-ocr page 1-
-ocr page 2-

^ „Vwo,

^m-sj.-\'^

GUNNING ^

7

F

iïVamp;zCs, or-

. 2S,

-ocr page 3-
-ocr page 4-

f

-ocr page 5-

OPDAT ALLEN HEM KENNEN!

-ocr page 6-

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

0465 4434

-ocr page 7-

G U N fsj I isj G

Opdat allen Hem kennen!

üe Apostel Paulus

nagereisd van Antiochië tot Rome,

DOOR

LUDWIG SCHNELLER.

UTRECHT, C. H. E. B RE IJ ER.

1898.

BIBLIOTHEEK DER RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT.

-ocr page 8-

Boekdrukkerij — C. C. Callenbacli — Nykork.

-ocr page 9-

VOOR R E D E.

„Opdat allen Hem kennen!quot; Dat is, met andere woorden, de opdracht, waarmede de Heer Zijne Jongeren \'uitzond, toen Hij op den berg zijner hemelvaart tot hen zeide: „ Gaat heen in de ge-heele ivereld, predikende het Evangelie aan alle kreatunr.quot;

Doch memand van degenen, die met Hem op den Olijfberg stonden en Hem nastaarden, heeft de groot e beteekenis van deze machtige woorden zoo volkomen begrepen, als de apostel Paulns, de man, die toen nog behoorde tot de vijanden des kraises. Zijne reizen kenmerken zich door zulk eoie rusteloosheid en voortvarendheid, die nergens hutten kan houwen, dai men boven het verhaal van zijn leven geen beter opschrift zon kunne)) plaatsen dan deze ivoorden: „Opdat allen Hem kennen.quot;

In hei gansche Nieuwe Testament vindt men, afgezien ran den persoon van Jezus Christus, geen karakter, dat met zulke scherpe, duidelijke omtrekken geteekend is, dan de persoon tijkheid ran den apostel Paulus. De apostelen uit Galilea leveren dikwijls zeer onduidelijke beelden, terwijl wij van verscheidenen onder hen niets meer kennen dan den naam. Zij vormden den onbedorven, ontvankelijken bodem, waaraam Jezus het zaad des Evangelies

-ocr page 10-

VOORREDE.

tocvertromwii kon, en daarmc.h is hun dienst, t)Let betrekking tot de Heilige Schrift, rolhracht, zoodat zij weJer verdwijnen kunnen. Zelfs van Petrus bezitten wij slechts onzekere berichten, en indien Johannes zich niet vereeuwigd had door zijn onvergelijkelijk — heerlijk evangelie, zonden toe zelfs van hem bijna, zoo goed als niets ■weten. Na de eerste hoofdstakken van de geschiedenis der Apostelen verliezen we hem uit het oog.

Hoe helder en duidelijk evemvel staat het beeld van den Apostel Puulus voor om! Reeds zijne brieven geven een juiste teekening van zijn. karakter. Wij volgen hem op zijne reizen van plaats tot plaats, waar hij overal gemeenten sticht. Wij zijn getuigen van zijne vervolgingen, zelfs slaan wij een blik op de minder belangrijke wederwaardigheden zijns levens. Onbedekt liggen de gebreken, zonden en afwijkingen zijner gemeenten voor ons. Het is alsof hij ons in zijne brieven medevoert naar zijne binnenkamer en spreekt : Ziehier, ik heb geene geheimen voor u. Mijn geloof, mijn strijd, mijne hoop, mijne plannen, het ligt alles open voor u!quot;

l\'ati hoeveel waarde de brieven des Apostels evenwel zijn, toch is zijne levensgeschiedenis ons kostbaarder. Eerst hij, die de geschiedenis kent, kan de volle grootheid, van den man schatten, kan beseffen welk aandeel hij heeft in het wonderbare schouwspel, dat zich na de verschijning van Jezus Christus op aarde, aan onzen blik vertoont. Een afgeleefde, haren ondergang tegemoet getande menschlwid staat plotseling stil, keert terug op hare, tot nu toe gevolgde, paden, omhelst een nieuwen godsdienst, eerst schuchter en aarzelend, maar allengs met zoodanige vreugde en diepte, dat alle macht der wereld overwonnen wordt. Dat alles bewerkte de verschijning van den Zoon Gods op aarde; doch onder de menschen, die, getrouw aan \'s Heilands opdracht, het middel

VI

-ocr page 11-

VOOÜREPK. VII

waren om dezen omkeer te hewerksteJlinfjeit, komt aan deti apostel Paulus de eereplaois toe. Daarom heeft een Monod op de vraag, wie na den lieer de (jrootste wetdoener der ntenschheid yeweest is, zonder aarzeling geantwoord: de ajiostel Paulus! Daarom noemt een Renan de bekeering ran den apostel Paulus een der gewichtigste gebeurtenissen in de geschiedenis der menschheid. Ten slotte zegt de yeschiedschrijver Ranke, dat, zoo ooit iemand gekomen is tut een zoogenaamde, aardsche onsterfelijkheid, de apostel Paulus zulk een onsterfelijk man is.

Ach, hoezeer heeft onze tege)iwoordige tijd behoefte aan mannen, die zooals hij, door zijn verheven grootheid cam de poorten van Christus\' kerk uitblinkt! Weliswaar zijn er onder de theologen van den lateren tijd sterke geesten, die het bijna bejammeren, dat wij een Paulus rijk zijn. Zijne dogmatiek zou de zwakte onzer evangelische kerk zijn. Maar moge God ons behoeden voor zulke kracht. Met de „zwaktequot; van Paulus zal de kerk der reformatie sterk blijven; zonder haar, zal zij ten onder gaan. Zulke aanbiddende bewondering voor de eeuwige raadsbesluiten Gods, zulke kracht van overtuiging, zulk vast geloof, dat den twijfel in al zijn omvang overwonnen heeft, zulke onvoorwaardelijke overgave aan den Heer, zulke trouw tot in den dood — ach, hoezeer heeft onze tijd aan dat alles behoefte!

Daarom kon ik den wensch niet onderdrukken, om, nadat ik aan de gemeente den oorsprong der Christelijke kerk had voor oogen gesteld, door mijne vroegere geschriften, haar nu ook een duidelijk beeld te schetsen van het leven van dezen machtigen held. Paulus was een zeer bereisd man, ondanks de ontelbaar velen, die in dezen tijd van spoorwegen en telegrafie, leven. Alvorens ik de beschrijving zijner reizen begon, heb ik de lange wegen door Azië en Europa opgespoord, waarlangs zijn

-ocr page 12-

VvOSBEI\'E.

oy.i gtqaon Door CiUciï *■■/lt; ox-r den hoog ft\' Taurus, door Gakr.\' \'• *i-pi.*h ra/; Lyha\'jnië. door Frygit e»i loniamp;h Klein-Azië. door Macedonië, GriekenUatd en Italië heb ik hei voetspoor mn den grooten AjxjSieJ gecolgd.

Kom. welwiUehde lezer, treed mei mij het heilige poxora/no süns levens binnen! Volgen wij den aangewezenen veeg en gaan wij met Paulus door landstreken en orer zeeën\'. En mocht door deze tochten of reizen, menigeen uwer een duidelijker, levendiger inzicht verkrijgen in de twintig jaren, gedurende welke Paulus de tcerel! in heweging bracht en die, met de twee of drie jaren can s Heeren werkzaamheid, de meest beslissende jaarkringen geweest zijn in de geschiedenis der menschheid.

8 Juli ]

Lri.wio Schkellee.

-ocr page 13-

VIJF JAREX ONDER DE GALATEN.

-ocr page 14-
-ocr page 15-

DE REIZIGERS.

Vroolijk spoeden op hun wegen Paul us zich en Barnabas,

Door de velden r;jk van zegen, Of der somb\'re bergen pas.

Trekt getroost langs dal en heuvel Mannen Gods! want op uw spoor Dekt u s AUerhoogsten vleugel, En zijn engel reist u voor!

Het was ongeveer in het jaar 46 naar onze tijdrekening, dat twee mannen moedig het ruwe bergpad bestegen, dat van de Zuidkust van Klein-Azië, langs de rivier den Oestrus, den tegenwoordigen A k S u, naar het hooge Taurusgebergte voerde. Zij droegen naar Oostersche wijze het laag neerhangende kleed, door een gordel om het middel saamgehouden, den langen mantel over den schouder en den tulband op het hoofd. Het waren Paulus en Barnabas, de beide eerste, koene zendelingen. Opmerkzaam zag hun blik rond, wanneer het pad zich om een rotswand boog, of een enge pas van ter zijde in het hoofddal uitkwam; want men had hen in Perge ernstig voor dezen weg gewaarschuwd, die door stoutmoedige rooverbenden onveilig werd gemaakt en daarom in het geheele Romeinsche rijk berucht was!.

-ocr page 16-

DE KETZirïEHS.

quot;Weliswaar had het ijzeren Rome zijnen beschermenden en onderdrukkenden arm over de geheele wereld uitgestrekt, en bewaarde het den vrede met getrokken zwaard, doch hier in den Taurus, waar de bewoners van Selge, Homonade en Isaura de bergstreken beheerschten, werd het rooven sedert onheuglijke tijden als het ware als een recht beschouwd. Zelfs Eome had het tot nu toe niet der moeite waard geacht, tegen deze bergbewoners een guerilla-oorlog te voeren, die vele moeilijkheden opleveren en misschien niet tot het gewenschte doel leiden zou. Slechts een kohorte van 500 soldaten was in geheel Pamphylië gelegerd, waartoe behalve een smalle kuststrook, ook de zuidelijke helling van den Taurus behoorde. Deze manschappen konden weliswaar verhoeden, dat de roofzuchtige benden hunne tochten uitstrekten tot in de vlakte, tot nabij de belangrijkste steden Perge en Attalië, doch hooger op in het gebergte, waar de strijdlustige bevolking haar eigen steden, dorpen en burchten had, rustten de veeten nooit. Menigen koopman in het Romein-sche rijk berouwde het zijn leven lang, zich geen vrijen doortocht te hebben gekocht voor zich en zijne karavaan, voor een groote som gelds. Dan stormden de wreedaards op menschen en kameelen los, doodden met het zwaard ieder, die zich verdedigde, en als overwinnaars brachten zij de zware balen koopwaren naar hunne roofnesten, waar vrouwen en kinderen hen met juichkreten begroetten.

Ofschoon de Romeinsche regeering zich overigens beroemen kon op de wijze, waarop zij voor de verkeerswegen zorgde, zoo was toch in deze streken het onderhoud tot het allernoodzakelijkste beperkt, en voor het Cestrus-dal, uit strategisch oogpunt van geen belang, was niets gedaan. De weg, dien onze beide wandelaars volgden door dit eenzame, aan afgronden zoo rijke dal van den Taurus, was dus waarschijnlijk in denzelfden toestand, waarin hij nu, onder Turksche heerschappij, nog verkeert. Zooals Strabo bericht, bevonden zich op de noodzakelijkste punten bruggen, die over de rivier leidden, doch dikwijls moesten de

4

-ocr page 17-

IN HET JAAR 46.

reizigers hunnen weg vervolgen zonder brag over den Oestrus.

Aangenaam was de weg, dien de beide apostelen gekozen hadden, dus zeker niet. De mogelijkheid van door roovers overvallen te worden, gevaren waarmede het leven gemoeid was, schrale voeding, slechte huisvesting in bosschen of onder onveilige daken, ongebaande wegen, vijandig gezinde menschen; dat alles, wachtte hun in deze bergen. Is het wonder, dat het den kleinmoedigen Johannes Markus bang om het harte werd, toen zij, na voor eenige dagen met een Cyprisch schip in Attalia te zijn geland, hun weg voortzetten naar het ruwe Alpengebergte, op welks besneeuwde toppen zij gedurende de reis van Paphos af, het oog hadden gericht. Tot aan Attalia was alles goed gegaan, want Attalia is nu nog een vriendelijke stad, die onder den naam Adalia, gelegen is aan de golf van dien naam. Evenals bij Sorrento stijgt de rots hier hoog uit de zee op, en boven op de geweldige rotswanden ligt sierlijk en schilderachtig, de stad, wier 30.000 inwoners een levendigen handel drijven in hout, zuidelijke vruchten en paarden. De gloeiende hitte, die daar het grootste gedeelte des jaars heerscht, doet allerlei zuidelijke vruchten rijpen in de tuinen en oranjeboschjes, die de stad omgeven. Ook in de stad, die niet weinig aan levendigheid wint door de snel vlietende bergstroompjes, ligt menige heerlijk bloeiende en zoet geurende tuin, van welks terrassen men een prachtig uitzicht heeft op de onmetelijke, blauwe zee. Hier voelde men zich dus wel en behagelijk te moede, en waarschijnlijk blikte Markus van hier uit nog vroolijk in de toekomst. Maar geheel anders werd het, toen zij van Attalia eenige uren oostwaarts, naar Perge getogen waren, om vandaar langs den, ten oosten der stad gelegen, pas, den naasten weg naar Antiochië, het gebergte te bestijgen. In de herberg te Perge had men hun vele huiveringwekkende verhalen van die ongastvrije oorden gedaan, en toen had Markus den lust en de opgewektheid verloren, om deel te nemen aan den Zendingsarbeid. Aan een bende barbaarsche roovers, waarmede men zelfs niet spreken kon,

5

-ocr page 18-

DE REIZIGERS.

omdat zij geen Grieksch verstonden, wilde hij zijn leven niet prijsgeven. Als een verstandig man liet hij de beide Apostelen alleen verder trekken, en maakte waarschijnlijk van de eerste de beste gelegenheid gebruik om naar Jeruzalem terug te keeren, waar zijne moeder Maria een der voornaamsten was in de eerste Christengemeente.

Slechts ongaarne had Paulüs den jongen man zien terugkeeron, terwijl hij en Barnabas onverschrokken den tocht voortzetten, Eeeds lag de kustvlakte van Pamphylië achter hen, waar nog heden ten dage de grootsche overblijfselen van kunstig aangelegde waterleidingen en groote schouwburgen getuigen van de noeste vlijt en den hoogen trap van beschaving dor vroegere bewoners. Reeds hadden zij de eerste, nog tot Pamphylië behoo-rende, terrassen van den Taurus beklommen, en de hooger gelegen, woestere streken van Pisidië betreden. Zelfs hier lag nog menig goed bebouwd stuk land, dat den arbeid der bergbewoners rijkelijk beloonde. Zelfs de handel, die zijn weg vond door liet dal, was levendig. Lange karavanen vervoerden op kameelen, die door talrijke, gewapende mannen beschermd werden, de voortbrengselen van liet binnenland naar de zee en van do zee tot in het gebergte. Uitgevoerd werd voornamelijk de wol van schapen en geiten, die in onafzienbare kudden graasden op liet gebergte en in het landschap Galatië. Onwaarschijnlijk is het niet, dat Paulus met den blik eens kenners de waren monsterde, die hij in Tarsen zoo dikwijls verwerkt had. Van uit de zeehaven werden ingevoerd niet alleen de beroemde goud bord uursels van Attalia, maar ook de voortbrengselen van de naburige Syrische en Grieksche kusten.

Hoe hooger Paulus en Barnabas in het gebergte kwamen, des te woester en eenzamer werd de omgeving. Dikwijls voerde hun weg door een eng dal, waar de Oestrus zich een bedding gegraven had tusschen twee bergen. Hooge, steile rotsen, op welker hoogste kammen zich statige pijnboomen verhieven, die scherp afstaken tegen de blauwe lucht, overschaduwden van de

6

-ocr page 19-

IN HET JAAE 46.

eene zijde het woeste pad, terwijl aan den anderen kant in de diepte de Oestrus stroomde, bruisende en schuimende watervallen vormend. Waarschijnlijk hebben zij in zulk een engte meermalen een troep roofzuchtige bewoners van Selge en Isaura ontmoet, overmoedige mannen met donkere oogen en zwarten baard, zooals Paulus ze voor eenige jaren in Arabië zêer dikwijls te voet of te paard en met een lans gewapend, over de vlakte had zien jagen. Misschien ook zijn zij van uit een nauw zijdal of de een of andere hinderlaag op de beide wandelaars losgestormd, zoowel bij dag, of gedurende den stillen nacht, wanneer de weg door de wouden liep. Dan flikkerden de sabels en snorden de pijlen langs de reizigers, totdat ontdekt werd, dat zij geen rijke kooplieden waren, wien men hun geld ontnemen kon. Dikwijls kwamen zij ook aan eene plaats, waar geen brug over de rivier voerde, die vooral in den regentijd, niet zonder gevaar te doorwaden was. Evenals de tegenwoordige Turkomannen moesten zij door den stroom zwemmen en hun kleederen, op een klein vlot gebonden, achter zich aan trekken door den snel vlietenden bergstroom.

Dit alles bedenkende, verstaan wij den zin der woorden, die Paulus twaalf jaren later, terugziende op dezen tijd aan zijne Korinthiërs schreef: „In het reizen was ik menigmaal in gevaren van rivieren, in gevaren van moordenaars, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in arbeid en moeite, in waken menigmaal, in honger en dorst, in koude en naaktheid.quot; (2 Kor. 11 : 26, 27.)

7

-ocr page 20-

HET DOEL DER REIS.

Het doel van de reis der beide Apostelen was het landschap Galatiö. Daaronder verstond men toenmaals niet alleen het eigenlijke Keltische Galatië, gelegen ten Zuiden van Bithynië en Pontus, maar een veel uitgestrekter gebied.

Zoodra Antonius de heerschappij over het Oosten aanvaardde, had hij orde op zijne zaken in Klein-Azië gesteld, door een bekwamen Galatischen officier, Amyntas genaamd, tot koning te verheffen, en de kern van Klein-Azië tot aan de zee tot diens rijksgebied te maken. Sedert dien tijd behoorden tot het Romein-sche Galatië ook West-Gilicië, Pamphylië, Isaurië, Pisidië en Lykaonië; want Amyntas had den rooverhoofdman van Derbe weten te overwinnen, paal en perk gesteld aan de rooverijen in het binnenland, afbreuk gedaan aan de, in de schuilhoeken van den Taurus wonende, overmoedige Korsaren, en daardoor zijn opperheerschappij bevestigd. Toen Amyntas gevallen was, werd het bewaren van den vrede in het binnenland van Klein-Azië een zaak van groot gewicht voor den, inmiddels tot keizer verheven, Augustus. Meermalen deed hij de rijkstroepen oprukken naar de bergstreken van den Taurus, om de weerspannige volksstammen te tuchtigen. Bovendien paste hij een nog veel heil-zaam-werkender middel toe. Hij stichtte namelijk in het binnenland verscheidene koloniën van Romeinsche veteranen om

-ocr page 21-

IN HET JAAK 46.

daardoor langs vreedzamen weg het land te winnen voor de Romeinsch-Grieksche beschaving. Een dezer nederzettingen vestigde hij in Pisidië, in de oude stad Antiochië, gesticht onder de regeering der Seleuciden.

Dit Antiochië in Pisidië, diep in het binnenland van Klein-Azië gelegen, was het doel der reis van Paulus en Barnabas. Daarom richtten zij zich naar het onherbergzaamste gedeelte van dit merkwaardige schiereiland, dat van oudsher de brug gevormd had voor de beschaving van het Westen en het Oosten, doch dat heden ten dage voor het dwaze Europa een onbekend land geworden is, dat weder ontdekt moet worden.

Doch, zoo zal men misschien vragen, waarom richtten zij hunne schreden juist hierheen? Waren er geen schooner en belangrijker landen, die hen daarom des te eerder moesten hebben uitgelokt? Waarom kozen zij het hooggelegen gebied van den woesten Taurus? Indien we een blik slaan op hun uitgangspunt en de daaromheen liggende landen, dan zal ous weldra alles duidelijk worden.

Hun uitgangspunt was het Syrische Antiochië. Vandaar uit konden zij zich niet naar het Oosten wenden. Daar breidde zich eerst de woestijn uit, en verder reikte het gebied tot aan den Eufraat, waar voortdurende grensgeschillen hun zendings-arbeid in den weg stonden. De naaste omgeving, Syrië, kon gemakkelijk bewerkt worden door de, met frissche krachten zich ontwikkelende, gemeenten van Damaskus en Antiochië. Evenmin konden zij naar het Zuiden reizen, want daar lag Jeruzalem. Opmerkelijk moge het ons schijnen, dat zij niet aan Egypte dachten; tusschen de steden Alexandrië en Antiochië bestond een druk handelsverkeer. En het Mjldal — waar men sedert overoude tijden nadacht over het raadsel des doods, waar het steenen aangezicht der Sphinx sedert duizenden van jaren den blik over de uitgestrekte doodenstad naar het Oosten richtte, vragend of niet te eeniger tijd de zon weder zou opgaan voor de afgestorvenen, en waar een millioen Joden voor

9

-ocr page 22-

HET DOEL DER REIS.

hen een geschikt aanknoopingspunt was — zou dat dal niet een bij uitstek geschikte bodem geweest zijn voor de prediking der opstanding? Dat de verlichte, Egyptische Joden zich afgescheiden hadden van hunne orthodoxe stamgenooten in Palestina, maakt ons de zaak niet duidelijk. De afstand tusschen de Samaritanen en Heidenen en de Joden was nog veel grooter, en toch gingen de Apostelen tot hen. Zou niet veel meer de overweging, dat Paulus nooit aan Egypte denkt, hoewel hij welhaast don blik richt naar alle landen van het Westen, tot zelfs naar Spanje, een duidelijk sprekend bewijs leveren, dat andere boden de blijde boodschap reeds naar het heerlijke Nijldal hadden overgebracht? Indien we zulks aannemen, dan is alles opgehelderd. Paulus stelde het zich zijn leven lang tot regel, slechts daar „het Evangelie te prediken, waar de naam van den Christus nog niet bekend wasquot; (Rom. 15 : 20), teneinde niet op eens anders fondament te bouwen. Ook Noord-Afrika, Kyrene, was reeds bezet.

Zoo bleef dan slechts liet Westen voor Paulus en Barnabas over. Het schoone eiland Cyprus hadden zij juist doorkruist, en zich daar ongeveer een half jaar lang opgehouden. Wat was nu waarschijnlijker, dan dat zij naar het tegenover liggende Klein-Aziatische vasteland togen? Naar zijn geboortestad Tarsen ging Paulus niet. Die plaats is nooit het tooneel geweest van zijn zendingsarbeid, hoe menigmaal zijn weg hem daar ook voorbij voerde. Hij wist maar al te wel, dat een profeet niet geëerd is in zijn vaderland. Naar Pamphylië richtten de beide mannen den blik, waar de pas over den Taurus naar het hoogland van Klein-Azië voerde. Reeds van kindsbeen af had Paulus met de daargelegen landstreken in geestelijke betrekking gestaan. Vandaar kwamen immers de meeste karavanen, die dooide beroemde Cilicische poort in den Taurus, naar Tarsen trokken. Hoe dikwijls had de knaap geluisterd naar hetgeen de reizigers verhaalden van de landstreken Lykaonië en Galatië. Ook wisten de beide Apostelen, dat over het groote schier-

]0

-ocr page 23-

IN HET JAAR -16.

eiland verscheiden Joodsche gemeenten als Oasen verspreid waren, welke In het heidensche land het geloof aan den Eénen levenden God als een fakkel deden lichten. Was het daarom niet uitlokkend, aan die oorden ook het volle licht te brengen van den in Christus geopenbaardon, Hemelschen Vader?

Nemen wij nu nog aan, dat, zooals zoo dikwijls bij zalke reizen het geval is, minder gewichtige omstandigheden dit plan bevorderden, dat de jonge Cyprische gemeenten dooide levendige briefwisseling, die alle Joden-genieenten in de verstrooiing met elkander hielden, zich in het bijzonder aangetrokken gevoelden door de naburige Kleui-Aziatische gemeenten, en daarom den Apostelen verzochten, ook hun vrienden liet Evangelie te brengen, dan is niets natuurlijker dan dat Paulus on Barnabas gehoor gaven aan deze innerlijke en uiterlijke drangredenen en naar het binnenland van Klein-Azië togen.

Zoo vinden wij dan de beide zendelingen, die wij begeleid hebben van af de poorten van Antiochië in Syrië, in het hoogste gedeelte van den Taurus, in de onherbergzame pijn-bosschen en de tusschen de rotsen gelegen, dalen. Getroost en hoopvol reisden zij hun weg. Wanneer zij \'s avonds hunne tenten opsloegen in een woeste, eenzame streek of in een duister woud, daar waar geen Romeinsche bezetting lag, dan gevoelden zij zich beschermd door een hoogere macht. Zij wisten immers, dat de reispas door het Romeinsche rijk hun verstrekt was door Hem, die hun had opgedragen „Zijn naam te brengen aan de Heidenen.quot; Als onverschrokken kruisvaarders, alleen op Gods bescherming vertrouwend, togen zij de wereld in, over hetzelfde gebergte, waarover 1100 jaar later keizer Barbarossa trok met het leger van vrome kruisvaarders, weinige dagen voordat deze vorst zijn dood vond in den snel stroomenden Kalykadnus.

11

-ocr page 24-

IN HET HOOGLAND VAN KLEIN-AZIB.

Du kern van Klein-Azië bestaat uit een uitgestrekt hoogland, dat in het Zuiden, als door een geweldigen muur, begrensd wordt door den met sneeuw bedekten Taurus. Snel en steil daalt de bergketen naar de zeezijde af. Aan den noordkant schijnen do bergen veel lager, omdat zij daar overgaan in de groote hoogvlakte. Prachtige meren verhoogen de schoonheic\' van deze hooggelegen landstreek, waar, in de oudheid, menige bloeiende stad lag. Een dezer steden was het Pisidische Antiochië. Waarschijnlijk heeft de reis van Paulus en Barnabas, van Perge naar Antiochië zes dagen geduurd. Ongeveer drie dagen togen zij, den loop van den Oestrus volgend, bergopwaarts, tot zij den bergpas overgetrokken waren, om vervolgens langs de noordzijde af te dalen tot in het hoogland van Pisidië.

Hoeveel heerlijks heeft een reis voor twee personen, die elkander volkomen verstaan. Men gevoelt zich nader tot elkander getrokken, wanneer men, ver van het stadsgewoel, dagen lang door hooggelegen wouden trekt of over bergen, van welker toppen men den blik kan laten weiden in Gods vrije natuur en men onwillekeurig denkt aan de nabijheid van Hem, die de bergen gegrondvest heeft. Dat ondervonden ongetwijfeld Paulus en Barnabas. Wederzijds spraken zij hunne ervaringen uit en

-ocr page 25-

IF HET .TAAB 4fi.

blikten elkander daardoor diep in het hart. Toen erkenden zij, dat een machtige hand hen had tezamen gebracht, nadat zij elkander, na een eerste vluchtige kennismaking in Jeruzalem, nu zes jaren geleden, weder uit het oog hadden verloren. Hoezeer werden daardoor hunne krachten versterkt, noodig voor den Zendingsarbeid in het Heidensche, Romeinsche rijk. Hoe won hun kennis van den Christus aan diepte gedurende de dagen van gemeenschappelijk verdertrekken. De onderdeelen van do Christelijke geloofsleer, de blik op den persoon en de woorden van Jezus, op het groote heilsplan Gods, dat alles werd hun des te duidelijker en heerlijker door de wederzijdsche uitwisseling van gedachten.

Het was ongeveer op den vierden dag na hun vertrek van Perge, dat zij voor het eerst in de verte den prachtigen, blauwen waterspiegel van een verwonderlijk schoon alpenmeer aanschouwden. Het was het tegenwoordige Egerdir Göl. Aan de oevers van dit meer, dat op eene hoogte van 900 M. ligt, meent men het heerlijke Lago Maggiore in Opper-Italiö vóór zich te zien. Juist van de zijde, waarvan de Apostelen het voor het eerst zagen, n. 1. van het Zuiden, is het meer het schoonst. Zoo ver hun oog-reikte, strekte zich het blauwe meer uit, dat 72 vierk. mijlen groot is, en aan den noordkant omgeven wordt door een bergachtig landschap; daaraan verkwikte zich hun blik, na den moeitevollen tocht.

Het is mogelijk, dat zij in een schip het meer overstaken. Hoe doodsch en eenzaam heden deze schitterende oevers ook zijn mogen, alsof het, zich in duizenderlei vormen openbarende, leven, dat eertijds aan deze lachende boorden heerschte, in de diepte der wateren begraven ware, gelijk de verzonken stad Julin — zoo was toch alles leven en beweging ten tijde, dat Paulus en Barnabas hier aankwamen. In plaats van de weinige platgebodemde vaartuigen van heden, waarmede men slechts noode den overtocht waagt, doorkliefden toen talrijke booten de blauwe golven, om het verkeer te onderhouden tusschen de, aan de oevers gelegen, steden.

13

-ocr page 26-

IN HET HOOGLAND VAN KLEIN-AZIË.

Onwaarschijnlijk is het ook niet, dat de Apostelen hun weg te voet hebben vervolgd. Aan het zuidelijkste punt van het meer keerden zij zich in dat geval naar rechts, om langs de oostzijde de reis naar het Pisidische Antiochië voort te zetten. Aan dien kant staan dicht langs den oever woeste, gespletene, steile bergen, die van de tegenoverliggende zijde gezien, een trotsch en prachtig gezicht opleveren. Daarom liep ook de weg nu eens hoog over de bergen, dan weder in de diepte door enge dalen. Dikwijls hebben de wandelaars zeker in verrukking stil gestaan, om van uit de hoogte te genieten van het gezicht op het blauwe meer, dat zich plotseling aan hun oog vertoonde. Kenden zij niet het meer van Genezareth in het verre Palestina ? Hoeveel grootscher was echter dit meer, omgeven door een krans van bergen! Hoe vriendelijk lokten beneden in de diepte steden, dorpen, tuinen en wijnbergen! Hoe vroolijk en levendig staken van het blauwe meer de witte zeilen af! Aan den overkant lag dicht aan den oever liet tegenwoordige Egerclir, waaraan het meer zijn naam ontleend heeft.

Vriendelijk en uitnoodigend zien zelfs nu nog van uit de verte de huizen er uit, die zich in de wateren van het meer spiegelen, daarin schijnen onder te duiken! En voor de stad, midden in het meer, meent ge, evenals in Pallanza de „Isola Madre en Isola Bellaquot; te aanschouwen, eilanden, die opduiken boven den waterspiegel, en wier roode daken en slanke minarets verscholen liggen tusschen het groen van populieren en cypressen.

Op zijn schoonst is het meer, wanneer de avondzon hare laatste stralen er over uitgiet. Dan schittert het, evenals de omringende bergen, in wonderschoone kleurenpracht. De oppervlakte straalt in de diepste tinten; \'t is of de gloed der schoone verven nog verhoogd wordt. De lei- en kalkwanden der bergen zijn als het ware door purperen vlammen verlicht. De avondhemel gloeit in gulden en donkerrood vuur; het meer straalt in paarse glansen. En wanneer men daar boven op een dezer hoogten staat met dit heerlijke schouwspel voor oogen, dan

14

-ocr page 27-

IN HET JAAR 46.

moet men er onwilkeurig- aan denken, dat wellicht ook Paulus en Barnabas hier eens gestaan hebben, vol bewondering den blik richtend naar het wonderschoone tooneel aan hunne voeten, of starend naar den Taurus, wiens besneeuwde toppen do avondzon zacht rood tint.

Hier hebben zij wellicht tezamen het avondgebed opgezonden, zooals ook hun Meester zich gaarne op de bergen om hst meer Genezareth afzonderde tot het gebed. En waarschijnlijk is hun bij het verbleeken der zonnepracht dezelfde gedachte door de ziel gegaan, als den dichter, die in de wouden van het toenmaals nog\' niet door het Evangelie bestraalde Germanic, gezongen heeft\'

Trekt heen! Een and\'re lichtschijn,

Mijn Jezus doet my rijk zfln,

En klaar rali in het harte straalt

Ongeveer op den vijfden dag na hunne afreize van Perge verlieten zij het meer, en wendden zich naar het Noord-Oosten. Eeeds verrezen voor hunnen blik de indrukwekkende hoogten van den Suit an-Dag h, die van uur tot uur duidelijker te onderscheiden waren. Aan den voet van dit gebergte lag het Pisidi-sche Antiochië, het naaste doel hunner reis. Tegen den zesden dag trokken zij de poorten dier stad binnen.

15

-ocr page 28-

IN ANTIOCHIB.

Jalowadsch is de naam van het Turksche stadje, gelegen op de plaats van hot voormalige Plsidische Antiochië. Deze stad ligt in een schoone, vruchtbare landstreek. Hoog verheffen zich de kruinen der stoute, trotsche bergen van den nabij gelegen Sultan-Dagh, op wiens majestueuze lijnen ook Paulus en Barnabas zoo dikwijls het oog vestigden. Om de stad heen ligt een krans van groene, vriendelijke, rijk besproeide tuinen. Op eenigen afstand, naar den kant van het meer, wordt het golvende terrein ingenomen door uitgestrekte weiden, waarop talrijke kudden runderen en kameelen grazen.

Het stadje is niet groot, maar vriendelijk gelegen; het zou ook nu nog onder gelukkiger omstandigheden snel tot hoogen bloei kunnen komen. De huizen der stad (ongeveer 600) staan verspreid; talrijke populieren, platanen, cypressen en noteboomen steken boven de huizen uit. Eene rivier, die gedurende haar loop het water van meer dan een beek opneemt, doorstroomt de stad van het Oosten naar het Westen, en stort zich daarna spoedig in het meer, dat hier in het Noorden niet meer E g e r d i r, maar Ho Iran Göl genaamd wordt. De door platanen beschaduwde oevers der rivier zijn de geliefkoosde rustplaats dei-Turken; voor de cafés op uitgerolde matten of tapijtend liggend, of

-ocr page 29-

IN HET JAAR 40.

op lage bankjes gezeten, drinken zij koffie of rocken hun waterpijpen.

In de tegenwoordige stad vindt men niets, dat heenwijst naar de groote gebeurtenissen, waarvan het Pisidische Antio-chië getuige is geweest; de nieuwe stad ligt niet juist daar, waar de oude stond. Op eenigen afstand echter van Jalowadsch bevinden zich zeer trotsche bouwvallen: alles, wat van het oude Antiochië is overgebleven. Reeds van verre aanschouwt men de talrijke, indrukwekkende bogen der waterleiding, waarlangs oens, misschien reeds ten tijde van Paulus en Barnabas, het heldere, frissche water van den Sultan-Dagh naar de stad gevoerd werd. Kolossale, op den grond verspreid liggende brokken marmer getuigen van de verdwenen pracht van Antiochië. Hier en daar onderscheidt men duidelijk de overblijfselen van groote gebouwen. Ook vindt men op verscheiden plaatsen nog gedeelten van oude tempels, zoowel op het vroegere stadsgebied, als op den zuid-oostelijk gelegen heuvel, vanwaar naar alle waarschijnlijkheid de Akropolis op Antiochië nederblikte. Deze portiek, deze schoon gegroefde zuilen, deze, van zoo groote kunstvaardigheid getuigende, marmeren kroonlijsten schijnen ons nog heden, na een duizendjarige heerschappij der Turken, te willen vertellen, op welke prachtige tempels Antiochië eens heeft kunnen bogen. Welken God zou men daarin wel gediend hebben? Oorspronkelijk zeker den „Men Arcaeusquot; den „Menesquot; der Lydiërs, op wiens altaren ook in den vroegsten tijd te Antiochië ijverig geofferd werd. Wanneer de duisternis van den nacht door het licht der ontstoken vuren verdreven was, hebben op dezen heuvel de heidensche bewoners van Antiochië, die zon, maan en sterren aanbaden, zeker hunne wilde bacha-nalien gevierd, en zich in vereeniging met een talrijke schaar tempeldienaars, overgegeven aan de laagste uitspattingen, waarop Paulus, in zijn zendbrief aan de gemeenten in de provincie Galatië, niet verontwaardiging doelt, als hij zegt: „Degenen dient gij, die van nature geene goden zijn, en keert u wederom

2

17

-ocr page 30-

I N ANTIOCHIE.

Jalowadsch is de naam van het Turksche stadje, gelegen op de plaats van het voormalige Pisidische Antiochië. Deze stad ligt in een schoone, vruchtbare landstreek. Hoog verheffen zich de kruinen der stoute, trotsche bergen van den nabij gelegen Sultan-Dagh, op wiens majestueuze lijnen ook Paulus en Barnabas zoo dikwijls het oog vestigden. Om de stad heen ligt een krans van groene, vriendelijke, rijk besproeide tuinen. Op eenigen afstand, naar den kant van het meer, wordt het golvende terrein ingenomen door uitgestrekte weiden, waarop talrijke kudden runderen en kameelen grazen.

Het stadje is niet groot, maar vriendelijk gelegen; het zou ook nu nog onder gelukkiger omstandigheden snel tot hoogen bloei kunnen komen. De huizen der stad (ongeveer 6C0) staan verspreid; talrijke populieren, platanen, cypressen en noteboomen steken boven de huizen uit. Eene rivier, die gedurende haar loop het water van meer dan een beek opneemt, doorstroomt de stad van het Oosten naar het Westen, en stort zich daarna spoedig in het meer, dat hier in het Noorden niet meer E ge r d i r, maar Hoiran Gol genaamd wordt. De door platanen beschaduwde oevers der rivier zijn de geliefkoosde rustplaats dei-Turken; voor de cafés op uitgerolde matten of tapijtend liggend, of

-ocr page 31-

IN HET .TAAK 46.

op lage bankjes gezeten, drinken zij koffie of rooken hun waterpijpen.

In de tegenwoordige stad vindt men niets, dat heenwijst naar de groote gebeurtenissen, waarvan het Pisidische Antio-chië getuige is geweest; de nieuwe stad ligt niet juist daar, waar de oude stond. Op eenigen afstand echter van Jalowadsch bevinden zich zeer trotsche bouwvallen: alles, wat van het oude Antiochië is overgebleven. Reeds van verre aanschouwt men de talrijke, indrukwekkende bogen der waterleiding, waarlangs eens, misschien reeds ten tijde van Paulus en Barnabas, het heldere, frissche water van den Sultan-Dagh naar de stad gevoerd werd. Kolossale, op den grond verspreid liggende brokken marmer getuigen van de verdwenen pracht van Antiochië. Hier en daar onderscheidt men duidelijk de overblijfselen van groote gebouwen. Ook vindt men op verscheiden plaatsen nog gedeelten van oude tempels, zoowel op het vroegere stadsgebied, als op den zuid-oostelijk gelegen heuvel, vanwaar naar alle waarschijnlijkheid de Akropolis op Antiochië nederblikte. Deze portiek, deze schoon gegroefde zuilen, deze, van zoo groote kunstvaardigheid getuigende, marmeren kroonlijsten schijnen ons nog lieden, na een duizendjarige heerschappij der Turken, te willen vertellen, op welke prachtige tempels Antiochië eens heeft kunnen bogen. Welken God zou men daarin wel gediend hebben? Oorspronkelijk zeker den „Men Arcaeusquot; den „Menesquot; dor Lydiërs, op wiens altaren ook in den vroegsten tijd te Antiochië ijverig geofferd werd. Wanneer de duisternis van den nacht door het licht der ontstoken vuren verdreven was, hebben op dezen heuvel de heidensche bewoners van Antiochië, die zon, maan en sterren aanbaden, zeker hunne wilde bacha-nalien gevierd, en zich in vereeniging met een talrijke schaar tempeldienaars, overgegeven aan de laagste uitspattingen, waarop Paulus, in zijn zendbrief aan de gemeenten in de provincie G-alatië, met verontwaardiging doelt, als hij zegt: „Degenen dient gij, die van nature geene goden zijn, en keert u wederom

-2

17

-ocr page 32-

IN ANTIOCHIË.

tot de zwakke en arme eerste beginselen.quot; (Gal. 4 ; 8). Later zijn deze tempels misschien gebruikt door de Christenen en werden zij verwoest door de, in het land vallende, Mohammedanen.

Antiochië in Pisidië was oorspronkelijk een stad van weinig beteekenis. Haar opkomst dagteekent van den tijd, toen zij verheven werd tot een Romeinsche kolonie en de rechten verkreeg, daaraan verbonden. Onder de oorspronkelijke inwoners mengden zich vele invloedrijke families van Romeinsche veteranen, terwijl een derde element gevormd werd door de Joden, die zich overal neerzetten, waar de Romeinsche regeering een gevestig-den toestand in het leven riep, en daardoor handel en verkeer mogelijk maakte.

Evenals wij in een vreemd land natuurlijk het eerst onze landslieden bezoeken, zoo wendden de beide Apostelen zich in Antiochië het allereerst naar de Jodenwijk. Waarschijnlijk bestond hun aanknoopingspunt uit de brieven van aanbeveling, welke zij hadden medegebracht. Sedert Cesar mocht het Jodendom in het Romeinsche rijk zich verheugen in het bezit van vele voorrechten, doch niet daarin dat het gezien was. Keizer Claudius, die te dien tijde regeerde, was een besliste vijand der Joden. En toch was aan dat volk door de Voorzienigheid een gewichtig werk opgedragen in de toenmalige wereld. Men moet zich een voorstelling kunnen vormen van de woeste zwelgpartijen en wilde brasserijen, welke juist in de landstreken Galatië en Phrygië met den edelen naam van godsdienst bestempeld werden; men moet zich het verstrooide Israël kunnen denken in zulk een omgeving, te midden van een schaar priesters, gewijd aan den, in dat gedeelte van Azië heerschenden, afgodendienst; om te kunnen inzien, dat de edele kern dezes volks optrad als een ernstige Godsprofeet onder de volkeren dei-wereld. Het is, zooals Lotze zegt, „het eenige nuchtere volk te midden der bedwelmden.quot;

Het was de Johannes de Dooper voor de heidenwereld, die

18

-ocr page 33-

IN HET JAAR 46.

voorbereid moest worden op den Christus. De ernst der reine zedenwet, het geloof aan den éénen God, de hoop op een verlosser, dat waren de drie eigenschappen, waardoor de „Wetquot; voor de overige volkeren gemaakt werd tot een „Tuchtmeester tot Christusquot;, zooals Paulus zegt. Ook in het binnenland van Klein-Azië had het Oude Testament zijn invloed doen gelden on vele zoekende zielen tot zich getrokken, die in hun eigen godsdienst, waaraan elk hooger beginsel vreemd was, geen bevrediging konden vinden. Daarom behoefde Paulus slechts te wijzen op het aanknoopingspunt, om den rijpenden oogst voor Christus in te zamelen, waarnaar het geheele Oude Testament wees. Het spreekt dus van zelf, dat Paulus niet alleen overal in de eerste plaats naar de synagogen ging, maar ook later zijn reisplan regelde naar het bestaan van synagogen in do verschillende steden.

Nog om een andere reden waren de synagogen voor de Apostelen overal de brug voor hunne prediking onder de Heidenen. Het was bij de Romeinsche wet verboden een nieuwen, vreemden godsdienst in het rijk te prediken en daarvoor aanhangers te werven. Dat was de grond van de latere vijandige verhouding der Overheid in Philippi. De Joodsche synagogen hadden echter van oudsher het recht proselyten te maken. Zoo konden dus de apostelen in de synagoge zoowel aan Joden als aan Heidenen het Evangelie verkondigen, zonder de Romeinsche wet te schenden.

Zoo richtten dan ook in Antiochiü Paulus en Barnabas op den eersten sabbat na hun aankomst hunne schreden naar de synagoge. In de Jodenwijk rustte alle arbeid. In feestgewaad bewogen zich de kerkgangers door de straten, toen de twee Apostelen opgingen ter godsdienstoefening. In de synagoge was een, uit Joden en Heidenen bestaande, gemeente verzameld. De godsdienstoefening begon op de gebruikelijke wijze. De voorgangers der gemeente hadden de beide vreemde bezoekers opgemerkt en misschien reeds gehoord, dat zij wetgeleerden

19

-ocr page 34-

IN ANTIOCHTË.

waren. Toen dus hot gedeelte van de Schrift, besterad voor dien Sabbat, gelezen was, zonden zij den kerkedienaar tot hen met het verzoek een woord tot de vergadering te richten.

„Toen stond Paulus op en wenkte met de hand.quot; Met die woorden leidt Lukas de eerste prediking van den apostel in Klein-Azië in. De grond van het geloof der toehoorders, zoowel der Joden als der Heidenen, waren de geschiedenis en de voorspellingen aan Israel. Daaraan knoopte Paulus zijn prediking vast. In korte trekken doorliep hij de geschiedenis van Israel, beginnende bij de verlossing uit Egypte, tot aan de vrucht en kroon dier bevrijding: de verschijning van Jezus. Die groote gebeurtenis, die vóór vijftien jaren geheel Palestina in beweging had gebracht, liet hij hen mede doorleven. Hij schilderde hun den heraut der nieuwe bedeeling, den boetprediker en dooper, Johannes. Verblind door de grootheid zijner profetische gestalte houdt het geheele volk hem voor den beloofden Christus. „Ik de Messias?quot; zoo roept hij met afwijzend gebaar uit. „Neen! ik ben niet degene, dien gij verwacht, doch Hij volgt mij op den voet. Ik ben slechts de gezant, die ulieden zijn komst moet melden.quot; Eu inderdaad, weinige maanden later is Hij verschenen, op Wien de vaderen, op Wien gansch Israel sedert eeuwen gehoopt heeft. Kn nu beschreef Paulus in woorden, die getuigden van liefde, geestdrift en eerbied, het leven van Jezus, diens smadelijken dood en droevige begrafenis. Doch zie! meer dan door iets anders heeft God voor de geheele wereld zijn Zoon en gezant hierdoor gerechtvaardigd, dat zelfs het graf Hem niet houden kon. Op den derden dag is Hij in heerlijkheid opgestaan van de dooden, is sedert geruimen tijd aan z.jne jongeren verschenen, zoodat deze, hoe onverklaarbaar hun alles ook was, niet meer konden twijfelen aan zijne opstanding. Daarna heeft Hij zijne jongeren uitgezonden, om aan alle volkeren te verkondigen den welaangenamen dag der bevrijding van zonde en dood.

Zoo kom ook ik met Barnabas heden als bode des Verrezenen

20

-ocr page 35-

IN HET JAAR 4fi.

in de stad Antiochië. Gij hebt, zoo voer hij ongeveer voort, gij hebt tot nu toe uw heil gezocht in het Jodendom. Doch „dooide wet van Mozes kondt gij niet gerechtvaardigd worden.quot; Eerst „wie in Christus gelooft, wordt gerechtvaardigd!quot; Want aan allen, die in Hem gelooven, aan die allen, biedt hij heden een algemeens kwijtschelding, de vergeving der zonden aan. Met een ernstige waarschuwing het aangeboden heil niet te veronachtzamen, besloot de prediker.

Deze rede, die velen der toehoorders in de ooren klonk als de aankondiging eener nieuwe bedeeling, legde inderdaad den grond tot de eerste Christengemeente in Klein-Azië. Waren het geen nieuwe, nooit vernomen klanken uit de wereld des Christe-lijken geloofs, dat zij de zaligheid niet behoefden te verwerven door het angstvallig naleven van vele, ontelbaar vele Joodsche voorschriften, maar dat zij, als welkome kinderen, Gods huis mochten binnentreden op het woord der vrije, koninklijke genade, dat over de geheele wereld klonk? Toen Paulus en Barnabas weder naar huis gingen, werden zij reeds op straat omringd door velen der toehoorders, door Joden en Heidenen, die hun dankbaar de hand drukten en hen in optocht, als waren zij oude, geliefde vrienden, naar hun herberg geleiden. Vooral de Heidenen verzochten dringend, dat zij hun nog meer zouden vertellen omtrent de heerlijke boodschap uit het oude, beloofde land, het land der voorspelling en hunner hope. Ook vele Joden, die getroffen waren door de overeenstemming tusschen de Schrift en hetgeen Paulus verhaald had van Jezus, spraken dezelfde begeerte uit.

Zoo gebeurde het, dat gedurende de geheele week de beide apostolische mannen in de herberg een talrijke schare van toehoorders om zich verzamelden. Waarschijnlijk heeft Paulus hun medegedeeld, dat hij zelf nog voor weinige jaren de kerk van Christus te vuur en te zwaard had bestreden, totdat hem plotseling op een vervolgingstocht de Verrezene zelf verschenen was, en hem als door geweld, van een grimmigen vijand had

21

-ocr page 36-

IN ANTIOCHIË.

gemaakt tot den ijverigsten prediker van den Gekruisigde.

Dat was een heerlijk, aanmoedigend begin in het land Klein-Azië, dat hun zoo weinig gastvrij had toegeschenen. Slechts eenige dagen waren zij hier en reeds verzamelden zich iederen avond de leden eener gevestigde en zich steeds meer aaneensluitende gemeente. Het waren plechtige uren voor de Apostelen, wanneer zij afgingen naar den Anthius, die van den voet van den hoogen Sultan-Dagh naar het nabij gelegen meer Egordir stroomde, om in diens wateren de eerste Christen-Galatiërs te doopen, en hen te vermanen „te blijven bij de genade Gods.quot;

Door de geheele stad ging een machtige beweging. „De verwachte Messias is gekomen! Reeds voor tien jaren is Hij in Palestina opgetreden, en wij wisten het niet!quot; Deze woorden drongen door in iedere woning van Antiochië, waar men vroeger slechts terloops iets vernomen had van de hope Israels. In de huizen en op de straten van Antiochië sprak men met elkander over de merkwaardige prediking dei-beide Oosterlingen. De Zoon Gods zou als mensch verschenen zijn, zou gedood geworden, maar op eenmaal weder levend uit het graf opgestaan zijn, en de beide Apostelen als Zijne boden tot hen gezonden hebben, om ook in hunne stad aan Joden en Heidenen het rijk der genade te verkondigen. En al naar mate toen — na de alom van schrik bevangene tijden der regeering van den Keizer Caligula, of van Claudius en zijne Messalina, wier gruwelijke wanbedrijven bekend waren in liet geheele rijk — in al naar mate de geheele wereld gebukt ging onder een zwaren last en vol zorg de toekomst tegenblikte; naar die mate ook moest een des te machtiger indruk gemaakt worden door een prediking, die op een dergelijken achtergrond zulk een licht, opwekkend en hoopvol beeld schetste van de toekomst, en aan de geheele wereld het uitzicht gaf op beter, gelukkiger tijden. Indien niet bij ieder hart en geweten werden getroffen, dan werd toch in hooge mate de nieuwsgierigheid gaande gemaakt.

Door deze algemeen verspreide berichten werd op den vol-

22

-ocr page 37-

IN HET JAAR 46.

genden Sabbat, als door zoovele kerkklokken, een zeei talrijke schare naar de synagoge gelokt. Toen Paulus en Barnabas het gebouw binnentraden, vonden zij elke beschikbare plaats bezet. Inwoners uit ieder gedeelte der stad, stonden daar schouder aan schouder, want allen wenschten Paulus te hooren spreken. Met somberen blik aanschouwden zulks de oversten der synagoge en hunne vrienden. Tot hm was het volk nooit in zoo grooten getale tezamen gekomen. Nu evenwel, voor deze twee onbekende vreemdelingen, stroomde de geheele stad leeg, zoodat men in de gansche synagoge nauwelijks een plaats kon vinden.

Toch moesten zij nog eenmaal den predikstoel beschikbaar stellen voor de beide vreemdelingen, met het oog op de over-groote menigte, die bijna geheel Antiochië vertegenwoordigde. Zij waren echter overeengekomen, Paulus en Barnabas ditmaal krachtig te wedersproken. Hun nijd werd bovendien nog versterkt door een geest van verzet, die voortsproot uit verschil van beginsel. De ijdele Joodsche hoogmoed, die neerzag op alle andere natiën zelfs op de edelsten, als op een lager menschen-geslacht, dat eerst in de tweede plaats, door het Jodendom, deel kon hebben aan het Godsrijk, die hoogmoed voelde zich gekwetst door een leer, welke de poorten van het hemelrijk even wijd open zette voor deze Gralatische Heidenen als voor hen.

Toen daarom Paulus en Barnabas na elkander het, voor allen bestemde, Evangelie predikten op bezielde en toch tegelijk eenvoudige en overtuigende wijze, werden zij door de aanwezige Joden, die in alles als leiders des volks optraden, telkens in de rede gevallen door luide uitroepen van afkeuring. Ten slotte werd hun wederlegging van de algemeene noodiging aller volkeren tot het rijk Gods, zoo heftig, dat hun woorden ontaarden in lasteren en schelden, hetgeen de apostelen noodzaakte hun rede te staken. „Het was noodig,quot; zoo riepen zij den Joden toe, „dat eerst tot u het woord Gods gesproken zou worden. Doch nademaal gij hetzelve verstoot en uzelven des eeuwigen levens niet waardig oordeelt, ziet, wij

-ocr page 38-

24 IN ANTIOCHIË.

koeren ons tot Oe Heidenen.quot; En niet te vergeefs had Paulua in de jaren van stille afzondering in de Arabische woestijn of in Tarsen, het Oude Testament bestudeerd. Teneinde de tegenpartij te overtuigen, hielden hij on Barnabas hun do schoone, veelomvattende woorden van den Profeet Jesaja voor, waar God tot den Messias zegt: „Ik heb u gesteld tot een licht der Heidenen, opdat Gij zoudt zijn tot zaligheid tot aan het uiterste der aarde.quot;

Getroffen zwegen de tegenstanders. Den profeet Jesaja konden en durfden zij niet tegenspreken. Dus hadden de beide Apostelen het laatste woord, en terwijl de menigte kreten van vreugde aanhief, verlieten zij de synagoge. Want al de Heidenen, die door hunne prediking getroffen waren, erkenden in deze woorden van Jesaja het bewijs hunner gelijkstelling met de Joden, een voorrecht reeds in het Oude Testament door God te hunnen behoeve opgeteekend.

Van dien dag af werd het den beiden apostolischen mannen verboden, ooit weder in de synagoge te prediken. Doch wat nood? Zij predikten op andere plaatsen en de geheele stad kwam om hen te hooren. Een steeds aangroeiende schare verzamelde zich om de Apostelen, en keerde voor goed der synagoge den rug toe. Het werd den beiden zendelingen steeds duidelijker, dat de toekomst van het Godsrijk niet behoorde aan de stijfhoofdige, enghartige Joden, maar aan de vele volkeren, die het Evangelie dankbaar aannamen, hetwelk de eersten verachtten. Vooral Paulus werd er steeds meer van overtuigd, dat het zijn roeping was in dc eerste plaats het Evangelie te brengen aan de Heidenen.

Met groote opgewektheid vervulden Paulus en Barnabas hun ambt. Onvermoeid beijverden zij zich, om de ge.neente den diepen zin van het woord Gods te leeren kennen. En zij bepaalden zich niet tot de stad alleen, zij strekten hun zendings-arbeid ook uit tot de talrijke dorpen en kleinere steden, gelegen op de helling van den Sultan-Dagh, of verspreid i;i de vrucht

-ocr page 39-

IN HET JAAH 46.

bare, zuidelijk gelegen landstreek of in de richting van het meer. „Het woerd des Heeren werd door het geheele land uitgebreid.quot; Verscheiden kleinere gemeenten, wier namen door Lukas, helaas! niet zijn opgeteekend, werden op het platte land gesticht. Nog heden vindt men in den omtrek van Jalowadsch, of van den naburigen Sultan-Dagh menig vriendelijk, rijkelijk besproeid dorp, door tuinen omringd, in een lieflijk dal of schilderachtig tegen een der hellingen gelegen. Wij mogen niet aannemen, dat Paulus en Barnabas slechts eenige dagen of weken in Antiochië vertoefden. Eerder mogen wij onderstellen, dat zij een geheel jaar of langer daar gebleven zijn. Indien wij bedenken, dat deze eerste reis vijf jaren duurde, dan is zulk een tijd niet te ruim genomen; bovendien was hij noodig, niet alleen voor de Pisidische plattelandsgemeenten rondom Antiochië, maar ook voor de hoofdstad zelf, die in lateren tijd den kleineren gemeenten tot steun moest verstrekken. Om bovendien een gemeente genoegzaam bekend te maken met de christelijke geloofsleer, en haar in te richten volgens de christelijke instellingen, daartoe zijn geen veertien dagen voldoende, maai\' zulks eischt een langoren tijd van onvermoeiden, rustigen arbeid.

Dit gezegende werk werd plotseling onderbroken door een onverwachte gebeurtenis. Do Joden der synagoge aanschouwden met naijver en wrok den snellen wasdom der Christengemeente. Zij gevoelden zich als het ware ter zijde gezet. Alle vroegere, heidensche bezoekers der synagoge hadden zich van hen af en naar de beide Apostelen heen gewend. De oude, eerwaardige overleveringen omtrent de voorrechten der Joden in het rijk Gods, waren verdrongen door de, daarmede in strijd zijnde, prediking des Apostels. Zij moesten trachten, bevrijd te worden van do gehate en gevaarlijke mededingers. Het is den Joden eigen, om zich bij de volkeren, waarmede zij handel drijven, steeds in te dringen bij personen van aanzien, hetgeen hun door slimheid en geld ook gewoonlijk gelukt. Zoo was het ook in Antiochië.

25

-ocr page 40-

IN ANTIOCHIË.

Zij wisten verscheiden voorname vrouwen, die waarschijnlijk tot de regeeringskringen behoorden, voor zich te winnen, en slaagden erin deze diets te maken, dat het ter volvoering van Gods oogmerk en in het belang van den godsdienst een heilige plicht was, een eind te maken aan het werk van deze verleiders. En toen zij de vrouwen op hun hand hadden, schaarden zich de mannen ook aan hun zijde. Kortom, op zekeren dag vereenigden zich in de stad allen, die Paulus eu Barnabas vijandig gezind waren, en verwekten een volksoploop. Do beide mannen werden gegrepen en naar het Forum gebracht. Do leden van het stedelijk bestuur, wier vrouwen misschien in de zaak betrokken waren, lieten de beide boosdoeners onder bespotting en hoon uit de stad drijven. Mishandelingen zullen daarbij zeker niet ontbroken hebben. Wanneer Paulus, in 2 Kor. 11 : 2-4, meedeelt, dat hij door de Joden tot vijfmaal toe met 40 slagen is getuchtigd, dan mogen wij ook wel aannemen, dat de vertoornde Joden in Antiochië de gelegenheid zullen hebben aangegrepen, om hun woede op dergelijke wijze voor diens vertrek, aan Paulus te koelen.

Stormachtig was het afscheid van de gemeente te Antiochië, de eerste stedelijke gemeente in KleinAzië. Zooals later zoo dikwijls het geval zou zijn, moesten ook hier de predikers van hot Evangelie het veld ruimen, hoe schoone vruchten hun optreden ook had voortgebracht. Gelijk later menigmaal voorkwam, meenden de kortzichtige tegenstanders, dat aan den geestelijken invloed van het Evangelie paal en perk kon gesteld worden door wereldlijke macht.

Paulus en Barnabas vertrokken. „Doch zij schudden het stof van hunne voeten af tegen dezelve, en kwamen te Iconaim,quot; alzoo lezen wij in de „Handelingen.quot; Zij gevoelden zich geenszins somber te moede. Zij waren toch niet tevergeefs i:.i Antiochië geweest. Toen zij voor ongeveer een jaar in Klein-Azië waren gekomen, geloofde daar nog niemand in den Christus. Wanneer zij nu echter nog eens terugzagen op de stad, en de prachtige

26

-ocr page 41-

IN HET JAAR 46.

hoogten van den, zich ver boven haar verheffenden, Sultan-Dagh, dan rustte hun oog, waaruit vreugde en dankbaarheid i-prak, op een krans van bloeiende. Christelijke gemeenten, welko zij in deze bergen hunnen Heer hadden toegebracht.

Heden is het stil geworden op de plaats van het oude Antiochiö. Voorbij zijn de tijden van Paulus en Barnabas, voorbij zijn sedert lang de tijden, toen de eerste, met geestdrift bezielde kruisvaarders onder Bohemund van Tarente en Tankred na den vermoeienden tocht door Phrygië en Galatië, een welkome rustplaats vonden binnen de muren van Antiochiö in Pisidië. Doch steeds zullen deze puinhopen door ons in eere worden gehouden. Niet zonder aandoening kan men verwijlen op de overblijfsel on van zulk een machtig verleden, wanneer men bedenkt, dat hier die stoutmoedige gezanten van Christus hun eerste prediking gehouden, hun eerste gemeente in Klein-Azië gesticht en die merkwaardige breuk met het enghartige Jodendom in het leven geroepen hebben met do woorden: „Van nu af keeren wij ons tot de Heidenen!quot;

27

-ocr page 42-

*%*-

quot;iV ■%lt;; \' V \' W V\' V7 w

^ ^ v V\' ^ V ^

-ft -^1

liV-

NAAR ICONIUM.

ITct was oj) hot heilige Pinksterfeest in het jaar ]893, dat ik, onder geleide van eenige Turksclie en Tscherkessisehe ruiters, mij door de Turksche regeering verstrekt, over de groote steppe reed, op weg naar Iconium.

Het was een onvergelijkelijk schoone Pinkstermorgen. Zwijgend lag de onmetelijkte vlakte voor mij, waarover de zon juist opging. Hare eerste stralen wierpen een zacht rooden schijn over de schoon gevormde, besneeuwde toppen van den geweldigen Kara-dagh. Zoo ver het oog reikte, nergens oen mensch, om met mij het Pinksterfeest te vieren. Maar de uitgestrekte steppe iu Zondagsgewaad, de machtige vulkanen, die zich als zoovele eilandjes boven de onmetelijke vlakte verhieven, de gloeiende met sneeuw gekroonde toppen van den Taurus, den Kara-dagh, en den verwijderden Karadscha-dagh, zij allen schenen in aanbidding verzonken. Dc wolkcnlooze, blauwe hemel rustte als een onuitsprekelijk schoon en hoog gewelf op de gebergten, als op peilers. Du Eeuwige zelf scheen in al zijne heerlijkheid te wandelen door dezen dom, door Hemzelf opgebouwd. En hoewel heinde noch verre klokken luidden, was het mij, terwijl ik deze zwijgende pracht aanschouwde, of deze eenzame wereld, vol glans

-ocr page 43-

FN HET JAAR 47.

en heilige stilte, verzonken in ootmoedig gebed als met duizend stemmen scheen uit te roepen: „Dit is de dag des Heeren! Dit is de dag des Heeren!quot;

Zooals menige lezer zich zal herinneren, heerschte er in Europa gedurende de maand Mei van het jaar 1898, een weer-galooze droogte; hier evenwel, in het gebied van den Taurus, was de regen in buitengewonen overvloed neergevallen. Daar de groote hoogvlakte geen afwatering heeft naar het Zuiden, wegens het daar gelegen Taurus-gebergte, had zich het ondiepe meer, dat niet ver van Iconium ligt, eenige mijlen ver uitgebreid en moest ik een omweg maken van een halve dagreize. De ge-heele hoogvlakte was herschapen in een groot moeras. Overal zakten de paarden in den weeken bodem, en soms konden we niet dan met groote moeite een begaanbaar pad vinden. Mijn escorte, dat een weinig achtergebleven was, geraakte inderdaad zoo diep in den moerassigen grond, dat het er, zooals ik later hoorde, eerst na verscheiden uren weder uit kon komen. Ik reed dus alleen verder in de richting van Iconium, — voor het eerst zonder geleide en gids. Het kompas en mijn uitstekend paard waren mijn eenige hulpmiddelen en raadgevers. Zij geleidden mij echter veilig, want ik vond, hoewel geheel onbekend met de landstreek, opmerkelijker wijze den weg naar Iconium beter dan de Turksche ruiters. Eenzaam reed ik langs de oevers van het meer. Menschen ontmoette ik niet; honderdduizenden ooievaars, die zich in onafzienbare scharen aan de oevers van het meer gelegerd hadden, vervulden de lucht met hun onophoudelijk geklep.

Op deze eenzame hoogvlakte bevonden Paulus en Barnabas zich in een geheel andere wereld, dan op hun laatsten tocht van Perge naar Antiochie. Toen trokken zij door het zooveel afwisseling biedende, prachtige bergland van den Taurus, wiens toppen, welke zij nu in de verte zagen schitteren, soms een hoogte van 3500 M. bereiken. Nu aanschouwden zij een v/oeste, verlaten, eentonige landstreek, die overal het karakter draagt van

29

-ocr page 44-

NAAR ICONIÜM.

de woestijnen en steppen van Middel-Azië. In den zomer is deze hoogvlakte een schrikbarende zand-woestijn, waarop de zon gloeiend heet brandt, terwijl zij in den winter gedurende verscheiden maanden bedekt is met een dikke sneeuwlaag. Is de regentijd voorbij, dan gelijkt deze streek, waarvan het water niet kan wegvloeien, op een onafzienbaar moeras.

Het is ons niet bekend in welk jaargetijde Paulas en Barnabas door dit land reisden. In gedachten zag ik ze echter bijna voortdurend voor mij, de beide banierdragers van Jezus Christus, die uit Antiochië vluchtten naar Iconium, om ook daar het Evangelie te verkondigen.

Om tien uur bereikte ik een vervallen, grootsch gebouw. De voorpooten van mijn paard bond ik los tezamen, zoodat het niet kon wegloopen en liet het toen grazen. Daarna betrad ik het reusachtige gebouw, welks muren door den ouderdom zwart geworden waren, teneinde iets te nuttigen en te rusten, totdat het geleide aankwam. Doch helaas! mijn geheele proviand was geborgen in de tasschen, aan de zadels der ruiters bevestigd. Zoo moest ik mij dan vergenoegen met de herinneringen, die mij bestormden binnen deze muren, waarheen de onverwachte omweg mij gevoerd had. Merkwaardige sporen van vervlogen tijden ontdekte ik in de inwendige, groote ruimte, waarboven zich geen dak meer bevindt. Ingemetselde steenen waren met Grieksche opschriften, oud-Christelijke symbolen, kruizen, pelikanen, visschen, de letterteekens Alfa en Omega bedekt. Dat alles getuigde van het verre verleden, toen in geheel Lykaonië de Christelijke kerk bloeide, waarvan Paulus en Barnabas den grondslag gelegd hadden. Daarnevens vond ik ook sporen van de kruisvaarders, die eenmaal, vele eeuwen geleden langs dezen weg getrokken waren. Ofschoon ook het tegenwoordig uiterlijk van het gebouw de kenteekenen draagt van den tijd der Saracenen, toch zijn de sporen van hut grootsch verleden daarin niet uitgewischt; en het is te begrijpen, dat het hart van den Westerling, in deze eenzame, geheel

30

-ocr page 45-

IN HET JAAR 47.

van de wereld afgescheiden plaats krachtig geroerd werd.

En heden vierde men het Pinksterfeest! Sprak het niet van zelf, dat Ik dacht aan dat groote Pinksterfeest, hier eenmaal voor 700 jaren gevierd door den grijzen keizer Barbarossa met zijne duizenden Dultsche kruisvaarders! Neen, niet enkel do zucht tot avonturen heeft de oude kruisvaarders doen optrekken naar het Oosten, al mogen enkelen zulks beweren. Men moet kennis gemaakt hebben met deze verschroeide, troostelooze, Lykaonische steppen, waarop de brandende zou hare stralen neerzendt, waar geen koele bron den versmachtenden reiziger lafenis biedt, om te beseffen, dat deze legers, in wier gelederen zoovele Dnitsche mannen waren, waarvan er duizenden begraven liggen in deze woestijn, gedreven en aangevuurd werden door heilige geestdrift voor een, in waarheid vroom en verheven, ideaal.

Ik ten minste, werd bezield door een machtig gevoel van eerbied voor de oude kruisvaarders, toen ik mij in deze eentonige vlakte bevond, welke voor een Westersch leger zoo schrikverwekkend moet zijn. Hier trok zij eenmaal op, vol van geloofsmoed, de bloem der Westersche ridderschap, versierd met het roode kruis, ten einde het graf van den Verlosser in Jeruzalem te bevrijden. Onder de gloeiende zonnestralen reden of gingen zij zwaar gepantserd verder, terwijl de licht gewapende Sara-cenen hen van alle zijden, als muggen aanvielen en de gelederen dunden. Bij deze vijanden in menschelijke gedaante voegden zich bovendien honger, dorst, uitputting en ziekte. De woestijn werd voor haar een groot graf, ruim genoeg voor geheele armeeën. Zij verloren hun dapperste helden; eenige weken na den aftocht van Iconium zelfs hun beminden keizer Barbarossa. Doch niets kon het heilige vuur dooven, dat hen bezielde, dat hen aanspoorde om het graf des Verlossers te bevrijden.

Van uit het eenzame gebouw overzag ik de doodsche vlakte en stelde mij voor, welk een levendig tooneel zij eenmaal moet te aanschouwen gegeven hebben, toen in het jaar 1190 het

81

-ocr page 46-

NAAR ICONIUM.

Pinksterfeest daar gevierd word door mannen, wier banieren, helmen, lansen, pantsers en schilden in het zonlicht schitterden. Nog niet lang geleden hadden de Slt;),000 man zeven lange dagen noodig gehad, om over don Bosporus te trekken. Slechts 60,000 bereikten Iconium. Hieraan herinnert Uhland, waar hij zingt;

Toen Keizer Rood baard, forsch van hand,

Voortreisde naar liet Heil\'ge Land,

Voord\' eens dos vromen legers spoor Een woest en kaal gebergte door.

Daar kwamen z\\\\ in grooten nood:

Slechts rotsen zag men maar geen brood.

Het aantal paarden, door het leger medegevoerd, was tot het uiterst geringe getal van 500 geslonken. Wie niet, evenals die Zwabische ridder, zijn uitgeput, ziek paard zorgvuldig aan den teugel voortleidde, die doodde het en laafde zich met zijn bloed, omdat er voedsel noch water voor de dieren overig was. En hot vleesch dezer paarden was een lekkernij, zelfs voor vorsten.

Vóórdat de laatste strijd om het bezit van Iconium gestreden zou worden, werd halt gemaakt. Het geheele leger nam in de woestijn deel aan het Heilig Avondmaal. Daarna begon de kampstrijd. Doch hoe konden de 60,000 kruisvaarders onder do gloeiend heete Meizon weerstand bieden aan den 300,000 man sterken vijand. Reeds dreigden de voorste gelederen op de vlucht te gaan. Reeds hingen de priesters en bisschoppen hun priestergewaad om, ten einde in het heilige kleed te sterven. Toon plaatste zich de grijze keizer Barbarossa aan het hoofd der vluchtelingen en onder den machtigen, ver klinkenden uitroep: „Christus zegeviert! Christus zegeviert! „stormde hij op de Turken los. Toen wendden zich op eenmaal de Duitsche gelederen; met nieuwen moed bezield door het voorbeeld huns keizers en onder den duizendvoudigen kreet: „Christus zegeviert!quot; violen zij als leeuwen op den vijand. Deze geraakte in verwarring, wijl hij meende, dat zijn tegenpartij door versche troepen vor-

32

-ocr page 47-

IN HET JAAR 47.

sterkt was. En toen zij zich door schrik overmand omkeerden, zagen zij tot hun ontzetting, dat de Duitsche vanen reeds op de poorten van Iconium wapperden, inmiddels door hertog Fre-dorik daarop geplant. Nu sloeg de vijand in allerijl op de vlucht. Tienduizend man vond den dood door het Duitsche zwaard.

Tegen den avond trokken de overwinnaars onder vroolijk gejuich de poorten der stad binnen. Keizer Barbarossa, die hier zijn laatste zege bevochten had, viel zijn zoon, den hertog Frederik, om den hals en kuste hem herhaalde malen. De overgang van den grootsten nood tot de hoogste vreugde, van het uiterste gebrek tot de onuitputtelijke schatten van Iconium was zoo overweldigend, zoo plotseling, dat allen Gods genadige, reddende hand erkenden in deze overwinning, zonder welke zij stellig allen op ellendige wijze in de woestijn zouden zijn omgekomen. Daarom ook liet keizer Barbarossa een plechtigen dankstond in Iconium houden, die door alle kruisvaarders werd bijgewoond, en beval hij den bisschop van Mainz te prediken naar aanleiding van een tekst, die zeker nog nooit zoo toepasselijk was op eenig feit, als op de zooeven verhaalde gebeurtenis, n.1. over de woorden van Handelingen 13 : 51: „Zij echter schudden het stof van hunne voeten af tegen dezelve en kwamen te Iconium.quot;

Verscheiden uren had ik in het oude gebouw gewacht. Daar mijn geleide nog steeds uitbleef, schudde ook ik het stof van de voeten en reed op mijn paard alleen naar Iconium. Het was namiddag, toon ik in de verte een donker punt in de steppen zag opdoemen. Het werd steeds grooter, naarmate ik het meer nabij kwam. Het was de bloeiende oase van Iconium. Hoe voelde ik mij na den langen rit door de woestijn verkwikt door dit gezicht! Het oog aanschouwde weder bloeiende tuinen, saprijke, groene boomen, statige torens, die zich ten hemel hieven.

Ook ik droomde, evenals de oude kruisvaarders, van de onuitputtelijke schatten, die mij in Iconium wachtten; van een behaaglijk leger voor den nacht, beschaduwde pleinen, klaterende

3

33

-ocr page 48-

NAAR ICONIUM.

bronnen, vriendelijke huizen en menschen. Stelt u dus mijne teleurstelling voor, toen ik, Iconium binnen rijdend, slechts armzalige, vuile, leemen hutten zonder vensters voor mij zag, zoodat ik in ieder geval verre de voorkeur zou gegeven hebben aan een nachtverblijf onder den blooten hemel. Een stokoud, kromgebogen moedertje was de eerste dochter van Iconium, die ik ontmoette. Nauwelijks werd zij mij gewaar, of zij sloeg nijdig, als antwoord op mijn groet, den sluier voor het gelaat, opdat het verborgen zou blijven voor het oog eens mans. Ik reed verder. Ik droeg een Turkschen soldaten-mantel, rijlaarzen en een roode Turksche muts. Daardoor was ik eigenlijk geen in het oog loopende verschijning. Ondanks mijn kleeding echter, misschien wegens den verraderlijken bril, die mij als een vreemdeling kenmerkte, had ik spoedig een troep Turksche bengels achter mij aan, die mij straat uit, straat in volgden. Met Argus-oogen blikte ik rond, ten einde een eenigszins dragelijke pleisterplaats te vinden.

Hoe verder ik de stad binnenreed, des te gunstiger werd ook mijn oordeel over het tegenwoordige Iconium. Hoe meer ik het midden der stad naderde, des te beter en steviger werden de huizen. Langzamerhand zag ik groote statige gebouwen, waarboven de blauwe, steenen koepels der groote moskee in het zonlicht schitterden. Daar was ook de bazaar, het middelpunt van elke Oostersche stad\'; daar vereenigen zich alle draden, welke haar in beweging brengen. Bedrijvig liep de menigte in haar schilderachtige, Klein-Aziatische kleederdracht af en aan. Evenals in Jeruzalem en Damaskus zaten ook hier in de winkels ter rechter- en linkerzijde de, een tulband dragende, kooplieden op tapijten en divans, hun pijpen rookend en waren aanprijzend. In de winkels zag ik een rijke verscheidenheid van p3-achtige tapijten, geweven zadeltasschen en andere kostbare weefsels.

In den bazaar vernam ik, dat in de stad een Christen-koopman uit Aleppo woonde, die Abdalla-Turkmeni heette. Daarheen liet ik mij den weg wijzen. Hoe vriendelijk groette mij het, boven

34

-ocr page 49-

IN HET JAAE 47.

35

de huisdeur gebeitelde, kruis, het teeken, dat hier menschen woonden, die nog hetzelfde geloof beleden, dat eenmaal, vóór 1800 jaren, vóór den tijd van Turken en Mohammedanen, door Paulus en Barnabas binnen de muren van deze stad verkondigd was. Ik klopte aan en deed een beroep op de gastvrijheid dei-bewoners. En met die gastvrijheid, welke men in het Westen niet zonder reden roemt, werd ik in het huis der Syrische Christenen opgenomen en gedurende verscheiden dagen verzorgd, alsof ik een lang verwachte gast en huisvriend geweest ware. Nog geen uur nadat ik als een verdwaalde den weg had gezocht door de uitgestrekte moerassen, voelde ik mij geheel te huis in deze vreemde omgeving, en verheugde er mij op, dat ik hot hoofd zou kunnen nederleggen in de stad, die Paulus en Barnabas ook eenmaal als vreemdelingen hadden betreden, en waar zij spoedig in menige woning het heilige vuur des Christelijken geloofs hadden ontstoken.

-ocr page 50-

IN ICOIÏITJM.

Na een marsch van drie of vier dagen zagen de uit Antiochiö verdreven Apostelen, Paulus en Barnabas, de schoone tninen en landhuizen van Iconium\'s voorstad voor zich.

Ongeveer in den tijd, dat zij naar Iconium trokken, was deze stad door keizer Claudius verheven tot een Romeinsche kolonie, opdat door haar, evenals door Antiochie, de band tusschen het binnenland van Likaonië en het Romeinsche rijk des te hechter zou worden. Nu werd ook de oude, tot nu toe kleine hoofdplaats van Lykaonië spoedig een bloeiende, aanzienlijke stad. De overheid bestond uit Romeinsche archonten. Een Romeinsche bezetting waakte over den landsvrede. Handel en nijverheid bloeiden onder de bescherming der Romeinsche adelaars. De groote handelsweg, die dwars door Klein-Azië heen loopend, de oase van Iconium doorsnijdt, was volkomen veilig. Nu kon de ondernemende koopman, onder de beschutting der Romeinsche wapenen, zich ook tot in het binnenland wagen. Geen wonder dus, dat ook de Joodsche koopman zich door die gunstige omstandigheden liet verlokken tot winstgevende ondernemingen. Een niet onaanzienlijke Joden-gemeente had zich in de stad gevestigd, en de statige synagoge leverde het bewijs, dat zij zich hier volkomen op haar plaats gevoelde.

-ocr page 51-

IN HET JAAR 47.

Ook de prediking des Evangelies vond in Iconium een wel toebereiden bodem. De meer ernstig gezinde en dieper nadenkende bewoners dezer landstreek, dien de oude godsdienst niet langer bevredigen kon, zagen verlangend uit naar een hoogere waarheid. Wü bevinden ons toch in het land, waar juist te dien tijde een Apollonius van Tyana, een Peregrinus Proteus en Alexander van Abonotichus de geheele wereld van zich deden spreken door hunne religieuse, thaumaturgische en ascetische ideeën. Natuurlijk hadden ook de Joden uit de heidenen talrijke proselieten gemaakt, welke geregeld met hen in de synagoge samen kwamen.

Zoo vonden dan Paulus en Barnabas in Iconium een, in vele opzichten wel toebereiden, akker. Op den eersten sabbat gingen zij terstond naar de synagoge. Daar was een gemeente samen gekomen, uit Joden, Grieken, Lykaöniërs en wellicht ook uit Romeinen bestai-.ide. Nadat de gewone godsdienstige gebruiken in acht waren genomen, kregen de beide Apostelen het woord. Lukas bericht ons niets omtrent hun prediking. Wel meldt hij ons met welk een buitengewonen uitslag zij bekroond werd. .,Een groote menigte, beide van Joden en Grieken, geloofde.quot; Weliswaar verwekten de Joden ook hier spoedig denzelfden tegenstand als in Antiochië, doch hun tegenwerking droeg er waarschijnlijk nog toe bij, om de geheele stad op de beide vreemde predikers opmerkzaam te maken. De Apostelen konden zich bovendien beroepen op de Romeinsche overheid, daar Paulus voor zijn persoon de voorrechten eens Romeinsche burgers bezat. In ieder geval werd den beiden strijders voor het Evangelie, gedurende hun langdurige werkzaamheid in Iconium, niet het geringste in den weg gelegd. „Zij leerden vrijmoediglijk in den Heer,quot; zoo lezen we in de „Handelingen der Apostelenquot;. Zoo kan het ons dus niet verwonderen, dat het hun gelukte, Iconium te maken tot een sterken voorpost voor de toekomstige kerk van Galatië. Bovendien gaf de onzichtbare Heer der Kerk den Iconiërs duidelijk te gevoelen, dat deze beide knechten van

37

-ocr page 52-

IN ICONIUM.

Jezus Christus gerugsteund werden door een veel machtiger persoon. De Heer „gaf getuigenis aan het woord Zijner genade en liet teekenen en wouderen geschieden door hunne handen.quot; (Hand. 14 : 3).

Zoo hadden zich dan de beide apostelen spoedig ingeleefd in Iconium en zijne, zoo spoedig tot bloei gekomen, Christelijke gemeente. Zij waren stellig reeds langer dan een jaar in de stad, en nog dachten zij niet aan vertrekken. Het was er hun namelijk niet alleen om te doen, de jonge gemeente zoodanig te bc vestigen, dat zij bestand was tegen alle door menschen verwekte stormen, doch zij hoopten ook van uit dit vaste punt de kerk uit te breiden over de omliggende streken van Gfalatië.

Ongetwijfeld heeft Paulus gedurende dezen tijd zijn brood met handenarbeid verdiend, hetgeen in zijn later leven ook dikwijls het geval was. Zeer waarschijnlijk is het ook, dat Barnabas hem daarbij geholpen heeft. Nooit wilde Paulus leven op kosten van de jonge gemeente; want indien hij zulks deed, zou hij den tegenstanders des Evangelies een welkome aan leiding tot verdachtmaking gegeven hebben. Wie weet, hoeveel hem hier herinnerd heeft aan zijn geboortestad Tarsen, aan do overzijde van den Taurus gelegen. Heden ten dage ziet men in de bazaars van Konia voornamelijk weefsels, tapijten, zadel-tasschen, gordels en dergelijke zaken; zoo was het ook ten tijde van Paulus. De tallooze kudden schapen en geiten, die deels op de noordelijke hellingen van den Taurus, deels in de uitgestrekte, vruchtbare dreven van het binnenland graasden, plaatsten toen voornamelijk Klein-Aziö aan de spits der wolindustrie en der weverijen. Vooral de vellen der angorageiten en mohair-schapen, met hun lange, zachte, zijdeachtige, zuiver witte wol, waarvan ook ik in 1893 een prachtig exemplaar uit Iconium meegenomen heb, waren reeds toenmaals een voornaam artikel voor den wereldhandel. Van uit Iconium voerden de handelskaravanen groote hoeveelheden wol naar Tarsen en waarschijnlijk had Paulus in vroeger tijden meer dan een

38

-ocr page 53-

IN HET JAAR 47.

kameelslading Iconische wol in zijn werkplaats verwerkt.

Het viel alzoo den beiden Apostelen niet zwaar, om overdag, wanneer ook de andere mensehen hunne bezigheden hadden, het dagelijksch brood te verdienen. Des avonds kwamen de Christenen bij hen samen, en op den Zondag hielden zij godsdienstoefening en vierden zij het Avondmaal. Barnabas, de zoon der Jeruzalemsche gemeente, heeft waarschijnlijk der jonge gemeente de gewijde geschiedenis medegedeeld. Hij voerde zijne toehoorders mede naar het Beloofde Land, naar de oevers van liet meer Genezareth; deed hen nederzitten met de menigte om te luisteren naar de Bergrede; hen getuige zijn van de opwekking des jongelings te Naïn of van Lazarus; bracht hen in de feestelijke samenkomsten te Jeruzalem, gedurende de lijdensweek; naar Gethsemane en Golgotha; en gaf hun den schoo-nen Paaschmorgen en de Hemelvaart te aanschouwen. En wat Paulus, de scherpzinnige dogmaticus en welsprekende redenaar, wat hij, de bezielde prediker, hun verkondigd heeft van de alleen zaligmakende genade Gods in Christus, dat kunnen- wij nog heden nalezen in den oorspronkelijken, zorgvuldig bewaarden zendbrief aan de Galatische kerk, welke in het N. Testament staat opgeteekend en die ook aan de gemeente te Iconium gericht was.

Waarschijnlijk beperkten de Apostelen hunne prediking niet tot de stad Iconium, maar richtten zij zich, zooals van Antiochië, Lystra en Derbe nadrukkelijk vermeld wordt, ook tot de omliggende landstreken. Naar het Noorden, Oosten en Zuiden konden zij zich echter onmogelijk wenden. Naar die zijden, waar de vruchtbare oase aan de uitgestrekte steppe grensde, zou men ook toen, het vruchtbare gebied van Karabunar, Ismil en Eregli uitgezonderd, te vergeefs steden of dorpen gezocht hebben. In de westelijke gelegen gebergten evenwel, alsook in de liefelijke dalen van den Ala-Dagh en Loras-Dagh lagen tal van dorpen, waar zij het Evangelie hadden kunnen brengen.

Het best overziet men deze landstreek, wanneer men den

39

-ocr page 54-

IN ICONIUM.

40

heuvel beklimt, die zich in het westelijk deel der stad bevindt, en vanwaar men een vrij uitzicht heeft naar alle richtingen. Vroeger, ten tijde van Paulus, hebben misschien de Akropolis en een Heidensche tempel op dezen heuvel gestaan. Tegenwoordig is een werktuig hier opgesteld, waarop de bewoners van Konia niet weinig trotsch zijn, n.1. een torenuurwerk, ss a h a t genoemd, dat den tijd aangeeft voor de stad en de gebeden der Mohammedanen. Wanneer men, op de hoogte staande, den blik richt naar de met sneeuw bedekte gebergten, bemerkt men eerst ten volle, hoe hoog dit plateau gelegen is. Iconium ligt op een hoogte van 1150 M., dus aanmerkelijk hooger dan Jeruzalem en Damaskus, of nog iets hooger dan bij ons in Europa de groote St. Gotthard-tunnel tusschen Göschenen en Airoio. Paulus, die het grootste deel zijns levens had doorgebracht in do heete, aan zee gelegen vlakte van Tarsen, moest zich dus eerst gewennen aan het aangename, frissche klimaat van Iconium en de koele, opwekkende, van den Taurus komende winden. Het vergezicht, dat men op den eenigen heuvel van Iconium geniet, loont de moeite ten zeerste. Onvergetelijk is mij de morgen, toen ik nog voor zonsopgang mijn woning verliet, coor de stille straten van Konia wandelde en den heuvel besteeg. De zon ging juist op over de wijde steppe, en zette haar in gouden gloed. Iconium scheen ingesloten te zijn door een krans van schoone gebergten, hoewel in werkelijkheid de enkele gebergten dikwijls ver van elkander verwijderd zijn. In het Zuiden schitterden de majestueuze, met sneeuw bedekte toppen van den Kara-Dagh en den Bosola-Dagh in het licht der morgenzon. In het Westen verhief zich de Ala-Dagh endebreedo Loras-Dagh, eveneens in Mei nog met sneeuw bedekt. Op schijnbaar geringen afstand zagen de voorgebergten, de Ajos Theodores en de Monastir op Konia neder. Ook naar het Noorden werd de horizon begrensd door een lageren bergketen, die zich uitstrekt tot aan den, zich in het Oosten verheffenden, reusachtigen Karadscha-Dagh, een trotschen, stellentrachijt-

-ocr page 55-

IS HEX JAAil 48.

kegel, die den gebergtekrans sluit. Beneden, aan mijne voeten lag de stad Konia, heerlijk verlicht door de stralen der morgenzon. Het meer, aan gene zijde der stad, schitterde en flikkerde als een gouden schild! Hoe tooverachtig lichtte de blauwe, steenen koepel der groote Tekke-moskee! En rondom verhieven zich boven de vele huizen de slanke minarets der moskeeën, zoodat de stad, ondanks de talrijke leemen hutten, van hier af gezien, een grootschen indruk maakte en herinnerde aan een echte Kaliefen-stad, waarop het verleden zijn stempel heeft gedrukt. De menigte populieren, platanen, cypressen, granaat-, kweeperen- en andere ooftboomen droegen er bovendien voel toe bij, om de stad een vriendelijk, liefelijk aanzien te geven.

Hoe dikwijls zouden Paulus en Barnabas op deze hoogte gestaan hebben! In het zuiden zag Paulus dan het indrukwekkende Taurusgebergte, welks besneeuwde toppen hij reeds in zijn jeugd, in Tarsen, doch van de andere zijde, gezien en begroet had. Onwillekeurig zocht mijn oog van hier te midden der vele huizen naar de plaats, waar misschien het huis gestaan had, dat Paulus en Barnabas bewoonden, toen zij voor 1800 jaar het Evangelie in de stad verkondigden. Doch de vele koepels en moskeeën zijn de sprekende bewijzen, dat reeds sedert lang ieder spoor is uitgewischt, dat zou kunnen herinneren aan den Christelijken tijd dezer merkwaardige stad.

Of de Apostelen een of twee jaar in Iconium gebleven zijn, weten wij niet. Lukas teekent alleen dit weinige op: „zij verkeerden aldaar een langen tijdquot; (Hand. 14 : 3). Hun vertrek werd om dezelfde redenen en even plotseling als in Antiochiö noodzakelijk gemaakt. Het kan ons niet verwonderen, dat do Joden, voor zoover zij niet hot oor leenden aan de prediking, steeds meer verbitterd werden, naarmate het Evangelie veld won. Do Christelijke predikers deden immers de grootste afbreuk aan de Synagoge. De zoo zeer gewenschte proselieten wendden zich bijna allen tot het Christendom. Op die wijze groeide de nieuwe gemeente zeer ten nadeele van de oude. In veler oog

41

-ocr page 56-

IN ICONIUM.

waren Paulus en Barnabas hoogst trouwelooze afvalligen. Noemden zij niet den redder der menschlieid een man, die in Jeruzalem door de oversten hunner kerk als een vloekwaardig misdadiger was ter dood gebracht. Zij hadden geen Joden moeten zijn, en niet bezield met dien dweepzieken ijver hun volks, om niet alles in het werk te stellen, ten einde de predikers en de nieuwe gemeente in het verderf te storten.

Ia der daad gelukte het den Joden, de Apostelen onverhoeds te verdrijven uit de stad, waar zij zoo langen tijd ongehinderd het Evangelie hadden mogen verkondigen. Door kuiperijen bewerkten zij, dat een groot deel der invloedrijke burgers zich vereenigden met de tegenstanders. De stad werd verdeeld in twee partijen, een voor en een tegen de apostelen, en op zekeren dag brak de zorgvuldig voorbereide opstand met woede los. De lagere volksklasse van Iconium, wellicht door goud of zilver omgekocht, werd mobiel gemaakt. De toestand werd te meer ingewikkeld, omdat het den Joden gelukt was de regeerende Archonten ook tot hun zijde te doen overhellen. Het was om niets minder, dan om het leven der beide Apostelen te doen. Eeeds riepen luide stemmen onder de menigte, dat mén de vreemdelingen moest steenigen.

Paulus en Barnabas, die in hun woning waren, werden opmerkzaam gemaakt op het steeds meer naderende, dreigende gevaar. Ofschoon de Christen-gemeente talrijk genoeg was, om zich met de vijanden te kunnen meten, toch was de geest des Evangelies reeds te diep in hun hart doorgedrongen, dan dat zij er aan dachten, de zaak huns Meesters, Jezus Christus, mot de wapenen te verdedigen. Toen de kreten der naderende, opgezweepte menigte, welke Paulus en Barnabas zocht, steeds duidelijker tot hen doordrongen, gelukte het den twee boden des Evangelies, de stad na een kort afscheid heimelijk te verlaten. Na verloop van een half uur bevonden zij zich reeds op don weg, die naar het Zuid-Oosten, naar den Ka ra-Dag h voert, en het kwam hun voor, dat de stralende, besneeuwde top van

42

-ocr page 57-

IN HET JAAR 48.

het gebergte hen wenkte en noocligde om ook in andere gedeelten des lands het Evangelie te verkondigen.

De gemeente bleef voorloopig zonder voorganger, en het is te begrijpen, dat de haat der tegenpartij nu op haar werd overgebracht. Hes schijnt dan ook, dat de Galatische gemeente in die tijden veel te verduren heeft gehad (Gal. 3 : 4). Doch de Christen-gemeente te Iconium was reeds te groot en te zeer doordrongen van den geest des Evangelies, dan dat do haat en vervolging der vijanden iets anders kon uitwerken, dan een nauwere aaneensluiting der leden en een krachtig vasthouden aan Jezus Christus, dien zij wilden volgen en getrouw blijven tot in den dood. Met ontroering ziet dan ook Paul us na jaren op dezen tijd der eerste liefde van zijne Galatiërs terug. „Gij liept wel!quot; zoo roept hij hun in zijn brief toe.

Sedert dien tijd zijn eeuwen over Iconium heengegaan. Langen tijd was de stad het middelpunt der Christelijke kerk in liet binnenland van Klein-Azië. Du storm, door den Islam verwekt, richtte plotseling de kerk door Paulus en Barnabas gesticht, te gronde. De Halve Maan heerscht sedert eeuwen; het kruis van Christus ligt vertreden in het stof. Do Christelijke kerk is begraven onder de stad, evenals de gemeente, die daarin eenmaal samen kwam. De stad zelf echter, werd door den Islam opgevoerd tot een hoogte, waarvan het nederig Iconium van Paulus tijd zelfs nooit had vermogen te droomen. Het werd de verblijfplaats der Sultans, de hoofdstad van geheel Klein-Azië, terwijl het toon stralende Ephesus, de trots van het schier-eiland, sedert lang in het stille graf rustte.

Nog heden is de Tekke-moskee, waarin de Sultans en hunne naaste bloedverwanten begraven liggen, het meest belangrijke en bezienswaardige gebouw van Konia. De graven tezamen vormen een reusachtig, steenen graf, dat bedekt is met prachtige, hoogst kostbare tapijten en weefsels. Aan het hoofdeneinde bevindt zich een steen, waarop tulbanden van zware zijde gelegd zijn, als zinnebeeld van de grootheid der daaronder lig-

43

-ocr page 58-

IN ICONIUM.

gende dooden. Prachtige, kostbare lampen, met goud on edelgesteenten versierd, hangen aan de zoldering. Doch echt turksch is het, dat het den barbaren niet hindert, dat daarnevens ook verscheiden gewone stallantaarns hangen, die aangestoken worden. Overigens zijn in Konia ook andere, oude moskeeën, die nog voor weinige tientallen van jaren aan het verval waren prijsgegeven, weder prachtig hersteld. De moeder van den Sultan heeft door talrijke vrome stichtingen er veel toe bijgedragen om het tegenwoordig Konia zulk een vorstelijk aanzien te geven. Zooals mij de stadsarchitekt van Konia vertelde, bestaat de tegenwoordige stad uit ongeveer 160(30 huizen. Wanneer men nu het aantal bewoners van ieder huis op vijf stelt, dan zou men komen tot een zielental van 80.000 inwoners.

Slechts enkele Armenische Christenen doen het machtige, wereld-overwinnende geloof voortleven, dat Paulus en Barnabas hier vroeger met zooveel trouw en volharding gekweekt hebben. In liet jaar 1896 is de aanleg van den spoorweg voltooid, waardoor Duitsche ondernemers Konia met Konstantinopel en later misschien zelfs met het dal van den Euphraat willen verbinden. Daardoor is de stad na vele eeuwen van vergetelheid plotseling weder gesteld tot een middelpunt voor den wereldhandel. Zou daardoor ook weder voor het Evangelie den weg gebaand zijn tot naar Iconium, waar do Blijde Boodschap voor 1800 jaren weerklonk, toen nog geen enkele bewoner dor Germaanscho wouden daarvan iets vermoedde?

44

-ocr page 59-

IN LYSTRE.

Door de woeste steppe, die zich tusschen de oftse van Iconium en den Kara-Dagh uitstrekt, togen Paulus en Barnabas naar Lystre. Deze stad lag ongetwijfeld in Zuid-Oostelijke richting van Iconium, doch stellige gegevens omtrent de juiste ligging bezitten wij niet. Lystre lag in dien tijd buiten den stroom der wereldgeschiedenis. Indien de beide vluchtende Apostelen hunne schreden niet daarheen gericht hadden, dan zou men over \'t algemeen nu niets meer weten van liet bestaan van Lystre. Nu echter blinkt die naam ook als een der vier gouden kandelaren van Klein-Azië, waarop het licht des Evangelies ontstoken werd gedurende de eerste zendingsreis.

Lystre onderscheidt zich van de steden, tot nu toe door Paulus en Barnabas bezocht, hierdoor, dat het blijkbaar een geheel Heidensche stad was. Er woonde geen enkele Jood. Het schijnt bijna, alsof de beide Apostelen, ten gevolge van de, door de Joden verwekte, vervolgingen, ditmaal met de keus van het doel der reis, in ernst gevolg gaven aan de te Antiochië en Pisidië uitgesproken bedreiging: „Van nu aan keeren wij ons tot de Heidenen!quot; In de afgelegen stad was men nog niet geheel op de hoogte van de Grieksche taal en zeden. Men verstond de Grieksch-sprekende Apostelen wel, doch het volk

-ocr page 60-

IN LYSTRE.

sprak onder elkander nog steeds het Lykaönisch dialekt, dat zich gedurende eeuwen had staande gehouden.

In de Handelingen der Apostelen vinden wij een uitvoerige mededeeling omtrent de eerste prediking in Lystre en den diepen indruk, dien deze op de bevolking maakte. Zooals gewoonlijk schijnt de welbespraakte en vurige Paulus het woord gevoerd te hebben. Ofschoon oorspronkelijk Barnabas naar Tar-sen was gegaan, ten einde Paulus te verzoeken als zijn metgezel en helper op te treden, had reeds sedert lang de laatste de leiding op zich genomen en de edele Barnabas ruimde gaarne voor Paulus de eerste plaats in. Zij dienden immers een en denzelfden Heer en hadden beiden slechts éen wensch, n.1. het Evangelie van Christus aan allen in dit land bekend te maken.

Paulus sprak dus. Vóór hem zat een talrijke menigte. Allen schenen hem bekend, omdat hij in Tarsen, als kind de bewoners van den Taurus aan gene zijde van het gebergte, zoo dikwijls ontmoet had. Met gespannen aandacht zagen aller oogen tot hem op. Doch onder de vele opmerkzame toehoorders viel zijn blik op het gelaat van een armen, lammen man, die hem onafgebroken aanstaarde. In die schitterende oogen las men de vreugde eener begenadigde ziel, voor welke door de verkondiging des Evangelies een nieuwe wereld van vrede en hoop zich ontsloten had, voor welke de gehoorde woorden over Jezus\' macht tot genezing van kranken, zoo geheel en al waarheid waren, dat hij slechts op het woord scheen te wachten, dat ook zijn krachteloos lichaam genezing zou aanbrengen.

Daar hield Paulus plotseling met spreken op, zag den kranke vast in het gelaat en riep: „Sta recht op uwe voeten!quot;

De man hoort het bevel, — gehoorzaamt, — en springt op!

Stom van verbazing zien de bewoners van Lystre alles gebeuren. De genezene was een in de stad welbekende persoon; van zijne geboorte af was hij lam geweest. Een buitengewone geestdrift maakt zich van allen meester. Paulus had in het

4fi

-ocr page 61-

IN HET JAAR 49.

Grieksch tot hen gesproken, doch in dit oogenblik van over-groote verbazing drukken zij zich het liefst uit in de eigen moedertaal. Getroffen, overweldigd als zij zijn, roepen zij elkander in het Lykaönisch toe, welke ongelooflijke gebeurtenis zij aanschouwd hebben. Er ligt iets roerends, iets kinderlijk eenvoudigs in de wijze, waarop het verbaasde volk lucht geeft aan zijn vreugde. „De goden,quot; of, zooals wij naar ons spraakgebruik zeggen zouden, „de goede God-zelf is tot ons gekomen!quot; zoo roepen zij elkander toe. De geestdrift der toehoorders deelt zich weldra aan het geheele stadje mede. Spoedig klinkt het door alle straten, in een taal, die den Apostelen eerst onverstaanbaar was: „De goden zijn in menschelijke gedaante nedergekomen en hebben Lystre bezocht!quot;

De opgewonden menigte was het er ook spoedig over eens, welke goden het stadje met een bezoek vereerd hadden. Ieder kind uit Lystre kende immers de lieflijke sage, volgens welke in den grijzen voortijd de vader aller goden, Zeus, zijn hemel-sche woning zou hebben verlaten, om met zijn bode, Hermes, in onaanzienlijke gestalte op aarde rond te wandelen, ten einde de gezindheid der menschenkinderen te leeren kennen. Zij kwamen ook in Lystre. Bij armen en rijken klopten de beide hongerige, vermoeide wandelaars aan, en verzochten nederig om huisvesting. Doch overal werden zij op onvriendelijke wijze afgewezen, tot zij eindelijk aan het eind van Lystre, aan den zoom van het bosch, aan de kleine hut klopten waarin een arm, doch door trouwe, reine liefde gelukkig echtpaar, Philemon Baucis, woonde. Deze eenvoudige menschen namen de mannen vriendelijk en liefderijk op. Den volgenden morgen maakte Zeus zich bekend en stond hun toe een wetisch uit te spreken. Toen wenschten zij, dat zij tot in hun ouderdom gezond mochten blijven en eindelijk te zamen op denzelfden dag sterven. En Zeus beloofde hun vriendelijk de vervulling van dezen wensch. Aan deze sage uit den ouden tijd dachten de goede bewoners van Lystre, toen zij zagen, wat Paulus gedaan had: een daad,

47

-ocr page 62-

waaruit voor hen duidelijk een goddelijke macht sprak. Barna- mf bas met zijn wellicht indrukwekkende gestalte, zijn stilzwijgen,

dat voor hen nu zoo veel beteekenis had, was de verheven, ^ij zwijgende vader aller goden, Jupiter of Zeus. Paul us de bekwame | ov

redenaar was de bode der goden. Hermes of Merkurius, de god jy,

der wijsheid, des verstands, en der welsprekendheid, die de be- 7\\ velen van Zeus placht ten uitvoer te brengen.

In Lystre werd aan Zeus een afzonderlijke dienst gewijd. Zijn p

priester woonde in de stad. Deze stelt zich nu aan het hoofd der zi opgewonden menigte. Op de markt komen allen samen. In

allerijl worden ossen gehaald en bekranst, ten einde geofferd ^

te worden. Ook het volk tooit zich voor het feest met geurige j

kransen. Terwijl de fluiten schallen en andere muziek zich laat (■

hooren, trekt de feestelijke optocht naar de stadspoort, om t ]

_

daaraan de voeten van den, uit marmer gehouwen, Olympischen Zeus, met zijn golvende lokken en vollen baard, een offer te brengen aan hun machtigen, in menschelijke gestalte neerge-daalden beschermgod, en hulde te brengen aan de beide hemel-sche gasten.

Paulus en Barnabus begrepen aanvankelijk niet, wat deze feestelijke toebereidselen van het volk, dat om hun bijgeloof bekend was, te beteekenen hadden, vooral omdat de menschen Lykaönisch spraken. Toen zij echter inzagen, waartoe deze stormachtige betuigingen dienen moesten, stelden zij zich ijlings midden onder de menigte, om dit eigenaardig, bijna onbegrijpe lijk misverstand op te helderen. Luid vermaanden zij de menschen, om van hun dwaas voornemen af te zien. „Hebben wij u dan,quot; zoo riepen zij, „niet zooeven verkondigd, dat deze goden volstrekt niet bestaan, en dat gij u moet bekeeren tot den levenden God?quot;

De menigte liet af. En nu hield Paulus voor dit onwetende volk een rede over den God der natuur, die van den hemel regen en vruchbare tijden zendt, die het donker blauwe uitspansel boven hunne hoofden geschapen heeft, evenals het

-ocr page 63-

IN HET JAAR 49.

maehtige, met sneeuwbedekte gebergte, dat vol majesteit op hun stadje nederblikt, en de onmetelijke zee, die zich aan gene zijde der bergen uitbreidt. En van den God der natuur ging hij over tot den God van genade, „die in de verleden tijden al de Heidenen in hunne wegen heeft laten wandelen,quot; en door wien zij in waarheid waren afgezonden, om ook de inwoners van Lystre te noodigen tot den ingang in het rijk zijner genade. Door deze woorden liet het volk zich tot kalmte brengen en zag toen van zijn voornemen af.

Zoo verliep in Lystre de eerste dag, welks merkwaardige gebeurtenissen de beide Apostelen nooit vergeten zullen hebben. Dat Lukas deze geschiedenis zoo uitvoerig heeft opgeteekend, terwijl hij soms met enkele woorden de gebeurtenissen van langdurige perioden weergeeft, is wel een bewijs, dat Paulus meer dan eens zijn vriend Lukas gesproken moet hebben over hetgeen hij beleefd had, toen hij onder de goede, lichtgeloovige Lykaoniërs verkeerde. \')

De gebeurtenis, die de geheele stad in beweging had gebracht, had ten gevolge, dat de beide Zendelingen op de meest gastvrije wijze in Lystre opgenomen werden. Langen tijd konden zij ongestoord, door de gunst der bevolking gedragen, het zaad des Evangelies in de stad uitstrooien. En zulks deden zij niet in de stad alleen. Met weinige woorden maakt Lukas (Hand. 14 : 6) de gewichtige opmerking, dat zij het terrein hunner werkzaamheid ook uitstrekten over het omliggende land.

\') Eenigen theologen, die wat het ontstaan der N. Testamentische berichten betreft, het gras hoeren groeien, raeenen to mogen aannemen, dat de schrijver van de Handelingen der Apostelen hier gebruik gemaakt heeft van Ovidius. Hy zou de schoone, altyd nieuwe mythe van Philemon en Baucis, die Jupiter en Merkurius in hun armelyke woning hadden opgenomen, tot voorbeeld genomen en daarnaar deze geschiedenis opgesteld hebben! Een treffend voorbeeld voonvaar, hoe deze „wetenschap,quot; welke van de onderstelling uitgaat, dat de meeste verhalen, door do schrijvers der H. Schrift te boek gesteld, valsch moeten zyn, alles dienstbaar maakt aan het doel, om van alles een gewenschte „verklaringquot; te geven, en daardoor zichzelf het meest veroordeelt.

49

4

-ocr page 64-

50

Zij gingen naar de bergen en dalen van den Kara-Dagh, zeker ook naar den Bosala-Dagh en de noordelijke uitloopers van den Taurus en stichtten daar, na gepredikt te hebben, kleine gemeenten, waardoor de kerk van Galatië ook de naburige bergen tot haar gebied rekende.

Zoo hebben zij zeker gedurende vele maanden rustig en gezegend gewerkt in en buiten Lystre. Van uit de Heidensche stad kwamen berichten omtrent hen, niet zoo gemakkelijk tot in de Joden-wijk te Iconium, waar hunne doodvijanden woonden. De Christenen te Iconium zorgden er natuurlijk voor, de verblijfplaats der Apostelen niet aan de Joden bekend te maken. Door het een of ander toeval echter, hoorden de Joden, waar de beide reizende predikers zoo plotseling gebleven waren. Toen begaven de wraakgierige vijanden zich terstond op weg naar Lystre. Zoo de beide afvalligen den eersten keer ook al ontkomen waren aan de steeniging, nu zou men hen, daar zij niets kwaads vermoedden, gemakkelijk overrompelen en dan de toegedachte kastijding ten uitvoer brengen. quot;Vertrouwde mannen werden medegenomen, om het plan te volvoeren.

Zij kwamen in Lystre aan. Door lasterlijke, valsche mede-deelingen trachtten zij het volk voor hun zaak te winnen. Zij noemden de beide vreemdelingen gevaarlijke booswichten. Uit de twee grootste steden des lands Antiochië en Iconium, waren zij van overheidswege, met schande en smaad verdreven. En de lichtgeloovige bewoners van Lystre, die in der tijd terstond geloof geslagen hadden aan het verhaal omtrent Ze us, leenden nu even spoedig het oor aan de Joodsche lasteraars. Er ontbrak toch zeker wel iets aan de beide mannen, wanneer zelfs de overheid het noodig had geoordeeld, hen te verdrijven. Zoodra de Joden overtuigd waren, dat men in Lystre geen partij voor de vreemdelingen zouden trekken, gingen zij tot de uitvoering van hun plan over. Paulus werd — mogelijk in zijn werkplaats — door de Joden van Iconium overvallen en op de straat gesleept. Daar stond nu de gehate man, die in de Synagoge

-ocr page 65-

IN HET JAAE 40.

to Iconiutn zoo moedig tegen hen was opgetreden. Het geluk had dezen vijand nog eenmaal in hun macht gegeven, en ditmaal zou hij niet weder ontkomen. Verwoed en door dweepzucht voortgedreven vielen de Joden den weerloozen man aan. Paulns verkeerde in denzelfden toestand, als voor twaalf jaren Stefanus, toen men van alle zijden groots steenen naar dezen wierp, terwijl Paulus met welgevallen het schouwspel gadesloeg.

Er viel niet aan te denken aan de overmacht der verwoede menigte te ontkomen. Een regen van groote steenen viel op zijn hoofd en lichaam neder. Gedurende eenige oogenblikken hield hij zich wellicht staande, intusschen Gode zijne ziel opdragend. Toen zonk hij ter aarde, evenals vroeger Stefanus, terwijl het bloed uit talrijke wonden vloeide en den bodem rood verfde. Bewegingloos, zonder eenig teeken van leven, lag de vijand eindelijk voor hun voeten, waarmede trappende zij hem afmaakten. De medegebrachte gespierde mannen namen nu het slachtoffer aan armen en beenen op, en sleepten het buiten de stad, terwijl het hoofd door stof en over steenen sleepte. Daar lieten ze hem voor dood liggen. Nu kon hij den gieren, die van den Kara-Dagh en den Taurus kwamen aanvliegen, tot voedsel dienen, zooals het zoo menigmaal in het O. Test. heet. Eindelijk keerden zij naar de stad terug, verheugd, dat zij ten slotte hun doel bereikt hadden.

Te laat kwamen Barnabas en de andere Christenen van Lystre aangesneld. Daar lag Paulus bewegingloos, in zijn bloed badende ter aarde, terwijl de verschrikte vrienden zich om hem heen schaarden. Tot hun groote vreugde bemerkten zij weldra, dat het leven nog niet geheel uitgedoofd was. Langzaam kwam de ongelukkige weder tot zichzelf en kon zich eindelijk zelfs weer oprichten. Dankbaar sloeg hij de oogen op zijne vrienden, die hij niet gehoopt had, ooit weer te zullen zien. Overgelukkig verdrongen deze zich om den man, die als een vader voor hen was, en dien zij zich ten tweeden male met dankbaarheid geschonken zagen.

51

-ocr page 66-

IN LYSTRE.

Door bloedverlies en aandoening uitgeput, keerde Paulus, steunend op den arm der trouwe Christenen van Lystre, met wankelende schreden naar de stad terug. Heimelijk werd hij daar in een woning gebracht, waar men den zwaar gewonde met zorg verpleegde. Van de Lystrenaars zelf had hij eigenlijk niets te vreezen; velen schaamden er zich reeds over, dat zij zulk een schandelijke daad niet verhinderd hadden. Doch de Joden waren nog in de stad en van hen kon men alles verwachten. Hoorden deze mannen, die door geld invloed konden uitoefenen, dat Paulus weder bijgekomen was, dan zouden zij zeker niet onverrichter zake naar Iconium terugkeeren. Ofschoon Paulus door pijn en bloedverlies zeer verzwakt was, durfde men hem toch niet in Lystre laten, zelfs niet gedurende een enkelen dag; men besloot hem in alle stilte, zoo spoedig mogelijk over te brengen naar Derbe, dat ongeveer acht uur oostelijk van Lystre lag. Vermoedelijk werd de kranke op een wagen, zooals er nog heden in de vlakte gebruikt worden, onder geleide van Barnabas en andere getrouwe mannen naar Derbe gebracht, waar hij opgenomen werd in de woning van een vriend, ten. einde daar geheel te herstellen.

Welk een ontzettenden dag had Paulus doorleefd! Met niets ontzienden ernst had men hem van het leven trachten te be-rooven. Slechts ternauwernood, als door een wonder was hij gered geworden. En niettegenstaande zijn zwakte verliet hij ook nu weder, als vluchteling, de hem dierbaar geworden stad. Ware Johannes Markus nog met hen geweest, dan zou hij stellig nu de terugreis ondernomen hebben. Doch Paulus dacht er anders over. Hij herinnerde zich, wat zijn Heer eertijds, toen Hij hem voor Damaskus riep, gezegd had, n.1.: „Want ik zal hem toonen, hoeveel hij moet lijden om mijnen naam.quot; Ook was gisteren, terwijl de vijanden steener. naar hem wierpen, ongetwijfeld de herinnering bij hem wakker geworden aan den dag, toen Stefanus voor zijne oogen bezweek onder de door de Joden geworpen steenen. Geheel die tijd, toen de chris-

52

-ocr page 67-

IN HET JAAR 40.

telijke kerk nog voor hem sidderde, toen hij dreiging en moord blazende door het land trok, en menigeen uitleverde teneinde den dood door steeniging te ondergaan, stond hem weder duidelijk en klaar voor oogen. Deze herinneringen, die als gloeiend ijzer in zijne ziel brandden, die de verborgen smart zijns levens waren, deden hem het lijden stil en geduldig dragen. Hoe gelukkig zou hij zijn, indien hij, hetzij door te prediken, hetzij door het geven van zijn leven, iets kon goed maken. Nu God hem nog eenmaal gered had, nu hij den dood van zoo nabij aanschouwd had, nu gevoelde hij zich des te ernstiger, onherroepelijk gedrongen, om de prediking voort te zetten, met vreugde zijn loop te voleinden, wat er ook van komen mocht.

Hij, de strijder voor den Heer Jezus Christus, behield de lit-teekens van de steeniging te Lystra gedurende zijn geheele leven. Hij was niet de man, om zich daarop te beroemen. Doch toon naderhand de G-alatiërs van Iconium, Lystre en Derbe, die den dag der steeniging met hem doorleefd hadden, op nieuw het oor leenden aan de lastertaal der verbitterde Joden, maakte hij hen indachtig aan de verkregen litteekens met de woorden: „Voorts niemand doe mij moeite aan, want ik draag de littee-kenen van den Heer Jezus in mijn lichaamquot; (Gal. 6 : 17).

Hoewel Paulus en Barnabas onder zeer ongunstige omstandigheden de stad hadden moeten verlaten, waar zij eenmaal, als Zeus en Hermes met goddelijke eer waren begroet, toch waren zij daar niet te vergeefs geweest. Lystre heeft eeuwen lang het Christendom bewaard, dat de beide Apostelen er gepredikt hadden en is langen tijd het middelpunt geweest van do omliggende gemeenten in den K a r a-D a g h en den tegenwoordigen K a r a m a n. Onder de namen der bisschoppen, die deel genomen hebben aan het concilie te Chalcedon, in het jaar 451, wordt ook die vermeld van den bisschop van Lystre.

Later is de stad verdwenen, evenals bijna de geheele kerk in het Oosten, toen de Islam als een stormwind, in Klein-Azie

53

-ocr page 68-

IN LYSTKB.

woodde. Men weet niet met zekerheid, welke puinhoopen, tus-schen Konia en den Ak Göl gelegen, de overblijfselen zijn van het oude Lystre. Het schijnt evenwel, dat wij ze aantreffen in het tegenwoordige Madenscheher of Bin-bir-Kilisse, aan den voet van den Kara-Dagh, tusschen Iconium en Derbe, gelegen. Enkel puinhoopen bedekken den bodem, waar het oude Lystre eenmaal prijkte. Men vindt geen overblijfselen van Griek-sche bouwkunst, geen marmeren zuil, die deel kan uitgemaakt hebben van den tempel van Jupiter, waarin de priester eenmaal wilde offeren voor de beide Apostelen. Toch is hetgeen het oog aanschouwt, aangrijpend en merkwaardig. Duidelijk kan men de overblijfselen terug vinden van twintig Byzantijnsche kerken, waaraan de plaats, — met eenige Oostersche overdrijving — den naam van Bin-bir-Kilisse, d i. duizend en eene kerk, ontleend heeft. De roodachtige en grijze steenen, waaruit deze kerken opgetrokken waren, zijn kennelijk afkomstig van de omliggende trachytkegels. Indien deze ruïnen van twintig kerken konden spreken, wat zouden zij ons dan velerlei kunnen mcdedeelen!

Nu verkondigt ons het oude gesteente op weemoedige wijze, dat wij ongetwijfeld vertoeven op de plaats, waar eenmaal een stad een belangrijke rol vervulde in de Galatische kerk, eertijds door Paulus en Barnabas in deze streken gegrondvest.

54

-ocr page 69-

IN DEEBE.

Derbe, een stadje aan de uiterste, oostelijke grens der provincie Galatië, was de laatste plaats, die de Apostelen op hnn eerste zendingsreis tot het veld hunner langdurige werkzaamheid maakten. Nog niet lang geleden had het stadje van zich doen spreken, toen Antipater, de hoofdman der Kliten, zich daar vestigde en de geheels omgeving onveilig maakte door zijn drieste rooverijen. Nu evenwel heerschte er, door toedoen van Kome, vrede. Ongestoord konden handel en verkeer hun weggaan. Dientengevolge had ook de Jood, die overal te vinden was, waar iets te verhandelen of te verdienen viel, zich in Derbe gevestigd In een gezin, waar de taal, die in Jeruzalem in-heemsch was, gesproken werd, vond de zwaargewonde Paulus den dag na de steeniging een gastvrij onderkomen.

Kom, vriendelijke lezer, treed met mij het vriendelijke stadje binnen, waarop van verschillende zijden de machtige, besneeuwde bergen neerzien, en bezoeken wij samen den kranken Paulus. Aangename, aantrekkelijke personen treden als verpleger en verpleegsters van den Apostel op. Hunne namen hebben in de geheele Christelijke kerk een goeden klank, want het zijn:

i

-ocr page 70-

IN DERBK

Loïs en Eunice, niet haar kleinzoon en zoon, Timotheus. \') Met hoeveel trouwe, liefdevolle, moederlijke zorg verpleegden de goede vrouwen den moeden, uitgeputten vluchteling, dien hare goede vrienden van Lystre haar gebracht en zoo warm en dringend aanbevolen hadden! En hoe heerlijk werden do trouwe verzorgsters van den kranke voor haar toewijding beloond! Paulus betaalde haar de vele liefdediensten met die kostbare, tot nu toe in Derbe onbekende munt, welke alleen in het hemelrijk gangbaar is, die aan de eene zijde het beeld des Gekruisigden te zien geeft en waarop aan de andere zijde het woord der verzoening geschreven staat.

Toen veranderde spoedig het medelijden, dat zij voor den kranke gevoeld hadden, in de hoogste vereering, hoogachting en dankbaarheid. Hoe menigmaal zullen de vrouwen des avonds geluisterd hebben naar zijne ernstige woorden. En de nog jonge Timotheus voornamelijk, de jongeling, wiens hart als het ware ontsloten was voor den hemel, met hoeveel geestdrift zal hij het dierbaar evangelie aanvaard hebben. Weinig vermoedde hij, dat hij eenmaal de trouwe en geliefde metgezel van den vereerden leermeester zijn zou op diens reis door het Romeinsche rijk, tot in de kerkers der wereldstad Eome.

