging tot vooruitgaan grooter en kan het paard zich niet zoo gemakkelijk in het onderste gedeelte van den hals verbuigen, terwijl de inwerking der beenhulpen beter is, voornamelijk op het binnenachterbeen.

Het scherper inrijden van de hoeken der manége is reeds eene voorbereiding geweest voor deze oefening.

Geeft het paard gewillig op de passieve binnenvuist na, dan verkort men den binnenteugel en gaat tot het buigen over. De graad van buigen hangt af van den bouw en de eigenaardigheden van het paard; aan de inplanting breede sterke halzen, kan men meer buigen dan dunne halzen met smalle inplanting. De lage hoofdstelling als een gevolg van de aanleuning in bijgebrachte houding verkregen, kan zelfs door deze oefening aanvankelijk nog vermeerderd worden, doch van zelf zal het paard, door het vermeerderd ondertreden der achterbeenen, zijne houding verbeteren en eenige graad van oprichting verkrijgen, zonder dat hoofd en hals door werkdadige inwerking van de teugels omhoog mag worden gebracht.

Het buigen mag niet te lang op dezelfde hand geschieden, en het moet den ruiter vrij staan de oefening te eindigen, wanneer hij voelt dat verder buigen het paard te moeielijk zou vallen.

-ocr page 69-

57

De meeste paarden buigen zich gewilliger aan de eene dan aan de andere zijde, men begint met die zijde die het gemakkelijkst is.

Blijft een paard zich langen tijd verzetten tegen de buiging in gang aan ééne zijde, dan moet men de oorzaak niet altijd zoeken in hals en oorklieren, aangezien het ook zijn oorzaak kan vinden in stijfheid of zwakte van het achterbeen aan die zijde.

Neemt een paard plotseling zeer gemakkelijk eene buiging aan, dan mag de ruiter zich niet laten verleiden hiermede tevreden te zijn, aangezien het paard dan vermoedelijk, door op eene andere plaats te buigen, zich aan de goede inwerking heeft weten te onttrekken.

Het buigen in gang kan in alle tijdperken der dressuur met voordeel worden beoefend. Hoe verder men gevorderd is, des te hooger kan men zijne eischen stellen, zoodat de buiging later alléén in het bovenste gedeelte van den hals plaats heeft, waardoor men langzamerhand tot het zuivere afbuigen komt.

§ 20. RIJDEN\' MET HOOFDSTELLING, RIJDEN IN MEER VERZAMELDENquot; DRAF EN HET MAKEN VAN KORTERE OVERGANGEN.

Door het buigen in gang komt men tot het rijden met hoofdstelling, waardoor verstaan wordt: dat bij eene zooveel mogelijk loodrechte houding van het hoofd, het paard zoodanig in het nekgewricht gebogen is, dat de ruiter den binnenooghoek en neusrand zien kan. De tot deze stelling noodige buiging moet daar plaats hebben, waar het hoofd met den hals verbonden is.

-ocr page 70-

achter de kaken en moet zich zoo min mogelijk aan den hals mededeelen en steeds gepaard gaan met een vermeerderd ondertreden der achterbeenen.

De binnenvuist wordt in den regel een handbreedte lager geplaatst dan de buitenvuist (2de stelling van vuisten) en bepaalt de mate van stelling, terwijl de buitenvuist, die meer oprichtend werkt, het hoofd eene hoogere stelling geeft, dit met de kaken tegen den hals en dezen tegen schoft en schouders terugschuift. De bewerking van den hals bestaat dus in bijbrengen, buigen en oprichten, welke oefeningen nooit op zich zelf, maar altijd in verband met elkander, moeten uitgevoerd worden,

De bewerking van den hals geschiedt voornamelijk in een verkort tempo van draf, waarbij het rijden op de groote volte te verkiezen is boven dat op de rechte lijn, aangezien bij de hoeken meermalen storingen plaats vinden. Verkeerde inwerkingen worden altijd door het onzuiver worden der gangen aangegeven.

Het rijden op de groote volte is eene voortgezette wending, en eischt daarom van het paard voortdurende oplettendheid en gehoorzaamheid aan teugel- en beenhulpen. Daar het evenwel op de groote volte minder gebogen is dan bij andere wendingen, waardoor het gemakkelijker in de verschillende gangen een gelijkmatig tempo kan bewaren, moeten de oefeningen van zijwaartsche rug- en lendebuiging en het gaan van een geregeld tempo op kromme lijnen op den cirkel worden aangevangen, en mogen geene zuivere wendingen van het paard gevergd worden, voordat het op oe groote

-ocr page 71-

59

volte in eene goede stelling geregeld stapt en draaft. Wanneer nu het paard op de werking der teugels begint na te geven, dan moet met den overgang van den draf in den stap, in meer verzamelde houding, een aanvang worden gemaakt.

De ruiter drijft daartoe het paard met zit en beenen aan, om de achterhand onder te schuiven, waarbij de bijgebrachte houding bewaard moet blijven. Door het vermeerderd ondertreden der achterbeenen en het terugschuiven van den hals krijgt de ruiter het gevoel alsof het paard van voren hooger wordt. Hij zorge vooral het verzamelen niet door ontijdig terugwerken met de teugels te beletten en bij den overgang ook niet meer aan te houden dan noodig is.

Bij het rijden in de manége zal nu ook op de rechte lijn het hoofd van het paard een weinig naar de binnenzijde gesteld worden, hetgeen men noemt stelling geven aan de binnenzijde.

Om het paard, in gang zijnde, meer te verzamelen, tot een levendiger tempo uit te noodigen, zijne houding te verbeteren of beter in de hand te stellen, worden dezelfde hulpen toegepast, behalve dat de teugelwerking niet zoover wordt doorgezet, dat het paard zoude halt houden of van gang veranderen; zulks noemt men het maken van eene halve ophouding.

Bij het maken van overgangen vindt de algemeene regel zijne toepassing, dat de teugelhulpen steeds voorafgegaan, ondersteund en gevolgd moeten worden door de beenhulpen.

Bij het rijden op den cirkel steunt het paard hoofd-

-ocr page 72-

6o

zakelijk op den binnenachtervoet, en daar, ten gevolge van de beweging in draf, de beide overhoeksche voeten het lichaam dragen, terwijl de beide anderen zich verheffen en voortbewegen, bevindt zich te gelijk met den binnenachtervoet ook de buitenvoorvoet op den grond. Wordt in een later tijdperk de in verkorten draf verrichte arbeid op den cirkel met een weinig oefening in schouder binnenwaarts en met eenige wendingen op het midden afgewisseld, dan leert het paard daardoor des te beter den binnenachtervoet goed vooruitplaatsen en het grootste gedeelte van den last des lichaams overnemen, terwijl de binnen-voorvoet geoefend wordt zich licht te verheffen en zich vrij en ruim te bewegen.

Als voorbereiding voor goede wendingen kan ook het sluiten der groote volte beoefend worden.

De bearbeiding op den cirkel vormt dus de inleiding tot alle oefeningen, welke meerdere buigzaamheid en geschiktheid tot vlug wenden (wendbaarheid) van de voorhand om de achterhand ten doel hebben; buitendien is zij eene goede voorbereiding tot het juist aanspringen en regelmatig galoppeeren.

§ 21. WENDINGEN.

Zoodra het paard op de groote volte eene vrij goede evenwichtshouding aanneemt, in verkorten draf een geregeld tempo bewaart en zich bij overgangen een weinig laat verzamelen, moeten de wendingen ook nauwkeuriger worden uitgevoerd. Bij elke wending moet het hoofd

-ocr page 73-

6i

van het paard een weinig naar binnen komen, dat is naar de zijde der wending, voorts het paard gebogen zijn naar de zijde der wending en een geregeld tempo bewaren-

Om te wenden wordt het paard met beide beenen aangedrukt om het verkorten van den gang in de wending te voorkomen. Vervolgens wordt de binnen-teugel aangehouden ten einde het paard in de wending in te leiden, terwijl het binnenbeen op ditzelfde oogen-blik aangedrukt wordt, om de binnenzijde van het paard meer ineen te dringen, het naar binnen brengen van de achterhand te beletten en het paard het oorspronkelijke tempo gelijkmatig te doen bewaren.

De ruiter verzuime dus niet het binnenbeen te gebruiken, daar de paarden geneigd zijn zich gedurende de wending terug te houden, d. i. het tempo te verkorten met verminderde aanleuning op het mondstuk. De buitenteugel geeft zooveel na als noodig is, om het paard de buiging mogelijk te maken, richt hoofd en hals op en bepaalt de grootte der wending, bewerkt in verband met het buitenbeen het verder voorttreden der buitenbeenen, en belet het afvallen der achterhand.

De ruiter brengt hierbij zijn bovenlijf in de wending en zit iets meer op het binnenzitbeen door. Zoodra het hoofd in de nieuwe strekking komt, houdt de buigende werking der binnenvuist en het nageven met de buitenvuist op en doet eene aanhouding van den buitenteugel de wending eindigen. Op het oogenblikT dat deze is volbracht, geven beide pinken na en wordt het paard met beide beenen in de nieuwe richting voortgedreven.

-ocr page 74-

62

Te gelijk met het nauwkeuriger wenden, zullen bij het doorgaan der hoeken, die thans dieper worden ingereden, de goede houding en stelling bewaard moeten blijven, hetgeen van groot gewicht is om de paarden aan een nauwkeuriger werking van den buitenteugel te leeren gehoorzamen.

§ 22. DE STERKE DRAF.

Ten einde de schoudervrijheid der voorste en de voortstuwingskracht der achterste ledematen bij de paarden van lieverlede te ontwikkelen, en enkele paarden tot vermeerderd nageven van den rug te brengen, wordt nu en dan langzamerhand het tempo van den draf versneld en overgegaan tot den sterken draf. In dezen draf moeten de paarden even rustig treden als in den gewonen draf, maar dienen de passen verder vooruitgrijpend en de voortstuwende kracht vermeerderd te worden.

De ruiter drukt daartoe de beenen krachtiger aan en geeft de teugels zooveel na, dat de hals zich wat kan rekken. De hoeken worden bij deze oefening afgerond en de snelheid van het tempo hangt af van de houding, die de paarden daarbij bewaren.

Bij paarden met minder sterke achterhand zit de ruiter niet zwaar door en laat met laag geplaatste vuisten het paard steun zoeken op het bit; bij paarden met sterken rug en achterhand mogen de vuisten iets hooger geplaatst worden, en kan de ruiter zijn boven-

-ocr page 75-

63

lijf eenigszins terugbrengende een weinig zwaarder doorzitten.

Bij de eerste oefeningen in sterken draf moet men slechts matige eischen stellen en ook later niet vergeten dat door africhting zelfs vele paarden niet de vrije beweging te geven is, die andere van nature bezitten.

Nooit mag de beweging worden voortgezet, totdat de paarden zich vermoeien, zoodat men in den regel niet meer dan een paar malen de manége in dien gang doet rondgaan, waarna wederom de verkorte draf wordt aangenomen om daaruit tot den stap over te gaan.

Heeft deze oefening op het einde der les plaats, dan laat men hen nog eenige minuten met losse teugels rondstappen, opdat zij, waar trouwens altijd op gelet moet worden, kalm op stal komen.

§ 23. HET AFZONDERLIJK RIJDEN EN\' HET FORMEEREN VAN HET GELID.

Op het nut van het afzonderlijk rijden is reeds vroeger gewezen. Nu dient het bovendien om den ruiters gelegenheid te geven, hunne paarden ongehinderd te bearbeiden, zonder aan eene vaste plaats gebonden te zijn, en tevens om hun eigen oordeel over de bewerking van de hun toevertrouwde paarden te ontwikkelen, alsmede om, op het einde van elke les, de paarden met losse teugels den vrijen stap te doen gaan.

-ocr page 76-

64

Bij het afzonderlijk rijden moet de onderwijzer voortdurend de grootste oplettendheid besteden, opdat hem geen enkele fout ontga. Bij de derde wijze moet hij gedurende het rijden zooveel mogelijk aanmerkingen achterwege laten, en eerst na het einde der oefening lof of berisping te kennen geven.

Bij het formeeren van het gelid marcheeren de ruiters met één pas tusschenruimte op.

Als voorbereiding voor het later te beoefenen gewillig verlaten van het gelid, vangt men aan met het geheele gelid in beweging te stellen en na eenige passen de nummers i en 3 te doen halthouden, vervolgens laat men de nummers 2 en 4 halt houden en de nummers 1 en 3 voorwaarts door de tusschenruimten rijden. Trapsgewijze klimt men met deze oefening op, door uit het stilstaande gelid b. v. de nummers 1 en 3 te laten afmarcheeren. Ook dient het aanbeveling de oefeningen niet steeds te eindigen door de paarden in een gelid op te stellen, doch na alvorens afzonderlijk te hebben doen rijden, de ruiters op willekeurige punten te laten halt houden en te doen afzitten.

§ 24. SPRINGEN AAN DE HAND.

In dit tijdperk wordt reeds een begin gemaakt met de jonge paarden aan de hand over hindernissen te leeren springen, teneinde hen reeds vroegtijdig met die beweging vertrouwd te maken, waardoor bij de oefening in het overwinnen van hindernissen, die in het derde tijdperk der dressuur wordt gehouden, de

-ocr page 77-

65

paarden zich rustiger zullen houden, geen onnoodige krachtsinspanning zullen doen en die oefening daardoor minder vermoeiend zal zijn.

De wijze waarop het springen, aan de hand beoefend moet worden, wordt later vermeld.

Tweede Tijdperk.

De oefeningen, waarmede in het eerste tijdperk is \'aangevangen, worden nu nauwkeuriger uitgevoerd; vooral moet de houding der paarden in verkorten draf meer verzameld zijn, waartoe een geregelde afwisseling van dezen gang met de zijgangen, die in dit tijdperk beoefend worden, en het in toepassing brengen der halve ophoudingen krachtig werkende middelen opleveren.

Aangezien de remontepaarden, wanneer zij op dp gewone wijze met de trens bestuurd worden, de juiste hoofd- en halsstelling zonder moeite moeten kunnen aannemen en behouden alvorens te worden opgestangd, dienen de hulpteugels, al heeft men er gebruik van gemaakt, achterwege te worden gelaten, zoodra de paarden niet meer beproeven zich aan de gewenschte houding te onttrekken.

Wanneer de paarden op de groote volte goed in het evenwicht stappen en draven, en aan de werking van den binnenteugel gehoorzamende, eenige stelling aannemen, moet met de zijgangen worden aangevangen. Zij worden afgewisseld met de wendingen, waarbij steeds meer op eene juiste uitvoering, door ieder paard afzonderlijk, dan op richting en afstanden moet worden gelet.

5

-ocr page 78-

66

§ 25. WIJKEN VOOR DEN EENZ1JDIGEN DRUK DER BEENEN.

Alvorens tot de zijgangen over te gaan zal men het paard leeren te gehoorzamen aan den eenzijdigen druk der beenen.

In stap op de groote volte zijnde, begint men het paard met de voorhand van . den hoefslag af te brengen, als wilde men eene wending binnenwaarts maken. Door eene vermeerderde werking van den binnenteugel en het binnenbeen, tracht men de achterhand zijwaarts te drukken, waarbij het gewicht op het buitenzitbeen wordt overgebracht en de buitenteugel zorgt, dat de hals zooveel mogelijk recht blijft.

Heeft het paard op den druk van het been gehoorzaamd, hetgeen desnoods bevorderd kan worden door aantikken met de karwats achter het been des ruiters, dan brengt men vooruitgaande\' met den buitenteugel en het binnenbeen de voorhand langzaam naar den hoefslag terug.

Blijven enkele paarden weerspannig voor den druk van het binnenbeen, dan zal de ruiter op eene kleine volte beproeven het paard met de achterhand buitenwaarts te doen uitwijken, door welk hulpmiddel het paard gewoonlijk spoedig tot wijken voor het binnenbeen gebracht zal worden. Helpt ook dit niet, dan zal de onderwijzer den ruiter behulpzaam moeten zijn, b. v.: door het paard bij het bakstuk aan te vatten en door tikken met de karwats de achterhand tot wijken trachten te brengen.

-ocr page 79-

6?

§ 20. AFBUIGENquot;.

Het afbuigen dient om aan het paard, met eene loodrechte hoofdstelling, eene gemakkelijke zijwaartsche nekbuiging te verschaffen in het bovenste derde gedeelte van den hals, zoodat de kaakrand, de oorklier wegdrukkende, goed tegen de halsspieren wordt geichoven en het paard, zonder pijn te gevoelen, onmiddellijk nageeft op de eenzijdige werking der teugels. Deze oefening draagt er toe bij tot het verkrijgen eener meer bijgebrachte hoofdstelling, daar hare gedurige herhaling aan de weefsels, waardoor de oorklieren aan de omliggende deelen verbonden zijn, die rekbaarheid geeft, welke voor het onmiddellijk wijken voor den dryk der kaken noodig is. Wil men dus ook in dit opzicht goede uitkomsten verkrijgen, dan moeten bij deze bewerking de ooren even hoog geplaatst, de neus in bijna loodrechte houding bijgebracht blijven, en de beweging uitsluitend in het bovenste gedeelte van den hals plaats hebben.

Het afbuigen geschiedt op het commando: Rechts (links) afbuigen. Het hoofd van het paard wordt eerst bijgebracht, dan de binnenteugel, onder het overeenkomstig nageven van den buitenteugel, zoolang aangehouden, totdat het paard het hoofd zoover naar binnen brengt, dat het met een loodrechte stelling naar binnen ziet.

De buitenvuist houdt zooveel tegen, dat het paard zich niet te snel noch te sterk afbuigt.

In deze stellins; wacht men, met stille vuist, het

-ocr page 80-

68

afknabbelen van het gebit af, hetgeen door een lichte aanmaning met de beenen, of met het binnenbeen alleen, kan bespoedigd wórden.

Het hoofd wordt weder rechtuit geplaatst, door hét overeenkomstig aanhouden van den buiten- en nageven van den binnenteugel.

, Vele paarden zullen zich aan den pijnlijken druk, bij het afbuigen op de oorklieren veroorzaakt, beproeven te onttrekken o. a. : door den hals uit te buigen, hetgeen men tracht te beletten door den teugel daar tegen te leggen, waar de uitbuiging plaats heeft; door het hoofd scheef te brengen, meestal gepaard gaande \'met een vermeerderd steun zoeken op het buitenvoorbeen, dat verbeterd wordt door de hand aan de zijde waar het oor het laagste is, het hoogste te plaatsen en daarmede in opwaartsche richting te werken; door een voorbeen vooruit te zetten, of wel op een achterbeen te rusten, of met de achterhand uit te wijken, in welke gevallen het paard eeïst weder vierkant geplaatst wordt.

Op het commando; Geeft = acht wordt de oefening geëindigd.

Daar de paarden aan beide zijden even buigzaam moeten gemaakt worden, zoo moet men natuurlijk het meest afbuigen, aan de zijde, waar de dwang het sterkste is.

Her nageven op den binnenteugel door het afbuigen verkregen dient eveneens tot voorbereiding voor de zijgangen.

