HET
NIEUWE TESTAMENT
ALLE DE BOEKEN DES NIEUWEN VERBONDS
VAN ONZEN HEERE
JEZUS CHRISTUS.
OP LAST VAN DE STATEN-GENERAAL DER VEREEN1GDE NEDERLANDEN,
ES VOLGENS HET BESLUIT VAN DE NATIONALE 31 NODE GEHOUDEN TE DORDRECUT IN DE JAREN MDCXVITT EN MDCXIX UIT DE OORSPRONKELIJKE (GRIKKSCUE) TAAL IN ONZE NEDERLANDSCUE GETROUWELIJK OVKKGEjn
/EUG E JET.
\'l/tW
A 1 \'yj hh 3
UITGEGEVEN DOOR HET NEDERLANDSGH BIJBELGENOOTSCHAP.
-1889. 0 0 V
32?
Stoomdruk van J. VAN BOEKHOVEN te Utrecht.
EEGISTER VAN DE BOEKEN
DES
NIEUWEN TESTAMENTS.
Het Evangelie van MattheOs....................1— 47
Het Evangelie van Marcus...........47— 77
Het Evangelie vau Lucas...........77—127
Het Evangelie van Johannes..........127—164
De Handelingen der Apostelen.........Iü4—213
BRIEVEN VAN PAXILUS;
Aan de Romeinen..............213—232
____________________232—251
Tweede aan de Corinthiërs......................252 —264
Eerste aan de Corinthiërs .
Tweede aan de Corinthiërs.
Aan de Galatiërs..............................264—2/
Aan de Efeziërs . .
Aan de Filippenzen.
Aan de Colossenzen
Eerste aan de Thessalonicenzen..................287—291
Tweede aan de Thessalonicenzen................291—293
Eerste aan Timotheüs........................294—299
Tweede aan Timotheüs........................299—303
Aan Titus.................303—305
Aan Filémon................................305—306
Aan de Hebreërs......................306—321
ALGEMEENE BRIEVEN:
Van Jacobus................................321—326
Eerste van Petrus............................326—331
Tweede van Petrus..............332—335
Eerste van Johannes..........................335-3-10
Tweede van Johannes............. 341
Perde van Johannes .............. 342
Vau Judas.....\'........................343—344
344—367
De Openbaring van Johannes.
HET HEILIG EVANGELIE
NAAll DE BESCHRIJVING VAN
M A T ï H E Ü S.
|
HOOFDSTUK 1. Het boek des geslachts van Jezus Christus, den zoon van David , den zoon van A-braham. 2 Abraham gewon Isaak, en Isaak gewon Jakob, en Jakob gewon Juda en zijne broeders; 3 en Juda gewon Fares en Zara bij Tbamar; en Fares gewon Esrom, en Esrom gewon Aram; 4 cn Aram gewon Aminadab, en-Aminadab gewon Nabasson, en Nabasson gewon Salmon; 5 en Salmon gewon Boöz bij llachab, en Boöz gewon Obed bij Rutb, en Obed gewon Jesse; fi en Jesse gewon David den Koning. En David de Koning gewon Salomo, bij degene die Uria\'s vrouw icua yeweeat; 7 en Salomo gewon Roboam, cn Roboam (jewon Abia, en Abia gewon Asa; 8 en Asa gewon Josafat, en Josafat gewon Joram,en Joram gewon Ozias; 9 en Ozias gewon Joatbam, en Joatbam gewon Acbaz, en Acbaz gewon Ezekias ; 10 en Ezekias gewon Manasse, cn Manasse gewon Amon, en Amon gewon Josias; 11 en Josias gewon Jecbonias en zijne broeders, omtrent de Babylonische overvoering. 12 En na de Babylonische overvoering gewon Jechonias |
Salatbiël, en Salathiël gewon Zorobabel; 13 en Zorobabel gewon Abmd, en Abiud gewon Eljakim, en Eljakim gewon Azor; 14 en Azor gewon Sadok, en Sadok gewon Achim, en Achim gewon Elind; 15 en Eliud gewon Eleazar, en Eleazar gewon Matthan, en Matthan gewon Jakob; 10 en Jnkob gewon Jozef, den man van Maria, uit welke geboren is Jezus gezegd Christus. 17 Alle de geslachten dan van Abraham tot David zijn veertien geslachten, en van David tot de Babylonische overvoering zijn veertien geslachten, en van de Babylonische overvoering tot Christus zijn veertien geslachten. 18 De geboorte van Jezus Christus was nu aldus; want als Maria zijne moeder met Jozef ondertrouwd was, eer zij te zamen gekomen waren werd zij zwanger bevonden uit den Heiligen Geest. 19 Jozef nu, haarman, alzoo hij rechtvaardig was, en haar niet wilde openbaarlijk te schande maken, was van wille haar heimelijk te verlaten. _ 20 En alzoo hij deze dingen in den zin had, /.ie, de Engel des Heeren verscheen hem in den droom, zeggende: Jozef, gij zoon Davids, wees niet bé- |
1
f
jv:
i
Het l Jezus van Da braham
2 A bra Isaak g gewon
3 en . . Zara bi
won Es j Aram;
4 en A en-A rail en Nah
5 en S Rachab bij llutl
(5 en J Koning gewon Uria\'s i
7 en S en Rob Abia ge
8 en ^ Josafatj gewon (
9 en C i en Joat • Acbaz fi
10 en 1 . en Man ] Amou {!
11 en
3 en zijne Babvloi
12 En overvoe
HET HEILIG EVANGELIE
KAAK DE BESCHRIJVING VAN
M A T T H E Ü S.
|
HOOFDSTUK 1. Het bock des gcslaclits van Jezus Curistiis, den zoon van David , den zoon van A-braham. 2 Abraham gewon Isaak, en Isaak gewon Jakob, en Jakob gewon Juda en zijne broeders; 3 en Juda gewon Fares en , Zara bij Thamar; en Fares gewon Esrom, en Esrom gewon Aram; 4 en Aram gewon Aminadab, en-Aminadab gewon Nabasson, en Nabasson gewon Salmon ; 3 en Salmon gewon Boöz bij Ilachab, en Boöz gewon Obed by Ilutb, en Obed gewon Jesse, 6 en Jesse gewon David den Koning. En David de Koning gewon Salomo, bij degene die Uria\'s vrouw was yeweest; 7 en Salomo gewon Roboam, en Roboam gewon Abia, en Abia gewon Asa; 8 en Asa gewon Josafat, en Josafat gewon Joram, en J oram gewon Ozias; 9 en Ozias gewon Joatbam, , en Joatbam gewon Acbaz, en .■ Acbaz gewon E/ekias ; 10 en EzekiasgewonManasse, \'i en Manasse gewon Amon, en » Amon gewon Josias; 11 en Josias gewon Jecbonias en zijne broeders, omtrent de Babylonische overvoering. 12 En na de Babylonische overvoering gewon Jecbonias - |
Salatbiël, en Salathiël gewon Zo robabel; i:j en Zorobabel gewon Abiud, en Abiud gewon Eljakim, en Eljakim gewon Azor; 14 en Azor gewon Sadok,en Sadok gewon Achim, en Acbim gewon Eliud; 15 en Eliud gewon Eleazar, en Eleazar gewon Matthan, en Matthan gewon Jakob; 1lt;» en Jakob gewon Jozef, den man van Maria, uit welke geboren is Jezus gezegd Christus. 17 Alle de geslachten dan van Abraham tot David zijn veertien geslachten, en van David tot de Babylonische overvoering zijn veertien geslachten, en van de Babylonische overvoering tot Christus zijn veertien geslachten. 18 De geboorte van Jezus Christus was nu aldus: want als Maria zijne moeder met Jozef ondertrouwd was, eer zij te zamen gekomen waren werd zij zwanger bevonden uit den Heiligen Geest. 19 Jozef nu, haar man, alzoo hij rechtvaardig was, en haar niet wilde openbaarlijk te schande maken, was van wille haar heimelijk te verlaten. 20 En alzoo hij deze dingen in den zin had, zie, de Engel des Heeren verscheen hem in den droom, zeggende: Jozef, gv zoon Davids, wees niet be- |
1
MATTHEÜS 2.
|
rccsd Maria uwe vrouw tot u tc nemen; want hetgeen in haar ontvangen is, dat is uit den Heiligen Geest; 21 en zij zal eenen zoon baren, m gij zult zijnen naam heeten Jezus; want hij zal zijn volk zalig maken van hunne zouden. 22 En dit alles is geschied, opdat vervuld zoude worden [letgeen van den Heere gesproken is door den l\'rofeet, zeg-;cnde: 2:5 Zie, de maagd zal zwanger worden en eenen zoon iiarcn, en gij zult zijnen naam lieeten Emmanuel; hetwelk is, overgezet zijnde, God met ons. 24 Jozef dan, opgewekt zijnde ran den slaap, deed gelijk de Engel des Heeren hem bevolen had, en heeft zijne vrouw tot zich genomen, 25 en bekemle haar niet, totdat zij dezen haren eerstgeboren zoon gebaard had, en heette zijnen naam Jezus. HOOFDSTUK 2. Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem, (jeleyen\'m 3n-déa, in de dagen van den Koning Herodes, zie, ecnipe wijzen van het Oosten zijn te Jeruzalem aangekomen, 2 zeggende: Waar is de geboren Koning der Joden? want \\vij hebben gezien zijne ster in \'tOosten, en zijn gekomen om hem te aanbidden. 3 De Koning Ilerodes nu dit gehoord hebbende, werd ontroerd , en geheel Jeruzalem met hem; 4 en bijéénvergaderd hebbende alle de Overpriesters en Schriftgeleerden des volks, ■raagde van hen, waar de Christus zoude geboren worden. 5 En zij zeiden tot hem; Te Bethlehem, in i\\xAéü. nelfycn ; want alzóó is geschreven door den l\'rofeet: |
6 En gij Bethlehem, gij land van Juda, zijt geenszins de minste onder de Vorsten van Juda; want \\iit u zal de Leidsman voortkomen die mijn volk Israël weiden zal. 7 Toen heeft Herodes de wijzen heimelijk geroepen, en vernam naarstiglijk van hen den tijd wanneer de ster verschenen was; 8 en hen naar Bethlehem zendende, zeide: Reist henenen onderzoekt naarstiglijk naar dat kindeken, en als gij het zult gevonden hebben, boodschapt het mij, opdat ik óók kome en datzelve aanb dde. «J En zij den Koning gehoord hebbende, zijn henen gereisd; en zie, de ster, dilt;; zij in \'t Oosten gezien hadden, ging hun voor, totdat zij kwam en stond boven de plaats waar het kindeken was. 10 Als zij nu de ster zagen, verheugden zij zich met zeer groote vreugde; 11 en in het huis gekomen zijnde, vonden zij het kindeken met Maria zijne moeder, en nedervallende hebben zij hetzelve aangebeden; en hunne schatten opengedaan heljbende, brachten zij hem geschenken, goud en wierook en mirre. 12 En door Goddelijke openbaring vermaand ziji.de in den droom , dat zij niet zouden wederkeeren tot Herodes, vertrokken zij door eenen anderen weg weder naar hun land. 13 Toen zij nu vertrokken waren, zie, de Engel des Heeren verschijnt Jozef in den droom, zeggende: Sta op, en neem tot u het kindeken en zijne moeder, en vlied in Egypte, en wees aldaar totdat ik het u zeggen zal; want Herodes zal het kindeken zoeken, om hetzelve te dooden. 14 Hij dan opgestaan zijnde, nam het kindeken en zijne moeder tot zich in den nacht, | en vertrok naar Egypte, 13 en was aldaar tot den dood |
|
van Hcrodes; opdat vervuld zoude worden hetgeen van den Hcere gesproken is door den Profeet, zeggende: Uit Egypte heb ik mijnen Zoon geroepen. 1(5 Ais Herodes zag dat hij van de wijzen bedrogen was, toen werd hij zeer toornig, en eeaigen afgezonden hebbende, heeft hij omgebracht alle de kinderen die binnen Bethlehem en in alle deszelfs landpalen tvaren, van twee jaren owrf en daaronder, naar den tijd dien hij van de wijzen naarstiglijk onderzocht had. 17 Toen is vervuld geworden \'t geen gesproken is door den Profeet Jeremia, zeggende: 18 Eene stemme is in Rama gehoord, geklag, geween en veel gekerm ; Rachel beweende hare kinderen, en wilde niet vertroost wezen, omdat ze niet zijn. 11) Toen Herodes nu gestorven was, zie, de Engel des Hee-ren verschijnt Jozef in den droom, in Egypte, 20 zeggende: Sta op, neem het kindeken en zijne moeder tot u , en trek in het land Israels ; want zij zijn gestorven die de ziel des kindekens zochten. 21 Hij dan, opgestaan zijnde., heeft tot zich genomen het kin deken en zijne moeder, en is gekomen in het land Israels. 22 Maar als hij hoorde dat Archelaüs in Judéa Koning was, in de nlaats van zijnen vader Herodes, vreesde hij daarhenen te gaan; maar door Goddelijke openbaring ver; maand in den droom, is hij vertrokken in de deelen van Galiléa. 23 En daar gekomen zijnde, nam hij zijne woonplaats in de stad genaamd Nazareth; opdat vervuld zoude worden wat door de Profeten gezegd is, dat lui Nazarener zal geheeten worden. |
EÜS 3. 3 HOOFDSTUK 3. En in die dagen kwam Johannes de Hooper, predikende in de woestijn van Jud^a , 2 en zeggende; Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. 3 Want deze is \'t van denwelken gesproken is doorJe-saja den Profeet, zeggende: De stemme des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt zijne paden recht. 4 En deze Johannes had zijne kleeding van kemelshaar, en eenen lederen gordel om zijne lendenen; en zijn voedsel was sprinkhanen en quot;wilde honig. 5 Toen is tot hem uitgedaan Jeruzalem en geheel Judda en \'t geheele land rondom den Jordaan ; (5. en werden van hem gedoopt in den Jordaan, belijdende hunne zonden. 7 Hij dan ziende velen van de Farizeërs en Sadduceërs tot zijnen doop komen, sprak tot hen: Gij adderengebroedsels, wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden toorn ? 8 Brengt dan vruchten voort der bekeering waardig; 9 en meent niet bij uzelven te zeggen: Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zegge u, dat God zelfs uit deze steenen Abraham kinderen kan verwekken. 10 En ook is aireede de bijl aan den wortel der boomen gelegd ; alle boom dan die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in \'t vuur geworpen. 11 Ik doop u wel met water tot bekeering; maar die na mii komt is sterker dan ik , wiens schoenen ik niet waardig ben hem na te dragen: die zal u met den Heiligen Geest en met vuur doopen; 12 wiens wan in zijne hand is, en hij zal zijnen dorschvloer |
|
4 MATTI doorzuiveren, en zijne tarwe in zijne schuur samenbrengen, en zal het kaf met onuitblussche-lijk vuur verbranden. l:i Toen kwam Jezus van Ga-liléa naar den Jordaan tot Johannes, om van hem gedoopt te worden. 14 Doch Johannes weigerde hem zeer, zeggende: Mij is noodig van :u gedoopt te worden , en komt gij tot mij ? 15 Maar Jezus antwoordende zeide tot hem: Laat nu af; want aldus betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij van hem af. 1(5 En Jezus gedoopt zijnde, is terstond opgeklommen uit het water; en zie, de hemelen werden hem geopend, en hij zag den Geest Gods nederdalen gelijk eene duive, en op hem komen. 17 En zie, eene stemme uit de hemelen, zeggende: Deze is mijn Zoon, mijn Geliefde, in denwelken ik mijn welbehagen heb. HOOFDSTUK 4. Toen werd Jezus van den Geest weggeleid in de woestijn, om verzocht te worden van den duivel. 2 En als hij veertig dagen en veertig nachten gevast had, hongerde hem ten laatste. 3 En de verzoeker tot hem gekomen zijnde, zeide: Indien gij Gods Zoon zijt, zeg dat deze Bteenen brooden worden. 4 Doch hij antwoordende zeide: Daar is geschreven: De mensch zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord dat door den mond Gods uitgaat. 5 Toen nam hem de duivel mede naar de heilige stad, en stelde hem op de tinne des Tempels, 6 en zeide tot hem: Indien gij Gods Zoon zijt, werp uzelven nederwaarts; want daar is geschreven , dat hij zijne Engelen |
EÜS 4. van u bevelen zal, en dat zij u op de handen zullen nemen, opdat gij niet te eeniger tijd uwen voet aan eenen steen aanstoot. 7 Jezus zeide tot hem; Daar is wederom geschreven: Gij zult den Heere uwen God niet verzoeken. 8 Wederom nam hem de duivel mede op eenen zeer hoogen berg, en toonde hem alle de koninkrijken der wereld en hunne heerlijkheid, 9 en zeide tot hem: Alle deze dingen zal ik u geven, indien gij nedervallende mij zult aanbidden. 10 Toen zeide Jezus tot hem: Ga weg, satan, want daar staat geschreven: Den Heere uwen God zult gij aanbidden, en hem alleen dienen. 11 Toen liet de duivel van hem af; en zie, de Engelen zijn toegekomen en dienden tem. 12 Als nu Jezus gehoord had dat Johannes overgeleverd was, is hij wedergekeerd naar Ga-liléa. 13 En Nazareth verlaten hebbende is komen wonen te Kapernaüm, gelegen aan de zee, in de landpalen van Zebu-lon en Naftali; 14 opdat vervuld zonde worden \'t geen gesproken i:4 door Jesaja den Profeet, zeggende: 15 Het land Zebulon en het land Naftali, den weg der zee over den Jr rdaan, Galiléa der volkeren, 1 16 het volk dat in duisternis zat heeft een groot licht gezien; en degenen die zaten in het land en de schaduwe des doods, denzelven i.i een licht opgegaan. 17 Van toen aan heeft Jezus begonnen te prediken, en te zeggen: Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. 18 En Jezus wandelende aan de zee van Galilda. zag twee broeders, namelijk Simon gezegd Petrus, en Andréas zijnen |
|
broeder, het net in de zee werpende, (want zy waren visschers); 19 en hij zeidetothen: Volgt mij na, en ik zal u visschers der menschen maken. 20 Zij dan terstond de netten verl€itende,zijn hem nagevolgd. 21 En hij, van daar voortgegaan zijnde, zag twee andere broeders, namelijk Jacobus den zoon van Zebedeüs, en Johannes zijnen broeder, in het schip met hunnen vader Zebedeüs hunne netten vermakende,en heeft hen geroepen. 22 Zij dan terstond verlatende het schip en hunnen vader, zijn hem nagevolgd. 23 En Jezus omging geheel Galiléa, leerende in hunne Synagogen, en predikende het Evangelie des Koninkrijks, en genezende alle ziekte en alle kwale onder het volk. 24 En zijn gerucht ging van daar uit in geheel Syrië ; en zij brachten tot hem allen die kwalijk gesteld waren, met verscheidene ziekten en pijnen bevangen zijnde, en van den duivel bezeten, en maanzieken, en geraakten; en hij genas dezelve. 25 En vele scharen volgden hem na, van Galiléa, en van Decapolis, en »a/i Jeruzalem, en van Judéa, en van over den J ordaan. HOOFDSTUK 5. En Jezus de scharen ziende , is geklommen op eenen berg, en als hij nederg:ezeten was, kwamen zijne discipelen tot hem. 2 En zijnen mond geopend hebbende leerde hij hen, zeggende ; 3 Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen. 4 Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden. 5 Zalig zijn de zacht moedigen; |
EÜS 5. 5 want zij zullen het aardrijk beërven. 6 Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden. 7 Zalig zijn de barmhartigen; want hun zal barmhartigheid geschieden. S Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien. 9 Zalig zijn de vreedzamen; want zij zullen Gods kinderen genaamd worden. 10 Zalig zijn die vervolgd worden om der gerechtigheid wille; want hunner is het Koninkrijk der hemelen. 11 Zalig zijt gij als u de men-schen smaden en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken om mijnentwille. 12 Verblijdt en verheugt u, want uw loon is fjroot in de hemelen; want alzóó hebben zij vervolgd de Profeten die vóór u geweest zijn. 13 Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout smakeloos wordt, waarmede zal het ge-gezouten worden? Het deugt nergens meer toe, dan om buiten geworpen en van de menschen vertreden te worden. 14 Gij zijt het licht der wereld; eene stad boven op eenen berg liguende kan niet verborgen zijn; 15 noch men steekt eene kaars aan en zet die onder eene korenmaat, maar op eenen kandelaar, en zi) schijnt allen die in het huis zijn. 16 Laat uw licht alzóó schijnen voor de menschen dat zij uwe goede werken mogen zien, en uwen Vader die in de hemelen is verheerlijken. 17 Meent niet dat ik gekomen ben om de Wet of de Profeten te ontbinden; ik ben niet gekomen om die te ontbinden, maar te vervullen. IS Want voorwaar zegge ik u, totdat de hemel en de aarde voorbijgaan , zal er niet ééne |
|
fi MATTB jota noch tèn tittel van de wet voorbijgaan, totdat liet alles zal zijn geschied. 19 Zoo wie dan lt;*én van deze minste geboden zal ontbonden, en de luenscben alzóó zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar zoo wie dezelve zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen. 20 Want ik zegge u, tenzij uwe gerechtigheid overvloediger zij dan der Schriftgeleerden en der Farizeërs, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan. 21 Gij hebt gehoord dat tot de ouden gezegd is: Gij zult niet dooden; maar zoo wie doodt, die zal strafbaar zijn door het gericht. 22 Doch ik zegge u, zoo wie ten onrechte op zijnen broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door \'t gericht; en wie tot zijnen broeder zegt: Haka, die zal strafbaar zijn door den grooten Raad; maar wie zegt: Gij dwaas, die zal strafbaar zijn door het helsche vuur. 2:} Zoo gij dan uwe gave zult op het altaar offeren, en aldaar gedachtig wordt dat uw broeder iets tegen u heeft, 24 laat daar uwe gave voor het altaar , en ga henen, verzoen u eerst met uwen broeder, en kom dan en offer uwe gave. 25 quot;Wees haastelijk welgezind jegens uwe wederpartij, terwijl gij nog met hem op den weg zijt; opdat de wederpartij niet misschien u den rechter overlevere, en de rechter u den dienaar overlevere, en gij in de gevangenis geworpen wordt. 2(5 Voorwaar ik zegge u, gij zult daar geenszins uitkomen , totdat gij den laatsten penning zult betaald hebben. |
27 Gij hebt gehoord dat van de ouden gezegd is: Gij zult geen overspel doen. 28 Maar ik zesge u, dat zoo wie eene vrouw «««/.iet om dezelve te begeeren, die heeft aireede. overspel in zijn hart met haar gedaan. 29 Indien dan uw rechteroog u ergert, trek het uit en werp het van u, want het is u nut dat één uwer leden verga, en niet uw geheele lichaam in de hel geworpen worde. 30 En indien uwe rechterhand u ergert, houw ze af en werp ze van u ; want het is v. nut dat één uwer leden verga, en niet uw geheele lichaam in de hel geworpen worde. 31 Daar is ook gezegd: Zoo wie zijne vrouw verlaten zal, die geve haar eenen scheldbrief. 32 Maar ik zegge u. dat zoo wie zijne vrouw verlaten zal anders dan uit oorzaak van hoererij, die maakt dat zij overspel doet; en zoc wie de verlatene zal trouwen, die doet overspel. 33 A\\ ederom hebt gij gehoord dat van de ouden gezegd is: Gij zult den eed niet breken, maar gij zult den Heere uwe eeden houden. 34 Maar ik zegge u, zweert ganscbelijk niet; noch bij den hemel, omdat hij is de troon Gods; 35 noch bij de aarde, omdat zij is de voetbank zijner voeten; noch bij Jeruzalem, omdat zij is de stad des grooteu Konings; 36 noch bij uw hoofd zult gij zweren, omdat gij niet één haar kunt wit of zwart maken. 37 Maar laat zijn uw woord ja, ja ; neen, neen: wat boven deze is, dat is uit den booze. 38 Gij hebt gehoord dat gezegd is: Oog om oog en tand om tand. 39 Maar ik zegge u, dat gij den booze niet wederstaat; maar zoo wie u op d»; rechterwang slaat, keer htm ook de andere toej |
|
40 cn zoo iemand met u rechten wil, en uwen rok nemen, laat hem ook den mantel; 41 en zoo wie u zal dwingen ééne mijl te gaan, ga met hem twee mijlen. 42 Geef dengenen die iets van u bidt, en keer u niet af van dengenen, die van u leenenwil. 43 Gij hebt gehoord dat er gezegd is: Gij zult uwen naaste liefhebben en uwen vijand zult gij haten. 44 Maar ik zegge u, hebt uwe vijanden lief, zégent ze die u vervloeken, doet wèl dengenen die u haten , en bidt voor degenen die u geweld doen, en die u vervolgen ; 45 opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders die in de hemelen is ; want hij doet zijne zon opgaan over boozen en goeden , en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardi\'.ren. 4igt; AVant indien gij liefhebt die u liefhebben, wat loon hebt gij ? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde? 47 En indien gij uwe broeders alleen groet, wat doet gij boven anderen ? Doen ook niet de tollenaars alzoo? 48 quot;Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, die iu de hemelen is, volmaakt is. HOOFDSTUK 6. Hebt acht dat gij uwe aalmoes niet doet voor de men-scben, ora van hen gezien te worden: anders hebt gij geen loon bij uwen Vader die in de hemelen is. 2 \'Wanneer gij dan aalmoes doet, zoo laat vóór u niet trompetten, gelijk de geveinsden in de. Synagogen en op de straten doen, opdat ze van de menschen geëerd mogen worden : voorwaar zegge ik u, zij hebben hun loon weg. 3 Maar als gij aalmoes doet, zoo laat uw linkerhand niet weten wat uwe rechter doet, 4 opdat uwe aalmoes in het |
EÜS fi. 7 verborgen zij: cn uw Vader die in \'t verborgen ziet, die zal het u in het openbaar verbelden. 5 En wanneer gij bidt, zoo zult gij niet zijn gelijk de geveinsden ; want die plegen gaarne in de Synagogen en op de hoeken der \'straten staande te bidden, opdat zij van de menschen mogen gezien worden; voorwaar ik zeggen, dat zij hun loon weg hebben. (5 Maar gij , wanneer gij bidt, ga in uwe binnenkamer, en uwe deur gesloten hebbende, bid uwen Vader die in \'t verborgen is; en uw Vader die in het verborgen ziet, zal \'tuin het openbaar vergelden. 7 En als gij bidt, zoo gebruikt geen ijdel verhaal van woorden, gelijk de heidenen; want zij meenen dat zij door hunne veelheid van woorden zullen verhoord worden. 8 quot;NYordt dan hun niet gelijk; want uw Vader weet wat gij van noode hebt eer gij hem bidt. 9 Gij dan bidt aldus: Onze Vader, die in de hemelen ryf, uw naam worde geheiligd; 10 uw Koninkrijk kome; uw wil geschiede gelijk in den hemel alzóó ook op de aarde; 11 geef ons heden ons dage-lijksch brood; 12 en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren; 13 en leid ons niet in verzoeking , maar verlos ons van den booze; want uw is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid, in der eeuwigheid. Amen. 14 Want indien trij den menschen hunne misdaden vergeeft, zoo zal uw hemelsche Vader ook u vergeven ; 15 maar indien gi\'. den menschen hunne misdaden niet vergeeft, zoo zal oo\'i uw Vader uwe misdaden niet vergeven. 10 En wanneer gij vast, toont geen droevig gezicht gelijk de geveinsden; want zij mismaken |
MATTHEUS 7.
|
hunne aangezichten, opdat zij van de menschen mogen gezien worden als zij vasten: voorwaar ik zegge u, dat zij hun loon weg li ebben. 17 Maar gij , als gij vast, zalf uw hoofd en wasch uw aangezicht, 18 opdat liet van de menschen niet gezien worde als gij vast, maar van uwen Vader die in \'t verborgen is; en uw Vader die in bet verborgen ziet, zal \'tu in het openbaar vergelden. 19 Vergadert u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen; 20 maar vergadert u schatten in den hemel, waar ze noch mot noch roest verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch stelen. 21 quot;Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn. 22 De kaarsdeslichaamsishet oog: indien dan uw oog eenvoudig is, zoo zal uw geheele lichaam verlicht wezen; 2.\'} maar indien uw oog boos is, zoo zal geheel uw lichaam duister zijn. Indien dan het licht, dat in u is, duisternis is, hoe groot zal de duisternis zelve 24 Niemand kan twee heeren dienen; want öf hij zal den Mnen haten en den anderen liefhebben, óf hij zal denéénen aanhangen eu den anderen verachten. Gij kunt niet God dienen en den Mammon. 25 Daarom zegge ik u, zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten en wat gij drinken zult, noch voor uw lichaam, waarmede gij u kleeden zult; is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleeding? 20 Aanziet de vogelen des hemels , dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren, en uw hemelsche Vader voedt nochtans dezelve; gaat gij dezelve niet zeer veel te hoven? |
27 quot;Wie toch van u kan met bezorgd te zijn ééne el tot zijne lengte toedoen? 28 En wat zijt gij bezorgd voor de kleeding? Aanmerkt dele-lien des velds, hoe zij wassen; zij arbeiden niet en spinnen niet, 29 en ik zegge u, dat ook Salomo in al zijne heerlijkheid niet is bekleed geweest gelijk eene van deze. SO ludien nu God het gras des velds, dat heden is, en morgen in den oven geworpen wordt, alzóó bekleedt, zal hij u niet veel meer kleeden, gij klein-geloovigen? 31 Daarom zijt niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleeden? 32 Want alle deze dingen zoeken de heidenen; want uw hemelsche Vader weet dat gij alle deze dingen behoeft 33 Maar zoekt eerst h3t Ko-ninkriik Gods en zijne gerechtigheid , en alle deze iingen zullen u toegeworpen worden. 34 Zijt dan niet bezorgd tegen den morgen, want de morgen zal voor het zijne zorgen ; elke dag heeft genoeg aanzijn eigen kwaad. HOOFDSTUK 7. Oordeelt niet, opdat gü niet geoordeeld wordt. 2 Want met welk oordeel gii oordeelt, zult gij geoordeeld worden; en met welke maat gij meet, zal u wedergemeten worden. 3 En wat ziet gij den splinter die in het oog uws broeders is , maar den balk die in uw oog is merkt gij niet ? 4 Of hoe zult gij lt;ot uwen broeder zeggen: Laat toe dat ik den splinter ui\', uw oog uitdoe; en zie, daar is een balk in uw oog. rgt; Gij geveinsde, werp eerst den balk uit uw oog, eudamp;n zult |
|
gij bezien om den splinter uit uws broeders oog uit te doen. (gt; Geeft het heilige den honden niet, noch werpt uwe parelen voor de zwijnen ; opdat zij niet te eeniger tijd dezelve met hunne voeten vertreden en zich omkeerende u verscheuren. 7 Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. 8 Want een iegelijk die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden. 9 Of wat mensch is er onder u, zoo zijn zoon hem zoude bidden om brood, die hem eenen steen zal geven, 10 en zoo hij hem om eenen visch zoude bidden, die hem eene slang zal geven ? 11 Indien dan gij die boos zijt weet uwen kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal uw Vader die in de hemelen is goede (jaren geven dengenen die ze van hem bidden. 12 Alle dinyen dan, die gij wilt dat u de menschen zouden doen, doet gij hun ook alzoo; want dat is de Wet en de Profeten. 13 Gaat in door de enge poort; want wijd is de poort en breed is de weg die tot het verderf leidt, en velen zijn er die door dezelve ingaan ; 14 want de poort is eng en de weg ia nauw die tot het leven leidt, en weinigen zijn er die denzelven vinden. 15 Maar wacht u van deval-sche l\'rofeten, dewelke in schaapskleederen tot u komen, maar van binnen zijn ze grijpende wolven. 1G Aan hunne vruchten zult gij ze kennen. Leest men ook eene druif van doornen of vijgen van distelen? 17 Alzóó iedere goede boom brengt voort goede vruchten , en een kwade boom brengt voort kwade vruchten. |
EÜS 7. 9 18 Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten voortbrengen. 19 Iedere boom die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. 20 Zoo zult gij dan dezelve aan hunne vruchten kennen. 21 Niet een iegelijk die tot mij zegt: Heere, Heere, zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil mijns Vaders die in de hemelen is. 22 Velen zullen te dien dage tot mij zeggen : Heere, Heere, hebben wij niet in uwen naam geprofeteerd , en in uwen naam duivelen uitgeworpen, en in uwen naam vele krachten gedaan ? 23 En dan zal ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend ; gaat weg van mij , gij die de ongerechtigheid werkt. 24 Een iegelijk dan die deze mijne woorden hoort, en dezelve do9t, dien zal ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op eene steenrots gebouwd heeft; 25 en daar is slagregen neder-gevallen, en de waterstroomen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen dat huis aangevallen en het is niet gevallen, want het was op de steenrots gegrond. 2G En een iegelijk die deze mijne woorden hoort, en dezelve niet doet, die zal bij eenen dwazen man vergeleken worden , die zijn huis op het zand gebouwd heeft; 27 en de slagregen is neder-gevallen, en de waterstroomen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, ea zijn tegen het huis aangeslagen; en het is gevallen, en zijn val was groot. 28 En het is geschied als Jezus deze woorden geëindigd had, dat de scharen zich ontzetteden over zijne leer; |
|
10 MATT] 29 want hij leerde hen als machthebbende en niet als de Schriftgeleerden. UOOFDSTUK S. Toen hij nu van den berg afgeklommen was, zijn hem vele scharen gevolgd. 2 En zie, een melaatsche kwam en aanbad hem, zeggende: Heere, indien gij wilt, gij kunt mij reinigen. 3 En Jezus de hand uitstrekkende heeft hem aangeraakt, zeggende: Ik wil, word gereinigd. En terstond werd hij rau zijne melaatschheid gereinigd. ■1 En Jezus zeide tot hem: Zie dat gij dit niemand zegt; maar ga henen, toon uzelven den Priester, en offer de gave die Mozes geboden heeft, hun tot eene getuigenis. _ f) Als nu Jezus te Kapernaüm ingegaan was, kwam tot hem een hoofdman over honderd, biddende hem, G en zeggende: Heere, mijn knecht ligt te huis geraakt, en lijdt zware pijnen. 7 En Jezus zeide tot hem : Ik zal komen en hem genezen. H En de hoofdman over honderd antwoordende zeide : Heere, ik ben niet waardig dat gij onder mijn dak zoudt inkomen , maar spreek alleenlijk een woord, en mijn knecht zal genezen worden. 9 Want ik ben óók een mensch onder de macht vau anderen, hebbende onder mij krijgsknechten . en ik zeg tot dezen: Ga, en hij gaat; en tot den anderen: Kom, en hij komt; en tot mijnen dienstknecht: üoe dat, en hij doet het. 10 Jezus nu dit hoorende, heeft zich verw;onderd, en zeide tot degenen die hem volgden: A\'oorwaar zegge ik u, ik heb zelfs iri Israël zoo groot geloof niet gevonden. 11 Doch ik zegge u, dat velen zullen komen van Oosten en |
Westen, en zullen met Abraham en Isaiik en Jakob aanzitten in het Koninkrijk der hemelen; 12 en de kinderen des Konink-rijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; aldaar zal weening zijn en knersing der tanden. 13 En Jezus zeide tot den hoofdman over honderd: Ga henen, en u geschiede gelijk gij geloofd hebt. En zijn knecht is gezond geworden te dierzelf-der ure. 14 En Jezus gekomen zijnde in het huis van Petrus, zag zijne vrouws moeder te bed liggen, hebbende de koorts. 15 En hij raakte hare hand aan , en de koorts verliet, haar; en zij stond op en diende hen. 1G En als het laat geworden was, hebben zij velen, van den duivel bezeten, tot hem gebracht, en hy wierp de booze geesten uit met het woord, en hij genas allen die kwalijk gesteld waren; 17 opdat vervuld zoude worden wat gesproken was door Jesaja den Profeet, zeggtnde: Hij heeft onze krankheden op zich genomen en onze ziekten gedragen. 18 En Jezus vele scharen rondom zich ziende, beval aan de andere zijde over te varen. 19 En daar kwam een zeker Schriftgeleerde tot hem, en zeide tot hem: Meester, ik zal u volgen waar gij ook henen-gaat. 20 En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des menschen heeft niet waar hij hec hoofd nederlegge. 21 En een ander uit zijne discipelen zeide tot hem : Heere, laat mij toe dat ik eerst aenenga en mijnen vader begruve. 22 Doch Jezus zeide zot hem: Volg mij, en laat de dooden hunne dooden begraven. |
|
matt1 23 En als hij in \'t schip gegaan was, zijn hem zijne disci-p(*lcn gevolgd. 24 Ea zie, daar ontstond een grootu onstuimigheid in de zee, alzoo dat het schip van de golven bedekt werd; doch hij sliep. 25 En zijne discipelen bij hem komende, hebben hem opgewekt, zeggende: Heere, behoed ons, wij vergaan. 26 En hij zeide tot hen; Wat zijt gij vreesachtig, gij klein-peloovigen? Toen stond hij op en bestrafte de winden en de zee, en daar werd groote stilte. 27 En de menschen verwonderden zich , zeggende; Hoedanig een is deze, dat ook de winden en de zee hem gehoorzaam zijn ! 28 En als hij aan de overzijde was gekomen in het land der Gergesénen , zijn hem twee, van den duivel bezeten, ontmoet , komende uit de graven , die zeer wreed waren, alzoo dat niemand door dienquot; weg kon. voorbijgaan. 29 En zie, zij riepen, zeggende : Jezus, gi\' Zone Gods , wat hebben wij met u te doen ? Zijt gij hier gekomen om ons te pijnigen vóór den tijd? 30 En verre van hen was eene kudde veler zwijnen weidende ; 31 en de duivelen baden hem, zeggende: ludien gij ons uitwerpt , laat ons toe dat wij in die kudde zwijnen varen. 32 En hij zeide tot hen: Gaat henen. En zij uitgaande voeren henen in de kudde zwijnen; en zie, de gehcele kudde zwijnen stortte van de steilte af in de zee, en zij stierven in \'t water. 33 En die ze weidden zijn gevlucht ; en als zij in de stad gekomen waren, boodschapten zij alle deze dingen, en wat den bezetenen geschied was. 34 En zie, de geheele stad ging uit, Jezus tegemoet; en als zij hem zagen, baden zij dat hij uit |
;eüs 9. 11 hunne landpalen wille vertrekken. HOOFDSTUK 9. En in het schip gegaan zijnde, voer hij over en kwam in zijne stad. En zie, zij brachten tot hem eenen geraakte, op een bed liggende. 2 Ln Jezus hun geloof ziende, zeide tot den geraakte; Zoon, wees welgemoed, uwe zonden zijn u vergeven. 3 En zie, sommigen der Schriftgeleerden zeiden in zich-zelve ; Deze lastert God. 4 En Jezus ziende hunne gedachten , zeide: Waarom overdenkt gij kwaad in uwe harten? 5 Want wat is lichter, te zeggen; De zonden zijn u vergeven , of te zeggen; Sta op en wandel ? 6 Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des menschen macht heeft 4)p de aarde de zonden te vergeven (toen zeide hij tot den geraakte); Sta op, neem uw bed op, en ga henen naar uw huis. 7 En hij opgestaan zijnde , ging henen naar zijn huis. 8 De scharen nu dat ziende hebben zich verwonderd, en God verheerlijkt, die zoodanige macht den menschen gegeven had. 9-En Jezus van daar voortgaande, zag eenen mensch in het tolhuis zitten, genaamd Mattheüs , en zeide tot hem: Yolg mij. En hij opstaande volgde hem. 10 En het geschiedde als hij in het huis van Mattheiis aanzat, zie, vele tollenaars en zondaars Kwamen en zaten mede aan met Jezus en zijne discipelen. 11 En de Farizecrs dc.t ziende , zeiden tot zijne discipelen; Waarom eet uw Meester met de tollenaren en zondaren ? 12 Maar Jezus zulks hoorende, zeide tot hen; Die gezond zijn hebben den mcdicynmeester niet van noode, maar die ziek zijn. |
|
12 MATTI 13 Doch g:aat henen en leert ■wat het zij: Ik wil barmhartigr* heid, en niet offerande; want ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekeerin?. 14 Toen kwamen de discipelen van Johannes tot hem, zeggende: Waarom vasten wij en de Farizeërs veel, en uwe discipelen vasten niet? 15 En Jezus zeide tot hen; Kunnen ook de bruiloftskinderen treuren zoolang de bruidegom bij hen is? Maar de dagen zullen komen wanneer de bruidegom van hen zal weggenomen zijn, en dan zullen zij vasten. 16 Ook zet niemand eenen lap ongevold laken op een oud kleed ; want deszelfs aangezette lap scheurt af van het kleed, en er wordt ecne ergere scheur. 17 En men doet geen nieuwen wijn in oude lederen zakken; anders bersten de lederen zakken, en de wijn wordt uitgestort, en de lederen zakken verderven; maar men doet nieuwen wijn in nieuwe lederen zakken, en beide te zamen worden behouden. 18 Als hij deze dingen tot hen sprak, zie, een overste kwam en aanbad hem, zeggende: Mijne dochter is nu terstond gestorven, doch kom en leg uwe hand op haar, en zij zal leven. 1\'J En Jezus opgestaan zijnde, volgde hem, en zijne discipelen. 20 (En zie, eene vrouw die twaalf jaren het bloedvloeien gehad had, komende tot hem van achteren, raakte den zoom zijns kleeds aan; 21 want zij zeide in zichzelve: Indien ik alleenlijk zijn kleed aanraak, zoo zal ik gezond worden. 22 En Jezus zich omkeerende en haar ziende, zeide: Wees welgemoed, dochter; uw geloof heeft u behouden. En de vrouw werd gezond van die ure af.) 2.S En als Jezus in het huis des |
EÜS 9. oversten kwam, en zag de pijpers en de woelende schare, 24 zeide hij tot hen: Vertrekt; want het dochterken is niet dood, maar slaapt. Eu zij belachten hem. 25 Als nu de schare uitgedreven was, ging hij in, en greep hare hand ; en het dochterken stond op. 26 En dit gerucht ging uit door dat geheele land. 27 En als Jezus van daar voortging, zijn hem twee blinden gevolgd, roepende en zeggende : Gij Zone Davics, ontferm u onzer. 28 En als hij in huis gekomen was, kwamen de blinden tot hem, en Jezus zeide tot hen: Gelooft gij dat ik dat doen kan? Zij zeiden tot hem: Ja, Heere. 29 Toen raakte hij hunne oogen aan, zeggende: U geschiede naar uw geloof. 30 En hunne oogen ziin geopend geworden. En Jezus heeft hun zeer strengelijk verboden, zeggende: Ziet dat het niemand wete. 31 Maar zij uitgegaan zrjnde, hebben hem ruchtbaa* gemaakt door dat geheele land. 32 Als deze nu uitgingen, zie, zoo brachten zij tot hem eenen mensch die stom en van den duivel bezeten was. 33 Eu als de duivel uitgeworpen was, sprak de stomme. En de scharen verwonderden zich, zeggende: Daar is nooit desgelijks in Israël gezien. 34 Maar de Farizeürs zeiden: Hij werpt de duivelen uit door den overste der duivelen. 35 En Jezus omging alle de steden en vlekken, leeiendein hunne Synagogen, en predikende het Evangelie des Ko-ninkrijks, en genezeade alle ziekten en alle kwalen onder het volk. 36 En hij de scharei ziende, werd innerlijk met ontferming bewogen over hen, omdat ze vermoeid en verstrooid waren. |
|
eelijk schapen die gecnen herder hebben. .\'{7 Toen zeide hij tot zijne discipelen: De oogst is wel jrroot, maar de arbeiders zijn weinige; 38 bidt dan den Heere des oogstes, dat hij arbeiders in zijnen oogst uitstoote. HOOFDSTUK 10. En zijne twaalf discipelen tot zich geroepen hebbende, heeft hij hun macht gegeven over. de onreine geesten, om dezelve uit te werpen , en om alle ziekte en alle kwale te genezen. 2 De namen nu der twaalf Apostelen zijn deze: de eerste , Simon Kezend Petrus, en Andreas zijn broeder; Jacobus de zoon van Zebedeüs,en Johannes zijn broeder; H Filippus en Bartholometts; Thomas en Mattheüs de tollenaar; Jacobus de 200« van Al-feüs, en Lebbeüs toegenaamd Thaddeüs; 4 Simon Kananites, en Judas Iskariot, die hem ook verraden beeft. 5 Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden, en hun bevel ge- f:even, zeggende: Gij zult niet lenengaan op den weg der heidenen , en gij zult niet ingaan in:even, zeggende: Gij zult niet lenengaan op den weg der heidenen , en gij zult niet ingaan in eenige stad der Samaritanen; 6 maar gaat veel meer henen tot de verlorene schapen van het huis Israels. 7 En henengaande predikt, leggende: Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. 8 Geneest dekranken, reinigt de melaatschen, wekt de dooden op, werpt d2 duivelen uit. Gij hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet. 9 Verkrijgt u noch goud noch zilver noch koperffeld in uwe gordels; 10 noch male tot den weg, noch twee rokken, noch schoenen , noch staf; want de arbeider is zijn voedsel waardijr. 11 En in wat stad of vlek gij |
EÜS 10. 13 zult inkomen, onderzoekt wie daarin waardig is; en blijft aldaar totdat gij diiar uitgaat. 12 En als gij in het huis gaat, zoo groet hetzelve. 13 En indien dat huis waardig is, zoo kome uw vrede over hetzelve; maar indien het niet waardig is, zoo keere uw vrede weder tot u. 1-1 En zoo iemand u niet zal ontvangen, noch uwe woorden hooren, uitgaande uit dat huis of uit die stad schudt het stof uwer voeten af. 15 Voorwaar zegge iku,het zal den lande van Sodom en Gomorra verdragelijker zijn in den dag des oordeels dan die stad. 16 Zie, ik zend u als schapen in \'tmidden der wolven: zijt dan voorzichtig gelijk de slangen, en oprecht gelijk de duiven. 17 Maar wacht u voor demen-schen; want zij zullen ti overleveren in de raadsvergaderingen , en in hunne Synagogen zullen zij u geeselen; 18 en gij zult ook voor Stadhouders en Koninsren geleid worden om mijnentwille, hun en den heidenen tot getuigenis. 19 Doch wanneer zij u overleveren , zoo zult gij niet bezorgd zijn, hoe of wat gij spreken zult; want het zal u in die ure gegeven worden, wat gij spreken zult; 20 want gij zijt het niet die spreekt, maar /iet is de Geest uws Vaders die in u spreekt. 21 En de ééne broeder zal den anderen broeder overleveren tot den dood, en de vader het kind; en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders, en zullen ze dooden. 22 En gij zult van allen gehaat worden om mijnen naam; maar wie volstandig zal blijven tot den einde, die zal zalig worden. 23 Wanneer zij u dan in deze stad vervolgen, vliedt in de andere; want voorwaar zegge ik u, gij zult uwe r.eis door de |
MATTHEUS 11.
14
|
steden Israels niet geëindigd hebben, of de Zoon (les meu-schen zal gekomen zijn. C4 üe discipel is niet boven den meester, noch de dienstknecht boven zijnen heer. Het zij den discipel genoeg dat hij worde gelijk zijn meester, en de dienstknecht gelijk zijn heer. Indien zij den heer des huizes Heelzebul hebben geheeten, hoeveel tc meer zijne huisgenooten. 26 Vreest dan hen niet; want daar is niets bedekt hetwelk niet zal ontdekt worden, en verborgen hetwelk niet zal geweten worden. 27 Hetgeen ik ti zegge in de duisternis , ze^t het in \'t licht: en \'t geen gij hoort in het oor, predikt dat op de daken. 28 En vreest niet voor degenen die het lichaam dooden, en de ziel niet kunnen dooden; maar vreest veel meer hem die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel. 29 Worden niet tweemusch-kens om een penningsken verkocht ? En niet één van deze zal op de aarde vallen zonder uwen Vader. :«) En ook uwe haren des hoofds zijn alle geteld. 31 Vreest dan niet: gij gaat vele muschkens te boven. 32 Een iegelijk dan die mij belijden zal voor de menschen , dien zal ik ook belijden voor mijnen Vader die in de hemelen is ; 33 maar zoo wie mij verloochend zal hebben voor de menschen , dien zal ik ook verloochenen voor mijnen Vader die in de hemelen is. 34 Meent niet dat ik gekomen ben om vrede te brengen op de aarde ; ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard. 35 Want ik ben gekomen om den mensch tweedrachtig te maken tegen zijnen vader, en de dochter tegen hare moeder , en de schoondochter tegen hare schoonmoeder; |
36 en zij zullen des menschen vijanden worden, die zijne huisgenooten zijn. 37 Die vader of moeder liefheeft boven mij , ia mijns niet waardig; en die zoon of dochter liefheeft boven mij, is mijns niet waardig; 38 en die zijn kruis niet op zich neemt en mij navolgt, is mijns niet waardig. 39 Die zijne ziele vindt, zal dezelve verliezen; en die zijne ziel zal verloren hebben om mijnentwille, zal dezelve vinden. 40 Die u ontvangt, ontvangt mij; en die mij ontvangt, ontvangt hem die mij gebonden heeft. 41 Die een Profeet ontvangt in den naam eens Profeten, zal het loon eens Profeter, ontvangen; cn die eenen rechtvaardige ontvangt in den naam eens rechtvaardigen, zal het loon eens rechtvaardigen ontvangen. 42 En zoo wie één van deze kleinen te drinken geeft alleenlijk een beker koud icate-, in den naam eens discipels, ^oor-waar zegge ik u, hij zal zijn loon geenszins verliezen. HOOFDSTUK 11. En het is geschied toen Jezus geëindigd had zijnen twaalf discipelen bevelen te geven, dat hij van daar voortging, om te leeren en te prediken in hunne steden. 2 En Johannes in de gevangenis gehoord hebbende de werken van Christus, zond twee van zijne discipelen, 3 en zeide tot hem: Zijt gij degene die komen zoude, of verwachten wij eenen anderen? 4 En Jezus antwoordde en zeide tot hen : Gaat henen en boodschapt Johannes weder hetgeen gij hoort en ziet: 5 de blinden worden ziende |
|
cn lt;lc kreupelen wandelen , «Ie melaatschen worden gereinisrd en de dooven hoorun, de doo-den worden opgewekt en den armen wordt het Evangelie verkondigd; (1 en zalig is hij die aan mij niet zal geërgerd worden. 7 Als nu deze henengingen, heeft Jezus tot de scharen beginnen te zeggen van Johannes: \\Vlt;U zijt gij uitgegaan in de woestijn te aanschouwen? Een riet dat van den wind ginds en weder bewogen wordt ? 8 Maar wit zijt gij uitgegaan te zien ? Een mensch met zachte kleederen bekleed? Zie, die zachte kleederen dragen zijn in der Koningen huizen. 9 Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een Profeet? Ja, ik zegge u, ook veel meer dan een Profeet. 10 Want deze is het van denwelken geschreven staat; Zie, ik zend mijnen Engel voor uw aangezicht, die uwen weg bereiden zal voor u henen. 11 Voorwaar zegge ik u, onder degenen die van vrouwen geboren zijn is niemand opgestaan meerder dan Johannes de Dooper; doch die de minste is in het Koninkrijk der hemelen, is meerder dan hij. 12 En van de. dagen van Johannes den Dooper tot nu toe wordt het Koninkrijk der hemelen geweld aangedaan, en de geweldigers nemen hetzelve met geweld. 13 Want alle de Profeten en de Wet hebben tot Johannes toe geprofeteerd. 14 En zoo gij het wilt aannemen , hij is Elia die komen zoude. 1.» Wie ooren heeft om te hooren, die hoore. Ifi Doch waarbij zal ik dit geslacht vergelijken ? liet is gelijk de kinderkens die op de markten zitten en hunnen gezellen toeroepen, 17 en zeggen : Wij hebben u |
EÜS 11. 15 op de fluit gespeeld en gij hebt met gedanst; wij hebben u klaagliederen gezongen en gij hebt niet geweend. 18 Want Johannes is gekomen noch etende noch drinkende, en zij zeggen: Hij heeft den duivel. 19 De Zoon des menschen is gekomen etende en drinkende , en zij zeggen: Ziedaar een mensch die een vraat en wijnzuiper i«, een vriend van tollenaren en zondaren. Doch de wijsheid is gerechtvaardigd geworden van hare kinderen. 20 Toen bejeon hij de steden, in dewelke zijne krachten meest geschied waren, te verwijten , omdat ze zich niet bekeerd hadden : 21 Wee u Chorazin, wee u Bethsaïda! Want zoo in Tyrus en Sidon de krachten waren geschied die in u geschied zijn, zij zouden zich eertijds in zak en asch bekeerd hebben. 22 Doch ik zegge u, het zal Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in den dag des oordeels dan ulieden. 23 En gij Kapernaüm, dat tot den hemel toe zijt verhoogd, gij zult tot de helle toe neder-gestooten worden ; want zoo in Sodom die krachten waren geschied die in u geschied zijn, het zoude tot op den huldigen dag gebleven zyn. 24 Doch ik zegge u, dat het den lande van Sodom verdragelijker zal zijn in den dag des oordeels dan u. 25 In dien tijd antwoordde Jezus en zeide : Ik dank u Vader, Heere des hemeliender aarde , dat gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard; 2(ija, Vader, want alzóó is geweest het welbehagen voor u. 27 Alle dingen zijn mij overgegeven van mijnen Vader; en niemand kent den Zoon dan de Vader , noch iemand kent den |
MATTHEÜS 12.
16
|
Vader dan de Zoon, en dien het de. Zoon wil openbaren. 23 Komt herwaarts tot mij, allen die vermoeid en belast zijt, en ik zal n ruste seven. 29 Neemt mijn juk op u, en leert van mij dat ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en KÜ zult ruste vinden voor uwe zielen. 30 Want mijn juk is zacht en mijn last is licht. HOOFDSTUK 12. In dienzelfden tijd ging Jezus op eenen sabbatdag door het gezaaide, en zijne discipelen hadden honger, en begonnen aren te plukken en te eten. 2 En de Farizeërs dat ziende, zeiden tot hem: Zie, uwe discipelen doen wat niet geoorloofd is te doen op den sabbat. 3 Maar hij zeide tot hen: Hebt ^ij niet gelezen wat David gedaan heeft, toen hem hongerde en hun die met hem waren ? 4 hoe hij gegaan is in bet Huis Gods, en de toonbrooden gegeten heeft, die het hem niet geoorloofd was te eten, noch ook hun die met hem waren, maar den Priesteren alleen ? 5 Of hebt gij niet gelezen in de wet, dat de Priesters den sabbat ontheilijren in den Tempel op de sabbatdagen, en nochtans onschuldig zijn ? 6 En ik zegge u, dat een, meerder dan de Tempel, hier is. 7 Doch zoo gij geweten hadt wat het zij: Ik wil barmhartigheid, en niet offerande, gij zoudt de onschuldigen niet veroordeeld hebben. 8 Want de Zoon desmenschen is een Heer ook van den sabbat. 9 En van daar voortgaande kwam hij in hunne Synagoge. 10 En zie, daar was een mensch die eene dorre hand had; en zij vraagden hem, zeggende; Is \'took geoorloofd op de sabbatdagen te genezen ? |
(opdat zij hem mochten beschuldigen.) 11 En hij zeide tot hen: quot;Wat mensch zal er onder u zijn, die één schaap heeft, en zoo dat op eenen sabbatdag in een gracht valt, die hetzelve niet zal aangrijpen en uitheffen ? 12 Hoe veel gaat nu een mensch een schaap te boven! Zoo is het dan op de sabbatdagen geoorloofd wel te doen. 13 Toen zeide hij tot dien mensch: Strek uwe hand uitj en hij strekte ze uit, en zij werd hersteld gezond gelijk de andere. 14 En de Farizeërs uitgegaan zijnde, hielden te zamen raad tegen hem, hoe zij hem dooden mochten. 15 Maar Jezus dat wetende, vertrok van daar, en vele scharen volgden hem; en hij genau ze allen, IC) en gebood hun scherpelijk dat zij hem niet openbaar maken zouden; 17 opdat vervuld zoude worden hetgeen gesproken is door Jesaja den Profeet, zegfiende; 18 Zie, mijn knecht welken ik verkoren heb, mijn beminde in welken mijne ziele een welbehagen heeft; ik zal mijnen Geest op hem legsen, en hij zal het oordeel den heidenen ver-kondijren. 19 Hij zal niet twisten noch roepen, en daar zal niemand zijne stemme op de straten hooren. 20 Het gekrookte riet zal hij niet verbreken, en de rookende vlaswiek zal hij niet uitblus-schen, totdat hij het oordeel zal uitbrengen tot overwinning. 21 En in zijnen naam zullen de heidenen hopen. 22 Toen werd tot hem gebracht een van den duivel bezeten, die blind en stom was; en hij genas hem, ah.oo dat de blinde en de stomme beide sprak en zag. 23 En alle de scharen ontzet- |
|
todcn zich, en zeiden; Is niet deze de zoon Davids ? 24 Maar de Farizciirs dit gehoord hebbende, zeiden: Deze werpt de duivelen niet uit dan door Beëlzebul den overste, der duivelen. 25 Doch Jezus kennende hunne gedachten, zeide tot hen: 1 Een ieder koninkrijk dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en een iedere stad of huis dat tegen zichzelf verdeeld is, zal niet bestaan; 26 en indien de satan den satan uitwerpt, zoo is hij tegen zichzelven verdeeld: hoe zal dan zijn rijk bestaan? 27 En indien ik door Beëlzebul de duivelen uitwerp, door wien werpen ze dan uwe zonen uit? Daarom zullen die uwe rechters zijn. 28 Maar indien ik door den Geest Gods de duivelen uitwerp , zoo is dan het Konink- i rijk Gods tot u gekomen. 29 Of hoe kan iemand in I \'thuis eens sterken inkomen en zijne vaten ontrooven, tenzij hij eerst den sterke gebonden nebbe? en alsdamp;n zal I hij zijn huis berooven. ; 30 Wie mèt mij niet is, die i is tégen mij, en wie met mij niet vergadert, die verstrooit. 31 Daarom zegge ik u , alle zonde en lastering zal den menschen vergeven worden, - maar de lastering tegen den Geest zal den menschen niet verbeven worden. 32 En zoo wie eenig woord i gesproken zal hebben tegen s den Zoon des menschen, het i zal hem vergeven worden; r maar zoo wie teijen den Hci-\'S lifïen Geest zal gesproken heb-■.gt; ben , het zal hem niet vergeven worden , noch in deze eeuw -rj noch in de toekomende. \' 33 Of maakt den boom goed v en zijne vrucht goed, öf maakt ; den boom kwaad en zijne B vrucht kwaad; want uit de j; vrucht wordt de boom gekend. |
EÜS 12. 17 34 Gij adderengcbroedsels, hoe kunt gy goede dingen spreken daar gij boos zijt ? want uit den overioed des harten spreekt de mond. 35 De goede mensch brengt goede dingen voort uit den goeden schat des harten, en de booze mensch brengt booze dingen voort uit den boozen schat. 36 Maar ik zegge u, dat van elk ijdel woord \'t welk de menschen zullen gesproken hebben, zij van hetzelve zullen rekenschap geven in den dag des oordeels. 37 quot;Want uit uwe woorden zult gij gerechtvaardigd worden, en uit uwe woorden zult gij veroordeeld worden. 38 Toen antwoordden sommigen der Schriftgeleerden en Farizeërs, zeggende: Meester, wij wilden van u ivel een tee-ken zien. 39 Maar hij antwoordde en zeide tot hen: Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teeken, en hun zal geen tceken gegeven worden dan het teeken van Jona den Profeet. 40 Want gelijk Jona drie dagen en drie nachten was in den buik van den walvisch, alzóó zal de Zoon des menschen drie dagen en drie nachten wezen in het hart der aarde. 41 De mannen van Kinevé zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelve veroordeelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona —en zie, meer dan Jona is hier. 42 De Koningin van het Zuiden zal opstaan in het oordeel met dit geslacht, en hetzelve veroordeelen; want zij is gekomen van de einden der aarde om te hooren de wijsheid van Salomo — en zie, meer dan Salomo is hier. 43 En wanneer de onreine geest van den mensch uitge- |
|
18 MATTE paan is, zoo paat hij door dorre plaatsen, zoekende rust cn vindt ze niet. •14 Dan zept bij ; Ik zal weder-keeren in mijn huis van waar ik uitgesraan ben ; en komende vindt hij bet ledig, met bezemen gekeerd en versierd. 45 Dan gaat bij benen en neemt met zich zeven andere geesten, boozer dan hij zelf, en ingegaan zijnde wonen ze aldaar; en bet laatste van dien mensch wordt erger dan liet eerste. Alzóó zal het ook met dit boos geslachte zijn. 46 En als hij nog tot de scharen sprak, zie, zijne moeder en broeders stonden buiten , zoekende hem te spreken. 47 En iemand zeidetothem: Zie, uwe moeder en uwe broeders staan daar buiten, zoekende u te spreken. 48 Maar hij antwoordende zeide tot dengene die hem dat zeide; Wie is mijne moeder en wie zijn mijne broeders? 49 En zijne band uitstrekkende over zijne discipelen, zeide hij: Zie, mijne moeder en mijne broeders. 50 Want zoo wie den wil mijns Vaders doet die in de hemelen is, die is mijn broeder en zuster en moeder. HOOFDSTUK 13. En te dien dage Jezus uit het huis gegaan zijnde, zat bij de zee; 2 cn tot hem vergaderden vele scharen, zoodat hij in een schip ging en nederzat; en al de schare stond op den oever. :» En bij sprak tot ben vele dingen door gelijkenissen, zeggende : Zie, een zaaier ging uit om te zaaien. 4 En als hij zaaide, viel een deel van het zaad bij den weg; en de vogelen kwamen en aten datzelve op. 5 En een ander deel viel op steenachtige plaatsen, waar bet niet veel aarde had; en |
EÜS 13. het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had; (i maar als de zon opgegaan was, zoo is bet verbrand geworden , en omdat bet geen wortel had is bet verdord. 7 En een ander deel viel in de doornen, en de doornen wiessen op en verstikten hetzelve. 8 En een ander deel viel in de goede aarde, en gaf vrucht, het één honderd-, bet ander zestig-, en het ander dertig-voud. 9 Wie ooren heeft om te hoo-ren, die hoore. 10 En de discipelen tot hem komende, zeiden tot hem: Waarom spreekt gij tot hen door gelijkenissen? 11 En hij antwoordende zeide tot hen: Omdat het ü gegeven is, de verborgenheden van bet Koninkrijk der hemelen te weten, maar dien is het riet gegeven. 12 Want wie heeft, dien .sal gegeven worden, en hij \'.al overvloediglijk hebben; nu.ar wie niet beeft, van dien zal genomen worden ook dat ,iij beeft. 13 Daarom spreek ik tot hen door gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien, en boorende niet hooren noch ook verstaan. 14 En in hen wordt de Profetie van Jesaja vervuld, die zegt: ^let het gehoor zult gij hooren en geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en geenszins bemerken. 15 Want het hart dezes volks is dik peworden, en zij hebben met de ooren zwaarlijk gehoord , cn hunne oogen hebben zij toegedaan; opdat zij niette eeniger tijd met de oogen zouden zien, en met de ooren hooren , en met bet hart verstaan , en zich bekeeren, en \'k hen genezc. 10 Doch liwe oogen zijn zalig omdat zij zien, en uwe ooren omdat zij hooren. |
|
17 Want voorwaar ik\'zejrgc u , «lat vele Profeten en reclit-vaardi^en hebben begeerd te zien de dinfjpn die fcü ziet, en hebben ze niet gezien, en te hooren de dingen die hoort, en hebben zc niet gehoord. 18 Gij dan, hoort de gelijkenis van den zaaier. 19 Als iemand het quot;Woord des Koninkrijk» hoort en niet verstaat, zoo komt de booze en rukt wejf \'t geen in zijn hart gezaaid was ; deze ia degene die bij den weg bezaaid is. 20 Maar die in steenachtige plaatsen bezaaid is, deze is degene die het woord hoort, en dat terstond met vreugde ontvangt; 21 doch hij heeft geen wortel in zichzelven, maar is voor eenen tijd ; en als verdrukking of vervolping komt om des woords wille, zoo wordt hij terstond geergerd. 22 En die in de doornen bezaaid is, deze is degene die het woord hoort, en de zorgvuldigheid dezer wereld en de verleiding des rijkdoms verstikt het woord, en het wordt onvruchtbaar. 2:$ Die nu in de goede aarde bezaaid is, deze is degene, die liet woord hoort en verstaat, die ook vrucht draaft en voortbrengt, de dén honderd-, de ander zestig-, en de ander der-tlgi-oud. 21 Eene andere gelijkenis heeft hij hun voorgesteld, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk een me.nsch die goed zaad zaaide in zijnen akker; 25 en als de menschen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide onkruid midden in de tarwe, en jliiiir weg. 2!gt; Toen het nu fof kruid op-geschoten was en vrucht voort-bracht, toen openbaarde zich ook het onkruid. 27 En de dienstknechten van den heer des huizes gingen en zeiden tot hem Heere, hebt |
EÜS 13. 19 gij niet goed zaad in uwen akker gezaaid? Van waar heeft hij dan dit onkruid? 28 En hij zeide tot hen: Een vijandig mensch heeft dat gedaan. En de dienstknechten zeiden tot hem: Wilt gij dan dat wij henengaan en datzeive vergaderen ? 29 Maar hij zeide: Neen, opdat gij het onkruid vérgade-rende , ook mogelijk met hetzelve de tarwe niet uittrekt. 30 Laat ze beide te zamen opwassen tot den oogst, en in den tijd des oogstes zal ik tot de maaiers zeggen: Vergadert eerst het onkruid en bindt het in busselen, om hetzelve te, verbranden; maar brengt de. tarwe te zamen in mijne schuur. 31 Eene andere gelijkenis heeft hij hun voorgesteld, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk het mostaardzaad, hetwelk een mensch heeft genomen en in zijnen akker gezaaid ; 32 hetwelk wel het minste is onder alle de zaden, maar wanneer liet opgewassen is, dan is het het meeste van de moeskruiden, en het wordt een boom, alzoo dat de vogelen des hemels komen en nestelen in zijne takken. 33 Eeneanderegelijkenissprak hij tot hen, zeggende: Uet Koninkrijk der hemelen is gelijk een zuurdeesem, welken eene vrouw nam en verborg in drie maten meel, totdat het geheel gezuurd was. 34 Alle deze dingen heeft Jezus tot de scharen gesproken door gelijkenissen en zonler gelijkenis sprak hij tot hen niet; 35 opdat vervuld zoude, worden dat gesproken is door den Profeet, zeggende: Ik zal mijnen mond opendoen door gelijkenissen, ik zal voortbrengen dingen die verborgen waren van de grondlegging der wereld. |
|
20 MATT1 •gt;(» Toon nu Jezus dn scharen van zich gelaten had, Ring hij naar huis. En zi.inc discipelen kwamen tot hem, zeearende: Verklaar ons de jroliikenis van het onkruid des akkers. :i7 En hij antwoordende zeide tot hen; Die het goede zaad zaait, is de Zoon des menschen; 38 en de akker is de wereld ; en het goede zaad zijn de kinderen des Komnkrijks; en het onkruid zijn de kinderen des hoozen; :iy en de vijand die hetzelve gezaaid heeft is de duivel; en de oogst is de voleinding der ■wereld; en de maaiers zijn de Engelen. 40 Gelijkerwijs dan het onkruid vergaderd en met vuur verbrand Wordt, alzóó zal het ook zijn in de voleinding dezer ■wereld: 41 de Zoon des menschen zal zijne Engelen uitzenden, en zij zullen uit zijn Koninkrijk vergaderen alle de ergernissen, en degenen die de ongerechtigheid doen, 42 en zullen dezelve in den vurigen oven werpen; ddar zal weening zijn en knersing der tanden. 43 Dan zullen de rechtvaardigen blinken gelijk de zon in \'t Koninkrijk huns Vaders. Die ooren heeft om te hooren, die hoore. 44 Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk een schat in den akker verborgen, welken een mensch gevonden heb-hende, verborg dien, en van blijdschap over denzelven sjaat hij henen en verkoopt al wat hij heeft, en koopt dien akker. 45 Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk een koopman die schoone parelen zoekt; 46 dewelke hebbende éC\'ne parel van groote waarde gevonden, ging henen en verkocht al wat hij had, en kocht dezelve. |
EÜS 13. 47 Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk een net geworpen in de zee, dat allerlei soorten van visschen samenbrengt; 48 hetwelk de rissc/icrs, wanneer het vol geworden is, aan den oever optrekken, en neder-zittende lezen zij het goede uit in /jKH/te vaten, maar het kwade werpen zij weg. 49 Alzóó zal het in de voleinding der eeuwen wezen : de Engelen zullen uitgaan en de hoozen uit het midden der rechtvaardigen afscheiden, 50 en zullen dezelve in den vurigen oven werpen: dadr zal zijn weening en knersing der tanden. 51 En Jezus zeide, tot hen: Hebt sij dit alles verstaan ? Zij zeiden tot hem : Ja, Heere. 52 En hij zeide tot l en: Daarom een iegelijk Schriftgeleerde in het Koninkrijk der hemelen onderwezen, is gelijk een heer des huizes, die uit zijnen schat nieuwe en oude dingen voortbrengt. 53 En het is geschied als Jezus deze gelijkenissen geëindigd had, vertrok hij van daar. 54 En gekomen zijnda in zijn vaderland, leerde hij ze in hunne Synagoge, zoodat zij zich ontzetteden en zeiden: Van waar komt dezen die wijsheid en die krachten? 55 Is deze niet de zoon des timmermans? En is zijne moeder niet genaamd Maria, en zijne broeders Jacobus en Joses en Simon en Judas? 56 En zijne zusters, zijn ze niet alle bij ons? Van waar komt dan dezen dit alles ? 57 En zij werden aan hem geërgerd. Mmr Jezus zeide tot hen; Een Pro/eet is niet ongeëerd dan in .ijn vac.erlanden in zijn huis. 58 En hij heeft a.daar niet vele krachven gedaaa vanwege hun ongeloof. |
|
MATTE HOOFDSTUK 14. Tfi dierzelfder tijd hoorde Ilcrodcs d« Viervorst kot gerucht van Jezus, •2 en zeide tot zijne knechten: Deze is Johannes de Doopcr; hij is opgewekt van de dooden, eu daarom werken die krachten in hem. WautHerodes had Johannes gevanaren genomen, en hem gebonden en in den kerker gezet, om den wille van Herodi-as de huisvrouw van Filippus zijnen broeder; 4 want Johannes zeide tot hem: Het is u niet geoorloofd baar te hebben. 5 En willende hem dooden vreesde hij het volk, omdat zij hem hielden voor een Profeet. Ü Maar als de dag van Herodes geboorte gehouden werd, danste de dochter van Herodias in het midden van hen, en zij behaagde Herodes: 7 waarom hij haar met eede beloofde te geven wat zij ook eischen zoude. 8 En zij te voren onderricht zijnde van hare moeder, zeide: Geef mij hier in een schotel het hoofd van Johannes den Dooper. 9 En de Koning werd bedroefd ; doch om de eeden en degenen die met hem aanzaten, gebood hij dat het haar zoude gegeven worden, 10 en zond henen en onthoofdde Johannes in den kerker. 11 En zijn hoofd werd gebracht in een schotel, en aan het dfichterken gegeven; en zij droes: het tot hare moeder. 12 Eu zijne discipelen kwamen en namen het lichaam weg, en begroeven hetzelve, en gingen en boodschapten het Jezus. 13 En ala Jezus dit hoorde, vertrok hij van daar te scheep naar eene woeste plaats alleen; en de scharen dut hoorende. |
EÜS 14. 21 zijn hem te voet gevolgd uit do steden. 14 En Jezus uitgaande zag eene groote schare, eu werd innerlijk met ontferming over hen bewogen, en genas hunnu kranken. 15 En als het nu avond werd kwamen zijne discipelen tot hem, zeggende: Deze plaats is woest, en de tijd is nu voorbijgegaan : laat de scharen vin u, opdat zij henengaan in de vlekken en zichzelven spijs koopen. Ifi ilaar Jezus zeide tot hen: \'t Is hun niet van noode henen te gaan: geeft gij hun te eten. 17 Doch zij zeiden tot hem: Wij hebben hier niet dan vijf brooden en twee visschen. 18 En hij zeide: Brengt mij dezelve hier. 19 En hij beval de scharen neder te zitten op het gras, en nam de vijf brooden en de twee visschen, en opwaarts ziende naar den hemel zegende hij dezelve; en als hij ze gebroken had, gaf hij de brooden aan de discipelen, en de discipelen aan de scharen. 20 En zij aten allen en werden verzadigd; en zij namen öp het overschot der brokken, twaalf volle korven. 21 Die nu gegeten hadden waren omtrent vijfduizend mannen, zonder de vrouwen en kinderen. 22 En terstond dwong Jezus zijne discipelen in het schip te gaan, en vóór hem af te varen naar de andere zijde, terwijl hij de scharen vin zich zoude laten. 23 En als hij nu de scharen v;\\n zich gelaten had, klom hij op den berg alléén, om te bidden. En als het nu avond was geworden, zoo was hij daar alléén. 24 En het schip was nu midden in de zee, zijr.dein nood van de baren; want de wind was hun tegen. |
|
22 MATTE 25 Maar ter vierde nachtwake kwam Jezus af tot hen, wandelende op de zee. 2(i En de discipelen ziende hein op de zee wandelen, werden ontroerd, zeggende; Het is een spooksel; en zij schreeuwden van vrees. 27 Maar terstond sprak Jezus hen aan, zegjrende: Zijt goedsmoeds, ik beu het, vreest niet. 28 En Petrus antwoordde hem en zeide,: Heere, indien gij het zijt, zoo fjehied mij tot u te komen op het water. 29 En hij zeide; Kom. En Petrus klom neder van het schip, en wandelde op het water om tot Jezus te komen. 30 Maar ziende den sterken wind, werd hij bevreesd, en als hij begon neder te zinken riep hij , zeggende: Hecre, behoud mij. \'M En Jezus terstond de hand uitstekende, greep hem aan, en zeide tot hem ; Gij kleinge-loovige, waarom hebt gij gewankeld? :{2 En als zij in \'t schip geklommen waren, stilde de wind. M Die nu in het schip waren kwamen en aanbaden hem, zeggende: Waarlijk, gij zijt Gods Zoon. 114 En overgevaren zijnde kwamen zij in het land Genné-sareth. .\'{5 En als de mannen van die plaats hem werden kennende, zonden zij in dat geheele omliggende land, en brachten tot hem allen die kwalijk gesteld waren, :!() en baden hem dat zij alleenlijk den zoom zijns kleeds zouden mogen aanraken; en zoo-velen als hein aanraakten werden gezond. HOOFDSTUK 15. Toen kwamen tot Jezus eeni-ge Schriftgeleerden en Pari-zeërs die van Jeruzalem waren, zejrgende: |
EÜS 15. 2 Waarom overtreden uwe discipelen de inzettingen der ouden ? Want zij wasschen hunne; handen niet, wanneer zij brood zullen eten. \',i Maar hij antwoordende zeide tot hen: Waarom overtreedt ook gij het gebod Gods door uwe inzetting? 4 Want God heeft geboden, zeggende: Eer uwen vader en uwe moeder; en : Wie vader of moeder vloekt, die zal den dood sterven. 5 Maar gij zeijt: I\'oo wie tot vader of moeder zal zeggen ; Hrt is een gave, zoo wat u van mij zoude kunnen ten nutte komen, en zijnen vader of zijne moeder geenszins :5al eeren, die voldoet. (gt; En gij hebt alzoó Gods gebod krachteloos gemaakt door uwe inzetting. 7 Gij geveinsden, wèl heeft Jesaja van u geprofeteerd, zeggende : 8 Dit volk genaakt mij met hunnen mond en eert mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van mij; 9 doch tevergeefs ceren zij mij, leerende leeringen die geboden van menschen rijn. 10 Eu als hij de schare tot zich geroepen had, zeide hij tot hen: Hoort en verstaat: 11 hetgeen ten monde ingaat ontreinigt den mensch niet; maar hetgeen ten monde uitgaat, datontreinigt den mensch. 12 Toen kwamen zijne discipelen tot hem , en zeiden tot hem: Weet KÜ wel, dat de Parizeürs deze rede hoorende geërgerd zijn geweest? l.\'i Maar hij antwoordende zeide: Alle plant die mijn he-melsche Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden. 14 Laat ze varen, zij zijn blinde leidslieden der blinden: indien nu de blinde Jen blinde leidt, zoo zullen zi| beiden in de gracht vallen. 13 En Petrus antwoordende |
|
zeide tot hem; Verklaar ons deze gelijkenis. K» JJaar Jezus zeide: Zijt ook gijlieden alsnog onwetende? l\'7 Verstaat ^ij no? niet, dat al watten monde ingaat inden buik komt, en in de heimelijk-bi\'id wordt uitgeworpen ? IS Maar die dingen die ten monde uitgaan komen voort uit het\'aarte, en die ontreinigen den mensch. 19 quot;Want uit het hart komen voort booze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valschegetuigenissen , lasteringen; 20 deze dingen zijn het die den mensch ontreinigen, maar het eten met on^ewasscben banden ontreinigt den mensch niet. 21 En Jezus van daar gaande , vertrok naar de deelen van Tyrus en Sidon. 22 En zie, eene Kananeesche vrouw uit die landpalen komende , riep tot hem, zeggende ; Heere, p\\j Zone Davids , ontferm u mijner ; mijne dochter is deerlijk van den duivel bezeten. 23 Doch hij antwoordde baar niet een woord. En zijne discipelen tot hem komende, baden hem, zeggende; Laat ze viln u , want zij roept ons na. 24 Maar hij antwoordende zeide: Ik ben niet gezonden dan tot de verloren schapen van het huis Israels. 25 En zij kwam en aanbad hem, zeggende: Heere, help mij. 2\') Doch hij antwoordde en zeide: Het is niet betamelijk bet brood der kinderen te nemen en den hondekens voor te werpen. 27 En zij zeide: Ja, Heere, doch de bóndekens eten ook van de brokskens die daar vallen van de tafel hunner heeren. 28 Toen antwoordde Jezus en zeide tot haar: O vrouwe, groot is uw geloof: u geschiede |
EÜS 15. 23 gelijk Rii wilt. En hare dochter werd gezond van diezelfde ure. 29 En Jezus van daar vertrekkende , kwam aan de zee van Galiléa, en klom op den berg en zat daar neder. 30 En vele scharen zijn tot hem gekomen, hebbende bij zich kreupelen, blinden, stommen, lammen, en vele anderen, en wierpen ze voor de voeten van Jezus; en hij genas dezelve : :fl alzoo dat de scharen zich verwonderden, ziende de stommen sprekende, de lammen gezond, de kreupelen wandelende, en de blinden ziende; en zij verheerlijkten den God Israels. 32 En Jezus zijne discipelen tot zich geroepen hebbende, zeide: Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de schare, omdat zij nu drie dagen bij mij gebleven zijn , en niet hebben wat zij eten zouden; en ik wil ze niet nuchteren van mij laten, opdat zij op den weg niet bezwijken. 33 En zijne discipelen zeiden tot hem : Van waar zullen wij zoovele brooden in de woestijn bekomen, dat wij zulk eene jfroote schare zouden verza-Sijfen? 34 En Jezus zeide tot hen: Hoe veel brooden hebt gij ? Zij zeiden: Zeven, en weinige vischkens. 35 En hij gebood de scharen neder te zitten op de aarde. 3() En hij nam de zeven brooden en de visscben, en als bij gedankt had brak hij ze, en gaf ze aan zijne discipelen, en de discipelen gaven :.e aan de schare. 37 En zij aten allen en werden verzadigd, en zij namen öp het overschot der brokken, zeven volle manden. 38 En die gegeten hadden waren vierduizend mannen,zonder de vrouwen en kinderen. |
|
24 MATTI 39 En de scharen vün zich gelaten hebbende, ging: hij in het; schip, en kwam in de landpalen van Magdala. HOOFDSTUK 16. En de Farizeërs en Saddu-ceërs tot hein gekomen zijnde, en hem verzoekende, begeerden van hem dat hij hun een teeken uit den hemel zoude tooncn. 2 ^laar hij antwoordde en zeide tot hen; Als bet avond geworden is, zegt gij Schoon ■weder, want de hemel is rood; 3 en des morgens: lieden on-weder, want de hemel is droevig rood. Gij geveinsden, het aanschijn des hemels weet gij wel te onderscheiden, en kunt gij de teekenen der tijden niet onderscheiden ? •1 liet boos en overspelig geslacht verzoekt een teeken ; en hun zal geen teeken gegeven worden dan het teeken van Jona den Profeet. En hen verlatende ging hij weg. 5 En als zijne discipelen op de andere zijde gekomen waren, hadden zij vergeten brooden mede te nemen. G En Jezus zeidetot hen: Ziet toe, en wacht u van den zuur-deesem der Farizeërs en Saddu-ceërs. 7 En zij overleiden bij zich-zelve, zeggende: Het is omdat wij geen brooden Medegenomen hebben. 8 En Jezus dat wetende, zeide tot hen: Wat overlegt gij bij «zelve, gij kleingeloovigen, dat gij geen brooden medegenomen hebt? 9 Verstaat gij nog niet, en gedenkt gij niet aan de vijf brooden der vijfduizend mannen, en hoe veel korven gij op-naamt ? 10 noch aan de zeven brooden der vierduizend mannen, en hoe veel manden gij opnaamt? 11 Hoe verstaat gij niet, dat ik u van geen brood gesproken |
SUS 1G. heb, als ik zeide dat gij u wachten zoudt van den ziinr-deesem der Farizeërs en Saddu-ceën» ? 12 Toen verstonden zij dat hij niet gezegd had, dat zij zich wachten zouden van den zuur-deesem des broods, maar van de leer der Farizeërs en Saddu-ceërs. 13 Als nu Jezus gekomen was in de deelen van Cesar^a Filippi, vraagde bil zijne discipelen, zeggende; Wie zegden de men-schen dat ik, de Zoon des menschen, ben. 14 En zij zeiden: Sommigen: Johannes de Dooper; en anderen: Elia; en anderen: Jere-mia of een van de Profeten. 15 Hij zeide tot her.: Maar gij, wie zegt gij dat ik ben? 16 En Simon Petrus antwoordende zeide tot hem : Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. 17 En Jezus antwoordende zeide tot hem: Zali^r zijt gij, Simon Bar-Jona; wantvleesch en bloed heeft u rfof niet geopenbaard , maar mijn Vader die in de hemelen is. 18 En ik zegge u oo lt; dat gij zijt Petrus, en op deze \'ictra zal ik mijne gemeente bon .ven, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen. 19 En ik zal u geven de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen; en zoo wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en zoo wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn. 20 Toen verbood hij zijnen discipelen, dat zij niemand zeggen zouden dat hij was Jezus de Christus. 21 Van toen aan begon Jezus zijnen discipelen te vertoonen , dat hij moest henengaan naar Jeruzalem, en veel ijden van de Ouderlingen en Overpries-teren en Schriftgeleerden, en gedood worden, en ten der- |
MATTHEUS 17.
|
den dajre opgewekt ■worden. 22 En Petrus hom tot zich genomen hebbende, begon hem te bestraffen, zeggende: Heere, vres u genadig: dit zal u geenszins geschieden. 23 Maar hij zich omkeerende, zeide tot Petrus: Ga weg achter mij, satan, gij zijt mij een aanstoot; want gij verzint niet [de dingen die Gods zijn, maar die der menschen zijn. 24 Toen zeide Jezus tot zijne discipelen: Zoo iemand achter mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op en volge mij. 2ó Want zoo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelve verliezen; maar zoo wie zijn leven verliezen zal om mijnentwil, die zal hetzelve vinden. 26 Want .wat baat het een mensch, zoo hij de geheele wereld gewint, en lijdtschade zijner ziele? Of wat zal een mensch geven tot lossing vau zijne ziel ? 27 Want de Zoon des menschen zal komen in de heerlijkheid zijns Vaders, met zijne Engelen, en alsdan zal hij een iege- | lijk vergelden naar zijn doen. 28 Voorwaar zegge ik u, daar zijn sommigen van die hier staan, welke den dood niet smaken zullen, totdat zij den Zoon des menschen zullen hebben zien komen in zijn Koninkrijk. HOOFDSTUK 17. En na zes dagen nam Jezus met zich Petrus, en Jacobus , en Johannes zijnen broeder, en bracht ze op eenen hoogen berg alleen. 2 En hij werd voor hen veranderd van scdaante; en zijn aangezicht blonk gelijk de zon, en zijne kleedercn werden wit gelijk het licht. \'•} En zie, van hen werden gezien Mozes en Elia, met hem samensprekende. |
4 En Petrus antwoordende zeide tot Jezus: Heere, het is goed dat wij hier zijn; ;\'.oo gij wilt, laat ons hier drie tabernakelen maken, voor u eenen, en voor ilozcs eenen, en eenen voor Elia. 5 Terwijl hij nog sprak, zie, eene luchtige wolk heeft hen overschaduwd; en zie, eene stem uit de wolk, zeggende: Deze is mijn geliefde Zoon , in denwelken ik mijn welbehagen heb: hoort hem. 6 En de discipelen dit hoo-rende, vielen op hun aangezicht en werden zeer bevreesd. 7 En Jezus bij hen komende, raakte ze aan, en zeide: Staat op en vreest niet. 8 En hunne oogen opheffende, zagen zij niemand dan Jezus alleen. 9 En als zij van den berg afkwamen, gebood hun Jezus, zeggende: Zegt niemand dit gezicht, totdat de Zoon des menschen zal opgestaan zijn uit de dooden. 10 En zijne discipelen vraagden hem, zeggende: Wat zeggen dan de Schriftgeleerden, dat Elia eerst moet komen ? 11 Doch Jezus antwoordende zeide tot hen: Elia zal wel eerst komen, en alles weder oprichten; 12 maar ik zegge u dat Elia nu gekomen is, en zij hebben hem niet gekend, doch zij hebben aan hem gedaan al wat zij hebben gewild: alzóó zal ook de Zoon des menschen van hen lijden. 13 Toen verstonden de discipelen dat hij hun van Johannes den Dooper gesproken had. 14 En als zij bi.i de schare gekomen waren, kwam tot hem een mensch, vallende voor hem op de knieën, en zeggende: 15 Heere, ontferm u over mijn zoon, want hij is maanziek, en is in zwaar lijden; want menigmaal valt hij in \'net vuur en menigmaal in het water ; |
|
2G MATTE IC» en ik heb hem tot uwe discipelen gebracht, en zij heb-hcn hem niet kunnen genezen. 17 En Jezus antwoordende zeide: O ongeloovi^en verkeerd geslacht, hoe lang zal ik noï met ulieden zijn, hoe lang zal ik u nog verdragen? Brengt hem mij hier. 18 En Jezus bestrafte hem, en de duivel ging van hem uit, en het kind werd genezen van die ure af. 19 Toen kwamen de discipelen tot Jezns alleen, en zeiden: Waarom hebben wij hem niet knnnen uitwerpen? 20 En Jezns zeidc tot hen: Om uws ongcloofs wille; want voorwaar zegge ik u, zoo gij een geloof liadt als een mostaardzaad , gij zoudt tot dezen berg zeggen; Ga henen van hier derwaarts, en hij zal he-uengaan ; en niets zal u onmogelijk zijn. ÜI Maar dit geslacht vaart niet uit dan door bidden en vasten. 22 En als zij in Galil^a verkeerden , zeide Jezus tot hen : De Zoon des menschen zal overgeleverd worden in de handen der menschen, 23 en zij zullen hem dooden, en ten derden dage zal hij opgewekt worden. En zij werden zeer bedroefd. 24 En als zij te Kapernaüm ingekomen waren, gingen tot Petrus die de didrachmen ontvingen, en zeiden: Uw Meester , betaalt hij de didrachmen niet? 25 Hij zeide: Ja. En toen hij in huis gekomen was, voorkwam hem Jezus, zeggende: quot;Wat dunkt u, Simon? de Ko-ningen der aarde, van wie nemen zij tollen of schatting, van hunne zonen of van de vreemden ? 2G Petrus zeide tot hem: Van de vreemden. Jezus zeide tot hem: Zoo zijn dan de zonen vrij. 27 Maar opdat wij hun geenen aanstoot geven, ga henen naar |
SÜS 18. de zee, werp den angel uit, en neem den eersten visch die opkomt; en zijnen mond geopend hebbende zult gij eenen stater vinden: neem dien en geef hem aan hen, voor mij en u. HOOFDSTUK 18. Te dierzelfder ure kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende: \\Vie is toch de meeste in \'t Koninkrijk der hemelen ? 2 En Jezus een kindeken tot zich geroepen hebbende , stelde dat in \'t midden van hen, en Z\'*ide: Voorwaar zegge ik u, indien gij u niet verandert en wordt gelijk de kind ekens, zoo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan. 4 Zoo wie dan zicbzelvcn zal vernederen gelijk dit kindeken, deze is de meeste in het Koninkrijk der hemelen; ó en zoo wie zoodan g een kindeken ontvangt in mijnen naam, die ontvangt mij. C) Maar zoo wie «^n van deze kleinen die in mij gelooven ergert, het ware hem r.utter dat een molensteen aan zijnen hals gehangen, en dat hi, verzonken ware in de diepte der zee. 7 quot;Wee der wereld van fle ergernissen ; want het is noodzakelijk dat de ergernissen komen , doch wee dien mensch door welken de ergernis komt. 8 Indien dan uwe hand of uw voet u ergert, houw ze af en werp ze vamp;n u: het is u beter tot het leven in te gaan kreupel of verminkt zijnde, dan twee handen of twee voeten hebbende in het eeuwige vuur geworpen te worden. 9 En indien uw oog u ergert, trek het uit en werp het vi\\n u : het is u beter maar ^én oog hebbende tot het leven in te gaan, dan twee oogen aebben-de in het helsche vuur geworpen te worden. 10 Ziet toe dat gij niet één |
|
MATTE van deze kleinen veracht; want ik zexgc ulieden, dat hunne, ÊiiKeleu iu de hemelen altijd zien het aangezicht mijns Vaders «lie in de hemelen ia. 11 Want de Zoon des men-schen is gekomen om zalig te maken dat verloren was. 12 AVat dunkt ii? indien eenig mensch honderd schapen had, en één uit dezelve afgedwaald ware, zal hij niet de negenennegentig laten, en op de bergen henengaande het afgedwaalde zoeken ? i:{ En indien het geschiedt dat hij hetzelve vindt, voorwaar ik zegge u, dat hij zich meer verblijdt over hetzelve dan over de negenennegentig die niet afgedwaald zijn geweest. 14 Alzóó is de wil niet uws Vaders die in de hemelen is, dat één van deze kleinen verloren ga. 15 Maar indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga henen en bestral\' hem tusschen u en hem alleen: indien hij u hoort, zoo hebt gij uwen broeder gewonnen; 1(» maar indien hij u niet hoort, zoo neftn nog één of twee met u, opdat in den mond van twee of drie getuigen alle woord besta. 17 En indien hij denzelven geen gehoor geeft, zoo zeg het der gemeente, en indien hij ook der gemeente geen gehoor geeft, zoo zij hij u als de heiden en de tollenaar. 18 Voorwaar zegge ik u, al wat gij op de aarde binden zult, zal in den hemel gebonden wezen ; en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in den hemel ontbonden wezen. 19 Wederom zegge ik u, indien daar twee van H samenstem-men op de aarde, over eenige zaak die zij zouden mogen be-geeren, dat die hun zal geschieden van mijnen Vader die in de hemelen is; |
EÜS IC. 27 20 want waar twee of drie vergaderd zijn in mijnen naam, daar ben ik in het midden van hen. 21 Toen kwam Petrus tot hem en zeide: Heere,hoe menigmaal zal mijn broeder tegen mij zondigen en ik hem vergeven Tot zeven maal? 22 Jezus zeide tot hem: Ik zegge u , niet tot zeven maal, maar tot zeventigmaal zeven-maal. 2:5 Daarom wordt het Koninkrijk der hemelen vergeleken bij een zeker Koning , die rekening met zijne dienstknechten houden wilde. 24 Als hij nu begon te rekenen, werd tot hem gebracht een die hem schuldig was tienduizend talenten. 25 En als hij niet had om te betalen, beval zijn heer dat men hem zoude verkoopen en zijne vrouw en kinderen, en ai wat hij had, en dat de schuld zoude betaald worden. 2igt; Üe dienstkneciit dan neder-vallende aanbad hem , zeggende ; Hcere, wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen. 27 En de heer van dezen dienstknecht met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, heeft hem ontslagen en de schuld hem kwijtgescholden. 2S Maar die dienstknecht uitgaande, heeft gevonden eenen zijner mededienstknechten die hem honderd penningen schuldig was , en hem aanvattende greep hem bij de keel, zeggende: Betaal mij wat gij schuldig zijt. 29 Zijn mededienstknecht dan, nedervallende aan zijne voeten, bad hem, zeggende: Wees lankmoedig over mij, en il: zal u alles betalen. :«» Doch hij wilde niet, maar ging henen en wierp hem in de gevangenis, totdat hij de schuld zoude betaald hebben. 31 Als nu zijne mededienst-kncchten zagen hetgeen ge- |
MATTHEÜS 19.
ÏS
|
Rchicd was, zijn zij zeer bedroefd fjeworden, eu komende verklaarden zij hunnen heer al •\\vat er geschied was. rlt;2 Toen heeft hem zijn heer tot zich geroepen, en zeide tot hem: Gij hooze dienstknecht, al die schuld heb ik u kwijtgescholden , dewijl gij mij gebeden hebt: 33 behoordet gij ook niet u over uwen mededienstknecht te ontfermen, gelijk ik ook mij over u ontfermd heb ? 34 En zijn heer vertoornd zijnde, leverde hem den pijni-gers over, totdat hij zoude betaald hebben al wat hij hem schuldig was. 35 Alzóó zal ook mijn bemel-sche Vader u doen, indien gij niet van harte vergeeft een iegelijk zijnen broeder zijne misdaden. HOOFDSTUK 19. En het geschiedde toen Jezus deze woorden geëindigd had, dat hij vertrok van Galiléa, en kwam over den Jordaan, in de landpalen vanJudéa. 2 En vele scharen volgden hem, en hij genas ze aldaar. 3 Eu de Farizeërs kwamen tot hem, verzoekende hem, en zeggende tot hem: Is het een mensch geoorloofd zijne vrouw te verlaten om allerlei oorzaak? 4 Doch hii antwoordende zeide tot hen : Hebt gij niet gelezen, die van den beginne den mensch gemaakt heeft, dat hij ze gemaakt heeft man en vrouw, 5 en gezegd heeft: Daarom zal een mensch vader en moeder verlaten, en zal zijne vrouw aanhangen, en die twee zullen tot éC-n vleesch zijn; G alzoo dat zij niet meer twee zijn, maar één vleesch. Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mensch niet. 7 Zij zeiden tot hem: Waarom heeft dan Mozes geboden, eenen scheldbrief te geven en haar te verlaten ? |
S Hij zeide tot hen: Mozes heeft vanwege de hardigheid uwer harten u toegelaten uwe vrouwen te verlaten; maar van den beginne is \'t alzóó xüet geweest. 9 Maar ik zegge u, dat zoo wie zijne vrouw verlaat anders dan om hoererij, en eene andere trouwt, die doet overspel, en die de verlatene trouwt doet óók overspel. 10 Zijne discipelen zeiden tot hem: Indien de zaak des men-schen met de vrouw alzóó staat, zoo ia \'t niet oorbaar te trouwen. 11 Doch hij zeide tot hen; Allen vatten dit woord niet, maar wien het gegeven is. 12 Want daar zijn gesnedenen die uit moeders lijf alzóo geboren zijn, en daar zijn gesne-denen die van de menschen gesneden zijn, en daar zijn gesnedenen die zichzelve gesneden hebben om het Konink rijk der hemelen: die dit vatten kan, vatte het. 13 Toen werden kinderkens tot hem gebracht, opdat hij de handen hun zoude oplegden, en bidden; en de discipelen bestraften dezelve. 14 Maar Jezus zeide: Laa;af van de kinderkens, en verhindert hen niet tot mij te komen ; want derzulken is het Koninkrijk der hemelen. 15 En als hij hun de handen opgelegd had, vertrok hij van daar. 1(5 En zie, er kwam een tot hem, en zeide tot hem: Goede meester, wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven hebbe? 17 En hij zeide tot hem: quot;Wat noemt gij mij goed ? Niemand is goed dan één , name lij/: God. Doch wilt gij in het leven ingaan, onderhoud de geboden. 18 Hij zeide tot hem: Welke? En Jezus zeide : Deze: gij zult niet dooden; gij zult get.n overspel doen; gij zult niet stelen; |
|
gu zult gcenc valsclie getuigenis geven; 19 eer uwen vader en uwe moeder, en gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven. . 20 De jonfceling zeide tot hem; Alle deze dingen heb ik onderhouden van mijne jonkheid af; wat ontbréekt mij nog? 21 Jezus zeide tot hem; Zoo gij wilt volmaakt zijn, ga henen , verkoop wat gij hebt en geef het den armen, en fdj zult eenen schat hebben in den hemel ; en kom herwaarts, volg mij. 22 Als nu de jongeling dit woord hoorde, gins hij bedroefd weg; want hij had vele goederen. 23 En Jezus zeide tot zijne discipelen; Voorwaar ik zegge u, dat een rijke bezwaarlijk in het Koninkrijk der hemelen znl ingaan. 24 En wederom zegge ik u, het is lichter dat een kemel sa door het oog van eene naald, dan dat een riike inga in het Koninkrijk Gods. 25 Zijne discipelen nu dit hoo-rende, werden zeer verslagen, zeggende: quot;Wie kan dan zalig worden? 20 En Jezus hen aanziende, zeide tot hen; Bij de menschen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk. 27 Toen antwoordde Petrus en zeide tot hem: Zie, wij hebben alles verlaten en zijn u gevolgd; wat zal ons dan geworden ? 28 En Jezus zeide tot hen; Voorwaar ik zegge u, dat gij die mij gevolgd zijt,in de wedergeboorte, wr.nneer de Zoon des menschen zal gezeten zijn op den troon zijner heerlijkheid, dat gij ook zult zitten op twaalf tronen, oordeelende de twaalf geslachten Israels. 29 En zoo wie zal verlaten hebben huizen, of broeders of zusters, of vader of moeder, of vrouw of kinderen, of akkers, |
EÜS 20. Ü9 om mijns naams wille, lt;1ie zal honderdvoud ontvangen, en het eeuwige leven beërven. 30 Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, eu vele laat-sten de eersten. HOOFDSTUK £0. Want het Koninkrijk der hemelen is gelijk een heer des huizes, die met den morgenstond uitging om arbeiders te huren in zijnen wijngaard. 2 En als hij met de arbeiders ééns geworden was voor eenen penning \'sdaags, zond hij ze henen in zijnen wijngaard. 3 En uitgegaan zijnde omtrent de derde ure, zag hij anderen ledig staande op de markt; 4 en hij zeide tot hen; Gaat gij óók henen in den wijngaard, en zoo wat recht is zal ik u geven. En zij gingen. 5 Wederom uitgegaan zijnde omtrent de zesde en negende ure, deed hij desgelijks. 6 En uitgegaan zijnde omtrent de elfde ure, vond hij anderen ledig staande, en zeide tot hen; Wat staat gij hier den geheclen dag ledig? 7 Zij zeiden tot hem; Omdat ons niemand gehuurd heeft. Hij zeide tot hen; Gaat ook gij henen in den wijngaard, en zoo wat recht is zult gij ontvangen. 8 Als het nu avond geworden was, zeide de heer des wijn-gaards tot zijnen rentmeester : Roep de arbeiders, en geef hun het loon .beginnende van de laatsten tot de eersten. 9 En als zij kwamen die ter elfder ure cjehnurd waren, ontvingen zij ieder eenen penning. 10 En de eersten komende meenden dat zij meer ontvangen zouden ; en zij zelve ontvingen óók elk eenen penning. 11 En dien ontvangen hebbende murmureerden zij tegen den heer des huizes, 12 zeggende; Deze laatsten |
|
30 MATT hebben maar dón uur gearbeid, en jcij hebt ze öns gelijk gemaakt, die den last des daags en de hitte gedragen hebben. 13 Doch hij antwoordende zeide tot eenen van hen: Vriend, ik doe u geen onrecht; zijt gij niet met mij ééns geworden voor eenen penning? 14 Neem het uwe en ga henen ; ik wil dezen lantsten ook geven gelijk als u. 15 Of is het mij niet geoorloofd te doen met het mijne wat ik wil? Of is uw oog boos omdat ik goed ben ? 1(1 AIzóó zullen de laatsten de eersten zijn en de eersten de laatsten; want velen zijn geroepen , maar weinigen uitverkoren. 17 En Jezus opgaande naar Jeruzalem, nam tot zich de twaalf discipelen alleen op den weg, en zeide tot hen: 18 Zie, wij gaan op naar Je-ruzalen, en de Zoon des men-schen zal den Overpriesteren en Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen hem ter dood veroordeelen; 19 en zij zullen hem den heidenen overleveren, om hem te bespotten en te geeselen en te kruisigen; en ten derden dage zal hij weder opstaan. 20 Toen kwam de moeder der zonen van Zebedeüs tot hem met hare zonen, //p»i aanbiddende , en begeerende wat van hem. 21 En hii zeide tot haar \'• AYat wilt gij ? Zij zeide tot hem: Zeg dat deze niijne twee zonen zitten mogen de één tot uwe rechter- en de ander tot uwe linker/irmd in uw Koninkrijk. 22 Maar Jezus antwoordde en zeide: Gijlieden weet niet wat gij begeert; kunt gij den drinkbekerquot; drinken dien ik drinken zal, en met den doop gedoopt worden waarmede ik gedoopt word ? Zij zeiden tot hem; Wij kunnen. |
[EÜS 20. 23 En hij zeide tot hen; Mijnen drinkbeker zult gij wel drinken, en met den doop waarmede ik gedoopt word zult gij gedoopt worden ; maar het zitten tot mijne rechter- en tot mijne linkerAa/»/ staat bij mij niet te geven, maar het zal gegeven worden dien het bereid is van mijnen Vader. 24 En als de andere tien dat hoorden, namen zij het zeer kwalijk van de twee broeders. 25 Eu als hen Jezus to; zich geroepen had, zeide hij: Gij weet dat de oversten der volkeren heerschappij voeren over hen , en de grooten gebruiken macht over hen. 2fi Doch alzóó zal het onder u niet zijn, maar zoo wie onder u zal willen groot worden, die zij uw dienaar; 27 en zoo wie onder u zal willen de eerste zijn , die zij uw dienstknecht: 28 gelijk de Zoon des tnen-schen niet is gekomen on gediend te worden, maar om te dienen en zijne ziel te geven tot een rantsoen voor velen. 29 En als zij van Jericho uitgingen, is hem eene groote schare gevolgd. 30 En zie, twee blinden zittende aan den weg, als zij hoorden dat Jezus voorbijging, riepen, zeggende: Ileere, gij Zone Davids, ontferm u onzer. 31 En de schare bestrafte hen, opdat zij zwijgen zouden; maar zij riepen temeer, zeggende: Ontferm u onzer, Heere, gij Zone Davids. 32 En Jezus *Mstaande riep ze en zeide: quot;Wat wilt gij dat ik u doe? 33 Zij zeiden tot hem: Heere, dat onze oogen geopend worden. 34 En Jezus innerlijk bewogen zijnde met barmhartigheid, raakte hunne oogen aan; en terstond werden hunne ougen ziende, en zij volgden hem. |
|
HOOFDSTUK 21. En als zij nu Jeruzalem genaakten, en gekomen waren te Bethfagé aan lt;len Olijfberg, toen zond Jezus twee discipelen, zeggende tot hen: \'2 Gaat henen in het vlek dat tegen u over ligt, en fój zult terstond eene ezelin gebonden vinden, en een veulen met haar; ontbindt ze en brengt ze tot mij. 3 En indien tx iemand iets zegt, zoo zult gij zeggen dat de Heere deze van noode heeft, en hij zal ze terstond zenden. 4 Dit alles nu is geschied opdat vervuld worde \'t geen gesproken is door den Profeet, zeggende: 5 Zegt der dochter Sions: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op eene ezelin en een veulen, zijnde een jons eener jukdragende ezelin. O En de discipelen henenge-gaan zijnde, en gedaan hebbende gelijk Jezus hun bevolen had, 7 brachten de ezelin en het veulen, en leiden hunne kleederen op dezelve, en zetteden hem daarop. 8 En de meeste scaare spreidden hunne kleederen op den weg, en anderen hieuwen takken van de hoornen en spreidden ze op den weg. \'J En de scharen die voorgingen en die volgden riepen, zeggende; Hosanna den Zone Davids! Gezegend is hij die komt in den naam des Heeren! Hosanna in de hoogste hemelen\'. 10 En als hij te; Jeruzalem inkwam, werd de goheele stad beroerd, zeggende: Wie is deze? 11 Eu de scharen zeiden: Deze is Jezus, de Profeet van Nazareth in Galilla. 12 En Jezus ging in den Tempel Gods, en dreef uit allen die verkochten en kochten in den Tempel, en keerde de tafels der wisselaars om, en de zit- |
EÜS 21. 31 stoelen dergenen die dc duiven verkochten; 13 en hij zeide tot hen: Daar is geschreven: Mijn Huis zal een huis des gebeds genaamd worden: maarquot; gij hebt dat tot een moordenaarskuil gemaakt. 14 En daar kwamen blinden en kreupelen tot hem in den Tempel, en hij genas dezelve. 15 Als nu de Overpriesters en Schriftgeleerden zagen de wonderheden die hij deed, en de kinderen roepende in den Tempel , en zeggende: Hosanna den Zone Davids! namen zij dat zeer kwalijk, 16 en zeiden tot hem: Hoort gij wel wat deze zeggen? En Jezus zeide tot hen: Ja; hebt gij nooit gelezen: Uit den mond der jonge kinderen en der zuigelingen hebt gij u lof toebereid? 17 En hen verlatende ging hij van daar uit de stad naarBe-thanië, en overnachtte aldaar. 18 En des morgens vroeg als hij wederkeerde naar de stad , hongerde hem. 19 En ziende eenen vijgeboom aan den weg, ging hij naar hem toe, en vond niets aan denzelven dan alleen bladeren, en zeide tot hem : Uit u worde geen vrucht meer in der eeuwigheid. En de vijgeboom verdorde terstond. 20 En de discipelen dat ziende verwonderden zich, zeggende: Hoe is de vijgeboom zoo terstond verdord? 21 Doch Jezus antwoordende zeide tot hen: Voorwaar zegge ik u , indien gij geloof hadt en niet twijfeldet, gij zoudt niet alleen doen \'t geen den vijge-boom is geschied , maar in Jien gij ook tot dezen berg.zeidet: U ord opgeheven en in de »ee geworpen, het zoude geschieden ; 22 en al wat gij zult begeeren in \'t gebed, geloovende, zult gij ontvangen. 23 En als hij in den Tempel |
MATTHEUS 21.
32
|
gekomen was, kwamen tot hem, terwijl hij leerde, de Overpriesters en de Ouderlingen des volks, zeggende: Door wat macht doet^ij deze dingen, en wie heeft u deze macht ge- zeide tot hen : Ik zal u ook één woord vragen, hetwelk indien gij mij zult zeggen, zoo zal ik ii ook zesgen door wat macht ik deze dingen doe; 25 De doop van Johannes, van waar was die, uit den hemel of uit\' de menschen? En zij overleiden hij zichzelve en zeiden: Indien wij zeggen: Uit den hemel, zoo zal hij ons zeggen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd? 2G En indien wij zeggen: quot;Uit de menschen, zoo vreezen wij de schare; want zij houden allen Johannes voor een Profeet. 27 En zij Jezus antwoordende zeiden: \\Vij weten het niet. En hij zeide tot hen: Zoo zeg ik u ook niet door wat macht ik dit doe. 28 Maar wat dunkt u? Een mensch had twee zonen, en gaande tot den eerste zeide hij : Zoon, ga henen, werk heden in mijnen wijngaard. 29 Doch hij antwoordde en zeide: Ik wil niet; en daarna berouw hebbende ging hij henen. 30 En gaande tot den tweede zeide hij desgelijks, en deze antwoordde en zeide: Ik ga, heer; en hij ging niet. ::i quot;Wie van deze twee heeft den wil des vaders gedaan? Zij zeiden tot hem: De eerste. Jezus zeide tot hen: Voorwaar ik zegge u, dat de tollenaars en de hoeren u voorgaan in het Koninkrijk Gods. 32 Want Johannes is tot u gekomen in den weg der gerechtigheid, en gij hebt hem niet geloofd, maar de tollenaars en hoeren hebben hem geloofd; |
doch gij zulks ziende, hebt daarna geen berouw gehad, om hem te gelooven. 33 Hoort eene andere gelijkenis. Er was een heer des huizes die eenen wijngaard Sdantte, en zette eenen tuin laarom, en groef eenen wijnpersbak daarin, en bouwde eenen toren, en verhuurde dien den landlieden, en reisde buitensfrot^s.dantte, en zette eenen tuin laarom, en groef eenen wijnpersbak daarin, en bouwde eenen toren, en verhuurde dien den landlieden, en reisde buitensfrot^s. 34 Toen nu de tijd der vruchten genaakte, zond hij zijne dienstknechten tot de landlieden om zijne vruchten te ontvangen. 35 En de landlieden nemende zijne dienstknechten, hebben den éénen geslagen, en den anderen gedood, en den derden gesteenigd. 36 Wederom zond hij andere dienstknechten, meer in getal dan de eerste; en zij deden hun desgelijks. 37 En ten laatste zoni hij tot hen zijnen zoon, zeggende: Zij zullen mijnen zoon ontzien. 3S Maar de landlieden den zoon ziende, zeiden onder elkander : Deze is de erfgenaam : komt, laat ons hem dooden en zijne erfenis aan ons behouden. 39 En hem nemende wierpen zij hem uit buiten den wijngaard, en doodden hem. 40 Wanneer dan de heer des wijngaards komen zal, wat zal hij dien landlieden doen ? 41 Zij quot;zeiden tot hem: Hij zal den kwaden een kwaden dood aandoen, en zal den wijngaard anderen landlieden verhuren, die hem de vruchten op hare tijden zul?en geven. 42 Jezus zeide tot hen: Hebt gij nooit gelezen ir. de Schriften: De steen dier. de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot e»n hoofd des hoeks; van den Jeere is dit geschied, en het ;s wonderlijk in onze oogen? 43 Daarom zegge ik nlieden , |
MATTHEUS 22.
|
dat het Koninkrijk Gods van u zal wegj?cnomen \'worden, en aan een volk gegeven dat zijne vruchten voortbrengt. 44 En wie op dezen steen valt, die zal verpletterd worden; en op wicn hij valt, dien zal hij vermorzelen. 45 En als de Overpriesters en Earizecrs deze zijne geliikenis-aen hoorden, verstonden zij dat hij van hen sprak. 46 En zoekende hem te vangen, vreesden zy de scharen, dewijl deze hem hielden voor een Profeet. HOOFDSTUK 22. En Jezus antwoordende sprak tot hen wederom door gelijkenissen, zeggende: 2 Het Koninkrijk der hemelen is gelijk een zeker Koning die zijnen zoon een bruiloft bereid had, ï\' :{ en zond zijne dienstknechten uit om de genooden ter bruiloft te roepen, en zij wil-den niet komen. 4 Wederom zond hij andere dienstknechten uit, zeggende; Zegt den genooden : Zie, ik , heb mijn middagmaal bereid, • mijn ossen en de gemeste beea-i ten zijn geslacht, en alle din- Sen zijn gereed: komt tot deen zijn gereed: komt tot de ruiloft. 5 Maar zij zulks niet achtende, ; zijn henengegaan, deze tot zijnen akker, gene tot zyne koop- ^mauschap; (gt; en de anderen grepen ziine dienstknechten, deden A«yi sraaadheid aan, en doodden ze. 7 Als nu de Koning dat hoorde, werd hij toornig, en «zijne krijgsheiren zendende heeft hij die doodslagers vernield en hunne stad in brand gestoken. S Toen zeide hij tot zijne dienstknechten: De bruiloft is wel bereid, doch de genooden waren \'tniet waardig. |
quot;J Daarom gaat op de uitgangen der wegen , en zoovelen als gij er zult vinden, roept ze tot de bruiloft. 10 En die dienstknechten uitgaande op de wegen, vergaderden allen die zij vonden, beide kwaden en goeden; en de bruiloft werd vervuld met aanzittende gasten. 11 En als de Koning ingegaan was om de aanzittende gasten te overzien, zag hij aldaar eenen mensch niet gekleed zijnde met een bruiloftskleed, 12 en zeide tot hem: Vriend, hoe zilt gij hier ingekomen, geen bruiloftskleed aan hebbende? En hij verstomde. 1.3 Toen zeide de Koning tot de dienaars: Bindt zijne han* den en voeten, neemt hem weg, en werpt hem uit in de buitenste duisternis: dliar zf.1 zijn weening en knersing der tanden. 14 Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. 15 Toen gingen de Farizcürs henen en hielden te zamen raad, hoe zij hem verstrikken zouden in zijne rede. 10 En zij zonden uit tot hem hunnn discipelen met de He-rodianen, zeggende: Meester, wij weten dat gij waarachtig zijt, en den weg Gods in waarheid leert, en naar niemand vraagt; want gij ziet den persoon der menschen niet aan: 17 zeg ons dan , wat dunkt u, is het geoorloofd den Keizer schatting te geven of niet? IS Maar Jezus bekennende hunne boosheid. zeide: 19 Gij geveinsden, wat verzoekt gij mij ? Toont mij den schattingpenning. En zij brachten hem eenen penning. 20 En hij zeide tot hen: Wiens is dit beeld en het opschrift? 21 Zij zeiden tot hem: Des Keizers. Toen zeide hij tot hen: Geeft dan den Keizer dat des Keizers is, en Gode dat Gods is. 22 En zy dit hooiende ver- |
|
34 MATT! wonderden zich, cn hem verlatende zijn zij weggegaan. 2;$ Te dienzelfden dage kwamen tot hem de Saddnceërs, die zeggen dat er geene opstanding is, en vraagden hem, 24 zegende: Meester, Mozes heeft gezegd: Indien iemand sterft geen kinderen hebbende, zoo zal zijn broeder deszelfs vrouw trouwen en zijnen broeder zaad verwekken. 25 Nu waren er bij ons zeven broeders; en de eerste eene vrouw getrouwd hebbende stierf, en dewijl hij geen zaad had zoo liet hij zijne vrouw voor zijnen broeder. 26 Desgelijks ook de tweede, en de derde, tot den zevende toe. 27 Ten laatste na allen is ook de vrouw gestorven. 2S In de opstanding dan, wiens vrouw zal zij wezen van die zeven ? want zij hebben ze allen gehad. 29 51 aar Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gij dwaalt, niet wetende de Schriften noch de kracht Gods. 30 Want in de opstanding nemen zij niet ten huwelijk en worden niet ten huwelijk uitgegeven ; maar zij zijn als Engelen Gods in den hemel. 31 En wat aangaat de opstanding der dooden , hebt jrij niet gelezen \'t gene van God tot ulieden gesproken is, die daar zegt: 32 Ik ben de God Abrahams en de God Isaiiks en de God Jakobs ? God is niet een God der dooden, maar der levenden. 33 En de scharen dit hoerende , werden verslagen over zijne leer. 34 En de Farizeërs gehoord hebbende dat hij den Saddnceërs den mond gestopt had, zijn te zamen bijéénvergaderd; 35 en één uit hen, zijnde een wetgeleerde, heeft gevraagd, hem verzoekende, en zeggende: |
EÜS 23. 36 Meester, welk is het groote gebod in de wet? 37 En Jezus zeide tot hem: Gij zult liefhebben den lleere uwen God met geheel uw harte en met geheel uwe ziele en met geheel uw verstand. 38 Dit is het eerste en het groote gebod. 39 En het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven. 40 Aan deze twee geboden hangt de gansche Wet en de Profeten. 41 Als nu de Farizeërs te samen vergaderd waren, vraag de hen Jezus 42 en zeide: Wat dunkt u van den Christus? wiens zoon is hij? Zij zeiden tot hem: Davids zoon. 43 Hij zeide tot hen: Hoe noemt hem dan David in den Geest zijnen lleere, zeggende: 44 De He^re heeft gezegd tot mijnen Heere: Zit aan mij ie rechterZ/ffrtrf, totdat ik uwe vijanden zal gezet hebben tot een voetbank uwer voeten. 45 Indien hem dan David noemt zijnen Heere, hoe is Irj zijn zoon? 4() En niemand kon hem een woord antwoorden, en niemand durfde hem van dien dag aar. iets meer vragen. HOOFDSTUK 23. Toen sprak Jezus tot de scharen en tot zijne discipelen , 2 zeggende: De Schriftgeleerden en de Farizeërs zijn gezeten op den stoel van Mozes. 3 Daarom al wat zij u zegjren dat gij houden znlt, houdt dr.t en doet het; maar doet niet naar hunne werken; want lij zegsren het, en doen het nht. 4 Want zij binden lasten die zwaar zijn en kwalijk om te dragen, en leggen ze op de schouders der menschen: iraar zij willen die met hunnen vinger niet verroeren. |
|
5 En alle hunne werken doen zij om van de mensehen gezien te worden; want zij maken hunne gedenkcedels breed, en maken de zoomen van hunne kleederen groot. (5 En zij beminnen de vooraanzitting bij de maaltijden, en de voorgestoelten in de Synagogen , 7 ook de begroetingen op de markten , en van de mensehen genaamd te worden Rabbi, Rabbi. 8 Doch gij zult niet Rabbi genaamd worden; want f;én is uw Meester, namelijk Christus, en gij zijt allen broeders. 9 En gij zult niemand uwen Vader noemen op de aarde; want dén is uw Vader, namelijk die in de hemelen i». 10 En gij zult niet meesters genoemd worden; want dén is uw Meester, namelijk Christus. 11 Maar de meeste van u zal uw dienaar zijn. 12 En wie zichzelven ver-hoogen zal, die zal vernederd worden ; en wie zichzelven zal vernederen, die zal verhoogd worden. Maar wee u, gij Schrift-peleerden en Farizciirs, gij geveinsden , want gij sluit het Koninkrijk der hemelen voor de mensehen, overmits gij daar niet ingaat, en degenen die ingaan zouden niet laatingaan. 14 AVee u, gij Schriftgeleerden en Farizeërs, gij geveinsden; want gij eet de huizen der weduwen op, en dat onder den schijn van lang te bidden; daarom zult gij te zwaarder oordeel ontvangen. 15 quot;Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeërs, gij geveinsden; want gij omreist zee en land om éénen Jodengenoot te maken, en als hij het geworden is, zoo maakt gij hem een kind der helle, tweemaal meer dan gij ziit. 16 Wee u, gij blinde leidslieden , die zegt: Zoo wie ge- |
EÜS 23. 35 zworen zal hebben bij den Tempel, dat is niets; maar zoo wie gezworen zal hebben bij het goud des Tempels, die is schuldig. 17 Gij dwazen en blinden, want wat is meerder, het goud of de Tempel die het goud heiligt? 18 En zoo wie gezworen zal hebben bij het altaar, dat is niets ; maar zoo wie gezworen zal hebben-bij de gave die daarop is, die is schuldig. l\'J Gij dwazen en blinden, want wat is meerder, de gave of het altaar dat de gave heiligt? 20 Daarom wie zweert bij het altaar, die zweert bij hetzelve en bij al wat daarop is; 21 en wie zweert bij den Tem- Sel, die zweert bij denzelve enel, die zweert bij denzelve en ij dien die daarin woont; 22 en wie zweert bij den hemel, die zweert bij den troon Gods en bij dien die daarop zit. 23 Wee ti, gij Schriftgeleerden en Farizeërs, gij geveinsden; want gij vertient de munten de dille en den komijn, en gij laat n.1 het zwaarste der wet, namelijk het oordeel en de barmhartigheid en het geloof. Deze dingen moest men doen en de andere niet nalaten. 24 Gij blinde leidslieden, die de mug uitzijgt en den kemel doorzwelgt. 25 Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeërs, gij geveinsden; want gij reinigt het buitenste des drinkbekers en des schotels, maar van binnen zijn ze vol van roof en onmatigheid. 26 Gij blinde Farizeër, reinig eerst wat binnen in den drinkbeker en den schotel is, opdat ook het buitenste derzelve rein worde. 27 Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeërs, gij geveinsden; want gij zijt den witgepleister-den graven gelijk, die van Duiten wel schoon schijnen, maar van binnen zij ze vol doods- |
|
36 MATTI beenderen cn alle onreinisheid. 28 Alzóó ook schijnt gij wel den menschen van buiten recht-vaardifr, maar van binnen zijt gij vol geveinsdheid en ongerechtigheid. 29 Wee u, «ij Schriftgeleerden en Farizeërs, gij geveinsden; want gij bouwt de graven der Profeten op, en versiert de grafteekenen der rechtvaardigen , :i0 en zegt: Indien wij ten tijde onzer vaderen waren geweest, wij zouden met hen geen gemeenschap gehad hebben aan het bloed der Profeten. 31 Aldus getuigt gij tegen nzelve, dat gij kinderen zijt dergenen die de Profeten gedood liebben. 32 Gij dan ook, vervult de maat uwer vaderen. 33 Gij slangen, gij adderen-gebroedsels hoe zoudt gij de helsche verdoemenis ont-vlieden? 34 Daarom zie, ik zend tot u Profeten en quot;Wijzen en Schriftgeleerden, cn uit dezelve zult gij sommigen dooden en kruisigen, en sommigen uit dezelve zult gij geeseleh in uwe Synagogen , en zult ze vervolgen van stad tot stad; 35 opdat op u kome al het rechtvaardige bloed dat vergoten is op de aarde, van het bloed des rechtvaardigen Abels af, tot op het bloed van Zacha-ria den zoon van Barachia, welken gij gedood hebt tus-schen den Tempel en het al-taar. 36 ^ oorwaar zegge ik u, alle deze dingen zullen komen over dit geslacht. 37 Jeruzalem, Jeruzalem, gij die de Profeten doodt, en stee-nigt die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb ik uwe kinderen willen bijélt;!nvcrsa-dereu, gelijkerwijs eene hen hare kiekens bij^énvergadert onder de vleugelen , en gijlieden hebt niet gewild. |
EÜS 24. 33 Zie, uw huis wordt u woest gelaten. . 39 ^Vant ik zegge n, gij zult mij van nu aan niet zien, totdat gij zeggen zult: Gezegend is hij die komt in den name des Heeren. HOOFDSTUK 24. En Jezus ging uit en vertrok van den Tempel; en zijne discipelen kwamen bij hem, om hem de gebouwen des Tempels te toonen. 2 En Jezus zeide tot hen :_Ziet gij niet alle deze dingen? Voorwaar zegge ik u, hier zal niet een steen op den anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden. 3 En als hij op den Olijfberg gezeten was, gingen de discipelen tot hem alleen , zeggende: Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn ? En welk zal het teeken zijn van uwe toekomst en van de voleinding der wereld? 4 En Jezus antwoordende zei-de tot hen: Ziet toe dat u niemand verleide; 5 want velen zullen komen onder mijnen naam, zeggende: Ik ben de Christus, en zij zullen velen verleiden. 6 En gij zult hooren van oorlogen en geruchten van oorlogen: ziet toe, wordt niet verschrikt; want alle die dingen moeten geschieden,maar nog is het einde niet. 7 \\Vant het ééne volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ééne koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en daar zullen zijn hongersnooden, en pestilentiën, én aardbevingen in verscheidene plaatsen. 8 Doch alle die dingen zijn maar een beginsel der smarten. 9 Alsdan zullen zij u overleveren in verdrukking, en zullen u dooden, en gij zult gehaat worden van alle volkeren om mijns naams wille. 10 Eu dan zullen er velen gc- |
|
ergerd worden, en zullen elkander overleveren en elkander haten. 11 En vele valsche Profeten zullen opstaan, en zullen er velen verleiden. 1 \'J Kn omdat de onsrerechtig-heid vermenigvuldigd zal worden , zoo zal de liefde van velen verkouden. 13 Maar wie volharden zal tot don einde, die zal zalig worden. 14 En dit Evangelie des Ko-ninkrijks zal in de geheele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volkeren ; en dan zal het einde komen. 15 Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniel den Profeet, staande in de heilige plaats, (wie Act leest, die merke daarop), 1(gt; dat alsdan die in Judéa zijn, vlieden op de bergen; 17 die op het dak is, kome niet af om iets uit zijn huis weg te nemen; 18 en die op den akker ia, keere niet weder terug om zijne kleederen weg te nemen. 19 Maar wee den bevruchten en den zogenden vrouwen in die dagen. £0 Doch bidt dat uwe vlucht niet geschiede des winters noch op eenen sabbat; 21 want alsdan zal er groote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook ni(!t zijn zal. 23 En zoo die dagen niet verkort werden, geen vleesch zoude behouden worden; maar om der uitverkorenen wille zullen die dagen verkort worden. \'JU Alsdan zoo iemand totulie-den zal zeggen: Zie, hier is de Christus, of daar, gelooft het niet. 24 Want daar zullen valsche Christussen en valsche Profeten opstaan, en zullen groote teekenenen wonderheden doen, alzoo dat zij (indien het moge- |
EÜS 24. 37 lijk ware) ook de uitverkorenen zouden verleiden. 25 Zie, ik heb het u voorzegd. 26 Zoo zij dan tot u zullen zeggen: Zie, hij is in de woestijn, gaat niet uit; zie, hij ia in de binnenkameren, gelooft het niet. 27 Want gelijk de bliksem uitgaat van het Oosten en schijnt tot het Westen, alzóó zal ook de toekomst van den Zoon des menschen wezen. 2S Want alwaar het doode lichaam zal zijn, daar zullen de arenden vergaderd worden. 29 En terstond na de verdrukking dier dagen zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van den hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen bewogen worden. 30 En alsdan zal in den hemel verschijnen het teeken van den Zoon des menschen, en dan zullen alle de geslachten der aarde weenen, en zullen den Zoon des menschen zien, komende op de wolken des hemels met groote kracht en heerlijkheid. 31 En hij zal zijne Engelen uitzenden met eene bazuin van groot geluid, en zij zullen zijne uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het ééne uiterste der hemelen tot het andere uiterste der-zelve. 32 En leert van den vijgeboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak nu teör wordt en de bladeren uitspruiten, zoo weet gij dat de zomer nabij is: 33 alzóó ook gijlieden, wanneer gij alle deze dingen zult zien, zoo weet dat het nabij iü voor de deur. 34 Voorwaar ik zeirge u, dit geslacht zal geenszins voorbijgaan totdat alle deze dingen zullen geschied zijn. 35 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijne |
|
38 MATTE woorden zullen geenszins voorbijgaan. 36 Doch van dien dag en die ure weet niemand, ook niet de Engelen der hemelen, dan mijn Vader alleen. 37 En gelijk de dagen van Koach waren, alzóó zal ook zijn de toekomst van den Zoon des menschen. Want gelijk zij waren in de dagen vóór den zondvloed, etende eu drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot den dag toe op welken JJoach in de ark ging, 39 en bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam en hen allen wegnam: alzóó zal ook zijn de toekomst van den Zoon des menschen. -10 Alsdan zullen er twee op den akker zijn: de ^n zal aangenomen en de ander zal verlaten worden; 41 daar zullen twee vrouwen malen in den molen: deééne zal aangenomen en de andere zal verlaten worden. 42 quot;Waakt dan, want gij weet niet in welke ure uw Heere komen zal. 43 Maar weet dit, dat zoo de heer des huizes geweten had in welke nachtwaak de dief komen zoude, hij zoude gewaakt hebben en zoude zijn huis niet hebben laten doorgraven. 44 Daarom zij took gij bereid, want in welke ure gij het niet meent zal de Zoon des menschen komen. 45 Wie is dan de getrouwe en voorzichtige dienstknecht, denwelken zijn heer over zijne dienstboden gesteld heeft, om hunlieden hun voedsel te geven ter rechter tijd? 46 Zalig is die dienstknecht, welken zijn heer komende zal vinden alzóó doende. 47 Voorwaar ik zegge u, dat hij hem zal zetten over alle zijne goederen. |
48 Maar zoo die kwade dienstknecht in zijn hart zoude zeggen: Mijn heer vertoeft te komen, 49 en zoude beginnen zijne mededienstknechten te slaan, en te eten en te drinken met de dronkaards: ó0 zoo zal de heer dezes dienstknechts komen ten dage op welken hij hem niet verwacht, en ter ure die hij niet weet, 51 en zal hem afscheiden, en zijn deel zetten met de geveinsden : diliir zal weening zijn en knersing der tanden. HOOFDSTUK 25. Alsdan zal het Koninkrijk der hemelen zijn gelijk tien maagden, welke hare lampen namen en gingen uit, den bruidegom tegemoet. 2 En vijf van haar waren wijze en vijf waren dwaze. 3 Die dwaas waren, hare lampen nemende, namen geen olie met zich; 4 maar de wijze namen olie in hare vaten, met hare lampen. 5 Als nu de bruidegom vertoefde, werden zij allen sluimerig eu vielen in slaap. 6 En te middernacht geschiedde er een geroep: Zie, de bruidegom komt, gaat uit hem tegemoet. 7 Toen stonden alle die maagden op en bereidden hare lampen. 8 En de dwaze zeiden tot de wijze: Geeft ons van uwe olie; want onze lampen gaan uit. 9 Doch de wijze antwoordden, zeggende: Geenszins, opdat er misschien voor ons en voor u niet genoeg zij; maar gaat liever tot de verkoopers en koopt voor uzelve. 10 Als zij nu henengingen om te koopen, kwam de bruidegom ; en die gereed waren gingen met hem in tot de bruiloft, en de deur werd gesloten. 11 Daarna kwamen ook de andere maagden, zeggende: Heere, heere, doe ons open. |
MATTHEUS 25.
39
|
12 En hij antwoordende zeide; Voorwaar zegge ik u, ik ken u niet. 13 Zoo waakt dan, want gij weet den dag niet noch de ure, in dewelke de Zoon des men-schen komen zal. 14 Want het is gelijk een mensch, die buitenslands reizende zijne dienstknechten riep, en jrafhun zijne goederen over; 15 en den éénen gaf hij vijf talenten, en den anderen twee, en den derden één, een iegelijk naar zijn vermogen, en verreisde terstond. 10 Die nu de vijf talenten ontvangen had ging henen en handelde daarmede, en won andere vijf talenten. 17 Desgelijks ook die de twee outvuiiyeu had, die won ook andere twee. 18 Maar die het ééne ontvangen had ging henen en groef in de aarde, en verborg het geld zijns iieeren. 19 En na eenen langen tijd kwam de heer van die dienstknechten, en hield rekening met hen. 20 En die de vijf talenten ontvangen had, kwam en bracht tot hem andere vijf talenten , zeggende: Heere, vijf talenten hebt gij mij gegeven; zie, andere vijf talenten heb ik boven dezelve gewonnen. 21 En zijn heer zeide tot hem; quot;Wèl, gij goede en getrouwe dienstknecht, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u zetten: gain in de vreugde uws heeren. 22 En die de twee talenten ontvangen had kwam óók tot hem, en zeide: Heere. twee talenten hebt gij mij gegeven; zie, andere twee talenten heb ik boven dezelve srewonnen. 23 Zijn heer zeide tot hem: quot;VVèl, gij goede en getrouwe dienstknecht, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u zetten: ga in in de vreugde uws heeren. |
24 Maar die het ééne talent ontvangen had kwam óók, en zeide: Heere, ik kende u dat gij een hard mensch zijt, maaiende waar gij niet gezaaid hebt, en vergaderende van daar, waar gij niet gestrooid hebt; 2quot;gt; en bevreesd zijnde ben ik henengegaan en heb uw talent verborgen in de aarde: zie, gij hebt het uwe. 26 Maar zijn heer antwoordende zeide tot hem : Gij booze en luie dienstknecht, gij wist dat ik maai waar ik niet gezaaid heb, en van daar vergader, waar ik niet gestrooid heb: 27 zoo moest gij dan mijn geld bij de wisselaren gedaan hebben , en ik komende zoude het mijne wedergenomen hebben met woeker. 28 Neemt dan van hem het talent weg, en geeft het den-gene die de tien talenten heeft. 29 Want een iegelijk die heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar van dengene die niet heeft, van dien zal genomen worden ook dat hij heeft. 30 En werpt den onnutten dienstknecht uit in de buitenste duisternis: ddar zal weening zijn en knersing der tanden. 31 En wanneer de Zoon des menschen komen zal in zijne heerlijkheid, en alle de heilige Engelen met hem, dan zal hij zitten op den troon zijner heerlijkheid; 32 en vóór hem zullen alle de volkeren vergaderd worden, en hij zal ze van elkander scheiden , gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt; 33 en hij zal de schapen tot zijne rechter/zam/zetten, maar de bokken tot zijne linker-hand. 34 Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen die tot zijne rechtcrAflJirf zijn : Komt gij ge-zegenden mijns Vaders, beerft het Koninkrijk \'t welk u bs- |
|
40 MATTH reidis van de grondlegging der •wereld; 35 want ik ben hongerig geweest en gij hebt mij te eten gegeven, ik ben dorstig geweest en gij hebt mij te drinken gegeven, ik was een vreemdeling en gij hebt mij geherbergd , 3G ik was naakt en gij hebt mij gekleed, ik ben krank geweest en gij hebt mij bezocht ? ik was in de gevangenis en gij zijt tot mij gekomen. .\'57 Dan zullen de rechtvaardigen hem antwoorden, zeggende : Ileere, wanneer hebben wij u hongerig gezien, en gespijzigd? of dorstig en te drinken gegeven? 38 En wanneer hebben wij u een vreemdeling gezien, en geherbergd? of naakt, en gekleed? 39 En wanneer hebben wij u li rank gezien of in de gevangenis, en zijn tot u gekomen? 40 En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar zegge iku, voor zooveel gij dit éi?n van deze mijne minste broeders gedaan hebt, zoo hebt gij dat mij gedaan. 41 Dan zal hij zeggen ook tot degenen die ter linker/iflHrf zijn: Gaat weg van mij, gij vervloekten , in \'het eeuwige vuur hetwelk den duivel en zijnen engelen bereid is; 42 want ik ben hongerig geweest en gij hebt mij niet te eten gegeven, ik ben dorstig geweest en gij hebt mij niet te drinken gegeven, 43 ik was een vreemdeling en gij hebt mij niet geherbergd, naakt en gij hebt mij niet\'gekleed, krank en in de gevangenis en gij hebt mij niet bezocht. 44 Dan zullen ook deze hem antwoorden, zeggende; Hee-re, wanneer hebben wij u hongerig gezien, of dorstig, of een vreemdeling, of naakt, of krank, of in de gevangenis |
EÜS 26. en hebben u niet gediend? 45 Dan zal hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar zegge ik u, voor zooveel gij één van deze minsten niet gedaan hebt, zoo hebt gij het mij óók niet gedaan. 4(5 Eu deze zullen gaan in de eeuwige pijn, maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven. HOOFDSTUK 26. En het is geschied als Jezus alle deze woorden geëindigd had, dat hij tot zijne discipelen zeide; 2 Gij weet dat na twee dagen het Pascha is, en de Zoon des menschen zal overgeleverd worden om gekruisigd te worden. 3 Toen vergaderden de C\'ver- Sriesters en de Schriftgeleer-en en de Ouderlingen des volks in de zaal des Hcoge-nriesters, die genaamd was Kajafas,riesters en de Schriftgeleer-en en de Ouderlingen des volks in de zaal des Hcoge-nriesters, die genaamd was Kajafas, 4 en beraadslaagden te zaïaen, dat zij Jezus met listigaeid vangen en dooden zouden. 5 Doch zij zeiden: Niet op het feest, opdat er geen oproer worde onder het volk. 6 Als nu Jezus te Bethanië was, ten huize van Simon den melaatsche, 7 kwam tot hem eene vrouw hebbende eene albasten flesch met zeer kostelijke zalve, en goot ze uit op zijn hoofd, daar hij aan tafel zat. 8 En zijne discipelen dagziende, namen het zeer kwalijk, zeggende: Waartoe dit ver-lies? 9 Want deze zalve had duur kunnen verkocht en de pen-7iin(/en den armen gegeven worden. 10 Maar Jezus zulks verstaande, zeide tot hen: Waarom doet gij deze vrouw moeite aan ? W ant zij heeft een goed werk aan mij gedaan. 11 Want de armen hebt gij |
|
altijd met u, maar mij hebtgü niet altijd. s 12 Want als zü deze zalve op mijn lichaam Kegoten heeft, zoo heeft zij het gedaan tot eene voorbereiding van mijne begrafenis. 13 Voorwaar zegge ik u, alwaar dit Evangelie gepredikt zal worden in de geheele wereld, daar zal ook tot hare gedachtenis gesproken worden van hetgeen zij gedaan heeft. 14 Toen ging een van de twaalve, genaamd Judas Iska-riot, tot de O verpriesters, 15 en zeide: Wat wilt gij mij geven, en ik zal hem u overleveren? En zij hebben hem toegelegd dertig zilveren pen-ningen. 1G En van toen af zocht hij gelegenheid dat hij hem overleveren mocht. 17 En op den eersten dng der ongezuurde broaden kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende tot hem ; Waar wilt gij dat wij u bereiden het Pascha te eten ? 18 En hij zeide: Gaat henen in de stad tot zulk eenen , en zegt hem: De Meester zegt: Mijn tijd is nabij , ik zal bij u het Pascha houden met mijne discipelen. 19 En de discipelen deden gelijk Jezus hun bevolen had, en bereidden het Pascha. quot;0 En als het avond geworden was zat hij aan met de twaalve. 21 En toen zij aten zeide hij : Voorwaar ik zegge u, dat een van u mij zal verraden. 22 En zij zeer bedroefd geworden zijnde, begon een iegelijk van hen tot hem te zeggen; Ben ik het, Heere? 23 En hii antwoordende zeide: Die de hand met mij in den schotel indoopt, die zal mij verraden. 24 De Zoon des menschen gaat wel henen gelijk van hem geschreven is, maar wee dien mensch door welken de Zoon |
EÜS 26. 41 des menschen verraden wordt: het ware hem goed zoo die mensch niet geboren ware geweest. 25 En Judas die hem verried antwoordde en zeide: Ben ik het Rabbi? Hij zeide tot hem: Gij hebt het gezegd. 2ö En als zij aten nam Jezus het brood, en gezegend hebbende brak hij het, en gaf het den discipelen, en zeide : Neemt, eet, dat is mijn lichaam. 27 En hij nam den drinkbeker , en gedankt hebbende gaf hun dien, zeggende: Drinkt allen daaruit; 23 want dat is mijn bloed, het bloed des nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt tot vergeving der zonden. 29 En ik zegge u, dat ik van nu aan niet zal drinken van deze vrucht des wijnstoks, tot op dien dag, wanneer ik niet u dezelve nieuw zal drinken in het Koninkrijk mijns Vaders. 30 En als zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg. 31 Toen zeide Jezus tot hen: Gij zult allen aan mij geërgerd worden in dezen nacht; want daar is geschreven: Ik zal den herder slaan, en de schapen der kudde zullen verstrooid worden. 32 Maar nadat ik zal opgestaan zijn, zal ik u voorgaan naar Galiléa. 33 Doch Petrus antwoordende zeide tot hem: Al werden zij ook allen aan u geërgerd, ik zal nimmermeer geërgerd worden. 34 Jezus zeide tot hem: Voorwaar ik zegge u, dat gij in dezen zelfden nacht, eer de haan gekraaid zal hebben, mij driemaal zult verloochenen. 35 Petrus zeide tot hem: Al moest ik ook met u sterven, zoo zal ik u geenszins verloochenen. Desgelijks zeiden ook alle de discipelen. |
|
42 MATTH 3G Toen ging Jezus met hen in eene plaats genaamd Geth-semané, en zeide tot de discipelen : Zit hier neder totdat ik ueni\'nga en aldaar zal gebeden hebben. :lt;7 Eu met zich nemende Petrus en de twee zonen van Zebedeüs, begon hij droevig en aeer beangst te worden. :iS Toen zeide hij tot hen: Mijne ziele is geheel bedroefd tot den dood toe: blijft hier en waakt met mij. :lt;(J En een weinig voortgegaan zijnde, viel hij op zijn aangezicht, biddende en zeggende; !M ij n Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van mij voorbijgaan ; doch niet gelijk ik wil, maar gelijk gij wilt. •10 En hij kwam tot de discipelen en vond ze slapende, en aeide tot Petrus: Kunt gijlieden dan niet één uur met mij waken ? •11 Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt: de geest is wel gewillig, maar het vleesch is zwak. 42 Wederom ten tweeden male henengaande bad hij , zeggende: Mijn Vader,indien deze drinkbeker van mij niet voorbij kan gaan tenzij dat ik hem drinke, uw wille geschiede. En komende bij hen, vond hij ze wederom slapende; want hunne oogen waren bezwaard. 44 En hen latende ging hij wederom henen en bad ten derden male, zeggende dezelfde woorden. 45 Toen kwam hij tot zijne discipelen, en zeide tot hen : Slaapt hu voort en rust; zie, de ure is nabij gekomen, en de Zoon des menschen wordtover-geleverd in de handen der zondaren. 40 Staat op, laat ons gaan: zie, hij is nabij die my verraadt. 47 En als hij nog sprak, zie, Judas, een van de twaalve. |
kwam, en met hem eenegroote schare met zwaarden en stokken, gezonded van de Over-priesteren en Ouderlingen des volks. 4S En die hem verried had hun een teeken gegeven, zeggende: Dien ik zal kussen, die is het: grijpt hem. 49 En terstond komende tot Jezus, zeide hij : Wees gegroet, Kabbi: en hij kuste hem. 50 Maar Jezus zeide tot hem: Vriend, waartoe zijt gij hier? Toen kwamen zij toe, en sloegen de handen aan Jezus en grepen hem. 51 En zie, een van degenen die met Jezus waren, de hand uitstekende, trok zijn zwaard uit, en slaande den dienstknecht des Hoogepriesters, hieuw zijn oor af. 52 Toen zeide Jezus tot hem: Keer uw zwaard weder in zijne plaats; want allen die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan. 53 Of meent gij dat ik mijnen Vader nu niet kan bidden, en hij zal mij meer dan twaalf legioenen Engelen bijzetten? 54 Hoe zouden dan de Schriften vervuld vioramp;m, die zeggen dat het alzóó geschieden moet? 55 Ter zelfdêr ure sprak Jezus tot de scharen: Gij zijt uitgegaan als tegen eenen moordenaar, met zwaarden en stokken, om mij te vangen: dagelijks zat ik bij u, lecrende in den Tempel, en gij hebt mij niet gegrepen; 5ö doch dit alles is geschied opdat de Schriften der Profeten zouden vervuld worden. Toen vluchtten alle de discipelen, hem verlatende. 57 Die nu Jezus gevangen hadden , leidden hem henen tot Kajafas den Hoogepriester, alwaar de Schriftgeleerden en Ouderlingen vergaderd waren. 58 En Petrus volgde hem van verre tot aan de zaal des Hooge- |
|
priesters, en binnenffejfaan zijnde zat hij bij de dienaren, om het einde te zien. 59 En de O ver priesters cn de Ouderliu^en en de geheele groote Raad zochten valsche getuigenis tegen Jezus , opdat zij hem dooden mochten, en vonden niet; (10 en hoewel daar vele valsche getuigen toegekomen waren . zoo vonden zij toch niet. Gl Maar ten laatste kwamen twee valsche getuigen, en zeiden: Deze heeft gezegd: Ik kan den Tempel Gods afbreken , en in drie dagen denzelven opbouwen. (i- En de Iloogepriester opstaande zeide tot hem: Antwoordt gij niets? Wat getuigen deze tegen u ? 63 Doch Jezus zweeg stil. En de Iloogepriester antwoordende zeide tot hem: Ik bezweer u bij den levenden God, dat gij ons zegt of gij zijt de Christus, de Zone Gods ? (54 Jezus zeide tot hem: Gij hebt het gezegd. Doch ik zegge ulieden. van nu aan zult gij zien den Zoon des menschen zittende ter rechter/iaHrf der kracht Gods, en komende op de wolken des hemels. lt;gt;5 Toen verscheurde de Iloogepriester zijne kleederen, zeggende: Hij heeft God gelasterd: wat hebben wij nog getuigen van noode ? Zie, nu hebt gij zijne i/odslastering gehoord: (gt;(gt; wat dunkt ulieden ? En zij antwoordende zeiden: Hij is des doods schuldig. (37 Toen spuwden zij in zijn aangezicht, en sloegen hem met vuisten; (gt;S en anderen gaven hem kinnebakslagen, zeggende: 1\'ro-feteer ons, Christus, wie is het die u geslagen heeft? 69 En Petrus zat buiten in de zaal; en eene dienstmaagd kwam tot hem, zeggende: Gij waart óók met Jezus den Ga-lileër. |
lEÜS 27. 43 70 Maar hij loochende het voor allen, zeggende: Ik weetniet wat gij zegt. 71 En als hij naar de voorpoort uitging, zag hem eene andere dicnatmaayd, en zeide tot degenen die aldaar waren : Deze was óók met Jezus deu Kazarener. 72 En hij loochende het wederom met eenen eed, zegyende: Ik ken den mensch niet. 73 En een weinig daarna, die daar stonden bijkomende zeiden tot Petrus: Waarlijk gij zijt óók van die, want ook uwo spraak maakt u openbaar. 74 Toen begon hij zich te vervloeken, en te zweren: Ik ken den mensch niet. 75 En terstond kraaide da haan; en l\'etrus werd indachtig aan het woord van Jezus, dio tot hem gezegd had; Eer de haan gekraaid zal hebben zult gij mij driemaal verloochenen. En naar buiten gaando weende hij bitterlijk. HOOFDSTUK 27. Als het nu morgenstond gp-worden was, hebben alle de Overpriesters en de Ouderlingen des volks te zamen raatl genomen tegen Jezus, dat zij hem dooden zouden; 2 en hem gebonden hebbende, leidden zij hem weg, en gaven hem over aan Pontius Pilatus den Stadhouder. 3 Toen heeft Judas dis hem verraden had, ziende dat hij veroordeeld was, berouw gehad, en heeft de dertig zilveren 2)fiiiiiuyen den Overpriesteren en den Ouderlingen wederge-bracht, 4 zeggende: Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed. Maar zij zeiden: Wat gaat ons dat aan? Gij moogt toezien. 5 En als hij de zilveren pen\' ningeu in den Tempel geworpen had vertrok hij, en henen-gaande verworgde zichzelven. |
|
42 MATTH 3G Toen sins Jezus met hen in eene plaats genaamd Geth-semané, en zeide tot de discipelen : Zit hier neder totdat ik uenenga en aldaar zal gebeden hebben. :gt;7 En met zich nemende Petrus en de twee zonen van Zebedeüs, begon hij droevig en aeer beangst te worden. :5S Toen zeide hij tot hen: Mijne ziele is geheel bedroefd tot den dood toe: blijft hier en waakt met mij. 39 En een weinig voortgegaan zijnde, viel hij op zijn aangezicht, biddende en zeggende: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van mij voorbijgaan ;doch niet gelijk ik wil, maar gelijk gij icilt. •10 En hij kwam tot de discipelen en vo-idze slapende, en aeide tot Petrus: Kunt gijlieden dan niet één uur met mij waken ? 41 Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt: de jreest is wel gewillig, maar het vleesch is zwak. •lü Wederom ten tweeden male henengaande bad hij , zeggende: Mijn Vader, indien deze drinkbeker van mij niet voorbij kan gaan tenzij dat ik hem drinke, uw wille geschiede. 43 En komende bij hen, vond hij ze wederom slapende; want hunne oogen waren bezwaard. 44 En hen latende ging hij wederom henen en bad ten derden male, zeggende dezelfde woorden. 45 Toen kwam hij tot zijne discipelen, en zeide tot hen: Slaapt nu voort en rust; zie, de ure is nabij gekomen, en de Zoon desmenschen wordtover-geleverd in de handen der zondaren. 46 Staat op, laat ons gaan: zie, hij is nabij die mij verraadt. 47 En als hij nog sprak, zie, Judas, een van de twaalve. |
5ÜS 26. kwam, en met hem eenegroote schare met zwaarden en stokken, gezonden van de Over-priesteren en Ouderlingen des volks. 4S En die hem verried had hun een teeken gegeven, zeggende: Dien ik zal kussen, die is het: grijpt hem. 49 En terstond komende tot Jezus, zeide hij : Wees gegroet, liabbi: en hij kuste hem. ó0 Maar Jezus zeide tot hem: Vriend, waartoe zijt gij hier? Toen kwamen zij toe, en sloegen de handen aan Jezus en grepen hem. 51 En zie, een van degenen die met Jezus waren, de hand uitstekende, trok zijn zwaard uit, en slaande den dienstknecht des Hoogepriesters, hieuw zijn oor af. 52 Toen zeide Jezus tot hem: Keer uw zwaard weder in zijne plaats; want allen die het zwaard nemen , zullen door het zwaard vergaan. 53 Of meent gij dat ik mijnen Vader nu niet kan bidden, en hij zal mij meer dan twaalf legioenen Èngelen bijzetten ? 54 Hoe zouden dan de Schriften vervuld worden, dat het alzóó geschieden moet? 55 Ter zelfder ure sprak Jezus tot de scharen: Gij zijt uitgegaan als tegen eenen moordenaar, met zwaarden en stokken, om mij te vangen: dagelijks zat ik quot;bij u, leerende in den Tempel, en gij hebt mij niet gegrepen; 56 doch dit alles is geschied opdat de Schriften der Profeten zouden vervuld worden. Toen vluchtten alle de discipelen, hem verlatende. 57 Die nu Jezus gevangen hadden , leidden hem henen tot Kajafas den Iloogepriester, alwaar de Schriftgeleerden en Ouderlingen vergaderd waren. 58 En Petrus volgde hem van verre tot aan de zaal des Hooge- |
|
priesters, en binnengegaan zijnde znt hij bij de dienaren, om het einde te zien. 59 En de Overpricsters en de Ouderlinsjen en de geheele groote Raad zochten valsche getuigenis tegen Jezus, opdat zij hem dooden mochten, en vonden niet; (50 en hoewel daar vele valsche getuigen toegekomen waren , zoo vonden zij toch niet. Cl Maar ten laatste kwamen twee valsche getuigen, en zeiden: Deze heeft gezegd: Ik kan den Tempel Gods afbreken , en in drie dagen denzelven opbouwen. 02 En de Iloogepriester opstaande zeide tot hem: Antwoordt gij niets? Wat getuigen deze tegen u ? quot;(53 Doch Jezus zweeg stil. En de Iloogepriester antwoordende zeide tot hem: Ik bezweer u bij den levenden God , dat gij ons zegt of gij zijt de Christus, de Zone Gods? G4 Jezus zeide tot hem; Gij hebt het gezegd. Doch ik zegge ulieden, van nu aan zult gij zien den Zoon des menschen vittende ter rechter/ut/ui der kracht Goda, en komende op de wolken des hemels. \'J5 Toen verscheurde de Iloogepriester zijne kleedereu, zeggende: Hij heeft God gelasterd: wat hebben wij nog getuigen van noode? Zie, nu hebt gij zijne godslastering gehoord: tiü wat dunkt ulieden ? En zij antwoordende zeiden: Hij is des doods schuldig. ü7 Toen spuwden zij in zijn aangezicht, en sloegen hem met vuisten: (iS en anderen gaven hem kinnebakslagen, zeggende: Profeteer ons, Christus, wie is het die u geslagen heeft ? (19 En Petrus zat buiten in de zaal; en eene dienstmaagd kwam tot hem,zeggende: Gij waart óók met Jezus den Ga-lileër. |
:EÜS 27. 43 70 Maar hij loochende het voor allen, zeggende: Ik weetniet wat gij zegt. 71 En als hij naar de voorpoort uitging, zag hem eene andere dienstmaagd ^ en zeide tot degenen die aldaar waren .• Deze was óók met Jezus deu Nazarener. 72 En hij loochende het wederom met eenen eed, zeggende: Ik ken den mensch niet. 73 En een weinig daarna, die daar stonden bijkomende zeiden tot Petrus: Waarlijk gij zijt óók van die, want ook uwu spraak maakt u openbaar. 74 Toen begon hij zich te vervloeken, en te zweren: Ik ken den mensch niet. 75 En terstond kraaide da haan; en Petrus werd indachtig aan het woord van Jezus, dio tot hem gezegd had: Eer de haan gekraaid zal hebben zult gij mij driemaal verloochenen. En naar buiten gaande weendü hij bitterlijk. HOOFDSTUK 27. Als het nu morgenstond geworden was, hebben alle do Overpriesters en de Ouderlingen des volks te zamen raail genomen tegen Jezus, dat zij hem dooden zouden; 2 en hem gebonden hebbende, leidden zij hem weg, en gaven hem over aan Pontius Pilatus den Stadhouder. 3 Toen heeft- Judas die hem verraden had, ziende dat hij veroordeeld was, berouw gehad, en heeft de dertig zilveren penningen den Overpriesteren en den Ouderlingen wederge-bracht, 4 zeggende: Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed. Maar zij zeiden: Wat gaat ons dat aan ? Gij moogt toezien. 5 En als hij de zilveren pen-ninaen in den Tempel geworpen had vertrok hij, en henen-gaande verworgde zichzelveu. |
MATTHEUS 27.
