-ocr page 1-
-ocr page 2-

Ill

J. C. Hinrichs^sche Buchhandlung in Leipzig.

■ /• lt; „sj/___ufo

2nrgt;*1—

\' t,a*lt;^r \' ZT- y- r* , /•

*1.

\'/ ^-V*

iC/k

//rf

E\\:m

H;gRIT£5AN5Rf^R I

-ocr page 3-
-ocr page 4-

DE GELIJKENISSEN VAN DEN ZALIGMAKER.

-ocr page 5-
-ocr page 6-

G U IS] N ! N G

DE GELIJKENISSEN

VAN DEN

ZALIGMAKER.

TWEE EN-ViJFTIG LEERREDENEN

DOOK

C. H. Spurgeon.

^Cit fut éucjeCacfv ucttaaf3 DOOK

Elisalbetli IP\'re^stacLt.

utrecht. — h. ten hoove.

BiOLlOTHEEK dek .^IJ KS Lgt;\' Ni V£ RSi TE 17

U T R E C H ü \'

-ocr page 7-
-ocr page 8-

INHOUD.

Bladz. Tekst.

Vermeld in slechts één Evangelie.

DE SCHOONE PAEEL.

1. De parel van groote waarde . . . Mathh. 13 : 45, 46. DE ARBEIDERS IN DEN WIJNGAARD DES HEEREN.

17. Vroeg en laat in den wijngaard, of

Horse Gratite........Matth. 20: 1,3, 5, (

DE TWEE ZONEN.

- 34. De twee zonen........Matth. 21 28 — 82.

51. Arbeid in den wijngaard des Heeren Matth. 21 : 28.

DE BRUILOFT VAN DEN ZOON DES KONINGS. 68 De gelijkenis van de bruiloft. . . Matth. 22: 2 — 4. 84. „Zij zulks niet achtendequot; .... Matth. 22: 5.

99. De bruiloft werd vervuld met aan-

. . Matth. 22: 10. . . Matth. 22: 11-13.

zittende gasten

116. Wat is het bruiloftskleed? . .

DE TWEE TALENTEN.

132. De twee talenten.......Matth. 25: 22, 23.

DE SCHAPEN EN DE BOKKEN.

147. Het loon der i\'echtvaardigen . . . Matth. 25: 31—36. 164. De laatste scheiding......Matth. 25: 32.

HET ZAAD GROEIENDE IN HET VERBORGEN.

181. Wat de arbeiders kunnen, en wat zij

niet kunnen........Markus 4 : 26 — 29.

BLINDE LEIDSLIEDEN DER BLINDEN. 199. De keus van een\' gids.....Lukas 6 : 39, 40.

\'

J

-ocr page 9-

INHOUD.

Bladz. Tekst.

DE BARMHARTIGE SAMARITAAN.

216. De barmhartige Samaritaan. (Eene leerrede ten behoeve van de ziekenhuizen) .........Lukas 10: 25-37.

233. Goede tijding voor u......Lukas 10: 83.

DE ONVRUCHTBARE VIJGEBOOM.

249. De onvruchtbare vijgeboom . . . Lukas 13: 7, 8.

265. Ook nog dit jaar.......Lukas 13: 8. •

HET GROOTE AVONDMAAL.

271. Alle dingen zijn nu gereed. Komt . Lukas 14; 17. 287. Eene slechte verontschuldiging erger dan geene verontschuldiging Lukas 14: 18. 304. Dwing ze in te komen.....Lukas 14: 23.

DE MAN, DIE EEN\' TOREN WILDE BOUWEN.

319. Overrekenende de kosten .... Lukas 24: 28-30.

DE KONING GAANDE NAAR DEN KRIJG.

335. De koning gaande naar den krijg . Lukas 24: 31, 32.

DE VERLOREN ZOON.

351. Belijdenis van zonde......Lukas 15: 18.

365. De terugkeer van den verloren zoon Lukas 15: 20. 380. De ontvangst van den verloren zoon Lukas 15: 20. 395. (Gods overvloedige liefde voor den tot Hem wederkeerenden zondaar ...........Lukas 15 : 20.

410. De ontvangst van zondaren . . . Lukas 15: 22, 23.

DE ONRECHTVAARDIGE RENTMEESTER.

426. Rentmeesters. (Ten behoeve van de

Zondagsschool-vereeniging . . . Lukas 16: 2.

DE RIJKE MAN EN LAZARUS.

442. De klove zonder brug.....Lukas 16: 26.

457. Een prediker uit de dooden . . . Lukas 16: 31.

DE ONRECHTVAARDIGE RECHTER.

472. De onrechtvaardige rechter . . . Lukas 18: 1—8.

VI

-ocr page 10-

INHOUD. VII

BIadz- Tekst.

DE FARIZEER EN DE TOLLENAAR. 488. De Farizeamp;r en de tollenaar . . . Lukas 18: 13.

DE TIEN PONDEN. 502. De dienstknechten en de ponden . Lukas 19; 12, 13.

DE GOEDE HERDER.

519. Andere schapen en ééne kudde . . Joh. 10: 16. 536. De schapen en hun Herder . . . Joh. 10; 27. 551. De veiligheid van de geloovigen; of

schapen, die niet verloren gaan . Joh. 10; 27 — 30. 567. Het eeuwige leven......Joh. 10; 28.

DE quot;WARE WIJNSTOK.

583. Een scherp snoeimes voor de wijnranken .........\' . Joh. 15; 2.

600. Zonder Christus — niets .... Joh. 15; 5.

Vermeld in twee Evangeliën. DE AANGESTOKEN KAARS.

617. De kaars..........Matth. 5; 15, 16.

DE HUIZEN OP DE ROTS EN OP HET ZAND. (jSé. De twee bouwers en hunne huizen Matth. 7; 24, 27. 651. Fondamenten........Lukas 6; 46 — 49.

HET VERLOREN SCHAAP.

668. Één verloren schaap......Matth. 18: 12, 13.

685. De gelijkenis van het verloren schaap Lukas 15: 4-7.

Varmeid in drie Evangeliën,

DE ZAAIER.

7o2. Öezaaid ondei\' de doornen , . , . Matth. 13; 7, 22.

719. Het zaad op den sleenachtigen grond Markus 4 : 5, 6.

\'TSö. De gelijkenis van den zaaier. . . Lukas 8: 4 — 8. ■(52. Satans vaardigheid, zijne macht en

zijn doel ...quot;......Lukas 8; 12.

HET MOSTAARDZAAD.

758. Het mostaardzaad. (Eene preek voor

de Zondagsschoolonderwijzers. . Lukas 18; 18, 19.

-ocr page 11-

vm INHOUD.

Tekst.

Bladz.

Vermeld in twee Evangeliën. DE VERDORDE VIJGEBOOM.

775. De verdorde vijgeboom.....Matth. 21: 1/—20.

792. Niet dan bladeren Markus 11 : 13.

Vermeld in slechts één Evangelie. DE VERLOREN PENNING. 809. De verloren penning......Lukas 15; 8-10.

f.i

-ocr page 12-

DE PAREL VAN GROOTE WAARDE.

„Wederom is het koninkrijk\'der hemelen\'gelijk een koopman, die schoone paarlen zoekt; dewelke, hebbende eene parel van groote waarde gevonden, ging heen, en verkocht al wat hij had, en kocht dezelve.quot;

Matth. XIII: 45, 46.

Een koopman legt er zich op toe om met zijn handel winst te doen. Hetzy hij handelt in paarlen of in graan, het is niet door arbeid, dat hy hoopt rijk te worden. Dat laat hy over aan hen, die in het zweet huns aanschijns hun brood eten. Zijn brood tracht hij te verkrijgen door het zweet van zijn brein. Hij is niet zoo zeer afhankelijk van arbeid als wel van kennis, van bekwaamheid, van het voordeel, dat zijne bekendheid met de waar, waarin hy handelt, hem geeft boven anderen. Nu is, in zeker opzicht, deze koopman reeds bij den aanvang het beeld, het type van hen, die Christus zoeken. Christus en de zaligheid.kunnen niet verdiend worden; men kan ze niet verkrijgen als loon voor arbeid. Maar Christus kan wél verkregen worden door kennis. Wat zegt de Schrift ? „Door zijne kennis zal mijn knecht, de rechtvaardige, velen rechtvaardig maken;quot; dat is; doordat zij Christus kennen, worden zy gerechtvaardigd. Dat is eigenlijk slechts eene andere wijze van voorstelling der verlossing, die aldus is uitgedrukt: „Hoe zal ik hooren, zonder die my predikt?quot; Het werk begint met het hooren van den prediker, dan gaat het voort met het geloo-ven van hetgeen zij hooren, en door het gelooven worden zy zalig. Dit is innerlijke kennis — kennis, die door Gods boodschapper of door Gods Woord is medegedeeld — kennis, die gehoord, kennis, die geloofd werd. Aldus komen de menschen tot de kennis van Hem wien te kennen het eeuwige leven is, want als iemand Christus kent en Hem verstaat, zoodat hij Hem zijn hart geeft, dan is hij behouden. In zoover dus de koopman zijn voordeel zoekt door meerdere kennis, wordt hij het type van den mensch, die zalig wordt door het verkrijgen van de kennis van de heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus.

Ik zal hier echter niet bij verwijlen, maar terstond spreken van den koopman in deze gelijkenis, want hij is een ge-

1

-ocr page 13-

de parel vak groote waarde.

past beeld van velen, die Christus aangrijpen en in Hem hun alles in alles vinden. Beschouwen wij dezen koopman, terwijl hij vier dingen doet: ten eerste: zoeken; daarna vinden; vervolgens verkoopen; en eindelijk koopen.

I. Wij zullen hem dan in de eerste plaats gade slaan terwijl hij zoekt. „Wederom is het koninkrijk der hemelen ge-lyk een koopman, die schoone paarlen zoekt.quot; Dit verschilt van den man, van wien wij zoo even gelezen hebben, die als hü toeval een\' schat vond, toen hij op den akker was. Hij zocht naar iets anders, en vond toen onverwachts den schat. Dat is de mensch, dien God in zijne oneindige vrijmacht verlost en zalig maakt, ofschoon hij te voren onverschillig en zorgeloos was. Deze koopman is iemand van edeler aard. Zyn geest, zijn verstand is meer ontwikkeld, hij is van eene gansch andere gezindheid. Hij zoekt schoone paarlen — iets goeds, niet juist die ééne parel van groote waarde, want in den beginne wist hij daar niets van; maar toch! hy zoekt paarlen, en ten gevolge van zijn zoeken vindt hij die eene parel.

Merk nu op, dat bij hem, als zoeker het verstand gescherpt, de geest opgewekt en met iets werkzaam is. Hij denkt aan iets — hy denkt aan paarlen. Zijn hart is vervuld van zyne zaken. Hij spant er zijne krachten voor in. Al zijne gedachten worden bezig gehouden door edelgesteenten. O ! dat wy de menschsn konden opwekken om hun denkvermogen te oefenen, en daarna hunne gedachten te besturen, te regelen, te beheerschen ! Denken is echter een werk waar zeer vele menschen een tegenzin in hebben. Zij zijn oppervlakkig. Wij kunnen hen er niet toe bewegen om over iets te denken. Hoe komt het, dat de menschen zoo verzot zijn op het lezen van romans, en zoo zelden ware geschiedenissen lezen, die toch even boeiend en belangwekkend zijn, en oneindig meer geschikt om genoegen te verschaffen of een aangenaam tijdverdrijf te bieden? Het is omdat de geest des menschen oppervlakkig, beuzelachtig is. Een onbeduidend verhaal — eene dwaze liefdesgeschiedenis, zal hen uren lang bezig houden, maar iets degelijks, iets dat der moeite waard is om te weten, heeft weinig bekoorlyks voor hun ondiep verstand. Van velen wordt het verstand zelfs nooit met iets geoefend. Er zijn niet weinige menschen, die zóó hard werken met hunne handen, en zóóveel vermoeienis verduren door lichamelijken arbeid, dat zy nauwelyks tot veel denken in staat zijn, terwijl wederom anderen hun tyd verdoen en hun leven doorbrengen in luiheid, totdat zij gansch en al onbekwaam zijn tot denken. Zij zijn traag envadzig. Hunne ziel lijdt aan vermolming. Hun brein werkt niet. Zy schijnen in een\' voortdurenden toestand van stompzinnigheid te verkeeren en wakende te- droomen. Ach! dat de menschen wijs waren, dat zij wilden nadenken! Gelukkig de prediker, die zou weten,

2

-ocr page 14-

DE PAREL VAN ÖEOOTE WAAEDE.

dathijzyn woord richt tot waarlijk verstandig ontwikkelde en nadenkende hoorders. Dan zouden zü verwachten, dat de handvollen van goed zaad in de open voren zullen vallen, en een overvloedigen oogst voortbrengen. Het verstand van dezen koopman was wakker. Hij had zaken te doen.

Even duidelijk is ook, dat hij zich een bepaald doel voor oogen had gesteld. Hij had zich toegelegd op het zoeken van paar-len, en dat zoeken van paarlen, was voortaan zijn levensdoel. Indien gij hem hadt ontmoet en tot hem hadt gezegd: „Wat zoekt gü ?quot; Hij zou terstond hehben geantwoord: „Ik zoek schoone paarlen, hebt gij er ook voor mij te koop ?quot; Wü zouden terstond met dat antwoord gereed zijn geweest. Vraag nu echter eens aan menigeen, dien gij ontmoet; „Vriend, waarvoor leeft gij ?quot; Hy zou u misschien zeggen wat zijn beroep of bedrijf is; maar indien gij by hem aandringt met de vraag: „Wat is het groote doel uws levens?quot; dan zou hij niet gaarne zeggen, dat hy slechts leeft voor zijn vermaak of genot. Het zou hem niet licht behagen u te zeggen, dat hij leeft om te schrapen en te sparen en ryk te worden. Hij zou nauwelyks weten wat te antwoorden. Vele jonge lieden bevinden zich in dien toestand: zij hebben geen bepaald doel voor oogen. Nu zult gy geen goed scheepskapitein zijn. indien gy de haven niet kent, waar gy heen stuurt. Gij zult alles behalve eene gelukkige loopbaan hebben, jongeling, als gij na een vak of ambacht geleerd te hebben, u vestigt zonder een bepaald doel voor oogen te hebben. Zeg tot u zeiven: „Ik kan slechts leven voor twee dingen. Ik kan leven voor God, of ik kan leven voor den duivel; voor wien van beiden leef ik ?quot; Tracht hieromtrent tot eene bepaalde en vaste overtuiging te komen. Ik zal het u even vrijmoedig en even duidelijk voorstellen als Elia het voorgesteld heeft, toen hy zeide: „Zoo Baal God is, volgt hem na; en zoo Jehovah God is volgt Hem na.quot; Indien de wereld, indien het vleesch, indien de duivel waard is gediend te worden, zoo gaat heen, volgt de loopbaan van den zinne-lyken mensch, en komt daar dan rond voor uit. Weet zeiven wat gij wilt, en wat gij doet; maar indien God het waard is gediend te worden, indien uwe ziel het waard is behouden en zalig te worden, zoo legt u hierop toe; maar sluipt niet dooide wereld, terwyl gij wezenlijk slechts u zeiven zoekt, zonder evenwel den moed te hebben tot u zeiven te zeggen, dat gij alleen voor u zeiven leeft.

Deze koopman had zich voorts een doel voorgesteld, dat volstrekt niet alledaagsch was. Andere menschen kunnen in stee-nen doen, of in graan, of in hout; hy deed in paarlen. Hij was een koopman, die paarlen zocht, en dat wel de allerschoonste. Hij handelde niet in gewone zeepaarlen, of in paarlen, die men in de Schotsche rivieren vindt, maar in schoone

3

-ocr page 15-

DE PAEEL VAU GROOTE WAARDE.

paarlen. Hij stelde zich in zijn\' handel een schoon, verheven doel voor oogen. Ik wenschte wel van God. dat velen, die Christus nog niet gevonden hebben, zoo veel gezond verstand, besprengd met genade, hadden, om te zeggen: „ik zal streven naar iets goeds. Mijn leven moet niet laag bij den grond zijn. Het is voor een\' jongeling een teeken ten goede, als zijn hart uitgaat naar hetgeen groot en goed is, als hij by zich zeiven zegt: „ook mijn leven zal niet voor de aarde maar voor den hemel wezen, \'ik zal geen laag doel najagen, ik zal geen lust of behagen vinden in hetgeen slechts de zinnen streelt, en uit de aarde aardsch is. Ik zal streven naar iets, waar mijne consciëntie vrede mede kan hebben; iets waaraan ik met blijdschap zal kunnen denken, als ik kom te sterven, iets dat het merk der echtheid en der gangbaarheid draagt, als ik het naar den maatstaf der andere wereld zal moeten schatten.quot; O gij jeugdig koopman, als gij eene zaak wilt gaan beginnen, zoo beveel ik ii ten zeerste deze zaak aan van schoone paarlen te zoeken. Zoek de waarheid, zoek eerlijkheid en oprechtheid, zoek matigheid, zoek vrede, zoek liefde, zoek datgene, dat u vroom, waar en oprecht zal maken. Ik zal u straks zeggen, waar gij dit alles kunt vinden, maar laat het voor het oogenblik genoeg zijn, om eene lofwaardige eerzucht in u op te wekken voor alles wat eerlijk is en wèl luidt, met een vurige, hartelijke begeerte naar hetgeen uw eigen geweten voldoet.

Hij ging dus om paarlen te zoeken, en hij zocht ze met (iroo-ten ijver. De koopman zocht schoone paarlen. Hij opende geen\' winkel, zeggende: „Hier koopt men paarlen van hen, die er mede hier willen komenquot;; neen, hij ging er voor op reis; hij ging ze zoeken. Hoe ver hij er wel voor reisde, weet ik niet; maar zulk een Oostersch handelaar doet dikwijls zeer verre reizen. Gij kunt hen ontmoeten te Nischni-Nowgorod, in het Zuiden van Rusland, met kooplieden, die rondom de wereld geweest zijn, om te zoeken wat zij noodig hebben; menschen, die niet altijd met spoortreinen reizen, maar eiken afstand te voet zullen afleggen, zoo zij slechts de dingen kunnen krijgen, waar zij hun hart op gezet hebben, en waarin zy handelen. Afstand schijnt voor hen geene belemmering te zijn. O! wanneer iemand zich een edel doel voor oogen heeft gesteld, en zegt: „Eer ik sterf zal ik iets tot stand brengen, dat rechten goed is, weldadig en nuttig voor mijne medemenschenquot;, da-n zal hij alle moeielijkheden, waarvoor anderen zouden bezwy-ken, onder de oogen zien en te boven komen. Ik bid God, dat hij de volharding moge hebben om het ten uitvoer te brengen, en dat hij moge zeggen: „Is er iets, dat goed voor mil is om ie leeren, dan zal ik het leeren, welke zorg en moeite het my ook moge kosten, wat pijn in het hoofd en smart in de ziel ik er ook om moet verduren, tót welken prijs van lyden ik ervaring zal moeten

4

-ocr page 16-

DE PAEËL VAN GROOTE WAARDE.

verkrijgen, en hoe veel nachtwaken de studie mij ook moge kosten. Indien er iets gedaan moet worden, dat goed en recht is, dan zal ik het doen, wat ik er ook voor in de waagschaal zal moeten stellen, want ik zoek schoone paarlen.

En bü dat zoeken is die man ook met groot oordeel des onder-scheids te werk gegaan. Als wij zeer ijverig zijn en eene sterke begeerte naar iets hebben, dan loopen wij groot gevaar van gemakkelijk bedrogen te worden; maar deze koopman, die schoone paarlen zocht, was niet als eene vrouw, die geen verstand heeft van paarlen, neen hij kon eene parel herkennen, zoodra hij er een zag. Hij kende de natuur en de waarde der paarlen. Hij kon u zeggen, welke gevlekt of bewolkt waren, en welke straalden van een\' zachten glans, en welke van het zuiverste water waren. Hij was in staat om eene echte van eene nagemaakte parel te onderscheiden. Hij was een koop-

Iman, die schoone paarlen zocht. Ja, waarde vrienden, en ik bid God, dat, zoo Hij het in het hart geeft van een\' broeder, hier tegenwoordig, om te leven voor hetgeen recht en waar is. Hij u een groot onderscheidingsvermogen geve, want er is zeer veel namaak in de wereld, en gij zoudt allicht iets kunnen aangrijpen in den waan, dat het iets goeds is, iets wezenlijks, terwijl het daarna zou blijken niets dan eene schaduw te zijn. Zoekt niet slechts paarlen, maar zoekt schoone paarlen; streeft naar het goede, ja gebruikt al de vermogens uwer ziel om het beste te verkrijgen.man, die schoone paarlen zocht. Ja, waarde vrienden, en ik bid God, dat, zoo Hij het in het hart geeft van een\' broeder, hier tegenwoordig, om te leven voor hetgeen recht en waar is. Hij u een groot onderscheidingsvermogen geve, want er is zeer veel namaak in de wereld, en gij zoudt allicht iets kunnen aangrijpen in den waan, dat het iets goeds is, iets wezenlijks, terwijl het daarna zou blijken niets dan eene schaduw te zijn. Zoekt niet slechts paarlen, maar zoekt schoone paarlen; streeft naar het goede, ja gebruikt al de vermogens uwer ziel om het beste te verkrijgen.

Deze koopman schijnt in zijne zaken geene al te groote verwachtingen te hebben gekoesterd. Hij zocht paarlen. Zij moesten van eene zekere grootte en zuiverheid zijn. Blijkbaar dacht hij er eene aanzienlyke hoeveelheid van te koopen. Dat was het wat hij zocht; „Schoone paarlenquot; (in het meervoud). Hij had er volstrekt niet op gerekend zoo gelukkig te zijn eene zóó groote parel te zullen vinden, dat zü het rantsoen eens keizers waard was. Daarnaar had hij niet gezocht, ofschoon zijn hart er wel naar uitging. Indien iemand gevraagd had: „Zoudt gij gaarne ééne zeer groote parel vinden?quot; Dan zou hij gezegd hebben; „O gewis! en wel oneindig liever dan een groot aantal kleine.quot; Hij heeft dit nauwelijks gehoopt, en daarom zoekt hij er ook niet naar. Maar toch! hij wilde haar maar al te gaarne hebben, als hij haar kon hebben, als hij haar op zijn\' weg tegenkwam. Evenzoo, mijne vrienden, spreek ik van eene klasse van menschen — en ik hoop, dat vertegenwoordigers van hen zich onder ons zullen bevinden — die alles verlangen te bezitten, wat goed en waar is. Gij verlangt in alle dingen matig te zijn; gij verlangt een karakter te hebben, waarop geene smet kleeft. Ik herinner mij, dat dit ook mijn verlangen was, toen ik vcor het eerst dacht aan het leven, dat vóór my lag. Eer ik den Heere kende, placht ik te denken: „Ach! mocht

5

-ocr page 17-

DE PAREL VAN GEOOTE WAARDE.

ik slechts bewaard blijven voor oneerlijkheid, mocht ik bewaard blijven voor een boosaardig gemoed, mocht ik welgezind en waar zijn!quot; Dat waren de paarlen, die ik zocht. Ik wist toen nog niet, dat ik iets kon vinden, waarin al die paarlen van mindere waarde lagen opgesloten, en nog veel meer bovendien. Toch is het goed, dat er zulke begeerten in het hart zijn, inzonderheid bij jonge lieden. Ik wenschte, dat zy ook in het hart waren der ouden van dagen, indien zjj tot nu toe de parel van groote waarde nog niet gevonden hebben.

Aldus heb ik u den man getoond, terwijl hij zocht. Zou hij ook heden in ons midden zijn ? Maar het is misschien geen man, het kan eene vrouw, eene koopvrouw zijn. Vrouwen kunnen uitstekend zaken doen. Lydia, de purperverkoopster, was ongetwijfeld eene zeer bekwame handelaarster, en voor den goddelijken handel, waarvan wy thans spreken, is er geen onderscheid. Welnu, mijne vrienden, gy kent den Heere nog niet, maar gy streeft naar alles wat voortreffelijk is, en dat is in zoo verre zeer goed.

II. Laat ons nu echter een\' stap verder gaan, en dien man gade slaan terwijl hy vindt. Overal kocht hij paarlen. Waar hij ook henen ging, overal vroeg hij aan de menschen, of zij ook paarlen hadden. Hij ging in de achterbuurten, in de stegen en gangen der groote steden en zocht er in dien ouden tyd de Joden op, die gewoonlijk de morsigste straten der stad bewoonden. Hij verlangde te weten, of zij ook paarlen hadden. Het was paarlen des morgens, paarlen des middags, paarlen des avonds. Indien iemand des nachts onder zyn venster „paarlenquot; had geroepen, hij zou terstond naar buiten zyn gesneld om ze machtig te worden. Hij zocht ijverig naar paarlen, en zoo geschiedde het, dat de parel in zyn bezit kwam, die hy niet eens gehoopt had te zullen zien. Het was meer dan hy verwachtte. O! ik bid God, dat sommigen, hier tegenwoordig, wier hart in oprechtheid uitgaat naar hetgeen recht en goed is, Christus mogen vinden, die in zich meer van den geest der matigheid, oprechtheid, waarheid en menschlievendheid heeft dan overal elders wordt gevonden. O! dat zy Hem mochten vinden, die de waarheid is, en wiens leer volmaakte heiligheid en het eeuwige leven is. Dat zal meer wezen dan zy ooit gedacht hebben te zullen vinden; maar o ! hoe verheugd zullen zij wezen, als zy het gevonden zullen hebben!

Gewis! indien iemand, dan was deze man in de gelegenheid om eene fraaie parel te vinden. Hij kocht „schoone paarlenquot;, niet de eene parel; maar hij handelde in paarlen, en zoo was het waarschijnlijk, dat, indien de kostelijkste parel door iemand gevonden kon worden, hij die iemand zijn zou. O! indien gij begeerte hebt naar hetgeen recht, en waar, en goed is, dan vertrouw ik, dat de Heere Jezus zich aan u zal openbaren, en

6

-ocr page 18-

DE PAREL VAN GROOTE WAARDE.

dat gij zult zeggen: „Dit is nu ^eigenlijk hetgeen ik zocht, waarnaar ik verlangd en gesmacht heb, en hier is het.quot;

Die vondst was voor dezen koopman zeer opmerkelijk. Schoone paarlen vond hij niet; hij vond wat oneindig beter was, eene enkele parel; en voor hem bevatte die eene parel al de kleine paarlen, waarnaar hij te voren had gezocht. Verkondigt het, laat het allen menschen weten, dat alles wat op de aarde goed is — alles wat waar is, alles wat recht is, alles wat liefelijk is, alles wat philanthropisch is, alles wat wèl luidt, alles wat loffelük is voor God en prijzenswaardig onder de menschen in het onderwijs van den Heere Jezus Christus wordt gevonden, en ons zal gegeven worden, en in ons zal gewrocht worden, als wij ons aan Hem onderwerpen en Hem tot ons alles in alles maken. Hij, die een Christen is, heeft, zoo hij volkomen-lijk een Christen is, alle goede zaken in ééne zaak. Indien er iets is, dat door wijsgeer of geleerde geloofd en geprezen moet worden, gij zult het vinden in het voorbeeld van den Meester, en Hij zal ons genade geven om het te openbaren in ons zeiven.

Zoo heeft deze man dan in ééne zaak alles gevonden. Wat de waarde dier parel was weet ik niet. Dit alleen weten wü, dat hü haar alles waard achtte wat hij had; hij ging heen, en verkocht alles wat hij had, ten einde haar te kunnen koopen. En blijkbaar heeft hij gedacht, dat zij al de andere paarlen waard was, die hij ooit gezocht heeft, want indien hij alles wat hij bezat, aan die ééne parel te koste heeft gelegd, dan is het duidelijk, dat hij van nu voortaan het zoeken naar mindere paarlen moet hebben opgegeven, daar hem geen kapitaal meer restte. Maar hij vond die ééne parel van meerder aanbelang dan alle andere paarlen, en meer waard dan alles wat hij bezat. Ja, ik sta er u borg voor, dat hij haar veel meer waard achtte dan alles wat hij had. Hij zou niet alles, wat hij had opgelegd, verkocht hebben om haar te koopen, indien hij niet van meening was, dat zij tien maal meer waard was dan dat alles, en dat, wanneer hy het alles betaald had, zijn fortuin gemaakt zou zün, en dat hü dan grooter rijkdommen zou bezitten, dan waarvan een gierigaard zou kunnen droomen, want het is op die wijze, dat zij, die in zulke waren handelen, hunne schatten verkrygen. Welaan, wanneer iemand Christus vindt, dan kan ik u niet zeggen op hoe hooge waarde hij Hem schat, maar dit weet ik, dat voor den Christen, die zijn\' Heere en Meester heeft gevonden, de gansche wereld nu als niets is. „O! welk een Christus heb ik!quot; zegt hij. Hü kan niet uitspreken hoe dierbaar — hoe onbegrijpelijk kostelijk — de Christus Gods is aan zijne ziel.

Betreffende deze vondst moeten wij nog opmerken, dat de man, die haar deed, vast besloten tvas er in het bezit van te-

n i

-ocr page 19-

de pakel van groote waarde.

komen. De parel van groote waarde ontdekt hebbende, was het voor hem geene vraag meer of hij haar al of niet zou koopen. Indien hy niet in alle oprechtheid uitgegaan was om paarlen te zoeken, dan zou hij geaarzeld hebben van wege den prys; maar daar hij zeer gretig verlangde paarlen te vinden, heeft hij, zoodra hij deze ontdekt had, uitgeroepen: „ik moet haar hebben. Van de kleine paarlen kan ik wel afstand doen, maar deze moet in mijn bezit komen.quot; En het is iets groots als de Heere het menschelijk hart er toe brengt om te zeggen: „Ik zie, dat in Christus alles is wat iknoodigheb— vergeving mijner zonden, reiniging mijner natuur, genade om mij standvastig te maken in het goede en mij geschikt te maken voor den hemel. Er is in Christus alles wat ik behoef, en ik moet Hem hebben. Ik moet Hem hebben. Wat het mij ook moge kosten, ja ten koste van alles moet en zal ik Hem hebben.

Ofschoon dit nu in de gelijkenis niet met zoo vele woorden geschreven staat, is het toch volkomen duidelyk, dat de persoon, met wien hij te doen had, bereid was de parel te verkoo-pen. Toen hü eene parel van groote waarde had gevonden, kocht hij haar, het geen hij niet had kunnen doen, indien de ander niet bereid was geweest haar te verkoopen. En ofschoon de Heere in zijne goedertierenheid zijne genade niet verkoopt, maar haar schenkt om niet, wordt toch de manier waarop Hij er over beschikt, hier voorgesteld onder het beeld van verkoop. Indien gij Christus verlangt te hebben, dan kunt gü Hem hebben, zoo gy Gods voorwaarden wilt aannemen. Daarover zal ik straks hebben te spreken. Indien gy deze parel van groote waarde begeert, dan is er hoegenaamd geene reden, waarom zy niet nog heden in uw bezit kan komen. Indien gy Hem hebt gevonden, die „de banier draagt boven tien duizend,quot; en die „gansch begeerlijkquot; is, en gij stelt Hem op zoo hoogen prys, dat gij zonder Hem niet gelukkig kunt wezen, dan zal Hij terstond uw deel zijn. Indien gij, na van Christus gehoord te hebben, Hem begeert als alles wat uwe ziel van noode kan hebben, en bereid zijt te zeggen: „Ik wil dit huis des gebeds niet verlaten voordat Christus de mijne is,quot; dan staat u niets in den weg om die onschatbare gave te bezitten. Ja, God, de Vader, wil, dat gij van nu voortaan en tot in eeuwigheid zijn\' Eengeboren Zoon als uwe parel zult bezitten.

IH. Den zoeker en den vinder beschreven hebbende, moeten wij hem thans voorstellen terwijl hij verkoopt. Hij verkocht al wat hy had. Hy heeft heel veel tyd noodig gehad om het alles bij elkander te krijgen, en ik twyfel niet, of hy schepte veel behagen in hetgeen hij bijeen gebracht had, doch nu is het hem een genoegen alles te verkoopen. „Koop mijne hofstedequot;, zegt hij tot den een. „Kom, koop haar.quot; „Ik dénk niet, dat ik eene hofstede noodig heb,quot; antwoord deze. „Dat is niets.

8

-ocr page 20-

Ï)E PAREL VAN GROOTE WAARDE.

wij kunnen toch wel samen overeen komen. Ik heb geld noo-dig, en ik moet het zien te krygen.quot; En nu gaat het huisraad weg, het eene stuk na het andere. Er wordt snel eene ver-kooping gehouden, want hij moet geld hebben. Alles moet weg, alles voor die eene parel. Ofschoon hij aan niemand zeide, wat hem hiertoe bewoog, was zijn verstand en zijn hart toch voortdurend bezig met deze parel, en daarom moet hij alles opofferen om haar machtig te worden. Het doet hem thans meer genoegen zijne bezittingen kwyt te raken dan het hem vroeger genoegen deed ze te verkrijgen. Weg moeten zij! voor den hoogsten prijs, dien hij kan bedingen, want buiten die ééne parel kan hij niet. Welaan, Jezus Christus is te verkrijgen; maar er is zeer veel, dat de mensch moet opgeven, zoo hij ooit Christus de zijne wil noemen.

„Wat is het dan,quot; vraagt iemand, „dat ik moet opgeven?quot; Wel, er moet nog heden eene verkooping plaats hebben van eene gansche menigte oude vooroordeelen. Soms gebeurt het, dat, wanneer de waarheid, gelijk zij is in Jezus, tot der men-schen hart komt, de mensch haar afwijst, omdat zij zoo heel verschillend is van hetgeen hij altijd gehoord en van zijne kindsheid af geleerd heeft; en dan komt het u voor, dat het maar beter is den Godsdienst uwer ouders te bleven volgen. Indien gij een Hottentot waart, gij zoudt een\' fetish aangebeden hebben. Indien gij in Hindostan geboren waart, gü zoudt naar deze theorie Juggernaut hebben moeten aanbidden. Maar het is eene groote genade, als iemand zegt: „Nu begrijp ik, dat Jezus, de Zone Gods, gestorven is voor en in de plaats van zondaren, die in Hem gelooven; ik heb niets te doen dan eenvoudig in Hem te gelooven, en dan zal ik zalig worden. Geloovende, zal ik eene nieuwe natuur ontvangen, zal ik worden wedergeboren door den Heiligen Geest, en van nu voortaan zal ik de discipel en dienstknecht van Christus worden. Thans zal ik het doen. Het druischt in tegen alles wat men mij altijd gezegd heeft. Men heeft mij doen denken, dat het door myne goede werken was, dat ik zalig moest worden. Ik heb gehoord, dat de genade in de sacramenten stak, maar eindelijk bemerk ik, dat God in zijn Woord leert, dat de zaligheid is door het geloof in Jezus Christus, en ik wil haar hebben. Ik zal mijne vooroordeelen verkoopen, wegdoen. Weg moeten z\\j!quot;

Wat gij vervolgens hebt te verkoopen is uwe gerechtigheid. Gij zult er niet veel voor krügen, hoewel gij zeker denkt, dat het iets heel fraais is. Tot nu toe zijt gü zeer braaf en deugdzaam geweest, uwe eigene schatting van u zeiven met betrekking tot de geboden is: — „Al deze dingen heb ik onderhouden van mijne jonkheid af.quot; En door uw ijverig en trouw kerkbezoek, uw bijwonen van bidstonden, met wat extra gebeden op Kerstmis en Goeden Vrydag gevoelt gij u in tamely k

6

-ocr page 21-

DE PAREL VAN GROOTE -WAARDE.

goeden toestand. Welnu, mijn vriend, deze uwe oude, door de mot verteerde gerechtigheid, waarop gij u zóó verhoovaardigt, moet gij verkoopen, moet gij kwijt worden; want niemand kan door de gerechtigheid van Christus behouden worden, zoolang hü nog op zijne eigene gerechtigheid blijft vertrouwen. Verkoop haar, verkoop er lederen draad van. En gesteld eens, dat niemand haar koopen wil, dan moet gij er u toch van ontdoen. Zij Is het gewis niet waard om bij de vuilste lompen gelegd te worden, want zij Is veel vuiler en afzichtelijker dan dezen.

En alle andere dingen, waarop gü te voren dacht te kunnen roemen — ach! ook van dezen moet gij u ontdoen. Gij hebt zoo veel kennis. Welnu, gij zult wèl doen, zoo gy haar verkoopt, want, tenzij de mensch een kindeken gelijk wordt, kan hy het koninkrijk Gods niet ingaan. Gy zijt een voornaam persoon, gij verbeeldt u, dat gy Iets heel buitengewoons zijt, want gy hebt zeer veel wilskracht, en kunt u dus zelf wel een\' weg banen naar den hemel. Die verwaandheid zult gy kwijt moeten raken, want deze uwe kracht zal uwe zwakheid worden. Het is alleen als wij zwak zijn in ons zeiven, dat wij sterk kunnen wezen in Christus. Stemt gij hier mede in ? Wilt gij al uwe oude vooroordeelen en al uwe oude gerechtigheid verkoopen? Wilt gij ze laten gaan tot eiken prijs? Of hebt gij er u nog een\' prijs voor voorbehouden? Laat ze gaan, want zij zyn niets dan drek en lompen, en hoe eerder gij ze kwijt raakt, hoe beter, want dan, en niet eerder, kunt gij de parel van groote waarde koopen.

Er zijn sommigen, die zeer veel van hetgeen zy genot of genoegen noemen, zullen moeten opgeven: zondig genot. Van geen eerlijk genoegen, geen genoegen, dat ons wezenlijk goed kan doen, behoeven wij afstand te doen; want: „Nooit was de godsdienst bestemd om ons genoegen te verminderenquot;, integendeel, het wordt er veel grooter door. Maar alle zondige genietingen moeten wij ons zeer stellig ontzeggen. Welaan, kunt gij dit alles wegdoen? Loszinnige gezelschappen, alles wat naar ongebondenheid zweemt, alles wat in verband staat met de bevrediging van de lage lusten van het vleesch — kunt gij dit alles om Christus wil opgeven? Indien gy het niet kunt, dan kunt gü natuurlijk ook niet in het bezit der parel komen. Indien gy de wereld wilt hebben, dan kunt gij Christus niet hebben. Indien gij genot vindt in de zonde, dan zgt gij uit uwen vader den duivel, en dan doet gij zijns werken. Ga hier echter van uit; geef dit alles op, werp het achter u. Deze dingen moeten wij verkoopen, zoo wij de parel willen bezitten.

En zeer dikwyls gebeurt het ook, dat sommige menschen veel moeten opgeven van de eer en de lusten van het leven,

10

-ocr page 22-

DE PAEEL VAN GEOOTE WAAEDE.

voortvloeiende uit de achting hunner medemenschen. Is het hiertoe gekomen: „Als ik een Christen word, dan zullen zij mij bespotten?quot; Welnu, kunt gij dan om Christus wil niet een weinigje smaad verdragen? „Maar indien ik een ijverig Christen word, dan zal ik bloot staan aan allerlei laster.quot; Het zij zoo; kunt gij om Christus wil de toejuiching der menschen niet missen? Kom, laat de honden uw karakter,uwen goeden naam door het slijk sleuren, zoo gij slechts recht staat voor God, en zoo de beweegredenen, die u doen handelen, zuiver zijn. „Ja, maar ik weet, wat mij te wachten staat. Als ik door en door, en in alles, een Christen wil wezen, dan zal ik door de wereld met den nek worden aangezien. Daar is deze of die aanzienlijke vrouwe, voor wie ik zeer hooge achting koester, en wier goede meening ik voor niets ter wereld zou willen verliezen, — zij zal mij niet meer willen kennen.quot; Goed; kunt gij nu dit alles in de schaal leggen, en zeggen; „Ik zal het alles verkoopen, het alles laten varen, opdat ik de parel kunne verkrijgenquot;? Die mensch is Christus niet waardig, die zich zou schamen om met Hem aan de schandpaal te staan, of die niet met Hem naar de gevangenis en in den dood zou willen gaan. Wij moeten Hem zóó liefhebben, dat wy de versmaadheid om zijnentwil eene eer achten te zijn, evenals Mozes de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom achtte te zijn dan de schatten in Egvpte.

„Wel, gij hebt nu voorzeker reeds genoeg genomen.quot; Ja, maar deze parelzoeker verkocht alles wat hij had, en gij hebt nog iets over. Gij hebt vooruitzichten. Als gij een Christen wordt, dan zal uw bejaarde bloedverwant u onterven. Gij weet zeer goed, dat gij uwe betrekking zult verliezen, indien gij naar deze of die kerk gaat, u bij deze of die gemeente aansluit. ,,Maar wij moeten leven,quot; zegt iemand. Dit is voor mij nog niet zoo zeker. Ik weet, dat wij moeten sterven, maar wat dit „moeten levenquot; betreft, dat is mij nog niet zoo duidelijk. Oneindig beter is het te sterven, dan zich ooit aan iets oneerlijks schuldig te maken. Indien Jezus Christus onze Mees-tor is, dan moeten wij de schoonste vooruitzichten willen opgeven, en alles wat onzen voorspoed, ons welslagen in deze wereld kan bevorderen, moet van slechts ondergeschikt belang voor ons wezen. Wij moeten eerst het koninkrijk Gods en zyne gerechtigheid zoeken. En niet alleen dit maar ook liefde, waarnaar ons hart uitging, zal om Christus wil dikwijls moeten opgegeven worden. Gezelschappen, die ons eens eene verlustiging waren, zullen om Christus wil moeten worden verlaten; en indien dat alles geschiedt is, dan is het nog niet genoeg. Hij, die Christus heeft, moet zich zeiven aan Christus geven met alles wat hij heeft. Ik zou het betwijfelen, dat ik een volgeling ben van Christus, indien ik niet in het diepst van mijn

11

-ocr page 23-

de parel van groote waarde.

hart alles wat ik ben, en alles wat ik heb, voor eeuwig aan Hem had overgegeven. Hij heeft ons duur gekocht; gewis, het betaamt ons niet, Hem slechts één arm, één oog, één voet en niets dan een half hart te geven. Wie een waar Christen is, is een Christen door en door. Alles wat hij bezit aan talent, aan aardsche goederen beschouwt hij als niet hem, maar zijn Meester toe te behooren, en hij is bereid het alles tot eer zyns Meesters te gebruiken, of, zoo het noodig is voor de uitbreiding van zijns Meesters koninkrijk, het gewillig hiervoor af te staan. De koopman verkocht alles wat hij had.

Mij dunkt, ik zie u, daar gij terugdeinst. „Dit — dit is al te hard en moeielijk.quot; Wel, indien gij de parel niet wilt koopen, dat is: indien gij geen fortuin wilt maken — want door het koopen van deze parel heeft de man zijn fortuin gemaakt — indien gij niet denkt, dat de parel het waard is, ik bid u, koop haar dan niet. Het is niet mogelijk de innerlijke, wezenlijke waardij van Christus te schatten. Wij werpen geene paarlen voor de zwijnen. Indien gü Hem niet begeert, er zijn zeer vele anderen, die Hem wèl begeeren. Hij behoeft u er niet om te smeeken toch van Hem te komen koopen. God beware u er voor, dat gij Hem zoudt weigeren te ontvangen, maar zoo gij Hem waarlijk niet verlangt te hebben, zeg het. Zeg het duidelijk en beslist: „Ik wil niets met Hem te doen hebben.quot;

Maar deze man ging heen en verkocht al wat hij had. Ik zeg u, dat hij blijde was het te verkoopen. Hij achtte, dat de man, die zijne hofstede kocht, hem eene gunst bewees. „Neem haar,quot; zeide hij, „ik zal haar onder de waarde aan u overdoen, zoo gij mij slechts het geld er voor geeft. Ik ben zoo erg om geld verlegen.quot; Neen, zoo veel durfde hij hem niet mededeelen uit vrees, dat hij den prijs zou verlagen; maar in zijn hart zeide hij: „Ik verlang zoo vurig deze parel te koopen, dat ik my wezenlijk verplicht zou gevoelen aan ieder, die mij mijn voorraad afkoopt.quot; En indien gij waarlijk Christus verlangt te hebben ; in plaats dat Hij u dan zou moeten dringen om u van de armzalige dingen te ontdoen, die ik u heb aangeduid, zult gü er naar verlangen ze kwijt te worden, opdat Christus de uwe kan zijn. Moge de Geest Gods dit vast besluit in n werken.

IV. En nu eindelijk de koop. Hij had alles wat hij had verkocht, en nu betaalt hij terstond het verschuldigde geld, ten einde de parel te verkrijgen, en — hij verkrijgt de parel. Het was een belangrijke aankoop — een koop, waarover hij rijpelijk heeft nagedacht. Hij heeft niet op het eerste gezicht van de parel in allerijl zijne goederen verkocht en toen naar de waarde van de parel gegist. Neen, hij had haar bezichtigd, want hij was iemand, die paarlen zocht. Hij had verstand van paarlen en kende er de waardy van, ofschoon hy zeker aan den verkoo-

12

-ocr page 24-

DE PAREL VAN GROOÏE WAARDE.

per niet alles zeide wat hij er van vond. Hy zeide bij zich zeiven: „Dat is eene wondervolle parel. Als ik het geld er voor bijeen kan krijgen — de weinige paarlen, die ik bezit, zullen wel niet meer dan vijf honderd pond opbrengen — maar zoo ik haar voor die som kan krijgen, dan is mijn fortuin gemaakt.quot; En zoo dacht hü er dan over na. Heel veel nadenken was echter niet noodig. O! indien de mensch Christus slechts kende, dan zou hy er geen tweemaal over denken om Hem te willen bezitten. Indien de menschen niet zoo dwaas waren — indien zij slechts het licht van den hemel bezaten, om mijn\' Heere en Meester te kunnen waardeeren, dan zouden zij in, plaats dat wy hier moeten staan om te smeeken en te overreden en nieuwe woorden te bedenken om Hem aan te prijzen, alleen dit zeggen : „Spreek ons van Hem. quot;VVU willen Hem hebben. quot;Wat vraagt Hij van ons? Wat kunnen wy voor Hem doen ? quot;Wat is er, waaraan wij ons kunnen onderwerpen, zoo wij ons slechts kunnen verzekeren van het bezit van Hem, die alle zonden vergeeft, en onmiddelyke en vol-komene zaligheid schenkt aan allen, die op Hem betrouwen ? Zoo wy slechts Christus kunnen hebben, van wien geschreven staat: „Die in hem gelooft, heeft het eeuwige leven,quot; dan zijn wij tevreden.quot; Het was een wèl overwogene aankoop.

Die koop geschiedde terstond. Hy is niet naar huis gegaan, zeggende: „Ik zal er over denken,quot; Neen, hij kende die parel en hy zeide: „indien ik haar laat glippen, dan zal ik nooit zoo iets wederzien. Als iemand anders haar koopt, dan zal ik de schoonste gelegenheid, die my in mijn leven geboden werd om goede zaken te doen, voorbij hebben laten gaan.quot; En zoo neemt hij dus den tyd, die er noodig is, om zyne hofstede, en het weinigje land, en de enkele bezittingen, die hy had, te verkoopen. Hy kwam snel terug met het geld, slechts bevreesd, dat wellicht iemand anders was gekomen, die nog een paar duizend gulden meer bood dan hy zich heeft kunnen verschaffen, waardoor die schoone parel hem dan toch zou ontgaan. Evenzoo, myne vrienden, hij die op de rechte wyze tot Christus komt, kan daar wel over nadenken, maar hij behoort spoedig tot een besluit te komen. „Indien Hij te krijgen is, zoo laat ik Hem zien te krijgen. O indien ik het te weten kan komen, dat mijne zonden vergeven zyn, zoo laat ik dit dan snel te weten komen. Indien ik op eenigerlei wijze vrede met God kan verkrygen — indien ik een kind van God en een erfgenaam des hemels kan worden — indien ik my van de eeuwige gelukzaligheid kan verzekeren, zoo laat dit dan geschieden! Hoe moet dit geschieden ? Kom, zeg het mij tersond. Ik wil mijne plaats hier niet verlaten, voordat ik datgene gevonden heb, waarvan gij spreekt.quot; Het was een wèl overlegde en snel gesloten koop.

13

-ocr page 25-

De parel van öboötë waardë.

En die koop veroorzaakte hem blijdschap. Ik geloof, dat zijn oogen schitterden, toen hij er het geld voor betaalde. Ik zou de uitdrukking van zijn gelaat wel willen zien, toen hij eindelijk zijne parel in bezit kreeg. Datgene, waarvoor hij de gansche wereld had doorreisd, had hij dan nu verkregen; alleen maar, het was nog veel heerlijker dan wat hü gedacht had. Hü had zijne parel, en ik denk, dat hij wel had willen opspringen van vreugde omdat hij er zich het geld voor heeft kunnen verschaffen. O! als eene ziel Christus heeft gevonden, dan is voor hem de zalige dag aangebroken, waarop hü zijne zonden vergeven weet. Het is de aanvang van innige zielevreugde en genot voor den mensch, wanneer hij zeggen kan: „Jezus is mijn. Door zyne genade heb ik Hem kunnen aangrijpen.quot;

En welk een verrijkende koop was dit. Toen hij de parel bezat in ruil voor al zijne goederen, dacht die koopman bü zich zeiven: „Wat ik nu heb, is honderd maal meer waard dan al mijne vroegere bezittingen. Voor het stukje land, dat ik verkocht heb, kan ik, met de parel, die ik machtig geworden ben, nu wel eene halve provincie koopen. En evenzoo, broeders en zusters, indien gij ooit iets voor Christus hebt opgegeven, dan houd ik er mij van verzekerd, dat dit u ruimschoots door den Heere Jezus Christus vergoed is geworden. Eenige jaren geleden heeft iemand eene vreemde advertentie in de nieuwsbladen geplaatst. In die advertentie, die maanden lang in onze godsdienstige tijdschriften verscheen, noodigde hij iedereen, die uit liefde voor Christus en uit gehoorzaamheid aan Gods geboden schade of verlies had geleden, uit, zich tot hem te wenden, daar hij die schade dan vergoeden zou. Het vreemdste van de zaak was echter, dat nooit iemand op deze advertentie geschreven heeft. Zulk een geval kan ook niet gesteld worden, want het bestaat niet. Door Christus verliest men niets. „Maarquot;, zegt iemand, „de martelaren hadden dit toch wel kunnen doen, nietwaar?quot; Wel, mijn vriend, de martelaren zyn hier Boven, vraag het hun. Als gij hen ziet met hunne gouden kronen, schitterende in het licht Gods, dan zullen zij u zeggen, dat het hun eene groote eer was, waardig geacht te worden, hun leven te verliezen om Jezus wil. O! als gü met Hem handelt, dan is er geene sprake van verlies. Met Hem kunt gij niets dan zeer groote winst verkrijgen. „Er is niemandquot;, zegt Hij, „die verlaten heeft huis of akkers om mijnentwil, of hij ontvangt honderdvoud, nu in dezen tyd, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven.quot;

Het was een laatste koop. Volgens de gelijkenis is die koopman nooit meer paarlen gaan koopen. „Neenquot;, zeide hij, „neen, ik heb eene parel van groote waarde gekocht, nu zal ik uit de zaak gaan. En als de mensch eens Christus gevonden heeft —

u

-ocr page 26-

DE PAEEL VAlt GEOOTE WAARDE.

ach! dan zoekt hij niets meer. Als Jezus Christus de mijne is, dan vind ik meer dan alles in Hem. Men verlangt dan naar geene dingen van minder waarde. Al onze begeerten worden dan vervuld door de volheid, die in Christus Jezus is. Die koopman hield op met paarlen te zoeken, want alle paarlen, die hij ooit heeft kunnen begeeren, heeft hij gevonden. En het was aan koop, die hem nooit berouwd heeft. De gelijkenis verhaalt ons niet, dat hy terug ging tot den verkooper en tot hem zeide: „Neem uwe parel terug, en laat mij weder in het bezit komen van mijn huis en mijne akkers.quot; Neen, het was geschied. Die groote handeling was af gedaan. Nooit heeft hy verlangd de zaak ongedaan te maken. Met zijne parel van groote waarde was hy een rijk man, die met vorsten kon wedijveren, en dat was hem genoeg. 0 zalig zij, die zeggen kunnen: „Het is genoegquot;, en zich kunnen verheugen en den Heere loven en verheerlijken.