-ocr page 81-

69

§ 27. ZIJGANGEN.

De zijgangen, die tot het africhten van remonte-paarden worden aangewend, zijn: schouder binnenwaarts, schouder buitenwaarts, travers en renvers.

De paarden gaan bij elke dezer oefeningen op twee hoefslagen, dit wil zeggen; dat de achterbeenen in plaats van den hoefslag der voorbeenen te volgen, zich op een afzonderlijken hoefslag, evenwijdig aan dien der voorbeenen bewegen.

In de zijgangen verstaat men door de binnenzijde, de zijde waarnaar de buiging plaats heeft.

Het doel der zijgangen in het algemeen is\', het bevorderen van de buigzaamheid in alle gewrichten, ten einde het paard in staat te stellen, zich ten allen tijde met gemak te kunnen verzamelen. Vooral beoogt men er mede het verbeteren der nekbuiging (stelling), oprichting van den hals en nageven van rug en lenden, het vermeerderen der schoudervrijheid, door vermeerderd ondertreden buigzamer maken van de gewrichten der achterbeenen Cvoornamelijk heup-en kniegewrichten} en het verkrijgen van meerdere ribbebuiging, tevens zullen de zijgangen de gehoorzaamheid der paarden en hunne opmerkzaamheid voor de hulpen bevorderen.

Door ribbebuiging verstaat men eene zijdelingsche buiging der wervelkolom (hoofdzakelijk bij de lenden), waardoor het voor- en achterbeen aan den eenen kant dichter bij, die aan den anderen kant in gelijke verhouding verder van elkander komen. Zij moet het paard in staat stellen zich met gemak en, zonder de

-ocr page 82-

overeenstemming in de beweging te verliezen, op kleine cirkels te kunnen bewegen. Deze buiging is reeds eenigszins verkregen door het buigen in gang.

De grootste moeilijkheid bij de zijgangen is het behouden der neiging tot vooruitgaan, vereischt om het paard verzameld te houden en toch is dit zoo noodzakelijk, zullen de zijgangen aan hun veelzijdig nut beantwoorden en niet voor de africhting schadelijk zijn.

Hoe meer de hoefslagen van de voorbeenen zoowel als die der achterbeenen, elkander naderen, des te verhevener wordt het zijwaarts treden, waardoor de spieren 2iich meer zullen buigen en strekken.

De ruiter moet met beide beenen, doch vooral met het been aan den kant, waar men heen gaat, trachten ■ het paard aan het bit te houden, en in verband met zijn zit, het verzamelen van achteren naar veren zoeken te behouden, waardoor bij het paard steeds de neiging voorwaarts zal blijven bestaan; met het andere been zorgt hij voor de gewenschte ribbebuiging.

In de zijgangen moet de ruiter met zijn lichaam steeds met de beweging medegaan en dus iets meer doorzitten naar de zijde van zijn zijwaartsdrijvend been.

Daar, waar de ruiter aan zijn lichaam eene juiste neiging weet te geven, zal deze, in verband met het zijwaarts drukkend been, in den regel voldoende zijn om de zijwaartsche werking van den teugel aan den kant, waarheen hij gaat te kunnen ontberen, en dit is van groot belang, vooral als deze teugel tevens het verbuigen van den hals moet beletten, zooals b. v. bij schouder binnenwaarts het geval is.

-ocr page 83-

7i

Bij alle zijgangen moet de voorhand de achterhand vooraf gaan, ten einde het paard het zijwaarts treden mogelijk te maken en te voorkomen, dat het zich krampachtig spant, met de knieën tegen elkander slaat of op de kronen trapt.

De zijgangen mogen niet anders dan in stap worden uitgevoerd en niet te lang achter elkander beoefend worden.

Vóór dat het paard in een zijgang wordt gebracht, moet het in een verzamelde slap aan de teugels gaan, zoodat het niet door sterke hulpen er toe behoeft gedwongen te worden. Het paard in de juiste stelling te brengen en daarin te houden, zonder het meer dwang aan te doen dan noodig is, noch het zooveel vrijheid toe te laten, dat het die ten nadeele des ruiters zou kunnen gebruiken, is een rijkunstige regel, die ook hier moet worden toegepast.

Onttrekt het paard zich gedurende den zijgang, door het vooruitbrengen van den neus, het spannen van den rug of het stijfmaken van den hals, aan de juiste stelling, dan moeten deze fouten door rechtuit rijden, verzamelen, halt houden en afbuigen, door wendingen en rijden in verkorten draf op de open en gesloten volte worden tegengegaan, en het paard daardoor tot de uitvoering der zijgangen beier worden voorbereid.

Hebben paarden bij het rijden der zijgangen aanhoudend neiging om zich terug te houden, dan worden zij eerst in vlotten gang aan het bit gedreven, alvorens den zijgang opnieuw te beoefenen.

Door dikwijls uit een der zijgangen te doen ophouden.

-ocr page 84-

72

beproeft de onderwijzer of de ruiter zijn paard goed tusschen teugels en beenen heeft. Is dit het geval quot;niet, dan waggelt het nog eenigszins heen en weer alvorens te blijven staan.

De onderwijzer zij indachtig,\' dat de zijgangen vermoeiend zijn voor het jonge paard, en deze dus niet te lang achter elkander mogen worden beoefend.

Js 28. SCHOUDER BINNENWAARTS.

Heeft het paard bij de oefening van het leeren wijken voor den eenzijdigen druk der beenen, na eenigen tijd reeds geleerd enkele passen achter elkander aan dien druk te gehoorzamen, dan is dit reeds eene inleiding geweest tot het schouder binnenwaarts.

Bij schouder binnenwaarts is de voorhand naar binnen gewend en beweegt het paard, dat gesteld en gebogen is naar de tegenovergestelde zijde waarheen het gaat, zich zoodanig, dat de binnenvoeten over de buitenvoeten heentreden.

Door dezen zijgang wordt de hoofdstelling verbeterd, de gehoorzaamheid aan den binnenteugel, als buigenden teugel, vermeerderd, eene grootere schoudervrijheid ontwikkeld, en rug, lenden en achterbeenen buigzaam gemaakt.

De verbeterde plaatsing van hoofd en hals, het spoedig leeren gehoorzamen aan de werking van den binnenteugel, als buigenden teugel en het gemak, dat hieruit voor den ruiter ontstaat, om te allen tijde aan zijn paard een goede stelling te geven, het ruim en ver-

-ocr page 85-

73

heven vooruit treden van het binnenvoorbeen en het ver ondertreden van het binnenachterbeen, zijn de redenen, waarom deze zijgang, in verband beoefend met het rijden van den verkorten draf op de groote volte, een doeltreffend hulpmiddel aanbiedt, om de buigzaamheid en juiste stelling te ontwikkelen, waaruit het zuiver aanspringen en de geregelde galop ontstaat. Wanneer de ruiters op de groote volte in stap zijn, wordt gecommandeerd : Schouder binnenwaarts. Hierop wordt de voorhand vooruitgaande ongeveer een pas naar binnen gebracht-; op het oogenblik dat de achterhand den hoefslag zoude verlaten, vangen beide teugels het paard op en oefent onmiddellijk de buitenteugel eene zijwaarts leidende werking uit, die, in verband met het doorzitten op het buitenzitbeen en den druk van het binnenbeen, het paard zal nopen zijwaarts te treden. Beide beenen, voornamelijk het buitenbeen, drukken de achterhand onder, waardoor de binnenbeenen genoodzaakt worden over de buitenbeenen te treden en het buigzaam maken der achterhand bevorderd wordt.

Het binnenbeen, terwijl het zijwaarts drijft, bewerkt ribbebuiging. De binnenteugel zorgt voor de stelling, de buitenteugel dat de hals zooveel mogelijk recht en opgericht blijft.

Het eindigen dezer oefening geschiedt op het commando ; Rechtuit, waarop de ruiters, door de werking van buitenteugel en binnenbeen, de voorhand vooruitgaande langzaam naar den hoefslag terugleiden, terwijl de achterhand daarbij in beweging en op den hoefslag moet blijven en dus kleinere passen dient te maken.

-ocr page 86-

74

In geen geval mag daarbij de achterhand naar binnen komen.

Aanvankelijk zal men den ruiters toestaan om na korteren of langeren tijd den zijgang te eindigen, en daarna weder aan te vangen, naarmate hunne paairden dit aangeven.

Niet dadelijk kan men bij het zijwaarts-treden die juiste houding verlangen, waarbij het paard, met opgericht en teruggeschoven hoofd en hals, behoorlijk gesteld en met goede aanleuning met nagegeven rug en lenden en ondergetreden achterband, in regelmatig tempo met verheven beweging der beenen, zijwaarts treedt, maar zal men aanvankelijk met een geringer graad van oprichting en verzameling tevreden moeten zijn.

In geen geval mag meer stelling genomen worden, dan bij het rijden op de rechte lijn.

Gehoorzamen de paarden op de groote volte aan de hulpen voor schouder binnenwaarts, dan gaat men over tot de beoefening van dien zijgang langs een van de wanden der manége.

Aanvankelijk doet men slechts ééne zijde in dezen zijgang doorloopen. Hiertoe commandeert de onderwijzer zeggender wij ze den zijgang aan een der zijden, waarop de ruiters, zoodra zij den hoek zijn doorgegaan, in de wending blijven, om op het oogenblik dat de achterhand den hoefslag zoude verlaten, het paard zijwaarts te doen treden door dezelfde hulpen, als hiertoe bij het rijden op de volte aangegeven zijn.

Om aan de volgende zijde weder rechtuit te gaan.

-ocr page 87-

75

begint de ruiter met een paar passen vóór die zijder door eene versterkte werking van binnenteugel en binnenbeen, meer croupe te nemen, zoodat de achterhand bijna gelijktijdig met de voorhand op den hoefslag, komt. Te gelijkertijd, dat nu door een versterkten druk van het binnenbeen, de achterhand op den hoefslag gebracht wordt, verricht de ruiter eene halve ophouding,, die goed uitgevoerd hem in staat stelt, om zoodra de achterhand op den hoefslag gekomen is, zonder halt te houden in regelmatig tempo voorwaarts te gaan.

Bij paarden, die bij het rechtuit gaan de voorhand te snel naar den hoefslag brengen en daarbij sterk tegen de buitenhulpen ingaan, zal het aan te bevelen zijn den zijgang te eindigen, door het paard in de richting, waarin het zich bevindt, vlot voorwaarts te drijven.

Het rijden van schouder binnenwaarts op eene meer gesloten groote volte, kan als voorbereiding dienen voor het doorrijden der hoeken.

Bij het doorgaan der hoeken moet de goede houding en het regelmatig tempo bewaard blijven, en de voorhand een kleineren cirkel beschrijven dan de achterhand. De achterbeenen maken even groote passen als op de rechte lijn, doch de voorbeenen maken deze in hetzelfde tempo kleiner, waartoe de teugels een weinig aangehouden, de druk van het binnenbeen versterkt en de voortdrijvende hulpen iets vermeerderd worden.

Bij het rijden van schouder binnenwaarts dient er vooral op gelet te worden, dat de hals zooveel mogelijk recht en het hoofd in zijne goede stelling blijft, de

-ocr page 88-

76

ooren even hoog geplaatst zijn en, terwijl de achterbeenen goed gebogen ondertreden, het paard tegen het binnen-i been gebogen is. De voorhand mag niet te veel naar ■binnen komen, daar in dit geval de binnenachtervoet niet behoorlijk kan ondertreden en het paard zich met -stijven rug op de voorhand legt, waardoor de schouders vast gemaakt worden, in plaats dat schoudervrijheid en buigzaamheid der achterhand verkregen wordt.

Vele paarden ijlen of schuwen het zijwaartsdrijvend been, zonder den druk daarvan af te wachten. De ruiter moet zich door dit gebrekkig wijken niet laten misleiden, en niet meenen dat zulks uit gehoorzaamheid aan de beenen geschiedt. Door het goed tegenhouden van den buitenteugel en het buitenbeen,, zonder de binnenhuipen geheel buiten werking te stellen, door in dezen zijgang dikwijls op te houden en weder aan te gaan, alsmede door vele, nauwkeurig uitgevoerde, wendingen wordt deze fout verbeterd. Sommige paarden gaan dezen zijgang onregelmatig, wijl het gewicht niet gelijkelijk van het eene op het andere voorbeen wordt overgebracht, (vallen op het buiten voorbeen) •, gebrek aan evenwicht of wel het verbuigen van den hals is hiervan veelal oorzaak.\'

Het halt houden uit dezen gang moet, evenals alle ■ophoudingen, vloeiend plaats hebben, door het staken -der zijwaarts drijvende hulpen en eene trapsgewijze ■vermeerdering der buitenhulpen.

Om weder aan te gaan moet de ruiter eerst de achterhand vooruitgaande in beweging stellen, alvorens de .zijwaarts leidende hulpen te geven.

-ocr page 89-

77

§ 29. SCHOUDER BUITENWAARTS.

Bij schouder buitenwaarts zijn stelling en beweging, van het paard dezelfde als bij schouder binnenwaarts,, doch is de achterhand naar binnen gekeerd. Deze zijgang heeft bij de africhting van sommige paarden, boven schouder binnenwaarts voor, dat de achterhand bij het gaan op den cirkel en door de hoeken den kleinsten weg doorloopt en dus het paard gemakkelijker verzameld kan gehouden worden. De groote passen toch, die de achterbeenen ten opzichte der voorbeenen bij schouder binnenwaarts moeten verrichten, maken een zeker vrijgeven der achterhand noodig, hetgeen de verzameling tegenwerkt.

\'l\'ot dezen zijgang, die voornamelijk op de groote volte wordt beoefend, wordt overgegaan op het commando :

Schouder buitenwaarts, waarop, de ruiter de stelling verandert, de voorhand zonder haar evenwel te doen halt houden eenigszins inhoudt, en de achterhand ongeveer een pas naar binnen brengt.

Aangezien stelling en beweging hierbij geheel overeenkomen, met die in schouder binnenwaarts, zoo-vindt ook alles wat daarbij werd opgemerkt hier zijne toepassing.

Daar bij dezen zijgang de neiging, die de achterhand heeft om naar den hoefslag terug te keeren, het paard tegen het zijwaarts drijvend been aandringt, wordt de-ribbebuiging daarbij gemakkelijker verkregen, dan bij schouder binnenwaarts.

-ocr page 90-

Deze zijgang is voornamelijk dienstig voor paarden, •die moeilijk tot schouder binnenwaarts te brengen zijn of zich door dringen op de hand aan de eischen des ruiters trachten te onttrekken. Daartoe is het aan te ■bevelen op de groote volte in een der helften in schouder buitenwaarts te gaan om over het midden op de andere volte overgaande van zelf in schouder binnenwaarts te komen.

§ 30. TRAVERS.

Bij de travers blijft de voorhand op den hoefslag en is de achterhand ongeveer een pas naar binnen geplaatst. Het paard is om het binnenbeen van den ruiter ■eenigszins gebogen en treedt met de buitenvoeten over ■de binnenvoeten.

Door dezen zijgang vermeerderen de buigzaamheid van het paard en de gehoorzaamheid aan den binnen-teugel, als leidenden teugel, en worden de achterbeenen, voornamelijk het buitenachterbeen, geoefend, goed gebogen onder het zwaartepunt te treden.

a. Passade.

Van het oogenblik af, waarop de paarden in schouder ■binnenwaarts meer houding verkrijgen, geschiedt het veranderen van hand in halve traverssteJing door de Passade en Het veranderen van hand in travers, waardoor zij langzamerhand tot den travers worden voorbereid-

Voordat het hoofd der colonne in een der hoeken

-ocr page 91-

79

is aangekomen, die op de korte zijde brengt, wordt gecommandeerd: Passade. Op zes passen voorbij den hoek on de korte zijde aangekomen, wenden de ruiters hunne paarden achtereenvolgens naar binnen en rijden daarna op twee hoefslagen in traversstelling naar het midden der lange zijde, die zij verlaten hebben, zoodanig dat het paard nagenoeg evenwijdig aan den hoefslag vóór- en zijwaarts treedt, en daarbij het hoofd van het paard op het midden der lange zijde aankomt.

Bij dit afwenden wordt, bij een versterkt aandrijven, de hoofdstelling vermeerderd. Op het oogenblik, dat de achterhand op het punt is den hoefslag te verlaten, wordt om het vooruitgaan te beletten, het paard met de teugels opgevangen en door den gelijktijdig versterkten druk van het buitenbeen, gepaard aan het doorzitten op het binnenzitbeen en de zijwaarts leidende werking van den binnenteugel, genoopt zijwaarts te treden.

Terwijl nu het buitenbeen, ondersteund door den buitenteugel, de achterhand zijwaarts drukt, drijven beide beenen het paard vooruit en zorgen binnenteugel en binnenbeen, dat stelling en buiging naar die zijde bewaard blijven.

Aan de lange zijde gekomen, wordt rechtuit gegaan en vooruitgaande de stelling veranderd.

Bij het juist uitvoeren van de passade moet het paard, na afgewend te hebben, zonder dat de achterhand afvalt, onmiddellijk zijwaarts treden; de passen moeten gelijkmatig en in hetzelfde tempo gemaakt worden, en zonder zich terug te houden moet het paard het bit blijven afknabbelen.

-ocr page 92-

So

In den aanvang zal het wel niet mogelijk zijn, aan de veelvuldige eischen van het juist rijden der passade te voldoen en zal men zich tevreden moeten stellen, wanneer het paard bij het bewaren van stelling, slechts vooruitgaande aan de hulpen die het zijwaarts drijven, gehoorzaamt, al eindigt de passade dan ook niet juist op het midden der lange zijde, doch voorbij dit punt. Bij meerdere oefening zal reeds spoedig de nauwkeurige uitvoering verlangd worden.

Komt het voor, dat een paard niet behoorlijk voor den druk van het buitenbeen wijkt, dan moet de ruiter, wanneer het aanhouden van den buitenteugel vruchteloos beproefd is, het hoofd gedurende eenige passen naar die zijde nemen, waar het zich tegen den beendruk verzet. Zoodra het paard begrepen heeft, wat van hem wordt verlangd, herstelt de ruiter langzamerhand de goede hoofdstelling.

Andere paarden ijlen te snel naar den wand. Deze moeten met het binnenbeen goed voorwaarts gedreven, eenige passen op een hoefslag recht vooruitgereden, en dan weder in travers genomen worden. Ook is in dit geval het dikwijls halt houden en weder aanmar-cheeren in den zijgang aan te bevelen.

b. Verandering van hand in travers.

Om in travers van hand te veranderen, wordt, vóór dat het hoofd der colonne den hoek bereikt heeft om op de lange zijde te komen gecommandeerd : In travers van hand veranderen^ waarop de ruiters, na den hoek

-ocr page 93-

zes pas te zijn doorgereden, achtereenvolgens den zijgang aanvangen, door de voorhand een weinig naar binnen te wenden en daarna het paard zijwaarts te doen treden, door dezelfde hulpen als bij de passade zijn aangegeven. De ruiter neme hierbij eveneens in acht, dat het paard zich nagenoeg evenwijdig aan de lange zijde moet blijven voortbewegen. De hoofden der paarden moeten hierbij in de lijn blijven, die, over het midden der manége gaande, zes passen vóór den hoek op de tegenovergestelde lange zijde uitkomt. Daar aangekomen wordt op gelijke wijze als bij de passade de hoefslag weder gevolgd.