56

Doch spoedig waren het de leden des gezins niet meer alleen, die zich verzamelden om de legerstede, waaraan Paulus, tot genezing zijner wonden, gebonden was. Het Evangelie heeft immer aan hen, die- er door gewonnen werden, het woord op de lippen gelegd: „Verheugt u met mij!quot; Daar de gestorven vader van Timotheus een Griek en zijn moeder een Jodin was, telde het gezin zijne vrienden zoowel onder de Jodea als ondei de Grieken. Van beide kanten kwamen bekenden, er deze brachten weder andere mede. En zoo geschiedde het, dat binnen korten tijd een talrijke schare toehoorders zich om Paulus\' legerstede verzamelde, en op deze eigenaardige wijze de grond

1) Hoogstwaarschijnlyk is Paulus opgenomen door dit gezin, dat hg later iiiz\\jii brieven zoo gaarne gedenkt.

-ocr page 71-

57

gelegd werd tot een nieuwe gemeente. Hoe hartelijk en blijmoedig was dit wederzijdsch geven en nemen! Met ontroering aanschouwde Paulus de gemeente, die de Heer zelf om zijn ziekbed te zamen gebracht had; het was alsof Hij den kranke wilde bemoedigen, om ondanks alles, hoopvol de toekomst tegen ie blikken. En dat een kranke, een man, die voor enkele dager; den dood en de eeuwigheid voor oogen had gehad, zulke woorden sprak, dat maakte des te dieper indruk op de toehoorders. Paulus ondervond in die dagen een weergalooze liefde. Indien Christus persoonlijk tot de Galatiërs gekomen ware, dan hadden zij Hem niet met grooter liefde kunnen aannemen. Deze tijd van krankte, toen de vleugel van den engel des doods hem zoo van nabij beroerd had; toen hij, nog zwak naar het lichaam, zich omringd zag door roerende bewijzen van liefde, toewijding en dankbaarheid ; toen hem zelfs het leger der smarte tot kansel werd, waarop hij den Christus mocht prediken; deze tijd is ook den Apostel levenslang onvergetelijk geweest. Met weemoed denkt hij aan dezen tijd der eerste liefde van zijn verleide Galatiërs terug, als hij zegt (Gal. 3 : 1 en 4 ; 13): „O gij uitzinnige Galaten! wie heeft u betooverd, dat gij dor waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn, denwelken Jezus Christus voor de oogen te voren geschilderd is geweest, onder u gekruist zijnde? En gij weet, dat ik u door zwakheid des vleesches liet Evangelie eerstmaal verkondigd heb, en mijne verzoeking, dio in het vleesch geschiedde, hebt gij niet veracht noch verfoeid, maar gij naamt mij aan als een engel Gods, ja, als Jezus Christus. Welke was dan uw gelukachting? Want ik geef u getuigenis, dat gij, zoo het mogelijk ware, uwe oogen zoudt uitgegraven en mij gegeven hebben!quot; Zoo was de tijd, dien de Apostel in het huis zijner trouwe verzorgsters, Loïs en Eunice met haar Timotheus, doorbracht, niet alleen een tijd van lichamelijk herstel, maar ook van verkwikking voor hart en ziel. \')

\') Wij hebben in het boven medegedeelde aangenomen, dat met „de Galatiërsquot; in den brief van dien naam, bedoeld zijn do gemeente Antiochië, Iconium, Lystre

-ocr page 72-

IN DERBE.

De rusttijd in de ziekenkamer doorleefd, zoo geschikt om het zaad uit te strooien, zonder dat iemand tot verzet werd geprikkeld, was de inleiding tot de werkzaamheid van Paulus en zijn vriend Barnabas in Derbe. Toen Paulus weder kon uitgaan, en hij, geheel hersteld, de nabij gelegen met sneeuw bedekte toppen van den Bulghar-Dagh en den Karadscha-Dagh weder begroette, toen was reeds de Christelijke gemeente volkomen gevestigd. Ook gedurende de volgende tijden konden de beide apostolische mannen ongehinderd in Derbe arbeiden. „Zij maakten vele discipelen;quot; in deze weinige woorden vat Lukas hun ganschen arbeid samen. Wanneer wij echter bedenken, dat de

cn Derbe, gedurende de eerste Zendingsreis gesticht. De juistheid dezer meening wordt allereerst daardoor aangetoond, dat zoowel Pisidië als Lykanië tot de Romeinsche provincie G-alatiü behoorden. Deze meening wordt evenwel niet gedeeld door het meerendeel der bijbelverklaarders. Zij denken meer aan den volksstam, de Galatiers, die ten Noorden van de Zoutsteppe van Iconium woonde, en wier voornaamste steden Ankyra en Pessinus heetten. Het ligt voorzeker voor de hand, om bij den naam „Galatiërsquot; te denken aan den noordelijk wonenden volksstam van dien naam, doch in de Hmidelingen der „Apostelenquot; wordt slechts als terloops van dit gebied gesproken. Bovendien zou het zeer te verwonderen zijn, dat Lukas zoo goed als niets mede te deelen had omtrent de kerk eener geheele landstreek, die in hot leven van zijn vriend Paulus, zooals de brief aan de Galatiërs aantoont, zulk een gewichtige rol heeft gespeeld! Ik houd het daarom voor beter, te hechten aan het met zekerheid medegedeelde, en niet aan te nemen dat er een noordelijk gelegen Galatische kerk bestaan heeft, daar wij niet de geringste mede-deelingen omtrent haar bezitten. Dat Paulus du gemeenten, gedurende zijn eerste reis gesticht, toespreekt niet als Lykaoniërs, doch nis Galatiers, vindt zijne verklaring daarin, dat hij van Ephese uit schreef, van een plaats dus in het westelijk deel van Klein-Azië, waar men het ten oosten gelegen binnenland ongetwijfeld aanduidde met den algemeenen naam Galatië. De meer persoonlijke aanteeke-ningen in den brief zijn bovendien uiterst toepasselijk op de Lykaonische gemeenten. Do strijd met het Jodendom, waarvan de brief telkens spreekt, is ook zeer goed te verklaren in een land, waar het Evangelie van haar eerste prediking af zoo heftig bestreden werd door de Joden. Het bericht omtrent Paulus\' ziekte kan slechts betrekking hebben op een enkele stad (als kranke kan Paulus natuurlijk niet gereisd hebben door geheel Galatië), en deze omstandigheid sluit zich volkomen aan by den toestand waarin Paulus verkeerde, toen hij te Derbe kwam.

58

-ocr page 73-

59

eerste Zendingsreis vijf jaar duurde, en bovendien (Hand. 14 : 6) vernemen, dat Paulus en Barnabas ook predikten in de omstreken van Derbe, dan kunnen wij er geenszins aan twijfelen of de beide mannen hebben zich ook hier niet veel korter dan een jaar opgehouden.

In dezen tijd werd menige tocht gemaakt naar de omliggende, vruchtbare landstreken. De jonge Timotheus, geheel bekend met de dorpen van de omgeving zijner vaderstad, was hun daarbij waarschijnlijk tot gids. Gedurende de gemeenschappelijke wandelingen werd tusschen Paulus en Timotheus, mannen, wier leeftijd zoo uiteen liep, waarvan de een aan de noordelijke, de ander aan de tegengestelde, zuidelijke helling van den Taurus, in Tarsen, het levenslicht zag, de innige band gelegd, die hen voor geheel hun verder leven verbond als vader en zoon. „Want ik heb niemand, die even alzoo gemoed is, dewelke oprechtelijk uwe zaken zal bezorgen,quot; schrijft Paulus later, als met vaderlijke teederheid aan de Filippensen (Fil. 2 : 20). Zoo hebben daar waagschijnlijk de drie mannen menigen gemeenschappelijken tocht gemaakt, hetzij naar de hooggelegen dalen in den B u 1 g h a 1-D a g h, die zich tot een hoogte van 35\'vO M. verheft, hetzij naar het meer Ak Göl, aan welks oever heden nog slechts gelegen is het lieflijke Eregli, het oude He-raklea, met de warme bronnen van Hercules, en dat omringd wordt door een krans van bloeiende tuinen, of ook, veel verder in dezelfde richting gaande, naar de gehuchten aan den voet van den Karadscha-Dagh, den uitgebranden krater, die zich trotsch en koen boven de vlakte verheft.

Zeer waarschijnlijk hebben de Apostelen van hier uit zich voortdurend in gemeenschap gesteld met de Lykaönische gemeenten in Lystre, Iconium en Antiochië. Zijzelven konden de plaatsen natuurlijk niet bezoeken, zonder daardoor oogenblikke-lijk den storm weder te doen losbarsten, die nauwlijks gestild was. In de gemeente van Derbe waren echter mannen genoeg, die met de streek bekend waren, en die de korte reis gaarne

-ocr page 74-

60

ondernamen, zoowel ter wille van de broeders in het geloof, in het belang van het Evangelie, als uit eigen, vrije beweging. Zeer waarschijnlijk is het ook, dat de jonge Timotheus door het vervullen van dezen liefdedienst het eerst blijk gegeven heeft van zijne groote geschiktheid voor de prediking des Evangelies; een eigenschap, waarvan Paulus later niet zulke waar-deerende woorden spreekt. Hoe menigmaal heeft wellicht de onvermoeide jongeling in dienst van Paulus den weg door de steppe afgelegd, en de vier hoofdplaatsen der Galatische kerk bezocht, ten einde de opdrachten der beide apostelen te volvoeren, en in hun naam allen te raden en te bemoedigen, die zich, wegens hun nieuw geloof, omringd zagen door vijanden en tegenstanders. In Hand. 16 : 2 wordt ons dan ook gemeld, dat hij in de gemeenten van Lystre en Iconium een even bekende als geliefde persoon was.

De ligging van Derbe, de oostelijkste post der eerste zendingsreis, waaraan voor den Apostel Paulus levenslang zulke aangename herinneringen verbonden waren, deels door de gastvrije opname na de steeniging, deels omdat hij in dit plaatsje zijn meest geliefden helper en vriend leerde kennen, is ons niet met volkomen zekerheid bekend. De berichten van Lukas, van Stephanus van Byzantium en van Cicero verwijzen ons naar de omgeving van het meer Ak Göl. Het land, om dit meer gelegen, is een vruchtbare, liefelijke streek. Nog duidelijk herinner ik mij den aangenamen indruk, dien de, aan het meer Ak Göl gelegen, stad Eregli met hare minarets, bloeiende tuinen en kristalheldere stroompjes, op mij maakte, toen ik m het jaar 1893, den geheelen dag gereden had door het woeste steppen-gebied ten zuiden van den Karadscha-Dagh. Heeft, zooals Stephanus van Byzantium mededeelt, Derbe aan een meer gelegen, dan zouden de bouwvallen, in de nabijheid van het meer Ak Gröl gelegen, zijne plaats aanwijzen; doch die zijn te onaanzienlijk en niet oud genoeg, om afkomstig te wezen van Derbe. Indien, naar het oordeel van denzelfden schrijver, Derbe

-ocr page 75-

IN HET JAAR 50.

later is veranderd in Delbia, dan stemt die naam bijzonder goed overeen met het tegenwoordige Diwle, dat iets meer naar het zuiden, in de richting van den Taurus, in een vriendelijk dal ligt. Doch, hoe dit alles ook zij, wie hier aan de oevers van het nu eenzame, verlaten meer Ak Gnl staat en den blik richt naar den, in het Noorden en in het Zuiden zich majestueus verheffende, besneeuwde Bulghar-Dagh en Karadscha-Dagh, die aanschouwt ongetwijfeld dezelfde bergen, waarop Paulus en Barnabas zoo menigmaal, nu weldra negentien eeuwen geleden, het oog vestigden, en in wier schaduw de jonge Timotheus opgroeide in een vroom, veelzijdig ontwikkeld gezin.

Paulus is op zijne reizen nog dikwijls door deze streken getrokken (Hand. 16 : 1 en 18 : 23). En ook lang nadat hij zijne Galatiers niet meer bezoeken of hun schrijven kon, wies en bloeide het zaad, dat hij hier eenmaal had uitgestrooid. Eenige eeuwen later bezit deze landstreek, evenals hare omgeving, een heerlijk bloeiende. Christelijke kerk. Het kleine Pisidië telde 25 bisschoppelijke zetels, die onder den Metropolitaan van Antio-chië stonden. Uit het aangrenzende Kappadocië, dat van uit Pisidië voor het Evangelie gewonnen werd, zijn in de vierde eeuw een reeks voortreffelijke kerkleeraars en bisschoppen voortgekomen, die door den ernst van hun wezen, de grootheid hunner karakters en de grondigheid hunner kennis ver boven duizenden hunner tijdgenooten verheven zijn. Wie, die zich ook maar eenigszins met de kerkgeschiedenis heeft beziggehouden, kent niet de namen der drie groote Kappadociërs: Basilius den Groote, Gregorius van Xazianze en Gregorius van Nyssa? De namen dezer mannen, eenmaal de diamanten en robijnen in de kroon der Kappadocische kerk, schitteren ons nog heden, na zooveel eeuwen, van uit die nu zoo woeste streken, tegen als de lichtende sterren der eerste Christelijke gemeente.

Doch reeds lang is de glans der sterren verdoofd, die tengevolge van Paulus\' en Barnabas\' werkzaamheid, deze landen tot aan den Kaukasus en de bronnen van den Euphraat, zoo helder

61

-ocr page 76-

IS T)ERBE.

verlichtten. Het uitgestrekte gebied, waar vroeger langs den Taurus zoo vele kerken zich verhieven, waar de Galatische kerk reikte tot de Kappadocische, deze tot de Armenische en eindelijk tot de Perzische, zoodat de Christelijke gemeenten als door een gouden gordel, de schoone landen van het Oosten samenbonden; dit geheele gebied is nu weder gehuld in den duisteren nacht van het Mohammedanisme. Op den duur werden de ernstige waarschuwingen, in den brief aan de Galatiërs uitgesproken, niet behartigd. En zoo is aan het ingesluimerde Christendom het vonnis voltrokken, waarvan in de Openbaring van Johannes zoo dreigend gesproken wordt: „Ik zal uwen kandelaar van zijne plaats weren.quot; quot;Wie in dezen tijd reist door de landen, eenmaal van zooveel gewicht voor de Christenheid, die gevoelt menigmaal met diepen weemoed, dat hij voortschrijdt over een groot graf, waarin een eertijds aanzienlijke Christelijke kerk begraven ligt, voor welke men het zelfs niet dor moeite waard vond een gedenksteen op te richten.

-ocr page 77-

DE TERUGKEER NAAR SYRIB.

Na vijf jaren in Galatië gearbeid te hebben, dachten de Apostelen er aan, terug te keeren naar de moeder-gemeente in Syrië, die hen in het jaar 45 had uitgezonden. Weliswaar lag er nog een wijde, wijde wereld voor hen, waarheen zij het Evangelie hadden kunnen brengen, doch gelijk de duif van Noach na haar eersten zwerftocht, met een olijvenblad in den bek naar de ark terugkeerde, zoo begeerden ook de beide gezanten na hun reis om den Taurus, Antiochië weder te zien. Hunne gedachte gingen toen nog niet zoo ver, als later bij Paulus het geval was, die zich immer rusteloos voelde voortgedreven tot naar het einde der wereld.

De kortste en gemakkelijkste weg was nu voorzeker de goed onderhouden bergpas, die van Iconium door de woeste „Porta Ciliceaequot; naar den Taurus loopt en waarlangs dagelijks groote karavanen trokken. Bovendien was deze weg de naaste voor Paulus, dien men in Tarsen, aan gene zijde van het gebergte, verwachtte. Derbe was niet verder van Tarsen verwijderd, dan Lugano ongeveer van het meer der Vierwoudsteden; een afstand, die men tegenwoordig met den sneltrein over den St. Gotthard in ö1^ uur aflegt. Van Tarsen kon men in een paar dagen op zijn gemak naar het Syrische Antiochië reizen.

Ondanks\' dit alles kozen de Apostelen den weg over Lystre, Iconium, Antiochië en Perge, hoeveel moeilijkheden die ook zou

-ocr page 78-

DE TEEURKEER NAAK SYRIË.

opleveren. Wellicht hadden zij door de berichten, die Timotheus overbracht uit de andere Galatische gemeenten, ingezien, hoe noodzakelijk het was, dat zij nog eens persoonlijk de verschillende kerken bezochten, ondanks het, van de zijde der Joden dreigende, gevaar. Wellicht was er toen ook reeds sprake van de verwikkelingen, die eenige jaren later de Galatische gemeenten zoodanig in beroering brachten, dat Paulus de noodzakelijkheid inzag van het schrijven van den Zendbrief aan de Galatiörs. Bovendien hadden Paulus en Barnabas de gemeente telkens zoo plotseling en onverwachts moeten verlaten, dat zij het zeer noodig keurden, vc3or hun vertrek uit Klein-Azië de organisatie der gemeenten te bevestigen door hun apostolisch gezag. De jonge gemeenten mochten ook niet den indruk krijgen, alsof de mannen het gevaar schuwden, alsof zij weder de wijde wereld in togen en de Galatiörs aan hun lot overlieten. Hoe meer do Galatische gemeenten gedurende de weinige jaren van haar bestaan de ervaring hadden opgedaan, dat het geen gemakkelijke zaak is een Christen te zijn, des te meer rekenden de beide Apostelen het hun plicht, ze nog eens te bezoeken ondanks de vele gevaren.

Het kan ons dus niet verwonderen, dat wij in het jaar 50 de beide Apostelen den terugweg zien aannemen langs zulk een grooten omweg. Overal verkeerden zij nog eenmaal in het midden der gemeente. Overal begroette men met liefde en geestdrift de mannen, die om harentwil waren gekomen, zooveel hadden geleden en ook nu, trots het dreigende gevaar, zoo onbevreesd waren teruggekeerd. En overal verkondigden zij nogmaals het Evangelie; zeiden, dat men in den dienst van Christus, naar het aardsche geen goede dagen te verwachten had; en dat men in de toekomst slechts van dit éene zeker kon zijn, n.1. van veel lijden. „Wij moeten door vele verdrukkingen ingaan in het rijk Gods,quot; die woorden herhaalden de Apostelen in iedere gemeente. Paulus had zulks in de laatste jaren aan zijn eigen ichaam genoegzaam ervaren. Oppervlakkig beschouwd was de

-ocr page 79-

IN HET JAAR 50.

schoonste tijd zijns levens voorbij. De rustige dagen in Tarsen en Antiochië doorleefd, waren voor altijd vervlogen. De toekomst zou hem slechts dagen van onrust en storm brengen. Den eersten tocht in den dienst zijns Heeren had hij volbracht, en daarop had hij veel leed en strijd ondervonden. Als een booswicht van stad tot stad gedreven te worden, dat zou zijn leven op aarde zijn. Verdreven, gesmaad, geslagen, gesteenigd, een verworpeling onder de menschen, van wien men zich overal zoo spoedig mogelijk zou trachten te ontslaan; zoodanig schetst hij ons in weinige woorden zichzelven in de opsomming zijner ondervindingen (2 Kor. 11 : 23 enz.). Hieruit kunnen wij tevens afleiden, dat in het korte verhaal, hetwelk we in de Handelingen lezen over deze eerste reis, volstrekt niet alles is weergegeven, wat Paulus gedrongen heeft om die ernstige woorden (Hand. 14 : 22) in iedere gemeente, op de terugreis bezocht, op de harten te binden.

Do Apostelen vonden de gemeenten in goeden staat. Vervolgingen hebben te allen tijde Christus\' kerk doen bloeien; inden storm zijn hare schoonste vruchten gerijpt. In iedere gemeente troffen de Apostelen n.1. mannen aan, onwankelbaar in het geloof en gegrond in de kennis; hun konden zij dus zonder eenig bezwaar de leiding der gemeenten en der godsdienstoefeningen opdragen. Welke schoone vruchten van den, voorheen zoo dorren, Galatischen bodem. Met gebed bevestigden zij de mannen in het herdersambt, en hielden in iedere gemeente nog een godsdienstoefening ten afscheid, waarin zij deze opdroegen aan den oppersten Herder. Daarna vervolgden zij hun weg langs de schoone oevers van het heerlijke meer Egerdir Göl en togen zuidwaarts over den passen van den Taurus naar Perge, vanwaar zij voor vijf jaren, misschien met bezwaard gemoed, de reis hadden aanvaard naar het binnenland van Klein-Azië. Nadat zij ook in Perge met vrucht gepredikt hadden, gingen zij vorder naar Attalia, waar zij met vreugde de wijde, blauwe zee begrootten en zich inscheepten naar Antiochië in Syrië.

5

65

-ocr page 80-

DE TEHUGKEEE NAAR SYEIË.

Hoe vroolljk zal hun hart geklopt hebben, toen zij de bekende bergen van Antiochië, den Amanus en den Casius, van verre aanschouwden, toen Antiochië zelf met zijn torens en paleizen, met den prachtigen tempel van Jupiter op den Silpius immer duidelijker zichtbaar werd, en zij den Orontes als een zilveren band zich door de schoone vlakte zagen slingeren! Evenals bij hun uittocht stapten zij ook nu met vluggen tred over de vaste Oron-tesbrug, door de breede, met marmeren bogen versierde straten, langs equipages, theaters en hippodromen, totdat zij de welbekende straat bereikten, waarin hun vrienden woonden.

Met vroolljk gejubel werden de terugkeerenden begroet. Als een loopend vuurtje ging de mare van hun terugkomst door de geheele gemeente. Toen vereenigden zich allen, en verheugden zich over den terugkeer der geliefde leeraars. Zoo ooit, dan werd op dien avond een vroolijk feest gevierd. De beide Apostelen moesten vertellen en de gemeenteleden luisterden onvermoeid naar de verhefifende berichten. Toen men deze mannen had uitgezonden, was in geheel Klein-Azië nog geen enkele Christen te vinden. En nu bestond er reeds eene ver verspreide kerk uit de Heidenen door Galatië. In het bijzonder werden zij er door getroffen, dat de ruimere opvatting der kerk van Antiochië, n.1. dat ook de Heidenen geroepen waren tot Christus\' Kerk, aldus als het ware door God zelf was bekrachtigd. „God heeft ook den Heidenen de deur des geloofs geopend!quot; deze woorden gingen telkens van mond tot mond, terwijl de Apostelen hun wedervaren mededeelden.

Veel hadden zij gedragen en geleden, de beide moedige afgezanten van de gemeente te Antiochië. Zij keerden terug als soldaten met gescheurde vaandels. Doch wat nood! Op deze vaandels toch, schitterden vier namen, die van nu af hun licht zouden laten schijnen voor elke volgende Christelijke gemeente, de namen der versterkte Galatische steden in het hart van Klein-Azië: „Antiochië, Iconium, Lystre, Der be.quot;

66

-ocr page 81-

TOT AAN ÜB POORTEN VAN EUROPA.

J

-ocr page 82-
-ocr page 83-

EEN JAAR IN ANTIOCHIB.

Zie toch! welk een tuin des Heeren Strekt Antiochië ten sier;

Paul us wil dien onderhouden Als een trouwe hovenier.

Eindelijk waren Paulus en Barnabus na een afwezigheid van zes jaren in het geliefde Antiochië teruggekomen. In welk een andere wereld bevonden zij zich hier, dan in de eenzame steppen van Lykaonië, de stille dorpen en plaatsjes van Pisidië en Galatië, of de verlaten, zwijgende denne- en pijnbosschen van den Taurus.

Hier ruischte hun iederen morgen, bij het ontwaken het duizendstemmig gewoel der wereldstad aan den Orontes, in de ooren. Wanneer zij door de marmeren zuilengangen van het groots Corso, langs den circus en den schouwburg, of te midden eener bonte menigte over de weg naar Daphne wandelden, dan aanschouwden zij dagelijks al de pracht en weelde, waardoor zich deze vroegere verblijfplaats der kunstlievende Seleu-ciden, nu op twee na de grootste stad der wereld, onderscheidde. Dagelijks rustte hun blik weder op den machtigen, schoon ge-govormden Mons Silpius, vanwaar niet alleen de statige tempel van Jupiter en de Citadel, maar ook vele andere trotsche gebouwen neerzagen op de vlakte van Antiochië, waardoor zich

-ocr page 84-

DE TERUGKEER NAAR SYRIË.

Hoe vroolijk zal hun hart geklopt hebben, toen zij de bekende bergen van Antiochiö, den Amanus en den Casius, van verre aanschouwden, toen Antiochiö zelf met zijn torens en paleizen, met den prachtigen tempel van Jupiter op den Silpius immer duidelijker zichtbaar werd, en zij den Orontes als een zilveren band zich door de schoone vlakte zagen slingeren! Evenals bij hun uittocht stapten zij ook nu met vluggen tred over de vaste Oron-tesbrug, door de breede, met marineren bogen versierde straten, langs equipages, theaters en hippodromen, totdat zij de welbekende straat bereikten, waarin hun vrienden woonden.

Met vroolijk gejubel werden de terugkeerenden begroet. Als een loopend vuurtje ging de mare van hun terugkomst door de geheele gemeente. Toen vereenigden zich allen, en verheugden zich over den terugkeer der geliefde leeraars. Zoo ooit, dan werd op dien avond een vroolijk feest gevierd. De beide Apostelen moesten vertellen en de gemeenteleden luisterden onvermoeid naar de verheffende berichten. Toen men deze mannen had uitgezonden, was in geheel Klein-Azië nog geen enkele Christen te vinden. En nu bestond er reeds eene ver verspreide kerk uit de Heidenen door Galatië. In het bijzonder werden zij er door getroffen, dat de ruimere opvatting der kerk van Antiochiö, n.1. dat ook de Heidenen geroepen waren tot Christus\' Kerk, aldus als het ware door God zelf was bekrachtigd. „God heeft ook den Heidenen de deur des geloofs geopend!quot; deze woorden gingen telkens van mond tot mond, terwijl de Apostelen hun wedervaren mededeelden.

Veel hadden zij gedragen en geleden, de beide moedige afgezanten van de gemeente te Antiochië. Zij keerden terug als soldaten met gescheurde vaandels. Doch wat nood! Op deze vaandels toch, schitterden vier namen, die van nu af hun licht zouden laten schijnen voor elke volgende Christelijke gemeente, de namen der versterkte Galatische steden in het hart van Klein-Azië;

„Antiochië, Iconium, Lystre, Der be.quot;

66

-ocr page 85-

TOT AAN DE POORTEN VAN EUROPA.

-ocr page 86-
-ocr page 87-

EEN JAAR IN ANTIOCHIÈ.

Zio toch! welk een tuin des Heoron Strekt Antiochië ton sier;

Paul us wil dien onderhouden Als een trouwe hovenier.

Eindelijk waren Paulus en Barnabus na een afwezigheid van zes jaren in het geliefde Antiochië teruggekomen. In welk een andere wereld bevonden zij zich hier, dan in de eenzame steppen van Lykaonië, de stille dorpen en plaatsjes van Pisidië en Galatië, of de verlaten, zwijgende denne- en pijnbosschen van den Taurus.

Hier ruischte hun iederen morgen, bij het ontwaken het duizendstemmig gewoel der wereldstad aan den Grontes, in de ooren. Wanneer zij door de marmeren zuilengangen van het groote Corso, langs den circus en den schouwburg, of te midden eener bonte menigte over de weg naar Daphne wandelden, dan aanschouwden zij dagelijks al de pracht en weelde, waardoor zich deze vroegere verblijfplaats der kunstlievende Seleu-ciden, nu op twee na de grootste stad der wereld, onderscheidde. Dagelijks rustte hun blik weder op den machtigen, schoon ge-gevormden Mons Silpius, vanwaar niet alleen de statige tempel van Jupiter en de Citadel, maar ook vele andere trotsche gebouwen neerzagen op de vlakte van Antiochië, waardoor zich

-ocr page 88-

BEN JAAR IN ANTIOCHIË.

de zilveren Orontes slingert. Toen was het niet zooals nu, een hoofdvereischte voor een groote wereldstad, dat hare straten zoo mogelijk alle waterpas liggen, doch men hield er van, de grootste en schoonste steden te bouwen rondom indrukwekkende rotsige bergen, wier toppen niet alleen een verheven standplaats aanboden voor de, aan hunne goden gewijde, tempels, doch tevens uit strategisch oogpunt, als „Akropolisquot;, voor de stad van groot gewicht waren. Zulks was, zooals wij later zullen zien, het geval met Epheze en Korinthe, en zoo was het ook met Antiochië. Hooge rotswanden en overhangende rotsblokken staken boven de stad uit; op de laagst gelegen terrassen en zachte glooiingen vond men straten en gebouwen; in de benedenstad heerschte het veelvormige leven eener bedrijvige en genot-zoekende bevolking. En overal, zoowel in de boven- als benedenstad, lagen tusschen de huizen schoone, heerlijke tuinen met mirten, laurieren, platanen en pijnboomen.

Het is nu niet meer met zekerheid te zeggen, in welk gedeelte van Antiochië de eerste Christenen woonden. Indien men de overlevering gelooven mag, dan lag hun wijk in het oostelijk deel der stad, waar de oude poort nog heden den naam draagt van Bab Bulus, d. w. z. Pauluspoort. Hier zijn nog verscheidene overblijfselen van oud-christelijke heiligdommen te vinden. Hier ziet men nog overal in de steile rotswanden van den Mons Silpius de toegemetselde holen en spleten, waarin eenige eeuwen na Paulus, de wonderlijke zuilenheiligen stonden, die als levende beelden van hun standplaats op de woelige, ijdele wereldstad neerzagen. Of wij hier echter op de plaats vertoeven, waar vroeger, in de Singonstraat de eerste Christenen van Antiochië met Paulus en Barnabas samen kwamen, wie vermag zulks heden met zekerheid te zeggen?

Doch al zijn de uiterlijke kenteekenen dezer merkwaardige gemeente in den loop der tijden voor ons verloren gegaan; al zoekt ons oog in het ellendige, Mohammedaansche stadje tevergeefs naar de gewijde plaats harer samenkomsten, toch ver-

70

-ocr page 89-

IN HET JAAR 50.

krijgen wij een des te juister inzicht in den mnerlijken toestand en de beteekenis dezer gemeente. Antiochië was voorz.sker de geschikste plaats, waar zich de beide Apostelen na hun Tele en jarenlange zwerftochten konden versterken en verkwikken in den kring van gelijkgezinde Christenen, vereenigd door onderlinge gemeenschap met den Heer. Hier, waar van den aanvang af door de erkenning van een hoogere eenheid in Christus, de enge, nationale grenzen vervallen waren, waarvan de Christenen uit de Joden te Jeruzalem zich nog maar niet konden losmaken, hier gevoelden zij zich niet alleen tehuis en wel te moede, maar bovendien zag men hier beter dan te Jeruzalem in, van hoe groote beteekenis de nieuwe, door hen in Klein-Azië gestichte gemeenten waren. Ons dunkt het zeer natuurlijk, dat Lu kas mededeelt, met hoeveel geestdrift Paulus en Barnabas den broederen in Antiochië verhaalden, met hoeveel vrucht zij gearbeid hadden. Van hier uit konden zij als van een hoogen wachttoren, den snellen wasdom en de uitbreiding van het Evangelie overzien. Nauwelijks 18 jaren waren sedert den Groeden Vrijdag en Paschen voorbijgegaan; niet meer dan 10 jaren was het geleden, dat het Christendom voor het eerst op bescheiden wijze zijn intocht gedaan had in deze schoone stad. En nu was de gemeente zelf niet alleen groot en machtig geworden en had zij in de stad het burgerrecht verkregen, maar bovendien waren er reeds aanzienlijke dochter-gemeenten gesticht op Cyprus, tot zelfs aan gene zijde van den Taurus in het hart van Klein-Azië.

De broeders van Antiochië hebben zeker van hun kant bericht, dat gedurende de zesjarige afwezigheid der Apostelen, zij ook niet stil gezeten hadden. De gemeente, die er het eerst aan dacht, boden te zenden naar het verre heidemand, kan onmogelijk het Evangelie onthouden hebben aan de naaste omgeving van Antiochië. Het eerst kwam Syrië aan de beurt, daarna het, een dagreize verwijderde, Cilicië. Door het vuur der eerste liefde gedreven begaven talrijke leden der gemeente in de

71

-ocr page 90-

EEN JAAR IN ANTIOCHIË.

wereldstad zich op weg, om de blijde, zaligmakende boodschap van den Heiland bekend te maken; ook zij waren Zendelingen, ofschoon de geschiedschrijver hun namen niet voor het nageslacht heeft opgeteekend. En inderdaad, juist nu lezen wij in de geschiedenis der Apostelen van talrijke gemeenten in die beide landstreken (Hand. 15 : 23).

Wie echter meent, dat het jaar, hetwelk de Apostelen in Antiochië doorleefden, slechts een tijd was van ontspanning en behagelijke rust, die zou zich zeer vergissen. In dit jaar zou integendeel een heete strijd in de gemeente losbranden; de eerste, groote kamp omtrent beginselen, waardoor de kerk van Christus op haar grondvesten dreunde en zekerlijk uit elkander gespat zou zijn, indien niet de Heer-zelf de leiding zijner jonge gemeente terhand genomen had.

Deze kamp was des te moeilijker, omdat hij gestreden moest worden tegen de oorspronkelijke gemeente van Jeruzalem, die tot nu toe steeds van een lichtglans omstraald was geweest. Do vraag liep daarover, of de Christenen uit andere natiën even goede Christenen waren als de Christenen uit de Joden. Het antwoord op die vraag ligt voor ons zoo voor de hand, dat wij nauwelijks begrijpen, hoe daarover verschil van gevoelen kon ontstaan, doch in dien tijd was het anders. Toen kwam het jonge Christendom voort uit de hutten Israels, zijn eerste dragers waren enkel Joden. Deze waren van kindsbeen af opgegroeid in het vooroordeel, dat God uit alle menschengeslachten een lievelingsvolk verkoren had, hetwelk Hij boven alle andere natiën verhief en waarin het heil der wereld gelegen was. Dat vooroordeel konden de Christenen uit de Joden te Jeruzalem niet loslaten. Wij willen hen daarom echter niet te hard vallen, want wij weten, hoe getrouw en manmoedig zij het martelaarschap gedragen hebben onder Kajafas en Paulus. Bovendien weten wij ook, dat er in de Christenheid nog menschen genoeg zijn, voor wie de grenzen van het godsrijk samenvallen met die hunner alleen zaligmakende kerk, met de kerk van hun land of van

72

-ocr page 91-

TN HET JAAR 50.

hun kleine gemeente. Het was een enghartigheid, die juist door den geest van Christus moest overwonnen worden.

Tot die hoogte van inzicht evenwel, was de oorspronkelijke gemeente nog niet geklommen, toen Paulus en Barnabas van hun Zendingsreis terugkeerden. Juist hot tegendeel was het geval, doordat de partij, die streng aan het Jodendom vasthield, aanmerkelijk versterkt was geworden door het toetreden van vroegere aanhangers der Farizeërs (Hand. 15 : 5). Deze hadden echter met het uittrekken van den Farizeërsrok geenszins den Farizeërszin, dien der Joodsche gerechtigheid naaide wet, afgelegd. Het scheen veel meer, alsof door den invloed dezer vrome schare, het Christendom uiterlijk meer en meer terugkeerde tot het oude Jodendom. De nauwgezette onderhouding van de Joodsche wet was voor velen de maatstaf voor de Christelijke heiligheid (Hand. 11 : 2 en 3). De Joden, voor zoover zij in Christus geloofden, maakten voor deze partij het volk Gods uit, doch met iemand, die tot een andere nationaliteit behoorde, met een Heiden, durfden zij niet in gemeenschap treden, zoolang deze niet door de besnijdenis een Jood geworden was. Door het aanraken van zoo iemand zouden zij zich even goed verontreinigd hebben als door het aanraken van zekere onreine dieren. Het scheen, alsof men geheel vergeten was op welke wijze Jezus eenmaal dezen trots der Joden, die andere volkeren gelijk stelden met honden, gegeeseld had, of welke ondervindingen Petrus had opgedaan in Joppe en Cesarea. Zelfs Petrus, wiens opvatting zoo ruim was, hij, de rots, op welke de Heer in de eerste jaren zijne kerk bouwde, had blijkbaar niet de kracht om te breken met deze diep ingewortelde voor-oordeelen, waaraan de massa der geloovigen zoo streng vasthield.

Het is dus niet te verwonderen, dat de enghartige kringen te Jeruzalem zich zeer verontrustten, toen met steeds meer zekerheid het bericht tot hen doordrong, dat Paulus en Barnabas in liet Noorden een aanzienlijke gemeente uit de Heidenen ge sticht hadden; dat deze kerk zich geheel had vrijgemaakt van

-ocr page 92-

EEN JAAR TN ANTIOCHIK

alle Joodsche wetten, en dat het ledental misschien reeds dat der gemeente in Palestina overtrof. Bekrompen geesten meenen immer gevaar te zien, wanneer nieuwe, grootsche denkbeelden zich baan breken. Zoo ging het ook hier. In plaats van zich te verheugen over de verbazing- en geestdriftwekkende vorderingen, die het Christendom in de wereld maakte, zagen zij in dezen wasdom slechts een achteruitgang van den waren geest des Christendoms, dus een hoogst bedenkelijk en verwerpelijk verschijnsel. Dat men de zoo hoofd- en noodzakelijke vereischten eenvoudig liet vervallen — als b. v. de regeling der spijzen volgens do Joodsche wetten, de besnijding, de strenge afzondering van alle andere volkeren — daarmede scheen men in hun oog de eerste voorwaarden ter verwerving van de zaligheid prijs te geven. Zij begrepen in de verste verte niet, dat een Christendom met dergelijke Joodsche vooroordeelen zich onmogelijk gemaakt zou hebben in de beschaafde, Eomeinsch-Grieksche wereld. Zoo iets kon niet bij hen opkomen, daar de meesten hun klein landje misschien nog nooit hadden verlaten.

Dat deze meening van een groot deel der Jeruzalemsche gemeente, ten slotte moest leiden tot een ernstige, grondige uiteenzetting der wederzijdsche denkbeelden, was niet meer dan natuurlijk. Gelukkig kwam het eerst zoover, toen de beide dappere strijders voor de vrijheid des Evangelies, Paulus en Barnabas, na een veeljarige afwezigheid weder naar Antiochië teruggekeerd waren. Als leden van de oorspronkelijke gemeente, van welke een glans van heiligheid afstraalde, werden zij door de broeders te Antiochië met groote liefde en bijzonderen eerbied ontvangen. Zij hadden immers het groote voorrecht gehad don naam des Hoeren te kunnen prijzen op du plaatsen door Hemzelf geheiligd, op Golgotha, in Gethsémane en op den Olijfberg; waren zij niet de eer waardig gekeurd, de martelaarskroon te dragen?

Welk een-ontgoocheling was het derhalve voor de Christenen te Antiochië, toen de, van Jeruzalem gekomen, broederen, als

74

-ocr page 93-

IN HET JAAK 50.

antwoord op de broederlijke begroetingen verklaarden, dat zij geen Christenen waren. „Indien gij niet besneden wordt naaide wijze van Mozes, zoo kunt gij niet zalig worden!quot; zeiden zij (Hand. 15 : 1). En dat zij in volkomen ernst spraken, bewezen zij daardoor, dat zij er zich zorgvuldig voor wachtten, met hen in aanraking te komen, opdat zij zich niet door zalk een Heiden-Christen zouden verontreinigen.

De Antiochiërs, die tot nu toe zoo gelukkig geleefd hadden, gevoelden zich door die beweringen geheel ontmoedigd. Paulus en Barnabas hadden hen nu sedert tien jaren met de heerlijke namen: „heiligen en geliefden, uitverkorenen en kinderen Gods, niet meer vreemdelingen, maar burgers en huisgenooten Godsquot; betiteld, — en nu werd hun op eenmaal door de leden dei-eerste en aanzienlijkste gemeente, liet Christendom ontzegd. Groote beroering ontstond in de gemeente, die tot nu toe in dat geloof zoo vreedzaam en onbezorgd had voortgeleefd! Was deze bewering inderdaad waar, dan zou hot gedaan geweest zijn met de schoone eenheid en bloei der gemeente in de hoofdstad van Syrië. Tot nu toe hadden zij elkander als broeders en zusters liefgehad volgens het gebod van Christus. Niemand had er naar gevraagd, of men vroeger Jood, Griek, Romein of Syriër geweest was; zij waren allen „één in Christus.quot; Volgens de nieuwe redeneering echter was zulks voortaan onmogelijk. De voormalige Joden uit de gemeente moesten zich nu streng van de anderen afzonderen. Men mocht hen zelfs niet meer noodigen in de huizen der andere Christenen, niet meer den liefdemaaltijd of het avondmaal met hen houden; de Joden zouden zich daardoor verontreinigd hebben.

Zulk een hoogst belangrijk vraagstuk eischto een spoedige beslissing. In de eerstvolgende samenkomst werd het tor sprake gebracht. Toen onstonden hevige twistgesprekken; van beide zijden gaf men aanleiding tot heftige tooneelen. Voor het eerst in de geschiedenis der Christelijke kerk stonden hier de Eoom-sche en de Protestantsche geest, wet en evangelie, tegenover elkan-

75

-ocr page 94-

EEN JAAR IN ANTIOCHIË.

der. Paulus en Barnabas hadden niet de mannen moeten zijn, die wij in Klein-Azië hebben leeren kennen, wanneer zich niet ten zeerste hadden verzet tegen begrippen, volgens welke de gemeente van Christus gebonden werd aan Joodsche vooroor-deelen.

Doch de mannen uit Jeruzalem lieten zich door de beide Heiden-Apostelen niet overtuigen. Hier stond de eene bewering tegenover de andere, en bovendien verlangde de gemeente meer dan een tijdelijke zegepraal. Hier moest een beslissing omtrent het grondbeginsel genomen worden. De Antiochiërs verlangden een duidelijke verklaring van de gemeente te Jeruzalem, of zij al dan niet recht hadden zich tot de Christelijke kerk te rekenen. Ook Paulus was deze meening toegedaan en werd daarin versterkt door een openbaring (Gral. 2 : 2.) Met scherpen blik voorzag hij het dreigende gevaar, dat de kerk zich zou scheiden in twee afzonderlijke kerken reeds na een twintigjarig bestaan. Werd er niet spoedig een uitspraak gedaan, dan zou de dreigende breuk niet meer hersteld kunnen worden.

Zoo zond dan de gemeente in het jaar öl dezelfde twee mannen naar Jeruzalem, die voor zes jaar werden uitgezonden-naar de Heidenen. Het was gelukkig, dat Barnabas medeging, omdat deze bezielde man van oudsher in Jeruzalem goed aangeschreven stond en bovendien geheel op de hoogte was van den toestand der gemeente in die stad. Tegen Paulus, den vroegeren vervolger en dood-vijand der gemeente, had men nog alt;jd eenig bezwaar. Nog een derden persoon nam Paulus mede, n.1. zijn later zoo hoog gewaardeerden helper, Titus (2 Kor. 7 : 15), die iu zekeren zin een levend bewijs was van de schoone vruchten, reeds gerijpt aan den boom der Heiden-kerk. (Gal. 2 : 1.)

76

-ocr page 95-

HET CONCILIE DER APOSTELEN.

Ach! dos hoogmoeds gift\'go adom Stuit den vrede der genieent\'!

\'t Hart der broeders van Jeruz\'lom Brengt geen liefde, die vereent.

Zij doorzoeken en bevitten Zijn gezegend arbeidsveld;

Wil hij zich naar hen niet schikken, \'t Dunkt hun slecht daarmee gesteld.

De beraadslaging, die in het jaar 51 in Jeruzalem, de stad van Jezus\' opstanding, den zetel der Apostelen, gehouden werd, heeft later den naam verkregen van Apostolisch-Concilie. Zij had plaats in een plechtige bijeenkomst der gemeente, waar de drie Antio-chische mannen en de voornaamsten der Jeruzalemsche gemeente aanwezig waren. De samenkomst werd ingeleid door de mededeelingen van Paulus en Barnabas omtrent den gezegen-den wasdom der kerk in Syrië, Cyprus en Klein-Azië.

Na deze verheffende berichten stelde de partij der vroegere Farizeeën terstond den eisch: „Men moet allen besnijden en gebieden de wet van Mozes te onderhouden.quot; Met deze woorden werd de strijd zonder omwegen geopend. Nu werd een afzonderlijke vergadering (het zoogenaamde Concilie) belegd. Waar niet de gemeente, maar alleen de Apostelen en de oudsten uit

-ocr page 96-

7S HET CONCILIE DER APOSTELEN.

de gemeente met de gezanten uit Antiochiö samen kwamen, om dit moeilijk vraagstuk te behandelen (Hand. 15 : 6). De beide partijen stonden scherp tegenover elkander. Van weerszijden vielen harde woorden. Iedere partij gevoelde het groote gewicht van dezen strijd over beginselen. Bijna do geheele gemeente stond tegenover de enkele Antiochiërs, doch deze hielden zich dapper. Do slagvaardige, welbespraakte Paulus voerde in hoofdzaak het woord, en redde de vrijheid van het Evangelie in dezelfde gemeente, die hij voor vijftien jaren zoo bloedig vervolgd had. Niet tevergeefs was hem eertijds in Damaskus opgedragen den Heidenen het Evangelie te prediken. Zoo stond hij hier krachtens goddelijke opdracht. Deze hield hem staande ondanks allen tegenstand, zelfs al hadden alle Apostelen zich tegen hem verzet. Hij was, welk gevaar mocht dreigen, al zou een scheuring ontstaan, vast besloten hier geen handbreed te wijken. „Denwelken wij ook niet éen uur hebben geweken met onderwerping, opdat de waarheid van het Evangelie bij u zou verblijvenquot; (Gal. 2 ; 5). Toegeven zou hier een zonde tegen het geweten, ja, tegen het verheven ambt van Heiden-Apostel geweest zijn. Zoo stonden dan eertijds in Jeruzalem, gelijk later nog zoo menigmaal in de geschiedenis dei-kerk, het Joodsche vasthouden aan de wet en de Christelijke vrijheid, de geest van Rome en die van Wittenberg, tegenover elkander.

De Joodsche heethoofden in Jeruzalem behaalden intusschen geenszins de overwinning. Met wijze gematigdheid plaatsten de Apostelen zich tegenover hen. Aan hun zwaarwegend gezag was het te danken, dat men tot een vergelijk kwam. Vooral de Apostel Petrus betuigde zijn volkomen instemming met do opvatting van Paulus, omdat hij gelijke ondervindingen in Joppe en Cesarea had opgedaan; daarom verklaarde hij, dat in de Christelijke kerk aan alle nationaliteiten volkomen gelijkstelling toekwam. Hij wees op het antwoord, door God zelf op zoodanige vraag gegeven, n.1. het schenken van den Heiligen Geest aan

-ocr page 97-

IN HET JAAR 51.

Christenen uit andere geslachten. Hij noemde het een ver-metelde wijze van God te verzoeken, indien men anderen volkeren het ondraaglijke juk der Joodsche inzettingen oplegde, en besloot met de woorden van zijn vriend Paulus, dat alleen de genade in lezus Christus den mensch zalig maakt, geenszins de vervulling van eenige wet, welke dan ook.

De rede van Petrus, die bij ieder in hoog aanzien stond, maakte diepen indruk. Zulks getuigde de groote stilte, die in de talrijke vergadering heerschte. Deze indruk werd nog versterkt, toen Paulus en Barnabas op eenvoudige wijze verhaalden, hoe deze, door Petrus uitgesproken, stelling voor hen waarheid was geworden gedurende hun Zendingsarbeid. Den doorslag gaf ten slotte het woord van Jacobus, die als een broeder naar het vleesch van Jezus, grooten invloed in Jeruzalem bezat. Hij was, terwijl zijn broeder met de jongeren het land doorging, onge-loovig gebleven (Joh. 7 : 5). Op den Goeden Vrijdag en Paschen waren hem eindelijk de oogen open gegaan. Daarom hield hij met bijzondere gestrengheid aan de Joodsche vormen vast en werd wellicht om die reden, alsook om zijn verwantschap met den Heer, ten hoogste vereerd door de streng-Joodsche partij. Des te gelukkiger was het, dat, terwijl de vergadering steeds meer tot den vrede overhelde, juist hij een voorstel deed, dat de vertegenwoordigers der vrijheid naar het Evangelie vanuit Antiochië, met een gerust geweten konden aannemen. Hij sloeg n.1. voor, dat men de kerk uit de Heidenen zou vrijstellen van de wetten van Joodschen eeredienst, doch dat van haar ge-eischt zou worden zich te onthouden van drie zaken, waaraan de Joden hoofdzakelijk aanstoot namen, en wel: het gebruik van het vleesch van afgodenoffers, het vleesch van het verstikte en van bloed en ten slotte van ontucht. Dat de derde voorwaarde, die eigenlijk van zelf sprak, kenbaar werd gemaakt, toont aan, hoe weinig vertrouwen de goede Jeruzalemmers eigenlijk stelden in den vrede met de Heiden kerk. Eindelijk werd nog nadrukkelijk de wensch geuit, dat de nieuwe gemeenten door liefdegaven

79

-ocr page 98-

HET CONCILIE DER APOSTELEN.

dc venuindt) gemeente te Jeruzalem zouden ondersteunen.

Dit voorstel van Jacobus vond algemeene instemming, en zoo werd vooralsnog de dreigende tweespalt afgewend. Het strekt der Jeruzalemsche gemeente tot eer, dat zij zich met zoo grooten ernst onder de tucht des Heiligen Geestes stelde, dat zij door het vrijwillig opgeven van ingewortelde vooroordeelen een overwinning op zichzelf behaalde, hoedanige de geschiedenis der godsdienstige geschillen er maar weinig kan aanwijzen. De Joodsche partij had daarmede evenwel nog niet opgehouden te bestaan. Wij zullen integendeel later opmerken, hoezeer diezelfde Joodsche partij het Paulus tot aan zijn dood toe lastig gemaakt heeft. Naar het beginsel evenwel had de vrijheid naar het Evangelie de overwinning behaald, en zulks was van te meer gewicht, omdat zij verkregen was in Jeruzalem zelf, den sterken burcht van het Jodendom.

De beide Apostelen van Antiochië beloofden gaarne, de armoede der Jeruzalemsche gemeente te gedenken. Barnabas had langen tijd in Jeruzalem gewoond, en wist dus bij ervaring, dat deze gemeente geldelijk te gronde gegaan was gedurende de moeielijke tijden der vervolgingen, door misgewas en duurte, door de, in Palestina jaarlijks toenemende, staatkundige verwikkelingen, alsook door de mislukte poging om in gemeenschap van goederen te leven. En voornamelijk Paulus, die eertijds zooveel had bijgedragen tot de vervolgingen en hier dus iets goed te maken had, stelde het zich levenslang ten doel, de Jeruzalemsche gemeente zooveel mogelijk te ondersteunen, door in alle kerken van Griekenland en Klein-Azië gelden te verzamelen.

so

-ocr page 99-

In Antiochië heerschte groote blijdschap, toen de gezanten der gemeente, vergezeld van eonige vertegenwoordigers der Jeruzalemsche gemeente, waaronder zich een zekere Silvanus of Silas bevond, de besluiten van het zoogenaamde Apostel-Concilie openbaar maakten.

Zoo kon dan de groote gemeente aan den Orontes weder vol moed den ingeslagen weg vervolgen en haar zending vervullen. Dat deze gemeente, die nauwelijks tien jaar oud was, reeds optrad als voorgangster der andere Christengemeenten, is wel een bewijs, hoe frisch en jeugdig haar levenskracht was. Welk een schoon, stralend beeld moot deze gemeente te aanschouwen gegeven hebben in een stad van zooveel zingenot, oen stad, bekend om hare wonderdoeners, kwakzalvers, magiërs en heksen-

-ocr page 100-

NIEUWE ZENDINGSPLANNEN.

meesters, bacchanten en danseressen, als ook om de woeste zwelgpartijen en uitspattingen harer inwoners. Aan deze gemeente behoorde de toekomst, en reeds begon zij de plaats in te nemen, die tot nu toe Jeruzalem vervuld had. In deze gemeente werd de wereldtaal gesproken; voor haar stond het geheele Romeinsche rijk open. Aan haar hoofd stonden twee mannen, Paulus en Barnabas, die de vroegste geschiedenis der Christelijke kerk helder verlichten door hun glans. Paulus was van karakter de sterkste. Onverbiddelijk was hij, wanneer het gold, tegen wien dan ook, de rechten der evangelische vrijheid te verdedigen. Hij kon dan ook niet nalaten, zelfs Petrus en Barnabas scherpelijk terecht te wijzen, toen na eenigen tijd Petrus als gast bij de gemeente verkeerde, en deze niet den moed had de uitvloeiselen van zijn, te Jeruzalem ingenomen, standpunt te handhaven tegenover de Joodsche partij uit Jeruzalem, welke de wet zoo gestreng naleefde. (Gal 2:11 — 14). Onder zulk een helderziend, standvastig hoofd werd in de gemeente te Antiochië spoedig ieder spoor van den gevoerden strijd uitgewischt. Bijgestaan door een groot aantal predikers van het Evangelie (Hand. 15 : 35) konden Paulus en Barnabas met vreugde arbeiden in de gemeente, die in de aanzienlijke wereldstad gelegen, dagelijks won in uitgebreidheid on beteekenis.

Toen echter een jaar verloopen was sedert den terugkeer uit Galatië, had Paulus geen rust meer in de wel verzorgde gemeente van Antiochië. Hij voelde zich tot de Heidenen getrokken. Daarom deed hij op zekeren dag Barnabas het voorstel, om nogmaals tezamen de gemeenten te bezoeken, die zij gedurende de vele jaren van gemeenschappelijken arbeid in de verwijderde landstreken hadden gesticht. Barnabas was terstond voor het plan gewonnen. Bij deze gelegenheid echter zou de vriendschap der beide groote mannen, die zulke heerlijke vruchten voor de wereld had doen rijpen, een geduchten stoot krijgen. Barnabas sloeg namelijk voor, om zijn neef Johannes Markus weder mede te nemen. Deze voelde reeds sedert lang berouw over zijn terug-

82

-ocr page 101-

IN HET JAAR 51.

keer van uit Pergé en zijn oom wilde hem in de gelegenheid stellen dien blaam uit te wisschen. Paulus wilde daarvan echter niets hooren; hij had Johannes Markus den terugkeer uit Pamphylië zoo kwalijk genomen, dat hij het voorstel van Barnabas terstond afwees. De beide mannen kwamen over dit geschil zoo ernstig met elkander in strijd, dat Barnabas er de voorkeur aan gaf, zich geheel van Paulus af te scheiden en met Markus naar Cyprus te stevenen, teneinde daar in zijn geboorteland het Evangelie te prediken. Deze oneenigheid heeft zekerlijk iets pijnlijks en smartelijks, wijl zij er ons aan herinnert, dat de Heer zijne kerk nooit kan laten opbouwen door zondelooze, volmaakte menschen. Het spreekt immers van zelf, dat het voor de prediking des Evangelies onder de Heidenen geen onbelangrijke zaak was, welke personen het eerst als vertegenwoordigers van Christus\' kerk voor hen optraden. Ieder bestuur eener Zendingsvereeniging zou in onze dagen zulk een vraag ten nauwkeurigste, alsof het een gewetenszaak ware, onderzoeken. Barnabas, die voorsloeg Markus mede te nemen, bezat evenwel gezond verstand en ondervinding genoeg, om er aanspraak op te maken, dat men- naar hem luisterde. Wanneer dus de beide, tot nu toe zoo innig aan elkander verbonden, mannen zoo onbroederlijk van elkander scheidden, dan wil het ons voorkomen, dat Paulus in deze zaak niet geheel onschuldig was. Het zou ongetwijfeld christelijker en broederlijker geweest zijn, als hij de zwakheid van Markus over het hoofd had gezien. Stond Markus in later jaren in Eome Paulus niet trouw ter zijde, en wordt zijn naam, als die van den schrijver van het tweede Evangelie, door de Christenheid niet met eere vermeld? Had niet de Meester tot aan Zijn dood een Judas Iskariot toegestaan zijn jonger en medearbeider te wezen ? Doch de Apostelen kunnen nooit, ook hier niet, vergeleken worden met den Meester, die hen in de wereld zond.

Zoo gingen dan de beide mannen van elkander. Barnabas reisde naar Cyprus, Paulus begaf zich op weg naar Galatië.

83

-ocr page 102-

84

Doch ook hij reisde niet alleen. Een der afgezanten van het Concilie der Apostelen, Silas, was sedert zijne aankomst in Antiochie steeds in de omgeving van Paulus gebleven. De kennismaking met dezen standvastigen, grootschen, verheven geest zou beslissen over geheel het volgend leven van Silas. De ruimte van Paulus\' blik, diens onverzettelijk, ijzeren karakter, zoowel als de grootsche gedachte aan een kerk van Christus, die alle volkeren in zicli zou sluiten, een gedachte, waaraan Paulus zich wijdde met een ongekende geestdrift, dat alles had Silas van het eerste oogenblik af sterk aangetrokken. Toen Paulus hem dus uitnoodigde op de aanstaande reis zijn metgezel te zijn, nam hij het aanbod met vreugde aan. Ook voor Paulus is deze man, dien de Heer der kerk hem, als vervanger voor den vertrokken Barnabas, toevoegde, van onberekenbaar nut geweest. Een getrouwer helper heeft hij nooit gehad. Aan dien onvermoeiden man is de eerste kerk in Klein-Aziö en Griekenland zeer veel verplicht. En ook Paulus is hij getrouw gebleven, zoo lang het hem vergund werd aan diens zijde te arbeiden.

-ocr page 103-

NAAR CILICIB.

In liet jaar 51 verlieten de beide mannen de wereldstad aan den Orontes, schitterende tusschen hare onbeschrijfelijk schoone omgeving, om in de onherbergzame bergstreken van Galatië de Christelijke gemeenten te bezoeken en daar opnieuw het Evangelie te prediken.

Het is een schoone, voor de geschiedenis merkwaardige weg, dien de beide wandelaars volgden. Keeds na weinige uren loo-pens door de voormalige vlakte Syria P i e r i a kwamen zij aan de oevers van het meer van Antiochië, door de samenvloeiing der rivieren Karasu en Afrin gevormd, doch door de oude schrijvers nergens vermeld. Toen voerde de weg hen in het Amanus-gebergte. Aan de linkerzijde verhief zich trotsch de schoon gelegen sterkte Pagrae, die den toegang langs den Amanuspas tot Strabo bewaakte, en waarvan de puinhoopen nog heden te vindon zijn. De voortreffelijk onderhouden Roineinsche heirbaan liep door het indrukwekkende bergland. Naast talrijke pijnboo-men, dennen en eiken verhieven zich allerwege, ter rechter- en linkerzijde van den weg, groene palmen, laurieren en mirten. Tegen den middag bereikten zij het hoogste punt van den pas. Hier, op een hoogte van 900 M., genoten zij voor hec laatst van het uitgestrekte, heerlijke gezicht op Syrië. Nog eenmaal overzagen zij de prachtige Amanusketen; in de diepte schitterde

-ocr page 104-

NAAR CILICIË.

het meer van Antiochië. In het verschiet strekte zich de lieflijke vlakte van Antiochië uit, waar in later tijd de onverschrokken koningin Zenobia in den strijd tegen den Eomeinschen keizer Aurelianus kroon en rijk verloor.

Van dit hoogste punt bereikten do wandelaars na een uur een woeste bergengto, de zoogenaamde Porta Syriae, waar heden het stadje Beilan ligt. Vrede en rust heerschten toen in het wereldrijk der Romeinsche keizers, doch eertijds was er menige heete kamp gevoerd om deze „Syrische Poort.quot; Hierlangs trok Darius met zijn talrijk Perzisch leger, om Alexander den Groote den intocht in Syrië te beletten, en in de Cilicische vlakte werd de slag geleverd. Ook ten tijde van Paulus moet, op de plaats van het tegenwoordige Beilan, een stad gelegen hebben op dit, voor de krijgskunde zoo gewichtige, punt van den, ook toen druk bereisden, weg over den Mons Rhodus. Nog zijn de steenen te zien, waarmede de oude straatweg geplaveid was, waarlangs Paulus en Silas hun weg vervolgden. Rechts en links naderen de, met huizen bedekte, bergen elkander tot op geringen afstand en vormen zoo de Syrische Poort. Kristalhelder, frisch water stroomt van de verschillende hoogten ruischend naar omlaag en verleent aan de heerlijke, groenende tuinen van Beilan een eeuwige jeugd. Geen wonder is het, dat de inwoners van Alexandrette en Aleppo nergens een schooner zomerverblijf meenen te vinden dan in het hoog gelegen Beilan. Onze beide apostolische wandelaars vonden hier waarschijnlijk hun eerste nachtverblijf. En wanneer wij in du Handelingen, b. v. hoofdstuk 15 : 23, lezen, dat van Antiochië uit, in geheel Syrië en Cilicië dochter-gemeenten gevestigd waren, dan is het misschien niet te gewaagd aan te nemen, dat zij dezen eersten avond van hun reis doorbrachten in den huiselijken kring eener Christengemeente. Zij reisden immers, zooals het boek der Handelingen meldt, „door Syrië en Cilicië, versterkende de gemeenten.quot; (Hand. 15 : 41.)

Den volgenden morgen togen zij bergafwaarts naar Cilicië.

86

-ocr page 105-

IN HET JAAE 51.

De vlakte, ten Noorden van den Amanus gelegen, werd in de oudheid reeds gerekend tot Cilicië te behooren. Langs den groo-ten weg, waarop hen talrijke karavanen van kameelen tegenkwamen, zesten zij hun reis voort over de hellingen van den M o n s E h o s u s, den tegenwoordigen D j e b e 1 M u s a, en bereikten zoo de vlakte van Issus. Hier werd bijna 400 jaar geleden, in het jaar 333 v. Chr., de beslissende slag geleverd tusschen Alexander en Darius. Ook deze slag was een schakel in de keten der gebeurtenissen, die de wereld moesten voorbereiden op de komst van het Evangelie. Had deze slag niet den grond gelegd voor de wereldheerschappij der Grieksche taal en beschaving, was daardoor de Eomeinsche heerschappij niet in het Oosten bevestigd, dan ware de groote tocht van Paulus door het Eomeinsche keizerrijk onmogelijk geweest. Zoo trokken dan de beide gezanten van Christus, toen zij over dit merkwaardige slagveld gingen, over een der gewichtigste plaatsen, waar de komst van Christus\' rijk op aarde was voorbereid.

Ter herinnering aan dezen slag had men eertijds aan de zeekust de stad Alexandria, het tegenwoordige Alexandrette, gesticht. Ongetwijfeld zag de geniale Alexander in, dat het strand langs de golf een bij uitstek geschikte plaats was tot het doen verrijzen van een stad. Hier was niet alleen ruimte voor een vorstelijk gelegen residentie, aan de eene zijde door de ruischende zee bespoeld, van de overige kanten beschermd door schoon gevormde bergen, hier was bovendien de geschiktste havenplaats van de geheele kust van Syrië en Palestina. Tegenwoordig is het kleine Alexandrette, dat 1500 inwoners telt, de eenige haven, waar de stoomschepen veilig het land kunnen naderen. Het is de havenplaats van het bedrijvige Aleppo, en evenzoo het punt, vanwaar reizigers en karavanen naar Mesopotamia trekken. Aan zijn oorspronkelijke bestemming heeft Alexandrette slechts korten tijd beantwoord. De opvolgers van Alexander verplaatsten n. 1. hun residentie naar het ongunstig gelegen Antiochië. Aan de, op grooten afstand van deze stad gelegen, havenplaats Seleucia

87

-ocr page 106-

NAAB CILICIË.

werden enormen geldsommen besteed, doch de onvermoeide, oneindige zee deed de haven verzanden en verwoestte daardoor den arbeid van nietige, eindige menschenkinderen.

In de lieflijke, eerste havenstad van Ciliciö, Alexandra aan den Issus, was waarschijnlijk een der belangrijkste gemeenten gevestigd, en Paulus en Silas beijverden zich haar te „versterkenquot; (Hand. 15 : 41). Ongetwijfeld hebben de mannen zich cenigen tijd in deze zoo heerlijk gelogen stad opgehouden, ten einde de gemeente te wapenen tegen eiken aanval op de evangelische vrijheid, welken zij te wachten had van de zijde der Jeruzalemsche Joden. Ofschoon de talrijke Cilicische gemeenten niet door Paulus gesticht waren, zoo bezat hij toch, als afgezant van de gemeente te Antiochië, ongetwijfeld het recht, om de dochter-gemeenten op dit gevaar te wijzen. Hoe dankbaar gestemd moet Paulus geweest zijn, toen hij mocht bemerken, dat zich allerwegen van Beilan tot Tarsen vele bloeiende Christen-gemeenten gevormd hadden, gedurende zijn zesjarige afwezigheid.

Blijmoedig gestemd door de schoone, heerlijke ervaringen trokken Paulus en Silas door de geheele Cilicische vlakte. Zij gingen langs de prachtige, boogvormige golf van Iskanderun, staken den Deli Tschai over, en bezochten ter loops de stad Mopsuestia, het tegenwoordige Missis, waar wellicht toen reeds een gemeente zich verzameld had. In de kerkgeschiedenis wordt de stad later nog vermeld, doch nu getuigt de Akropolis met zijne bouwvallen nog slechts van haar voormalig bestaan. Waarschijnlijk overnachtten de reizigers eindelijk in Adana, do tegenwoordige hoofdstad der Turksche provincie Karamania, een plaats, die 45000 inwoners telde, en bereikten ten slotte, nu vier dagreizen van Antiochië verwijderd, langs denzelfden weg, waarover nu de korte spoorbaan loopt, de stad Tarsen, Paulus\' geboorteplaats. Dat hij en Silas zich hier korten tijd ophielden, is niet alleen daaruit af te leiden, dat Paulus in deze stad geboren werd, maar ook hieruit, dat Tarsen gelegen was

88

-ocr page 107-

IN HET JAAE 51.

89

aan het begin van den grooten weg, waarlangs de karavanen naar Lykaonië trokken, en die hen ook over den Taurus zou brengen. Zeer opmerkenswaardig is het, dat Tarsen nooit genoemd wordt in het bericht over de zendingsreizen van Pauius. Zulks schijnt een stille wenk te zijn, dat ook hij de smartelijke ervaring heeft opgedaan, dat een profeet nooit geëerd is in zijn vaderstad. Het Nieuwe Testament meldt ons niets omtrent een Christen-gemeente in Tarsen. quot;Waarschijnlijk hebben de beide reizigers zich dus niet lang opgehouden in de omgeving, welke een hunner zoo bekend was. Na een kortstondig oponthoud begaven zij zich weder op weg, om het geweldig Al pen-gebergte te bestijgen, welks inet sneeuw gekroonde toppen Pauius als kind zoo menigmaal had aanschouwd, doch dat hij nu voor het eerst zou overschrijden.

-ocr page 108-

IN DE PASSEN VAN DEN TAUEUS.

Hot stortregende, toen ik den 17quot; Mei 1893 des morgens oin vijf uren gelaarsd en gespoord, het huis van mijn vriend en gastheer in Tarsen wilde verlaten, om mij op weg te begeven naar de bergpassen In het Taurusgebergte. Eenige Turksche ruiters, mij door de Turksche regecring op verzoek van het Ministerie van Buitenlandsche \'Zaken in Berlijn, als geleide toegevoegd, stonden evenals mijn paard voor den tocht gereed. Van het Taurusgebergte en de besneeuwde toppen was niets te zien; zware wolkenmassa\'s onttrokken ze aan onzen blik. Do Turksche ruiters en eenige inwoners der stad raadden ons ton sterkste aan, do reis eenige dagen uit te stellen, daar het bij zulk weer onmogelijk zou zijn liet gebergte te beklimmen. Doch mijn verloftijd was beperkt en dus moest ik mijn reis vervolgen. Nadat wij vijf\' uren vol ongeduld gewacht hadden, een tijd, dien mijn gastheer trachtte te veraangenamen door het herhaaldelijk aanbieden van een kop Turksche koffie, hield tegen tien uur de stortregen op, ofschoon de dikke, donkere wolken nog niet opgetrokken waren. Toen trad ik naar buiten, sprong te paard en met den uitroep; „Naar Kulekk Bog haasquot; beduidde ik mijn geleide, waarheen we zouden reizen. Zij trachtten mij over te halen om te blijven, doch ik wuifde mijn voor

-ocr page 109-

IN DE PASSEN VAN DEN TAURUS..

het raam staanden gastheer nogmaals een „vaarwelquot; toe, gaf mijn paard de sporen en reed weg. Dat hielp! Na weinige minuten hoorde ik paardengetrappel achter mij. De onderofficier Husein haalde mij in galop in en stelde zich, zooals zulks bij zijn waardigheid paste, aan het hoofd van den stoet.

En inderdaad, het geluk diende ons. De droevige weerprofeten in Tarsen werden te schande gemaakt. Een paar regenbuien niet medegerekend, waarbij mij de geleende krijgsmantel van den gouverneur van Tarsen uitstekende diensten bewees, hield het weer zich goed. Dc aangename, koele temperatuur maakte de paarden des te vlugger, en in korten tijd brachten zij ons over de Cilicische vlakte tot aan den voet van den Taurus. Ofschoon de vlakte zeer eentonig was, toch boeide ze mij in hooge mate. Zij was immers een deel van den langen weg, dien Paulus en Silas gevolgd haddon, toen zij de tweede Zendingsreis naar Klein-Azië maakten.

quot;Weliswaar was de weg, dien de Turksche regeering had aangelegd van Tarsen in de richting van Iconium, niet zoo goed als de Romeinsche weg, waarlangs indertijd Paulus en Silas hun reis voortzetten, doch, wanneer men bedenkt in wolk een verwaarloosden toestand het eens zoo heerlijke schiereiland verkeert, dan is de aanleg van dezen weg, die voor enkele jaren voltooid is, toch nog een zaak van gewicht. Eigenlijk reikt de weg slechts tot aan de hooggelegen passen; aan de andere zijde daarvan houdt hij spoedig op. Do veiligheid van den weg is verzekerd door militaire wachtposten, op den afstand van oen dagreis, geplaatst; eenige Tscherkessen of Turkmenen in Turksche uniform leiden daar een zeer primitief leven. Ook vindt men op het eerste gedeelte van den weg, tot aan gene zijde van de Cilicische poort hier en daar pleisterplaatsen, welke den reiziger het allernoodigste tot verkwikking zijns lichaams aanbieden.

Op zulk een pleisterplaats hielden wij ook des middags een korten tijd halt, en gebruikten de door onszelf bereide koffie. Toen trokken wij verder, het gebergte in. Dikwijls liep onze

91

-ocr page 110-

IX DE PASSEN VAX DEX TAURUS.

weg door schoone wouden van pijnboomen. waar het gezang van nachtegalen en de roep van den inheemschen koekoek ons lieflijk in de ooren klonken. Een rijke bloemenpracht bloeide aan onze voeten; de gevlekte Aaronskelk met hare. een halven Meter lange, prachtige bloem verhief zich statig boven alle andere bloemen. Telkens ontmoetten wij groote kudden schapen en geiten; de prachtige mohairschapen en angorageiten met haar lange, golvende, zijden vacht trokken vooral mijne aandacht. Paulus, die deze wol in Tarsen zoo dikwijls verwerkt had, kon natuurlijk berekenen, welke waarde deze kudden hadden voor de weverijen. Het belangrijkste voor mij echter was het heerlijke vergezicht, waarvan ik, mij omkeerende, genoot. De wolken waren verdwenen. In de diepte strekte zich aan gene zijde van de vlakte van CilicR- de wijde, schitterende, blauwe Middelland-sche zee uit. Over de zee heen reikte de blik tot aan Syrië; in het verre verschiet aanschouwde men boven den water-horizon de nevelachtige omtrekken van twee bergketens. Het waren de gebergten Am anus on Oasius, waartusschen het Syrische Antiochië lag. Niet zonder aandoening zullen Paulus en Silas hier den blik nog eenmaal achterwaarts gericht hebben, ten einde over de golf van Issus heen, een kuitsten groet te zenden aan de gemeente aan den Orontes, waarvan zij zich met iedere schrede verder verwijderden.

Ten tijde van Paulus moet het verkeer langs dezen weg zeer levendig geweest zijn. Zelfe in onze dagen, nu handel en verkeer zooveel minder zijn dan toen, wordt deze weg bijzonder druk bereisd. Voortdurend kwamen wij karavanen tegen, die naar de vlakte trokken.

In het. zich trapsgewijze verheffende, gebergte was de natuur tamelijk rijk aan afwisseling. Dikwijls liep de weg door ruischende hoog opgaande wouden. Reusachtige, karamanische pijnboomen, eiken, hooge levensboomen en vele, mij onbekende, belangwekkende boomsoorten stonden naast de sombere dennen onzer wouden. Groote kudden graasden onder de boornen. Af en toe

92

-ocr page 111-

IN DE PASSEN VAX DEK TAURUS.

kwam tusschen de stammen de zwarte tent der goed gewapende Turkmenen te voorschijn, hetgeen er ons aan herinnerde, dat de mensch in deze streken met zijn eigen zwaard zijn leven zou hebben te verdedigen.

Hoe hooger wij kwamen, des te woester werd de natuur. De weg liep sorntijds door enge rotsspleten, nu eens gaapten ter zijde nauwe, diepe afgronden, dan weder verhieven zich rechts en links hooge rotswanden, en werden enge passen gevormd, waardoor sedert duizenden van jaren de groote legers der verschillende volkeren getrokken waren. Ik dacht aan de Duitsche kruisvaarders, die met flikkerende schilden en wapenrustingen, doch in diepen rouw gedompeld, eenmaal door dit gebergte, slechts iets meer westelijk, togen, een dierbaren last, het lijk huns dapperen, heldhaftigen aanvoerders, Barbarossa, op een baar met zich voerende.

Op den eersten avond kampeerde ik in Masaroluch. Er was een groote herberg, die geheel gevuld was met reizende kooplieden en kameeldrijvers uit de vroegere landstreken Kappadocië en Galatie. Welk een bonte mengeling van kleederdrachten en nationaliteiten: Koerden, Turkmenen, Armeniërs, Arabieren en Tscherkessen. De mannen schenen de verschijning van een Europeaan in deze zoo afgezonderde bergen, bijzonder belangwekkend te vinden. Zij wisten niet, wat zij daarvan denken moesten. Daar ik een Turkschen krijgsmantel en roode beambten-muts droeg en bovendien vergezeld werd door eenige ruiters, geloofden zij, dat ik een geheime, politieke zending te volbrengen had, waarom zij mij dan ook met den grootsten eerbied behandelden. Ik moest hun de laatste wereldgebeurtenissen meedeelen. En toen ik den zelf toebereiden avondmaaltijd, brood, eieren en olijven gebruikte, volgden wel honderd oogen met de meeste opmerkzaamheid elke mijner bewegingen. Een kop dampende thee, die ik in Mersina voor eenige piasters gekocht had, en welke mijn getrouwe rijknecht Osman voor mij gereed gemaakt had, wekte de grootste verbazing bij de tafelgenooten

93

-ocr page 112-

IN DE PASSEN VAN DEN TAURUS.

94

in Masarolueh. Na zulke vermoeiende ritten, — wij hadden negen nnr in het zadel gezeten, - is men allesbehalve veel-eischend. Bijna gedurende de geheele reis was de bloote grond mijn legerstede. Het lichaam werd in den reismantel gewikkeld en de zadeltasschen dienden tot kussen. Overdag zaten wij meest in het zadel; het voedsel bestond bijna overal uit Jó-urt, een soort van keflrmelk en brood; des nachts sliepen wij op den grond; toch lieten de gezondheid en vroolijkheid van mij en alle mijne medereizigers niets te wenschen over. Gedurende den stillen nacht moest ik er menigmaal aan donken, hoe eigenaardig de levenswijze van Paulus en Silas geweest zal zijn, toen zij door dit gebergte reisden.

-ocr page 113-

DE CILICISCHE POORT.

Toen ik den volgenden morgen Masarolneh verliet, goot de morgenzon haar tooverachtig schoon licht uit over de besneeuwde bergruggen van den Taurus, en kleurde de toppen met een zacht rooden schijn. Op den geheelen weg, dien ik te volgen had, rustte mijn blik op een overweldigend schoone alpenwereld. De statige, besneeuwde toppen van den Taurus, wier verblindend witte, stille glans aan een reinere wereld scheen te herinneren, zagen neder op de rustelooze, nietige wandelaars aan zijn voet. Cederen en pijnboomen ruischten boven mijn hoofd, het terzijde stroomende riviertje vervolgde schuimend en bruisend zijn weg door de rotsen, de geheele omgeving ademde aanbidding van den God, die eertijds de wereld schiep en de bergen grondvestte.

De weg volgde den loop van den Kulekk, een zijriviertje van den Cydnus. Paulus heeft waarschijnlijk met meer dan gewone belangstelling op den loop van dit riviertje gelet, daar hij van der jeugd af dit stroompje door zijn geboortestad had zien vloeien. Langzamerhand hielden de sporen van den arbeid der menschen en de bewerking van den bodem op; wij kwamen in het hooggebergte met zijn grootsche wouden. Hooge, forsche pijnboomen, statige, breedgetakte cederen verhieven trotsch hun prachtige kruinen ten hemel. Menigmaal ook leidde onze weg

-ocr page 114-

L)K (MTjICIrtOlIE POORT.

door hcerli,jk(! dalen, die aan lieflijkheid en dichterlijkheid niet be-hoeven onder te doen voor een onzer geliefde, Zwitsersche valleien. De vriendelijke dorpjes, op de hoogte Yaïla, waarheen de bewoners van Tarson en Adana in den zomer zoo gaarne trekken, teneinde de koortsverwekkende uitwasemingen der vlakte te ontvluchten, zijn de getuigen, dat de tegenwoordige Ciliciërs de schoonheden dezer natuur naar waarde weten te schatten. Inderdaad, de berglucht is zoo heerlijk zuiver en verkwikkend, dat menige Westersche kranke hier boven, in de zomerverblijven van den Taurus, met hun uitzicht op de blauwe zee in de diepte, gezondheid en levenskracht zou terugvinden.

Langzamerhand echter werd het landschap woester. Hooge rotswanden verhieven zich aan beide zijden, nauwelijks ruimte latend voor den weg en den bergstroom. Hoewel het oog, naar boven blikkend, niets dan naakte rotsen aanschouwde, toch groeiden op deze rotsmassa\'s nog steeds pijnboomen, welker stammen dienst kunnen doen als scheepsmasten. Beneden op den weg zag ik overal de duidelijkste, zekerste bewijzen, dat ik nauwkeurig het pad volgde, waarover ook de Apostel Paulus gegaan was. Lange einden waren belegd met de dicht aaneen gesloten steenen, het overoude plaveisel vandenEomeinschenweg; soms ook gingen wij door een hollen weg, dien de Romeinsche ingenieurs voor tweeduizend jaar hier hadden aangelegd.

Nadat wij geruimen tijd voortgereden hadden langs den voet van een berg, waarop zich oen vervallen, in Genueeschen bouwstijl opgetrokken, sterkte verhief, die eertijds den bergpas be-heerschd had. bevonden wij ons plotseling bij een kromming van den weg voor den beroemden pas, die wat woeste grootsch-heid aangaat, op de geheele wereld zijn gelijke niet heeft. Men denke zich een poort van schrikbarende afmetingen, gevormd door twee rotsen, zich hemelhoog verheffende, reusachtige steenblokken. die siechts een smallen doorgang verschaffen. Dat is de beroemde Porta Ciliciae der oudheid, het tegenwoordige Kulekk Boghaas. Zooals Diodorus vermeldt, stond hier ten tijde

-ocr page 115-

DE CILICISCHE POORT.

van Paulus werkelijk een in de rotsen gemetselde poort, waardoor de Eomeinen den weg van en naar Klein-Aziö door een kleine bezetting konden beheerschen. In onze eeuw heeft Ibrahim Pacha met dezen pas langen tijd den sleutel in handen gehad van geheel Klein-Aziö. De pas bestaat uit een kronkelend pad, dat aanvankelijk een breedte van vijf, later van vijftien Meters heeft en van het Zuiden naar het Noorden door de rotsen loopt. De, reeds door de Eomeinen aangelegde, weg is dikwijls weinig breeder dan het riviertje den Kulekk, dat na verloop van duizenden jaren de kloof in de rotsen gevormd heeft. Met donderend geraas stroomde de gezwollen Kulekk langs de hooge rotswanden. De ontzaglijke rotsblokken, die dikwijls midden in den stroom liggen, verraden de kracht, die het water na hevige stortbuien ontwikkelt. Deze rotsblokken schenen als het ware de aangewezen plaatsen, waarop de veldheeren, die met hunne legers in de oude tijden over den Taurus trokken, hunne tochten konden vereeuwigen. En inderdaad, het oog zoekt niet tevergeefs naar zoodanige sporen van vervlogen eeuwen. Dicht bij den Zuidelijken ingang van den pas ziet men in den rotswand een ruw uitgehouwen zuil, die eertijds, naar Eomeinsch gebruik den afstand aanwees van hier tot aan het Forum te Eome. In het midden van den pas ziet men op een rotsblok, ter hoogte van een huis in de bedding van de rivier gelegen, een vlakken kant, waarop wellicht een Farao, of een Assyrische of Eomeinsche veldheer een inschrift heeft laten aanbrengen. De inschriften op de beide gedenkteekens zijn, helaas, volkomen onleesbaar geworden. De lucht is hier niet zoo droog als in Egypte, waar de gedenkteekens eeuw in, eeuw uit, ongeschonden blijven.

Wanneer men naast den bruisenden Kulekk tusschen de reusachtige rotswanden rijdt, beseft men eenigermate de ge-geschiedkundige waarde van deze Poort. Moge het schrift op de steenen tafelen uitgewischt zijn, op de tafelen der geschiedenis staat daarvan des te meer opgeteekend. Langs dezen weg trok-

7

97

-ocr page 116-

DE CILICISCHE POOET.

kon, reeds duizenden jaren voor de kruisvaarders, de Farao\'s, de Assyriërs, de Perzen onder Darius en Xerxes, Alexander de Groote, en de Roineinsche veroveraars; allen veldheeren van den eersten rang, die met machtige hand den loop der wereldgeschiedenis hebben gericht. En toch, geen van die allen heeft zulke machtige, diep ingrijpende, zegenrijke doeleinden beoogd, welke invloed zouden uitoefenen op de geheele wereld, als de beide vreedzame veroveraars, Paulus en Silas, die zonder zwaard, schild of lans, doch „de voeten geschoeid met bereidheid van het Evangelie des vredes,quot; in het jaar 51 door dezen pas naar Klein-Azië trokken. Juist deze reis zou hen, zonder dat zij het zelf vermoedden, veel verder dan naar Klein-Azië, tot naar Europa voeren, en alzóo de gouden brug tusschen het Oosten en het Westen voor het Christendom leggen.

Aan gene zijde van den pas breidt zich het terrein weder uit.

Over den Campus C y r i der ouden, eene vlakte, ongeveer drie Kilometer breed, die zoo goed beschermd wordt door forten, nu vervallen, doch eertijds op uitstekende wijze gebouwd, dat geen leger ter wereld de Cilicische poort zou kunnen overweldigen, loopt de weg verder door de besneeuwde alpen. Zoolang de weg zich nog niet gesplitst heeft, en de zijtak naar Cesarea in Kappadocië begint, is er een druk verkeer. Wel 2000 kameelen trekken in het goede jaargetijde, dagelijks over den pas, de voortbrengselen van het binnenland van Klein-Azië: koren, wol, geitenhaar, huiden, gom en dragant, met zich voerende. Ongetwijfeld zijn ook Paulus vele dergelijke karavanen tegengekomen. Dikwijls bestaat een karavaan uit 100 tot 200 kameelen. Elk dier draagt, behalve zijn last, vele zaken, die op de reis noodig zijn, zooals ketels, emmers en proviand. In den regel worden de kameelen geleid door Turkmenische vrouwen, die het haar in vele vlechten dragen, versierd met zilveren halve maantjes en andere schitterende voorwerpen, terwijl de mannen, de heeren der schepping, op hun gemak er naast loopen of rijden. De kleine kinderen worden met touwen stevig boven op

98

-ocr page 117-

DE CIUCISCHE POORT.

den bevrachten kameel gebonden. Zuigelingen worden eerst in een gelooide huid gewikkeld en dan eveneens op den last van liet dier bevestigd.

Na de splitsing van den weg, toen wij in Westelijke richting naar Konia (Iconium) verder trokken, werd deze steeds eenzamer. Langen tijd zagen wij geen sterveling, doch de telegraafdraad aan stevige pijnboomen of ceders bevestigd, herinnerde er ons aan, dat berichten uit de groote, beschaafde wereld ook over deze afgelegen gebergten vlogen. In gestrekten draf reden wij langs den oever van den Tschai en den Tschacht langs den voet van den besneeuwden Buig har-Dag h. Daar de bruggen, indien die er namelijk waren, gewoonlijk in zulk een toestand verkeerden, dat men er niet veilig over kon trekken, moesten wij meestal, evenals ten tijde van Barbarossa, met de paarden dooiden snellen stroom zwemmen. Daar wij evenwel geen zware pantsers droegen, zooals de kruisvaarders, was zulk een overtocht voor ons minder gevaarlijk. Ik begreep echter volkomen, dat Paulus, wanneer hij in den brief aan de Galatiërs de doorgestane gevaren opsomt, zeker ook aan deze stroomen denkt. Hij schrijft: „Menigmaal was ik in het reizen in gevaren van rivieren, van moordenaars, in de woestijn, in honger en dorst.quot; (2 Kor. 11 : 2G enz.)

Slechts eenmaal, tegen den avond van dezen dag, hield ik halt bij het eenzame, militaire station Tschifté-Chan, om van geleide te veranderen. Hier zag ik een gevangengenomen, Egyptischen koopman, dien de soldaten geboeid hadden, waarschijnlijk om een groot losgeld machtig te worden. De, op wacht staande, soldaat trachtte mij zoo ver mogelijk van hem verwijderd te houden, doch ik stoorde mij daaraan niet en zag nu een schouwspel, zooals misschien duizendmaal in het binnenland van Klein-Azië waar te nemen is. De voeten waren stevig tusschen houten blokken geschroefd. Om den verwonden hals en de polsen waren eveneens dikke ijzeren ringen bevestigd en de beide ringen verbonden door een ketting van 5 of 6 M. lengte. Toen ik ver-

99

-ocr page 118-

DE CILICISCHE POORT.

nam, dat deze arme man reeds sedert geruimen tijd alzoo was gevangen gehouden, onder voorwendsel, dat zijn reispas niet in orde was, en hij mij in naam van Mohammed weenend smeekte hem te bevrijden, drong ik met kracht aan op zijn vrijlating, de soldaten dreigende, van het geval melding te zullen maken bij de overheid. Mogelijk droegen mijne goede passen en brieven er veel toe bij, om den verschrikten soldaat te doen besluiten, met veel geraas de kettingen los te maken, zonder er op te letten of hij soms een gedeelte der huid met de kettingen verwijderde. De ongelukkige volgde mij uit dankbaarheid gedurende eenigo dagen, zelfs wanneer wij in snellen draf voortreden. Ook deze gebeurtenis was een beeld uit het leven van Paulus en Silas. Zij werden immers te Filippi op dezelfde wijze in den stok gezet en met ketenen geboeid.

Eerst na middernacht bereikten wij het eenzame Ulukkischla. De nachtelijke tocht was hoogst onaangenaam geweest; maan noch sterren verdreven de dikke duisternis, en toen wij van den weg waren gedwaald, moesten wij ons verlaten op het instinkt onzer scherpzinnige paarden. In Ullukkischla staat de grootste herberg (Kan) van het geheele Osmanische rijk; zij is ruim genoeg voor een gansch regiment cavallerie; toen Moltke door Klein-Aziö reisde heeft hij ook hier een onderkomen gevonden. Dezen dag had ik 17 uur gereden, geen wonder dus, dat ik spoedig na aankomst den Taurus, Klein-Azië, de Turken, Apostelen en den gevangene vergat, en op den vloer der wachtkamer in een diepen, verfrisschenden slaap viel. In den verafgelegen Taurus hebben Paulus en Silas in lang vervlogen tijden zeker menigmaal een niet minder harde legerstede gevonden.

100

-ocr page 119-

IN LYKAONIB EN GALATIE.

De tocht over den Taurus was volbracht; de weg liep nu langs de noord-zijde van het gebergte verder en het landschap droeg een geheel ander karakter.

Het binnenland van Klein-Azië bestaat uit een groote, door bergen omringde hoogvlakte, die gemiddeld 1000 M. boven de oppervlakte der zee ligt. Tot haar gebied behoort het geheele voormalige LykaoniO en gedeelten van de oorspronkelijke woonplaats der Galatiërs; in Paul us\' tijd maakte zij deel uit van de groote provincie Galatië, die zich van Pamphylië, aan de Middel-landsche zee, tot aan Bithyniö en Pontus uitstrekte. Over het geheel is Lykaonië een zeer woeste steppe; de zout-woestijn, die ten Zuiden van het groote Tatta-meer ligt, behoort tot de onherbergzaamste oorden, die het, aan woestijnen zoo rijke, Azië kan aanwijzen. Het zuidelijkste deel, dat aan den Taurus grenst, is tengevolge van den onvoldoenden waterafvoer, zeer moerassig en ongezond.

Hoewel ik reeds spoedig na het verlaten van Ulukkischla steeds duidelijker sporen ontwaarde van de nabijgelegen woestijn, ontvouwde zich na een rit van drie uren over de noordelijke hellingen van den Taurus, plotseling een geheel ander schouwspel voor mijn oogen. Zoo ver mijn blik reikte, strekte zich een

-ocr page 120-

IN LYKAONIË EN GALATIË.

onmetelijke vlakte, aan een zee gelijk, voor mij uit. In het verschiet verhieven zich enkele trachytkegels en uitgebrande kraters, als eenzame eilanden, boven de eenvormige, boomloozo vlakte, die bij den eersten oogopslag den indruk \'op mij maakte van een uitgedroogde, groote binnenzee. Majestueus, als een koning, hief de besneeuwde Karadja-Dagh zijn stout gevormde kruinen boven de stille oorden aan zijn voet.

Het reizen door deze streek was allesbehalve genotvol. Het geheele land was tengevolge van de onlangs gevallen stortbuien, een groot moeras. Telkens weder bleven de hoeven onzer paarden in den drassigen grond steken. Slechts met moeite kwamen wij verder, tot wij een plaats bereikten, waar de paarden overal, na enkele schreden, diep in den bodem zonken. Eindelijk haalde de achtergebleven Turksche kavallerist, die de gids was, ons in. Hij kende de eenige doorwaadbare plaats, twintig minuten verder ten Noorden gelegen. Daar gingen we over, ieder volgde nauwkeurig het spoor van zijn voorganger; de paarden zonken tot aan de borst in het vuile, modderige, kwalijk riekende water, zoodat de berijders de beenen hoog moesten optrekken. Eindelijk kwamen we, gelukkig, aan den overkant van het, 300 — 400 M. breede, moeras. Het is te begrijpen, dat indertijd Paulus en Silas de tocht door deze streek zeer moeilijk moet gevallen zijn; in het natte jaargetijde moesten zij door moerassen waden, die de zomerhitte veranderde in schrikaanjagende, verlaten stofwoestijnen.

Toen de dag heet en zwoel geworden was, leidde ook mijn weg door dergelijke droge vlakten. De lucht trilde boven den, met een dunne zoutkorst bedekten, bodem. Ons oog ontwaarde een meer; vriendelijke eilandjes, cypressen, steden met slanke torentjes rezen daaruit omhoog. Wij spoedden ons daarheen, doch hot beeld week steeds meer achterwaarts en bleek ten slotte niets dan een bedriegelijk Fata-morgana.

In het verschiet wenkten ons echter reeds lieflijker oorden. Van oudsher waren over het algemeen slechts die streken

102

-ocr page 121-

IN HET JAAR 51.

geschikt om bebouwd te worden of tot het stichten van steden en dorpen, welke een oase vormden, zooals Iconimn, of de, in den Taurus gelegen, dalen. Naar deze laatste richtten Paulus en Silas hun schreden. Langs den geheelen weg ziet men, nu van de andere, noordelijke zijde, de lange prachtige Taurusketen, met geweldige sneeuwmassa\'s bedekt. Paulus kende deze streken van zijn eerste zendingsreis. Daar, aan gene zijde van het meer Eregli, op een afstand van slechts weinige mijlen, lag het vriendelijke Derbe. En daar, aan den voet van den Kara-Dagh, die in het westen, den Hermon gelijk, zijn top trotsch ten hemel heft, lag Lystre, waar men hem eerst als Mercurius vereerde en later steenigde.

De Apostelen begeerden steeds vuriger de bekende plaatsen te bereiken, naarmate zij die meer nabij kwamen. Het kon zijn, dat zij, evenals wij, nog eenmaal in Heraclea, het tegenwoordige Eregli, overnacht hebben. Eregli is een vriendelijk stadje aan het meer, door ongeveer 1000 Turkmenen en Armeniërs bewoond. Na den moeitevollen tocht door de eentonige, woeste streken schijnt het, door zijn groene boomen en ruischend riviertje, voor het oog van den reiziger een klein paradijs, ondanks de ellendige hutten. Hier hebben zij wellicht reeds de eerste, kleine Galatische gemeente aangetroffen, en korten tijd in haar midden vertoefd. \') Den volgenden dag echter reisden zij verder naar Derbe, waar zij ongeveer op den zevendon dag na hun vertrek van Tarsen, den avond mochten doorbrengen in de gemeente, die haren Apostel met vreugde zal hebben begroet.

108

Hoe lang Paulus hier en in de overige Galatische gemeenten, Lystre, Iconimn en AntiochiO met hare dochter-gemeenten gebleven is, zegt ons de geschiedenis niet. Waarschijnlijk hebben wij hier weder een der berichten voor ons (Hand. 16 : 1—5), dat met enkele woorden spreekt van de veelzijdige werkzaamheid van den Apostel, gedurende een langer tijdsverloop. Wij hooren

\') Vorgclük müuc scUildering vuil hot eurstc verblijf in Derbe.

-ocr page 122-

IN LYKAONIË EN GALATIË

slechts, dat door zijn toedoen de gemeenten bevestigd werden in het geloof, en dagelijks overvloediger werden in getal. De tweede apostolische reis door Galatië droeg dus eveneens schoone vruchten. Het is zeer goed mogelijk, dat Paulus ook ditmaal even hevige vervolgingen heeft moeten lijden van de Joden, die meenden den vorigen keer hem reeds te hebben gedood. Hij zegt n.1. eenige jaren later (2 Kor. 11 : 23), dat hij door de Joden vijfmaal was geslagen, en door anderen driemaal bloedig gegeeseld. Zulks is waarschijnlijk in dezen tijd en in deze streken gebeurd, waar men hem van vroeger dagen zulk een bitteren haat toedroeg. In de Handelingen lezen wij er echter niets van; daarin wordt ons alleen bericht, dat het verblijf in Lykaonisch Galatië zijn begeerte tot prediken slechts des te vuriger maakte. Tot tweeden helper bij den arbeid koos hij den vromen, ijverigen, trouwen Timotheus, dien wij reeds op de eerste reis hebben leeren kennen. Om der Joden wil liet hij hein eerst door de besnijdenis opnemen in de gemeenschap der Synagoge. Ofschoon Paulus er met den meesten ijver voor waakte, dat men binnen de Christelijke gemeenten geen Joodsche inzettingen invoerde, zoo was hij toch vrijzinnig genoeg om den buiten staanden Joden een Jood te worden. Hij zou namelijk Timotheus, wanneer deze geen Jood geweest ware, nooit mede hebben kunnen nemen naar de Synagoge, zonder daardoor de Joden, die hij wilde winnen, terstond ten zeerste te beleedigen. Hij hield zich dus aan dit plechtige, hoewel in zijn oog even onschadelijk als nutteloos gebruik, ten einde een onoverkomelijk bezwaar weg te nemen voor den arbeid onder de Joden, tot wie hij zich overal het eerst moest wenden.

Hoezeer hij er overigens op uit was de vrijheid der evangelische grondstellingen te handhaven, hooren wij juist bij deze gelegenheid, uit hetgeen ons in Hand. 16 : 4 gemeld wordt. n.l. dat Paulus in alle gemeenten op de verordeningen van het Apostel-concilië te Jeruzalem nadruk legde. In den Brief aan de Galaten lezen wij ook, hoe ernstig hij de gemeente waarschuvrt,

104

-ocr page 123-

IN HET JAAR 51.

105

zich door niemand de evangelische vrijheid te laten ontrooven, wanneer hij haar toeroept: „Al ware het ook, dat wij, of een engel uit den hemel u een evangelie verkondigde, bulten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt!quot; (Gal. 1 : 8.) Het is, als gevoelde de Apostel, welke gevaren zijnen Galatiërs wachtten en welke treurige verwikkelingen ontstaan zouden door de enghartige, Joodschgezinde Christenpartij te Jeruzalem in deze Galatische gemeenten, die tot nu too, ondanks elke vervolging, in zulk een schoenen cn heerlijken toestand verkeerd hadden (Gal. 4 : 15.)

-ocr page 124-

NAAR EUROPA!

Daar, liij Troas\' rots\'go stranden,

]gt;ijiiien \'s gasthcers voil\'gc wanden,

Vindt nu Christus\' dionatir rust,

Als du nacht zijn zorgen sust.

Doch liet dof gebruis der baron Heeft z|jn sluim\'ring weg doen varen,

En aan zijne legerstede Deelt een smeekend man hem mede.

Vreemd el i\'lo van d\' overzijde:

„Dat een groote schaar hem beidde Hunkerend naar troost en licht,quot;

Hij bepeinst dat vreemd gezicht.

Verplaats n, waarde lezer, van de stille dalen in den Taurus en de eenzame Lykaöiiischo steppen naar het heerlijke Tro-jaansche strand! Daar ligt een land door de natuur bovenmate rijk gezegend. Beneden bruist de schitterende Egeïsche zee; hier verheft zicii de bodem langzamerhand tot den berg Ida, stralend in wonderschoone verven ; een heerlijk reine lucht, een zacht klimaat, dat verzengende hitte noch verstijvende koude kent, verkwikt de menschen; en eindelijk, welft zich, als een azuren koepel, de altijd heldere hemel over dit gezegende land. De oudste dichters van het jonge Griekenland hebben door

-ocr page 125-

IN HET JAAR 52.

hunne sagen en dichtstukken een nooit verwelkenden krans gevlochten om de noordwestelijke kust van Klein-Azië. Hier, tegen do glooiing van den berg Ida lag eertijds de stad Troje; daar, op den top van den berg was de bliksemslingerende Zeus getuige van den strijd der helden Achilles, Ajax en Hektor. Ginder schittert de schoone zee, aan welker oever de Peilde zijn welbeminde Briseïs beweende, met den krans van eilanden, Imbros, Samotrake en Tenedos, waarachter de gesnavelde schepen der Achajers voor anker lagen. En daar, op de plaats van de oude stad Troje, is eeuwen later Alexander de Grooto, op zijn tocht naar Perzië, zelf het schip sturende, deze kust genaderd. Daar is hij in volle wapenrusting aan land gesprongen, daar heeft hij den goden der zee uit gouden schaal het otter geplengd, en op de grafheuvels der Homerische helden, vooral aan zijn met geestdrift vereerden voorganger, Achilles, vol eerbied hecatomben geofferd en schitterende spiegelgevechten gehouden. Ter herinnering aan deze landing heeft later een zijner veldheeren hier een stad gesticht, die hij Alexandria Troas noemde naar zijn beroemden gebieder.

Naar deze streken verplaatst ons plotseling de geschiedenis van den Apostel Paulus. Het verbaast ons, dat wij hem hier, aan de noord-westelijke kust van Klein-Azië wedervinden. Mogelijk heeft deze verandering hemzelf ook verwonderd doen staan. Toen hij afscheid genomen had van zijn Galatische gemeenten, gevestigd van Derbe af tot in Antiochië in Pisidiü, waren deze streken volstrekt niet het doel der verdere reis. Eigenlijk was het zijn plan te trekken naar het, door een proconsul bestuurde, gedeelte van Azië, en wel naar de hoofdstad Efese. Doch zulks mocht niet zoo zijn. Op de reis door 1\'hrygië en Galatië (in engeren zin) vonden de drie apostolische mannen, Paulus, Sllas en Timotheus, overal den toegang gesloten. „Het werd hun door den Heiligen Geest verhinderd aldaar het woord te sprekenquot; (Hand. 16 : 6). Zoo trokken zij van het eene landschap naar het andere, van Phrygië naar Galatië en Mysië,

107

-ocr page 126-

NAAB EUROPA.

van daar naar Bithynië. Overal gevoelden zij ten duidelijkste, dat de Geest tegen hen was, dat God hun een anderen weg zou aanwijzen. Zoo reisden zij dan, niet wetend waarheen de weg hen voeren zou, in westelijke richting verder. Zij trokken voorbij den Olympus van Klein-Azië, voorbij het, in de kerkgeschiedenis later zoo beroemd geworden, Nicaea en het tegenwoordige Brussa, wellicht langs een deel der zee van Marmora naar de West-kust van Mysië.

Zoo treffen we dan in het jaar 52 of 53 de drie wandelaars aan, gaande over de hellingen van het Ida-gebergte naar de, toen zoo merkwaardige, stad Alexandria-Troas. Zijzelf hadden niet hierheen willen reizen, doch Eén, machtiger dan zij, had het doel van den tocht aangewezen. Eerst wisten zij niet recht waarheen zij moesten gaan, want hier hielden alle wegen op en hier, in een geheel ander deel van Klein-Azië, begroetten zij voor het eerst de zee weder, die zij bij ïarsen het laatst gezien hadden.

Doch welke gevoelens werden in hun ziel gewekt, toen hun oogon dc onmetelijke zee aanschouwden, die ook Europa be-spoelde. In het grauwe verschiet, aan den horizon ontwaarden zij reeds de nevelachtige omtrekken van liet tot Europa behoo-rende eiland Satnotrake. Toen heeft de onverschrokken Paulus wellicht voor het eerst ingezien: „Daarheen gaat de weg — naar Europa!quot;

Voor hen lag de heerlijke Trojaansche vlakte. Do indrukwekkende, witte spits van den Ida, in zulk een bezielde taal door Homerus bezongen, stak boven iedere verhevenheid in het landschap uit. Schilderachtig gelegen dorpen lagen over de vlakte verspreid en aan haar einde lag de groote stad. Platanen, cypressen, populieren, kastanjes, note- en laurierbooinen beschaduwden hun weg. Maar de scherpe adelaarsblik van Paulus zweefde over de nabijgelegen zee; hij voelde zich als het ware gedragen door grootsche, nieuwe gedachten, die zijne ziel geheel overweldigden.

108

-ocr page 127-

IN HET JAAR 52.

Zoo bereikten zij na een langen, inoeitevollen tocht door Klein-Azië, van liet uiterste Zuid-Oosten tot het Noord-Westen, de havenstad Troas, waar zij waarschijnlijk eenigen tijd vertoefden, teneinde uit te rusten van de vermoeienissen. Eerst weinige jaren geleden was Troas door Keizer Augustus tot een Roraein-sche kolonie gemaakt, waardoor de stad in belangrijkheid had gewonnen. Een bezetting veteranen was in de stad gelegd, die tevens de rechten verkreeg eener Romeinsche gemeente. Daardoor was Troas geworden voor Klein-Azië, wat Korinthe was voor Griekenland en Berytus voor Syrië.

Ook nu nog is het plaatsje, dat het oude Troas vervangen heeft, niet van beteekenis ontbloot, hoewel het Turksche Eski-Stambul zeer onaanzienlijk is en als het ware den spot drijft met het grootsch verleden. De reede, tusschen Tenedos en de vlakke Aziatische kust gelegen, is een veilige ankerplaats, zelfs voor de grootste vloten. In den Krim-oorlog waren de vereenigde Engelsche en Fransche vloten daar opgesteld, evenals in 1877, tijdens den oorlog met Rusland, de Engelsche scheepsmacht, die Konstantinopel moest beschermen. De oude stad is sedert lang verdwenen, doch de overblijfselen getuigen van haar vroegere grootheid en beteekenis. De hechte fondamenten van den vroegeren stadsmuur, verspreid liggende graniet-zuilen, architraven en kapiteelen, een schoone ruïne met prachtige zuilengangen en reusachtige gehouwen steenen, maken een weemoedigen indruk, wanneer men in deze eenzame woestenij het gelukkig verleden herdenkt.

Hoelang de drie apostolische mannen vertoefd hebben aan de Trojaansche kust, weten wij niet, evenmin als hetgeen zij daar doorleefd hebben. Aan den naam Troas zijn slechts twee gebeurtenissen verbonden, die invloed hebben uitgeoefend op den gang des Evangelies. De eerste is de opname van een vierden reismakker, namelijk van Lukas, den schrijver van het derde Evangelie en de Handelingen. Van dezen tijd af spreekt de berichtgever in de Handelingen steeds van „wij,quot; hetgeen aanduidt,

109

-ocr page 128-

NAAR EUROPA.

dat hij de eerstvolgende reis heeft medegemaakt (Hand. 16 : lu). Lukas was geneesheer van beroep en daar hij een zekere mate van letterkundige ontwikkeling bezat, was hij juist de geschikte persoon om de taak ten uitvoer te brengen, hem dooide Voorzienigheid opgelegd, namelijk om op te treden als de geschiedschrijver der eerste Christelijke kerk. In Lukas verkreeg Paulus een jonger, die hem zijn leven lang den diepsten eerbied en de warmste liefde toedroeg, die met hem bleef tot aan zijn dood, en die waarschijnlijk, door Paulus tot in den kerker te vergezellen, zelf liet leven verloor. Dat alles verklaart ons, waarom Paulus steeds zulke aangename herinneringen aan Troas behield. De toetreding van dezen jonger, die zoo ijverig deelnam aan het werk des Evangelies, bewijst, dat Paulus in Troas gepredikt, en dat hij wellicht ook nog andere bewoners der stad voor het Evangelie gewonnen heeft. In later tijd zullen we den Apostel ten minste aantreffen in een talrijke Christengemeente.

Doch nog een andere gebeurtenis zou grooten invloed uitoefenen op het leven der Apostelen en op den loop der Christelijke wereldgeschiedenis. De Apostelen bevonden zich in deze stad op de plaats, waar, in zekeren zin, Azië en Europa tot elkander komen. Dagelijks liepen de haven binnen schepen, van het nabijgelegen Europa komend, en dagelijks zeilden ook schepen naar dat werelddeel uit. lederen dag ontmoette Paulus Macedo-niörs en Grieken in de straten en bij de haven van Troas. De gedachte aan het nieuwe werelddeel, dat hij plotseling zoo nabij gekomen was, liet hem niet meer los. En hetgeen hem in wakenden toestand bezig hield, dat bleef hem ook in zijn droo-men vervolgen. Zoo was hij op zekeren nacht ingeslapen, toer een droomgezicht in hem oprees, dat ons vergunt een blik te slaan in zijn binnenste, dat ons openbaart hoe zijn ziel geheel vervuld was van de grootsche gedachte, het Evangelie van Christus te brengen tot aan het einde der wereld. Het kwam hem voor, als stond een man op de tegenover liggende Mace-

no

-ocr page 129-

IN HET JAAR 52. 11 1

donische kust. Kleeding, schild en wapenen duidden aan, dat liet een Macedoniër was. Doch de zoon der oorlogzuchtige natie was niet uitgetrokken ten strijde, integendeel, hulpbehoevend strekte hij zijne hand uit naar den, in Troas toevenden, Paulus en riep: ..Kom over naar Macedoniü en help ons!quot; Do droom maakte zulk een indruk op den slaper, dat deze ontwaakte. Was dit niet een wenk van boven? Gewis! de Macedonische man was een vertegenwoordiger van het onverschrokken, dappere, wereld veroverende volk, dat aan gene zijde der zee woonde en nog immer te vergeefs uitzag naar het Evangelie. En hij zou niet afgewezen worden door hom, die zich een schuldenaar rekende allen volkeren, zoowel den Grieken als den Barbaren, beide den wijzen en der onwijzen (Rom. 1 : U).

Des morgens vertelde hij, zelf nog zeer onder den indruk van het doorleefde, zijn drie makkers de geschiedenis. Allen hadden denzelfden, vreugde vollen indruk ontvangen en zeiden: „Dat komt van den Heer! dat is de oproeping naar Europa Iquot; Lukas, die zich hier voor het eerst bij de reizigers aansluit, zegt: „Wij trachtten terstond naar Macedonië te reizen, overtuigd, dat de Heer ons geroepen hadquot; (Hand. 16 : 10).

Weldra hadden zij een schip gevonden, dat naar Macedonië voer. Een gunstige wind blies in de zeilen, zoodra het anker gelicht was en spoedig hadden de reizigers de huizen en torens van Troas uit het oog verloren. De wit besneeuwde top van den Ida was het eenige, wat zij in het onzeker verschiet zagen en dat hun herinnerde aan het Aziatische vasteland. Snel doorkliefde het schip de blauwe golven, tot groote vreugde der reizigers, die na zulk een langen tijd van onzekerheid, vol moed het doel naderden, hun zoo duidelijk door uen Heer aangewezen ! Als een veldheer, die in Azië in den dienst zijns Heeren vele hem tot eer verstrekkende, litteekens had gekregen, trok Paulus naar Europa, om daar opnieuw gewond te worden, ja zelfs den dood te vinden. Opmerkenswaardig blijft het, dat op dezelfde plaats, waar eenmaal Alexander de Groote den voet had gezet

-ocr page 130-

NAAK EUROPA.

112

op de Aziatische kust, teneinde een werelddeel te winnen voor de Europeesche beschaving, — dat op diezelfde plek Paulus van Azië afreisde, om als een wereldveroveraar, in veel hoogeren zin, een werelddeel te winnen voor zijn Heer, namelijk het kleine Europa, dat in geestelijke beteekenis geroepen was tot de wereldheerschappij.

-ocr page 131-

DE STICHTING DER MACEDONISCHE

KERK.

s

-ocr page 132-
-ocr page 133-

lt;^\\

i c7/\\

i a/\\

i \'y\\

c^i

DE AANKOMST IN MACEDONIË.

Tusschen het Haemus-gebergte en de Middellandsche zee, in liet hart van het tegenwoordig Balkan-schiereiland, lag het oude Macedonië. Aan drie zijden verheffen zich geweldige gebergten, die gedeeltelijk tot zelfs in het midden van den zomer met sneeuw bedekt zijn, en die bijna onoverkomelijke scheidsmuren vormen. Aan de vierde zijde wordt de kust van Macedonië bespoeld door de schoone, Grieksche zee. Het land is rijk aan woeste bergen en met wouden bedekte hoogten, waardoor het klimaat dikwijls onherbergzaam is. Toch ontbreekt het dezen streken evenmin aan schoone, vruchtbare dalen, waardoor breede stroomen vloeien. Aan den voet van het indrukwekkende alpengebergte, met zijn eeuwige sneeuw en bruisende watervallen, ligt menige lieflijke vlakte, zich koesterend in den gloed der zuider-zon. Daar staat in de lente de granaatappelboom beladen met vuurroode bloesems, de laurier, waarlangs klimop en lianen zich slingeren, terwijl de vruchtbare weiden bedekt zijn met kudden runderen.

Tegenwoordig wonen in deze landstreken voornamelijk slavi-sche volksstammen. De tulband-dragende Turk bestuurt een volk, dat alle vrijheid mist, en de Halve Maan, het teeken dei-vervlogen, gulden dagen, ziet van moskeeën en minarets neder op het vroegere rijk van Alexander den Groote.

Eertijds echter was alles anders! Eenmaal woonde hier een

-ocr page 134-

DE AANKOMST IN MACEDONIË.

dapper volk, dat vol geestdrift zijn genialen 22-jarigen koning volgde naar het verre Oosten, teneinde de wereld te veroveren. Macedonië is niet beroemd geworden door zijn natuurschoon, maar door zijn dappere, edele, moedige bevolking. Standvastig en trouw was zij als de bergen, waar en oprecht als de kristalheldere stroomen. Het getrouwe volk, dat zijn grooten koning tot naar het einde der wereld volgde, heeft dit kleine land versierd met een nimmer verdorrenden krans. Te allen tijde zal de geschiedenis van Alexander en zijn volk tot de schoone bladzijden der wereldhistorie behooren, bladzijden, waarop de mensch met bewondering staart, er trotsch op zijnde, dat het menschelijk geslacht zulke helden heeft voortgebracht.

Maar de tocht der koene Macedoniërs is meer dan een schitterende episode in de rij der groote wereldgebeurtenissen. Zoo ooit een vorst in de oudheid, dan was Alexander de Groote een „Knecht Gods,quot; door de Voorzienigheid geroepen tot het volbrengen van daden, wier gevolgen lang zouden nawerken. Alexander was voor de, tot nu toe geheel van elkander gescheiden levende, volkeren als het ware de openbaring van de gedachte van een wereld-eenheid. Zijn plan, om het Oosten en het Westen samen te smelten tot een machtig wereldrijk, door eenheid van taal, beschaving en regeering verbonden, was een van de krachtigste baanbrekers voor het Evangelie. Alexander en zij, die hem opvolgden in het wereldbestuur, de Eomeinen, waren slechts de landlieden, die naar Gods raad en op Zijn tijd de voren door den wereldakker zouden trekken, opdat een machtige hand het zaad des Evangelies van Jezus Christus, daarin zou kunnen uitstrooien.

Ook ten tijde van den Apostel Paulus leefde in het land Macedonië nog datzelfde flinke, dappere, trouwe volk. Evenals de bergen en dalen van Macedonië dikwijls doen denken aan het vaderland der Duitschers, zoo had ook het Macedonische volkskarakter veel overeenkomst met dat der trouwe zonen van Germanië. Daarom is het niet van belang ontbloot, dat dit

116

-ocr page 135-

IN HET JAAR 52.

volk onder alle volkeren van Europa het eerste zou zijn, dat met het Evangelie werd bekend gemaakt.

Na een gelukkige vaart, die door den gunstigen wind spoedig volbracht was, landden de vier apostolische mannen, Paulus, Silas, Timotheus en Lukas, reeds twee dagen na het vertrek uit Aziö op Europeesch grondgebied, te Neapolis, een belangrijke havenstad aan de golf van Strymonië. Neapolis was gebouwd op een schoon gelegen landpunt. Tegenwoordig vindt men op die plaats een Turksche stad, Kawalla, die 3000 inwoners telt, en waar de grondlegger der tegenwoordige Egyptische dynastie, Mohammed Ali, geboren werd. De schoone romantische ligging van het zeeplaatsje, welks vriendelijke huizen en boomen evenals de schilderachtige bogenrij van den grooten aquadukt, op den hellenden bodem gebouwd zijn, terwijl het geheel gekroond wordt door een vervallen, oude kazerne, blijft in aangename herinnering bij eiken bezoeker. Van Neapolis konden de reizigers den volgenden dag in enkele uren naar Pilippi wandelen, dat voorloopig het doel hunner reis was. Zij volgden den beroemden Egnatischen weg, dien deEomeinen hadden aangelegd schuin door het Balkan-schiereiland heen, tot aan de, tegenover Italië gelegen, kust van Epirus. Over den druk bezochten, goed onderhouden weg gaande, zagen zij reeds na een uur de uitgestrekte, vruchtbare, met dorpen bezaaide vlakte voor zich. In haar midden lag op een eenigszins ver heven punt, vanwaar men de geheele omgeving overzag, de oude stad Filippi, terwijl aan gene zijde der vlakte de horizon begrensd werd door het Pangaeus-gebergte.

117

-ocr page 136-

A!5

IN FILIPPI.

Filippi was gesticht door koning Philippus, den vader van Alexander den Groote. In overoude tijden had men hier uitgestrekte goudvelden ontdekt, die door marmerlagen liepen. Met het oog op die goudmijnen was de stad gesticht. Ten tijde van Paulus waren de bergwerken uitgeput en hadden dus niets meer te beteekenen. Toch genoot de stad nog steeds de bijzondere gunst van den wereldbeheerschenden keizer. Op Macedonisch grondgebied, in de vlakte van Filippi was immers, met den slag tegen Brutus en Cassius, de teerling geworpen, die over het lot van Rome zou beslissen. Hier lag het gedenkwaardige veld, waar men aan de opvolgers van Cesar de keizerskroon had trachten te ontrooven. Daarom verleenden de Romeinsche keizers aan Filippi vele aanzienlijke voorrechten. Evenals in verscheiden andere steden .van Macedonië had. Augustus ook hier een Romeinsche kolonie gesticht. Een menigte Romeinsche burgers, waaronder hoofdzakelijk vele, uit den dienst ontslagen, Italiaan-sche soldaten, waren hier overgebracht. De stad verkreeg de voorrechten eener Romeinsche stad en werd, evenals de andere Macedonische vrijsteden, bestuurd door een politarch.

Paulus kwam dus, toen hij in het begin van het jaar 52 Filippi bereikte, in een stad, die evenals het, voor eenige dagen

-ocr page 137-

IN HET JAAB 52.

verlaten, Troas kennelijk den stempel eener Romeinsche plaats droeg. Alles was in deze vesting der Romeinen op militaire wijze ingericht. De muren, die de stad omgaven; de bezetting op de wallen; de Romeinsche soldaten bij de poorten; de Romeinsche adelaar, het teeken der wereldheerschappij; de Romeinsche taal, door de meeste menschen op straat gesproken: dat alles, deed denken aan een Rome op kleinere schaal. En binnen de muren dezer stad zou eenmaal het lot der groote stad Rome beslist worden.

Waarschijnlijk zochten de apostolische reizigers, geleid door Lukas, die met het land bekend was, in de stad een geschikte herberg, terwijl zij gedurende de eerste dagen van hun verblijf de stad zelf nader trachtten te leeren kennen. Toen echter de Sabbat aangebroken was, lieten zij zich naar de plaats brengen, waar de, blijkbaar niet zeer talrijke. Joden van Filippi hun godsdienstoefening hielden. Deze was, bij gebrek aan een eigen synagoge, een eenvoudige ruimte of plaats des gebeds vóór de stad, bij het riviertje den G-angas, dat eenige uren boven de stad ontspringt uit eene groote, heete bron. Sedert overoude tijden bidden de Oosterlingen het liefst in de nabijheid van een vroolijk stroomend water. Reeds Izaiik treffen wij bij den „put des levenden en des ziendenquot; om daar te bidden. In dezen tijd zelfs gaat de Mohammedaan zooveel mogelijk ten tijde des gebeds naar de bron, om daar neder te knielen en Allah aan te roepen. Ook in de ruimte voor den tempel te Jeruzalem vindt men naast de moskee de heilige bron, wier water langs onderaardsche kanalen, van de hoogten buiten Jeruzalem wordt aangevoerd. Aldus plachten ook de Joden van Filippi op den Sabbat naar een stille plaats aan de oevers van den snel stroomenden Gangas te gaan, om in de schaduw der boomen den God hunner vaderen te aanbidden. Het rustige, vreedzame oord heeft Paulus zeker herinnerd aan den onvergetelijken avond in Damaskus, waarop Ananias hem, nu zestien jaar geleden, doopte aan de schaduwrijke oevers van den Barada.

119

-ocr page 138-

IN FILIPPI.