44
|
6 En de Overpriesters de zilveren penningen nemende, zeiden: Het is niet geoorloofd dezelve in de offerkist te leggen, dewijl bet een prijs des bloeds is. 7 En te zamen raad genomen hebbende, kochten zij daarmede den akker des pottenbakkers, tot eene begrafenis voor de vreemdelingen. 8 Daarom is die akker genaamd de akker des bloeds tot op den huidigen dag. 9 Toen is vervuld geworden hetgeen gesproken is door den Profeet Jeremia, zeggende; En zij hebben de dertig zilveren penningen genomen, de waarde van den gewaardeerde van de kinderen Israels, denwelken zij gewaardeerd hebben, 10 en hebben dezelve gegeven voor den akker des pottenbakkers ; volgens hetgeen mij de Heere bevolen heeft. 11 En Jezus stond voor den Stadhouder; en de Stadhouder vraagde hem, zeggende: Zijt gij de Konins der Joden? En Jezus zeide hem: Gij zegt het. 12 En als hij van de Overpriesters en de Ouderlingen beschuldigd werd, antwoordde hij niets. 13 Toen zeide Filatus tot hem: Hoort gij niet hoevele zaken zij tegen u getuigen? 14 Maar hij antwoordde hem niet op een d^nig woord, alzoo dat de Stadhouder zich zeer verwonderde. 15 En op het feest was de Stadhouder gewoon den volke eenen gevangene los te laten, welken zij wilden. 16 En zij hadden toen eenen welbekenden gevangene, genaamd Barabbas. 17 Als zij dan vergaderd waren , zeide Pilatus tot hen: quot;Welken wilt sjij dat ik u zal loslaten, Barabbas of Jezus die genaamd wordt Christus? 18 Want hij wist dat zij hem door nijdigheid overgeleverd hadden. |
19 En als hij op den rechterstoel zat, zoo heeft zijne huisvrouw tot hem gezonden , zeggende : Heb toch niets te doen met dien rechtvaardige, want ik heb heden veel geleden in den droom om zijnentwil. 20 Maar de Overpriesters en de Ouderlingen hebben de scharen aangeraden , dat zij zouden Barabbas begeeren en Jezus dooden. 21 En de Stadhouder antwoordende zeide tot hen: Welken van deze twee wilt gij dat ik u zal loslaten ? En zij zeiden: Barabbas. 22 Pilatus zeide tot hen: Wat zal ik dan doen met Jezus die genaamd wordt Christus? Zij zeiden allen tot hem: Laat hij gekruisigd worden. 23 Doch de Stadhouder zeidequot;: Wat heeft hij dan kwaads gedaan? En zij riepen te meer, zeggende: Laat hij gekruisigd worden. 24 Als nu Pilatus zag dat hij i niets vorderde, maar veel meer dat er oproer werd, nam hij water en wiesch de handen voor de schare, zeggende: Ik ben onschuldig aan het bloed dezes rechtvaardigen: gijlieden ( moogt toezien. 25 En al het volk antwoordende zeide: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen. 2(5 Toen liet hij hun Barabbas los, maar Jezus Ke,s:eeseld hebbende, gaf hij hem over om gekruisigd te worden. 27 Toen namen do krijgsknechten des Stadhouders Jezus met zich in het Rechthuis , en vergaderden over hem de gansche bende. 1 2S En als zij hem ontkleed hadden, deden zij hem eenen. purperen mantel om; 29 en eene kroon van doornen gevlochten hebbende, zet-teden zij die op zijn hoofd, en eenen rietstok in zijne rech-terhand; en vallende op hunne |
|
knieën voor liem, bespotteden zij hem, zesscnde: Wees gegroet gij Koning der Joden; ft) en op hem gespuwd hebbende , namen zij den rietstok en sloegen op zijn hoofd. .\'il En toen zij hem bespot hadden, deden zij hem den mantel af, en deden hem zijne kleederen aan, en leidden hem henen om te kruisigen. 32 En uitgaande vonden zij eenen man van Cyrene, met name Simon; dezen dwongen zij dat hij zijn kruis droeg. .\'(3 En gekomen zijnde tot de plaats genaamd Golgotha, welke is gezegd Iloofdschedel-plaats, 34 gaven zij hem te drinken edik met gal gemengd; en als hij dien geproefd had, wilde hij niet drinken. 35 Toen zij nu hem gekruisigd hadden, verdeelden zij zijne kleederen, het lot werpende; opdat vervuld zoude worden hetgeen gezegd is door den Profeet: Zij hebben mijne kleederen onder zich verdeeld, en hebben het lot over mijne kleeding geworpen. En zij nederzittende bewaarden hem aldaar. 37 En zij stelden boven zijn hoofd zijne beschuldiging geschreven: Deze is Jezus de Koning der Joden. 38 Toen werden met hem twee moordenaars gekruisigd, •^n ter rechter- en één ter lin-kerciüZe. 39 Én die voorbij eingen lasterden hem, schuddende hunne hoofden 40 en zeggende: Gij die den Tempel afbreekt en in drie da-gen opbouwt, verlos uzelven ; indien gij de Zoon Gods zijt, zoo kom af van het kruis. *11 En desgelijks ook de Over-priesters met de Schriftgeleerden en Ouderlingen en Fari-zeërs hem bespottende, zeiden: 42 Anderen heeft hij verlost, hij kan zichzelven niet ver- |
ÊÜS 27. 45 lossen; indien hij de Koning Israels is, dat hij nu afkome van het kruis, en wy zullen hem gelooven. 43 Ilij heeftop God betrouwd: dat hij hem nu verlosse , indien hij hem wel wil; want hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon. 44 Én hetzelfde verweten hem ook de moordenaars die met hem gekruisigd waren. 45 En van de zesde ure aan werd er duisternis over de ge-heele aarde, tot de negende ure toe. 46 En omtrent de negende ure riep Jezus met eene groote stemme, zeggende: ElI, Ei-i, lama sabacutani, dat is: mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten! 47 En sommigen van die daar stonden zulks hoorende, zeiden: Deze roept Elia. 48 En terstond een van hen lt;oeloopende nam een spons, en die met edik gevuld hebbende stak ze op eenen rietstok, en gaf hem te drinken. 49 Poch de anderen zeiden: Houd op, laat ons zien of Elia komt om hem te verlossen. 50 En Jezus wederom met eene groote stemme roepende, gaf den geest. 51 En zie, het voorhangsel des Tempels scheurde in twee-en, van boven tot beneden, en de aarde beefde, en de steenrotsen scheurden, 52 en de graven werden geopend, en vele lichamen der heiligen die ontslapen waren werden opgewekt; 53 en uit de graven uitgegaan zijnde na zijne opstanding, kwamen zij in de heilige stad, en zijn velen verschenen. 54 En de hoofdman over honderd, en die met hem Jezus bewaarden, ziende de aardbeving en de dingen die geschied waren werden zeer bevreesd, zeggende: quot;Waarlyk, deze was Gods Zoon. 55 En aldaar waren vele vrou- |
MATTIIEUS 28.
HOOFDSTUK 28.
. En laat nn den sabbat, als het begon te lichten tegen den eersten iUkj der week, kwam Maria Magdalena en de andere Maria om liet graf te bezien.
2 En zie, daar geschiedde eene groote aardbeving; want een Engel des Heeren nederdalende uit den hemel, kwam toe en wentelde den steen af van de deur, en zat op denzelven.
3 En zijne gedaante was gelijk een bliksem, en zijne kleeding wit gelijk sneeuw.
•1 En uit vreeze van hem zijn de wachters zeer verschrikt geworden, en werden als dooden.
5 Maar de Engel antwoordende zeide tot de vrouwen: Vreest gijlieden niet; want ik weet dat gij zoekt Jezus die I gekruisigd was.
(5 Hij is hier niet, want hij is 1 opgestaan, gelijk hij gezegd heeft. Komt herwaarts, ziet de plaats waar de Heere ge-1 legen heeft. .....
7 En gaat haastelijk henen en zegt zijnen discipelen, dat hij opgestaan is van de dooden; en zie, hij gaat u vóór naar Galiléa; daar zult gij hem zien. Zie, ik heb het uliedengezegd.
8 En haastelijk uitgaande van het graf, met vreeze en groote blijdschap, liepen zij henen om hetzelve zijnen discipelen te boodschappen.
9 En als zij henengingen om zijnen discipelen te boodschappen, zie, Jezus is haar ontmoet, zeggende: Weest gegroet. En zij tot hem komende grepen zijne voeten en aanbaden hem.
10 Toen zeide Jezus tot haar : Vreest niet; gaat henen, bood-schapt mijnen broederen, dat zij henengaan naar Galiléa, en aldaar zullen zij mij zien.
11 Eu als zij henengingen, zie, eenlgen van de wacht kwamen in de stad, en beou-schapten den Overpriesters
wen van Tcrrcafinsclionwcndc, die Jezus gevolgd waren van Galiléa om hem te dienen ; SC onder dewelke was Maria Magdalena, en Maria de moeder van Jacobus en Joses, en de moeder der zonen van Ze-bedeüs.
57 En als liet avond geworden w.is, kwam een rijk man van Arimathéa, met name Jozef, die ook zelf een discipel van Jezus was;
58 deze kwam tot 1\'ilatus en begeerde het lichaam van Jezus. Toen beval l\'iiatus dat hem het lichaam gegeven zoude worden.
SO En Jozef het lichaam nemende , wond hetzelve in een zuiver lijn lijnwaad,
fiO en leide dat in zijn nieuw graf, hetwelk hij in eene steenrots uitgehouwen had; en ee-nen grooten steen tegen de deur des grafs gewenteld heb- | bende, ging hij weg. j
«gt;1 En aldaar was Maria Mag-dale na en de .andere Maria, zittende tegenover het graf. (gt;2 Des anderen daags nu, welke is na de voorbereiding, vergaderden de Overpriesters en de Farizeërs tot Vilatus, (gt;?, zeggende: Ileere, wij zijn indachtig dat deze verleider nog levende gezegd heeft: ^ drie dagen zal ik opstaan. «4 Beveel dan dat het graf verzekerd worde tot den derden dag toe, opdat zijne discipelen misschien niet komen bij nacht en hem stelen, en zeggen tot het volk: Hij is opgestaan van de dooden: en zoo zal de laatste dwaling erger zijn dan de eerste.
(»5 En Pilatus zeide tot hen: hebt eene wacht; gaat
henen, verzekert het gelijk gij \'t verstaat.
En zij henengaande verzekerden het graf met de wacht, den steen verzegeld hebbende.
|
allfi de dingen die geschied ■waren. 12 En zij vergaderd zijnde met de Ouderlingen, en te zamen raad genomen hebbende, gaven zij den krijgsknechten veel geld, 13 on zeiden: Zegt: Zijne discipelen zijn des nachts gekomen en hebben hem gestolen, als wij sliepen. 14 En indien zulks komt gehoord te worden van den Stadhouder. wij zullen hem tevreden stellen en maken dat gij zonder zorg zijt. 15 En zij het geld genomen hebbende, deden gelijk zij geleerd waren. En dit woord is verbreid geworden bij de Joden tot op den huidigen dag. |
1G En dc elf discipelen zijn henengegaan naar Galiléa, naar den berg waar Jezus hen bescheiden had. 17 En als zij hem zagen, baden zij hem aan; doch sommigen twijfelden. 18 En Jezus bij hen komende sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. 19 Gaat dan henen, onderwijst alle de volkeren, dezelve doo-pende in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, leerende hen onderhouden alles wat ik u geboden heb. 20 En zie, ik ben met ulieden alle de dasen tot de voleinding der wereld. Amcu. |
HET HEILIG EVANGELIE
NAAR DE BESCHRIJVING VAN
MARCUS.
|
nOOFDSTUK 1. Het begin des Evangelies van Jkt.us Curistus den Zoon Gods. 2 Gelijk geschreven is in de Profeten; Zie, ik zende mijnen Engel voor uw aangezicht, die uwen weg voor u henen bereiden zal: 3 de stemme des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt zijne paden recht. 4 Johannes was doopendein de woestijn, en predikendeden doop der bekeering totverge-vinjf der zonden. •7 En al het Joodsche land ging tot hem uit, en die van Jeruzalem, en werden allen van hem gedoopt in de rivier den Jordaan, belijdende hunne zonden. |
6 En Johannes was gekleed met kemelshaar, en met eenen lederen gordel om zijne lendenen en at sprinkhanen en wilden honig. 7 En hij predikte, zeggende; Na mij komt die sterker is dan ik, wien ik niet waardig ben nederbukkende den riem zijner schoenen te ontbinden. 8 Ik heb ulieden wel gedoopt met water, maar hij zal u doo-pen met den Heiligen Geest. ü En het geschiedde in die dagen dat Jezus kwam van Nazareth, gelegen in Galiléa, en werd van Johannes gedoopt in den Jordaan. 10 En terstond als hij uit het water opklom, zag hij de he- |
|
48 MAR( raclen opengaan, en den Geest jrelijk eene duive op hem nederdalen. 11 En daar geschiedde eene stom uit de hemelen ; Gij zijt mijn geliefde Zoon , in denwel-keu ik mijn welbehagen heb. 12 En terstond dreef hem de Geest uit in de woestijn. 13 En hij was aldaar in de woestijn veertig dagen, verzocht van den satan , en was bij de wilde gedierten, en de Engelen dienden hem. 11 En nadat Johannes overgeleverd was, kwam Jezus van Galiléa, predikende het Evangelie van het Koninkrijk Gods, 15 en zeggende: De tijd is vervuld, en het Koninkrijk Gods nabij gekomen: bekeert u en gelooft het Evangelie. 10 En wandelende bij de Gali-leesche zee, zag hij Simon en Andreas zijnan broeder, werpende het ne; in de zee, (want zij waren visschers); 17 en Jezus zeide tot hen: Volgt mij na, en ik zal maken dat gij visschers der menschen zult worden. 18 En zij terstond hunne netten verlatende, zijn hem gevolgd. 19 En van daar een weinig voortgegaan zijnde, zag hij Jacobus den zoon van Zebedeüs, en Johannes zijnen broeder, en hen in liet schip hunne netten vermakende; 20 en terstond riep hij ze; en zij latende hunnen vader Zebedeüs in hot schip met de huurlingen, zijn hem nagevolgd. 21 En zij kwamen binnen Ka-pornaüm; en terstond op den sabbatdag in de Synagoge gegaan zijnde, loerde hij. 22 En zij stonden verslagen over zijne leer; want hij leerde hen als machthebbende, en niet als de Schriftgeleerden. 23 En daar was in hunne Synagoge een mensch met eenên onreinen geest, en hij riep uit, 24 zeggende: Laat af, wat |
US 1. hebben wij met u te doen, gij Jezus Nazarener? Zyt gij gekomen om ons te verderven? Ik ken u wie gij zijt, nawjeiyA: de Heilige Gods. 25 Enquot; Jezus bestrafte hem, zeggende: Zwijg stil en ga uit van hem. 20 En de onreine geest hem scheurende, en roepende met eene groote stem, ging uit van hom. 27 En zij werden allen verbaasd , zoodat zij onder elkander vraagden , zeggende: Wat is dit ? Wat nieuwe loer is deze, dat hij met macht ook den onreinen geesten gebiedt, en zij hom gehoorzaam zijn! 28 En zijn gerucht ging terstond uit in het geheele omliggende land van Galiléa. 29 En van stonde aan uit de Synagoge gegaan zijnde, kw.i-men zij in het huis van Simon en Andréas, met Jacobus en Johannes. 30 En Simons vrouws moeder lag met de koorts; en terstond zeidon zij hem van haar. 31 En hij tot haar gaande vatte hare hand, en richtte ze op; en terstond verliet haar de koorts, en zij diende hen. 32 Als hot nu avond geworden was, toen de zon onderging, brachten zij tot hem allen die kwalijk gesteld en van den duivel bezeten waren. 33 En de geheele stad was bijéénvergaderd omtrent de deur. 34 En hij genas er velen die door verscheidene ziekten kwalijk gesteld waren, en wierp vele duivelen uit, en liet de duivelen niet toe te spreken, omdat zij hem kenden. 35 En \'s morgens vroeg, als het nog diep in den nacht was, opgestaan zijnde ging hij uit en ging henen in eene woeste plaats, on bad aldaar. 30 En Simon en die met hem waren zijn hem nagevolgd. 37 En zij hem gevonden heb- |
|
bende, zeiden tot hem: Zü zoeken u allen. 38 En hij zeide tot hen : Laat ons in de bijliggende vlekken {jaan, opdat ik ook dddr pre-dike; want daartoe ben ik uitgegaan. 39 En hij predikte in hunne S3rnagogen, door geheel Gali-Ida, en wierp de duivelen uit. 40 En tot hem kwam een melaatsche, biddende hemen vallende voor hem op de knieën, en tot hem zeggende: Indien gij wilt, gij kunt my reinigen. 11 En Jezus met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, strekte de hand uit en raakte hem aan, en zeide tot hem: Ik wil, word gereinigd. 42 Eu als hij dit gezegd had, ging de melaatschheid terstond van hem, en hij werd gereinigd. 4.\'$ En als hij hem strengelijk verboden had, deed hij hem terstond vètti zich gaan, 44 en zeide tot hem: Zie dat gij niemand iets zegt; maar ga henen en vertoon uzelven den I\'riester, en offer voor uwe reiniging hetgeen Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis. 45 Maar hij uitgegaan zijnde l egon vele dingen te verkondigen en dat woord te verbreiden, alzoo dat hij niet meer openlijk in de stad kon komen, maar was buiten in de woeste plaatsen, en zij kwamen tot hem van alle kanten. HOOFDSTUK 2. En na sommige dagen is hij wederom binnen Kapernaüm gekomen. En het werd geboord dat hij in huis was; 2 en terstond vergaderden daar velen, alzoo dat ook zelfs de jilaatsen omtrent de deur hen niet meer konden bevatten ; en hij sprak het Woord tot hen. 3 En daar kwamen sommigen tot hem, brengende eenen ge- |
ÜS 2. 41) raakte, die van vier godragen werd. 4 En niet kunnende tot hem genaken wegens de schare, ontdekten zij het dak waar hij was ; en dat opengebroken hebbende, lieten zij het beddeken neder daar de geraakte op lag. 5 En Jezus hun geloof ziende, zeide tot den geraakte: Zoou, uwe zonden zijn u vergeven. 6 En sommigen van de Schriftgeleerden zaten aldaar, en. overdachten in hunne harten: 7 Wat spreekt deze aldus godslasteringen? Wie kan de zonden vergeven dan alleen God? 8 En Jezus terstond in zijnen geest bekennende dat zij alzóó in zichzelve overdachten, zeide tot hen: Wat overdenkt gij deze dingen in uwe harten. 9 Wat is lichter, te zeggen tot den geraakte: De zonden zijn u vergeven, of te zeggen; Sta op en neem uw beddeken oj), en wandel ? 10 Doch opdat gij moogt weten dat de Zoon des men-schen macht heeft om de zonden op de aarde te vergeven (zeide hij tot den geraakte): 11 Ik zegge u, sta op en neem uw beddeken op, en ga henen naar uw huis. 12 En terstond stond hij op, en het beddeken opgenomen hebbende, ging hij uit in aller tegenwoordigheid; zoodat zij zich allen ontzetteden, en verheerlijkten God, zeggende: Wij hebben nooit zulks gezien. 13 En hij ging wederom uit naar de zee; en de geheele schare kwam tot hem, en hij leerde ze. 14 En voorbijgaande, zag hij Levi den zoon van Alfeüs zitten in het tolhuis, en zeide tot hem: Volg mij. En hij opstaande volgde hem. 15 En het geschiedde als hij aanzat in deszelfs huis, dat ook vele tollenaren en zondaren aanzaten met Jezus en |
|
50 MAR zijne discipelen: want zij waren velen, en waren hem gevolgd. 16 En de Schriftseleerden en lt;le Farizeërs, ziende hem eten met de tollenaren en zondaren, zeiden tot zijne discipelen: quot;Wat is het, dat hij met de tollenaren en zondaren eet en drinkt? 17 En Jezus dat hoorende, zeide tot hen: T)ie frezond zijn hebben den medicijnmeester niet van noode, maar die ziek zijn. Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekeering. 18 En de discipelen van Johannes en van de Farizeürs vastten; en zij kwamen en zeiden tot hem: quot;Waarom vasten de discipelen van Johannes en van de Farizeërs, en uwe discipelen vasten niet ? 19 En Jezus zeide tot hen: Kunnen ook de bruiloftskinderen vasten terwijl de bruide-jrom bij hen is? Zoo langen tijd zij den bruidegom bij zich hebben, kunnen zij niet vasten; 20 maar de dagen zullen komen wanneer de bruidegom van hen zal weggenomen zijn, en alsdan zullen zij vasten in die dagen. 21 En niemand naait eenen lap ongevold laken op een oud kleed; anders scheurt deszelfs nieuwe aangenaaide lap iets af van het oude kleed, en daar wordt een erger scheur. 22 En niemand doet nieuwen wijn in oude lederen zakken; anders doet de nieuwe wijn de lederen zakken bersten, en de wijn wordt uitgestort, en de lederen zakken verderven; maar nieuwen wijn moet men in nieuwe lederen zakken doen. 23 En het geschiedde dat hij op eenen sabbatdag door het gezaaide ging, en zijne discipelen begonnen, al gaande, a-ren te plukken. . 24 En de Farizeürs zeiden tot hem: Zie, waarom doen zij op |
IUS 3. den sabbatdag wat niet geoorloofd is? 25 En hij zeide tot hen: Hebt gij nooit gelezen wat David gedaan heeft, als hij nood had, en hem hongerde en dengenen die met hem waren ? 2(5 hoe hij ingegaan is in het Huis Gods, ten tijde van Abja-thar den lloogepriester, en de toonbrooden gegeten heeft, die het niemand geoorloofd is te eten dan den Priesteren, en ook gegeven heeft dengenen die met hem waren ? 27 En hij zeide tot hen; De sabbat is gemaakt om den mensch, iliet de mensch om den sabbat: 28 zoo is dan de Zoon des menschen een Heer ook van den sabbat. HOOFDSTUK 3. En hij ging wederom in de Synagoge. En aldaar was een mensch hebbende eene verdorde hand; 2 en zij namen hem waar, of hij op den sabbat hem genezen zoude, opdat zij hem beschuldigen mochten. 3 En hij zeide tot den mensch die de verdorde hand had: Sta op in het midden. 4 En hij zeide tot hen : Is het geoorloofd op sabbatdagen goed te doen of kwaad te doen? eenen mensch te behouden of te dooden ? En zij zwegen stil. 5 En als hij ze met toorn rondom aangezien had, metéén bedroefd zijnde over de verharding van hun hart, zeide hij tot den mensch: Strek uwe hand uit; en hij strekte ze uit, en zijne hand werd hersteld, gezond gelijk de andere. (» En de Farizeërs uitgegaan zijnde, hebben terstond met de Herodianen te zamen raad gehouden tegen hem, hoe zij hem zouden dooden. 7 En Jezus vertrok met zijne discipelen naar de zee, en hem |
|
völsde eene ^rootc menigte van Galiléa, en van Judéa, 8 en van Jeruzalem, en van Idum^a, en van over den Jor-daan; en die van omtrent Tyrns en Sidon, eene groote menigte, gehoord hebbende hoe groote (lingen hij deed, kwamen tot hem. 9 En hij zeide tot zijne discipelen, dat een scheepken steeds omtrent hem blijven zoude, om der schare wille, opdat zij hem niet zouden verdringen; 10 want hij had er velen genezen , alzoo dat alle degenen die eenige kwalen hadden hem overvielen, opdat zij hem mochten aanraken. 11 En de onreine geesten, als zij hem zaffen, vielen voor hem neder en riepen, zeggende: Gij zijt de Zoon Gods. 12 En hij gebood hun scher-pelijk dat zij hem niet zouden openbaar maken. 13 En hij klom op den berg, en riep tot zich die hij wilde; en zij kwamen tot hem. 14 Én hij stelde er twaalf, r pdat ze met hem zouden zijn , en opdat hij dezelve zoude uit-z mden om te prediken , lü en om macht te hebben d.» ziekten te genezen en de d iivelen uit te werpen. 16 En Simon gaf hij den toenaam Petrus; 17 en Jacobus den zoon van Zebedeüs, en Johannes den broeder van Jacobus, en gaf hun foenamen Boanerges, hetwelk is zonen des donders; 15 en Andreas, en Filippus, en Bartholomeüs, en Mattheüs, en Thomas, en Jacobus den zoon van Alfeüs , en ThaddeUs, m Simon Kananites, 19 en Judas Iskariot, die hem lok verraden heeft. 20 En zij kwamen in huis, en daar vergaderde wederom eene schare, alzoo dat zij ook zelfs niet konden brood eten. 21 En als degenen die hem bestonden dit hoorden, gin- |
US 3. 51 gen zij uit om hem vast te houden; want zij zeiden: Hij is buiten zijne zinnen. 22 En de Schriftgeleerden die van Jeruzalem afgekomen waren, zeiden: Hij heeft Beël-zebul, en door den overste der duivelen werpt hij de duivelen uit. 2\'lt; En hen tot zich geroepen hebbende, zeide hij tot hen in gelijkenissen: Hoe kan de satan den satan uitwerpen ? 24 En indien een koninkrijk tegen zichzelf verdeeld is, zoo kan dat koninkrijk niet bestaan ; 25 en indien een huis tegen zichzelf verdeeld is, zoo kan dat huis niet bestaan ; 2G en indien de satan tegen zichzelven opstaat en verdeeld is, zoo kan hij niet bestaan, maar heeft een einde. 27 Daar kan niemand in het huis eens sterken ingaan en zijne vaten ontrooven, indien hij niet eerst den sterke bindt; en aldAn zal hij zijn huis be-rooven. 2S Voorwaar ik zegge u , dat alle de zonden den kinderen der menschen zullen vergeven worden, en allerlei lasteringen waarmede zij zullen gelasterd hebben; 29 maar zoo wie gelasterd zal hebben tegen den Heiligen Geest, die heeft geene vergeving in eeuwigheid, maar hij is schuldig des eeuwigen oordeels. 30 Want zij zeiden: Hij heeft eenen onreinen geest. 31 Zoo kwamen dan zijne broeders en zijne moeder, en buiten staande zonden zij tot hem en riepen hem. 32 En de schare zat rondom hem; en zij zeiden tot hem: Zie , uwe moeder en uwe broeders daar buiten zoeken u. 33 En hij antwoordde hun, zeggende: Wie is mijne moeder of mijne broeders? 34 En rondom overzien heb- |
|
bende die öm hem zaten, zeide hij: Zie, mijne moeder en mijne broeders. 35 Want zoo wie den wille Gods doet, die is mijn broeder en mijne zuster en moeder. HOOFDSTUK 4. En hij begon wederom te leeren omtrent de zee; en daar vergaderde eene jiroote schare bij hem, alzoo dat hij in het schip gegaan zijnde nederzat op de zee; en de geheele schare was op het land aan de zee. 2 En hij leerde hun vele dingen door gelijkenissen, en hij zeide in zijne leering tot hen : 3 Hoort toe. Zio, een zaaier ging uit om te zaaien. •1 En het geschiedde in het zaaien, dat het «5lt;?ne deel van het zaad viel bij den weg; en de vogelen des hemels kwamen en aten aet op. 5 En het andere viel op het steenachtige, waar het niet veel aarde had; en het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had; G maar als de zon opgegaan was, zoo is het verbrand geworden, en omdat het geen wortel had zoo is het verdord. 7 En het andere viel in de doornen, en de doornen wies-sen op en verstikten hetzelve, en het gaf geen vrucht. 8 En het andere viel in de Soede aarde, en gaf vruchtoede aarde, en gaf vrucht ie opging en wies, en het ééne droeg dertig-, en het andere zestig-, en het andere honderdi-OKrf. 9 En hij zeide tot hen; quot;Wie noren heeft om te hooren, die hoore. 10 En als hij nu alleen was, vraagden hem degenen die omtrent hem waren, met de twaal-ve, naar de gelijkenis. 11 En hij zeide tot hen: Het is u gegeven te verstaan de verborgenheid van het Koninkrijk Gods; maar dengenen die |
US 4. buiten zijn, geschieden alle deze dingen door gelijkenissen, 12 opdat zy ziende zien en niet bemerken, en hoorende hooren en niet verstaan, opdat zij zich niet te eeniger tijd bekeeren en bun de zonden vergeven worden. 13 En hij zeide tot hen: Weet gij deze gelijkenis niet, en hoe zult gij alle de gelijkenissen verstaan ? 14 Ue zaaier ia die het Woord zaait. 15 En deze zijn die bij den weg bezaaid worden, waarin het woord gezaaid wordt, en als zij het gehoord hebben, zoo komt de satan terstond en neemt het woord weg hetwelk in hunne harten gezaaid was. 16 En deze zijn desgelijks die op de steenachtige plaatsen bezaaid worden, welke als zy het woord gehoord hebben, terstond hetzelve met vreugde ontvangen, 17 en hebben geenen wortel in zichzelve, maar zijn voor eenen tyd ; daarna als verdrukking of vervolging komt om des woords wille, zoo worden zij terstond geërgerd. 18 En deze zijn die in dc doornen bezaaid worden, namelijk degenen die het woord hooren, 19 en de zorgvuldigheden dezer wereld en de verleiding des rijkdoms en de begeerlijkheden omtrent de andere dingen inkomende, verstikken het woord en het wordt onvruchtbaar. 20 En deze zijn die in de goede aarde bezaaid zijn, welke het woord hooren en aannemen, en dragen vruchten, het é6ne dertig-, en het andere zestig-, en het andere honderdvoud. 21 En hij zeide tot hen; Komt ook de kaars opdat ze onder de korenmaat of onder het bed gezet worde ? Js het niet opdat ze op den kandelaar gezet worde? |
|
S2 Want daar is niets verborgen dat niet geopenbaard zal worden, en daar is niets geschied om verborgen te zijn, maar opdat het in \'t openbaar zoude komen. 23 Zoo iemand ooren heeft om te hooren, die hoore. 24 En hij zeide tot hen: Ziet ■wat gij hoort. Met wat mate gij meet zal u gemeten worden, en ii die hoort zal meer toegelegd worden. 25 Want zoo wie heeft, dien zal gegeven worden; en wie niet heeft, van dien zal genomen worden ook dat hy heeft. 26 En hij zeide; Alzóó is het Koninkrijk Gods, alsof een mensch het zaad in de aarde wierp, 27 en voorts sliep en opstond1, nacht en dag, en het zaad uitsproot en lang werd, dat hij zelf niet wist hoe; 28 want de aarde brengt van zelf vrucht voort: eerst het kruid, daarna de aar,daarna het volle koren in de aar. 29 En als de vrucht zich voordoet, terstond zendt hij de sikkel daarin, omdat de oogst dddr is. ÖO En hij zeide*. Waarbij zul-ien wij het Koninkrijk Gods vergelijken, of met wat gelijkenis zullen wij hetzelve gelijken ? 31 Namelijk bij een mostaardzaad , hetwelk wanneer het in üe aarde gezaaid wordt, het minste is van alle de zaden die op de aarde zijn ; 32 en wanneer het gezaaid is, gaat liet op en wordt het meeste van alle de moeskruiden , en maakt groote takken, alzoo dat de vogelen des hemels onder zijne schaduw kunnen nestelen. 33 En door vele zulke gelijkenissen sprak hij tot hen het Woord, naardat zij het hooren konden ; 34 en zonder gelykenis sprak hij tot hen niet, maar hij ver- |
US 5. 53 klaarde alles zijnen discipelen in het bijzonder. 35 En op dien dag, als het nu avond geworden was, zeide hij tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde. 30 En zij de schare gelaten hebbende, namen hem mede, gelijk hij in het schip was; en daar waren nog andere scheep-kens met hem. 37 En daar werd een groote storm van wind, en de baren sloegen over in het schip, al-zoo dat het nu vol werd. 38 En hij was in het achterschip slapende op een oorkussen , en zij wekten hem op en zeiden tot hem: Meester, bekommert het u niet dat wij vergaan ? 39 En hij opgewekt zijnde bestrafte den wind, en zeide tot de zee: Zwijg, wees stil: en de wind ging liggen, en daar werd groote stilte. 40 En hij zeide tot hen ; Wat zijt gij zoo vreesachtig? Hoe hebt gij geen geloof ? 41 En zij vreesden met groote vreeze en zeiden tot elkander: Wie is toch deze, dat ook de wind en de zee hem gehoorzaam zijn? HOOFDSTUK 5. En zij kwamen over op de andere zijde der zee, in het land der Gadarenen. 2 En als hij uit het schip gegaan was, terstond ontmoette hem uit de graven een mensch met eenen onreinen geest; 3 dewelke zijne woning in de graven had, en niemand kon hem binden, ook zelfs niet met ketenen; 4 want hij was menigmaal met boeien en ketenen gebonden geweest, en de ketenen waren van hem in stukken getrokken en de boeien verbrijzeld , en niemand was machtig hêm te temmen; 5 en hij was altijd, nachten dag, op de bergen en in de |
|
54 MAR graven roepende en slaande zichzelven met steenen. 6 Als hij nu Jezus van verre Mg, liep hij toe en aanbad hem; 7 en met eene frroote stem roepende, zeide hij : Wat heb ik met u ie doen, Jezus, gij Zoon Gods des Allerhoogsten ? Ik bezweer u bij üod dat gij mij niet pijnigt. 8.(Want hij zeide tot hem: Gij onreine geest, ga uit van den mensch.) 9 En hij vraagde hem: Welke is uw naam ? En hij antwoordde, zeggende: Mijn na.im is Legio want wij zijn velen. 10 En hij bad hem zeer, dat hij hen buiten dat land niet wegzond. U En aldaar aan de bergen was eene groote kudde zwijnen weidende; 12 en alle de duivelen baden h.eini zeggende: Zend ons in die zwijnen, opdat wij in dezelve mogen varen. 13 En Jezus liet het hun terstond toe. En de onreine geesten uitgevaren zijnde, voeren m de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in de zee, (daar waren er nu omtrent tweeduizend), en versmoorden in de zee. 14 En die de zwijnen weidden zijn gevlucht, en boodschapten zulks in de stad en op het land; en zij gingen uit om te zien wat het was dat er geschied was. 15 En zij kwamen fot Jezus, en zagen den bezetene zittende en gekleed en wèl bij zijn verstand, namelijk die het legioen gehad had ; en zij werden bevreesd. KJ En die het gezien hadden vertelden hun wat den bezetene geschied was en ook van de zwijnen. 17 En zij begonnen hem te bidden dat hij van hunne landpalen wegging. |
18 En als hij in het schip ging, bad hem degene die bezeten was geweest, dat hij met hom mocht zijn. 19 Doch Jezus liet hem dat niet toe, maar zeide tot hem: Ga henen naar uw huis tot de uwen, en boodschap hun wat groote dingen u de Heere gedaan heeft, en hoe hij zich uwer ontfermd heeft. 20 En hij ging henen en begon te verkondigen in het land van Decapolis wat groote dingen hem Jezus gedaan had; en zij verwonderden zich allen. 21 En als Jezus wederom in het schip overgevaren was aan de andere zijde, vergaderde eene groote schare bij hem; en hij was bij de zee. 22 En zie, daar kwam een van de oversten der Synagoge, met name Jaïrus; en hem ziende viel hij aan zijne voeten , 23 en bad hem zeer, zeggende: Mijn dochterken is in haar uiterste: ik bid u dat gij komt en de handen op haar legt, opdat zij behouden worde, en zij zal leven. 24 En hij ging met hem, en eene groote schare volgde hem, en zij verdrongen hem. 2i» En eene zekere vrouw, die twaalf jaren den vloed des bloods gehad had, 2(« en veel geleden had van vele medicijnmeesters, en al het hare daaraan te koste gelegd on geen baat gevonden had, maar met welke het veeleer erger geworden was, 27 deze van Jezus hoorende, kwam onder de schare van achteren, en raakte zijn kleed aan; 28 want zij zeide: Indien ik maar zijne kleederen mag aanraken, ik zal gezond worden. 29 En terstond is de fontein baars bloeds opgedroogd, en zij gevoelde aan haar lichaam dat zij van die kwaal genezen was. 30 En terstond Jezus beken- en |
|
nende in zichzclven de kracht die van hem uitgegaan was, keerde zich om in de schare, en zeide: Wie heeft mijne kleederen aangeraakt ? :lt;l En zijne discipelen zeiden tot hem: Gij ziet dat de schare ii verdringt, en zegt gij: Wie heeft mij aangeraakt? .\'12 En hij zag rondom, om haar te zien die dat gedaan had. En de vrouw vreezendecn bevende, wetende wat aan haar geschied was, kwam en viel voor hem neder, en zeide hem al de waarheid. .\'14 En hij zeide tot haar: Dochter, iiw geloof heeft u behouden; ga henen in vrede, en wees genezen van deze uwe kwaal. ;rgt; Terwijl hij nog sprak, kwamen eenigen van het huis van den overste der Synagoge, zeggende: Uwe dochter is gestorven , wat zijt gij den meester nog moeielijk? En Jezus terstond gehoord hebbende het woord dat er gesproken werd, zeide tot den overste der Synagoge: Vrees niet, geloof alleenlijk. o7 En hij liet niemand toe iiem te volgen dan Petrus, en liacobus, en Johannes den broeder van Jacobus; en kwam in het huis van den overste der Synagoge, en zag de beroerte en degenen die zeer weenden en huilden; 3\'J en ingegaan zijnde zeide hij tot hen: Wat maakt gij beroerte en wat weent gij ? Het kind is niet gestorven, maar het slaapt. •10 En zij belachten hem; maar hij, als hij ze allen had uitgedreven, nam bij zich den vader en de moeder des kinds, en degenen die met hem waren, en ging binnen waar het kind lag. 41 En hij vatte de hand des kinds, en zeide tot haar: Tali-thakumi, hetwelk is, overge- |
ÜS G. 55 zet zijnde: Gij dochterken, (ik zegge u) sta op. 42 En terstond stond het dochterken op en wandelde; want het was twaalf jaren oud,-en zij ontzetteden zich met groote ontzetting. 4.1 En hij gebood hun zeer dat niemand dat zoude weten, en zeide dat men haar zoude te eten geven. HOOFDSTUK 6. En hij ging van daar weg, en kwam in zijn vaderland, en zijne discipelen volgden hem. 2 En als het sabbat geworden was, begon hij in de Synagoge te leeren; en velen die hem hoorden ontzetteden zich, zeggende : Van waar komen dezen deze dingen, en wat wijsheid is dit die hem gegeven is, dat ook zulke krachten door zijne handen geschieden ? 3 Is deze niet de timmerman, de zoon van Maria, en de broeder van Jacobus en Joses, en van Judas en Simon? En zijn zijne zusters niet hier bij ons? En zij werden aan hem geërgerd. 4 En Jezus zeide tot hen: Een Profeet is niet ongeëerd dan in zijn vaderland en onder zijne magen en in zijn huis. 5 En hij kon aldaar geene kracht doen ; dan hij leide weinigen zieken de handen op en genas ze. 6 En hij verwonderde zich o-ver hun ongeloof, en omging de vlekken daar rondom, lee-rende. 7 En hij riep tot zich de twaalvc, en begon hen uit te zenden twee en twee, en gaf hun macht over de onreine geesten; 8 en hij gebood hun dat zij niets zouden nemen tot den weg dan alleen eenen staf, geen male, geen brood, geen geld in den gordel; 9 maar dat ze schoenzolen |
|
56 MAR( zouden nanhindnn, en metgeen twee rokken gekleed zijn. 10 En hij zeide tot hen: Zoo ■waar gij in een huis zult ingaan , blijft daar totdat gij van daar uitgaat. 11 En zoo wie u niet zullen ontvangen noch u hooron, vertrekkende van daar schudt het stof af dat onder aan uwe voeten is, hun tot een getuigenis. Voorwaar zegge ik u, het zal Sodom of Gomorra verdraaglijker zijn in den dag des oordeels dan die stad. 12 En uitgegaan zijnde predikten zij dat zij zich zouden bekeeren; 13 en zij wierpen vele duivelen uit, en zalfden vele kranken met olie, en maakten ze gezond. 14 En de Koning Ilerodes hoorde het (want zijn naam was openbaar geworden) en zeide: Johannes die doopte is van de dooden opgewekt, en daarom werken die krachten in hem; 15 anderen zeiden: Hij isElia; en anderen zeiden: Hij is een Profeet, of als een der Profeten. 10 Maar als Herodes het hoorde, zeide hij: Deze is Johannes, dien ik onthoofd heb; die is van de dooden opgewekt. 17 Want deze Herodes eenigen uitgezonden hebbende, had Johannes gevangen genomen en hem in de gevangenis gebonden , uit oorzaak van Herodias de huisvrouw van zijnen broeder Filippus, omdat hij haar getrouwd had; 18 want Johannes zeide tot Herodes: Het is u niet geoorloofd de huisvrouw uws broeders te hebben. 19 En Herodias leide op hem toe en wilde hem dooden, en kon niet; 20 want Herodes vreesde Johannes, wetende dat hij een rechtvaardig en heilig man was, en hield hem in waarde; |
US G. en als hij hem hoorde deed hij vele dingen, en hoorde hem gaarne. 21 En als er een welgelegen dag gekomen was, toen Herodes op den dag zijner geboorte een maaltijd aanrichtte voor zijne grooten en de oversten over duizend en de voor-naamsten van Galiléa; 22 en als de dochter van deze Herodias inkwam en danste, en Herodes en dengenen die medeaanzaten behaagde, zoo zeide de Koning tot het dochterken : Eisch van mij wat gij ook wilt, en ik zal het u geven; 23 en hij zwoer haar: Zoo wat gij van mij zult eischcn zal ik u geven, ook tot de helft mijns koninkrijks. 2-4 En zij uitgegaan zijnde zeide tot hare moeder : Wat zal ik eischen ? En die zeide: Het hoofd van Johannes den Doo-per. 25 En zij terstond met haas-te ingaande tot den Koning, heeft het geëischt, zeggende: Ik wil dat gij mij nu terstond in een schotel geeft het boord van Johannes den Dooper. 26 En de Koning zeer bedroefd geworden zijnde, nochtans om de eeden en degenen die mede-aanzaten, wilde hij haar zelve niet afslaan; 27 en de Koning zond tprstond eenen scherprechter, en gebood zijn hoofd te brengen. Deze nu ging henen en onthoofdde hem in de gevangenis , 2S en bracht zijn hoofd in een schotel, en gaf hetzelve het dochterken, en het dochterken gaf hetzelve barer moeder. 29 En als zijne discipelen hoorden, gingen zij en namen zijn dood lichaam weg, en leiden dat in een graf. 30 En de Apostelen kwamen weder te zamen tot Jezus, en boodschapten hem alles, beide wat zij gedaan hadden en wat zij geleerd hadden. 31 En hij zeide tot hen: Komt |
|
gijlieden in eene woeste plaats • hier alleen, en rust een weinig; want daar waren velen die kwamen en die gingen, en zij hadden zelfs geen gelegen tijd om te eten. 32 En zij vertrokken in een schip naar eene woeste plaats alleen. 33 En de scharen zagen ze henenvaren, en velen werden hem kennende, en liepen gezamenlijk te voet van alle steden derwaarts, en kwamen hun vóór, en gingen te zamen tot hem. 34 En Jezus uitgaande zag eene groote schare, en werd innerlijk met ontferming bewogen over hen, want zij waren als schapen die geenen herder hebben; en hij begon hun vele dingen te leeren. 35 En als het nu laat op den dag geworden was, kwamen zijne discipelen tot hem en zeiden: Deze plaats is woest, en het is nu laat op den dag; 36 laat ze viln u, opdat ze henengaan in de omliggende dorpen en vlekken, en brooden voor zichzelve mogen koopen ; want zij hebben niet wat zij c\'ien zullen. VH Maar hij antwoordende zcide tot hen: Geeft gij hun te eten. En zij zeiden tot hem: Zullen wij henengaan en koopen voor tweehonderd penningen brood, en hun te eten geven ? 38 En hij zeide tot hen; Hoeveel brooden hebt jrij? Ga:it henen en beziet het. En toen zij het vernemen hadden, zeiden zij: Vijf, en twee visschen. 39 En hij gebood hun dat zij ze allen zouden doen neder-zitten bij gezelschappen op het groene gras. 40 En zij zaten neder in gedeelten , bij honderd te zamen en bij vijftig te zamen. 41 En als hij de vijf brooden en de twee visschen genomen had, zag hij op naar den he- |
US 6. 57 mei, zegende, en brak de brooden, en \'gaf ze zijnen discipelen , opdat zij ze hun zouden voorleggen ; en de twee visschen deelde hij voor allen. 42 En zij aten allen, en zijn verzadigd geworden;\' 43 en zij namen öp twaalf volle korven brokken, en van de visschen. 44 En die de brooden gegeten hadden waren omtrent vijfduizend mannen. 45 En terstond dwong hij zijne discipelen in het schip te gaan, en vóór henen te varen naar de andere zijde tegenover Bethsaïda, terwijl hij de schare vamp;n zich zoude laten. 46 En als hij denzelven hun afscheid gegeven had , ging hij op den berg om te bidden. 47 En als het nu avond was geworden, zoo was het schip in \'tmidden van de zee, en hij was alleen op het land. 4S En hij zag dat zij zich zeer pijnigden om het schip voort te krijgen (want de wind was hun tegen); en omtrent de vierde nachtwake kwam hij tot hen, wandelende op de zee, en wilde hen voorbijgaan. 49 En zij ziende hem wandelen op de zee, meenden dat het een spooksel was, en schreeuwden zeer; p0 want zij zagen hem allen , en werden ontroerd. En terstond sprak hij met hen, en zcide tot hen : Zijt welgemoed, ik ben het, vreest niet. 51 En hij klom tot hen in \'t schip, en de wind stilde; en zij ontzetteden zich bovenmate zeer in zichzelve, en waren verwonderd. 52 quot;Want zij hadden niet gelet op het wonder der brooden; want hun hart was verhard. 53 En als zij overgevaren waren, kwamen zij in het land Gennésareth, en havenden aldaar. 54 En als zü uit het schip |
|
58 MAR {rejraan waven, werden zij terstond hem kennende. 55 En liet geheele omliffffende land doorloopende, begonnen zij op beddekens degenen die kwalijk gesteld waren om te dragen, ter plaatse waar zij hoorden dat hij was. 06 En zoo waar hij kwam, in vlekken of steden of dorpen, daar leiden zij de kranken op de markten, en baden hem dat zij maar den zoom zijns kleeds aanraken mochten: en zoovelen als er hem aanraakten xverden gezond. HOOFDSTUK 7. En tot hem vergaderden de Farizeërs en sommigen der Schriftgeleerden, die van Jeruzalem gekomen waren; 2 en ziende dat sommigen van zijne discipelen met onreine, dat is met ongewasschen handen brood aten, berispten zij hen. 3 Want de Farizeërs en alle de Joden eten niet tenzij dat zij eerst de handen dikwijls wasschen, houdende de inzetting der ouden; 4 en van de markt komende eten zij niet tenzij dat ze eerst gewasschen zijn; en vele andere dingen zijn er die zij aangenomen hebben te houden, namelijk de wasschingen der drinkbekers en kannen en koperen vaten en bedden. 5 Daarna vraagden hem de Farizeërs en de Schrittseleer-den: Waarom wandelen uwe discipelen niet naar de inzetting der ouden, maar eten het brood met ongewasschen handen? (5 Maar hij antwoordde en zeide tot hen: Wèl heeft Jesaia van u geveinsden geprofeteerd, gelijk geschreven is; Dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van my; 7 doch te vergeefs eeren zü |
JUS 7. mij , leerende leeringen die geboden zijn der menschen; 8 want nalatende het sebod Gods, houdt gij de inzettingen der menschen, namelijk wasschingen der kannen en drinkbekers, en andere dergelijke dingen doet gij vele. \'J lin hij zeide tot hen: Gij doet zeker Gods gebod wèl te niet, opdat gij uwe inzetting zoudt onderhouden. 10 Want Mozes heeft gezegd; Eer uwen vader en uwe moeder, en: Wie vader of moeder vloekt, die zal den dood sterven. 11 Maar gijlieden zegt: Zoo een mensch tot vader of moeder zegt: Hel is korban (dat is te zeggen, een gave), zoo wat u van mij zoude kunnen ten nutte komen , die voldoet; 12 en gij laat hem niet meer toe iets aan zijnen vader of zijne moeder te doen, i:i makende alzóó GodsWoord krachteloos door uwe inzetting die gij ingezet hebt; en dergelijke dingen doet gij vele. 14 En tot zich de gansche schare geroepen hebbende, zeide hij tot hen: Hoort mij allen en verstaat: 15 daar is niets van buiten den mensch in hem ingaande , hetwelk hem kan ontreinigen; maar de dingen die van liein uitgaan, die zijn het welke den mensch ontreinigen. 16 Zoo iemand ooren heeft om te hooren, die hoore. 17 En toen hij van de schare in huis gekomen was , vraagden hem zijne discipelen van de gelijkenis. 18 Eu hij zeide tot hen: Zijt ook gij alzóó onwetend? Verstaat gij niet, dat al wat van buiten in den mensch ingaat hem niet kan ontreinigen? 19 Want het gaat niet in zijn hart, maar in den buik, en gaat in de heimelijkheid uit, reinigende alle de spijzen. 20 En hij zeide: Hetgeen uit- |
|
gaat wit den mensch, dit ontreinigt den mensch. 21 Want van binnen uit het hart der menschen komen voort kwade ged.ichten, overspelen, hoererijen, doodslagen, 22 dieverijen, gierigheden, boosheden, bedrog, ontuch-tigheid, een boos oog, lastering , hoovaardij , onverstand : 2.\'{ alle deze booze dingen komen voort van binnen, en ontreinigen den mensch. 24 En van daar opstaande ging hij weg naar de landpalen van Tyrus en Sidon ; en in een buis gegaan zijnde, wilde hij niet dat het iemand wist, en hij kon nochtans niet verborgen zijn. 25 Want eene vrouw, welker dochterken eenen onreinen geest had, van hem gehoord hebbende, kwam en viel neder aan zijne voeten. 2(5 l)eze nu was eene Grieksche vrouw, van geboorte uit S.vro-Penicië; en zij bad hem dat hij den duivel uitwierp uit hare dochter. 27 Maar Jezus zeide tot haar: Laat eerst de kinderen verzadigd worden; want het is niet betamelijk, dat men het brood der kinderen neme en den hendekens i-oorwerpe. 28 Maar zij antwoordde en zeide tot hem : Ja, Heere, doch ook de hondekens eten onder de tafel van de kruim-kens der kinderen. 29 En hij zeide tot haar: Om dezes woords wille ga henen: de duivel is uit uwe dochter uitgevaren. 30 Eu als zij in haar huis kwam, vond zij dat de duivel v.itgevaren was, en de dochter liggende op het bed. 31 En hij wederom weggegaan zijnde van de landpalen van Tyrus en Sidon, kwam aan de zee van Galiléa, door het midden der landpalen van Deca-polis. 32 En zij brachten tot hem |
US 8. 59 eenen doove, die zwaarlijlc sprak, en baden hem dat hij de hand op hem leide. 33 Eu hem van de schnre al-léén genomen hebbende, stak hij zijne vingeren in zijno ooren, en gespuwd hebbende raakte hij zijne tong aan ; 34 en opwaarts ziende naar den hemel, zuchtte hij, en zeide tot hem: Effatha, dat is , word geopend. 35 En terstond werden zijno ooren geopend, en de band zijner tong werd los, en hij sprak recht. 36 En hij gebood hun dat zij het niemand zeggen zouden; maar wat hij hun ook gebood, zoo verkondigden zy het des to meer. 37 En zij ontzetteden zich bovenmate zeer, zeggende: Hij heeft alles wèl gedaan, en hij maakt dat de dooven hooreu en de stommen spreken. HOOFDSTUK 8. In diezelfde dagen, als er eene zeer groofe schare was, en zij niet hadden wat zij eten zouden, riep Jezus zijne discipelen tot zich, en z.\'ide tot hen: 2 Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de schare, want zij zijn nu drie dagen bij mij gebleven, en hebben niet wat zij eten zouden; 3 en \'indien ik ze nuchteren naar hun huis laat gaan, zoo zullen zij op den weg bezwijken ; want sommigen van hen komen van verre. 4 En zijne discipelen antwoordden hem: Van waar zal iemand deze met brooden hier in de woestijn kunnen verzadigen ? 5 En hij vraagde hun: Hoeveel brooden hebt gij ? En zij zeiden: Zeven. fi En hij gebood de schare neder te zitten op de aarde. En hij nam de zeven brooden, en gedankt hebbende brak hij ze. |
|
60 MAR( en gaf ze zijnen discipelen, opdat zij ze zouden voorleggen; en zij leiden ze der schare voor. 7 En zij hadden weinige visch-kons; en als hij gezegend had, zeide hij dat zij dok die zouden voorleggen. 8 En zij hebben gegeten en zijn verzadigd geworden; en zij namen het overschot der brokken op, zeven manden. 9 Die nu gegeten hadden \'waren omtrent vierduizend; en hij liet ze gaan. 10 En terstond in het schip gegaan zijnde met zijne discipelen, is hij gekomen in de deelen van Dalmanutha. 11 En de Farizeers gingen uit en begonnen met hem te twisten , begeerende van hem een teeken van den hemel, hem verzoekende. _ 12 En hij zwaarlijk zuchtende in zijnen sjeest, zeide: Wat begeert dit freslacht een teeken? Voorwaar ik zegge u, zoo aan dit geslacht een teeken gegeven zal worden! 13 En hij verliet hen, en wederom in het schip gegaan zijnde voer hij weg naar de andere zijde. 14 En zijne discipelen hadden vergeten brood mede te nemen, en hadden niet dan één brood met zich in het schip. 15 En hij gebood hun, zeggende: Ziet toe, wacht u van den zuurdeesem der Farizeërs en van den zuurdeesem van Herodes. IC» En zij overleiden onder elkander, zeggende: Het is omdat wij geen broeden hebben. 17 En Jezus dat bekennende , zeide tot hen: Wat overlegt gij dat gij geen brooden hebt ? Bemerkt gij nog niet, en verstaat gij niet ? hebt gij nog uw verhard hart ? IS Oogen hebbende ziet gij niet, en ooren hebbende hoort gij niet ? 19 En gedenkt gij niet, toen |
ÜS 8. ik de vijf brooden brak onder de vijfduizend mannen, hoeveel volle korven met brokken gij opnaamt? Zij zeggen hem: Twaalf. 20 En toen ik de zeven brak onder de vierduizend mannen, hoeveel volle manden met brokken gij opnaamt? En zij zeiden: Zeven. 21 En hij zeide tot hen: Hoe verstaat gij niet? 22 En bij kwam te Bethsaïda; en zij brachten tot hem eenen blinde, en baden hem dat hij hem aanraakte. 2.quot;lt; En de hand des blinden genomen hebbende, leidde hij hem uit buiten het vlek, en spuwde in zijne oogen, en leide de handen op hem , en vraasde hem of hij iets zag. 24 En hij opziende zeide: Ik zie de menschen; want ik zie ze als boomen, wandelen. 2\') Daarna leide hij de handen wederom op zijne oogen, en deed hem opzien; en hij werd hersteld, en zag ze allen, ver en klaar. 26 En hij zond hem naar zijn huis, zeggende: Ga niet in het vlek, en zeg het niemand in het vlek. 27 En Jezus ging uit en zijne discipelen naar de vlekken van Cesaréa Filippi; en op den weg vraagde hij zijne discipelen, zeggende tot hen; Wie zeggen de menschen dat ik ben ? 25 En zij antwoordden: Johannes de Dooper; en anderen: Elia; en anderen: Een van de Profeten. 2!l En hij zeide tot hen: Maar gijlieden, wie zegt gij dat ik ben? En Petrus antwoordende zeide tot hem: Gij zijt de Christus. ;lt;() En hij gebood hun scherpe-lijk, dat zij het niemand zouden zeggen van hem. 31 En hij begon hun te leeren, dat de Zoon des menschen veel moest lijden, en verworpen worden van de Ouderlingen en |
|
Overpriesteren en Schriftgeleerden , en gedood •worden, en na drie dagen weder opstaan ; :lt;2 en dit woord sprak hij vrij uit. En Petrus hem tot zich genomen hebbende, begon hem te bestraffen. 33 Maar hij zich omkeerende rn zijne discipelen aanziende, bestrafte Petrus, zeggende: Ga henen achter mij, satan ; want gij ver/int niet de dingen die Gods zijn, maar die der men-schen zijn. :{4 En quot;tot zich geroepen hebbende de schare met zijne discipelen, zeide hij tot hen: Zoo wie achter mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op en volge mij. 35 Want zoo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelve verliezen; maar zoo wie zijn leven zal verliezen om mijnentwille en om des Evangelies wille, die zal hetzelve behouden. 3(5 Want wat zoude het den mensch baten, zoo hij de ge-heele wereld won en zijner z:ele schade leed ? 37 Of wat zal een men ach geven tot lossing van zijne ziel ? 38 quot;Want zoo wie zich mijns en mijner woorden zal geschaamd hebben in dit overspelig en zondig geslacht, diens zal zich de Zoon des menschen óók schamen, wanneer hij zal komen in de heerlijkheid zijns Vaders, met de heilige Engelen. HOOFDSTUK 9. En hij zeide tot hen: Voorwaar ik zegge u, dat er sommigen zijn van degenen die hier staan, die den dood niet zullen smaken, totdat zij zullen hebben gezien dat het Koninkrijk Goda met kracht gekomen is. 2 En na zes dagen nam Jezus |
ÜS 9. 61 met zich Petrus en Jacobus en Johannes, en bracht ze op een en hoogen berg bezijden alleen. En hij werdquot; voor hen van gedaante veranderd; 3 en zijne kleederen werden blinkende, zeer wit als sneeuw, hoedanige geen voller op aarde zóó wit maken kan. 4 En van hen werd gezien Elia met Mozes, en zij spraken met Jezus. 5 En Petrus antwoordende zeide tot Jezus : Rabbi, het is goed dat wij hier zijn , en laat ons drie tabernakelen maken, voor u eenen, en voor Mozes eenen , en voor Elia eenen. 6 \\\\ant hij wist niet wat hij zeide; want zij waren zeer bevreesd. 7 En daar kwam eene wolk die ze overschaduwde, en eene stem kwam uit de wolk,zeggende: Deze is mijn geliefde Zoon: hoort hem. 8 En haastelijk rondom ziende, zagen zij niemand meer dan Jezus alleen bij zich. 9 En als zij van den berg afkwamen, gebood hij hun dat zij niemand verhalen zouden hetgeen zij gezien hadden , dan wanneer de Zoon des menschen uit de dooden zoude opgestaan zijn. 10 En zij behielden dit woord bij zichzelven, vragende onder elkander wat het was, uit de dooden opstaan? 11 En zij vraagden hem, zeggende : Waarom zeggen de Schriftgeleerden dat Elia eerst komen moet ? 12 En hij antwoordende zeide tot hen: Elia zal wel eerst komen en alles weder oprichten ; en het aal geschieden gelijk geschreven is van den Zoon des nienschen, dat hij veel lijden zal en veracht worden. 13 Maar ik zegge u dat ook Elia gekomen is, en zij hebben hem gedaan al wat zij gewild hebben, gelijk van hem geschreven is. |
|
14 En als hij bij de discipelen gekomen was, zas hij eene fjroote schare rondom hen , en ceuige Schriftgeleerden met hen\'twistende. 15 En terstond de fjeheele schare hem ziende werd verbaasd , en toeloopende groetten zij hem. 16 En hij vraagde den Schriftgeleerden: Wat twist gij met deze? 17 En een uit de schare antwoordende zeide: Meester, ik heb mijnen zoon tot u gebracht, die een stommen geest heeft; 18 en waar hij hem ook aangrijpt, zoo scheurt hij hem, en hij schuimt en knerst met zijne tanden en verdort; en ik heb uwen discipelen gezegd dat zij hem zouden uitwerpen, en zij hebben niet gekund. l\'.l En hij antwoordde hem en zeide; O ongeloovig geslacht, hoe lang zal ik no-r bij ulieden zijn, hoe lang zal ik u nog verdragen? Brengt hem tot mij. 20 En zij brachten denzelven tot hem; en als hij hem zag, scheurde hem terstond de geest; en hij vallende op de narde, wentelde zich al schuimende. 21 En hij vraagde zijnen vader: Hoe langen tijd is het dat hem dit overkomen is ? En hij zeide ; Van zijne kindsheid af; 22 en menigmaal heeft hij hem ook in het vuur en in het water geworpen, om hem te verderven; maar zoo gij iets kunt, wees met innerlijke ontferming over ons bewogen en help ons. 2\'i En Jezus zeide tot hem: Zoo gij kunt gelooven, alle dingen zijn mogelijk dengenen die gelooft. 24 En terstond de vader des kinds roepende met tranen zeide: Ik geloof, Heere, kom mijner ongeloovigheid te hulp. |
2-quot;» En Jezus ziende dat de schare gezamenlijk toeliep, bestrafte den onrcinen geest, zeggende tot hem: Gij stomme en doove geest,ik beveel u, ga uit van hem en kom niet meer in hem. 2(gt; En hij roepende, en hem zeer scheurende, gin? uit; en het kind werd als dood, alzoo dat velen zeiden dat het gestorven was. 27 En Jezus hem bij de hand grijpende, richtte hem op, en hij stond op. 28 En als hij in huis gegaan was, vraagden hem zijne discipelen alleen: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen ? 29 En hij zeide tot hen: Dit geslacht kan nergens door uitgaan dan door bidden en vasten. 30 En van daar weggaande , reisden zij door Galiléa, en hij wilde niet dat het iemand wist; 31 want hij leerde zijne discipelen en zeide tot hen: De Zoon des menschen zal overgeleverd worden in de handen der menschen, en zij zullen hem dooden, en gedood zijnde zal hij ten derden dage weder opstaan. 32 Maar zy verstonden dat woord niet, en zij vreesden hem te vragen. 33 En hij kwam te Kaper-naüm, en in het huis gekomen zijnde, vraagde hij hun : Waarvan hadt gij woorden onder elkander op ilen weg? 34 Doch zij zwegen: want zij waren onder elk.ander in woorden geweest op den weg, wie de meeste zoude zijn. 35 En nedergezeten zijnde riep hij de twaalve, en zeide tot hen: Indien iemand wil de eerste zijn, die zal de laatste van allen zijn, en aller dienaar. 36 En nemende een kindeken, stelde hij dat midden onder hen, en omving het met zijne armen, en zeide tot hen; |
|
37 Zoo wie (-dn van zoodanige kindcrkens zal ontvangen in mijnen naam, die ontvangt mij; en zoo wie mij zal ontvangen , die ontvangt mij niet, maar dien die mij gezonden heeft. 38 En Johannes antwoordde hem , zeggende: Meester, wij hebben eenen gezien die de duivelen uitwierp in uwen naam, welke ons niet volgt; on wij hebben het hem verboden, omdat hy ons niet volgt. 3ü Doch Jezus zeide; Verbiedt hem niet; want daar is niemand die eene kracht doen zal :.n mijnen naam, en haastelijk ■••an mij zal kunnen kwalijk «preken. 40 Want wie tdgen ons niet is, die is vóór ons. 41 Want zoo wie ulieden eenen Leker water te drinken zal geven in mijnen naam, omdat g;j discipelen van Christus zijt, voorwaar zegge ik u, hij zal zi n loon geenszins verliezen. 4.\' En zoo wie édn van deze kllt;?inen die in mij gelooven ergert, het ware hem beter dat een molensteen om zijnen hals gedaan ware, en dat hij in de zee geworpen ware. 43 En indien uwe hand u ergert, houw ze af: het is u beter verminkt tot het leven in te gaan dan de twee handen hebbende henen te gaan in de hel, in het onuitblusschelijk vuur, 44 waar hun worm niet sterft on het vuur niet uitgebluscht wordt. 45 En indien uw voet u ergert , houw hem af: het is u beter kreupel tot het leven in tj gaan, dan de twee voeten hebbende geworpen te worden in de hel, in het onuitblusschelijk vuur, 4ü waar hun worm niet sterft cn het vuur niet uitgebluscht wordt. 47 En indien uw oog u ergert. |
S 10. 03 werp het uit: het is u beter maar éC\'.n oog hebbende in het Koninkrijk Gods in te gaan, dan twee oogen hebbende in het helsche vuur geworpen te worden, 4.S Waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgebluscht wordt. 49 Want een ieder zal met vuur gezouten worden, en iedere offerande zal met zout gezouten worden. 50 Het zout is goed ; maar indien het zout onzout wordt, waarmede zult gij dat smakelijk maken ? Hebt zout in uzel-ve, en houdt vrede onder elkander. HOOFDSTUK 10. En van daar opgestaan zijnde, ging hij naar de landpalen van Judéa, door de overzijde van den Jordaan: en de scharen kwamen wederom te zamen bij hem, en gelijk hij gewoon was, leerde hij ze wederom. 2 En de Farizeürs tot hem komende, vraagden hem, of het een man geoorloofd is zijne vrouw te verlatenhem verzoekende. 3 Maar hij antwoordende zei-de tot hen: Wat heeft u Mozes geboden ? 4 En zij zeiden: Mozes heeft toegelaten eenen scheldbrief te schrijven en haar te verlaten. 5 En Jezus antwoordende zei-de tot hen: Vanwege de hardigheid uwer harten heeft hij ulieden dat gebod geschreven; (gt; maar van het begin der schepping heeft ze God man en vrouw gemaakt. 7 Daarom zil een mensch zijn vader en moeder verlaten, en zal zijne vrouw aanhangen, 8 en die twee zullen tot édn vleesch zijn: alzoo dat zij niet meer twee zijn, maar één vleesch. 9 Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mensch niet. |
|
64 MARC 10 En in het huis vraagden hem zijne discipelen wederom van hetzelve. 11 En hij zeide tot hen: Zoo wie zijne vrouw verlaat en eene andere trouwt, die doet overspel tegen haar. 12 En indien eene vrouw haren man zal verlaten en met een ander trouwen, die doet overspel. 1:5 En zij brachten kinderkens tot hem, opdat hij ze aanraken zoude; en de discipelen he-Ktraften degenen die ze tot hem brachten. 14 Maar Jezus dat ziende, nam het zeer kwalijk, en zeide tot hen: Laat de kinderkens tot mij komen , en verhindert zo niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods. lrgt; Voorwaar zegge ik u, zoo wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt gelijk een kindeken, die zal in hetzelve geenszins ingaan.) l(i En hij omving ze met zijne armen, en de handen op hen gelegd hebbende, zegende hij dezelve. 17 En als hij uitging op den weg, liep een tot hem, en voor hem op de knieën vallende, vraagde hem: Goede meester, wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige leven be-erve? 18 En Jezus zeide tot hem: Wat noemt gij mij goed? Niemand is goed dan één, namelijk God. 19 Gij weet de geboden; gij zult geen overspel doen; gij zult niet dooden; gij zult niet stelen; gij zult geen valache getuigenis geven; gij zult niemand tekort doen; eer uwen vader en uwe moeder. 20 Doch hij antwoordende zeide tot hem: Meester, alle deze dingen heb ik onderhouden van mijne jonkheid af. 21 En Jezus hem aanziende beminde hem, en zeide tot hem; Eén ding ontbreekt u: |
JS 10. ga henen, verkoop alles wat gij hebt en geef het den armen, en gij zult eenen schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, neem het kruis op en volg mij. 22 Maar hij treurig geworden zijnde over dat woord, ginsc bedroefd weg; want hij had vele goederen. 2S En Jezus rondom ziende, zeide tot zijne discipelen: Hoe bezwaarlijk zullen degenen die goed hebben in het Koninkrijk Gods inkomen! 24 En de discipelen werden verbaasd over deze zijne woorden. Maar Jezus wederom antwoordende zeide tot hen: Kinderen, hoe zwaar is \'t, dat degenen die op het goed hun betrouwen zetten i n \'t Koninkrijk Gods ingaan : 25 het is lichter cat een kemel ga door het oog van eene naald, dan dat ten rijke in het Koninkrijk Gods inga. 26 En zij werden nog meer verslagen, zeggende tot elkander: quot;Wie kan dan zalig worden ? 27 Doch Jezus hen aanziende, zeide: Bij de menschen is \'t onmogelijk, maar niet bij God; want alle dingen zijn mogelijk bij God. 2S En Petrus begon tot hem te zeggen: Zie, wij hebben alles verlaten en zijn u gevolgd. 29 En Jezus antwoordende zeide: Voorwaar zegge ik u-lieden, daar is niemand die verlaten heeft huis, of broeders of zusters, of vader of moeder, of vrouw of kinderen, of akkers, om mijnentwille en des Evangelies wille, .*50 of hij ontvangt honderdvoud ,\' nu in dezen tijd huizen, en broeders en zusters, en moeders en kinderen, en akkers , met de vervolgingen, en in de toekomende eeuw het het eeuwige leven. 31 Maar vele ejrsten zullen de laatsten zijn. en velen die |
|
MAR( dr laatstéti zijn lt;lc rcrstcn. 32 En zij waren op den weg, opgaande naar Jeruzalem, en Jezus gingr vóór hen; en zij waren verbaasd, en hem volgende waren zij bevreesd. En ue twaalvc wederom tot zich nemende, bepron hij hun te zeggen de dingen die hem overkomen zouden, 3.\'i zeggende: Zie, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des menschen zal den Over- firiesteren en den Schriftge-iriesteren en den Schriftge- eerden overgeleverd worden, en zij zullen hem ter dood veroordeelen, en hem den heidenen overleveren; :i4 en zij zullen hem bespotten, en hem geeselen, en hem bespuwen , en hem dooden; en ten derden dage zal hij weder opstaan. 35 En tot hem kwamen Jacobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs , zeggende: Meester, wij wilden wel dat {jij ons deedt zoo wat wij begeeren zullen. 36 En hij zeide tot hen: Wat wilt jrij dat ik u doe ? 37 Eh zij zeiden tot hem: Geef ons dat wij motren zitten de één aan uwe rechterAanrf en de ander aan uwe Iinkcr/ra»d in uwe heerlijkheid. 38 Maar Jezus zeide tot hen; Gij weet riet wat gij begeert; kiint gij den drinkbeker drinken dieii ik drinke, en met den doop gedoopt worden waar ik mede gedoopt word\'{ 39 En zij zeiden tot hem; quot;Wij kunnen. Doch Jezus zeide tot hen: Den drinkbeker dien ik drinke zult gij wel drinken, en met den doop gedoopt worden waar ik mede gedoopt word ; 40 maar het zitten tot mijne rechter- en tot mijne linker-hand staat bij mij niet te geven, maar het zal gegeven worden dien het bereid is. 41 En als de andere tien dit hoorden, begonnen zij het van Jacobus en Johannes zeer kwalijk te nemen. |
tis io. fiS 42 Maat1 Jezus hen tot. zich geroepen hebbende, zeide tot hen ; Gij weet dat degenen die geacht worden oversten te zijn der volkeren, heerschappij voeren over hen, en hunne grooten gebruiken macht over hen. 43 Doch alzóó zal \'t onder u niet zijn; maar zoo wie onder u groot zal willen worden, die zal uw dienaar zijn; 44 en zoo wie van u de eerste zal willen worden, die zal aller dienstknecht zijn. 45 Want ook de Zoon des menschen is niet gekomen om gediend te worden , maar om te dienen en zijne ziel te geven tot een rantsoen voor velen. 4ü En zij kwamen to Jericho. En als hij en zijne discipelen en eene frroote schare van Jericho uitging, zat de zoon van Timetts, BartimeUs de blinde, aan den weg, bedelende. 47 En hoorende dat het Jezus de Nazarener was, begon hij te roepen en te zeggen ; Jezus, gij Zone Davids, ontferm u mijner. 48 En velen bestraften hem, opdat hij zwijgen zoude; maar hij riep zoo veel te meer: Gij Zone Davids, ontferm u mijner. 49 En Jezus «ft/staande zeide dat men hem roepen zoude; en zij riepen den blinde, zeggende tót hem: Heb goeden moed, sta op , hij roept u. 50 En hij zijnen mantel afgeworpen hebbende, stond op en kwam tot Jezus.\' 51 En Jezus antwoordende zeide tot hem : Wat wilt gij dat ik u doen zal? En de blinde zeide tot hem: Rabboni, dat ik ziende mag worden. 52 En Jezus zeide tot hem: Ga henen, uw geloof heeft u behouden. En terstond werd hij ziende, cn volgde Jezus op den weg. |
|
GS MAR( HOOFDSTUK 11. En toen zij Jeruzalem genaakten, te Bethfagé en Be-thaniu aan den Olijfbers:, zond hij twee van zijne discipelen uit, 2 en zeide tot hen: Gaat henen in het vlek dat tegen u over is, en terstond als sij in \'tzelve komt, zult gij vinden een veulen gebonden , op hetwelk geen mensch gezeten heeft: ontbindt het en brengt het. En indien iemand tot u zegt: quot;Waarom doet gij dat? zoo zegt dat de Ileere hetzelve van noode heeft, en hij zal het terstond herwaarts zenden. ■I En zij gingen henen, en vonden het veulen gebonden bij de deur, buiten aan de wegscheiding, en zij ontbonden hetzelve. .j En sommigen van degenen die aldaar stonden zeiden tot hen; AVat doet gij, dat gij het veulen ontbindt? 6 Doch zij zeiden tot hen gelijk Jezus bevolen had ; en zij lieten ze gaan. 7 Eu zij brachten het veulen tot Jezus, en wierpen hunne kleederen daarop; en hij zat op hetzelve. 8 En velen spreidden hunne Icleederen op den weg, en anderen hieuwen takken van de boomen en spreidden ze op den weg. 9 En die voorgingen en die volgden riepen, zeggende: Hosanna, gezegend is hij die komt in den name des Heeren! 10 Gezegend zij het Koninkrijk van onzen vader David, \'t welk komt in den naam des Hoeren! Hosanna in de hoogste hemelen ! 11 En Jezus kwam binnen Jeruzalem , en in den Tempel; cn als hij alles rondom bezien had, en het nu avondstond was, cing hij uit naar Bethanië met de twaalve. |
CS 11. 12 En des anderen daaga, als zij uit Bethanië gingen, hongerde hem. 13 En ziende van verre eenen vijgeboom die bladeren had, ging hij om te zien of hij ook iets op denzelve zoude vinden; en daarbij gekomen zijnde, vond hij niets dan bladeren ; want het was de tyd der vijgen niet. 14 En Jezus antwoordende zeide tot denzelve: Niemand ete eenige vrucht meer van u in der eeuwigheid. En zijne discipelen hoorden het. 15 En zij kwamen te Jeruzalem ; en Jezus in den Tempel gegaan zijnde, legon degenen die in den Tempel verkochten en kochten uit te drijven, cn de tafels der wisselaars en de zitstoelen dergenen die de duiven verkochten keerde hij om, lü en liet niet toe dat iemand eenig vat door den Tempel droeg; 17 en hij leerde, zeggende tot hen : Is er niet geschreven: IMijn Huis zal een huis des ge-beus genaamd worden allen volken? Maar gij hebt dat tot een kuil der moot denaren gemaakt. 18 En de Schriftgeleerden en de Overpriesters hoorden dat, en zochten hoe zij hem dooden zouden; want zij vreesden hem, omdat de gansche schare ontzet was over zijne leer. 19 En als het nu laat geworden was, ging hij uit buiten de stad. 20 En des morgens vroeg voorbijgaande, zagen zij dat de vijgeboom verdord was van de wortels af. 21 En Petrus zulks indachtig geworden zijnde, zeide tot hem: Rabbi, zie. Je vijgeboom dien gij vervloekt hebt is verdord. 22 En Jezus antwoordende zeide tot hen: Hebt geloof op God. |
|
23 Want voorwaar zegge ik u, dat zoo wie tot dezen berg zal zegden; Word opgeheven en in de zee geworpen, en niet zal twijfelen in zijn hart, maar zal gelooven dat hetgeen hij zegt geschieden zal, het zal hem geworden zoo wat hij 24 Daarom zegge ik u, alle dingen die gij biddende begeert , gelooft dat gij ze ontvangen zult, en zij zullen u geworden. 2ó En wanneer gij staat om te bidden, vergeeft indien jcij iets hebt tegen iemand; opdat ook uw Vader die in de hemelen is ulieden uwe misdaden vergeve. 26 Maar indien gij niet vergeeft , zoo zal uw Vader die in de hemelen is ook uwe misdaden niet vergeven. 27 En zij kwamen wederom te Jeruzalem. En als hij in den Tempel wandelde, kwamen tot hem de Overpriesters en de Schriftgeleerden en de Ouderlingen , 28 en zeiden tot hem: Door wat macht doet gij deze dingen , en wie heeft u deze macht gegeven, dat gij deze dingen doen zoudt? 29 Maar Jezus antwoordende zeide tot hen: Ik zal u ooi: één woord vragen ; antwoordt mij ook, en zoo zal ik u zeggen door wat macht ik deze dingen doe; .10 De doop van Johannes, was die uit den hemel of uit demenschen? Antwoordt mij. 31 En zij overleiden onder elkander, zeggende: Indien wij zeggen : L\' it den hemel , zoo zal hij zeggen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd ? 32 Maar indien wij zeggen: Uit de menschen, zoo vreezen wij het volk ; want zij hielden allen van Johannes, dat hij waarlijk een Profeet was. 33 En antwoordende zeiden zij tot Jezus; Wij weten het niet. |
ÜS 12. 07 En Jezus antwoordende zeide tot hen: Zoo zegge ik u ook niet door wat macht ik deze dingen doe. HOOFDSTUK 12. En hij be2:on door gelijkenis ■\'en tot hen te zeggen: Een mensch plantte eenen wijngaard , en zette eenen tuin daarom , en groef eenen wijnpersbak , en bouwde eenen toren, en verhuurde dien aan de landlieden, en reisde buitenslands. 2 En als het de tijd was, zond hij eenen dienstknecht tot de landlieden, opdat hij van de landlieden ontving van de vrucht des wijngaards ; 3 maar zij namen en sloegen hem, en zonden Aem ledig henen. 4 En hij zond wederom eenen anderen dienstknecht tot hen, en dien steenigden zij, en wondden hem liet hoofd, en zonden /tem henen, schandelijk behandeld zijnde. 5 En wederom zond hij eenen anderen, en dien doodden zij j en vele anderen, waarvan zij sommigen sloegen en sommigen doodden. 6 Als hij dan nog éénen zoon had, die hem lief was, zoo heeft hij ook dien ten laatste tot hen gezonden, zeggende: Zij zullen immers mijnen zoon ontzien. 7 Maar die landlieden zeiden onder elkander: Deze is de erfgenaam; komt, laat ons hem dooden, en de erfenis zal onze zijn. 8 En zij namen en doodden hem, en wierpen /tem uit buiten den wyngaard. 1) Wat zal dan de heer des wijngaards doen? Hij zal komen en de landlieden verderven , en den wijngaard aan anderen geven. 10 Hebt gij ook deze Schrift niet gelezen: De steen, dien de bouwlieden verworpen heb- |
|
68 MAR( bon, doze is frewordcn tot een hoofd des hoeks; 11 van den Ileere is dit geschied, en het is wonderlijk in onze oogen? 12 En zij zochten hem te vangen , maar zij vreesden de schare; want zij verstonden dat hij die gelijkenis op hen sprak; en zij verlieten hem en gingen weg. 13 En zij zonden tot hem eenigen der Farizeërs en der Herodianen, opdat zij hem in zijne rede vangen zouden. 14 Deze nu kwamen en zeiden tot hem: Meester, wij weten dat gij waarachtig zijt, en naar niemand vraagt; want gij ziet den persoon der menschen niet aan, maar gij leert den weg Gods in der waarheid: is het geoorloofd den Keizer schatting te geven of niet? Zullen wij geven of niet geven? 15 En hij wetende hunne geveinsdheid, zeide tot hen : quot;Wat verzoekt gij mij ? Brengt mij eenen penning, dat ik hem zie. 16 En zij brachten eenen. En hij zeide tot hen: quot;Wiens is dit beeld en het opschrift? En zij zeiden tot hem: Des Keizers. 17 En Jezus antwoordende zeide tot hen: Geeft dan den Keizer dat des Keizers is, en Gode dat Gods is. En zij verwonderden zich over hem. 18 En de Sadduceërs kwamen tot hem, welke zeggen dat er Seene opstanding is, en vraag-en hem, zeggende:eene opstanding is, en vraag-en hem, zeggende: 19 Meester, Mozes heeft ons geschreven, indien iemands broeder sterft, en eene vrouw achterlaat, en geen kinderen nal.aat, dat zijn broeder des-zelfs vrouw nemen zal en zijnen broeder zaad verwekken. 20 Er waren nu zeven broeders; en de eerste nam eene vrouw, en stervende liet geen zaad na. 21 De tweede nam haar óók, |
ÜS 12. en is gestorven, en ook deze liet geen zaad na, en de derde desgelijks ; 22 en alle de zeven namen dezelve, en lieten geen zaad na. De laatste van allen is ook de vrouw gestorven. 23 In de opstanding dan, wanneer zij zullen opgestaan zijn, wiens vrouw zal zij zijn van deze? want die zeven hebben haar tot eene vrouw gehad. . 24 En Jezus antwoordende zeide tot hen: Dwaalt gij niet, daarom dat gij de Schriften niet weet noch de kracht Gods ? 25 Want als zij uit de dooden zullen opgestaan zijn, zoo trouwen zij niet, noch worden ten huwelijk gegeven; maar zij zijn gelij:lt; Engelen die in de hemelen zijn. 26 Doch aangaande de dooden, dat zij opgewekt zullen worden, hebt gij niet gelezen in het boek van Mozes, hoe God in het doornbosch tot hem gesproken heeft, zeggende: Ik ben de God Abrahans en de God Isailks en de God Jakobs ? 27 God is niet een God der dooden maar een God der levenden. Gij dwaalt dan zeer. 2S En een der Schriftgeleerden , hoorende dat zij te zamen in woorden waren, e i wetende dat hij hun wèl geantwoord had, kwam tot hem en vraagde hem : quot;Welk is het eerste gebod van alle? 29 En Jezus antwoordde hem: Het eerste van alle de geboden is: Hoor Israël, de Heere onze God is een é^nig Heer; 30 en gij zult den Heere uwen God liefhebben uit geheel uw harte en uit geheel uwe ziele en uit geheel uw verstand en uit geheel uwe kracht. Dit is het eerste gebod. 31 En het tweede hieraan gelijk , is dit: Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven. Daar is geen ander gebod groo-ter dan deze. 32 En de Schriftgeleerde zeide |
|
tot hem: Meester, Rij hebt wèl in waarheid gezegd, dat er een (?énig God is , en daar is geen ander dan hij : 33 en hem lief te hebben uit geheel het harte, en uit geheel het verstand, en uit geheel de ziele, en uit geheel de kracht, en den naaste lief te hebben als ziehzelven, is meer dan alle de brandofferen en de slachtofferen. 34 En Jezus ziende dat hij verstandiglijk geantwoord had, zeide tot hem: Gij zijt niet verre van het Koninkrijk Gods. En niemand durfde hem meer vragen. 35 En Jezus antwoordde en zeide, leerende in den Tempel: Hoe zeggen de Schriftgeleerden , dat de Christus een zoon Davids is? 36 Want David zelf heeft door den Heiligen Geest gezegd: De Heere heeft gezegd tot mijnen Heere: Zit .aan mijne rech-terhand, totdat ik uwe vijanden zal gezet hebben tot een voetbank uwer voeten. 37 David dan zelf noemt hem zijnen Heere, en hoe is hij zijn zoon ? En de menigte der scharen hoorde hem gaarne. 38 En hij zeide tot hen in zijne leer: AVacht u voor de Sèhriftgeleer(l«\'n, die gaarne willen wandelen in lange kleederen, en gegroet zijn op de markten, 39 en de voorgestoelten hebben in de Synagogen, en de vooraanzittingen bij de maaltijden ; •iO welke de huizen der weduwen opeten , en dat onder den schijn van lang te bidden: deze zullen zwaarder oordeel ontvangen. 41 En Jezus gezeten zijnde tegenover de schatkist, zag hoe de schare geld wierp in de schatkist; en vele rijken wierpen veel daarin. 42 En daar kwam eene arme weduwe, die wierp twee kleine |
US 13. f.9 penningen daarin, hetwelk is een oort. 43 En Jezus zijne discipelen tot zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Voorwaar ik zegge u, dat deze arme weduwe meer ingeworpen heeft dan allen die in de schatkist geworpen hebben; 44 want zij allen hebben van hunnen overvloed daarin geworpen, maar déze heeft van haar gebrek al wat zij had daarin geworpen, haren gan-schen leeftocht. HOOFDSTUK 13. En als hij uit den Tempel ging, zeide een van zijne discipelen tot hem: Meester, zie, hoedanige steenen en hoeda-nige gebouwen! 2 En Jezus antwoordende zeide tot hein: Ziet sij deze groote gebouwen? Daar zal niet een steen op den anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden. 3 En als hij gezeten was op den Olijfberg, tegen den Tempel over, vraagden hem Petrus en Jacobus en Johannes en Andréas alleen: 4 Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn? En welk is het teeken, wanneer deze dingen alle voleindigd zullen worden ? 5 En Jezus hun antwoordende, begon te zeggen : Ziet toe dat u niemand verleide: 6 want velen zullen komen onder mijnen naam, zeggende: Ik ben de Christus, en zullen velen verleiden. 7 En wanneer gij zult hoeren van oorlogen en geruchten van oorlogen , zoo wordt :aiet verschrikt; want dit moet geschieden, maar nog is het einde niet. 8 Want het ééne volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ééne koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en daar zullen aardbevingen zijn in verschei- |
|
70 MARC dene plaatsen, en daar zullen hongersnooden wezen en beroerten. Deze dingen zijn maar beginselen der smarten. 9 Maar ziet gij voor nzelve toe; want zij zullen u overleveren- in de raadsvergaderingen en in de Synagogen ; gij zult geslagen worden, en voor Stadhouders en Koningen zult gij gesteld worden om mijnentwille, hun tot een getuigenis. 10 En het Evangelie moet eerst gepredikt worden onder alle de volken. 11 Doch wanneer zij u leiden zullen om u over te leveren, zoo zijt te voren niet bezorgd wat gij spreken zult, en bedenkt het niet, maar zoo wat u in die ure gegeven zal worden, dilt spreekt: want gij zijt het niet die spreekt, maar de Heilige Geest. 12 En de ééne broeder zal den anderen broeder overleveren tot den dood, en de vader het kind; en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders, en zullen ze dooden. 13 En gij zult gehaat worden van allen om mijns naams wille; maar wie volharden zal tot den einde, die zal zalig worden. 14 Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan door den Profeet Daniël gesproken is, staande waar het niet behoort, (wie het leest, die merke daarop), alsdan die in Judéa zijn, dat ze vlieden op de bergen; 15 en die op het dak is, kome niet af in het huis, en ga niet in om iets uit zijn huis weg te nemen; lü en die op den akker is, keere niet weder terug om zijn kleed te nemen. 17 Maar wee den bevruchten en den zogenden vrouwen in die dagen. J8 Doch bidt dat uwe vlucht niet geschiede des winters; 1\'J want dje dagen zullen zul- |
ÜS 13. ke verdrukking zijn, welker gelijke niet geweest is van het beuin der schepselen die God geschapen heeft, tot nu toe, en ook niet zijn zal. 20 En indien de lleere de dagen niet verkort had, geen vleesch zoude behouden worden ; maar om der uitverkorenen wille, die hij heeft uitverkoren, heeft hij de dagen verkort. 21 En alsdan zoo iemand tot ulieden zal zeggen : Zie hier is de Christus, of zie hij is ddar, gelooft het niet. 22 Want er zullen valsche Christussen en valsche Profeten opstaan, en zullen teekenen en wonderen doen, om te verleiden , indien het mogelijk ware, ook de uitverkorenen. 23 Maar gijlieden, ziet toe; zie, ik heb u alles voorzegd. 21 Maar in die dagen, na die verdrukking, zal de zon verduisterd worden , en de maan zal haar schijnsel niet geven, 25 en de sterren des hemels zullen daaruit vallen, en de krachten die in de hemelen zijn zullen bewogen worder. 21» En alsdan zullen zij den Zoon des menschen zien, komende in de wolken met gre ote kracht en heerlijkheid. 27 Eu alsdan zal hij zijne Engelen uitzenden, en zal zijne uitverkorenen bij^énvergaide-reu uit de vier winden, van het uiterste der aarde tot het uiterste des hemels. 28 En leert van den vijgeboom deze gelijkenis: wanneer nu zijn tak teêr wordt en de bladereu uitspruiten, zoo weet gij dat de zomer nabij is; 29 alzóó ook gij , wanneer gij deze dingen zult zien geschieden, zoo weet dat het nabij voor de deur is. 30 Voorwaar ik zegge u, dat dit geslacht niet zal vcorbij-gaan totdat alle deze dingen zullen geschied zijn. 31 De hemel en de aarde zul- |
|
lcn voorbijjraan, maar mijne woorden zullen geenszins voorbijgaan. 33 Maar van dien dag en die ure weet niemand, noch de Engelen die in den hemel zijn, noch de Zoon, dan de Vader. Ziet toe, waakt en bidt, want gij weet niet wanneer de tijd is. . 34 Gelijk een mensch buitenslands reizende zijn huis verliet, en zijnen dienstknechten macht gaf, en elk zijn werk, en den deurwachter gebood dat hij zoude waken : 35 zoo waakt dan, (wantgij weet niet wanneer de heer des huizes komen zal, das avonds laat, of te middernacht, of met het hanengekraai, of in den morgenstond), W opdat hij niet onvoorziens kome en u slapende vinde. 37 En hetgeen ik ü zegge, dat zegge ik allen: waakt. HOOFDSTUK 14. En het Pascha en het feest der ongehevelde broaden was na twee dagen; en de Over-priesters en de Schriftgeleerden zochten, hoe zij hem met listigheid vangen en dooden zouden. 2 Maar zij zeiden; Niet op het feest, opdat er niet misschien oproer onder het volk worde. 3 En als hij te Bethanie was in het huis van Simon den melaatsche, daar hij aan tafel zat, kwam eene vrouw hebbende een albasten flesch met zal-ve van onvervalschten nardus van grooten prijs; en de albasten flesch gebroken hebbende, goot die op zijn hoofd. 4 En daar waren sommigen die dat zeer kwalijk namen bij zichzelve, en zeiden: AYaartoe is dit verlies der zalve geschied ? 5 Want dezelve had kunnen boven de driehonderd penningen verkocht, en die den ar- |
LTS 14. 71 men gegeven worden; en zij vergrimden tegen baar. (» Maar Jezus zeide: Laat if van haar; wat doet gij haar moeite aan? Zij heeft een goed werk aan mij gewrocht. 7 Want de armen hebt gij altijd met u , en wanneer gij wilt kunt Rij hun weldoen; maar mij hebt gij niet altijd. 8 Zij heeft gedaan \'tgeen zij konde: zij is voorgekomen om mijn lichaam te zalven, iot eene voorbereiding ter begrafenis. (J Voorwaar zegge ik u, alwaar dit Evangelie gepredikt zal worden in de geheele wereld , daar zal ook tot hare gedachtenis gesproken worden van \'t geen zij gedaan heeft. 10 En Judas Iskariot, een van de twaalve, ging henen tot de Overpriesters, opdat hij hem hun zoude overleveren. 11 En zij dat hoorende waren verblijd, en beloofden hem geld te geven; en hij zocht hoe hij hem bekwamelijk zoude overleveren. 12 En op den eersten dag der ongehevelde broaden, wanneer zij het Pascha slachtten, zeiden zijne discipelen tot hem: Waar wilt gij dat wij henen-gaan en bereiden, dat gij het Pascha eet ? 13 En hij zond twee van zijne discipelen uit, en zeide tot hen: Gaat henen in de stad, en u zal een mensch ontmoeten, dragende eene kruik water: volgt dien; 14 en zoo waar hij ingaat, zegt tot den heer des huizes: De Meester zest: Waar is de eetzaal, daar ik het Pascha met mijne discipelen eten zal ? 15 En hij zal u wijzen eene groote opperzaal, toegeruste» gereed: bereidt het ons aldaar. Ki En zijne discipelen gingen uit, en kwamen in de stad, en vonden het gelijk hij hun jjezegd had, en bereidden het Pascha, |
|
17 En als het avond geworden was. kwam hij met de twaalve. 18 Kn als zij aanzaten en aten, zeide Jezus: Voorwaar ik zegge u dat een van n, die met mij eet, mij zal verraden. 19 En zij begonnen bedroefd te worden, en de één na den ander tot hem te zeggen : Ben ik \'t ? en een ander: Een ifc \'t? 20 Maar hij antwoordde en zeide tot hen ; In een uit de twaalve , die met mij in den schotel indoopt. 21 De Zoon des menschen gaat wel henen gelijk van hem geschreven is, maar wee dien mensch door welken de Zoon des menschen verraden wordt: het ware hem goed zoo die mensch niet geboren ware geweest. 22 En als zij aten nam Jezus brood, en als hij gezegend had brak hij het, en gaf het hun, en zeide: Neemt, eet, dat is mijn lichaam. 23 En hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende gaf hun dien , en zij dronken allen uit denzelven. 24 En hij zeide tot hen; Pat is mijn bloed, het bloed des nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt. 25 Voorwaar ik zegge u, dat ik niet meer zal drinken van de vrucht des wijnstoks, tot op dien dag, wanneer ik dezelve nieuw zal drinken in het Koninkrijk Gods. 2lt;i En als zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg. 27 En Jezus zeide tot hen: Gij zult in dezen nacht allen aan mij geërgerd worden; want daar is geschreven: Ik zal den herder slaan, en de schapen zullen verstrooid worden. 28 Maar nadat ik zal opgestaan zijn, zal ik u voorgaan naar Galiléa. 29 En Petrus zeide tot hem: Ofschoon zij allen geërgerd |
ÜS 14. wierden, zoo zal ik toch niet geërqerd worden. 30 En Jezus zeide tot hem; Voorwaar ik zegge u, dat heden in dezen nacht, eer de haan tweemaal gekraaid zal hebben, gij mij driemaal zult verloochenen. 31 Maar hij zeide nog des te meer: Al moest ik met u sterven, zoo zal ik u geenszins verloochenen. En insgelijks zeiden zij ook allen. 32 En zij kwamen in eene plaats welker naam was Geth-semané, en hij zeide tot zijne discipelen : Zit hier neder, quot;ot-dat ik gebeden zal hebben. 33 En hij nam met zich Petrus en Jacobus en Johannes, en begon verbaasd en zeer beangst te worden, . 34 en zeide tot hen: Mijne ziele is geheel bedroefd tot den dood^ toe: blijft hier en waakt. 35 En een weinig voortgegaan zijnde viel hij op de aarde, en bad, zoo het mogelijk wart, dat die ure van hem voorbij-ginge. 36 En hij zeide: Abba, Vader, alle dingen zijn u mogelijk: neem dezen drinkbeker van mij weg; doch niet wat ik wil\', maar wat gij wilt. 37 En hij kwam en vond hen slapende, en zeide tot Petrus: Simon, slaapt gij ? Kunt gij niet één uur waken? 38 Waakt en bidt, opdat gü niet in verzoekinsr komt; de geest is wel gewillig, maar het vleesch in zwak. 39 En wederom henengegaan zijnde, bad hij , sprekende dezelfde woorden. 40 En wedergekeerd zijnde, vond hü ze wederom slapende, want hunne oogen waren bezwaard ; en zij wisten niet wat zü hem antwoorden zouden 41 En hij kwam ten derden male, en zeide tot hen: Slaupt nu voort en rust. Het is genoeg , de ure is gekomen ; /ie, de Zoon des menschen wordt |
|
overgeleverd in de handen der zondaren. 42 Staat op, laat ons gaan: zie, die mij verraadt is nabij. 43 En terstond als bij no-j sprak, kwam Judas aan, die een was van de twaalve, en met bem eene groote scbare met zwaarden en stokken, gezonden van de Overpriesters en de Schriftgeleerden en de Ouderlingen. 44 En die bem verried bad bun een gemeen teeken gegeven, zeggende; Dien ik kussen zal, die is bet: grijpt bem, en leidt bem zekerlijk benen. 45 En als bij gekomen was, ging bij terstond tot bem, en zeide: Rabbi, Rabbi, en kuste bem; 4G en zij sloegen bunne banden aan bem, en grepen bem. 47 En een dergenen die daarbij stonden, bet zwaard trekkende, sloeg den dienstknecht des Hoogepriesters en bieuw bem zijn oor af. 4S En Jezus antwoordende zeide tot ben: Zijt gij uitgegaan met zwaarden en stokken als tegen eenen moordenaar om mij te vangen? 49 Dagelijks was ik bij ulieden in den Tempel leerende, en gy bebt mij niet gegrepen; maar dit geschiedt opdat de Schriften vervuld zouden worden. 50 En zij bem verlatende zijn allen gevloden. 51 En een zeker jongeling volgde bem, hebbende een lijnwaad omgedaan over het naakte lijf, en de jongelingen grepen bem; 52 en hij bet lijnwaad verlatende is naakt van ben gevloden. 53 En zij leidden Jezus benen tot den Uoogepriester, en bij hem vergaderden alle de Overpriesters en de Ouderlingen en de Schriftgeleerden. 54 En Petrus volgde bem van verre tot binnen in de zaal des Hoogepriesters, en hij was |
US 14. 73 medezittende met de dienaren, en zich warmende bij bet vuur. 55 En de Overpriesters en de geheel e Raad zochten getuigenis tegen Jezus, om hem te dooden, en vonden niet; 56 want velen getuigden val-schelijk tegen hem, en do getuigenissen waren niet een- paris:. 57 En eenigen opstaande getuigden valschelijk tegen hem, zeggende: 58 Wy hebben hem booren zeggen : Ik zal dezen Tempel, die met handen gemaakt is, afbreken, en in drie dagen eenen anderen, zonder banden gemaakt, bouwen. 59 En ook alzóó was bunne getuigenis niet eenparig. 00 En de Uoogepriester in \'t midden opstaande, vraagde Jezus, zeggende: Antwoordt gij niets? Wat getuigen deze tegen u ? 61 Maar hij zweeg stil en antwoordde niets. Wederom vraagde hem de Uoogepriester en zeide tot bem: Zijt gij de Christus, de Zoon des geze-genden Gods? 62 En Jezus zeide: Ik ben \'t; en gijlieden zult den Zoon des menschen zien zitten ter recb-tevhaud der kracht Gods, en komen met de wolken des hemels. 63 En de Uoogepriester verscheurende zijne kleederen, zeide: Wat hebben wij nog getuigen van noode ? 64 Gij bebt de (;o(/«lastering gehoord: wat dunkt ulieden ? En zij allen veroordeelden hem des doods schuldig te zijn. 65 En sommigen begonnen hem te bespuwen , en zijn aangezicht te bedekken, en met vuisten te slaan, en tot hem te zeggen: Profeteer; en de dienaars gaven bem kinnebakslagen. 66 En als Petrus beneden in de zaal was, kwam eene van |
|
74 MAR( de dienstmaagden des Ilooge-priesters; (57 en ziende Petrus zich warmende , zag zij hem aan, en zeide: Ook gij waart met Jezus den Nazarener. GS Maar hij heeft het geloochend, zeggende; Ik ken hem niet, en ik weet niet wat gij zvgt. En hij ging buiten in de voorzaal, en de haan kraaide. (gt;9 En de dienstmaagd hem wederom ziende, begon te zeggen tot degenen die daarbij stonden: Deze is (\'tn van die. 70 Maar hij loochende het wederom. En een weinig daarna die daarbij stonden zeiden wederom tot Petrus: Waarlijk gij zijt één van die; want gij zijt óók een Galileër, en uwe spraak gelijkt. 71 En hij begon zichzclvcn te ■vervloeken, en te zweren: Ik leen dezen mensch niet dien f^ij zegt. 72 En de haan kraaide de tweede maal; en Petrus werd indachtig het woord, hetwelk Jezus tot hem gezegd had : Eer de haan tweemaal gekraaid zal hebben zult gij mij driemaal verloochenen. En hij zich van daar makende, weende. HOOFDSTUK 15. En terstond des morgens vroeg hielden de Overpriestera te zamen raad met de Ouderlingen en Schriftgeleerden, en de geheele Raad ; en Jezus gebonden hebbende, brachten zij hem henen, en gaven hem aan Pilatus ever. 2 En Pilatus vraagde hem; Zijt gij de Koning der Joden? En hij antwoordende zeide tot hem: Gij zegt het. 3 En de Overpriesters beschuldigden hem van vele zaken, maar hij antwoordde niets. 4 En Pilatus vraagde hem wederom, zeggende: Antwoordt gij niets? Zie hoevele zaken zij tegen u getuigen. |
ó En Jezus heeft niets meer geantwoord, zoodat Pilatus zich verwonderde. (gt; En op het feest liet hij hun eenen gevangene los, wien zij ook begeerden. 7 En daar was een, jrenaamd Barabbas, gevangen met andere medeoproermakers, die in het oproer een doodslag gedaan hadden. 8 En de schare riep uit, en begon te begeeren dut hij deed gelijk hij hun altijd gedaan had. 9 En Pilatus antwoordde hun, zeggende: Wilt gij dat ik u den Koning der Joden loslate? 10 (Want hij wist dat hem de Overpriesters door nijd overgeleverd hadden.) 11 Maar de Overpriesters bewogen de schare, dat hij hun liever Barabbas /.oude loslaten. 12 En Pilatus antwoordende zeide wederom ;ot hen: Wat wilt gij dan dat ik met hèm doen zal, dien gij een Koning der Joden noemt? 13 En zij riepen wederom: Kruis hem. 14 Doch Pilatus ;;eide tot hen: Wat heeft hij dan kwaads gedaan ? En zij riepen te meer: Kruis hem. 15 Pilatus nii willende de schare te wille zijn, heeft hun Barabbas losgelaten, en gaf Jezus over, als hij hem ge-geeseld had, om gekruist te worden. 16 En de krijgsknechten leidden hem binnen in de zaal, welke is het Rechthuis, en riepen de gansche bende te zamen; 17 en deden hem eenen purperen mantel aan, en eene doornenkroon gevlochten hebbende , zetteden hem die op ; 18 en begonnen hem te groeten , zeggende: Wees gegroet gij Koning der Joden ; 19 en sloegen zijn hoofd met eenen rietstok, en bespuwden hem , en vallei de op de knieën aanbaden hem 20 En als zij hem bespot had- |
|
den, deden zij hem den purperen mantel af, en deden hem zijne eigene kleederen aan, en leidden hem uit om hem te kruisigen. 21 En zij dwongen eenen Simon van Cyrene, die daar voorbijging , komende van den akker , den vader van Alexander en Rufus, dat hij zijn kruis droes. 22 En zij brachten hem tot de plaats Golgotha, hetwelk is overbezet zijnde Hoodschedel-plaats. 2:$ En zij gaven hem gemir-reden wijn te drinken; maar hij nam dien niet. 24 En als zij hem gekruisjgd hadden, verdeelden zij zijne kleederen, werpende het lot over dezelve, wat een iegelijk wegnemen zoude. 25 En het was de derde ure, en zij kruisigden hem. 20 En het opschrift zijner beschuldiging was boven hem geschreven: De Komng der Joden. 27 En zij kruisigden met hem twee moordenaars, éC-nen aan zijne rechter- en éénen aan zijne linkerri;rfe. 28 En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt; En hij is met de misdadigen gerekend. 29 En die voorbijgingen lasterden hem, schuddende hunne hoofden, en zeggende: Ha, gij die den Tempel afbreekt cn in drie dagen opbouwt, 30 behoud uzelven en kom af van het kruis. 31 En insgelijks ook de Over- Sriesters met de Schriftgeleer-en zeiden tot elkander al spottende: Hij heeft anderen verlost, zichzelven kan hij niet verlossen ;riesters met de Schriftgeleer-en zeiden tot elkander al spottende: Hij heeft anderen verlost, zichzelven kan hij niet verlossen ; 32 de Christus, de Koning Israels kome nu af van het kruis, opdat wij het zien en gelooven mogen. Ook die met hem gekruist waren smaadden hem. |
JS 15. 75 33 En als de zesde ure gekomen was, werd er duisternis over de geheele aarde, tot de negende ure toe. 34 En ter negende ure riep Jezus met groote stemme, zeggende: Eloï , Eloï . Lamma saiiacutam, hetwelk is overgezet zijnde: mijn God, mijn God , waarom hebt gij mij verlaten ! 35 En sommigen van die daarbij stonden dit hoorende, zeiden : Zie, hij roept Elia. 36 En er liep een en vulde eene spons met edik, cn stak ze op eenen rietstok, en fcaf hem te drinken, zeggende: Houdt stil, laat ons zien of Elia komt om hem aftenemen- 37 En Jezus eene groote stemme van zich gegeven hebbende, gaf den geest. 38 En het voorhangsel des Tempels scheurde in tweeën» van boven tot beneden. 31) En de hoofdman over honderd, die daarbij tegenover hem stond , ziende dat hij alzóó roepende den geest gegeven had » zeide: Waarlijk deze mensclv was Gods Zoon. 40 En daar waren ook vrouwen van verre dit aanschouwende , onder welke ook was Maria Magdalena, en Maria de moeder van Jacobus den kleine en van Joses,en Salome, 41 welke ook toen hij in Ga-liléa was, hem waren gevolgd en hem gediend hadden, en vele andere wouwen die met hem naar Jeruzalem opgekomen waren. 42 En als het nu avond was geworden, dewijl het voorbereiding was, welke is de vóórsabbat , 43 kwam Jozef die van Arima-théa wan, een achtbaar Raadsheer, die ook zelf het Koninkrijk Gods was verwachtende, en zich verstoutende ging hij in tot Pilatus en begeerde het lichaam van Jezus. 44 En Filatus verwonderde |
MARCUS 1G.
7rgt;
|
zich dat hij alrcedc gestorven was, en den hoofdman over honderd tot zich geroepen hebbende, vraagde hem of hij lang gestorven was; 45 en als hij \'tvan den hoofdman over honderd verstaan had, schonk hij Jozef het lichaam. 4(» En hij kocht fijn lynwaad, en hem afgenomen hebbende, wond hem in dat fijne lijnwaad, en leide hem in een graf hetwelk uit een steenrots gehouwen was, en hij wentelde eenen steen tegen de deur des grafs. 47 En Maria Magdalena en Maria de moeder van Joses aanschouwden waar hij gelegd werd. HOOFDSTUK 16. En .ils de sabbat voorbUge-gaan was, hadden Maria Magdalena, en Maria de moeder van Jacobus, en Salome specerijen gekocht, opdat zij kwamen en hem zalfden. 2 En zeer vroeg op den eersten dag der week kwamen zij tot het graf, als de zon opgin», en zeiden tot elkander; Wie zal ons den steen van de deur des srafs afwentelen? 4 (En opziende zajjen zij dat de steen afgewenteld was) want hij was zeer groot. 5 En in het graf ingegaan zijnde, zagen zij eenen jongeling zittende ter rechterrijVte, bekleed met een wit lang kleed, en werden verbaasd. (i Maar hij zeide tot haar: Zijt niet verbaasd. Gij zoekt Jezus den Is\'azarener die gekruist was: hij is opgestaan, hij is hier niet; zie de plaats waar zij hem gelegd hadden. 7 Doch gaat henen, zegt zijnen discipelen en Petrus, dat hij u voorgaat naar Galiléa: aldaar zult gij hem zien, gelijk hij ulieden gezegd heeft. 8 En zij haastelijk uitgegaan zijnde, vloden van het graf, en beving en ontzetting had haar bevangen; en zij zeiden niemand iets, want zij waren bevreesd. |
9 En als Jezus opgestaan was \'s morgens vroeg op den eersten day der week, verscheen hij eerst aan Maria Magdalena, uit welke hij zeven duivelen uitgeworpen had. 10 Deze henengaande boodschapte het dengenen die met hem geweest waren, welke treurden en weenden. 11 En als deae hoorden dat hij leefde en van haar gezien was, geloofdet. zij het niet. 12 En na dezen is hij geopenbaard in eene andere gedaante aan twee van hen, daar zij wandelden en in het veld gingen. 13 Deze ook henengaande boodschapten het den anderen, maar zij geloofden ook die niet. 14 Daarna is h j geopenbaard aan de elve daa\' zij aanzaten, en verweet hun hunne onge-loovigheid en hardigheid der harten, omdat zij niet geloofd hadden degenen die hem gezien hadden nadat hij opgestaan was. 15 En hij zeide tot hen: Gaat henen in de gehtele wereld, predikt het Evangelie allen kreaturen. 16 Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden. 17 En degenen die geloofd zullen hebben, zullen deze teekenen volgen; in mijnen naam zullen zij duivelen uitwerpen; met nieuwe tongen zullen zij spreken; 18 slangen zullen zij opnemen ; en al is het dat zij iets doodelijks zullen drinken, dat zal hun niet schaden ; op kran-ken zullen zij de handen leggen , en zij zullen gezond worden. 19 De Heere dan nadat hij tot hen gesproken had, is op- |
LUCAS 1.
77
|
ffcnomcn in den licmcl, cn is irezetcn aan de rechterAnMrf Gnds. |
20 En zij uitgegaan zijnde predikten overal, en de Ileere wrocht mede, en bevestigde het Woord door teekenen die daarop volgden. Amen. |
HET HEILIG EVANGELIE
NAAR DE BESCHRIJFING VAN
LUCAS.