Alle opmerkingen hierboven bij de passade gemaakt, zijn ook bij het in travers van hand veranderen van toepassing.

c. Travers langs den hoefslag.

Hebben de jonge paarden reeds eenige geoefendheid verkregen in de passade en het veranderen van hand in travers, dan kan tot den travers langs den hoefslag worden overgegaan.

In het eerst wordt hiertoe gebruik gemaakt van een hoek en reeds in de wending het buitenbeen sterker aangelegd, en te gelijkertijd de buitenteugel iets meer aangehouden, waarbij de binnenteugel de stelling van het paard eenigszins vermeerdert. De binnenteugel en het binnenbeen blijven voor stelling en buiging zorgen en verhinderen het paard de achterhand te ver naar binnen te brengen. Behalve dat de buitenteugel op-

6

-ocr page 94-

82

richtend en terugschuivend werkt en het buitenbeen bij het zijwaarts treden ondersteunt, zorgt die teugel, dat de hals zooveel mogelijk recht blijft.

Beide beenen, voornamelijk het binnenbeen, zorgen dat de neiging om vooruit te gaan behouden blijft.

De juiste aanwending van binnenteugel en binnenbeen is bij deze oefening vooral van groot gewicht.

Om den zijgang te doen eindigen, wordt door den onderwijzer het punt aangegeven, waar hij zulks wil doen geschieden. Daar aangekomen, worden de zijwaarts drijvende hulpen langzamerhand verminderd, en het paard door aandrukken met beide beenen, gepaard aan het overeenkomstig nageven der teugels, vooruitgaande, vloeiend naar den hoefslag teruggebracht.

Om alle ruiters gelijktijdig tot den travers te doen overgaan wordt gecommandeerd : Travers. Hierop wordt de hoofdstelling eenigszins vermeerderd, door de werking der buitenhulpen de achterhand ongeveer één pas naar binnen gebracht en verder gehandeld, zooals hierboven voorgeschreven is.

Bij het doorrijden der hoeken moet de voorhand in denzelfden gang en in hetzelfde tempo blijven, terwijl de achterhand tot het verrichten van kortere treden moet worden tegengehouden, totdat de hoek is doorgereden. Wil men weder op één hoefslag doen overgaan, zoo geschiedt dit op het commando : Rechtuit, waarop de ruiters hunne paarden door dezelfde hulpen, hierboven tot het rechtuitgaan opgegeven, naar den hoefslag terugbrengen.

Bij het rijden van den travers moet men zorgen.

-ocr page 95-

«3

dat de achterband niet te ver naar binnen gebracht wordt, daar dan het nut van den zijgang zoude verloren gaan, aangezien het verkrijgen van de ribbebuiging teveel bemoeilijkt wordt en de binnenachtervoet moeilijk onder het zwaartepunt kan treden.

Doelmatig zal het zijn, paarden, die zich in den beginne terughouden, op eenigen afstand van den wand te doen gaan, om ze zoo noodig te kunnen vooruit-drukken.

Ten einde tot dit vooruitdrukken nog meer gelegenheid te hebben, kan men op het commando van : op het midden in travers afwenden de paarden achtereenvolgens in het midden van de lange zijde tot den travers doen overgaan op de wijze, die voor het aannemen van dien zijgang in een der hoeken is voorgeschreven. De ruiters, die op het midden der andere lange zijde aanrijden, wenden daar, op dezelfde hand blijvende, in travers, evenals in de hoeken.

Verlangt de onderwijzer evenwel van deze beweging gebruik te maken om van hand te veranderen, dan commandeert hij bijtijds : Aan de lange zijde rechtuit, waarop de ruiters zoodra zij op de lange zijde aankomen hunne paarden op één hoefslag plaatsen.

d. Overschenkelen.

Bij het overschenkelen gaan vóór en achterbeenen op evenwijdige lijnen en treden de buitenbeenen over, zoodat het paard niet voor doch slechts zijwaarts gaat. Het overschenkelen wordt slechts van de plaats af

-ocr page 96-

84

beoefend en dient alleen om later in het stilstaande gelid meer of minder tusschenruimte te nemen. Na eene wending met éénen rechts of links, laat men halt houden en commandeert: Rechts (of links) over-schenkelen. De ruiter brengt daarop het paard een weinig voorwaarts in beweging, waarna de voorhand door den binnenteugel naar de zijde gericht wordt waarheen de beweging geschiedt, en hij bij eenigszins aangehouden teugels het buitenbeen achter den singel plaatst om de achterhand tot wijken te brengen; het binnenbeen zorgt dat het paard niet achter het bit kruipt en ondersteunt de werking van den binnenteugel, opdat de voorhand steeds een weinig vooraf blijft gaan.

Om de oefening te eindigen wordt „Half gecommandeerd, waarop de ruiter de teugels een weinig aanhoudt, de werking van het buitenbeen vermindert met het binnenbeen tegenhoudt en aldus het paard weer rechtuit plaatst.

Bij het zijwaarts treden moet men met eer.ige passen tevreden zijn.

§ 31. RENVERS.

Op de rechte lijn zijn de stelling en de beweging van het paard in travers en in reuvers volkomen dezelfde. Daar evenwel bij den eersten zijgang het hoofd van het paard naar den wand, en bij den renvers naar binnen is gekeerd, wordt in de hoeken, bij den travers, de voorhand om de achterhand gewend en heeft bij den renvers het omgekeerde plaats.

-ocr page 97-

Tot den ren vers wordt overgegaan uit de passade en wordt door den onderwijzer zeggender wij ze gecommandeerd.

Op ongeveer drie passen van de lange zijde gekomen zijnde, zal de ruiter de voorhand kortere treden laten maken en de achterhand om de voorhand heen op den hoefslag brengen, waarbij deze dezelfde passen in hetzelfde tempo blijft maken. Daarbij zorgt de ruiter, dat de stelling bewaard blijve en het paard zijne neiging tot voorwaarts gaan behoude. Aangezien stelling en beweging volmaakt dezelfde zijn als bij den travers, zijn alle opmerkingen, omtrent dien zijgang gemaakt, ook hier van toepassing.

Het weder overgaan op één hoefslag kan geschieden in een der hoeken, of op een willekeurig punt der zijden.

Geschiedt het rechtuitgaan in een der hoeken, dan zal de ruiter, naarmate hij dezen nadert, langzamerhand door eene versterkte werking van buitenteugel en buitenbeen (zijwaartsdrijvend been) meer croupe nemen, zoodat voor- en achterhand nagenoeg gelijktijdig op de volgende zijde aankomen. Hier moet de voorhand zonder halt te houden eenigszins worden ingehouden, totdat de achterhand volkomen op deze zijde geplaatst is; de ruiter verricht hiertoe eene halve ophouding, die hem tevens in staat moet stellen onmiddellijk daarop vlot voorwaarts te gaan, waaibij vooruitgaande de stelling veranderd wordt.

Heeft dit rechtuitgaan op eene der zijden plaats, dan wordt, terwijl door het aandrukken der beenen

-ocr page 98-

86

de achterhand in beweging wordt gehouden, de voorhand door eene versterkte werking van buiten- (zijwaarts-drijvend) been en binnenteugel langzaam naar den hoefslag geleid, waarbij de achterhand niet naar binnen mag komen, noch de verzamelde houding verloren gaan Vooruitgaande wordt daarna de stelling veranderd.

§ 32. OEFENING IN HET VERLATEN VAN HET GELID.

Na de ruiters in één gelid zonder tusschenruimten met den rug naar eene der korte [zijden te hebben geplaatst, worden de paarden geoefend in het rechtuit verlaten van het gelid.

Hiertoe wordt ieder ruiter bij zijn naam aangeroepen, met aanduiding van den gang dien hij, na het gelid in stap verlaten te hebben, moet aannemen. De aangewezen ruiter drukt daarop de beenen gelijkmatig aan, en zorgt, door een onveranderden zit en door de teugels voldoende na te geven, het paard niet te storen bij het aanmarcheeren en het gelid vooral rechtuitgaande te verlaten, terwijl het paard zoo het gehoorzaamt, beloond wordt.

Aan de tegenovergestelde zijde wendt hij rechts ot links en gaat, wanneer hij in een snelleren gang was, op het midden der lange zijde in stap over en rijdt achterom het gelid weder in. Ook zal het goed zijn, vooral in den aanvang, den ruiter door het gelid heen te doen rijden, vóór en achter het gelid om te doen gaan, hem achter en vóór het gelid te doen halt

-ocr page 99-

87

houden, en daarna weder zijne plaats te doen innemen.

Verricht het paard deze beweging rustig, dan staakt de ruiter, zoodra hij plaats genomen heeft in het gelid, eerst de teugehverking en daarna de beenhulpen en klopt hij het paard tot belooning op den hals.

Dringt het paard, in de nabijheid van het gelid komende, op de andere paarden aan, dan moet de ruiter doorrijden en deze beweging zoolang herhalen, totdat het gewillig en rustig langs of door het gelid is gegaan. Daarna stijgt hij af op een van het gelid verwijderd punt.

Bij het afmarcheeren uit het gelid moeten weigerachtige paarden nimmer met geweld hiertoe gebracht worden. Met zachtheid en door de aandacht der paarden af te leiden, door het voorhouden van haver, waarop hij zal aantrekken, tracht men het doel te bereiken.

Heeft deze oefening in de open lucht plaats, dan verwijdert zich ieder ruiter rechtuit rijdende, op een grooten afstand van het gelid.

Enkele paarden slaan achteruit naar de paarden, die naast hen opmarcheeren; worden zulke paarden gevaarlijk, dan moet van den kaptoom worden gebruik gemaakt, waaraan eene longe wordt gegespt.

Steigeren. en dringen bij het verlaten van het gelid komt gewoonlijk voort uit onvoldoende africhting. De paarden mogen dan vooral niet met geweld tot gehoorzaamheid worden gedwongen, maar eerst door gepaste middelen buigzamer en gehoorzamer aan de hulpen der ruiters gemaakt worden.

-ocr page 100-

88

§ 33- gewennen j)er paarden aan de trom en

het schieten.

Met deze oefeningen kan in dit tijdperk aangevangen worden; zij hebben dan plaats op het einde der les, totdat de paarden volkomen rustig blijven. Is dit het geval, dan moeten zij nu en dan herhaald worden, om de gewoonte eraan te onderhouden.

De onderwijzer laat daartoe de ruiters op de groote volte met groote afstanden in stap gaan. Terwijl hij zich in het midden der volte plaatst met een tamboer en een helper, zal hij alle paarden beurtelings naar zich toe laten komen, teneinde hen vertrouwd te maken met het gezicht van de trom waarbij hij hen door den helper wat haver laat geven in de nabijheid van de trom. De ruiter, die de teugels in eene hand overgenomen heeft, streelt en beloont het paard met de andere hand.

Alle ruiters wederom op de groote volte teruggekeerd zijnde, laat de onderwijzer halt houden, de paarden zoodanig binnenwaarts wenden, dat zij de trom kunnen zien en laat deze zacht roeren.

De ruiters zorgen bovenal de angst, die sommige paarden mochten toonen, niet te vermeerderen, door hen in de uiting daarvan onmiddellijk tegen te werken, waartoe de teugels geheel losgelaten kunnen worden.

Langzamerhand wordt nu de trom wat sterker geroerd, en komen de ruiters door vooruit te rijden iets dichterbij. Blijven de paarden ook hierbij rustig, dan laat hij hen afzonderlijk rijden in stap en midden in

-ocr page 101-

89

de manége de trom roeren, waarbij de ruiters, naarmate de paarden rustig blijven, trachten de trom te naderen.

Van tijd tot tijd maken zij halt om aan hunne paarden haver te laten geven [en marcheeren daarna weder vooruit tot zoo dicht mogelijk in de nabijheid van den tamboer; toonen de paarden geen angst, dan gaat deze al trommelende om hen heen.

Wanneer alle paarden zonder onderscheid, hierbij volkomen rustig blijven, wordt de oefening voortgezet, de ruiters in een gelid opgesteld zijnde.

Om de paarden aan het schieten te gewennen, worden zij [op een gelid, dicht bij de korte zijde, met een pas tusschenruimte opgesteld. De onderwijzer plaatst zich dicht bij de tegenovergestelde korte zijde en vuurt — in den aanvang met zwakke lading — een schot met de revolver af, waarbij de tromp naar achteren en benedenwaarts gericht blijft. Inmiddels trachten de ruiters door de paarden aan den hals te kloppen deze rustig te houden, voordat het schot valt, terwijl een helper door het toedienen van haver daarbij behulpzaam is.

Aanvankelijk laat de onderwijzer na elk schot de paarden naar zich toekomen en op nieuw haver geven. Houden de paarden zich rustig, dan kan de onderwijzer het schot afgeven terwijl de paarden op hem aankomen, en met de oefening aldus trapsgewijze opklimmen totdat de paarden geen angst meer toonen en hij den ruiter zelf kan laten vuren, waarbij gezorgd moet worden, dat het wapen niet te dicht bij het hoofd van het, paard wordt gehouden.

-ocr page 102-

go

Toont het paard zich bij eene dezer oefeningen onrustig, dan dient met zeer veel geduid worden te werk gegaan en mogen vooral geen straffen worden aangewend; want de oorzaak van de onrust is geen onwil, maar angst en ongewoonte.

S 34. OEFENING BUITEN DE RIJBAAN,

Op de dagen, dat de paarden gedurende den geheelen oefentijd naar buiten worden gereden, moeten zij in den gewonen of exercitiedraf geoefend worden, waarbij aan het paard eene lagere en meer vrije houding van hoofd en hals mag worden toegelaten, dan bij den verkorten draf in de manége.

Veelal zal eene meerdere aanleuning op de teugels hiervan het gevolg zijn, hetgeen de ruiter niet moet tegenwerken, zonder dit echter in het nemen van een voortdurenden steun op\' het bit te laten ontaarden, hetgeen hij door zachte inwerking met de teugels moet trachten te voorkomen.

Er zijn paarden die, door eene minder juiste toepassing van de vorige oefeningen, in plaats van een beslissenden draf met krachtig vooruitgrijpende beweging der ledematen aan te nemen, liever in een terughoudenden galop, achter de hand overgaan, en die bij de geringste aanleiding in dezen gebrekkigen gang vallen. Is dit gebrek geen gevolg van zwakte der lenden, dan moet zoodanig paard door een vast en rustig zittend ruiter, in een beslissenden draf goed aan het bit worden gebracht, zonder evenwel tot het snelst

-ocr page 103-

mogelijke tempo te worden aangedreven. Telkens wanneer nu het paard in galop valt, zet de ruiter het aan tot het verrichten van eenige krachtige galopsprongen, ten einde het aan het bit te brengen en weder in draf te kunnen overgaan. Bij dezen overgang moet de ruiter op het juiste oogenblik vrij geven, en hierna zeer stil zitten, ten einde bet paard niet weder aanstonds aanleiding te geven tot het aannemen van den galop.

De onderwijzer laat de ruiters op daartoe geschikte terreinen één voor één het gelid verlaten, op groote afstanden van elkander verwijderd, op het vierkant en afzonderlijk rijden, of wanneer de oefeningen langs een weg plaats hebben, hen één voor één bij voorkeur langs dwarswegen, de colonne verlaten.

Derde Tijdperk.

De houding van het paard in stap en in verkorten draf wordt in dit tijdperk meer en meer verbeterd, de overgangen van stap in draf, en omgekeerd, moeten vloeiend, in meer verzamelde houding en korter worden, en de wendingen in de vereischte stelling en zonder stoornis van tempo worden uitgevoerd.

Door de zijgangen veel af te wisselen met den verzamelden draf, door halve ophoudingen in dezen gang, door uit dien draf dikwijls te laten halt houden en van de plaats weder in verkorten draf te doen aanmarcheeren, moet de gehoorzaamheid aan de hulpen des ruiters tot volkomenheid worden gebracht.

-ocr page 104-

92

en aan de paarden die buigzaamheid worden gegeven welke hen in staat stelt de houding, die tot het juiste aanspringen en regelmatig galoppeeren vereischt wordt, zonder dwang te kunnen aannemen.

35- VERZAMELDE DRAF EN MAKEN VAN KORTERE OVERGANGEN.

Wanneer nu door het rijden der zijgangen, bij meerdere buigzaamheid in alle gewrichten, eene scherpere oplettendheid aan de hulpen van den ruiter verkregen is, moet ook in den verkorten draf meer en meer verzameling gevorderd worden en aldus tot den verzamelden draf overgegaan worden.

Deze gang, waarbij hoofdzakelijk eene grootere schoudervrijheid benevens eene vermeerderde buiging van heup- en kniegewrichten verkregen wordt., moet thans tevens dienen als voorbereiding tot den galop en het teruggaan.

Het paard moet nu in verkorten draf, bij eene zachte aanleuning op het bit, met hoog opgericht en teruggeschoven hoofd en hals, met juiste stelling en sterk gebogen achterhand, zijne beenen zoo verheven mogelijk oplichten, als het ware tusschen teugels en beenen zweven en bij de meest mogelijke verzameling zich in al zijne deelen loslaten.

De tijdmaat is dezelfde als in den verkorten draf, doch de passen worden kleiner, aangezien zij verhevener zijn. De achterbeenen moeten krachtigquot;veerend werken, sterk gebogen ondertreden en het grootste

-ocr page 105-

93

gedeelte van den last op zich nemen, waardoor heupen kniegewrichten buigzamer gemaakt en het juiste teruggaan voorbereid wordt. De voorhand wordt in die mate verlicht, dat de voorbeenen zich zoo vrij, en verheven mogelijk kunnen bewegen, hetgeen eene vermeerderde schoudervrijheid in voorwaartsche richting ten gevolge zal hebben.

Door eene dikwijls herhaalde toepassing der halve ophoudingen tracht men de noodige verzameling te verkrijgen. De beenen en desnoods korte, lichte spoordruk drijven het paard tegen het bit, doen de achterbeenen gebogen ondertreden en zetten het tot een sterk oplichten der beenen aan. Hierbij moeten de vuisten, door lichte spelingen, het verzamelen bevorderen en het paard tot afknabbelen uitlokken.

Gaat het paard eenmaal goed in dezen gang, dan moet de ruiter, met stille hand, zoo rustig mogelijk zitten en zuiver de beweging volgen ten einde elk oogenblik met teugels en beenen, tot het behouden der verzameling en het verlevendigen van den gang, de noodige hulpen aan te kunnen brengen.

Terwijl te vele en vooral ontijdige inwerkingen den gang storen, en het vrije verheven treden der voorbeenen tegenwerken, zal een ruiter, die eenigszins juist voelt, zeer goed het oogenblik weten te beoor-deelen, waarop hij inwerken moet.