Slechts een kleine gemeente vonden de Apostelen hier bijeen; op dien eersten Sabbat waren er slechts eenige vrouwen. Met deze zetten zij zich onder de boomen neder en verkondigden haar het Evangelie. Welk een vredige, heilige ure was dat aan de eenzame oevers van den Gangas! Voor het eerst weerklonk op Europeesch grondgebied de blijde boodschap in de ooren van eenige vrouwen. Het is ons, als zien wij de aandachtig luisterende vrouwen neergezeten onder de cypressen en platanen, om uit den mond van den vijftigjarigen Paulus de heilige woorden te hooren, om te vernemen, dat Jezus Christus ook haar verlost, ook voor haar de poorten des hemelrijks geopend heeft.

Toen ontwaakten de, op den bodem des harten sluimerende, verwachtingen, door God zelf daarin nedergelegd. En hoe meer zij van de Schrift vernamen, hoe duidelijker zij de goddelijke gestalte van Jezus Christus voor zich zagen, des te meer werd ook het hart brandende, gelijk eertijds bij de jongeren op weg naar Emmaüs. En nog voor de zon haar laatste stralen uitgoot over stad en gebergte, was een geheel huisgezin van Filippi in den Gangas gedoopt. Het waren Lydia en al hare huis-genooten.

Zoo was de eerste, vredige prediking des Evangelies in Europa, gelijk aan het lieflijke, teedere morgenrood van de zon, die nu sedert eeuwen haar helder licht laat stralen over dit werelddeel. Edele vrouwen van Filippi! Niet tevergeefs staat gij, heilige gestalten, aan de poorten van Europa, als wildet gij in dezelfde ure, dat het Christelijk geloof ons werelddeel binnendrong, uwe duizend en nog eens duizend zusteren toeroepen, dat de vrouwen van Europa een heilige zending te volbrengen hebben in de Christelijke kerk, dat zij de priesteressen zijn, aan wie de zorg voor het heilige vuur het eerst is toevertrouwd, welk vuur ons werelddeel, sedert de komst der gezanten Gods, heeft gewekt tot een nieuw leven, en opgevoerd tot ongedachte hoogte.

120

-ocr page 139-

IN HET JAAR 52.

Omtrent dezen eersten Sabbat weten wij niets meer, dan dat een vrouw de eerstelinge van Europa werd. Zij was geboortig van Thyatira in Lydië en daarom ook Lydia genoemd; bovendien was zij een zoogenaamde „godvreezendequot;, dat wil zeggen van geboorte een Grieksche vrouw, die zich bij het Jodendom had aangesloten door het naleven der Noachitische wetten. Zij dreef in Filippi handel in purper, een der beroemdste handelsartikelen uit haar geboorteland Lydië, en verkeerde daardoor, wat vermogen aangaat, in zeer goede omstandigheden. Nu deze vreemdelingen haar bekend hadden gemaakt met het kostbaarste purperen kleed; „het bloed van Christus en Zijne rechtvaardig-makingquot;, was zij daarover zoo verheugd, dat zij de mannen dringend uitnoodigde van nu af hare gasten te zijn. Het verzoek werd gedaan met zooveel hartelijkheid, dat de vier mannen het niet konden afslaan. VoortVan woonden zij dus onder het gastvrije dak van Lydia, die het als een geluk beschouwde, dat zij de eerste was, die het Evangelie op Macedonisch grondgebied in haar huis opnemen mocht.

Nu de Apostelen zulk een aanzienlijke woning in Filippi als de hunne mochten beschouwen, konden zij met te meer vrijheid het Evangelie in de stad prediken. De geschiedenis deelt ons weliswaar niet mede, hoe lang zij daar gebleven zijn, doch de brief aan de Filippensen, door Paulus tien jaar later van uit Rome geschreven, geeft ons daaromtrent genoegzame ophelderingen. Een gemeente, zooals wij die uit den vermelden brief leeren kennen, zoo talrijk en wel ingericht, kan men niet in eenige dagen of weken stichten. De Apostelen hebben zeker minstens een kwart- of een half jaar in de stad vertoefd. Uit de laatste brieven van den Apostel leeren wij nog eenige namen kennen van leden der gemeente. Daartoe behoorden de beide diakonessen, Euodia en Syntyche (Fil. 4 : 2), die Paulus tot eensgezindheid moest vermanen, als ook de mannen, die eenmaal geloovig geworden zijnde, der gemeente uitstekende diensten bewezen, n.1. Epafroditus, de „medearbeider en mede-

]21

-ocr page 140-

IN FILIPPI.

strijderquot; (Fil. 2 : 25), de getrouwe Syzygus, die met Paulus om des Evangelies wil gestreden heeft, een zekere Clemens en andere mannen, „welker namen zijn in het boek des levensquot; (Phil. 4:3).

Zoo groeide en bloeide de, gemeente te Filippi ongestoord, en het is zeer waarschijnlijk dat Paulus, zooals zijn gewoonte was, ook getracht heeft het Evangelie te brengen aan de omliggende streken. Men mag onderstellen, dat in het voorjaar van het jaar 52 Paulus voornamelijk in Filippi werkzaam was. Welk een genot moet het geweest zijn over de prachtige vlakte van Filippi te wandelen en de talrijke dorpen te bezoeken. Veld en woud, alles tooit zich met groen en bloesems, terwijl de vogels jubelend hunne liederen doen hooren. Talrijke beekjes vloeien met lieflijk geruis door de vlakte, waarop schoone platanen, vijge- en kerseboomen, kastanjes en noten groeien, terwijl zij begrensd wordt door het trotsche, besneeuwde Pangaeus-gebergte. Menigmaal is Paulus zeker met een zijner reisgenoo-ten naar het een of ander dorp gewandeld, om daar Christus\' blijde boodschap te brengen.

Nog langen tijd zouden, de Apostelen dezen genotvollen arbeid voortgezet hebben, indien niet in den zomer van het jaar 52 een gebeurtenis had plaats gegrepen, die stormachtige tooneelen ten gevolge had en de mannen dwong, voor langen tijd afscheid te nemen van Lydia en hare gastvrije woning.

122

-ocr page 141-

HET OPHOER IN FILIPPI.

Een arm, krankzinnig meisje, dat als slavin haar geboorteland ■ had moeten verlaten, werd door hare heeren gebruikt om den lieden voor grof geld de toekomst bekend te maken, iets, waartoe het heerschende bijgeloof gereede aanleiding gaf. Het is bekend, dat krankheid des geestes dikwijls samengaat met een zeker vermogen van helderziendheid. Ook zijn er onder deze ongelukkige kranken vele, die de gewoonte hebben, alles na te spreken, wat anderen hun hebben voorgezegd. Nu werd in vele kringen der stad bijna dagelijks gesproken over Paulus, zijne drie medearbeiders en den wasdom der Christengemeente. Waarschijniijk heeft het kranke meisje menigmaal gehoord, dat er gesproken werd over de knechten Gods, die, — zooals de Apostelen gewoonlijk zeiden, — den weg der zaligheid verkondigden. Zoo dikwijls nu de ongelukkige de Apostelen zag. riep zij: „Deze menschen zijn dienstknechten Gods des Aller-hoogsten, die u den weg der zaligheid verkondigen!quot; Doch zoo iets kon Paulus niet toelaten. Hij kon niet verdragen, dat het heerlijk werk des Evangelies zou worden aangeprezen door het treurige geroep eener waanzinnige, die gehoorde woorden herhaalde. Toen zulks op zekeren dag weder het geval was, keerde hij zich om, zag het arme schepsel aan met een blik, waaruit

-ocr page 142-

HET OPROER IN FILIPPI.

het diepste medelijden sprak en gebood den onreinen geest, „in den naam van Jezus Christusquot; van haar uit te gaan. Op hetzelfde oogenblik zweeg het meisje. Door des Apostels woord was haar geest bevrijd van de duistere banden. Als ontwakend uit een langen, bangen slaap, waarin angstige droomen haar gekweld hadden, liet zij den helderen, betraanden blik gaan over de omgeving, om daarmede een nieuwen, gouden dag te begroeten.

Dat was een hoogst gewichtige dag in haar leven. Zou hare genezing zicli alleen beperkt hebben tot het uitwendige en zichtbare? Zoo dikwijls Jezus arme kranken en bezetenen genas, voegden deze zich dankbaar bij de schaar der jongeren. Het heerlijkste bewijs hiervan levert Maria Magdalena, zij, de eerste, die der Christenheid verkondigde, wat op den Paaschmorgen was geschied (Mark. 16 : 9). Wellicht is ook deze Magdalena van Filippi voortaan een getrouwe dienstmaagd geweest van haren redder, Jezus, in wiens naam Paulus haar genezen had. Stellig was onder de slaven en slavinnen, die zich later met de immer talrijker wordende Christenen in het huis van Lydia te Filippi vereenigden, ook het eertijds zoo ongelukkige meisje, dat in tweeërlei zin het leven aan Paulus verschuldigd was.

Paulus vermoedde geenszins welk een hevigen storm hij door deze daad van genezing had doen opsteken boven het hoofd van zichzelf en zijne metgezellen. De heeren der slavin waren woedend, omdat hun op eenmaal zulk een ruime bron van inkomsten ontroofd was. De omstandigheid, dat niet langer geld kon verdiend worden, zij het dan ook door onheiligen arbeid, en niet vijandschap tegen het Evangelie, was oorzaak, dat de Apostelen hun werkzaamheid in Filippi plotseling moesten opgeven. Zij ontvingen door dit alles tegelijkertijd het teeken, dat zij in Filippi hun tenten niet mochten opslaan, maar dat zij volijverig moesten optrekken, om de wereld voor hun Heer te gewinnen.

Op een der eerstvolgende dagen bespiedden de mannen, die zooveel verloren hadden door de genezing der slavin, de beide

124

-ocr page 143-

IN HET JAAR 52.

125

Apostelen. Niets kwaads vermoedend liepen Paulus en Silas door de stad, toen zij zich plotseling omringd zagen door een menigte toornige, stevige mannen. De Apostelen werden naar het Forum gesleept, de ruimte, die het volk gebruikte als markt en tot het houden van bijeenkomsten, en die naar Romeinsch gebruik, omringd was door verschillende gebouwen, als; op hooge zuilen rustende tempels, raadzalen en basilieken of gerechtszalen. In een dezer zalen hielden de regenten der stad gewoonlijk hunne rechtszittingen, en de Apostelen werden nu voor deze mannen gebracht. Het voik, dat volgens gewoonte op de markt bijeen was, werd in allerijl tegen de vreemdelingen opgezet. Zij komen de zaal binnen en spreken hunne aanklachten uit. Deze luiden, dat de mannen trachten verdachte nieuwigheden en een, voor den Staat gevaarlijken, godsdienst in te voeren. En deze Romeinsche gemeente, een Romeinsche kolonie zou zich door vreemde Joden een nieuwen godsdienst laten opdringen? Was die niet een „religio illicita,quot; n.l. een ongeoorloofde godsdienst, zoo streng door de wet verboden ? Door dergelijke opruiende woorden wisten de leiders de steeds aangroeiende menigte tot toorn te prikkelen. De overvallen politarchen stonden plotseling tegenover een oproer, dat immer heftiger werd en zich over de geheele stad dreigde uit te breiden. Zij bevonden zich dus in een hoogst onaangenamen toestand, welke zeer nadeelige gevolgen na zich kon sleepen. Zij meenden het volk niet anders tot rede te kunnen brengen dan door toe te geven, en onderzochten de zaak dus geenszins. Indien er niets gevorderd werd dan de geeseling van een paar onbekende Joden, waarom zou men dan het volk niet ter wille zijn? Reeds klonk boven het woeste geraas het bevel van den Romeinschen rechter uit: „Summove, lictor, expedi virgas, verbera!quot; De lictoren of beulen maakten de geesels gereed. De beide Apostelen werden van hun kleederen ontdaan, met gebogen rug aan een paal gebonden, en toen vielen de geeselslagen met kracht op de ruggen neder, zoodat het bloed hoog opspatte. Na weinige oogenblikken was

-ocr page 144-

HET OPROEE IN FILIPPI.

de wreede foltering afgeloopen. Toen werden zij, terwijl het volk joelde en schreeuwde, zoodat het hun onmogelijk was zich verstaanbaar te maken, als lage misdadigers naar de gevangenis gebracht. Den gevangenbewaarder werd gelast, de gevaarlijke mannen ten strengste te bewaken. Deze voerde ze daarom naar het binnenste, donkerste hol des kerkers en verzekerde hun voeten in den stok. Dit werktuig, nu nog in Turkije te vinden, bestaat uit twee stevige balken, waartusschen de voeten door de aangebrachte holten geplaatst, worden vastgeschroefd, zoodat het onmogelijk is te ontvluchten. Daarna liet de man zijn gevangenen aan hun lot over.

Met verwonden, ontvleeschten rug lagen Paulus en Silas tegen middernacht op den vloer des kerkers, terwijl de verschrikte Christenen van Filippi waarschijnlijk nog bijeen waren in het huis van Lydia en baden voor de gevangenen, die zich in zulk een hopeloozen toestand bevonden. Hoe spoedig ervoeren zij, dat in Europa het Christendom eenerzij ds met de warmste liefde werd ontvangen, doch ook anderzijds den heftigsten tegenstand ontmoette. De gevangenen lieten evenwel den moed niei zinken. Paulus had als gezant van Jezus Christus reeds smartelijker ondervindingen opgedaan dan een geeseling en het verblijf in een kerker, en steeds had zijn lijden slechts gediend tot verheerlijking des Heeren en tot uitbreiding van het Evangelie. Daarom dachten zij niet aan klagen, ook al leden zij pijnen en bevonden zij zich in een kerkerhol. Veeleer hadden zij reeds, en velen na hen, ondervonden, dat een geloovig gemoed in de donkerste uren krachtig gesterkt wordt door het gebed of een geestelijk lied. Is het niet, of in zulke oogenblikken de engelen ons ter zijde treden en dienen, gelijk zij den Heer in\'de woestijn dienden? Zoo begonnen zij dan ook, trots hun kwalen en tot verbazing der, in de nabijgelegen cellen zich bevindende, gevangenen. te bidden en psalmen te zingen. Plotseling dreunt de aarde onder hunne voeten. Het gebouw wankelt, de deuren, losgerukt uit de posten, springen open. Overal hoort men ge-

126

-ocr page 145-

IN HET JAAR 52.

kraak en het nederstorten van gedeelten des gebouws. Door een panischen schrik aangegrepen, snellen de gevangenen uit de kerkers en bevrijden degenen die geboeid zijn. Gedurende een aardbeving schijnen mensch en dier aan niets anders te kunnen denken dan aan zelfbehoud. Met doodsbleek gelaat ijlen allen naar het voorplein, doch wagen het niet de nauwe straten rondom de sterkte te betreden.

Daar treedt ook de gevangenbewaarder snellijk naar buiten, plotseling uit den slaap gewekt. Alles is donker, alle ruimten zijn leeg, nergens een spoor der gevangenen. Nu trekt de Macedoniër, een kreet van wanhoop slakend, het zwaard, teneinde zich te dooden. Waarom had hij geslapen! Was hij niet voor de gevangenen verantwoordelijk, op kosten van zijn eigen leven!

Daar klinkt de stem van den vrijgemaakten Paulus uit de gevangenis: „Doe uzelven geen kwaad, wij zijn allen hier!quot; Spoedig verkrijgt de bewaarder het gewenschte licht en komt nader. Inderdaad, daar zijn alle gevangenen! De man wordt zeer ontroerd, hij begint sterk te beven. Slechts deze gedachte komt bij hem op, de dienaars des Allerhoogsten, door heöi in den stok verzekerd, zijn door onmiddellijke tusschenkomst des Allerhoogsten bevrijd. Hij valt Paulus en Silas te voet, en smeekt hun op hoogst eerbiedige wijze mede te gaan naar zijne woning. En- als zij buiten zijn, herinnert hij zich, wat de geheele stad, wat ook het waarzeggende meisje van deze mannen gesproken had: „deze mannen verkondigen den weg der zaligheid.quot; Daarom klinkt het uit zijn mond: „Lieve heeren! wat moet ik doen, opdat ik zalig worde ?quot;

En zij antwoordden hem: „Geloof in den Heer Jezus Christus en gij zult zalig worden, gij en uw huis.quot; Nu werd in de eerste stad van Europa zelfs de kerker een kansel, waarop het Evangelie gepredikt werd. Het geheele gezin des stokbewaarders, dat tengevolge van de aardbeving was opgestaan, kwam bijeen en luisterde. Ofschoon de rug hun bloedde en schrijnde, straalt toch uit hun oog een heerlijk licht, nu zij als zegen-versprei-

127

-ocr page 146-

HET OPROER IN FILIPPI.

dende boden den man en zijn gansche gezin mogen noodigen tot den ingang in het genaderijk van Jezus Christus, als het loon voor de mishandelingen den vorigen dag ondergaan.

Welk een indrukwekkende plechtigheid, deze middernachtelijke godsdienstoefening! De lofliederen van Paulus en Silas hadden haar ingeleid, daarna had het donderend geraas der aardbeving weerklonken, en eindelijk vernam men het Hallelujah van den bewaarder en diens gezin. In den kerker te Filippi vertoonde zich midden in den nacht, voor het oog der kleine gemeente de verheven, stralende gestalte des Zoons van God, die van den hemel daalde om ons uit den kerker der zonde en de macht des doods te verlossen, en ons te maken tot gezaligde kinderen des hemelschen Vaders.

Nu werd den, zoo dierbaar geworden, gevangenen een beter leger bereid. De bewaarder trad op als geneesmeester en wiesch zorgvuldig, diep geroerd, de bloedige striemen, welke zij, zooals hij nu erkende, slechts verkregen hadden in den dienst huns Heeren, om des dierbaren Evangelies wil. Eindelijk gingen zij uit om te doopen. De Gangas stroomde wellicht niet ver van het huis. Daarheen toog bij het licht der sterren, de stille Christenschaar, in het geweld des donders voor den Heer gewonnen, en liet zich doopen. Lang leerstellig onderricht werd toen ter tijde niet noodzakelijk geoordeeld. Het was voldoende, als hart en geweten gehoor gaven aan de roepstem tot bekeering en tot navolging van Jezus. Als gevangenen had de bewaarder de beide predikers des avonds in den kerker gevoerd, nu geleidden zij hem en zijn gezin als gevangenen van Jezus Christus naar hun woning. Daar bereidde de vrouw, die zich herinnerde, dat de beide gevangenen zeker niets genuttigd hadden sedert het oproer op den vorigen dag, een feestelijken maaltijd, voor zoover kelder en keuken zulks toelieten. Een opgewekte maaltijd was het, waarbij Paulus en Silas het ge-heele gezin deden denken aan het woord, voor hen op menigvuldige wijze van toepassing: „Smaakt en ziet, hoe goed en

128

-ocr page 147-

IN HET JAAR -52.

129

vriendelijk de Heer is.quot; En wederom strekt dit feestelijk gestemde gezin, waaraan alle leden door den Heer zijn gevonden, tot een ernstige vermaning voor geheel Europa, dat voortaan ook in do duizendmaal duizend woningen, waarin het Evangelie zal binnendringen, l.et licht des Christelijken geloofs moet branden, de huiselijke vreugde bezielend en heiligend, alle leden door den band des gemeenschappelijken geloofs verbindend tot een hoogere eenheid.

Volgens het oordeel van een zeker soort onderzoekers moet de aardbeving in Filippi natuurlijk verwezen worden naar het rijk der fabelen, ofschoon aardbevingen op zichzelf niets bovennatuurlijks hebben en juist in die streken zeer dikwijls voorkomen. Het opmerkelijke, aanstootelijke van het „wonderquot; is dus hier, evenals zoo menigmaal, daarin gelegen, dat God een natuurverschijnsel, hetwelk zich anders dikwijls voordoet, juist op het rechte oogenblik in het leven roept, teneinde den Zijnen die tot Hem bidden, hulp te verleenen. Ook zijn er menschen, die alles, wat maar eenigszins opmerkelijk schijnt, gaarne ge-looven, wanneer het wordt medegedeeld door den een of anderen berichtgever van een dagblad, doch die dadelijk de schouders ophalen, zoodra zoo iets te vinden is in zulk een onbetrouwbaar boek als de Bijbel. Met de zoodanigen kan men geen rekening houden.

o

-ocr page 148-

HET AFSCHEID VAN FILIPPI.

Den volgenden morgen wilden de politarchen hun beide gevangenen weder loslaten. Zij wilden zich niet meer met de zaak inlaten, en lieten den mannen door den bewaarder zeggen, dat zij weder vrij waren. Doch Paulus was hiermede niet tevreden. Hij liet antwoorden, dat men hen, Eomeinsche burgers, zonder verhoor en veroordeeling in het openbaar had laten geeselen en in de gevangenis werpen, en dat zij geenszins in het geheim in vrijheid begeerden gesteld te worden. Een dergelijke handelwijze mocht hij niet toelaten. Hij wilde niet verdragen, dat de zaak des Evangelies aldus gesmaad werd, dat zijne gezanten in het oog der geheele stad voor eerlooze mannen golden. Hij verlangde daarom, dat de heeren in eigen persoon zouden verschijnen, teneinde hunne verontschuldigingen aan te bieden, en hen, in hun eer hersteld, uit de gevangenis te leiden. Toen de politarchen hoorden, dat Paulus en Silas het Eomeinsch burgerrecht bezaten, werden zij zeer verschrikt. De zoodanigen te geeselen, was ten strengste verboden bij de „lex Portia Sem-pronia. Zij begaven zich terstond op weg, kwamen in den kerker, verzochten den gevangenen hen te willen verontschuldigen, en voerden deze met zich uit de gevangenis ten aanschouwe der gansche stad. Zij smeekten ze ten slotte, om des vredes

-ocr page 149-

:n het jaae 52.

wil, de stad vrijwillig te verlaten, hetgeen de Apostelen beloofden.

Groote vreugde heerschte in het huis van Lydia, toen Paulus en Silas, geheel in hun eer hersteld, tot de gemeente wederkeerden, en de blijdschap steeg ten top, toen men hoorde, welke merkwaardige gebeurtenissen zij gedurende den nacht doorleefd hadden. Natuurlijk waren de stokbewaarder en zijn gezin ook tegenwoordig, en het opgewekte, van dankbaarheid stralende gelaat der onderscheiden personen was voor de gemeente het overtuigend bewijs van hetgeen Paulus mededeelde. Langzamerhand kwamen de beide mannen de geleden mishandelingen (een openlijke geeseling was een zeer pijnlijke straf) te boven. Paulus was bovendien uiterst gevoelig voor een dergelijke strafoefening, daar zijn eergevoel zeer fijn was. Om des Heeren wil verdroeg hij den smaad echter gaarne. Wellicht heeft hij aan deze mishandeling gedacht, toen hij tien jater later van uit Rome aan de gemeente te Filippi schreef: „Ik verwacht, dat in alle vrijmoedigheid, gelijk te allen tijd, alzoo ook nu, Christus zal groot gemaakt worden in mijn lichaam, hetzij door het leven, hetzij door den dood.quot;

Volgens belofte maakte Paulus alles tot zijn vertrek gereed, hoewel de gemeente diep bedroefd was. Hij troostte de vrienden echter door hen er op te wijzen, dat de Heer hen nooit zou verlaten, trof de noodige schikkingen, stelde opzieners en diakenen aan (Fil. 1 : 1.); benoemde misschien Syzygus tot eersten voorganger (Fil. 3 : 2 en 3) en liet voorloopig Lukas \') en Timotheus \'\') achter, om de gemeente verder te bevestigen. Hijzelf echter en Silas namen den wandelstaf weder op, daar het hun onmogelijk was langer in de stad te blijven; zij reisden langs de zee in westelijke richting en volgden den groeten

\') Lukas spreekt in zyne berichten niet meer van: „wy,quot; dat eerst weer voorkomt in Hand 20 : 5.

-*) In Thessalonica treffen wjj alleen Paulus en Silas aan (Hand. 17 : 4). Timotheus was dus achtergebleven. Vergelijk ook vers 10; eerst in Berua vinden wy liet drietal weder vereenigd (Hand. 17 : 14 en 15).

131

-ocr page 150-

HET AFSCHEID VAN FILIPPI.

Eomeinschen heirweg, waarlangs Brutus en Cassius met hunne legioenen eenmaal naar Pilippi getrokken waren,

Paulus is voortdurend op de hoogte gebleven van den toestand der gemeente te Filippi door het schrijven van brieven of het zenden van boden. De gemeente, welke hij in die stad had mogen stichten, was en bleef hem dierbaar, en zij bleef hem immer getrouw. Misschien was de oorzaak hiervan daarin gelegen, dat geen Joden tot de gemeente behoorden. De vervolging in Filippi is de eenige in zijn geheele leven, welke niet door de Joden was in het leven geroepen. Geen enkele gemeente was hem zoo innig en onwankelbaar toegedaan, voor geen enkele legde hij ook zijn hart zoo volkomen bloot, als voor zijne Filip-pensen, aan wie hij, van uit Rome, zijn „Zwanenzang,quot; den Brief aan de Filippensen, schreef. Hij geeft hun de teederste en meest vereerende namen. „Mijne geliefde en zeer gewenschte broeders, mijne blijdschap en kroon,quot; noemt hij ze (Fil. 4 : 1). Van geen enkele gemeente, in het Oosten of Westen, heefr, hij ooit eenige ondersteuning aangenomen; alleen de Filippensen mochten hem die schenken (Fil. 4 ; 15). Paulus was er zeker van, dat zij zijne bedoelingen volkomen begrepen. De Filippensen hebben hem ook nooit die zorg en moeite gegeven, die hij b. v. van de Corinthiërs moest ondervinden, die het ooi-leenden aan de smadelijkste mededeelingen omtrent hem, of van de Galatiërs, die in hun midden een ander Evangelie lieten prediken. Evenals Alexander de Groote zich vroeger zonder voorbehoud kon verlaten op zijne Macedoniörs, zoo kon Paulus ook zijne Filippensen vertrouwen.

Met liefde en trouw hebben zij den Apostel omringd, zelfs tot aan zijn dood. Misschien was het medegevoel en de zorgzame liefde der vrouwen, van Lydia voornamelijk, de reden, waarom de Filippensen gedachtig waren aan de behoeften van den Apostel, waarin niemand anders voorzag. Reeds terstond na zijn vertrek naar Thessalonica zonden zij hem in vier weken tweemaal boden toe, die hem moesten berichten in welken toe-

132

-ocr page 151-

IN HET JAAR 52.

stand de gemeente verkeerde en telkens brachten deze den Apostel een liefdegave der gemeente. Was hij niet haar noodlijdende vader en zij de dankbare kinderen? Ook later, toen Paulus in Cesarea en Rome jaren lang in gevangenschap leefde, rekenden allen het zich tot een plicht, hem te troosten in zijn eenzaamheid en hem te doen gevoelen, dat allen hem met dankbare liefde gedachten. Telkens ontstond een edele wedstrijd, wanneer men des Zondags samenkwam; niemand kwam met ledige handen. Weduwen en arbeiders, Lydia en de stokbewaarder, aanzienlijken en geringen, misschien ook de arme, genezen slavin, allen brachten iets mede en wilden liever zelf zich iets ontzeggen dan den Apostel in de gevangenis gebrek laten lijden. Hier gold het woord: „Ofschoon zij zeer arm zijn, hebben zij toch rijkelijk gegeven naar hun vermogen, ja, boven hun vermogen.quot; Naar Rome zonden zij niet alleen een geschenk in geld. Het noodige voor de reis werd bijeengebracht en Epafroditus, een der beste en meest geliefde voorgangers der gemeente, werd naar Rome gezonden, om hem de gave met de groeten der gemeente ter hand te stellen. Zelfs daarmede was men nog niet tevreden; men wilde, dat Epafroditus de gevangenschap met den Apostel zou deelen, opdat, daar de g e h \'e e 1 e gemeente niet met hem kon zijn, toch dagelijks een der vrienden in zijn nabijheid zou vertoeven.

Door zooveel bewijzen van onwankelbare liefde werd de band tusschen den Apostel en de gemeente te Filippi steeds hechter. In den ouderdom, toen hij den dood nabij was, denkt hij aan haar en schrijft diep ontroerd: „God is mijn getuige, hoe ik uit den grond mijns harten naar u allen verlang!quot; En wanneer zijne gedachten van uit den engen kerker te Rome naar de Macedonische kust zweefden, waar hij eertijds in den droom den, om hulp roependen, Macedoniër aanschouwd had, dan scheen hem deze gemeente een vuurtoren aan de kusten der Egeïsche zee, die zijn helderen, stralenden lichtschijn wierp over de ge-heele wereld, een gemeente van kinderen Gods, die, „onberispe-

183

-ocr page 152-

HET AFSCHEID VAN EILIPPI.

lijk wandelden in het midden van een krom en verdraaid geslacht, onder welken gij schijnt als lichten in de wereld.quot;

In latere tijden is Filippi ondergegaan in den stroom dei-wereldgebeurtenissen. Toen de morgenstond van den naderenden dag des Evangelies over ons werelddeel begon te lichten, ging in het verre Oosten van Europa de heldere, schitterende ster van Filippi op, als verkondigster van het licht. Spoedig is zij verbleekt en verdwenen, evenals de morgenster. Een bezoek van den eerwaardigen Ignatius van Antiochië in het jaar 115, een zendbrief van den edelen Polycarpus aan de gemeente, dat is het eenige, wat ons aan Filippi herinnert. Reeds in de tweede eeuw raakt de stad in vergetelheid, waaraan voor de wereld- en kerkgeschiedenis zulke grootsche herinneringen verbonden zijn. Heden heerscht de Turk over het land, waar de eerste Christelijke kerk in Europa gesticht werd. Slechts enkele, naargeestige bouwvallen wijzen de plaats aan van het oude Filippi.

Doch al moge de zichtbare stad te niet gegaan zijn, haar naam zal te allen tijde, met nimmer verbleekenden glans schitteren, als die der eerste gemeente in Europa. En niet alleen leeft deze gemeente, wier leden begraven liggen onder de puinhoopen van Filippi, voort in de hemelsche gewesten, zij blijft ook voortbestaan in de herinnering der strijdende kerk op aarde. Telkens weder treden zij ons nader, de groote, heilige gestalten, met welke wij ons in Filippi zoo gemeenzaam gevoelden: de vrome Lydia, wier hart door den Heer ontsloten was, Euodia en Syntyche, die tot eensgezindheid worden aangespoord, de dappere Cyzygus, Clemens, de getrouwe Epafroditus en Lukas, en ten slotte de groote Apostel Paulus zelf. Zij verrijzen voor het oog onzes geestes in den eenigen, heerlijken Brief aan de Filippensen, die zulke onvergelijkelijk schoone gedeelten bevat, bestemd voor den Adventstijd en den Palmzondag, en van de ver-

184

-ocr page 153-

IN HET JAAR 52.

135

wij derde kusten van Macedonië vermanen zij de tegenwoordige gemeenten in Europa, evenals zij, getrouw te blijven tot in den dood. Een, voor de kerk steeds navolgenswaardig, voorbeeld is deze gemeente, gelijk de helden der oud-Macedonische phalanx, tot den strijd toegerust met de wapenrusting Gods, in éénen geest en met één gemoed strijdende door het geloof des Evangelies (Phil. 1 : 27 en 30).

-ocr page 154-

AAN DEN VOET VAN DEN OLYMPUS.

Wie van ons heeft in zijn jeugd niet niet opgewektheid geluisterd naar de zangen en vertellingen van Homerus. Hoe menigmaal hebben wij met den grijzen, blinden zanger aan den voet van den Olympus gestaan en eerbiedig het oog gericht naar den berg der Grieksche goden, die zijn machtigen, met sneeuw ge-kroonden top statig ten hemel heft! Hoog boven het heilige dal Tempe, waar het zilveren water der bronnen zich kabbelend voortspoedt over donkere, verweerde rotsen en de schoone, rai-schende stroom zich voortbeweegt onder een dak van laurieren, platanen en bloeiende slingerplanten, verhief zich de zetel dei-goden. Nu nog verhalen de arme herders op den Olympus, dat des nachts de sterren nederdalen tot op den berg en dat daar hemel en aarde elkander eenmaal hebben ontmoet. Toen echter de verdorvenheid der menschen steeds grooter werd, trokken de goden zich meer terug tot de hoogste gedeelten des bergs.

De Grieken meenden, dat de goden verblijf hielden in deze hooggelegen, indrukwekkend schoone oorden. In goudglans stralende hallen, schatkameren gevuld met schitterende, hemelsche kleinoodiën, wonderbare, snelvoetige, door de lucht ijlende rossen, gouden wagens en wapenen, met ambrozische geuren doortrokken gewaden, sierden den heerlijken burcht der goden. Hebé,

-ocr page 155-

IN HET JAAE 52.

de godin der eeuwige jeugd, schonk den nektar in gouden schalen, de muzen deden wonderschoone molodiCn weerklinken onder den maaltijd der goden, de Horen waren steeds gereed on bereid de poorten des Olympus te openen, en de rossen der huiswaarts koerende goden te verzorgen.

Evenals voor eeuwen maakt de Olympus nog heden een overweldigend schoonen indruk. En wie hem eens gezien heeft, zooals hij zich bij een helderen avondhemel boven de zee verheft, als het ware omstraald door een glans der eeuwigheid, wanneer zijn besneeuwde top schittert in den vurigen gloed der scheidende zon en herinnert aan de kristallen vensters van geheim-nisvolle zalen, — voor hem is het niet langer een wonder, dat het Grieksche volk in zijn kindsheid, den Olympus zoo onvergelijkelijk schoon vond, en meende, dat de goede God zelf met zijn hemelsche scharen hier woonde. En ook wanneer de Olympus, zooals menigmaal voorkomt, gehuld is in dreigende, duistere wolken, zoodat hij gedekt schijnt met een donkeren krijgshelm, ook dan begrijpen wij, waarom de Grieken eerbiedig don blik opwaarts richtten, alsof achter het schrikwekkend wolkengordijn de vertoornde Zeus zetelde, die den donder deed rollen en de bliksems slingerde, om de goddeloozen te verderven.

Daarheen, vriendelijke lezer, verplaatst ons de geschiedenis van den Apostel Paulus. Kom, schud met het stof ook de zorgen voor een wijle van u af, neem den wandelstaf ter hand en trek met mij naar het land vol zonneschijn, waar de zee blinkt, en de aarde bloeit en de lucht het gansche jaar door warm is, waar de mirt groeit en de laurier zich ten hemel heft. Ik voer u van de groene boorden des Rijns door liet Duitsche en Oos-tenrijksch gebied, over den Balkan heen, naar het land Macedonië, waar de bergen de zee naderen, waar de donkerblauwe golven flikkeren, waar de Grieksche loods of bootsman, in kleurig gewaad en roode muts, de zoele lucht doet trillen door zijne vroolijke liederen, terwijl hij zachtkens zijn boot voortstuwt door het lauwe water der golf in de richting van Saloniki, het oude Thessalonica.

137

-ocr page 156-

AAN DEN VOET VAN DEN OLYMPUS.

Wij bestijgen de hoogte, waarop de citadel gebouwd is, vanwaar ook Paulus zeker menigmaal het oog over de stad heeft laten weiden. Daar zien wij het heerlijk, schoon gelegen Thes-salonica aan onze voeten. Welk een rijkdom van herinneringen wordt bij dien aanblik gewekt! Daar beneden, in een der vele schitterend witte huizen zijn voor het eerst de brieven gelezen, gericht aan de Thessalonicensen. Ginds, misschien daar, waar nu de druk bezochte bazaar staat, of waar de hooge, fijne, Mohamedaansche minaret, zich zoo scherp tegen de daarachter gelegen zee afteekent, heeft eenmaal het huis gestaan, dat Jason zoo gastvrij opende voor den Apostel en het Evangelie, en waar voor het eerst in een der groote Europeesche steden door een aandachtige gemeente geluisterd werd naar de verkondiging van Christus. Ginds, langs de kade heeft de Apostel menigmaal gewandeld, en dikwijls heeft hij met Silas het gewoel waargenomen, dat heerschte bij de met trotsche schepen gevulde haven.

Saloniki is heden, na Konstantinopel, de grootste stad van Europeesch Turkije. Juist van de hoogte, waarop wij ons bevinden, levert de stad wier huizen amphitheatersgewijze gebouwd zijn, een prachtig gezicht op. Daarboven verheffen zich talrijke, statige minarets, die zoovele naalden schijnen tegen het doorzichtige blauw des hemels, of ook donkere, hooge cypressen. Lachende, groene gaarden tusschen de huizen gelegen, bieden hot oog een aangenaam rustpunt. De stad zelf strekt zich als een lange lijn langs de golf uit. De huizen zijn gebouwd tot dicht aan de zee, wier schoone, donkerblauwe golven, de wijde bocht volgend, zich verliezen in de onmetelijke wateren.

In het midden der stad treffen we een wonderlijke mengeling van volkeren aan. Daar zit in den rijkelijk overdekten bazaar de gemakzuchtige Turk, ginds stelt de sluwe Griek zijne waren ten toon, daar ziet men den kooplustigen Jood of Bulgaar. Groote weverijen, zeepfabrieken en leerlooierijen getuigen van de nijverheid der bewoners. Op straat treft men vooral veel

138

-ocr page 157-

IN HET JAAR 52.

Joden aan, meest forsche gestalten, die in de vijftiende eeuw Spanje verlaten hebben om onder de bescherming der Turken de vrijheden te verkrijgen, hun door de Christenen ontzegd. Men herkent ze in de stad terstond aan de geplooide gewaden, hun dikwijls edele, fijn besneden gelaatstrekken en de eigenaardige kleederdracht der vrouwen. Van de 100,000 inwoners bestaat het grootste deel, meer dan 60,000 uit Joden. Handeldrijven is echter niet hun eenig middel van bestaan; zij oefenen met vlijt en goed gevolg verschillende ambachten uit en voorts zijn het in Saloniki meest Joden, die dienst doen als knechts, roeiers, last- en pakjesdragers.

De verschillende machten, die elkander het bezit van het Oostersche rijk zeker zouden betwisten, weten zeer goed, waarom zij zoo naijverig het oog gericht houden op deze streken. Saloniki is eigenlijk nu nog een der belangrijkste steden van het Oosten. Gelijk de stad zich eertijds, in Paulus\' dagen, had kunnen opwerken tot de hoofdstad van Macedonië door haar ligging aan de schoone golf en den grooten heirweg, zoo schijnt zij ook nu weder geroepen tot het vervullen eener belangrijke rol. Niet weinigen kennen deze stad in de naaste toekomst een plaats toe onder de grootste en belangrijkste havens van Europa; zij vormt het geschiktste punt, waar het Oosten en het Westen elkander de hand kunnen reiken ten einde een vreedzaam verkeer in het leven te roepen. Reeds nu loopt een spoorbaan langs de oude haven van Thessalonica en den voet van den Olympus, en verlaten jaarlijks 5000 schepen de reede van Saloniki. Daaruit kan men afleiden, welk een toekomst de stad wacht, wanneer eenmaal de roestige keten geheel verbroken wordt, welke de ongelukkige Andromeda nog verbindt aan de verweercnde rots van Turkije. Dan zou zij een der gewichtigste verkeerspunten en stapelplaatsen voor den wereldhandel kunnen worden, een voorpost van het verkeer tusschen Europa en Azië.

Het was in den zomer van het jaar 52, dat twee wandelaars, Paulus en Silas, op een hoogte buiten Thessalonica stonden.

139

-ocr page 158-

AAN DEN VOET VAN DEN OLYMPUS.

Langs den, met groote steenen geplaveiden, egnatischen straatweg hadden zij den afstand tusschen Philippi en deze plaats in vier of vijf dagreizen afgelegd. Een aangenamen, opwekkenden tocht hadden zij gedaan. Hier in Gods schoone natuur kon hun hart weder tot rust komen na de laatste stormachtige dagen, in Pilippi doorleefd. Nu eens leidde hun weg langs vruchtbare akkers, met zorg beplante wijnbergen en moestuinen, dan weder door bergachtige streken. Hier togen zij voorbij hooge rotswanden, vanwaar het heldere water der stroompjes naar beneden stortte. Dan weder liep de weg door wouden, welker schaduw en stilte weldadig aandeden, en waar het gezang der nachtegalen het oor verkwikte. De eiken, platanen, pijn- en dennenboo-men komen hier tot vollen wasdom en de kastanje zal zeker nergens zulk een schat van bloesems dragen, zoo trotsch en statig zijn kruin ten hemel heffen, als in het Macedonisch ertsgebergte.

Nu stonden de beide wandelaars in verrukking stil en aanschouwden het doel hunner reis. Aan hunne voeten lag de prachtige hoofdstad des lands, Thessalonica. Daarachter breidde zich de schitterende zee uit en in het verschiet reikte de „veol-toppigequot; Olympus tot aan de wolken, terwijl de helderheid der lucht den afstand als het ware ophief. Met bevreemding heeft zeker Paulus, die in de school der Israëlieten was opgegroeid, dezen trotschen berg aanschouwd. Op die besneeuwde toppen dus had het rijk begaafde G-rieksche volk, dat den Vader in do Hemelen nog niet kende, tot nu toe zijne goden gezocht. En plotseling ontwaakte in zijne ziel de grootsche begeerte, om hier, aan den voet van den ouden godenberg, het heerlijk Evangelie van Jezus Christus, die ons den toegang tot den heniel-schen Vader ontsloten heeft, te verkondigen aan een volk, dat sedert eeuwen hot dwaalspoor volgde, hun door goden van eigen vinding gewezen.

140

-ocr page 159-

VIER WEKEN IN THESSALONICA.

Thessalonica stond, toon Paulus de stad betrad, op het toppunt van bloei. Ofschoon hot eigenlijk slechts de hoofdstad was van een der vier Macedonische gewesten, toch was het, door zijn uitgestrektheid en belangrijkheid, als het ware de hoofdstad der geheele provincie. Het rijksbestuur had de groote handelsplaats aan de Thermeïsche golf bijzondere voorrechten geschonken, die niet weinig tot de opkomst der stad hadden bijgedragen. Over het algemeen was toen ter tijde Macedonië een veel meer welgesteld en bloeiend land dan het, door wanbestuur ten onder gegane. Griekonland. Handel en nijverheid, ondernemingsgeest en zucht tot arbeidzaamheid op ieder gebied deden liet land bloeien. De ziel van dit leven was Thessalonica, dat door zijn rechten, zijn eigen bestuur, zijn eigen landdag en zelf geslagen munt, de aangewezen hoofdplaats was van geheel Macedonië.

Niet zoodra hadden onze beide wandelaars de stad betreden, of zij ontdekten van hoe groote beteekenis deze was. In de drukke straten zagen zij kooplieden van verschillenden landaard: Macedoniërs, Grieken, Romeinen, Joden, Syriërs, Egypte-naren, Klein-Aziaten en anderen, en bovendien manschappen of troepen van het in de stad liggend, Romeinsch garnizoen. Door

-ocr page 160-

VIER WEKEN IN THESSALONICA.

aan de voorbijgangers inlichtingen te vragen, vonden zij het huis, dat zij zochten, n.1. de woning van een zekeren Jason, voor wien zij brieven van aanbeveling hadden meegebracht uit Filippi. In deze woning werden zij gastvrij opgenomen.

Op een der volgende dagen richtten de Apostelen hunne schreden naar dat gedeelte der stad, waar kunst en nijverheid zetelden. Paulus zocht werk, want hij was voornemens langen tijd in deze groote stad te vertoeven. Was een verblijf van maanden en jaren noodig geweest om in het binnenland van Klein-Azië een welgeordende gemeente te doen ontstaan, hoeveel te meer moest hij er dan op rekenen, dat zijn werkzaamheid in deze dicht bevolkte, bloeiende stad zich over jaren zou moeten uitstrekken. Hij was geen „Evangelistquot;, die gedurende eenige weken predikt en de gemoederen in beroering brengt, om daarna de ontstane beweging aan zichzelf over te laten; neen! hij arbeidde grondig en maakte zijn werk af. Om hier echter onafhankelijk te kunnen leven, moest hij geld verdienen, en om die reden zocht hij werk. Daar zijn apostolische werkzaamheden veel inspanning vereischten, spreekt het vanzelf, dat niet de beste krachten aan anderen arbeid besteed konden worden, en dus verwondert het ons niet, dat deze groote man ondanks zijn bewondorenswaardigen ijver, zijn doel niet volkomen kon bereiken. Dat zulks het geval was, weten wij hieruit, dat de Filippensen, zoodra zij vernamen in welke behoeftige omstandigheden hun Apostel verkeerde, zoodat het hem dikwijls aan spijs, drank, kleeding, ja zelfs aan het noodigste ontbrak, terstond alles bijeenbrachten, wat zij bezaten en hem tweemaal binnen korten tijd een som gelds deden toekomen (Fil. 4 : 16).

Paulus zocht derhalve in de bazaars van ïhessalonica hen op, die zijn handwerk uitoefenden, n.1. de tentenmakers en tapijtwevers. Deze tak van nijverheid was zeer bloeiend, en dientengevolge vond hij woldra een werkplaats, waar hij dooiden arbeid zijner handen in zijn onderhoud kon voorzien (1 Thess. 2 ; 9).

142

-ocr page 161-

IN HET JAAR 52.

Op den eerstkomendeu Sabbat echter, toen spoel en weefgetouw rustten, ging hij naar de synagoge. Uit de groote Jodenwijk gingen talrijke bezoekers in feestgewaad naar het Godshuis en met hen verscheidene, in de stad wonende Macedoniürs en Grieken. De synagoge was een groot, statig gebouw, het grootste heiligdom der Joden in de geheele provincie, en zeker op zoodanige wijze ingericht, ais overeenkwam met den rijkdom der inwonende Joden. Vele Joden namelijk hadden goede zaken gemaakt als commissiehandelaars tusschen het Oosten en het Westen, als bankiers en kooplieden. Doch zooals overal, waar zij ook mochten verkeeren, vergaten zij ook hier hun synagoge en hun bemind Sion niet. Op den Sabbat kwamen zij bijeen en baden, het aangezicht naar het verwijderde Beloofde Land gekeerd. Ook hier verrees ten aanschouwe van den ouden Griekschen godenberg, in den geest een berg, verre verheven boven den Olympus, namelijk de berg Sion, die omschenen werd door het licht dei-eeuwigheid. Als tien verblindende, vlammende bliksemstralen verlichtten de, van den top des Sinaï\'s dalende, heilige tien geboden den nacht des heidendoms, die ook de schoone stad aan den voet van den Olympus bedekte. Hun heilige ernst deed ook Thessalonica den zedelijken, reinigenden invloed gevoelen en bereidde do stad aldus voor op de komst des Evangelies. Bovendien hadden de zangen en psalmen Davids, de verzuchtingen der Profeten, die vol vertrouwen opzagen tot de bergen, vanwaar in de toekomst Hij verwacht werd, die de, naar redding smachtende, wereld verlossen zou van al haar jammer, zoo diepen indruk gemaakt op hart en geweten van vele heidensche Thessalonicensen, dat zij op den Sabbat gaarne hunne schreden richtten naar de synagoge der Joden.

Zoo vond dus Paulus, toen hij de synagoge betrad, een vergadering, die behalve uit Joden, ook uit vele Macedoniërs en Grieken bestond. De godsdienstoefening begon en werd op de gebruikelijke wijze voortgezet. Ook Paulus, als reizenden rabbi, werd verzocht het woord tot de gemeente te richten.

14-3

-ocr page 162-

VIER WEKEN IN THESSALONICA.

144

En Paulus trad op. Bij een dergelijke gelegenheid is het kiezen van een geschikten tekst een gewichtige zaak. De woorden, die Paulus koos, behelsden de kern des Evangelies, zoo geheel in strijd met de heerschende inzichten der Joden. Hij sprak over den lijdenden, en door lijden verheerlijkten Messias, waarschijnlijk naar aanleiding van Jesaja 58. Uitgaande van de innige begeerte, welke al zijne toehoorders bezielde, die hen verlangend deed uitzien naar een verlosser, schetste hij een geheel ander beeld van Hem, dien zij verwachtten, dan zij zich dien hadden voorgesteld. Hij zou niet komen als een, met den lauwerkrans der overwinning gesierde, koning aan het hoofd van een schaar moedige krijgers, die den vijand met het zwaard had overwonnen — doch als een lijdende Heiland, een doornenkroon dragende. Paulus toonde hun uit de woorden der profeten aan, dat Christus een geheel anderen weg gaan moest, een weg van smaad, lijden en dood, doch welke door de opstanding zou voeren tot heerlijkheid. Hij legde uit, dat Hij gansch andere machten te bestrijden had, dan die der Romeinen, dat Hij krijg had te voeren tegen een overmacht, waaronder de geheele wereld sedert menschenheugenis gebukt ging, namelijk die van zonde en dood. Daarna eerst sprak hij over Jezus van Nazareth en kwam eindelijk tot die woorden, welke het zwaartepunt zijner rede uitmaakten en welke wij vinden opgeteekend in Hand. 17 ; 3; „Deze Jezus, dien ik u verkondig, is de (verwachte) Christus!quot; En nu schetste hij Jezus\' leven, lijden en opstanding. Zonder twijfel deelde hij zijnen toehoorders ook mede, dat men hemzelf, toen hij korten tijd na de opstanding te Jeruzalem kwam, had willen doen gelooven, dat het lichaam des gekruisigden gestolen was, en dat hij, meer dan iemand anders, Jezus\' aanhangers bloedig vervolgd had. Op den weg naar Damaskus echter, had hij den Verrezene met deze zijne oogen aanschouwd, en nu kende hij sedert dien tijd geen schooner en heerlijker levensdoel, dan aan alle volkeren, aan Macedoniërs zoowel als aan Joden, de verlossing door Christus te verkondigen. Voor

-ocr page 163-

IN HET JAAR 52.

allen gold het, spoedig te beslissen; niemand kon weten, hoe spoedig Jezus, de Opgestane, zou wederkomen, ten einde de wereld te richten. \') De dag des Heeren zou even onverwacht komen, als een dief in den nacht. Daarom was het zaak, de aangeboden genade aan te grijpen, zoo lang het nog tijd was.

Machtig was de uitwerking van Paulus\'prediking. „De Messias is gekomen! De Messias, over wien wij reeds zoo dikwijls hebben gesproken, op wien wij gehoopt hebbenquot;! Deze gewichtige tijding, de belangrijkste, die een Israeliet vernemen kon, beroerde de geheele gemeente. Weliswaar was veel nog onbegrijpelijk en vreemd, maar de ophelderende woorden uit de Profeten, de noodiging tot het genaderijk Gods aan alle volkeren zonder onderscheid, de heenwijzing naar de wederkomst des Heeren, de persoon van Paulus zelf en de overtuigende kracht zijner woorden, dat alles maakte een zeer diepen indruk op vele der aanwezige Thessalonicensen. Bij de eerste maal, dat een koene aanval gedaan werd op de oude stad, gelegen aan den voet van den berg der Grrieksche goden, werd niet alleen de stad, maar een geheel volk overwonnen. Onder de Joden waren er weliswaar velen, die niet overtuigd waren, doch een des te grooter getal Grieken (Hand. 17 : 4) ontving de blijde boodschap met geestdrift. Na afloop der bijeenkomst zag Paulus zich omringd door een menigte van geloovigen, Grieken en Joden, aanzienlijken en geringen, mannen en vrouwen. Vol vreugde begroetten zij den man, die hun de goede tijding gebracht had, en er werd een band van geestelijke gemeenschap geknoopt, die hem steeds inniger en hechter aan de jonge gemeente zou binden.

Zoo was dan een schoon begin gemaakt, dat beloofde rijken zegen af te werpen. Paulus liet niet na, door onvermoeide werkzaamheid den band steeds hechter te maken, en de jongeren, wier getal dagelijks toenam, te veroenigen tot een enkele, eensge-

1) Dat Paulus den nadruk op doze zaak gelegd heeft, toont ons de eerste Brief aan de Thessalonicensen (b.v. hool\'dst. 4 : 13 en 5 : 1) evenals de tweede Brief.

10

145

-ocr page 164-

VIER quot;WEKEN IN THESSALONICA.

zinde gemeente. De Apostel moet in die dagen een werkelijk bewonderenswaardigen ijver aan den dag gelegd hebben. Zeker zouden velen der vermogende, nieuwe gemeenteleden het zich tot vreugde en eer gerekend hebben, indien zij hem als gast in hun huis hadden mogen opnemen. Doch Paulus begeerde zulks niet en hij had daarvoor geldige redenen. Wanneer hij door de straten of over de marktpleinen van Thessalonica liep, zag hij dagelijks sophisten, waarzeggers, kwakzalvers, predikers van Oostersche geheiinnisvolle godsdiensten, b.v. van den Isis-dienst, die met gewichtig gelaat hun wijsheid trachtten ingang te doen vinden en hun zakken te vullen, ten koste van licht- en bijge-loovige of domme menschen. Juist toen werd van de Joden gezegd, dat zij uit alles geld wisten te slaan. „Voor geld zijn de Joden tot alles in staatquot;! roept een toen levend dichter uit. Daarom koesterden juist de meer ontwikkelde en verstandige menschen steeds wantrouwen tegen elke nieuwe Oostersche wijsheid, te meer wanneer haar verkondigers eigen voordeel op het oog hadden. Om die reden wilde Paulus, zelf een Oosterling en een Jood, ook „dezen schijn des kwaads vermijden,quot; zooals hij aan zijne Thessalonicensen schrijft. Daarom zeide hij: liever lijd ik honger en werk ik mij half dood, dan dat ik ook maar een schijn van verdachtmaking op het Evangelie mijns Heeren zou laten vallen! Hoe meer hij er van overtuigd werd, dat de hoofdstad, waarin hij zich bevond, beslissen zou voor de geheele Provincie, des te meer trachtte hij alles te vermijden, wat afbreuk zou gedaan hebben aan het Evangelie.

Zoo arbeidde hij dus in dezen tijd nacht en dag met bijna bovenmenschelijke krachten, gelijk hijzelf de Thessalonicensen. toeroept (Thess. 2 : 9). Was hij overdag werkzaam in den diensc des Evangelies, dan kon men hem later, tot diep in den nacht in de werkplaats of in het huis van Jason aan het weefgetouw zien zitten, om daardoor een karig stuk brood te verdienen, en wellicht, voor zoover het werk hem zulks toeliet, na te denken over zijne toespraken. Wie weet, hoe menigmaal hij de koele

146

-ocr page 165-

m HET JAAR 52.

nachten heeft doorgebracht aan velerlei dingen gebrek hebbend. Voorzeker was hem dan de gave der trouwe Filippensen dubbel welkom, doch bovendien bewees het aannemen daarvan, hoe groot het vertrouwen was, dat hij in deze gemeente stelde. Later schrijft hij haar als tot troost, dat hij geleerd had, vernederd te worden en overvloed te hebben, verzadigd te zijn en honger te lijden, overvloed te hebben en gebrek te lijden, en dan voegt hij deze schoone woorden er aan toe, die ons de verborgen kracht zijns levens openbaar maken: „Ik vermag alle dingen door Christus, die mij kracht geeftquot; (Fil. 4 : 12 en 13).

Omdat hij van zulk een verheven standpunt zijn leven, zelfs zijn hongeren en gebreklijden beschouwde, liet hij onder al deze droeve omstandigheden den moed niet zinken, maar was eerder te allen tijde vroolijk en vol hoop voor de toekomst. Daarom kon hij ook in een brief, eenige weken later aan de Thessaloni-censen geschreven, deze er op wijzen, dat, hoewel hij te voren geleden had en hem smaadheid was aangedaan te Filippi, zulks hem geenszins had ontmoedigd, maar, zoo vervolgt hij: „wij gebruikten vrijmoedigheid in onzen God, om het Evangelie van God tot u te spreken in veel strijdquot; (Thess. 2 : 2). Het is, alsof in dezen tijd zijns levens de kracht hem vernieuwd wordt. Bovendien had hij den tijd niet om moede te zijn. De gemeente, in wier midden hij verkeerde, was bloeiend en deze kostelijke ervaring verleende zijn gansche wezen een bewonderenswaardige veerkracht. Het predikambt ging hem boven alles; aan zijn handwerk wijdde hij zich slechts in zijn vrije uren. Dikwijls zat des avonds een talrijke schaar Christenen enquot; Heidenen in het atrium of den zuilengang van Jasons huis en luisterde naar zijne woorden. Het vertrouwen, dat men in hem stelde, was des te grooter en onvoorwaardelijk, omdat men wist, dat hij zich geheel wijdde aan dezen belangeloozen arbeid en niet het geringste van hen wilde aannemen.

In elk lid der gemeente stelde hij persoonlijk belang, geen enkele ontging zijn opmerkzaamheid. Hij wist maar al te goed.

147

-ocr page 166-

VIER WEKEN IN THESSALONICA.

148

dat het leven eens Christens, vooral dat eens bekeerlings op vele gevaren en klippen kan stooten, en daarom zocht hij dezulken op. De dwalenden, de twistgierigen, de onbedacht-zamen, de overmoedigen, de wankelenden en de kleimnoedigen, die allen had hij met name opgeteekend in het boek zijner gedachten, en sloeg hij met trouwe liefde gade. Daarom zien wij hem dikwijls in den geest door de straten en langs de haven gaan, om bezoeken af te leggen. Nu eens treffen wij hem aan in een der deftige woningen van de voorname wijken, daar vele vrouwen uit de eerste familiën zich bij de gemeente hadden aangesloten (Hand. 17 : 4); dan weder vinden we hem in het vertrek der slaven, in de werkplaats der kleine luiden of in een der winkels van de Joden-wijk. Overal trad hij op, om te vermanen, op te beuren, en te bemoedigen, om den twijfel weg te nemen en troostwoorden toe te spreken, al naar het noodig was. Geen vader of moeder had meer voor de kinderen kunnen doen. In een van de brieven uit dezen tijd zegt hijzelf, dat hij even teeder voor ieder zorgt, als een moeder, of gelijk een voedster haar kinderen koestert (1 Thess. 2 : 7), en in hetzelfde hoofdstuk zegt hij ook; „Gelijk een vader zijne kinderen, alzoo heb ik een ieder van u vermaand en vertroost en betuigd, dat gij zoudt wandelen waardiglijk Gode, die u roept tot Zijn Koninkrijk en zijne heerlijkheid.quot; Wie zich eenmaal aan hem gegeven had, dien liet hij niet meer los, maar wist hij dooide macht, die van zijn persoon als Apostel, uitging, voor immer aan zich te verbinden. Het verdroot hem niet, telkens hulp te bieden aan de zwakken, wien nog vele zonden aankleefden, voor wie het een te moeielijke taak scheen, zich zoo plotseling los te maken van de oude gewoonten der Heidenen, van de velerlei zondige gebruiken, waartoe vroegere vrienden of familieleden hen steeds weder trachtten over te halen. Paulus had geduld met de zoodanigen, evenals een moeder met haar kind, dat de eerste, onvaste, wankelende schreden doet. Zij ergert zich niet over de mislukte voetstappen, maar verheugt zich over elke.

-ocr page 167-

IN HET JAAK 52.

met goed gevolg gedane, schrede. Zoo lief had hij allen, schrijft hij (1 Thess. 2 : 8), dat hij gaarne zelfs zijn leven voor hen zou gegeven hebben.

Telkens wanneer Paulus en Silas met de gemeente in de synagoge vergaderden, werd hun arbeid gezegend. Na enkele weken scheen het, of de synagoge niet langer aan de Joden behoorde, maar of zij geworden was tot een plaats der samenkomst voor de, steeds in bloei toenemende, gemeente der Christenen. Deze brachten vrienden en bekenden mede, en zoo telde de gemeente onder hare leden weldra personen uit alle klassen der bevolking. Reeds bestond het meerendeel uit voormalige Heidenen, en waren het niet alleen de lagere volksklassen, maar ook velen uit de voornaamste kringen, die tot nu toe tot de synagoge behoord hadden, welke zich bij de gemeente aansloten (Hand. 17 : 4). En hier zijn het wederom edele vrouwengestalten, die ons aan de poorten der Europeesche kerk begroeten. Gij, vrome schaar van vrouwen, navolgsters van Christus en bewaaksters Zijns heiiigdoms! welke ernstige vermaningen roept gij uit het verre Oosten, uit vervlogen eeuwen toe aan de zusteren van onzen tijd, opdat zij waardige navolgsters blijven, en het heilige vuur des geloofs brandende zouden houden ook in dezen veelbewogen tijd.

149

-ocr page 168-

DE VLUCHT.

Ongeveer vier weken had Paulus in Thessalonica doorgebracht (Hand 17 : 2), toen plotseling een gebeurtenis voorviel, die hem noodzaakte dit schoone, veelbelovende arbeidsveld te verlaten. Zooals immer, traden ook hier de Joden, die niet voor Christus gewonnen waren, als doodelijke vijanden van het nieuwe geloof op. Dc afgunstige Joodsche voorgangers wakkerden do vijandige gezindheid bovendien aan (Hand. 17 : 5), daar Paulus hen als het ware uit hun eigen synagoge verdreven had. Toch waagden zij het niet, openlijk tegen Paulus op te treden, daar zijne volgelingen in de Macedonische stad reeds te talrijk waren.

Bovendien was er nog iets anders, dat den Joden tot voorzichtigheid noopte. De overheid was in geenen deele op hunne zijde. Het Joden-vraagstuk bracht do wereld weder in beroering en scheen van meer gewicht dan ooit te voren. Niemand mocht de Joden lijden, en toch kon men zich niet van hen ontslaan. Weliswaar had de overleden keizer Tiberius reeds voor 20 jaren, hen ten minste uit Rome pogen te verdrijven, doch de Jodenwijk in de wereldstad was sedert lang weer dicht bevolkt. Van ieder soort van beroep, van dat eens handelaars in oude kleederen, tot dat eens bankiers, wisten zij zich meester te maken. De regeerende keizer Claudius was ook reeds tweemaal tegen

-ocr page 169-

IN HET JAAR 52.

hen te velde getrokken en juist nu werden de maatregelen verscherpt. Daar de Joden zich niet rustig wildon houden, doch telkens onder leiding van een zekeren Chrestus woeste, stormachtige oproeren in het leven riepen, maakte de keizer korte metten, en joeg alle Joden uit de stad. \')

Deze strenge maatregelen van het keizerlijke Rome hingen als een Damocles-zwaard boven de overige Joden-koloniön des rijks. De Joden in Thessalonica waren derhalve zoo wijs, niet persoonlijk deel te nemen aan het oproer, waardoor zij Paulus trachtten onschadelijk te maken. Zij bedachten daarom iets anders. Op de straten en marktpleinen van Thessalonica, evenals van elke andere groote stad, was een voldoend getal slechte, lage, luie personen te vinden, die voor geld tot het verrichten van wat dan ook, bereid waren. Met Joodsch geld bracht men zonder moeite een bende van zulke slechtaards te zamen, en deze moesten nu, schijnbaar uit eigen beweging, een oproer verwekken tegen de Cliristlijke indringers. De Joden zouden zelfs niet genoemd worden, maar de vreemdelingen, die zich onder de bevolking der verschillende deelen van Macedonië bevonden, zouden aangeklaagd worden van opstand tegen de Eomeinsche staatsmacht. Met het noodige leven en geweld laat zich heel wat tot stand brengen. Indien slechts eenige niets ontziende, geschikte schreeuwers de leiding op zich nemen, laat het volk zich gemakkelijk meesleepen tot het volvoeren van de dwaaste dingen. Op zoodanige wijze onderrichtten de Joden hunne handlangers, en hoopten, zonder zelf in de zaak betrokken te worden, evenals voor 18 jaren hun stamgenooten in Jeruzalem voor Pilatus, de geheele zaak over te brengen op staatkundig-gebied. Dat de naam Messias hetzelfde was als koning, kwam hun ook hier goed te pas, want die naam was juist in dat jaar

\') Het menigmaal uitgesproken vermoeden, als zou deze Chrestus niemand anders zijn dan de Christus (optredend in zijne jongeren) kan niet gehandhaafd worden door een, in wjuirheid wetenschappelijk, onderzoek. Chrestus was oen, toon ter tydo dikwijls voorkomende, naam.

151

-ocr page 170-

DE VLUCHT.

een zeer gevaarlijke titel. Toenmaals hoorde men namelijk allerlei duistere geruchten omtrent reeds gepleegde of vermeende aanvallen op den persoon des keizers, Claudius. De beambten in de verschillende provinciën letten dus met des te grooter nauwkeurigheid op alles, wat maar eenigzins verdacht scheen. Gelukte het, de zaak der Christenen en van hun „Koningquot; te doen beschouwen als een staatkundige partij, dan hadden de Joden hun spel gewonnen.

De vastgestelde dag brak aan. Onverwachts stormde een bende opgewonden menschen schreeuwend en tierend de straat in, waar Paulus woonde. De troep bestond uit heidensche Thessa-lonicensen, waaronder misschien een enkele Jood mag geweest zijn. Gelijk bij dergelijke gelegenheden immer het geval is, bleven de nieuwsgierigen staan en liepen vervolgens mede om te zien, wat er te doen was. Aldus werd de menigte iedere minuut talrijker. Eindelijk kwam zij schreeuwend en bedreigingen uitroepend bij het huis van Jason. De deur werd met geweld geopend en de belhamels drongen de woning binnen, om de predikers te overrompelen en naar buiten te sleepen. Doel\' men vond hen niet. Slechts Jason en eenige andere Christenen waren in de woning. Waar zich de beide Apostelen bevonden, wilde geen hunner bekend maken. Toen maakte men zich ten minste van de aanwezigen meester, voerde ze naar buiten, en nu ging het onder steeds luider en woester geschreeuw naar het Forum, waar de politarchen bijeen waren.

Plotseling zagen de politarchen een onstuimige bende naderen,, die hun een paar misdadigers overleverde. De aanklacht was inderdaad van hoog ernstigen aard. Onder betuigingen van gehuichelde trouw aan den keizer riepen de aanklagers: „Deze zijn personen, die een samenzwering smeden, welke zich uitstrekt over de geheele wereld, de gansche „orbis terrarumquot;. De ongeregeldheden in Rome zijn door hen verwekt, en nu zijn zij naar Thessalonicaquot; overgekomen. Deze Jason heeft ze in zijn huis opgenomen. Zij hebben zich verzet tegen het keizerlijk

152

-ocr page 171-

IK HET JAAR 52.

gebod; wij klagen hen zelfs aan van hoogverraad! Zij zijn niets minder van plan dan den keizer te doen vallen. Reeds hebben zij iemand anders, zekeren Jezus, tot koning uitgeroepen!quot;

Aldus luidde de gevaarlijkste aanklacht, welke in dien tijd in het Eomeinsche rijk kon worden ingediend. De politarchen evenwel, namen de zaak niet zoo ernstig op; zij bleven kalm, ondanks de opgewondenheid der menigte. Zij bemerkten weldra, dat slechts de lagere volksklassen te hoop geloopen waren (Hand. 17 ; 5); onder de aanklagers was geen enkel persoon van eenig aanzien. De politarchen hadden zeker reeds gehoord, dat in de laatste weken Paulns en Silas waren opgetreden, en deze enkel godsdienstige doeleinden beoogden. Wellicht ook stond de aanwezige Jason bij hen bekend als een rustig en on schadelijk burger; in ieder geval lieten zij zich niet zoo spoedig als hunne ambtsbroederen in Filippi, die terstond tot een gee-seling overgingen, op een dwaalspoor leiden. De aanklacht wegens hoogverraad en het in gevaar brengen der keizerlijke dynastie, namen zij bovendien volstrekt niet tragisch op. De onschuldige lieden, die de oproerige menigte voor hen gebracht had, zagen er in hun oog volstrekt niet uit, alsof zij zulke booze plannen smeedden. Zij lieten slechts de namen der aangeklaagden opschrijven, terwijl Jason voor zich en zijn metgezellen een som gelds uitbetaalde als waarborg, dat zij niets kwaads in den zin hadden. Daarna liet men de mannen geheel vrij.

De aanslag der Joden was dus volkomen mislukt; Paulus en Silas was niet het minste leed berokkend, en de gevangen genomen Christenen waren terstond weder in vrijheid gesteld. Men zou kunnen onderstellen, dat Paulus in Thessalonica nu volkomen vrijheid van handelen verkregen had, maar de, in de stad wonende. Christenen kenden de dweepzucht der Joden te goed, dan dat zij zich door een schoonen schijn lieten bedriegen. De Joden waren, door godsdiensthaat gedreven, tot alles in staat. Evenals zij voor 20 jaren Jezus hadden doen kruisigen, of gelijk zij 16 jaren geleden in Damaskus, later in Jeruzalem

153

-ocr page 172-

DE VLUCHT.

on in liet pisidische Antiochië Paul us zochten te dooden, zoo zouden zij hier ook niet rusten, nu hun plan mislukt was. Paulus was in hun oog een al te gevaarlijk man. Reeds was de geheele provincie vol van diens prediking; al de door hen gewonnen bekeerlingen waren reeds overgegaan tot de zaak van Paulus. Zelfs de voorname vrouwen, voor welke zij zich jarenlang zooveel moeite getroost hadden, behoorden tot de gemeente, door Paulus gesticht. Of\' hunne zaak, óf Paulus moest te gronde gaan. Hij moest uit den weg geruimd worden.

De Christenen in ïhessalonica hadden een open oog voor den toestand, waarin hun zaak verkeerde. Toen derhalve Paulus en Silas, die, daar zij afwezig waren, niets van den storm hadden bemerkt, wederom het huis van Jason betraden en zich de gemeente in dankbare stemming om de, op zoo genadige wijze gespaard gebleven. Apostelen verzamelde, drongen allen er op aan, dat zij terstond, nog in dezen nacht de stad zouden verlaten, waar zooveel gevaren dreigden. Zeker moet het Paulus moeilijk gevallen zijn, om aan den wensch te voldoen. Het kwam hem voor, dat hij in deze stad een gebied had gevonden, waar hij jaren lang zou kunnen arbeiden, en nu zou hij reeds na een maand moeten wijken voor den haat der Joden en als een vluchteling het arbeidsveld verlaten? De gemeente echter, die hem zoo gaarne in haar midden gehouden had, drong zoozeer bij hem aan, bracht zulke overtuigende beweegredenen bij, dat hij, hoewel met bezwaard gemoed, besloot, nog in dezen nacht Thessalonica te verlaten. Hij geloofde echter, dat hij na korten tijd, wanneer de storm bedaard zou zijn, zou kunnen wederkeeren.

Ongetwijfeld kwam des avonds de gemeente nog eenmaal te zamen met den Apostel, die in zoo korten tijd allen zoo zeer lief geworden was. Hij vermaande hen nogmaals standvastig te blijven, zeide, dat aanzienlijken en geringen zich getrouw moesten verbinden tot ééne gemeente, dankte Jason, die zich heden voor hem had laten mishandelen, en die hem en het Evangelie

154

-ocr page 173-

IN HET JAAR 52.

zoo gastvrij in zijne woning had opgenomen, knielde waarschijnlijk, evenals bij het verlaten van Milete en Tyrus (Hand. 20 : 36 en 21 : 5) met allen neder, om zijne vrienden in de genade Gods aan te bevelen. Eindelijk verlieten hij on Silas het huis, en ondernamen den tocht in den duisteren nacht, terwijl de gemeente weemoedig, hoewel dankbaar gestemd, achterbleef.

Zoo hebben dan de beide Apostelen, reeds vier weken nadat zij de schitterende hoofdstad van Macedonië voor het eerst betraden, den wandelstaf weder ter hand genomen, om ditmaal bij nacht en ontijd de wijde wereld in te trekken. Misschien hebben Jason, Aristarchus en eenige andere gemeenteleden hen tot aan de poorten der stad uitgeleide gedaan. Do weg liep langs de zee. Eindelijk nam men zeer bewogen afscheid, en Paulus en Silas togen alleen verder. Treurig en toch dankbaar te moede zagen de vrienden hen na. Nog eenigen tijd weerklonk hun voetstap door de stilte van den nacht; enkele minuten nog konden zij de donkere gestalten onderscheiden, die langs de zee hun weg voortzetten, toen werd alles weder stil en zagen hunne oogen niets meer. Buiten in de haven flikkerden de lantarens, aan den top der masten opgehangen, en vormden een heerlijken lichtkrans langs de geheele golf. In de stad en op den heuvel straalden de lichten van Thessalonica, welke den beiden wandelaars, wanneer zij den blik achterwaarts richtten, een laatsten afscheidsgroet toeriepen.

Paulus is in dat jaar niet meer naar Thessalonica teruggekeerd. Weliswaar maakte hij na twee dagen halt in het vriendelijke, rijk besproeide stadje Berea, teneinde hier in alle stilte af te wachten, of hij niet spoedig zou kunnen wederkeeren, doch, hoewel hij tot tweemaal toe op het punt was zulks te doen, schrijft hij (1 Thes. 2 : 18) „maar de Sanatas heeft ons belet.quot; De berichten uit Thessalonica luidden zoo ongunstig, dat Paulus de terugreis niet durfde ondernemen. Het verblijf in Beréa was evenwel niet zonder vrucht. De, in die plaats

155

-ocr page 174-

DE VLUCHT.

wonende, Joden waren den Apostelen goed gezind. „Zij waren edeler dan die te Thessalonica, ontvingen het woord met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzoo waren. Velen dan uit hen geloofden en van de Grieksche vrouwen en mannen niet weinigenquot; (Hand. 17 : 11 en 12). Toen evenwel berichten hierover tot Thessalonica doordrongen, reisden de vijandige Joden de Apostelen twee dagreizen na, en rustten niet, voor zij door een tweede oproer de mannen uit de stad en de provincie verdreven hadden.

Met bezwaard gemoed reisde Paulus verder. Teneinde de Thessalonicensen niet geheel over te laten aan eigen leiding, zond hij Timotheus, die zich intusschen weder bij hem had gevoegd, tot hen, en deze schijnt de eerste maanden bij hen gebleven te zijn (Hand. 1?\' : 14). De jonge gemeente, die zich slechts eenige weken had mogen verblijden over de tegenwoordig-heid van den Apostel, had nog zeer groote behoefte aan een persoon, die haar leidde en inrichtte. Ook Silas werd door Paulus naar Macedonië, hoogst waarschijnlijk naar Filippi gezonden. \') Zoo trok dan Paulus, nadat zijn getrouwe vrienden, Lukas en Timotheus, hem allen verlaten hadden, teneinde zich naar de verschillende gestichte gemeenten te begeven, met enkele reisgenooten naar Athene, waar hij eenzaam en alleen achterbleef (1 Thess. 3; 1).

Hoewel Paulus eenigszins gebukt ging onder het gevoel van eenzaamheid, toch kon hij, vol vreugde en God dankende, terugzien op hetgeen verricht was. Reeds had hij in drie steden van Europa, in Filippi, Thessalonica en Ben-a, de banier van zijn Heer, Jezus Christus, geplant, en als een bekwaam veldheer zijne drie beste officieren op de voornaamste punten doen post vatten. In de hoofdstad van Macedonië verkeerde de gemeente in zulk een bloeienden staat, dat de gedachte aan haar hem met dank vervulde en een schoone toekomst voor oogen spiegelde. Aan hst haar dierbaar geworden geloof hield zij vast onder de heftige

\') Hand. IS : 5; Phil. -4 : 15; 2 Cor. 11 : 9. Het sclijjnt, dat Silas later met de afgezanten van Filippi naar Corinthe gegaan is.

156

-ocr page 175-

IN HET JAAR 52.

vervolgingen barer eigen medeburgers (1 Thess. 2 : 14). En wat betreft de broederlijke liefde, van deze gastvrije gemeente in Tiiessalonica straalde zulk een gloed van warmte uit, dat allen zich daaraan konden verkwikken, en Paulus meende te mogen uitspreken, dat voor hen iedere vermaning tot broederlijke liefde overtollig zou zijn (1 Thess. 4 : 9 en 10). Zelfs de meest vijandige bejegeningen der tegenstanders hadden slechts dit tengevolge, dat de oogen van geheel Griekenland op haar gericht werden. „Van u,quot; zoo schrijft hij (1 Thess. 1 : 8) „is het woord des Heeren luidbaar geworden, niet alleen in Macedonië en Achaje, maar ook in alle plaatsen is uw geloof, dat gij op God hebt, uitgegaan.quot; De wereld hield den blik gevestigd op de gemeente van Jezus Christus, die met jeugdige kracht en onverschrokken optrad. Voor haar was het een verrassend tooneel, deze menschen, die zich zoo gelukkig en bevoorrecht rekenden in hun geloof, bereid te zien, daarvoor zelfs den dood te ondergaan. Voor de oude goden, tronende op den besneeuwden Olympus, had nog niemand zoo iets bestaan. Nog in het jaar 52 schreef Paulus een brief aan de gemeente, waarin deze vreugdevolle, opwekkende gedachten waren uitgesproten. Het is de ons allen welbekende, eerste Brief aan de Thessalonicensen, den eersten dien wij bezitten van Paulus\' hand, geschreven nog voor de evangeliën en andere boeken, welke het N. Testament uitmaken.

In later tijden is Paulus ook persoonlijk naar Thessalonica wedergekeerd. Toen hij zes jaren later zijne getrouwe Thessalonicensen weder bezocht, stak evenwel terstond weder een geweldige storm op. De dweepzieke haat zijner vijanden werd weder in volle kracht wakker. Van alle zijden werd hij bedreigd. „Wij waren in alles verdrukt; van buiten was strijd, van binnen vrees,quot; alzoo teekent hijzelf dezen tijd (2 Oor. 7 : 5). Doch alle moeilijkheden waren zoovele bewijzen, hoe diepe wortelen liet Evangelie intusschen geslagen had. Ondanks de vele vervolgingen moet Paulus schoone, onvergetelijke dagen doorleefd

157

-ocr page 176-

DE VLUCHT.

hebben, toen hij ten tweeden male de Thessalonicensen bezocht. Ofschoon hij gedurende zijn tweede verblijf den dweepzieken ijver van enkele gemeenteleden, die een ongezond verlangen koesterden naar de wederkomst des Heeren, moest tegengaan, zoo verkeerde toch de gemeente in een natuurlijken, gezonden toestand (1 Thess. 1 : 4 en 7; 2 : 8 en 19). Evenals de keizer te Rome het liefst zijn lijfgarde samenstelde uit getrouwe Macedoniürs, zoo beschouwde ook Paulus de gemeenten te Macedonië als een keurbende voor Jezus, als krijgers voor de heiligste zaak, „aangedaan hebbende het borstwapen des geloofs en der liefde en tot een helm de hoop der zaligheid (1 Thess. 1 : 7—9; 5 ; 8).quot;

Dit eerste morgenrood der Christelijke kerk aan Europa\'s oostelijke stranden is reeds lang verbleekt. Weliswaar behield Thessalonica ook nog in later tijden den voorrang onder de steden van europeesch Griekenland, doch toen de Christenhe.d van het Oosten verachterde, werd ook het licht, dat van Thessalonica uitging, uitgedoofd. Toch heeft zich hier de heerschappij der Christenen het langst staande gehouden. Toen de Byzantijnsche keizers hen niet langer voldoende konden beschermen, beschutte de lagunen-stad Venetië hen met zijn schild. In het jaar 1480 werden de Venetianen stormenderhand verdreven en sedert dien tijd behoort Saloniki aan de Turken. Het kruis, dat Paulus hier vroeger eenmaal predikte, versiert weliswaar nog heden de twaalf kerken der stad, doch van den geest, waardoor de eerste gemeente te Thessalonica leven en bezieling verkreeg, is niets meer overgebleven. In de plaats van den Heiland, in wien alleen de zaligheid te verkrijgen is, hebben talrijke heiligen hun intocht gedaan in de stad. In de jaren van 70 — 80 dezer eeuw heeft veel van zich doen spreken, een beweging tot evangelisatie in de bergen van Macedonië, in Serres, tusschen het oude Filippi en Thessalonica gelegen, en die gesteund werd van uit Bannen en Bazel. Duizenden van Christenen blikten toenmaals vol hoop naar de, in de oudheid zoo bekende, kusten, het grondgebied der eerste

158

-ocr page 177-

IN HET JAAR 52.

159

Christenen. Doch nu is alles tot rust wedergekeerd. En wie de graven der oude Macedonische kerk bezoekt, vraagt vol weemoed, wanneer daar ooit weder gemeenten zullen bloeien, van welke gezegd kan worden wat Paulus eens aan haar voorgangsters schreef (1 Thess. 1), dat zij zijn: „een voorbeeld voor alle geloovigen.quot;

-ocr page 178-
-ocr page 179-

PAULUS TE ATHENE.

-ocr page 180-
-ocr page 181-

«quot;(STG) lquot; (S\'tdf ö/Sl\'éTöf (S?2)f te ©f (s\'/öT©

^se^Vs^e^ ^ e^o e^, ^

^sfe.ifefefeifepfesfeg

® ¥ (STe)quot;? (97G)¥ ^e/f (5^)1quot; (3?5)|\'

4^ 4W 4s 4U 4® 4^ 4^


NAAR GRIEKENLAND.

Griekenland! welk een toovermacht gaat van dezen naam uit! Daar ligt het, aan insnijdingen zoo rijke, land in het warme Zuiden, omarmd en bespoeld door de stralende, Grieksche zee, die schijnt te weten, dat dit land, als een eenig juweel gevat is in hare blauwe wateren. Nu eens naderen hare golven zacht-kens en vriendelijk de vlakke, lachende oevers, welke zij schijnen te kussen, dan weder meet zij in woesten strijd haar kracht met hooge, besneeuwde bergen en zich loodrecht verheffende rotswanden, en doet zij hare donderende juichkreten opstijgen tot den Griekschen hemel. En de stroomen spoeden zich voort door dit gezegende land, in de schaduw der rozen, mirten en oleanders, of heimelijk tusschen stoute rotswanden, welker voet de stralen der zon nooit begroeten.

Een eigenaardige aandoening maakt zich van ons meester, wanneer ons schip deze schoone kusten nadert. Eeeds in onze jeugd hebben wij in den geest zoo menigmaal hier verwijld, dat het ons is, als zweefde boven elk der bonte eilanden, die uit de zee schijnen op te duiken, en boven iederen stouten bergtop een schitterende kroon van grootsche herinneringen. De machtige helden van Homerus staan ons voor den geest, zooals

-ocr page 182-
-ocr page 183-

PAULUS TE ATHENE.

-ocr page 184-
-ocr page 185-

■:i ■■• i 1 !■ ■■ ■\' ■ ■ ■\' 1

(éidt (amp;è)\'° OffdJ (9\\gt;è)t ©JÖf(S

\' ^ 4® Hr 4-° 4®

Aga 0°elt;3

©¥ (Stg)!quot; (S^f (£^)f (SvST ©te)quot;? (3?G)|quot; Ê,(Wa(5$^Jl\'

4U 4s 4s 4U 4^ 4s 4^^

NAAR GRIEKENLAND.

Griekenland! welk een toovermacht gaat van dezen naam uit! Daar ligt het, aan insnijdingen zoo rijke, land in het warme Zuiden, omarmd en bespoeld door de stralende, Grieksche zee, die schijnt te weten, dat dit land, als een eenig juweel gevat is in hare blauwe wateren. Nu eens naderen hare golven zacht-kens en vriendelijk de vlakke, lachende oevers, welke zij schijnen te kussen, dan weder meet zij in woesten strijd haar kracht met hooge, besneeuwde bergen en zich loodrecht verheffende rotswanden, en doet zij hare donderende juichkreten opstijgen tot den Griekschen hemel. En de stroomen spoeden zich voort door dit gezegende land, in de schaduw der rozen, mirten en oleanders, of heimelijk tusschen stoute rotswanden, welker voet de stralen der zon nooit begroeten.

Een eigenaardige aandoening maakt zich van ons meester, wanneer ons schip deze schoone kusten nadert. Reeds in onze jeugd hebben wij in den geest zoo menigmaal hier verwijld, dat het ons is, als zweefde boven elk der bonte eilanden, die uit de zee schijnen op te duiken, en boven iederen stouten bergtop een schitterende kroon van grootsche herinneringen. De machtige helden van Homerus staan ons voor den geest, zooals

-ocr page 186-

NAAE GRIEKENLAND.

zij met hun snelle schepen naar Troje overstaken, wij zien de overwinnaars van Marathon en Salamis juichend liet slagveld verlaten en hun vrijheidlievend Athene binnentrekken. En wanneer ons dat alles bij het aanschouwen dezer kusten voor den geest zweeft, dan zijn wij te moede, alsof we niet een onbekend gebied, maar een sedert lang liefgeworden oord betreden.

Aanschouw deze edel-gevormde gebergten, die als reusachtige peilers het hemelgewelf schijnen te dragen, en het zal u voorkomen, alsof dit land een heerlijke tempel Gods is, waarvan alle Grieksche tempels met hunne pilaren en gewelven slechts een onvolkomen beeld zijn. Aanzie die frissche, opgewekte schoonheid, waarin berg en dal zich verheugen, de violetkleurige, stralende zee en hare schitterende eilanden, en gij verwondert er u niet langer over, dat dit land de bakermat van het schoone, van de kunst geworden is. Hier ontmoette een gelukkig, edel. rijkelijk met kunstzin toegerust volk een natuur, wier lijnen en verven de wetten van schoonheid en harmonie zoo veel duidelijker te aanschouwen gaven, dan de onafzienbare laagvlakten of fjorden van het Noorden. En zij ook het oude Athene vervallen en tot een puinhoop geworden, in één zin is het toch onsterfelijk gebleven. Nog heden is het de stad, welke der wereld de wetten voorschrijft van afmeting, schoonheid en kunst.

Aan het Grieksche volk had God de bijzondere gave verleend het eeuwig-ware te voelen en te aanschouwen in het schoone. De hoogepriester in Israël droeg „het licht en het rechtquot; op de borst. Daar toonden de tien geboden den menschen den weg, die uit de duisternis der zonde leidde tot het rijk des lichts, der gerechtigheid en der heiligheid, n.1. tot de zedelijke scnoon-heid, zooals die God in volkomenheid eigen is. De hoogepriesters in Griekenland waren zijne kunstenaars, die zochten naar het beeld der volkomen schoonheid, een schoonheid, die tevens de afdruk der heiligheid is. Wij, Christenen, weten immers, dat in het eeuwige leven schoonheid en heiligheid één zijn. Hoe weemoedig stemt het derhalve te weten, dat een volk slechts het

164

-ocr page 187-

IK DEN ZOMEE VAN 52.

uitwendige beeld der zedelijke, innerlijke schoonheid, der heiligheid kent en de heiligheid zelve dat vreemd is. Daarin ligt het tragische van het verheven trachten en zoeken der oude Grieken. En daarom wijst de berg Gods, de Sinaï, met zijn tien geboden nog heden als een uit graniet gehouwen teeken ten hemel, terwijl de Parnassus en de Olympus, vervallen grootheden, niets meer zijn dan stomme, droeve getuigen van de vergankelijkheid van al het aardsche.

De Grieksche kunst herinnert ons aan een zoekenden profeet Gods in de Heidenwereld, of aan een blinden ziener Tiresias, door hare treffend schoone voortbrengselen, die getuigen van een voorgevoelen der waarheid. Wat ons bij Schiller vreemdsoortig aandoet, was voor de Grieken een natuurlijke zaak:

Slechts door de ochtendpoort van \'t schoone Dringt gu in \'t rjjk der waarheid door.

Schoonheid in volstrekten zin moet een eigenschap Gods zijn (Psalm 10-4 : 1). Die gedachte ligt aan de Grieksche kunst ten grondslag. Daarom was het gevoel, dat den Griek bezielde, wanneer hij de kunstwerken aanschouwde, een gevoel van godsvrucht, van eerbied voor de nabijheid Gods. Kunst en godsdienst was voor de Grieken bijna één. De stille eenvoud en schoonheid eens Griekschen tempels, de doorzichtige reinheid van het zuiver witte marmer, de ten hemel strevende zuilen, wier rangschikking van vrede en harmonie spreekt, de heerlijke gestalte van het evenbeeld Gods, alles wekt tal van gedachten op. Zelfs nu kan men deze tempels, hoe vervallen ook, niet aanschouwen, zonder zich gedrongen te gevoelen tot stille Gods-vereering en tot gebed.

Hoe getuigen Griekenlands laatste eeuwen van een trachten en streven, om de schoonheid Gods volkomen weer te geven in eens menschen gedaante! Welk een roerend tasten en zoeken naar dit ideaal, spreekt uit de vroegste, onbeholpen Hermes-beeiden, en uit de ongeëvenaarde meesterwerken eens Phidias!

165

-ocr page 188-

NAAR GRIEKENLAND.

Is het niet een duister besef ervan, dat indien God zich ooit openbaren zou, dit in menschengestalte zijn zoude ? Waarvan moet niet het gelaat getuigd hebben van den Ze us te Olympia, de parel onder de zeven wonderwerken der oude wereld, door de meesterhand van Phidias uit goud, ivoor en elpenbeen gevormd! Zelfs de ruwe Romeinen konden zich niet onttrekken aan den indruk, dien dit beeld maakte. Toen de veldheer Aemilius Paulus het heiligdom betrad en het beeld aanschouwde, bleef hij als aan de plek gekluisterd. Nauwelijks waagde hij het te ademen, het was hem of de goedertieren Zeus zelf voor hem stond en hem in het gelaat zag. Zoozeer spraken de verheven gelaatstrekken van den God van vrede en erbarmen.

Ook Paulus werd aangegrepen door den religieusen zin der Grieksche kunst, toen hij in den zomer van het jaar 52 dooide straten van Athene ging, en de heiligdommen en altaren nadenkend aanschouwde (Hand. 17 : 23). Geen der Apostelcr. vermocht zoo zeer den Grieken een Griek te zijn, als hij, die opgevoed was in een der beroemdste scholen der Grieksche wijsbegeerte. Onderwijs en opvoeding leerden hem, weliswaar, zich af te wenden van iedere voorstelling van den verheven, onzichtbaren God, maar daarom verdient het des te meer door ons te worden opgemerkt, dat het uitgangspunt zijner rede op den Areopagus het diepzinnige denkbeeld was, in het gemoed des Griekschen volks gewekt, en waaraan de Grieksche kunst eeuwen lang uiting gaf, namelijk het besef van des menschen verwantschap met God en dientengevolge de voorstelling dei-goden in menschelijke gedaante. De zeer beschaafde Egyptenaar\' vereerde zijne goden in den vorm van ossen en sperwers, de Pheniciër in dien van een visch, de Sabeör in het licht der sterren. Alleen de Griek vereerde ze in de gestalte eens menschen, door de kunstenaars op bijna volmaakte wijze weergegeven. Het hierin sluimerende begrip van de verwantschap der menschen aan God, was de gulden kern der eeuwige waarheid, welke ons veel nader brengt tot de godenwereld van Homerus,

166

-ocr page 189-

IN DEN ZOMER VAN 52.

dan tot de wanstaltige, Oostersche godsbeelden. Deze gedachte bezielde de werken eens Phidias en eens Praxiteles, omstraalde als het ware het marmer met den morgenglans der eeuwigheid. Dit voorgevoelen omzweefde als een adem des hemels het voorhoofd der grootste wijsgeeren en dichters van Griekenland. Dat is het ook, wat een Paulus, de ziel des volks nauwkeurig waarnemend, in Athene opmerkte en weergaf met het bekende citaat van den dichter Aratus: „Wij zijn van Gods geslacht!quot; (Hand. 17 ; 28).

Het is waar, dat het Griekenland, hetwelk Paulus ten tijde der regeering van keizer Claudius betrad, niet was het Griekenland van den bloeitijd. Die groote tijd lag reeds meer dan vijf eeuwen in het verleden, dus langer dan voor ons de tijd, waarin Luther leefde. Die bloeitijd was in Athene toen reeds, bijna evenals nu, het voorwerp geworden van de onderzoekingen der diepzinnige, geleerde oudheidkenners. Het land bestond nog, evenals vele der kunstvoortbrengselen, maar de geest was gebluscht. Ook uitwendig leverde het land toen voor hem, die den tijd van Pericles kende, een droevig beeld op. Terwijl de geest der Grieken en de Grieksche beschaving doorgedrongen was tot de geheele wereld, was Griekenland zelf door verdeeldheid en naijver der stammen sedert lang te gronde gegaan. Hot eenmaal zoo vrijheidlievende land was niet meer dan een provincie van het groote Romeinsche rijk, om welks kroon gestreden was op Grieksche vlakten en zeeën, bij Philippi en Actium. Do landstreken waren nog slechts schaars bevolkt, somtijds geheel verlaten. In sommige steden stonden meerdere huizen ledig, en dreef de herder zijne kudden naar de marktplaats voor het raadhuis, waar vroeger beter en dapperder voorvaderen met zwaard en schild gewapend, zich verzamelden, teneinde de vrijheid te bevechten of te sterven. Velden, eertijds bloeiend en vruchtbaar, lagen onbebouwd. Thebe in Boeotiö, de oude mededingster van Athene, was volgens Strabo, toen nauwelijks een statig dorp, en zulks was, Tanagra en Thespiae

167

-ocr page 190-

NAAR GRIEKENLAND.

uitgezonderd, het geval met de meeste, vroeger aanzienlijke steden in Boeotië.

Van dat alles bemerkte Paulus evenwel niets, daar hij waarschijnlijk van Berea over zee naar Athene reisde. Hij zeilde langs de klisten van den Olympus en Thessalië, geprezen in de gescbio-denis en door de sage, door den G-riekschen Archipel, tusschen de oevers van Boeotiö en Euböa door, naar de Attische wateren. Op den vierden dag ongeveer verrees in het wazig verschiet de schoone, zuidelijke punt van Attika, de kaap Sunion, waar men omheen moest zeilen. Yan den top des voorgebergten blikte als een lichtende, schitterende kroon, de Dorische tempel van Athene met zijne marmeren zuilen, op de schepelingen neder. Het was ongetwijfeld de schoonste tempel, tot nu toe ooit door Paulus aanschouwd, een eerste groet Athene waardig. Nog heden verheffen zich de zuilen van dezen tempel, nu 2400 jaren oud. Onvergetelijk is mij de indruk, dien de statige, verblindend witte zuilen, uit laurisch marmer gehouwen, op mij maakten, zooals ik ze tegen den purperkleurigen avondhemel afstekend, van den top van kaap Kolonnaes zich in de zee weerspiegelen zag.

Van dit punt voer het schip des Apostels de Saronische golf binnen. Welk een heerlijk tooneel levert de wijde golf van Aegina op. Ter linkerzijde aanschouwt men het wereldberoemde Aegina, dat zich steeds duidelijker afteekent tegen het blauw der zee; juist boven den voorsten naast van het schip ziet ge het onsterfelijke Salamis, rechts de kale hoogten en vlakten van Attika. Eerst verheft zich de breede rug van den langge-rekten, boomloozen, honigverschaffenden Hymettus, daarachter de 1100 M. hooge Pentelikon, wiens marmergroeven wereldberoemd zijn, dan de stoute, spitse, kegelvormige Lykabettus, meer links de Parnassus en geheel ter linkerzijde de bergen van Eleusis. Ingesloten door dezen wijden krans van bergen ligt de vlakte van Attika.

Paulus stond op het dek van het schip. Zijn blik zweefde

168

-ocr page 191-

IN DEN ZOMER VAN 52.

169

over de heerlijke golf van Aegina en hare eilanden. Daar klonk uit den mond van don scherpstzienden der opvarenden op eenmaal de kreet: „Athene!quot; Als een witte punt werd aan den verren horizon de Akropolis zichtbaar. Naarmate het schip naderde, kwamen de omtrekken van het beroemde bouwwerk duidelijker te voorschijn. Toen verrezen de witte zuilen van het Parthenon en de Propylaeën, hoog uitstekend boven het „gouden, met tempels gesierde, stralende Athene.quot; Reeds kon men het kolossale, gouden standbeeld der jonkvrouwelijke godin Pallas Athene onderscheiden, dat den schepelingen van verre, van af den Akropolis den eersten groet uit Athene bracht. Hoe menigmaal reeds had Paulus zelfs in zijn jeugd te Tarsen hooren spreken over het onvergelijkelijk Athene! Nu aanschouwde zijn oog het. Reeds wenkten van verre de schitterende zuilen, en na weinige uren zou hij voor de eerste maal de straten der beroemde stad betreden.

-ocr page 192-

DE AANKOMST TE ATHENE.

Nog iemand wrocht in Juda\'s dreven,

Die is mijn Held, dien roep ik in!

Geen züdgoweer, dat ons doet beven.

Geen pronkgewaad vertolkt zijn zin.

Maar alle kracht vereend der helden Zinkt weg voor \'t geen zijn geest vermag. En \'t schoon, dat allo kunsten spelden, Verbleekt by \'t kruis, daar hy op zag.

Wie in dezen tijd landt in de haven Piraeus, welke mot de pantserkorvetten en kruisers der Grieksche oorlogsvloot en het menigmaal groote aantal andere schepen een rijk schouwspel oplevert, maakt in den regel terstond gebruik van den spoorweg, om voorbij de „lange muren van Themistokles,quot; naar Athene te stoomen.

Waarschijnlijk is Paulus van de, toen bijna verlaten, haven, langs dezelfde muren, te voet naar Athene gegaan, intusschen steeds het oog gericht houdend op den, altijd grootscher indruk-makenden, Akropolis. De weg liep door het heilige woud van Kephissos, met zijn trotsche, eeuwenoude olijven. Bovendien werd de weg omzoomd door groote, schaduwrijke platanen, lau-

-ocr page 193-

IN DEN ZOMER VAN 52.

rieren en oleanders, terwijl de groene wijnbergen zich koesterden in de Augustuszon.

Door de „Straat der gravenquot; gaande, kwam Paul us even voor hij de stad binnen ging, aan den heerlijken tempel van Theseus. De stormen van tweeduizend jaren zijn niet in staat geweest dit wonderschoone voortbrengsel der bouwkunde te vernietigen. Nog heden brengt het onbeschadigde Theseion met zijnen, in goudbruin stralenden, zuilengang den bezoeker van Athene den eersten groet uit de dagen van het grootsch verleden.

Van hier kwam Paulus op de marktplaats Kerameikos, die zich van den Theseustempel uitstrekt tot aan de, nu nog bestaande, boog of poort der Agora (marktpoort). Op de marktplaats bevond Paulus zich in het brandpunt van het openbare leven van Athene. Rondom verhieven zich groote gebouwen. Daar stond de tempel van de moeder aller goden, het raadhuis, het Pry taneion, hetwelk langen tijd het godsdienstige en maatschappelijke middelpunt was van den staat. Hier stonden, een sieraad voor de ruimte, de zuilen, het beeld der grootste mannen van Athene dragend, de zuil van Pindarus, die van Demosthenes en van vele anderen. De aangrenzende stadswijk heette Kerameikos, de pottebakkerswijk, waar in hoofdzaak do handwerks- en ambachtslieden van Athene woonden.

Naar welke herberg Paulus zich begaf, wordt ons in de Handelingen niet gemeld. Daarin lezen we alleen, dat zijne begeleiders van Berea hem tot hier vergezelden, om dan terug te keeren met de opdracht aan Silas en Timotheus, zich zoo spoedig mogelijk op weg te begeven, teneinde zich bij den Apostel te voegen (Hand. 17 : 15). Nu bevond hij zich geheel alleen in de groote stad. Zijn hart toefde nog ten deele in Thessalonica. Hij vermoedde, dat de jonge gemeente daar gevaarlijke stormen te trotseeren had, en toch kon hij niet tot haar gaan. Toen heeft hij zeker, evenals eenmaal Luther in Koburg, toen hij den beslissenden rijksdag te Augsburg niet kon bijwonen, des te meer aangehouden in het gebed, teneinde de zijnen te helpen

171

-ocr page 194-

DE AANKOMST TE ATHENE.

de overwinning te behalen. Wellicht heeft Paulus, verlangend uitziende naar nadere berichten, hem door Silas en Timotheus over te brengen, verscheiden weken in Athene doorgebracht, en daardoor tijd en gelegenheid gehad ora ook hier het Evangelie te prediken.

Athene was toen niet meer de stad van de dagen der vrijheidsoorlogen, der groote staatslieden en helden des geestes. Weliswaar meenden de toen levende Atheners, dat zijzelf groote mannen waren, omdat zij op beroemde voorvaderen konden wijzen, doch over het algemeen waren zij ijdele zwetsers, die zich zochten te verrijken ten koste van de vele reizigers, die de kunstschatten der oudheid kwamen bezichtigen. Bijna steeds bevond zich in de stad een groot getal reizigers, die van straat tot straat gingen, om de bezienswaardigheden, waaraan Athene zoo rijk was, in oogenschouw te nemen. In plaats van de aantee-keningen van een reisgids te volgen, bedienden zij zich van den een of anderen ijverigen Athener, die met rappe tong de noodige inlichtingen gaf. Ook vele studenten kwamen jaarlijks naar Athene, niet alleen van uit Rome en de belangrijkste steden van Italic en het Westen, maar ook van uit Tracië, Pontus, Klein-Azië, Syrië en Egypte, hetgeen tengevolge had gehad, dat de oud-klassieke taal van Attika geheel verbasterd was. Bijna geheel Athene zocht zich te verrijken met liet geld dezer jonge lieden; de laagste klassen door het eischen van rijke belooningen voor lederen bewezen dienst, de philosophen en rhetoren door het houden van voordrachten. Hiervan leefde de stad, want handel en nijverheid hadden sedert lang opgehouden te bloeien en der stad kracht en aanzien te verleenen. Het eenige ambacht, dat de bewoners der stad uitoefenden, was, zooals Momtnsen zegt, niet anders dan bedelarij. Daarom wierpen zich allen, geleerden zoowel als ongeleerden, op de reizigers.

Het openbare leven, eertijds zoo grootsch, maakte nu een treuri-gen indruk. De redenaars speelden voor Demosthenes, de wijsgeeren voor Sokrates en Plato. De talrijke geleerden en redenaars be-

172

-ocr page 195-

IN DEN ZOMEU VAN 52.

schouwden zich als de waardige nakomelingen hunner beroemde voorvaderen. ZIJ traden op, alsof zij-zelf de groote helden en overwinnaars van Marathon en Salamis waren, en koesterden zich welbehagelijk in den roem der groote mannen, die sedert vijf eeuwen rustten in de „Straat der gravenquot;. Schitterende voordrachten konden zij ten gehoore brengen over het groote, rijke verleden. Dan traden zij op als tooneelspelers, terwijl alles moest dienen om den indruk des te machtiger te maken, zooals de juist-geschikte plooien der prachtige gewaden, het aangeleerde gebarenspel, de bestudeerde bewegingen, de buigzaamheid der stem, de gewichtige wijze, waarop zij over iedere hunner onderzoekingen konden spreken. Aldus deden deze kleine Epigonen hun best, om in den algemeenen wedstrijd de gunst en den geldbuidel van het publiek te bemachtigen.

Met het politieke leven was het even treurig gesteld. Opstanden en wanordelijkheden, waarbij men de houding trachtte aan te nemen, als verkeerde men in den tijd, dat Athene trotsch mocht zijn op zijn vrijheid, waren aan de orde van den dag. Rome, dat gedachtig was aan het grootsch verleden, behandelde de bevolking meestal zachtzinnig, alsof zij ondeugende kinderen waren, die recht hadden ongehoorzaam te zijn. Reeds honderd jaren vroeger had Julius Cesar de overwonnen stad genade geschonken, er spottend de vraag bijvoegend, hoe dikwijls zij zichzelf wilde te gronde richten, om zich daarna door den roem der voorvaderen te laten redden. En gelijk de bevolking op geestelijk gebied was achteruit gegaan, evenzeer was zij het naar het lichaam. Ofschoon de onderwijzers op de gymnasia bijzondere zorg besteedden aan het onderricht in schermen en lichaamsoefeningen, alsof gymnastiek het hoofddoel was, waarvoor de mensch leefde, toch lieten de Romeinsche generaals, wanneer rekruten werden opgeroepen, de Atheensche jeugd onopgemerkt. Tot den oorlog was dit volk ongeschikt. Een zoo nauwkeurig kenner als Mommsen, spreekt zijn oordeel op de volgende wijze uit: „In het Athene van dien tijd ziet men het

173

-ocr page 196-

DE AANKOMST TE ATHENE.

afschrikwekkend beeld eener, door de oppermacht vertroetelde, maatschappelijk en zedelijk te gronde gegane, gemeenschap.quot;

Niemand zal zich er over verwonderen, dat deze ijdele zwet-sers, die zichzelf, gehuld in den philosophen-mantel, voor zeer gewichtig hielden, volstrekt geen indruk maakten op Paulus, toen deze in Athene vertoefde. Hij was iemand, die alle genot des levens, schitterende vooruitzichten, een schoone loopbaan gewillig had neergelegd op het altaar der waarheid, om met diepen, mannelijken ernst, van zijne zaak zeker, den volkeren het Evangelie te verkondigen. Hij verachtte iedere, op effect bereikende, handeling of uitspraak (1 Kor. 2 : 4 en 6) en wilde niets gemeen hebben met deze sophisten, die er steeds op uit waren indruk te maken, terwijl zij elke hoogere overtuiging misten. Wij moesten hun echter eenige oogenblikken onze opmerkzaamheid schenken, om een juister begrip te erlangen van hun verwikkelingen met Paulus.

Dat de toestand op godsdienstig gebied even treurig was, is natuurlijk. Hoe menigmaal zal Paulus daar hebben moeten erkennen, dat degenen arm zijn, die geen geloof meer bezitten en daardoor eiken zedelijken grond missen. Inderdaad, Athene was het grootste museum van kunstschatten ter wereld en zijne bewoners bijna niets meer dan bewaarders. Verloren gegaan was het begrip „eeuwigheidquot;, dat de gedachten der men-schen richtte op een hoogere wereld. Ontelbare tempels en altaren waren, zooals Pausanias bericht, in de stad te vinden, doch geen menschen, die aan de goden geloofden. De beroemde, Engelsche geschiedschrijver Macaulay, zegt op zoo treffende wijze: „De Komeinen, hoewel dapper, beslist, getrouw aan hunne verplichtingen en sterk onder den indruk van godsdienstige gevoelens, waren tegelijkertijd onwetend, gewelddadig en wreed. De Grieken evenwel, door hen onderworpen, bezaten alle wetenschappelijke kundigheden en beheerschten de literatuur der geheele wereld. Moed en oprechtheid ontbraken hun echter geheel en al. Iedere ruwe, Romeinsche centurio troostte zich

174

-ocr page 197-

IN DEN ZOMER VAK 52.

over zijne geestelijke minderheid met de opmerking, dat ontwikkeling en smaak de menschen slechts tot atheïsten, lafaards en slaven schenen te maken.quot;

De Atheners met hunne eeuwenoude beschaving, hadden het bewijs geleverd, dat, hoezeer ook het oog des oppervlakkigen beschouwers verblind wordt door den glans van den dienst des schoonen, deze godsdienst toch ganschelijk niet in staat is, den mensch waarlijk groot te maken en te voeren tot diens eeuwige bestemming. Daartoe is slechts de gemeenschap met God in staat en de eeuwige waarheid, die tot Hem leidt. Teneinde deze te brengen, was Paulus te Athene gekomen.

175

-ocr page 198-

ATHENE.

Onbeschrijfelijk schoon was de aanblik van Athene! Hoeveel schoons Paulus gezien had in de wereldstad aan den Orontes en in Daphne, deze wereld was geheel nieuw voor hem.

Toen hij de stad doorkruiste, werd zijn oog geboeid door de schoonheid veler rijk versierde, partikuliere gebouwen, door de heerlijke tuinen, waar de oranjeappelen bloeiden, vijgen en olijven met vruchten beladen waren, terwijl aan hun voet violen, de lievelingsbloem der Atheners, violieren, waaraan Athene nu nog zoo rijk is, rozen en andere prachtige, alleen in het Zuiden groeiende bloemen, welig tierden. Doch de partikuliere gebouwen werden volkomen in de schaduw gesteld door de talrijke, groot-sche, openbare gebouwen. Hoewel de stad sedert de Eomeinsche overheersching, veel geleden had en van staatswege menigmaal was geplunderd, bezat zij toch nog een onmetelijken rijkdom van kunstschatten en bovendien talrijke meesterwerken van bouwkunst. Men denke aan de theaters, de tempels, de marmeren baden en het overgroote getal standbeelden. Daar stond de tempel van den Olympischen Zeus, boven het dal van Ilisos, wiens heerlijke Korinthische zuilen, uitziende op den Akropolis, nog heden door ons worden bewonderd. Yan hier naar den Akropolis gaande, aanschouwde Paulus het eene won-

-ocr page 199-

177

derschoone gebouw na het andere. Een heerlijk panorama breidde zich voor zijn blik uit, de Hymettus, de zee, de eilanden Salamis en Aegina, terwijl hij door het II i sosdal schreed, waar eertijds Sokrates voor zijne leerlingen de redevoeringen over de onsterfelijkheid hield, „in de schaduw der platanen, rustend op hot zachte, groene tapijt.quot; Aan zijne voeten stroomde de rivier, terwijl de koelte hem zoete geuren toezond en het gegons dei-cicaden tot zijn oor doordrong. Verder gaande kwam hij voorbij het Stadion, het indrukwekkend groote, geheel met marmer bekleede theater, waar 30,000 personen de Panathenaeische spelen konden bijwonen. De weg naar den Akropolis, leidt verder voorbij het Theater van Dionysius, de eeuwig gedenkwaardige plaats, waar eenmaal de beroemde stukken van Aeschylus, Sophokles, Euripides en Aristophanes de toeschouwers in verrukking brachten. Nog heden staan de rijen zitplaatsen van dit wereldberoemd theater en de prachtige, marmeren zetels voor de priesters en aanzienlijke personages bestemd, op haar oude plaats. Het uitgestrekte Odeion, dat door zijn hooge muren, bogen en hallen den meest overweldigenden indruk maakt, bestond nog niet in den tijd, toen Paulus dezen weg volgde, doch wij weten, dat deze leidde voorbij talrijke monumenten, tempels en tempeltjes, meest alle uitnemend schoon. De prachtigste standbeelden waren hier opgesteld; de Olympische godenwereld was hier in schitterende, marmeren beelden honderdvoudig vertegenwoordigd. Waarheen Paulus ook den blik richtte, naar de tempels, theaters of de versierselen, terzijde van den weg, overal aanschouwde hij een marmeren god, een altaar of een Griekschc heldenfiguur. Zijn verwondering en verbazing blijken eenigszins uit den aanvang zijner beroemde rede op den Areopagus uitgesproken, waar hij tot de Atheners zegt: „Ik ben uwe stad doorgegaan, heb uwe heiligdommen aanschouwd en moet erkennen dat gij een alleszins godsdienstig volk zijtquot; (Hand. 17 : 23 en 22).

Naast de oude gebouwen, welke Paulus zag, verrezen nog

12

-ocr page 200-

ATHENE.

vele nieuwe. Buitenlandsehe vorsten wedijverden met elkander in de kunst om Athene nog heerlijker toe te rusten. Zoo kon Paulus hier zelfs een prachtig gebouw zien, dat zijne landsman, koning Herodes, in Athene had laten bouwen.

Het glanspunt van Athene was natuurlijk de Akropolis. De 00 M. hooge, steil opgaande heuvel beheerschte de stad en het omliggende land. Op zijn top prijkten de tempels en vormden een stralende koningskroon op het hoofd der koningin onder de steden van Griekenland. Sedert lang zijn van deze tempels niets meer dan puinhoopen overig, en toch maken zij nog heden een overweldigenden indruk. Van uit ieder deel der stad kon Paulus den Akropolis aanschouwen, doch vanwaar hij ook den blik tot den heuvel mocht opheffen, overal was het gezicht op deze tempels en zuilenrijen, wonderen van bouwkunst, die helder tegen den blauwen, griekschen hemel afstaken, indrukwekkend schoon.

De kleinere heuvel, ter rechterzijde, is de Areopagus; de grootere, links, de Akropolis. Tusschen beide liep een weg opwaarts tot aan den voet van laatstgenoemden, terwijl een breede, marmeren trap verder naar boven voerde. Hierlangs heeft Paulus ongetwijfeld op zekeren dag den heuvel bestegen; op den top gekomen, ging hij eerst door de heerlijke poort der, geheel uit pentelisch marmer gehouwen, Propylaeën. Volgens deze schoone poort is waarschijnlijk de Brandenburger poort in Berlijn opgetrokken, doch deze kan slechts een flauwe voorstelling geven van de schoonheid des voorbeelds. Tusschen deze indrukwekkende zuilen doorgaande, placht de feestelijke optocht het heiligdom te betreden, wanneer de Atheners bij gelegenheid van het feest der Panathenaeën, een krans van olijven- mirten- en laurierbladeren om de slapen, zich opmaakten, zoodra de poorten met luid geschal geopend werden. Ook Paulus besteeg, den nu herstellenden, schoenen tempel der Athena Nike voorbijgaand, de breede trappen en schreed door de Propylaeën. Toen aanschouwde hij, een Israëliet, een vreemdsoortig tooneel. Van alle zijden

178

-ocr page 201-

IN HET JAAR 52.

blikten goden hem tegen, als had hij de vergaderzaal der Olympische goden betreden. Een drom van marmeren gestalten en groepen omringde de heiligdommen op den Akropolis; boven alle verhief zich het reusachtige, 26 el hooge, uit goud en ivoor vervaardigde standbeeld der lansdragende Pallas Athene en blikte genadig neder op haar geliefd Athene.

Over de beelden heenzieude, ontwaarde het oog des Apostels een zoo grootsch, aangrijpend schoon tooneel, dat niets ter wereld het kon evenaren. Recht voor hem lag het indrukwekkende, alles beheerschende Parthenon, ter linkerzijde het bekoorlijke Erechtheion, benevens een menigte kleinere tempels en heiligdommen. Het Parthenon stond op het hoogste gedeelte van het bergplateau en stak boven alle andere tempels uit. Geen van Griekenlands tempels kan in schoonheid wedijveren met het Parthenon. Statig, koninklijk verhief zich het ontzaglijke gebouw.met zijn 98 prachtige, marmeren zuilen en de 50 levensgroote, op het fries aangebrachte beelden in de reine lucht. Hier had de beitel van Phidias de schoonste overwinningen behaald. Langen tijd bood het grootsche, marmeren gebouw weerstand aan den alles vernietigenden invloed des tijds. Toen echter in het jaar 1687 Graaf Königsmark, in dienst der Venetianen, Athene binnenrukte, en de Turken, die zich op den Akropolis hadden verschanst, het Parthenon tot kruid-magazijn hadden gemaakt, wierp een Luneburgsch luitenant, treuriger nagedachtenis, de verwoesting aanbrengende bom in het schoonste voortbrengsel der bouwkunde. Met donderend geweld stortten de, zich in het midden verheffende, machtige, marmeren zuilen, die tweeduizend jaren staande gebleven waren, ter aarde. De beide gedeelten zijn nog in wezen en ondanks het werk der vernieling maken deze een onbeschrijfelijk geweldigen indruk.

Ter linkerzijde werd het oog van Paulus geboeid door een iets lager staanden tempel, in lonischen stijl opgetrokken, welke, wat schoonheid en sierlijkheid van bearbeiding betreft, het Parthenon bijna evenaart, n.1. door het Erechtheion, waar de

179

-ocr page 202-

ATHENE.

heilige olijfboom der Atheners stond. Hoe licht en sierlijk dragen zelfs nu nog, na meer dan 2000 jaren, de schoone jonkvrouwelijke Karyatiden de marineren balken, waarop het dak rust! Hoe volmaakt schoon zijn deze Ionische zuilen, deze kapiteelen, dit-door parelsnoeren omgeven, met palmbladen versierde fries. En wanneer al deze heerlijkheden zelfs nu nog, nadat de schendende hand der barbaren ze zoozeer mishandeld heeft, zulk een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefenen, en den mensch dermate in verrukking brengen, hoe geweldig moet dan de indruk geweest zijn in den tijd, toen Paulus op dezen, in de wereldgeschiedenis zoo zeer bekenden, heuvel stond!

In gedachten verzonken heeft Paulus wellicht voor deze kunstwerken gestaan, door de Grieken aan hunne goden gewijd. Hoeveel hadden deze menschen niet gedaan, om God te vinden in „de tijden der onwetendheidquot; (Hand. 17 : 30), gelijk hij het verleden noemde der Atheners, die zich zoo beroemden op hun kennis. Uit dit eeuwenoude trachten en pogen der kunst sprak in zijn oog niet alleen een diepe ,.godsvruchtquot; (Hand. 17 : 22), maar ook een aandoenlijk „zoeken naar Godquot; (Hand. 17 : 27). Op zijn tochten door de stad had hij ook een altaar gezien, het opschrift dragende: „Aan den onbekenden God.quot; Aan dit altaar moest hij, op deze plaats staande, denken. Zoodanige altaren waren in Griekenland niet zeldzaam. De Grieken wilden door dit opschrift niet te kennen geven, dat zij God nog niet kenden, doch voor den Apostel sprak hieruit de verzuchting, de begeerte om de godheid te naderen, evenals zij zulks trachtten te doen door hun marmeren beelden. Hem was het, alsof het Grieksche volk ondanks zichzelf de weemoedige bekentenis aflegde, dat het bij alle pracht en schoonheid, het gemis gevoelde van het beste en grootste, van den levenden God en de zekerheid des eeuwigen levens. Hij scheen iets te beseffen van het waas van zwaarmoedigheid, uitgespreid over de voortreffelijkste werken der Hellenen, voornamelijk over die dei-beeldende kunst, welker verheven schoonheid en bezieling

180

-ocr page 203-

IN HEÏ JAAR 52.

schijnt te treuren over de zekerheid hunner vergankelijkheid.

Deze kunstvoortbrengselen hebben zeker voor den Apostel een ernstiger en verhevener taal gesproken, dan de geleerde redenaars, die hij in de straten der stad aantrof. Aan den anderen kant echter, „ontstak zijn toornquot; (Hand. 17 : 16), toen hij, die van der jeugd af het gebod kende: „Gij zult u geen gesneden beeld, noch eenige gelijkenis van God makenquot; bemerkte, hoe de heiligste behoeften van het menschelijk hart werden verlaagd tot een bloot kunstgenot. Zijn hart bloedde voor het arme volk. In plaats zich te keeren tot den levenden God, bij wien het menschelijk hart alleen bevrediging vinden kan, wendde het zich tot afgoden en goden, waaraan niemand in de stad meer in oprechtheid geloofde. Wellicht zullen velen den toorn des Apostels niet kunnen begrijpen, doch dan hebben dezulken ook nog niet geleerd, dat de ellende dezer wereld door geen enkele kunst kan worden weggenomen. Dezulken hebben nog niet ervaren, dat de heerlijkste voortbrengselen van des menschen geest slechts de smart en den kommer vergrooten, wanneer het geweten ontwaakt, wanneer de moeitevolle uren des levens aanbreken, of de tijd des stervens daar is. Do geniaalste kunstenaar der nieuwere tijden, Michel Angelo, zegt; „Den vredequot;,

Zoo beitel als penseel doen dien ons derven!