Doch laat my nu nog een enkel woord van waarschuwing hierby mogen voegen. Draag wel zorg, waarde broeders kooplieden, dat, zoo gij eene parel koopt, het eene goede parel zy, de parel van groote waarde, want ik heb edele menschen gekend, menschen, die ik heb bewonderd, en over wie ik wel had kunnen weenen; menschen die heldenmoed hebben betoond in het najagen van het geen hun volkomen waar scheen te zyn, en waarvoor zy alles, wat zij hadden, hebben opgeofferd, maar toch bedrogen uit zyn gekomen. Zij hebben den antichrist aangegrepen in plaats van den Christus, en de leugen der hel welkom geheeten, die tot hen kwam in de gedaante van een\' engel des lichts. O zie wèl toe, dat gy Christus verkrijgt en zijne waarheid, gelijk zij geopenbaard is in de Schrift, en ten tweeden male door den Heiligen Geest geopenbaard is in uw hart, want al wat beneden Christus, al wat minder dan Christus is, zal bedrog blijken te zyn. Jaren geleden is een der grootste paarlen, die ooit gevonden was, in handen gekomen van een\' Rus. Het was een peervormige parel, zoo groot als een ei. Hij kocht haar van iemand, die er de waarde niet van kende. Hij was een ryk man en behield de parel. Hij bouwde een huis, dat er uitwendig heel eenvoudig uit zag, maar van binnen zeer rijk was versierd en gemeubeld. En hij placht zijne gasten mede te nemen naar eene binnenkamer, waar men, als zij ontsloten was, in het midden eene marmeren tafel zag staan, en daarop eene doos, die met verscheidene geheime sleutels geopend moest worden, daaruit kwam dan deze parel te voorschijn; en het was slechts zeer zelden, dat hy haar uit de hand gaf, want zy had eene schier onberekenbare waarde. De keizer van Rusland bood er eene ongehoorde som voor, en beloofde hem bovendien nog rang en eer; maar hy wilde er geen afstand van doen. Nu gebeurde het, dat de bezitter van deze parel — terecht of

15

-ocr page 27-

de parel van 6r0ote waarde.

te onrecht — in eene samenzwering werd betrokken, en Petersburg moest verlaten. Hy nam niets met zich dan zyne parel, en kwam te Parijs, rijk genoeg door het bezit van dit juweel. De eenige persoon, die met hem in deze soort van zaken kon wedyveren, was de hertog van Brunswyk. Deze kwam op zekeren dag, vergezeld van eenige vrienden, om de parel te zien. De Rus ontsloot zeer voorzichtig de doos, en toen hij haar geopend had, zag men hem op eens verbleeken. Het was alsof de hand des doods hem had aangeraakt. Ongelukkige man! Zijne parel had vlekken gekregen, zooals dit somtijds met paarlen gebeurt. Er was, om zoo te zeggen, eene ziekte in gekomen. Binnen weinig tyds zou zij vermolmen, en dus had zy nu geene de minste waarde meer; en van een schatrijk man was deze Eus nu doodarm geworden. Toch was het eene schoone parel, die hij gekocht had. Er is slechts ééne parel, die nooit vlekkig kan worden, en tot in alle eeuwigheid zal blijven bestaan, en dat is de Zone Gods, „die alleen onsterfelijkheid heeft.quot; Indien gij Hem bezit, dan bezit gij eene goddelijke hope, die nooit kan falen; maar zoo uwe hoop gevestigd is op priesters, of op sacramenten, of op iets, waarvan Christus niet het begin en het einde is, dan kunt gij alles ten offer brengen, maar dan zullen uwe schoonste verwachtingen toch eindigen in bittere teleurstelling. De Heere verhoede, dat dit ooit met ons gebeure.

,Hoort naar mij; gü, die de gerechtigheid najaagt, gij, die den Heere zoekt.quot; De stem van Jezus wordt gehoord in deze gelijkenis des koninkrijks, waardoor de zoekenden worden aangeduid. Zulke menschen maken geen gering deel uit van eene vergadering als die, welke hier tegenwoordig is. Het zou ook vreemd wezen, indien de zoekenden niet in zeer grooten getale hier aanwezig waren, en dat wel in elke periode van hun ijverig onderzoek. Ik ben er van overtuigd, dat sommigen van u de parel, die gij begeert, reeds voor uwe oogen hebt zien schitteren. Hoe velen uwer hebt het besluit genomen, alles wat gij hebt te verkoopen, ten einde haar te kunnen koopen? Wie is er onder u, die deze parel reeds verkregen hebt, en u verheugt in haar bezit? Dat de zoodanigen hun\' weg zullen reizen met blijdschap, daaraan kunnen wij niet twijfelen, doch wilt gij niet terugkeeren en Gode de eer geven? Zullen wij niet de blijdschap mogen smaken u hier in de gemeenschap des koninklijks zijner genade te begroeten? De Heere geve, dat het zoo zijn moge, om Jezus wil. Amen.

16

-ocr page 28-

VROEG EN LAAT 1$ DEN WIJNGAAlll),

OP

HOILE GUiTI/E.

„Want het koninkrijk der hemelen is gelijk een heer |iles huizes, die met den ntorgenstond uitging, om arbeiders te huren in zijn\'wijngaard . . . En uitgegaan zijnde omtrent de derde ure, zag hij anderen, ledig staande op de markt .... Wederom uitgegaan zijnde omtrent de zesde ure, deed hij desgelijks. En uitgegaan zijnde omtrent de elfde ure, vond hij anderen ledig staande, en zeide tot hen : Wat staat gij hier den geheelen dag ledig?quot;

Matth. XX : 1, 3, 5, 6.

Wij hebben dikwijls de opmerking gemaakt, dat wy het niet goed achten het verband in de Schrift voorbij te zien. Wij hebben het recht niet teksten uit hun verband te rukken, ze af te scheiden van het context en er eene beteekenis in te leggen, die er niet in is. Daarom heb ik u bij de lezing van dit hoofdstuk naar mijn beste vermogen medegedeeld wat ik geloof het onmiddelijk doel dezer gelijkenis te wezen. Het is eene bestraffing van hen, die in eene wettische gezindheid vervallen en beginnen uit te rekenen wat hun loon wel mag wezen in een koninkrijk, waar zulk eene wettische gezindheid hoegenaamd niet op hare plaats is, daar deszelfs loon geene betaling is eener schuld, maar eene vergelding der genade. Ik denk, dat ik nu zonder aan de juistheid te kort te doen, mag stilstaan by een zeer bepaald feit in verband met de gelijkenis. Het is niet recht de strekking der gelijkenis te miskennen, maar na op die strekking reeds gewezen te hebben, en haar zoo duidelijk als wij konden, te hebben voorgesteld, gelooven wy nu gebruik te mogen maken van een der voornaamste omstandigheden, die er in vermeld is.

Ik wensch dan heden morgen uwe aandacht te bepalen bij het feit, dat de arbeiders op verschillende uren van den dag gehuurd waren, waarin voor ons ongetwijfeld de leering ligt opgesloten, dat God zijne dienstknechten op verschillende tijden

-ocr page 29-

18 VEOEG EN LAA.T IN DEN WIJNGAARD OP HOR^E GEATI-E.

en bij verschillende gelegenheden in zijn\' wijngaard zendt; dat sommigen geroepen worden in hunne vroege jeugd, en anderen er niet toekomen, om in den dienst des Meesters te treden, voordat hunne klimmende jaren hen schier tot den avond huns levens hebben gebracht.

Ik moet u echter verzoeken u te herinneren, dat zij allen geroepen waren. Door dit te vermelden heeft de Heiland ons willen leeren, dat niemand uit zich zeiven in het koninkrijk der hemelen komt. Zonder uitzondering is ieder, die voor Jezus arbeidt, op de eene of andere wijze hiertoe geroepen geworden, en zonder aldus geroepen te zijn, zou hij niet zijn gekomen. Zij worden allen geroepen. Ware de mensch wat hij moet wezen, hij zou geen drang en geene uitnoodiging noodig hebben om tot het Evangelie van Christus te komen. Daar echter de menschelijke natuur verdorven is, daar de menschen bitter voor zoet en zoet voor bitter houden, duisternis voor licht en licht voor duisternis aanzien, is het noodig hen door het uitwendig woord te roepen. Zij moeten genood, overreed, ja gesmeekt worden. Zij hebben er behoefte aan — om eene sterke uitdrukking van den Apostel Paulus te gebruiken — dat wy hun van Christus wege bidden, alsof God door ons bade, om zich met God te laten verzoenen. Ja meer: ofschoon sommigen door deze algemeene roeping des Evangelies in een\' wettischen geest in den wijngaard komen, zoo zal toch in geest en in waarheid niemand tot Christus komen, zonder nog eene verdere roeping, de krachtige roeping namelijk, van Gods Heiligen Geest, De algemeene roeping komt van den leeraar; het is alles wat hij vermag. Indien de prediker het waagt de bijzondere roeping te doen uitgaan, gelijk sommigen van mijne hyper-calvinistische broederen doen, het gebod des evangelies beperkende tot eene zekere hoedanigheid, en er naar strevende om zeiven de ontdekkers te zijn van Gods uitverkorenen, en datgene particulier te maken hetgeen altijd universeel is; indien de prediker dat doet, en dus eigenlijk met de bijzondere roeping poogt te komen, dan brengt hij eene droeve verwarring te weeg, en gewoonlijk zal hij er dan ook niet in slagen het Evangelie dei-blijde boodschap tot de kinderen der menschen te brengen. Doch als de mensch zich vergenoegt met te doen, wat hij kan, namelijk het gebod te prediken „dat wy gelooven in den Heere Jezus Christus,quot; en dat „God nu allen menschen alom gebiedt, dat zij zich bekeeren,quot; (1) dan komt er met de algemeene roeping tot de uitverkorenen Gods eene particuliere en bijzondere roeping, die door niemand dan door den Heiligen Geest kan geschieden; maar die dan ook zóó krachtig en onweer-

(1) Handelingen XVII: 30 naar de Engelsclie overzetting.

-ocr page 30-

VROEG KN LAAT? IN DEN WIJNGAARD, OP HOEJE GRATIjE. 19

staanbaar is, dat allen, die haar hooren, gewillig worden op den dag van Gods heirkracht, en zich met eene volkomene beslistheid des harten tot den Heere wenden. In welken zin is het waar, dat velen geroepen, maar weinigen uitverkoren zijn, indien niemand door de prediking des Woords geroepen mag worden dan diegenen, die uitverkoren zijn? Er is tweeërlei roeping; de eene is algemeen en komt tot allen, die van Jezus hooren; en velen van nen, die aldus geroepen zijn, zijn niet uitverkoren; de andere is persoonlijk en komt gansch bijzonder tot de uitverkorenen, „die Hü te voren verordineerd heeft, deze heeft Hy ook geroepen.quot; Om nu echter tot ons denkbeeld terug te keeren : allen, die in den wijngaard zijn, zijn in zekeren zin geroepen. Er is in geheel de Christelijke Kerk geene enkele uitzondering op dien regel. De leer van den vrijen wil kan zich op geen enkel voorbeeld beroepen. Er is in de gansche kudde geen enkel schaap, dat ongezocht tot den herder terugkeerde. Er is geen enkele penning, die van zelf weer in de beurs sprong der vrouw, die het huis met bezemen keerde om hem te vinden. Ja meer, er is in het gansche gezin geen enkele verloren zoon, die ooit gezegd heeft; ,Ik zal opstaan en tot myn\' Vader gaan,quot; voordat des Vaders genade, zich hullende in de ramp van een\' grooten hongersnood, den verloren zoon de ellendige gevolgen der zonde heeft leeren inzien, als hij de zwijnen weidde en begeerde zyn buik te vullen met den draf, dien de zwijnen aten, en het niet vermocht.

Eer ik tot mijn eigenlyke onderwerp kom, wensch ik u nog te wijzen op een ander feit, namelyk, dat allen, die geroepen zijn, gezegd worden te zijn gehuurd. In eene gelijkenis behoort men natuurlijk aan geen enkel woord een harde uitlegging te geven. Men moet er de beteekenis van aangeven naar de al-gemeene strekking der gelijkenis. Toch geloof ik te mogen zeggen, dat hier deze overeenkomst bestaat tusschen het huren van een\' dienstknecht en het zich verbinden van eene ziel aan Christus, dat een man, die zich verhuurd heeft, het recht niet heeft een\' ander te dienen. Hij dient den meester, die hem gehuurd heeft. Als een mensch door genade in den dienst van den Heere Jezus Christus geroepen is, dan zegt hü : „Heere, mijn God! andere heeren, behalve Gij, hebben over mij ge-heerscht, maar thans zal ik U alleen dienen.quot; Hü rukt zich het juk der zonde af met hare genietingen en gewoonten, en hij legt zich het juk op, waarvan de Meester zegt, dat het zacht is, en hü draagt den last, dien Jezus ons zegt licht te zijn. Een gehuurde dienstknecht moet niet werken voor een ander, hij werkt voor zijn meester; en evenzoo zal de mensch, die geroepen is door genade, voor geen ongeoorloofd doel leven, maar voör zijn Meester alleen. En wederom: een gehuurde dienstknecht arbeidt niet voor eigen rekening, hij is niet zijn eigen

-ocr page 31-

20 VROEG LAAT IN DEN WIJNGAARD, Of HOR^ GRATIjË,

meester; en „Gij zijt uws zelfs niet, want gij zijt duur gekocht.quot; Ofschoon hij van nu voortaan niemand op aarde „Meesterquot; noemt, herinnert hij zich toch, dat één zijn Meester is in den hemel, wien al zijne diensten gewijd moeten zijn. Er is tusschen den gehuurden man en zijn\' meester een verdrag, en er is een zeer plechtig geestelyk verdrag tusschen den waren geloovige en zijn\' Heere. Wij hebben ons gewijd aan zijn dienst; w;j hebben alle vrijheid van eigen wil opgegeven. Van nu voortaan staat onze wil onder het bestuur onzes Heeren, en al onze krachten en vermogens moeten — wij hopen, dat zij het door Gods genade ook zullen ■— Hem gehoorzaam zijn, die ons voor den arbeid in zyn\'wijngaard heeft gehuurd. Het woord „gehuurdquot; was gebruikt om het denkkeeld van loon uit te drukken. Het was gebruikt om uiting te geven aan Petrus\' beschouwing van de zaak, opdat zijne wettische vraag: „Wat zal ons dan geworden ?quot; helder uit zou komen en de dwaasheid er van aangetoond zou worden in het licht van die vrijmachtige genade, waardoor Hy met het zijne doet wat Hij wil. En toch worden met dat al de geloovigen in Evange-lischen zin gehuurd. Zij dienen God niet om niet; zij zullen niet arbeiden zonder loon. „De bezolding der zonde is de dood, maar de genadegifte Gods is het eeuwige leven.quot; Wij zullen ons loon ontvangen voor hetgeen wij voor den Meester doen, en ofschoon het geen loon zal wezen in den zin eener schuld, die wij hebben in te vorderen, zal er toch geen enkele trouwe arbeider voor God gevonden worden, die niet van zijn\'Meester een groot en gezegend loon der genade zal ontvangen, ten dage als Hij komt om met zijne dienstknechten rekening te houden.

En nu ter zake. De meester roept deze zijne gehuurde dienstknechten op verschillende uren van den dag, en in de tweede plaats: bij elk hunner wordt onderscheidende genade ten toon gespreid, die opgehelderd en verduidelijkt wordt in hare verscheidenheid van mededoogen en in goedertierenheid dooide verschillende uren, waarin deze verkorenen werden geroepen.

i. allen worden door de genade niet op denzelfden tijd

geroepen. Volgens de gelijkenis werden sommigen geroepen in den morgenstond. Driewerf gelukzalig zijn dezen! Het zou voor ons moeielijk zyn om met beslistheid het vroegste tijdperk aan te duiden, waarop een kind door genade kan worden geroepen, omdat kinderen, die in natuurlijken zin even oud zijn, daarom volstrekt nog niet in geestelijken of verstandely-ken zin van denzelfden leeftijd zijn, en zelfs ten opzichte van de geestesontwikkeling durven wij den Heilige Israels met betrekking tot het gekozen tijdstip zyner werking niet beperken. Naar hetgeen wij hebben opgemerkt en waargenomen,

-ocr page 32-

VEOEÖ EN LAAT JN DEN WIJNGAARD, OF HOR^E GRATIE. 21

werkt Gods genade in sommige kinderen reeds bij het eerste dagen hunner zedelijke bewustheid. Er zijn ongetwijfeld vroegrijpe kinderen, wier verstand en genegenheden zeer sterk ontwikkeld en geheiligd zjjn, zelfs op twee of drie jarigen leeftijd. Zulke kinderen zijn door den Meester gewoonlijk bestemd om terstond te huis gehaald te worden. Er bestaan zeer belangwekkende levensbeschrijvingen, waaruit blijkt, dat heiligheid kan bloeien en rijpen in het jongste hart. Er zijn tal van anecdotes van kinderen, die ik met volkomen juistheid kan noemen kinderkens, uit wier mond God zich lof heeft toebereid, om den vijand en wraakgierige te doen ophouden. Kleinen, wier tong, naar men zou denken, van niets anders dan van speelgoed zou kunnen spreken, maar die bekwaam werden gemaakt om met blijkbare diepte van geestelijke kennis, inzonderheid kennis van hemelsche dingen, te spreken. Het is ontwijfelbaar, dat sommigen hun dagwerk voor hun\'Meester hebben volbracht, terwijl zij nog in de armen hunner moeder waren. Zij hebben van den Heiland gesproken op eene wijze, die het hart hunner moeder deed smelten, en het geweten van hun\' vader heeft getroffen, en toen zijn zij naar den hemel gegaan. „Zij, die door de goden bemind worden, sterven jong,quot; zeiden de Heidenen, en het is voorzeker geen klein voorrecht zoo spoedig in de heerlijkheid te worden opgenomen. Zij hebben zich op aarde slechts vertoond, en toen werden zij weggerukt en heengevoerd naar hun te huis hier Boven, te kostelijk om hier beneden te blijven verwijlen ! Schoone rozenknop! Maar in de volkomenheid uwer jonge schoonheid zijt gij weggenomen om op de borst uws Zaligmakers te worden ge.\'ragen, hoe zouden wy dan uw heengaan naar den hemel kunnen betreuren ?

„Met den morgenstond,quot; daarbij kunnen ook diegenen gerekend worden, voor wie de eerste ure van den dag reeds voorbij is gegaan, maar het tweede uur nog niet hebben verspild. Ik bedoel deze hoopgevende knapen en meisjes, die wellicht liever hadden, dat ik hen jonge lieden zou noemen, die de kinderjaren te boven zijn en het krachtvolle van den jongen, mannelyken leeftijd intreden. Dezen zijn nog meer te huis op de speelplaats dan op het arbeidsveld, meer geschikt— gelijk Satan hun wijs maakt — om zich te vermaken op de markt, dan om bezig te zijn in den wijngaard des Heeren. De zoo-danigen zijn tot lof der Goddelijke liefde dikwijls door den Heer des huizes gehuurd geworden. Het is gansch niet overbodig sommigen onzer broederen, die zeer wantrouwend zijn ten opzichte der Godsvrucht van zulke knapen en meisjes, te waarschuwen tegen hunne ruwe twijfelzucht. Wij hebben opgemerkt, -— en ik denk, dat zij, die de leden onzer gemeente nauwlettend hebben gade geslagen, het evenzeer zullen heb-

-ocr page 33-

22 VROEfi ES LAAT IN DEN WIJNGAARD, OP HOR.® GRATIE.

ben opgemerkt — dat wij onder al de struikelingen en afwijkingen, die ons smart hebben veroorzaakt, zeer weinig verdriet hebben gehad van hen, dio zich reeds als knapen en meisjes bij ons hebben gevoegd. Er zijn mannen, die in hunne vroege jongensjaren door ons in Jezus Christus werden gedoopt. en die thans met trouw en opgewektheid het Evangelie prediken; en er zijn geöerde dienstknechten Gods onder ons, die de gemeente met ijver en beleid hebben gediend, die reeds in hunne schooljaren blijmoedige volgelingen van den Heere Jezus Christus zijn geweest. Het eerste wat sommigen van ons hebben verkregen, was een begrip van de dingen des konink-rijks. Onze Bijbel was ons eerste spel- en leesboek, de gids onzer jeugd, het genot onzer jongelingsjaren. Wij danken God, dat er nog Timóthéüssen zijn onder ons, en dat zij volstrekt niet „dun gezaaidquot; zijn; en jonge Samuels, die, reeds als kind tot het huis Gods gebracht zijnde, van dien dag af den linnen lijfrok hebben gedragen, en naar hunne wijze en hun vermogen als priesters Gods hebben gediend. Hem dienende met geheel hun hart. Zalig zij, die aldus in den morgenstond zi,jn geroepen! Zij hebben bijzondere redenen om God te loven en te danken.

Laat ons een oogenblik verwijlen bij de gedachte aan het zalig lot dergenen, die reeds in hunne jeugd verlost werden. Vroeg in den morgen schittert de dauw op de bladeren, de maagdelijke blos des dageraads blijft nog en openbaart eene ontluikende schoonheid, welke verloren is voor hen, die niet vroeg genoeg opstaan, om van de geboorte des dags getuige te zijn. Er is in vroege godsvrucht eene onbeschrijfeluke bekoorlijkheid, onuitsprekelijk liefelijk in frischheid en glans. Wij zien in de kindsheid eene ongekunstelde eenvoudigheid, een kinderlik vertrouwen, dat nergens elders wordt aangetroffen. Er mag wat minder kennis zijn, maar er is meer liefde. Er -mag wat minder redeneeren zijn, maar er is meer eenvoudig gelooven op het gezag der openbaring. Er mogen wat minder diepe wortels zijn geschoten, maar er is heel zeker meer geur, meer schoonheid, meer smaragd groen. Indien ik moest kiezen tusschen dat deel van het Christelijk leven, waarin, — na het land Beulah (1), dat ik wegens deszelfs nabijheid aan Kanaan bovenaan moet stellen — de meeste blijdschap en genieting is, dan denk ik, dat ik de voorkeur zou geven aan die landstreek der Christelijke bevinding, welke naar den kant ligt, waar de zon opgaat, bezaaid is met de Oostersche paarlen der liefde, en vervroolijkt wordt door de liefelijke muziek van de vogelen der hope.

(1) Het land Beulali, dat is: het land, dat genoemd zal worden „het getrouwdequot;, zie Jes. 62: 4. In de Engelsche overzetting van den Bijbel is die naam onvertaald gebleven.

-ocr page 34-

VEOEG EN LAAT IN DEN WIJNGAARD, OF HORyE GRATIGE. 23

In rten morgenstond, als wij ontwaken en verkwikt zijn door den slaap, dan valt de arbeid ons het lichtst. Ons werk in den wijngaard is veel meer eene opwekkende oefening onzer krachten, dan een zwoegen, gelijk diegenen het vinden, die den last en de hitte des daags hebben gedragen. De jeugdige Christen gaat niet gebukt onder de zorgen en moeielijkheden van het leven, gelijk dit met de anderen het geval is; hij heeft niets te doen dan zijn\' God te dienen. Hij is vrij van de belemmeringen, die zoovelen onzer omringen, en ons verhinderen goed te doen, als wij ons uitsluitend aan goed doen zouden willen toewijden. De jongeling heeft aan niets te denken dan aan zyn\' Heere. Daar zijn zijne boeken en zijne lessen, maar in het midden daarvan kan hij vurig van geest zijn. ;Daar zijn de metgezellen zijner jeugd, maar in zijne argeloosheid en eenvoudigheid kan hij hun, en door hen. God van dienst zijn. Indien ik een\' gunstigen, bij uitnemendheid geschikten tijd wil hebben om voor Jezus te arbeiden, zoo geef mij de gezegende uren van den morgenstond, als mijn hart het lichtst is en de reine zonnestralen der vreugde over mijn\' pad spelen, als aan mijne gloeiende borst geen ijver of vurigheid ontbreekt, en mijn gelukkige geest door geene zorgen wordt gekweld.

Men zou aan eene vroegtijdige bekeering de voorkeur willen geven, omdat zulke menschen niet geleerd hebben ledig op de markt te staan. Iemand, die uren lang met de handen in den zak heeft gestaan, gesprekken heeft aangeknoopt met dronkaards, enz., is ter elfder ure niet veel waard, ja reeds op den middag is het zoo natuurlijk voor hem geworden tegen de muren te slaan leunen, dat hij waarschijnlijk niet met heel veel ij ver aan het werk zal tijgen. Begint vroeg mot uwe ziel; temt het veulen, terwijl het nog jong is, zoo zal het zich waarschijnlijk gedwee den halster laten aandoen. Geen beter arbeiders dan zij, die reeds aan het werk zijn gegaan, toen zij nog kinderen waren. Welk een vooruitzicht van een\' heerlijken, langen dag is er voor jonge geloovigen! De zon is zoo even pas opgegaan; zij moet de middaghoogte nog bereiken, en dan weder ter kimme dalen. Er is tijd en ruimte genoeg om zich in te bewegen, ofschoon er geen tijd over is om hem te verspillen. Indien God het in zijne voorzienigheid aldus beschikt en vergunt, zoo heeft gindsche jongeling nog twaalf volle uren voor zich om in te arbeiden — wat kan hij al niet tot stand brengen ? Voor een groot, nuttig en Godverheerlijkend leven is vroege godsvrucht, zoo al niet onmisbaar, maar dan toch zeer nuttig en bevorderlijk. Als wij die eerste dagen aan Jezus geven, dan zal ons dit veel treurig naberouw besparen, menige slechte gewoonte voorkomen, en ons door de genade en zegen des Heiligen Geestes tot groote dingen in staat stellen. Het is goed

■!

1

-ocr page 35-

24 VROEG EN LAAT IN DEN WIJNGAARD, OF HORJ3 GRATIGE.

met vliegen te beginnen, terwijl de vleugels nog sterk zyn, want als wij lang in de zonde blijven leven, dan kunnen de vleugels gebroken en gedurende het overige onzer dagen slap neer blijven hangen, zelfs wanneer wy door genade daarna toch geroepen worden. Laat het de begeerte der ouders z;jn hunne kinderen als kinderen bekeerd te zien! O moge God die begeerte wekken in het hart van sommigen van u, jonge lieden, die heden hier zijt gokomen, dat gij vóór uwe meerder-iarigheid, eer men u mannen noemt, „volkomen mannenquot; zijt in Christus Jezus, en terwijl gij nog kinderen zijt, kinderen Gods moogt worden. Mocht gij „als nieuwgeboren kinderkensquot; zeer begeerig zijn „naar de redelijke onvervalschte melkquot; des quot;Woords, en geve de Heere dat gij er door „op moogt wassen.quot; Zalig, driewerf zalig zijn zij, die door de onderscheidende genade des Heeren „in den morgenstondquot; geroepen zyn!

De Heer des huizes ging ook nog uit omtrent de derde ure. Dit kan eene voorstelling wezen van het tijdperk, waarin wij geene kinderen of jongelingen meer zijn, maar aanspraak hebben om mannen genoemd te worden. Gesteld eens, dat de eerste ure zich uitstrekt over de eerste zeven of acht levensjaren, dat de tweede ure van daar tot aan het twee of drie en twintigste jaar reikt, dan is er nog eene goede lengte van tijd tusschen de twintig en de dertig jaren en daarboven, om tot de derde, de vierde en de vyfde ure gerekend te worden. Er zijn sommigen, die de genade Gods in de derde ure wederbaart. Dat is laat! Op een of twee en twintig jarigen leeftijd is het droevig laat, als gii bedenkt hoe veel vroege blijdschap thans reeds onmogelijk is geworden, hoe veel zondige gewoonten reeds zijn aangenomen, hoe vele gelegenheden om anderen ten zegen te zijn, thans voor goed zyn voorby gegaan. Als wij de derde ure bereiken, is reeds een vierde van den dag om. Het is het beste gedeelte van den dag, dat onherroepeiyk voorbij is. De eerste maaltyd van den dag is afgeloopen — het zalige breken des vastens met Christus is niet meer mogelijk. Een zeer kostelijke maaltijd is het, als de Heiland ons ons morgen-deel geeft, het manna, dat versmelt, als de zon heet wordt. Zalig is dit zich voeden van het kind met Jezus! Voorwaar ik herinner het mij, toen ik gewekt werd, gelijk Elia onder den jeneverboom, en gespijzigd werd met zoo kostelijk eene spijze, dat er mij de geur tot op den huidigen dag van is bijgebleven. De man van een en twintig jaren heeft dien eersten maaltijd verloren. Christus zal tot hem, evenals tot sommige anderen zeggen; „Kom, houd het middagmaalquot;, en dat is zeer kostelijk, maar de liefelijkste maaltijd is afgeloopen, de vroegste genieting, de eerste zielsverrukking kan niet meer worden ge kend.

Ik twijfel niet, of er zijn velen hier die denken, dat het

-ocr page 36-

VEOEG EN LAAT IN DEN WIJNGAARD, OP HOEiE ÖEATIjE. 25

zeer vroeg is om op een en twintig jarigen leeftijd bekeerd te worden; maar waartoe een en twintig jaren aan Satan te geven? Waartoe een vierde deel van des menschen bestaan aan het kwade gewjjd? En daarenboven; het zou wel eens geen vierde deel kunnen wezen, het zou de helft, ja in vele gevallen het geheele leven kunnen wezen. De zon gaat onder eer het nog middag is, en de ledigganger op de markt heeft geene hoop ooit een arbeider in den wijngaard te zullen worden. De dood, die komt, wanneer God het wil, en ons niet vooruit waarschuwt, zou de bloem kunnen afsnijden, eer zij nog ten volle ontloken is. „In den morgenstond zijn zij gelijk het gras, dat verandert, in den morgenstond bloeit het, des avonds wordt het afgesneden, en het verdort.quot; Het is laat, droevig laat. Het is treurig, die schoone heldere dagen verloren te hebben, waarin de geest zich nog het minst met andere dingen bezig hield, en nog het vatbaarst wTas om godvruchtige gewoonten aan te nemen. Het is treurig, zoo veel geleerd te hebben van de zonde als men op een en twintig jarigen leeftijd reeds geleerd kan hebben; treurig, zoo veel ongerechtigheid te hebben gezien, zoo veel onreins in de herinnering te hebben bewaard. Twintig jaren met God, dan zou men omstreeks dien tijd reeds veel van het koninkrijk Gods te weten zijn kunnen komen; maar twintig jaren in de wereld, dan begint men als scharlaken te worden, dat in de verwe is blijven liggen, totdat het er gansch en al van doortrokken is. Het is laat, — maar wij danken God, dat het niet te laat is. Ja, het is zelfs voor het grootste en het hoogste nog niet te laat. Dit tijdperk van het leven is niet slechts niet te laat voor de zaligheid, maar het is ook niet te laat om nog veel voor Jezus Christus te doen. Toen sommigen van ons een en twintig jaren telden, hadden zij reeds vijf jaren van Christelijk dienstwerk achter den rug, en zijn zij het middel geweest om vele zielen tot het kruis van Christus te brengen; doch indien anderen door genade geleid worden om dan pas te beginnen, welnu, dan is er zoo God ons het leven spaart, nog een schoon tijdperk over. De jonkman is thans in zijne volle kracht; zijne beenderen zijn vol van merg, en zijn hart is vol van vuur. Hij behoort reeds veel geleerd te hebben, en bereid te zijn om nog veel meer te leeren.

Thans is het juist de tijd voor hem om te arbeiden. Zijne plannen voor het leven zijn nog niet vastgesteld. Hy is waarschijnlijk nog ongehuwd. Er zijn nog geene kinderen om hem heen, die geleden hebben door zijn voorbeeld. Hij is in de gelegenheid gesteld om een gezin te verkrijgen met kinderen, die hij opvoedt in de vreeze des Heeren. Hij begint eene zaak, en hij kan die zaak zóó besturen, dat hij nooit in een anderen koers behoeft te zeilen. Hij kan, indien hij door Gods genade op een en twintig jarigen leeftijd wordt geroepen, eene eer-

-ocr page 37-

26 VROEG EN LAAT IN DEN WIJNGAARD, OP HOR^E GRATIE.

volle loopbaan aanvangen, waarin geene kromming of hoek behoeft voor te komen, zoo dat hij in rechte lijn naar de haven kan sturen en op de levenszee één enkel schitterend spoor kan nalaten, dat van het tegenwoordige oogenblik heen voert naar de lichten des hemels, die hij zal bereiken met volle zeilen en eene kostbare lading aan boord tot roem en prijs van Gods genade. Het is wel laat, en in sommige opzichten zeer laat, maar ach! het is volstrekt niet te laat om den Meester goed te dienen en eene kroon des loons te verkrijgen als gave der goddelijke liefde.

Er is in deze derde, vierde en vijfde ure van den dag overvloed van werk voor ons te doen. Ja ik geloof, dat de kerk dan het meeste werk van ons moet verwachten. Na dit en het volgend tijdperk wordt de mensch ten opzichte van werkzaamheid eerder een ontvanger van, dan een gever aan, de kerk. Hare geestkracht, hare warmte des harten, hare snelle werkzaamheid moet in zeer groote mate komen van bekeerde jonge lieden. O gij een en twintig jarigen! ik wenschte wel van God, dat gij allen van den hemel waart geboren! Jonge vrouwen, moge de Meester in zijne oneindige genade u in uwe eerste schoonheid toebrengen. O! indien gij de liefelijkheid kendet van zijne liefde, gij zoudt geene overreding behoeven! Indien gij het genot, de blijdschap kendet van den waren godsdienst, het zou niet noodig zijn, dat wij u smeeken om tot Christus te komen! Er wordt in het verborgen met den Heere Jezus Christus meer heilige bly\'dschap gesmaakt, dan in al de genoegens, die de wereld kan opleveren. Een weinigje van de liefde van Christus is beter dan al de vleierijen van de wereld. De wereld biedt u zeepbellen met fraaie kleuren, schoon om aan te zien, maar door een\' ademtocht vernietigd; Christus geeft ware schatten, die de eeuwigheid verduren. Het goud der wereld is ongangbare munt; het schittert, maar het is geen kostbaar metaal. Er moge minder glans en schittering zijn aan de dingen Gods, maar er is eene degelijke blijdschap en een blijvend genot in, dat alleen door de kinderen Zions gekend kan worden. Moge de Meester heden morgen tot uw hart komen, en moge Hy u door mijn eenvoudig woord op de derde ure des daags in zijn\' wijngaard roepen.

De genade des Meesters was nog niet uitgeput, en daarom ging Hij uit omtrent de zesde ure. Wij zien Hem op den vollen middag uitgaan naar de markt. De dag was reeds voor de helft voorbij. Wie zal iemand om twaalf uur nog in dienst nemen en hem een vol dagloon uitbetalen? Hij zal reeds niet teveel werk leveren, als gij hem huurt om zes uur; wat zal hij kunnen doen, indien gij hem pas om twaalf uur aan het werk stelt. Een halve dag werk! Dat is al heel weinig omtebegee-ren of om aan te bieden. Doch de Meester begeert het en neemt

-ocr page 38-

VROEG EN LAAT IN DEN WIJNGAARD, OF HOR^E GRATIE. 27

het aan. Hy belooft: „Zoo wat recht is zal ik u gevenquot;; en er worden sommigen gevonden, die omtrent de zesde ure in den wynaard komen, en verlost zijnde door genade, hun werk voor Jezus beginnen. Hierdoor kan dit tydperk des levens voorgesteld zyn, waarin men den mensch in zijne volle mannelijke kracht vindt — als hij de veertig jaren voorbij is. Dit is droevig laat, zeer droevig laat. Droevig laat in velerlei opzichten, niet slechts omdat er dan nog zoo weinig tyd overblijft, maar omdat zooveel kracht, en ijver, en geestkracht, die aan God hadden behooren gegeven te worden, verspild zijn, en in zekere mate zelfs besteed werden om tegen God te strijden. Veertig jaren van verhardheid des harten! Dat is een lange tyd voor het goddelijk geduld. Veertig jaren van zonde! Dat zijn voor de conscientie vele dagen om over te treuren. „Veertig jaren heb Ik verdriet gehad aan dit geslachtquot;, zegt God. In de woestijn hebben zij gedurende al dien tijd hun hart verhard, en Hy zwoer in zijn\' toorn, dat zij in zijne ruste niet zouden ingaan. Welk een zegen is het voor u, veertigjarigen, die nog onbekeerd zijt, dat Hij zoo schrikkelijk een\' eed niet heeft gezworen ten opzichte van u, dat zijne lankmoedigheid nog voortduurt, dat zijn geduld u nog draagt, dat Hij ook heden nog tot u zegt: „Gaheen, mynzoon — ga, werklieden in mijn\' wijngaard.quot; Het is droevig laat, omdat het nu meer dan natuurlijk voor u geworden is op den weg der zonde te wandelen. Gy zult in de toekomst veel hebben om tegen te strijden, als droevig resultaat van het verleden. Het schip uwer ziel te wenden gaat niet zoo gemakkelijk als een vaartuig door een roer of stuurrad om te keeien; alleen de hand Gods kan eene ziel over den boeg der genade wenden. Gy zult veel genade noodig hebben om het bederf te overwinnen, dat veertig jaren lang den tyd had om wortel te schieten. Gij hebt een inwoner in uw huis, die zich in het bezit er van gesteld heeft, en gy zult bevinden, dat wie eenmaal m bezit is, niet gemakkelijk verdreven kan worden, ja, dat er iemand noodig is, „sterker dan hijquot;, om hem uit te werpen. Tot aan den dag uv/s doods zal de herinnering u bij blijven van de booze dingen, die gij gedurende deze veertig jaren, dat gij niet waart wedergeboren, hebt gehoord. Gij zult de nagalm hooren van een lied uit dien tyd, juist op het oogenblik wanneer gij poogt te bidden, en eene daad, die gy betreurt en beweent zal u in den weg treden op het eigen oogenblik, dat gij met vrijmoedigheid „Abba Vaderquot; meendet te zeggen. Het is laat, zeer laat omtrent deze zesde ure, maar het is niet te laat. Het is niet te laat voor sommigen van de kostelijkste genietingen; gij kunt met Jezus nog het middagmaal houden. Hij kan zich nog aan u openbaren, gelijk Hij zich niet aan de wereld openbaart; gij kunt nog veel tyd hebben om er Hem in te dienen. Het is nog niet te laat

-ocr page 39-

28 VEOEG EN LAAT IN DEN WIJKÖAARD, OF HOEJE GEATI^E.

om u onder zyne dienstknechten te onderscheiden. Beschouw het leven van John Newton. Hy werd geroepen in het midden van den dag, maar John Newton heeft zijn spoor achtergelaten in den wijngaard des Heeren, en dat spoor zal nooit uitgewischt worden. Ik denk, dat Paulas niet ver beneden dien leeftyd kan geweest zijn, toen hij door Gods vrijmachtige genade geroepen werd, en ook de meesten der apostelen zullen weinig jonger zijn geweest toen Gods genade hen tegen kwam, toch hebben zy een heerlijk dagwerk volbracht. Indien gij, mijn broeder, op middelbaren leeftijd bekeerd wordt, dan moet gij harder werken, gij moet den voorbijgeganen tijd voldoende achten om er den wil des vleesches in te hebben gewerkt; thans moet gij den tyd uitkoopen, dewijl de dagen boos zijn. Ach, als iemand op veertigjarigen leeftijd bekeerd wordt, dan behoort hij met dubbel versnelden pas naar den hemel te reizen; er moet thans geen enkel oogenblik verloren gaan. Streef er naar om in de kracht Gods twee maal meer werk te doen dan jongeren, daar gij slechts de helft van den tijd hebt om er het levenswerk in te volbrengen. Ik weet, dat gij kronen wenscht te winnen voor Christus, zoo staat dan op, geliefden, en doet het. Gij zyt verlost door genade, en door genade alleen. Gij smacht er naar Christus te eeren van wege zijne vrije liefde tot u, kunt gij dan niet trachten Hem even veel te eeren in hetgeen u nog overblijft van het leven, als anderen in geheel hun leven ? Door ijver, en voorzichtigheid, en overleg, en volkomene toewijding kunt gij den Meester uitnemend wel dienen.

De heer des huizes ging uit omtrent de negende ure, dat is om drie uur in den namiddag. Niemand denkt er aan om drie uur in den namiddag daglooners aan te nemen. Een dagwerk, dat verricht moet worden van drie tot zes! Hieruit blijkt, dat dit Evangelie-huren volstrekt niet gelykt op het wettische huren; het moet alles uit genade zijn, of men zou er niet aan denken zoo iets te doen. Welnu, drie uur des namiddags, dat is de leeftyd van zestig tot zeventig jaren. De bloei en kracht des levens zijn voorbij. iZeiis laat, het is droevig laat, zeer droevig laat. Het is laat, dewijl alle de krachten des menschen thans verminderd zijn. Zijn geheugen begint te falen. Hij denkt dat zijn oordeel beter, juister is dan ooit te voren, maar dat is waarschijnlijk slechts zoo in zijne eigene meening. Op hoo-gen leeftijd hebben de meeste vermogens van den geest hare kracht en fijnheid verloren. Hij heeft ervaring opgedaan, maar toch! — geen erger dwaas dan een oude dwaas, en een mensch, die niet door Gods genade onderwezen is, leert in de school der voorzienigheid maar weinig dat van eenige waarde is. In geen zestig duizend jaren zou een mensch wijs worden, zoo Gods genade hem niet heeft onderwezen. Denk hier nu eens aan, is het niet laat? Hier is de mensch: indien hij thans bekeerd

-ocr page 40-

VEOËG ÊN LAAT IN DËN WIJNGAARD, OF HORiU GRATIE. ÖÖ

wordt, wat is er dan nog van hem over ? Hij is gelijk aan een eindje kaars. Hij kan nog een weinigje licht verspreiden, maar het is bijna als een snuitsel, dat in de pijp brandt. Al deze zestig of zeventig jaren zijn doorgebracht . . . waar? Werp er een sluier over. Laat ons, gelijk de zonen van Noach, achter-waats gaan, en het alles bedekken ; ach! dat ook de almachtige genade het mocht bedekken! Het feit is ontzettend aangrijpend — zestig, zeventig jaren doorgebracht in den dienst van Satan ! O welk een goed zou die mensch hebben kunnen doen ! Had hij slechts zijn\' God gediend, gelijk hij de wereld gediend heeft, hoeveel goed zou hij hebben kunnen doen! Hij heeft fortuin gemaakt! Hoe rijk zou hij thans hebben kunnen zijn in het geloof. Hij heeft een huis gebouwd ! Ja, maar hoe zou hij hebben kunnen helpen de gemeente te bouwen. De man heeft zich met kaartenhuisjes vermaakt; hij was als de knapen, die aan het zeestrand kasteelen bouwen van zand, die allen instorten, en dat wel zeer spoedig, want ik hoor reeds den golfslag van den schrikkelijken vloed des doods, die al nadelen nader komt. Deze uitgevallen tanden, die rhumatische pijnen, enz. het toont alles aan, dat dit zijn ruste niet is. De tabernakel begint in puin te vallen; en luid, en sterk is de waarschuwing, dat hij er aan moeten denken spoedig heen te zullen gaan, dat hij zijne schatten en zijn huis zal hebben te verlaten. Indien dit dan nu alles is, dan zal het in het einde blijken, dat hij niets heeft gedaan. Hij heeft schaduwen opeengestapeld, hij heeft leem opeengehoopt, en dat is alles waihij gedaan heeft, terwijl hij, zoo hij in Jezus had geloofd, zoo veel voor God had kunnen doen en voor de zielen der menschen. Wat slechte gewoonten heeft hij aangenomen ! Wat kunt gij ooit maken van dezen mensch ? Indien hij behouden wordt, het zal wezen als door vuur. Hij wordt geroepen, en hij zal den hemel binnengaan, maar ach ! hoe weinig kan hij doen voor den Meester, en met wat krachtig bederf zal hij hebben te worstelen, en wat inwendigen strijd zal hij hebben testrijden eer hij in den hemel komt! Het is laat, het is zeer laat, maar o! geloofd zij God! het is niet te Zaa^. Wij hebben binnen deze muren personen gekend, die reeds lang den bloeitijd huns levens voorbij waren, en die naar voren traden en zeiden : „Wïj zullen ons lot midden onder u werpen want de Heere is met u.quot; Wij hebben hunnequot; blijde geschiedenis gehoord, wij hebben gehoord hoe de grijsaard een kindeke is geworden, en hoe hij, die gebogen ging onder de jaren, wedergeboren werd in het koninkrijk van Christus. Het is niet te laat. Heeft de duivel gezegd, dat het wel te laat is ? De poort wordt gesloten, ik hoor haar krassen op hare hengsels, maar\' zij is nog niet gesloten! De zon neigt ten ondergang, maar zij is nog niet aan de kim verdwe-

-ocr page 41-

80 VEOKG EN LAAT IN DEN WIJNGAARD, OF HORJE GRATIJË.

nen; en indien de Meester u roept, zoo spoed u des te meer tot Hem henen, omdat dit zoo is. En als gij verlost zijt. zoo dien Hem met al uwe macht, dewijl gij zoo weinig tijd meer hebt om Hem te verheerlijken op de aarde, nog slechts zulk eene korte spanne des tijds tot uwe beschikking hebt om uwe bewustheid te toonen van hetgeen gij aan zijne alles overtreffende liefde zijt verschuldigd.

De dag is schier voorbij, het is de elfde ure, vijf uur! De arbeiders werpen een\' blik op het uurwerk, om te zien of het niet weldra zes uur is. Zü verlangen er naar de klok te hooren slaan, zij hopen, dat het dagwerk spoedig afgeloopen zal wezen. Zie, de Meester gaat uit naar de markt en begeeft zich onder die onnutte mannen, die daar nog altijd staan te talmen. Sommigen van hen klampt Hij aan, en vraagt hun: „Watstaat gij hier den geheelen dag ledig? Gaat ook gij heen in den wijngaard, en zoo wat recht is zult gti ontvangen.quot; Ter elfder ure komen zij nu in — terwijl zü zich half schamen nog te komen en zich niet gaarne door de anderen laten zien. Toch slopen zij stil naar binnen, en er waren grootmoedige arbeiders, die boven de wijnstokken uitzagen, en tot hen zeiden: „Het verheugt mij u te zien, vrienden; ik ben blijde, dat gij nog gekomen zijt, hoe laat het ook is.quot; Ik houd er mij van overtuigd, dat er onder die arbeiders enkelen waren, die zelfs even ophielden van hun werk, om God te danken en Hem met luider stem te loven, wijl hunne medegenooten nog ter elfder ure. zijn toegebracht. Deze elfde ure moet beschouwd worden als ieder levenstijdperk boven de zeventig jaren voor te stellen. Tot hoe ver dit tijdperk zich kan uitstrekken is mij onbekend. Er is een voorbeeld, dat door geloofwaardige getuigen gestaafd is, van een\' man, die bekeerd werd toen hü reeds honderd en vier jaren oud was. Het had plaats tijdens de laatste geestelijke opwekking in Ierland, en die man heeft nog een\' zekeren afstand te voet afgelegd, om zyn geloof in Jezus Christus voor de gemeente te belijden. Ik herinner mü ook een geval van iemand in Amerika, die bekeerd werd door eene leerrede, die hij, geloof ik, tachtig jaren te voren had g:ehoord. Hü was vijftien jaren oud, toen hij Ds. Flavel aan het einde eener preek, op het oogenblik, dat hij den zegen zou uitspreken, hoorde zeggen: „Ik kan geen zegen over u uitspreken. Hoe kan ik hen zegenen, die den Heere Jezus Christus niet liefhebben? „„Indien iemand den Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij eene vervloeking, Maran-atha.quot;quot; Een en tachtig jaren, of meer, daarna kwam die plechtige uitspraak terug in de herinnering diens mans, toen hij in Amerika woonde, en God zegende haar tot zijne bekeering. Er zijn sommigen geweest, voor wie de elfde ure de ure huns doods was; sommigen, zeg ik, voor hoe velen of hoe weinigen, betaamt mij niet te we-

-ocr page 42-

vroeg en laat in den wijngaard, op horje gratiie. 31

ten. Wü weten van één voorbeeld in de Schrift, het was de stervende moordenaar. Er is slechts één ; maar in zijne overvloedige genade kan God doen al naar het Hem behaagt tot eer zijner genade, en ook ter elfder ure kan Hij zijne uitverkorenen roepen. Het is zeer, zeer laat; het is droevig laat, het is hetreurenswaardig laat, maar het is niet te laat, en indien de Meester u. roept, zoo kom, al zouden ook honderd jaren van zonde uwe voeten zwaar maken, zoodat uw gang pijnlijk hinkende is. Indien Hij u roept, dan is het laat, maar niet te laat, zoo kom dan. Hebt gij er ooit aan gedacht, hoe die moordenaar voor zynquot; Heere heeft gearbeid ? Het was geene schoone plaats om in te werken toen hij daar stervende aan het kruis hing, juist ter elfder ure; maar in weinige minuten heeft hij toch zeer veel werks gedaan. Let op hetgeen hij deed. Ten eerste: hij beleed Christus — hij erkende Hem als Heere; hij beleed Hem voor de menschen. Ten tweede : hij rechtvaardigde Christus — „Deze heeft niets\'onbehoorlijks gedaan.quot; Vervolgens; hij aanbad den Heere Jezus; hij noemde Hem „Heere.quot; Hij begon zelfs te prediken, want hij bestrafte zijn\' medezondaar, hij vermaande hem, dat hij niet iemand moest smaden, die zoo onrechtvaardigUjk veroordeeld was. Hij sprak een gebed uit dat een voorbeeld van gebed is geworden — „Heere! gedenk mijner, als gij in uw koninkrijk zult gekomen zijn.quot;

Ik wenschte wel van mij zeiven te kunnen zeggen, wat ik van dien moordenaar kan zeggen: hij heeft alles gedaan wat hij kon. Ik kan dat niet van mij zeiven zeggen. Ik weet niets, dat de moordenaar aan het kruis had kunnen doen, dat hü niet gedaan heeft. Zoodra hij geroepen was, heeft hij met al de kracht en bekwaamheid, die in hem was, in den wijngaard gearbeid; en zoo laat mij dan zeggen tot u, waarde hoorder, indien gij ter elfder ure geroepen mocht worden, schoon gü dan oud en wel bedaagd zijt, zoo ga heen om Jezus Christus wil, en uit liefde voor de groote dingen, die Hij voor u gedaan heeft, en loof Hem uit al uwe macht.