|
HOOFDSTUK 1. Nademaal velen ter hand genomen hebben, om in orde te stellen een verhaal van de dingen die onder ons volkomen zekerheid hebben, 2 gelijk ons overgeleverd hebben die van den beginne zelve aanschouwers en dienaars des Woords geweest zijn: 3 zoo heeft het ook mij goed gedacht, hebbende alles van voren aan naarstiglijk onderzocht, vervolgens aan u te schrijven, voortreffelijke Theo-filus, 4 opdat gij moogt kennen de zekerheid der dingen waarvan gij onderwezen zijt. 5 In de dagen van Herodes den Koning van JudC-a was er een zeker Priester met name Zacharias, van de dagorde van Abia; en zijne vrouw was uit de dochteren Aiirons, en haar naam Elizabet. fi En zij waren beiden rechtvaardig voor God, wandelende in alle de geboden en de rechten des Heeren onberispelijk. 7 En zij hadden geen kind, omdat Elizabet onvruchtbaar was en zij beiden ver op hunne dagen gekomen waren. 8 En het geschiedde dat als hij het Priesterambt bediende voor God in de beurt zijner dagorde, |
9 naar de gewoonte der Priesterlijke bediening, hem te lote was gevaDen, dat hij zoude ingaan in den Tempel des Heeren om te reukofferen ; 10 cn al de menigte des volks was buiten biddende, ter ure des reukoffers. 11 En van hem werd gezien een Engel des Heeren , staande ter rechterzyrfe van het altaar des reukoffers. 12 En Zacharias hem ziende werd ontroerd, en vreeze is op hem gevallen. 1:$ Maar de Engel zeide tot hem: Vrees niet, Zacharias, want uw gebed is verhoord, en uwe vrouw Elizabet zal u eenen zoon baren, en gij zult zijnen naam heeten Johannes; 14 en u zal blijdschap en verheuging zijn, en velen zullen zich over zijne geboorte verblijden. 15 Want hij zal groot zijn voor den Heers; noch wijn noch sterken drank zal hij drinken , en hij zal met den Heiligen Geest vervuld worden, ook van zijn moeders lijf af; 16 en hij zal velen der kinderen Israels bekeeren tot den Ileere hunnen God; 17 en hij zal vóór hem henen-gaan in den geest en de kracht van Elia, om te bekeeren de |
|
78 LUC harten dor vaderen tot de kinderen en de onfjehoorzamen tot de voorzichtigheid der rechtvaardigen , om den Heere te bereiden een toegerust volk. 18 En Zacharias zeide tot den Engel: Waarbij zal ik dat ■neten? Want ik ben oud, en mijne vrouw is verre op hare dagen gekomen. 19 En de Enirel antwoordde en zeide tot hem: Ik ben Gabriel, die voor God sta, en ben uitgezonden om tot u te spreken en u deze dingen te verkondigen ; 20 en zie, gij zult zwijgen en niet kunnen spreken, tot op den dag dat deze dingen geschied zullen zijn; omdat gij mijne woorden niet geloofd hebt, welke vervuld zullen worden op hunnen tijd. 21 En het volk was wachtende op Zacharias, en zij waren verwonderd dat hij zoo lang vertoefde in den Tempel. 22 En als hij uitkwam kon hij tot hen niet spreken; en zij bekenden dat hij een gezicht iri den Tempel gezien had. Eti hij wenkte hun toe, en bleef stom. 23 En het geschiedde als de dagen zijner bediening vervuld waren, dat hij naar zijn huis ging. 24 En na die dagen werd Elizabet zijne vrouw bevrucht; en zij verborg zich vijf maanden, zeggende: 2quot;» Alzóó heeft mij de Ileere gedaan, in de dagen in welke hij mij aangezien heeft, om mijne versmaadheid onder de menschen weg te nemen. 26 En in de zesde maand werd de Engel Gabritil van God gezonden naar eene stad in Gali-I^a, genaamd Nazareth, 27 tot eene maagd, die ondertrouwd was met eenen man wiens naam was Jozef, uit den huize Davids; en de naam der maagd was Maria. |
IS 1. 28 Eu de Engel tot haar ingekomen zijnde, zeide: Wees gegroet gij begenadigde; de Ileere is met u, gij :ijt gezegend onder de vrouwen. 29 En als zij hem zag, werd zij zeer ontroerd over dit zijn woord, en overleide hoedanig deze groetenis mocht zijn. 30 En de Engel zeide tot haar; Vrees niet, Maria, want gij hebt genade bij God gevonden. 31 En zie, gij zult\'bevrucht worden, en eenen zoon baren, en zult zijnen naam heeten Jezus. 32 Deze zal groot zijn en de Zoon des AllerLoogsten genaamd worden, en God de Ileere zal hem den troon zijns vaders Davids geven; 33 en hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in eeuwigheid, en zijns Köninkrijks zal geen einde zijn. 34 En Maria zeide tot den Engel : Hoe zal dat wezen, dewijl ik geenen man beken ? 35 En de Engel antwoordende zeide tot haar: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten sal u overschaduwen : daaro u ook dat Heilige, dat uit ti geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden. 36 En zie, Elizabet uwe nicht is ook zelve bevrucht met eenen zoon in haren ouderdom; en deze maand is haar, die onvruchtbaar genaamd was, de zesde; 37 want geen ding zal bij God onmogelijk zijn. 38 En Maria zeii.e: Zie, de dienstmaagd des Heeren: mij geschiede naar u%v woord. En de Engel ging weg van haar. 39 En Maria opgestaan zijnde in die dagen , reisde met haast naar het gebergze in eene stad van Juda, 40 en kwam ir. het huis van Zacharias, en groette Elizabet. 41 En het geschiedde als Elizabet de groetenis van Maria |
|
LUC hoorde, zoo sprong het kindeken op in haren huik ; en lili-zabet werd vervuld met den Heiligen Geest, 42 eh riep uit met groote stem, en zeide: Gezegend zijt gij onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht uws huiks. A\'.i En van waar komt mij dit, dat de moeder mijns Ueeren tot mij komt? 44 Want zie, als de stemme uwer groetenis in mijne ooren geschiedde, zoo sprong het kindeken van vreugde op in mijnen buik. 4» En zalig is zij die geloofd heeft; want de dingen die haar van den Ileere gezegd zijn, zullen volbracht worden. 46 En Maria zeide: Mijne ziel maakt groot den Ileere, 47 en mijn geest verheugt zich in God mijnen Zaligmaker , 48 omdat hij de vernedering zijner dienstmaagd heeft aangezien; want zie, van nu aan zullen mij zalig spreken alle de geslachten; 49 want groote dingen heeft aan mij gedaan hij die machtig is, en heilig is zijn naam , 50 en zijne barmhartigheid is van geslachte tot geslachte over degenen die hem vreezen. 51 Hij heeft een krachtig werk gedaan door zijnen arm; hij heeft verstrooid de hoogmoe-digen in de gedachten hunner harten: 52 hij heeft machtigen van de tronen afgetrokken, en nede-rigen heeft hij verhoogd; 53 hongerigen heeft hij met goederen vervuld, en rijken heeft hij ledijf weggezonden. 54 Hij heeft Israël zijnen knecht opgenomen, opdat hij gedachtig ware der barmhartigheid , 55 {gelijk hij gesproken heeft tot onze vaderen , namelijk tot Abraham en zijn zaad), in eeuwigheid. |
AS 1. 73 56 En Maria bleef bij haar omtrent drie maanden, en keerde weder tot haar huis. 57 En de tijd van Elizabet werd vervuld dat zij baren zoude, en zij baarde eenen zoon. 58 En die daar rondom woonden en hare magen hoorden, dat de Heere zijne barmhartigheid grootelijks aan haar bewezen had, en waren met haar verblijd. SU Eii het geschiedde dat zij op den achtsten dag kwamen om het kindeken te besnijden , en noemden het Zacharias naar den naam zijns vaders. 60 En zijne moeder antwoordde en zeide: gt;iiet alzoo , maar hij zal Johannes heeten. 61 En zij zeiden tot haar: Haar is niemand in uwe maagschap die met dien naam genaamd wordt. 62 En zij wenkten zijnen vader, hoe hij wilde dat hij genaamd zoude worden. 63 En als hij een schrijftafelken geüischt had , schreef hij, zeggende -. Johannes is zijn naam. En zij verwonderden zich allen. 64 En terstond werd zijn mond geopend en zijne tong losgcnidakt, en hij sprak, God lovende. 65 En daar kwam vreeze over allen die rondom hen woonden ; en in het geheele gebergte van Judéa werd veel gesproken van alle deze dingen. 66 En allen die het hoorden namen het ter harte, zeggende : AVat zal toch dit kindeken wezen ? En de lu.nd des Heeren was met hem. 67 En Zachar.as zijn vader werd vervuld met den Heiligen Geest cn profeteerde, zeggende : 68 Geloofd zij de Heere de God Israels, want hij heeft bezocht, en verlossing teweeggebracht zijnen volke, 69 en heeft eenen hoorn der |
|
SO LUC 7..1Iikheid ons opgericht inliet huis Davids zijns knechts, 70 gelijk hij gesproken heeft door den mond zijner heilige 1\'rofeten, die van den beginne der wereld yeweest zijn, 71 namelijk eene verlossing van onze vijanden en van de hand aller dergenen die ons haten; 72 opdat hij barmhartigheid deed aan onze vaderen, en gedachtig ware aan zijn heilig verbond, 73 p/i aan den eed dien hij Abraham onzen vader gezworen heeft, om ons te geven 74 dat wij, verlost zijnde uit de hand onzer vijanden, hem dienen zouden zonder vreeze, in heiligheid en gerechtigheid voor hem, alle de dagen onzes levens. 7() En gij kindeken zult een 1\'rofeet des Allerhoogsten genaamd worden; want sij zult voor het .aangezicht des Hee-ren henengaan om zijne wegen te bereiden, 77 om zijn volk kennis der zaligheid te geven, in vergeving hunner zonden, 78 door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte, 79 om te verschijnen dengenen die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods, om onze voeten te richten op den weg des vredes. SO En het kindeken wies op, en werd gesterkt in den geest, en was in de woestijnen tot den dag zijner vertoohing aan Israël. HOOFDSTUK 2. En het geschiedde in diezelfde dagen dat er een gebod uitging van den Keizer Augustus, dat de gcheele wereld beschreven zoude worden. |
2 Deze eerste beschryving geschiedde ala Cyretiius over Syrië Stadhouder was. 3 En zij gingen allen om beschreven te worden, een iegelijk naar zijn eigen stad. 4 Eu Jozef ging ook op van Galil^a, uit de stad Nazareth, naar Jud^a tot de stad Davids, die Bethlehem genaamd wordt, (omdat hij uit den huize en geslachte Davids was), 5 om beschreven te worden met Maria zijne ondertrouwde vrouw, welke bevrucht was. 6 En het geschiedde als zij daar waren, dat de dagen vervuld werden dat zy baren zoude; 7 en zij baarde haren eerstgeboren zoon, en wond hem in doeken, en leide hem neder in de kribbe, omdat voor hen geene plaats was in de herberg. 8 En daar waren herders in diezelfde landstreek, zich houdende in het veld, en hielden de nachtwacht over hunne kudde. 9 En zie, een Engel des Hee-ren stond bij hen, en de heerlijkheid des Heeren omscheen ze, en zij vreesden met grootc vreeze. 10 En de Engel zeide tot hen; Vreest niet, want zie, ik verkondig u groote blijdschap, die al den volke wezen zal, 11 namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus de Heere, in de stad Davids. 12 En dit zal u hetteeken zijn: gij zult het kindeken vinden in doeken gewonden en liggende in de kribbe. 13 En van strnde aan was daar met den Engel eene menigte des heme.schen heirle-gers, prijzende God en zeggende : 14 Eere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de menschen een welbehagen. |
|
15 En het pcschicdde als de Engelen van hen weggevaren waren na;ir den hemel, dat de herders tot elkander zeiden: Laat ons dan henengaan naar Bethlehem, en laat ons zien het woord dat er geschied is, hetwelk de Heere ons heeft kond gedaan. lü En zij kwamen met haaste, en vonden Maria en Jozef, en het kindeken liggende in de kribbe. 17 En als zij het gezien hadden. maakten zij alomme bekend het woord dat hun van dit kindeken gezegd was. 18 En allen die het hoorden verwonderden zich over hetgeen hun van de herders gezegd werd; 19 doch Maria bewaarde deze woorden alle te zamen, overleggende die in haar harte. 20 En de herders keerden wederom, verheerlijkende en prijzende God over alles wat zij gehoord en gezien hadden, gelijk tot hen gesproken was. 21 En als acht dagen vervuld waren dat men het kindeken besnijden zoude, zoo werd zijn naam genaamd Jezus, welke genaamd was van den Engel eer hij in het lichaam ontvangen was. 22 En als de dagen barer reiniging vervuld waren naar de wet van Mozes, brachten zij hem te Jeruzalem, opdat zij hem den Heere voorstelden, 23 (gelijk geschreven is in de wet des Heeren: Al wat mannelijk is dat de moeder opent, zal den Heere heilig genaamd worden), 24 en opdat zij offerande gaven, naar hetgeen in de wet des Heeren gezegd is, een paar tortelduiven of twee jonge duiven. 25 En zie, daar was een mensch te Jeruzalem wiens naam was Simeon ; cn deze mensch was rechtvaardig cn godvreezend, verwachtende de vertroosting |
LS 2. 81 Israels, en dc Heilige Geest was op hem; 2(} en hem was eene Goddelijke openbaring gedaan door den Heiligen Geest, dat hij den dood niet zien zoude eer hij den Qhristus des Heeren zoude zien. 27 En hij kwam door den Geest in den Tempel; en als de ouders het kindeken Jezus inbrachten, om naar de gewoonte der wet met hem te doen, 28 zoo nam hij hetzelve in zijne armen, en loofde God, en zeidc: 29 Nu laat gij , Heere, uwen dienstknecht gaan in vrede, naar uw woord; 30 want mijne oosen hebben uwe zaligheid gezien, 31 die gij bereid hebt voor het aangezicht van aile de volkeren : 32 een licht tot verlichting der heidenen en tot heerlijkheid van uw volk Israel. 33 En Jozef en zijne moeder verwonderden zich over hetgeen van hem gezegd werd. 34 En Simeon zegende hen, en zeicle tot Maria zijne moeder Zie, deze wordt gezet tot een val en opstanding veler in Israël, en tot een teeken dat wedersproken zal worden, 35 (cn ook een zwaard zal door uw zelfs ziele gaan), opdat de gedachten uit vele harten geopenbaard worden. 36 En daar was Anna eene Profetes, eene dochter Fanuels, uit den stam Aser: deze was tot grooten ouderdom gekomen , welke mrt haren man zeven jaren had geleefd van haren maagdom af; 37 en zij was eene weduwe van omtrent vierentachtig jaren, dewelke niet week uit den Tempel. met vasten en bidden God dienende nacht en dag. .quot;lt;8 En deze te dier ure daarbij komende, heeft insgelijks den |
|
82 LUC Hecre beleden, en sprak van hem tot allen die dc verlossing in Jeruzalem verwachtten. 39 En als zij alles voleindigd hadden wat naar de wet des Ueeren te doen was, keerden zij weder naar Galiléa tot hunne stad Nazareth. 40 En het kindeken wies op, en werd gesterkt in den «eest en vervuld met wijsheid, en de genade Gods was over hem. 41 En zijne ouders reisden alle jaar naar Jeruzalem op het feest van Pascha. 42 En toen hij twaalf jaren oud geworden was, en zij naar Jeruzalem opgegaan waren, naar de gewoonte des feest-dags, 4\'.i en de dagen aldaar voleindigd hadden, toen zij wederkeerden, bleef het kind Jezus te Jeruzalem, en Jozef en zijne moeder wisten het niet; 44 maar meenende dat hij in \'t gezelschap op den weg was, gingen zij eene dagreize, en zochten hem onder de magen en onder de bekenden. 45 En als zij hem niet vonden , keerden zij wederom naar Jeruzalem, hem zoekende. 46 En het jreschiedde na drie dagen, dat zij hem vonden in den Tempel, zittende in het midden der leeraren, hen hoo-rende en hen ondervragende; 47 en allen die hem hoorden ontzetteden zich over zijn verstand en antwoorden. 48 En zij hem ziende werden verslagen, en zijne moeder zeide tot hem : Kind, waarom hebt gij ons zóó gedaan? Zie, uw vader en ik hebben u met angst gezocht. 49 En hij zeide tot hen; quot;Wat in het dat gij mij gezocht hebt? Wist gij niet dat ik moet zijn in de dingen mijns Vaders? óO En zij verstonden bet woord niet dat hij tot hen sprak. 51 En hij ging met hen af, en kwam te Nazareth, en was |
LS 3. hun onderdanig. En zijne moeder bewaarde alle deze dingen in haar harte. 52 En Jezus nam toe in wijsheid en iu grootte en in genade bij God en de menschen. HOOFDSTUK 3. En in het vijftiende jaar der regeering van den Keizer Tiberius, als Pontius Pilatus Stadhouder was over Jud^a, en Herodes een Viervorst over Galiléa, en Filippus zijn broeder een Viervors: over Ituréa en over het land Trachonitis, en Lysanias een Viervorst over Abilene, 2 onder de üoogepriesters Annas en Kajafas , geschiedde het Woord Gods tot Johannes, den zoon van Zacharias, in de woestijn j 3 en hij kwam in al het omliggende land de.4 Jordaans, redikende den doop der be-eeriug tot vergeving der zon-den, 4 gelijk geschrevcn is in het boek der woorden van Jesaja den Profeet, zeggende: De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des IIkeuen, maakt zijne paden recht: 5 alle dal zal gevuld worden , en alle berg en heuvel zal vernederd worden , en de kromme venen zullen tot eenen rechten weg worden , en de oneffene tot effene wegen, 6 en alle vleesch zal de zaligheid Gods zien. 7 Hij zeide dan tot de scharen die uitkwamen om van hem gedoopt te worden ; Gij adde-rengebroedsels, wie heeft u aangewezen te vli» den van den toekomenden toorn ? 8 Brengt dan vruchten voort der bekeering waardig; en begint niet te zeggen bij uzelve: AVij hebben Abratiam toteenen vader; want ik zegge u, dat God zelfs uit deze steenen Abraham kinderen kan verwekken. |
|
9 En de bijl ligt ook aireede aan den wortel der boomen; alle boom dan die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. 10 ISn de scharen vraagden hein , zeggende: Wat zullen wij dan doen ? 11 En hij antwoordende zeide tot hen; quot;Wie twee rokken heeft deele hem mede die er geen heeft, en wie spijze heeft doe desgelijks. 12 En daar kwamen ook tollenaars om gedoopt te worden, cn zeiden tot hem: Meester, wat zullen wij doen ? 13 En hij zeide tot hen; Eischt niets meer dan hetgeen u gezet is. 14 En hem vraagden ook de krijgslieden, zeggende: En wij, wat zullen wij doen ? En hij zeide tot hen: Doet niemand overlast, en ontvreemdt niemand het zijne met bedrog, en laat u vergenoegen met uw be-zoldingen. 15 En als het volk verwachtte, en allen in hunne harten over-leiden van Johannes, of hij niet mogelijk de Christus ware. Ui zoo antwoordde Johannes aan allen, zeggende: Ik doop u wel met water, maar hij komt die sterker is dan ik, wien ik niet waardig ben den riem van zij re schoenen te ontbinden : deze zal u doopen niet den Heiligen Geest en met vuur; _ 17 wiens wan in zijne hand is, en hij zal zijnen dorsch-vloer dóórzuiveren, en der tarwe zal hij in zijne schuur samenbrengen , maar het kaf zal hij met onuitblusschelijk vuur verbranden. IS Hij dan ook nog vele andere dingen vermanende, verkondigde den volke het Evangelie. 19 Maar als Herodes de Viervorst van hem bestraft werd , om den wille van Herodias, de vrouw van Pilippus zijnen lS 3. S3 |
broeder, en over alle booze stukken die Herodes deed, 20 zoo heeft hij ook dit nog boven alles daartoe gedaan, dat hij Johannes in de gevangenis gesloten heeft. 21 En het aeschiedde toen al het volk gedoopt werd, en Jezus óók gedoopt was en bad, dat de hemel geopend werd, 22 cn dat de Heilige Geest op hem nederdaalde in lichamelijke gedaante gslijk eeneduive, eh dar. er eene stem geschiedde uit den hemel, zeggende: Gij zyt mijn geliefde Zoon, in u heb ik mijn welbehagen. 23 En hij , Jezus, \'begon omtrent dertig jaren oud te wezen, zijnde (alzoo men meende) de zoon van Jozef, den zoon van Heli, 24 den zoon van Matthat, den zoon van Levi, den zoon van Melchi, den zoon van Jannas, den zoon van Jozef, 25 den zoon van Mattathias, den zoon van Amos, den zoon van Naüm, den zoon van Esli, den zoon van Kaggai, 26 den zoon van Maiith, den zoon van Mattathias, den zoon van Semeï, den zoon van Jozef, den zoon van Juda, 27 den zoon van Johannes, den zoon van Rhesa , den zoon van Zorobabel, den roo/i van Salathiël, den zoon vanNeri, 28 den roo« van Melchi, den zoon van Addi, den zoon van Kosam, den zoon van Elmo-dam , den zoon van Er, 29 den zoon van Joses, den zoon van Eliezer, den zoon van Jorim, den zoom van Matthat, den zoon van Levi, MO den zoon van Simeon, den zoon van Juda, den son» van Jozef, den zoon van Jonan, den zoon van Eljakim, 31 den zoon van Meleas, den zoon van Maïnan , den zoon van Mattatha, den zoon van Nathan . den zoon van David, 32 den zoon van Jesse, den zoon van Obed, den zoon van |
|
S4 LUC Boüz, den zoon van Salmon, den zoon van Nahasson, den zoon van Aminadab, den zoon van Aram, den zoon van Esrom, den zoon van Fares, den zoon van Juda, 34 den zoon van Jakob, den zoon van Isaak,dcn zoon van Abraham, den zoon van Tbara, den zoon van Nacbor, 35 den zoon van Saruch, den zoon van Ragau , den zoon van Falek, den zoon van Heber, den zoon van Sala, 36 den zoon van Kaïnan , den zoon van Arfaxad, den zoon van Sem, den zoon van Noach, den zoon van Lamecb , 37 den zoon van Mathusala, den zoon van Enoch, den zoon van .Tared, den zoon van Malaleël, den zoon van Kaïnan , 38 den zoon van Enos, den zoon van Seth, den zoon van Adam, den zoon van God. HOOFDSTUK 4. En Jezus vol des Heiligen Geestes keerde wederom van den Jordaan , en werd door den Geest jreleid in de woestijn, 2 en werd veertip dagen verzocht van den duivel, en at gansch niet in die dagen ; en als dezelve geëindigd waren, zoo hongerde hem ten laatste. 3 En de duivel zeide tot hem: Indien gij Gods Zoonzijt,zeg tot dezen steen dat hij brood Worde. 4 En Jezus antwoordde hem, zeggende: Daar is geschreven, dat de mensch bij brood alleen niet zal leven, maar bij alle Woord Gods. 5 En als hem de duivel geleid had op eenen hoogen berfr, toonde hij hem alle de koninkrijken der wereld in een oogen-DÏik tijds: (gt; en de duivel zeide tot hem: Ik zal u al deze macht en de heerlijkheid dier koninkrijken geven; want zij is mij overge- |
AS 4. geven , en ik geef ze wien ik ook wil: 7 indien gij dan mij zult aanbidden , zoo zal het alles uwe zijn. 8 En Jezus antwoordende zeide tot hem: Ga weg van mij, satan; want daar is geschreven : Gij zult den Heere uwen God aanbidden, en hem alleen dienen. D En hij leidde hem naar Jeruzalem en stelde hem op de tinne des Tempels, en zeide tot hem : Indien jcij de Zoon Gods zijt, werp uzelvVn van hier nederwaarts ; 10 want daar \'u geschreven, dat hij zijne Engelen van u bevelen zal, dat zij u bewaren zullen, 11 en dat zij u op de handen i nemen zullen, opdat gij uwen voet niet te eeniger tyd aan eenen steen stoot. 12 En Jezus antwoordende zeide tot hem: Daar is gezesd: Gij zult den Heere uwen God niet verzoeken. 13 En als de duivel alle verzoeking voleindigd had, week hij van hem voor eenen tijd. 14 En Jezus keerde weder door de kracht des Geestes naar Galiléa; en het gerucht van hem gins uit door het geheele omlijrijende land. 15 En hij leerde in hunne Synagogen, en werd van allen geprezen. 1(5 En hij kwam te Nazareth, waar hij opgevoed was, en ging, naar zijne gewoonte, op den dag des sabbats in de Synagoge, en stond op om te lezen. 17 En hem werd gegeven het boek van den Profeet Jesaja; en als hij het boek opengedaan had, vond hij de plaats waar geschrevei was: 18 De Geest des Heeren is op mij , daarom heeft hij mij gezalfd : hij heeft mij pezonden om den armen het Evangelie te verkondigeu, om te genezen |
|
die gebroken zijn van harte, 19 om den gevangenen te prediken loslating en den blinden bet geziebt, om de verslagenen benen te zenden in vrijheid , om te prediken bet aangename jaar des lleeren. 20 En als bij bet boek toegedaan en den dienaar wedergegeven bad, zat bij neder; en de oogen van .allen in de Synagoge waren op beqi geslagen. 21 En bij begon tot ben te zeggen: Heden is deze Scbrift in uwe ooren vervuld. 22 En zij gaven bem allen getuigenis, en verwonderden zieb over de aangename woorden die uit zijnen mond voortkwamen , en zeiden: Is deze niet de zoon Jozefs? 23 En bij zeide tot ben: Gij zult zonder twijfel tot mij dit spreekwoord zeggen; Medicijnmeester , genees uzelven ; wat wij geboord bebben dat in Kapernamu geschied is, doe dut ook hier in uw vaderland. 24 En hij zeide: Voorwaar ik zegge u, dat geen Profeet aangenaam is in zijn vaderland. 25 Maar ik zegge u in der waarheid, daar waren vele weduwen ^n Israël in de dagen van Elia, toen de hemel drie jaren en zes maanden gesloten was, zoodat er groote bomcers-nood werd over het gebeele land, 26 en tot geene van baar werd Elia gezonden dan naar Sa-repta Sidonis, tot eene vrouw, die weduwe was. 27 En daar waren vele melaat-scbcn ir. Israël ten tijde van den Profeet Elisa, en geen van ben werd gereinigd dan Naa-man de Syriër. 28 En zij werden allen in de Svnagoge met toorn vervuld als zij dit hoorden; 29 en opstaande wierpen zij hem uit buiten de stad, en leidden hem op den top des bergs op denwelken hunne stad .S 4. 85 |
gebouwd was, om hem van de steilte af te werpen ; 30 maar hij door Jiet midden van ben doorgegaan zijnde ging weg. 31 En bij kwam af naar Ka-pernaüm , eene stad van Gali-léa, en leerde hen op de sab-batdagen. 32 En zij waren verslagen over zijne leer, want zijn woord was met macht. 83 En in de Synagoge was een mensch hebbende eenen geest eens onreinen duivels, en hij riep uit met groote stem, 34 zeggende: Laat af, wat hebben wij met u tc doen, gij Jezus Nazarener? Zijt gij gekomen om ons te verderven? Ik ken u wie gij zijt, namelijk de Heilige Gods. 35 En Jezus bestrafte bem, zeggende: Zwijg stil en ga van bem uit. En de duivel bem in \'t midden geworpen hebbende , voer van bem uit, zonder hem iets te beschadigen. 36 En daar kwam eene verbaasdheid over allen, en zij spraken te zamen tot elkander, zeggende: Wat woord is dit, dat hij met macht en kracht den onreinen geesten gebiedt en zij varen uit! 37 En het gerucht van hem ging uit in alle plaatsen des omliggenden lands. 38 En Jezus opgestaan zijnde uit de Synagoge, ging in bet huis van Simon; en Simons vrouws moeder was met eene groote koorts bevangen, en zij baden hem voor baar. 39 En staande boven baar, bestrafte bij de koorts, en de koorts verliet haar; en zij van stonde aan opstaande diende ben. 40 En als de zon onderging, brachten allen die kranken hadden, met verscheidene ziekten bevangen, die tot hem, en hij leide een iegelijk van hen de handen op, en genas dezelve. |
|
sr. Luc 41 En er voeren ook duivclcn uit van velen, roepende, en zeggende: Gij zijt de Christus, de Zoon Gods. En hen bestr.af-fende, liet hij die niet spreken, omdat zij wisten dat hij de Christus was. 42 En als het dag werd, ging hij uit en trok naar eene woeste plaats; en de scharen zochten hem, en kwamen tot bij hem , en hielden hem op, dat hij van hen niet zoude weggaan. 43 Maar hij zeide tot hen: Ik moet ook anderen steden het Evangelie van het Koninkrijk Gods verkondigen, want daartoe ben ik uitgezonden. 44 En hij predikte in de Synagogen van Galiléa. HOOFDSTUK 5. En het geschiedde als de schare op hem aandrong om het Woord Gods te hooren, dat hij stond bij het meer Gennésareth; 2 en hij zag twee schepen ïian den oever van \'t meer liggende, en de visschers waren daaruit gegaan en spoelden de netten. 3 En hij ging in een van die schepen, hetwelk van Simon was, en bad hem dat hij een weinig van het land afstak; en nederzittende leerde hij de scharen uit het schip. 4 En als hij afliet van spreken , zeide hij tot Simon: Steek af naar de diepte, en werpt zeide tot hem : Meester , wij hebben den geheelen nacht over gearbeid en niets gevangen ; doch op uw woord zal ik het net uitwerpen. ü En als zij dat gedaan hadden , besloten zij eene groote menigte visschen , en hun net scheurde. 7 En zij wenkten hunne mc-degenooten die in het andere schip waren, dat zij hen zouden komen helpen; en zij kwamen; |
en vulden beide schepen, zoodat zij bijna zonken. 8 En Simon l\'etrusf/Hf ziende, viel neder aan de knieën van Jezus, zeggende: Heere, ga uit van mij , want ik ben een zondig mensch. ü Want verbaasdheid had hem bevangen en allen die met hem waren, over de vangst der visschen, die zij gevangen hadden; 10 en desgelijks ook Jacobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die Simons mede-genooten waren. En Jezus zeide tot Simon: Vrees niet; van nu aan zult gij menschen vangen. 11 En als zü de schepen aan land gestuurd hidden, verlieten zij alles en volgden hem. 12 En het geschiedde als hij in eene dier steden was, zie, er was een man vol melaatsch-heid: en Jezus ziende viel hii op het aangezicht, en bad hem, zeggende: lleere, zoo gy wilt, gij kunt mij reinigen. 13 En hij de hand uitstrekkende raakte hem aan, en zeide: Ik wil, word gereinigd. En terstond ging de melaatsch-heid vün hem. 14 En hij gebood hem dat hij het niemand zeggen zoude; maar ga henen , zeide hij, vertoon uzelven den Priester , en offer voor uwe reiniging gelijk Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis. 15 Maar het gerucht van hem ging te meer voort, en vele scharen kwamen te zamen om hem te hooren, en door hem genezen te worden van hunne krankheden; 1G maar hij vertrok in de woestijnen, en bad aldaar. 17 En \'t geschiedde op een dier dagen dat h j leerde, en daar zaten Farizeers en Leeraars der wet, lie van alle vlekken van Galiléa en Judéa en Jeruzalem gekomen waren; |
|
LUC en de kracht des Hcpron was daar om hen te genezen. 18 En zie, eenige mannen brachten op een bed eenen mensch die geraakt was, en zochten hem in te brengen en vóór hem te leggen. 19 En niet vindende waardoor zij hem inbrengen mochten, wegens de schare, zoo klommen zij op het dak, en lieten hem door de tichelen neder met het beddeken in het midden, vóór Jezus. 20 En hij ziende hun geloof, zeide tot hem: Mensch , uwe zonden zijn u vergeven. 21 En de Schriftgeleerden en de Farizeürs begonnen te overdenken, zeggende; Wie is deze, die godslastering spreekt ? quot;Wie kan de zonden vergeven dan God alleen? 22 Maar Jezus hunne overdenkingen bekennende, antwoordde en zeide tot hen : quot;Wat overdenkt gij in uwe harten ? 23 Wat is lichter, te zeggen ; Uwe zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op en wandel? 24 Doch opdat gij moogt weten dat de Zoon des menschen macht heeft op de aarde de zonden te vergeven (zeide hij tot den geraakte!: Ik zegge u, sta op en neem uw beddeken op, en ga henen naar uw huis. 25 En hij terstond vóór hen opstaande, en opgenomen hebbende hetgeen daar hij op gelegen had , ging henen naar zijn huis. God verheerlijkende. 2igt; En ontzetting heeft hen allen bevangen, en zij verheerlijkten God, en werden vervuld met vreeze, zeggende: Wij hebben heden ongeloofe-lijke dingen gezien. 27 En na dezen ging hij uit, en zag eenen tollenaar, met name Levi, zitten in het tolhuis, en zeide tot hem: Volg mij. 28 En hij alies verlatende stond op en volgde hem. 29 En Levi richtte hem een |
S 5. 87 grooton maaltijd aan in zijn huis; en tiaar was eenegroote schare van tollenaren en van anderen die met hen aanzaten. 30 En hunne Schriftgeleerdea en de Farizeërs murmureerden tot zijne discipelen, zeggende: Waarom eet en drinkt gij met tollenaren en zondaren ? IJl En Jezus antwoordende zeide tot hen: Die gezond zijn hebben den medicijnmeester niet van noode, maar die ziek zijn. 33 Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekeering. 33 En zij zeiden tot hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes dikwijls en doen gebeden, desgelijks ook de dis-cipelen der Farizeers, maar de uwe eten en drinken ? 34 Doch hij zeide tot hen: Kunt gij de bruiloftskinderen terwijl de bruidegom bij hen ia doen vasten ? 35 Maar de dagen zullen komen wanneer de bruidegom van hen zal weggenomen zijn; dan zullen zij vasten in die dagen. 3ti En hij zeide ook tot hen eene gelijkenis: Kiemand zet eenen lap van een nieuw kleed op een oud kleed; anders scheurt ook dat nieuwe het oude, en de lap van het nieuwe komt met het oude niet overéén. 37 En niemand doet nieuwen wijn in oude lederen zakken; anders zoo zal de nieuwe wijn de lederen zakken doen bersten, en de wijn zal uitgestort worden , en de lederen zakken zullen verderven; 3S maar nieuwen wijn moet men in nieuwe lederen zakken doen, en zij worden beide te zamen behouden. 39 En niemand die ouden drinkt, begeert terstond nieuwen ; want hij zegt: De oude is beter. |
|
83 LUC HOOFDSTUK C. En het geschiedde op den tweeden eersten sabbat, dat hij door het gezaaide ging:; en zijne discipelen plukten aren, en aten ze, rfie wrijvende met de handen. 2 En soraraiffen der Farizeërs zeiden tot hen; quot;Waarom doet gij wat niet geoorloofd is te doen op de sabbaten ? 3 En Jezus hun antwoordende zeide: Hebt gij ook dat niet gelezen \'t welk David deed wanneer hem hongerde en dengenen die met hem waren? 4 hoe hij ingegaan is in het Huis Gods, en de toonbrooden genomen en gegeten heeft, en ook gegeven dengenen die met hem waren, welke niet zijn geoorloofd te eten dan alleen den l\'riesteren? 5 En hij zeide tot hen: De Zoon des menschen is een Heer ook van den sabbat. G En het geschiedde ook op een anderen sabbat, dat hij iu de Svnagoge ging, en leerde. En daar was een mensch, en zijne rechterhand was dor; 7 en de Schriftgeleerden en de Farizeërs namen hem waar, of hij op den sabbat genezen zoude, opdat zij eenige beschuldiging tegen hem mochten vinden. 8 Doch hij kende hunne gedachten , en zeide tot den mensch die de dorre hand had; Rijs op en sta in het midden. En hij opgestaan zijnde stond overeind. 9 Zoo zeide dan Jezus tot hen: Ik zal u vragen : Wat is geoorloofd op de sabbaten, goed te doen of kwaad te doen? een mensch te behouden of te verderven? , 10 En hen allen rbndom aangezien hebbende, zeide hij tot den mensch: Strek uwe hand uit; en hij deed alzoo, en zijne hand werd hersteld, gezond gelijk de andere. |
S 6. 11 En zij werden vervnld met uitzinnigheid, en spraken te zamen met elkander, wat zij Jezus doen zouden. 12 En het seschiedde in die dagen dat hij uitging naar den berg om te bidden, en hy bleef den nacht over in het gebed tot God. 13 Eu als het dag was geworden, riep hij zijne discipelen tot zich, en verkoos er twaalf uit hen, die hij ook Apostelen noemde: 14 namelijk Simon, welken hij ook Petrus noemde, en Andrdas zijnen broeder, Jacobus en Johannes, FUippns en BartholomeUs; 15 Mattheüs en Thonas. Jacobus den zoon van .Alfeüs; en Simon genaamd Zelo;es; 10 Judas Jacobi, en Judas Iskariot, die ook de verrader geworden is. 17 En met hen afgekomen zijnde, stond hij op eere vlakke plaats, en met hem de schare zijner discipelen, on eene groote menigte des volks van geheel Judéa en Jeruzalem, en van den zeekant van Tyrus en Sidon, 18 die gekomen waren om hem te hooren en om van hunne ziekten genezen te worden, en die van onreine geesten gekweld waren ; en zij werden genezen. 19 En al de schare zocht hem aan te raken; want daar ging kracht van hem uit, en hij genas ze allen. _ \' 20 En hij zijne oogen opslaande over zijne discipelen, zeide: Zalig zijt gij armen, want uwer is het Koninkrijk Gods. 21 Zalig zijt gij cie nu hongert, want gij zu.t verzadigd worden. Zalig zij: gij die nu weent, want gij zult lachen. 22 Zalig zijt gij wanneer u de menschen haten, en wanneer zij u afscheiden en smaden , en uwen naam als kwaad |
|
verwerpen, om des Zoons des menschen quot;wille. 23 Verblijdt u te dien dage en zyt vroolijk; want zie, uw loon is groot in den hemel; want hunne vaderen deden desgelijks den Profeten. 24 Maar wee u gij rijken, want gij hebt uwen troost weg. 25 Wee u die verzadigd zijt, want gij zult hongeren. Wee u die nu lacht, want gij zult treuren en weenen. 26 Wee u wanneer alle de menschen wèl van u spreken, want hunne vaderen deden desgelijks den valschen profeten. 27 Maar ik zegge ulieden die dit hoort: Hebt uwe vijanden lief, doet wèl dengenen die u haten, 28 zegent degenen die u vervloeken , en bidt voor degenen die u geweld doen. 29 Dengene die u aan de wang slaat, bied ook de andere; en dengene die u den mantel . neemt, verhinder ook den rok niet te nemen; 30 maar geef een iegelijk die van u begeert, en van dengene die het uwe neemt eisch niet weder. 31 En gelijk gij wilt dat u de menschen doen zullen, doet gij hun ook desgelijks. 32 En indien gij liefhebt die u liefhebben, wat dank hebt gij ? Want ook de zondaars hebben lief degenen die hen liefhebben. 33 En indien gij goed doet dengenen die u goed doen, wat dank hebt gij ? Want de zondaars doen hetzelfde. 34 En indien gij leent dengenen van welke gij hoopt weder te ontvangen, wat dank hebt gij ? Want ook de zondaars leenen den zondaren, opdat zij evengelijk weder mogen ontvangen. |
35 Maar hebt uwe vijanden lief, en doet goed, en leent zonder iets weder te hopen; en uw loon zal groot zijn , en gij zult kinderen des Aller-hoogsten zijn ; want hij is goedertieren over de ondankbaren en boozen. 3t» Weest dan barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig is. 37 En oordeelt niet, en gij zult niet geoordeeld worden; verdoemt niet, en gij zult niet verdoemd worden; laat los, en gij zult losgelaten worden; 38 geeft, en u zal gegeven worden: een goede, neergedrukte en geschudde en over-loopende maat zal men in uwen schoot geven; want met dezelfde maat waarmede gijlieden meet, zal ulieden wedergeme-ten worden. 39 En hij zeide tot hen eene gelijkenis: Kan ook wel een blinde eenen blinde op den weg leiden? Zullen zij niet beiden in de gracht vallen ? 40 De discipel is niet boven zijnen meester, maar een iegelijk volmaakt discipel zal zijn gelijk zijn meester. 41 En wat ziet gij den splinter die in uws broeders oog is, en den balk die in uw eigen oog is merkt gij niet? 42 Of hoe kunt gij tot uwen broeder zeggen: Broeder, laat toe dat ik den splinter die in uw oog is uitdoe, daar gij zelf den balk die in uw oog is niet ziet? Gij geveinsde, doe eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien om den splinter uit te doen die in uws broeders oog is. 43 Want het is geen goede boom, die kwade vrucht voortbrengt , en geen kwade boom, die goede vrucht voortbrengt. 44 Want iedere boom wordt uit zijn eigen vrucht gekend; want men leest geen vijgen van doornen, en men snijdt geene druif van bramen. 45 De goede mensch brengt het goede voort uit den goeden |
k
|
90 LUC schat zijns harten, on do kwade* menflch brengt het kwade voort uit den kwaden schat zijns harten; want uit den overvloed des harten spreekt zijn mond. 4(i En wat noemt gij mij Heere, Heere, en doet niet hetgeen dat ik zegge? 47 Ken iegelijk die tot mij komt en mijne woorden hoort en dezelve doet, ik zal u too-nen wien hij gelijk is. 48 Hij is gelijk een mensch die een huis bouwde, en groef, en verdiepte, en leide het fundament op eene steenrots: als nu de hooge vloed kwam, zoo sloeg de waterstroom tegen dat huis aan. en kon het niet bewegen ; want ket was op de steenrots gegrond. 49 Maar wie ze gehoord en niet gedaan zal hebben,is gelijk een mensch die een huis bouwde op de aarde zonder fundament: tegen hetwelk de waterstroom aansloeg, en het viel terstond, en de val van dat huis was groot. HOOFDSTUK 7. Nadat hij nu alle zijne woorden voleindigd had ten aan-hoore des volks, ging hij in te Kapernaüm. 2 En een dienstknecht van een zeker hoofdman over honderd , die hem zeer wnnrd was, krank zijnde lag op zijn sterven. 3 En van Jezus gehoord hebbende, zond hij tot hem de Ouderlingen der Joden, hem biddende dat hij wilde komen en zijnen dienstknecht gezond maken. 4 Deze nu tot Jezus gekomen zijnde, baden hem ernstiglijk , zeggende: Hij is waardig dat gij hem dat doet; 5 want hij heeft ons volk lief, en heeft zelf ons de Synagoge gebouwd. |
6 En Jezus ging met hen. En als hij nu niet verre van bet huis was, zond de hoofdman over honderd tot hem cenige vrienden, en zeide tot hem: Heere, neem de moeite niet; want ik ben niet waardig dat Kij onder mijn dak zoudt inkomen : 7 daarom heb ik ookmijzelven niet waardig geacht om tot u te komen ; maar zeg het met een woord, en mijn knecht zal genezen worden. 8 Want ik ben óók een mensch onder de macht van anderen gesteld ? hebbende kri. gsknech-ten onder mij, en ik zeg tot dezen: (ia, en hij gaat; en tot den anderen: Kom, en hij komt; en tot mijnei dienstknecht: Doe dat, en hij doet het. 9 En Jezus dit hoorende, verwonderde zich over aem, eu zich omkeerende zeide tot de schare die hem volgde: Ik zegge ulieden, ik heb zoo groot geloof zelfs in Israel niet gevonden. 10 En die gezonden waren, wedergekeerd zijnde ^n het huis, vonden den kranken dienstknecht gezond. 11 En het geschiedde op den volgenden daa, dat hij ging naar eene stad genaamd Naïn, en met hem gingen velen van zijne discipelen en eene groote schare. 12 En als hij de poort der\' stad genaakte, zie daar, een doode werd uitgedragen, die. een eeniggeboren zoon zijner moeder «.•««, en zij was weduwe, en eene groove schare van de stad was met baar. 13 En de Heere haar ziende, werd innerlijk met ontferming over haar bewogen, en zeide tot haar: Ween niet. 14 En hij ging toe en raakte de baar aan, (de Jragers nu stonden stil), en hij zeide: Jongeling, ik zegge u, sta op. ló En de doode ;:at overeind en begon te spreken: en hij gaf hem aan zijne moeder. |
|
Ifi En vm?ze hovinsr zo allen, on zij verheerlijkten God, zej?-ffendé; Een };root Profeet is onder ons opgestaan, en: God heeft zijn volk bezocht. 17 En dit gerucht van hem ging uit in geheel Judéa en in al het omliggende land. 18 En de discipelen van Johannes boodschapten hem van alle deze dingen. 19 En Johannes zekere twee van zijne discipelen tot zich geroejien hebbende, zond ze tot Jezus, zeggende: Zijtgij degene die komen zoude, of verwachten wij eenen anderen? 20 En als de mannen tot hem gekomen waren, zeiden zij: Johannes de Dooper heeft ons tot u afgezonden , zeggende: Zijt gij die komen zoude, of verwachten wij eenen anderen? 21 En in die ure genas hij er velen van ziekten en kwalen en booze geesten, en velen blinden gaf hij het gezicht. 22 En Jezus antwoordende zeide tot hen: Gaat henen en boodschapt Johannes w(*der de dingen die gij gezien en gehoord hebt, .tamelijk dat de blinden ziende worden, de kreupelen wandelen, de me-laatschen gereinigd worden, de dooven hooren, de dooden opgewekt worden, den armen het Evangelie verkondigd wordt; 23 en zalig is hij, die aan mij niet zal geërgerd worden. 24 Als nu de boden van Johannes weggegaan waren, begon hij van Johannes tot de scharen te zeggen: Wat zijt gij uitgegaan in de woestijn te aanschouwen? Een riet dat van den wind ginds en weder bewogen wordt? 25 Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? een mensch met zachte kleederen bekleed? Zie, die in heerlijke kleeding en wellust zijn , die zijn in de koninklijke hoven. 25 Maar wilt zyt gij uitgegaan |
S 7. 91 te zien? Een Profeet? Ja, ik zegge u, ook veel meer dan een Profeet. 27 Deze is het van welken geschreven is: Zie, ik zende mijnen Engel voor uw aangezicht, die uwen weg voor u henen bereiden zal. 2S Want ik zegge ulicden, onder die van vrouwen geboren zijn is niemand meerder Profeet dan Johannes de Dooper; maar de minste in het Koninkrijk Gods is meerder dan hij. 29 En al het volk hem hoo-rende, en de tollenaars die met den doop van Johannes gedoopt waren , rechtvaardigden God; 30 maar de Farizeérs en de Wetgeleerden hebben den raad Gods tegen zichzelve verworpen. van hem niet gedoopt zijnde. 31 En de Heerczeide: Bij wien zal ik dan de menschen van dit geslacht vergelijken, en wien zijn zij gelijk? 32 Zij zijn gelijk den kinderen die op de markt zitten en elkander toeroepen , en zeggen: Wij hebben u op de fluit gespeeld en gij hebt niet gedanst; wij hebben u klaagliederen gezonden en gij hebt niet geweend. 33 Want Johannes de Dooper is gekomen noch brood etende noch wijn drinkende. en gij zegt: llij heeft den duivel. 34 De Zoon des menschen is gekomen etende en drinkende , en gij zegt: Zie daar een mensch die een vraat en wijnzuiper i«, een vriend van tollenaren en zondaren. 35 Doch de wijsheid is gerechtvaardigd geworden van alle hare kinderen. 3(5 En een der Farizeërs bad hem dat hij met hem ate; en ingegaan zijnde in des Farizeërs huis zat hij aan. 37 En zie, eene vrouw in de stad welke eene zondares was, verstaande dat hij in des Farizeërs huis aanzat, bracht oene |
|
92 \' LUC. albasten flpscli met zalve ; 38 en staande achter aan zijne voeten weenende, begon zij zijne voeten nat te maken met tranen, en zij droogde ze af met het haar van haar hoofd, en kuste zijne voeten, en zalfde ze met de zalve. 39 En de Farizeër die hem genood had zulkn ziende, sprak bij zichzelven, zeggende; Deze indien hij een Profeet ware, zoude wel weten, wat en hoe-danige vrouw deze is die hem aanraakt, want zij is eene zondares. •10 En Jezus antwoordende zeide tot hem: Simon , ik heb u wat te zeggen. En hij sprak: Meester, zeg het. 41 Jezus zeide: Een zeker schuldheer had twee schuldenaars ; de één was schuldig vijfhonderd penningen, en de ander vijftig; 42 en als zij niet hadden om te betalen, schold hij het hun beiden kwijt. Zeg dan, wie van deze zal hem meer liefhebben ? 43 En Simon antwoordende zeide; Ik acht dat hij \'t is wien hij het meest kwijtgescholden heeft. En hij zeide tot hem: Gij hebt recht geoordeeld. 44 En hij zich omkeerende naar de vrouw, zeide tot Simon: Ziet gij deze vrouw ? Ik ben in uw huis gekomen; water hebt gÜ niet tot mijne voeten gegeven; maar deze heeft mijne voeten met tranen natgemaakt en met het haar van haar hoofd afgedroogd. 45 Gij hebt mij geenen kus gegeven ; maar deze, van dat zij ingekomen is, heeft niet afgelaten mijne voeten te kussen. 40 51 et ólie hebt gij mijn hoofd niet gezalfd; maar deze heeft mijne voeten met zalve gezalfd. 47 Daarom zegge ik n, hare zonden zijn Aaar vergeven die vele waren, want zij heeft veel liefgehad; maar dien weinig |
S S. vergeven wordt, die heeft weinig lief. 48 En hij zeide tot haar: Uwe zonden zijn u vergeven. 49 En die medeaanzaten begonnen te zegden bij zichzelve: AVie is deze, die ook de zonden vergeeft? 50 Maar hij zeide tot de vrouw: Uw geloof heeftube-houden , ga henen in vrede. HOOFDSTUK 8. En het geschiedde da:irna dat hij reisde van de ééne stad en vlek tot de andere, predikende en verkondigende het E-vangelie van het Koninkrijk Gods; en de twaalve waren met hem, 2 en sommige vrouwen die van booze geesten en krankheden genezen waren, namelijk Maria, genaamd Magdalena, van welke zeven duivelen uitgegaan waren, 3 en Johanna de huisvrouw van Chuzas den rentmeester van Herodes, en Susanna, en vele andere, die hem dimden van hare goederen. 4 Als nu eene groote schare bijéénvergaderde, en zij van alle steden tot hem kwamen , zoo zeide hij door gelijkenis: 5 Een zaaier ging uit om zijn zaad te zaaien; en als hij zaaide viel het ééne bij den weg, en werd vertreden, en de vogelen des hemels aten dat op ; 6 en het andere viel op eene steenrots, en opgewassen zijnde is het verdord, omdat het geen vochtigheid had; 7 en het andere viel in het midden van de doornen: en de doornen mede opwassende verstikten hetzelve; 8 en het andere viel op de goede aarde, en opgewassen zijnde bracht het honderdvoudige vrucht voort. Dit zeggende riep hij: AYie ooren heeft om te hooren, die hoore. 9 En zijne discipelen vraag- |
|
den hem , zcgscndc: Wat ma? deze gelijkenis wezen ? 10 Én hij zeide: U is het Re-geven de verborgenheden van het Koninkrijk üods te verstaan ; maar tot de anderen s/ireefc ik in gelijkenissen, opdat zij ziende niet zien, en hoo-rende niet verstaan. 11 Dit is nu de gelijkenis: liet zaad is het Woord Gods. 12 En die bij den weg bezaaid worden zijn deze die hooren; daarna komt de duivel en neemt het woord uit hun hart weg, opdat zij niet zouden gelooven en zalig worden. 13 En die op de steenrots bezaaid worden zijn deze, die wanneer zij het gehoord hebben , het woord met vreugde ontvangen; en deze hebben geenen wortel, die maar voor eenen tijd gelooven , en in den tijd der verzoeking wijken zij af. 14 En dat inde doornen valt, deze zijn die gehoord hebben, en henengaande verstikt wor-dèn door de zorgvuldigheden en rijkdom en wellusten des levens, en voldragen geen vrucht. 15 En dat in de goede aarde valt zijn deze, die het woord gehoord hebbende, \'t zelve in een eerlijk en goed hart bewaren , en in volstandigheid vruchten voortbrengen. 16 En niemand die eene kaars ontsteekt, bedekt dezelve met een vat of zet ze onder een bed, maar zet ze op eenen kandelaar, opdat degenen die inkomen het licht zien mogen. 17 Want daar is niets verborgen dat niet openbaar zal worden , noch heimelijk dat niet bekend zal worden en in \'t openbaar komen. 18 Ziet dan hoe gij hoort; want zoo wie heeft, dien zal gegeven worden; en zoo wie niet heeft, ook hetgeen hij meent te hebben zal vamp;n hem genomen worden. |
S 8. 9S 19 En zijne moeder en zijne broeders kwamen tot hem , en konden bij hem niet komen vanwege de schare. 20 En hem werd geboodschapt van eenir/en die zeiden: Uwe moeder en uwe broeders staan daar buiten, begeerende u te zien. 21 Maar hij antwoordde en zeide tot hen: Mijne moeder en mijne broeders zijn deze, die Gods Woord hooren en hetzelve doen. 22 En het geschiedde in een van die dagen dat hij in een schip ging, en zijne discipelen met hein ; en hij zeide tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde des meers. En zij staken af. 23 En als zij voeren, viel hij in slaap ; en daar kwam een storm van wind op het meer, en zij werden vol water en waren in nood. 24 En zij gingen tot hem en wekten hem op, zeggende: Moester, Meester, wij vergaan. En hij opgestaan zijnde bestrafte den wind en de watergolven, en zij hielden op, en daar werd stilte. 25 En hij zeide tot hen; Waar is uw geloof? Maar zij bevreesd zijnde verwonderden zich, zeggende tot elkander: Wie is toch deze, dat hij ook de winden en het water gebiedt en zij zijn hem gehoorzaam! 20 En zij voeren voort naar het land der Gadarenen, hetwelk is tegenover Galiléa. 27 En als hij aan het land uitgegaan was, ontmoette hem een zeker man uit de slad, die van over langen tijd met duivelen was bezeten geweest; en hij was met geen kleederen bekleed, en bleef in geen huis, maar in de graven. 28 En hij Jezus ziende, en zeer roepende, viel voor hem neder, en zeide met eene groo-te stem: Wat heb ik met u te doen, Jezus, gij Zoon Gods |
|
Ü4 LU( des Allerhcogstcn ? Ik bid u dnt srii mij niet pijnigt. 2(J Want hij had den onrei-ncn geest geboden dat liij van den mensch zoude uitvaren; •want hij had hem menigen tijd bevangen jrehad, en hij werd met ketenen en met boeien gebonden om bewaard te zijn ; en hij verbrak de banden, en werd van den duivel gedreven in de woestijnen. .\'{0 En Jezus vraagde hem, zeggende: Welke is uw naam ? En hij zeide: Lefrio; want vele duivelen waren in hem gevaren. 31 En zij baden hem , dat hij hun niet gebieden zoude in den afgrond henen te varen. 32 En aldaar was eene kudde veler zwijnen weidende op den berg; en zij baden hem, dat hij hun wilde toelaten in dezelve te varen; en hij liet het hun toe. 33 En de duivelen uitvarende van den mensch, voeren in de zwijnen,; en de kudde stortte van de steilte af in het meer, en versmoorde. 34 En die ze weidden, ziende hetgeen geschied was, zijn gevlucht , en henengaande boodschapten het in de stad en op het land. 35 En zij gingen uit om te zien hetgeen geschied was, en kwamen tot Jezus, en vonden den mensch van welken de duivelen uitgevaren waren, zittende aan de voeten van Jezus, gekleed en wèl bij zijn verstand; en zij werden bevreesd. 36 En ook die het gezien hadden verhaalden hun hoe de bezetene was verlost geworden. 37 En de geheele menigte van het omliggende land der Ga-darenen baden hem dat hij van hen wegging; want zij waren met groote vreeze bevangen; en by in het schip gegaan zijnde keerde wederom. |
38 En de man van welken de duivelen uitgevaren waren, bad hem dat hij mocht bij hem zijn. Maar Jezus liet hem V!\\n zich gaan, zeggende: 39 Keer weder naar uw huis, en vertel wat groote dingen u God gedaan heeft. En hij ging henen, door de geheele stad verkondigende wat groote dingen Jezus hem gedaan had. •10 En het geschiedde als Jezus wederkeerde, dat hem de schare ontving; want lij waren allen hem verwachtende. 41 En zie, daar kwam een man wiens naam was Jaïrus, en hij was een overste der Synagoge; en hij viel aan de voeten van Jezus, en ba d hem dat hij in zijn huis wilde komen ; 42 want hij had eene élt;?nige dochter van omtrent twaalf jaren, en deze lag op haar sterven. En als hij henenging zoo verdrongen hem de scharen. 43 En eene vrouw die twaalf jaren lang den vloed des bloeds gehad had, welke nl haren leeftocht aan medicijnmeesters te koste gelegd had, en van niemand had kunnen genezen worden, 44 van achteren tot hem komende, raakte den zoom zijns kleeds aan; en terstond stelpte de vloed baars bloeds. 45 En Jezus zeide: Wie is bet die mij heeft aangeraakt ? En als zij het allen ontkenden, zeide Petrus en die met hem waren: Meester, de scharen drukken en verdringen .i, en zegt gij ; Wie. is het die mij aangeraakt heeft? 46 En Jezus zeide: Iemand heeft mij aangeraakt; v ant ik lu b bekend dat kracht van mij uitbegaan is. 47 De vrouw nu zier de dat zij niet verborgen was. kwam bevende, en voor hem neder-vallende verklaarde lu in voor ■ al het volk om wat oor zaak zij |
|
hem aangeraakt had, en hoe zij terstond genezen was. 48 En hij zeide tot haar: Dochter, wees welgemoed, uw geloof heeft u behouden; ga henen in vrede. 49 Als hij nog sprak, kwnra daar een van hot huis van den overste der Synagoge, zeggende tot hem; Uwe dochter is gestorven; wees den Meester niet moeielijk. 50 Maar Jezus dat hoorende antwoordde hem , zeggende: vrees niet; geloof alleenlijk, cn zij zal behouden worden. 51 Èu als hij in het huis kwam, liet hij niemand inkomen dan Petrus en Jacobus en Johannes, en den vader en de moeder des kinds. 52 En zij schreiden allen en maakten misbaar over haar. En hij zeide: Schreit niet; zij is niet gestorven, maar zij slaapt. 53 En zij belachten hem, wetende dat zij gestorven was. 54 Maar als hij ze allen uitgedreven had, greep hij hare hand en riep, zeggende: Kind, sta op. 55 En haar geest keerde weder, .en zij is terstond opgestaan ; en hij gebood dat men haar te eten geven zoude. 5(5 En hare ouders ontzette-den zich; en hij beval hun dat zij niemand zouden zeggen hetgeen geschied was. HOOFDSTUK 9. En zijne twaalf discipelen samengeroepen hebbende, gaf hij hun kracht en macht over alle de duivelen, en om ziekten te genezen; 2 en zond ze henen om te prediken het Koninkrijk Gods, en de kranken gezond te maken. 3 Eu hij zeide tot hen: Neemt niets mede tot den weg, noch staven, noch male, noch brood, noch geld; noch iemand van u zal twee rokken hebben. |
LS 9, 95 4 En in wat huis gij ook zult ingaan, blijft aldaar, en gaat van daar uit. 5 En zoo wie u niet zullen ontvangen, uitgaande van die stad schudt ook het stof af van uwe voeten, tot een getuigenis tegen hen. (5 En zij uitgaande doorgingen alle de vlekken, verkondigende het Evangelie, en genezende dr zieken overal. 7 En Herodes de Viervorst hoorde alle de dingen die van hem geschiedden, en was twijfelmoedig, omdat van sommigen gezegd werd, dat Johannes van de dooden was opgestaan; 8 en van sommigen, dat Elia verschenen was; en van anderen , dat een Profeet van de ouden was opgestaan. 9 En Herodes zeide: Johannes heb ik onthoofd; wie is nu deze, van welken ik zulke dingen hoor ? En hij zocht hem te zien. 10 En de Apostelen wederse-keerd zijnde, verhaalden hem al wat zij gedaan hadden. En hij nam ze mede, en vertrok alleen in eene woeste plaats der stad jrenaamd Bethsaïda. 11 En de scharen dut verstaande , volgden hem; en hij ontving ze, en sprak tot hen van het Koninkrijk Gods; en die genezing van noodc hadden maakte hij gezond. 12 En de dag begon te dalen; en de twaalve tot hem komende, zeiden tot hem : Laat de schare van u, opdat zij henengaande in de omliggende vlekken en in de dorpen herberg nemen mogen, en spijze vinden; want wij zijn hier in cene woeste plaats. 13 Maar hij zeide tot hen: Geeft gij hun te eten. En zij zeiden : AVij hebben niet meer dan vijf brooden en twee vis-schen; tenzij dan dat wij henenttaan en spijze koopen voor al dit volk. |
|
14 Want daar waren omtrent vijfduizend mannen. Doch hij zeide tot zijne discipelen : Doet hen nederzitten bij afdcelingen, elk van vijftig. 15 En zij deden alzoo, en deden ze allen nederzitten. 1Ü En hij de vijf brooden en de twee visschen genomen hebbende , zag op naar den hemel en zegende die, en brak ze, en gaf ze den discipelen om der schare voor te leggen. 17 En zij aten en werden allen verzadigd; en daar werd opgenomen hetgeen hun van de brokken overgeschoten was, twaalf korven. 18 En het geschiedde als hij alleen was biddende, dat de discipelen met hem waren, en hij vraagde hen, zeggende: AVie zeggen de scharen dat ik ben ? 19 En zij antwoordende zelden: Johannes de Dooper; en anderen , Elia; en anderen, dat eenig Profeet van de ouden opgestaan is. £0 En hij zeide tot hen : Maar gijlieden, wie zegt gij dat ik ben ? En Petrus antwoordende zeide: De Christus Gods. L\'l En hij gebood hun scher-pelijk en beval dat zij dit niemand zeggen zouden. 22 zeggende: De Zoon des menschen moet veel lijden, en verworpen worden van de Ouderlingen en Overpriesters en Schriftgeleerden, en gedood en ten derde dage opgewekt worden. 23 En hij zeide tot allen: Zoo iemand achter mij wil komen , die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis dagelijks op en volge mij. 24 Want zoo wie zijn leven behouden wil, die zal het verliezen ; maar zoo wie zijn leven verliezen zal om mijnentwille, die zal het behouden. 25 quot;Want wat baat het een mensch die de geheele wereld zoudu winnen, en zichzelven verliezen of schade zijns zelf a lijden ? |
2G Want zoo wie zich mijns en mijner woorden zal\' geschaamd hebben , diens zal de Zoon des menschen zich schamen , wanneer hij komen zal in zijne heerlijkheid en in de heerlijkheid des Vaders en der heilise Engelen. 27 En ik zegge u waarlijk, daar zijn sommigen dergenen die hier staan, die den dood niet zullen smaken, totdat zij het Koninkrijk Gods zullen gezien hebben. 28 En het geschiedde omtrent acht dagen na deze woorden, dat hij medenam Petrus en Johannes en Jacobus, ^n klom op den berg om te bidden. 29 En als hij bad, werd de gedaante zijns aangezichts veranderd, en zijne kleedlng wit en zeer blinkende. 30 En zie, twee mannen spraken met hem, welke waren Mozes en Elia; 31 dewelke gezien zijnde in heerlijkheid, zeiden zijnen uitgang dien hij zoude volbrengen te Jeruzalem. 32 Petrus nu en die met hem waren* waren met slaap bezwaard •, en ontwaakt zijnde zagen zij zijne heerlijkheid en de twee mannen die bij hem stonden. 33 En het geschiedde als zij van hem afscheidden, zoo zeide Petrus tot Jezus: Meester, het is goed dat wij hier zijn; en Iciat ons drie tabernakelen maken, voor u eenen, en voor Mozes eenen, en voor Elia eenen, niet wetende wat hy zeide. 34 Als hij nu dit zeide. kwam eene wolk en overschaduwde ben; en zij werden bevreesd, als die in de wolk ingingen. 35 En daar geschiedde eene stemme uit de wolk, zeggende : Deze is myn geliefde Zoon; hoort hem. 36 En als de stem geschiedde. |
|
zoo werd Jezus alleen gevonden. En zij zwegen stil, en verhaalden in die dagen niemand iets van hetgeen zij gezien hadden. 37 En het geschiedde des daags daaraan, als zij van den berg afkwamen, dat hem eene groote schare in \'t gemoet kwam. 38 En zie, een man van de schare riep uit, zeggende: Meester, ik bid u, zie toch mijnen zoon, want hij is my een eeniggeborene: 39 en zie, een geest neemt hem, en van stonde aan roept hij, en hij scheurt hem dat hij schuimt, en wijkt nauwelijks vin hem, en verplettert hem; 40 en ik heb uwe discipelen | gebeden dat zij hem zouden uitwerpen, en zij hebben niet 1 gekund. 41 En Jezus antwoordende . zeide: O ongeloovig en verkeerd geslacht, hoe lang zal ik nog bij ulieden zijn en ulie-den verdragen? Breng uwen zoon hier. 42 En nog als hij naar hem toekwam, scheurde hem de dui-• vel en verscheurde hem ; maar Jezus bestrafte den onreinen geest, en maakte het kind gezond , en gaf hem zijnen vader weder. 43 En zij werden allen verslagen over de grootdadigheid Gods. En .als zij allen zich verwonderden over alle de dingen die Jezus gedaan had, zeide hij tot zijne discipelen: 44 Legt gij deze woorden in uwe ooren: Want de Zoon des menschen zal overgeleverd worden in der menschen handen. 45 Maar zij verstonden dit woord niet, en het was voor hen verborgen, alzoo dat zij het niet begrepen; en zij vreesden van dat woord hem te vragen. |
4ö En daar rees eene overlegging onder hen, namelijk wie van hen de meeste ware. 47 Maar Jezus ziende de overlegging hunner harten, nam een kindeken en stelde dat bij zich, 48 en zeide tot hen: Zoo wie dit kindeken ontvangen zal in mijnen naam, die ontvangt mij; en zoo wie mij ontvangen zal, die ontvangt hem die mij gezonden heeft. Want wie de minste onder u allen is, die zal groot zijn. 49 En Johannes antwoordde en zeide: Meester, wij hebben eenen sezien die in uwen naam de duivelen uitwierp, en wij hebben het hem verboden, omdat hij u met ons niet volgt. 50 En Jezus zeide tot hem: Verbiedt het niet, want wie tégen ons niet is, die is vóór ona. 51 En het geschiedde als de dagen zijner opneming vervuld werden, zoo richtte hij zijn aangezicht om naar Jeruzalem te reizen; 52 en hij zond boden uit voor zijn aangezicht; en zij henen-gereisd zijnde, kwamen in een vlek der Samaritanen, om voor hem herberg te bereiden. 53 En zij ontvingen hem niet, omdat zijn aangezicht was als reizende naar Jeruzalem. 54 Als nu zijne discipelen Jacobus en Johannes dat zagen , zeiden zij; Heere, wilt gij dat wij zeggen, dat vuur van den hemel nederdale en deze verslinde, gelijk ook Elia gedaan heeft ? 55 Maar zich omkeerende bestrafte hij ze en zeide: Gij weet niet van hocdanigen geest gij zijt; 56 want de Zoon des menschen is niet gekomen om der menschen zielen te verderven, maar om te behouden. En zij gingen naar een ander vlek. 57 En het geschiedde op den weg als zij reisden, dat een tot hem zeide: Ileere, ik zal |
|
98 LUC./ u volgen waar gij ook henen-gaat. 58 En Jezus zeide tot hem: ])e vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten ; maar de Zoon des menschen heeft niet waar hij het hoofd nederlegge. 59 En hij zeide tot eenen anderen: Vólg mij. Doch hij zeide : Heere, laat mij toe dat ik henenga en eerst mijnen vader begrave. 60 Maar Jezus zeide tot hem: Laat de dooden hunne dooden begraven; doch gij , ga henen en verkondig het Koninkrijk Gods. fil En ook een ander zeide: Heere, ik zal u volgen; maar laat mij eerst toe dat ik afscheid neme van degenen die in mijn huis zijn. 62 En Jezus zeide tot hem: IS\'iemand die zijne hand .aan den ploeg slaat eh ziet naar hetgeen achter is, is bekwaam tot het Koninkrijk Gods. HOOFDSTUK 10. En na dezen stelde de Heere nog zeventig anderen, en zond re henen voor zijn aangezicht, twee en twee, in iedere stad en plaats waar hy komen zoude. 2 Hij zeide dan tot hen: De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinige; daarom bidt den Heere des oogstes, dat hij arbeiders in zijnen oogst uitstoote. 3 Gaat henen: zie, ik zend u als lammeren in het midden der wolven. 4 Draagt geenen buidel, noch male, noch schoenen, en groet niemand op den weg. 5 En in wat huis gij zult ingaan, zest eerst: Vrede zij d-\'zen huize. 6 En indien aldaar een zoon des vredes is, zoo zal uw vrede op hem rusten; maar indien niet, zoo zal uw vrede tot u wederkeeren. |
S 10. 7 En blijft in dat huis, etende en drinkende hetgeen van hen voorgezet wordt; want de arbeider is zijn loon waardig. Gaat niet over van het ééae huis in het andere huis. 8 En in wat stad gij zult ingaan en zij u ontvangen, eet hetgeen ulieden voorgezet wordt, 9 en geneest de kranken die daarin zijn, en zegt tot hen: Het Koninkrijk Gods is nabij u gekomen. 10 Maar in wat stad gy zult ingaan en zij u niet ontvangen, uitgaande op hare straten zoo zegt: 11 Ook het ütof dat uit uwe stad aan ons kleeft, schudden wij af op ulieden; nochtans weet dit, dat het Koninkrijk Gods nabij u gekomen is. 12 En ik ze?rg.; u, dat het voor die van Sodom verdraaglijker wezen zal in dien dag dan voor die stad. 13 Wee u Caorazin, wee u Bethsaida ! quot;Want zoo in Tyrus en Sidon de krachten geschied waren die in u geschied zijn, zij zouden eertijds in zak en asch zittende zich bekeerd hebben. 14 Doch het zal Tyrus en Si-don verdraaglijker quot;zijn in het oordeel dan ulieden. 15 En gij Kapernaüm, dat tot den hemel toe verhoogd zijt, gij zult tot de helle toe neder-gestooten worden. 16 Wie u hoort die hoort mij , en wie u verwerpt die verwerpt mij ; en wie mij verwerpt die verwerpt dengenen die my gezonden heeft. 17 En de zeventig zijn wedergekeerd met blijdschan, zeggende : Heere, ook de duivelen zijn ons onderworpen in uwen naam. 18 En hij zeide tot hen: Ik zag den sa.an als een bliksem uit den hemel vallen. 19 Zie, ik geef u de macht om op slangen en schorpioenen te |
|
treden , en over alle Itracht des vijands; en peen ding zal u ecnijrszins beschadigen. £0 Doch verblijdt u d.larin niet, dat de geesten u onderworpen zijn ; maar verblijdt u veel meer dat uwe namen geschreven zijn in de hemelen. 21 Te dier ure verheugde zich Jezus in den geest, en zeide: Ik dank u Vader, Heere des hemels en der aarde, dat gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard; ja. Vader, want alzóó is geweest het welbehagen voor u. 22 Alle^ dingen zijn mij van mijnen Vader overgegeven; en niemand weet wie de Zoon is dan de Vader, en wie de Vader is dan de Zoon , en wien het de Zoon zal willen openbaren. 23 En zich keerende naar de discipelen, zeide hij tot hen alleen: Zalig zijn de oogen die zien hetgeen gij ziet. 24 Want ik zegge u dat vele Profeten en Koninsjen hebben begeerd te zien hetgeen gij ziet, en hebben het niet gezien, en te hooren hetgeen gij hoort, en hebben het niet gehóórd. 25 En zie , een zeker Wetgeleerde stond op, hem verzoekende, en zeggende: Meester, wat uoende zal ik het eeuwige leven beërven ? 26 En hij zeide tot hem: Wat is in de wet geschreven ? Hoe leest gij ? 27 En hij antwoordende zeide; Gij zult den Heere uwen God liefhebben uit geheel uw harte en uit geheel uwe ziele en uit geheel uwe kracht en uit geheel uw verstand , en uwen naaste als «zeiven. 28 En hij zeide tot hem: Gij hebt recht geantwoord: doe dat, en gij zult leven. 29 Maar hij willende zichzel-ven rechtvaardigen, zeide tot Jezus : En wie is mijn naaste ? SO En Jezus antwoordende .S 10. 99 |
zeide: Een zeker mensch kwam af van Jeruzalem naar Jericho; en viel onder de moordenaars, welke hem ook uitgetogen en daartoe zware slagen gegeven hebbende, henengingen , en lieten hem halfdood liggen. 31 En bij geval kwam een zeker Priester dien weg af, en hem ziende ging hij tegenover hem voorbij. 32 En desgelijks ook een Leviet, als hij was bij die plaats, kwam hij en zag hem , en ging tegenover hem voorbij. 33 Maar een zeker Samaritaan reizende kwam omtrent hem, en hem ziende werd hij met innerlijke ontferming bewogen ; 34 en hij tot hem gaande verbond zijne wonden, gietende daarin olie en wijn; en hem heftende op zijn eigen beest, voerde hij hem in de herberg en verzorgde hem. 35 En des anderen daags weggaande , langde hij twee penningen uit, en gaf ze den waard, en zeide tot hem; Draag zorg voor hem ; en zoo wat gij meer aan hem te koste zult leggen, dat zal ik u wedergeven als ik wederkom. 36 Wie van deze drie dunkt u de naaste geweest te zijn desgenen die onder de moordenaars gevallen was ? 37 En hij zeide: Die barmhartigheid aan hem gedaan heeft. Zoo zeide dan Jezus tot hem: Ga henen en doe gij desgelijks. 38 En het geschiedde als zij reisden, dat hij kwam in een vlek; en eene zekere vrouw met name Martha ontving hem in haar huis. 39 En deze had eene zuster genaamd Maria, welke ook zittende aan de voeten van Jezus zijn woord hoorde. 40 Doch Martha was zeer bezig met veel dienens, en daar bijkomende zeide zij: Heere, trekt gij u dat niet aan, dat mijne zuster mij alléén laat dienen ? |
|
100 LUC. Zeg dan baar dat zij mij helpe. 41 En Jezus antwoordende zeide tot baar: Martha, Martha, gij bekommert en ontrust u over vele dingen, 42 maar éC-n ding is noodig; docb Maria beeft bet goede deel uitgekozen, betwelk van baar niet zal weggenomen worden. HOOFDSTUK 11. En bet geschiedde toen bij in eene zekere plaats was biddende, als bij opbield, dat een van znne discipelen tot bem zeide: Ileere, leer ons bidden, gelijk ook Jobannes zijnen discipelen geleerd beeft. 2 En bij zeide tot ben: quot;Wanneer gij bidt, zoo zegt: Onze Vader die in de bemelen zijt, uw naam worde geheiligd; uw Koninkrijk kome; uw wil geschiede gelijk in den hemel ulzóó ook op de aarde; 3 geef ons eiken dag ons dage-lijksch brood; 4 en vergeef ons onze zonden, want ook wij vergeven aan een iegelijk die ons schuldig is; en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze. 5 En bij zeide tot ben: Wie van u zal eenen vriend hebben, en zal te middernacht tot bem gaan, en tot bem zeggen: Vriend, leen mij drie brooden, G overmits mijn vriend van de reis tot mij gekomen is, en ik heb niet wat ik bem voorzette: 7 en dat die van binnen antwoordende zoude zeggen: Doe mij geen moeite aan; de deur is nu gesloten, en mijne kinderen zijn met mij in de slaapkamer : ik kan niet opstaan om u te geven. 8 Ik zegge ulieden, hoewel hij niet zoude opstaan en bem geven omdat bij zijn vriend is, nochtans om zijner onbeschaamdheid wille zal hij opstaan en bem geven zoovele als hij er behoeft. |
ü En ik zegge ulieden; Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden ; klopt, en u zal opengedaan worden. 10 Want een iegelijk die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden. 11 En wat vader onder u, dien\' de zoon om brood bidt, zal bem eenen steen geven ? of ook om eenen visch, zal bem voor eenen visch eene slang geven ? 12 Of zoo bij ook om een ei zoude biddenzal hij hem een schorpioen geren? 13 Indien dan gij die boas zijt weet uwen kinderen goede gaven te ge^\'cn, hoeveel te meer zal de bemelsche Vader den Heiligen Geest geven dengenen die bem bidden. 14 En bij wierp eenen duivel uit, en die w.is stom; en het geschiedde als de duivel uitgevaren was, dat de stomme sprak. En de gebaren verwonderden zich; 15 maar sommigen van hen zeiden: Hij werpt de duivelen uit door Beëlzebul, den overste der duivelen. 16 En anderen hem verzoekende , begeerden van hem een teeken uit den hemel. 17 Maar bij kennende hunne gedachten , zeide tot ben: Ieder koninkrijk dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest ; en een huis tegen zichzelf verdeeld zijnde, valt: 18 indien nu ook de satan tegen zichzelven verdeeld is,, hoe zal zijn rijk bestaan ? Dewijl gij zegt dat ik door Beël-zebul de duiveien uitwerp. l\'J En indien ik door Beëlze-bul de duivelen uitwerp, door wien werpen ze uwe zonen uit? Daarom zullen déze uwe rechters zijn. 20 Maar indien ik door den vinger Gods de duivelen uitwerp , zoo i.s dan het Koninkrijk Gods tot u gekomen. 21 Wanneer een sterke gewa- |
|
pende zijn hof bewaart, zoo is al wat hij heeft in vrede; 22 maar als een daarover komt die sterker is dan hij , en hem overwint, die neemt zijne {je-heele wapenrusting: waar hij -op vertrouwde, en deelt zijnen roof uit. 2:5 Wie mèt mij niet is, die is tégen mij; eh wie met mij niet vergadert, die verstrooit. 24 quot;Wanneer de onreine geest van den mensch uitgevaren is, zoo gaat hij door dorre plaatsen , zoekende rust, en die niet vindende zegt hij : Ik zal wederkeeren in mijn huis waar ik uitgevaren ben; 25 en komende vindt hij het niet bezemen gekeerd en versierd. 2(gt; Dan gaat hij henen en neemt met zich zeven andere geesten, boozer dan hij zelf is, en ingegaan zijnde wonen zij aldaar; en het laatste van dien mensch wordt erger dan het eerste. 27 En het geschiedde als hij deze dingen sprak, dat eene zekere vrouw de stem verheffende uit de schare, tot hem zeide: Zalig is de buik, die u gedragen heeft, en de borsten, die gij hebt gezogen. 28 Maar hij zeide: Ja, zalig zijn degenen die het Woord Gods hooren en hetzelve bewaren. 29 En als de scharen dicht bijéénvergaderden, begon hij te zeggen : Dit is een boos geslacht : het verzoekt een tee-ken, en hun zal geen teeken gegeven worden dan het teeken van Jona den Profeet. .\'{0 Want gelijk Jona den Ni-neviten een teeken geweest is, al/.óó zal ook de Zoon des men-schen zijn voor dit geslacht. :{1 De Koningin van het Zuiden zal opstaan in het oordeel met de mannen van dit geslacht , en zal ze veroordcelen ; want zij is gekomen van de einden der aarde om te hooren .S 11. 101 |
de wijsheid van Salomo — en zie, meer dan Salomo is hier. 32 De mannon van Ninevé zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelve veroordeelen ; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona — en zie, meer dan Jona is hier. 33 En niemand die eene kaars ontsteekt, zet die in het verborgen noch onder eene korenmaat , maar op eenen kandelaar , opdat degenen die inkd-men het licht zien mogen. 34 De kaars des lichaams is het oog: wanneer dan uw oog eenvoudig is, zoo is ook uw geheele lichaam verlicht; maar zoo het boos is, zoo is ook uw geheele lichaam duister. 35 Zie dan toe, dat niet het licht hetwelk in uis, duisternis zij. 36 Indien dan uw lichaam geheel verlicht is, niet hebbende eenig deel dat duister is, zoo zal het geheel verlicht zijn, gelijk wanneer de kaars met het schijnsel u verlicht. 37 Als hij nu rM sprak, bad hem een zeker Parizeer dat hij bij hem het middagmaal wilde eten; en ingegaan zijnde zat hij aan. 38 En do Parizeer dat ziende, verwonderde zich dat hij niet eerst vóór het middagmaal zich gewasschen had. .\'i\'J En de Ileere zeide tot hem: Nu, gij Parizeërs , gij reinigt het buitenste des drinkbekers en des schotels, maar het binnenste van u i? vol van roof en boosheid. 40 Gij onverstandigen, die het buitenste heeft gemaakt, heeft hij ook niet het binnenste gemaakt ? 41 Doch geeft tot aalmoezen hetgeen daarin is, en zie, alles is u rein. 42 Maar wee u, FarizeCrs, want gij vertient munt en ruit en alle moeskruid, en gij gaat voorbij het oordeel en de liefde |
|
103 LXJCi Gods. Dit moest men doen en bet andere niet nalaten. 43 TVee u, Farizeërs, want gij bemint bet voorgestoelte in de Synagogen, en de begroetingen op de markten. 44 Wee u, gij Scbriftgeleerden en Farizeers, gij geveinsden, want gij zijt gelijk de graven die niet openbaar zijn, en de menscben die daarover wandelen weten \'t niet. 45 En een van de Wetgeleerden antwoordende zeide tot hem: Meester, als gij deze dingen zefft, zoo doet gij ook ons smaadbeid aan. 46 Docb bij zeide: Wee ooku, Wetgeleerden, want gij belast de menscben met lasten zwaar om te dragen , en zelve raakt gij die lasten niet aan met één van uwe vingeren. 47 quot;Wee u , want gij bouwt de graven der Profeten, en uwe vaderen bebben dezelve gedood. 48 Zoo getuigt gij dan dat gij mede behagen bebt aan de werken uwer vaderen; want zij bebben ze gedood, en gij bouwt bunne graven. 49 Waarom ook de Wijsbeid Gods zegt; Ik zal Profeten en Apostelen tot ben zenden, en van die zullen zij sommigen dooden , en sommigen zullen zij uitjagen, 50 opdat van dit geslacht af-geeisebt worde het bloed van alle de Profeten dat vergoten is van de grondlegging der wereld af, 51 van bet bloed Abels tot het bloed van Zacbaria, die gedood is tusscben het altaar en het Huis God*; ja, zegge ik u, het zal afgecischt worden van dit geslacht. 52 Wee u, gij Wetgeleerden, want gij bebt den sleutel der kennis weggenomen: gijzelve zyt niet ingegaan, en die ingingen hebt gij verhinderd. 5 gt; ün als hij deze dingen tot hen zeide, begonnen de Schrift- |
S 12. geleerden en Farizeërs hard aan te houden, en hem van vele dingen te doen spreken, 54 hem lagen leggende, en zoekende iets uit zijnen mond te bejagen, opdat zij hem beschuldigen mochten. HOOFDSTUK 12. Als intusscben vele duizenden der schare bijéénvergaderd waren, zoodat zij elkander vertraden, begon bij te zeggen tot zijne discipelen: Vooreerst, wacht uzelve voor den zuurdeesem der Farizeers, welke is geveinsdheid. 2 En daar is niets bedekt dat niet zal ontdekt worden, en verborgen dat niet zal geweten worden. 3 Daarom al wat gij in de duisternis gezegd bebt zal in het licht gehoord worden, en wat gij in het oor gesproken bebt in de binnenkamers, zal op de daken gepredikt worden. 4 En ik zegge u mijnen vrienden, vreest niet voor degenen die het lichaam dooden, en daarna niets méér kunnen doen ; 5 maar ik zal u toonen wien gij vreezen zult: vreest dien, die nadat bij gjdood heeft ook macht beeft in de hel te werpen; ja, ik zegge u, vreest dien. G Worden niet vijf musebkens verkocht voor twee pennings-kens ? En niet één van die is voor God vergeten. 7 Ja, ook de haren uws hoofds zijn alle geteld. Vreest dan niet: gij gaat vele musebkens te boven. 8 En ik zegge u, een iegelijk die mij belijden zal voor de menscben, dien zal ook de Zoon des menscben belijden voor de Engelen Gods; 9 maar wie mij verloochenen zal voor de menscben, die zal verloochend worden voor de Engelen Gods. |
|
10 En een iegelijk die eenig woord spreken zal tegen den Zoon des mensclien, het zal hem vergeven worden; maar wie tegen den Heiligen Geest gelasterd zal hebben, dien zal het niet vergeven worden. 11 En wanneer zij u henen-brengen zullen in de Synagogen en tot de overlieden en de machten, zoo zijt niet bezorgd, hoe of wat gij tot verantwoording zeggen óf wat gij spreken zult; 12 want de Heilige Geest zal n in die ure leeren hetgeen gij spreken moet. 13 En een uit de schare zeide tot hem: Meester, zeg mijnen broeder dat hij met mij de erfenis deele. 14 Maar hij zeide tot hem: Mensch, wie heeft mij tot een rechter of scheidsman over u-lieden gesteld ? 15 En hij zeide tot hen: Ziet toe en wacht u van de gierigheid ; want het is niet in den overvloed gelegen, dat iemand leeft uit zijne goederen. 1(gt; En hij zeide tot hen eene gelijkenis, en sprak: Eens rijken menschen land had wèl gedragen; 17 en hO overleide bij zich-zelven, zeggende: Wat zal ik doen \'■* want ik heb niet waarin ik mijne vruchten zal verzamelen. • 18 En hij zeide: Dit zal ik doen : ik zal mijne schuren afbreken en grootere bouwen, en zal aldaar verzamelen al dit mijn gewas en deze mijne goederen , 19 en ik zal tot mijne ziele zeggen: Ziele, gij hebt vele goederen die opgelegd zijn voor vele jaren: neem rust, eet, drink, wees vroolijk. 20 Maar God zeide tot hem: Gij dwaas, in dezen nacht zal men uwe ziele van u afeischen; en hetgeen gij bereid hebt, wiens zal het zijn ? 21 Alzóó ia quot;quot;t met dien die |
S 12. 103 zichzelven schatten vergadert, en niet rijk is in God. 22 En hij zeide tot zijne discipelen : Daarom zegge ik u , zijt niet bezorgd voor uw leven, wat ff ij eten zult, noch voor het lichaam, waarmede gij u kleeden zult: 23 het leven is meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleeding. 24 Aanmerkt de raven, dat zii niet zaaien noch maaien, welke geen spijskamer noch schuur hebben, en God voedt dezelve: hoeveel gaat gij de vogelen te boven! 2» Wie toch van u kan met bezorgd te zijn ééne el tot zijne lengte toedoen ? 2ti Indien gij dan ook het minste niet kunt, wat zijt gij voor de andere dingen bezorgd? 27 Aanmerkt de leliën, hoe zij wassen: zij arbeiden niet en spinnen niet, en ik zegge u, ook Salomo in al ziine heerlijkheid is niet bekleed geweest als eene van deze. 28 Indien nu God het gras, dat heden op het veld is en morgen in den oven geworpen wordt, alzóó bekleedt, hoeveel te meer u, gij kleingeloovigen! 29 En gijlieden, vraagt niet wat gij eten of wat gij drinken zult, en weest niet wankelmoedig ; 30 want alle deze dingen zoeken de volkeren der wereld ; maar uw Vader weet dat gij deze dingen behoeft. 31 Maar zoekt het Koninkrijk Gods , en alle deze dingen zullen u toegeworpen worden. 32 Vrees niet, gij klein kuddeken , want het is uws Vaders welbehagen, ulieden het Ko-ninkrijk te geven. 33 Verkoopt hetgeen gij hebt, en geeft aalmoes; maakt uzel-ven buidels die niet verouden, eenen schat die niet afneemt in de hemelen, waar de dief niet bijkomt noch de mot verderft. |
|
104 LUC. 34 Want waar uw schat is, aldaar zal ook uw harte zijn. 35 Laat uwe lendenen omgord zijn, en de kaarsen brandende; 3fi en zijt pij den menschen se-lijk die op hunnen heer wachten , wanneer hij wederkomen zal van de bruiloft, opdat als hij komt en klopt, zij hem terstond moijcn opendoen. 37 Zalifr zijn die dienstknechten , welke de heer als hij komt zal wakende vinden: voorwaar ik ze^ge u, dat hij zich zal omgorden , en zal ze doen aanzitten , en bijkomende zal hij hen dienen. 38 En zoo hij komt in de tweede nacMwaak, en komt in de derde waak, en vindt ze alzóó, .zalijr zijn die dienstknechten. 39 Maar weet dit, dat indien de heer des huizes geweten had in welke ure de dief zoude komen , hij zoude gewaakt hebben en zoude zijn huis niet hebben laten doorgraven. 40 Gij dan, zijt óók bereid, want in welke ure gij het niet meent zal de Zoon des menschen komen. 41 En Petrus zeide tot hem: Ileere, zefjt gij deze gelijkenis tot ons, of ook tot allen ? 42 En de Ileere zeide: Wie is dan de getrouwe en voorzichtige huisbezorger, dien de heer over zijne dienstboden zal zetten, om hun ter rechter tijd het bescheiden deel spijze te geven ? 43 Zalig is die dienstknecht, welken zijn heer als hij komt zal vinden alzóó doende: 44 waarlijk ik quot;zegge uliedcn dat hij hem over alle zijne goederen zetten zal. 45 Maar indien die dienstknecht in zijn harte zoude zeggen; Wijn heer vertoeft te komen, en zonde beginnen de knechten en de dienstmaagden te slaan , en te eten en te drinken en dronken te worden, 4G zoo zal de heer van dien dienstknecht komen ten dage .S 12. |
op welken hij hem niet verwacht , en ter ure die hij niet weet, en zal hem afscheiden, en zal zijn deel zetten met de ontrouwen. 47 En die dienstknecht welke geweten heeft den wil zijns . heeren, en zich niet bereid nocli naar zijnen wil gedaan heeft, die zal met vele aluyen geslagen worden; 48 maar die denzelven niet geweten heeft, en gedaan heeft dingen die slagen waardig zijn, die zal met weinige slug en geslagen worden. En een iegelijk wien veel gegeven is , van dien zal veel geëischt worden ; en wien men veel vertrouwd heeft , van dien zal men overvloediger eischen. 49 Ik ben gekomen om vuur op de aarde te werpen; en wat wil ik, indien het aireede ontstoken is? 50 Maar ik moet met eenen doop gedoopt worden, en hoe word ik geperst. todat het volbracht zij ! 51 Meent gii d.it ik gekomen ben om vrede te geven op de aarde? Neen, zegge ik u, maar veeleer verdeeldheid. 52 Want van nu aan zullen er vijf in één huis verdeeld zijn, drie tegen twee, en twee tegen drie: 53 de vader zal tegen den zoon verdeeld zijn, en de zoon tegen den vader; ue moeder tegen de dochter, en de dochter tegen de moeder; de schoonmoeder tegen hare schoondochter , en de schoondochter tegen hare schoonmoe.ler. 54 En hij zeide ook tot de scharen: Wanneer gij een wolk ziet opgaan van het Westen, terstond zegtgi; lieden: Er komt regen ; en het geschiedt alzoo ; 55 en wanneer gij den zuidenwind ziet waaien, zoo zegt gij : Daar zal hitte zijn; en het geschiedt. 5ü Gij geveinsden, het aanschijn der aaide en des hemels |
|
weet gij te beproeven, en hoe beproeft gij dezen tijd niet? 57 En waarom oordeelt gij ook van uzelve niet hetgeen recht is ? óS Want als gij henengaat met uwe wederpartij voor de overheid , zoo benaarstig u op den weg om van hem verlost te worden ; opdat hij misschien u niet voor den rechter trekke, en de rechter u den gerechtsdienaar overlevere, en de gerechtsdienaar u in de gevangenis werpe. 69 Ik zegire u, gij zult van daar geenszins uitgaan, totdat pij ook het laatste penningsken betaald zult hebben. HOOFDSTUK 13. En daar waren te dierzelfder tijd eenigen tegenwoordig, die hem boodschapten van de Ga-lileers, welker bloed Filatus met hunne offeranden gemengd had. 2 En Jezus antwoordde en zei-de tot hen : Meent gij dat deze Galileërs zondaars zijn geweest boven alle de Galileërs , omdat zij zulks geleden hebben? Ik zegsre u, neen zij ; maar indien gij u niet bekeert., zoo zult g;j allen desgelijks vergaan. 4 Of uie achttien op welke de toren in Siloam viel en doodde ze, meent gij dat deze schuldenaars zyn geweest boven alle menschen die in Jeruzalem wonen? 5 Ik zegge u, neen zij; maar indien gij u niet bekeert, zoo zult gij allen insgelijks ver- -gaan. (5 En hij zeide deze gelijkenis: Een zeker man had eenen vijgeboom, geplant in zijnen wijngaard ; en hij kwam en zocht vrucht daarop, en vond ze niet. 7 En hij zeide tot den wyn-gaardenier: Zie, ik kom nu drie jaren zoekende vrucht op dezen vijgeboom, en vind ze niet; houw hem uit: waartoe |
S 13. 105 beslaat hij ook onnuttelijk de aarde ? 8 En hij antwoordende zeide tot hem: Heere, laat hem ook nog dit jaar, totdat ik om hem jresjraven \' en mest gelegd zal bebben; ü en indien hij vrucht zal voortbrengen, hem staan ; maar indien niet, zoo zult gij hem namaals uithouwen. 10 En hij leerde op den sabbat in eehe der Synagogen. 11 En zie, daar was eene vrouw die eenen geest der krankheid achttien jaren lang gehad had, en zij was samen-gebogen en kon zich gansche-lijk niet oprichten. 12 En Jezus haar ziende riep ze tot zich, en zeide tot haar : Vrouw, frij zijt verlost van uwe krankheid. 13 En hij leide de handen op haar, en zij werd terstond weder recht, en verheerlijkte God. 14 En de overste der Synagoge, kwalijk nemende dat Jezus op ilen sabbat genezen had, antwoordde en zeide tot de schare: Daar zijn zes dagen op welke men moet werken; komt dan op dezelve en laat u genezen, en niet op den dag des sabbats. 15 De Heere dan\'antwoordde hem en zeide: Gij geveinsde, maakt niet een iegelijk van u op den sabbat zijnen os of ezel van de kribbe los, en leidt hem henen om te doen drinken ? Ui En deze, die eene dochter Abrahams is, welke de satan, zie, nu achttien jaren gebonden had, moest die niet losgemaakt worden van dezen band op den da?; des sabbats? 17 En als hij dit zeide, werden zij allen beschaamd die zich tegen hem stelden, en al de schare verblijdde zich over alle de heerlijke dingen die van hem geschiedden. 18 En hij zeide: Waaraan is het Koninkrijk Gods gelijk. |
|
108 LUC 25 En vele scharen gingen met hem; en hij zich omkee-rcnde zeide tot hen: 2(5 Indien iemand tot mij komt, en niet haat zijnen vader en moeder, en vrouw en kinderen, en broeders en zusters, ja, ook zelfs zijn eiiyen leven, die kan mijn discipel niet zijn; 27 en wie zijn kruis niet draagt en mij navolgt, die kan mijn discipel niet zijn. 28 Want wie van u willende eenen toren bouwen, zit niet eerst neder en overrekent de kosten , of hij ook heeft hetgeen tot volmaking noodig is ? 29 opdat niet misschien, als hij het fundament gelegd heeft en niet kan voleindigen , allen die het zien hem beginnen te bespotten, .\'«) zeggende: Deze mensch heeft begonnen te bouwen , en heeft niet kunnen voleindigen. :ü Of wat Koning gaande naar den krijg om tegen eenen anderen Koning te slaan, zit niet eerst neder en beraadslaagt, of hij machtig is met tienduizend te ontmoeten den-gene die met twintigduizend tegen hem komt ? .*{2 Anders zendt hij gezanten uit, terwijl gene nog verre is, en begeert hetgeen tot vrede dient. Alzóó dan een iegelijk van u die niet verlaat alles wat hij heeft, die kan mijn discipel niet zijn. :{4 Het zout is goed; maar indien het zout smakeloos geworden is, waarmede zal het smakelijk gemaakt worden? 35 Het is noch voor het land noch voor den mesthoop geschikt; men werpt het weg. quot;Wie ooren heeft om te hoo-ren, die hoore. HOOFDSTUK 15. En alle de tollenaars en de zondaars naderden tot hem om hem te hooren. |
LS 15. 2 Eu de Farizeërs en de Schriftgeleerden murmureerden, zeggende: Deze ontvangt de zondaars, en eet met hen. 3 En hij sprak tot hen deze gelijkenis, zeggende: 4 AVat mensch onder u hebbende honderd schapen, en één van die verliezende, verlaat niet de negenennegentig in de woestijn, en gaat naar het verlorene, totdat hij hetzelve vindt ? 5 En als hij het gevonden heeft, legt hij het op zijne schouders, verblijd zijnde; 6 en te huis komende roept hij de vrienden en de geburen te zamen, zeggende tot hen: Weest blijde met mij, want ik heb mijn schaap gevonden dat verloren was. 7 Ik zegge ulieden, dat er alzóó blijdschap sail zijn in den hemel over ééncn zondaar die zich bekeert, meer dan over negenennegentig rechtvaardigen, die de bekeering niet van noode hebben. 8 Of wat vrouw liebbcnde tien penningen, indien zij éénen penning verliest, ontsteekt niet eene kaars, en keert het huis met bezemen , en zoekt naarstig-lijk totdat zij diea, vindt? ü En als zij dien gevonden heeft, roept zij de vriendinnen en de geburinnen te zamen, zeggende: Weest blijde met mij, want ik heb den penning gevonden dien ik verloren had. 10 Alzóó (zegge ik ulieden) is daar blijdschap voor de Engelen Gods over éénen zondaar die zich bekeert. 11 En hij zeide: Een zeker mensch had twee zonen. 12 En de jongste van hen zeide tot den vader: Vader, geef mij het deel des goeds dat mij toekomt. En hij deelde hun het goed. 13 En niet veie dagen daarna, de jongste zoon alles bijéénvergaderd hebbende, is wegge-reisd in een wergelegen land, en |
|
heeft ald.oar zijn goed doorgebracht , levende overdadiglijk. 14 En als hij het alles verteerd had , quot;werd daar een groo-te hongersnood in dat land , en hij begon gebrek te lijden; 15 en hij «ing henen en voegde zich bij een van de burgers van dat land, en die zond hem op zijn land om de zwijnen te weiden; 16 en hij begeerde zijnen buik te vullen met den draf dien de zwijnen aten, en niemand gaf hem dien. 17 En tot zichzelven gekomen zijnde, zeide hij : Hoevele huurlingen mijns vaders hebben overvloed van brood, en ik verga van honger. 18 Ik zal opstaan en tot mijnen vader gaan , en ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u, 19 en ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden: maak mij als eenen van uwe huurlingen. 20 En opstaande ging hij naar zijnen vader. En als hij nog verre van hem was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen, en toeloopende viel hem om zijnen hals ea kuste hem. 21 En de zoon zeide tot hem: Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u, en ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden. 22 Maar de vader zeide tot zijne dienstknechten: Brengt hier voort het beste kleed en doet het hem aan, en geeft eenen ring aan zijne hand en schoenen aan de voeten, 2:$ en brengt het gemeste kalf en slacht het, en laat ons eten en vroolijk zijn; 24 want deze mijn zoon was dood en is weder levend geworden , en hij was verloren en is gevonden. En zij begonnen vroolijk te zijn. 25 En zijn o\'udate zoon was in |
S 16. 10!) het veld, en als h\\j kwam en bet huis genaakte, hoorde hij het gezang en het gerei; 26 en tot zicli geroepen hebbende een van de knechten, vraagde wat dat mocht zijn. 27 En deze zeide tot hem : Uw broeder is gekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hy hem gezond weder ontvangen heeft. 28 Maar hij werd toornig en wilde niet ingaan. Zoo ging dan zijn vader uit, en bad hem. 29 Doch hij antwoordende zeide tot den vader: Zie, ik dien ii nu zoovele jaren en heb nooit uw gebod overtreden, en gij hebt mij nooit een boksken gegeven, opdat ik met mijne vrienden mocht vroolijk zijn ; 30 maar als deze uw zoon gekomen is, die uw goed met hoeren doorgebracht heeft, zoo hebt gij hem het gemeste kalf geslacht. 31 En hij zeide tot hem: Kind, gij zijt altijd bij mij, en al het mijne is uwe: 32 men behoorde dan vroolyk en blijde te zijn; want deze uw broeder was dood en is weder levend geworden, en hij was verloren en is gevonden. IIOOFDSTUK 16. En hij zeide ook tot zijne discipelen : Daar was een zeker rijk mensch, welke eenen rentmeester had, en deze werd bij hem verklaard als die zijne goederen doorbracht. 2 En hij riep hem en zeide tot hem: Hoe hoor ik dit van u ? Geef rekenschap van uw rentmeesterschap, want gij zult niet meer rentmeester kunnen zijn. 3 En de rentmeester zeide bij zichzelven: Wat zal ik doen, dewijl mijn heer dit rentmeesterschap vamp;n mij neemt ? Graven kan ik niet, te bedelen schaam ik mij. 4 Ik weet wat ik doen zal. |
|
106 LUCj en waarbij zal ik hetzelve vergelijken ? 19 Het is gelijk een mostaardzaad , hetwelk een mensch genomen en in zijnen hof geworpen heeft; en het wies op en werd tot eenen grooten boom, en de vogelen des hemels nestelden in zijne takken. quot;0 En hij zeide wederom: Waarbij zal ik het Koninkrijk Gods vergelijken? 21 Het is gelijk een zunr-deesem, welken eene vrouw nam en verborg in drie maten meel, totdat het geheel gezuurd was. 22 En hij reisde van de i^éne stad en vlek tot de andere, leerende, en richtende zijne reize naar Jeruzalem. 23 En daar zeide een tot hem: Heere, zijn er ook weinigen die zalig worden ? En hij zeide tot hen: 24 Strijdt om in te gaan door de enge poort; want velen (zegge ik u) zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen ; 25 namelijk nadat de Heere des huizes zal opgestaan zijn en de deur zal gesloten hebben , en gij zult beginnen buiten te staan en aan de deur te kloppen, zeggende: Heere, Heere, doe ons open; en hij zal antwoorden en tot u zeggen : Ik ken u niet van waar gü zijt. 2(i Alsdan zult gij beginnen te zeggen: Wij hebben in uwe tegenwoordigheid gegeten en gedronken, en gij hebt in onze straten geleerd. 27 En hij z*l zeggen : Ik zegge u, ik ken u niet van waar gij zijt: wijkt van mij af, alle gij werkers der ongerechtigheid. 28 Aldaar zal zijn weening en knersinc: der tanden, wanneer gü zult zien Abraham en Isaiik en Jakob en alle de Profeten in het Koninkrijk Gods, maar ulieden buiten uitgeworpen. |
S 14. 29 En daar zullen er komen van Oosten en Westen, en van Noorden en Zuiden en zullen aanzitten in het Koninkrijk Gods. 30 En zie, daar zijn laatsten die de eersten zullen zijn, en daar zijn eersten die de laatsten zullen zijn. 31 Te dien dage kwamen daar eenige Farizeërs, zeggende tot hem: Ga weg en vertrek van hier, want Herodes wil u doo-den. 32 En hij zeide tot hen: Gaat henen en zegt dien vos: Zie, ik werp duivelen uit en maak gezond , heden en morgen, en ten derden dag? word ik vol-eindigd. 33 Doch ik moet heden en morgen en den volgenden dag reizen, want het gebeurt niet dat een Profeet gedood wordt buiten Jeruzalem. 34 Jeruzalem, Jeruzalem, gij die de Profeten doodt, en stee-nigt die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb ik uwe kinderen willen bijéénverga-deren, gelijkerwijs eene hen hare kiekens onder de vleugelen vergadert, en gijlieden hebt niet gewild. 35 Zie, uw hui:» wordt ulieden woest gelaten. En voorwaar ik zegge u , dat gij mij niet zult zien, totdat de tijd zal gekomen zijn als gij zult zeggen: Gezegend ia hij die komt in den name des Heeren. HOOFDSTUK 14. En het geschiedde als hij gekomen was in het huis van een der oversten der Farize-ers, op den sabbat, ora brood te eten, dat zi| hem waarnamen. 2 En zie, dar.r was een zeker waterzuchtig mensch vóór hem. 3 En Jezus antwoordendé zeide tot de Wetgeleerden en Farizeërs , en sprak: Is het ook |
|
geoorloofd op den sabbat gezond te maken ? 4 Maar zij zwegen stil. En bij nam hem en genas hem, en liet hem gaan. 5 En hij hun antwoordende zeide: WMens ezel of os van nlieden zal in eenen put vallen, en die hem niet terstond zal uittrekken op den dag des sabbats ? 6 En zij konden hem daarop niet weder antwoorden. 7 En hij zeide tot de genoo-den eene gelijkenis, aanmerkende hoe zij de vooraanzittin-gen verkoren, zeggende tot hen: 8 quot;Wanneer gij van iemand ter bruiloft genood zult zijn, zoo zet u niet op de eerste zitplaats; opdat niet misschien een waardiger dan gij van hem genood zij, 9 en hij komende die u en hem genood heeft, tot u zegge : Geef dezen plaats, en gij alsdan zoudt beginnen met schaamte de laatste plaats te houden. 10 Maar wanneer gij genood zult zijn, fja henen en zet u op de laatste plaats; opdat wanneer hij komt die u genood heeft, hij tot u zegge: Vriend, ga hooger op; alsdan zal het u eere zijn voor degenen die met u aanzitten. 11 Want een iegelijk die zich-zelven verhoogt zal vernederd worden en die zichzelven vernedert zal verhoogd worden. 12 En hij zeide ook tot den-gene die hem genood had: AVanneer gij een middagmaal of avondmaal zult houden, zoo roep niet uwe vrienden, noch uwe broeders, noch uwe magen, noch uwe rijke gebu-ren, opdat ook dezelve u niet te eeniger tijd weder nooden en u vergelding geschiede. 13 Maar wanneer gij een maaltijd zult houden, zoo nood armen, verminkten, kreupelen , blinden: 14 en gij zult zalig zijn. |
3 14. 107 omdat zij niet hebben om u te vergelden; want het zal u vergolden worden in de opstanding der rechtvaardigen. 1quot;» En als een van degenen die medeaanzaten deze dingen hoorde, zeide hij tot hem: Zalig is hij die brood eet in het Koninkrijk Gods. 11\') Maar hij zeide tot hem: Een zeker mensch bereidde een groot avondmaal, en hij noodde er velen; 17 en hij zond zijnen dienstknecht uit ter ure des avond-maals, om den genooden te zeggen : Komt, want alle dingen zijn nu gereed. 18 En zij begonnen allen zich eendrachtelijk te verontschuldigen. De eerste zeide tot hem: Ik heb eenen nkker gekocht, en het is noodrg dat ik uitga en hem bezie; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd. 1\'j En een ander zeide: Ik heb vijf juk ossen gekocht, en ik ga henen om die te beproeven ; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd. £0 En een ander zeide: Ik heb eene vrouw getrouwd en daarom kan ik niet komen. £1 En die dienstknecht weder-gekomen zijnde boodschapte deze dingen zijnen heer. Toen werd de heer des huizes toornig, en zeide tot zijnen dienstknecht: Ga haastelijk uit in de straten en wijken der stad , en breng de armen en verminkten en kreupelen en blinden hier in. 22 En de dienstknecht zeide: Ueere, het is geschied, gelijk gij bevolen hebt, en nog is daar plaats. 23 En de heer zeide tot den dienstknecht; Ga uit in de wegen en heggen, en dwinjc ze in te komen, opdat mijn huis vol worde; 24 want ik zegge nlieden, dat niemand van die mannen die genood waren mijn avond-maal smaken ^al. |
|
108 LUC 25 En vele scharen gingen met hem; cn hij zich omkee-rende zeide tot hen: 2(! Indien iemand tot mij komt, en niet haat zijnen vader en moeder, en vrouw en kinderen, en broeders en zusters, ja, ook zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn; 27 en wie zijn kruis niet draagt en mij navolgt, die kan mijn discipel niet zijn. 28 Want wie van u willende eenen toren bouwen, zit niet eerst neder en overrekent de kosten , of hij ook heeft hetgeen tot volmaking noodig is ? 29 opdat niet misschien, als hij het fundament gelegd heeft en niet kan voleindigen , allen die het zien hem beginnen te bespotten, .\'W zeggende: Deze mensch heeft begonnen te bouwen, en heeft niet kunnen voleindigen, lil Of wat Koning gaande naar den krijg om tegen eenen anderen Koning te slaan, zit niet eerst neder en beraadslaagt, of hij machtig is met tienduizend te ontmoeten den-gene die met twintigduizend tegen hem komt? .\'{2 Anders zendt hij gezanten uit, terwijl gene nog verre is, en begeert hetgeen tot vrede dient. 33 Alzóó dan een iegelijk van u die niet verlaat alles wat hij heeft, die kan mijn discipel niet zijn. :M Het zout is goed; maar indien het zout smakeloos geworden is, waarmede zal het smakelijk gemaakt worden? 35 Het is noch voor het land noch voor den mesthoop geschikt; men werpt het weg. quot;Wie ooren heeft om te hoo-ren, die hoore. HOOFDSTUK 15. En alle de tollenaars en de zondaars naderden tot hem om hem te hooren. |
2 Ea de Farizcërs en de Schriftgeleerden murmureerden, zeggende: Deze ontvangt de zondaars, en eet met hen. 3 En hij sprak tot hen deze gelijkenis, zeggende: 4 Wat mensch onder u hebbende honderd schapen, en één van die verliezende, verlaiit niet de negenennegentig in de woestijn, en gaat naar het verlorene, totdat hij hetzelve vindt ? 5 En als hij het gevonden heeft, legt hij het op zijne schouders, verblijd zijnde ; fi en te huis komende roept bij de vrienden en de geburen te zamen, zeggende tot hen: Weest blijde met mij, want ik heb mijn schaap gevonden dat verloren was. 7 Ik zegge ulieden, dat er alzóó blijdschap z.xl zijn in den hemel over éénen zondaar die zich bekeert, meer dan over negenennegentig rechtvaardigen, die de bekeering niet van noode hebben. 8 Of wat vrouw Lebbende tien penningen, indien zij éénen penning verliest, ontsteekt niet eene kaars, en ktert het huis met bezemen , en zoekt naarstig-lijk totdat zij dien. vindt ? 9 En als zij dien gevonden heeft, roept zij de vriendinnen en de geburinnen te zamen, zeggende: Weest blijde met mij, want ik heb den penning gevonden dien ik verloren had. 10 Alzóó (zegge ik ulieden) is daar blijdschap voor de Engelen Gods over éénen zondaar die zich bekeert. 11 En hij zeide: Een zeker mensch had twee zonen. 12 En de jongste van hen zeide tot den ^ader: Vader, geef mij het deel des goeds dat mij toekomt. En hij deelde hun het goed. 13 En niet vel; dagen daarna, de jongste zoen alles bijéénvergaderd hebbende, is wegge-reisd in een vergelegen land, en |
|
heeft aldaar ziin goed doorgebracht , levende overdadiglijk. 14 En als hij het alles verteerd had, werd daar een groo-te hongersnood in dat land , en hij begon gebrek te lijden; 15 en hij sing henen en voegde zich bij een van de burgers van dat hind, en die zond hem op zijn land om de zwijnen te weiden; 1G en hij begeerde zijnen buik te vullen met den draf dien de zwijnen aten, en niemand gaf hem dien. 17 En tot zichzelven gekomen zijnde, zeidehij : Hoevele huurlingen mijns vaders hebben overvloed van brood, en ik verga van honger. 18 Ik zal opstaan en tot mijnen vader gaan , en ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u, 19 en ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden; maak mij als eenen van uwe huurlingen. 20 En opstaande ging hi j naar zijnen vader. En als hij nog verre ra» hem was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen, en fodoopende viel hem om zijnen hals en kuste hem. 21 En de zoon zeide tot hem: Vader. ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u, en ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden. 22 Maar de vader zeide tot zijne dienstknechten: Brengt hier voort het beste kleed en doet het hem aan, en geeft eenen ring aan zijne hand en schoenen aan da voeten, 23 en brengt het gemeste kalf en slaeht het, en laat ons eten en vrooi ijk zijn ; 24 want deze mijn zoon was dood en is weder levend geworden , en hij was verloren en is gevonden. En zij begonnen vroolijk te zijn. 25 Eh zijn oudste zoon was in |
S 1G. 10!) het veld, en als hij kwam en het huis genaakte, hoorde hij het gezang en het gerei; 2G en tot zich geroepen hebbende een van de knechten, vraagde wat dat mocht zijn. 27 En deze zeide tot hem : Uw broeder is gekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hy hem gezond weder ontvangen heeft. 28 Maar hij werd toornig en wilde niet ingaan. Zoo ging dan zijn vader uit, en bad hem. 29 Dóch hij antwoordende zeide tot den vader: Zie, ik dien u nu zoovele jaren en heb nooit uw gebod overtreden, en gij hebt mij nooit een boksken gegeven, opdat ik met mijne vrienden mocht vroolijk zijn ; 30 maar als deze uw zoon gekomen is, die uw goed met hoeren doorgebracht heeft, zoo hebt gij hem het gemeste kalf geslacht. 31 En hij zeide tot hem; Kind, gij zijt altijd bij mij, en al het mijne is uwe: 32 men behoorde dan vroolyk en blijde te zijn; want deze uw broeder was dood en is weder levend geworden, en hij was verloren en is gevonden. HOOFDSTUK 16. En hij zeide ook tot zijne discipelen : Daar was een zeker rijk mensch, welke eenen rentmeester had, en deze werd bij hem verklaagd als die zijne goederen doorbracht. 2 En hij riep hem en zeide tot hem; Hoe hoor ik dit van u ? Geef rekenschap van uw rentmeesterschap, want gij zult niet meer rentmeester kunnen zijn. 3 En de rentmeester zeidehij zichzelven : Wat zal ik doen, dewijl myn heer dit rentmeesterschap van mij neemt ? Graven kan ik niet, te bedelen schaam ik mij . 4 Ik weet wat ik doen zal. |
|
110 LUC opdat wanneer ik van liet rentmeesterschap afgezet zal wezen, zij mij in hunne huizen ont-vantren. 5 En hij riep tot zich een iege-lük van de schuldenaars zijns heeren, en zeide tot den eerste: Hoeveel zijt gij münen heer schuldig ? (5 quot;En hij zeide: Honderd vaten olie. En hij zeide tot hem: Neem uw handschrift, en ne-derzittende schrijf haastelijk vijftig. 7 Daarna zeide hij tot eenen anderen : En gij , hoeveel zijt gij schuldig ? En hij zeide: Honderd mudden tarwe. En hij zeide tot hem: Neem uw handschrift en schrijf tachtig. 8 En de heer prees den on-Techtvaardigen rentmeester, omdat hij voorzichtiglijk gedaan had; want de kinderen dezer wereld zijn voorzichtiger dan de kinderen des lichts in hun geslacht. 9 En ik zegge ulieden, maakt uzelven vrienden uit den on-rechtvaardigen Mammon, opdat wanneer u ontbreken zal, zij u mogen ontvangen in de eeuwige tabernakelen. 10 Die getrouw is in het minste, die is ook in het groote getrouw; en die in het minste onrechtvaardig is, die is ook in het groote onrechtvaardig. 11 Zoo gij dan in den onrecht-vaardigen Mammon niet getrouw zijt geweest, wie zal u het ware vertrouwen ? 12 En zoo gij in eens anders gopd niet getrouw zijt geweest, wie zal u het uwe geven ? 13 Geen huisknecht kan twee heeren dienen; want öf hij zal den ^énen haten en den anderen liefhebben, öf hij zal den d^nen aanhangen en den anderen verachten. Gij kunt God niet dienen en den Mammon. 14 En alle deze dingen hoorden ook de Farizeers die geldgierig waren, en zij beschimpten hem. |
.S 16. 15 En hij zeide tot hen: Gij zijt het die uzelve rechtvaardigt voor de menschen, maar God kent uwe harten; want dat hoog is onder de menschen, is een gruwel voor God. 1(5 De Wet en de Profeten zijn tot op Johannes; van dien tijd af wordt het Koninkrijk Goiis verkondigd, en een iegelijk doet geweld op hetzelve. 17 En het is lichter dat de hemel en de aarce voorbijgaan, dan dat één tittel der wet valle. 18 Een iegelijk lie zijne vrouw verlaat en eene andere trouwt, die doet overspel; en een iegelijk die de verlatene van den man trouwt, dit doet óók overspel. 19 En daar was een zeker rijk mensch, en was gekleed met purper en zeer fijn lijnwaad, levende alle dageu vroolijk en prachtig. 20 En daar was een zeker bedelaar met name Lazarus, welke lag voor zijne poort, vol zweren, 21 en begeerde verzadigd te worden van de kruimkens die van de tafel des r\'jken vielen; maar ook de honlen kwamen en likten zijne zweren. 22 En het geschiedde dat de bedelaar stierf, en van de Engelen gedrasen werd in den schoot Abrahams. 23 En de rijke stierf óók, en werd begraven. En als hij in de hel zijne oogen ophief, zijnde in de pijn, zag hij Abraham van verre, en Lazarus in zijnen schoot. 24 En hij riep en zeide: Vader Abraham, ontferm u mijner en zend Lazarus , df.t hij het uiterste zijns vingers in het water doope,en verkoile mijne tong; want ik lijd smarten in deze vlam. 25 Maar Abraham zeide: Kind, gedenk dat gij uw goed ontvangen hebt in uw leven, en Lazarus desgelijks het kwade ; |
|
on nu wordt bij vertroostten gij lijdt smarten. quot;(i En boven dit alles, tus-scbcn ons en ulieden is eene sroote klove gevestigd , zoodat ar^enen die van bier tot u willen overgaan, niet zouden kunnen, noch ook die duur zijn, van daar tot ons overkomen. 27 En bij zeide; Ik bid u dan vader, dat gij bem zendt tot mijns vaders buis; 28 want ik beb vijf broeders: dat bij bun dit betuige, opdat ook zij niet komen in deze plaats der pijniging. 29 Abraham zeide tot bem: Zij hebben Mozes en de Profeten : dat ze die hooren. .\'{0 En bij zeide: Neen, vader Abraham, maar zoo iemand van de dooden tot ben benen-ging, zij zouden zich bekeeren. 31 Docli Abraham zeide tot bem: Indien zij Mozes en de Profeten niet hooren , zoo zullen zij ook, al ware bet dat er iemand uit de dooden opstond, zich niet laten gezeggen. HOOFDSTUK 17. En bij zeide tot de discipelen : ïlet kan niet wezen dat er geen ergernissen komen, doch wee hem door welken zij komen; 2 bet zoude bem nutter zijn dat een molensteen om zijnen hals gedaan ware, en bij in de zee geworpen, dan dat hij één van deze kleinen zoude ergeren. 3 Wacht uzelve. En indien uw broeder tegen u zondigt, zoo bestraf bem, en indien bet hem leed is, zoo vergeef het bem. 4 En indien hij zevenmaal \'s daags tegen u zondigt, en zevenmaal ^sdaa^s tot u wederkeert, zeggende: Het is mij leed, zoo zult gij het hem vergeven. 5 En de Apostelen zeiden tot |
S 17. Ill den Ileere: Vermeerder ons bet geloof. G En de Ileere zeide: Zoo gij een geloof luidt als een mostaardzaad, gij znudt tegen dezen moerbeziënboom zeggen: Word ontworteld en in de zee geplant, en hij zoude u gehoorzaam zijn. 7 En wie van u heeft eenen dienstknecht ploegende of de bee.atoi hoedende, die tot bem als bij van den akker inkomt terstond zal zeggen: Kom biji en zit aan ? 8 Maar zal hij niet tot hem zeggen: Bereid dat ik te avond zal eten, en omgord u en dien mij, totdat ik zal gegeten en gedronken bebbt-n, en eet en drink gij daarna ? 9 Dankt bij ook dien dienstknecht, omdat bij gedaan beeft betreen hem bevolen was ? Ik meen. neen. 10 Alzóó ook gij, wanneer gij zult gedaan hebben al bet-geen u bevolen is, zoo zegt: Wij zijn onnutte dienstknechten, want wij hebben maar gedaan , betgeen wij schuldig waren te doen. 11 En het geschiedde als hij naar Jeruzalem reisde, dat hij door het midden van Samarié en Galiléa ging. 12 En als hij in een zeker vlek kwam, ontmoetten bem tien melaatsche mannen , welke van verre stonden; 13 en zij verhieven hunne stem, zendende: Jezus, Meester. ontferm u onzer, 14 En als hij ze zag, zeide bij tot ben : Gaat henen en vertoont uzelve den Priesteren. En bet «ceschiedde terwijl zij benen-gingquot;n dat zij gereinigd werden. 15 En één van hen ziende dat hij genezen was, keerde weder, met groote stem God verheerlijkende; IC» en bij viel op bet aangezicht voor zijne voeten, bem dankende; en deze was een Samaritaan. |
|
112 LXICy 17 En Jezus antwoordende zcide: Zijn niet de tien gereinigd geworden? En waar zijn de ncsren? IS Zijn er geene gevonden die wederkeeren om God eere te geven, dan deze vreemdeling ? 19 En hij zeide tot hem; Sta op en ga henen; uw geloof heeft u oehouden. 20 En gevraagd zijnde van de Farizeërs, wanneer het Koninkrijk Goda komen zoude, heeft hij hun geantwoord en Kezegd: Het Koninkrijk Goda komt niet met uiterlijk gelaat, 21 en men zal niet zeggen: Zie hier of ziedAAr; want zie, het Koninkrijk Gods is binnen ulieden. 22 En hij zeide tot de discipelen: Daar zullen dagen komen , wanneer gij zult begee-ren eénen der dagen van den Zoon des menschen te zien, en gij zult dien niet zien. 23 En zij zullen tot u zeggen; Zie hier of zie dddr is hij: gaat niet henen, en volgt niet. 24 Want gelijk de bliksem, die van het ééne einde onder den hemel bliksemt, tot het andere onder den hemel schijnt, alzóó zal ook de Zoon des menschen wezen in zijnen dag. 25 Maar eerst moet hij veel lijden, en verworpen worden van dit geslacht. 26 En gelijk het geschied is in de dagen van Noach, alzóó zal het ook zijn in de dagen van den Zoon des menschen : 27 zij aten, zij dronken, zij namen ten huwelijk, zij werden ten huwelijk gegeven, tot den dag op welken Noach in de ark ging, en de zondvloed kwam en verdierf ze allen. 28 Desgelijks ook gelijk het geschiedde in de dagen van l.ot: zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden; |
.S 18. 29 maar op den dag op welken Lot van Sodom uitging, regende het vuur en zwavel van den hemel, en verdierf ze allen: 30 even alzóó zal het zijn in den dag op welken de Zoon des menschen geopenbaard zal worden. 31 In dien dag wie op het dak zal zijn, en zijn huisraad in huis, die kome niet af om hetzelve weg te nemen; en wie op den akker zijn zal, die keere desgelijks niet naar hetgeen achter is. 32 Gedenkt aan de vrouw van Lot. 33 Zoo wie ::ijn leven zal zoeken te behouden, die zal het verliezen; en zoo wie hetzelve zal veriiez?n, die zal het in \'t leven behouden. 34 Ik zegge u, in dien nacht zullen twee op (^n bed zijn: de één zal aangenomen en de ander zal verlaten worden. 35 Twee vrouwen zullen te zamen malen : de ééne zal aangenomen en de andere zal verlaten worden. 36 Twee zullen clt;p den akker zijn: de één zal aangenomen en de ander zal verlaten worden. 37 En zij antwoordden en zeiden tot hem: Wddr, Heere ? En hij zeide tot hen: Waar het lichaam is, aldaar zullen de arenden vergaderd worden. HOOFDSTUK 18. En hij zeide ook eene gelijkenis tot hen, daartoe strekkende dat men altijd bidden moet en niet vertragen, 2 zeggende: laar was een zeker rechter in eene stad, die God niet vreesde en geen mensch ontzag. 3 En daar was eene zekere weduwe in di3 stad, en zij kwam tot hem, zeggende: Doe mij recht tegen mijne wederpartij. |
|
4 En hij wilde voor eenen lanr/cu tijd niet; maar daarna zeide hij bij ziehzelven: Hoewel ik God niet vrees en geen mensch ontzie, 5 nochtans omdat deze weduwe mij moeieliik valt, zoo zal ik haar recht doen, opdat zij niet eindelijk kome en mij het hoofd breke. ü En de Heere zeide: Hoort wat de onrechtvaardige rechter zegt; 7 zal God dan geen recht doen zijnen uitverkorenen die dag en nacht tot hem roepen, hoewel hij lankmoedig is over hen ? 8 Ik zegge u dat hij hun haastelijk recht doen zal. Doch de Zoon des menschen als hij quot;komt, zal hij ook geloof vinden op de aarde? 9 En hij zeide ook tot sommigen die bij zichzelve vertrouwden dat zij rechtvaardig waren, en de anderen niets achtten, deze gelijkenis: 10 Twee menschen gingen öp in den Tempel om te bidden: de één was een Farizeër en de ander een tollenaar. 11 De Farizeër staande bad dit bij ziehzelven: O God. ik danke u dat ik niet ben gelijk de andere menschen, roo-vers, onrechtvaardigen , over-spelers, of ook gelijk deze tollenaar ; 12 ik vast tweemaal ter weke, ik geef tienden van alles wat ik bezit. 13 En de tollenaar van verre staande wilde ook zelfs de oogen niet opheffen naar den hemel, maar sloeg op zijne borst, zeggende : O God, wees mij zondaar genadig. 14 Ik zegge ulieden, deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis meer dan die; want een ieder die ziehzelven verhoogt zal vernederd worden, en die ziehzelven vernedert zal verhoogd worden. 15 En zij brachten ook de |
S 18. 113 kinderkens tot hem , opdat hij die zoude aanraken , en de dis-eipelen dat ziende bestraften dezelve. 1(gt; Maar Jezus riep die kinder-kens tot zich, en zeide: Laat de kinderkens tot mij komen, en verhindert hen niet ; want derzulken is het Koninkrijk Gods. 17 Voorwaar zegge ik u, zoo wie het Koninkrijk Gods niet zal ontvangen als een kindeken , die zal geenszins in hetzelve komen. 18 En een zeker overste vraagde hem, zeggende: Goede Meester , wat doende zal ik het eeuwige leven beürven ? 19 En Jezus zeide tot hem: Wat noemt gij mij goed? Niemand is goed dan één, namelijk God. 20 Gij weet de geboden: gij zult geen overspel doen; gij zult niet dooden; gij zult niet stelen; gij zult geene valsche getuigenis geven; eer uwen vader en uwe moeder. 21 En hij zeide: Alle deze dingen heb ik onderhouden van mijne jonkheid aan. 22 Doch Jezus dit hoorende zeide tot hem: Nog één ding ontbreekt u: verkoop alles wat gij hebt en deel het onder de armen, en gij zult eenen schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, volg mij. 23 Maar als hij dit hoorde werd hij zeer droevig; want hij was zeer rijk. 24 Jezus nu ziende dat hij zeer droevig geworden was, zeide: Hoe bezwaarlijk zullen degenen die goed hebben in het Koninkrijk Gods ingaan; 2ó want het is lichter dat een kemel ga door het oog van eene naald, dan dat een rijke in \'t Koninkrijk Gods inga. 20 En die dit hoorden zeiden: Wie kan dan zalig worden ? 27 En hij zeide: De dingen die onmogelijk z:jn bij de menschen , zijn mogelijk bij God. |
|
114 LTJCj 28 En Petrus zeiile: Zie, wij hebben alles verlaten en zijn li Revoljrd. 29 En hij zeide tot hen: Voorwaar, ik zegjre ulieden, dat er niemand is die verlaten beeft huis, of ouders of broeders , of vrouw of kinderen, om het Koninkrijk Gods: TO die niet zal veelvoudiff we-derontvanpen in dezen tijd en in de komende eeuw het eeuwige leven. 31 En bij nam de twaalve bjj zich, en zeide tot ben: Zie, wij gaan op naar Jeruzalem, en het zal alles volbracht worden aan den Zoon des menscben,wat gesebreven is door de Profeten; 32 want bij zal den heidenen overgeleverd worden, en hij zal bespot worden en smadelijk behandeld worden en bespuwd worden; 33 en hem gegeeseld hebbende zullen zij hem dooden; en ten derden dage zal bij weder opstaan. 34 En zij verstonden geen van deze dingen. en dit woord was voor hen verborgen, en zij verstonden niet hetgeen gezegd werd. 35 En het geschiedde als bij nabij Jericho kwam, dat een zeker blinde aan den weg zat, bedelende. 3G En deze hoorende de schare voorbijgaan , vraagde wat dat ware. 37 En zij boodschapten hem, dat Jezus de Kazarener voorbijging. 38 En bn riep, zeggende: Jezus, gij Zone Davids, ontferm u mijner. 39 Én die voorbijgingen bestraften hem, opdat hij zwijgen zoude; maar hij riep zooveel te meer: Zone Davids, ontferm u mijner. 40 En Jezus Uitstaande beval dat men denzelven tot hem brengen zoude; en als bij nabij hem gekomen was, vraagde hij hem. |
.S 19. 41 zeggende; Wat wilt gij dat ik u doen zal? En hij zeide: Hee-re, dat ik ziende mag worden. 42 En Jezus zeide tot-hem: Word ziende: uw geloof beeft u behouden. 43 En terstond werd hij ziende, en volgde hem. God verheerlijkende. En al het volk dat ziende, gaf Gode lof. HOOFDSTUK 19. En Jezus ingf komen zynde, ging door Jericho. 2 En zie, daar was een man met name gebeeten Zacheüs; en deze was een overste der tollenaren, en liij was rijk; 3 en hij zocht Jezus te zien, wie hij was, en kon niet vanwege de schare, omdat hij klein van persoon was. 4 En vooruitloopende klom bij op eenen wilden vijgeboom, opdat hij hem mocht zien; want bij zoude door dien weg voorbijgaan. 5 En ais Jezus aan die plaats kwam, opwaarts ziende zag hij hem, en zeile tot hem: Zacheüs, haast u en komaf; want ik moet heden in uw huis blijven. (» En hij haastte z ch en kwam af, en ontving hem met blijdschap. 7 En allen die het zagen murmureerden, zeggende: Hij is tot eenen zondigen man ingegaan om te berbergen. 8 En Zacheüs stond en zeide tot den Heere: Zie, de helft van mijne goederen, Heere, geef ik den armen; en indien ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel weder. 9 En Jezus ze\'de tot hem: Heden is dezen huize zaligheid geschied , nademaal ook deze een zoon Abraluims is ; 10 want de Zoon des men-schen is gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren was. |
|
11 En als zij dat hoorden, voegde hij daarbij en zeide eene gelijkenis, omdat hij nabij Jeruzalem was, en omdat zij meenden dat het Koninkrijk Gods terstond zoude openbaar worden. 12 Hij zeide dan: Een zeker welgeboren man reisde in een vergelegen land , om voor zich-zelven een koninkrijk te ontvangen, en dan weder te keeren. 13 En geroepen hebbende zijne tien dienstknechten, gaf hy hun tien ponden, en zeide tot hen; Doet handeling totdat ik kom. 14 En zijne burgers haatten hem, en zonden hem srezantcn na, zeggende: quot;Wij willen niet dat deze over ons Koning zij. 15 En liet geschiedde toen hij wederkwam, als hij het koninkrijk ontvangen had, dat hij zeide dat die dienstknechten tot hem zouden geroepen worden, wien hij bet geld gegeven had, opdat hij weten mocht wat een iegelijk met handelen gewonnen had. 16 En de eerste kwam en zeide; Heere, uw pond heeft tien ponden daarenboven gewonnen. 17 En hij zeide tot hem: Wèl, gij goede dienstknecht, dewijl gij in het minste getrouw zijt geweest, zoo heb macht over tien steden. 18 En de tweede kwam en zeide; Heere, uw pond heeft vijf ponden gewonnen. 19 En hij zeide ook tot dezen: En gij, wees over vijf steden. 20 En een ander kwam zeggende; Heere, zie hier uw Sond, \'t welk ik in een zweet-ond, \'t welk ik in een zweet- oek weggelegd had; 21 want ik vreesde u, omdat gij een straf mensch zijt; gij neemt weg dat gij niet gelegd hebt, en frij maait dat gij niet gezaaid hebt. 22 Maar hij zeide tot hem; Uit uwen mond zal ik u oor- |
-S 19. 115 deelen, gij booze dienstknecht. Gij wist dat ik een straf mensch ben. wegnemende dat ik niet gelegd heb , en maaiende dat ik niet gezaaid heb ; 23 waarom hebt gij dan mijn geld niet in de bank gegeven, en ik komende had hetzelve met woeker mogen eischen ? 24 En hij zeide tot degenen die bij hem stonden; Neemt dat pond van hem weg, en geeft het dien die de tien ponden heeft. 25 En zij zeiden tot hem: Heere, hij heeft tien ponden. 20 Want ik zejrge u, dat eenen iegelijken die heeft zal gegeven worden; maar van dengenen die niet heeft, van dien zal genomen worden ook dat hij heeft. 27 Doch deze mijne vijanden, die niet hebben gewild dat ik over hen Koninjr zoude zijn, brengt zc hier en slaat ze hier vóór mij dood. 28 En dit gezegd hebbende reisde hij voor het^ henen, en ging op naar Jernzah-m. 29 En het geschiedde als hij nabij Bethfagé en Bethanië gekomen was, aan den berg genaamd den Olijf ben;, dat hij twee van zijne discipelen uitzond, 30 zeggende; Gaat henen in dat vlek dat tegenover is, in \'t welk inkomende zult gij een veulen gebonden vinden, waarop geen mensch ooit heeft gezeten ; ontbindt hetzelve en brengt het. 31 En indien iemand u vraagt; Waarom ontbindt gij dat ? zoo zult gij alzóó tot hem zeggen: Omdat de Heere het van noode heeft. 32 En die uitgezonden waren henengegaan zijnde, vonden het frelijk hij hun gezegd had. 33 En als zij het veulen ontbonden , zeiden de heeren van hetzelve tot hen; Waarom ontbindt gij het veulen? 34 En zij zeiden; De Heere heeft het van noede. |
|
116 LUC; 35 En zij brachten hetzelve tot Jezus; en hunne kleederen op het veulen geworpen hebbende , zetteden zij Jezus daar-op. . 36 En als hij voor/reisde, spreidden zij hunne kleederen onder hem op den weg. 37 En als hij nu genaakte aan den afgang des Olijfbergs, begon al de menigte der discipelen zich te verblijden, en God te loven met groote stem , vanwege alle de krachtige daden die zij gezien hadden, 38 zeggende: Gezegend is de Koning die daar komt in den name des Heeren! Vrede zij in den hemel en heerlijkheid in de hoogste plaatsen.1 39 En sommigen derFarizeëra uit de schare zeiden tot hem: Meester, bestraf uwe discipelen. 40 En hij antwoordende zeide tot hen; Ik zegge ulieden, dat zoo deze zwijgen, de steenen haast roepen zullen. •11 En als hij nabij kwam en de stad zag, weende hij over haar, 42 zeggende: Och of gij ook bekendet, ook nog in draen uwen dag, hetgeen tot uwen vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uwe oogen. 43 \\Vant daar zullen dagen over u komen, dat uwe vijanden eene verschansing rondom u zullen opwerpen, en zullen u omsingelen en u van alle zijden benauwen, 44 en zullen u tot den grond nederwerpen, en uwe kinderen in u, en zij zullen in u den éénen steen op den anderen steen niet laten, daarom dat gij den tijd uwer bezoeking niet bekend hebt. 45 En gegaan zijnde in den Tempel, begon hij uit te drijven degenen die daarin verkochten en kochten, 4(gt; zeggende tot hen : Daar is geschreven; Mijn Huis is een Huis des gebeda; maar gij hebt |
S £0. dat tot een kuil der moordenaren gemaakt. 47 En hij leerde dagelijks in den Tempel; en de Overpries-ters en de Schriftgeleerden en de oversten des volks zochten bem te dooden, 48 en zij vonden niet wat zij doen zouden; want al het volk hing hem aan en hoorde hem. HOOFDSTUK 20. En het geschiedde op een van die dagen, als hij in den Tempel het volk leerde en het Evangelie verkondigde, dat de Overpriesters en Schriftgeleerden met de ouderlingen daar-overkwamen, 2 en spraken tot hem, zeggende: Zeg ons door wat macht gij deze d:ngen doet, of wie hij is die u deze macht heeft gegeven ? 3 En hij antwoordende zeide tot hen: Ik zal u ook één woord vragen, en zegt mij : 4 De doop van Johannes, was die uit den hemel of uit de menscben ? 5 En zij overleiden onder elkander, zeggende: Indien wij zeggen: Uit den hemel, zoo zal hij zeggen: quot;Waarom hebt gij dan hem niet geloofd ? 6 En indien wij zeggen: Uit de menscben, zoo zal ons al het volk steenigen; want zij houden voor zeker, dat Johannes een Profeet was. 7 En zij antwoordden, dat zij niet. wisten van waar die was. 8 En Jezus zeide tot hen: Zoo zegge ik u ook niet door wat macht ik deze dingen doe. 9 En hij begon tot het volk deze gelijkenis \' e zeggen: Een zeker mensch plantte cenen wijngaard, en hij verhuurde dien aan landlieden, en trok eenen langen tijd buitenslands. 10 En als het de tijd was, zond hij tot. de landlieden eenen dienstknecht, opdat zij hem van de vrucht des wijn- |
|
jyaarils geven zouden; mnar de landlieden sloegen denzelven, en zonden hem ledig henen. 11 En wederom zond hij nog eenen anderen dienstknecht; maar ook dien geslagen en smadelijk behandeld hebbende, zonden zij hem ledig henen. 12 En wederom zond hij nog eenen derden; maar zij verwondden ook dezen, en wierpen hem uit. 13 En de heer des wijngaards zeide: Wat zal ik doen ? Ik zal mijnen geliefden zoon zenden ; mogelijk dezen ziende zullen zij hem ontzien. 14 Maar als de landlieden hem zagen, overleiden zij onder elkander, en zeiden-. Deze is de erfgenaam: komt, laat ons hem dooden, opdat de erfenis onze worde. 15 En als zij hem buiten den wijngaard uitgeworpen hadden , doodden zij hem. Wat zal dan de heer des wijngaards hun doen? 1G Hij zal komen en deze landlieden verderven, en zal den wijngaard aan anderen geven. En als z\\} dat hoorden zeiden zij: Dat zij verre. 17 Maar hij zag ze aan, en zeide: Wat is dan dit hetwelk geschreven staat: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is tot een hoofd des hoeks geworden ? 18 Een iegelijk die op dien steen valt, zal verpletterd worden , en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen. 19 En de Overpriesters en de Schriftgeleerden zochten te dier ure de handen aan hem te slaan, maar zij vreesden het volk ; want zij verstonden dat hij deze gelijkenis tegen hen gesproken had. 20 En zij namen hem waar, en zonden verspieders uit, die zichzelve veinsden rechtvaardig te zijn, opdat zij hem in zijne rede vangen mochten, om hem aan de heerschappij en de |
S 20. 117 macht des Stadhouders over te leveren. 21 En zij vraagden hem, zeggende : Meester, wij weten dat gij récht spreekt en leert, en dén persoon niet aanneemt, maar den weg Gods leert in der waarheid: 22 is het ons geoorloofd den Keizer schatting te geven of niet? 23 En hij hunne arglistigheid bemerkende, zeide tot hen: Wat verzoekt gij mij? 21 Toont mij eenen penning: wiens beeld en opschrift heeft hij ? En zij antwoordende zeiden: Des Keizers. 2.quot;gt; En hij zeide tot hen: Geeft dan den Keizer dat des Keizers is, en Gode dat Gods ie. 2(5 En zij konden hem in zijn woord niet vatten voor het volk, en zich verwonderende over zijn antwoord zwegen zij stil. 27 En tot hem kwamen sommigen der Sadduceürs, welke tegensprekende zeggen dat er geene opstanding is, en vraagden hem, 2S zeggende: Meester, Mozes heeft ons geschreven, zoo iemands broeder sterft, die eene vrouw heeft, en hij sterft zonder kinderen, dat zijn broeder de vrouw nemen zal en zijnen broeder zaad verwekken. 29 Daar waren nu zeven broeders; en de eerste nam eene vrouw, en hij stierf zonder kinderen. SO En de tweede nam die vrouw, en ook deze stierf zonder kinderen. 31 En de derde nam die vrouw, en desgelijks ook de zeven, en hebben geen kinderen nagelaten, en zijn gestorven. 32 En ten laagste na allen stierf ook de vrouw. 33 In de opstanding dan wiens vrouw van deze zal zij zijn? want die zeven hebben dezelve tot eene vrouw gehad. 3-1 En Jezus antwoordende |
|
118 LUC.\' zcide tot hen: De kinderen dezer eeuwe trouwen en worden ten huwelijk uitgegeven; 35 maar die waardig zullen geacht zijn die eeuwe te verwerven en de opstanding uit de dooden, zullen noch trouwen noch ten huwelijk uitgegeven worden; 3(i want zij kunnen niet meer sterven, want zij zijn den Engelen gelijk; en zij zijn kinderen Gods, dewijl zij kinderen der opstanding zijn. 37 lin dat de dooden opgewekt zullen worden, heeft ook Mozes aangewezen bij het doornenbosch, als hij den Heere noemt den God Abrahams en den God Isailks en den God Jakobs: 38 (lod nu is niet een God der dooden maar der levenden; want zij leven hem allen. 39 En sommigen der Schriftgeleerden antwoordende zeiden : Meester, gij hebt wèl gezegd. 40 En zij durfden hem niet meer iets vragen. 41 En hij zcide tot hen : Hoe zeggen zij dat de Christus Davids Zoon is ? 42 En David zelf zegt in het boek der Psalmen: De Heere heeft gezegd tot mijnen Heere: Zit aan mijne rechter/t«/uZ, 43 totdat ik uwe vijanden zal gezet hebben tot een voetbank uwer voeten. 44 David dan noemt hem zijnen Heere, en hoe is hij zijn zoon? 45 En daar al het quot;volk het hoorde, zcide hij tot zijne discipelen : 4() Wacht u van de Schriftgeleerden, die willen wandelen in lange kleederen, en beminnen de groetingen op de markten , en de voorgestoelten in de Synagogen, en de vooraan-zittin^en in de maaltijden; 47 die der weduwen huizen opeten, en onder een schijn lange gebeden doen: deze zullen zwaarder oordeel ontvangen. |
21. HOOFDSTUK 21. En opziende zag hij de rijken hunne gaven in de schatkist werpen. 2 En hy zag ook eene zekere arme weduwe twee kleine pen-ningskena daarin werpen; 3 en hij zeide: Waarlijk ik zegge u, dat deze arme weduwe meer dan allen heeft /«geworpen ; 4 want die allen hebben van hunnen overvloed ingeworpen tot de gaven Gods, maar déze heeft van haar gebrek al den leeftocht dien zij had daarin geworpen. 5 En als sommigen zeiden van den Tempel, dat h j met schoo-ne steenen en begiftigingen versierd was, zeide hij : 0 Wat deze dingen aangaat die gij aanschouwt, daar zullen dagen komen, in welke niet een steen op den anderen steen zal gelaten worden, die niet zal worden afgebroken. 7 En zij vraagden hem, zeggende: Meester, wanneer zullen dan deze dingen zijn? En welk is het teeken wanneer deze dingen zullen geschieden ? 8 En hij zeide: Ziet dat gij niet verleid wordt; want velen zullen er komen onder mijnen naam, zeggende: Ik ben de Christus, en de tijd is nabij gekomen: gaat dan hen niet na. 9 En wanneer gij zult hooren van oorlogen en beroerten, zoo wordt niet verschrikt; want deze dingen moeten eerst geschieden , maar nog is terstond het einde niec. 10 Toen zeide hij tot hen: liet ééne volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ééne koninkrijk tegen het andere koninkrijk; 11 en daar zullen groote aardbevingen wezen in verscheidene plaatsen, en horgersnooden, en pestilentiën; daar zullen |
|
ook schrikkelijke dingen en groote teekenen van den hemel geschieden. 12 Maar vóór dit alles zullen zij hunne handen aan ulieden slaan, en u vervolden, u overleverende in de Synagogen on gevangenissen ; en gij zult getrokken worden voor Koningen en Stadhouders, om mijns naams wille; 13 en dit zal u overkomen tot eene getuigenis. 14 Neemt dan in uwe harten voor, van te voren niet te overdenken hoe gij u verjint-woorden zult; 15 want ik zal u mond en wijsheid geven, welke niet zullen kunnen tegenspreken noch wederstaan allen die zich tegen u zetten. 1(gt; En gij zult overgeleverd worden ook van ouders en broeders en magen en vrienden , en zij zullen er sommigen uit u dooden, 17 en gij zult van allen gehaat worden om mijns naams wille. 18 Doch niet een haar uit uw hoofd zal verloren gaan. 19 Bezit uwe zielen in uwe lijdzaamheid. l\'O Maar wanneer gij zien zult dat Jeruzalem van heirlegers omsingeld wordt, zoo weet alsdan dat hare verwoesting nabij gekomen is. 21 Alsdan die in Judéa zijn, dat ze vlieden naar de bergen ; en die in het midden van dezelve zijn, dat ze daar uittrokken, en die op de velden zijn, dat ze in dezelve niet komen ; 22 want deze zijn dagen dor wrake, opdat alles vervuld worde wat geschreven is. 23 Doch wee den bevruchten en den zogenden vrouwen in die dagen; want daar zal groo-te nood zijn in het land, en toorn over dit volk; 24 en zij zullen vallen door de scherpte des zwaards, en gevankelijk weggevoerd worden onder alle volken; en Je- |
S 21. 119 ruzalem zal van de heidenen vertreden worden, totdat de tijden der heidenen vervuld zullen zijn. 25 En daar zullen teekenen zijn in de zon en maan en sterren , en op de aarde benauwdheid der volkeren , met twijfelmoedigheid , als de zee en watergolven groot geluid zullen geven, 2(i en don menschen het horte zal bezwijken van vreeze en verwachting der dingen die het .aardrijk zullen overkomen; want de krachten dor hemelen zullen bewogen worden. 27 En alsdan zullen zij den Zoon des menschen zien komen in eene wolk met groote kracht cn heerlijkheid. 28 Als nu deze dingen beginnen te geschieden. zoo ziet omhoog en heft uwe hoofden opwaarts, omdat uwe verlossing nabij is. 29 En hij zoide tot hen eene gelijkenis: Ziet den vijgeboom en alle de hoornen: 30 wanneer zij nu uitspruiten , en gij dut ziet, zoo weet gij uit uzelve dat de zomer nu nabij is: 31 alzóó ook gij, wanneer gij deze dingen zult zien geschieden , zoo weet dat het Koninkrijk Gods nabij is. 32 Voorwaar, ik zegge u, dat dit geslacht geenszins zal voorbijgaan, totdat alios zal geschied zijn. 33 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijne woorden zullen geenszins voorbijgaan. 34 En wacht uzelve , dat tiwe harten niet te eeniger tijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap en zorgvuldigheden dezes levens, en dat u die dag niet onverziens overcome. 35 Want gelijk een strik zal hij komen over alle degenen die op den ganschcn aardbodem gezeten zijn. |
|
120 LUCü 3lgt; Waakt dan te aller tijd, biddende dat gij moojrt waardig geacht worden te ontvlieden alle deze dingen die geschieden /.uilen, en te staan voor den \'Aoon des menschen. .\'lt;7 Des daags nu was hij lee-rende in den Tempel; maar des nachts ging hij uit, en vernachtte op den berg genaamd den Olijfim/. 38 En al het volk kwam des morgens vroeg tot hem in den Tempel, om hem te hooren. HOOFDSTUK 22. En het feest der ongehevelde broaden, genaamd Pascha, was nabij; 2 en de Overpriesters en de Schriftgeleerden zochten hoe zij hem ombrengen zouden; want zij vreesden het volk. 3 En de satan voer in Judas die toegenaamd was Iskariot, zijnde uit het getal dertwaalve; 4 en hij ging henen en sprak met de Overpriesters en de hoofdmannen, hoe hij hem hun zoude overleveren. 5 En zij waren verblijd, en zijn het ééns geworden dat zij hem geld geven zouden. G En hij beloofde het, cn zocht gelegenheid om hem hun over te leveren zonder oproer. 7 En de dag der ongehevelde broaden kwam, op denwelken het Pascha moest geslacht worden. 8 En hij zond Petrus en Johannes uit, zeggende : Gaat henen en bereidt ons het Pascha, opdat wij het eten mogen. 9 En zij zeiden tot hem ; Waar wilt gij dat wij het bereiden ? 10 En hij zpide tot hen : Zie , als gij in de st.ad zult gekomen zijn, zoo zal u een mensch ontmoeten , dragende eene kruik water: volgt hem in het huis waar hij ingaat; 11 en gij zult zeggen tot den huisvader van dat huis; De |
Meester zegt n: Waar is de eetzaal, daar ik het Pascha met mijne discipelen eten zal ? 12 En hij zal u eene groote toegeruste opperzaal wijzen; bereidt het aldaar. 13 En zij henengaande vonden \'t gelijk hij hun irezegd had, en bereidden liet Pascha. 14 En als de ure gekomen was, zat hij aan en de twaalf Apostelen met hem. 15 En hij zeide tot hen: Ik heb grootelyks begeerd dit Pascha met u te eten eer dat ik lijde; Ifi want ik zegge u, dat ik niet meer daarvan eten zal, totdat het vervuld zal i:ijn in het Koninkrijk Gods. 17 En als hij een drinkbeker genomen had, en gedankt had, zeide hij : Neemt dezen en deelt hem onder ulieden ; 18 want ik zegge u, dat ik niet drinken zal quot;an de vrucht des wijnstoks, totdat het Koninkrijk Gods zal gekomen zijn. 19 En hij nam brood, en als hij gedankt had brak hij het, en gaf het hun , zeggende: Dit is mijn lichaam hetwelk voor n gegeven wordt: doet dat tot mijne gedachtenis. 20 Desgelijks ook den drinkbeker na het avondmaal, zeggende: Deze drinkbeker is het nieuwe Testament in mijn bloed hetwelk voor u vergoten wordt. 21 Doch zie, de hand desgenen die mij verraadt is met mij aan de tafel: 22 en de Zoon des menschen gaat wel henen gelijk besloten is, doch wee dien mensch door welken hij verraden wordt. 23 En zij begonnen onder elkander te vragen, wie van hen het toch mocht zijn die dat doen zoude. 24 En daar were\' ook twisting onder hen, wie vj.n hen scheen de meeste te zijl.. 25 En hij zeide tot hen: De Koningen der volkeren heer- |
|
sclien over hen, cn die macht over hen hebben worden weldadige heer en genaamd, quot;li Doch gij niet alzno; maar de meeste ónder n, die zij gelijk de minste; en die voorganger is, als een die dient. 27 Want wie is meerder, die aanzit of die dient? Is\'het niet die aanzit? Maar ik ben in \'t midden van u als een die dient. 28 lin gij züt degenen die met mij steeds gebleven zijt in mijne verzoekingen. 29 En ik verordineer u het Koninkrijk, gelijkerwijs mijn Vader mij dat verordineerd heeft; 30 opdtt gij eet en drinkt aan mijne tafel in mijn Koninkrijk, en zit op tronen, oor-deelende de twaalf geslachten Israels. :JI En de Heere zeide: Simon, Simon, zie, de satan heeft u-lieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe; 32 maar ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet op-houde: en gij, als gij eens zult bekeerd zijn, zoo versterk uwe broeders. 33 En hij zeide tot hem: Ilee-re, ik ben bereid met u ook in de gevangenis en in den dood te gaan. 34 Maar hij zeide: Ik zegge u l\'etrus, de haan zal heden niet kraaien , eer gij driemaal zult verloochend hebben dat gij mij kent. 35 En hij zeide tot hen: Als ik u uitzond zonder buidel en male en schoenen, heeft u ook iets ontbroken ? En zij zeiden: Niets. 3ti Hij zeide dan tot hen: Maar nu, wie ecnen buidel heeft, die nemo hem, desgelijks ook eene male, en die geen heeft, die verkoope zijn kleed en koope een zwaard. 37 Want ik zegge u, dat nog dit hetwelk geschreven is in mij moet volbracht worden. |
S 22. 121 namelijk: En hij is met de misdadigen gerekend ; want ook die dingen die van mij ae-schreveti zijn hebben een einde. 38 En zij zeiden: Heere, zie hier twee zwaarden. En hij zeide tot hen: liet is genoeg. 39 En uitgaande vertrok hy, gelijk hij gewoon was, naar den Olijfberg ; en hem volgden ook zijne discipelen. 40 En als hy aan die plaatse gekomen was, zeide hij tot hen: Bidt dat gij niet in verzoeking komt. 41 En hij scheidde zich van hen af, omtrent eenen steenworp, en knielde neder en bad, 42 zeggende : Vader, of gij wildet dezen drinkbeker van mij wegnemen! Doch niet mijn wil, maar de uwe geschiede. 43 En van hem werd gezien een Engel uit den hemel die hem versterkte. 44 En in zwaren strijd zijnde, bad hij te ernstiger. En zijn zweet werd gelijk groote druppelen bloeds, die op de aarde afliepen. 4.» En als hij van het gebed opgestaan was, kwam hij tot zijne discipelen, en vond hen slapende van droefheid; 4(5 en hij zeide tot hen: Wat slaapt gij ? Staat op en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt. 47 En als hij nog sprak, zie daar eene schare; en een van de twaalve, die genaamd was Judas, ging hun voor, en kwam bij Jezus om hem te kussen. 48 En Jezus zeide tot hem: Judas, verraadt Rij den Zoon des menschen met eenen kus ? 49 En die bij hem waren, ziende wat er geschieden zoude, zeiden tot hem: Heere, zullen wij met het zwaard slaan? 50 En een uit hen sloeg den dienstknecht des Hoojfepries-ters en hieuw hem zijn rechteroor af. |
|
122 LUC 51 En Jezus nntwoordende zeide: Laat ze tot hiertoe geworden , cn raakte zijn oor aan en heelde hem. 52 En Jezus zeide tot de Over-priesters en de hoofdmannen des Tempels en de Ouderlingen , die te^en hem gekomen waren; Zijt gij uitgegaan met zwaarden en stokken als tegen eenen moordenaar? 53 Als ik dagelijks met-u was in den Tempel, zoo hebt gij de handen tegen mij niet uitgestoken ; maar dit is uwe ure en de macht der duisternis. 54 En zij grepen hem en leidden hem iretj , en brachten hem in het huis des Hoogepries-ters. En 1\'etrus volgde van verre; 55 en als zij vuur ontstoken hadden in het midden van de zaal, en zij te zamen nederza-ten, zat Petrus in \'t midden van hen. 5(i En eene zekere dienstmaagd ziende hem bij het vuur zitten, en hare oogen op hem houdende, zeide: Ook deze was met hem. 57 Maar hij verloochende hem, zeggende: Vrouw, ik ken hem niet. 58 En kort daarna een ander hem ziende, zeide : Ook gij zijt van die. Maar Petrus zeide: Mensch, ik ben niet. 59 En als het omtrent één uur geleden was, bevestigde dat «en ander, zeggende: In waarheid ook deze was met hem, want hij is ook een Galileër. (iO Maar Petrus zeide: Mensch, ik weet niet wat gij zegt. En terstond als hij nog sprak kraaide de haan; (JI en de Heere zich omkee-rende zag Petrus aan, en Petrus werd indachtig aan het woord des Heeren, hoe hij hem gezegd had: Eer de haan zal gekraaid hebben zult gij mij driemaal verloochenen. 62 En Petrus naar buiten gaande weende bitterlijk. |
S 23. 63 En de mannen die Jezus hielden bespotteden hem, en sloegen hem ; 64 en als zij hem overdekt hadden, sloegen zij hem op het aangezicht, en vraagden hem, zeggende; Profeteer , wie het is die u geslagen heeft. 65 En vele andere dingen zeiden zij tegen hem lasterende. 66 En als het dag geworden was, vergaderden de Ouder-lingen des volks. en de Over-priesters en Schriftgeleerden, en brachten hem in hunnen Raad, 67 zeggende: Zijt gij de Christus? zeg het ons. En hij zeide tot hen : Indien ik het u zegge, gij zult het niet gelooven ; 68 en indien ik ook vraag , gij zult mij niet antwoorden of loslaten. 69 Van nu aan zal de Zoon des menschen gezeten zijn aan de rechterband der kracht Gods. 70 En zij zeiden al en: Zijt gij dan de Zoon Gods? En hij zeide tot hen : Gij zegt dat ik liet ben. 71 En zij zeiden: ATat hebben wij nog getuigenis \\an noode ? AVant wijzelve hebben het uit zijnen mond gehoord. HOOFDSTUK 23. En de geheele menigte van hen stond op en leidde hem tot Pilatus. 2 En zij begonnen hem te beschuldigen, zeggende: Wij hebben bevonden dat deze het volk verkeert, en verbiedt den Keizer schattingen te geven, zeggende dat hij zelf Christus de Koning is. 3 En Pilatus vraagde hem, zeggende : Zijt gij de Koning der Joden ? En hij antwoordde hem en zeide ; Gij zegt het. 4 En Pilatus zeide tot de Over-prieaters en de scharen: Ik vind geen schuld in dezen mensch. 5 En zij hielden te sterker aan. |
|
zeggende: Ilij beroert liet volk, leerende door geheel Judéa, begonnen hebbende van Galiléa tot hiertoe. (J Als nu Pilatus van Galiléa hoorde, vraagde hij of die mensch een Galiieër was; 7 on verstaande dat hij uit het gebied van Herodes was, zond hij hem henen tot Ilerodes, die ook zelf in die dagen binnen Jeruzalem was. 8 En als Ilerodes Jezus zag, werd hij zeer verblijd; want hij was sedert lang begeerig geweest hem te zien, omdat hij veel van hem hoorde, en hoopte eenig teeken te zien dat van hem gedaan zoude worden. 9 En hij vraagde hem met vele woorden; doch hij antwoordde hem niets. 10 En de Overpriesters en de Schriftgeleerden stonden en beschuldigden hem heftiglijk. 11 En Ilerodes met zijne krijgslieden hem veracht en bespot hebbende, deed hem een blinkend kleed aan, en zond hem weder tot Pilatus. 12 En op dien dag werden Pilatus en Herodes vrienden met elkander; want zij waren te voren in vijandschap tegen elkander. 13 En als Pilatus de Overpriesters en de oversten en het volk bijengeroepen had, zeide hij tot hen: 14 Gij hebt dezen mensch tot mij gebracht als eenen die het voik afkeerig maakt; en zie, ik heb hem in uwe tegenwoordigheid ondervraagd, en heb in dezen mensch geen schuld gevonden van hetgeen waar gij hem mede beschuldigt; 15 ja, ook Ilerodes niet; want ik heb ulieden tot hem gezonden , en zie, daar is van hem niets gedaan dat des doods waardig is: 16 zoo zal ik hem dan kastijden en loslaten. 17 En hij moest hun op het feest eenen loslaten. |
LS 23. 123 18 Doch al de menigte riep gelijkelijk, zeggende: Weg met dezen, en laat ons Barabbas los; 19 dewelke was om zeker oproer dat in de stad geschied was, en om eenen doodslag, in de gevangenis geworpen. 20 Pilatus dan riep hun wederom toe, willende Jezus loslaten. 21 Maar zij riepen daartegen, zeggende: Kruis Am, kruis hem. 22 En hij zeide ten derden male tot hen: quot;Wat heeft deze dan kwaads gedaan? Ik heb geen schuld des doods in hem gevonden: zoo zal ik hem dan kastijden en loslaten. 23 Maar zij hielden aan met groot geroep, eischende dat hij zoude gekruisigd worden, en hun en der Overpriesteren geroep werd geweldiger. 24 En Pilatus oordeelde dat hun eisch geschieden zoude ; 25 en hij liet hun los dengenen die om oproer en doodslag in de gevangenis geworpen was, welken zij geëischt hadden, maar Jezus gaf hij over tot hunnen wil. 2lt;» En als zij hem wegleidden, namen zij eenen Simon van Cyrene, komende van den akker , en leiden hem het kruis op, dat hij het achter Jezus droeg. 27 En eene groote menigte van volk en van vrouwen volgde hem, welke ook weenden en hem beklaagden. 28 En Jezus zich tot haar kce-rende, zeide: Gij dochters van Jeruzalem, weent niet over mij, maar weent over uzelve en over uwe kinderen; 29 want zie, daar komen dagen in welke men zeggen zal: Zalig zijn de onvruehtbaren, en de buiken die niet gebaard hebben , en de borsten die niet gezoogd hebben. 30 Alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen: Valt |
|
124 LUC./ op ons, en tot de heuvelen: Bedekt ons; 31 want indien zij dit doen aan het frroene lioiit, wat zal aan het dorre geschieden ? En daar werden ook twee anderen, zijnde kwaaddoeners, geleid om met hem gedood te worden. 33 En toen zij kwamen op de plaats genaamd Iloofdschedel-plants, kruisigden zij hem aldaar, en de kwaaddoeners, den éénen ter rechter- en den anderen ter linkerryde. 34 En Jezus zeide: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. En ver-deelende zijne kleederen, wierpen zij het lot. 35 En het volk stond en zag het aan ; en ook de oversten met hen beschimpten hem, zeggende : Anderen heeft hij verlost , dat hij nu zichzelven ver-losse, zoo hij is de Christus, de uitverkorene Gods. 35 En ook de krijgsknechten tot hem komende bespotteden hem, en brachten hem edik, :lt;7 en zeiden: Indien gij de Koning der Joden zijt, zoo verlos uzelven. 38 En daar was ook een opschrift boven hem geschreven, met Grieksche en Romeinsche en Hebreeuwsche letters: Deze is df Koning der Joden. 39 En lt;!én van de kwaaddoeners die gehangen waren lasterde hem, zeggende : Indien gij de Christus zijt, verlos u-zelven en ons. 40 Maar de andere antwoordende bestrafte hem, zeggende: Vreest gij ook God niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt? 41 En wij toch rechtvaardig-lijk, want wij ontvangen straf waardig \'t geen wij gedaan heb ben , maar deze heeft niets onbehoorlijks gedaan. 42 En hij zeide tot Jezus: lleere, gedenk mijner als gij in uw Koninkrijk zult gekomen zijn. |
43 En Jezus zeide tot hem: Voorwaar zegge ik u, heden zult gij met mij in het paradijs zijn. 44 En het was omtrent de zesde ure, en daar werd duisternis over de geheele aarde, tot de negende ure toe; 45 en de zon werd verduisterd, en het voorhangsel des Tempels scheurde midden door. 4(5 En Jezus roepende met groote stemme, zeide: Vader, in uwe handen beveel ik mijnen geest. En als hij dat gezegd had, gaf hij den geest. 47 Als nu de hoofdman over honderd zag wal er geschied was, verheerlijkte hij God en zeide: quot;Waarlijk deze mensch was rechtvaardig. 4S En alle de scharen die samengekomen waren om dit te aanschouwen, ziende de dingen die geschied waren, keerden weder, slaande op hunne borsten. 49 En alle zijne bekenden stonden van verre, ook de vrouwen die hem te zamen gevolgd waren van Galil(;a, en zagen dit aan. 50 En zie, een man met name Jozef, zijnde een Raadsheer, een goed en rechtvaardig man, 51 (deze had niet mede bewilligd in hunnen raad en handel), van Arimathëa eene stad der Joden, en die ook zelf het Koninkrijk Gods verwachtte: 52 deze ging tot l\'ilatus en begeerde het lichaam van Jezus. 53 En als hij hetzelve afgenomen had, wond hij dat in een fijn lijnwaad, en leide het in een graf, in eene rots gehouwen , waarin nog nooit iemand gelegd was. 54 En het was de dag der voorbereiding, en de sabbat kwam aan. 55 En ook de quot;rouwen, die met hem gekomen waren uit Galiléa, volgden, en aanschouwden het graf, en hoe zijn lichaam gelegd werd. |
|
ófi En wedergekeerd zijnde bereidden zij specerijen en zalven ; en op den sabbat rustten zij naar het gebod. HOOFDSTUK 24. En op den eersten dag der week, zeer vroeg in den morgenstond, gingen zij naar het graf, dragende de specerijen die zij bereid hadden, en sommigen met haar. 2 En zij vonden den steen afgewenteld van het graf; 3 en ingegaan zijnde vonden zij het lichaam des Heeren Jezus niet. 4 En het geschiedde als zij daarover twijfelmoedig waren, zie, twee mannen stonden bij haar in blinkende kleederen; 5 en als zij zeer bevreesd werden en het aangezicht naar de aarde neigden, zeiden zij tot haar: Wat zoekt gij den levende bij de dooden? ü Uij is hier niet, maar hij is opgestaan. Gedenkt hoe hij tot u gesproken heeft als hij nog in Galiléa was, 7 zeggende: De Zoon des men-schen moet overgeleverd worden in de handen der zondige menschen, en gekruisigd worden, en ten derden dage weder opstaan. 8 En zij werden indachtig aan zijne woorden; 9 en wedergekeerd zijnde van het graf, boodschapten zij alle deze dingen aan de elve en aan alle de anderen. 10 En deze waren Maria Mag-dalena, en Johanna, en Maria de moeder van Jacobus, cn de andere met haar, die dit tot de Apostelen zeiden. 11 En hare woorden schenen voor hen als ijdel geklap, en zij geloofden haar niet. 12 Doch Petrus opstaande liep tot het graf, en nederbukken-dc zag hij de linnen doeken liggende alléén, en ging weg, zich verwonderende bij zich- |
S 24. 125 zelven over hetgeen geschied was. i:{ En zie, twee van hen gingen op dien daslnaar een vlek dat zestig stadiën van Jeruzalem was, welks naam was Em-matts ; 14 en zij spraken te zamen onder elkander van alle deze dingen die er gebeurd waren. 15 En het geschiedde terwijl zij te zamen spraken en elkander ondervraagden, dat Jezus zelf bij hen kwam en met hen Sing:- Ifi en hunne oogen werden gehouden, dat zij hem niet kenden. 17 En hij zeide tot hen : Wat redenen zijn dit, die gij wandelende onder elkander verhandelt , en waarom ziet gij droevig ? 18 En de een, wiens naam was Kleopas, antwoordende zeide tot hem: Zijt gij alleen een vreemdeling te Jeruzalem , en weet niet de dingen die deze dagen daarin geschied zijn ? 19 En hij zeide tot hen : Welke ? En zij zeiden tot hem: De dingen aangaande Jezus den Nazarener, welke een l\'rofeet was krachtig in werken en woorden, voor God en al het volk ; 20 en hoe onze Overpriesters en oversten denzelven overgeleverd hebben tot het oordeel des doods, en hem gekruisigd hebben. 21 En wij hoopten dat hij was degene die Israël verlossen zoude; doch ook benevens dit alles is het heden de derde dag van dat deze dingen geschied zijn. 22 Maar ook sommige vrouwen uit ons hebben ons ontsteld, die vroeg in den morgenstond aan het graf geweest zijn; 23 en zijn lichaam niet vindende kwamen zij en zeiden, dat zij ook elt;?n gezicht van Engelen gezien hadden, die zeggen dat hij leeft. |
|
126 LUC. 24 En sommigen dergpnen die met ons zijn gingen henen tot liet graf, en bevonden het al-zóó gelijk ook de vrouwen fre-zegd hadden; maar hem zagen zij niet. 25 En hii zeide tot hen: O onverstandigen en tragen van harte om te gelooven al hetgeen de Profeten gesproken hebben, 26 moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzóó in zijne heerlijkheid ingaan? 27 En begonnen hebbende van Mozes en van alle de Profeten, leide hij hun uit in alle de Schriften hetgeen van hem geschreven was. 28 En zij kwamen nabij het vlek waar zij naar toe gingen ; en hij hield zich alsof hij verder gaan zoude; 29 en zij dwongen hem, zeggende: Blijf met ons, want het is bij den avond en de dag is gedaald. En hij ging in, om met hen te blijven. .quot;50 En het geschiedde als hij met hen aanzat , dat hij het brood nam en het zegende; en als hij het gebroken had gaf hij het hun: en hunne oogen werden geopend , en zij kenden hem ; en hij kwam weg uit hun gezicht. 32 En zij zeiden tot elkander: }Vas ons hart niet brandende in ons, als hy tot ons sprak op den weg en als hij ons de Schriften opende? 33 En zn opstaande te dier ure, keerden weder naar Jeruzalem , en vonden de elve sa-menvergaderd, en die met hen waren, 34 welke zeiden : De Heere is waarlijk opgestaan, en is van Simon gezien. 35 En zij vertelden hetgeen op den weg geschied teas, en hoe hij hun bekend was geworden in \'t breken des broods. 36 En als zij van deze dingen spraken, stond Jezus zelf in |
S 24. \'t midden van hen, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden. 37 En zij verschrikt en zeer bevreesd geworden zijnde, meenden dat zij eenen geest zagen. .\'lt;8 En hij zeide tot hen: Wat zijt gij ontroerd, en waarom klimmen zulke overleggingen in uwe harten ? 39 Ziet mijne handen en mijne voeten, want ik ben het zelf; tast mij aan en ziet, want een geest heeft geen vleesch en beenen, gelijk gij ziet dat ik heb. 40 En als hij dit zeide, toonde hij hun de handen en de voeten. 41 En toen zij het van blijdschap nóg niet geloofden en zich verwonderden, zeide hij tot hen : Hebt gy hier iets om te eten? 42 En zij gaven hem een stuk van eenen gebraden visch, en van honigraten, 43 en hij nam het en at het voor hunne oogen. 44 En hij zeide tot hen: Dit zijn de woorden die ik tot u sprak als ik nog met u was, namelijk dat het all^s moest vervuld worden wat van mij geschreven is in de Wet van Mozes en de Profeten en de Psalmen. 45 Toen opende hij hun verstand opdat zij de Schriften verstonden, 46 en zeide tot hen: Alzóó is er geschreven, en alzóó moest de Christus lijden, en van de dooden opstaan ten derden dage, 47 en in zijnen naam gepredikt worden bekeering en vergeving der zonden onder alle volken, beginnende van Jeruzalem. 48 En gij zijt getuigen van deze dingen. 49 En zie, ik zend de belofte mijns Vaders op u ; maar blijft gij in de stad Jen-zalem, totdat gij zult aangedaan zijn met kracht uit de hoogte. |
|
50 En hij leidde hen buiten tot aan Bcthanië, en zijne handen opheffende zegende hij hen. 51 En het geschiedde als hij ze zegende, dat hij van hen scheidde en werd opgenomen in den hemel. |
JJES • 127 52 En zij aanbaden hem , en keerden weder naar Jeruzalem met grootc blijdschap. 53 En zij waren te allen tijde in den Tempel, lovende en dankende God. Amen. |
HET HEILIG EVANGELIE
NAAR DE BESCHRIJVING FAN
JOHANNES.