Dien helpt genad\' alleen, die uitgebreid heeft

d\' Armen aan \'t kruis, door \'t sterven heen verwerven.quot;

Dat gevoelde ook Paulus ten diepste tegenover de steenkoude wereld van Athene, die niets wist van den vrede Gods dooiden gekruisigden Heiland. Het is mogelijk, dat Paulus, die in den geest nog geheel in Thessalonica verkeerde, aanvankelijk niet van plan was hier te prediken, toch deed hij het. Hij beperkte zijne prediking niet tot de synagoge der Joden (Hand. 17 : 17), omdat hij dan te weinig het woord kon richten tot de eigenlijke Grieksche bevolking van Athene; hij sprak ook op de

ISl

-ocr page 204-

ATHENE.

Agora (de markt), de plaats, waar als in het middelpunt des openbaren verkeers, de geheele stad samenkwam. Deze markt was dezelfde als de Kerameikos, de ruimte gelegen tusschen den Theseu stempel en den voet van den Akropolis, waarover vroeger reeds gesproken is. Van de vele schoone gebouwen, die de markt insloten, staan nu nog slechts de ruïne der Attalos-Stoa, een grootsch gebouw van twee verdiepingen, dat dienst deed als koopmansbeurs, welks 06 M. hooge, marmeren zuilen de Oostzijde der markt uitmaakten en de marktpoort, die dag-teekent uit den tijd van Augustus. Van deze poort zijn nog vijf zuilen staande gebleven, welke het zwarte architraaf en den gedeeltelijk verwoesten gevel dragen. De middelste doorgang was bestemd voor wagons, de beide andere voor voetgangers. Door deze poort betrad Paulus dagelijks (Hand. 17 ; 17) de groote ruimte, welke omgeven werd door de meest trotsche gebouwen van de benedenstad, nl. door den tempel, gewijd aan de moeder aller goden (of het Metroön), het stadhuis (of Buleuterion). en het huis der Prytanen (of Prytaneion); op de plaats zelf prijkten de standbeelden der beroemdste mannen van Athene.

In de overdekte zuilengangen der Agora plachten wijsgeeren en redenaars hunne voordrachten te houden, en wanneer men iets nieuws verkondigde, leverde de zich daar ophoudende men-schenmassa, bestaande uit Atheners, vreemde touristen, gasten en studenten, steeds overvloed van toehoorders. En iets nieuws had ook Paulus mede te deelen. Daarom vond hij hie.quot; ook dagelijks toehoorders, wellicht ook eenige volgelingen, wier aantal ons niet juist bekend is. Zoodoende werd langzamerhand de algemeene opmerkzaamheid op hem gevestigd. Een Joodsch redenaar, die op de Agora van Athene sprak, was iets, tot nu toe onbekend, en bovendien was de wijze van optreden zoo zelfbewust, als wist hij meer dan aile wijsgeeren der stad. Dientengevolge mengden zich op zekeren dag verscheiden wijsgeeren van de Epicureïsche en Stoïcynsclie school onder den drom van

182

-ocr page 205-

IN HET JAAR 52.

183

toehoorders, toen Paulus juist sprak over de opstanding des Heeren. Welk een schoone gelegenheid bood zich nu aan tot een twistgesprek. Hoe durfde deze Jood den voorrang te betwisten aan hen, de woordvoerders der wereldberoemde scholen van Athene! Overtuigd van de, boven allen twijfel verheven, meerderheid hunner wetenschap, die kon terugzien op 500 jaren, wilden zij uit spotternij hun wijsheid stellen tegenover die van Palestina. Eigenlijk was het meer dan onbeschaamd, dat een vreemdeling het waagde op te treden te midden der Attische redenaars. Sommigen riepen. „Wat wil toch deze klapper zeggen!quot; Anderen zeiden: ,Hij schijnt een verkondiger te zijn van vreemde goden.quot; De omstanders, belust op praatjes en nieuwigheden, verheugden zich reeds op een onderhoudend en belangrijk twistgesprek tusschen den Joodschen Rabbi en de welbespraakte redenaars van Athene; zoo iets kwam niet alle dagen voor. Met algemeene stemmen werd daarom besloten, Paulus mede te nemen naar den Areopagus, opdat hij daar zijne zaak zou kunnen bepleittn. Paulus had niets tegen dit plan, want hij gevoelde zich volkomen opgewassen tegen den zinledigen woordenpraal der tegenpartij.

-ocr page 206-

OP DEN AREOPAGUS.

Zio wat loopt en draaft de menigt\'?

quot;Wat is \'t nieuwtje voor At hoen

Dat de volkslioop nu bevredigd]

Staan doet om den spreker heen?

Neen, d\' eenvoud\'ge vreemdling ginder Jaagt niet naar de volleksgunst;

Hem behaagt geen zucht naar vlindcr-acht\'ge woorden, yd\'le kunst.

Boven de stad verheft zich een heuvel, de Areopagus, welke onafscheidelijk verbonden is aan de vroegste geschiedenis van Athene. Deze steile heuvel, iets lager dan de Akropolis, waarvan hij door een smalle inzinking gescheiden is, ligt in dat gedeelte der stad, waartoe ten tijde van Paulus ook de markj Kerameikos behoorde. Aan de andere zijden, voornamelijk aan den westkant daalt de heuvel glooiend af. Den afstand tusschen de Agora en den Areopagus konden Paulus en zijne begeleiders in korten tijd afleggen. Ik had daartoe, zonder overhaasting gaande, nauwelijks zes minuten noodig, ofschoon ik, evenals Paulus, eerst om den berg moest loopen, daar deze van de marktzijde te steil is.

-ocr page 207-

IN DEN ZOMER VAN 52.

Op sommige afbeeldingen van den Akrospolis is do ligging der beide bergen duidelijk waar te nemen. Daarop ziet men links den Theseustempel; op den Akropolis staan rechts de overblijfselen der Propylaeën, in het midden het Parthenon, links het Erechtheion; aan de rechterzijde van den Akropolis en daarmee verbonden, verheft zich de Areopagus. Tusschen den Theseustempel en den voet van den Akropolis breidde zich de marktplaats (Agora) uit, vanwaar Paulus tusschen de beide heuvels de helling beklom, om zich daarna rechts naar den Areopagus te keeren.

In de diepte ziet men den Theseustempel en een deel der tegenwoordige stad, waarin zich de Agora bevond. Door de inzinking, die beide heuvels verbindt, loopt de wTeg, die van de Agora opwaarts voert, en bereikt men het plateau van den Areopagus van de Zuidzijde. Men ziet nog duidelijk do in de rots gehouwen trappen, waarlangs men sedert overoude tijden de hoogte beklom. Ook Paulus heeft eenmaal deze trappen bestegen. Boven komt men aan een terras, dat in de rots gehouwen is. Hier placht de oude rechtbank van den Areopagus, samengesteld uit de oudsten van Athenes voornaamste familiën zitting te houden, en het doodvonnis uit te spreken over lederen boosdoener in Athene. Reeds in de grijze oudheid werd de Areopagus tot dat doeleinde gebruikt. Men zegt, dat reeds ten tijde van den Trojaanschen oorlog Orestes hier genoegdoening gezocht en gevonden heeft voor den moord zijner moeder. Daar waaide berg loodrecht afdaalt naar de stad, ziet men reusachtige zwarte rotsblokken, en tusschen deze en den heuvel een donkere rotsspleet. In die duistere plaats brachten in het zwart gekleede priesters offers aan de Erinnyen of Furiën, de dochters van den nacht, welke schrikaanjagende gestalten, het hoofd in plaats van met haren, met slangen bedekt, met den brandfakkel in de eene hand, in de andere een uit slangen gevlochten zweep zwaaiend, van land tot land ijlden, om de boosdoeners te vervolgen.

185

-ocr page 208-

OP DEX AREOPAGUS.

Boven deze plaats der verschrikking en des verderfs verhief zich stralend en schoon de trotsche rots, de Areopagus. Vanaf de hoogte overziet men het onbeschrijfelijk schoone landschap, dat zich in de diepte uitstrekt. Welk een rijke afwisseling van berg en vlakte, van land en zee! In de diepte ligt de stad, van welke inzonderheid de Theseustempel, welks marmer in roodgouden gloed prijkt, te zien is; daar breidt zich de vlakte van Attika uit met hare tuinen en olijvenbosschen, besproeid door de beide riviertjes, den Kephisos en den Ilissos. In een wijden kring staan de bergen geschaard, gekleed in een kleurig, schitterend waas: de Hymettos, de Pentelekon, de, zich stout en steil verheffende, kegelvormige Lykabettos en in het Noorden de Parnassus, die den kring sluit. In het Westen ligt de glanzende zee, de groote, schoone Saronische golf; ons oog rust op de lieflijke, prachtige bochten van Phaleron, van Piraeus en Eleusis. Het trotsche, schoone Salamis rust op de blauwe wateren, terwijl een kroon van onuitwischbare herinneringen daar boven schijnt te zweven. Ver in het verschiet ontdekt men de bergen, van Megara; het oog reikt zelfs tot over den isthmus heen en aanschouwt de bergen van Argolis, terwijl aan den voet daarvan, in het wazig verschiet de statige spitsen van Akrokorinthe zich ten hemel heffen.

Dezen heuvel besteeg Paulus, omstuwd door een menigte inwoners van Athene. Op de hoogte is plaats voor ongeveer 100 personen. Paulus\' oog rustte niet alleen op de schoonheden, welke de natuur ten toon spreidde, het aanschouwde ook het schoonste en heerlijkste, wat ooit door der menschen kunst op aarde was gebouwd en gevormd. Aan gene zijde van het onaanzienlijke dal stond de Akropolis. Op een afstand van ongeveer 200 Meter verhieven zich de stoute zuilen der Propylaeën, „het schitterende kleinood der van verre zichtbare kroon, welke den godenburcht sierde.quot; Het Parthenon was onzichtbaar door ae Propylaeën, maar ter rechter zijde stond de sierlijke tempel der Athena-Nike, ter linker het Erechtheion met de Karyatidenhal.

186

-ocr page 209-

IN DEN ZOMER VAN 52.

En hoog boven al dit schoon prijkte het reusachtige, uit goud on ivoor vervaardigde standbeeld van Athene Promachos. Daar stond zij boven op de hoogte, toegerust ten strijde, den gouden helm op het hoofd, de lans in de hand, als wilde zij haar geliefd Atliene beschermen tegen gindschen, vreemden man, die op het punt stond een woord te uiten, waardoor binnen weinige eeuwen de geheele, Grieksche godenwereld zou ten onder gaan.

Voor dit alles had Paulus een open oog. Het is, alsof do beroemde rede van den Areopagus hem in den mond word gelegd door de natuur, de kunst en het volk, dat van alle kanten tot hem opzag. Het niet te overtreffen, schoone origineel, eigenlijk het uittreksel daarvan, door Lukas voor ons bewaard gebleven, is den lezer sedert lang bekend (Hand. 17). Ik geef er daarom de voorkeur aan. den gang zijner gedachten meer uitgebreid weer te geven, teneinde datgene, wat betrekking heeft op de omgeving, duidelijker te laten uitkomen. Hij begon:

„Mannen van Atliene! Dc tempels en godenbeelden, die my van alle zijden omringen, leeren my, dat gij een alleszins godsdienstig volk zy t. Ik bon door uwe stad gegaan en heb uwe heiligdommen aanschouwd Daar zag ik ook een altaar met het opschrift: „den onbekenden God.quot; En fiod is u inderdaad onbekend, ofschoon gij Hem onbewust dient. Teneinde u bekend te maken met dezen waar-achtigen God, ben ik te Athene gekomen. Hij is de God, die de wereld, den stra-lenden hemel, de gebergten, de zee, die alles gemaakt heeft.quot; En wijzend naar den Akropolis met zijne schitterende tempels voer hij voort: „Wanneer nu God de Heer is van hemel en aarde, hoe zou Hij dan wonen in tempelen, door de hand van nietige schepselen gebouwd! Waarom zou Hy der menschen hand van noode hebben, om Hem te dienen, gelyk uwe priesters gewoon zyn te doen. Hem, dio zelf aan alles, wat leeft, het leven en den adem gegeven heeftI Ook is Hy niet de God van een enkel volk, die evenals uw Pallas Athene waakt over do stad, of die, zooals gij meent, slechts liefde gevoelt voor de Grieken en in hetbyzondv r voor de oorspronkelijke bewoners van Attika, terwijl Hy, evenals de Olympische goden, alle andere volkeren als barbaren veracht. Neen, alle volkeren zijn van oenen bloede, ook al bewonen zij verschillende landstreken. Evenals de naby en van verre gelegen gebergten, de blauwe zee, de eilanden Salamis en Psyttakia de grenzen vormen van uw land, zoo heeft God voor allo volkeren do grenzen hunner woonplaats aangewezen en den duur van hun volksbestaan bepaald. Doch, hoe

187

-ocr page 210-

OP DENquot; AREOPAGUS.

oiidcrscliciden zij allen mogen zijn, Grieken, Barbaren of Joden, loch zyn zü allen aan elkander verwant, en wat hen op het innigst aan elkander verbindt, is liet gemeenschappelijke, verheven doel, dat God aan allen gesteld heeft en dat gij bij ieder volk aantreft, n.1. het streven om God te zoeken of zy Hem tasten en vinden mochten. Niet in de verte moet men hem zoeken, niet op den hoogen Olympus, noch in Dodona of Delphi, want Hü is niet verre van een iegelijk van ons. Gelyk de dampkring ons steeds omgeeft, zoo ook leven wjj voortdurend in Gods nabijheid. En ook gü, Atheners, hebt, gedrongen door des menschen bestemming, gezocht, of gü Hem tasten en vinden mocht. Iets van de waarheid hebt gü gevonden. Een uwer dichters heeft het schoone woord nltgespi oken: quot;Wij zijn van Gods geslacht. In die woorden ligt een groote waarheid. Indien wij echter van Gods geslacht zyn, dan moeten wij nalaten te doen, als stond de Godheid gelijk met dingen, die geringer en lager zijn dan wijzelf, als ware Hij niet meerder dan een dood beeld, uit goud, zilver of marmer, hoe voortreffelijk schoon en verheven ook, vervaardigd do .r uwe kunstenaars. Daar gij echter tot nu toe in dezen waan verkeerd hebt, is uw gansche, roemrijke verleden met al zijn weten en begrijpen met betrekking tut de hoogste dingen, een tijd der onwetendheid. Dezen tyd der onwetendheid heeft God echter genadiglijk overgezien en daarom laat Hij de menschheid alom door zijne gezanten verkondigen, dat zy zich moet bekeeren e..i boete doen. Ook ik ben een zijner boden. Mijne taak is het, u te verkondigen, dat Hy Zynen Zoon in de wereld gezonden heeft, teneinde alle menschen te redden. En dien Zoon heeft Hy erkend en geloofwaardig gemaakt voor een ieder, daardoor, dat Hy Hom, nadat Hy gestorven was, uit de dooden heeft opgewekt. Viin die daad ben ik getuige geweest. Ook gij kunt u niet losmaken van dien Zoon. Wy staan hier op den Areopagus, de hoogste gerechtsplaats van Athene, doch door God is reeds de dag bepaald, waarop Hy zijne gerechtsplaats zal betreden en de geheele wereld zal roepen ten gerichte. Ook uw rechter zal Hyzyn; sluit uw hart dus niet voor hetgeen ik u verkondigd heb. Mannen van Athene, dat is het, wat ik u te zeggen heb.quot;

Indien ooit een rede, door den Apostel uitgesproken, ons kan aantoonen hoe volkomen hij in staat was den Grieken een Griek te zijn, zonder in een enkel opzicht te kort te doen aan de ongeëvenaarde schoonheid en heerlijkheid van het Evangelie, dan is het deze rede, welke begint met de Schepping en eindigt met het Wereldgericht. Mocht zij zich al niet kunnen beroemen op schoonheid van vorm naar den eisch der Grieksche welsprekendheid en der wijsbegeerte, zoo sprak toch uit haar, naar het oordeel van een beroemden philosoof, de hoogste

188

-ocr page 211-

IN DEN ZOMEB VAN 52.

philosophie over de geschiedenis der menschheid. Duidelijk en scherp veroordeelt hij het dwaze geloof aan de goden, en weet daarbij toch rekening te houden met het waarachtig streven des volks, teneinde daardoor het aannemen van het Evangelie mogelijk te maken. \')

Do rede had weliswaar geen schitterende gevolgen. Indien de eerste zaligspreking uit de bergrede te allen tijde beschouwd wordt als de hoofdvoorwaarde voor den ingang in het hemelrijk, dan was het toenmalig Athene geen vruchtbare bodem voor het Evangelie. „Het arm zijn naar den geest,quot; hetgeen reeds

\') Evenals bij de moeste van Paul us redenen, heeft men ook bij deze het „antieke kleedquot; willen onderscheiden, dat Lukas tracht Paulus om de schouders to hangen, en daarom heeft men ook gemeend deze rede te moeten aanmerken als een vrye toevoeging van den schrijver der Handelingen. Doch dan zou men terecht mogen vragen, hoe Paulus had moeten zün, om genade te vinden in het oog van zekere critici en om aanspraak te mogen maken op het waarmerk van echtheid. Was de schrijver van 1 Kor. 13 dan inderdaad zulk een onbekwaam redenaar, dat zy, die boven hem stonden, meenden hem zonder eenigen grond het redenaarstalent te mogen ontzeggen ?

Doch, indien ook naar het oordeel van sommige theologen vele bybelsche verhalen moeten verworpen worden, dan treden de navorschers der oudheid steeds krachtiger op, om te ijveren voor hun behoud. De groote kenner der klassieke oudheid, Ernst Curtius, zegt: In de 16 verzen waaruit de rede bestaat, ligt een rijkdom van geschiedkundige bouwstoften ; alles is zeer kenschetsend en eigenaardig, naar het leven en den volksaard geteekend: het geheel is volkomen onopgesmukt en oorspronkelijk, hetgeen onmogelijk het geval kon zyn bij iemand, die een verdicht verhaal voordraagt. Bovendien is het onmogelijk een strekking tuin te wijzen, die aan een verdichtsel of verzinsel eenig recht van bestaan kan geven. Men moet Athene kennen, om hetgeen medegedeeld wordt, geheel te begrijpen. De markt dezer stad was een wereldtooneel, waar iedere nieuwe leer zich aan de beoordeeling moest onderwerpen. Athene was inzonderheid de stad, waar verhandelingen over een hoogere waarheid konden rekenen op eone algemeene belang, stelling. Daarom handelde Paulus hier evenals Sok rates; dagelijks knoopte hij met degenen, die hy op de straten ontmoette, een gesprok aan. Zoo werd langzamerhand de markt gevuld door een gaarne luisterend publiek, uit inwoners der stad en uit vreemdelingen bestaande, en do wysgoeren, die hier in den regel het woord voerden, werden daardoor geprikkeld zich te meten met den, van elders gekomen, prediker eener nieuwe leer. Teneinde hun nieuwsgierigheid te bevredigen, stelden zy Paulus in de gelegenheid zyn leer uitvoeriger uit een te zetten, en om derede meer gewicht by te zetten, trachtten zy de overheden der stad over te halen, die by te wonen.quot; Curtius voegt er bovendien Lij, dat „wie aan het bericht van Paulus geschiedkundige waarde ontzegt, daarmede een der belangrijkste bladzijden uit de geschiedenis der menschheid rukt.quot;

-ocr page 212-

OP DEN AREOPAGUS.

190

Sokrates naar zijne opvatting, gesteld had als voorwaarde voor het kennen der waarheid, was iets, waarvan de rederijke Sophisten van Athene in dien tijd verre verwijderd waren. Daarom stonden zij ook verre van het hemelrijk. De Stoïcijnen en Epikureërs hadden onder het luisteren reeds door hun gelaatstrekken hun overtuiging uitgesproken; reeds van te voren wisten zij immers, hoe zij de rede zouden beoordeelen. Waren zij niet de mannen, geroepen om kunsten en wetenschappen te beoordeelen, en volgde niet de geheele wereld hun uitspraken op? En nu was deze vreemde Jood vermetel genoeg om hen van onkunde te beschuldigen. Zij overlaadden den spreker, die zijne rede op hoogst ernstige en treffende wijze besloten had, met spot en hoon, en daar zij hem niet voldoende konden weerspreken, trachtten zij den indruk zijner woorden uit te wisschen, door hem belachelijk te maken. Toch was ondanks alles, menige toehoorder tot ernstig nadenken gebracht. Paulus had gesproken van bekeering en boete, van het onvermijdelijk oordeel, en zulks had hun geweten wakker geschud. Bovendien had hij den indruk gegeven van een hoogst ernstig persoon te zijn, en zijne waarschuwingen schenen hun toch wel de overdenking waard. Ook scheen hij nog veel meer te weten, dan hetgeen hij heden had uitgesproken; van den toekomstigen rechter had hij nog niets bepaalds gezegd. Daarom traden zij, waarschijnlijk waren het voornamelijk de meer ernstig gezinde Stoïcynen, — met niet te miskenen eerlijkheid op Paulus toe en zeiden: „Wij zouden u gaarne wederom hierover hooren.quot;\' Nadat Paulus gezegd had aan hun verlangen te willen voldoen, verliet hij de menigte en daalde de trappen van don Areopagus af. Denzelfden weg volgende, dien hij gekomen was, trad hij wederom op de marktplaats, wier prachtige zuilengangen hij, terwijl hij sprak, steeds had kunnen gadeslaan. Hij was echter niet alleen. Een kleine, doch uitgelezen schaar van Christenen, die hij door zijne prediking overtuigd had, was hem gevolgd. En terwijl de Sophisten van Athene spottend den

-ocr page 213-

rx DEN ZOMER VAN 52

heuvel afdaalden, teneinde hunne onbednidende twistgesprekken te hervatten, waardoor zij met hun godenwereld zijn te niet. gegaan, verkeerde Paulus waarschijnlijk nog langen tijd in het midden der jonge gemeente, om daar meer uitvoerig over Jezus Christus te spreken. Slechts van twee der Atheensche Christenen zijn ons de namen bekend. De een was Dionysius, lid van de rechtbank, welke op den Areopagus vergaderde en die later de voorganger der gemeente werd, de andere was Damaris, een vrouw, die later als lid der gemeente geroemd wordt.

Ook nadat Paulus was scheep gegaan om van den Piraeus naar Korinthe te reizen, heeft de gemeente zich staande gehouden en hare zending vervuld ten opzichte van het moeilijk te bearbeiden Athene. Na vierhonderd jaren sloeg het uur, waarop in Athene het Grieksch Eomeinsche heidendom zou ten onder gaan. Nadat het reeds in het geheele Eomeinsche rijk, dat intusschen tot het Christendom was overgegaan, met den spotnaam van „Paganismus en boerengeloof\' was betiteld, moest het ten slotte ook wijken van den trotschen Akropolis. De man op den Areopagus had overwonnen. Terwijl aan den Bosporus het zegepralende kruis prijkte op de torens van Byzantium, dat den scepter zwaaide over de geheele wereld en het oude, schitterende, marmeren Parthenon van Pallas Athene op den Akropolis den Christenen tot een kerk diende, vloden de laatste vertegenwoordigers van het klassieke heidendom naar Perzië, waar zij de schijnbaar machtige. Olympische goden in alle stilte ten grave droegen.

Heden staat een nieuw Athene op de plaats van het oude. Het fluiten der lokomotief, die langs den Akropolis voortijlt, de moderne Hermesstraat met hare groote hotels en schoone equipages, de elegante, naar de laatste mode gekleede bewoners, dat alles maakt een hoogst eigenaardigen indruk op den reiziger, die gekomen is, om de sporen van een grootsch verleden te ontdekken. Toch maken de puinhoopen, welke men hier overal aantreft, en welke spreken van een onbeschrijfelijk schoone

191

-ocr page 214-

OP DEN ABEOPAGÜS.

wereld, die hier ten onder is gegaan, een diepen, onuitwiscli-baren indruk.

Menigmaal richtte ik mijne schreden naar den eerwaardigen Areopagusheuvel en zijn eigenaardig gevormde rotsblokken, om daar Paulus\' rede te lezen en te herlezen en haar geheel te loeren begrijpen. Onvergetelijk is mij de laatste avond, dien ik op de overoude hoogte doorbracht, den blik latende weiden over het landschap. Vlammend rood ging de zon onder achter Eleusis en de bergen van den Peleponesus. Haar purperen, donker violette stralen hulden de gebergten van Attika in een schitterend waas, een overheerlijk schoenen sluier gelijk. De nabijgelegen zee glansde oogverblindend in de golven van Phaleron, Piraeus en Salamis. Aan mijne voeten lag de stad en de oude Theseus toni pel, blinkend in roodgouden gloed. Wonderschoon ineenvloeiend lagen land, zee en eilanden voor mij en schenen mij te willen herinneren aan Hem, die, zooals Paulus op deze plaats had uitgesproken, zeeën en gebergten gesteld had tot grenzen van landen en volkeren. De zon verdween, en in hare plaats verrees, vol en klaar boven de, in het verschiet gelegen, vlakte van Marathon, de stille maan, welke haar zacht, vriendelijk licht uitgoot over de stad en hare verheven puinhoopen. Tooverachtig verlicht werden de tempels van den Akropolis, waarop Paulus blik van hier uit, zoo menigmaal gerust had. De nacht verborg genadig haar wonden en kneuzingen, haar door het onverstand en de ruwheid der menschen geslagen; in het zilveren maanlicht schenen zij nog te prijken in ongerepte schoonheid.

Doch bovenal was het mij, als aanschouwde ik de ernstige, hooge gestalte van den Apostel Paulus, die voor negentien eeuwen op deze rots gestaan heeft, ondanks den spot der sophisten, zeker van de overwinning zijner zaak, wiens woord tot op den huldigen dag overwinnend en zegenverspreidend van land tot land ijlt, terwijl deze marmeren tempels, droeve getuigen eener tenondergegane wereld, weemoedig neerzien op onzen tijd.

192

-ocr page 215-

PAULUS IN KORINTHE.

-ocr page 216-
-ocr page 217-

Rcods van uit de verte aanschouwt de blik des reizigers het op een hoogen bergrug gelegen, Akrokorinthe. Wie, die Schiller kent en liefheeft, zou niet herinnerd worden aan diens woorden, wanneer hij door Poseidons dennenwoud, over de landengte, naar Korlnthe reist. Hetzij men te voet de stad nadert, of gezeten is in den spoortrein, die zich 80 M. hoog boven het nieuwe Zeekanaal voortspoedt, voortdurend heeft men het koninklijk gelegen Akrokorinthe voor oogen. Ofschoon heden de stoute rots niet meer gekroond is door den tempel van Aphrodite met zijne marmeren zuilenrijen, toch Is zij nog evenals in de oudheid een indrukwekkende berg, die den Akropolis van Athene in hoogte en schoonheid van vorm verre overtreft. Aan haren voet heeft eertijds Korlnthe gebloeid, dat verwoest en verbrand werd, doch dat, evenals de Phoenix, uit de asch verrees, om nogmaals ten grave te dalen. Heden blikt de berg, die eertijds getuige was van zooveel levenslust en vreugde, met zijn hoogen, breeden top treurig neder op een groot, doodstil geworden kerkhof.

Daarheen, vriendelijke lezer, gaat heden onze weg. Wij willen den fluitenden, langs do golf van Korlnthe gaanden spoortrein

1

-ocr page 218-

DE AANKOMST TE KOBTNTHE.

en de, door het kanaal stoomende, schepen vergeten, om ons te verplaatsen naar den tijd, toen een eigenaardig soort van koopman, de Apostel Paulus, de gelukkige handelsstad naderde, om haar de kostbare parel des hemelrijks te brengen. Heeft hij, de schrijver der beide Brieven aan de Korinthiërs, den naam Korinthe niet met vlammenschrift geteekend in het boek der Kerk- en Wereldgeschiedenis, waar deze schooner en onuitwisch-baarder prijkt dan op alle tafelen van korinthisch metaal, of iederen tempel van parisch marmer.

Waarschijnlijk is Paulus over zee van Athene naar Korinthe gereisd; deze tocht is ook nu nog heerlijk en verrukkelijk. Tnsschen Salamis en Aegina door, vaart men naar het westelijk deel der Saronische golf. De zee licht in een bonte mengeling van kleuren, nu eens diep ultramarijn, dan weder helder blauw als bij Capri; nu eens rood-violet, dan weder schitterend wit of somber zwart. Talrijke eilanden en eilandjes rijzen op uit de zee, in het rond verheffen zich de bergen van Aegina en Salamis, de met pijnboomen begroeide hoogten van Argolis, de steile rotswanden van Megara, zoodat het is, als voer men door een, aan alle zijden door bergen ingesloten, meer. Met een zeilschip naderde Paulus in de maand September van het jaar 52 de landengte. Steeds duidelijker verrees de berg van Akrokorinthe voor zijn oog. Geen der medereizigers zou het den onbekenden Oosterling hebben aangezien, dat hij, en niet de keizer te Rome, met diens geweldigen, noch de machtige kooplieden van Korinthe, wien deze schepen toebehoorden, de man der toekomst was, bij wiens komst voor Europa een nieuw tijdperk zou aanbreken en wiens schijnbaar onbeteekenende arbeid inderdaad ten gevolge zou hebben, dat op Griekenlands trotsche hoogten, dat door het geheele werelddeel tot aan de donderende Trollhatta, ja zelfs tot aan de oevers van den, toen nog onbekenden, Mississippi, het kruis zou geplant worden, het verachte kruis, het teeken van Jezus Christus\' zegepraal. .

196

-ocr page 219-

IN SEPTEMBER 52.

In Kenchrea, de oostelijke havenstad van Korinthe, ging Paulus aan land. Het ,kan zijn, dat hij nog dienzelfden dag naar Korinthe, op twee uur afstands gelegen, reisde. Het landschap lag in den gouden Septemberzonneschijn, toen hij te midden van wagens, lastdieren en reizigers den druk beganen weg volgde. Ditmaal was hij alleen; Silas en Timotheus waren nog steeds in Macedonië. De weg liep door het vriendelijke dal van Hexamilia, en gelijk bijna overal op de landengte, zagen pijn-boomen op den wandelaar neder. Waren zij niet de boomen, gewijd aan Poseidon, den God, die heerschappij voerde over de beide, elkander naderende zeeën. Ongeveer een half uur ter rechterzijde van den weg lag het gebied der Isthmische spelen. De graanoogst was reeds langen tijd binnengehaald, doch do oleanders prijkten nog met een overvloed van schitterende bloesems. De olijven, de getrouwe, zegenaanbrengende vrienden van Griekenland, stonden in groepen bij elkander, en de boeren van den Isthmus hielden zich juist onledig met den olijvenoogst. In de wijnbergen, tot aan Patras, waar nu ontzaglijke hoeveelheden krenten groeien, heerschte een vroolijke bedrijvigheid. De wijngaardeniers vierden het feest des wijn-oogstes en zongen ter eere van Bacchus vroolijke liederen. Voor des Apostels blik werd echter de indrukwekkende, donkere koepel van Akrokorinthe steeds duidelijker waarneembaar.

Na een tocht van anderhalf uur overschreed hij de brug, die over de Leuke voert. Toen liep de weg zacht glooiend opwaarts tot het plateau, waarop Korinthe lag. Na weinige oogenblikken was hij boven. Daar aanschouwde hij voor het eerst het heerlijke panorama, waarop zijn oog van nu af bijna twee jaren lang, dagelijks zou rusten. Daar lag de woelige wereldstad aan den voet van den beroemden burcht. Twee zeeën, schitterend blauw, zagen tot hem op, achter hem breidde zich de Saronische golf uit, voor hem de golf van Korinthe. In het rond verhieven zich hooge gebergten, die als het ware een reusachtig amphitheater vormden, en waarvan Korinthe het middelpunt was. Akrokorinthe

197

-ocr page 220-

DE AANKOMST TE KORINTHE.

echter lag op zichzelf, gescheiden van de andere hoogten, doch dicht bij de stad, welke het, een reusachtigen, beschermenden krijgsman gelijk, bewaakte, het hoofd gedekt door een helm, versierd mot de schitterende zuilen van den Aphrodite-tempel. Corinth us bi maris, het twee zeeën beheerschende Korinthe, noemden de ouden de heerlijk gelegen stad. Toch werden hare muren niet door een zee bespoeld. De vorstelijke ligging dankte de stad daaraan, dat zij gebouwd was op kleinen afstand van de zee, op een hoogte, die zich zacht glooiend van de zeezijde in de richting van Akrokorinthe uitstrekte. En niet alleen was de stad heerlijk schoon gelegen, doch ook gezond, daar de, van beide zeeën komende, winden haar ongehinderd konden naderen. De oostelijk gelegen zee zag men van de stad zelf uit niet, doch de, ten Westen golvende, wateren beheerschte zij gelijk eun koningin, van af het trotsche terras. Op niet meer dan een half uur afstands lag de havenstad Lechaemn. Daar zag men ontelbare masten, en vele witte zeilen, beladen met de schatten van Korinthe, voeren vandaar dagelijks uit naar het Westen. In een wijden kring verhieven zich aan drie zijden, majestueuze, met sneeuw bedekte gebergten boven de zee. Daar lag, behalve de bergen van Megara en de Kitharon aan den rechter kant, de 1570 M. hooge Helicon, in September geheel van sneeuw bevrijd; verder naar het Westen de 2460 M. hooge, geweldige Parnassus, de top met verblindend witte sneeuw bedekt, en meer in het verschiet, reeds in den Peloponesus, het bijna even hooge Kyllenegebergte, de tegenwoordige Ziria, wiens breede, besneeuwde top jaar uit, jaar in, neerblikte op de bedrijvige, weelderige wereldstad aan zijn voet.

Met dit grootsche panorama voortdurend voor oogen, naderde Paulus de stad. Daar lag zij voor hem, met hare duizenden huizen tusschen de vruchtbare, zich langs het zeestrand uitstrekkende tuinen en de rots van Akrokorinthe, omgeven door romeinsche vestingmuren. Reeds kon hij enkele gebouwen onderscheiden; het groote theater, waar de bewoners der, aan

198

-ocr page 221-

IN SEPTEMBER 52.

Rome onderworpen, stad geen schoone, Grieksche treurspelen zagen opvoeren, doch waar naar Romeinsch gebruik, de woeste gladiatoren wedstrijden hielden; de talrijke tempels, aan de zeegoden gewijd, den tempel van Neptunus, van Thalatta, van Leukothea en anderen. Ook menig trotsch gebouw, de zetel van het bestuur des rijks, verhief zich boven de huizen-massa. Hier was niet alleen voor geheel Griekenland het middelpunt van handel, verkeer en levensgenot, maar bovendien had de regeering des rijks den zetel van het burgerlijk en militair bestuur over de geheele provincie Achaja, in Korinthe gevestigd.

Door de tuinen der voorstad met hare vriendelijke landhuizen en voorbij het groote theater gaande, naderde Paulus de eigenlijke stad. Steeds drukker werden de straten, steeds luider werd het gewoel, dat getuigt van de nabijheid eener groote stad. Nu ging hij voorbij het standbeeld van den beroemden Cynicus Diogenes, die in zijn vat wonend, der weelderige wereldstad te vergeefs soberheid en onthouding predikte, en betrad eindelijk door de stadspoort gaande, de straten van de hoofdstad des lands. Weliswaar was Korinthe in het jaar 146 v. Chr. door Mummius verwoest, doch als sleutel van het Peloponesische schiereiland was haar ligging van te groot gewicht, waarom Cesar de stad weder liet opbouwen en er een nederzetting van Romeinen vestigde. Daarom droeg ook de stad, door welker-straten Paulus ging, in menig opzicht een sterk sprekend romeinsch karakter; bovenal echter kenmerkte zij zich als een groote handelsstad. Hot zeilen langs de aan klippen rijke kust was zeer gevaarlijk. Daarom gaf men er de voorkeur aan, de koopwaren, zelfs geheele schepen, op rollen over land over den Isthmus te transporteeren. Dientengevolge was Korinthe de hoofdstapelplaats voor een levendig handelsverkeer tusschen het Morgenen Avondland geworden.

Een uiterst druk en bont gewoel aanschouwde de Apostel, toen hij kwam op de marktplaats, met het groote bronzen vstandbeeld van Minerva, en waar het water der bron uit den

lfgt;9

-ocr page 222-

DE AANKOMST TE KOEINTHE.

200

bek van een dolfijn vloeide; vandaar ging hij naar de Jodenwijk. Vreemdelingen en kooplieden uit alle deelen der wereld ontmoette hij overal, zoowel als de bewoners van geheel Griekenland. Behalve de rijke Korinthiörs zag hij een groote menigte slaven, wier aantal door Athenaeus, in Korinthe op 400,000 geschat word. Zij werden gebruikt als dienaren, arbeiders en matrozen, en herinnerden Paulus aan de maatschappelijke toestanden, die hij in Antiochiö had leeren kennen. Beide steden telden ongeveer evenveel, drie kwart millioen, inwoners, waarvan bijna een half millioen uit slaven bestond. Wij kunnen nagaan, dat de Apostel getroffen werd door het voortdurend aanschouwen van zoovelen, die de vrijheid moesten derven. Terwijl hij door de bazaars ging, waar kooplieden van Oost en West hunne kostbare waren ten toon stelden, waar hij de weefsels der bewoners van Klein-Azië, het purper der Tyriêrs, het glaswerk der Sidoniërs, de zijden stoffen der Chineezen aanschouwde, zag hij achter al dezen rijkdom en glans een stad van zedelijke ellende en jammer, en in zijne ziel werd de grootsche begeerte wakker, om aan de geheele stad, aan voornamen en geringen, datgene te schenken, wat in deze wereld alleen in staat is den mensch vroolijk, tevreden en gelukkig te maken: n.1. het Evangelie van Jezus Christus.

-ocr page 223-

.. . • . . ..

-T.-v.

\'ló-

rc

~T^

m

VOORBEHEIDBNDti WERKZAAMHEID.

Zeg mg, wie is tlio Imndworksman,

Dio \'t spoeltje, als luid \'t wickun,

Zoo snol on Hink voortjagen kan En \'t wcefgostoolt doet zwiepen.

MÜ dunkt, ik zag hem onlangs nog; In school, op Sabbath sprak li|j toch? \'t Was of toen Godsboon riepen.

Zonder twijfel zocht Paulus een onderkomen bij zijne landslieden. In Korinthe bevond zich eon niet onbelangrijke Jodenwijk, waarvan, op godsdienstig gebied, een aanzienlijke synagoge het middelpunt uitmaakte.

Waarschijnlijk heeft Paulus zich zeer eenzaam gevoeld in de groote stad, waar hij niemand kende. Bovendien merkte hij in de geheele stad, op zedelijk gebied, een richting op, die hem dag aan dag met afkeer vervulde. Hier hoopte zich de zedeloosheid der geheele wereld op, door twee zeeën, van het Oosten en Westen aangespoeld. Menigmaal gevoelde hij zich ontzet over den schaaniteloozen zondedienst, die het openbare leven be-heerschte. De schitterende, marmeren tempel van Aphrodite te Akrokorinthe, welke hem reeds gedurende den tocht over zee van verre begroet had, was niet een oord van vromen godsdienstzin, maar een plaats, waar men ouder den dekmantel van

-ocr page 224-

VOOEBEKEIDENDE WERKZAAMHEID.

vroomheid de schandelijkste lusten botvierde. De dienst van Venus Astarte was van phoenicisehen oorsprong en geleek op dien van Astarte te Sidoniö. De tempel, die van verre Korinthes kroon geleek, was door de duizend aan zijn dienst gewijde hetaeren, veeleer een schandvlek, die de stad schaamteloos aan het voorhoofd droeg. En in de eigenlijke stad was het niet voel beter. Geheel Korinthe was een groot, over de geheele wereld, te slechter naam en faam bekend staand huis. De spreekwoordelijk geworden onzedelijkheid van Antiochië werd verre ovei-troffen door die van Korinthe. Met ontzetting vergeleek Paulus deze zedelijk verwoeste stad met een bodemloozen afgrond. De afschrikwekkende indrukken geeft hij weder in het eerste hoofdstuk van den Brief aan de Romeinen, dien hij in deze stad geschreven heeft.

Zou hem, evenals Jona, niet menigmaal de vrees hebben bekropen, of hij, de eenige in dit moderne Nineve, in staat zou zijn het volk tot inkeer te brengen. Wanneer hij gedurende de eerste dagen, door de straten der stad ging of zich naar de havenstad Lechaeum begaf, en, den blik latende rusten op de heldere zee of de, in verblindend witten, reinen glans pralende, besneeuwde gebergten, dacht aan den poel van zonde, waarin de stad verzonken lag, wanneer hij \'s avonds in de Jodenwijk verkeerde en door ernstig gezinde lieden den toestand der stad hoorde bloot leggen, dan heeft hij zich ongetwijfeld menigmaal afgevraagd, of hier ooit oen volk zou gevonden worden, dat begeerde heilig, rein en onstraffelijk te leven in den dienst des Heeren Jezus. Wellicht heeft deze tijd, dien hij alleen in Korinthe doorbracht, betrekking op hetgeen hij later (1 Kor. 2 : 3) aan zijne Korinthiörs schrijft: „Ik was bij ulieden in zwakheid en in vreeze en in vele beving.quot;

Doch hoezeor ook deze Apostel, zooals zijne brieven bewijzen, uren van vrees en kommer kende, toch behield telkenmale het onwankelbaar vaste vertrouwen op Dengene, die hem gezonden had, en het geloof aan de wereldoverwinnende macht des Evan-

202

-ocr page 225-

IN OCTOBER 52.

gelies, de overhand. Een sterk gevoel van verachting voor deze soort van philosophic, die geheel los was van den zedeüjkon ernst eens Plato\'s, die ondanks al haar vermeende wijsheid de menschen in dezen afgrond had laten verzinken, maakte zich van zijn ziel meester. „Waar zijn de wijzen?quot; schrijft hij later aan zijne Korinthiërs. ..Waar zijn de philosofen? Waar zijn de schriftgeleerden? Heeft God de wijsheid dezer wereld niet tot dwaasheid gemaakt?quot; Een heilig voornemen vatte steeds meer in zijne ziel post, om deze philosophic, die met haar schijn van wijsheid nitliep op een poel van zedeloosheid, met kracht te bestrijden. Zelfs geen slip van liet kleed dezer wijsheid noch harer welsprekendheid wilde hij aannemen; hij wilde alleen het kruis van Christus prediken, waarin hij het eenige redmiddel zag voor zulk een ontaarde, diep gevallen wereld (1 Kor. 1 : 18 en 2 ; 5).

Om echter in deze stad zulk een voornemen ten uitvoer te brengen, moest Paulus in do eerste plaats een beroep uitoefenen, waardoor hij in zijn onderhoud zou kunnen voorzien. Werk te vinden viel hem hier niet moeilijk. Korinthe was niet alleen de dichtst bevolkte, maar bovendien ook van geheel Griekenland de stad, waar vele takken van nijverheid beoefend werden. Reeds de dienst van Astarte levert het bewijs, dat het phoenicische en aziatische element in Korinthe sterk op den voorgrond trad. Zulks sprak ook op ander gebied, zoowel uit den koopmansgeest, die het openbare leven volkomen beheerschte, als uit de soort van industrie. Van het Oosten had de oude purper- en tapijt-industrie zich hierheen verplaatst, en bloeide meer dan eenige andere tak van nijverheid. De prachtige tapijten van Korinthe en Patras, die uitmuntten door schoonheid van patroon en kleuren, waren over de geheele wereld bekend en gezocht. Voor een tapijtwever, zooals Paulus, was het dus hoogst gemakkelijk hier werk te vinden, dat ruimschoots beloond werd.

Zoo treffen wij hem kort na zijne aankomst aan in den tapijtenbazaar van Korinthe, waar hij werk zocht. Hij vond daar

203

-ocr page 226-

VOORBEREIDENDE WERKZAAMHEID.

204

echter nog meer dan arbeid alleen. Toen hij op zekeren dag in het midden zijner gezellen verkeerde, maakte hij kennis met een Jood, Aquila genaamd, afkomstig van Pontos aan de Zwarte Zee. Hij was een der Joden, die onlangs, tengevolge van het in het Ghetto te Rome ontstane oproer, door het edikt van keizer Claudius uit Rome waren verdreven. Velen vermoeden zelfs, dat deze man voor korten tijd in Lechaeum aangekomen, een Christen was. Een Christen in Korinthe! Dien had Paulus geenszins vermoed op deze marktplaats te zullen aantreffen. Het moet echter worden uitgesproken, dat hetgeen in de Handelingen hieromtrent vermeld wordt, geen aanleiding geeft tot dit vermoeden (Hand. 18 : 2). Daarin wordt Aquila enkel oen Jood genoemd. Het is echter zoo goed als zeker, dat hij dooiden omgang met den Apostel, zeer spoedig geloovig werd; zoo had Paulus in de stad dan tenminste een mede-Christen. Wie in een land woont, waar duizenden Christenen leven, kan zich nauwelijks eenig begrip vormen van de groote vreugde, waarmede deze beide, eenige Christenen uit het gansche land, zich aan elkander verbonden. Weldra gingen zij zoo vertrouwelijk met elkander om, alsof zij elkander reeds sedert jaren kenden. Nu gevoelde Paulus zich lang niet meer zoo eenzaam, als tot nu toe het geval geweest was, en zulks veranderde geheel, toen na korten tijd Aquila en diens gelijkgezinde echtgenoote, Priscilla. hem uitnoodigden, bij hen te komen wonen. Hoe weldadig voelde hij zich gesterkt door het aangename, huiselijke leven. Daar Paulus en Aquila bovendien hetzelfde handwerk uitoefenden, was het zeer natuurlijk, dat zij besloten gemeenschappelijk te arbeiden. Zoo zaten dan de beide mannen dagelijks te zamen in de werkplaats, waar zij menig tapijt weefden. Daar de tapijtindustrie te Korinthe een geheel Oostersch karakter droeg, zal zulk een werkplaats er waarschijnlijk evenzoo uitgezien hebben, als die in het Oosten. Zij bestond uit een ruimte, die uitzag op den tapijtenbazaar; daarin zaten beiden, nu eens spinnend, dan weder de spoel heen en weder bewegend, teneinde het, van kunstzin ge-

-ocr page 227-

IN OCTOBER 52.

tuigende, patroon te doen ontstaan. De werkplaats was voor hen tevens winkel, waar de voortbrengselen hunner handen werden verkocht. Met dichterzin doet Gerok ons de hoogere wijding gevoelen, welke over deze eenvoudige werkplaats is uitgebreid, als hij zegt:

Voorbij z\\jii werkplaats stroomt \'t gedruisch

Dor bonte, drukke groepen;

Van \'t marktplein af tot in zyn kluis

Dringt door der koopliên roepen.

Maar Paulus stoort noch tred noch bod —

Zijn geest, geheel vervuld van God,

quot;Weeft \'t heilsplan in zün doeken.

Hy denkt aan wat tot Sion sprak

\'s Profeten mond vóór tijden; (Jes. 54 : 2, 3.)

„Verruim, verruim der tenten dak

Maak \'t breed naar alle zyden.

Want van het ver verwijderd strand Wil ik naar \'t u herbergend pand De volken heen geleiden.quot;

Zijn geheele leven lang hield de Apostel dezen tijd van samenzijn met Aquila en Priscilla in dankbare herinnering. Ook zij hingen den zeer geëerden Apostel aan met bijzonder groote liefde en trouw. Hun onbaatzuchtige vriendschap, waardoor zij het Evangelie niet genoeg te waardeeren diensten bewezen, de wijze, waarop zij toonden steeds bereid te zijn het Evangelie te willen bevorderen, de doodsverachting, waarmede zij eigen leven vrijwillig op het spel zetten, teneinde Paulus te redden, dat alles heeft den naam van dit edele echtpaar voor immer omgeven met een schoenen lichtglans.

205

-ocr page 228-

DE STICHTING DER GEMEENTE.

De noodige maatregelen, welke een langdurig verblijf in Korinthe mogelijk maakten, waren dus genomen. Nu kon de Apostel denken aan zijn eigenlijke roeping: der stad het Evangelie te prediken. Het aangewezen uitgangspunt voor dien arbeid was de synagoge. Daar kwamen de kinderen zijns volks samen, gelijk Simon en Hanna, wachtend op de vertroosting Israels. Daar vereenigden zich ook de Grieken, die, het zondige leven der stad moede, toevlucht zochten bij den gewijden godsdienst der Israëlieten.

lederen sabbat ging Paulus naar de synagoge en leerde. De overste der synagoge, Crispus genaamd, kwam hem vriendelijk te gemoet en luisterde, met de overige gemeenteleden aan de voeten van den nieuwen leeraar gezeten, met klimmende belangstelling naar diens woorden. Uit hetgeen Lukas bericht (Hand. 18 : 4 en 5) blijkt, dat wat Paulus op de eerste samenkomsten behandelde, eigenlijk dienen moest als inleiding. Daarin schetste hij een duidelijk beeld van den Verlosser, naar de uitspraken der Profeten in het O. Testament. De verkondiging, dat de, voor twintig jaren gekruisigde en daarna opgestane, Jezus deze verlosser was, stelde hij vooreerst nog wat uit, gelijk ook Jezus zelf eerst later zijnen jongeren, toen zij zijnen woorden konden begrijpen en dragen, mededeelde, dat hij de Messias

-ocr page 229-

IN HET JAAR 53.

was. Had Pan lus dezen voorzorgsmaatregel uit het oog verloren, dan zouden de dweepzieken en vijandig gezinden onder de Jood-sche toehoorders, hem reeds op den eersten sabbat een volgend optreden in de synagoge onmogelijk gemaakt hebben. Hij stelde er zich voorloopig mede tevreden, niets meer te doen, dan het leggen van het fondament.

Op zekeren dag verschenen welkome en lang verwachte gasten in de werkplaats. Het waren Silas en Timotheus, die uit Macedonië kwamen (Hand. 18 ; 5; 1 Thess. 1 ; 1 en 3 ; 7). Zij brachten goede berichten mede uit Thessalonica. De gemeente der Macedonische hoofdstad had zich dapper gehouden; deze tijding ontlastte des Apostels hart van groote zorg. Dikwijls had hij met vrees gedacht aan de gemeente, welke hij bij nacht en ontijd, door den nood gedrongen, had moeten verlaten, en waarvan hij tot nu toe geen enkel bericht ontvangen had. Nu voelde hij zich gedrongen, op den eerstkomenden sabbat het volle, rijke Evangelie te verkondigen en het den Joden aan te zeggen, dat Jezus de verwachte Heiland was (Hand. 18 : 5).

Zoo gingen dan op den eerstvolgenden sabbat de vier mannen: Paulus, Silas, Timotheus en Aquila, naar de synagoge. Met krachtige woorden sprak Paulus over den Heer, diens verheven lessen, diens leven in het Beloofde Land, de verwerping door Israels priesters, den dood, de opstanding en de wederkomst ten gerichte.

Zooals te verwachten was, gaf deze prediking aanleiding tot verschil van meening onder de toehoorders. Enkelen, die hun hart reeds geopend hadden voor het woord, op vorige sabbatdagen door den Apostel gesproken, lieten zich overtuigen en begroetten met vreugde de heerlijke tijding, omtrent de komst des lang verwachten. De overigen echter, en wel degenen, die in de synagoge den toon aangaven, waren verstoord over Paulus\' woorden, waardoor deze zich toonde te verzetten tegen het hoogste kerkbestuur te Jeruzalem. Hun scheen het de grootste dwaasheid, een gekruisigde, dien de wijze vaderen des volks

207

-ocr page 230-

208

als een boosdoener hadden laten veroordeelen, voor den beloofden Messias te houden. Heftig vielen zij den spreker in de rede. Hartstochtelijke, honende uitroepen, toornige, lasterende woorden over den Gekruisigde klonken door de synagoge. Paulus moest eindigen. Hij begreep, dat hem nu voortaan een optreden in de synagoge zou geweigerd worden. Doch hij herinnerde zich tevens, hoe hij in Thessalonica eveneens uit de synagoge en de stad verdreven was geworden, en hoe daar toch een aanzienlijke, bloeiende gemeente door den Heer tezamen gebracht was.

Zoo besloot hij dan, hoe smartelijk hem zulks ook mocht vallen, de synagoge voor goed vaarwel te zeggen. Zooals de Oosterlingen ook nu nog gewoon zijn te doen, schudde hij zijne kleederen af, ten teeken, dat hij de verantwoordelijkheid in deze zaak van zich wierp, en riep de opgewonden menigte toe: Uw bloed zij op uw hoofd! Ik ben rein, en voortaan zal ik tot de Heidenen gaan!quot;

Van dit oogenblik af was den Apostel de toegang tot de synagoge ontzegd, doch weldra stond een ander huis, in de nabijheid der synagoge, voor hem open. Deze woning behoorde aan een burger van Korinthe, Titius Justus genaamd, welke naam aanleiding geeft tot de onderstelling, dat hij, gelijk zoo-velen in deze romeinsche kolonie, van geboorte een Romein was. Reeds langen tijd had hij, zooals het een goed buurman betaamt, do synagoge bezocht en zich bij de Joden aangesloten. Hij behoorde tot degenen, die Paulus\' boodschap omtrent de vervulling van Israels verwachtingen met vreugd hadden aangenomen. Na hetgeen in de synagoge was voorgevallen, besloot Justus terstond zijne woning open te stellen voor de bijeenkomsten der gemeente.

Zoo werden dan in het vervolg op iederen sabbat twee bijeenkomsten gehouden in dezelfde straat van Korinthe. Door de eene deur, die der synagoge, gingen de Joden, die het oude geloof vasthielden, door de andere, die van Titius Justus\'woning, de Christenen en hunne gasten. Terwijl Paulus predikte, stonden

-ocr page 231-

IK HET JAAR 53.

zij waarschijnlijk in het peristyl, een door een zuilengang ingesloten binnenhof. Daar hadden zij geen stoornis van den kant der Joden te wachten. En steeds kwamen meerdere Korinthiërs naar het huis van Justus, dat als bakermat der Christelijke kerk, het uitgangspunt werd van de heilrijkste beweging, die het „gelukkigequot; Korinthe ooit had gekend.

Inderdaad, de prediking van het kruis van Christus riep een immer talrijker wordende gemeente in het leven in de schitterende, levenslustige wereldstad. De eerste, die den moed had met zijn geheele huis Christen te worden, was Stephanas, „de eersteling in Achajaquot; (1 Kor. If3 : 15). Met vreugde doopte Pau-lus zelf hem en zijn geheele gezin (1 Kor. 1 : 16). Voor het meerendeel waren het onaanzienlijken, handwerkslieden, arbeiders, slaven en slavinnen, voor wie plotseling het duistere, ellendige bestaan helder verlicht werd door een nieuwe zon. Doch ook jongeren uit de gegoede klassen, sloten zich bij de gemeente aan. Buitenge wonen indruk maakte echter, zoowel op de Christenen als op de Joden,\' de bekeering van den overste der synagoge, Crispus. Wellicht had de hooggeachte man reeds langen tijd geaarzeld. Onder den rabijnenmantel klopte een oprecht hart, dat verlangend uitzag naar den vrede Gods; vandaar dat hij niet bleef aarzelen. Nadat hij den Apostel meermalen had hooren spreken, en wellicht ook persoonlijk zich met hem onderhouden had, kwam hij op zekeren dag tot Paulus en verzocht door hem gedoopt te worden. Paulus gaf het groote gewicht van deze gebeurtenis daardoor te kennen, dat hij hem persoonlijk doopte, een handeling, welke hij overigens rekende niet tot zijn ambt te behooren. Hem was een taak van grooter belang opgelegd: „Christus heeft mij niet gezonden om te doopen, maar om het Evangelie te verkondigen,quot; placht hij te zeggen (1 Kor. 1 ; 17). Het doopen liet hij aan Timotheus, Aquila of een ander lid der gemeente over; in dit geval echter maakte hij een uitzondering.

Voorzeker was liet een onvergetelijke dag voor de jonge ge-

14

209

-ocr page 232-

210

meente, inzonderheid voor die leden, welke vroeger tot do Jood-sche gemeente van Crispus behoorden, toen men naar den helderen stroom van Pirene, misschien naar het meer eenzame dal van den Leuka trok. Daar, aan gene zijde van het amphitheater, in het stille, door pijnboomen, olijven en cypressen beschaduwde dal, waarop Akrokorinthe, een reusachtigen dom gelijk, nederzag, werd hij, die tot nu toe overste der synagoge geweest was, door Paulus\' hand gedoopt.

Ook andere aanzienlijke personen uit de stad sloten zich bij de gemeente aan. Daar was behalve Crispus, behalve Stephanas, die later een der leiders van de gemeente werd (1 Kor. 16 :15), behalve Justus, in wiens huis de gemeente samenkwam, een zekere Gajus, bij wien de Apostel later als gast verkeerde (Rom. 16 ; 23). Verder behoorden er toe Erastus, als rentmeester een der eerste beambten der stad (Rom. 16 : 23), Quartus en Achaïkus benevens Chloë, in den eersten Brief aan de Korinthiërs genoemd, en die tot de meest welgestelde burgers der stad behoorde, hetgeen af te leiden is uit het groot aantal personen, die in haar dienst waren (1 Kor. 1 : 11). Zoo mocht zich dus de gemeente verblijden in een toenemenden, ongestoorden wasdom, ondanks nare verdrijving uit de synagoge.

-ocr page 233-

-Hft —gt;-^tlt;

sèèÈÈÈÈÈS

wm-

DE AANSLAG DER JODEN.

Mijns volks getal is groot in (loze stad!

Aanschouw, mijn knecht, slechts deze zee van daken; RÜk moet mijn woord de schapen, nu zoo mat, Dor armen en der rijken zielen, maken!

Draag als een herder, trouw hen in \'t gemoed — Verzorg hen goed!

Niemand zal zich er over verwonderen, dat door dezen gang van zaken de toorn der Joden ten top steeg. lederen Sabbat hadden ook hunne samenkomsten in de naastgelegen synagoge plaats, maar het getal dergenen, die een deur verder gingen om de bijeenkomst der Christenen bij te wonen, werd steeds grooter. Daartoe behoorde zelfs de vroegere overste hunner synagoge, die tot nu toe de Thorah voorgelezen had, en bovendien zag men burgers van Korinthe, G-rieken, Romeinen en Joden in- en uitgaan. Naarmate het gelaat van die allen getuigde van vreugde en vrede, naar die mate klom de verbeten woede der tegenpartij. In alle stilte wies een storm, die over Paulus\' lot zou beslissen. Toch waagde men het niet hem persoonlijk geweld aan te doen of uit den weg te ruimen, daar sedert het Edikt van keizer Claudius, overal de haat tegen de Joden te zeer was aangewakkerd. Misschien was het mogelijk het romeinsche bestuur.

-ocr page 234-

DE AANSLAG DEE JODEN.

dat tot nu toe de gemeente der Christenen beschouwd had als een ontaarding van het Jodendom en haar daarom geen moeilijkheden in den weg had gelegd, van inzicht te doen veranderen, om daardoor de gemeente te verstoren.

Waarschijnlijk ontgingen Paulus de teekenen niet van het onweer, dat zich boven zijn hoofd samenpakte. Den nacht, wanneer alles stil was, bracht hij menigmaal in het huis van Aquila, wakende door. Dan schreef hij wellicht de Brieven aan de Thessalonicensen, misschien ook nog andere, die wij niet kennen. Dan was hij ontroerd bij de gedachte aan, de zorgen en gebeden voor, zijne, in de verstrooiing levende, gemeenten van Syrië, Klein-Azië en Macedonië, en nu werd de vrees voor Korinthe daar nog aan toegevoegd. Zou het zijn vertoornden, Joodschen vijanden hier niet evenals in Thessalonica gelukken, hem plotseling te verdrijven van dit arbeidsveld, dat beloofde zulke heerlijke vruchten te zullen dragen? Was het niet zijn innigste begeerte, dat de gang van het zegevierend Evangelie niet zou gestuit worden? Schreef hij niet in dezen tijd aan de Thessalonicensen: „Lieve broeders, bidt voor ons, opdat het woord des Heeren zijn loop hebbe en verheerlijkt worde, gelijk ook bij u, en opdat wij mogen verlost worden van de ongeschikte en booze menschenquot; (2 Thess. 3 : 1).

Gedurende zulk een nachtelijke ure van vrees en kommer was het hem, als verscheen hem een geest, evenals hij nu ongeveer twee jaren geleden den Macedoniër gezien had. Het was hem, als stond de Heer weder voor hem, die hem voor zeventien jaar op den weg naar Damaskus verschenen was. Deze sprak hem moed in en zeide: „Wees niet bevreesd! Spreek en zwijg niet! Ik ben met u en niemand zal de hand aan u leggen om u kwaad te doen, want ik heb veel volks in deze stad!quot;

Dit gezicht sterkte zijn geloof uitermate. Het woord: „Ik ben met uquot; deed alle vrees wijken. Was Hij met hem, dan kon de geheele wereld ongehinderd tegen hem zijn. En dat de Heer

212

-ocr page 235-

IN HET JAAR 53.

nog verder was gegaan en zulk een heerlijk uitzicht in de toekomst geopend had, verhoogde zijn moed en versterkte zijn vertrouwen. Zoo dikwijls hij den blik liet weiden over de zee van huizen, de torens en daken der groote stad, weerklonk van nu af als een zekere belofte van overwinning het woord des Heeren in zijn hart: „Ik heb veel volks in deze stad.quot;

Paulus had deze versterking noodig, want heel spoedig brak de storm los. Terwijl hij op zekeren dag in zijn werkplaats zit, wordt hij overvallen; plotseling ziet hij zich omringd door gespierde mannen, die aangevoerd worden door zijne op wraak beluste landslieden. Voor een voldoend aantal oproerlingen was gezorgd, teneinde aan de zaak het noodige gewicht bij te zetten. Onder smaadredenen, misschien ook mishandelingen, sleepten zij hem naar het Forum, dat waarschijnlijk op de marktplaats was. Midden op de markt stond een groot bronzen standbeeld van Minerva. Een schoone bron liet het water klaterend uit den muil eens dolfljns stroomen, die steunde tegen de gestalte van den zeegod Neptunus. Standbeelden, uit marmer gehouwen groepen, borstbeelden sierden de marktplaats, het middelpunt van het openbare leven te KorintheJ

Hier sprak gewoonlijk de voornaamste beambte der provincie, de pro-consul, recht. Dit hooge ambt bekleedde in dien tijd Marcus Annaeus Novatus Gallio, ons bovendien bekend als broeder van den beroemden wijsgeer Seneca. In de hoofdstad der wereld stond hij bijzonder hoog aangeschreven. In hem, den humanen, op het gebied der wetenschappen en der kunst zeer ontwikkelden man, die bovendien geroemd werd als staatsman en schrijver, had men den rechten persoon gevonden, om Griekenland, de bakermat van kunst en wijsbegeerte met de noodige takt en bekwaamheid te besturen.

Voor hem verschenen de opgewonden Joden, die met de hun eigen drift en voortvarendheid hunne klachten voordroegen. Deze mensch, zoo verzekerden zij, raadt de lieden aan God te dienen tegen de wet.

213

-ocr page 236-

DE AANSLAG DER JODEN.

Doch G-allio was de man niet, om zich te mengen in dergelijke duistere zaken. Wellicht deelde hij ook in de algemeene, sterke verachting, die de voornaamste Romeinen tegen de Joden koesterden. De dichter Juvenalis geeft ons daarvan een bewijs, wanneer hij op spottenden toon spreekt over dit schacherende, zich met uitdragerij en kwakzalverij afgevende volk. Toen Gallio hoorde, dat deze tierende en razende bende Joden van hem verlangde, dat hij uitspraak zou doen in een hunner telkens terugkeerende, beuzelachtige twisten, maakte hij korte metten. Hij liet Paulns, die zich wilde verdedigen, niet aan het woord komen, maar maakte aan de geheele zaak met weinig woorden een einde. Zijn bescheid luidde: „Wanneer er eenig ongelijk of kwaad stuk begaan ware, o Joden! zoo zou ik met reden ulieden verdragen; maar indien er geschil is over een woord en namen en de wet, zoo zult gijzelf toezien; ik wil over deze dingen geen rechter zijn.quot;

De Joden waren sprakeloos. Daar zij niet terstond begrepen, dat zij moesten heengaan, liet de pro-consul hen met geweld door zijne lictoren verjagen. Met innerlijke vreugde hadden de aanwezige Grieken gezien op welke wijze de Joden afgescheept waren, en zulks was hun zeer naar den zin. In het korte antwoord, dat gepaard ging met zulke, niet te miskennen bewijzen van afkeer, zagen zij een aanmoediging om lucht te geven aan hun haat tegen de Joden. Sosthenes, die in de plaats van den bekeerden Crispus was getreden als overste dei-synagoge, had het woord gevoerd, en dat wilden zij hem betaald zetten. Hijzelf viel in den kuil, dien hij voor Paulus gegraven had. De Grieken grepen hem, gaven hem een dracht slagen en lieten hem toen loepen. De pro-consul trok zich niets van dit alles aan; ofschoon hij zoo iets niet bevolen had, scheen hij den Joden zulk een terechtwijzing te gunnen.

Zoo was dan de aanslag, die den ondergang van Paulus en de gemeente der Christenen beoogde, geheel in het water gevallen. In Thessalonica was Paulus onmogelijk geworden»

214

-ocr page 237-

IN HET JAAE 53.

215

hier integendeel, was zijn plaats bevestigd. De gemeente was talrijk; onder hare leden telde men de aanzienlijkste mannen der stad. Nu scheen het zelfs, alsof de romeinsche regeering haar partij had gekozen en daar tegenover waren de Joden geheel machteloos. Zij hadden er zelfs het meeste toe bijgedragen om de wolk te verdrijven, die in den laatsten tijd boven de jonge gemeente gehangen had. Ongehinderd kon deze nu groeien, zoowel innerlijk als uiterlijk, en daardoor mocht Paulus telkens opnieuw ervaren, wat zijn Heer hem in dien nacht tot troost had toegeroepen: „Ik heb veel volks in deze stad.quot;

-ocr page 238-

(Tamp;S (Tamp;B S-^-a T-J-S 4^= /i\'

i iiitiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiniiii i

3^3 -5^ 6^3 6^3 S^c) 6^/3 lt;5^©^

^

kei ^ ^ o* lt;IÖ ^ fl

QP Qp Qp QP lt;\\V£gt; n^X-

oolt;o „o„ OOO O O o _o_ ooo _o_ Uquot;—

lt;31) ö d lt;3 b ö b 6 föcï

4-v 4^ 4^ 4^4- 4s ^ -n 4^®5^

DE ARBEID IN DE GEMEENTE.

Verbazingwekkend is het, welk een arbeidskracht Paul us aan den dag heeft gelegd gedurende zijn meer dan anderhalf-jarig verblijf in Korinthe.

In de eerste plaats was het noodig, te voorzien in de dage-lijksche levensbehoeften. Ook hier hield hij evenals in Thessalonica, om dezelfde grondige redenen vast aan den regel, geenerlei ondersteuning van de gemeente aan te nemen (1 Thess. 2 ; 9). Tegenover de Korinthiërs legt hij er evenwel den nadruk op, dat hij, gelijk de andere Apostelen, met recht daarop aanspraak zou kunnen maken. Hij wilde den tegenstanders des Evangelies de gelegenheid benemen hem onreine bedoelingen toe te dichten. Hij wist maar al te goed, dat bij den mensch verdachtmakingen, helaas! eerder post vatten dan het geloof aan het goede, en daarom wilde hij van zijne gemeente niet het geringste aannemen. „Het ware mij beter te sterven, dan dat iemand dezen mijn roem zou ijdel maken!quot; roept hij zijnen Korinthiërs toe (1 Kor. 9 : 4—15). Hetgeen hij van zijne gemeenteleden ontving, betaalde hij hun (2 Thess. 3 : 8). Het was zijn roem een onafhankelijk man te blijven, en van niemands gunst of belooning te leven. Het spreekt van zelf, dat onder zulke omstandigheden, daar de prediking des Evangelies de voornaamste bezigheid

-ocr page 239-

IN HET JAAR 53.

was, tijden voorkwamen, dat hij slechts niet moeite in zijn onderhoud kon voorzien. Dan kwamen de Philippiërs in Macedonië, die van zijne benarde omstandigheden hoorden, en alleen hot voorrecht hadden, hem iets te mogen zenden, hem tegemoet, door hem geld te doen toekomen (2 Kor. 11: 7—12; Phil. 4:15).

Zoo arbeidde dan Paulus, zooveel in zijn vermogen was, aan het weefgetouw. Was het hem onmogelijk zulks overdag to doen van wege zijn apostolisch ambt, dan deed hij het des nachts (1 Thes. 2:9). In den regel echter ontbrak hem overdag den tijd daarvoor niet. De menschen, voor wie hij als prediker optrad, hadden gewoonlijk zelf overdag hun eigen moeitevollen arbeid, en daardoor had ook hij tijd, om het noodige te verdienen. Doch hij moest meer verdienen, dan hetgeen hij voor eigen onderhoud behoefde. Wanneer Silas en Timotheus terugkeerden van de plaatsen in Macedonië en Achaje, waarheen hij ze gezonden had, dan moest hij in staat zijn hen behoorlijk te ontvangen. Misschien moest hij hun bovendien ook dikwijls nog reisgeld geven, en daarom moest hij sparen. Niet onwaarschijnlijk is het, dat zijn huisgenoot Aquila hem daarin geholpen heeft. Wanneer Paulus de gemeente vermaant, iets terzijde te leggen, „opdat zij iets mocht hebben, om den nooddruftige te geven.quot; Dan heeft hij haar stellig in dat opzicht een goed voorbeeld gegeven. Menigmaal heeft hij ongetwijfeld in den zak getast, wanneer de armen, weduwen en weezen der gemeente hem hun nood klaagden. Zoo was hij dagelijks voor de gemeente door zijn onvermoeiden arbeid een levende prediking. Tot de Korinthiërs had hij, evenals later tot de Efeziörs kunnen zeggen: „Gij weet zelf, dat mijne handen gediend hebben, om in eigen behoeften en in die dergenen, die met mij geweest z ij n, te voorzien. Ik heb u getoond, hoe men werken moet, dat men de zwakken moet opnemen, en gedenken aan het woord des Heeren Jezus: „Geven is zaliger dan te ontvangenquot; (Hand. 20 : 34).

Wanneer echter voor andere lieden in Korinthe de rusttijd

217

-ocr page 240-

DE ARBEID IN DE GEMEENTE.

aanbrak, was hij nog lang niet gereed; dan begon voor hem eerst de hoofdbezigheid. De menschen, die van anderen afhankelijk waren, konden eerst laat komen. En eindelijk kwamen zij, mannen en vrouwen, geringe handwerkslieden, arbeiders, knechts en dienstboden, in de woning van Aquila bijeen. Op den binnenhof, een, in den regel door een overdekte zuilengang omgeven, ruimte, vereenigde men zich onder den blooten hemel. De kamers der huizen van dien tijd waren meestal zeer klein, hetgeen men kan zien aan de uitgegraven huizen van Pompei.\') Daar predikte waarschijnlijk de Apostel, en deelde hij der gemeente en den nieuw gekomenen mede, wat hij des daags, in den weefstoel zittend, overpeinsd had.

Bovendien zullen ook wel des avonds de Christenen afzonderlijk tot hem gekomen zijn, om met hem te spreken, daar den meesten daartoe overdag de tijd ontbrak. Dan moest de Apostel, tot wien ieder zich wendde, voor alken persoon een trouwe raadgever zijn, terwijl anderen zich ter ruste legden. Ieder had zijn persoonlijke aangelegenheden, zwarigheden en twijfelingen; bovendien kwamen menigvuldig botsingen voor met de Heidensche omgeving. Dat de gemeente bestond uit lieden van alle maatschappelijke klassen, bracht op zichzelf reeds moeilijkheden mede. Daartoe behoorden vele kleine luiden en vele slaven, maar ook welgestelde en ontwikkelde personen. Het grootste deel der gemeente bestond echter uit lieden uit de laagste standen. Hijzelf zegt (1 Kor. 1 : 26): „Niet vsle wijzen, niet vele machtigen of voornamen zijn onder u\' — niet vele, maar toch verscheidene. Zulks gaf somtijds aanleiding tot lastige, onaangename verhoudingen (b. v. 1 Kor. 11 : 21), en het jonge Christendom vond hier dus een ruim veld, om al zijn kracht tot het in evenwicht brengen der maatschappelijke verhoudingen met der daad te betoonen. Dat niet alles zoo

\') Pompoï was weliswaar een romeliische stad, maar ook het toenmalige Korinthe was een romeinsche kolonie.

218

-ocr page 241-

IN HET JAAE 53.

gemakkelijk ging, doen ons de Brieven aan de Korinthiërs op meer dan een plaats zien. Zij zijn niet als engelen en volmaakte heiligen uit den hemel komen vallen, die eerste Christenen. Allon moesten nog veel leeren.

Bovendien was dit Korinthe, waarin deze eerste Christenen leefden, een waar Sodom. Aphrodite met al hare denkbare en ondenkbare uitingen van ontucht, had haren zetel in deze stad opgeslagen. Het was dus voor de jonge Christenen geen lichte taak, rein en onstraffelijk te wandelen. Tegenover grove verzoekingen stonden zij natuurlijk niet In twijfel, maar er waren zooveel schijnbaar onschuldige zaken, die min of meer aanleiding gaven tot een terugkeeren tot het zondige leven der stad. Zij werden genoodigd tot het deelnemen aan vroolijke gastmalen bij hun vroegere vrienden en bloedverwanten, en bij zulke gelegenheden, waar men hulde bracht aan de oude goden, werd toch het vleesch, dat opgedragen werd, aan de goden, Neptunus of Aphrodite, gewijd. Mochten zij daarvan eten? Mochten zij, over \'t algemeen genomen, deelnomen aan zulke feesten? Moesten zij iederen band, die hen tot nu toe verbonden had met deze kringen, doorsnijden? Of bestond er nog een middelweg?

Hoeveel wijsheid, standvastigheid en geduld had Paulus dus van noode, om in. het late avonduur tot ieder het rechte woord te spreken. Telkens weder moest hij wijzen op Hem, die zelfs Zijn leven voor ons gegeven heeft aan het kruis, opdat wij voortaan der zonde zouden afsterven. Telkens moest hij weder duidelijk maken, dat wie een Christen zijn wil, dat in zijn geheel moet zijn of het niet zijn. Hier wees hij inet vriendelijkheid terecht, om een verwond, beangstigd geweten tot rust te brengen, daar moest hij streng en beslist optreden, om zelfs geen haarbreed af te wijken van den door Christus gewezen, heiligen weg. Hoezeer hij somtijds genoodzaakt werd met gestrengheid op te treden, wanneer slechte gebruiken wilden binnendringen, daarvan levert ons de eerste Brief aan de

210

-ocr page 242-

DE ARBEID IN DE GEMEENTE.

Korinthiërs voornamelijk het bewijs. Daar waakte hij over zijne gemeente met de jaloerschheid en liefde eener moeder, die ziet, hoe haar kind door slecht gezelschap gevaar loopt, bedorven te zullen worden. En zelfs, wanneer de laatste gast het huis des Apostels verlaten had, zelfs dan was de rusttijd voor den Apostel nog niet daar. Dan had hij dikwijls nog te zorgen voor de andere gemeenten. Ook voor het gebed moet een tijd afgezonderd worden. Wanneer Paulus zegt: „Dagelijks overvalt mij de zorg voor al de gemeenten (2 Kor. 11 : 28), dan was zulks in de eerste plaats een zorgen in het gebed, zooals hij zegt: „te allen tijdequot; (Phil. 1 : 1 Kor. 1:4; 1 Thess. 1 : 2). Zijne gebeden stegen op voor iedere gemeente; daarin gedacht hij de zoo welbekende streken van Syrië en Cilicië, de steppen van Klein-Azië en Galatië, in den gebede reisde hij over zee naar Macedonië en legde alle gevaren en behoeften neder aan den troon Gods.

En wanneer hij tot God gesproken had over zijne gemeenten, dan sprak hij ook nog tot haar door zijne brieven. Menigmaal zat hij nog laat in den nacht op en schreef een dier brieven, die ons nog heden zulk een diepen blik doen slaan in dit groote hart. Geen Apostel kennen wij zoo nauwkeurig, geen enkele is ons als mensch zoo nabij gekomen, omdat wij van geen der Apostelen zooveel brieven bezitten, die over eigen persoonlijkheid handelen. Misschien heeft hij verscheidene dezer brieven in Korinthe geschreven, waarvan er slechts drie tot ons gekomen zijn, n.1. de twee Brieven aan de Thessalonicensen en de Brief aan de Romeinen.

En wat voor brieven zijn deze! De meest verheven toon, dien de wereld kent, wordt hier aangeslagen. quot;Wordt ons hart niet getroffen door den machtigen toon der boete, den lieflijken klank der liefde, het geluid, dat spreekt van het verlangen, de hoop des Christens; hooren wij daarin niet den vroolijken lofpsalm der opstanding, het zegelied van de wederkomst des Heeren, van het eeuwige leven, van de nieuwe wereld; klinken

220

-ocr page 243-

IN HET JAAR 53.

221

al deze tonen niet machtig door deze brieven heen! Nog eens, wat voor brieven zijn deze! Zij zijn niet alleen gericht aan het eigenlijke adres, zij spreken tot de geheele wereld. En toch, hoe eenvoudig en hartelijk zijn zij dikwijls. Hijzelf dacht, bij het schrijven, alleen aan zijne gemeenten. Hij vermoedde niet, dat eeuwen lang millioenen en nog eens raillioenen men-schen in alle deelen der aarde, deze brieven lezen en het kleine vertrek te Korinthe zegenen zouden, waarin zij geschreven werden. En juist omdat hij daarvan niets vermoedde, zijn zij zoo gemeenzaam en vertrouwelijk, behandelen zij de intiemste verhoudingen, worden herinneringen aan het samenzijn daardoorheen gevlochten, en ook de treurigste bladzijden uit het leven der gemeente, als onder vier oogen, met den heiligsten ernst besproken. Menigmaal handelen zij over schijnbaar onbeduidende bijzonderheden, en toch is voor ons het kleinste daarin groot, omdat het bestraald wordt door een hooger licht. Dikwijls worden de treurige afdwalingen van het gemeenteleven gegispt, en toch is het of juist dan zijne hand bestuurd werd door een macht van Boven, opdat de geheele kerk zou deelen in den zegen, die uit deze woorden zou voortvloeien. In de Brieven aan de Korinthiërs b. v. heeft elke wanordelijkheid, die in de gemeente voorkwam, voor de Christelijke Kerk een niet te waardeeren schat opgeleverd en zijn de brieven kroonjuweelen van het Nieuwe Testament geworden. Zoo ooit, dan mocht men hier met den kerkvader uitroepen: „O felix culpa!quot; d. i. o gezegende zonde, die zulke vruchten heeft gedragen! Aan den partijgeest in Korinthe hebben wij de verheven prediking te danken over het kruis van Christus (1 Kor. 1 en 2); aan het deelnemen aan de godenoffers de onvergetelijk schoone woorden over de vrijheid des Christens (hoofdst. 8 en 9); aan de wanordelijkheden in de bijeenkomsten het juweel over het Heilig Avondmaal (hoofdst. 10 en 11); aan de uitspattingen bij het gebruik der geestelijke gaven het hooglied der liefde (hoofdst. 13); aan den twijfelzucht van

-ocr page 244-

DE AHBEID IN DE GEMEENTE.

eenige leden der gemeente, de klassieke verhandeling over de hoop der opstanding (hoofdst. 15) — even zoovele verstoringen van de orde er in Korinthe voorkwamen, even zoovele groote kerkordeningen ontving de Christelijke Kerk aller tijden. Deze brieven bezitten grooter rijkdom, dan eenige brief ooit door menschelijke hand op aarde geschreven; zij zijn zoo diep, dat nog niemand tot op den bodem is doorgedrongen; voor iedere eeuw leveren zij nieuwe schatten op.

Ik prijs des trouwen Paulus\' hand,

Als, door zijn liefd\' gedreven

Z\\] machtvol, zoo op zee als land

B\\j \'t woord werd opgeheven.

01\' brieven vol des Greestes, schreef;

Dan \'t spoeltje door \'t getouw heendreef

Bij \'t needrig tentenweven!

222

-ocr page 245-

EEN ZONDAG TE KOEINTHE.

Na den inspannenden arbeid der week waren de Zondagen te Korinthe werkelijk feestdagen. Juist in deze gemeente treffen wij het eerst de viering van den Zondag aan, die langzamerhand overal den ouden sabbat verving (1 Kor. 16 : 2; Hand. 20 : 7 en Openb. 1 ; 10). Weliswaar beschouwde men over \'t algemeen den Zondag niet als een rustdag, waardoor de geheele gemeente in staat werd gesteld dien te vieren, zooals zulks nu het geval is. De gemeenteleden, die een ondergeschikten werkkring hadden, moesten op dien dag natuurlijk toch hun gewone plichten vervullen, maar het Christendom had ook onder de Heidenen van Korinthe nog geene vijanden. Overal trad het op in de liefelijkste gestalte. Wanneer wij bovendien bedenken, dat in de oudheid de slaven nergens zoo menschwaardig en goed behandeld werden als in Griekenland, dan kan het mogelijk geweest zijn, dat menig heer zijn getrouwen dienstboden het verzoek toestond, om op het bepaalde uur de samenkomst der Christenen te mogen bijwonen.

Ook voor den Apostel waren de Zondagen feestdagen. Dan wijdde hij zich geheel aan de gemeente. Deze kwam bijeen in de ruimte, voor de godsdienstoefening bestemd. Wederom is het

-ocr page 246-

224

in Korinthe, dat wij het eerst opmerken, dat een gebouw was afgezonderd voor kerkelijke samenkomsten. Waarschijnlijk was het de woning van Titius Justus, aan wien de gemeente wellicht huur betaald heeft. De eerste bijeenkomst had vermoedelijk vroeg in den morgen plaats, wanneer in het verschiet de zon opging boven de Saronische golf en de bergen van Athene, waardoor de Christenen gedachten aan den eersten Zondag, toen de Heer vroeg in den morgen uit het graf verrees. Dan vereenigden zij zich in het peristyl, de door een zuilengang omgeven ruimte, waaromheen de kamers van het huis gelegen waren. Onder den zachten, griekschen hemel waren bijeenkomsten in de open lucht het aangenaamst en natuurlijkst. Bovendien waren zij, door het rondom gebouwde huis, welks muren geen vensters hadden, genoegzaam afgezonderd van de drukte en de beweging. Dan sprak Paul us tot de gemeente. Uit den rijken schat zijner christelijke ervaringen deed hij een keuze, en steeds wist hij zijn onderwerp voor allen belangrijk te maken. Hij vermaande hen den Heer getrouw na te volgen, den ouden mensch te dooden en te kruisigen, en den nieuwen mensch naar Christus\' beeld aan te doen. Een overzicht van hetgeen hij zeide, bezitten wij nu nog in zijne brieven. Het waren geen kunstig samengestelde en voorgedragen redevoeringen, die hij hield. Zorgvuldig vermeed hij alles, wat herinnerde aan de voordrachten der rhetoren en philosofen en hunne, met fijne onderscheiding ingedeelde en op eflfekt berekende, redevoeringen. Voor dezulken had hij niet den minsten eerbied gevoeld, noch voor die te Tarsen of Athene, noch voor die dezer stad. In den Brief aan de Korinthiörs noemt hij hen: „dwazenquot; (1 Kor. 1 : 20). Hetgeen Paulus zeide, was de zuivere, eenvoudige, begrijpelijke taal van een man, die spreekt uit volle overtuiging, en die bovendien, zooals de toehoorders wisten, met vreugde zijn leven en alle aardsche voordeelen daarvoor ten offer zou brengen. Wel werd zijne rede, wanneer hij zich medegesleept gevoelde door de grootheid eu heerlijkheid der in Christus geopenbaarde

-ocr page 247-

IN HET JAAR 53.

goddelijke waarheid, uitgesproken met een heilig vuur en een geestdrift, die geen der wijsgeeren kende. Wij behoeven slechts te denken aan het dertiende hoofdstuk uit den eersten Brief aan de Korinthiörs en aan liet elfde uit dien aan de Romeinen.

Deze bijeenkomsten en predikatiën woonden stellig ook dikwijls heidenen bij, die door leden der gemeente daartoe waren aangezocht, en bovendien beperkte Paulus zijn zendingsarbeid niet tot den engen kring dergenen, die de samenkomsten bezochten. Zullen verscheidene van hen niet met vreugde geluisterd hebben, wanneer hun, die uiterlijk gebukt gingen onder den last des levens en innerlijk onder dien der zonden, voor het eerst de blijde boodschap verkondigd werd van het verlossing-aanbrengend Evangelie. Hier werd geen onderscheid gemaakt tusschen hoog en laag, wanneer het gold deel te hebben aan de hoogste goederen. Hier waren de hoogste waarheden niet meer het bijzonder eigendom eener bevoorrechte kaste, neen, hier werden zij een ieder voorgehouden, zoowel den armsten slaaf als den voor-naamsten heer. En dan zagen de Heidenen, welk een nieuw leven onder de Christenen was gewekt. Zij hoorden het verheffend gezang der gemeente, psalmen en koorgezangen, die getuigden van de vreugde en den vrede in den Heer, welke toen reeds de godsdienstoefeningen der Christenen kenmerkten (Eph. 5 : 19; Kol. 3 ; 16). De heidensche gasten, die dagelijks den poel zagen, waarin Korinthe zedelijk te gronde ging en die toch zoo nauw samenhing met hun godsdienst, aanschouwden hier een nieuwe wereld. Zulk een heilige vreugde, zulk een verrukking des geestes bezielde deze Christenen, die zij toch vroeger zoo geheel anders gekend hadden, dat het hun dikwijls scheen, als bestond de menigte enkel uit profeten. Veel, dat lang gesluimerd had, werd door de aanraking van het Evangelie gewekt, en zoo ontstond een groeien en bloeien als in de lente. Zij hoorden hunne oude bekenden met profetische kracht en hemelsche vervoering spreken over hetgeen zij in Christus gevonden hadden; zij zagen, hoe hunne lippen overvloeiden van

15

225

-ocr page 248-

226

de heerlijkheid der gave: het kindschap Gods in den Heer. Met een woord de genadegaven traden te voorschijn. Het spreken, het voorspellen en uitleggen, deze waren alle slechts de bloesems van het nieuwe leven, dat in hen gewekt was. Meer dan een der heidensche gasten moet toen tot het besef gekomen zijn, dat hier een nieuwe, goddelijke, geestelijke kracht in den kring huns levens getreden was, een macht, die den mensch herschept; waarschijnlijk zijn velen herhaaldelijk wedergekomen, totdat zij eindelijk door den doop in de gemeente werden opgenomen.

Een tweede samenkomst had zeker des avonds plaats. Dan waren de werkplaatsen gesloten, en hadden ook de slaven hunne diensten volbracht, zoodat zij komen konden. Het spreekt van zelf, dat de verkondiging des Evangelies dan ook weder de hoofdzaak was, hetzij het woord gesproken werd door Faulus, Silas, Timotheus, of misschien ook reeds door een der daartoe bevoegde gemeenteleden. Daarna zette zich de gansche geir. eente neder tot het houden van een gemeenschappelijken maaltijd. Men noemde zulk een maaltijd „Agape,quot; dat is liefdemaaltijd. Ook de Joden en Grieken hielden feestelijke maaltijden, die een godsdienstig karakter droegen. Zoo reeds een gastmaal, waarvan alle deelnemers vereenigd zijn door den geest van liefde en eendracht, weldadig aandoet, hoeveel te meer moet zulks dan met deze maaltijden het geval geweest zijn. Hier uitte zich de innige gemeenschap der Christenen in vertrouwelijken omgang en opgewekte gesprekken. Hier zaten zij als broeders bijeen de aanzienlijke rentmeester der stad en de christen-slaaf, de Apostel en de Griek. Door hoeveel zij ook in het leven op grooten afstand van elkander stonden, hier was een plaats, waar, bij ieders begeerte om eere te geven aan dien, die eere toekomt (Rom. 13 : 7), toch elk onderscheid ophield te bestaan. Hier waren, zooals Paulus dikwijls met vreugde uitspreekt. Jood noch Griek, slaaf noch vrije, man noch vrouw, maar allen éen in Christus Jezus (Gal. 8 : 28). Men kan zich nauwelijks iets denken, dat zoozeer de broederlijke gemeenschap tusschen, elkander

-ocr page 249-

IN HET JAAR 53.

tot nu toe zoo streng gescheidene, elementen bevorderde, als deze liefdemaaltijden. Over het onderwerp der gesprekken was niets bepaald, doch deze liepen van zelf het meest over de dingen, die hen op het nauwst verbonden. quot;Wij stellen ons voor, dat deze liefdemaaltijden den Apostel de beste gelegenheid opleverden om tot de gemeente te spreken b. v. over Palestina, de andere Apostelen, de oorspronkelijke gemeente, en ook iets mede te deelen over eigen, persoonlijken, apostolischen arbeid. Hij maakte hen bekend met zijn zendingsreizen in het Morgen- en in het Avondland en vertelde, welke goede berichten zooeven uit Macedonië gekomen waren (1 Thess. 1 : 8). Ook sprak hij over de gemeenten in AntiochiG en Galatië, en zoodoende wekte hij ieders belangstelling voor het zendingswerk en den wensch, dien zijn eigen ziel levenslang koesterde, „dat het woord Gods zijn loop mocht hebbenquot; en de kerk van Jezus Christus steeds meer mocht worden uitgebreid.

Na afloop van den liefdemaaltijd werd gewoonlijk het Heilig Avondmaal gevierd, evenals eertijds op den Groenen Donderdag het Heilig Avondmaal in aansluiting met het Paaschmaal gehouden werd (1 Kor. 11 : 20 en 33; Hand. 20 : 7). De lampen waren aangestoken (Hand. 20 : 8). Wie nog niet gedoopt was, verliet het huis. De overgeblevene gemeente gevoelde zich onder den indruk van des Heilands woorden: „voor u gegeven, en doet dat tot mijne gedachtenis.quot; Levendiger nog dan voorheen ondervonden zij bij het gebruiken van dit Heilige Maal, dat de Heer in hun midden verkeerde. Zijn woord: „voor u!quot; beantwoordden zij in hun hart met de gelofte: „U zij voortaan ons hart en ons leven gewijd!quot; De band van gemeenschap met den Heer werd hechter, die der leden onderling inniger. Was het niet éen brood, dat zij aten, wanneer Paulas, Silas of Crispus het brood braken en den wijn uitgoten, om den beker te laten rondgaan. Namen zij allen den Heer Jezus zelf niet aan, als het levende brood van den Hemel! Zij gevoelden zich als leden van éen lichaam (1 Kor. 10 : 17). Het besluit werd hernieuwd, om

227

-ocr page 250-

EEN ZONDAG TE KORINTHE.

elkanders zwakheden met geduld te dragen; elk misverstand werd uit den weg geruimd; de verkoelde liefde werd gesterkt aan de bron van alle liefde. Om uitdrukking te geven aan zoo velerlei gevoelens, kuste men elkander na het Avondmaal met den heiligen kusquot; (Rom. 16 : 16; 1 Kor. 16:20; 2 Kor. 13:12; 1 Thess. 5 : 26). Daarna, vervuld van den vrede Gods, het uitvloeisel van de zekerheid van de vergeving der zonden, van den vrede en de onderlinge liefde, togen zij huiswaarts door de nachtelijke straten van Korinthe. Ook Paulus, Aquila en Priseilla en de beide helpers gingen dan huiswaarts, wellicht in den aanvang begeleid door eenige andere Christenen. En zoo daalde na den schoonen dag \'sHeeren vrede op den Zondagavond neder op hen en hunne woningen. Prediking en gezang hadden opgehouden, doch in de stilte klonk in veler hart den nagalm van het heden gehoorde. En die vele harten vormden in den geest een waren, levenden tempel Gods, opgetrokken aan den voet van de, met tempels versierde, hoogte van Akrokorinthe.

Zekerlijk waren op zulke Zondagen ook gasten van bu ten onder de gemeente. Hoezeer Paulus ook in beslag was genomen door den arbeid in Korinthe zelf, zoo had hij toch de landstreek Achaja niet uit het oog verloren, welker besneeuwde bergtoppen dagelijks op hem nederzagen. Reeds hier in Korinthe had hij de beschikking over een aantal helpers, die hij, al naar hij het noodig achtte, kon uitzenden. Daar waren niet alleen Silas en Timotheus, die eerst nog in Macedonië gebleven waren, maar waarschijnlijk mochten ook reeds bewoners der stad, die leden der gemeente waren, medehelpen, zooals b. v. Titius, Crispus, Aquila en anderen. Waarheen zij gingen, naar Sikyon, Olvmpia, Argolis, Messenië of Lacedaemon, is ons niet medegedeeld. Zeker is het, dat de Apostel in zijne Brieven aan de Korinthiërs doelt op een reeks gemeenten in de provincie Achaja (2 Kor. 1:1; 9 : 2). Slechts van een dezer gemeenten kennen wij den naam, nl. van die in Kenchrea, de plaats, waar de Apostel geland was. Daar werkte als diakones in een bloeiende gemeente, de

228

-ocr page 251-

IN HET JAAR 53.

overbrengster van den Brief aan de Eomeinen, de trouwe Phebe, van wie Paulus in zijne Brief aan de Romeinen met zooveel lof gewaagd ten aanhoore van de geheele Christenheid (Rom. 16 : 1 en 2). Aan de Grieksche zee, de eerste diakones in den dienst des Evangelies! Daar placht zij door de, nu zoo stille, straten van Kenchrea te gaan, om in de matrozenwijk of de woningen der havenwerkers op te treden als een engel der liefde, oin arme, kranke en zwakke Christenen te bezoeken en hun te dienen om des Heeren wil. Zij staat als de eerste aan het hoofd van duizenden diakonessen, die overal op de aarde in het kleed der dienende liefde rondgaan, hare voetstappen drukkend en den bloei en de kracht haars levens Hem wijdend, die aan het kruis gestorven is.

Ook de gemeente te Athene behoorde tot de gemeenten van Achaja. Hoe menigmaal zal Paulus van Kenchrea overgevaren zijn, een reis van een hal ven dag makend, om de daar wonende Christenen te versterken. En wie zou er aan twijfelen, dat van Athene uit ook de Areopagiet Dionysius, Damaris en anderen dikwijls des Zaterdagavonds zijn overgevaren, om met de Korin-thiërs den Zondag te vieren en het Avondmaal te houden? Een krans van gemeenten, de kerken van Achaja, zooals Paulus (Rom. 16 : 6) zegt, lag om de wereldstad Korinthe, die als het ware het middelpunt vormde. De gemeente der wereldstad breidde zich steeds meer uit, werd steeds tot grooter steun voor de andere, zwakkere gemeenten en deed reeds de geheele provincie den blik op zich vestigen (2 Kor. 3 : 2).

229

-ocr page 252-

KSSSIë^B

IN DEN VREEMDE!

Bij al den arbeid en diens schoone vruchten vergat Pa\'dus niet, dat hij ook ver buiten Achaja een roeping had te vervullen. Bovendien was Korinthe de stad bij uitnemendheid, om de gedachten te leiden op de omgeving. De, eertijds door Mummius op zoo onbarmhartige wijze verwoeste, stad, was in de honderd jaren sedert haren herbouw door Cesar, weder geworden, wat zij eenmaal geweest was, „de ster van Hellasquot; Corinthus felix» dat wil zeggen „het gelukkige Korinthe.quot; Alle bekende volksstammen, zoowel die uit het Oosten als uit het Westen, waren hier vertegenwoordigd. Bovendien trokken de Isthmische spelen, die Paulus gedurende zijn anderhalf jarig verblijf wellicht heeft bijgewoond, en waarvan hij in ieder geval in zijne bneven spreekt (1 Kor. 9 : 24), veel vreemd volk uit alle doelen dolaarde naar de stad. De schepen, die dagelijks, van twee zijden komend, op de roeden van Lechaeum en Kenc\'irea binnen\'iepon, voerden steeds nieuwe gasten aan. De Syriër en de bewoner van Palestina ontmoetten hier de stamverwante Joden; de zeelui en matrozen uit Egypte en Afrika, die uit Italië en Klein-Azië. De rijke Spanjaard ging, doordrongen van eigen waarde, door de straten naast den Gallier, die hier de voortbrengselen van Provence inruilde tegen hetgeen het Oosten

-ocr page 253-

IN HET JAAR 53.

opleverde. Korinthe in het bijzonder stond daarbij voortdurend in betrekking met de hoofdstad der wereld, omdat de stad een romeinsche kolonie en voor Rome de havenstad van Griekenland was, waar bovendien de bezetting gelegd was en de regeering der provincie zetelde.

De reislustige Apostel gevoelde behoefte om ook naar den vreemde te trekken. Nu hij zag, dat de opdracht om te Korinthe en in Achaja de kerk te stichten en levensvatbaar te maken, was ten uitvoer gelegd, ontwierp hij hier, in het middelpunt van zulk een veelomvattend wereldverkeer, grootsche plannen. Vooral Rome trok hem machtig tot zich. Bijna dagelijks landden in Lechaeum bewoners van de stad der zeven heuvelen. Als handwerksman kwam ook Paulus met hen in aanraking. Met bijzonder groote belangstelling luisterde hij naar de laatste berichten, door hen uit Rome medegebracht. Van Aquila, den uit Rome afkomstigen Christen, wist Paulus, dat in de wereldhoofdstad reeds een gemeente was. Onbekende gezanten van Christus, misschien dezulken, die bij het eerste Pinksterfeest in Jeruzalem naar de prediking des Apostels hadden geluisterd (Hand. 2 : 10), waren hare stichters geweest. Ook is het mogelijk, dat tengevolge van het levendige handelsverkeer tusschenRome en Korinthe, ook romeinsche Christenen als vrienden werden opgenomen door de zuster-gemeente te Korinthe. In dat geval maakte de Apostel reeds hier kennis met verscheiden leden dei-gemeente te Rome. En mocht zulks niet het geval geweest zijn, dan wisten toch zijne huisgenooten, Aquila en Priscilla, hem genoeg te vertellen van de gemeente, gegrond aan den voet van het wereld-beheerschende kapitool. Wie weet, hoe menigmaal de beide echtelieden, wanneer men gezamenlijk aan tafel zat, spraken over de trotsche stad aan den Tiber, terwijl Paulus niet moede werd naar hen te luisteren. Ook is het niet onwaarschijnlijk, dat korinthische Christenen nu en dan naar Rome trokken, waar zij in de wereldstad getuigden van hun dankbare liefde voor den Apostel. Geen wonder is het

231

-ocr page 254-

IN DEN VREEMDE!

Bij al don arbeid en diens schoone vruchten vergat Paulus niet, dat hij ook ver buiten Achaja een roeping had te vervullen. Bovendien was Korinthe de stad bij uitnemendheid, om de gedachten te leiden op de omgeving. De, eertijds doorMummius op zoo onbarmhartige wijze verwoeste, stad, was in de honderd jaren sedert haren herbouw door Cesar, weder geworden, wat zij eenmaal geweest was, „de ster van Hellasquot; Cori nthus fel ix» dat wil zeggen „het gelukkige Korinthe.quot; Alle bekende volksstammen, zoowel die uit het Oosten als uit het Westen, waren hier vertegenwoordigd. Bovendien trokken de Isthmische spelen, die Paulus gedurende zijn anderhalfjarig verblijf wellicht heeft bijgewoond, en waarvan hij in ieder geval in zijne brieven spreekt (.1 Kor. 9 : 24), veel vreemd volk uit alle doelen der aarde naar de stad. De schepen, die dagelijks, van twee zijden komend, op de reeden van Lechaeum en Kenthrea binnenliepen, voerden steeds nieuwe gasten aan. De Syriër en de bewoner van Palestina ontmoetten hier de stamverwante Joden; de zeelui en matrozen uit Egypte en Afrika, die uit Italië en Klein-Azië. De rijke Spanjaard ging, doordrongen van eigen waarde, door de straten naast den Gallier, die hier de voortbrengselen van Provence inruilde tegen hetgeen het Oosten

-ocr page 255-

IN HET JAAR 53.

opleverde. Korinthe in het bijzonder stond daarbij voortdurend in betrekking met de hoofdstad der wereld, omdat de stad een romeinsche kolonie en voor Rome de havenstad van Griekenland was, waar bovendien de bezetting gelegd was en de regeering der provincie zetelde.

De reislustige Apostel gevoelde behoefte om ook naar den vreemde te trekken. Nu hij zag, dat de opdracht om te Korinthe en in Achaja de kerk te stichten en levensvatbaar te maken, was ten uitvoer gelegd, ontwierp hij hier, in het middelpunt van zulk een veelomvattend wereldverkeer, grootsche plannen. Vooral Rome trok hem machtig tot zich. Bijna dagelijks landden in Lechaeum bewoners van de stad der zeven heuvelen. Als handwerksman kwam ook Paulus met hen in aanraking. Met bijzonder groote belangstelling luisterde hij naar de laatste berichten, door hen uit Rome medegebracht. Van Aquila, den uit Rome afkomstigen Christen, wist Paulus, dat in de wereldhoofdstad reeds een gemeente was. Onbekende gezanten van Christus, misschien dezulken, die bij het eerste Pinksterfeest in Jeruzalem naar de prediking des Apostels hadden geluisterd (Hand. 2 : 10), waren hare stichters geweest. Ook is het mogelijk, dat tengevolge van het levendige handelsverkeer tusschen Rome en Korinthe, ook romeinsche Christenen als vrienden werden opgenomen door de zuster-gemeente te Korinthe. In dat geval maakte de Apostel reeds hier kennis met verscheiden leden dei-gemeente te Rome. En mocht zulks niet het geval geweest zijn, dan wisten toch zijne huisgenooten, Aquila en Priscilla, hem genoeg te vertellen van de gemeente, gegrond aan den voet van het wereld-beheerschende kapitool. Wie weet, hoe menigmaal de beide echtelieden, wanneer men gezamenlijk aan tafel zat, spraken over de trotsche stad aan den Tiber, terwijl Paulus niet moede werd naar hen te luisteren. Ook is het niet onwaarschijnlijk, dat korinthische Christenen nu en dan naar Rome trokken, waar zij in de wereldstad getuigden van hun dankbare liefde voor den Apostel. Geen wonder is het

231

-ocr page 256-

tN DEN VREEMDE.

232

dus, dat Paulus in dc-n Brief aan de Romeinen (Hoofdst. 16), ofschoon hij nooit in Rome geweest was. zulk een groot aantal personen met name laat groeten. Reeds gaan groeten heen en weder over Qe zee, van de eene wereldstad naar do andere, van de heiligen te Korinthe naar de heiligen te Rome. En weldra zal de schrijver des briefs persoonlijk volgen. Reeds sedert lang was het voor hem een uitgemaakte zaak, dat hij naar Rome moest gaan, om daar liet Evangelie te prediken (Rom. 1 : 13), Hij begreep maar al te goed, dat het Evangelie van de gl\'oote steden als middelpunt uitgaande, zijn zegetocht over de wereld moest maken. Nu zijn arbeid te Korinthe reeds een licht ontstak, dat zijn schijnsel over geheel Achaja wierp, welke uitweiking moest dan de prediking des kruises hebben, indien hij de hoofdplaats der geheele wereld tot uitgangspunt had, Doch Paulus liet zijn blik nog verder reiken dan tot Rome-zyne gedachten strekten zich uit tot Spanje. Spaansche schepen ankerden met zelden in Lechaeum, en voerden uit liet onuit--puttelijk rijke land koren, olie, wijn, wol en linften weefsels aan. Ook metalen, erts en verwerkt ijzer werden vandaar ingevoerd, en daardoor kwamen vele Spanjaarden in de stad. Zeker heeft Pauius dikwijls geluisterd naar de verhalen over hun heerlijk geboorteland met zijn ruischende kastanjes, de vruchtbare dalen van Taag en Ebro. Spanje was in dien tijd een bovenmate rijk en gezegend land. Uit de inkomsten der rijks-be astmg onder Augustus, was gebleken, dat na Patavium geen enkele Romeinsche burgerlijke gemeente ter wereld zooveel vermogende lieden telde als Gades, aan gene zijde van „de zuilen van Herkules,quot; liet tegenwoordige Cadix. De onvermoaide ondernemingsgeest en de omzichtigheid der kooplieden had der beroemde havenstad onmetelijke schatten doen toevloeien. Wan-neei Paulus echter onderzoek deed naar de toestanden op zedelijk en godsdienstig gebied, dan ontving hij meestal treurige berich-en. Evenals hier in Korinthe heerschte ook daar een verfijnde genotzucht. De scharen dergenen, die de castagnetten sloegen.

-ocr page 257-

TN HET JAAR 54. 288

öpeelden daar dezelfde rol als hier de priesteressen vtili derl Aphrodite-tempei; liet openbare en private leven scheen slechts \'dit éöne ten doel te hebben: rijke, overvloedige bedwelming\' der zinnen. Het is zeer goed mogelijk, dat nu en dan ook Spanjaarden gehoor gaven aan de uitnoodiging tot het bijwonen der Christelijke samenkomsten, en dat zij daar door het woord des Apostels voor den Heer gewonnen Werden. En indien zulks hot geval Was, konden zij dan anders handelen dan die Macedoniër, die den Apostel smeekte: ..Kom over en help ons!quot; De Korinthiërs hebben u niet meer noodig, in Spanje echter heeft men nog hooit een Apostel gezien.quot; Aan zoodanige smeekbeden kon Paul us geen weerstand bieden. Een steeds sterker Wordende begeerte maakte zich van zijne ziel moester; hij verlangde heen te gaan tot naar het einde der toen bekende wereld, naar Spanje, „het land vol zonneschijn.quot; Hij was de schuldenaar aller volkeren, derhalve ook der Spanjaarden. Dat was reeds opgenomen in de opdracht, welke hij voor zeventien jaren in Damaskus ontvangen had.

Bovendien was er nog iets, dat hem tot spoed maande. De wereldgebeurtenissen hadden in dien tijd een benauwenden, beangstigenden invloed op de geheele wereld. Uit het nabijgelegen Rome kwamen bijna met elk schip nieuwe, schrikverwekkende berichten. De afschuwelijke, onzedelijke handelingen (der keizerin Messalina, het meest schaamtelooze, vrouwelijke wezen van haren tijd, lagen nog versch in het geheugen. Zelfs het onzedelijke Korinthe stond dikwijls verstomd over de berichten, omtrent hetgeen in het keizerlijk paleis gebeurde, berichten, die door de geheele wereld drongen. De grofste uitspattingen der ontucht gepleegd door de hoogst-geplaatsten, de zwelgpartijen, waarbij echtbreuk geen vreemde zaak was, de moord van Mess/^ina, de onmacht van den karakterloozen keizer Claudius, (-ji,, nje lt;- meer was dan een werktuig in de hand zijner minnaressen, i iaarna dv. ! oppermacht der gemeene, hoogst wellustige, eerlooze e-ii toch quot;(j 0 eerzuchtige Agrippina, die den keizer aanspoorde

-ocr page 258-

IN DEN VREEMDE.

284

tot het volvoeren der wreedste handelingen, eindelijk — toen Paulus reeds was vertrokken — de vergiftiging des Keizers door zijn lievelingsgerecht, de troonsbestijging van den zeventien-jarigen Nero, wiens eerste moorddadig optreden, als het weerlicht getuigde van komende, schrikkelijke dingen; dat alles waren zaken, die, elk afzonderlijk zoo zeer huiveringwekkend, door haar snelle opvolging den Apostel de duidelijkste voor-toekenen toeschenen van het nabijzijnd einde der wereld en de wederkomst des Heeren. De dagen der wereldgeschiedenis schenen geteld; de wereldrichter stond te komen. De gruweldaden der menschen schreiden ten hemel, opdat de Heer eindelijk mocht komen, teneinde zijn eeuwig vrederijk op de ontstelde wereld te vestigen. Tegenover de Thessalonicensen spreekt hij de stellige verwachting uit, dat hij met hen nog getuige zou zijn van de Wederkomst des Heeren (1 Thess. 4 : 15 — 17;. Do dag des Heeren scheen hem zoo nabij, dat hij den jongen lieden afried te huwen, daar het toch niet lang meer zou duren (1 Kor. 7 : 25, 26, 27 en 29). Paulus moest dus de grootste haast maken. De Heer kwam, en hem, Paulus, was opgedragen, den volkeren vooraf tot boete en geloof op te wekken. Daarom wilde hij met blijdschap zijn loop voleinden, om niet een nalatigen dienstknecht bevonden te worden.

-ocr page 259-

HET VERTREK.

Minstons achttien maanden (Hand. 18 : 11 en 18) had Panlus doorgebracht in do schitterende wereldstad, gelegen aan den voet van het trotsche Akrokorinthe, \'net het uitzicht op de besneeuwde toppen van den Parnassus en den Helikon. Nu nam hij den wandelstaf weder ter hand, om in andere oorden het Evangelie te gaan prediken. Voor anderhalf jaar was hij, de eenzame, onbekende man, met bezwaard hart in de haven van Kenchrea geland en door het dal nader gekomen. Nu was hij omringd door eon talrijke schare Christenen en Christinnen, die uit Korinthe en Achaje samengestroomd waren om afscheid te nemen van hun Apostel. Met innige zelfvoldoening rustte des Apostels oog op deze bloeiende gemeente. Niet tevergeefs had hij hier gearbeid. Zijne Korinthiërs, wonende in het midden van Griekenland, waren een lovende brief, welken het geheele land lezen kon (2 Kor. 3: 2). Zeker deed een groot deel der gemeente den geliefden Apostel uitgeleide tot aan Kenchrea, waar hot schip tot de afreize gereed lag. Verscheidenen gingen zelfs met hem. Daaronder waren vooreerst Aquila en Priscilla, die niet van hem konden scheiden en wier lot zoo geheel met het zijne was saamgeweven, dat zij naar de mate hunner kracht hem verder

-ocr page 260-

HET VEETEEK.

wilden helpen bij zijn verheven beroep. Wellicht was daar ook Titns, die van nu af zijn medearbeider werd (Gal. 2: 1; 2 Kor. 8 : 23 en Titus 1 : 4). Zoo maakte zich dus een aanzienlijk reisgezelschap gereed, om in Kenchrea scheep te gaan: Paulus Silas, Timotheus, Aquila, Priscilla, en misschien Titus.

Paulus was in September of October van het jaar 52 te Korinthe gekomen. Xn, achttien maanden later, was het April. Het Paaschfeest was aanstaande (Hand. 18 : 21). Korinthe en Kenchrea prijkten dus in den heerlijksten, griekschen lentedos. In het verschiet,\' over den Isthmus, stonden de groene, heilige pijnboomen. Het was dc tijd der rozen; rechts en links van den weg bloeien duizenden rozen. Tuinen en wijnbergen waren met het jonge groen getooid. De olijfboom was gesierd met fijne, witte bloesems, die in rijken overvloed tusschen de jonge, zilveren bladeren te voorschijn kwamen. Beneden aan de haven werd afscheid genomen. Wellicht heeft Paulus zijne gemeente nog eenmaal bevolen aan Gods trouwe vaderhand. Daarna gingen hij en zijne reisgenooten op het schip. De ankers werden gelichü en de roeispanen in gereedheid gebracht. Nog een blik op den verheven koepel van Akrokorinthe, dien hij sedert zoo langen tijd dagelijks gegroet had, en hij voer weg door de golf van Salamis langs de, met pijnboomen begroeide, hoogten.

Waarheen gaat des Apostels reis? Wel voelt hij zich getrokken naar het Westen, naar Rome en Spanje, doch allereerst moet hij zijn roeping in het Oosten tot den einde toe nakomen. Hij moet naar Jeruzalem reizen, teneinde den band tusschen de kerken der verschillende volkeren en de oorspronkelijke gemeente niet te doen verslappen. Bovendien moet hij nog aan een schoone landstreek in het Oosten het Evangelie brengen, nl. aan het Westelijk deel van Klein-Azië, met de hoofdstad Efeze. Eerst daarna zal de tijd zijn aangebroken, dat hij den steven kan wenden naar het Westen.

Op andere wijze dan de Apostel zich had voorgesteld, is dit plan later ten uitvoer gelegd. Nadat hij van uit Efeze een of

236

-ocr page 261-

IN TIET JAAR 54.

tweemaal de gemeente te Korinthe had bezocht, omdat daar groote verwikkelingen waren ontstaan, voer hij werkelijk, ongeveer acht jaren na dit vertrek, nog eenmaal langs de grieksche kust. Hij was echter geen vrij man meer. Reeds meer dan twee jaren droeg hij kotenen, en nu reisde hij naar Rome om zich voor den keizer te verantwoorden. Het was een stormachtige tocht. Door den orkaan voortgezweept, voer het schip zonder roer voorbij kaap Matapan en ijlde een duistere toekomst tegen. Ondanks het gevaar is Paulus echter zeker, toen men ongeveer op de hoogte van Griekenland was, in gedachten naar het nabijgelegen en toch onbereikbare Korinthe gereisd, om daar de woning van Titius Justus, zijne vroeger gezellig tehuis bij Aquila en Priscilla, de saamgekomen gemeente, in wier midden hij zulke onvergetelijke jaren had doorgebracht, te bezoeken.

Misschien heeft hij er een voorgevoel van gehad, dat hij de gemeente niet weder zou zien. Zij heeft hem ook nooit weder in haar midden gehad. Toch blijft immer de dag, waarop hij voor het eerst deze kusten naderde, een gezegende. De sporen, die zijn verblijf in Griekenland had achter gelaten, waren na eeuwen nog niet uitgewischt. Toen na weinige jaren zijn hoofd viel door de stormen der eerste Christen-vervolgingen, toen geen gedenkteeken, steen noch kruis, de rustplaats aanwees van den held, den grootsten man zijner eeuw, toen verhieven zich toch overal op de wereld als hooge bergen de machtige gedenk-teekens, die getuigden van den invloed van zijn leven en arbeid uitgegaan, op duurzamer en eervoller wijze dan zulks, door welk marmeren grafteeken ook, had kunnen geschieden. Het waren de bloeiende Christengemeenten, door zijne hand gesticht, en bovenal was het de gemeente te Korinthe, gevestigd op den van oudsher beroemden Isthmus, die gedurende eeuwen, als een helder schijnende lichttoren aan den voet der trotsche hoogten van Akrokorinthe, zijn licht heeft doen vallen op twee zeeën.

237

-ocr page 262-

288 HET VERTREK.

Het was een schoone zomerdag, toen ik van den Isthmus komend, de plaats naderde, waar het oude Korinthe gestaan had. Ik besteeg de hooggelegen vlakte, waarop eertijds de „Koningin der zeequot; prijkte. Van Neakorinthos, het tegenwoordige, aan de zee gelegen Meuw-Korinthe uit, bereikte ik spoedig den ouden, romeinschen straatweg, die in vroeger tijden tot Lechaeum en den Isthmus liep. Nog dezelfde steenen dienen tot bestrating, en evenals vroeger volgt men nog den, in de rots uitgehouwen, weg. Boven gekomen, zag ik Palaiokorinthos, dat is Öud-Korinthe, voor mij, een armoedig dorpje, uit 60 tot 80 met roode pannen gedekte huisjes bestaande. Slechts de statige zuilen van den ouden, Dorischen tempel verhieven zich eenzaam, niet ver van het dorp, boven de stille vlakte. Van de golf van Korinthe kwam de middagwind tot mij en streek over de golvende graanvelden, welke de plaats hebben ingenomen van Korinthes straten en pleinen, en welke den landman jaarlijks een rijken oogst opleveren. Ja, sedert lang is zij verbleekt, de prachtige „ster van Hellasquot;, en het „gelukkige Korinthequot; daalde reeds lang ten grave. Zwijgend en verlaten blikt de, eertijds alom beroemde, rots van Akrokorinthe met de hoekige tinnen van oude vestingmuren nederwaarts. In plaats van de schitterende wereldstad met hare honderdduizenden inwoners, die eenmaal aan haren voet jubelden en zich verheugden in hun aanzijn, aanschouwt zij een verlaten veld, waar de ploeg gaat over het oude Forum en de vroeger zoo levendige straten.

Ik zette mij neder op een rots, waarop wellicht vroeger een tempel of een paleis gestaan heeft, waar de marktplaats of iets anders geweest kan zijn, en verdiepte mij in de droomen en gezichten, die zich in mijne-ziel verdrongen. In de diepte lag de golf, schitterend in donker blauw. Aan gene zijde verhieven zich de Kithaeron, de hooge Parnassus en de Helikon, wiens schitterende, besneeuwde top tot de wolken scheen te reiken. Van Patras kwam de spoortrein, die gillend en fluitend het, ongeveer op een uur afstands gelegen, Nieuw-Korinthe binnen stoomde.

-ocr page 263-

IN HET JAAR 54.

Ik nam het Nieuwe Testament ter hand en bladerde in de beido Brieven aan de Korinthiërs, welke hierheen gericht waren en hier voor 1800 jaren liet eerst gelezen werden. Toen werd het op den eenzamen, stillen doodenakker levendig en steeds levendiger. Duidelijk stond de grootsche gestalte des Apostels Paulus mij voor oogen; ik aanschouwde Aquila en Priscilla, Silas en Timotheus, Titius Justus en Crispus, Phebe en de geheele Christengemeente, die hier bloeide als een reine lelei op den moerassigen bodem van het oude Korinthe. Onwillekeurig zocht mijn oog naar de welbekende oorden. Hier, nabij deze rots, heeft Paulus vroeger gewoond met Aquila en zijn getrouwe Priscilla. Daar is de Brief aan de Romeinen geschreven, die nu overal op de wereld gelezen wordt. Ginds heeft misschien de tapijtenbazaar gestaan, waar de Apostel gewoon was te weven, daar de woning van Crispus, en ginder die van don stads-rentmeester Erastus. Daar zijn de liefdemaaltijden gehouden en is het Heilig Avondmaal gevierd, waarvan wij in den eersten Brief aan de Corinthiërs lezen. En in de diepte, in de donker blauwe zee heeft het schip gelegen, dat de getrouwe Phebe met haren last, een lichte papyrusrol, naar de wereldstad heeft gebracht, een last, kostbaarder dan ooit daar is aangevoerd. Hier ongeveer, in deze golvende graanvelden is de plaats, waar voor het eerst het hooglied der liefde, 1 Kor. 13, dat scheen opgeweld uit de verborgenheden Gods, werd voorgelezen, en waar het den luisterenden Korinthiërs was, als vernamen zij een lied van engelenkoren: „Al ware het, dat ik de talen der menschen en der engelen sprak, en de liefde niet had, zoo ware ik een klinkend metaal of luidende schel geworden.quot;

Buiten de stad lag de begraafplaats der Christenen. Daar hebben zij voor het eerst troost geput uit de tot hen gerichte woorden, die nu bijna op elk Christen-graf voorgelezen worden: „Het (lichaam) wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onverderfolijkhoid. Het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht. Het wordt gezaaid in

289

-ocr page 264-

HET VERTEEK.

oneer en wordt opgewekt in heerlijkheidquot; (1 Kor. 15.)

Inderdaad, niet alleen de oogst der arme landbouwers van Palaiokorinthos is hier, op deze ruischende velden, gezaaid. Een nog heerlijker zaad ligt hier in der aarde schoot verborgen. Hier slapen zij allen, do eerste Christenen, Stephanas, de eersteling van Achaja, Justus, Crispus, Erastus en met hen anderen, wier namen niet zijn geschreven in het bock der Korintherbrieven en der Handelingen, doch die opgenomen zijn in het groote boek Gods, het Boek des Levens.