11. Mijn tyd is voorbij, en ik had willen aantoonen, dat in

elk dezer gevallen onderscheidende genade heeft geblonken. Zij, die in den vroegen morgen werden geroepen, hebben de kostelijkste redenen om de vrijmachtige genade Gods te bewonderen, want zij zijn voor het kwaad en de zonden des levens bewaard gebleven. Welk eene onderscheidende genade was het, die ons riep, toen wij nog jong waren! Daarin is uitverkiezende liefde. „Als Israël een kind was, toen heb Ik hem liefgehad, en Ik heb mijn\' zoon uit Egypte geroepen.quot; Sommigen van ons hebben voor tijd en eeuwigheid een byzonder lied der dankbaarheid te zingen wegens de liefde, die in de dagen onzer dwaasheid en onnoozelheid tot ons kwam, en ons

-ocr page 43-

VROEG EN LAAT IN DEN WIJNGAARD, OP HORiE GRATIS.

ingeleid heeft tot het huisgezin Gods. Het was niet omdat wü beter gezinde kinderen waren dan anderen, of omdat er van nature iets goeds in ons was; wij waren even eigenzinnig, trotsch, verwaand, grilziek en ongehoorzaam als andere kinderen, en toch heeft Gods goedertierenheid ons afgezonderd van de anderen, en nooit zullen wy aflaten van Gods vrijmacht te loven.

Zie op de \'genade, die den mensch roept op twintigjarigen leeftijd, als de hartstochten hevig zijn, als de verzoeking sterk is om zich in de ondeugden en de zoogenaamde genoegens van het leven te storten. Verlost te zijn van de bekoringen der zonde, als het aanzien der wereld ons toelacht en zij haar schoonste gewaad draagt, en dan geleerd te worden de ver-smaadheid van Christus te verkiezen boven de schatten van Egypte, dat is machtige genade, waarvoor wij Gode ons liefelijkst loflied toebrengen.

In de kracht des levens, op veertigjarigen leeftijd door den Heere geroepen te worden, dat is een heerlijk voorbeeld der goddelijke macht; want wereldschgezindheid is moeielijk te overwinnen, en wereldschgezindheid is de zonde, die aan den middelbaren leeftijd eigen is. Met een groot gezin, met velerlei zaken, met de wereld, die u verteert als een kanker, is het een wonder, dat God in zijne barmhartigheid u dan juist heeft bezocht en u tot een wedergeborene heeft gemaakt. Gij zijt een wonder van genade, en gij zult dit moeten gevoelen en God er voor danken in den tijd en in de eeuwigheid.

En zestig jaren. „Zal ook een Moorman zijne huid veranderen? of een luipaard zyne vlekken? Zoo zult gylieden ook kunnen goed doen, die geleerd zijt kwaad te doen.quot; En toch hebt gij geleerd; gü hebt een\' gezegenden leermeester gehad, die u op liefelijke wijze heeft onderwezen, en gij hebt geleerd goed te doen. Ofschoon uwe schepen begonnen te rotten in de wateren van de Zwarte Zee der zonde, zoo hebt gij thans een\' nieuwen reeder gekregen; en gij zult eene nieuwe vlag voeren, en om de Kaap de Goede Hoop heen zeilen naai de Gelukkige Eilanden van het Land van Hier-Namaals.

Maar wat zal ik zeggen tot u, die op hoogen leeftijd wordt geroepen? O gij zult veel moeten liefhebben, want u is veel vergeven. Ik weet niet, of gij in het minst moet achterstaan in dankbaarheid bij diegenen van ons, die in onze vroege jeugd werden geroepen. Wij hebben veel om God voor te danken, en dat hebt gij ook. Wy zyn aan het eene uiterste en gy aan het andere; wy wenschen veel lief te hebben, omdat wij bewaard zijn gebleven voor veel zonde; en gy moet veel liefhebben, omdat gij van veel zonde zijt verlost. Niet heen te gaan door het vuur is eene reden tot lof; maar door de vlammen te gaan zonder verzengd te worden, in den vurigen oven

-ocr page 44-

--

VROEG EN LAAT IN DEN WIJNGAARD, OF HORiE GRATIiË. 33

te wandelen, en verlost te worden van zijne heftige hitte^ ach! hoe zoudt gy woorden vinden, ora hiervoor uwe dankbaarheid uit te spreken! Geroepen te zijn, vroeg of laat, geroepen op den middag, of in den vroegen namiddag, laat ons, daar wij alleen door genade zijn geroepen, het alles toeschrijven aan den Heere Jezus, en bewogen door den machtigen drang zijner liefde, laat ons met lichaam, ziel en geest voor Hem arbeiden, totdat wü niet meer arbeiden kunnen, en Hem dan in de ruste der heerlijkheid loven.

Ik bid ii, mijne broeders, laat geen zucht tot ledigheid zich meester van u maken. Indien gij gepoogd hebt het koninkrijk des Verlossers uit te breiden, doet het nog.meer. Geeft meer, spreekt meer van Christus, bidt meer, arbeidt meer! Dikwijls ontvang ik den vriendeiyken raad; „Doe minder.quot; Ik kan niet minder doen. Minder doen! Wel! beter gansch te vergaan, dan het roemloos leven te leiden van niet het alleruiterste te doen voor God ! Ik vrees, dat niemand onzer er aan zal sterven, dat hij te hard werkt voor Jezus. Dat zou zulk eene heerlijke daad van zelfmoord zijn, dat, zoo er ééne zonde vergeeflijk is, deze het gewis zijn moet. Ik ben volstrekt niet bevreesd, dat gij u aan zulk iets schrikkelijks zult schuldig maken. Arbeidt voor den Meester! Wij moeten de kosten doen en te koste gegeven worden. Houdt niets terug om er de begeerlijkheid des vleesches mede te volbrengen! O hoe zalig zullen wij zijn, als ons het voorrecht te beurt valt van ons werk te volbrengen, en Hem te hooren zeggen; „Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht, ga in, in de vreugde uws Heeren.quot; De Heere zegene u. om Christus wil. Amen.

-ocr page 45-

\\

m sn m n£

zij

DE TWEE ZONEN. ^

ne

vs

- bi

m

„Maar wat dunkt u? Een mensch had twee zonen, en gaande tot den hc

eersten, zeide:Zoon! ga heen, werk heden in mijn\' wijngaard. Doch hij ant- gf

woordde en zeide: Ik wil niet; en daarna berouw hebbende ging hij heen. m

En gaande tot den tweeden, zeide desgelijks, en deze antwoordde en zeide: .

Ik ga lieer! en hij ging niet. Wie van deze twee heeft den wil des vaders gedaan? Zij zeiden tot hem: De eerste. Jezus zeide tot hen: Voorwaar Ik dc

zeg n, dat de tollenaars en de hoeren u voorgaan in het koninkrijk Gods. (Jr

Want Johannes is tot u gekomen in den weg der gerechtigheid, en gij hebt ,

hem niet geloofd; maar de tollenaars en hoeren hebben hem geloofd; doch ut

gii, zulks ziende, hebt daarna geen berouw gehad, om hem te gelooven.quot; ZS

Matth. XXI: 28—32. v(

bl

Het gezicht van dit zoo uitgestrekte gebouw en van de groote ie schare, die hier vergaderd is, herinnert my aan andere too- » jo

neelen, die in dagen, welke gelukkig reeds zeer lang voorbij df

zijn, in de amphitheaters van het oude Eomeinsche keizerrijk d(

werden aanschouwd. In ry op rij zat de toegestroomde me- te

nigte met hunne wreede oogen en ijzeren harten, sn in het na

midden stond een eenzaam man wachtende tot de valluiken ir

van den leeuwenkuil geopend werden, om dan als getuige v(

voor Christus den dood prys gegeven te worden. Het zou toen h(

niet moeielijk zijn geweest bij die toeschouwers het kostelijke g(

van het snoode uit te trekken. De onnadenkendste reiziger, zi

die zulk een amphitheater binnentrad, zou terstond geweten te

hebben, wie de discipel van Christus was en wie de vyanden rc

waren van den Gekruisigde. Daar staat de kloekmoedig kalme zc

discipel, hij is op het punt van te sterven; maar geheel in re

het rond, op die onafzienbare rijen van het Colosseum, of van ie

het amphitheater in de eene of andere provinciestad, zitten v(

deftige vrouwen en edellieden, prinsen en boeren, plebejers en ol

patriciërs, senatoren en soldaten, allen met denzelfden woesten, d(

onmeedoogenden blik naar het strijdperk gericht, allen onstui- o]

mig yverende voor hunne Heidensche goden, en allen luid- in

keels juichende, terwijl zy den doodstrijd aanzien van den g(

discipel des gehaten Galileërs, die ter slachtbank wordt gevoerd, rs ten einde den Eomeinen een\' feestdag te bereiden. Een ander

tooneel doet zich heden op voor onze oogen, een -ooneel, dat ir

oneindig liefelijker is; maar helaas! het is heden tevens veel gi

I

-ocr page 46-

DE TWEE ZONEN.

moeieiyker het kaf van het koren, het kostelijke van het snoode te scheiden, dan in de dagen, toen de apostel teEfeze met wilde dieren heeft gestreden. Hier, in dit strijdperk zijn, naar ik hoop, honderden, zoo niet duizenden, die bereid zouden zijn voor onzen Heere Jezus te sterven; en in gindsche dicht bezette zitplaatsen kunnen wij honderden tellen, die den naam dragen van den Man van Nazareth, en zijn evangelie aannemen; en toch vrees ik, dat hier ook vele vijanden zijn van den Zone Gods, die zijne rechtmatige aanspraken voorbij zien, de koorden der liefde van zich werpen, welke hen moesten binden aan zijn\' troon, en zich nooit onderworpen hebben aan de machtige liefde, die zich aan het kruis heeft geopenbaard. Mij voegt het niet die scheiding te maken. Gij moet te zamen opgroeien tot aan den oogst. Eene scheiding te maken onder ulieden is een werk, dat te dezer ure zelfs door geene engelen zou kunnen volbracht worden, maar dat eenmaal zeer gemakkelijk door hen verricht zal worden, als op het woord huns Meesters de oogst ingezameld zal zijn, en zy eerst het onkruid zullen vergaderen om het te verbranden, en daarna de tarwe in Jehovah\'s schuren zullen brengen. Ik zal die verdeeling niet beproeven, maar ik zal aan ieder uwer vragen het voor zich zeiven te doen. Ik zeg tot u, jongelingen en jonge dochters, tot u, grijsaards en vaders, onderzoekt heden u zeiven of gij in het geloof zijt. Laat niemand denken, dat hij een Christen is, omdat hij met Christenen hier te zamen is gekomen. Laat niemand zijn\' naaste oordeelen, maar dat een iegelijk zich zeiven oordeele. Tot een iegelijk uwer zeg ik met diepen ernst, laat uwe eigene conscientie de verdeeling maken; laat uw verstand scheiding maken tusschen hem, die God vreest, en hem, die God niet vreest. Ofschoon geen man met linnen bekleed en een schrijvers inktkoker aan zijne lenden in het midden van u zal doorgaan, om een teeken te teekenen op de voorhoofden der lieden, die zuchten en uitroepen over al die grawelen, die in de stad gedaan worden, zoo laat de conscientie den inktkoker nemen en in alle oprechtheid het teeken teekenen, of niet teekenen; en dat een iegelijk zich heden afvrage: „Ben ik voor den Heere, ben ik voor Christus of voor zijne vijanden? Vergader ik met Hem, of verstrooi ik?quot; Maakt deze scheiding, gelijk er scheiding onder u gemaakt zal worden ter rechterhand en ter linkerhand op den grooten dag, wanneer Christus de wereld zal oordeelen in gerechtigheid. Maakt scheiding, gelijk er scheiding onder u gemaakt zal worden, wanneer de zaligheid des hemels of de rampzaligheid der hel uw eeuwig deel zal wezen.

Indien wij allen aldus in twee kampen verdeeld waren, en indien wij konden zeggen : dezen hebben met God een verbond gemaakt met offerande, en dezen daar aan de overzijde zijn

35

-ocr page 47-

\'de twee zonen.

nog vijanden Gods in de booze werken, dan zullen wij, op deze laatste klasse van raenschen ziende, het toch nog noodig achten, bij wijze van persoonlijke toepassing, eene scheiding onder hen te maken. Want, hoewel alle ongeloovigen hierin aan elkander gelijk zijn, dat hunne zonden niet zijn vergeven, en hunne ziel niet is verlost, is er toch een groot verschil in hunne1 omstandigheden en in de uitwendige vormen hunner zonde. Zij zijn allen zonder Christus, en daarin zijn zij aan elkander gelijk ; maar in hun\' zedelijken toestand verschillen zij van elkander. Ik vertrouw, dat de Geest Gods mij heden geleid heeft in de keuze van mijn\' tekst, want terwijl die tekst mij aanleiding geeft om tot de geheele menigte dér onbekeerden te spreken, geeft hij mij tegelijk ook de gelegenheid om tot ieders conscientie te spreken door het groote gezelschap der onbekeerden te verdeelen in twee onderscheidene klassen. Mocht er voor elk dezer klassen van ongeloovigen heden een zegen weggelegd zijn.

Ik zal ten eerste spreken tot hen, die openlijk ongehoorzaam zijn aan God, ten tweede, tot diegenen, welke zich in schijn aan Hem onderwerpen.

I. quot;Wij hebben ten eerste een woord voor hen, pie openlijk ongehoorzaam zijn aan God. Er zijn hier velen van de zoo-danigen. God heeft tot u gezegd wat hij zegt tot allen, die het Evangelie hooren: „Zoon, ga heen, werk heden in mijn\' wijngaard; en gij hebt geantwoord — misschien in oprechtheid, doch stellig met groote vermetelheid, groote onvriendelijkheid en groote onrechtvaardigheid: „Ik wil niet.quot; Gij windt er geen doekjes om, maar weigert ronduit de aanspraken van uwen Schepper te erkennen. Gij hebt onverholen uwe meening gezegd, niet slechts in woorden, maar op eene wijze, die niet misverstaan kan worden, want daden spreken luider dan woorden. Wederom en nog eens hebt gij door uwe daden gezegd; „Ik wil God niet dienen; ik wil in zijn\' Zoon Jezus niet gelooven.quot; Waarde vriend, het verheugt mij u heden te zien, en ik vertrouw, dat, eer gij dit gebouw verlaat, de zaken heel anders voor u zullen komen te staan; maar voor het oogenblik hebt gij zelfs geene uitwendige gehoorzaamheid aan God bewezen. Op allerlei manier hebt gij gezegd: „Ik wil niet.quot; Practisch zeidet gij: „Ik wil God niet aanbidden, ik wil des Zondags niet naar de kerk gaan — het is mij eene onuitstaanbare vermoeienis en verveling. Ik wil den lof mijns Makers niet zingen

— ik wil niet voorwenden dank te brengen aan den God, dien ik niet lief heb. Bij het openbaar gebed der gemeente zal ik mij niet voegen — ik heb er geen hart voor. Ik zal des morgens en des avonds geen gebed uitspreken in de eenzaamheid

— waar zou het ook toe dienen? Ik wil in het geheel niet bidden; ik geloof niet in de kracht des gebeds, en ik wil mij

36

-ocr page 48-

de twes zonen.

niet zulk een huichelaar betoenen om eene praktijk te volgen, waarin ik hoegenaamd niet geloof. En wat men zonde noemt, dat heb ik lief, en dat wil ik niet opgeven.quot; Gij zijt er trotsch op, dat men u een eerlijk man noemt, want gij erkent de aanspraken, die uwe medemenschen op u hebben; maar gij veracht het om voor godsdienstig gehouden te worden, want de rechten uws Makers erkent gij niet. Aan de rechtmatige eischen van anderen wilt gij blijmoedig gehoorzamen; maar de rechtvaardige en teedere eischen van God wijst gij beslist af. Zoo duidelijk als daden kunnen spreken zegt gij door uw veronachtzamen van den Sabbat, door uwe miskenning van het gebed, door uw niet lezen van den Bijbel, door uw volharden in hetgeen gij weet zonde te zijn, en door geheel de strekking van uw leven: „Ik wil niet.quot; Evenals Farao hebt gij gevraagd : „Wie is de Heeee, wiens stem ik gehoorzamen zou?quot; Gij zijt van dezelfde gezindheid als zij, die van ouds gezegd hebben: „Het is te vergeefs, God te dienen: want wat nuttigheid is het, dat wij zijne wacht waarnemen?quot;

En behalve dat, mijn vriend, hebt gy ook nog niet ingestemd met de leerstellingen van GodsWoord. Integendeel, verstandelijk, zoowel als practisch, hebt gü geweigerd Gods gebod waar te nemen. Gij hebt het denkbeeld opgevat, dat gij alles moet begrijpen, eer gij er in wilt gelooven. Laat mij u zeggen, dat dit een denkbeeld is, dat gij nooit ten uitvoer zult kunnen brengen, want uw eigen bestaan kunt gij niet begrijpen, en gij zijt omringd van tien duizend zaken, die gij nooit zult kunnen begrijpen, maar die gij zult moeten gelooven, zoo gij niet voor altijd een groote dwaas wilt blijven. Nog altijd maakt gij vittende aanmerkingen, nu eens op deze, en dan weder op die leerstelling, en smaalt gij op het evangeliestelsel in het algemeen. En zoo men u vroeg, waarom gij niet op gaat naar Gods huis, gü zoudt wellicht antwoorden, dat gij weg blijft, omdat u deze of gene leerstelling tegen de borst is. Laat mij u, voor zoo veel mij aangaat, mogen zeggen, dat er mij zeer weinig aan gelegen is, of gij al of niet van mijne leerstellingen houdt; maar om uwentwil is het mij een zielsverlangen, dat gij de waarheid zult gelooven, gelijk zij is in Jezus. Doch zoo lang gij blijft leven in de zonde, zal uw afkeer van eene leerstelling my hoogst waarschijnlijk slechts vaster overtuigd doen zijn, dat zij waar is, en mij aansporen, haar met nog meer geloof en met meer vurigen ijver te prediken. Denkt gij, dat wij Gods waarheid moeten leeren uit de liefde er voor, of uit den afkeer er van, van diegenen, die weigeren Hem te aanbidden en een voorwendsel zoeken, om te kunnen zondigen ? O onbekeerde mannen en vrouwen, het zal lang duren, eer wi.j tot u zullen komen om te vernemen, wat gij wenscht, dat wij zullen prediken, en als wij zóó diep zouden zinken, om dit

87

-ocr page 49-

DE TWEE ZONEN.

te doen, dan zoudt gij zeiven ons verachten. Hoe! Zal de geneesheer den kranke vragen, welke medicijn hij zich wenscht voorgeschreven te zien? Dan behoeft die kranke geen geneesheer, want hij kan zich zeiven geneesmiddelen voorschrijven. Waar is nu nog een doctor voor noodig? En waar is een leeraar toe nut, die toegeeft aan den verdorven smaak der menschen of aan hunne zondige lusten, en zegt: „Hoe wenscht gy, dat ik voor u zal prediken? Wat aangename dingen zal ik u zeggen?quot; O mijne vrienden, wij streven naar een hooger doel dan u te behagen. Wij zouden wenschen u te redden door u onaangename waarheden te doen hooren, want liefelijk klinkende leugenen zullen u ten verderve voeren. De leer, waarin het vleeschelijk gezind hart zich verlustigt, is bedriegelijk en daarom doodelijk. Bij velen uwer moet uw geloof, en uw smaak, en uw behagen anders worden, of gij zult den hemel niet kunnen binnen gaan. Ik erken, dat ik in zekere mate prijs stel op uwe oprechtheid, waarmede gij ronduit zegt: „Ik wil God niet dienenquot;; maar het is eene oprechtheid, die mij doet huiveren; want zij verraadt een hart, zoo hard als de onderste molensteen.

„Ik wil God niet dienenquot;, hebt gij gezegd, en het is wel mogelijk, dat gü er tot op dezen oogenblik nooit berouw van hebt gevoeld, want de wegen der zonde zijn u liefelijk en uw hart is beslist en vast in zijne rebellie. Nooit hebt gij die overtuiging van zonde gevoeld, welke de Heilige Geest in sommigen van ons heeft gewrocht; want indien gij haar gevoeld hadt, gij zoudt wel spoedig dit „Ik wil nietquot; hebben afgeleerd. Indien gij maar eens door de kracht van Gods genade, van welke duizenden van ons kunnen getuigen, dat het eene even wezenlijke macht is als die, welke de sterren regelt in haren loop of aan den wind vleugelen geeft — indien gij door de kracht van Gods genade, zeg ik, waart aangegrepen, dan zoudt gij niet langer zeggen: „Dit of dat geloof ik nietquot;; want even sidderend als zy, die thans zoo zeer door u worden geminacht, zoudt gij uitroepen; „Wat moet ik doen om zalig te worden?quot; Tot op dezen huldigen dag hebt gij die kracht nog nooit gevoeld, en daarom kan ik er mij niet over verwonderen, datg;; haar niet erkent, ofschoon het woord van eerlijke getuigen wel eenig gewicht voor u moest hebben. In practischen en verstandelijken zin, en naar uwe openlijke belijdenis zijt gij geen Christen. Gij hebt noch u zeiven noch anderen ooit bedrogen door eene belijdenis, die gij niet eert; maar gij zijt voortgegaan op den weg, dien gy u zeiven hebt gekozen, en in antwoord op elke roepstem des evangelies hebt gij met meer of minder beslistheid gezegd; „Ik wil niet.quot;

Wij hebben zoo even gezegd, dat het antwoord van den zoon aan zijn\' vader, gelijk het vermeld staat in onzen tekst, zeer

38

-ocr page 50-

dk twee zonen.

duidelijk was; maar toch was het niet geheel oprecht, en het was ook geen antwoord, zooals zijn vader het van hem had mogen verwachten. „Zoon! ga heen, werk heden in mijn\'wijngaardquot;, had de vader gezegd, en op ruwe wijze had de zoon geantwoord: „Ik wil nietquot;, en zonder een enkel woord van verontschuldiging of verklaring van zijne handelwijze ging hij züns weegs. Niet waar? Dit is niet zooals het behoort. Evenzoo, mijn vriend, kimt gij te haastig zijn geweest, en bijgevolg onrechtvaardig. Is het niet zeer mogelijk, dat gij aan God en aan zijn Evangelie den eerbied hebt geweigerd, die aan beiden met volle recht toekwam? Gij hebt zeer duidelijk, maar tegelijk ook zeer onnadenkend en zeer ruw gesproken tot God, die iets beters aan u had verdiend. Hebt gij de aanspraken van den Heere Jezus ooit rijpelijk bij u zeiven overwogen ? Hebt gij het Evangelie niet afgewezen met [een smalend woord, dat uwer geheel onwaardig was? Zijt gij er niet voor terug gedeinsd om de zaken tusschen God en uwe ziel in het rechte licht te beschouwen? Ik geloof, dat dit het geval is met honderden, die hier tegenwoordig zijn; ik weet, dat het het geval is met duizenden en tien duizenden in Londen. Met groote beslistheid hebben zij gezegd: „Van uwen godsdienst wil ik niets weten! Ik ben tot eene overtuiging hieromtrent gekomen, en ik zal nooit veranderen. Ik heb er een afkeer van en ik wil er niet naar luisteren.quot; Is er geene zachte stem in hun binnenste, die hun toefluistert, dat dit niet billijk is, niet billijk jegens hen zei ven, niet billijk tegenover God? Kan die zaak zoo gemakkelijk beslist worden? Gesteld eens, dat de godsdienst van Jezus waar bleek te zijn, wat dan? Welk lot zal hen dan treffen, die Hem hebben gesmaad? Mijn hoorder, de godsdienst van Jezus is waar, ik bid u, denk er over na, en verbeuzel uwe onsterfelijke ziel niet. Alzoo zegt de Heere: „Stel uw hart op uwe wegen.quot;

Het is thans tyd, dat ik den openbaar goddelooze zeg, wat zijn wezenlijke toestand is. Gü zijt meer dan een weinig trotsch geweest op uwe oprechtheid; en neêrziende op sommige belijders van den godsdienst, hebt gij gezegd ; „O! ik doe mij niet zoo mooi voor als zij, maar ik ben eerlijk en oprecht.quot; Vriend, gij kunt geen grooter afkeer hebben van huichelaars dan ik heb; indien gij de gelegenheid hebt hen ten toon te stellen, ik bid u, doe het. Indien gij er kans toe ziet spelden te steken in hunne windzakken, zoodat het gas hunner belijdenis vervliegt, ik bid u, doe het. Ik tracht dit een weinig te doen op mijne wijze, doe gij hetzelfde. Gij en ik zijn het hierin eens, hoop ik, dat wij een\' hartelijken afkeer hebben van alles wat valsch of nagemaakt is; maar indien gij begint uw hoofd op te houden, en u zeiven ver verheven acht boven anderen, omdat gij geene belijdenis hebt gedaan, dan moet ik u een weinigjevan

39

-ocr page 51-

DE TWEE ZONEN.

uw hoog standpunt naar beneden halen door u er aan te herinneren, dat het een\' dief niet tot eer strekt, dat hij niet voorwendt een eerlijk man te zijn, en evenmin wordt het als iets bijzonder eervols aangezien, als iemand verklaart geene waarheid te spreken. Want als iemand niet betuigt eerlük te zijn, dan verklaart hij hiermede een dief te wezen; en als iemand er geen aanspraak op maakt de waarheid te zeggen, dan is hij een erkend leugenaar. Tewijl gij das aan den eenen horen ontkomt, wordt gij geworpen op den anderen horen; gij mijdt de klip, maar komt terecht op het dryfzand. Grij komt er openlijk voor uit, dat gij om God niet geeft, dat gij voor de groote zaligheid niet dan minachting koestert, dat gij in den Christus Gods niet gelooft. Als onze regeering personen arresteert, die verdacht worden van Fenianisme, dan ondervindt zij geene moeielijkheid met de heeren, die de groene uniform dragen en met de groote pluim pronken. „Gü moet mede,quot; zegt de politie-agent, „gij zyt de man dien ik zoek, want gij draagt het kleed der rebellen.quot; En wanneer de engel der gerechtigheid de vijanden des Heeren arresteert, dan zal het hem niet moeielijk vallen u te beschuldigen en aan te houden; want, zijne hand op uwen schouder leggende, zal hij zeggen; „Gy draagt het kleed van een\' vijand Gods; openlijk en schaamteloos komt gij er voor uit, dat gij God niet vreest en op zijn heil niet vertrouwt.quot; In den laatsten grooten dag zal het niet noodig zijn getuigen tegen u op te roepen. Gij zult daar staan, maar niet gansch en al zoo roemend en trotseerend als heden; want als de hemel in vlam staat, en de aarde heen en weder wordt bewogen en de groote witte wolk den gezichtskring vervult, en de oogen des grooten Rechters zullen branden als lampen van vuur, dan zult gij wel eene andere houding aannemen, dan die gij u tegenover den armen prediker des evangelies veroorlooft. O mijn ongodvruchtige hoorder, voor een geval als het uwe zal het niet eens noodig zijn te oordeelen, want uit uwen eigen mond zult gij veroordeeld worden.

Doch ik ben hier niet gekomen om u alleen op uwe zonden te wijzen, maar om u te helpen er aan te ontkomen. Zóóveel moest gezegd worden; dat was noodzakelijk, dcch wij wenden ons thans tot iets, dat oneindig liefelijker is. Ik hoop, dat sommigen van u heden zult willen luisteren naar dat woor-deke in mijn tekst: „daarna.quot; Hij zeide: „Ik wil niet, en daarna berouw hebbende, ging hij heen.quot; Het is eene lange laan, waarin geene kromming is; laat ons hopen, dat wij thansaan de kromming, het keerpunt, gekomen zyn. Nog is er plaats voor berouw, al is het ook, dat gij een dronkaard zijt geweest, of een vloeker, of een onkuische ; de teerling is nog niet geworpen verandering is nog mogelijk. God geve, dat voor u hetoogen-blik is gekomen, wanneer van u gezegd zal worden: „Daarna

do

-ocr page 52-

DE TWEE ZONEN.

41

berouw hebbende, kwam hij tot andere inzichten : hij geloofde in Jezus, gehoorzaamde aan het woord des Heeren en ging heen.quot; Wellicht heeft de zoon in de gelijkenis er met wat meer kalmte over nagedacht. rIk zal de zaak eens goed overwegen,quot; zeide hij bü zich zeiven; „rijp nadenken voert dikwijls tot betere handelingen. Ik was zuur en onvriendelijk jegens mijn\' goeden vader; ik heb hem ruw geantwoord, en ik zag, dat hem, den vriendelijken, liefdevollen man, de tranen in de oogen kwamen. Het doet mij leed, dat ik hem gegriefd heb. Die gedachte brengt mij tot inkeer. Ik heb hem „neenquot; gezegd; maar ik heb er toen niet bij gedacht. Ik vergat, dat zoo ik heenging en werkte in mijns vaders wijngaard, ik daarmede voor mij zeiven zou werken, want ik ben zijn oudste zoon, en alles wat hij heeft zal mij toebehooren, zoodat het heel dwaas van mij was te weigeren tot mijn eigen nut en voordeel te arbeiden. Thans zie ik, dat mijn vader mijne eigene belangen wilde behartigen; ik zal dus heengaan en doen wat hij mij zeide.quot; Zie, hij neemt zijne gereedschappen op en gaat heen, om uit alle macht te arbeiden. Hij zeide: „Ik wil niet,quot; maar hij had er berouw van en ging, en het wordt door iedereen toegestemd, dat hij den wil zijns vaders gedaan heeft. O ik hoop, dat menig man, en menige vrouw, die zich thans hier bevinden, heden nog zullen uitroepen; „Ik herroep wat ik heb gezegd. Ik zal tot mijn\' Vader gaan en tot Hem zeggen: „Ik wil doen, wat Gij mij bevolen hebt. Ik zal uwe liefde niet kwetsen. Ik zal de gelegenheid niet voorbij laten gaan om de belangen mijner ziel te bevorderen; ik zal het gebod des evangelies gehoorzamen.quot; Ik wil eens verorderstellen, dat ik zoodanig iemand voor mij zie, en ik zal tot hem spreken. Wellicht zeide hij: „Ik wil niet,quot; omdat hij wezenlijk niet begreep wat godsdienst is. Hoe weinigen zijn er met dat al, die weten wat de weg der zaligheid is, al gaan zy ook nog zoo getrouw ter kerke; zü hebben Gods plan van zondaren te begenadigen nog niet vernomen. Kent gij het plan der verlossing ? Hoor het en leef er door. Gü hebt God beleedigd. God moet de zonde straffen ; het is eene vaste wet, dat de zonde gestraft moet worden ; hoe kan God u dan genadig zijn ? Ach! alleen op die wyze: Jezus Christus is van den hemel gekomen, en heeft geleden voor, en in de plaats van allen, die op Hem vertrouwen. Hij heeft geleden, wat zij hadden moeten lyden, zoodat God rechtvaardig is, en toch tegelijk in staat is door de verdienste van zijn\' geliefden Zoon ook aan den voornaamsten der zondaars vergiffenis te schenken. Christus heeft, zoo gij in Hem gelooft, uwe schulden voor u betaald. Zoo gü slechts komt en rust in Jezus, en in Jezus alleen, kan God u niet straffen voor uwe zonden, want Hij heeft Jezus er voor gestraft, en het zou niet rechtvaardig in Hem zijn, zoo Hij Christus gestraft heb-

-ocr page 53-

DE TWEE ZONEN.

bende, ook u nog ging straffen; zoo Hij eerst betaling eischte van den Borg, en daarna ook nog van den schuldenaar. Waarde hoorder, wie gij ook zijn moogt, wat uw vroeger leven ook geweest zij, zoo gij op Christus wilt betrouwen, zult gij in een oogenblik zalig worden van al uwe zonden; geheel uw voorbijgegane leven zal uitgedelgd worden, er zal in Gods boek geene enkele beschuldiging tegen uwe ziel vermeld blijven, want Christus, die voor u gestorven is, zal uwe schuld wegnemen, en u onbesmet en onbevlekt voor Gods aangezicht stellen. Lees het laatste vers van mijn\' tekst, en gij zult zien, dat het door het geloof was, dat de menschen van ouds het koninkrijk Gods ingingen, endat het ook heden nog door hetgeloofis, dat de menschen zalig worden. „Ziet het Lam Gods,quot; zeide Johannes den Dooper, en zoo gij ziet op dit bloedend Lam, zult gij leven. Verstaat gij dit? Is het niet eenvoudig? Is het niet geschikt voor u? quot;Wilt gij nog weigerachtig blijven om er aan te gehoorzamen? Zegt gij niet terstond: „Het is zóó eenvoudig!ik zal op Jezus vertrouwen 1 Ik zal met Gods hulp heden morgen tot Hem komen, want eer de zon ten ondergang neigt, zou de dood mij kunnen overvallen. Ik wil op Christus betrouwen om mij te verlossen. Kostelijke, heerlijke weg der zaligheid ! Waarom zou ik niet zalig worden?quot;

Het is ook mogelijk, dat gij gezegd hebt; „Ik wil niet,quot; omdat gij wezenlijk dacht, dat er voor u geene hoop meer was. O mijn vriend! laat mij u verzekeren — ach! hoe verheugt het mij, dat ik hiertoe in staat ben — dat er door het dierbaar bloed van Jezus hoop is zelfs voor de snoodsten. Niemand kan zóó ver gegaan zijn, dat de uitgestrekte arm van Christus hem niet zou kunnen bereiken. Christus verlustigt zich er in de grootste zondaren zalig te maken. „Predikt het evangelie aan alle kreaturen,quot; zeide hij tot zijne apostelen, „maar begintquot; — waar? „van Jeruzalem. Daar wonen de ongeluk-kigen, die Mij in het aangezicht spogen. Daar wonen de wreedaards, die de nagelen door mijne handen dreven. Gaat heen, predikt het evangelie, aan hen het eerst. Zegt hun, dat ik machtig ben, niet slechts kleine zondaren zalig te maken, maar ook den voornaamste der zondaren. Zegt hun op Mü te vertrouwen, zoo zullen zij leven.quot; Waarzijtgu, wanhopende? Ik weet, dat de duivel zal trachten het geklank des evangelies uit uwe ooren te houden, en daarom zou ik willen „roepen uit de keel en niet inhouden.quot; O gij wanhopende zondaren, er is aan deze zijde van de poorten der hel geene plaats voor wanhoop. Indien gy door de onreinste holen der ongerechtigheid zyt heengegaan, kan toch geene enkele vlek bestand blijven tegen het reinigend bloed van Christus. O ik vertrouw, dat gij, nu gij weet, dat er hoop voor uis, zeggen zult; „Ik zal terstond komen en op Jezus vertrouwen.

42

-ocr page 54-

DE TWEE ZONEN.

3 Terwijl ik u dus zou willen aanmoedigen om berouw te

i hebben van uw veronachtzamen van God, zoo laat ik u mogen

uitnoodigen om tot Jezus te komen, en hierop bij vernieuwing bij ii aan te dringen. Ach! mijn vriend, weldra zal uwe ster-vensure daar zijn, en ofschoon sommige goddeloozen in hunne stompzinnige ongevoeligheid zeer kalm sterven, en zij, gelyk de psalmist zegt, „niet in de moeite zijn als andere menschen, en met andere menschen niet worden geplaagd, en hunne kracht frisch is,quot; zoo is het toch — of zij dit bemerken of niet — iets vreeselijks om te sterven, terwijl uwe zonden nog niet vergeven zijn. Wat zal uwe schuldige ziel doen, als zij uw lichaam verlaat? Denk hier eens een oogenblik over na. Het is eene zaak, die uwe gedachten wel waardig is. Sommigen van u zullen naar alle waarschijnlijkheid nog deze week sterven. Het is niet waarschijnlijk, dat zoovele duizenden als hier vergaderd zijn, nog eene geheele week doorkomen, en bü het einde er van nog leven zullen. Welnu, daar sommigen van ons weldra kunnen sterven, en wij allen eerlang moeten sterven, zoo laat ons voor ons uitzien en eens een weinig nadenken. Stelt u voor, dat uwe ziel van het omhulsel uws lichaams ontdaan is. Gij hebt het lichaam achter gelaten, en uw geest bevindt zich in eene nieuwe wereld. O het zal heerlijk wezen, indien deze van het lichaam ontdane geest Jezus zal zien, dien gij hebt lief gehad, en terstond naar Hem heen zal snellen om te rusten aan zijn hart, en voor eeuwig te drinken uit de kristal heldere fontein der eeuwige zaligheid. Maar het zal schrikkelijk zijn, indien, in stede hiervan, uw huiverende geest ontwaakt om zich zonder vrienden te zien, zonder te huis, hulpeloos, hopeloos, gekweld door naberouw, gepijnigd door wanhoop. Wat zou het zijn als hij voor eeuwig moest uitroepen: „Ik heb mijn\' plicht gekend, maar volbracht hem niet; ik heb den weg der zaligheid gekend; maar heb er niet op willen wandelen. Ik heb het evangelie gehoord, maar ik heb er mijne ooren voor toegestopt. Ik heb geleefd, en heb eindelijk de wereld verlaten, zonder Christus, en hier ben ik nu: de hoop is voorbij, voor berouw of bekeering is het te laat. Thans geen gelooven meer, en evenmin is er ontkoming, want genade en liefde heerschen niet langer.quot; O mijn hoorder, ontferm u over u zeiven. Ik heb medelijden met u. O! indien mijne hand u kon wegrukken uit die vlam, hoe gaarne zou ik het doen! Zal ik met ontferming over u worden bewogen, en zult gij geen medelijden hebben met u zeiven? O indien mijn pleiten bij n door Gods genade u kon bewegen om heden morgen op Christus te vertrouwen, dan zou ik bij u blijven pleiten zoo lang mijne stem mij niet begeeft, mijn hart niet bezwijkt, en het leven nog in mij is! Maar ach! heb medelijden met u zeiven. Heb medelijden met die arme,

43

i

-ocr page 55-

DE TWEE ZONEN.

naakte ziel, die zoo spoedig sidderen zal onder de hevigste smart, eens smart, die zij zich zelve veroorzaakt heeft, eene smart, waaraan zij niet heeft willen ontkomen; eene smart, waarvoor zij gewaarschuwd werd, maar die zij liever wilde verduren dan de zonde op te geven en zich onder den schepter der vrije genade te buigen.

Nu zou ik willen hopen, dat gij zegt; „Ik /ïeamp; thans berouw, en door Gods genade zal ik gaan.quot; Indien dit zoo is, laat mij u dan zeggen, dat er zeer velen in den hemel zijn, die eenmaal, gelijk gij, gezegd hebben: „Ik wil nietquot;, maar daarna berouw hadden en zalig werden. Ik zal u een tafereel schetsen. Daar ginds zie ik een gezelschap van menschen te paard, en daar is een, de fierste van allen, wien zij tot wacht strekken. Zij gaan naar Damascus, opdat hij er de Christenen in de gevangenis zou werpen en hen zou dwingen te lasteren. Saulus van Tar-sen is de naam van dien wreeden, moorddadigen vervolger. Toen Stefanus ter dood werd gebracht, heeft God tot dezen man, dezen Saulus, gezegd: „Ga heen, werk heden in mijn\' wijngaardquot;, maar Saulus zeide zeer duidelijk: „Ik wil nietquot;, en om zijne vijandschap te bewijzen heeft hij geholpen Stefanus ter dood te brengen. Daar rijdt hij nu in allerijl om zijn boos opzet te volvoeren. Niemand heeft zich met vaster wil tegen den Heere gesteld dan hij. Maar mijn Heere Jezus kan den leeuw temmen, en zelfs een lam van hem maken. Terwijl hü daar heen rijdt wordt er een schitterend licht gezien, schitterender dan de zon op den middag. Hij valt van zijn paard, en ligt sidderend ter aarde, en nu hoort hij eene stem uit den hemel, zeggende: „Saul, Saul, wat vervolgt gij mij?quot; En zijne oogen opheffende, ziet hü met verbazing, dat hij onwetend\' den Zone Gods had vervolgd. Welk eene verandering werd er door die ontdekking in hem teweeggebracht! Die stem: „Ik ben Jezus, dien gij vervolgtquot;, heeft zijn hard hart verbroken, en hem voorde zaak van Christus gewonnen. Gy weet, hoe drie dagen daarna de eens zoo hoogmoedige en dweepzieke man op de belijdenis van zijn geloof in Christus, dien hij zoo kort te voren nog had vervolgd, gedoopt werd! En indien gij een ernstig, vurig prediker wenscht te zien, waar kunt gij een\' beteren vinden dan de apostel Paulus, die, met zijn hart in vlam, telkens, en wederom, on nogmaals schrijft: „Het zij verre van mij, dat ik zoude roemen, anders dan in het kruis onzes Heeren Jezus Christus.quot; Ik hoop, dat er een Saul hier is, die heden ter aarde wordt geworpen. Heere! werp G\\j hem neder! Eeuwige Geest! werp Gij hem thans neder! Gij hebt het wellicht niet geweten, dat gij tegen God hebt gestreden; gij dacht, dat de godsdienst van Jezus eene dwaze droomerij was. Gij wist niet, dat gij den stervenden Heiland hebt beleedigd; thans weet gij het; moge uwe conscientie getroffen zijn, en mocht gij van nu voortaan den Heere dienen.

44

-ocr page 56-

de twee zgneu.

Nog een enkel woord omtrent dit punt. Indien iemand hier is, die na lange weigering, eindelijk verteederd wordt, en bereid is door het geloof in Jezus Christus een dienstknecht Gods te worden, zoo laat mij hem te zijner bemoediging zeggen, dat hü niet in het minste of geringste achter staat bij hen, die gedurende zoo langen tijd Hem hebben beleden zonder trouw te zijn aan hunne belijdenis, want de tekst zegt; „De tollenaars en de hoeren gaan in in het koninkrijk Godsquot;. Maar wat meer? Zij gaan in vóór hen, die beleden hebben God te dienen, maar niet trouw waren aan hunne belijdenis. Gy, groote zondaars, zult in den hemel geene plaats achteraf hebben! Daar zal voor u geen buitenst voorhof wezen. Gij, groote zondaars, zulteven veel liefde ervaren als de besten, even veel blijdschap als de heerlijkste heiligen. Gij zult nabij Christus zijn; gij zult met Hem zitten in zijn\' troon; gij zult de eerkroon dragen; uwe vingeren zullen de gouden harpen bespelen; gij zult u verheugen met eene onuitsprekelijke en heerlijke vreugde. Wilt gij niet komen? Christus vergeet uw slecht gedrag van vroeger, en noodigt u te komen, „Komtquot;, zegt Hij, „komt herwaarts tot mü, allen die vermoeid en belast zijt, en ik zal u ruste geven.quot; Dertig jaren van zonde zullen vergeven zijn, en er zullen geene dertig minuten noodig wezen om het te doen. Vijftig, zestig, zeventig jaren van ongerechtigheid zullen verdwijnen gelijk rijp voor de zon. Kom en betrouw op mijn\'Meester, quot;daar gij schuilt in zijne bloedende wonden.

II. Verleent mij nog eene wijle uwe aandacht terwijl ik zal spreken van hen, die zich slechts in schijn onderweepen. Zy zü\'n overal in Engeland verre weg de talrijksten, en waarschijnlijk ook de talrijksten in deze vergadering. O gij, die u regelmatig onder mijn gehoor bevindt, gij, die mijne stem al dertien jaren lang gehoord hebt, velen uwer behooren tot deze klasse van menschen. Gij hebt tot den grooten Vader gezegd: „Ik ga, heer!quot; maar gij gingt niet. Laat mij met droefheid uw beeld schetsen. Gij zijt zeer regelmatig opgegaan naar het huis des gebeds, en gij zoudt er voor huiveren om een\' enkelen Zondag te verspillen in uitstapjes naar buiten, of in eene andere manier van den Sabbat te schenden. Uitwendig hebt gy gezegd: „Ik ga, heer.quot; Als de Psalm wordt opgegeven, dan zingt gü hem, maar gij zingt hem niet met uw hart. Als ik zeg: „Laat ons bidden!quot; dan sluit gij de oogen, maar in werkelijkheid bidt gy niet. Beleefd en bescheiden zegt gij: „Ik ga, heerquot;; maar gij gaat niet. Gij geeft eene denkbeeldige instemming met het evangelie. Als ik eene leerstelling zou noemen, dan zoudt gij zeggen: „Ja, dat is waar; dat geloof ik.quot; Maar uw hart gelooft niet. Gij gelooft het evangelie niet in het binnenste van uw wezen, want zoo gij het deedt, het zou uitwerking op u hebben. Iemand kan zeggen: „Ik geloof, dat mijn

45

-ocr page 57-

DE TWEE ZONEN.

huis in brand staatquot;; maar als hij zich dan naar zijne legerstede begeeft en in slaap valt, dan ziet het er niet uit, alsof hij het geloofde, want als iemands huis in brand staat, dan tracht hü er uit te ontkomen. Indien sommigen van u wezenlijk geloofden, dat er eene hel is, en dat er een hemel is, gelijk gy andere dingen gelooft, dan zoudt gij heel anders handelen dan gü nu handelt. Ik moet hier nog bijvoegen, dat velen uwer zeggen: „Ik ga, heerquot;, in zeer ernstigen en plechtigen zin; want als wy prediken, dan stroomen u de tranen uit de oogen, en gij begeeft u naar huis en gaat in uwe binnenkamer, en gij bidt eenige oogenblikken, en iedereen denkt, dat de onrust van uw gemoed zal eindigen in bekeering; maar uwe vroomheid is „als eene morgenwolk, en als een vroeg komende dauw, die henen-gaat.quot; Gij zyt als een mesthoop, die met sneeuw bedekt is: zoo lang de sneeuw op u blijft liggen, zijt gy wit en fraai om aan te zien, maar als de sneeuw smelt, dan blijft de mesthoop nog altijd een mesthoop. O hoe vele voor indrukken gevoelige harten gelijken hierop! Gij zondigt, en toch komt gy in Gods huis, en siddert terwijl het woord wordt verkondigd. Gij overtreedt, en gij weent, en gij overtreedt opnieuw. In zekere mate gevoelt gij de kracht des evangelies, en toch verzet gij er u al meer en meer tegen. Ach! mijne vrienden, ik kan sommigen van u in het gelaat blikken en weten, dat ik uw toestand nauwkeurig beschryf. Al deze jaren hebt gij Gode gelegen, zeggende: „Ik ga, heer, terwijl gij niet gegaan zijt. Gij weet, dat gij, om zalig te worden, in Jezus moet gelooven, maar gij hebt niet geloofd. Gy weet, dat gij wedergeboren moet worden, maar aan die nieuwe geboorte zijt gij nog vreemd. Gyzytzoo godsdienstig als de zetel, waarop gy neder zit, maar niet meer, en het is even waarschijnlijk voor u, dat gij naar den hemel gaat, als het waarschijnlyk is voor deze banken, maar hoegenaamd niet meer, want gij zijt dood in de zonde, en de dood kan den hemel niet binnen gaan. O myne waarde hoorders, het smart mij, dat ik zoo iets zeggen moet, en er niet nog meer door word ontroerd, en, wonder der wonderen! dat sommigen van u weten dat dit waar is, en er toch niet door verschrikt wordt! Het is zeer gemakkelijk om op sommigen van u indruk te maken door eene leerrede, maar ik vrees, dat het bij dien voorbijgaanden indruk zal blijven. Gy zijt als het water, waarop men slaat: de wond is spoedig genezen, Gij weet, en weet; gy gevoelt, en gevoelt, en gevoelt nogmaals, en toch doen uwe zonden, uwe eigene gerechtigheid, uwe zorgeloosheid, of uwe moedwillige goddeloosheid u, nadat gij gezegd had: „Ik ga, heerquot;, uwe belofte vergeten, en Gode liegen.

Ik heb zeer rondborstig gesproken tot de andere klasse van menschen, en myn woord aan u moet even duidelijk wezen.

46

-ocr page 58-

DE TWEE ZONEN.

Ook gü beschuldigt u zeiven. Ook voor u zal het niet noodij wezen getuigen op te roepen. Gij hebt erkend, dat het evangelie waar is. Gij hadt niets tegen de leer der toekomstige straf, of der toekomstige heerlijkheid. Gij hebt den dienst in het huis Gods bijgewoond; en gij hebt gezegd, dat God goed is en waardig om gediend te worden. Gy hebt erkend, dat gij Hem hulde en trouw verschuldigd zijt. Gij knieldet zelfs neder en zeidetin uw gebed: „Heere, ik verdien uwen toorn.quot; De groote God behoeft zich slechts tot een uwer vormelijke gebeden te wenden, om er volkomen genoeg bewijzen in te vinden, die u veroordeelen. Uwe morgengebeden, uwe avondgebeden, allen zijn zij even geveinsd, en meer dan genoeg om u uit uwen eigen mond te doen veroordeelen. O zie toe! ik bid u, zie toe, zoo lang gij nog in het land der hope zijt.

En gedurende al dien tijd, dat gij onbekeerd zijt gebleven, hebt gij, gelü\'k mij door het 32ste vers herinnerd wordt, tollenaren en zondaren zien behouden worden door datzelfde evangelie, dat op u geene kracht oefende. Weet gij het niet, jongeling? Ik bedoel u, die de zoon zijt eener godvruchtige moeder. Gij weet, dat gij nog niet bekeerd, niet verlost zijt; toch hadt gü een dronken werkman in den dienst uws vaders, en hy Is in de laatste jaren een sober Christelijk man geweest. Hij is verlost en behouden, en gij hebt wellicht de slechte gewoonten aangenomen, die hij verzaakt heeft. Gij weet, dat arme gevallen vrouwen van de straat opgenomen werden en tot de kennis van Christus zijn gebracht, en dat zij thans tot de schoonste, liefelijkste bloemen behooren in den hof van Christus, ofschoon zü eens verworpelingen waren; en toch zyn sommigen van u, achtenswaardige lieden, die nooit in uw leven in eenige uitwendige ondeugd zijt vervallen, nog onbekeerd, nog altijd zegt gij tot Christus: „Ik ga, heerquot;; maar gij zijt niet gegaan. Nog altijd zijt gij zonder God! Zonder Christus! Verloren! verloren! verloren! Toch zou men zich geen uitwendig schooner karakters kunnen denken. Ach! ik zou over u kunnen schreien! O hoedt u, wacht u er voor als Sodomsappelen te zijn, die een fraai aanzien hebben, maar van binnen niets dan asch bevatten. Wacht u er voor om als Banyan\'s boomen te zijn, die van buiten groen, maar inwendig vermolmd waren, en voor niets anders geschikt dan tonder voor des duivels tonderdoos te leveren. O wacht u, van, gelijk sommigen van u, te zeggen: „Ik ga, heer,quot; terwijl gij niet gaat. Ik zie soms kranken, die mij droefenis en schrik veroorzaken. „Mijn waarde vriend,quot; zeg ik tot hen, „gij gaat sterven, hebt gij hoop op den hemel? Geen antwoord. „Hebt gij besef van uwen verloren toestand?quot; „Ja, mijnheer.quot; „Christus is voor zondaren gestorven.quot; „Ja, mijnheer.quot; „Door het geloof worden wij zijner genade deelachtig.quot; „Ja, mynheer.quot; Het is immer: „Ja, mijn-

47

-ocr page 59-

DE TWEE ZONËN.

lieer.quot; Soms wenschte ik wel van God, dat zy mij tegenspraken, want indien zij slechts eerlijk genoeg waren te zeggen: ^Ik geloof er geen woord vanquot;, dan zou ik weten hoe met hen te handelen. Onbuigzame eiken worden neergeveld dooiden storm, maar zij, die, als de wilg, zich buigen voor iederen wind — waar is de wind, die hen zal breken? O waarde broeders, wacht u er voor verhard te worden onder het evangelie, of, wat op hetzelfde neerkomt, slechts voorbijgaand en tijdelijk te worden verteederd. Wacht u van een veelbelovend hoorder des woords te zijn en niet verder te komen!