|
HOOFDSTUK 1. In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. 2 Dit was in den beginne bij God. 3 Alle dingen zijn door hetzelve gemaakt, eh zonder hetzelve is geen ding gemaakt dat gemaakt is. 4 In hetzelve was het leven, en het leven was het licht der menschen; 5 en het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft hetzelve niet begrepen. (5 Daar was een mensch van God gezonden, wiens naam was J ohannes; 7 deze kwam tot eene getuigenis , om van het licht te getuigen, opdat zij allen door hem gelooven zouden. 8 Hij was het licht niet, maar was ffezondim opdat hij van het licht getuigen zoude. 9 Dit was het waarachtige licht, hetwelk verlicht een iegelijk mensch komende in de wereld. 10 Hij was in de wereld, en de wereld is door hem gemaakt ; en de wereld heeft hem niet gekend. |
11 Hij is gekomen tot het zijne, en de zijnen hebben hem niet aangenomen. 12 Maar zoo velen hem aangenomen hebben, dien heeft hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in zijnen naam gelooven ; 13 welke niet uit den bloede, noch uit den wille des vlee-sches, noch uit den wille des mans, maar uit God geboren zijn. 14 En het Woord is vleeesch geworden , en heeft onder ons gewoond , (en wij hebben zijne heerlijkheid aanschouwd, eene heerlijkheid als des Eeniggebo-renen van den Vader) vol van genade en waarheid. 15 Johannes getuigt van hem en heeft geroepen, zeggende; Deze was het van welken ik zeide: Die na mij komt is vóór mij geworden, want hij was eer dan ik. l(i En uit zijne volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade; 17 want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden. 18 Niemand heeft ooit God gezien; de eeniggeboren Zoon, die in den schoot uea Vaders |
|
128 JOH AI ia, die heeft hem ons verklaard. 19 En dit is de setuifrenis van Johannes, toen de Joden eenigc Priesters en Leviten afzonden van Jeruzalem, opdat zij hem zouden vragen : Wie zijt gij ? 20 En hij heieed, en loochende het niet, en beleed: Ik hen de Christus niet. 21 En zij vraagden hem : Wat dan? Zijt gij Elia? En hij zeide; Ik ben die niet. Zijt gij de l\'rofeet? En hij antwoordde: Neen. 22 Zij zeiden dan tot hem: Wie zijt gij ? opdat wij antwoord geven mogen dengenen die ons gezonden hebben; wat zegt gij van uzelven? 2;{ Hij zeide: Ik ben de stem des roependen in de woestijn; Maakt den weg des Heeren recht, gelijk Jesaja de Profeet gesproken heeft. 24 En de afgezondenen waren uit de FarizeiSrs ; 25 en zij vraagden hem en spraken tot hem: Waarom doopt gij dan, zoo gij de Christus niet zijt, noch Elia, noch de Profeet? 2l» Johannes antwoordde hun, zeggende: Ik doop met water, maar hij staat midden onder ulieden dien gij niet kent; 27 dezelve is \'t die na mij komt, welke vóór mij geworden is, wien ik niet waardig hen dat ik zijnen schoenriem zoude ontbinden. 2S Deze dingen zijn geschied in Bethabara over den Jordaan, waar Johannes was doopende. 2\'J Des anderen daags zag Johannes Jezus tot zich komen, en zeide: Zie, het Lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt. 30 Deze is \'t van welken ik gezegd heb; Na mij komt een man , die vóór mij geworden is, want hij was eer dan ik. 31 En ik kende hem niet; maar opdat hij aan Israël zoude geopenbaard worden, daar- |
NES 1. om ben ik gekomen doopende met het water. 32 En Johannes getuigde, zeggende ; Ik heb den Geest zien nederdalen uit den hemel gelijk eene duive, en hij bleef op hem. 33 En ik kende hem niet; maar die mij gezonden heeft om te doopeh met water, die had mij gezegd: Op welken gij den Geest zult zien nederdalen, en op hem blijven, deze is \'t die met den Heiligen Geest doopt. 34 En ik heb gezien en heb getuigd, dat deze de Zoon Gods is. 35 Des anderen daags wederom stond Johannes, en twee uit zijne discipelen; ■ 3(5 en ziende op Jezus daar wandelende, zeide l.ij : Zie, het Lam Gods. 37 En die twee discipelen hoorden hem dat spreken, en zij volgden Jezus. 38 En Jezus zich omkeerende en ziende hen volgen, zeide tot hen : 39 Wat zoekt gij ? jïn zij zeiden tot hem: Rabbi (hetwelk is te zeggen, overgezet zijnde, Meester), waar woont gij ? 40 Hij zeide tot hen: Komt en ziet. Zij kwamen en zagen waar hij woonde, en bleven dien dag bij hem; en het was omtrent de tiende ure. 41 Andréas de broeder van Simon Petrus was een van de twee, die het van Johannes gehoord hadden en hem gevolgd waren ; 42 deze vond eerst zijnen broeder Simon, en zeide tot hem : Wij hebben gevonden den Messias. \'t welk is overgezet zijnde, de Christus. 43 En hij leidde hen tot Jezus. En Jezus hem aanziende zeide: Gij zijt Simon, dj zoon van Jona; gij zult genaamd worden Cefas, hetwelk overgezet wordt Petrus. 44 Des anderen daags wilde |
|
joha: Jpzvis henengaan naar Galiléa, en vond Filippas en zeide tot hem: Volg mij. 45 Filippus nu was van Beth-saïda, uit de stad van Andréas en Petrus. 46 Filippus vqnd Nathanaël en zeide tot hem: Wij hebben dien gevonden, van welken Mozes in de Wet geschreven heeft, en de Profeten, namelijk Jezus den zoon Jozefs, van Kazareth. 47 En Nathanaël zeide tot hem: Kan uit Nazareth iets goeds zijn ? Filippus zeide tot hem: Kom en zie. 48 Jezus zag Nathanaël tot zich komen , en zeide van hem: Zie waarlijk een Israëliet in welken geen bedrog is. 49 Nathanaël zeide tot hem : Van waar kent gij mij? Jezus antwoordde en zeide tot hem : Eer u Filippus riep, daar gij onder den vijgeboom waart, zag ik u. 50 Nathanaël antwoordde en zeide tot hem: Rabbi, gij zijt de Zoon Gods, gij zijt de Koning Israels. 51 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Omdat ik u gezegd heb: Ik zag u onder den vijgeboom, zoo gelooft gij : gij zult grooter dingen zien dan deze. 52 En hij zeide tot hem : Voorwaar, voorwaar zegge ik ulie-den, van nu aan zult gij den hemel zien geopend, en de Engelen üods opklimmende en nederdalende op den Zoon des menschen. hoofdstuk 2. En op den derden 4ag was daar een bruiloft te Kana in Galilr\'-a, en de moeder van Jezus was aldaar; 2 en Jezus was óók genood, en zijne discipelen, tot de bruilóft. 3 En als er wijn ontbrak, zeide de moeder van Jezus tot hem: Zij hebben geen wijn. |
[NES 2. 129 4 Jezus zeide tot haar: Vrouwe , wat heb ik met u te doen ? IVlyne ure is nog niet gekomen. 5 Zijne moeder zeide tot de dienaars: Zoo wat hij ulieden zal zeggen, doet dat. 6 En aldaar waren zes steenen watervaten gesteld, naar de reiniging der Joden , elk houdende twee of drie metréten. 7 Jezus zeide tot hen : Vult de watervaten met water. En zij vulden ze tot boven toe. 8 En hij zeide tot hen : Schept nu en draagt het tot den hofmeester. En zij droegen het. 9 Als nu de hofmeester het water dat wijn geworden was geproefd had, (en hij wist niet van waar de wijn was, maar de dienaren die het water geschept hadden wisten het), zoo riep de hofmeester den bruide-gorn, It) en zeide tot hem: Alle man zet eerst den goeden wijn op, en wanneer men wèl gedronken heeft, alsdan den minderen ; maar gij hebt den goeden wijn tot nu toe bewaard. 11 Dit begin der teekenen heeft Jezus gedaan te Kana in Galiléa, en heeft zijne heerlijkheid geopenbaard; en zijne discipelen geloofden in hem. 12 Daarna ging hij af naar Kapernaüm, hij en zijne moeder en zijne broeders en zijne discipelen, en zij bleven aldaar niet vele dagen. i:gt; En het Pascha der Joden was nabij, en Jezus ging op naar Jeruzalem. 14 En hij vond in den Tempel die ossen en schapen en duiven verkochten, en de wisselaars daar zittende; 15 en een geesel van touw-kens gemaakt hebbende, dreef hij ze allen uit den Tempel, ook de schapen en de ossen; en het geld der wisselaren stortte hij uit, en keerde de tafels om; lü en hij zeide tot degenen die |
|
130 JOHA] de duiven verkochten: Neemt deze diniren v«n hier we??; mankt niet liet Huis mijns Vaders tot een huis van koophandel. 17 En zijne discipelen werden indachtig dat er geschreven is : De ijver van uw Huis heeft mij verslonden. 18 De Joden antwoordden dan en zeiden tot hem: Wat lecken toont Rij ons, dat jyij deze dingen doet? 19 Jezus antwoordde en zeide tot hen : Breekt dezen Tempel, en in drie dagen zal ik denzel-ven oprichten. 2(1 De Joden zeiden dan: Zesenveertig jaren is over dezen Tempel gebouwd, en gij, zult gij dien in drie dagen oprichten? 21 Maar hij zeide dit van den tempel zijns lichaaras. 22 Daarom als hij opgestaan was van de dooden, werden zijne discipelen gedachtig dat. hij dit tot hen gezegd had, en zij geloofden de Schrift en het woord dat Jezus gesproken had. 23 En als hij te Jeruzalem was op het Pascha, in het feest, geloofden velen in zijnen naam, ziende zijne teekenen die hij deed. 24 Maar Jezus zelf betrouwde hun zichzelven niet, omdat hij ze allen kende, 25 en omdat hij niet van noo-de had dat iemand getuigen zoude van den mensch; want hij zelf wist wat in den mensch was. HOOFDSTUK 3. En daar was een mensch uit de Farizeërs, wiens naam was ÜS\'icodemus, een overste der Joden: 2 deze kwam des nachts tot Jezus, en zeide tot hem: Rabbi, wij weten dat gij zijt een leer-;tar van God gekomen; want niémand kan deze teekenen |
NES 3. doen die gij doet, zoo God met hem niet is. 3 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg.w ik u, tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.^ 4 Nicodemus zeide tot hem: Hoe kan een mensch geboren worden, gt;t« oud zijnde? Kan hij ook andermaal ir. den schoot zijner moeder ingaan cn geboren worden ? 5 Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar zegge ik u, zoo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk Gods niet ingaan. (» Hetgeen uit het vleesch geboren is, dat is vleesch, cn hetgeen uit den Geest geboren is, dat is geest. 7 Verwonder u niet dat ik u gezegd heb: Gijlieden moet. wederom geboren worden. 8 De wind blaast waarhenen Mi wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet van waar hij komt en waar hij he-nengaat : alzóó is een iegelijk die uit den Geest geboren is. 9 Nicodemus .antwoordde en zeide tot hem: Hoe kunnen deze dingen geschieden ? 10 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zijt gij een leeraar Israels en weet gij deze dingen niet ? 11 Voorwaar, voorwaar zegge ik u , wij spreken wat wij weten. en getuigen wat wij gezien hebben, en gijlieden neemt onze getuigenis niet aan. 12 Indien ik ulieder. de aard-sche dingen gezegd heb en gij niet gelooft, hoe zi lt sij ge-looven indien ik ulieden de hemelsche zoude zeggen ? 13 En niemand is opgevaren in den hemel, dan die uit den hemel nedergekomen is, namelijk de Zoon des menschen die in den hemel is. 14 En gelijk Mozes de slang |
|
in de; woestijn verhoogd heeft, alzóó moet de Zoon des men-sehen verhoogd worden, 15 opdat een iegelijk die in hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. 16 Want alzóó lief heeft God de wereld gehad, dat hij zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. 17 quot;Want God heeft zijnen Zoon niet sezonden in de wereld opdat hij de wereld veroordeelen zoude, maar opdat de wereld door hem zoude behouden worden. 18 Die in hem gelooft wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft is aireede veroordeeld , dewijl hij niet heeft geloofd in den naam van den eeniggeboren Zoon Gods. 19 En dit is het oordeel, dat het lieht in de wereld gekomen is, en de menschen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hunne werken waren boos. HO Want een iegelijk diekwaad doet, haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijne werken niet bestraft worden; 21 maar die de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijne werken openbaar worden, dat zij in Gou gedaan zijn. 23 Na dezen kwam Jezus en zijne discipelen in het land van Judéa, en onthield zich aldaar met hen, en doopte. 23 En Johannes doopte ook in Enon bij Salim, dewijl aldaar vele wateren waren; en zij kwamen daar en werden gedoopt; 24 want Johannes was nog niet in de gevangenis geworpen. 25 Daar rees dan eene vraag van ecuir;cn uit de discipelen van Johannes met de Joden over de reiniging; 2(gt; en zij kwamen tot Johannes en zeiden tot hein: Rabbi, |
NES 4. 131 die met u was over don Jor-daan, welken gij getuigenis gaaft, zie, die doopt en zy komen allen tot hem. 27 Johannes antwoordde en zeide: Een mensch kan geen ding aannemen, zoo het hem uit den hemel niet gegeven is. 28 Gijzelve zijt mijne getuigen dat ik gezegd heb: Ik ben de Christus niet, maar dat ik voor hem henen uitgezonden ben. 29 Die de bruid heeft is de bruidegom; maar de vriend des bruidegoms, die staat en hem hoort, verblijdt zich met blijdschap om de stem des bruidegoms. Zoo is dan deze mijne blijdschap vervuld geworden. 30 Hij moet wassen , maar ik minder worden. 31 Die van boven komt is boven allen. Die uit dn aarde is voortgekomen(, die is uit de aarde en spreekt uit de aarde: die uit den hemel komt is boven allen; 32 en hetgeen hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt hij, en zijne getuigenis neemt niemand aan. 33 Die zijne getuigenis aangenomen heeft, die heeft verzegeld dat God waarachtig is. 34 Want dien God gezonden heeft, die spreekt de woorden Gods; want God geeft hem den geest niet met mate. 35 De Vader heeft den Zoon lief, en heeft alle dingen in zijne hand gegeven. 36 Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven ; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem. HOOFDSTUK 4. Als dan de Hecre verstond dat de Farizeërs gehoord hadden , dat Jezus meer discipelen maakte en doopte dan Johannes, |
|
132 JOHA* 2 (hoewel Jezus zolf niet doopte, niaar zijne discipelen), ;{ zoo verliet hij Jiuu-a en (dng quot;wederom henen naar Galiléa. 4 Kn hij moest door Samarië gaan. 5 Hij kwam dan in eene stad van Samarië genaamd Sichar, nabij het stuk land hetwelk Jakob zijnen zoon Jozef ?af; (5 en aldaar was de fontein Ja-kobs. Jezus dan vermoeid zijnde van de reis, zat alzoo neder nevens de fontein; het was omtrent de zesde ure. 7 Daar kwam eene vrouw uit Samarië om water te putten. Jezus zeidc tot haar: Geef mij te drinken. 8 (Want zijne discipelen waren henengegaan in de stad. opdat zij spijze zouden koopen.) 9 Zoo zeide dan de Samari-taansche vrouw tot hem: Hoe begeert gij, die een Jood zij t, van mij te drinken die eene Samaritaansche vrouw ben? quot;Want de Joden houden geen gemeenschap met de Samaritanen. 10 Jezus antwoordde en zeide tot haar: Indien gij de gave Gods kendet, en wie hij is die tot u zegt: Geef mij te drinken, zoo zoudt gij van hem hebben begeerd, en hij zouden levend ■water gegeven hebben. 11 De vrouw zeide tot hem: Heere, gij hebt niets om mede te putten, en de put is diep; van waar hebt gy dan het levend water? 12 Zijt gij meerder dan onze vader Jakob die ons den put gegeven heeft, en hij zelfheeft •aaruit gedronken, en zyne kinderen, en zijn vee? 13 Jezus antwoordde en zeide tot haar: Ken ieder die van dit water drinkt zal wederom dorsten; 14 maar zoo wie gedronken zal hebben van het water dat ik hem geven zal, dien zal in eeuwigheid niet dorsten, maar het water dat ik hem zal geven |
NES 4. zal in hem worden eene on-tein van water, springende tot in het eeuwige leven. 15 De vrouw zeide tot hem; Heere, geef mij dat water, opdat mij niet dorste, en ik hier niet moet komen om te putten. 1(gt; Jezus zeide tot haar: Ga henen, roep uwen man en kom hier. 17 De vrouw antwoordde en zeide; Ik heb geenen man. Jezus zeide tot haar; Gü hebt wèl gezegd: Ik heb geenen man; IS want gij hebt vijfmannen gehad, en dien gij nu hebt is uw man niet: dat hebt gü met waarheid gezegd. 19 De vrouw zeide tot hem: Heere, ik zie dat gij een Profeet zyt. 20 Onze vaderen hebben op dezen berg aangebeden, en gii-lieden zegt dat te Jeruzalem de plaats is, daar men moet aanbidden. 21 Jezus zeidetothaa-: Vrouw, geloof mij , de ure ko ut, wanneer gijlieden noch op dezen berg, noch te JeruzUem den Vader zult aanbidden. 22 Gijlieden aanbidt wat gij niet weet, wij aanbidden wat wij weten ; want de taligheid is uit de Joden; 23 maar de ure komt en ia nu , wanneer de ware aanbidders den Vader aanbidden zullen in geest en waarheid; want de Vader zoekt ook al-zulken, die hem alzóó aanbidden. 24 God is een geest, en die hem aanbidden, moeten hem aanbidden in geest en waarheid. 25 De vrouw zeide tot hem: Ik weet dat de Messias komt (die genaamd wordt Christus); wanneer die zal gekomen zijn, zoo zal hij ons alle dingen verkondigen. 2(1 Jezus zeide tct haar: Ik ben het, die met u spreke. 27 En daarop kwamen zyne |
|
JOHAI discipelen, en verwonderden zich dat hij met eene vrouw sprak. Nochtans zeide niemand : quot;Wat vraajrt jrij, of wat spreekt gij mrrt haar ? 128 Zoo verliet de vrouw dan haar watervat, en jring henen in de stad, en zeide tot de lieden: 29 Komt, ziet een mensch die mij frezejrd heeft alles wat ik gedaan heb : is deze niet de Christus? 30 Zij dan gingen uit de stad en kwamen tot hem. 31 En ondertusschen baden hem de discipelen, zeggende: Rabbi, eet. 32 Maar hij zeide tot hen: Tk heb eene spijze om te eten die gij niet weet. 33 Zoo zeiden dan de discipelen tegen elkander: Heeft hem iemand te eten gebracht ? 34 Jezus zeide tot hen: Mijne spijze is, dat ik doe den wil desgenen die mij gezonden heeft, en zijn werk volbrenge. 35 Zegt gijlieden niet; Het zijn nog vier maanden en dan komt de oogst? Zie,ikzegKe u , heft uwe oogen op en aanschouwt de landen, want zij zijn aireede wit om te oogsten. 36 En die maait ontvangt loon, en vergadert vrucht ten eeuwigen leven , opdat zich te zamen verblijde beide die zaait en die maait; 37 want hierin is die spreuke waarachtig: Een ander is \'t die zaait en een ander die maait. 38 Ik heb u uitgezonden om te maaien hetgeen ïij niet bearbeid hebt; anderen hebben \'t bearbei 1, en gij zijt tot hunnen arbeid ingegaan. 39 En velen der Samaritanen uit die stad geloofden in hem , om het woord der vrouw die getuigde: Hij heeft mij gezegd alles wat ik gedaan heb. •Jü Als dan de Samaritanen tot hem gekomen waren, baden zij hem dat hij bij hen [NES 4. 133 |
bleve; en hij bleef aldaar twee dagen. 41 En daar geloofden er veel meer om zijns woords wille, 42 en zeiden tot de vrouw : Wij gelooven niet meer om uws zeggens wille, want wij-zelve hebben hem gehoord , en weten dat deze waarlijk is de Christus, de Zaligmaker der wereld. 43 En na twee dagen fring hij van daar, en ging henen naar Galiléa; 44 want Jezus heeft zelf getuigd , dat een Profeet in zijn eigen vaderland geen eere heeft. 45 Als hij dan in Galiléa kwam, ontvingen hem de Ga-lileërs, gezien hebbende alle de dingen die hij te Jeruzalem op het feest gedaan had ; want ook zij waren tot het feest gegaan. 4(5 Zoo kwam dan Jezus wederom te Kana in Galiléa, waar hij het water wijn gemaakt had. En daar was een zeker koninklijk hoveling, wiens zoon krank was, te Ka-pernaüm : 47 deze gehoord hebbende dat Jezus uit Judéa in Galiléa kwam, ging tot hem en bad hem dat hij afkwameen zijnen zoon gezond maakte; want hij lag op zijn sterven. 48 Jezus dan zeide tot hem: Tenzij dat gijlieden teekenen en wonderen ziet, zoo zult gij niet gelooven. 49 I)e koninklijke hoveling zeide tot hem: lïeere, kom af eer mijn kind sterft. 50 Jezus zeide tol: hem: Ga henen , uw zoon leeft. En de mensch geloofde het woord dat Jezus tot hem zeide, en ging henen. 51 En als hij nu afging, kwamen hem zijne dienstknechten tegemoet en boodschapten, zeggende: quot;Uw kind leeft. 52 Zoo vraagde hij dan van hen de ure in welke het beter |
|
134 JOHAj met hem geworden was, en zij zeiden tot liem: Gisteren te zeven uur verliet hem de koorts. 53 De vader bekende dan , dat liet op die ure was in dewelke Jezus tot hem gezegd had : Uw zoon leeft; en hij geloofde zelf, en zijn geheele huis. ó4 Dit tweede teeken heeft Jezus wederom gedaan als hij uit Judéa in Galil(5a gekomen was. HOOFDSTUK 5. Na dezen was er een feest der Joden, en Jezus ging op naar Jeruzalem. 2 En daar is te Jeruzalem aan de Schaaps^oori een badwater, hetwelk in het Hebreeuwsch toegenaamd wordt Bethesda, hebbende vijf zalen. 3 In dezelve lag eene groote menigte van kranken, blinden, kreupelen, verdorden, wachtende op de roering des waters; •1 want. een Engel daalde neder op zekeren tijd in het badwater , en beroerde het water: die dan het eerst daarin kwam na de beroering van het water, die werd gezond, van wat ziekte hij ook bevangen was. a En aldaar was een zeker mensch, die achtendertig jaren krank gelegen had. 0 Jezus ziende dezen liggen, en wetende dat hij nu langen tijd gelegen had, zeidetothem: quot;Wilt gij gezond worden ? 7 De kranke antwoordde hem: Heere , ik heb niet een mensch om mij te werpen in het badwater, wanneer het water beroerd wordt; en terwijl ik kom, zoo daalt een ander vóór mij neder. S Jezus zeide tot hem: Sta op, neem uw beddeken op en wandel. 9 En terstond werd de mensch gezond, en nam zijn beddeken op en wandelde. En het was sabbat op dien dag. |
NES 5. 10 De Joden zeiden dan tot dengenen die genezen was: Eet is sabbat, \'t is u niet geoorloofd het beddeken te dragen. 11 Hij antwoordde hun: Die mij gezond gemaakt heeft, die heeft mij gezegd; Neem uw beddeken op en wandel. 12 Zij vraagden hem dan: AVie is de mensch die u gezegd heeft: Neem uw beddeken op en wandel? 13 En die gezond gemaakt was wist niet wie hij was; want Jezus was ontweken, alzoo daar eene groote sch ire in die plaats was. 14 Daarna vond hen. Jezus in den Tempel en zeide tot hem; Zie, gij zijt gezond ge worden: zondig niet meer, opdat u niet wat ergers geschiede. 15 De mensch ging henen en boodschapte den Joden, dat het Jezus was die hem gezond gemaakt had. 1(5 En daarom vervolgden de Joden Jezus, en zochten hem te dooden, omdat hij deze dingen op den sabbat deed. 17 En Jezus antwoordde hun: oSlijn Vader werkt tot nu toe, en ik werk óók. IS Daarom zochten dan de Joden te meer hem te dooden, omdat hij niet alleen den sabbat brak, maar ook zeide dat God zijn eigen Vader was, zichzelven Gode evengelijk makende. l\'J Jezus dan antwoordde en zeide tot hen ; Voorwaar, voorwaar zegge ik u, de Zoon kan niets van zichzelven doen, tenzij hij den Vader dat ziet doen; want zoo wat die doet, hetzelve doet ook de Zoon desgelijks. \'J) Want de Vader lueft den Zoon lief, en toont hem alles wat hij doet, en hij sal hem grooter werken toon en dan deze, opdat gij u verwondert. 21 quot;Want gelijk de Vader de dooden opwekt en levend |
|
maakt, alzoo maakt ook de Zoon levend die hij wil. 22 quot;Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel den Zoon gegeven, 23 opdat zij allen den Zoon eeren gelijk zij den Vader eeren. Die den Zoon niet eert, eert den Vader niet die hem gezonden heeft. 24 Voorw aar, voorwaar zegge ik u, die mijn woord hoort, en gelooft hem die mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven. 25 Voorwaar, voorwaar zegge ik u, de ure komt en is nu, wanneer de dooden zullen hoo-ren de stem van den Zoon Gods, en die ze gehoord hebben zullen leven; 26 want gelijk de Vader het leven heeft in zichzelven, alzoo heeft hij ook den Zoon gegeven het leven te hebben in zichzelven , 27 en heeft hem macht gegeven ook gericht te houden omdat hij des menschen Zoon is. 2S Verwondert u daar niet over; want de ure komt, in welke allen die in de graven zijn zijne stemme zullen booten, 20 en zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben tot de opstanding des levens, en die, het kwade gedaan hebben tot de opstanding der verdoemenis. 30 Ik kan van mijzelven niets doen: gelijk ik hoor, oordeel ik, en mijn oordeel is rechtvaardig; want ik zoek niet mijnen wil, maar den wil des Vaders die mij gezonden heeft. 31 Indien ik van mijzelven getuig, mijne getuigenis is niet waarachtig: 32 er is een ander die van mij getuigt, en ik weet dat de getuigenis welke hij van mij getuigt waarachtig is. |
NES 5. 135 33 Gijlieden hebt tot Johannes gezonden, en hij heeft der waarheid getuigenis gegeven; 34 doch ik neem geene getuigenis van een mensch , maar uit zegge ik opdat gijlieden zoudt behouden worden. 35 Hij was eene brandende en lichtende kaars , en gij hebt u voor eenen korten tijd in zijn licht willen verheugen; 3(5 maar ik heb eene getuigenis meerder dan div van Johannes ; want de werken die mij de Vader gegeven heeft om die te volbrengen, die werken die ik doe, getuigen van mij dat mij de Vader gezonden heeft. 37 En de Vader die mij gezonden heeft, die heeft zelf van mij getuigd: gij hebt noch zijne stemme ooit gehoord, noch zijne gedaante gezien, 38 en zijn Woord hebt gij niet in u blijvende; want gij gelooft dien niet, dien hij gezonden heeft. 39 Onderzoekt de Schriften, want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben, en die zijn het die van my getuigen. 40 En gij wilt tot mij niet komen opdat gij het leven moogt hebben. 41 Ik neem geene eere van menschen; 42 maar ik ken ulieden , dat g!j de liefde Gods in uzelve niet hebt. 43 Ik ben gekomen in den naam mijns Vaders, en gij neemt mij niet aan ; zoo een ander koiut in zijnen eigenen naam , dien zult jfij aannemen. 44 Hoe kunt gij gelooven, gij die eere van elkander neemt, en de eere die van God alleen is niet zoekt? 45 Meent niet dat ik u verklagen zal bij den Vader: die u verklaagt is Clozes, op welken gij gehoopt hebt. 40 Want indien gij Mozea ge-loofdet, zoo zoudt gij mij ge- |
|
136 looven ; want Lij heeft van mij geschreven. 47 Maar zoo pij zijne schriften niet gelooft, hoe zult gij mijne woorden geloovcn? HOOFDSTUK 6. Na dezen vertrok Jezus over de zee van Galiléa, welke is de zee van Tiberias; 2 en hem volgde eene groote schare, omdat zij zijne teekenen zagen die hij deed aan de k ranken. 3 En Jezus ging op den berg, en zat aldaar neder met zijne discipelen. 4 Kn het Pascha, het feest der Joden, was nabij. 5 Jezus dan de oogen opheffende en ziende dat eenegroote schare tot hem kwam, zeide tot Filippus: Van waar zullen wij brooden koopen, opdat deze eten mogen ? (i (Doch dit zeide hij hem beproevende, want hij wist zelf wat hij doen zoude.) 7 Filippus antwoordde hem: Voor tweehonderd penningen brood is dezen niet genoeg, opdat een iegelijk van hen een weinig neme. 8 Een van zijne discipelen, namelijk Andreas de broeder van Simon l\'etrus, zeide tot hem: 9 Hier is een jongsken dat vijf gerstebrooden heeft, en twee vischkens; maar wat zijn deze onder zoo velen ? 10 En Jezus zeide: Doet de menschennederzitten. Endaar was veel gras in die plaats. Zoo zaten dan de mannen neder, omtrent vijfduizend in getal. 11 En Jezus nam de brooden , en gedankt hebbende deelde hij ze den discipelen, en de discipelen dengenen die neder-gezeten waren ; desgelijks ook van de vischkens zooveel zij wilden. 12 En als zij verzadigd waren. |
NES 6. zeide hij tot zyne discipelen: Vergadert de overgeschoten brokken, opdat er niets verloren ga. 13 Zij vergaderden ze dan, en vulden twaalf korven met brokken van de vijf gerstebrooden , welke overgeschoten waren dengenen die gegeten hadden. 14 De menschen dan gezien hebbende het teeken dat Jezus gedaan had, zeiden: Deze is waarlijk de Profeet die in de wereld komen zoude. 15 Jezus dan wetende dat zij zouden komen, en hem met geweld nemen opdat zij hem Koning maakten , ontweek wederom op den berg, hij zelf alleen. Ifi En als het avond geworden was, gingen zijne discipelen af naar de zee; 17 en in het schip gegaan zijnde kwamen zij óver de zee naar Kapernattm. En het was aireede duister geworden, en Jezus was tot hen niet gekomen ; 18 en de zee verhief zich, o-vermits daar een groote wind waaide. li) En als zij omtren; vijfentwintig of dertig stadiën gevaren waren , zagen zij Jezus wandelende op de zee en komende bij het schip, en zij werden bevreesd. 20 Maar hij zeide tot hen: Ik ben het, zijt niet bevreesd. 21 Zij hebben dan hem ge-williglijk in het schip genomen ; en terstond kwam het schip aan het land daar zij naar toe voeren. 22 Des anderen daags de schare die aan de andere zijde der zee stond, ziende dat aldaar geen ander seheepken was dan dat ééne waar zijne discipelen ingegaan waren, en dat Jezus met zijne discipelen in dat seheepken ni\'-t was gegaan, maar r/ai zijne discipelen alléén weggevaren waren; |
|
23 (doch daar kwamen andere scbeepkens van Tiberias nabij de plaats, waar zij bet brood gegeten hadden als de Heere gedankt bad;) 24 toen dan de scbare zag, dat Jezus aldaar niet was noch zijne discipelen, zoo gingen zij óók in de schepen, en kwamen te Kapernaüm, zoekende Jezus; 25 en als zij hem gevonden •hadden óver de zee, zeiden zij tot hem; quot;Rabbi, wanneer zijt gij hier gekomen ? 2(5 Jezus antwoordde hun en zeide: Voorwaar, voorwaar zegge ik u , gij zoekt mij niet omdat gij teekenen gezien hebt, maar omdat gij van de brooden gegeten hebt en verzadigd zijt. 27 Werkt niet om de spijze die vergaat, maar om de spijze die blijft tot in het eeuwige leven , welke de Zoon des menschen ulieden geven zal; want dezen heeft God de Vader verzegeld. 28 Zij zeiden dan tot hem: quot;Wat zullen wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken ? 2L) Jezus antwoordde en zeide tot hen : Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in hem dien by gezonden beeft. 30 Zij zeiden dan tot hem: quot;Wat teeken doet gij dan, opdat wij het mogen zien en u gelooven ? AVat werkt gij ? 31 Onze vaderen hebben bet manna gegeten in de woestijn, gelijk geschreven is: Hij gaf hun het brood uit den hemel te eten. 32 Jezus dan zeide tot hen; Voorwaar, voorwaar zegge ik u , Mozes heeft u niet gegeven het brood uit den hemel, maar mijn Vader geeft n het ware brood uit den hemel; 33 want het brood Gods is hij die uit den hemel nederdaalt, en die der wereld het leven geeft. 34 Zij zeiden dan tot hem; |
NES 6. 137 Heere, geef ons altijd dit brood. 35 En Jezus zeide tot hen: Ik ben het brood des levens: die tot mij komt zal geenszins hongeren , en die in mij gelooft zal nimmermeer dorsten. 36 Maar ik heb u gezegd, dat gij mij ook gezien bebt, en gij gelooft niet. 37 Al wat mij de Vader geeft zal tot mij komen, en die tot mij komt zal ik geenszins uitwerpen. 38 Want ik ben uit den hemel nedergedaald, niet opdat ik mijnen wil zoude doen, maar den wil desgenen die mij gezonden heeft. 39 En dit is de wil des Vaders die mij gezonden heeft, dat al wat hij mij gegeven heeft, ik daaruit niet verlieze, maar hetzelve opwekke ten uitersten dage. 40 En dit is de wil desgenen die mij gezonden heeft, dat een iegelijk die den Zoon aanschouwt en in hem gelooft, het eeuwige leven hebbe, en ik zal hem opwekken ten uitersten dage. 41 De Joden dan murmureerden over hem, omdat bij gezegd had; Ik ben bet brood dat uit den hemel nedergedaald is; 42 en zij zeiden ; Is deze niet Jezus de zoon Jozefs, wiens vader en moeder wij kennen ? Hoe zegt deze dan : Ik ben uit den hemel nedergedaald ? 43 Jezus antwoordde dan en zeide tot hen: Murmureert niet onder elkander. 44 Niemand kan tot mij komen, ten ij dat de Vader die mij gezonden heeft hem trekke; en ik zal hem opwekken ten uitersten dage. 45 Daar is geschreven in de Profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Een iegelijk dan die het van den Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot mij; |
|
138 JOHAI» 4G niet dat iemand den Vader gezien heeft dan die van God is: deze heeft den Vader gezien. 47 Voorwaar,voorwaarzegge ik u, die in mij gelooft heeft het eeuwige leven. 4S Ik hen het brood des levens. 49 Uwe vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn en zij zijn gestorven: óO dit is liet brood dat uit den hemel nederdaalt, opdat de mensch daarvan ete en niet sterve. •il Ik ben het levende brood dat uit den hemel nedergedaald is: zoo iemand van dit brood eet, die zal in eeuwigheid leven; en het brood dat ik geven zal is mijn vleesch, hetwelk ik geven zal voor het leven der wereld. 52 De Joden dan streden onder elkander, zeggende; Hoe kan ons deze zijn vleesch te eten geven? 53 Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zegge ik ulieden, tenzij dat Rij het vleesch van den Zoon des men-schen eet en zijn bloed drinkt, zoo hebt gij geen leven in u-zelve. 54 Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven, en ik zal hem opwekken ten uitersten da^e; 55 want mijn vleesch is waarlijk spijs, en mijn bloed is waarlijk drank. 56 Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, die blijft in mij en ik in hem. 57 Gelijkerwijs mij de levende Vader gezonden heeft en ik leef door den Vader, ahoo die mij eet, dezelve zal leven door mij. 5S Dit is het brood dat uit den hemel nedergedaald is; niet gelijk uwe vaderen het manna gegeten hebben en zijn gestorven: die dit brood eet ral in eeuwigheid leven. |
NES 6. 59 Deze dingen zeide hij in de Synagoge, leerende te Kaper-nattm. 60 Velen dan van zijne discipelen dit hoorende, zeiden: Deze rede is hard, wie kan dezelve hoeren! (51 Jezus nu wetende bij zich-zelven dat zijne discipelen daarover murmureerden, zeide tot hen: Ergert ulieden dit? 62 Wat znude het dan zijn zoo gij den Zoon des menscheu zaagt opvaren waar hij te voren was? 6\',i De geest is het die levend maakt, het vleesch is niets nut; de woorden die ik tot u spreke zijn geest en v.ijn leven. 64 Maar daar zijn sommigen van ulieden die niet gelooven. quot;Want Jezus wist van den beginne wie zij waren die niet geloofden, en wie hij was die hem verraden zoude. 65 En hij zeide; Dar.rom heb ik u gezegd, dat niemand tot mij komen kan tenzij dat het hem gegeven zij van mijnen Vader. 66 Van toen af gingen velen zijner discipelen terug, en wandelden niet meer met ham. 67 Jezus dan zeide tot de twaalve: Wilt gijlieden óók niet wegaraan? 6S Simon Petrus dan antwoordde hem ; Heere, tot wien zullen wij henengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens ; 69 en wij hebben geloofd en bekend, dat gij zijt de Christus , de Zoon des levenden Gods. 70 Jezus antwoordde hun: Heb ik niet u twaalf uitverkoren ? en é(?n uit u is een duivel. 71 En hij zeide dit van Judas Simons zoon Iskariot; want deze zoude hem verralen, zijnde een van de twaalve. |
|
HOOFDSTUK 7. En na dezen wandelde Jezus in Galiléa, want hij wilde in Judéa niet wandelen, omdat de Joden hem zochten te doo-den. 2 En het feest der Joden , na-nielijk de ioo/huttenzetting, was nabij. 3 Zoo zeiden dan zijne hroe-ders» tot hem: Vertrek van hier en jja lienen in Judéa, opdat ook uwe discipelen uwe werken mogen aanschouwen die gij doet; 4 want niemand doet iets in \'t verborgen, en zoekt zelf dat men openlijk van hem spreke. Indien gij deze dingen doet, zoo onenbaar uzelven aan de wereld. ó Want ook zijne broeders geloofden niet in hem. 6 Jezus dan zeide tot hen: Wijn tijd is nog niet hier, maar uw tijd is altijd bereid. 7 De wereld kan ulieden niet haten, maar mij haat zij, omdat ik van dezelve getuige dat hare werken boos zijn. 8 Gaat gijlieden op tot dit feest; ik ga nog niet op tot dit feest, want mijn tijd is nog niet vervuld. y En als hij deze dingen tot hen gezegd bod, bleef hij in Galiléa. 10 Maar als zijne broeders opgegaan waren, toen ging hij ook zelf op tot het feest, niet openlijk maar als in het verborgen. 11 De Joden dan zochten hem op het feest, en zeiden: Waar is hij ? 12 En daar was veel gemurmel van hem onder de scharen; sommigen zeiden: Hij is goed ; en anderen zeiden: Neen, maar hij verleidt de schare. 13 Nochtans sprak niemand vrijmoediglijk van hem, om de vreeze der Joden. 14 Doch als het nu in bet fNES 7. 139 |
midden van het feest was, zoo ging Jezus op in den Tempel en leerde. li En de Joden verwonderden zich, zeggende: Hoe weet deze de Schriften, daar hij ze niet geleerd heeft? lfgt; Jezus antwoordde hun en zeide: Mijne leer is de mijne niet, maar desgenen die iuij gezonden heeft: 17 zoo iemand wil deszelfs wil doen, die zal van deze leer bekennen of zij uit God is, dan of ik van mijzelven spreek. 18 Die van zichzelven spreekt, zoekt zijne eigene eere; maar die de eere zoekt desgenen die hem gezonden heeft, die is waarachtig en geen ongerechtigheid is in hem. 1\'J Heeft Mozes u niet de wet gegeven ? en niemand van u doet de wet. Wat zoekt gij mij te dooden ? 20 De schare antwoordde en zeide : Gij hebt den duivel: wie zoekt u te dooden ? 21 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Eén werk heb ik gedaan , en gij verwondert u allen. 22 Daarom Mozes heeft ulie-óen de besnijdenis gegeven, (niet dat ze uit Mozes is , maar uit de vaderen), en gij besnijdt een menseh op den sabbat. 23 Indien een mensch de besnijdenis ontvangt op den sabbat, opdat de wet van Mozes niet verbroken worde, zijt gij toornig op mij , dat ik een ge-heelen mensch gezond gemaakt heb op den sabbat ? 24 Oordeelt niet naar het aanzien , maar oordeelt een rechtvaardig oordeel. 25 Sommigen dan uit die van Jeruzalem zeiden: Is deze niet dien zij zoeken te dooden ? 2(» En zie, hij spreekt vrijmoediglijk en zij zeggen hem niets. Zouden nu wel de oversten waarlijk weten, dat deze waarlijk is de Christus 27 Doch van dezen weten wij |
|
140 JOHAPi van waar hij is; manr de Christus wanneer hij komen zal, zoo zal niemand weten van waar hij is. 23 Jezus dan riep, in den Tempel leerende en zeirprende: En g:ij kent mij, en gij weet van waar ik hen; en ik hen van mijzelven niet pekomen , maar hij is waarachtig die mij gezonden heeft, welken gijlieden niet kent; 29 maar ik kenne hem, want ik hen van hem, en hij heeft mij gezonden. .\'{(i Zij zochten hem dan te grijpen ; maar niemand sloeg de hand aan hem, want zijne ure was nog niet gekomen. 31 En velen uit de schare geloofden in hem, en zeiden: Wanneer de Christus zal gekomen zijn, zal hij ook meer teekenen doen dan die welke deze gedaan heeft? 32 De Farizeers hoorden dat de schare dit van hem murmelde ; en de Farizeers en de Overpriesters zonden dienaren, opdat zij hem grijpen zouden. 33 Jezus dan zeide tot hen: Ts\'og eenen kleinen tijd hen ik hij u, en ik ga henen tot den-gene die mij gezonden heeft. 34 Gij zult mij zoeken en gij zult tnij niet vinden, cn waar ik hen kunt «ij niet komen. 35 De Joden dan zeiden tot elkander: Waar zal deze henengaan , dat wij hein niet zullen vinden ? Zal hij tot de verstrooide Grieken gaan, en de Grieken leeren ? 3tgt; Wat is dit voor een rede die hij sezepd heeft: Gij zult mij zoeken en zult mij niet vinden , en waar ik ben kunt gij niet komen? 37 En op den laatsten dag, zijnde de groote day van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Zoo iemand dorst,die kome tot mij en drinke. 38 Die in mij selooft, gehj-kerwijs de Schrift zegt, stroomen des levenden waters zul- |
NES 7. len uit zijn binnenste vloeien. 39 (En dit zeide hij van den Geest, denwelken ontvangen zouden die in hem gelooveii; want de Heilige Geest was nog niet, overmits Jezus nog niet verheerlijkt was.) 40 Velen dan uit de schare deze rede hoorende, zeiden: Deze is waarlijk de Profeet; 41 anderen zeiden: Deze is de Christus; en andereh zeiden: Zal dan de Christus uit Galiléa komen ? 42 Zegt de Schrift niet, dat de Christus komen zal uit den zade Davids, en van het vlek Bethlehem , waar David was ? 43 Daar werd dan .weedracht onder de schare om aynent-wille; 44 en sommigen van hen wilden hem grijpen, maar niemand sloeg de hr.nden aan hem. 45 De dienaars dan kwamen tot de Overpriesters en Farizeers ; en die zeiden tot hen: Waarom hebt gij beta niet gebracht? 4(gt; De dienaars antwoordden: Nooit heeft een mens-ch alzóó gesproken gelijk deze meusch. 47 De Farizeers dan antwoordden hun: Zijt ook gijlieden verleid ? 48 Heeft iemand uit de oversten in hem geloofd, of uit de Farizeers ? 49 Maar deze schare, die de wet niet weet, is vervloekt. 50 Nicodemus zeide tot hen, welke des nachts tot hem gekomen was, zijnde een uit hen: 51 Oordeelt ook onze wet den mensch, tenzij dat ze eerst van hem gehoord heeft en verstaat wat hij doet? 52 Zij ant woordden en zeiden lot hem; Zijt gij óik uit Galiléa? Onderzoek en zie, dat uit Galiléa geen Profeet opgestaan is. 53 En een iegelijk ging henen naar zijn huis. |
|
HOOFDSTUK 8. Maar Jezus ginfr naar den Olijfberg. 2 En des morgens vroes kwam hij wederom in den Tempel, en al het volk kwam tot hem ; en ncdergezetcn zijnde leerde hij hen. I! En de Schriftgeleerden en de Farizeürs brachten tot hem eene vrouw in overspel gegrepen ; 4 en haar gesteld hebbende in het midden, zeiden zij tot hem; Meester, deze vrouw is op dc daad zelve gegrepen, overspel begaande; 5 en Mozes heeft ons in de wet geboden, dat dezulken ge-ateenigd zullen worden; gij dan , wat zegt gij ? (gt; En dit zeiden zij hem verzoekende, opdat zij jefs hadden om hem te beschuldigen, Maar Jezus nederbukkende schreef met den vinger in de aarde. 7 En als zij hem bleven vragen, richtte hij zich op en zeide tot hen; Die van ulieden zonder zonde is, werpe het eerst den steen op haar. 8 En wederom nederbukkende schreef hij in de aarde. 9 Maar zij dit hoorende,en van hunne conscientie overtuigd zijnde, gingen uit, de dén na den ander, beginnende van de oudsten tot de laatsten; en Jezus werd alléén gelaten, en de vrouw in het midden staande. 10 En Jezus zich oprichtende, en niemand ziende dan de vrouw, zeide tot haar: Vrouw, waar zijn deze uwe beschuldigers ? Heeft u niemand veroordeeld? 11 En zij zeide: rHemand, Heere. En Jezus zeide tot haar: Zoo veroordeel ik u óók niet: ga henen en zondig niet meer. 12 Jezus dan sprak wederom tof hen, zeggende : Ik ben het licht der wereld; die my volgt |
NES 8. 141 zal in de duisternis niet wandelen , maar zal het licht des levens hebben. 13 Dc Farizeërs dan zeiden tot hem: Gij getuigt van uzelven, uwe getuigenis is niet waarachtig. 14 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Hoewel ik van mij-zelven getuig, zoo is nochtans myne getuigenis waarachtig, want ik weet van waar ik gekomen ben en waar ik henen-ga ; maar gijlieden weet niet van waar ik kom en waar ik henenga. 15 (jij oordeelt naar het vleesch, ik oordeel niemand. l(i En indien ik ook oordeel, mijn oordeel is waarachtig; want ik ben niet .alléén, maar ik en de Vader die m j gezonden heeft. 17 En daar is ook in nwe wet geschreven, dat de getuigenis van twee menschen waarachtig is: 18 ik ben het die van mijzelven getuige, en de Vader die mij gezonden heeft getuigt van mij. 19 Zij dan zeiden tot hem: quot;Waar is uw Vader ? Jezus antwoordde: Gij kent noch mij noch mijnen Vader; indien gij mij kendet, zoo zoudt gij ook mijnen Vader kennen. 20 Deze woorden sprak Jezus bij de schatkist, leerende in den Tempel; en niemand greep hem, want zijne ure was nog niet gekomen. 21 Jezus dan zeide wederom tot hen: Ik ga henen, en gij zult mij zoeken, en in uwe zonde zult gij sterven; waar ik henenga kimt gijlieden niet komen. 22 De Joden dan zeiden: Zal hij ook zichzelven dooden, omdat hij zegt: Waar ik henenga kunt gijlieden niet komen? 2:f En hy zeide tot hen: Gijlieden zijt van beneden, ik ben van boven; gij zijt uit deze wereld, ik ben niet uit deze wereld. |
|
143 JOHAN 24 Ik heb u tlan gezegd dat frij in uwe zonden zult sterven; want indien gij niet gelooft dat ik die ben, ^ij zult in uwe zonden sterven. 25 Zi.j zeiden dan tot hem: quot;Wie zijt sü ? l\'-n Jezus zeide tot hen; Wat ik van den beginne lilieden ook zegge. 2(5 Ik heb vele\' dingen van u te zeggen en teoordeelen; maar die mij gezonden heeft is waarachtig, en de dingen die ik van hem gehoord heb, dezelve spreek ik tot de wereld. 27 Zij verstonden niet dat hij hun van den Vader sprak. 28 Jezus dan zeide tot hen; Wanneer gij den Zoon des men-schen zult verhoogd hebben, dan zult gij verstaan dat ik die ben, en dat ik van mij-zelven niets doe, maar deze dingen spreek ik gelijk mijn Vader mij geleerd heeft. 29 En die mij gezonden heeft is met mij : de Vader heeft mij niet alléén gelaten, want ik doe altijd wat hem behaaglijk is. :lt;0 Als hij deze dingen sprak geloofden velen in hem. 31 Jezus dan zeide tot de Joden die hem geloofden: Indien gijlieden in mijn woord blijft, zoo zijt gij waarlijk mijne discipelen, 32 en zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrij maken. 33 Zij antwoordden hem: Wij zijn Abrahams zaad, en hebben nooit iemand gediend; hoe zegt gij dan: Gij zult vrij worden ? 34 Jezus antwoordde hun: Voorwaar, voorwaar zegge ik u, een iegelijk die de zonde doet is een dienstknecht der zonde; 35 en dc dienstknecht blijft niet eeuwiglijk in het huis, de zoon blijft er eeuwiglijk. 3f» Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zoo zult gij waarlijk vrij zijn. |
XES 8. 37 Ik weet dat gij Abrahams zaad zijt; maar ïij zoekt mij te doodeii, want mijn woord heeft in u geene plaats. 38 Ik spreek wat ik bij mijnen Vader gezien heb: gij doet dan ook wat gij bij uwen vader arezien hebt. 39 Zij antwoordden en zeiden tot hem; Abraham is onze vader. Jezus zeide tot hen: Indien gij Abrahams kinderen waart, zoo zoudt gij le werken Abrahams doen; 40 maar nu zoekt gij mij te dooden, een menscl: die u de waarheid gesproken heb, welke ik van God gehoord heb: dat deed Abraham niet. 41 Gij doet dc we-ken uws vaders. Zij zeiden dar tot hem: Wij zijn niet geboren uit hoererij, wij hebben één en vader, namelijk God. 42 Jezus dan zeide :ot hen: Indien God uw vader ware, zoo zoudt gij mij liefhebben; want ik ben van God uitgegaan en kom van hem ; want ik ben ook van mijzelven niet gekomen, maar hij heeft mij gezonden. 43 Waarom kent gij mijne sprake niet? Het is omdat gij mijn woord niet kunt hoo-ren. 44 Gij zijt uit den vader den duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen. Die was een menschenmoorder van den beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zoo spreekt hij uit zijn eigen, want hij is een leugenaar en de vader der leugen. 45 Maar mij, omdat ik u de waarheid zegge, gelooft gij niet. 40 Wie van u overtuigt mij van zoude? En indiei. ik u de waarheid zegge, waarom gelooft gij mij niet? 47 Die uit God is joort de woorden Gods; daarem hoort |
|
gijlieden niet, omdat gij uit God niet zijt. •18 De Joden dan antwoordden en zeiden tot hem: Zeggen wij niet wèl, dat gij een Samaritaan zijt en den duivel hebt ? 49 Jezus antwoordde: Ik heb den duivel niet, maar ik eer mijnen Vader, en gij onteert mij. .\'gt;0 Doch ik zoek mijne eere niet: daar ia een die ze zoekt en oordeelt. 51 Voorwaar, voorwaar zegge ik u, zoo iemand mijn woord zal bewaard hebben, die zal den dood niet zien in der eeuwigheid. 52 De Joden dan zeiden tot hem: Nu bekennen wij dat gij den duivel hebt. Abraham is gestorven, en de Profeten , en zegt gij: Zoo iemand mijn -woord bewaard zal hebben, die zal den dood niet smaken in der eeuwigheid ? 53 Zijt gij meerder dan onze vader Abraham , welke gestorven is? En de Profeten zijn gestorven: wien maakt gij u-zelven ? 54 Jezus antwoordde: Indien ik mijzelven eer, zoo is mijne cere niets: mijn Vader is het die mij eert, welke gij zegt dat uw God is, 55 en gij kent hem niet; maar ik kenne hem , en indien ik zeg dat ik hem niet ken, zoo zal ik ulieden gelijk zijn, dat is een leugenaar; maar ik kenne hem en bewaar zijn woord. 50 Abraham uw vader heeft met verheuging verlangd, opdat hij mijnen dag zien zoude, en hij heeft hem gezien en is verblijd geweest. 57 De Joden dan zeiden tot hem : Gij hebt nog geen vijftig jaren, en hebt gij Abraham gezien ? 58 Jezus zeide tot hen : Voorwaar, voorwaar zegge ik u, eer Abiviham was ben ik. 59 Zij namen dan steenen op. |
fNES 9. M3 dat zij ze op hem wierpen; maar Jezus verborg zich en ging uit den Tempel, gaande door het midden van hen, en ging alzóó voorbij. HOOFDSTUK 9. En voorbijgaande zag hij eenen mensch blind van de geboorte af. 2 En zijne discipelen vraagden hem, zeggende: Ilabbi, wie heeft er gezondigd, deze of zijne ouders, dat hij blind zoude geboren worden ? 3 Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd noch zijne ouders, maar dit is i/e-schird opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden. 4 Ik moet werken de werken desgenen die mij gezonden heeft , zoo lang het dag is : de nacht komt, wanneer niemand werken kan. 5 Zoo lang ik in de wereld ben , ben ik het licht der wereld. 0 Dit gezegd hebbende, spuwde hij op de aarde , en maakte slijk uit dat speeksel, en streek dat slijk op de oogen des blinden , 7 en zeide tot hem : Ga henen, wasch u in het badwater Silo-am (hetwelk overgezet wordt Uitgezonden). Hij dan ging henen en wieschzich, en kwam ziende. 8 De geburen dan, en die hem te voren gezien hadden dat hij blind was, zeiden: Is deze niet die zat en bedelde ? ü Anderen zeiden: Hij is het; en anderen: Hij is hem gelijk. Hij zeide : Ik ben het. 10 Zij dan zeiden tot hem : Hoe zijn u de oogen geopend ? 11 Hij antwoordde en zeide: De mensch genaamd Jezus maakte slijk, en bestreek mijne oogen , en zeide tot mij : Ga henen naar het badwater Si-loam cn wasch u. En ik ging |
|
144 JOHAI henen en wiescli mij, en ik ■werd ziende. 12 Zij dan zeiden tot hem: quot;Waar is die? Hij zeide: Ik weet het niet. 13 Zij brachten hem tot de Farizeërs, hem namelijk die te voren blind geweest was. 14 En het was sabbat als Jezus het slijk maakte en zijne oo^en opende. 15 l)e Farizeërs dan vraagden hem ook wederom, hoe hij ziende jreworden was; en hij zeide tot hen: Hij leide slijk op mijne oogen, en ik wiesch mij , en ik zie. lli Sommigen dan uit de Farizeërs zeiden: Deze mensch is van God niet, want hij houdt den sabbat niet. Anderen zeiden : Hoe kan een mensch die een zondaar is zulke teekenen doen ? En daar was tweedracht onder hen. 17 Zij zeiden wederom tot den blinde: Gij , wat zegt Rij van hem, dewijl hij uwe oogen geopend heeft? En hij zeide: Hij is een Profeet. 18 De Joden dan geloofden van hem niet dat hij blind geweest was en ziende was geworden, totdat zij geroepen hadden de ouders desg»nen die ziende geworden was; 19 en zij vraagden hen, zeggende : Is deze uw zoon welke gij zegt dat blind geboren is ? Hoe ziet hij dan nu ? 20 Zijne ouders antwoordden hun en zeiden : quot;Wij weten dat deze onze zoon is, en dat hij blind geboren is; 21 maar hoe hij nu ziet weten wij niet, of wie zijne oogen geopend heeft weten wij niet; hij heeft zijnen ouderdom, vraagt hem zelven: hij zal van zichzelven spreken. 22 Dit zeiden zijne ouders omdat zij de Joden vreesden ; want de Joden hadden aireede te zamen een besluit gemaakt, zoo iemand hem beleed Christus te zijn, dat die uit de Syna- |
INES 9. goge zoude geworpen worden; 23 daarom zeiden zijne ouders; Hij heeft zijurn ouderdom, vraagt hem zelven. 24 Zij dan riepen voor de tweede maal den mensch die blind geweest was, en zeiden tot hem: Geef God de eere: wij weten dat deze mensch een zondaar is. 2quot;» Hij dan antwoordde en zeide: Of hij een zondaar is weet ik niet; één ding weet ik, dat ik blind was, en r.u zie. 215 En zij zeiden wederom tot hem : Wat heeft hij u gedaan? hoe heeft hij uwe cogen geopend ? 27 Hij antwoordde hun: Ik heb het u alrecde gezegd en gij hebt het niet gehoerd; wat wilt gij het wederom hooren ? Wilt gijlieden óók zijne discipelen worden? 25 Zij gaven hem da n scheldwoorden en zeiden: Gij zyt zijn discipel, maar wij zijn Mozes\' discipelen; 29 wij weten dat God tot Mozes gesproken heeft, maar van dezen weten wij niet van waar hij is. 30 l)e mensch antwoordde en zeide tot hen: Hierin is immers wat wonders, dat gij niet weet van waar hij is, en nochtans heeft hij mijne oogen geopend. 31 En wij weten dat God de zondaars niet hoort; maar zoo iemand godvruchtig is en zijnen wil doet, dien hoort hjj. 32 Van alle eeuwe is het niet gehoord dat iemand eens blindgeborenen oogen geopend heeft. 33 Indien deze van God niet ware, hij zoude niets kunnen doen. 34 Zij antwoordden cn zeiden tot hem: Gij zijt geheel in zonden geboren, er. leert gij ons? Eri zij wierpen hem uit. 35 Jezus hoorde (.at zij hem uitgeworpen hadden, en hem vindende zeide hiquot; tot hem: Gelooft gij in den Zone Gods? |
|
36 Hij antwoordde en zeide: quot;Wie is hij, Heere, opdat ik in hem maj; gelooven ? 37 En Jezus zeide tot hem : En gij hebt hem gezien, en die met u spreekt, dezelve is het. 38 En hij zeide: Ik geloof, Heere; en hy aanbad hem. 39 En Jezus zeide: Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen, opdat degenen die niet zien. zien mogen, en die zien, blind worden. 40 En dit hoorden eenigen uit de Farizeërs die bij hem quot;waren, en zeiden tot hem: Zijn wij dan óók blind ? 41 Jezus zeide tot hen; Indien gij blind waart, zoo zoudt gij geen zonde hebben; maar nu zegt gij : Wij zien; zoo blyft dan uwe zonde. HOOFDSTUK 10. Voorwaar, voorwaar zegge ik ulieden, die niet ingaat door de deur in den stal der schapen, maar van elders inklimt , die is een dief en moordenaar ; _ 2 maar die door de deur ingaat is een herder der schapen. 3 Dezen doet de deurwachter open, en de schapen hooren zijne stem , en hij roept zijne seiiapen by name, en leidt ze uit% 4 En wanneer hij zijne schapen uitgedreven heeft, zoo gaat hij voor hen henen ; en de schapen volgen hem, overmits zij zijne stem kennen ; 5 maar eenen vreemde zullen zij geenszins volgen, maar zullen van hem vlieden; overmits zij de stem der vreemden niet ki-nnen. (i Deze gelijkenis zeide Jezus tot hen, maar zy verstonden niet wat het waa dat hij tot hen sprak. 7 Jezus dan zeide wederom tot hen: Voorwaar, voorwaar zegge ik u, ik ben de deur der schapen. |
N\'ES 10. 145 8 Allen , zoovelen als er vóór mij zijn gekomen, zijn dieven en moordenaars; maar de schapen hebben hen niet gehoord. 9 Ik ben de deur : indien ie-mand door mij ingaat, die zal behouden worden, en hij zal ingaan en uitgaan, en weide vinden. 10 De dief komt niet dan opdat hij stele en slachte en ver-derve: ik ben gekomen opdat zij het leven hebben en overvloed hebben. 11 Ik ben de goede Herder. De goede Herder stelt zyn leven voor de schapen; 12 maar de huurling en die geen herder is, wien ie schapen niet eigen zijn, ziet den wolf komen en verlaat de schapen , en vliedt, en de wolf grijpt ze en verstrooit de schapen ; 13 en de huurling vliedt, overmits hij een huurling is, en heeft geene zorg voor de schapen. 14 Ik ben de goede Herderen ik ken de mijnen en word van de mijnen gekend. 15 Gelijkerwijs de Vader mij kent; alzoo ken ik ook den Vader ; en ik stel mijn leven voor de schapen. 16 Ik heb nog andere schapen , die van dezen stal niet zijn ; deze moet ik óók toebrengen ; en zij zullen mijne stem nooren en het zal worden ééne kudde en «^n herder. 17 Daarom heeft mij de Vader lief, overmits ik mijn leven aflegge, opdat ik hetzelve wederom neme. 18 Niemand neemt hetzelve v£m mij, maar ik leg het van mijzei ven af: ik heb macht hetzelve af te leggen en heb macht hetzelve wederom te nemen; dit gebod heb ik van mijnen Vader ontvangen. 19 Daar Averd dan wederom tweedracht onder de Joden om dezer woorden wille; 20 on velen van hen reiden: |
10
|
146 JOHAI Hij heeft den duivel en is uitzinnig ; -wat boort kÜ hem ? 21 Anderen zeiden; I)it zijn Reen woorden eens bezetenen; kan ook de duivel der blinden oogen openen? 22 En het was bet feest der vernieuwing des Tempels te Jeruzalem, en bet was winter; 23 en Jezus wandelde in den Tempel, in het voorhof Salo-mo\'a. 24 De Joden dan omringden hem, en zeiden tot hem: Hoe lang houdt gij onze ziele op? Indien gij de Christus zijt, zeg het ons vrijuit. -ï Jezus antwoordde hun: Ik heb bet u gezegd en gij gelooft het niet. De werken die ik doe in den naam mijns Vaders, die getuigen van mij; 2tgt; maar gijlieden gelooft niet, want gij zijt niet van myne schapen, gelijk ik u gezegd heb. 27 Mijne schapen booren mijne stem, en ik ken dezelve, en zij volgen mij, 25 en ik geef hun het eeuwige leven, en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit mijne hand rukken. 29 Mijn Vader, die ze mij gegeven beeft, is meerder dan allen, en niemand kan ze rukken uit de hand mijns Vaders. 30 Ik en de Vader zijn éfi.n. 31 De Joden dan namen wederom steenen op om hem te steenigen. 32 Jezus antwoordde hun: Ik heb u vele treffelijke werken getoond van mijnen Vader: om welk werk van die steenigt gij mij? 33 De Joden antwoordden hem , zeggende:\'Wü steenigen u niet over eenig goed werk, maar over £rorf«lastering, en omdat gij een mensch zijnde uzelven God maakt. 34 Jezus antwoordde bun: Is er niet geschreven in uwe wet: Ik heb gezogd: Gij zijt goden ? |
NES 11. 35 Indien de wet die goden genaamd heeft tot welke het Woord Gods geschied is, en de Schrift niet kan gebroken worden, 36 zegt gijlieden tot mij , dien de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: Gij lastert God, omdat ik gezegd heb: Ik ben Gods Zoon ? S7 Indien ik niet doe de werken myns Vaders, zoo gelooft mij niet; 38 maar indien ik \'5e doe, en zoo gij mij niet gelooft, zoo gelooft de werken; opdat gij moogt bekennen en gelooven dat de Vader in mri is, en ik in hem. 39 Zij zochten dan wederom hem te grijpen , en hy ontging uit hunne hand. 40 En hij ging wederom over den Jordaan, tot de plaats waar Johannes eers: doopte, en bij bleef aldaar. 41 En velen kwamet. tot hem en zeiden: Johannes deed wel geen teeken, maar alles wat Johannes van dezen zeide was waar. 42 En velen geloofdea aldaar in hem. HOOFDSTUK 11. En daar was een zeker man krank, (jenaamd Lazarus, van Bethaniê, uit het vlek van Maria en hare zuster Martha. 2 (Maria nu was degene die den lleere gezalfd heeft met zalve, en zijne voeten afgedroogd beeft met baar baren ; welker broeder Lazarus krank was.) 3 Zijne zusters dan zonden tot hem, zeggende: Keere, zie, dien gij liefhebt is krank. 4 En Jezus dat hoorende zei-de : Deze krankheid is niet tot den dood, maar tequot; heerlijkheid Gods, opdat de Zoon Gods door dezelve verheerlijkt worde. 5 Jezus nu had Martha eu |
|
hare zuster en Lazarus lief. 6 Als hij dan gehoord had dat hij krank was, toen bleef hij nog twee dasjen in de plaats waar hij was. 7 Daarna zeide hij verder tot de discipelen: Laat ons wederom naar Judt\'ra gaan. 8 De discipelen zeiden tot hem: Babhi. de Joden hebben u nu onlangs gezocht te steenigen, en gaat gij wederom derwaarts? 9 Jezus antwoordde: Zijn er niet twaalf uren in den dag? Indien iemand in den dag wandelt, zoo stoot hij zich niet, overmits hij het licht dezer wereld ziet; 10 maar indien iemand in den nacht wandelt, zoo ptoot hij zich, overmits het licht in hem niet is. 11 Dit sprak hij, en daarna zeide hij tot hen: Lazarus onze vriend slaapt, maar ik ga henen om hem uit den slaap op te wekken. 12 Zijne discipelen dan zeiden: Heere, indien hij slaapt zoo zal hij gezond worden. 13 Doch Jezus had gesproken van zijnen dood; maar zij meenden dat hij sprak van de ruste des slaapn. 14 Toen zeide dan Jezus tot hen vrijuit; Lazarus is gestorven , 15 en ik ben blijde om uwent-wille dat ik daar niet geweest ben, opdat gij gelooven moogt; doch laat ons tot hem gaan. 16 Thomas dan, genaamd Didymus, zeide tot zijne, medediscipelen : Laat ons óók gaan, opdat, wij mpt hem sterven. 17 Jezus dan gekomen zijnde vond dat hij nu vier dagen in het graf gewccHt was. 18 (Betbaniü nu was nabij Jeruzalem, omtrent vijftien stadiën vanrfaar.) 19 En velen uit de Joden waren gekomen tot Martha en Maria, opdat zij haar vertroosten zouden over haren broeder. |
NES 11. 147 20 Martha dan, als zij hoorde dat Jlt;gt;zus kwam, eing hem tegemoet; doch Maria bleef ia huis zitten. 21 Zoo zeide Martha dan tot Jezus: Heere, waart gij hier geweest , zoo ware mijn broeder niet Kesftorven; 22 maar ook nu weet ik, dat alles wat cij van God begeeren zult. God het u geven zail. 23 Jezus zeide tot haar: Uw broeder zal weder opstaan. 24 Martha zeide tot hem: Ik weet dat hij opstaan zal in de opstanding ten Jaatsten dage. 25 Jezus zeide tot baar : Ik b\'-n de opstanding en het leven: die in mij gelooft zal leven al ware hij ook gestorven ; 2(5 en een ieselijk die leeft, en in mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid : gelooft gij dat? quot;7 Zij zeide tot hem: Ja, Heere, ik heb geloofd dat gij ziit de Christus , de Zoon Gods die in de wereld komen zoude. 23 En dit gezegd hebbende ging zij henen, en riep Maria hare zuster heimelijk , zecgv-n-de: De Meester is daar en hij roept u. 29 Deze als zij dat hoorde, stond haastelijk op en ging tot hem. 30 (Jezus nu was nog in het vlek niet gekomen, maar was in de plaats waar hem Martha tegeinoet gekomen was.) 31 De Joden dan die met haar in het huis waren en haar vertroostten , ziende Maria dat zij haastelijk opstond en uitginur, volgden haar, zeggende: Zij gaat naar het graf, opdat zij aldaar weene. 32 Maria dan als zij kwam daar Jezus was, en hem zag, viel aan zijne voeten, zeggende tot hem: Heere, indien jiij hier geweest waart, zoo ware mijn broeder niet gestorven. 33 Jezus dan ah hij haar zag weenen, en de Joden die met haar kwamen óók weenen |
|
14S JOHA* werd zeer Ijewofren in den geest en ontroerde zichzelven, :M en zeide: Waar hebt gij hem gelegd? Zij zeiden tot hem: Heere, kom en zie het. 35 Jezus weende. 3(5 De Joden dan zeiden: Zie, hoe lief hij hem had. 37 En sommigen uit hen zeiden: Kou hij, die de oogen des blinden geopend heeft, niet maken dat ook deze niet gestorven ware? 38 Jezus dan wederom in zichzelven zeer bewoireu zijnde , kwam tot het graf; en het was eene spelonk , en een steen was daarop gelegd. 3igt; Jezus zeide: Neemt den steen weg. Martha de zuster des gestorvenen zeide tot hem: Heere, hij riekt nu al, want hij heeft vier dagen aldaar gelegen. •10 Jezus zeide tot haar: Heb ik u niet gezegd, dat zoo gij gelooft, gij de heerlijkheid Gods zien zult? 41 Zij namen dan den steen weg, waar de gestorvene lag ; en Jezus hief de oogen opwaarts en zeide: Vader, ik dauk u dat gij mij gehoord hebt. 42 Docb ik wist dat gij mij altijd hoort; maar om der schare wille die roudom staat heb ik dit gezegd, opdat zij zouden gelooven dat gij mij gezonden hebt. 43 En als hij dit gezegd had , riep hij met xroote stem: Lazarus kom uit. 44 En de gestorvene kwam uit, gebonden aan handen en voeten met grafdoeken, en zijn aangezicht was omwonden met eencn zweetdoek. Jezus zeide tot hen: Ontbindt hem en laat hem henengaan. 45 Velen dan uit de Joden die tot Maria gekomen waren , en aanschouwd hadden hetgeen Jezus gedaan had, geloofden in hem; 4G maar sommigen van hen gingen tot de Farizeörs, en |
NES 11. zeiden tot hen hetgeen Jezus gedaan had. 47 L)e Overpriesters dan en de Farizeërs vergaderden den llaad, en zeiden: Wat zullen wij doen? quot;Want dezemensch doet vele teekenen. 43 Indien wij hem alzóó laten geworden * zij zullen allen in hem gelooven, en de Romeinen zuilen komen en wegnemen beide onze plaats en volk. 49 En een uit hen , namelijk Kajafas, die deszei ven jaars Hoogepriester was, zeide tot hen : Gij verstaat niets , 50 en gij bedenkt niet dat het ons nut is, dat (^nmensch sterve voor het vol.i, en het geheele volk niet ve doren ga. 51 En dit zeide hij niet uit zichzelven, maar zijnde de HooirepriPhter van dat jaar profeteerde hij dat J-jzus sterven zoude voor het volk ; 52 en niet alleen voor dat volk, maar opdat hij ook de kinderen Gods , die verstrooid waren, tot één zoudlt;: vergaderen. 53 Van dien dag dan afberaad-slaagden zij te zamen,datzij hem dooden zouden. 54 Jezus dan wandelde niet meer vrijelijk onder de Joden, maar ging van daar naar het land bij de woestijn, naar de stad genaamd Efraïm ,eu verkeerde aldaar met zijne discipelen. 55 En het Pascha der Joden was nabij, en velen uit dat land gingen op naar Jeruzalem vóór het Pascha, opdat zij zichzelve reinigden. 56 Zij zochten dan Jezus, en zei Jen onder elkander, staande in den Tempel: V.\'at dunkt u? Dunkt u uat hij niet komen zal tot het feest? 57 De Overpriesters nu en de Farizeërs hadden .^en gebod gegeven, dat zoo iemand wist waar hij was, hij het zoude te kennen geven, opdat zij hem mochten vangen. |
|
HOOFDSTUK 12. Jezus dan kwam zca d.iseu vóór het Pascha te Betbanië , ■waar Lazarus was, die gestorven was geweest, welken hij opgewekt had uit de dood en. \'J Zij bereidden hem dan al-daar een avondmaal, en Martha diende; en Lazarus was een van degenen die met hem aanzaten. Maria dan genomen hebbende een pond zalve van on-vervalschten zeer kostelijken nardus, heeft de voeten van Jezus gezalfd, en met baar haren zijne voeten afgedroogd; en het huis werd vervuld van den reuk der zalve. 4 Zoo zeide dan een van zijne discipelen, namelijk Judas Simons zoon Iskariot, die hem verraden zoude: 5 Waarom is deze zalve niet verkocht voor driehonderd penningen, en den armen gegeven ? (gt; En dit zeide hij niet omdat hij bezorgd was voor de armen , maar omdat hij een dief was, en de beurs had, er. droeg hetgeen gegeven werd. 7 Jezus dan zeide: Laat af van haar: zij heeft dit be waard tegen den dag mijner begrafenis. 8 Want de armen hebt eijlie-den altijd met u, maar mij hebt gij niet altijd. 9 Eene groote schare dan der Joden verstond dat hij aldaar was; en zij kwamen niet alleen om Jezus wille, maar opdat zij ook Lazarus zouden zien, dien hy uit de dooden opgewekt had. IC En de Overpriesters beraadslaagden dat zij ook Lazarus dooden zouden; 11 want velen van de Joden gingen henen om zijnentwille en geloofden in Jezus. 12 Des anderen daags eene groote schare die tot het feest |
NES 12. 149 gekomen was, hoerende dat Jezus naar Jeruzalem kwam, 13 namende takken vanpalm-boomen, en gingen uit hem tegemoet, en riepen: Hosanna, gezegend is hij die komt in den name des lleeren, Ay die is de Koning Israels! 14 En Jezus vond eenen jongen ezel en zat daarop, gelijk geschreven is: 15 Vrees niet gij dochtf-r Si-ons: zie, uw Koning komt, zittende op het veulen eener ezelin. Ifi Doch dit verstonden zijne discipelen in het eerst niet; maar als Jezus verheerlijkt was. toen werden zij indachtig dat dit van hem geschreven was, en dat zij hem dit gedaan hadden. 17 De schare dan die met hem was, getuigde dat hij Lazarus uit het graf geroepen en hem uit de dooden opgewekt had. IS Daarom ging ook de schare hem tegemoet, overmits zij gehoord had dat hij dat teeken gedaan had. 19 De Farizeërs dan zeiden onder elkander: Ziet gij wel dat gii gansch niet vordert? Zie, de geheele wereld gaat hem na. 2U En daar waren sommige Grieken, uit degenen die opgekomen waren opdat zij op het feest zouden aanbidden: 21 deze dan gingen tot Filip-pus die van Bethsaïdft in Gali-léa was, en baden hem zeggende: Heere, wij wilden Jezus wel zien. 22 Filippus kwam en zeide het Andréas. en Andreas en Filippus wederom zeiden het Jezus. 23 Maar Jezus antwoordde hun, zeggende: De ure is gekomen , dat de Zoon des rncn-schen zal verheerlijkt worden. 24 Voorwaar, voorwaar zegge ik u, indien hst tarwegraan in de aarde niet valt en sterft, zoo blijft hetzelve alléén; maar |
|
150 JOHA? indien het sterft, zoo brengt het veel vrucht voort. 2\'« Die zijn leven liefheeft, zal hetielve verliezen ; en die zijn leven haat in deze wereld , zal hetzelve bewaren tot het eeuvn^e leven. 2(i Zoo iemand mij dient, di»». volge mij, co waar ik ben , aldaar zal ook mijn dienaar zijn. En zoo iemand mij dient, de Vader zal hem eerèn. 27 .Nu is mijne ziele ontroerd, en wat zal ik zegden ? Vader, verlos mij nif deze ure? Maar hierom ben ik in deze ure gekomen. 28 Vader, verheerlijk uwen naam. Er kwam dan eene stem uit den hemel, zegyende: Eii ik heb hem verheerlijkt, en ik zal hem wederom verheerlijken. 29 De schare dan die daar stond en dit hoorde, zeide dat er een donderslag geschied was; anderen zeiden: Een Engel heelt tot hem «esproken. 30 Jezus antwoordde en zeide: Niet om mijnentwille is deze stemme geschied, maar om uwentwille. 31 Nu is het oordeel dezer wereld; nu zal de overste dezer wereld buitengeworpen worden ; 32 en ik, zoo wanneer ik van de aarde zal verhooard zijn, zal ze allen tot mij trekken. 33 (En dit zeide hij beteeke-nende hoedanigen dood hij sterven zoude.) 34 De scharcantwoordde hem: AVij hebbpn uit de wet gehoord dat de Christus blijft in der eeuwigheid; en hoe zegt gij dat de Zoon des menschen moet verhoojrd worden? Wie is deze Zoon des menschen? 35 Jezus dan zeide tot hen : Nojf eenen kleinen tijd is het licht bij ulieden : wandelt terwijl gij het licht hebt, opdat de duisternis u niet bevange ; en die in de duister nis wandelt, weet niet waar hij henengaat. |
NES 12 36 Terwijl gij het licht hebt, gelooft in het licht, opdat gij kinderen des lichts moogt z\\jn. Deze dingen sprak Jezus, en wi-ggaande verborg hij zich van hen. 37 En hoewel hy zoovele tee-kenen voor hen ge iaan had, nochtans geloofden zij in hem niet, 38 opdat het woord van Jesaja den Profeet vervuld wierd, dat hii gesproken heeft: Heere, wie heeft onze prediking geloofd, en wien is de arm des lleeren geopenbaard? 39 Daarom konden zij niet ee-looven, dewijl Jesaja wederom geze?d heeft: 40 Uij heeft hunne oogen verblind en hun harte verhard, opdat zij met de oogen niet zien, en met het harte niet verstaan , en zij bekeerd worden. en ik hen geneze. •11 Dit zeide Jesaja, toen hij zijne heerlijkheid zag en van hem sprak. 42 Nochtans geloofden ook zelfs velen uit de oversten in hem; maar om der Farizeërs wille beleden zii het niet, opdat zij uit de Synagoge niet zouden geworpen worden; 43 want zij hadden de eere der menschen lief, meer dan de eere üods. •14 En Jezus riep en zeide : Die in mij gelooft, gelooft ia mij niet, maar in dengenen die mij gezonden heeft; 45 en die mij ziet, die ziet dengene die mij gezonden heeft. 46 Ik ben een licht in de wereld gekomen , opdat een iegelijk die in raij gelooft in de duisternis niet blijve. 47 En indien iemand myne woorden gehoord en niet geloofd zal hebben, ik oordeel hem niet; want ik ben niet gekomen opdat ik de wereld oor-deele, maar opdat ik de wereld zalig make. 48 Wie mij verwerpt en mijne woorden niet ontvangt, heeft |
|
die hem oordeelt: het woord dat ik gesproken heb, dat zal hem oordeelen ten laatstcn dage. •19 Want ik heb uit mij zei ven niet gesproken; maar de Vader die mij gezonden heeft, die heeft mij een gebod gegeven, wat ik zeggen zal en wat ik spreken zal. öO En ik weet dat zyn gebod het eeuwige leven is. Hetgeen ik dan spreek, dat spreek ik alzóó gelijk mij de Vader gezegd heeft. HOOFDSTUK 13. En\' vóór het feest van het Pascha, Jezus wetende dat zijne ure gekomen was, dat hij uit deze wereld zoude overlt;aan tot den Vader, alzoo hij de zijnen die in de wereld waren liefgehad had, zoo heeft hij ze liefgehad tot deu einde. \'2 En als het avondmaal gedaan was, (toen nude duivel in het hart van Judas Simons zoon Iskariot gegeven had dat hij hem verraden zoude), 3 Jezus wetende dat de vader hem alle dingen in de handen gegeven had, en dat hij van God uitgegaan was eh tot God henenging, 4 stond op van het avondmaal , en leide zijne kleederen af, en nemende een linnen doek, omgordle zicheelven; 5 daarna goot hij water in het bekken, en begon de voeten der discipelen te wasschen, en ai te drogen met den linnen doek waarmede hij omgord was. 6 Hij dan kwam tot Simon Petrus, en die zeide tot hem: Heere, zult gij mij de voeten wasschen? 7 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Wat ik doe weet gij nu niet, maar gij zult het na dezen verstaan. 8 Petrus zeide tot hem: Gij zult myoe voeten niet was-• ES 13. 151 |
schen in der eeuwigheid. Jezus antwoordde hem: Indien ik u niet wasch, gó hebt geen deel met mij. 9 Simon Petrus zeide tot hem: Heere, niet alleen mijne voeten, manr ook de handenen het hoofd. 10 Jezus zeide tot hem: Die gewassehen is heeft niet van noode dan de voeten te wasschen , maar is geheel rein; en gijlieden zijt rein, doch niet allen. 11 Want hij wist wie hem verraden zoude; daarom zeide hij : Gij zijt niet allen rein. 12 Als hij dan hunne voeten gewassehen en zijne kleederen genomen had, zat hij wederom aan, en zeide tot hen: Ver-stnat gij wat ik ulieden gedaan heb ? 13 Gij heet my Meester on Heere, en gij zegt wèl,want ik ben het. 14 Indien dan ik, de Heere en de Meester, uwe voeten gewassehen heb, zoo zijt gij ook schuldig elkanders voeten te wasschen; ló want ik heb u een exempel gegeven, opdat gelijkerwijs ik u gedaan heb, gijlieden óók doet- lü Voorwaar, voorwaar zegge ik u, een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer, noch een gezant meerder dan di« hem gezonden heeft. 17 Indien gij deze dingen weet, zalig zijt gij zoo gy dezelve doet. 15 Ik zegge niet van u allen: ik weet welke ik uitverkoren heb; maar dit geschiedt opdat de Schrift vervuld werde: Die met mij het brood eet, heeft tegen mij zijn verzenen opgeheven. 19 Van nu zegge ifc het ulieden eer het geschied is , opdat wannneer het geschied zal zyn, gy gelooven moogt dat ik het ben. 20 Voorwaar, voorwaar zegge |
|
152 JOHAK ik u, zoo ik iemand zend, wie dien ontvanet, die ontvangt mij ; en wie mij ontvangt, die ontvangt hem die mij gezonden beeft. 21 Jezus deze dingen gezegd hebbende, werd ontroerd in den geest, en betuigde en tei-de : Voorwaar, voorwaar ik zegge u, dat een van ulicden mij zal verraden. 2\'ï De discipelen dan zagen op elkander, twijfelende van wien hij dat zeide. 23 En. een van zijne discipelen was aanzittende in den schoot van Jezus, welken Jezus liefhad 24 Siiuon Petrus dan wenkte dezen dat hij vragen zonde, wie hij toch ware van welken hij dit zeide. 25 En deze vallende op de borst van Jezus, zeide tot hem: Heere, wie is het? 26 Jezus antwoordde:\' Deze is het, wien ik de bete, als ik ze ingedoopt heb, geven zal. En als hij lt;le bete ingedoopt had, gaf hij ze Judas Simons zoon Iskariot. 27 En na de bete, toen voer de satan in hem. Jezus dan zeide tot hem: Dat gij doet, doe het haastelijk. 28 En dit verstond niemand dergenen die aanzaten, waar to» hij hem dat zeide; 29 want sommigen meenden , dewijl Judas de beurs had, dat hem Jezus zeide: Koop hetgeen wij van noode hebben tot het feest; of dat hij den armen wat geven zoude. SO Hij dan de bete genomen hebbende, ging terstond uit; en het was nacht. 31 Als hij dan uitgegaan was zeide Jezus: Nu is de Zoon des menschen verheerlijkt, en God is in hem verheerlijkt. 32 Indien God in hem verheerlijkt is, zoo zal ook God hem verheerlijken in zichzel-ven, en hij zal hem terstond verheerlijken. |
NES 14. 33 Kinderkens, nog eenen kleinen tijd ben ik bij u. Gij zult mij zoeken, en gelijk ik den Joden gezegd heb: Waar ik henenga kunt gij niet komen , alzoo zegge ik ulieden nu ook. 34 Een nieuw gebod geef ik u, dat gij elkander lief hebt; gelijk ik u liefgehad heb, dat ook srij elkander liefhebt. 35 Hieraan \' zullen zij allen bekennen dat gij mijne discipelen zijt, zoo gij liefde hebt onder elkander. 36 Simon Vetrus zeide tot hem: Heere, waar gaat gij henen ? Jezus antwoordde hem: Waar ik henenga kunt gij mij nu niet volgen, maar gij zult mij namaa.s volgen. 37 Petrus zeide tot hem: Heere, waarom kan ik u niet volgen? Ik zal mijn leven voor n zetten. 38 Jezus antwoordde hem; Zult gij uw leven voor mij zetten ? Voorwaar, voorwaar zearge ik u, de haan zal niet kraaien totdat gij trij driemaal verloochend zult hebben. HOOFDSTUK 14. Uw harte worde niet ontroerd; gijlieden gelooft in God, gelooft ook in mij. 2 In het huis mijns Vaders ziin vele woningen: anderszins, zoo zoude ik het u gezegd hebben ; ik ga henen om u plaatse te bereiden. 3 En zoo wanneer ik henen zal gegaan zijn en u plaatse zal bf reid hebben, zoo kom ik weder en zal u tot mij nemen , opdat gij Oók zijn moogt daar ik ben. 4 Én waar ik heneuga weet gij, en den weg weet gij. 5 Thomas zeide lt;ot hem: Heere, wij weten niet waar gij henengaat, en hoe kunnen wij den weg w;ten? 6 Jezus zeide tot htm: Ik ben de weg, en de waarheid , en |
|
JOHAN het leven ; niemand komt tot den Vader dan door mij. 7 Indien gijlieden mij frekend liadt, zoo zoudt gij ook mijnen Vader gekend hebben ; en van nu aan kent gij hem en hebt hem gezien? 8 Filippus zeide tot hem; Heere, toon ons den Vader, en het is ons genoesr. 9 Jezus zeide tot hem : Ben ik zoo langen tijd met uüeden, en hebt gij mii niet gekend, Filippus? quot;Wie mij gezien heeft, die heeft den Vadf-r gezien: en hoe zegt eij: Toon ons den Vader ? 10 Gelooft gij niet dat ik in den Vader hen,, en de Vader in mij is? De woorden die ik tot ulieden spreek, spreek ik van mijzei ven niet, maar de Vader die in mij blijft, die doet de werken. 11 Gelooft mij dat ik in den Vader hen, en de. Vader in mij is; en indien niet, zoo gelooft mij om de werken zelve. 12 Voorwaar, voorwaar zegge ik ulieden, die in mij gelooft, de werken die ik doe zal hij óók doen , en zal meerder doen dan deze; want ik ga henen tot mijnen Vader, 13 en zoo wat gij begeeren zult in mijnen naam . dat zal ik doen, opdat de Vader in den Zoon verheerlijkt worde. 14 Zoo gij iets begeeren zult in mijnen naam, ik zal liet doen. 15 Indien gij mij liefbebt, zoo bewaart mijne geboden; 16 en ik zal den Vader bidden, en hij zal u eenen anderen Trooster geven, opdat hij bij u blijve in der eeuwigheid, 17 namelijk den Geest der waarheid, welken de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet hem niet en kent hem niet; maar gij kent hem, want hij blijft bij ulieden en zal in u zijn. IS Ik zal u geen weezen laten, ik kom loeder tot u. |
NES 14. 153 19 Nog oenen kleinen tijd en de wereld zal mij niet meer zien; maar gij zult mü zien, want ik leef en gij zult leven. 20 In dien dag zult gij bekennen dat ik in mijnen Vader hen, en gi) in mij . en ik in u. 24 Die mijne geboden heeft en dezelve bewaart, die is bet die mij liefheeft; en die mij liefheeft zal van mijnen Vader geliefd worden; en ik zal hem liefhebben, en ik zal mij zei ven aan hem openbaren. 22 Judas, niet de Iskariot, zeide tot hem: Heere, wat is het, dat nij uzelven aan ons zult openbaren en niet aan de 23 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zoo iemand mij liefheeft, die zal mijn woord bewaren ; en mijn Vader zal hem liefhebben, en wij zullen tot hem komen en zuilen woning bij hem maken. 24 Die mij niet liefheeft, die bewaart mijne woorden niet; en het woord dat gijlieden hoort is het mijne niet. maar des Vaders die mij gezonden heeft. 25 Deze dingen heb ik tot n gesproken, bij u blijvende; 26 maar de Trooster, de Ilei-lige Geest, welken de Vader zenden zal in mijnen naam, die zal u alles leeren, en zal n indachtig maken alles wat ik u gezegd heb. 27 Vrede laai ik u, mijnen vrede geef ik u: niet gelijker-wijs de wereld treeft, geef ik hem u. Uw harte worde niet ontroerd en zij niet versaagd. 2S Gij hebt geboogd dat ik tot u gezegd heb: Ik ga henen en kom veder tot u. Indien gij mij liefhadt, zoo zoudt gij u verblijden omdat ik gezegd heb: Ik ga henen tot den Vader, want mijn Vader is meerder dan ik. 29 En nu heb ik het u gezegd eer het geschied is, opdat wan- |
|
154 JOHAI neer het geschied zal zijn, gü gelooven moogt. .% Ik zal niet veel meer met u spreken ; want de overste dezer %veri\'ll komt, en heeft aan mij niets; 31 maar opdat de wereld wete dat ik den Vader liefheb, en alzóó doe gelijkerwija mij de Vader geboden heeft: staat op, laat ons van hier gaan. HOOFDSTUK 15. Ik hen de ware wijnstok, en mijn Vader ia de landman. 2 Alle rank die in mij geen vrucht draagt, die neemt hij weg, en alle die vrucht draagt, die reinigt hij opdat zij meer vrucht drage. 3 Gijlieden zijt nu rein om het woord dat ik tot u gesproken heb: 4 blijft in mij, en ik in u. Gelijkerwijs de rank geen vrucht kan drazen van zich-zelve, zoo zij niet in den wijnstok blijft, alzóó ook gij niet, zoo gij in mij niet blijft. 5 Ik ben de wijnstok «a gij de ranken: die in mij blijft, en ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder mij kunt gij niets doen. (i Zoo iemand in mij niet blijft, die is buitenge worpen ffeliikerwijs de rank, en is verdord ; en men vergadert dezelve, en men werpt ze in \'t vuur, en zij worden verbrand. 7 Indien gij in mij blijft en mijne woorden in u blijven, zoo wat gij wilt zult gij begee-ren, en het zal u geschieden. 8 Hierin is mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt; en gij zult mijne discipelen zijn. \'J Gelijkerwijs de Vader mij liefgehad heeft, heb ik ook u liefgehad: blijft in deze myne liefde. 10 Indien gij mijne geboden bewaart, zoo zult gij in mijne liefde blyven, gelijkerwijs ik |
NES 15. de geboden mijns Vaders bewaard heb en blijve in zijne liefde. 11 Deze dingen heb ik tot u gesproken, opdat mijne blijdschap in u blijve, en uwe blijdschap vervuld worde. 12 Dit is mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijkerwijs ik u liefgehad heb. 13 Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zette voor zijne vrienden. 14 Gij zijt mijne vrienden, zoo ffij doet wat ik u gebied. 15 Ik heet u niet meer dienstknechten , want de dienstknecht weet niet wat zijn heer doet; maar ik heb u vrienden genoemd : want al wat ik van mijnen Vader gehoerd heb, dat heb ik u bekend gemaakt. Ifi Gy hebt mij niet uitverkoren , maar ik heb u uitverkoren , en ik heb u gei-.teld dat gij zoudt henengaan er vrucht dragen, en dat uwe vrucht blijve; opdat zoo wat zij van den Vader begeerenzult in mijnen naam, hij n dat geve. 17 Dit gebied ik u , oplat gij elkander liefhebt. 18 Indien u de wereldhaat, zoo weet dat zij my eer dan u gehaat heeft. 19 Indien gij van de wereld waart, zoo zoude de wereld het hare liefhebben; doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld. 20 Gedenkt het woord dat ik u gezegd heb: Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. Indien zij mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; indien zij mijn woord bewaard hebben, zy zullen ook het uwe bewaren, 21 Maar alle deze dingen zullen zij u doen om mijn h naams wille, omdat zij hem niet kennen die mij gezonden Leeft. 22 Indien ik niet gekomen |
|
■ware en tot hen gesproken hadde , zij hadden geen zonde ; maar nu hebben zij ?cen voorwendsel voor hunne zonde. 23 Die mij haat,die haat ook münen Vader. C4 Indien ik de werken onder hen niet hadde gedaan, die niemand anders gedaan heeft, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij ze gezien, en beide mij en mijnen Vader gehaat. 25 Maar dit geschiedt op-lat het woord vervuld worde dat in hunne wet gesehreven is : Zij hebben mij zonder oorzaak gehaat. 26 Maar wanneer de Trooster zal gekomen zyn, dien ik u zenden zal van den Vader, namelijk de Geest der waarheid die van den Vader uitgaat, die zal van mjj getuigen; 27 en gij zult óók getuigen, want jcij zijt van den beginne met mij geweest. HOOFDSTUK 16. Deze dingen heb ik tot u gesproken, opdat gij niet gc-ergerd wordt. 2 Zij zullen u uit de Synaso-gen werpen; ja, de ure komt, dat een iegelijk die n zal doo-den, zal meencn Gode eenen dienst te doen. 3 En deze dingen zullen zij u doen, omdat zij den Vader niet gekend hebben noch my. 4 Maar deze dingen heb ik tot u gesproken, opdat wanneer de ure zal gekomen zijn, gij aan deielve moost gedenken dat ik ze u gezegd heb. Doch deze dingen heb ik u van het begin niet srezegd, omdat ik bij ulieden was; 5 en nu ga ik henen tot den-gene die mij gezonden heeft, en niemand van u vraagt mij ; Waar gaat gij henen ? 6 Maar omdat ik deze dingen tot u gesproken heb, zoo heeft |
NTES 16. 155 de droefheid uw harte vervuld. 7 Doch ik zegge u de waarheid, het is u nut dat ik wegga; want indien ik niet wegga, zoo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien ik henenga, zoo zal ik hem tot u zenden. 8 En die gekomen zijnde zal de wereld overtuigen van zonde, en van gerechtigheid , en van oordeel: 9 van zonde, omdat zy in mij niet gelooven; 10 en van gerechtieheid, omdat ik tot mijnen Vader henen-ga, en gij zult mij niet meer zien; 11 en van oordeel, omdat de overste dezer wereld geoordeeld is. 12 Nog vele dingen heb ik n te zeggen, doch gij kunt die nu niet dragen; 13 maar wanneer die zal gekomen zijn, namelijk de Geest der waarheid, hij zal u in al de waarheid leiden ; want hij zal van zichzelven niet spreken , manr zoo wat hij zal gehoord hebben zil hij spreken en de toekomende dingen zal hij u verkondisren. 14 Die zal mij verheerlijken; want hij zal het uit het mijne nemen, en zal het u verkondigen. 15 Al wat de Vader heeft is mijne: daarom heb ik gezegd dat hij het uit het mijne zal nemen en u verkondigen. 16 Eenen kleinen tijd en gij zult mij niet zien, en wederom eenen kleinen tijd en gij zult mij zien; want ik ga henen tot den Vader. 17 Sommigen dan uit zijne discipelen zeiden tot elkander: Wat is dit dat hij tot ons zegt: Eenen kleinen tijd cn gij zult mij niet zien, en wederom eenen kleinen tiid en gij zult mij zien; en: Want ik ga henen tot den Vader? 18 Zij zeiden dan: Wat is dit |
|
156 JOHAJ dat ky zegt? Eenen kleinen tijd ? Wij -wctcu uiet wat hij zcfjt. 19 Jezus dan bekende dat zij hem wilden vragen , en zeide tot hen: Vraagt gij daarvan onder elkander, dat ik gezegd heb : Eenen kleinen tijd en tfij zult mij niet zien, en wederom eenen kleinen tijd ca gij zult mij zien ? 20 Voorwaar. voorwaar ik zegge u, dat gij zult schreien en klaaglijk weenen, nmar de wereld zal zich verblijden; en gij zult bedroefd zijn, maar uwe droefheid zal tot blijd-Bchap worden. 21 Eene vrouw wanneer zij baart, heeft droefheid, dewijl hare ure gekomen is; maar wanneer zij het kindeken g(v baard heeft, zoo gedenkt zij de benauwdheid niet meer, om de blijdschap dat een mensch ter wereld geboren is. 22 En jrij dan hebt nu wel droefheid, maar ik zal u wederzien , en uw harte zal zich verblijden, en niemand zal uwe blijdschap van u wegne-men; 23 en in dien dag zult gij mij niets vragen. Voorwaar, voorwaar ik zegge u, al wat gij den Vader zult bidden in mijnen naam, dut zal hij u geven. 24 Tot nog toe hebt gij niets gebeden in mijnen naam: bidt en gij zult ontvangen, opdat uwe blijdschap vervuld zij. 25 Deze dingen heb ik door gelijkenissen tot u gesproken ; maar de ure komt dat ik niet meer door gelijkenissen tot u spreken zal, maar u vrijuit van den Vader zal verkondi-gen. 26 In dien dag zult gij in mijnen naam bidden; en ik zegge u niet dat ik den Vader voor u bidden zal; 27 want de Vader zelf heeft u lief; dewijl gij mij liefgehad hebt, en hebt geloofd dat ik van God ben uitgegaan. |
SES 17. 28 Ik ben van den Vader uitgedaan en ben in de wereld {rekomen, wederom verlaat ik de wereld en ga henen tot den Vader. 21) Zijne discipelen zeiden tot hem: Zie, nu spreekt gij vrijuit en zegt geene gelijkenis; 30 nu weten wij dat sij alle dingen weet, en gij hebt niet van noode dat u iemand vrage: hierom gelooven wij dat gij van God uitgegaan zijt. 31 Jezus antwoordde hun; Gelooft gij nu ? 32 Zie, de ure komt en is nu gekomen, dat gij zult verstrooid worden een iegelijk naar het zijne, en gij mij alleen zult laten. Sn nochtans ben ik niet alleen; want de Vader is met mij. 33 Deze dingen heb ik tot u gesproken, opdat «ij in mij vrede hebt. In de werehl zult gij verdrukking hebben ; maar hebt goeden moed, ik heb de wereld overwonnen. HOOFDSTUK 17. Dit heeft Jezus gesproken, en hij hief zijne oogen op naar den hemel, en zeide: quot;Nader, de ure is gekomen, verheerlijk uwen Zoon, opdat ook uw Zoon u verheerliike, 2 gelijkerwijs gij hem macht gegeven hebt over alle vleesch, opdat al wat gij hem gegeven hebt, hij hun het eeuwige leven geve. 3 En dit is het eeuwige leven , dat zij u kennen den eenigen waarachtigen God, en Jezus Christus dien gij gezonden hebt. 4 Ik heb u verheerlijkt op de aarde, ik heb voleindigd het werk, dat gij mr gegeven hebt om te doen: 5 en nu verheerlijk mij, gij Vader, bij uzelver, met de heerlijkheid, die ik bij u had eer de wereld was. |
JOHANNES 18.
157
|
fgt; Ik heb uwen naam geopenbaard den menschen die gij mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren uwe, en gy hebt my dezelve geireven, en zij hebben uw Woord bewaard. 7 Nu hebben zij bekend dat alles wat gij m\\j gegeven hebt van u is; 8 want de woorden die KÜ mij gegeven hebt, heb ik hun gegeven, en zij hebben ze ontvangen, en zij hebben waarlijk bekend dat ik van u uitgegaan ben, en hebben geloofd dat gij mij gezonden hebt. \'J Ik bid voor hen; ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen die gij mij gegeven hebt, want zij zijn uwe; 10 en al het myne is uwe, en het uwe is mijne; en ik ben in hen verheerlijkt. 11 En ik ben niet meer in de wereld, maar deze zijn in de wereld, en ik kome tot u. Heilige Vader, bewaar ze in uwen naam, die gy mij gegeven hebt, opdat zy één zijn gelijk als wy. 12 Toen ik met hen in dc wereld was, bewaarde ik ze in uwen naam: die gy mij gegeven hebt heb ik bewaard, en niemand uit hen is verloren gegaan, dan dc zoon der verderfenis, opdat de Schrift vervuld worde. 13 Maar nu kom ik tot u, en spreek dit in de wereld, opdat zij mijne blijdschap vervuld mogen hebben in zich-zelve. 14 Ik heb hun uw woord gegeven; en de wereld heeft ze gehaat, omdat zij van de wereld niet zijn, gelijk als ik van de wereld niet ben. 15 Ik bid niet dat gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat gij hen bewaart van den booze. ltgt; Zij zijn niet van de wereld, gelijkerwijs ik van de wereld niet ben. |
17 Heilig ze in uwe waarheid; uw woord is de waarheid. 18 Gelijkerwijs gy mij gezonden hebt in de wereld, alzóó heb ik hen ook in de wereld gezonden; 19 en ik heilig mijzelven voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid. 20 En ik bid niet alleen voor deze, maar ook voor degenen die door hun woord in mij ge-looven zullen: 21 opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs gij Vader in mij , en ik in u, dat ook zij in ons één zijn, opdat de wereld ge-loove dat gij my gezonden hebt. 22 En ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die gij mij gegeven hebt, opdat zij één zijn gelijk als wij één zijn : 23 ik in hen, en gij in mij; opdat zij volmaakt zijn in één, en opdat de wereld bekenne dat gij mij gezonden hebt, en hen liefgehad hebt gelijk gij mij liefgehad hebt. 24 Vader- ik wil dat waar ik ben, ook die bij mij zijn die gij mij gegeven hebt, opdat zij mijne heerlijkheid mogen aanschouwen, die gy mij gegeven hebt; want gij hebt mij liefgehad vóór dc grondlegging der wereld. 25 Rechtvaardige Vader, de wereld heeft u niet gekend; maar ik heb u gekend , en deze hebben bekend dat gij mij gezonden hebt; 2(gt; en ik heb hun uwen naam bekend gemaakt en zal hem bekend maken, opdat de liefde waarmede gij mij liefgehad hebt in hen zij, en ik in hen. HOOFDSTUK 18. Jezus dit gezegd hebbende, ging uit met zijne discipelen over de beek Kedron, waar een hof was, in welken hy ging en zijne discipelen. 2 En Judas die ucm verried |
JOHANNES 18.
158
|
wist óók die plaats, dewijl Je-zu3 aldaar dikwijls vergaderd was geweest met zijne discipelen. .1 Judas dan genomen hebbende de bende krijgsknechten en eenige dienaars van de Over-priesters en Tarizeers, kwam aldaar met lantaarnen en fakkelen en wapenen. •1 Jezus dan wetende alles wat over hem bomen zoude, ging uit en zeide tot hen: Wien zoekt gij ? 5 Zij antwoordden ham: Jezus den Nazarcner. Jezus zeide tot hen : Ik ben het. En Judas die hem verried stond óók bij hen. 6 Als hij dan tot hen zeide; Ik ben het, gingen zij achterwaarts en vit-len ter aarde. 7 Hij vraagde hun dan wederom ; Wien zoekt gij ? En zij zeiden: Jezus den Nazarener. « Jezus antwoordde: Ik heb u gezegd dat ik het ben: indien gij dan mij zoekt, zoo laat deze henengaan. 9 Opdat het woord vervuld zoude worden dat hij gezegd had: Uit degenen die gij mij gegeven hebt heb ik niemand verloren. 10 Simon Petrus dan hebbende een zwaard, trok hetzelve uit, en sloeg des Uoogepries-ters dienstknecht en hieuw zijn rechteroor af: en de naam van den dienstknecht was Malchus. 11 Jezus dan zeide tot Petrus : Steek uw zwaard in de scheede. ])e drinkbeker dien mij de Vader gegeven heeft, zal ik dien niet drinken? 12 De bende dan en de overste over duizend en de dienaars der Joden namen Jezus gezamenlijk en bonden hem, 13 en leidden hem henen, eerst tot Annas: want hij was de vrouwsvader van Kajafas, welke deszelven jaars Hooge-priester was. |
14 Kajafas nu was degene die den Joden geraden had, dat het nut was dat ééu mensch voor het volk stierre. 15 En Simon Petrus volgde Jezus, en een ander discipel; deze discipel nu was den Iloo-gepriester bekend, en ging met Jezus in des Hoogepricsters zaal. KJ En Petrus stond buiten aan de deur. De andere discipel dan, die den Hoogepriester bekend was, ging uit en sprak met de deurwaarstcr, en bracht Petrus in. 17 De dienstmaagd dan die de deurwaarster was s:eide tot Petrus: Zijt ook «ij niet uit de discipelen van dezen mensch? Hij zeide: Ik ben niet. IS En de dienstknechten en de dienaars stonden, hebbende een kolenvuur gemaakt, omdat het koud was, en warmden zich. Petrus stond bij hen en warmde zich. 19 De Hoogepriester dan vraagde Jezus van z jne discipelen en van zijne leer. 20 Jezus antwoordde hem ; Ik heb vrijuit gesproken tot de wereld; ik heb altijc geleerd in de Synagoge en in d=n Tempel, waar de Joden van alle plaatsen te zamen konen, en in \'t verborgen heb ik niets gesproken: 21 wat ondervraagt gij mij? Ondervraag degenen die het gehoord hebben, wat ik tot hen gesproken heb; zie, deze weten wat ik gezegd heb. 22 En als hij dit zeide, gaf een van de dienaren, die daarbij stond, Jezus eenen kinne-bakslair,zeggende: Antwoordt gij alzóó den Hoogepriester? 23 Jezus antwoordde hem: Indien ik kwalijk gesproken heb, betuig van het kwade; en indien wèl, waarom slaat gij mij ? 24 (Annas dan had Tiem gebonden gezonden tot Kajafas den Hoogepriester.) 2\') En Simon Petrus stond en warmde zich; zij zeiden dan |
|
tot hem: Zijt ook ffi.i niet «it zijne discipelen? Hij loochende het, en zcide: Ik ben niet. 20 Een van de dienstknechten des Hoofjepriestera, die maagschap was van dengene dien Petrus het oor afgehouwen had, zeide: Heb ik u niet gezien in den hof met hem ? 27 1\'ettus dan loochende het •wederom; en terstond kraaide de haan. •28 Zij dan leidden Jezus van Kajafas in het Rechthuis; en het was \'s morgens vroeg. En zij gingen niet in het Rechthuis, opdat zy niet verontreinigd zouden worden, maar opdat zij het Pascha eten mochten. 29 Pilatus dan ging tot hen nit, en zeide: Wat beschuldiging brengt gij tegen dezen mensch ? 80 Zij antwoordden cn zeiden tot hem: Indien deze geen kwaaddoener ware, zoo zouden wij hem u niet overgeleverd hebben. 31 Pilatus dan zeide tot hen: Neemt gij hem cn oordeelt hom naar uwe wet. T)e Joden dan zeiden tot hem; Het is ons niet geoorloofd iemand te dooden. 32 Opdat het woord van Jezus vervuld wierd, dat hij gezegd had beteekenende hoedanigen dood bij sterven zoude. S3 Pilatus dan ging wederom in het Rechthuis, en riep Jezus , en zeide tot hem: Zijt gij de Koning der Joden ? 31 Jezus antwoordde hem: Zejrt jcij dit van uzelven, of hebben het u anderen van mij gezezd ? 35 Pilatus antwoordde : Ben ik een Jood ? Uw volk en de Overpriesters hebben u aan mij overgeleverd: wat hebt gü gedaan ? 36 Jezus antwoordde; Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld: indien mijn Konink- |
NES 19. 159 ryk van deze wereld ware, zoo zouden mijne dienaars gestreden hebben , opdat ik den Joden niet ware overgeleverd; maar nu is mijn Koninkryk niet van hier. .quot;7 Pilatus dan zeide tot hem: Zijt gij dan een Koning? Jezus antwoordde: Gij zegt dat ik een Koning ben. Hiertoe ben ik geboren en hiertoe ben ik in de wereld gekomen, opdat ik der waarheid getuigenis geven zoude. Een iegelijK die uit de waarheid is hoort myne stem. 38 Pilatus zeide tot hem: Wat is waarheid? En als hij dat gezegd bad, ging hij wederom uit tot de Joden, en zeide. tot hen: Ik vind geen schuld in hem. 39 Doch gij hebteene gewoonte, dat ik u op het Pascha eenen loslate : wilt gij dan dat ik u deu Koning der J^den loslate? •10 Zij dan riepen allen wederom, zeggende: Kiet dezen, maar Barabbas. En Barabbas was een moordenaar. HOOFDSTUK 19. Toen nam Pilatus dan Jezus cn geeselde hem. 2 En de krijgsknechten cene kroon van doornen gevlochten hebbende, zetteden die op zyn hoofd, en wierpen hem een purperen kleed ooi, 3 en zeiden : quot;Wees gegroet gy Koning der Joden; en zy gaven hem kinnebakslagen. 4 Pilatus dan kwam wederom uit, en zeide tot hen: Zie,ik breng hem tot ulieden uit, opdat ttij weet dat ik in hem geen schuld vind. 5 Jezus dan kwam uit, dragende de doornenkroon on het purperen kleed; en Pilatus zeide tot hen: Zie, de mensch. (» Als hem dan de Overpriesters en de dienaars zagen, riepen zij, zeggende: Kruis |
|
160 JOHAN hem, kruis hem. l\'ilatus zcide tot hen: Neemt gijlieden hem en kruist hem, want ik vind in hem geen schuld. 7 De Joden antwoordden hem: quot;Wij hebben eene wet, en naar on^e wet moet hij sterven, want hij heeft zichzelven Gods Zoon gemaakt. 8 Toen Pilatus dan dit woord hoorde werd hij meer bevreesd, en ginif wederom in het Rechthuis, en zeide tot Jezus: Van waar zijt gij ? Maar Jezus gaf hem geen antwoord. 10 Pilatus dan zeide tot hem: Spreekt gij tot mij niet? Weet gij niet dat ik macht heb u te kruisigen en macht heb u los te laten ? 11 Jezus antwoordde: Gij zoudt geen macht hebben tegen mij , indien het u niet van boven gegeven ware; daarom die mij aan u heelt overgeleverd, heeft grooter zonde. 12 Van toen af zocht Pilatus hem los te laten; maar de Joden riepen, zeggende: Indien gij dezen loslaat, zoo zijt gij des Keizers vriend niet: een iegelijk die zichzelven Koning maakt, wederspreekt den Keizer. 13 Als Pilatus dan dit woord hoorde, bracht hij Jezus uit, eu zat neder op den rechterstoel, in de plaats genaamd Lithostrótos, en in \'t He-breeuwsch Gabbatha. 14 En het was de voorbereiding van het Pascha, en omtrent de zesde ure; en hij zcide tot de Joden: Zie, uw Koning. 15 Maar zij riepen: Neem weg, neem weg, kruis hem. Pilatus zeide tot hen: Zal ik uwen Koning kruisigen? De Overpriesters antwoordden: Wij hebben geenen Koning dan den Keizer. 10 Totn gaf hij hem dan hun over, opdat hij gekruist zoude worden. En zü namen Jezus en leidden hem weg; |
S\'ES 19. 17 en hij dragende zijn kruis, ging uit naar de plaats genaamd Hoofdschedelplaats, welke in \'t Hebreeuwach genaamd wordt Golgotha; IS alwaar zij hem kruisten, en met hem twee anderen, aan elke zijde ééuen, eu Jezus in \'t midden. 1\'J En Pilatus schreef ook een opschrift, eu zette dat op het kruis; en daar was geschreven: Jezus igt;f. Naüarkner, db Koning der Jodev. 20 Dit opschrift c.an lazen velen van de Joden; want de plaats waar Jezus gekruist werd was nabij de stad ; en het was geschreven in het He-breeuwsch, in het Grieksch, en in het Latijn. 21 De Overpriesters dan der Joden zt-iden tot Pilatus: Schrijf niet: De Koning der Joden, maar dat hij gezegd heeft: Ik ben de Koning der Joden. 22 l\'ilatus antwoordde: Dat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven. 23 De krijgsknechten dan als zij Jezus gekruist hadden, namen zijne kleedereu (en maakten vier deelen, voor eiken krijgsknecht een deel) en den rok. De rok nu was zonder naad, van boven af geheellijk geweven; 24 zij dan zeiden tot elkander: Laat ons dien niet scheuren, maar laat ons daarover loten, wiens die zijn zal; opdat de Schrift vervuld worde, die zegt: Zij hebben mijne kleedcren onder zich verdeeld, en over mijne kleeding hebben zij het lot geworpen. Dit hebben dan de krijgsknechten gedaan. 25 En bij het kruis van Jezus stonden zijne moeder, cn zijne moederszuster Maria de vrnuw van Kiopas, en Maria Mag-dalena. 2ü Jezus nu ziende zijne moeder, en den discipsl dien hij liefhad daarbij staande, zeide |
|
JOH AN tot zijne moeder: Vrouwe, zie, uw zoon. 27 Daarna zeide hij tot den discipel: Zie, uwe moeder. En van die ure aan nam haar de discipel in zijn hnia. 28 Hierna Jezus wetende dat nu alles volbracht was, opdat de Schrift zonde vervuld worden . zeide: Mij dorst. 29 Daar btond dan een vat vol edik, en zij vulden eene spons met edik, en omleiden ze met hysop, en brachten ze aan zijnen mnnd. 30 Toen Jezus dan den edik genomen had, zeide hij : Het is volbracht, en het hoofd buigende gaf den geest. 31 De Joden dan, opdat de lichamen niet aan het kruis zouden blijven op den sabbat, dewijl het de voorbereiding was, (want die dag des sabbats was groot), baden Pilaius dat hunne beenen zouden gebroken en zy weggenomen worden. 32 De krijgsknechten dan kwamen, eii braken wel de beenen des eersten en des anderen die met hem gekruist was, 33 maar komende tot Jezus , als zij zagen dat hij nu gestorven was, zoo braken zij zijne beenen niet, 34 maar eea der krijgsknechten doorstak zijne zijde met eene speer, en terstond kwam daar bloeden water uit. 35 En die het gezien heeft die heeft het getuigd , en zijne getuigenis is waarachtis, en hij weet dat hij zegt hetgeen dat waar is, opdat ook gij geloo-ven moo^t. 3(5 Want deze din sen zijn geschied opdat de Schrift vervuld worde: Geen been van hem zal verbroken worden ; 37 en wederom zegt eene andere Schrift: Zij zullen zien in welken zij gestoken hebben. 38 En daarna Jozef van Ari-mathéa (die een discipel van |
STES 20. 161 Jezus was, maar bedekt om de vreeze-der Joden) bad l\'ila-tus dat hij mocht het lichaam van Jezus wegnemen ; en l\'ila-tus liet het toe. Hij dan ging èn nam het lichaam van Jezus weg. 39 En Nicodemus kwam óók, (die des nachts tot Jezus eerst gekomen was), brengende een mengsel v.iu mirrequot;en aloë, omtrent honderd ponden gc-wicht. 40 Zü namen dan het lichaam van Jezus en bonden dat in linnen doeken met de spece-rijen, gelijk de Joden de gewoonte hebben van begraven. 41 En daar was in de plaats waar hij gekruist was een hof, en in den hof een nieuw uraf, in hetwelk nog nooit iemand gelegd was geweest: 42 aldaar dan leiden i;ii Jezus, om de voorbereiding der Joden, overmits het graf nabij was. HOOFDSTUK 20. En op den eersten dag der week ging Maria Magdalena vroeg, als het nog duister was, naar het graf, en zag den steen van het graf weggenomen. 2 Zij liep dan en kwam tot Simon Petrus en tot den anderen discipel, welken Jezus liefhad , en zeide tot hen: Zij hebben den Heere weggenomen uit het graf, en wij weten niet waar zij hem gelegd hebben. 3 Petrus dan ging uit, en de andere discipel, en zij kwamen tot het graf; 4 en deze twee liepen tegelijk. En de andere discipel liep vooruit, sneller dan Petrus, en kwam eerst tot het graf; 5 en als hij nederbukte zag by de doeken liggen, nochtans ging hij daar niet in. (» Simon Petrus dan kwam en volgde hem, en ging in het graf, en zag de doeken liggen ; |
11
|
163 JOil AN! 7 en den zwcuttlock, die op zijn hoofd geweest w;is, zag hij niet bij de doeken li^en, maar afionderlijk in eeue andere plaats samengerold. 8 Toen ging dan ook de andere discipel daar in, die eerst tot het graf gekomen was, en zag het en geloofde; 9 want zij wisten nog dc Schrift niet, dat hij van dc dooden moest opstaan. 10 Dc discipelen dan gingen wederom naar huis. 11 En Maria stond buiten hi) het graf weenende. Als zij dan weende, bukte zy in het graf, 12 en zag twee Engelen in witte kleedcren zitten, édnen aan het hoofd en één en aan dc voeten, waar het lichr.am van Jezus geleden had. 13 En die zeiden tot haar; Vrouw, wat weent gij ? Zij zeide tot hen: Omdat zij mijnen Heere wetrgenomen hebben, en ik weet niet waar zij hem cceleird hebben. 14 En als zij dit gezegd bad, keerde zij zich achterwaarts, en za? Jezus staan , en zij wist niet dat het Jezus was. 15 Jezus zeide tot haar: Vrouw, wat weent gij? Wien zoekt gij? Zij meenende dat het de hovenier was, zeide tot hem: Heer, zoo «ij hem uie^sedragen hebt, zes; mij waar gt;rij hem frelcjrd hebt, en ik zal hem wegnemen. 16 Jezus zeide tot haar: Maria ! Zij zich omkeerende zeide tot hein: llabbouni, hetwelk is gezegd Meester. 17 Jezus zeide tot haar : Raak mij niet aan; want ik ben nog niet opsevaren tot mijnen Vader ; maar g-a henen lot mijne broeders, en zes hun : Ik vaar op tot mijnen Vader en uwen Vader, en mijnen God en uwen God. IS Maria Magdalcna ging en boodschapte den discipelen, dat zij den Ilccre gezien had , |
VES 20. en dat hij haar dit gezegd had. 11) Als het dan avond was op dien eersten dag dor week, en als de deuren gesloten waren , waar de discipeleo vergaderd waren , om de vreeze der Joden , kwam Jezus en stond in het midden, en zeide tot hen; Vrede zij ulicden. 20 En dit gezegd hebbende toonde hij hun zijne handen en zijne zijde. De discipelen dan werden verblijd als zij den Ilee-re zagen. 21 Jezus dan zeiile wederom tot ben : Vrede zij ulicden: jce-lijkerwijs mü de Vader gezonden heeft, zende ik ook u-lieden. 22 En als hij dit gezegd had , blies hij op hen, m zeide tot hen: Ontvangt den Heiligen Gee«t. 23 Zoo gü iemands zonden vergeeft, dien worden zevergeven; zoo gij iemands zon len houdt, dien zijn ze gehouden. 24 En Thomas, een van de. twaalve, gezegd Didymus, was met hen niet toen Jezus daar kwam. 2-r» De andere discipelen dan zeiden tot hem: Vii} hebben den Ueere gezien. Doch hij zeide tot. hen: Indien ik in zijne handen niet zie het tce-kên der nagelen, en mijnen vinger steek in het teeken dei-nagelen , en steek mijne hand in zijde zijde, ik zal geenszins fjelooven. 26 En na acht daffen waren zijne discipelen wederom binnen, en Thomas met hen; en Jezus kwam nis de deuren gesloten waren, en stond in het midden, en zeide: Vrede zij ulieden. 27 Daarna zeide hij tot Thomas : lirenj; uwen vinger hier, en zie mijne handen.. en breng uwe hand en steek zc in mijne zijde, cm wees niet ongeloovig maar geloovig. 28 En Thomas antwoordde en |
|
zoidc tot hem: My n Heerc cn mijn God. Jezus zeide tot hem ; Omdat jfij mij gezien hebt, Tlio-mns, zoo hebt gij geloofd: zalig zijn ze die niet zullen gezien hebben en nochtans zullen geloofd hebben. 30 Jezus dan heeft nog wel vele andere teekenen in de tegenwoordigheid zijner discipelen gedaan, die niet zijn geschreven in dit boek; 31 maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft dat Jezus is de Christus, de Zone Gods, en opdat gij geloovende het leven hebt in zijnen naam. HOOFDSTUK 21. ?Ca dezen openbaarde Jezus zichzelven wederom den discipelen aan de zei\' van Tiberias ; en hij openbaarde zich .aldus. 2 Daar waren te zamen Simon Petrus , en Thomas gezegd Di-dymus, en Nathanael, die van Kana in Galil\'-a was, en de zonen van Zebedetts, en twee andere van zijne discipelen. 3 Simon \'Petrus zeide tot hen : Ik ga visschen. Zij zeiden tot hem: Wij K\'ian ook metu. Zi.i gingen uit, en traden terstond in het schip, en in dien nacht vingen zij niets. 4 En als het nu morgenstond geworden was, stond Jezus op den oever; doch de discipelen wisten niet dat het Jezus was. 5 Jezus d€*in zeide tot hen: Kinderkens, hebt gij niet eeni-ge toespij ze? Zij antwoordden hem: Neen. (ï En hij zeide tot hen : Werpt bet net ar.n de rechterzijde van het schip, en gij zult vinden. Zij wierpen het dan, en konden hetzelve niet meer trekken vanwege de menigte der visschen. 7 De discipel dan welken Jezus liefhad zeide tot Petrus: Het is de Heerc. Simon Petrus dan hourende dat het dc llccrc ^ES 21. 163 |
was, omgordde het opperkleed (want by was naakt) en wierp zichzelven in de zee. 8 En de andere discipelen kwamen met liet scheepken (want zij waren niet ver van het land, maar omtrent tweehonderd ellen), sleepende het net met de visschen. 9 Als zij dan aan het land gegaan waren, zagen zij een kolenvuur liggen, en visch daarop liggen , en brood. 10 Jezus zeide tot hen: Brengt van de visschen die gij nu gevangen hebt. 11 Simon Petrus ging op en trok het net op lief land, vol groote visschen, tot honderd drieënvijftig; en hoewel er zoovele waren, zoo gebeurde het net niet. 12 Jezus zeide tot hen: Komt herwaarts, houdt het middagmaal. En niemand van de discipelen durfde hem vragen: Wie zijt gij? wetende dat het de Heere was. 13 Jezus dan kwam, en nam het brood, en gaf het hun, cn de visch desxelijks. 1-1 Dit was nu de derde maal dat Jtzus zijnen discipelen geopenbaard is, nadat hij van dc dooden opgewekt was. 15 Toen zij dan het middatr-maal gehouden hadden, zeide Jezus tot Simon Petrus: Simon Jona\'s zoon, hebt «ij mij liever dan deze? Hij zeide tot hem: Ja, Heere, gij weet dat ik u liefheb. Hij zeide tot hem: Weid mijne lammeren. 1G Hij zeide wederom tot hem ten tweeden male: Simon Jona\'s zoon, hebt gij mii lief? Hij zeide tot hem: Ja,Heere, gij weet dat ik u liefheb. Hij zeide tot hem: Hoed mijne schapen. 17 Hij zeide tot hem ten derden male: Simon Jona\'s ?oon, hebt gij mij lief? Petrus werd bedroefd, omdat hij ten derden male tot hem zeide: Hebt gij mij lief? en zeide tut hem: |
HANDELINGEN 1.
164
|
Hcerc, gij weet allo dingen , gi] weet dat ik u liefheb. Jezus zeide tot hem; quot;Weid mijne schapen. IS Voorwaar, voorwaar zegge ik u, toen gij jonger waart, gorddet gij uzelven en wan-deldet alwaar gij wildet; maar wanneer gij zult oud geworden zijn, zoo zult gij uwe handen uitstrekken, en een ander zal u gorden en brengen waar gij niet wilt. 19 En dit zeide hij, beteeke-nende met hoedanigen dood hij God verheerlijken zoude. En dit gesproken hebbende zeide bij tot hem: Volg mij. 20 En l\'etrus zich omkeereude zag den discipel volgen welken Jezus liefhad, die ook aan het avondmaal op zijne borst gevallen was en gezegd had: Heere, wie is het die u verraden zal? 21 Als Petrus dezen zag, zeide hij tot Jezus: Heere, maar |
wat zal deze ? 22 Jezus zeide tot hem: Indien ik wil dat hij blijve totdat ik korae, wat gaat het u aan? Volg gij mij. 2* Dit woord dan ging uit onder de broederen, dat deze discipel niet zoude sterven; en Jezus had tot hem niet gezegd dat hij niet sterven zoude, maar; Indien ik wil dat hij blijve totdat ik kome, wat gaat het u aan? 24 Deze is de discipel die van deze dingen getuigt en deze dingen geschreven heeft, en wij weten dat zijn getuigenis waarachtig is. 25 En daar zijn tiog vele andere dingen die Jezus gedaan heeft, welke zoo ze elk bijzonder geschreven verden, ik achte dat ook de wereld zelve de geschreven boeken niet zoude bevatten. Amen. |
DE HANDELINGEN
APOSTELEN,
BESCHREVEN DOOR LUCAS.
|
HOOFDSTUK 1. Het eerste boek heb ik gemaakt, o Theolilus, van al hetgeen Jezus begonnen heeft beide te doen eu te leeren, 2 tot op den dag op welken hij opgenomen ia, nadat hij door den Heiligen Geest aan de Apostelen, die hij uitverkoren had, bevelen had gegeven ; |
3 aan welke hij ook, nadat hij geleden had, zichzelven levend vertoond heeft, met vele gewisse kentcekenen, veertig dagen lang, zijnde van beu gezien, en sprekende van de dingen die het Koninkrijk Gods aangaan. 4 En als hij met hegt;i vergaderd was, bcv.al hij hun dat zij van Jeruzalem niet scheiden zouden, maar ve -wachten de belofte des Vaders, die gij (zeide hij) van mij gehoord hebt; 5 want Johannes doopte wel |
|
met water, maar gij zult met den Heiligen Geest gedoopt worden niet lang na deze dagen. 6 Zij dan dip te zaraen gekomen waren vraagden hem, zeggende: Ileere, zult jrij in dezen tijd aan Israel het koninkrijk weder oprichten? 7 En hij zeide tot hen: Het komt u niet toe te weten de tijdpn of gelegenheden, die de Vader in zijne eigene macht gesteld heeft; 8 maar sü zquot;lt ontvangen de kracht des Heiligen Geestes die over u komen zal, en gij zult mijne getuigen zijn, zoo te .Tcruzalem als in geheel Judéa en Samaric en tot aan het uiterste der aarde. 9 En als ^ij d\'t gezegd had, werd hij opgenomen daar zij het zajfen, en eene wolk nam hem weg van hunne oogen. 10 En als zij hunne oojjen naar den hemel hielden terwijl hij henenroer, zie, twee mannen stonden bü hen in witte kleeding, 11 welke ook zeiden : Gij Ga-lileeache mannen, wat staat gij en ziet op naar den hemel ? Deze Jezus , die van u opgenomen is in den hemel, znl alzóó komen gelijkerwijs gij hem naar den hemel hebt zien henenvaren. 12 Toen keerden zij weder naar Jeruzalem, van den heri? die genaamd wordt de Olijf-berg, welke is nabij Jeruzalem, liïgende van daar eene sab-batsreize. 13 En als zij ingekomen waren, ginjren zij óp in de opperzaal , waar zij bleven, n hm dijk Petrus en Jacobus . pu Johannes, en Andreas, Filippus en Thomas, Bartholouitiis en Mattheüs, en Jacobus de zonn van Alfeüs, en Simon Zelotes, en Judas de broeder yamp;vx Jnco-bus. 14 Deze allen waren eendrachtiglijk volhardende in het bid- |
INGEN 1« 1(J5 den en smeeken, met de vrouwen , en Maria de moeder van Jezus, en met zijne broeders. 15 En in die dagen stond Petrus op in het midden der discipelen, en sprak (daar was nu eene schare bijéén van omtrent honderd en twintig personen) : 1G Mannen broeders, deze Schrift moest vervuld worien, welke d\'j Heilige Geest door den mond Davids voorzeard heeft van Judas, die de leidsman geweest is dergenen die Jezus vinsen; 17 want hij was met ons gerekend en had het lot dezer bediening verkregen. 18 Deze dan heeft verworven eenen akker door hei loon der ongerechtigheid, en voorover gevallen zijnde is midden opge-borsten,en alle zijne ingewanden zijn uitgestort; 19 en het is bekend geworden «allen die te Jeruzalem wonen, alzoo dat die akker in hun eigen taal genoemd wordt Akeldama, dat is, een akker des bloeds. 20 quot;Want daar staat geschreven in het boek der Psalmen: Zijne woonstede worde woest, en daar zij niemand die in dezelve wone ; en : Een ander neme zijn opzienersambt. 21 Het is dan noodig dat van de mannen, die met ons oimre-saan hebben al den tijd in welken de Heere Jezus onder ons in- en uitregaan is , 22 beginnende van den doop van J ohannes, tot den dag coe op welken hij van ons opgenomen is, één derzeive met ons getuige worde zijne:: opstaudi nï. 2.\'{ En zü stelden er twee. Jozef genaamd iJarsabas, die toegenaamd was Justus, en Matthias. 24 En zij baden en zeiden: Gij Heere. gij kenner der harten van allen, wijs van deze twee éénen aan dien ïij uitverkoren hebt, |
|
ir.r. handel 25 om le ontvangen het lot dezer IjeJiening en dit Apostelschap, waarvan Judas afgeweken is, dat hij henengingin zijn eigen plaatse. quot;3 En zij wierpen hunne loten, en het lot viel op Matthias, en hij werd met geineene toestemming lot de elf Apostelen gekozen. hoofdstuk 2. En als de dag van het Pink-stcr/m(£ vervuld werd. waren zii allen eendrachtiglijk hij-éC\'D. 2 En daar geschiedde haaste-lijk uit den hemel een geluid, gelijk als van eenen geweldigen gedreven wind , en vervulde het gcheele huis waar zij zaten ; 3 en van h»n werden gezien verdeelde tongen als van vuur, en het zat op een iegelijk van hen : 4 en zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zooals de Geest hun gaf uit le spreken. 5 En daar waren Joden te Jeruzalem wonende , godvrueh-»ige mannen van allen volke dergenen die onder den hemel zijn: G en als deze stemme geschied was , kwam de menigte te za-men en werd beroerd, want een iegelijk hoorde hen in zijn eigen taal spreken. 7 Eu zij ontzetteden zich allen en verwonder leu zich, zeggende tot elkander: Zie, zijn niet alle deze die daar spreken Ga-lieërs? 8 En hoe hooren wij ze een iegelijk in onze eigen taal in welke wij geboren zijn? |
\'J l\'arthers en Meders en Ela-miten, en die inwoners zijn van Mesopoiamië, en Judéa, en Cappadoeië, l\'ontus en Azië, 10 en Frygië, en l\'amfylië, Egypte, en de deelen van Li-byë hetwelk bij Cyrene li fff, eii uitlandsche liomeinen, beiden Joden en Joden genooten , 11 Cretenzen en Arabieren, wij hooren ze in onze talen de gronfe werken Gods spreken. 13 En zij ontzetteden zich allen en werden twijfelmoedig, zeggende de Hén tegen den ander: Wat wil toeli dit zijn? KJ En anderen spottende zeiden Zij zijn vol /.oeten wijn. 14 Maar Petrus staande met de elve, verhief zijne stem en sprak tot hen : Gij Joodsche mannen, en gij allen die te Jeruzalem woont, dit zij u bekend , en laat mijne woorden tot uwe ooren ingaan. 15 Want deze zijn niet dronken, gelijk gij vermoedt; want het is eerst de dei de ure van den dag; 1(5 maar dit is h^t wat gesproken is door den Profeet Joel: 17 En het zal zijn in de laatste dascen (zegt God), ik zal uitstorten van mijnen Geest op alle vleeseh , en v. we zonen en uwe dochters zullen pro-feteeren , en uwe jongelingen zullen gezichten zien, en uwe ouden zullen droomni droo-men; 18 en ook op mijne dienstknechten en op mijne dienstmaagden zal ik in die dagen van mijnen Geest uitstorten, en zij zullen profeteeren. 19 En ik zal wonderen geven in deu hemel boven, en teekenen op de aarde beneden, bloed en vuur en rookdamp. 20 De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat de grnote en doorluchtige dag des Heeren komt. 21 En het zal zijn dat een iegelijk, die den aaam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden. 22 Gij Israëlitisch? mannen, hoort deze woorden: Jezus den Nazarener, eenen man |
|
II AN DEI van God ondor ulieden betoond door krachten en wonderen en teekenen, die God door hem gedaan heeft in \'t midden van u, gtdijk ook srj-zelve weet: dezen , door den bepaalden raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt gij ge-nooien en door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en jtedood: 2-1 welken God opgewekt heeft, de smarten des doods ontbonden hebbende, alzoo het niet mogelijk was dat hij van den-zelve zonde gehouden wor-ren. 25 Want David zegt van hem : Ik zag den lieere ten allen tijde vóór mij; want hij is aan mijne rechter/iau\'Z, opdat ik niet bewogen worde. 2(i Daarom is mijn harte verblijd en mijne tong verheugt, zich. Ja, ook mijn vleesch zal rusten in hope; 27 want gij zult. mijne ziele in de hel niet verlaten, en zult uwen Heilige niet over-geven om verderving te zien. 2S Gij hebt mij de wegen des levens bekend gemaakt; gij zult mij vervullen met verheuging (.\'oor uw aangezicht. 29 Gij mannen broeders, het is mij geoorloofd vrijuit tot u te spreken van den Patriarch David, dat. hy beide gestorven en begraven is, en zijn graf is onder ons tot op dezen dag. 30 Alzoo hij dan een Profeet was, en wist dat God hem met. eede gezworen had, dat hij uit de vrucht zijner lendenen , zooveel het. vleesch aangaat, den Christus verwekken zoude, om hcni op zijnen troon te zetten, 31 zoo heeft hij dit voorziende gesproken van de opstanding van Christus, dat zijne ziel niet. is verlaten in de hel noch ziju vleesch verderving heeft gezien. 32 Dezen Jezus heeft God op-1N6EN 2. 107 |
gewekt, waarvan wij allen getuigen zijn. 3.quot;! HU dan door de rechter-hand Gods verhoogd zijnde, en de belofte des Heiligen Gees-tes ontvangen hebbende van den Vader, heeft dit uitgestort dat ïij nu ziet en hoort, 34 Want. David is niet opgevaren in de hemelen; maar hij zegt; De Heere heeft gesproken tot mijnen Heere : Zit aan mijne rechterAfflMrf, 35 totdat ik uwe vijanden zal gezet hebben tot een voetbank uwer voeten. 3(5 Zoo wete dan zekerlijk het gansche huis Israels, dat God hem tot eenen Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus dien gij gekruist hebt. 37 En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het harte, en zeiden tot Petrus en de andere Apostelen: Wat zullen wij doen, mannen broeders? 38 En Petrus zeide tot hen: Bekeert, u, en lt;\'en iegelijk van u worde gedoopt in den naam van Jezus Christus tot vergeving der zonden. en irij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen. 3,.( Want u komt de belofte toe, en uwen kinderen, en allen die daar verre zijn, zoove-len als er de Heere onze God toe roepen zal. -10 En met veel meer andere woorden betuigde hij en vermaande cr, zeggende: Wordt behouden van dit verkeerd geslacht. 41 Die dan zijn woord gaarne aannamen werden gedoopt; en daar werden op dien dag tot hun toegedaan omtrent drieduizend zielen. 42 En zij waren volhardende in de leer der Apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden. 43 Eu eene vreeze kwam over alle ziele, en vele wonderen |
|
16S HANDEL on tcckcren gescliicdden door de Apostelen. 44 En allen die greloofden waren bijéén, en hadden alle dingen gemeen; 45 en zij verkochten hunne goederen en have, en verdeelden dezelve aan allen , naar dat elk van noode had ; 4(5 en dagelijks eendrachtiglijk in den Tempel volhardende , en van huis tot huis brood brekende, aten zij te zamen met verheuging en eenvoudig-hei.1 des harten, 47 en prezen God en hadden genade bij het gansche volk. En de lleere di-ed dagelijks tot de gemeente die zalig werden. HOOFDSTUK 3. Petrus nu en Johannes gingen te zamen op naar den Tempel omtrent de ure des gebeds, zijnde de negende ure. quot; En een zeker man, die kreupel was van zijn moederslijf, werd gedragena welken zij dagelijks zetteden aan de deur des Tempels genaamd de Scboone, om een aalmoes te begenren van degenen die in den Tempel jrimren: 3 welke Petrus en Johannes ziende als zij in den Tempel zouden insaan, bad dat hij een aalmoes mocht ontvangen. 4 En Petrus sterk op hem ziende, met Johannes, zeide; Zie op ons. 5 En hij hi^ld de onr/PK op ben, verwachtende dat hij iets van hen zonde ontvangen. 6 En Petrus zeide; Zilver en goud heb ik niet, maar hetgeen ik heb dat ik u: inden naam van Jezus Christus den Nazare.ner, sta op en wandel. 7 En hem grijpende bij de rechterband, richtte hij hem op; en terstond werden zijne voeten en enkelen vast, 8 en hij opspringende stond en wandelde, en ging met hen in den Tempel, wandelendeen |
[NGEN 3. springende en lovende God. 9 En al het volk zag hem wandelen en God loven; 10 en zij kenden hem dat hij die was, die om een aalmoes gezeten had aan de Scboone poort des Tempels, en zij werden vervuld met verbaasdheid en ontzetting over hetgeen hem geschied was. 11 Eu als de kreupele, die gezond gemaakt was , aan Petrus en Johannes vasthield, liep al het volk gezamenlijk tot hen in het voorhof \'t welk Salomons voorhof genaamd wordt, verbaasd zijnde. 12 En Petrus dat z ende, antwoordde tot het vol ï: Gij Israëlitische mannen, wat. verwondert gij u over uit, of wat ziet gij zon sterk op ons, alsof wij door onze eigene kracht of jfod-zaliïheid dezen hadden doen wandelen ? 13 De God Abrahams en Isa-aks en Jakobs, de God onzer vaderen, heeft zijn kindjezus verheerlijkt, welken gij overgeleverd hebt, en hebt hem verloochend voor het aangezicht van Pilatus, als hij oordeelde dat mcri hem zo ide loslaten ; 14 maar gij hebt den Heilige en \'Rechtvaardige verloochend, en hebt begeerd dat u een man die een doodslager was zoude geschonken worden ; 15 en den Vorst des levens hebt gij gedood : welken God opgewekt heeft uit de dooden, waarvan wij getuigen zijn. 1(gt; En door het geloof in zijnon naam heeft zijn naam dezen gesterkt, dien gij ziet en kent; en het geloof dat door hem is heeft hem deze volmaakte gezondheid gegeven, in u aller tegenwoordigheid. 17 En nn, broeders, ik weet dat gij het door onwetendheid gedaan hebt, gelijk als ook uwe oversten; 18 maar God heeft r.lzóó vervuld hetgeen hij door den mond |
|
van alle zijne Profeten te vo-r^n verkondigd had, dat de Christus lijden zoude. 19 Betert u dan en bekeert u, opdat uwe zonden mogen uit-pewischt worden, wanneer do tijden der verkoeling zullen gekomen zijn van het aange-zioht des llecren, quot;0 en hij gezonden zal hebben Jezus Christus, die u tevoren gepredikt is: 21 welken de hemel moet ontvangen tot de tijden der wc-deroprichtiufj aller dingen, die God ?res])rokcn heeft door den mond van alle zijne heilige Profeten van aVc eeuwe. 22 Want Mozes heeft tot de vaderen gezegd: De Ileere uw God zal u eenen Profeet verwekken uit uwe bnederen gelijk mij: dien zult gij booren in alles wat hij tot u spreken zal; 23 en het zal gesehieden dat alle zif le die dezen Profeet niet zal gehoord hebben, uitgeroeid zal worden uit den volke. 24 En ook alle de Profeten, van Samuël aan en die daarna emlgd zijn, zoovelen als er ebben gesproken, die hebben ook deze dagen te voren verkondigd. 25 Gijlieden zijt kinderen der Profeten, en des Verbonds \'t welk God met onze va-leren opgericht heeft, zeffijende tot Abraham : En in uwen zade zullen alle geslachten der aarde gezegend worden. 26 God opgewekt hebbende zijn kind Jezus , heeft denzel-ven het eerst tot u gezonden, dat hij ulieden zegenen zoude , daatin dat hij een iegelijk van u afkeere van uwe boosheden. HOOFDSTUK 4. En terwijl zij tot het volk spraken, kwamen daarover tot hen de Priesters en de hoofdman des Tempels en de Sadduceërs, [NOEN 4. 169 |
2 zeer ontevreden zijnde, omdat zij het volk leerden en verkondigden in Jezus de opstanding uit de dooden , en zij sloegen de handen aan hen en zettedtn ze in bewaring tot den anderen dag; want het wat nu avond. 4 En velen van degenen die het Woord gehoord hadden geloofden, en het getal der mannen werd omtrent vijfduizend. a En het geschiedde des anderen daags, dat hunne oversten en Ouderlingen en Schriftgeleerden te Jeruzalem vergaderden, (gt; ei» Annas de IToo^epriestor, en Kajafas en Johannes en A-lexander. en zoovelen daar van het Hoogepriesterlijk geslacht waren; 7 en als zij ze in het midden gesteld hadden, vrsagden zij: Door wat kracht of door wat naam hebt gijlieden dit gedaan? 8 Toen zeide Petrus, vervuld zijnde met den Heiligen Geest, tot hen: Gij oversten des volks en gij Ouderlingen Israels , 9 alzoo wij heden gerechtelijk onderzocht worden over de weldaad aan een krank mensch geachicd, waardoor hij gezond geworden is , 10 zoo zij aan u allen kennelijk en aan het gansche volk Israels, dat door den naam van Jezus Christus den ?vaza-rener, dien gij gekruist hebt, welken Godquot; van de dooden heeft opgewekt, door hem zeg ik staat deze hier vóór u gezond. 11 l)o?e is de. steen die van u, de bouwlieden, veracht in, welke tot een hoofd des hoeks geworden is. 12 En de zaligheid is in gee-nen anderen ; want er is ook onder den hemel geen andere naam, die onder de menschen gegeten is, door welken wij moeten zalig worden. i;t Zij nu ziende de vrijmoe- |
|
170 handel: di^bciil van Petnis t-n Johannes , en vernemende dat zij ou-ffeleerde en eenvoudige luen-fchen waren, verwonderden tich. en kenden hen dat zij met Jezus geweest waren ; 14 en ziende den menscb bij hen staan die genezen was, hadden zij niets daartegen te. Jieggen. irgt; En hun geboden hebbende uit te gaan buiten den Raad , overleiden zij met elkander. Ui zeggende: Wat zullen wij dezen menschen doen ? AVant dat er een bekend teeken door hen geschied is, is openbaar aan allen die te Jeruzalem wonen , en wij kunnen het niet loochenen; 17 maar opdat het niet meer en meer onder het volk verspreid worde, laat ons hen scherpelijk dreigen, dat zij niet meer toteenig menscb in dezen naam spreien. 18 En als zij ze geroepen hadden, zeiden zij bun aan, dat zij ganschelijk niet zouden spreken noch leeren in den naam van Jezus. 19 Maar l\'etrus en Johannes antwoordende zeiden tot ben ; Oordeelt gi j of het recht is voor fiod, ulieden meer te hooren dan God ; 20 want wij kumien niet laten te spreken hetgeen wij gezien en geboord hebben. 21 Maar zij dreigden ze nog meer, en lieten ze gaan , niets vindende hoe zij ze atralVen zouden, om des volks wille, want zij verheerlijkten allen God over hetgeen dat er geschied was; 22 want de menscb was meer dan veertig jaren oud, aan welken dit teeken der genezing geschied was. 2:t En zij losgelaten zijnde kwamen tot de bunnen , en verkondigden al wat de Over-priesters en de Ouderlingen tot hen gezegd hadden. 24 En als deze dut hoorden, |
NGEN 4. hieven zij eendrachtiglijk/imbmc stemme op tot God en zeiden: Heere, gij zijt de God die gemaakt hebt den hemel en de aarde, en de zee en alle dingen die in dezelve zijn ; 2.\') die door den mond Davids uws knechts gezegd hebt: Waarom woeden de heidenen en hebben de volken ijdele dingen bedacht? 2(5 De Koningen der aarde zijn te zanten opgestaan, en de oversten zijn bijéénvergaderd tegen den lleere ea tegen zijnen Gezalfde. 27 Want in waarheid zijn vergaderd tegen uw heilig kind Jezus, welken gij gekalfd hebt, beide llerodes en 1\'ontius l\'i-latus, met de heidenen en de volken Israels, 2S om te doen al wat uwe hand en uw raad te voren bepaald had dat geschieden zoude. 29 En nu dun, Hecre, zie op hunne dreigingen, en geef uwen dienstknechten met alle vrijmoedigheid uw Woord te spreken, :\'.0 daarin dat gij uwe band uitstrekt tot genezing, en dat teekenen en wonderen geschieden door den naam van uw heilig kind Jezus. :{I En als zij gebeden hadden , werd de plaats in welke zij vergaderd waren bewogen , en zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en spraken bet Woord Gods met vrijmoedigheid. .\'12 En der menigte van degenen die geloofden was één hart en ééne ziel, en niemand zeide dat iets van hetgeen hij had zijn eigen was, maar alle dingen waren hun gemeen. 33 En de Apostelen gaven met groote kracht getuigenis van de opstanding des Heeren Jezus; en daar was groote genade over hen allen. :{4 Want daar wa^ ook niemand onder hen Jie gebrek had ; want zoo velen als er be- |
|
HANDEL zifters waren van landen of huizen, «Ue verkochten zij , t n brachten den prijs der verkochte yocderen en leiden (/ieu aan de voeten der Apostelen; nr, en aan een ieirelijk werd uitgedeeld naar dat elk van noode had. 3(gt; En Joses. van de Apostelen toejfenaamd Barnabas (\'t welk is, overbezet zijnde, een zoon der vertroostinjc), een Leviet, van geboorte uit Cyprus, :lt;7 alzoo hij eenen akker had, verkocht dien, en bracht het geld en leide het aan de voeten der Apostelen. HOOFDSTUK 5. En een zeker man met name Ananias, met Satlira zijne vrouw, verkocht eene have , 2 en onttrok van den prijs, ook met medeweten zijner vrouw, en bracht een zeker deel en leide Jut aan de voeten der Apostelen. En Petrus zeide: Ananias, waarom heeft de fatan uw harte vervuld, tlat sü den Heiligen Geest liegen zoudt en onttrekken van den prijs des lands ? •1 Zoo het gebleven was, bleef het niet uwe, en verkocht zijnde, was het niet in uwe macht? Wat is het dat gij deze daad in uw hart hebt voorgenomen ? Gij hebt den menschen niet gelogen maar Gode. 5 En Ananias deze woorden hoorende viel neder en gaf den geest. En daar kwam groote vreeze over allen die dit hoorder. (gt; En de jongelingen opstaande schikten hem toe, en droegen hem uit, en begroeven //cm. 7 En het was omtrent drie uren daarna, dat ook zijne vrouw daar inkwam, niet wetende wat er geschied was. S En Petrus antwoordde haar: Zeg mij, hebt gijlieden het |
INGEN 5. 171 land voor zóóveel verkocht? En zij zeide: Ja, voor zóóveel. 9 En Petrus zeide tot haar: Wnt is het dat gij onder u hebt overééngestemd te verzoeken den Geest des Heeren ? Zie, de voeten dergenen die uwen man begraven hebben ziin voor de deur, en zullen u uitdragen. 1(1 Eu zij viel terstond neder voor zijne voeten, en gaf den geest; en de jongelingen ingekomen zijnde vonden ze dood, en droegen se uit, en begroeven :f bij haren man. 11 En danr kwam groote vree-ze over de geheele gemeente en over allen die dit hoorden. 12 En door de Landen der Apostelen geschiedden vele teekeneu en wonderen onder het volk. Eu zij waren allen eendrachtiglijk in üet voorhof Salomo\'s. Ki\'En van de anderen durfde niemand zich bij hen voegen. Maar het volk hield ze in groote achting; 14 en daar werden er meer en meer toegedaan die den Heere geloofden, menigten beide van mannen en van vrouwen: 15 alzoo dat zij de kranken uitdroegen op de straten en leiden op bedden en beddekens, opdat als Petrus kwam, ook maar de schaduw iemand van hen beschaduwen mocht. 10 En ook de menigte uit de omliggende steden kwam gezamenlijk te Jeruzalem, brengende kranken en die van onreine geesten gekweld waren, welke allen genezen werden. 17 En de lIoo;;epriester stond op, en allen die met hem waren, (welke was de sekte der Sadduceërsl, en werden vervuld met nijdigheid, 18 en sloegen hunne handen aan de Apostelen, en zetteden ze in de algemeene gevangenis. 19 Maar de Engel des Heeren opende des nachts de deuren |
|
172 HANDEL] der gevangenis, en leidde ze uit, en zeide: 20 Gaat henen, en staat en spreekt in den Tempel tot liet volk alle de woorden dezes levens. 21 Als zij nu dit gehoord hadden, ginjren zij tegen den morgenstond in den Tempel en leerden. Maar de Hoogepries-ter, en die met hem waren, gekomen zijnde riepen den llaad te zamen, en alle de oudsten der kinderen Israels, en zonden naar den kerker om hen te halen. 22 Doch als de dienaars daar kwamen, vonden zij hen in de gevangenis niet. maar keerden weder en boodschapten dit, 23 zeggende: Wij vonden wel den kerker met alle verzekerdheid toegesloten, en de wachters buiten staande voor de deuren, maar als wij die geopend hadden, vonden wij niemand daar binnen. 24 Toen nu de Jiooi/epriester en de hoofdman des Tempels en de O verpriesters deze woorden hoorden, werden zij twijfelmoedig over hen, wat toch dit worden zoude. 20 En daar kwam een en boodschapte hun, zeggende: Zie, de mannen die gij in de gevanzenis gezet hebt staan in den Tempel en leeren het volk. 20 Toen ging de hoofdman henen met de dienaren, en bracht ze, doch niet met geweld; (want zij vreesden het volk, opdat zij niet gesteenigd ■wierden); 27 en als zij hen gebracht hadden,stelden zii ze voor den Kaad; en de Iloogepricster vraagde hen en zeide: 28 Hebben wij u niet ernstig-lijk aangereed dat jrij in dezen naam niet zoudt leeren? En zie, irij hebt met deze uwe leer Jeruzalem vervuld, en gij wilt het bloed van dezen mensch over ons brengen. 2U Maar Petrus en de Apos- |
NGEN 5. telen antwoordden en zeiden: Men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan den menschen. .10 De God onzer vaderen heeft Jezus opgewekt, welken gij omgebraclit hebt, hangende hem aan het hout. .quot;51 Dezen heeft God door zijne rechter//an^ verhoogd tot cenen Vorst en Zaligmaker, om Israel te geven bekeering en vergeving der zonden. :i2 En wij zijn zijne getuigen van deze woorden, en ook de Heilige Geest, welken God gegeven heeft dengenen die hem gehoorzaam zijn. 3:t Als zij nu ilit aoorden borst hun het hart, en zij hielden raad om hen te dooden. 34 Maar een zeker Earizcër stond op in den Kiad, met name Gamaliel, een leeraar der wet, in waarde gehouden bij al het volk, en gebood dat men de Apostelen een weinig zoude doen buitensffl«Jt, 35 en zeide tot hen: Gij Israëlitische. mannen, ziet vóór u, wat gij doen zult aangaande deze menschen. 36 Want vóór deze dagen stond Theudas op, zeggende dat hij wat was, dien een getal van omtrent vierhonderd mannen aanhing: welke is omgebracht, en allen die hem gehoor gaven zijn verstrooid en tot niet geworden. 37 Na hem stond óp Judas de Galileër, in de dagen der beschrijving. en maakte veel volk afvallig achter zich; en deze is óók vergaan, en allen die hem gehoor gaven zijn verstrooid geworden. _ 33 En nuzegikulicden,houdt af van deze menschen en laat ze gunn ; want indien deze raad of dit werk uit mtnschen is, zoo zal het gebroken worden; 39 maar indien he;, uit God is, zoo kunt gij dat niet breken: opdat gij niet misschien gevonden wordt ook tegen God te strijden. |
|
HANDELI 40 En zij gaven hem gehoor; cn als zij de Apostelen tot zich geroepen hadden, geeselden zij dezelve en geboden hun dat ze niet zouden spreken in den naam van Jezus, cn lieten ze gaan. •11 Zij dan gingen henen van het aangezicht de5! Raads, verblijd zijnde dat zij waren waardig geacht geweest, om zijns naams wille smaadheid te lijden ; 42 en zij hielden niet öp alle dagen in den Tempel en bij de huizen te leeren cn Jezus Christus te verkondigen. HOOFDSTUK 6. En in dezelfde dagen, «als de discipelen vermenigvuldigden, ontstond ecne murmureering der Griekschen tegen de Hebrcürs, omdat hunne weduwen in de dagelijksche bediening verzuimd werden. 2 lin de twaalve riepen de menigte der discipelen tot zich, en zeiden: He» is niet hebocr-lijk dat wij het Woord Gods nalaten en de tafelen dienen. 3 Ziet dan om, broeders, naar zeven mannen uit u, die goede getuigenis hebben, vol des II ei-ligen Gcestes en der wijsheid, welke wij mogen stellen over deze noodigc zake; 4 maar wij zullen volharden in het gebed en in de bediening des Woords. 5 En dit woord behaagde aan al de menigte ; en zij verkozen Sfefanus, eenen man vol des geloofs en des Heiligen Gcestes, en Filippus. en Prochorus, en Nicanor, en Timon, en Parmenas, en Kicolaüs, eenen Jodengenoot van Ant ochie; (gt; welke zij voor de Apostelen stelden; rn deze, als zij gebeden hadden, leiden hun de handen op. 7 En het Woord Gods wies, en het getal der discipelen vermenigvuldigde te Jeruzalem |
S\'GEN 6, 7. 1/3 zeer, en ecne grootc schare der Friesteren werd den ge-loove gehoorzaam. 8 En Stefan us, vol geloof en kracht, deed wonderen en grooteteekenen onderhetvolk. 9 En daar stonden öp sommigen die waren van de Synagoge genaamd der Libertijnen, en der Cyrenecrs, en der Alexandrijnen, en dergenen die van Cilicië en Azië waren, en twistten met Stefanus; 10 en zij konden niet weder-staan de wijsheid en den Geest door welken hij sprak. 11 Toen maakten zij mannen op die zeiden: Wij hebben hem hooren spreken lasterlijke woorden tegen Mozes en God; 12 en zij beroerden het volk en de Ouderlingen en de Schriftgeleerden, en hem aanvallende grepen zij hem en leiden hem voor den Kaad, 13 en stelden valsche getuigen die zeiden : Deze mensch houdt niet öp lasterlijke woorden te spreken tegen deze heilige plaats en de wet; 14 want wij hebben hem hooren zeggen, dat deze Jezus de Nazarener deze plaats zal verbreken, cn dat hy de zeden veranderen zal die ons Mozes overgeleverd heeft. 15 En allen die in den Kaad zaten, de oogen op hem houdende, zagen zijn aansezicht als het aangezicht eens Engels. HOOFDSTUK 7. En de Hoogepriester zcide: Zijn dan deze dingen alzóó? *- En hij zeide- Gij mannen broeders en vaders , hoort toe. De God der heerlijkheid verscheen onzen vader Abraham nog zijnde in Mesopotamiü, eer hij woonde in Haran, 3 en zeide tot hem: Ga uit uw land en Uit uw maagschap, cn kom in een land dat ik u wijden zal. 4 Toen ging hij uit het land |
|
174 HANDEL «ler Clialtlcërs, en woonde in Hnran. En vandaar, nadat zijn vader gestorven was, bracht hij hem over in dit Itind, waar gij nn in woont; 5 cn liij gaf hem treen erfdeel in hetzelve, ook niet eenen voetstap, cn beloofde dat hij hem hetzelve tot ecne bezitting «even zoude, cn aan zijn zaad na hem, als hij noy geen kind had. 6 En God sprak alzóó, dat zijn zaad vreemdeling zijn zoude in een vreemd land, cn dat zij het zouden dienstbaar maken en kwalijk behandelen vierhonderd jaren; 7 cn het volk dat zij dienen zullen zal ik oordcelcn, sprak God, cn daarna zullen zij uitgaan , en zij zullen mij dienen in deze plaats. 8 En hij gaf hem het verbond der besnijdenis; en alzóó gewon hij Isaiik, en besneed hem op den achtsten dag ; en Isaiik yewon Jakob, en Jakob de twaalf Patriarchen. 9 En de Patriarchen nijdig zijnde verkochten Jozef om naar Egypte gebracht te worden ; cn God was met hem, 10 en verloste hem uit alle zijne verdrukkingen, en gaf hem genade en wijsheid voor Farao den Koning van Egypte; en bil stelde hem tot een overste over Egypte enzyn geheele huis. 11 En daar kwam cenhonpers-nood over het geheele land van Egypte en Kanaamp;n, en grootc benauwdheid, cn onze vaderen vonden geen spijze. 12 Maar als Jakob hoorde dat in Esryple koren was, zond hij onze vaderen de eerste maal uit: 13 en in de tweede reis werd Jozef zijnen broederen bekend, en het ecslacht van Jozef werd aan Farao openbaar. 14 En Jozef zond henen en ontbood zijnen vader Jakob, en «l zijn geslacht, bestaande in vijfenzeventig zielen. |
NGEN 7. 15 En Jakob kwam af in Egypte, en stierf, hij zelf en onze vaderen; 1(gt; en zij werden overgebracht naar Sichem , cn gelegd in het graf, hetwelk Abraham gekocht had voor ecn« som gclds van de zonen van Ilemor, den voder van Sichem. 17 Maar als nu de tijd der belofte, die God aan Abraham gezworen had, genaakte, wies het volk ,en vermenigvuldigde in Egypte; 13 totilat een ander Koning opstond, die Jozef quot;niet gekend had. 19 Deze gebruikte listigheid tegen ons geslacht, en handelde kwalijk met onze vaderen , zoodat ze hunne jonge kinderen moesten wegwerpen, opdat zij niet zouden voorttelen. 20 In welken tijd Mozes werd geboren, en was uitnemend schoon; welke drie maanden opgevoed werd in het huis zijns vaders; 21 cn als hij weggeworpen was, nam hem de dochter van Farao op , cn voelde l-.em voor zichzelve op tot centn zoon. 22 En Mozes werdonderwezen in alle wijsheid der Egyptena-ren, cn was machtig in woorden en in werken. 23 Als hem nu de tiid van veenig jaren vervuld wis, kwam hem in zyn hart zijne broeders de kinderen Israël» te bezoeken. 24 En ziende eenen die onrecht leed, beschermde hü hem, en wreekte dengene dien overlast geschiedde, en versloeg den Egyptenaar. 25 En hij meende dat zijne broeders zouden verstaan,dat God door zijne baud hun verlossing geven zouce ; maar zij hebben het niet verstaan. 2lt;gt; En den volgenden dag werd hij van hen gezien daar zij vochten , en hij drong ze tot vrede , zeggende: Mannen, gij |
|
uandel: zijt broeders: waarom doet gij elkander ongelijk? 27 En die zijnen naaste on-geliik deed verstiet hem,zejj-Kende: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld ? 28 Wilt srij mii óók ombrengen, gelykerwijs gij gi?teren den Egyptenaar omgebracht hebt? 29 En Mozcs vluchtte op dat •woord, en werd een vreemdeling in het land Midikn, waar hij twee zonen gewon. :5b En als veertig jaren vervuld waren, verscheen hem dc Engel des Ileeren in de woestijn van den berg Sinaï, in een vlammig vuur van het doornbosch. 31 Mozes nu dat ziende verwonderde zich over het gezicht; en als hij derwaarts {ïin? om dat te bezien, zoo geschiedde eene stem des Ileeren tot hfin, 32 zengende: Ik ben de God uwer vaderen, de God Abrahams en de G^d Isaiiks en de God .Takobs. En Mozes werd zeer bevende, en durfde het niet bezien. 33 Eu de llcerezeide tot hem: Ontbind de schoenen van uwe, voeten, want de plaats in welke gij staat is heilig land. .\'14 Ik heb duidelijk gezien de mishandeling mijiis volks dat in Egypte is, en ik heb hun zuchten gehoord, en ben nc-dergekomen om hen daar \\iit te verlossen; en nu kom herwaarts, ik zal u naar Egypte zenden. 35 Dezen Mozes welken zij verloocliend hadden, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter gesteld ? dezen , zeg iamp;, heeft God tot eenen overste en verlosser gezonden door de hand des Engels die hem verschenen was in het doornbosch. 3S Deze heeft hen uitgeleid , doende wonderen en teckenen in \'t land van Egypte eu in dc |
S\'GEN 7. 175 Roode zee, en in dc woestijn, veertij: jaren. 37 Deze is de. Mozes, die tot de kinderen Israels gezesd heeft: De Heere uw God zal u eenen Profeet verwekken uit uwe broederen gelijk mij: dien zult gij hooren. 38 Deze is het die in de vergadering de* volks in de woestijn was met den En^el die tot hem sprak op den berg Sinaï, en met onze vaderen ; welke dc levende woorden ontving, om ons die te geven; .\'i\'J denwelken onze vaderen niet wilden gehoorzaam zijn , maar verwierpen hem, en keerden met hunne harten weder naar Egypte, 40 zeggende tot AJiron: Maak ons goden die voor ons henen-gaan; want wat dezen Mozes (taugant, die ons uit het land van Egypte geleid heeft, wij weten niet wat hem geschied is. 41 En zij maakten een kalfin die dagen, en brachten offerande tot den afgod,en verheugden zich in de werken hunner han-den. 42 En God keerde zich , en gaf hen over dat zij het heir des hemels dienden, gelijk geschreven is in het boek der Profeten: Hebt gij ook slachtofferen en offeranden mij opgeoffet-d, veertig jaren in de woestijn, gij huis Israels? 4!{ Ja, gij hebt opgenomen den tabernakel Molochs, en het gesternte uws Gods Rcmfan, dc afbeeldingen die srij gemaakt hebt om die te aanbidden ; en ik zal u overvoeren op gene zijde van Babylociü. 44 De Tabernakel der getui-genis was onder onze vaderen in de woestijn, gelijk geordineerd had hij die tot Mozcs zei-de, dat hij denzelven maken zoude naar de afbeelding die hij gezien had: 4-5 welken ook onze vaderen ontvangen hebbende, met Jo- |
|
1?6 HANDEI Jozua gebracht hebben in het land dat de heidenen bezaten, die God verdreven heeft van het aangezicht onzer vaderen, tot de dagen Davids toe: 4(5 dewelke voor God genade gevonden heeft, en begeerd heeft te vinden een woonstede voor den God Jakobs. 47 En Salomo bouwde hem een Huis. 4S Maar de Allerhoogste woont niet in tempelen met handen gemaakt, gelijk de Profeet zegt; 49 De hemel is mij een troon, en de aarde een voetbank mijner voeten; hoedanig Huis zult gij mij bouwen, zest de lleere, of welke is de plaats mijner ruste. 50 Heeft niet mijne hand alle deze dingen gemaakt? 51 Gij hardnekkigen en onbe-snedenen van harte en ooren , gij wederstaat altijd den Heiligen Geest, gelijk uwe vaderen alzóti ook gij. 52 Wien van de I\'rofeten hebben uwe vaderen niet vervolgd? En zij hebben gedood degenen die te voren verkondigd hebben de komst des Rechtvaardigen, van welken gijlieden nu verraders en moorders geworden zijt, ó.T^rij die de wet ontvangen hebt door bestellingen der Engelen, en hebt ze niet gehouden. 54 Als zij nu dit hoorden, borsten hunne harten en zij knersten de tanden tegen hem. 55 Maar hij vol zijnde des Heiligen Geestes, en de oogen houdende naar den hemel, zag de heerlijkheid Gods , en Jezus staande ter rechter/lt;anrf Gods; 5ü en hij zeide; Zie, ik zie de hemelen geopend, en den Zoon des menschen staande ter rech-terhand Gods. 57 Maar zij roepende met groote stem, stopten hunne ooren, en vielen eendrachtiglijk op hem aan, |
LNGEN 8. 58 en wierpen hem ter stad uit, en steenigden hem. En de getuigen leiden hunne kleederen af aan de voeten eens jon-gelings genaamd Saulus, 59 en zij steenigden Stefa-nus, aanroepende en zeggende: lleere Jezus, ontvang mijnen geest. (i0 En vallende on de knieën riep hij met groote stem: Hee-re, reken hun deze zonde niet toe. En als hij dal. gezegd had .ontsliep hij. HOOFDSTUK 8. En Saulus had mede een welbehagen aan zijnen dood. En daar werd te dien dage eenc groote vervolging tegen de gemeente die te Jeruzalem was, en zij werden allen verstrooid door de landen van Ju-déa en Samaric, behalve de Apostelen. 2 En mtJ/;figndvruchtigc mannen droegen Stefanu? tezamen ien grave, en maakten grooten rouw over hem. 3 En Saulus verwoestte de gemeente, gaande in de huizen; en trekkende mannen en vrouwen, leverde hij ze over in de gevangenis. 4 Zij dan nu die verstrooid wareu «ringen het land door en verkondigden het Woord. 5 En Filippus kwam af in de stad van Samarie, en predikte hun Christus. (i En de scharen hielden zich eendrachtiglijk aan hetgeen van Filippus gezegd werd, dewijl zij hoorden er zagen de teekenen die hij deed. 7 Want van velen die onreine geesten hadden gingen dezelve uit, roepende met groote stem, en vele geraakten e.i kreupelen werden genezen; 8 en daar werd groote blijdschap iu die stad. 9 En een zeker min met name Simon was te voren in de stad plegende tooverij , en verruk- |
|
kende de zinnen des volks van Samarië, zeggende van zich-zelven dat hij wat groots was; 10 welken zij allen aanhingen, van den kleine tot den groote, zeggende: Deze is de groote kracht Gods. 11 En zij hingen hem aan, omdat hij eenen langen tijd met tooverijen hunne zinnen verrukt had. 12 Maar toen zij Filippns geloofden , die het Evangelie van het Koninkrijk Gods en van den naam van Jezus Christus verkondigde, werden zij gedoopt, beide mannen en vrouwen. 13 En Simon geloofde ook zelf, en gedoopt zijnde bleef gedurig bij Filippus; en ziende de teekenen en groote krachten die daar geschiedden , ontzette hij zich. 14 Als nu de Apostelen die te Jeruzalem waren hoorden, dat Samarië het woord Gods aangenomen had, zonden zij tot hen Petrus en tTohannes, 15 dewelke afgekomen zijnde baden voor hen, dat zij den IIoi-ligen Geest ontvangen mochten; 16 (want hij was nog op niemand van hen gevallen, maar zij waren alleen gedoopt in den naam des Heeren Jezus.) 17 Toen leiden zij de handen op hen, en zij ontvingen den Heiligen Geest. 18 En als Simon zag dat door de oplegging van de handen der Apostelen de Heilige Geest gegeven werd, zoo bood hij hun geld aan, 19 zesgende: Geeft ook mij deze macht, opdat zoo wien ik de handen opleg, hij den Heiligen Geest ontvansre. 20 Maar Petrus zeide tot hem: Uw geld zij met u ten ver-derve, omdat gij gemeend hebt dat de gave Gods door geld verkregen wordt. 21 Gij hebt geen deel noch lot |
[NGEN 8. 177 in dit woord, want uw hart is niet recht voor God. 22 Bekeer u dan van deze uwe boosheid, en bid God, of misschien u deze overlegging uws harten vergeven wierd, 23 want ik zie dat gij zijt in eene gansch bittere gal en samenknooping der ongerech-tiïheid. 24 Doch Simon antwoordende zeide: Bidt gijlieden voor mij tot den Heere, opdat niets over mij kome van hetgeen gij gezegd hebt. 25 Zij dan nu, als zij het Woord des Ileercn betuigd en gesproken hadden, keerden weder naar Jeruzalem, en verkondigden het Evangelie in vele vlekken der Samaritanen. 2(i En een Engel des Heeren sprak tot Filippus, zeggende: Sta op en ga henen tegen het Zuiden, op den weg die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza, welke woest is. 27 En hij stond op en ging henen. En zie, een Moorman, een kamerling en een machtig heer van Candacé de Koningin der Mooren, die over al haren schat was, welke was gekomen om aan te bidden te Jeruzalem : 28 en hij keerde wederom, en zat op zijnen wagen, en las den Profeet Jesaja. 29 En de Geest zeide totFilip-us: Ga toe en voeg u bij ezen wagen. 30 En Filippus liep toe, en hoorde hem don Profeet Jesaja lezen, en zeide: Verstaat gij ook hetgeen gij leest? 31 En hij zeide: Hoe zoude ik toch kunnen, zoo mij niet iemand onderricht? En hij bad Filippus dat hij zoude opkomen en bij hem zitten. 32 En de plaats der Schriftuur die hij las was deze: Hij ia gelijk een schaap ter slachting geleid; en gelijk een lam stem-meloos is voor dien die het |
HANDELINGEN 9.
|
scheert, alzóó doet hy zijnen mond niet open. In zijne vernedering ia zijn oordeel weggenomen, en wie zal zijn geslacht verhalen ? Want zijn leven wordt van de aarde weggenomen. 34 En de kamerling antwoordde Filippus en zeide: Ik bid u, van wien zegt de Profeet dit, van zichzelven of van iemand anders ? 35 En Filippus deed zijnen mond open, en beginnende van die Schrift, verkondigde hem Jezus. 36 En als zij overweg reisden, kwamen zij aan een zeker water, en de kamerling zeide: Zie daar water; wat verhindert mij gedoopt te worden? 37 En Filippus zeide: Indien gij van ganscher harte gelooft, zoo is het geoorloofd. En hij antwoordende zeide: Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon Gods is. 38 En hij gebood den wagen stil te houden, en zij daalden beiden af in het water, zoo Filippus als de kamerling, en hij doopte hem. 39 En toen zij uit het water waren opgekomen, nam de Geest des Heeren Filippus weg, en de Kamerling zag hem niet meer; want hij reisde zijnen weg met blijdschap. 40 Maar Filippus werd gevonden te Azótus; en het land doorgaande, verkondigde hij het Evangelie in alle steden, totdat hy te Ceaaréa kwam. HOOFDSTUK 9. En Saulus blazende nog dreiging en moord tegen de discipelen des Heeren, ging tot den Hoogepnester, 2 en begeerde brieven van hem naar Damascus aan de Synagogen, opdat zoo hij eeni-gèn die van dien weg waren vond, hij dezelve * beide mannen en vrouwen, zoude gebonden brengen naar Jeruzalem. |
3 En als hij reilde is het geschied dat hij nabij Damascus kwam, en hem omscheen snel-lijk een licht van den hemel; 4 en ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij eene stem die tot hem zeide: Saul,Saul, wat vervolgt gij mij? 5 En hij zeide; Wie zijt gij Heere? En de Heere zeide: Ik ben Jezus, dien gy vervolgt: het is u hard de verzenen tegen de prikkels te slaan. 0 En hij bevende en verbaasd zijnde, zeide: Heere, wat wilt gij dat ik doen zal? En de Heere zeide tot hem: Sta op en ga in de stad. en u zal al; daar gezegd worden wat gij doen moet. 7 En de mannen die met hem overweg reisden stonden verbaasd, hoorende wel de stem maar niemand ziende. 8 En Saulus stoi d op van de aarde; en als hij zijne oogen opendeed, zag hij niemand; en zij hem bij de hand leidende, brachten hem te Dimascus. 9 En hij was drie dagen dat hij niet zag, en at niet en dronk niet. 10 En daar was een zeker discipel te Damascus, met name Ananias; en de Heere zeide tot hem in een gezicht: Ananias! En hij zeide: Zie hier ben ik , Heere. 11 En de Heere zeide tot hem: Sta op. en ga in de straat genaamd de Rechte, en vraag in het huis var Judas naar eenen , met name Saulus van Tarsus ; want zie, hij bidt, 12 en hij heeft in een gezicht gezien, dat een man met name Ananias inkwam en hem de hand opleide, opdat hij wederom ziende werd 13 En Ananias antwoordde; Heere, ik heb uit velen gehoord van dezen man, hoeveel kwaad hij uwen heiligen in Jeruzalem gedaan heeft; 14 en hij heeft hier macht van |
|
de Overpriesters, om te binden allen die uwen naam aanroepen.\' 15 Maar de Hcere zeide tot hem: Ga henen, want deze ia mij een uitverkoren vat, om mijnen naam te drasen voor de heidenen en de Koningen en de kinderen Israels; 16 want ik zal hem toonen hoeveel hij lijden moet om mijnen naam. 17 En Ananias Ring henen en kwam in het huis, en de han -den op hem leggende, zeide hij : Saul, broeder, de Ileere heeft mij gezonden, namelijk Jezus die u verschenen is op den weg dien gij kwaamt, opdat gii weder ziende en met den Heiligen Geest vervuld zoudt worden. 18 En terstond vielen af van zijne oogen gelijk als schellen, en hij werd terstond wederom ziende, en stond op, en werd gedoopt; 19 en ala hij spijze genomen had, werd hij versterkt. En Saulus was sommige dagen bij de discipelen die te Damascus waren; 20 en hij predikte terstond Christus in de Synagogen, dat hij de Zoon Gods is. 21 En zij ontzetteden zich allen, die het hoorden , en zeiden : Ts deze niet degene die te Jeruzalem verstoorde die dezen naam aanriepen, en die daarom hier gekomen is, opdat hij dezelve gebonden zoude brengen tot de Over-priesters ? 22 Doch Saulus werd meer en meer bekrachtigd, en overtuigde de Joden die te Damascus woonden, bewijzende dat deze de Christus is, 23 En als vele dagen verloo-pen waren, zoo hielden de Joden te zamen raad om hem te dooden; 24 maar hunne lage werd Saulus bekend. En zij bewaarden de poorten, beide des |
IN GEN 9. 179 daags en des nacht?, opdat zij hem dooden mochten; 25 doch de discipelen namen hem des nachts en lieten hem neder door den muur, hem af-, latende in eene mand. 20 Saulus nu te Jeruzalem gekomen zijnde, poogde zich bij de discipelen te voegen; maar zij vreesden hem allen, niet geloovende dat hjj een discipel was. 27 Maar Barnabas hem tot zich nemende, leidde hem tot de Apostelen, en verhaalde hun hoe hij op den weg den Ileere gezien had, en dat hij tot hem gesproken had, en hoe hij te Damascus vrijraoediglijk gesproken had in den naam van Jezus. 28 En hij was met hen ingaande en uitgaande te Jeruzalem ; 29 en vrijmoediglijk sprekende in den naam des Heeren Jezus, sprak hij ook en handelde tejren deGriekscheJodew; maar deze trachtten hem te dooden. 30 Doch de broeders dit verstaande, geleidden hem tot Cesar^a, en zonden hem af naar Tarsus. 31 De gemeenten dan door geheel Jud^a en Galil^a en Saraarie hadden vrede, en werden gesticht; en wandelende in de vreeze des Heeren en de vertroosting des Heiligen Gees-tcs, werden vermenigvuldigd. 32 En het geschiedde als Petrus alom doortrok, dat hij ook afkwam tot de heiligen die te Lydda woonden. 33 Enquot; aldaar vond bij een zeker mensch met name Eneas, die acht jaren te bed gelegen had. welke was geraakt. 34 En Petrus zeide tot hem: Eneas, Jezus Christus maakt u gezond; sta op en spreid uzelven het bed. En hij stond terstond op. :i5 En zij zagen hem allen die te Lydda en Saróna woonden , |
|
180 HANDEL «lcwelke zich bekeerden tot den Heere. 3ü En te Joppe was eene zekere discipelin met name Ta-bitha, hetwelk overgezet zijnde is gezegd Dorcas. Deze was\' vol van fjoede werken en aalmoezen die zij deed. ;J7 En het geschiedde in die dagen dat zij krank werd en stierf; en als zij ze gewasschen hadden, leiden zij haar in de opperzaal. 38 Enalzoo Lydda nabij Jon-pe was, de discipelenboorende dat Petrus aldaar was, zonden twee mannen tot hem , biddende dat hij niet zoude vertoeven tot hen over te komen. 39 En Petrus stond openging met hen; welken zij, als hij daar gekomen was, in de opperzaal leidden ; en alle de weduwen stonden bij hem wee-nende en toonende de rokken cn kleederen, die Dorcas ge-maakt had als zij bij haar was. •10 Maar Petrus hebbende Aen allen uitgedreven , knielde neder en bad; en zich keerende tot het lichaam zeide hij: Ta-bitba, sta op. En zij deed hare oogen open, en Petrus gezien hebbende zat zij overeind; 41 en hij gaf haar de hand en richtte ze op, en de heiligen en de weduwen geroepen hebbende, stelde hij ze levend vóór tien. 42 En dit werd bekend door geheel Joppe , en velen geloofden in den Heere. 43 En het geschiedde dat hij vele dagen te Joppe bleef bij eenen zekeren Simon, eenen lederbereider. HOOFDSTUK 10. En daar w^s een zeker man te Cesarf-a met name Cornelius, een hoofdman over bonderd, nit de bende genaamd de Ita-liaansche, 2 godzalig, en vreezende God met geheel zijn huis, en doen- |
[N6EN 10. de vele aalmoezen aan het volk, en Godgeduriglijkbiddende. 3 Deze zag in een gezicht klaarlijk omtrent de negende ure des daa?s een Engel Gods tot hem inkomen, en tot hem zeggende: Cornelius! 4 En hij dc oogen op hem houdende , en zeer bevreesd geworden zijnde, zeide: Wat is bet, Heere? En hij zeide tot hem: Uwe gebeden en uwe aalmoezen zijn lot gedachtenis opgekomen voor God. 5 En nu, zend mannen naar Joppe, en ontbied Simon die toesenaamd wordt Petrus: fi deze ligt te huis bij eenen Simon, lederbereider, die zijn huis heeft bij d?zee; deze zal u zegden wat gi doen moet. 7 Én als de Engel die tot Cornelius sprak weggegaan was, riep bij twee van zijne huisknechtfn, en eenen godzaligen krijgsknecht van degenen die gedurig bij hem waren; 8 en als hij hun alles verhaald had, zond hij ze naar Joppe. 9 En des anderen daags, terwijl deze reisden en nabij de stal kwamen, klora Petrus op het dak om te bidden, omtrent de zesJe ure. 10 En hij werd hongerig en beseerde te eten; en terwyl zij het bereidden, overviel hem eene vertrekking van zinnen , 11 en hij zag den hemel geopend, en een zeker vat tot hem nederdalen, gelijk een groot linnen laken, aan de vier hoeken cebonden, en ne-dergelaten op de aarde; 12 in hetwelk waren alle de viervoetige dieren der aarde, en de wilde en de kruipende dieren, en de vogelen des hemels. 13 En daar geschiedde eene stem tot hem : Sta öp Petrus , slacht en eet. 14 Maar Petrus zeide: Geens- |
|
zins Heere; want ik heb nooit gegeten iets dat gemeen of onrein was. 15 En eene stem geschiedde wederom ten tweeden male tot hem: Hetgeen God gereinigd heeft zult gij niet gemeen maken. 16 En dit geschiedde tot driemaal ; en het vat werd wederom opgenomen in den hemel. 17 En als Petrus hy zichzel-ven twijfelde, wat toch het gezicht mocht zijn dat hij gezien had, zie, de mannen die van Cornelius afgezonden waren, gevraagd hebbende naar het huis van Simon, stonden aan de poort; 18 en iemand geroepen hebbende vraagden zij, of Simon toegenaamd l\'etrus daar te huis lag. 19 En als Petrus over dat gezicht naJacht, zcide de Geest tot hem: Zie, drie mannen .zoeken u: 20 daarom sta op, ga af, en reis met hen, niet twijfelende; want ik heb hen gezonden. 21 En Petrus ging af tot de mannen die van Cornelius tot hem gezonden waren, en zeide: Zie, ik ben het dien gij zoekt ; wat is de oorzaak waarom gy hiep zyt? 22 En zü zeiden: Cornelius, een hoofdman over honderd, een rechtvaardig man, en vree-zende God, en aie goede getuigenis heeft van het gansche volk der Joden, is door Goddelijke openbaring vermaand van eenen heiligen Engel, dat hij u zoude ontbieden te zijnen huize, en dat hij van u woorden der zaligheid zoude hooren. 23 Als hij ze dan ingeroepen had, ontving hij ze in huis. Doch des anderen daags ging Petrus met hen henen, en sommigen der broederen die van Joppe waren gingen met hem. 24 En des anderen daags kwamen zij te Cesaréa. En Corne- |
NGEN 10. 181 lius verwachtte hen, te zamen geroepen hebbende die van zijn maagschap en byzonderste vrienden. 25 En als het geschiedde dat Petrus inkwam, ging hem Cornelius tegemoet, en vallende aan zijne voeten aanbad hij. 2G Maar Petrus richtte hem op, zeggende: Sta op, ik ben ook zelf een mensch. 27 En met hem sprekende ging hij in, en vond er velen die samengekomen waren; 28 ea hy zeide tot hen: Gij weet hoe het eenen Joodschen man ongeoorloofd is, zich te voegen of te gaan tot eenen vreemde; doch God heeft mij getoond dat ik geen mensch zoude gemeen of onrein hee-ten. 29 Daarom ben ik ook zonder tegenspreken gekomen, ontboden zijnde. Zoo vraag ik dan, om wat reden gijlieden mij hebt ontboden? .\'iO En Cornelius zeide: Vóór vier dagen was ik vastende tot deze ure toe, en ter negende ure bad ik in mijn huis; 31 en zie, een man stond vóór mij in een blinkend kleed, en zeide: Cornelius, uw gebed is verhoord en uwe aalmoezen zijn voor God gedacht geworden. 32 Zend dan naar Joppe, en ontbied Simon die toegenaamd wordt Petrus: deze ligt te huis in het huis van Simon den lederbereider aan de zee, welke hier gekomen zijnde tot u spreken zal. 33 Zoo heb ik dar. van stonde aan tot u gezonden, en gij hebt wèl gedaan dat gij hier gekomen zijt. quot;Wij zyn dan allen nu hier tegenwoordig voor God, om te hooren al hetgeen u van God bevolen is. 34 En Petrus den mond opendoende zeide: Ik verneem in der waarheid, dat God geen aannemer des persoons is; 35 maar in allen volke die hem |
|
ISO HANDEL «lowelke zich bekeerden tot den Heere. 3(i En te Joppc was eene zekere discipelin met name Ta-bitha, hetwelk overgezet zijnde is gezegd Dorcas. Deze was* vol van goede werken en aalmoezen die zij deed. 37 En het geschiedde in die dagen dat zij krank werd en stierf; en aln zij ze gewasschen hadden, leiden zij haar in de opperzaal. 38 En alzoo Lrdda nabij Jop-pe was, de discipelenhoorenue dat Petrus aldaar was, zonden twee mannen tot hem , biddende dat hij niet zoude vertoeven tot hen over te komeu. .quot;O En Petrus stond openging met hen; welken zij, als hij daar gekomen was, in de opperzaal leidden; en alle de weduwen stonden bij hem wee-nende en toonende de rokken en kleederen, die Dorcas gemaakt had als zij bij haar was. •10 Maar Petrus hebbende hen allen uitgedreven , knielde neder en bad; en zich keerende tot het lichaam zeide hij: Ta-bitha, sta op. En zij deed hare oogen open, en Petrus gezien hebbende zat zij overeind; 41 en hij gaf haar de hand en richtte ze op, en de heiligen en de weduwen jferoepen hebbende, stelde hij ze levend vóór hen. 42 En dit werd bekend door geheel Joppe , en velen geloofden in den Heere. 43 En het geschiedde dat hij vele dagen te Joppe bleef bij eenen zekeren Simon, eenen lederbereider. HOOFDSTUK 10. En daar w^s een zeker man te Ces ar met name; Cornelius, een hoofdman over honderd, uit de bende genaamd de Ita-liaansche, 2 godzalig, en vreezende God met geheel zijn huis, en doen- |
NGEN 10. de vele aalmoezen aan het volk, en God geduriglijk biddende. 3 Deze zag in een gezicht klaarlijk omtrent de negende ure des daajs een Engel Gods tot hem inkomen, en tot hem zeggende: Cornelius! 4 En hij dc oogen op hem houdende, en zeer bevreesd ge worden zijnde, zeide: Wat is het, Heere? En hij zeide tot hem: Uwe gebeden en uwe aalmoezen zijn tot gedachtenis opgekomen voor God. 5 En nu, zend mannen naar Joppe, en ontjied Simon die toearenaamd wordt Petrus: 6 deze ligt te huis bij eenen Simon, lederbereider, die zijn huis heeft bij c\'e zee; deze zal u zeggen wat gr,i doen moet. 7 En als de Engel die tot Cornelius sprak weggegaan was, riep hij twee van zijne huisknechten, en eenen godzaligen krijgsknecht van degenen die gedurig bü hem waren; 8 en als hü hun alles verhaald had, zond hij ze naar Joppc. 9 En des anderen daags, terwijl deze reisden en nabij de sta.1 kwamen, klom Petrus op het dak om te bidden, omtrent de zesde ure. 10 En hij werd hongerig en beireerde te eten; en terwyl zij het bereidden, overviel hem eene vertrekking van zinnen, 11 en hij zag den hemel geopend, en een zeker vat tot hem nederdalen, gelijk een groot linnen laken, aan de vier hoeken gebonden, en ne-dergelaten op dc aarde; 12 in hetwelk waren alle de viervoetige dierm der aarde, en de wilde er de kruipende dieren, en dc vogelen des hemels. 13 En daar geschiedde eene stem tot hem : Sta öp Petrus, slacht en eet. 14 Maar Petrus zeide; Gecns- |
|
zins Heere; want ik heb nooit gegeten iets dat gemeen of onrein was. 15 En eene stem geschiedde wederom ten tweeden male tot hem: Hetgeen God gereinigd heeft zult gij niet gemeen maken. 16 En dit geschiedde tot driemaal ; en het vat werd wederom opgenomen in den hemel. 17 En als Petrus bij zichzel-ven twijfelde, wat toch het gezicht mocht zijn dat hij gezien had, zie, de mannen die van Cornelius afgezonden waren, gevraagd hebbende naar het buis van Simon, stonden aan de poort; IS en iemand geroepen hebbende vraagden zij, of Simon toegenaamd l\'etrus daar te huis lag. 19 En als Petrus over dat gezicht nadacht, zeide de Geest tot hem: Zie, drie mannen .zoeken u; 20 daarom sta op, ga af, en reis met ben, niet twijfelende; want ik heb hen gezonden. 21 En Petrus ging af tot de mannen d\'.e van Cornelius tot hem gezonden waren, en zeide: Zie, ik ben het dien gij zoekt; wat is de oorzaak waarom gy hier zyt ? 22 En zii zeiden: Cornelius, een hoofdman over honderd, een rechtvaardig man, en vree-zende God, en dietroerfe getuigenis heeft van het ganache volk der Joden, is door Goddelijke openbaring vermaand van eenen heiligen Engel, dat hij u zoude ontbieden te zijnen huize, en dat hij van u woorden der zaligheid zoude hooren. 23 Als hij ze dan ingeroepen had, ontving hij ze in huis. Poch des anderen daags ging Petrus met. hen henen, en sommigen der broederen die van Joppe waren gingen met hem. 24 En des anderen daags kwamen zij te Cesaréa. En Corne- |
NGEN 10. 181 lius verwachtte hen, te zamen geroepen hebbende die van zijn maagschap en bijzonderste vrienden. 25 En als het geschiedde dat Petrus inkwam, ging hem Cornelius tegemoet, en vallende aan zijne voeten aanbad hij. 26 Maar Petrus richtte hem op. zeggende: Sta op, ik ben ook zelf een mensch. 27 En met hem sprekende ging hij in, en vond er velen die samengekomen waren; 28 en hij zeide tot hen: Gij weet hoe het eenen Joodschen man ongeoorloofd is, zich te voegen of te gaan tot eenen vreemde; doch God heeft mij getoond dat ik geen mensch zoude gemeen of onrein hee-ten. 29 Daarom ben ik ook zonder tegenspreken gekomen, ontboden zijnde. Zuo vraag ik dan, om wat reden gijlieden mij hebt ontboden? 30 En Cornelius zeide: Vóór vier dagen was ik vaamp;tende tot deze ure toe, en ter negende ure bad ik in mijn huis; 31 en zie, een man stond vóór mij in een blinkend kleed, en zeide: Cornelius, uw gebed is verhoord en uwe aalmoezen zijn voor God gedacht geworden. 32 Zend dan naar Joppe, en ontbied Simon die toegenaamd wordt Petrus: deze ligt tehuis in het huis van Simon den lederbereider aan de zee, welke hier gekomen zijnde tot u spreken zal. 33 Zoo heb ik dar. van stonde aan tot u gezonden, en gij hebt wèl gedaan dat gij hier gekomen zijt. ^Vij zijn dan allen nu hier tegenwoordig voor God, om te hooren al hetgeen u van God bevolen is. 34 En Petrus den mond opendoende zeide: Ik verneem in der waarheid, dat God geen aannemer des persoons is; 35 maar in allen volke die hem |
|
182 handel: vreest en gerechtigheid werkt, is hem aangenaam. 36 Dit is het woord dat hij gezonden heeft den kinderen Israels, verkondigende vrede door Jezus Christus: deze is een Heer van allen. :{7 Gijlieden weet de zaak die geschied is door geheel Judéa, beginnende van Giililéa,naden doop welken Johannes gepredikt heeft, :?8 aangaande Jezus van Nazareth, hoe hem God gezalfd heeft met den Heiligen Geest en met kracht; welke het land doorgegaan is goeddoende, en genezende allen die van den duivel overweldigd waren; want God was met hem. 39 En wij zijn getuigen van al hetgeen hij gedaan heeft, beide in het Joodsche land en te Jeruzalem ; welken zij gedood hebben, hem hangende aan een hout. 40 Dezen heeft God opgewekt ten derden dage, en gegeven dat hij openbaar zoude worden, 41 niet al de volke, maar den getuigen die van God te voren verkoren waren , ons namelijk die met hem gegeten en gedronken hebben nadat hij uit de dooden opgestaan was; 42 en hij heeft ons geboden den volke te prediken en te betuigen, dat hij is degene die van God verordineerd is tot een Hechter van levenden en dooden. 43 Dezen geven getuigenis alle de Profeten, dat een iegelijk die in hem gelooft vergeving der zonden ontvangen zal door zijnen naam. 44 Als Petrus nos deze woorden sprak, viel de Heilige Geest op allen die het Woord hoorden. 4j En de geloovigen die uit de besnijdenis waren, zoovelen als er met Petrus waren gekomen , ontzetteilen zich dat de gave des Heiligen Geestes ook op de heidenen uitgestort werd ; 46 want zij hoorden hen spre- |
NGEN 11. ken met vreemde talen , en God groot maken. Toen antwoordde Petrus: 47 Kan ook iemand het water weren, dat deze niet gedoopt zouden worden, welke den Heiligen Geest ontvangen hebben gelijk als ook wij ? 48 En hij beval dat zij zouden gedoopt worden in den naam des Heer en. Toen baden zij hem dat hij eenige dagen bij hen wilde blijven. HOOFDSTUK 11. De Apostelen nu en de broeders die in Jud^a waren hebben gehoord, dat ook de heidenen het Woord Gods aangenomen hadden. 2 En toen Petrus opgegaan was naar Jeruzalem, twistten tegen hem degenen die uit de besnijdenis waren, 3 zeggende: Gij zijt ingegaan tot mannen die de voorhuid hebben, en hebt met hen gegeten. 4 Maar Petru.i beginnende verhaalde het hui. vervolgens, zeggende: 5 Ik was in dc- stad Joppe biddende, en zag in eene vertrekking van zinnen een ?e-zicht, namelijk een zeker vat, gelijk een groot linnen laken, nederdalende, bij de vier hoeken nederg^laten uit den hemel , en kwam tot bij mij; 6 op welk laken als ik de oogen hield, zoo merkte ik en zag de viervoetige dieren der aarde, en de wilde en de kruipende dieren * e a de vogelen aes hemels. 7 En ik hoord\'! eene stemme die tot mij zeice; Sta öp Petrus, slacht en eet. 8 Maar ik zeide: Geenszins Heere, want rooit is iets dat gemeen of ouriin was in mijnen mond ingegaan. 9 Doch de stemme antwoordde mij ten tweeden male uit den hemel: Hetgeen God gereinigd heeft zult gij aiet gemeen maken. |
|
10 En dit geschiedde tot driemaal ; en alles werd wederom opgetrokken in den hemel. 11 En zie, terzelfder ure stonden daar drie mannen voor lilt;-t huis, daar ik in was, die van Cc-siréa tot mij afgezonden waren. l.\' En de Geest zeide tot mij, dat ik met hen gaan zoude . niet twijfelende. En niet my gingen ook deze zes broeders , en wij zijn in des mans huis ingegaan ; 13 en hij heeft ons verhaald hoe hij eenen Engel gezien had, die in zijn huis stond en tot hem zeide: Zend mannen naar Joppe, en ontbied Simon die toegenaamd is Petrus; 14 die woorden tot u zal spreken, door welke gij zult zalig worden, en geheel uw huis. 15 En als ik begon te spreken, viel de Heilige Geest op hen, gelijk ook op ons in het begin. 16 En ik werd indachtig aan het woord des Heeren, hoe hij zeide: Johannes doopte wel met water, maar gijlieden zult gedoopt worden met den Heiligen Geest. 17 Indien dan God hun even-gelijke gave gegeven beeft als ook ons, die in den Heere Jezus Christus geloofd hebben, wie was ik toch die God koude weren ? 18 En als zij dit hoorden waren zij tevreden en verheerlijkten God, zeggende: Zoo heeft dan God ook den heidenen de bekeering gegeven ten leven. 19 Degenen nu die verstrooid waren loor de verdrukking die over Stefanus geschied was, gingen het land door tot Fe-niciö toe, en Cyprus, en An-tiochië, totniemand het Woord sprekende dan alleen tot de Joden. 20 Eu daar waren eenige Cyprische en Cyreneische mannen uit hen, welke te Antiochiö gekomen zijnde, spraken tot de Griekschen, verkondigende den Heere Jezus. |
ff GEN 12. 183 21 En de hand des Ileeren was met hen, en een groot getal geloofde en bekeerde zich tot den Heere. \'22 En het gerucht van he a kwam tot de ooren der gemeente die te Jeruzalem was, en zij zonden Barnabas uit, dat hij het land doorging tot Antiochiê toe: 23 dewelke daar gekomen zijnde, en de genade Gods ziende, verblijd werd, en vermaande ze allen, dat zij met een voornemen des harten bij den Heere zouden blijven; 24 want hij was een goed man, en vol des Heiligen Gees-tes en des geloofs. En daar werd eene groote schare den Heere toegevoegd. 25 En Barnabas ging uit naar Tarsus om Saulus te zoeken; en als hij hem gevonden had, bracht hij hem te Antiochiê. 2(gt; En het is geschied dat zij een geheel jaar te samen vergaderden in de gemeente, en eene groote schare leerden, en dat de discipelen het eerst te Antiochiê Christenen genaamd worden. 27 En in dezelfde dagen kwamen eenige Profeten af van Jeruzalem te Antiochiê; 2S en é^n uit hen met name Agabus stond op, en gaf te kennen door den Geest dat er een groote hongersnood zoude wezen over de geheele wereld; dewelke ook gekomen is onder den Keizer Claudius. 29 En naar dat een iegelijk der discipelen vermocht, besloot elk van hen iets te zenden ten dienste der broederen die in Judéa woonden; 30 hetwelk zij ook deden, en zonden het tot de Ouderlingen door de hand va a Barnabas en Saulus. HOOFDSTUK 12. En omtrent dcnzelfden tijd sloeg de Koning Herodes de |
HANDELINGEN 12.