Ga daarom, waarde lezer, met zachten tred over dit heilige oord, sta biddend stil, terugblikkend op de groote tijden, die zijn heengegaan over dit groote oogstveld, waar Gods wind ruischt over heilige Christengaven. Trek uwe schoenen uit, want de plaats, waarop gij staat, is heilige grond.

240

-ocr page 265-

IN IONISCH KLEIN-AZIË

-ocr page 266-
-ocr page 267-

EEN NIEUW ARBEIDSVELD.

Toen Paul us in het jaar 54 Korinthe verliet, kon hij den blik laten rusten op een uitgestrekt, rijk gezegend arbeidsveld. Naar Galatiö, met Lykaonië en Phrygië, in het binnenland van Klein-Azië gelegen, had hij voor acht en voor twee jaren het Evangelie gebracht. In de beide laatste jaren had hij Macedonië en Achaje daarmee bekend gemaakt. Tusschen deze beide landstreken in lag echter nog een ander heerlijk oord, een land van overoude beschaving, dat in zijn wapenschild Homerus\' harp en Sappho\'s lier voerde, dat eertijds geprezen werd als een der bloeiendste landstreken op de geheele wereld, n.1. het Ionisch Klein-Azië. Daarheen had Paulus reeds voor twee jaren den blik gericht (Hand. 16 ; 6). De onverwachte reis echter van ïroas naar Europa, had hem toen naar geheel andere oorden gebracht. Nu wilde hij het plan ten uitvoer brengen, dat hij toen had moeten opgeven. In dit land moest hij nog het Evangelie prediken, aleer hij zijne taak in het Morgenland als volbracht kon beschouwen, alvorens hij zich naar het Westen, naar Rome en Spanje, kon keeren.

Zoo zien wij dan, hoe de Apostel na zijn vertrek uit Korinthe koers zet naar deze schoone kust. Het was in Maart of April vim het jaar 54 (Hand. 18 ; 21), toen hij van het dek des schips

-ocr page 268-

EEN NIEUW ARBEIDSVELD.

voor het eerst in het grauwe verschiet de bergen van Efeze ontwaarde. Hoevele herinneringen knoopen zich vast aan dit in sagen gehulde land! Deze aan inhammen, schiereilanden en eilanden zoo rijke kust, waar in de oudheid beroemde steden lagen, waar majestueuze bergen zich verheffen, die koninklijk nederblikken op de blauwe, schitterende Egeïsche zee, behoorde innerlijk nauwelijks meer tot Azië. Hier bevond men zich, om zoo te zeggen, op den anderen oever van Griekenland. Hier was de wederhelft van het schoone Hellas, waarmede het door duizend banden verbonden was, waarin het zichzelf verrijkt wedervond. Klein-Azië was van oudsher de natuurlijke brug, tusschen het Oosten en het Westen geslagen. Dit, ver naar het Westen vooruitgeschoven, schiereiland is, als het ware, de hand, welke de reusachtige kolossus, Azië, begeerig uitstrekt naar Europa, dit wonderbare werelddeel, hetwelk, hoewel klein in omvang, doch machtig naar den geest en rijk aan beschaving, van oudsher de bron was, waaruit de overige wereld op geestelijk gebied putte en in welks bergen, wouden en dalen de goudaderen van der menschheid geestelijken schat verborgen schijnen te zijn.

Het westelijk deel van Klein-Azië voornamelijk, had de Euro-peesche beschaving overgenomen. Reeds vroeg in de oudheid was op deze kusten een tweede Griekenland ontstaan, een land. dat weliswaar, bij alle Grieksche vorming en beschaving het krachtig nationaliteitsgevoel miste, dat zoo sterk uitkomt in de vrijheidsoorlogen der Hellenen, doch dat, wat bedrijvigheid en ondernemingsgeest betreft, het moederland aan gene zijde der zee een tijd lang trachtte te overvleugelen. Niet alleen schonk het zachte klimaat deze dalen, vlakten en gebergten een onuitputtelijke vruchtbaarheid, neen, nog heerlijker en kostbaarder schatten bracht de Ionische bodem voort; bovenal de, in de geschiedenis der wereld zoo beroemd geworden, vlakte van Efeze. Door de straten van Efeze ging in de grijze oudheid de blinde zanger Homerus, op zijn staf geleund. Daar greep hij voor het eerst in de snaren zijner harp en deed zijne landslie-

244

-ocr page 269-

IN APRIL 54.

den de wonderschoone, welluidende tonen hooren. Hier op deze gelukkige oevers leende men voor het eerst het oor aan de zoete liederen van Anakreon. Hier. op deze schitterende eilanden, is die wonderbloem, de bezielde poëzie eener Sappho, ontloken, welke de Grieken in verrukking bracht. De diepzinnige wijsgeer Heraklitus ,de duisterequot; ging in nadenken verdiept door dit land en door deze stad. Een der twee meest beroemde schilders van de oudheid, Parrhasius, die zulke heerlijke tafe-reelen op het doek wist te tooveren, was een Efezer. De slanke, omhoogstrevende Ionische zuil, sierde voor het eerst dezen klassieken heuvel met de lieflijke vormen van den lonischen bouwstijl. Dit alles zijn edelgesteenten in de schitterende kroon, welke sedert de dagen der oudheid boven deze onvergelijkelijke kust zweeft en welke nu, onder de hedendaagsche, Turksche heerschappij, reeds lang in het stof vertreden ligt.

Efeze, het naaste doel van des Apostels reis, was niet alleen de hoofdstad van Klein-Azië, maar ook een der voornaamste steden der wereld. Het Oosten en het Westen reikten elkander hier de broederhand. Een machtige handel, die zijne schepen uitzond op alle zeeën, tot naar de watervallen van den Nijl en de Zwarte Zee, naar de oevers van den Orontes tot aan den mond van den Guadalquivir in Spanje, maakte de stad tot een brandpunt van het, toen zoo hoog ontwikkelde, wereldverkeer. Bovendien was hier een der wonderwerken der wereld te zien, de wereldberoemde tempel van Diana of Artemis. Het verwondert ons daarom niet, dat wij den Apostel de reis naar Efeze zien ondernemen. Er ligt een vast plan ten grondslag aan de veldtochten van dezen koenen veroveraar in het kleed eens handwerksmans, die zonder opgemerkt te worden op het dek des schips naast zijn getrouwen vriend Aquila staat en wiens adelaarsblik naar de Ionische kust tuurt. Hij gaat niet naar Arkadië, om daar* in stille, vreedzame dalen een kleine schaar Christenen bijeen te brengen, en die, als een herder zijne kudde, ver van het gewoel der wereld te weiden. Neen, steeds

245

-ocr page 270-

EEN NIEUW ABBEIDSVELD.

24fi

treffen wij hem aan in de groote steden, de brandpunten der hoogste beschaving en verfijning, doch tevens ook der grootste verdorvenheid van zijn tijd. De machtigste en dicht bevolkte steden, toen op de wereldkaart aangegeven, waar het wereldverkeer het drukst en levendigst is, zoekt hij op; daar is zijne plaats. Dat zijn de sterkten, die hij geroepen is voor zijn Heer te veroveren. De vier grootste steden van zijn tijd, — Alexandria niet medegerekend — AntiochiO, Efeze, Korinthe en Rome, welke alle in een lijn liggen van het Oosten naar het Westen, wijzen in het kort den veldtocht des Apostels aan. Op deze hoogste punten der toenmalige wereld, welke men van alle deelen der aarde uit kon aanschouwen, en waartegen de golven van het wereldverkeer der volkeren bruisend en schuimend sloegen, wilde hij den lichttoren van Jezus Christus ontsteken, zelfs met gevaar van eigen leven, teneinde den nacht des hei-dendoms te doen wijken.

-ocr page 271-

DE AANKOMST TE EEEZE.

De zeereis van Korinthe naar Efeze duurde een week, indien liet schip niet lang stil lag bij de verschillende eilanden van den Archipel. Wie eenmaal dit deel der Middellandsche Zee bevaren heeft, weet, welk een heerlijke tocht deze reis is. Ik denk aan dien langen, zoelen zomernacht, toen ik denzelfden weg volgde, eenmaal door den Apostel afgelegd. De atmosfeer was aangenaam en zacht. Een lichte wind streek over de stille zee. Bijna alle passagiers waren op het dek gebleven. Ik zat op den achtersteven, bij het roer, en zag rond in den toover-achtig schoonen, zuidelijken nacht. Boven mijn hoofd fonkelden de sterren, die zich als duizenden smaragden in de wijde zee weerspiegelden. De maan goot een breeden, naar den horizon steeds smaller wordenden, schitterenden lichtglans over het water. Aan den horizon flikkerden nu en dan de electrische lichten der lichttorens, dan verdwenen zij weder en schenen groeten uit een onzichtbare wereld. Ik echter moest denken aan die sedert lang vervlogen dagen en nachten, toen de Apostel Paulus op zijn schip eveneens koers zette naar Efeze.

Over dag echter levert deze vaart een voortdurende, afwisselende reeks van tafereelen, welke de schoonheid der zee en van den archipel, in al haar omvang te aanschouwen geven. De

-ocr page 272-

DE AANKOMST TE EFEZE.

stralen der zuidelijke zon leggen een blauwen, gouden schijn op het water. Eilanden duiken op, als rozeroode en violette wolkjes, wier schilderachtige ligging te meer uitkomt, naarmate men nadert; men onderscheidt ampitheathersgewijze gebouwde steden, waarboven hooge burchten zich verheften en die omringd zijn door olijven- en oranjeboschjes. De bedrijvige, opgewekte bewoners van het eiland, in bonte kleederdracht naderen in talrijke booten het zeeschip.

Tiet schip van den Apostel had welhaast de kust van Klein-Azië bereikt. Reeds kon men de plaats onderscheiden, waar de Kayster zijne troebele wateren in de zee stort. Eeeds wezen de reizigers elkander den puntigen Koressus, van welks hoogsten rug de trotsche stadsmuur van Efeze nederzag op de blauwe zee. Efeze zelf lag niet onmiddellijk aan de zee. Het laatste deel van liet stroomgebied van den Kayster, waarover in den grijzen voortijd de zee spoelde, was door de groote hoeveelheid aangevoerden, alluvialen grond in een groote vlakte veranderd. Daar vormde de Kayster een lagune met verscheidene meren, tot welke de grootste zeeschepen door den mond der rivier toegang hadden. Het grootste dezer meren, midden in het land gelegen, vormde de haven Panormus, welke in de oudheid zeer beroemd was en waar de schepen tegen eiken storm volkomen beveiligd waren. Dit groote bekken was ruim genoeg voor geheele vloten en strekte zich oorspronkelijk uit tot aan het Artemisium (den tempel van Diana), waarmede het in ieder geval langen tijd verbonden bleef. Daar de haven Panormus echter nog op een half uur afstands van de stad gelegen was, had men nog een kunstmatige haven dicht bij de stad aangelegd, do zoogenaamde binnenhaven. Deze haven stond door een kanaal van 2 K. M. lengte, met de haven Panormus in verbinding. Dc verzanding der beide havens, waarvan de bloei der stad Efeze afhing, nam reeds gedurende de regeering van koning Attains een aanvang, en was het gevolg van, door de ingenieurs op onverstandige wijze, aangebrachte havenwerken, waarin dammen

218

-ocr page 273-

IN APRIL 54.

waren, die liet slib van den Kaystev verhinderden weg te vloeien. Heden is de oude haven sedert langen tijd veranderd in vasten bodem, hetgeen ook voor eenige jaren het geval zou geweest zijn met de haven van Smyrna, indien men niet te rechter tijd maatregelen had genomen en den stroom op een andere plaats een afwatering in zee geopend had.

Nu ziet men niets meer dan de donkergroene, met riet begroeide lijn, die den loop van het kanaal, waardoor de beide havens verbonden waren, aangeeft. Zij is een in vergetelheid geraakte getuige, dat de oude Efeziürs verstandiger waren dan hunne nakomelingen, die door haven- en kanaalwerken de onwillige zee dwongen de muren hunner schitterende stad te bespoelen en aan de schatten der aarde een weg tot naar hun Forum wilden banen.

Paulus voer in Panorraus binnen. Van hier uit kon men de schoone vlakte van Efeze overzien, door Homerus „de weide van Aziëquot; genoemd. In een hier gereed liggende boot kon hij in ongeveer 20 minuten door het kanaal naar de binnenhaven varen, in wier nabijheid zich de meest trotsche gebouwen van Efeze verhieven. Op een schoon grieksch landschap rustte des Apostels oog gedurende deze vaart. Rondom de van ouds beroemde vlakte vormden de, in een wijden kring staande, bergen, als het ware, een reusachtig ampitheather, vanwaar men het oord, dat in de wereldgeschiedenis zulk een belangrijke rol speelde, kon gadeslaan. In het Noorden verhief zich de Gallesion (de tegenwoordige Alaman Dagh), in het Oosten de Paktyas, in het Zuiden de Koressus, terwijl de vierde zijde open lag naar de zee. In het midden van dezen kring lag de stad Efeze, welke, hoe meer de Apostel naderde, steeds grootscher indruk op hem maakte. Reeds bij het verlaten van Panormus en gedurende de vaart naar de binnenhaven had hij in de verte den tempel van Diana met zijne prachtige zuilen zien staan. Hoe meer hij in de nabijheid der stad kwam, des te duidelijker kon hij de grootsche openbare gebouwen onderschei-

248

-ocr page 274-

DE AANKOMST IN EFEZE.

don. Juist voor do havon schoen do stad al haar pracht ten toon te spreiden. Rechts aanschouwde Paulus den steilen rots-achtigen Koressus, tot op een derde der hoogte inet huizen en villa\'s bedekt, die gedekt werden door den, op den kam opgetrokken, sterken muur, welken men nu nog zien kan. Juist voor het punt van aankomst verhieven zich de schoonste gebouwen van Ephese. Daar stonden het, door zuilen gedragen, „groote gymnasium,quot; en het prachtige Forum, waarnaast de druk bezochte marktplaats, of Agora, lag. Achter deze gebouwen prijkte het boven alles uitstekende, reusachtige ampitheather. Den nieuw aangekomenen scheen het, alsof het gebouw hen uitnoodigde met de levenslustige Efeziërs plaats te nemen op deze indrukwekkende rijen zitplaatsen, teneinde den blik bewonderend te laten weiden over de stad, de masten der, in de beide havens liggende, schepen en de daarachter gelegen, blauwe zee. Voor het ampitheather, ter rechter- en linkerzijde daarvan, breidde zich de machtige stad uit, die gedeeltelijk in de vlakte gedeeltelijk tegen de hellingen van den Pion en den Koressus gebouwd was. Paulus vermoedde nog niet, dat hij drie jaren in deze stad zou vertoeven, dat hier zijn apostolische arbeid haar hoogtepunt bereiken zou.

Paulus en zijne reisgenooten verlieten het schip en betraden de levendige, drukke straten der stad, voorbij de hooge zuilen en standbeelden gaande van het groote gymnasium en het Forum. Ongetwijfeld richtten zij hunne schreden naar de wijk, waar hunne landslieden woonden. Efeze was rijk aan Joden. De Romeinsche regeering had hun belangrijke voorrechten geschonken, waaraan de joodsche kolonie haar bloei te danken had. Een groot deel van den handel was in Joodsche handen. Evenals overal elders, hielden de hier wonende Joden met getrouwheid vast aan hunne voorvaderlijke zeden. Het Jodenkwartier in Efeze zal uiterlijk menigeen een tweede Jeruzalem toegeschenen hebben; in de nauwe straten voor de huizen en in de winkels zag men den Jood in oostersche kleederdracht, terwijl

250

-ocr page 275-

IN APRIL 54.

den geheelen dag vrouwen en kinderen zich op straat bewogen. De aangekomenen namen hier voorloopig hun intrek in een herberg, totdat Aquila voor zich en zijn vrouw een vaste woning gevonden had. Paulus was hier slechts tijdelijk op zijn doorreis.

Reeds op den eersten Sabbat vonden zij vrienden. Paulus greep de gelegenheid aan, om in de synagoge te prediken; zijne woorden werden met vreugde aangenomen. Van alle kanten kwam het verzoek tot hem langer in de stad te blijven. Hij echter had het besluit genomen, en rekende zich zelfs door een gelofte gebonden, om het Paaschfeest in Jeruzalem te vieren. Zoo nam hij dan na een kortstondig verblijf afscheid, de belofte achterlatend; „Zoo God wil, zal ik tot u wederkeerenquot; (Hand. 18 ; 21). Weinige dagen na zijne aankomst zien wij hem in Panormus dus weder aan boord gaan, om de oorspronkelijke kerk te Jeruzalem, na een afwezigheid van drie jaren, weder te bezoeken.

Wij blijven hier toeven, tot Paulus na een moeitevolle reis over land weder te Ephese komt. Voorloopig nemen wij onzen intrek bij Aquila en Priscilla, teneinde de stad beter te leeren kennen, welke gedurende de drie volgende jaren de plaats zal zijn van Paulus\' zegenrijken zendingsarbeid.

251

-ocr page 276-

E F E Z E.

Bijna een half jaar, van Maart tot September van het jaar 54, was Aquila alleen in Efeze, want men mag aannemen, dat Paulus dien tijd noodig heeft gehad om naar Jeruzalem, Antiochië, Galatië en Phrygië te reizen (Hand. 18 : 22). Aquila was geen handelend optredende persoonlijkheid. Do edele man, wiens naam zoo nauw en door zulke lieflijke banden gehecht is aan de vroegste geschiedenis van het Christendom, vermocht wel in het hart van Apollos, dat door den doop van Johannes reeds was toebereid, liet volle licht des Evangelies te ontsteken (Hand. 18 : 26). Hij kon ook alles, tijd, kracht, arbeid, ten offer brengen, indien hij daardoor den Apostel een nieuwe gemeente kon helpen stichten. Ja, hij was er zelfs, evenals zijn gelijkgezinde, moedige vrouw, toe in staat om, zoo het noodig mocht zijn, zijn leven op het spel te zetten, indien hij daardoor Paulus en diens, niet genoeg te waardeeren, leven kon redden (Rom. 16 : 3). Doch als prediker op te treden voor de menigte, eu de banier des kruises te planten in deze omvangrijke stad, dat vermocht hij niet. Hij wachtte dus, tot de Apostel wederkeerde, en zocht in stilte diens weg te bereiden.

Voegen wij ons bij hem in dezen tijd, om een vluchtigen indruk te verkrijgen van het leven en streven dezer stad, die

-ocr page 277-

IN HET JAAR 54.

bestemd was, met Antiochië en Romo, de eerste plaats in te nemen in de jonge Christenheid.

Efeze was de hoofdstad van westelijk Klein-Azië, de Romeinsche provincie Asia, welke zich uitstrekte van Bithyniö tot Lycië. Een stad, zooals Antiochië in Syrië of Alexandrië in Egypte, welke uitsluitend het leven der guheele provincie leidde en beheerschte, bestond in Klein-Azië niet. Klein-Azië, dat mi zoo ontvolkt is, telde meer steden dan eenig land der toen malige wereld. Het was een der voordeelen van deze provincie, dat zij zoo vele middelmatig groote steden bezat, welke ieder afzonderlijk haar eigenaardige bron van welvaart hadden, en waarom men haar ook „de provincie der 500 stedenquot; noemde. De groote steden dezer provincie trachtten elkander in dien tijd op hoogst kinderachtige wijze den voorrang te betwisten, wanneer het gold van de keizerlijke regeering den rang van eerste plaats te ontvangen, iets, waartoe zich in de provincie menige gelegenheid voordeed. Aan Pergatnus, de oude residentie der Attaliden, was het ook gelukt, erkend te worden als offlcieele hoofdstad der provincie, waar de leden van den landdag samenkwamen. In werkelijkheid echter handhaafde Efeze zich als voornaamste stad. De geheele provincie hield den blik gericht op Efeze, do woonplaats der godin Diana, den ouden, roemrijken zetel en tevens het middelpunt van \'t geestelijk leven aan de Ionische kust.

Daar lag zij sedert meer dan duizend jaar, de machtige stad, in de weide van Azië, nabij den Kayster en de zee. In vroeger tijden strekte zij zich alleen in de vlakte uit, doch de koorts-verwekkende uitdampingen der moerassen waren oorzaak, dat de stad uitgebreid werd tot op de bergen Pion en Koressus. De paarl van Efeze was de Diana-tempel. Deze lag echter niet binnen de muren der stad. Van de haven en het Forum uit, moest men den, met huizen bedekten, berg Pion, op het laagste gedeelte, tusschen het Serapeum en het Stadium gelegen, overgaan, waarna men in een klein half uur het wereldberoemde heiligdom kon bereiken. Heeds van het Stadium uit, zag men

253

-ocr page 278-

BFEZE.

Bijna een half jaar, van Maart tot September van het jaar 54, was Aiiiüla alleen in Efeze, want men mag aannemen, dat Paulus dien tijd noodig heeft gehad om naar Jeruzalem, Antiochië, GJalatië en Phrygië te reizen (Hand. 18 : 22). Aquila was geen handelend optredende persoonlijkheid. De edele man, wiens naam zoo nauw en door zulke lieflijke banden gehecht is aan de vroegste geschiedenis van het Christendom, vermocht wel in het hart van Apollos, dat door den doop van Johannes reeds was toebereid, het volle licht des Evangelies te ontsteken (Hand. 18 : 26). Hij kon ook alles, tijd, kracht, arbeid, ten offer brengen, indien hij daardoor den Apostel een nieuwe gemeente kon helpen stichten. Ja, hij was er zelfs, evenals zijn gelijkgezinde, moedige vrouw, toe in staat om, zoo het noodig mocht zijn, zijn leven op het spel te zetten, indien hij daardoor Paulus en diens, niet genoeg te waardeeren, leven kon redden (Rom. 16 : 3). Doch als prediker op te treden voor do menigte, en du banier des kruises te planten in deze omvangrijke stad, dat vermocht hij niet. Hij wachtte dus, tot do Apostel wederkeerde, en zocht in stilte diens weg te bereiden.

Voegen wij ons bij hem in dezen tijd, om een vluchtigen indruk te verkrijgen van het leven en streven dezer stad, die

-ocr page 279-

IN HET JAAE 54.

bestemd was, met Antiochië en Eome, de eerste plaats in te nemen in de jonge Christenheid.

Efeze was de hoofdstad van westelijk Klein-Azië, de Romeinsche provincie Asia, welke zich uitstrekte van Bithynië tot Lycië. Een stad, zooals Antiochië in Syrië of Alexandria in Egypte, welke uitsluitend het leven der geheele provincie leidde en beheerschte, bestond in Klein-Azië niet. Klein-Azië, dat nu zoo ontvolkt is, telde meer steden dan eenig land der toenmalige wereld. Het was een der voordeelen van deze provincie, dat zij zoo vele middelmatig groote steden bezat, welke ieder afzonderlijk haar eigenaardige bron van welvaart hadden, en waarom men haar ook „de provincie der 500 stedenquot; noemde. De groote steden dezer provincie trachtten elkander in dien tijd op hoogst kinderachtige wijze den voorrang te betwisten, wanneer het gold van de keizerlijke regeering den rang van eerste plaats te ontvangen, iets, waartoe zich in de provincie menige gelegenheid voordeed. Aan Pergamus, de oude residentie der Attaliden, was het ook gelukt, erkend te worden als offlcieele hoofdstad der provincie, waar de leden van den landdag samenkwamen. In werkelijkheid echter handhaafde Efeze zich als voornaamste stad. De geheele provincie hield den blik gericht op Efeze, de woonplaats der godin Diana, den ouden, roemrijken zetel en tevens het middelpunt van \'t geestelijk leven aan de Ionische kust.

Daar lag zij sedert meer dan duizend jaar, de machtige stad, in de weide van Azië, nabij den Kayster en de zee. In vroeger tijden strekte zij zich alleen in de vlakte uit, doch de koorts-verwekkende uitdampingen der moerassen waren oorzaak, dat de stad uitgebreid werd tot op de bergen Pion en Koressus. De paarl van Efeze was de Diana-tempel. Deze lag echter niet binnen de muren der stad. Van de haven en het Forum uit, moest men den, met huizen bedekten, berg Pion, op het laagste gedeelte, tusschen het Serapeum en het Stadium gelegen, overgaan, waarna men in een klein half uur het wereldberoemde heiligdom kon bereiken. Reeds van het Stadium uit, zag men

258

-ocr page 280-

EPEZE.

den tempel en diens wonderschoonen bouwstijl. In de grijze oudheid was hij gesticht en langen tijd door priesters en priesteressen verdedigd, waarom men aan die plaats de sage der strijdbare Amazonen verbonden heeft. In den nacht, waarin Alexander de Groote geboren werd, was dit heiligdom, door Herostratus in brand gestoken, een prooi der vlammen geworden. Doch nog grootscher en heerlijker was de verbrande Phoenix verrezen uit het graf, waarin de vlammen het geworpen hadden. De geheele wereld was vol van de schoonheid van het Ephesische Artemisium. Uit bewondering en eerbied noemde men dit gebouw een der zeven wonderwerken der wereld. De tempel, welke een oppervlakte van meer dan 8000 M. besloeg, was een der grootste van den ouden tijd. Honderdzevenentwintig machtige peilers, ieder zestig voet hoog, droegen het dak, waarvan een deel met schoone beeldhouwwerken versierd was. De eenige, nog overgebleven zuil, die in het Britsch Museum te Londen bewaard wordt, kan ons eenigszins een indruk geven van de verheven schoonheid dezes tempels. De gegroefde zuilen werden gedragen door met kunstzin uitgevoerde, marmeren figuren, en waren van boven met den lonischen ramshoren versierd. Rondom het heiligdom strekte zich het ruime, gewijde gebied, tot den tempel behoorende, uit. Het sedert overoude tijden bestaande en dikwijls misbruikte recht, volgens hetwelk dit gebied beschouwd werd als een toevluchtsoord, wisten de priesters, die allen Eunuchen waren en aan wier hoofd de Megabyzos stond, steeds met groote hardnekkigheid te verdedigen en te handhaven.

Efeze kon met recht trotsch zijn op zijn Diana-tempel. De geheele wereld prees de stad gelukkig om de nabijheid der machtige, bescherming verleenende godin, doch daardoor was de heerschappij, welke Diana over Efeze uitoefende, des te onbeperkter. De sluwe Megabyzos, die de onmetelijke schatten van het Artemisium moest beheeren, wist van deze macht zeer goed partij te trekken. Men placht in de stad dikwijls te

254

-ocr page 281-

IN HET JAAR 54.

zeggen, dat de gelieele wereld Diana van Efeze godsdienst bewees (Hand. 19 : 27). Zelfs het keizerlijke Rome bracht haar hulde. De borst van lederen Efeziër zwol van vreugde en trots, wanneer hij voor deze onvergelijkelijk schoone zuiien en gangen stond. Nog vermoedde niemand, dat de onaanzienlijke man, die onlangs in Panormus geland was, weldra de godin Diana, na een heerschappij van meer dan duizend jaren, van den troon zou stooten, en een nieuwen dag zou doen aanbreken, voor wiens licht elke vermomming en alle priesterbedrog der Eunuchen als een nevel voor de zon zouden wijken.

Van den Diana-tempel naar de stad liep de via sacra, de heilige weg der processiën, welke voornamelijk in de nabijheid der stad, ter rechter- en linkerzijde versierd was met, van kunstzin getuigende, grafteekens. De weg voerde naar de Magneslsche poort. Wanneer men van den kant van het dorpje Ajasoluk komt, ziet men hier nu nog verscheidene dezer gedenkteekenen uit welker overblijfselen men hun vroegere, verheven schoonheid kan opmaken. Van hier uit gaan wij door die straten der stad, waarin de belangrijkste gebouwen stonden. Wij trekken hier door een wereld van puinlioopen. Oude grafgesteenten, machtige stadspoorten, stevige, uit gehouwen steen opgetrokken muren, trotsche gymnasiën en tempels, theaters, openbare plaatsen, alle de onuitwischbare sporen dragend van vroegere schoonheid, merken wij op te midden der golvende akkers.

Wij volgen de oude ringstraat van Efeze, welke iets hooger dan de vlakte rondom den voet van den Pion liep. Door de Gravenstraat en de Kolonnade der Damianos gaande, treden wij de stad binnen door de indrukwekkende puinhopen van de Magnesische poort. Daar staat in de eerste plaats, aan de Zuidzijde van den Pion, welks helling in de oudheid Lepre Akte (rotswand) genaamd werd, een groot, vierkant gebouw, het Gymnasium. Aan de linkerhand verheffen zich de steile rotswanden van den Koressus hoog in de lucht. Door de enge ruimte tusschen de

255

-ocr page 282-

EFEZE.

beide bergen, ten tijde Vcan Paulus bezet met huizen en openbare gebouwen, gaan wij langs een prachtigen, uit gehouwen steen bestaanden muur over talrijke marmeren zuilen en steen-brokken, voorbij eenige bouwwerken, waarvan er, volgens de sage, een het graf van Lukas zou geweest zijn, en bereiken zoo het Odéum. Hier plachten in Paulus\' tijd 2000 tot 2500 personen samen te komen, om zich te verlustigen in muziekuitvoeringen c-n tooneelvoorstellingen. Wolk een schoenen aanblik moet van hier gezien, de stad opgeleverd hebben, welke amphitheaters-gewijze tegen den Pion en den Koressus gebouwd was. Daar waar de berg Koressas te steil werd, zoodat het bouwen van huizen onmogelijk was, vormden rots en woud een schilderachtig geheel. Van de hoogste rijen zitplaatsen in het Odeum kon men een groot gedeelte van de prachtige gebouwen dei-stad overzien, naar den eenen kant reikte de blik tot aan de Magnesische poort, naar de andere zijde over het Forum en de haven heen, tot aan de blauwe zee, als een streep aan den horizon zichtbaar. De weg voert verder langs aanzienlijke puin-hoopen, tot men dicht bij de Agora plotseling uit het dal komt en de vlakte betreedt.

Ten tijde van Paulus moet men dan een verrassend schoon tafereel voor zich gezien hebben. Het dal gaat plotseling over in een ruime vlakte, waar de prachtigste gebouwen der oude stad elkander schenen te verdringen. Nog heden kan men duidelijk de fondamenten onderscheiden en zien, waartoe de gebouwen eenmaal dienden. Op den voorgrond ligt de Agora, de marktplaats van Efeze. Nu heerscht de stilte des doods te midden dezer overblijfselen, doch hoe druk en levendig moet het hier geweest zijn, toen Aquila, met het oog op zijne zaken, deze plaats menigmaal betrad, of wanneer Demetrius er zijne goudsmeden verzamelde! Hier was het middelpunt van het handelsleven der stad. Een sierlijke bron prijkte in het midden en verspreide gedurende de lieete zomerdagen een verfrisschende koelte. Zuilengangen liepen langs de groote, vierkante ruimte.

256

-ocr page 283-

TN HET JAAR 54.

Achter deze waren te eener zijde winkels, handelslokalen on loodsen, te anderer zijde openbare gebouwen. Doch alles be-heerschend blikte het geweldige theater van Ephese neder op het bonte marktgewoel. Honderdenvijftig meter bedroeg de grootste doorsnede van dit wijde halfrond. Evenals in Athene in den Akropolishenvel, zoo was ook hier het theater gebonwd in een bocht of indeuking van den Pion. Op de rijen steenen zitbanken was voor 50.000 toeschouwers plaats. Dit is hetzelfde theater, dat in Paulus leven zulk een ernstige rol zou spelen (Hand. 19 ; 29 en 31). !) Hier heeft het stormachtige oproer van hcu volk, onder leiding van Demetrius en zijne goudsmeden, -plaats gegrepen. Van de grootsche ruïne staan nu nog slechts de beide zijtorens. Eertijds moet het tooneel, dat men van hier kon waarnemen, de drukbezochte Agora in de diepte, de .wonderschoone stad en daar boven de steile rotswanden van den Koressus, heerlijk schoon geweest zijn. Heden aanschouwt men een aangrijpend tooneel van verwoesting. Bijna geen enkele steen is op den anderen gebleven. In treurige wanorde bedekken vermorzelde, door den tijd zwart geworden steenen deze eenmaal zoo vereerde ruimte. Evenals op een huiveringwekkend slagveld de dooden door elkander liggen, zoo vindt men hier een woeste mengeling van zuilenschachten, kapiteelen, architraven,. altaren, oude steenen banken en verbroken marmeren zotels.

Van het hoogste deel des theaters kan men het best waarnemen, wat overgebleven is van de belangrijke gebouwen van Efeze. Daar ligt dicht bij de haven het Groote Gymnasium, met zijne vier nog staande gebleven, machtige, uit graniet gehouwen zuilen en zijne kolossale overblijfselen, evenals het Forum met zijn eertijds rijk versierden vijver. Daarachter onderscheidt men de voormalige binnenhaven, te herkennen aan de groen gekleurde, dichte hoopen riet. Vandaar voert naar het

\') Hut Grieksche „theaterquot; is helaas! in de herziene vertaling wedergegeven door „schouwplaats.quot;

-ocr page 284-

EFEZE.

Serapeum en hot Stadium een weg. deeenigeoud-Efezischo weg, welks plaveisel, uit steenen van eens mans lengte bestaande, heden nog zoo liggen, als in den tijd, toen de Apostel Paulus daarover ging; nu staat daar nog een schoone romein-sche poort, als getuige van den ouden tijd. Deze weg leidt naar een hoogvlakte, waar men van het gemetselde terras een heerlijk uitzicht heeft op de oude haven en de geheele vlakte, terwijl aan de andere zijde de machtige overblijfselen van het Stadium liggen, waarin zich eenmaal duizenden Efoziërs verlustigden in de menigvuldige wedstrijden.

Het geheele voormalige gebied van Efeze heb ik in alle richtingen, bergop- en bergafwaarts doorkruist. Overal aanschouwde ik hetzelfde weemoedige beeld — het verwaarloosde kerkhof eens grootschen verledens. Noch in het dal, noch op de berghellingen staat een enkel bewoond huis. Het schijnt een droom, dat hier op alle hoogten, in de vlakte en langs de haven, huis aan huis gestaan heeft, bewoond door honderdduizenden levenslustige menschenkinderen.

258

-ocr page 285-

DE OPENBARE TOESTANDEN.

Efeze was ten tijde van Paulus een bloeiende stad. Hier, op de grensscheiding van het Oosten en het Westen, aan een gunstig gelegen zeehaven, moest natuurlijk een druk handelsverkeer ontstaan. Dat Je omwonende volkeren sedert menschen-heugenis in volkomen vrede met elkander leefden, en men het woord „oorlogquot; slechts als woord kende, was een omstandigheid, welke den handel hoogst bevorderlijk was.

Bovendien hield men zich in de stad onledig met het beoefenen van meer dan éen tak van nijverheid. Evenals in Korinthe speelde ook hier het gild der Lanarii, wolwevers, een belangrijke rol. Zulks kwam Acjuila en Paulus zeer te stade, daar zij dien tengevolge gemakkelijk werk konden vinden, dat goed betaald werd. Het oostelijk deel van Klein-Azië, waar onafzienbare kudden weidden, leverde genoegzaam wol voor dit handwerk. Ook het gild der goudsmeden stond in Efeze hoog aangeschreven. Een, in de geheele wereld gangbaar en gewenscht, zeer winstgevend handelsartikel waren de miniatuurtempeltjes en de kopieën van den, uit hout van den wijnstok vervaardigden, tempel van Diana polyinammia, zooals deze in het Artemisium stond en, zooals men beweerde, uit den hemel gevallen was. De voorwerpen wisten de, in de stad wonende, goud- en zilver-

-ocr page 286-

DE OPENBARE TOESTANDEN.

smeden\'zeer sierlijk en kunstig na te maken van goud en zilver flligranwerk. Wie de stad en haar beroemden tempel bezocht had, moest als aandenken zulk een voorwerp uit den bazaar der goudsmeden medenemen, hetzij naar het Meanderdal of naar Griekenland en Italië, hetzij zelfs naar het verre Gallië of Spanje, om het, thuis gekomen, te bewaren als amulet of talisman. Hierdoor werden vele kunstenaars en handwerkslieden, zoowel als een groot deel der fabrieksarbeiders in staat gesteld in hun onderhoud te voorzien.

Met dezen uiterlijken welstand der stad ging een zekere graad van algemeene beschaving gepaard. In geen land der toenmalige wereld was de algemeene ontwikkeling zoozeer doorgedrongen tot alle klassen der maatschappij dan zulks in Efeze en het westelijk deel van Klein-Azië over \'t algemeen, het geval was. Zelfs nu nog strekken onder de puinhoopen van Efeze, der groote statige gymnasiën en gebouwen, waar men zich toelegde op lichaamsoefeningen, der plaatsen, waar men trachtte het volk te ontwikkelen, zooals het Odéum en het theater, daarvan ten bewijze. Talrijke schoolmeesters onderwezen de volksjeugd. De rhetoren en sophisten, wier aantal niet minder groot was, zorgden bovendien voor de hoogere ontwikkeling. Wij weten immers, dat het Ionische Klein-Azië in dien tijd aan de overige wereld, aan Griekenland en Italië de meest gevierde leeraars en rhetoren verschafte. Ook de geneesheeren van Klein-Azië stonden goed bekend. Mochten er daaronder ook velen zijn, die beter de kunst verstonden van te redeneeren dan van te genezen, toch mocht deze provincie zich er op beroemen, het geboorteland van een Galenus te zijn. En wij willen bovendien niet vergeten, dat wij aan dit rijk gezegende land den edelen Lukas te danken hebben, den geneesheer, die wegens zijn grondige kennis op allerlei gebied, zoo beroemd was, en die tevens de groote geschiedschrijver der eerste Christenheid geweest is.

Toch moeten wij ons van deze algemeene volksontwikkeling geen al te hoog denkbeeld vormen. Weliswaar was een zekere

260

-ocr page 287-

LV HET JAAE 54:.

mate van onontbeerlijke kennis het eigendom van velen, maar toch ontbrak aan deze kennis datgene, wat den geest eigenlijk vrij maakt en opheft. Ondanks de ontwikkeling ging het volk geheel en al op in de dwaze vereering van Diana en de, aan haar dienst gewijde. Eunuchen. Hier bespeurde men niets van de edele vaderlandsliefde en den vrijheidstrots, die eertijds in Griekenland hoog gehouden werden, hier stuitte mon op een verachtelijke, kruipende dienstbaarheid van Rome en zijne keizers.

Geheel in overeenstemming hiermede was de toestand op godsdienstig gebied. Hier zocht men te vergeefs naar den invloed van den verfijnenden schoonheidszin der Grieken. Artemis of Diana was slechts een andere naam voor de Aziatische Cybele. Een PheniciGr, bekend met den ontuchtigen dienst van Astarte, kon zich hier op zijn plaats gevoelen; een bewoner van Griekenland evenwel niet. Slechts ontmande priesters mochten de godin naderen en den, aan haar gewijden, dienst verrichten. De wereldberoemde tempel was namelijk gedurende de nachtelijke, zoogenaamde heilige feesten de plaats, waar op de schandelijkste wijze de wetten der zedelijkheid met voeten getreden werden. De eunuchen waren voor grof geld over te halen tot het verleenen van hulp bij eiken gemeenen schelmstreek. Dc uiterlijke gedaante van dezen godsdienst stond evenwel ook op een zeer laag peil. De woeste optochten der Korybanten, die in den regel op de via sacra, den weg der processiën gehouden weiden, moesten niet alleen elk dieper gemoed, maar zelfs eiken beschaafden smaak onaangenaam aandoen en kwetsen. De ontmande priesters zongen de liederen met gillende stem. Met verwarde haren, in heiligen waanzin, onder oorverdoo-vende muziek van pauken en symbalen, de phrygische fluit en andere blaasinstumenten, zag men hen aan het hoofd van den optocht met woeste gebaren hunne dansen uitvoeren. Slechts hij, die in Kaïro de dansende derwischen met hunne huiveringwekkende, fonkelende oogen en fladderende haren, in

261

-ocr page 288-

DK OPENBARE TOESTAND.

stompen, aan waanzin grenzendcn dweepzucht verzonken, heeft gezien, kan zich eenigszins een voorstelling maken van deze woeste tooneelen in Efeze.

De beschaafde Grieken voelden zich ongetwijfeld in geenen deele aangetrokken door deze ruwe, aziatische uitingen van vroomheid; inderdaad waren ook slechts alleen Aziaten bereid het priestergewaad aan te nemen. Het spreekt echter van zelf, dat de geheele stad en het volk onder den invloed stond van den aan Diana gewijden godsdienst. Daarom gold het ook voor deze stad, waar oprechte vroomheid des harten ten eenenmale ontbrak: het bijgeloof was in Efeze tot een schijnbaar onover-komelijken muur geworden. De domuien lieten zich telkens weder overhalen, hun goede geld te geven voor een wonderbare genezing, voornamelijk van den heil aanbrengenden god Asklepius. Een heir van too venaars, goochelaars en waarzeggers vond in Efeze niet alleen het noodige om van te leven, maar maakte zelfs goede zaken. Toovermiddelen en amuletten vonden in Efeze steeds lichtgeloovige koopers. De astrologen hield men voor personen, die een helder inzicht hadden in de grootste geheimenissen van het noodlot. De zwarte kunst stond hoog in aanzien. Het spreekt bijna vanzelf, dat de beruchte Balbillus, die juist toen zulk een heilloozen invloed had op den jongen keizer Nero, een geboren Efeziör was. De krachtige tooverspreu-ken van Efeze „hielpenquot; op wonderbare wijze en „werktenquot; overal; zij waren, als een geheime wetenschap opgeteekend in boeken, die als „Efesia grainmataquot; in de geheele wereld beroemd waren. Nu begrijpen wij ook, waarom later als een hoogst gewichtig gevolg van de prediking wordt opgeteekend, dat daarna groote stapels tooverboeken openlijk verbrand werden (Hanu. 19 : 18 en 19). Wij verstaan ook de bedoeling van hetgeen Paulus later aan de Efeziërs schrijft (Efez. 4 : 17 — 19): „Ik zeg dan dit en betuig het in den Heer, dat gij niet meer wandelt, gelijk als de andere Heidenen wandelen in de ijdelheid huns gemoeds, verduisterd in het verstand, vervreemd zijnde

-ocr page 289-

263

van het leven Gods, door de onwetendheid, die in hen is, door de verharding huns harten, welke, ongevoelig geworden zijnde, zichzelf hebben overgegeven tot ontuchtigheid om alle onreinig-heid gieriglijk te bedrijven.quot;

Dat het peil der zedelijkheid in Efeze zeer laag stond, behoeft na het bovenstaande geen betoog. De eenvoud van zeden, welken het eigenlijke Griekenland zelfs tot dien tijd bewaard had, was hier geheel onbekend. Oostersche zwelgpartijen, ontucht, losheid van zeden en onvaste grondbeginselen richtten het huiselijk leven en de gezondheid des volks te gronde. Waar zulk een geest den scepter zwaaide, moest elk streven naar iets hoo-gers uitgedoofd worden. Hier kon geen Homerus, geen Heraklitus, geen Parrhasius opstaan. Hier werd de eerste rol gespeeld door de Eunuchen van Diana, het theater, dat den dierlijken lust tot het bijwonen van gevechten en wedstrijden der gladiatoren prikkelde, de gymnasiën, waar men zich lichamelijk oefende. Dat men zich nog met dans en muziek onledig hield of de, in de toenmalige wereld bekende, Efezische liefdesgeschiedenissen en romans met gretigheid verslond, dat was alles, wat herinnerde aan zin voor kunst en literatuur.

Menigmaal, wanneer onze vriend Aquila met de weinige Christenen, die zich bij hem hadden aangesloten, zich geplaatst zag tegenover zulk een door en door heidensche stad, zal hem zeker de angst bekropen hebben, of het mogelijk zou wezen, mot zulk een kleine schaar en het bloote woord des kruises ooit den, alle klassen der bevolking beheerscheiiden, tijdgeest met eenig goed gevolg te bestrijden. Doch een uitverkoren werktuig kwam reeds der stad nader, een werktuig door God gezonden, om in deze groote, zondige stad een prediking te houden, welke niet alleen Efeze, maar de geheele provincie Klein-Azie zou wakker schudden en een anderen weg zou doen inslaan. Het was de Apostel Paulus.

-ocr page 290-

INquot; DE VERGADERZAAL VAN TYRANNUS.

Eeeds liep dc zomer van het jaar 54 ten einde, en nog steeds was Aquila alleen in Efeze. Daar trad, mogelijk in September, op zekeren dag de welbekende gestalte van Paulus de werkplaats van Aquila binnen, en werd door dezen met vreugde begroet. Verbrand door de lange reis over land, door geheel Klein-Aziü heen, voegde de Apostel zich bij de kleine schaar van Christenen, om, volgens de in Maart gedane belofte, een begin te maken met de prediking des Evangelies. Hij had Jeruzalem gezien, in Antiochië vertoefd, door Galatie en Frygië gereisd en kwam nu, na den langen tocht, weder aan do kusten der Middellandsche Zee.

Hoopvol liet de Apostel den blik rusten op de menigte huizen en paleizen der groote stad. Welk een groot volk had de Heer wellicht in deze uitgebreide werelstad verkoren! Welk een schoon, zielverheffend ambt, hier het Evangelie te mogen prediken! Het oog eens Paulus zag namelijk niet alleen het schandelijke en afschrikwekkende van den Diana-dienst, niet alleen het dwaze van dit wereldbeheerschende bijgeloof, neen, zijn blik drong dieper door. Een volk, dat niet moede werd zijnen goden te offeren, dat begeerig uitzag naar alles, wat ook maar eenigszins in zoogenaamd verband stond met de onzichtbare machten, zulk

-ocr page 291-

IN SEPTEMBER 54.

oen volk kon hij niet alleen van de treurige zijde beschouwen. Zijn fijn gehoor vernam in dat alles don noodkreet der arme menschenziel naar haren God, ook al zocht zij dien langs geheel verkeerde wegen. Paulus geloofde aan de menschheid, omdat hij geloofde aan Jezus Christus, die deze menschheid niet te gering geacht had, om Zijn leven voor haar te geven, en die hem gezonden had, om dezen Heidenen het Evangelie te prediken. Daarom uitte hij, nu hij deze verdorven, groote stad was binnengetreden, niet enkel vrome klaagliederen en wanhopige verzuchtingen, neen, hij voelde zich bezield door blijden mood en schoone verwachtingen. Hij was besloten, al zijn kracht en, indien zulks noodig mocht zijn, zelfs zijn leven te geven, teneinde het groote werk tot stand te brengen.

In de Joodsche synagoge begon hij zijne prediking. Hij rekende het in de eerste plaats zijn plicht, het Evangelie te brengen aan de talrijke Joden, door handelslust en gewinzucht naar de stad gelokt. Zij hadden, als zijne landslieden, niet alleen het eerste recht op hem, maar zij waren tot nu toe, hoewel onbewust, de wegbereiders geweest van het naderend Evangelie. Van de synagoge uit, was ook hier het verlangend uitzien naar een verlosser uit Judea gewekt, een verlangen, waarvan Suetonius gewaagt. Van de synagoge uit, had de tienvoudige ploegschaar van Gods geboden den akker van vele harten toebereid, zoodat Paulus slechts het zaad in de open liggende voren behoefde te strooien.

Toen Paulus de prediking in de synagoge aanving, bestond zijn gehoor niet alleen uit Joden, maar ook uit personen van verschillende nationaliteiten, uit Aziaten, Grieken, misschien ook uit Romeinen. Daardoor werd terstond een band gelegd tusschen de meest uiteenloopende kringen van de bevolking der groote stad, en wel tusschen de besten en meest ernstig gezinden, die naar iets hoogers uitzagen, dan hetgeen de dienst van Diana hun vermocht te schenken. Met klimmende vreugde predikte Paulus, met toenemende belangstelling werd door velen

265

-ocr page 292-

266

geluisterd. Dat hij de twaalf jongeren, in den doop van Johannes gedoopt, bracht tot het geloof in Hem, wien Johannes niet waard was de schoenriemen te ontbinden en dat het geloof gekroond werd door de gave des Heiligen Geestes (Hand. 19 : 1 — 7), had ten gevolge, dat men den grooten leeraar des te meer hoogachtte, en dat de zich ontwikkelende Christengemeente terstond een kostelijk, hecht fondament verkreeg.

Drie maanden lang hield deze prediking in de synagoge aan, en deze tijd was van onschatbare waarde. Ieder, die in het uitgestrekte Efeze zich ooit getrokken had gevoeld door de wetten van Mozes en de voorspellingen van Israels profeten, werd in dezen tijd gegrepen door de prediking des Evangelies. Doch naarmate het getal der toehoorders wies, naar die mate kwam ook het vijandig gezinde deel der Oud-Joodsche gemeente tot het bewustzijn, dat door deze prediking de, tot nu toe aaneengesloten, gemeente aan het wankelen gebracht werd en deze weldra zou veranderd zijn in een kerk, welke voor alle natiën zou openstaan. Men was zeer goed op weg, om de eigen synagoge tot een Christelijke kerk te maken. Zoo bleef ook hier niet uit, wat Paulus reeds zoo menigmaal had ondervonden: men sloot de synagoge voor hem, ofschoon deze eigenlijk moest dienen om de deuren voor Christus te openen (Hand. 19 : 9).

Paulus nam weldra een besluit. Niet te vergeefs had hij in de wereldsteden, voornamelijk in Korinthe, verschillende ervaringen opgedaan. Hij besloot de synagoge voor goed vaarwel te zeggen en een eigen lokaal te huren, opdat de prediking van Christus niet zou ontaarden in een voortdurend, weinig opbouwend twistgesprek. Evenals overal, had hij ook hier met zijn vriend en vakgenoot Aquila vlijtig gearbeid en iets overgespaard (Hand. 20 : 34). Hetgeen zij ter zijde gelegd hadden, gaven zij gaarne, om den huurprijs te betalen en zoodoende aan het Evangelie in Efeze een onderkomen te verschaffen. Hoe gedenkwaardig zijt gij, eerste gehuurde woning voor het Evangelie in Efeze! Laat het slechts eenigen tijd zoo blijven, weldra zal

-ocr page 293-

DECEMBER 54.

het Evangelie een woonstede hebben veroverd in de harten van duizenden in geheel Klein-Azie.

Zoo zien wij dan den Apostel tegen den tijd, dat wij jaarlijks het Kerstfeest vieren, toen de eerste winterstormen reeds over de moerassen van de Kayster loeiden, met den vriend Aquila door de straten der stad gaan, om een geschikte woning te zoeken voor de christelijke prediking.

In dien tijd werd in Klein-Azië de kennis slechts weinig uit boeken geput. Zij werd voornamelijk verspreid door openbare, mondelinge voordrachten der rhetoren en philosofen. Deze voordrachten werden nu eens in zalen, dan weer in de open lucht, in een bosch gehouden. Een dergelijke vergaderplaats te zoeken was Paulus\' doel. Een vergaderzaal, het eigendom van een zekeren Tyrannus, vonden de beide zoekenden een geschikt lokaal (Hand. 19 : 9), dat ruim genoeg was, om een tamelijk groot aantal toehoorders te bevatten. Deze zaal werd gehuurd en gedurende twee jaren was zij de plaats, waar Paulus zijn arbeid als prediker voortzette. Zij is de eerste openbare zaal voor do prediking des Evangelies, waarvan de geschiedenis gewaagt.

Spoedig bleek, dat Paulus zeer wijs gehandeld had. Tn wijden kring heerschten niet alleen vele vooroordoelen tegen de Joden en hunne synagoge, maar men gevoelde zelfs afkeer van hen; en daar men niet meer tot hen behoefde te gaan, om Paulus te hoeren, werd het getal toehoorders, tot een andere nationaliteit behoorende, des te aanzienlijker. quot;Wanneer we geloof mogen slaan aan hetgeen staat in een ouder handschrift der Handelingen, dat niet in ons N. Testament is overgenomen, dan hield Paulus zijne openbare voordrachten tusschen 11 en 5 uur. In de synagoge had hij slechts op bepaalde dagen der week kunnen spreken; hier, in het eigen lokaal, kon hij dagelijks prediken. Weldra behoorde de school van Tyrannus tot de meest bezochte gehoorzalen der stad. Evenals in Korinthe zullen ook hier de toehoorders tot de meest uiteenloopende klassen behoord

207

-ocr page 294-

IN DE VERGADKRZAAL VAN TYHANNUS.

hebben; handwerkslieden en arbeiders, mannen en vrouwen uit den meer gegoeden stand, en vele slaven telde men daaronder. Omtrent de prediking in de vergaderzaal van Tyran-nus wordt ons niets verders bericht, maar uit hare gevolgen, uit het ontstaan vaneen, binnen weinige jaren tot bloei komende, kerk in Klein-Azië, kunnen wij opmaken, dat deze arbeid schoone vruchten droeg.

Zelfs de Diana-tempel was oorzaak, dat de Apostel het getal zijner toehoorders steeds zag toenemen. De tempel n.1. lokte groote scharen vreemdelingen naar Efeze, waar men het wonder der wereld kon aanschouwen. Tot die vreemdelingen behoorden niet alleen verscheiden bewoners der provincie, maar cok Grieken, Romeinen, Syriërs en anderen. Waarschijnlijk was niet alleen de tempel van Diana, maar waren ook handelsbelangen redenen van het bezoeken der stad. Velen der vreemdelingen zijn wellicht onder den invloed gekomen van den man, die in niets anders wilde roemen, dan in het kruis van Jezus Christus, die, wijzende op de dwaasheden en ontuchtigheden aan den dienst van Artemis verbonden, den blik richtte naar den. door den Heer geopenbaarden. Vader in den Hemel.

Men heeft beweerd, dat Paulus zich bij zijne prediking onthouden heeft van elk twistgesprek met de Heidenen omtrent hun afgodendienst. Wij betwijfelen zulks echter. Wanneer Paulus, den weg der processiën volgend, die naar den Dianatempel voert, voorbij monumenten, prachtige tuinen, en heerlijke zuilenrijen ging en misschien het beeld van Diana, voor hetwelk ieder zich boog, aanschouwde, dan moet hij, evenals in Athene, in heiligen toorn ontstoken zijn, omdat het volk zoozeer misleid werd. Het wilde immers God dienen, dien het zocht! Doch in zijne plaats werd een stuk hout gesteld, waarvoor een tempel werd gebouwd en aan hetwelk een schaar Eunuchen werd verbonden. Daarom liet hij ook niet na, zooals de woorden van Demetrius doen uitkomen (Hand. 19 : 2(3), zich scherpelijk uit te spreken op de wijze van den profeet Jesaja (Jes. 40 : 18 en volg.). „Het zijn geen

268

-ocr page 295-

TN HET JAAK 55.

goden, die met handen gemaakt zijn,quot; riep hij menigmaal in de vergadering uit. „Uw godsdienst mist allen inhoud (is „ijdel,quot; vertaalt Luther), uw kennis aangaande God verduisterd, uw leven van God vervreemd. Gij zijt zoo blind en onwetend geworden, dat gij (juist in uw dienst aan de godin Diana gewijd) u overgeeft aan ontuchtigheid en allerlei onreinigheid, dat gij slechts op winst bedacht zijt en door uwe lusten uzelf in het verderf stort (Efez. 4 : 17 e. v.). Deze gedachten, uitgesproken in den Brief aan de Efeziërs, zal hij hun zeker ook wel mondeling hebben doen hooren. Dan stelde hij tegenover dezen verderfelijken godsdienst, de verheven, rijke gedachten Gods en diens genade in Jezus Christus.

Machtig was de invloed dezer prediking. Zij drong door tot alle kringen in de stad, tot in de Jodenwijk en tot in de woningen der Grieken en Aziaten, tot in het vertrek der dienstbaren, maar ook tot in dat der heeren; zij bracht een beroering op godsdienstig gebied teweeg, zooals men er sedert menschenheugenis in Efeze geen kon aanwijzen. En steeds tastte Paulus met te meer beslistheid het geestelijk leven in de stad aan. Zelfs tot in de provinciën drong de invloed zijner prediking door.

Reusachtig is de arbeid, in dien tijd door den Apostel verricht. Men begrijpt ternauwernood, hoe een enkel man zooveel tot stand kon brengen. In de eerste plaats moest hij zorg dragen voor het werk zijner handen, in de wijk der wevers verricht. Hier gaf niet alleen, zooals in Korinthe, het weven van tapijten, doch, zooals Plutarchus bericht, het maken van tenten aan veler handen werk. Dagelijks moest Paulus zooveel werk leveren als een man kon verrichten. Ook in Efeze wilde hij tot eiken prijs het zelfverdiende brood eten (Hand. 20 ; 33). Dan moest hij dagelijks prediken, een werk, dat hij nooit naliet (Hand. 19 : 9). Uren lang sprak hij, en wie zulks ooit gedaan heeft, weet, hoeveel lichaams- en zielsinspanning zulks vereischt. Bovendien kwam nog de zorg voor ieder in het bijzonder, die raad en toespraak noodig had. Daar waren bekeerlingen, zwak-

26!)

-ocr page 296-

IN DE VEROADEEZAAL VAN T YE ANNUS.

ken, wankelmoedigen on twijfelenden; die allen kon hij niet aan zichzelf overlaten. Hij bezocht hen, waar zij ook in de stad woonden. Die arbeid ging hem boven het handwerk. Nu eens zien wij hem op het Forum of de Agora, bij de groote pakhuizen, aan de haven gelegen, of in de straten, waar het handelsverkeer het levendigst is, dan weder treffen wij hem aan in het dal of de bovenstad op den Pion, teneinde zicli te kwijten van den plicht, in sommiger oog van geen belang, doch voor zijn hart van het hoogste gewicht. Wanneer hij later bij zijn vertrek van Milete zijnen Efeziërs een kort overzicht geeft van deze jaren, dan schetst hij geen zelfverheffend, maar toch een grootsch on treffend beeld (Hand. 20 : 18 en volg.):

„Gijlieden weet, dat ik, van den eersten dag af, dat ik in Azië ben aangekomen, steeds bij n geweest ben. Ik heb don Heer gediend met alle ootmoedigheid, met vele tranen en verzoekingen, die my overkomen zyn door de lagen der Joden. Ik heb niets achtergehouden van hetgeen nuttig was, dat ik u niet zou verkondigd en u geleerd hebben, in het openbaar en Mj de huizen, betuigende, beiden. Joden en Grieken, de bekeering tot God en het geloof in onzen Heer Jezus Christus. Daarom waakt, en gedenkt, dat ik drie jaren lang, nacht en dag niet opgehouden heb een iegelijk met tranen te vermanen. Ik heb niemands goud, of zilver, of kleeding begeerd: gij zelf weet, dat deze handen tot mijne nooddruft, en dergenen, die met mij waren, gediend hebben. Ik hob u in alles getoond, dat men, alzoo arbeidende, de zwakken moet opnemen en gedenken aan de woorden van den Heer Jezus, dat Hij gezegd heeft: „Het is zaliger te geven, dan te ontvangen.quot;

Deze eenvoudige getuigenis aangaande zichzelf, uitgesproken met bewogen gemoed in een ernstige ure, is het schoonste ge-denkteeken, dat ons zijn onvermoeide werkzaamheid in Efezo herinnert. Met bijna bovenmenschelijke krachten heeft hij, de getrouwe dienstknecht van Jezus Christus, gearbeid aan de jonge, zich allengs ontwikkelende gemeente. Zonder eenig uiterlijk vertoon, steeds gehuld in een eenvoudigen mantel, zonder kunstig samengestelde, schoone redevoeringen, maar alleen door de prediking van het kruis van Christus, heeft hij een wereldstad geheel en al doen deelen in een beweging, welke zich na weinige eeuwen over de geheele wereld zou uitbreiden. Arbei-

270

-ocr page 297-

TN HET JAAR 55.

dende, gaf hij zijn geheele persoonlijkheid, naar lichaam en ziel. En toch vermocht bij bovendien nog voor anderen te zorgen. Hij-zelf\' zegt, dat hij voorzien heeft in het onderhoud van zijne medehelpers, hem onontbeerlijk voor zijn veel omvattenden arbeid. Later zullen wij zien, dat het getal derzulken niet gering was. Bovendien was het hem niet genoeg, niets van de gemeente te ontvangen, neen, hij gaf haar zelfs nog van het zijne. Het was hem een genot, datgene van de weinige zuur verdiende penningen, wat hij niet voor eigen gebruik noodig had, uit te deelen aan de armen en behoeftigen in de gemeente. Door zoo te handelen werd hij ons en zijne gemeente tot een immer gedenkwaardig voorbeeld; hij toonde ons de waarheid van dos Heeren woord, een woord, dat stellig verloren zou zijn gegaan, als Paulus het niet had herhaald en dat blijkbaar een diepen indruk op hem gemaakt had;

„Het is zaliger te geven dan te ontvangen!quot;

271

-ocr page 298-

ooo ooo d b ö ö

fM1.0 p 5^ o4- 0gt;ic ^0-19 \'oJt~

\'iy 4quot; 4: - quot;ï1 Hr • i-\' Hr to

:\'ir isb

IN DE PROVINCIE.

Zoo wij meenden, dat zieli het arbeidsveld van Paulus gedurende deze drie gedenkwaardige jaren \') beperkt had tot de stad Efeze alleen, dan zouden we grootelijks dwalen. Do geheele provincie Azië nam deel aan de machtige beweging. Het gedeelte van do Handelingen, waarin gesproken wordt over deze drie jaren, is helaas, niet volledig in de vermelding aller gebeurtenissen. Men bemerkt, dat Lukas niet persoonlijk in Efoze geweest is. Hij heeft uit dezen grootschen tijd slechts enkele, hoewel kenmerkende feiten weergegeven, welke ons doen zien, dat Paulus hier het hoogtepunt van zijn arbeid als Apostel bereikte.

Terwijl zich op de schoone heuvels Pion of Koressus, vanwaar men het uitzicht had op de zee en de nabijgelegen Pa normus, een steeds grooter getal Christenen verzamelde in de school van Tyrannus, won het Christelijk beginsel veld ook meer en meer buiten de stad. Voortdurend kwamen personen uit

1

\') To oordcelen naar Hand. 19 : 8 on 10, zouden wy meenen, dat Paulus slechts

-ocr page 299-

IN HET JAREN 50 Gil Öfi.

de meest verschillende dealen van Klein-Azië in grooten getale naar Efeze. Ongetwijfeld kwamen velen in nauwe aanraking met de Christenen, waardoor zij geloovig en alzoo de eerste baanbrekers werden voor het Christelijk geloof in de provincie. Telkens wordt er gesproken van nieuwe gemeenten, wier namen dikwijls slechts tor loops genoemd worden en omtrent wier ontstaan ons niets bepaalds bericht wordt.

Paulus had zich omringd door een staf van apostolische medearbeiders, gedeeltelijk door hem medegebracht, gedeeltelijk gekozen uit de bewoners van het steeds grooter wordende arbeidsveld. Daartoe behoorden, — Aquila en Priscilla niet medegerekend — de welbekende Timotheus van Derbe, Erastus, voormalig rentmeester der stad Korinthe (Hand. 19 : 22), Gajus en Aristarchus, de oude vrienden uit Macedonië (Hand. 19:29), waarschijnlijk ook Epafroditus, de vermoedelijke stichter van de, in het binnenland der provincie gelegen, gemeente Kolosse (Kol. 1:7; 4 : 12) en Sosthenes, genoemd in het begin van den hier geschreven eersten Brief aan de Korinthiërs. In ver-eeniging met deze zeven, van geestdrift blakende, mannen, legde Paulus een verbazingwekkende arbeidskracht aan den dag. Met hen beraadslaagde hij, als met een daartoe aangesteld Zondingsbestuur, over het wel en wee van alle gemeenten. Daarom plaatst hij aan het hoofd van den Brief aan de Galaten, dien hij hier schreef, niet alleen zijn eigen naam, maar hij schrijft uit dien van allen (Gal. 1 : 2). Van deze, door God gezegende, vereeniging, gevestigd op de lieflijke heuvels van E\'eze, gingen stroomen van zegen uit over het geheele land. S.echts een vluchtigen blik kunnen wij hier slaan op de verschillende landstreken, welke van hier uit, met het Evangelie bekend gemaakt werden. Wij noemen ten eerste, het binnenland aan de Oostzijde tot aan Frygië, ten tweede, de noordelijk gelegen kuststreek tot aan Troas, ten derde, het zevental gemeenten, waaraan het schrijven gericht is, waarvan Johannes in het Boek dor Openbaringen spreekt,

is

273

-ocr page 300-

TN DE PHOVTKCTE.

Eerstens dus het binnenland der provincie Ascië, dat zich langs het Meanderdal tot aan Frygië uitstrekte. Dit zijn de ..bovenste deelenquot;, waarvan in Hand. : 1 gesproken wordt. Deze had hij voor korten tijd bezocht, toen hij van Galatië gekomen was. Uit Hand. 18 : 23 blijkt ten duidelijkste, dat hij ook in Frygiö gemeenten gesticht had, doch geen enkele berichtgever heeft iets naders daaromtrent medegedeeld. Zelfs de namen der gemeenten zijn ons niet bekend geworden.

Toen ik op zekeren dag, evenals de Apostel, den weg van Galatië uit volgde, was ik aangenaam verrast door het vriendelijk karakter des lands, nadat, ik mij langen tijd omringd had gezien door de eentonige steppen van Lykaönië. Hoe verder ik naar het Westen reisde, des te vruchtbaarder werd het land, des te meer sporen, hoewel bescheidene, ontdekte ik van de vlijt der menschen, ook al verkeerde het geheel in een treurigen toestand. Kristalheldere beken en stroompjes vloeiden door de dalen, de roode Adonisroosjes wiegden zich bij honderdduizenden in den wind, de meidoornhagen waren bedekt met een verblindend wit kleed van bloesem, dat deed denken aan versch gevallen sneeuw, terwijl overal de gele struikrozen bloeiden. Slechts zelden ziet men een boom; daarentegen ontdekt men midden tusschen het braakliggende land dikwijls golvende graanvelden. De landstreek is hooggelegen en daardoor dragen de, op zichzelf niet hooge, bergen van Frygië, tot midden in den zomer sporen van sneeuw. De vriendelijkste stad is Dinér, het oude Kelaenae, aan de bronnen van den Meander. De stad, welke door haar heerlijke ligging en altijd groene tuinen met de schoonste steden van Klein-Azië wedijvert, ligt in een paradijsachtig dal, waardoor bruisende stroomen vlieten, en dat door Cyrus werd gekozen tot zomerverblijf, terwijl Alexander de Groote er ook toefde. Ook Paulus moet deze stad op zijne reis aangedaan hebben; zij heette toen Apainea Kibotós en telde onder hare bevolking vele Joden. Het is niet onwaarschijnlijk, dat deze stad een der voornaamste Frygische ge-

274

-ocr page 301-

in de .taken 55 en 56.

meenten geweest is, waarvan in Hand. 18 : 23 gesproken wordt. Van bier uit kon Paulus op zijne reis in het jaar 54 (Hand. 18 : 23), in tien of twaalf dagen gemakkelijk Efeze bereiken. Langs het schilderachtige meer Adschüz Göl, welks bergachtige oevers me: bosschen bedekt zijn, volgde hij den, door het dal van den Lykos en den Meander gevormden, weg. waarlangs het wereldverkeer plaats had en bereikte zoo de Middellandsche zee. Dezen weg hebben de Frygische Christenen waarschijnlijk menigmaal betreden, teneinde Paulus, gedurende diens driejarig verblijf in Efeze, te bezoeken. Misschien ook is menige brief van den Apostel door het heerlijke dal van den Meander gereisd en in het binnenland voor goed verloren | gegaan.

Slechts van drie gemeenten, in Frygië middellijk door den Apostel Paulus gesticht, zijn ons de namen bekend; deze schitteren als een drievoudig gesternte aan den hemel der eerste Christenheid. Zij zijn: Kolosse, Laodicea en Hierapolis. Uit de vruchtbare, breede vlakte, gevormd door de vereeniging van het dal van den Lykos en dat van den Meander, kwamen dagelijks personen naar Efeze, teneinde in de stad zaken te doen. Waarschijnlijk leerden zij daar Christenen kennen, hoorden den Apostel spreken in de school van Tyrannus en werden geloovig. Zouden zij hem toen niet verzocht hebben, ook tot hen te komen? Hijzelf kon echter in het hoofdkwartier niet gemist worden, en daarom zond hij een zijner medearbeiders, n.1. Epafroditus, die zoodoende de Apostel van Kolosse werd (Kol. 1 : 7; 4 : 12).

Zoo zien wij dan op zekeren morgen den getrouwen Epafras Efeze verlaten, om den Kolossensen het Evangelie te brengen. Door de Magnesische poort verliet hij de stad, volgde den weg, dien de tegenwoordige spoortrein ongeveer neemt door het dal van den Meander, en bereikte na een tocht van vier tot vijf dagen, door dit vruchtbare dal, met zijne steden en dorpen, eindelijk Kolosse. Drie gemeenten heeft hij daar gesticht, welke

275

-ocr page 302-

IN DE PROVINCIE.

niet ver van elkander verwijderd lagen en welke in den Bijbel ook na elkander genoemd worden (Kol. 4 : 12 en 13). Het zijn Kolosse, dat onvergetelijk is door den Brief aan le Kolossensen, Laodicea, aan hetwelk een der Zendbrieven in de Openbaringen gericht is, en Hierapolis; de „stad der Heiligen,quot; welks naam vereeuwigd is in het X. Testament door de groeten der heiligen (Ko1.. 4 ; 13 en 14). Paulns heeft deze gemeenten nooit per soonlijk bezocht (Kol. 1:4; 2:1). Zijne Brief aan de Kolossensen werd echter, evenals de verloren gegane Brief aan de Laodicensen, in alle drie de gemeenten gelezen (Kol. 4 ; l(i).

Deze drie gemeenten, als het ware aan een klaverblad gelijk, lagen in het dal door den benedenloop van den Lykos gevormd. In -wee tot drie uren kon men van de eene gemeente naar de andere gaan. De eerste, Kolosse, gelegen in de nabijheid van het tegenwoordige spoorwegstation Kyzilkacklik, is omringd door een prachtige natuur. Naar alle zijden strekt de vlakte zich uit, welke in het Zuiden begrensd wordt door trotsche, schoon gevormde bergen, met wouden van pijnboomen bedekt, waardoor zij herinneren aan het Zwartewoud of het Odenwoud. Daarachter verheffen zich de besneeuwde toppen van den 2000 M. hoogen Chonas Dagh. Heerlijk schoon is de vruchtbaiV vlakte. In de tuinen vindt men allerhande soorten van vrucht-boomen, op de akkers golft liet hooge, veel vrucht belovende graan, en zelden zag ik zulke wonderschoone tapijten van purperen bloemen als hier in Kolosse. Van het oude Kolosse echter is bijna niets meer overig. Een paar onbeduidende ruïnen, dat is alles. De natuur is evenwel nog dezelfde als in den tijd, toen Epafras langs de besneeuwde toppen van den Kadmos, door het wijde, bloeiende dal toog, gaande onder de populieren, aan de oevers van den Lykos geplant, om in drie steden het Evangelie te prediken. Een kleinood is ons van deze gemeente bewaard gebleven, de Brief aan de Kolossensen en waarschijnlijk ook die aan Philemon. Uit deze beide brieven, door Paulus hierheen gezonden, leeren wij ook enkele gemeenteleden kennen,

276

-ocr page 303-

277

aan wie hij zijne groeten zendt: Archippus, waarschijnlijk bisschop der gemeente, uit den tweeden Brief Filernon on de diakones der gemeente, Appia (Kol. i ; 17; Fileinon 1 en 2). Mij was het, als vertoefde ik in den geest in de oude gemeente te Kolosse, toen ik hier op het graf der oude gemeente den brief des Apostels las, die hier voor het eerst werd voorgelezen, en zoo vele welbekende woorden, zooals die omtrent het dagelijksch kleed eens Christens (Kol. 3 : 12) en die over de Psalmen, welke hier eenmaal gezongen werden (Kol. 3 : 16), kwamen tot mij, als een levende groet van de eertijds zoo bloeiende, gemeente.

Eenige uren ten Westen van Kolosse lag L a o d i c e a, het tegenwoordige Eski Hissar. Het dal heeft zich hier nog meer verbreed. De schoone, met sneeuw bedekte pyramide van den ouden Kadmos, de Baba Dagh, heft zich hier 2400 M. hoog ten hemel. In de, door handel en nijverheid bloeiende, stad was ook een Christengemeente, welke zeker mocht deelen in den lof, dien Paulus omtrent de naburige stad Kolosse uitsprak (Kol. 2 : 5 — 7), toen hij schreef: ..ik verblijd mij, ziende uwe ordo-ning en de vastigheid van uw geloof.quot; Omtrent deze gemeente weten wij niet veel. Wij hooren slechts den naam van den persoon, in wiens woning de gemeente tezamen kwam en die waarschijnlijk haar bisschop was, n.1. Nymphas (Kol. -t : 15). De goede orde hield echter niet lang stand. Nauwelijks vijftien jaren later moet Johannes zich in zijne Openbaring bitter beklagen over Laodicea. De gemeente heeft een treurige vermaardheid verkregen, doordat het ernstige woord tot haar gericht werd: Gij zegt: „Ik beu rijk en verrijkt geworden en heb geensdings gebrek, en gij weet niet, dat gij zijt ellendig en jammerlijk, arm, blind en naakt. Ach! of gij koud waart of heet! Zoo dan, omdat gij lauw zijt en noch koud noch heet, zal ik u uit mijnen mond spuwen.quot; Wanneer men heden de puinhoopen van Laodicea aanschouwt, welke niets meer zijn dan een huiveringwekkende, verwarde massa steenen, waaruit

-ocr page 304-

278

blijkt, dat de stad tot op den grond toe verwoest is, dan begrijpen wij op hoe ontzettende wijze het dreigende gericht in vervulling is getreden. (De overblijfselen van het theather, zijn het eenige, wat nog eenigszins te herkennen is van de vernietigde en vergeten stad.

De derde gemeente. Hi erapol is, het tegenwoordige Tambuk Kalessi, lag op een terras, dat zich uitstrekte op eene hoogte boven het Lykosdal, hetwelk hier twee uren breed is. Hierapolis was te dien tijde een nog jonge, zich snel ontwikkelende stad. Door hare fabrieken van wollen stoffen, tapijten en lederwerk vormde zij het middelpunt van den handel in G-root-Frygië. In de omgeving van Hierapolis ontspringen verscheiden warme bronnen, welke, tot een stroom samenvloeiend, zich bruisend van het terras in het dal van den Lykos storten. Talrijke vreemdelingen reisden hierheen om genezing te zoeken in de warme baden. Deze watervallen behooren tot het merkwaardigste, dat geheel Klein-Azië te aanschouwen geeft. De waterwerken van Versailles en Sanssoüci zijn niets, vergeleken bij deze prachtige, hoog opschuimende watervallen, welke zich van terras tot terras, trapsgewijze van de hoogte storten. Hoogst merkwaardig is het bovendien, dat zich naast deze levende watervallen een breede, versteende waterval bevindt, welke door zijn verblindend witte schoonheid op groeten afstand waarneembaar is. Deze waterval ontstond langzamerhand uit de bezinking van de kalkdeelen, welke zich bevonden in de, voor eeuwen vloeiende, waterstroomen. Wonderschoon en indrukwekkend is het gezicht, dat deze val oplevert. Aan een verstijfden stroom gelijk, welke door een machtwoord plotseling in zijn loop gestuit werd, zijn deze golvende, verblindend witte kalkmassa\'s aan hare plaats gekluisterd, onder de gloeiende stralen der zon.

De gemeente, te beschouwen als een zustergemeente van die te Efeze, heeft ook later in de geschiedenis een eer vollen naam behouden. Papias, die slechts weinige jaren later daar bisschop

-ocr page 305-

IN DE JAREN 54 EN 55.

was, heeft er zich met de grootste vlijt op toegelegd, de woorden des Heeren te verzamelen, welke hij uit den mond dei-jongeren, die den Heer persoonlijk gekend hadden, hoorde. Een zijner opvolgers, Claudius Apollinaris, heeft ten tijde der Christenvervolgingen, Keizer Marcus Aurelius een beroemde apologie van het Christendom ter hand gesteld.

Boven op het terras, waar het bezinksel der warme bronnen een groot deel der oude stad bedekt heeft met een schitterend, sneeuwwit lijkkleed, hebben wij bij de ruïnen van het theater en de, eertijds beroemde, Thermen (warme baden) een heerlijk gezicht op het gebied der drie gemeenten. Ginds, in het Zuiden, heft de Kadmus zijne besneeuwde toppen in den reinen, blauwen ether. Vriendelijk groeten ons de boschrijke hoogten van Frygie. In het Westen vloeien de stroomen, de Lykos en de Meander, samen. Zwijgend rusten in het dal de puinhoopen der voormalige zustergemeenten Kolosse en Laodicea. Hoe nauw zullen deze gemeenten zich aan elkander verbonden hebben gevoeld, toen zij nog liet eenige, drievoudige gesternte waren in dit land. Met alleen zijn de brieven van den Apostel van de eene gemeente naar de andere gezonden (Kol. 4 : 16), maar boven-d\'en zal er menige zaa.k geweest zijn, welke de gemeenten onderling ten zeerste verbond (Kol. 4 : 15 en 17).

De invloed van Paulus\' werkzaamheid in Efeze strekte zich echter nog verder uit dan tot in het dal van den Lykos. In de Handelingen vinden we daaromtrent echter even weinig opgeteekend als over de gemeenten te Kolosse, Laodicea en Hierapolis. Dat Paulus evenwel, hetzij middellijk of onmiddellijk, nog andere gemeenten gesticht heeft in verschillende deelen van westelijk Klein-Azië, daarvan levert ons het Boek dei-Openbaringen van Johannes een onomstootelijk bewijs. Dit boek werd ongeveer tien jaar na het vertrek van Paulus geschreven en bevat zeven Zendbrieven aan de gemeenten in Klein-Aziö. Toen het Boek der Openbaringen geschreven werd, dus nauwelijks 10 tot 15 jaren na het verblijf van Paulus, bestonden, behalve

279

-ocr page 306-

280

in do reeds genoemde steden, ook bloeiende gemeenten in Sardas, Smyrna, Pergamus, Thyatira en Filadelphia. In het oog van Pauhis stralen deze gemeenten als de lichten op een zevenarmigen luchter geplaatst, wier helder schijnsel de wereld steeds meerder verlicht. Is het dus te verwonderen, dat Paulus in zijne brieven naar Klein-Azië, een vreugdevollen, jubelendon toon doet hooren, als hij gedenkt aan de gezegende gemeenten, die in het rond bloeien? Voor de zichtbare, zoowel als voor de onzichtbare wereld zijn deze gemeenten hem voortdurend tot een openbaring van de veelvuldige wijsheid Gods (Efez. 3 : 8 en volg.). Hij roemt er in, dat het Evangelie is doorgedrongen tot de (jcheek werdiJ, tot alle kreaturen (Kol. 1 : 23).

Zeker is het, dat gedurende Paulus\' verblijf te Eteze^ do geheele provincie Azie overdekt werd door een, steeds dichter wordend, net van gemeenten. Het is waar, dat daaromtrent geen bepaald bericht voorkomt in de Handelingen, doch zulks is duidelijk af te leiden uit hetgeen daarin naderhand beschreven wordt. Na korten tijd namelijk maken we kennis met een aanzienlijke gemeente in het, ons reeds bekende, Troas, in het noordelijk deel der provincie gelegen, en . deze gemeente is blijkbaar niet gesticht, toen Paulus voor het eerst die stad bezocht (Hand. 1(5 ; 8). Wie daar hoofdzakelijk gepredikt heeft, Paulus zelf of Lukas, die misschien uit die stad geboortig was, of een der andere medearbeiders, weten wij niet. In elk geval was Troas van Efezo uit genjakkelijk te bereiken, daar velo schepen geregeld van de eene stad naar de andere voeren. Dat Paulus later, in het jaar 57, eenigen tijd daar vertoefd en gepredikt heeft, vernemen wij toevallig uit een opmerking in den tweeden Brief aan de Korinthiërs (2 Kor. 2: 12). En op de laatste reis treffen wij den Apostel weder aan in zijn geliefd Troas, gelegen aan den voet van den besneeuwden berg Ida. Tot een laatste samenkomst is de gemeente onder den blauwen lente-hemel, het was in Maart van het jaar 59, op het platte dak bijeen. De nachtelijke stilte wordt verbroken door het

-ocr page 307-

IN DE JAREN 55 EN 56,

ruischen der zee, welke hare golven over het strand doet rollen. Beschenen door den rossen gloed der fakkels, staat do gemeente dicht aaneengesloten, op het terras. Do Apostel zet zijne prediking voort tot diep in den nacht, als wist hij, dat hij zulks nooit meer zou kunnen doen ten aanhoore van zijne geliefde Trojanen; eindelijk verbleekt het licht der sterren, en kondigt een purperen schijn aan den oostelijken hemel achter het Ida-gebergte, het aanbreken van den dag aan (Hand. 20 ; 7 enz.). En als hij ten laatste afscheid neemt, laat hij het schip de reis voortzetten en legt zelf te voet, in zes tot zeven uur den afstand af tusschen Troas en Assos, waarschijnlijk met het doel, om de een of andere gemeente op liet platte land gelegen, nog eenmaal te bezoeken.

Zoo kon dan Paulus, na verscheiden jaren in Efeze gearbeid te hebben, terugzien op een rijken oogst. Hoe schoon „liepquot; hot woord Gods. Voor twintig jaren bestond nog geen enkele Christengemeente op de aarde, behalve die der weinige, schuchtere jongeren onder het kruis. Nu ziet hij in het geheele Morgenland een bloeiende kerk. De verschillende gewesten, waar hij gearbeid heeft, vormen een aaneengesloten keten. Naast de kerk van Palestina verheft zich die van Syrië; aan deze sluit zich de Cilicische, welke wederom reikt tot de Galatische. Op deze volgt de Frygische, daarna komt die van westelijk Klein-Azië, welke op hare beurt de hand reikt aan die van Macedonië en Griekenland.

Zoo mag dus Paulus spoedig zijn roeping ten opzichte van Efeze, als vervuld beschouwen. De Apostolische boden komen en gaan door do poorten van Efeze en onderhouden alzoo voortdurend den band met hun geestelijken leidsman. Wanneer de gemeente bijeen is in de vergaderzaal van Tyrannus, dan komen telkens nieuwe berichten tot haar, omtrent den strijd en de overwinning der omliggende zuster-gemeenten. Peeds staat de kerk zoo hecht op hare grondslagen, dat slechts eenige tientallen jaren later de Stadhouder van Bithynië voor het

281

-ocr page 308-

IN DE PROVINCIE.

eerst te vergeefs tracht door terechtstellingen de wereld schrik in te boezemen voor Christus, en hij er zich in een bewaard-gebleven bericht aan keizer Trajanus, over beklaagt, dat bijna geheel Klein-Azië tot het Christendom dreigt over te gaan.

Wij zouden bewijzen den Apostel nog zeer slecht te kennen, indien wij betwijfelden, dat dit alles hem tot heengaan drong. Hoe meer de gemeenten in bloei toenamen, hoe aangenamer, naar het uiterlijke tenminste, liet blijven mocht zijn, des te meer gevoelde hij zich getrokken naar den vreemde. Zijn opdracht omsloot alle volkeren. Zijn weg liep door „de geheele wereld.quot; Hij gevoelde zich de schuldenaar van alle overige volkeren, en daarom kon hij niet rusten aleer hij zijne schuld had afbetaald (Kom. 1 : 14). Wanneer hij daarom in dezen tijd van rijken voorspoed, op de hoogten van den Pion of den Koressus staande, nederblikte op het woud van masten in de haven Panormus, dan ontwaakte menigmaal in zijn gemoed de oude lust tot reizen, de begeerte om naar het Westen te trekken. Efeze had hem eigenlijk niet meer noodig; de gemeenten konden nu op eigen krachten steunen. Bovendien was er nog iets, dat hem tot spoed maande. Reeds telde hij bijna zestig jaren; hij wist niet, hoevele hem nog restten. Daarom moest hij zonder verwijl de opdracht zijns Konings ten uitvoer brengen.

282

-ocr page 309-

DE STRIJD OM HET APOSTELSCHAP.

In Efeze had de Apostel ook zijne dagen van moeite en strijd. Juist in den tijd, toen hij zijn arbeid gekroond zag dooide schoonste vruchten, ging hij gebukt onder de grootste zorgen. Niet zonder reden stond in zijn oproeping: „Ik zal hem toonen, hoeveel hij lijden moet om mijns naams wil.quot; Opdat dit uitverkoren werktuig, dit zwaard niet zou roesten, oordeelde God het noodig, den strijd niet te doen ophouden. Juist van uit Efeze schrijft hij aan zijne Korinthiërs: Ons, Apostelen, heeft God het ellendigste lot beschoren, alsof wij reeds tot den dood verwezen waren. Wij zijn een schouwspel geworden, zoowel den menschen als den engelen. Tot op deze tegenwoordige ure lijden wij honger en dorst, terwijl de kleeding ontbreekt. Wij worden met vuisten geslagen en hebben geen vaste woonplaats. Als arbeiders moeten wij handenarbeid verrichten. Is het niet, als verachtte óns de geheele wereld? Wij worden gescholden en wij zegenen; wij worden vervolgd en wij verdragen; wij worden gelasterd en wij bidden; wij zijn geworden als uitvaagsel der wereld, dat men zoo ver mogelijk van zich werpt, men verjaagt ons uit iedere stadquot; (1 Kor. 4 : 9—13). Dat zijn woorden, door Paulus nedergeschreven in Efeze. Hoe toonen zij ons een leven vol ontbering, kommer en gebrek, temidden Van

-ocr page 310-

284

glans en overvloed! Hoe machtig ook de invloed van zijn arbeid was, hij zelf verkeerde in treurigen, benarden toestand. Zoo deze tijd zijns levens ook al bestraald werd door een zekere heerlijkheid, dan was het de hemelsche heerlijkheid van zijn verheven ambt, een heerlijkheid, welke het nietig omhulsel deed stralen, gelijk hij zelf zegt, schooner dan eenmaal het aangezicht van Mozes lichtte, toen hij den berg Gods afdaalde (2 Kor. 3 : 18 enz.).

Doch bij al deze uitwendige moeielijkheden voegde zich nog een uiterst smartelijke ondervinding; voor het eerst ontstond in zijn eigen gemeenten een gevaarlijk verzet, dat steeds heftiger werd. Een storm deed de jonge boomen schudden en dreigde die te ontwortelen. Een arglistig vijand sloop zijne gemeenten binnen, die bijna den geheelen arbeid des Apostels scheen te zullen vernietigen. Om het gevaar in al zijn omvang te leeren kennen, moeten wij eenige jaren teruggaan.

Alvorens Paulus den arbeid in Efeze aanving, was hij, zooals wij weten, naar Jeruzalem gereisd. Het is ons bekend, hoe hij ondanks alle geesteseenheid met de Apostelen, toch te kampen had met een zeker vooroordeel der Jeruzalemsche gemeente en der daar verkeerende Apostelen, die zich nog maar niet konden losmaken van hun Jodendom. \') Paulus, de drager der grootsche gedachte, dat de kerk des Heeren niet alleen het kleine jood-sche volk maar ook alle andere natiën der wereld moest om vatten, had het niet dan men groote moeite zoover kunnen brengen, dat de Christenen van andere nationaliteit volkomen gelijk gesteld werden met de Christenen uit de Joden. Ten bewijze van instemming had men elkander de broederhand gereikt (Gal. 2 : \'.Ij. Men had, om alle geschil uit don weg te ruimen, in vrede het arbeidsveld verdeeld; Petrus en de andere Apostelen zouden arbeiden onder de Joden, terwijl Paulus tot de Heidenen zou gaan. Doch niettegenstaande deze minnelijke

\') Ter oplielclcring vcrwyzon wjj naar lictguon vormuld wordt in het liuul\'dstuls-..Hot coiicilic der Apostelen/\'

-ocr page 311-

IN HKT -TAAI? 55.

scliikking was liet oude geschilpunt nog menigmaal aan den dag gekomen. Even voor het vertrek van Panlus naar Efoze, had hij in Antioelhë ten aanhoore der gemeente met Petrus een heftig twistgesprek gevoerd. Daar waren namelijk verscheiden vertegenwoordigers van de enghartige joodsche partij uit Jeruzalem aangekomen, en deze haddon steun gezocht bij Jakobus. Zij gingen echter nog zoozeer gebukt onder den oud-joodse hen hoogmoed, dat zij niet met de andere Christenen in Antiochië aan één tafel wilden zitten. Daardoor zouden zij zich immers verontreinigd hebben! Petrus, die zulks voor hun komst, tengevolge van het besluit, op het concilie der Apostelen genomen, zonder eenige bedenking gedaan had, was zwak genoeg, zich plotseling terug te trekken van de Christenen uit de Heidenen, teneinde aan de verbolgenheid der Jeruzalemmers te ontkomen. Zelfs Barnabas, de oude vriend, ging mede. Paulus was ten hoogste vertoornd over deze dubbelzinnige handelwijze. Al ware het een engel uit den hemel geweest, zoo zou hij zich toch tegen hem verzet hebben (Gal. 1 : 8). In het midden der gemeente onderhield hij zijn vriend Petrus op besliste wijze en behoedde daardoor, zooals reeds eenmaal het geval geweest was, geheel alleen de vrijheid des Evangelies voor het geweld, haar door joodsche enghartigheid aangedaan.

Men kan zich voorstellen, dat door zulk een persoonlijke uiteenzetting van gevoelens, de strijd niet voor goed afgedaan was; integendeel, de joodsche partij was slechts te meer tot verzet geneigd. Daardoor vormden zich twee richtingen in de oorspronkelijke kerk, welke op dezelfde wijze tegenover elkander stonden, als de Protestantsche kerk tegenover de Rooinsche. De eene richting, de Evangelische, stond onder leiding van Paulus, die de poorten der kerk voor alle natiën gelijkelijk opende; de andere was de Joodsche, welke, zich houdende aan de enge grenzen van het alleen zaligmakende Sion, verlangde, dat de andere volkeren eerst Joden zouden worden, zoo zij deel aan Christus wilden hebben. Het ontbrak Jeruzalem, dat door den, steeds

285

-ocr page 312-

DE STRLJD OM HET APOSTELSCHAP.

sterker wordenden, partijhaat, de beslissende breuk slechts verhaastte aan den frisschen, vrijen stroom, dien Paulus, in de zich heerlijk ontwikkelende gemeenten van Klein-Azië, Macedonië en Griekenland overal waarnam. Weliswaar zorgden de Apostelen er voor, dat de scheiding niet van blij venden aard word, door den Heiden-apostel te houden binnen hun broederkring, doch, zooals gewoonlijk het geval is, werd ook hier datgene, wat du meesters met mate gedaan hadden, door de leerlingen en opvolgers hooger opgevoerd en overdreven. Hetgeen den Apostelen te Jeruzalem eenigen tijd als gewenscht was voorgekomen, dat werd door die Christenen uit de, daar bestaande, gemeente, die ook na den doop den joodschen hoogmoed niet hadden laten varen (Hand. 15 : 5), als devies in hun vaandel geschreven. De Pharizeeuwsche droom, dat de Jood van Gods- en rechtswege geroepen was om te heerschen over allo andere volkeren der aarde, spookte hun nog steeds door het hoofd. Christenen uit andere volkeren gelijk te stellen met hen, vóór deze door besnijding en ceremoniën, geheel en al Jood waren geworden, was in hun oog een gruwel. De voorstander van deze zoo gehate leer was Paulus, de man, die zoo krachtig en zoo zeker op zijn doel afging. Daarom moesten zij zich tegen hem verzetten; zij lieten zich als het ware medevoeren dooiden haat tegen zijn persoon. Hoe durfde hij zich vermeten, dei-tot nu toe zoo vreedzame kerk nieuwe regelen te stellen? Wat gaf hem bovendien het recht zich een Apostel te noemen? Had hij ook met den Heer door Galilea gewandeld? Had hij Hem zelfs wel ooit gezien of gehoord ? Bovendien, waartoe was er nog een dertiende Apostel noodig? Zoo hij een Apostel kon zijn, waarom zij dan niet evenzeer? Hadden zij den Heer niet persoonlijk gekend, en behoorden zij niet tot de gemeente door den Hoer zelf gesticht?

Al naar mate de berichten omtrent het ontstaan van nieuwe gemeenten onder de Heidenen, talrijker werden, des te gevaarlijker werd Paulus in hun oog. Ook de Joden-gemeenten in

286

-ocr page 313-

IN HET .TAAR 54.

andere landen, in Galatië, Thessalonica, Korlnthe en Efeze lieten weten, dat Pan lus overal onversaagd optrad tegen het Jodendom, dat hij daaraan afbreuk deed, de gemeente der synagoge verstoorde en een Hoiden-kerk in het leven riep, waarin ieder kon worden opgenomen, zonder dat ook maar eenigermate rekening werd gehouden ;net de joodsche inzettingen.

Tegen deze, naar hun inzicht, verderfelijke en alles omver werpende dwalingen besloten zij zich onverbiddelijk te verzetten. Zoodanige stelregelen mochten in de kerk niet geduld worden. Zij mochten niet toestaan, dat de bodem, waarop het oude, eerwaardige Israël stond, ondermijnd werd. En zoo begon van nu af voor Paulus een tijd, zeer rijk aan smartelijke ervaringen, een kamp, met groote bitterheid gestreden, met boosaardigheid overgebracht in elk zijner gemeenten. Van nu af moest hij op ieder arbeidsveld twee vijanden het hoofd bieden; hij moest optreden tegen de vijanden van het Christendom in \'t algemeen, en te velde trekken tegen een zending, wier bedoeling bijna even vijandig was en welke zich niet ontzag ingang te zoeken door de laagste middelen, door persoonlijke verdachtmaking. Het was een kamp, die de vreugde over de meest geliefde gemeenten dreigde te vergallen, doordat eenige malen de band verbroken werd, welke hem met haar verbond, een strijd, welke de bitterste vervolgingen, een gevangenschap voor jaren na zich sleepte, welke zijn hart met leed vervulde en in den grond zijn dood veroorzaakt heeft.

Men moet wel in het oog houden, dat de Apostelen te Jeruzalem volstrekt geen deel hadden aan deze vijandelijkheden. Er zijn bewijzen genoeg, die hun broederzin omtrent Paulus staven. Evenmin moeten wij gelooven, dat de geheele gemeente in Jeruzalem dergelijk optreden billijkte. Waren de meest getrouwe helpers van Paulus: Barnabas en Silas, niet juist leden van deze gemeente? Een paar heethoofden evenwel, konden onheil genoeg stichten, indien zij invloed en talent bezaten. Het was te allen tijde een gemakkelijke taak, onkruid te zaaien in den

287

-ocr page 314-

DE STRIJD OM HET APOSTELSCHAP.

akker Gods. Het was te voorzien, dat, waar zoovele kerken gebouwd werden, de duivel niet zou rusten, aleer hij zijne kapellen daarnaast zag verrijzen, niet meer in den vorm van een Aphrodité-tempol, — deze bracht de gemeenten niet meer in gevaar — doch in de gedaante van een kerk van Christus, welkt! den mensch misleidde omtrent liet hoogste en beste goed, n.l. omtrent het kruis des Heeren en Zijne éénige macht tot verlossing en redding.

Roods gedurende het laatste bezoek aan Jeruzalem moet de Apostel ongetwijfeld bemerkt hebben, welke geest heerschte in den wijden kring der Christengemeente. Hier kondon mannen optreden, die in scherpe tegenstelling met den Heer Jezus, het meeste gewicht hechtten aan het houden der joodsche inzettingen, die meenden, dat de volkeren, welke zich tot Christus bekeerden. de dragers zouden worden van hun geloof aan eene algemeene, joodsche natie. Het kan hem niet ontgaan zijn, dat menigeen de berichten over de. in bloei toenemende, kerk onder de Heidenen, tijdingen, welke hij vol blijdschap naar Jeruzalem bracht, met onverholen misnoegen hoorde, omdat men daarin niet zag een verwezenlijking, maar een verstoring van het ideaal, het oprichten oener wereldomvattende, joodsche kerk. Onder deze indrukken was hij naar Antiochië gereisd, waar een vrijer, ruimer geest heerschte. Hier trof hij trouwe, oude vrienden, benevens Petrus en Barnabas, en allen verheugden zich met hem over den gezegen den voortgang van het Evangelie, dat zelfs tot in Giiekenland was doorgedrongen. Doch als een alsom-droppel viel in den gevulden vreugdebeker liet noodzakelijk optreden tegen de gezanten uit Jeruzalem, tegen wies zelfs Petrus en Barnabas zich niet durfden verzetten (Gal. 2 : 13). -Waarschijnlijk ontving hij reeds daar, gedurende hot verblijf, dat reeds aangegroeid was tot eenige maanden (Hand. 18:23), het eerste bericht omtrent de stappen door zijne tegenstanders genomen. Zij volgden dezelfde methode, waarvan de Roomsch-Katholieke zending ook nu nog zoo menigmaal tegenover de Evangelische

-ocr page 315-

IN HET JAAR 54.

gebruik maakt; deze iaat het aan de evangelische zendelingen over de eerste, groote moeilijkheden dikwijls met levensgevaar te overwinnen, om dan, wanneer het grootste gevaar voorbij is, hare boden naar de jonge gemeenten te zenden en deze te leeren, dat zij een valsch Evangelie bezitten en dat zij slechts door de alleen-zaligmakende kerk zalig kunnen worden. Dezen weg sloegen ook de tegenstanders van Paulus in. Zij schenen zich zelfs den titel van Apostel aangematigd te hebben, teneinde met meer nadruk te kunnen optreden, Paulus noemt ze de „valsche Apostelenquot; of spottenderwijs „de hooge Apostelenquot; (2 Kor. 11 : -5 en 13; 12 : 11). Kwamen zij niet uit het heilige Jeruzalem, en waren zij daarom niet\'veel meer dan hij! Zij zonden brieven (2 Kor. 8 : 1), afgevaardigden, ja, zij kwamen zelf. Zij maakten de goede bewoners van Galatië bevreesd, door te zeggen, dat hun Christendom zonder de besnijding waardeloos was. Zij maakten Paulus in Griekenland verdacht, door aan te voeren, dat deze slechts uit aanmatiging of met zelfzuchtige bedoelingen het Evangelie gepredikt had. Met spoed, in liet verborgen en ijverig schenen zij hun tegenzending voort te zetten (Gal. 1:7). Het opzienbarende gesprek in Antiochië tusschen Petrus en Paulus, was voor hen slechts olie in het vuur. De invloed van Paulus moest gebroken worden, teneinde de, naar hun meening, alleen-ware kerk te redden.

Deze dingen kwamen den Apostel natuurlijk ter oore. Dat was misschien de reden, waarom hij niet rechtstreeks, zooals afgesproken was, naar Efeze reisde, maar ondanks den langen duur eener reis over land, eerst naar het, in gevaar verkeerende, Galatië trok, om zijne gemeenten te waarschuwen. Hij volgde den ons bekenden weg over de hooge passen van den Taurus naar Galatië en Frygië, Daar „versterkte hij de gemeenten.quot; evenals hij deze reeds op zijn laatste bezoek, voor drie jaren had trachten te wapenen tegen de gevaren, welke zij van de Christen-Joden hadden te verwachten (Hand, 1G : 4 en 5), En voor het oogenblik bracht het woord van den geliefden Apostel, die

19

289

-ocr page 316-

DE STRIJD OM HET APOSTELSCHAP.

elke moeilijkheid uit den weg wist te ruimen, ieder geschil tot zwijgen. Toen Paulus echter vertrokken was, vingen de tegenstanders opnieuw hun werk aan. De lichtgeloovige Galatiers, in en om Derbe, Lystre, Ikonium en A ntiochie, lieten zich weldra weder op het dwaalspoor leiden, doordat men zich beriep op de oorspronkelijke gemeente en op de twaalf Apostelen te Jeruzalem. Zij lieten zich wijs maken, dat slechts die twaalf Apostelen omgang gehad hadden met den Heer, waarom zij alles toch beter konden weten dan Paulus, en dat zij, Galatiërs, geen Christenen konden zijn, zonder dat zij zich door de besnijding geheel lieten inlijven bij het „volk Gods.quot; Paulus was eigenlijk in \'t geheel geen Apostel. Zijn Evangelie was niet anders dan een Evangelie naar den mensch, niet van goddelijken oorsprong (Gal. 1 ; 1, 11 en 12). Hij had op behendige wijze afgeluisterd van de Jeruzalemsche Apostelen, wat Christelijk geloof was, en speelde nu door toevoeging van eigen vindingen, den Apostel.

Ongeveer negen maanden na het verlaten van Galatië, dus in het begin van het jaar 55, moet de Apostel in Efeze het bericht ontvangen hebben van de jongste gebeurtenissen. De tijding vervulde hem met smart en verontwaardiging. Hijzelf kon in geen geval op reis gaan, doch terstond, nog geheel onder den indruk van het gehoorde, zette hij zich neder en schreef, zonder ook slechts eenmaal op te houden, in kernachtige woorden, den Brief aan de Galatiërs. Uit dezen brief spreekt zoo geheel en al, op zoo eigenaardige en kenmerkende wijze de persoonlijkheid des Apostels, dat deze van oudsher beschouwd is, als de parel der dertien Paulinische brieven. Hoe indrukwekkend is reeds de inleiding, waarin hij, zich zijner zaak volkomen zeker, van zijne roeping spreekt als onmiddellijk van God komend, waarin hij, de banier des Apostelschaps omhoog houdend, zich doet kennen als een Apostel naar de genade Clods en niet der menschen. Hoe toornig werpt hij iederen verkondiger eener andere leer een steen in den weg, welke dezen moet verpletteren, wanneer hij tot tweemaal toe herhaalt; „Zoo

290

-ocr page 317-

IN HET JAAR 55.

291

iemand, al ware hij een engel uit den hemel, u een F] vangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt !quot;

„Het verwondert mjj,quot; zou spreekt hij, dadelijk na don groet aan de kerk van Galatië, „dat gy u zoo spoedig tot een ander Evangelie hebt laten verleiden en n afgekeerd hebt van dengene, die u in de genade van Jezus Christus geroepen heeft. Een ander Evangelie zoudt gü u laten opdringen ? O, gü uitzinnige Galaten! quot;Wie heeft u betooverd, dat g;j der waarheid niet zoudt gehoorzaam ztjn ? Was u Christus niet zoo duidelyk voor de oogen geschilderd, alsof Hij bij u in Galatië voor uwe oogen ware gekruisigd? Slechts dit eene z\'»u ik gaarne willen weten: Zijn het de joodsche inzettingen geweest, waardoor gij den Heiligen Geest hebt ontvangen, of was het mijne prediking van het geloof in den Gekruisigde? In den geest zijt gij begonnen, wilt gij nu voleindigen in het vleesch? In de kerk dos Heeren is elk verschil van nationaliteit en stand vervallen! Hetzij men Jood of Griek, slaaf of vrije is, voor God is ieder gelijk! Weet gij niet meer, hoe ik eertijds als een kranke tot u kwam 1) en onder u predikte? Toen hebt gij mij opgenomen, als ware ik een engel Gods. Hoe gelukkig gevoeldet gij u toen! Ik geef ii getuigenis, dat gij uwe oogen uitgegraven en mij gegeven zoudt hebben. En nu? Ben ik dan plotseling uw vijand geworden? Ach, hun ijveren voor u komt niet voort uit goede bron! Zij zijn naijverig oj» mij! Zij willen u van mü afvallig maken, opdat gij hen zoudt volgen. Mijne kinderkous, die ik wederom arbeide te baren, tol dat Christus een gest al te in u k rij go, — ach, ik wilde, dat ik nu tegenwoordig bij u ware en anders tot u kon spreken! Heb ik mij zoo in u bedrogen? Het Juk dor dienstbaarheid wil men u wederom opleggen. Doch ik zog u, ik, de Apostel Paulus: Wie van u zich laat besnijden, dien is Christus niet nut! Gij waart op deii goeden wog. gij liept wel. Wie heeft u verhinderd der waarheid gehoorzaam te zijn? Toch vertrouw ik van u, dat gij tot den rechteb weg zult wederkeeren. De geheele verantwoordelijkheid voor de verwarring en beroering der gemeente zal nederdalen op het hoofd der zelfzuchtige verleiders. Tot de vrijheid, tot de vrijheid zijt gü geroepen, myne broeders! Zy willen u slechts tot hunne navolgers maken, opdat zij zich zouden kunnen beroemen, de ware stichters der kerk van Galatië te wezen. Mij is het niet te doen om zoodanigen lof. Mij is het om u te doen. Het zij verre van mü, dat ik mij zou beroemen. De eenige roem, welke mij begeerlijk voorkomt, is het kruis van Jezus Christus, door hetwelk my de wereld en haar roem gekruisigd is en ik der wereld. Over degenen, die alzoo met my oordeelen, zy vrede en barmhartigheid, evenals over het Israël Gods, het ware volk Gods, dat do wet van Israël niet van noode heeft. Tot de anderen evenwel zeg ik: verder doe my niemand mooite aan, want ik draag de

O Paulus denkt hier zeker in het byzonder aan de gemeente van Derbe, waar hy, daags na de steeniging te Lystre, uiterst krank en zwak aankwam.

-ocr page 318-

292

litteekonen des Heoreii Jezus in myn lichaam. 1) De genade van onzen Heer Jezus Christus zij met uwen geest, broeders! Amen.quot;

Dit is in korte trekken de gedachtengang van den indruk-wekkenden Zendbrief aan de Galatische gemeenten, welke eertijds door de Magnesische poort van Efeze en verder door het dal van den Meander naar Galatië gestuurd werd. Het was een der brieven van den Apostel, welke nog van het hoogste gewicht zijn in dagen, lang na den tijd, waarop zij geschreven werden. Deze brief was bestemd, om vele eeuwen na Paulus\' dood, in den tijd der Hervorming, als uit liet graf te verrijzen en door zijn gespierde taal en aangrijpende woorden, als door het geluid der bazuin, het slapende geweten wakker te schudden van de Christenheid, die opnieuw gevangen gehouden werd in het net van inensclielijke inzettingen; een brief ook, welke tot vreugde aller volkeren, aan het, hun knechtende, Rome als met den donder des gerichts de prediking deed hooren van de vrijheid des Christens. Ook toen beantwoordde de brief aan zijne bestemming. En mocht ook al niet op eenmaal het einde van den strijd gekomen zijn, zoo weten wij toch uit de kerkgeschiedenis, dat op don duur de grondstellingen van den Galaterbrief gezegevierd hebben. De Jood-Christenen, die eigenlijk slechts bestaanbaar waren in hot oude Jeruzalem, trokken zich, nadat hun heilige stad 15 jaren later verwoest was, naai\' het oostelijk deel van het land aan den Jordaan gelegen, terug, waar zij onder den naam Ebionieten steeds dieper zonken door hun treurige enghartigheid.

Doch de vijanden vielen nog een ander, uitgestrekt deel van Paulus\' arbeidsveld binnen. Zij vertoonden zich ook in Griekenland, en voornamelijk in de belangrijkste stad des lands, in Korinthe. In Jeruzalem had men ook gehoord van de gemeente

1

) Waarschynlijk worden hier bedoeld du litteekenen, gekregen tijdens de werkzaamheid onder du Galatiërs, toen hij in Lystre gesteeuigd en voor dood opge-nomen werd.

-ocr page 319-

IN HET JAAR 5fi.

298

op den Isthmus, welke zich zoo schoon ontwikkelde. Zoo landden dan, wellicht een of twee jaar na het vertrek van Paulns. de afgezanten der Jood-Christenen in de Saronische golf, teneinde ook daar hun hatelijk werk te beginnen. Hun woorden vonden des te spoediger ingang, daar de gemeente niet meer zoo standvastig was, als in den tijd, toen Paulus haar verliet. Apollos was intusschen van Efeze overgekomen en had met goedvinden van Paulus, hier een tijd lang gepredikt. Velen voelden zich veel meer aangetrokken tot diens groote redenaarstalenten en de Attische sierlijkheid zijner taal, dan tot de kernachtige, diep aangrijpende prediking van Paulus. Op deze gemeenteleden had Apollos nog eenigen invloed, terwijl Paulus voor hen alle gewicht verloren had (1 Kor. 1 : 10 13). Daarbij kwamen nu ook nog de Jood-Christenen in de stad. Zij noemden den Apostel een aanmatigend man. Hij had immers den Heer in het geheel niet gekend, en wist hij bovendien niet, dat hij niet gelijk stond met de andere Apostelen! Daarom juist had hij het niet gewaagd, evenals de overige Apostelen, aanspraak te maken op een bezoldiging van de gemeente (1 Kor. i) : 1 — 12). Ja, zij achtten zich niet te hoog, om de laagste lasterpraatjes omtrent Paulus uit te strooien, als ware het hem ten slotte toch slechts te doen geweest om het geld der gemeente (2 Kor. 12 : 16 18). Hoe onmogelijk het ons ook moge schijnen, toch moeten wij er ons niet te zeer over verwonderen, dat deze onzinnige gedachten ingang vonden in Korinthe; de wereld hecht steeds veel eerder geloof aan het kwade dan aan het goede. Weest daarom getroost, gij arbeiders der üitwendige-en Inwendige Zending, wien men, ondanks de groote trouw aan uwe zaak, niets dan eigenbaat en zelfzucht ten laste legt; — zelfs de Apostel Paulus heeft zulks moeten ondervinden. En niet alleen werd diens persoon, doch ook diens leer verdacht gemaakt. Wat voor eene leer was het, die den kruisdood var. den Messias het heil der wereld noemde (1 Kor. 1 : 28)! Was eenmaal het gebouw des Christelijken geloofs op één punt aan

-ocr page 320-

DE STRIJD OM HET APOSTELSCHAP.

het ■wankelen gebracht, dan ontzag men zich niet ook andere punten aan te tasten. Menigeen verklaarde nu reeds, dat de opstanding slechts geestelijk geschied was (1 Kor. 15 ; 12 enz.).

Door dit alles geraakte de gemeente, welke Paulus voor drie jaren in zulk een goeden staat had achtergelaten, in oen toestand van grenzenlooze verwarring. Weldra stonden vier partijen tegenoA\'er elkander. De eene sloot zich bij de Jood-Christenen aan, en beriep zich — zeer ten onrechte - op Petrus. Do andere ijverde voor Apollos. De derde noemde zich naar Paulus; de vierde erkende Christus als haar hoofd. Is het wonder, dat bij zoodanig wankelen der fondamenten en hut wijken van de geesteseenheid, ook het zedelijk peil van loven en wandel daalde. Over de beruchte zonden van Korinthe, de stad van Aphrodité, oefende men slechts op zeer gematigde wijze tucht uit (1 Kor. (5 : 9—20). Een hoogst ergerlijk geval van bloedschande kwam b. v. bij een der gemeenteleden voor, en deze persoon werd niet uitgestooten (1 Kor. 5 : 1 enz). Wanordelijkheden, zelfs dronkenschap, hadden plaats, wanneer men bijeen was voor den liefdemaaltijd of het Avondmaal (1 Kor. 11 : 20—22). Wanneer het gold, bewijs te leveren van het bezit van den Geest, iets, waarop men zich veel liet voorstaan, en men b. v. in een vreemde taal sprak, dan ontstond menigmaal een woest door-elkander-spreken, zoodat de gemeente niets verstond. Zelfs vrouwen namen aan deze redevoeringen deel (1 Kor. 14 : 9—11, 23 : 27-34).

Een tijd lang trachtte men Paulus en eenige anderen, die belang stelden in den gang van zaken, zooals den vroegeren rentmeester van Korinthe, Erastus, die met Paulus in Efeze was, van dit alles onkundig te laten. Ten laatste evenwel moest hem tijding gezonden worden. Het was kort voor Paschen, dus ongeveer in April van het jaar 57, even vóór den tijd, dat Paulus Efeze dacht te verlaten (1 Kor. 5 : 7 Pascha — 1 Kor. 16 : 8 — Pinksteren). Door tusschenkomst van degenen, die tot het huis van Chloë behoorden, en die naar Efeze reisden,

294

-ocr page 321-

IN HET J4AR 57.

zonden de getrouwen, waarschijnlijk onder leiding van Crispus en Stephanas (1 Kor. 18 : 15 en 16) een brief, waarin de gan-sche, jammerlijke toestand der gemeente voor den Apostel werd bloot, gelegd. Hoe smartelijk Paulus aangedaan werd door deze jobstijdingen uit Korinthe, laat zich denken. Toorn maakte zich van hem meester bij de gedachte aan de leugenapostelen, die ook -daar waren binnengedrongen, teneinde de bloeiende gaarde zijner Korinthische gemeente te verwoesten. Hij greep naar de wapenen, om zich te verzetten tegen de lage schelmstukken zijner vijanden. En ook ditmaal moest de pen hem dienen als wapen.

Drie brieven, waarvan de eerste te Efeze geschreven werd, heeft hij over deze aangelegenheden naar Korinthe gezonden. Hij vatte het plan op en vermeldde zulks ook, persoonlijk de zee over te steken en te verschijnen op het oorlogstooneel. Van den éenen brief, die verloren gegaan is (2 Kor. 1 :15) \'), bezitten wij slechts eenige aanwijzigingen.

Do persoonlijke aantijgingen wees Paulus met edelen trots af. „Honger en dorst heb ik bij u geleden,quot; roept hij hun toe, ilie laaghartig genoeg geweest waren om het oor te leenen aan de verdachtmaking, als had hij getracht zichzelf te verrijken. Waar het echter zijn leer en de binnengeslopen zonden betreft, daar treedt hij voor zijn gemeente op in de volle kracht zijner apostolische bediening en zijner macht; hij weerlegt de niets-beduidende beweringen der tegenstanders, en gebiedt orde en boetedoening ter heiliging. De geheele brief duidt evenwel nergens op persoonlijke grieven en verbittering. Hij blijft de Apostel, die op een hooger standpunt staande, de in wanorde geraakte gemeente tracht terecht te wijzen, die met zachte hand de wonde aanraakt, en die ook waar hij straft, zijne liefde laat

\') Paulus doelt hier op een gcsclireyèu mcdedeeling van zün vertrok uit Efeze naar Korinthe, In den eersten Brief aan de Korinthiërs had hij van een ander plan gesproken (1 Kor. 1H : 5 enz.). Daaruit volgt, dat lui tusschen den eersten en den tweeden Blief aan de Korinthiërs nog een anderen geschreven heeft.

295

-ocr page 322-

DE STEUn OM HET APOSTELSCHAP.

doorstralen En zoo weet hij, ondanks al het treurige, dat hem tot schrijven gedwongen heeft, in de beide bewaard gebleven brieven de weerspannige gemeente op zoodanige wijze toe te spreken, dat de Christenheid hem nog heden dank toebrengt voor deze twee paarlen van apostolische literatuur, welke te allen tijd zullen behooren tot die geschriften, waarop de Christelijke kerk steunt.

Paulus heeft inderdaad zijne Korinthische gemeente, zij het ook niet dan na heeten strijd, weder terecht gebracht. Spoedig zullen wij hem wederom aantreffen, reizende naar zijne gemeenten te Achaje. Zulks bewijst ons echter, dat de Apostel, ondanks de heerlijke vruchten, welke zijn arbeid in Klein-Azië droeg, een man geweest is, dien voortdurend allerlei zorgen en moeiten drukten. Wij begrijpen, waarom hij van uit Efeze schrijft (2 Kor. 11 : 28), dat hij behalve door lichamelijke ontberingen, door moeiten en vervolgingen, dagelijks gebukt ging onder bezwaren, welke van buiten tot hem kwamen, onder zorg over al zijne gemeenten in Galatië, Klein-Azië, Macedonië en Griekenland. En zulks te meer, sedert hij wist, dat een snoode hand zich naar zijne geliefde gemeenten uitstrekte; nu drukte de zorg dikwijls met centenaarsgewicht op zijne ziel. Het is niet maar eene schoone zinswending, wanneer hij zoo menigmaal in zijne brieven voor de gemeente getuigt, dat hij zich alleen kon staande houden door toevlucht te zoeken bij den machtigen Heer der kerk, en door steeds, zonder ophouden allen te gedenken in zijne gebeden.

296

-ocr page 323-

HET Dl AN A-OPROER.

Wat stroomcn langs Efezc\'s straten dnar toch

Voor woedende kreten en menschen? Elk voorbügegaan straatje venneerdert nog

De massa en \'t woeste verwenschen Tor marktplaats dringt ze, tor schouwburg door, Daar kookt als een branding hnar golvende spoor, Eén ding slechts klinkt uit boven \'t gillende koor: „Groot, groot is de godin Diana!quot;

Ondanks al deze stormen en aanvechtingen bereikte Paulus\' arbeid als Apostel hier, in de lagunen van den Kayster, het ■hoogtepunt. Nu eens predikte hij in de vergaderzaal van Tyrannus, dan weder kwamen zijne medehelpers in zijne woning samen, teneinde met elkander te beraadslagen, of om uitgezonden te worden naar \'t een of ander deel der provincie; voorts vertoefde hij in zijn stil vertrek, brieven schrijvend aan zijne gemeenten, ja, zonder het te vermoeden, die schrijvend voor de geheele Christenheid; ook zat hij in de werkplaats aan het weefgetouw. Hij was dus inderdaad een man, van wien meer dan ooit stroomen des levenden waters uitgingen.

Niet alleen achtte men in den kring der gemeente den Apostel steeds hooger, en prezen diens medearbeiders zich

-ocr page 324-

HKT Dl A Js A-OPROER.

gelukkig, omdat zij zulk een held in het rijk van Christus mochten ter zijde staan, maar ook kwam hij steeds meer in aanzien bij de bewoners der stad. Verscheiden gebeurtenissen waren daarvan de oorzaak. Reeds menigmaal had Paulus, den naam des Heeren Jezus aanroepende, kranken genezen. Zulks baarde groot opzien, want men kan zich geen stad denken, meer toegankelijk voor wonderen dan Eteze, de geboorteplaats van bezweerders, geesten banners en too venaars. De zoodanigen lieten zich hunne goochelarijen met grof geld betalen; Paulus echter handelde naar het woord des Heeren: „Om niet hebt gij het ontvangen, geeft het ook om niet!quot; De genezingen moesten naar zijne meening slechts daartoe dienen, om der geheele wereld te toonen, dat de Jezus, die door hem zulke teekenen deed, werkelijk leefde. De Efeziërs waren nu des te meer geneigd hem te beschouwen als een wezen van hooger orde, als iemand, die meer kon dan hunne gezochte bezweerders. Dientengevolge werd hem door ieder een vereering, welke aan bijgeloof grensde, toegedragen. Men legde zelfs somtijds, natuurlijk steeds zonder voorkennis van den Apostel, diens hoofd- of zakdoek op de kranken, en, evenals dergelijke verschijnselen ook nu nog voorkomen in tijden van geestelijke overspanning, zooals b. v. bij bedevaarten, zoo werden ook toen verscheidene personen inderdaad genezen.