Ik wensch mijne rede niet met deze schijnbaar zoo harde woorden te eindigen, ofschoon die woorden, hoe hard zij ook schijnen, vol van liefde zijn voor uwe ziel. Ook voor u heb ik een goed woord. Ik vertrouw, dat de Heilige Geest terwijl gij u nog hier in dit gebouw bevindt, eene verandering in u zal werken, want, hoewel gij al deze jaren valsche betuigingen hebt afgelegd voor God, zoo is er aan dezen evangeliemaaltyd toch ook nog plaats voor u. Hebt gij wel gelet op den tekst? „De tollenaars en de hoeren zullen u voorgaan in het koninkrijk Gods. Dus is het duidelijk, dat gij na hen nog kunt komen, want er zou niet gezegd zijn, dat zü u voorgaan, indien gü niet na hen zoudt komen. Indien de Heere uw haft verbreekt, dan zult gij bereid zijn den Heere Jezus tot uw Alles in alles te nemen, juist op dezelfde w^jze als een dronkaard dat doen moet, ofschoon gij geen dronkaard zü\'t. Gij zult bereid zijn te rusten in de verdienste van Jezus, juist zooals eene hoer dat doen moet, ofschoon gu dat nooit geweest zyt. Nog is er plaats voor u, jonge lieden, ofschoon gjj uwe geloften hebt verbroken, en uwe overtuiging geweld hebt aangedaan. Ja, en ook gij, ouden van dagen, kunt nog toegebracht worden, ofschoon gij zóó lang onder de uitwendige genademiddelen hebt geleefd, maar nooit uw hart aan den Heere Jezus hebt gegeven. O komt toch! Moge dé Heere u nog heden toebrengen. Moge de Heere u hier aan deze plaats er toe brengen om in stilte te zeggen: „Door Gods genade, zal ik Hem niet langer slechts in schijn aanbidden en dienen. Ik zal mij overgeven in deze dierbare handen, die voor mij doorboord werden, aan dat dierbare hart, dat voor my werd doorstoken; heden zal ik mij aan Jezus onderwerpen.

De zaak is, myne vrienden — en hiermede wensch ik de overdenkingen van dat onderwerp te besluiten — dat hetzelfde evangelie gepredikt moet worden aan de eene klasse van menschen evenals aan alle andere klassen van menschen. Ik bid God, dat het nooit zal gebeuren, dat wij in onze prediking spreken van den stand der werklieden, en van de middelstanden en van de hoogere standen. Ik ken onder u geen verschil, als ik het evangelie predik zyt gij allen voor mij

48

-ocr page 60-

DE TWEE ZOXEN.

49

gelijk, of gij koningen en koninginnen, of straatvegers zijt. Satijn en katoen, laken en bombazijn; voor het evangelie is het alles gelijk. Als gij pairs zijt van het koninkrijk (1) dan doen wij aan het evangelie niets af of toe, om het pasklaar voor u te maken; en als gij de diepstgezonkenen zijt onder de dieven, sluiten wij u niet uit van de roeping der genade. Het evangelie komt to5; de menschen als zondaren, allen gelijkelijk gevallen in Adam, allen gelijkelijk in het verderf gestort door de zonde. Ik heb niet één evangelie voor Hare Majesteit, de koningin, en een ander evangelie voor de bedelares. Neen, er is slechts één weg der zaligheld, slechts één fondament, slechts ééne verzoening, slechts één evangelie. Ziet op Christus\' kruis en leeft. Hoog opgericht was de koperen slang, en al wat Mozes zeide, was: „Ziet.quot; Was er een vorst uit het huis van Juda gebeten, zoo werd hem gezegd te zien. Zonder dat zien zou zijn leeuwenstandaard met zijn kostbaar blazoen hem niet hebben gebaat. Was er een arme, een onaanzienlijke gebeten, hij moest zien, en de kracht en uitwerking wasvoor hem hetzelfde als voor den grootste en machtigste in het leger. Ziet! o ziet op Jezus! Gelooft in den Zone Gods en leeft. Eéne koperen slang voor geheel het leger, één Christus voor alle standen en rangen van menschen. Hoe heerlijk zou het wezen, als wij heden allen in staat waren om op Christus te vertrouwen! Mijne broeders, waarom zou dit ook niet kunnen? Hij is ons aller vertrouwen waardig. De Geest Gods is machtig het geloof in allen te werken. O zondaar, zie op hem! Waarde hoorders, wellicht zal ik nooit weer tot sommigen van u spreken, en daarom zou ik zeer bijzonder bij u op deze zaak willen aandringen. Bij de ure des doods, bij het plechtige en ontzaglijke der eeuwigheid, smeek ik u, neemt toch de eenige medicijn aan tegen de zonde, welke God zelf den stervenden menschen-kinderen aanbiedt, de medicijn van een\' bloedenden Plaats-bekleeder, voor u, en in uwe plaats lijdende, geloofd en met het hart aangenomen. De weg der zaligheid bestaat uit niets anders dan dit: rust alleen en uitsluitend in Christus! Wees gansch en al van Hem afhankelijk. Men vroeg eens aan een\' neger, wat hij deed, en hij antwoordde: „Ik val maar op de rots, en die op de rots is gevallen, kan niet lager vallen.quot; Werp u op die rots, zondaar! werp u op die Rots, de Rots dei-eeuwen. Lager kunt gij niet vallen. Ik zal besluiten met een welbekend voorbeeld. Uw toestand is die van een kind in een brandend huis. Dat kind had zich een\' weg weten te banen naar het venster, maar het bleef aan het kozijn hangen. De vlammen sloegen onder hem uit het raam, en de arme knaap zou spoedig verbrand zijn, of te pletter zijn gevallen, en daar-

(1) De hoogst aanzienlijken in den lande.

4

-ocr page 61-

DE TWEE ZONEN.

50

om klemde hij zich met den greep das doods aan die steunbalk vast. Hij durfde hem niet loslaten, totdat een sterk man, beneden hem stond, en hem toeriep: „Laat u vallen, jongen, laat u vallen, ik zal u opvangen.quot; Het geloof nu, dat die man sterk was, bracht den knaap geene redding aan — dat was alleen maar eene goede hulpe voor hem om tot geloof te komen — maar hij zou dat hebben kunnen weten en toch omkomen. Maar wèi was het geloof, toen de knaap het kozijn losliet en zich in de sterke armen zijns vriends liet vallen. Zoo is het met u, zondaar, hetzij gij u vastklemt aan uwe zonden of aan uwe goede werken. De Heiland roept: „Laatu vallen in mijne armen!quot; Het is geen doen, dat zalig maakt, geen doen van menschen. Het is geen werk, het is het betrouwen op het werk, dat Jezus reeds volbracht heeft. Vertrouwen! dat is het woord, eenvoudig, vast, hartelijk, ernstig vertrouwen. Heb vertrouwen, en het zal geen uur duren, of gü zijt verlost. Gij zoudt dit gebouw hebben kunnen binnentreden, zoo zwart als de hel, maar zoo gij op Jezus vertrouwt, zijt gij volkomen begenadigd. In een oogwenk, sneller dan een bliksemstraal is de daad der genade geschied. O moge God, de Heilige Geest, het thans doen, moge Hij er u toe leiden om te betrouwen, opdat gij zalig moogt worden. Amen.

-ocr page 62-

ARBEID IN DEN WJJNGAA11T) PES HEEREN.

„Zoon! ga hoen, werk heden in mijn\' wijngaard.quot; Matth. XXI: 28.

Ik zal mij heden niet streng bepalen tot het verband dezer woorden, noch ze in strikten zin gebruiken, zooals z\\j voor het eerst werden gesproken. Ik zal wellicht bij het einde eene korte verklaring geven van de gelijkenis; maar thans neem ik de vrijheid ze van hun onmiddelyk context te scheiden en ze te gebruiken als eene stem, die, geloof ik, dikwijls weerklinkt in de ooren van Gods volk, en soms te vergeefs weerklinkt: — „Zoon ga heen, werk heden in mijn wijngaard.quot; Het is zeker, dat God nog steeds tot ons spreekt. Hij heeft tot ons gesproken in zijn woord. Daar zijn zijne geboden en beloften, zyne inzettingen en getuigenissen. Wie ooren heeft om te hooren, die hoore naar deze heilige orakelen. Maar behalve deze alge-meene openbaringen, zijn er nog raadgevingen en bestraffingen, die meer bijzonder en meer persoonlijk tot de consciëntie gericht zijn; stemmen, zacht als fluisteringen bij wijlen, en op een andermaal weer luid als de donderslagen, die van den Sinaï weerklonken. De Heere heeft eene wijze van spreken tot de menschen, wanneer Hij, gelyk Elihu zeide;!) „de ooren der menschen opent en hun onderricht verzegelt.quot; Aldus spreekt Hij wanneer Hij hen door zijne genade krachtdadig roept in hunne bekeering. Zoo heeft hij voormaals „Samuël, Samuëlquot; geroepen, totdat het kind antwoordde. Zoo zeide Hy: „Matthéus, volg mij.quot; Zoo riep Hij: „Zachéus, kom af.quot; Zoo riep Hij: „Saul, Saul, wat vervolgt gij mij?quot; Zoo heeft Hij ook sommigen van ons genoodigd, totdat de goddelijke stem helder en onweerstaanbaar werd. Evenzoo hebben velen onzer hooren zeggen ; „Zoon, geef Mij uw hart;quot; en wij hebben Hem ons hart gegeven. Wij konden niet anders. Die stem had zulk eene bekoring voor ons, en\' beheerschte ons met zoo goddelijke kracht, dat wij ons hart aan den God der liefde hebben overgegeven. Van toen af moet gij, die den Heere kent, dikwijls eene stem tot u hebben hooren spreken, die u gebood zijn aangezicht te zoeken in het

(I) In Job 33:16 naar de Engelsche overzetting.

-ocr page 63-

arbeid in oen wijngaard des heeren.

gebed. Gij badthet wellicht zeer druk met wereldsche aangelegenheden; maar gij bespeurdeteen\' verborgen drang, die zich van u meester maakte, zoodat gij er behoefte aan hadt u voor eenige oogenblikkea af te zonderen, ten einde met God te spreken. Gij weet hoe het u was, als gij gepeinsd hebt in de eenzaamheid. hoe gij dan alleen waart en toch niet alleen. Er was een met u, wiens aangezicht gij niet kondet zien, maar wiens tegenwoordigheid gij gewaar werdt. Gij gevoeldet, dat gij moest bidden. Dit kostte u volstrekt geene moeite of inspanning. Het was u even gemakkelijk te bidden als adem te halen, en het was neven aangenaam, als uw dagelijksch brood te eten. Gij gevoeldet, dat de Heere u heentrok naar den troon der genade, en tot u zeide : „Mijn zoon, vraag wat gij wilt, en het zal u geschieden.quot; Gij moet u van zoodanige stem bewust zijn geweest.

En hebt gij niet ook bij wijlen in de stilte van uw eigen gemoed gehoord, hóe de Heere u riep tot inniger gemeenschap met Hem? Hebt gij in uwe ziel, zoo al niet de woorden van den Bruidegom in het Hooglied gehoord, maar dan toch den zin er van verstaan: — „Kom, mijn liefste, laat ons zien of de wijnstok bloeit; bij mij van den Libanon af, o bruid, kom bij my van den Libanon af.quot; Gij zijt opgestaan en heengegaan. Gij zü\'t gegaan in de verborgene piaats, waar Christus li zijne liefde getoond heeft, totdat gij grooten lust hadtin zijne schaduw, en zijne vrucht uw gehemelte zoet was. Onze ervaring doet ons weten, dat er hemelsche stemmen zijn, die ons noo-digen tot gebed en ons roepen tot gemeenschapsoefening. En sommigen van u zijt u nog bewust geweest van eene andere stem, — en ik wensch vurig, dat wy haar heden allen zullen hooren, namelijk de meer krijgshaftige en opwekkende roeping tot den dienst van den Heere Jezus Christus. Sommigen van u zijt dezer stemme reeds gedurende vele jaren gehoorzaam geweest, en zij roept al luider en luider. Gij hebt geoogst, gij hebt den last en de hitte des dags gedragen, maar toch kunt gij de sikkel niet neder werpen, uwe hand blijft er aan kleven. Ja veeleer doet gij thans reusachtige schreden, en maait met eiken slag nog meer van het kostbare koren weg. Gij gevoelt, dat gij er, zoo lang als gij leeft, niet van kunt aflaten. Eene goddelijke stem schijnt u te roepen en tot u te zeggen : „Volg mij na, en ik zal u een visscher der menschen maken. Zie ik lieb u tot een uitverkoren vat gesteld, om mijn\' naam te dragen voor de Heidenen.quot; Gij hebt die stem gehoord en gij streeft er naar om haar hoe langs zoo meer te gehoorzamen.

Anderen hebben haar of nooit gehoord, öf hebben haar vergeten, zoo zij haar gehoord hebben. Niemand is zoo doo? als zij, die niet willen hooren, en er zijn sommigen, die voor zulke

52

-ocr page 64-

arbeid m den wijngaard des heeren.

vermaningen zeer doof zijn. Zij zijn gelijk Issaschar — een sterk gebeende ezel neder liggende tusschen twee lasten (1) maar geen van beiden opheffende. Ik vrees, dat de vloek van Mercz over hen komen zal, omdat zij „niet gekomen zijn tot de hulp des Heeren, tot de hulp des Heeren tegen de machtigen (2). Nu zijn er wellicht heden Christen mannen en vrouwen hier, aan wie het is. alsof de hand des Gekruisigden op hen gelegd was, en alsof zij Hem hoorden zeggen: „Gij zijt uws zelfs niet, want gi; zijt duur gekocht; zoo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uwen geest, welke Godes. zijn. Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de dooden ; en Christus zal over u lichten.quot;

Ik hoop, dat de tekst door God gezegend zal worden om zulk eene stemme te wezen. Terwijl wij er naar luisteren, merken wij vier dingen. Ten eerste, de hoedanigheid, in ivelke zij ons roept, „Zoonquot;; ten tweede, den dienst, waartoe zij ons roept, „ga heen, werkquot; ; ten derde, den tijd, waarvoor zij ons roept, „ga heen, werk hedenquot; ; en ten vierde de plaats, waarheen zij ons leidt, „ga heen, werk heden in mijn\' wijngaard.quot;

i. de hoedanigheid in welke zij ons roept.

Het schijnt mij toe eene zeer krachtige woordenkens te zijn. „Zoon, ga heen, werk heden in mijn\' wijngaard.quot; De arbeid wordt zeer liefelijk, als ons bevolen wordt voor den Heere te arbeiden, niet als slaven, noch als dienstknechten, maar als zonen. Mozes spreekt tot ons en zegt; „Dienstknecht, ga heen, en werk voor uw loon.quot; Maar de Vader in Christus spreekt tot ons en zegt: „Zoon, ga heen, werk heden in mijn\' wijngaard.quot; Niet meer als dienstknecht, maar als zoon zult gij den Heere dienen. Toen de verloren zoon tot zijn\' vader teruggekeerd was; zeide hij: „Maak mij als eenen van uwe huurlingen.quot; Dat was geen evangelisch gebed, en het werd ook niet verhoord. De vader zeide: „Deze mijn zoon was dood, en is weder levend geworden,quot; en zoo ontvangt hij hem volstrekt niet als een huurling, maar als een zoon. O geliefd volk van God, ik vertrouw dat gij altijd duidelijk zult weten te onderscheiden tusschen het verbond der werken en het verbond dei-genade. Als gu voor God werkt, werkt gij niet voor het leven, maar uit het leven. Gij streeft er niet naar Christus te dienen ten einde zalig te worden, maar omdat gij zalig gemaakt zijt. Gij gehoorzaamt niet aan zijne geboden, ten einde zijne kinderen te worden, maar omdat gij zijne kinderen zijt, en daarom navolgers Gods zijt, als geliefde kinderen. Gij zegt: „Abba, Vader,quot; omdat gü den geest der aanneming binnen in u gevoelt, en gij om die reden de geboden uws Vaders tracht

(1) Genesis 49: 14 naar de Engelsche overzetting.

(2) Richteren 5 : 23 naar de Engelsche overzetting.

53

-ocr page 65-

AEBEID IN DEN WIJNGAARD DES HEEBEN.

te gehoorzamen. Daarom zeg ik tot niemand uwer: „Ga heen, werk voor God, opdat gij zalig moogt worden.quot; Ik zou het aldus niet durven voorstellen. „Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden.quot; Maar sprekende tot hen, die reeds verlost zijn, is de evangelievennaning evangelisch voorgesteld — „Zoon, ga heen, werk heden in mijn\' wijngaard.quot;

En dit klemt te meer, wijl het, ons toesprekende als zonen, ons herinnert aan de groote liefde, die ons gemaakt heeft wat wij zijn. Van nature waren wij kinderen des toorns, gelijk ook de anderen, maar geliefden, „Ziet, hoe groote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk, dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden.quot; Denk aan de liefde, die ons heeft verkoren, toen wij nog vreemdelingen en vijanden waren; de liefde, die ons heeft aangenomen en ons in zyn huisgezin heeft opgenomen, zich verwonderende terwijl zij het deed, want de Heere wordt voorgesteld als zeggende: „Hoe zal Ik u onder de kinderen zetten ?quot; — als of het iets vreemds was, dat de zooda-nigen als wy tot de kinderen Gods gerekend zouden worden. De liefde, die ons heeft aangenomen, bleef daar niet bij stil staan, maar, na ons het recht van kinderen gegeven te hebben, gaf zij ons ook den aard, de natuur van kinderen, waarom wij wedergeboren werden — „wedergeboren tot eene levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de dooden; wedergeboren, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende woord van God.quot; Denk nu eens na over verkiezing, aanneming, wedergeboorte, en als de Heere u aanspreekt als „Zoonquot;, dank dan aan dat alles, en zeg: „Ik ben God eene onmetelyke som van dankbaarheid verschuldigd, wijl Hij mij in staat gesteld heeft zijn zoon te worden, daar Hij my de macht en het voorrecht schenkt een kind Gods te worden. Daarom gevoel ik den eisch der verplichting, en ik zou gaarne arbeiden in den wijngaard, omdat ik zijn kind ben, en dit door genade ben geworden.quot;

Gy ziet, mijne vrienden, dat dit ons dringt om des te meer uit alle macht te arbeiden in den wyngaard, omdat wy kunnen terugdenken, niet slechts aan de genade, die ons tot zoen gemaakt heeft, maar aan de voorrechten, die deze zelfde genade, nadat zij ons tot zonen gemaakt had, heeft geschonken. Want, indien wij kinderen Gods zijn, dan zal de Heere voor ons voorzien. Hy zal ons kleeden. Hij zal ons genezen. Hij zal ons beschermen. Hij zal ons geleiden. Hij zal ons opvoeden. Hij zal ons bekwaam maken om deel te hebben in de erve der heiligen in het licht. Herinnert u ook het kostelijke woord : „Indien wij kinderen zijn, zoo zyn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en medeërfgenamen van Christus; zoo wij anders

54

-ocr page 66-

ARBEID IN DEN WIJNGAARD DES HEEREN.

met hem lijden, opdat wij ook met hem verheerlijkt worden.quot; Indien wij erfgenamen Gods zijn, hoe groot is dan onze erfenis ! en indien wy medeërfgenamen zijn van Christus, hoe zeker en gewis is dan die erfenis! Thans, geliefden, hebben wij zoodanige bezitting verkregen, dat de engelen zeiven ons zouden kunnen benijden, want ik verstout mij eene plaats uit de Schrift hierop toe te passen — zonder daarom, naar ik hoop, die plaats te verwringen — „Tot wien van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Gü zijt mijn Zoon?quot; Maar wél spreekt Hij aldus tot ons, nietige aardwormen : en als Hij ons gebiedt Hem te dienen, dan spreekt Hij ons toe met dien naam, zeggende: „Zoon, dochter, ga heen, werk heden in mijn\' wijngaard. Ik heb u tallooze voorrechten geschonken door u tot mijn kind te maken. Ik heb u deze wereld gegeven en de toekomende. De aarde is uwe herberg, en de hemel is uw huis, uw vaderland. En daarom, omdat Ik dit alles voor u gedaan heb — en wat zou Ik meer voor u hebben kunnen doen dan u tot mijn kind te maken ? — daarom, zeg Ik, ga heen, werk heden in mijn\' wijngaard.quot;

Als Hy aldus door die benaming van zoon als het ware een beroep op ons doet, dan wordt hiermede verondersteld, dat er gewaarwordingen in ons zijn, die beantwoorden aan den staat, waartoe onze hemelsche Vader ons roept. Hij zegt „zoon.quot; Indien iemand uwer, een zoon zijnde, een\' vader heeft, en indien die vader wenscht, dat gij iets voor hem zult doen, en htf u toespreekt, als „mijn zoonquot;, dan zoudt gij terstond gevoelen, dat gij, al wat gü kunt doen, verplicht zijt te doen, omdat gy een zoon zy c. Het zou het kinderlijk gevoel in u doen ontwaken, dat zeer snel beide tot gehoorzaamheid en liefde bereid is. En als de Heere u, mijn broeder, aanziet, en tot u zegt „zoonquot;, dan wordt hiermede verondersteld, dat u door zijne genade de natuur eens kinds in het hart is gegeven, en dat deze kinderlijke aandrift u snel het antwoord op de lippen legt: „Mijn Vader, wat zegt Gij tot mij ? Spreek, Heere, spreek. Vader, want uw zoon hoort. Ik verlang uwen wil te doen. Het is mij eene verlustiging, want voor mij is het de grootste vreugde, dat Gij mijn Vader zijt en mijn God. Daarom, Heere, is mijn hart thans bereid om te luisteren naar alles wat Gij mij te zeggen hebt, en mijne hand is bereid om het te doen, zoo uwe genade er mij toe in staat stelt. Sterk mij slechts in uwe wegen.quot; Zoon, dochter, ga heen, werk heden in mijn\' wijngaard.

Door het gebruik van dien term „zoonquot; wordt mede verondersteld, dat gij iets van de hoedanigheid of kennis bezit, die u geschikt zal maken om te doen wat Hij u gebiedt. Iemand, die een\' wijngaard heeft, zal natuurlijkerwijs veronderstellen, dat zijn zoon iets van wijngaarden afweet. De knaap zal er

55

-ocr page 67-

ARBEID m DEN WIJNGAARD DES HE BEEN.

door zijn\' vader al iets van te weten zijn gekomen. En gij, die den Heere kent, zijt de eenigen, die Hem in zijn\' wijngaard kunt dienen — dat is: niemand kan zielen winnen voor Christus, die niet zelf voor Hem gewonnen is. Als er een verloren kind van den dwaalweg terug gebracht moet worden, dan zal dit geschieden door een der kinderen, dat zelf gevonden werd. „Tot den goddelooze zegt God: Wat hebt gij mijne inzettingen te vertellen?quot; Maar aan u, die zijne zonen en dochteren zijt, vertrouwt Hij het evangelie. Hij vertrouwt het u toe om het aan anderen te brengen, zoodat zij er toe komen zijn\' naam . te kennen en te beminnen. O waarde vrienden, het moet iets vreeselijks zijn, te trachten anderer zielen te redden, terwijl gij zeiven nog verloren zijt. En welk een ongelukkig mensch moet hij wezen, die het evangelie heeft te prediken, dat hij nooit heeft gekend; van beloften moet spreken, die hij nooit heeft geloofd, en een\' Christus moet verkondigen, op wien zijne ziel nooit heeft vertrouwd! Maar als de Heere tot u spreekt als tot zijn\' zoon, of zijne dochter, dan is het feit. dat gij in die betrekking tot Hem staat, het bewijs, dat gij de hoedanigheid bezit om Hem te dienen, en daarom moet gij er u niet aan onttrekken. Gij moet uw talent niet in een\' zweetdoek wegleggen, want gij hebt een talent in het feit zelf, dat gij een kind Gods zijt — een zoon of dochter des Allerhoogsten.

Aldus heb ik getracht het karakter, de hoedanigheid aan te toonen van hen, tot wie de Heere spreekt; maar ik kan dit niet zoo doen, dat zij, die zijne kinderen niet zijn, er belang in stellen. Maar wèl zeg ik tot diegenen van u, die een volk zijt, dat nabij Hem is, en voor wie Hij als een Vader is, dat dit feit u groote eischen stelt: „Ben Ik dan een Vader, waar is mijne eer?quot; Indien gij mijne kinderen zijt, waar is uwe vreeze? Indien de Heere u werkelijk in zijn huisgezin heeft opgenomen, zijt gij Hem dan niet de gehoorzaamheid en de liefde verschuldigd van kinderen? En wat kan natuurlijker zijn, dan, zoo er huishoudelijk werk te doen is — werk in den wijngaard — dat uw Vader van u verwacht, dat gij het doen zult, zich zal wenden tot u, dien Hij zoo lang en zoo uitnemend heeft lief gehad, zeggende: „Zoon, dochter, ga heen, werk heden in mijn\' wijngaard.

H. Laat ons thans stil slaan bij het tweede punt, en dat is:

„DE DIENST, WAARTOE DE HEERE ONS ROEPT - „Ga heen,

werk.quot;

Ik ken Christenen, die den naam van werk niet beminnen, en zeer donker zien zij u aan, als gij hun van plicht spreekt. Die donkere blikken trek ik mij echter niet aan, want er zijn mon-schen, die door hun wrevelig humeur en hunne\'donkere blikken hunne eigene booze gezindheid openbaren. Wie twist met het gebod, twist met God. Laat hij dat in gedachten houden. En hij, die

56

-ocr page 68-

ARBEID IN DEN WIJNGAARD DES HEEREN.

57

het praetische deel des Christendoms niet bemint, kan met het leerstellige deel doen, wat hij wil, want aan de zaak heeft hij part noch deel. Het ware kind van God zegt met David: „Ik zal mij vermaken in uwe gebodenquot;, en „uwe inzettingen zijn mij gezangen geweest ter plaatse mijner vreemdelingschappen.quot; De geboden des evangelies verschaffen hem zelfs stof tot zingen. En nu zegt de tekst: ,;Ga heen, werk.quot; Dat is practisch, dat is reëel. Ga heen, werk. Hij zegt niet; „Mijn zoon, ga heen, denk, en maak bespiegelingen; oefen u in merkwaardige proefnemingen; verzin nieuwe leerstellingen en verbaas uwe mede-menschen door uwe grillen en buitensporigheden.quot; „Mijn zoon, ga heen, werk.quot; En hij zegt hier niet: „Mijn zoon, ga heen, en woon alle conferenties bil, die van het eene tot het andere einde desjaars worden gehouden; ga heen, leef in eene voortdurende verbijstering door allerlei verschillende en tegenstrijdige meeningen aan te hooren; ga van de eene godsdienstige bijeenkomst naar de andere, en voed u aldus met „vet vol niergs.quot; Op dit alles moet behoorlijk en op den bestemden tijd acht worden geslagen, maar hier heet het; „Ga heen, werk.quot; Hoe vele Christenen zijn er niet, die schijnen te lezen; „Ga heen, beraam plannenquot;; en zij komen altijd met het een of andere wondervolle plan voor den dag, om de gansche wereld te bekeeren; maar nooit ziet men hen aan het werk om ook maar een kind tot den Heere te brengen. Nooit hebben zij een goed woord voor iemand, ja zelfs voor geen kind op eene Zondagschool. Immer beramen zij plannen, nooit brengen zij iets ten uitvoer. Maar de tekst zegt; „Mijn zoon, ga heen, werk.quot; O ja, maar zij, die er niet van houden zeiven te werken, too-nen het grootsche van hunne talenten door allerlei verkeerds te vinden in hen, die wèl werken. Zij hebben een bijzonder helder inzicht in de vergissingen en eigenaardige zwakheden van de beste arbeiders, wier ijver en vlijt nooit verslappen. Evenwel, de tekst zegt niet; „Mijn zoon, ga heen, critiseerquot;; maar wat hij zeer duidelijk zegt, is: „Ga heen, werk.quot; Toen Andrew Fuller eens op zeer scherpe wijze door sommige Schot-sche Baptisten werd aangesproken over de tucht in de kerk, antwoordde hij: „Gij zegt, dat bij u de tucht zoo veel beter is dan bij ons. Zeer wel, maar tucht heeft tot doel goede krijgsknechten te vormen. Nu strijden mijne soldaten beter dan de uwen, en daarom denk ik, dat gij niet zooveel over de tucht bij ons moest spreken.quot; En zoo is het ook het ware niet om maar altijd over de soort van kerkregeering te denken en te redeneeren, en over allerlei plannen en methodes, en reglementen, waarvan de overtreding als eene ernstige misdaad beschouwd wordt. Dit alles is goed op zijne eigene plaats, want orde is goed en moet er zijn. Maar ach, laat ons nu toch ook eens aan het werk gaan. Laat er iets gedaan worden. Ik geloof, dat

-ocr page 69-

ARBEID IN DJ3N WIJNGAARD DES HEEREN.

de kostelu\'kste arbeid voor God soms op zeer onregelmatige wijze geschiedt. Laten wij ons ontdoen van al het overtollige, en ons met lust en ijver aan het werk begeven. Ik wenschte wel van God, dat sommige Christenen hiertoe in staat waren. Ontdoet u van alles, werpt weg al het overtollige van orde, en regel, en gewoonte, en van alles wat u in den weg staat om arme zielen van den dwaalweg terug te brengen. Daar snellen zij voort, voort op het hellend vlak, dat naar de hel voert, en wij ijveren voor dit systeem en dat systeem, en peinzen over de beste manier om de zaak niet te doen, en wij benoemen commissies om te overwegen, en te beraadslagen, en op te schorten, en uit te stellen, en het werk ongedaan te laten. De beste manier is op te staan en het te doen, en de commisie dan maar naderhand hare zittingen te laten houden. God geve ons dit te doen. Mijn zoon, ga heen, werk heden. Laat er iets practisch, iets reëels gedaan worden.

En met goed werk wordt iets bedoeld, dat inspanning, ernst, zelfverloochening en wellicht ook volharding vordert. Het zal noodig zijn, dat gij er u aan geeft, zoodat gij zeer veel zult moeten opgeven, dat u zou verhinderen het te doen. O Christen mannen en vrouwen, gij zult God niet zeer verheerlijken ter.zü gij waarlijk uwe krachten gebruikt in de wegen des Heeren, en uw lichaam, uwe ziel en uw geest — alles wat in u is — besteedt en aanwendt voor het werk van den Heere Jezus Christus. Om dit te doen behoeft gij uw huisgezin, uwen winkel, uwe wereldlijke roeping niet te verlaten. Gij kunt God ook daarin dienen. Dikwijls zult gy daar een gunstig terrein vinden, om er voor den Heere te arbeiden; maar dan moet gij er u zeiven ook geheel aan geven. Wie zelf half in slaap is, zal geene zielen winnen voor Christus. De strijd, die voor den Heere Jezus gestreden moet worden, vereischt wakkere mannen, die door den Geest Gods levend zijn gemaakt. ,,Mijn zoon, ga heen, werk heden in mijn\' wijngaard.quot; Ga niet lieen om Zondagschooltje te spelen. Ga niet heen en maak van het werk der prediking, of der vermaning, of der uitdeeling van tractaatjes, een spel, een tijdverdrijf. „Mijn zoon, ga heen, werk.quot; Doe het met uwe ziel. Als het waard is gedaan te worden, dan is het waard goed gedaan te worden, ja dan is het waard beter ga-daan te worden dan ooit te voren, en ook dan zal het nog iets beters waard zijn, want als gij uw best gedaan hebt, dan moet gij nog jagen naar iets dat veel verder is, of gij ook dit grijpen moogt, want het beste van het beste is voor zulk een\' God en zulk een\' dienst nog veel te gering. „Mijn zoon, ga heen, werk.quot;

Zulke eischen zullen u wellicht hard toeschijnen, maar ik zou u kunnen verhalen van velen, die zeer verheugd zouden

58

-ocr page 70-

AEBEID IN DEN WIJNGAARD DES HEEREN.

59

zijn, indien de Heere dit tot hen wilde zeggen. Ik zou u kunnen spreken van sommigen, die slechts zelden bij machte zijn hunne legerstede te verlaten; sommigen, die van wege hunne zwakheid slechts zelden overeind kunnen zitten, en voor wie de nachten vol zijn van pijn en smart, en de dagen eene vermoeienis. Zij hebben door Gods onderwijs geleerd tevreden te zijn om te lijden; maar er is een vurige wensch in hun hart, dien zij soms niet kunnen onderdrukken, de wensch, nl. dat de Heere hen in staat mocht stellen Hem te dienen. Zij zijn niet afgunstig, maar toch komt er in hun hart wel eens iets op als eene schaduw van benijding, als zij denken aan de gelegenheden, die sommigen van u hebben om God te dienen, daar gij in het volle bezit zijt van gezondheid en krachten. Ik heb gezien hoe een medebroeder in de bediening op het krank-bed wrerd nedergeworpen. De stem was wellicht weg, de longen zwak, het hart onderhevig aan sterke kloppingen; maar ach! hoe vurig wenschte hij te kunnen prediken. Met wat smachtend verlangen zeide hij: „O indien mij wederom dezelfde gelegenheden geschonken wierden, hoe zou ik er naar streven om ze beter te gebruiken, dan toen ik er mede bevoorrecht was! Ik zeg u, dat er duizenden van Gods dienstknechten zijn, die zich aanbiddend en dankend voor Hem zouden nederbuigen, indien Hij tot hen zeide: „Ga heen, werk.quot; Ik heb gelezen van een\' predikant, die gearbeid heeft in Amerika, en wel zóó, dat hij er schier onder bezweek. Hij was verplicht tot herstel van gezondheid op reis te gaan. Hij was nog niet vele dagen van huis, toen hij in zijn dagboek schreef: „Er zijn wellicht predikanten, die het eene verlichting vinden, als zij veilof hebben, en eens niet behoeven te prediken; maar ik gevoel er mij ongelukkig onder. Ik zou liever voortdurend in mijne eigene kerk prediken, gelijk ik tot nu toe gedaan heb, dan alle de koninkrijken der wereld te zien.quot; Voorwaar! er is ook geen zoo groot genot in de gansche wereld als het genot om God te dienen. Uwe vacantie kunt gij spoedig moede worden, maar nooit zult gij eene goddeUjke vocatie(l) moede worden, schoon gij er somtijds wel vermoeid in kunt worden. Denk nu eens, dat de Heere tot u had kunnen zeggen: „Ga heen, lig gedurende tien jaren op uwe legerstede. Ga heen, verkwijn door de tering. Voor u heb Ik niet veel te doen. Gij hebt slechts mijn\' wil en welbehagen te dragen.quot; Zijt gij dan niet zeer blijde, dat gij vol zijt van kracht, of ten minste niet van kracht zijt ontbloot, en dat uw he-melsche Vader u thans zegt: „Zoon, ga heen, werk; Ik heb u kracht gegeven: ga heen, werkquot;? Heere, wij danken U voor zoo vriendelijk een gebod.

(1) Roeping,

-ocr page 71-

ARBEID IN DEN WIJNGAARD DES HEEREN.

En er is daarenboven veel eer in dat werk. Gy weet, hoe sterk uw zoontje er naar verlangt een man te zijn. Alle jongens wenschen dit. Hoe fier zijn zij, als zij voor het eerst zich als mannen mogen kleeden. En als gij, die vader zijt, tot uwen zoon kunt zeggen: „Mijn zoon, gij zijt nu op een\' leeftijd gekomen, dat ik ii eenig werk voor mij kan toevertrouwen,quot; zie hoe dit zijn hart verblijdt, en hij zich, als het ware, opgeheven voelt. En ik ben er van verzekerd, dat indien wij, die Gods kinderen zijn, er slechts het rechte inzicht in hebben, ons door onzen hemelschen Vader geëerd moesten gevoelen, als Hij tot ons zegt: „Gij moogt iets voor Mij doen.quot; Wij moeten zeer nederig zijn, want wij kunnen met dat al niets doen, tenzij Hij het willen en het werken in ons werkt. Maar het is voor den mensch inderdaad zeer vleiend en veredelend, als het hem vergund wordt iets voor God te doen, ja, en datgene te doen, wat de volmaakte rechtvaardigen hier Boven en de engelen niet kunnen doen. Want, mijn broeder, er is geen verheerlijkte geest, die in deze gangen en stegen gaan kan, of die de steile trappen kan beklimmen, die zich onder uwe voeten schijnen weg te brokkelen. Ga heen, spreek tot die stervende vrouw van Christus. Gij hebt een voorrecht, dat de engel Gabriel niet had; wees er dankbaar voor. Er is geen engel, die dat jonge kind in de Zondagschoolklasse kan brengen, om het van Jezus te vertellen, en het kleine lam aldus tot den Goeden Herder te leiden. De Heere zendt u om dit te doen. En het behoort eene reden van dankbaarheid te zijn voor ons allen, dat Hij ons waardig geacht heeft ons in de bediening — al is het dan ook in het allergeringste deel er van — te stellen, zoodat wij iets om zijns naams wil mogen doen. Ach! voortdurend ontvangen wij, en dat is zalig; maar toch! hierin, gelijk in andere dingen, is het zaliger te geven dan te ontvangen; en als Wij Gode ietwat werkskannen wedergeven, ietwat werks, dat besproeid is met onze tranen, omdat het niet beter is dan het is, o dan is dit zalig, onuitsprekelijk heerlijk. Hoe dankbaar behoordet gij te wezen, dat de Heere ook tot u zegt: Zoon, ga heen, werk heden.

En herinner u te dezen opzichte ook nog, dat het werk, waartoe de Heere ons roept, van zeer verschillenden aard is, en dat er dus ook veel afwisseling in is. En behalve dat: het past uitnemend bij de verschillende temperamenten, den verschillenden aanleg en de verschillende gaven en bekwaamheden van zijn volk. „Mijn zoon,quot; zegt hij. „ga heen, werk heden in mijn\' wijngaard.quot; Maar Hij geeft u mijn werk niet te doen, en Hij geeft mij uw werk niet te doen. Waarde zuster, gij zoudt wel gaarne het werk van deze of die voortreffelijke Christin willen doen, niet waar? Ja, maar dat is niet recht in u. Stel u tevreden met uw eigen werk. Gesteld eens, dat

60

-ocr page 72-

arbeid in den wijngaard des heérën.

uwe dienstboden altijd elkanders werk wilden doen, dan zou er spoedig wanorde heerschen in uw huis. Veel beter is het, waarde zuster, dat gij op uwe eigene plaats blijft. Hier is een broeder, die zegt: „Ik denk, dat ik wel in staat zou zijn te prediken, als ik maar deze of die gemeente had.quot; Het kan wel wezen, mijn broeder, maar nu doet gij beter met voor uwe eigene gemeente te prediken, en er zoo veel goed te doen, als gij kunt. In mijne gemeente zal ik waarschijnlijk beter arbeiden dan gij, en in uwe gemeente zult gij boter arbeiden, dan ik er zou kunnen arbeiden. Het is voor iedereen het best, dat hij aan zijn eigen werk blijft en in zijne eigene plaats. Hoe dankbaar behoorden wij er voor te wezen, dat zoo de een kan prediken, een ander de gave heeft om voor te gaan in het gebed, — dat de een bij machte is om voor duizenden te spreken, een ander wederom afzonderlijke personen door zijn woord kan vertroosten. Daar is werk in de school; daar is werk in het huisgezin; daar is werk in de straten der stad; daar is overal werk voor Jezus, zoo gij slechts uwe hand wilt uitstrekken, om het te vinden, en den goeden raad van Salomo wilt opvolgen: „Alles, wat uwe hand vindt om te doen, doe dat met uwe macht.quot;

III. En nu de tijd. „Mijn zoon, ga heen, werk heden.quot; Dat wil zeggen — terstond, thans.

Broeder, zuster, ik zal geen woord zeggen over hetgeen morgen uw plicht is. Laat de morgen voor zich zeiven zorgen. Ik heb niets te zeggen over hetgeen over tien jaar recht voor u zal wezen te doen. Indien gij dan nog leeft, dan zal u hiervoor genade worden gegeven. Maar wat ik in den naam Gods wèl tot u heb te zeggen, is: „Ga heen, werk heden.quot; En daar de zon reeds ondergegaan is, zoo werk nog heden avond, eer de zon wederom het aardrijk beschijnt, zoo er u slechts de gelegenheid toe wordt geboden. „En waarom heden?quot; Omdat uw Vader dit terstond van u verlangt. „V/at staat gij hier den geheelen dag ledig?quot; Indien gij nog niets voor Christus gedaan hebt, dan hebt gij nu al genoeg tijd verspild. Rust heden niet, maar ga terstond aan het werk. Hij verlangt, dat gij het heden doen zult, omdat de wijngaard zich in een\' toestand bevindt, die onmiddelijken arbeid noodzakelijk maakt. Er is ergens iemand, die zich in zulk een\' gemoedstoestand bevindt, dat gij een woord met hem kunt spreken, hetwelk doordringt tot zijn hart. Er is iemand, die treurt, en die nog heden avond een woord van troost behoeft. Daar is iemand, die worstelt met zijne eigene conscientie, en die nog heden avond aanmoediging behoeft om op den rechten weg te gaan. Indien zulk een geval heden avond veronachtzaamd wordt, dan zal dat gelijk staan aan een verzuim om de wijnstokken ter rechter tijd te verzorgen, te snoeien, of op te binden. Thans kunt gij het

61

-ocr page 73-

AEBEID IN DEN WIJNGAARD DES HEEREN.

doen. Op een\' anderen dag kunt gij het niet. Daarom, „ga heen, werk heden.quot;

„Heden,quot; omdat er gevaren zijn, waaraan zij, voor wie gij ten zegen moet wezen, thans zu\'n blootgesteld. De duivel is bezig hen te verzoeken: het is noodzakelijk, dat gij heengaat en hen helpt die verzoeking te weerstaan. Thans, op dezen oogenblik zy\'n zij in vertwijfeling; het is noodzakelijk, dat gij met een woord der vertroosting uit den mond des Meesters tot hen gaat. quot;Wellicht zullen zij nog heden avond, eer zij zich ter ruste begeven, eene groote zonde bedrijven. Het kan wezen, dat de Heere u zendt om tusschenbeiden te treden, zoodat die zonde niet begaan wordt. Zoon, ga heen, werk heden; gij züt noodig. Er zijn op dit oogenblik juist zeer weinige arbeiders: velen hunner zijn heen gegaan. Zoon, ga gij heden, terwijl de anderen heen gegaan zijn om zich te ontspannen — terwijl de anderen slapen en zich aan traagheid overgeven. Er is nu juist ergens eene ledige plaats te vervullen. Menige kloekmoedige daad heeft daarom zoo veel zegenrijke gevolgen gehad, wijl zü terstond verricht werd. Indien Horatius de brug niet had verdedigd juist op het oogenblik, toen de vijand er over heen wilde, dan zouden wij nooit van hem gehoord hebben. Er is een tijd van schaarschte, van gebrek: er is dringende nood. Zoon, God zegt tot u: „Haast u, ga heen, werk heden in mijn\' wijngaardquot; „Hedenquot;: let hier op.

Dat wil ook zeggen, den ganschen dag: werk zoo lang als gij leeft. Zoon, indien gü u eens in den wyngaard bevindt, zoo kom niet te huis, eer de dag voorbü is. Het doet mij altijd leed, als ik hoor van Christenen, die iets van hun werk beginnen op te geven, eer de zwakheden en gebreken van den ouden dag nog daar zijn; ofschoon ik geloof, lat menig predikant, als hij oud wordt, beter zou doen met zijne taak neder te leggen, waarvoor hij niet langer geschikt is, om dan eene kleinere taak op zich te nemen, waarvoor zijne krachten nog toereikend zijn. Maar ik weet, dat sommigen dit werk en dat werk opgeven, en zeggen: „Nu is het de beurt van de jonge lieden.quot; O ja, maar gesteld eens, dat de zon ophield van te schijnen, zeggende: „Daar ginds is eene ster, laat die nu eens schijnen in myne plaats.quot; Gesteld eens, dat ook de rmian ophield van te schijnen in de nachtwaken, zeggende, dat zij er nu genoeg van heeft des nachts uit te zyn; en gesteld eens, dat de aarde zeide, dat zij er genoeg van heeft oogsten op te leveren. „Waarom zou ik nog langer iets voortbrengen? Laat nu de zee eens koren in zich laten groeien.quot; Blijft dus, waards Christelijke vrienden, aan het werk, zoo lang gij slechts kunt. Wie zal den geliefden, eerwaardigen John Newton laken? Toen hij zóó zwak werd, dat hij de trap van zijn\' predikstoel niet meer kon beklimmen, liet hij zich helpen om er op te komen,

62

-ocr page 74-

arbeid in den wijngaard des heeeën.

en leunende op zijn\' Bijbel, stortte hij zijne ziel uit voor de gemeente. Een zijner vrienden zeide tot hem: „Waarde Ds. Newton, gelooft gij niet, dat gij het prediken nu maar moest opgeven?quot; „Hoe!quot; riep hij, „zal de oude Afrikaansche Godslasteraar ooit ophouden van de genade Gods te verheerlijken, zoo lang er nog adem in zijn lichaam is overgebleven? Nooit!quot; En zoo toog hy opnieuw aan het werk. O dat er meer van die gezindheid was, om in des Meesters dienst te volharden!

Maar er is nog dit denkbeeld: het is slechts een dag. „Zoon, ga heen, werk heden.quot; Het zal slechts een dag zijn. Het langste leven is niets meer, en dan komen de schaduwen des doods! Maar er zal geen nacht zijn, want in plaats hiervan zal de dag aanbreken en de schaduwen zullen wegvlieden, en dan zal de levenstaak hier beneden voorbij zijn. Dan zal men geene lastige kinderen meer hebben te onderwijzen, geen verharde zondaars, of afdwalende, lauwe Christenen meer hebben te bestraffen, geene bedriegers meer hebben tegen te treden, geene twijfelzuchtigen meer hebben te beantwoorden met het getuigenis, dat niet kan wankelen; van geene smalers met geduld den smaad meer hebben te verdragen. Dat zal alles voorbij zijn, en dan zullen zij, die hun\' Meester hebben gediend, Hem zien daar Hij zich gordt om hen te dienen, en zij zullen aanzitten aan zijne tafel en ingaan tot zijne vreugde. „Myn zoon, ga heen, werk hedenquot;, want morgen zult gij rusten. Werk voort, want er is ruste genoeg in den hemel; werk voort, want voor uwen arbeid in den tijd zal de eeuwigheid u ruimschoots beloonen.

IV. En nu, de plaats, waae de heere ons tot den arbeid roept. „Mijn zoon, ga heen, werk heden in mijn\' wijngaard.quot;

Het is mü liefelijk om aan deze bijzondere sfeer van werkzaamheid te denken, want het moet een genot wezen in onzes Vaders wyngaard te arbeiden, omdat alles, wat wy daar doen, voor Hem gedaan zal zijn. Ik snoei dezen wijnstok; het is mijns Vaders wijnstok. Ik graaf deze sloot uit; maar het is myns Vaders grond, waarin ik graaf. Ik lees deze steenen op, het is mijns Vaders wyngaard, dien ik er van zuiver. Ik herstel deze afsluiting; het is mijns Vaders land, om hetwelk ik de omheining maak. Het is alles voor Hem. Wie zou niet alles wat hij kan willen doen voor den dierbaren Verlosser, het stervend Lam, en voor den gezegenden Vader der geesten? „Ga heen, werk heden in mijn\' wijngaard.quot;

En voorts; welk een belangwekkend werk is het; immers, daar het onzes Vaders wijngaard is, is het ook onze eigene wijngaard. Alles wat Hem toebehoort, behoort ook ons. Wy zijn zonen, arbeidende in den wijngaard onzes Vaders, en zoo kunnen wij zeggen; „Ik heb zelf belang bij dezen wijngaard, want ik ben de erfgenaam van mijns Vaders goed. Deze grond,

63

-ocr page 75-

ARBEID IN DEN WIJNGAARD DES HEEREN.

waarin ik tracht te graven, en dien ik tracht te bemesten, het is mijn grond, het is mijns Vaders grond. Deze muur, dien ik tracht te herstellen — hij behoort mij, hij behoort mijn\' Vader. Het is altijd aangenaam voor ons zeiven te werken, en in een gezegenden, zaligen zin, werken wij voor ons zeiven, als wij voor God werken. Gij zijt arbeiders, gij zijt Gods landbouwers, gij zijt Gods volk; en als gij werkt voor den Heere, deelt gij met Hem in de vruchten.

En welk een werk is het! „Ga heen, werk heden in mijn\' wijngaard.quot; In een\' wijngaard werkt men gaarne, omdat het goed beloond wordt. In eene woestijn te arbeiden mag ondankbaar werk wezen, maar in een\' wijngaard te arbeiden, waar druiventrossen zullen zijn, dat is gansch wat anders. Men kan reeds denken aan de saprijke druiven, die gereed zullen zijn voor de wijnpers, en voor het feestmaal, wanneer er vreugde en vroolijkheid zal zijn in den wijngaard. En gij zult den nieuwen wijn hebben, en den reinen wijn, die gezuiverd is. Allerlei genot is weggelegd voor den mensch, die den Heere dient.