184
|
handen aan sommigen van de gemeente, om die kwalijk te behandelen. \'2 En hij doodde Jacobus den broeder van Johannes met het zwaard ; 3 en toen hij zas dat het den Joden bchagelijk was, voer hij voort ook Petrus te vangen (en het waren de dagen der ouge-hevelde broaden]; 4 denwelken ook gegrepen hebbende, hij in de gevangenis zette , en gaf hem over aan vier wachten, elk van vier krijgsknechten om hem te bewaren. willende na het Paasch-feest hem voorbrengen voor het volk. 5 Petrus dan werd in de gevangenis bewaard; maar van de gemeente werd een gedurig gebed tot God voor hem gedaan. 6 Toen hem nu Herodes zoude voorbrengen, sliep Petrus dien nacht lusschen twee krijgsknechten, gebonden met twee ketenen; en de wachters voor de deur bewaarden de gevangenis. 7 En zie, een Engel des Uee-ren stond daar, en een licht scheen in de woning, en slaande de zijde van Petrus wekte hij hem óp, zeggende: Sta haas-telijk op. En zijne ketenen vielen af van de handen. 8 En de Engel zeide tot hem: Omgord u en bind uwe schoenzolen aan. En hij deed alzoo. En hij zeide tot hem: Werp uwen mantel om en volg mij. \'J En uitgaande volgde hij hem, en wist niet dat het waarachtig was, hetgeen door den Engel geschiedde, maar hij meende dat hij een gezicht zag. 10 En als zij door de eerste eu tweede wacht gegaan waren, kwamen zij aan de ijzeren Soort die naar de stad leidt.oort die naar de stad leidt. ewelke van zelf hun geopend werd. En uitgegaan zijnde gingen zij ééne straat voort, en terstond scheidde de Engel van hem. |
11 En Petrus tot zichzelveu gekomen zijnde, zeide: Nu weet ik waarachtiglijk dat de Hee-re zijnen Engel uitgezonden heeft, en mij verlost heeft uit de hand van Herodes en uit al de verwachting van het volk der Joden. 12 En als hij alles overlegd had, ging hij naar het huis van Maria, de moeder van Johannes, die toegenaamd was Marcus^ alwaar velen te zamen vergaderd en biddende waren. 13 En als Petrus aan de deur van de voorpoort klopte, kwam eene dienstmaagd vóór om te luisteren, met name Rhode; 14 en zij de stem van Petrus bekennende, deed van blijdschap de voorpooit niet open, maar lien naar binaen en boodschapte dat Petrus aan de voorpoort stond. 15 En zij zeiden tot haar: Gij raast. Doch zij blei f daar sterk bij dat het alzoo was. En zij zeiden: liet is zijn Engel. 1G Maar Petrus hleef kloppende; en als zij opengedaan hadden, zagen zij ham en ont-zetteden zich. 17 En als hij hun met de hand gewenkt had dat ze zwijgen zouden, verhaalde b j hun hoe hem de Heere uit de gevangenis uitgeleid had, en zeide: Boodschapt dit aan Jacobus en de broederen. En hij uitgegaan zijnde reisde naar eene andere plaats. 18 En als het dag was geworden , was daar geen kleine beroerte onder de krijgsknechten , wat toch Petrus mocht geschied zijn. 19 En als Herodes hem gezocht had en niet vond, en de wachters gerechte\'ijk ondervraagd had, gebool hij dat ze weggeleid zouden worden. En hij vertrok van Judéa naar Ce-saréa, en hield zich aldaar. |
|
20 En Herodes had in den zin tegen de Tyriërs en Sidoniërs te krijsren; maar zij kwamen «endrachtiglijk tot hem, en IHastus, die des Konings kamerling was, overreed hebbende, begeerden zij vrede, omdat hun land gespijzigd werd van des Konings land. 21 En op eenen gezetten dag Ilerodes een koninklijk kleed aangedaan hebbende, en op den rechterstoel gezeten zijnde, deed een rede tot hen; 22 en het volk riep hem toe: Een stemme Gods en niet eens menschen! 23 En van stonde aan sloeg hem een Engel des Heeren, daarom dat hij Gode de eer niet gaf, en hij werd van de wormen gegeten en gaf den geest. 24 En het Woord Gods wies en vermenigvuldigde. 25 Barnabas nu en Saulus keerden weder van Jeruzalem, als zij den dienst volbracht hadden, medegenomen hebbende ook Johannes die toe-genaamd werd Marcus. HOOFDSTUK 13. En daar waren te Antiochië in de gemeente die daar was, eenige Profeten en Leeraars, namelijk Barnabas, en Simeon genaamd Niger, en Lucius van Cyrene, en Manahen die met Ilerodes den Viervorst opgevoed was, en Saulus. 2 En als zij den Heere dienden , en vastten, zeide de Heilige Geest: Zondert mij af beide Barnabas en Saulus tot het werk waartoe -ik*ze geroepen heb. 3 ïoen vastten en baden zij , en hun de handen opgelegd hebbende, lieten zij ze gaan. 4 üe/.e dan uitgezonden zijnde van den Heiligen Geest, kwamen af naar Seleucië, en van daar voeren zij af naar Cyprus; 5 en gekomen zijnde tequot; Sala- |
NGEN 18. 185 mjs, verkondigden zij het quot;Woord Gods in de Synagogen der Joden; en zij hadden ook Johannes tot eenen dienaar, fi En als zij het eiland doorgegaan waren tot Pafos toe, vonden zij eenen zekeren too-venaar, eenon valschen Profeet, eenen Jood wiens naam was Bar-Jezus, 7 welke was bij den Stadhouder Sergius Paulas eenen verstandigen man. Deze, Barnabas en Saulus tot zich geroepen hebbende, zocht zeer het Woord Gods te hooren: 8 maar Elymas de toovenaar (want alzoo wordt zijn naam overgezet) wederstond hen, zoekende den Stadhouder van het geloof af te keeren. 9 Doch Saulus (die ook Paulus aeaaamd is) vervuld met den Heiligen Geest, en de oogen op hem houdende , zeide: 10 O gij kiml des duivels, vol van alle bedrog en van alle arglistigheid, vijand van alle gerechtigheid, zult gij niet ophouden te verkeeren de rechte wegen des Heeren ? 11 En nu zie, de hand des Heeren tegen u , en gij zult blind zijn en de zon niet zien voor eenen tijd. En van stonde aan viel op hem donkerheid en duisternis, en rondom gaande zocht hij die hem met de hand mochten leiden. 12 Als de Stadhouder zag hetgeen geschied was, toen geloofde hij, verslagen zijnde over de leer des Heeren. 13 En Paulus en die met hem waren, van Pafos afgevaren zijn le, kwamen te Perge, eene stad in Pamfylië; maar Johannes van hen scheidende keerde weder naar Jeruzalem. 14 En zii van Perge het land doorgaande, kwt.men te Antiochië, eene stad in Pisidië; en gegaan zijnde in de Synagoge op den dag des sabbats, zaten zij neder. 15 En na het lezen der Wet |
|
isr. handel: en der 1\'rofeten zonden de oversten der Synagoge tot hen, zeggende: Mannen broeders, indien daar eeniy woord van vertroosting tot het volk in u is, zoo spreekt. 16 En Paulus stond op en wenkte met de hand, en zeide : Gij Israëlitische niannenengij die God vreest, hoort toe. 17 De God van dit volk Israël heeft onze vaderen uitverkoren , en het volk verhoogd als ïij vreemdelingen waren in het land van Egypte, en heeft ze met een hoogen arm daaruit geleid; IS en heeft omtrent den tijd van veertig jaren hunne zeden verdragen in de woestijn; iy en zeven volkeren uitgeroeid hebbende in het land Kanaan, heeft hun door het lot het land derzeive uitgedeeld ; -0 en daarna, omtrent vierhonderd en vijftig jaren, gaf hij hun richters, tot op Samuël den Profeet. 21 En van toen aan begeerden zij eenen Koning, en God gaf hun Saul den zoon van Kis, eenen man uit den stam Benjamin , veertig jaren; 22 en dezen afgezet hebbende, verwekte hij hun David tot eenen Koning; denwelken hij ook getuigenis gaf, en zeide: Ik heb gevonden David den zoon van Isai, eenen man naar mijn hart, die al miinen wille zal doen. 23 Van dezes zaad heeft God Israël, naar de belofte, verwekt den Zaligmaker Jezus, 24 als Johannes eerst al den volke Israëls vóór zijne aankomst gepredikt had den doop der bekeering. 25 Doch als Johannes den loop vervulde, zeide bij: Wie m\'-ent. trülielen dat ik ben? Ik ben de Christus niet: maar zie, hij komt na mij , wien ik niet waardig ben de schoenen zijner voeten te ontbinden. |
NGEN 13. 26 Mannen broeders, kinderen van het geslacht Abrahams, en wie onder n God vreezen, tot u is het quot;Woord dezer zaligheid gezonden. 27 Want die te Jeruzalem wonen, en hunne oversten, deien niet kennende , hebben ook de stemmen der Profeten , die op eiken sabbatrfa^ gelezen worden , hem veroordeelende, vervuld ; 28 en geene oorzaak des dooas vindende, hebben zij van Pi-latus begeerd dat hij zoude gedood worden; 29 en als zij alles volbracht hadden wat van aem geschreven was, namen zij hem af van het hout en leiden hem in het graf. 30 Maar God heeft hem uit de dooien opgewekt; 31 welke gezien is geweest, vele dagen lang, van degenen die met hem opgekomen waren v-m Galil^a naar Jeruzalem, die zijne getuigen zijn bij het volk. 32 Eu wij verkondigen u de belofte die tot de vaderen geschied is, dat namelijk God dezelve vervuld heeft awn ons hunne kinderen, als hij Jezus verwekt heeft: 33 gelijk ook in den tweeden Psalm geschreven staat: Gij zijt mijn Zoon, heden heb ik u tregenereerd. 34 En dat hij hem uit de dooden heeft opgewekt, alzoo dat hij niet meer zal tot verderving keeren. heeft hij aldus gezegd: Ik zal ulieden de weldadigheden Davids geven, die getrouw zijn; 35 wa^rfgt;m hij ook in eenen anderen l\'sulm zegt: Gij zult uwen Heilige niet ooergeven om verderving te zien. Want David, alf hij in zijnen tijd den r?.ad Gods gediend had, is ontslapen, en is bij zijne vaderen gelegd, en heeft wèl verde-ving gezien; 37 maar hij, dien God opge- |
|
HANDELI ■wekt heeft, heeft geene verderving: gezien. 38 Zoo zij u dan bekend, mannen broeders, dat door dettm n verfirevin? der zonden verkondig;! wordt; 3\'J en dat van alles, waarvan gij niet kondet irerechivaar-üi\'^d worden door de wet van Muzes, door dezen een iegelijk die gelooft gerechtvaardigd •wordt. 40 Ziet dan toe dat over ulie-den niet kome hetgeen gezegd is in de Profeten: 41 Ziet, gij verachters, en verwondert u, en verdwijnt; want ik werk een werk in uwe dagen, een werk hetwelk gij niet zult gelooven zoo het u iemand verhaalt. 42 En als de Joden uitgegaan waren uit de Synagoge, baden de heidenen dat tegen den naasten sabbat hun dezelfde woorden zouden gesproken worden. 43 En als de Synagoge gescheiden was, volgden velen van de Joden en van de godsdienstige Jodengenooten Paulas en Barnabas; welke tot hen spraken, en hen vermaanden te blijven bij de genade Gods. 44 En op den volgenden sabbat kwam bijna degeheele stad te zamen om het Woord Gods te hooren. 45 Doch de Joden de scharen ziende werden met nijdigheid vervuld, en wederspraken hetgeen v.in l\'aulus gezegd werd, wedersprekende en lasterende. 46 Maar l\'aulus en Barnabas vrijmoedigheid gebruikende zeiden: Het was noodig dat eerst tot u het Woord Gods gesproken zoude worden ; doch nademaal gij hetzelve verstoot, en uzelve des eeuwigen levens niet waardig oordeelt, zie, wij keeren ons tot de heidenen. 47 Want al/.óó heeft ons de lleere geboden , zeggend*: Ik heb u gesteld tot een licht der heidenen, opdat gij zoudt zijn |
STGEN 14. 187 tot zaligheid, tot aan het uiterste der aarde. 48 Als nu de heidenen dit hoorden, verbliidden zij zich en prezen het Woord des Hee-ren, en daar geloofden zoove-len als er geordineerd waren tot het eeuwige, leven ; 4\'J en het Woord des Heeren werd door het geheele land uitgebreid. 50 Maar de Joden maakten öp de godsdienstige en achtbare vrouwen en de voornaam-Ssten van de fctad, en verwekten vervolging tegen Paulus en Barnabas, en wierpen ze uit hunne landpalen. 51 Doch zij schuddeden het stof van hunne voeten af tegen dezelve, en kwamen te Iconium; 52 en de discipelen werden vervuld met blijdschap en met den Heiligen Geest. HOOFDSTUK 14. En het geschiedde te Iconium, dat zij te zamen gingen in de Synagoge der Joden, en alzóó spraken, dat eene groote menigte beide van Joden en Grieken geloofde. .2 Maar de Joden die ongehoorzaam waren verwekten en verbitterden de zielen der hei-dene.n tegen de broeders. 3 Zij verkeerden dan aldaar eenen langen tijd, vrijmoedig-lijk sprekende in den Heere, die getuigenis gaf aan het woord zijner genade, en gaf dat teekenen en wonderen geschiedden door hunne handen. 4 En de menigte der stad werd verdeeld, en sommigen waren met de Joden, en sommigen met de Apostelen. 5 Ea als daar •■en oploop ge-schiedde beide van heidenen en van Joden , met hunne oversten, om hun smaadheid aan te doen en her. te steenigen, 6 zijn zij , alles overlegd hebbende, gevlucht naar de ste- |
|
18S HANDEL den van Lycaonie, namelijk Lystra en Derbe, en het om-liisendc land. 7 en verkondigden aldaar het Evangelie. 8 En een znker man te Lystra zat onmachtig aan de voeten, kreupel zijnde van zijn moeders ,iyf, die nooit had gewandeld. 9 Deze hoorde Paulua spreken ; welke dc oogen op hem houdende, en ziende dat hij geloot\' had om gezond te worden, 10 zeide met groote stemme: Sta recht op uwe voeten. En hij sprong op cn wandelde. 11 En de scharen ziende hetgeen l\'aulus gedaan had, verhieven hunne stemmen en zeiden in het Lycaonisch; De goden zün den menschen gelijk geworden en tot ona nederge-komen; 12 en zij noemden Barnabas Jupiter, en Faulus Mercurius, omdat hij het woord voerde. 13 En de Priester van Jupiter die vóór hunne stad was, als hij ossen en kransen aan do voorpoorten gebracht had, wilde lui offeren met de scharen. 14 Maar de Apostelen Barnabas en Paulus dat hoorende, scheurden hunne kleederen eri sprongen onder de schare, roepende 15 en zeggende: Mannen, waarom doet gij deze dingen? quot;Wij zijn óók menschen van gelijke bewegingen als gij, en verkondigen ulieden, dat gij u zoudt van deze ijdele diu- genen bekeeren tot den levenden od, die gemaakt heeft den hemel en de aarde en de zee en al hetgeen in dezelve is: KJ welke in de verledene tijden alle de heidenen heeft laten wandelen in hunne wegen ; 17 hoewel hy nochtans zich-zelven niet onbetuigd gelaten heeft, goed doende van den hemel, ons regen en vruchtbare tijden gevende, vervuliNGEN 14. |
lende onze harten met spijze en vroolijkheid. 18 En dit zeggende wederhielden zij nauwelijks de scharen, dat zij hun niet offerden. 19 Maar daarover kwamen Joden van Antiochiü en Ico-nium, en overreedden de scharen, en steenigden l\'aulus, en sleepten hem buiten de stad, meenende dat hij dood was. 20 Doch als hem de discipelen omringd hadden, stond hij op en kwam in dc stad; en des anderen daags ging hy met Barnabas uit naar Derbe. 21 En als zij aan die stad het Evangelie verkondigd en vele discipelen gemaakt hadden, keerden zij weder naar Lystra cn Iconium en Antiochië, 22 versterkende öe zielen der discipelen, en vermanende dat ze zouden blijven in het geloof, en dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods. 23 En als zij hun in elke gemeente met opsteken der handen Ouderlingen vei koren hadden, gebeden hebbende met vasten, bevalen z\'j ze den Heere, in welken :;y geloofd hadden. 24 En Pisidië doorgereisd hebbende, kwamen zij in Pam-fylië; 2ó en als zij te Perge het Woord gesproken hao den kwamen zy af naar Attalië; 26 en van daar voeren zij af naar Antiochië, van waar zy der genade Gods bevolen waren geweest tot het werk dat zij volbracht hadden. 27 En daar gekomen zynde , en de gemeente vergaderd hebbende , verhaalden zij wat groote dineen God met hen gedaan had, en dat hij den heidenen de deur des geloofs geopend had. 28 En zij verkeerden aldaar geenen kleinen t:jd met de discipelen. |
|
HOOFDSTUK 15. En sommigen die afgekomen waren van Judéa leerden de broederen, zengende: Indien gij niet besneden wordt naar de wijze van Mozes, zoo kunt gij niet ialig worden. 2 Als er dan Keen kleine wederstand en twisting geschiedde bij l\'aulus en Barnabas tegen hen , zoo hebben zij geordineerd dat l\'aulus en Barnabas en eenige .anderen uit hen zouden opgaan tot de Apostelen cn Ouderlingen naar Jeruzalem, over deze vraag. 3 Zij dan van de gemeente uitgeleid zijnde, reisden door Fenicie cn Samariü, verhalende de bekeering der heidenen, en deden allen den broederen groote blijdschap aan. 4 En te Jeruzalem gekomen zijnde, werden zij ontvangen van de gemeente en de Apostelen en de Ouderlingen; en zij verkondigden wat groote dingen God met hen gedaan had. 5 Maar, zeiden zij, daar zijn sommigen opgestaan van die van de sekte der Farizeërs, die geloovig zijn geworden, zeggende dat men hen moet besnijden, en gebieden de wet van Mozes te onderhouden. fi En de Apostelen en de Ouderlingen vergaderden te zamen om op deze zake te letten. 7 En als rfftffwergroote twisting geschiedde, stond Petrus op en zeide tot hen: Mannen broeders, gij weet dat God van vóór langen tijd onder ons mij verkoren heeft, dat de heidenen door mijnen mond het quot;Woord des Evangelies zouden hooren en gelooven. 8 En God, de kenner der harten, heeft hun getuigenis gegeven, hun gevende den Heiligen Geest gelijk als ook ons, 9 en heeft geen onderscheid |
NGEN 15. 189 gemaakt tusachen óns en hen, gereinigd hebbende hunne harten door het geloof. 10 Nu dan, wat verzoekt gij God, om een juk op denhals der discipelen te leggen, \'t welk noch onze vaderen noch wij hebben kunnen dragen? 11 Maar wij gelooven door de genade des Heeren Jezus Christus zalig te worden op zulke wijze als ook zij. 12 En al de menigte zweeir stil, en zij hoorden Barnabas en l\'aulus verhalen, wat groote teekenen cn wonderen God door hen onder de heidenen gedaan had. l.\'J En nadat deze zwegen, •antwoordde Jacobus, zessen-de: Mannen broeders, hoort my. 14 Simeon heeft verhaald hoe God eerst de heidenen heeft bezocht , om uit hen een volk aan te nemen voor zijnen naam. 15 En hiermede stemmen o-veró^n de woorden der Profeten , gelijk geschreven is: 16 Na dezen zal ik wederkee-ren en weder opbouwen den Tabernakel Davids die vervallen is, en hetgeen daarvan verbroken is weder ophouwen, en ik zal denzelven weder oprichten, 17 opdat de overblijvende menschen den Hcere zoeken, en alle de heidenen over welke mijn naam aangeroepen is, spreekt de Heere die dit alles doet. 18 Godc zijn alle zijne werken van eeuwigheid bekend. 19 Daarom oordcel ik, dat men degenen die uit de heidenen zich tot God bekeeren niet beroere, CO maar hen zal aanschrijven, dat zij zich onthouden van de dingen die door Je afgoden besmet zijn, en van hoererij , en van het verstikte, en van bloed. 21 AVant Mozes heeft er van oude tijden in elke stad die hem prediken, en hij word |
|
l\'Jö HANDEL! op eiken sabbat in de Synagoge gelezen. 22 Toen heeft bet den Apostelen eu den Ouderlingen met de gebeele gemeente goed gedacht, ccnifje mannen uit zich te verkiezen en met Paulus en Barnabas te zenden naar Antio-cbië, namelijk Judas die toe-genaamd wordt Barsabas, en Silas, mannen die voorgangers ■waren onder de broeders; 23 en zij schreven door hen dit navolgende: De Apostelen en de Ouderlingen en de broeders xvenschen den broederen uit de heidenen, die in Antio-cbië en Syrië en Cilicic zijn, zaligheid.quot; 24 Nademaal wij gehoord beb-ben dat sommigen, die van ons uitgegaan zijn, u met woorden ontroerd hebben, en uwe zielen wankelend gemaakt, zeggende dat gij moet besneden worden en de wet onderhouden, welken wij dat niet bevolen hadden, 25 zoo heeft bet ons eendrachtiglijk te zamen zijnde goed gedacht, eeni«/emannen te verkiezen en tot u te zenden met onze geliefden, Barnabas en l\'aulus, 26 menscben die hunne zielen overgegeven hebben voor den naam onzes Heeren Jezus Christus. 27 Wij hebben dan Judas en Silas gezonden, die óók met den mond hetzelfde zullen verkondigen. 2S Want het heeft den Heiligen Geest en ons goed gedacht, ulieden geenen meerderen last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen : 29 namelijk dat gij u onthoudt van hetgeen den afgoden geofferd is. en van bloed, en van het verstikte, eo van hoererij ; van welke dingen, indien gii uzelve wacht, zoo zult gij wèl doen. Vaartwel. :i0 Deze dan hun afscheid ontvangen hebbende, kwamen te |
NGEN 16. Antiochjë; en de menigte vergaderd hebbende, gaven zij den brief over. 31 En zij , dien gelezen hebbende , verblijdden zich over de vertroosting. 32 Judas nu en Sil.as, die ook zelve 1\'rofeten waren, vermaanden de broeders met vele woorden en versterkten ze. 33 En als zij daar een tijd lang vertoefd hadden, lieten hen de broeders wederom gaan met vrede, tot de Apostelen. 34 Maar het dacht Silas goed aldaar te blüven. 35 En Paujus en Barnabas onthielden zich ti Antiochië, leerende en verkondigende met nog vele anderen het quot;Woord des Heeren. 36 En na eenige dagen zeide l\'aulus tot Barnabas: Laat ons nvi wederkeeren en bezoeken onze broeders in elke stad in welke wij het Woord des Heeren verkondigd fcebben, boe zij het hebben. 37 En Barnabas ried dat zij Johannes, die genaamd is Marcus , zouden medenemen; 3S maar l\'aulus achtte billijk dat men dien niet youde mede-nemen, die van J\'amfyliö af van ben was afge.veken, en met hen niet was gegaan tot het werk. 39 Er ontstond dan eene verbittering, alzoo dat zij van elkander gescheiden zijn, en dat Barnabas Marcus medenam en naar Cyprus afvoer. 40 Maar l\'aulus verkoos Silas, en reisde henen, der genade Gods van de broederen bevolen zijnde; 41 en bij doorreisde Syrië en Cilicië, versterkende de gemeenten. HOOFDSTUK 16. En hij kwam te Derbe en Lystra. En zie, .aldaar was een zeker discipel met name Timo-theüs, zoon van tene geloovige |
|
HANDELI Jooilsche vrouw, manr van ecncn Griekschcn va\'ler; 2 welken goede getuigenis gegeven werd van de broederen te Lystra en Iconium. 3 Deze wilde Paulua dat met hem zoude reizen; en hij nam en besneed hem, om der Joden wille die in «lie plaatsen waren ; want zij kenden allen zijnen vader dat hij pen Griek was. 4 En als zy de steden doorreisden , gaven zü hun de ordonnantiën over, die van de Apostelen en de Ouderlingen te Jeruzalem goed gevonden waren, om die te onderhouden. 5 De gemeenten dan werden bevestigd in het geloof, en werden dagelijks overvloediger in getal. 6 En als zij Frygiö en het land van Galatie doorgereisd hadden, werden zij van den Heiligen Geest verhinderd het Woord in Azië te spreken; 7 en aan Mysië gekomen zijnde , poogden zij naar Bithynië te reizen, en de Geest liet het hun niet toe; 8 en zij Mysië voorbügereisd zijnde, kwamen af naar Troas. 9 En van Faulus werd in den nacht een gezicht gezien: daar was een Macedonisch mau staande, die hem bad en zeide: Kom over in Macedonië en help ons. 10 Als hij nu dit gezicht gezien had, zoo zochten wij terstond naar Macedonië te reizen, besluitende daaruit, dat ons de Heere geroepen had om denzelven het Evangelie te verkonditren. 11 Van Troas dan afgevaren zijnde, liepen wij recht naar Samothrace , en den volgenden dan naar Neapolis; 12 en van daar naar Filippi, welke is de eerste stad van dit deel van Macedonië, een kolonie; en wij onthielden ons in die stad etielijke dagen. 13 En op den dag des sabbats |
VGEN 16. 131 gingen wij buiten de stad aan de rivier, waar het gebed placbft te geschieden, en nedergezeten zijnde spraken wy tot de vrouwen die te zamen gekomen waren. 14 En eene zekere vrouw met name Lydia, eene purperverkoopster van de stad Thyatira, die God diende, hoorde o/i«; welker harte de Heere heeft geopend, dat zy acht nam op hetgeen van Paulus gesproken weid. 15 En als zij gedoopt was en haar huis, had zy ons, zeggende : Indien gü hebt geoordeeld dat ik den Heere getrouw ben , zoo komt in mijn huis en blyft er; en zij dwong ons. 10 En het geschiedde als wij tot het gebed henengingen, dat eene zekere dienstmaagd, hebbende eenen waarzeggen den geest, ons ontmoette, welke haren heeren groot gewin toebracht met waarzeggen. 17 Deze volgde Paulus en ons achterna, en riep, zeggende: Deze menschen zyn dienstknechten Gods des Allerhoog-sten, die ons den weg der zaligheid verkondigen. 18 En dit deed zij vele dagen lang. Maar Paulus daarover ontevreden zijnde, keerde zich om en zeide tot den geest: Ik gebied u in den naam van Jezus Christus dat gij van haar uitgaat. En hij ging uit terzelfder ure. 19 Als nu de heeren van dezelve zagen dat de hoop huna gewins weg was, grepen zij Paulus en Silas en trokken ze naar de markt voor de oversten ; 20 en als zij ze tot de hoofdmannen gebracht hadden, zeiden zij: Deze mer.schen beroeren onze stad, daar zij Joden zijn; 21 en zij verkondigen zeden die ons niet geoorloofd zijn aan te nemen of te doen,alzoo wij Romeinen zijn. |
|
192 HAKDEL 22 En de schare stond gezamenlijk tegen hen op: en de hoofdmannen hun de kleederen afgescheurd hebbende, bevalen ze te geeselen ; 2:{ en als zij hun vele slagen gegeven hadden, wierpen zij ze in de gevangenis, en geboden den stokbewaarder dat hij ze zekerlijk bewaren zoude: 24 dewelke zulk een gebod ontvangen hebbende, wierp hen in den binnensten kerker en verzekerde hunne voeten in den stok. 25 En omtrent middernacht baden Faulus en Silas en zongen Gode lofzangen , en de gevangenen hoorden naar hen. 26 En daar geschiedih? snel-lijk eene irroote aardbeving, aïzoo dat de fundamenten des kerkers bewosen werden; en terstond werden alle de deuren geopend, en de banden van allen werden los. 27 En de stokbewaarder wakker geworden zijnde, en ziende de deuren der gevangenis geopend, trok een zwaard en zoude zichzelven omgebracht hebben, meenende dat de gevangenen ontvloden waren. 28 Maar Paulus riep met groote stem, zeggende: Doe uzelven geen kwaad, want wij zijn allen hier. 29 En als hij licht geëischt had, sprong hij in en werd zeer bevende en viel neder aan dc voeten van Faulus en Si-las ; 30 en hen buiten gebracht hebbende, zeide hij: Lieve heeren, wat moet ik doen opdat ik zalig worde? 31 En zij zeiden: Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis. 32 En zij spraken tot hem het Woord des Heeren, en tot allen die in zijn huis waren. 33 En hij nam hen tot zich in die ure des nachts , en wiesch hen van de striemen; en hij |
NGEN 1/. werd terstond gedoopt, en alle de zijnen; 34 en hij bracht ze in zijn huis, en zette hun de tafel voor, en verheugde zich dat hij met al zijn huis aan God geloovig geworden was. 35 En als het dag geworden was, zonden de hoofdmannen de stadsdienaars, zeggende: Laat die menschen los. 3(ï En de stokbewaarder boodschapte deze woorden aan Paulus, zeggende: De hoofdmannen hebben gezonden dat gij zoudt losgelaten worden: gaat dan nu uh en reist henen in vrede. 37 Maar Faulus zeide tot hen; Zij hebben ons , die Romeinen zijn, on veroordeeld in \'t open-baai- gegeeseld 211 in de gevangenis geworpen, en werpen ze ons nu heimelijk daaruit? IN\'iet alzoo; maar dat ze zelve komen en ons uitl?iden. 38 En de stadsdienaars boodschapten deze woorden wederom den hoofdmannen ; en zij werden bevreesd, hoorendedat zij Romeinen waren; 39 en zij komende baden hen, en als zij ze uitgeleid hadden, begeerden zij dat ze uit de stad gaan zouden. 40 En uitgegaan zijnde uit de gevangenis, gingen zij in bij Lydia; en de broeders gezien hebbende, vertroostten zij hen, en gingen uit de stad. HOOFDSTUK 17. En door Amfipolis en Apol-lonia hnnnen weg genomen hebbende, kwamen zij te Thes-salonica, alwaar eene Synagoge der Joden was. 2 En Faulns, gelijk hij gewoon was, ging tot hen in, en drie sabbaten ?ang handelde hij met hen uit de Schriften, 3 dezelve openende , en voor oog en stellende dat de Christus moest lijden e i opstaan uit de dooden, en dat deze Jezus is |
|
de Christus «lieii ik, zeide hij, Hlieden vei\'kondi^. -I En sommigen uit hen geloofden en werden l\'aulns en Silas toegevoegd, en van de godsdienstige Grieken eene groote menigte, en van de voornaamste vrouwenniet weinige. 5 Maar de Joden die ongehoorzaam waren dit benijdende , namen tot zich eenige hooze mannen uit de markt-boeven, en maakten dat het volk te hoop liep, en beroerden de stad ; en op het huis Jasons aanvallende, zochten zij ze tot het volk te brengen. (i En als zij ze niet vonden , trokken zij Jason en eenise broeders voor de oversten der stad, roepende; Deze, die de wereld in beroering hebben gebracht, zijn ook hier gekomen , 7 welke Jason in zijn huis genomen heeft; en alle deze doen tearen de geboden des Keizers , zeggende dat er een andere Koning is, name lijk Jezus. 8 Eu zij beroerden de schare en de oversten der stad die dit hoorden; 9 doch als zij van Jason en de anderen vergenoeging ontvangen hadden , lieten zij ze gaan. 10 En de broeders zonden terstond aes nachis l\'aulus en Silas weg naar Beréa; welke daar gekomen zijnde gingen henen naar de Syuagoge der Joden: 11 en deze waren edeler dan die te Thessalonica waren, ats die het Woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzoo waren. 12 Velen dan uit hen geloofden , en van de Grieksche achtbare vrouwen en van de mannen niet weinige; 13 maar als de Joden van Thessalonica verstonden dat het Woord Gods ook te Beréa van l\'aulus verkondigd werd, |
NGEN 17. 198 kwamen zij ook daar en bewogen de scharen. 14 Doch de broeders zonden toen van stonde aan Paulus weg, dat bü ging als naar de zee; maar Silas en Timotheüs bleven aldaar. 15 En die l\'aulus geleidden brachten hem tot Athene toe, en als zij bevel gekregen hadden aan Silas en Timotheüs, dat zij op het spoedigst tot hem zouden komen, vertrokken zij. ligt; En terwijl l\'aulus hen te Athene verwachtte, werd zijn geest in hem ontstoken, ziende dat de stad zoo zeer afgodisch was. 17 Hij handelde dan in de Synagoge met de Joden en met degenen die godsdienstig waren, en op de markt alle dagen met degenen die hem voorkwamen. 18 En sommigen van de Epi-cureische en Stoïsche filosofen streden met hem, en sommigen zeiden: Wat wil toch deze li Upper zeggen ? maar anderen zaitlen: Hij schijnt een verkondiger te zyn van vreemde goden, omdat hij hun Jezus en de opstanding verkondigde. 19 En zij namen hem en brachten hem op de plaats ne-nuamd Areopagus, zeggenae: Kunnen wij niet weten welke deze nieuwe leer is daar gij van spreekt? 21) Want gij brengt eenige vreemde dingen voor onze ooren: wii willen dan weten wat toch dit zijn wil. 21 (Die van Athene nu allen, en de vreemdelingen die zich daar onthielden, besteedden hunnen tijd tot niets anders dan om wat nieuws te zeggen en te hooren.) 22 En l\'aulus staande in het midden van de plaats yrnaamd Areopagus, zeiue: Gij mannen van Athene, ik bemerk dat gij alleszins gelijk als gods-dienstiger zijt- |
13
|
191 HANDEL 23 want de ttad doorgaande, en aanschouwende uwe heilijf-domincn, heb ik ook een altaar gevonden op hetwelk een opschrift stond; Dex oxnKKEN-ben God. Dezen dan, dien gij niet kennende dient, verkon-dis? ik ulieden. 24 De God die de wereld gemaakt heeft en alles dat daarin is, deze z\\)nde een Heere des hemels en der aarde, woont niet in tempelen met handen gemaakt, 25 en wordt ook van men-achenhanden niet gediend als iets behoevende, alzoo hij zelf allen het leven en den adem en alle dingen geeft; 25 en heeft uit é(?nen bloede het gansche geslacht der men-schen gemaakt, om op den ge-hcclen aardbodem te wonen, bescheiden hebbende de tijden te voren geordineerd, en de bepalingen van hunne woning, 27 opdat zij den Heere zonden zoeken, of zij hem immers tasten en vinden mochten, hoewel hij niet verre is van een iesrelyk van ons. 23 Want in hem leven wij, en bewegen wij ons, en zijn wij , gelijk ook eenigen van uwe poëten gezegd hebben: Want wij zijn ook zijn geslachte. 29 Wij dan zijnde Gods geslachte , moeten niet meenen dat de Godheid goud of zilver of steen gelijk zij , welke door menschenkunst en bedenking gesneden zijn. 30 God dan de tijden der onwetendheid overgezien hebbende, verkondigt nn allen menschen alom dat zij zich bekeeren: 31 daarom dat hij een en dag gesteld heeft op welken hij den aardbodem rechtvaardisrlijk zal oordeelen, door eenen man dien hij daartoe geordineerd hjeft, verzekering daarvan doende aan allen, dewijl hij hem uit de dooden opgewekt heeft. |
NGEN 18. 32 Als zij nu van de opstanding der dooden hoorden, spot-teden sommigen daarmede * en sommigen zeiden: Wij zullen u wederom hiervan hooren. 33 En alzoo is l\'aulus uit het midden van hen weggegaan; 34 doch sommige mannen hingen hem «aan en geloofden , onder welke was ook Diony-sius de Areopagiet, en eene vrouw met name Damaris, en anderen met hen. HOOFDSTUK 18. En na dezen scheidde Faulus van Athene en kwam te Co-rinthe, 2 en vond eenen zekeren Jood met name Aquila, van geboorte uit Pontus, die onlangs van Italië gekoaien was, en Priscllla zijne vrouw, (omdat Claudius bevolen had dat alle de Joden uit Rome vertrekken zouden), en hij ging tot hen ; 3 en omdat hij van hetzelfde handwerk was, bleef hij bij hen en wrocht; want zij waren tentenmakers van handwerk. 4 En hij hande.de op eiken sabbat in de Synagoge, en bewoog tot het \'geloof Joden en Grieken. 5 En als Silas en Timotheüs van Macedonie afgekomen waren , werd Faulus door den Geest gedrongen, betuigende den Joden dat Jezus is de Christus. (i Maar als zij wederstonden en lasterden , schudde hij zijne kleederen af en zeide tot hen; Uw bloed zij op uw hoofd; ik ben rein, eu van nu af zal ik tot de heidenen henengaan. 7 En van daar gegaan zijnde , kwam hij in het huis van eenen man met name Justus, die God diende. wiens huis paalde aan de Synagoge. 8 En Crispus «Ie overste der Synagoge geloofde aan den Heere met geheel zijn huis. en velen van de Corinthiërs hem |
|
liDorcnde gcloofdeu en werden gedoopt. \'J En de Ileerc zeide tot l\'nu-lus door een gezicht in den nacht: Wees niet bevreesd, maar spreek, en zwijg niet; 10 want 3k beu met u, en niemand zal de hand aan u leggen om u kwaad te doen; want ik heb veel volks in deze stad. 11 En hij onthield zich aldaar een jaar en zes maanden, lee-rende onder hen het woord Gods. 12 Maar als Gallio Stadhouder van Achaje was, stonden de Joden eendrachtiglijk tegen Faulns op, en brachten hem voor den rechterstoel, 13 zeggende: Deze raadt den menschen aan, dat ze God zouden dienen tegen de wet. 14 En als Paulus zijnen mond zoude opendoen, zeide Gallio tot de Joden: Zoo daar eenig ongelijk of kwaad stuk benana ware, o Joden, zoo zoude ik met reden ulieden verdragen, 15 maar indien daar geschil ia over een woord en namen en over de wet die onder u is, zoo zult gijzelve toezien : want ik wil over deze dingen geen rechter zijn. 16 En hij dreef ze weg van den rechterstoel. 17 Maar alle de Grieken namen Sosthenes den overste der Synagoge en sloegen hem voor den rechterstoel; en Gallio trok zich geen van deze dingen aan. 18 En als l\'aulus daar nog vele dagen gebleven was, nam hij afscheid van de broederen, en voer van daar naar Syrië, en Friscilla en Aquila\'met hem, zijn hoofd te Cenchrea geschoren hebbende, want hij had eene gelofte gedaan. 11) En hij kwam te Efeze aan, en liet ze aldaar; maar hij ging in ile Synagoge en handelde met de Joden. 20 En als zij baden dat hij lansjer bij hen blijven zoude, bewilligde hij het niet. |
NGEN 19. 1U5 21 maar hij nam afscheid van hen, zeggende: Ik moet noodzakelijk het toekomende feest te Jeruzalem houden; doch ik zal tot u wederkeeren, zoo God wil; en hij voer weg van Efeze. 22 En als hij te Cesaréa was gekomen, ging hij op naar Jeruzalem, en de gemeente gegroet hebbende, ging hij af naar Antiochië; 23 en als hij aldaar eenigen tijd geweest was, ging hij weg, en doorreisde vervolgens het land van Galatië en Krygië, versterkende alle de discipelen. 24 En een zekere Jood met name A polios, van geboorte een Alexaudriër, een welsprekend man. kwam te Efeze, machtig zijnde in de Schriften. 25 Deze was in den weg des Heeren onderwezen; en vurig zijnde van geest, sprak hij en leerde naarstiglijk de zaken des Heeren, wetende alleenlijk den doop van Johannes; 2(5 en deze begon vrijmoedig-lijk te spreken in de Synasoire. En als hem Aquila en\'l\'riscilla gehoord hadden, namen zij hem tot zich en leiden hem den weg Gods nauwkeuriger uit. 27 En als hij wilde naar Achaje reizen, schreven de broeders. hem vermaand hebbende, aan de discipelen dat zij hem ontvangen zouden; welke daar gekomen zijnde veel heeft toegebracht aan degenen die geloofden door de genade. 28 Want hij overtuigde de Joden met grooten ernst in \'t openbaar, bewijzende door de Schriften dat Jezus de Christus was. HOOFDSTUK 19. En het geschiedde terwijl Apollos te Corinthe was, dat Paulus de bovenste deelen des lands doorreisd hebbende te |
|
106 HANDEL Efuzc kwam ; pn ccnige disci-pelen aldaar vindende, \'J zeide liij tot hen: Hebt gij den Heiligen Geest ontvangen als gij geloofd hebt? En zij zeiden tot hem: Wij hebben zelfs niet gehoord of daar een Heilige Geest is. 3 En hij zeide tot hen: Waarin zijt gij dan sedoopt? En zij zeiden: In den doop van Johannes. -I Maar Panlns zeide: Johannes heeft wel gedoopt den doop der bekeering, zeggende tot het volk dat zij gelooven zouden In dengenen die na hem kwam, dat is in Christus .lezus. h En die hrm hoorden werden gedoopt in den naam des Hee-ren Jezus; (i en als l\'aulus hun de handen opgelegd had, kwam de Heilige Geest op hen, en zij spraken met vreemde talen en profeteerden. 7 En alle. deze waren omtrent twaalf mannen. 8 En hij ging in de Synagoge en sprak vrijmoedig!ijk drie maanden lang, met hen handelende en /inn aanradende de zaken van het Koninkrijk Gods. \'.) Maar als sommigen verhard werden en ongehoorzaam waren , kwaadsprekende van den Weg des Heer en voor de menigte, week hij van hen en scheidde de discipelen af, dagelijks handelende in de school van zekeren Tyrannus. 10 En dit geschiedde twee jaren lang, alzoo dat allen die in Azië woonden het Woord des Heeren Jezus hoorden, beide Joden en Grieken. 11 En God deed ongewone krachten door de handen van Paulus, 12 alzoo dat ook van zijn lijf op de kranken gedragen werden de zweetdoeken of sordel-doeken, en dat de ziekten van hen weken en de booze geesten van hen uitvoeren. 13 En sommigen van de om- |
INGEN li). zwervende Joden, zijnde rfuirci-bezweerders, hebben zich onderwonden den naam des Hee-ren Jezus te noemen over degenen die booze freesten hadden. zeggende: Wij bezweren u bij Jezus, dien Paulus predikt. 14 Dexr nu waren zekere zeven zonen van Seeva, een Jood-schen Overpriester, die dit deden. 15 Maar de booze geest antwoordende zeide: Jezus keu ik, en Paulus weet ik; maar gijlieden, wie zijt gij? 1(gt; En de mensch in welken de booze geest was sprong op hen . en hen meester geworden zijnde kreeg hij de overhand tegen hen, al zoo dat zij naakten gewond uit dat huis ontvloden. 17 En «lit werd allen bekend, beiden Joden en Grieken die te Efeze woonden, en daar viel een vreeze over hen allen, en de naam des Heeren Jezus werd groot gemaakt; 18 rn velen dergenen die geloofden kwamen, belijdende en verkondigende bnnne daden. li) Velen ook t\'.ergenen die ijdele kunsten gepleegd hadden, brachten de boeken bijéén en verbrandden ze in aller tegenwoordisheid, en berekenden de waarde dereelve, en bevonden vijftigduizend zilveren penningen. 20 Alzoo wies het Woord des Heeren met macht en nam de overhand. 21 En als deze dingen volbracht waren, nam l\'aulus voor in den geest, Macedonië en Achaje doorgegaan hebbende, naar Jeruzalem te reizen, zeggende: Nadat ik aldaar zal geweest zijn, moet ik ook Rome zien. 22 En als hü naar Macedonië gezonden had twee van desenen die hem dienden, namelijk TimotheUs en Erastus, bleef hij zelf eencn tijd lantj in Azië 23 Maar op dienzelfJen tijd |
|
handel: ontstond daar goone kleine beroerte van wege den weg des 1 fee ren. 2-1 Want een met name Demetrius , een zilversmid die kleine zilveren tempelen van Diana maakte, bracht dien van die kunst geen klein gewin toe:. 25 welke hij te zamen vergaderd hebbende met de handwerkers van dergelijke dingen, zeide: Mannen, gij weet dat wij uit dit gewin onze welvaart hebben; 20 en gij ziet en hoort, dat deze Pauins veel volk niet alleen van Kfeze maar ook bijna van geheel Azië overreed en afgekeerd heeft, zeggende dat het geen goden zijn die met handen gemaakt worden; 27 en wij zijn niet alleen in gevaar dat dit deel in verachting kome, maar dat ook de tempel van de groote godin Diana als niets geacht zal worden, en dat ook hare majesteit zal tenondergaan, aan welke gansch Azië en de ye/ieele we-reld godsdienst bewijst. 28 Als zij nu dit hoorden, werden zij vol van toornigheid en riepen, zeggende: Groot is de Diana der Efeziërs! 29 Eo de geheele stad werd vol verwarring, en zij liepen met een gedrüiscb eendrachtiglijk naar de schouwplaats, met zic.i trekkende Gajus en A ristarchus,Macedoniër.s, metgezellen van 1\'aulus op de reis. .\'10 En als l\'aulus tot het volk wilde ingaan, lieten het hem de discipelen niet toe; :U en sommigen ook der oversten van Azië, die hem vrienden waren. zonden tot hem en baden dat hij zichzelven op de schouwplaats niet zoude begeven. 32 Zij riepen dan de één dit, de ander wat anders; want de vergadering was verward, en het meerencfcel wist-niet om wat oorzaak zij te JWH\'quot; gekomen waren.\' |
NOEN 20. 197 33 En zij deden Alexander uit de schare voorkomen, alzoo quot; hem de Joden voortslieten ; en Alexander gewenkt hebbende met de hand, wilde bij het volk verantwoording doen. 34 Maar als zij verstonden dat hij een Jood was, werd daar ééne stem van allen , roepende omtrent twee uren lang: Groot is de Diana der Efeziërs! 35 Eu als de */o*/«schrijver de schare gestild had, zeide hij: Gij mannen van Efeze, wat mehsch is er toch die niet weet, dat de stad der Efeziërs de tempelbewaarster is van de groote godin Diana, en van het beeld dat uit den hemel gevallen is? 30 Dewijl dan deze dingen on-wedersprekelijk zijn, zoo is het behoorlijk dat gij stil zijt en niets onbedachts doet. 37 Want gij hebt deze mannen //iey gebracht, die noch kerk-roovers zijn noch uwe godin lasteren. 38 Indien dan nu Demetrius, en die met hem van de kunst zijn, tegen iemand eenige zaak hébben, de rechtsdagen worden gehouden en daar zijn Stadhouders: laat ze elkander verklagen. 39 En indien gij iets van andere dingen verzoekt, dat zal in eene wettelijke vergadering beslecht worden. 40 Want wij staan in gevaar dat wij van oproer zullen ver-klaagd worden om den dug van heden, alzoo daar geene oorzaak is waardoor wij reden zullen kunnen geven van dezen oploop. En dit gezegd hebbende liet hij de vergadering gaan. HOOFDSTUK 20. Nadat nu het oproer gestild was, l\'aulus de discipelen tot zich geroepen en gegroet hebbende, ging uit. om naar Macedonië te reizen. |
|
196 HANDEL Efeze kwam ; on eenige discipelen nltlnar vindende, \'2 zeide hij tot hen: Hebt gij den Heiligen Geest ontvnngen als ;ój geloofd hebt? En zij zeiden tot hem: Wij hebben zelfs niet gehoord of daar een Heilige. Geest is. En hij zeide tot hen; Waarin zijt fcü dan gedoopt? En zij zeiden: In den doop van Johannes. 4 Maar Panlns zeide; Johannes heeft wel gedoopt den doop der bekeering, zeggende tot het volk dat zij gelooven zouden in dengenen die na hem kwam, dat is in Christus Jezus. h En die /inn hoorden werden gedoopt in den naam des Hee-ren Jezus; (i en als l\'aulus hun de handen opgelegd had, kwam de Heilige Geest op hen, en zij spraken met vreemde talen en profeteerden. 7 En alle. deze waren omtrent twaalf mannen. 8 En hij ging in de Synagoge en sprak vrijmoedigi ijk drie maanden lang, met hen handelende en hun aanradende de zaken van het Koninkrijk Gods. 9 Maar als sommigen verhard werden en ongehoorzaam waren , kwaadsprekende van den Weg des Ueeren voor de menigte, week hij van hen en scheidde de discipelen af, dagelijks handelende in de school van zekeren Tyrannus. 10 En dit geschiedde twee jaren lang, afzoo dat allen die in Azië woonden het Woord des Heeren Jezus hoorden, beide Joden en Grieken. 11 En God deed ongewone krachten door de handen van Paulus, 12 alzoo dat ook van zijn lijf op de kranken gedragen werden de zweetdoeken of sordel-doeken, en dat de ziekten van hen weken en de booze geesten van hen uitvoeren. 13 En sommigen van de om- |
LNGEN ii). zwervende Joden, zijnde fZtóircZ-bezweerdèrs, hebben zich onderwonden den naam des Heeren Jezus te noemen over degenen die booze geesten hadden. zeggende: Wij bezweren u bij Jezus, dien l\'aulus predikt. 14 Drxr nu waren zekere zeven zonen van Sceva, een Jood-schen Overpriester, die dit deden. 15 Maar de booze geest ant-woordende zeide: Jezus ken ik, en Paulus weet ik; maar gijlieden, wie zijt gij? 1(gt; En de mensch in welken de. booze geest was sprong op hen . en hen meester geworden zijnde kreeg hij de overhand tegen hen, alzoo dat zij naakten gewond uit dat h.iis ontvloden. 17 En dit werd allen bekend, beiden Joden ««n Grieken die te Efeze woonden, en daar viel een vreeze over iienallen, en de naam des Heerun Jezus werd groot gemaakt; 18 en velen dergenen die geloofden kwamen, belijdende en verkondigende h jnne daden. 19 Velen ook dergenen die ijdele kunsten gepleegd hadden, brachten de boeken bijdén en verbrandden ze, in aller tegenwoordigheid, en berekenden de waarde derzelve, en bevonden vijftigduizend zilveren penningen. Alzoo wies het Woord des Heeren met macht en nam de overhand. 21 En als deze dingen volbracht waren, nam Paulus voor in den geest, Macedoniü en Aehaje doorgegaan hebbende, naar Jeruzalem te reizen, zegsrende; Nadat ik aldaar zal geweest zijn, moet ik ook Home zien. 2- En als hij naar Macedonië gezonden had twee van degenen die hem dienden, namelijk Timofheüs en Erastus, bleef hij zelfeenen t.id lanrj in Azië 23 Maar op iienzelfdcn tijd |
|
1IAKDEL] ontstond daar goone kleine bp-roert (! van wege den weg des Jfeeren. 24 Want een met name Demetrius , een zilversmid die kleine zilveren tempelen van Diana maakte, bracht dien van die kunst geen klein gewin toe:. 25 welke bij te zamen vergaderd hebbende met de handwerkers van dergelijke dingen, zeide : Mannen , gij weet dat wij uit dit gewin onze welvaart hebben; 20 en gij ziet en hoort, dat deze Faulus veel volk niet alleen van Kfeze maar ook bijna van geheel Azië overreed en afgekeerd heeft, zeggende dat het seen goden zijn die met handen gemaakt worden; 27 en wij zijn niet alleen in gevaar dat dit deel in verachting kome, maar dat ook de tempel van de groote godin Diana als niets geacht zal worden , en dat ook hare majesteit zal tenon dergaan, aan welke gansch Azië en de geheele wereld godsdienst bewijst. 2S Als zij nu dit hoorden, werden zij vol van toornigheid en riepen, zeggende: Groot is de Diana der Efeziërs! 29 En de geheele stad werd vol verwarring, en zij liepen met een gedrüisch eendrachtiglijk naar de schouwplaats, met zich trekkende Gajus «mi A ristarchus,Macedoniërs, metgezellen van Paulus op de reis. 30 En als Paulus tot het volk wilde ingaan, lieten het hem de discipelen niet toe; 31 en sommigen ook der oversten van Azië, die hem vrien-«len waren, zonden tot hem en baden dat hij zichzelven op de schouwplaats niet zoude begeven. 32 Zij riepen dan de één dit, de ander wat anders; want de vergadering was verward, en het moerenrfcf/ wist niet om wat oorzaak zij te zamen gekomen waren. |
NGEN 20. 197 33 En zij deden Alexander nit de schare voorkomen, alzoo quot; hem de Joden voortstieten ; en Alexander gewenkt hebbende met de hand, wilde bij het volk verantwoording doen. 34 Maar als zij verstonden dat hij een Jood was, werd daar étfne stem van allen , roepende omtrent twee uren lan^; Groot is de Diana der Efeziërs! 35 Eu als de ^/«(/«schrijver de schare gestild had, zeide hij: Gij mannen van Efeze, wat mensch is er toch die niet weet, dat de stad der Efeziërs de tempelbewaarster is van de groote godin Diana, en van /iet beeld dat nit den bemel gevallen is ? 36 Dewijl dan deze dingen on-wedersprekelijk zijn, zoo is het behoorlijk dat gij stil zijt en niets onbedachts doet. 37 Want gij hebt deze mannen hier gebracht, die noch kerk-roovers zijn noch uwe godin lasteren. 38 Indien dan nu Demetrius, en die met hem van de kunst zijn, tegen iemand eenige zaak hébben, de rechtsdagen worden gehouden en daar zijn Stadhouders: laat ze elkander verklagen. 39 En indien gij iets van andere dingen verzoekt, dat zal in eene wettelijke vergadering beslecht worden. -lil Want wij staan in gevaar dat wij van oproer zullen ver-klaagd worden om den dug van heden, alzoo daar geene oorzaak is waardoor wij reden zullen kunnen seven van dezen oploop. En dit gezegd hebbende liet bij de vergadering gaan. HOOFDSTUK 20. Nadat nu bet oproer gestild was, l\'aulus de discipelen tot zich geroepen en gegroet hebbende, ging uit om naar Macedonië te reizen. |
|
198 handel 2 En als bij die deelen doorgereisd en hen met vele redenen vermaand had, kwam hij in Griekenland; en als hij nldaar drie maanden doorgebracht had, en hem van de Joden lagen gelegd werden als bij naar Syrii1 zoude varen , zoo werd bij van zin weder te kceren door Macedonië. 4 En hem vergezelscbapte tot in Azië Sopater van Beréa, en van de Thessalonicenzen Aris-tarchns en Secundus, en Gajus van Perbe, en Tiraotheüs , en van die van Azië Tychicus en Trofimus: 5 deze voor benen gegaan zijnde wachtten ons te Troas. 6 Wij nu voeren af van Filip-pi na de dagen der ongebevel-de broaden, en kwamen in vijf dagen bij hen ie Troas, alwaar wij ons zeven dagen onthielden. 7 En op den eersten dag der week, als de discipelen bijéén-gekomen waren om brood te breken, handelde Paulus met hen, zullende des anderen daags verreizen; en bij strekte ziine rede uit tot middernacht; 8 en daar waren vele lichten in de opperzaal, waar zij vergaderd waren. 9 En een zeker jongeling met name Eutychus zat in het venster , en \' met eenen diepen slaap overvallen zijnde, alzoo Faulus lanjf tot htii sprak, door den slaap nederatortende viel van de derde zoldering nederwaarts, en werd dood opgenomen. 10 Doch Paulus afgekomen zijnde, viel op hem. en hem omvnnsende zeide hij: Weest niet beroerd, want zijne ziel is in hem. 11 En als hij im/pr boven gegaan was, en brood gebroken en vat gegeten had, en lang tot den dageraad toe met ben gesproken had, vertrok hij al-zoo. |
[NGEN 20. 12 En zij brachten den knecht levend, quot;en waren bovenmate vertroost. 13 Maar wij vooruit naar het schip gegaan zijnde, voeren af naar Assus, waar wij Paulus zouden innemen ; want hij bad het alzóó bevolen, en hij zelf zoude te voet gaan. 14 Eu als hij zich te Assus bij ons gevoegd had, namen wij hem in, en kwamen te Mity-léne; 15 en van daar afgevaren zijnde kwamen wij den volgenden dar/ tegen Cbiós over, en des anderen daags leiden wij aan te Samos, en bleven te Tro-gyllium, en den dag daarna kwamen wij te Miléte. 16 Want Paulus had voorgenomen Efeze voorbij te varen, opdat hij niet den tijd in A-zië zoude verslijten; want bij spoedde zich, om (zoo bet hem mogelijk ware) op den Pinksterdag te Jeruzalem te zijn. 17 Maar hij zond van Miléte naar Efeze, en hij ontbood de Ouderlingen der gemeente; IS en als zij tot h-jm gekomen waren zeide hij tot hen: Gijlieden weet, van den eersten dag af dat ik in Azië ben aangekomen, hoe ik bij u den gansrben tijd geweest ben, 19 dienende den Heere met alle ootmoedigheid, en vele tranen, en verzoekingen, die mij overkomen zijn door de lagen der Joden; \'.ü hoe ik niets achtergehouden heb van hetgeen nuttig was, dat ik n niet zoude verkondigd en u geleerd hebben, in het openbaar en bij de buizen, 21 betuigende beiden Joden en Grieken de bekeering tot God en het geloof in onzen Heere Jezus Christus. 22 En nu zie, ik, gebonden zijnde door. den Geest, reize naar Jeruzalem , niet wetende wat mij daar ontmoeten zal, 23 dan dat de Heilige Geest |
|
van stad tot stad betuigt, zet;-premie dat mij banden en verdrukkingen aanstaande zijn. 24 Maar ik acht op geen ding, noch hond mijn leven dierbaar voor mijzelven. opdat ik mijnen loop met blijdschap ma? volbrengen, en den dienst welken ik van den Heere Jezus ontvangen heb, om te betuigen het Evangelie der genade Gods. 2\') En nu zie. ik weet diit gij allen, waar ik doorgegaan ben predikende het Koninkrijk Gods, mijn aangezicht niet meer zien zult. 2(gt; Daarom betuige ik ulieden op dezen huidigen dag. dat ik rein ben van het bloed van u allen; 27 want ik heb niets achtergehouden , dat ik u niet zoude verkondigd hebben al den raad Gods. 28 Zoo hebt dan acht op uzel-ve, en op de geheele kudde over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, welke hij verkregen heeft door zijn eigen bloed. 2S) AVant dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen, die de kudde niet sparen; 30 en uit uzelve zullen mannen opstaan sprekende yei-keerde dingen , om de discipelen af te trekken achter zich. 31 Daarom waakt, en gedenkt, dat ik driejaren lanff nacht en dag niet opgehouden heb een iegelijk met tranen te vermanen. 32 En nu broeders, ik beveel u Gode en den Woorde zijner Kenade, die machtig is u op te bouwen en u een erfdeel te geven oader alledepreheiligden. 33 Ik heb niemands zilver of goud of kleeding begeerd ; 34 en gijzelve weet, dat deze handen tot mijne nooddruft, en dengenen die met mij waren, gediend hebben. 35 Ik heb u in alles getoond, [NGEN 21. 199 |
dat mpn alzóó arbeidende de zwakken moet opnemen, en gedenken aan de woorden des Heeren Jezus, dat hij gezegd heeft: Het is zaliger te geven dan te ontvangen. 3(i En ala hij dit gezegd had, heeft hij nederknielende met hen allen gebeden. 37 En daar werd een groot geween van hen allen; en zij vallende om den hals van 1\'au-lus kusten hem, 38 zeer bedroefd zijnde, allermeest over het woord dat hij gezegd had, dat zij zijn aangezicht niet meer zien zouden. En zij geleidden hem naar het schip. HOOFDSTEK 21. En als het geschiedde dat wij van hen gescheiden en afgevaren waren. zoo liepen wij rechtuit en kwamen te Cós, en den dny daaraan te Ilhodus, en van daar te l\'atara. 2 En een schip gevonden hebbende dat naar Fenicië overvoer, gingen wij er in en voeren af. 3 En als wij Cyprus in het gezicht gekregen en dat aan de linkerhand gelaten hadden , voeren wij naar Syrië, en kwamen aan te Tyrus; want het schip zoude aldaar den last ontladen. 4 En de discipelen gevonden hebbende, bleven wij daar zeven dagen ; dewelke tot Paulus zeiden door den Geest, dat hij niet zoude opgaan naar Jeruzalem. 5 Toen het nu geschiedde dat wij deze dagen doorgebracht hadden, gingen wij uit en reisden voort; en zij geleidden ons allen met vrouwen en kinderen tot buiten de stad , en aan den oever nederknielende hebben wij gebeden; (i en als wij elkander gegroet hadden, gingen wij in het schip, maar zijlieden keerden wederom elk naar het zijne. |
|
200 HANDEL 7 Wij nu de vaart volbracht hebbende van Tyrus, kwamen aan te Ptolemais, en de broeders .areprroet hebbende, bleven ^énen dag bij hen. 8 En des anderen daags gingen Faulus en wij die met hem waren van daar en kwamen te Ces ar (sa, en gegaan zijnde in het huis van Fillppus den E-vangelist, (die ren was van de zeven), bleven wij bij hem. 9 Deze nu had vier dochters, nnrj maagden, die profeteerden. 10 En als wij rfaw vele dagen gebleven waren, kwam er een zeker Profeet af van Judéa, met name Agabus; 11 en hij kwam tot ons, en nam den gordel van Paulus, en zichzelven handen en voeten gebonden hebbende, zeide: Dit zegt de Heilige Geest: Den man, wiens deze gordel is, zullen de Joden alzóó te Jeruzalem binden, en overleveren in de handen der heidenen. 12 Als wij nu dit hoorden, baden beidé wij en die van die plaats waren, dat hij niet zoude opgaan naar Jeruzalem. IH Maar Paulus antwoordde: Wat doet gij dat gij weent en mijn hart week maakt? Want ik ben bereid niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven te Jeruzalem voor den naam des Heeren Jezus. 14 En als hij zich niet liet afraden, hielden wij ons tevreden , zeggende: De wille des Heeren geschiede. •15 En na die dagen maakten wij ons gereed en gingen óp naar Jeruzalem; 16 en met ons gingen ook sommigen der discipelen van Cesaréa, leidende met zich een zekeren Mnason van Cyprus, eenen ouden discipel, bij denwelken wij zouden te huis lig-gen. 17 En als wij te Jeruzalem gekomen waren, ontvingen ons de broeders blijdelijk. |
NGEN 21. 18 En den volgenden dag ging Paulus met ons in tot Jacobus; en alle de Ouderlingen waren daar gekomen. 19 En als hü ze gegroet had, verhaalde hij van stuk tot stuk , wat God onder de heidenen door zijuen dienst gedaan had. 20 En zij dai gehoord hebbende, loofden den Heere, en zeiden tot hem: Gij ziet broeder, hoe vele duizenden van Joden daar zijn die gelooven. en zij zijn allen ij veraars voor de wet; 21 en zij zijn aangaande u bericht, dat gij alle de. Joden die onder de heidenen zijn leert van Mozcs afvallen , zeggende dat zij de kinderen niet zouden besnyden noch naar de wijzen der wet wandelen. 22 Wat is er dan te doen? Het is zeer noodig dat de menigte samenkome; waat zij zullen hooren dat gij gekomen z\\jt. 23 Doe dan hetgeen wij u zeggen. Wij hebben -\'ier mannen die een gelofte gedaan hebben: 24 neem deze tot a , en heilig u met hen, en doe de onkosten nevens hen, opdat i ij het hoofd bescheren mogen, en allen mogen weten, dat er niets is aan hetgeen waarvan zij aangaande u bericht zijn, u aar dat gij alzóó wandelt, dat jjij ook zelf de wet onderhoudt. 25 Doch van de heidenen die gelooven hebben wij geschreven en goed gevonden, dat zij niets dergelijks zouden onderhouden , dan dat zij zich wachten van hetgeen den afgoden geofferd is, en van bloed, en van het verstikte, en van hoererij . 2fi Toen nam Paulus de mannen met zich, en den dag daaraan met hen geheiligd zijnde, ging hij in den Tempel, en verkondigde dat de dagen der heiliging vervuld waren, blijvende daar totdat voor een iegelijk van hen de offerande opgeofferd was. |
|
HANDEL! 27 Als nn de zeven dassen zouden voleindigd worden, zagen hem de. Joden van Azië in den Tempel, en beroerden al liet volk, lt;!n sloegen de handen aan hem, 28 roepende: Gij Israëlitisehe mannen, komt te hulp! Deze is de mensch die tegen het volk en de wet en deze plaats allen overal leert; en hoven-dien heeft hij ook Grieken in den Tempel gebracht en heeft deze heilige plaats ontheiligd. 29 Want zij hadden te voren Trofimus den Efeziër met hem in de stad gezien, welken zij meenden dat Paulus in den Tempel gebracht had. .quot;JO En de geheele stad kwam in beroering, en het volk liep te zamen, en zij grepen l\'aulua en trokken hem buiten den Tempel; en terstond werden de deuren gesloten. :U En als zij hem zochten te dooden, kwain het gerucht tot den overste der bende, dat Re-heel Jeruzalem in verwarring was; .quot;{2 welke terstond krijgsknechten en hoofdmannen over honderd tot zich nam , en liep af naar hen toe. Zij nu den overste en de krijgsknechten ziende, hielden op van Paulus te slaan. 33 Toen naderde de overste en greep hem, en beval dat men hem met twee ketenen zoude binden, en vraagde wie hij was en wat hij gedaan had. 34 En onder de schare riep de één dit, de ander wat anders ; doch als hij de zekerheid niet kon weten van wege de beroerte, beval hij dat men hem in de legerplaats zoude brensen. 35 En als hij aan de trappen gekomen was, gebeurde het dat hij van de krijgsknechten gedragen werd, van wege het geweld der schare; 36 want de menigte des volks |
NGEN 22. 201 volgde, al roepende: Weg met hem! 37 En als Paulus nu in de legerplaats zoude geleid worden , zeide hij tot den overste: Is het ml) geoorloofd tot ti wat te spreken? En hij zeide: Kent gij Grieksch ? lïS Zijt gij dan niet de Egyptenaar, die vóór deze dagen oproer verwekte en de vierduizend moordenaars naar de woestijn uitleidde? 39 Maar Paulus zeide : Ik ben een Joodsch man van Tarsus, een burger van eene niet on-vermaarde stad in Cilicië, en ik bid u, laat mij toe tot het volk te spreken. 40 En als hij het toegelaten had, Paulus staande op de trappen wenkte met de hand tot het volk ; en als daar groo-te stilte geworden was , sprak hij ze aan in de Hebreeuwsche taal, zeggende: HOOFDSTUK 22. Mannen broeders en vaders, hoort mijne verantwoording die ik tegenwoordig tot u doen zal. 2 (Als zij nu hoorden dat hü in de Hebreeuwsche taal hen aansprak, hielden zij zich te meer stil. En hij zeide:) 3 Ik ben een Joodsch man, te Tarsus in Cilicië geboren, opgevoed in deze stad , aan de voeten Gamaliels onderwezen naar de nauwgezetste wijze der vaderlijke wet, zijnde een ijver-aar Gods gelijkerwijs gij allen heden zijt; 4 die dezen weg vervolgd heb tot den dood, bindende en in de jfevangenissen overleverende beide mannen .;n vrouwen: 5 gelijk mij ook de Hooge-priester getuige m, en de geheele Raad der Ouderlingen; van dewelke ik ook brieven genomen hebbende tot de broeders , ben naar Damascus gereisd, om ook deg?nen diedaér |
|
202 HANDEL waren gebonden te brengen naar Jeruzalem, opdat zij gestraft zouden worden. 6 Maar het geschiedde mij als ik reisde en Damascus genaakte, omtrent den middag, dat snellijk uit den hemel een groot licht mij rondom omscheen ; 7 en ik viel ter aarde, en ik hoorde eene stemme tot mij zeggende: Saul, Saul, wat ver-voltct gij mij ? 8 En ik antwoordde: Wie zijt gij Ueere? En hij zeide tot mij: Ik ben Jezus de Nazare-ner welken gij vervolgt. 9 En die met mij waren zagen wel het licht, en werden zeer bevreesd, maar de stem desgenen die tot mij sprak hoorden zij niet. 10 En ik zeide: Heere, wat zal ik doen ? En de Heere zeide tot mij: Sta op en ga henen naar Damascus , en aldaar zal met u gesproken worden van al hetgeen u geordineerd is te doen. 11 En als ik van wege de heerlijkheid van dat licht niet za?, zoo werd ik bn de hand geleid van degenen die met mij waren, en kwam te Damascus. 12 En een zekere Ananias, een godvruchtig man naar de wet, yoe.de getuigenis hebbende van alle de Joden die duur woonden, 13 kwam tot mü, en bij mij staande zeide tot mij: Saul, broeder, word weder ziende. En terzelfder ure werd ik ziende op hem. 14 En hij zeide: De God onzer vaderen heeft u te voren verordineerd om zijnen wil te kennen, en den Rechtvaardige te zien, en de stem uit zijnen mond te hooren ; 15 want gij zult hem sretuige zijn bij alle menschen van hetgeen gy gezien en gehoord hebt. |
16 En nu wat vertoeft gij? Sta op, en Iaat u doopen en uwe zonden afwasschen, aanroepende den naam des Hee-ren. 17 En het gebeurde mij als ik te Jeruzalem wedergekeerd was en in den Tempel bad, dat ik in eene vertrekking van zinnen was, 18 en dat ik hem zag, en hij tot mij zeide: Spoed u en ga in der haast uit Jeruzalem; want zij zullen uwe getuigenis van mij niet .aannemen. 19 En ik zeide: Heere, zij weten dat ik in de gevangenis wierp en in de Smajrogen gee-selde die in u geloofden; 20 en toen het bloed van Ste-fanus uwen getuige vergoten werd, dat ik daar óók bijstond, en mede een welbehagen had in zijnen dood, en de kleederen bewaarde dergenen die hem doodden. 21 En hij zeide tot mij: Ga henen , want ik zal u ver tot de heidenen afzenden. 22 Zii hoorden hem nu tot dit woord toe; en süj verhieven hunne stem, zegKenrie: Weg van de aarde met zulk eenen, want het is niet behoorlijk dat hij leve. 2:1 En als zij riepen en de kleederen vèn zich smeten en stof in de lucht wierpen, 24 zoo beval de overste dat men hem in de legerplaats zoude brengen, en zeide dat men hem met geeselen onderzoeken zoude, opdat hij verstaan mocht om wat oorzaak zij alzoo over hem riepen. 25 En alzoo zij hem met de riemen uitrekten, zeide Paulus tot den hoofdman over honderd die daar stond: Is het ulieden geoorloofd eenen Romeinschen mensch, en dien od veroordeeld, te geeselen? 26 Als nu de hcofdman over honderd dat hoorde, ging hij toe en boodschapte het den overste, zegsende: Zie wat gij te doen hebt, want deze mensch is een Eomein. |
|
27 En de overste kwam toe en zeide tot hem: Zeg mij, zijt Rij een Romein? En hij zeide: Ja. 23 En de overste antwoordde: Ik heb dit bursrerrechl voor eene proote som yeld verkregen. En Paulus zeide: Maar ik bon ook eoj 6«/v/er geboren. 29 Terstond dan lieten zij van hem af, die bom zouden onderzocht hebben; en de overste werd óók bevreesd, toen hij verstond dat hij een Romein was, en dat hij hem had gebonden. •TO En des anderen daags, willende de zekerheid weten, waarom hij van de Joden beschuldigd werd, maakte hij hem los van de banden, en beval dat de Overpriesters en hun geheele Raad zouden komen ; en Paulus afgebracht I hebbende stelde hij hem vóór i hen. HOOFDSTUK 23. En Paulus de oogen op den Raad houdende, zeide: Mannen broeders, ik heb met alle goede conseientie voor God gewandeld tot op dezen dag. 2 Maar de Hoogepriester Ananias beval degenen die bij hem I stonden, dat zij hem op den mond zouden slaan. stonden, dat zij hem op den mond zouden slaan. 3 Toen zeide Paulus tot hem: God zal u slaan, gij gewitte, wand. Zit gij ook om mij te oordeelen naar de wet. en be- ; veelt gij tegen de wet dat men mij zal slaan? 4 En die daarbij stonden zeiden: Scheldt gij den Hoogepriester Gods? 5 En Paulus zeide: Ik wist niet, broeders, dat het de Hoogepriester was; want daar is geschreven: Den overste uws volks zult gij niet vloeken. (» En Paulus wetende dat het ééne deel was van de Saddu-ceërs en het andere van de Fa-rizeërs, riep in den Raad: Mannen broeders, ik ben een Fari-[NGEN 23. 203 |
zeör, eens Farizeërs zoon: ik word over de hoop en opstanding der dooden geoordeeld. 7 En als hij dit gesproken had, ontstond daar tweedracht tusschen de Farizeërs en Sad-duceérs, en de menigte werd verdeeld. 8 Want de Sadduceërs zeggen dat er geene opstanding is, noch Engel offjeest; maar de Farizeërs belijden het beide. 9 En daar geschiedde een groot geroep; en de Schriftgeleerden van de zijde der Farizeërs stonden op en streden, zeggende: quot;Wij vinden geen kwaad in dezen mensch; en indien een geest tot hem gesproken heeft of een Engel, laat ons tegen God niet strijden. 10 En als daar groote tweedracht ontstaan was , de overste vreezende dat Paulus van\' hen verscheurd mocht worden, gebood dat het krijgsvolk zoude afkomen en hem uit het midden van hen wegrukken en in de legerplaats brengen. 11 En den volgenden nacht stond de Heere bij hem. en zeide: Heb goeden moed Paulus ; want gelijk gij te Jeruzalem van mij betuigd hebt, alzóó moet gij ook te Rome getuigen. II! En als het dag geworden was, maakten sommigen van de Joden eene samenrotting, en vervloekten zichzelve, zeggende dat zii noch eten noch drinken zouden totdat zij Paulus zouden gedood hebben. 13 En zij waren meer dan veertig die dezen eed te zamen gedaan hadden; 14 dewelke gingen tot de Overpriesters en de Ouderlingen, en zeiden: Wij hebben onszelve met vervloeking vervloekt, niets te zullen nuttigen totdat wij Paulus zullen gedood hebben. 15 Gij dan nu, laat den overste weten met den Raad, dat hij hem morgen tot u afbren-ge, alsof gij nader kennis zoudt |
|
201 HANDEL] nemen van zijne zaken; en wij zijn bereid hein om te brengen eer hij bij u komt. 16 En als de zoon van Paul us zuster deze lage gehoord had, kwam hij daar en gin;; in de legerplaats, en boodschapte het l\'aulus. 17 En Paulus riep tot zich een van dc hoofdmannen over honderd, enzeide: Leid dezen jongeling henen tot den overste ; want hij heeft hem wat te boodschappen. IS Deze dan nam hem en bracht, hem tot den overste, en zeide: Paulus de gevangene heeft mij tot zich geroepen, en begeerd dat ik dezen jongeling tot u zoude brengen, die u wat heeft te zeggen. 19 De overste nu nam hem bij de hand, en terzijde gegaan zijnde vraagde hij : Wat is het dat gij mij hebt te boodschappen ? 20 En hij zeide: De Joden zijn overeengekomen om van u te begeeren, dat gij Pau lus morgen in den Raad zoudt afbrengen , alsof zij iets van hem nader zouden onderzoeken. 21 Doch geloof hen niet; want meer dan veertig mannen uit hen leggen hem lagen , welke zichzelve met eene vervloeking verbonden hebben , noch te eten noch te drinken totdat zij hem zullen omgebracht hebben ; en zij zijn nu gereed, verwachtende de toezefrginsrvan u. 22 De overste dan liet den jongeling gaan, hein gebiedende : Zeg niemand voort, dat gij mij zulks geopenbaard hebt. 23 En zekere twee van de hoofdmannen over honderd tot zich geroepen hebbende, zeide hij; Maakt tweehonderd krijgsknechten gereed, opdat zij naar Cesaréa trekken, en zeventig ruiters, en tweehonderd schutters, tegen de derde ure des nachts; 24 en Iaat ze rwWheesten bestellen , opdat zij Paulus daar- |
N\'GEN 23. op zetten en behouden overbrengen tot den Stadhouder Felix. 25 En hij schreef eenen brief, hebbende dezen inhoud: £6 Claudius Lysias aan den machtigsten Stadhouder Felix groetenis. 27 Alzoo deze man van de Joden gegrepen was, en van hen omirebracht zoude geworden zijn, ben ik daarover gekomen met het krijgsvolk, en heb hem hun ontnomen, bericht zijnde dat hij een Romein is; 28 en willende de zaak weten waarover zij hem beschuldigden , bracht ik hem af in hunnen Raad: 29 welken ik bevond beschuldigd te worder over vragen hunner wet, rna\'ar geene beschuldiging tefïen hem te zijn die den dood of banden waardig is. SO En als mij te kennen gegeven was, dat van de Joden eene lage tegen l ezen man (/lt;•-loijd zoude worden, zoo heb\' ik hem terstond aan u gezonden, gebiedende ook de beschuldigers voor u te zeggen hetgeen zij tesjen hem hadden. Vaarwel. 31 De krijïsknecl.ten dan, gelijk hun bevolen was, namen Paulus en brachten hem des nachts tot Antipatrift; 3U en des anderen daags, latende de ruiters met hem trekken keerden zij wederom naar de legerplaats. 33 Dewelke als zij te Cesar^a gekomen waren en den Stadhouder overgeleverd hadden, hebben zij ook Paulus vóór hem gesteld. 34 En de Stadhouder den brief gelezen hebbende, vraagde uit wat provincie hij was ; en verstaande dat hij van Cilicic was, 35 zeide bij: Ik zal u hooren als ook uwe beschuldigers hier zullen gekomen zijn. En hij beval dat hij in het Rechthuis van Herodes zoude bewaard worden. |
|
HANDEL HOOFDSTUK 24. En vijf dagen daarna kwam de Hoogepriester Ananias af met de Ouderlingen en eenen zekeren voorspraak f/enudrnd Tertullus, dewelke verschenen voor den Stadhouder tegen l\'aulus. 2 En als hij geroepen was, begon Tertullus hem te beschuldigen , zeggende: 3 Dat wij grooten vrede door u bekomen, en dat vele loffelijke diensten dezen volke geschieden door uwe voorzichtigheid, machtigste Felix, nemen wij ganschelijk en overal met alle dankbaarheid aan. 4 Maar opdat ik u niet lang ophoudc, ik bid u dat gij ons , naar uwe bescheidenheid, kor-telijk hoort. 5 Want wij hebben dezen man bevonden te zyn eene pest, en een die oproer verwekt onder alle de Joden door de gamche wereld, en een opperste voorstander van de sekte der Na-zareners; 6 die ook gepoogd heeft den Tempel te ontheiligen; welken wij ook gegrepen hebben en naar onze wet hebben willen oordeelen. 7 Maar Lysias de overste daarover komende, heeft hem met groot geweld uit onze handen weggebracht, 8 gebiedende zijne beschuldigers tot u te komen; van denwelken gij zelf, hem onderzocht hebbende, zult kunnen verstaan al hetgeen waarvan wij hem beschuldigen. 9 En ook de Joden stemden het toe, zeggende dat deze dingen alzoo waren. 10 Maar l\'aulus, als hem de Stadhouder gewenkt had dat hij zonde, spreken, antwoordde; Dewijl ik weot dat gij nu vele jaren over dit volk rechter geweest zijt, zoo verant-■woord ik mijzèlvcn met des te beteren moed |
NGÈN 24. 203 11 alzoo gij kunt weten dat het niet meer dan twaalf dagen zijn, van dat ik ben opgekomen om tc aanbidden te Jeruzalem. 12 En zij hebben mij noch in den Tempel gevonden tot iemand sprekende of eenipe samenrotting des volks makende. noch in de Synagogen, noch in de stad; 13 en zij kunnen niet bewijzen waarvan zij mij nu beschuldigen. 14 Maar dit beken ik u, dat ik, naar dien weg welken zij sekte noemen, den God der vaderen alzóó diene, geloo-vende alles wat in de Wet en in de Profeten geschreven is, 15 hebbende hope op God welke deze ook zelve verwachten , dat er eene opstanding der dooden wezen zal, beide der rechtvaardigen en der on-rechtvaardigen; 16 en hierin oefen ik in ij zei-ven, om altijd eene onerger-lyke conscicntie te hebben bij God en de menscben. 17 Doch na vele jaren ben ik gekomen om aalmoezen te doen aan mijn volk, en offeranden : 18 waarover mij gevonden hebben, geheiligd zijnde, in den Tempel, niet met volk noch niet beroerte, eenige Joden uit Azie: 19 welke behoorden Aier vóór u tegenwoordig te zijn en mij te beschuldigen, indien zij iets hadden tegen mij. 20 Of dat deze zelve zeggen, of zij eenig onrecht in mij gevonden hebben als ik voor den Raad stond, 21 dan van dit éénig woord, hetwelk ik riep staande onder hen ; Over de opstanding der dooden word ik helen van ulieden geoordeeld. 22 Toen nu Felix dit gehoord had, stelde hij ze uit, zeggende ; Als ik nader wetenschap van dezen weg zal hebben. |
|
205 HANDELI wanneer Lysias de overste zal afgekomen zijn, zoo zal ik volle kennis nemen van uwe zaken. 23 En hij beval den hoofdman over honderd dat Paulus zoude bewaard worden, en verlichting hebben, en dat hij niemand van de zijnen zoude beleüen hem te dienen of tot hem te komen. 24 En na sommige dagen Felix daar gekomen zijnde met Drusilla zijne vrouw, die eene Jodin was, ontbood Paulus, cn hoorde hem van het geloof in Christus. 2ó En als hij handelde van rechtvaardigheid en matigheid en van het toekomend oordeel, Felix zeer bevreesd geworden zijnde, antwoordde: Voor ditmaal ga henen, en als ik gelegen tijd zal hebben bekomen , zoo zal ik u tot mij roe-pen; 26 en te gelijk ook hopende, dat hem van Paulus geld gegeven zoude worden opdat hij hem losliet; waarom hij hem ook dikwijls ontbood, en sprak met hem. 27 Maar als twee jaren vervuld waren, kreeg Felix Por-cius Festus in zijne plaats; en Felix willende den Joden gunst bewijzen, liet Paulus gevangen. HOOFDSTUK 25. Festus dan in de provincie gekomen zijnde, ging na drie dagen van Cesaréa öp naar Jeruzalem; 2 en de Hoogepriester en de voornaamsten der Joden verschenen vóór hem tegen Paulus , en baden hem, 3 begeerende gunst tegen hem, opdat hij hem zoude doen komen te Jeruzalem , en leggende eene lage om hem op den weg om te brengen. |
4 Doch Festus antwoordde dat Paulus te Cesaréa bewaard werd, en dat hij zelf haast derwaarts zoude verreizen: 5 Die dan. zeide hij, onder u kunnen, dat zij me Je afreizen , en zoo daar iets onbehoorlijks in dezen man is, dat zij hem beschuldigen. 6 En als hij onder hen niet meer dan tien dagen doorgebracht had, kwam hij af naar Cesaréa; en des anderen daags op den rechterstoel gezeten zijnde, beval hij dat Paulus zoude voortgebracht worden. 7 En als hij daar gekomen was, stonden de Joden die van Jeruzalem afgekomen waren rondom /iem, vele en zware beschuldigingen tegen Paulus voortbreng-jnde, die zij niet konden bewijzen; 8 dewijl hy zich verantwoordende zeide: Ik heb noch tegen de wet der Joden, noch tegen den Tempel, noch tegen den Keizer iets gezondigd. 9 Maar Festus willende den Joden gunst bewijzen, antwoordde Paulus en zeide: Wilt gij naar Jeruzalem opgaan, cn aid Mr voor mij over deze dingen geoordeeld worden ? 10 En Paulus zeide: Ik sta voor den rechterstoel des Keizers , waar ik geoordeeld moet worden; den Joden heb ik geen onrecht gedaan, gelijk gij ook zeer wel weet. 11 Want indien ik onrecht doe, en iets des doods waardig gedaan heb, ik weiger niet te sterven ; maar indien er niets is van hetgeen waarvan deze mij beschuldigen, zoo kan niemand mij hun uit gunst overgeven. Ik beroep mij op den Keizer. 12 Toen antwoordde Festus, ala hij met den Raad gesproken had: Hebt gij u op den Keizer beroepen, gij zult tot den Keizer gaan. 13 En als eenige dagen voorbijgegaan water , kwamen de Koning Agrippa en Bernice te Cesaréa om Festus te begroeten. |
|
HANDEL 14 En toen zij aldaar vele dagen doorgebracht hadden, heeft Festus de zaken van Pau-lus aan den Koning verhaald, zeggende: Hier is een zeker man van Felix gevangen gelaten ; 15 om wiens wille, ala ik te Jeruzalem was , de Overpries-ters en de Ouderlingen der Joden verschenen, hegeerende vonnis tegen hem: 16 aan dewelke ik antwoordde, dat de Romeinen de gewoonte niet hebben eenig mensch uit gunst ter dood over te geven, eer de beschuldigde de beschuldigers tegenwoordig heeft, en plaats van verantwoording gekregen heeft over de beschuldiging. 17 Als zij dan gezamenlijk alhier gekomen waren, zoo ben ik, geen uitstel nemende, des daags daaraan op den rechterstoel gezeten , en beval dat de man zoude roor/gebracht worden: 18 over welken de beschuldigers /lier staande geene zaak hebben i-oor/gebracht waarvan ik vermoedde, 19 maar hadden tegen hem eenige vragen van hunner, godsdienst, en van zekeren Jezus die gestorven was, welken Paulus zeide te leven. 20 En alf ik over de onderzoeking van deze zaak in twijfeling was, zeide ik of hij wilde gaan naar Jeruzalem, en aldddr over deze dingen ge-oordpeld worden. 21 En als l\'aulus zich beriep dat men hem_ tot de kennisneming des Keizers bowarpn zoude, zoo heb ik bevolen, 4at hij bewaard zoude worden ter tijd t ie dat ik hem tot den Keizer zenden zoude. 22 En Agrippa zeide tot Festus; Ik wilde ook zelf dien mensch u-el hooren. En hij zeide: Morgen zult gij hem hooren. 23 Des anderen daags dan als |
NGEN 20. 207 Agrippa gekomen was en Ler-nice met groote pracht, en als zij ingegaan waren in het llechthuis met de oversten over duizend en de mannen die de voornaamsten der stad waren, werd l\'aulus op bevel van Festus foor/gebracht. 24 En Feslus zeide: Koning Agrippa, en gij mannen alle, die met ons hier tegenwoordig zijt, gij ziet dezen, van weikeu mij de gansche menigte der Joden heeft aangesproken, beide te Jeruzalem en hier, roepende dat hij niet meer behoort te leven. 25 Maar ik bevonden hebbende dat hij niets des doods waardig gedaan had, en dewijl hij ook zelf zich op den Keizer beroepen heeft, heb besloten hem te zenden. 2(5 Van welken ik niets zekers heb aan den heerc te schrü-ve.n; daarom heb ik hem voor ulieden voortirebracht, en meest voor u. Koning Agrip- Sia, opdat ik, na sedane on-ia, opdat ik, na sedane on- lerzoeking, wat hebbe te schrijven ; 27 want het dunkt mij tegen rede, eenen gevangene te zenden, en niet ook de beschuldigingen die tegen hem zijn te kennen te geven. HOOFDSTUK 20. En Agrippa zeide tot Paulus: Het is u geoorloofd voor uzel-ven te spreken. Toen strekte Paulus de hand uit, en verantwoordde zich aldus: 2 Ik acht mijzelven gelukkig, o Koning Agrippa, dat ik mij heden voor u zal verantwoorden van alles waarover ik van de Joden beschuldigd word; 3 allermeest dewijl ik weet dat gij kennis hebt van alle gewoonten en vragen die onder de Joden zijn : daarom bid ik u dat gij mij lankmoediglijk hoort. 4 Mijn leven dan van der |
|
£0S HANDEL jonkheid aan, hetwelk van den beginne onder mijn volk fc Jeruzalem geweest is, weten alle de Joden, 5 als die van over lang: mij te voren gekend hebben, (indien zij het wilden getuigen), dat ik naar de nauwgezetste sekte van onzen godsdienst aZ« een Parizeer geleefd heb. O En nu sta ik en word geoordeeld over de hope der belofte , die van God tot de vaderen ge-se bied is; 7 tot dewelke onze twaalf geslachten geduriglijk nacht en dag God dienende, verhopen te komen ; over welke hope ik , o koning Agrippa, van de Joden word beschuldigd. 8 Wat? quot;Wordt het bij ulieden ongelooflijk geoordeeld dat God de dóoden opwekt? 9 Ik meende waarlijk bij mij-zelven, dat ik tegen den naam van Jezus van Nazareth vele wederpartijdige dingen moest doen; 10 hetwelk ik ook gedaan heb te Jeruzalem, en ik heb velen van de heiligen in de gevangenissen gesloten , de macht van de Overpriesters ontvangen hebbende ; en als zij omgebracht werden, stemde ik het toe; 11 en door alle de Sj\'nagogen heb ik ze dikwijls gestraft en gedwongen te lasteren; en boven mate tegen hen woedende, heb ik ze vervolgd ook tot in de bmtenluiidsche steden. 12 En als ik daarvoor ook naar Damascus reisde, met macht en last welke ik van de Overpriesters had, 13 zag ik, o Koning, in het raidden van den dag op den weg een licht, boven den glans der zon, van den hemel mij en degenen die met mij reisden omscbijnende; 14 en als wij allen ter aarde ■nedergevallen waren, hoorde ik eene stem tot mij sprekende , en zeggende in de Hc-brecuwsche taal: Saul, Saul, wat vervolgt gij mij ? Het is u hard tegen de prikkels de verzenen te slaan. |
15 En ik zeide: Wie zi)t gij, Heere? En hjj zeide: Ik ben Jezus, dien gij vervolgt. 1(5 Maar richt n op en sta op uwe voeten; want hiertoe ben ik u verschenen, om u te stellen tot een dienaar en getuige der dingen, beide die gij gezien hebt en in welke ik u nor/ zal verschijnen, 17 verlossende u van dit volk en van de heidenen, tot dewelke ik u nu i.ende 18 om hunne oogen te openen , en hen te bekeeren van de duisternis tot het licht, en van de macht des satans tot God; opdat zij vergeving dei-zonden ontvangen, en een erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in mij. 19 Daarom, o Koning Agrippa, ben ik dat hcmelsch gezicht niet ongehoorzaam geweest, 20 maar heb , eerst dengenen die te Damascus waren, en te Jeruzalem, en ir. het geheelc land van Judda, on den heidenen verkondigd, dat zij zich zouden beteren en tot God bekeeren , werken doende der bekeering waardig. 21 Om dezer zaken wille hebben mij de Joden in den Tempel gegrepen en gepoogd om te brengen. 22 Dan hulpe van God verkregen hebbende, sta ik tot op dezen dag, betuigende beiden klein en groot, nietszeggende buiten hetgeen de Profeten en Mozes gesproken hebben dat geschieden zoude; 23 namelijk dat de Christus lijden moest, en dat hij de eerste uit de opstanding der dooden zijnde, een licht zoude verbondiyen aan dit volk en aan de heidon en. 24 En .als hij deze dingen tot verantwoording sprak, zeide Featus met groote stem: Gij |
handelingen 27.
209
|
raast faulus, de groote ge* leerdheid brengt u tot razernij. 2r» Maar hij zcide: Ik raas niet, machtigste Festus, maar ik spreek woorden van waarheid en van een gezond verstand. 2(5 Want de Koning weet van deze dingen, tot welken ik ook vrijmoedigheid gebruikende spreek; want ik geloof niet dat hem iets van deze dingen verborgen is, want dit is in geenen hoek geschied. 27 Gelooft gij, o Koning A-grippa. de Profeten? Ik weet dat gij ze gelooft. 28 En Agrippa zeide tot l\'au-lus: Gij beweegt mij bijna een Christen te worden. 29 En Paulus zeide: Ik wenschte wel van God, dat èn bijna èn geheel lijk, niet alleen gij maar ook allen die mij heden hooren, zoodanigen werden gelijk als ik ben , uitgenomen deze banden. .\'iO En als hij dit gezegd had, stond de Koning op, en de Stadhouder, en Bernice, en die met hen gezeten waren ; :U en aan eene zijde gegaan zijnde, spraken zy tot elkander, zeggende: Deze mensch doet niets des doods of der banden waardig. 32 En Agrippa zeide tot Festus: Deze mensch kon losgelaten worden , indien hij zich op den Keizer niet had beroepen. HOOFDSTUK 27. En als het besloten was dat wij naar Italië zouden afvaren, leverden zij Paulus en eenige andere gevangenen over aan eenen hoofdman over honderd met name Julius, van de keizerlijke bende. 2 En in een Adramytteensch schip gegaan zijnde,alzoo wij de plaatsen langs Azië bevaren zouden, voeren wij af; en Aris-tarchus de Macedoniër van Thessalonica was met ons. |
3 En des anderen daags kwamen wij aan te Sidon; en Julius vriendelijk met i\'aulus handelende, liet hem toe tot de vrienden te gaan om van hen verzorgd te worden. 4 En van daar afgevaren zyn-de, voeren wij onder Cyprus henen, omdat de winden ons tegen waren; 5 en de zee, die langs Cilicië en Pamfylië is, doorgevaren zijnde, kwamen wij aan te My ra in Lycië. »gt;\' En de hoofdman aldaar een schip gevonden hebbende van Alexandria, dat naar Italië voer, deed ons in hetzelve overgaan. 7 En als wij vele dagen langzaam voortvoeren, en nauwelijks tegenover Cnidus gekomen waren , overmits de wind het ons niet toeliet, zoo voeren wij onder Creta henen, tegenover Salmóne; 8 en hetzelve nauwelyks voor-bijzeilende, kwamen wij in eene zekere plaats genaamd Schoone-havens, waar de stad Lasea nabij was. 9 En als er veel tijd verloopen en de vaart nu zorgelijk was , omdat ook de vasten nu voorbij was, vermaande ze Paulus, 10 en zeide tot hen: Mannen, ik zie dat de vaart zal geschieden met hinder en groote schade , niet alleen van de lading en van het schip, maar ook van ons leven. 11 Doch de hoofdman geloofde meer den stuurman en den schipper dan hetgeen van Paulus gezegd werd. 12 En alzoo de haven ongelegen was om te overwinteren, vond het meerent/cei geraden nok van daar te varen, of zij soms te Fenix konJen aankomen om te overwinteren, zijnde eene haven in Creta, strekkende tegen het Zuidwesten en tegen het Noordwesten. 13 En alzoo de zuidenwind zacht waaide, meenden zij hun |
14
|
21Ö HANDEL voornemen verkregen te hebben , en afgevaren zijnde zeilden zy dicht voorbij Oreta henen. 14 Maar niet lang daarna sloes tegen hetzelve een stormwind genaamd Euroclrdon; 15 en als het schip daarmede weggerukt werd, en niet tegen den wind kon opzeilen, gaven wij het op en dreven henen. IK En loopende onder een zeker eilandeken genaamd Clau-da, konden wij nauwelijks de boot machtig worden; 17 dewelke opgehaald hebbende, gebruikten zij alle behulp-selen, het schip ondergorden-de; en alzoo zij vreesden dat zij op de droogte Syrtis vervallen zouden , streken zij het zeil en dreven alzoo henen; 18 en alzoo wij van het on-weder geweldürlijk geslingerd werden , deden zij den volgenden datj een uitworp, 19 en den derden dag wierpen wij met onze eigene banden het scheepsgereedschap uit; quot;0 en als noch zon noch gesternten verschenen in vele dagen. en geen klein onweder ons drukte , zoo werd ons voorts alle hoop van behouden te worden benomen. 2i En als men langen tijd zonder eten geweest was, toen stond Panlus o/» in het midden van hen , en zeide: O mannen, men behoorde mij wel gehoor gegeven te hebben en van Greta niet afgevaren te zijn, en dezen hinder en deze schade verhoed te hebben. 22- Doch alïnu vermaan ik ulieden goedsmoeds tc zijn; want daar zal geen verlies geschieden van ienu/Krfs leven onder u, maar alleen van het schip. 23 Want dezen zelfden nacht heeft bij mij gestaan een Engel Gods, wiens ik ben, welken ik ook dien, 24 zeggende: Vrees niet Pau-lus, gij moet voor den Keizer |
NOEN 27. gesteld worden; en zie. God heeft u geschonken allen die met u varen. 25 Daarom zyt goedsmoeds, mannen, want ik geloove God, dat het alzóó zijn zal gelyker-wijs het mij gezegd is. 2tgt; Doch wij moeten op een zeker eiland vervallen. 27 Als nu de veertiende nacht gekomen was, alzoo wij inde Adriatische zee herwaarts en derwaarts gedreven werden, omtrent het midden desnachts, vermoedden de scheepslieden dat hun eenig land naderde. 28 En het dieplood uitge^ worpen hebbende, vonden zij twintig vademen; en een weinig voortgevaren zijnde wierpen zij wederom het dieplood uit, en vonden vijftien vade-tten; 29 en vreezendt dat zij ergens op harde plaatsen vervallen mochten, wierpm zij vier ankers van het achterschip uit, en wenschten dat het dag wierd. 30 Maar als de scheepslieden zochten uit het schip te vlieden , en de boot nederlieten in de zee, onder den schijn alsof zij uit het voorschip de ankera zouden uitbrenget, 31 zeide Paulus tot den hoofdman en tot de krijgsknechten: Indien deze in het schip niet blijven, kunt gij niet behouden worden. 32 Toen hieuwen de krijgsknechten de touwen af van de boot en lieten haar afvallen. 33 En ondertusschen dat het «lag zoude worden , vermaande Paulus hen allen dat zij zouden spijze nfinen, en zeide; Het is heden de veertiende dag, dat gij verwachtende, blijft zonder eten en niets hèbt genomen ; 34 daarom vermaan ik u spijze te nemen, want dat dient tot uw behoud; want niemand van u zal een haar van het hoofd vallen. |
|
HANDEL 35 En als hij dit gezegd en brood genomen had, dankte hij God in aller tegrenwoordis-heid, en hetzelve Rehroken hebbende, begon hij te eten. 30 En zij allen goedsmoeds geworden zijnde, namen ook zelve spijze. l 37 Wij waren nu in het schip in alles tweehonderd zesenzeventig zielen. 38 En als zij met spijze verzadigd waren, lichtten zij het schip en wierpen het koren uit in de zee. 39 En toen het dag werd kenden zij het land niet; maar zij merkten eenen zekeren inham die eenen oever had, tegen denwelken zij geraden /\'vonden, zoo zij konden, het schip aan te zetten.\'vonden, zoo zij konden, het schip aan te zetten. •10 En als zy de ankers opgehaald hadden, gaven zij het ëchip aan de zee over, metéC-n de roerbanden losmakende; en het razeil naar den wind opgehaald hebbende, hielden zij het naar den oever toe. 41 Maar vervallende op eene plaats die de zee aan beide zijden had, zetteden zij het schip daarop; en bet voorschip vastzittende bleef onbewegelijk , maar het achterschip brak van het geweld der baren. 42 De raadslag nu der krijgslieden was, dat zij de gevangenen zouden dooden, opdat niemand ontzwommen zijnde zoude ontvlieden; 43 manr de hoofdman willende Paulus behouden, belette hun dat voornemen, en beval dat degenen die zwemmen konden zich eerst zouden afwerpen en aan land komen, 44 en de anderen, sommigen ♦ op planken, en sommigen op eenige stukken van hei schip. En alzoo is het geschied dat zij allen behouden aan land gekomen zijn. |
[XGEN 23. 211 HOOFDSTUK 28. En als zij ontkomen waren, toen verstonden zij dat het eiland Melite heette. 2 En de barbaren bewezen ons geen gemeene vriendelijkheid; want een groot vuur ontstoken hebbende, namen zü ons allen in, om den regen die opkwam en om de koude. 3 En als Paulus een hoop rij-zeren bijéf-ngeraapt en op het vuur gelegd had , kwam daar eene adder uit door de hitte cn vatte zyne hand. 4 En als de barbaren het beest aan zijne hand zagen hangen, zeiden zij tot elkander: Deze mensch is gewis een doodslager , welken de wrake niet laat leven , daar hij uit de zee ontkomen is. ó Maar hij schudde het beest af in het vuur, en leed niets kwaads; 6 en zij verwachtten dat hij zoude opzwellen of terstond dood nedervallen. Maar als zij lang verwacht hadden en zagen dat geen ongemak over hem kwam. veranderden zij en zeiden dat hij een god was. 7 Eu hier omtrent die plaats had de voornaamste van het eiland met name Fublius zijne landhoeven, die ons ontving en drie dagen vriendelijk herbergde. 8 En het geschiedde dat de vader van Fublius, met koortsen en den rooden loop bevangen zijnde, te bed lag; tot denwelken Paulus inging, en als hij gebeden had leide hij de handen op hem, en maakte hem gezond. 9 Als dit dan geschied was, kwamen ook tot hem de anderen die krankheden hadden op het eiland, en werden srenezen: 10 die ons ook eerden met vele eere, en als wij vertrekken zouden, bestelden zij ons hetgeen van noode was. |
|
212 HANDEL] 11 En na drie maanden voeren wij af in een schip van Alexandrie. dat op het eiland overwinterd had, hebbende tot een teeken Castor en Pollux. 12 En als wij te Syracuse aangekomen waren, bleven wij aldaar drie dagen; 13 van waar wij omvoeren, en kwamen aan te Rhcgiura; en alzoo na éénen dag de wind Zuid werd, kwamen wij den tweeden dag te l\'uteoli; 14 alwaar wij broeders vonden , en werden gebeden zeven dagen bii hen te blijven; en alzoo gingen wij naar Rome. 15 En van daar kwamen de broeders, van onze zaken gehoord hebbende, ons tegemoet tot Appiusmarkt en de Drie Tabernen; welke Paulus ziende, dankte hij God en greep moed. K» En toen wij tc Rome gekomen waren, gaf de hoold-man de gevangenen over aan den overste des legers; maar aan Paulus werd toegelaten op zichzelven te wonen met den krijgsknecht die hem bewaarde. . . 17 En het geschiedde na drie dagen dat Paulus samenriep degenen die de voornaamslen der Joden waren, en als zij samengekomen waren zeide hü tot hen: Mannen broeders, ik die niets gedaan heb tegen het volk of de vaderlijke gewoonten, ben gebonden uit Jeruzalem overgeleverd m de handen der Romeinen, 18 dewelke mij onderzocht hebbende, mij wilden loslaten, omdat geen schuld des doods in mij was; 19 maar als de Joden znlks tegenspraken, werd ik genoodzaakt mij op den Keizer te beroepen , doch niet alsof ik mijn volk van iets te beschuldigen had. 20 Om deze oorzaak dan heb ik u bij m ij geroepen, om u te zien en aan te spreken; want |
NGEN 23. van wege de hope Israels beu ik met deze keten omvangen. Vl Maar zy zeiden tot hem: Wij hebben noch brieven u aangaande van Judéa ontvangen, noch iemand van de broeders hier gekomen zijnde heeft van u iets kwaads geboodschapt of gesproken. 22 Maar wij begeeren wel van u te hooren, wat gij gevoelt; want wat deze sekte aangaat, ons is bekend dat ze overal te*\' gengesproken wordt. 23 En als zij hem eenen dag gesteld hadden, kwamen er velen in zijne woonplaats; denwelken hij het Koninkrijk Gods uitleide, en betuigde, en poogde hen te bewegen tot het geloof van Jezus, beide uit de Wet van Mozes ?n de Profeten, van \'s morgens vroeg tot den avond toe. 24 En sommigen geloofden wel hetgeen dat gezegd werd , maar sommigen geloofden niet; 25 en tegen elkander oneens zijnde scheidden zij, als Paulus dit «?cne woord gezegd had, namelijk: Wèl heeft de Heilige Geest gesproken door Jesaja den Profeet tot onze vaderen, 2R zeggende: G.t hepen tot dit volk, en zeg: Met het gehoor zult Rij hooren en geenszins verstaan, en ziende zult gÜ zien en geenszins bemerken ; 27 want hot harte dezes volks is dik geworden, en met de ooren hebben zij z waarlijk gehoord, en hunne oogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eeniger tijd met de oogen zouden zien. en met de ooren hooren , en met het uart verstaan, en zij zich bekeuren en ik hen geneze. 28 Het zij u d.-.n bekend , dat de zaligheid Gods den heidenen gezonden is, en dezelve zullen hooren. U9 En als hij dit gezegd had gingen dc Joden weg, vele |
ROMEINEN 1.
213
|
t wisting hebben de onder elkander. |
:i0 En l\'anlus bleef twee ffe-beele jaren in zijn eigen gehuurde woning, en ontving allen die tot hem kwamen, 31 predikende het Koninkrijk Rods, en leerende van den Ileere Jezus Christus met alle vrijmoedigheid, onverhinderd. |
DE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULÜS
AAS DE
ROMEINEN.
|
HOOFDSTUK 1. 1\'aulus een dienstkneeht van Jezus Christus, een geroepen Apostel, afgezonderd tot het Evangelie Gods, 2 (hetwelk hij te voren beloofd had door zijne Profeten , in de heilige Schriften), 3 van zijnen Zoon, (die geworden is uit den zade Davids naar het vleesch; 4 die krachtiglijk bewezen is te zijn de Zoon Gods nanr den Geest der heiligmaking, uit de opstanding der dooden) , namelijk Jezus Christus onzen Ileere: 5 (door welken wij hebben ontvangen genade en het Apostelschap, tot gehoorzaamlieid des geloofs onder alle de heidenen, voor zijnen naam ; 6 onder welke gij óók zijt, geroepenen van Jezus Christus) : 7 allen die te Rome zijt, geliefden Gods en geroepene heiligen . genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Ileere Jezus Christus. 8 Eerstelyk dank ik mijnen God door Jezus Christus over u allen, dat uw geloof verkondigd wordt in de geheele wereld. 9 Want God is mijn getuige, welken ik dien in mjjnen geest. |
in het Evangelie zijns Zoons, hoe ik zonder nalaten uwer gedenk, 10 altöd in mijne gebeden biddende, of mogelijk mij nog te eeniger tijd goede gelegenheid gegeven wierd door den wille Gods om tot ulieden to komen. 11 Want ik verlang om u le zien, opdat ik u eenige geestelijke gave mocht mededeelen, trn einde gij versterkt zoudt worden; 12 dat is, om mede vertroost te worden onder u, door het onderling geloove, zoo het uwe als het mijne. 13 Doch ik wil niet dat u onbekend zij, broeders, dat ik menigmaal voorgenomen hel» tot u te komen, (en b^n tot nog toe verhinderd geweest), opdat ik ook onder u eenige vrucht zoude hebben, gelijk als ook onder de andere heidenen. 14 Deiden Grieken en barbaren, beiden wijzen en onwij-zen hen ik een schuldenaar; 15 al zoo hetgeen in mij is, dat is vol vaardig om u ook die te Rome zijt het Evangelie te verkondigen. lü Want ik schaam mij des Evangelies van Christus niet, want het is eene kracht Gods tot zaligheid een iegelijk die |
|
214 ROME gelooft, eerst den Jood, en ook den Griek. 17 Want de rechtvaardigheid Gods wordt in hetzelve geopenbaard uit geloof tot geloof, gelijk geschreven is : Maar de rechtvaardige zal uit den ge-loove leven. 13 Want de toorn Gods wordt geopenbaard van den hemel over alle goddeloosheid en on-gerechtigrheid der menschen, als die de waarheid in ongerechtigheid tenonder houden; 19 overmits hetgeen van God kennelijk is in hen openbaar is, want God heeft het hun geopenbaard. 20 Want zijne onzienlijke dingen worden van de schepping der wereld aan uit de schepselen verstaan en doorzien, beide zijne eeuwige kracht en goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn: 21 omdat zij God kennende hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt, maar zijn verijdeld geworden in hunne overleggingen , en hun onverstandig hart is verduisterd scworden. 22 Zich uitgevende voor wijzen, zijn zij dwaas geworden, 23 en hebben de heerlijkheid des onverderfelijken Gods veranderd in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijk mensch, en van gevogelte,en van viervoetige en kruipende gedierten. 24 Daarom heeft ze God ook overgegeven in de begeerlijkheden hunner harten tot ón-reinigheid, om hunne lichamen onder elkander te ont-eeren: 25 als die de waarheid Gods veranderd hebben in de leugen, en het schepsel geëerd en gediend hebben boven den Schepper, die te prijzen is in eeuwigheid. Amen. |
2(i Daarom heeft ze God overgegeven tot oneerbare bewegingen ; want ook hunne vrouwen hebben het natuurlijk gebruik veranderd in het gebruik tegen nature, 27 en insgelijks ook de mannen nalatende het natuurlijk gebruik der vrouw , zijn verhit geworden in hunnen lust tegen elkander, mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende, en de vergelding van hunne dwaling i.\\edaartoe behoorde in zichzelve ontvangende. 28 En gelijk het hun niet goed gedacht heeft God in erkentenis te houden, zoo heeft God ze overgegeven in eenen verkeerden zin, om te doen dingen die niet betamen: 29 vervuld zijnde met alle ongerechtigheid , hoererij, boosheid , gierigheid, kwaadheid; vol van nijdigheid, moord, twist, bedrog, kwaadaardigheid ; 30 oorblazers, achterklappers, haters van God, smaders, hoo-vaardigen, laatdurkenden, uitvinders van kwade dingen, den ouderen ongehoorzaam; 31 onverstandiger!, verbond-brekers, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijken, on-barmhartigen: 32 dewelke daar z.j het recht Gods weten, [namelijk dat degenen die zulke dinsen doen des doods waardig zijn), niet alleen dezelve doen , maar ook mede een welgevallen hebben in degenen die ze doen. HOOFDSTUK 2. Daarom zijt gij niet te verontschuldigen, o mensch, quot;wie gü zijt, die anderen oordeelt; want waarin gij een ander oordeelt , veroordeelt gij uzelven; want gij die anderen oordeelt doet dezelfde dingen. 2 En wij weten dat het oordeel Gods naar wtarheid is over degenen die zulkt dingen doen: 3 en denkt gij dit, o mensch. |
|
die oordeelt degenen die zulke dingen doen, en dezelve doet, dat tfij bet oordeel Gods zult ontvlieden ? 4 Of veracht gij den rijkdom zijner goedertierenheid en verdraagzaamheid en lankmoedigheid, niet wetende dat de goedertierenheid Gods u tot bekeering leidt? 5 Maar naar uwe hardigheid en onbekeerlijk harte vergadert gü uzelven toorn als een schat in den dag des toorns en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods, 6 welke een iegelijk vergelden zal naar zijne werken: 7 dengenen wt-l. die met volharding in goed doen heerlij fe-heid en eer en onverderfelijkheid zoeken, het eeuwiRe leven; 8 maar dengenen die twistgierig zijn, en die der waarheid ongehoorzaam doch der ongerechtigheid gehoorzaam zijn,r«i verbolgenheid en toorn vergolden worden: 9 verdrukking en benauwdheid over alle ziele des men-schen die het kwade werkt, eerst van dt-n Jood, en ook van den Griek; 10 maar heerlijkheii en eer en vrede een iegelijk die hec goede werkt, eerst den Jood, en ook dei» Griek. 11 Want daar is geen aanneming des persoons bij God. 12 Want zoovelen als er zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan; en zoovelen als er onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden; 13 (want de hoorders der wet zijn niet rechtvaardig voor God, maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden ; 14 want wanneer di- heidenen, die de wet niet hebben, van nature de dingen doen die de.r wet zijn, deze de wet niet hebbende zijn zichzelven een wet, 15 als die betoonen het werk |
NEN 2. 211 der wet geschreven in hunne harten, hunne conscientie me-degetuigende, en de gedachten onder elkander hm beschuldigende of ook ontscbuldigende): 16 in den dag wanneer God de verborgene dingen der men-scheu zal oordeelen door Jezus Christus, naar mijn Evangelie. 17 Zie, gü wordt een Jood genaamd, en rust op de wet, en roemt op God ; 18 en gij weet ziinen wil, en beproeft de dingen die daarvan verschillen, zijnde onderwezen uit de wet; 19 en gij betrouwt uzelven te zijn een leidsman der blinden, een licht dergenen die in duisternis zijn, 20 een onderrichter deronwij-zen en een leermeester der onwetenden, hebbende de gedaante der kennis en der waarheid in de wet: 21 die dan een ander leert, leert gij uzelven niet? Die predikt dat men niet stelen zal, steelt «ij ? 22 Die zegt dat men geen overspel doen zal, doet gij overspel? Die van de afgoden een gruwel hebt, berooft gij het heilige? 23 Die op de wet roemt. ont-eertgij God door de overtreding der wet ? 24 Want de naam Gods wordt om uwentwille gelasterd onder de heidenen, gelijk geschreven is. 25 Want de besnijdenis is wel nut indien gij de wet doet, maar indien gij een overtreder der wet zijt, zoo ia uwe besnijdenis voorhuid geworden. 2(3 Indien dan de voorhuid de rechten der wet bewaart, zal niet zijne voorhuid tot eene besnijdenis gerekend worden ? 27 En zal de voorhuid, die uit de natuur is, als zy de wet volbrengt u niet oordeelen, die door de letter en besnijdenis een overtreder der wet züt? 28 Want die is niet een Jood, |
|
£16 ROME] die het in het openbaar is, «och die ia de besnijdenis, die het in het openhaar in het vleesch is: •J9 maar die is een Jood, die het in het verborgen is; en de besnijdenis des harten, in den geest, niet in de letter, is de hosnijdenis; wiens lof niet is uit de menschen maar uit God. HOOFDSTUK 3. Welk is dan het voordeel van den Jood, of welke is de nuttigheid der besnijdenis? 2 Veel in alle manier. Want dit is wel het eerste, dat hun de woorden Gods zijn toebe-trouwd. 3 Want wat is het, al zijn sommigen ongeloovig geweest? Zal hunne ongeloovigheid het geloof Gods te niet doen? 4 Uat zij verre; doch God zij waarachtig, maar al le mensch leugenachtig, gelijk als geschreven is: Opdat gij gerechtvaardigd wordt in uwe woorden, en overwint wanneer gij oordeelt. 5 Indien nu onze onserech-tigheid Gods gerechtigheid bevestigt, wat zullen wij zeggen? Is God onrechtvaardig als hij toorn over ohs brengt? (ik spreek naar den mensch:) O dat zij verre; anders hoe zal God de wereld oordeelen ? 7 Want indien de waarheid Gods door mijne leugen overvloediger is geworden tot zijne heerlijkheid, wat word ik ook r.og als een zondaar geoordeeld, 8 en zeggen wij niet liever (gelijk wij gelasterd worden, en gelijk sommigen zegnen dat wij zeggen): Laat ons het kwade doen, opdat het goede daaruit kome ? Welker verdoemenis rechtvaardig is. 9 Wat dan? Zijn wij uitne-mender? Ganschelijk niet; want wij hebben te voren beschuldigd beide Joden enGric- |
SEN 3. ken, dat ze allen onder de zonde zijn, 10 gelijk geschreven is: Daar is niemana rechtvaardig, ook niet één; 11 daar is niemand die verstandig is, daar is niemand die God zoekt; 12 allen zijn zij afgeweken, te zamen zijn zij onnut geworden , daar is niemand die goed doet, daar is ook niet tot één toe; 13 hun keel is een geopend graf; met hunne tongen pie-Ken zy bedrog; slangenvenijn is onder hunne lippen; 14 welker mond vol is van vervloeking en bitterheid; 15 hunne voeten zijn snel om bloed te vergieten; 16 vernieling en ellendigheid is in hunne wegen, 17 en den weg des vredes hebben zij niet gekend: 18 daar is gee i vreeze Gods voor hunne oolt;gt;;n. 19 Wij weten nu dat al wat de wet. zegt. zi.T dat spreekt tot degenen die onder de wet zijn, opdat alle mond gestopt worde en de geiieele wereld voor God verdoemelijk zij: 20 daarom zal uit de werken der wet geen vleesch gerechtvaardigd worden voor hem, want door de wet is de kennis der zonde. 21 Maar nu is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard geworden zonder de wet, hebbende getuisenis van de Wet en de Profeten: 22 namelijk de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus, tot allen en over allen diegelooven; want daar is ^een onderscheid. 23 Want z\\i hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, 24 en worden om niet gerechtvaardigd uit zijne genade door de verlossing die in Christus Jezus is, 25 welken God voorgesteld |
|
beeft tot eene vcrzoeninpr door het geloof in zijn bloed, tot eene betoonins van zijne recbt-vaardigheid door de vergeving der zonden, die te voren geschied ziin onder de verdraag-zaamlieid Goda, 26 tot eene betooning van zijne rechtvaar iitfbeid in dezen tegenwoordigen tijd; opdat bij rechtvaardig zij , en rechtvaardigende denicenen die uit het geloof van Jezus is. 27 Waar is dan de roem? Hij is uitgesloten. Door wat wet ? Der werken ? Neen, maar door de wet des geloofs. 28 quot;Wij besluiten dan dat de menach door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet. 29 Is God een God der Joden alleen, en ia bij bet niet ook der heidenen? Ja, ook der heidenen ; .\'{0 nademaal bij een «?lt;*nig God is, die de besnijdenis rechtvaardigen zal uit bet geloof, en de voorhuid door bet geloof. 31 Doen wij dan de wette niet door het geloof? Dat zij verre, maar wij bevestigen de wet. HOOFDSTUK 4. Wat zr.llen wij dan zeggen dat Abraham onze vader ver-kresen heeft naar betvleeach? 2 Want indien Abraham uit de werken gerechtvaardigd is, zoo heeft by roem, maarniet bij God. 3 Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God, en bet is hem gerekend tot recht-vaardlghfid. 4 Nu, dengenen die werkt wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar schuld; 5 doch dengenen die niet werkt, maar gelooft in hem die den goddelooze rechtvaardigt, wordt zyn geloof gerekend tot rechtvaardigheid. |
•JEN 4. 217 6 gelijk ook David den mensch zalig spreekt welken God de rechtvaardigheid toerekent zonder werken, 7 zengende: Zalig zijn ze welker ongerechtigheden vergeven zijn en welker zonden bedekt zijn, « 8 zalig is de man welken de Heere de zonde niet toerekent, 9 Deze zaligspreking dan, is die alleen over de besnijdenis of ook overde voorhuid? Want wij zegaren dat aan Abraham bet geloof gerekend is tot rechtvaardigheid. 10 Hoe is het fient dan toeice-rekend? Als hij in de besnijdenis was of in de voorhuid? Niet in de beanydenia, maar in de voorhuid. 11 En hij beeft het teeken der besnijdenis ontvangen tot een zegel der rechtvaardigheid des geloofs, die hem in de voorhuid was toegerekend, opdat hij zoude zijn een vader van allen die gelooven in de voorhuid 2Ünde, ten einde ook hun de rechtvaardigheid toegerekend worde, 12 en een vader der besnijdenis, dengenen namelijk die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook wandelen in de voetstappen des geloofs van onzen vader Abraham, \'twelk in de voorhuid was. 13 Want de belofte is niet door de wet aan Abraham of zijn zaad geschied, namelijk dat M) een erfgenaam der wereld zoude zijn, maar door de rechtvaardiirheid des geloofs. 14 Want indien degenen die uit de wet zijn erfgenamen zijn, zoo is het geloof ij del geworden en de belofttnia teniet gedaan. 15 Want de wet werkt toorn; want waar geen wet is daar is ook getne overtreding. Ui Daarom is ze uit het geloof, opdat ze zij naar genade, ten einde de belofte vast zij al den zade, niet alleen dat uit de |
|
218 ROME wet is, maar ook dat uit den geloove Abrahams is, welke is een vader van ons allen, 17 (irelijk geschreven staat; Ik heh u tot een vader van vele volken gesteld;) voor hem aan welken hn geloofd heeft, namelijk God die de dooden levend maakt, en roept dedingen die niet zyn alsof ze waren. 18 Welke tegen hope op hope geloofd heeft, dat hij zoude worden een vader van vele volken , volgens hetgeen gezegd was: AIzóó zal uw zaad wezen ; 19 en niet verzwakt zijnde in \'t geloove, heeft hij zijn eigf-n lichaam niet aangemerkt dat alreede verstorven was. alzoo hij omtrent hon lerd jaren oud was, noch ook dat de moeder in Sara verstorven was; 20 en hij heeft aan de helof-tenis Gods niet getwijfeld door ongeloof, maar is gesterkt geweest in \'t geloove, gevende God de eer, 21 en ten volle verzekerd zijnde dat het?een beloofd was, hij ook machtig was te doen. 22 Daarom is het hem ook tot rechtvaardigheid gerekend. 23 Nu is het niet alleen om zijnentwille geschreven, dat het hem toegerekend is, 24 maar ook om onzentwille, welken het zal toegerekend worden, iiamelijk denKenen die gelooven in hem, die Jezus onzen Heere uit de dooden opgewekt heeft. 25 welke overgeleverd is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking. HOOFDSTUK 5. Wij dan gerechtvaardigd zyn-de uit het geloof, hebben vrede bij Gad door onzen Heere Jezus Cbristus; 2 door welken wij ook de toeleiding hebben door het geloof tot deze genade in welke wij «taan, en roemen in «EN 5. |
de hope der heerUjkheid Gods. 3 En niet alleen dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende dat de verdrukking lijdzaamheid werkt, 4 en de Indzaamheid bevinding, en de bevinding hope; 5 en de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest, die ons is gegeven 6 Want Christus, als wy nog krachteloos waren, is te zijner tijd voor de goddeloozen gestorven. 7 Want nauwelijks zal iemand voor eenen rechtvaardige sterven ; want voor den goede zal mogelijk iemand ook bestaan te sterven; 8 Maar God be-\'esti?t zijne liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is als wij nop zondaars war.»n; 9 veel met-r dan, z;jnde, nu gerechtvaardigd door zyn bloed, zullen wij door hem behouden worden van den toorn. 10 Want indien wij vijanden zijnde met God ver;;oend zijn door den dood zijns Zoons, veel meer zullen wij verzoend zijnde behouden worden door zijn leven; U en niet alleenlijk a\'tf, maar wij roemen ook in God door onzen Heere Jezus Christus, door welken wü nu de verzoening gekregen hebben. 12 Daarom gelijk door éénen mensch de zonde in de wereld ingekomen is, en door de, zonde de dood, en alzóó de dood tot alle menschen doorgedaan is, in welken allen gezondigd hebben; 13 want tot de wet was de zonde in de wereld; maar de zonde wordt niet toegerekend als er geen wet is; 14 maar de dood heeft ge-heerscht van Adam tot Mozes toe, ook over degenen dieniet gezondigd hadden in de gelijkheid der overtreding Adams, |
SEN C. 219
|
welke een voorbeeld is desgenen die komen zoude. 15 Doch niet gelijk de misdaad , alzóó ia ook de genadegift. Want indien door de misdaad van éénen velen gestorven zijn , zoo is veel meer de genade Gods, en de gave door de genade, die daar is eens men-schen Jezus Christus, overvloedig geweest over velen. 1G En niet gelijk de schuld was door den éénen die gezondigd heeft, alzóó is de gift. Want de schuld is wel uit ééne misdaad tot verdoemenis, maar de genadegift is uit vele misdaden tot rechtvaardigmakinjr. 17 Want indien door de misdaad van éénen de dood ge-heerscht heeft door dien éénen, veel meer zullen degenen die den overvloed der genade en der gave der rechtvaardigheid ontvangen, in het leven heer-schen door dien éénen, namelijk Jezu» Christus. 18 Zoo dan gelijk door ééne misdaad de schuld gekomen is over alle menschen tot verdoemenis, alzoo ook door ééne rechtvaardigheid komt de genade over alle menschen tot rechtvaardiirmaking des levens; li) want gelijk door de onge-hoorzaamh\'dd van dien éénen mensch velen tot zondaars gesteld zijn geworden, alzóó zullen ook door de gehoorzaamheid van éénen velen tot recht-vaardiaren gesteld worden. 20 Maar de wet is bovendien ingekomen, opdat de misdaad te meerder worde: en waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest; 21 opdat gelijk de zonde ge-heerscht heeft tot den dood, alzóó ook de genade zoude heersr.hen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus onzen Heere. |
HOOFDSTUK Wat zullen wij dan zeggen ? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde? 2 Dat zij verre. Wij die der zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog in dezelve leven? 3 Of weet gij niet, dat zoo-velen als wij in Christus Jezus gednopt zijn, wij in zijnen dood gedoopt zijn ? 4 Wij zijn dan met hem begraven door den doop in den dood, opdat gelijkerwijs Christus uit de dooden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzóó ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden. 5 Want indien wij met hem ééne plant geworden zijn in de gelijkmaking zijns doods, zoo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking zijner opstanding, 6 dit wetende dat onze oude mensch met hem gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen ; 7 want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde. ö Indien wii nu met Christus gestorven zijn, zoo gelooven wij dat wij ook met hem zullen leven, 9 wetende dat Christus opïe-wekt zijnde uit de dooden niet meer sterft: de dood heerscht niet meer over hem. 10 Want dat hij gestorven is, dat is hij der zonde éénmaal gestorven ; en dat hij leeft, dat leeft hij Gode. 11 Alzoo ook gijlieden, houdt het daarvoor dat g.j wel der zonde dood zijt. maar Gode levende zijt in Chnstus Jezus onzen Heere. 12 Dat dan de zonde niet heer-sche in uw sterfelijk lichaam, om haar te gehoorzamen in de begeerlijkheden van dat lichaam. 13 En stelt uwe leden niet |
220
«Ier zonde tot w.iponon der dngercehtiïUeid, maar stelt u-zelve Go\'le als uit de dooden levend geworden zijnde, en stelt uwe leden Gode tot wapenen der gerechtigheid.
14 Want de; zonde zal oyer u niet heerschen; want sü zijt niet onder de wet raaar onder de genade.
15 Wat dan? Zullen wij zon-tlipren, omdat wij niet zijn onder de wet maar onder de genade? Dat zij verre.
16 Weet gij niet, dat wien gij uzelve stelt tot dienstknechten ter gehoorzaamheid, gij dienstknechten zijt dessenen wien gij gehoorzaamt, der zonde tot den dood, öf der fjehoorzaamheid tot gerechtig-hPid? , ,
17 Maar Gode zij dank, dat gij wel dienstknechten der zonde waart, maar dat jrij nu van harte gehoorzaam geworden zijt aan het voorbeeld der leer tót hetwelk gij overgegeven zijt,
18 en vrijgemaakt zijnde van de zonde, zijt gemaakt dienstknechten der gerechtigheid,
opdat wij Gode vruchten dragen zouden.
5 Want toen wij in het vleesch waren, werkten de bewegingen der zonden die door de wet zijn in onze leden, om den dood vruchten te dragen;
0 maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet, overmits wij dien gestorven zijn onder wélken wij gehouden waren, alzoo dat wij dienen in nieuwigheid des geeslas, en niet in de oudheid der letter. 7 Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde ? Dat zij verre; ja, ik kende de zonde niet dan door de wet; want ook had ik de begeerlijkheilen nier. geweten zonde t\' zijn. indien de wet niet zeide; Gij zult niet begeeren.
3 Maar de zonde oorzaak ge-
IJ Ik spreek op menschelijke van de dooden opgewekt is, wijie, om der zwakheid uws ondat. wu Gode vruchten dra-vleesches wille; want gelijk gij uwe leden gesteld hebt om dienstbaar tc zijn der onreinig-heid en der ongerechtigheid tot ongerechtigheid,alzóó stelt nu uwe leden om dienstbaar te zijn der gerechtigheid tot heiligmaking.
20 Want toen gij dienstknechten waart der zonde, zoo waart gij vrij van de gerechtigheid. _
21 Wat vrucht dan hadt gij toen van die dingen waarover gij u nu schaamt? Want het einde derzelve is de dood.
22 Maar nu van de zonde vrijgemaakt zijnde, en Gode dienstbaar gemaakt zijnde,
hebt gij uwe vrucht tot heiligmaking, en het einde het eeuwige leven.
23 Want de bezoldiging der
ROMEINEN 7.
zonde is de dood, maar de ge-nadegifte Gods ia het eeuwige leven door Jezus Christus onzen lleere.
HOOFDSTUK 7.
Weet gij niet, broeders, (want ik spreek tot degenen die de wet verstaan), dat de wet heerscht over den mensch zoo langen tijd als hij leeft?
2 Want eene vrouw die onder den man staat is aan den levenden man verhonden door de wet; maar indien de man gestorven is, zoo is zij vrijgemaakt van de wet des mans.