De duivelbezweerders van Efeze, die hun verborgen wijsheid put ten uit de E fes ia grammata, too verhoeken, welke overal bekend waren, zagen met nijd en afgunst den uitslag van het optreden huns nieuwen mededingers. Zijn wondermacht scheen te liggen in „den naam van Jezus.quot; Daarmede wilden zij het ook eens beproeven, doch zij werden door een bezetene deerlijk mishandeld. ...Jezus ken ik wel!quot; riep deze hun honend toe, ..ook ken ik Paulus, doch wie zijt gijlieden?quot; Deze gebeurtenis verwekte te meer opzien, daar de mishandelde personen in de stad zeer bekend waren. Het waren zeven zonen van een joodschen Overpriester, Skeva. Door dit voorval was zoowel het

298

-ocr page 325-

IN HET JAAK 57.

joodsche als heidensche bijgeloof openlijk geslagen, en voor ieder openbaai- geworden, dat Paulus niet door het een of ander toovermiddel, doch krachtens de, hem door den verhoogden Heer verleende, macht zijne daden volbracht. Na dergelijke gebeurtenissen zweefde de naam van Jezus op ieders tong, zoowel op die der Grieken als der Joden (Hand. 19 ; 17).

Deze voorvallen hadden echter ook ten gevolge, dat men in den omtrek alle geloof verloor in de, tot nu toe zoo hooggeschatte, kunst van waarzeggen en tooveren. Velen brachten hunne oude, geheime geschriften en tooverboeken bijeen; richtten misschien op de markt bij de haven, ten aanschouwe van de geheele stad een brandstapel op en verbrandden daarop hunne papieren en boeken. Men berekende, dat toen ter tijde de waarde der verbrande boeken 50.000 drachmen bedroeg, dat is naar ons geld ruim /quot;21.000 (Hand. 19 : 18). Het verbranden der, tot nu toe voor heilig gehouden, boeken was voor geheel Efeze een nieuw, met vlammende letters geschreven getuigenis, dat het oude heidendom door de werking van de prediking des Evangelies op zijne grondvesten begon te wankelen, terwijl het woord des Heeren in de groote stad steeds meer de overhand verkreeg (Hand. 19 : 20).

Met gerust geweten kon dus Paulus alle toebereidselen maken tot het vertrek uit Efeze en het in bezit nemen van een nieuw arbeidsveld in het verre Westen. Vooraf wilde hij echter nogmaals een rondreis maken en zijne gemeenten in Macedonië en Achaje bezoeken, teneinde de beloofde gelden in te zamelen voor de arme gemeente in Jeruzalem. Had ook al een deel der Jeruzalemmers den band tusschen hem en de oorspronkelijke gemeente trachten los te maken, zoo wilde hij dien nu juist te vaster aanhalen door het overmaken eener aanzienlijke liefdegave, afkomstig van de, zoo heftig aangevallen, kerk uit de Heidenen. Deze gave moest als het ware den ouderlingen vrede bezegelen, en daarna wilde iiij van Jeruzalem scheiden en zich van het verre Oosten wenden naar het verre Westen. Menig-

299

-ocr page 326-

300 het dta na-oproer.

maal besprak hij met zijne vrienden dit plan, hetwelk zijne ziel meer en meer bezig hield, doch steeds placht hij te besluiten met de woorden: ..Nadat ik aldaar, in Jeruzalem geweest zal zijn, moet ik ook Rome zienquot; (Hand. l\'-t : 21).

Het was waarschijnlijk in de eerste maanden van het jaar 57, dat Paulus Timotheus en den voormaligen stedelijken rentmeester Erastus, die zoo goed op de hoogte was met geldzaken, naar Macedonië en Griekenland zond, ten einde de gemeenten voor te bereiden op de te houden collecte (Hand. 19 : 22). Hij zelf wilde tegen Pinksteren volgen (1 Kor. 1(gt;: 1 8). Zoo waren dus alle toebereidselen gemaakt voor een rustig en vredig afscheid nemen van het rijk gezegende arbeidsveld. Daar stak plotseling een storm tegen den Apostel op, welke bijna het tooneel van zijn onvermoeiden en vruchtdragenden arbeid had doen verkeeren in het tooneel van zijn bloedigen martelaarsdood. De storm naderde van den kant van het Artemisium.

Het kon niet anders, of Paulus moest, in deze stad predikende, den dienst van Diana of Artemis, voor welke geheel Klein-Azië zich boog, aanroeren en scherpelijk afkeuren. Door zijne woorden, waarmede hij zich op onverschrokken wijze uitliet over de vrome vereering van een, uit hout gesneden, verguld beeld van Diana, ging voor menig dieper doordenkend persoon een licht op. Beschaafde en ontwikkelde lieden, zooals b. v. eenige Asiarchen, (d. w. z. tegenwoordige of voormalige voorzitters van den landdag der provincie of van de, in Efeze gehouden, spelen) luisterden met welgevallen naar Paulus, ook al werden zij geen Christenen. Zij verheugden er zich over, dat hij het weerzinwekkende bijgeloof des volks zoo krachtdadig bestreed.

Er waren echter ook anderen, die met toenemenden wrok het stoute plan van den Apostel gadesloegen. Natuurlijk had Paulus niet het geheele volk tot andere inzichten gebracht, ook al werd overal in de groote stad, ja zelfs in de gansche provincie over hem gesproken (Hand. l\'-i : 10 en 20). Wiens geweten niet te overtuigen was, diens verstand was, zooals gewoonlijk het

-ocr page 327-

IN HET JAAR 57.

geval is, ook niet te overtuigen. De waarzeggers en goochelaars, wien zooveel nadeel was toegebracht, behoorden zeer zeker tot zijne tegenstanders. Deze zwegen geruimen tijd, want hun ontbrak de zedelijke overtuiging, welke hen tot spreken zou gedrongen hebben. Zij toonden niet eerder hun vijandige gezindheid, dan toen hun beurs aanmerkelijk begon schade te lijden; een voorbeeld, dat de aflaathandelaars ten tijde der Hervorming navolgden. De voornaamste bron van inkomsten der goudsmeden in Kfeze, was gelegen in den verkoop van de algemeen bekende namaaksels van den tempel en van de godin Diana, welke voorwerpen zij vervaardigden. Wij kunnen eeniger-inate de grootte van Paulus\' invloed bepalen, wanneer wij hooren, dat dit, in zoo grooten getale verkochte, handelsartikel, nu, sedert\' het verblijf van Paulus, aanmerkelijk minder navraag had. Men kocht het aandenken aan Diana steeds minder, omdat men geen waarde meer hechtte aan de zoogenaamde godin. Velen, die eertijds hun geld en hunne offers uit eerbied en vroomheid naar den Diana-tempel hadden gebracht, gingen dien nu met onverschilligheid of minachting voorbij. En van dat alles was Paulus de schuld. Het is dus niet te verwonderen, dat de goudsmeden, die zich beroofd zagen van een zeer voor-deelige bron van inkomsten, steeds meer vijandig gezind werden. De eerzame meesters en gezellen in den goudsmeden-bazaar, waren natuurlijk de trouwste onderdanen der godin. Evenals voor weinige jaren de hotelhouders en amulettenhandelaars in Trier ten hoogste verstoord waren, wanneer men aan de echtheid van den ..heiligen rokquot; twijfelde, zoo gevoelden zich ook de bewoners van de wijk der goudsmeden dooiquot; de prediking van Paulus in hun heiligste gevoelens gekwetst.

Eindelijk, nadat Paulus reeds twee eu een half jaar in Efeze geweest was, brak hun toorn los. Een der voornaamste gilde-meesters riep oen algemeene vergadering der Efezische goudsmeden bijeen. Du plaats der samenkomst was waarschijnlijk de Agora, of marktplaats, welke aan dun voet van den Koressus

301

-ocr page 328-

802

lag en omgeven was door zuilengangen, openbare gebouwen en winkels. Ieder wist natunrlijk reeds, met welk doel de vergadering was bijeengeroepen. Demetrius hield de volgende rede ten aanhoore van de verzamelde ambtsbroeders:

„Vrienden en beroepsgenooten! G;j woet, dat wij, goudsmeden, niet alleen ons dageUjkscli brood, maar ook onze welvaart te danken hebben aan onzen Diana-tempel. En wat zien w;j nu in deze stad voor onze oogen gebeuren? Niet alleen hier in Efeze, neen, ook buiten de stad, in de gcheele provincie zet deze Paulus do lieden tegen do godin op, zoodat niemand onze waren meer wil koopen. Men laat hem toe, het volk van onze godin afvallig te maken en te prediken, dat onze godin in het geheel geen godin is, maar een maaksel van menschenhand. Doch hoe treurig en noodlottig zulks voor ons moge zyn, — hij bewerkt den ondergang van geheel onze nering — wat spreek ik toch van ons? Neen, het is niet om ons te doen, doch om de verheven godin zelve; de groote Diana verkeert i i gevaar I Zü is gesmaad en aangerand, haar tempel wordt als niets geacht. Dreigend nadert het gevaar, dat hare majesteit, aan welke gansch Azië en de geheole wereld godsdienst bewijst, geheel zal ondergaan en in vergetelheid geraken. En zullen we zooiets dulden?quot;

Meer behoefde Demetrius niet te zeggen. Nog voor hij gesproken had, waren de toehoorders, evenals hijzelf, op Paulus verbitterd. Het, op behendige wijze, noemen van het geldelijk voordeel en het evenzeer behendig overbrengen der zaak op godsdienstig gebied, zoodat men niet uit eigenbaat, maar uit godsdienstzin scheen te handelen, had de gewenschte uitwerking op meesters eu gezellen. Van alle kanten weerklonken luide kreten van instemming. Het vuur der dweepzucht, in vereeniging met dat van het eigenbelang, was ontstoken. Als antwoord op de rede van Demetrius, hoorde men den kreet: „Groot is de Diana der Efezeren!quot; Eerst komt de roep uit eén mond, dan neemt de buurman den wapenkreet over en weldra schreeuwt de geheele menigte: „Diana leve! Op voor de Diana der Efezeren!quot; Nu weerklinkt een oorverdoovend geschreeuw, dat doordringt tot de hooggelegen straten op den Pion en den Koressus, tot aan de haven en het Forum. Hier, waar de openbare aangelegenhedou behandeld werden, waar

-ocr page 329-

TN HET JAAR 57.

steeds iets nieuws te zien was, hier hielden zich den ganschen dag door een menigte lediggangers op. Deze, het geraas hoorend, spoeden zich naar de Agora. De geheele stad loopt leeg, zoodat de volksmenigte steeds aangroeit. Demetrius weet de volkswoede steeds hooger te doen stijgen, door verschillende woorden en uitroepen te doen hooren, misschien ook, door geheime agenten door de geheele stad te zenden. Deze Paulus, deze vreemdelingen, Aristarchus en Gajus, hebben het heiligdom der stad bespot. Diana is beleedigd en gehoond. Alles, wat Paulus vijandig is, is in korten tijd op de been en ijlt naar de Agora, waaide goudsmeden, steeds meer verwoed, luide schreeuwen, terwijl het volk met den. niet te beteugelen, kreet instemt: ..Groot is de Diana der Efezeren!quot;

Reeds hoort men de opgezweepte menigte het gevaarlijke woord uiten: „Naar het theater! naar het theater! Naar de wilde dieren!quot; Aller oogen richten zich daarheen, waar het theater met zijn machtige rijen zitbanken, voor 50000 toeschouwers berekend, tegen den Pion aan gebouwd, op de marktplaats nederblikt. Daar hebben allen reeds zoo menigmaal, dicht opeengepakt, met wreedaardig genot den strijd aanschouwd tusschen de menschen en losgelaten beesten, totdat de eersten door hunne klauwen verscheurd waren. „Naar het theater! naar het theater!quot; zoo hoorde men uit duizend keelen. De lust tot het aanschouwen van bloedige tooneelen was bij het volk gewekt. Nu was geen beteugelen meer mogelijk. Alles rent naar het theater, dat men van de marktplaats in weinige minuten kon bereiken. Men spoedt zich door de prachtige zuilengangen, welke den ingang des theaters sieren. Men verdringt elkander op de banken de steenen zitplaatsen worden ingenomen. Nu ontbreekt niets meer dan het offer. Wanneer het ontaarde volk in Rome of in de provinciën eenmaal in afwachting verkeerde van zulk een bloedig schouwspel, dan was het niet meer te bedwingen. De menigte brult als een hongerige leeuw, een offer begeerend.

803

-ocr page 330-

304 HET DIANA-OPEOER.

Van het theather en als er-.ho van de tegenoverliggende rotswanden van den Koressus hoort men in de stad den immer woester klinkenden kreet: „Groot is de Diana der Efezeren!quot; Van het hoogst gelegen deel der stad kon men waarschijnlijk de bovenste banken van het theater aan de achterzijde bereiken. Onophoudelijk stroomt een geweldige menschenmassa daarheen.

Paulus moet in de nabijheid des theaters geweest zijn. Hij hoort den kreet, welke tot in zijn werkplaats cn zijn woning dringt. Hij hoort zijn naam uitroepen. Hij begrijpt den samenhang. Snel legt hij spoel, of wat hij juist in de hand heeft, neder, werpt zijn mantel om en wil zich onder de tierende menigte begeven. Mocht hem het hart ook al angstig kloppen, hij was niet de man. die zich, wanneer gevaar dreigde, verborg, vooral niet, wanneer het gold de zaak des Evangelies te verdedigen, zij het ook tegen een woedende volksmenigte. Hij wilde zich in hun midden plaatsen, zooals hij zulks eenige jaren later deed, toen een waanzinnig-tierende menigte zich in den tempel te Jeruzalem verzameld had. Hij wil zich naar het midden van het theater begeven, teneinde uit te spreken, wat de Diana der Efezeren eigenlijk was en een veel heerlijker boodschap doen hooren, hem door Christus, van den Vader in den hemel, ter verkondiging opgedragen. In deze razende menigte ziet hij nog een gemeente, door de stormklok des oproers tezamengeroepen; ten aanhoore van de geheele stad, hier, in het geweldigste gebouw van Efeze, wil hij zich verantwoorden ter zake van het Evangelie.

De Christenen in Efeze kenden hunne medeburgers goed genoeg om te weten, dat in liet theater het oproerige volk door niets tot rede te brengen was. Daarom smeekten zij Paulus niet naar buiten te gaan; doch hij wilde zich door niets laten weerhouden. Reeds had hij vernomen, dat men zijne beide Macedonische medearbeiders. Gajus en Aristarchus, gegrepen en naar het theater gesleept had. Die wilde hij, nu zij in zulk een hachelijken toestand verkeerden, niet aan hun lot overlaten.

-ocr page 331-

IN DE LENTE VAN 57.

Daar kwamen reeds boden uit het theater aansnellen. Zij waren gezonden door de Asiarchen, de hoogst geplaatste ambtenaren, die de spelen in het theater regelden. Het was een groot geluk, dat deze in stilte op Paulus\' hand waren. Zij bezaten de sleutels van de kooien der wilde beesten, en zonder hun toestemming kon aan den wensch des volks geen uitvoering gegeven worden. De boden brachten den Apostel uit hun naam de waarschuwing, dat hij zich vooral niet in het theater moest laten zien, want anders zou hij verloren zijn. Deze waarschuwing durfde hij niet in den wind te slaan. Nu de eerste ambtenaren hem lieten weten, dat zij voor niets konden instaan, zoo hij persoonlijk in het theater verscheen, zou het meer dan overmoedig geweest zijn, zulks toch te doen. Bovendien mocht hij aannemen, dat de Asiarchen ook zijne vrienden zouden beschermen, hu zij het bewijs geleverd hadden hem niet ongenegen te zijn. Daarom liet hij zich eindelijk overhalen tot thuisblijven.

In het theater weerklonk intusschen nog steeds met dezelfde kracht de kreet, door duizend kelen aangeheven: „Groot is de Diana der Efezeren!quot; Het ging hier, zooals meestal bij volks-oploopen. De voornaamste schreeuwers, die, welke begonnen waren, wisten wat zij wilden; de overigen schreeuwden mede, zonder te weten wat zij wilden. Het eenige, wat hen aanlokte, was de mogelijkheid nog heden een bloedig schouwspel te zullen zien van vechters, gladiatoren en Numidische leeuwen. Gedurende dit algemeene, verwarde geroep trachtte een Jood, Alexander genaamd, zich gehoor te verschaffen, iets, waartoe zijne geloofsgenooten hem hadden aangespoord. Wellicht was hij van plan het volk nog meer tegen Paulus op te zetten, daalde Joden Paulus een doodelijken haat toedroegen (Hand. 20:19). Hij trad naar voren en wenkte met de hand. Toen men echter zag, dat hij een Jood was, werd hij overschreeuwd door den oorverdoovenden kreet: „Groot is de Diana der Efezeren!quot;

De overheden der stad, welke zich op het Forum bevonden, dat slechts op geringen afstand van het theater lag, hadden

20

805

-ocr page 332-

HET DTANA-OPROER.

natuurlijk terstond bemerkt, wat er gaande was. Zij wisten, dat het opgezweepte volk tot de grootste buitensporigheden in staat was. Toch schenen de overheidspersonen geheel kalm te zijn gebleven. Misschien wisten zij van de Asiarchen, dat deze er voor gezorgd hadden, dat Paulus niet in de handen van het volk kwam. Zij lieten daarom het volk de gelegenheid, zoolang te schreeuwen als het hun behaagde. Aan alles komt ten slotte een einde, en zoo zou het ook wel gaan met den lust tot het laten hooren der stem. Nadat de menigte twee volle uren geschreeuwd had, en tijger noch vechter, aanklager noch aangeklaagde kwamen opdagen, deed zich een algemeene vermoeidheid gelden.

Van dit oogenblik maakte de stadsschrijver gebruik. Hij trad op het tooneel en wenkte, dat men zou zwijgen. Nu werd alles stil. De schrijver was een verstandig man, die zijne Efeziers kende. Evenals men somtijds een ongehoorzaam kind, dat men een oogenblik tot rust wil brengen, schijnbaar gelijk geeft en het toch zijn verkeerdheid onder het oog brengt, zoo richtte hij ook met luide stern deze woorden tot het volk:

„Maiuieu van Efeze! quot;Wien is het onbekend, dat onze stad Efeze do bewaarster is van de grooto Diana, van haar heerlijken tempel en haar, uit den hemel gevallen, beeld? Zulks wordt immers door niemand weersproken, en niemand denkt er immers aan zulks te betwijfelen. Waartoe dient dan dit leven? Mannen van Efeze, van u zou men minder overijling en meer bedachtzaamheid kunnen verwachten! Gü hebt deze mensthen — en nu wees hij uj» de beide Macedoniscbe gevangenen — naar het theater gebracht, hoewel z\\j noch don tempel ontwijd, noch onze godin gelasterd hebben. Blijkbaar zijn zü in strijd met de goudsmeden. Is zulks het geval, waarom dan een oproer om hun recht te verschaffen ? Ginds is het Forum — daar zijn wij, rechters, iederen dag bereid recht te spreken. Heeft dus Demetrius met zijne gildebroeders een aanklacht in te dienen, dan moeten zij daarheen gaan, ten einde recht te verkrijgen. Is integendeel iets aan de orde, wat het geheele volk aangaat, zoo moeten wij volgens de wet een volksvergadering bijeenroepen. Nu loepen wij gevaar bij den pro-consul aangeklaagd te worden wegens oproer, zonder dat wij in staat zijn iets afdoends tot onze verontschuldiging in te brengen.quot;

306

-ocr page 333-

IN DEN ZOMER VAN 57.

307

Deze verstandige woorden, kalm uitgesproken door een man van aanzien, misten hun uitwerking niet. Opeens kwam men tot het inzicht, dat men volkomen doelloos geschreeuwd had. Met fijn overleg had de schrijver er aan herinnerd, dat men bij den pro-consnl goed aangeschreven stond. Hij wist immers, met hoe grooten naijver de steden van Azië elkander trachtten te verdringen in de gunst van Rome. Bijna hadden zij zich heden tot een dwaasheid laten verleiden, waarvan de gehate mededingsters der stad, Smyrna en Pergamus, partij hadden kunnen trekken. De groote menigte, die zoo kort geleden op hoogst gevaarlijke wijze raasde en tierde, ging uiteen en verspreidde zich. Gajus en Aristarchus kwamen met den schrik en eenige mishandelingen vrij, en waren nog aan den avond van dezen stormachtigen dag in staat, behouden op te treden in de bijeengekomen gemeente. Paulus en zijne helpers waren voor ditmaal gered.

Wij zeggen voor ditmaal, want het schijnt, dat Paulus niet tegen Pinksteren van dat jaar vertrokken is. \') Hij oordeelde het noodig te blijven, omdat er gevaar was. Het lijdt geen twijfel, of op dezen eersten storm zijn nog verscheiden andere gevolgd. De vijanden uit de wijk der goudsmeden rustten niet. Was de eerste aanslag mislukt, dan kon een andere, met meer overleg gesmeed, tot het doel leiden. Van nu af werd Paulus dagelijks bedreigd door vijandelijkheden en moordaanslagen. In het Boek der Handelingen wordt ons daaromtrent niets medegedeeld. Wanneer Paulus echter in den eersten Brief aan de Korinthiërs, * welke omstreeks dezen tijd geschreven werd, (Paschen 57) zegt, dat hij dagelijks, ja ieder uur voorbereid moest zijn op den dood, wanneer hij daaraan toevoegt, dat hij

-ocr page 334-

HET DTANA-OPROEH.

in Efeze tegen de wilde beesten gevochten had (1 Kor. 15:82), zoodat het schijnt, als hadde hij in Efeze toch nog de arena raceten betreden, teneinde, met het zwaard in de hand, onder het handenklappen en roepen der toeschouwers, met wilde dieren te vechten, wanneer hij twee jaren later tot roem van Aquila en Priscilla met aandoening mededeelt: „Zij hebben voor mijn leven hun hals gesteld, hen dank ik niet alleen, maar al de gemeenten uit de Heidenenquot; (Rom. 16:4); wanneer hij in den tweeden, een jaar later geschreven Brief aan de Korinthiërs (1 : 8) spreekt van verdrukkingen, welke hij heeft moeten lijden, en welke bijna zijne krachten te boven gingen, zoodat hijzelf zijn leven verloren achtte, dan zijn dit alles aanwijzingen, welke ons tenminste dit ééne duidelijk te kennen geven, dat Paulus in Efeze nog een reeks van moeilijke, stormachtige dagen heeft doorleefd, dagen, zooals hij ze nergens anders, gedurende zijn leven heeft doorgemaakt. Het was een tijd, gedurende welken hij er zich lederen morgen op voorbereidde, den avond niet meer op de aarde te zullen zijn. Hijzelf zegt ons, hoe hij in dezen tijd ondervonden had, welk een krachtigen steun een Christen onder zoodanige gevaren, midden in het leven door den dood omringd, bezit in de blijde, volkomen gewisheid van en de hoop op de Opstanding (1 Kor. 15 : 30—82; 2 Kor. 1 : 8 enz.).

Waarschijnlijk is dus Paulus gedurende den geheelen zomer van het jaar 67 in Efeze door gevaren omringd geweest. En zooals altijd waren niet de Heidenen zijne grootste vijanden, doch de Joden, die hem naar het leven stonden en de Heidenen steeds weder tegen hem opstookten (Hand. 20 : 19). De haat der Joden was nu eenmaal de dreigende wolk boven het leven van den scherpzienden Apostel. Weliswaar gelukte het hun niet, hem uit den weg te ruimen, doch uitstel was immers geen afstel. Zij wachtten hun tijd af, totdat zij hem op een beter geschikte plaats zouden wederzien. In de Handelingen wordt ons de beteekenisvolle mededeeling gedaan.

308

-ocr page 335-

IX DEN ZOMER VAN 57.

dat het juist Joden uit Efeze waren, die in Jeruzalem den opstand op het plein des Tempels verwekten, een opstand waarvan een langdurige gevangenschap het gevolg was, en welke ten slotte den dood des Apostels veroorzaakte (Hand. 21 ; 27 en 29).

-ocr page 336-

HET VERTREK.

By Milete\'s rotsig zeestrand

Staat een eenzaam visschershuis:

Heind\' en ver klinkt van den zeekant

Veler golven dof gebruis.

Binnen staan twaalf ernst\'go grijsaards

Staan geschaard om Paul us heen,

Die bereid is tot de afvaart,

En den doodsweg te betreen.

Op zijne zendingsreizen heeft Paulus zich nergens zoo lang opgehouden als in Efeze. Het zal ongeveer in den herfst van het jaar 57 geweest zijn, toen ten derden male na zijne komst in Efeze de druiven rijpten en de vruchten van dat jaar overal op de markt te koop werden aangeboden, dat Paulus afscheid nam van zijne trouwe Efeziërs, en weder op reis ging. Waarheen hij ging en wat er over het algemeen gebeurde gedurende het volgende jaar tot aan December 58, weten wij slechts door algemeene opmerkingen; de bijzonderheden zijn als in een sluier gehuld. Zooveel is zeker, dat hij reeds in Efeze het voornemen had opgevat, een rondreis te doen door zijne gemeenten in Macedonië en Griekenland, en dat hij van plan was, gedurende den winter, eenigen tijd in Korinthe te vertoeven (1 Kor. 16:8 — 7).

-ocr page 337-

311

In ieder geval wilde hij, welk ook het bedrag mocht zijn van de gelden, voor Jeruzalem ingezameld, nog eens naar het Heilige Land trekken en zich daarna naar het verre Westen begeven.

Zoodanig was zijn plan. Op welke wijze hij er echter gevolg aan heeft gegeven, weten wij niet nauwkeurig. Waarschijnlijk voer hij allereerst van de haven Panormus, door de Egeïsche zee, naar zijne, in gevaar verkeerende, gemeente in Korinthe. De ongeregeldheden waren daar na zijn eersten brief niet alleen niet afgenomen, maar nog meerder geworden. Zij kregen zulk een dreigend aanzien, dat de Apostel besloot, zoo spoedig mogelijk de zee over te steken, en na een afwezigheid van drie jaren in persoon te verschijnen op het tooneel der wanordelijkheden. In de Handelingen wordt ons niets omtrent dit tweede bezoek medegedeeld. Uit den tweeden Brief aan de Korinthiërs blijkt echter telkens, dat Paulus vóór het opstellen van dezen brief tweemaal in Korinthe geweest is, en dat hij gedurende het tweede verblijf aldaar hoogst smartelijke en ontmoedigende ervaringen heeft opgedaan (2 Kor. 2 : 1 enz.; 12 : 14 en 21; 13 : 1 en 2). Met een zeer bezwaard hart nam hij onverrichter zake afscheid van de gemeente, welke zich nog niet wilde verootmoedigen. Waarschijnlijk reisde hij toen naar Klein-Azië en Troas. Vandaar schreef hij nog eens aan de weerspannige gemeente een brief, die voor ons is verloren gegaan, en waarin hij de gemeente hare afdwalingen nauwkeurig onder het oog brengt. Hij schreef den brief met beklemd gemoed, onder het storten van vele tranen (2 Kor. 2 : 8 en 4), doch dreigde de gemeente daarin met verbreking van eiken band, zoo zij geen boete deed en zich bekeerde. Hij zond Titus met dezen brief naar Korinthe en wachtte te Troas in groote spanning op diens wederkomst en het bericht, hoe de gemeente dezen scherpen brief had opgenomen.

Dezen tijd van onrust en spanning gebruikte hij, om ook in het Noorden der provincie Azië het Evangelie te prediken, zoowel in Troas zelf, als ook in de omliggende plaatsen tot aan Assos.

-ocr page 338-

HET VERTREK.

In de merkwaardige stad, waar hij Lukas gevonden had, en waar hij zes jaar geleden door den Macedoniër voor het eerst naar Europa was geroepen, vond hij een „open deurquot; (2 Kor. 2 : 12). Wellicht hadden zijne medearbeiders hier reeds, van Efeze uit, gearbeid. Des te zegenrijker was nu de prediking van den Apostel zelf.

Op Titus wachtte hij echter tevergeefs. Door onrust gekweld, besloot hij eindelijk te vertrekken, zonder diens komst af te wachten (2 Kor. 18). Hij begaf zich naar het nabijgelegen Macedonië, langs denzelfden weg, dien hij voor zes jaren gevolgd had.

Hier werd hij, evenals toenmaals, met groote hartelijkheid ontvangen. Hier, te midden van de trouwe harten in Filippi, aan den voet van den Pangeüs gelegen, in Thessalonica aan de Strymonische golf, in Berea op de helling van den Olympus gebouwd, hier voelde de Apostel zich weder wel te moede na de onbeschrijfelijk stormachtige dagen in Efeze doorleefd, waar allen. Joden, Heidenen en Jood-Christenen, de verwoesters zijner gemeenten, zich tegen hem schenen te hebben verbonden. Nergens had hij ooit zoovele bewijzen van trouw en onveranderlijke gehechtheid ondervonden dan hier in zijne Macedonische kerk. Zij was geen geschikte akker voor de valsche Apostelen der Jood-Christenen.

Meer dan een jaar tijds ligt tusschen het vertrek uit Efeze in den herfst van 57, en de komst in Korinthe, waar wij in het begin van den winter van het jaar 58 den Apostel weder aantreffen, en wiens geschiedenis wij nu weder kunnen nagaan. Wat gedurende dien tijd geschied is, weten wij niet met juistheid. Of hij zendingsreizen naar andere oorden heeft ondernomen, is niet met zekerheid te bepalen. Wel geven enkele opmerkingen reden tot een dergelijke onderstelling. Hij spreekt in den tweeden Brief aan de Korinthiërs, in dien tijd geschreven, terloops van een schipbreuk, waarna hij 24 uren lang, als schipbreukeling op een plank van het verongelukte schip, op de stormachtige zee ronddreef (2 Kor. 11 : 25). Aan het eind van dit jaar van

312

-ocr page 339-

ra dk jaren 57 en 58.

reizen en trekken, maakt hij in den Brief aan de Romeinen met weinige woorden de opmerking, dat zijne zendingsreizen zich hebben uitgestrekt tot Illyrië, tot de grenzen van het tegenwoordig Oostenrijk (Rom. 15 : 19 en 23). Deze gebeurtenissen schijnen te vallen in dezen tijd, dus tusschen het verblijf in Efeze en het derde bezoek aan Korinthe.

In ieder geval verkeerde hij in het midden zijner getrouwe,-Macedonische vrienden, toen eindelijk de, met zoo vurig verlangen verwachte, Titus tot hem kwam en tamelijk bevredigende berichten uit Korinthe medebracht. Do storm had weliswaar nog niet geheel uitgewoed, doch over \'t algemeen liad de gemeente in hoofdzaak gehoor gegeven aan de ernstige, dringende vermaningen van den verloren geganen brief, en nu kon Paulus den ons bekenden, tweeden Brief aan de Korinthiërs schrijven, waarin hij hun een spoedig en langdurig verblijf aankondigt (2 Kor. 12 : 20; 13 ; 3). Weinige maanden later geeft hij uitvoering aan de belofte.

Zoo zien wij hem dan laat in den herfst van het jaar 58 weder de reis aanvaarden naar zijn geliefd Korinthe, over welks hoofd intusschen zulke zware stormen waren heengegaan. Drie maanden lang, van December 58 tot Februari 59, woonde hij weder aan den voet van de rots, welke Akrokorinthe droeg. Ditmaal vertoefde hij echter niet in de gezellige woning van Aquila en Priscilla, die in Efeze waren gebleven, maar in het huis van Gajus, dien hij „den gastheer van mij en van de geheele gemeentequot; noemt (Rom. 16 : 23). De stormen in de gemeente waren voorbij; er heerschte weder vrede. De schandvlek der onzedelijkheid was van de gemeente genomen (1 Kor. 7), de geest van partijzucht en tweedracht was overwonnen. De Jood-Christenen hadden moeten wijken. Een vroolijke toon, welke spreekt van geloof aan de overwinning, klinkt ons tegen uit den Brief aan de Romeinen, welke gedurende dezen tijd geschreven werd. Do twee zeeën van Korinthe, waarin de schepen uit Egypte en Azië, uit Italië, Gallië, Spanje en Britannië voor

313

-ocr page 340-

HET VERTEEK.

anker lagen, deden hem weder denken aan den vreemde, aan een taak, welke hem daar sedert lang wachtte. Doch eerst moet hij nog één werk verrichten. Het geld, in de verschillende gemeenten verzameld, wil hij naar Jeruzalem brengen; nog eenmaal wil hij, ondanks de vijandschap der daar vertoevende tegenpartij, den Apostelen en der gemeente de broederhand reiken en dan heenreizen naar het verre Westen.

Zoo zien wij den Apostel in het begin van het jaar 59 afscheid nemen van zijne gemeente, een afscheid, waarop geen wederzien volgt. G-elijk een, die heengaat, trekt hij met een steeds aangroeiend geleide nog eenmaal langs de kust van Macedonië, door Berea, Thessalonica en Filippi. Afgezanten van bijna alle genieenten, welke hebben bijgedragen tot de collecte en medegewerkt tot de stichting der kerk onder de Heidenen, begeleiden den Apostel. Wij bemerken daaronder de Macedoniërs: Sopater van Berea, Aristarchus en Sekundus van Thessalonica; de Galatiörs: Gajus en Timotheus uit Derbe; de Efeziërs: Tychikus en Troflmus (Hand. 20 : 4), en waarschijnlijk had ook de trouwe medearbeider Titus zich bij de anderen gevoegd. Voorgevoelens van hoog ernstigen aard gingen door de ziel des Apostels, toen men kort voor het verlaten van Korinthe een aanslag van de, daar wonende. Joden op zijn leven ontdekte (Hand. 20 : 3), hetgeen hem deed besluiten den omweg over Macedonië te maken. In dezen aanslag ziet hij het voorspel v:in hetgeen hem in Jeruzalem wacht, en niet zonder reden verzocht hij in den Brief aan de Romeinen den broederen te bidden: „dat hij bevrijd mocht worden van de ongeloovigen in Judea,quot; en dat zijn werk, zijn collecte, vrien delijk mocht ontvangen worden door de Heiligen in die plaats, welke hein niet allen een goed hart toedroegen (Kom. 15: 30 en 31). Het was den Apostel en diens reisgezelschap vergund in hot geliefde Filippi een aangenaam Paaschfeest te vieren. Daarna reisde men, met een, naar het schijnt, gehuurd schip naar de Aziatische gemeenten, teneinde ook van deze afscheid te nemen. In Troas hield men zich zeven dagen op, en op den laatsten

314

-ocr page 341-

IN DE LENTE VAN 50.

Zondagavond kwam de gemeente bijeen tot het houden van een afscheidsgodsdienstoefening, welke den geheelen nacht duurde (Hand. 20 : 6- 11). De plattelandsgemeenten bezocht Paulus den volgenden dag, toen hij nog eenmaal met het oog op de schitterende, besneeuwde toppen van het Ida-gebergto door de Trojaansche vlakte naar Assos wandelde, terwijl het overige reisgezelschap den weg daarheen over zee aflegde. Toen Paulus zich daar weder bij het gezelschap gevoegd had, zeilde men tusschen de eilanden Lesbos, Chios en Samos door, naar de Efezi-sche kust. Wel aanschouwde Paulus de bekende uitmonding van den Kayster, terwijl in het grauwe verschiet de trotsche hoogten van den Koressus zichtbaar waren, waarop hij drie jaren lang den blik had laten rusten, doch hij voer voorbij. Te Milete legde het schip aan, en door boden werdt den oudsten der gemeente te Efeze het bericht gezonden, dat Paulus afscheid van hen wenschte te nemen. Na de laatste, stormachtige gebeurtenissen vond hij het waarschijnlijk gewaagd, persoonlijk naar de stad te gaan.

Daar zien wij hen dan bijeen aan het strand van Milete, de schare van Christenen, de dragers van \'s werelds toekomst, het talrijke apostolische geleide, de oudsten van Efeze, die Paulus dagelijks in de Schol a Tyranni voor zich had gezien, en in hun midden den grooten Apostel. Een onbeschrijfelijke wijding en verhevenheid rusten op de woorden hier gesproken, op alles, wat gedurende deze afscheidsbijeenkomst voorvalt. Paulus weet, dat hij voor het laatst hier op aarde het gelaat zijner Efeziërs aanschouwt. Daaraan denkend, wordt hij ernstig en weemoedig gestemd. Het schip ligt zeilree op de kust. Voor zich ziet hij de groote, blauwe zeu, wier wateren hem na weinige oogenbiikken zullen wegvoeren. Daar richt hij zich nog eenmaal tot de menigte en spreekt woorden, welke als laatste gift van eenen, die van deze wereld scheidt, getuigen van den ernst zijner apostolische verantwoordelijkheid; woorden, welke opwellen uit de diepte zijns harten, dat klopt van liefde voor zijne

815

-ocr page 342-

HET VERTREK.

gemeenten. Nadat hij allen herinnerd heeft aan hetgeen hij in hun midden verricht en tot hen gesproken heeft, besluit hij met de woorden:

„En nu ziet. ik, gebonden door den Geest, reis naar Jeruzalem, niet wetende, wat mti daar ontmoeten zal, dan dat de Heilige Geest van stad tot stad betuigt, zeggende, dat mli banden en verdrukkingen aanstaande zijn. Maar ik acht op geen ding, noch houde mijn leven dierbaar voor mijzelf, opdat ik mijn loop met blijdschap mag volbrengen, en den dienst, welken ik van den Heer Jezus ontvangen heb, om te betuigen het Evangelie der genade Gods. En nu ziet, ik weet, dat gij allen, waar ik doorgegaan ben, predikende het Koninkrijk Gods, mijn aangezicht niet meer zien zult. Daarom betuig ik ulieden op dezen huidigen dag, dat ik rein ben van het bloed van u tillen, want ik heb niets achtergehouden, dat ik u niet zou verkondigd hebben al den raad Gods. Zoo hebt dan acht op uzolven, en op de geheele kudde, over dewelke de Heilige Geest u tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door zijn eigen bloed. Want dit weet ik, dat na mijn vertrek, zware wolven tot u inkomen zullen, die de kudde niet sparen; en uit uzelven zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde dingen, om de discipelen af te trekken achter zich. Daarom waakt, en gedenkt, dat ik drie jaren lang, nacht en dag, niet opgehouden heb een iegelijk met tranen te vermanen. Rn nu, broeders I ik beveel u Gode en het woord Zijner genade, die machtig is u op te bouwen, en u een erfdeel te geven onder al de gelieiligden.quot;

Nadat hij dit gesproken had, knielde hij neder en bad met allen. Allen weenden, vielen Paulus om den hals en kusten hem; het allermeest waren zij bedroefd over de woorden, dat zij zijn aangezicht niet meer zouden zien. Daarna geleidden zij hem naar het schip.

Alzoo scheidde Paulus van Efeze, aan hetwelk hij drie jaren van onvermoeiden arbeid gewijd had. Hij ging heen als een strijder, die overdekt is met eervolle litteekens. Hij verliet nu het geheele Oostersche arbeidsveld, het gebied, gelegen tusschen den Syrischen Orontes en de grenzen van Illyrië, hetwelk hij geheel voor het Evangelie gewonnen had. Veertien jaren zijns levens heeft hij aan dezen arbeid gewijd! En hoedanig is zijn leven geweest! Het was een aaneenschakeling van moeite, gebrek en zelfverloochening. Hij-zelf zegt, terugziende op deze veertien

316

-ocr page 343-

IN MEI 59.

jaren on op hetgeen, waaraan zij rijk zijn geweest: moeite en arbeid, gevangenis, vijfmaal ten bloede toe gegeeseld, driemaal schipbreuk geleden, in gevaren van rivieren, onder roovers, onder vaische broederen, slapelooze nachten, honger, dorst, koude in den winter, terwijl het allernoodigste ontbrak. Doch welk een innerlijk leven gaat met al deze uiterlijke bezwaren gepaard! Hij heeft meer gearbeid dan alle andere Apostelen. (2 Kor. 11 : 23). Doch dientengevolge verkeeren ook alle gemeenten in het rond, in een toestand, alsof een nieuwe lente voor de wereld ware aangebroken. Evenals een rijk beladen boom zich buigt onder den last van vruchten, zoo buigt hij ook in diepen ootmoed het hoofd voor den Heer, die zijn werk alzoo gezegend heeft, meer dan dat van alle andere Apostelen. En was hij niet „de minste van de Apostelen,quot; niet waard „een Apostel genaamd te wordenquot; (1 Kor. 15 : 9)?

Na den kamp en ondanks het bange voorgevoel, smaakte de Apostel nu de vreugde eens overwinnaars. „Gode zij dank,quot; schrijft hij (2 Kor. 2 : 14), „die ons altijd doet triomfeeren in Christus!quot; Evenals een tempel tot in den versten hoek vol wordt van den geur des wierooks, zoo ziet hij om zich heen de wereld meer en meer vervuld worden met den zoeten geur des Evangelies. „Overal,quot; zoo juicht hij, „overal breidt God door ons zijne kennis uit als een welriekenden geur!quot; God-zelf is de priester, die hem, Paulus, als een heilig vat vol wierook door de wereld draagt, teneinde alle tempels der wereld te vervullen van den reuk der kennis van Jezus Christus. Wat nood, zoo hij-zelf daarbij verbrandt als een Gode welgevallig reukoffer?

Zeker is hij bij al zijne ervaringen menigmaal herinnerd aan dit verteerd worden. De voortdurende, moeitevolle werkzaamheid, evenals de vele stormen, hebben zeker sporen achtergelaten aan het lichaam van den bijna zestigjarigen man. De oude tentenmaker vergelijkt in dien tijd zijn lichaam met een tabernakel, welke, versleten en verouderd, weldra vervangen zal worden door een veel schooner en heerlijker huis (2 Kor. 5 : 1 enz).

-ocr page 344-

IIKT VERTEEK.

„Wij weten,quot; zegt hij „dat zoo het aardsche huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van G-od hebben, een huis, niet met handen gemaakt, maar eeuwig, in de hemelen.quot; Daarom kende hij ook geen vermoeienis. „Daarom worden wij ook niet moedequot;, zegt hij (2 Kor. 4 ; 16), want hoewel onze uitwendige menseh verdorven wordt, zoo wordt nochtans de inwendige vernieuwd van dag tot dag,quot; deze wint in schoonheid en kracht, en rijpt voor een onuitsprekelijke heerlijkheid, welke ons Boven wacht.

Zoo vaart dan Paulus daarheen op de wijde zee, terwijl de op liet strand verzamelde Efeziërs hem nog langen tijd nastaren. Met hem gingen zijne trouwe vrienden: Lukas, Timotheüs. Aristarchus, Tychikus en Troflmus, terwijl de anderen hem vaarwel zeiden en naar hun vaderland terugkeerden. Langs de eilanden Kos en Rhodus voer men eerst naar Patara en van hier, met een zeilschip, dat juist zou wegvaren, langs de hooge koepelvormige bergen van den Cyprischen Olympus, naar de kust van het Heilige Land. Zoo naderden zij het oude Beloofde Land; het land, waar voor twintig jaren het werk van Christus door diens kruisdood veroordeeld en vernietigd scheen, en waarheen nu mannen uit de volkeren van Galatië, Frygiö, Azië, Macedonië en Griekenland togen, als levende bewijzen van den invloed van Christus\' kruis op de groote heidenworeld.

818

-ocr page 345-

^4

iquot;quot;\' \'tl 1,1

-vitl

-ip

1 1 1 1 1 1 1 1111

DE ONDERGANG VAN EEEZE.

Nog langen tijd na het vertrek van den Apostel Paulus bleef Efeze een der belangrijkste steden van de jonge. Christelijke kerk.

Door den val van Jeruzalem en dientengevolge, van den zetel der twaalf Galileesche Apostelen, ging de kerk van Palestina te gronde, en werd het zwaartepunt des Christendoms verlegd naar de drie voornaamste steden, waarin Paulus gearbeid had: Antiochië, Efeze en Rome. Ook de andere Apostelen, die niet van Jeruzalem hadden kunnen scheiden, totdat de hand Gods de stad van de aarde wegvaagde door den stormwind des gerichts, ook deze maakten zich, voor zoover zij nog leefden, op, en gaven met groote beslistheid gevolg aan het bevel huns Heeren, die hen uitzond „in de geheele wereld.quot; Zoodoende vinden wij spoedig Petrus, waarschijnlijk, in Rome; Johannes, stellig, in Efeze.

Johannes heeft in Efeze voortgezet, wat Paulus begonnen was. Vele jaren lang ging hij door de stad, welker trots de Diana-tempel was; jaren lang rustte zijn oog op denzelfden krans van bergen, welke de vlakte, langs de boorden van den Kayster en de haven Panormus gelegen, omgeven. Geen geschikter opvolger had men kunnen vinden voor Paulus, die

-ocr page 346-

DE ONDERGANG VAN EFEZE.

intusschen voor zijn Heer gestorven was. Johannes was een van de drie Apostelen, welke als leiders optraden; reeds in Jeruzalem was hij opgekomen tegen de enghartigheid der Jood-Christenen, hij had daar Paulus de broederhand gereikt en hem erkend als een Apostel bij de genade Gods (Gal. 2 : 9). Hij stond, evenals Paulus, boven het Jodendom, ..welks tafelen der wet verbroken achter hem lagen.quot; Waar hij in zijn heerlijk Evangelie van de „Jodenquot; spreekt, doet hij zulks, alsof hij over oen onbekend geslacht spreekt. Den jonger, „dien Jezus lief had,quot; was het vergund in Efeze nat te maken, hetgeen Paulus geplant had. Wat hij den Efeziërs gepredikt heeft, kunnen wij nu nog lezen in zijn heerlijk Evangelie, door hem op hoogen leeftijd geschreven. Hij heeft immers, volgens Irenaeus, geleefd tot den tijd, toen Trajanus regeerde (98 — 117). De jeugdige overmoed, waardoor hij eenmaal in Samaria door den Heer genoemd werd „Zoon des donders,quot; en die ook nog spreekt uit zijne Openbaringen, had plaats gemaakt voor een hemelsche zachtmoedigheid, een afschaduwing van het wezen zijns Heeren, aan Wien hij zich gedurende Diens leven zoo nauw verbonden gevoelde, en Wiens dood hij, van de Apostelen slechts hij, aanschouwd heeft. Volgens Hieronymus moet de eerwaardige grijsaard, die een hoogen leeftijd bereikt had, in de gemeente te Efeze telkens weder deze korte prediking herhaald hebben, waarin hij met weinige woorden zijn Christendom, zijn leer, zijn herinneringen aan den Heer wedergeeft, n.1. deze: „Kinder-kens, hebt elkander lief!quot; Wonderschoone overeenstemming tusschen de beide Apostelen van Efeze; Paulus schrijft op de hoogten van den Pion het hooglied der liefde (1 Kor. 13); Johannes doet op deze heuvelen tekens de woorden hooren: „Hebt elkander lief!quot; Als echo daarvan klinkt ons het woord tegen, de onderscheiding van de Christenen door de Heidenen; „Ziet, hoe lief zij elkander hebben!quot;

„Deze jonger sterft niet!quot; zoo fluisterden de Christenen in Efeze, gedachtig aan den gouden Paaschdag bij het meer van

-ocr page 347-

VAN EFEZE.

Genesareth elkander toe, wanneer de bijna honderdjarige Apostel, als de gave van eeuwige jeugd bezittend, telkens weder in hunne bijeenkomsten verscheen. Had de Heer hem daar niet, zooals zij meenden, voor meer dan zestig jaren gezegd, dat hij blijven zou, tot dat Hij kwam (Joh. 21; 22 en 28). Hetge-heele 21stu hoofdstuk van het Evangelie van Johannes, is na diens dood daaraan toegevoegd, teneinde dit misverstand op te hekleren. En toen hij nochtans stierf, ging in Efeze nog langen tijd de sage, dat hij niet gestorven was, doch dat hij sliep in zijn graf, terwijl de grafheuvel door zijn adem op en neerging; hij sluimerde, totdat de Heiland wederkwam om hem te wekken.

Nergens schijnt het Christendom zich zoo snel verbreid te hebben als hier. Reeds onder Trajanus, wiens regeering Johannes nog beleefd heeft, meldt Plinius, de pro-consul van Bithyniö en Pontus, den keizer, dat de tempels der goden begonnen leeg te loopen en dat alles zich tot het nieuwe geloof wendde. Petrus richt zijn Eersten Brief aan de „uitverkoren vreemdelingen in de verstrooiing,quot; aan de Christenen in geheel Klein-Azië, Pontus aan de Zwarte Zee, Bithyniö aan de zee van Marmora, Azië aan de Egeïsche zee, Gal at ie en Kappadocië, ten Noorden van den Taurus. Welk een duizendvoudige vrucht van het zaad, voor weinige tientallen jaren door Paulus en zijne helpers hier uitgestrooid. Vuur noch zwaard der Romeinsche regeering was in staat dezen wasdom tegen te gaan. Na den dood van den Apostel Johannes in Efeze, werd diens leerling Polykarpus, dien de Apostel zelf nog gewijd had tot bisschop van het naburig Smyrna, en die nog velen heeft leeren kennen van hen, die met den Heer hadden omgegaan, de voornaamste leider der kerk. Ongeveer het jaar 155 brak een vervolging der Christenen uit. In hetzelfde theater, waarin eens de, door Demetrius aangezette, volksmenigte den dood van Paulus begeerde, werden feestelijke voorstellingen gegeven, waarbij dieren met elkander vochten. Nu gaf de menigte het woeste verlangen te kennen, dat Polykarpus zou verschijnen. Hij werd gehaald. Du Asiarch

ji

821

-ocr page 348-

DE ONDERnANG.

raadde hem Christus te verloochenen en den keizer te offeren. Het antwoord luidde echter: „Zesentachtig jaren heb ik Hein gediend, en Hij heeft mij niets dan goeds bewezen. Hoe zou ik Hem dan nu kunnen smaden!quot; Daarop riep de heraut in het Cirkus uit, dat Polykarpus bekend had een Christen te zijn. Nu werd van alle rijen met duizenden stemmen geroepen: „Deze is de leeraar van geheel Azië, de vader der Christenen, de vijand onzer goden!quot; Heidenen en Joden droegen hout aan en richtten in de Arena een grooten brandstapel op. Daar stond dan de laatste getuige uit den Apostolischen tijd, en terwijl de vlammen kronkelend orahoogstegen, bad hij: „Vader in Jezus Christus, ik prijs U, dat Gij mij heden waardig gekeurd hebt, opgenomen te worden in den kring uwer getuigen, en deel te hebben aan den kelk van Christus.quot;

Honderd jaren later, tijdens de regeering van den keizer Decius, brak in het jaar 250, weder een heftige vervolging tegen de Christenen uit. Volgens de sage valt in dezen tijd de wonderbare redding der zeven jongelingen van Efeze, ook nu nog onder het volk bekend, en op den kalender opgeteekend als „de zeven slapers.quot; Om aan de woede der vervolgers te ontkomen, hadden zij zich in een hol buiten de stad verborgen en waren daar ingeslapen. Toen echter den volgenden morgen een van hen de stad binnenging om brood te koopen, zagen zij een geheel ander Efeze. Alles was veranderd, op paleizen en kerken schitterde, in plaats van het symbool van Diana, het heilige kruis. Hijzelf, zijn kleederdracht en zijn geld waren geheel vreemd aan het geslacht, onder hetwelk hij zich bewoog. De Romeinsche keizer, Theodosius II, was, zooals hij tot zijne verbazing van het volk hoorde, een Christen. Ruim 200 jaar hadden zij in het hol geslapen. Nu begaf de geheele bevolking zich buiten de stad. „De zeven slapersquot; vernamen met vreugde de overwinning van het kruis, zij prezen de wonderbare daden Gods en ontsliepen toen blijde in den Heer. Deze sage, van zoo diepe beteekenis, schildert ons de groote omkeering van de

822

-ocr page 349-

VAN EFEZE.

kerk der martelaren tot een wereldbeheerschende macht, als geschied in een enkelen nacht voor het oog der verbeelding, terwijl deze toch slechts heeft kunnen plaatsgrijpen na verloop van jaren. Nog in dezen tijd bevindt zich aan de oude via sacra, den weg, welke naar den Diana-tempel voerde, in de oostelijke helling van den berg Pion een oude spelonk, welke het volk de grot der zeven slapers noemt.

Omstreeks den tijd, dat volgens de sage, de zeven slapers ontwaakten, dus onder Theodosius II, werd in het jaar 431 tegen Pinksteren het derde, algemeene Concilie der Christenheid in Efeze gehouden, en achttien jaar later (449) de beruchte „rooversynodequot; van Efeze, welke beide reeds de kenteekenen droegen van den betreurenswaardigen achteruitgang der geheele oostersche kerk.

De Diana-tempel bestoud toen reeds sedert lang niet meer. Pveeds in het jaar 263 was deze bij een inval van de pontische Geten verwoest. Later ging de stad meer en meer achteruit, totdat zij eindelijk in de dertiende eeuw, door de Osmanen geheel verwoest werd.

Nu vindt men het kleine dorpje Ajasoluck, dicht bij de puin-hoopen van den Diana-tempel gelegen, op de plaats, waar de voormalige koningin onder de steden van Klein-Aziö, prijkte. Wie pci spoor van Smyrna naar Efeze reist, stapt hier, bij dit ellendige plaatsje, dat nauwelijks 300 inwoners telt, uit. De naam is nog een herinnering aan den Apostel Johannes, deze is een afkorting van Agios Theologos, d. i. de heilige theoloog, waaruit na verloop van tijd Ajasoluck ontstaan is. Op de vervallen sterkte, tot welks bouw de Mohamedanen in de middeleeuwen de overblijfselen gebruikt hebben van den Dianatempel, aan den voet des heuvels gelegen, en waardoor zij zich, als het ware, vergrepen hebben aan het heerlijke marmer, heeft men een schoon, ruim uitzicht. Daar strekt zij zich aan den voet des heuvels uit, de ruimte, waarop eertijds het Artemisium prijkte, de „weide van Azië.quot; Evenals in de dagen van ouds is

323

-ocr page 350-

DE ONDERGANG.

zij nu nog ingesloten door den wijden, sdioonen krans van machtige bergen, welke alleen naar het Zuiden een opening laten, waardoor de blauwe zee in het verschiet zichtbaar wordt. De vlakte echter, eertijds het tooneel van duizendvoudige openbaringen des levens, is doodstil. De haven Panormus, eenmaal wereldberoemd, waar schepen uit de geheele wereld naast elkander lagen, is sedert vele eeuwen verdwenen, begraven onder dikke lagen aarde, aangespoeld door den Kayster, welke in den winter vele vaste stoffen met zich voert. Zelfs de overblijfselen van den Diana tempel waren eeuwen lang spoorloos verdwenen. Eindelijk werden zij in onze eeuw gevonden door den onver-moeiden Engelschen onderzoeker Wood; zij lagen bedolven onder een aardlaag van 6 M. dikte. De Kayster had groote massa\'s alluvialen grond aangevoerd, nadat onverstandige men-schen de afwateringskanalen, in de oudheid gegraven, geheel hadden laten vervallen. De wereldberoemde vlakte werd een woest, eenzaam moeras, wereldstad, tempel en wonderen, wa.ar-van de geheele wereld sprak, in het slijk begravend.

Langzaam reed ik over de oude via sacra, tusschen velden, waarop het koren ter manshoogte groeide, naar de Magnesische poort. Langs dezen weg gingen vroeger de feestelijke optochten ter eere van Diana, begeleid door den klank van pauken en fluiten. Voorbij de grot der zeven slapers, en de oude monumenten der Gravenstraat rijdend, bereikte ik de overblijfselen der vroegere stadspoort. Ik vervolgde mijn weg door de, eenmaal zoo schoone, levendige, drukke wereldstad, langs tempels, gymnasiën, theaters en openbare gebouwen gaande, waar eertijds duizenden juichten en jubelden. Nu ging ik als over een in vergetelheid geraakt kerkhof. Waar waren de drukte en bedrijvigheid, wanneer in de straten der stad bewoners van alle deelen der wereld, van het verre Morgenland, zoowel als van het verwijderde Avondland, elkander ontmoetten? Ik doorkruiste het geheele stadsgebied, zoowel dat van de boven- als van de benedenstad. Geen enkel menschelijk wezen mocht ik aan-

-ocr page 351-

VAN EFEZE.

schouwen. De Pion, evenals de Koressus, waarover in vroeger tijden Paulus, Johannes, Timotheüs en Erastus zoo menigmaal gegaan waren, schenen nu even ongerept als het hooggebergte, alsof daarop nooit een huis gestaan had, alsof zich daar nooit een bedrijvige menigte bewogen had. Over het Forum, de plaats, waar eenmaal de verstandige stadsschrijver handelend optrad, gaat nu de ploeg. Daar waar het groote gymnasium stond, in welks geweldige hallen de jeugd van Efeze haar geliefkoosde oefeningen hield, golft nu het gouden graan. Daarnaast verheft zich het bosch van riet in de voormalige „binnenhavenquot;, waar Paulus in het jaar 64 den voet aan land zette. Alleen de bouwvallen der openbare gebouwen, rondom den Pion, herinneren er aan, dat eenmaal in deze woestenij een machtige wereldstad gestaan heeft. Het theater, nu een groote, in verwarring dooreen liggende steenhoop, is doodstil. Geen menschelijke stem roept hier meer: „Groot is de Diana der Efezeren!quot;

Over de Agora, waar Demetrius eenmaal de schare verzamelde, reed ik over het oude plaveisel der straten verder door de oude Eomeinsche poort, voorbij het Stadium en het Serapeüm, naar de opgedolven puinhoopen van den Diana-tempel. Ach! welk een tooneel! Zoo ergens de steenen op een, in de wereldgeschiedenis beroemd geworden, oord spreken, dan roepen zij hier luide: Sic transit gloria mundi (Aldus vergaat de heerlijkheid der wereld)! Van den ganschen, heerlijken tempel, het wonderwerk der oude wereld, viermaal zoo groot als het Parthenon in Athene, staat geen enkele zuil, geen enkele steen meer. Slechts met moeite onderscheidt men in de uitgegraven ruimte, waarop de overblijfselen zijn samengebracht, de oorspronkelijke fundamenten. De weinige steenen van waarde, waaronder een enkele zuil, die van verdwenen pracht en schoonheid getuigt, zijn naar Engeland vervoerd. Het oog ontwaart nu niets meer dan vormlooze massa\'s. Het weinige, dat nog overig is, nadat de Mohamedanen de kostbaarste steenen hebben gebruikt tot hot bouwen hunner moskeeën en huizen, of die hebben vervoerd

825

-ocr page 352-

326

tot ver over de zee, ziet er uit, als had de hamer des noodlots de schoone, Ionische hallen van den schitterenden tempel, door krachtige slagen gedoemd tot onherkenbaarheid.

Binnen het oude tempelgebied zette ik mij onder een wilg op een marmerblok neder en liet mijn paard grazen. Hier, in een stomme wereld van puinhoopen, gaf ik mij over aan herinneringen aan de grootsche tijden, welke over deze, nu zoo eenzame wereld waren heengegaan. Rondom mij heerschte de stilte des doods. De overblijfselen des tempels lagen grootendeels in een moerassigen poel. Het stemde mij weemoedig, de kostbare steenen, door de kunstlievende Efeziërs hier voor duizenden jaren bewerkt, op den vochtigen, moerassigen bodem te zien liggen. G-roote wilgen en bloeiende tamarinden spreidden de takken uit over het graf des dooden tempels. Iets hooger was de bodem bedekt met bloemen, bloeiende struiken en rnans-hooge, gevlekte arons, welke hun donkerpaarsen, fluweelen mantel medelijdend uitspreidden over de oude steenen. Op andere plaatsen stonden hoogopgeschoten distels dicht naast elkander, en een woud van vergiftige scheerling vervulde het voormalig oord van genot en vreugde met haar bedwelmenden geur. Zoo ver het oog reikte, was geen mensch te zien. Slechts eenige koeien en ezels graasden vredig op den eenmaal zoo beroemden tempel van Diana, terwijl een ooievaar door het moeras stapte tusschen de vochtige blokken marmer, welke eenmaal getuigen waren geweest van de optochten der jubelende Korybanten en der feestelijk getooide scharen. Toen ik den blik liet gaan over deze jammerlijke woestenij, over de eenzame, verlaten vlakte, waar in vervlogen dagen in de haven Panormus de koopvaardijschepen en galeien uit het geheele Romeinsche rijk binnenliepen, over den doodschen heuvel Pion en de trotsche hoogte Koressus, vanwaar nog de oude stadsmuur fler nederblikt, \':ocn moest ik mijzei ven afvragen: „Is het dan waar, is het mogelijk, dat hier, in deze verlaten woestenij, het groote, wereldberoemde Efeze gestaan heeft?quot;

-ocr page 353-

VAN EFEZE.

Doch ook andere gedachten gingen mij door de ziel. Gezeten op een blok marmer, dat eertijds het verblijf van de groote Diana der Efezeren gesierd heeft, doorbladerde ik het Boek der Handelingen, hetwelk spreekt van de groote dagen in Efeze, doorliep ik den Brief aan de Efeziërs, hierheen gericht, den eersten Brief aan de Korinthiërs en het Evangelie naar Johannes, welke beide hier geschreven zijn. Toen was het mij, als zweefde de geest der beide, groote Apostelen nog over deze verlaten vlakte. De scharen Christenen uit vroegere eeuwen gaven, voor het oog mijns geestes, leven aan de stille moerassen en verlaten heuvels. Ik zag hen, luisteren naar de bezielde woorden des Apostels, strijden voor hun geloof, en ginds, in het reusachtige theater tegen den Pion, sterven voor hun Heer. Doch met de puinhoopen van het wereldberoemde bolwerk des ouden Heidendoms voor oogen, aanschouwde ik tevens de zegepraal eener macht, die alle pracht en heerlijkheid van Efeze verre te boven gaat, en van welke de profeet zegt: „Alle vleesch is als gras, en alle heerlijkheid der menschen is als de bloem des velds. Het gras is verdord en de bloem is afgevallen, doch het Woord des Heeren blijft in Eeuwigheid.quot;

-ocr page 354-
-ocr page 355-

IN JERUZALEM EN CESAREA.

-ocr page 356-
-ocr page 357-

WrH¥rWr^jfr:ii

InnWhV^H

DE TOESTANDEN IN PALESTINA.

Nog eenmaal scheen het geluk het joodsche volk toe te lachen, nadat het sedert den dood van Archelaüs, geheel bij het Romeinsche keizerrijk was ingelijfd en langer dan dertig jaar bestuurd was door keizerlijke stadhouders, zooals Pontius Pilatus. Nogmaals scheen de oude droom van de heerlijkheid eens op-zich-zelf-staanden, joodschen rijks tot werkelijkheid te worden, toen ongeveer acht jaren na de kruisiging en opstanding van den Heiland, in het jaar 41, Agrippa I, kleinzoon van Herodes den G-roote, den troon besteeg. Nog in dien tijd werden Joodsche prinsen en prinsessen geheel gelijk gesteld met andere koningen en vorsten, en werden deze aan het keizerlijke hof met alle mogelijke onderscheiding behandeld. Herodes de Groote was in Rome zeer bekend geweest. Krachtens zijn koninklijke waardigheid verkeerde hij aan het hof der Cesaren, spijsde met hen aan één tafel, zat in het theater met hen in de vorstelijke loge. Zijn kleinzoon Agrippa, een avonturier en gelukzoeker, was met Drusus, den zoon van Tiberius, opgevoed, en tevens was hij de boezemvriend van den lateren keizer Caligula. Door berekening en vleierij had hij zich onmisbaar weten te maken voor den erfgenaam der keizerlijke waardigheid. Weliswaar viel hij ten slotte in ongenade bij Tiberius, die den jongen, joodschen

-ocr page 358-

DE TOESTAKDEN

woesteling, die diep in schulden zat, in de schuldgevangenis liet werpen, doch na den dood van dezen keizer wentelde zich het rad der fortuin, en bereikte hij plotseling het doel zijner stoutste verwachtingen, doordat zijne keizerlijke vriend hem tot koning der Joden verhief. Aanvankelijk zwaaide hij slechts den scepter over het viervorstendom aan den Hermon, doch weldra gelukte het hem, door lage kuiperijen het viervorstendom zijns zwagers. Herodes Antipas, met zijn gebied te vereenigen, terwijl Herodes Antipas met zijne Herodias als bannelingen naar Lyon in Frankrijk moesten trekken. Bij den moord des keizers Caligula had hij zijn rol op zulk een sluwe en behendige wijze weten te spelen, dat de nieuwe keizer Claudius aan de Romeinsche stadhouders van Judea en Samaria hun gebied ontnam en hem in het jaar 4-1 het geheele rijk van Herodes den Groote, hetwelk zich van Egypte tot aan Beerfit in den Libanon uitstrekte, overdroeg. Hij voerde nu den titel van Grootvorst en was slechts dan afhankelijk van den stadhouder van Syrië, wanneer het gold de beslissing in aangelegenheden, welke betrekking hadden op het geheele rijk. Nu had hij zijn doel bereikt, en wellicht droomde hij er in stilte van, den ouden wensch der Herodianen te verwezenlijken, door, zoodra de gelegenheid gunstig scheen, het geheele Morgenland los te maken van Rome en onder zijn scepter te brengen.

In triomf was Agrippa Jeruzalem binnengetrokken. Velen scheen het, als ware een nieuw tijdperk van heerlijkheid voor de Joden aangebroken. Dat hij eigenlijk een Idumeër was, zagen velen over het hoofd ter wille van de. door hem behaalde, voordeelen. Bovendien wist hij spoedig de volksgunst te winnen door, ten minste voor het uiterlijke, de belangen des tempels openlijk te behartigen, en met ijver en ernst den joodschen godsdienst in eere te houden. Spoedig na het aanvaarden der regeering wist hij den keizer te bewegen een edikt uit te vaardigen, waardoor aan de Joden in het geheele rijk groote voorrechten geschonken werden. Teneinde het volk nog meer te

332

-ocr page 359-

IN PALESTINA. 338

believen, nam hij strenge maatregelen tegen de gehate Christenen ; hij liet den ouderen Jacobus, den broeder van Johannes, ter dood brengen en Petrus gevangen zetten. Jeruzalem en deszelfs omstreken werden verfraaid. Een nieuwe stadsmuur, ten Noorden der stad gebouwd, moest de oude hoofdstad des rijks doen gelooven, dat zij onneembaar was. Bovendien spreidde hij op ieder gebied een koninklijken glans ten toon. Te Beerüt liet hij theaters, ampitheaters, thermen en prachtige zuilengalerijen bouwen. Cesarea, de belangrijkste stapelplaats en, in politiek opzicht, de hoofdstad des rijks, werd uitgebouwd en vergroot. En zoo waren gedurende den tijd, die Paulus, voor hij het zendingswerk aanving, in stilte te Tarsen doorbracht, allerlei veranderingen en nieuwigheden in het leven geroepen, waardoor de joodsche volkstrots weder krachtig versterkt was.

Doch de droom was van korten duur. In het jaar 44 had Agrippa in Cesarea naar liet voorbeeld zijns grootvaders, die daar de Olympische spelen weder luisterrijk wilde vieren, ter eere van Claudius grootsche tooneelvertooningen georganiseerd, bij welke gelegenheid hij ook de afgezanten der Fenicische steden ontving. Op zekeren morgen had hij zich, gehuld in een gewaad, dat schitterde van het daarop aangebrachte zilver, op zijn troon gezet. Juist ging de zon op. Hare gouden stralen deden het zilveren kleed flikkeren en schitteren, zoodat de gestalte des konings als verheerlijkt scheen. Als het ware verblind door den schitterenden glans, hief de gansche schaar van vleiers luid den jubelkreet aan: „Heil u! De goden hebben u tot een der hunnen verheven! Wees ons genadig, gij goddelijke!quot; Het was de zegekreet, waarop de Romeinsche keizers sedert lang aanspraak en recht hadden. Dat men hem dien lof toezwaaide, was geheel in overeenstemming met zijne geheime wenschen. Lachend had de koning Israels deze, in dit land ongepaste, hulde aanvaard, toen hij, zooals Josephus bericht, plotseling een uil zag zitten op het doek, boven het amphitheater gespannen. De koning sidderde, doodelijk verschrikt. Eens, toen hij nog in

-ocr page 360-

S34 DE TOESTANDEN IN PALESTINA.

Rome wegens schuld gevangen zat, stond hij, vermoeid en hopeloos tegen een boom geleund, en zag toen een uil boven zijn hoofd zitten. Een naast hem staande, Duitsche krijger had hem daaruit zijn aanstaande bevrijding en verheffing voorspeld, doch daaraan toegevoegd, dat hij binnen 5 dagen zou sterven, zoo hem weder een uil verscheen. Het eerste deel der voorspelling was werkelijkheid geworden. -En ginds zat de bode des doods, dien hij zoo zeer vreesde. Daar hij zich onwel voelde, liet hij zich naar zijn paleis brengen. Hij kreeg een vreeselijke ziekte in het onderlijf en na weinige dagen was hij een lijk (Hand. 12 : 19-23).

In Koine was intusschen de wind gekeerd, en in plaats van een koning kregen de Joden nu weder, evenals vroeger, een stadhouder. Het joodsche volk verkeerde echter in een koortsachtige spanning, daar het meende zijn wenschen en verwachtingen verwezenlijkt te zullen zien. Deze spanning was steeds grooter geworden, zoolang een eigen koning geregeerd had, en zij hield niet eerder op, dan toen Jeruzalem in vlammen was opgegaan. Hoe meer men zich bewust werd van eigen onmacht, en begreep, dat het land en deszelfs lot niet meer was dan een speelbal in de hand eens willekeurigen keizers, des te meer werd de vonk van hoop en verwachting, bij het geheele volk aangeblazen tot een laaien gloed.

Ook het bestaan der Christengemeenten in het land was in zekeren zin oorzaak, dat het smeulende vuur dreigde op te vlammen. De Christenen namelijk verwachtten groote veranderingen door de wederkomst des Heeren. Des te onstuimiger begon ook het overige volk uit te zien naar den Messias, door de profeten beloofd. Zij verwachtten echter niet een Messias aan het kruis, een, die het juk der Romeinen niet vermocht te verbreken, doch een Messias naar den wensch huns harten, een, die met den helm op het hoofd en het zwaard in de hand, aan het hoofd van zegevierende heirscharen, de Romeinen uit het land zou verjagen.

-ocr page 361-

IN DE JAREN 45 TOT 4S.

385

Alles geschiedde, wat de Heer op den Woensdagavond van de Paaschweek voorspeld had (Matth. 24). De eene Messias na de andere trad op, en trachtte het volk te misleiden door nabootsing van hetgeen Jezus gedaan had. Een der vele valsche Christussen, Theudas genaamd {Hand. 5 : 36), trad in het jaar 45 op, juist toen Paulus op het punt stond met Barnabas de eerste zendingsreis te beginnen. Geheele scharen werden door den dweper naar de woestijn gevoerd met de belofte, dat hij hen, evenals eertijds Josua, over den Jordaan zou leiden en vrij zou maken van het juk der Romeinen. Daar verscheen plotseling een afdeeling Romeinsche ruiterij op het tooneel, door den procurator Fadus afgezonden. Deze dreef de volgelingen van den nieuwen Messias niet zonder bloedvergieten uiteen. Het hoofd van Theudas werd in triomf naar Jeruzalem gebracht. Nieuwe verwikkelingen ontstonden gedurende liet zesjarig bestuur dei-beide volgende stadhouders, Tiberius Alexander en Ventidius Cumanus, die achtereenvolgens in de jaren 46 en 48 optraden, dus in den tijd, toen Paulus en Barnabas predikten in het hart van Klein-Azië. Het volk werd steeds oproeriger door hetgeen nieuwe, valsche Christussen voorspiegelden. Tiberius Alexander, zelf een Egyptische Jood, overtrof al zijn voorgangers in ruwheid en gestrengheid. Hij wilde de onlusten in stroomen bloeds verstikken. Op een enkelen dag werden honderden, zelfs duizenden gedood. De valsche profeten werden aan het kruis genageld. Zijn opvolger, Ventidius Cumanus, zag zich genoodzaakt een sterke legerafdeeling te leggen in den burg Antonia, welke den tempel beheerschte. Daar verbreidde zich op zekeren dag, toen het volk tot de viering van het Paaschfeest bijeen was, als een loopend vuur de mare door Jeruzalem dat een dei-soldaten van uit de westelijke tempelzalen het heiligdom op gruwelijke wijze gehoond had. In een oogwenk was geheel Jeruzalem op de been. De verwoede Joden smeten de soldaten met steenen. terwijl zij alles in verwarring brachten. Toen liet Ventidius de cohorte oprukken en met de blanke sabel onder

-ocr page 362-

[N JERUZALEM EN CESAREA.

de menigte slaan, die in den tempel bijeen was. Doodelijk verschrikt stoof het volk uiteen, toen de gewapende mannen in de poorten van do Antonia verschenen. Bij de uitgange- ontstond een verschrikkelijk gedrang, zoodat 20,000 menschen omkwamen. De vreugde van het Paaschfeest was verkeerd in den diepsten rouw; het feest werd besloten door een aaneenschakeling van begrafenis-plechtigheden en optochten naar het dal van den Kedron.

Na weinige jaren werd Ventidius van zijn ondankbaren post verdrongen door Claudius Felix. Deze was vroeger slaaf geweest, doch daar hij een gunsteling was der keizerin, en zijn broeder Pallas, aan het keizerlijke hof zeer grooten invloed had, was het hem gelukt, deze hooge betrekking te verkrijgen. Ook de jongere Agrippa II, zoon van den in het jaar 44 gestorven Grootvorst Agrippa, had hem daarbij ter zijde gestaan. Deze Agrippa, van wien wij later nog meer zullen hooren, had in dien tijd het bestuur over eenige kleine vorstendommen, n.1. over Ghalkis, tusschen Damaskus en Beerut gelegen, verder over Abilene, in de buurt van het tegenwoordige Sebedani, aan den Barada in den Antilibanon, en vandaar uit over het land tot aan het meer Genesareth. Hij, die zich niet ontzien had bloedschandig zijne zuster Berenice tot vrouw te nemen, was een waardig makker van den karakterloozen Felix.

Felix bekleedde zijn waardigheid in het Heilige Land negen jaar lang, langer dan al zijne voorgangers en opvolgers, Pilatus uitgezonderd, die tien jaar regeerde. Tacitus heeft ons zijn beeld in weinige woorden op treffende wijze geteekend. Hij zegt: Felix verstond de kunst de laagheid eens slaven te vereenigen met den trots eens konings; in hebzucht overtrof hij zelfs nog zijn broeder Pallas. Felix was een van die gelukzoekers, welke alleen gevonden worden in een land, waar de toestanden op ieder gebied tot een zeer laag peil zijn gedaald. Men noemde den voormaligen slaaf den „man van drie koninginnen.quot; Het was hem n.1. gelukt, na elkander drie vrouwen van vorstelijkeu

-ocr page 363-

IX DK .TAKEN 50 tot 60.

bloede te huwen. Zijn eerste gemalin was een kleindochter van Antonius en Cleopatra, de weduwe van koning Juba. Door de tweede was hij de zwager van keizer Claudius geworden. De derde, met welke hij in Palestina in den echt trad, was Drusilla, do dochter van den grootvorst Agrippa, die in het jaar 44, in Cesarea gestorven was. Deze Drusilla was weliswaar de gemalin van koning Aziz van Emesa, een stad in Coelesyrië, doch hare betooverende schoonheid wekte in het hart des ouden zondaars de vurige begeerte, haar te bezitten. Als koppelaar zond hij een, in dien tijd beroemden, cyprischen toovenaar, Simon. Doze ontvoerde haar, waarop Felix haar aanstonds huwde. Zoodoende was Felix de zwager geworden van koning Agrippa II. Wat onzedelijkheid en schaamteloosheid betreft, stonden deze beide mannen gelijk, en zij pasten goed bij ïsTero, die in het jaar 54 den keizerlijken troon beklom.

Felix regeerde in Palestina als een Turksch pacha. Voor omkooperijen had hij een open oor. Wie hem geld gaf, diens vriend was hij. Geen enkele misdaad bezorgde hem gewetenswroeging. De sekte der Zeloten (ijveraars) had den heiligen oorlog, tot het verkrijgen van de Messiaansche vrijheid, met behulp van rooverbenden voortgezet. De wegen werden onveilig. Handel en verkeer begonnen te kwijnen. Op lederen wal, bij elke poort stonden kruisen, waaraan misdadigers genageld waren. De dweepers maakten het tot een gewoonte, met een sikkelvormig gebogen dolk (sica) te vechten. Om die reden noemde men deze helden Sikariërs. Op zekeren dag verborg een bende van deze lieden den dolk onder den mantel; den schijn van vroomheid aannemende, gingen zij naar den tempel en doorstaken den hoogepriester Jonathan, dien de Zeloten zeel-haatten en van wien wij later zullen hoeren, n.l. wanneer hij als Paulus\' rechter optreedt. Velen geloofden zelfs, dat Felix, die met iedere partij meeging, welke hem het grootste voordeel opleverde, de moordenaars gehuurd had. Het gegeven voorbeeld vond groote navolging bij de Sikariërs. Van nu aan kwamen

887

22

-ocr page 364-

IN JERUZALEM EN OESAREA.

de helden van den dolk op elk feest; gehuld in liet kleed eens vromen pelgrims gingen zij in den tempel en doorstaken daar in een oogwenk degenen, die zij tot hun offer gekozen hadden. Dan hielden zij zich, alsof zij hoogst verbaasd en ontsteld waren en ontkwamen zoodoende meestal in liet gedrang. De tempel werd meer en meer bevlekt met het bloed der, op zoo gruwzame wijze vermoorde, slachtoffers. En niet alleen in Jeruzalem, in het geheele land gingen de rooverbenden der Sikariërs op dezelfde wijze te werk. Dorpen, wier bewoners hun niet ter wille waren, legden zij in de asch, terwijl de menschen gedood werden.

Ondertusschen traden nog steeds nieuwe Messiassen op. En hoewel dagelijks in Cesarea dergelijke oproermakers of hunne aanhangers veroordeeld werden, toch gaven zich, volgens Josephus, telkens anderen uit voor den Christus, die het volk naar de woestijn lokten, belovende teekenen en wonderen te zullen doen, doch die de bedrogen menigte in het verderf stortten. Men beleefde de letterlijke vervulling, van hetgeen de Heer, twee dagen voor zijn dood tot zijne jongeren gezegd had:

„Want velen zullen komen onder mijnen naam, zeggende: ..Ik ben de Christusquot; en zij zullen velen vnieidon. En gij zult hooren van oorlogen en gerucliten van oorlogen. Alsdan zal groote verdrukking wezen, hoedanige nooit geweest is. Valsche Christussen on valsche profeten zullen opstaan, en groote teeken«-n en wonderen doen. Zoo dan iemand tot u zegt : „Ziet, hier is de Christus of daar,quot; gelooft hem niet. En zoo zü tot u zoggen: „Ziet, hij is in de woestijn,quot; gaat niet uit: of „ziet, hij is in de binnenkamer!quot; zoo gelooft het nietquot; (Matth. 24 : 5, 6, 21-26).

Van de valsche profeten ten tijde van Felix, maakte de profeet uit Egypte (Hand. 21 : 38) den meesten opgang. Een der Messiaansche profeten had voorspeld, dat de verlosssr uit Egypte zou komen. Dientengevolge werd deze profeet met buitengewone geestdrift begroet door het volk, welks verstand als het ware verbijsterd scheen. Do Egyptische profeet kondigde zich aan als de Christus en sloeg zijne tenten op in de woestijn, nabij Judea. Hij beloofde groote teekenen en wonderen te ver-

338

-ocr page 365-

IN DE JAREN 50 TOT 60. 839

richten. Wanneer hij optrok naar Jeruzalem, zouden de muren der stad van zelf omvallen, gelijk zulks geschied was in den grijzen voortijd met de muren van Jericho. Door deze bres, door de hand Gods geslagen, zou hij in triumf met zijne scharen Jeruzalem binnentrekken en het Messiaansche koninkrijk over de geheele aarde oprichten. Vier duizend man voegden zich bij den Egyptenaar. Vreugdedronken trokken zij van Jericho en Bethaniö door de woestijn, en verschenen op den Olijfberg, tegenover de stad. Doch hoe ontstelden zij, toen zij, inplaats van het verwachte wonder, de ijzeren gelederen der Romeinsche cohorten aanschouwden, die in het gelid, gewapend met schitterende helmen en schilden, de berghelling beklommen! Felix had een sterke afdeeling infanterie en cavalerie opgeroepen, en geboden, dat men zonder genade er op in moest slaan. De meesten waren reeds bij het zien der naderende troepen op de vlucht gegaan, geheel en al door schrik overmand; onder hen bevond zich de Egyptische profeet, die voor goed van het too-neel verdween. Van de overgeblevenen werden vierhonderd personen neergesabeld en tweehonderd gevangen genomen. Nog na twee jaren, toen Paulus in Jeruzalem kwam, stelde de Eomein-sche overheid alles in het werk, om den Egyptenaar te vatten, dien zij gaarne in haar macht zou gezien hebben (Hand. 21: 88) Ofschoon de openlijke opstand telkens werd onderdrukt, toch werd het gevaarlijke vuur, de oproerige geest, niet gebluscht; na iedere mislukte poging wakkerde deze in stilte aan. En hoe langer het volk den waren Heiland bleef verwerpen. Hem, dien het voor twintig jaren gekruisigd had, des te sterker werd het beheerscht door een waanzinnigen geest van verzet; des te meer verhaastte het de laatste, verschrikkelijke gebeurtenis, welke Jezus vroeger, met tranen in de oogen, voorspeld had, op de plaats, waar de volgelingen van den Egyptischen profeet uiteengejaagd werden en waar later de noodlottige slag geleverd werd van de Romeinsche legioenen tegen het belegerde Jeruzalem.

-ocr page 366-

340

In zulk een oproerige omgeving kon de Jeruzalemsche gemeente zich niet dan met moeite en door de grootste voorzichtigheid aan den dag te leggen, staande houden. Na de eerste, hevige vervolging, waarbij Paulus zulk een belangrijke rol had gespeeld, waren de ijverigste leden der gemeente uitgetogen, om overal het Evangelie te brengen. Slechts met moeite was de gemeente in de hoofdstad der Joden, den zwaren slag te boven gekomen. De kortstondige gemeenschap van goederen was ge-eindigd in een algemeene armoede. In ieder opzicht verkeerde de gemeente in een hachelijken toestand. In een omgeving, waar zooveel brandstoffen waren opgehoopt, kon zij niet voorzichtig genoeg zijn. üe laatste, korte tijd van vervolging, onder Agrippa I, had haar tot nog meerdere omzichtigheid gemaand. Onder de gegeven omstandigheden was het een geluk voor de gemeente, dat zij in Jacobus, den broeder van Jezus, den zoon van Maria, een voorganger bezat, die, met het oog op de jood-sche omgeving in Jeruzalem, zoo juist geschikt was. Eerst de opstanding had den vroeger ongeloovigen broeder des Heeren de oogen geopend. Van dien tijd af bleef de kalme, standvastige man gedurende 24 jaren, tot aan zijn dood als martelaar, de voorganger der oorspronkelijke gemeente, de hooggewaardeerde leider der Christenen uit de Joden. Daar hij duidelijk inzag, hoe noodig het was, alles te vermijden, wat de uiterst prikkelbare natie of de dienaars des tempels zou kunnen ergeren, hield hij zich voornamelijk aan die woorden van zijn broeder en meester, welke zeiden, dat zelfs geen tittel der wet teniet gedaan zou worden. Hij vormde daardoor een bemiddelend element tusschen Jodendom en Christendom. Daar hij als een asceet en boeteling leefde, dagelijks in den tempel bad voor zijn onboetvaardig volk, was hij, volgens Josephus, als een Nazireër in den volsten zin des woords, zelfs in het oog der Joden, in zeker opzicht een heilige. Aan zijne voorzichtige bemiddeling en zijne, ook naar joodsche opvatting, vlekkelooze persoonlijkheid had de gemeente te Jeruzalem het te danken,

-ocr page 367-

341

dat zij zich weder vermocht op te richten. Doch ook was het aan zijne houding tegenover het Jodendom, deels een gevolg der omstandigheden, deels zijne persoonlijke opvatting, toe te schrijven, dat de Jeruzalemsche gemeente niet in staat was te komen tot het juiste begrip van de vrijheid naar het Evangelie, welke Paulus met zoo groote liefde en geestdrift predikte.

Zoo woei dan Paulus, toon hij in het jaar 59 tegen Pinksteren naar Jeruzalem reisde, een geest van enghartigheid tegen, zelfs uit de Christengemeente. Door de angstvalligheid, teneinde geen aanstoot te geven aan de Joden, door het nauwgezette naleven van alle vormen der Joodsche vroomheid, door de schuchterheid, welke het nooit waagde op dezen heeten bodem duidelijk kleur te bekennen tegenover het Jodendom, vormde de gemeente schijnbaar slechts een synagoge van Galileërs, zooals er in Jeruzalem zoo vele verschillende synagogen bestonden. Zelfs tegenover de vele valsche Messiassen waagde men het niet, voor allen zichtbaar en koen de vaan van den waren Heiland te ontplooien, van Hem, die eenmaal op het plein voor den tempel zulk een moedige, onverschrokken getuigenis had afgelegd van zijn zending, ten aanhoore van het verzamelde volk. Deze Christengemeente kon het oude Jodendom desnoods nog billijken, en de vrede werd dan ook inderdaad bewaard.

Tegenover Paulus kreeg de zaak echter een geheel ander aanzien. Tegen hem, den verwoester van het Jodendom koesterde men een doodelijken haat. In hem zag men den snooden renegaat, die eertijds, voor 20 jaren, aan het hoofd van de vervolging der Christenen gestaan had, en die nu stad en land afreisde, teneinde de joodsche synagogen afvallig te maken van de wet. Hoe meer het volk, door den waren, hopeloozen toestand, waarin het verkeerde, ganschelijk te miskennen, leefde in den nationalen waan, dat een aardsch Messias stond te komen, des te zekerder geloofde het, dat de tijd nabij was, waarop alle volkeren zich in de diepste vereering zouden buigen voor de Mozaïsche wet en hare joodsche aanhangers, waarop

-ocr page 368-

IN JERUZALEM EN CESAREA.

alle Heidenen, aan onderhoorigen gelijk, volgens de verkeerd begrepen uitspraken der oude profeten, hun goud en zilver als verschuldigde schatting, naar het heilige Jeruzalem zouden brengen. Behalve de Romeinsche regeering was er niemand • dan Paulus, die het trachtte wakker te schudden uit dezen ijdelen waan. De doodelijke haat, waarmede de Joden van Iconiura, Galatië, Thessalonica, Berea, Korinthe en Efeze menigmaal, doch tevergeefs, getracht hadden, Paulus door sluipmoord uit den weg te ruimen: al die haat vereenigde zich als in een brandpunt in Jeruzalem. Zelfs de Christen-gemeente in die stad, welke zoo vele farizeesche elementen in zich opgenomen had, deelde in de verbittering tegen Paulus, en de gematigde Jacobus was niet in staat die te breidelen. Men verweet hem, dat hij, tegen de besluiten van het, voor acht jaar gehouden, Apostel-Concilie in, door zijne prediking de Joden aanspoorde, zich los te maken van de joodsche wet, door zich te laten ap-nemen in de kerk.

Zoo betrad dus Paulus een gevaarvollen bodem, toen hij zich in het jaar 59 naar Jeruzalem begaf. Wij begrijpen, waarom hij gedurende de gansche reis gekweld werd door duistere, bange voorgevoelens.

342

-ocr page 369-

.

€■[

fB?G) 2 fe\'te) s fevS) a ö,® 2 (f\'Vf 3\'B?G) 2 fe\'te) s fevS) a ö,® 2 (f\'Vf 3\':) \'g) ,quot;, me) s 6\' ü aji. «J» %9 o^.\'. e^9

1

:

i

OP NAAR JERUZALEM.

Wat is liet, dat weeklaagt En zoo mü breekt het hart?

Hoe trouw uw hart m\' ook omdraagt,

Zoo meert gij slechts miin smart.

Gold mijn wil, ik vertoefde,

Naar Gods wil moet ik gaan:

Dus, troost u dan, bedroefde!

Zijn wil toch moet bestaan.

Paulus was besloten om Jeruzalem te bezoeken, aleer hij naar het verre Westen reisde. Wanneer hij, ondanks het gevaar, waaraan hij zich blootstelde, toch bij zijn besluit bleef, omdat hij meende deze reis te moeten maken, met het oog op zijn ambt en werk, dan handelt hij evenals eertijds Een, machtiger dan hij, die niettegenstaande de betuigingen zijner getrouwste jongeren, volhardde enzeide: „Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem!quot; Slechts hij, die door hetgeen vermeld werd in het vorig hoofdstuk, eenig begrip heeft gekregen van de woeste hartstochten, die elkander bestreden, van den gloeienden haat, die daar gevoed werd tegen den Apostel, vermag Paulus\' heldenmoed naar waarde te schatten; deze liet zich, zelfs niet door de waarschuwingen zijner vrienden weerhouden naar Jeruzalem te reizen, al blikte hem van daar het kruis reeds dreigend tegen.

|

I |||

s

i I

III

13

-ocr page 370-

OP NAAR JEHUZALBM.

844

Waarom wilde hij clan zoo beslist naar Jeruzalem? Zoo hij slechts zichzelf en eigen eer gezocht had, dan zou hij stellig met vreugde van deze reis hebben afgezien. Het stond immers aan hem, ook zonder te rade te gaan met de gemeente te Jeruzalem, zijn eigen kerk naar goedvinden te besturen. Had hij niet een hoogte bereikt, die ieder ander duizelig zou gemaakt hebben? Overal werd hij erkend als de groote Heiden-Apostel. Zijne kerken in Galatiö, Frygio, Azië, Macedonië en Griekenland waren grooter en hadden meer invloed op de wereld dan de oorspronkelijke gemeente te Jeruzalem. De heftige aanvallen en pogingen tot verwoesting van de zijde der Jood-Christenen in Jeruzalem, had hij teruggeslagen en doen mislukken; uit den strijd was hij te voorschijn getreden als de overwinnaar, wiens Apostolisch gezag over zijne gemeenten erkend was. Paulus had zich dus geheel los kunnen maken van Jeruzalem, doch iiij bedoelde niet zichzelf, hij beoogde niet eigen macht en eero. Nooit had hij zich voor iets anders gehouden dan voor een dienstknecht van Jezus Christus. De geheele kerk, hetzij in Jeruzalem, Athene of Korinthe, had slechts één Heer. Dientengevolge moest de gemeenschap van het geheele lichaam, van Joden en Grieken, als staande onder één hoofd, nooit uit het oog verloren worden. Er mochten geen twee kerken ontstaan, die elkander vijandig waren. Hetgeen hij dus daarvoor doen kon, dat was hij besloten te doen, ook al stelde hij daardoor zijn leven in gevaar. Het ontstane misverstand en de daaruit voortgevloeide twisten, ondanks den vrede, na het concilie der Apostelen in het jaar 51 gesloten, moesten uit den weg geruimd worden, wilde men een scheuring der kerk verhoeden. Zulks kon echter niet geschieden door brieven, ook niet door gezanten, die de groote, ingezamelde som gelds overmaakten; neen! men moest persoonlijk tezamen komen, elkander zien en spreken en daardoor den band weder versterken, dien anderen getracht hadden te verbreken. Om al deze redenen gevoelde Paulus zich even dringend verplicht en genoodzaakt, om naar Jeruzalem te

-ocr page 371-

IN HET JAAR 59.

gaan, als later Luther naar Worms. Hij moest zijn begeerte tot verder reizen, tot het gaan naar het Westen opschorten, daar hij zich gebonden gevoelde. Daarom had hij, voor de ankers gelicht werden tot de reis naar Palestina, tot zijne Efeziërs gezegd: „Ik, gebonden zijnde door den Geest, reis naar Jeruzalem, niet wetende, wat mij daar ontmoeten zal, dan dat do Heilige Geest van stad tot stad betuigt, zeggende, dat mij banden on verdrukkingen aanstaande zijn. Maar ik acht op geen ding, noch houde mijn leven dierbaar voor mijzelf, opdat ik mijn loop met blijdschap mag volbrengen, en den dienst, welken ik van den Heer Jezus ontvangen heb.quot;

Bovendien voelde hij zijn hart in liefde getrokken tot zijn hardnekkig en toch zoo ongelukkig volk, dat in waanzinnige verblinding reeds begonnen was zichzelf te verscheuren. In hoe hooge mate werd hij miskend door zijne vijanden in Jeruzalem, wanneer zij hem haatten als den verwoester hunner natie. Welke schoons gedachten des vredes, ook over de Joden, woonden in het hart van den man, die slechts enkele weken voor de reis, in Korinthe geschreven had; „Ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet, dat het mij een groote droefheid en mijn hart een gedurige smart is. Want ik zou zelf wel wenschen verbannen te zijn van Christus, voor mijne broederen, die mijne maagschap zijn naar het vleeschquot; (Eom. 9 : 1 en 2). Geheel vervuld van zulke gedachten reisde Paulus naar Jeruzalem.

Het koopvaardijschip, waarmede hij en zijn reisgezelschap Patara verlaten hadden, liet in Tyrus liet anker vallen. Paulus had op zeer eigenaardige wijze aanleiding gegeven tot het stichten eener Christengemeente in Tyrus. De hartstochtelijke wijze, waarop hij voor twintig jaren deel had genomen aan do vervolgingen der Christenen, had deze gemeente doen ontstaan (Hand. 11 : 19). Nu ontvingen de Tyriörs den grooten Heiden-Apostel met ontroering, en gaarne luisterden zij naar zijne prediking. Doch zij werden droef te moede, toen zij hoorden, dat hij op reis was naar Jeruzalem; zij wisten immers bij

-ocr page 372-

OP NAAK JERUZALEM.

ervaring, welke gevaren hem daar wachtten. Zij smeekten hem, zich niet in het moordenaarshol te wagen. Zoo bezorgd waren zij voor hem, dat zij voorgaven door den Heiligen G-eest te zijn ingelicht, dat hij de reis moest opgeven, ook al was hij zoo nabij het doel. Doch Paulus was niet van zijn plan af te brengen. „Ik ben in den geest gebonden,quot;\' dat stond in zijne ziel gegrift. Toen hij bleek niet te bewegen te zijn, deed men hem na een verblijf van acht dagen uitgeleide. Mannen, vrouwen cn kinderen vergezelden hem tot aan het heerlijke strand van Tyrus, waar nu gebarsten, marmeren zuilen droevig terneder liggen in de branding. Daar knielde de geheele schare van Christenen neder, en in het gebed droeg men den dierbaren, onverschrokken man op aan de hoede des Almachtigen. Nadat Paulus en zijne medereizigers wederom in het schip gegaan waren, keerden allen treurig en het hart vervuld van bange voorgevoelens, huiswaarts.

Ook in Ptolemaïs, het tegenwoordige Akka, dat men na een gelukkige, heerlijke vaart bereikte, terwijl men den blik liet rusten op de rotsachtige kust, die zich koen uit de zee verheft, en op de verwijderde, besneeuwde toppen van den Libanon, werd het Apostolisch reisgezelschap vriendelijk ontvangen dooide Christenen. Langs de geheele kust kon men geen stad aanwijzen, waar geen Christenen woonden.

Na een oponthoud van een enkelen dag werd de reis naar Cesarea over land voortgezet. Langs de heerlijke golf van Akka liep de weg niet ver van de schuimende, bruisende \'zee naar het tegenwoordige Haifa, dat reeds van verre zichtbaar en te midden van palmen en oranjeappelboomen, aan den voet van het trotsche gebergte Karmel gelegen was. Van hier uit liep de weg om den uitlooper van den Karmel-, en bereikte men door de uitgestrekte vlakte van Saron, waarop het graan golfde, de stad Cesarea.

Ook hier werden de reizigers met vreugde en hartelijkheid begroet door de Christenen, wier gemeente reeds voor twintig

346

-ocr page 373-

IN HET JAAE 59.

jaren door Petrus gesticht was in het huis van den hoofdman Cornelius. Nu stond aan het hoofd der gemeente de, ons welbekende, voormalige diaken van -Teruzalem, de Evangelist Filippus. Ook hij had, tengevolge van de heftige vervolgingen, waarin Paulus toen welbehagen had, na de steeniging van zijn ambtgenoot Stefanus, Jeruzalem moeten verlaten. Hier in Cesarea, de hoofdplaats des lands, bekleedde hij een waardigheid als die eens bisschops over de verschillende gemeenten, gedeeltelijk op het gebergte in het nabij gelegen Samaria, gedeeltelijk langs de oevers der zee gesticht. Hij was de eerste man geweest met zoo ruimen blik, dat hij ook Samaritanen en Heidenen opnam in de kerk van Christus. Met vreugde heette hij zijn vroegeren vervolger, met diens tochtgenooton, in zijne woning welkom, en vernam uit den mond van den grooten Apostel der Heidenen, welke overwinningen het Evangelie in verre landen behaald had.

Terwijl Paulus met de vertegenwoordigers der Heidenkerk in deze woning vertoefde, kwam er bezoek uit Jeruzalem. Het was een oude bekende van den Apostel, die vijftien jaar geleden met hem samengewerkt had in Antiochië, n.1. Agabus. Schrik en ontsteltenis waren echter op diens gelaat te lezen, toen hij vernam, dat zijn oude vriend naar Jeruzalem wilde gaan. Hij kwam juist vandaar en wist, hoe het er daar uitzag. Hij stond op. Naar de wijze der oude profeten,, die door gebaren nog meer nadruk willen leggen op hunne uitspraken, grijpt hij, zonder een woord te spreken, haastig den gordel van Paulus. Daarmee bindt hij zich, tot groote verbazing der aanwezigen, handen en voeten samen en spreekt: „Zoo zegt de Heilige Geest: den man, wiens deze gordel is, zullen de Joden te Jeruzalem alzoo binden en den Romeinen overleveren!quot;

Met ontzetting hoorden de aanwezigen de woorden van Agabus, dien men als een profeet vereerde. Waarschijnlijk liet deze op de weinige woorden een schildering volgen van het vreeselijke gevaar, waaraan Paulus zich tengevolge van de toestanden in

347

-ocr page 374-

OP NAAH JERUZALEM\'.

Jeruzalem blootstelde. Degenen onder de aanwezigen, die uit Palestina kwamen, stemden bovendien in mot het gesprokene. En nu eenmaal over de zaak gesproken was, drongen allen er ten sterkste bij Paulus op aan, dat hij Jeruzalem zou vermijden. Nu begonnen ook de begeleiders, Lukas, Timotheus, Troflmus en Aristarchus, die tot nu toe onverzettelijk geweest waren, wankelmoedig te worden en ook zij trachtten Paulus van inzicht te doen veranderen. Zelfs de eerwaardige Filippus en diens vier dochters, welke de gave der profetie hadden, voegden hunne smeekingen bij die der overigen. Het was een aandoenlijk tooneel, als ten slotte allen hem onder tranen smeekten, den gewissen dood te ontvlieden.

Paulus was zeer geroerd. Toch bleef hij standvastig. Hij dacht misschien aan Stefanus, die eenmaal vol vreugde vóór zijne oogen voor den Heer gestorven was. En hij zou den dood ontvluchten, waar zijn ambt hem riep? Daarom zeide hij met vaste stem tot de weenende, hem omringende vrienden: „Wat doet gij, dat gij weent en mij het hart week maakt! Ik ben niet alleen bereid om mij te laten binden, maar ook om te sterven te Jeruzalem voor den naam des Heeren Jezus.quot;

Toen men zag, hoe vast zijn besluit stond, zwegen allen en zeiden: „Do wil des Heeren geschiede!quot; Toch zorgden de broederen in Cesarea er voor, dat eenigen der gemeenteleden, die volkomen op do hoogte waren van den toestand in Jeruzalem, medegingen, toen Paulus zich na enkele dagen gereed maakte, om zich naar de gevreesde stad te begeven. Ook werd vooreen veilig onderkomen voor hem gezorgd in het huis eens bejaarden Christens in Jeruzalem, Mnason genaamd, iemand, die den Heer nog persoonlijk gekend had. Men wist, dat de Apostel daar goed bezorgd was.

Zoo toog dan het gezelschap door de vlakte van Saron en verder, over de rotsige bergen van Bethoron en Gibeon, naar Jeruzalem. Paulus strekte den medereizigers uit Macedonië en Griekenland tot gids. Hier kende hij iederen berg, elk gehucht

348

-ocr page 375-

IN HET JAAR 59.

849

en de geschiedenis daaraan verbonden. Modin, de geboorteplaats der heldhaftige Makkabeeen, lieten zij links liggen. Bethoron, een vesting gelijk, hoog op het gebergte gelegen, blikte neder in het dal Ajalon. Ginds, op een heerlijke hoogte, zag men het dorpje Emmaüs. Gedurende den tocht werd stellig menige herinnering uit het Oude en Nieuwe Testament besproken. Eindelijk bereikte men het punt ten Noorden van Jeruzalem, vanwaar men de geheele stad kon overzien. Daar lag zij, de voormalige koningsstad in den krans van bergen, met hare paleizen, haar prachtigen tempel. Zeker hebben de leden der Heiden-kerk met vreugde de stad begroet, waaraan ook voor hen de verheven-ste herinneringen verbonden waren. Wellicht hebben zij toen echter ook gevoeld, dat hun geliefden Apostel binnen deze muren moeilijke tijden wachtten.

-ocr page 376-

PAULUS IN JERUZALEM.

Me; welke gevoelens zal de Apostel op den eersten morgen in Jeruzalem ontwaakt zijn! Was hij niet in Jeruzalem, de stad, waar hij gezeten had aan de voeten van Gamaliel, in Jeruzalem, waar hij in getrouwe wetsvervulling al zijne medeleerlingen had overtroffen, de stad, waar hij de Christengemeente aan den rand des ondergangs gebracht had, waar hij met welgevallen de steeniging van Stefanus had aanschouwd, waarheen hij, sedert dien tijd, vijfmaal als Christen was wedergekeerd, telkens meerder vruchten met zich voerend van zijn arbeid als Apostel. En nu was hij daar nogmaals, als het ware niet de banieren der veroverde landen, met de vertegenwoordigers van al zijne kerken uit de streken, waar men nog voor korten tijd niets wist van den Heer Jezus.

Xu liet hij, staande op het platte dak van de woning zijns gastheers, Mnason, den blik weiden over de stad, welker huizen, welker tempel met zijn rijkelijk met goud versierd dak, schitterden in den glans der Pinksterzon.

Waarschijnlijk heeft hij met zijne vrienden uit Klein-Azië en Europa, de welbekende straten der stad en haar naaste omgeving bezocht (Hand. 21 : 29j. Veel was veranderd sedert de dagen zijner jeugd. Rondom Golgotha waren huizen en villa\'s

-ocr page 377-

IN HET JAAR 59.

verrezen, welke tezamen een voorstad vormden, waaromheen Agrippa I reeds begonnen was een nieuwen muur te bouwen, teneinde dit gebied aan de stad toe te voegen.\' Overal prijkten de wijnbergen in vollen bladerdos, en vervulden de lucht met den zoeten geur der bloesems. Ook de olijvenboomen waren met bloemen bezaaid. De rozen bloeiden nog in de tuinen, en overal staken de vuurroade bloemen der granaatappelen sterk af tegen het groen. Op de overige boomen had de vrucht zich reeds gezet. Op de velden golfden de goudgele halmen, waarvan nu, op het Pinksterfeest, de eersteling-schoven op liet altaar werden nedergelegd.

De stad-zelf wemelde van menschen uit alle hemelstreken. Het was immers Pinksteren (Hand. 20 : 16), wanneer vreemdelingen uit alle landen naar Jeruzalem stroomden: Parthers, Meders en Elamieten, inwoners van Mesopotamic, Cappadocië, Pontus, Frygië, Egypte en Libyë, Romeinen, Kretensen en Arabieren (Hand. 2 : 9). Ook de Efeziërs en bewoners van Ionisch Klein-Azië, waren, zooals wij gehoord hebben, vertegenwoordigd. In alle huizen der stad waren gasten, terwijl duizenden buiten loofhutten en tenten hadden opgeslagen.

En toch was het niet meer het vroolijke Pinksterfeest van vroeger tijden. Een duistere schaduw, als die van den uitge-strekten arm des gerichts, rustte op het geheele land en voor namelijk op de feesten. In het eertijds zoo vredige, gelukkige land huisden nu velerlei verschrikkingen, en de feestelijke bijeenkomsten voornamelijk, waren getuigen van bloedige tooneelen. De oude Mnason heeft Paulus zeker daarvan verhaald. De benden der Sikariërs beschouwden de feesten als zoovele welkome en geschikte gelegenheden tot het uitoefenen van hun handwerk. Vermomd togen zij door de stad, in het gedrang in den tempel grepen zij in stilte naar hun dolk en doodden degenen, die naast hen stonden. Plunderend zwierven zij in het gebergte rond en verspreidden overal schrik en ontzetting. Dat alles waren voor Paulus slechts droeve voorteekenen, het weerlichten

351

-ocr page 378-

PAUËTJS IN JERUZALEM.

van een naderend, hevig onweder, dat zich immer dreigender boven de bergen van Jeruzalem samenpakte. Ieder vredelievend man zag met vrees en bekommering in het hart, het feest tegemoet. Wie kon weten, welke verschrikkelijke tooneelen nu weder zouden plaats grijpen? Ook de stadhouder Felix had de noodige voorzorgsmaatregelen genomen. Hij had een sterke legermacht naar Jeruzalem doen oprukken en daarover den krijgstribuun, Claudius Lysias, als bevelhebber aangesteld.

Paulus en zijne medereizigers werden bij hun aankomst terstond met hartelijkheid begroet door de leiders der Jeruzalem-sche gemeente (Hand. 21 ; 17). quot;Voor den volgenden dag werd een bijeenkomst vastgesteld van de gezamenlijke oudsten dei-gemeente, in het huis van Jacobus, teneinde de nieuw aange-komenen welkom te heeten. Het schijnt, dat de Apostelen niet in Jeruzalem waren, van geen hunner wordt gesproken. Petrus en Johannes hadden op zich genomen het Evangelie te verkondigen aan de Joden in het Romeinsche rijk (Gal. 2 : 7 en 9). Voornamelijk Petrus, wien later het wonderlijke lot beschoren werd in do Roomsche kerk te moeten optreden als schutspatroon van den priesterlijken, ongehuwden staat, reisde toen met zijn vrouw, evenals een Protestantsch zendeling, door de wereld (1 Kor. 9 : 5). De vroegere medearbeider van Paulus, de schrijver van het tweede Evangelie, Markus, vergezelde hem als tolk.

Op het bepaalde uur trad Paulus met de afgezanten dei-kerken van Galatië, Azië, Macedonië en Griekenland in den kring der oudsten. Hij kwam niet met ledige handen. Uit naam van al de kerken, wier vertegenwoordigers de verre reis met hem gemaakt hadden, overhandigde hij de, voor Jeruzalem verzamelde, gelden. Het was een rijke gave, waardoor men hulde bracht aan de eerste kerk, een uiting van Christelijke, broederlijke liefde, welke bereid is naar alle zijden de hulpvaardige hand uit te steken en tevens een teeken, dat men den vrede wenschte met de wantrouwende Jood-Christenen. Het hoofd-

352

-ocr page 379-

IN J UNI 59.

doel der bijeenkomst was echter het vernemen van berichten, omtrent het wassen en groeien der kerk, door den grooten Heiden-Apostel gesticht van Antlochiö af tot aan Illyrië toe.

Het spreekt van zelf, dat de Apostel, wiens naam zoo roemrijk vermeld werd, die zooveel gearbeid had, die zijne vrienden: Lukas, Timotheus, Aristarchus en Troflmus als levende bewijzen van den schoenen wasdom zijner kerken had medegebracht, die bovendien zulk een rijke gave van zijne gemeenten overhandigde, door dit alles groote vreugde verwekte in het hart der verzamelde ouderlingen. Zij prezen den Heer, die zoo groote dingen door hem had tot stand gebracht. En toch, ondanks alles heerschte een gedrukte stemming onder de vergaderden. Do komst van Paulus in Jeruzalem was zeker niet onverwacht. De Joden in Efeze en Korinthe, die slechts enkele weken geleden een aanslag op zijn leven beraamd hadden, hadden vermoedelijk reeds gemeld, dat hun doodvijand de reis aanvaard had. De oudsten wisten, welk een onverzoenlijken haat de Joden hun gast toedroegen; zij wisten echter ook hoe vijandig de machtige partij der Jood-Christenen te zijnen opzichte gezind was. Men beschuldigde hem er van, dat hij, tegen de besluiten van het apostel-concilië van het jaar 51 in, de Jood-Christenen in Korinthe, Efeze en Thessalonica afvallig gemaakt had van de Joodsche wet. Letterlijk had Paulus zulks niet gedaan. Het was zijn begeeren geweest, dat men de Christenen uit andere natiën niet het juk der joodsche vormen van vroomheid zou opleggen. Hijzelf was niet alleen „den Joden een Joodquot; geworden door deel te nemen aan de hem zoo bekende, gebruikelijke vormen, wanneer hij onder hen verkeerde (Hand. 16 : 3; 18 : 8), doch evenzeer wist hij „den Heidenen een Heidenquot; te zijn, door alle joodsche wetten te laten vallen, wanneer hij met de Christenen uit de Heidenen was. Door zijn voorbeeld moedigde hij echter andere Christenen uit de Joden aan, zich te ontheffen van de joodsche inzettingen. Dat was de groote euveldaad, die de Jood-Christenen in Jeruzalem hem niet konden vergeven. En zulks wisten

353

23

-ocr page 380-

PAULUS IN JERUZALEM.

de oudsten. Zij vreesden, dat de tegenwoordigheid des Apostels in deze gemeente aanleiding zou geven tot een stormachtige uiting van de verbolgenheid. Dien storm het hoofd te bieden, durfden zij niet. Bovendien werd de zaak er niet beter door, dat voor het Pinksterfeest duizenden Christenen uit de Joden naar Jeruzalem gestroomd waren. In hun verlegenheid deden zij hem het volgende voorstel:

„Gij ziet, broeder, hoevcle duizenden van Joden er zfln, die gelooven en allen Ijveren voor de wet. En zij zijn aangaande u bericht, dat gij al de Joden, die onder de Heidenen leven, leert van Mozes af te vallen, zeggende, dat zij de kinderen niet zouden besnijden, noch naar de wijze der wet wandelen. Wat is er dan te doen? Het is gansch noodig, dat de menigte samenkome, want zjj zullen hooren, dat gij gekomen zijt. Doe dan, hetgeen wij u zeggen.quot;

En nu sloegen zij hem voor, den storm te voorkomen, door een persoonlijke toenadering tot de joodsche ijveraars. Wij weten van Josephus, dat het in dien tijd een algemeen gebruik was, dat welgestelde Joden voor arme Nazireërs de niet geringe kosten betaalden, opdat deze de voorgeschreven offers voor het Nazireërschap zouden kunnen brengen. De Joden meenden natuurlijk zich daardoor de verdienste te verwerven, van voor uiterst vroom door te gaan. De Nazireër moest zich onderwerpen aan verscheidene plechtige reinigingen in den tempel, zich daar een reeks van dagen terugtrekken, een vrouwelijk en een mannelijk lam, benevens een ram otteren, zich laten scheren en ten slotte zijn haar in het vlammende altaarvuur werpen. Bij deze oude gebruiken kwam nog een reeks van vreemdsoortige voorschriften en handelingen, welke het bijgeloof aan het Nazireërschap had verbonden. Nu kenden de ouderlingen juist vier Christelijke gemeenteleden, die, even arm als bijna al de overigen, zulk een gelofte wilden afleggen. Nu moest Paulus voor deze menschen het noodige geld geven, zich een week lang met hen als een joodsch boeteling laten opsluiten en daardoor aan geheel Jeruzalem het bewijs leveren, dat hij nog de inzettingen naleefde.

-ocr page 381-

IN JUNI 59.

Welk een pijnlijke ure voor den Apostel! Waren Petrus en Johannes tegenwoordig geweest, dan liad men hem zeker niet zulk een harden eisch durven stellen. Jakobus, de toongever in de Jeruzalemsche gemeente, wiens begrippen geheel en al in de richting der Jood-Christenen gingen, kon niet begrijpen, dat het voldoen aan dit verlangen voor Paulus een hoogst moeilijke taak was. Paulus moest iets doen, waartegen zich geheel zijn innerlijk wezen verzette; hij moest gedachten opwekken, die eigenlijk een onwaarheid behelsden. Hoe kon hij doen, als rekende hij zich nog gebonden aan plechtige handelingen dooide wet voorgeschreven. Hoe was het hem mogelijk, zich te laten „reinigenquot; door priesters van den godsdienst, in wiens naam Jezus, als een vervloekte, aan het kruis gehangen was! Hoe kon hij het voor eigen geweten, voor do achting van eigen persoon, voor zijn macedonische en grieksche vrienden verantwoorden, dat hij zich hier boog onder het juk van inzettingen, wier naleving hij zijnen gemeenten had leeren beschouwen als een ijdele zaak, ja, in zeker opzicht als een verloochening van den Heer! (Gal. 5 : 1—4).

Waartoe zou het dienen, deze smartelijke tegenstellingen te bemantelen en zich droombeelden te scheppen van de heerlijkheid der eerste Christenen. Van meer nut is het, aan de hand der Evangelische berichten tot het juiste inzicht te komen, dat van de eerste tijden af, het Evangelie stond tegenover dezelfde zondige en bekrompen menschenkinderen, als in dezen tijd, en dat de geest Gods toen, evenals nu, eerst vele verkeerdheden en eigengerechtigheden der menschen moest uit den weg ruimen, alvorens het rijk van Christus zuiver en onvervalscht opgericht kon worden. Uit het voorstel, den Apostel Paulus gedaan, sprak een geest van bekrompenheid als gevolg van de hoogst zwoele atmosfeer, welke heerschte in de stad Jeruzalem, die den ondergang nabij was; en Paulus gevoelde zich daardoor niet weinig bedrukt. In zekeren zin werd van hem verlangd, dat hij openlijk zou boete doen wegens het prediken van de vrijheid eens Christens, welke hem

355

-ocr page 382-

356

onthief van de inzettingen der wet, en daarvan, dat het kruis van Christus de eenige en algenoegzarae kracht ter verlossing is. En zulks zou moeten geschieden alleen uit vrees voor „de vele duizenden van Joden, die geloofden en die IJveraars voor de wet waren!quot; (Hand. 21 : 20).

Wat moest Paulus doen? Moest hij zich buigen? Of moest hij het voorstel kortweg van de hand wijzen en daardoor onvermijdelijk breken met de oorspronkelijke kerk?

Paulus was wellicht nooit grooter, dan op het oogenblik, dat hij, hoe invloedrijk de gevolgen zijner prediking ook zijn mochten, de overwinning op zichzelf behaalde en besloot toe te geven. Nadat men hem nog eenmaal uitdrukkelijk had te kennen gegeven, dat de kerken in het buitenland geheel vrij waren van alle joodsche inzettingen (Hand. 21 : 25), gevoelde hij, dat de stelling, waarop de arbeid zijns levens gebouwd was, onaangetast bleef en dat het slechts gold een persoonlijke, zij het ook smartelijke concessie te doen. Hetgeen hij op het concilie dei-Apostelen had erkend, verbindend te zijn voor de andere Jood-Christenen, daaraan kon hij zich ook onderwerpen, wanneer hij in zijn hart aan den joodschen vorm een Christelijk karakter toekende. Nu er geen dwang zou uitgeoefend worden op de gemeenten, stond Paulus voor zichzelf geheel vrij tegenover deze dingen. Het ging hem, evenals later Luther, die aan een gemeente, welke hem zijne meening vroeg, ten antwoord gaf, dat men zoovele processies kon meemaken als men wilde, zoo men maar bleef gelooven, dat men niet door deze plechtige handelingen, doch alleen uit genade zalig werd.

En zoo deed dan Paulus van zijn kant al het mogelijke; reeds den volgenden dag begaf hij zich naar den tempel (Hand. 24 : 11). Daar onderwierp hij zich met zijne vier mede-boetelin-gen aan de „reinigingenquot; en handelingen der priesters, die zijn Heer, naar hun oordeel een vervloekte, nog meer haatten dan hemzelf. Bijna zeven dagen lang bleef hij in den ouden tempel, welke schitterde van goud en welke onmetelijke schatten binnen

-ocr page 383-

m juni 59.

zijne muren besloot, terwijl reeds na tien jaren al deze kostbaarheden, het goud en zilver, de kronen, heilige vaten, versierselen en edelgesteenten in triomf door de straten van Rome gevoerd zouden worden. Het was voor hem een zeer zware taak, zoo langen tijd met geschoren hoofd, nadat het haar in de vlammen tot asch was vergaan, daar te vertoeven, als ware hij een dergenen, die gelooven, dat men gereinigd kan worden door zoodanige handelingen. Voor hem was het geheel een noodzakelijk lijden, een persoonlijk offer voor de goede zaak des Evangelies, voor den vrede en de eenheid der kerk. Nooit heeft hij met grooter zelfverloochening de door hemzelf uitgesproken vermaning nageleefd (Ef. 4:3): „Benaarstigt u te behouden de eenigheid des geestes door den band des vredes.quot;

Deze tijd van niet gezochte rust zal overigens den Apostel zeker goed gedaan hebben. Had de Heer-zelf niet gaarne in den tempel tot Zijn Vader gebeden, en was voor hem deze tijd van afzondering dus niet een geschikte gelegenheid om zich te stellen voor het aangezicht van zijnen God? Terwijl hij in den tempel toefde, ijlde zijn koene geest naar verre kusten en landen. En hij dacht niet alleen aan de, tot nu toe gestichte, gemeenten. „Voorwaarts, immer voorwaarts!quot; zoo klonk het onophoudelijk in zijn rusteloozen geest. Grootsche plannen voor de toekomst hielden zijne gedachten bezig. Rome, het groote, keizerlijke Rome stond hem voortdurend voor oogen. Reeds berekende hij, dat na weinige dagen het onvermijdelijk offer gebracht zou zijn. Dan wilde hij zich weder met spoed opmaken, naar Cesarea terugkeeren en daar de eerste gelegenheid waarnemen om naar Rome te reizen, ja zelfs, tot naar de oevers van den Ebro, tot naar het einde der toen bekende wereld.

357

-ocr page 384-

DE GEVANGENNEMIlSrG DES APOSTELS.