„Ga heen, werk in mijn\' wijngaard.quot; Beteekent dit niet, dat er overvloedig werk is? In een\' wijngaard is altijd wat te doen. Vraag het den bezitters van wijngaarden, en zij zullen u zeggen, dat zij veel arbeiders vereischen. Het geheele jaar door is men er bezig. Vele gevaren moeten worden afgewend, vele vijanden moeten worden geweerd, en zoo mijn broeder, is er zeer veel te doen. Ga heen, werk in den wijngaard, wanneer men uwe hulp zoo grootelijks behoeft. De wijngaard is vlak bij u; want de hemelsche Vader heeft niet gezegd; „Zoon,neem een schip en ga naar Tarsis of naar Ophir.quot; Hij zeide: „Mijn zoon, ga heen werk in mijn wijngaard,quot; en de wijngaard was vlak naast de deur. Welnu, de wijngaard uws iiemelschen Vaders is zeer dicht bij u. Deze straten, waarin gij woont — het huis zelfs, waarin gij verwijlt — wellicht de kamer, waarin gij slaapt — is Gods wijngaard, waarin gij voor Hem moet arbeiden. Het is uws hemelschen Vaders eigen werk, dat verricht moet worden in uws hemelschen Vaders kracht. O! het zou mij zoo verblijden, indien, ik in het hart van een\' jongen man heden avond de liefde tot Christus mocht ontsteken. Indien ik het nederig werktuig mocht wezen om eene Christelijke vrouw de hooge roeping te doen beseffen van nuttig te zijn in haren tijd en in haar geslacht, hoe zou mijne ziel zich verheugen ! Er kwam eens in dit kerkgebouw een jongeling, die bekend was voor zijne groote bedrevenheid in het kolfspel. Hij was een ernstig Christen, die de groote waarheden van Gods openbaring-had aangegrepen, maar hij had zijn God nog nooit gediend. Hij achtte het goed om zijn vrijen tijd door te brengen in allerlei mannelijke lichaamsoefeningen, en daarin vond hij

64

-ocr page 76-

65

vermaak. Maar terwijl ik sprak, werd er een vuur in hem ontstoken. Hij ging naar huis en begon het evangelie te verkondigen in de straten der stad, waarin hü woonde, en thans is hij de herder en leeraar van een groote gemeente, die hü om zich heen heeft verzameld. Na dien tijd heeft hij meer dan eens het evangelie van Jezus Christus hier in deze kerk gepredikt. O! dat een ander geloovige, die zich wellicht in denzelfden toestand bevindt, de een of andere jonge man, toegerust met groote gaven, die al zijne krachten besteedt aan de wereld, zonder evenwel in grove zonden te vervallen, maar eenvoudig zijne talenten verspilt, heden avond eene stem mocht hooren, die tot hem zegt: „Mijn zoon, ga heen, werk heden in mün\'wijngaard.quot;

Na zoo lang bij de practische vermaning te hebben verwijld, rest mij nog slechts weinig tijd voor de korte verklaring van de gelijkenis, of eigenlijk van de gelijkenissen van den wijngaard, die ik u bij don aanvang heb beloofd. Zij werden bij eene zeer gedenkwaardige gelegenheid uitgesproken. Aangevallen „terwijl hij leerdequot; — op ruwe wijze in de rede gevallen door het wettische sanhedrim der Joden met den hooge-priester aan het hoofd, stelden zij Hem twee vragen voor — de eene met betrekking tot het gezag of de bevoegdheid door welke Hij handelde, de andere met betrekking tot de bron waaraan Hü zijn gezag ontleende. Gij allen weet met hoeveel wijsheid Hij zijne gewetenlooze tegenstanders ontweek. „Ik zal u ook éémvoord vragen,quot; zeide Hij. En toen stelde Hij hun eene vraag voor, die hen in verlegenheid bracht, en liet hen verder over aan eene bespottelijke bespreking onder elkander, want „zij over leiden hij zich zeiven.quot; Zij fluisterden van ter zijde en daarna, ten einde raad, dropen zij af en weigerden te antwoorden, want „zij vreesden de scharequot; of, gel ij\'k gij hier lezen kunt, zij waren bevreesd voor het grauw. Van het voordeel, dat onze Heere hierdoor verkreeg, maakte Hij snel gebruik door eene gelijkenis voor te stellen, de gelijkenis waarover wij thans hebben gesproken. Hij begon aldus : — „Wat dunkt uV\' — eene vraag stellende aangaande twee zonen, de een vurig en ijverig in betuigingen van eerbied en liefde, doch volkomen ongehoorzaam, de ander schijnbaar gemelijk en weerbarstig, doch naderhand berouwvol en volijverig om te arbeiden. De zaak was zóó duidelyk, dat zij zonder te aarzelen antwoordden, maar met hun antwoord hechtten zü de bestraffing vast aan hunne eigene borst. „Wie van deze twee heeft den wil des vaders gedaan?quot; Zij zeiden tot hem; „De eerste.quot; Leest deze gelijkenis, leest haar voor u zeiven. Tracht er u de kracht van voor te stellen. De boetvaardige hoere en de verstokte hooge-priester worden in de weegschaal gelegd. „In den iveg der gerechtigheidquot; erkennen de overpriesters en ouderlingen zeiven

-ocr page 77-

ARBEID IN DKN WIJNGAAED DES HEEREN

dat „de eerstequot; van deze twee den wil onzes hemelschen Vaders gedaan heeft. Ik bid u, denkt na over deze gelijkenis En bijna zonder tusschenpoos heeft Hij aan den wiingaard nog eene gelijkenis ontleend, die Hij hun noodzaakte aan te hoo-ren — eene gelijkenis; die den aard der bedeeling en „de teekenen der tijdenquot; zoo duidelijk in het licht stelde, dat zij niet konden nalaten haar te lezen in het licht hunner eigene profeten, en die tegelijker tijd hunne valschheid en verraad zóó ten toon stelde, dat zij hun eigen beeld er in berkenden en terstond bemerkten, dat Hij van hen sprak. „De wijngaardquot; was, naar gij allen weet, het voordurend symbool van de Jood-sche natie als eene theocratie. De mannen, die op den stoel van Mozes zaten, waren de rentmeesters, aan wie de wijngaard, Jehovah\'s bijzonder eigendom, was toevertrouwd. Evenals de slechte heerschers uit alle tijden, zochten zij hunne booze plannen te verbergen onder den dekmantel van raadsvergaderingen en conferenties. Maar de woorden en waarschuwingen van Jezus, zijne gezegden en gelijkenissen waren scherp genoeg om al hunne listen te doorgronden en hen beschaamd te laten staan en zonder verontschuldiging voor de bedriege-lijkheid van hun hart, of het schuldige hunner handelingen. Herinnert u nu, dat het koninkrijk Gods van hen weggenomen werd, en gegeven werd aan een volk, dat zijne vruchten voortbrengt. Aan welk volk is het gegeven ? Is het niet aan de Kerk, die genoemd is „een uitverkoren geslacht, een koninklijk [priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden desgenen, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht ?quot; De wijnstok is het bijzondere symbool van ons Christelijk leven, daar alle geloo-vigen tot één lichaam zijn geworden met Christus. Welnu, er is alzoo een wijngaard, dien God zelf geplant heeft; dat gelooft gij. Hij heeft hem verhuurd aan landlieden; dat gelooft gij. Gij, waarde broeders, zijt de kinderen der landlieden; gij gelooft dit, want anders zoudt gij u niet venneten aan te zitten aan zijne tafel en uit zijn\' beker te drinken. Daarom zegt Hij tot u : „ Zoon, ga heen, werk in mijn\' wijngaard.quot; Welk antwoord geeft gij met uwe lippen ? Welk antwoord geeft gij met uw leven ?

Tot hiertoe heb ik niet tot onbekeerden gesproken. Tot hen heb ik geen woord gezegd. Ik heb echter, eer ik eindig, nog een woord voor hen. Ik zal u niet vragen voor Christus te arbeiden. Ik kan u niet vermanen iets voor Hem te doen. Gij bevindt er u niet in den rechten geestestoestand voor. Eerst moet gij in Hom gelooven. O laat het heden uwe smart zijn, dat gij niet in staat zijt Christus te dienen. Vóórdat gij een nieuw hart en een\' rechten geest hebt, bezit gij het vermogen niet Hem te dienen. Eerst moet gij op Christus betrou-

66

-ocr page 78-

ARBEID IN DEN WIJNGAARD DES HEEREÏT.

67

wen en in uwe eigene ziel ervaren, dat dit evangelie de kracht Gods is tot uwe zaligheid. Uwe oogen moeten geopend zijn ; gy moet bekeerd zijn van de duisternis tot het licht, en van de macht des Satans tot God, opdat gij vergeving der zonden, en een erfdeel onder de geheiligden ontvangen zoudt door het geloof in Jezus, eer gij iets voor Hem doen kunt. Dan, en niet eerder, zult gij geschikt zijn om te getuigen, beide van de dingen, die gij zult hebben gezien en van de dingen, waarin Hij u daarna verschijnen zal. Gij moet zeiven wedergeboren zijn, eer gij kunt „arbeiden te barenquot; voor anderen, totdat Christus eene gestalte in hen krijge. Gij, die het getuigenis van Christus nog niet hebt ontvangen, en in wie het nog niet is bevestigd, kunt van Christus nog niet getuigen. Uw werk zou schadelijk zyn, wijl gij er nog onbedreven in zijt. Houdt uwe handen af van zoo heiligen arbeid, totdat die handen gewasschen zijn door Jezus Christus. Komt tot Hem en betrouwt op Hem, en als Hij u heeft verlost, dan zal Hij tot u zeggen: „Zoon, ga heen, werk heden in mijn\' wijngaard.quot; Amen.

-ocr page 79-

BE GELIJKENIS VAN DE BRUILOFT.

„Het koninkrijk der hemelen is gelijk een zeker koning, die zijn\' zoon eene bruiloft bereid had; en zond zijne dienstknechten uit, om de genooden ter bruiloft te roepen ; en zij wilden niet komen. Wederom zond hij andere dienstknechten uit, zeggende : Zegt den genooden : Ziet, ik heb mijn middagmaal bereid, mijne ossen, en de gemeste beesten zijn geslacht, èn alle dingen zijn gereed; komt tot de bruiloft.quot; JIatth. XXII: 2, 3, 4.

Indien God mij er de kracht toe verleent, dan hoop ik deze geheele gelijkenis te behandelen; doch voor het oogenblik zullen wjj onze gedachten bepalen bij het tooneel aan het begin van het koninklijk feestmaal. Eer wij echter verder gaan, zal het gepast wezen onze diepe erkentelijkheid er voor uit te spreken, dat het den oneindigen Geest behaagd heeft zich reder te buigen tot onze bekrompene bevatting en ons te onderwijzen door gelijkenissen. Hoe goed en nederbuigend is God dat Hij gelijkenissen heeft willen voorstellen, opdat zyne kinderen de verborgenheden des koninkrijks zonden leeren ! Indien men er zich onder de menschen soms over verwondert, dat personen, die met groote geestesgaven zijn toegerust, immer bereid zijn zich tot de kleineren van verstand neder te buigen, hoeveel grooter wonder is het dan niet, dat God de hemelen buigt en neder komt om onze onwetendheid en ons langzaam begrip te gemoet te komen ! Als de geleerde professor zijn college heeft gehouden in de gehoorzaal der universiteit, en gehandeld heeft over de diepzinnige vraagstukken der wijsbegeerte, en dan naar huis gaat, zijn kind op zijne knie neemt en groote waarheden voor de bevatting van dit kind duidelijk tracht te maken, dan ziet gij de groote liefde des harten van dien man.

En als de eeuwige God, voor wien de serafim slechts zijn als de insecten van een uur, zich verwaardigt om ons beperkt, kinderachtig verstand te ontwikkelen en ons wijs te maken tot zaligheid, dan mogen wij wel zeggen: „Hierin is de liefde.quot; Evenals wij onze kinderen platen geven om hunne aandacht op te wekken, en door aangename middelen de waarheid in hun geheugen te prenten, zoo is de Heere met liefdevolle vindingrijkheid de Auteur geworden van menig liefelijk beeld, type

-ocr page 80-

de gklijkenis van de bruiloft.

en zinnebeeldige voorsteiling, waardoor Hij onze belangstelling opwekt, en door zijn\' Heiligen Geest ons verstand verlicht. Indien Hij, die dondert, zoodat de bergen beven, zich verwaardigt tot ons te spreken in het suizen eener zachte stilte, zoo laat ons gaarne nederzitten op de plaats van Maria aan zijne voeten, en van Hem willen leeren. O! dat God aan een iegelijk onzer een leerzaam hart gaf, want dat is het groote middel om Gods bedoeling te leeren verstaan. Hij die gewillig is te leeren als een kind, is reeds in groote mate van God geleerd. Mogen wij allen deze leerrijke gelijkenis zóó be-studeeren, dat wjj er door opgewekt worden tot alles wat Gode welbehagelijk is, want de ware geleerdheid in Godzaligheid kan met dat al slechts beoordeeld worden naar den invloed, dien zij heeft op ons leven. Als wij heiligen zijn, zijn wij wijzen. Practische gehoorzaamheid aan den wil van den Heere Jezus is het zekerst blijk van een verstandig hart.

Om de gelijkenis, die vóór ons ligt, goed te verstaan, moeten wy onze aandacht het eerst bepalen bij het voornemen van dien „zekeren koning,quot; van wien hier gesproken wordt. Hij had een groot doel voor oogen; hij begeerde eer te bewijzen aan zijn\' zoon bij gelegenheid van diens huwelijk. Wy zullen dan opmerken de grootmoedige wijze, waarop hij zijn voornemen ten uitvoer wilde brengen; hij bereidde een middagmaal en noodigde vele gasten. Hij had zijn\' zoon op eene andere wijze kunnen eeren, maar de groote koning heeft dit willen doen op de wijze waardoor zijne goedheid en mild ladigheid het best uitkwamen. Daarna zuilen wij letten op de ernstige hinderpalen, die hem bu de uitvoering van zijn edelmoedig plan in den weg gelegd werden — de genooden wilden niet komen. Van de zijde des konings was er niets dat aan den luister van het feest koii te kort doen. Hij stelde met milde hand al zijne schatten er voor ter beschikking; maar er was een hinderpaal, die zeer vreemd was, en zeer moeieUjk uit den weg te ruimen : zij wilden niet komen. Daarna zullen wij met bewondering onze gedachten laten verwijlen bij de genaderijke wijze, waarop de koning de tegenstanders van zijn plan beantwoordde; htj zond andere dienstknechten om de noodiging te herhalen: „Komt tot de bruiloft.quot; Als wij de beteekenis van deze drie verzen diep tot ons laten doordringen, dan zullen wij voor de overdenking van heden meer dan genoeg hebben.

I. Een zeker koning van een uitgestrekt gebied, die groote macht bezat, besloot een luisterrijk feest te geven, en daarmede had hij een groot doel voor oogen. De kroonprins, zyn welbeminde erfgenaam, stond op het punt van zich in het huwelijk te begeven, en zijn koninklijke vader verlangde die gebeurtenis met buitengewoon eerbetoon te vieren. Ziet nu op van de aarde naar den hemel. Het groote doel van God, den

69

-ocr page 81-

DE GELIJKENIS VAN DE BEUILOFT.

Vader, is zijn\' Zoon te verheerlijken. Het is zijn\' wil, dat „allen den Zoon eeren, gelijk z\\j den Vader eeren.quot; (Joh. V: 23.) Jezus Christus, de Zone Gods, is reeds heerlijk in zijn\' goddelij-km Persoon. Hij is onuitsprekelijk zalig, en oneindig ver verheven boven de behoefte aan eer. Alle engelen Gods aanbidden Hem, en de hemel is vervuld van zijne heerlijkheid. Hij openbaarde zich als de Schepper, en als zoodanig is zyne heerlijkheid volkomen. „Want door hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk, en die onzienlijk zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij machten : alle dingen zijn door hem en tot hem geschapen.quot; Hij zeide: „Er zij licht,quot; en er was licht.quot; Hij gebood den bergen hun hoofd te verheffen, en hunne kruinen doorboorden de wolken. Hijschiep de vloeden; Hij gebood hun hunne beddingen te zoeken, en Hij stelde hun perken. Niets ontbreekt aan de heerlijkheid van Gods Woord, het Woord, dat in den beginne bij God was, die sprak, en het was er, die gebood, en het stond er. Hij is ook hoog verheven als de Beivaarder, want Hij is vóór alle dingen, en alle dingen bestaan te zamen door Hem. Hü is die ,;nagel. ingeslagen in eene vaste plaats,\'quot; waaraan alles is opgehangen. De sleutelen des hemels, en des doods, en der hel zijn bevestigd aan zijn\' gordel, en de heerschappij is op zijn\' schouder, en men noemt zijn\' naam Wonderlijk. Hij heeft een\' naam, die boven allen naam is, voor denwelken zich buigen alle knie dergenen, die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn. Hij is God boven allen ta prijzen, in der eeuwigheid. Tot Hem, die is, en was, en komen zal gaat aller loflied op.

Maar er is nog eene andere betrekking, waarin het den Zone Gods genadiglijk behaagd heeft, tot ons te willen staan. Hy heeft het ondernomen een Zaligmaker te zijn, opdat Hij een Bruidegom zou kunnen wezen. Te voren heeft Hij reeds genoeg eer en heerlijkheid gehad; maar in het grootmoedige van zijn hart heeft Hij zijne ontferming willen grootmaken zelfs nog boven zijne macht, en daarom heeft Hij zich verwaardigd de natuur des menschen aan te nemen, opdat Hij de beminde voorwerpen zijner keuze zou kunnen verlossen van de straf hunner zonde, en zich op de innigst mogelijke wijze met hen zou kunnen vereenigen. Het is als Zaligmaker, dat de Vader zijn\' Zoon wil eeren, en de evangeliemaaltijd wordt niet aangericht bloot tot eer van zijn\' Persoon, maar tot eer van zijn\' Persoon in deze nieuwe, doch van ouds voorgenomene betrekking. Het is tot eer van Jezus als ingaande tot de geestelijke eenheid met zijne gemeente, dat het Evangelie als een koninklijk feestmaal is bereid.

Broeders, toen ik zeide, dat het hier eene grootsche, belang-

70

-ocr page 82-

DE GELIJKENIS VAN DE BRUILOFT.

rijke gelegenheid gold, was dit gewisselijk zoo in de schatting Gods, en het behoorde ook zoo in onze schatting te wezen. Wij moesten er ons in verlustigen den Zone Gods te verheerlijken. Voor alle trouwe onderdanen, in welk rijk het ook zij, is het huwelijk van een lid der koninklijke familie eene zaak van groot aanbelang, en het is gebruikelijk, en dat wel met recht, om aan hunne gelukwenschen uiting te geven door een gepast vreugdebetoon. De gelegenheid, die ons thans de stof onzer overdenking biedt, moet inzonderheid de vreugde en blijdschap opwekken van alle onderdanen van den groeten Koning der koningen. Immers, die gelegenheid zelve is eene reden tot groote blijdschap en dankbaarheid voor ons persoonlijk. Het huwelijk wordt gesloten, —- met wie ? Hij heeft de engelen niet aangenomen. Het is een huwelijk met onze natuur. „Hij heeft het zaad Abrahams aangenomen.quot; Zullen wij ons niet verblijden, als de groote Heer des hemels mensch wordt en zich nederbuigt om den mensch te verlossen van het verderf, dat door zijn\' val over hem is gekomen ? De engelen verheugen zich; maar zij hebben niet zulk een aandeel in de vreugde als wij. Het is voor den mensch de hoogste persoonlijke blijdschap, dat Jezus Christus, die het geen roof heeft geacht, Gode even gelijk zijn, den menschen gelijk is geworden, opdat Hij met zijne uitverkorenen tot één vleesch zou worden. Staat op, gij die slaapt! Indien er ooit reden was om u zeiven op te wekken en uit te roepen: „Waak op, mijne eer ! waak op, gij luit en harp!quot; dan is het thans, nu Jezus komt om zich met zijne kerk te vereenigen, zich met haar te maken tot één vleesch, ten einde haar te verlossen, en haar daarna te verhoogen om met Hem te zUten op zijn\'troon. Hier waren overvloedige redenen, waarom de genoode gasten vroolijk komen zouden, en zich driewerf gelukkig te achten, dat zij tot zulk een feestmaal genoodigd waren. Er zijn zeer groote redenen, voor het menschdom om zich te verheugen in het heerlijk evangelie van Jezus en zich te haasten om er het nut en voordeel van te trekken.

Wij moeten ook denken aan des Bruidegoms koninklijke afkomst. Herinnert u, dat Jezus Christus, onze Zaligmaker, God is uit God. Wordt ons gevraagd Hem te eeren ? Het is rechtmatig, want aan wien anders zal eere gegeven worden ? Gewis, onzen Schepper en bewaarder behooren wij te eeren! Moedwillig moet de ongehoorzaamheid zijn, die geen eerbied wil bewijzen aan Eenen. zoo hoogelijk verheven, en die aller hulde zoo waardig is. Zulk een\' Heere te dienen is de hemel. Zijne heerlijkheid reikt tot aan de wolken ; laat Hij tot in eeuwigheid worden geprezen. Komt, laat ons Hem aanbidden en ons voor Hem nederbuigen, laat ons met blijdschap gehoorzamen aan de geboden Gods, die de eer zijns Zoons ten doel hebben.

71

-ocr page 83-

DE GELIJKENIS VAN DE BRUILOFT.

Herinnert u ook den Persoon van Immanuel, zoo zult gij zijne eer begeeren. Deze hoogheerUjke Zoon, wiens roem alom moet worden verbreid, is boven allen twijfel God — daarvan hebben wij reeds gesproken, maar ook even stellig is Hy Mensch, onze Broeder, been van ons been, en vleesch van ons vleesch. Verlustigen wij er ons niet in te gelooven, dat Hü, in alles verzocht zijnde, gelijk als wij, er zich toch nooit aan onderworpen heeft bevlekt te worden door de zonde ? Nooit was er een mensch gelijk Hij, het Hoofd van ons geslacht, de tweede Adam, de Vader der eeuwigheid, — wie onder ons zou Hem niet willen eeren ? Zullen wij zü\'ne eer niet zoeken, nu Hij ons geslacht opheft tot aan den troon Gods?

Herinnert u ook zijn\' aard, zijn karakter. Waar was ooit een leven als het zijne? Ik wil niet zoo zeer spreken van zijn goddelyk karakter, ofschoon dat overvloedige redenen geeft tot eer en aanbidding, maar denkt aan Hem als Mensch. O geliefden, welk eene teederheid, wat mededoogen! en toch! wat heilige stoutmoedigheid! welk eene liefde voor de zondaars, en toch! wat liefde voor de waarheid! Menschen, die Hem niet hebben bemind, hebben Hem toch bewonderd; en harten, in welke wij volstrekt niet zulk eene erkenning zijner voortreffelijkheden verwachtten te vinden, zijn toch ten diepste getroffen geworden, nadat zij zijn leven hadden bestudeerd. Wij moeten Hem loven, want „Hij draagt de banier boven tien duizend, en al wat aan Hem is, is gansch begeerlijk.quot; Het zou verraad zijn te zwijgen, als de ure is gekomen om te spreken van Hem, die weergaloos is onder de menschen en onvergelijkelijk onder de engelen. Klapt in de handen van vreugde by de gedachte aan het huwelijk van den Zoon des Konings, voor wien zyne bruid zich heeft bereid.

Denkt mede aan hetgeen Hij gewrocht heeft. Als wy een\' vorst eeren, dan brengen wij in rekening alles wat hij voor zjjn volk heeft gedaan. Wal nu heeft Jezus voor ons gedaan? Laat my liever vragen: wat heeft Hy niet voor ons gedaan? Op zijne schouders werden onze zonden gelegd: Hy droeg ze weg in de woestijn, en zij zijn voor altijd van ons weggenomen. Tegen Hem zijn onze vijanden uitgetrokken. Hij heeft hun slag geleverd, en waar zijn zy nu? En wat den dood zeiven aangaat: Hij heeft hem overwonnen; en door Hem zal de zwakste onder ons eerlang zeggen: „Dood! waar is uw prikkel? Helle! waar is uwe overwinning?quot; Hij is de Held des hemels. Onder de toejuiching des heelals is Hy teruggekeerd naar den troon zijns Vaders. Zullen wij, voor wie Hij streed en overwon. Hem niet begeeren te eeren ? O! brengt herwaarts de koninklijke diadeem, en kroont Hem! Is dit niet de eenstemmige uitspraak van allen, die Hem kennen? Behoort dit niet de geestdriftige kreet te wezen van alle menschenkinde-

72

-ocr page 84-

de gelijkenis van de bruiloft.

ren? In het Oosten en het Westen, het Noorden en het Zuiden, moesten niet overal de blijde klokken worden geluid en de vlaggen wapperen in vreugdebetoon op zijn\'bruiloftsdag? Zal de Zoon des Konings in het huwelijk treden; wordt te zijner eer feest gevierd? O laat Hij dan groot zijn, laat Hij heerlijk wezen! De Koning leve! Laten de maagden uitgaan met hare reien en de toonkunstenaren liefelijke muziek doen hooren — ja laat alles wat adem heeft Hem loven. „Hosanna! Hosanna! Gezegend is hij, die komt in den naam des Heeren.quot;

H. Wij zien dit voornemen hier op grootmoedige wijze ten uitvoer gebracht. Aan een\' koningszoon moet op den dag zijns huwelijks eer worden bewezen; hoe zal dit geschieden? Bar-baarsche volken hebben hunne groote feesten; en ach! hoe treurig is het, dat de mensch zóó diep is gezonken; maar bij zulke gelegenheden worden stroomen van menschenbloed vergoten. Zelfs heden ten dage is er aan de grenzen der beschaafde wereld een tyran, wiens helsche zeden — ik durf ze bij geen zachteren naam te noemen — bij zekere feesten en hoogtijden den moord in koelen bloede gebieden van honderden zijner medemenschen. Aldus zou dat monster zijn\' zoon eeren door te handelen als een duivel. Maar geen bioed wordt gestort om den Zoon des grooten hemelschen Konings te eeren. Ik twijfel niet, of Jezus zal eer en heerlijkheid ontvangen zelfs in het verderf van menschen, indien zij zijne genade verwerpen; maar het is niet aldus dat God verkiest zü\'n Zoon te eeren. Jezus, de Zaligmaker, wordt op den dag zijns huwelijks met de menschheid verheerlijkt door goedertierenheid, en niet door toorn. Indien er op zulk een\' dag melding wordt gemaakt van bloed, dan is het zijn eigen bloed, waardoor Hij wordt verheerlijkt. De slachting van het menschdom zou Hem geene vreugde aanbrengen; Hij is zachtmoedig en nederig, en Hij heeft de menschen lief. Onder de meeste koningen was het gewoonte bij ieder vorstelijk huwelijk eene nieuwe belasting uit te schrijven, of eene nieuwe toelage van hunne onderdanen te vragen. De bruidschat voor de dochter onzer beminde koningin zal door het volk met grooter genoegen dan ooit te voren worden toegestaan. Memand onzer zal een woord van klacht daarover laten hooren; maar de gelijkenis toont, dat de Koning der koningen niet met ons handelt naar de wijze der menschen. Hij vraagt geene huwelijksgift voor zijn\' Zoon. Hij maakt zijne bruiloft gedenkwaardig, niet door gaven te eischen, maar door gaven te schenken. Er wordt niets van het volk gevraagd of verwacht; maar wèl wordt er veel voor hen bereid; vele en kostbare gaven worden hun geschonken. Alles wat den onderdanen wordt verzocht, is, dat zij voor eene wtfle de hoedanigheid van onderdaan laten opgaan in de eervoller hoedanigheid van gast; en dat zij bereidvaardig naar liet paleis zullen

73

-ocr page 85-

DE GELIJKENIS VAN DE BEUILOFT.

komen, niet om te arbeiden of om aan tafel te dienen, maar om aan het feestmaal aan te zitten en zich te verblijden.

De edelmoedige wijze, waarop God Christus eert, is hier das voorgesteld onder den vorm van een\' feestmaaltijd. Matthew Henry, het doel van een feestmaal beschrijvende, zegt: een feestmaal is om liefde en blijmoedigheid te wekken, en van volheid en gemeenschap te doen genieten.quot; Zoo is het ook met het Evangelie. Het is om liefde. Zondaar, in het evangelie wordt gij uitgenoodigd u met God te laten verzoenen. Gij ontvangt de verzekering, dat God uwe zonden vergeeft, aflaat van toorn en wil, dat gij door zijn\' Zoon met Hem verzoend zult worden. Aldus ontstaat er liefde tusschen God en de ziel. En vervolgens is het doel lachen te verwekken, dat is; geluk, blijdschap te veroorzaken. Zij, die in Christus Jezus tot God komen, en in Hem gelooven, hebben vrede, ja overvloedige vrede in het hart, en dit kalme meer des vredes verheft zich dikwijls in golven van blijdschap, die juichend in de handen klappen.

Het is niet tot droefheid, maar tot blijdschap, dat de groote Koning zijne onderdanen noodigt, als Hij zijn\' Zoon Jezus verheerlijkt. Het is niet cm u te benauwen, maar om u blijdschap en verheuging te schenken, dat Hij u noodigt te gelooven in den gekruisigden Zaligmaker en te leven. Een feestmaal geeft ook volheid. De hongerige en verhongerende ziel des menschen wordt verzadigd met de zegeningen zijner genade. Het Evangelie vervult alle de behoeften der menschheid. Er is geen vermogen, geene vatbaarheid onzer natuur, of zij gevoelt, dat in alle hare nooden voorzien wordt, zoodra de ziel de voorzieningen der genade aanneemt. Geheel onze menschheid wordt verzadigd met het goede, en onze jeugd wordt vernieuwd gelijk die des arends. „Want\'ik heb de vermoeide ziel dronken gemaakt, en Ik heb alle treurige ziel vervuld.quot; En om het nu alles te kronen: het Evangelie brengt ons in gemeenschap met den Vader en met zijn\' Zoon Jezus Christus, in Christus Jezus oefenen wij gemeenschap met de heilige Drieëenheid. God wordt onze Vader, en openbaart ons zijn vaderlijk hart. Jezus openbaart zich aan ons, gelijk Hij zich niet aan de wereld openbaart, en de gemeenschap des Heiligen Geestes blijft met ons. Onze gemeenschap is gelijk aan die van Jonathan met David, of van Jezus met Johannes. Wij voeden ons met het brood des hemels, en drinken reine wijnen, die gezuiverd zijn. Wij worden binnengeleid in de hemelsche feestzaal, waar de verborgenheid des Heeren ons wordt geopenbaard, en ons hart zich uitstort voor onzen Heere. Zeer nauw is onze gemeenschap met God, allerinnigst de liefde en de nederbuigende goedheid, die Hü ons toont. Wat zegt gij hiervan? Is hier geen rijke maaltijd. Hem waardig, die hem ons bereidt? Hier wordt u, o zondaar, alles, wat gij kunt wenschen of begeeren, geschonken.

74

-ocr page 86-

DE GELIJKENIS VAN DE BRUILOFT.

Alles wat gy noodig hebt voor den tijd en voor de eeuwigheid bereidt God in den Persoon van zijn\' geliefden Zoon, en Hij noodigt u het te ontvangen zonder geld en zonder prijs.

Ik heb u reeds gezegd, dat alle onkosten voor zijne rekening waren. Het was een zeer luisterrijk gastmaal. Er waren ossen en gemeste beesten; maar geen van die allen werd genomen van de weide of den stal der gasten. Het Evangelie is eene zeer kostbare zaak; het hart van Christus werd ontledigd om den prijs van dit groote feest te kunnen betalen; maar aan den zondaar kost het niets, niets van geld, niets van verdiensten, niets van bijzondere voorbereiding. Gij moogt tot dit Evangeliefeest komen, zoo als gij zijt, want het eenige bruiloftskleed, dat benoodigd is, wordt u om niet geschonken. Zoo-, als gij zijt, wordt u bevolen in Jezus te gelooven. Gy hebt niets te doen dan uit zijne volheid te ontvangen, want „zoo-velen hem aangenomen hebben, dien heeft hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk, die in zijn\' naam gelooven.quot; Er wordt u om geene bijdrage gevraagd voor het feest, er wordt u niets gevraagd dan aan te zitten aan het goddelijk feestmaal der oneindige ontferming.

75

En hoe eervol is het Evangelie voor hen, die het ontvangen. Eene uitnoodiging om eene koninklijke bruiloft bij te wonen was eene hooge eer voor de genooden. Ik denk niet, dat velen onzer eene uitnoodiging zullen ontvangen om de huwelijksfeesten onzer prinses(l) bij te wonen; maar indien ditwèlzoo ware, dan zouden wij ons zeer bijzonder verreerd gevoelen, want voor de meesten onzer zou dit een der grootste gebeurtenissen zijn in ons leven. Dat was het ook voor deze lieden. Een koningszoon wordt niet eiken dag uitgehuwelijkt, en niet iedereen wordt genoodigd om aan het gastmaal van den monarch aan te zitten. Gedurende hun gansche leven konden zij zeggen; „Ik ben op zijne bruiloft geweest en heb al de pracht en staatsie der huwelijksfeesten bijgewoond-quot; Sommigen van hen hadden waarschijnlijk nooit te voren zulk een feest gezien, als deze rijke potentaat hun dien dag aanbood, en nooit te voren waren zij in zulk aanzienlijk gezelschap geweest. Mijne broeders, door niets wordt een mensch zoo geëerd als door zijne aanneming van het Evangelie. Zijn geloof eert Christus, en Christus eert hem. Het is geene geringe zaak een koningszoon te zijn, maar zij, die tot de bruiloft van Gods eigen Zoon komen, zullen zeiven koningskinderen worden — zullen zeiven dooien in do heerlijkheid van den grooten Erfgenaam aller dingen. Terwijl ik spreek van deze zoo edelmoedige wijze van doen, brandt mijn hart van heiligen ijver, en is het mij

(1) Eene der dochters van koningin Victoria, die toen in het huwelijk trad.

-ocr page 87-

DE GELIJKENIS VAN DE BRUILOFT.

76

een wonder, dat de menschen niet komen tot het feestmaal der liefde, waardoor alle gasten geëerd worden. Als de maaltijd zoo kostbaar is voor den gastheer, zoo om niet wordt aangeboden aan de gasten, en zoo eervol is voor allen, die er deel aan nemen, hoe komt het dan, dat sommigen zoo onverstandig zijn van die gunst af te wijzen? Voorwaar! hier ziet men de dwaasheid van het onvernieuwde hart, en een bewys van de diepe verdorvenheid, die de zonde heeft veroorzaakt. Indien de menschen zich afwenden van Mozes met zijne steenen tafelen, verwondert dit mij niet, maar de wèl voorziene tafelen der genade te versmaden — dat is vreemd. Gods gerechtigheid te weerstaan is eene misdaad, maar de grootmoedigheid des hemels af te w;jzen, wat is dit? Wij moeten woorden uitdenken, waar mede zoo lage ondankbaarheid gebrandmerkt kan worden. God te weerstaan in de majesteit der verschrikking is waanzin, maar Hem in de majesteit zijner goedertierenheid met verachting af te wijzen, dat is nog iets meer dan waanzin. De zonde bereikt het hoogste toppunt, als zij besluit liever den hongerdood te sterven, dan iets aan de goddelijke goedheid verschuldigd te zijn. Het is mij, alsof ik den tijd, waarop ik mijne boodschap tot u heb te brengen, vooruit moet loopen, en daar ik u nu de manier heb beschreven, waarop God zijn\' Zoon eert, moet ik nu terstond de uitnoodiging doen hooren en u toeroepen: „Komt tot de bruiloft. Komt en verheerlijkt Jezus door de voorzieningen zijner genade aan te nemen. Uwe werken zullen Hem niet eeren, zoo gij ze beschouwt als eene gerechtigheid tegenover zijne gerechtigheid. Zelfs uw berouw, uwe bekeering kan Hem niet verheerlijken, indien gij er op vertrouwt, in plaats van te betrouwen op zijn dierbaar bloed. Kom, schuldig zondaar, kom zooals gij zijt, en neem de genade aan, die Jezus u aanbiedt; neem de vergeving aan, die zijn bloed verzekert aan allen, die in Hem gelooven.quot; My dunkt, dat de bode des Konings verstomd van verbazing moet geweest zijn, toen hij voor het eerst de onverschilligheid bemerkte van de genoodigden, en zag, dat zij niet wilden komen. Hij had de ossen gezien, en de gemeste beesten, enaldeschoo-ne toebereidselen. Hij kende den Koning; hij kende den Zoon des Konings; hij wist wat genot het was bij zulk een feestte zijn; en toen de genooden zich van hem afwendden om heen te gaan naar hunne akkers, heeft hij vol vuur en ij ver zijne boodschap herhaald, terwyl hij zich verbaasde over het verraad, dat zoo goed een Koning dorst te beleedigen. Mü dunkt, ik zie hem, hoe hij zich eerst verontwaardigt van wege den smaad zijn\' Meester aangedaan, en daarna als wegsmolt van mede lijden, toen hij zag wat het gevolg zou wezen van zoo buitensporige ondankbaarheid, zulk eene overtolligheid van onbeschoftheid. Het was hem eene droefheid, dat zijne medeburgers, die

-ocr page 88-

de gelijkenis van de bruiloft.

hij lief had, de dwaasheid zouden begaan van zoo schoon een aanbod te verwerpen, en zoo gezegende bekendmaking met verachting af te wijzen. Ook ik word in mijne ziel door gemengde, doch zeer heftige gewaarwordingen als heen en weder geslingerd. O mijn God, Gij hebt het Evangelie gegeven, laat toch niemand van hen, die hier tegenwoordig zijn, het verwerpen en daarmede uwen Zoon gering achten en U onteeren maar mochten allen zich verblijden in uwe grootmoedige wijze van Jezus Christus, den Bruidegom zijner gemeente, te verheerlijken. Mochten zy allen komen en het feest uwer liefde eer bewijzen.

III. Wij naderen nu tot ons derde punt en gedenken met droefheid aan den grooten hinderpaal, die voor eene wijle de blijde gebeurtenis in den weg stond.

De Koning had bij zich zei ven gedacht: „Ik zal een\' grooten maaltijd aanleggen en een groot aantal menschen noodi-gen. Zij zullen genieten van alles, wat mijn koninkrijk oplevert, en aldus zal ik toonen hoe zeer ik mijn\'Zoon bemin, endaar-bij zullen de gasten liefelijke herinneringen hebben in verband met zijn huwelijk.quot; Toen de boden uitgingen, om hun, die vroeger reeds eene bijzondere uitnoodiging hadden ontvangen, aan te zeggen, dat de tijd nu gekomen was, is er geschreven; „Zij wilden niet komenquot;; niet zij konden niet, maar zij „wilden niet komen.quot; Sommigen om die reden, anderen om eene andere reden, maar allen, zonder uitzondering, weigerden te komen. Hier was nu eene ernstige verhindering voor degroote zaak. Kan de Koning zijne gasten dan niet naar zijne tafel heen laten sleuren? O ja, maar daar zou zijn doel niet mede bereikt zijn. Hij verlangt geene slaven om zijn\' troon. Menschen, die gedwongen aan een bruiloftsmaal aanzitten, zouden het feest niet opluisteren. Wat eer zou het wezen voor een\' koning, als hij zijne onderdanen dwingt om met hem aan te zitten? Neen, gelijk ik te voren reeds heb opgemerkt, ditmaal moet de onderdaan opgaan in den gast. Het was een onmisbaar vereischte voor de majesteit van het feest, dat de genoo-den er zich gaarne en met blijdschap heen begaven, maar zij wilden niet komen. Waarom niet? Waarom wilden zij niet komen? Het antwoord zal van dien aard zijn, dat het een antwoord geeft op eene andere vraag — waarom komt gij niet en gelooft in Jezus? Bij velen was het uit onverschilligheid voor de geheele zaak. Zij konden niet inzien, dat zij met den koning of met zijn zoon iets van doen hadden. Koninklijke huwelijken waren hooge aangelegenheden, die slechts hooge en aanzienlijke personen aangingen. Zij waren eenvoudige menschen,. landbouwers, die zich bezig hielden met slooten graven en omheiningen maken; of wel kooplieden, die rekeningen moesten schrijven, of in hunne winkels de klanten moesten bedienen.

77

-ocr page 89-

DE GELIJKENIS VAN DE BRUILOFT.

Wat gaven zij om het hof, het paleis, den koning, den prins, zijne bruid of zijn bruiloftsmaal! Dat zeiden zij nu wel niet in zoo vele woorden, maar zoo dachten zij er over. Het kon wel iets heel fraais wezen, maar het was niet iets voor hen. Hoe velen zijn er niet, die nog heden ten dage dit zelfde spoor volgen! Wij hebben hooren zeggen; „Wat heeft een werkman met godsdienst van doen!quot; En wij hebben personen van een\' anderen stand in de maatschappij hooren beweren, dat men-schen, die drukke zaken hebben, geen tijd hebben voor godsdienst; zy hebben al hunne aandacht te wijden aan hetgeen het voornaamste is. De Heere ontferme zich over zoo veel dwaasheid! Hier is een groote hinderpaal voor den godsdienst: de stompzinnige onverschilligheid van het menschelijk hart ten opzichte van het verhevenste van alle denkbeelden — Gods verheerlijking van zijn\' geliefden Zoon door zich te ontfermen over zondaren.

De eigenlijke reden van de weigering van de menschen in deze gelijkenis was, dat zij ontrouw waren. Zij wilden niet tot het bruiloftsmaal komen, omdat dit voor de getrouwe onderdanen eene gelegenheid was om zich te verblijden; en daar zij zeiven geene trouwe onderdanen waren, hadden zij geen lust het gejuich en gezang aan te hooren van hen, die het wèl waren. Door weg te blijven beleedigden zij den koning, en verklaarden zij, dat zij er zich niet om bekommerden of hij al of niet koning was, of dat zijn zoon een prins was. Zy besloten hem hunne trouw en gehoorzaamheid op te zeggen door de uitnoodiging af te wijzen. „Indien hij een koning isquot;, zeiden zg, „en zü\'n zoon een prins, zoo willen wij hem toch niet eeren, wy willen niet gerekend worden te behooren tot hen, die aanzitten aan zyne tafel en bijdragen tot den luister zijner macht. Het is natuurlijk wel der moeite waard aan een feestmaal aan te zitten, en wij zouden aan zulk een feestmaal als hij geven zal, ook wel gaarne deel nemen, maar toch zullen wij ditmaal ons liever het genot dier kostelijke spijzen ontzeggen om te kunnen toegeven aan onzen hoogmoed. Wij proclameeren den opstand. Wij verklaren niet te willen gaan.quot; Ach! weet het, gijlieden, die niet in Jezus gelooft, in den grond der zaak is uw ongeloof niets dan vijandschap jegens uwen Maker en oproer tegen den grooten Heerscher des heelals, die uwe hulde waardig is. „Een os kent zijn\' bezitter, en een ezel de krib zijns heerenquot;, maar gij hebt geene kennis, gij verstaat niet; gij zyt rebellen tegen de majesteit des hemels.

Die weigering gaf ook minachting te kennen voor den prins, zoo wel als voor zijn\' vader, en in sommige gevallen wordt het evangelie voornamelijk om die oorzaak afgewezen, daar de ongeloovige de Godheid van Christus loochent, of zijne verzoening en genoegdoening versmaadt. O mijne vrienden, hoedt

78

-ocr page 90-

DE GELIJKENIS VAN DE BRUILOFT.

ii hiervoor, ik ken geene gevaarlijker rots dan die van Christus te smaden door zijn zoonschap en zijne Godheid te loochenen. O ik smeek u, stoot er u niet aan te barste! — Kust den Zoon, opdat hij niet toorne, en gij op den weg vergaat, wanneer zijn toorn maar een weinig zou ontbranden.quot; Onverschilligheid was de dekmantel voor de weigering, waarvan sprake is in onzen tekst. „Zij zulks niet achtendequot;; maar als gij dit bedeksel der onverschilligheid wegrukt, dan zult gij zien, dat het in den grond niets anders was dan verraad tegen de majesteit des koning.?, en afkeer van de waardigheid zijns zoons.

Sommigen van hen hebben ongetwijfeld het feestmaal zelf veracht. Zij moeten geweten hebben, dat een maaltijd door zulk een\' koning gegeven niet schraal of karig kon zijn; maar zij gaven voor het feest te minachten. Hoe velen zijn er niet, die het evangelie versmaden, dat zij niet kennen! Ik zeg, dat zij niet kennen, want gij zult het bijna altijd zien, dat wanneer iemand het Evangelie gering acht, hij nauwelijks het Nieuwe Testament heeft gelezen en volkomen onbekend is met de leerstellingen der genade. Luistert eens naar iemand, die met een vloed van woorden het Evangelie veroordeelt, en gij kunt er zeker van wezen, dat hij zoo luid is, omdat hij ledig is. Indien hij het onderwerp beter begreep, en een oprecht man was, dan zou hij bemerken, dat het hem ten minste tot stille bewondering zou leiden, ook al zou hij het nog niet voor zich zeiven aannemen.

Waarde vrienden, het is een maaltijd, zoo als gü hem groo-telijks behoeft. Laat mij u zeggen, waarin hij bestaat. Het is vergeving voor het verleden, eene vernieuwde natuur voor het tegenwoordige, en heerlijkheid voor de toekomst. Hier is God om onze Helper, zijn Zoon, om onze Herder te zijn, de Geest om ons te onderwijzen. Hier is de liefde des Vaders om onze verlustiging, het bloed des Zoons om onze reiniging, de kracht des Heiligen Geestes om het leven voor ons te wezen uit den dood. Gij kunt niets noodig hebben, dat gij behoort noodig te hebben, of er is in het Evangelie in voorzien, en Jezus Christus zal verheerlijkt worden, indien g;j het aanneemt door het geloof Doch hier nu is de hinderpaal: de menschen nemen het niet aan, „zij wilden niet komen.quot; Wij dachten, dat, zoo wij het Evangelie slechts voorstelden in een helder licht, en zoo wij slechts ijverig en vurig waren om het bekend te maken, onze hoorders bekeerd moesten worden; en verre zy het van ons om ooit anders dan ernstig en eenvoudig in onze Evangelieverkondiging te zijn! Maar toch! de beste en getrouwste prediking, die er ooit geweest is, of ooit komen zal, zalin zeker opzicht toch onvoorspoedig zijn, ja zelfs gansch en al onvoorspoedig, tenzij de Geest Gods krachtig medewrocht.

79

-ocr page 91-

de gklijkenis van de bruiloft.

Nog altijd zal de kreet worden vernomen: „Wie heeft onze prediking geloofd ?quot; Nog altijd zullen zij, die hun\' Meester liet best dienen, reden hebben om te treuren, dat zij zaaien op een\' steenachtigen grond, en hun brood uitwerpen op ondankbaar water. Zelfs de Koning der predikers heeft moeten zeggen : „Onderzoekt de Schriften, want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebbenmaar „gij wilt tot mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben.quot; Helaas! helaas! hoe groo-telijks is het te betreuren, dat de genade Gods verworpen en de hemel geminacht wordt!

IV. Wij hebben dan nu te besluiten met de meest practische zaak te overwegen; het geijaderijk antwoord des konings op de onbeschoftheid, die zijne plannen in den weg wilde treden. Wat zeide hij? Gij zult bemerken, dat zij eerst genoo-digd en toen geroepen waren, gelijk dit in het Oosten gebruikelijk is. De roeping gaf te kennen, dat de tijd voor het feest nu nabij was, zoodat zij er niet plotseling mede waren overvallen, maar dat zij wisten wat zij deden. De tweede uitnoo-diging hebben zij in koelen bloede, met voorbedachten rade en met bedoeling afgewezen. Wat heeft de monarch nu gedaan ? Hunne stad in brand laten steken om met één slag de rebellen uit te roeien ? Neen, hunne eerste beleedigende weigering heeft hij voorbijgezien. „Wellicht hebben zij mijne dienaren verkeerd begrepen,quot;zeide hij,.,of wellicht hebben zij niet begrepen, dat de ure gekomen is. Misschien was de boodschap, die hun gebracht werd te kort, zoodat zij er de beteekenis niet van verstonden. Het kan ook wezen, dat zij eene tijdelijke, voorbijgaande vijandschap tegen mij opgevat hebben, en wenschen zij bij nader nadenken, dat zij niet zoo ruw en lomp geweest waren, en zoo onedelmoedig tegenover mij. Wat heb ik hun gedaan, dat zij mijn feestmaal afwijzen ? Wat heeft mijn zoon hun gedaan, dat zij weigeren hem te eeren door aan te zitten aan mijne tafel ? De menschen houden van feesten, mijn zoon verdient het door hen geëerd te worden — waarom zouden zij niet komen ? Ik zal voor ditmaal het verledene voorbijzien en opnieuw beginnen.quot; Mijne hoorders, er zijn velen van u, die na vele uitnoodigingen Christus zijt blijven verwerpen, en heden morgen vergeet mijn Heere uwe vroegere onvriendelijkheid, en zendt mij wederom met dezelfde boodschap der uitnoodiging : „Komt tot de bruiloft.quot; Het is geen klein geduld, dat het verledene voorbijziet en volhardt in vriendelijkheid, niets dan oprech-telijk uw welzijn begeerende.

De koning zond nog eene uitnoodiging. — „Alle dingen zijn gereed; komt tot de bruiloft,quot; maar gij zult hebben opgemerkt, dat hij een\' anderen bode zond. „Wederom zond hij andere dienstknechten uit.quot; Ja, en ik zal u zeggen wat mij op het hart ligt. Indien eene verandering van boodschapper u zou

80

-ocr page 92-

BE GELIJKENIS VAN DE BRUILOFT. 81

kunnen winnen, dan zou ik, hoe lief ik ook het werk heb om in den naam mijns Meesters te spreken, gaarne op dit oogenblik en aan deze plaats willen sterven, opdat een ander prediker mijne plaats zou innemen, zoo gij er slechts door werdt behouden. Ik weet, dat mijne prediking voor sommigen van u eentonig moet wezen. Ik zoek telkens naar nieuwe beelden, en tracht afwisseling te brengen in mijne stem en in mijne manieren, maar toch moet moet het sommigen van u vervelen telkens denzelfden prediker te hooren. Wellicht is mijne wijze van prediken niet geschikt voor uwe eigenaardigheden van temperament — welnu, goede Meester, zet uwen dienstknecht op zijde. Zend andere boden, die wellicht beter zullen slagen. Maar voor sommigen van u ben ik een andere boodschapper, geen betere, maar een andere, daar mijne broederen in de bediening bij u gefaald hebben. O! als mijne stem u dan toeroept: „Komt tot Jezus, vertrouwt op de verzoening, die Hij heeft aangebracht, gelooft in Hem, ziet op Hem en leeft,quot; mocht die nieuwe stem dan ingang bij u vinden, terwijl gij op de vorige herauten geen acht hebt geslagen.

Gij ziet tevens, dat ook de boodschap ietwat was veranderd. In het eerst was zij zeer kort. Gewis! indien het hart der menschen recht was, dan zouden wij met korte leerredenen kunnen volstaan. Eene zeer korte uitnoodiging zou genoeg zijn, indien het hart recht was, maar daar de harten verkeerd zijn, zegt God aan zijne dienstknechten, dat zij de boodschap moeten uitbreiden, dat zij haar moeten verklaren en uitleggen. „Komt, want alle dingen zijn gereed. Ik heb mijn middagmaal bereid, mijne ossen en de gemeste beesten zijn geslacht, en alle dingen zijn gereed; komt tot de bruiloft.quot; Een der beste middelen om zondaren tot Christus te brengen is hun het evangelie te verklaren. Als wy verwijlen bij deszelfs toebereiding, als wij spreken van deszelfs rijkdom en er op wijzen, dat het geheel vrij en om niet is. dan kunnen sommigen worden aangetrokken, die door het korte van de boodschap, welke alleen het plan der zaligheid aankondigt, niet aangetrokken zouden worden. Voor sommigen is het genoeg te zeggen : „Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden;quot; want zij vragen: „Lieve heeren! wat moet ik doen om zalig te worden ?quot; maar anderen moeten naar de bruiloft heen gelokt worden door de beschrijving van de pracht en heerlijkheid van het feestmaal. Wij moeten trachten u het Evangelie meer ten volle te prediken, maar nooit zullen wij u den ganschen rijkdom van Gods genade kunnen beschrijven.