3 Daarom dan indien zij eens anderen mans wordt terwijl de man leeft, zoo zal zij eene overspeelster genaamd worden ; maar indien de man gestorven is, zoo is zij vrij van de wet, alzoo dal zij geen overspeelster is als zij eens anderen mans wordt
4 Zoo dan, mijne broeders, gij zijt ook dei wet gedood door het lichaam van Christus, opdat gij zoudt worden eens anderen, namelijk desgenen die
|
nomen hebbende door het gebod , heeft in mij alle begeerlijkheid gewrocht; want zonder de wet is de zonde dood. 9 En zonder de wet, zoo leefde ik eertijds; maar als het gebod gekomen is, zoo is de zonde weder levend geworden , doch ik ben gestorven , 10 en het scebod dat ten leven was, hetzelve is mij ten dood bevonden. 11 Want de zonde oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft mij verleid en door hetzelve gedood. 12 Alzoo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed. 13 Is dan het goede mij de dood geworden? Dat zij verre; maar de zonde is mij de dood gernrdetiy opdat zij zoude openbaar worden zonde te zijn, werkende mij door het goede den dood; opdat de zonde bovenmate wierd zondigende door het gebod. 14 Want wij weten dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleeschelijk, verkocht onder de zonde. 15 Want hetgeen ik doe, dat ken ik niet; want hetgeen ik wil, dat doe ik niet, maar hetgeen ik haat, dit doe ik. lii En indien ik hetgene doe dat ik niet wil, zoo stem ik de wet toe dat zij goed is: 17 ik dan doe datzelve nu niet meer, maar de zonde die in mij woont. is Want ik weet dat in mij , dat is in mijn vleesch, geen goed woont. Want het willen is wel bij mij , maar het goede te doen , dat vind ik niet; 19 want het goede dat ik wil doe ik niet, maar het kwade dat ik niet wil, diU doe ik. 20 Indien ik hetgene doe dat ik niet wil, zoo doe ik nu hetzelve niet meer, maar de zonde die in mij woont. 21 Zoo vind ik dan deze wet in mij als ik het goede wil |
NEN 8. 221 doen^ dat het kwade mij bijligt ; 22 want ik heb een vermaak in de wet Gods naar den in-wendigen mensch , 23 maar ik zie eene andere wet in mijne leden, welke strijdt tegen de wet mijns ge-moeds, en mij gevangen neemt onder de wet der zonde die in mijne leden is. 2-1 Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? 25 Ik danke God door Jezus Christus, onzen Heere. 2(gt; Zoo dan ik zelf dien wel met het gemoed de wet Gods, maar met het vleesch de wet der zoude. HOOFDSTUK 8. Zoo is er dan nu geene verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vleesch wandelen maar naar den Geest. 2 Want de wet des Geestes des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods. 3 Want hetgeen der wet onmogelijk was, dewijl zij door het vleesch krachteloos was, heeft God zijnen Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleesches , en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vleesch; 4 opdat het recht der wet vervuld zoude worden in ons, die niet naar het vleesch wandelen maar naar den Geest. ö Want die naar het vleesch zijn bedenken dat des vleesches ia, maar die naar den Geest zijn bedenken dat des Geestes is; (ï want het bedenken des vleesches is de dood, maar het bedenken des Geestes is het leven en vrede; 7 daarom dat het bedenken des vleesches vijandschap is tegen God; want het onder- |
|
223 ROME] werpt zich der wet Gods niet, want het kan ook niet; 8 en die in het vleesch zijn kunnen üode niet behagen. 9 Doch gijlieden zijt niet in het vleesch, maar in den Geest, zoo anders de Geest Gods in n woont; maar zoo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt hem niet toe. 10 En indien Christus in ulie-den is, zoo is wel het lichaam dood om der zonde wille, maar de geest is leven om der gerechtigheid wille. 11 En indien de Geest desge-genen die Jezus uit de dooden opgewekt heeft in u woont, zoo zal hij, die Christus uit de dooden opgewekt heeft, ook uwe sterfelijke lichamen levend maken door zijnen Geest die in u woont. 12 Zoo dan broeders, wij zijn schuldenaars niet den vleesche, om naar het vleesch te leven. l:J quot;Want indien gij naar het vleesch leeft, zoo zult gij sterven ; maar indien gij door den Geest de werkingen des lichaams doodt, zoo zult gij leven. 14 Want zoovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die ziin kinderen Gods. 15 Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreeze, maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door welken wij roepen: Abba, Vader! 16 Die Geest getuigt met onzen geest dat wij kinderen Gods zün; 17 en indien wij kinderen zijn, zoo zijn wij ook erfgenamen , erfgenamen Gods en me-deërfgenamen van Christus; zoo wij anders met hem lijden, opdat wij ook met/lt;«?« verheerlijkt worden. 18 Want ik boude het daarvoor, dat het lijden dezes te-genwoordigen tijds niet is te waardeeren tegen de heerlijk- |
NEN 8. beid die aan ons zal geopenbaard worden. 19 Want het schepsel, «f.vmet opgestoken hoofde, verwacht de openbaring der kinderen Gods. 20 Want het schepsel is der ijdelheid onderworpen, niet gewillig, maar om diens wille die het der ijdelheid onderworpen heeft; 21 op hoop dat ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de v rijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods. 22 Want wij weten, dat het gansche schepsel te zamen zucnt en te zamc-n als in barensnood is tot nu toe. 23 En niet alleen dit, maar ook wyzelve die de eerstelingen des Geestes hebben, wy ook zelve zey ik zuchten in onszei ve, verwachtende de aanneming tot kinderen , namelijk de verlossing onzes lichaams. 24 Want wij zijn ia hope zalig geworden. i)e hoop nu die gezien wordt is geene hoop; want hetgeen iemand zit t, waarom zal hij- het ook hopen ? 25 Maar indien wij hopen hetgeen wij niet zien, zoo verwachten wij het met lijdzaamheid. 26 En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp ; want wij weten niet wat wij bidden zullen gelijk het behoort , maar de Geest zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtinicen. 27 Eo die de harten doorzoekt, weet welke de meening des Geestes zij: dewijl hij naar God voor (ie heiligen bidt. 28 En wij weten, dat dengenen die God liefhebben alle dingen medewerken teugoede, namelijk dengenen die naar zijn voornemen geroe jen zijn. 29 Want die hij te voren gekend heeft, die h \'eft hij ook te voren verordineerd den heelde zijns Zoons ge.ijkvormig te |
NEN 9. 223
|
zijn, opdat hij de eerstgeborene zij onder vele broederen ; ?0 en die hij te voren verordineerd heeft, deze heeft hü ook geroepen, en die hij geroepen heeft, deze heeft hij ook gerechtvaardigd ; en die hij gerechtvaardifrd heeft, deze heeft hij ook verheerlijkt. 31 quot;SVat zullen wij dan tot deze dingen zeggen ? Zoo God vóór ons is wie zal tégen ons zijn \'t 32 Die ook zijnen eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft hem voor ons allen overgegeven, hoe zal hij ons ook met hem niet alle dingen schenken? 33 Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het die rechtvaardig maakt. 34 Wie is het die verdoemt? Christus is het die gestorven is, ja, wat meer is, die ook opgewekt is, die ook ter rechter-haud Gods is, die ook voor ons bidt. 35 Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard ? 36 (gelijk geschreven is: Want om uwentwille worden wij den ganschen dag gedood, wij zijn geacht als schapen der slachting.) 37 Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door hem die ons liefgehad heeft. 38 Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch Enselen noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige noch toekomende dingen, 39 noch hoogte noch diepte, noch eenig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onzen Heere. |
HOOFDSTUK 9. Ik zeg de waarheid in Christin, ik lieg niet, (mijne consciëntie mij mede-getuigenis irevende door den Ileiligen Geest), 2 dat het mij eene groote droefheid, en mijn hart eene gedurige smarte is. 3 Want ik zoude zelf xcel wenschen verbannen tc zijn van Christus voor mijne broederen, die mijn maagschap zijn naar het vleesch ; 4 welke Israëliten zijn, welker is de aanneming: tot kinderen , en de heerlijkheid, en de verbonden, en de wetgeving, en de dienst Gods, en de beloftenissen ; 5 welker zijn de vaderen , en uit welke Christus is zooveel het vleesch aangaat, dewelke is God boven alle te prijzen in eeuwigheid. Amen. 6 Doch ik zeg dit niet alsof het Woord Gods ware uitgevallen. Want die zijn niet allen Israel, die uit Israel zijn ; / noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij allen kinderen , maar; In Isaiik zal u het zaad genoemd worden: 8 dat is , niet de kinderen des vleesches, die zijn kinderen Gods; maar de kinderen der bcloftenis worden voor het zaad gerekend. 9 Want dit is het woord der beloftenis; Omtrent dezen tijd zal ik komen, en Sara zal eenen zoon hebben. 1» En niet alleen deze, maar ook Rebekka is daarvan een bewijs, als zij uit éénen bevrucht was, namelijk Isaiik onzen vader. 11 Want als de kinderen nog niet geboren wnren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat hetvoormmen Gods dat naar de verkiezing is vaat bleve, niet uit de werken maar uit den roepende. |
|
iii-l ROMEl l\'J zoo werd tot haar gezegd: Du meerdere zal den mindere dienen ; 13 gelijk geschreven is: Jakob heb ik liefgehad, en Esau heb ik gehaat. 14 quot;Wat zullen wij dan zeggen ? Is er onrechtvaardigheid bij God? Dat zij verre. 15 Want hij zegt tot Mozes: Ik zal mij ontfermen diensik mij ontferme en zal barmhartig zijn dien ik barmhartig ben. l(i Zoo is het dan niet des-genen die wil noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods. 17 Want de Schrift zegt tot Farao : Hiertoe heb ik u verwekt, opdat ik in u mijne kracht bewijzen zoude, en op-dar. mijn naam verkondigd worde op de gansche aarde. 13 Zoo ontfermt hij zich dan diens hij wil, en verhardt dien hij wil. 11) Gij zult dan tot mij zeggen: Wat klaagt hij nog? want wie heeft zijnen wil weder-staan ? ÜO Maar toch, o mensch, wie zijt gij die tegen God antwoordt? Zal ook het maaksel tot dengenen die het gemaakt heeft zeggen: Waarom hebt gij mij alzóó gemaakt? il Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om uit denzelfden klomp te maken het ééne vat ter eere en het andere ter oneere? 22 En of God willende zijnen toorn bewijzen en zijne macht beleend maken , met veel lankmoedigheid verdragen heeft de vaten des toorns, tot het verderf toebereid ; 2.\'{ en opdat hij zoude bekend maken den rijkdom zijner heerlijkheid over de vaten der barmhartigheid, die hij tevoren bereid heeft tot heerlijkheid? 24 Welke hij ook geroepen heeft, namelijk ons, niet alleen !EN 10. |
uit de Joden maar ook uit de heidenen: 25 gelijk hij ook in Hoséa zegt: Ik zal hetgeen mijn volk niet was mijn volk noemen, en die niet bemind was mijne beminde; 26 en het zal zün in de plaats waar tot hen gezegd was: Gijlieden zijt mijn volk niet, aldaar zullen zy kinderen des levenden Gods genaamd worden. 27 En Jesaja roept over Israël: Al ware het getal der kinderen Israeli gelijk het zand der zee, zoo zal het overblijfsel behouden worden. 23 Want hij voleindt eene zaak en snijdt zs af in rechtvaardigheid ; want de Heere zal eene afgesnet en zake doen op aarde. 29 En gelijk JeMaja te voren gezegd heeft: Inticn de Heere Zebaoth ons gein zaad had overgelaten, zoo waren wij als Sodom geworden, en Go-morra gelijk gemaakt geweest. :lt;0 Wat zullen wij dan zeggen? Dat de heidtnen, die de rechtvaardigheid niet zochten, de rechtvaardigheid verkregen hebben, doch de rechtvaardigheid die uit het geloof is; 31 maar Israel, dat de wet der rechtvaardigheid zocht, is tot de wet der rechtvaardigheid niet gekomen. 32 Waarom ? Omdat ze die zochten niet uit het geloof, maar als uit de werken der wet; want zij hebben zich gestooten aan den steen des aanstoots, 33 gelijk geschreven is: Zie, ik leg in Sion eenen steen des aanstoots ea eene rots der ergernis, en een iegelijk die in hem gelooft zal niet beschaamd worden. HOOFDSTUK 10. Broeders, de toegenegenheid mijns harten, en het gebed dat |
|
ik lot God voor Israël rfoe, is tot hunne zaligheid. 2 Want ik geef hun getuigenis , dat zij eenen ijver tot God hebben, maar niet met verstand. 3 Want alzoo zij de rechtvaardigheid Gods niet kennen , en hunne eigene gerechtigheid zoeken op te richten, zoo zijn zij der rechtvaardigheid Gods niet onderworpen. 4 Want het einde der wet is Christus, lot rechtvaardigheid een iegelijk die gelooft. 5 Want Aiozes beschrijft de rechtvaardigheid die uit de wet is, zeggende: De mensch die deze dingen doet zal door dezelve leven. (gt; ilaar de rechtvaardigheid die uit het geloof is spreekt aldus: Zeg niet in uw harte: Wie zal iu den hemel opklimmen \'( Dat is Christus van boven afbrengen. 7 Of wie zal in den afgrond nederdalen? Dat is Christus uit de dooden opbrengen. 8 Maar wat zegt ze? Nabij u is het Woord, in uwen mond en in uw hart. Dit is het Woord des geloofs, \'t welk v/ij prediken: ü namelijk, indien snj meluwen mond zult belijden den Heerc Jezus, en met uw harte gclcoven dat God hem uit de dooden opgewekt heefi, zoo zult gij zalig worden ; lu want met het harte gelooft men ter rechtvaardigheid, en met den mond belijdt men ter zaligheid. 11 Want de Schrift zegt: Een iegelijk die in hem gelooft, die zal niet beschaamd worden. 12 Want daar is geen onder-Rchcid, noch van Jood noch van Griek; want dezelfde is Heere van allen, rijk zijnde over allen die hem aanroepen. i;lt; Want een iegelijk die den naam des lleeren zal aanroepen , zal zalig worden. 14 Hoe zullen zij dan hem |
SEN 11. 225 aanroepen, iu welken zij niet geloofd hebben ? En hoe zullen zij in hem geloovea, van welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij hooren, zonder die hun predikt? 15 En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden? Gelijk geschreven is: Hoe liefelijk zijn de voeten dergenen die vrede verkondigen, dergenen die het goede verkondigen! IR Doch zij zijn niet allen het Evangelie gehoorzaam geweest ; want Jesaja zegt: Heerc, wie heeft onze prediking geloofd? 17 Zoo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het woord Gods. IS Maar ik zeg: Hebben zij het niet gehoord? Ja toch, hun geluid is over de geheele aarde uitgegaan, en hunne woorden tot de einden der wereld. 19 Maar ik zeg : Heeft Israël het niet verstaan ? Mozes zegt eerst: Ik zal ulieden tot ja-loerschheid verwekken door degenen die geen volk zijn; door een onverstandig volk zal ik u tot toorn verwekken. 20 En Jesaja verstout zich en zegt: Ik ben jrevonden van degenen die mij niet zochten, ik ben openbaar geworden dengenen die naar mij niet vraagden. 21 Maar te?en Israël zegt hij: Den geheelen dag heb ik inijne handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk. HOOFDSTUK 11. Ik zegge dan: Heeft God zijn volk verstooten ? Dat zij verre; want ik ben óók een Israëliet, uit het zaad Abrahams, van den stam Benjamin. 2 God heeft zijn volk niet verstooten, hetwelk hij tevoren gekend heeft. Of weet gij niet 15 |
|
£26 rome: wat de. Schrift zegt van Elia ? hoe hij God aanspreekt tegen Israël, zeggende; 3 Heere, zij hebben uwe Profeten gedood en uwe altaren omgeworpen , en ik ben alleen overgebleven, en zy zoeken mijne ziel. 4 Maar wat zegt tot hem het Goddelijk antwoord ? Ik heb mij zei ven noy zevenduizend mannen overgelaten, die de knie voor het beeld van Baal niet gebogen hebben. 5 Alzoo is er dan ook in dezen tegenwoordigen tijd een overblijfsel geworden, naar de verkiezing der genade. 6 En indien het door genade is, zoo is het niet meer uit de werken; anders is de genade geen genade meer. En indien het is uit de werken, zoo is het geen genade meer; anders is het werk ueen werk meer. 7 Wat dan ? Hetgeen Israël zoekt, dat hcfeft het niet verkregen; maar de uitverkorenen hebben het verkregen , en de anderen zijn verhard geworden , 8 (gelijk geschreven is: God heeft hun gegeven eenen geest des diepen slaaps, oogen om niet te zien, en ooren om niet te hooren), tot op den huldigen dag. •j En I)avid zegt: Hun tafel worde tot eenen strik en tot eenen val en tot eenen aanstoot en tot eene vergelding voor hen; 10 dat hunne oogen verduisterd worden om niet te zien, en verkrom hunnen rug allen tijd. 11 Zoo zeg ik dan : Hebben zij gestruikeld opdat zij vallen zouden ? Dat zij verre; maar door hunnen val is de zaligheid den heidenen geworden, om hen tot jaloerschheid te verwekken. 12 En indien hun val de rijkdom is der wereld, en hunne vermindering de rijkdom der |
s\'en 11. heidenen, hoeveel te meer hunne volheid. 13 Want ik spreek tot n, heidenen : voor zooveel ik der heidenen Apostel ben, maak ik mijne bediening heerlyk, 14 of ik soms myn vleesch tot jaloerschheid verwekken en eenigen uit hen behouden mocht. 15 Want indien hnne verwerping de verzoening is der wereld, wat zal de aanneming wezen, anders dan het loven uit de dooden? Ifi En indien df eerstelingen heilis zijn, zoo iü ook het deeg heilig; en indien de wortel heilig is, zoo zijn ook de takken heilig. 17 En zoo eenige der takken afgebroken zijn, en gij, een wilde olijfboom zijnde, in derzelver plaats \',ijt ingeënt, en des wortels en der vettigheid des olijfbooms mede deelachtig zijt gevorden, 18 zoo roem ni.jt tegen de takken; en indien gij daartegen roemt, gij draagt den wortel niet maar de wortel u. 19 Gij zult dan neggen: I)e takken zijn afgebroken, opdat ik zoude ingeënt worden. 20 Het is wM; zij zijn door ongeloof afgebroken, en gij staat door het geloof. Wees niet hooggevoelende, maar vrees; 21 want is het dat God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, zie toe dat hij ook mogelijk u niet spare. 22 Zie dan de goedertierenheid en de gestri ngheid Gods; de gestrengheid wel over degenen die ge-rallen zijn, maar de goedertierenheid over u, indien gij in de goedertieren-lieid blijft; arders zult ook gij afgehouwen worden. 2:5 Maar ook zij , indien ze in het ongeloof niet blijven, zullen ingeënt worden ; want God is machtig dezelve weder in te enten. |
|
24 Want indien ffij afgehouwen zijt uit den olijfboom die van nature wild was. en teïon nature in den soeden olijfboom ingeënt, hoeveel te meer zullen déze, die natuurlijke iaklcen zijn, in hun eijren olijfboom jri-ënt worden! 25 Want ik wil niet, broeders , dat u deze verborgenheid onbekend zij, (opdat jjij niet wijs zijt bij uzelve), dat de vcrbardinjf voor een deel over IsraCl gekomen is. totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn. £fi En alzóó zal geheel Tsraël zalig worden ; gelijk geschreven is: DeVerlosser zal uit Sion komen, en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob; 27 en dit is hun een verbond van mij, als ik hunne zonden zal wegremen. 28 Zoo zijn zii wel vijanden wat aangaat het Evangelie, om uwentwille, maar wat aangaat de verkiezing zijn zij beminden, om der vaderen wil-le; 29 want de genadegiften en de roeping Guds zijn onberuu-welijk. 30 Wart gelijkerwijs ook gijlieden eertijds Gode ongehoorzaam geweest zijt, maar nu barmhartigheid verkregen hebt door dezer ongehoorzaamheid, ■31 alzóó zijn ook deze nu ongehoorzaam geweest, opdat ook zij door uwe barmhartigheid zouden barmhartigheid verkrijgen; 32 want God heeft ze allen ouder de ongehoorzaamheid besloten, opdat hij hun ailen zoude barmhartig zijn. 33 O diepte des rnkdoms beide der wijsheid en der kennisse. Gods! Hoe ondoorzoekelijk zijn zijne oordeelen, en onnaspeurlijk zijne wegen! 34 Want wie heeft den zin des Ileeren gekend, of wie is zijn raadsman geweest? 35 Of wie heeft hem eerst ge- |
SEN 12. 227 geven, en het zal hem weder vergolden worden? 36 Want uit hem, en door hem, en tot hem zijn alle dingen Hem zij de heerlykheid in eeuwigheid. Amen. HOOFDSTUK 12. Ik bidde u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uwe lichamen stelt tot eene levende, heilige at Gode welbehagelijke offerande, uelke is uw redelijke godsdienst; 2 en wordt dezer wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds. opdat gij moogt beproeven welke de góede en welbehagelijke en volmaakte wil Gods zij. 3 Want door de genade die mij gegeven is zeg ik een iegelijk die onder u is, dat hij niet wijs zij boven hetgene men behoort, wijs te ziin , maar dat hij wijs zij tot matigheid, gelijk als God een ieff\'-lijk de mate desgeloofs gedeeld heeft. 4 Want gelijk wij in éfai lichaam vele leden hebben, en de leden niet alle dezelfde werking hebben, 5 alzóó ziin wij velen dén lichaam in Christus, maar elkeen zijn wii elkanders leden. 6 Hebbende nu verscheidene gaven , naar de genade die ons gegeven is , 7 zoo laat ons die gaven besteden , hetzij profetie, naar de mate des geloofs ; hetzij bediening, in het bedienen; hetzij die leert, in het leeren; 8 hetzij die vermaant, in het vermanen ; die uitdeelt, in eenvoudigheid ; die een voorstander is, in naarstigheid; die barmhartigheid doet, in blijmoedigheid. 9 De liefde zij ongeveinsd. Hebt eenen afkeer van het booze, en hangt het goede aan. 10 Hebt elkander hartelijk lief met broederlijke liefde. |
|
Ü28 ROME: met ccre de één den ander voorgaande. 1! Zijt niet traag in \'t benaar-stigen. Zijt vurig van geest. Dient den Heere. 12 Verblijdt u in de bopp. Zijt geduluig in de verdrukking. Volhardt in den gebcde. 13 Deelt mede tot de behoeften der heiligen. Tracht naar herbergzaamheid. 14 Zegent ze die u vervolgen: zegent, en vervloekt niet. 15 Verblijdt u met de blijden, en weent met de weenenden. ltgt; Weest eensgezind onder elkander. Tracht niet naar de hooge dingen, maar voegt u tot de nederige. Zijt niet wijs bij uzelve. 17 Vergeldt niemand kwaad voor kwaad. Bezorgt hetgeen eerlijk is voor alle menschen. 18 Indien het mogelijk is, zooveel in u is, houdt vrede met alle menschen. 19 quot;Wreekt uzelve niet, beminden, maar geeft den toorn plaats; want er is geschreven; Mij komt de wrake ton, ik zal het verbelden, zegt de Ileere. 20 Indien dan uwen vijand hongert, zoo spijzig hem; indien hem dorst, zoo geef hem te drinken; want dat doende zult gij kolen vuurs op zgn hoofd hoopen. 21 Word van het kwade niet overwonnen, maar overwin het kwade door het goede. nOOFDSTUK 13. Alle ziele zij den machten over haar gesteld onderworpen ; want daar is geeu macht dan van God, en de machten die daar zijn, die zijn van God geordineerd; 2 alzoo dat die zich tezen de macht stelt, de ordinantie God» wederstaat; en die ze weder-ataan. zullen over zichzelve eeu oordeel halen. .\'-Want de overaten zijn niet tot eene vrees den goeden wer-\\*EN 13. |
ken, maar den kwaden. Wilt jjij nu de macht niet vreezen , doe het goede, en gij zult lof van haar hebben, 4 want zij is Gods dienaresse, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet, zoo vrees, want zij draagt het zwaard niet te-vtrgeefa; want zij i» Gods dienaresse, een wreekster tot straf dengenen die kwaad doet. 5 Daarom is hc~ noodig onderworpen te zijn niet alleenlijk om der straf maar ook om der confcientie wille. 6 Want daarom betaalt gij ook schatting; want zij zijn dienaars GoJs, lierin gedurig-lijk bezig zijnde. 7 Zoo geeft do.n een iegelijk wat gij schuldig zijt, schatting wien gij de schatting, tol wien gij den tol, vreiv.e wien gij de vreeze, eere wien gij de eere sclndilnj zijt, 8 Zijt niemand iets schuldte, dan elkander lief te hebben; want die den ander liefheeft, die heeft de wet vervuld. 9 quot;Want dit; G.j zult geen overspel doen, gij zult niet dooden, gij zult niet stelen, gij zult geene valtche getuigenis geven, gij zult niet be-geeren, en zoo daar eenig ander gebod is, wordt in dit woord als in eene hoofdsom begrepen, namelijk in dit; Gij zult uwen naaste liefhebben gelijk uzel-ven. 10 De liefde doet den naaste geen kwaad; zoo is dan de liefde de vervulling der wet. 11 Kn dit zeg ik tv meer, dewijl wij de geiegenheid des tijds weten, dat het de ure is dat wij nu uit den siaap opwaken ; want de zaligheid is ons nu nader dan toen wij eerst geloofd habben. 12 De nacht is voorbijgegaan en de dag is nabij gekomen ; laat ons dan ifleggen de werken der duisternis en aandoen de wapenen des lichts; 13 laat ons, als in den dag. |
|
eerbaar wandelen, niet in bras-scrijcn en dronltenschappen, niet in slaapkaineren on on-tuchtisbeden, niet in twist en nijdigheid: 14 maar doet iLIn den Heere Jezus Christus, en verzorgt hef vlecsch niet tot beseerlijk-heden. HOOFDSTUK 14. Densrenen nu die zwak is in \'t geloof neemt aan, maar niet tot twistipre samensprekintren. 2 De •\'\'■n geloofc wel dat men alles eten mag:, maar die zwak is eet moeskruiden. Die eet verachte hem niet die niet eet, en Hie niet eet oordeele hem niet die daar eet; want God heeft hem aangenomen 4 Wie zijt gij die eens anders huisknrcht oordeelt? Hij staat of hij valt zijn eigen lieer; doch hij zal vastgesteld worden, want God is machtig hem vast te stellen. 5 De één acht wel den éénen dag boven den anderen dag, maar de ander acht alle de dagen gdijk. Een iegelijk zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd. 6 Die den da? waarneemt, die neemt hem waar den Heere, en die den dag niet waarneemt, die neemt hem niet waar den Heere. Die daar eet, die eet zufkn den Heere. want hij dankt God; en die niet eet, die eet zu\'lcs den Heere niet, en hij dankt God. 7 Want niemand van ons leeft aichzeiven, en niemand sterft nchzelven; 8 want hetzij dat wij leven , wij leven den üeere, hetzij dat v;ij sterven, wij sterven den Heere: hetzij dan dat wij leven , hetzij dat wij sterven , wij zijn des Heeren. y Want dilartoe is Christus ook yestorven en opgestaan en weder levend gewerden. |
S\'EN 14. 229 opdat hy beide over dooden en levenden heerschen zoude. 10 Maar gij , wat oordeelt gij uwen broeder? Of ook wat veracht gij uwen broeder? Want wij zuil. n allen voor den rechterstoel van Christus gesteld worden. 11 Want daar is beschreven; Ik leef, zegt do Heere; voor mij zal allo knie y.ich buigen , en alle tong zal God belijden. 12 Zoo dan een iegelijk van ons zal voor zichzelven Gcde rekenschap geven. 13 Laat ons dan elkander niet meer oordeelen ; maar oordeelt dit liever, namelijk dat gii den broeder goenen aanstoot of ergernis geelt. 14 Ik weet en ben verzekerd in den Heere Jezus, dat geen ding onrein is in zichzelf; dan die acht iets onrein te zijn, dien is het onrein. 15 Maar indien uw broeder om der spijze wille bedroefd wordt, zoo wandelt gij niet meer naar liefde. Verderf dien niet met uwe spijze, voor welken Christus gestorven is. 16 Dat dan uw goed niet gelasterd worde. 17 Want het Koninkrijk Gods is niet spiize en drank, maar rechtvaardigheid en vrede en blijdschap door den Heiligen Geest. IS Want die Christus in deze dingen dimt, is Gode welbe-hairelijk en aangenaam den tnenscbén. 1!) Zoo dan laat ons najagen hetgeen tot den vrede en hetgeen tot de stichting onder elkander dient. 20 Verbreek het werk Gods niet om der spijze wille. Alle dintren zijn wel rein, maar het is kwaad den menscb die met aanstoot eet. 21 Het is goed geen vleesch te eten noch wijn te drinken, noch iets waaraan uw broeder zich stoot of geërgerd wordt» of waarin hij swnk is. |
|
230 ROMEI 22 Hebt gij geloof, heb dat bü uzelven voor God. Zalig: is hij, die zichzelven niet oordeelt in hetgeen hij voor goed houdt. 23 Maar die twijfelt indien hij eet, is veroordeeld, omdat hij niet uit het geloof eet; en al wat uit het geloof niet is, dat is zonde. HOOFDSTUK 15. Maar wij die sterk zijn, zijn schuldig de zwakheden der onsterken te drageu, en niet onszei ven te behagen. 2 Dat dan een iegelijk van ons zijnen naaste behage ten goede, tot stichting. 3 Want ook Christus heeft zichzelven niet behajigd, maar gelijk geschreven is: De smadingen dergenen die u smaden zijn op mij gevallen. 4 Want al wat te voren ge-schreveu is, dat is tot onze leering te voren geschreven , opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften hope hebben zouden. 5 Doch de God der lijdzaamheid en der vertroosting geve n, dat gij eensgezind zijt onder elkander naar Christus Jezus, ö opdat gij eendractitislijkmet «quot;■énen mond raoogt verheerlijken den God en Vader onzes Heeren Jezus Christus. 7 Daarom neemt elkanderaan, gelijk ook Christus ons aangenomen heeft tot de heerlijkheid Gods. 8 En ik zeg, dat Jezus Christus een dienaar geworden is der besnijdenis van wege de waarheid Gods, opdat hij bevestigen zoude de beloftenissen der vaderen, 9 en de heidenen God van wege de harm hartigheid zouden verheerlijken; gelijk geschreven is: Daarom zal ik u belijden onder de heidenen, en uwen naam lofzin^en. 10 En wederom zegt hü: |
STEN 15. Weest vroolijk, gij heidenen met zijn volk. 11 Eu wederom: Looft den Heere alle gij heidenen, en prijst hem alle gij volken. 12 En wederom zegt Jesaja: Daar zal zijn de wortel van Isai, en die opstaat om over de heidenen te gebieden: op hem zullen de heidenen hopen. 13 De God nu der hope vcr-vulle ulieden met alle blijdschap en vrede in het geloove, opdat gij overvloedig moogt zijn in de hope, door de kracht des Heiligen Giestes. 14 Doch, mijn i broeders, ook ik zelf ben verzekerd van u, dat gij ook zelquot;e vol zijt van goedneid, vervuld met alle kennis, machtig om ook elkander te vermanen; 15 maar ik heb u eensdeels te etoutelijker geschreven, broeders, u als welerom dit indachtig makende, om de genade die mü van God gegeven is, 16 opdat ik een dienaar van Jezus Christus ïij onder de heidenen, het Evangelie Gods bedienende, opdat de offerande der heidenen aangenaam worde, geheiligd door den Heiligen Geest. 17 Zoo heb ik dan roem in Cliristus Jezus in de dingen, die God aangaan. IS Want ik zoude niet durven iets zeggen, \'t welk Christus door mij niet gewrocht heeft tot gehoorzaamheid der heidenen , met woorden en werken, 19 door kracht van teekenen en wonderheden, en door de kracht van den Geest Gods, zoodat ik van Jeruzalem af en rondom, tot Iliyrié toe, het Evangelie van Christus vervuld heb; 20 en alzoo ze:r begeerig geweest ben om het Evangelie te verkondigen, niet waar Christus genoemd was, opdat ik niet op eens anders fundament zoude bouwen; |
|
21 maar gelijk geschreven is: Denwelken van hem niet was geboodschapt, die zullen het zien, en dewelke het niet gehoord hebben, die zullen het verstaan. 22 Waarom ik ook menigmaal verhinderd geweest ben tot u te lioraen; 23 maar nu geene piaats meer hebbende in deze gewesten, en van over vele jaren groot verlansen hebbende om tot u te komen, 24 zoo zal ik wanneer ik naar Spanje reizetotu komen; want ik hoop in het doorreizen u te zien, en van u derwaarts geleid te worden, als ik eerst van ulieder tegpnwoordigheid eensdeels verzadigd zal zijn. 25 Maar nu reis ik naar Jeruzalem, dienende den heiligen. 2tJ Want het heeft dien van Macedonië en Achaje goed gedacht, eene algemeene handreiking te doen aan de armen onder de heiligen die teJeru-zalem zijn. 27 Want het heeft hun zoo goed gedacht; ook zijn zij hunne schuldenaars; want indien de heidenen hunner geestelijke goederen deelachtig zijn geworden, zoo zijn zij ook schuldig hen van lichamelijke goederen te dienen. 28 Als ik dan dit volbracht en hun deze vrucht verzegeld zal hebben, zoo zal ik door ulieder stad naar Spanje afkomen ; 29 en ik weet dat ik tot u komende, met vollen zegen des Evangelies van Christus komen zal. 30 En ik bidde u, broeders, door onzen Ileere Jezus Christus en door de liefde des Gees-tes, dat gij met mij strijdt in de gebeden tot God voor mij ; 31 opdat ik mag bevryd worden van de on gehoorzamen in Judéa. en dat deze mijn dienst, dien ik aan Jeruzalem rfoe, aangenaam zij den heiligen ; Jj2 opdat ik met blijdschap |
IEN 16. 231 door den wille Gods tot u mag komen en met u verkwikt worden. 33 En de God des vredes zy met u allen. Amen. HOOFDSTUK 16. En ik beveel u Febe onze zuster, die eene dienaresse ia der gemeente die te Cenchrea is; 2 opdat gij haar ontvangt in den Ileere gelijk het den heiligen betaamt, en haar bijstaat in wat zaak zij u zoude mogen van noode hebben; want zij is eene voorstandster geweest van velen, ook van mij zei ven. 3 Groet l\'riscilla en Aquila, mijne medewerkers in Christus Jezus, 4 die voor mijn leven hunnen hals gesteld hebben; dewelke niet alleen ik dank, maar ook alle de gemeenten der heidenen. 5 Groet ook de gemeente in hun hui». Groet Epénetus mijnen beminde, die de eersteling is van Achaje in Christus. G Groet Maria , die veel voor ons gearbeid heeft. 7 Groet Andronicus en Ju-nias, mijne magen en mijne medegevangenen, welke vermaard zijn onder de Apostelen. die ook vóór mij in Christus geweest zijn. 8 Groet Amplias mijnen beminde in den Ueere. 9 Groet Urbanus onzen medearbeider in Christus, en Sta-chys mijnen beminde. 1(3 Groet A pel les, die beproefd is in Christus. Groet ze die van het huisgezin van Aristobiilus zijn. 11 Groet Herodion, die van mijn maasschap is. Groet ze die van het huisgezin van JNar-cissus zijn, degenen namelijk die in den Heorezijn. 12 Groet Tryféna en Tryfósa, vrouwen die in den Heere arbeiden. Groet Persis de bemin- |
1 CORINTHIËRS 1.
232
|
dp zuster * die veel gearbeid heeft, in den Heem. 13 Groet Knfus den uitverkorene in den Heere, en zyne moeder en de rniine. 14 Groet Asyneritus. Flefron, Hernias, P.itrobas, Hermes, en de broeders die met hen rijn. li Groet Filologus en Julia, Ncrons en zijne zuster, en Olyrapas, en alle de heiligen die met hen zijn. Ifi Groet elkander met eenen heiligen kus. De gemeenten van Ohriatus groeten ulieden. 17 En ik biJde u, broeders, neemt acht op degenen die tweedracht en ergernissen aanricht en tegen de leer die gii van ons geleerd hebt, en wijkt af van dezelve. 18 Want dezulken dienen onzen Heere Jezus Christus niet, maar hunnen buik, en verleiden door schoonspreken en prijzen de harten der eenvou-diiren. l\'J Want uwe gehoorzaamheid is tot kennis van allen gekomen. Ik verblijd mij dan uwenthalve; en ik wil dat gij wijs zijt in het goeile, doch on-noozel in het kwade. |
20 En de God des vredes zal den satan haast onder uwe voeten verpletteren. De genade onzes Heeren Jezus Christus zy met ulieden. Amen. 21 U groeten Timotheüs mijn medearbeider, en Lucius én Jason en Sosipater mijne bloedverwanten. 22 Ik Terfins, die den brief geschreven heb, groet u in den Heere. 23 U groet Gajus, de huiswaard van mij en van de ge-heele gemeente. U groet Eras-tus de rentmeester der stad, en de broeder Quartus. 24 De genade onzes Heeren Jezus Christus zij met u allen. Amen. 25 Hctn nu die machtig is u te bevestigen, naar nijn Evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar dt openbaring der verborgenheid die van dë tijden der eeuwen verzwegen is geweest, 2G maar nu geopenbaard is, en door de profetische Schriften . naar het bevel des eeuwigen Gods, tot gehoorzaamheid des geloofs onder al le de heidenen bekend is gemaakt; 27 hem, den alleen wijzen God , zij door Jezus Christus de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen. |
DE EERSTE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS
CORINTHIEKS.
|
HOOFDSTUK 1. Paulus een geroepen Apos-•tel van Jezus Christus door den wille Gods, en Sosthenes de broeder |
2 aan de gemeente Goda die te Coiinthe is, den geheilig-den in Christus Jezus, den geroepenen heiligen, met allen die den naam van onzen Heere Jezus Christus aanroepen in alle plaatse, beide hunnen en onzen Heere: 3 genade zy u en vrede van |
|
1 COBIN\' God onzen Vader en den Hcere Jezus Christus. 4 Ik dank mijnen God allen tijd over u . van weye de genade Gods die u gegeven is in Christus Jezus, 5 dat gij in alles zijt rijk geworden in hem, in alle rede en alle kennis, () gelijk de getuigenis van Christus bevestigd is onder n; 7 alzoo dat het u aau geen gave ontbreekt, verwachtende de openbaring onzes Heeren Jezus Christus: 8 welke God u ook zal bevestigen tot den einde toe , om onstraflelijk te zijn in den dag onzes Ileèren Jezus Christus. 9 God is getrouw, door welken gij geroepen zijt tot de gemeenschap van zijnen Zoon Jerus Christus, onzen Ileere. 10 Mnar ik bid u, broeders, door den naam onzes Heeren Jezus Christus, dat «:ij allen hetzelfde spreekt en onder u geene scheuringen zijn, man r dat gij samengevoegd zijt in eenen zelfden zin en in een zelfde gevoelen. 11 Want mij is van u bekend gemaakt, mijne broeders, door die van Chloc\'s huisgezin z\\in, dat er twisten onder u zijn. 12 En dit zeg ik dat een iegelijk van u zrgt: Ik ben van i aulus, en ik van Apol-los, en ik van Cefas, en ik van Christus. 13 Is Christus gedeeld? Is Paulus voor u gekruist? Of zijt gij in Paulus naam gedoopt ? 14 Ik dank God dat ik niemand van ulieden gedoopt heb dan Crispus en Gajus; 15 opdat niet iemand zegge dat ik in mijnen naam gedoopt heb. lü Doch ik heb ook het huisgezin van Stefanas gedoopt; voorts weet ik niet of ik iemand anders gedoopt heb. 17 Want Christus heeft mij |
HIËRS 1. 233 niet gezonden om te dcopen, maar om het Evangelie te verkondigen; niet met wijsheid van woorden, opdat bet kruis van Christus niet verijdeld worde. 18 Want het Woord des krui-ses is wel dengenen die verloren gaan dwaasheid, maar ons die behouden worden is het een kracht Gods; 1\'J want daar is geschreven; Ik zal de wijsheid der wij/en doen vergaan, en het verstand der verstandigen zal ik te niet maken. L\'O Waar is de wij \'c ? Waar is de Schriftgeleerde? Waar is de onderzoeker dezer eeuw ? Heeft God de wijsheid dezer wereld niet dwaas gemaakt? 21 Want nademaa\' in de wijsheid Gods de wereld God niet heeft gekend door de wijsheid , zoo heeft het God behaagd door de dwaasheid der prediking zalig te maken die gelooven: 22 overmits de Joden een tee-ken begeeren, en de Grieken wijsheid zoeken; 23 doch wij prediken Christus den gekruisigde, den Joden wel eene ergernis, enden Grieken eene dwaasheid; 24 maar hun die geroepen zijn, beiden Joden en Grieken prediken wij Christus de kracht Gods en de wijsheid Gods. 25 Want bet dwaze Gods is wijzer dan de menscben, en het zwakke Gods is sterker dan de menschen. 2f) Want gij ziet \'iwe roeping, broeders, dat gij nietvrle wijzen zijt naar uetvleescb, niet vele machtigen, niet vele edelen ; 27 mnar bet dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat hij de wijzen beschamen zoude ; en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat hij bet sterke zoude beschamen; 28 eh bet onedele der wereld |
|
234 1 CORINTl en het verachte heeft God uitverkoren , en hetgeen niets is, opdat hij hetgeen iets is te niet zoude maken; 29 opdat geen vleesch zoude roemen voor hem. quot;O Maar uit hem zijt gij in Christus Jezus, die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid en heiligmaking en verlossing; Hl opdat het zij gelijk geschreven is ; quot;Wie roemt, roeme in den Heere. HOOFDSTUK 2. En ik,broeders, als ik tot u gekomen ben , ben niet gekomen met uitnemendheid van woorden of van wijsheid u ver-kondiscende de getuigenis Gods; 2 want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u dan Jezus Christus, en dien gekruisigd. En ik was by ulieden in zwakheid en in vreeze en in vele beving, 4 en mijne rede en mijne prediking was niet in bewegelijke woorden der menschel ij ke wijsheid, maar in betooning des geestes en der kracht; 5 opdat uw geloof niet zoude zijn in wijsheid der menschen, maar in de kracht Gods. G En wij spreken wijsheid onder de volmaakten ; doch eene wijsheid niet dezer wereld, noch der oversten dezer wereld die te niet worden ; 7 maar wij spreken de wijsheid Gods, bestaande in verborgenheid, die bedekt was, welke God te voren verordineerd heeft tot heerlijkheid van ons, eer de wereld was: 8 welke niemand van de oversten dezer wereld gekend heeft. quot;Want indien zij ze gekend hadden , zoo zouden zij den Heere der heerlijkheid niet gekruist hebben; 9 maar gelijk geschreven is: Hetgeen het oog niet heeft ge- |
IËRS 2, 3. zien en het oor niet heeft gehoord , en in het hart des menschen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien die hem liefhebben. 10 Doch God heeft het ons geopenbaard door zijnen Geest. quot;Want de Geest onderzoekt alle dingen , ook de diepten Gods. 11 W ant wie van de menschen weet hetgene des menschen is, dan de geest deii menschen die in hem is ? Alzoo weet ook niemand hetgeen Gods is, dan de Geest Gods. 12 Doch wij hebben niet ontvangen den geest der wereld, maar den Geest die uit God is, opdat wij zoude/i weten de dingen die ons van God geschonken zijn; 13 dewelke wij ook spreken, niet met woorden die de men-schelijke wijshei I leert, maar met woorden die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen met geestelijke samenvoegen-de. 14 Maar denatuurlijkemensch begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat ze geestelijk onderscheiden worden. 15 Doch de geestelijke mensch onderscheidt wel alle dingen, maar hij zelf wordt van niemand onderscheiden. 16 Want wie heeft den zin des Heeren gekend , die hem zoude onderrichten? Maar wij hebben den zin van Christus. HOOFDSTUK 3. En ik, broeder?., kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als totvleeschelij-ken, als tot jonge kinderen in Christus. 2 Ik heb u met melk gevoed, en niet met vaste spijze, want gij vermocht tven nog niet; ja, gij vermoogt ook nu nog niet, 3 want gjj zijt nog vleesche- |
|
1 CORINI lijk; want dewijl onder u nijd is en twist en tweedracht, zijt gij nietvleesclielijken wandelt gij niet naar den mensch ? 4 Want als de é^n zegt; Ik ben van Paulus, en een ander: Ik ben van A polios, zijt gij niet vleeschelijk ? ó Wie is dan Paulus, en wie is Apollos, anders dan dienaars door welke gij geloofd hebt, en dat gelijk de Heere aan een iegelijk gegeven heeft? 6 Ik heb geplant, Apollos heeft nat gemaakt, maar God heeft den wasdom gegeven; I zoo is dan nocb hij die plant iets, noch hij die nat maakt, maar God die den wasdom geeft. 8 En die plant en dje nat maakt zijn één; maar een iegelijk zal zijn loon ontvangen naar zijnen arbeid. 9 Want wij zijn Gods medearbeiders; Gods akkerwerk, Gods gebouw zijt gij. 10 Naar de genade Gods die gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fundament gelegd, en een ander bouwt daarop. Maar een iegelijk zie toe hoe hij daarop bouwt. II Want niemand kan een ander fundament leggen dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus. 12 En indien iemand op dit fundament bouwt: goud, zilver, kostelijke steenen, hout, hooi, stoppelen; 13 eens iegelijks werk zal o-penbaar worden ; want de dag zal het verklaren, dewijl het door vuur ontdekt wordt; en hoedanig eens iegelijks werk is, zal het vuur beproeven. 14 Zoo iemands werk blijft, dat hij daarop gebouwd heeft, die zal loon ontvangen; 15 zoo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden ; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzóó als door vuur. |
EIËRS 4. 235 16 Weet gij niet dat gij Gods tempel zijt en de Geest Gods in ulieden woont? 17 Zoo iemand den tempel Gods schendt, dien zal God schenden ; want de tempel Gods is heilig, welke gij zijt. 18 Niemand bedriege zichzel-ven ; zoo iemand onder u dunkt dat hij wijs is in deze wereld , die worde dwaas, opdat hij wijs mag worden. l\'J Want de wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij God. Want daar is geschreven ; Hij vat de wijzen in hunne arglistigheid ; 20 en wederom: De Heere kent de overleggingen der wijzen dat ze ijdel zijü. 21 Niemand dan roeme op menschen, want alles is het uwe; 22 hetzij Paulus hetzij Apollos hetzij Cefas, hetzij de wereld hetzij leven hetzij dood, hetzij tegenwoordige het/ij toekomende dingen, zij zijn allen uwe ; 23 doch gij zijt van Christus, en Christus is Gods. HOOFDSTUK 4. Alzoo boude ons een ieder mensch als dienaars van Christus en uitdeelers der verborgenheden Gods. 2 En voorts wordt in de uitdeelers vereischt, dat elk getrouw bevonden worde. 3 Doch mij is \'t voor het minst dat ik van ulieden geoordeeld worde. of van een menschelijk oordeel; ja, ik oordeel ook mijzelven niet; 4 want ik ben mijzelven van geen ding bewust, doch ik ben daardoor niet gerechtvaardigd; maar die mij oordeelt is de Heere. 5 Zoo dan oordeelt niet vóór den tijd, totdat de Heere zal gekomen zijn, welke ook in \'t licht zal brengen hetgeen in de duisternis verborgen is, en |
|
236 1 com NI openbaren «le raadalaffen tier harten: en ftlsdan zal een iegelijk lof hebben van God. (gt; Kn deze dingen, broeders, bfb ik op mijzei ven en Apollos bij gelijkenis toegepast om u-vrentwille, opdat gij aan ons zoudt leeren niet te gevoelen boven hetgeen gesehreven is, dat gij niet, de «\'■\'\'■n ora eens anders wille, opgeblazen wordt tegen den ander. 7 Want wie onderscheidt u ? En wat hebt gü dat gij niet hebt ontvangen? En zoo gij hot ook ontvangen hebt, wat roerat icij alsof gij het-niet ontvangen hadt? S Aireede zijt gij verzadigd, aireede zijt gij rijk geworden, zonder ons hebt gij ireheerscht; en och of gij heerschtet, opdat ook wij met u hccrschen mochten. 9 Want ik acht dat God ons, die de laatste Apostelen zijn, ten toon heeft gesteld als rot den dood verwezen; want wij zijn een schouwspel geworden der wereld en den Engelen en den mcnschcn. 10 Wij zijn dwazen om Chris-lus wille, maar gij zijt wijzen in Christus; wij zijn zwakken, maar gij sterken ; gij zijt heerlijken , maar wij verachten. 11 Tot op deze tegenwoordige ure lijden wij honger en lijden wij dorst, en zijn naakt, en worden met vuisten geslagen, en hebben geen vaste woonplaats, 12 en arbeiden, werkende met onze eigene liandm ; wij worden gescholden en wij zegenen, wij worden vervolgd en wij verdragen, 13 wij worden gelasterd en wij bidden ; wij zijn geworden als uitvaagsels der wereld en aller afschrapsel tot nu toe. 14 Ik schrijf deze dingen niet ora u te beïcharaen, maar als mijne lieve kinderen vermaan Ik u. 15 Want al hadt gij tiendui- |
BIËRS 5. zend leermeesters in Christus, zoo hebt gij toeh niet vele vaders. Want in Christus Jezus heb ik u door het Evangelie geteeld. 10 Zoo vermaan ik u dan, zijt mijne navolgers. 17 Daarom heb ik Timothetts tot u gezonden, die mijn lieve en getrouwe zoon is in den Heere, welke u zal indachtig raaken mijne weL\'on die in Christus zijn, gelijkerwijs ik alom me in alle gemeenten leer. 18 Doch sommigen zijn opgeblazen , alsof il: tot ulieden niet komen zoude. 19 Maar ik zal haast tot u komen, zoo de Heere wil, en ik zal dan verstaan niet de woorden dergenen die opgeblazen zijn, raanr de kracht. 20 Want het Koninkrijk Gods is niet gelegen in woorden, maar in kracht. 21 Wat wilt gij? Zal ik met de roede tot u komen, of in liefde en in den geest der zachtmoedigheid ? HOOFDSTUK 5. Men hoort ganschelijk dat er hoererij onder u i«, en zoodanige hoererij die ook onder de heidenen niet genaamd wordt, alzoo dat er een zijns vaders huisvrouw heeft: 2 en zijt gij nog opgeblazen, en hebt niet veelmeer leed gedragen , opdat hij uit het raidden van u wegiredaan worde, die deze daad begaan heeft? 3 Doch ik , als wel met het lichaam afwe/.end maar tegenwoordig zijnde m\'t den geest, heb al^eede, also/quot; ik tegenwoordig v-are, c.engenen, die dat alzoo bedreven heeft, besloten , 4 in den naam onzes Heeren Jezus Christus, als g\\jlieden en mijn geest te zrmen vergaderd zullen zijn, met de kracht onzes ITeeren Jezus Christus^ 5 denzulken over te geven den |
|
1 C0RIN1 satan tot verderf des vlceaches, opdat de geest behouden mos quot;worden in dea dag des iieeren Jeaus. G Uw roem is niet goed. Weet gij niet dat een weinig znur-deesem het geheele deeg zuur maakt ? 7 Zuivert dan den ouden zuur-deesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn inoogi. gelijk gij ongezuurd zijt. AVaut ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus. 8 Zoo dan laat ons feest houden , niet in den ouden zuur-deesem, noch in den zuurdee-sem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde brooden der oprechtheid en der ■waarheid. 9 Ik heb u geschreven in den brief, dat gij u niet zoudt vermengen met de hoereerders; 10 doch nietgeheellijk met de hoereerders dezer wereld, of met de gierigaards, of met de roovers, of met de afgodendienaars; want anders zoudt gij moeten uit de wereld gaan. 11 Maar nu heb ik u geschreven dat gij u niet zult vermenpen, namelijk indien iemand, een broeder genaamd zijnde, een hoeveerder ia, of een gierigaard, of een afgodendienaar, of een lasteraar, of een dronkaard, of een roover, dac gij met zoodanig eenen ook niet zult eten. 12 Want wat heb ik ook die buiten zijn te oordcelen ? Oordeelt gijlieden niet die binnen zij :i ? l.S Maar die buiten zijn oordeelt God. En doet gij dezen booze uit ulieden weg. HOOFDSTUK 6. Durft iemand van ulieden, die eenc zaak heeft tegen een ander, te recht gaan voor de onrechtvaardigen, en niet voor de heiligen? 2 Weet gij niet dat de heiligen |
ElIËRS 6. 237 de wereld oordeelen zullen? En indien door u de wereld geoordeeld wordt, zijt gij onwaardig de minste rechtzaken? 3 Weet gü niet dau wij de Engelen oordeelen zullen, hoeveel te meer de zaken die dit leven aangaan? 4 Zoo gij dan rechtzaken hebt die dit leven aangaan, zet die daarover die in de gemeente minst geacht zijn. 5 Ik zeg u dit tot schaamte. Is er dan alzoo onder u geen die wijs is, ook niet één, die zoude kunnen oordeelen tus-schen zijne broeders? (5 Maar de éénc. broeder gaat met den anderen broeder te recht, en dat voor ongeloo-vizen. 7 Zoo is er dan nu gansche-lijk gebrek onder u, dat gij met elkander rechtzaken hebt. Waarom lijdt gij niet liever onirelijk, waarom lijdt gij niet liever schade? 8 Maar gijlieden doet ongelijk en doet schade, en dat den broederen. 9 Of weet gij niet dat de onrechtvaardigen het Koninkrijk Gods niet zullen beërven? 10 Dwaalt niet: noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overapelera, noch on-tuchtigen, noch die bij mannen lisgen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars , geen roovers zullen het Koninkrijk Gods beërven. 11 En dit waart gij sommigen ; maar gij zijt afgewaa-schen, maar gi; zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd in den naam des Iieeren Jezus en door den Geest onzes Gods. 12 Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet oorbaar; alle dingen zijn my geoorloofd, maar ik zal onder gernes macht my laten brengen. ló De spijzen zijn voor den buik, en de buik is voor de |
|
sns 1 CORIN\' spijzen; maar God zal beide dezen en die te niet doen. Doch het lichaam is niet voor de hoererij, maar voor den Heere en «Ie Ileere voor h^t lichaam. 14 En God heeft ook den Ileere opgewekt, en zal ons opwekken door zijns kracht. 15 quot;Weet gij niet dat uwe lichamen leden van Christus zijn ? Zal ik dan de leden van Christus nemen en maken ze leden eener hoer? Dat zij verre. 16 Of weet gij niet. dat die de hoer aanhangt ^én lichaam met haar is? Want die twee, zegt hij, zullen tot dén vleesch wezen. 17 Maar die den Heere aanhangt is (\'fin geest nut hem. 18 Vliedt de hoererij. Allo zonde die de mensch doet is huiten het lichaam, maar die hoererij bedrijft, ilie zondigt tegen zijn eigen lichaam. l\'J Of weet gij niet, dat ulie-der lichaam een tempel is des Heiligen Geestes die in u is, dien gij van God hebt, en dat gij uzelfs niet zijt? 20 Want gij zijt duur gekocht: zoo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uwen geest, welke Gods zijn. HOOFDSTUK 7. Aangaande nu de dingen waarvan gij mij geschreven hebt, het is een mensch goed geene vrouw aan- te raken; 2 maar om der hoererijen wille zal een iegelijk man zijn eigen vrouw hebben, en een iegelijke vrouw zal haren eigen man hebben. 3 De man zal aan de vrouw de schuldige goedwilligheid betalen, en desgelijks ook de vrouw aan den man. 4 De vrouw heeft de macht niet over haar eigen lichaam, maar de. man; en desgelijks ook de man heeft de macht niet over zijn eigen lichaam , maar de vrouw. |
HIERS ï. 5 Onttrekt u elkander niet, tenzij dan met beider toestemming voor eenen tijd, opdat gij u tot vasten en bidden moogt verledigen; en komt wederom bijéén, opdat u de satan niet verzoeke, omdat gy u niet kunt onthouden, fi Doch dit zeg ik uit toelating, niet uit bevel. 7 Want ik wilde dat allemen-schen waren gelijk als ik zelf ben; maar een iegelijk heeft zijn eigen gave van God, de éi^n wel aldus, maar de ander alzóó. 8 Doch ik zeg den on getrouwden en den weduwen : het is hun goed indien zij blijven gelyk als ik. 9 Maar indien ïij zich niet kunnen onthouden, dat ze trouwen; want net is beter te trouwen dan te branden. 10 Doch den getrouwden gebied niet ik, maai de Heere, dat de vrouw van den man niet scheide; 11 en indien zij ook scheidt, dat zij ongetrouwd blijve, of zich met den man verzoene; en dat de man de vrouw niet verlate. 12 Maar den anderen zeg ik, niet de Heere: indien eenig broeder eene ongeloovige vrouw heeft, en dezelve tevreden is bij hem te wonen, dat hij ze niet verlate; lü en eene vrouw die eenen ongeloovigen man heeft, en hij tevreden is bij haar te wonen, dat zij hem riet verlate. 14 Want de ongeloovige man is geheiligd door de vrouw, en de ongeloovige vrouw is geheiligd door den man. Want anders waren uwe kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig. 15 .Maar indien de ongeloovige scheidt, dat hij scheide: de broeder of de zuster wordt in zoodanige gevallen niet dienst-baar gemaakt. Maar God heeft ons tot vrede geroepen. 16 Want wat weet gü vrouw |
|
1 CORING of gij man zult zalig maken ? Of wat weet }dj man, of gij de vrouw zult zalig maken? 17 Doch gelijk God aan een iegelijk heeft uitgedeeld, gelijk de Heere een iegelijk geroepen heeft, dat hij alzóó wandelc; en alzóó ordineer ik in alle de gemeenten. 18 Is iemand besneden zijnde geroepen, die late zich geen voorhuid aantrekken; is iemand in de voorhuid zijnde geroepen, die late zich niet besnijden. 19 De besnijdenis is niets, en de voorhuid is niets, maar de onderhouding der geboden Gods. ?0 Een iegelijk blijve in die beroeping daar h\\j in geroepen is. L\'l Zijt gij een dienstknecht zijnde geroepen? laat w dat niet bekommeren ; maar indien gij ook kunt vrij worden, gebruik dat liever. \'2quot; Want die in den Heere geroepen is een dienstknecht zijnde, die is een vrijgelatene des Heeren; desgelijks ook die vrij zijnde geroepen is, die is een dienstknecht van Christus. 23 Gij zyt duur gekocht; wordt geen dienstknechten der menschen. 24 Een iegelijk daar hij in geroepen is, broeders, die blijve in hetzelve bij God. 25 Aangaande nu de maagden heb ik «een bevel des Heeren ; maar ik zeg mijn gevoelen, als die barmhartigheid van den Heere gekregen heb om getrouw te zijn. 2(5 Ik houde dan dit goed te zijn om den aanstaanden nood. dat het zey i/c den mensch goed is alzóó te zijn. 27 Zijt gü aan ecne vrouw verbonden? zoek geeneontbinding; zyt gij ongebonden van eene vrouw? zoek geenevrouw. 28 Maar indien gij ook trouwt, gij zondigt niet; en indien eene maagd trouwt, zij zondigt niet. |
\'HIËRS 7. 239 Doch dezulken zullen verdrukking bobben in het vleesch. En ik spaar ulieden. 29 Maar dit zeg ik. broeders, dat de tijd voorts kon is ; opdat ook die vrouwen hebben, zouden zijn «als niet hebbende; 30 en die weenen. als niet weenende; en di« blijde zijn, als niet blijde zijnde; en die koopen. als niet bezittende; 31 en die deze wereld gebruiken, als niet misbruikende. Want de gedaante dezer wereld gaat voorbii. 32 En ik wil dat gij zonder bekommernis zijt. De ongetrouwde bekommert zich met de dingen des Heeren, hoe hij den Heere zal behagen ; 33 maar die getrouwd is bekommert zich met de dingen der wereld, hoe hij de vrouw zal behagen. 34 Eene vrouw en eene maagd zijn onderscheiden. De ongetrouwde bekommert zich met de dingen des Heeren, opdat zij heilig zij, beide aan iiohaam en aan geest; maar die getrouwd is bekommert zich uiet de dingen der wereld, hoe zij den man zal behagen. 35 En dit zeg ik tot uw eigen voordeel, niet opdat ik eeuen strik over u zoude werpen, maar om u te Iridm tot hetgeen wèl voegt en bekwaam is om den Heere wèl aan te hangen , zonder herwaarts en derwaarts getrokken te worden. 36 Maar zoo iemand acht dat hij ongevoeglijk handelt met zijne, maagd, indien zij over den jeugdigen tijd gaat, en het alzoo moet geschieden, die doe wat hij wil; hij zondigt niet; dat ze trouwen. 37 Doch die vaststaat in zijn hart, geene noodzaak hebbende , maar macht heeft over zijn eigen wil, en dit in zijn harte besloten heeft dat hij zijne maagd zal bewaren die doet wèl. 38 Alzoo dan die haar ten hu- |
|
240 1 CORINT. welijk uitgeeft die doet wdl; en die ze ten huwelijk niet uitgeeft, die doet beter. ;iU Eene vrouw is door de wet verbonden zoo langen tijd haar man leeft; maar indien haar man ontslapen is, zoo is zij vrij om te trouwen wien zij wil, alleenlijk in den Heere. 40 Maar zij i? gelukkiger indien zij alzóó blijft, naar mijn gevoelen. En ik meen ook den üeest Gods te hebben. HOOFDSTUK 8. Aangaande nu de dingen die den afgoden geofferd ziju, wij weten dat wij allen te zamen kennis hebben. Ue kennis maakt opgeblazen, maar de liefde sticht. 2 En zoo iemand meent iets le weten, die heeft nog niets gekend gelyk men behoort te kennen. 3 Maar zoo iemand God liefheeft, die is van hem gekend. 4 Aangaande dan het eten der dingen die den afgoden geofferd zijn, wij weten dat een afgod niets is in de wereld, en dat cr geen ander God is dan één. 5 Want hoewel daar ook zijn die goden genaamd worden, hetzij in den hemel, hetzij op de aarde, (gelijk er vele goden en vele heeren zijn), 0 nochtans hebben wij maar éénen Godj den Vader, uit welken alle dingen zijn en wij tot hem, en maar éénen Heere, Jezus Christus, door welken alle dingen ziju en wij door hem. 7 Doch in allen is de kennis r.iet; maar sommigen, met eene conscientie des afgods tot nog toe, eten als iets dat den afgoden geofferd is; en hunne conscientie zwak zijnde wordt bevlekt. 8 De spijze nu maakt ons Gode niet aangenaam; want hetzij dat wij eten , wij hebben geen overvloed; en hetiij dat wij |
LIEHS S, 9. niet eten, wü hebben geen gebrek. 9 Maar ziet toe, dat deze uwe macht niet eeniger wijze een aanstoot worde dengenen die zwak zijn. 10 Want zoo iemand u, die de kennis hebt, ziet in deu afgodstempel aanzitten, zal de conscientie van hem die zwak is niet gestijfd worden om te eten de dingen die den afgoden geofferd zijn? 11 En zal de broeder die zwak is door uwe kennis verloren gaan, om welken Christus gestorven ts? 12 Doch gijlieden alzóó tegen de broeders zondigende en hunne zwakke conscientie kwetsende, zondigt tegen Christus. i:i Daarom it dien de spijze mijnen broeder ergert, zoo zal ik in eeuwigheid geen vlcesch eten , cx^dat ik mijnen broeder niet ergere. HOOEUSTUK 9. Ben ik niet een Apostel? Ben ik niet vrij ? Heb ik niet Jezus Christus onzen Heere gezien? Zyt gijlieden niet mijn werk in den Heere? 2 Zoo ik anderen geen Apostel ben, nochtans ben ik het ulieden; want het zegel mijns Apostelschaps zijt gijlieden in den Heere. 3 Mijne verantwoording aan degenen die onderzoek over mij doen is deze- 4 Hebben wij niet macht om te eten en te dr.nken ? 5 Hebben wij niet macht om eene vrouw eene zuster zijnde twt ons om te leiden, gelijk ook de andere Apostelen en de broeders des Heeren en Cefas ? li Of hebben f.lleen ik en Barnabas geen micht van niette werken ? 7 Wie dient ooit in don krijg op eigen bezo\'iding? Wie plant ccnen wijngaard, en eet niet |
|
1 C0RIN1 van zijne vrucht ? Of wie weidt eene kudde, lt;-n eet niet van de melk der kudde? S Spreek ik dit naar den mensch, of zegt ook de wet dit niet? 9 Want in de wet van jVIozes is geschreven: Gij zuit renen dorscUenden os niet inuilban-den. Zorgt ook üod voor de Ofsen ? 10 Of 7.egt hij dat ganschelijk om onzentwille? AYantom on-zentwille is dat geschreven; overmits die ploegt op hope moet ploegen, en die op hope dorscht moet zijner hope deelachtig worden. J1 Indien wij ulieden het geestelijke gezaaid hebben, is het eene irroote zaak zoo wij het uwe dat iich-imelijk is maaien ? 12 Indien anderen dezer macht over u deelachtig zijn, waarom niet veel meer wij ? Doch wij hebben deze macht niet gebruikt, maar wij verdragen het al, opdat wij niet eenige verhindering geven aan het Evangelie van Christus. i:lt; Weet gij niet dat degenen die de heilige dingen bedienen, van het heilige eten. en die steeds bij het altaar zijn , met het altaar deelen? 14 AIzóó heeft ook de Heere geordineerd dengenen, die het Evangelieverkondigen, dat zü van het Evangelie leven. 15 Waar ik heb geen van deze dingen gebruikt. En ik heb dit niet geschreven opdat het al-zóó aan mij geschieden zoude; want het ware mij beter te sterven, dan dat iemand dezen mijnen roem zoude ijdel maken . 1(! Want indien ik het Evangelie verkondig, het i» mij geen roem; want de nood is mij opgelegd. En wee mij, indien ik het Evangelie niet verkondig. 1quot; Want indien ik dat gewil lig doe, zoo heb ik loon; maar indien onwillig, de uitdeeling is my evemcel toebetrouwd. |
HliiRS 9. 241 18 Wat loon heb ik dan ? tamelijk dat ik hec Evangelie verkondigende, het Evangelie van Christus kosteloos stel, om mijne macht in het Evangelie niet te misbruiken. lil Want daar ik van allen vrij was, heb ik mijzelven allen dienstbaar gemaakt, opdat ik er meer zoude winnen. 20 En ik ben den Joden geworden als een Jood, opdat ik de Joden winnen zoude; dengenen die onder de wet zijn hen Üc f/ewordeu als onder de wet zijnde, opdat ik degenen die onder de wet zijn winnen zoude; 21 dengenen die zonder ée wet zijn beu ik geworden als zonder de wet zijnde, (voor God nochtans zijnde niet zonder de wet. maar voor Christus onder de wet), opdat ik degenen die zonder de wet zijn winnen zoude. 22 Ik ben den zwakken geworden als een zwakke, opdat ik de zwakken winnen zoude; allen ben ik alles geworden, opdat ik immers eenigen behouden zoude. 2:{ En dit doe ik om des Evangelies wille, opdat ik hetzelve mede deelachtig zoude worden. 24 Weet gijlieden niet, dat die in de loopbaan loopen, allen wel loopen, maar dat é\'-n den prijs ontvangt? Loopt alzóó, dat gy dien moogt verkrijgen. 2gt; En een iegelijk die om prijs strijdt onthoudt zich in alles. Déze dan doen wel dit opdat zij eene verderfelijke kroon zouden ontvangen,maar wij eene onverderfelijke. 2(gt; Ik loop dan alzóó, niet als op het onzekere; ik kamp alzóó, niet als de lucht slaande; 2quot; maar ik bedwing mijn lichaam en breng liet tot dienstbaarheid, opdat ik niet soms, daar ik anderengepre- |
16
|
sns 1 CORIN\' spijzen; maar God zal beide dezen en die te niet doen. Docb het lichaam is niet voor de hoererij, maar voor den Heere en de Ileere voor h«»t lichaam. 14 En God heeft ook den Ileere opjjewekt, en zal ons opwekken door zijne kracht. 15 Weet gij niet flat uwe lichamen leden van Christus zijn ? Zal ik dan de leden van Christus nemen en maken ze leden eener hoer? Dat zij verre. 16 Of weet ?:ij niet. dat die de hoer aanhangt C\'én lichaam met haar is? quot;Want die twee, zegt hij, zullen tot één vleesch wezen. 17 Maar die den Heere aanhangt is één geest met hem. 18 Vliedt de hoererij. Alle zonde die de mensch doet is buiten het lichaam, maar die hoererij bedrijft, die zondigt tegen zijn eigen lichaam. l\'J Of weet gij niet, dat ulie-der lichaam een tempel is des Heiligen Geestes die in u is, dien gij van God hebt, en dat gij uzelfs niet zijt? 20 Want gij zijt duur gekocht: zoo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uwen geest, welke Gods zijn. HOOFDSTUK 7. Aangaande nu de dingen waarvan gij mij geschreven hebt, het is een mensch goed geene vrouw aan- te raken; 2 maar om der hoererijen wille zal een iegelijk man zyn eigen vrouw hebben, en een iegelijke vrouw zal haren eigen man hebben. 3 De man zal aan de vrouw de schuldige goedwilligheid betalen, en desgelijks ook de vrouw aan den man. 4 De vrouw heeft de macht niet over haar eigen lichaam, maar de man; en desgelijks ook de man heeft de macht niet over zijn eigen lichaam, maar de vrouw. |
HIËRS 1. 5 Onttrekt u elkander niet, tenzij dan met beider toestemming voor eenen tijd, opdat gij u tot vasten en bidden moogt verledigen; en komt wederom bijéén, opdat u de satan niet verzoeke, omdat gij u niet kunt onthouden. rgt; Doch dit zeg ik uit toelating, niet uit bevel. 7 Want ik wilde \'lat allemen-schen waren gelijk als ik zelf ben; maar een ieselijk heeft zijn eigen gave van God, de één wel aldus, maar de ander alzóó. 8 Doch ik zeg den ongetrouw-den en den weduwen: het is hun goed indien zij blijven gelijk als ik. 9 Maar indien zij zich niet kunnen onthouden, dat ze trouwen; want het is beter te trouwen dan te branden. 10 Doch den getrouwden gebied niet ik, maar de Heere, dat de vrouw van den man niet scheide; 11 en indien zij ook scheidt, dat zij onffetrouwd blijve, of zich met den man verzoene; en dat de man de vrouw niet verlate. 12 Maar den anderen zeg ik, niet de Heere: indien eenig broeder eene oniceloovige vrouw heeft, en dezelve tevreden is bij hem tt wonen, dat hij ze niet verlate; ih en eene vrouw die eenen ongelooviijen man heeft, en hij tevreden is bij haar te wonen , dat zij hem niet verlate. 14 Want de onjielcovige man is geheiligd door de vrouw, en de ongeloovig\'j vrouw is geheiligd door den man. Want anders waren uwe kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig. 15 .Maar indien de ongeloo-vige scheidt, dat hij scheide: de broeder of de zuster wordt in zoodanige gevalle.t niet dienstbaar gemaakt. Maar God heeft ons tot vrede geroepen. 16 Want wat weet gij vrouw |
|
1 CORING of gij den man zult zalig: maken ? Of wat weet gij man , of gü de vrouw zult zalig maken? 17 Doch gelijk God aan een iegelijk heeft uitgedeeld, gelijk de Heere een iegelijk geroepen heeft, dat hij alzóó wandele; en alzóó ordineer ik in alle de gemeenten. 18 Is iemand besneden zijnde geroepen, die late zich geen voorhuid aantrekken; is iemand in de voorhuid zijnde geroepen, die late zich niet besnijden. 19 De besnijdenis is niets, en de voorhuid is niets, maar de onderhouding der geboden Gods. CO Een iegelijk blijve in die beroeping daar hij in geroepen is. quot;1 Zijt gij een dienstknecht zijnde geroepen? laat m dat niet bekommeren ; maar indien gij ook kunt vrij worden, gebruik dat liever. Want die in den Heere geroepen is een dienstknecht zijnde, die is een vrijgelatene des Heeren ; desgelijks ook die vrij zijnde geroepen is, die is een dienstknecht van Christus. 23 Gij zijt duur gekocht; wordt geert dienstknechten der menschen. 24 Een iegelijk daar by in geroepen is, broeders. die blijve in hetzelve bij God. 25 Aangaande nu de maagden heb ik seen bevel des Heeren ; maar ik zeg mijn gevoelen , als die barmhartigheid van den Heere gekregen heb om getrouw te zijn. 2(5 Ik boude dan dit goed te zijn om den aanstaanden nood. dat het zey ik den mensch goed is alzóó te zijn. 27 Zijt gij aan eene vrouw verbonden? zoek geeneontbinding; zijt gij ongebonden van eene vrouw? zoek ge.ene vrouw. 28 Maar indien gij ook trouwt, gy zondigt niet; en indien eene maagd trouwt, zij zondigt niet. |
\'HIERS 7. 239 Doch dezulken zullen verdrukking hebben in het vleesch. En ik spaar ulieden. 29 gt;1aar dit zeg ik. broeders , dat de tijd voorts kort ia; opdat ook die vrouwen hebben, zouden zijn als niet hebbende; 30 en die weenen. als niet weenende; en die blijde zijn, als niet blijde zijnde; en die koopen. ais niet bezittende; 31 en die deze wereld gebruiken, als niet misbruikende. AVant de gedaante dezer wereld gaat voorbij. 32 En ik wil dat gij zonder bekommernis zijt. De ongetrouwde bekommert zich met de dinsen des Heeren, hoe hü den Heere zal behagen ; 33 maar die getrouwd is bekommert zich met de dingen der wereld, hoe hij de vrouw zal behagen. 34 Eene vrouw en eene maagd zijn onderscheiden. De ongetrouwde bekommert zich met de dingen des Heeren, opdat zij heilig zij, beide aan lichaam en aan geest; maar die getrouwd is bekommert zich met de dingen der wereld, hoe zij den man zal behagen. 35 En dit zeg ik tot uw eigen voordeel, niet opdat ik eeuen strik over u zoude werpen, maar om u te leiden tot hetgeen wèl voegt en bekwaam is om den Heere wèl aan te hangen , zonder herwaarts en derwaarts getrokken te worden. 35 Maar zoo iemand acht dat hij ongevoeglijk handelt met zijne maagd, indien zij over den jeugdigen tijd gaat, en het alzoo moet geschieden, die doe wat hij wil; hij zondigt niet; dat ze trouwen. 37 Doch die vaststaat in zijn hart, geene noodhaak hebbende , maar macht heeft over zijn eigen wil, en dit in zijn harte besloten heeft dat hij zijne maagd zal bewaren die doet wèl. 38 Alzoo dan die haar ten hu- |
|
240 1 CORINT, wel ijk uitgeeft die doet quot;wèl; en die zc ten huwelijk niet uitgeeft, die doet beter. Eene vrouw is door de wet verbonden zoo langen tijd haar man leeft; maar indien haar man ontslapen is, zoo is zij vrij om te trouwen wien zij wil, alleenlijk in den Heere. 40 Maar zij is gelukkiger indien zij alzóó blijft, naar mijn gevoelen. En ik meen ook den Ueest Gods te hebben. HOOFDSTUK 8. Aangaande nu de dingen die den afgoden geofferd zijn, wij weten dat wij allen te zamen kennis hebben. De kennis maakt opgeblazen, maar de liefde sticht. quot;2 Eu zoo iemand meent iets te weten, die heeft nog niets gekend gelijk men behoort te kennen. 3 Maar zoo iemand God liefheeft, die is van hem gekend. 4 Aangaande dan het eten der dingen die den afgoden geofferd zijn, wij weten dat een afgod mets is in de wereld, en dat cr geen ander God is dan één. 5 Want hoewel daar ook zijn die goden genaamd worden, hetzij in den hemel, hetzij op de aarde, (gelijk er vele goden en vele heeren zijn), 6 nochtans hebjjeu wij maar éénen God? den Vader, uit welken alle dingen zijn en wij tot hem, en inaar éénen Heere, Jezus Christus, door welken alle dingen zijn en wij door hem. 7 Doch in allen is de kennis niet; maar sommigen, met eene consciemie des afgods tot nog toe, eten al.* ie/.* dat den afgoden geofferd is; en hunne consciemie zwak zijnde wordt bevlekt. 8 De spijze nu maakt ons Gode niet aangenaam; want hetzij dat wij eten , wij hebben geen overvloed; eu hetiij dut wij |
IIËRS 8, 9. niet eten , wü hebben geen gebrek. 9 Maar ziet toe, dat deze uwe macht niet eeniger wyze een aanstoot worde dengenen die zwak zijn. 10 Want zoo iemand n, die de kennis hebt, ziet in den afgodstempel aanzitten, zal de conscientie van hem die zwak is niet gestijfd worden om te eten de dinge i die den afgoden geofferd zijn? 11 En zal ds broeder die zwak is door uwe kennis verloren gaan, om welken Christus gestorven is? 12 Doch gijlieden alzóó tegen de broeders zondigende en hunne zwakke conscientie kwetsende, zondigt tegen Christus. K! Daarom iniien de spijze mijuen broeder ergert, zoo zal ik in eeuwigheid geen vleesch eten, op Jat ik mijnen broeder niet ergere. HOOFDSTUK 9. Ben ik niet een Apostel? Ben ik niet vrij ? Heb ik niet Jezus Christus onzen Heere gezien? Zijt gijlieden niet mijn werk in den Heere? 2 Zoo ik anderen geen Apostel ben, nochtans ben ik het ulieden; want het zegel mijns Apostelschaps zijt gijlieden in den Heere. 3 Mijne verantwoording aan degenen die onderzoek over mij doen is deze- 4 Hebben wij niet macht om te eten en te dri.iken ? 5 Hebben wij niet macht om eene vrouw eene zuster zijnde iwt ons om te leiden, gelijk ook de andere Apostelen en de broeders des Heeren en Cefas ? 0 Of hebben a\'leen ik en Barnabas geen macht van niet te werken ? 7 Wie dient roit in den krijg op eigen bezolding? Wie plant cenen wijngaard, en eet niet |
|
1 C0RIN1 van zijne vrucht? Of wie weidt eene kudde, en eet niet vau de melk der kudde? S Spreek ik dit naar den mensch, of zegt ook de wet dit niet? !) Want in de wet van Mozes is geschreven: Gij zuit eenen dorschenden os niet muilbanden. Zorgt ook üod voor de ossen? 10 Of zegt hij dat ganschelijk om onzentwilie? AVantom on-zenlwille is dut geschreven; overmits die ploegt op hope moet ploegen, en die op hope dorscht moet zijner hope deelachtig worden. J1 Indien wij ulieden het geestelijke gefaald hebben, is het eene trroote zduk zoo wij het uwe dat lichamelijk is maaien ? 12 Indien anderen dezer macht over u deelachtig zijn, waarom niet veel meer wij ? Doch wij hebben deze macht niet gebruikt, maar wij verdragen het al, opdat wij niet eenige verhindering geven «au het Evangelie van Christus. 1:1 Weet gij niet dat degenen die de heilige dingen bedienen, van het heilige eten, en die steeds biquot; het altaar zijn , met het altaar deelen? 14 AlzóO heeft ook de Heere geordineerd dengenen, die het Évangelie verkondigen, dat zij van het Evangelie leven. 15 Maar ik heb geen van deze dl naren gebruikt. En ik heb dit niet geschreven opdat het al-zóó aan mij geschieden zoude; want het ware mij beter te sterven , dan dat iemand dezen mijnen roem zoude ijdel maken. IC quot;Want indien ik het Evangelie verkondig, het is mij geen roem; want de nood is mij opgelegd. En wee mij, indien ik het Evangelie niet verkondig. 17 Want indien ik dat gewillig doe, zoo heb ik loon ; maar indien onwillig, de uitdeeling is mij eventcel toebetrouwd. |
Hliills 9. 241 18 Wat loon heb ik dan ? tamelijk dat ik het Evangelie verkondigende, het Evangelie van Christus kosteloos stel, om mijne macht in hot Evangelie niet te misbruiken. lit Want daar ik van allen vrij was, heb ik mijzclven allen dienstbaar gemaakt, opdat ik er meer zoude winnen. lquot;0 En ik ben den Joden geworden als een Jood, opdat ik de Joden winnen zoude; dengenen die onder de wet zijn beu ik geworden als onder de wet zijnde, opdat ik degenen die onder de wet zijn winnen zoude; -1 dengenen die zonder de wet zijn ben ik yeworden als zonder de wet zijnde, (voor God nochtans zijnde niet zonder de wet, maar voor Christus onder de wet), opdat ik degenen die zonder de wet zijn winnen zoude. 22 Ik ben den zwakken geworden als een zwakke, opdat ik de zwakken winnen zoude; allen ben ik alles geworden, opdat ik immers eenigen behouden zoude. 23 En dit doe ik om des Evangelies wille, opdat ik hetzelve mede deelachtig zoude worden. 24 Weet gijlieden niet, dat die in de laopbaan loopen, allen wel loopen, maar dat di\'-n den prijs ontvangt? Loopt alzóó, dat g\\j dien moogt verkrijgen. 2) En een iegelijk die om prijs strijdt onthoudt zich in alles. Déze dan doen wel dit opdat zij eene verderfelijke kroon zouden ontvangen, maar wij eone onverderfelijke. 2ii Ik loop dan alzóó, niet als op het onzekere ; ik kamp alzóó, niet als de lucht slaande; 27 maar ik bedwing mijn lichaam en breng het tot dienstbaarheid, opd.it ik niet soms, daar ik anderen gepre-16 |
|
242 1 CORINT dikt heb, zelf verwerpelijk worde. HOOFDSTUK 10. En ik wil niet, broeders, dat fjij onwetende zijt, dat onze vaderen allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn, 2 en allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee, en allen dezelfde fCP^stely-ke spijze gegeten hebben, 4 en allen denzelfden jrees-telijken drank gedronken benben ; want zij dronken uit de geestelijke steenrots die volgde; en de steenrots was Christus. 5 Maar in \'t meerenr/e(fZ van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn terneder geslagen. C) En deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden, opdat wij geenen lust tot het kwaad zouden hebben, gelijkerwijs als zij lust gehad hebben. 7 En wordt geen afgodendienaars gelijkerwijs als sommigen van hen, gelijk ge-ucureven staat; Het volk zat neder om te eten en om te drinken, en zij stonden op om te spelen. S En laat ons niet hoereeren, gelijk sommigen van hen gehoereerd hebben, en vielen op éénen dag drieëntwintigduizend. 9 En laat ons Christus niet verzoeken , gelijk ook sommi-migen van hen verzocht hebben , en werden van de slangen vernield. 10 En murmureert niet, gelijk ook sommigen van hen gemurmureerd hebben, en werden vernield van den vcr-derver. 11 En deze dingen alle zijn hun overkomen tot voorbeelden, en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn. |
aiËRS 10. 12 Zoo dan die meent te staan, zie toe dat hij niet val le. i:{ Ulieden heeft geenc verzoeking bevangen dan men-«chelijke; doch God is getrouw , welke u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt, maar hij zal met de verzoeking ook de uitkomst seven, opdat gy ze kunt verdragen. 14 Daarom mijne geliefden, vliedt van den afgodendienst. 15 Als tot verstandigen spreek ik: oordeelt gij hetgeen ik zeg. 1(5 De drinkbeker der dankzegging, dien wij dankzeggende zegenen, is die niet een gemeenschap des bloeds van Christus ? Het brood dat wij breken , is dat niet een gemeenschap des lichaams van Christus ? 17 Want één brood ia het, zóó zijn wij velen één lichaam, dewijl wij allen 4én8 broods deelachtig zijn. 18 Ziet Israël dat naar het vleesch is: hebben niet degenen die de offeranden eten gemeenschap met het altaar? 19 Wat zeg ik dan ? Dat een afgod iets is, of dat het afgodenoffer iets is ? 20 Ja, ik zeg dat hetgeen de heidenen offeren, zij den duivelen offeren, en niet Gode. En ik wil niet dat gij met de duivelen gemeenschap hebt. 21 Gij kunt den drinkbeker des Heeren niet drinken en den drinkbeker der duivelen ; gij kunt niet deelachtig zijn der tafel des Heeren en der tafel dev duivelen. 22 Of tergen wjdenHeere? Ziin wij sterker dan hij ? -3 Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet oorbaar; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen stichten niet. 24 Niemand zoeke wat zijns-zelfs is, maar een iegelijk |
|
1 CORINT zoekn dat des anderen is. 25 Eet al wat in liet vlcesch-huis verkocht wordt, niets ondervragende om der consciëntie wille. quot;(i Want de aarde is des Hee-ren. en de volheid der/.elve. \'27 En indien u iemand van de onjreloovi^en noodt, en uii dfiar jjaan wilt, eet al wat nlieden voorgesteld woidt, niets ondervragende om der conscientie wille. 28 Maar zoo iemand tot nlieden zegt: Dat is afgodenoffer, eet het niet, om desgenen wille, die n dat te kennen gegeven heeft, en om der conscientie wille; want de aarde is des Heeren, en de volheid derzelve. 29 Doch ik zeg om de conscientie, niet van nzelvcn maar des anderen; want waarom wordt mijne vrijheid geoordeeld van ecne andere conscientie? .quot;{O En indien ik door genade der api/r#! deelachtig ben, waarom word ik gelasterd over hetgeen waarvoor ik dankzes ? :{1 Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets rt/jrfj\'rs doet, doet. het alles ter eere Gods. .■f2 AVecst zonder aanstoot te geven, èn den Joden, igt;n den Grieken, èn der gemeente Gods; gelijkerwijs ik ook in alles allen behage, niet zoekende mijn eisen voordeel, maar het voordeel van velen, opdat zij mochten behouden worden. HOOFDSTUK 11. Weest mijne navolgers , gelijkerwijs ook ik van Christus. 2 En ik prijs u, broeders, dat gij in alles mijner gedachtig zijt. en de inzettingen behoudt, gelijk ik u overgegeven heb. :$ Doch ik wil dat «ij weet, dat Christus het hoofd ia eens iegelijken mans, en de man |
IIËRS 11. 243 het hoofd der vrouw, en God het hoofd van Christus. 4 Een iegelijk man die bidt of profeteert hebbende iets op bet hoofd, die onteert zijn eigen hoofd ; 5 maar eene iegelijke vrouw die bidt of profeteert metonge-dekten hoofde, onteert haar eigen hoofd; want het is (quot;\'én en hetzelfde alfof haar het haar afgesneden ware. (gt; Want indien eene vrouw niet gedekt is, dat zij ook geschoren worde; maar indien het leelijk is voor eene vrouw , geschoren te zijn of het haar afgesneden te hebben , dat zij zich dekke. 7 quot;Want de man moet het hoofd niet dekken, overmitn hij het beeld en de heerlijkheid Gods is ; maar de vrouw is de heerlijkheid des mans. 8 Want de man is uit de vrouw niet, maar de vrouw uit den man. 9 Want ook is de man niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om den man. 10 Daarom moet de vrouw eene macht op het hoofd hebben, om der Engelen wille. 11 Nochtans is noch de man zonder de vrouw, noch de vrouw zonder den man in den Heere. 12 Want gelijkerwijs de vrouw uit den man is, alzóó is ook de man door de vrouw; doch alle dingen zijn uil God. 13 Oordeelt gij onder uzelve: is het betamelijk dat de vrouw ongedekt God bidde? 14 Of leert u ook de natuur zelve niet, dat :;oo een man lang haar draagt., het hem eene on eere is, 15 maar zoo eene vrouw lang haar draagt, dat bet haar eene eere is, omdat het lange haar voor een deksel Laar is gegeven. 1(» Doch indien iemand schijnt twistgierig te zijn. wij hebben zulke gewoonte niet, noch de gemeenten Gods. |
|
244 1 COlllNl 17 Dit nu hctjcc.i ik u aan-ze^ge prils ik niet, namelijk «lat gij niet tot beter maar tot cr-rer samenkomt, is Want eerstelijk, als sü samenkomt in de gemeente, zoo hoor ik dat er «cheuringt;;en zijn onder u, en ik geloof het ten deele. 19 Want daar moeten ook ketterijen onder u zijn, opdat degenen die oprecht zijn openhaar mogen worden onder u. ^0 Als ffij dan bij \'-en te zamen komt, dat is niet des Ueeren Avondmaal eten. 21 Want in het eten neemt een iegelijk te voren zijn eigen avondmaal; en deze is hongerig. en de ander is dronken. ■J2 Hebt gij dan geen huizen, om daar te eten en te drinken? Ot\' veracht gij de gemeente Gods, en beschaamt {dj degenen die niet hebben? quot;Wat zal ik u zeggen? Zal ik u prijzen? In dez«gt;n prijs ik /lt; niet. 23 quot;Want ik heb van den Heere ontvangen hetgeen ik ook u overgegeven heb, dat de Heere Jezus in den nacht, in welken hij verraden werd, het brood nam, 24 en als hij gedankt had brak hij het, enzeide: Neemt, eet. dat is mijn lichaam dat voor u gebroken wordt: doet dat tot mijne gedachtenis. 25 Desgelijks nam hij ook den drinkbeker na het eten des Avondmaals, en zeide; Deze drinkbeker is het nieuwe Testament in mijn bloed; doet dat, zoo dikwijls als gij dien zult drinken, tot mijne gedachtenis. 2G Want zoo dikwijls als gü dit brood zult eten en dezen drinkbeker zult drinken, zoo verkondigt den dood des Ueeren, totdat hij komt. 27 Zoo dan wie on waardiglijk dit brood eet of den drinkbeker des Heeren drinkt, die zal schuldig zijn aan het lichaam en bloed des Heeren. |
ilÜItS 12. 28 Maar de mcüsch beproevc zichzelven, en e\'e alzóö van het brood en drinke van den drinkbeker. 2!) Want die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelven een oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Heeren. :iu Daarom zijn onder u vele zwakken en kranken, en velen slapen. 31 Want indien wij onszelve oordeelden, zoo zouden wij niet geoordeeld worden. 32 Maar als wij geoordeeld worden, zoo worden wij van den Heere getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden. 33 Zoo dan, mijne broeders, als gij te zamea komt om te eten, verwacht elkander. 34 Doch zoo iemand hongert, dat hij te huis cte, opdat gij niet tot een oordeel te zamen komt. Ds overige dingen nu zal ik ordineeren als ik zal gekomen zijn. HOOFDSTUK 12. En van de geestelijke ga-vpii , broeders, wil ik niet dat gij onwetende zijt. 2 Gij weet dat gij heidenen waart, tot de stomme afgoden henengetrokken naardat gij geleid werdt. 3 Daarom maak ik u bekend, dat niemand die door den Geest Gods spreekt, Jezus ecne vervloeking noemt; en niemand kan zeggen Jezus den Heere te zijn, dan door den Heiligen Geest. 4 En daar is verscheidenheid der gaven, doch het is dezelfde Geest; 5 en daar is verscheidenheid der bedieningen, en het is dezelfde Heere; 6 en daar is verscheidenheid der werkingen, doch het is dezelfde God die alles in allen werkt. |
|
1 CORTXT 7 Maar aan pon iegelijk word t de openbarinf? des Geestea gegeven tot hetgeen dat oorbaar is. 8 Want dezen woritdoor den Geest gegeven bet woord der wijsheid, en aan oen ander bet woord der kennis, door den-zelfJen Geest; 9 en aan een ander bet geloof, door denzclfden Geest; en aan een ander de saven der gezondmakingen, door denzelfden Geest; 10 en aan een ander de werkingen der krachten; en aan een ander profetie: en aan een ander onderscbeidingen der geesten ; en aan een ander me-nisceriei talen, en aan een ander uitlejrgins der talen. 11 Doch deze dingen alle werkt édn en dezelfde Geest, deelende aan een iegelijk in \'t bijzonder gelijkerwija bij wil. 12 Want quot;gelijk bet lichaam één is en vele leden beeft, en alle de leden van dit ééne lichaam yele zijnde maar \'Vn lichaam zijn , alzóó ook Christus. 13 Want ook wij allen zijn door ^énen Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden hetzij Grieken, betzij dienstknechten betzij vrijen; en wij zijn allen tot ééneh Geest gedrenkt. 14 Want ook het lichaam is niet één lid, maar vele leden. is Indien de voet zeide; Dewijl ik de band niet ben , zoo hen ik van het lichaam niet, is die daarom niet van het lichaam ? 1(5 En indien het oor zeide; Dewijl ik bet oog niet ben , zoo ben ik van het lichaam niet. is het daarom niet van het lichaam? 17 Ware het gebeele lichaam het oog, waar zoude bet gehoor zijn? Ware het gebeele lichaam ceboor , waar zoude de reuk zijn? 13 Maar nu heeft Gol de le- |
IIËRS 12. 24.% den gezet, elk van dezelve in bet lichaam gelijk hij gewild heeft. 19 En waren ze allen maar één lid, waar bet lichaam zijn ? 20 Maar nu zijn er wel vele leden , doch maar één lichaam. 21 En het oog kan niet zeggen tot de hand; Ik heb u niet van noode, of wederom het hoofd tot de voeten: Ik heb u niet van noode. 22 Ja veeleer, de leden die ons dunken de zwakste des licbaams te zijn, die zijn noo-dis; 23 en die ons dunken de minst eerlijke leden des lichaams te zijn, denzelven doen wij overvloediger eere aan , en onze onsierlijke Jcffrü hebben overvloediger versiering. 24 Doch onze sierlijke hebben het niet van noode ; maar God heeft het lichaam alzüó samengevoegd , gevende overvloediger eere aan hetgeen gebrek aan dezelve beeft. 2» opdat geen tweedracht in het lichaam zij , maar de leden voor elkander gelijke zorg zouden dragen. 2rgt; En betzij dat één lid lijdt, zoo lijden alle de leden mede; hetzij dat één lid verheerlijkt wordt, zoo verblijden zich alle de leden mede. 27 En gijliedenzijt bet lichaam van Christus, en leden in \'t bijzonder. 25 En God heeft er sommigen in de gemeente gesteld, ten eerste Apostelen, ten tweede Profeten, ten derde Leeraars, daarna krachten, daarna gaven der gezondmakingen, bebulpsels. regeeringen , menigerlei talen. 29 Zijn ze allen Apostelen? Zijn ze allen Profeten ? Zijn ze allen Leeraars? Zijn ze allen krachten? 30 Hebben ze allen gaven der gezondmakingen? Spreken ze allen met menigerlei |
|
246 1 CORINTE talen? Zijn ze allen uitleggers? 31 Doch ijvert naar de beste gaven; en ik wijs u eenen quot;weg die nog uitnemender is. HOOFDSTUK 13. Al ware het dat ik de talen der menschen en der Engelen sprak, en tie lietde niet had, zoo ware ik een klinkend metaal of luidende schel geworden. - En al wace het dat ik de gave der profetie had, en wist alle de verborgenheden en al de wetenschap, en al ware het dat ik al het geloof had, zoodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zoo ware ik niets. 3 En al ware het dat ik alle mijne goederen tot onderhoud der armen uitdeelde, en al ware het dat ik mijn lichaam overgaf opdat ik verbrand zoude worden. en had de liefde niet, zoo zoude het mij geen nuttigheid ;;even. 4 De liefde is lankmoedig, zij is goedertieren; dc liefde is niet afgunstig; de liefde handelt niet licutvaardiglijk, zij is niet opgeblazen; 5 zij handelt niet ongeschik-telijk, zij zoektzichzelve niet, zij wordt niet verbitterd, zij denkt i?een kwaad; 6 zij verblijdt zich niet in de ongerechtigheid, maar zij verblijdt zich in de waarheid; 7 zij bedekt alle dinjjen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen, zij verdraagt alle dingen. 8 De liefde vergaat nimmermeer : maar hetzij profetieën, zij zullen te niet gedaan worden ; hetzij talen, zij zullen ophouden ; hetzij kennis , zij zal te niet gedaan worden. 9 Want wij kennen ten deele en wij profeteeren ten deele; 10 doch wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan [ËRS 13, 14. |
zal hetgeen ten deele is te niet gedaan worden. II Toen ik een kind was, sprak ik .als een kind , was ik gezind als een kind, overleide ik als een kind ; maar wanneer ik een man geworden ben, zoo heb ik te niet gedaan hetgeen eens kinds was. 13 Want wij zien nu door eenen spiegel in eene duistere rede, maar alsdiln zullen wij zien aangezicht tot aangezicht ; nu ken ik ten deele, maar alsdiln zal ik kennen gelijk ook ik gekend ben. 13 En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie: doch de meeste van deze is de liefde. HOOFDSTUK 14. Jaa^t de liefde na, en ijvert om de geestelijke gaven, maar meest dat gij moogt profeteeren. quot; Want die eene vreemdetnnX spreekt, spreekt niet den menschen maar Gode; want niemand verstaat het, doch met den geest spreekt hij verborgenheden; 3 maar die profeteert, spreekt den menschen stichting en vermaning en vertroosting. 4 Die eene vreemde taal spreekt, die sticht zichzelven; maar die profeteert, die sticht de gemeente. 5 En ik wil wel dat gij allen in vreemde talen spreekt, maar meer dat gij profeteert; want die profeuert is meerder dan die vreemde talen spreekt, tenzij dan dat hij het uitlegge, opdat de gemeeute stichting moare ontvangen (» En nu, broeders, indien ik tot u kwam en sprak vreemde talen, wat nuttigheid zoude ik u doen, zoo ik tot u niet sprak öf in openbaring, öfiu kennis, öf in profetie, öf in leering? 7 Zelfs ook de levenlooze dingen die geluid geven, hetzij |
|
1 CORINT fluit, hetzij citer, zoo zij {reen onderscheid met huunen klank geven, hoe zal bekend worden hetgeen op ile tl uit of op de citer gespeel d wordt? 8 Want ook indien d« ha/.uin een onzeker geluid geft, wie zal zich tot den krijg bereiden? 9\' Alzoo ook gijlieden indien gij niet door de taal eene duidelijke red* geeft, hoe zal verstaan worden hetgeen gesproken wordt? Want gij zult zijn als die in de lucht spreekt. 10 Daar zijn, naar het voorvalt, zoovele soorten van stemmen in de wereld, en geen derzelve is zonder stem; 11 indien ik dan de kracht der stem niet weet, zoo zal ik hem die spreekt barbaarsch zijn, en hij die spreekt zal bij mij barbaarsch zijn. 12 Alzoo ook gij, dewijl eij ijverig zijt naar geestelijke gaven, zoo zoekt dat gij moost overvloedig zijn tot stichting der gemeente. 13 Daarom die in eene vreemde taal spreekt, die bidde dat hij het mot,c uitleggen. 14 Want indien ik in eene vreemde taal bid, miin geest bidt xvel, maar mijn verstand is vruchteloos. 15 Wat is \'tdan? Ik zal wel met den geest bidden, maar ik zal ook met het verstand bidden ; ik zal wel met den geest zingen, maar ik zal ook met het verstand zingen. 16 Anderszins indien gij dankzegt met den geest, hoe zal degene die dc plaats eens on-geleerden vervult amen zeggen op uwe dankiegging, dewijl hij niet weet w at gij zegt ? 17 Want gij dankzegt wel behoorlijk, maar de ander wordt niet gesticht. 18 Ik dank mijnen God dat ik meer vreemde talen spreek dan gij allen; 19 maar ik wil liever in de gemeente vijf woorden spreken met mijn verstand, opdat ik |
ÏIËRS 14. 247 ook anderen moge onderwijzen, dan tienduizend woorden in eene vreemde tftal. 20 Broeders, wordt geen kinderen in hec verstand, mair zijt kinderen in de boosheid, en wordt in het verstand volwassen. 21 In de wet is geschreven: Ik zal door lieden van andere talen cn door andere lippen tot dit volk spreken, en ookalzóó zullen zij mij niet hooren, zegt de Ileere. 22 Zoo dan , de vreemde talen zijn tot een teeken niet dengenen die gelooven, maar den ongeloovigen; en de profetie niet den ongeloovigon, maar dengenen die gelooven. 23 Indien dan de geheele gemeente bijéénvergaderd ware, •■n zij allen in vreemde talen spraken, en eeniyc on geleerden of ongelooyigen inkwamen, zouden zij niet zeggen dat sij uitzinnig waart? 24 Maar indien zij allen profeteerden, en een ongeloovige of ongeleerde inkwam, die wordt van allen overtuigd en hij wordt van allen geoordeeld, 25 en alzóó worden de verborgen dingen zijns harten openbaar; en alzóó vallende op zijn aangezicht zal hij God aanbidden, en verkondisen dat God waarlijk onder u is. 26 Wat is het dan broeders? Wanneer gij te zamen komt, een iegelijk van u heeft hij cenen psalm, heeft hij eene leer, heeft hij eene vreemde tatil, heeft hij eene openbaring, heeft hij eene uitlegging, laat alle dingen geschieden tot stichting. 27 En zoo iemand cvnc vreemde taal spreekt, d.it het door twe of ten meeste drie geschiede, en bij beurte, cn dat één hut uitlegge , 28 maar indien daar geen uitlegger is, dat hij zwijge in de gemeente, doch dat hij tot |
|
248 1 CORINT xichzelven spreke pn tot God. 29 En dat twen of drie Profeten spreken, en dat de andereu oordeelen ; 30 docli indien oenen anderen die daar zit iel# geopenbaard is, dat de ••erste zwijge. 31 Want gii kunt allen de éfin na den ander profeteeren, opdat zij allen leeren eu allen getroost worden. 32 En de geesten der Profeten zijn den Profeten onderwor-pen. 33 quot;Want God is geen God van verwarring maar van vrede, gelijk in alle de gemeenten der heilijfpn. 34 Dat uwe vrouwen in de gemeenten zwijgen ; want het is haar niet toesjelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de wet zegt. 35 En zoo zij iets willen leeren, laat ze te huis bare eigene mannen vragen; want bet staat leelijk voor de vtouwen dat zij in de gemeente spreken. 36 Is bet Woord Gods van u nitaregaan, of is bet tot u alléén gekomen ? 37 Indien iemand meent een Profeet te zijn of geestelijk, die erkenne dat betgeen ik u sobrijf des Heeren geboden zijn; 38 maar zoo iemand onwetend is, die zij onwetend. 39 Zoo dan, broeders, ijvert om te profeteeren , en verhindert niet in vreemde talen te spreken. 40 Laat alle dinsren eerlyk en met orde geschieden. HOOFDSTUK 15. Voorts, broeders, ik maak u bekend het Evangelie dat ik u verkondigd heb, hetwelk gij ook aangenomen hebt, in hetwelk gij ook staat, 2 door hetwelk gij ook zalig wordt, indien gij bet behoudt |
IIËRS 13. op zoodanige wijs als ik bet u verkondigd heb, tenzij dan dat gij tevergeefs geloofd hebt. 3 Want ik heb ulieden ton eerste overgegeven hetffeen ik ook ontvangen heb , dat Christus irestörven is voor onze zonden , naar de Schriften; 4 en dat bij is begraven, en dat hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften; 5 en dat hij is van Cefas gezien. daarna van de twaalve. G Daarna is hij gezien van meer dan vijfhonderd broederen op éénmaal, van welke bet merendeel nog overig is. en sommigen ook zijn ontslapen. 7 Daarna is 1 ij gezien van Jacobus, daarna van alle de Apostelen. 8 En ten laatst? van allen in hij ook van mij als van een ontijdig geborent; gezien. 9 Want ik ben deininstcvan de Apostelen , die niet waardig bon oen Apostel genaamd te worden. daarom dat ik de gemeente Gods vervolgd heb. 10 Doch door de genade Gods ben ik dat ik ben ; en zijne genade die «rtn mij bewezen i.i, is niet ijdel geweest, maar ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen; doch niet ik, maar de genade Gods die met mij is. 11 Hetzij dan ik. hetzij zijlieden, alzóó prediken wij en al zóó bobt gij geloofd. 12 Indien nu Christus gepredikt wordt dat hij uit de dooden opgewekt is , hoi\' zeggen sommigen onder u dat. er geene opstanding der dooden is? 13 En indien daar geene opstanding dor dooden is, zoo is Christus óók niet opgewekt; 14 en indien Christus niet opgewekt is, zoo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof; 1quot;gt; en zoo wo-den wij ook bevonden valscha getuigen Gods; want wij hebben van God getuigd dat hij Cnristus opgewekt beeft: dien bijquot; niet beeft opge- |
|
1 CORINT wekt, zoo namelijk de dooden niet opgewekt worden. Ifi quot;Want indien de dooden niet opgewekt worden , zoo is ook Christus niet opgewekt; 17 en indien Christus niet opgewekt is, zoo is uw geloof tevergeefs; zoo zijt gij uog in uwe zonden ; 18 zoo zijn dan ook verloren die in Christus ontslapen zijn. 19 Indien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zoo zijn wij de ellendigste van alle menschen. 20 Maar nu. Christus is opgewekt uit de dooden, en is de eersteling geworden dergenen die ontslapen zijn. 21 Want dewijl de dood door eenen mensch is, zoo is ook de opstandintr der dooden door eenen mensch. 22 AVant gelijk ze allen in Adam sterven , alzóó zullen ze ook in Christus allen levend gemaakt worden. 23 Maar een iegelijk in zijne orde: de eersteling Christus, daarna die van Christus zijn in zijne toekomst. 24 Daai-na zal het einde zijn , wanneer hij het Koninkrijk aan Gotquot;, en den Vader zal overgegeven hebben, wanneer hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij en alle macht en kracht. 25 Want hij moet als Koning heerschen, totdat hij alle de vijanden onder zijne voeten zal gelegd hebben. 20 De laatste vijand die te niet sedaan wordt is de dood. 27 Want hij heeft alle dingen zijnen voeten onderworpen. Doch wanneer hij zegt dat hem alle dingen onderworpen zijn, zoo is liet openbaar dat hij uitgenomen wordt die hem alle dingen onderworpen heeft. 28 En wanneer hem alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon zelf onderworpen worden dien, die hem alle dingen onderworpen heeft. |
HIËRS 15. 249 opdat God zij alles in allen. 29 Anders wat zullen zij doen die voor de dooden gedoopt worden ? Indien de dooden ganschelijk niet opgewekt worden , waarom worden zij voor de dooden ook gedoopt? 30 Waarom zijn ook wij alle ure in gevaar? 31 Ik sterve alle da?en, het-melk ik betiiir/ bij onzen roem dien ik heb in Christus Jezus onzen Ileere. 32 Zoo ik naar den mensch tegen de beesten gevochten heb te Efeze, wat nuttigheid is het mij indien de dooden niet opgewekt worden? Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij. 33 Dwaalt niet. Kwade sa-mensprekingen verderven goede zeden. 34 Waakt öp rechtvaardiglijk, en zondigt niet. want sommigen hebben de kennisse Gods niet. Ik zeg het u tot schaamte. 35 Maar, zal iemand zeirgen, hoe zullen de dooden opgewekt worden, en met hoedanig een lichaam zullen zy komen ? 3fi Gij dwaas, hetgeen gij zaait wordt niet levend tenzij dat het gestorven zij. 37 En hetgeen gij zaait, daarvan zaait gij het lichaam niet dat worden zal, maar een bloot graan , naar het voorvalt, van tarwe of van eenig der andere granen. quot;8 Maar God geeft hetzelve een lichaam gelijk hij wil, en een iegelijk zaad zijn eigen lichaam. 39 Alle vleesch is niet hetzelfde vleesch; maar een ander is het vleesch der menschen . en een ander is het vleescb der beesten, en een ander der visschen, en een ander der vogelen. 40 En daar zijn hemelsche lichamen en daar zijn aard-sche lichamen, maar eene andere is de heerlijkheid der he- |
|
250 1 CORING melsche en eene andere der aardsche. 41 Eene andere is de heerlijk-Leii der zon , en eene andere is de heerlijkheid der maan, en eene andere is de heerlijkheid der sterren; want de vene Bier verschilt in heerlijkheid van de andere ster. 42 Alzóó zal ook de opstanding der dooden zijn. Het li-chaam wordt gezaaid in verderfelijkheid , het wordt opgewekt in onverderfelijkheid. 43 Het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid. Het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht. 44 Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt. Daar is een natuurlijk lichaam en daar is een geestelijk lichaam. 45 Alzóó is er ook geschreven ; De eerste mensch Adam is geworden tot eene levende ziele, de laatste Adam tot eenen levendmakenden geest. 4G Doch het geestelijke is niet eerst, maar het natuurlijke, daarna het geestelijke. 47 De eerste mensch is uit de aarde aardsch; de tweede mensch is de Heere uit den hemel. 48 Hoedanig de aardsche is, zoodanig zijn ook de aardschen; en hoedanig de hemelsche is, zoodanig zijn ook de hemel-schen; 49 en gelijkerwijs wij het heeld des aardschen gedragen hebben, alzóó zul 1 en wij ook het beeld des hemeUchen dragen. 50 Doch dit zeg ik, broeders , dat vleesch en bloed het Koninkrijk Gods niet beërven kunnen, en de verderfelijkheid beerft de onverderfelijkheid niet. 51 Zie, ik zeg u eene verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zul- , |
HIËRS 16. len allen veranderd worden, 52 in een punt dts tijds, in een oogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de dooden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd woruen. 53 Want dit verderfelijke moet onverderfelijkhe d aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen. 54 En wanneer lit verderfelijke onverderfelijkheid zal aangedaan hebben, en dit sterfelijke onsterfelijlheid zal aangedaan hebbfiii, alsdan zal het woord geschieden dat geschreven is: De dood is verslonden tot overwinning. 55 Dood, waar is uw prikkel ? Hel, waar is uwe overwinning? 5f» De prikkel nu des doods is de zonde, en dt kracht der zonde is de wet. 57 Maar Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezu.\' Christus. 58 Zoo dan mijne geliefde broeders, zijt standvastig , onbeweeglijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren, als die weet dat uw arbeid niet ijdel is in den Heere. HOOFDSTUK 16. Aangaande nu de verzameling die voor de heiligen geschiedt, gelijk als ik am de gemeenten in GaJatië verordineerd heb, doet ook gij alzóó. 2 Op eiken eersten dag der weke legge een iegelijk van u iets bij zichzclven weg, vergaderende eene.i schat, naar dat hij welvaart verkreiren heeft; opdat de verzamelingen alsdan niet eost geschieden, wanneer ik gekomen zal zijn. 3 En wanneer ik daar zal gekomen zijn, die gij zult bekwaam achter, door brieven, dezelve zal ik zenden om uwe |
|
i com ni pave naar Jeruralem over te draden. 4 En indien het de vweite ■waardig raocht zijn dat ik ook «(/\'reizen zoude, zoo zullen zij met mij reizen. 5 Doch ik zal tot u komen wanneer ik Mxcedoniëzal door-gegann zijn (want ik zal door Macedonië gaan); fi en ik zaI mogelijk bij n blijven of ook overwinteren, opdat jty mij moo.^t geleiden waar ik zal henenreizen. 7 Want ik wil u nu niet zien in \'t voorbijgaan, maar ik hoop eenigen tijd bij u te blijven, indien het de Heere zal toelaten. 8 Maar ik zal te Efeze blijven tot den Pinkstf rdag. 9 Want mij is eene groote en krachtige deur geopend, en daar zijn vele tegenstanders. 10 Zoo mi Timotheüs bomt, ziet dat hij buiten vretze bij u zij ; want hij werkt het werk des lleeren gelijk als ik. 11 Dat hem dan niemand verachte, maar geleidt hem In vrede, opdat hij tot mij kome; want ik verwacht hem met de broederen. 11! En wat aangaat Appollos den broeder , ik heb hem z«»er gebeden dat hij met de broederen tot u komen zoude ; maar het was ganschclijk zijn wil niet dat hij nu zoude komen ; doch hij zal komen wanneer het hem welgelegen zal zijn. |
HIËRS 16. 251 13 Waakt, staat in het geloof, houdt u mannelijk, zijt sterk. 14 Dat alle uwe dingen in de liefde geschieden. ló En ik bidde u, broeders, gij kent het huis van Stefanas, dal het is de eersteling van Achaje, en lt;/at zij zichzelve den heiligen ten dienste hebben geschikt, 16 dat gij ook u aan de zooda-daniiicn onderwerpt, en aan een iegelijk die medewerkt en arbeidt. 17 En ik verblijd mij over de aankomst van Stefanas en For-tunatus en Achaïcus, want deze hebben vervuld hetgeen mii aan u ontbrak. 18 Want zij hebben mijnen geest verkwikt, en ook den u-wen. Erkent dan de zoodanigen. 19 V groeten de gemeenten van Azië. U groeten zeer in den Heere Aquila en 1\'riscilla, met de gemeente die te hunnen huize is. 20 U groeten alle de broeders. Groet elkander met eenen heiligen kus. 21 De groetenis met mijne hand, van Paulus. 22 Indien iemand den Heere Jezus Christus niet lief heeft, die zij eene vervloeking: Ma-ranatha. 23 De genade dea Heeren Jezus Christus zij met u. 24 Mijne liefde zij met u allen in Christus Jeziis. Amen. |
DE TWEEDE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS
AAX D3
CORINTHIERS.
|
HOOFDSTUK 1. Fanlus . een Apostel van Jezus Christus door den wille Gods, en Tiinotheüs, de broeder, aan de gemeente Gols die te Corinthe is, met alle de heiligen die in jreheel Achaje zijn: 2 genade ü] u en vrede van God onzen Vader en den lleere Jetus Christus. 3 Geloofd zü de God en Vader onzes Heeren Jezus Christus, de Vader der barmhartigheden en de God aller vertroosting, 4 die ons vertroost in al onze verdrukking, opdat wij zouden kunnen vertroosten desenen die in allerlei verdrukking zijn , door de vertroosting met welke wijzelve van God vertroost worden. 5 Want frelijk het lijden van Christus overvloedig i« in ons, alzoo is ook door Christus onze vertroostin;; overvloedig. (i Doch hetzij dat wij verdrukt worden , het is tot uwe vertroosting en zaligheid, die gewrocht wordt in d.\'lijdzaamheid van hetzelfde lijden \'twelk wij óók lijden; hetzij dat wij vertroost worden, hrt is tot uwe vertroosting en zaligheid; 7 en onze hope van u is vast, als die weten dat gelijk gij gemeenschap hebt aan het lijden, gij ook al zóó yemeenschap hebt quot;aan de vertroosting. |
8 Want wij willen niet, broeders, dat gij onwetende zijt van onze verdrukking die ons in Azië overkomen is , dat wij v.itnemend zeer bezwaard zijn geweest boven o-ize macht, al-zoo dat wij zeer in twijfel waren ook van het leven. 9 Ja, wij hadden al zelve in onszelve het vonnis des doods, epdat wi;. niet op ons-zelve vertrouwen zouden, maar op God die de dooden opwekt ; 10 die ons uit zoo grooten dood verlost heeft en noy verlost , op welken wij hopen dat hij ons ook notr verlossen zal: 11 alzoo gijlieden ook mede-arbeidt voor ons door het gebed , opdat over de eave, door vele personen aan ons te weeg gebracht, ook voor ons dank-zejipring door velen gedaan worde. 12 Want onze roem is deze, namelijk de getaigenis onzer conscientie, dat wij in eenvoudigheid en oprechtheid Gods, niet in vleeschelijke wijsheid, maar i n de genade Gods in de wereld verkeerd hebben, en allermeest bij ulieden. Ki Waft wij schrijven u jreene andere din gen dan die eij kent of ook eikent ; en ik hoop dat gij ze ook tot den einde toe erkennen zult. 14 lelijker wijs gij ook ten deele ons erkend hebt dat wij uw roem zi;n, gelijk gij oo^j |
|
de onze zijt inden dag des Hee-ren Jezus. 15 En op dit betrouwen wilde ik te voren tot u komen, opdat gij eene tweede genade zoudt hebben, KJ en door uwe stad naar Macedonië gaan, tn wederom van Macedonië tot u komen, en van ulieden naar J udéa geleid worden. 17 Als ik dan dit voorgenomen heb , heb ik ook lichtvaardigheid gebruikt? Of neem ik naar het vleesch voor hetgeen ik voorneem, opdat bij mij zoude wezen ja ja, en neen neen? 18 Doch God is getrouw , dat ons woord hetwelk tot u is ye-schied niet is geweest ja en neen: 19 want de Zone Gods Jezus Christus, die onder u door ons is gepredikt, namelijk door mij en Silvanus enTimotheüs, was niet ja en neen, maar is geweest ja in hem. quot;0 Want zoovele beloften GoJs als er zijn , die zijn iu hem ja, en zijn ir. hem amen, Gode tot heerlijkheid door ons. l\'l Maar die ons met u beves-tisrt in Christus, en die ons gezalfd heeft, is God ; 22 die ons ook heeft verzegeld, en het onderpand des Geestcs in onze harten gegeven. 2h Poch ik roep God aan tot een getuige over mijne ziel, dat ik om u te sparen nog te Corinthc niet ben gekomen. 24 Niet dat wij heerschappij voeren over uw geloof, maar wij zijn medewerkers uwer blijdschap; want gij staat door het geloof. HOOFDSTUK 2. Maar ik heb dit bij mijzelven voorgenomen, dat ik niet wederom in droefheid tot u komen zoude. 2 Want indien ik ulieden bedroef, wie is het toch die |
aiËRS 2. 253 mij zal vroolijk maken, dan degene die van mij bedroefd is geworden ? 3 En dit heb ik u geschreven, opdat ik daar komende niet zonde droefheid hebben van degenen van welke ik moest verblijd worden; vertrouwende vau u «allen, dat mijne blijdschap u aller blijdschap is. •1 Want ik heb ulieden uit vele verdrukking en benauwdheid des harten met vele tranen geschreven, niet opdat gij zoüdt bedroefd worden, maar opdat gij de liefde zoudt verstaan die ik overvloediglijk cot u heb. 5 Doch indicii iemand bedroefd heeft, die heeft niet mij bedroefd, maar ten dcele (opdat ik hem niet bezware) ulieden allen. 1» Den zoodanige is deze be-strafiing genoeg, die van velen geschifd is: 7 alzoo dat gij daarentegen krm liever moet verbeven en vertroosten, opdat de zoodanige door al te overvloedige droefheid niet eenigszins worde verslonden. 8 Daarom bid ik u dat gij de liefde afin hem bevestigt. i) Want daartoe heb ik ook geschreven, opdat ik uwe beproeving mocht verstaan, of gij in alles gehoorzaam zijt. 10 Dien gij nu iets vergeeft, di\'H vergeef ik óók; want zoo ik ook iets vergeven heb, dien ik vergeven heb, heb ik het vergelen om uwentwille, voor het aangezicht van Christus, opdat de satan 3ver ons geen voordeel krijge. 11 Want zijne sedachten zijn ons niet onbekend. 12 Voorts als ik te Troaa kwam om het Evangelie van Christus te prulikru, en als mij eene deur geopend was in den Heere, zoo heb ik geen rust gehad voor mijnen geest, omdat ik Titus mijnen broeder niet vond; 13 maar afscheid van hen ge- |
|
254 2 CORIN\' nomen hebbende, vertrok ik naar Macedonië. 14 En Gode zij dank, die ons allen tijd doet triomfeeren in Christus, en den reuk zijner kennisse «loor ons openbaar maakt in alle plaatsen. 1quot;gt; Want wij zijn Gode een fioede reuk van Christus, in degenen die zalig worden en in degenen die verloren gaan ; 16 dezen wel een reuk des doods ten doode, maar genen een reuk des levens ten leven. En wie is tot deze dingen bekwaam? 17 Want wij dragen niet. gelijk velen, het Woord Gods te koop; maar als uit oprechtheid, maar als uit God, in de tegenwoordigheid Gods, spreken wy het in Christus. HOOFDSTUK 3. Beginnen wij onszelve wederom m aan te prijzen? Of behoeven wij ook, gelijk sommigen, brieven van voorschrijving aan u, of brieven van voorschrijving van u ? 2 Gijlieden zijt onze brief, geschreven in onze harten, bekend en gelezen van alle men-Nchen, 3 als die openbaar zijt geworden dat gij een brief van Christus zijt, en door onzen dienst bereid, die geschreven is niet met inkt maar door den Geest des levenden Gods, niet in stee-nen tafelen maar in vlecschen tafelen des harten. 4 En zoodanig een vertrouwen hebben wij door Christus bij God. 5 Niet dat wij van onszelve bekwaam zijn iets te denken als uit onszelve, maar onze bekwaamheid is uit God; fi die ons ook bekwaam gemaakt heeft om te zijn dienaars des nieuwen Testaments, niet der letter maar des Geestes; ■want de letter doodt, maar de Geest maakt levend. |
HIKRS 3. 7 En indien de bediening des doods, in letters heatannde en in steenen ingedrukt, in heerlijkheid is geweest, alzoo dat de kinderen IsraeN hel nan-gezicht van Mozes niet konden sterk aanzien om de heerlijk-heid zijns aangezichts, die te niet gedaan zoude worden , S hoe zal niet veel meer de bediening de» Geestes in heerlijkheid zijn! 9 Want indien de bediening der verdoemenis heerlijkheid geweest is, veel meer is de bediening der recutvaardisheid overvloedig in heerlijkheid. 10 Want ook het verheerlijkte is zelfs niet verheerlijkt in dezen deele. ten aun\'/.ien van deze uitnemende heerlijkheid. 11 Want indien hetgeen te niet gedaan wordt in heerlijkheid was, veel meer is hetgeen blijft in heerlijkheid. 12 Dewijl wij dar. zondanige hope hebben, zoo gebruiken wij vele vrijmoedigheid in \'t spreken, 13 en doen niet gelijkerwiis Mozes, die een deksel opzijn aangezicht leide. opdat de kinderen Israels niet zouden sterk zien op het einde desgenen dat te niet gedaan wordt. 14 Maar hunne zinnen zijn verhard geworden. Want tot op den dan van heden blijft hetzelfde deksel in het lezen des ouden Testaments, zonder ontdekt te worden, hetwelk door Christus te niet gedaan wordt. 15 Maar tot den huldigen dag toe, wanneer Mo/es gelezen wordt, ligt een deksel op hun hart; 16 doch zoo warneer het tot den Heere zal oekeerd zijn, zoo wordt het deksel weggenomen. 17 De Heere n-i ia de Geest; en waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid. 18 Eu wij allen met ongedek-ten aangezichte de heerlijkheid |
|
dtós Heeren als in eenen spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaantever-anderd van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest. HOOFDSTUK 4. quot;Daarom dewijl wij deze bediening hebben, naar de barmhartigheid die ons geschied is, zoo vertrascn wij niet, 2 maar wij hebben verworpen de bedekselen der schande, niet wandelende in arglistigheid, noch het Woord Gods verval-schende, maar door openbaring der waarheid onszelve aangenaam makende bij alle conscientiën der menschen, in de tegenwoordigheid Gods. Doch indien ook ons Evangelie bedekt is . zoo is het bedekt in degenen die verloren gaan : •1 in dewelke de god dezer eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk der ongeloovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie der heerlijkheid van Christus, die het beeld Gods is. 5 Want wij prediken niet ons-zelve , maar Christus Jezus den Heerc; en onszelve, dat ivij uwe dienaren zijn om Jezus wille. 6 Want God die gezegd heeft dat het licht uit de duisternis zoude schijnen, is degene die in onze harten geschenen heeft, om tc geven verlichting van de kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus. 7 Maar wij hebben dezen schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij Godes en niet nitons; 8 als die in alles verdrukt worden doch niet benauwd, twijfelmoedig doch niet mismoedig , y vervolgd doch niet daarin verlaren, nedergeworpen doch niet verdorven. |
IERS 4, 5. 255 10 altijd de dooding des Heeren Je^us in het lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam zoude geopenbaard worden. 11 Want wij die leven worden altijd in den dood overgegeven om Jezus wille, opdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijk vleesch zoude geopenbaard worden. 12 Zoo dan de dood werkt wel in ons, maar het leven in ulieden. 13 Dewyi wij nu denzelfden Geest des geloofs hebben, gelijk er geschreven is: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken, zoo gelooven wij ook, daarom spreken wij ook, 14 wetende dat hij die den Heere Jezus opgewekt heeft, ook ons door Jezus zal opwekken en met ulieden daar zal stellen. 15 Want alle deze dingen zijn om uwentwille, opdat de vermenigvuldigde genade door de dankzegging van velen overvloedig worde ter heerlijkheid Gods. IC Daarom vertragen wij niet; maar hoewel onze uitwendige mensch verdorven wordt, zoo wordt nochtans de inwendige vernieuwd van dag tot dag. 17 Want onze lichte verdrukking , die zeer haast voorbij-yaat, werkt ons een gansch zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid: 18 dewijl wij niet aanmerken de dingen die men ziet, maar de dingen die men niet ziet; want de dingen die men ziet zijn tijdelijk, maar dedingen die men niet ziet zijn eeuwig. HOOFDSTUK 5. Want wij weton dat zoo ons aardsche huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig, in de hemelen. |
|
2 )6 2 COllLVi 2 Want ook in «leien zuchten wij. verlangende met onze woonstede dit; uit den hemel is overkleed te worden, ;{ zoo wij ook bi-kleed en niet naakt zullen gevonden worden. 4 Want ook wij die in dezen tabernakel zijn, zuchten bezwaard zijnde; nademaal wij niet willen omkleed maar overkleed worden, opdat het sterfelijke van het leven verslonden worde. 5 Die ons nu hiertoe bereid heeft is God, die ons ouk het onderpand des Geestes gejrevtn heeft. 6 Wij hebben dan altijd goeden moed, en welen dat wij inwonende in het lichaam, uitwo-m-n van den lieere: 7 (w;int wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen). 8 Maar wij hebben goeden moed, en hebben meer behagen om uit het lichaam uit te wonen en bij den Ueere in te wonen. 9 Daarom zijn wij ook zeer oegeerig, hetzij inwonende hetzij uitwonende, om hem welbehagelijk te zijn. lü Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdratre hetgeen door liet lichaam ycschicdt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed het,zij kwaad. 11 Wij dnn wetende den schrik des lleeren, bewegen de menschen tot het geloof, en zijn üoJe openbaar geworden ; doch ik hoop ook in uwe conscientiên geopenbaard ie zijn. 12 Want wij prijzen onazelve tx niet wederom aan, maar wij geven u oorzaak van roem over ons, opdat sij stof zoudt heb ben teg -n degenen die in het aangezicht roemen en niet in het hart. 13 Want hetzij dat wij uitzinnig zijn, wij zijn het Gode; |
ËlËltS 6. hetzij dat wij gematigd van zinnen zyn , wij zijn het ulieden. 14 Want de liefde van Christus dringt ons: 15 als die dit oordeelen, dat indien éi\'-n voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn. En hij is voor allen gestorven, opdat degenen die leven niet uietr zichzelven zouden leven, maar dien, die voor hen gestorven en opgewekt is. 10 Zoo dan wij kennen van nu aan niemand naar het vleesch; en indien wij ook Christus naar het vleesch gekend hebben, nochtans kennen wij hntn nu niet meer naar het vleesch. 17 Zoo dan incien iemand in Clmstnsis, die is een nieuw schepsel: het ouce is voorbijgegaan , zie, het h alles nieuw geworden. 18 En alle deze dingen zijn uit God, die on? met zichzelven verzoend heeft door Jezus Christus, er ons de bediening der verzoening gegeven heeft. 19 Want God was in Christus de wereld met zichzelven verzoenende, hunne zonden hun . niet toerekenende, en heeft* het Woord der verzoening in ons gelegd. 20 Zoo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade: wij bidden van Christus wege, laat u met God verzoenen. 21 Want dien die goene zonde gekend heeft, heeft hij zonde voor ons gemaa\'it, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in hem. HOOFDSTUK 6. En wij als laedearbeidende«. bidden u ook, dat gij de genade Gods niet tevergeefs moogt ontvangen hebben. 2 Want hij z-gt: In den aan-genamen tijd heb ik u ver- |
|
2 CORIN\' boord, en in den dag der zaligheid heb ik u geholpen; zie, nu is hot de welaangename tijd, zie, nu is het de dag der zaligheid. 3 Wij geven geenen aanstoot in eenig ding, opdat de bediening niet gelasterd worde; •1 maar wij als dienaars Gods maken onszelve in alles aangenaam , in veel verdraagzaamheid , in verdrukkingen, in nooden, in benauwdheden, 5 in slagen, in gevangenissen, in beroerten, in arbeid, in waken, in vasten , (J in reinheid, in kennis, in lankmoedigheid, in goedertierenheid , in den Heiliiren Geest, in ongeveinsde liefde, 7 in het woord der waarheid , in de kracht Gods; door de wapenen der gerechtis:heid aan de rechter- en aan de lin-kcrzyele, 8 door eer en oneer, door kwaad gerucht en goed gerucht ; als verleiders en nocA-tnns waarachtijren, 9 als onbekenden en norhians bekend, als stervende en zie wij leven, nis getuchtigd en niet gedood, 10 als droevig zijnde doch altijd blijde, als armen doch velen rijk makende, als niets hebbende en nochtans alles bezittende. 11 Onze mond is opengedaan te^en u, o Corinthiërs, ons hart is uitgebreid. 12 Gij zijt niet nauw in ons, maar gij zijt nauw in uwe ingewanden. 1$ Nu, om dezelfde vergelding te doen, (ik spreek als tot mijne kinderen), zoo wordt gij 66k uitgebreid. 14 Trekt niet een ander juk aan met de ongeloovigen. •Want wat deelgenootschap he(Jquot;t de gerechtigheid met de ongerechtigheid, en wat gemeenschap heeft het licht met de, duisternis? 15 En wat samenstemming |
Hl KUS 7. 25? heeft Christus met Belial, of wat deel heeft de geloovige met den ongeloovige? 1(5 Of wat samenvoeging heeft de Tempel Gods met de afgoden? Want gij zijt de Tempel des levenden Gods. gelijherwijs God gezegd heeft: Ik zal in hen wonen en ik zal onder Zien wandelen, en ik zal hun God zijn , en zy zullen mij een volk zijn. 17 Daarom gaat uit het midden van hen en scheidt u af, zegt de Ileere, en raakt niet aan hetgeen onrein is, en ik zal ulieden aannemen, IS en ik zal n tot een Vader zijn, en gij zult mij tot zonen en dochteren zij n, zegt de Heere, de Almachtige. HOOFDSTUK 7. Dewijl wij dan deze beloften hebben, geliefden, laat ons onszelve reinigen van alle besmetting des vleesches en des geestes, voleindigende de heiligmaking in de vreeze Gods. quot; Geeft ons plaats; wij hebben niemand verongelijkt, wij hebben niemand verdorven, wij hebben bij niemand ons voordeel gezocht. 3 Ik zeg dit niet tot «ut veroordeeling. Want ik heb te voren gezegd dat gij in onze harten zijt, om te zamen te sterven en te zamen te leven. 4 Ik heb veel vrijmoedigheid in het spreken tegen u, ik heb veel roem over u ; ik ben vervuld met vertroosting, ik ben zeer overvloedig van blijdschap in al onze verdrukking. 5 Want ook als wij in Mace--donië gekomen zijn, zoo heeft ons vleesch geene rust gehad, maar wij waren in alles verdrukt; van buiten was stryd,. van binnen vreeze.. 6 Doch God , die de nederigeöquot; vertroost, heeft ons getroost door de komst van Titus. ■ 7 En niet alleen door zijne 1? |
2 COMNTHIERS S
25S
|
komst, maar ook door de vertroosting met welke hij over u vertroost is geweest, als hij ons verhaalde uw verlangen, uw kermen, uwen ijver voor mü; alzoo dat ik te meer verblijd ben geweest. . 8 Want hoewel ik u-in den zendbrief bedroefd heb. het berouwt mij niet, hoewel het mij berouwd heeft; want ik zie dat die zendbrief, hoewel voor eenen kleinen tijd, u bedroefd heeft........ 9 Nu verblijde ik mij , niet omdat gij bedroefd zijt geweest, maar omdat gij bedroefd ziit geweest tot bekeering. Want gij zijt bedroefd geweest naar God, zoodat gij in geen ding schade van ons geleden hebt. , 10 Want de droefheid naar God werkt eene onberouwe-liike bekeering tot zaligheid, maar de droefheid der wereld werkt den dood. 11 Want zie, dit, dat gij naar God zijt bedroefd geworden, hoe sroote naarstigheid heeft het in u gewrocht, ja verantwoording, ja onlust, ja vree-ze, ja verlangen, ja ijver, ja wrake; in alles hebt gij uzelve bewezen rein te zijn in deze zaak. 12 Hoewel ik dan aan u geschreven heb, dut is niet om diens wil die onrecht gedaan had, noch om diens wil wien onrecht gedaan was, maar opdat onze vlijtigheid voor u bij u zoude openbaar worden, in de tegenwoordigheid Gols. 13 Daarom zijn wij vertroost geworden over uwe vertroosting; en ziin nog pvervloedi ger verblijd geworden over de blijdschap van Titus, omdat zijn geest van u allen verkwikt ia geworden. 14 Want indien ik iets bi.i hem over u geroemd heb, zoo ben ik niet beschaamd geworden ; maar gelijk wij alles met waarheid tot u gesproken hebben. |
alzóó is ook onze roem, dien ik bij Titus geroemd heb* waarheid geworden. 15 En zijne innerlijke bewegingen zijn te overvloediger jegens u, als hij u aller gehoorzaamheid overdenkt, hoe gij hem met vreeze en beven hebt ontvangen. ló Ik verblijde my dan dat ik in alles van u vertrouwen mag hebben. HOOFDSTUK 8. Voorts maken wij u bekend , broeders, de genade Gods die in de gemeente:^ van Macedonië gegeven is: 2 dat in vele beproeving der verdrukking de overvloed hunner blijdschap en hunne zeer diepe armoede overvloedig geweest is tot den rijkdom hunner goeddadigheid. 3 Want zij zijn naar vermogen (ik betuig het), ja, boven vermogen gewillig geweest, 4 ons met vele vermaning biddende, dat wij wilden aannemen de gave en de gemeenschap dezer bediening die voor de heiligen geschiedt ; 5 en deden niet alleen gelijk wij gehoopt hadden, maar gaven zichzelve eerst aan den lleere en danrna aan ons, door den wil Gods. 6 Alzoo dat wij Titus vermaanden, dat gelijk hij te voren begonnen had, hij ook al zóó nog deze gave bij u voleinden zoude. 7 Zoo dan gelijk gij in alles overvloedig zijt, in geloof en in woord en in de kennis en in alle naarstigheid, en in uwe liefde tot ons, ziet dat gij ook in deze gave overvloedig zijt. S Ik zeg rf/f niet «^gebiedende , maar uit door de naarstigheid van anderen ook de oprechtheid uwer liefde beproevende. 9 Want g j weet de genade oiues Heereu Jezus Christus, |
|
(lat hij om uwentwille is arm geworden, daar hij rijk was, opdat gi.i door zijne armoede zoudt ryk worden. 10 En ik zeg in dezen mijne meening. Want dit is u oorbaar, als die niet alken bet doen maar ook bet willen van over een jaar te voren bebt begonnen. 11 Maar nu voleindigt ook bet doen, opdat gelijk als er geweest is de volvaardigheid des gemoeds om te wijlen, er ook alzóó zij bet voleindigen uit betgene dat gij bebt. 12 Want indien te voren de volvaardigheid des gemoeds da.ir is, zoo is iemand aange; naam naar betgeen dat bij beeft: niet naar hetgeen dat hü niet heeft. 13 Want dit zen niot opdat anderen zouden verlichting hebben, en gij verdrukking: 14 maar ojxlut uit gelijkheid, in dezen tegenwoordigen tijd, uw overvloed ry om hun gebrek te vervullen; opdat ook hun overvloed zij om uw gebrek te vervullen, opdat er gelijkheid worde, 15 gelijk geschreven is; Die veel verzameld had, had niet over, en die weinig verzameld had, had niet te weinig. Ki Doch Gode zij dank, die dezelfde naarstigheid voor u in bet hart van Titus gegeven beeft, 17 dat hij de vermaning heeft aangenomen, en zeer naarstig zijnde gewillig tot u gereisd is. 18 En wij hebben ook met hem gezonden den broeder, die lof heeft in het Evangelie door alle de gemeenten. 19 En dat niet alleen, maar hij is ook van de gemeenten verkoren, om met ons te reizen met deze gave, die van ons bediend wordt tot de heerlijkheid des lleeren zeiven en de volvaardigheid uws gemoeds: quot;0 dit verhoedende, dat ons niemand mov.e lasteren in de- |
HIËRS 9. 259 zen overvloed die van ons wordt bediend: 21 als die bezorgen hetgeen eerlijk is, niet alleen voor den Heere maar ook voor de men-schen. 22 Wij hebben ook met hen gezonden onzen broeder, welken wij in vele dingen dikwijls beproefd hebben dat hij naarstig is, en nu veel naarstiger door het groot vertrouwen dat hij heeft tot ulieden. 23 Hetzij dan Titus, hij is mijn metgezel en medearbeider bij u; hetzij onze broeders, zij zijn afgezanten der gemeenten en een eere van Christus. 24 Bewijst dan aan hen de bewijzing uwer liefde en onzes roems van u, ook voor het aangezicht der gemeenten. HOOFDSTUK 9. Want van de bediening die voor de heiligen geschiedt is het mij onnoodig aan u te schrijven. 2 Want ik weet de volvaardigheid uws gemoeds, van welke ik roem over u bij de Macedoniërs dat Acliaje van over een jaar bereid is geweest, en de ijver van u 6e-gomen heeft er velen opgewekt. 3 Maar ik heb deze broeders gezonden, opdat onze roem dien wij over u hehben niet zoude ijdel gemaakt worden in dezen deele, opdat (gelijk ik gezegd heb) gij bereid moogt zijn, 4 en dat niet mogelijk zoo de Macedoniërs met iuij kwamen en u onbereid vonden, wij (opdat wij niet zeggen gij) beschaamd worden in dezen vasten grond des roemens. 5 Ik heb dan noodig geacht deze broeders te vermanen, dat zij eerst tot u zouden komen , en voorbereiden uwen te voren aangedienden zegen; opdat die gereed zij alzoo als |
|
aió ; coMNT ccn zofrfiii ph niet als cene vrckhcid. 6 En dit zen ik, die spa.ir-zamclijk zaait zal ook spaar-zamelijk maaien, en die in zesenihiren zaait zal ook in zegeningen maaien. 7 Een iegelijk doe gelijk hij in zij tl harte voorneemt, niet uit droefheid of uit nooddwang. Want God heeft een blijraoedigen gever lief. 8 En God is machtig alle genade te doen overvloedig zijn in u, opdat gij in alles allen tijd alle genoegzaamheid hebbende, tot alle goed werk overvloedig mooirt zijn. 9 Gelijk er geschreven is: Hij heeft gestrooid, hij heeft den armen gereven, zijne gerechtigheid blijft in der eeuwigheid. 10 Doch die het zaad den zaaier verleent, die verleene ook brood tot spijze, en vermenig-vuldige uw zaaisel, en ver-meerdere de vruchten uwer gerechtigheid; 11 dat gij in alles n.ik wordt tot alle góeddadigheid , welke door ons werkt dankzegging tot God. 12 Want de bediening van dezen dienst vervult niet alleen het gebrek der heiligen, maar is ook overvloedig door vele dankzeggingen tot God ; n dewijl zij door de beproeving dezer bediening God verheerlijken over de onderwer-pinir uwer belijdenis onder het Evangelie van Christus, en over de góeddadigheid der me-dedeeling aan hen en aan allen; 14 en door hun gebed voor u, welke naar u verlangen, om de uitnemende genade Gods over u. 15 Doch Gode zij dank voor tijnc onuitsprekelijke gave. HOOFDSTUK 10. Voorts ik Paulus relf bidde u door de zachtmoedigheid en |
HËRS 10. goedertierenheid van Christus, die tegenwoordig zijnde wel gering ben onder u, maar af-wezend stout ben tegen u; 2 ik bid dan, dat ik tegenwoordig zijnde niet stout mag zijn met die vrijmoedigheid, waarmede ik geacht word stoutelijk gehandeld te hebben tegen sommigen, die ons acliten also-quot; wij naar het vleesch wandelden. 3 Want wandelende in het vleesch voeren wij den krijg niet naar her. vleesch; 4 want de wapenen onzes krijgs zijn riet vleeschelijk, maar kracht g door God tot nederwerping der sterkten; 5 dewijl wij le overleggingen ternederwerpen, en alle hoogte die zich verheft tegen de ken-nisse Gods, en alle gedachte gevangen leidt n tot de gehoorzaamheid van Christus, 6 en gereed hebben hetgeen dient om te wreken alle ongehoorzaamheid. wanneer uwe gehoorzaamheid zal vervuld zijn. 7 Ziet gij Jliin dat voor oogen is? Indien iemand bij zichzel-ven betrouwt dat hij van Christus is, die denke dit wederom uitzichzelven, datgelijkerwijs hij van Christus is, alzóó wij óók van Christus zijn. 8 Want indien ik ook iets overvloediger zoude roemen van onze macht, welke de Heere ons gegeven heeft tot stichting, en niet tot uwe nederwerping, zoo zal ik niet beschaamd worden; 9 opdat ik niet zoude schijnen alsof ik u door de brieven wilde verschrikken. 10 Want ce brieven (zeggen zij) zijn wel gewichtig en krachtig, maar de tegenwoordigheid des lichaams is zwak en de rede is verachtelijk. 11 Dezulke bedenke dit, dat hoedanigen wij zijn in het woord door brieven als wij afwezig zijn, wij ook zoodanigen |
|
zijn in de daad als wij toffen-woordifc zijn. 12 Want wij durven onszelve niet rekenen of vergelijken met 80muii}f«-*n die zicluelve prijzen ; maar deze verstaan niet dat zij zichzelve meten en zich-zelve met zicl«elve vergelijken. 13 Doch wij zullen niet roemen buiten de maat, maar daarin dat wij naar de maat des regels, welke maat God ons toegedeeld heeft, ook tot u toe zijn gekomen. 14 Want wij strekken ons-zelve niet te wijd uit, als die tot u niet zouden komen; want wij zijn ook gekomen tot u toe, in het Evangelie van Christus; 15 niet roemende huiten de maat in anderer arbeid, maar hehhende hoop , als uw geloof zal gewassen zijn, dat wij onder ulieden overvloediglijk zullen vergroot worden naar onzen regel, 1(gt; om het Evangelie te verkondigen in de plaatsen die aan gene zijde van u t/fleyen zijn, niet om te roemen in eens anders regel over hetgeen aireede bereid is. 17 Doch wie roemt, die roeme in Jen Ileere; 18 want niet die zichzelven prijst, maar dien de Ileere prijst, die is beproefd. HOOFDSTUK 11. Och of gij mij een weinig verdroegt in de onwijsheid; ja, ook verdraagt mij. 2 Want ik ben ijverig over u met eenen ijver Gods. Want ik heb ulieden toebereid, om K als eene reine maagd aan (•i:nen man voor te stellen, namelijk aan Christus; 3 doch ik vreeïe dat eenigs-zins gelijk de slang Eva door hare arglistigheid bedrogen heeft, alzóó uwe zinnen bedorven worden, om uj\' te wij-ilIKRS IK 2Ö1 |
ken van de eenvoudigheid die in Christus is. 4 Want indien degene die komt eenen anderen Jezus predikte, dien wij niet gepredikt hebben, of indien gij eenen anderen Geest ontvingt, dien •jij niet hebt ontvangen, qf een ander Evangelie, dat gij niet hebt aangenomen, zoo verdroegt gij hem met recht; 5 want ik acht dat ik nergens in minder ben geweest dan de uitnemendste Apostelen. (gt; En indien ik ook onbedreven ben in woorden, nochtans ben ik het niet in wetenschap; maar alleszins zijn wij in alle dingen onder u openbaar geworden. 7 Heb ik zonde gedaan, als ik mijzelven vernederd heb opdat gij zoudt verhoogd worden, overmits ik u het Evangelie Gods om niet verkondigd heb ? 8 Ik heb andere gemeenten beroofd, bezolding van haar nemende om u te bedienen; en als ik bij u tegenwoordig was en gebrek had, ben ik niemand lastig gevallen. 9 Want mijn gebrek hebben de broeders vervuld die van Macedonië kwamen; en ik heb mijzelven in alles gehouden zonder u te bezwaren en zal mi) nog alzoo houden. 10 De waarheid van Christus is in mij , dat deze roem in de gewesten van Achaje aan mij niet zal verhinderd worden. 11 Waarom? Is het omdat ik u niet liefheb? God weet het. 13 Maar dat ik doe, dat zal ik nög doen, om de oorzaak af te snijden dengenen die oor; zaak hebben willen, opdat zij in \'t geen zij roemen bevonden mochten worden gelijk.als wij. 13 Want zulke valsche apostelen zijn bedrieglijke arbeiders , zich veranderende in Apostelen van Christus. |
|
262 2 CORIKl 14 En het is jyeon -wondpr; want de satan zelf verandert zich in eenen Enjrel des lichts : 1quot;» zoo is het dan niets ffroots indien ook zijne dienaars zich veranderen als waren ze dienaars der gerechtisrheid; van welke het einde zal zijn naar hunne werken. 1(5 Ik zeg: wederom, dat niemand meene dat ik onwijs hen; doch zoo niet, neemt mij (/ati aan als eenen onwijze, opdat ik óók een weinig mag roemen. 17 Dat ik spreek, spreek ik niet naar den Heere, maar als in onwijsheid, in dezen vasten grond des roemens. 18 Dewijl velen roemen naar het vleesch, zoo zal ik óók roemen. 19 Want gij verdraagt gaarne de onwijzen, dewijl gij wijs zijt. 20 Want gij verdraagt het 200 u iemand dienstbaar maakt, zoo u iemand opeet, zoo iemand van ir. neemt, zoo zich iemand verheft, zoo n iemand in het aangezicht slaat. 21 Ik zeg dit naar oneer, alsof wij zwak waren geweest; maar waarin iemand stout is, (ik spreek in onwijsheid), daarin ben ik óók stout. 22 Zijn zij Hebreërs ? Tk ook. Zijn zij Israëlieten? Ik ook. Zijn zij het geslacht Abrahams? Ik ook. 23 Zijn zij dienaars van Christus ? (ik spreek onwijs zijnde:) ik ben boven heit: in arbeid overvloediger, in slagen uit-nemender, in fievantrenissen overvloediger, in doodsf/et-aar menigmaal. 24 Van de Joden heb ik veertig slagen min één vijfmaal ontvangen. 25 Driemaal ben ik met roeden gegeeseld geweest, ééns ben ik gesteenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, een ganschen nacht en dag heb ik in de diepte doorgebracht. |
EIIËRS 12. 2R In \'t reizen menigmaal in gevaren van rivieren , in gevaren van moordenaars, in gevaren van miin geslacht, in gevaren van de heidenen, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren op de zee, in gevaren onder de valsche broeders; 27 in arbeid en moeite, in waken menigmaal, in honger en dorst, in vasten menigmaal , in koude en naaktheid. 2S Behalve de dingen die van buiten zijn overvalt mij dagelijks de zorg van alle de gemeenten. 29 Wie is er zwak, dat ik niet zwak her ? Wie wordt er geërgerd, dat ik niet brande ? 30 Indien men moet roemen, zoo zal ik roemen de dingen mijner zwakheid. 31 De God en Vader onzes Heeren Jezus C iristus, die geprezen is in der eeuwigheid, weet dat ik niet lieg. 32 De Stadhouder van den Koning Aretas in Damascus bezette de stad der Damasce-ners, willende mij vangen. 33 En ik werd door een venster in eene mand over den muur nedergelaten, en ontvlood zijne handen. HOOFDSTUK 12. Te roemen ia mij waarlijk niet oorbaar. Want ik zal komen tot gezichten en openbaringen des Heeren. 2 Ik ken eenen mensch in Christus, vóór veertien jaren , (of het reschied zij in het lichaam wee», ik niet, of buiten het lichaam, weet ik niet. God weet het), dat de zoodanige opgetrokken is geweest tot in den (ierden hemel; 3 en ik ken een zoodanig mensch, (of liet in het lichaam of buiten het lichaam geschied zü weet ik riet. God weet het), 4 dat hij opgetrokken is geweest in het paradijs, enge- |
|
hoord heeft onnitsprckelijkc ■woorden, die het een mensch niet geoorloofd is te spreken. 5 Van den zoodanige zal ik roemen, doch van mijzelven zal ik niet roemen dan in mijne zwakheden. (gt; \'Want zoo ik roemen wil, ik zal niet onwijs zijn ; want ik zal de waarheid zeggen; maar ik houd daarvan af, opdat niemand van mij denke hoven hetgeen hij ziet dat ik hen , of dat hij nit mij hoort. 7 En opdat ik mij door de uitnemendheid der openharingen niet zoude verheften , zoo is mij gegeven een scherpe doorn in het vleesch , nameiijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zoude, opdat ik mij niet zoude verheften. 8 Hierover heb ik den Heere driemaal gebeden, opdat hij van mij zoude wijken. lt;• En hij heeft tot mij gezegd: Mijne genade is u genoeg, want mijne kracht wordt in zwakheid volbracht. Zoo zal ik dan veel liever roemen in mijne zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone. 10 Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in nooden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus wille ; want als ik zwak ben, dim ben ik machtig. 11 Ik ben roemend onwijs geworden: gij hebt mij genoodzaakt; wont ik behoorde van u geprezen te zijn ; want ik ben in geen ding minder geweest dan de uitnemendstc Apostelen, hoewel ik niets ben. 12 De merkteekenen van een Apostel zijn onder u betoond in alle lijdzaamheid, met teekenen en wonderen en krachten. 13 Want wat is er waarin gij minder geweest zijt dan [IIËRS 12. 2G3 |
de andere gemeenten, anders dan dat ik zelf u niet lastig ben geweest? Vergeeft mij dit ongelijk. 14 Zie, ik ben ten derden male gereed om tot u te komen , en zal u niet lastig zijn, want ik zoek niet het uwe maar u; want de kinderen moeten niet schatten vergaderen voor de ouders, maar de ouders voor de kinderen. 15 En ik zal zeer gaarne de kosten doen, en voor uwe zielen te koste gegeven worden ; hoewel ik u overvloediger beminnende minder bemind word. KJ Doch het zij zoo: ik heb u niet bezwaard, maar alzoo ik listig was, heb ik u met bedrog gevangen. 17 Heb ik door iemand dergenen die ik tot u gezonden heb van u mijn voordeel gezocht? 18 Ik heb Titus gebeden, en den broeder medegezonden: heeft ook Titus van u zijn voordeel gezocht ? Hebben wij niet in denzelfden geest gewandeld ? Hebben wij niet gewandeld in dezelfde voetstappen ? 19 Meent gij wederom dat wij ons bij u verontschuldigen ? Wij spreken in de tegenwoor-digheid Gods in Christus; en dit alles, geliefden, tot uwe stichting. 20 Want ik vreeze, dat als ik gekomen zal zijn, ik u niet eenigszins zal vinden zoodani-gen als ik wil, en dat ik van u zal gevonden worden zoodanig als gij niet wilt; dat daar eenigszins zijn twisten, nijdigheden, toorn, gekijf, achterklap, oorblazingen, opgeblazenheden , beroerten: 21 opdat wederom als ik zal gekomen zijn, mijn God mij niet vernedere bij u, en ik rouw hebbe over velen die te voren gezondigd hebben, en die zich niet bekeerd zullen |
|
2G4 2 CORINTHÏKRS 1 hebben van de onreinigheid en hoererij en ontuchtigheid die zij gedaan hebben. HOOFDSTUK 13. Dit is de derde maal dnt ik tot ii kom: in den mond viin twee of drie getuigen zal alle woord bestaan. 2 Ik heb het te voren gezegd, en zeg het te voren als tegenwoordig zijnde de tweede maal, en ik schrijf het nu afwezend aan degenen die te voren gezondigd hebben, en nan alle de anderen, dat zoo ik wederkom, ik hen niet zal sparen; 3 dewijl gij zoekt eene proeve van Christus die in mij spreekt, welke in u niet zwak is, maar krachtig is onder u. 4 Want hoewel hij gekruist is door zwakheid, zoo leeft hij nochtans door de kracht Góds ; want ook wij zijn zwak in hem, maar zullen met hem leven door de kracht Gods in u. 5 Onderzoekt uzelve of Rij in het geloof zijt, beproeft uzelve. Of kent trij uzelve niet, dat Jezus Christus in u is ? tenzij dat gij eenigszins verwerpelijk zijt. 6 Docii ik hoop dat gij zult verstaan dat wij niet verwerpelijk zijn. |
1, GALATIËRS 1. 7 En ik wensch van God dat gij geen kwaad doet; niet opdat wij beproefd zouden bevonden worden, maar opdat gij het goede zoudt doen en wij als verwerpelijk zouden zijn. 8 Want wij vermogen niets tegen de waarheid, maar voor de waarheid. 9 Want wij verblijden ons wanneer wij zwak zijn en gij sterk zijt; en wij wenschen ook dit, namelijk uwe volmaking. 10 Daarom schrijf ik afwezend deze dingen, opdat ik niet tegenwoordig zijnde gestrengheid zoude gebruiken, naar de macht, die mij de Heere gegeven heeft tot opbouwing en ni;t tot neder-werping. 11 Voorts, broecers, zijt blijde, wordt volmaakt, zijt getroost. zijt eensgezind, leeft in vrede: en de God der liefde en des vredes zal met u zijn. 12 Groet elkander met eenen heiligen kus. U groeten allo de heiligen. 13 De genade des Heeren Jezus Christus en de liefde Goda en de gemeenschap des Ileili-gen Gecstes zij met u allen. Amen. |
APOSTEL PAULUS
DE
nËRS.