Men zal echter bij het beoefenen van den verzamelden draf, in het oog moeten houden, dat slechts weinige cavaleriepaarden, hetzij door min gmistigen bouw, hetzij uit gebrek aan kracht, in staat zijn, dezen gang in

-ocr page 106-

94

volmaakt juiste stelling en houding uit te voeren ; dat deze onoordeelkundig toegepast, het paard nadeelig is en men hierbij trapsgewijze met zijne eischen moet opklimmen.

In het algemeen zal het bij cavaleriepaarden verkieslijker zijn het tempo hierbij niet al te kort te nemen, daar het anders dikwijls zal voorkomen, dat de paarden van voren den gang verliezen en door onvoldoend ondertreden van achteren niet kunnen volgen.

De verzamelde draf moet niet te lang achter elkander worden aangehouden. Vooral ook tegen het achter het bit blijven dient men te waken, daar anders de achterhand zal terugblijven en de ruiter het gevoel van krachtig ondertreden der achterbeenen zal verliezen. Tot nu toe heeft men reeds in den loop der africhting ■dikwijls van de halve ophoudingen gebruik gemaakt, die echter nog niet behoorlijk konden worden uitgevoerd, aangezien het paard de noodige buigzaamheid miste, om met eene goede houding het gewicht hiertoe voldoende op de achterhand te kunnen overbrengen. Thans moeten zij bij eene juistere uitvoering ook als voorbereiding beschouwd worden, tot het maken van zuivere ophoudingen uit den verkorten draf, welke laatste weder, als hebbende het onderschuiven der achterbeenen op de plaats ten doel, aan het zuiver teruggaan moeten voorafgaan. Hierbij verlieze men echter niet uit het oog, dat de oefening in het teruggaan voornamelijk buiging van heup-, knie- en sprong-gewrichten bewerkende, op hare beurt weder verzameling en ophoudingen tot volkomenheid moet brengen.

-ocr page 107-

95

Bij de ophoudingen moeten de achterbeenen het grootste gedeelte van den last op zich nemen en hiertoe zoodanig gebogen ondertreden, dat het gewicht voornamelijk op de sterkere heup- en kniegewrichten drukt, waardoor de zwakkere sprong-, koot-, kroon- en hoef-gewrichten verschoond blijven en alleen de zuivere ophouding kan verkregen worden.

De ruiter zal dus eerst door krachtig voortdrijvende hulpen gepaard aan eene stille, door lichte spelingen oprichtende vuist, het onderschuiven der achterbeenen trachten te verkrijgen.

Door deze hulpen moet de gang, zonder het tempo te storen, meer en meer verzameld en de passen bij eene verhevene beweging der beenen langzamerhand korter worden tot eindelijk het paard, dat door de neiging, die de ruiter aan zijn zwaartepunt geeft en het gelijktijdig zacht aanhouden der teugels tot ophouden gebracht wordt, als het ware nog een paar veerkrachtige passen op de plaats maakt. Hierop geven de teugels iets na, en staakt de ruiter den druk der beenen, als het paard rustig stilstaat.

Aangezien deze overgangen, slecht uitgevoerd, voor het paard hoogst nadeelig zijn, zoo zal men hier vooral oordeelkundig en met omzichtigheid moeten te werk gaan, ze slechts trapsgewijze korter maken en wel bedenken, dat die paarden, welke wegens de vroeger daarbij opgegeven oorzaken niet in eene groote mate van verzameling kunnen gaan, ook deze overgangen niet, in de hierboven beschreven volkomenheid, op de achter-hand zullen kwmen uitvoeren.

-ocr page 108-

96

Behalve in sommige gevallen, waarin van het cava-leriepaard snelle, korte ophoudingen gevorderd worden, en deze dus, (willen zij niet ten koste van de voorhand geschieden) op de achterhand moeten worden uitgevoerd, zal men zich bij dienstgebruik met de overgangen op het midden (d. i. zulke waarbij wel evenwicht is, doch geene verdere verzameling) moeten tevreden stellen.

Is het steeds een vereischte, dat er juiste overeenstemming besta tusschen de hulpen van teugels en beenen, meer dan ooit zal dit hierbij noodzakelijk zijn, daar geene zuivere overgangen mogelijk zijn, indien door te sterke teugelwerking, of wel door te hoog opgevoerde voortdrijvende hulpen, de bedoelde verhouding verloren gaat.

Om het verzamelen niet tegen te werken zal de ruiter, hierbij wel moeten bedenken, dat hii door terugbrenging van zijn gewicht, gepaard aan de teugelwerking, den last niet moet terugschuiven, alvorens de achterhand voldoende onder getreden is,

Bij het -aangaan in draf van de plaats, wordt het paard eerst in stap gezet en de hulp aanstonds zoo versterkt, dat het den draf aanneemt. Het bovenlijf moet met de beweging mede gaan en mag noch voor-, noch achterover worden gebracht.

§ 36. GALOP.

Nemen de paarden in den draf, zoowel langs den hoefslag als op de groote volte en in de zijgangen, zonder dwang of tegenstreven, eene goede houding aan, dan worden zij in den galop geoefend.

-ocr page 109-

97

Bij het onafgerichte paard ontstaat de galop op de volgende wijze. In draf zijnde, zonder genoegzame buigzaamheid in rug en achterhand te bezitten, brengt het een groot gedeelte van zijn gewicht op de voorhand, de voorbeenen worden in de beweging belemmerd, zoodat zij de achterbeenen tot ondersteuning van het evenwicht niet kunnen bijhouden, waardoor het paard in den galop valt. Om op te houden verkort het zeer zeldzaam deze sprongen, omdat het daartoe de noodige buigzaamheid in de achterhand mits, doch het maakt gewoonlijk eene stootende ophouding op de voorhand en keert op deze wijze tot den draf terug.

Geheel anders ontstaat de galop bij het afgerichte paard. De achterhand neemt hierbij, door het buigen en onder het lijf plaatsen der beenen, het grootste gedeelte van den last op zich.

Door dit buigen heeft de ruiter het gevoel alsof de achterhand lager wordt en de voorhand meer verheven werkt. In den galop oefent het buitenachterbeen de grootste werking uit, omdat het door het met kracht strekken de voortbeweging aanvangt hetgeen door het binnenachterbeen wordt voortgezet, waarbij het buitenvoorbeen mede den last ondersteunt. Vóór het oogen-blik van zweven steunt het geheele gewicht op het binnenvoorbeen.

Evenals in stap en in draf bereiken de achtervoeten de hoefslagen der voorvoeten, blijven bij deze terug of worden er voorbij gezet, al naar dat het paard in evenwicht is, of met overwicht op de achter-, of sp

7

-ocr page 110-

98

de voorhand gaat. Bij zear korten (school-) galop zijn êr vier tempo\'s, b. v. bij galop links, wordt de linkerachtervoet vroeger neergezet dan de rechtervoor-voet.

Aangezien in galop, bij eene andere volgorde in de beweging der beenen, eene geheel verschillende verhouding in hunne onderlinge verrichtingen plaatsheeft, dan in stap en draf, zoo vormt ook het beoefenen van dezen gang een afzonderlijk tijdperk in de africhting. Deze oefening heeft echter niet alleen ten doel het paard den galop te leeren gaan (te leeren galoppeeren) maar moet tevens dienen om aan het paard eene verbeterde houding en aanleuning in alle gangen te geven, de spieren van rug en achterhand te oefenen en deze laatste in hare gewrichten (voornamelijk de heup- en kniegewrichten), buigzaam te maken.

Bij het in beweging zijnde paard worden rug en lendenen door gelijktijdige werking van rug- en buikspieren benevens de haasspieren vastgezet, zoodat van buigen in op of neerwaartsche richting geen sprake is; de voortstuwende kracht van de achterhand uitgaande kan nu rechtstreeks naar voren inwerken en den last verplaatsen.

Een paard dat den rug optrekt (z. g. kattenpokkel) doet dit omdat de last te zwaar is en de rug daardoor zou inbuigen, het trekt de buikspieren samen om het inbuigen van den rug te voorkomen, waardoor de rug de opwaartsche kromming verkrijgt. Trekt nu het paard de rugspieren samen, dat is spant hij die veerkrachtig en vermindert de werking der buikspieren.

-ocr page 111-

99

dan komt de rug meer in de gewenschte plaatsing, dat wil zeggen het paard geeft den rug na.

De eerste oefeningen in den galop hebben op de groote volte plaats, aangezien de paarden hierop gemakkelijker aanspringen, dan op de rechte lijn, daar in de wending het binnenachterbeen verder ondertreedt, de binnenzijde het meest belast wordt en het verst vooruitgrijpt.

Aanvankelijk geschiedt het aangaan in galop niet op commando, ten einde de ruiters gelelegenheid te geven om het juiste oogenblik te kiezen waarop het paard genoegzaam voorbereid, zich hiertoe aanbiedt.

Veelal is zulks het gemakkelijkst een oogenblik vóór het punt waar de groote volte den hoefslag raakt.

De ruiters op de groote volte en op groote afstanden in verkorten draf zijnde, waarschuwt de onderwijzer zeggenderwijze den galop te ontwikkelen, waarop de ruiter de vereischte stelling neemt, en met beide beenen het paard zoolang aandrijft totdat het zijn gang ver-snellende van zelf in galop valt, hetgeen bijna altijd in den goeden galop plaats heeft, wanneer de ruiter door een korten druk met het binnenbeen op het juiste oogenblik de drafbeweging stoort.

Op dit oogenblik, worden de teugels nagegeven om de voortstuwende kracht der achterhand niet tegen te werken en geeft de ruiter die de beenen blijft aandrukken aan zijn lichaam eene neiging voorwaarts. Het al of niet herhalen dezer hulpen zal afhangen van de mate van gewilligheid, waarmede het paard den

-ocr page 112-

100

gang bewaart, terwijl de kracht der hulpen steeds zal afhangen van de gevoeligheid van het paard.

Springt een paard verkeerd of overkruis aan dan zal de ruiter het onmiddellijk tot den draf terugbrenhen, om na genoegzame voorbereiding opnieuw aan te springen.

Daar de gewone galop het meest den natuurlijken galop van het paard nabijkomt, zoo zal men zich in den beginne bij de oefeningen van den eersten bedienen om later, wanneer zij eenigen tijd daarin gereden zijn en met goede aanleuning vlot voorwaarts galoppeeren, den gang door verzameling te verkorten tot verbetering van houding en regeling van tempo.

In den aanvang is de gelijkmatige, rustige sprong zoozeer de hoofdzaak dat men, zoolang die niet verkregen is, over fouten in hoofdstelling, en buiging of in tijdmaat van gang gemaakt moet heenstappen.

Xadat het paard den gewonen galop heeft aangenomen, tracht de ruiter aanvankelijk slechts het hierin te bevestigen en het in dezen, voor het paard nog ongewonen gang, rustig te doen gaan (ingaloppeeren.)

Xaar gelang de paarden meer met den galop vertrouwd raken en hunne krachten zulks loelaten wordt deze oefening langer aangehouden, zonder haar evenwel zoolang voort te zetten totdat de paarden er door buiten adem zouden geraken.

Hebben de paarden nu na eenige oefening de gewoonte zoowel van het vallen in galop als van het galoppeeren verkregen, dan gaat men over tot her aanspringen uit den verzamelden draf. Hiertoe wordt het paard langzamerhand meer verzameld in de rich-

-ocr page 113-

101

ting van het buitenachterbeen, waartoe beide teugels in de richting van den buitenschouder des ruiters worden aangehouden. De binnenteugel zorgt daaabij dat de stelling niet verloren ga, terwijl om het ver ondertreden van het binnenachterbeen te bevorderen de ruiter zijn gewicht daarop een weinig meer overbrengt. Het buitenbeen des ruiters, kort achter den singel geplaatst, wordt sterk aangedrukt, terwijl zijn binnenbeen door daarmede overeenstemden drukt het binnenwaarts vallen van de achterhand belet, en het paard tot verder ondertreden met\' het binnenbeen noodzaakt.

De gelijktijdige werking der teugels, gepaard aan het vermeerderd aandrijven brengen het paard in verheven houding met gebogen voorbeenen.

Langzamerhand zal men het tempo van den galop iets verkorten en bij eene meer verzamelde houding eene regelmatige beweging verlangen, waarbij, zoodra dit verkregen is, de vuisten stil blijven staan.

Om nu weder tot den draf over te gaan, moet het tempo steeds korter en korter gemaakt worden, waarbij het paard in verzamelde houding moet blijven, waartoe de ruiter het bovenlijf uitstrekt.

Terwijl de ruiter sterk de beenen blijft aandrukken, moet hij den galopsprong door aanhouding met de teugels breken, hetgeen in overeenstemming met het onmiddellijk daarop vrijgeven, het paard tot den draf zal uitnoodigen, waarbij de druk der beenen en de neiging van het lichaam tot vooruitdrijven het paard beletten zich terug te houden en het onmiddellijk het gevorderde tempo doen aannemen.

-ocr page 114-

102

Paarden met lange, zwakke ruggen dient de ruiter zooveel mogelijk te verschoonen, en hunnen rug te verlichten door eene geringe neiging van het bovenlijf naar voren, met goed aangesloten kniëen, waarbij het zitvlak in het zadel moet blijven.

Galoppeert het paard verkeerd, dan zijn goede houding en stelling verloren geraakt, het gewicht valt dan vooral bij wendingen te veel op den binnenschouder en de beweging is nadeelig voor het paard en gevaarlijk voor den ruiter. Geschiedt het verkeerd aanspringen, doordat het paard bij het eerste vrijgeven voor den galopsprong eene valsche stelling aanneemt, niettegenstaande de ruiter de hulpen goed aanbrengt, dan is zulks een bewijs, dat het in die oefeningen niet genoegzaam bewerkt is, welke strekten om houding en stelling te verbeteren.

Springt het paard echter steeds verkeerd op dezelfde hand aan, zoo is de oorzaak hiervan bijna altijd daarin gelegen, dat het aan die zijde niet genoeg bewerkt is. Dit wordt verbeterd door oefening van schouder binnenwaarts op deze en van travers op de andere hand. Bij paarden met veel temperament is het gedurig verspringen in den galop veelal de schuld van den onrustigen zit des ruiters ; door eene versterkte werking van het buitenbeen, gepaard met rustigen zit en stille vuist, zal zulks veelal verbeterd worden.

Bij een paard dat overkruis galoppeert, houden alle regelmatigheid, goede houding en zekerheid in den gang op. De oorzaak van dit gebrek, waardoor het evenwicht verbroken is, is voornamelijk daarin

-ocr page 115-

io3

gelegen, dat het paard de hulpen van den ruiter niet begrijpt, of dat er geen overeenstemming in die hulpen is geweest.

Legt het paard zich te sterk in de hand, door heupen kniegevvrichten niet te buigen, dan houdt de goede besturing op, en geschiedt de beweging ten koste van de te sterk bezwaarde voorhand. Men make in dit geval veelvuldig gebruik van oefeningen, geschikt om genoemde gebreken te herstellen (het rijden van volten, zijgangen, rijden in verzamelden draf enz.)

Paarden, die zich in galop achter het bit terughouden, moeten in vlotter tempo gereden worden. In enkele gevallen zal het noodig zijn, dat men van het longeeren gebruik make, hetwelk in zaakkundige handen bij deze oefeningen van groot nut kan zijn.

Zijn de klassen te groot om met groote afstanden alle paarden op eene volte te oefenen, zoo is het aan te bevelen hen op twee groote volten te verdeelen.

Behalve dat men hierbij grootere afstanden kan nemen, heeft dit nog het voordeel, dat, terwijl de paarden op de eene volte galoppeeren, die op de andere kunnen rusten.

Na eenige oefeningen zal de onderwijzer de groote volte laten sluiten en deze weder openen als voorbereiding voor de wendingen en tot regeling van het tempo.

Wanneer de paarden op de aangeduide wijze geregeld op de groote volte aanspringen zal de onderwijzer den hoefslag doen volgen, op de lange zijde den overgang in den draf doen maken en uit dezen gang doen aanspringen.

-ocr page 116-

104

Blijven ook hierbij de paarden in de goede houding, dan wordt ook uit den stap de galop aangenomen en uit dezen gang weder tot den stap overgegaan volgens dezelfde beginselen en door overeenkomstige hulpen, als voor het aangaan uit den draf en het terugkeeren tot dezen gang zijn aangegeven. Bij de eerste oefeningen zal men den ruiter toestaan eenige passen in verkorten draf te doen, alvorens den overgang te maken. Bij het aanspringen zorge men, dat dit vooral zonder afwijking van de rechte lijn geschiede.

De wendingen en volten, die reeds door het rijden op de gesloten volte werden voorbereid, worden aanvankelijk groot gereden, maar na eenige oefeningen nauwkeuriger uitgevoerd.

Het tempo van den gewonen galop in de manége is ongeveer 275 meters in de minuut.

Niet dan nadat het paard in dit tempo gelijkmatige en rustige sprongen maakt, nauwkeurig op éér hoefslag blijft en de achterhand meer buigt, is de tijd aangebroken, waarop men tot het beoefenen van den korten galop kan overgaan.

Door in den gewonen galop het paard langzamerhand meer te verzamelen, wordt de korte galop verkregen, waarbij de hulpen moeten worden afgemeten naar de gevoeligheid van hel paard.

In dezen gang moet een ruime sprong gevorderd worden en de mindere snelheid ontstaan door meerdere verzameling. Vooral mag het paard niet met geweld tot den korten galop gedwongen worden, de-ar deze gang dan zeer tot nadeel der gewrichten zoude strekken.

-ocr page 117-

io5

In het algemeen is bij het beoefenen van dezen gang met cavaleriepaarden aan te bevelen het tempo niet korter te nemen dan 225 M. in de minuut.

Bij het halt houden uit den galop moet de ruiter door meer en meer te verzamelen de sprongen van het paard steeds korter en korter doen worden, zoodat het paard als het ware op de plaats uitgaloppeert, en eindelijk door een vermeerderd doorzitten en aanhouden der teugels tot stilstaan gebracht wordt.

Om van de plaats aan te springen, doet de ruiter het paard in stap aangaan, waarop onmiddellijk de vroeger voorgeschreven hulpen voor den galop aangebracht worden.

Bij de keertwendingen en bij het veranderen van hand in galop wordt steeds gedurende eenige passen in den verzamelden draf overgegaan, en zoodra de paarden in dezen gang voor den anderen galop zijn gesteld, opnieuw aangesprongen.

§ 37. Teruggaan.

Het teruggaan, dat elk afgericht soldatenpaard gewillig moet doen, geeft het paard in rug en achterhand een vermeerderden graad van buigzaamheid, welke voor korte verheven gangen noodig is en waarvan het aan-leeren van groot belang is.

In sommige gevallen dient het ook tot straf.

In den regel vindt alle verzet bij het teruggaan zijn oorsprong in gebrek aan buigzaamheid ; een bewijs dat de voorgaande oefeningen niet genoeg of gebrekkig

-ocr page 118-

io6

uitgevoerd werden. Men vange dus hiermede niet eerder aan dan nadat het paard door bijbrengen, oprichten, het rijden in meer verzamelden draf. door zijgangen en den galop reeds een meerdere graad van buigzaamheid verkregen heeft.