Gelijk de hemelen hooger zijn dan de aarde, alzoo zijn zijne wegen hooger dan uwe wegen, en zijne gedachten dan ulieder gedachten. Verzaakt uwe zonden en uwe gedachten, en wendt u tot den Heere, want Hü zal u overvloediglijk

6

-ocr page 93-

DE GELIJKENIS VAN DE BRUILOFT.

genadig zijn. Hij zal u ontvangen aan het hart zijner liefde, en u te dezer ure den kus der genegenheid geven, indien gij als afgedwaalde kinderen terugkeert en uws Vaders aangezicht zoekt. Het evangelie is eene rivier van liefde, eene zee van liefde, een heelal van liefde, het is een en al liefde. Er zijn geene woorden, om de verbazingwekkende liefde van God voor zondaren te beschrijven. Geene zonde is te groot of te zwart, geene misdaad te ontzettend om vergeven te worden. Indien gij slechts ziet op zijn\' dierbaren gekruisigden Zoon zullen alle zonde en lastering u worden vergeven. Er is vergeving. En ook de zaligheid, die hier en hiernamaals uw deel zal wezen, is boven ale beschrijving heerlijk. Gij zult den hemel hebben op aarde, en den hemel in den hemel. God zal uw God, Christus uw vriend, de eeuwige gelukzaligheid uw deel wezen.

In deze laatste boodschap wordt een zeer lichten, doch alleszins teederen drang geoefend op de genooden, die, zoo er de minste edelmoedigheid in hun hart ware geweest, er door getroffen hadden moeten worden. Gij ziet, hoe de evangelist het voorstelt. Hij zegt niet; „Komt, want anders zal dat feestmaal u ontgaan; komt, want anders zult gij er zeer veel door verliezen.quot; Neen, naar mijn inzien, stelt hij hun de zaak voor op zeer merkwaardige wijze. Ik verstout mij te zeggen — en moge de Meester mij vergeven, indien ik het verkeerd begrijp — dat de koning zelf zich sympathie, medegevoel wil winnen, alsof hy een gastheer ware, die in verlegenheid gebracht is. „Mijn middagmaal is bereid, maar er is niemand om het te nuttigen; mijne ossen en gemeste beesten zijn geslacht; maar er zijn geene gasten.quot; „Komt, o komt!quot; schijnt hij te zeggen, „want ik ben een gastheer zonder gasten.quot; Zoo zult gij somtijds ook zien, dat God in het Evangelie spreekt op eene wijze, alsof Hy er voordeel van heeft, zoo wij zalig worden. Nu weten wij, dat Hij zich hiermede in liefde verwaardigt om op menschelijke wijze tot ons te spreken. Wat kan Hij bij ons winnen. Wat verliest Hij er bij, als wij omkomen ? Maar in het Evangelie stelt Hij zich dikwijls voor als een vader, die hunkert naar zijn kind. smacht van verlangen, dat het bij hem te huis kome. Hij, de oneindige God, smeekt zijne schepselen om zich met Hem te laten verzoenen. Wonderbare, neder-buigende goedheid! want, als een koopman op de markt roept hij: „O alle gij dorstigen ! komt tot de wateren, en gy, die geen geld quot;hebt, komt, koopt en eet.quot; Merkt gü niet, dat Christus, toen Hij weende over Jeruzalem, ook over zich zeiven schijnt te weenen, zoowel als over hen ? „Hoe menigmaal heb ik uwe kinderen willen bijeen vergaderen!quot; En bij de profeten stelt God het voor als zijne eigene smart; „Hoe zou Ik u maken als Adama ? u stellen als Zebóïm?quot; als of niet alleen hetkind,

82

-ocr page 94-

DE GELIJKENIS VAN DE BEUILOFT.

maar ook de Vader een verlies leed, als de zondaar omkomt. Hebt gü niet, als het ware, medegevoel met God, als gij zijn Evangelie ziet verwerpen ? Zal het kruis hoog worden opgericht, terwijl er toch niemand is, die er.naar ziet? Zal Jezus sterven, en zullen de menschen door zijn\' dood niet worden behouden ? O gezegende Heere, indien wij door niets anders worden getrokken, dan is het ons toch als of wjj moeten komen, wanneer wij U, als het ware, zien voorgesteld als een gastheer, die in verlegenheid gebracht is door gebrek aan gasten. Groote God, wü komen, wü komen met blijdschap, wij komen om te genieten van uwe milddadigheid, en Jezus Christus te verheerlijken door als nooddruftige zondaren aan te nemen. wat uwe genade voor ons voorzien heeft.

Broeders en zusters, daar Christus zoo velen afkeerig vindt om Hem te eeren, is mijne vermaning gericht tot u, die Hem lief hebt en Hem des te meer eert, wyl de wereld Hem weigert te eeren. Gij, die gedwongen ztft geworden om te komen, zingt zijn\' lof terwijl gij aanzit aan zijne tafel en looft zijn\' naam. Keert daarna terug naar uwe woningen en bidt voor hen, die niet willen komen, dat de Heere hun verstand moge verlichten en hun\' wil moge veranderen, opdat ook zij nog gedrongen worden in Jezus te gelooven. En wat u betreft, die door de zachte aanraking zijner genade u heden morgen half geneigd gevoelt tot dit feest te komen, laat my u dringend noo-digen toe te treden. Het is een heerlyk Evangelie — de maaltijd is kostelijk.

Hij is een heerlijk Koning — de Gastheer is goed. Hu is een gezegende Zaligmaker, Hij die dit huwelijk aangaat is goed. Het is alles goed, en ook gij zult goedgemaakt worden, indien uwe ziel de uitnoodiging des Evangelies aanneemt, welke heden tot u komt. „Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.quot; „Gelooft in den Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden.quot; De Heere zende zijn\' Geest om de roeping krachtig te maken, om zijns lieven Zoons wil, Amen.

83

-ocr page 95-

„ZIJ, ZULKS NIET ACHTENDE.quot;

Maar zij, zulks niet achtende, zijn heengegaan, deze tot zijn\' akker, gene tot zijne koopmanschap.quot; Matth. XXII; 5.

De inensch is, sedert de dagen van Adam, niet veel veranderd. In zijne lichaamsgestalte schijnt hij volkomen dezelfde gebleven te zijn, want geraamten, honderden jaren oud, zijn de volmaaktequot; evenbeelden van de onzen; en hetgeen in de geschiedenis vermeld staat als eeuwen te voren door menschen te zijn geschied, zou heden wederom geschreven kunnen woi-den, want „er is niets nieuws onder de zon.quot; Dezelfde soort van\' menschen kunnen ook heden nog gevonden worden (al zijn zij wellicht verschillend gekleed) als die in lang vervlogen eeuwen geleefd hebben. Nog altijd zijn er menschen, wier karakter overeenkomt met het karakter, dat door onzen Heiland in zijne dagen aan anderen werd toegeschreven. Zij gaan heen,\' „deze tot zijn\' akker, gene tot zijne koopmanschapquot;, de hoogheerlijke dingen des Evangelies „niet achtende.\' Ik ben er van overtuigd, dat ik velen van de zoodanigen heden ondermijn gehoor heb, en ik bid den Heere, dat het mij gegeven worde zeer ernstig en op den man af tot hen te spreken. En ik moet u allen, die de hemelsche kunst van bidden verstaat, vragen, God te bidden, dat het Hem moge behagen, ieder woord, elk denkbeeld te doen doordringen tot het hart, waarvoor Hij het bestemd heeft, opdat het eene vreedzame vrucht der gerechtigheid voortbrenge in de behoudenis van vele zielen. „Zij, zulks niet achtendequot;. Dat is: zij hebben het gering geacht, én dat doen velen ook nog in onze dagen; en dat zullen ook zeer velen doen van hen, die mij heden hooren. Ik geloof, dat Christus licht te achten zonde is; en op het gevaar af van door nen, die wijs willen zijn boven hetgeen geschreven is, ten onrechte voor een\' wettisch gezinde, of een\' voorstander van den vrijen wil des menschen gehouden te worden, zal ik u dit als zoodanig voorhouden, want ik hoop nooit te zullen behooren tot die soort van Calvinisten, die des duivels werk doen door de zondaars te verontschuldigen in hunne zonde.

-ocr page 96-

zij, zulks nikt achtende.

Wij zullen in de eerste plaats eenige woorden tot u spreken over wat het is, dat de zondaar gering acht; ten tweede, op ivat ivijze hij het gering acht; en ten derde, waarom hij het gering acht. Daarna zullen wij filer enkele opmerkingen aan toevoegen.

I. Wat is het, dat de zondaar gering acht ? De persoon, van wien in de gelijkenis gesproken wordt, betoonde die ge-ringachting voor een bruiloftsmaal, dat door een\' koning was aangericht, een feestmaal, dat uit allerlei kostelijke gerechten bestond, waaraan zij genoodigd waren, en waarvan zij moedwillig weg bleven. De geestelijke beteekenis hiervan is gemakkelijk te ontdekken. Zondaars, die Christus gering achten, geven hunne minachting te kennen voor het heerlijk feestmaal, dat God bereid heeft bij het huwelijk zijns Zoons. Dit is heilig land om te betreden. O moge de Heilige G-eest ons onderwijzen.

Deze gelijkenis tot onderwerp nemende voor onze overdenking, zullen wij in de eerste plaats opmerken, dat de zondaar den bode geringacht, die hem het bericht brengt, dat het bruiloftsmaal bereid is. Deze menschen weigerden te komen; zy gingen heen — „deze tot zijn\' akker, gene tot zijne koopmanschap,quot; zij hebben dus geen acht geslagen op den bode. En ieder zondaar, die de groote zaligheid van Jezus Christus veronachtzaamt, betoont geringschatting van den evangeliedienaar, hetgeen in Gods oog geene geringe beleediging is. Het wordt door onze hooghartige natie nooit voor eene onbeduidende beleediging aangezien, als onze gezant met onverschilligheid wordt bejegend; en gelooft het vrij, het is alles behalve eene kleine zaak voor God, indien gij minachting betoont voor de gezanten, die Hij tot u zendt. Vergelijkenderwijs gesproken, beteekent dit echter weinig. Die gezanten zijn menschen, gelijk gy zeiven, en zij kunnen het wel dragen gesmaad te worden, indien dit nu alles was. Ja wij zouden u dit zeer gaarne vergeven, indien dit in onze macht was, en indien hierin alleen uwe zonde bestond.

Maar deze lieden versmaadden den maaltijd. Sommigen van hen verbeeldden zich, dat de gemeste beesten en de overige spijzen, die op de tafel zouden komen, niet beter waren dan zij zeiven in hun eigen huis hadden. Zij dachten, dat dit koninklijk gastmaal niet der moeite waard was om er een dag-van hunne koopmanschap voor op te offeren, of er zelfs één enkel uur van hun\' akker om weg te blijven. Zij verachtten dit bruiloftsmaal; ten minste, dit schijnt zoo, daar zij er niet heen gingen. O zondaar, als gij op de groote zaligheid geen acht slaat, zoo weet wèl, wat gij versmaadt. Als gij Gods Evangelie gering acht, dan betoont gij geringachting voor de rechtvaardigmaking door het geloof, voor het gewasschen zijn

85

-ocr page 97-

ZIJ, ZULKS NIET ACHTENDE.

in Jezus\' bloed, voor den Heiligen Geest, voor den weg naar den hemel. Gij betoont dan ook geringachting voor geloof, en hoop, en liefde; gij slaat geen acht op de beloften des eeuwigen verbonds en al de heerlijkheid, die God weggelegd heeft voor hen, die Hem liefhebben, en op alles dat Hij in zijn Woord heeft geopenbaard als de beloofde gave aan hen, die tot Hem komen. Het is ontzettend het Evangelie gering te achten, want in dat woord Evangelie — blijde boodschap — ligt alles opgesloten, wat de menschelijke natuur noodig heeft, alles, wat zelfs de heiligen in de eeuwige gelukzaligheid kunnen ontvangen. Het Evangelie des ge/egenden Gods te verachten, o! hoe waanzinnig is dit! hoe veel erger dan dwaas. Veracht de sterren, en gij zijt een dwaas; veracht Gods aarde met hare heerlijke bergen, met hare stroomende rivieren, met hare liefelijke beemden, en gij zijt een waanzinnige; maar veracht Gods Evangelie, en gij zijt tien duizend maal waanzinnig. Sla daar geen acht op, en gjj zijt oneindig meer dwaas dan hij, die in de zon geen licht ziet, geene schoonheid vindt in de maan, en geene schittering in den sterrenhemel. Vertreed, zoo het u gelust, zijne lagere werken onder uwe voeten, maar o! gedenk, als gij het Evangelie versmaadt, dat gi) het Meesterstuk uws grooten Scheppers gering acht — datgene, hetwelk Hem meer gekost heeft dan myriaden werelden te scheppen — het bloedig offer van onzes Heilands doodsbenauwdheid en smart.

En wederom: deze lieden gaven minachting te kennen voor des Konings Zoon. Het was zijn huwelijksfeest, en voor zoo veel zij er niet op verschenen, hebben zij den Hoogheerlijke gesmaad, ter wiens eer het avondmaal bereid was. Zij minachtten Hem, dien de Vader liefhad. O! zondaar, als gij het Evangelie gering acht, dan betoont gij die geringachting voor Christus — voor dien Christus, voor wien de heerlijke cherubim zich neder buigen — voor dien Christus, aan wiens voeten de hooge aartsengel het zaligheid acht zijne kroon neder te werpen. Gij betoont geringachting voor Hem, van wiens lof het gewelf des hemels weerklinkt, voor Hem, die door God op zeer hoogen prijs wordt gesteld, want door Hem werd Hij genoemd „God, boven allen te prijzen in der eeuwigheid.quot; O het is ontzettend om Christus te smaden. Veracht een\' prins, en gij zult er weinig eer om ontvangen van den koning; maar veracht den Zone Gods, en de Vader zal zijn geminachten Zoon aan u wreken. O mijne geliefde vrienden, het schijnt mij toe zonde te zijn, geene onvergeeflijke zonde, maar eene zonde, die toch ontzettend snood is, dat demenschen op mijn\'gezegendenHeere Jezus Christus geen acht slaan en Hem met wreede minachting bejegenen. U geringachten, U, dierbare Jezus! UI als ik U zie, worstelende in Gethsémané, bedekt met

86

-ocr page 98-

ZIJ, \'.ÜLKS NIET ACHTENDE.

bloedig zweet, dan buig ik my voor U neder, en zeg: O Verlosser, bloedende voor de zonde der menschen, is er een zon daar, die U kan geringachten ? Als ik Hem aanschouw terwijl het bloed Hem van de schouderen stroomt onder de gevloekte geesseling van Pilatus, dan vraag ik: „Kan een zondaar zulk eene zaligheid geringachten?quot; Als ik Hem gadesla, bedekt met zijn eigen bloed, vastgenageld aan het kruis, daar Hij onder hevige folteringen zijne ziel uitstort, uitroepende: PEli, Eli, lama sabachtaniquot;. dan vraag ik my af: „Kan dit door iemand licht geacht worden?quot; En zóó zij het doen, dan zou die zonde groot genoeg zijn om hen te verdoemen, al zouden zij ook geene andere zonden hebben, dat zij den Vredevorst gering geacht hebben, die zoo hoogheerlijk is. O myn vriend, indien gü Christus geringacht, dan hebt gij den Eenige be-leedigd, die u kan zalig maken; den Eenige, die u over de doodsrivier veilig heen kan voeren; den Eenige, die de poorten des hemels kan ontsluiten, en er u welkom kan doen wezen. Laat geen prediker van „zachte dingenquot; u diets maken, dat dit geene misdaad is. O zondaar, denk aan uwe zonde, als gij Hem geringacht, want het is des Konings eenigen Zoon, dien gij „niet acht.quot;

En wederom: deze lieden betoonden ook gering achting voor den Koning, die het feestmaal bereid had. Ach! weinig vermoedt gij, o zondaar, als gij beuzelt met het Evangelie, dat gij daarmede God beleedigt. Ik heb sommigen hooren zeggen: „Ik geloof niet in Christus, maar wèl tracht ik God te eeren. Om het Evangelie bekommer ik mij niet; ik verlang niet ge-wasschen te worden in het bloed van Jezus, noch zalig te worden uit vrije genade; maar God veracht ik niet; ik ben een voorstander van den natuurlijken godsdienst!quot; Ach mijn vriend, het is maar al te zeker, dat gij den Almachtige beleedigt, in zoo ver gij zijn\' Zoon loochent. Betoon minachting voor iemands kroost, en gij hebt den man zeiven beleedigd. Verwerp den eengeboren Zoon van God, en gij hebt den Eeuwige zeiven verworpen. Buiten Christus bestaat er geen wezenlijke natuurlijke godsdienst. Het is eene leugen; het is de uitvlucht van een\' mensch, die niet kloekmoedig genoeg is om te zeggen, dat hij God haat. Het is dan ook niets dan eene uitvlucht, eene toevlucht der leugenen, want wie Christus verloochent, heeft in die daad God beleedigd, en de poorten des hemels voor zich zeiven gesloten. Wij kunnen den Vader niet liefhebben dan in en door zijn\' Zoon; en er is geene welbehagelijke aanbidding van den Vader, dan door den Groeten Hoogepriester en Middelaar, Jezus Christus. O mijn vriend, gedenk, dat gü niet slechts het Evangelie hebt veracht, maar ook den God van het Evangelie. Als gij lacht om de leerstel, lingen der openbaring, dan lacht gij om God. Als gij de waar.

87

-ocr page 99-

ZIJ, ZULKS NIET ACHTENDE.

heid des Evangelies smaadt, dan smaadt gij God zeiven. Gy hebt den Eeuwige in het aangezicht weerstaan. O gedenkt, gij, die met de boodschap van Christus spot, en u afkeert van de prediking der waarheid! Gedenkt, dat God machtig is, en dat Hij u zeer zwaar kan straffen! God is een ijverig God. O! hoe gestreng zal Hij straffen! God geringachten, zondaar? Ach, dit is meer dan iets anders eene doemwaardige zonde, en die zonde bedrijvende, zoudt gij wel een dezer dagen uw eigen doodvonnis kunnen onderteekenen; want God, Christus en zijn heilig Evangelie niet te achten, dat is zijne eigene ziel te verderven. O rampzalige zielen, hoe ongelukkig moet gij wezen, zoo gij leeft en sterft zonder acht te geven op Christus en boven de schatten van het Evangelie de voorkeur geeft aan uwe akkers en uwe koopmanschap.

En wederom : bedenk mijn arme, deerniswaardige vriend, bedenk, dat gij, door al de dingen, die ik genoemd heb, gering te achten, ook de groote, ontzagwekkende dingen der eeuwigheid geringacht. De mensch, die geen acht slaat op het Evangelie, slaat ook geen acht op de hel. Hij denkt, dat het vuur der hel niet heet is, dat de vlammen der hel niet zijn, zooals Christus ze beschreven heeft. Hij slaat geen acht op de brandende tranen van het wanhopig naberouw, hij slaat geen acht op het zuchten en kermen der zielen, die verloren gaan. Ach! het is niet wijs, niet verstandig, de hel gering te achten.

Gij slaat dan ook evenmin acht op den hemel, de plaats waar de verlosten wenschen heen te gaan, waar de heerlijkheid heerscht zonder wolken, en de zaligheid zonder zuchten. Gjj werpt de kroon des eeuwigen levens onder uwe voeten; gij vertreedt met uwen onheiligen voet de palmtakken der overwinning, en acht het een kleine zaak verlost te zijn en verheerlijkt te worden. Ach! ongelukkige, als gij eensin de hel zijt, en de ijzeren sleutel voor altijd in het slot uwer onvermijdelijke bestemming is omgedraaid, dan zult gij bevinden, dat de hel geene zaak is om gering te achten. En als gij den hemel en de zaligheid hebt verloren, en alleen in de verte den nagalm kunt hooren van het lied der gezaligden, zoodat door de tegenstelling met hunne vreugde uwe rampzaligheid nog grooter wordt, dan zult gij bevinden, dat het geene kleine zaak is den hemel te minachten. Een iegelijk, die den godsdienst gering acht, acht ook deze dingen gering. Hij miskent de waardij zijner eigene ziel, en het gewicht van haren toestand in de eeuwigheid.

Dat is het, hetwelk de menschen geringachten. „O leeraar,quot; zegt iemand, „maar ik spreek nooit woorden, die vijandschap uitdrukken tegen Gods waarheid. Ik bespot den evangeliedienaar niet, en betoon geene geringachting voor den Sabbat.quot;

88

-ocr page 100-

ZIJ, ZULKS NIET ACHTENDE.

Mijn vriend, van dit alles zal ik u vrijspreken, en toch handhaaf ik mijne ernstige beschuldiging, dat gy de groote zonde bedrijft, van het Evangelie gering te achten. Luister!

II. HOE, OP WAT WIJZE BETOONEN DE MENSCHEN HUNNE GE-BINGACHTING VAN DIE DINGEN?

Het is, in de eerste plaats, eene geringachting van het Evangelie en van het geheel der heerlijke dingen Gods, als men gaat om te hooren, terwijl men er toch geen acht op slaat. Hoe velen gaan naar de kerk om er te slapen! Dunk het eens in, welk eene ontzettende beleediging dit is van den Koning des hemels! Zou iemand het paleis van Hare Majesteit binnen treden, eene audientie aanvragen, en dan in hare tegenwoordigheid gaan slapen ? Toch zou de zonde van in tegenwoordigheid der koningin te slapen, niet zoo groot zijn, zelfs niet tegen hare eigene wetten, als de zonde van moedwillig in Gods heiligdom te gaan slapen. Hoe velen gaan naar onze bedehuizen, wel niet om te slapen, maar die toch zoo weinig aandachtig zijn, alsof zij luisterden naar iemand, die niet in staat is eene opwekkende melodie op een goed instrument te spelen. quot;Wat het eene oor ingaat, gaat het andere oor uit. Hetgeen in de hersenen komt, gaat er ook weer uit zonder ooit het hart te treffen. O! mijne hoorders, gij maakt u schuldig aan Gods Evangelie gering te achten, als gij onder de prediking er van nederzit, zonder er acht op te slaan. O wat zouden zij, wier zielen verloren zijn gegaan, er niet voor geven, zoo zij nog eens eene evangelieverkondiging konden aanhooren! Wat zou de ongelukkige, die den dood nabij is, niet geven voor nog één\' enkelen sabbat! En wat zult gij niet willen geven een van deze dagen, als gü den oever der doodsrivier nadert, om nog ééne enkele maal gewaarschuwd te worden, nog eens te kunnen luisteren naar de vriendelijk lokkende stem van den dienstknecht Gods. Wij achten het Evangelie gering, als wij er naar luisteren, zonder er onze ernstige aandacht aan te wijden.

Maar sommigen zeggen, dat zij er wèl hunne aandacht aan wijden. Men kan luisteren naar het Evangelie en het dan toch geringachten. Ik heb menschen zien weenen onder eene krachtige evangelieprediking; ik heb gezien hoe hun de tranen over de wangen stroomden — zalige tranen, die van innerlijke zielsontroering getuigden. Soms zeide ik bij mij zeiven: het is verwonderlijk te zien hoe de menschen weenen op het hooren van een zieldoordringend woord van God, dat hen verschrikt, alsof de donder van Sinaï hun in de ooren klonk. Maaier is iets, dat nog verwonderlijker is dan het weenen der menschen onder het gehoor des Woords. Het is het feit, dat zij zeer spoedig, ach! maar al te spoedig! hunne tranen af-wisschen. O mijn hoorder, herinner u, dat, zoo gij deze dingen

89

-ocr page 101-

ZIJ, ZULKS NIET ACHTENDE.

hoort, en den ontzaglijken indruk, die er door teweeggebracht wordt, afschudt, gij hiermede God geringacht, en zijne waarheid niet telt. O zie toe, dat niet uwe eigene kleederen rood zijn van het bloed uwer ziel, en er gezegd wordt: „O Israël, gij hebt u zei ven verdorven!quot; (1)

Maar er zijn anderen, die het geringachten op nog eene gansch andere wijze. Zij hooren het Woord, en geven er acht op; maar helaas! zij geven ook tegelijk acht op iets anders.

O! mijn hoorder, gij acht Christus gering, indien gij Hem ergens anders dan in het middenpunt uws harten stelt. Hij, die aan Christus slechts een weinig van zijne genegenheid geeft, acht Christus gering, want Christus wil het geheele hart hebben, of niets. Wie één deel geeft aan Christus, en een ander deel aan de wereld, veracht Christus, want hij schijnt te denken, dat Christus het geheele hart niet waardig is. En voor zooveel hü dit zegt, of denkt, koestert hy lage, onheilige gedachten van Christus. O gij vleeschelijke mensch, die half godsdienstig en half wereldschgezind zijt, die somtijds ernstig, maar even dikwijls lichtzinnig zijt, die soms vroom schijnt, maar zoo dikwijls onheilig zijt, gij acht Christus gering. En gij, die Zondag weent, maar Maandag weer in uwe oude zonden terug valt; gij, die de wereld en hare genietingen boven Christus stelt; gij denkt geringer over Hem, dan Hij verdient, en wat is dat anders dan Hem te minachten? O ik bid u, mijn hoorder, vraag u zeiven af, of gij niet de man zijt? Zijt gij het niet zelf. die Christus gering acht? De eigengerechtige, die met Christus gelijkelijk wil deelen in de eer der verlossing, is, niettegenstaande al zijne voddige goede werken, zóó zeer de eerste en voornaamste onder de verachters, dat ik hem in het midden van hen allen aan de schandpaal zou willen stellen, en allen zou ik willen toeroepen te sidderen, opdat ook zij niet onder de versmaders van Jezus worden gevonden.

90

En wederom: die mensch acht Christus gering, die den godsdienst belijdt, maar er niet naar leeft. O gij leden der gemeente, er moet eene groote schifting onder u plaats hebben. Er is thans eene zeer groote hoeveelheid kaf gemengd onder het koren; en soms denk ik, dat wij nog iets ergers hebben. Er zijn er in onze gemeente, die niet eens zoo goed zijn als kaf, want zij schijnen volstrekt niet in de nabijheid van het koren geweest te zijn; zij zijn niets dan onkruid. Zij komen in onze gemeenten, zooals zij in eene handelsvereeniging komen, omdat zij denken, dat dit hunne zaken zal verbeteren. Het zet achtenswaardigheid bij aan hun\' naam, als zij naar de kerk gaan en deel nemen aan het Avondmaal. Het verwerft hun achting, als zij zich laten doopen, of lid worden der gemeente.

(1) Hoséa 13: 9 naar de Engelsche overzetting.

-ocr page 102-

zij, zulks niet achtende.

en aldus komen zij in menigte om den wille der brooden en visschen, maar niet om des Heeren Jezus Christus wil. O geveinsde! gij acht Christus gering, als gij denkt, dat gij\' Hem als middel kunt gebruiken om rijkdom te verkrijgen. Indien gij denkt, dat Hij u zal heenvoeren naar de schatten der aarde, dan vergist gij u grootelijks, want Hij is nooit tot iets anders bestemd geweest, dan om de menschen in den hemel te brengen. Indien gy denkt, dat de godsdienst bestemd is om uw huis te versieren, en uwe beurs te vullen, dan verkeert gü in eene groote dwaling. De godsdienst is bestemd om nuttig te zijn voor uwe ziel, en hij, die den godsdienst, meent te kunnen gebruiken tot zijn persoonlijk, wereldsch voordeel, betoont hiermede geringachting voor Christus, en ten laatsten dage zal hem die misdaad ten laste worden gelegd, en dan zal de Koning zijne krijgsheiren zenden en hem vernielen met degenen, die Zijne Majesteit hebben gesmaad, en zijne wetten niet wilden gehoorzamen.

III Ik zal u thans zeggen, waaeom zij „zulksniet geacht hebben.quot; Het was om verschillende redenen.

Sommigen hebben er geen acht op gegeven, omdat zij on-wetend waren. Zij wisten niet hoe kostelijk het feestmaal was; zü wisten niet hoe goed en vriendelijk de koning, hoe schoon de prins was, want, indien zij het wèl wisten, zij zouden er anders over gedacht hebben. Nu geloof ik, dat hier heden avond zeer velen tegenwoordig zijn, die geen acht geven op het Evangelie, omdat zy het niet verstaan. Ik heb dikwijls menschen met den Godsdienst hooien spotten, maar vraagt gij hun wat Godsdienst is, dan weten zij er niet meer van dan een paard, ja erger, want zij gelooven er onwaarheid van, en dat doet een paard niet. Zij spotten er mede, omdat zij er niets van begrijpen; het is iets dat hun verstand te boven gaat. Wij hebben van een\' man gehoord, die als hij iemand een Latijnsch woord hoorde zeggen, er om lachte, omdat hy dacht, dat het scherts was, of dat het in alle geval eene zeer vreemde manier van spreken was, en daarom lachte hij. Zoo is het ook met velen, als zij het Evangelie hooren; zij weten niet wat het is, en daarom lachen zij. „O!quot; zeggen zy, „die man is waanzinnig.quot; Maar waarom is hij waanzinnig ? Omdat gij hem niet begrijpt? Zijt gij dan zoo verwaand van te denken dat alle wijsheid en alle geleerdheid bij u schuilt ? Mij dunkt, de waanzin is niet daar, waar gij hem veronderstelt te zijn. En indien g;j van hem zoudt zeggen : „De groote geleerdheid brengt u tot razernij,quot; wij zouden u antwoorden; Het is even gemakkelijk tot razernij gebracht te worden zonder geleerdheid.quot; En zü, die niet geleerd zü\'n, en bovenal zy, die niets weten van Christus, zullen de eersten zijn, die Hem minachten. O! mijne vrienden, indien gij slechts wist, wat een

91

-ocr page 103-

zij, zulks nieï achtende.

gezegende Meester Christus is; indien gij wist welk eene gezegende zaak het Evangelie is ; indien gij er slechts toe gebracht kondet worden te gelooven, welk een heerlijke God onze God is, indien gij slechts voor een enkel uur het genot kondet smaken, dat het deel is der Christenen; indien gij slechts eene enkele belofte kondet toepassen op uw eigen hart, dan zoudt gij het Evangelie wel nooit meer geringachten. Gij zegt, dat gij er niet van houdt! Maar gij hebt het nooit beproefd! Zou iemand wijn verachten, dien hij nooit heeft geproefd ? Hij kan zoeter wezen, dan hij denkt. Smaakt en ziet, dat de Heere goed is; en zoo zeker als gij smaakt, zoo zeker zult gij zien, dat Hij goed is. Ik verstout mij nogmaals te zeggen, dat velen het Evangelie geringachten uit bloote onwetendheid ; en indien dat zoo is, dan kan ik de hoop koesteren, dat, wanneer zij, eenigzins verlicht zullen zijn door het Woord te hooren, het den Heere zal behagen hen tot zich te brengen, en d an weet ik, dat zij Christus nooit meer gering zullen schatten. O w eest toch niet onwetend, want „de ziel zonder wetenschap is niet goed.quot; Zoek Hem te kennen, dien te kennen het eeuwige leven is; en als gij Hem recht kent, dan zult gij Hem nooit meer geringachten.

Anderen achten Hem gering uit hoogmoed. „Waartoe dient het,quot; zeide zoo iemand, „mij deze uitnoodiging te brengen ? Treed eens bij mij binnen, vriend, en ik zal u een feestmaal toonen, even kostelijk als waarvan gij mij weet te verhalen. Zie hier! mijne tafel is even goed voorzien als die van ieder ander; de koning zelf kan geen\' beteren maaltijd aanrichten, en ik zie niet in, waarom ik mij de moeite zou geven uit te gaan voor iets, dat niet beter is dan ik het in mijn eigen huis kan hebben.quot; Zoo wilde hij dus niet gaan uit hoogmoed. Evenzoo is het met sommigen van u. Gij zoudt er behoefte aan hebben gewasschen te worden ! Neen, niet waar ? want gij waart nooit onrein. Gij zoudt behoefte hebben aan vergeving! Oneen, daar zijt gij toch eigenlijk te braaf voor. Wel! gij zijt zoo buitengewoon vroom in uwe eigene schatting, dat, indien het alles waar was, gü den engel Gabriel zoudt doen blozen, als hij aan u denkt. Gij vindt zelfs dat een engel niet in uwe schaduw kan staan. Hoe! gij zoudt om genade smeeken 1 Het denkbeeld is beleedigend voor u. „Ga heen,quot; zegt gij, „ga heen en spreek aldus tot de diep gevallen vrouw; maar ik ben een achtenswaardig man. Ik verzuim nooit de kerk; ik ben een goed mensch. Ik mag nu en dan eens wat uitgelaten pret heb-hebben; maar dat maak ik later altijd weer goed. Ik ben nu en dan wel eens wat tiaag en kom niet veel vooruit op weg naar den hemel; maar later haal ik die schade wel in, en zoo zal ik even spoedig als ieder ander in den hemel zijn,quot; Wel, mijn vriend, het verwondert mij niet, dat gij het Evan-

92

-ocr page 104-

98

geile veracht, want het Evangelie zegt u ronduit, dat gij gansch en al verloren zijt. Het zegt u, dat zelfs deze uwe gerechtigheid\'vol is\'.van zonde. En wat uwe hoop aangaat om er door behouden te worden, gij zoudt even goed op een dor blad den oceaan kunnen oversteken om naar Amerika te gaan, als door uwe gerechtigheid in den hemel trachten te komen. Dit kleed uwer gerechtigheid is evenmin geschikt om u te bedekken, als een spinneweb geschikt 5:011 zijn om er in naar het hof te gaan en er in te verschijnen voor de koningin. Ach! mijne hoorders ik weet, waarom gij Christus veracht, het is van wege uwen duivelschen hoogmoed. Moge de Heere dien hoogmoed wegrukken uit uw hart, want zoo Hij het niet doet, dan zal die hoogmoed de brandstof leveren van het vuur, dat gij in de hel zult hebben te verduren. quot;VVacht u voor hoogmoed! Door hoogmoed zijn de engelen gevallen; hoe kunnen dan menschen, schoon zij het beeld zijn van hun\' Maker, hopen er door te zullen winnen? Mijd, vlied den hoogmoed, want even gewis als gij hoogmoedig zijt, even zeker zult gij de schuld op u laden van Christus gering te achten.

En er waren wellicht even veel personen, die de bUide boodschap gering achtten, omdat zij dm bode niet geloofden. ,0!quot; zeiden zij, „wacht eens even. Hoe ! een maaltijd, waaraan ik zou kunnen deelnemen ? Ik geloof het niet. Hoe! de jonge prins zal in het huwelijk treden? Vertel dat aan dwazen,wi/ gelooven het niet. Hoe! wij allen zijn genoodigd ? Wij geloo-ven er geen woord van, het is ongeloofelijk.quot; De arme boodschapper ging naar huis en berichtte zijn\' Meester, dat zij hem niet wilden gelooven. Dat is wederom eene reden waarom velen het Evangelie geringachten, zij gelooven het niet. „Hoe!quot; zeggen zij, Jezus Christus gestorven om de menschen van hunne zonden te reinigen ? Wij gelooven het niet. Hoe! wat! een hemel ? Wie heeft hem ooit gezien ? Eene hel! Wie heeft er ooit het gekerm van gehoord? Wat! de eeuwigheid! Wie is ooit van die laatste hoop en toevlucht van eiken geest teruggekeerd ? Wat! Zaligheid in den godsdienst? Wy gelooven het niet — de godsdienst is eene sombere, akelige droomerij. Wat! liefelijkheid in beloften ? Neen, die is er niet. Wy gelooven, dat er liefelijkheid is in de wereld; maar wij gelooven niet in de zoetheid van eenige bron, die door den Heere gegraven is.quot; En aldus verachten zij het Evange\'ie omdat zij het niet gelooven. Maar ik ben er zeker van, da1, wanneer de mensch het Evangelie gelooft, hij het nooit meer verachten zal. Laat mij eens de plechtige overtuiging hebben, door den Heiligen Geest in mijn hart gewrocht, dat. zoo ik niet verlost ben, er een gapende afgrond is, \\ die mij zal verzwelgen, en denkt gij, dat ik zou kunnen rusten; dat ik niet zou sidderen van ontroering? Laat mij eens gelooven. dat er voor hen, die

-ocr page 105-

ZIJ, ZULKS NIET ACHTENDE.

in Christus gelooven, een hemel bereid is, en denkt gij dat ik mün\' oogen slaap, of mijne oogleden sluimering zou geven, tot ik had geweend, wyl die hemel mij toebehoort? Ik geloof het niet. Maar het doemwaardig ongeloof verderft den mensch, want het wil hem niet laten gelooven, en daarom kan hij niet gevoelen, wijl hij niet gelooft. 0 mijne vrienden, het is ongeloof, dat de menschen Christus gering doet achten; maar de ure komt, wanneer het ongeloof dat niet zal doen. Er zijn onge-loovigen naar de hel gegaan, maar daar gelooven zij. Er zyn velen, die hier op aarde niet geloofd hebben, maar het vuur der hel is te heet, dan dat zij thans aan het bestaan er van kunnen twijfelen. Het is voor den mensch, die „in de pijn isquot; moeielijk, om aan de wezenlykheid dier pün niet te gelooven. Het zou voor een\' mensch, die voor de brandende oogen Gods staat, moeielijk zijn aan het bestaan van God te twijfelen. O ongeloovigen, bekeert u, of liever, moge de Heere u bekeeren van uw ongeloof, want dat is het, hetwelk u Christus gering doet schatten, dit is het dat u het leven ontneemt, en uwe zielen verderft.

En wederom eene andere groep van menschen hebben dit feestmaal geminacht, omdat zij wereldschgezmd waren. Zij hadden zoo veel te doen! Ik heb gehoord van een rijk koopman, die eens een bezoek kreeg van een godvruchtig Christen, die tot hem zeide; „Wel mynheer, hoe staat het met uwe ziel ?quot; „Ziel!quot; zeide de koopman, ik heb geen tyd om voor myneziel te zorgen; ik heb genoeg te zorgen voor mijne schepen.quot; Ongeveer eene week daarna, gebeurde het, dat die koopman tijd had om te sterven, want God nam hem weg. Wy vreezen, dat God tot hem zeide: Gy dwaas! in dezen nacht zal men uwe ziel van u afeischen; en hetgeen gij bereid hebt, wiens zal het zijn? Gij, kooplieden van Londen, er zyn velen van u, die veel meer lezen in uwe grootboeken dan in uwe Bijbels. Wellicht zjjt gü hiertoe verplicht, maar gü leest eiken dag in uw grootboek, en in uwen Bijbel leest gij nooit. Men zegt, dat in Amerika de almachtige dollar wordt aangebeden; ik geloof, dat er in Londen zeer velen zijn, die het almachtige pond sterling aanbidden; zij hebben den grootst mogelijken eerbied voor eene almachtige banknoot; dat is de god, die door zeer vele menschen wordt aangeboden. Het boek, dat zy met godsdienstigen eerbied in de hand houden, is hun kasboek. Daar ginds is een man, die, wyl het regende, den ganschen Zondagmorgen te huis bleef, en rekeningen schreef; hij dacht, dat zijn meesterknecht het niet wist en nu komt hij van avond hier want hy is een vroom man, o! een buitengewoon vroom man. Hij zou des Zondags de parken willen sluiten; hij zou, omdat hij zoo vroom is, geen sterveling op Zondag een weinig frissche lucht laten hebben, maar hij zelf mag wel den halven Zondag

94

-ocr page 106-

zu, zulks niet achtende.

in zijn kantoor zitten, en het geene zonde vinden. Maar velen hebben het te druk om aan deze dingen te denken. „Bidden!quot; zeggen zy, daar heb ik geen tijd voor, ik moet gaan betalen. Wat! in den Bijbel lezen ? Neen, dat kan ik niet. Ik heb dit en dat moeten nazien, en de marktprijzen moeten noteeren. Ik heb wel tijd om de courant te lezen, maar voor Bijbellezen, neen! daar heb ik geen tijd voor.quot; Het zal voor sommigen van u bitter ongelukkig zijn, dat gij het leven korter zult vinden, dan gij het hebt verwacht. Indien gij van heden af nog tachtig jaren te leven hadt, gij zoudt wellicht dwaas genoeg zijn er vier en veertig van door te brengen in de zonde. Daar de duur van uw leven echter niet afhangt van u zeiven, en gij ieder oogenblik kunt sterven, zou het het toppunt van dwaasheid zijn, om voor niets anders dan het geld en goed dezer wereld te leven, en niet voor de dingen der eeuwigheid. We-reldschgeziudheid is een demon, die menige ziel ten verderve heeft gevoerd. God verhoede het, dat wij omkomen door onze wereldschgezindheid.

Er is nog eene andere klasse van menschen, die ik niet anders kan omschrijven, dan door te zeggen, dat zij volkomen gedachteloos zijn. Vraagt gij hun iets omtrent den godsdienst, dan bemerkt gij, dat zij er geene opinie, geene meening over hebben. Zij zullen den godsdienst niet bepaald haten of verachten ; ook zullen zij er niet mede spotten; maar zij denken er niet over. Zij zijn voornemens er binnen kort eens over te gaan denken. Zij leiden een soort van vlinder leven; zij gaan altijd heen en weer, en zullen nooit voor hen zeiven noch voor anderen iets doen. En dat zijn zeer beminnelijke menschen, die altijd bereid zijn hunne beurs te openen als hun voor het eene of andere werk van barmhartigheid iets gevraagd wordt. Nooit weigeren zij iets; maar zij zouden hun geld even bereidwillig geven voor het houden van wedrennen, als voor de kerk. Indien ik nu gedwongen was naar de wereld terug te gaan, en mijn karakter mocht kiezen, dan zou de positie, die mij het minst begeerlijk zou schijnen, die wezen van een gedachteloos man. Ik geloof, dat van alle menschen, de gedacMelooze het meest in gevaar is van om te komen. Ik heb wel eens gaarne een stoutmoedig, rondborstig hater van het Evangelie onder het gehoor des Woords, want zijn hart is als een keisteen, en als daarop geslagen wordt met den hamer des Evangelies, dan wordt die keisteen in een oogenblik vergruisd. Maar die gedachtelooze menschen hebben een hart van gutta percha — gij slaat hen en zij wijken terug, gij slaat hen nogmaals en wederom wijken zij terug. Zijn zij krank, en bezoekt gij hen, zij zeggen „jaquot; op alles wat gij aanvoert. Gü spreekt met hen over de noodzakelijkheid van aan de hel te ontkomen en den hemel binnen te gaan, en zy

95

-ocr page 107-

ZIJ, ZULKS NIET ACHTENDE.

zeggen „ja.quot; Gij predikt voor hen na hun herstel, gij herinnert hen aan hunne geloften, die zij in hunne krankheid hebben gedaan, en zjj zeggen; „Zoo is het.quot; En dit herhalen zij bij alles wat gij zegt. Zij zijn altijd hoogst beleefd, maar op uw woord slaan zij geen aclit. Als gü met hen begint te spreken over dronkaards; o! dronkaards zijn zij niet. Zij mogen bij toeval, als bij ongeluk, eens dronken geweest zijn, maar dat was iets buitengewoons. En zoo gaat het met iedere zonde, die gij hun onder het oog brengt, het helpt niet of gg den vinger al op de wond legt, want (naar den mensch gesproken) worden zij niet half zoo gemakkelijk verbroken als de stoutmoedige hater van het Evangelie. Daar is een zeeman, een matroos, die vloekend en zwerend van zee naar huis komt. Hij treedt eene kerk binnen en schier het eerste woord dat hij hoort, wordt door Gods Geest toegepast op z;in hart, zoodat het verbroken wordt. Een ander jong mensch zegt: „Ik weet alles wat een dominé mij kan zeggen, want mijne eigene moeder heeft mij onderwezen, en mijn grijze vader placht m^j voor te lezen uit den Bijbel, en ik ken het alles van buiten. Uit eerbied voor zijne nagedachtenis ga ik naar de kerk. Dat is heel goed voor oude lieden, uitnemend voor oude vrouwen, en voor stervenden, en in tijden van cholera. Voor dezen en voor zulk een\' tijd is dat alles heel goed, maar op dit oogenblik geef ik er niet om.quot; Welaan, gy zorgeloozen, ik zeg u met hoogen, plechtigen ernst, dat gij de lijfwacht des duivels zyt; gij vormt zijne reserve. Hij houdt u alt;id terug uit den strijd. Hü zendt u niet uit zooals h;j een\' Godslasteraar uitzendt, want htj vreest, dat gij door het een of ander schot getroffen zult worden, waardoor gü verlost en behouden wordt. Maar hij zegt: „BUjft gij hier achteraf staan, en zoo gij vooruit moet treden, zal ik u een ondoordringbaar ijzeren harnas geven.quot; De pijlen gUjden op u af. Zij treffen u; maar helaas! geen enkele dringt door tot uw hart, want dat is ergens anders. Als gy in Gods huis komt, en zyn Woord wordt gepredikt, dan slaat gij er geen acht op, omdat het uwe gewoonte is omtrent alle dingen gedachteloos daarheen te leven.

Ik moet nog een enkel woord zeggen over een ander geval. Gij kunt het Evangelie geringachten uit hloote vermetelheid. Dezen zijn gelijk de „slechtenquot;, „zij gaan henen door en worden gestraft,quot; niet gelijk de „kloekzinnigequot;, die het „kwaad ziet en zich verbergt.quot; Zij gaan henen door; die stap is veilig — zij doen hem. Hun voet zweeft over een\' afgrond van duisternis, maar zij willen een\' stap beproeven, en daar deze veilig is, denken z;j nu ook den volgenden te doen; en daar de laatste stap veilig was, en daar zij gedurende vele jaren veilig waren, wanen zij altoos veilig te zijn; en daar zij nog niet gestorven zijn; denken zy, dat zij nooit zullen sterven. En zoo gaan zy

9

-ocr page 108-

ZIJ, ZULKS NIET ACHTENDE.

uit loutere vermetelheid, en wijl zy „alle menschen sterfelijk achten behalve zich zeiven,quot; voort met Christus gering te achten. Beeft, gij vermetelen, gij zult niet altijd in staat zijn dit te doen.

Eindelijk, ik vrees, dat velen Christus gering achten van wege het algemeene des Evangelies. Het wordt overal gepredikt, en daarom slaat gij er geen acht op. Gij kunt het hooren aan alle hoeken der straten; gij kunt het lezen in den alom verspreiden Bijbel; omdat het Evangelie zoo algemeen is, geeft gij er niet om. Ach! mijne vrienden, indien er slechts één Evangeliedienaar in Londen was, die u de waarheid kon bekend maken; indien er slechts één Bijbel in Londen was,dan geloof ik, dat gij u zoudt haasten om dien Bijbel te hooren lezen, en de man, aan wien dat werk ware opgedragen, zou geene lichte taak hebben. Hy zou van den morgen tot den avond moeten werken om u zijne boodschap mede te deelen. Maar omdat gij nu zoo vele Bijbels hebt, vergeet gij hem te lezen; omdat gij zoo vele tractaatjes in handen krijgt, gebruikt gij ze voor scheurpapier; omdat gij zoo vele leerredenen kunt hooren, telt gij ze niet. Maar waarom ? Acht gy er de zon minder om, wyl zy hare stralen overal uitzendt? Acht gy er het brood minder om, wyl het de spijs is, die God geeft aan al zijne kinderen? Hebt gy een min denkbeeld van water, als gij dorstig zyt, omdat elk beekje het u aanbiedt? Neen, indien gij dorstet naar Christus, gtf zoudt er Hem des te meer om liefhebben, dat Hy overal verkondigd wordt, maar gy zoudt ei-Hem niet gering om achten.

Zy gaven er geen acht op! Ik vraag nog eens: hoevele van myne hoorders heden avond zijn er, die geen acht geven op Christus. Zeer velen, ongetwijfeld. Ik heb nog één woord van waarschuwing voor u. Zondaar, acht Christus gering, en ik zeg u nogmaals dat het u zal berouwen, als uwe stervensure komt. Gij zult het hard te verantwoorden hebben, als de ijzeren hand des doods u aangrijpt. Gy zult het hard te verantwoorden hebben, als uwe oogen breken, en het doodzweet op uw voorhoofd parelt. Herinner u uwe laatste krankheid, herinner u, hoe gy sidderdet op uwe legerstede, als gij door uw venster de flikkering zaagt van den bliksem en de ratelende donderslagen hoordet. O zondaar, nog veel heftiger siddering zal u bevangen, als de dood zelf u aangrijnst. Gy zult het hard te verantwoorden hebben, als gij dan geen Christus hebt, by wien gy kunt schuilen, geen bloed, waarin uwe ziel kan worden gewasschen. En na den dood komt het oordeel. Gy zult het hard te verantwoorden hebben, als gij Christus hebt veracht, en als Christus-verachter sterft. Ziet dezen vliegenden engel. Zijne vleugels zyn eene vlamme vuurs, en in zyne hand houdt hy een tweesnijdend zwaard. O engel, waarom haast gy u zoo

97

7

-ocr page 109-

ZIJ. ZULKS NIET ACHTENDE.

98

in uwe vlucht? „Luister,quot; zegt hij, „deze bazuin zal hetu zeggen,quot; en hij blaast op zijne bazuin, en er komen klanken uit voort vol van wee en ellende. Zie! de dooden staan op uit hunne graven. De wolkenwagen wordt voortgestuwd door de hand der cherubim. Zie! daar zit de koning — de Prins op zijn\' troon. O engel, wat zal er in dien vreeselijken dag worden van den mensch, die Christus gering heeft geacht? Zie, daar ontbloot hij zijn zwaard. „Dit zwaard,quot; zegt hij, „zal hem doorsteken. Dit lemmet zal, gelijk een sikkel, elk onkruid van de tarwe wegsnijden, en deze sterke arm zal dat onkruid als een bundel samenbinden om verbrand te worden; en mijn arm zal hem grijpen en slingeren naar de diepte, waar het vuur voor eeuwig brandt.quot; Dan zult gij het hard te verantwoorden hebben. Gij kunt heden wel heengaan en lachen, maar ik zeg u nogmaals het zal ontzettend voor u wezen, als Christus komt ten oordeel, en gij Hem gering geacht hebt, of erger nog, als gij voor eeuwig in den kerker der wanhoop zult opgesloten zijn, daar u de stem in de ooren klinkt; „Gaat weg, gij vervloekten,quot; als gij ooit uwe ontzettende kreten vermengt met het akelig geween der verlorenen, en den bodemloozen afgrond ziet met zijne muren van vuur. Het zal ontzettend voor u wezen u daar te vinden en te weten, dat gij daar nooit uit kunt komen. Zondaar, heden avond predik ik u het Evangelie. Hoor het, geloof het, moge God u de genade geven om het aan te nemen, en gij zijt behouden. „Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden. Maar die niet zal geloofd hebben,quot; zegt de Schrift, „zal verdoemd worden.quot; Gelooven, dat is te betrouwen op Christus. Gedoopt te worden, dat is inden naam van den Heere Jezus ingedompeld te worden in water, als eene belijdenis, dat gij reeds zalig gemaakt zijt, en dat gij Christus lief hebt. ;,Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden, maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden. O mocht gij nimmer de beteekenis kennen van dat laatste woord. Amen.