Den burcht Antonia had de tribuun Claudius Lysias, gedurende het Pinksterfeest, de aanzienlijke legerafdeeling doen betrekken, door Felix te zijner beschikking gesteld, zoolang er ongeregeldheden te verwachten waren. De burcht Antonia lag aan den noord westelijken hoek des tempels, en was door Herodes versterkt. Op een steile, 50 el hooge rots verhieven zich de hechte, trotsche muren. De oude Herodes had voor alles zorg gedragen. Wat grootheid, pracht en weelde aangaat, was de Antonia een koninklijk paleis, zooals Josephus opmerkt; wat uitgebreidheid en volkomenheid betreft, was deze een stad in miniatuur. Hier vond men, binnen de sterke muren, ruime badkamers, pleinen, exercitie-velden en kazernes. Op de vier hoeken stonden geweldige, versterkte torens, ieder 50 el hoog. Alleen de zuid-oostelijken toren was 70 el hoog, zoodat men vandaar uit, het geheele plein vooi den tempel, benevens de gebouwen kon overzien. Op deze toren stond voortdurend, op bevel van Lysias, een schildwacht, die de troepen kon waarschuwen, zoodra een der gewone oproeren dreigde te ontstaan. Daar, waar de Antonia grensde aan de groote, open ruimte voor den tempel, waren ter weerszijden breede trappen aangebracht, die naar het plein leidden, opdat de soldaten, in geval van nood, spoedig op het plein zouden kunnen komen.

-ocr page 385-

IN JUNr 59.

Terwijl Paulus, zooals in de Handelingen, hoofdst. 21 : 26 staat „verblijvende wasquot; in den tempel, stak in de stad een storm tegen hem op, waarvan hij in zijne afzondering niets vermoedde. Volgens veler meening waren het juist zijne meest verbitterde vijanden onder de Jood-Christenen, die dezen storm zouden hebben uitgelokt en gevoed. lïoe boosaardig deze gedachte ook moge zijn, toch zal ieder de mogelijkheid van zoo iets moeten toestemmen, die met opmerkzaamheid de lage, hatelijke handelwijze heeft gadegeslagen der voornaamste heethoofden, die hem tot in zijn verst gelegen gemeenten hadden vervolgd. De gematigde Jacobus had reeds sedert lang de macht niet meer, hun hartstochtelijk optreden te beteugelen. Gelukkig evenwel vinden wij in de Handelingen niets, dat ons recht geeft het bovengenoemde te onderstellen. Het oude bericht van Clemens Romanus, dat de Apostel in het verderf gestort was tengevolge van nijd, kan ook op andere wijze voldoende verklaard worden. Veeleer droeg zich de zaak, volgens hetgeen Lukas mededeelt, alzoo toe;

Tn de stad had zich het gerucht verbreid, dat de gehate Paulus binnen de muren van Jeruzalem verkeerde. Natuurlijk was de geheele stad terstond vol van den man, die, zoowel als vijand, en later als vriend der Christenen, steeds voorop had gestaan. De Joden bemerkten wel, dat de vrede met de Jeru-zalemsche gemeente eigenlijk niet meer dan een schijnvrede was, en dat op die punten, waar de grondstellingen van het Christendom, zooals bij Paulus het geval was, duidelijk en beslist werden uitgesproken en nageleefd. Christendom en Jodendom, sedert de kruisiging, tegenover elkander stonden als water en vuur. De nabijheid van den beroemden vijand deed den haat des te meer opvlammen. Tot zijne meest verbitterde vijanden behoorden de Joden in Efeze (Hand. 20: 19), en toevallig waren verscheidene van hen voor het feest naar Jeruzalem gekomen. Zij waren het geweest, die hem op een der eerste dagen, toen hij nog niet in den tempel was, tot hun groote verbazing gezien

359

-ocr page 386-

DE GEVANGENNEMING DES APOSTELS.

hadden met den, hun zeer goed bekenden, Griekschen burger Troflmus. Het groote nieuws was weldra aan alle feestgangers bekend. Niemand wist echter, waar hij zich ophield, want men had hem, sedert dien tijd, niet meer gezien. Een enkele of meerdere personen, voor wie een leugen weinig gold, en die zeer goed wisten, dat niets de woede des volks zoo zeer zou doen ontbranden, dan het bericht van een ontwijding des tempels, strooiden het praatje uit, dat zij hem met den genoemden Griek Troflmus, in den tempel gezien hadden.

De tijding, weldra door geheel Jeruzalem verbreid, deed de woede der Joden ten toppunt stijgen. Zooals bekend is, was de voorhof der Heidenen zorgvuldig gescheiden van dien der Israëlieten. Op gouden borden stond in het Hebreeuwsch en in het Grieksch geschreven, dat de doodstraf eiken niet-Jood wachtte, die het waagde hier binnen te treden. Had Paulus den Heiden werkelijk met zich genomen, dan was hij verloren, dan oischte het geheele volk zijn bloed. Zelfs de tegenwoordige bezitters van den ouden tempel, de Mahomedanen, hebben deze bepaling van hunne voorgangers overgenomen. Wee den Christen, die het waagt op Vrijdag den hof voor den tempel te betreden. De dweepzieke menigte zou hem verscheuren.

Daar geschiedde het, toen reeds de laatste dag van Paulus\' afzondering nabij was, dat de Joden uit Efeze bij toeval op de afgelegen plaats in den hof des tempels kwamen, waar Paulus zijn gelofte naleefde. Plotseling zagen zij hun vijand midden in den tempel. Zij durfden hun oogen nauwelijks gelooven. Terstond begonnen zij luidkeels te schreeuwen: „Helpt! helpt, gij mannen Israels! Hier is de mensch, die in de geheele wereld predikt tegen ons volk, onze wet en dit heiligdom. Nu heeft hij ook nog Grieken binnen den tempel gebracht en dien ontwijd! Helpt, helpt!quot;

De kreet werd weldra overgenomen door de duizenden feestgangers, die het groote plein voor den tempel vulden. „De tempel is ontheiligd! de tempel is ontheiligd!quot; zoo klonk het

360

-ocr page 387-

IN JUNI 59.

uit ieders mond. Een onbeschrijfelijke opwinding maakte zich van de menigte meester. Van alle kanten kwamen de Joden toesnellen. Ook van buiten, uit de stad, stroomden scharen men-schen naar den tempel, zooals telkens, wanneer de kreet des oproers zich over de Tyropoeön-kloof deed liooren.

Reeds hadden een twaalftal krachtige vuisten Paulus gegrepen. Hij werd ter aarde geworpen en naar den uitgang van den voorhof des tempels gesleept. Men wilde hem terstond dooden, doch buiten den gewijden tempel. Zoodra hij buiten was, sloten de Levitische tempelwachters de poorten, opdat de tempel niet bevlekt zou worden door het bloed.

Nu was de dweepzieke menigte met haar slachtoffer in den voorhof der Heidenen. Hier behoefden zij zich in geen enkel opzicht meer te ontzien. Paulus lag op den grond. Van ulle zijden zag hij zich omringd door Joden, op wier gelaat toorn en dweepzucht te lezen stond, terwijl een oorverdoovend geschreeuw de lucht vervulde. Vóór zij hem doodden, wilden zij eerst hunne woede aan hem koelen. Van alle kanten ontving de weerlooze man vuistslagen (Hand. 21 ; 32). Zwijgend, er aan denkend, dat hem weldra de genadeslag zou zijn toegebracht, evenals Stephanus vele jaren geleden zichzelf volkomen van zijn toestand bewust, liet Paulus hen begaan.

Plotseling kwam er beweging onder de menigte. Wapenen flikkerden in de zon, de stap der Romeinsche soldaten, bevelen van officieren klonken duidelijk en scherp boven het verwarde geschreeuw der menigte uit. -De Joden ontstelden; zij hielden op met slaan, opdat zij niet als oproermakers in hechtenis genomen zouden worden.

De krijgstribuun, die in persoon het bevel voerde, omringde in een oogwenk met zijne soldaten den gevangene en maakte zich van hem meester. Zoodra de wachtpost op den Antonia alarm geslagen had, had Felix de troepen doen aantreden, teneinde het uitbrekend oproer met de wapenen te onderdrukken. Wie zijn gevangene was, kon hij zelfs niet gissen, doch uit de

361

-ocr page 388-

DE GEVANGENNEMING DES APOSTELS?.

ongewone beroering onder de menigte, maakte hij op, dat deze oen gevaarlijk persoon zijn moest. Hij gaf bevel, den gevangene allereerst met twee ketenen stevig te binden. Daarna trachtte hij van de omstanders te vernemen, wat er eigenlijk gaande was. Doch de een riep dit en een ander dat, zoodat hij niets begreep van hetgeen gebeurd was.

Hij gaf daarom last, den gevangene naar den Antonia te brengen. De soldaten gehoorzaamden. Nu de buit echter, waarvan de menigte zich reeds zeker waande, weggevoerd en achter de stevige muren aan het volk onttrokken zou worden, brak de storm opnieuw los. De woestaards drongen tusschen de soldaten door en trachtten Paulus aan» te vallen. Men begon elkander als het ware het lichaam des Apostels te betwisten. In de gruwelijke verwarring wisten de soldaten niets anders te doen, dan de gelederen dicht aaneen te sluiten en den gevangene op hunne armen de trap van den Antonia op te dragen, terwijl van alle zijden, als in razernij, geschreeuwd werd: „Slaat hem dood! slaat hem dood!quot;

Eindelijk bevonden zich de soldaten met den vervolgde boven aan de trap, en nu verdwenen zij spoedig achter de stevige deuren van den burcht, terwijl het verwoede gehuil der razende menigte tot hen doordrong. De tribuun werd door dit woeste tooneel herinnerd aan dergelijke voorvallen uit den opstand van den Egyptischen profeet, welken hij stellig ook mede gemaakt had. Plotseling kwam hem iets in de gedachten. Was deze man misschien de Egyptische profeet zelf, dien men reeds zoo langen tijd zocht? Zoo ja, dan had hij heden een goede vangst gedaan. Terwijl hij, om zekerheid te verkrijgen, Paulus aanziet, richt deze zich tot hem en vraagt in het Grieksch: „Is het mij vergund een enkel woord tot u te spreken?quot;

En Lysias, verrast, dat hij niet in het Hebreenwsch, noch in een Egyptischen tongval werd aangesproken, gaf ten antwoord: „Kent gij Grieksch? Zijt gij dan niet de Egyptenaar, die onlangs de vierduizend Sikariërs naar de woestijn voerde?quot;

3R2

-ocr page 389-

IN JUNI 59.

Paulus sprak daarop: „Ik ben een Joodsch man uit Tarsen, een niet onbekende stad in Cilicië. Ik vraag u verlof om tot het volk te spreken.quot;

Nu zag de tribuun er geen bezwaar meer in, hem het woord te geven. De deuren werden weder geopend en tot verbazing van het volk kwam Paulus naar buiten en plaatste zich op de bovenste trede der trap. Daarop wenkte hij met de hand. Dat hij, na het stormachtig tooneel van zooeven, den moed had tot het volk te spreken, bleef niet zonder uitwerking op de menigte. Er ontstond groote stilte. Aller oogen waren naar de trap gericht. Daar stond de gevangen, mishandelde Paulus. Hier, op dezen gevaarlijken kansel gevoelde hij zich honderdmaal beter op zijn plaats, dan beneden in het gezelschap der boetelingen. Dit oogenblik van kalmte, gedurende den storm,. gebruikte hij om te spreken over zijn geloof en zijne prediking, welke oorzaak waren van den doodelijken haat. Hij zag neder op de oproerige menigte, welke een onstuimige zee gelijk was. Menig gelaat, dat hij sedert lang vervlogen dagen kende, zag tot hem op. Daaronder aanschouwde hij ook het gelaat van den voor-maligen Hoogepriester Kajafas, wiens bruikbaarste werktuig hij eertijds geweest was bij de vervolgingen der Christenen (Hand. 22 : 5). Xog dieper werd de stilte onder de, voor weinige oogenblikken zoo woeste, volksmenigte, toen men hoorde, dat hij in het Hebreeuwsch begon te spreken. Hij zeide:

„Mannen, broeders en vaders! Ik ben oen Joodsch man, geboren te Tarsen in Cilicië, opgevoed in deze stad aan de voeten van Gamaliel, zorgvuldig onderwezen in du vaderlijke wet. Ik was eertijds ook zulk een yveraar voor God, als gü het allen nu nog zijt, en heb toen de gemeente van Christus ten doode toe vervolgd. Ik ben het, die toon zoowel mannen als vrouwen bond en in de gevangenis sleepte. Daar ginder staat nog do lïoogepriester uit dien tijd en het geheele college van den Hoogen Raad. Zjj kunnen getuigen, dat ik mij van hen brieven van volmacht liet geven, om ook in Damask us de Christenen gevangen te nemen en gebonden naar Jeruzalem te voeren, om hen hier de straf te doen ondergaan.quot;

En nu vertelde hij op eenvoudige wijze, .hoe hij op zijn ver-

-ocr page 390-

DE GEVANGENNEMING DES APOSTELS.

volgingstocht, terwijl hij nog geheel en al een der hunnen was, plotseling op dezen verkeerden weg was tot staan gebracht door de persoonlijke verschijning van den doodgewaanden Jezus; hoe hij, onweerstaanbaar gedrongen door de macht der persoonlijke ervaring, van den bittersten vervolger geworden was de trouwste jonger van Jezus. Een Jood in Damaskus, een man godvruchtig naar de wet, Ananias genaamd, had hem in naam van den God der vaderen den rechten weg daartoe aangewezen. Toen hij later naar Jeruzalem teruggekeerd was, de stad, die hij als vervolger verlaten had, was de Verrezene hem hier in den hof voor den tempel in een gezicht verschenen en had hem verboden in Jeruzalem te prediken, doch hem opgedragen heen te gaan naar de Heidenen.

Tot zoover had men rustig naar hem geluisterd. Toen hij echter begon te spreken over de prediking onder de Heidenen en daardoor de gevoelige plaats in het hart der toehoorders aanroerde, was het gedaan met het geduld der Joden. Een algemeen geroep van ontzetting was het antwoord, omdat hij hier voor den tempel staande, zich op een goddelijke openbaring beriep, teneinde zijn snoodheid te rechtvaardigen. „Weg met hem! In den dood met hem! Hij mag niet langer leven!quot; zco klonk het uit de duizenden kelen der verwoede menigte, die zich voor de trap, welke naar den Antonia leidde, verdrong. Hadden de soldaten met scherpe lansen, niet onder aan de trap gestaan, dan was men naar boven gestormd om den ge-haten man te verscheuren.

Het was hun niet genoeg aan hun woede uiting te geven door een woest geschreeuw, dat dreigend over de geheele stad klonk of door die eigenaardige gebaren, welke men nu nog kan waarnemen bij Joden, die toornig zijn of rouwdragen. De razende joodsche Zeloten en Sikariürs verscheurden bovendien hunne kleederen, wierpen de stukken van zich en slingerden handen vol stof in de lucht.

Nog steeds begreep de tribuun niet, wat hij van het geval

364

-ocr page 391-

IN JÜNT 59.

moest denken. Het oproer echter kreeg steeds een meer dreigend aanzien. Hij moest handelend optreden. Hij kon niet anders denken, dan dat de nieuwe uitval van woede het gevolg was van hetgeen Paulus gesproken had, doch het Hebreeuwsch had hij niet verstaan. Ongetwijfeld hield hij hem nu voor een der valsche Messiassen of Sikariër-aanvoerders, die in den laatsten tijd zoo menigvuldig waren opgetreden. Met dezulken maakte men niet veel omslag meer. Het Romeinsche gerecht wist sedert lang geen anderen uitweg, dan korte metten met hen te maken en daardoor een waarschuwend voorbeeld te stellen. Bij dozijnen werden zij dikwijls aan het kruis genageld. De tribuun wilde nu echter geen doodvonnis uitspreken, wel echter stond hij een geeseling toe. Daardoor hoopte hij den man tot spreken te dwingen, opdat hij eindelijk mocht vernemen, welke de oorzaak van den opstand was. Hij gaf dus bevel hem weder binnen den burcht te voeren en hem te geeselen.

Een centurio en verscheiden soldaten kwamen nader. Paulus, die nog steeds op de trap stond en op het tierende volk neder-zag, werd gegrepen en uit het oorverdoovend geraas binnen de versterking gevoerd, zonder dat hij begreep, waarheen men hem bracht. Plotseling bemerkte hij, dat men hem met riemen aan den folterpaal bevestigde. Nu werd hem duidelijk, wat men met hem doen wilde. Na al de mishandelingen door de vuistslagen der menigte, zou hij nu ook nog een bloedige geeseling moeten ondergaan.

Toornig keerde hij zich tot den centurio en sprak: „Is het volgens uw wet geoorloofd een romeinsch burger zonder verhoor te geeselen?quot; Dit „civis Romanus sumquot; had reeds menigeen in het romeinsche rijk, nog op het laatste oogenblik, gered. Ook ditmaal had het de gewenschte uitwerking. De dienaars hielden terstond op. De centurio begaf zich terstond tot zijn lastgever en meldde, dat de gevangene een romeinsch burger was. Claudius Lysias ontstelde. Was zulks het geval, dan was hij reeds strafbaar, omdat hij den gevangene aan den schand-

365

-ocr page 392-

DK GEVANfiENNEMING DES APOSTELS.

paal had doen bevestigen. Daarom ging hijzelf tot hem en vroeg: „Is het waar, zijt gij een romeinsch burger?quot; Paulus, die nog steeds gebonden was, gaf een toestemmend antwoord. „Op welke wijze hebt gij het burgerrecht verkregen,quot; vroeg daarop de tribuun, „ik heb het recht voor een groote som gelds moeten koopen!quot; „Ik bezit het recht door mijne geboorte,quot; was Paulus\'antwoord.

Nu kreeg de tribuun een geheel anderen dunk van zijn gevangene. Onverwijld liet hij de riemen losmaken en droeg hij er nu zorg voor, hem met gepasten eerbied te behandelen.

Teneinde de zaak, die naar het bleek, van godsdienstigen aard was, te doorgronden, besloot Lysias den Hoogen Raad bijeen te roepen tot een beraadslaging. Deze had van keizer Caligula op nieuw het recht gekregen, in godsdienstige aangelegenheden uitspraak te doen. De zittingen van het Sanhedrin hadden gewoonlijk plaats in een gebouw, dat zich in de straat aan de westzijde van den tempel, boven de bogen van den buitensten voorhof, verhief. In diezelfde straat stond de Antonia, een paar minuten meer noordwaarts. Daarheen liet Lysias zijn gevangene op den bepaalden tijd brengen. Teneinde lederen ge-welddadigen overval te voorkomen, verscheen hij in persoon in de zaal, waar de zitting gehouden werd. Het was zeker dezelfde zaal, waarin voor 25 jaren Jezus, later Petrus en Johannes en daarna Stephanus, misschien in tegenwoordigheid van Paulus, was verhoord geworden. Wellicht had Paulus ook hier zijne brieven en volmachten voor de reis naar Damaskus ontvangen. Nog menig, uit dien tijd bekend, gelaat zag hij onder de oudsten der vergaderde raadsheeren (Hand. 22 : 5). Kajafas was zeker niet de eenige in den kring, die zich eertijds verlicht gevoeld had, toen men Jezus op Golgotha aan het kruis hing. Misschien had meer dan een der overigen met hem in Jeruzalem gestudeerd, terwijl hij voor den begaafdste en meest belovende gehouden werd. Nu was de verhouding een geheel andere; zij waren zijne rechters, hij hun gevangene, over wien zij het vonnis moesten vellen.

366

-ocr page 393-

IN JUNI 50.

In dien tijd was Ananias hoogepriester, een onbekende voor Paulus. Hij was niet in ambtsgewaad verschenen en had de leiding der vergadering ook niet op zich genomen. Daardoor kon Paulus niet onderscheiden, wie der aanwezigen de hoogepriester was; wel bemerkte hij, dat aller gelaat een sombere uitdrukking had. Nu men den verraderlijken afvallige eindelijk in zijne macht had, wilde men voor goed een einde maken aan het optreden van dezen Apostel. En zulks zou hun ook zeker gelukt zijn, indien de gevangene niet een romeinsch burger geweest ware. Weliswaar had het Sanhedrin sedert lang het recht niet meer om een doodvonnis uit te spreken, doch wanneer de vermetele in een der kerkers van den tempel was, zou diens mond wel tot zwijgen gebracht zijn.

Onverschrokken zag Paulus de vergadering rond. Deze geschikte gelegenheid wilde hij gebruiken, om als iemand, die rein van geweten is en geen berouw gevoelt over hetgeen hem ten laste gelegd werd, eerlijk en eenvoudig te zeggen, waarom hij zich gedrongen gevoeld had, in de geheele wereld te prediken van den opgestanen Jezus Christus.

„Mannen, broeders!quot; zoo ving hij aan, „ik heb met alle goed geweten voor God gewandeld tot op dezen dag....quot;

„Slaat hem op den mond!quot; klonk het onbeschaamd van de plaats des hoogepriesters.

Terstond gaf een der dienaars Paulus een krachtigen slag op den mond.

„God zal u slaan, gij gewitte wand!quot; zoo voer Paulus, heftig vertoornd, voort, „zit gij ook om mij te oordeelen naar de wet, en beveelt gij, tegen de wet, dat men mij zal slaan?quot;

Hoogst verbaasd over deze vermetelheid riepen de omstanders hem toe: „Waagt gij het den hoogepriester Gods te schelden?quot;

Paulus, wiens toorn rechtmatig en begrijpelijk was, doch die daardoor toch oneindig lager bleek te staan dan zijn Meester, wiens zedelijk overwicht juist was gebleken door het bewaren zijner kalmte en door zijn zwijgen, nadat ook Hem in tegen-

367

-ocr page 394-

DE f;EVANf;E X XEMINf; TE JERUZALEM.

woordigheid van dezen zelfden raad een slag in het aangezicht was geslagen, Paulus kreeg spoedig zijn zelfbeheersching weder en voorzag in het gemis aan verschuldigden eerbied tegenover den drager der hoogste waardigheid, door een gepaste aanhaling uit de Mozaïsche wet. „Broeders,quot; zoo zeide hij, „ik wist niet, dat het de hoogepriester was. Want er staat geschreven: Den overste uws volks zult gij niet vloeken.quot;

Uit de wijze, waarop het verhoor aanvankelijk had plaats gehad, bleek den Apostel ten duidelijkste, wat hij van dit gerechtshof te wachten had. Hem dooden durfde men niet, doch iiij rekende er op, dat men hem tot een jarenlange gevangenisstraf zou veroordeelen. Daarom trachtte hij een middel te vinden, om zich aan de uitspraak van dit gerechtshof te onttrekken. Als zoodanig kwam het hem geschikt voor, de raadsheeren, die nu door den gemeenschappelijken haat eenstemmig waren, met elkander van meening te doen verschillen. Dit middel, hetwelk de verheven gevangene, die eenmaal voor Kajafas en Pilatus stond, niet zou gekozen hebben, doch waarin niets verkeerds lag, scheen hem de eenige uitweg. Hij was volkomen op de hoogte van de vijandige gezindheid der beide partijen, waaruit de vergadering was samengesteld. De Farizeën geloofden aan een toekomende opstanding en liet bestaan van geesten en engelen; de Sadduceün loochenden zoowel het een als het ander. Hij wist, höe scherpelijk de personen elkander bestreden, hoe zij alles vergaten, wanneer dit geschilpunt werd aangeroerd. Niemand bemerkte, hoe hij op behendige wijze den loop van het geding wijzigde door in het midden te brengen, dat de aanklacht tegen hem in den grond slechts neerkwam op het vraagstuk betreffende de opstanding: dat hij de opstanding predikte, van welke leer hij, als oud Farizeër en als eens Parizeërs zoon, een aanhanger was.

De krijgslist gelukte volkomen. De vaderen van het volk, dat sedert jaren leefde van strijdvragen en oproeren, werden zelf oneenig. Den Farizeën was Paulus reeds een bondgenoot, tegen

368

-ocr page 395-

IN JUNI 50.

de gehate Sadduceën. Daarom verklaarden de eersten, dat Paulus onschuldig was. Indien hij een bovenaardsche verschijning gehad had, iets, wat niet onmogelijk was, dan zou het tegen God strijden zijn, indien men hem daarom veroordeelde. De Sadduceën daarentegen gingen hevig tegen de Fa,rizeön te keer. Een verschrikkelijk leven ontstond in de zaal. Het geheel was een beeld van Jeruzalem, dat zijn ondergang tegemoet ging en tegen zichzelf verdeeld was. Allen waren van hunne zetels opgestaan. Het schijnt, dat zij handgemeen werden, en op elkander en den gevangene losstormden.

Hoofdschuddend nam de Eomeinsche krijgstribuun dit nieuwe, zonderlinge tooneel waar. Hij had gemeend den gevangene aan het dweepzieke volk onttrokken te hebben, om de zaak te laten behandelen langs rechterlijken weg. En nu zag hij de vaderen van dit dwaze volk in een even oproerigen staat, als den vorigen dag het volk, zoodat hij er voor begon te vreezen, dat men Paulus voor zijne oogen zou verscheuren. Daarom gaf hij bevel, dat een sterke troepenafdeeling zou binnenrukken, om den gevangene te beveiligen en hem, zonder verhoord te zijn, naaiden Antonia terug te leiden. De raadsheeren bleven alleen achter. Wellicht is toen langzamerhand meer dan een tot het besef gekomen, dat men door den ouderlingen strijd Paulus\' zaak slechts gediend had.

Paulus was weder in zijn cel. De toekomst scheen hem duister; daarin zag hij slechts één lichtpunt. Hij was n.1. nu niet meer in de macht van de geestelijke rechtbank des Sanhedrins, maar in die der romeinsche overheid. Slechts van haar kon hij rechtvaardigheid verwachten. Hier waren tenminste het recht en de wet van kracht, zooals hij gisteren ondervonden had, toen hij zich beriep op het romeinsch burgerrecht. Was hij daardoor echter veilig voor de Joden? Moest de tribuun hem ten slotte toch niet overlaten aan den Hoogen Eaad, waaraan de keizer nu eenmaal de beslissing in godsdienstige geschillen had opgedragen? En wat zou er dan komen van zijne zendingsplannen,

360

24

-ocr page 396-

DE GEVANGENNEMING TE JERUZALEM.

van de hoop, tot gisteren gekoesterd, om binnen weinige dagen naar Rome en Spanje te kunnen gaan. Terwijl hij daarover zeer in zorg verkeerde, geschiedde het, dat hij des nachts een gezicht had, waardoor hij zeer vertroost en bemoedigd werd. De Heer stond bij hem en sprak; „Heb goeden moed, Paulus! Want gelijk gij te Jeruzalem van mij getuigd hebt, alzoo moet gij ook te Rome getuigen.quot;\' Zulks gaf hem zijn vertrouwen terug.

De bevrijding geschiedde op geheel andere wijze, dan Paulus verwacht had. Het volk was natuurlijk niet tot rust gekomen, nu Paulus, van wiens bezit het zich reeds zoo zeker waande, aan zijne macht was ontrukt. In gespannen woede had men bovendien vernomen, dat de zitting van het Sanhedrin niets had uitgewerkt. Nu namen de Sikariërs de leiding der zaak in handen, zij, die sedert lang bij alle volksoproeren de helden van den dag waren. Ongeveer vier dozijn dezer vermetele mannen zwoeren, dat zij spijze noch drank zouden aanroeren, vóór zij Paulus gedood hadden. Zoo diep was de Hooge Raad reeds gezonken, dat de eedgenooten er geen oogenblik aan twijfelden, of deze zou gemeene zaak met hen maken. De hoogepriester zou natuurlijk den volgenden dag een tweede zitting houden, teneinde de onderbroken behandeling voort te zetten. Lysias kon zich daartegen niet verzetten. Dan moest Paulus, om van den Antonia naar de raadzaal gebracht te worden, eenige honderden schreden te voet over de straat gaan. Nu wilden de gezworenen er voor zorgen, dat Paulus niet levend voor zijne rechters zou verschijnen, door hem, wanneer hij dien afstand aflegde, op te lichten.

Het geheim werd echter slecht bewaard. Van een der ingewijden hoorde de zoon van Paulus\' zuster, die in de stad woonde, het geheele plan. Deze spoedde zich naar den Antonia en maakte alles aan zijn oom, wien de samenzwering gold, bekend. Deze zond den jongen terstond met een centurio naar den tribuun, welke hem ter zijde nam en hem onder vier oogen den aanslag der Zeloten liet mededeelen.

370

-ocr page 397-

IN JUNI 59.

371

Claudius Lysias, die deze soort van joodsche heldendaden reeds tïenoeti\'zaam had leeren kennen, legxle den jongeling het stilzwijgen op en nam terstond maatregelen, daarbij zeer verstandig en voorzichtig te werk gaande. Hij zag in, dat hier in Jeruzalem de zaak slechts ingewikkelder en moeilijker werd. Het was mogelijk, dat een hevig oproer daaruit zou voortvloeien en de verantwoordelijkheid daarvoor wilde hij niet op zich nemen. Hij liet daarom twee centurio\'s bij zich komen, gaf hun het geheime bevel, ongeveer vijfhonderd soldaten marschvaardig te houden, en met deze den gevangene nog in dezenzelfden nacht in alle stilte over de bergen heen, naar Cesarea, te brengen. Daar moesten zij hem met een schriftelijk rapport, dat hij hun ter hand stelde, aan den stadhouder Claudius Felix overleveren.

-ocr page 398-

,i§sfeifeii,ifg,ifesfe,ig^

Ciquot;/} Q P lt;ï P

„o„ O O O ooo ö b d b

lt;JP QP

\'Vb\' quot;dV

«-E^/e)\'!\' (97ÖI ©dl (Sve)? èv ^ ^\'

®ogt;

NAAR, CESARBA.

„Weg met hem!quot; — Zoo zü het, dwazen! Paulus hoort dra niet uw razen,

Sion zal niet weer hem zien, —

Met hem derft g\' uw laatsten redder! \'t God\'Ujk oordeel spoedt zich verder, Salem kan \'t niet meer ontvlièn.

Het was des avonds tegen negen uur. dat op het plein voor de kazerne in den Antonia een sterke legerafdeeling, gedeeltelijk te voet, gedeeltelijk te paard, aantrad, om naar Cesarea te marcheeren. De afdeeling bestond uit 400 man infanterie en 70 man cavalerie. Toen alles gereed was, werd Paulus uit zijn gevangenis gehaald. Men gaf hem bevel te paard te stijgen en schaarde de ruiters om hem heen. Om negen uur rukte men op. Van de Joden, die de troepen op hun weg over de markt naar de noordelijke poort tegenkwamen, giste geen enkele, dat zich in het midden der ruiters de man bevond, die in de geheele stad het onderwerp van aller gesprek was.

Buiten scheen de volle maan \') en goot haar zacht licht uit

1) Pinksteren was 50 dagen na Paschen; sedert den eersten Pinksterdag waren ongeveer 6 dagen verloopen. De tocht had dus plaats juist twee maanden na de volle maan voor Paschen.

-ocr page 399-

IN JUNI 59.

over berg en dal, terwijl men door de voorstad reed, waar behalve vele villa\'s en tuinen, ook Golgotha gelegen was.

Buiten de stad gekomen, heeft Paulus zich zeker nog eens omgewend. Daar aanschouwde hij het hooge, marmeren gebouw, den. tempel, schitterend verlicht door den helderen maneschijn. Nog eenmaal zag hij de trotsche muren der stad met hare torens, don rijkdom van prachtige gebouwen, welke na elf jaren in een rookenden puinhoop veranderd zouden zijn. Daarna nam hij afscheid van Jeruzalem, een afscheid voor het leven.

Ook de Heilige Schrift, wier verhalen meer dan tien eeuwen lang plaats grijpen op de eerwaardige hoogten van Jeruzalem, neemt hier zwijgend afscheid van de stad. Van nu af keeren wij nooit weder naar deze stad terug; zij was reeds een opge-schrevene ten doode. Voor 23 jaren had de Heer haar den naderenden ondergang voorspeld. Deze voortdurende roekeloosheid der Zeloten en Sikariërs, deze achteruitgang des volks in alle standen, deze eeuwigdurende onlusten en hartstochtelijke oneenigheden tusschen de verschillende partijen, wezen genoegzaam aan, dat de ure der verwoesting niet verre meer was. Van nu af wordt het tooneel der gewijde geschiedenis verplaatst. Het is niet meer het oude, Beloofde Land; nu worden Syrië, Galatië, Frygië, Azië, Macedonië, Griekenland, Rome, de plaatsen, waar het godsrijk zegeviert. Reeds nadert de tijd, dat het ware, heilige land zich uitstrekt over dat deel der aarde, waar Christus\' naam geprezen wordt. De Schrift bewaart van nu af het stilzwijgen over Jeruzalem. De oordeelen Gods worden nu aan de stad voltrokken.

De troepen marcheerden in het maanlicht van den Juni-nacht naar het Noorden. Paulus bevond zich op den rug eens paards, in het midden van een half regiment soldaten. Zeker heeft hij er wel aan gedacht, hoe eigenaardig het was, dat zulk een legermacht ter wille van zijn persoon was ontboden, dat hij onder hare bescherming het land doorreed. Hij reisde nu naar Rome, en de Romeinsche soldaten dienden hem op het eerste

373

-ocr page 400-

NAAK CEfeABEA.

deel van den toclit tot een geleide, dat zelfs een koning waardig geweest was.

De weg liep nu eens over hooge bergruggen, dan weder door diepe kloven. Dikwijls zag men van den rand der bergen neder in een diep ravijn, op welks bodem men in den maneschijn de droge bedding eener boek duidelijk onderscheiden kon. Ook reed men door menig dorp, omgeven door een krans van wijngaarden, vijgen- en olijvenboschjes. Luid sloegen de honden aan, wanneer de troepen voorbij marcheerden, daarna werd alles weder stil. Aan de linkerhand zag Paulus lang na middernacht, aan gene zijde van een diep dal, den schemerschijn der lichten van Emmaüs; hem een laatste Paaschgroet van het Heilige Land. Zeker herinnerde hij zich daarbij het ernstige en toch zoo duidelijke woord van Emmaüs: „Moest de Christus niet alzoo lijden?quot; Moest ook hij niet lijden, zooals de Verrezene hem eens in Damaskus had laten aanzeggen?

Na een nachtelijken tocht van ongeveer vijf uren bereikten de troepen het hooggelegen Bethoron, het tegenwoordige Bet TJr el föka. Hier werd waarschijnlijk halt gehouden en iets genuttigd. In het verschiet werd de eerste grauwe morgenschemering zichtbaar. Het was in dien tijd van het jaar, dat de dagen het langst zijn en de zon reeds voor vijf uur opgaat. Zooals gewoonlijk in dit jaargetijde, trokken ook nu grijze nevelen uit de Middellandsche zee op en bevochtigden de bergen. Reeds begaven zich de eerste maaiers van Bethoron, met de sikkel gewapend, op weg naar hunne velden, toen de troepen zich, na een uurtje rustens, weder in beweging zetten. Van Bethoron liep de weg steil bergafwaarts. Toen de zon opging, aanschouwden zij een wonderschoon panorama. Het vergezicht van het hooggelegen Bet Ur is een der schoonste van het gansche Heilige Land. Beneden in de diepte ligt het uitgestrekte, prachtige dal Ajalon, toen, in de maand Juni, een groot, golvend graanveld, dat op den maaier wachtte, of waarvan de garven reeds op groote hoopen op den dorschvloer lagen. Van alle zijden

374

-ocr page 401-

IN JUNI 59.

naderden de boeren, om zich in den vroegen morgen aan den arbeid te begeven. Dit dal werd afgesloten door heuvelland, dat van laag Bethoron af, den overgang vormt tot de vlakte van Saron, welke zich, een wijden hof Gods gelijk, tot aan de, in het verschiet gelegen, duinen uitstrekte. Daar achter breidde zich de heerlijke Middellandsche zee uit, die, bestraald door de opgaande zon, schitterde als lichtend zilver. Hoe verruimd moet Paulus zich gevoeld hebben, toen hij na acht dagen in de dompige, zwoele, benauwende atmosfeer van Jeruzalem te hebben doorgebracht, de wijde zee weer voor zich zag, welke hem zoo menigmaal naar zijne geliefde gemeenten gevoerd had, en welke hem na een kort oponthoud in Cesarea, naar Rome zou brengen. Want, met het oog op den tegenwoordigen staat van zaken, twijfelde hij er niet aan, of de prokurator zou hem vrijspreken.

In geheel Palestina is geen der oude, door de Romeinen aangelegde wegen, reeds door de wijze, waarop hij is uitgevoerd, zoo belangrijk, als juist de heerbaan tusschen hoog en laag Bethoron, welke reeds in dien tijd van het grootste gewicht was. Europeanen hebben dezen weg slechts zelden betreden, want de Turken, die ook in het aanleggen van wegen verre achter stonden bij hunne groote, romeinsche voorgangers, hebben den weg zeer dom verlegd over het zuidelijke Bab el Wad. Wie echter niet opziet tegen de bezwaren, welke het rijden gedurende een ganschen dag over een eenzamen, met rotsblokken en rolsteenen bezaaiden weg oplevert, die ziet zijne moeite rijkelijk beloond. Hij zal, terwijl hij over dit overoude plaveisel, over de, in de rots gehouwen, trappen rijdt tusschen hoog en laag Bethoron, niet alleen de voortreffelijdheid bewonderen van de v/erken der romeinsche ingenieurs, maar hij zal zich ook aangegrepen gevoelen door de gedachte, dat de hoef van zijn paard misschien denzelfden steen, dezelfde rots betreedt, als die, waarop het ros van Paulus eenmaal den voet zette. En bovendien is deze weg, ondanks de eenzaamheid, een dor

375

-ocr page 402-

KAAR CESAEEA.

belangrijkste wogen der wereld. Hoe vele duizenden en nog eens duizenden van pelgrims zijn niet sedert eeuwen langs dezen weg getogen! De Joden in den ouden tijd, de legers van Herodes, de romeinsche stadhouders met hun gevolg, Pontius Pilatus, Pelix en Festus, Titus en Vespasianus, met hunne legioenen, de Christelijke pelgrims van alle Europeesche geloofsbelijdenissen, van den Oeral en den Wolga, van de Cordilleras en den Mississippi, pelgrims uit de geheele Christelijke wereld, kruisvaarders, Mohammedaansche bedevaartgangers van Marokko tot den Himalaya!

Overal hield men zich onledig met den oogst, toen Paulus over dezen weg reed. Groote bedrijvigheid heerschte op akkers en dorschvloeren. Ook ontmoette de stoet gewapende manschappen, lange karavanen van ezels, muildieren en kameelen, die den vroeger gerijpten oogst uit de vlakte naar de markt te Jeruzalem droegen. Het was een der laatste oogsten, welke hot volk Israels in het land zijner vaderen zou mogen inzamelen. Zoo trok men door een veld des oogstes langzamerhand naaide vlakte, waar de troepen ongeveer tegen negen uur des voormiddags Antipatris bereikten, het tegenwoordig Ras el Ain eenige uren noord-oostelijk van Jaffa gelegen.

Antipatris was een der prachtige steden, gegrondvest dooiden stedenbouwer. Herodes den Groote. Deze stad zou een blijvend gedenkteeken zijn van zijn vader, Antipatei, wiens nagedachtenis hij met vromen eerbied huldigde. In deze, nu zoo eenzame en verwaarloosde, streek wedijverden toen de voortbrengselen der kunst met een natuur, welke aan het paradijs deed denken. De stad lag, volgens Josephus, in de schoonste streek van het geheele gebied, in een rijk besproeide, met boomen bedekte vlakte. Hier werd weder halt gemaakt. Jeruzalem lag reeds ver achter de reizigers. In het grauwe verschiet zag men den krans van bergen, waarachter de stad verscholen lag. Hier was men dus veilig voor de aanslagen der Sikariërs. Daarom bleef het voetvolk hier achter, om na een

376

-ocr page 403-

IN JÜNI 59.

877

dag rustens weder naar Jeruzalem terug te keeren. De ruiters evenwel bereikten op den middag van denzelfden dag, na een rit van vier uren door de vlakte, de stad Cesarea. Zoo kwam dan Paulus als een gevangene terug in de hoofdstad des lands, welke hij voor twaalf dagen als vrij man verlaten had. Hetgeen hem hier in de woning van Filippus voorspeld was door zijn ouden vriend Agabus, was woordelijk vervuld geworden. Geketend, bewaakt door zeventig ruiters, werd hij de poorten van Cesarea binnengeleid.

-ocr page 404-

CES ARE A.

Cesarea was een der schoonste onder de steden, welke aan de kust van Syrië en Palestina gelegen zijn. Herodes de Groote, wiens bewonderenswaardige scheppingen: steden, gebouwen, tempels, theaters en waterleidingen, alles overtroffen, wat door hen, die voor hem du Israëlitische koningskroon gedragen hadden, was tot stand gebracht, had de stad laten bouwen ter vervanging van een oude sterkte, Stratons toren genoemd; hij liet haar versieren met alles, wat de kunst van zijn tijd in het leven riep en noemde haar naar den keizer. Twaalf jaren van onvermoeiden arbeid en ongelooflijk groote sommen gelds waren noodig geweest, om deze stad tot hut glanspunt van zijn rijk te maken. Geheele vloten hadden de noodige, kostbare bouwstoffen uit verre landen mouten aanvoeren, daar Palestina zelf graniet, noch edel marmer opleverde. In overeenstemming met zijn opvoeding en neiging liet hij alles in Griekschen bouwtrant optrekken. Hier voelde hij zich niet zoo gebonden door de eigenaardige opvatting der Joden als in Jeruzalem. In weinige jaren was aldus aan de, tot dien tijd zoo eenzame, kust een wonderschoone stad als uit de aarde te voorschijn getooverd. De geheele stad schitterde van verblindend wit marmer. Weelderige partikuliere huizen, versierd met velerlei

-ocr page 405-

IN JUNI 59.

voortbrengselen van Griekschc kust, wedijverden in pracht met de koninklijke paleizen.

Het tot stand brengen van dit grootsche werk was zeer bemoeilijkt door het gebrek aan havens. Doch ook hierin had Herodes getoond, in hoeverre een machtige wil de tegenstrevende natuur aan zich weet dienstbaar te maken. Sedert oude tijden is de kust van Palestina bekend wegens haar gebrek aan goede havens. Zou in de, tot nu toe zoo stille, vlakte van Saron een stad verrijzen, dan moest eerst een haven worden aangelegd.

Herodes ondernam dit schijnbaar onmogelijke werk. Hier bevond zich, evenals te Askalon in het Zuiden en te Dora in liet Noorden, een ontzaglijke klip, welke zich trots tot ver in de zee uitstrekte. Juist op deze rots was eertijds de Stratons toren gebouwd. Van dit rif bediende Herodes zich bij het aanleggen eener haven, welke door alle tijdgenooten werd beschouwd als een wonder van bouwkunst. Een breede, sterke dam werd tot ver in de zee gebouwd en moest de kracht der golven breken. De gehouwen steenen, welke men als fondamenten in de zee liet zinken, hadden de grootte van een ruime zaal; zij waren 16 M. lang en 6 M. hoog. De haven was zoo groot, dat zij geheele vloten kon opnemen en .Tosephus is van meening, dat-zij niet alleen vergeleken kan worden met de beroemde haven Piraeus, maar dat zij deze nog overtreft. De reusachtige bouwwerken waren bovendien zoo kunstig en prachtig ten uitvoer gebracht, dat men zich op het eerste gezicht geen begrip kon vormen van de moeilijkheden, welke men hier had moeten overwinnen. Wanneer men de haven binnenvoer, aanschouwde men ter weerszijde drie door zuilen gedragen, reusachtige standbeelden, waarvan sterke torens tot voetstuk dienden. Geweldige versterkingen rezen bij het havenhoofd uit de bruisende zee op. Achter de breede, langs het strand aangebrachte, geplaveide wegen stond een reeks van vorstelijke, uit gepolijst marmer opgetrokken gebouwen, welke een trotsche omlijsting vormden

379

-ocr page 406-

(JËSAitEA,

van de blauwe zee. In het middelpunt van deze gebouwen verhief zich de hooge, prachtige tempel des Cesars, gekroond door twee geweldig groote standbeelden, dat van Augustus en dat der romeihsche stedemaagd, welke indrukwekkend den blik richtten naaf de nabijgelegen zee.

De stad was volgens een voortreffelijk ontwerp gebouwd. Ook uit sanitair oogpunt kende deze haars gelijke niet. Twee groote leidingen voerden het heldere, frissche, gezonde water van den Karmel mijlen ver door de straten van Cesarea. Door een voortreffelijk, onder den grond aangebracht, net van kanalen stond de stad met de zee in verbinding, hetgeen den gezondheidstoestand zeer bevorderde. De straten waren regelmatig aangelegd en liepen op gelijke afstanden op de promena-den van de haven uit. Herodes had ook gezorgd, dat Cesarea aan zijne bewoners ruimschoots de gelegenheid bood tot uitspanning en genot. Zulks bewezen niet alleen het rijk versierde theater en het groote hippodrome voor de wedloopen, maar ook het geweldige amphitheater, waar plaats was voor 20.000 toeschouwers en van welks steenen zitbanken uien een heerlijk uitzicht had op de woelige, bruisende zee.

In deze schitterende stad zetelden de Romeinsche prokurators. Zij gevoelden zich hier, waar alles volgens Grieksche zeden en gewoonten was ingericht, beter op hun plaats, dan in het dweepzieke Jeruzalem, waar men voortdurend twistte over godsdienstige onderwerpen en waar de Sikariërs huisden. Weliswaar had zich ten tijde van Paulus de algemeene toestand van opschudding, waarin het land verkeerde, ook aan de schoone residentie-stad aan de zee medegedeeld. Ofschoon het meeren-deel der inwoners Heidenen waren, woonde in Cesarea toch ook een niet onaanzienlijk getal Joden. Daar deze het grootste-kapitaal in handen hadden en hun door de Romeinen gelijke rechten waren toegekend, met betrekking tot het stedelijk bestuur, ontstonden er natuurlijk vele verwikkelingen. Nog onder Felix werd menigmaal tusschen Joden en Heidenen op bloedige wijze

-ocr page 407-

in juni 59. 381

gestreden, hetgeen Nero deed besluiten den Joden de gelijkstelling op politiek gebied te ontnemen. Deze maatregel verbitterde de Joden echter zoo zeer, dat zij kennelijk de aanleiding was tot den vreeselijken opstand, welke eindigde met de verwoesting van Jeruzalem en den ondergang der joodsche natie. Hier in Cesarea had, gedurende dien tijd van verschrikking, het eerste ontzettende bloedbad plaats, waarbij op eén dag 20.000 Joden den dood vonden.

Het was nauwelijks tien jaren voor deze bloedige gebeurtenis, dat Paulus, op een Juniavond in het jaar 59, onder geleide van een escadron romeinsche ruiters. Cesarea binnentrok. Door een krans van weelderige tuinen en landhuizen waren zij over de duinen de stad binnengereden. De reizigers aanschouwden prachtige huizen, begroeid met mild bloeiende lianen en andere slingerplanten, marineren tempels en paleizen, standbeelden en marmeren groepen. Dadelijk sloegen zij den weg in naar het oude koninklijke paleis, het Praetorium. Daar overhandigde de officier den prokurator het rapport en nog dienzelfden avond leidde hij den gevangene tot hem. De stadhouder stelde een kort onderzoek in naar Paulus herkomst en gaf uitzicht op een spoedig verhoor, zoodra de aanklagers, waarover Lysias schreef, aangekomen zouden zijn. Daarna liet hij hem in het Praetorium, waar hijzelf verblijf hield, in voorloopige hechtenis zetten.

Zoo verkeerde dan Paulus, als «en gevangene in het prachtige paleis, waar eertijds Herodes de Groote gehuisd en menige bloedige daad ten uitvoer gebracht had, waar Pilatus gewoond had en de grootvorst Agrippa zoo jammerlijk om het leven gekomen was. Hij vermoedde niet, dat hij twee lange, bange jaren binnen deze muren zou moeten doorbrengen.

-ocr page 408-

PAULUS VOOR HET ROMEINSCHE GERECHT.

De Joden in Jeruzalem ontstaken in hevige woede, toen zij den volgenden morgen hoorden, dat de Apostel in den nacht was vertrokken. Nogmaals was hun het otter ontkomen. Claudius Lysias verwees hen met kalmte naar den prokurator. Terstond besloten zij, naar Cesarea te gaan. Men wilde geen middel onbeproefd laten, om den gehaten tegenstander eindelijk onschadelijk te maken. En was deze werkzame, onverschrokken leider der Christengemeenten eenmaal gedood, dan hoopten zij den gemeenten zelf een gevoeligen slag toe te brengen, zoo niet die geheel te verwoesten.

Teneinde in Cesarea indruk te maken, besloot de hoogepriester persoonlijk daarheen te gaan. Een aanzienlijk gevolg vergezelde hem, waaronder voorname raadsheeren van Jeruzalem waren en zich een der bekwaamste romeinsche advokaten van het land. Tertullus, bevond, die de aanklacht, naar het romeinsche recht ingekleed, voor de stadhouderlijke rechtbank zou verdedigen.

Toen de aanklagers, weinig .tijds na Paulus, waren aangekomen, had een gerechtszitting plaats, en liet Felix den beschuldigde voorbrengen. Het verhoor begon. Eerst kreeg de aanklager het woord. Tertullus begon zijne goedgestelde rede met

-ocr page 409-

IN JUNI 59.

een captatie benevelentiae, waarin hij den „hoogedelen Felixquot;, zooals hij den vroegeren slaaf noemde, overstelpte met vleierijen aangaande diens voortreffelijk bestuur, diens wijsheid, de algemeene vereering, welke men hem toedroeg, en de voordeden van den vrede, welken het volk hem te danken had. Toen ging hij over tot de aanklacht. Hij noemde den aangeklaagde op smadelijke wijze: „de pestquot;, den onruststoker en oproermaker van de sekte der Nazarenen. Daar het de bedoeling was, dat Paulus opnieuw voor den hoogepriesterlijken raad zou gebracht worden, waren de klachten, door Tertullus ingediend, alleen van godsdienstigen aard; hij noemde als zoodanig de verwarringen door Paulus in alle synagogen des keizerrijks gesticht en de ontwijding van den tempel. Hij beklaagde zich over de gewelddadige wijze, waarop Lysias te werk was gegaan, door den aangeklaagde aan het priesterlijk gerecht te onttreken. Daarom had men volgens zijn raadgeving niet verzuimd voor den prokurator te verschijnen, teneinde diens oordeel te vernemen. Nu verhieven ook de overige mannen uit Jeruzalem hun stem en bekrachtigdèn de aanklacht van Tertullus.

Nu gaf Felix, die zwijgend had toegeluisterd, den gevangene door een teeken te kennen, dat hij zich mocht verdedigen. Paulus hield nu een rede, welke niet alleen gelijk stond met die zijner aanklagers, maar welke bovendien door haar zakelijkheid en bezadigdheid gunstig afstak bij de toespraak van den tegenstander, omdat deze daarin zoovele scheldnamen had gebezigd. Ook hij begon, zonder daarmede iets vleiends te willen zeggen, met een opmerking over de zaakkennis en objectiviteit zijns rechters, en zeide:

38.0

„Dewtjl ik weet, dat gü nu vele jaren over dit volk rechter geweest zyt, \') verantwoord ik mij met te meer moed. Er zijn nauwelijks twaalf dagen voorbij gegaan,

,) Paulus maakt eene toespeling op den korten tijd, dien de prokurators van Palestina gewoonlijk hun ambt vervulden. Felix is gedurende 9 jaren, bijna het langst, prokurator geweest.

-ocr page 410-

PAÜLÜS VOOR HET HOMEINSCHE GERECHT.

sedert ik van hier naar Jeruzalem reisde, om in den tempel te aanbidden. Het zal dus gemakkelijk zijn na te gaan, welke misdaad ik in dien korten tijd gepleegd heb. Men beschuldigt mi) er van, dat ik onlusten verwekt en den tempel ontwijd heb, doch men heeft mij in den tempel tot niemand hooren spreken, nog veel minder onrust zien stoker. Evenmin heeft men mij in de synagogen of in de stad gezien. Voor de ingebrachte beschuldigingen ontbreekt dus één ding, n.1. het bewijs. Doch dit verklaar ik openlijk: ik hang het geloof aan, dat een sekte genoemd wordt. Volgens dat geloof dien ik slechts den God mijner vaderen, en zulks kan toch niet een misdaad genoemd worden. Of wat kwaad is het, aan alles te geloo-ven, wat in onze wet en onze profeten staat en vast te houden aan de hoop van de opstanding der dooden, der rechtvaardigen en der onrechtvaardigen! Daaraan gelooven mijne aanklagers immers ook? Juist deze verwachting aangaande de opstanding en het gericht, sporen mij aan, steeds een onergerlijk geweten te bewaren voor God en menschen.

Bovendien moet ik in Jeruzalem onlusten verwekt hebben, doch daartoe ontbrak mij ten eenenmale de gelegenheid. Na een afwezigheid van verscheiden jaren, ben ik hierheen gekomen, om mijn volk, dat in behoeftigen staat verkeert, een som gelds te overhandigen. Terstond nam ik op mij in den tempel het offer eens Nazireërs te brengen, en daarom verkeerde ik daar in volkomen afzondering. Ik kon dus geen onlusten verwekt hebben. Eenige Joden uit Azië zagen mij echter, en deze zijn het, die de beroering teweeg gebracht hebben. Zü hadden dus hier behooren te zijn om mij te beschuldigen, doch zy zijn wijselijk weggebleven.

Deze mannen hebben mij in den Hoogon Raad verhoord. Zij kunnen getuigen in hoeverre ik eenig kwaad gedaan heb! Zij kunnen mij niets ten laste leggen, dan dat ik der vergadering toegeroepen heb: „Over de opstanding der dooden word ik heden van ulieden geoordeeld!quot;

Deze kalme, flinke verdediging miste haar doel niet. De aanklagers hadden veel beweerd, doch zij hadden bewijzen noch getuigen. Felix kende de Joden tegoed, dan dat hij niet terstond had begrepen, dat Paulus niet de gevaarlijke persoon was, waarvoor men hem wilde laten doorgaan. Bovendien wist hij met zekerheid, dat de Christengemeente met oordeel en groote voorzichtigheid te werk ging. De priesterpartij had hem weliswaar kunnen bewegen, hun ter wille te zijn, doch hij was wijs genoeg om zulks niet te doen. In dit geval was er geen sprake van schending der staatswetten, en bovendien had Paulus het recht om zich op den romeinschen keizer te beroe-

884

-ocr page 411-

IN JUNI 59.

pen, zoodra het vonnis was uitgesproken. Hij oordeelde het daarom beter, geen vonnis te vellen en het geding te verdagen. Hij hoopte Paulas na verloop van tijd handelbaar te maken en een groote som gelds van dezen te ontvangen, waarvoor hij, Felix, zich zou laten omkoopen. Hij had immers vernomen, dat Paulus met een groote som hierheen gereisd was.

De aanklagers liet hij van zich gaan met het bescheid, dat hij, wegens gebrek aan bewijzen en getuigen, eerst berichten moest inwinnen van Claudius Lysias. Paulus liet hij in lichte gevangenschap zetten, in de zoogenaamde custodia libera, in het Praetorium. Dergelijke gevangenen werden wel door de krijgsknechten bewaakt, maar zij werden niet gebonden, hadden een zekere vrijheid van beweging en mochten bezoeken ontvangen. Paulus had, de omstandigheden in aanmerking genomen, geen moeilijke of zware gevangenschap; hij moet het als een geluk beschouwd hebben, dat hij, inplaats van te versmachten in de vunzige kerkerholen te Jeruzalem, hier in Cesarea de frissche lucht kon inademen en dagelijks zijne vrienden, Filippus, Agabus en Christenen uit de stad, zijn medereizigers uit Galatië, Azië en Macedonië ontvangen mocht.

Het was eenige dagen na het vertrek der Jeruzalemsche aanklagers, dat Felix den Apostel liet voorbrengen, om hem opnieuw te verhoeren. De aanleiding tot dit verhoor was van persoonlijken aard. Zooals bekend is, leefde Felix buiten echt met een Jodin, de prinses Drusilla, zuster van den jongeren Agrippa, die hij aan haren wettigen gemaal had laten ontvoeren. In zijne vertrekken vertelde hij haar van haren landsman, die onder zulk een sterk geleide van Jeruzalem naar deze stad gekomen was en om wiens wil zelfs de hoogepriester de verre reis gemaakt had, teneinde hem de aanklacht voor te leggen. Deze man boezemde Drusilla belang in. Zeker hoorde zij niet voor het eerst van den beroemden voorganger der Christenen. Zij sprak dus den wensch uit hem te zien, en Felix beloofde haar nieuwsgierigheid te zullen bevredigen. Zoo verscheen dan

25

385

-ocr page 412-

PAULUS VOOE HET EOMEINSCHE GEEECHT.

Paulus in een soort van geheime zitting. Hem werd bevolen een verklaring te geven van zijn leer en zijn geloof, waarover zijne aanklagers hem hadden aangevallen.

Paulus kende het duister verleden van zijne beide aanzienlijke toehoorders; hij wist hoe vele ongerechtigheden Felix bedreven had, hoe omkoopbaar hij was en dat hij een echtbreker was. Hij was moedig genoeg, om hier geen oogenblik te denken aan het winnen van de gunst of aan het vermijden der teere punten. Hij sprak koene woorden, die hen in het geweten moesten grijpen. Gerechtigheid, kuischheid en toekomend oordeel, waren de onderwerpen zijner ernstige verhandeling. Voor deze menschen, voor wie de echt niet heilig was, waren de woorden hoogst pijnlijk. Zij hadden gehoopt een belangrijke uiteenzetting te hooren, en nu vernamen zij slechts, wat betrekking had op de geheime wonden van hun leven. Felix onderbrak hem dus en zeide: „Voor heden is het genoeg. Een andermaal, wanneer ik tijd zal hebben, hoop ik u wederom te laten roepen.quot;

De prokurator hield woord. Hij liet den gevangene dikwijls bij zich komen, was dan zeer welwillend en liet op niet te miskennen wijze doorschemeren, dat hij hem gaarne zou loslaten, indien hij of zijne vrienden daarvoor een bepaalde som over hadden. Felix trachtte, evenals nu nog zijn Turksche opvolgers doen, uit ieder proces zooveel mogelijk geld te slaan. Zijn broeder Pallas had aan het hof van Nero, op die wijze een vermogen van meer dan 40 millioen gulden bijeengebracht. Zijn waardige broeder wilde dat voorbeeld volgen. Doch Paulus wilde niets begrijpen. Hij wilde zijn vrijheid niet verkrijgen door omkooping. Dientengevolge nam de stadhouder een andere houding tegenover hem aan. Wij hooren zelfs, dat de Apostel weder geketend werd (Hand. 26 : 29). Het proces werd telkens uitgesteld en het kwam niet tot een wettelijk verhoor of tot een uitspraak. Kon Felix niets van Paulus verkrijgen, dan won hij toch door deze maatregelen de gunst der Joden (Hand. 24 : 27).

Met welgevallen vernamen de hoogepriester en de raadsheeren

386

-ocr page 413-

IN JUNI 59.

in Jeruzalem, dat de gehate Heiden-Apostel nu tenminste onschadelijk was. Eindelijk was men in de synagogen dan toch bevrijd van den anti-joodschen voorvechter der Christenen.

En Paulus, in zijn gevangenis, wachtte en wachtte. De dagen werden weken, de weken maanden, de maanden jaren. Twee volle jaren zuchtte hij in het oude, koninklijk paleis in Cesarea. Zijn vurige ziel smachtte naar arbeid. Des nachts hoorde hij, hoe daar buiten de nabijgelegen zee bruischte en klotste. Des daags kon hij dikwijls de zeilen der schepen zien, die de wijde wereld ingingen. In gedachten reisde hij mede naar Rome, naar de groene boorden van den Ebro. Doch de kostbare tijd verstreek, en geen hulp kwam opdagen. Het scheen, of niet alleen de prokurator, maar ook God hem vergeten had. Geen verhoor zelfs werd ingesteld. quot;Was deze tijd in het leven des grooten Apostels geen verlorene?

387

-ocr page 414-

ZOETE VRUCHTEN VANquot; BITTERE TIJDEN.

Bafael heeft op zijn beroemd doek, de heilige Cecilia voorstellende, ook de gestalte van den Apostel Paulus geschilderd. Daarop zien wij hem, geheel verzonken in gedachten, het edele hoofd door de hand ondersteund, het oog neergeslagen, alles om zich heen, de menschen, de geheele wereld vergetend, terwijl hij luistert naar de tonen, die uit een andere wereld komen. Zoo zal hij ook menigmaal, gedurende de twee jaren van ongezochte rust, geluisterd hebben naar de stemmen, welke hem spraken van zijn apostolischen arbeid, die landen en zeeën omvatte. Doch evenals ook in ons leven achter schijnbare hinderpalen en moeilijkheden hoogere bedoelingen verborgen zijn, zoo zal de tweejarige gevangenschap in Cesarea voor den Apostel zeker geen verloren tijd geweest zijn. Na de dagen van inspan-nenden arbeid kwam deze tijd als een geschikte gelegenheid om tot zichzelf in te keeren en gemeenschap te oefenen met den Heer.

Toch bleef hij steeds naar buiten werkzaam, daar hij niet van de buitenwereld was afgesloten. Niet alleen hadden de mede-Christenen in de stad, die hem met zooveel hartelijkheid hadden ontvangen, en die hem nog onlangs in de woning van Filippus onder tranen gesmeekt hadden, zich niet bloot te stellen aan

-ocr page 415-

IN DE JAREN 59 TOT 61.

de gevaren, welke hem in Jeruzalem wachtten, nu ruimschoots gelegenheid den dierbaren Apostel te dienen en hem hunne liefde te toonen, ook de medearbeiders uit de, door hem gestichte, gemeenten: Timotheus, Lukas, Troflmus van Efeze, Tychikus en Aristarchus van Thessalonica, kwamen hem dagelijks in het Praetorium bezoeken. In Cesarea bevond zich toen een, om zoo te zeggen, staande vergadering, welke over het wel en wee dei-gemeenten in verre landen beraadslaagde. Het is ons immers niet onbekend, hoeveel gemeenten, gevestigd in verschillende landen, voortdurend het oog gericht hielden op den man, die een gevangene was in den kerker te Cesarea. Wij weten, hoe de Apostel dagelijks „in zorg verkeerde over alle gemeentenquot; (2 Kor. 11:28), hoe hij die alle op het harte droeg, evenals een vader zijne geliefde kinderen. Daarom is het ons begrijpelijk, dat van uit de gevangenis een levendig verkeer werd onderhouden met de verafgelegen gemeenten, en evenzeer is het ons duidelijk, dat de medearbeiders bij hem moesten blijven, niet alleen om hem de eenzaamheid te helpen dragen, maar ook om het middel te zijn tot het leiden en besturen der, zoo ver uit elkander gelegen, gemeenten.

Zoo reisde dan zeker menige brief van uit Cesarea naar de gemeenten, ook al is het te betwijfelen of ook slechts éen dezer brieven voor ons is bewaard gebleven. Wij hebben immers reeds vroeger gezien, dat niet alle brieven, door den Apostel geschreven, van den ondergang gered zijn. Van meer dan een brief uit het Nieuwe Test. wordt vermoed, dat deze geschreven werd in de gevangenis te Cesarea, zooals van de Brieven aan de Efeziërs, de Kolossensen, aan Timotheus en Filemon. Het opstellen van deze brieven was voor Paulus een zaak van het hoogste gewicht. Uit de groeten, waarmede hij ze begint, kunnen we als het ware opmaken, waar ze zijn neergeschreven. Hij plaatst als inleiding niet alleen zijn eigen naam, dien van den schrijver, maar ook die zijner medearbeiders (1 Kor. 1:1; 2 Kor. 1:1; Gal. 1:2; Pil. 1:1; Col. 1 : 1 en volg.). Hij

389

-ocr page 416-

ZOETE VRUCHTEN VAN BITTERE TIJDEN.

heeft dus vooraf met zijne vrienden beraadslaagd, hoe de vragen zijner gemeenten beantwoord, op welke wijze ontstane moeilijkheden uit den weg geruimd, en welke raadgevingen medegedeeld moesten worden. Dat deze beraadslagingen te allen tijde van gewicht zouden zijn voor de geheele Christenheid, dat deze vliegende bladen, welke zij van de gevangenis uit, de wereld inzonden, duurzamer zouden zijn dan alle inschriften in marmer of graniet gegrift, zulks hebben deze mannen zeker niet vermoed.

Nog een andere zoete vrucht hebben wij te danken aan dezen droevigen tijd van gevangenschap. Het is waar, deze geschriften zijn, wanneer men let op den tijd, waarin ze opgesteld zijn, de oudste geschriften en oorkonden der Christenheid. De Brieven aan de Thessalonicensen en Galaten, Korinthiërs en Romeinen, al deze brieven, door Paulus geschreven, zijn wat inhoud aangaat, de kroonjuweelen der gansche kerk. Geen enkele uitspraak van het Christelijk geloof bestaat, waarover hier niet op ernstige wijze, is beraadslaagd. En toch, indien door de bestiering van God niet nog andere geschriften uit dien tijd tot ons gekomen waren, wat zouden wij dan veel, oneindig veel missen! Zoo wij de Evangeliën niet hadden, zouden we de teekening van den persoon en het leven van den Heiland missen; wij zouden de eigenlijke zon van het Nieuwe Test. niet kennen, waaromheen alle andere geschriften zich scharen, als zoovele planeten en wachters.

Het ontstaan van een onzer vier Evangeliën staat ongetwijfeld in verband met de gevangenschap te Cesarea, n.l. het ontstaan van het Evangelie naar Lukas. Van hem wordt ons niet bericht, dat hij een bekwaam prediker was. Toch heeft hij, door de gave te gebruiken, welke hem als schrijver verleend was, der kerk een der grootste diensten bewezen, welke haar ooit bewezen zijn. De reizen van zijn grooten vriend Paulus, dien hij in de gevangenschap gevolgd was, beschreef hij als een betrouwbaar berichtgever. Dat hij de gebeurtenissen in Jeruzalem en Cesarea (Hand. 21 — 26), vergeleken bij het overige

390

-ocr page 417-

IN DE JAREN 59 TOT 61.

dat hij verhaalt, zoo zeer uitvoerig mededeelt, schijnt te bewijzen, dat hij de aanteekeningen, noodig voor hetgeen hij later aan Theofllus schrijft, hier heeft gemaakt.

Doch van nog grooter gewicht was zijn verblijf in Palestina voor het opstellen van zijn andere geschrift, het Evangelie naar Lukas. Weliswaar waren in dien tijd reeds vele schriftelijke verhalen over het leven onzes Heeren in omloop (Luk. 1:1), doch Lukas kwam het wenschelijk voor al deze berichten zorgvuldig te schiften en aan de werkelijkheid te toetsen. Het scheen een zeer belangrijke schikking Gods, dat deze schrijver door de genade Gods zich twee jaren lang moest ophouden in het land, waar de Heer voor ongeveer vijf-en-twintig jaren gewerkt had. Zijn vriend Paulus bezat de gave der prediking. Wanneer hij sprak, behandelde hij immer de groote gebeurtenissen uit het leven des Heeren. In zijn geschriften was niet de geschiedenis hoofdzaak, ofschoon alles daarop steunde, maar deed hij een greep uit de diepe gedachten Gods, welke in Christus geopenbaard waren. Lukas integendeel was groot als historieschrijver. Van der jeugd af had hij den drang in zich gevoeld, om de belangrijke gebeurtenissen door hem-zelf beleefd, op te teekenen. Daarom nam hij het besluit, de gewichtige voorvallen, uit het leven van Jezus na te vorschen in het land, waar deze hadden plaats gegrepen.

Te dien einde begon hij te zoeken en te verzamelen. Reeds Cesarea bood hem daartoe een geschikte gelegenheid, omdat hij daar dagelijks kon spreken met Filippus, die den Heer gekend had. Bovendien kon hij berichten inwinnen in de naburige, aan de kust gelegen plaatsen. In een dag kon hij Joppe bereiken, waar Tabitha en andere gemeenteleden hem veel konden vertellen. Slechts een paar uren van Joppe verwijderd, lag Lydda, dat hij, met deszelfs gemeente, voor ons vereeuwigd heeft. Bijna alle overige, belangrijke plaatsen en personen, welke in aanmerking moesten komen bij het opstellen van een beschrijving van het leven des Heeren, kon hij van Cesarea uit, in één of twee

391

-ocr page 418-

ZOETE VRUCHTEN VAN BITTEEE TIJDEN.

392

dagreizen bereiken. Hij ging naar Jeruzalem en wellicht liet hij zich daar door Maria, de moeder van Jezus (zoo zij nog leefde) veel verhalen. Maria moet dan meer dan zeventig jaren oud geweest zijn en gewoond hebben bij haar zoon Jakobus. Wie kon hem beter inlichten omtrent Jezus\' kindsheid, toon Hij in Bethlehem en Nazareth vertoefde? Veel van hetgeen ons verhaald wordt, klinkt zoo, als had hij het van niemand anders dan van haar vernomen (b. v. Luk. 2 : 19, 34, 35 en 50), en geen der evangelisten beschrijft met zoo groote liefde en uitvoerigheid de eerste voorvallen uit Jezus\' leven. Ook haar zoon Jakobus, de voorganger dor gemeente, kon hem bijzonderheden mededeelen, hem onbekend en toch van zoo groote waarde. Hij kon naar Bethanië trekken en zich daar veel laten verhalen door de drie personen, bij wie de Heer zoo gaarne inkeerde. Daardoor heeft hij ons voel belangrijks kunnen mededeelen, dat wij anders zouden missen. Aan zijn gezegende pen en zijn onvermoeid navorschen hebben wij menigen diamant te danken, welke anders verloren zou zijn gegaan in het stof der vergetelheid, doch dien hij in zijn Evangelie heeft geplaatst, opdat nu nog in de geheele wereld ieder zich zou kunnen verlustigen in diens glans. Hoe menig verhaal bevat het Evangelie naar Lukas, welks gemis door niets vergoed zou kunnen worden, en zonder hetwelk het geheele Evangelie ons minder rijk zou schijnen! Daarin vinden we de schoone geschiedenis van den Kerstnacht, zonder welke we ons geen Kerstfeest kunnen denken, beginnende bij de beschrijving, door den keizer Augustus bevolen, en eindigende bij den terugkeer naar Nazareth. Daarin lezen we van den twaalfjarigen Jezus, leerende in den tempel; de opwekking van den jongeling te Naïn; het bevat in het 15° hoofdstuk-het drietal gelijkenissen van het verloren schaap, den verloren penning en don verloren zoon. Verder verhaalt het ons de geschiedenis van de tien melaatschen, het spreekt over Maria en Martha, het bevat de gelijkenis van den rijken man en den armen Lazarus, en die van den barmhartigen Samaritaan; daarin

-ocr page 419-

IN DE JAREN 59 TOT fil.

staat opgeteekend, wat Jezus, hangende aan het kruis, bad voor zijne vijanden, hoe Hij den boosdoener aan het kruis begenadigde; ook verhaalt het ons den gang der beide jongeren naar Emmaüs, het plaatsje, dat Lukas, wanneer hij naar Jeruzalem ging, boven op een vooruitgeschoven deel van het gebergte zag liggen. Welk een schat van heerlijke mededeelingen heeft de Christelijke kerk alleen aan Lukas te danken!

Wij onderstellen dat Lukas, wanneer hij weder een schoone vondst gedaan had, des avonds naar de gevangenis van Paulus ging om dezen mede te deel en, wat hij gehoord en opgeteekend had. Dan doorleefden en bespraken de vrienden nog eenmaal deze groote gebeurtenissen; dan werd de eenzame cel bestraald door een hooger licht, dat zich van daar uit, weldra zou verspreiden over de gansche wereld. Zoo werd de tijd in Cesarea, die anders voor Paulus een zeer treurige geweest zou zijn, een zeer schoone en heerlijke. Het afschuwelijkste kerkerhol verliest zijn verschrikking, wanneer het beschenen wordt door het vriendelijke, heldere licht des evangelies. Paulus werd op deze wijze de medearbeider van zijn vriend, terwijl hetgeen Paulus schrijft omtrent de instelling van het Heilig Avondmaal (1 Kor. 11 :23 en volg.), veel overeenkomst heeft met wat Lukas daarover mededeelt.

Met recht zou men mogen aanvoeren, dat, indien de beide boeken van Lukas de conige vruchten waren uit dezen droeven tijd van rust in Cesarea, deze tijd waarlijk geen verloren tijd was, dat hetgeen Paulus in die jaren heeft doorleefd, ons ten goede is gekomen. Deze tijd is een bron geworden, welke van eeuw tot eeuw stroomen van zegen heeft doen vloeien voor de geheele Christenheid.

393

-ocr page 420-

HET BEROEP OP DEN KEIZER.

De verhoudingen in Judea namen voortdurend een steeds meer dreigenden vorm aan. De woeste benden der Zeloten en Sikariërs werden steeds driester. Men bekommerde zich steeds minder om de regeerende macht in Cesarea, die niet in staat was den gewapenden benden het hoofd te bieden. In Jeruzalem was de toestand allertreurigst; daar gingen derooverhoofdlieden te werk, alsof er in het geheel geen regeerende macht in het land was. Ook de hoofdstad Cesarea werd meer en meer betrokken in de verwarringen. Terwijl Paulus in het paleis gevangen zat, hoorde hij dikwijls des nachts, hoe de stom des oproers luid door de straten der stad klonk. Het joodsche deel der bevolking kwam openlijk in strijd met het heidensche, zoodat men dooden en gewonden in de straten zag liggen. Toen Felix eindelijk troepen de stad inzond, werden deze met bloedige hoofden teruggedreven, en toen Felix, tot straf, de huizen van verscheiden rijke, aanzienlijke Joden liet plunderen, zonnen de slachtoffers op wraak. Door invloedrijke vrienden, die in de hoofdstad der wereld woonden, bewerkten zij de terugroeping van den Stadhouder, die zoo weinig was opgewassen tegen de algemeene toestanden. Aan het hof was de invloed van diens broeder Pallas zeer verminderd, terwijl de Joden gesteund wer-

-ocr page 421-

IN HET JAAR fi].

den door de keizerin, de beruchte Poppea Sabina en den sluwen Agrippa II, den jongere, zwager van Felix en broeder van Drusilla. Zoo geschiedde het, dat Nero Felix na een bijna tier-jarig wanbestuur, uit Palestina terugriep en deze geheel in ongenade kwam.

De keizer benoemde tot opvolger Porcius Festus. Groote drukte heerschte in het Praetorium te Cesarea, toen in den nazomer van het jaar 61, de nieuwe overheidspersoon zijn intocht hield. De weinigen in het land, die nog niet bezeten waren door den geest des oproers, koesterden schoone verwachtingen van den hooggeplaatste!! ambtenaar, dien men beschreven had als een doortastend en rechtvaardig man. Ook Paulus, wiens rechtzaak door den hebzuchtigen Felix twee jaar lang op onvergeeflijke wijze was hangende gehouden, begon nu weder moed te scheppen.

Reeds op den derden dag na de aankomst te Cesarea, begaf de nieuwe stadhouder zich naar Jeruzalem. Daar werd hij dooide hoofden der Joden met al die eerbewijzen ontvangen, welke men den persoon, wiens gunst men wil verwerven, doet toekomen. En hij luisterde naar al de smeekbeden en wenschen, met het doel die, voor zoover zulks niet met de rechtvaardigheid in strijd was, in te willigen en daardoor op vriendschap-pelijken voet te komen met het volk, waarover hem het bestuur was opgedragen. De hoogepriester Ananias, die voor twee jaren het bevel had gegeven, Paulus op den mond te slaan, en die zelf naar Cesarea was gereisd, om weder in het bezit te geraken van den gehaten gevangene, leefde niet meer. Hij stond Felix in den weg en deze had hem door omgekochte Sikariörs in den tempel laten doorsteken. Doch de verandering van persoon veranderde de zaak niet. Terstond herinnerde de nieuwe hoogepriester, Ismael, zoon van Fabus, zich den doodelijk gehaten vijand in Cesarea, en de raadsheeren deden hetzelfde. Zij verzochten den stadhouder gunstig te willen beschikken op de vraag, Paulus, die toch van rechtswege onder hunne

395

-ocr page 422-

HET BEROEP OP DEX KEIZER.

jurisdiktie stond, weder voor hun rechtbank te brengen. Zij hadden geenszins het plan opgegeven, hem bij gelegenheid van de overbrenging, te dooden. Nu scheen de geschikte tijd gekomen te zijn. Op den weg tusschen Cesarea en Jeruzalem waren holen genoeg, waarin zich de Sikariërs, die de daad ten uitvoer moesten brengen, konden verbergen.

Doch Festus was de man niet, die de volksgunst trachtte te winnen door het inwilligen van beden, zonder voorafgegaan onderzoek. Kalm antwoordde hij; „liet is geen romeinsch gebruik iemand uit te leveren, opdat hij gedood zou worden, voordat de aangeklaagde tegenover zijne beschuldigers geplaatst is en gelegenheid gehad heeft, zich te verdedigen. Paulus is mijn gevangene in Cesarea. Binnen korten tijd zal ik weder daar zijn. Wie dus iets tegen hem heeft, kan daar verschijnen en zijn aanklacht in den vereischten vorm indienen (Hand. 25 : 16 en 4).

Na een verblijf van tien dagen in Jeruzalem, keerde Pestus naar Cesarea terug, doch deze tijd was zeker lang genoeg geweest om Festus ten duidelijkste te doen zien, in welk een hope-loozen toestand dit volk verkeerde, dat als het ware tot razernij was vervallen. De beschuldigers van Paulus volgden hem op den voet. Eeeds den volgenden dag had het verhoor plaats.

Hoe moet Paulus te moede geweest zijn, toen hij eindelijk weder voor den rechter zou verschijnen, nadat hij van dag tot dag naar deze gebeurtenis had uitgezien. Terwijl allerlei stormen in het land woedden, scheen hij een vergeten gevangene; Fesius zat op den rechterstoel, opdat het uitgesproken vonnis van kracht zou zijn. Paulus zag, hoe zijne doodvijanden om den rechterstoel geschaard stonden. Deze hadden tijd genoeg gehad, om een nieuw plan op te maken, volgens hetwelk zij wilden handelen. Zij waren besloten, alles aan te wenden, om hun slachtoffer weder in hun macht te krijgen, en dus brachten ze opnieuw hun klachten en lasterlijke aantijgingen in. Zij hoopten, dat de prokurator hun eerste verzoek, dat zij met

-ocr page 423-

In het jaar 61.

zooveel klem en eenstemmigheid te kennen gaven, niet zou afwijzen. Bij de klachten van godsdienstigen aard voegden zij nu nog deze, dat Paulus gezondigd had tegen de romeinsche overheid en tegen den keizer, een beschuldiging, welke in dezen tijd van verwarring en troebelen, natuurlijk veel gewicht in de schaal zou leggen (Hand. 25 : 8). Doch ook nu ontbraken de bewijzen, welke indruk hadden kunnen maken op een rechtvaardig, romeinsch rechter, terwijl de hartstochtelijke wijze, waarop de aanklagers hunne zaak bepleitten, hem te eerder deed gelooven aan een onrechtvaardige beschuldiging. Paulus verdedigde zich en gaf te verstaan, dat de drie, tegen hem ingebrachte, beschuldigingen uit de lucht gegrepen waren, dat hij bij zijn gevangenneming te Jeruzalem niets misdreven had tegen de wet der Joden, tegen den tempel of tegen den keizer.

Festus, die veel gewichtige zaken te behandelen had in zulk een oproerig land, stelde niet veel belang in deze rechtzaak. Hij stond tegenover zooveel groote moeilijkheden, tot wier bestrijding hij moest kunnen rekenen op de medewerking der Jeruzalemsche overheidspersonen, dat hij niet ongenegen was den Joden ter wille te zijn, temeer daar in hun oog de zaak zoo gewichtig was. Bovendien waren zij in zoover in hun recht, _ als hun de rechtspraak over misdrijven van godsdienstigen aard was toevertrouwd. Lteiix bedacht zich eenige oogenblikken; hij meende, dat het recht niet geschonden kon worden, indien hijzelf tegenwoordig was bij het verhoor van den Hoogen Raad. Deze gedachte scheen hem een schoone oplossing. Hij vroeg Paulus dus; „Wilt gij naar Jeruzalem opgaan en aldaar voor mij over deze dingen geoordeeld worden ?quot;

Doch Paulus wist beter dan Festus, welke nevenbedoelingen zijne vijanden koesterden. Hij herinnerde zich nog te goed, hoe in Jeruzalem het razende en tierende volk hem, als een wild dier, geslagen en gestompt had; hoe reeds honderd armen zich hadden uitgestrekt om hem te verscheuren; welken eed de Sikariërs gezworen hadden, en dus begreep hij, dat hij ditmaal

397

-ocr page 424-

HET BEROEP OP DEN KEIZER.

het moordenaarshol niet levend zou verlaten. Hij wilde alles, behalve nog eens te Jeruzalem terecht staan voor deze mannen, die op zijn minst genomen, voor goed een einde zouden maken aan zijn apostolischen arbeid, door hem levenslang in den kerker op te sluiten. Gedurende de lange gevangenschap had hij er dikwijls aan gedacht, dat het romeinsch burgerrecht hein gelukkig in staat zou stellen, zich te bevrijden van de joodsche vijanden, zich te verzetten tegen iedere uitlevering, eiken anderen rechter in het land te verwerpen en zich te beroepen op den keizer. Daarom gaf hij den prokurator beslist ten antwoord;

„Ik sta voor don rechterstoel des keizers, door wien ik geoordeeld wensch te worden. Den Joden heb ik geen onrecht gedaan, gelijk gö zoooven hebt kunnen opmerken. Doch indien ik iets misdreven heb, dat den dood verdient, ik weiger niet te sterven; op grond echter van onbewezen aanklachten kan niemand mjj aan hen overleveren. Ik beroep mij op den keizer!quot;

Nu was het beslissende woord gesproken. Waar ooit in het wereldrond een romeinsch burger deze woorden sprak, daar verloren terstond alle gerechtshoven in het rijk hun invloed; de beschuldigde moest naar Eome gebracht en voor het gerecht des keizers gesteld worden. Festus trok zich eenige oogenblikken met den raad terug, teneinde te beraadslagen. Daarna verscheen hij weder en sprak op romeinsche wijze, kort en bondig: „Op den keizer hebt gij u beroepen, gij zult tot den keizer gaan!quot;

Zoo was dan ten laatste het einde van den langen wachttijd in Cesarea daar. De vaart naar Eome moest in de eerst volgende weken plaats hebben, en Paulus zag eindelijk de vervulling van zijn lang gekoesterden wensch voor oogen. Weldra zóu hij deze schoone haven uitzeilen, achter welke hij zoo langen tijd tot stilzitten gedoemd was geweest en naar het keizerlijke Eome gaan, hoewel in andere omstandigheden, dan hij zich had voorgesteld, n.1. als gevangene van den keizer.

Eenige dagen nadat dit gewichtig besluit genomen was, werd Paulus nog eens geroepen, om voor den stadhouder te verschijnen.

398

-ocr page 425-

IN HET JAAR 61.

De aanleiding daartoe was de volgende. Het was de tijd, dat Festus bezoeken ontving van personen van rang, die hem wilden gelukwenschen met het aanvaarden zijner aanzienlijke betrekking. Ook Heiodes Agrippa II, zwager van den teruggeroepen Felix en regent van het kleine rijk aan den Hennon, maakte zijne opwachting. Met hem kwam ook zijne zuster Veronica of Berenice, waarmede hij, zooals wij weten, buiten echt leefde. De beide vorstelijke personen werden door Festus met veel onderscheiding behandeld, vooral omdat Agrippa veel invloed had aan het hof van Nero. Toen de prokurator het een en ander mededeelde omtrent zijne indrukken en ervaringen, sprak hij ook over Paulus. Hij vertelde, hoe hij den gevangene hier in Cesarea verhoord had in tegenwoordigheid der hooggeplaatste beschuldigers. Paulus had bij die gelegenheid veel verteld van een zekeren Jezus, die gestorven was en weder zou zijn opgestaan. Daar hij, Festus, echter van dergelijke zaken geen verstand had, had hij den gevangene willen laten terecht staan voor de geestelijke rechtbank te Jeruzalem. Doch Paulus was daartegen terstond in verzet gekomen en had zich op den keizer beroepen.

Dit geval boezemde Agrippa, die de laatste vorst was, welke de Joden bestuurd had belang in. Natuurlijk hoorde hij nu niet voor de eerste maal van Paulus. „ Dien man zou ik gaarne ook eens hoorenquot; zeide hij tot Festus, en deze antwoordde: „Morgen zult gij hem hooren.quot;

Den volgenden dag werd dus een bijzondere rechtszitting gehouden. Men kwam bijeen in de ontvangzaal van het paleis. Ter eere van de hooge gasten was ieder tegenwoordig, die in Cesarea iets te beteekenen had: officieren, overheidspersonen en notabelen der stad. Agrippa verscheen en aan zijne zijde zat Berenice, de schoone joodsche prinses, die na de verwoesting van Jeruzalem nog zulk een schitterende rol zou spelen en zich, als laatste joodsche vorstin, door haar verleidelijk, verlokkend optreden, bijna verheven zag tot romeinsche keizerin.

399

-ocr page 426-

HET BEBOEP OP BEN KETZER.

Het koninklijke paar spreidde groote pracht en praal ten toon en ging van een aanzienlijk gevolg vergezeld. Toen allen hunne plaatsen hadden ingenomen, beval de prokurator, dat men den beklaagde zou voorbrengen. Paulus verscheen, met ketenen gebonden.

Nu opende Pestus de zitting en sprak een woord van waardeering tot den koning Agrippa. Daarna gaf hij te verstaan, dat de geketende, de joodsche gevangene was, dien de Joden zoo begeerig waren te dooden. Hijzelf had bevonden, dat de man onschuldig was, doch daar deze zich beroepen had op den keizer, was hij genoodzaakt hem naar Rome te zenden. Hij kon hem echter niet aan zijn keizerlijken meester sturen, zonder tevens het een en ander omtrent den persoon te berichten. Daar hijzelf geen verstand had van de joodsche ideeën, welke aanleiding waren van het geschil, bracht hij den gevangene in deze vergadering; en in de eerste plaats stelde hij hem voor aan den koning Agrippa, opdat deze de goedheid zou willen hebben, den man te verhooren, daar hij, als joodsch vorst, op de hoogte was van dergelijke zaken. Naar aanleiding van dit verhoor zou dan bericht naar Rome gezonden worden.

Nu was de leiding der vergadering overgedragen aan den joodschen koning. Deze wendde zich tot den gevangene en sprak: „Het is u geoorloofd voor uzelven te spreken.quot;

Paulus zag de talrijke, schitterende vergadering rond, terwijl allen, het vorstelijk paar, de stadhouder, de hooggeplaatste officieren en beambten, hun blikken in spanning, op hem lieten rusten. Een schoon, verheven tijdstip was voor Paulus aangebroken. Wellicht was het hem te moede, als stond hij reeds voor den keizer, bij wien deze Agrippa zoo hoog stond aangeschreven. Hij strekte zijne hand uit, bij welke beweging de keten rammelde en sprak; „Het is mij een voorrecht, koning Agrippa, dat ik mij heden voor u mag verantwoorden. Ik weet, dat gij vertrouwd zijt met alle gewoonten en vragen, die onder de Joden voorkomen. Daarom bid ik u, dat gij mij lankmoediglijk

400

-ocr page 427-

IN HET JAAR 61.

wilt aanhooren.quot; In de eerste plaats sprak hij over zijn verleden, hoe hij een vurig aanhanger der joodsche richting geweest was. Hij herinnerde er aan, hoe hij de aanhangers van Jezus zonder onderscheid had vervolgd, in den kerker doen werpen en ter dood brengen; doch ook, hoe hij door de onweerstaanbare macht der persoonlijke ervaring, van den meest verwoeden vijand was veranderd in den ijverigsten strijder voor dit geloof. Nu stond hij voor het gerecht ter oorzake van zijn geloof aan de groote belofte, naar welker vervulling het volk der twaalf stammen nacht en dag verlangend had uitgezien; ter wille van dat geloof werd hij aangeklaagd, niet door vreemdelingen doch door de Joden! Met overtuigende welsprekendheid verklaarde hij stoutmoediglijk, dat Jezus, de Verrezene, de sedert lang verwachte Messias was. De geheele, onweerstaanbare macht zijner persoonlijkheid ging op het oogenblik van hem uit, nu hij ten aanhoore van den laatsten vorst zijns volks, van dit gansche, voorname gezelschap, met schitterend oog en met verheffing van stem zijn getuigenis voor Jezus aflegde. Festus, de kalme Romein, die zich verwonderde over de opwinding van den man, kon zich nu niet langer bedwingen; met luide stem viel hij hem in de rede en sprak; „Paulus gij raast! de groote geleerdheid brengt u tot razernij!quot;

Doch Paulus antwoordde: „Neen, machtigste Pestus, ik raas niet. De koning, tot wien ik met vreugde het woord richt, weet zeer goed, dat ik spreek van feiten. Hij kent de groote gebeurtenissen uit het leven van Jezus, want zij zijn niet in een hoek geschied, maar voor de oogen van het geheele volk!quot; Daarop wendde hij zich weder tot den koning: „Koning Agrippa! gelooft gij de profeten? Ik weet, dat gij ze gelooft!quot;

Bij deze onverwachte woorden, welke een beroep deden op liet hart en het geweten van den koning, die het verhoor leidde, richtten zich aller oogen in gespannen verwachting op Agrippa. Doch deze wilde zijne gevoelens niet bloot geven en sprak daarom van uit de hoogte: „Meent gij soms, dat

•iü

401

-ocr page 428-

HET BEROEP OP DEN KEIZEE.

gij mij door deze weinige woorden tot een Christen zoudt maken!quot; \')

Paulus echter hernam terstond het woord en zeide: „Ik wenschte wel van God, hetzij ten gevolge van veel of weinig woorden, dat niet alleen gij, maar ook allen, die mij heden hooren, zoodanigen wierdon, gelijk als ik ben, uitgenomenquot; — en hier liet bij den blik op de ketenen rusten — „deze banden!quot;

Doch nu verhief de koning zich, ten teeken dat het verhoor geëindigd was. Met den prokurator, de koningin en eenige omzittenden trok hij zich terug, teneinde te beraadslagen. Allen waren van oordeel, dat Paulus geheel onschuldig was. En Agrippa, wiens oordeel naar den keizer zou gezonden worden, verklaarde, dat men dezen man terstond de vrijheid had kunnen hergeven, indien hij zich niet op den keizer beroepen had.

Zoo moest dan de zaak haar loop hebben. Toch had dit tweede verhoor voor Festus tengevolge, dat het begeleidend schrijven aan den keizer zeer ten gunste van Paulus werd opgesteld.

402

De noodige toebereidselen voor de reis naar Eome werden gemaakt. Nog een menigte staatsgevangenen moesten naar Rome worden gebracht. Paulus werd aan deze toegevoegd, en het geheele transport van gevangenen opgedragen aan een centurio, Julius genaamd. Deze was officier bij de bende prima Augusta Italic a. Daar hij oen menschlievend persoon was, behandelde hij Paulus, van wien hij in Gesarea veel goeds vernomen had en wiens over te brengen rapport zoo gunstig luidde, met voorkomendheid en achting. Paulus had spoedig zijne zaken bijeen gepakt. Hij reisde niet alleen. Zijn vrienden, die hem getrouw gebleven waren in de dagen van voorspoed, wilden hem niet verlaten in het ongeluk. Lukas, Aristarchus van Macedonië (Hand. 27 ; 2) en misschien nog anderen gingen met

\') De bekeude vertaling: „Gy beweegt bgnaquot; enz. is niet juist (Hand. 26 : 28).

-ocr page 429-

IN HET .TAAB fil.

hem mede. De hoofdman stond hun toe in de nabijheid var, den Apostel te verkeeren en hem alles te verschaffen, wat hun goed dacht (Hand. 27 : 3).

Het was tegen den tijd der najaars- dag- en nachtsevening, dus ongeveer tegen het einde van September van het jaar 61, dat Paulus met zijne vrienden afscheid nam van de heerlijke stad aan de Middellandsche zee, en door den wonderschoonen ingang van Cesarea\'s haven, langs vele zuilen en beelden, die haar versierden, naar de open zee koers zette. Hoe welgemoed moet hij geweest zijn, nu hij eindelijk, werkelijk naar Rome ging! In dien tijd had men nog geene vaste reisgelegenheden en bepaalde schepen voor het vervoer van personen; toen moest men gebruik maken van de gelegenheid, welke zich voordeed. In het tegenwoordige jaargetijde waren de kansen gering. De najaarsstormen stonden voor de deur en bovendien ging niemand gaarne na de vasten in October (Hand. 27 : 9) scheep, of zulks moest hoog noodig zijn. Daarom had de hoofdman Julius, nu er geen schip was, dat direkt naar Rome voer, onderhandelingen aangeknoopt met den gezagvoerder van een koopvaardijschip, dat bestemd was naar Adramyttium, aan de westkust van Klein-Aziö gelegen. Aan de zuidkust van Klein-Azie hoopte hij een gelegenheid te vinden om naar Italië te varen.

Zoo lichtte dan het schip de ankers en voer naar het Noorden, in het vooruitzicht van een stormachtige reis. Zeker heeft Paulus aan boord van het schip nog langen tijd gestaard op de bergen van Juda, welker omtrekken steeds meer aan zijn oog onttrokken werden. Zijn schip doorkliefde zonder oponthoud de blauwe golven, en nu neemt ook de gewijde geschiedenis voorgoed afscheid van het Heilige Land.

403

-ocr page 430-

OP DE PUINHOOPEN VAN CESAREA.

Eeeds sedert langen tijd is het, eenmaal zoo prachtige, Cesarea, dat vele eeuwen de hoofdstad van Palestina geweest is, van den aardbodem verdwenen, als het ware weggespoeld door de bruisende golven der nabijgelegen zee. Nog tooit zich de oude vlakte van Saron jaar op jaar met het schitterend feestgewaad der lente, evenals in den tijd, toen Paulus daar toefde, doch de werken, door de hand der menschen gewrocht, hoe grootsch en geweldig zij ook waren, zijn tot stof wedergekeerd.

Daar, waar eertijds de praalgebouwen van Cesarea stonden, gaan wij nu door dicht ineengegroeide massa\'s riet en over moerassige, laaggelegen streken naar de oude sterkte der kruisvaarders, welke zich eenzaam, doch trotsch uit de schuimende golven verheft en uitziet op de verlaten zee. Kom, vriendelijke lezer, laten wij deze verweerde muren met de, door den tijd zwart geworden, steenen, beklimmen! Daarboven kan men Jen blik laten gaan over de vlakte van Saron, waar nu geen men-schelijke voet meer treedt, van daar kan men in het verschiet de bergen van Juda waarnemen en aan de andere zijde de rustelooze zee aanschouwen. De oude toren der kruisvaarders is de eenige getuige, die den ondergang van Cesarea overleefd heeft; deze staat, wat zeker opmerkenswaard is, op hetzelfde

-ocr page 431-

OP DE PUINHOOPEN VAN CESAEEA.

rif, waarop eertijds de Stratons-toren gebouwd werd, in een tijd, toen men nog geen Herodes, geen Cesarea en geen Christelijke kerk kende. In de diepte ziet men de schuimende, kokende golven voortdurend tegen den voet der sterkte beuken, als wilden zij ook dit laatste overblijfsel van vervlogen tijden doen neder-storten en in zee werpen. Hier heeft wellicht een der torens gestaan, door Herodes op den geweldigen havendam opgericht, en vanwaar hij den blik menigmaal heeft laten weiden over de rij van schitterende gebouwen, de scheppingen van zijn genie. Nog zijn aan den voet van de sterkte, waarop wij ons bevinden, overblijfsels van de oude haven zichtbaar. Duidelijk onderscheidt men op het rif de plaats, waar de havendam eindigde in den machtigen Drusus-toren. Onder de schuimende golven bevinden zich nog reusachtige blokken graniet. Honderden zuilen liggen op rijen in de zee, en met donderend geweld rollen de golven daarover heen. Vele van deze oude zuilen zijn gebruikt bij het bouwen der sterkte, teneinde die grooter weerstandsvermogen te geven.

Landwaarts in ligt de stille, vergeten vlakte, waarop eertijds de hoofdstad van Palestina, stralende van marmer, prijkte. Hoe rustig en vredig is het hier nu! Waar zijn de breede wegen, waarover de bewoners van Cesarea zoo gaarne wandelden? Waar is het schitterende paleis van Herodes, eens de verblijfplaats van Pilatus, waarin Paulus als gevangene leefde? Waar de reeks vorstelijke gebouwen langs de haven, waarboven de tempel des Cesars zich trotsch verhief? Alles is doodstil geworden, alles is weggevaagd door den bruisenden storm der wereldgeschiedenis!

Na het vertrek van Paulus heeft Cesarea nog langen tijd gebloeid. Het werd, na de verwoesting van Jeruzalem, geheel en al de hoofdstad van het land en verkreeg toen vele nieuwe voorrechten. Ook de Christengemeente, een der oudste ter wereld, eertijds opgericht door Petrus in de woning van den hoofdman Cornelius, bleef nog langen tijd van groote beteekenis.

405

-ocr page 432-

OP DE PUINHOOPEN

Reeds omstreeks het jaar 200 was deze gemeente het hoofd der kerk van Palestina; ook Jeruzalem stond onder den aartsbisschop van Cesarea. Origenes is langen tijd werkzaam geweest aan de beroemde school van Christelijke geleerden in deze stad, en na hem kwam, als volgeling van den eersten schrijver dei-kerkgeschiedenis, Lukas, de zoogenaamde „vader der kerkgeschiedenis,quot; Eusebius (t 340).

Nadat Cesarea in de zevende eeuw stormenderhand door de Mohammedanen was ingenomen, werd het een paar eeuwen later herwonnen door de kruisvaarders. Deze bouwden hier een geheel nieuwe, middeleeuwsche stad, welke zich in den afwisselenden strijd tusschen kruis en halve maan verscheiden eeuwen heeft staande gehouden. De kruisvaarders roemden ten zeerste de wonderschoone stad, nabij de vlakte van Saron, haren rijkdom van paltnboomen, haar tuinen met oranjeappel- en citroenboo-men, haar frissche, kabbelende stroompjes, die klaterend dooide straten der stad vloeiden, en de groote vruchtbaarheid dei-omstreken. Bovendien werd de fantasie der middeleeuwen beziggehouden door een anderen, geheimzinnigen schat uit Cesarea, waarvoor men den diepsten eerbied koesterde en dien men ten hoogste bewonderde. Bij de verovering der stad in het jaar 1101, maakte Balduin, behalve vele kostbare zaken, ook een bijzonder schoon en zeldzaam pronkstuk buit. Het was een zeshoekige, doorzichtige schaal, eenvoudig doch kunstvol bewerkt en heerlijk om te aanschouwen. Weldra had men uitgemaakt, waartoe deze schaal gediend had. Men hield haar voor de schaal, waarin de Heiland bij het instellen van het Heilig Avondmaal in den nacht, toen Hij verraden werd, zijnen jongeren den wijn aanbood. Zij is de beroemde „heilige Graal,quot; welke zulk een belangrijke rol speelt in de middeleeuwsche poëzie van koning Arthur en zijne tafelronde, omtrent Titurel en Parcival. De schaal wordt nu in Parijs bewaard. Ofschoon men haar eerst hield voor kostbaar smaragd, is men nu tot de overtuiging gekomen, dat zij slechts van glas is, maar toch geeft zij ons een begrip

406

-ocr page 433-

VAN CESABEA.

van den hoogen trap, waarop de bearbeiding van het glas toen stond.

Gedurende de kruistochten werd Cesarea meermalen verwoest en weder opgebouwd, tot het eindelijk in het jaar 1265, door Beibars voor goed verwoest werd.

Sedert dien tijd is de stad een woestenij geworden. Slechts enkele puinhoopen van de gebouwen van Herodes getuigen van vergane grootheid. De overblijfselen van het oude en middel-eeuwsche Cesarea liggen woest dooreen in een wildernis van distelen en doornen, waartusschen de schoone veldbloemen van Palestina groeien. Gebarsten zuilen, hechte stukken muur, gedeelten van tempels en kerken, liggen in bonte mengeling dooreen. Scherp steken de witte steenen, waaruit Herodes de gebouwen liet optrekken, en welke, volgens Josefus, uit het buitenland werden aangevoerd, af tegen de donker gekleurde, mindere edele grondstoffen, welke het land-zelf opleverde, en waarvan de kruisvaarders zich bedienden. Ook de massa\'s grijs en rood graniet, welke nu de plaats bedekken, waar de oude stad eenmaal stond, zijn door Herodes uit Egypte aangevoerd. Juist omdat de gebouwen van Herodes vervaardigd waren uit zulke kostbare grondstoffen, is er zoo weinig van staande gebleven. De rijke puinhoopen van Cesarea werden door velerlei bouwmeesters beschouwd als steengroeven, waaruit men de steenen gemakkelijk per schip kon vervoeren. De oude havendam in Jaffa is gebouwd uit steenen van Cesarea afkomstig, en wollicht is menig belangrijk stuk steen, uit de tijden van Pelix en Pestus, daaronder begraven. In onze eeuw heeft Ibrahim Pascha de puinhoopen op groote schaal laten plunderen met het oog op de, op te richten, sterkten in Akka. Zelfs nu nog drijven de bewoners der vlakte op onwaardige wijze handel met de nog overgebleven steenen.

Voor korten tijd is door de Turkscho regeering een Mohamme-daansche kolonie van bewoners uit Bosnië, gesticht op de plaats, waar Cesarea eertijds lag. Het veertigtal, ellendige huisjes is

407

-ocr page 434-

OP DE PUINHOOPEK VAÜ CESAHEA.

408

als het ware een bespotting van de heerlijke paleizen, tempels, pleinen en hallen, die hier eenmaal prijkten. Wilde jakhalzen sluipen des nachts huilend langs de overblijfselen van den ouden ringmuur en over de puinhoopen der trotsche stad, door welker straten eenmaal koningen, prokurators, de laatste joodsche vorsten en vorstinnen, apostelen en evangelisten gingen. Op de voormalige markten en openbare pleinen bloeien nu, evenals in overoude tijden, nog eer Herodes de stad als mot tooverkracht deed verrijzen, rozen en anemonen; het is als wilden zij in honderdduizend-stemmig koor liet oude woord uit het Hooglied over de verlaten vlakte doen weerklinken: „Ik ben een roos van Saron, een lelie der dalen!quot; De golven gaan ruischend over de verdwenen stad en zingen het overoude lied van het vergaan aller aardsche heerlijkheid. Doch het woord, dat eenmaal van hier uit, met den gebonden Apostel Paulus, die de stormen van den herfst in het jaar 61 trotseerde, de wereld is ingegaan, heeft stand gehouden, is duurzamer gebleken dan liet schitterend Cesarea. Dat woord heeft van af dit strand zijne schoonste vlucht genomen en het trotsche Kapitool van het wereldbeheer-schende Rome bereikt.

-ocr page 435-

PAULUS TE ROMI

-ocr page 436-
-ocr page 437-

DE ZEEREIS.

Ten laatsten raale maken wij ons gereed, om den Apostel op diens reis te vergezellen. Naar Rome, de hoofdstad der wereld, heeft hij het aangezicht gekeerd. Op de hoogte, waarheen de gansche wereld tot luisteren het oor wendt, wil hij, die een gevangene is om zijns Heeren wil, het Evangelie prediken. Doch nogmaals versperren tallooze moeilijkheden hem den weg. De stormen loeien, de zee woedt en dreigt het schip met den ondergang. Het is, als willen de machten der diepte den man beletten de stad te betreden, vanwaaruit de kerk met onweerstaanbare kracht het wereldrond zal brengen onder de heerschappij des Evangelies. Doch een machtige hand bewaart den zwaar beproefde. Hij gaat zijn weg door storm en golfgeklots, teneinde voor den keizer getuigenis af te leggen van zijn Heer en met vreugde zijn loop te voleinden.

Paulus had de heerlijke Middellandsche zee volkomen leeren kennen, zoowel in goede als in booze tijden. Hij had de donkerblauwe wateren zien schitteren in den glans der zonnestralen, maar ook had hij ze aanschouwd, wanneer woeste stormen de golven hoog opzweepten. In Tarsen, Troas, Efeze, Thessalo-nica, Korinthe en Cesarea had hij jaren lang geluisterd naar het machtige lied der golven. In hare wateren had hij driemaal

-ocr page 438-

DE ZEEEETS.

schipbreuk geleden, en eenmaal had hij een geheelen dag en nacht, zich vastklemmend aan een gedeelte van het wrak, op de woeste baren rondgezwalkt, terwijl de stormwind loeide en huilde (2 Kor. 11 : 25). Van de vierde maal dat hij schipbreuk leed, zijn uitvoeriger berichten tot ons gekomen, omdat zijn groote levensbeschrijver, Lukas, hem op zijn reis naar Rome vergezelde. \')

De herfst van het jaar 61, het jaar, waarin Paulus naar Rome reisde, moet bijzonder stormachtig geweest zijn, en menig schip, dat in dien tijd op de Middellandsche zee voer, zal de gevolgen daarvan ondervonden hebben. Toevallig vernemen wij uit de levensgeschiedenis van den joodschen geschiedschrijver Josefus, dat hij omstreeks denzelfden tijd als Paulus, van Palestina naar Rome voer, dat dezelfde hevige storm zijn schip gansch vernielde en dat hij met een gering aantal der opva renden ter nauwernood het leven behield, terwijl 520 passagiers den dood in de golven vonden. Van twee schepen heeft de hoofdman .Julius gebruik moeten maken, om Italië te bereiken. Het eerste was een adramytteensch schip, dat van Cesarea uitzeilde, het tweede een alexandrijnsch korenschip, dat te Faros zee koos. Beide moesten eigenlijk in noord-westelijke richting zeilen, doch werden door den aanhoudenden westenwind naar het Noorden gedreven en kwamen gelijktijdig te Smyrna, aan de zuid-kust van Klein- Azië gelegen. Hier stapte de hoofdman met zijne troepen en gevangenen, op het alexandrijn-sche schip over, daar dat rechtstreeks naar Rome voer. De

\') Do direkteur der zeevaartkundige school te Bremen, Dr. Breusing, heeft deze zeereis van Paulus in zyn hoogst belangiflk werk „Do zeevaartkunde der Ouden,\' Bremen 1886, tot het voorwerp van nauwkeurige onderzoekingen gemaakt. H(j noemt de beschrijving van Lukas „het gewichtigste, uit de oudheid tot ons gekomen, bericht aangaande do zeevaartkunde, waarvan iedere zeeman terstond moot bekennen, dat het geschreven moet z\\jn door een ooggetuige.quot; Hoewel ik zulks niet voortdurend vermeld, maakte ik toch daar, waar zich mooilijkhedoii, dezeevaart betreffende, voordeden, gebruik van dezen voortreffoiykon leidsman en nam de door hom gegeven inliclitiugon over.

412

-ocr page 439-

IN OCTOBER 61.

schepen, die geregeld van Alexandria naar Homo gingen, waren voornamelijk bestemd om Rome te voorzien van koren, uir de onuitputtelijke schuren aan den Nijl. Het waren groote schepen, die wat grootte aangaat, niet behoefden onder te doen voor onze stoomschepen. Het boven vermelde schip van Josefus had 600 passagiers aan boord. In het vergevorderde jaargetijde maakte Julius nog te liever de reis met zulk een sterk, goed schip, omdat de Alexandrijnsche zeelieden bekend stonden als voortreffelijke varensgezellen.

Was de reis voorspoedig, dan kon men in acht tot tien dagen gemakkelijk Italië bereiken, doch tamelijk spoedig stak een vrij ongunstige wind op. Langs de kust zeilend, kwam het schip slechts langzaam vooruit en bereikte zoo Knidos, op de zuidwestelijke punt van Klein-Azië. Nu noodzaakte de aanhoudende tegenwind het schip van koers te veranderen; het zeilde zuidwaarts, langs kaap Salmone tot de zuidkust van Creta en trachtte, onder beschutting van het eiland, verder naar het Westen te komen. Dit ging echter bezwaarlijk; men moest partij trekken van den landwind en boegseeren met de boot. Zoo bereikte men eindelijk een inham, voor de scheepvaart bijna onbruikbaar, welke, als het ware uit spotternij, „Schoone havenquot; genoemd was. De plaats draagt nu den naam Kalolimniones.

Toen men hier gekomen was, begon men te begrijpen, dat de vooruitzichten van de reis steeds minder gunstig werden. De nachtevening was voorbij. Ieder voorzichtig kapitein stelde om dezen tijd de reis uit, niet omdat hij storm vreesde, want dien moet de zeeman te allen tijd moedig trotsee-ren, doch omdat dan de laaghangende wolken den stuurman beletten koers te houden. Het kompas was toen nog niet uitgevonden, zoodat de zeeman het gesternte moost nemen tot richtsnoer, en in den winter waren deze wegwijzers soms weken lang onzichtbaar. Zou men nu ondanks den tegenwind en het gevaarlijke jaargetijde de reis naar Italië wagen of zou men hier in Sclioone-havens overwinteren? Paulua, die in dit

413

-ocr page 440-

DE ZEEREIS.

jaargetijde meermalen deze zee bevaren had en de groote moeilijkheden kende, raadde de reis af. Hij noemde het een roekeloosheid, onder deze omstandigheden de open zee te kiezen. Hij voorspelde, dat, indien men zoo onverantwoordelijk te werk ging, de lading van het schip niet alleen, maar ook menschen-levens te betreuren zouden zijn. Ook de zaakkundige Bremer doctor noemt dezen tocht „een stap in het duister, een overmoedige daad.quot;

Intusschen, de schipper en de kapitein besloten verder te zeilen. Het lange oponthoud zou niet alleen groote kosten veroorzaken, maar de lading koren kon den geheelen winter niet in het ruim van het schip blijven, zonder onbruikbaar te worden. Ook de hoofdman stemde in met het besluit, hoewel hij gaarne den raad van Paulus, wiens oordeel hij waardeerde, zou opgevolgd hebben. „Zoo de zeelieden de reis op goed geluk durfden ondernemen, dan mocht de soldaat het gevaar niet vreezen. Wat zou men in Rome, waar men lederen herfst verlangend uitzag naar de aankomst der schepen, welke de stad voor den winter van koren moesten voorzien, zeggen, indien de hoofdman uit vreesachtigheid den zeelieden verhinderd had de reis voort te zetten!quot; In leder geval was de meerderheid der bemanning er voor, niet in het ongunstige Schoone-havens te blijven. Men zou trachten Fenix, het tegenwoordige Port-Lutro, te bereiken, de eenige, veilige haven aan de zuidkust van Creta. Gelukkig stak een zachte zuidenwind op, welke de vaart naar Fenix begunstigde. De boot, welke was uitgezet, om daarmede naar het land te roeien, bleef in het water, om zoo noodig terstond gebruikt te kunnen worden. En zie, de wind werd zoo gunstig, dat men niet alleen hoopte Fenix te bereiken, maar er zelfs aan begon te denken de reis voort te zetten naar Italië, dat men van hier uit in vijf dagen had kunnen bereiken.

Doch het zou blijken, hoeveel waarheid Paulus\' woorden behelsden. Nauwelijks was men voorbij kaap Matala, of er brak

414

-ocr page 441-

IN OCTOBER (51.

plotseling\' een verschrikkelijke storm los, welke aan een orkaan deed denken. Het was een storm uit het Noord-Oosten, door de zeelieden Euraquilo genoemd. Deze greep het schip en voerde het mede tot midden in de woeste, kokende zee. Terstond beval de kapitein, dat de voorgeschreven voorzorgsmaatregelen genomen zouden worden. Het groote zeil werd gestreken; het kleine zeil blee:quot;, om als stormzeil dienst te doen, teneinde hot schip voor den wind te houden en te kunnen sturen. In ieder geval moest men er voor zorgen, dat het schip gelijke richting hield met wind en golven; sloegen die tegen de zijden van het schip dan bestond er groote kans van omslaan. Het schip moest zoo gestuurd worden, dat of de voor- öf de achtersteven in den wind stond. De zeelieden spanden daartoe alle krachten in, doch de storm spotte met hun pogen. Tot overmaat van ramp sleepte de boot ook nog naast het schip; de storm was zoo plotseling losgebroken, dat men haar niet had kunnen inhalen. Men was reeds blijde, toen men er in slaagde, deze achter het schip te brengen, zoodat er minder gevaar was, dat het stampende schip haar verpletterde. Natuurlijk was ze terstond vol water geloopen en sleepte als ballast achteraan.

De noord-oosterwind dreef het schip eerst onder een eiland Clauda, het tegenwoordige Gaudo. Hier slaagden de zeelieden er in, om onder beschutting van het eiland, de boot in veiligheid te brengen, van welke mogelijk de redding der geheele bemanning zou afhangen. Dit werk, naar het oordeel van zeelieden, hoogst moeilijk, gelukte en waarschijnlijk werd de boot tusschen de beide masten geborgen. De bemanning van het alexandrijnsche schip zag zich echter genoodzaakt, met inspanning van alle krachten, nog andere voorzorgsmaatregelen te nemen. Onophoudelijk huilde de storm, welke de golven hoog opdreef. Het zwaar geladen schip bevond zich nu eens op den top van een golf, dan weder in het dal tusschen twee golven. Wanneer het schip op een golf rustte, werd slechts het midden ondersteund en zweefden de beide einden; daar het

415

-ocr page 442-

DE ZEEHUIS.

een zware lading inhield, liep men gevaar, dat door den druk van voren en van achteren, de kiel, of, zooals de zeeman zegt, „de rugquot; van het schip brak. Daarom moest men het schip gorden of ondergorden (Hand. 27 : 17). De voor-en achtersteven werden door een stevig touw met elkander verbonden, zoodat de einden niet konden zinken, noch de planken losspringen.

Daar echter de wind met dezelfde kracht aanhield, en zooals men geloofde, uit het Noord-Oosten kwam, deed zich voor de beangste zeelieden een nieuw schrikbeeld op. Dreef men werkelijk naar het Zuid-Westen, dan kwam men in de groote Syrtis, op de noordkust van Afrika. Die naam boezemde allen zeelieden schrik in, omdat de Syrtis rijk was aan klippen en zandbanken. Kon men het schip niet van die plaats houden, dan was deszelfs oudergang gewis. Daarom werd eerst het voorzeil gestreken en werden de riemen, achter aan het schip als roer aangebracht, opgehaald, opdat deze niet zouden breken. Nu werd het schip overgelaton aan wind en golven, nadat men, zooals de zeemansterm luidt, „het tuig had neergelaten.quot; Men wierp namelijk vier ankers uit, aan twee kabeltouwen bevest\'gd, welke achter aan het schip vast gemaakt waren; daardoor wilde men verhinderen, dat het schip in zuid-westelijke richting werd voortgedreven. Ofschoon de ankers van dien tijd, toen de kunst van smeden nog niet zoo ver gevorderd was als nu, hoogstens 20 tot 25 K.G. wogen, werd het doel toch eeniger-mate bereikt. Nu het schip echter gestuit was in zijn vaart, stortten zich de hooge golven met des te meer kracht daar over uit. Do voornaamste reizigers, de hoofdman, de schipper, de kapitein, Lukas en Aristarchus, misschien ook Paulus, wien de hoofdman niet ongenegen was (Hand. 27 : 3), kregen de stroomen zeewater uit de eerste hand, en werden telkens doornat. Daarom klonk nu door den storm het bevel, de lading over boord te werpen, teneinde den diepgang van het schip te verminderen. Indien het voor- en achterdeel van het schip minder zwaar belast was, zou bovendien waarschijnlijk het zwaarte-

416

-ocr page 443-

IN NOVEMBER 61.

punt van het vaartuig meer naar het midden verplaatst worden en daardoor het gevaar, dat de rug brak, verminderen. Nu beijverde zich ieder op het, geweldig heen en weer geslingerde, schip, om het koren in zee te werpen (vers 18). Daar koren zeer zwaar is, hief zich liet schip aanmerkelijk uit hot water op. Doch de storm woedde nog steeds; zijn kracht nam niet af en het krakende schip dreef op goed geluk voort op de woeste wateren, terwijl donkere wolken langs den hemel joegen.

De 276 menschen, die aan boord waren, bevonden zich aanvankelijk voor het meerendeel in het ruim, voornamelijk diegenen, welke te lijden hadden van zeeziekte. De zeelieden en matrozen, ongeveer 20, moesten voortdurend op dek op hun post blijven. Doch weldra konden de 250 soldaten en gevangenen het niet langer beneden uithouden. Daar de zee hoog ging en de stortvloeden telkens over liet schip sloegen, had men alle luiken moeten sluiten; daardoor werd de atmosfeer in het ruim zoodanig, dat geen mensch het er kon uithouden. Om bij het voortdurende stampen van het schip, aan zulk een groot aantal personen een veilige ruimte te verschaffen, moest het scheepsgereedschap, dat op het dek lag, zooals raas, stengen, riemen, touwwerk en zoo meer, over boord gegooid worden (vers 19).

Wat den zeelieden het meest beangstigde, was de gedachte dat men niet wist, in welke richting het schip door den aanhoudenden stormwind werd voortgedreven. Zon en sterren waren bijna voortdurend achter donkere wolken verborgen en daardoor kon men geenszins opmaken, waar men zich bevond. Doffe wanhoop maakte zich van de ongelukkigen meester. Indien men de zekerheid gehad had, dat men niet naar ondiepe plaatsen dreef, dan zou het sterke schip en zijne bemanning den storm wel te boven komen, doch in de verbeelding zag men zich weldra nabij de schrikaanjagende Syrtis, welke, een donkeren afgrond gelijk, het schip en de manschappen zou verslinden. Hopeloos richtten allen den blik naar de woeste

417

-ocr page 444-

418

golven, welke het schip deden kraken en waarin men spoedig den dood zou vinden. Slechts éen man gaf den moed en de hoop niet op. Het was Paulus, die op Creta zoo ernstig gewaarschuwd had tegen het volvoeren van zulk een gewaagd plan. Reeds voor twee jaren, toen hij te Jeruzalem gevangen zat in den burcht Antonia, had de Heer hem doen weten; „Gij zult ook te Rome van mij getuigenquot; (Hand. 23 : 11)! En nu alle hoop op behoud ijdel scheen, en daardoor de vervulling dezer woorden ondenkbaar, had de Heer zijne belofte herhaald. In een der donkere nachten, terwijl de verwoede golven met donderend geweld tegen de planken van het schip sloegen en de stormwind loeide, had hij een gezicht. Een engel naderde hem en sprak: „Vrees niet, Paulus! gij moet voor den keizer gesteld worden. En zie. God heeft u geschonken allen, die met u varen.quot; Het kan zijn, dat deze geloofszekerheid nog versterkt is geworden door uiterlijke waarnemingen. Gedurende de korte oogenblikken, dat de sterren zichtbaar waren tusschen de vaneen gescheurde wolken, had zijn scherp oog waargenomen, dat het schip niet in zuid-westelijke richting, naar de Syrtis, doch naar het Westen dreef. Daaruit leidde hij af, dat hij niet den dood te gemoet ging, maar op weg was naar den keizer. Zoo plaatste hij zich den volgenden morgen, kalm en vol vertrouwen, tusschen de schare van ongelukkigen, die gedurende de vaart van 13l/2 dag of 324 uur door zeeziekte, uitputting, gebrek aan rust en voedsel, en doodsangst, veranderd waren in geesten met holle wangen en bleek gelaat. Wanneer men in een dergelijken, hopeloozen toestand verkeert, vervalt elk verschil van rang of stand. In dreigende gevaren, :.n het aangezicht des doods is men niet meer bevelhebber, matroos of gevangene; in zulke oogenblikken spreekt alleen de alles-be-heerschende macht der persoonlijkheid. En Paulus was voorzeker de grootste persoon aan boord. Zulks kwam hoe langer hoe meer uit, ook al werd hij gerekend bij de staatsgevangenen, die nu allen der vertwijfeling nabij waren. Dat hij de eenige

-ocr page 445-

TN NOVEMBER 61.

geweest was, die op Creta den juisten raad gegeven had, reeds dat had hem in aanzien gebracht bij zijne iotgenooten. Na plaatste hij zich in hun midden als iemand, die zeker is, dat zijn vertrouwen niet beschaamd zal worden. Zijn wijze van optreden maakte reeds op velen een diepen indruk. Hij moedigde allen aan niet te vertwijfelen, de hoop niet te laten varen, want G-od had hem in dezen nacht Zijn engel gezonden en hem verzekerd, dat hij voor den keizer gesteld zou worden; bovendien waren hem allen geschonken, die zich mede op het schip bevonden. Hij sprak daarna de onderstelling uit, dat men weldra op een eiland zou vervallen.