Tot het teruggaan moet het paard de geheele zwaarte van het lichaam meer op de gebogen achterhand overbrengen. Bij het nog meer terugschuiven van dit gewicht, zal het genoodzaakt wezen om tot ondersteuning van dezen achteroverhellenden last de achter-beenen beurtelings terug te zetten.

Treedt het paard goed terug, dan moet het met opgericht en bijgebracht hoofd en hals, met nagegeven rug en lenden en met sterk gebogen achterbeenen, regelmatig, recht, pas voor pas, het gebit afknabbelende, verheven terugtreden.

Alvorens de oefening in het teruggaan aan te vangen, zal de onderwijzer de ruiters op groote afstanden op den hoefslag doen halt houden, om aanvankelijk ieder afzonderlijk die beweging te laten uitvoeren.

Om terug te gaan drijft de ruiter het paard met zit en beenen aan, waardoor de achterbeenen zich sterk zullen buigen en onderzetten. Het paard, dat nu voorwaarts zoude gaan, indien zulks door de stilstaande, veerkrachtige vuist des ruiters niet belet werd, zal zich van voren licht maken, en de last van het lichaam meer en meer op de achterhand overbrengen. Door het versterkt aandrukken der beenen, zal het paard zich op het bit afstooten. Eene lichte aanhouding der teugels in verband met de terug-

-ocr page 119-

107

waattsche neiging, die de ruiter aan zijn lichaam geeft, zal nu voldoende zijn om het paard tot terugtreden te brengen.

Om te doen halt houden, zal de ruiter, terwijl de beenen blijven aandrukken, de neiging die zijn lichaam heeft om het paard terug te doen treden, staken en met de teugels zooveel nageven, dat het den evenwichts stand kan aannemen.

Het voorwaartsgaan na het teruggaan geschiedt op dezelfde hulpen als het halt houden. De ruiter zal evenwel door het blijven aandrijven met de beenen, in verband met de neiging, die zijn lichaam tot voorwaartsgaan aan het paard mededeelt, gepaard aan een juist nageven der teugels, het paard, door de ophouding heen, tot voorwaarts gaan brengen. Hierbij moeten het terug- en weder voorwaarts gaan in elkander vloeien, zonder dat eenige storing plaats vindt.

In den beginne moet men bij deze oefeningen weinig vorderen en reeds tevreden zijn, wanneer het paard enkele, of zelfs maar één pas terugtreedt, al komt het hoofd daarbij ook iets lager.

Onmiddellijk na het terugtreden wordt het paard vooruitgedreven en beloond.

Brengt het paard de achterhand naar binnen, dan verhindert men zulks in den beginne niet; nadat het eenige passen teruggegaan is, zet men het weder vooruitgaande recht op den hoefslae. Aangezien het recht terugtreden voor een cavaleriepaard van groot belang is, moet daarop na eenige oefeningen streng worden gelet.

-ocr page 120-

ioS

Het terugtreden is gebrekkig, wanneer, met verlies der bijgebrachte houding, de oprichting te hoog is, daar men alsdan niet op bet paard kan inwerken, aangezien de hals eene buiging aanneemt, als bij den ^herten halsquot;

Indien een paard zich te vast stelt, waarbij de achter-beenen achter den evenwichtsstands terugblijven, dan kan het evenmin goed terugtreden, en moet men eerst wederom, vooruitgaande, verzameling trachten te verkrijgen. Wanneer paarden steigeren, zich tegen het bit verzetten, den hals uitstrekken, zich z. g. op den bodem vastzetten met uitgestrekte, uit elkander geplaatste beenen, dan is dit immer een bewijs, dat de vorige oefeningen niet voldoende zijn uitgevoerd. Het teruggaan mag nimmer met geweld afgedwongen worden.

IJlen de paarden bij het teruggaan, dan moeten zij aanstonds weder vlot voorwaarts gereden worden, want zulks zou tot terugkruipen achter de teugels, en tot verkeerde gewoonten aanleiding kunnen geven, die hiermede aanvangen. Het paard ontrekt zich op deze wijze aan de inwerkingen van den ruiter, in plaats van daaraan te gehoorzamen. Het kan voorkomen, dat paarden zich verzetten uit gebrek aan kracht, voornamelijk in rug en achterhand 5 bij zoodanige paarden zal de ruiter zijn zit dienen te verlichten, waardoor de achterhand minder bezwaard wordt.

Indien een paard zich te lang tegen het terugtreden blijft verzetten, en de onderwijzer zich overtuigd heeft dat dit niet het gevolg van zwakte is moet hij bij deze

a

-ocr page 121-

icq

oefening den ruiter desnoods met de karwats of wel met den kaptoom behulpzaam zijn.

Wanneer het teruggaan beoefend wordt in verband met den galop is het een krachtig middel, tot bet verkrijgen van meerdere buigzaamheid der achterhand en bevordert het in hooge mate de gehoorzaamheid van het paard.

§ 38. ZWENKING OP HET MIDDEN.

In het midden der manége met tusschenruirnten opgesteld zijnde, stelt de ruiter op het uitvoeringscommando van den onderwijzer zijn paard eerst een weinig voorwaarts in beweging, en volbrengt dan de zwenking pas voor pas door de hulpen, welke ook bij de wendingen worden gebruikt, met dit onderscheid, dat het binnenbeen • iets sterker in werking treedt, zoodat de achterhand evenveel naar buiten wijkt, als de voorhand naar binnen wordt gewend.

Verzuimt de ruiter vóór of gedurende de zwenking het paard voorwaarts te drijven, en gebruikt hij den binnenteugel niet genoeg, dan ontstaat de fout, dat de voorbeenen op de plaats blijven staan en de achter-beenen slechts om deze bewegen.

Om de zwenking te eindigen, wordt het paard met den buitenteugel en het buitenbeen tot staan gebracht.

Om de jonge paarden trapsgewijze tot de zwenking op het midden te brengen en tevens den ruiter de hulpen te leeren voelen, die bij deze oefening moeten worden aangewend, Iaat de onderwijzer man voor

-ocr page 122-

110

man, in bet midden der manége, eene kleine volte beschrijven en deze boe langer boe kleiner rijden, totdat eindelijk de voorhand en de achterhand zich om bet middelpunt bewegen.

Door de zwenking op het midden leert het jonge paard bet binnenachterbeen goed gebogen onderzetten, zoodat ie oefening met vrucht bij zulke paarden wordt aangewend, die in schouder binnenwaarts ijlen, en tegen de werking van hel buitenbeen des ruiters indringen. Men wachte zich evenwel deze bestraffing te misbruiken en vooral haar op paarden toe te passen met weinig krachtigen rug of zwekke achterhand, daar deze zeer dikwijls, wanneer zij in schouder binnenwaarts te sterk worden gesteld, door pijn tot dezen misslag worden gebracht.

§ 39. wending of de achterhand.

Wanneer al de ruiters op de lange zijde stilstaan, of wel na in het midden der korte zijde te hebben gewend, zich in colonne, in het midden der manége bevinden, commandeert de onderwijzer:

1. Op de achtcrhand rechts (of links) = omkeert.

2. marsch.

Op het voorbereidend commando wordt het paard zoo noodig verzameld en op het commando : marsch. ■de wending pas voor pas volbracht door dezelfde hulpen als bij de zwenking op het midder, met dit

-ocr page 123-

111

onderscheid, dat het buitenbeen in plaats van het binnenbeen sterker wordt aangelegd, en zoo krachtig wordt gebruikt, dat de achtervoeten, zich op een kleinen cirkel bewegende, bijna op dezelfde plaats blijven. Het binnenbeen, in verband met den zit des ruiters, verhindert het terugkruipen, en zorgt dat de neiging voorwaarts steeds bij het paard blijve bestaan.

Na volbrachte wending wordt de stelling van het paard veranderd.

Is de colonne in gang, dan wordt op het commando: marsch, eerst halt gehouden en na volbrachte wending en verandering van stelling de gang aangenomen, waarin de ruiters waren vóór de wending.

Om de jonge paarden trapsgewijze in de wending op de achterhand te oefenen en de ruiters de hiertoe vereischte hulpen te leeren, Iaat de onderwijzer hen aanvankelijk de lijn der keert wending in traversstelling volgen. De voorhand wordt daartoe eerst een weinig naar binnen gewend en dan de halve volte in travers uitgevoerd, door de hulpen die bij het doorrijden der hoeken in travers worden gebruikt, waarna evenals bij de passade op den hoefslag wordt teruggekomen. Door de boog van lieverlede kleiner te maken, geraakt de ruiter eindelijk tot wending op de achterhand.

ü 40. overwinnen van hindernissen.

In dit tijdperk wordt een begin gemaakt met de jonge paarden onder den ruiter over hindernissen te leeren springen.

-ocr page 124-

112

Bij deze oefeningen moeten de hieronder voor het overwinnen van terreinhindernissen voorgeschreven grondregels met veel voorzichtigheid en zaakkennis op de remontepaarden worden toegepast.

Het is voldoende dat deze paarden, bij den overgang in het eskadron, slagboomen en slooten van kleine afmetingen, met vertrouwen en zonder aarzelen naderen en daarover met gemak springen. In het overwinnen van andere hindernissen moeten de paarden geoefend worden, nadat zij bij het eskadron zijn overgegaan.

De meest noodzakelijke oefeningen zijn ; het springen over slooten met en zonder water, over slagboomen, over sloot en slagboom tevens; het doorrijden van breede slooten met of zonder water; het klauteren tegen steile hellingen en eindelijk het rijden door eenigs-zins moerassig terrein. Het doorrijden van breede slooten is eene bijzondere nuttige oefening, omdat een daarin onbedreven cavalerietroep reeds door een sloot van een paar meters breedte met steile wanden, ten eenemale opgehouden wordt, als ware het eene onoverkomelijke terreinhindernis.

De oefeningen in het overwinnen van terreinhindernissen onder den ruiter, die eenmaal per week worden gehouden mogen nimmer op een gladden of bevroren bodem plaats hebben.

Bij het springen aan de hand stelt men zich ten doel het remontepaard te gewennen rustig en vastberaden op de hindernis aan te gaan, en zijne krachten te oefenen, zonder zich onnoodig in te spannen. In het tweede en derde tijdperk hebben deze oefeningen

-ocr page 125-

ii3

aan de hand ook zoolang plaats, tot de paarden volkomen zeker springen.

Mochten sommige paarden zich bij het springen onder den ruiter weigerachtig toonen, dan worden zij zoolang opnieuw aan de hand geoefend, tot zij weer volkomen zeker springen.

Om wanorde in de colonne te voorkomen, moet het soldatenpaard de hindernissen, waarover gesprongen wordt, rustig overgaan, het moet niet verder noch hooger springen dan noodig is, om zich zoo min mogelijk te vermoeien.

De slagboomen moeten vast, de slooten recht afgegraven en ongeveer even diep als breed zijn.

De slagboomen zijn bij de eerste oefeningen 5 tot 6 decirn., later 7 tol 8 decimeters hoog, nimmer hooger, de slooten aanvankelijk 10 tot 12 decimeters later 18 decimeters breed, nimmer breeder. Bevindt zich voor of achter den slagboom eene sloot, dan mag deze niet breeder zijn dan 12 decimeters.

Bestaat in de nabijheid van de manége geene gelegenheid om zulke hindernissen te maken, of is men door jaargetijde en weersgesteldheid genoodzaakt de eerste springoefeningen daar binnen te doen plaats hebben, dan wordt van een gewonen springboom, van horden of wel van een planken toestel gebruik gemaakt, welke hindernissen op dezelfde hoogte moeten gebracht worden, als hierboven voor den vasten slagboom opgegeven is. Bij het gebruik maken van horden is een stel van 8 stuks noodig die alle 2 meters lang zijn, vier daarvan zijn 6, vier anderen 8 decimeters breed. Om hiermede

-ocr page 126-

114

eene hindernis van 4 meters lengte en 5 decimeters \\ hoogte te vervaardigen, worden de vier smalste horden, twee aan twee, in de lengte schuin tegen elkander geplaatst.

Door eveneens te handelen met de horden van 8 decimeters breedte, ontstaat eene hindernis van 7 decimeters hoogte, zijnde dit de belangrijkste hindernis, die in de manége mag worden gesprongen. Bij de eerste oefeningen, wanneer van een springboom gebruik wordt gemaakt, wordt deze niet verder dan 3 decimeters van den bodem geplaatst.

Buiten moeten de hindernissen, waarover gesprongen wordt, aan de uiteinden voorzien zijn van slooten of zij wallen, om de paarden te beletten er om heen te gaan. De grond bij den af- en bij den neersprong moet zacht en in geen geval steenachtig zijn.

Worden bij deze oefeningen de hindernissen te hoog of te breed genomen, dan verliezen vele paarden den moed en de zwakke worden geknakt; springen de paarden evenwel over de hierboven voorgeschreven hindernissen met gemak en zekerheid, dan mag men vertrouwen, dat zij in geval van nood nog belangrijker hindernissen zullen overwinnen, mits de ruiter er slechts vastberaden op aanrijdt.

Zijn de paarden van hulpteugels voorzien, dan mogen die bij het springen niet werken.

a. liet springen aan de hand.

De jonge paarden moeten aanvankelijk ir.t den stap springen en gewillig over ds gemakkelijke hindernissen

-ocr page 127-

ii5

heengaan of springen, vóórdat zij voor de moeilijke mogen gebracht worden.

De hoofdzaak bij deze oafeningen is, de paarden vertrouwen in te boezemen, en daarom moeten hierbij een paar goed geoefende en bedaarde paarden aan het hoofd der afdeelingen geplaatst worden. Is het mogelijk, dan worden de hindernissen in de richting der stallen overgesprongen. De ruiters hebben de paarden aan de hand; de linkertrensteugel wordt los gegespt, onder de kin door den linkertrensring getrokken en met de rechterhand dicht bij den trensring vastgenomen, terwijl het einde der teugels in de linkerhand gehouden wordt.

Eenige passen van de hindernis moet de geleider het paard vooruitgaan en dan het eerst er over heen springen; hij laat met de linkerhand den teugel los, terwijl de rechterhand dien laat doorglijden en aan het uiteinde vast houdt; het paard zal dan in den regel gewillig medegaan en springen.

Doet het zulks niet, dan moet men het rustig, dikwijls eenige minuten lang, laten staan, totdat het zich met de hindernis volkomen bekend heeft gemaakt. Eerst wanneer het zijne opmerkzaamheid op andere voorwerpen begint te vestigen, mag men opnieuw beproeven het tot den sprong over te halen. Het zou eene groote fout zijn, het paard te willen doen springen, door het met zweep of karwats vooruit te drijven, men zou het tegenovergestelde verkrijgen van hetgeen men beoogt, en het moedeloos geworden paard een tegenzin inboezemen voor deze oefening.

-ocr page 128-

n6

Bij paarden, die reeds eenigermate in het springen geoefend en met de hindernis bekend zijn, moet onder het besturen gezorgd worden, dat zij, bij het naderen er van, den gang niet vertragen, maar eerder hunne beweging versnellen.

Xaderen de paarden gewillig de hindernis en springen ze er aan de hand zonder aarzelen overheen, dan mogen de ruiters niet meer met hen medespringen, noch hen bij de teugels vasthouden, omdat de paarden hierdoor allicht in de war kunnen worden gebracht. Om te voorkomen dat zij na den sprong wegloopen, worden eenige manschappen, aan gene zijde van de hindernis, in een kring geplaatst, met het doel hen tegen te houden, terwijl een hunner, bij het springen in de manége, aan den hoefslag geplaatst, na den sprong aan de paarden een weinig haver geeft.

Bij het geleiden blijven de trensteugels op den hals van het paard liggen, de linkerteugel wordt met de rechterhand zóóver van den mond des paards aangevat, dat de ruiter zich ter hoogte van zijn schouder kan plaatsen, en met het uiteinde van een karwats of stokje, dat in dezelfde hand wordt gehouden, de wang van het paard even boven de trensringen kan aanraken. Neemt hij de teugels korter, dan kan het paard hem licht op de voeten trappen, of bij steigeren in gevaar brengen.

De karwats in de rechterhand dient om he: paard te dreigen of licht te bestraffen, wanneer het te zeer op den ruiter aandringt.

Het paard wordt op 20 tot 30 passen recht vóór

-ocr page 129-

UT

het midden van de hindernis gesteld, en zoo noodig door een tongslag in beweging gebracht.

Bij het springen uit den stap gaat de geleider in rustigen tred op de hindernis aan, versnelt den gang en laat het paard los eenige passen vóór het oogenblik, waarop het zich tot den sprong verheft. Bij het loslaten der teugels zorge de geleider het hoofd van het paard niet van zich af te stooten of het paard op andere wijze te hinderen. Hij begeeft zich daarna weder langs den koristen weg bij zijn paard en geleidt het, indien in de manége gesprongen wordt, na het bij de haver gebracht te hebben, langs den hoefslag, buiten den kring.

Wordt uit den draf gesprongen, dan geschiedt zulks uit den verkorten draf en worden de laatste passen vóór de hindernis versneld.

Niet voordat de paarden uit den stap en uit den draf bedaard en met zekerheid springen, mogen ze in snellere gangen voor de hindernis worden gebracht, waarbij alleen de meest luie met de zweep mogen worden aangedreven, want als regel kan worden aangenomen, dat niets zooseer de zekerheid van den sfrotig doet verloren gaan, noch het paard zoo vreesachtig maakt, als onnoodig aandrijven.

Kan men bij de oefeningen- over eene springhaan beschikken, dan zal dit groote voordeden opleveren.

De inrichting eener zoodanige springhaan, die men kan wijzigen naar de ruimte waarover men te beschikken heeft, bestaat uit eene ongeveer 8 meters breede baan van willekeurige, doch liefst aanzienlijke lengte, die

-ocr page 130-

i iS

aan beide zijden door eene omheining van nagenoeg 1,5 meter hoogte omgeven is. In deze baan worden hindernissen van verschillenden aard aangebracht, terwijl het aan te bevelen is, hier en daar uitgangen te maken, ten einde niet genoodzaakt te zijn alle hindernissen te nemen of wel te moeten terugkeeren.

b. Het springen met den ruiter.

Wanneer het paard aan de hand bedaard en met zekerheid springt, dan heeft de ruiter, er op gezeten zijnde, slechts te zorgen, dat hij bij den sprong zijn zit niet verliest, noch het paard door eene teugelwerking in de beweging hindert.

De ruiter moet, wanneer hij op de hindernis aanrijdt, volstrekt geen andere hulpen geven, dan die noodig zijn om het paard te beletten uit te wijken of den gang te vertragen. Hij houdt de teugels in beide handen verdeeld, en laat deze, bij het uitstrekken van hoofd en hals gedurende den sprong door het paard vooruittrekken, zorgdragende bij het terugkomen in eene meer ineengedrongen houding aan de andere zijde van de hindernis, de handen rustig op haar werkingspunt terug te brengen, zoodanig dat vóór, gedurende en na den sprong eene gelijkmatige aanleuning blijft bestaan.