-ocr page 110-

„DE BRUILOFT WERD VERVULD MET AANZITTENDE GASTEN.quot;

„De bruiloft werd vervuld met aanzittende gasten.quot; Matth. XXII; 10.

Wij zullen in onze rede van lieden ons houden aan de volgorde van het verhaal in deze gelijkenis. Een koning wenschte zijn\' zoon op recht koninklijke wijze te eeren. Hü beminde zijn\' zoon, want deze had zich zeer verdienstelijk jegens hem gemaakt, en daarom had hij, nu de geschikte tijd er voor was gekomen, besloten hem eer aan te doen. Zijn\' zoon stond op het punt van te huwen. Moest zijn huwelijk,, dat eene groote gebeurtenis is in het leven, niet met groote heerlijkheid en luister gevierd worden? De vader besloot bij deze blijde gelegenheid zijn\' zoon te eeren door een groot aantal gasten aan een luisterrijk feestmaal te noodigen. Niet door anderen smart te veroorzaken, noch door het opleggen van zware belastingen, maar door milddadigheid en het geven van een feest wilde de koning den kroonprins eeren. Het moest een buitengewoon feest zyn. Gewis, het moest wel de eenvoudigste zaak der wereld zijn een dankbaar gezelschap van gasten bijeen te krijgen. Men zou denken, dat er een wedijver zou ontstaan om toegelaten te worden. Allen, die tot het gebied des konings behooren, zullen dringend om eene uitnoodiging vragen. Maar het is gansch anders uitgevallen, dan men gedacht zou hebben. Er was een geest van afval en oproer onder het volk, en daaraan werd thans uiting gegeven. De genooden wilden niet komen, en er moesten middelen beraamd worden om tot de uitkomst te geraken, waarvan de tekst spreekt, dat nl. „de bruiloft vervuld werd met aanzittende gasten.quot;

De gelijkenis is eenvoudig. De groote Vader verlustigt zich er in Jezus, zijn\' Eengeboren Zoon te eeren. De Vader bemint den Zoon, met wien Hij één is. De Zoon heeft zich jegens den Vader verdienstelijk gemaakt, want Hij is „gehoorzaam geweest tot den dood, ja den dood des kruisesquot;. Het is des Vaders bedoeling in het werk der genade zijn\' Zoon te verheerlyken,

-ocr page 111-

100 de beuiloft weed yeevdld met aanzittende sasten.

die, als God en Mensch in ééne natuur, het kanaal der genade is voor den gevallen mensch. Hij stelt zich voor dit te doen op het oogenblik, dat de Heere Jezus in huwelijksverbintenis treedt met zijne gemeente. God, verschenen in het vleesch, roept een verkoren gezelschap, de bruid, de vrouw des Lams, en viert aldus deze gelukkige vereeniging door een\' maaltijd, waaraan Hij zeer vele gasten noodigt. Het is het feestmaal der genade, der goedertierenheid en des vredes, een huwelijksfeest van blijdschap en genot. De maaltijd is ter verheerlijking van den Heere Jezus Christus, en wel op zeer bijzondere wijze. Kan iemand onzer de heerlijkheid afmeten, die onze Heere Jezus Christus verkrijgt door zijne vereeniging met de gemeente? Engelen, en overheden, en machten zullen met verwondering staren op den rijkdom der heerlijkheid van zijne erfenis in de heiligen. Welk een tooneel! Het Woord is vleesch geworden, opdat het onder ons zou wonen! Immanuël, God met ons, die zich een gezelschap neemt van verkoren men-schen, om voor altijd één met Hem te zijn. In de vereeniging van Christus en zijne gemeente is alle wijsheid ver-eenigd, en schittert alle genade. De uitnemendheid onzes Gods wordt gezien in de verlossing der uitverkorenen en in hunne samenvoeging met Christus. Onze heerlijke Tweede Adam was gelijk de eerste Adam in den hof, voor wien geene hulpe als tegenover hem werd gevonden. Cherubim noch Serafim, engelen noch geesten konden geschikte metgezellen voor Hem zjjn. Hij zegt: „Mijne vermakingen ztfn met der menschenkinde-ren.quot; Hij heeft gewild, dat zijne verkoren gemeente in dezelfde betrekking tot Hem zou staan, als Eva stond tot Adam, om de troost te zijn van zijn hart en de rust zijner liefde. Hij verkoos menschen tot zijne metgezellen, zijne vrienden, zijne blijdschap, zyne kroon.

Men zou gedacht hebben, dat, op het vernemen van de tijding, dat de menschheid aldus geëerd stond te worden door de vereeniging met de Godheid, iedereen zich naar het bruiloftsfeest heengespoed zou hebben; en deze hemelsche verborgenheid zou hebben begeeren te kennen, en dat zij, zoodra zij haar kenden, zich zouden heenspoeden om deelgenooten te zijn van dit heil. Helaas! Dit is niet het geval; en heden morgen heb ik het mij ten taak gesteld u aan te wyzen, hoe het doel der goddelijke liefde in gevaar scheen, maar hoe het in het einde toch werd vervuld, en — om met de woorden van mijn\' tekst te spreken — „de bruiloft vervuld werd met aanzittende gasten.quot;

I. Ons eerste punt is, dat het scheen alsof niemand wilde komen. Het bruiloftsmaal was bereid. Ossen en gemeste beesten waren geslacht, alle dingen waren gereed; maar waar waren cle gasten ?

-ocr page 112-

DK BRUILOFT WEBD VEEVÜLD MET AANZITTENDE GASTEN. 101

Zij, die het eerst genoodigd, en dies natuurlijk verwacht werden. wilden niet komen. Er was hun te voren bericht gezonden, dat het feest zou gevierd worden, en daarna werd hun kennis gegeven, dat de ure nu was gekomen. Maar, in plaats van een blijmoedig antwoord te zenden, zeiden zij, dat zij niet wilden komen.

Dat waren in de eerste plaats de Joden, aan wie het Evangelie lang te voren gegeven was door. de wet en de profeten. „Hy is gekomen tot de zijnen, maar de zijnen hebben Hem niet aangenomen.quot; Israel was niet vergaderd. Slechts weinigen uit het uitverkoren volk erkenden den Messias. Hij kwam tot hen met een\' maaltijd der goedertierenheid, maar zij verlangden er niets van te hebben. Hij riep hen, maar zij weigerden te komen.

Heden ten dage wordt dezelfde klasse van menschen gevonden onder de kinderen van godvruchtige ouders. Van hunne geboorte af waren zij den Heere toegewijd, met liefdevolle godsvrucht werd voor hen gebeden, van hunne kindsheid af hebben zij het Evangelie gehoord, en toch zijn zij nog niet verlost. Van dezen verwachten wij, dat zij tot Jezus zullen komen. Gansch natuurlijk hopen wij, dat zij zich zullen voeden met de kostelijke spijzen der genade, en dat zy zich, evenals hunne ouders, zullen verblijden in Christus Jezus; maar helaas! hoe dikwijls gebeurt het niet, dat juist dezen niet willen komen! Sommigen van de zoodanigen zijn heden morgen hier tegenwoordig. Wjj gevoelen diepe smart over u. Gij kiest den God uws vaders niet tot uw deel; gij neemt den Zaligmaker uwer moeder niet aan. Ach! indien (/t)\'niet wilt komen, wie zal dan wèl willen. Indien gü, die omtrent de zaligheid door genade onderwezen zijt, haar toch verwerpt, hoe kunnen wy er ons dan over verwonderen, dat de kinderen der godde-loozen en onheiligen onze boodschap afwijzen?

Waarde hoorders, sommigen van u zijt niet bevoorrecht met godvruchtige ouders; maar gij zijt gedurende vele jaren gewillige hoorders geweest van het Woord des levens; en toch neemt gij Jezus Christus niet aan als den uwe, wil gij van de voorzieningen zijner genade niets weten. Gij verblijdt u niet met Hem in zyne vereeniging met zijne uitverkorenen, want gij hebt Hem niet lief. — Hoe droevig is dit! Wel mag de ontmoedigde prediker treuren, en in zijn hart vreezen, dat het groote feestmaal der liefde niet zal slagen! Indien de zoodanigen als gij ztjt, niet willen komen, hoe zal de bruiloft dan vervuld worden met aanzittende gasten?

De zaken schenen nog erger te staan, toen zij niet ivil-den komen, ofschoon er met hen gesproken teas, en men getracht had hen te overreden. Toen zij niet wilden komen, zond de koning andere dienstknechten, om hen tot betere gedachten te brengen, en het was aldus dat hij met hen

-ocr page 113-

102 DE BRUILOFT WEED VERVULD MET AANZITTENDE GASTEN.

redeneerde: „Ziet, ik heb mijn middagmaal bereid, mijne ossen, en de gemeste beesten zijn geslacht, en alle dingen zijn gereed; komt tot de bruiloft.quot; Geen vriendelijker argument zou gebruikt zijn kunnen worden. Er was een beroep gedaan op alles wat edel in hen was, en indien zij het waardig waren geweest, zü zouden terstond zijn gekomen. Ik kan begrijpen, dat de dienstknechten de boodschap huns heeren met grooten ijver hebben herhaald, daar zij aan hem dachten, terwijl hij daar wachtte in zijn paleis en uitzag naar de gasten. Tot hen, die aarzelden, riepen zij: „Gij hebt nu al lang genoeg gewacht, komt terstond. De bruiloft kan niet worden uitgesteld, waarom zoudt gij ook uitstellen? Draalt niet langer. „Heden, indien gij zijne stem hoort, zoo verhardt uwe harten niet.quot; Toch ach\'cten zü zulks niet. Als gij vele malen uitgenoodigd waart om toch tot Jezus te komen; als er met tranen bij u gepleit werd, hebben de mannen Gods toch tot hun\' Meester moeten wederkeeren, zeggende: „Wie heeft onze prediking geloofd?quot; Dan wordt het eene treurige zaak, en in onzen angst kunnen wij niet zien, hoe de bruiloft met gasten zal worden vervuld. Dit zou iets ongeloofelijks voor ons geweest zijn, indien Jezus van de menschen uit zijn\' tijd niet verklaard had: „Gij wilt tot mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben.quot; Indien zy op zijn pleiten geen acht gaven, kunnen wij ons niet verwonderen, dat zij ons woord verwerpen. Toch blijft het een treurig feit: „Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.quot;

Een nog donkerder aanzien krijgen de zaken, als wij bemerken, dat, schoon nieuwe boden hen trachtten te overreden, zij toch niet gekomen zijn. Er staat: „Wederom zond hij andere dienstknechten.quot; Nu zeg ik u van uit den diepsten grond mijns harten, dat, indien mijn Heere u slechts tot het feestmaal zijner genade wil brengen, er mij niets aan gelegen is, wie de voorspoedige bode is, die er u toe beweegt. Indien gij in den Heere Jezus Christus niet wilt gelooven ten eeuwigen leven door hetgeen ik tot u spreek, zoo moge de Heere mij van u-heden verwijderen, en iemand anders zenden, aan wien Hij door zijne genade de macht zal geven uw hart te bereiken. Ik zal zeer gaarne nog vele jaren het Woord voor u blijven prediken; maar niet ten koste van ook maar ééne enkele ziel. Indien iemand anders met meer vrucht voor ulieden kan prediken, indien iemand anders beter dan ik uw hart kan bereiken, zoo moge de Heere mij vergunnen tot uw bestwil heen te gaan. Wenscht gij het? „Hij zond andere dienstknechten.quot; De eene prediker kan te veel redenaar zijn, laat het nu eens beproefd worden met iemand, die zeer eenvoudig spreekt. Hij kan al te diepzinnig zijn: laat een ander komen met gelijkenissen en treffende verhalen. Helaas! wat voor sommi-

-ocr page 114-

DE BRUILOFT WEED VERVULD MET AANZ1ÏTEKDE U AST EN. 103

gen van u noodig is, is niet eene nieuwe stem, maar een nieuw hart. G-ij zoudt naar den nieuwen boodschapper niet méér luisteren dan naar den ouden. Hoe zal, nadat zoo vele trouwe en godzalige mannen hebben gesproken, nadat Paulus, en Apollos, en Cephas allen gefaald hebben, de bruiloft vervuld worden met aanzittende gasten ?

Als gij ziet op de verschillende karakters van hen, die niet wilden komen, dan zult gij ook al meer en meer oorzaak van droefheid vinden. Van sommigen lezen wij eenvoudig: „Zij ivil-den niet komen.quot; Zij maakten geene verontschuldigingen, maar zeiden kortweg, dat zij niet wilden komen. Dat was nu afgedaan. Velen wijzen het Evangelie terstond af; zij zijn niet te overreden. Zij hebben het niet noodig, en willen het niet hebben.

Eene groote klasse van menschen hebben van den weg dei-zaligheid gehoord, maar zij geven er niet om. Bij hen is het geen gebrek aan kennis, maar gebrek aan goeden wil. Zij hebben geen\' lust in de hemelsche dingen.

Een tweede groep van menschen sloeg er geen acht op, of achtte het gering. Zij waren onverschillig voor koninklijke eerbewijzen. Zij waren geheel ingenomen door de zorg voor hetgeen zij bezaten, en gingen heen, ieder naar zijn akker, zeggende; Ik heb hard gewerkt om dien akker te verkrijgen, het kan er bij mij niet op overschieten hem braak te laten liggan.quot; Een ander was vervuld van de gedachte fortuin te maken, en ging tot zijne koopmanschap, zeggende: „Ik heb niemand om op mijn\' winkel te passen. Ik moet zorgen voor wat het voornaamste is. Als gij niet oppast en naar alle kanten uitziet, dan zal ieder u voorbijstreven. Ik moet zorgen voor mijn\' inkoop en verkoop.quot; De wereldwijzen vormen eene zeer groote klasse. De rijke kan niet godsdienstig zijn, zijne positie in de maatschappij gedoogt het niet. De arme kan op de dingen Gods geen acht slaan, hij is vermoeid en uitgeput door te werken voor ziju dagelijksch brood. Aldus heeft ieder eene verontschuldiging. Heere, als zoovelen onwillig zijn, en zoo vele anderen zich moeten bezig houden met andere zaken, hoe zal de bruiloft dan met aanzittende gasten worden vervuld 9

Eene derde klasse van menschen bestond uit heftige tegenstanders. Zij wilden niet lastig gevallen worden. Zij konden dat geteem over den godsdienst niet uitstaan : zij „grepen zijne dienssknech-ten, deden hun smaadheid aan, en doodden ze.quot; Dezen zijn niet zoo talrijk als de anderen; maar toch worden zij onder ons gevonden. Twijfelzuchtigen, vloekers, beschimpers van godsvrucht, en menschen van „de moderne gedachtequot; : deze allen smaden het kruis en zijn woest vijandig tegen het Evangelie. Als wij dezen zien razen en woeden, dan zijn wij geneigd met groote droefheid te vragen — Hoe kan de bruiloft vervuld worden met aanzittende gasten ?

-ocr page 115-

104 DE BRUILOFT WERD VERVULD MEÏ AANZITTENDE GASTEN.

De schrikkelijkste gedachte is; sommigen der genooden waren reeds omgekomen. De koning, werd toornig, en zyne krijgs-heiren zendende heeft die moordenaars zijner boden vernield, en hunne stad in brand gestoken. Terwijl ik gepredikt heb, zijn velen mijner hoorders gestorven. Waar zijn zij thans ? Indien zü stierven zonder Christus, dan is er voor hen geene hope meer. Ach ! thans kunnen zij niets meer ingaan, want de deur is gesloten. Indien zij gestorven zyn in hunne zonde, dan z;jn zij nu in de buitenste duisternis, waar weening zal zijn en knersing der tanden. Dat voorwaar! is een donker vooruitzicht. De menschen sterven, sterven zonder hope, en zij, die nog leven, zijn besloten op gelijke wijze om te komen; want zy zu\'n dringend uitgenoodigd aan het feestmaal der liefde, maar zü weigeren te komen. Hoe kan nu de bruiloft vervuld worden met aanzittende gasten ?

De Koning deelt ons de ware reden mede, waarom zü niet wilden komen. „Zij warm het niet waardig.quot; Zij, die in het bijzonder uitgenoodigd waren, en voor wie de grootste hoop gekoesterd werd, hadden niets in zich om die hoop aan te moedigen. Zij waren niet trouw aan den koning; zij waren niet vriendelijk gezind; zij waren niet eerlijk en oprecht; zij waren het niet waardig, anders zouden zij wel gekomen zijn om den Zoon des Konings te eeren. Hun niet komen openbaarde de vijandschap van hun hart. Het was eene lage manier van hun haat tegen den Prins te toonen op zijn\' bruiloftsdag. Het is ontzettend, dat de menschen, uit vijandschap tegen God, Christus en den hemel weigeren. De verwerpers van Christus zijn de vergevende genade, den stervenden Heiland, de huwe-lijksvereeniging, waarin Jezus met zijne geloovigen treedt, niet waardig. In den evangelischen zin van waardigheid, zijn zij niet waardig, en natuurlijk waren zy het nog veel minder in den wettischen zin.

Het treurigste gezicht der wereld is een hart, dat Gods genade afwijst. Men heeft wel eens bedenking geopperd tegen de leer dev algeheele verdorvenheid van den mensch. Ik ken geen bijvoegelijk naamwoord, dat te sterk kan wezen om de men-schelijke verdorvenheid aan te duiden, als ik zie, dat de mensch God onder zijn liefelijkst voorkomen afwijst: God, inde grootheid zijner liefde, God, niet sparende zijn\' eigen Zoon. Als de menschen zich afwenden van God in zijn\' toorn, dan kan ik dat verstaan; als de menschen zich afwenden van God in zijne gerechtigheid, dan kan ik daar inkomen; maar als zij God zóó haten, dat zij niet eens zijne verlossing willen, als zij vergeving door het dierbaar bloed van Christus afwijzen, en liever verloren willen gaan dan met God verzoend te worden, dan toont dit, dat hun hart ten eenenmale boos is. De verwerping van het kruis is het duidelijkst bewijs vnn de verdorvenheid

-ocr page 116-

de bruiloft weed vervuld met aanzittende gasten. 105

des harten. Maar hier verlaat ik dit treurig onderwerp, en ga een stap verder. Gewis, het had er al den schijn van, dat de bruiloft niet met aanzittende gasten vervuld zou worden.

II. Ten tweede, het was een treubig vooruitzicht. Verbeeld u, dat er eens geene gasten waren op de bruiloft: wat dan ?

Dat zou, ten eerste, tene groote oneer zijn geweest voor den Koning. De Kroonprins treedt in het huwelü\'k, en niemand komt tot de bruiloft! De maaltijd is vrij voor de genooden, hij is kostbaar, overvloedig, maar niemand wil komen om er deel aan te nemen. Welk eene beleediging! De feestzaal is verlicht, de zangers en speellieden zijn op hunne plaats, maar geene oogen worden er door bekoord, geene ooren er door gestreeld. Ossen en gemeste beesten zijn geslacht, de tafels zijn beladen met uitgezochte spijzen, maar niemand is daar om de feestzaal van juichtoon en lied te doen weerklinken. Welk een treurig tooneel! Ledige zalen; zetels, die door niemand zijn ingenomen; spijzen, waaraan niemand geraakt heeft, en ten laatste den honden voorgeworpen moeten worden ! Er is in degansche geschiedenis geene zoo groote en met voorbedachten rade gepleegde beleediging vermeld. Laat mij de gelijkenis vertolken. Indien er geene zielen behouden worden; indien door het groote plan der verlossing niemand verlost wordt, welk eene droeve vertooning zal dit alles dan zijn ! Welk eene oneer voor den naam van den groeten God! Ziet die onderstelling eens onder de oogen, opdat gij er de onmogelijkheid van begrijpt. Denkt u voor een oogenblikeen verslagen, teleurgestelden, onteerden Jehovah ! Kan dit ? En toch ! indien de bruiloft niet vervuld ware geworden met aanzittende gasten, dan zou de koning teleurgesteld zijn geweest en gegriefd in zijn teerste punt. Indien de uitverkorenen niet worden behouden, indien de menschen niet tot Christus worden gebracht, dan zal de hoogheerlijke naam van den God aller genade onteerd worden. Denkt gij, dat dit kan ?

En voorts; indien niemand tot de bruiloft ware gekomen, dan zou de Zoon des Konings gegriefd zijn. Zijne bruiloft heeft plaats, en er is niemand! Indien u dat overkomen ware, gij zoudt het wellicht hebben kunnen dragen, want uwe positie is niet zoo hoog en niet zoo openbaar als die van den Zoon des Konings, en gij hebt geen zoo groot gastmaal aangelegd. Maar de Zoon des Konings ! Stelt u slechts voor, dat ziju bruiloftsdag daar is, de dienaren en allen op hunne plaats zijn, en geen enkele gast! Er is niemand om hem geluk te wenschen met dien blijden dag, niemand om hem voorspoed te wenschen, niemand om de bruid welkom te heeten. Ditzelfde nu is waar van onzen Heere Jezus Christus. Indien Hij sterft en de menschen gelooven niet in Hem: indien Hij opstaat uit de dooden, en de menschen nemen Hem niet aan; indien Hij als

-ocr page 117-

106 DE BRUILOFT VVEBD VERVULD MET AANZITTENDE GASTEN.

Vorst en Zalig-maker den hemel binnengaat, terwijl toch niemand zich bekeert en vergeving van zonden ontvangt, waar is dan zyne eer ? waar zijne heerlijkheid ? Denkt na over die schrikkelijke onderstelling, en ziet of zij mogelijk is. Ik houd er my van overtuigd, dat u terstond een „Onmogelijk !quot; van de lippen komt! De Zaligmaker kan niet te vergeefs zijn gestorven. Onze Christus kon in zijn\' dood het rantsoen niet voor niet hebben betaald. Hij kon zich niet als Plaatsbekleeder hebben gesteld voor de menschen, om hen dan toch verloren te zien gaan!quot;

Indien geene gasten gekomen waren, icelk eene teleurstelling zou dit geiveest zijn voor de bruid! Ook zij zou in de smart over het mislukken van het feest hebben moeten deelen. Haar bruiloftsdag zou niet met genoegen in de herinnering zijn bewaard gebleven. Zij zou gelukkig zijn geweest in den bruidegom, maar ook ongelukkig wegens de onvriendelijkheid, die hem werd betoond. Te vergeefs is haar bruidsgewaad en hare kostbare versierselen, want er zijn geene oogen om ze aan te zien. Indien er goene zielen worden behouden, dan mist de gemeente haar grootste blijdschap. Welk eene zielsverheuging is het als de menschen in Jezus gelooven ! Ons hart springt op van vreugde, als de zondaren zich bekeeren. Maar als zij niet worden verlost, als het Evangelie te vergeefs wordt gepredikt; als zij niet tot Christus willen komen, dan zijn de heiligen vervuld van smart, en de Kerk roept vol droefheid : „HebtGij vergeten genadig te zijn?quot;

Indien er niemand tot de bruiloft ware gekomen, dan zou zeer veel kostelijk goed verspild zijn. De koning zegt: „Mijne ossen en mijne gemeste beesten zijn geslacht.quot; Maar dit alles zal onaangeroerd blijven. Van die kostelijke spijzen, die volle bekers, die saprijke vruchten zal niemand genot hebben. Hoe treurig! Ik wensch, dat gij zóó lang op dit ontzettend tooneel staart, totdat het uit uw gezicht is verdwenen. Is het mogelijk, dat Jezus zich tot het hemelsch brood heeft gemaakt, en dat niemand, of, op zijn best genomen, slechts zeer weinigen, zich met Hem willen spijzigen ? Kan het zijn, dat Hij een kleed der gerechtigheid schenkt, maar dat niemand het wil dragen ? Is de hemel bereid, en zal hij slechts ten halve bewoond worden ? Ik onderstel dit slechts voor het oogenblik, om u te doen beseffen, hoe ontzettend treurig het zou wezen, indien het plan der verlossing werkelijk kon falen.

Zou dit niet de triomf des vijands hebben beteekend ? Des konings vijanden zouden er van gehoord hebben en den spot met hem gedreven hebben. Een koninklijk huwelijksfeest, waarbij hij geene gasten kon krijgen! Hoe zij gesmaald zouden hebben op al die te loor gegane spijzen ! Het verhaal zou van mond tot mond zijn gegaan, in alle kroegen zijn besproken. De zonen Belials zouden er zich kostelijk mede vermaakt hebben. De Ko-

-ocr page 118-

de bruiloft werd vervuld met aanzittende gasten 107

ning, de Prins, de Bruid, allen zouden bespot zijn geworden wegens die bruiloft in ledige zalen en dat feestmaal met onzichtbare gasten. Ik geloof niet, dat het Gods bedoeling is, Satan aldus te laten zegevieren. Ik kan mij niet voorstellen, dat Hij de machten der duisternis zal toelaten aldus hun\' boozen mond tegen Hem open te sperren. \'Weigert de vrije wil de gave Gods aan te nemen, de vrije genade zal komen en de overwinning wegdragen. Ik heb u reeds getoond, hoe de vrije wil dreigt de feestzaal ledig te laten blijven en den Koning, den Zoon en de Bruid te onteeren; en als die zaak aan den vrijen-wil des menschen ware overgelaten, zie hier dan de gevolgen, die eruit ontstaan zouden zijn: God onteerd, en de menschen liever willende sterven dan door Jezus Christus het leven aan te nemen. En dan zou nooit gezegd zijn kunnen worden, dat „de bruiloft vervuld werd met aanzittende gasten.quot;

III. Laat ons nu een stap verder gaan en opmerken, dat in de gelijkenis deze ramp genadiglijk werd afgewend. „De bruiloft iverd vervuld met aanzittende gasten.quot;

Wij bevinden ons heden zoo ongeveer in hetzelfde geval als waarin de dienstknechten verkeerden, toen de genooden niet wilden komen. Wij prediken en leeren het Evangelie, maar wij moeten de klacht aanheffen, dat zeer velen tot het feestmaal der genade niet willen komen. God geeft ons vele zielen, maar niet zoo velen, als wij begeeren. Wij verlangen naar meer, en wij beginnen te vreezen, dat God met dat al niet verheerlijkt zal worden, gelijk wij wenschen, dat Hij verheerlijkt zal worden. In de gelijkenis werd het voorkomen, dat de bruiloft zonder gasten bleef, en zoo zal het ook in de werklijkheid zijn. Maar hoe werd die ramp afgewend?

Zij werd afgewend, ten eerste door eene ruimere uitnoodiging. In den beginne hebben de herauten slechts diegenen geroepen, die te voren eene uitnoodiging hadden ontvangen; een uitgelezen gezelschap, waarvan men hooge verwachtingen koesterde. Daar dezen niet wilden komen, lezen wij; „Gaat op de uitgangen der wegen, en zoo velen als gij er zult vinden, roept ze tot de bruiloft.quot; Zij gingen dus uit, niet tot een uitgelezen gezelschap, maar tot allen, die zij konden vinden. Broeders, het is eene zaak van groot aanbelang, als wij een helderder denkbeeld verkrijgen van hetgeen het Evangelie werkelijk is. Hoe meer evangelisch onze begrippen worden,zoodat wij bereid zijn het Evangelie aan alle schepselen onder den hemel te prediken en te zeggen: .Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig wordenquot;, hoe meer wij op groot welslagen kunnen hopen. Indien ik door mijne prediking iemand er toe breng om eens den blik naar binnen te slaan, en te-zien, of er ook iets is in hem zeiven, dat hem recht en aanspraak geeft te gelooven, dan heb ik in practischen zin het

-ocr page 119-

108 DE BRUILOFT WEED VERVULD MET AANZITTENDE GASTEN.

Evangelie voor hem verborgen. Indien ik in mijne prediking het karakter, de hoedanigheid van den mensch te veel op den voorgrond stel, zoodat de mensch voornamelijk en in de eerste plaats onderzoekt, of hy die hoedanigheid bezit, dan vestig ik zijn oog op hem zeiven, en dat is het niet wat ik bedoel. Indien ik uitga, en zoovelen bijeenvergader als ik kan vinden, beide goeden en slechten, dan zullen hunne gedachten meer bezig zijn met het feest dan met zich zeiven. Wij verlangen, dat de menschen op Jezus zien, en daarom roepen wy: „Die wil, die kome en neme het water des levens om niet.quot; Als wij ons op zuiveren Evangelischen grond bewegen en daar blijven, dan kunnen wij verwachten, dat de arm des Heeren zal geopenbaard worden, en dat de bruiloft vervuld zal worden met aanzittende gasten.

De uitnoodiging geschiedde thans ook meer in het openbaar. Zij waren eerst eenvoudig naar de huizen der genooden gegaan, en zeiden: „Alle dingen zijn gereed; komt.quot; Maar nu gaan de dienstknechten naar de druk bezochte wegen en straten, en zü „roepen uit de keel en houden niet inquot; onder de menigte. De een heeft zich naar de marktplaats begeven; een ander staat op een\' kruisweg en predikt het quot;Woord. Hoort de stem van eenen op de wandeling buiten het dorp, en naar het zingen van anderen, die de achterbuurten der stad doorkruisen! Gij kunt thans geene straat doorgaan (1) zonder de tijding van het groote bruiloftsmaal te hooren. Velen zullen ingebracht worden, als er velen zijn, die vurig verlangen hen in te brengen. Het behaagt Gode de middelen te zegenen, die Hij zelf verordineerd heeft. Hoe meer het Evangelie voortdurend en in het openbaar verkondigd wordt, hoe meer menschen er dooiden Geest Gods behouden en zalig gemaakt zullen worden. Dan is de tijd gekomen om Zion genadig te zijn. Wij moeten onze kaars niet onder eene korenmaat verbergen. Hij, die kennis heeft aan het Evangelie, moet het verkondigen, zoo helder en duidelijk als hij kan, en zijne stem moet als de zilveren bazuin des jubeljaars wezen, opdat iedereen haar kunne hooren. Het geschiedde, dat des konings boodschap in ruimer kring werd bekend gemaakt, en dat aldus „de bruiloft vervuld werd met aanzittende gasten.quot;

En nog iets anders heeft hiertoe bijgedragen: de dienstknechten waren nu volkomen wakker, opgewekt voor hun werk. Ik denk dat het mij in zeer groote onrust en spanning zou gebracht heb ben, als ik al die kostelijke spijzen gezien had, zonder dat er iemand kwam om er zich te goed aan te doen. Denk aan die versierde zalen, die keukenmeesters, nacht en dag werkende, die groote vuren, die ossen en gemeste beesten, die gebraden

(1) In de groote steden van Engeland.

-ocr page 120-

DE BRUILOFT WEBD VERVULD MET AANZITTENDE SASTEN. 109

en bereid worden, die gezuiverde wijnen, gereed om er de bekers mede te vullen — en geene gasten ! Het zou mij, en ook u, zeer hebben gekweld. „Het kan niet wezen,quot; zoudt gij gezegd hebben, „het moet niet wezen, wy kunnen het niet dragen. Hoe droevig moet het den koning te moede zijn! En die edelaardige prins! welk een bitter verdriet voor hem! En de bruid! hoe moet het haai pijn doen zoo grovelijk beleedigd te worden! Kom, ik mort eenige gasten zien binnen te krijgen, al zou het mij ook den dood kosten.quot; Ik geloof, dat wij, zoo wij het slechts konden, op duizend wegen te gelijk zouden gegaan zijn, en met duizend monden de uitnoodiging hebben doen hooren, zoo het slechts mogelijk ware. Wij zouden de menschen aangegrepen hebben by hun kleed, wij zouden ze hebben gedwongen in te komen. Ook dit is des Heeren wyze van de menschen te zegenen. Hij wekt zijn eigen volk op, doet hen treuren om de zonde van hun\' tijd, en dan worden zij ontroerd en benauwd, en zoo geven zij zich dan te koste om de menschen als vuurbranden uit het vuur te rukken. „Zion heeft weeën gekregen, en zy heeft hare zonen gebaard.quot; Het niet aanwezig zijn van weeën veroorzaakt afwezigheid van bekeering. Als wij beginnen te zuchten, en te weenen, en te treuren, omdat Gods wegen zijn verlaten, dan zal onze ij ver het hart bewegen, beide van God en van den mensch, en dan zullen de gasten tot de bruiloft komen.

En wederom; de ramp van eene bruiloft zonder gasten was afgewend door eene zekere verborgene kracht, die de boodschappers vergezelde. Wij lezen, dat zij „vergaderden allen, die zy vonden, beiden kwaden en goeden.quot; Zy hebben hen niet bloot uitgenoodigd, maar hen ingebracht. Nu kunnen de menschen niet in groot aantal plotseling bijeenvergaderd en tot een\' feestmaaltijd ingeleid worden door bloote woorden. Woorden zijn slechts wind. Er is in onze woorden niets om de menschen tot Jezus te doen komen, tenzij de Heere er door werkt. Toch kwamen de gasten, en nog wel bij menigten. Er ging met de woorden van deze dienstknechten een invloed mede, die de menschen bij elkander bracht. Zij konden niet wegbly-ven; zy kwamen met blijdschap. Hun wil was ten goede geneigd en zij stroomden naar het paleis. Geliefden, al de hoop onzer bediening is gelegen in de werking van Gods Geest op den geest der menschen. Ik wensch, dat alle de leden onzer gemeente dit dieper en practischer zullen gevoelen dan ooit te voren. Stelt uw betrouwen niet op den prediker. Als hy van u afwezig is, denkt dan niet, dat God aan hem is gebonden. Verwacht een\' zegen van het Evangelie zelf, wie het ook is, die het predikt. Indien de Heilige Geest met ons is, dan zullen wy duizenden naar Jezus zien heenstroomen. Geen zondaar zal ooit tot Christus komen zonder de levendmakende, ver-

-ocr page 121-

110 de beuiloft wked vervuld met aanzittende sasten.

lichtende, trekkende, bekeerende macht des Heiligen Geestes, die bovennatuurlijk op het hart en de conscientie werkt. Laat ons dit gelooven, en laat ons vervolgens er van verzekerd wezen, dat de Geest Gods met ons is, en dan met alle vrijmoedigheid henen treden. Naar de hoeken der straten, in de stulpen der armen, in de kosthuizen, op de wegen, laat ons daar overal heengaan en de uitnoodiging des grooten Konings bekend maken: „Mijne ossen en gemeste beesten zijn geslacht, en alle dingen zijn gereed; komt tot de bruiloft.quot;

Aldus hebt gij de uitwendige middelen gezien, door welke de Heilige Geest de menschen tot Jezus brengt, en de bruiloft vervuld wordt met aanzittende gasten.

IV. Ik zal besluiten door in de vierde plaats op te merken,

dat in het einde het feest heerlijk en uitnemend geslaagd

was. „De bruiloft werd vervuld met aanzittende gasten. Gasten behooren tot het benoodigde van eene bruiloft. Gij kunt stapels van gouden en zilveren vaatwerk hebben; gij kunt uwe banieren laten wapperen, uwe tafels beladen met kostelijke spijzen, en uwe muziek laten weerklinken, hebt gij echter geene gasten, zoo is het gansche feest mislukt. Het is onze heilige overtuiging, dat de Heere, onze God, nooit in iets gefaald heeft, en nooit in iets zal falen. Wij gelooven, dat des Heeren eeuwige raad zal bestaan, en dat Hij al zijn welbehagen zal doen. Wij gelooven niet in een blind noodlot, maar vertrouwen op eene voorbeschikking, die vol is van oogen, en hare doeleinden tot de laatste tittel en jota zal tot stand brengen. Gods grootste werk is verlossing; zal Hij er niet in slagen? De zaligheid is het brandpunt zijner heerlijkheid; zal zij verijdeld worden? Indien God ten opzichte van het kruis zou falen, dan voorwaar! zou dit met recht een falen genoemd kunnen worden. God zou onteerd, en zijne kroonjuweelen in het slijk worden geworpen. Doch dat zal niet geschieden.

Wenden wij ons wederom tot de gelijkenis: wij zien, dat er een genoegzaam aantal gasten was; „de bruiloft werd vervuld met aanzittende gasten.quot; Er waren zoo vele gasten als noodig waren om eer te bewijzen aan den Koning, zijn\' Zoon en zyne Bruid. O gewis! in de bijeenvergadering en voleinding aller dingen zal de bruiloft des Heeren Jezus overvloediglijk met gasten worden vervuld: „Om den arbeid zijner ziel zal hij het zien, en verzadigd worden.quot; Op den laatsten grooten dag zal Christus niet teleurgesteld worden. Satan kan heden wel van ramp en teleurstelling fluisteren, en voor het oogenblik kan alles er wel uitzien, alsof de machten der duisternis triomfeerden, maar nog is het einde niet. De wil van God, zoo vol van genade en goedertierenheid, zal geschieden, de toebereidselen der genade zullen gebruikt, en de doeleinden der liefde worden vervuld. Gelijk de bruiloft vervuld werd met aanzittende

-ocr page 122-

DE BRUILOFT WERD VERVULD MET AANZITTENDE GASTEN. 111

gasten, zoo zal de hemel vervuld worden van „een getal, dat niemand tellen kan.quot;

Het feest was nog veel beter geslaagd, dan wanneer er geen tegenstand ware geweest. De, personen, die tot de bruiloft kwamen, waren dankbaarder dan de eersten geweest zouden zijn, indien zij waren gekomen. De rijkere lieden hadden eiken dag een goed middagmaal. D\'e pachters konden altijd wel een vet schaap slachten, en die kooplieden waren altijd in staat een vet kalf te koopen. Maar deze arme bedelaars, die van de straat opgeraapt waren, hadden in maanden geen vleesch geproefd. Aan hun half verhongerd lichaam, waren de gemeste beesten zeer welkom. Hoe blijde waren zij! Een hunner zeide tot een ander: „Het is lang geleden, sedert ik van zulke kostelijke spijzen genootquot;, en deze antwoordde: „Ik kan het nauwelijks gelooven, dat ik in het paleis ben en aanzit met den koning. Gisteren heb ik den geheelen dag om eene aalmoes gevraagd, en des avonds had ik niets dan een paar stuivers. Lang leve de Koning, gezegend zij de prins met zijne bruid!quot; Ik sta er u borg voor, dat zij dankbaar waren voor dien maaltijd. Het is een kwade wind, zeiden zij, die aan niemand eenig goed toewaait. Omdat hunne meerderen geweigerd hadden te komen, was er nu plaats voor hen. Als de Heere groote zondaren verlost, zooals u en mij, dan heeft Hij zich warme harten gewonnen. Als de Heere menschen verlost, van wie men dit nooit gedacht zou hebben, dan wordt Hem buitengewone dank toegebracht. Als Hij den dronkaard toebrengt en den onheilige, den verharde en den onkuische, en hen rein en heilig maakt, en hen stelt onder zijne kinderen, welk eene dankbaarheid wordt Hem dan niet \'bewezen! De Farizeör kan op koude wijze den Heere ter maaltijd noodigen, maar het is de vrouw, die eene zondares was, die zijne voeten zal wasschen met hare tranen, en ze zal afdrogen met de haren haars hoofds. Indien sommigen van u, brave lieden, behouden wordt — God geve het! —■ dan zult gij het dierbaar bloed nooit zoo op prijs stellen als diegenen, die er van hunne vuilste vlekken door gereinigd zijn.

De vreugde op dien dag werd meer ten volle uitgedrukt, dan wanneer anderen zouden gekomen zijn. Deze voorname lieden, die eerst uitgenoodigd waren, zouden, indien zy tot de bruiloft waren gekomen, zich zeer stijf en deftig hebben neder gezet. O die deftigheid is zoo iets fraais! Onlangs zeide mij iemand: „Ik heb vele jaren in ééne kerk de godsdienstoefeningen bijgewoond, maar ik weet niet, dat ik ooit door iemand werd toegesproken, en dat zal ook wel in de toekomst niet gebeuren, want wij zijn allen veel te deftig om elkander te kennen.quot; Gij kent die stijve vormen van deze zoo met zich zeiven ingenomen menschen. Er heerscht geene hartelijkheid

-ocr page 123-

112 DE BRUILOFT WERD VERVULD MÉT AANZITTENDE RASTEN.

onder hon, geene frischheid, geene liefelijke eenvoudigheid. Hebt gij ooit een ontbijt of een middagmaal van bedelaars bijgewoond? Hebt gü ooit een gezelschap van zeer hongerige menschen naar hartelust zien eten? Zij maken een vroolijk gedruisch, en worden niet weerhouden door deftigheid. Zij verheugen zich bij iederen schotel, die wordt aangedragen. Zij zien op hen, die aan tafel dienen, als op engelen, en als zij beginnen te juichen, bewondert gy- de kracht hunner longen. De doffe eentonigheid der stijve deftigheid kent geene blijdschap als die, waardoor armoede wordt aangegrepen, als zij zich eens aan een\' wel voorzienen disch te goed kan doen. De Kroonprins was dien dag gelukkiger onder zyne arme onderdanen, dan hij onder de hoogaanzienlijken zou geweest zijn. Die armen, deze arbeiders, die zwervelingen, deze landloopers, dat waren de lieden, die voor vroolijkheid vatbaar waren. Zij, aan wie veel vergeven is, zullen veel liefhebben. Daar Boven in den hemel zingen zij met eene stem als van vele wateren, omdat zy van vele zonden gewasschen zyn, en hun groote genade ten deel is gevallen. Laten de Farizeën het Evangelie afwijzen - er zijn nog menschen, die, door het aan te nemen, er groo-ter eer aan zullen doen, dan hunne stompzinnige zielen er ooit aan zouden kunnen toebrengen. Aldus werd de bruiloft vervuld met aanzittende gasten, die met groote geestdrift hunne blijdschap te kennen gaven.

En hoe werd er genoten van al deze spijzen! Het doet iemand goed een\' hongerige te zien eten. Voor hem is zelfs het bittere nog zoet. Hij is niet zoo kieschkeurig als sommigen van u, die op alles wat u voorgezet wordt, iets hebt aan te merken. De ware Evangeliehoorder luistert naar den tekst — „Eet het goede, en laat uwe ziel in vettigheid zich verlustigen.quot; Hij critiseert niet, hij vit niet. Hij is te hongerig om op al de fijnheden van voorsnijden en tafelversiering te letten. Wij verbazen ons wel eens over den eetlust van een\' hongerige. Hij schijnt nooit verzadigd te kunnen worden, en met geestelijken honger gaat het even zoo. Ik denk, dat ik u wel zeggen kan, wat er op die bruiloft omging. De Bruid zag den Bruidegom vriendelijk aan en zeide: „Zie eens hoe deze menschen eten! Is het niet een genot zijne ossen en gemeste beesten te geven, aan lieden, aan wie zij zoo wel besteed zyn, en die er zulk eene groote behoefte aan hebben ?quot; De Bruidegom was zoo gelukkig als hij slechts wezen kon, want hij had een medegevoelend hart, en hij verheugde zich grootelyks in de blijdschap der arme lieden, die hem omringden. De koning zelf was verblijd, toen hij zag hoe veel eer zij deden aan zijne kostelijke spijzen, en hoe er geen vitten en bedillen bij hen was, maar wel onvermengd genot en dankbaarheid. Indien het doel was blijdschap te geven, dan was daar het uitgelezenste gezelschap van

-ocr page 124-

DE BHÜILOFT WEBD VERVULD MET AANZITTENDE GASTEN. 113

gasten byeen. O mijne vrienden, indien gij eene diepe bewustheid hebt van zonde, dan zult gij de vrije genade en liefde van Christus op zeer hoogen prijs stellen. Dat is het gebrek van sommigen, die altyd iets hebben aan te merken op het Evangelie: zij hebben nooit begrip gehad van hun eigen toestand, hoe die is van nature en door hunne werken, en daarom kunnen zij de verlossing niet waardeeren. Indien zy de geeselslagen van de roede der wet hadden gevoeld op hunne naakte conscientie, dan zouden zij veel meer smaak hebben in evangelie vergeving. Wie in de gevangenis der overtuiging van zonde heeft gezucht, waardeert de door bloed verkregene vrijheid. Wie de ketenen der zonde gevoelt, waardeert de vrijheid, waarmede Christus hem vry gemaakt heeft. En zoo zeg ik, dat, voor zoo veel deze arme menschen van de straat in waren gebracht en met hun\' grooten honger eer deden aan het feestmaal, het bruiloftsfeest volstrekt niet mislukt was, dat het Integendeel juist door den tegenstand van des konings vijanden des te beter was geslaagd. De bruiloft werd vervuld met aanzittende gasten — gasten die van den overvloed van des Konings spijzen van harte en ten volle genoten.

En gewis, dit voorval werd hierdoor meer vermaard dan anders het geval zou zijn geweest. Indien dat bruiloftsfeest op de gewone wijze was gevierd geworden, dan zou dit slechts één zulk een feest onder velen geweest zijn; maar nu was dit koninklijk gastmaal eenig, ongeëvenaard. Arme menschen van de straat te halen, werklieden en lediggangers, slechte menschen en goede menschen, om de bruiloft van den kroonprins te helpen vieren — dat was iets nieuws onder de zon. Iedereen sprak er van. Er werden liederen op gedicht, en dezen werden tot eer des Konings gezongen, waar nooit te voren koningen geëerd werden. Het was eene heerlijke geschiedenis, om dooide dienstboden aan elkander te worden verhaald, terwyl zij, die er niet bij waren, dan wenschten er bij geweest te zijn. Jaren lang zal dit het geliefkoosd verhaal zijn — de geschiedenis van den Prins der armen, en van de Koningin der be-hoeftigen. Op de beurs en op de markt spraken de menschen van dien kloekmoedigen Bruidegom en zijne Bruid, die de gewoonten der mode hadden durven braveeren, en eene daad gedaan hadden, zoo stoutmoedig in hare goedheid. Wie heeft ooit te voren van zoo iets gehoord? Hier was een feestmaal voor menschen, die nooit te voren op een feestmaal geweest waren! Verstandige lieden zeiden; „Dit was uitnemend, want zij spijzigden hen, die spijzen behoefden, en ze anders nooit bekomen konden.quot; Onder de armen zeiven was de naam des Prinsen zeer vermaard, terwijl het beeld der Prinses in ieders woning was te vinden. De kinderen zeiden tot elkander: „Mijn vader was op de bruiloft van den Prins.quot; Voor velen scheen

8

-ocr page 125-

11.4 DE BHUILOFT WEBD VEHVULD MET AANZITTENDE GASTEN.

het geene geschiedenis, maar een wondersprookje uit de gouden eeuw. Waarde vrienden, toen de Heere sommigen van ons heeft verlost, was dit geene gewone gebeurtenis voor ons. Toen Hij ons. groote zondaren, aan zijne voeten heeft gebracht, ons heeft gewasschen en gekleed, ons heeft gespijzigd en tot de zijnen gemaakt, toen was dit een wonder om er ons leven lang over te spreken. Nooit, door de gansche eeuwigheid heen zullen wij aflaten van Hem te prijzen. Hetgeen den Koning scheen te zullen smaden, is gebleken uit te loopen tot zijne eer en heerlijkheid, en „de bruiloft werd vervuld met aanzittende gasten.quot;

Nog iets; des konings milddadigheid werd nu meer openbaar. Indien zij, die het eerst genoodigd waren, waren verschenen, dan zouden zij gekomen zijn bekleed met hun eigen scharlaken en fijn linnen. Sommigen zouden zich geheel nieuwe kleederen quot;heoben aangeschaft. Nu zouden al deze fraaie kleederen veel meer de heerlijkheid hebben getoond van de gasten, dan tot eer des konings hebben gestrekt. Doch dit was niet alzoo met hen, die van de uitgangen der wegen waren gekomen. Dezen waren in lompen gekleed. En wat was hiervan het gevolg? Wel, dat zij allen de livrei des Prinsen moesten dragen, en het schoone van hun gewaad dus Hem tot eer en heerlijkheid strekte. Hij zeide tot zijne dienstknechten; „Gaat heen en brengt wisselkleederen.quot; Iedereen, die tot de bruiloft kwam, werd uitgenoodigd zich met des Konings bruiloftskleed te bekleeden. \'i\'oen hij binnenkwam om de gasten te overzien, was het een schoone, heerlijke aanblik, want iedereen was koninklijk gekleed. Des konings bruiloftskleederen waren veel kostelijker dan de beste, fraaiste kleederen zijner onderdanen. Het was een schoon gezicht al die aanzittende gasten in de koninklijke livrei te zien, daar zij allen de uniform der genade droegen.\' Zoo is het ook met ons, zondaren, die door genade behouden zijn. Indien wij eenigerlei ware gerechtigheid van ons zeiven hadden bezeten, wij zouden er mede voor den dag zijn gekomen; maar nu achten wij onze eigene gerechtigheid niets dan drek te zijn, opdat wij Christus mogen gewinnen. Alle de heiligen zijn versierd met zijne gerechtigheid; zij zouden niet beter, niet schooner bekleed kunnen wezen. Aldus was dit feest nog veel heerlijker dan het anders geweest zou zijn, en de bruiloft werd vervuld met aanzittende gasten.

\'Hoe zou ik wenschen heden morgen zeer velen, beide kwaden en goeden, te kunnen vergaderen! Met góeden bedoel ik hen, die dit vergelijkende!\' wijs zijn, ten opzichte van hun zedelijk gedrag. Gij wordt genoodigd tot het bruiloftsmaal der liefde te komen. Maar zelfs als gij tot de kwaden behoort, en verplicht zijt te dit erkennen, dan wensch ik toch even vurig, dat gij tot dit feest zult komen. Vraagt gij mij:

-ocr page 126-

DE BRUILOFT WERD VERVULD MET AANZITTENDE GASTEN. 115

Wat moeten wij doen? Wat hebben deze lieden moeten doen? Niets anders dan komen, zooals zij waren, en ontvangen wat de koning hun om niet schenken wilde. Als wij de kinderen onzer zondagscholen feestelijk onthalen, dan zeggen wij wel eens, dat zij hunne eigene bekers en borden moeten mede brengen; maar zoo is het niet met onzen grooten Koning. Daar is zijn gastmaal te koninklijk voor. Gy moet niets mede brengen. Maar iedereen moet toch zeker eerst naar huis gaan om zich te wasschen, niet waar? Neen, het is in des Konings paleis, dat gij gewasschen en gekleed zult worden. Komt, zooals gu zijt. „Maar wat bedoelt gij met komen?quot; Daarmede bedoelen wij vertrouwen. Vertrouwt uwe ziel toe aan Jezus Christus, en Hij zal haar zalig maken. Vertrouwt op Hem, en gij zult weten, dat Hij voor u, en in uwe plaats, is gestorven, zoodat gij, in Hem geloovende, niet zult verderven, maar het eeuwige ieven hebben. Moge de Heilige Geest er u toe leiden in Jezus te gelooven, dat is: op Hem te betrouwen.