DE BRIEF VAN
GALA
|
HOOFDSTUK 1. Paulus, een Apostel (geroepen niet van menschen, noch door een mensch, maar door |
Jezus Christus, en God den Vader die hem uit de dooden opgewekt heeft), 2 en alle de broeders die met mij zijn, aan de gemeenten van Galatië; |
|
3 grenade zij u en vrede van God den Vad er en onzen Heere Jezus Christus; 4 die zichzelven gegeven heeft voor onze zonden, opdat hij ons trekken zoude uit deze tegenwoordige boo^e wereld, naar den wil onzcs Gods en Vaders, 5 denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. A men. (i Ik verwonder mij, dat gij zoo haast wiikeude. van dengenen die u in de genade van Christus geroepen heeft, overgebracht \'wordt tot een ander Evangelie, 7 daar er seen ander is; maar daar zijn sommigen die u ontroeren en het Évangelie van Christus willen verkeeren. 8 Doch al ware het ook dat wij , of een Engel uit den hemel u een Evansrelie verkondigde buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt. 9 Gelijk wij te voren gezegd hebben , :oo zeg ik ook nu wederom ; indien u iemand een Evangelie verkondigt buiten hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt. 10 Want predik ik nu de men-Bchen of God ? Of zoek ik menschen te behagen ? Want indien ik nog menschen behaagde , zoo ware ik geen dienstknecht van Christus. 11 Maar ik maak u bekend, broeders, dat het Evangelie hetwelk van mij verkondigd is, niet is naar dén mensch. 12 Want ik heb ook hetzelve niet van een mensch ontvangen noch geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus. 13 Want gij hebt mijnen om-jrang gehoord die eertijds in het Jodendom was, dat ik uitnemend zeer de gemeente Gods vervolgde en dezelve verwoestte , 14 en dat ik in het Jodendom toenam boven velen van mijnen ouderdom in mijn ge- |
IKBS 2. 263 slacht, zijnde overvloediglijk ijverig voor mijne vaderlijke inzettingen. 1quot;) Maar wanneer het Gode behaagd heeft, die mij van mijn moeders lijf aan afgezonderd heeft, en geroepen door zijne genade, Ifi zijnen Zoon in mij te openbaren, opdat ik denzelven door het Evangelie onder de heidenen zoude verkondigen, zoo ben ik terstond niet te rade gegaan met vleesch en bloed, 17 en ben niet wederom gegaan naar Jeruzalem tot degenen die vóór mij Apostelen waren, maar ik ging henen naar Arabië, en keerde wederom naar Damascus. 18 Daarna kwam ik na drie jaren weder te Jeruzalem om l\'etrus te bezoeken, en ik bleef bij hem vijftien dagen , 19 en zag geenen anderen van de Apostelen dan Jacobus den broeder des lleeren. 20 Hetgeen nu dat ik u schrijf, zie , ik yetuiy voor God dat ik niet lieg. 21 Daarna ben ik gekomen in de gewesten van Syrië en van Cilicië. 22 En ik was van aangezicht onbekend aan de gemeenten in Judéa, die in Christus zijn. 23 Maar zij hadden alleenlijk gehoord dat meu zeide: Degene die ons eertijds vervolgde verkondigt nu het geloof hetwelk hij eertijds verwoestte. 24 En zij verheerlijkten God in mij. HOOFDSTUK 2. Daarna ben ik, na veertien jaren, wederom naar Jeruzalem opgegaan met Barnabas, ook Titus medegenomen heb-bende. 2 En ik ging óp door eene openbaring, en stelde hun het Evangelie voor dat ik predik onder de heidenen, en in \'t |
|
SfiR GALAT bijzonder denRpncn die in ach-tins waren, opdat ik niet soms tevergeefs zoude loopen of ge-loopen hebben. 3 Maar ook Titus die met mij was, een Griek zijnde, werd niet genoodzaakt zich te laten besnijden. 4 Kn dat om der ingekropen valsche broederen wille, die van terzijde ingekomen waren om te verspieden onze vrijheid die wij in Christus Jezus hebben , opdat zij ons zouden tot dienstbaarheid brengen, 5 denwelken wij ook niet een uur zijn geweken met onderwerping, opdat de waarheid des Evangelies bij u zoude verblijven. (gt; En van degenen die geacht waren wat te zijn, hoedanigen zij eertijds waren verschilt mij niet: God neemt den persoon des menschen niet aan; want die geacht waren hebben mij niets toegebracht. 7 Maar daarentegen, als zij zagen dat mij het Evangelie der voorhuid toebetrouwd was, gelijk aan l\'etrus dat der besnijdenis ; 8 (want die in Petrus krach-tiglijk werkte tot het Apostelschap der besnijdenis, die werkte ook krachtiglijk in mij onder de heidenen); 9 en als Jacobus en Cefas en Johannes, die geacht waren pilaren te zijn, de genade die mij gegeven was bekenden, gaven zij mij en Barnabas de TechterArtnfZ der gemeenschap, opdat wij tot de heidenen en zij tot de besnijdenis zouden gaan. 10 Alleenlijk dat wij de armen zouden gedenken, hetwelk ik mij ook benaarstigd heb te doen. 11 En toen Petrus te Antiochië gekomen was, wederstond ik hem in het aangezicht, omdat hij te bestraffen was. |
12 Want eer sommigen van Jacobus gekomen waren-, at hij mede met de heidenen; maar toen zij gekomen waren, onttrok hij zich en scheidde zichzelven af, vreezende degenen die uit de besnijdenis waren. 13 En ook de andere Joden veinsden met hem, alzoo dat ook Unrnabas mede afgetrokken werd door hunne vein-zina:. 14 Maar als ik zag dat zij niet récht war. delden naar de waarheid des Evangelies, zei-de ik tot Petrus in aller tegenwoordigheid: Indien gij die een Jood zijt naar heidensche wijze leeft, en niet naar Jood-scïie wijze, waarom noodzaakt gij de heidenen naar de Jood-sclie wijze te leven? 15 Wij zijn van nature Joden, en niet zondaars uit de heidenen ; l(i doch wetende dat de mensch niet gerechtvaardigd wordt uit de werken der wet, maar door het geloof van Jezus Christus, zoo hebben wij ook in Christus Jezus geloofd , opdat wij zouden gerechtvaardigd worden uit het geloof van Christus en niet uit de werken der wet; daarom dat uit de werken der wet seen vleesch zal gerechtvaardigd worden. 17 Maar indien wij, die in Christus zoeken gerechtvaardigd te worden, ook zelve zondaars bevonden worden, is dan Christus een dienaar der zonde ? Dat zij verre. 18 Want indien ik hetgeen ik afgebroken he\'j wederom opbouw , zoo stel ik mijzelven tot een overtreder. 19 Want ik ben door de wet der wet gestorven, opdat ik Gode leven zoude. 20 Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vleesch leef, dat leef ik door het gele of des Zoons Gods, die mij liefgehad heeft en zich- |
|
zclvcn voor mij overgegeven beeft. 21 Ik doelde genade Gods niet te niet. Want indien de rechtvaardigheid door de wet is, zoo is dan Christus tevergeefs gestorven. HOOFDSTUK 3. O gij uitzinnige Galatiërs, ■wie heeft u hetooverd , dat fdj der waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn, denwelken Jezus Christus voor de oojren te voren geschilderd is geweest, onder u jrekruist zijnde ? 2 Dit alleen wil ik van u lee-ren, hebt gij den Geest ontvangen uit de werken der wet of uit de prediking des jjeloofs ? 3 Zijt gij zóó uitzinnig? Daar fój met den Geest begonnen zijt, voleindigt gij nu met het vleesch? 4 Hebt gij zóóveel tevergeefs geleden ? indien ook maar te-vergeefs! 5 Die u dan den Geest verleent. en krachten onder u werkt. doet hij dat uit de werken der wet of uit de predi-kimr des geloofs? () Gelykerwijs Abraham Go-de geloofd heeft, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend, 7 zoo verstaat gij dan, dat degenen die uit het geloof zijn Abrahams kinderen zijn. 8 En de Schrift te voren ziende daï God de heidenen uit het geloof zoude rechtvaardijren, heeft te voren aan Abraham het Evangelie verkondigd, zeggende: In u zullen alle de volkeren gezegend worden. 9 Zoo dan die uit het geloof zijn worden ireze^end met den geloovigen Abraham. 10 Want zoovelen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder den vloek; want daar ia geschreven : Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen. |
KRS 3. 207 11 En dat niemand door de wet gerechtvaardigd wordt voor God, is openbaar; want de rechtvaardige zal uit het geloof leven. 12 Doch de wet is niet uit het geloof, maar de mensch die deze dingen doet zal door dezelve leven. 13 Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons ; want daar is geschreven : Vervloekt is een iegelijk die aan het hout hangt. 14 Opdat de zegening Abrahams tot de heidenen komen zoude in Christus Jezus, en opdat wij de belofte des Gees-tes verkrijgen zouden door het geloof. 15 Broeders, ik spreek naar den mensch: zelfs een men-schen verbond dat bevestigd is doet niemand te niet, of niemand doet daartoe. 1(gt; Nu zoo zijn de beloftenissen tot Abraham en zijn zaad gesproken. Hij zegt niet: En den zaden, als van velen: maar als van (\'■én: En uwen zade, hetwelk is Christus. 17 En dit zeg ik: Het verbond, dat te voren van God bevestiffd is op Christus, wordt door de wet, die na vierhonderd en dertiff jaar gekomen is, niet krachteloos gemaakt om de beloftenis te niet te doen. 18 Want indien de erfenis uit de wet is , zoo is ze niet meer uit de beloftenis; maar God heeft ze Abraham door de be-loftenis genadiglijk gegeven. 19 Waartoe is dan de wet ? Zij is om der overtredingen wille daarbij gesteld, totdat het zaad zoude gekomen zijn, dien het beloofd was; en zij is door de Engelen besteld in de hand des middelaars. 20 En de middelaar is niet middelaar van éénen, maar God is ^én. 21 Is dan de wet tegen de |
|
268 GALAT beloftenissen Gods? Dat zij zij verre. quot;Want indien daar eene wet frejfeven ware die machtig: was levend te maken , zoo zoude waarlijk de rechtvaardigheid uit de wet zijn. 22 Maar de Schrift heeft het alles onder de zonde besloten, opdat de belofte uit het geloof van Jezus Christus den ge-ioovigen zoude gegeven worden. 2:lt; Doch eer het geloof kwam waren wij onder de wet in bewaring gesteld, en zijn besloten geweest tot op het geloof dat geopenbaard zoude worden. 24 Zoo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden; 25 maar als het geloof gekomen is, zoo zijn wij niet meer onder den tuchtmeester. 2(5 Want gij zijt allen kinderen Gods door het geloof in Christus Jezus. 27 Want zoovelen als (rij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan. 28 Daarin is noch Jood noch Griek, daarin is noch dienstbare noch vrije, daarin is geen man en vrouw. Want gij allen ziit één in Christus Jezus. 29 En indien KÜ van Christus zijt, zoo zijt gij dan Abrahams zaad , en naar de beloftenis erfgenamen. HOOFDSTUK 4. Doch ik zeg, zoo langen tijd nis de erfgenaam een kind is, zoo verschilt hij niets van een dienstknecht, hoewel hij een heer is van alles , 2 maar hij is onder voogden en verzorgers, tot den tijd van den vader te voren gesteld. 3 Alzóó wij ook toen wij kinderen waren, zoo waren wij dienstbaar gemaakt onder de |
ËRS 4. eerste beginselen der wereld; 4 maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God zijnen Zoon uitgezonden, geworden uit eene vrouw, geworden onder de wet, 5 opdat hij degenen die onder de wet waren verlossen zoude, ca opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden. (• En overmits gij kinderen zijt. zoo heeft God den Geest zijns Zoons uitgezonden in u-we harten, die roept: Abbat Vader! 7 Zoo dan gij zijt niet meer een dienstknecht maar een zoon; en indien gij een zoon zyt, zoo zijt gij ook een erfgenaam Gods door Christus. 8 Maar toen als gij God niet kendet, diendet «ij deirenen die van nature geen goden zijn ; 9 en nu als jrij God kent, ja veel meer van Go J gekend zijt, hoe keert gij u wederom tot de zwakke en ar ue eerste beginselen, welke ffij wederom van voren aan wilt dienen? 10 Gij onderhoudt dagen, en maanden, en tijden, en jaren. 11 Ik vreeze voor u, dat ik soms tevergeefs aan u gearbeid heb. 12 Weest gij als ik, want ook ik ben -als {rij; broeders, ik bid u : gij hebt mij geen ongelijk gedaan. i:{ En ifij weet dat ik u door zwakheid des vleesches het E-vangelie de eevste maal verkondigd heb, 14 en mijne verzoeking die in mijn vleesch qeschiedde hebt jrij\' niet veracht noch verfoeid, maar gij naaait mij aan als eenen Enijel Gods, Ja als Christus Jezus. 15 Welke was dan uwe ge-lukachting? Want ik geef u getuigenis, dat gij, zoo het mogelijk ware, uwe oogen zoudt uitgegraven en mij gegeven hebben. lü lien ik Jan uw vijand ge- |
|
GALAT Wovdcn, u de waarheid zeggende ? 17 Zij ijveren niet recht over u, maar zij willen ons uitsluiten, opdat gü over hen zoudt ijveren. 18 Doch in het goede allen tijd te ijveren is goed, en niet alleenlijk als ik bij u tegenwoordig ben, 19 mijne kinderkens, die ik wederom arbeide te baren , tot Christus cene gestalte in n krijge. 20 Doch ik wilde dat ik nu teirenwoordig bij u ware, en mijne stem mocht veranderen; want ik ben in twijfel over u. 21 Zegt mij , ?ij die onder de wet wilt zijn, hoort gij de wet niet? 22 Want daar is geschreven , dat Abraham twee zonen had, (quot;■énen uit de dienstmaagd en é^nen uit de vrije. 2;i Maar gene die uit de dienstmaagd was, isnaar betvleesch geboren geweest; doch deze die uit de vrije was, door de beloftenis. 24 Hetwelk dingen zijn die andere beduiding hebben. Want deze zijn de twee verbonden: het (quot;\'ene van den berg Sinaï , tot dienstbaarheid barende, hetwelk is Ilagar. 25 Want dit, ntimeliik Hagar, is Sinaï, een berg in Arabic, en komt overéén met Jeruzalem dat nu is, en dienstbaar is met hare kinderen. 2G Maar Jeruzalem dat boven is, dat is vrij , hetwelk is onzer aller moeder. 27 Want daar is geschreven: Wees vroolijk, gij onvruchtbare die niet baart; breek uit en roep, gij die geen barensnood hebt; want de kinderen der eenzame zijn veel meer dan dergene die den man heeft. 28 Maar wij, broeders, zijn kinderen der belofte, als Isailk was. 20 Doch gelijkerwijs toen die naar het vleesch geboren was |
;ËRS 5. 269 dengene vervolgde dié naaiden geest geboren was, alzóó ook nu. :i0 Maar wat zegt de Schrift? Werp de dienstmaagd uit en haren zoon ; want de zoon der dienstmaagd zal geenszins erven met den zoon der vrije. 31 Zoo dan, broeders, wij zijn niet kinderen der dienstmaagd maar der vrije. HOOFDSTUK 5. Staat dan in de vrijheid met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen. 2 Zie, ik Paulus zeg u, zoo gij u laat besnijden, datChris-tiis u niets nut zal zijn ; 3 en ik betuig wederom aan een iegelijk mensch die zich laat besnijden, dat hij een schuldenaar is dc geheele wet te doen. 4 Christus is n ijdel geworden, die door de wet gerechtvaardigd wilt worden : gij zijt van de genade vervallen. 5 Want wij verwachten door den Geest uit het geloof de hope der rechtvaardigheid. fi Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis eenige kracht, noch voorhuid, maar het geloof, door de liefde werkende. 7 Gij liept wél: wie heeft u verhinderd der waarheid gehoorzaam te zijn? Dit gevoelen is niet uit hera die u roept. 9 Een weinig zuurdeesem verzuurt het geheele deeg. 10 Ik vertrouw van u in den Heere, dat ^ij niets anders zult gevoelen; maar die u ontroert zal het oordeel dragen, wie hij ook zij. 11 Maar ik, broeders, indien ik nog de besnijdenis predik, waarom word ik nog vervolgd? Zoo is dan de ergernis des kruises vernietigd. |
|
SVO GALAT 12 Och of zij ook afgesneden wierden die u onrustig maken. 13 Want gij zijt tot vrijheid geroepen, broeders; alleenlijk yebruikt de vrijheid niet tót eene oorzaak voor het vleesch, maar dient elkander door de liefde. 14 Want de geheele wet wordt in één woord vervuld, namelijk in dit: Gij zult uwen naaste liefhebben gelijk uzelven. 15 Maar indien gij elkander bijt en vereet, ziet toe dat gij van elkander niet verteerd wordt. 16 En ik zeg, wandelt door den Geest, en volbrengt de begeerlijkheid des vleesches niet. 17 Want het vleesch bejreert tegen den Geest, en de Geest tegen het vleesch; en deze staan tegen elkander, alzoo dat gij niet doet hetgeen gij wildet. 18 Maar indien ?ij door den Geest geleid wordt, zoo zijt gij niet onder de wet. 19 De werken des vleesches nu zijn openbaar; welke zijn overspel, hoererij , onreinig-heid, ontuchtigheid, 20 afgoderij, venijngeving, vijandschappen, twisten, afgunstigheden , toorn, gekijf, tweedracht , ketterijen, 21 nijd, moord, dronken-schappen , brasserijen, en dergelijke; van dewelke ik u te voren zes, Kelijk ik ook te voren gezegd heb, dat die zulke dingen doen het Koninkrijk Gods niet zullen becr-vên. 22 Maar de vrucht des Gees-tes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid. 23 Tegen de zoodanigen is de wet niet. 24 Maar die van Christus zijn, hebben het vleesch gekruist met de bewegingen en begeerlijkheden. |
KRS 0 25 Indien wij door den Geest leven, zoo laat ons ook door den Geest wandelen. 2(i Laat ons niet zijn zoekers van ijdele eer, elkander tergende, elkander benijdende. HOOFDSTUK 6. Broeders, indien ook een mensch overvallen ware door eenige misdaad, gij die geestelijk zijt, brengt den zoodanige te recht met den geest der zachtmoedigheid: ziende op u-zelven, opdat ook gij niet verzocht wordt. 2 Draagt elkanders lasten, en vervult alzóó de wet van Christus. 3 Want zoo iemand meent iets te zijn daar hij niets is, die bedriegt zichaelven in zijn gemoed. 4 Maar een iegelijk beproeve zijn eigen werk; tn alsdan zal hij aan zichzelven alleen roem hebben, en niet aan een ander. 5 Want een iegelijk zal zijn eigen pak dragen. 6 En die onderwezen wordt in het Woord deele mede van alle goederen dengene die hem onderwijst. 7 Dwaalt niet. God laat zich niet bespotten. Want zoo wat de mensch zaait, dat zal hij ook maaien. 8 Want die in zijn eigen vleesch zaait zal uit het vleesch verderfenis maaien, maar die in den geest zaait zal uit den geest het eeuwige leven maaien. \'J Doch laat ons goed doende niet vertragen; want te zijner tijd zullen wij naaien, zoo wij niet verslappen. 10 Zoo dan terwijl wij tijd hebben , laat ons goed doen aan allen, maar meest aan de hulsgenoocen des geloofs. 11 Ziet hoe grooten brief ik u geschrever. heb met mijne hand. 12 Alle degenen die een |
EFEZ1ËRS 1.
1171
|
schoon gelaat willen toonen naar het vleesch, die noodzaken u besneden te worden, alleenlijk opdat zij van wege het kruis van Christus niet zouden vervolgd worden. 13 Want ook zijzelve die besneden worden houden de wet niet; maar zij willen dat gij besneden wordt, opdat zij in uw vleesch roemen zouden. 14 Maar het zij verre van mij dat ik zoude roemen anders dan in het kruis onzes lleeren Jezus Christus, door welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld, 15 want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis eenige kracht, noch voorhuid, maar een nieuw schepsel. |
10 En zoovelen als er naar dezen regel zullen wandelen, over dezelve zal zijji vrede en barmhartigheid, en over het Israël_ Gods. 17 Voorts niemand doe mij moeite aan: want ik draag de litteekenen des lleeren Jezus in mijn lichaam. 18 De genade onzes lleeren Jezus Christus zij met uwen geest, broeders. Amen. |
DE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS
EFEZIERS.
|
HOOFDSTUK 1. Paulus , een Apostel van Jezus Christus door den wille Gods, aan de heiligen die te Efeze zijn en geloovigen in Christus Jezus: 2 genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heere Jezus Christus. 3 Gezegend zij de God en Vader onzes lleeren Jezus Christus, die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus. 4 Gelijk hij ons uitverkoren heeft in hem vóór de irrond-legging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor hem in de liefde, 5 die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot-kinderen door Jezus Christus in zichzelven , naar het welbehagen van zijnen wil. |
rgt; tot prijs der heerlijkheid zijner genade door welke hij oiis begenadigd heeft in den Geliefde, 7 in welken wij hebben de verlossing door zijn bloed , namelijk dequot; verfrevinsf der misdaden , naar den rijkdom zijner genade, 8 met welke Ir.j overvloedig is geweest over ons in alle wijsheid en voorzichtigheid, ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid van zijnen wil, naar zijn welbe-hagen, \'t welk hij voorgenomen had in zichzelven, ■ 10 om in de bedeeling van de volheid der tijden wederom alles tot één te vergaderen in Christus, beide dat in den hemel is en dat op de aarde is, 11 in hem in welken wij ook een erfdeel geworden zijn, wij die te voren verordineerd waren naar het voornemen des- |
ÊÏEZIËRS 2.
272
|
^cnnn die alle dingen ■werkt naar don raad van zijnen wil, 12 opdat wij zouden zijn tot prijs zijner heerlijkheid, wij die eerst in Christus gehoopt hebben. l.\'{ In welken ook crij zijt, nadat gij het woord der waarheid, namelijk het Evangelie? uwer zaligheid )a gehoord hebt; in ■welken snj ook, nadat irij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte, 14 die het onderpand is van onze erfenis tot de verkregene verlossing, tot prijs zijner heerlijkheid. ló Daarom ook ik, gehoord hebbende het geloof in den Heere\' Jezus dat onder u is, en de liefde tot alle de heiligen, l(i houd niet op voor u te danken, gedenkende uwer in mijne gebeden, 17 opdat de Gód onzes Ilee-n-n Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid . u geve den Geest der wijsheiden der openbaring in zijne kennis, 18 namelijk verlichte oogen uws verstands, opdat ïij moogt weten welke zij de hope van zijne roeping, en welke de rijkdom zij van de heerlijkheid zijner erfenis in de heiligen; l\'J en welke de uitnemende grootheid zijner kracht zij aan ons die gelooven, naar de werking der sterkte zijner macht, 20 die hij gewrocht heeft in Christus, als hij hem uit de dooden heeft opgewekt en hem heeft gezet tot zijne rechter-hnnd in den hemel, 21 verre, boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij , en allen naam die, genaamd wordt niet alleen in deze wereld maar ook in de toekomende, 22 en heeft alle dingen zijnen voeten onderworpen, en heeft hem der gemoente gegeven tot een hoofd boven alle dingen, |
23 welke zijn lichaam is, en de vervulling desgenen die alles in allen vervult. HOOFDSTUK 2. En u heeft hij mede lovend (jemankt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden , 2 in welke gij eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw dezer wereld, naar den overste van de macht der lucht, van den geest die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid, \'A onder dewelke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vlee-sches, doem e den wil des vleesches en der gedachten, en wij waren van nature kinderen des tooms gelijk ook de anderen. 4 Maar God, die rijk is in barmhartigheid, door zijne groote liefde, waarmede hij ons liefgehad 1 eeft, 5 ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus, (uit genade zijt gij zalig ge-wordenj, ü en heeft ons mede opgewekt , en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus, 7 opdat hij zoude betoonen in de toekomende eeuwen den uitnemenden rijkdom zijner genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus. 8 Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave: 9 niet uit c\'e werken, opdat niemand rorme. 10 Want wij zijn zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft opdat wij in dezelve zouden wandelen. 11 Daaroo gedenkt, dat gij die eertijdi heidenen waart in het vleesch, en die voorhuid |
EFEZIERS 3.
|
gchaamd werdt van degenen die genaamd zijn besnijdenis in het vlecsch, die met handen geschiedt, dat gij in dien tijd waart zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israels en vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hope hebbende en zonder God in de wereld. l.T Maar nu in Christus Jezus gij, die eertijds verre waart, zilt nabij geworden door het bloed van Christus. 14 Want hij is onze vrede, die deze beide één gemaakt heeft, en den middelmuur des afacheidsels gebroken hebbende , 15 heeft hij de vijandschap in zijn vleesch te niet gemaakt, namelijk de wet der geboden in inzettingen bestaande, opdat hij die twee in zichzelven tot éénen nieuwen mensch zoude scheppen, vrede makende , 1(5 en opdat hij die beide met God zoude in één lichaam verzoenen door het kruis, de vijandschap aan hetzelve gedood hebbende. 17 En komende heeft hij door het Evangelie vrede verkondigd u die verre waart en dien die nabij waren. IS Want door hem hebben wij beiden den toegang door éénen Geest tot den Vader. 19 Zoo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en biiwoners, maar medeburgers der heiligen en huisgenooten Gods, 20 gebouwd op het fundament der Apostelen en Profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen, 21 op welken het geheele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot eenen heiligen Tempel in den lleere , 22 op welken ook gij mede-gebouwd wordt totcene woonstede Gods in den Geest. |
HOOFDSTUK 3. Om deze oorzaak ben ik Pau-lus de gevangene van Christus Jezus voor u die heidenen zijt: 2 indien gij maar gehoord hebt van de bedeeiing der genade Gods die mij gegeven is aan u, 3 dat hij mij door openbaring heeft bekend gemaakt deze verborgenheid, (gelijk ik met weinige woorden te voren geschreven heb, 4 waaraan gij dit lezende kunt bemerken mijne wetenschap in deze verborgenheid van Christus), 5 welke in andere eeuwen den kinderen der menschen niet is bekend gemaakt, gelijk ze nu is geopenbaard aan zijne heilige Apostelen en Profeten door den Geest: (» namelijk dat de heidenen zijn mede-erfgenamen, en van hetzelfde lictiaaiu, en mede-deelgenooten zijner belofte in Christus door het Evangelie, 7 waarvan ik een dienaar geworden ben naar de gave der genade Gods, die mij gegeven is naar de werking zijner kracht. 8 Mij, den allerminste van alle de heiligen, is deze genade gegeven, om onder de heidenen door het Evangelie te verkondigen den onnaspeur-lijken rijkdom van Christus, y en allen te verlichten, dat ze mogen verstaan welke de gemeenschap der verborgenheid zij, die van alle cenwen verborgen is geweest in God, welke alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus, 10 opdat nu door de gemeente bekend gemaakt worde aan de overheden en de machten in den hemel de veelvuldige wijsheid Gods, 11 naar het eeuwig voornemen dat hij gemaakt heeft in Christus Jezus onzen Heere, |
18
|
274 EFEZ] 12 in dcnwclken wij hebben de vrijmoedigheid en den toe-ff.ang: met vertrouwen, door het geloof juin hem. 13 Daarom bid ik dat gij niet vertraagt in mijne verdrukkingen voor u, hetwelk is uwe heerlijkheid. 14 Om deze oorzaak buig ik mijne knieën tot den Vader onzes Ueeren Jezus Christus, 15 uit welken al het geslacht in de hemelen en op de aarde genaamd wordt, 16 opdat hij u geve, naar den rijkdom zijner heerlijkheid, met kracht versterkt te worden door zijnen Geest in den inwendigen mensch, 17 opdat Christus door het geloof in uwe harten wone, en gij in de liefde geworteld en gegrond zijt; 18 opdat gij ten volle kondet begrijpen met alle de heiligen , welke de breedte en lengte en diepte en hoogte zij , 19 en bekennen de liefde van Christus die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot al de volheid Gods. 20 Hem nu die machtig is meer dan overvloedig te doen boven al wat wij bidden of denken, naar de kracht die in ons werkt, 21 hem zen ik zij de heerlijkheid in de gemeente door Christus Jezus, in alle geslachten, tot alle eeuwigheid. Amen. HOOFDSTUK 4. Zoo bidde ik u dan, ik de gevangene in den Heere, dat gij wandelt waardiglijk der roeping met welke gij geroepen zijt, 2 met alle ootmoedigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, verdragende elkander in liefde, 3 u benaarstigende te behouden de eenigheid des Geestes door den band des vredes. |
4 Eén lichaam is het en één Geest, gelijkerwijs gij ook geroepen zijt tot ééne hoop uwer roeping; 5 één Heere. één geloof, één doop; fi één God en Vader van allen, die daar is boven allen en door allen en in u allen. 7 Maar aan elk van ons is de genade gegeven naar de mate der gave van Christus. 8 Daarom zegt hij : Als hij opgevaren is in de hoogte, heeft hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft den menschen ga\\en gegeven. S) Nu dit: Hij is opgevaren, wat is het, dan dat hij ook eerst is nedergedaald in de benedenste deelen der aarde ? 10 Die nedergedaald is, is dezelfde ook d e opgevaren is ver boven all ? de hemelen, opdat hij alle dingen vervullen zoude. 11 En dezelve heeft gegeven sommigen tot Apostelen, en sommigen tot Profeten, en sommigen tot Evangelisten, en sommigen tot Herders en Leeraars, 12 tot de volmaking der heiligen tot het werk der bediening, tot opbouwing des lichaams van Christus, 13 totdat wij allen zullen komen tot de eenigheid des ge-loofs en der kennis van den Zoon Gods, tot eenen volkomen man, tot de mate van de grootte der volheid van Christus; 14 opdat w j niet meer kinderen zoudea zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allerlei wind der leer, door ie bedriegerij der menschen, door arglistigheid om listigli.\'k tot dwaling te brengen, 15 maar d( waarheid betrachtende in li jfde, alleszins zouden opwassen in hem die het het hoofd is, namelijk Christus, |
|
16 uit welken het gchcele lichaam, bekwamelijk te za-men gevoegd en te zamen vastgemaakt zijnde door alle voegselen der toebrenging, naar de werking van ieder deel in zijne mate, den wasdom des licliaams bekomt, tot zijns zelfs opbouwing in de liefde. 17 Ik zeg dan dit en betuig het in den Ileere, dat gij niet meer wandelt gelijk als de andere heidenen wandelen in de ijdelheid huns gemoeds; 18 verduisterd in het verstand, vervreemd zijnde van het leven Gods, door de onwetendheid die in hen is, door de verharding huns harten, 19 welke ongevoelig geworden zijnde, zichzelve hebben overgegeven tot ontuchtigheid, om alle onreinigheid gieriglijk te bedrijven. 20 Doch gij hebt Christus al-zóó niet geleerd, 21 indien gij maar hem gehoord hebt en door hem geleerd zijt, gelijk de waarheid in Jezus is, 22 te loeten dat gij zoudt afleggen , aangaande de vorige wandeling, den ouden mensch die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding, 23 en dat gij zoudt vernieuwd worden in den geest uws gemoeds , 24 en den nieuwen mensch aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid. 25 Daarom legt èf de leugen, en spreekt de waarheid een iegelijk met zijnen naaste; want wij zijn elkanders leden. 2\') Wordt toornig en zondigt niet: de zon jja niet onder over uwe toornigheid, 27 en geeft den duivel geene plaats. 23 Die gestolen heeft stele niet meer, maar arbeide liever, werkende wat goed is met de handen, opdat hij hebbe mede £RS 5. 275 |
te deelen dengenen, die nood heeft. 29 Geen vuile rede ga uit u-wen mond. maar zoo er eenige goede rede is tot nuttige stichting, opdat zij genade geve dien die ze hooren. 30 En bedroeft den Heiligen Geest Gods niet, door welken gij verzegeld zijt tot den dag der verlossing. 31 Alle bitterheid en toornigheid en gramschap en geroep en lastering zij van u geweerd, met alle boosheid. 32 Maar zijt jegens elkander goedertieren, barmhartig, vergevende elkander, gelijkerwijs ook God in Christus ulieden vergeven heeft. HOOFDSTUK 5. Zijt dan navolgers Gods, als geliefde kinderen; 2 en wandelt in de liefde, ge-lijkerwijs ook Christus ons liefgehad heeft en zichzelven voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer , Gode tot eenen welrie-kenden reuk. 3 Maar laat hoererij en alle onreinigheid of gierigheid onder u ook niet Kenaamd worden, jrelijkerwijs het den heiligen betaamt; 4 noch oneerbaarheid, noch zot geklap, of gekkernij , welke niet betamen, maar veel meer dankzegging. 5 Want dit weet gij, dat geen hoereerder. of onreine, of jrie-rigaard, die een afgodendienaar is erfenis heeft in het Koninkrijk van Christus en van God. (5 Dat u niemand verleide met ij de le woorden; want om deze dingen komt de toorn Gods over de kinderen der ongehoorzaamheid. 7 Zoo zijt dan hunne mede-genooten niet. 8 Want gij waart eertijds duisternis, maar nu zijt gij |
|
276 EFEZ1 licht in den Ilecrc: wandelt als kindoren des lichts, 9 (want de vrucht des Geestes is in alle goedigheid en rechtvaardigheid en waarheid), 10 benroevende wat den Ilee-re weloehagelijk zij. 11 En hebt geen gemeenschap met de onvruchtbare werken der duisternis, maar bestraft ze ook veeleer. . 12 Want hetgeen heimelijk van hen geschiedt, is schandelijk ook te zeggen. KJ Maar alle deze dingen van het licht bestraft zijnde worden openbaar; want al wat openbaar maakt is licht. I-} Daarom zegt hij: Ontwaak gij die slaapt en sta op uit de dooden, en Christus zal over u lichten. 15 Ziet dan hoe gij voorzich-tiglijk wandelt, niet als on-wijzen maar als wijzen, ligt; den tijd uitkoopende, dewijl de dagen boos zijn. 17 Daarom zijt niet onverstandig, maar verstaat welke de wil des Heeren zij. . 18 En wordt niet dronken van wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met den Geest, 19 sprekende onder elkander piet psalmen en lofzangen en geestelijke liedekens, zingende en psalmende den Heere in uw hart, 20 dankende altijd over alle dingen God en den Vader in den naam onzes Heeren Jezus Christus, 421 elkander onderdanig zijnde in de vreeze Gods. 22 Gij vrouwen, weest uwen eigen mannen onderdanig, gelijk den lieere: -3 want de man is het hoofd der vrouw, gelijk ook Christus het hoofd der gemeente is ; en hij is de behouder des lichaams. 24 Daarom gelijk de gemeente Christus onderdanig is, al-zóó ook de vrouwen haren eigen mannen in alles. |
£RS 6. 25 Gij mannen, hebt uwe eigene vrouwen lief, gelijk ook Christus de gemeente liefgehad heeft en zichzelven voor haar heeft overgegeven, 2(gt; opdat hij zè heiligen zoude, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het Woord, 27 opdat hij ze zichzelven zoude heerlijk voorstellen, eene gemeente die geen vlek of rimpel heeft of iets dergelijks, maar dat zii zoude heilig zyn en onberispelijk. 28 Alzóó sijn de mannen schuldig hunne eigene vrouwen lief te he iben gelijk hunne eigene lichamen. Die zijne eigene vrouw liefheeft, die heeft zichzelven lief. 29 Want niemand heeft ooit zijn eigen vleesch gehaat, maar hij voedt het en onderhoudt het, gelijkerwijs ook de Heere de gemeente. 30 Want wij zijn leden zijns lichaams, van zyn vleesch en van zijn been. 31 Daarom zal een mensch zijn vader en moeder verlaten en zal zijne vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vleesch wezen- 32 Deze verborgenheid is groot, doch ik zeg dit, ziende op Christus en op de gemeente. 33 Zoo dan ,iok gijlieden elk in \'t bijzonder, een iegelijk hebbe zijne eigen vrouw alzóó lief als zichzelven; en de vrouw zie dat zij den man vreeze. HOOFDSTUK G. Gij kinderen, zijt uwen ouders gehoorzaam in den Heere; want dat in recht. 2 Eer uwen vader en uwe moeder, .hetwelk het eerste gebod is met een belofte), 3 opdat net u wèl ga en dat gij lang Ireft op aarde. 4 En gij vaders, verwekt uwe kinderen niet tot toorn, maar |
|
EFEZ1 voedt zo op in de leering en vermaning des Heeren. Gij dienstknechten, zijt ge-lioorznam uwen heeren naar het vleeseh, met vreeze en beven, in eenvoudigheid nws harten gelijk als aan Christus, (5 niet naar oogendienat als mensehenbehagers, maar als dienstknechten van Christus, doende den wil Gods van harte, 7 dienende met goedwilligheid den Heere en niet de menschen, \' 8 wetende dat zoo wat goed i een iegelijk gedaan zal hebben, hij dat van den Heere zal ont-j vangen, hetzij dienstknecht hetzij vrije. 9 Kn gij heeren, doet hetzelfde bij hen, nalatende de dreiging , als die weet dat ook uw eigen Heere in de hemelen is, en dat er geene aanneming des persoons bij hem is. 10 Voorts mijne broeders, ! wordt krachtig in den Heere en in de sterkte zijner macht. 11 Doet Mn de geheele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels. 12 Want wij hebben den strijd hiet tegen vleeseh en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht. 13 Daarom neemt il.ln de geheele wapenrusting Gods, opdat gij kunt wederstaan in den boozeh dag, en alles verricht hebbende staande blijven. 14 Staat dan uwe lendenen omgord hebbende met de waarheid , en aangedaan hebbende |
KRS 6. 277 het borstwapen der gerechtigheid , 15 en de voeten geschoeid hebbende met bereidheid van het Evangelie des vredes ; li} bovenal aangenomen hebbende het schild des geloofs, met hetwelk gij alle de vurige pijlen des boozen zult kunnen uitblusschen. 17 En neemt den helm der zaligheid, en het zwaard des Geestes, \'t welk is Gods Woord; 18 met alle bidding en smeeking biddende te allen tijde in den geest, en tot hetzelve wakende met alle gedurigheid en smeeking vooralle de heiligen, 19 en voor mij , opdat mij het Woord gegeven worde in de opening mijns monds, met vrijmoedigheid om de verborgenheid des Evangelies bekend te maken; 20 waarover ik een gezant ben in een keten: opdat ik in hetzelve vrijmoediglijk mag spreken gelijk mij betaamt te spreken. 21 En opdat ook gij moogt weten hetgeen mij aangaat en wat ik doe, tint alles zal u Tychicus, de geliefde broeder en getrouwe dienaar in den Heere, bekend maken; 22 denwelken ik te dien einde tot u gezonden heb, opdat gij onze zaken zoudt weten en hij uwe harten zoude vertroosten. 2:lt; Vrede zij den broederen en liefde met geloof, van God den Vader en den Heere Jezus Christus. 24 De genade zij met alle degenen die onzen Heere Jezus Christus liefhebben in onverderfelijkheid. Amen. |
DE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS
FILIPPENZEN.
|
HOOFDSTUK 1. Faulus en Timotheüa, dienstknechten van Jezus Christus, aan alle de heiligen in Christus Jezus die te Filippi zijn, niet de Opzieners en Diake-nen: 2 genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heere Jezus Christus. Ik dank mijnen God zoo dikwijls als ik uwer gedenk, 4 (altijd in al mijn gebed voor u allen met blijdschap het gebed doende), 5 over uwe gemeenschap aan het Evangelie, van den eersten dag af tot nu toe: 6 dit vertrouwende, dat hij die in u een goed werk begonnen heeft, dut voleindigen zal tot op den d.ag van Jezus Christus; 7 gelijk het bij mij recht is dat ik van u allen uit gevoel, omdat ik in mijn harte houd dat gij, beide iri mijne banden en in mijne verantwoording en bevestiging des Evangelies, gij allen zey ik mijner genade mede deelachtig zijt. 8 quot;Want God is mijn getuide, hoe zeer ik begeerig ben naar u allen met innerlijke bewegingen van Je/.us Christus. U En dit bidde ik God, dat uwe liefde nog meer en meer overvloedig worde in erkentenis en alle gevoelen, |
10 opdat gij beproeft de dingen die daarvan verschillen: opdat gij oprecht zijt en zonder aanstoot te geven, tot den dag van Christus, 11 vervuld met vruchten der gerechtigheid die door Jezus Christus zijn , tot heerlijkheid en prijs van God. 12 En ik w»l dat gij weet» broeders, dat hetgeen aan mij i# (/esc/iied meer tot bevordering des Evangelies gekomen is; IS alzoo dat mijne banden in Christus openbaar geworden zijn in \'t gansche Rechthuis en aan alle anderen, 14 en dat het nwvrendeel der broederen in den Heere, door mijne banden vertrouwen gekregen hebbende, overvloediger het quot;Woord onbevreesd durven spreken. 15 bommigen prediken ook wel Christus door nijd en twist, maar sommigen ook door goedwilligheid. 16 Gene verkondigen wel Christus uit twisting niet zuiver, meenende aan mijne banden verdrukking toe te brengen ; 17 doch deze uit liefde, dewijl zij weten dit ik tot verantwoording di s Evangelies gezet ben. 18 Wat dan? Nochtans wordt Christus op allerlei wijze, hetzij onder een deksel hetzij in waarheid, verkondigd, en daarin verblijd ik mij, ja, ik zal mij ook verblijden. 19 Want ik weet dat dit m\'j ter zaligheid gedijen zal door |
|
mv p;cbed en toehreniïing des Geestes van Jezus Christus, 20 volgens mijne ernstige verwachting en hoop, dat ik in geene zaak zal beschaamd worden , maar dat in alle vrijmoedigheid, gelijk .altijd alzoo ook nu, Christus zal jrroot gemaakt worden in mijn lichaam, hetzij door het leven hetzij door den dood. 21 Want het leven is mij Christus, en het sterven is mii gewin. 22 Maar of te leven in het vleesch, hetzelve mij oorbaar zij, en wat ik verkiezen zal, weet ik niet. 23 Want ik word van deze twee gedrongen, hebbende begeerte om ontbonden te worden en met Christus te zijn ; want dat is zeer verre het beste; 24 maar in het vleesch te blijven is noodiger om uwentwille. 2ö En dit vertrouw en weet ik, dat ik zal blijven en met u allen zal verblijven tot uwe bevordering en blijdschap des geloofs, 2!gt; opdat uw roem in Christus Jezus overvloedig zij aan mij, door mijne tegenwoordigheid wederom bij u. 27 Alleenlijk wandelt waardiglijk het Evangelie van Christus; opdat hetzij ik ko-rae en u zie, hetzij ik afwezig ben, ik van uwe zaken mag hooren, dat irij staat in éénen geest, met één gemoed gezamenlijk strijdende door het geloof des Evangelies: 28 en dat gij in geen ding verschrikt wordt van degenen die tegenstaan; hetwelk him wel een bewijs is des verderfs, maar ü der zaligheid, en dat van God. 29 Want u is uit genade gegeven in de zake van Christus, niet alleen in hem te gelooven maar ook voor hem te lijden , .\'10 denzelfden strijd hebben- |
NZEN 2. 279 de, hoedanigen gij in mij gezien hebt en nu in mij hoort. HOOFDSTUK 2. Indien er dan eenige vertroosting is in Christus, indien er eenige troost is der liefde, indien er eenige gemeenschap is des Geestes, indien er eenige innerlijke bewegingen en ontfermingen zijn, 2 zoo vervult mijne blijdschap, dat gij moost eensgezind zijn, dezelfde liefde hebbende , van één gemoed en van één gevoelen zijnde. Dort geen ding door twisting of ijdele eer» , maar door ootmoedigheid achte de één den ander uitnemender dan zichzelven. 4 Een iegelijk zie niet op het zijne, maar een iegelijk zie ook op hetgeen der anderen is. 5 Want dat gevoelen zij in u \'t welk ook in Christus Jezus was, (gt; die in de gestaltenis Gods zijnde geen roof geacht heeft Gode even gel ijk te zijn, 7 maar heeft zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den menschen gelijk geworden; 8 en in gedaante gevonden als een mensch, heeft hij zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises. 9 Daarom heefquot; hem ook God uitermate verhoogd, en heeft hem eenen naam gegeven welke boven allen naam is, 10 opdat in den naam van Jezus zich zoude buigen alle knie dergenendie in den hemel , en die op de aarde, en die onder de aarde zijn, 11 en alle tong zoude»belijden dat Jezus Christus de Hee-re is tot heerlijkheid Gods des Vaders. 12 Alzoo dan, mijne gelief- |
|
280 FILIPPE «lcn, gelijk srij altijd jrchoor-Zfiam geweest zijt, niet als in luijne tegenwoordigheid alleen, maar veel meer nu in mijn afwezen , werkt uws zelfs zaligheid met vreeze en beven; 13 want het is God die in n ■werkt beide het willen en het werken, naar zijn welbehagen. 14 Doet alle dingen zonder murmureeren en tegenspreken , 15 opdat gij moogt onberispelijk en oprecht zijn, kinderen Gods zijnde, onstraffelijk in \'t midden van een krom en verdraaid geslacht, onder welke. gij schijnt als lichten in de wereld, 16 voorhoudende het quot;Woord des levens, mij tot eenen roem tegen den dag van Christus, dat ik niet tevergeefs heb ge-loopen noch tevergeefs gearbeid. 17 Ja, indien ik ook tot een drankoffer geofferd word over de offerande en bediening uws geloofs, zoo verblijd ik mij en verblijd mij met u allen, 18 en om datzelfde verblijdt gij u óók, en verblijdt u ook met mij. 19 En ik hoop in den Ileere Jezus, Timotheüs haast tot u te zenden, opdat ik óók welgemoed mag zijn als ik uwe zaken zal verstaan hebben. 20 Want ik heb niemand die «•ven alzoo gemoed is, dewelke oprechtelijk uwe zaken zal bezorgen. 21 Want zij zoeken allen bet hunne, niet hetgeen van Christus Jezus is. 22 En gij weet zijne beproeving dat hij, als een kind zijnen vader, met mij gediend heeft in het Evangelie. 23 Ik hoop dan wel dezen van stonde aan te zenden zoo haant als ik in mijne zaken zal voor-Zien hebben; 24 doch ik vertrouw in den Heere, dat ik ook zelf haast tot u komen zal. |
S\'ZEN 3. 25 Maar ik heb noodig geacht tot u te zenden Epafroditus, mijnen broeder en medearbeider en medestrijder, en uwen afgezondene en bedienaar mijner nooddruft, 2!» dewijl l ij zeer begeerig was naar u allen, en zeer beangst was . omdat gij gehoord hadt dat hij krank was. 27 En hij i;? ook krank geweest tot nabij den dood; maar God heeft zich zijner ontfermd, en niet alleen zijner maar onk mijner, opdat ik niet droefheid op droefheid zoude hebben. 28 Zoo heb ik dan hem te spoediger gezonden, opdat gij hem ziende wederom u zoudt verblijden, en ik te minder zoude droevig zijn. 2\'J Ontvangt hem dan in den Heere met alle blijdschap, en houdt dezulken in waarde. 30 quot;Want om het werk van Christus was hij tot nabij den dood gekomen , zijn leven niet achtende, opdat hij het gebrek uwer bediening aan mij vervullen zoude. HOOFDSTUK 3. Voorts, mijne broeders, verblijdt u in den Heere. Dezelfde dingen aan u te schrijven is mij niet verdrietig, en het is u zeker. 2 Ziet op de honden , ziet op de kwade arbeiders, ziet op de versnijding. 3 Want wi j zijn de besnijding, wij die God ih den Geest dienen , en in Christus Jezus roemen, en niet in het vleesch betrouwen: 4 hoewel ik heb dat ik ook in het vleesch betrouwen mocht. Indien iemand anders meent te betrouwen in het vleesch, ik nog meer, 5 besneder. ten achtsten dage, uit het geslacht Israels, van den stam \'ienjamin, een He-breër uit d-j Hebreërs, naar de wet een Farizeër, |
|
FILIPPI fi naar den ijver oon vervolger der jremeente, naar de rechtvaardigheid, die in de wet is, zijnde onherispelijk. 7 Maar hetgeen mil gewin was, dat heb ik om Christus wille schade geacht. 8 Ja gewis, ik acht ook alle dingen schade te zijn om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus mijnen Ueere, om wiens wille ik alle die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn , opdat ik Christus moge gewinnen. 9 en in hem gevonden worde niet hebbende mijne rechtvaardigheid , die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid die uit Godisdoor het geloof; 10 opdat ik hem kenne, en de kracht zijner opstanding, en de gemeenschap zijns lijdens , zijnen dood gelijkvormig wordende ; 11 of ik eenigszins moge komen tot de wederopstanding der dooden. 12 Niet dat ik het aireede gekregen heb of aireede volmaakt ben; maar ik jaag daarnaar of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jeius ook gegrepen ben. 13 Broeders , ik acht niet dat ik zelf het gegrepen heb, 14 maar één ding doe ik, vergetende hetgeen dat achter is, en strekkende mij tot hetgeen dat vóór is, jaag ik naar het wit tot den prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus. 15 Zoovelen dan als wij volmaakt zijn, laat ons dit gevoelen ; en indien gij iets anderszins gevoelt, ook dat zal u God openbaren. 1(gt; Doch daar wij toe gekomen zijn, laat ons daarin naar denzelfden regel wandelen, laat ons hetzelfde gevoelen. 17 \'\'.Veest mede mijne navolgers, broeders, en merkt op |
NZEN 4. 281 degenen die alzóó wandelen gelijk gij ons tot een voorbeeld hebt. 18 quot;Want velen wandelen anders, van dewelke ik u dikwijls gezegd heb en nu nok weenende zeg, dat ze vijanden des kruises van Christus zijn, llgt; welker einde is het verderf, welker God is de buik, en welker heerlijkheid is in hunne schande, dewelke aardsche dingen bedenken. 20 Maar ónze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus, 21 die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde aan zijn heerlijk lichaam, naar de werking waardoor hij ook alle dingen zichzelven kan onderwerpen. HOOFDSTUK 4. Zoo dan, mijne geliefde en zeer gewenschte broeders,mijne blijdschap en kroon , staat alzóó in den Heere, geliefden. 2 Ik vermaan Euodia en ik vermaan Syntyché, dat zij eensgezind zijn in den Heere. 3 En ik bid ook u, gij mijn oprechte metgezel, wees deze rrnuivrn behulpzaam, die met mij gestreden Lebben in het Evangelie, ook met Clemens en mijne andere medearbeiders , welker namen zijn in het boek des levens. 4 Verblijdt u in den Heere allen tijd; wederom zeg ik, verblijdt u. 5 Uwe bescheidenheid zii allen menschen bekend. De Heere is nabij. (» Weest in geen ding bezorgd, maar laat uwe begeerten in alles door bidden en smeeken , met dankzegging, bekend worden bij God. 7 En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal |
|
283 FILIPP] uwe harten en uwe zinnen bewaren in Christus Jezus. 8 Voorts, broeders, al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat reehtvaardiff is, al wat rein is, nl wat liefelijk is, al wat wèl luidt, zoo daar eenige deugd is en zoo daar eenige lof is, bedenkt dat. 9 Hetgeen gij ook geleerd en ontvangen en gehoord en in mij gezien hebt, doet dat: en de God des vredes zal met u zijn. 10 En ik ben grootelijks verblijd geweest in den Heere, dat gij nu eenmaal wederom verwakkerd zijt.oin aan mij te gedenken; waaraan gij ook gedacht hebt, maar gij hebt de gelegenheid niet gehad. 11 Niet dat ik dit zeg van wege gebrek; want ik heb geleerd vergenoegd te zyn in hetgeen ik ben, 12 en ik weet vernederd te worden, ik weet ook overvloed te hebben ; alleszins en in alles ben ik onderweien, beide verzadigd te zijn en honger te lijden, beide overvloed te hebben en gebrek te lijden. 13 Ik vermag alle dingen door Christus die mij kracht geeft. 14 Nochtans hebt gij wèl gedaan dat gij met mijne verdrukking gemeenschap gehad hebt. 15 En ook gij Filippenzen |
INZEN 4. weet dat in het be^\'in des Evangelies, toen ik van Macedonië vertrokken ben, gee-ne «emeente mij iels medegedeeld heeft tot rekening van uitgaaf en ontvangst, dan gij alleen. 16 Want ook in Thessalonica hebt gij mij eenmaal en andermaal gezonden tot mijne nooddruft. 17 Niet dal ik de gave zoek, maar ik zoek de vrucht die overvloedig is tot uwe rekening. 18 Maar ik heb alles ontvangen, en ;k heb overvloed; ik ben vervuld geworden als ik van Epafroditus ontvangen heb dat van u gezonden was, als een welriekende reuk, eene aangename offerande, Gode welbebagelijk. 19 Doch mijn God zal naar zijnen rijkdom vervullen al uwe nooddruft, in heerlijkheid door Christus Jezus. 20 Onzen Go 1 nu en Vader zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. A men. 21 Groet alle heiligen in Christus Jezus. U groeten de broeders die met my zijn. 22 Alle de heiligen groeten u, en meest die van het huis des Keilers zijn. 23 De genade onzes Heeren Jezus Christus zij met u allen. Amen. |
DE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS
AAN DE
COLOSSENZEN.
|
HOOFDSTUK 1. Faulus, een Apostel van Jezus Christus door den wil Gods, en Timotheüs de broeder 2 aan de heilije en greloo-vige broederen quot;in Christus die te Colosse zijn: genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heere Jeius Christus. 3 quot;Wij danken den God en Vader onzes Heeren Jezus Christus, altijd voor u biddende ; 4 alzoo wij van uw geloof in Christus Jezus gehoord hebben , en van de liefde die gij hebt tot alle heiligen, 5 om de hope die u weggelegd is in de hemelen, van welke gij te voren gehoord hebt door het woord der waarheid, namelijk des Evangelies ; 6 hetwelk tot u gekomen is, gelijk ook in de geheele wereld; en het brengt vruchten voort, gelijk ook onder u, van dien dag af dat gij /iet gehoord hebt en de genade Gods in waarheid bekend hebt: 7 gelnk gij ook geleerd hebt van Epafras onzen geliefden mededienstkneebt, dewelke een getrouw dienaar van Christus is voor u, 8 die ons ook verklaard heeft uwa liefde in den Geest. |
9 Waarom ook wij, van dien dag af dat wij het gehoord hebben, niet ophouden voor u te bidden en te begeeren, dat gij moogt vervuld worden mét de kennis van zijnen wil, in alle wijsheiden geestelijk verstand, 10 opdat gij moogt wandelen waardiglijk den Heere tot alle behagelijkheid, in alle goede werken vrucht dragende , en wassende in de ken-nisse Gods; 11 met alle kracht bekrachtigd zijnde, naar de sterkte zijner heerlijkheid, tot alle lijdzaamheid en lankmoedigheid , met blijdschap; 12 dankende den Vader, die ons bekwaam gemaakt heeft om deel te hebben in de erve der heiligen in het licht; 13 die ons getrokken heeft uit de macht der duisternis, en overgezet heeftin het Koninkrijk van den Zoon zijner liefde, 14 in denwelken wij de verlossing hebben doorzijn bloed, namelijk de vergeving der zonden, ló dewelke het beeld is des onzienlijken Gods, de eerstgeborene aller creature. 16 Want door hem zijn alle dingen geschapen die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle |
COLOSSEN\'ZEN ;
284
|
dingen zijn door hom en tot hem gescuapcn; 17 en hij is vóór allo dingen , en alle dingen bestaan te za-men door hem. 18 En hij is het hoofd des liehaams, niiiuvUik der gemeente , hij die het he^in is, de eerstgeborene uit de doo-den , opdat hij in allen de eerste zonde zijn. 19 Want het is des Vaders •welbehagen geweest, dat in hem al de volheid wonen zoude, 20 en dat hij door hem, vrede gemaakt hebbende door het bloed zijns kruises, door hem zey ik alle dingen verzoenen zoude tot zichzelven, hetzij de dingen die op de aarde, hetzij de dingen die in de hemelen zijn. 21 En hij heeft u die eertijds vervreemd waart, en vijanden door het verstand in de booze werken, nu ook verzoend 22 in het lichaam zijns vlee-sches door den dood, opdat hij u zoude heilig en onberispelijk en onbesehuldigiyk vóór zich stellen : 23 indien gij maar blijft in het geloof gefundeerd en vast, en niet bewogen wordt van de hope des Evangelies dat gij gehoord hebt, hetwelk gepredikt is onder al de creature die onder den hemel is ; van hetwelk ik Paul us een dienaar geworden ben ; 24 die mij nu verblijd in mijn lijden voor u, en vervul in mijn vleesch de overblijfselen der verdrukkingen van Christus voor zijn lichaam, hetwelk is de gemeente; 25 welker dienaar ik geworden ben naar de bedeeling Gods, die mij gegeven is aan u om te vervullen het Woord Gods : 21» namelijk de verborgenheid, die verborgen is geweest van alle. eeuwen en van alle geslachten, maar nu geopenbaard is aan zyne heiligen. |
27 aan wie God heeft willen bekend maken, welke zij de rijkdom der heerlijkheid dezer verborgenheid onder de heidenen , welke is Christus onder u , de hope der heerlijkheid; 28 denwelken wij verkondigen , vermanende een iegelijk mensch en leerende een iegelijk mensch in alle wijsheid, opdat wij een iegelijk mensch volmaakt zouden stellen in Christus Jezus: 29 waartoe ik ook arbeide, strijdende naar zijne werking die iu mij werkt met kracht. HOOFDSTUK 2. quot;Want ik wil dat gij weet hoe grooten strijd ik voor u heb , en voor degenen die te Laodi-C(?a zijn, en zoovelen als er mijn aangezicit in het vleesch niet hebben gezien, 2 opdat hunne harten vertroost mogen worden, en zij te zamen gevoegd zijn in de liefde, en dut tot allen rijkdom der volle verzekerdheid des verstands, tot kennis der verborgenheid van God en den Vader, en van Christus, .1 in dcnwelken alle de schatten tier wijsheid en der kennis verborgen zijn. 4 En dit zeg ik opdat niet iemand u misleide met beweegredenen die icnen schijn hebben. 5 Want boswel ik met het vleesch vstn « ben, nochtans ben ik met den geest bij u , mij verblijdende, en ziende, uwe goede ordening en de vastheid uws geloof? in Christus. (gt; Gelijk j;ij dan Christus Jezus den Ileere hebt aangenomen, wardelt alzóó in hem, 7 geworteld en opgebouwd in hem, en bevestigd in het geloof, gelijkerwijs gij geleerd zijt, overvloedig zijnde in hetzelve met dankzegging. 8 Ziet toe dat niemand u als eenen roof vervoere door de |
COLOSSENZEN 3.
2Sp
|
filosofie cn ijdele verleiding, naar de overlevering: der men-schen, naar de eerste beginselen der wereld, en niet naar Christus. • 9 Want in hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk; 10 en gij zijt in hem volmaakt , die het Hoofd is van allo overheid en macht; 11 in welken Rij ook besneden zijt met eene besnijdenis, die zonder handen geschiedt, in het uittrekken van het lichaam der zonden des vlee-sches, door de besnijdenis van Christus: 12 zijnde met hem begraven in den doop, in welken gij ook met hem opgewekt zijt door het geloof der werking Gods, die hem uit de dooden opgewekt heeft. 13 En hij heeft u, als gij dood waart in de misdaden en ia de voorhuid uws vleeschcs, mede levend gemaakt met hem , alle uwe misdaden u vergevende; 14 uitgewischt hebbende het handschrift dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, hetwelk zeg ik (-enigerwijze tegen ons was , en heeft dat uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende : 15 en de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft iiij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft door hetzelve over hen getriomfeerd. 16 Dat u dan niemand oor-deele in spijs of in drank, of in het stuk des fvesUJat/s of der nieuwe maan of der sabbaten, 17 welke zijn eene schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus. 18 Dat dan niemand u over-heersche naar zijnen wil in nederigheid en dienst der Engelen, intredende in hetgeen hij niet gezien heeft, tevergeefs opgeblazen zijnde door het verstand zijns vleeschcs. |
19 en het hoofd niet behoudende , uit hetwelk hetgeheele lichaam, door de samenvoeg-selen en samenbindingen voorzien en te zamen gevoegd zijnde, opwast met Goddelijken wasdom. 20 Indien gij dan met Christus de eerste beginselen der wereld zijt afgestorven, wat wordt gij , alsof gij in de wereld leefdet, met inzettingen belast, 21 namelijk: Raak niet, cn smaak niet, en roer niet aan ? 22 welke dinjren alle verderven door hetgebruik, ingevoerd naar de geboden en leeringen der menschen; 2:5 dewelke wel hebben ocne schijnrede van wijsheid in ei-genwilligen (yorfadienst, en nederigheid , en in het lichaam niet te sparen, doch zijn niet in eenige waarde, maar tot verzadiging des vleesches. HOOFDSTUK 3. Indien gij dan met Chjristns opgewekt zijt, zoo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is zittende aan de rechterAffwd Gods; 2 Ijedenkt de dingen die boven zijn , niet die op de aarde zijn. :f Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God. 4 Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn , die ons leven is, dan zult ook gij met hem geopenbaard worden in heerlijkheid. 5 Doodt dan uwe leden die op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinigheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is afgodendienst ; (gt; om welke de toorn Gods komt over de kinderen der on-gehoorzaamheid; 7 in dewelke ook gü eertijds hebt gewandeld, toen gij in dezelve leefdet. |
COLOSSENZEN 4.
£96
|
8 Maar nu, lest ook sij dit alles af, iiamelijk gramschap, toornigheid, kwaadheid , lastering, vuil spreken uit uwen mond. 9 Liefrt niet teffen elkander, dewijl gij uitgedaan hebt den ouden mensch met zijne werken , 10 en aangedaan hebt den nieuwen mensch, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld desgenen die hem geschapen heeft; 11 waarin niet is Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scyth, dienstknecht en vrije, maar Christus is alles en in allen. 12 Zoo doet dan adn , als uitverkorenen Gods, heiligen en beminden, de innerlijke bewegingen der barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid , zachtmoedigheid, lankmoedigheid ; i:{ verdragende elkander en vergevende de één den ander, zoo iemand tegen iemand eeni-ge klachte heeft; gelijkerwija als Christus u vergeven heeft, doet ook gij alzóó. 14 En boven dit alles, doet dun de liefde, dewelke is de band der volmaaktheid. 15 En de vrede Gods heersche in uwe harten, tot welken gij ook geroepen zijt in één lichaam ; en weest dankbaar. 16 Het Woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijsheid; leert en vermaant elkander met psalmen en lofzangen en geestelijke liedekens , zingende den Heere met aangenaamheid in uw hart. 17 En al wat gij doet met woorden of met werken, doet het alles in den naam des Heeren Jezus, dankende God en den Vader door hem. 18 Gij vrouwen, zijt uwen eigen mannen onderdanig ..gelijk het betaamt in den Heere. |
19 Gij mannen, hebt uwe vrouwen lief, en wordt niet verbitterd tegen haar. £0 Gij kinderen, zijt uwen ouders gehoorzaam in alles, want dat is den Heere wel-behagelijk. 21 Gij vaders, tergt uwe kinderen niet, opdat zij niet moedeloos worden. 22 Gij dienstknechten, zijt in alles gehoorzaam uwen heeren naar het vleesch, niet met oogendiensten als menschen-behagers, maar met eenvoudigheid des iiarten, vreezende God. 23 En al wat gij doet, doet dat van harte als den Heere en niet den menschen, 24 wetende Jat gij van den Heere zult ontvangen de vergelding der erfenis; want gij dient den Heere Christus. 2ó Maar wie onrecht doet, die zal het onrecht dragen dat hij gedaan heeft, enerisgeene aanneming des persoons. HOOFDSTUK 4. Gij heeren, doet «wen dienstknechten recht en gelijk, wetende dat ook gij eenen Heere hebt in de hemelen. 2 Houdt sterk aan in het gebed, en waakt in hetzelve met dankzegging; 3 biddende metéén ook voor ons, dat God ons de deur des AVoords opene, om te spreken de verborgenheid van Christus, om welke \\k ook gebonden ben, 4 opdat ik dezelve mag openbaren gelijk ik moet spreken. 5 Wandelt met wijsheid bij degenen dL\' buiten zijn, den bekwamen tijd uitkoopende. 6 Uw woord zij altijd in aangenaamheid , met zout be-sprengd, opdat gij moogt weten hoe gij een iegelijk moet ant voorden. 7 Alle mijne zaken zal u bekend maken Tychicus, de geliefde broeder en getrouwe |
1 THESSALOMCENZÈN 1.
28?
|
dienaar \'en mededienstknecht in den Heere, 8 denwelken ik tot hetzelfde einde tot u gezonden heb, opdat hij uwe zaken wete en uwe harten vertrooste; 9 met On^siraus den getrouwen en geliefden broeder, dewelke uit de uwen is ; zij zullen u alles bekend maken dat hier is. 10 U groet Aristarchus mijn medegevangene, en Marcus de neef van Barnabas, (aangaande welken gij bevelen ontvangen hebt; zoo hij tot u komt, ontvangt hem), 11 en Jezus, gezegd Justus, welke uit de besnijdenis zijn: deze allen zijn mijne medearbeiders in het Koninkrijk Gods, die mij eene vertroosting geweest zijn. 12 U groet Epafras die uit de uwen is, een dienstknecht van Christus altijd strijdende voor u in de gebeden, opdat gij staan moogt volmaakt en volkomen in al den wil Gods. t niet uwen alles, wel- e kin-t moe- zij t in iteren t met ichen-nvou-.\'zende , doet Heere ti den le ver-nt gij us. et, die a dat geene s. |
13 Want ik geef hem getuigenis dat hij grooten ijver heeft over u en degenen die in Laodicf\'a zijn en degenen die in Hierapolis zijn. 14 TJ groet Lucas de medicijnmeester, de geliefde, en Uemas. 15 Groet de broederen die in Laodicéa zijn, en Nymfas, en de gemeente die \'in zijn huis is. 16 En wanneer deze zendbrief van u zal geleien zijn, maakt dat die ook in de *remeente der Laodicenzen gelezen worde , en dat ook gij dien leest die uit Laodicéa yeachreven is. 17 En zegt aan Archippus: Zie op de bediening die gij aangenomen hebt in den Heere, dat gij die vervult. 18 Dé groetenis met mijne hand, van Paulas. Gedenkt mijne banden. De genade zij met u. Amen. |
|
HOOFDSTUK 1. Paulus en Silvanus en Ti-motheüs aan de gemeente der Thessalonicenzen, u-elke /sin God den Vader en den Heere Jezus Christus: genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heere Jezus Christus. 2 AVij danken God altijd over u allen , uwer gedachtig zijnde in onze gebeden; |
3 zonder ophouden gedenkende het werk uws geloofs, en den arbeid der liefde, en de verdraagzaamheid der hope op onzen Heere Jezus Christus, voor onzen God en Vader; iienst-f, we-Heere i het !tzelve : voor ur des ireken ristus, onden open-reken. id bij i, den ende. i aan-t be-inoofft \'gelijk u be-i, de rouwe 4 wetende, geliefde broeders, uwe verkiezing van God. 5 Want ons Evangelie is onder u niet alleen in woorden geweest, maar ook in kracht, en in den Heiligen Geest, en in vele verzekerdheid, gelijk gij weet hoedanigen wij onder u geweest zijn om uwentwille. 6 En gij zijt onze navolgers geworden en des Heeren, het DE EERSTE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS THESSALONICENZEK |
COLOSSENZEN 4.
|
8 Maar nu, lest ook Rij dit alles af, namelijk gramschap, toornigheid, kwaadheid , lastering, vuil spreken uit uwen mond. 9 Liegt niet tesen elkander, dewijl pij uitgedaan hebt den ouden mcnsch met zijne werken , 10 en aangedaan heht den nieuwen mensch, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld desgenen die hem geschapen heeft; 11 waarin niet is Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scyth, dienstknecht en vrije, maar Christus is alles en in allen. 12 Zoo doet dan adn , als uitverkorenen Gods, heiligen en beminden, de innerlijke bewegingen der barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid , zachtmoedigheid, lankmoedigheid ; i;( verdragende elkander en vergevende de. één den ander, zoo iemand tegen iemand eeni-l/e klachte heeft; gelijkerwijs als Christus u vergeven heeft, dort ook gij alzóó. 14 En boven dit alles, dan de liefde, dewelke is de band der volmaaktheid. 15 En de vrede Gods heersche in uwe harten, tot welken gij ook geroepen zijt in één lichaam ; en weest dankbaar. 16 Het Woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijsheid; leert en vermaant elkander met psalmen en lofzangen en geestelijke liedekens , zingende den Heere met aangenaamheid in uw hart. 17 En al wat gij doet met woorden of met werken, doet het alles in den naam des lleeren Jezus, dankende God en den Vader door hem. 18 Gij vrouwen, zijt uwen eigen mannen onderdanig ..gelijk het betaamt in den Heere. |
19 Gij mannen, hebt uwe vrouwen lief, en wordt niet verbitterd tegen haar. 20 Gij kinderen, zijt uwen ouders gehoorzaam in alles, want dat is den Heere wel-behagelijk. 21 Gij vaders, tergt uwe kinderen niet, opdat zij niet moedeloos worden. 22 Gij dienstknechten, zijt in alles gehoorzaam uwen heeren naar het vleesch, niet met oogendiensten als menschen-behagers, maar met eenvoudigheid des harten, vreezende God. 23 En al ws.t gij doet, doet dat van hart3 als den Heere en niet den menschen, 24 wetende dat gij van den Heere zult ontvangen de vergelding der erfenis; want gij dient den Heere Christus. 25 Maar wie onrecht doet, die zal het onrecht dragen dat hij gedaan heeft, enerisgeenc aanneming des persoons. HOOFDSTUK 4, Gij heeren, doetdienstknechten recht en gelijk, wetende dat ook gij eenen Heere hebt in de hemelen. 2 Houdt sterk aan in het gebed, en waakt in hetzelve met dankzegging; 3 biddende metéén ook voor ons, dat God ons de deur des quot;Woords oper.e, om te spreken de verborgenheid van Christus, om welke \'k ook gebonden ben, 4 opdat ik dezelve mag openbaren gelijk ik moet spreken. 5 Wandelt met wijsheid bij degenen di_\' buiten zijn, den bekwamen tijd uitkoopende. (gt; Uw woord zij altijd in aangenaamheid, met zout be-sprengd, opdat gij moogt weten hoe gij een iegelijk moet antwoorden. 7 Alle mijne zaken zal u bekend maken Tychicus, de geliefde broeder en getrouwe |
1 THESSALONICENZËN 1.
|
dienaar\'on mededienstknecht in den Heere, 8 denwelken ik tot hetzelfde einde tot u jrezonden heb, opdat hij uwe zaken wete en uwe harten vertrooste; \'J met On^simus den getrouwen en geliefden broeder,\'le-welke uit de uwen is; zij zullen u alles bekend maken dat hier is. 10 U groet Aristarehus mijn medegevangene, en Marcus de neef van Barnabas, (aangaande welken gij bevelen ontvangen hebt: zoo hij tot u komt, ontvangt hem), 11 en Jezus, gezegd Justus, welke uit de besnijdenis zijn: deze allen zijn mijne medearbeiders in het Koninkrijk Gods, die mij eene vertroosting ge-weest zijn. 12 U groet Epafras die uit de uwen is, een dienstknecht van Christus altijd strijdende voor u in de gebeden, opdat gij staan moogt volmaakt en volkomen in al den wil Gods. |
13 Want ik geef hem getuigenis dat hij groeten ijver heeft over u en degenen die in Laotlicéa zijn en degenen die in Ilierapolis zijn. 14 U groet Lucas de medicijnmeester, de geliefde, en Demas. 15 Groet de broederen die in Laodicéa zijn, en Nymfas, en de gemeente die \'in zijn huis is. 16 En wanneer deze zendbrief van u zal gelezen aijn, maakt dat die ook in de gemeente der Laodicenzen gelezen worde , en dat ook gij dien leest die uit Laodicéa geschreven is. 17 En zegt aan Archippus: Zie op de bediening die gij aangenomen hebt in den lleere, dat gij die vervult. 18 Be groetenis met mijne hand, van Paulus. Gedenkt mijne banden. De genade zij met u. Amen. |
DE EERSTE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS
THESSALONICENZEN.
|
HOOFDSTUK 1. Paulus en Silvanus en Ti-motheüs aan de gemeente der Thessalonicenzen, u-elke is in God den Vader en den Heere Jezus Christus: genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heere Jezus Christus. 2 AVij danken God altijd over u allen, uwer gedachtig zijnde in onze gebeden; |
3 zonder ophouden gedenkende het werk uws geloofs, en den arbeid der liefde, en de verdraagzaamheid der hope op onzen lleere Jezus Christus, voor onzen God en Vader; 4 wetende, geliefde broeders, uwe verkiezing van God. 5 Want ons Evangelie is onder u niet alleen in woorden geweest, maar ook in kracht, en in den Heiligen Geest, en in vele verzekerdheid, gelijk gij weet hoedanigen wij onder u geweest zijn om uwentwille. f» En gij zijt onze navolgers geworden en des Heeren, het |
1 THESSALONICENZEN 2.
2SS
|
Woord aangenomen hebbende in vele verdrukking1, met blijdschap des Heiligen Geestes, 7 al/oo dat gij voorbeelden geworden zijt allen den geloo-vigen in Macedonië en Achaje. 8 Want van u is het Woord des Heeren ruchtbaar geworden niet alleen in Macedonië en Achaje, maar ook in alle plaatsen is uw geloof dat pij op God held uitgegaan, zoodat wij niet van noodc hebben iets duarrun te spreken. 9 Want zijzelve verkondigen van ons, hoedanigen ingang wij tot u hebben, en hoe gij tot God bekeerd zijt van de afgoden, om den levenden en waarachtigen God te dienen, 10 en zijnen Zoon uit de hemelen te verwachten, denwel-ken hij uit de dooden opgewekt heeft, nameUik Jezus, die ons verlost van den toekomenden toorn. HOOFDSTUK 2. Want gij weet zelve, broe-ders, onzen ingang tot u, dat die niet ijdel is geweest; 2 maar hoewel wij te voren geleden hadden, en ook ons smaadheid aangedaan was, gelijk gij weet, te Filippi, zoo hebben wij nochtans vrijmoedigheid gebruikt in onzen God, om het Evangelie Gods tot u te spreken in veel strijd. Want onze vermaning is niet geweest uit verleiding, noch uit onreinigheid, noch met bedrog; 4 maar gelijk wij van God beproefd zijn geweest, dat ons het Evangelie zoude toebe-trouwd worden, alzóó spreken wij , niet als menschen behagende, maar Gode, die onze harten beproeft. 5 Want wij hebben nooit met pluimstrijkende woorden omgegaan, gelijk gij weet, noch met cenirj bedeksel van gierigheid , God is getuige; |
6 noch zoekende eer uit menschen, noch van u noch van anderen; hoewel wij u tot last konden zijn als Christus Apostelen ; 7 maar wj zijn vriendelijk geweest in bet midden van u , gelijk als een voedster hare kinderen koestert, 8 alzóó wij , tot u zeer genegen zijnde, hebben u gaarne willen medcdeelen niet alleen het Evangelie Gods , maar ook onze eigene zielen, daarom omdat gij ons lief geworden waart. 9 Want gij gedenkt, broeders , onzen arbeid en moeite; want nacht en dag werkende , opdat wij niemand onder u zouden lastig zijn , hebben wij het Evangelie Gods onder u gepredikt. 10 Gij zijt getuigen en God, hoe heiliglijk en rechtvaardig-lijk en onberispelijk wij u die gelooft geweest zijn : 11 gelijk gij weet, hoe wij een iegelijk van u, als een vader zijne kinderen, vermaanden eh vertroostten, 12 en betuigden dat Rij zoudt wandelen waardiglijk Gode, die u roept tot zijn Koninkrijk en heerlijkheid. 13 Daarom danken wij ook God zonder ophouden, dat als gij het Woord der prediking Gods van ons ontvangen hebt, jrij dat aangenomen hebt niet als der menschen woord, maar (selijk het w uirlijk is) als Gods Woord, dat ook werkt in u die gelooft. 14 Want arij, broeders, zijt navolgers geworden der gemeenten Gods die in Judéa zijn in Ch-istus Jezus; dewijl ook gij hetzelfde geleden hebt van uwe eigene medeburgers, gelijk als zij van de Joden; 15 welke ook gedood hebben den Heere Jezus en hunne eigene l\'-ofeten, en ons hebben vervolgd, en Gode niet behagen, en alle menschen tegen zijn. |
1 THESSALONICENZEN 3, 4.
£89
|
10 en ons verhinderen te spreken tot de heidenen, dat zij zalig mochten worden; opdat zij altijd hunne zonden vervullen zouden. En de toorn is over hen gekomen tot het einde. 17 Maar wij, broeders, van u beroofd geweest zijnde voor een kleine wijle tijds, naar het aangezicht, niet naar het hart, hebben ons te overvloediger benaarstigd om uw aangezicht te zien, met groote begeerte. 18 Daarom hebben wij tot u willen komen (immers ik Pau-lus) eenmaal en andermaal, maar de satan heeft het ons belet. 19 quot;Want welke is onze hoop of blijdschap of kroon des roems? Zijt gij die ook niet, voor onzen Ileere Jezus Christus in zijne toekomst? 20 Want gij zijt onze heerlijkheid en blijdschap. HOOFDSTUK 3. Daarom deze begeerte niet langer kunnende verdragen, hebben wij gaarne te Athene willen alléén gelaten worden, \'2 en hebben gezonden Timo-theüs, onzen broeder, en Gods dienaar, en onzen medearbeider in het Evangelie van Cliris-tus, om u te versterken en u te vermanen aangaande uw geloof, 3 opdat niemand bewogen worde in deze verdrukkingen j want gij weet zelve dat wij hiertoe gesteld zijn. 4 Want ook toen wij bij n waren, voorzeiden wij u dat wij zouden verdrukt worden, gelijk ook geschied is, en gij weet het. 5 Daarom ook deze begeerte niet langer kunnende verdragen , heb ik hem gezonden om uw geloof te verstaan, of niet misschien de verzoeker u zoude verzocht hebben en onze arbeid ijdel zoude wezen. |
6 Maar als Timotheüs nu van ulieden tot ons gekomen was, en ons de goede boodschap gebracht had van uw geloof en liefde, en dat gij altijd goede gedachtenis van ons hebt, zeer begeerig zijnde om ons te zien, gelijk wij ook om ulieden: 7 zoo zijn wij daarom, broeders, over u in al onze verdrukking en nood vertroost geworden door uw geloof; 8 want nu leven wij, indien gij rrtsfstaat in den Heere. 9 Want wat dankzegging kunnen wij Gode tot vergelding wedergeven voor u, van wege al de blijdschap waarmede wij ons om uwentwille verblijden voor onzen God, 10 nacht en dag zeerovervloe-diglijk biddende om uw aangezicht te mogen zien, en te volmaken hetgefcn aan uw geloof ontbreekt. 11 Doch onze God en Vader zelf en onze Heere Jezus Christus richte onzen weg tot u. 12 En de Heerfe vermeerderd u en make « overvloedig in de liefde jegens elkander en jegens allen, gelijk wij ook zijn jegens u; 13 opdat hij uwe harten ver-sterke om onberispelijk te zijn in heiligmaking voor onzen God en Vader, in de toekomst onzes lleeren Jezus Christus met alle zijne heiligen. HOOFDSTUK 4. Voorts dan, broeders, wij bidden en vermanen u in den Heere Jezus, gelijk gij van ons ontvangen hebt hoe gij moet wandelen en Gode behagen . dat gij daarin meer overvloedig wordt. 2 Want gij weet wat bevelen wij u gegeven hebben door den Heere Jezus. 3 Want dit is de wil Gods, uwe heiligmaking: dat gij u Onthoudt van de hoererij, 4 dat een iegelijk van u wete |
19
1 THESSALONICENZEN 5.
£90
|
zijn vat te bezitten in heilig-miikin.u: cn ccre. ü niet in kwade beweging der begeerlijkheid, gelijk als de beidenen die God niet kennen. (Dat niemand zijnen broeder vertrede noch bedrieire in zijne handeling; want de Heere is een wreker over dit alles, gelijk wij u ook te voren gezegd en betuigd hebben. 7 Want God heeft ons niet geroepen tot onreinigheid, maar tot heiligmaking. 8 Zoo dan wie dit verwerpt, die verwerpt geen mensch, maar God, die ook zijnen Heiligen Geest in ons heeft gegeven. 9 Van de broederlijke liefde nu hebt gij niet van noode dat ik u schrijve, want gijzelve zijt van God geleerd om elkander lief te hebben. 10 Want gij doet ook hetzelve aan alle de broederen die in geheel Macedonië zijn. Maar wij vermanen u, broeders, dat gij meer overvloedig wordt, 11 en dat gij u benaarstigt stil te zijn en uwe eigene dingen te doen, en te werken met uwe eigene handen, gelijk wij u bevolen hebben, 12 opdat gij eerlijk wandelt bij degenen die buiten zijn, en geen ding van noode hebt. 13 Doch, broeders, ik wil niet dat gij onwetende zijt van degenen die ontslapen zijn, opdat gij niet bedroefd zijt gelijk ala de anderen, die geene hope hebben. 14 Want indien wij gelooven dat Jezus gestorven is en opgestaan , alzóó zal ook God degenen die ontslapen zijn in Jezus im/erbrengen met hem. 15 Want dat zeirsen wij u door het Woord des Hêeren, dat wij die levend overblijven zullen tot de toekomst des Heeren, niet zullen vóórkomen degenen die ontslapen zijn. IfiWant de Heere zelf zal met een geroep met de stem des |
Archangels en met de bazuin Gods, nederdalen van den hemel ; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; 17 daarna wij die levend overgebleven zi;n, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in (ie lucht; en alzoo zullen wij altijd met den Heere wezen. 18 Zoo dan vertroost elkander met deze woorden. HOOFDSTUK 5. Maar van de tijden en de gelegenheden, broeders, hebt gij niet van noode dat men u schrijve. 2 Want gij weet zelve zeer wel, dat de dag des Heeren alzóó zal komen gelijk een dief in den nacht. 3 Want wanneer zij zullen zeggen: Het )s vrede ehzonder gevaar, dan zal een haastig verderf hen overkomen, gelijk de barensnood eene bevruchte vrouw, en zij zullen het geenszins ontvlieden. 4 Maar gij , broeders, gij zijt niet in duisternis, dat u die dag als een dief zoude bevangen. 5 Gij zijt allen kinderen des lichts en kinderen des dags, wij zijn niet des nachts noch der duisternis. 6 Zoo laat ons dan niet slapen gelijk als de anderen, maar laat ons waken en nuchteren zijn. 7 Want d: e slapen, slapen des nachts, en die dronken zijn, zijn des nachts dronken. 8 Maar wij die des dasjs zijn , laat ons nuchteren zijn, aangedaan hebbende het borstwapen des geloofs en der liefde, en tot een helm de hoop der zaligheid. 9 Wan: God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging der zaligheid door onzen Heere Jezus Christus, |
2 THESSALONICENZEN 1.
£91
|
10 die voor ons {jestorven is, opdat quot;wij, lictzij dat wij waken hetzij dat wij slapen, te zamen met hem leven zouden. 11 Daarom vermaant elkander , en sticht de één den ander, gelijk gij ook doet. 12 En wij bidden u, broeders, erkent degenen die onfier u arbeiden en uwe voorstanders zijn in den Heere en u ver-niiinen, 13 en acht ze zeer veel in liefde, om huns werks wille. Zijt vreedzaam onder elkander. 14 En wij bidden u, broeders, vermaant de ongeregelden, vertroost de kleinmoedigen, ondersteunt de zwakken, zijt lankmoedig jegens allen. 15 Ziet dat niemand kwaad voor kwaad iemand vergelde, maar jaagt allen tijd het goede na, zoo jegens elkander r.ls jegens allen. 1(5 Verblijdt u te allen tijd. 17 Bidt zonder ophouden. |
18 Dankt God in alles; want dit is de wil Gods in Christus Jezus over u. 19 liluscht den Geest niet uit. 20 Veracht de Profetieën niet. 21 Beproeft alle dingen: behoudt het goede. 22 Onthoudt u van allen schijn dea kwaads. 2:5 En de God des vredes zelf heilige u geheel en al, en uw geheel oprechte geest en ziel en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst onzes Heeren Jezus Christus. 24 Ilij die u roept is getrouw, die het ook doen zal. 25 Broeders, bidt voor ons. 2fi Groet alle de broeders met eenen heiligen kus. 27 Ik bezweer ulieden bij den Heere, dat deze zendbrief allen den heiligen broederen gelezen worde. 23 De genade onzes Heeren Jezus Christus zij met ulieden. Amen. |
DE TWEEDE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS
THESSALONICENZEN.
|
HOOFDSTUK 1. Paulas en Silvanus en Ti-motheüs aan de gemeente der Thessalonicenzen, welke ia in God onzen Vader en den Heere Jezus Christus: 2 genade zij u en vrede van God en «en Vader en den Heere Jezus Christus. Wij moeten God allon tijd danken over u, broeders, gelijk billijk is, omdat uw geloof zeer wast, en dut de liefde van een iegelijk van u allen jegens elkander overvloedig wordt, |
4 alzoo dat wijzelve van u roemen in de gemeente Gods, over uw lijdzaamheid en geloof in alle uw.- vervolgingen en verdrukkingen die gij verdraagt : 5 een bewijs van Gods rechtvaardig oordeel, opdat sij waardig geacht wordt het Koninkrijk Gods voor hetwelk gij ook lijdt; (gt; alzoo he.t recht is bij God, verdrukking te vergelden dengenen die u verdrukken, |
2 THESSALONICENZEN 2.
292
|
7 on u die verdrukt wordt verkwikking met ons, in de open-bariny: des Heeren Jezus van den hemel met de Engelen zijner kracht, 8 met vlammend vuur wraak doende over degenen die God niet kennen, en over degenen die het Evangelie onzes Heeren Jezus Christus niet gehoorzaam zijn ; 9 dewelke zullen tot straf lijden het eeuwig verderf van het aangezicht des Heeren en van de heerlijkheid z\\jner sterkte, 10 wanneer hij zal gekomen zijn om verheerlijkt te worden ih zijne heiligen, en wonderbaar te worden in allen die gelooven (overmits onze getuigenis onder u is geloofd geworden) in dien dag. 11 Waarom wij ook altijd hidden voor u, dat onze God u waardig achte der roeping, en vervulle al het welbehagen zijner goedheid, en het werk des geloofs met kracht; 12 opdat de naam onzes Hoeren Jezus Christus verheerlijkt worde in u, en gij in hem, naar de genade van onzen God en den Heere Jezus Christus. HOOFDSTUK 2. En wij bidden u, broeders, door de toekomst onzes Heeren Jezus Christus en onze toevergadering tot hem, 2 dat gij niet haastelijk bewogen wordt van verstand, of verschrikt, noch door geest, noch door woord, noch door zendbrief als van ons acsnhre-ren, alsof de das van Christus aanstaande ware. .3 I)at u niemand verleide in eenigerlei wiis; want dia komt «jet tenzij dat eerst de afval gekomen zij , en dat geopenbaard zij de mcnsch der zonde, de zoon des verderfs, 4 die zich teirenstelt en verheft boven al wat God genaamd of als God geëerd wordt, alzoo dat hij in den Tempel Gods als een God zal zitten, zichzelven vertoonende dat hij God is. |
5 Gedenk- gij niet dat ik nog bij u zijnde u deze dingen gezegd heb? (» En nu wat hem wederhoudt weet gij, opdat hij geopenbaard worde te zijner eigen tijd. 7 Want d\'* verborgenheid der ongerechtigheid wordt aireede gewrocht; alleenlijk die hem nu wederhoudt, die zal hem tcederhoude-i totdat hij uit het midden zal weggedaan worden; 8 en alsdan zal de ongerech-tige geopenbaard worden, denwelken de \'ieere ybrdoen zal door den geest zijns monds, en te niet maken door de verschijning zijner toekomst, y hei.ï zeg ik , wiens toekomst is naar de w Tking des satans, in alle kracht en teekenen en wonderen der leugen, 10 en in alle verleiding der onrechtvaardigheid in degenen die verloren gaan, daarom dat zij de liefde der waarheid niet aangenomen hebben om zalig te worden. 11 En daarom zal God hun zenden eene kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden gelooven ; 12 opdat zi,) allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechti gheid. i:$ Maar wij zijn schuldig altijd God te danken over u, broeders, die van den Heere bemind zijt, dat God u van den beginne \\erkoren heeft tot zaligheid, in heiligmaking des Geestcs en geloof der waarheid ; 14 waartoe hij u geroepen heeft door ons Evangelie, tot verkrijging der heerlijkheid onzes lieeren Jezus Christus. 15 Zoo dan, broeders, staat vaat-, er. houdt de inzettingen |
2 THESSALONICENZEN 3.
29.\'{
|
die u geloerd zijn, hetzy door ons woord hetzij door onzen zendbrief; 16 en onze Hcere Jezus Christus zelf, en onze God en Vader die ons heeft liefgehad, en s:e-fjeven heeft eene eeuwige vertroosting en goede hope in genade, 17 vertrooste uwe harten, en versterke u in alle goed woord en werk. HOOFDSTUK 3. Voorts, broeders, bidt voor ons, opdat het woord des Heeren zijnen loophebbe, en verheerlijkt worde gelyk ook bij u, 2 en opdat wij mogen verlost worden van de ongeschikte en booze menschen; want het geloof is niet aller. 3 Maar de Heere is getrouw, die u zal versterken en bewaren van den booze. 4 En wij vertrouwen van u in den Heere, dat gij hetgeen wij u bevelen ook doet en doen zult. 5 Doch de Heere richte uwe harten tot de liefde Gods on tot de lijdzaamheid van Christus. fgt; En wij bevelen u, broeders, in den naam onzes Heeren Jezus Christus, dat gij u onttrekt aan een iegelijk broeder die ongeregeld wandelt, en niet naar de inzetting die hij van ons ontvangen heeft. 7 Want gij rel ve weet hoe men ons behoort na te volgen; want wij hebben ons niet ongeregeld gedragen onder u, |
8 en wij hebben geen brood bij iemand gegeten voorniet, maar in arbeid en moeite, nacht en dag werkende, opdat wij niet iemand van u zouden lastig zijn: 9 niet dat wij de macht niet hebben, maar opilat wij ons-zelve u geven zouden tot een voorbeeld om ons na te vol-};en. 10 Want ook toen wij bij u waren, hebben wij u dit bevolen, dat zoo iemand niet wil werken, hij ook niet ete. 11 Want wij hooren dat sommigen onder u ongeregeld wandelen, niet werkende maar ijdele dingen doende. 13 Doch de zoodanigen bevelen en vermanen wij door onzen Heere Jezus Christus, dat zij met stilheid werkende hun eigen brood eten. 13En gij, broeders,vertraagt niet in goed te doen. 14 Maar indien iemand ons woord, door dezen brief geschreven, niet gehoorzaam is, teekent dien, en vermengt u niet met hem , opdat hij beschaamd worde; 15 en houdt hem niet als oenen vijand, maar vermaant hem als eonen broeder. Ifi De Heere nu desvredoszelf geve u vrede te allen tijd in allerlei wijze. De Heere zij met u allen. 17 De groeten is, met mijne hand van Paulus; hetwelk is een teeken in iederen zond-brief : alzóó schrijf ik. 18 De genade onzes Heeren Jezus Christus zij met u allen Amen. |
EERSTE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS
AAK
TIMOTHEÜS.
|
HOOFDSTUK 1. 1\'aulus, een Apostel van Jezus Christus, naar het bevel van God ouzen Zaligmaker, en den Heere Jezus Christus die onze hope f«,quot; 2 aan ïimotheüs mijnen oprechten zoon in het geloof: genade, barmhartigheid, vrede zij u van God onzen Vader en Christus Jezus onzen Heere. Gelijk ik u vermaand heb dat gij te Efrze zoudt blijven, als ik naar Macedonië reisde, zoo vermaan ik het u nog, opdat gij sommigen beveelt geene andere leer te leeren, 4 noch zieh te begeven tot fabelen en oneindige geslachtrekeningen, welke meer twistvragen voortbrengen dan stichting Gods die in het geloof is. ó Maar het einde des gebods is liefle uit een rein hart en uit eene goede conscientie en uit een ongeveinsd geloof, (j waarvan sommigen afgeweken zijnde, hebben zich gewend tot ijdelspreking; 7 willende leeraars der wet zijn, niet verstaande wat zij zeggen, noch wat zij bevestigen. 8 Doch wij weten dat de wet goed is, zoo iemand die wettelijk gebruikt, |
i) en hij dit weet, dat den rechtvaardige de wet niet is gezet, maar den ongerechtigen en den halsstarrigen, den god-deloozen en den zondaren, den onheiligen en den ongoddelij-ken, den vadermoorders en den moedermoorders, den doodslagers. 10 den hoeieerders, dien die bij mannen liggen, den men-schendieven, den leugenaars, den meineedigen, en zoo er iets anders tegen de gezonde leer is, 11 naar het Evangelie der heerlijkheid des zaligen Gods, dat mij toebetrouwd is. 12 En ik dank hem die mij bekrachtigd heeft, namelijk Christus Je\'.us onzen Heere, dat hij mij getrouw geacht heeft, mii in de bediening gesteld hebbende, 13 die te voren een «orfslaste-raar was en een vervolger en een verdrukker; maar mij is barmhartigheid geschied, dewijl, ik het onwetend gedaan heb in mijne ongeloovigheid: 14 doch de genade onzes Hee-ren is zeer r vervlocdig geweest, met geloof en liefde die daar is in Christus Jezus. 15 Dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekc men is om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben; KJ maar daarom is mij barmhartigheid geschied, opdat Jezus C.iristus in mij , die de voornaamste ben, al zijne lankmoedigheid zoude betbonen, tot een voorbeeld derge- |
|
1 TIMOT nen die in hem sclooven zullen ten eeuwigen leven. .17 Den Koninjr nu der eeuwen, den onverderfelijken. den onzienlijken, den alleen wijzen Gcd, zij eere en heerlijkueid in alle eeuwigheid. Amen. 18 Dit gebod beveel ik u, mijn zoon Tiraotheüs, dat gij mar de Profetieën die over u voorafgegaan zijn, in dezelve den goeden strijd strijdt, 19 houdende het geloof, en eene goede conscientie; welke sommigen verstooten hebbende , in het geloof schipbreuk geleden hebben; 20 onder welke is Hymen«?üs en Alexander, die ik den satan overgegeven heb, opdat zij zouden leeren niet meer te lasteren. HOOFDSTUK 2. Ik vermaan dan vóór alle dingen, dat er gedaan worden smeekingen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen voor alle menschen, \'2 voor Koningen en allen die in hoogheid zijn, opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid. 3 Want dat is goed en aangenaam voor God onzen Zaligmaker , 4 welke wil dat alle menschen zalig worden en tot ken-nisse der waarheid komen. 5 Want daar is één God , daar is ook één Middelaar Gods en der menschen, de mensch Christus Jezus, (i die zichzelven gegeven heeft tot een rantsoen voor allen, zijnde de getuigenis te zijner tijd; 7 waartoe ik gesteld ben een Prediker en Apostel, (ik zeg de waarheid in Christus, ik liege niet), een leeraar der heidenen in geloof en waarheid. 8 Ik wil dan dat de mannen |
IEÜS 2, 3. 295 bidden in alle plaatsen, opheffende heilige handen, zonder toorn en twisting; 9 desgelijks ook dat de vrouwen in een eerbaar gewaad met schaamte en matigheid zichzelve versieren, niet in vlechtingen des haurs, of goud, of paarlcn, of kostelijke kleeding, 10 maar (hetweik den vrouwen betaamt die de godvruchtigheid belijden) door goede werken. 11 Eene vrouw ]ate zich leeren in stilheid, in alle onderdanigheid ; 12 doch ik laat de vrouw niet toe dat ze leere, noch over den man heersche, maar wil dat ze in stilheid zij. 13 quot;Want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva; 14 en Ad.am is niet verleid geworden, maar de vrouw verleid zijnde is in overtreding geweest. 15 Doch zij zal zalig worden in kinderen te baren, zoo zij blijft in geloof en liefde en heiligmaking met matigheid. HOOFDSTUK 3. Dit is een getrouw woord; zoo iemand tot eens Opzieners ambt lust heeft, die begeert een treffelijk werk. 2 Een Opziener dan moet onberispelijk zijn , éener vrouwe man, wakkt r, matig, eerbaar , gaarne herbergende, bekwaam om te leeren; 3 niet geneigd tot den wijn, geen smijter, geen vuilgewin-zoeker, maar bescheiden, geen vechter, niet geldgierig 4 die zijn eigen huis wèl regeert, zone kinderen in onderdanigheid houdende met alle stemmigheid; 5 (want zoo iemand zijn eigen huis niet weet te regeeren, hoe zal hij voor de gemeente Gods zorg dragen?) 6 geen nieuweling, opdat hij |
|
206 1 TIMOl niet opgeblazen worde en in het oordeel des duivels valle. 7 En hij moet ook een goede getuigenis hebben van degenen die buiten zijn, opdat hij niet vallc in smaadbeid en in den strik des duivels. 8 De Diakenen insgelijks moeten eerbaar zijn, niet twee-tongig, niet die zich tot veel ■wijn begeven, geen vuilgewin-zoekers; 9 houdende de verborsenheid des geloofs in eene reine consciëntie. 10 En dat deze ook eerst beproefd worden, en dat ze daarna dienen, zoo zij onbestraffe-lijk zijn. 11 De vrouwen insgelijks moeten eerbaar zi/a, geen lasteraar-sters, wakker, getrouw in alles. 12 Dat de Diakenen ééner vrouwe mannen zijn, die hunne kinderen en bunne eigene huizen wèl regeeren. 13 Want die wèl gediend hebben verkrijgen zicbzelven eenen goeden opgang en veel vrijmoedigheid in het geloof, hetwelk is in Christus Jezus. 14 Deze dingen schrijf ik u, hopende zeer baast tot u te komen; 15 maar zoo ik vertoeve, opdat gij moojrt weten hoe men in het Huis Gods moet verkee-ren, hetwelk is de gemeente des levenden Gods, een pilaar en vastigheid der waarheid. 16 En buiten allen twijfel, de verborgenheid der godzaligheid is groot: God is geopenbaard in het vleesch, is gerechtvaardigd in den Geest, is gezien van de Engelen, is gepredikt onder de beidenen , is geloofd in de wereld, is opgenomen iu heerlijkheid. HOOFDSTUK 4. Doch de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tüden som- |
HEÜS 4. mieen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten en leeringcn der duivelen, 2 door geveinsdheid der leugensprekers, hebbende hunne eigene conscientie als met een brandijzer toegeschroeid; 3 verbiedende te huwen, gi-biedende van spijzen te onthouden die God geschapcQ heeft tot nuttiging met dankzegging voor de geloovigen en die de waarheid hebben be-» kend. 4 Want alle schepsel Gods is goed, en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde; 5 want het wordt geheiligd door het woord Gods en door het gebed. 6 Als gij deze dingen den broederen voorstelt, zoo zult gij een goed dienaar van Jezus Christus zijn, opgevoed inde woorden des geloofs en der goede leer welke gij achtervolgd hebt. 7 Maar verwerp de ongoddelijke en oudwijfsche fabelen; en oefen uzelven tot godzaligheid. 8 Want de lichamelijke oefening is tot weinig nut, maar de godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte des tegen woordigen en des toekomenden levens. 9 Dit is een jetrouw woord en alle aanneming waardig. 10 Want hiertoe arbeiden wij ook en worden gesmaad, omdat wij gehoo.)t hebben op den levenden God , die een behouder is aller menschen, maar allermeest der geloovigen. 11 Beveel d-\'ze dingen en leer ze. 12 Niemand verachte uwe ionkheid ; maar wees een voorbeeld der geloovigen in het woord, in wandel, in liefde, in den pceat, in geloof, in reinighcid. 13 Houd 6ün in H lezen ^ in \'t |
|
1 TIMO\' vermnncn, in \'t leercn, totdat ik kom. 14 Verzuim de save niet die in u is, die u gegeven is door de profetie, met onlegsfing der Landen des Ouderlingschaps. 15 Bedenk deze din«:en, wees hierin beziy, opdat uw toenemen openbaar zij in alles. Ifi Heb acht op uzelven en op de leer, volhard in deze. Want dat doende zult gij èn uzelven behouden èn die u hooren. HOOFDSTUK 5. Bestraf eenen ouden man niet hardelijk, maar vermaan hem als eenen vader, de jonge als broeders, \'2 de oude vrouwen als moeders, de jonge als zusters in alle reinigheid. 3 Eer de weduwen die waarlijk weduwen zijn. 4 Maar zoo eenige weduwe kinderen heeft of kindskinderen, dat die leeren eerst aan hun eigen huis godzaligheid te oefenen, en den voorouderen wedervergelding te doen; want dit is goed en aangenaam voor God. 5 Die nu waarlijk weduwe is en alléén gelaten, die hoopt op God, en blijft in smeekingen en gebeden nacht en dag; 6 maar die haren wellust volirt, die is levende gestorven. 7 En beveel dit, opdat zij onberispelijk zijn. 8 Doch zoo iemand de zijnen en voornamelijk zijne huisaje-nooten niet verzorgt, die heeft het geloof verloochend, en is erger dan een ongeloovige. 9 Dat eene weduwe gekozen worde niet minder dan van zestig jaren, welke ééns mans vrouw geweest is, 10 getuigenis hebbende van goede werken, zoo zij kinderen opgevoed heeft, zoo zij gaarne heeft geherbergd, zoo zij der heiligen voeten heeft gewas-ochen, eoo zy den verdrukten |
HEUS 5. 297 genoegzame hulpe godaan heeft, zoo zij alle goed werk nagetracht heeft. 11 Maar neem de jonge weduwen niet aan; want als zij weelderig geworden zijn te^on Christus, zoo willen zij huwen, 1quot; hebbende ha\'ir oordeel, omdat zij baar eerste geloof hebben te niet gedaan. i:? En metéén ook leeren zij ledig omgaan bij de huizen, en zijn niet alleen ledig, maar ook klapachtig en ijdele dingen doende, sprekende hetgeen niet betaamt. 14 Ik wil dan dat de jonge weduwen huwen , kinderen telen , het huis regeeren, geen oorzaak van lastering aan de wederpartij geven. 15 Want eenigen hebben zich alreede afgewend achter den satan. 16 Zoo eenig geloovig man of geloovige vrouw weduwen heeft, dat die haar genoegzame hulpe doe, en dat de gemeente niet bezwaard worde, opdat zij aan degenen die waarlijk weduwen zijn genoegzame hulpe doen mag. 17 Dat de Ouderlingen die wèl regeeren dubbele eer waardis geacht worden, voornamelijk die arbeiden in het woord en de leer. 18 Want de Schrift zegt: Eenen dorschenden os zult gij niet muilbanden. En: De arbeider is zijn loon waardig. 19 Neem tegen eenen Ouderling geene beschuldiging aan, anders dan onder twee of drie getuigen. 20 Bestraf die zondigen in tegenwoordigheid van allen, opdat ook de anderen vreeze mogen hebben. 21 Ik betuig voor Goden den Heere Jezus Christus en de uitverkoren Engelen, dat gij deze dingen onderhoudt zonder vooroordeel, niets doende naar toegenegenheid. 22 Leg niemand haaatelyk de |
|
298 1 TIMOl handen op, en heb g:een Ke-lueenschap aan anderer zonden. Bewaar uzelven rein. Drink niet lanser water alleen, maar gebruik een wei-nifr wijn, om uwe maa;; en menijrvuldifje zwakheden. Van sommige menschen zijn de zonden te voren openbaar, en iraan vooraf tot huane veroordeelinir, en in sommigen ook volgen zij na. 25 Desgelijks ook de goede ■werken zijn te voren openbaar, en daar het anders mede ge-leiren is. kunnen niet verborgen worden. HOOFDSTUK 6. De dienstknechten, zoovelen als er onder het juk zijn, zullen hunne heeren alle eere waardig achten, opdat de naam Gods en de leer niet gelasterd worde. 2 En geloovige heeren hebben, zull\'-n ze niet verachten , omdat ze broeders zijn, maar zullen ze te meer dienen , omdat zij geloovig en geliefd zijn, als die dezer weldaad mede deelachtig zijn. Leer en vermaan deze dingen. Indien iemand eene andere leer leert, en niet overéénkomt met de gezonde woorden onzes Heeren Jezus Christus, en met de leer die naar de godzaligheid is, 4 die is opgeblazen en weet niets, maar hij raast omtrent twifffvragen en woordenstrijd; uit welke komt nijd, twist, lasteringen, kwade bedenkingen, 5 verkeerde krakeelingen van menschen, die een verdorven verstand hebben, en van de waarheid beroofd zijn, mee-nende dat de godzaligheid een gewin zij. Wijk af van dezulken. (5 Doch de godzaligheid is een groot gewin met verge-noesring. 7 Want wy hebben nieta in |
HEUS 6. de wereld gebracht: het is openbaar dat wij ook niet kunnen iets daaruit dragen, 8 maar als wij voedsel en deksel hebben, wij zullen daarmede vergenoegd zijn. SDoch die rijk willen worden , vallen in verzoekimr en in den strik , en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de menschen doen verzinken in verderf en ondergang. 10 \\\\ ant de seldgierigheid is een wortel van alle kwaad: tot welke sommigen lust hebbende zijn afgedwaald van het geloof, en hebben zichzelve met vele smarten doorstoken. 11 Maar gij , o mensche Gods, vlied deze dingen, en jaag naar gerechtigheid, godzaligheid, geloof liefde, lijdzaamheid , zachtmoedigheid. 12 Strijd den goeden strijd des geioofs, grijp naar het eeuwige leven, tot hetwelk gij ook geroepen zijt, en de goede belijdenis beleden hebt voor vele getuigen. 13 Ik beveel u voor God die alle ding levend maakt, en voor Christus Jezus die onder Pontius Hiatus de goede belijdenis betuigd heeft, 14 dat gij dit gebod houdt, onbevlekt en onberispelijk, tot op de verschijning onzes Heeren Je:;us Christus; 15 welke te zijner tijd ver-toonen za1. de zalige en alleen machtige Heere, de Koning der Koningen en Heere der heeren, 16 die a-leen onsterfelijkheid heeft, en een ontoegankelijk licht bewoont, denwelken geen mensch gezien heeft, noch zien kan; W ilken zij eere en eeuwige kracht. Amen. 17 Beveel den rijken in deze tegenwoordige wereld dat zij niet hoogmoedig zijn, noch hunne hoop stellen op de ongestadigheid des riikdoms, maar op den levenden God |
|
die ons alle dingen rijkelijk verleent om te genieten; 18 dat zij weldadig zijn , rijk worden in goede werken, gaarne mededeelende zijn ea gemeenzaam; 19 leggende zicbzelven weg tot eenen schat een goed fundament tegen het toekomende , opdat zij het eeuwige leven verkrijgen mogen. |
299 20 O Timotheüs, hewaar het pand u toehetrouwd, eenen afkeer hebbende van het ongoddelijk ijdel roepen, en van de tegenstellingen der valsche-lijk genaamde wetenschap; 21 dewelke sommigen voorgevende, zijn van het geloof afgeweken. De genade zij met u. Amen. 2 TIMOTHEÜS 1. |
DE TWEEDE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS
TIMOTHEÜS.
|
HOOFDSTUK 1. Paulus, een Apostel van Jezus Christus door den wil Gods, naar de belofte des levens, dat in Christus Jezus is, 2 aan Timotheüs mijnen geliefden zoon: genade, barmhartigheid, vrede zij u van God den vader en Christus Jezus onzen Heere. Ik dank God , dien ik diene var miino voorouderen aan in eene reine conscientie, gelijk ik zonder ophouden uwer gedachtig ben in mijne gebeden nacht en dag, 4 zeer begeerig zijnde om u te zien, als ik gedenk aan uwe tranen, opdat ik moge met blijdschap vervuld worden , 5 als ik mij in gedachtenis breng het ongeveinsd ueloof dat in u is, hetwelk eerst gewoond heeft in uwe grootmoeder Loïs en uwe moeder Eunice, en ik ben verzekerd dat het ook in u woont. |
6 Om welke oorzaak ik u indachtig maak, dat gij opwekt de gave Gods, die in u is door oplegging mijner handen. 7 Want God heeft ons niet gegeven eenen seest der vreesachtigheid, maar der kracht en der liefde en der gematigdheid. 8 Schaam u dan niet der getuigenis onzes Heeren, noch mijns, die zijn gevangene ben; maar lijd verdrukkingen met het Evangelie naar de kracht Gods, 9 die ons heeft zalig gemaakt en geroepen met eene heilige roeping, niet naar onze werken , maar naar zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus vóór de tijden der eeuwen, 10 doch nu geopenbaard ia door de verschijning onzes Zaligmakers Jezus Christus, die den dood heeft te niet gedaan , en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht door het Evangelie, 11 waartoe ik gesteld ben een Prediker en een Apostel en een Leeraar der heidenen 12 om welke oorzaak ik ook |
|
300 2 TIMCH deze dingen lijdc, maar ik word niet beschaamd; want ik weet wien ik geloofd heb , en ik ben verzekerd dat hij machtig is mijn pand bij hem weggelegd te bewaren tot dien dag. 13 Houd het voorbeeld der gezonde woorden, die gij van mij gehoord hebt, in geloof en liefde die in Christus Jezus is: 14 bewaar het goede pand dat u toebetrouwd is, door den Heiligen Geest die in ons woont. 15 Gij weet dit, dat allen die in Azie zijn zich van mij afgewend hebben, onder dewelke is Fvgellus en Hermogcnes. 1G De Heere geve den huize van Onesiforus barmhartigheid ; want hij heeft mij dik-wijls verkwikt, en heeft zich mijner keten niet geschaamd; 17 maar als hij te Home gekomen was, heeft hij mij zeer naarstiglijk irezocht, en heeft mij gevonden. 18 De Heere geve hem dat hij barmhartigheid vinde bij den Heere in dien dag; en hoeveel hij mij te Efeze gediend heeft weet gij zeer wel. HOOFDSTUK 2. Gij dan, mijn zoon, word gesterkt in de genade die in Christus Jezus is; 2 en hetseen gij van mij tre-hoord hebt onder vele getuigen, betrouw dat aan getrouwe menschen welke bekwaam zullen zijn -om ook anderen te leeren. 3 Gij dan liid verdrukkingen, als een ^oed krijgsknecht van Jezus Christus. 4 Niemand die in den krijg dient wordt ingewikkeld in de handelingen des leeftochts, opdat hij dien moife behagen die hem tót den krijg aangenomen heeft. |
5 En indien ook iemand strijdt, die wordt niet gekroond zoo hij niet wettelijk heeft gestreden. G De landman als hij arbeidt, moet alzoo het eerst de vruchten genieten. 7 Slerk hetgeen ik zes; doch de Heere geve u verstand in alle dingen. •S Houd in gedachtenis dat Jezus Christus uit de dooden is opgewekt, welke is uit den zade Davids, naar mijn Evangelie, 9 om hetwelk ik verdrukkingen lijd tot d? banden toe als een kwaaddoener, maar het Woord Gods is niet gebonden. 10 Daarom verdraag ik alles om de uitverkorenen, opdat ook zij de za igheid zouden verkrijgen die in Christus Jezus is, met eeuwige heerlijkheid. 11 Dit is een getrouw woord; want indien wij met hem gestorven zijn, zoo zullen wij ook met hem leven ; 12 indien wij verdragen, wij zullen ook met hem hecrschen; indien wij hem verloochenen, hij zal ons óók verloochenen ; 13 indien wij ontrouw zijn, hij blijft getrouw: hij kanzich-zelven niet verloochenen. 14 Breng de:;e dingen in gedachtenis, er. betuig voor den Heere dat zij geen woordenstrijd voeren, hetwelk tot geen ding nut i.lt; i\'an tot verkeering der toehoorders. 15 Benaarsciy: u om uzelven Gode beproefd voor te stellen , als een arbeider die niet beschaamd wordt, die het AVoord der waarheid récht snijdt. 1(» Maar stel u tegen het ongoddelijk ;jdel roepen ; want zij zullen in meerder goddeloosheid toenemen, 17 en hun woord zal voorteten gelijk de kanker; onder welke is Hymenéüa en Filé» tua. |
|
IS die van de waarheid zijn afgeweken, zeggende dat de opstanding aireede geschied is, en verkceren het geloof van sommigen. l\'J Evenwel het vaste fundament Gods staat, hebbende dit zegel: De Heere kent degenen die de zijnen zijn, en: Een iegelijk die den naam van Christus noemt sta af van ongerechtigheid. quot;0 Uoch in een groot huis zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden vaten, en sommige ter eere, maar sommige tér oneere. quot;1 Indien dan iemand zich-zelven van deze reinigt, die zal een vat zijn ter eere, geheiligd en bekwaam tot gebruik des Heeren, tot alle goed werk toebereid. 22 Maar vlied de begeerlijkheden der jonkheid, en jaag naar rechtvaardigheid, geloof, liefde, vrede met degenen die den Heere aanroepen uit een rein hart. 23 En verwerp de vragpn die dwaas en zonder leering zijn, wetende dat ze twistingen voortbrengen; 24 en een dienstknecht des Heeren moet niet twisten, maar vriendelijk zijn jegens allen, bekwaam om te leeren, en die de kwaden kan verdragen; 25 met zachtmoedigheid onderwijzende degenen die tegenstaan , of hun God te eeni-ger tijd bekeering gave tot erkentenis der waarheid, 26 en zij wederom ontwaken mochten uit den strik des duivels, onder welken zij gevangen waren tot zijnen wil. HOOFDSTUK 3. En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden. |
ÏEÜS 3. 301 2 Want de menschen zullen zijn eigenlievend, geldgierig, laatdunkend, hoovaardig, lasteraars , den ouders ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, 3 zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, achterklappers, onmatig, wreed, zonder liefde tot de goeden, 4 verraders, roekeloos, opgeblazen , meer liefhebbers der wellusten dan liefhebbers Gods, 5 hebbende eene gedaante van godzaligheid, maar die de kracht derzelve verloochend hebben. Heb ook een afkeer van deze. 6 Want van deze zijn het die in de huizen insluipen, en nemen de vrouwkens gevangen die met zonden beladen zijn en door menigerlei begeerlijkheden gedreven worden, 7 vrouwkens, die altijd leeren en nimmermeer tot kennis der waarheid kunnen komen. 8 Gelijkerwijs nu Jannes en Jambres Mozes tegenstonden , alzóó staan ook deze de waarheid tegen , menschen verdorven zijnde van verstand, verwerpelijk aangaande het geloof. 9 Maar zij zullen niet meer toenemen; want hunne uitzinnigheid zal allen openbaar worden, gelijk ook die van gene geworden is. 10 Maar gij hebt achtervolgd mijne leer, vrijze van doen, voornemen, jreloof, lankmoedigheid, liefde, lijdzaamheid, 11 mijne vei volgingen , mijn lijden, zooals mij overkomen is in Antiochië, in Iconium en in Lystra: hoedanige vervolgingen ik geleden heb, en de Heere heeft mij uit alle verlost. 12 En ook allen die godzalig-lijk willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden. 13 Doch de booze menschen en bedriegers zullen tot erger |
|
502 2 TIMOl voortgaan, verleidende en wordende verleid. 14 Maar blijf sij in hetgeen gij Kcleerd hebt en waarvan u verzekering gedaan is, wetende van wien gij het geleerd hebt, • 15 en dat gij van kinds af de heilige Schriften sjeweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof hetwelk in Christus Jezus is. 1(5 Al de Schrift is van God inijeyeven, en is nuttig tot leering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing die in de rechtvaardigheid is; 17 opdat de mensche Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaakt toegerus.. HOOFDSTUK 4. Ik betuig dan voor God en den Heere Jezus Christus, die de levenden en dooden oordee-len zal in zijne verschijning en i« zijn Koninkrijk: 2 predik het Woord; houd óan tijdiglijk, ontijdiglijk; wederleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer. .\'{ Want daar zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen; maar kittelachtig zijnde van gehoor, zullen zij zichzelven leeraars opgamp;ren haar hunne eigene begeerlijkheden , 4 en zij zullen hun gehoor van de waarheid afwenden, en zullen zich keeren tot fabelen. 5 Maar irij wees wakker in alle», lijd verdrukkingen, doe het werk van een Evangelist, maak dat men van uwen dienst ten volle verzekerd zij. üWant ik word nu tot een drankofter geofferd, en de tijd mijner ontbinding is aanstaande. 7 Ik heb den goeden strijd gestupden, ik heb den loop ge- |
ÏEÜS 4. eindigd, ik heb het geloof behouden ; 8 voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke de Heere, de rechtvaardige Rechter, mij in dien dag geven zal, e:i niet alleen mij, maar ook allen die zijne verschijning liefgehad hebben. \'J benaarsti^\' u haastelijk tot mij te komen. 10 Want Hemaa heeft mij verlaten, hebbende de tegenwoordige wereld liefgekregen, en is naar Thessalonica gereisd, Cresceus naar Galatié, Titus naar Dalmatié. 11 Lucas is illeen met mij. Neem Marcus me Je en breng hem met u; want hij is mij zeer nut tot d( n dienst. 12 Maar Tychicus heb ik naar Efeze gezonden. IS Breng den reismantel mede, dien ik te Troas bij Carpus gelaten heb, als gij komt. en de boeken, inzonderheid de perkamenten. 14 Alexander de kopersmid heeft mij veel kwaad betoond: de Heere vergeldc hem naar zijne werken. 15 Van welken wacht gij u óók; want hij heeft onze woorden zeer tegengestaan. K» In mijne eerste verantwoording is niemand bij mij geweest, maar zij hebbeu mi) allen verlaten. Het worde hun niet toegerekend. 17 Maar de Heere heeft mij bijgestaan en heeft mij bekrachtigd, opdat men door mij ten vo\'le zoude verzekerd zijn van dc prediking , en alle heidenen dezelve zouden hoo-ren; en ik ben uit den muil des leeuw s verlost. 1M En de Heere zal mij verlossen van alle boos werk, en bewaren tct zijn hemelsch Koninkrijk. Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. 11) Groi t l\'risca en Aquila en het hui.\', van Onesiforus. |
|
20 Erastus ia te Corinthe ge-Llevcn, en Trofimus heb ik te Miléte krank gelaten. 21 Benaarstig u om vóór den winter te komen. U groet Eu-Mlus, en Pudens, en Linus, |
S 1. 303 en Claudia, en alle de broeders. 22 De Heere Jezus Christus zij met uwen geest. De genade zij met ulieden. Amen. |
APOSTEL PAULUS
DE BRIEF VAN
T I ï
u s.
|
HOOFDSTUK 1. Paulus, een dienstknecht Gods en een Apostel van Jezus Christus naar het geloof der uitverkorenen Gods, en de keunis der waarheid die naar de godzaligheid is, 2 in de hope des eeuwigen levens, welke God, die niet liegen kan, beloofd heeft vóór de tijden der eeuwen, maar geopenbaard heeft te zijner tijd, S namelijk zijn quot;Woord, door de prediking die mij toebe-trouwd is, naar het bevel Gods onzes Zaligmakers, aan Titus mijnen oprechten zoon naar het gemeen geloof: 4 genade, barmhartigheid, vrede zij u van God den Vader en den Heere Jezus Christus onzen Zaligmaker. ó Om die oorzaak heb ik u in Creta gelaten, opdat gij hetgeen dat nog ontbrak voorts zoudt terechtbrengen, en dat gij van stad tot stad zoudt Ouderlingen stellen, gelijk ik u bevolen heb: (i indien iemand onberispelijk is, lt;?éner vrouwe man, geloo-vige kinderen hebbende, die niet te beschuldigen zijn van overdadigheid, noch ongehoorzaam zijn. |
7 Want oen Opziener moet onberispelijk zijn, als een huisverzorger Gods, niet eigenzinnig, niet geneigd tot toornigheid, niet geueigd tot den wijn, geen smijter, geen vuilgewinzoeker, 8 maar die gaarne herbergt, die de goeden liefheeft, matig, rechtvaardig, heilig, kuisch; 9 die vasthoudt aan het getrouwe Woord, dat naar de leer is, opdat hij machtig zij beide om te vermanen door de gezonde leer en om de tegensprekers te wederleggen. 10 Want daar zijn ook vele ongeregelden, ijdelheidspre-kers, en verleiders van zinnen, inzonderheid die uit de besnijdenis zijn, 11 welken men moet den mond stoppen; die geheele huizen verkeeren, leerende wat niet behoort om vuil gewins wille. 12 Een uit hen, zijnde hun eigen Proleet, heeft gezegd: De Cretenzen zijn altijd leugenachtig, kwade beesten, luie buiken. 13 Deze getuigenis is waar. Daarom bestraf ze scberpelijk, opdat zij gezond mogen zijn in het geloof, 14 en zich niet begeven tot Joodsehe fabelen en geboden |
|
304 TITU der mcnschen die zich van de waarheid afkoeren. 15 Alle dingen zijn wel rein don rcinen, maar den bevlekten en onseloovisen is geen ding rein, maar beide hun verstand en conscientie zijn bevlekt. Ifi Zij belijden dat ze God kennen, maar zij verloochenen hem met de werken, alzoo zij afschuwelijk zijn en ongehoorzaam en tot alle goed werk ongeschikt. HOOFDSTUK 2. Doch gij , spreek hetgeen de gejonde leer betaamt: quot; dat de oude mannen nuchter zijn, stemmig, voorzichtig, gezond in \'t geloof, in de liefde, in de lijdzaamheid. l)e oude vrouwen insgelijks, dat zij in hare dracht zijn gelijk den heiligen betaamt, dat ze geen lasteraarsters zijn, zich niet tot veel wijn begevende, maar leeraressen zijn van het goede; 4 opdat zij de jonge vrouwen leeren voorzichtig te zijn, hare mannen lief te hebben, hare kinderen lief te hebben, 5 matig te zijn, kuisch te zijn, het huis te bewaren, goed te zijn , haren eigen mannen onderdanig te zijn, opdat het Woord Gods niet gelasterd worde. 6 Vermaan de jonge mannen insgelijks dat zij matig zijn. 7 Betoon u zei ven in alles een voorbeeld van goede werken; betoon in de leer onvervalscht-heid, deftigheid, oprechtheid , 8 het Woord gezond en onverwerpelijk, opdat degeen die daartegen is beschaamd worde en niets kwaads hebbe van ulieden te zeggen. \'J Vermaan de dienstknechten, dat zij hunnen eigen heeren onderdanig zijn, dat ze in alles welbehagelyk zijn, niet tegensprekende ; |
1 2, 3. 10 niet onttrekkende, m.iar alle goede trouw bewijzende; opdat zij de leer van God onzen Zaligmaker in alles mogen versieten. 11 Want dc zaligmakende genade Gods is verschenen allen menschen, 12 en onderwijst ons, dat wij de goddeloosheid en de wereld-sche begeerlijkheden verzakende , matiglijk en rechtvaar-diglijk en godzaliglijk leven zouden in deze tegenwoordige wereld, 13 verw.achtende d® zalige hope en verschijning der heerlijkheid van den grooten God en onzen Zaligmaker Jezus Christus, 14 die zichze\'. ven voor ons gegeven heeft, c pdat hij ons zoude verlossen v.-in alle ongerechtigheid, en zie izel ven een eigen volk zoude reinigen, ijverig in goede werken. 15 Spreek dit, en vermaan ett bestraf met allen ernst. Dat niemand u verachte. HOOFDSTUK 8. Vermaan hen dilt zij den overheden en machten onderdanig zijn, dat ze daaraan gehoorzaam zijn, dat ze tot alle goed werk bereid zijnj 2 dat ze niemand lasteren, geen vechters zjjn, maar bescheiden zijn, alle zachtmoedigheid bewijzende jegens alle menschen. 3 Want cok wij waren eertijds onw.js, ongehoorzaam, dwalende, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdisrheid levende, hatelijk zijnde en elkander hatende; 4 maar wanneer de goeder-tierenhe d van God onzen Za-ligmake? en zijne liefde tot de menschen verschenen is, 5 heeft hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid die wij gedaan |
|
haadcn, maar naar zijne barmhartigheid, door het had der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestea, lgt; denwelken hij over ons rij-kelijk heeft uitgegoten door Jems Christus ouzen Zaligmaker; 7 opdat wij gerechtvaardigd zijnde door zijne genade, erfgenamen zouden worden naar de hope des eeuwigen levens. 8 Dit is een getrouw woord, en deze dingen wil ik dat gij ernstiglijk bevestigt, opdat degenen die aan God gelooven zorir dragen om goede werken voor te staan. Deze dingen zijn het, die goed en nuttig ziju den menschen. 9 Maar wedersta de dwaze vragen en geslachtrekeningen en twistingen en strijdvoerin- |
HON. 305 gen over de wet; want zij zijn onnut en ijdel. 10 Verwerp eenenketterschen mensch na de eerste en tweede vermaning, 11 wetende dat de zoodanige verkeerd is en zondiat, zijnde bij zichzelven veroordeeld. 1- Als ik Artemas tot u zal zenden of Tychicus, zoo be-naarstig u tot mij te komen te Nicopolis, want aldaar heb ik voorgenomen te overwinteren. 13 Geleid Zenas, den Wetgeleerde, en Apollos zorgvuldig-lijk, opdat hun niets ontbreke. 14 En dat ook de onzen leeren goede werken voor te staan tot noodig gebruik, opdat zij niet onvruchtbaar zijn. 15 Die met mij zijn groeten u alkm. Groet ze die ons liefhebben in het geloof. De genade zij met u allen. Amen, |
DE BRIEF VAN DEgt;
APOSTEL PAULUS
M O N.
FILÉ
|
Paulus, een gevangene van Christus Jezus, en Timothcüs de broeder, aan Filémon den geliefde, en onzen medearbeider, 2 en aan Appia de geliefde, en aan Archippus onzen medestrijder, en aan de. gemeente die te uwen huize is; 3 genade zij ulieden en vrede van God onzen Vader en den Heere Jezus Christus. 4 Ik dank mijnen God, uwer altijd gedachtig zijnde in mijne gebeden, 5 alzoo ik hoor uwe liefde en geloof, hetwelk gij hebt aan den Heere Jezus en jegens alle de heiligen; |
6 opdat de gemeenschap uwa geloofs krachtig worde in de bekendmaking van alle goed, hetwelk in ulieden is door Christus Jezws. 7 quot;Want wij hebben groote vreugde en vertroosting over uwe liefde, dat de ingewanden der heiligen verkwikt zijn geworden door u, broeder. 8 Daarom hoewel ik jjroote vrijmoedigheid heb in Christus or-n u te hevelen hetgeen betamelijk is, 9 zoo bid ik nochtans liever door de liefde, daar ik zoodanig een ben , te weten Paulus , een oud man, en nu ook een gevangene van Jezus Christus; |
|
306 10 ik bid u dan voor mijnen zoon, de.nwelken ik in myne banden heb geteeld, namelijk Onésiraus; 11 die eertijds u onnut was, maar nu u en mij zeer nuttig; denwelken ik wedergezonden heb. 12 Docb gij, neem bem, dat is mijne ingewanden, weder aan; 13 denwelken ik wel bad willen bij mij behouden, opdat hij mij voor u dienen zoude in de banden des Evangelies ; 14 maar ik beb zonder uw goedvinden niets willen doen, opdat uwe goeddadigheid niet zoude zijn als naar bedwang, maar naar vrijwilligheid. 15 Want veellicht is hij daarom voor oenen kleinen tijd van u gescheiden geweest, opflat gij hem eeuwig zoudt weder hebben: 16 nu voortaan niet als een dienstknecht, maar meer dan een dienstknecht, 7taweii/A:een geliefden broeder, inzonderheid mij, hoeveel meer dan u, beide in het vleesch en in den Heere. |
17 Indien gij mij dan houdt voor een metgezel, zoo neem hem aan gelijk als mij. 18 En indien hij u iets verongelijkt beeft; of schuldig is, reken dat mij toe. 19 Ik, Paulus, heb het geschreven met deze mijne hand: ik zal het betalen; opdat ik u niet zegge dat gij ook uzelven mij daartoe schuldig zijt. 20 Ja, broeder, laat mii uwer hierin genieten in denlleere; verkwik mij ae ingewanden in den Heere. 21 Ik heb r.an u geschreven vertrouwende op uwe gehoor^ zaaraheid, et ik weet dat gij doen zult ook boven hetgeen ik zeg. 22 En bereid mij ook tegelijk eene herberg; want ik hoop dat ik door uwe gebeden ulie-den zal geschonken worden. 23 U groeten Epafras mijn medegevangene in Christus Jezus, 24 Marcus, Aristarchus, De-mas, Lucas, mijne medearbeiders. 25 De genade onzes Heeren Jezus Christus zij met uwen geest. Amen. HEBBEËRS 1. |
DE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS
HEBKEEES.
|
HOOFDSTUK 1. God voortijds veelmaal en Op velerlei wijs tot de vaderen gesproken hebbende door de Profeten, beeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon, |
2 welken hij gesteld heeft tot een erfgenaam van alles, door welken hij ook de wereld gemaakt heeft. 3 Dewelke alzoo hij is het afschijnsel zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord zijner kracht, nadat hij de reinigma-king onzer zoniten door zich- |
307
|
zeiven teweeggebracht heeft, is gezeten aan de rcchterAaarf der Majesteit in de hoogste hemelen, 4 zooveel trcffelijker geworden dan de Engelen, als hij uitnemender naam boven hen geërfd heeft. 5 Want tot wien van de Engelen heeft hij ooit gezegd : Gij zijt mijn Zoon, heden heb ik u gegenereerd ? En wederom : Ik zul hem tot een Vader zijn en hij zal mij tot een Zoon zijn ? 6 En als hij wederom den eerstgeborene inbrengt in de wereld, zegt hij : En dat alle Engelen Gods hem aanbidden. 7 En tot de Engelen zegt hij wel: Die zijne Engelen maakt geesten, en zijne dienaars een vlam des vuurs; 8 maar tot den Zoon zegt hU : Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid; de schepter uws Konink-ijks is een rechte schepter; 9 gij hebt rechtvaardigheid liefgehad en ongerechtigheid gehaat: daarom heeft u, o God, uw God gezalfd met olie der vreugde boven uwe mede-genooten. 10 En; Gij, Heere, hebt in den beginne de aarde gegrond, en de hemelen zijn werken u-wer h inden: 11 dezelve zullen vergaan, maar gij blijft altijd; en zij zullen alle als een kleed ver-ouden, 12 en als een dekkleed zult gij ze im\'i\'nrollen, en zij zullen veranderd worden; maar gij zijt dezelfde, en uwe jaren zullen niet ophouden. i:{ En tot welken der Engelen heeft hij ooit gezegd: Zit aan mijne rechtcrAfl/trf, totdat ik uwe vijanden zal gezet hebben tot een voetbank uwer voeten? 14 Zijn ze niet allen gedienstige geesten, die tot den dienst uitgezond-en worden om dergenen wille die de zaligheid beërven zullen ? |
HOOFDSTUK 2. Daarom moeten wij ons te meer houden aan hetgeen raw ons gehoord is, opdat wij niet te eeniger tijd doorvloeien. 2 Want indien het woord door de Engelen gesproken vast is geweest, en alle overtreding en ongehoorzaamheid rechtvaardige vergelding ontvangen heeft, 3 hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zóó groote zaligheid geen acht nemen ? Dewelke begonnen zijnde verkondigd te worden door den Heere, aan ons bevestigd is geworden van degenen die hem geboord hebben, 4 God bovendien medegetui-gende door teekenen en wonderen en menigerlei krachten, en bedeelingen des Heiligen Geestes naar zijnen wil. 5 Want hij heeft aan de Engelen niet onderworpen de toekomende wereld, van welke wij spreken. fi Maar daar heeft iemand ergens betuigd, zeggende: Wat is de mensch dat gij zijner gedenkt , of des menscben Zoon dat gij hem bezoekt! 7 Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de Engelen, met heerlijkheid en eere hebt gij hem gekroond, en gij hebt hem gesteld over de werken uwer handen. 8 Alle dingen hebt gij onder zijne voeten onderworpen. Want daarin dat hij hem alle dingen heeft onderworpen, heeft hij niets uitgelaten dat hem niet onderworpen zij; doch nu zien wij nog niet dat hem alle dingen onderworpen zijn. 9 Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eere gekroond, die een weinig minder dan de Engelen geworden was, van wege het lijden des doodskop-dat hij door de genade Gods |
|
308 HEBRl voor allen den dood smaken zoude. 10 Want het betaamde hem, om weikon alle dingen zijn en door welken alle dingen zijn, dat hij vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, den oversten Leidsman hunner zaligheid door lijden zonde heiligen. 11 Want frn hij die heiligt ftn zij die geheiligd worden zijn allen uit één; om welke oorzaak hij zich niet schaamt hen broeders te noemen, 12 zeggende; Ik zal uwen naam mijnen broederen verkondigen, in het midden der gemeente zal ik u lofzingen; 13 en wederom: Ik zal mijn betrouwen op hem stellen ; en wederom: Zie daar, ik en de kinderen die mij God gegeven heeft. 14 Overmits dan de kinderen des vleesches en bloeds deelachtig zijn, zoo is bij ook desgelijks derzelve deelachtig geworden , opdat hij door den dood te niet doen zoude dengenen die het geweld des doods had, dat is den duivel, 15 en verlossen zoude alle degenen die met vreeze des doods door al hun leven der dienstbaarheid onderworpen waren. 16 Want waarlijk hij neemt de Engelen niet aan, maar hij neemt het zaad Abrahams aart. 17 Waarom hij in alles den broederen moest gelijk worden , opdat hij een barmhartig en een getrouw Iloogepriester zoude zijn in de dingen die bij God tc doen waren, om de zonden des volks te verzoenen. 18 Want in betgeen hij zelf verzocht zijnde geleden heeft kan hij degenen die v-erzocht worden te hulp komen. HOOFDSTUK 3. Hierom, heilige broeders, die der hemelsche roeping deelachtig zyt, aanmerkt den A- |
IKRS .*?. Eostel en Hoogepriester onzer elijdenis Christus Jezus,ostel en Hoogepriester onzer elijdenis Christus Jezus, 2 die getrouw is dengenen die hem gesteld heeft, gelijk ook Mozes in geheel zijn huis was. 3 Want deze is zooveel meerder heerlijkheid waardig geacht dan Mozes, als degene die het bu s gebouwd heeft meerder eere heeft dan het huis. 4 Want ieder huis wordt van iemand gebo iwd, maar die dit alles gebouwd heeft is God. 5 En Mozes is wel getrouw geweest in geheel zijn huis als een dienaar, cot getuigenis der dingen die daarna gesproken zouden worden, 6 maar Christus als de Zoon over zijn eigen huis, wiens huis wij zijn^ indien wij maar de vrijmoedigl.eid en den roem der hoop tot den einde toe vasthouden. 7 Daarom gelijk de Heilige Geest zegt: Heden indien gij zijne stemme hoort, 8 zoo verhardt uwe harten niet, gelijk het geschied ia in de verbittering ten dage der verzoeking in de woestijn, 9 alwaar mij uwe vaderen verzocht hebben; zij hebben mij beproefd ,cn hebben mijne werken gezien, veertig jaren lang. 10 Daarom was ik vertoornd over dat geslacht, en sprak: Altijd dwalf.n zij met het hart, en zij hebben mijne wegen niet gekend. 11 Zoo heb ik dan gezworen in mijnen toorn: Indien zij in mijne rust zullen ingaan! 12 Ziet toa, broeders, dat niet te eenisrer tijd in iemand van u zij een boos ongeloovig hart, om af te wijken van den levenden God; 13 maai vermaant elkander tc allen dage, zoolang als het heden genaamd wordt, opdat niet iemr-nd uit u verhard worde door de verleiding der zonde. |
|
14 Want wij zijn Christus deelachtig geworden, zoo wij namelijk het beginsel van dezen vasten grond tot den einde toe vast behouden, 15 terwijl daar irezeffd wordt: Heden indien gij zijne stemme hoort, zoo verhardt uwe harten niet, gelijk in de verbittering pesc/.ieil is. 16 Want sommigen als zij die gehoord hadden, hebben hem verbitterd; doch niet allen die uit Egypte door Mozes uitgegaan zijn. 17 Over welke nu is hij vertoornd geweest veertig jaren ? Was het niet over degenen die gezondigd hadden, welker lichamen gevallen z^jn in de woestijn? IS En welken heeft hij gezworen dat zij in zijne rust niet zouden ingaan, anders Jan dengenen die ongehoorzaam geweest waren ? 19 En wij zien dat zij niet hebben kunnen ingaan van wege huu ongeloof. HOOFDSTUK 4. Laat ons dan vreezen, dat niet te eeniger tijd de belofte van in zijne rust in te gaan nagelaten zijnde, iemand van u schijne achtergebleven te zijn._ 2 Want ook ons is het Evangelie verkondigd, gelijk als hun ; maar het Woord der prediking deed hun geen nut, dewijl hij met het geloof niet gemengd was in degenen die het gehoord hebben. 3 Want wij die geloofd hebben gaan in de rust, gelijk hij gezegd heeft: Zoo heb ik dan gezworen in mijnen toorn: Indien zij zullen ingaan in mijne rust! hoewel zijne werken van de grondlegging der wereld af al volbracht waren. 4 Want hij heeft ergens van den zevenden dag aldus gesproken; En God\'lieeft op den |
IERS 4. 309 zevenden dag van alle zyne werken gerust. 5 Eu in deze phuita wederom: Indien zij in mijne rust zullen ingaan! (i Dewijl dan blijft, dat sommigen in die ingaan, en degenen wien het Evangelie het eerst verkondierd was niet ingegaan zijn van wege de ongehoorzaamheid , 7 zoo bepaalt hij wederom een zekeren das, «awit\'Zi.jA: heden, door David/.eggende zoo langen tijd daarna (gelijker-wijs gezegd is): lieden indien gij zijne stemme hoort, zoo verhardt uwe harten niet. 8 Want indien Jems hen in de rust gebracht heeft, zoo had hij daarna niet gesproken van eenen anderen dag. 9 Er blijft dan eene ruste over voor het volk Gods. 10 Want die ingegaan is in zijne rust, die heeft zelf óók van zijne werken gerust, gelijk God van de zijne. 11 Laat ons dan ons benaarstigen om in die rust in te gaan, opdat niet iemand in hetzelfde exempel der ongeloo-vighpid valle. 12 Want het Woord Gods is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan eenig tweesnijdend zwaard, en gaat dóór tot de verdeeling der ziele en des geestes, en der samenvoegse-len en des mergs, en is een oordeeler der gedachten en der overleggingen des harten, 13 en daar is geen schepsel onzichtbaar voor hem, maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de oogeu desgenen met welken wij te doen hebb\'.n. 14 Dewijl wij dan een en groo-ten Hoogepriester hebben, die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus den Zoon Gods, zoo laat ons deze belijdenis vasthouden. 15 Want wij hebben geenen Hoogepriester die niet kan me-del ij den hebben me t onze zwak- |
|
310 HEBRE1 Leden, mam* die in alle dingen gelijk als wij is verzocht geweest, doch zonder zonde. If» Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mojren verkrijgen, en genade vinden om geholpen te worden ter bekwamer tijd. HOOFDSTUK 5. quot;Want alle Hoogepriester uit de menscben genomen, wordt gesteld voor de menscben in de zaken die bij God te doen zijn , opdat hij offere gaven en slachtofferen voor de zonden; 2 die behoorlijk medelijden kan hebben met de onwetenden en dwalenden, overmits hij ook zelf met zwakheid omvangen is. 3 En om dier zwakheid wille moet hij , gelijk voor het volk, alzóó ook voor zichzelven offeren voor de zonden. 4 En niemand neemt zichzelven die eeie aan , maar die van God geroepen wordt, gelijker-wijs als Aaron. 5 Alzóó ook Christus heeft zichzelven niet verheerlijkt om Hoogepriester te woi den, maar die tot hem gesproken heeft: Gij zijt mijn Zoon , heden heb ik u gegenereerd. (gt; Gelijk hij ook op eene andere plaats zegt: Gij zijt Priester in der eeuwigheid naar de ordening Melchiz^deks. 7 Die in de dagen zijns vleesches gebeden en smeekingen tot dengenen , die hem uit den dood kon verlossen, met sterke roeping en tranen, geofferd hebbende, en verhoord zijnde uit de vrees, 8 hoewel hij de Zoon was, ■nochtans gehoorzaambeid geleerd heeft uit hetgeen hij heeft geleden, 9 en geheiligd zijnde, is hij allen die hem gehoorzaam zijn eene oorzaak der eeuwige zaligheid geworden. |
:RS 5, 6. 10 en is van God genaamd een Hoogepriester naar de ordening Melchizamp;lcks. 11 Van denwelken wij hebben vele dingen, eii zwaar om te verklaren , te zeggen; dewijl gij traag om tu hooren geworden zijt. 1quot; AVant gij ., daar gij leeraars behoordet te zijn, van wege den tijd, hebt wederom van noodc dai n, en u leere welke de eerste beginselen zijn der woorden Gods ; en gij zijt geworden als di? melk van noode hebben en niet vaste spijs. 13 Want eer. iegelijk die der melk deelach ig is, die is onervaren in het Woord der gerechtigheid , want hij is een kind. 14 Maar der volmaakten is de vaste snij?, die door de gewoonte de s innen geoefend hebben tot onderscheiding beide des goeds en des kwaads. HOOFDSTUK 6. Daarom nalatende het beginsel der leer van Christus , laat ons tot de volmaaktheid voortvaren, niet wederom leggende het fundament van de bekeering van doode werken, en van het geloof in God, 2 van de l?er der doonen, en van de omlegging der lian-den, en van de opstanding der dooden. en van het eeuwig^ oordeel. 3 En dit z allen wij ook doen, indien God het toelaat. 4 Want het is onmogelijk, degenen die lt;?dns verlicht geweest zijn, en de hemelsche gave gesmaakt hebben, en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn, 5 en geslaakt nebben het goede Woord Gods en de krachten der toekemende eeuw, 6 en afvallig worden, die zegge ik wederom te vernieuwen tot bekeering, als welke zichzelven den Zoon Gods weder- |
|
om kruisigen en openlijk te schan.ie maken. 7 Want de aarde die den regen menigmaal op baar komende indrinkt, en bekwaam kruid voortbrengt voor degenen, door welke zij ook gebouwd wordt, die ontvangt zegen van God; 8 maar die doornen en diste-leu draagt, die is verwerpelijk en nabij de vervloeking, welker einde is tot verbrandins:. quot;J Maar, geliefden, wij verzekeren ons aangaande u betere dingen, en met de zaligheid gevoegd, hoewel wij al-zóó spreken. 10 ^ ant God is niet onrechtvaardig , dat hij uw werk zoude vergeten, en den arbeid der liefde die gij aan zijnen naam bewezen hebt, als die de heiligen gediend hebi en nog dient. 11 Maar wij begeeren,dat een iegelijk van u dezelfde naarstigheid bewijze tot de vólle verzekerdheid der hope, tot den einde toe; 12 opdat gij niet traag wordt, maar navolgers zijt derjrenen die door geloof en lankmoedigheid de beloftenissen be-erven. 13 Want als God Abraham de belofte deed, dewijl hij bij niemand die meerder was had te zweren, zoo zwoer hij bij zichzelven, 14 zeggende: Waarlijk, zegenende zal ik u zegenen, en vermenigvuldigende zal ik u vermenigvuldigen. 15 En alzóó lankmoediglijk verwacht hebbende, heeft hij de belofte verkregen. 16 Want de menschen zweren wel bij den meerdere dan zij zijn; en de eed tot bevestiging is demelven een einde van alle tegenspreking; 17 waarin God willende den erfgenamen der beloftenis o-vervloediglijker bewijzen de onveranderlijkheid zijn raads. |
ËRS 7. 311 is met eenen eed daartusschen gekomen; IS opdat wij door twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is dat God liege, eene sterke vertroosting zouden hebben , wij numrlijk die de toevlucht genomen hebben om de voorgestelde hope vast te houden; 19 welke wij hebben als een anker der ziel, hetwelk zeker en vast is, en ingaat in het binnenste des voorhangsels, 20 waar de voorlooper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus, naar de ordening Mel-chizédeks een Hoogepriester geworden zijnde in der eeuwigheid. HOOFDSTUK 7. Want deze Melchizédek was Koning van Salem, een Priester des allerhoogsten Gods, die Abraham tegemoet ging als hij wederkeerde van het verslaan der Koningen, en hem zegende; 2 aan welken ook Abraham van alles de tiende deelde; die vooreerst overgezet wordt Koning der gerechtigheid, en daarna ook was een Koning van Salem, \'t welk is een Koning des vredes; 3 zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtrekening, noch begin der dagen noch einde des levens hebbende; maar den Zone Gods gelijk geworden zijnde, blijft een Priester in eeuwigheid. 4 Aanmerkt nu hoe groot deze geweest is, aan denwelken ook Abraham de Patriarch tiende gegeven heeft uit den buit. 5 En die uit de kinderen van Levi het Priesterschap ontvangen, hebben wel bevel om tiende te nemen van het volk naar de wet, dat is van hunne broederen, hoewel die uit de lendenen Abrahams voortgekomen zijn. |
|
312 HEBRE 6 maar hij die zijtic geslacht-rrkeninjf uit lien niet heeft, die heeft van Abraham tiende genomen, en hem die de beloftenissen had heeft hij gezegend. 7 Ku zonder eenig tegenspreken, hetgeen minder is wordt gezegend van hetgeen meerder 8 En hier nemen wel tienden de menschen die sterven, maar aldaar neemt ze die van welken getuigd wordt dat hij leeft. 9 En om zoo te spreken, ook Levi, die tienden neemt, heeft door Abraham tiende gegeven; 10 want hij was nog in de lendenen des vaders, als hemMel-chiz^dek tegemoet ging. 11 Indien dan nu de volkomenheid door het levitisehe Priesterschap ware, (want onder hetzelve heeft het volk de wet ontvangen), wat nood was het nog, dat een ander Priester naar de ordening Melchi-z^deks zoude opstaan, en die niet zoude gezegd worden te zijn naar de ordening Aürons ? 12 Want het Priesterschap veranderd zijnde, zoo geschiedt er ook noodzakelijk verandering der wet. 13 quot;Want hij, op wien deze dingen gezegd worden, behoort tot een andoren stam, van welken niemand zich tot het altaar begeven heeft. 14 quot;Want het is openbaar dat onze Heere uit Juda gesproten is, op welken stam Mozea niets gesproken heeft van het Priesterschap. 15 En dit is nog veel meer openbaar, zoo er naar de gelijkenis van Melchizédek een ander Priester opstaat, 16 die dit niet naar de wet des vleeschelijken gebods is geworden , maar naar de kracht des onvergankelijken levens. 17 Want hij getuigt: Gij zijt Priester in der eeuwigheid naar de ordening Melchizé-deks. |
iRS 7. IS Want de vernietiging van het voorgaande gebod geschiedt om deszelfs zwakheids en onprofijtelijkheids wille; 19 want de wet heeft geen ding volmaakt, maar de aanleiding van eene betere hoop, door welke wij tot God genaken. 2(1 En voor zooveel bet niet zonder eedzwering is peachicd, (want géne-zijn wel zonder eedzwering Priesters geworden, 21 maar dézi» met eedzwering door dien, die tot hem gezegd heeft: De Heere heeft gezworen, en het zal hem niet berouwen: Gij zijt Priester in der eeuwigheid raar de ordeninsr Melchizédeks) 22 van een zooveel beter Verbond is Jezus borg geworden. 23 En géne zijn wel vele Priesters geworden, omdat zij door den dood verhinderd werden altijd te blijver.; 24 maar déze. omdat hij in eeuwigheid blijft, heeft een onvergankelijk Priesterschap, 2 ) waarom hij ook volkomen kan zalig maken degenen die door hem tot God gaan; alzoo hij altijd leeft om voor hen te bidden. 2fi Want zoodanig een Hooge-pricster betaamde ons, heilig, onnoozel, onbesmet, afgescheiden van Je zondaren, en hooger dan de hemelen geworden ; 27 dien liet niet alle dajren noodig was, gelijk den IIoo-gepriesters, eerst voor zijne eigene zonden slachtofferen op te offeren, daarna voor de zonden des volks, want dat heeft hij éénmaal gedaan, als hij zichzelven opgeofferd heeft. 25 Want de wet stelt tol; Hoogepriesters menschen die zwakheid aebben; maar het woord der eedzwering, die na de wet is gevolgd, stelt den Zoon die in der eeuwigheid geheiligd is. |
|
HOOFDSTUK 8. De hoofdsom nu der dingen waarvan wij spreken is, dat wij hebben zoodani^en IIoo-eepriester, die gezeten is aan de rechterband van den troon der Majesteit in de hemelen, 2 een bedienaar des heilig-doms , en des waren Tabernakels, welken de Heere heeft opgericht, en geen mensch. 3 Want een iegelijk Ilooge-priester wordt gesteld om gaven en slachtofferen te offeren; waarom het noodzakelijk was dat ook deze iets had, dat hij zoude offeren. 4 Want indien hy op aarde ware, zoo zoude hij zelfs geen Priester zijn, terwijl daar Priesters zijn, die naar de wet gaven offeren; 5 welke het vóórbeeld en de schaduw der hemelsche dingen dienen, gelijk Mozes door Goddelijke aanspraak vermaand was, als hij den Tabernakel volmaken zoude. quot;Want zie, zegt hij , dat gij het alles maakt naar de afbeelding, die u op den berg getoond is. 6 En nu heeft hij zooveel uit-nemender bediening gekregen, als hij ook eens beteren Ver-bonds Middelaar is, hetwelk in betere beloftenissen bevestigd is. 7 Want indien dat eerste Verhond onberispelyk geweest ware , zoo zoude voor het tweede geene plaats gezocht zijn geweest. 8 Want hen berispende zegt hij tot hen: Zie , de dagen komen , spreekt de Heere, en ik zal over het huis Israels en over het huis van Juda een nieuw Verbond oprichten, 9 riet naar het Verbond dat ik met hunne vaderen gemaakt heb ten dage als ik hen bij de band nam om hen uit Egypte-land te leiden want zij zijn in |
IS 8, 9. 313 dat mijn Verbond niet gebleven , en ik heb op hen niet geacht. zegt de Heere. 10 Want dit is het Verbond dat ik met het huis Israels maken zal na die dagen, zegt de Heere: ik zal mijne wetten in bun verstand geven, en in hunne, harten zal ik die inschrijven ; en ik zal hun tot een God zijn en zy zullen mij tot een volk zijn. 11 En zij zullen niet leeren een iegelijk zijnen naaste en een iegelijk zijnen broeder, zeggende: Ken den Heere; want zij zullen mij allen kennen , van den kleine onder hen tot den grqote onder hen ; 12 want ik zal hunne ongerechtigheden genadig zijn, en hunne zonden en hunne overtredingen zal ik geenszins meer gedenken. 13 Als hij zegt: Een nieuw Verbond, zoo heeft hij het eerste oud gemaakt: wat nu oud gemaakt is en veroudert, is nabij de verdwijning. HOOFDSTUK 9. Zoo had dan wel ook het eerste Verbond rechten des Gods-dienstes, en het wereldlijk heiligdom. 2 Want de Tabernakel was toebereid, namelijk de eerste, in welken was de kandelaar en de tafel en de toonbrooden, welke genaamd wordt het heilige; 3 maar achter het tweede voorhangsel was de Tabernakel tcenaamd Let heilige der heiligen, 4 hebbende een gouden wierookvat , en de Arke des ver-bonds alom met goud overdekt, in welke was de gouden kruik daar het manna in was, en de staf Aarons die gebloeid had, en de tafelen des ver-bonds. 5 En boven over deze Ark waren de cherubs der heerlijk- |
|
S14 IIEBRI faeid, die het vorzocndeksel beschaduwden; van welke din-}fen wij nu van stuk tot stuk niet zullen zeggen. (i De/e dingen nu aldus toe-bereid zijnde, zoo gingen wel de Priesters in den eersten Tabernakel te allen tijde om de Godsdiensten te volbrengen; 7 maar in den tweeden Tabernakel ginrf alleen de IIoo-gepriester éénmaal des jaars , niet zonder bloed, hetwelk hij offerde voor zichzelven en voor des volks misdaden, 8 vaannede de Ileili-je Geest vUt beduidde, dat de weg des heiligdoms nog niet onenbaar gemaakt was zoolans ue eerste Tabernakel nog stand had . 9 welke was eene afbeelding voor dien tegenwoordig»\'n tijd, in welken gaven en slachtofferen geofferd werden, die dengenen die den dienst pleegde niet konden heiligen naar de conscientie, 10 hestaande alleen in spijzen, en dranken, en verscheidene wasschingen, en rechtvaardig-tnakingen des vleesches, tot op den tijd der verbetering op-gêlejrd. 11 Maar Christus de lïooge-priester der toekomende goederen gekomen zijnde, is door den meerderen en volmaakte-ren Tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van lt;lit maaksel, 12 noch door het bloed der bokken en kalveren maar door zijn eigen bloed, éénmaal ingegaan in het heiligdom, eene eeuwige verlossing; teweeggebracht hebbende. 13 Want indien het bloed der stieren en bokken, en de asch der jonge koe besprengende de onrcinen, hen heiligt tot de reinigheid des vleesches: 14 hoeveel te meer zal het bloed van Christws, die door den eeuwigen Geest zichzelven Gode onstraffelijk opgeofferd heeft, uwe conscientie reini- |
ËRS 9. gen van doode werken, om den levenden God te dienen. 15 En daarom is hij de Middelaar des nieuwen Testaments, opdat, de dood daartussrhrn gekomen zijnde tot verzoening der overtredingen die onder het eerste Testament waren, degenen die geroepen zijn de beioftenis der eeuwige erve ontvangen zouden. Ifi quot;Wam waar een testament is, daar is het noodzaak dat de dood des testamentmakers tuascheiikovac; 17 want een testament is vast in de dooden, dewijl het nog geen kracht heeft wanneer de testamentmaker leeft: 18 waarom cok het eersteniet zonder bloed is ingewijd. 19 Want als alle de geboden naar de wet van Mozes tot al het volk uitgesproken waren, nam hij het bioed der kalveren en bokken, met water en purperen wol en hysop, besprengende beide het boek zelf en al het volk, 20 zeulende; Dit is het bloed des Testaments hetwelk God aan ulieden heeft geboden. 21 En hij besprengde desgelijks ook den Tabernakel en alle de vaten van den dienst met het bloed. 22 En alle dingen worden bijna door bloed gereinigd naar de wet, en zonder bloedstorting geschiedt geene vergeving. 23 Zoo was het dan noodzaak, dat wel d( vóórbeeldingen der diniren dir in de hemelen zijn door dezs dingen gereinigd werden, maar de hemelsche dingen zelve door beter offeranden dan deze. 24 Want Christus is niet ingedaan in het heiligdom dat met handen gemaakt is, hft-welk is een tegenbeeld van het ware, maar in den hemel zeiven, om nu te verschijnen voor het aangezicht Gods voor ons; 25 noch ook opdat hij zichzelven dikwijls zoude opoffe- |
|
ren, pftlijk de Hoojyppriester alle jaren in het heiligruom in-paat niet vreemd bloed ; quot;(i (anders had hij dikwijls moeten lijden van de ijrond-legginjr der wereld af); mfi.ar nu is hij éénmaal in de vol-einding der eeuwen geopenbaard , om de zonde te niet te doen door zijns zelfs ofterande. L7 En irelijk het den menschen gezet is éénmaal te sterven, en daarna het oordeel, 28 alzóó ook Christus, éénmaal geofferd zijnde om veler zonden weg te riemen , zal ten anderen male zonder zonde gezien worden van degenen die hem verwachten tqt zaligheid. HOOFDSTUK 10. Want de wet, hebbende eene schaduw der toekomende goederen, niet bet beeld zelf der zaken, kan met dezelfde offeranden die zij alle jaren gedurig opofferen, nimmermeer heiligen degenen die daar toegaan : 2 anderszins zouden zij opgehouden hebben geofferd te worden, omdat degenen die den dienst pleegden geen consciëntie meer zouden hebben der zonden, éénmaal gereinigd geweest zijnde, 3 maar nu geschiedt in dezelve alle jaren weder gedachtenis der zonden. 4 quot;Want het is onmogelijk dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme. 5 Daarom komende in de wereld zegt hij : Slachtoffer en offerande hebt gij niet gewild , maar gij hebt mij het lichaam toebereid; ü brandofferen en offer voor de zonde hebben u niet behaagd : 7 toen sprak ik: Zie, ik kom (in het begin des hoeks is van mij geschreven) om uwen wil te. doen, o God. 8 Als hij te voren gezegd had; |
ERS 10. 315 Slachtoffer en offerande en brandoffers en offer voor de zonde hebt gij niet gewild, noch hebben u behaagd, (dewelke naar de wet geofferd worden), 9 toen sprak hij; Zie, ik kom om uwen wil te doen, o God. Hij neemt het eerste weg, om het tweede te stellen. 10 In welken wil wij geheiligd zijn door de offerande des lichaams van Jezus Christus éénmaal geschied. 11 En een iegelijk Priester stond wel alle dauen dienende, en dezelfde slachtofferen dikwijls offerende, die de zonden nimmermeer kunnen wegnemen ; 12 maar deze, één slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechter/Wnuf Gods , 1.\'{ voorts verwachtende totdat zi jne vijanden gesteld worden tot een voetbank zijner voeten. 14 Want met ééne offerande heeft hij in eeuwigheid volmaakt degenen die geheiligd worden. 15 En de Heilige Geest getuigt bet ons óók. Iti Want nadat hij te voren gezegd had: Dit is het Verbond dat ik met hen maken zal na die dagen, zest de Heere: Ik zal mijne wetten geven in hunne harten, en ik zal die inschrijven in hunne verstanden; 17 en hunner zonden en hunner ongerechtigheden zal ik geenszins meer gedenken. 18 Waar nu vergeving derzel-ve is , daar is geene offerande meer voor de zonde. 19 Dewijl wij dan. broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, 20 op een verschen en levenden weg, welken hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is door zijn vleesch. |
|
316 HEBEI 21 en dewijl wij hebben ecnon prooten Triester over het huis Gods, 22 zoo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, onze harten gereinigd zijnde van de kwade conscientie, en het lichaam gewasschen zijnde met rein water; 23 laat ons de onwankelbare belijdenis der hope vakbonden ; (want die bet beloofd heeft is getrouw); 24 en laat ons op elkander acht nemen, tot opscherping der liefde en der goede werken ; 25 en laat ons onze onderlinge bijéénkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen : en dat zooveel te meer als gij ziet dat de dag nadert. 26 quot;Want zoo wij willens zondigen, nadat wij de kennis der waarheid ontvangen hebben , zoo blijft daar geen slachtoffer meer over voor de zonden, 27 maar eene schrikkelijke verwachting des oordeels, en hitte des vuurs, dat de tegenstanders zal verslinden. 28 Als iemand de wet van Mozes heeft te niet gedaan, die sterft zonder barmhartigheid onder twee of drie getuigen; 29 hoeveel te zwaarder straf, meent gij , zal hij waardig geacht worden, die den Zoon Gods vertreden heeft, en het bloed des Testaments onrein geacht heeft, waardoor hij geheiligd was, en den Geest der genade smaadheid heeft aangedaan? 30 Want wij kennen hem die gezegd heeft: Mijne is de wrake, ik zal het vergelden, spreekt de Ileere. En wederom: De Heere zal zijn volk oordeelen. 31 Yreeaelijk is het te vallen |
ÏRS 11. in de handen des levenden Gods. 32 Doch gedenkt der vorige dagen, in dewelke nadat gij verlicht zijt geweest, «rij veel strijd des lijdens hebt verdragen , 33 ten deele als gij door smaadheden en verdrukkingen een sciouwspol geworden zijt, en ten deele als gij gemeenschap gehad hebt met degenen die alzoo behandeld werden. 34 Want gij hebt ook over mijne banden medelijden gehad, en de rooving uwer goederen met blijdschap aangenomen, . wetende dat gij hebt in uzelve een beter en blijvend goed in de hemelen. 35 Werpt dan uwe vrijmoedigheid niet weg, welke eene groote vergelding des loona beeft. 36 Want gij hebt lijdzaamheid van noode, opdat gij den wille Got\'s gedaan hebbende, de beloftenis mocgt wegdragen. 37 Want nog een zeer weinig tijds, en hij die te komen staat zal komen en niet vertoeven. 38 Maar de rechtvaardige zal uit den geloove leven; en zoo iemand zich onttrekt, mijne ziel heeft ia hem geen behagen. 39 Maar wij zijn niet van degenen die zich onttrekken ten verderve, maar van degenen die gelooven tot behoudenis eer ziele. HOOFDSTUK 11. Het geloof nu is een vaste grond d^r dingen die men hoopt, sn een bewijs der zaken die: men niet ziet. 2 Want door hetzelve hebben de ouden getuigenis bekomen. 3 Door het geloof verstaan wij dat de wereld door het Woord Gods is toebereid, al- |
|
zoo dat de dinffcn die men ziet niet geworden zijn uit dingen die gezien worden. 4 l)oor het geloof heoft Abel eene meerdere offerande Gode geotferd dan Kain, door hetwelk hij getuigenis bekomen heeft dat hij rechtvaardig was, alzoo God over zijne gaven getuigenis gaf; en door dat geloof spreekt hij nog nadat hij gestorven is. 5 Door het geloof is Henoch weggenomen geweest, opdat hij den dood niet zoude zien, en hij werd niet gevonden , daarom dat God hem weggenomen had. Want vóór zijne wegneming heeft hij getuigenis gehad dat hij Gode behaagde. fi Maar zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen. quot;Want die tot God komt, moet elooven dat hij is, en een elooner is dergenen die hem zoeken. 7 Door het geloof heeft Ko-ach, door Goddelijke aanspraak vermaand zijnde aangaande de dingen die nog niet gezien werden, en bevreesd geworden zijnde, de ark toebereid tot behoudenis van zijn huisgezin ; door welke ark hij de wereld heeft veroordeeld, en is geworden een erfgenaam der rechtvaardigheid die naar het geloof is. S Door het geloofis Abraham geroepen zijnde gehoorzaam geweest, om uit te gaan naar de plaats, die hij tot een erfdeel ontvangen zoude, en hij is uitgegaan niet wetende waar hij komen zoude. quot;J Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land der belofte als in een vreemd land; en heeft in tabernakelen gewoond, met Isaük en Jacob die medeerfgenamen waren derzelfde belofte, 10 want hij verwachtte de stad die fundamenten heeft, welker kunstenaar en bouwmeester God is. |
ERS 11. 317 11 Door het geloof heeft ook Sara zelve kracht ontvangen om zaad te geven, en boven den tijd hunra ouderdoms heeft zij gebaard, overmits zij hem getrouw heeft geacht die het beloofd had. 12 Daarom zijn ook van ^énen, en dat van eenen verstorvene, zoovelen in menigte geboren als de sterren des hemels, en als het zand dat aan den oever der zee is, hetwelk ontelbaar is. 13 Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelve van verre gezien en geloofd en omhelsd, en hebben beleden dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren. 14 quot;Want die zulke dingen zeggen, betoonen klaarlij k dat zij een vaderland zoeken. 15 En indien zij aan datroder-land gedacht hadden van hetwelk zij uitgegaan waren, zij zouden tijd gehad hebben om weder te keeren; 16 maar nu zijn zij begeerig naar een beter, dat is naar het hemelsche. Daarom schaamt zich God hunner niet, om hun God genaamd te worden; want hij had hun eene stad bereid. 17 Door het geloof heeft Abraham, als hij verzocht werd, Isaük geofferd., en hij die de beloften ontvangen had heeft zijnen eeniggelorene geofferd, 18 (tot denwelken gezegd was: In Isaiik zal u het zaad genaamd worden), overleggende dat God machtig was hnn ook uit de dooden te verwekken ; 19 waaruit hij hem ook bij gelijkenis wedergekregen heeft, 2(J Door het geloof heeft Isaiik zijne zonen Jakob en Ezau gezegend aangaande toekomende dingen. 21 Door het geloof heeft Jakob stervende een iegelijk der zonen Jozefs gezegend, en heeft |
|
318 HEBRI aangebeden, leunende op het opperste van zijnen staf. iL\' Door het geloof heeft Jor.ef stervende gemeld van den uit-gan? der kinderen Israels, en heefc bevel gegeven van zijn gebeente. 23 Door het geloof werd Mo-zes toen hij geboren was drie maanden lang van zijne ouders verborgen, overmits zij zagen dat het kindehen schoon was ; en zij vreesden het gebod des Konings niet. 24 Door het geloof heeft Mo-zes, nu groot geworden zijnde, geweigerd een zoon van Farao\'s dochter genaamd te worden; 25 verkiezende liever met het volk Gods kwalijk behandeld te worden, dan voor eenen tijd de genieting der zonde te hebben, 25 achtende de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom te zijn dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding des loons. 27 Door het geloof heeft hij Egypte verlaten, niet vreezen-de\'den toorn des Konings, want hij hield zich vast als ziende den Onzienlijke. 28 Door het geloof heeft hij het Pascha uitgericht, en de besprenging des bloeds, opdat de verderver der eerstjrebore-nen hen niet raken zoude. 29 Door het geloof zijn zij de Koode zee doorgegaan als door het droge ; hetwelk de Egypte-naars óók beproevende, zijn verdronken. 30 Door het geloof zijn de muren van Jericho gevallen, als ze tot zeven dagen toe omringd waren geweest. 31 Door het geloof is Rachab de hoer niet omgekomen met de ongi-hoorzanien, als zij de verspieders met vrede had ontvangen. 32 En wat zal ik nog meer zeggen? quot;Want de tijd zal mij ontbreken, zoude ik verhalen van Gideon, en Barak, en |
ERS 12. Simson, en Jefta, en David, en Samuël, en de Profeten; 33 welke door het geloof koninkrijken hebben overwonnen, gerechtigheid geoefend, de beloftenissen verkregen, de muilen der le-ïuwen toegestopt, 34 de kracht des vuurn hebben uitgebluscht, de scherpte des zwaards zijn ontvloden, uit zwakheid krachten hebben gekregen, in den krijg sterk geworden zijn, heirlegers der vreemden op de vlucht hebben gebracht; 35 de vrouwen hebben hare dooden uit de opstanding we-deygekregen ; en anderen zijn uitgerekt geworden, de aangeboden, verlossing niet aannemende, opdat zij eene betere opstanding verkrijgen zouden, 36 en anderen hebben besnot-tingen en geeselingen geleden, en ook banden en gevangenis; 37 zijn gesteenigd geworden , in stukken geza.igd, verzocht, door het zwaard ter dood gebracht , hebben gewandeld in schaapsvellen en in geitenvel-len, verlaten , verdrukt, kwalijk behandeld zijnde, 38 (welker de wereld niet waardig was), hebben in woestijnen gedoold en u/t bergen en in spelonken en in de holen der aarde. 39 En dezf allen hebbende door het geioof getuigenis gehad , hebben de belofte niet verkregen, 40 alzoo God wat beters over ons voorzien had, opdat zij zonder on-s niet zouden volmaakt worden. HOOFDSTUK 12. Daarom dan ook, alzoo wjj zoo groo\'. eene wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen allen last en de zonde die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid loopen de loopbaan die ons voorgesteld |
|
2 ziende op den oversten Leidsman en Voleinder desj^e-loofs Jezus, dewelke voor de vreugde, die hein voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht, en is gezeten aan de rechterAanci des troons Gods. 3 AVant aanmerkt dezen, die zoodanig een tegenspreken van de zondaren teijen zich heeft verdragen , opdat gij niet verflauwt en bezwijkt in uwe zielen. 4 Gij hebt nog ten bloede toe niet tegengestaan, strijdende tegen de zonde; 5 en gij hebt vergeten de vermaning , die tot u als tot zonen spreekt: Mijn zoon, acht niet klein de kastijding des Heeren, en bezwijk niet als gij van hem bestraft wordt. (i Want dien de Ileere liefheeft kastijdt bij, en hij geeselt eenen icgelijken zoon dien hij aanneemt. 7 Indien gij de kastijding verdraagt , zoo gedraagt zich God jegens u als zonen; (want wat zoon is er dien de vader niet kastijdt?) 8 maar indien gij zonder kastijding zijt, welker allen deelachtig ziiu geworden, zoo zijt gij dan bastaarden en niet zonen. 9 Voorts, wij hebben de vaders onzes vleesches wel tot kastijders gehad, en wij ontzagen ze: zullen wij c/a/t niet veel meer den Vader der geesten onderworpen zijn, en leven? 10 Want géne hebben o?i«wel voor eenen korten tijd naar dat bet hun goeddacht gekastijd, maar déze kastijdt ona tót nna nut, ondat wij zijner heiligheid zouden deelachtig worden. 1) En alle kastijding, als die tegenwoordig is, schijnt geeae zaak van vreugde maar van droefheid te zijn; doch daarna geert zij van zicli eeue vreed- |
ËRS 12. 319 zame vrucht der gerechtigheid dengenen die door dezelve geoefend zijn. 12 Daarom richt weder öp de trage handen en de slappe knieen, 13 en maakt rechte paden voor uwe voeten, opdat hetgeen kreupel is niet verdraaid worde, maar dat het veel meer genezen worde. 14 Jaagt den vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand den Beere zien zal: 1.) toeziende dat niet iemand verachten- van de genade Gods; dat niet eenige wortel der bitterheid, opwaarts spruitende, beroerte make, en door dezelve velen ontreinigd worden. 16 Dat niet iemand zij een hoereerder, of een onheilige gelijk Ezau, die om ééne spijze het recht van zijne eerstgeboorte weggaf. 17 AVant gij weet, dat hij ook daarna de zegening willende beërven, verworpen werd; want hij vond geene plaats de» berouws, hoewel hij dezelve met tranen zocht. la Want gij zijt niet gekomen tot den tastelijken berg, en. het brandende vuur, en donkerheid , en duisternis, en on-weder, 19 en tot het geklank der bazuin , en de stem der woorden, welke die ze hoorden, baden dat het woord tot hen niet meer zoude gedaan worden; 20 (want zij konden niet dragen hetgeen daar geboden werd: Indien ook een gedierte den berg aanraakt, het zal ge-steenigd of met een pijl doorschoten worden; 21 en Mozes, zóó vreeselijk was het gezicht, zeide: Ik ben zeer bevreesd en bevende); 22 maar gij zijt gekomen tot den blt;Tg Sion en de stad des levenden Gods, tot het he-melsche Jeruzalem en de vele duizenden der Engelen, |
|
320 HEBRï 23 tot de filgemccnc vergadering en de gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgesehreven zijn, en tot God den Rechter over allen, en de geesten der volmaakte rechtvaardigen, 24 en tot den Middelaar des nieuwen Testaments Jezus, en het bloed der besprenging, dat beteri- dingen spreekt dan Abel. 25 Ziet toe dat gij dien die spreekt niet verwerpt; want indien deze niet zijn ontvloden, die dengenen verwierpen, welke op aarde Goddelijke antwoorden gaf, veel meer zullen wij nh-t ontvlieden, zoo wij ons van dien afkeeren die van de hemelen ia; 2(i wiens stem toen de aarde bewoog, maar nu heeft hij verkondigd, zeggende: Nog ^nmaal zal ik bewegen niet alleen de aarde maar ook den hemel. 27 En dit woord: Nog «tfn-maal, wijst diln de verandering der bewegelijke dingen als welke gemaakt waren ; opdat blijven zouden de dingen die niet bewegelijk zijn. 28 Daarom alzoo wij een onbewegelijk Koninkrijk ontvangen , laat ons de genade raat-houden, door dewelke wij wel-behagelijk God mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid. 29 quot;Want onze God is een verterend vuur. HOOFDSTUK 13. Dat de broederlyke liefde blijve. 2 Vergeet de herbergzaamheid niet; want hierdoor hebben sommigen onwetend Engelen geherbergd. 3 Gedenkt der gevangenen, alsof gij medegevangen waart, eu dergenen die kwalijk behandeld worden, alsof gij ook zelve in het lichaam kwalijk behandeld waart. |
ËRS 13. 4 Het huwelijk is eerlijk onder allen, en het bed onbevlekt ; maar hoereerders en overspelers zal God oordee-len. ó Uw wandel zii zonder geldgierigheid, en zijt vergenoegd met bet tegenwoordige; want hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven eu ik zal u niet verlaten. (5 Zoodat wij vrijmoediglijk durven zeggen: De Heere is mij een helper, en ik zal niet vreezeu wat my een mensch zal doen. 7 Gedenk: uwer voorgangeren , die i: het Woord Gods gesproken hebben; en volgt hun geloove na, aanschouwende de uitkomst hunner wandeling. 8 Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid. 9 Wordt niet omgevoerd met verscheidene en vreemde leeringen ; want het is goed dat het harte gesterkt worde door genade, niet door spijzen, door welke seen nuttigheid bekomen hebben die daarin gewandeld hebben. 10 Wij hebben een altaar, van hetwelk geen macht hebben te eten die den Tabernakel dienen. 11 Want welker dieren bloed voor de zonde gedragen werd in het heiligdom door^ den Iloogepric ster, derzelver lichamen werden verbrand buiten de legerplaats. 12 Daarom heeft ook Jezus, opdat hi; door zijn eigen bloed het volk zoude heiligen, buiten de poort geleden. 13 Zoo laat ons dan tot hem uitgaan buiten de legerplaats, zijne smaadheid dragende. 14 Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende. 15 Laat ons dan dosr hem altijd Gode opofferen eene offerande des lofs, dat is, do |
|
vrucht der lippen die z^nen naam belijden. 16 Ea vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet; want aan zoodanige offeranden heeft God een welbehagen. 17 Zijt uwen voorgangeren gehoorzaam en zijt hun onderdanig ; want zij waken voor uwe zielen, als die rekenschap geven zullen: opdat zü dat doen mogen met vreugde, en niet al zuchtende; want dat is u niet nuttig. 18 Bidt voor ons; want wij vertrouwen dat wij eene goede conscientie hebben , als die in alles eerlijk willen wandelen. 19 En ik bidde u te meer dat gij dit doet, opdat ik te eerder ulieden moge wedergegeven worden. 20 De God nu des vredea, die den grooten Herder der scha- |
US 1. 321 pen door het bloed des eeuwigen Testaments uit de dooden heeft wedergebracht, namelijk onzen Heere Jezus Christus, 21 die volmake u in alle goed werk, opdat gij zijnen wil moogt doen: werkende in u hetgeen voor hem welbehage-lijk is door Jezus Christus, denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. 22 Doch ik bid u, broeders, verdraagt het woord dezer vermaning ; want ik heb u in \'t kort geschreven. 23 Weet dat de broeder Timo-theiis losgelaten is, met welken (zoo hij haast komt) ik u zal zien. 24 Groet alle uwe voorgangeren en alle de heiligen. U groeten die van Italië zijn. 25 De genade zij met u allen. Amen. |
DE ALGEMEENE BRIEF
APOSTEL JACOBUS.