Als de paarden met de stang getoomd zijn, worden zij bij het springen steeds met overgenomen trensteugels bestuurd.

Ten einde den zit bij het springen goed te kunnen bewaren, moeten de beenen vast aangesloten worden.

-ocr page 131-

quot;9

terwijl het bovenlijf met buigzame lenden de beweging van het paard volgt, en iets teruggebracht wordt, op het oogenblik waarop het zich met de achterbeenen tot den sprong afzet.

Ook bij deze oefening moet men beginnen met over kleine hindernissen te springen, eerst in stap, dan in draf, en eindelijk in galop.

De ruiter moet op elke hindernis recht aanrijden en daartoe een punt kiezen, waarop hij zich regelt, verder het tempo van den aangegeven gang rustig bewaren, doch aan het paard vrij laten, de laatste passen vóór den sprong naar goedvinden te versnellen. Na den sprong moet hij het paard niet te snel pareeren, maar het nog eenigen tijd laten doorgaan in den gang, waarin het was. Bij den sprong in galop dient altijd in den gewonen galop, nimmer in den korten, op _de hindernis te wordenquot; aangereden. Men moet hierbij het tempo evenwel niet ^e snel nemen, wijl de paarden dan zeer licht óf vóór de hindernis blijven steken, óf zich, bij hoogte-sprongen, niet behoorlijk kunnen verheffen, en vallen. Bij het springen in de open lucht is het onverschillig of het paard rechts of links galoppeert.

Op breede slooten of op slagboomen, waarachter zich een sloot bevindt, moet in een levendig tempo worden aangereden; ligt de sloot evenwel vóór den slagboom, dan is het wel zoo goed het tempo wat bedaarder te nemen.

Mocht een paard bij het springen vallen, dan tracht de ruiter de beugels van de voeten te krijgen en zich.van het paard vrij te maken, zonder de teugels los te laten.

-ocr page 132-

I20

Wanneer de paarden afzonderlijk goed springen, worden ze geoefend om in afdeelingen vereenigd te springen waarbij, als de ruiters op 10 tot 15 pas van de hindernis zijn gekomen, op aanmaning van den onderwijzer, aan de paarden wordt vrijgelaten den gang te versnellen.

AVanneer de vlugge paarden dan voor komen of de rustigen een weinig achterblijven, waardoor de samenhang wel wat verloren gaat, is dit geen bezwaar: na den sprong herstellen de ruiters de afdeeling en rijden voort in het tempo waarin zij waren, toen zij op de hindernis aanreden.

c. Het doorrijden van brccde sloeten.

Tot deze oefeningen, waarbij de paarden niet springen, doch afglijden en opklauteren, is een sloot van den hieronder voorgestelden vorm het doelmatigst.

De paarden worden aanvankelijk aan de hand geoefend.

Is het paard naar beneden in de sloot gegaan, dan laat men het daar eenige oogenblikken staan, liefkoost

-ocr page 133-

121

het en tracht het vertrouwen te doen krijgen, dat na eenige oefeningen vanzelf zal volgen.

Rijdt de ruiter later eene breede sloot z«, dan moet hij het bovenlijf achterover brengen en zich met de rechterhand achter aan den zadel vasthouden. Bij het uitrijden van de sloot moet hij zich aan de manen vasthouden, de teugels geheel buiten werking laten en het bovenlijf voorover brengen.

d. Het beklimmen van steile hellingen.

Bij deze oefening moeten de paarden geleid worden evenals bij het springen.

Wordt het paard tegen eene steile helling opgeleid* dan kan de ruiter het dikwijls niet snel genoeg volgen. In dit geval is het voor hem gemakkelijk zich aan het bakstuk vast te houden, waaraan het paard hem zonder moeite mede trekt.

De ruiters moeten de paarden rustig naar boven laten klauteren en dikwijls op de helling blijven staan, omdat het te sterk ijlen de krachten der paarden te zeer uitput, vooral later wanneer zij bereden zijn.

Bij het afdalen aan de hand moet men eveneens langzaam te werk gaan, en zoo het mogelijk is, dikwijls blijven staan om de paarden te leeren, later niet met de ruiters naar beneden te stormen, hetgeen voor beiden gevaarlijk kan worden.

Bij het oprijden eener belling moet de ruiter het bovenlijf voorover brengen, de manen vasthouden en de teugels geheel vrijlaten, daar bij eene steile helling

-ocr page 134-

122

de geringste teugelaanhouding het paard kan doen achteroverslaan.

Bij het afrijden eener hoogte moet de ruiter het bovenlijf goed achterover brengen, met de rechterhand zich achter aan den zadel vasthouden, en de teugels zooveel geven, dat het paard zelf zijnen weg kan zoeken.

Het afdalen, zelfs van hooge en zeer steile hellingen, vooral die met een lossen bodem, is gemakkelijker dan het opklimmen.

Zeer steile hellingen, die niet hooger zijn dan eenige meters, worden het gemakkelijkst beklommen door er recht en snel tegen op te rijden. Tegen langs hellingen, daarentegen, moet zeer rustig en langzaam worden opgeklauterd, omdat de paarden anders geheel buiten adem geraken.

Gladde en tevens zeer steile hellingen mogen in geen schuine richting worden beklommen of afgedaald, daar de paarden alsdan licht zijwaarts uitglijden; minder steile leveren minder bezwaren op, wanneer ze schuin genomen worden.

e. Het rijden door moerassig terrein.

Het terrein, waarop men deze oefeningen wil doen plaats hebben, moet vooraf te voet goed worden onderzocht, om te voorkomen dat de paarden er te diep inzinken.

Deze oefening heeft ten doel aan de paarden de vrees voor het dieper inzinken der voeten te benemen, want hoe rustiger zij gaan. des te minder zwarigheden zal het rijden over moerassig terrein opleveren. Dit

-ocr page 135-

123

laatste moet altijd in stap geschieden, de paarden mogen elkander nimmer op dezelfde plaats volgenr wijl de moerassige bodem daardoor hoe langer hoe losser gemaakt wordt, en dus de volgende paarden er steeds dieper zullen inzinken.

Bij het doorrijden van moerassige plaatsen moeten de teugels worden gegeven.

Wanneer een paard te diep inzinkt of onrustig wordt, moet de ruiter afstijgen.

f. Het zwemmen.

Bij vele verrichtingen der cavalerie kan zich de noodzakelijkheid voordoen, dat zij kleine rivieren waarin geen waadbare plaatsen zijn, moet overtrekken.

Om dit mogelijk te maken, moeten daar waar de plaatselijke gesteldheid zulks veroorlooft, zwemoefe-ningen worden gehouden. De paarden moeten daarbij eerst zonder ruiter in het zwemmen worden geoefend, en later moet aan de manschappen worden geleerd met de paarden te zwemmen.

In het algemeen kan men zeggen, dat het overtrekken van rivieren zooveel mogelijk zal moeten geschieden met behulp van booten waarin de ruiters plaatsnemen met hunne zadels en bepakking, terwijl de paaiden aan fouragestrikken vastgehouden achter de booten medezwemmen.

Er zijn vele paarden, die weigeren in een diep water te gaan ; geen hunner zwemt, geheel vrij gelaten zijnde, over een snelvlietenden stroom, zonder eene

-ocr page 136-

124

poging te doen van om te keeren, tenzij het, aan de eene zijde van de rivier alleen staande, op den tegen-overgestelden oever paarden ziet.

Alvorens tot de eigenlijke zwemoefening over te gaan, moeten de paarden met het water vertrouwd worden gemaakt, door hen eenige malen te rijden in water met vasten bodem en van ongeveer één meter diepte.

De oefeningen in het zwemmen moeten, daar waar de plaatselijke gesteldheid gelegenheid er toe geeft, altijd in eene niet te breede rivier, met middelmatige strooming plaats hebben, wijl juist het overwinnen van den stroom voor de paarden de grootste zwarigheid heeft, en dit toch het nuttigste gedeelte van de oefening uitmaakt.

Op de plaats waar de oefening geschiedt, moeten de oevers aan beide zijden, ten minste honderd passen langs het water, vlak en vast zijn, zoodat de paarden die door den stroom ver worden weggevoerd, gemakkelijk aan land kunnen komen.

Het water moet zóó diep zijn dat de paarden, zelfs wanneer ze mochten beproeven met de achtervoeten den bodem te bereiken, geen grond vinden; anders leert men hen met de achterbeenen grond zoeken, waardoor zij in diep water een oogenblik volkomen ondergaan, zeer onrustig worden en later den berijder in gevaar brengen.

Om de paarden er toe te bewegen tot in den rivier-stroom te gaan, moeten ze afzonderlijk aan de longe worden genomen.

Het paard wordt zonder zadel, met een enkele trens, waaraan de teugels zijn vastgegespt (de dikke trens

-ocr page 137-

125

van de africhtingstrens), zoo ver mogelijk in het water geleid; daarna worden de teugels ontgespt — om ie voorkomen dat het paard bij het zwemmen met de voorbeenen daarin geraakt — en vervangen door de longe, die door den linkertrensring gestoken zijde, aan den rechter- wordt vastgegespt. Het uiteinde wordt vastgehouden door den africhter, die zich in een boot begeven heeft.

De boot, welke het zwemmende paard vergezelt, moet niet zoo licht zijn, dat het paard, bij eene poging om terug te keeren, die mede trekt, maar ook niet zoo zwaar en log, dat men er het zwemmende paard niet snel genoeg mede kan volgen.

De boot blijft altijd stroomopwaarts van het paard en te gelijkertijd ongeveer twee paardenlengten ervóór.. De longe moet niet zóó kort worden gehouden, dat het paard angstig zou kunnen worden door de beweging der riemen, en niet te lang, om haar desnoods nog te kunnen vieren.

De meeste paarden willen omkeeren, zoodra zij den grond verliezen of in den sterken stroom geraken.. Om dit te beletten moet de boot bestuurd worden door geoefende roeiers, die er den slag van hebben,, op het juiste oogenblik, door krachtig vooruit te roeien, den weerstand van het paard te overwinnen.

Zwemt het paard in de goede richting, dan houdt de africhter de longe licht gespannen, terwijl de boot stroomopwaarts en vóór het paard, in overeenstemming met diens beweging, zóó bestuurd wordt,, dat de longe nooit behoeft gespannen te geraken.

-ocr page 138-

120

Vóórdat de eerste paarden overzwemmen, moeten eenige manschappen worden overgezet, om de longe te ontgespen, de paarden rond te leiden enz. De paarden, die overgezwommen zijn, worden aanstonds door deze manschappen rondgeleid.

Zoodra vijf of zes paarden op den tegenovergestelden oever zijn aangekomen, wordt bij den terugkeer er één aan de longe genomen, en wel het paard dat het slechtst of het onwilligst gezwommen heeft. De overige paarden worden door de zich aan den anderen oever bevindende manschappen, het eerste paard achterna in het water geleid en vooruitgedreven; zij zwemmen dan meestal gewillig achter het paard, dat aan de longe wordt teruggevoerd.

Na eenige oefeningen moeten manschappen, die bedreven zijn in het zwemmen, de paarden berijden die van de tegenovergestelde zijde terugkomen.

Voor het zwemmen worden de teugels op 4 a 5 dM. lengte opgeknoopt en gedurende het zwemmen het bovenlijf rustig en tegen den stroom overhellend gehouden. Het paard wordt zoonoodig met eene hand bestuurd, terwijl met de andere de manen ongeveer twee hand-breedten vóór de schoft worden aangevat. Zoowel door het hooger, als door het lager vasthouden der manen, verliest het paard bij het zwemmen het evenwicht.

Het inrijden in het water moet steeds schuin tegen den stroom op geschieden.

De paarden leggen zich schuin tegen den stroom en vele nemen de eerste malen, wanneer zij den grond

-ocr page 139-

127

niet meer voelen, eene bijna rechtopstaande houding aan, waardoor het den ruiter, vooral op het bloote paard, moeielijk valt zijn zit te bewaren. In dit geval houdt hij zich met ééne hand aan de manen vast en zwemt hij stroomopwaarts van het paard, totdat het weder met de vier voeten aan den bodera geraakt, waarna hij zich door den stroom geholpen, weder op het paard zet. Deze handelwijze moet in het vervolg bij slecht zwemmende paarden altijd in acht genomen worden.

Wanneer de ruiter op deze wijze naast het paard zwemt, kan hij het desnoods met de teugels besturen. Het besturen met de teugels is slechts dan gevaarlijk, wanneer de ruiter het zwemmende paard belast; is het echter van dezen last bevrijd, dan kan het met eenige omzichtigheid zonder gevaar plaats hebben.

Het vasthouden van den staart des paards is daarom minder goed, wijl de ruiter zoodoende het paard niet kan besturen, noch verhinderen zich om te keeren.

Na eenige dagen moeten deze oefeningen, zonder longe, maar met in het zwemmen geoefende ruiters, ook van dezen kant naar den tegenovergestelden oever, plaats hebben.

Eerst wanneer de paarden met vertrouwen en volkomen zekerheid zwemmen, moeten de manschappen, die niet zwemmen kunnen, afzonderlijk worden geoefend, en wel op paarden, die rustig met boven het water uitstekenden, horizontalen rug zwemmen. Aanvankelijk mag dit slechts op plaatsen met geringe strooming ■geschieden.

-ocr page 140-

128

De boot moet steeds in de nabijheid stroomafwaarts varen.

Hierbij mogen de paarden volstrekt niet aan de longe genomen worden, daar men den ruiter, wanneer hij van het paard geraakt, moeilijk kan navaren zonder de longe los te laten; doet men dit evenwel, dan loopt het paard gevaar, zich in de longe te verwarren.

Alvorens in het water te rijden, moet de singel een weinig en het voortuig aanmerklijk losser worden gegespt: de kinketting dient onthaakt, de vuurwapens en patronen hoog aan den hals des ruiters gehangen, de beugels aan de zadeltasschen bevestigd en de stangteugels ontgespt te worden.

Het paard moet bij het rijden in het water met de trensteugels worden bestuurd.

De sabel wordt in de stroomopwaarts gekeerde hand gehouden, zoodat de ruiter de andere hand vrij heeft om daarmede de manen aan te vatten, wanneer hij zich stroomopwaarts van het paard laat glijden.

Op het gezadelde paard, zit de ruiter wel vaster, maar de paarden zwemmen dan veel moeilijker dan zonder zadel, doordien de last meer teruggeplaatst is. Het bovenlijf moet daarom nog meer voorover worden gebracht, om het paard gemakkelijker te doen zwemmen.

m

S 41. OEFENING IN DE OPEN LUCHT.

De oefeningen, die voor het tweede tijdperk zijn voorgeschreven, worden in dit tijdperk voortgezet,

-ocr page 141-

129

enkele malen afgewisseld door de oefeningen in galop, in het tempo voor den gewonen manége-galop opgegeven.

Op daartoe geschikte terreinen laat de onderwijzer in één gelid opmarcheeren, en oefent hij de jonge paarden in die formatie te stappen en te draven. Hierbij moet alles vermeden worden, wat de bedaardheid in het gelid zou kunnen benadeelen en de gangen storen; het is derhalve van belang dat de ruiter op wien de richting is, in een geregeld tempo rechtuit marcheert en dat de overige ruiters, naar zijne zijde slechts even de voeling houdende, ruim marcheeren en zorgvuldig alle gedrang voorkomen. Verlangt de onderwijzer gedurende het marcheeren, het tempo in verhouding van de bedaardheid en van de vorderingen der paarden, te verkorten of te versnellen, dan plaatst hij zich midden vóór het gelid en doet den gang op den zijnen regelen.

Wanneer de paarden bij deze oefeningen op een effen bodem bedaard blijven, dan zoekt de onderwijzer, tot verdere oefening, ongelijke terreinen op. Doen zich aanmerkelijke hindernissen voor, dan worden de grondregels welke hiervoren zijn opgegeven, gevolgd, terwijl verder als regel moet worden aangenomen, dat het overtrekken van oneffenheden des bodems, of van andere kleine hindernissen, waarbij het niet noodig is te springen, te klauteren of te zwemmen, zoodanig moet geschieden, dat tempo, richting en samenhang zooveel mogelijk bewaard blijven.

A

9

-ocr page 142-

13°

Vter de Tijdperk.

S 42. OPSTANOEN.

De jonge paarden worden met de stang getoomd, wanneer zij alle oefeningen van het vorige tijdperk met de trens hebben doorloopen, en in de manége, op beide handen in draf en in galop, met eene vaste hoofdstelling, juiste aanleuning en goede houding, flink aan het bit gaan en in alle opzichten gehoorzaam zijn.

Het bepalen van de ligging der stang vereischt de grootste oplettendheid.

Wanneer de stang regelmatig werkt moet eene aanhouding met de vuist een druk van het mondstuk op de lagen te weeg brengen, waardoor het paard er toe wordt genoopt om, als deze druk zich gelijktijdig en gelijkmatig op beide lagen doet gevoelen, het hoofd in rechte strekking bij te brengen, doch indien deze op den eenen sterker, dan op den anderen wordt aangebracht het hoofd ook naar die zijde te buigen, waar de sterkste druk uitgeoefend wordt.

De kinketting moet slechts als hulpmiddel beschouwd worden om het bovenste gedeelte der scharen eene vastere ligging te verzekeren, waardoor de werking der stang alleen den noodigen nadruk kan verkrijgen. De druk van den kinketting tegen de kaak is dus slechts eene toevallige, van zijne eigenlijke werking echter onafscheidelijke omstandigheid, maar geenszins de werking zelf, die men door den kinketting tracht te verkrijgen.

-ocr page 143-

Bij eene goede optooming, waarbij het paard op het gelijkmatig aanhouden der teugels den hals terugschuift, in den nek buigt en het hoofd bijbrengt, moet de voornaamste werking der stang door het mondstuk op de lagen in elk geval vroeger intreden, zich nadrukkelijker doen gevoelen en langer aanhouden, dan die toevallige werking van den kinketting.

Eene omgekeerde verhouding tusschen de weder-keerige werking van mondstuk en kinketting, zoude ook tegenovergestelde gevolgen hebben ; zoodat het paard op een gelijkmatig aanhouden met de vuist, den neus vooruitbrengen of op dat aanhouden met één der teugels, het hoofd naar den anderen kant zoude brengen.