Zekerlijk was hetgeen de lieden aanschouwden, niet geschikt om hen geloof te doen slaan aan de woorden des Apostels. Storm en golven waren krachtiger dan ooit gedurende de veertien verloopen dagen. Doch alles geschiedde, gelijk Paulus gezegd had. In den volgenden nacht, den veertiende sedert het vertrek van Clauda, vermoedden de zeelieden, dat men land naderde. Waarschijnlijk begonnen de uitgeworpen ankers over den grond te sleepen, waardoor het schip telkens een stoot kreeg. Na tweemaal het dieplood uitgeworpen te hebben, bemerkte men, dat men snel het land nabij kwam. Nu was het zaak, zonder verwijl te handelen, want zoo men het schip niet tot staan bracht, kon het ieder oogenblik tegen de klippen verpletterd worden. Terstond vierde men de kabels, waaraan de vier ankers hingen. Deze hechtten zich in den bodem en plotseling lag het schip, sedert twee weken, voor de eerste maal, stil. Nu werd bevolen de boot uit te zetten. De zeelieden schenen elkander in hun taal te verstaan gegeven te hebben, dat het \'t beste was, als zij zich trachtten te redden, want de 276 man konden niet in een boot geladen worden; deze wilden zij dan aan hun lot overlaten. Doch Paulus, die als Oosterling hun taal verstond, trad snel op de soldaten toe en zeide; „Indien deze niet in het schip blijven, kunt gij niet behouden worden.quot; Ditmaal volgde de hoofdman Paulus\' raad. Hij gebood den soldaten terstond de

419

-ocr page 446-

DE ZEEREIS.

touwen der boot door te snijden. In een oogwenk was zulks geschied. quot;Weldra dreef de boot onbeheerd op de zee. De scheepslieden moesten dus blijven en met de anderen gered worden of met hen verloren gaan.

Dit alles was in den nacht gebeurd. Nu begon het te schemeren. De regen viel bij stroomen neder. In het licht van den naderenden dag ontwaarde men in het verschiet de onzekere omtrekken van land. Nu plaatste Paulus zich wederom tusschen zijne reisgenooten. Sedert gisteren werd hij door ieder des te meer gewaardeerd. Hetgeen hij den vorigen dag voorzegd had, was geschied, en vóór eenige oogenblikken had hij door zijn tegenwoordigheid van geest aller leven gered. En nu stond hij daar in hun midden, niet slechts als de sterke, bekwame man, niet als de eenige, die den moed niet verloren, zijn kalmte bewaard had, terwijl allen in vertwijfeling ter neder gezeten hadden, doch boven dat alles, als een geheimzinnig profeet Gods. Allen luisterden dus met vereering naar de woorden, welke hij tot hen sprak; ..Het is heden de veertiende dag, dat gij door zorg en angst aangegrepen, niets gegeten hebt. Daarom vermaan ik ieder spijze te halen en die te nuttigen. Gij hebt versterking van noode voor de inspanning, die nog van u gevorderd zal worden. Ik verzeker u, niemand van u zal een haar van het hoofd vallen.quot; Na dit gezegd te hebben, nam hij een brood, dankte God in aller tegenwoordigheid, brak het en begon te eten.

Dit voorbeeld vond navolging. Het was waar, dat in veertien dagen, bijna niemand gekomen was om het rantsoen in ontvangst te nemen, zoo dikwijls het teeken daartoe gegeven was. Zeeziekte, vermoeidheid, vertwijfeling had allen den eetlust benomen. Doch nu herleefde bij de uitgehongerde, jammerlijk uitziende gedaanten de moed. Alsof een God tot hen gesproken had, zoo werkten de woorden van dezen wonderbaren man. Allen haalden hunne spijze en voor het eerst sedert twee weken hield men op het dek een maaltijd, waaraan 276 uitgevaste, uitgeputte menschen zich verzadigden.

420

-ocr page 447-

IN NOVEMBER Gl.

Na den maaltijd begon men te arbeiden. Men moest trachten zicli op het land te redden. De boot was reeds sedert lang uit het oog verdwenen, zoodat deze geen dienst meer kon doen bij het reddingswerk. Het was dus zaak het schip zoo ver mogelijk op het strand te laten loopen. Om dit doel te bereiken, moest het schip van eiken overtolligen last bevrijd worden, teneinde den diepgang te verminderen. Een kort bevel werd gegeven en weldra stonden de 276 personen in lange rijen; het koren ging van hand tot hand en verdween in de stormachtige zee. Het was klaarlichte dag, toen de arbeid volbracht was. Voor zich uit zag men bergen, door een vlak strand van het water gescheiden, en nu beproefde men, het lichter geworden schip op het strand te brengen. De ankertouwen werden losgemaakt en in zee geworpen. Het voorzeil werd geheschen, de stuurriemen vrijgemaakt en neergelaten. Nu dreef de oostenwind het schip snel landwaarts. Reeds geloofde men door de groote vaart, welke het schip had, gelukkig op het onbekende strand te zullen zeilen. Doch plotseling voelde men een geweldigen stoot — men hoorde een geheimzinnig kraken, — de snelheid verminderde — het schip was op een in zee liggende zandbank geloopen. De voorsteven zat vast, doch de achtersteven was dermate aan het vreeselijk geweld der baren blootgesteld, dat deze uit de voegen sprong en brak.

Nu was het schip verloren. 1» grooten angst verdrongen zich alle opvarenden op den voorsteven, terwijl de romp van het schip overal vreeselijk kraakte. Het was noodig zich zoo spoedig mogelijk te redden. Voor de ge vanamen was zulk een oogenblik van algemeene verwarring misschien een goede gelegenheid, om de vrijheid te herkrijgen. Daarom deden de soldaten het voorstel, deze eerst om te brengen. Wellicht bevonden zich onder hen verscheiden Sikariërs en bandieten uit het oproerige Palestina, die de Centurio zonder omwegen op deze wijze uit den weg had kunnen ruimen, doch Julius dacht aan Paulus. Deze man, die zijne bewondering had opgewekt en wiens grootheid van karakter

4-21

-ocr page 448-

DE ZEEHEIS.

422

juist was uitgekomen in de oogenblikken, waarop het gevaar het grootst was, deze man mocht op zulk een wijze niet omkomen. Hij gaf dus bevel, dat ieder die zwemmen kon, zich daardoor moest trachten te redden, en dat de anderen zich moesten vastklemmen aan stukken van het wrak, aan planken en balken. Dit gebeurde; en nauwelijks was een uur verloopen, of, zooals Paulus gezegd had, alle 276 personen waren gelukkig aangeland in de Maltezer baai, welke door de bewoners van Malta tot op den huldigen dag de St. Paulus-baai genoemd wordt.

In de Handelingen der Apostelen wordt ons nog gemeld, dat, terwijl de regen bij stroomen neerviel, de schipbreukelingen met groote vriendelijkheid door de Maltezers werden opgenomen; dat Paulus, weinig tijds na de landing, gebeten werd door een adder, \') doch zonder daarvan eenige gevolgen te ondervinden; en hoe deze, voornamelijk door het genezen van kranken, den grondslag legde van een Christengemeente op het eiland Malta, welke gemeente tezamen kwam in de woning van Publius, den Romeinschen bevelhebber van het eiland. Drie maanden lang, van midden November tot midden Februari van het jaar 62, gedurende welken tijd de scheepvaart rustte, bleven de schipbreukelingen op Malta. De stille wintermaanden waren voor de drie apostolische mannen een tijd van vreedzaam arbeiden in de Maltezer gemeente, welke voorzeker steeds den dag zegende, waarop de Apostel had schipbreuk geleden, den dag, welke een nieuw groot tijdperk voor het eiland had doen aanbreken. Ook voor Paulus zelf waren deze maanden een tijd van rust en kalmte, van gezelligen omgang met zijne reismakkers Lukas en Aristarchus; daarop zou een druk leven in de groote, woelige wereldstad Rome volgen.

1) Op Malta vindt men nu, doordat het eiland sedert eeuwen beter wordt bebouwd en de bosschen grootendeeis uitgeroeid zijn, geen giftige adders meer.

-ocr page 449-

(stffc, 5^ -SNJ-S 5^0

1 llllllllllllllllllllllllllllllllll

\\ ■ Oi

J»?,

lt;7^ C7°sgt; afra c b SMJ lt;7^

^ é 45- ^ 4êgt; % fe

ipipsplpfpptplp\'

DE AANKOMST IN ITALIË.

Na een stormachtigen -winter streek een zoele voorjaarslucht over de lieflijke kusten van Zuid-Italië, toen in Februari of Maart van het jaar 62, een alexandrijnsch korenschip, dat op Malta had overwinterd, van Sicilië komend, door de schoone engte zeilde, welke tusschen het eiland Capri en kaap Minerva gelegen is. Het schip was genoemd naar de tweelingen: Gastolen Pollux (Hand. 28 ; 11). Een krachtige wind was opgestoken, welke het schip met volle zeilen langs de schitterende, marmeren Villa Jovis, het voormalig paleis van keizer Tiberius, de onvergelijkelijk schoone golf van Napels deed binnenstevenen.

Aan boord bevond zich Julius met zijne troepen en gevangenen. Bijna een half jaar was verloopen, sedert hij Palestina had verlaten en nu naderde hij eindelijk de Italiaansche kust. Op het dek, tegen de borstwering geleund, stond Paulus, den blik gericht naar het land, waarnaar zijn hart uitging. Welk een tooverachtig schoon panorama breidde zich hier voor hem uit!

Uit de blauwe zee rees majestueus de Vesuvius omhoog en deed zijne rookwolken opstijgen tot den lachenden hemel; de koninklijk gevormde kegel ging zacht glooiend over in de vruchtbare velden van Campanie en beheerschte de geheele golf.

-ocr page 450-

42-4 DE AANKOMST TX ITALIË.

Ter linkerzijde verhief zicli de prachtige piramide van Camal-doli, van welker top men een der schoonste vergezichten ter wereld heeft. Aan den voet des Vesuvius lagen de lachende steden Pompei en Napels, benovens een reeks van schoone steden en dorpen, welke nog heden den heerlijken krans vormen van Sorrento tot aan kaap Miseno, waarop het oog met welgevallen rust. Doch het schip voer niet naar Napels. Snel zeilde het voorbij de stad en de haven Posilipo, liet het kleine, schilderachtige, rotseilandje Nisida rechts liggen en stevende de golf van Puteoli binnen, welke in de oudheid het beroemdste onderdeel was van de golf van Napels. Overal, waar men het schip op het land gewaar werd, begroette men het met luide jubelkreten. Seneca schildert ons in een zijner brieven de vreugde, waarmede het volk de aankomst der alexandrijnsche korenschepen placht te begroeten. Deze schepen waren gewoon reeds bij Capri alle zeilen te strijken en alleen het topzeil te hijschen. Zulks was voor het geheele land het teeken, waaraan men de alexandrijnsche korenschepen, welke de golf binnenliepen, kon kennen. Geheel Campanie verheugde zich op het zien van dit welkome schip. In Puteoli stond het volk langs den oever geschaard en uit honderden kelen klonken welkomstgroeten.

De menigte, welke het schip „Castor en Polluxquot; in de lente van het jaar 62 te Puteoli met zulke luide jubelkreten begroette, vermoedde niet, dat het vaartuig niet alleen egyptisch koren aan boord had, doch ook een man, die eeuwen lang der Christenheid het Brood des Levens zou reiken. Met belangstelling heeft Paulus zeker den blik laten weiden over de groote, schitterende stad, welker witte huizen, tempels on paleizen steeds duidelijker zichtbaar werden. Puteoli was een der belangrijkste havensteden van Italië. Geheele vloten, uit alle deelen van liet groote wereldrijk, liepen hier binnen, om liet verkeer met de hoofdstad der wereld te onderhouden. Een geweldige havendam, waarvan de overblijfselen nu nog in de zee zichtbaar zijn, beschutte de schepen tegen storm en golven. Daaraan moest ook

-ocr page 451-

IX DE LENTE VAN 62.

do „Castor en Polluxquot; aanleggen. Gedurende die nioeilijke werkzaamheid, welke veel tijd en zorg vereischte, hadden Paulusen zijn vrienden Lukas en Aristarchus gelegenheid genoeg om haven en stad in oogenschouw te nemen. Rondom verhief zich een bosch van masten, uit alle deelen des rijks komend, uit Italië, Spanje, Brittanië, Noord-Afrika, Gallië, Egypte, Syrië en Griekenland, alle voerden de schatten der wereld naar het alles beheerschende Rome. Langs de haven lagen werven, dokken en factorijen. Daarachter verrees amphitheatersgewijs op een, in zee vooruitspringenden, heuvel de stad Puteoli, welke van haren hoogen zetel, als een koningin, trotsch nederblikte op de aankomende schepen.

Eindelijk waren de ankers uitgeworpen, het schip vastgemeerd en konden de reizigers aan wal gaan. De hoofdman vergunde Paulus zich naar de stad te begeven, als ware hij een vrij man. Zoodoende bevond Paulus zich weldra in het midden der Christengemeente van Puteoli. Hoelang deze gemeente reeds bestond en wie haar gesticht had, weten wij niet, doch hier zien wij opnieuw, dat men in dien tijd bijna geen bekende kust kon betreden, zonder daar Christenen te vinden. De Heer had zijne gemeenten gesticht „in de geheele wereld.quot; Hij had nog vele, ons onbekende boden, evenals Paulus, tot dat werk uitgezonden. De Christenen in Puteoli verzochten den Apostel een week in hun midden te vertoeven. Zeker is het een teeken van buitengewone vriendelijkheid, dat Julius de hoofdman, Paulus veroorloofde deze uitnoodiging aan te nemen. Daardoor word dozo niet alleen in staat gesteld te genieten van de gemeenschap met andere Chiistenen, doch ook om indrukken te ontvangen van het land Italië. Hier verkeerde hij als het ware in een Rome in het klein. Puteoli was niet alleen een groote handelsstad, maar ook de plaats, waar de aanzienlijke bewoners van Rome gaarne verwijlden. Langs de geheele golf tot aan kaap Miseno strekte zich een rij schoone villa\'s uit, waar de romeinsche grooten des zomers verblijf hielden en genoten van de koelte.

425

-ocr page 452-

DE AANKOMST IN ITALIË.

welke de bruisende zee aanvoerde. Nog heden roept hier iedere voet gronds herinneringen wakker uit de romeinsche geschiedenis. Ginds, in de nabijheid van Bajae, lag de romeinsche oorlogsvloot voor anker, welker bevelhebber, Plinius, in het jaar 79 bij de uitbarsting van den Vesuvius om het leven kwam. En daar, aan het Lukriner meer, stond het prachtige landhuis der keizerin-moeder Agrippina, die een paar jaar geleden, op bevel van haar zoon, Nero, in het bed gesmoord was. Meer ter linkerzijde zag men de keizerlijke villa Baüli, een der geliefkoosde verblijfplaatsen van keizer Nero, welke uitzag op de zee en Capri. Tusschen deze beide gebouwen lag het schoone Bajae, de meest beroemde en grootste badplaats voor de aanzienlijken tijdens de regeering der romeinsche keizers; ook nu nog is deze plaats, ondanks haar verlatenheid, een verloren paradijs, hetwelk Horatius eenmaal aldus beschreef:

Nullus in or be sinus Bajis praelucet amoenis.

d. w. z. Geen baai ter wereld evenaart in schoonheid die van Bajae.

Deze woorden treft men nu nog als opschrift, op vele huizen van het nieuwe Bajae aan.

Doch hoe heerlijk het nu ook moge zijn, onder het lommer van rozen- oranjeappel- en citroenboomen, van pijn- en granaat-appelbooinen te wandelen, toch zijn aan dit lieflijk oord de schandelijkste herinneringen verbonden van feiten, voorgevallen ten tijde van Paulus\' leven. Ginds aan het Lukriner meer, vanwaar men het uitzicht heeft op Puteoli, Nislda, Posilipo en den Vesuvius, op Ischia en Capri, heeft de verfoeilijke Agrippina haar zwarte schanddaden voorbereid. Daar op Baüli heeft Nero in het holle van den nacht, met Seneca en Burrus, welken laatste Paulus nog in Rome zou leeren kennen, het plan gemaakt, om zijne moedor te laten vermoorden. En daar, aan den voet van de trotsche, vooruitspringende tufsteenrots, welke men in de oudheid Kaap Miseno noemde, werd keizer Tiberius in zijn bed gesmoord, omdat hij niet spoedig genoeg van dit leven wilde scheiden. Zelfs nu nog herinnert zoo menig

426

-ocr page 453-

IN MAART fi2.

punt van deze kust aan den schrikkelijken keizer Nero. Do namen: Carceri di Nerone, bagni di Nerone e. a., voortlevende in den mond des volks, getuigen van dezen tijd veler verschrikkingen, welker indrukken nog versch in het geheugen lagen, toen Paulus deze kust betrad, en welke hem deden zien, op welk een keizer hij zich, als zijn rechter, beroepen had.

Nu is in Pozzuöli, zooals de plaats thans heet, weinig te zien van het oude Pateoli. Behalve den havendam, waar Paulus geland is, vindt men er nog het Serapeum, een rij van zuilen uit marmer en graniet opgetrokken, welke eertijds deel uit maakte van de overdekte markt en den daaraan verbonden tempel. Zeer goed in stand gebleven is ook nog het prachtige amphitheater, hetwelk juist ten tijde van Paulus, zulk een nood-lottigen invloed zou hebben op den jongen keizer Nero. Deze trad daarin voor het eerst als tooneelspeler op, en zette daardoor den voet op een baan, welke hem steeds dieper deed zinken, totdat hij zich daar ten slotte, blootvoets vluchtende voor zijne naderende vervolgers, op den Salarischen weg liet doorsteken. Zijn laatste woorden waren: „Welk een kunstenaar gaat met mij te grondelquot; Voor ons echter is dit lietlijke stadje, dat men van Napels uit per tram in een uur bereiken kan, en dat van zijn verheven standplaats zoo schoon en frisch nederziet op de zee en de prachtige golf, doch dat zijn voormalige beteekenis reeds sedert lang verloren heeft, een oord van heilige herinneringen. Hier is in de lente van het jaar (i2 de man geland, die de Apostel van Europa was.

427

-ocr page 454-

4

t

\'m

É

m,

jjOtej

OP DEN APPISCHEN STRAATWEG NAAR ROME.

Het wus op den achtsten dag na dc landing te Puteoli, dat oen menigte mannen, onder militair geleide, aan welks hoofd de centurio Julius stond, voorbij het Serapeum trok en den weg insloeg, welke naar Rome voerde. Tusschen de beide bergen, achter Pozzuöli liggend, doorgaande, leidt de weg naar een heerlijk land, dat zich, getooid in voorjaarsdos, voor de oogen der wandelaars uitstrekte. Deze betraden n.1. de, van ouds beroemde, vlakten van Campanië, de tegenwoordige terra di lavoro, welke tot de vruchtbaarste oorden van Europa behooren en den landman tweemaal \'sjaars een rijken oogst opleveren.

Ten Noorden van Capua, welks overoud, geweldig amphitheater nu nog onze bewondering gaande maakt, bereikte men de beroemde Via Appia, den Appischen straatweg. De censor Appius Claudius had dezen weg reeds in het jaar 812 v. dir., gedurende de Samnietische oorlogen laten aanleggen, teneinde Rome met Capua te verbinden. Zelfs nu nog is de oude weg over diens geheele lengte te herkennen. De nieuwe weg loopt grootendeels naast den ouden, zoodat het niet moeilijk is hier het spoor van den Apostel Paulus te volgen. Veel van hetgeen de Apostel hier aanschouwde, gaande door het heerlijke dal van den Volturno, deed hem denken aan zijn, in het morgenland gelegen, geboorte-

-ocr page 455-

429

grond aan den Cydnus, den Orontes en aan Palestina. Deze]flt;Ie slanke pijnboomen, welker fijne takken scherp afstaken tegen den blauwen, Italiaansehen hemel, dezelfde olij venboschjes, dezelfde hooge wijnstokken, welke breede, schaduwrijke lanen vormden, dezelfde uitgestrekte bossclien van vijgenboomen. Van den mond van den Volturno af, liep de weg dicht langs het strand. De Mons Massicus, welks druivensap bezongen werd door Virgilius en Horatius, en welks wijnstokken ook nu nog de schoonste zijn, die ik in geheel Italië zag, zendt hier een bergtop ver in zee, welke pun ta di Mondragone heet. De afstand, welken men langs dezen berg moest afleggen, was een lange marsch, doch aan het einde daarvan zag men plotseling de heerlijke golf van Gaëta voor zich. De Via Appia loopt hier door het stroomgebied van de Liris der ouden, den tegenwoor-digen Garigliano. Bij Minturno vormt deze stroom uitgestrekte moerassen, waarin eertijds de Romeinsche veldheer Marlus, de verwinnaar der Cirabren en Teutonen, gevangen genomen werd. Nu is dit deel van den weg zeer eenzaam, terwijl rechts en links aloëplanten groeien, ter hoogte van boomen. Ten tijde van Paulus echter was hij getuige van groote bedrijvigheid. Langs de geheele kust stonden toen de sierlijke huizen en villa\'s der aanzienlijke Eomeinen, die deze gedurende den zomertijd bewoonden. Het is bijna niet te gelooven, hoevele heerlijke, sierlijke gebouwen de Romeinen langs dit deel van den weg hadden laten optrekken. Langs de geheele kust van Terracina tot aan Napels en verder langs de golf van Salerno in het Zuiden, strekte zich een rij van marmeren paleizen uit, een krans vormend van romeinsche heerlijkheden. Wie in dien tijd, evenals de Apostel Paulus, langs dit strand ging, waarnu nog de puinhoopen liggen van de prachtigste landhuizen, waarvan sommige zich uitstrekten tot aan de zilte wateren, die moest tot de overtuiging komen, dat de menschelijke beschaving hier een hoogen trap bereikt had. En alles, wat de Apostel hier aanschouwde en een diepen indruk op hem maakte, herinnerde hem aan de

-ocr page 456-

OP DEN APPISCHEN STRAATWEG.

grootheid van Rome, de stad, welke hij met iedere schrede nader kwam.

Te Formia werd halt gemaakt. Hier was een pleisterplaats voor hen, die langs den Appischen weg trokken. Dit punt is een der schoonste van Italië. Van hier uit kan men een laat-sten blik slaan op het zuidelijk deel des lands. In de verte ziet men den Vesuvius en de schoone lijnen van den Monte San Angelo, aan den horizon het kleine Capri, Ischia en Procida, de Ponza-eilanden en in de nabijheid daarvan, aan het andere einde der golf, het sierlijke GaSta. Ook Paulus heeft hier op een schoenen voorjaarsavond gestaan en den blik laten weiden over de schitterende Tyrrheensche zee met haar schoone eilanden. Wellicht zijn zijne gedachten toen naar zijne gemeenten gereisd, welke op grooten afstand, aan de oevers van deze zelfde zee lagen en welke zijn oog misschien nooit meer zou aanschouwen: de gemeenten te Antiochië, Efeze, Troas, Filippi, Thessalonica en Korinthe. Hier woonden gansch andere menschen. De klanken, welke zijn oor voortdurend opving, waren hem geheel vreemd. Men sprak hier niets dan romeinsch. Alleen met Lukas en Aristarchus kon hij zich in liet, door hem beminde, Grieksch onderhouden.

Den volgenden dag reisde men naar Tarracina, het tegenwoordige Terracina. Nu liep de weg eerst langs de puinhoopen van Cicero\'s landhuis, diens Formianum, waarin de gerechtsdienaars den grooten staatsman vermoordden, en verder langs het gedenkteeken, te zijner nagedachtenis opgericht, en betrad dan het bergland. Hier begint het meest uitdrukwekkemie, meest grootsche deel van den weg. Een halve dagreis lang voert de weg langs koen op de rotsen gebouwde plaatsjes, zooals b. v. langs Itri, de beruchte woonplaats van fra diavolo, over geweldige bogen en gemetselde fondamenten, welke nu nog onze bewondering wekken, door woeste ravijnen, welker kale rotswanden onwillekeurig herinneren aan menige streek iu Palestina, totdat men in de nabijheid van het sierlijke Fondi,

430

-ocr page 457-

IN MAART 62.

het vroegere Fund i, wederom de vlakte betreedt. Reeds verrijst hier in liet verschiet, aan den rand der vlakte, het Volsker-gebergte, welks uiterste top naar de zeezijde, het voorgebergte van Terracina vormt. Op dit deel van den Appischen weg ontmoette de Apostel nu en dan de indrukwekkende grafgesteenten der romeinsche grooten; nu ziet men deze nog van af het meer van Fundi ter weerszijden van den weg, doch vervallen tot puinhoopen. Do ontzachlijke rotswanden van het voorgebergte van Terracina naderen de zee tot op geringen afstand. De Romeinen hebben echter in de eerste tijden reeds zooveel daarvan doen springen en wegruimen, dat de Via Appia zich juist tusschen de hemelhooge rotsgevaarten en de woeste, schuimende zee doorwringen kon. De romeinsche ingenieurs, als het ware, zelf verbaasd over het groote werk, dat zij tot stand gebracht hadden, hebben als aandenken hun namen in de rotsen gehouwen, waarvoor men nu nog in bewondering stil staat. Door deze enge poort, den beroemden bergpas van Lautulae, waar de Romeinen in het jaar 315 v. Chr. zoo heldhaftig gestreden hebben tegen de Samnieten, en waar later Quintus Fabius Maximus aan Hannibal den toegang tot Rome versperde, ging ook Faulus op den avond van den tweeden dag zijner reis.

Achter dezen bergpas lag de eerste stad van Midden-Italië Tarracina, „gelegen op de reeds van verre zichtbare, schitterende rotsen.quot; Ook nu nog kondigen de hooge, stralende rotswanden van Terracina, zooals de stad nu heet, reeds van verre de plaats aan, welke in de oudheid, ten tijde der Volskers, den naam Anxur droeg; boven op de hooge toppen prijkt heden het oude „paleis van Theodorikquot;, dat in gepeins verzonken, nederziet op de wijde zee. Hier liet Julius waarschijnlijk ten tweeden male halt houden, om in deze plaats den nacht door te brengen. In ieder huis van Terracina hoort men des nachts de ernstige, indrukwekkende melodie der ruischende zee. Hier heeft Faulus voor langen tijd afscheid genomen van haar bruisen, hem sedert zijne jeugd zoo welbekend. Den volgenden morgen ging

431

-ocr page 458-

OP DEN APPISCHEN STRAATWEG.

men verder het land in, door de Pontijnsche moerassen naar Rome.

De Pontijnsche moerassen schenen den reizigers een onafzienbare vlakte, toen deze den volgenden morgen weder van Tarracina opbraken. Twee dagen lang moesten zij door deze streken trekken, welke zoo gevaarlijk zijn door de giftige, koorts-wekkende uitdampingen. Doch in Maart, wanneer de zon nog geen brandende stralen zendt op deze moerassen, kan men ze zonder zich aan gevaar bloottestellen, doortrekken. Evenals toen loopt de weg ook nu nog lijnrecht door deze romantische, eenzame streken, aan beide zijden omzoomd door een dubbele rij olmen. Oude mijlpalen herinneren aan het grootsch verleden van dezen overouden heerweg. In de verte, rechts, vormt het Volskergebergte de grens der vlakte. Links springt kaap Circe stout en koen vooruit tot in zee; daar woonde de machtige toovenares, zoo welbekend uit de sage van Homerus. Verderop aanschouwt men slechts de eenzame vlakte met hare kudden runderen, paarden en buffels, welke plotseling boven den inoerassigen bodem zichtbaar worden en de reizigers met opge-spalkte oogen aanstaren. De westelijke horizon wordt begrensd door een eindeloos, duister, eentonig woud, dat zich langs de kust uitstrekt en Macchia genoemd wordt. „Men hoort slechts het klagend geluid van haviken, valken en hoog in de lucht zwevende adelaars, den zwaren stap en het gebrul der kudden runderen; de strakke hemel en de eentonigheid van kleur in het landschap, alles, doet ons aan, als bevonden wij ons in een ongerepte wildernis.quot; Evenwijdig met den weg loopt, juist zooals Horatius ons daarvan een beschrijving geeft uit den tijd van Paulus, een kanaal, reeds door Augustus aangelegd: het can ale delle botte. Aanzienlijke reizigers waren gewoon zich, in ondiepe booten gezeten, snel door de moerassen te laten trekken, om zoo spoedig mogelijk het oord der schadelijke uitwasemingen, welke malaria veroorzaken, te kunnen verlaten. De inrichting is nu nog dezelfde als in die dagen: voor een

432

-ocr page 459-

IN MAAET 62.

ondiepe bootquot;, san dal o genoemd, wordt aan een lang toivv een paard gespannen en daarin worden menschen, vee, vruchten en andere zaken vervoerd.

Het volgende nachtkwartier werd, zooals ons in de Handelingen vermeld wordt, na een vermoeienden tocht betrokken in Forum Appii. Horatius zegt in zijn Satire, waarin hij dezen weg beschrijft, niet veel goeds van dit ellendige nest, dat midden in de moerassen gelegen is. Hij noemt het een, wegens zijn herbergen, vol ruwe visschers, te slechter naam en faam bekend staand, nest: Differtum nautis cauponibus atque malignis.

Nog heden draagt deze plaats den naam Foro Appio. Een groote, aan den weg liggende steen met een inschrift tot aandenken aan keizer Nerva herinnert ons den ouden tijd der keizers. Hier is een punt in de moerassen, waar het landschap eenige bekoorlijkheid bezit. Aan den zuidelijken horizon ziet men in de verte Kaap Circe. In het Oosten ligt op tamelijk geringen afstand het Volskergebergte, van welks hoogten de witte huizen van Sezza, het oude Setia der Volskers, nederzien. Daarachter rijzen tot een aanzienlijke hoogte de Lepinische bergen, gekroond met menig vriendelijk uitziend stadje en dorpje. In het Noord-Westen ontwaart men reeds het Albanergebergte in de verte. Sedert den avond, dat Paulus hier in een lier-berg zijn intrek nam, zijn achttien eeuwen voorbijgegaan. De natuur alleen is sedert dien tijd onveranderd gebleven. Hot plaatsje echter is stiller geworden; daarvan staan nog slechts vier gebouwen, waaronder een hoogst eenvoudige herberg, die van verre doet denken aan een Oostersche karavanserai.

Doch hoe armzalig de plaats ook was, welke Paulus met de overige gevangenen en zijn beide trouwe gezellen, vermoeid en afgemat door den tocht door de moerassen, bereikte, toch wachtte hem hier een groote, heerlijke verrassing. Boden van Putéoli hadden den Christenen in Rome de komst gemeld van den Apostel. Deze tijding bracht groote opschudding te weeg onder de iu Rome wonende broederen. Reeds voor drie jaren had Paulus

28

433

-ocr page 460-

OP DEN ArPISCHEN STRAATWEG NAAE ROME.

zelf hun een voorbode gezonden, n.1. zijn Brief aan de Romeinen. Dien hadden ze, als een dierbaar kleinood, zoo zorgvuldig geborgen, dat hij voor ons bewaard is gebleven, ondanks den brand van Rome en de vervolgingen, welke weldra tegen de Christenen zouden worden ingesteld. Door dezen indrukwekkenden brief had de Apostel reeds voor eenige jaren tot hen gepredikt. Daarin had hij hun reeds gemeld, dat hij weldra in de hoofdstad der wereld hoopte te komen. Doch eerst moesten drie moeilijke, bange jaren van gevangenschap voorbijgegaan, en ook nu kwam hij niet vrij, doch in ketenen. De broederen konden niet wachten tot de Apostel de stad bereikte. Na elkander begaven zich twee scharen op weg, om hem binnen de stad te leiden. De eene reisde twee dagen lang tot den 43quot; mijlsteen, tot aan Forum Appii, de tweede deed een dagreize tot aan Trestabernae (Luther: „Tretabern.quot;) Te Forum Appii had de ontmoeting met het eerste gezelschap plaats. Juist kwam de bende soldaten en gevangenen vermoeid en bestoven aan, toen de Christenen uit Rome, met van vreugde stralende gezichten den verbaasden Apostel te gemoet traden en hem begroetten met broedergroet en broederkus.

Zeer bewogen, doch tevens zeer verheugd, beantwoordde Pau-lus den groet der broederen. Zijn mond vloeide over van de betuigingen zijner vreugde, en in aller tegenwoordigheid dankte hij God voor deze vriendelijke leiding. Het zien zijner broederen bezielde hem met nieuwen moed, want deze zal wellicht eenigs-zins gezonken zijn, nu hij naar een hem zoo geheel vreemde wereld trok, wanneer hij dacht aan de kerkers van R,ome en den zoo diep gezonken keizer (Hand. 28 : 15). Nu hij zich in het midden der broederen bevond, was Rome hem geen vreemde stad meer. En zoo werd den volgenden dag, met verhoogden moed het laatste deel van den weg door de Pontijnsche moerassen afgelegd. Het was de schare der toekomst, welke onder geleide van Romeinsche soldaten, de hoofdstad dèr wereld te gemoet reisde: Paulus, Lukas, Aristarchus en de Romeinsche Christenen. Doch het gevolg des Apostels werd nog talrijker.

434

-ocr page 461-

IN MAART 62.

Tegen den middag bereikte het transport gevangenen aan het einde der Pontijnsche moerassen een wachtpost, aan den Appi-schen weg, welke den naam Tres Tabernae droeg, d. w. z. de drie tabernen of herbergen. Waarschijnlijk ligt nu op deze plaats het vriendeli.\'ke stadje Cisterna, waarboven de burcht van Gaütana hoog uitsteekt en dat, omgeven door tuinen en wijnbergen, na den eantoonigen tocht door de moerassen, een hoogst wel-dadigen indruk maakt. Doch Paulus was hier een hooger genot bereid dan het aanschouwen van lachende, in voorjaarsdos prijkende gaarden. Hier stond een tweede groep Christenen uit\' Rome, welke hom begroette. Evenals bij de eerste ontmoeting ontbrak het niet aan uitingen van vreugde, en Paulus reisde nu met een steeds talrijker wordend gevolg en met steeds meerder moed de wereld-hoofdstad tegen.

Van nu af gaf het landschap een gansch ander beeld te aanschouwen. Eeeds verhieven zich op geringen afstand de eerste hoogten van het Albanusgebergte, dat niet ver van Rome verwijderd is. Velltrae, het tegenwoordige Velletri, toen hoog in eer als de plaats, vanwaar het regeerende, keizerlijke geslacht afkomstig was, lag ter rechter zijde op de hoogte. Wanneer men van hier uit den blik achterwaarts slaat, aanschouwt men een tooneel van verrassende schoonheid. De geheele, onafzienbare vlakte, waarin de Pontijnsche moerassen liggen, baden zich in den glans der avondzon en schijnen een golvende zee. Links strekken zich de Volskerbergen in een lange rij uit. In het verschiet verrijst nog eenmaal het trotsche, eenzaam staande voorgebergte Circe, rechts ziet men de schitterende zee tot aan de Ponza-eilanden. Nu besteeg men het Albanusgebergte. De parel van dit gebergte, het diep verscholen meer Nemi, liet men rechts liggen. Waarschijnlijk bracht men den laatsten nacht door bij het Albaner-meer, in de nabijheid van Arricia, het vijfde station aan den Appischen weg. Nog heden bewonderen wij hier de machtige bouwwerken van den ouden weg, waarover Paulus indertijd gingen welke, op hooge bogen rustend, over het dal heenvoerde.

435

-ocr page 462-

436

Den volgenden morgen begaf men zich voor de laatste maal op marsch. Op de hoogte van het tegenwoordige Albano aanschouwde Paulus voor het eerst de wijde Campagna, welke een breeden kring om Rome vormt. En plotseling ontwaarde hij ook eindelijk, eindelijk, midden in de Campagna, de werkelijkheid van hetgeen zoo vele jaren lang het voorwerp zijner droomen geweest was, de stad der zeven heuvelen, het eeuwige Rome, de wonderbare stad, welke in den loop van enkele eeuwen, in deze eenzame vlakte, van een klein dorp, door herders en boeren bewoond, de meest trotsche beheerscheres der wereld geworden was. Wat moet er omgegaan zijn in het hart van Paulus, van Lukas en van Aristarchus, toen de romeinsche Christenen, die hen vergezelden, op de hoogte voor het eerst op een duister punt in het verschiet wijzend, uitriepen: „Dat is Rome!quot; De reizigers daalden nu het gebergte af, naar de Campagna en betraden het roemrijkste deel der oude Via Appia, welke lijnrecht door de vlakte loopt tot aan het Forum Romanum. Overal stonden hier aan beide kanten van den weg prachtige grafgesteenten. Ter rechter- en linkerzijde sliepen de grootste helden, waarvan de geschiedenis der Romeinen gewaagt. Alles, wat Rome groots en heerlijks beleefd heeft, zijn gansche, roemrijke verleden schijnt hier vereenigd binnen de strenge omlijsting van den ouden, eerwaardigen Appischen weg. En van de grootsche, marmeren grafgewelven blikten de namen der meest trotsche geslachten van het oude Rome neder op de reizigers, de namen der Scipio\'s, der Metellussen, der Valeriussen en anderen. Nog in onze dagen is de tocht, welken men van Rome uit, naar dit deel van den Appischen weg onderneemt, een der meest belangrijke. Wanneer men langs deze onafzienbare reeks van gedenkwaardige grafgesteenten gaat, nevens de schilderachtige bogenrijen der oude waterleidingen in de wijde Campagna opgericht, meent men boven zijn hoofd den vleugelslag te hoeren der overwinnende adelaars van het oude Rome. En langs deze graven der oude helden toog eenmaal de grootste held, dien

-ocr page 463-

IX MAART 62.

Rome aanschouwd heeft, om in de stad de vaan van den Koning aller Koningen te ontplooien, om daar stervend het kruiö van Jezus Christus te planten op den heuvel, van welken de wereld geregeerd werd: op het Romeinsche Kapitool. Weliswaar kwam hij als een gevangene en in ketenen; wellicht zagen de voorbijgaande Romeinen met verachting neer op den joodschen gevangene, die vergezeld ging van boosdoeners en misdadigers. En toch was de gevangene een veldheer, zooals Eome er nog nooit een binnen zijne muren gezien had, en zou de wereldgeschiedenis nog eeuwen lang gewagen van zijne veroveringen, ook in Rome. Hier toog het zegevierende leven over den weg van Eome\'s dooden, terwijl de Christenen, die Paulus vergezelden, dezen opmerkzaam maakten op de stad, welke steeds duidelijker zichtbaar werd.

Op den weg werd het steeds drukker. Het onvermijdelijke gewoel en geraas eener groote stad, de vele wagens en voetgangers, hot grootere aantal huizen ter zijde van den weg, dat alles had reeds lang de nabijheid van Rome aangekondigd, nog voor men de poorten der stad bereikt had. Eindelijk stond men voor de Porta Capena, over welke een waterleiding is aangebracht, en waardoor gewoonlijk het water in droppels neder-viel op hen, die door de poort gingen. In deze oogenblikken was de oude, eerwaardige poort, welke den weg ontsloot van Rome naar Capua, als het ware de eerepoort, waardoor het Evangelie, met Paulus, de stad binnenging. Voorbij het Circus Maximus gaande, dat ruim genoeg was voor 260.000 toeschouwers, bereikte de schare den Palatijnschen heuvel. Daar aanschouwde Paulus voor het eerst de prachtige paleizen der keizers. Op den voorgrond verhieven zich de ruime paleizen van Augustus, benevens de heerlijke tempel van den „overwinnaar Jupiter,quot; daarachter stonden de paleizon van Tiberius en Caligula, aan welke nog, na weinige jaren, het „gouden huisquot; van Nero zou worden toegevoegd, een gebouw, welks pracht en grootte bijna ondenkbaar waren. Nu sloeg men rechtsaf en ging door

487

-ocr page 464-

OP DEN APPISCHEN STRAATWEG NAAR ROME.

de straat, vicus patricius, naar de kazerne der praetorianen. Toon men voorbij de oude via sacra liep, richtte Paul us\' oog zich voor de eerste maal naar het Forum van Rome, naar het merkwaardigste plein der stad, de ruimte, welke getuige was geweest van alle groote voorvallen uit Rome\'s geschiedenis, de plaats, waar zich tempel naast tempel verhief, vanwaar een reeks prachtige gebouwen zich uitstrekte tot aan het Kapitool, vanwaar de schitterende tempel van den Kapitolijnschen Jupiter over de Tarpeïsche rots heen, nevens de tempel van Juno en het Tabulorium, trots nederblikken op het wereldbeheerschende Rome. Verder liep de weg over den Viminalus, over het plein, waar nu het station van Rome staat, tot aan den Gastra Prae-toriana, de kazerne der praetorianen. Hier voerde toen, kort voor zijn val, de wakkere Burrus als prefectus praetorio het bevel. Aan dezen droeg de Centurio Julius zijne gevangenen over. Ook Paulus werd voor den man gebracht, wiens macht in het geheele rijk bekend was. Op grond van het mondeling rapport des hoofdmans en het gunstige, schriftelijke bericht van Festus, legde Burrus den Apostel de lichtste gevangenschap op n.1. de custodia libera. Paulus mocht een eigen woning in de nabijheid der kazerne huren en daarin, door een soldaat bewaakt, wonen.

Met vreugde vernamen de Christenen van Rome deze gunstige uitspraak, en daar zij de stad kenden, hadden zij weldra een geschikte woning voor Paulus gevonden. Men kan nu nog naar het plein gaan, waar de oude kazerne dor praetorianen stond en waar nu weder een groote kazerne op den Gam po militare gebouwd is; daar zijnde kan men zich voorstellen, waar de, ongeveer 62jarige, Apostel met den soldaat, die hem overal moest vergezellen, en die aansprakelijk was voor zijn persoon, en met zijne trouwe begeleiders Lukas en Aristarchus gewoond heeft. Paulus kon naar verkiezing uit- en ingaan en bezoeken ontvangen. Alleen des nachts was hij aan den krijgsman, die hem bewaakte, geketend.

488

-ocr page 465-

PAULUS TE ROME.

De tijd, waarop Paulus Rome betrad, was een tijd van gruwelijke verbastering en ontaarding. Op treffende wijze wordt ons deze geteekend door Gregorovius, als hij zegt: „Na de burgeroorlogen en na Augustus brak voor de wereldgeschiedenis een tijdperk van rust aan, een tijd van ongebondenheid in het leven der menschheid, daar het bederf in de oude wereld steeds meer voortwoekerde.quot; Augustus was groot en gelukkig, omdat hij zijne heerschappij had moeten bevestigen door langdurige oorlogen. Zijne opvolgers waren ongelukkig, omdat zij niets te begeeren en te veroveren hadden. Op eenmaal in het bezit gesteld van een. sedert lang veroverd, wereldrijk, wisten zij niet, waarmede zij hunne dagen moesten doorbrengen. Zelfs het genot van te kunnen heerschen, wordt onverdragelijk, wanneer daaraan geen moeiten zijn verbonden en wanneer het niet gepaard gaat met ontbering. Caligula trachtte, als eun waanzinnige, een brug te leggen over de zee; Claudius was een boekenworm; Nero stak Rome in brand, bespeelde de citer en wilde zich onderscheiden als wagenmenner en tooneelspeler.

Godsdienst, heilige vreeze voor iets hoogers, was der wereld vreemd geworden. Aan de oude goden geloofde niemand meer. Doch daar de behoefte aan het geloof aan een hoogere wereld diep in des menschen hart is geplant, zocht men zijn toevlucht

-ocr page 466-

PAULUS TE HOME.

bij allerlei hulpmiddelen, bij sterrewicholarij, uitlegging van droomen, de kunst van waarzeggen, oostersche eerediensten en den egyptischen Mithras-dienst. Doch eigenlijk erkende men officieel geen anderen godsdienst, dan de keizervereering. De keizers waren Eome\'s goden. Was de keizer dood, dan werd diens beeltenis in was op den brandstapel gelegd, en deze ontstoken; stegen nu de adelaars, welke men losliet, terstond met de opgaande vlammen ten hemel, dan was ook de geest des keizers ten hemel gevaren. In Rome, in de provinciën, in het gansche rijk werden op ontelbare altaren den keizers offers gebracht, en men zal zich herinneren, hoe vele Christenen, gedurende de vervolgingen, welke deze weldra zouden hebben te lijden, den marteldood moesten ondergaan, omdat zij weigerden deel te nemen aan deze offers.

Doch hoe leefden deze keizers, deze goden voor het geheele rijk? In Rome sprak men over niets anders dan over hetgeen de keizer dagelijks deed. lederen dag drongen nieuwe berichten de woning van Paulus binnen, welke hem schel in de ooren klonken. Slechts enkele dagen of weken na zijn komst in de stad, was het hoofd des edelen en rechtvaardigen Burrus gevallen, den eenigen man, die tot nu toe door zijn standvastigheid de bandeloosheid van Nero had trachten te beteugelen. Zijn opvolger Tigellinus, een monster in menschelijke gedaante, schiep er behagen in den keizer voortdurend aan te zetten tot nieuwe buitensporigheden. Nero was toen 25 jaar oud. Toen hij, op 17jarigen leeftijd den troon besteeg, richtte de geheele wereld vol verwachting den blik op den zeer begaafden, met verheven aanleg toegerusten jongeling, die beloofde, meer dan een zijner voorgangers, zijn rijk gelukkig te maken. Doch reeds sedert langen tijd waren deze schoone verwachtingen op schrikkelijke wijze vernietigd. Het was tamelijk onschuldig, dat de ijdele jongeling gaarne door het volk geprezen werd om zijn talent als speler, komediant, muzikant en wagenmenner. Bovendien zou men ook nog zijn zin tot verkwisting, welke aan het onge-

440

-ocr page 467-

IN HET JAAE 62.

looflijke grensde, hebben kunnen verdragen, zou men gezwegen hebben over zijne reizen, waarop hem nooit minder dan duizend wagens moesten volgen, over het waanzinnige plan om het „gouden huisquot; te bouwen, dat over het dal heen, van den eenen heuvel tot den anderen moest reiken. Doch zijn lust tot mooraen, welke hem — door vergif of dolk, zijn moeder, zijn tantes, twee vrouwen, eiken bloedverwant, zijn prefect Burrus, zijn leermeester Seneca, iederen onderdaan, dien hij uit den weg wilde ruimen — deed ombrengen; deze bloeddorst, welke de eene terechtstelling na de andere vorderde, vervulde bijna dagelijks de hoofdstad met schrik en ontzetting. Zijn zedeloosheid overtrof die van eiken zijner voorgangers. Ook Paulus moet, in het tweede jaar zijner gevangenschap, hebben hooren spreken van het weerzinwekkende feest, door Tigellinus voorbereid en waarvan geheel Rome den mond. vol had. Een vlot voer den Tiber af, getrokken door een schip, rijk met goud en elpenbeen versierd en voorzien van alles, wat men zich op het gebied van woelde slechts denken kon. Knapen als amors gekleed, deden dienst als roeiers. Op de oevers, welke verlicht waren en waar steeds de tonen van muziek weerklonken, had men op de meest schaamtelooze wijze de noodige toebereidselen gemaakt, opdat de keizer zich, te midden van Rome\'s voornaamste vrouwen, zou kunnen overgeven aan de walgelijkste zedeloosheid. De eene afschuwelijke daad, waarvan het gerucht tot binnen de gevangenis drong, overtrof nog de andere, eigenlijk kon men zich niets laags of gemeens denken, dat door hem niet bedreven kon worden.

In deze wereld van zedelijk bederf, waarvan het geheele rijk den invloed gevoelde, was reeds langen tijd voor Paulus\' komst, het Evangelie, en daarmede de hoop op zedelijk herstel en vernieuwing, doorgedrongen. Als door vleugelen gedragen, had zich het Evangelie, ook zonder de middellijke medewerking van Paulus, over de wereld verbreid. In alle deelen des rijks, in Syrië, Palestina, Egypte, noordelijk Afrika, Italië vormden zich Christengemeenten, welke haar licht deden schijnen in den

441

-ocr page 468-

PAULUS TE ROME.

duisteren nacht, en welke overal den machtigen drang in zich voelden, om zich uit te breiden en de wereld te veroveren. „Alsof de engelen boodschappers geweest waren,quot; had zich de prediking van den Gekruiste van Judea, den weg gebaand tot naar Rome en omzweefde daar, als met adelaarsvleugelen, het wereldbeheer-schende, Eomeinsche Kapitool. De Brief aan de Romeinen, geschreven drie jaren vóórdat Paulus te Rome kwam, levert ons een onomstootelijk bewijs, dat in die stad een talrijke Christengemeente moet bestaan hebben. Wellicht hadden degenen, die getuigen waren van het eerste Pinksterfeest, de eerste berichten omtrent den Heiland naar Rome overgebracht, nog in hetzelfde jaar van des Heeren opstanding en hemelvaart (Hand. 2 : 10). Hoofdzakelijk echter waren het Christenen uit de Paulinische gemeenten, Antiochië, Efeze en Korinthe, die, den algemsenen trek volgend, ter wille van hun beroep of handwerk naar de stad Rome gegaan waren en die ook hier de gelegenheid hadden aangegrepen om Christus te prediken. Wij hebben vroeger reeds gezien, hoevele personen de Apostel, in het 16e hoofdstuk van zijn Brief aan de Romeinen, als bekenden laat groeten. Bijna alle namen, die hij daar noemt, zijn Grieksche ofRomein-sche, waaruit ons duidelijk blijkt, dat het meerendeel der gemeente, evenals in Antiochië, niet van joodsche, doch van heidensche afkomst was. Het was dus een gemeente, welke Paulus reeds lang als haar Apostel lief had en vereerde.

Dat de gemeente echter, evenals in Antiochië, grootendcels bestond uit gewezen Heidenen, was oorzaak, dat de Joden in Rome tot nu toe bijna geheel buiten den invloed des Christen-doms gebleven waren. De synagoge der stad was gesloten gebleven voor de Christenen, eenvoudige kooplieden en handwerkslieden. Deze zouden ook geenszins in staat geweest zijn, om de schriftgeleerde Joden voor zich te winnen door de vereischte rabbijnsche geleerdheid. Bovendien maakte de Joden-kolonie in Rome een afzonderlijk, opzichzelfstaand geheel uit. Sedert den tijd, dat Julius Cesar de Joden beschermd had.

442

-ocr page 469-

IN HET JAAR 62.

bewoonden deze de Jodenwi.k, aan gene zijde van den Tiber, waar voor kramers, handelaars en uitdragers heel wat te verdienen viel, omdat daar talrijke schepen aanlegden. Reeds vroeger, tijdens Paulus\' verblijf in Thessalonica en Korinthe, dus elf jaren vóór diens komst in Eome, hebben wij vernomen, dat keizer Claudius, tengevolge van hevige twisten en opstanden in de Jodenwijk, gelast had, dat de Joden uit de stad verdreven moesten worden. Doch weldra waren deze wedergekeerd. Nu bevonden zich daar weder 40 — 60 duizend Joden, en deze hadden geen geringen invloed op het leven der hoofdstad. Toch waren zij algemeen gehaat. Het voortdurende gebedel hunner armen, die steeds schacherden met allerlei waren in een bundel samengepakt; het taaie vasthouden aan eigenaardigheden, voortvloeiende uit hun nationaliteit, doch welke den algemeenen spotlust opwekten; de onreinheid in het Ghetto, hun woonplaats in do nabijheid van het Vatikaan, in Trastevere, waar zij dicht opeen gepakt de vuile, kromme straten en stegen bij den Tiber bewoonden; de onaangename, doch behendige wijze, waarop de meer gegoeden onder hen zich wisten meester te maken van betrekkingen en rangen, zooals die van beambte, tooneelspeler, schrijver, ja zelfs van posten in het leger, waar men niet dan ongaarne Joden toeliet; de daadzaak, dat de rijke, joodsche bankiers en woekeraars den naam van menigen trotschen Romein in hunne boeken konden aanwijzen; de omstandigheid, dat steeds meerdere Romeinen, voornamelijk vrouwen, en daaronder zelfs uit de aanzienlijkste kringen, heul en troost zochten bij het ernstige geloof tier Israëlieten, omdat eigen godsdienst niet langer een hulp en steun was, zoodat velen wekelijks de synagogen in Trastevere bezochten: dat alles, droeg er toe bij om de Joden tot een algemeen veracht en gehaat volk te maken, dat, zooals het keizerlijk bevel luidde, geheel afgesloten in de Jodenwijk bij het Vatikaan moest wonen.

Nauwelijks was Paulus in Rome gekomen, of deze zocht naar een gelegenheid om dit zijn volk het Evangelie te prediken.

443

-ocr page 470-

PAULUS TE EOME.

Reeds in zijn Brief aan de Eomeinen had hij aan de joodsche minderheid der gemeente zijn vurig verlangen te kennen gegeven, „zijne broederen naar het vleeschquot; door Christus gered te zien (Rom. 9 : 1 en volg.). Het wachtwoord: „Eerst de Joden en daarna ook de Griekenquot; was niet de uiting van een, van God ontvangen, bevel, maar van een innige begeerte zijns harten. Reeds op den derden dag na zijn aankomst noodigde hij de hoofden der Joden-kolonie uit bij hem te komen, teneinde zich aan hen voor te stellen en hun ophelderingen te geven aangaande zijn proces en leer. Zij kwamen. Paulus ontving hen, met een keten gebonden (Hand. 28 : 20). Hij vertelde hun, wat aanleiding gegeven had tot zijn gevangenneming en gevangenschap. Hij deed uitkomen, dat hij zich in Jeruzalem niet had schuldig gemaakt aan eenig vergrijp tegen de joodsche wetten, en dat het romeinsche gerecht hem daarom had vrijgesproken. Hij verklaarde, dat de tegenstand der Joden hem er toe gedwongen had zich op den keizer te beroepen. Hij legde uit, dat de grond der vijandschap daarin gelegen was, dat hij de komst van Jezus predikte als de vervulling der Messiaansche beloften; dat hij bereid was zich daaromtrent nader te verklaren en tot dat doel hun verzocht had bij hem te komen.

De joodsche oversten gaven ten antwoord, dat zij mondeling noch schriftelijk iets te zijnen nadeele vernomen hadden, doch dat zij begeerig waren in wijden kring iets over zijn leer te hooren, daar zij wisten, hoe deze sekte overal heftigen tegenstand ondervonden had.

Hiertoe was Paulus bereid. Teneinde nog meerdere Joden in de gelegenheid te stellen Paulus te hooren, werd de dag der samenkomst in diens woning vastgesteld. Vele Joden verschenen. Het was een warme voorjaarsdag in de maand Maart, een tijd, waarop men in Rome zeer goed buitenshuis kan verkeeren. Do door zuilen omgeven ruimte was met gasten gevuld. In het midden stond de eerwaardige gestalte van Paulus. Onvermoeid predikte hij Christus van den morgen tot den avond, ten aan-

444

-ocr page 471-

IN MAAET 62.

hooro van zijne geliefde stanigenooten. Hij wees hen op die plaatsen in de heilige boeken en de wet van Mozes, welke duidelijk spraken voor hetgeen hij beweerde. De middag kwam, de avond brak aan en nog steeds predikte de, in geestdrift geraakte, man. Het was, alsof na het tweejarig zwijgen, tengevolge van de gevangenschap in Cesarea, de bron zijner welsprekendheid op eenmaal weder vloeide, en hij niet moede werd, nu hij eindelijk weder kon arbeiden aan de groote taak zijns levens: getuigenis te geven van Christus. Hij hield niet op, voordat de zon weder ten ondergang neigde achter den heuvel, waarop het Vatikaan stond.

De meeningen der aanwezige Joden waren verdeeld. Menigeen onder hen had zulk een diepen indruk ontvangen van Paulus\' persoon en woorden, dat hij goloovig werd. Doch het aantal van hen, die niet overtuigd waren, was nog grooter, en daardoor ontstond een hevig twistgesprek. Deze uitkomst had Paulus voorzien. Hij had nu reeds sedert 25 jaren, van af zijn eerste prediking in de synagoge te Damaskus, voortdurend dezelfde ervaringen opgedaan. Zulks kwam ook geheel overeen met de uitspraken der profeten. Met weemoed gedacht hij het woord van Jesaja, waarvan hij ook hier weder de vervulling zag, en dat hij niet nalaten kon, hun, als een laatste waarschuwing uit den mond eens heiligen, op het harte te binden: „Het hart dezes volks is verstokt! Zijne ooren zijn verhard en zijne oogen verblind, zoodat het met ziende oogen niets ziet en met hoorende ooren niets hoort en zijn hart niets verstaat en zich bekeert, opdat Ik hen geneze.quot; Doch nu voegde hij er nog het woord bij, dat voor hem de heerlijkste zegepraal der Goddelijke genade in zich sloot, doch een gruwel was voor Joodsche ooren, n.1. dat het rijk Gods van nu af niet meer beperkt was tot het Jodendom, doch dat liet alle volkeren zou omvatten, en de Heidenen het dankbaar en verheugd zouden aannemen.

Toen de Joden dit hoorden, ontstelden zij zeer, verlieten do woning en lieten Paulus alleen achter. Doch nog langen tijd

-ocr page 472-

PAULUS TE ROME.

Eeeds in zijn Brief aan de Eomeinen had hij aan de joodsche minderheid der gemeente zijn vurig verlangen te kennen gegeven, „zijne broederen naar het vleeschquot; door Christus gered te zien (Eom. 9 ; 1 en volg.). Het wachtwoord: „Eerst de Joden en daarna ook de Griekenquot; was niet de uiting van een, van God ontvangen, bevel, maar van een innige begeerte zijns harten. Eeeds op den derden dag na zijn aankomst noodigde hij de hoofden der Joden-kolonie uit bij hem te komen, teneinde zich aan hen voor te stellen en hun ophelderingen te geven aangaande zijn proces en leer. Zij kwamen. Paulus ontving hen, met een keten gebonden (Hand. 28 : 20). Hij vertelde hun, wat aanleiding gegeven had tot zijn gevangenneming en gevangenschap. Hij deed uitkomen, dat hij zich in Jeruzalem niet had schuldig gemaakt aan eenig vergrijp tegen de joodsche wetten, en dat het romeinsche gerecht hem daarom had vrijgesproken. Hij verklaarde, dat de tegenstand der Joden hem er toe gedwongen had zich op den keizer te beroepen. Hij legde uit, dat de grond der vijandschap daarin gelegen was, dat hij de komst van Jezus predikte als de vervulling der Messiaansche beloften; dat hij bereid was zich daaromtrent nader te verklaren en tot dat doel hun verzocht had bij hem te komen.

De joodsche oversten gaven ten antwoord, dat zij mondeling noch schriftelijk iets te zijnen nadeele vernomen hadden, doch dat zij begeerig waren in wijden kring iets over zijn leer te hooren, daar zij wisten, hoe deze sekte overal heftigen tegenstand ondervonden had.

Hiertoe was Paulus bereid. Teneinde nog meerdere Joden in de gelegenheid te stellen Paulus te hooren, werd de dag dei-samenkomst in diens woning vastgesteld. Vele Joden verschenen. Het was een warme voorjaarsdag in de maand Maart, een tijd, waarop men in Eome zeer goed buitenshuis kan verkeeren. De door zuilen omgeven ruimte was niet gasten gevuld. In het midden stond de eerwaardige gestalte van Paulus. Onvermoeid predikte hij Christus van den morgen tot den avond, ten aan-

444

-ocr page 473-

IN MAAET 62.

lioorc van zijne geliefde stanigenooten. Hij wees hen op die plaatsen in de heilige boeken en de wet van Mozes, welke duidelijk spraken voor hetgeen hij beweerde. De middag kwam, de avond brak aan en nog steeds predikte de, in geestdrift geraakte, man. Het was, alsof na het tweejarig zwijgen, tengevolge van de gevangenschap in Cesarea, de bron zijner welsprekendheid op eenmaal weder vloeide, en hij niet moeue werd, nu hij eindelijk weder kon arbeiden aan de groote taak zijns levens: getuigenis te geven van Christus. Hij hield niet op, voordat de zon weder ten ondergang neigde achter den heuvel, waarop het Vatikaan stond.

De meeningen der aanwezige Joden waren verdeeld. Menigeen onder hen had zulk een diepen indruk ontvangen van Paulus\' persoon en woorden, dat hij geloovig werd. Doch het aantal van hen, die niet overtuigd waren, was nog grooter, en daardoor ontstond een hevig twistgesprek. Deze uitkomst had Paulus voorzien. Hij had nu reeds sedert 25 jaren, van af zijn eerste prediking in de synagoge te Damaskus, voortdurend dezelfde ervaringen opgedaan. Zulks kwam ook geheel overeen met de uitspraken der profeten. Met weemoed gedacht hij het woord van Jesaja, waarvan hij ook hier weder de vervulling zag, en dat hij niet nalaten kon, hun, als een laatste waarschuwing uit den mond eens heiligen, op het harte te binden: „Het hart dezes volks is verstokt! Zijne ooren zijn verhard en zijne oogen verblind, zoodat het met ziende oogen niets ziet en met hoerende ooren niets hoort en zijn hart niets verstaat en zich bekeert, opdat Ik hen geneze.quot; Doch nu voegde hij er nog het woord bij, dat voor hem de heerlijkste zegepraal der Goddelijke genade in zich sloot, doch een gruwel was voor Joodsche ooren, n.1. dat het rijk Gods van nu af niet meer beperkt was tot het Jodendom, doch dat het alle volkeren zou omvatten, en de Heidenen het dankbaar en verheugd zouden aannemen.

Toen de Joden dit hoorden, ontstelden zij zeer, verlieten de woning en lieten Paulus alleen achter. Doch nog langen tijd

445

-ocr page 474-

PAULUS TE ROME.

werkte hetgeen zij op dezen dag vernomen hadden in hunne harten na, en kon men er hen in het Ghetto over hooren redetwisten. Misschien zijn nog velen, wier hart onrustig gebleven was, wedergekeerd, om ten laatste den vrede in Christus te vinden en tot de gemeente toe te treden.

Het schijnt, dat de genegenheid der joodsche minderheid in de Christengemeente te Rome ook langzamerhand begon te verkoelen, nadat Paulus had doen uitkomen, hoezeer hij zich vrij gevoelde van de joodsche inzettingen. Het groote denkbeeld van de liefde Gods in Christus, die allen, alle volkeren in gelijke mate omvatte, dat denkbeeld kon zich niet zoo gemakkelijk en snel een weg banen door den muur van joodsche vooroordeelen en opvattingen, waarin alle Joden waren opgevoed. En Paulus was de martelaar, die ten doode toe zou moeten strijden, om dit wereldomvattend, goddelijk raadsbesluit ingang te doen vinden in de Christelijke Kerk, hoe smartelijk hem deze strijd ook mocht vallen, nu hij dien te voeren had tegen degenen, die hem in deze vreemde stad het naast stonden.

Zoo vormden zich dan in Piome onder de Jood-Christenen een partij, welke, hoewel Christelijk, zich toch geheel tegenover Paulus plaatste, welke Christus predikte naar eigen opvatting, om afbreuk te doen aan den toenemenden invloed van Paulus, en welke der gemeente haar bekrompen inzicht opdrong, teneinde Paulus te bestrijden en verdacht te maken. „Sommigen,quot; zegt hij (Fil. 1 : 15), „prediken ook wel Christus, doch door nijd en twist en niet zuiver, meenende aan mijne banden verdrukking toe te brengen.quot; Telkens weder achtervolgen zij hem met de meening, dat men om een Christen te worden, zich eerst moet laten besnijden. „De honden! de kwade arbeiders!quot; roept hij ir. recht-matigen toorn (Fil. 3 : 2) uit, wanneer hij gedenkt aan de schade, welke zij der gemeente toebrengen.

Van het andere deel der gemeente beleefde hij echter des te meer vreugde. Daarvan getuigt hij gaarne, dat men zich niet liet afschrikken door zijne banden, doch dat „vele (woordelijk

446

-ocr page 475-

IN DE JAKEN 62 EN 63.

447

vertaald: „de ineestenquot;) broeders in den Heer vertroirven gekregen hebben door zijne banden, en het woord overvloedig en onbevreesd durven sprekenquot; (Fil. 1:14). De heilige moed, waarmede hun leidsman de ketenen droeg, was hun een bewijs te meer voor de waarheid en rechtvaardigheid der zaak, die hij voorstond. Zij wisten, dat hij zijne ketenen droeg „in den Heer;quot; daarom vertrouwden zij er te meer op, dat de Heer zijn zaak zou doen zegevieren. En zoo was de gevangenschap oorzaak, dat bijna de geheele gemeente zich zeer versterkt gevoelde en de overtuiging koesterde, dat haar vertrouwen niet beschaamd zou worden. Met groote liefde hingen zijne vrienden, waaronder ook Aquila en Priscilla waren (Rom. 16 : 3 — 5), hem aan. Doch ook buiten de gemeente maakte het een diepen indruk, dat Paulus, alleen ter verantwoording van het Evangelie, zoovele jaren zijns levens in gevangenschap doorbracht (Fil. 1 : 17). Ieder, die den Apostel leerde kennen, begreep, dat hij niet ten gevolge van een misdaad, maar alleen ter wille van zijn overtuiging deze banden droeg. En bovendien moest men erkennen, dat het Evangelie en de Heer iets verhevens en heerlijks zijn moesten, als deze groote man ter wille daarvan alles droeg. Ook de Praetorianen waren van dit gevoelen. In hun kazerne was Paulus een welbekende persoonlijkheid. Vandaar kwam telkens weder een andere soldaat, die Paulus moest bewaken. De bewakers waren echter tevens toehoorders, wanneer de Christenen uit Rome bij den Apostel tezamen kwamen. Wellicht heeft meer dan een van hen eerst gedeeld in de algemeene vereering van den gevangene, om daarna gegrepen te worden door het Evangelie en zich te doen opnemen in de gemeente (Fil. 1 : 13). Wie weet, hoevele Romeinen zoo langzamerhand gewonnen zijn voor den Heer. Praetorianen, gerechtsdienaars, leerlingen, vrienden: allen, werden boden, die de zaak van Paulus, en daardoor die van het Evangelie, steeds meer bekend maakten in de groote wereldstad. Men vond ten slotte zelfs Christenen in de keizerlijke paleizen, in het Palatlum op den Palatijnschen heuvel, waar de

-ocr page 476-

PAULÜS TE ROME.

diep gezonken Nero verblijf hield. In den Brief aan de Filip-pensen (4 : 22) zendt Paulus groeten van de heiligen, „die in het huis des keizers zijn,quot; waaronder men beambten of slaven aan het keizerlijk hof te verstaan heeft.

Al deze bijzonderheden hebben wij te danken aan den Brief aan de Filippensen, dien Paulus in Rome geschreven heeft. De getrouwe gemeente in Filippi namelijk, had vernomen, dat hun geliefde Apostel bij de schipbreuk gered was en dat deze in gevangenschap leefde; daarom had zij, zooals reeds meermalen gebeurd was, een aanzienlijke som gelds bijeengebracht en die door Epafroditus naar Eome gezonden (Fil. 4 : 10 — 13). Deze trouwe liefde, welke hem ook in den vreemde bleef gedenken, was een balsem voor het hart van den grijzenden, dikwijls eenzamen Apostel. De liefde, welke hij der gemeente te Filippi had toegedragen, al de schoone herinneringen aan den tijd, nu tien jaren geleden, daar doorgebracht, werden weder wakker, toen de bekende bode dor gemeente met zijn gave bij den Apostel binnentrad. Met de teederste namen noemt hij hen in zijn brief; „Mijne lieve en zeer gewenschte broeders, mijn blijdschap en mijn kroon!quot; „God is mijn getuige, hoezeer ik naar u allen uit den grond mijns harten verlang! Ik draag u allen op het harte in deze mijne gevangenis, waarin ik verkeer tot verantwoording en bekrachtiging des Evangelies.quot; Hoe langen tijd Epafroditus de gast bleef van Paulus, weten wij niet. Wel hooren wij, dat hij doodelijk krank werd, nadat hij langen tijd Paulus getrouw gediend had als medearbeider en medestrijder. Waarschijnlijk leed hij aanmalaria; de koortswekkende uitdampingen grepen het gestel aan van den man, die gewoon was aan de heerlijke berg- en zeelucht van Macedonië, en veroorzaakten bijna diens dood. Toen maakte zich een sterk verlangen naar den geboortegrond van hem meester, en nu zond hem de Apostel naar Filippi terug met een getuigenis, dat hem steeds tot eer zal verstrekken (Fil. 2 ; 25 — 30). Doch Paulus gaf hem ook iets mede, wat niet alleen voor de gemeente van

448

-ocr page 477-

IN HET JAAE 04.

Filippi, doch voor de gansche Christelijke kerk steeds van onschatbare waarde gebleven is, n.1. den Brief aan de Pillipensen. Door geen anderen brief wordt ons vergund zulk een diepen blik te slaan in het hart des Apostels; uit geen enkelen spreekt zoo duidelijk, in welk een schoone betrekking de Apostel tot zijne gemeenten stond; laat hij zoozeer uitkomen, hoegroote behoefte aan liefde hij heeft in zijn verlatenheid en moeilijke omstandigheden, als in dit schrijven. Ook met het oog op de geschiedenis heeft deze brief groote waarde, want daarin ligt voor ons de eenige bron, waaruit wij iets bepaalds hooren, omtrent het verblijf van den Apostel te Rome, waardoor we ons eenige voorstelling kunnen maken van zijn leven en werken, gedurende de twee jaren van gevangenschap. Deze Brief is klaarblijkelijk tegen het einde dezer twee jaren, dus in den aanvang van het jaar 64, geschreven. Plaatsen, als hoofdstuk 1 : 12 — 20; 2 : 26—30, geven duidelijk te kennen, dat hij reeds langen tijd in Rome vertoefd had.

Uit den Brief aan de Filippensen spreken verschillende gemoedstoestanden. Nu eens vernemen wij woorden, die ons herinneren aan den toestand van onzekerheid, waarin hij verkeert, als zweefde de veroordeeling des keizers als een Damocles-zwaard boven zijn hoofd; dan weder hooren wij hem daarin met heldenmoed en doodsverachting uitroepen: „Vurig verwacht en hoop ik, dat in alle vrijmoedigheid Christus zal groot gemaakt worden in mijn lichaam, hetzij door het leven, hetzij door den dood — want het leven is mij Christus en het sterven is mij gewin!quot; (Fil. 1 : 20 enz.). In andere oogenblikken blikt hij vol hoop en vertrouwen de toekomst tegen; dan spreekt hij: „Dit vertrouw en weet ik, dat ik zal blijven en met u allen zal verblijven.quot; Hoezeer hij zich ook gebonden voelt door zijne gevangenschap, toch bespeurt hij de voorteekenen van een nieuwen, groeten tijd. Reeds wordt Christus in geheel Rome verkondigd. De verblijfplaats van des keizers lijfgarde is vervuld geworden van de boodschap des Evangelies. Zelfs in het paleis

29

449

-ocr page 478-

PAULUS TE EOME.

des keizers op den Palatinus zijn knieën, die zich voor den Heer Jezus buigen. Tn de wijde wereld verspreiden de verstrooide Christengemeenten, aan brandende fakkels gelijk, haar licht, dat weldra den nacht des heidendoms zal doen verdwijnen (Fil 2 :15). Zijn oog aanschouwt, als dat eens profeten, de laatste zegepraal des Christendoms, wanneer zich in den hemel, op de aarde en onder de aarde, alle knie zal buigen voor den Heer, en alle tong, tot heerlijkheid Gods des Vaders, zal belijden, dat Jezus Christus de Heer is (Fil. 2 : 11), Die woorden, opgeteekend in de stille gevangenkamer in Rome, klinken ons tegen als de jubelkreten eens overwinnaars; zij toonen ons aan, dat de ziel des grooton Apostels vervuld was van blijden moed en volle zekerheid aangaande de spoedige zegepraal.

Is nu zijne hoop en verwachting, in den aanvang van het jaar 64 met zoo groot vertrouwen uitgesproken, dat hijzelf weldra in vrijheid gesteld zou worden, verwezenlijkt geworden of niet? Alvorens wij deze vraag beantwoorden, moeten wij spreken van een gebeurtenis, in hetzelfde jaar 64 voorgevallen, en die een groot gewicht in de schaal legt bij de beantwoording dezer vraag.

450

-ocr page 479-

DE EERSTE CHRISTENVERVOLGING.

Het was op den 19|1 Juli van het jaar 64, dat er plotseling brand ontstond\' in het circus, gelegen tusschen den Palatijn-schen en Caelischen heuvel. Langs het circus stonden lange rijen van houten kramen, waarin zich een groote hoeveelheid licht ontvlambare stoffen bevonden. In een oogwenk waren deze door het vuur aangetast. Juist woei een sterke wind over Eome heen, wolke de vlammen knetterend rondom zich deed grijpen tusscheu de opeengehoopte gebouwen. Weldra was de geheele stadswijk een zee van vuur. Met onstuimige woede breidde zich het vuur van straat tot straat uit, het liep door de vlakte en klom tegen den heuvel op. De nauwe straten en sloppen leverden voortdurend voedsel aan het ontketende element. De jammerkreten van duizenden vrouwen en kinderen klonken boven het geknetter der vlammen en het gehuil van den wind uit. Hulpeloos vluchtte de menigte, door het vuur overvallen, van straat tot straat. Overal aanschouwde men de hoogopgaande vlammen, van alle zijden was de uitgang versperd. Een onbeschrijfelijke verwarring heerschte in de gansche stad. Sommigen trachtten nog iets te redden, anderen het vuur te blusschen, honderden werden door den rook en het vuur verstikt en begraven onder de puinhoopen hunner ingestorte huizen.

-ocr page 480-

DE EERSTE CHRISTENVERVOLIiING.

Bovendien zag men schrikwekkende gedaanten door de brandende straten ijlen, die het vuur overal schenen aan te wakkeren. Deze wierpen brandende stukken hout in de nog niet aangetaste huizen. Wilde iemand het vuur blusschen, dan beletten zij hem zulks, onder het uitspreken van woeste bedreigingen. Men zou wel begrijpen, riepen zij, op wiens bevel zij handelden. Velen meenden in hen de kamerdienaars van Nero te herkennen. En zoo geschiedde het, dat het onbeteugelde vuur zich bijna over de geheele stad uitbreidde. Dagen en nachten lang brandde het oude Rome, als ware het een monsterachtig groote oven. Overdag zag men eindelooze rookwolken opstijgen en over Rome heenzweven. Des nachts wierp de huiveringwekkende vuurzee een bloedrooden schijn over de Campagna. Alle schoone, trotsche gebouwen van Rome: tempels, paleizen en bogen, stortten krakend ineen. De oudste heiligdommen, de eerwaardigste tempels der stad, kunstvoortbrengselen van onschatbare waarde verdwenen in het heete graf, door het vuur gedolven. Toen op den zevenden dag het vuur eindelijk tot staan kwam aan den uitersten rand van den Esquilinus, was van de oude stad der vaderen niets meer te zien dan een reusachtige rookende puinhoop, waarboven zich de blauwe hemel van Italië welfde. Van de veertien wijken, waaruit de stad bestond, waren er slechts vier onaangetast gebleven. Van de overige tien waren er drie geheel verwoest, terwijl in de zeven andere nog enkele treurige, half verbrande gebouwen waren blijven staan.

Een algemeene kreet van woede ontsnapte aan den mond van het berooide volk. Dreigend keerde zich de toorn der menigte tegen den keizer. Men wist, dat deze zich tijdens den brand had opgehouden in de beroemde mode-badplaats Antium, op geringen afstand aan de kust gelegen. Eerst toen het vuur in de nabijheid kwam van zijn eigen paleizen, was hij naar de stad geijld. Van mond tot mond ging het gerucht, dat hij des nachts op den Maecenastoren gestaan en met welgevallen het ontzettende, schoone schouwspel had gadegeslagen, terwijl hij,

452

-ocr page 481-

IN JULI 64.

met de citer in de hand, gehuld in het bekende tooneelgewaad, de verzen herhaalde, welke den brand van Troje beschreven. Nu het vuur eindelijk uitgewoed had en gedoofd was, liet hij alle mogelijke maatregelen nemen om in den nood der menigte, welke het aan dak en brood ontbrak, te voorzien. In allerij\' werden barakken opgeslagen en hield men een uitdeeling van keren. Doch dat alles baatte niet. Men beschouwde zulks slechts als het goedgekozen middel, om de verdenking van zich af te leiden. Uit de rijen ongelukkigen, die zich plotseling beroofd hadden gezien van huls en haard, steeg steeds dreigender de kreet omhoog, dat niemand anders dan de keizer de brandstichter was. Het oude Rome was hem niet schoon genoeg, hij wilde een nieuwe stad doen verrijzen en daarom had hij de huizen laten in brand steken. En toen de keizer weldra met prachtige bouwplannen voor een nieuw Rome voor den dag kwam, meende het volk daarin de bevestiging te zien van liet geloof aan zijn schuld.

Toen greep de onmensch een afschuwwekkend middel aan, teneinde zichzelf te bevrijden van de verdenking en de woede des volks op iets anders te richten. Hij liet openlijk bekend maken, dat men afdoende bewijzen gevonden had, dat de Christenen, de vijanden der menschheid, den brand gesticht hadden. Nu werd de onschuldige, jonge gemeente het voorwerp van de algemeene woede, welke op wraak zon. In de nog overig gebleven straten van Rome werd een schrikkelijk bloedbad aangericht. De trouwe Christenen, die voor weinige jaren den Apostel met zoo groote vreugde hadden afgehaald van het Forum Appii en Trestabernae, die zoo dikwijls naar diens woorden geluisterd hadden, die zoo menigmaal in Paulus\' woning waren samengekomen, moesten nu den marteldood ondergaan onder de hevigste folteringen. \') In de tuinen van Nero bij het

\') By deze gelegenheid vindt men voor het eerst by een der schrijvers van de ongewijde geschiedenis met zekerheid gewag gemaakt van de Christenen. De bedoelde plaats in de Annalen van Tacitus, luidt: „Om aan het gerucht een einde

453

-ocr page 482-

DE EEESTE CHRISTENVERVOLGING.

454

Vatikaan, werden de veroordeelden gekruisigd, anderen in de huid van dieren genaaid, verscheurd door bloedhonden. Als de schemering viel, kon men andere martelingen aanschouwen. Het volk wandelde door de keizerlijke lusthoven. Eechts en links stonden brandende fakkels; levende Christenen, met pek overgoten, aan palen gebonden en aangestoken, opdat het volk zich in dit schouwspel zou verlustigen. Nero zelf reed, beschenen door den rossen gloed der levende fakkels, als wagenmenner, hoog op den gouden wagen staande, door de paden, terwijl de jubelkreten des volks de laatste zuchten der stervende Cl iristenen onhoorbaar maakten.

Dit was, zooals de geschiedschrijver der Kerk, Hase, opmerkt, de gruwzame vuurdoop van de Heidensche wereldstad tot het Christendom. Plotseling wordt nu het Christendom liet middelpunt der wereldgeschiedenis; nu wordt het licht, dat van de Christenheid uitgaat, als op een reusachtigen luchter geplaatst, zoodat de geheele wereld den stillen, ernstigen schijn zien moet. De brand van Rome is, als het ware, het bloedig morgenrood, dat het Christendom aankondigt, dat een stormachtigen dag voorspelt, gedurende welken de zon, Christus, als overwinnaar zal opgaan. De wereld is opmerkzaam geworden op de macht, welke van Juda uitgaat, en tracht deze door vuur te vernietigen en

te maken, gaf Nero de schuld aan de zoogenaamde Christenen, die wegens hunne schandelijke handelingen gehaat waren, en pastte men de uitgezochtste straffen op deze menschen toe. De persoon, naar wien z\\] zich Christenen noemden, was een man, Christus, onder de regeering van Tiberius ter dood veroordeeld door den prokurator Pontius Pilatus. Eerst werden eenigen gevangen genomen, die, gedwongen door wreede folteringen, bekenden. Daarna werden, op aanwijzing van de eersten, zeer velen gedood, niet zoozeer omdat men hen van brandstichting beschuldigde, maar als slachtoffers van den haat. Zelfs terwijl zij stiervan, werd met hen gespot. Ztf werden in het vel van een wild dier genaaid, en dan verscheurd door bloedhonden, die tegen hen opgehitst waren. Anderen werden aan het kruis gehangen; weder anderen vonden den dood in het vuur. Voor dat doel had Nero zyn eigen park afgestaan: wanneer de avond viel, werden zy, aan palen gebonden, verbrand en dienden zoo tot verlichting van den nacht.

-ocr page 483-

IN JULI 64.

te begraven. Immers spreekt de grootste geschiedschrijver van dien tijd reeds van een „zeer groot aantalquot; Christenen in Rome. En de marteldood van zoovele duizenden zal niet tevergeefsch zijn geweest. Voor de machtige prediking, welke van de Christengemeente, In Eome, als een onschuldig lam geofferd, uitgaat, kan de wereld het oor niet meer sluiten. Evenais Christus op het krachtigst gepredikt heeft door zijn kruisdood, zoo ook de Christengemeente in Rome door haar dood in de vlammen als martelaar. De geheele wereld sprak van haar en haar geloof. Van nu af zou de wereld dat geloof niet meer stilzwijgend voorbijgaan; neen! de klank des Evangelies zou steeds verder doordringen van volk tot volk; het zou blijven klinken van eeuw tot eeuw, totdat de gansche aarde er van vervuld zou zijn.

Doch die heilige, eerste Christengemeente van Rome, welke zulk een bloedigen doop ontvangen heeft, waarvan Paulus (1 Kor. 15 : 29) zegt: „Anders, wat zullen zij doen, die voorde dooden gedoopt worden, indien de dooden ganscholijk niet opgewekt worden?quot; — die gemeente zal de Christenheid, zoolang zij bestaat, in trouwe, dankbare gedachtenis houden. En de grond, de onbekende akkers van Rome — waar zij rusten, de ons onbekende Christenen, wier namen* niet zijn opgeteekend in eenig aardsch boek en niet vermeld staan op de lijst van martelaars, met uitzondering van de enkele, in het 10® hoofdstuk van den Brief aan de Romeinen vermeld — die doodenakkers zullen der Christenheid heilig zijn tot aan den dag dor opstanding.

455

-ocr page 484-

DE LAATSTE ZENDINGSREIS EN DE MARTELDOOD.

En nu vragen wij nog eenmaal: Is de hoop van den Apostel Paulus op vrijspraak en in-vrijheid-stelling, in het jaar 64 vervuld geworden, of heeft hij, met de slachtoffers van de vervolging onder Nero, zijn geloof met den dood bezegeld? Wanneer mon het slot der geschiedenis leest, zooals die in de Handelingen is opgeteekend, dan schijnt het ons toe, alsof elk spoor van Paulus voor goed ophoudt en zich verliest in de vlammen, waarin Rome is opgegaan. Die geschiedenis eindigt met de woorden: „En Paulus bleef twee jaren in zijn eigen, gehuurde woning en leerde van den Heer Jezus Christus onverhinderd.quot; Deze twee jaren begonnen in Maart 02, en eindigden in de lente van het jaar 64. Dit slot der Handelingen, waarin niet het einde van Paulus\' leven vermeld wordt, heeft van oudsher den nadenkenden lezer onbevredigd gelaten. Het schijnt, dat Lukas niets anders wil zeggen, dan dat na twee jaren aan de gevangenschap een einde kwam; bovendien geeft de griek-sche uitdrukking juist een tijdperk van 2 jaren te verstaan. Doch waarmede is de gevangenschap geëindigd? Met den dood? Dan is het onbegrijpelijk, waarom Lukas geen melding maakt van dezen dood, die de kroon zet op zijn leven. Of zou hij den dood van den man, dien hij gedurende het grootste deel van diens werkzaam leven met bewondering heeft gevolgd, wel geweten hebben en toch stilzwijgend zijn voorbijgegaanquot; Zulks is ondenkbaar. Deze mogelijkheid blijft dus nog over, dat na

-ocr page 485-

IN DE JAREN 64 TOT 66.

twee jaren, in Maart 64, Paulus werkelijk is vrijgesproken en dat deze, ongeveer drie maanden voor den brand van Rome, en de Christenvervolging, welke daaruit voortvloeide, de hoofdstad verlaten heeft. Zelfs in dat geval blijft het vreemd, waarom Lukas niets zegt van deze vrijspraak en de latere lotgevallen van den Apostel. Het korte slot der geschiedenis maakt onwillekeurig den indruk, als hadden wij hier een afgebroken, niet voleindigd werk voor ons. De opgeteekende slotwoorden vormen slechts een voorloopig gemaakt einde. Zou de meening van sommigen niet de juiste zijn, namelijk, dat Lukas van plan geweest is, de verdere reizen van den Apostel op te teekenen in een vervolg op zijn werk?

Doch bovendien levert ons de geschiedenis nog aanwijzingen genoeg, waaruit blijkt, dat Paulus eenigen tijd vóór den brand van Rome is vrijgesproken en dat hij nogmaals zijn grootschen, apostolischen arbeid heeft hervat. Zijn verwachting, met zoo groote zekerheid uitgesproken in den Brief aan de Filippensen, was dus niet beschaamd geworden (Fil. 1 : 25; 2 : 28 en 24). Het zoo gunstige bericht van den prokurator Festus, waarvan de uitspraak van het keizerlijk gerecht hoofdzakelijk afhing, en waarin Paulus onschuldig genoemd werd, maakt de onderstelling van Paulus\' vrijspraak zeer waarschijnlijk. Het Muratorische fragment, een Romeinsch handschrift uit de tweede eeuw, bewijst, dat men in dien tijd in de gemeente te Home sprak van een reis, door Paulus naar Spanje ondernomen, als van een feit, dat boven allen twijfel verheven is. Dit bericht wordt bevestigd door het beroemde gedeelte uit den Brief van Clemens van Rome (-(- 102 n. Chr.) aan de Korinthiürs, \') welke brief ongeveer dertig jaar na den dood van Paulus geschreven werd. In dezen brief staat: „Paulus\' geduld is ten laatste toch bekroond geworden. Nadat hij zevenmaal in boeien geslagen was, nadat

,) Doze Clemens was stellig een leerling van Paulus, misschien dezelfde, die in Fil. 4 : 3 genoemd wordt. Zijn brief werd in Korinthe huigen tijd zuer lioog go-schat, en een deel der eerste Christenen rekenden dien tot het Nieuwe Testament.

-ocr page 486-

DE LAATSTE ZENDINGSREIS EN DE MARTELDOOD.

men hem gesteenigd en vervolgd had, nadat hij zoowel in het Morgen- als in het Avondland opgetreden was als prediker der gerechtigheid, is de heerlijke prijs des geloofs zijn deel geworden. Nadat hij de gansche wereld onderwezen had in de gerechtigheid en tot naar het uiterste Westen gereisd was, om ook daar getuigenis af te leggen voor de oversten, is hij, het meest verheven toonbeeld van standvastigheid, opgenomen van dc aarde en naar heiliger oord overgebracht.quot; Met het „uiterste Westen,quot; kan niets anders dan Spanje bedoeld zijn; men bedenke slechts, dat deze brief in de oudheid, van uit Rome geschreven is. Verder vermeldt Clemens nog, dat de Apostel, na de reis naar Spanje, in Rome getuigd heeft voor de overheid, op welke getuigenis zijn dood gevolgd is.

Ook in het Nieuwe Testament treffen wij menige zinsnede aan, welke deze berichten bevestigt, en welke eerst dan verstaanbaar wordt, wanneer wij aannemen, dat Paulus werd vrijgesproken in 64 en opnieuw gevangen gezet in 67. De zoogenaamde „Herderlijke Brievenquot;\' aan Timotheus en Titus, waarin zoovele persoonlijke en plaatselijke aanwijzingen staan, passen in geen anderen tijd van Paulus\' leven dan in dien, na de eerste gevangenschap in Rome. Deze moeten dus later geschreven zijn. Volgens den inhoud dezer brieven schijnt Paulus, nadat hij zijn vrijheid herkregen had, eerst gereisd te zijn naar zijne gemeenten in hot Oosten van Griekenland. Wij treffen hem ook aan op Creta, het eiland, dat hij in het jaar 62 verliet, om door den storm naar Malta gedreven te •worden (Tit. 1:5); wij zien hem in Macedonië, waar hij zijne komst reeds in den Brief aan de Filippensen gemeld had, zelfs in Nicopolis in Tracie, waar hij van plan was den winter over te blijven (Tit. 3 : 12); in Troas en Milete, in Klein-Azië (2 Tim. 4 : 13 en 20); ongetwijfeld reisde hij ook naar Efeze, om nogmaals, ondanks zijn bang voorgevoelen van het jaar 59, te verschijnen op de plaats, waar zijn apostolische werkzaamheid haar hoogtepunt bereikte, en waar zoo menige heftige strijd gestreden werd; nog eenmaal

458

-ocr page 487-

IN DE JAREN 64 TOT 66.

wilde hij het gelaat zijner getrouwe Efeziêrs aanschouwen en alles in het werk stellen, om den wasdom te bevorderen van zijn arbeid, welke inmiddels zulke schoone vruchten gedragen had.

Terwijl de Apostel langs de kusten der Egeïsche zee reisde, moet hij de vreeselijke tijding vernomen hebben van den brand van Eome en de gruwelijke vervolgingen der Christenen. De groote, talrijke Christengemeente der hoofdstad had eensklaps opgehouden te bestaan. De meeste leden waren dood, en met hun heengaan was ook een einde gekomen aan de beide, vijandig tegenover elkander staande, richtingen; de nog overgebleven leden waren gevlucht en in alle richtingen uit elkander gedreven. Waarschijnlijk dacht de onverschrokken man er aan, terstond naar den, in gevaar verkeerenden, post te snellen, doch zulks zou nu niet der moeite waard geweest zijn. In de eerste plaats bestond er wellicht volstrekt geen gemeente meer, daar de vluchtelingen het eerst na eenigen tijd konden wagen, terug te keeren; en in de tweede plaats, zou het verschijnen in Rome voor hemzelf niet anders geweest zijn dan een zoeken van den marteldood, welke dood volstrekt geen vrucht zou afgeworpen hebben voor de gemeente. Het schijnt dus, dat Paulus nog eenigen tijd in het Oosten gebleven en vandaar gereisd is naar het verre Westen, naar Spanje. En zoo zullen wij dan den Apostel toch nog vergezellen op den tocht naar het uiterste Westen, tot naar de kusten van den Atlantischen Oceaan, naar het land, dat hij, nog in zijn oostersch vaderland vertoevend, zoo vurig begeerd had te betreden. Het is ons echter niet vergund, met hem te trekken door de Spaansche landstreken langs den Ebro, met hem de straten te betreden van het rijke Cadix of van Valencia. Geen andere schrijver heeft, zooals vroeger de getrouwe Lukas, deze laatste reizen van den Apostel opgeteekend. Waarschijnlijk zal geen menschelijk oog de duisternis doorboren, waarin deze reis naar Spanje gehuld is. Slechts dit weten wij met zekerheid, dat in Spanje geen enkel spoor terug te vinden is van Paulus\' werkzaamheid in dat land. Wellicht heeft

459

-ocr page 488-

DE LAATSTE ZENDINGSREIS EN DE MARTELDOOD.

hij zich slechts korten tijd daar opgehouden. Mogelijk riepen nieuwe berichten uit Rome hem naar die plaats des gevaars, waar de terugkeerende, zwaar beproefde gemeenteleden groote behoefte hadden aan een moedigen leider, indien de gemeente ooit weder herstellen zou van de vreeselijke slagen, haar in den zomer van het jaar (34 toegebracht. Welke gruwelen men ook nog voortdurend beschreef — gruwelen, voltrokken aan de Christenen — toch haastte de Apostel zich den zoo hoogst gevaarlijken post te bereiken, wetende, dat zijn komst daar zoo zeer noodig was. Hij wist maar al te goed, dat hem, evenmin als eiken anderen Apostel of jonger, ongeluk en moeite, misschien een gewelddadige dood gespaard zouden blijven. Integendeel, hij gedacht aan dien dag in Damaskus, toen de Heer hem op wonderbare wijze voor zicli gewonnen had met het schijnbaar weinig uitlokkende vooruitzicht; „Ik zal hem toonen, hoeveel hij lijden moet om mijns naams wil.quot;

En zoo zag hij dan, ongeveer in het jaar 66, toen hij waarschijnlijk van Ostia kwam, de welbekende stad der zeven heuvelen, nu zoo gewijzigd door de prachtige gebouwen van Nero, weder voor zich liggen. Weldra bevond hij zich in het midden der uiteengedreven, vreesachtige schaar van Christenen, die ontkomen waren aan de vervolging van Nero. Hoe menig dierbaar hoofd, dat hij voor twee jaren hier had achtergelaten, miste hij in den kring! Tot welk een kleine schaar was het, toen zoo groote, getal jongeren des Heeren versmolten! En zelfs nu nog was Rome geen veilige verblijfplaats. Het schijnt, dat nog voortdurend de Christenen, van ieder gehaat, bloot stonden aan aanklachten en gevangennemingen. Korten tijd nadat de Apostel in Rome gekomen was, treffen wij hem daar wederom in boeien aan, en ditmaal was zijn gevangenschap veel zwaarder dan den vorigen keer. Bovendien waren de bevriende personen, die hem tot zoo grooten troost geweest waren tijdens de eerste gevangenschap, niet meer in de stad. Aquila en Priscilla waren ongetwijfeld, toen de vervolging uitbrak, weder naar Efeze ver-

460

-ocr page 489-

IX HET JAAR 67.

trokken (2 Tim. 4 : 19). Doch éen vriend vond hij weder, n.1. den getrouwen Lukas; ook zag hij hier den Apostel Petrus terug, dien hij niet verwacht had hier te zullen aantreffen, en die evenals Pauius geketend was. Had niet Petrus zich reeds in Jeruzalem zeer aangetrokken gevoeld tot Pauius tot den man, wiens geest zoo krachtig, wiens wil zoo vast was? En nu zouden Petrus en Pauius, de Apostel der Joden en de Apostel der Heidenen hier door een gemeenschappelijken dood den Heer prijzen.

Het was namelijk den Apostel duidelijk, dat hij ditmaal den dood te gemoet ging. In den laatsten brief van zijne hand, den tweeden Brief aan Timotheus, spreekt hij geheel vrijmoedig die gedachte uit. „Ik word nu geofferd,quot; zoo schrijft hij aan zijn vriend Timotheus, „en de tijd mijner ontbinding is aanstaande. Ik heb den goeden strijd gestreden; ik heb den loop geëindigd; ik heb het geloof behouden. Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heer, de rechtvaardige rechter, in dien dag geven zal.quot; Ook verzoekt hij Timotheus dien hij. voor zijn heengaan, gaarne nog eens zien wilde, dringend tot hem te komen. (2 Tim. 4 : (5 — 9). De oude Apostel gevoelt zich eenzaam in zijn gevangenis. Demas, die de tegenwoordige wereld lief gekregen had, had hem verlaten en was naar Thes-salonica gereisd. De andere medearbeiders, Crescens, Titus en Tychikus, heeft hij naar de gemeenten in Galatië en Dalmatië, en naar Efeze gezonden. Erastus is in Korinthe. Trofhnus in Milete. Alleen de getrouwe Lukas, zijn onafscheidelijke reisgenoot in Oost en West, is nog bij hem. En Markus, hem, met wien de eerste zendingsreis ondernomen werd, en die reeds sedert lang de liefde en achting van den Apostel herwonnen had, hem verzoekt Pauius naar Rome te komen, om elkander voor het laatst te ontmoeten. De oude man gevoelt een sterk verlangen naar allen, die hem op aarde lief geworden zijn; het is hem een behoefte, allen nog eenmaal tot afscheid, te aanschouwen. En dit verlangen werd sterker, naarmate hij zich in den laatsten tijd meer eenzaam begon te gevoelen. Hij had in Rome invloedrijke

461

-ocr page 490-

462 DE LAATSTE ZENDINGSREIS EN DE MARTELDOOD.

vrienden, welke hem krachtig hadden kunnen steunen bij zijne verantwoording voor het gerecht. Misschien waren het Christenen uit de Joden. Toen Paulus echter voor de eerste maal voor het gerecht moest verschijnen, lieten allen hem in den steek. In plaats van omringd te zijn door getrouwe vrienden, die voor zijne zaak optraden, zooals zulks de gewoonte was voor het romeinsche gerecht, moest Paulus geheel alleen optreden. Reeds scheen de rechter van plan het vonnis: Ad leonen! „Voor de leeuwen!quot; uit te spreken, door welke woorden hij veroordeeld zou geweest zijn, evenals duizenden gevangenen, tot den dood te vechten met tijgers en leeuwen, in de arena van het theater. Doch de Heer sterkte hem op wonderbare wijze en gaf zijn woorden zulk een kracht, dat hij, ofschoon door allen verlaten, nog eenmaal tot de gevangenis terug geleid werd, zonder veroordeeld te zijn. Hij-zelf was te moede, alsof hij gered was uit den reeds geopenden muil des leeuws. En nu schrijft hij aan Timotheus: „In mijn eerste verantwoording is niemand bij mij geweest, maar zij hebben mij allen verlaten. Het worde hun niet toegerekend. Maar de Heer heeft mij bijgestaan en heeft mij bekrachtigd, opdat men door mij ten volle verzekerd zijn zou van de prediking en alle Heidenen dezelve zouden hooren. En ik ben uit den muil des leeuws gered. De Heer echter zal mij verlossen van alle kwaad en mij bewaren tot zijn hemelsch koninkrijk; Hem zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid! Amen.quot; (2 Tim. 4 : 16 — 18).

Dit zijn de laatste woorden, door Paulus\' hand geschreven; zij zijn een schoone hymne, opstijgende uit een bewogen gemoed, een loflied, waarin zich zijn grootsch leven oplost. Met dit — Amen — geschreven in het aangezicht des doods, besluit deze machtige schrijver zijne geschriften, welke ieder afzonderlijk een daad zijn, die invloed op de wereldgeschiedenis, op landen en volkeren uitoefende; deze geschriften zouden als vliegende bladen door millioenen handen gaan in alle deelen der aarde. Hij heeft met dit woord op datgene,

-ocr page 491-

IN HET JAAR 67.

463

waarvan zijn gansche leven getuigenis gaf, waarop de hoop zijns levens gebouwd was, een „Amenquot; uitgesproken, dat luide zou naklinken door duizenden van jaren. Spoedig daarna is hij, zooals de gelijkluidende berichten omtrent de eerste kerk, aangeven, ongeveer terzelfder tijd als Petrus, tegen het jaar 67 onder de regeering van Nero, den marteldood gestorven. Dionysius van Korinthe (-j- 170) zegt; „Paulus en Petrus hebben, nadat zij onze gemeente in Korinthe gesticht en tezamen in Italië gepredikt hadden, den marteldood ondergaan.quot; Irenaeus (eveneens 170) schrijft: „Mattheus schreef zijn Evangelie, toen Petrus en Paulus tezamen het Evangelie in Rome predikten en waar zij de gemeente stichtten. Na hun heengaan schreef Markus zijn Evangelie.quot; Van Gajus, een presbyter der gemeente te Rome (eveneens tegen het einde der tweede eeuw) vernemen wij, waar de beide mannen den dood vonden. Deze verklaart zich bereid, om zijn tegenstander, den Montanist Proklus, de graven der beide Apostelen te wijzen, dat van Petrus bij het Vatikaan, dat van Paulus op den weg naar Ostia. Tertullianus (-f- 200) voegt aan zijn bericht toe, op welke wijze de mannen gestorven zijn. Hij zegt: „Het hoofd der vijanden Gods, Nero, keerde zich ook tegen de Apostelen. Onder zijn regeering werd Paulus in Rome onthoofd, en Petrus aan het kruis genageld.quot; De smadelijke dood aan het kruis, dien Petrus bij het Vatikaan moest ondergaan, kon niet aan Paulus voltrokken worden. Als romeinsch burger mocht hij niet anders gedood worden dan door het zwaard. Buiten de stad dus, op den weg naar Ostia, daar, waar heden nog een der prachtigste kerken van de wereld, de San Paolo f u o r i le m u r a, op het graf van den Apostel staat, heeft Paulus zijn hoofd gebogen voor het zwaard van den beul; daar heeft hij, door als een held te sterven voor zijn Heer, de kroon gezet op zijn ongeëvenaard leven, dat, sedert de bekeering in Damaskus, geheel en al gewijd was aan den dienst zijns Heeren. Zoo heeft hij dan, naar zijn vurig begeeren, den loop met vreugde geëindigd, evenals, juist dertig jaar geleden, de

-ocr page 492-

464

eerste martelaar Stefanus, van wiens dood hij, Paulus, niet welgevallen getuige was geweest, en wiens laatste woorden hij stervend herhaalde; „Zie, ik zie de hemelen geopend en den Zoon des Menschen staande ter rechterhand Gods.quot;

Opdat allen hem kennen!

„Aan alle kreatuur!quot; dat is de heerlijke belofte, waarmede dertig jaren voor den dood van Paulus, de Heer zelf, staande op den Olijfberg, de kleine schaar zijner jongeren uitzond in de wereld, zeker van de overwinning. Hij deed hen uitgaan in een wereld, wier macht en beschaving in hooge mate die van hun eigen land overtrof. En toch kon, na verloop van eenige weinige tientallen van jaren, een opmerkzaam oog reeds waarnemen, op hoe wonderbare wijze dit woord des Heeren werkelijkheid begon te worden. Men bespeurt, dat Hij, die op den Olijfberg deze woorden sprak, welke naar menschelijk inzicht een onuitvoerbaar plan behelsden, met vaste hand alles leidt, waardoor de belofte eenmaal vervuld zal worden. De Apostelen, die zich in alle richtingen verspreiden, zijn slechts de werktuigen, bestuurd door hooger hand. Letten wij echter op de werktuigen, dan springt ons daaronder terstond de hooge, eigenaardige, sterk sprekende gestalte van den Apostel Paulus in het oog. Hij, die twintig jaren lang, gehuld in het eenvoudige kleed eens handwerksmans, het romeinsche rijk doortrok, hij heeft, wanneer wij zijn arbeid beschouwen in het licht der komende eeuwen, reeds geheele werelddoelen door de onweerstaanbare macht zijns geestes geleid op het, door hem aangewezen, spoor. Toen hij, op den weg naar Damaskus, plotseling van den meest geduchten vijand veranderd werd in den met geestdrift bezielden Apostel, toen was de kerk niet meer dan een kleine, bijna uitgeroeide secte. Toen hij in Eome zijn hoofd voor den scherprechter boog, had hij, door het stichten van gemeenten, welke in de toekomst rijke vruchten beloofden, reeds de geheele wereld

-ocr page 493-

BESLUIT.

vervuld van den naam des Heeren Jezus. Van Antiochiö uit, heeft hij liet Evangelie gedragen over den hoogen Taurus, over de ongastvrije steppen van Klein-Azië, door de weelderige vlakten van Prygië en Ionisch Klein-Aziö, langs de kusten en dooide dalen van Macedonië, langs de klassieke oevers van G-rie-kenland, door Illyrië, Dalmatië en Kreta, naar Italië en Eome, tot naar de verblijfplaats der, steeds machtiger wordende Prae-torianen op den Palatinus, ja, waarschijnlijk zelfs tot naar het einde der toen bekende wereld, tot naar Spanje.

Zekerlijk, naar waarheid kon hij getuigen, wat hij eenige weken of maanden voor zijn dood geschreven had: „Ik heb den loop geëindigd!quot; En het is geen toeval, dat hij juist in Rome den loop moest eindigen; neen! ook daaruit blijkt, hoe geheel zijn leven bestuurd werd door een goddelijke hand. Dat de Apostel zijn werk eindigde in het middelpunt der geheele wereld was een schooner bewijs van Gods voorzienigheid, dan elke andere gebeurtenis, geschied in den loop der dertig jaren na des Heeren hemelvaart. Reeds Lukas schijnt ons daarop te willen wijzen. Hij begint zijn Evangelie met den keizer in Rome, hij besluit het verhaal van de Handelingen der Apostelen met de prediking in het keizerlijke Rome. quot;Nog vermoedt men in Rome niet, van hoe groote beteekenis de kleine schaar van Christenen zal zijn in de geschiedenis der wereld. De keizer Augustus, van wien het bevel der beschrijving uitging, vermoedde niet, dat het kindeke in Bethlehem na duizenden van jaren zou heerschen over een rijk, welks grenzen ver buiten die van liet gebied des keizers zouden gelegen zijn. Evenmin vermoedde keizer Nero, dat de eigenlijke kern der komende wereldgeschiedenis niet gelegen was in zijne paleizen, noch in het Forum Romanum, noch in zijne legerscharen, maar in de enge gevangenis van Paulus op den Veminalischen heuvel; hij voorzag niet, dat de prediking, door duizenden martelaren, voor wien de dood een zaak van vreugde was, gehouden op de daken van het brandende Rome, nog na duizenden van jaren door de wereld zou

ao

465

-ocr page 494-

LAATSTE ZENDINGSREIS EN MAETELDOOD.

466

klinken, lang nadat het oude romeinsche rijk te gronde gegaan zou zijn. Doch God had dit alles zoo beschikt. Hij had het leven van Paulus zoo langen tijd gespaard, hem gered uit menigvuldige gevaren, opdat de arbeid zijns levens in Rome gekroond zou worden. Hoe dikwijls de rustelooze held \'ook in levensgevaar mocht verkeerd hebben, telkens had God hem bewaard; hij bezweek niet onder de hem toegeworpen steenen in Lystre, hij kwam niet om in het theater te Efeze, hij liet het leven niet in de handen der verwoede Joden in Jeruzalem; hij verdronk niet bij de, viermaal door hem beleefde, schipbreuk, neen, in Rome moest hij sterven. Hior, in het brandpunt der geheele wereld, in do plaats, vanwaar het Evangelie zijn invloed moest doen gevoelen op de geheele wereld, hier, in de hoofdstad der wereld moest hij prediken. Het was de taak van den onbuig-zamen, standvastigen man, — van hem, die reeds meer dan eenmaal de vrijheid des Evangelies had moeten verdedigen tegen de Christenheid, welke gebonden was door joodsche enghartig-_ om vóór zijn dood de gemeente in de alles beheerschende keizersstad te bezielen met den geest van vrijheid, den geest zijns Evangelies, opdat deze gemeente hare vleugelen zou uitslaan, bevrijd van het verlammende gewicht der joodsche inzettingen, en haar vlucht zou nemen over de geheele wereld. Dat juist deze gemeente in later jaren de ijverigste voorstandster zou zijn van willekeurige, menschelijke leeringen; dat het Evangelie van Paulus, hetwelk de genoegzame genade van Jezus Christus predikte en alle menschelijke tusschenpersonen of werkheiligheid verwierp, juist in Rome zijn grootsten vijand zou vinden; dat juist van deze stad uit, de aanbidding eener vrouw, als „het heil en de troosteres aller menschen,quot; in plaats van de aanbidding van den hemelschen Vader in Jezus Christus geleerd zou worden, en deze leer door een groot deel der Christenheid beschouwd zou worden als het ware Evangelie; dat alles, levert éen dier ontzettend tragische feiten op, waaraan de wereldgeschiedenis zoo rijk is. Deze droeve werkelijkheid ver-

-ocr page 495-

BESLUIT.

vult ons echter met ontzetting, wanneer wij gedenken dat het alles geschiedt boven het graf van Paulus.

Wij nemen echter afscheid van den Apostel Paulus, van den getrouwen dienstknecht des Heeren Jezus Christus, om nooit van hein te scheiden. Met aandoening zien wij nog eenmaal terug op het leven van dezen grootsten aller helden der Christelijke kerk, op zijn moeilijken overwinningstocht van het Oosten naar het Westen door het romeinsche keizerrijk, beginnende te Antiochië, gaande tot Rome en Spanje. En wanneer wij dit leven, dezen arbeid bewonderen, dan kunnen wij goen beter woord vinden, dat uiting geeft aan onze gevoelens, dan het merkwaardige, profetische woord, eenmaal door den Heer in .Damaskus uitgesproken: „Deze is mij een uitverkoren vat, om mijnen naam te dragen voor de Heidenen en de koningen en de kinderen Israelsquot; (Hand. 9 : 15).

Voor alle eeuwen is de Apostel niet alleen het toonbeeld der vroomste, meest gereede geloofsgehoorzaamheid, maar ook van het onwankelbaarst geloofsvertrouwen. In alles vertrouwde hij op de goddelijke kracht des Evangelies. In den loop der kerkgeschiedenis heeft de geheele wereld, met haar macht, beschaving en wetenschap, zich niet zoozeer tegenover het Evangelie gesteld, als in dien tijd. Doch sedert voor Paulus de hoogste wetenschap daarin bestond; Christus te kennen, boezemde elke andere wetenschap, welke niet dit hoogste doel beoogde, hem geen belang meer in. Zeker van de overwinning, stond hij met zijn Evangelie op den Areopagus van Athene, evenals op het Kapitool van Home; hij was er ten volle van verzekerd, dat in het Evangelie van Jezus Christus alles besloten is: het heil, de vrede, de gelukkige toekomst, de vooruitgang en beschaving, en eindelijk de volkomen volmaking en verheerlijking der geheele wereld. De tegenwoordige Christenheid moet wederom bij hem ter schole gaan. Vreesachtige gemoederen meenen in dezen tijd dikwijls, dat het Evangelie niet meer bestaanbaar is, nu de stroom des tijds en der wetenschap hoogmoedig indruist tegen

467

-ocr page 496-

LAATSTE ZENDINGSREIS EN MAETELDOOD.

het Evangelie van Christus. Doch bestaat er werkelijk reden om zoo kleinmoedig te wezen? Spreekt niet Paulus (1 Kor. 1 ; 20) terecht: „Waar zijn de wijzen? Waar zijn de onderzoekers dezer eeuw?quot; Heeft niet God door een geschiedenis van tweeduizend jaren te schande gemaakt alle wijsheid der wereld, welke zich niet wilde buigen onder Christus en Zijn kruis? Wij behoeven ons nu ook niet „het Evangelie van Christus te schamen, want het is een kracht Gods,quot; welke als hoogste macht ter wereld de geschiedenis der wereld leidt. Wij behoeven zelfs geen draad prijs te geven van de oude banier, onder welke de kerk ten tijde van Paulus de zege bevochten heeft. Dit vertrouwen kunnen slechts weinigen zoo zeer in ons versterken als Paulus.

Daarom, vriendelijke lezer, was het mij een genot met u den weg te reizen, dien Paulus van Antiochië naar Rome heeft afgelegd, ook al gevoel ik mij onwaardig dezen man de schoenriemen te ontbinden, noch in staat de gansche diepte van dezen groeten geest te peilen. Ik heb getracht u een duidelijk beeld te schotsen van hem, dien een der grootste geschiedschrijvers eenmaal genoemd heeft: „den man, die den grootsten invloed heeft uitgeoefend op de wereldgeschiedenis.quot;

Mochten vele lezers gedrongen worden opnieuw, niet heilbegeerig hart te grijpen naar diens geschriften, waaruit een heilige geest u tegemoet komt, om aldus in onmiddellijke gemeenschap te treden met dezen geweldigen geest. Mocht hij, lieve lezer, uw geloof versterken, uw vertrouwen op de steeds werkzame, Goddelijke kracht des Evangelies bevestigen! Mocht hij bovendien u en de geheele Christenheid vervullen met nieuwen ijver voor hei groote werk der Zending, allen krachtiglijk - in het geweten grijpend, het hart bezielend, den moed opwekkend, den voet vleugelen gevend — herinneren aan het woord, op den Olijfberg uitgesproken, aan welks vervulling hij zijn geheele leven wijdde, het woord des Heeren: „Gaat heen, in de geheele wereld,quot; opdat allen Hem kennen!

468

-ocr page 497-

T IJ D T A F E L

Jaar.

33. Dood, opstanding, hemelvaart des Heeren. 37. Bekeering van PauluB. Naar Arabië.

40. Terugkeer uit Arabië, naar Jeruzalem en Tarsen. 40—43. Verblijf te Tarsen.

44. Paulus gaat met Barnabas, op diens verzoek, mede naar Antiochië.

44. Paulus en Barnabas reizen naar Jeruzalem.

45- 50. EERSTE ZENDINGSREIS. (Paulus en Barnabas).

45, 46. Prediking in Cyprus.

47. Perge, Antiochië in Pisidië en omstreken.

48, 49. Iconium en omstreken.

50. Lystre, Der be en omstreken.

50. Terugkeer door het Zendingsgebied naar Antiochië.

51. Concilie der Apostelen.

51-54. TWEEDE ZENDINGSREIS. (Paulus, Silas, Timotheus, Lukas).

51, 52. Reis door Klein-Azië naar Troas.

52. (Begin des jaars). Filippi.

(Zomer). Thessalonica en Athene.

(October). Korinthe.

52 — 54. (October 52 tot Maart 54, l1/\'. jaar). Verblijf te Korinthe.

De Brieven aan de Thessalo n icensen. 54. (Maart). Vertrek van Korinthe, komst te Efeze. 54. (April). Komst te Jeruzalem.

54. (Mei). Antiochië. Ontmoeting van Paulus en Petrus. 54-59. DERDE ZENDINGSREIS.

54. (Juni). Vertrek van Antiochië.

(Zomer). Reis door Galatië en Frygië naar Efeze. (September). Komst te Efeze.

(October tot December). Prediking in de Synagoge. (Hand. 19 : 8).

-ocr page 498-

Jaak.

55, 56. Prediking in de vergaderzaal van Tyrannus en verbreiding des Evangelies door de geheele provincie.

De Brief aan de Galaten.

57. (Begin des jaars). Timotheus en Erastus naar Macedonië ■ gezonden (Hand. 19 : 22).

57. (Januari tot October). Paulas alleen met Aquila en Priscilla te Efeze.

Eerste Brief aan de Korinthiërs.

58. Reizen naar Korinthe, Troas, Macedonië, Illyrië.

Tweede Brief aan de Korinthiërs.

58. (December) tot 59 (Februari). Verblijf te Korinthe.

Brief aan de Romeinen.

59. (Maart). Reis door Macedonië naar Jeruzalem.

(April). Paschen in Eilippi.

(Juni). Pinksteren in Jeruzalem.

(Juni). Gevangenneming van Paulus in Jeruzalem. 59-64. GEVANGENSCHAP gedurende 4\' 2 jaar. 59. (Juni) tot 61 (September). In Cesarea.

61. (September) tot begin 62. Reis naar Rome.

62. (Voorjaar) tot 64 (Voorjaar). Eerste gevangenschap in Rome.

De Brieven aan do Kolossensen, Efeziërs, Filippensen en Filemon.

64. (Maart). Bevrijding uit de gevangenschap. 64-66. VIERDE ZENDINGSREIS.

(Reis naar Creta, Macedonië, Klein-Azië en Spanje). 67. Tweede verblijf in Rome, gevangenschap en marteldood.

De Brieven aan Timotheus en Titus.

Opmerking. Voor hot vaststollen dezer tijdsorde zijn er twee uitgangspunten: de reis naar Jeruzalem in hot jaar 44 (Hand. 12) on do komst van Festus in Pa\'estina (Hand. 25). Steunende op deze heide, met zekerheid vastgestelde, tijden, kan men het overige gemakkelijk nagaan.

UrTtl

-ocr page 499-

INHOUD.

Bladz.

Voorrede ....................................v

Vijf jaren onder de Galatkn.

De reizigers................................3

Het doel der reis............................8

In het hoogland van Klein-Azië.........12

In Antiochië................16

Naar Iconium...............28

In Iconium................36

In Lystre .................45

In Derbe.................55

Do terugkeer naar Syrië...........63

Tot aan de poorten van Europa.

Een jaar in Antiochië............69

Het concilie der Apostelen...........77

Nieuwe zendingsplannen............81

Naar Cilicië................85

In de passen van den Taurus.........90

De Cilicische poort.............95

In Lykaonië en Galatië............101

Naar Europa!...............106

De stichting der Macedonische kerk.

De aankomst in Macedonië . .........115

In Filippi .................118

Het oproer in Filippi.............123

Het afscheid van Filippi...........130

Aan den voet van den Olympus........136

Vier weken in Thessalonica..........141

De vlucht........... .....150

Paulus te Athene.

Naar Griekenland , ...............163

De aankomst te Athene............170

Athene..................176

Op den Areopagus..............184

-ocr page 500-

PaüLUS TE KORINTHE. Bladz.

De aankomst te Korinthe...........195

Voorbereidende werkzaamheid.........201

De stichting der gemeente...........206

De aanslag der Joden............211

De arbeid in de gemeente...........216

Een Zondag te Korinthe...........223

In den vreemde!..............230

Het vertrek................235

In Ionisch Klein-Azië.

Een nieuw arbeidsveld............243

De aankomst te Efeze............247

Efeze..................252

De openbare toestanden........; . . . 259

In de vergaderzaal van Tyrannus . . -.....264

In de provincie...............272

De strijd om het Apostelschap.........283

Het Diana-oproer..............297

Het vertrek................310

De ondergang van Efeze...........319

In Jeruzalem en Cesarea.

De toestanden in Palestina..........331

Op naar Jeruzalem.............343

Paulus te Jeruzalem.............350

De gevangenneming des Apostels........358

Naar Cesarea................372

Cesarea ..................378

Paulus voor het Romeinsche gerecht.......382

Zoete vruchten van bittere tijden........388

Het beroep op den Keizer...........394

Op de puinhoopen van Cesarea....... • 404

Paulus te Rome.

De zeereis.................411

De aankomst in Italië............423

Op den Appischen straatweg naar Rome.....428

Paulus te Rome..............439

De eerste Christenvervolging..........451

De laatste zendingsreis en do marteldood.....456

Tijdtafel..................469

\'ll téï %

-ocr page 501-
-ocr page 502-
-ocr page 503-
-ocr page 504-