|
HOOFDSTUK 1. Jacobus, een dienstknecht Gods en des Heeren Jezus Christus, aan de twaalf stammen die in de verstrooiing zijn, zaligheid. 2 Acht het voor groote vreugde, mijne broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt, 3 wetende dat de beproeving uws geloofs lijdzaamheid werkt. 4 Doch de lijdzaamheid hebbe een volmaakt werk, opdat gij moogt volmaakt zyn en geheel oprecht, in geen ding gebrekkelijk. |
5 En indien iemand van u wijsheid ontbreekt, dat hij 2« van God begeere, die een iegelijk mildelijk geeft, en niet verwijt: en zij zal hem gegeven worden. 6 Maar dat hij ze begeere in geloof, niet twijfelende; want die twyfelt is eene bare der zee gelijk, die van den wind gedreven en op- en neergeworpen wordt. 7 quot;Want die ment-ch meene niet dat hij iets ontvangen zal van den Heere. 8 Een dubbelhartig man it |
|
322 JACO ongestadig in alle zyne wegen. 9 Maar de broeder die nederig is roeme in zijne hoogheid, 10 en de rijke in zijne vernedering, want hij zal als eene bloem van het gras voorbijgaan. 11 Want de zon is opgegaan met de hitte, en heeft het gras dor gemaakt, en zijne bloem is afgevallen, en de schoone gedaante baars aanschijns is vergaan: alzóó zal ook de rijke in zijne wegen verwelken. 12 Zalig is de man die verzoeking verdraagt; want als hij beproefd zal geweest zijn , zoo zal hij de kroon des levens ontvangen, welke de Heere beloofd heeft dengenen die hem liefhebben. 13 Niemand als hij verzocht wordt zegge: Ik word van God verzocht; want God kan niet verzocht worden met bet kwade, en hijzelf verzoekt niemand. 14 Maar een iegelyk wordt veriocht als hij. van zijne eigene begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt. 15 Daarna de begeerlijkheid ontvangen hebbende baart zonde, en de zonde voleindigd zijnde baart den dood. lh Dwaalt niet, mijne geliefde broeders. 17 Alle goede gave en alle volmaakte gifte is van boven, van den Vader der lichten afkomende, by welken geene verandering is of schaduw van omkeering. 18 Naar zijnen wil heeft hij ons gebaard door het Woord der waarheid, opdat wy zouden zijn als eerstelingen zyner schepselen. 19 Zoo dan, mijne geliefde broeders, een iegelijk mensch zij rasch om te hooren, traag om te spreken, traag tot toorn. 20 Want de toorn des mans werkt Goda gerechtigheid niet. 21 Daarom afgelegd hebbende alle vuilheid en overvloed van boosheid, ontvangt met zachtmoedigheid het Woord dat in u geplant wordt, hetwelk uwe zielen kan zalig maken. |
22 En zijt daders des Woords, en niet alleen hoorders, uzel-ve met valsche overlegging bedriegende. 23 Want zoo iemand een hoorder is des Woords, en niet een dader, die is een man gelijk, welke zijn aangeboren aangezicht bemerkt in eenen spiegel. 24 Want hij heeft zichzelven bemerkt. en is weggegaan, en heeft terstond vergeten hoedanig hr was. 25 Maar die inziet in de volmaakte wet die der vrijheidis, en daarbij blijft, de/.e geen vergetelv k hoorder geworden zijnde, maar een dader des werks, deze zeg ik zal gelukkig zijn in dit zijn doen. 2(» Indien iemand onder u dunkt dat hij godsdienstig is, en hij zijne tong niet in toom houdt, maar zijn hart verleidt, dezes godndienst is ijdel. 27 De zuivere en onbevlekte godsdiensl voor God en den Vader is deze: weezen en weduwen bezoeken in hunne verdrukking , en zichzelven onbesmet bewaren van de wereld. HOOFDSTUK 2. Mijne broeders, hebt niet het geloof onzes Heeren Jezus Christus, des Heeren der heerlijkheid, met aanneming des persoons. 2 Want zoo in uwe vergadering kwam een man meteenen gouden ring aan den vinger, in eene sierlijke kleeding, en daar kwam ook een arm man in met eene slechte kleeding, 3 en gij zoudt aanzien den- fenen die de sierlijke kleedingenen die de sierlijke kleeding raagt, en tot hem zeggen: Zit gij hierop eene eervolle plaats, en zouct zeggen tot den arme: Sta gij dair, of zit hier onder mijne voetbank: 4 hebt gij dan niet in uzelve |
|
een onderscheid gemaakt, en zijt rechters geworden van kwade overleggingen? 5 Hoort, mijne geliefde broeders, heeft God niet uitverkoren de armen dezer wereld, om rijk te zijn in het geloof, en erfgenamen des Koninkrijks hetwelk hij belooft dengenen die hem liefhebben? 6 Maar gil hebt den arme oneer aangedaan. Overweldigen u niet de rijken, en trekken ze u niet voor de rechterstoelen ? 7 Lasteren zij niet den goeden naam die over u aangeroepen is? 8 Indien gij dan de koninklijke wet volbrengt, naar de Schrift: Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven, zoo doet gij W(gt;1; 9 maar indien gü den persoon aanneemt, zoo üoet gij zonde en wordt van de wet bestraft als overtreders. 10 Want wie de geheele wet zal houden, en in d(?n zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle. 11 quot;Want die gezegd heeft: Gij zult geen overspel doen, die heeft ook gezegd: Gij zult niet dooien. Indien gij nu geen overspel zult doen, maar zult dooden, zoo zijt gij een overtreder der wet geworden. 12 Spreekt alzóó en doet al-zóó, als die door de wet der vrijheid zult geoordeeld worden. 13 Want een onbarmhartig oordeel zal gaan over dengenen die geene barmhartigheid gedaan heeft; en de barmhartigheid roemt tegen het oordeel, 14 Wat nuttigheid is hetj mijne broeders, indien iemand zegt dat hij het geloof heeft, en heeft de werken niet ? Kan dat geloof hem zalig maken ? 15 Indien er nu een broeder of zuster naakt zouden zijn, en gebrek zouden hebben aan dagelyksch voedsel, 16 en iemand van u tot hen |
ÜS 3. 323 zoude zeggen; Gaat henen in vrede, wordt warm en wordt verzadigd, en gijlieden zoudt hun niet geven de nooddruftigheden des lichaams, wat nuttigheid is dat? 17 Alzóó ook het geloof, indien het de werken niet heeft, is bij zichzelf dood. 18 Maar, zal iemand zeggen, gij hebt het geloof, en Ik heb de werken. Toon mi) uw geloof uit uwe werken, en ik zal u uit mijne werken mijn geloof too-nen. l\'J Gij gelooft dat God een édnig (iud is ; gij doet wèl: de duivelen gelooven het ook, en zij sidderen. L\'O Maar wilt gij weten, o ij del mensch, dat het geloof zonder de werken dood is ? 21 Abraham onze vader, is hij niet uit de werken Gerechtvaardigd , als hij Isaiik zijnen zoon geofferd heeft op het altaar ? 22 Ziet gij wel dat het geloof medegewrocht heeft met zijne werken, en het geloof volmaakt is geweest uit de werken ? 28 En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: Eu Abraham geloofde God, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend, en hij is een vriend Gods genaamd geweest. 24 Ziet gij dan nu dat een mensch uit de werken gerechtvaardigd wordt, en niet alleenlijk uit het geloof? 25 En desgelijks ook Rachab de hoer, is zij niet uit de werken gerechtvaardigd geweest, als zij de gezondenen heeft ontvangen, en door eenen anderen we? uitgelaten? 2(5 Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, alzóó is ook bet geloof zonder de werken dood. HOOFDSTUK 3. Zyt niet vele meestera, my- |
|
324 JACO; ne broeders, wetende dat wij te meerder oordeel zullen ont-vanKen. _ 2 Want wij struikelen allen m vele. Indien iemand in woorden niet struikelt, die is een volmaakt man, machtiR om ook het peheele lichaam in den toom te houden. 3 Zie, wij leggen den paarden toornen in de monden, opdat zij ons zouden gehoorzamen, en wij leiden daarmede hun geheele lichaam om; 4 zie, ook de schepen, hoewel ze zoo groot zijn en van harde winden gedreven, zij worden omgewend van een zeer klein roer, waarhenen ook de begeerte des stuurders wil: .\'gt; alzóó is ook de tong een klein lid en roemt nochtans groote dingen. Zie, een klein vuur, hoe grooten hoop hout het aansteekt. 6 De tong is óók een vuur, een wereld der ongerechtig-tigheid: alzóó is de tong onder onze leden gesteld, welke het geheele lichaam besmet, en ontsteekt het rad onzer geboorte, en wordt ontstoken van de hel. 7 Want alle natuur beide der wilde dieren en der vogelen, beide der kruipende en dei-zeedieren, wordt getemd en is getemd geweest van de menschelijke natuur; 8 maar de tong kan geen mensch temmen. Zij is een onbedwingelijk kwaad, vol van doodelijk venijn. 9 Door haar loven wij God en den Vader, en door haar vervloeken wij de menschen, die naar de gelijkenis Gods gemaakt zijn. 10 Uit denzelfden mond komt voort zegening en vervloeking. Dit moet, mijne broeders, alzoo niet geschieden. 11 Welt ook een fontein uit eene zelfde ader het zoet en het bitter? |
12 Kan ook, mijne broedefs, een vijgeboom olijven voortbrengen , of een wijnstok vijgen? Alzóó kan geen fontein zout en zoet water voortbrengen. 13 Wie is wijs en verstandig onder u ? Die bewijze uit zijnen goeden wandel zijne werken, in zachtmoedige wijsheid. 14 Maar indien gij bitteren nijd en twistgierigheid hebt in uw hart, zoo roemt en liegt niet tegen de waarheid. 15 Deze is de wijsheid niet die van boven afkomt, maar is aardscn, natuurlijk, duivel sch. 16 Want waar nijd en twistgierigheid is, aldaar is verwarring en alle boo se handel. 17 Maar dc wijsheid die van boven is, die is ten eerstezui-ver, daarna vreedzaam, bescheiden. gezeglijk, vol van barmhartigheid en van goede vruchten, niet partijdig oor-deelende, 3n ongeveinsd. 18 En de vrucht der recht-vaardigheii wordt in vrede gezaaid voor degenen die vrede maken. HOOFDSTUK 4. Van waar komen krijgen en vechterijen onder u? Komen ze niet hiervan, namelijk uit uwe wellusten die in uwe leden strijd voeren ? 2 Gij begeert, en hebt niet; gij benijdt en ijvert naar dingen , en kunt ze niet krijgen j gij vechten voert krijg, doch gij hebt niet, omdat gij niet bidt. 3 Gij bidt, en gij ontvangt niet, omdat gij kwalijk bidt, opdat gij het in uwe wellusten doorbrengen zoudt. 4 Overspelers en overspeel-sters, weet gij niet dat de vriendfichap der wereld een vijandschap Gods is ? Zoo wie dan e( n vriend der wereld wil zijn, die wordt een vyand Gods gesteld. |
|
5 Of meent gij dat de Schrift tevergeefs zegt; De Geest die in ons woont, heeft die lust tot nijdigheid ? 6 Ja, hij geeft meerdere genade. Daarom zegt de Schrift: God wederstaat de hoovaardi-gen, maar den nederigen geeft hij genade. 7 Zoo onderwerpt u dan Gode; wederstaat den duivel, en hij zal van u vlieden. 8 Naakt tot God, en hij zal tot u naken. Reinigt de handen gij zondaars, en zuivert de haften gij duhbelhartigen. 9 Gedraagt u als ellendigen en treurt en weent; uw lachen worde veranderd in treuren, en «weblijdschap in bedroefdheid. 10 Vernedert u voor den Heere, en hij zal u verhoo-gen. 11 Broeders, spreekt niet kwalijk van elkander. Die van zij-««« broeder kwalijk spreekt en zijnen broeder oordeelt, die spreekt kwalijk van de wet en oordeelt de wet. Indien gij nu de wet oordeelt, zoo zijt gij geen dader der wet, maar een rechter. 12 Daar is een é^nig quot;Wetgever, die behouden kan en verderven, doch wie zijt gij, die een ander oordeelt? 13 Welaan nu gii die daar zegt: Wij zullen heden of morgen naar zulk eene stad reizen, en aldaar een jaar doorbrengen , en koopmanschap drijven en winst doen, 14 gij die niet weet wat morgen geschieden zal; want hoedanig is uw leven? Want het is een damp, die voor een weinig tijds gezien wordt en daarna verdwijnt. 15 In plaats dat gij zoudt zeggen: Indien de Heere wil en wy leven zullen, zoo zullen wij dit of dat doen. 16 Maar nu roemt gij in uwen hoogmoed: alle zoodanige roem is boos. |
JUS 5. 325 17 Wie dan weet goed te doen en niet doet, dien is het zonde. HOOFDSTUK 5. Welaan nu gij rijken, weent en huilt over uwe ellendigheden die over u komen. 2 Uw riikdom is verrot, en uwe kleederen zijn van de motten gegeten geworden; 3 uw goud en zilver is verroest , en hun roest zal u zijn tot eene getuigenis, en zal uw vleesch als een vuur verteren; gij hebt schatten vergaderd in de laatste dagen. 4 Zie, het loon der werklieden die uwe landen gemaaid hebben, hetwelk van u verkort is, roept, en het geschrei dergenen die geoojrst hebben is gekomen tot in de ooren des Hee-ren Zebaöth. 5 Gij hebt weelderig geleefd op de aarde, en wellusten gevolgd ; gij hebt uwe harten gevoed als in een dag der slachting. 6 Gij hebt veroordeeld, gij hebt gedood den rechtvaardige, en hij wederstaat u niet. 7 Zoo zijt dan lankmoedig, broeders, tot de toekomst des Heeren. Zie, de landman verwacht de kostelijke vrucht des lands, lankmoedig zijnde over dezelve, totdat het den vroegen en den spaden regen zal hebben ontvangen. 8 Weest gij óók lankmoedig, versterkt uwe harten, want de toekomst des Heeren genaakt. 9 Zucht niet teiren elkander, broeders, opdat gij niet veroordeeld wordt: zie, de Rechter staat voor de deur. 10 Mijne broeders, neemt tot een exempel des lijdens en der lankmoedigheid de l\'rofeten, die in den naam des Heeren gesproken hebben. 11 Zie, wü houden ze gelukzalig die verdragen; gij hebt |
|
326 1 VEI de verdraagzaamheid Jobs gehoord, en gij hebt het einde des Heeren gezien, dat de Heere zeer barmhartig is en een ontfermer. 12 Doch vóór alle dingen, mijne broeders, zweert niet, noch bij den hemel, noch bij de aarde, noch eenigen anderen eed; maar uw ja zij ja, en het neen neen, opdat gij in geen oordeel valt. 13 Is iemand onder u in lijden, dat hij bidde. Is iemand goedsmoeds, dat hij psalm-zinge. 14 Is iemand krank onder u, dat hij tot zich roepe de Ouderlingen der gemeente, en dat zij over hen.- bidden, hem zalvende met olie in den naam des Heeren: 15 en het gebed des geloofs zal den zieke behouden, en de Heere zal hem oprichten, en zoo hij zonden gedaan zal heb |
ben, het zal hem vergeven worden. 16 Belijdt elkander de misdaden, en bidt voor elkander, opdat gij gezond wordt. Een krachtig gt-bed des rechtvaardigen vermag veel. 17 Elia was een mensch van gelijke bewegingen als wij, en hij bad een gebed dat het niet zoude regenen, en het regende niet op de aarde in drie jaren en zes maanden. 18 En hij bad wederom, en de hemel gaf regen, en de aarde bracht hare vrucht voort. 19 Broeders, indien iemand onder u van de waarheid is afgedwaald, en hem iemand bekeert, 20 die wete, dat degene die eenen zondaar van de dwaling zijns wegs bekeert, eene ziel van den dood zal behouden, en menigte der zonden zal bedekken. |
DE EERSTE ALGEMEENE BRIEF
APOSTEL PETRUS.
|
HOOFDSTUK 1. Petrus, een Apostel van Jezus Christus, den vreemdelingen verstrooid in Pontus, Ga-latië, Cappadocie, Azië en Bithynië, 2 den uitverkorenen naar de voorkennis Gods des Vaders, in de heiligmaking des Gees-tes, tot gehoorzaamheid en besprenging des bloeds van Jezus Christus; genade en vrede zij u vermenigvuldigd. |
3 Geloofd zü de God en Ya-der onzes Heeren Jezus Christus , die naar zijne groote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot eene levende hope, door de opstanding van Jezus Christus uit de dooden, 4 tot eem; onverderfelijke en onbevlekkelijke en onverwel-kelijke er\'enis, die in de hemelen bewaard is voor u, 5 die it de kracht Gods bewaard WDrdt door het geloof, tot de zaligheid, die bereid is om geopenbaard te worden in den laatsten tijd. 6 In welken gij u verheugt. |
|
1 PET nu een weinig txjda (zoo het noodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen; 7 opdat de beproeving uws Seloofs, die veel kostelijker iseloofs, die veel kostelijker is an des gouds, hetwelk vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof en eer en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus; 8 denwelkcn gij niet gezien hebt en nochtans liefheht; in denwelken gij nu, hoewel hem niet ziende, maar geloovende, u verheugt met eene onuitsprekelijke en heerlijke vreugde, 9 verkrijgende het einde uws geloofs, namelijk de zaligheid der zielen. 10 Van welke zaligheid ondervraagd en onderzocht hebben de Profeten, die geprofeteerd hebben van de genade aan u geschied ^ 11 onaerzoekende op welken of hoedanigen tijd de Geest van Christus, die in hen was, beduidde en te voren getuigde het lijden dut op Christus komen zoude, en de heerlijkheid daarna volgende* 12 denwelken greopenbaard is, dat zij niet zichzelven maar ons bedienden deze dingen, die u nu aangediend zijn door degenen, die u het Evangelie verkondigd hebben door den Heiligen Geest, die van den hemel gezonden is; in welke dingen de Engelen begeerig zijn in te zien. 13 Daarom opschortende de lendenen uws verstands, en nuchteren zijnde, hoopt vol-komenlijk op de genade die u toegebracht wordt in de openbaring van Jezus Christus. 14 Als gehoorzame kinderen wordt niet gelijkvormig aan de begeerlijkheden die tevoren in uwe onwetendheid waren. 15 Maar gelijk hij die u geroepen heeft heilig is, zoo wordt ook gijzelve heilig in al uwen wandel. |
LUS 1. 327 16 daarom dat er geschreven is: Zijt heilig, want ik ben heilig. 17 En indien gij tot eenen Vader aanroept dengenen die zonder aanneming des per-soons oordeelt naar eens iege-lijks werk, Z90 wandelt in vreeze den tijd uwer inwo-ning, 18 wetende dat gij niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost zijt uit uwe ijdele wandeling, die u van de vaderen overgeleverd is, 19 maar door het dierbaar bloed van Christus, als eens onbestraffelyken en onbevlek-ten lams; 20 dewelke wel vóórgekend is geweest vóór de grondlegging der wereld, maar geopenbaard is in deze laatste tijden om uwentwille, 21 die gij door hem gelooft in God, welke hem opgewekt heeft uit de dooden, en hem heerlijkheid gegeven heeft, opdat uw geloof en hoop op God zijn zoude. 22 Hebbende dan uwe zielen gereinigd in de jjehoorzaam-heid der waarheid, door den Geest, tot ongeveinsde broederlijkeliefde. zoo hebt elkander vuriglijk lief uit een rein hart, 23 gij die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwigbly vende Woord Gods. 24 Want alle vleesch is als gras, en alle heerlijkheid des menschen is als eene bloem van het gras. Het gras is verdord en zijn3 bloem is afgevallen ; 25 maar het Woord des Hee-ren blijft in der eeuwigeid. En dit is het woord dat onder u verkondigd is. HOOFDSTUK 3. Zoo legt dan if alle kwaad- |
|
328 1 PET heid en alle bedrog en geveinsdheid en nijdigheid en alle achterklappingen; 2 en als nieuwgeboren binder-kens zijt zeer begeerig naar de redelijke onvervalschte melk, opdat gij door dezelve moogt opwassen; 3 indien gij anders gesmaakt hebt dat de Heere goedertieren is. 4 Tot welken komende «2« cenen levenden steen, van de menschen wel verworpen maar bij God uitverkoren en dierbaar, 5 zoo wordt gij ook zelve als levende stecnen gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig Priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jer.us Christus. 6 Daarom is ook vervat in de Schrift: Zie, ik leg in Sion eenen uitersten hoeksteen, die uitverkoren en dierbaar is; en die in hem gelooft zal niet beschaamd worden. 7 U dan die gelooft is hij dierbaar; maar den ongehooria-men wordt gezegd: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks, en een steen des aanstoots, en eene rots der ergenis; 8 dengenen namelijk die zich aan het woord stooten, ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn. 9 Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk Priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk, opdat gij zoudt verkondigen de deugden desgenen die u uit de duisternis geroepen heeft tot zyn wonderbaar licht, 10 gij die eertijds geen volk waart, maar nu Gods volk zijt; die eertijds niet ontfermd waart, maar nu ontfermd zyt geworaen. 11 Geliefden, ik vermaan u als inwoners en vreemdelin- |
LUS 2. gen, dat gij u onthoudt van de vleeschehjke begeerlijkheden , welke krijg voeren tegen de ziel; 12 en houdt uwen wandel eerlijk onder de heidenen, opdat in \'t geen zij kwalijk van u spreken als van kwaaddoeners, zij uit de goede werken die zij in u zien God verheerlijken mogen in den dag der bezoeking. 13 Zijt dan alle menschelijke ordening onderdanig om des Heeren wil, hetzij den Koning, als de opperste macht hebbende, 14 hetzij den Stadhouderen, als die van hem gezonden worden tot straf wel der kwaaddoeners, maar tot prijs dergenen die goed doen. 15 Want ilzóó is \'t de wille Gods, dat gij weldoende den mond stop : aan de onwetendheid der dwaze menschen; Ifi als vrijen , en niet de vrijheid hebbende tot een deksel der boosheid, maar als dienstknechten G)ds. 17 Eert een iegelijk ; hebt de broederschap lief; vreest God; eert den Koning. 18 Gij huisknechten, zijt met alle vreeze onderdanig den heeren , niet alleen den goeden en bescheidenen, maar ook den harden. 19 Want dat is genade, indien iemand om de conscientie voor God zwarigheid verdraagt, lijdende ten onrechte. 20 Want wat lof is het, indien gij verdraagt als gij zondigt en daarover gf-slagen wordt? Maar indien gij verdraagt als gij wèl doet en diarover lijdt, dat is genade bij God. 21 Want hiertoe zijt gij geroepen , dewijl ook Christus voor ons geleien heeft ons een exempel nalatende, opdat gij zijne voets^ppen zoudt navol gen, 22 die geen zonde gedaan heeft, en daar is geen bedrog in zijnen mond gevonden. |
|
1 PET 23 die als hij gescholden werd niet wederschold, en als hij leed niet dreigde, maar saf het over aan dien die recht-vaardiglijk oordeelt, 24 die zelf onze zonden in zijn lichaam gedragen heeft op het hout, opdat wij den zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zonden, door wiens striemen gij genezen zijt. 25 TVant gij waart als dwalende schapen, maar gij zijt nu bekeerd tot den Herder en Opziener uwer zielen. HOOFDSTUK 3. Desgelijks gij vrouwen , zijt uwen eigen mannen onderdanig, opdat ook zoo eenigen den quot;Woorae ongehoorzaam zijn, zij door den wandel der vrouwen zonder woord mogen gewonnen worden, 2 als zij zullen ingezien hebben uwen kuischen wandel in vreeze. 3 quot;Welker versiersel zij, niet hetgeen uiterlijk ia, bef taande in het vlechten des baars, en omhangen van goud, of van kleederen aan te trekken, 4 maar de verborgen mensch des harten, in het onverderfelijk versiersel van eenen zacht-moedigen en stillen geest, die kostelijk is voor God. 5 Want alzóó versierden zich-zelve eertijds ook de heilige vrouwen, die op God hoopten, en waren haren eigen mannen onderdanig: 6 gelijk Sara Abraham gehoorzaam is geweest, hem noemende heer, welker dochters gij geworden zijt, als gij weldoet, en niet vreest voor eenis:e verschrikking. 7 Gij mannen insgel^ks, woont bij haar met verstand, aan het vrouwelijke vat als het zwakste eere gevende, als die ook mede-erfgenamen der genade des levens met haar |
LUS 3. 329 zijt, opdat uwe gebeden niet verhinderd worden. 8 En eindelijk, zijt allen eensgezind , medelijdend, de broeders liefhebbende, met innerlijke barmhartigheid bewogen, vriendelijk; 9 vergeldt niet kwaad voor kwaad, of schelden voor schelden, maar zegent daarentegen; wetende dat gij daartoe geroepen zijt, opdat gij zegening zoudt beërven. 10 Want wie het leven wil liefhebben, en goede dagen zien, die stille zijne tong van het kwaad. en zijne lippen dat ze geen bedrog spreken; 11 die wijke af van het kwade , en doe het goede; die zoe-ke vrede en jage denzelven na. 12 Want de oogen des Heeren zijn over de rechtvaardigen, en zijne ooren tot hun sebed; maar het aangezicht des Heeren is tegen degenen die kwaad doen. 13 En wie is het die u kwaad doen zal, indien gij navolgers zijt van het {roede? 14 Maar indien gij ook lijdt om der gerechtigheid wille, zoo zijt gij zalig; en vreest niet uit vreeze van hen, en wordt niet ontroerd; 15 maar heiligt God den Hee-re in uwe harten; en zijt altijd bereid tot verantwoording aan een iegelijk die u rekenschap afeischt van de hope, die in u is, met zachtmoedigheid en vreeze. 16 En hebt een goede consciëntie , opdat in \'t geen zij kwalijk van u spreken als van kwaaddoeners, zij beschaamd mogen worden die uwen goeden wandel in Christus lasteren. 17 Want het is beter dat gij wèl doende (indien het de wil Gods wil) lijdt, dan kwaad doende. 18 Want Christus heeft ook ééns voor de zonden geleden, hij rechtvaardig voor de on- |
|
330 1 PET rechtTaardigen, opdat hij ons tot God zoude brengen; die wel is gedood in het vleesch, maar levend gtmaakt door den Geest. 19 In denwelken hij ook he-nengegaan zijnde den geesten die in de gevangenis zijn gepredikt heeft, 20 die eertijds ongehoorzaam waren , wanneer de lankmoedigheid Gods eenmaal verwachtte in de dagen van No-ach, als de ark toebereid werd, waarin weinige (dat is acht) zielen behouden werden door het water. 21 Waarvan het tegenbeeld de doop ons nu ook behoudt, niet die een aflegging is der vuiligheid des lichaams, maar die een vraag is eener goede conscientie tot God door de opstanding van Jezus Christus ; 22 welke is aan de rechter-hatid Gods, opgevaren ten hemel , de Engelen en machten en krachten hem onderdanig gemaakt zijnde. HOOFDSTUK 4. Dewijl dan Christus voor ons in het vleesch geleden heeft, zoo wapent gij u ook met dezelfde gedachte, namelijk dat wie in het vleesch geleden heeft, die heeft opgehouden van de zonde, 2 om nu niet meer naar de begeerlijkheden der menschen, maar naar den wille Gods den tijd die overig is in het vleesch te leven. 3 Want het is ons genoeg, dat wij den voorgaanden tijd des levens der heidenen wil volbracht hebben, en gewandeld hebben in ontuchtigheden , begeerlijkheden, wijn-zuiperijen, brasserijen, drin-kerijen en gruwelijke afgoderijen , 4 waarin zij zich vreemd houden , ala gü niet medeloopt tot |
LUS 4. dezelfde uitgieting der overdadigheid, en u lasteren; 5 dewelke zullen rekenschap geven dengenen die bereid staat om te oordeelen de levenden en de dooden. fgt; Want daartoe is ook den dooden het Evangelie verkondigd geworden, opdat zy wel zouden geoordeeld worden naar den mensch in het vleesch, maar leven zouden naar God ia den geest. 7 En het einde aller dingen is nabij: zijt dan nuchteren, en waakt in de gebeden. 8 Maar vooral hebt vurige liefde tot lt;;lkander; want de liefde zal menigte van zonden bedekken. 9 Zijt herbergzaam jegens elkander, zonc er murmureeren. 10 Een iegïlijk gelijk hij gave ontvangen heeft, alzóó bediene hij dezelve aan den ander , als goede uitde^lers der menigerlei genade Gods. 11 Indien iemand spreekt die spreke als de woorden Gods; indien iemand dient die diene als uit kracht die God verleent ; opdat God in allen geprezen warde door Jezus Christus, welken toekomt de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen. 12 Geliefden, houdt u niet vreemd over de hitte «ier verdrukking onder u, die u geschiedt tot verzoeking, alsof u ieta vreemds overkwame, 13 maar gelijk gij gemeenschap hebt aan het lijden van Christus, alzóó verblijdt u: opdat gij ook in de openbaring zijner heerlijkheid u moogt verblijden en verheugen. 14 Indien gij gesmaad wordt om den naam van Christus, zoo zijt gü zalig: want de Geest der heerlijkheid en de Geest Gods rust op u. Wat hen aangaat - hij wordt wel gelasterd, maar wat u aangaat, hy wordt verheerlijkt. 15 Doch dat niemand van u |
|
1 PET lijde als een doodslager, of dief, of kwaaddoener, of als een die zich met eens anders doen bemoeit; 16 maar indien iemand lijdt als een Christen, die schame zich niet, maar verheerlijke God in dezen deele. 17 Want het is de tijd dat het oordeel beginne van het Huis Gods; en indien het eerst van ons beyint, welk zal het einde zijn dergenen die het Evangelie Gods ongehoorzaam zijn? 18 En indien de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, waar zal de goddelooze en zondaar verschijnen? 19 Zoo dan ook die lijden naar den wille Gods, dat zij hunne zielen Am, als den getrouwen Schepper, bevelen met wèl doen. HOOFDSTUK 5. De Ouderlingen die onder u zijn vermaan ik, die een mede-ouderling en getuige des lijdens van Christus ber., en deelachtig der heerlijkheid die geopenbaard zal worden: 2 weidt de kudde Gods die onder u is, hebbende opzicht daarover niet uit bedwang maar gewilliglijk, noch om vuil gewin maar met een vol-vaardig gemoed, 3 noch als heerschappij voerende over het erfdeel des Hee-ren , maar als voorbeelden der kudde geworden zijnde. 4 En als de overste Herder verschenen zal zijn , zoo zult gij de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid behalen. |
RUS 5. 331 5 Desgelijks gij jongen, zijt den ouden onderdanig; en zijt allen elkander onderdanig; zijt met de ootmoedigheid bekleed; want God wederstaat de hoo-vaardigen, maar den nederigen geeft hij genade. 6 Vernedert u dan onder de krachtige hand Gods, opdat hij u verhooge te zijner tijd. 7 Werpt al uwe bekommernis op hem, want hij zorgt voor u. 8 Zijt nuchteren en waakt; want uwe tegenpartij de duivel gaat öm als een brieschen-de leeuw , zoekende wien hij zoude mogen verslinden, 9 denwelken wederstaat, vast zijnde in het geloof, wetende. dat hetzelfde lijden aan uwe broederschap die in de wereld is volbracht wordt. 10 De God nu aller genade, die ons geroepen heeft tot zijne eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig tüds zullen geleden hebben, dezelve volmake, be-vestige, versterke fundeere ulieden. 11 Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen. 12 Door Silvanus die u een getrouw broeder is, zoo ik acht, heb ik met weinige woorden geschreven, vermanende en betuigende dat deze is de waarachtige Renade Gods, in welke gü staat. l.\'J U groet de mede-uitverko-ren gemeente die in Babyion is, en Marcus mijn zoon. 14 Groet elkander met eenen kus der liefde. Vrede zij u allen die in Christus Jezus zijt. Amen. |
DE TWEEDE ALGEMEENE BRIEF
VAN DEN
APOSTEL PETRUS.
|
HOOFDSTUK 1. Simeon Petrus, een dienstknecht en Apostel van Jezus Christus aan degenen die even dierbaar geloof met ons verkregen hebben, door de rechtvaardigheid onzes Gods en Zaligmakers Jezus Christus: 2 genade en vrede zij u vermenigvuldigd door de kennis Gods en van Jezus onzen Heere, 3 gelijk ons zijne Goddelijke kracht alles wat tot het leven en de godzaligheid behoort geschonken heeft, door de kennis desgenen die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd; 4 door welke ons de grootste en dierbare beloften geschonken zijn, opdat gij door dezelve der Goddelijke natuur deelachtig zoudt wórden, nadat gij ontvloden zijt het verderf dat in de wereld is door de begeerlijkheid. 5 En gij tot hetzelve ook alle naarstigheid toebrengende , voegt bij uw geloof deugd, en bij de deugd kennis, 6 en bij de kennis matigheid, en bij de matigheid lijdzaamheid, en bij de lijdzaamheid godzaligheid, 7 en bij de godzaligheid broederlijke liefde, en bij de broederlijke liefde liefde jegens allen. 8 Want zoo deze dingen bij u zijn en in u overvloedig zijn. |
zij zullen u niet ledig noch onvruchtbaar laten in de kennis onzes Heeren Jezus Christus. 9 quot;Want bij welken deze dingen niet s-.ijn, die is blind, van verre niet ziende, hebbende vergeten de reiniging zijner vorige zonden. 10 Daarom, broeders, benaar-stigt u te meer om uwe roeping en verkiezing vast te maken ; want dat doende zult gij nimmermeer struikelen. 11 Want alzóó zal u rijkelijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwig Koninkrijk onzes Heeren en Zaligmakers Jezus Christus. 12 Daarom zal ik niet verzuimen u altijd daarvan te vermanen, hoewel gij het weet en in de tegenwoordige waar-her.d versterkt zijt. lil En ik acht het recht te zijn, zoolang ik in dezen tabernakel ben, dat ik u op-wekke door vermaning, 14 alzoo ik weet dat de aflegging mijns tabernakels haast zijn zal, g\'ilijkerwijs ook onze Heere Jezus Christus mij heeft geopenbaard. 15 Doch ik zal ook naarstigheid doer bij alle gelegenheid, dat gij na mijnen uitgang van deze ding,en gedachtenis moogt hebben. 16 Wart wij zijn geen kun-stiglijk verdichte fabelen nagevolgd , als wij u bekend gemaakt hebben de kracht en |
|
toekomst onzes Heeren Jezus Christus, maar wij zijn aan-schouwers geweest van zijne majesteit. 17 Want hij heeft van God den Vader eer en heerlijkheid ontvangen, als zoodanig eene stem van de hoogwaardige heerlijkheid tot hem gebracht werd: Deze is mijn geliefde Zoon, in denwelken ik mijn welbehagen heb. 18 En deze stem hebben wij gehoord, als zij van den hemel gebracht is geweest, toen wij met hem op den heiligen berg waren. 19 En wij hebben het profetische Woord dat zeer vast is, en gij doet wèl dat gij daarop acht hebt, als op een licht schijnende in eene duistere filaats, totdat de dag aan-ilaats, totdat de dag aan- ichte, en de morgenster opga in uwe harten. £0 Dit eerst wetende dat geen Profetie der Schrift is van eigen uitlegging; 21 want de Profetie is voortijds niet voortgebracht door den wil eens menschen, maar de heilige menschen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken. HOOFDSTUK 2. En daar zijn ook valsche profeten onder het volk geweest, gelijk ook onder u valsche leeraars zijn zullen, die verderfelijke ketterijen bedek-telijk invoeren zullen, ook den Heere, die hen gekocht heeft, verlDOchenende, en een haastig verderf over zichzelve brengende ; 2 en velen zullen hunne ver-derfenissen navolgen, door welke de weg der waarheid zal gelasterd worden; 3 en zy zullen door gierigheid, met gemaakte woorden, van u een koopmanschap maken; over welke het oordeel |
LUS 2. 333 sedert lang niet ledig is, en hun verderf sluimert niet. 4 Want indien God de Engelen die gezondigd hebben niet gespaard heeft, maar die in de hel geworpen hebbende overgegeven heeft aan de ketenen der duisternis, om tot het oordeel bewaard te worden; 5 en de oude wereld niet heeft gespaard, maar Noach den prediker der gerechtigheid zijn achttal bewaard heeft, als hij den zondvloed over de wereld der goddeloozen heeft gebracht ; 6 en de steden van Sodom en Gomorra tot asch verbrandende met omkeering veroordeeld heeft, en tot een exempel gezet dengenen die goddeloos zouden leven; 7 en den rechtvaardigen Lot, die vermoeid was van den on-tuchtigen wandel der gruwelijke menschen, daaruit verlost heeft: 8 (want deze rechtvaardige man wonende onder hen, heeft dag op dag zijne rechtvaardige ziele gekweld door het zien en hooren van hunne ongerechti-ge werken): 9 zoo weet de Heere de godzaligen uit de verzoeking te verlossen, en de onrechtvaar-digen te bewaren tot den dag des oordeels om gestraft te worden; 10 maar allermeest degenen die naar het vleesch in onreine begeerlijkheid wandelen, en de heerschappij verachten : die stout zijn, zichzelven behagen, en die de heerlijkheden niet schromen te lasteren; 11 daar de Engelen, in sterkte én kracht meerder zijnde, geen lasterlijk oordeel tegen haar voor den Heere voortbrengen. 12 Maar deze, als onredelijke dieren, die de natuur volgen en voortgebracht zijn om gevangen en gedood te worden, dewijl zij lasteren hetgeen zij niet verstaan, zullen in hunne |
|
334 2 PET verdorvenheid verdorven worden , 13 en zullen verkrijgen het loon der onsereehtighcid, als die de dagelijksche weelde hun vermaak achten, zijnde vlekken en smetten, en zijn weelderig in hunne bedriegerijen, als zij in de maaltijden met u zijn; 14 hebbende de oogen vol o-verspel en die niet ophouden van zondisren; verlokkende de onvaste zielen, hebbende het hart geoefend in jrierigheid, kinderen der vervloeking; 15 die den rechten weg verlaten hebbende, zijn verdwaald, en volgen den weg van Bileam, den zoon Beors, die het loon der ongerechtigheid liefgehad heeft; 1G maar hij heeft de bestraf-fins zijner ongerechtigheid gehad; want het jukdragende stomme dier, sprekende met menschenstem, heeft des Profeten dwaasheid verhinderd. 17 Deze zijn waterlooze fonteinen . wolken van een draaiwind gedreven, denwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt. 18 Want zij, zeer opgeblazene ijdelheid sprekende, verlokken door de begeerlijkheden des vleesches, en door ontuchtigheden, degenen die waarlijk ontvloden waren van degenen die in dwaling wandelen, 19 belovende hun vrijheid, daar zijzelve dienstknechten zijn der verdorvenheid; want van wien iemand overwonnen is, dien is hij ook tot een dienstknecht gemaakt. 20 Want indien zij, nadat ze door de kennis des Heeren en Zaligmakers Jezus Christus de besmettingen der wereld ontvloden zijn, en in dezelve wederom ingewikkeld zijnde, van dezelve overwonnen worden, zoo is hun het laatste erger geworden dan het eerste. 21 Want het ware hun beter |
LUS 3. dat zij den weg der gerechtig\' heid niet gekend hadden, dan dat zij dien gekend hebbende, zich weder afkeeren van het heilig gebod dat hun overgegeven was. 22 Maar hun is overkomen hetgeen met een waar spreekwoord gezegd wordt: De hond is wedergekeerd tot zijn eigen uitbraaksel, en de gewasschen. zeug tot de wenteling in het slijk. HOOFDSTUK 3. Dezen tweeden zendbrief, geliefden, schrijf ik nu aan u, in welke beide ik door vermaning uw oprecht gemoed op-wek, 2 opdat gij eedachtig zijt aan de woorden die van de heilige Profeten te voren gesproken zijn, en aa.i ons gebod, die dés Heeren en Zaligmakers A-postelen zijn : 3 dit eerst wetende, dat in het laatste der dagen spotters komen zullen, die naar hunne eisen begeerlijkheden zullen wandelen, 4 en zeggen; Waar is de belofte zijner toekomst? want van dien dag dat de vaderen ontslapen zijn blijven alle dingen alzóó gelijk van het begin der schepping. 5 Want willens is dit hun onbekend, dat door het Woord Gods de hemelen van overlang geweest zijn, en de aarde uit het water en in het water bestaande , 6 door welke de wereld die toen was, met het water van den zondv oed bedekt zijnde, vergaan is. 7 Maar de hemelen die nu zijn, en ie aarde, zijn door hetzelfde Woord als een schat weggelegl, en worden ten vu-re bewaard tegen den dag des oordeels en der verderving der goddelocze menschen. 8 Doch deze ééne zaak zü u |
1 JOHANNES 1.
335
|
öiet onbekend, geliefden, dat één dag by den Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als éj-n dag. 9 De Heere vertraagt de belofte niet, (gelijk eenigenrfaf traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende dat eenigen verloren gaan, maar dat ze allen tot bekeering komen. 10 Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht, in welken de hemelen met een gedruisch zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan , en de aarde en de werken die daarin zijn zullen verbranden. 11 Dewijl dan deze dineren alle vergaan, hoedanigen behoort srij te zijn in heiligen wandel en godzaligheid, 12 verwachtende en haastende tot de toekomst van den dag Gods, in welken de hemelen door vuur ontstoken zijnde zullen vergaan, en de elementen brandende zullen versmelten. 13 Maar wij verwachten, naar zijne belofte, nieuwe hemelen en eene nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont. |
14 Daarom , geliefden, verwachtende deze dingen, be-naarstifft u dat sij onbevlekt en onbestraffelyk van hem bevonden moogt worden in vrede; 15 en acht de lankmoedigheid onzes Heeren voor zaligheid, gelijkerwijs ook onze geliefde broeder Paulus, naar de wijsheid die hem gegeven is, ulie-dcn geschreven heeft, 16 gelijk ook in alle zendbrieven, daarin van deze dingen sprekende ; in welke sommige dingen zwaar zijn om te verstaan, die de ongeleerde en onvaste measchen verdraaien, gelijk ook de andere Schriften, tot hun eigen verderf. 17 Gij dan, geliefden, zulks te voren wetende, wacht u dat gij niet door de verleiding der gruwelijke menschen mede afgerukt wordt, en uitvalt van uwe vastigheid ; 18 maar wast op in de genade en kennis onzes Heeren en Zaligmakers Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid, beide nu en in den dag der eeuwigheid. Amen. |
DE EERSTE ALGEMEENE BRIEF
APOSTEL JOHANNES.
|
HOOFDSTUK I. |
Hetgeen van den beginne was, hetgeen wij gehoord hebben , hetgeen wij gezien Jieb-ben met onze oogen, hetgeen wy aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens: 2 (want het leven is geopenbaard , en wij hebben het gezien , en wij getuigen en verkondigen ulieden dat eeuwige leven, hetwelk bij den Vader was en ons is geopenbaard): |
|
336 1 JÖHA 3 hetgeen wij dan gezien en jrehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben , en deze onze gemeenschap ook zij met den Vader en met zijnen Zoon Jezus Christus. 4 En deze dingen schrijven wij u, opdat uwe blijdschap vervuld zij. 5 En dit is de verkondiging die wij van hem geboord hebben en wij u verkondigen, dat God een licht is en gansch geene duisternis in hem is. 6 Indien wij zeggen dat wij gemeenschap met hem hebben , en wij in de duisternis wandelen, zoo liegen wij en doen de waarheid niet; 7 maar indien wij in het licht wandelen, gelijk hij in het licht is, zoo hebben wij gemeenschap met elkander, en het bloed van Jezus Christus zijnen Zoon reinigt ons van alle zonde. 8 Indien wij zeggen dat wij geene zonde hebben, zoo verleiden wij onszelve en de waarheid is in ons niet. 9 Indien wij onze zonden belijden, hij is getrouw en rechtvaardig, dat hij ons de zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid. 10 Indien wij zeggen dat wij niet gezondigd hebben, zoo maken wij hem tot een leugenaar en zijn woord is niet in ons. HOOFDSTUK 2. Mijne kinderkens, ik schrijf u deze dingen opdat gij niet zondigt. En indien iemand gezondigd heeft, wij hebben ee-nen Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus den rechtvaardige. 2 En hij is eene verzoening voor onze zonden, en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der geheele wereld. |
3 En hieraan kennen wij dat wij hem gekend hebben, zoo wij zijne geboden bewaren. 4 Die daar zegt: Ik ken hem, en zijne geboden niet bewaart, die is een leugenaar, en in dien is de waarheid niet; 3 maar zoo wie zijn woord bewaart, in dien is waarlijk de liefde Gods volmaakt geworden. Hieraan kennen wij dat wij in hem aijn. 6 Die zegt dat hij in hem blijft, die moet 09k zelf alzóó wandelen gelijk hij gewandeld heeft. 7 Broeders, ik schrijf u seen nieuw gebot., maar een oud gebod, dat gi van den beginne gehad hebt.\' Dit oude gebod is het woord dat gij van den beginne gehoerd hebt. 8 Wederom schrüf ik u een nieuw gebod; hetgeen waarachtig is in hem, zij ook in u waarachtig; want de duisternis gaat voorbij en het waarachtige licht schijnt nu. 9 Die zegt dat hij in het licht is, en zijnen broeder haat, die is in de duisternis tot nog toe. 10 üie zijnen broeder lief heeft blijft in het licht, en geene ergernis is in hem, 11 maar die zijnen broeder haat, is in de duisternis en weet niet waar hij henengaat; want de duisternis heeft zijne oogen verblind. 12 Ik schrijf u, kinderkens, want de zonden zijn u vergeven om zijns naams wille. 13 Ik schrijf u, vaders, want gij hebt hem gekend die van den beginne is. Ik schrijf u, jongelingen, want gij hebt den booze overwonnen. Ik schrijf u, kinderen, want gij hebt den Vader gekend. 14 Ik heb u geschreven, vaders, wan, gij hebt hem gekend die van den beginne is. Ik heb u geschreven, jongelingen, want gr zijt sterk, en het Woord Gods blijft in u, en gij hebt den booze overwonnen. |
|
1 JOHA 15 Hebt de wereld niet lief noch \'t geen in de wereld is: zoo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. 16 Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleesches en de begeerlijkheid der oogen en de grootsch-heid des levens, is niet uit den Vader , maar is uit de wereld. 17 En de wereld gaat voorbij en hare begeerlijkheid, maar die den wil Gods doet blijft in der eeuwigheid. 18 Kinderkens, het is de laatste ure; en gelijk gij gehoord hebt dat de Antichrist komt, zoo zijn ook nu vele Antichristen geworden; waaruit wij kennen dat het de laatste ure is. 119 Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet: want indien zij uit ons geweest waren, zoo zouden zij met ons gebleven zijn, maar dit is geschied opdat ze zouden openbaar worden dat ze niet allen uit ons zijn.^ 20 Doch gij hebt de zalving van den Heilige, en gij weet alle dingen. 21 Ik heb u niet geschreven omdat gij de waarheid niet weet, maar omdat gij die weet, en omdat geen leugen uit de waarheid is. 22 Wie is de leugenaar, dan die loochent dat Jezus is de Christus? Deze is de Antichrist, die den Vader en den Zoon loochent. 23 Een iegelijk die den Zoon loochent, heeft ook den Vader niet. fi24 Hetgeen gijlieden dan van den beginne gehoord hebt, dat blijve in u. Indien in u blijft wat gij van den beginne gehoord hebt, zoo zult gij ook in den Zoon en in den Vader bly-ven. 25 En dit is de belofte die hij ons beloofd heeft, namelijk het eeuwige leven. |
«NES 3. 337 26 Dit heb ik u geschreven van degenen die u verleiden. 27 En de zalving die gijlieden van hem ontvangen hebt, blijft in u, en gij hebt niet van noode dat iemand u leere; maar gelijk dezelfde zalving u leert van alle dingen, zoo is zij ook waarachtig en is geen leugen; en gelijk zij ugeleerd heeft, zoo zult gij in hem blijven. 28 En nu, kinderkens, blijft in hem, opdat wanneer hij zal feopenbaard zijn, wij vrijmoe-igheid hebben, en wij van hem niet beschaamd gemaakt worden in zijne toekomst.eopenbaard zijn, wij vrijmoe-igheid hebben, en wij van hem niet beschaamd gemaakt worden in zijne toekomst. 29 Indien gij weet dat hij rechtvaardig is, zoo weet gij dat een iegelijk die de rechtvaardigheid doet uit hem geboren is. HOOFDSTUK 3. Ziet hoe groote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden. Daarom kent ons de wereld niet, omdat zij hem niet kent. 2 Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods . en het is no? niet geopenbaard wat wij ziin zullen ; maar wij weten dat als hij zal geopenbaard zijn, wij hem zullen gelijk wezen; want wij zullen hem zien gelijk hij is. 3 En een iegeliik die deze hoop op hem heelt, die reinigt zich-zelven, gelijk hij rein is. 4 Een iegelijk die de zonde doet, doet ook de ongerechtigheid ; want de zonde is de ongerechtigheid. 5 En gij wee\'; dat hij geopenbaard is opdat hij onze zonden zoude wegnemen, en geen zonde is in hem. 6 Een iegelijk die in hem blijftj die zondigt niet; een iegelijk die zondigt, die heeft hem niet gezien en heeft hem niet gekend. |
|
338 1 JOHA 7 Kinderkens, dat u niemand verleide. Die de rechtvaardigheid doet, die is rechtvaardig, gelijk hij rechtvaardig ia. 8 Die de zonde doet is uit den duivel, want de duivel zondigt van den beginne. Iliertoeisde Zoon Gods geopenbaard, opdat hij de werken des duivels verbreken zoude. 9 Een iegelijk die uit God geboren is, die doet de zonde niet; want zijn zaad blijft in hem, en hij kan niet zondigen ; want hij is uit God geboren. 10 Hierin zijn de kinderen Gods en de kinderen des duivels openbaar. Een iegelijk die de rechtvaardigheid niet doet, die is niet uit God, en die zijnen broeder niet liefheeft. 11 Want dit is de verkondiging die gij van den beginne gehoord hebt, dat wij elkander zouden liefhebben. 12 Niet gelijk Kain, die uit den booze was en zijnen broeder doodsloeg; en om wat oorzaak sloeg hij hem dood? Omdat zijne werken boos waren, en zijns broeders rechtvaardig. 13 Verwondert u niet, mijne broeders, zoo u de wereld haat. 14 Wij weten dat wij overgegaan znn uit den dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben. Die zijnen broeder niet liefheeft, blijft in den dood. 15 Een iegelijk die zijnen broeder haat is een doodslager, en gij weet dat geen doodslager het eeuwige leven heeft in hem blijvende. 16 Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat hij zyn leven voor ons gesteld heeft; en wij zijn schuldig voor de broeders het leven te stellen. 17 Zoo wie nu het goed der wereld heeft, en ziet zijnen broeder gebrek hebben, en sluit zijn hart toe voor hem, hoe blijftde liefde Gods in hem? |
S NES 4. 18 Mijne kinderkens, laat ons niet liefhebben met het woord noch met de tong, maar met de daad en waarheid. 19 En hieraan kennen wij dat wij uit de waarheid zyn, en wij zullen on^e harten verzekeren voor hem. 20 Want indien ons hart ona veroordeelt, God is meerder dan ons hart, en hij kent alle dingen. 21 Geliefden, indien ons hart ons niet veroordeelt, zoo hebben wij vrijmoedigheid tot God, 22 en zoo wat wij bidden, ontvangen wij van hem, dewijl wij zijne geboden bewaren en doen hetgeen behagelijk is voor hem. 23 En dit is zijn gebod, dat wij gelooven in den naam zyns Zoons Jezus Christus, en elkander liefhebben, gelijk hij ons een gebed gegeven heeft. 24 En die z\'jne geboden bewaart, blijft in hem, en hij in denzelven. En hieraan kennen wij dat hij in ons blijft, namelijk uit den Geest dien hij ons gegeven heeft. HOOFLSTÜK 4. Geliefden, gelooft niet cenen iegelijken geest, maar beproeft de geesten of zij uit God zijn ; want vele valsche profeten zijn uitgegaan in de wereld. 2 Hieraan kent gij den Geest Gods: alle geest die belijdt dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is uit God ; 3 en alle gjest die niet belijdt dat Jezus Christus in het vleesch gekemen is, die is uit God niet; maar dit is de geest van den Antichrist, welke geest gij gehoord hebt dat komen zal, ea is nu aireede in de wereld. 4 Kinderkens, gij zijt uit God, en ;aebt hen overwonnen; want hij is meerder die in u is, dan die in de wereld is. |
|
, 1 JOHi 5 Zij zijn uit de wereld: daarom spreken zij uit de wereld, en de wereld hoort hen. 6 Wij zijn uit God. Die God kent hoort ons, die uit God niet is hoort ons niet. Hieruit kennen wij den geest der waarheid en den geest der dwaling. 7 Geliefden, laat ons elkander liefhebben, want de liefde is uit God, en een iegelijk die liefheeft is uit God geboren en kent God. 8 Die niet liefheeft, die heeft God niet gekend, want God is liefde. 9 Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God zijnen eeniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door hem. 10 Hierin is de liefde, niet dat wn God liefgehad hebben, maar dat hij ons lief heeft gehad , en zijnen Zoon gezonden heeft tot eene verzoening voor onze zonden. 11 Geliefden, indien God ons alzóó lief heeft gehad, zoo zijn ook wij schuldig elkander lief te hebben. 12 Niemand heeft ooit God aanschouwd: indien wij elkander liefhebben, zoo blijft God in ons, en zijne liefde is in ons volmaakt. 13 Hieraan kennen wij dat wij in hem blijven, en hij in ons, omdat hy ons van zynen Geest gegeven heeft. 14 En wij hebben \'t aanschouwd en getuigen, dat de Vader zijnen Zoon gezonden heeft tot eenen Zaligmaker der wert.1 d. 15 Zoo wie beleden zal hebben dat Jezus de Zoon Gods is. God blijft in hem en hij in God. 16 En wij hebben gekend en geloofd de liefde die God tot ons heeft. God is liefde, en die in de liefde blijft, die blijft in God en God in hem. 17 Hierin is de liefde by ons |
NNES 5. 339 volmaakt, opdat wij vrijmoedigheid mogen hebben in den dag des oordeels, namelijk dat gelijk hij is, wij óók zijn in deze wereld. 18 Daar is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees buiten; want de vrees heeft pijn, en die vreest is niet volmaakt in de liefde. 19 Wij hebben hem lief, omdat hy ons eerst liefgehad heeft. 20 Indien iemand zegt; Ik heb God lief, en zijnen broeder haat, die is een leugenaar; want die zijnen broeder niet liefheeft, dien hy gezien heeft, hoe kan hij God liefhebben dien hij niet gezien heeft ? 21 En dit gebod hebben wij van hem, namelijk dat die God liefheeft, ook zijnen broeder liefhebbe. HOOFDSTUK 5. Een iegelijk die gelooft dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren ; en een iegelijk die liefheeft dengenen die geboren heeft, die heeft ook lief dengenen die uit hem geboren is. 2 Hieraan kennen wij dat wy de kinderen Gods liefhebben, wanneer wy Goü liefhebben en zijne geboden bewaren. 3 A\\ ant dit is de liefde Gods, dat wij zijne geboden bewaren. En zijne geboden zijn niet zwaar. 4 Want al wat uit God geboren is overwint de wereld; en dit is de overwinning die de wereld overwint, namelijk ons geloof. 5 W ie is het die de wereld overwint, dan die gelooft dat Jezus is de Zoon Gods? 6 Deze is bet die gekomen is door water en bloed, namelijk Jezus de Christus: niet door het water alleen, maar |
|
340 1 JOHA door het water en het bloed. En de Geest is het die getuigt dat de geest de waarheid is. 7 Want drie zijn er die getuigen in den hemel: de Vader, het Woord, en de Heilige Geest; en deze drie zijn één. 8 En drie zijn er die getuigen op de aarde: de Geest, en het water, en het bloed ; en die drie zijn tot één. 9 Indien wij de getuigenis der menschen aannemen, de getuigenis Gods is meerder; want dit is de getuigenis Gods, welke hij van zijnen Zoon getuigd heeft. 10 Die in den Zoon Gods gelooft, heeft de getuigenis in zichzelvcn; die God niet gelooft, heeft hem tot een leugenaar gemaakt, dewijl hij niet geloofd heeft de getuigenis die God getuigd heeft van zijnen Zoon. 11 En dit is de getuigenis, namelijk dat God ons het eeuwige leven gegeven heeft; en dit leven is in zijnen Zoon. 12 Die den Zoon heeft, die heeft het leven; die den Zoon Gods niet heeft, die heeft het leven niet. 13 Deze dingen heb ik u geschreven, die gelooft in den naam des Zoons Gods, opdat gij weet dat gij het eeuwige leven hebt, en opdat gij gelooft in den naam des Zoons Gods. |
INES 5. , 14 En dit is de vrijmoedigheid die wij tot hem hebben, dat zoo wij iets bidden naar zijnen wil, bij ons verhoort. 15 En indien wij weten dat hij ons verhoort, wat wij ook hidden, zoo weten wij dat wij de beden verkrijgen die wi) van hem gebeden hebben. 1G Indien iemand zijnen broeder ziet zondigen eene zonde niet tot den dood, die zal God bidden, en hij zal hem het leven seven, dengenen zeg ik die zondigen nie t tot den dood. Er is eene zonle tot den dood: voor die zonde zeg ik niet dat hij zal bidde n. 17 Alle o agerechtigheid is zonde, en daar is zonde niet tot den dood. 18 Wij weten, dat een iegelijk die uit God geboren is niet zondigt; maar die uit God geboren is bewaart zichzelven, en de booze vat hem niet. lü Wij weten dat wij uit God zijn, en dat ce geheele wereld ligt in het booze. £0 Doch wij weten dat de Zoon Gods gekomen is, en ons het verstand gegeven heeft dat wij den Waarachtige kennen ; en wij zijn in den Waarachtige , namelijk in zijnen Zoon Jezus Christus: deze is de waarachtige God en het eeuwige leven. 21 Kinderkens, bewaart u-zelve van de afgoden. Amen. |
DE TWEEDE BRIEF
VAN DEN
APOSTEL JOHANNES.
|
De Ouderling .aan de uitverkorene vrouw en aan hare kinderen, die ik in waarheid liefheb, en niet alleen ik, maar ook allen die de waarheid gekend hebben, 2 om der waarheid wille die in ons blijft, en met ons zal zijn in der eeuwigheid: 3 genade, barmhartigheid, vrede zij met ulieden van Gou den Vader en van den Heere Jezus Christus, den Zoon des Vaders, in waarheid en liefde. 4 Ik ben zeer verblijd geweest, dat ik van uwe\'tinde-ren gevonden heb, die in de waarheid wandelen, gelijk wij een gebod ontvangen hebben van den Vader. 5 En nu bid ik u, uitverkorene vrouw, niet als u schrijvende een nieuw gebod, maar hetgeen wij gehad hebben van den beginne, namelijk dat wij elkander liefhebben. 6 En dit is de liefde, dat wij wandelen naar zijne geboden. Dit is het gebod, gelijk gijlieden van den beginne gehoord hebt dat gij in hetzelve zoudt wandelen. 7 Want daar zijn vele verleiders in de wereld gekomen. |
die niet belijden dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is. Deze ia de verleider en de Antichrist. 8 Ziet toe voor uzelve, dat wij niet verliezen hetgeen wij gearbeid hebben, maar een vol loon mogen ontvangen. 9 Een iegelijk die overtreedt en niet bliift in de leer van Christus, die heeft God niet; die in de leer van Christus blijft, deze heeft beide den Vader en den Zoon. 10 Indien iemand tot ulieden komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis, en zegt tot hem niet: Wees gegroet. 11 Want die tot hem zegt: Wees gegroet, die heeft gemeenschap aan zijne booze werken. 12 Ik heb veel aan ulieden te schrijven, doch ik hebniet gewild door papier en inkt; maar ik hoop tot ulieden te komen en mond tot mond met u te spreken, opdat onze blijdschap volkomen moge zijn. 13 U groeten de kinderen van uwe zuster ie uitverkorene. Amen. |
DE DEEDE BEIEP
VAN 0K!ï
APOSTEL JOHANNES.
|
De Ouderling aan den geliefden Gajus, welken ik in waarheid liefheb. 2 Geliefde, vóór alle dingen wen sch ik dat jrii welvaart en gezond zijt, gelijk uwe ziele welvaart. 3 Want ik ben zeer verblijd geweest, als de broeders kwamen en getuiirden van uwe waarheid, gelijk gij in de waarheid wandelt. 4 Ik heb geen meerdere blijdschap dan hierin, dat ik hoor dat mijne kinderen in de waarheid wandelen. 5 Geliefde, gij doet trouwe-lijk in al hetgeen pij doet aan de broederen en aan de vreemdelingen , fi die getuigd hebben van uwe liefde, in de tegenwoordigheid der gemeente; welken indien gij geleide doet, gelijk het Gode waardig is, zoo zult gij wèl doen. \'i Want zij zijn voor zijnen naam uitgegaan, niets ruinen-de van de heidenen. 8 Wij dan zijn schnMis de zoodanigen te ontvangen, opdat wij medearbeiders mogen worden der waarheid. |
9 Ik heb aan de gemeente geschreven; maar Diotrefès, die onder h(n zoekt de eerste te zijn, neemt ons niet aan. 10 Daarom, indien ik kom, zoo zal ik in gedachtenis brengen zijne we.\'ken die hij doet, met booze woorden snaterende tegen ons; en hiermede niet vergenoegd zijnde, zoo ontvangt hij zelf de broeders niet, en verhindert degenen die het willen doen, en werpt ze uit de fremeente. 11 Geliefde, volg het kwade niet na , maar het poede. Die soed doet is uit God, maar die kwaad doet heeft üod niet gezien. 12 Aan Demetrius wordt getuigenis gegeven van allen, en van de w-aarhdd zelve; en wij getuigen óók, en gij weet dat onze petuisenis waarachtig is. 13 Ik had veel te schrijven, maar ik wil u niet schrijven met inkt en pen; 14 maar ik hoop u haast te zien, en wij zullen mond tot mond spreken. 15 Trede zij u. De vrienden groeten u. Groet de vrienden met name. |
DE ALGEMEENE BP, IEF
VAN DEN
APOSTEL JUDAS.
|
Judas, een dienstknecht van Jezus Christus, en broeder van Jacobus, aan de geroepenen die door God den Vader geheiligd zijn, en door Jezus Christus bewaard: 2 barmhartigheid en vrede en liefde zij u vermenigvuldigd. 3 Geliefden, alzoo ik alle naarstigheid doe om u te schrijven van de gemeene zaligheid, zoo heb ik noodzaak gehad aan u te schrijven, en u te vermanen dat gij strijdt voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is. 4 Want daar zijn sommige menschen ingeslopen, die eer-ttfds tot dit oordeel te voren opgeschreven zijn, goddeloo-zen , die de genade onzes Gods veranderen in ontuchtigheid, en den éénigen Heerscher God en onzen Ileere Jezus Christus verloochenen. 5 Maar ik wil u indachtig maken, als die dit eenmaal weet, dat de Ileere het volk uit Egypteland verlost hebbende, wederom degenen die niet geloofden verdorven heeft. fi En de Engelen die hun beginsel niet bewaard hebben, maar hun eijren woonstclsel verlaten hebben, heeft hij tot het oordeel des grooten da ijs met eeuwige banden onder de duisternis bewaard: 7 gelijk Sodom en Gomorra en de steden rondom dezelve, die op gelijke wijze als deze gehoereerd hebben, en ander vleesch zijn nagegaan, tot een exempel voorgesteld zijn, dragende de straf des eeuwigen vuurs. |
8 Desgelijks evenwel ook deze, in slaap gebracht zijnde, verontreinigen het vleesch, en verwerpen de heerschappij, en lasteren de heerlijkheden. 9 Maar Michael de Archangel , toen hij met den duivel twistte, en handelde van het lichaam van Mozes, durfde geen oordeel van lastering tegen hem voortbrengen, maar zeide; De Ileere bestraffe u. 10 Maar deze hetgeen zij niet weten, dat lasteren zij ; en hetgeen zij natuurlek, ills de onredelijke dieren, weten, in hetzelve verderven zij zich. 11 Wee hun; want zij zijn den weg Kains ingegaan, en door de verleidine van het loon Bi-leams zijn zij henengestort. en zijn door de tegenspreking Ko-rachs vergaan. 12 Deze zijn vlekken in uwe liefdemaaltijden, en als zij met u ter maaltijd zijn , weiden zij zichzelve zonder vrees ; zij zijn waterlooze wolken. die van de winden omgedreven worden; zij zijn als boomen in het afgaan van den herfst, onvruchtbaar, tweemaal verstorven, en ontworteld; 13 wilde baren der zee; hun eigen schande opschuimende; dwalende sterren, denwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt. |
|
344 OPENBi 14 En van deze heeft ook Henoch , de zevende van Adnm, geprofeteerd, zeggende: Zie, de Heere is gekomen met zyne vele duizende heiligen, 15 om gericht te houden tegen allen, en te straffen alle god-deloozen onderhen, vanwege alle hunne goddelooze werken die zij goddelooslijk gedaan hebben, en van wege alle de harde woorden die de goddelooze zondaars tegen hem gesproken hebben. 16 Deze zijn murmureerders, klagers over hunnen staat, wandelende naar hunne begeerlijkheden, en hun mond spreekt zeer opgeblazene dingen , verwonderende zich over de personen om des voordeels wille. 17 Maar, geliefden, gedenkt gii der woorden die voorzegd znn van de Apostelen onzes Heeren Jezus Christus: 18 dat zij u gezegd hebben, dat er in den laatsten tijd spotten zullen zijn, die naar |
RING 1. hunne goddelooze begeerlijkheden wandelen zullen. 19 Deze zijn het die zichzelve afscheiden, natuuriyke men-achen, den Geest niet hebbende. 20 Maar, geliefden, bouwt gij uzelVe op uw allerheiligst geloof, biddende in den Heiligen Geest; 21 bewaart uzelve in de liefde Gods, verwachtende de barmhartigheid onzes Heeren Jezus Christus ten eeuwigen leven. 22 En ontfermt u wel over eenigen, onderscheid makende; 23 maar behoudt anderen door vrees, en gri;pt ze uit het vuur; en haat ook den rok die van het vleesoh bevlekt is. 24 Hem nu die machtig is u van struikelen te bewaren, en onstraffelijk te stellen voor zijne heerlijkheid in vreugde, 2ó den alleen wijzen God onzen Zaligmaker, zij heerlijkheid en majesteit, kracht en macht, beide nu en in alle eeuwigheid. Amen. |
DE OPENBARING
VAN
JOHANNES.
|
HOOFDSTUK 1. De openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft, om zijnen dienstknechten te toonen de dingen die haast geschieden morton, en die hij door zijnen Engel gezonden en zijnen dienstknecht Johannes te kennen gegeven heeft: |
2 dewelke het Woord Gods betuigd heeft, en de getuigenis van Jezus Christus, en al wat hij gezien heeft. 3 Zalig is aij die leest en zijn zij die hoo ren de woorden dezer Profetie, en die bewaren hetgeen in dezelve geschreven is; want de tijd is nabij. 4 Johannes aan de zeven gemeenten die in Azië zijn: genade zy u en vrede van hem |
|
die Is, en die was, en die komen zal, en van de zeven Geesten die vóór zijnen troon zijn, \' 5 en van Jezus Christus, die de getrouwe getuige is, de eerstgeborene uit de dooden, en de Overste van de Koningen der aarde. Hem die ons heeft liefgehad en ons van onze zonden gewasschen heeft in zijn bloed, 6 en die ons gemaakt heeft tot Koningen en Priesters Go-de en zijnen Vader, hem zeg ik zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen. 7 Zie, hij komt met de wolken , en alle oog zal hem zien, ook degenen die hem doorstoken hebben; en alle geslachten der aarde zullen over hem rouw bedrijven; ja, amen. 8 Ik ben de Alfa en de Omega, het begin en het einde, zegt de Hcere, die is, en die was, en die komen zal, de Almachtige. 9 Ik Johannes, die ook uw broeder ben en medegenoot in de verdrukking en in liet Koninkrijk en in de lijdzaamheid van Jezus Christus, was op het eiland genaamd Patmos, om het Woord Gods en om de getuigenis van Jezus Christus. 10 Lu ik was in den geest op den dag des Heeren, en ik hoorde achter mij eene groote stem als eener bazuin, 11 zeggende: Ik ben de Alfa en de Omega, de eerste en de laatste; en hetgeen gij ziet, schrijf dat in een boek, en zend het aan de zeven gemeenten die in Azië zijn, namelijk naar Efeze, en naar Smyrna, en naar Pergamus, en naar Thyatira, cn naar Sardes, en naar Filadelfia, en naar Lao-dicda. 12 En ik keerde mij om, om te zien de stem, die met mij gesproken had; en mij omgekeerd hebbende zag ik zeven gouden kandelaren. |
RING 2. 345 13 en in het midden van de zeven kandelaren eenen, den Zoon des menschen gelyk zijnde, bekleed met een lang kleed tot de voeten, en omgord aan de borsten met een gouden gordel; 14 en zijn hoofd en haar was wit gelijk als witte wol, gelijk sneeuw, en zijne oogen gelijk eene vlam vuurs; 15 en zijne voeten waren blinkend koper gelijk, en gloeiden als in eenen oven; en zijne stem als eene stem van vele wateren. 16 En hy had zeven sterren in zyne rechterhand; en uit zijnen mond ging een tweesnijdend scherp zwaard; en zijn aangezicht was gelijk de zon schijnt in hare kracht. 17 En toen ik hem zag viel ik als dood aan zijne voeten; en hy leide zijne rechter//«/tlt;i op mij, zeggende tot mij : Vrees niet; ik ben de eerste en de laatste, 18 en die leef, en ik ben dood geweest; en zie, ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En ik heb de sleutels der hel en des doods. 19 Schrijf hetgeen gy gezien hebt, en hetgeen is en hetgeen geschieden zal na dezen: 20 de verborgenheid der zeven sterren, die gij gezien hebt in mijne rechterAo/i*Z, en de zeven gouden kandelaren. De zeven sterren zijn de Engelen der zeven gemeenten, en de zeven kandelaren, die gy gezien hebt, zyn de zeven gemeenten. HOOFDSTUK 2. Schrijf aan den Engel der gemeente van Efeze; Dit zegt hij die de zeven sterren in zijne rechter^aMd houdt, die in het midden der zeven gouden kandelaren wandelt: 2 Ik weet uwe werken, en u-wen arbeid, er uwe lijdzaam- |
|
346 OPENBi held, en dat grij de kwaden niet kunt verdragen, en dat gij beproefd hebt degenen die voorgeven dat zij Apostelen zijn, en zij zijn het niet, en hebt ze leugenaars bevonden ; 3 en gij hebt verdragen en hebt geduld, en gij hebt om mijns naams wille gearbeid, en zijt niet moede geworden. 4 Maar ik heb tegen u, dat gij uwe eerste liefde hebt verlaten. 5 Gedenk dan waarvan gij uitgevallen zijt, en bekeer u, en doe de eerste werken; en zoo niet, ik zal u haastelijk fti;komen, en zal uwen kandelaar van zijne plaats weren, indien gij u niet bekeert. 6 Maar dit hebt gij, dat gij de werken der Nicolaiten haat, welke ik óók haat. 7 Die ooren heeft, die hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt. Die overwint, ik zal hem geven te eten van den boom des levens, die in het midden van het paradijs Gods is. 8 En schrijf aan den Engel der gemeente van die van Smyrna: Dit zegt de eerste en de laatste, die dood geweest is en weder levend is geworden: 9 Ik weet uwe werken, en verdrukking, en armoede, (doch gij zijt rijk), en de lastering oergenen \'die zeggen dat ze Joden zijn en zijn het niet, maar zijn eene Synagoge des satans. 10 Vrees geen der dingen die gij lijden zult. Zie, de duivel zal eciiigen van ulieden in de gevangenis werpen , opdat gij verzocht wordt, en gij zult eene verdrukking hebben van tien dagen. Wees getrouw tot den dood, en ik zal u geven de kroon des levens. 11 Die ooren heeft, die hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt. Die overwint zal van den tweeden dood niet beschadigd worden. |
12 En schrijf aan den Engel d er gemeente die in Pergamus is ; Dit zegt hij die het tweesnijdend scherp zwaard heeft: 13 Ik weet uwe werken, en waar gij woont, namelijk daar de troon des satans is; en gij houdt mij nen naam, en hebt mijn geloof niet verloochend, ook in die dagen, in welke Antipas mijn getrouwe getuige was, welke gedood is bij ulieden daar de satan woont. 14 Maar ik aeb eeniflre weinige dingen tegen u, dat gij aldaar hebt, die de leering Bileams houden, die Balak leerde den kinderen Israels een aanstoot voor te werpen, opdat ze zouden afgodenoffer eten en hoe-reeren. 15 Alzóó h\'?bt ook gij die de leering der Tvicolaiten houden, hetwelk ik haat. 16 Bekeer u; en zoo niet, ik zal u haastelijk öykomen , en zal tegen hen krijg voeren met het zwaard mijns monds. 17 Die ooren heeft, die hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt. Die overwint, ik zal hem geven te eten van het manna dat verborgen is, en ik zal hem geven eenen witten keursteen, en op den keursteen eenen nieuwen naam geschreven, welken niemand kent dan die hem ontvangt. 18 En schrijf aan den Engel der gemeente te Thyatira; I)it zegt de Zoon Gods, die zijne oogen heeft als eene vlam vuurs, en zijne voeten zijn blinkend koper gelijk; 19 Ik weet uwe werken, en liefde, en dienst, en geloof, en uwe lijdzaamheid, en uwe werken, e^i dat de laatste meer zijn dan de eerste. 20 Maar ik heb eenipe weinige dingen tegen u, dat gij de vrouw Iz^bel, die zichzelve zegt eene profetes te zijn, laat leeren en mijne dienstknechten verleiden dat ze hoereeren en afgodenoffer eten. |
|
21 En ik heb baar tijd gegeven opdat zij zich zoude be-keeren van hare hoererij, en zij heeft zich niet bekeerd. 22 Zie, ik werp haar te bed, en die met haar overspel bedrijven, in groote verdrukking, zoo zij zich niet hekee-ren van hunne werken. 23 En hare kinderen zal ik door den dood ombrengen, en alle de gemeenten zullen weten dat ik het ben die nieren en harten onderzoek. En ik zal ulieden geven een iegelijk naar uwe werken. 24 Doch ik zeg tot ulieden, en tot de anderen die te Thya-tira zijn, zoo velen als er deze leer niet hebben, en die de diepten des satans niet gekend hebben, gelijk zij zeggen: Ik zal u geenen anderen last opleggen. 25 Maar hetgeen gij hebt, houdt dat totdat ik zal komen. 2(5 En die overwint en die mijne werken tot den einde toe bewaart, ik zal hem macht geven over de heidenen, 27 en hij zal ze hoeden met eenen ijzeren staf; zij zullen als pottenbakkersvaten vermorzeld worden, gelijk ik ook van mijnen Vader ontvangen heb. 28 En ik zal hem de morgenster geven. 29 Die ooren heeft, die hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt. HOOFDSTUK 3. En schrijf aan den Engel der gemeente die te Sardes is: Dit zegt die de zeven Geesten Gods heeft, eu de zeven sterren: Ik weet uwe werken, dat gij dc-n naam hebt, dat gij leeft, en gij zijt dood. 2 Wees wakende, en versterk het overige dat sterven zoude; want ik heb uwe werken niet vol gevonden voor God. 3 Gedenk dan hoe gij het ont-iRING 3. 347 |
vangen en gehoord hebt, en bewaar het, en bekeer u. Indien gij dan niet waakt, zoo zal ik over u komen als een dief, en gij zult niet weten op wat ure ik over u komen zal. 4 Doch gij hebt eenicje weinige namen ook te Sardes, die hunne kleederen niet bevlekt hebben, en zij zullen met mij wandelen in witte kleederen, overmits zij het waardig zijn. 5 Die overwint, die zal bekleed worden met witte kleederen ; en ik zal zijnen naam geenszins uitdoen uit het boek des levens, en ik zal zijnen naam belijden voor mijnen Vader en voor zijne Engelen. fgt; Die ooren heeft, die hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt. 7 En schrijf aan den Ensrel der gemeente die in Filadelfia is: Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, die den sleutel Davids heeft, die opent en niemand sluit, en hij sluit en niemand opent: 8 Ik weet uwe werken; zie, ik heb eene geopende deur voor u gegeven, en niemand kan die sluiten; want frij hebt kleine kracht, en jnj hebt mijn Woord bewaard en hebt mijnen naam niet verloochend. 9 Zie, ik geef u eenigen uit de S.vnaifojre des satans . der-genen die zeggen dat ze Joden zijn, en zijn het niet, maar liegen ; zie, ik zal maken dat zij zullen komen en aanbidden voor uwe voeten,en bekennen dat ik u liefheb. 10 Omdat gij het woord mijner lijdzaamheid bewaard hebt, zoo zal ik ook u bewaren uit de ure der verzoeking, die over de geheele wereld komen zal, om te verzoeken die op de aarde wonen. 11 Zie, ik kom haastelijk; houd dat gij hebt, opdat niemand uwe kroon neme. 12 Die overwint, ik zal hem maken tot eenen pilaar in den |
|
348 OPENBi Tempel mijns Gods, en hij zal niet meer daar uitgaan; en ik zal op hem schrijven den naam mijns Gods, en den naam der stad mijns Gods, namelijk van het nieuwe Jeruzalem dat uit den hemel van mijnen God afdaalt, en ook mijnen nieuwen naam. 13 Die ooren heeft, diehoore wat de Geest tot de gemeenten zegt. 14 En schrijf aan den Engel van de ucmeente der Laodi-cenzen: Dit zegt de Amen, de trouwe en waarachtige Getuige, het Begin der schepping Gods: 15 Ik weet uwe werken, dat gij noch koud zijt noch heet: och of gij koud waart of heet! 16 Zoo dan omdat gij lauw zijt, en noch koud noch heet, ik zal u uit mijnen mond spuwen. 17 Want gij zegt: Ik ben rijk, en verrijkt geworden , en heb geens dings gebrek; en gij weet niet dat gij zijt ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt. 18 Ik raad u dat gij van mij koopt goud, beproefd uit het vuur, opdat gij rijk rnoogt worden, en witte kleederen, opdat gij moogt bekleed worden en de schande uwernaakt-heid niet geopenbaard worde; en zalf uwe oogen metoogen-zalf. opdat gij zien moogt. 19 Zoo wie ik liefheb, die bestraf en kastijd ik: wees dan ijverig en bekeer u. 20 Zie, ik sta aan de deur en ik klop: indien iemand mijne stem zal hooren en de deur opendoen , ik zal tot hem inkomen, en ik zal met hem avondmaal houden en hij met mij. 21 Die overwint, ik zal hem geven met mij te zitten in mii-nen troon, gelijk als ik overwonnen heb en ben gezeten met mijnen Vader in zijnen troon. |
RING 4. 22 Wie ooren heeft, die hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt. HOOFDSTUK 4. Na dezen zag ik, en zie, eene deur was geopend in den hemel; en de eerste stem, die ik gehoord had als eener bazuin met mij sprekende, zeide: Kom hier öp, en ik zal u too-ncn hetgeen na dezen geschieden moet. 2 En terstond werd ik in den geest; en zie, daar was een troon gezet in den hemel, en er zat een op den troon. 3 En die óaarop zat, was in quot;quot;t aanzien den steen jaspis en sardius gelijk; en een regenboog was rondom den troon, in het aanz en den steen sma-ragdus gelijk. 4 En rondom den troon waren vierentwintig tronen, en op de tronen zag ik de vierentwintig Ouderlingen zittende, bekleed met witte kleederen, en zij haddea gouden kronen op hunne hoofden. 5 En van den troon gingen uit bliksemen en donderslagen en stemmen; en zeven vurige lampen waren brandende vóór den troon, welke zijn de zeven Geesten Gods. 6 En vóór den troon was eene glazen zee, kristal gelijk. En in het midden des troons en rondom den troon vier dieren, zijnde vol oogen van voren en van achteren. 7 En het eerste dier was ee-nen leeuw gelijk , en het tweede dier een kalf gelijk, en het derde dier had het aangezicht als een mensch, en het vierde dier was eenen vliegenden arend gelijk. 8 En de vier dieren hadden elk voor zichzelf zes vleugelen rondom, i:n waren van binnen vol oogen; en zii hebben geen rust dag en nacht, zeggende: Heilig, neilig, heilig is de |
|
Heere God, de Almachtige, die was en die is en die komen zal. 9 En wanneer de dieren heerlijkheid en eer en dankzegging gaven hem die op den troon zat, die in alle eeuwigheid leeft, 10 zoo vielen de vierentwintig Ouderlingen vóór hem die op den troon zat, en aanbaden hem die leeft in alle eeuwigheid , cn wierpen hunne kronen vóór den troon, zeggende ; 11 Gij Heere, zijt waardig te ontvangen de heerlykheid en de eer en de kracht; want gij hebt alle dingen geschapen, en door uwen wil zijn zy, en zyn ze geschapen. HOOFDSTUK 5. En ik zag in de rechterhand desgenen die op den troon zat een boek, beschreven van binnen en van buiten, verzegeld met zeven zegelen. 2 En ik zag eenen sterken Engel, uitroepende met eene groote stem: Wie is waardig het boek te openen en zijne zegelen open te breken ? 3 En niemand in den hemel, noch op de aarde, noch onder de aarde, kon het boek openen noch hetzelve inzien. 4 En ik weende zeer, dat niemand waardig gevonden was om dat boek te openen en te lezen, noch hetzelve in te zien. 5 En een van de Ouderlingen zeide tot my: Ween niet; zie, de Leeuw die uit den stam Juda is, de wortel Davids, heeft overwonnen, om het boek te openen, en zijne zeven zegelen open te breken. 6 En ik zag, en zie, in het midden van den troon en van de vier dieren en in het midden van de Ouderlingen een Lam staande als geslacht, hebbende zeven hoornen en zeven oogen, dewelke zyn de |
RING 5. 349 zeven Geesten Gods, die uitgezonden zijn in alle landen. 7 En het kwam, en heeft het boek genomen uit de rechter-hand desgenen, die op den troon zat. 8 En als het dat boek genomen had, vielen de vier dieren en de vierentwintig Ouderlingen voor het Lam neder, hebbende elk citers en gouden fiolen, zijnde vol reukwerk, welke zijn de gebeden der heiligen. 9 En zij zongen een nieuw lied, zeggende: Gij zijt waardig dat boek te nemen en zijne zegelen te openen; want gij zijt geslacht, en hebt ons Gode gekocht met uw bloed, uit alle geslacht en taal en volk en natie; 10 en gij hebt ons onzen God emaakt tot Koningen en riesteren, en wij zullen als Koningen heerschen op de aarde. 11 En ik zag, en ik hoorde eene stem veler Engelen rondom den troon en de dieren en de Ouderlingen, en hun getal was tienduizend maal tienduizenden en duizendmaal duizenden , 12 zeggende met eene groote stem: Het Lam dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht en rykdom en wijsheid en sterkte en eer en heerlijkheid en dankzegging. 13 En alle schepsel dat in den hemel is, en op de aarde, en onder de aarde, en die in de zee zijn, en alles wat in dezelve is, hoorde ik zeggen; Hem die op den troon zit en het Lam zij de dankzegging en de eer en de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. 14 En de vier dieren zeiden: Amen. En de vierentwintig Ouderlingen vielen neder en aanbaden dengenen die leeft in alle eeuwigheid. |
|
350 HOOFDSTUK 6. En ik zag, toen het Lam één van de zegelen geopend had, en ik hoorde één uit de vier dieren zeggen, als eene stem van eenen donderslag; Kom en zie. 2 En ik zas?, en zie, een wit paard, en die daarop zat had eenen boog, en hem is eene kroon gegeven, en hij ging uit overwinnende, en opdat hy overwonne. 3 En toen het het tweede zegel geopend had, hoorde ik het tweede dier zeggen: Kom en zie. 4 En een ander paard ging uit, dat rood was; en dien die daarop zat werd macht gegeven den vrede te nemen van de aarde, en dat zij elkander zouden dooden ; en hem werd een groot zwaard gegeven. 5 En toen het het derde zegel geopend had, hoorde ik het derde dier zeggen: Kom en zie. En ik zag, en zie, een zwart paard, en die daarop zat had eene weegschaal in zijne hand. 6 En ik hoorde eene stem in het midden van de vier dieren, die zeide: Een maatje tarwe voor eenen penning, en drie maatjes gerst voor eenen penning; en beschadig de olie en den wijn niet. 7 En toen het het vierde zegel geopend had, hoorde ik eene stem van het vierde dier, die zeide: Kom en zie. 8 En ik zag, en zie, een vaal paard, en die daarop zat, zijn naam was de dood, en de hel volgde hem na; en hun werd macht gegeven om te dooden tot het vierde deel der aarde toe, met zwaard en met honger en met den dood en door de wilde beesten der aarde. 9 En toen het het vijfde zegel geopend had, zag ik onder het altaar de zielen dergenen die gedood waren om het Woord |
ING 6, 7. Gods en om de getuigenis die zü hadden. 10 En zij riepen met groote stem, zeggende: Hoelang, o heilige en waarachtige Heer; scher, oordeelt en wreekt gij ons bloed niet van degenen die op de aarde wonen ? 11 En aan een iegelijk werden lange witte kleederen gegeven, en hun werd gezegd dat zij nog eenen kleinen tijd rusten zouden, totdat ook hunne mededienstknechten en hunne broeders zouden vervuld zijn, die gedood zouden worden gelijk als zii. 12 En ik isag toen het het zesde zegel geopend had, en zie, daar werd eene aardbeving; en de zon werd zwart als een haren zak, en de maan werd als blond, 13 en de sterren des hemels vielen op de aarde, gelijk een vijgeboom zijne onrijpe vijgen afwerpt, als hij van eenen grooten wind geschud wordt. 14 En de hemel is weggewe-ken, als een boek dat toegerold wordt; en alle bergen en eilanden zijn bewogen uit hunne plaatsen. 15 En de Koningen der aarde, en de grooten, en de rijken, en de oversten over duizend, en de machtigen, en allo dienstknechten, en alle vrijen, verborgen zichzelve in de spelonken en in de steenrotsen der bergen, 1G en zeiden tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt öp ons, en verbergt ons van het aangezicht desgenen die op den troon zit, en van den toorn des Lams; 17 want de groote dag zijns toorns is gekomen en wie kan bestaan ? HOOFDSTUK 7. En na dezen zag ik vier En- elen staan op de vier hoeken er aarde, houdende de vier |
|
winden der aarde, opdat geen wind zoude waaien op de aarde , noch op de zee, noch tegen eenigen boom. 2 Én ik zag eenen anderen Engel opkomen van den opgang der zon, hebbende het zegel des levenden Gods; en hij riep met eene groote stem tot de vier Engelen, welken macht gegeven was de aarde en de zee te beschadigen, 3 zeggende: Beschadigt de aarde niet, noch de zee, noch de hoornen, totdat wij de dienstknechten onzes Gods zullen verzegeld hebben aan hunne voorhoofden. 4 En ik hoorde het getal dergenen die verzegeld waren : hon-derdvierenveertigduizend waren verzegeld uit alle geslachten der kinderen Israels. 5 Uit het geslacht Juda waren twaalfduizend verzegeld, uit het geslacht Ruben waren twaalfduizend verzegeld; uit het geslacht Gad waren twaalfduizend verzegeld ; 6 uit het geslacht Aser waren twaalfduizend verzegeld ; uit bet geslacht Naftali waren twaalfduizend verzegeld; uit het geslacht Manasse waren twaalfduizend verzegeld ; 7 uit het geslacht Simeon waren twaalfduizend verzegeld; uit het geslacht Levi waren twaalfduizend verzegeld; uit het geslacht Issaschar waren twaalfduizend verzegeld; 8 uit het geslacht Zebulon waren twaalfduizend verzegeld; uit het geslacht Jozef waren twaalfduizend verzegeld; uit het geslacht Benjamin waren twaalfduizend verzegeld. 9 Na dezen zag ik, en zie, eene groote schare, die niemand tellen kon, uit alle natie en geslachten en volken en talen, staande vóór den troon en vóór het Lam bekleed zijnde met lange witte kleederen, en palmfaArAe/i waren in hunne handen. |
RING 8. 351 10 En zij riepen met groote stem, zeggende: De zaligheid zij onzen God die op den troon zit, en het Lam. 11 En alle de Engelen stonden rondom den troon en rondom de Ouderlingen en de vier dieren , en vielen vóór den troon neder op hun aangezicht, en aanbaden God, 12 zeggende: Amen. De lof en de heerlijkheid en de wijsheid en de dankzegging en de eer en de kracht en de sterkte zij onzen God in alle eeuwigheid. Amen. 13 En een uit de Ouderlingen antwoordde, zeggende tot mij: Deze, die bekleed zijn met de lange witte kleederen, wie zijn zij en van waar zijn ze gekomen? 14 En ik sprak tot hem: Hee-re, gij weet het. En hij zeide tot mij : Deze zijn het die uit de groote verdrukking komen; en zij hebben hunne lange kleederen gewasschen en hebben hunne lange kleederen wit gemaakt in het bloed des Lams. 15 Daarom zyn zij vóór den troon Gods, en dienen hem dag en nacht in zijnen Tempel; en die op den troon zit zal hen overschaduwen. 16 Zij zullen niet meer hongeren en zullen niet meer dorsten , en de zon zal op hen niet vallen noch eenige hitte. 17 quot;Want het Lam dat in het midden des troons is zal ze weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren; en God zal alle tranen van hunne oogen af-wisschen. HOOFDSTUK 8. En toen hel het zevende zegel geopend had, werd daar een stilzwijgen in den hemel, omtrent van een half uur. 2 En ik zag de zeven Engelen die voor God stonden, en hun werden zeven bazuinen gegeven. |
|
332 OPENBA 3 En daar kwam een andere Engel, en stond aan het altaar, hebbende een gouden wierookvat; en hem werd veel reukwerk gegeven, opdat hij het met de gebeden aller heiligen zoude leggen op het gouden altaar dat vóór den troon is. 4 En de rook des reukwerks met de gebeden der heiligen ging op van de hand des Engels vóór God. 5 En de Engel nam het wie-rookvat, en vulde dat met het vuur des altaars, en wierp het op de aarde ; en er geschiedden stemmen en donderslagen en bliksemen en aardbeving. 6 En de zeven Enselen^ die de zeven bazuinen hadden, bereidden zich om te ba uinen. 7 En de eerste Engel heeft gebazuind, en daar is geworden hagel en vuur, gemengd met bloed, en zy ziin op de aarde geworpen: en het derde deel der boomen is verbrand, en al het groene gras is verbrand. 8 En de tweede Engel heeft gebazuind, en daar werd ief«, als een groote berg van vuur brandende, in de zee geworpen : en het derde deel der zee is bloed geworden. 9 En het derde deel der schepselen in de zee die leven hebben is gestorven ^ en het derde deel der schepen is vergaan. 10 En de derde Engel heeft gebazuind, en daar is eene groote ster, brandende als een fakkel, gevallen uit den hemel, en is gevallen op het derde dccï der rivieren en op de fonteinen der wateren. 11 En de naam der ster wordt genaamd Alsem; en het derde deel der wateren werd tot alsem, en vele menschen zijn gestorven van de wateren, want zij waren bitter geworden. 12 En de vierde Engel heeft gebazuind, en bet derde deel der zon werd geslagen, en het derde deel der maan, en het derde deel der sterren, opdat |
UNG 9. het derde deel derzelve zoude verduisterd worden, en dat het derde deel van den dag niet zoude lichten, en van den nacht desgelijks. 13 En ik zag, en ik hoorde eenen Engel vliegen in het midden des hemels, zeggende met groote stem: quot;Wee, wee, wee dengenen die op de aarde wonen, van wege ae overige stemmen der bazuin der drie Engelen die nog bazuinen zullen. HOOFDSTUK 9. En de vijfde Engel heeft gebazuind, en ik zag eene ster gevallen uit den hemel op de aarde, en haar werd gegeven de sleutel van den put des afgronds. 2 En zij heeft den put des afgronds geopend ; en daar is rook opgegaan uit den put, als rook eens grooten ovens; en de zon en de lucht is verduisterd geworden van den rook des puts. 3 En uit den rook kwamen sprinkhanen op de aarde, en bun werd macht gegeven ge-lyk de schorjioenen der aarde macht hebben. 4 En hun werd gezegd, dat zij het gras der aarde niet zouden beschadigen, noch ee-nige groente, noch eenigen boom, dan de menschen alleen die het zegel Gods aan hunne voorhoofden niet hebben. 5 En hun werd macht gegeven, niet dat zij ze zouden doo-den, maar dat zij zouden van hen Kepijnigd worden yijf maanden ; en hunne pijniging was als de pijniging van een schorpioen wanneer hij een mensch gestoken heeft. 6 En in die dagen zullen de menschen den dood zoeken en zullen dien niet vinden, en zij zullen begeeren te sterven en de dood zal van hen vlieden. 7 En de gedaanten dersprink- |
|
lianen waren den paarden gelijk die tot den oorlog bereid zijn ; en op hunne hoofden waren als kronen het goud gelijk; en hunne aangezichten ala aangezichten van menschen; 8 en zij hadden haar als haar der vrouwen; en hunne tanden waren als tanden der leeuwen. 9 En zij hadden borstwapenen als yzeren borstwapenen; en het gedruisch hunner vleugelen was als een gedruisch der wagenen, wanneer vele paarden naar den strijd loo-pen. 10 En zij hadden staarten den schorpioenen gelijk, en daar waren angels in hunne staarten ; en hunne macht was de menschen te beschadigen vijf maanden. 11 En zij hadden over zich tot eenen Koning den engel des afgronds: zijn naam was in het Hebreeuwsch Abaddon, en in de Grieksche taal had hjj den naam Apollyon. 1- liet ééne wee is weggegaan ; zie, daar komen nog twee weeën na dezen. 13 En de zesde Engel heeft gebazuind, en ik hoorde ééne stem uit de vier hoornen des gouden altaars dat vóór God was, 14 zeggende tot den zesden Engel die de bazuin had: Ontbind de vier Engelen die gebonden zyn bij de groqte rivier den Eufraat. 15 En de vier Engelen zijn ontbonden geworden, welke bereid waren tegen de ure en dag en maand en jaar, opdat zij het derde deel der menschen zouden dooden. 16 En het getal van de heir-legers der ruiterij was tweemaal tienduizenden der tienduizenden : en ik hoorde hun getal. 17 En ik zag alzóó de paarden in dit gezicht, en die daarop zaten , hebbende vurige en hemelsblauwe en aulfervervige |
ElING 10. SóS borstwapenen ; en de hoofden der paarden waren als hoofden van leeuwen, en uit hunne monden ging uit vuur en rook en sulfer. 18 Door deze drie werd het derde deel der menschen gedood, namelijk door het vuur en door den rook en door het sulfer dat uit hunne monden uitging. 19 Want hunne macht is in hunnen mond en in hunne staarten. Want hunne staarten zijn den slangen gelijk, en hebben hoofden en beschadigen met dezelve. \'20 En de overige menschen, die niet gedood zijn door deze plagen, hebben zich niet bekeerd van de werken hunner handen, dat zij niet zouden aanbidden de duivelen , en de gouden en zilveren en koperen en steenen en houten afgoden, die noch zien kunnen, noch hooren, noch wandelen; 21 en hebben zich ooA; niet bekeerd van hunne doodslagen , noch van hunne hoererij,noch van hunne dieverijen. HOOFDSTUK 10. En ik zag eenen anderen sterken Engel afkomende van den hemel, die bekleed was met eene wolk, en een regenboog was boven zijn hoofd, en zijn aangezicht was als de zon , en zijne voeten waren als pilaren van vuur. 2 En hij had in zijne hand een boeksken dat geopend was; en hij zette zijnen rechtervoet op de zee, en den linker op de aarde. 3 En hij 7iep met eene groote stem , gelijkerwijs een leeuw brult; en als hij geroepen had, spraken de zeven donderslagen hunne stemmen. 4 En toen de zeven donderslagen hunn 3 stemmen gesproken hadden, zoo zoude ik ze geschreven hebben ; en ik hoorde |
|
354 OPEN BA eene stem uit den hemel, die tot mij zeide; Verzegel hetgeen de zeven dondersliigf-n gesproken hebben, en schrijf dat niet. 5 En de Engel, dien ik zag staan op de zee en op de aarde, hief zijne hand op naar den hemel ; lt;gt; en hij zwoer bij dien die leeft in alle eeuwigheid, die den hemel geschapen heeft en hetgeen daarin is, en de aarde en hetgeen daarin is, en de zee en hetgeen daarin is, dat daar geen tijd meer zal zijn ; 7 maar in de dagen der stem des zevenden Engels, wanneer hij bazuinen zal, zoo zal de verborgenheid Gods vervuld worden, gelijk hij zijnen dienstknechten den Profeten verkondigd heeft. 8 En de stem, die ik gehoord had uit den hemel, sprak wederom met mij en zeide: Ga henen, neem het boeksken dat geopend c,i in de hand des Engels is, die op de zee en op de aarde staat. 9 En ik ging henen tot den Engel, zeggende tot hem: Geef mij dat boeksken. En hij zeide tot mij : Neem dat en eet het op; en bet zal uwen buik bitter maken, maar in uwen mond zal het zoet zijn als honig. 10 Kn ik nam dat boeksken uit de hand des Engels, en ik at dat op; en het was in mijnen mond zoet als honig, en als ik het gegeten had werd mijn buik bitter. 11 En hij zeide tot mij : Gij moet wederom profeteeren voor vele volken en natiën en talen en Koningen. HOOFDSTUK 11. En mij werd een rietstok gegeven, eene roede gelijk; en de Engel stond en zeiue: Sta op, en meet den Tempel Gods, en het altaar, endegenen die daarin aanbidden. 2 En laat den voorhof uit, die |
UNG 11. van buiten den Tempel is, en meet dien niet; want bi) is den heidenen gegeven, en zij zullen de heilige stad vertreden tweeenveertig maanden. 3 En ik zal mijnen twee getuigen macht geven, en zij zullen profeteeren duizend tweehonderd zestig dagen met zakken bekleed. 4 Deze zijn de twee olijfboc-men en de twee kandelaren, die vóór den God der aarde staan. 5 En zoo iemand die wil beschadigen, een vuur zal uit hunnen mond uitgaan en zal hunne vijanden verslinden; en zoo iemand lien wil beschadigen, die moet alzóó gedood worden. 6 Deze hebben macht den hemel te sluiten, opdat er geen regen regene in de dagen hunner profeteering; en zij hebben macht over de wateren, om die in bloed te verkeeren, en de aarde te slaan met allerlei plage, zoo menigmaal als zij zullen willen. 7 En als zij hunne getuigenis zullen geëindigd hebben, zal het beest dat uit den afgrond opkomt hun krijg aandoen, en het zal ze overwinuen en zal ze dooden. 8 En hunne doode lichamen zullen liggen op de straat der groote stad. die geestelijk genoemd wordt Sodom en Egypte , alwaar ook onze Heere gekruist is. 9 En de menachen uit de volken en geslachten en talen en natiën zullen hunne doode lichamen zien Irie dagen en ee-nen halven, en zullen niet toelaten dat hunne doode lichamen in graven gelegd worden. 10 En die op de aarde wonen, die zullen verblijd zijn over hen, en zuFen vreugde bedrijven, en zuilen elkander geschenken zenden, omdat deze twee Profeten degenen die op de aarde wonen gepijnigd hadden. |
|
OPENBA 11 En na die drie dagen en eenen halven is een geest des levens uit God in hen gegaan, en zij stonden op hunne voeten, en daar is groote vrees gevallen op degenen die hen aanschouwden. 12 En zij hoorden eene groote stem uit den hemel, die tot henzeide: Komt herwaarts óp. En zij voeren op naar den hemel in de wolk, en hunne vy-anden aanschouwden ze. 13 En in die ure geschiedde eene groote aardbeving, en het tiende deel der stad is gevallen , en daar zijn in de aardbeving gedood zevenduizend namen van menschen, en de overigen zijn zeer bevreesd geworden en hebben den God des hemels heerlijkheid gegeven. 14 Het tweede wee is weggegaan : zie, het derde wee komt haast. 15 En de zevende Engel heeft gebazuind, en daar geschiedden groote stemmen in den hemel, zeggende: De koninkrijken der wereld zijn geworden onzes Heeren en van zijnen Christus, en hij zal als Koning hecrschen in alle eeuwigheid. 16 En de vierentwintig Ouderlingen, die vóór God zitten op hunne tronen, vielen neder op hunne aangezichten en aanbaden God, 17 zeggende: \\Tij danken u, Heere God almachtig, die is, en die was, en die komen zal, dat gij uwe groote kracht hebt aangenomen en als Koning hebt geheerscht: 18 en de volkeren waren toornig geworden, en uw toorn Is gekomen, en de tijd der dooden om geoordeeld te worden , en om het loon te geven aan uwe dienstknechten de Profeten en de heiligen en degenen die uwen naam vreezen , de kleinen en de grootcn, en om te verderven degenen die de aarde verdierven. |
LING 12. 355 19 En de Tempel Gods in den hemel is geopend geworden, en de Arke zijns verbonds is gezien in zijnen Tempel, en daar werden bliksemen en stemmen en donderslagen en aardbeving en groote hagel. HOOFDSTUK 12. En daar werd een groot tee-ken gezien in den hemel, namelijk eene vrouw bekleed met de zon, en de maan was onder hare voeten, en op haar hoofd eene kroon van twaalf ster-ren; 2 en zij was zwanger, en riep, barensnood hebbende, en zijnde in pijn om te baren. 3 En daar werd een ander teeken gezien in den hemel, en zie, daar was een groote roode draak, hebbende zeven hoofden en tien hoornen, en op zijne hoofden zeven koninklijke hoeden. 4 En zijn staart trok het derde deel der sterren des hemels, en wierp die op de aarde. En de draak stond vóór de vrouw die baren zoude, opdat hij haar kind zoude verslinden wanneer zij het zoude gebaard hebben. 5 En zij baarde eenen manne-lijken zoon, die alle de heidenen zoude hoeden met een ijzeren roede; en haar kind werd weggerukt tot God en zijnen troon. 6 En de vrouw vluchtte in de woestijn, alwaar zij eene plaats had haar van God bereid, opdat zij ze aldaar zouden voeden duizend tweehonderd zestig da^en. 7 En daai werd krijg in den hemel: Michael en zijne Engelen krngden tegen den draak, en de draak krijgde óók en zijne engelen. 8 En zij hebben niets vermocht, en hunne plaats is niet meer gevonden in den hemel. |
|
356 OPENBA 9 En de g:roote draak is geworpen, namelijk de oude slang, welke genaamd wordt duivel cn satanas, die de geheele wereld verleidt, hij is zeg ik geworpen op de aarde, en zijne engelen zijn met hem geworpen. 10 En ik hoorde eene groote stem, zeggende in den hemel: Nu is de zaligheiden de kracht en het Koninkrijk geworden onzes Gods, en de macht van zijnen Christus; want de ver-klager onzer broederen, die hen verklaagde voor onzen God dag en nacht, is nederge-worpen, 11 en zij hebben hem overwonnen door het bloed des Lams, en door het woord hunner getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad tot den dood toe. 12 Hierom bedrijft vreugde, gij hemelen en gij die daarin woont. Wee dengenen die de aarde en de zee bewonen; want de duivel is tot u afgekomen, en heeft grooten toorn, wetende dat hy eenen kleinen tijd heeft. 13 En toen de draak zag dat hij op de aarde geworpen was, zoo heeft hij de vrouw vervolgd die het jonksken gebaard had. 14 En aan de vrouw zijn gegeven twee vleugelen eens grooten arends, opdat zij zoude vliegen in de woestijn, in hare plaats, alwaar zij gevoed wordt een tijd en tijden en eenen halven tijd, buiten het gezicht der slang. 15 En de slang wierp uit haren mond achter de vrouw water als eene rivier, opdat hy haar door de rivier zoude doen wegvoeren. 10 En de aarde kwam de vrouw te hulp, en de aarde opende haren mond en verzwolg de rivier welke de draak uit zijnen mond had geworpen. 17 Én de draak vergrimde op |
UNG 13. de vrouw, en ging henen om krijg te voeren tegen de overigen van haar geslacht, die de geboden Gods bewaren en de getuigenis van Jezus Christus hebben. 18 En ik stond op het zand der zee. HOOFDSTUK 13. En ik zag uit de zee een beest opkomen, hebbende zeven hoofden en tien hoornen , en op zijne hoornen waren tien koninklijke hoeden, en op zijne hoofden was feen naam van .godslastering. 2 En het beest dat ik zag was eenen pardel gelijk, en zijne voeten als de voeten eens heers, en zijn mond als de mond eens leeuws. En de draak gaf hem zijne kracht en zijne troon en groote ms.cht. 3 En ik zag é^n van zijne hoofden als tot den dood gewond, en zijnt doodelijke wond werd genezer ; en de geheele aarde verwonderde zich achter het beest. 4 En zij aanbaden den draak, die het beest macht gegeven had, en zij aanbaden het beest, zeggende: Wie is dit beestgelijk? Wie kan krijg voeren tegen hetzelve? 5 En aan hetzelve werd een mond gegeven om groote dingen en fifodalasteringen te spreken , en aan hetzelve werd macht gegeven om zulks te doen tweeënveertig maanden. 6 En het opende zijnen mond tot lastering tegen God, om zijnen naam te lasteren , en zimen Tabernakel, en die in den hemel wonen. 7 En hetze\'ve werd macht gegeven om den heiligen krijg aan te deen, en om die te overwinnen ; en hetzelve werd macht gegeven over alle geslacht en :aal en volk. 8 En allan die op de aarde wonen zullen hetzelve aanbid- |
OPENBARING 14.
357
|
den, welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens des Lama dat geslacht is, van de grondlegging der wereld. 9 Indien iemand ooren heeft, die hoore. 10 Indien iemand in de gevangenis leidt, die gaat zelf in de gevangenis; indien iemand met het zwaard zal doo-den, die moet zelf met het zwaard gedood worden. Hier is de lijdzaamheid en het geloof der heiligen. 11 En ik zag een ander heest uit de aarde opkomen, en het had twee hoornen, des Lams hoornen gelijk, en het sprak als de draak. 1\'J En het oefent al de macht van het eerste beest in tegenwoordigheid van hetzelve, en het maakt dat de aarde en die daarin wonen het eerste beest aanbidden, welks doodelijke wond genezen was. 13 En het doet groote teekenen , zoodat het ook vuur uit den hemel doet afkomen op de aarde vóór de menschen, 14 en verleidt degenen die op de aarde won en, dbor de teekenen die hetzelve te doen gegeven zijn in de tegenwoordigheid van het beest, zeggende tot degenen die op de aarde wonen , dat zij voor bet beest, dat de wond des zwaards had en ueder leefde, een beeld zouden maken. 15 En hetzelve werd macht gegeven om het beeld van het beest eenen geest te geven opdat bet beeld van het beest ook zoude spreken, en maken dat allen die het beeld van bet beest niet zouden aanbidden gedood zouden worden. Ifi En het maakt dat het aan allen, kleinen engrooten, en rijken en armen, en vrijen en dienstknechten, een merktee-ken geeft aan hunne rechterhand of aan hunne voorhoofden. |
17 en dat niemand mag koo-pen of verkoopen dan die dat merkteeken heeft, of den naam van het beest, of het getal züns naams. 18 Hier is de wijsheid: die bet verstand heeft berekene het getal van het beest; want het is een getal eens menschen, en zijn getal is zeshonderd zesenzestig. HOOFDSTUK 14. En ik zag, en zie, het Lam stond op den hers Sion, en met hem honderdvierenveer-tigduizend hebbende den naam zijns Vaders geschreven aan hunne voorhoofden. 2 En ik hoorde eene stem uit den hemel, nis eene stem veler wateren en als eene stem van een grooten donderslag. En ik hoorde eene stem van citerspelers, spelende op hunne citers ; 3 en zij zonaren als een nieuw gezang vóór den troon en vóór de vier dieren en de Ouderlingen, en niemand kon dat gezang leeren dan de honderd-vierenveertigduizend, die van de aarde gekocht waren. 4 Deze zijn het die met vrouwen niet bevlekt zijn, want zij zijn maagden. Deze ziin het die het Lam volgen waar het ook henengaat. Deze zijn gekocht uit de menschen, tot eerstelingen voor God en het 5 En in hunnen mond is geen bedrog gevonden, want zij zijn onberispelijk vóór den troon Gods. 6 En ik «ag eenen anderen Engel, vliegende in bet midden des hemels, en hij had het eeuwig Evangelie, om te verkondigen aan degenen die op de aarde wonen, en aan alle natie en geslacht en taal en volk, 7 zeggende met eene groote stem: Vreest God en geeft hem |
|
338 OPENBA heerlijkheid; want de ure zijns oordeels is srekomen; en aanbidt hem die den hemel en de aarde en de zee en de fonteinen der wateren pemaakt heeft. 8 En daar is een andere En-pel pevolgd, zegpende: Zij is gevallen, zij is gevallen. Babyion die Rrootestad, omdat zij uit den wijn des toorns barer hoererij alle volken heeft gedrenkt. 9 En een derde Enpel is hen gevolpd, zeggende met eene groote stem : Indien iemand het beest aanbidt en zijn beeld, en ontvangt het merkteeken aan zijn voorhoofd of aan zijne hand, 10 die zal óók drinken uit den wijn van den toorn Gods , die onijemensd inppschonken is in den drinkbeker zijns toorns; en hij zal gepijnigd worden met vuur en sulfer voor de heilige Engelen en voor het Lam. 11 En de rook van hunne pijniging gaat óp in alle eeuwigheid, en zij hebben geene rust dag en nacht, die het beest aanbidden en zijn beeld, en zoo iemand het merkteeken zijns naams ontvangt. 12 Hier is de lijdïaamheidder heilisren; hier zijn ze die de geboden Gods bewaren en het geloof van Jezus. 13 En ik hoorde eene stem uit den hemel, die tot mij zeide: Schrijf: Zalig zijn de dooden die in den Heere sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hunnen arbeid; en hunne werken volgen met hen. l-l En ik zag, en zie, eene witte wolk, en op de wolk was een gezeten, des menschen Zoon gelijk, hebbende opzijn hoofd eeii gouden kroon en in zijne hand eene scherpe sikkel. 15 En een andere Engel kwam iiit den Tempel, roepende met eene lt;roote stem tot dengenen die op de wolk zat: Zend uwe |
UNG 15. sikkel en maai; want de ure om te maaien is voor u gekomen, dewijl de oogst der aarde is rijp geworden. 16 En die op de wolk zat, zond zijne sikkel op de aarde, en de aarde werd gemaaid. 17 En een andere En a:el kwam uit den Tempel die in den hemel is: hebbende ook zelf eene scherpe sikkel. 18 En een andere Engel kwam uit van het altaar, die macht had over he- vuur, en hij riep met een groot geroep tot dengenen die de scherpe sikkel had, zeggende: Zend uwe scherpe sikkel er. snijd fif de drui-ventakken van den wijngaard der aarde, want zijne druiven zijn rijp.^ 19 En de Engel zond zijne sikkel op de aarde, en sneed dc druiven i.f van den wijngaard der aarde, en wierp ze, in den groeten wijnpersbak van den toorn Gods. 20 En de wijnpersbak werd buiten de stad getreden, en daar is bloed uit den wijnpersbak gekomen, tot aan de toornen der paarden, duizend zeshonderd st::diün ver. HOOFDSTUK 15. En ik zag een ander groot en wonderlijk teeken in den hemel, namelijk zeven Engelen hebbende de zeven laatste plagen ; want, in deze is de toorn Gods geëindigd. 2 En ik zag als eene glazen zee met vuur gemengd ; en die de overwinning hadden van het beest en van zijn beeld, en van zijn merkteeken en van het getal zijns naams, welke stonden aan de glazen zee, liebbende dc citers Gods. 3 En zij zongen het gezang van Mozes. den dienstknecht Gods, en het gezang des Lams, zeggende: Groot en wonderlijk zijn u-ve werken, Heere, gij almachtige God; recht- |
|
01\'ENBA vaardig: en waarachtig zijn uwe wegen, gij Koning der hcilijren. 4 Wie zoude u niet vreezen, Ileere, en uwen naam niet verheerlijken? Want gij zijt alleen heilis; want alle volkeren zullen komen en vóór u aanbidden; want u we oordee-len zijn openbaar geworden. 5 En na dezen zag ik. en zie, de Tempel van den Tabernakel der getuigenis in den hemel werd geopend, 6 en dc zeven Enjrelen die de zeven plagen hadden, kwamen uit den Tempel, bekleed met rein en blinkend lijnwaad, en omgord om de borst met gouden gordels. 7 En een v.an dc vier dieren gaf den zeven Engelen zeven gouden fiolen, vol van den toorn Gods die in alle eeuwigheid leeft. 8 En de Tempel werd vervuld met rook uit de heerlijkheid Gods, en uit zijne kracht; en niemand kon in den Tempel ingaan, totdat de zeven plagen der zeven Engelen geëindigd waren. HOOFDSTUK 16. En ik hoorde eene groote stem uit den Tempel, zeggende tot de zeven Engelen: Gaat henen en giet de zeren fiolen van den toorn Gods uit op de aarde. 2 En de eerste ging henen en goot zijne fiool uit op de aarde, en daar werd een kwaad en boos ge\'weer aan de men-schen, die het merkteeken van aet beest hadden en die zijn beeld aanbaden. 3 En de tweede Engel goot zijne fiool uit in de z-e: en zij werd bloed ala eens dooden, en alle levende ziele is gestorven in de zee. 4 En de derde Engel goot zijne fiool uit in de rivieren en in de fonteinen der wateren: |
LING IR. 359 en de. wateren werden bloed\' 5 En ik hoorde den Engel der wateren zegden ; Gij zyt rechtvaardig Heere, die is, en die was, en die zijn zal, dat gij dit geoordeeld hebt; tgt; dewijl zy het bloed der heiligen en der Profeten vergoten hebben, zoo hebt gij hun ook bloed te drinken gegeven; want zij zijn het waardig. 7 En ik hoorde eenen anderen van het altaar zeggen: Ja, Heere, gij almachtige God, uwe oordeelen zijn waarachtig en rechtvaardig. 8 En de vierde Engel goot zijne fiool uit op de zon: en haar is macht gegeven de men-schen te verhitten door vuur , 9 en de menschen werden verhit met groote hitte, en lasterden den naam Gods, die macht heeft over deze plagen, en zij bekeerden zich niet om hem heerlijkheid te geven. 10 En de vijfle Eua:el goot zijne fiool uit op den troon van liet beest: en zijn rijk is verduisterd geworden, en zij kauwden hunne tongen van pijn, 11 en zij lasterden den God des hemels van wege hunne pijnen en van wege hunne zweren , en zij bekeerden zich niet van liunne werken. 12 En de zesde Engel goot zijne fiool uit op de groote rivier den Eufraat: en ziin water is uitgedroogd, opdat bereid zoude worden de weg der Koningen, die van den opgang der zon komen zullen. 13 En ik zag uit den mond des draaks en uit den mond van het beest en uit den mond van den valschen profeet drie onreine geesten gaan, denvor-schen gelijk; 14 want het zijn geesten der duivelen, en zij doen teekenen , welke uitgaan tot de Koningen der aarde en der ge-heelc wereld, om die te vergaderen tot den krijg: van dien |
|
360 OPENBA Rrooten dag des almachtigen Gods. 15 Zie, ik kom als een dief. Zalig is hij die waakt en ïijne kleederen bewaart, opdat hij niet naakt wandele, en men zijne schaamte niet zie. 16 En zij hebben ze vergaderd in de plaats welke in \'t He-breeuwsch genaamd wordt Ar-mas^ddon. 17 En de zevende Engel goot zijne fiool uit in de lucht: en daar kwam eene groote stem uit den Tempel des hemels, van den troon, zeggende: Het is geschied. 18 En daar geschiedden stemmen en donderslagen en bliksemen, en daar ges-chiedde eene groote aardbevin;;, hoe-danige niet is geschied van dat de menschen op de aarde geweest zijn, namelijk eene zoodanige aardbeving en zóó groot. 10 En de groote stad is in drie deelen gescheurd, en de steden der heidenen zijn gevallen. En het groote Babylon is gedacht geworden voor God, om haar te geven den drinkbeker van den wijn des toorns zijner gramschap. 20 En alle eiland is gevloden, en de bergen zyn niet gevonden. 21 En een groote hagel eiA:als een talent zwaar, viel neder uit den hemel op de menschen: cn de menschen lasterden Gou van wege de plage des bagels, want deszelfs plage was zeer groot. HOOFDSTUK 17. En een uit de zeven Engelen die de zeven fiolen hadden kwam en sprak met m\\j, en zeide tot mij : Kom herwaarts, ik zal u toonen het oordeel der groote hoer die zit op vele wateren ; 2 met welke de Koningen der aarde gehoereerd hebben, en die de aarde bewonen zijn |
RING 17. dronken geworden van den wyn barer hoererij. 3 En hij bracht mij weg in eene woestijn, in den geest; en ik zag eene vrouw zittende op een scharlaken rood beest, dat vol was van namen der .crofialastering, en zevenhoofden had en tien hoornen. 4 En de vrouw was bekleed met purper en scharlaken, en versierd met goud en kostelijk gesteente en paarlen, en had in hare band eenen gouden drinkbeker, vol van gruwelen en van onreinigheid barer hoererij. 5 En op haar voorhoofd was, een naam geschreven, namelijk; Verborgenheid, het groote Babylon. de moeder der hoererijen en der gruwelen der aarde. 6 En ik zag dat de vrouw dronken wa:i van het bloed der heiligen en van het bloed der getuigen van Jezus. En ik verwonderde mij als ik ze zag met groote verwondering. 7 En de Engel zeide tot mij : Waarom verwondert gij u? Ik zal u zeggen da verborgenheid van de vrouw en van het beest dat haar draagt, hetwelk de zeven hoofden heeften de tien hoornen. 8 Het beest dat gü gezien hebt, was en is niet, en het zal opkomen uit den afgrond, en ten verderve gaan ; en die op de aarde wonen (welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens van de grondlegging\' der wereld) zullen verwonderd zijn, ziende het beest dat was en niet is, hoewei het is. 9 Hier is het verstand dat wijsheid heeft. De zeven hoofden zyn zeven bergen op welke de vrouw zit. 10 En het zijn ook zeven Koningen: de vijf zyn gevallen, en de lt;?én U, de ander is nog niet gekomen, en wanneer hij zal gekomen zijn, moet hy een weinig tijds blijven. |
|
OPENS ,4 11 En het beest dat was en niet is, die is ook de achtste Koning, en is uit de zeven, en gaat ten verderve. 12 En de tien hoornen die gij gezien hebt, zijn tien Koningen, die het koninkrijk nog niet hebben ontvangen, maar als Koningen macht ontvangen op ééne ure met het beest. 13 Deze hebben éénerlei mee-ping, en zullen hunne kracht en macht aan het beest overgeven. 14 Deze zullen tegen het Lam krijgen, en het Lam zal ze overwinnen, (want het is een Heere der heeren en een Koning der Koningen), en die met hem zijn, de geroepenen en uitverkorenen en geloovi-gen. 15 En hij zeide tot mij: De wateren die gij gezien hebt, daar de hoer zit, zijn volken en scharen en natiën en tongen. 16 En de tien hoornen die gij gezien hebt op het beest, die zullen de hoer haten, en zullen ze woest makenen naakt, en zij zullen haarvleesch eten, en zullen ze met vuur verbranden. 17 quot;Want God heeft hun in hunne harten gegeven, dat zij zijne meening doen , en dat zij éénerlei meening doen, en dat zij hun koninkryk aan het beest geven, totdat de woorden Gods voleindigd zullen zün. 18 En de vrouw die gij gezien hebt, is de groote stad die het koninkrijk heeft over de Koningen der aarde. HOOFDSTUK 18. En na dezen zag ik eenen anderen Engel afkomen uit den hemel, hebbende groote macht, en de aarde itgt; verlicht geworden van zijne heerlijkheid. 2 En hij riep krachtiglijk met |
RING 18. 361 eene groote stem, zeggende: Zij is gevallen, zii is gevallen de groote êtad Babylon, en is geworden eene woonstede der duivelen, en eene bewaarplaats van alle onreine geesten en eene bewaarplaats van alle onrein en hatelijk gevogelte. 3 Dewijl uit den wijn des toorns barer hoererij alle volkeren gedronken behhen , en de Koningen der aarde met haar gehoereerd hebben, en de kooplieden der aarde rijk zijn geworden uit de kracht barer weelde. 4 En ik hoorde eene andere stem uit den hemel, zeggende: Gaat uit van haar miin volk, opdat gij aan hare zonden geen gemeenschap hebt, en opdat gij van hare plagen niet ontvangt. 5 Want hare zonden zijn de ééne op de andere gevolgd tot den hemel toe. en God is barer ongerechtigheden gedachtig geworden. 6 Vergeldt haar gelijk als zij ulieden vergolden heeft, en verdubbelt haar dubbel naar hare werken; in den drinkbeker waarin zij geschonken heeft, schenkt haar dubbel. 7 Zooveel als zij zichzelve verheerlijkt heeft en weelde ge-bad heeft, zoo groote pijniging en rouw doet haar aan, want zij zegt in haar hart: Ik zit als eene Koningin, en ben geene weduw, en zal geen rouw zien. 8 Daarom zullen bare plagen op éénen dag komen, namelijk dood en rouw en honger, en zij zal met vuur verbrand worden; want sterk is de Heere God die haar oordeelt. 9 En de Koningen der aarde, die met haar gehoereerd en weelde gehad hebben, zullen ze beweeren en rouw over baar bedrijven, wanneer zij den rook baars brands zullen zien, 10 van verre staande uit vree- |
|
362 OPENBA ze van hare pijniffins, zegende : Wee , wee, de sroote stad Babyion, de sterke stad, want uw quot;oordcel is in ééne ure gekomen. 11 En de kooplieden der aarde zullen weenen en rouw maken over haar, omdat niemand hunne waar meer koopt: 12 waar van goud en van zilver en van kostelijk gesteente en van paarlen, en van fijn lijnwaad en van purper en van zijde en van scharlaken, en allerlei welriekend hout, en allerlei ivoren vaten , en allerlei vaten van het kostelijkste hout, en van koper en van ijzer en van marmersteen, 13 en kaneel en reukwerk en welriekende zalf en wierook , en wijn en olie, en meelbloem en tarwe, en lastbeesten en schapen, en v.an paarden en van koetswagens, en van lichamen, en de zielen der rnen-schen. 14 En de vrucht der begeerlijkheid uwer ziel is van u weggegaan, en al wat lekker en wat heerlijk was is van u weggegaan en gij zult dat niet meer vinden. 15 De kooplieden dezer dingen, die rijk geworden waren van haar, zullen van verre staan uit vreeze van hare pijniging, wecnende en rouw makende, l(i en zeggende; quot;Wee, wee, de groote stad, die bekleed was met fijn lijnwaad en purper en scharlaken, en versierd met goud en met kostelijk gesteente en met paarlen; want in ééne ure is zoo groote rijkdom verwoest. 17 En alle stuurlieden , en al het volk op de schepen, en bootsgezellen, en allen die ter zee handelen, stonden van verre, 18 en riepen, ziende den rook van haren brand, en zeggende; Wat stad was deze groote stad gelijk? |
tING 19. 19 En zij wierpen stof op hunne hoofden, en riepen , wecnende en rouw bedrijvende, zeggende ; Wee, wee, de groote stad, in dewelke allen die schepen in de zee hadden van hare kostelijkheid rijk geworden zijn; want zij is in één uur verwoest geworden. 20 Bedrijf vreugde over haar gij hemel, er. gij heilige Apostelen en gi;i Profeten, want God heeft uw oordeel aan haar geoordeeld. 21 En een sterke Engel hief eenen steen op als een grooten molensteen, en wierp dien in de zee, zeggende; Aldus zal de groote stad Babylon met geweld geworpen wórden, en zal niet meer worden gevonden. 22 En de ste.n der citerspelers en der zangers en der fluitspelers en der bazuinblazers zal niet meer in u gehoord worden ; en geen kunstenaar van eenige kunst zal meer in u gevonden worden, en geen geluid des molens zal in u meer gehoord worden, 23 en het licht der kaars zal in u niet meer schijnenen de stem eens bruidegoms en ee-ner bruid zal in u niet meer gehoord worden; want uwe kooplieden waren de grooten der aarde, want door uwe too-verij zijn alle volken verleid geweest. 24 En in dezelve is gevonden het bloed der Profeten en der heiligen en aller dergenen die gedood zijn op de aarde. HOOFDSTUK 19. En na dezen hoorde ik als eene groote stem eener groote schare in den hemel, zeggende: Halleluja, de zaligheid en de heerlijkheid en de cere en de kracht zij den Ileere onzen God. 2 Want z jne oordeelen zijn waarachtig en rechtvaardig. |
|
OPENBA dewijl hij de groote hoer geoordeeld heeft, die de aarde verdorven heeft met hare hoererij , en hij het bloed zijner dienaren van hare hand gewroken heeft. 3 En zij zeiden ten tweeden male; Halleluja. En haar rook gaat op in alle eeuwigheid. 4 En de vierentwintig Ouderlingen en de vier dieren vielen neder en aanbaden God die op den troon zat, zeggende: A-men. Halleluja! En eene stem kwam uit den troon, zeggende: Looft onzen God, gij alle zijne dienstknechtenen gij die hem vreest, beide klein en groot. ü En ik hoorde als eene stem eener groote schare en als eene stem veler wateren en als eene stem van sterke donderslagen, zeggende; Halleluja; want de Heere, de almachtige God, heeft als Koning sceheerscht. 7 Laat ons blijde zijn en vreugde bedrijven, en hem de heerlijkheid geven; want de bruiloft des Lams is gekomen, en zijne vrouw heelt z\\chzelve bereid. 8 En haar is gegeven dat zij bekleed worde met rein en blinkend fijn lijnwaad; want dit fijn lijnwaad zijn de recht-vaardigmakingen der heiligen. 9 En hij zei Je tot mij; Schrijf; Zalig zijn ze die geroepen zijn tot het Avondmaal van de bruiloft des Lams. En hij zei-de tot mij; Deze zijn de waarachtige woorden Gods. 10 En ik viel neder voor zijne voeten om hem te aanbidden, en hij zeide tot mij ; Zie dat gij dat niet doet; ik ben uw mededienstknecht, en uwer broederen die de getuigenis van Jezus hebben; aanbid God. Want de getuigenis van Jezus is de geest der l\'rofetie. 11 En ik zag den hemel geopend ; en zie, een wit paard, en die op hetzelve zat was genaamd Getrouw en AVaarach- |
UNG 19. 363 tig, en hij oordeelt en voert krijg^ in gerechtigheid. IL\' En zijne oogen waren als eene vlam vuurs, en op zijn hoofd waren vele koninklijke hoeden ; en hij had eenen naam geschreven, dien niemand wist dan hij zelf. 13 En hij was bekleed met een kleed dat met bloed geverfd was; en zijn naam wordt genaamd het Woord Gods. 14 En de heirlegers in den hemel volgden hem op witte paarden, gekleed met wit en rein fijn lijnwaad. 15 En uit zijnen mond ging een scherp zwaard, opdat hij daarmede de heidenen slaan zoude. En hij zal ze hoeden met eenen ijzeren roede; en hij treedt den wijnpersbak van den wijn des toorns en der gramschap des almachtigen Gods. 1(5 En hij heeft op zijn kleed en op zijne dij dezen naam geschreven; Koning der Koningen en Heer der heeren. 17 En ik zag eenen Engel staande in de zon; en hij riep met eene groote stem, zeggende tot alle de vogelen, die in het midden des hemels vlogen; Komt herwaarts en vergadert u tot het avondmaal des groo-ten Gods, 18 opdat gij eet het vleesch der Koningen, en het vleesch der oversten over duizend, en het vleesch der sterken, en het vleesch der paarden en dergenen die daarop zitten, en het vleesch van alle vrijen en dienstknechten, en kleinen en grooten. 19 En ik zag het beest en de Koningen der aarde en hunne heirlegers vergaderd om krijg te voeren tegen hem, die op. het paard zat, en tegen zijn heirleger. 20 En hel; beest werd gegrepen , en met hetzelve de val-sche profeet, die de teekenen |
|
364 OPENS A in de tegenwoordigheid van hetzelve gedaan had, door welke hij verleid had die het merk-teeken van het beest ontvangen hadden, en die deszelfs beeld aanbaden. Dezetweezijn levend geworpen in den poel des vnurs die met sulfer brandt. 21 En de overigen werden gedood met het zwaard desgenen die op het paard zat, hetwelk uit zijnen mond ging; en alle de vogelen werden verzadigd van hun vleesch. HOOFDSTUK 20. En ik zag eenen Engel afkomen uit den hemel, hebbende den sleutel des afgronds en eene groote keten in zijne hand; 2 en hij greep den draak, de oude slang, welke is de duivel en satanas, en bond hem duizend jaren, 3 en wierp hem in den afgrond , en sloot hem daarin, en verzegelde dien boven hem , opdat hij de volken niet meer verleiden zoude, totdat de duizend jaren zouden geëindigd zijn. En daarna moet hij eenen kleinen tijd ontbonden worden. 4 En ik zag tronen, en zij zaten op dezelve; en het oordeel werd hun gegeven ; en ik zag de zielen dergenen die onthoofd waren om de getuigenis van Jezus en om het woord Gods, en die het beest en des-zelfs beeld niet aangebeden hadden, en die het merkteeken niet ontvangen hadden aan hun voorhoofden aan hunne hand; en zij leefden en heerschten als Koningen met Christus de duizend jaren. 5 Maar de overigen der dooden werden niet weder levend, totdat de duizend jaren geëindigd waren. Deze is de eerste opstanding. 6 Zalig en heilig is hij die deel heeft in de eerste opstanding; over deie heeft de twee- |
IING 20. de dood geen macht, maarzij zullen Priesters van God en Christus zijn, en zij zullen met hem als Koningen heerschen duizend jaren. 7 En wanneer de duizend jaren zullen geëindigd zijn , zal de satan uit zijne gevangenis ontbonden worden, 8 en hij zal nitgaan om de volken te verleiden die in de vier hoeken der aarde zijn, Gog en Magcg, om hen te vergaderen tot ien krijg; welker getal is als het zand aan de zee. 9 En zij ziin opgekomen op de breedte der aarde, en omringden de legerplaats der heiligen en de geliefde stad; en daar kwam vuur neder van God uit den bemel, en heeft ze verslonden. 10 En de duivel die hen verleidde werd geworpen in den poel van vu.ir en sulfer ; alwaar het beest en de valsche profeet is; en zü zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid. 11 En ik zag eenen grooten witten troon, en dengenen die daarop zat, van wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvlood, en ireene plaats is voor die gevonden. 12 En ik zag de dooden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat des levens is; en de dooden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hunne werken. 13 En de zee gaf de dooden die in haar waren ; en de dood en de hel gaven de dooden die in hen waren, \'n zii werden geoordeeld een iegelijk naar zijne werken. 14 En de dood en de hel werden geworpen in den poel des vuurs: dit is de tweede dood. 15 En zoo iemand niet gevonden werd geschreven in het boek des levens, die werd geworpen in den poel des vuurs. |
|
OPENBA HOOFDSTUK 21. En ik zag eenea nieuwe hemel en eene nieuwe aarde; want de eerste hemel en de eerste aarde was voorbijgegaan , en de zee was niet meer. 2 ISn ik Johannes zag de heilige stad, tiet uieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit den hemel, toebereid als eene bruid die voor haren man versierd is. 3 En ik hoorde eene groote stem uit den hemel, zeggende: Zie, de Tabernakel Goda is bij de menschen, en hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volk zijn, en God zelt zal bij hen en hun God zijn. 4 En God zal alle tranen van hunne oogenafwisschen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw,noch gekrijt,noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan. 5 En die op den troon zat zei-de: Zie, ik maak alle dingen nieuw. En hij zeide tot mij : Schrijf; want deze woorden zyn waarachtig en getrouw, G En hij sprak tot mij : Het is geschied. Ik ben de Alfa en de Omega, het begin en het einde. Ik zal den dorstige geven uit de fontein van het water des levens voor niet, 7 Die overwint zal alles beërven , en ik zal hem een God zijn en hij zal mij een zoon zijn. 8 Maar den vreesachtigcn, en ongeloovigen, en gruwelijken, en doodslagers, en hoereerders,, en toovenaars, en afgodendienaars , en al den leugenaars, is hun deel in den poel die brandt van vuur en sulfer; hetwelk is de tweede dood. 9 En tot mij kwam een van de zeven Engelen die de zeven fiolen hadden, welke waren vol geweest van de zeven laatste plagen, en sprak met mij, zeggende; Kom herwaarts, ik |
ElING 21. S65 zal u toon en de bruid, de vrouw des Lams. 10 En hij voerde mij weg in den geest op eenen grooten en hoogen berg. en hij tooude mij de groote stad, het heilige Jeruzalem , nederdalende uit den hemel van God; 11 en zij had de heerlijkheid Gods, en haar licht was den alierkosteiyksten steen gelijk, namelijk als de steen jaspis, blinkende gelijk kristal. 12 En zij had eenen grooten en hoogen muur, en had twaalf poorten, en in de poorten twaalf Engelen, en namen daarop geschreven welke zijn de namen van de twaalf geslachten der kinderen Israels. 13 Van het Oosteu waren drie poorten ; van het Noordendrie poorten; van het Zuiden drie poorten; van het Westen drie poorten. 14 En de muur der stad had twaalf fundamenten; en in dezelve de namen der twaalf Apostelen des Lams. 15 En hij die met mij sprak had een gouden rietstok. opdat hy de stad zouden meten, en hare poorten, en haren muur. 16 En de stad lag vierkant, en hare lengte was zoo groot als hare breedte; en hij mat de stad met den rietstok op t waalf duizend stadiën, de lengte en de breedte en de hoogte dezelve waren evengelyk. 17 En hij mat httren muur op honderdvierenveerti? ellen, naar de maat eens menschen, welke des Engels was. 18 En het gebouw van haren muur was jaspis ; en de stad was zuiver goud, zijnde zuiver glas gelijk. 19 En de fundamenten van den muur der stad waren met allerlei kostelijk gesteente versierd; het eerste fundament was jaspis, het tweede safiier, het derde chalcedon, het vierde smaragdus, |
|
308 OPE NB A 20 het vijfde sardónyx, het zesde sardius, bet zevende chrysolieth, het achtste beryl, het negende topaas, het tiende chrysopraas, het elfde hyacinth, het twaalfde amethyst. 21 En de twaalf «oorten waren twaalf paarlen: iedere poort was uit (^ne parel; en de straat derstad was zuiver ^oud, geliik doorschijnend glas. 22 En ik zag geenen Tempel in dezelve; want de Heere de almachtige God is haar Tempel, en het Lam. 23 En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in dezelve zouden schijnen ; want de heerlijkheid Gods beeft ze verlicht, bet Lam is bare kaars. 24 En de volkeren die zalig worden, zullen in baar licht wandelen; en de Koningen der aarde brengen hunne heerlijkheid en eere in dezelve, 25 en hare poorten zullen niet gesloten worden des daags; want aldaar zal geen nacht zijn; 26 en zij zullen de heerlijk-beid en de eere der volkeren daarin brengen. 27 En in haar zal niet inkomen iets dat ontreinigt en gruwelijkheid doet en leugen spreekt, maar die geschreven zijn in het boek des levens des Lams. HOOFDSTUK 22. En hij toonde mij eene zuivere rivier van bet water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit den troon Gods en des Lams. 2 In bet midden van bare straat, en op de ééne en de andere zijde der rivier, was de boom des levens, voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand gevende zijne vrucht; en de bladeren des booms waren tot genezing der heidenen. |
IING 22. 3 En geene vervloeking zal er meer tegen iemand zijn. En de troon Gods en des Lams zal daarin zijn, en zijne dienstknechten zullen hem dienen, 4 en zullen zijn aangezicht zien, en zijn naam zal op hunne voorhoofden zijn. 5 En aldaar zal geen nacht zijn, en zij zullen geen kaars noch licht di r zon van noode hebben; want de Heere God verlicht ze, en zü zullen als Koningen beerschen in alle eeuwigheid. 6 En hij zeide tot mij: Deze woorden zijn getrouw en waarachtig; en de Heere, de God der heilige Profeten, heeft zijnen Engel gezonden, om zijnen dienstkn echten te toonen hetgeen baast moet geschieden. 7 Zie, ik kombaastelijk. Zalig is hij die de woorden der Profetie dezes hoeks bewaart. 8 En ik Jobarnes ben degene, die deze dingen gezien en geboord heb. En toen ik ze geboord en gezien bad, viel ik neder om te aanbidden voor de voeten des Ergels, die mij deze dingen toonde. 9 En hij zeide tot mij; Zie dat gij bet niet doet; want ik ben uw mededienstkneebt, en uwer broederen de Profeten, en dergenen die de woorden dezes hoeks bewaren: aanbid God. 10 En bij zeide tot mij: Verzegel de woorden der Profetie dezes hoeks niet; want de tijd is nabij. 11 Die onrecht doet, dat bij nog onrecht doe; en die vuil is, dat bij rog vuil worde; en die rechtvaardig is, dat bij nog gerechtvaardigd worde; en die heilig is, dat bij nog geheiligd worde. 12 En zie, ii kom baastelijk, en mijn loon is met mij, om een iegelijk te vergelden, gelijk zijn werk zal zijn. 13 Ik ben de Alfa en de Ome- |
|
OPKNB^ sra, hnt begin en liet einde, de eerste en de laatste. 14 Zalig zijn ze die zijne geboden doen, opdat hunne macht zij aan den boom des levens, en zij door de poorten mogen ingaan in de stad. 15 Maar buiten zullen zijn de honden, en de toovenaars, en de hoereerders, en de doodslagers , en de afgodendienaars, en een iegelijk die de leugen liefheeft en doet. 1(! Ik Jezus heb mijnen Engel gezonden, om ulieden deze dingen te getuigen in de gemeenten. Ik ben de wortel en het geslacht Davids, de blinkende morgenster. 17 En de Geest en de Bruid zeggen: Kom. En die het hoort zegfje: Kom. En die dorst heeft koine; en die wil, ne- |
IING 22. 3f)7 me het water des levens om niet. 18 Want ik betuig aan een iegelijk die de woorden der Profetie dezes hoeks hoort: Indien iemand tot deze dingen toedoet. God zal over hem toedoen de plagen die in dit boek geschreven zijn: 19 en indien iemand afdoet van de woorden des hoeks dezer Profetie, God zal zijn deel afdoen uit het boek des levens, en uit de heilige stad, en uit hetgeen in dit boek geschreven is. 20 Die deze dingen getuigt, zegt: Ja, ik kora haastelijk. Amen. Ja, kom Heere Jezus. 21 De genade onzes Heeren Jezus Christus zij met u allen. Amen. |
EINDE DES NIEUWEN TESTAMENTS.