De kinketting is het beste geplaatst, als hij zich om de geheele achterkaak zoo gelijkmatig mogelijk aansluit, overal even sterk _drukt en nimmer van zijne plaats verschuift; daartoe moet hij juist in de kinketenholte geplaatst zijn. De kinketting is op de goede lengte ingehaakt, wanneer bij het licht spannen der teugels, door de hand een handbreed boven de schoft te plaatsen, de scharen met de richting der teugels een rechten hoek vormen

Is de kinketting te kort ingehaakt, dan wordt de onderkaak geknepen tusschen het mondstuk en den kinketting, waardoor de juiste inwerking ophoudt. Geheel verkeerd is echter ook het denkbeeld, dat een te lange kinketting op de lagen eene zachtere werking doet ontstaan, evenals die van de trens. Van eene gelijkmatig versterkte aanhouding kan hierbij geen

-ocr page 144-

132

sprake zijn, aangezien zoolang de kinketting niet gespannen is er geene inwerking plaats vindt, daar dan het mondstuk alleen eene rollende beweging opwaarts over de lagen maakt. Is de kinketting, die daarbij zijne juiste ligging verliest, nu eenmaal gespannen, dan treedt plotseling de druk op de lagen in zijne volle kracht op. De inwerking is derhalve ruw, en bovendien wordt ook hier de kaak tusschen het mondstuk en den kinketting gekneld.

De wijdte van de stang, of de lengte van het mondstuk wordt bepaald door de breedte van den mond van het paard. De stang mag noch nauwer, noch wijder zijn dan de mond, op de plaats waar het mondstuk komt te liggen, dat is op de lagen, tegenover het hoogste punt van de kinketenholte.

Is de stang te wijd, zoo schuift het mondstuk heen en weer, waardoor licht de lagen, vooral bij gevoelige paarden, verwond worden; de regelmatige inwerking gaat verloren, terwijl tevens de goede aansluiting van den kinketting wordt opgeheven.

Door een te nauw mondstuk daarentegen worden de lippen gedrukt en het paard tot het in den mond nemen der scharen en andere slechte gewoonten gebracht, die dikwijls blijvsnd zullen zijn. De achterlippen worden daarbij licht door den kinkettinghaak gekwetst.

Bij eene juist passende stang echter kan de mond zich behoorlijk sluiten, mondstuk en kinketting verkrijgen hunne juiste werking en de laatste de noodige aansluiting tegen de geheele achterkaak.

In den aanvang is het aan te bevelen de stang iets

-ocr page 145-

133

hooger te plaatsen en den kinketting een schakel langer in te haken dan hierboven opgegeven is ; aangezien er dan nog geen sprake is van besturing op de stang, dient zulks alleen om het paard aan de ongewone optooming te gewennen.

Na eenige lessen moet de ligging naar de voorschriften geregeld worden.

S 43. BESTURING MET DE STANG.

Bij het rijden met de stang zij men indachtig, dat de bijbrengende werking er van geen onjuiste neér-waartsche buiging in het midden van den hals mag ten gevolge hebben, die de meeste paarden en vooral die met korte nekverbinding, zelfs al zijn ze vrij goed op trens bewerkt, geneigd zullen zijn aan te nemen. Hierdoor zouden de voordeelen van de geheele vroegere bewerking van den hals grootendeels verloren gaan. Een onnadenkend ruiter zal door deze verkeerde buitrins

O O

dikwijls in den waan worden gebracht, dat zijn paard, dat misschien op de trens bijna niet wilde nageven, dit thans plotseling goed doet en aldus de fout steeds grooter doen worden in plaats van onmiddellijk op verbetering bedacht te zijn.

Hoe beter de ruiter zijn paard op de trens bewerkt heeft, des te beter zal het op de stang gaan. Nooit zal hij zich mogen laten verleiden om van de sterkere werking der stang gebruik te maken om het paard met geweld aan zijn wil te doen gehoorzamen.

Aanvankelijk stelt men zich ten doel, het paard aan

-ocr page 146-

134

de nieuwe optooming te gewennen, waartoe het aan-te bevelen is het eenigen tijd voor de oefening op stal opgestangd te laten staan.

Karwats en hulpteugels worden thans zooveel mogelijk achterwege gelaten.

In den aanvang wordt met overgenomen trensteugels, gereden, en geschiedt de besturing hoofdzakelijk op de trens.

De stangteugels zijn slechts zooveel aangehouden, dat het mondstuk, wanneer het paard met het hoofd mocht slaan, niet in den mond op en neer gaat, hetgeen licht tot onrustig worden aanleiding zoude kunnen geven. De passant wordt zooveel mogelijk teruggeschoven om den ruiter niet te hinderen bij het doortrekken der teugels.

Naarmate de paarden meer aan deze nieuwe optooming gewoon raken, worden de stangteugels var. lieverlede meer in gevoel genomen.

Alle hulpen, die men de paarden met de teugels geeft, worden met de trens ingeleid, waarop men onmiddellijk de stang doet werken, om op deze wijze het paard langzamerhand met de hulpen ervan bekend te maken. Meer en meer verminderen de hulpen met de trensteugels om eindelijk bij het rijden met eene hand geheel op te houden.

Het geheele beloop der africhting, zooals men die met de trens gevolgd heeft, wordt thans met de stang herhaald, doch natuurlijk in veel korter tijdsverloop.

Men vangt weder met een draf in middelmatig tempo aan en tracht, door deze tamelijk lang aan te houden.

.

-ocr page 147-

gt;35

met betrekkelijk lange teugels, de noodige aanleuning op het mondstuk te verkrijgen. Alle overgangen moeten met meewerking der trens langzaam en vloeiend geschieden.

Bij het buigen bewerkt eerst de binnentrensteugei de buiging, terwijl de buitenstangteugel geheel nageeft, waarop de binnenstangteugel, dienovereenkomstig verkort wordende, de buiging tracht te behouden.

Heeft men dit verkregen, zoo wordt door den buiten-trensteugel de hals langzamerhand rechter gehouden en de buiging geregeld, en komt men trapsgewijze tot het juiste afbuigen.

Bij de wendingen moet naast de werking der trens in den aanvang de binnenstangteugel bijna alleen werken, totdat het paard de werking van den buitenstangteugel heeft leeren kennen.

Evenals bij de besturing op de trens is het noodig dat de beenhulpen aan de werking der vuist voorafgaan ; geringe gewichtsverplaatsing gepaard aan doelmatige beenhulpen moeten de wending doen uitvoeren, waarbij de teugels slechts den weg aanduiden, die doorloopen moet worden. Men zij steeds bedacht, dat men nimmer iets met de vuist moet trachten te verkrijgen, wat door de beenen dient bereikt te worden.

Nadat de paarden in een natuurlijk tempo van draf het bit aannemen, gaat men langzamerhand, door het versterken van het tempo, tot den gewonen draf over. Hierbij zal het paard, indien het op trens goed doorgereden is, door de vermeerderde voortschuivende werking van de achterhand, gevoegd bij de meer passieve^

é

-ocr page 148-

136

lichte en stille vuist des ruiters, zich vanzelf oprichten en eene sierlijke houding aannemen. Hoe rustiger hierbij de zit en hoe stiller de vuist is, des te eerder zal de ruiter zijn doel bereiken.

Het doel van het verder rijden op de stang is, om het paard die stelling van hoofd en hals te geven, die het voor dienstgebruik noodig heeft en daarbij behouden moet. De beste stelling voor het rijpaard is die, waarin het alles wat de ruiter verlangt, op de zekerste wijze en in de beste houding, die de bouw van het paard toelaat, kan uitvoeren. Dit kan echter alleen dan het geval zijn, wanneer de stang op de snelste, nauwkeurigste en meest nadrukkelijke wijze op de lagen werkt. Het paard moet, met hoog opge-richten en teruggeschoven hals dezen zoodanig in het nekgewricht buigen, dat de ooren het hoogste punt vormen, en het hoofd bijna loodrecht geplaatst is. in geeri geval mag het hoofd verder worden bijgebracht.

Bij het beoefenen der zijgangen moet steeds met overgenomen trensteugels gereden worden.

Raadzaam zal het zijn de paarden enkele malen (b.v. eenmaal per week) nog met de dubbele trens op te toomen, ten einde beter in staat te zijn om fouten te verbeteren, de paarden flink aan het bit te draven en hen in het algemeen nog eens goed door te kunnen buigen.

§ 44. GEWENNEN DER PAARDEN AAN DE S.ABEL.

Gehoorzamen de paarden in de manége volkomen aan de besturing met de stang, dan worden ze dagelijks

-ocr page 149-

137

gedurende twee uren naar buiten gereden, en is het tijdstip gekomen om hen aan het gebruik der wapens te gewennen.

Nadat de paarden reeds eenige beweging gehad hebben, laat men de ruiters afstijgen en de sabel aan doen.

Bij het opstijgen vermij de men elk geraas met de sabel. Aanvankelijk wordt ook te paard de sabel in den haak gedragen, en later eerst uitgehaakt, doch voor het afstijgen weder ingehaakt.

De onderwijzer neemt zeer angstige of kittelige paarden aan de longe en laat hen in den aanvang alleen met de sabelscheede rijden.

De sabel moet in den beginne zonder commando langzaam worden getrokken, daarna moeten er eenige bewegingen mede worden uitgevoerd.

45-

GEWONE OF EXERCITIEGALOP.

Aangezien de remontepaarden, na regelmatig de verschillende africhtingstijdperken te hebben doorloopen, nog te jong zijn om vermoeienden arbeid te verrichten, mag de beoefening van den exercitiegalop voorloopig geen ander doel hebben, dan om hen te leeren, dezen gang rustig uit andere gangen aan te nemen en uit dien gang vloeiend tot minder snelle gangen over te gaan ; derhalve geenszins om de paarden te gewennen in dien gang groote afstanden af te leggen.

De gewone galop wordt in de open lucht beoefend. Wil de onderwijzer alle bewegingen goed kunnen overzien, dan laat hij eene rijbaan afbakenen, waarvan de

-ocr page 150-

13»

zijden niet langer zijn dan 100 Meters; de hoeken worden sterk afgerond.

Bij deze oefeningen wordt het paard in den aanvang met overgenomen trensteugels bestuurd.

De ruiters met éénen op to passen afstand in colonne zijnde, doet de onderwijzer in den korten galop aangaan en uit dezen gang den exercitiegalop ontwikkelen.

De ruiters geven daartoe langzaam de teugels na, opdat de paarden hals en hoofd lager plaatsende, een langen galopsprong kunnen aannemen. De beenen worden in verhouding van de gevoeligheid der paarden sterker aangedrukt, zonder hen evenwel daarmede te verontrusten noch te overvallen.

De gang moet nu trapsgewijze worden versneld, zoodat eerst ongeveer na 50 Meters het voorgeschreven tempo wordt bereikt. Dit tempo moet dan behouden worden.

In den gewonen galop moet de ruiter het bovenlijf rechtop houden en daarmede de galopbeweging van het paard volgen ; de beenen blijven in natuurlijke ligging rustig aan het paard gesloten en mogen in geen geval afgestoken worden.

IJlt het paard, dan moet men trachten het met laag geplaatste handen terug te houden. Door aanhouden en nageven moet de galopsprong geregeld worden, zoodanig dat de paarden in eene goede houding blijven en met licht gespannen teugels een regelmatig tempo rustig leeren bewaren.

Voor elke wending moet het paard goed aan de teugels geplaatst zijn, en met het hoofd in de wending worden gesteld.

-ocr page 151-

139

Bij het cavaleriepaard moet alles vermeden wordert wat de bedaardheid in den exercitiegalop kan bena-deelen. Daarom moet men, wanneer het paard verspringt, niet dadelijk beproeven het in den vorigen galop terug te brengen; maar daartoe de volgende wending kiezen.

Zooals reeds is aangemerkt, mag de exercitiegalop der jonge paarden niet lang achtereen duren.

Nadat zij een afstand van hoogstens 500 Meters hebben afgelegd, wordt de draf, en uit dezen gang de stap aangenomen.

De gewone galop moet zoowel rechts als links worden Beoefend. Wordt overhoeks van hand veranderd, dan wordt in het midden der manége de draf aangenomen en op de andere hand opnieuw aangesprongen^

Om uit den gewonen galop in draf over te gaan moet. eerst de galop verkort worden.

De overgang in stap geschiedt door de hulpen, die ook voor den overgang van den draf in den stap worden gebruikt; zij moeten echter slechts zoolang aanhouden totdat het doel werkelijk is bereikt; daarbij moet bijzonder op het uitstrekken en rechtophouden van het bovenlijf worden gelet.

Na eenige oefeningen wordt ook uit den stap en uit den gewonen draf de exercitiegalop aangenomen.

Om uit den stap den gewonen galop aan te nemen, wordt eerst de korte galop aangenomen, en daarna het tempo, zooals hierboven is omschreven, versneld.

De oefening om uit den gewonen draf in den gewonen galop over te gaan, heeft eveneens plaats buiten de

-ocr page 152-

1^0

■rijbaan en op de rechte lijn. De ruiter moet, zonder het paard in stelling te willen nemen om het op eene bepaalde hand te laten aanspringen, de teugels rustig ■geven en van lieverlede het draf-tempo versterken, totdat het paard den exercitiegalop zonder verdere hulpen aanneemt. Ruiter en paard moeten geoefend zijn om in deze wijze uit den draf den gewonen galop aan te nemen, wil men dat bij het exerceeren deze overgang met de noodige kalmte geschiede. Door het geven van andere hulpen gaat al aanstonds de bedaardheid verloren, welke hier vooral noodig is, om het paard bij \'t doorloopen van groote afstanden niet te zeer te vermoeien.

§ 46. OVERGANi; IX HET VELD-ESKAURON.

Wanneer de remontepaarden met eene goede en rustige hoofdstelling aan de besturing met de stang gehoorzamen en daarmede getoomd, alle vorige oefeningen hebben doorloopen, wanneer ze uit den stap en uit den draf geregeld den exercitiegalop aannemen en uit dezen gang vloeiend tot kortere gangen overgaan, dan worden ze bij het veld-eskadron ingedeeld, •en kunnen tot zoodanige exercitiën en alle verdere diensten gebruikt worden, die geen hoogeren graad van geoefendheid vorderen dan zij tot nu toe bereikt hebben. Zij blijven evenwel, totdat de africhting in liaren geheelen omvang als voltooid kan worden beschouwd, als jonge paarden, onder een bijzonder toezicht, ■aan een afzonderlijke behandeling onderworpen.

-ocr page 153-

HOOFDSTUK III.

VOLTOOIING DER AFRICHTING.

§ 47. OEFENINi; DER JONGE PAARDEN BIJ HET

VELD-ESKADRON.

/

Daar de paarden tot nu toe, veelal door denzelfden, ruiter gereden werden, zoo stelt men zich bij de eerste oefening in het veld-eskadron ten doel hen aan hunne nieuwe ruiters te gewennen. Men zal ze daartoe bij voorkeur in de gesloten rijbaan achtereenvolgens ai datgene laten doorloopen, wat zij tot dusverre geleerd hebben, afgewisseld met de oefeningen buiten.

Eerst na een viertal weken worden ook de oefeningen met de wapens herhaald.

Vooral aan de oefening in het rechtuit rijden dient veel zorg besteed te worden, en dit moet ook, benevens het juiste wenden, bij de gevechtsbewegingen, als hoofdzaak beschouwd worden. Dientengevolge moet de onderwijzer zich bij deze oefeningen voornamelijk met het juist gaan der paarden en niet te veel met de houding der ruiters bezig houden.

Behalve dat de geoefendheid der paarden moet onderhouden worden, en zij langzamerhand de bepakking, dienen te leeren dragen moeten lichaamskrachten en gangen verder ontwikkeld worden, zoodat zij, na den zevenjarigen leeftijd bereikt te hebben, in staat zijn om gedurende langen tijd den zwaren arbeid bij de veldeskadrons vereischt, te volbrengen.

-ocr page 154-

142

Het is volstrekt noodig, dat het paard, om zonder nadeel ge duren ae langen tijd zich in snelle gangen te kunnen bewegen, vooraf korte gangen met juistheid heeft -leeren gaan.

Verkeerd zoude dan ook het denkbeeld zijn, dat een uitsluitend oefenen in sterke gangen voldoende is om sterken draf en galop gedurende langen tijd te kunnen volhouden. Integendeel dit zoude ten gevolge hebben, dat het paard zich te vast op de hand van den ruiter legt en vroegtijdig versleten raakt. De nek zoude vast, de neus vooruitgestoken, de achterhand hoog en stijf gehouden worden, en de voorbeenen alle bewegingen van het lichaam stootend op zich nemen.

Het dienstpaard moet ten allen tijde verzameld en weder tot de evenwichtshouding teruggebracht kunnen worden, zonder dat daarbij de gang gestoord wordt of het paard uit de hand geraakt. Daartoe moeten nu en dan verzamelde gangen beoefend worden, als middel om met juistheid den gewonen en sterken galop te kunnen rijden.

De vrees, dat de gang der paarden door het rijden in verzamelde houding zoude benadeeld worden en zij daardoor de lust tot gaan verliezen, is geheel ongegrond, mits men met zit en beenen en niet alleen met vuisten verzamelenj wil, zoodat het paard altijd van achteren naar voren en nooit van voren naar achteren bearbeid wordt.

Het is bovenal noodzakelijk, dat aan de regeling van het tempo de meest mogelijke zorg besteed worde.

-ocr page 155-

us

üe tempo\'s in de verschillende gangen moeten door ieaeren ruiter steeds op dezelfde wijze gereden worden, daar het niet alleen de oogen der ruiters, maar voornamelijk het gelijkmatige tempo moet zijn, dat een cavalerietroep gericht voorwaarts doet gaan.

Door streng daaraan vast te houden, zal ten laatste het bewaren van het juiste tempo eene tweede natuur worden, en de ruiter elke stoornis daarin onmiddellijk bemerken.

Tot behoud van het paard en tot zekerheid van den ruiter zijn zuivere gangen een hoofdvereischte; onzuivere gangen doen het paard ontijdig verslijten.

Wanneer later de krachten en gangen der paarden meer ontwikkeld zijn, zal de onderwijzer ook eene meerdere krachtsinspanning der paarden kunnen vorderen door de tempo\'s sneller en, bij het springen, de hindernissen enkele malen iets grooter te nemen.

Met inachtneming van het vroeger daarbij bepaalde, zal de ruiter met moed en vastberadenheid op de hindemissen aanrijden, bezield met het vaste voornemen deze te overwinnen.

§ 48. OP ADEM BRENGKN.

Bij het gebruik der cavalerie moeten de paarden dikwijls een grooten afstand in den kortst mogelijken tijd afleggen, zonder dat daardoor bij den aanval de noodzakelijke kracht tot den schok verloren gaat.

Daartoe is eene zekere voorbereiding noodig, welke het op adem brengen wordt genoemd, en die noch

-ocr page 156-

144

door de oefeningen in de manége, noch door de gewone exercitiën op eene voldoende wijze kan worden vervangen.

Jaarlijks moet zoowel met de jonge als met de oude paarden, vóórdat men tot de eigenlijke exercitiën overgaat, deze oefening worden gehouden.

Het op adem brengen moet met langzame opklimming en geheel stelselmatig beoefend worden. Bij eene verstandige en langzame opklimming zullen de krachten der paarden vermeerderd, de eetlust opgewekt en in het algemeen de gezondheidstoestand verbeterd worden. Bij eene plotseling te ver gedreven oefening heeft juist het tegenovergestelde plaats, de krachten nemen af, door vermoeidheid en verminderden eetlust.

Vroeger is reeds aangetoond, hoe de remontepaarden in de frontmarschen in draf worden geoefend, waarbij aangenomen werd, dat zij vooraf in colonne een rustig tempo van exercitiedraf aannamen, en behielden. De oefeningen van het op adem brengen in draf moeten nu verder dienen om de paarden te gewennen dezen gang lang te kunnen volhouden.

Bij de exercitiën in galop worden dikwijls, door het vooruitkomen van enkele vurige paarden, de doorgaans rustigen tot onrust verleid. Daar de richting evenwel bewaard moet worden en in het gelid geen ruimte genoeg aanwezig is om de paarden tot rust te laten komen, ontstaat gedrang, wanorde, ijlen en doorgaan. Alle paarden vermoeien zich daardoor nutteloos; de vurigen worden, in plaats van rustig, dagelijks driftiger, door de ongeregelde galopsprongen dikwijls kreupel, en verliezen zelfs na eenige oefeningen den eetlust.

-ocr page 157-

me Daarom moeten zij, vóórdat men hen in aaneengesloten

en. gelederen leert galoppeeren, in dezen gang een aan-

tdc zienlijken afstand leeren afleggen, hetgeen mede door

ai, het op adem brengen geschiedt.

In de garnizoenen, waar de exercitie-terreinen de

ng noodige uitgebreidheid en buitendien een tamelijk vasten

;r- bodem hebben, moeten deze oefeningen bij voorkeur

sn plaats hebben op een met staken (waaraan stroowisschen

in bevestigd zijn) afgebakend vierkant, met goed afgeronde

n. hoeken, op welks zijden van 400 M. lengte de afstand

st van 225 M. goed in het oogvallend wordt aangeduid,

if, hen half of geheel peloton rijdt in colonne met eenen, zes of tien passen buitenwaarts van de stroowisschen,

n de eerste dagen 15, later 25 tot 30 minuten lang in

ij draf rond. Aan de paarden wordt daarbij toegestaan

g het hoofd wat lager te plaatsen en de hals wat meer

e te strekken dan in den verkorten manégedraf. Zij

n moeten zoodanig aan den teugel zijn, dat zij in even-

n wicht gaan en niet in de ijzers klappen, terwijl voorkomen moet worden, dat zij op het bit gaan leunen,

t Bij deze oefening moet de ruiter, in draf zijnde,

s licht rijden, ten einde voor zich zeiven en voor het

1 paard de beweging gemakkelijker te maken, en haar

; daardoor langer te kunnen volhouden.

1 Ofschoon bij deze oefening het tempo de hoofdzaak

moet blijven en het bewaren der juiste afstanden daaraan ondergeschikt is, moet het den ruiters vrijstaan, teneinde stoornis in de colonne te voorkomen, om door het rijden binnenwaarts van de stroowisschen of door het afronden der hoeken de afstanden te herwinnen.

10

i_

-ocr page 158-

146

Wanneer met de oefeningen van het op adem brengen eens een aanvang is gemaakt, dan moeten ze dagelijks plaats hebben, totdat de paarden rustig draven, zonder zich sterk te vermoeien. Daarbij moet worden gezorgd, dat de ruiters den voorgeschreven afstand telkens in ééne minuut afleggen.

Daarna worden de oefeningen in galop aangevangen, waarbij nauwkeurig de voorschriften, ten opzichte van het rijden in exercitiegalop, moeten worden opgevolgd.

Hij laat, nadat de paarden 10 tot 15 minuten gedraafd hebben in galop overgaan, bij de eerste oefeningen slechts ongeveer een afstand van 600 M. in dezen gang afleggen, dan in stap overgaan en denzelfden dag niet meer galoppeeren. Trapsgewijze wordt de afstand vergroot, totdat die eindelijk bij een zeer goeden krachtstoestand der paarden, tot op icSoo M. wordt uitgestrekt.

In galop moet, evenals in draf, in het midden der oefening van hand worden veranderd, waartoe de onderwijzer den draf laat aannemen, en zoodra de achterste ruiter op de andere hand is overgegaan, weder doet aanspringen.

Aanvankelijk moet de onderwijzer er slechts op letten dat elk paard rustig galoppeert, en niet voordat dit verkregen is, moet hij, met het horloge in de hand, van lieverlede het tempo zoodanig regelen, dat ieder ruiter den voorgeschreven afstand telkens in ééne minuut aflegt.

Het komt voornamelijk daarop aan, dat de paarden hun sprong bedaard en gelijkmatig maken, den ruiter

-ocr page 159-

147

niet in den zadel op- en neêrstooten en zoo min mogelijk verspringen; dat zij daarbij eene natuurlijke ongedwongen houding hebben, zoodat men het ruiter en paard aanziet, dat deze lange galop hun licht en aangenaam is.

Gaan de paarden op de hier voorgeschreven wijze volkomen rustig, dan wordt de oefening herhaald, nadat de ruiters tot gelederen van tweeën of vieren zijn opgemarcheerd. De gelederen volgen elkander op een afstand van 20 tot 30 passen, terwijl aanvankelijk het bewaren van de richting niet ten koste van bedaarde gangen moet beproefd worden.

Deze oefening dient voornamelijk als voorbereiding tot den marsch in colonne en tot den frontmarsch in draf en in galop, welke laatste niet beoefend mogen worden, voordat de paarden zich bij de boven beschreven oefening volkomen rustig toonen.

Bij het op adem brengen moet steeds hoofdzakelijk op de ademhaling der paarden worden gelet, daar de beste beenen hun dienst weigeren, wanneer de longen te sterk worden ingespannen.

De onderwijzer moet daarom na elke oefening in galop, de ademhaling nagaan.

In rustigen toestand ademt het gezonde paard, zonder opvallende beweging der neusgaten, der ribben of van den buik, 8 tot 10 maal in de minuut.

De galopbeweging vermeerdert de ademhaling we), opvallend, doch deze moet na den overgang in stap of in draf reeds na eenige minuten tot rust komen.

Mocht dit bij enkele paarden het geval niet zijn.

-ocr page 160-

148

•dan is dit voor den onderwijzer een teeken, dat ze vooreerst nog door matiger beweging op ikracht moeten gebracht worden.

Vóór en na elke dezer oefeningen in snelle gangen, moeten de paarden in een vrijen stap gereden worden; de duur van deze beweging in stap moet zóó geregeld worden, dat de paarden ten minste twee uren in de open lucht doorbrengen.

De eetlust der paarden moet eveneens met zorg worden nagegaan, wijl deze een maatstaf is ter beoordeeling, of de inspanningen al of niet te groot zijn. Een te sterk vermoeid paard eet slecht, herstelt daardoor de verbruikte krachten niet, en zal spoedig geheel te gronde gaan, als het daarbij tot te zwaren arbeid wordt gebruikt. Alleen buitengewone noodzakelijkheid wettigt te groote inspanning.

Dikwijls gebeurt het dat paarden, bij het verrichten van vermeerderden arbeid, hun gewoon ration goed eten en daarmede een gezond voorkomen behouden en krachtig blijven; maar niet zelden ziet men ook, dat zij den eetlust verliezen, wanneer zij meer voeder bekomen, als de inspanningen reeds groot zijn ; geeft men derhalve aan de paarden eene vermeerdering van voeder met het doel hen bij krachten te houden, dan moet men daarmede minstens aanvangen^ zoodra de eischen beginnen te klimmen. Behoudt het paard dan een goeden eetlust, eet het den bak schoon leeg, dan kan men van zijne gezonde verteringsorganen overtu\'gd zijn, en mei genoegzame zekerheid verwachten, dat het bij \'t vermeerderen van den arbeid den eetlust niet ver-

-ocr page 161-

149

liezen zal. Zijn de paarden goed op adem, dan kan men de oefening ook met bepakten zadel doen uitvoeren.

Hoewel de regel: dat het afgerichte soldatenpaard zich voortdurend in een voor den krijg geschikten toestand moet bevinden, getrouw moet worden nagekomen, zoo moeten evenwel tot den aanvang van deze oefeningen, behalve de leeftijd en de krachtstoestand der paarden, ook jaargetijde, plaatselijke omstandigheden en de toestand van den bodem in aanmerking genomen worden.

In den winter, bijvoorbeeld, mag, op een bevroren grond, bij strenge koude of bij sterken wind, niet in galop gereden worden, en mochten zich in enkele garnizoenen geen terreinen met gunstigen bodem van de hier voorgeschrevene afmetingen bevinden, dan kunnen de oefeningen van het op adem brengen ook op iets kleinere terreinen of op de rechte lijn worden uitgevoerd, waarbij op enkele plaatsen met goed gevolg gebruik kan gemaakt worden van den zandbodem der groote wegen.

De gunstigste tijd om deze oefeningen onafgebroken te kunnen voortzetten, is het voorjaar, bij den aanvang van de zachtere weersgesteldheid, nadat de paarden volkomen van haar hebben verwisseld.

Aan de oefeningen van het op adem brengen mag men geen andere dan overigens volkomen op kt acht zijnde paarden onderwerpen, ook mogen ze nooit tot aan de uitputting der paarden worden voortgezet. Door het onverstandig en de krachten van het paard te bovengaand

-ocr page 162-

voortzetten van deze oefening, zou men juist het tegendeel verkrijgen van \'t geen men zich hierbij als doel voorstelt.

Bij de africhting van troepenpaarden moet mea er zich niet op toeleggen bij enkele paarden buitengewone uitkomsten te verkrijgen, maar wel om ook de zwakken te gewennen, alle diensten mede te verrichten en die betrekkelijk lang vol te houden.

Worden paarden, bij eene zorgvuldige verpleging op stal, met oordeel op adem gebracht, dan zijn zij rond, zonder dikken buik, hebben hard gezond vleesch, glanzend haar en frissche oogen.

Eskadrons, waarvan de paarden op de voorgeschreven wijze op adem zijn gebracht, zullen in colonne bedaard en met gemak groote afstanden, in draf en in galop kunnen afleggen, zonder dat de paarden zich veel vermoeien. Ook bij den frontmarsch vóór den aanval zal dan geen wanorde ontstaan, waardoor de troep uit de hand des aanvoerders geraakt.

Worden later bij het exerceeren enkele paarden weder onrustig en driftig, of leggen zij zich in galop te sterk op de hand, dan moeten die fouten weder door de oefeningen van het op adem brengen verbeterd worden.

§ 49. Renloop.

Om de paarden den renloop te doen beoefenen, neemt men de ruiters op een grooten cirkel met zes passen afstand in den gewonen galop. Wanneer alle paarden

-ocr page 163-

i5i

rustig gaan, laat de onderwijzer den ruiter, die aan het hoofd der colonne rijdt, rechtuit gaan, waartoe deze eene ruimte van een paar honderd meters voor zich moet hebben. De overige ruiters volgen wanneer hun voorman op 20 passen van hen verwijderd is.

Langzamerhand wordt de gang versterkt, tot deze eindelijk van lieverlede tot den renloop overgaat.

Gedurende den renloop zorge de ruiter zoo rustig mogelijk in den zadel te zitten, zijn lichaam met eenigszins voorovergebracht bovenlijf de beweging te doen volgen en met de beenen het paard tegen de teugels te drijven, waarbij deze slechts zooveel nageven, als noodig is om hen in het vrij en snel loopen niet te hinderèn en hun daarbij eenigszins tot steun te dienen.

In den renloop mag het paard niet vele, snel opvolgende korte sprongen maken, maar moet men trachten den meest langen ver grijpenden sprong, waartoe het paard in staat is, te verkrijgen. Losse teugels en aanhoudend sporen bevorderen dit geenszins, hoewel een doorgezette spoordruk dienstig kan zijn om het paard tot het aannemen van den snelsten gang te brengen. Toont een paard te weinig ganglust, dan is het beter van een flink toegebrachten karwatsslag dan van de sporen gebruik te maken, daar deze laatste veelal een weerstreven met den rug en daardoor eene verkorting van den sprong veroorzaken.

De ruiter trachte gedurende den renloop zijn paard zoo goed mogelijk in de hand te houden, ten einde in staat te zijn het in den kortst mogelijken tijd te pareeren. Evenwicht moet ook in dezen gang bewaard

-ocr page 164-

blijven, daar bij een te veel op de voorhand gaan, het paard licht stort, en bovendien moeilijk de gang le verkorten is.

Bij de eerste oefeningen moet het verkorten om tot eenen anderen gang over te gaan met de meeste voorzichtigheid en zeer vloeiend geschieden. De ruiter zoeke dit te verkrijgen door de achterhand zooveel mogelijk onder te brengen en door herhaald aanhouden en nageven met de teugels den gang langzamerhand tot den gewonen galop terug te brengen, waaruit de verkorte galop en eindelijk de draf ontwikkeld wordt.

Toonen de paarden onrust, dan worden zij na den renloop nog eenige malen op het vierkant of op den cirkel in draf rondgereden, alvorens tot den stap over te gaan.

Door eene iijn af te bakenen laat de onderwijzer bij eene der volgende oefeningen de ruiters één voor één afzonderlijk den renloop beoefenen, waarbij hij er vooral op lette, dat de paarden in rechte strekking blijven gaan. Het afwijken van de rechte lijn, evenals het doorgaan, ontstaat meest altijd door plaatselijken dwang, lichaamszwakte, te ver gedreven eischen of wel door onjuiste inwerkingen van den ruiter.

Na eenige oefeningen gaat men over tot het beoefenen van den renloop met één gelid op afstanden en daarna in gesloten gelid.

Wanneer slechts de overgang tot verkorten gang goed uitgevoerd wordt, zal het beoefenen \\an den renloop aan de paarden geen nadeel doen; men zorge slechts, dat de bedaardheid van den galop bij den

-ocr page 165-

frontmarsch bewaard blijve, en beoefene deze dus afwisselend met de oefening in den renloop.

Twee-, ten hoogste driemaal in de week is voldoende voor de oefening; eens in de week is genoeg om de geoefendheid te onderhouden.

AANHANGSEL.

Buigen aan de hand.

Wanneer de paarden voor den druk van de heenen hebben leeren opschieten, kan men gedurende de verdere dressuur ook gebruik maken van het buigen aan de hand, als hulpmiddel tot het leeren nageven op den druk van het bit op de lagen en het [paard te leeren daaraan te blijven gehoorzamen. Aanvankelijk zal men dit buigen stilstaande doen om het later in gang te herhalen. Indien de onderwijzer steeds streng er op heeft gelet, dat de ruiter zijn paard met opgericht hoofd en hals in een vluggen, doch kalmen pas aan de hand geleidt, zal dit er veel toe bijdragen tot het verkrijgen van eene goede uitkomst bij het buigen aan de hand in gang, wanneer het paard stilstaande heeft leeren nageven op den druk van het bit op de lagen.

De onderwijzer zal zorgdragen dat, gedurende het geleiden, de ruiter ter hoogte van den schouder van het paard medeloopt; indien een paard niet vlot voorwaarts stapt, zoo zal de ruiter het met een stokje^

-ocr page 166-

I54

dat met het eene uiteinde naar achteren in de linkerhand wordt gehouden, dicht bij den singel aantikken.

De onderwijzer regelt de graad van oprichting naar den bouw en de krachten van het paard.

Het paard op de linkerhand geplaatst zijnde, stelt de ruiter zich op, front makende naar het hoofd, ter hoogte van den schouder en neemt de teugels als volgt aan.

De teugel van de groote trens, die over het hoofd wordt gebracht, wordt met den gesp in de holte van de linkerhand op ongeveer 2 dM. van den mond van onderen naar boven zoodanig over den duim in de volle hand genomen, dat de rij kneukels loodrecht staat.

De rechterhand neemt de teugels van de kleine trens op ongeveer 1 dM. afstand van den mond in de volle hand de duim naar boven.

De linkerhand voor het hoofd van het paard geplaatst, dient om hoofd en hals op te richten, opgericht te houden en te voorkomen dat het paard achteruittreedt, gedurende dat de rechterhand het nageven bewerkstelligt, door de aanhoudingen in de richting van de schoft te doen.

Het is aan te bevelen het paard door herhaalde aanhoudingen tot nageven uit te noodigen, waarbij valt op te merken, dat elke druk, dien men op de lagen overbrengt, niet zoolang mag aanhouden, dat het paard op de hand zou kunnen gaan leunen.

In den aanvang moet men met den geringsten graad van nageven, hoe weinig of het is. tevreden zijn, waarna

-ocr page 167-

i55

men onmiddellijk met de hand moet nageven en het paard beloonen.

Na het buigen in gang, kan men door het stilstaande afbuigen aan de hand nagaan of die oefening de gewenschte uitkomst heeft gehad.

Daartoe zal men, het paard op de linkerhand zijnde, zich plaatsen en de teugels aannemen, evenals hiervoren is aangegeven.

Teneinde het paard af te buigen, in dit geval rechts, begint men met de voorhand ongeveer een pas binnenwaarts van den hoefslag te plaatsen en het daarna op den druk van de kleine trens op de lagen te laten nageven. Doet het dit, dan brengt men door kleine aanhoudingen met de linkerhand van links naar rechts het hoofd langzamerhand zoover naar rechts, als men ■stelling vvenscht te nemen. Vele paarden zullen, indien het afbuigen nog een pijnlijken druk op de oorklieren veroorzaakt, beproeven zich te onttrekken o. a.: door den hals uit te buigen; door het hoofd scheef te brengen, meestal gepaard gaande met een vermeerderd steun zoeken op het buitenvoorbeen ; door af te wijken van den vierkanten stand, of door achteruit te treden.

Gedurende het stelling nemen zorgt de ruiter met de rechterhand dat het paard blijft nageven, terwijl hij met de linkerhand voorkomt, door met de teugels in voorwaartsche richting naar boven aanhoudingen te doen, dat het bovengenoemde afwijkingen ten uitvoer brengt.

Bij dit afbuigen mag in den aanvang de hals eenigs-zins aan de buiging deelnemen.

-ocr page 168-

156

Bij het buigen aan de hand met de stang, neemt men, op de linkerhand zijnde, met de linkerhand de trensteugels aan, als hierboven is voorgeschreven, terwijl de rechterhand de stangteugels op dezelfde wijze als de teugels van de kleine trens aanvat. Bij het afbuigen aan de hand met de stang, dat op dezelfde wijze geschiedt als hierboven met de trens is beschreven, moet men zorg dragen, dat de buiging zooveel mogelijk in den nek plaats heeft.

Het afbuigen met de stang in gang zal slechts beoefend mogen worden wanneer de ruiters opgestegen zijn.

Tot volmaking der africhting, kan gebruik gemaakt worden van den pilarenaxbeid, mits dit geschiede, met de noodzakelijke voorbei cidins; en onder leiding van iemand, die zich in dezen arbeid heeft bekwaamd. Zie omtrent dezen arbeid;

Die Bearbeitung des Pferdes zwischen den Pilaren von H. von Hoi.leuffer, Königl. Stallmeister—Hannover en Die Hohe Schule mit besonderer Riicksicht auf ihren Betrieb in der K. u. K. Hofreitschule in Wien von Leopold von Hf.vdebrand und per Lasa.

u

-ocr page 169-
-ocr page 170-
-ocr page 171-
-ocr page 172-