Ik heb u het Evangelie, het gansche Evangelie, verkondigd. Vertrouwt op den gekruisigden Heiland en gij zult leven. Jezus zegt: „Wendt u naar mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde.quot; Slaat geen blik binnen , in u, om te zien wat daar is, ziet op Jezus aan het kruis. Een blik op den Gekruiste zal u behouden. Ziet, o gij jonge maagden, ziet thans, zoo jong als gti zijt op, Jezus! Ziet, o g;j grijsaards, mannen en vrouwen, die nooit te voren den blik op Jezus gericht hebt; ziet thans! Vreemdelingen, die dit woord nooit te voren gehoord hebt, er is ook voor u leven in een\' blik op den Gekruiste. Gij schuldigsten der schuldigen; gij beminnelijksten der beminnelijken, keert u af van alles wat in u zeiven is, van het kwade en het goede, en ziet alleen op Jezus. Ontvangt van Jezus alles wat Hij u brengt — genade, gerechtigheid, heiligmaking, verlossing, Hem zeiven. Wie tot eene bruiloft komt, heeft niets te doen dan te eten en te drinken. Geeft daar uw hart, uwe gedachten aan. Neemt de spijze, die God li geeft. Naderhand zult gy goede werken doen, want die komen van zelf als een gevolg van de kracht, die gü verkrijgt uit de.hemelsche spijze, die gij door het geloof hebt ontvangen; maar thans moet gij eten en drinken en vroolijk zijn, gelük het betaamt op de bruiloft eens Prinsen. Moge de Vader door u behaagd, zijn Zoon geëerd en zijne gemeente vertroost werden. Amen, ja amen.

-ocr page 127-

WAT TS HET BRUILOFTSKLEED?

En als de koning ingegaan was, om de aanzittende gasten te overzien, zair hü aldaar een\' mensch, niet gekleed zijnde met een bruiloftskleed; en zeide tot hem: Vriend! hoe zijt gij hier ingekomen, geen bruiloftskleed aaihebbende? En hij verstomde. Toen zeide de koning tot de dienaars: Bindt zijne handen en voeten, neemt hem weg, en werpt hem uit in de buitenste duisternis: daar zal zijn weening en knersing der tanden.

Matth. XXII; 11—ld.

Ik heb onlangs over deze zelfde gelijkenis gepredikt, en ik vertrouw, dat velen er door bemoedigd zijn geworden; maar ik heb daarna bij velen de begeerte opgemerkt om iets meer te weten van het bruiloftskleed, wijl zij vreesden, dat zij, door zich bij onze gemeente te voegen, gelijk zouden wezen aan den man, van wien ik thans spreken zal. Vele oprechte harten zijn uiterst vatbaar voor vrees, zij schijnen als het ware uit te zien naar redenen voor angst en bekommernis. Ik veroordeel hen niet, integendeel, ik zou wel wenschen, dat er meer van die heilige vreeze onder de menschen bespeurd kon worden. Het is veel beter te vreezen op een\' verkeerden weg te zijn, dan onverschillig te zijn omtrent uwen toestand. Onder de besten dei-heiligen zijn er velen, die zeer bezorgd zijn over hun\' toestand voor God. Zij, die eenmaal van de bruiloftszaal uitgeworpen zullen worden, eten en drinken daar zonder de minste vreeze te koesteren; terwyl diegenen, die het meeste recht hebben om van het feestmaal te genieten, vol van heilige bekommering zijn. „Welgelukzalig is de mensch, die geduriglyk vreest,quot; zegt Salomo; hij zal zich inniger vastklemmen aan zijn God, en dat maakt hem gelukkig. Hij zal zich niet moedwillig in gevaar begeven, gelijk de vermetele, op zich zeiven betrouwende menschen, en daarom is hy gelukkig. Heilige vreeze kent slechts weinige feestmaaltijden, maar als er zulk een maaltijd is, dan zorgt zij er voor, dat wij er heengaan, een bruiloftskleed aanhebbende.

Het hoofddoel mijner prediking van heden zal wezen, da vreeze der Godvruchtigen weg te nemen. Indien zij begrijpen wat het bruiloftskleed wezenlijk is, dan zullen zij waarschijn-

-ocr page 128-

WAT IS HET BRUILOFTSKLEED :

lyk tot de ontdekking komen, dat z;j het dragen; maar zoo niet, dan zullen zij weien, van wien zij zulk een kleed kunnen bekomen, en dan zullen zij gaarne vragen om er mede bekleed te mogen worden. Moge de Heilige Geest, de Trooster, heden bruiloftsvreugde geven aan eiken bruiloftsgast, door hem duidelijk en onmiskenbaar te doen zien, dat hy met het bruiloftskleed bekleed is.

Onze tekst wordt onmiddelijk gevolgd door deze ontzaggelijke woorden: „Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.quot; Dat is eene gevolgtrekking, afgeleid uit de geheele gelijkenis, waarin wij het proces in werking zien, waardoor de verkoren weinigen gescheiden worden van de velen, die geroepen zü\'n. De eenvoudige overbrenging der uitnoodiging stelde het verschil in het licht tusschen de getrouwe onderdanen en de rebellen — een onderscheid, dat scherp getee-kend en beslissend is. Zoo is het in de prediking des Evangelies: wij prediken het aan alle kreaturen, die onder ons bereik zijn. Liefdevol, met teederheid en ernst; niet zoo goed en zoo krachtig als wij wel wenschten, maar toch van ganscher harte roepen wij de menschen tot het koninklijk feestmaal der genade, en terstond zal de uitnoodiging het kostelijke van het snoode beginnen uit te trekken. De zuivere prediking des Evangelies is scherp onderscheidend. Zoodra het om een offer gaat, kunt gij Kaïn van Abel onderscheiden. Predik de zaligheid door genade, en gij zult bevinden, dat sommigen het tot geen prijs wenschen te hebben, dat anderen de gedachte er aan voortdurend uitstellen, en nog anderen eindelooze vragen opwerpen en bedenkingen maken. Nog altijd zijn er menschen, die het „niet achtendequot;, heengaan naar hunne akkers of naar hunne koopmanschap. En zoo, mijne vrienden, is, zonder dat wij ons een oordeel over de menschen aanmatigen, het Evangelie zelf een louterend vuur. In het Evangelie heeft de Zone Davids een\' troon der gerechtigheid zoowel als der genade. Als de Menschen Christus en zijne genade niet willen aannemen, dan zal het Woord, gepredikt door zijn\' nederigen dienstknecht, hen wegdrijven, en dan stuiven zij henen met het kaf. Maar het werk der onderscheiding is nog niet ten einde, als het Evangelie gehoord en de menschen toegebracht zijn tot de gemeente. Helaas! zelfs in de kerk moet er nog eene verdeeling plaats hebben; ja het is daar, dat die verdeeling het volledigst moet geschieden. „Wiens wan in zijne hand is, en hij zal zijn\' dorschvloer doorzuiveren.quot; Als Hij nergens anders een\' geesel gebruikt, zoo zal Hij er toch voorzeker een\' gebruiken in zijn\' tempel. Onder de schapen zijn bokken; onder de maagden waren dwazen, en onder de bruiloftsgasten zijn er, die het bruiloftskleed niet aan hebben. Totdat wij in den hemel komen, zullen wij altijd de noodzakelijkheid leeren in-

11?

-ocr page 129-

wat is het bruiloftskleed?

zien van het werk der zelfbeproeving. Zelfs in het college der apostelen heeft een Judas zijn laaghartig werk kunnen volvoeren, als om ons te waarschuwen, dat geen rang in den dienst, geen geëerd z;in onder de broederen, geene langdurigheid van ervaring ons kan vrijstellen van te vragen: Ben ik het, Heere?quot; als zyne waarschuwende stem ons zegt: „Een van u zal my verraden.quot; In onzen tekst zien wij een\' man, die de uitnopdiging om tot de bruiloft te komen, had aangenomen, en dus de eerste proef had doorstaan, maar toch niet in staat blijkt om ook door de tweede proef heen te komen. Hü was ontvangen en toegelaten door de dienstknechten, maar hun\' Meester kan hy niet bedriegen. De Koning ontdekt hem en hij wordt van het paleis der genade uitgeworpen in de buitenste duisternis, waar weening is en knersing der tanden. Mocht niemand onzer tot die soort behooren.

Ik zal trachten een antwoord te geven op vier vragen, die gansch natuurlijk uit deze gelijkenis voortvloeien. Ten eerste: Wat wordt bedoeld met des konings ingaan\'? — „Als de koning ingegaan was, om de aanzittende gasten te overzienquot;; ten tweede; Wat is het bruiloftskleed? Ten derde: Wie is het, die het niet aanheeft? en ten vierde: Waarom verstomde hij, toen hem gevraagd werd: „Hoe zijt gy hier ingekomen, geen bruiloftskleed aanhebbende?quot;

I. Moge de Heilige Geest ons zijne hulpe verleenen, terwijl wy in de eerste plaats nagaan, wat bedoeld wordt met des

konings ingaan.

„Als de koning ingegaan was om de aanzittende gasten te overzien.quot; Zij waren allen aanzittende aan de tafels, want de bruiloft werd vervuld met aanzittende gasten.quot; Zij waren bijeengekomen, terwijl de zon nog aan den hemel was; maar duisternis bedekte de wereld daar buiten, toen de koning inging om de gasten te overzien. Zij hadden het feestmaal gebruikt, en nu kwam de koning om de vergaderden te eeren.

Het was de kroon, het schoonste oogenblik van het feest. Hoe kostelijk de spijzen ook waren, en hoe schitterend de feestzalen, toch had het feest zyn glanspunt niet bereikt, voordat de koning zich verwaardigde onder de gasten te verschijnen. Zoo is het ook met ons, geliefden, met betrekking tot onzen groo-ten Koning. Als wij te zamen zijn gekomen in dit huis des gebeds, dat ons dikwijls een paleis van geneugten toescheen, dan komen wij toch nooit tot de volkomene hoogte onzer begeerten, voordat de Heere zelf zich aan ons openbaart. Gij verlustigt u er in den prediker te hooren, in te stemmen met het lied der gemeente, en amen te zeggen op het gebed, maar dit is toch niet alles. Uw hart en uw vleesch roepen uit tot den levenden God, gij verwacht den Koning te aanschouwen

11

-ocr page 130-

WAT IS HET BRUILOFTSKLEED?

in zijne schoonheid. Als de Hoogheerlijke Vader zich openbaart in Christus Jezus, dan is de Sabbat een hoogtijd, want ons gebed is verhoord: „Doe uw aangezicht lichten over uwen knecht.quot; Onze Hoogheerlijke Koning wordt in al onze plechtige bijeenkomsten niet gelijkelijk geopenbaard. Ongetwijfeld verbergt Hy zijn aangeziclr: voor ons van wege onze zonden. In waarheid en werkelijkheid is Hij altijd met ons, want het feestmaal is zijner, en de feestzaal is zijner, en iedere gast is ingebracht door zijne genade, en alle de spijzen zijn op de tafel geplaatst door zijne liefde; maar toch zijn er tijden, wanneer hij zeer bijzonder gezien wordt onder zu\'n volk. Dan is onze gemeenschap met den Vader, en met zijn\' Zoon Jezus Christus in waarheid liefelijk.

Er zijn tijden van genaderijke bezoekingen: tijden van verkwikking van wege de tegenwoordigheid des Heeren. Als de Koning in de vergadering komt, dan is de prediking des Woords in betooning des Geestes en der kracht. Dan is de Pinksterdag ten volle gekomen. De Geest is overvloediglijk uitgestort, zielen worden behouden, de heiligen worden gesticht en Christus wordt verheerlijkt. Die geestelijk gezind zijn, ontdekken spoedig de goddelijke tegenwoordigheid, en het geklank des Konings wordt in het leger vernomen. Als ik hieraan denk, dan roept mijn hart met Jesaja: „Och dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt, dat de bergen van uw aangezicht vervloten!quot; De tegenwoordigheid onzes Gods brengt met zich hemelsch geluk, heilige tevredenheid en overvloeiende blijdschap. Dan zingen wij:

„Eén dag is in uw huis mij meer

Dan duizend, daar ik XJ ontbeer.quot;

Waarde vrienden, gij weet beter wanneer de Koning nabij is, dan ik het u zeggen kan, en gij wordt het met smart gewaar, wanneer Hij niet in ons midden is. Helaas! van hoe vele vergaderingen is Hij afwezig, terwijl die afwezigheid dan niet wordt betreurd! Als de Heere van ons geweken is, dan zetten wy wel onze zeilen bij, maar er is geen wind: wij brengen het offer, maar er is geen vuur. Het bruiloftsfeest zou mislukt zijn, als er geene gasten gekomen waren; maar wat zou het feestmaal geweest zijn, indien de gastheer geweigerd had in te gaan en de gasten te zien? Maar ter bestemder ure kwam de Koning. Ja, Hij kwam in bij de menigte van zwervers, die van heggen en stegen bijeen vergaderd waren, en zijne tegenwoordigheid kroonde het feest met eere en innige ziele-vreugde.

Dit inkomen om de gasten te overzien wijst op eene heerlijke openbaring van zich zeiven. Toen de Koning de gasten zag, zagen de gasten Hem; maar daar zijne beschouwing, zijn zien

119

-ocr page 131-

WAT IS HET BEUILOFTSKLEED?

van hen het belangrijkste was, is het voornaamste genoemd, terwijl het mindere in aanbelang hier stilzwijgend in is begrepen. Weten wy, wat het is. God te zien? Het is het bij zonder voorrecht van de reinen van harte. Als des Hoeren weg in het heiligdom is, dan is het, dat zijne geheiligden Hem aanschouwen. Geestelijke oogen hebben op Jezus gezien door het geloof, en Hij zegt: „Die my gezien heeft, heeft den Vader gezien.quot; Is het u nooit geweest als Johannes op Patmos, toen hij als als dood nederviel van wege de openbaring des Vaders in Christus? Als Jezus voor de oogen geschilderd is geweest, onder ons gekruist zijnde, dan hebben wij in Hem het aangezicht des grooten Konings aanschouwd, en ons hart sprong in ons op van vreugde, zoodat wij bereid waren den hemel binnen te gaan, zoo ons het bevel daartoe slechts was gegeven. Toen Augustinus de woorden las: „Gij zoudt mijn aangezicht niet kunnen zien en leven,quot; was hij stoutmoedig genoeg te antwoorden: „Laat mij sterven om uw aangezicht te zien.quot; Zalig gezicht!

De Koning verlustigt zich er in zijne gasten te zien, en zijne gasten verlustigen er zich in Hem te zien. Dan is onze aanbidding vol van zalig genot, en geene plaats buiten den hemel is zoo gelijk aan den hemel, als de plaats onzer bijeenkomsten. Wij lezen in het Evangelie van Johannes: „De discipelen werden verblijd als zij den Heere zagen,quot; en wèl mochten zij dat. Ook wy zyn verblijd, als wij Hem duidelijk onderscheiden als onzen Heere en onzen God. Mijne eigene ziel kent deze onuitsprekelijke blijdschap, maar omdat zij onuitsprekelijk is, zeg ik niets meer.

Want het ingaan van den Koning om de gasten te overzien sluit in eene betooning van bijzondere gunst. Hij gaat in, niet om de gasten te oordeelen, maar om hen te zien. Gy, die verleden Donderdag hier waart, kunt u herinneren, dat ik toen gepredikt heb over den tekst: „Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die uwen naam beminnen.quot; De Heere is gewoon in gunste neder te zien op hen, die zijn\'naam beminnen, want Hij heeft een welgevallen aan hen. 0 broeders en zusters, als de liefde Gods is uitgestort in ons hart door den Heiligen Geest, als de Vader het licht zijns vriende-lyken aanschijns over ons verheft, dan is onze zomertijd daar. Is er iets, dat met de gunst Gods vergeleken kan worden? De vriendelijke blikken van koningen, de vriendschap van keizers — o! noem ze toch niet in één adem met de gunst van God! Sommigen van u weet, dat de Heere u liefheeft, ja dat Hy u lief heeft gehad van de grondlegging der wereld, en dat Hy u nog zal liefhebben, als de wereld zal opgehouden hebben te bestaan. O dat de Koning heden in dien zin hier wilde komen, u allen wilde aanzien, en u de volle verzekering wilde

120

-ocr page 132-

WAT IS HET BRUILOFTSKLEED ?

geven, dat gij in zyn hart zijt, en er tot in eeuwigheid zult blijven! O dat deze gansche gemeente een tempel mocht wezen, waarin de Heere zich verlustigt te wonen. Dat elke steen van dien tempel tnocht schitteren van den weerschijn van het licht zijner gunst. Dat alle uwe getuigenissen en werken Hem welbehagelijk mochten wezen, en dat Hy zeer genadig acht mocht geven op ons geroep! O Jehovah! openbaarU hier, gelijk gü U geopenbaard hebt tusschen de cherubim! Om uwentwil hebben wy smaadheid gedragen; Heere wees gij onze roem! Wij hebben vastgehouden aan uwe waarheid; wy smeeken U, laat het licht uws aanschy\'ns ons bemoedigen!

Maar hier is het groote, ontzaggelyke punt, waarvoor ik uwe aandacht vraag: deze bezoeking brengt ook ontdekking mede en doorgronding van het hart. Als de Koning ingaat om de gasten te overzien, wordt het licht sterker, en worden de verborgene dingen openbaar; want alle dingen zijn naakt en geopend voor de oogen Desgenen, met wien wy te doen hebben. Als de Heere zijne kerk bezoekt, dan heeft Hy te Zion vuur, en te Jeruzalem een\' oven; en dan zal de man zonder bruiloftskleed niet langer geduld worden. G-ij kunt, wanneer God zich onttrokken heeft, als kerk blijven slapen, en dan zullen ook geene leden afvallen, want zy, die den Heere niet kennen, zullen, evenals te voren, bij u blyven in- en uitgaan. De dooden zullen rustig blijven, totdat de Heere de bazuin der opstanding blaast. De uitwendige belijders zullen niet weten, dat hunne belijdenis valsch is, maar zullen zich op onze hoogtijden volkomen op hun gemak gevoelen. Maar als de Koning in komt, dan wordt alles van gedaante veranderd. „Wie zal den dag zijner toekomst verdragen? Want hij zal zyn als het vuur van een\' goudsmid, en als zeep der vollers.quot; Gij kunt geen overvloedig geestelijk leven in de kerk ontvangen, als de onwaardigen niet ontdekt, en de geestelijk dooden niet uitgeworpen worden. De een verlaat ons, omdat hy zich ergert aan de leer, een ander voelt zich beleedigd door eene hartontdekkende prediking, en een derde acht zich te streng bestraft wegens het leven, dat hy leidt. Aldus wordt des Hee-ren bezoeking der genade eene rechtszitting, en de vinger Gods schrijft op den muur; „Gij zijt in weegschalen gewogen, en gij zyt te licht bevonden.quot; Indien de Heere, onze God, heden inging tot zyne gemeente, er zou eene schrikkelijke slinking wezen van het aantal zijner gasten. De vergadering zou door een panischen schrik worden bevangen, en de deur zou schier versperd worden door menschen, die zich haasten om aan zijn oog te ontkomen.

Ziet, hoe des Konings scherpte van blik in den tekst wordt vermeld. Slechts één man had geweigerd een bruiloftskleed aan te doen; maar terstond was des Konings oog op hem ge-

121

-ocr page 133-

waï is heï bruiloftskleed?

vestigd. Door eene soort van hemelsche barmhartigheid spreekt de Heiland slechts van een\' enkelen indringer, maar ik vrees, dat wij dien eenen als het type van velen hebben te beschouwen. Indien de Koning inkwam bij onze Avondmaalsvieringen, dan vrees ik, dat Hij meer dan één zou ontdekken. Maar toch! al zou er ook maar één wezen,, dan zou zijn blik op dien éénen gevestigd zijn, en dan zou Hij tot dien éénen het woord richten. Indien gy de eenige zijt, die den vermeteLen moed hadt in de gemeente te komen als lid, wetende, dat gij niet bekeerd zyt, dan zal de Koning u ontdekken. Indien gij den godsdienst belijdt uit snoeverij, en die belijdenis volhoudt uit zuiver bedrog, dan kunt gij u wel achter uwe vele familiebetrekkingen schuil houden, of denken, dat uw aanzien in de wereld u zal dekken, maar gij vergist u. Gij hebt te doen met Eenen, wiens oogen als eene vlamme vuurs zijn, en Hij zal u zoo ontmaskeren, dat gij geen woord ter uwer verdediging weet aan te voeren. Dit is eene zeer ernstige zaak. Het zal de oprechten van hart niet doen wenschen, dat de Koning maar zal weg blijven; maar de moedwillige bedriegers mogen sidderen. De Koning komt gewis in tot deze gemeente. Hij is zeer bijzonder tegenwoordig in het midden van ons, en het gevolg daarvan is, dat zijn oordeel zeer streng over ons is. Ik heb zijne tuchtroede op treffende wijze opgemerkt. Ik heb den naambelijder zien verwelken door de hitte der liefde, en den wortelloozen Christen in de middagzon der genade zien verdorren. Hij zou in eene andere, gemeente wellicht zeer goed op zijne plaats geweest zijn, maar het gezwaaide zwaard des Geestes, en deszelfs door gaan tot de verdeeling der ziele, en des geestes, en der samenvoegselen, en des mergs heeft hij niet kunnen verdragen. Hij moest weggaan en eene gemak-kelyker rust vinden. Naar mate wij den Koning werkelijk in ons midden hebben, het hart der heiligen verblijdende, zullen wij ook den Koning in ons midden hebben, het onware ontdekkende en uitwerpende, eerst in de buitenste duisternis dezer wereld, die in het booze ligt, en ten laatste in de buitenste duisternis des weenens en der knersing der tanden. Evenwel, wat er ook het gevolg van moge wezen, ons gebed is heden: „God zij ons genadig en zegene ons; Hij doe zijn aanschijn aan ons lichten.quot;

11. En nu wensch ik te antwoorden op de tweede vraag: wat is het bruiloftskleed? Het is u waarschijnlijk bekend, dat dit een punt van groot verschil is ouder de godgeleerden. Is het bruiloftskleed rechtvaardigmaking, of heiligmaking, of nog iets anders? Ik zal niet theologisch gaan redeneeren, en geene leerstellingen bij den tekst halen; maar ik zal de gelijkenis lezen, zooals zij daar staat, en de bijzonderheden verklaren naar hare algemeene strekking. Het wordt genoemd

122

-ocr page 134-

WAT IS HET BRUILOFTSKLEED?

een „imnto/Kskleedquot; — een kleed dat past voor eene bruiloft. Laat ons veeleer het beeld verklaren dan er eene leerstelling aan vast snoeren. Wat is de beteekenis van een bruiloftskleed? Wat is het, dat wy in verband met onzes Heeren huwelijk mueten hebben, om niet voor eeuwig uitgeworpen te worden ?

Ik denk, dat ik eenvoudig mag zeggen, dat het een onderscheidend kenteeken van genade moet beteekenen. Niet iedereen draagt een bruiloftskleed; die het draagt, heeft er zich mede bekleed, omdat hij een bruiloftsgast is. Gij kunt den bruiloftsgast terstond herkennen aan z;jn gewaad. Hy kleedt zich op eene wijze, die men zonderling zou noemen, indien hy er zich alle dagen in vertoonde. Gewone burgerlieden zullen bij gelegenheid van een huwelijk een wit vest dragen, maar zij zullen er niet aan denken, om aldus gekleed naar hun kantoor te gaan. De ware leden van Gods kerk dragen een onder-scheidingsteeken. Indien gij niet verschilt van andere men-schen, dan hebt gij het recht niet tot Gods kerk te behooren. Indien een dienstbode jaren lang bij u kan wonen zonder ooit uwe liefde tot God te ontdekken, dan zou ik denken, dat zij niet te ontdekken is, wijl zij niet bestaat. Indien gij volkomen dezelfde zyt als z;j, met wie gij eertijds geleefd hebt; indien gij geene verandering hebt ondergaan en als de overige menschen zijt, dan bezit gij het kenmerkend teeken niet, waaruit blijkt, dat gij het recht hebt tot Gods kerk te behooren. Er behoort iets in ons te wezen, dat ons afzondert — iets, dat door gewone menschen gezien en begrepen kan worden, zooals een bruiloftskleed gezien, en deszelfs beteekenis terstond kan worden bemerkt. Uw godsdienst moet, om gezien te worden, geen microscoop behoeven, en hij moet ook niet zoo vaag en onduidelijk wezen, dat slechts weinigen de beteekenis er van kunnen begrijpen. Hij behoort even duidelijk zichtbaar te wezen als het witte kleed, dat door Oosterlingen bij eene bruiloft gedragen wordt. Is hy aldus by u?

Ik kan hier gerust bijvoegen, dat het bruiloftskleed een by-zonder kenteeken van genade was; want, daar deze lieden van de uitgangen der wegen naar binnen gebracht waren, konden zij zich zelven niet van een bruiloftskleed hebben voorzien. Het is in het Oosten de gewoonte, dat een koning zijnen gasten van een kleed voorziet; daarom was dit bruiloftskleed een teeken van genade, vrijelijk gegeven en ontvangen. Is er dan iets in u, dat de Heere in zyne liefde u heeft geschonken? Verschilt gij van anderen, niet in natuurlijke gaven en talenten, maar in geestelijke genade? Bestaat het verschil voornamelijk in wat God zelf voor u heeft gedaan ? Dat is de vraag, die in het symbool van het bruiloftskleed ligt opgesloten. Zijt gij anders dan gij placht te wezen? Verschilt

123

-ocr page 135-

WAT IS HET BRUILOFTSKLEBD ?

gy van hetgeen gy jaren geleden geweest zyt? Verschilt gij van hen, met wie gy voorheen placht om te gaan, zoodat gü thans ander gezelschap zoekt, en u afkeert van hen, die vroeger de meeste bekoring voor u hadden? Zoo ja, dan hebt gÜ het bruiloftskleed aan. Het is een onderscheidiogsteeken. Ik zou dit niet op zulk een wijze willen voorstellen, dat iemand er door bedroefd werd, die niet bedroefd worden ; maar zoo iemand wèl bedroefd moet worden, dan zou ik wenschen, dat hij tot God riep om vernieuwing zijner genade. Moge de Heere u zijne livrei doen dragen! Moge Hij u het merkteeken geven züner kinderen, en u niet langer tot de wereld laten behooren. Het is duidelyk, dat de eerste betee-kenis van het bruiloftskleed is een onderscheidingsteeken.

En vervolgens: het was een symbool van eerbied voor den Koning. Om voegzaam in zijne tegenwoordigheid te kunnen verschijnen, moet een bijzonder kleed worden gedragen. De afwezigheid van zulk een kleed was bij deze gelegenheid het teeken van oneerbiedigheid en opstand. Deze man zeide bij zichzelven: „Ik zal de spijzen van het feestmaal nuttigen, zonder deszelfs doel te erkennen. Wie my ook tegen zal houden, toch zal ik mijn\' weg naar de feestzaal wel vinden, en ik zal er aanzitten in mijne dagelyksche kleedij, om den Koning te doen weten, dat ik niet den minsten eerbied voor hem heb, en de kleederen, die hy schenkt, niet wil dragen.quot; Het is, als wanneer gy een\' zoon hadt verloren, en de een of andere ellendeling zou zeggen: „Ik zal de begrafenis by wonen in bruiloftsgewaad. Daarmede zal ik het gevoel kwetsen van al de rouwdragenden, en voor de geheele zaak mijne minachting toonen.quot; Welk eene beleediging zou dit zijn! En om nu het beeld om te keeren. Gesteld eens, gy huwt, en er kwam iemand, die met geweld doordrong tot de feestzaal, terwijl hij in rouwgewaad is, met krip om zijn\' hoed en zwarte handschoenen aan zyne handen. Welk eene moedwillige beleediging! Indien zulk een onbeschaamde indringer met zweepslagen weggedreven werd, wie zou er zich over verwonderen? Deze man nu heeft aldus gehandeld. Hy had geen\' eerbied voor den Koning; hy toonde zijn\' verraderlyken aard op de ergste manier, den Koning in zijn eigen paleis beleedigende, en dat nog wel bij zoo teeder eene gelegenheid. Waarde vrienden, ik vertrouw, dat gij in waarheid kunt zeggen: „Ik heb het bruiloftskleed aan des eerbieds voor den Koning. Ik veracht den Heere God niet; maar in ware aanbidding buig ik mij voor Hem neder. Ik wensch in zyne gemeente te komen, niet om Hem te onteeren, maar om eere te geven aan zijn\' naam.quot;\' Het bruiloftskleed was een teeken van eerbied voor hem, die het feest had bereid en het presideerde. Oordeelt dan heden, of gij het bruiloftskleed aan hebt, door u zeiven

124

-ocr page 136-

wat 13 hst bruiloftskleed ?

af te vragen, of gij den Heere God eert, en er naar streeft Hem in alles te gehoorzamen.

Het bruiloftskleed was ook een blijk van eerbied vaor den Prins. Zij, die het bruiloftskleed aandeden, zeiden hiermede: „Wy deelen in de vreugde van den Prins, en wij zijn heden hier gekomen om onze gehechtheid aan Hem te betoonen, en hem geluk en voorspoed te wenschen met zijn huwelijk.quot; Mijne hoorders, gevoelt gij liefde voor den Heere Jezus Christus? Er zijn velen, die geene liefde voor Hem koesteren. Het smart mij te moeten zeggen, dat er heden een geslacht van menschen is, die zich Christenen noemen, en die verachting uitstorten over het dierbaar bloed, en het plaatsbekleedend offer bespotten. Schrikkelijke bewering! Maar het is een on-omstootelijk feit. De naam van Jezus! Ach! hij is voor ons leven, wat de zon is voor den hemel, wat de rivieren zijn voor de vlakten. Er is niets, dat ons zóó verheugt, als de gedachten aan Jezus. Als ik eene leerrede hoor over Christus, mijn\' Meester, dan wordt mijn hart warm in mijn binnenste. Is het ook zoo met u? Welnu, dan hebt gü het bruiloftskleed aan, dat is, gij brengt in waarheid, al is het dan ook in eenvoudigheid, hulde aan den Vredevorst. Gij hebt den naam en den Persoon van Jezus lief, en omdat dit zoo is, komt gü in zijne gemeente.

Het bruiloftskleed had ook de beteekenis van eene betooning van sympathie, of medegevoel in betrekking tot die groote gebeurtenis. Iedereen, die at van de gemeste beesten en dronk van den wyn, iedereen, die zijne tegenwoordigheid gaf, hielp mede aan de eer en heerlijkheid van dat huwelijksfeest, behalve die ééne indringer, die zelfs niet wilde voorwenden in de vreugde te deelen, want hij weigerde de eenvoudige daad te verrichten van een voegzaam feestkleed aan te doen. Waarde vriend, gevoelt gij sympathie met des Heeren bedoelingen der genade? Verblijdt gij er u in, dat Jezus eene bruid vindt onder ons geslacht? Looft gij God voor het verbond der genade, waarin de menschwording, de verlossing en heiligmaking vervat zijn? Looft gü den naam van God, verschenen in het vleesch, omdat Hij in eeuwige eenheid is getreden met een volk, toebereid voor den Heere? Welnu, dan hebt gij sympathie met de bruiloft des Lams, en gij hebt het recht om aan te zitten aan het bruiloftsmaal. Gij zijt blijkbaar met het bruiloftskleed bekleed, hetgeen uwe blijdschap te kennen geeft in Christus, uw lot en deel hebben met zijne gemeente en in het vreugde volle werk der zaligheid.

In één woord, het bruiloftskleed beteekent een zich gedragen naar den eisch van de gelegenheid. Het was eene bruiloft, en de gasten moeten een voegzaam kleed dragen. Deze mensch weigerde het aan te doen. Hij was trotsch, en wilde de gave

125

-ocr page 137-

wat is het bruiloftskleed ?

der genade niet dragen; hij was eigenwillig, en moet ook zonderling zijn, om zijne onafhankelijkheid tetoonen. De regeling-was hoegenaamd niet lastig, en voor de overige gasten was het gebod niet zwaar; maar deze mensch wilde in weerwil van den gastheer, zijn\' eigen zin doen. Wat moest van die dwaasheid het gevolg wezen ? Welaan, geliefden, een der ver-eischten van het feest is, dat gij met uw hart gelooft aan den Heere Jezus, en dat gij zijne gerechtigheid neemt om uwe gerechtigheid te zijn. Weigert gy dit? Indien gy den Heere Jezus niet aanneemt als uwen Plaatsbekleeder, die in zijn eigen lichaam uwe zonden draagt op het hout, dan hebt gij het bruiloftskleed niet aan. Een ander vereischte is, dat gij berouw hebt van uwe zonde en er van aflaat, dat gij de heiligmaking najaagt, en het voorbeeld van den Heere Jezus zoekt na te volgen. Gij moet, als gevolg der werking van Gods genade in u, een godvruchtig en oprecht karakter hebben. Hebt gij zulk een karakter. Al zijt gij dan ook nog niet volmaakt, hebt gy toch, in zoo ver gij de gerechtigheid najaagt, het bruiloftskleed aan. Gij zegt een Christen te zijn: leeft gij als een Christen? Zyt gij in eene positie en in een\' toestand, die in overeenstemming zijn met het Evangeliefeest? Zoo ja, dan hebt gij het bruiloftskleed aan.

Zij, die tot de bruiloft kwamen, waren, toen zij kwamen, beiden kwaden en goeden; zoodat het bruiloftskleed niet in verband staat met hun vorig karakter, maar met iets, waarmede zij in bezit gesteld werden bij hunne komst tot de bruiloft. Het aandoen van een bruiloftskleed kan niet zien op eene ceremonie of plechtigheid, of op eene groote daad van verstand, noch op een diepe bevinding van het hart, en toch was hier mede gemoeid het bijwonen of niet bijwonen dei-bruiloft. Er lag eerbied in opgesloten voor den Koning en hulde aan den Prins, en sympathie met geheel de zaak. Geeft wél acht op u zeiven, en ziet, of gij u in waarheid overgeeft aan den Heere en voor geheel de zaak met Hem instemt.

III. Ten derde: wie is de mensch, die geen bruiloftskleed

aanheeft ?

Dat is, dunkt mij, in de eerste plaats, de mensch, die Gods geopenbaard evangelie verwerpt, ten einde zijne eigene denkheel den en zijne eigene wijsheid te volgen. Hij beweert Christus getrouw te zyn, en hy verwacht, dat alle zyne medegasten hem zeer vriendschappelijk gezind zullen zyn, want, is hij niet mat hen aan het zelfde feestmaal aangezeten? Maar met getrouwheid bedoelt hy niet, wat zij er mede bedoelen. Hij bevindt zich onder de geloovigen, maar in waarheid behoort hij niet tot hen. Hij spreekt van verzoening, maar daaarmede bedoelt hy geene plaatsbekleeding. Hy spreekt van de goddelykheid van Christus; maar daarmede bedoelt hy niet de Godheid van

■ 126

-ocr page 138-

WAT IS HET BRUILOFTSKLEED ?

Christus. Hij spreekt over de rechtvaardigmaking door het geloof maar daarmede bedoelt hij de aloude leerstelling niet. Hij spreekt van wedergeboorte, maar wat hij bedoelt is evolutie, dat is ontwikkeling. Hij omhult zich met het kleed der wijsbegeerte, maar weigert het kleed der openbaring, want deszelfs snit is hem te ouderwetsch. Hij is niet méér een bruiloftsgast dan een to on eel spel er, en wellicht niet eens zoo veel. Hij draagt eene kleedij. waarin het kleed der gerechtigheid, en het gewaad der blijdschap volstrekt niet te zien zijn. De vrije genade en de stervende liefde van Christus hebben zijn bruiloftskleed niet geweven. Zijn kleed werd hem niet door God verstrekt, het is uit zijne eigene kleerkast genomen. Hij roemt in ontwikkeling, maar niet in de openbaring Gods, noch in het werk van Gods genade in het hart. Hij is in de gemeente, maar hij is niet in Christus. Hij heeft den naam van te leven, maar hij is dood.

En dan is er de mensch, die de gerechtigheid Gods afwijst, omdat hij eene eigene gerechtigheid denkt te hebben, ook deze heeft het bruiloftskleed niet aan. Hij denkt, dat zijne daagsche kleederen goed genoeg zijn voor Christus\' bruid. Wat heeft hij met eene toegerekende gerechtigheid van doen ? Hij beschimpt haar als onzedelijk. Hij! die zelf onzedelijk is! Wat heeft h;j van doen met het dierbaar bloed van Jezus ? Hij behoeft van geene karmozijn roode vlekken te worden gewasschen. Zijne eigene gerechtigheid, al is zij ook uit de wet, en al wordt zij door Paulus ook verworpen, acht hij zoo hoog, dat hij het bloed des verbonds als iets onheiligs beschoawt. O die onbeschaamdheid der eigengerechtigheid! Haar hoogmoed is de voornaamste onder de zonden, want zij minacht de gerechtigheid Gods. De eigengerechtige ziet in het Evangeliestelsel geen huwelijk; hij ziet in het Evangelie niets, dat hem verheugt, niets, dat hem kan doen zingen, niets dat hem kan doen juichen van blijdschap Hij wil den Prins niet roemen. O neen ! Hij is onder de wet, en hij is er mede te vreden een slaaf te zijn; hij tracht zalig te worden door zijne eigene werken, en de wei kent geene feestdagen. Hij is geen bruiloftsgast maar een slaaf.

Nog een ander heeft geen gevoel van hetgeen hij belijdt. Indien hij buiten de gemeente stond, dan zou zijne conscientie hem kunnen benauwen, maar hij is in de gemeente gekomen, en nu zegt hij bij zich zeiven, dat alles wél is. Hij heeft geen lust zijne gevoelens na te gaanhij heeft nooit gevoelens gehad, en hij zou ze ook liever nog niet hebben. De kracht des Woords kent hy niet, al kent hij er ook de letter van. En wat bekeering aangaat, en den last der zonde; daarvan heeft hij nooit iets geweten, en hij verlangt er ook niets van te weten. Hö denkt, dat Bunyan bijgeloovlg moet geweest zijn, of eene ziekelijke verbeelding moet gehad hebben, toen hy

127

-ocr page 139-

WAT IS HET BRUILOFTSKLEED ?

zijne „overvloedige genadequot; schreef. Blijdschap in den Heere is hem even eens eene onbekende zaak, want hy haat alle opwinding. Hij kent geene neergedruktheid en geene zielsverrukkingen, want hü heeft geen geestelijk leven. En gelijk hij geene heilige gewaarwordingen heeft, zoo heeft hy ook geene heilige werkzaamheid. Hu is een Christen, zegt hy, maar het uithangbord uitgestoken hebbende, drijft hij toch geen\' handel. Zijn godsdienst oefent veel meer invloed op zijne kleederen dan op zijn hart; dat is; hij gaat des Zondags „fatsoenlijkquot; gekleed; maar in zjjn gedrag, in zyn\' handel en wandel is niets van zyn\' godsdienst te bespeuren. Niemand heeft veel op hem aan te merken, behalve dat hij zoo dood is als een stuk hout. Men ziet in hem geene in het oog vallende groote zonden, maar ook evenmin daden van blinkende godsvrucht. In geestelijken zin is hy een schoon gewasschen lijk — dat is alles.

Er zijn nog anderen in de gemeente, die denken dat wat zij zeiven gedaan hebben, of wat de natuur voor hen gedaan heeft, volkomen genoeg is. Zij streven niet naar het bovennatuurlijke. zy verlangen naar hun bruiloftskleed niet méér dan zyquot; naar hunne daagsche kleederen verlangen. Zij hebben thans een heel achtbaar voorkomen, en door hier en daar nog eene kleine verbetering aan te brengen, zullen zij ook zonder wedergeboorte en zonder den Heiligen Geest goed genoeg wezen. Helaas! mijne hoorders, alles wat de natuur ooit voor u kan doen, zal u toch nooit in den hemel brengen. Gij kunt de natuur tot het uiterste ontwikkelen en aankweeken, maar zij zal toch nooit de vruchten des Geestes voortbrengen. „Gij moet wederom geboren worden.quot; Indien gy\' niet door de werking des Heiligen Geestes in levende aanraking komt met den levenden Zaligmaker, dan kunt gij wel in de gemeente wezen, maar gij zijt niet in Christus; gyquot; hebt het bruiloftskleed niet aan.

Ach! er zyn sommigen, die in de gemeente durven komen, zonder zelfs gansch gewone zedelijkheid van karakter te bezitten. Het is ergeriyk, dat wij dit moeten zeggen, maar heden ten dage ontmoeten wij menschen, die zich Christenen noemen, en in het geheim zich aan sterken drank te buiten gaan, onreinheid bedryven met hun lichaam, oneeriyk zijn in hun\' handel, leugenaars zijn, hun eigen vleesch en bloed haten, in vyandschap leven met hunne broederen, en toch aan de Avondmaalstafel durven aanzitten. Er was een tyd, toen het in de Schotsche hooglanden moeielyk was om de Christenen aan de tafel des Heeren te doen aanzitten, wijl zij sidderden onder het gevoel hunner onwaardigheid. Wy wenschen dit volstrekt niet te ver te dry ven, maar toch is dit beter dan het onheilig durven, dat gevonden wordt in het hart van zoo velen, die Christus en Belial dienen. God behoede zyne kerk voor veria-

128

-ocr page 140-

wat is heï bruiloftskleed ?

ging en verval! Onheilige belijders hebben het bruiloftskleed niet aan : hun inwendig kleed past volstrekt niet voor des Konings feestmaal, integendeel, het is eene oneer voor Hem.

Ik zie niet in, hoe die mensch gezegd kan worden een bruiloftskleed aan te hebben, die geen belang stelt in den arbeid der gemeente. Ziet gij, als iemand het bruiloftskleed aandeed, dan zeide hij hiermede: „Ik st:el belang in de bruiloft. Ik wensch bruid en bruidegom Gods zegen toe.quot; Maar heden komen velen tot des Konings feestmaal, die hoegenaamd niet geven om de Kerke Gods, en ook evenmin om Christus. Zij komen uit eene soort van zelfzucht, die hen begeerig maakt om verlost en zalig te worden; maar wat aangaat de bruid des Lams; het is hun om het even of zij wegkwijnt of bloeit. Hoe treurig is dit! Indien de leden der gemeente iets kunnen doen, al is het maar eenige tractaatjes uitdeelen of bidstonden bijwonen, en hiermede belangstelling toonen in de bruiloft, dan hebben zij het bruiloftskleed aan. Maar indien alles wat zij doen aileen maar bestaat in hooren, hetzij om te critiseeren of om te genieten, terwijl zij nooit voor Christus arbeiden, en nooit voor Christus bidden, dan hebben zij geene sympathie met het bruiloftsfeest, en daarom hebben zij dan ook geen bruiloftskleed aan.

IV. Ten besluite: waarom verstomde deze mensch ? Wü\' zien niet dikwijls menschen,die zich niet weten te verontschuldigen. Het maken van verontschuldigingen is een van de ge-gemakkelijkste bedrijven. Men kan uit niets eene verontschuldiging smeden, of wel uit hetgeen nog minder is dan niets, uit eene directe leugen. Doch hier was een mensch, die niet kon spreken ? Waarom niet ?

Ik denk ten eerste, omdat de beleediging te duidelijk was. „Hoe zijt gij hier ingekomen ?quot; Indien hij den Koning niet beminde, dan zou hij buiten hebben kunnen blijven. Het was niet noo-dig, dat hij naar binnenging, om er zijne kwaadwilligheid ten toon te spreiden. Indien iemand uwer vast besloten is verloren te willen gaan, dan behoeft gij bij uw eeuwig verderf niet ook een belijden van den godsdienst te voegen, want geveinsdheid is een overvloed van boosheid. Maar deze mensch heeft moedwillig het bruiloftskleed geweigerd. De personen echter, van wie ik bij den aanvang mijner rede gesproken heb, weigeren niet moedwillig des Heeren genade aan te nemen, daarvan houd ik mij overtuigd. O neen, zij vreezen slechts niet recht te staan, maar het is hun wensch niet iets verkeerds te doen. De zoodanigen behooren niet tot hen, die door deze gelijkenis veroordeeld worden.

En vervolgens: de beleediging ivas zoo vermetel. „Hoe zijt gij hier ingekomen ?quot; zeide de Koning. Hij moet door de wachters

129

9

-ocr page 141-

WAT IS HET BRUILOFTSKLEED.

aan de deur heen zijn gedrongen. Toen de Koning zeide ; „Bindt zijne handen en voeten,quot; was dit, geloof ik, omdat hij handen en voeten gebruikt heeft om binnen te komen. Ik. wil naar binnen gaan,quot; zeide h;j, „ik wil den koning tarten, en zonder u -uiloftskleed met zijne gasten aanzitten.quot; Gij. waarde vriend, w jnscht dit niet te doen, ik ben er van overtuigd, dat die gedachte verre van u is. Immers, wy moeten u dringen en overreden binnen te komen, want gij vreest, dat gij u vergist. Gij behoeft u door deze gelijkenis niet te laten veroordeelen.

Maar waarom verstomde die mensch ? Ik antwoord: omdat het de Koning zelf was, die tot hem sprak. Ach! als ik tot u spreek, wat ben ik anders dan vleesch en bloed ? Om mij bekommert gij u niet! Maar indien de Koning zelf heden hier was, en tot iemand uwer zeide : „Vriend, hoe zijt gij hier ingekomen, geen bruiloftskleed aanhebbende?quot; dan zou de toon van zijne stem, de heerlijkheid zijner tegenwoordigheid als een bliksemstraal tot u doordringen; gij zoudt niet anders kunnen dan haar gevoelen, en zoo zoudt gij dan geen antwoord weten te bedenken. Indien gij Hem niet liefhebt, indien gij geen\'eerbied voor Hem hebt, geene sympathie gevoelt voor zijn\' Zoon, dan zult gy, voor zijn\' rechterstoel staande, verstommen.

Eindelijk, de reden waarom hij verstomde, was, dat er niets te zeggen icas, ook al zou hem de sprake niet benomen zijn door schrik en ontroering. Hij kon niet zeggen: „Heere, ikhet het niet geweten.quot; Hij zag, dat al de andere gasten een bruiloftskleed aan hadden. Hij kon niet zeggen : „Heere, ik kon geen bruiloftskleed machtig wordenquot; ; want aan elk hunner was een bruiloftskleed om niet verstrekt, hy zou er dus ook een hebben kunnen ontvangen. Hij kon niet zeggen: „Heere, ik ben hier door iemand anders tegen mijn\' wil binnengehaald.quot; Neen, hij is vrijwillig gekomen; het was zijne bedoeling de orde en den regel des konings te overtreden. De gasten hadden hem allen aangezien; sommigen hadden zich een weinig van hem teruggetrokken; anderen zeiden met teedere vriendelijkheid: „Broeder, wilt gy het bruiloftskleed niet aandoen?quot; Hij antwoordde: „Neen.quot; „Wilt gij niet vertrekken, voordat de Koning binnenkomt ?quot; „O neenquot;, was zyn antwoord, „ik ben juist hier gekomen om hem te tarten en te weerstaan. Ik zal hier op mijne plaats blijven.quot; Het verwondert mij niet dat de Koning zeide : „Bindt zijne handen en voeten, neemt hem weg, en werpt hem uit in de buitenste duisternis: daar zal zijn weening en knersing der tanden.quot; Onze Heere Jezus Christus zegt zeer sterke dingen omtrent de toekomst dergod-deloozen. Men heeft my beschuldigd van den toestand der verlorenen in al te afgrijselijke kleuren te schilderen. Ik ben nooit verder gegaan dan de schrikkelijke beschrijving, die onze Heere zelf er van heeft gegeven. Stelt uwe eeuwige toekomst toch niet

130

-ocr page 142-

WAT IS HET BRUILOFTSKLEED ?

131

in de waagschaal. Voegt u bij de kerke Gods, maar voegt u niet by haar, zoo gij den Heere niet liefhebt. Komt niet tot den Evangeliemaaltijd, tenzij gij den Koning eert, den Prins bemint, en liefde hebt voor het groote werk der genade, dat door het bruiloftsfeest is voorgesteld. Indien gij sympathie hebt voor de bruiloft, liefde voor den Bruidegom en welbehagen in de bruid, zoo komt en weest welkom; want dan hebt gij het bruiloftskleed aan. Ik denk thans aan al die honderden van bruiloftsgasten, die allen het bruiloftskleed aanhadden. Wat blijdschap hebben zij gesmaakt! Velen hadden behoord tot de „kwaden,quot; en allen zijn zij arm geweest; maar zij hadden allen het bruiloftskleed aan, en geen hunner werd uitgeworpen. Indien gij slechts op Jezus wilt betrouwen, en dus den Zoon eert; indien gü rust in de liefde des Vaders, en dus den Koning eert, dan is er geschreven: „Die tot mij komt, zal ik geenszins uitwerpen.quot; God zegene u, om Jezus wil! Amen.

-ocr page 143-

DE TWEE TALENTEN.

„En die de twee talenten ontvangen had, kwam ook tot hem, en zeide: Ileere! twee talenten hebt gij mij gegeven; zie, twee andere talenten heb ik boven dezelve gewonnen. Zijn heer zeide tot hem: Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht! over weinig zijt gij getrouw geweest^over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heeren.quot; Matth. XXV: 22, 23.

„Alle goede gave, ea alle volmaakte gift is van boven van den Vader der lichten afkomende.quot; Alles wat de menschen hebben, moeten zij toeschrijven aan de Groote Fontein, den Gever van alle goed. Hebt gij talenten? Zij zijn n geschonken door den God der talenten. Hebt gij tijd? Hebt gij rijkdom, invloed, macht? Hebt gij de gave des woords? Bezit gij de gave van denken? Zijt gij dichter, staatsman, geleerde? Wat positie gij ook bekleedt in de maatschappij, over wat gaven en krachten gij ook hebt te beschikken, herinner u, dat zij u niet toebehooren, maar u als ter leen zijn gegeven van Boven. Niemand bezit iets, dat hij het zijne kan noemen, behalve zijne zonden. God heeft ons allerlei bezittingen toevertrouwd, en tot ons gezegd: ,.Doet handeling, totdat ik kome.quot; Al draagt onze wijngaard ook nog zoo vele vruchten, wij mogen niet vergeten, dat die wijngaard den Koning behoort. Al de eer en al het nut onzer bekwaamheid komt Gode toe, want Hij is er de Gever van. De gelijkenis zegt ons dit met klem en nadruk, want zi,j laat iedereen erkennen, dat zijne talenten hem komen van den Heere. Zelfs de man, die in den grond groef, en het geld zijns heeren verborg, ontkende niet, dat zijn talent den Meester toebehoorde; want, ofschoon zijn antwoord: „Zie, gij hebt het uwequot;, uiterst onbeschaamd was, zoo was het toch geene ontkenning van dit feit. Zoodat zelfs deze man verder was dan zij, die hunne verplichtingen jegens God ontkennen, en bij het bloote noemen van gehoorzaamheid jegens hun\' Schepper hooghartig het hoofd schudden en hun\' tijd en hunne gaven veeleer besteedden in opstand tegen Hem, dan in een dienen van Hem. O! dat wij allen wijs waren om te gelooven, en naar deze meest blijkbare van alle waarheden te handelen,

-ocr page 144-

de twee talenten.

nl. dat wij, alles wat wij hebben, van den Allerhoogste hebben ontvangen.

Er zijn menschen in de wereld, die slechts weinige talenten hebben. Onze gelijkenis zegt: „Den éénen gaf hij vijf talenten, en den anderen twee.quot; Tot hen zal ik heden het woord richten ; en ik bid, dat hetgeen ik zal spreken door God gezegend zal, worden tot hunne stichting of hunne bestraffing. Ik zal dan in de eerste plaats wijzen op het feit, dat er vele personen zijn, die slechts weinige talenten hebben, waarbij ik zal trachten te verklaren, waarom God hun slechts zoo weinigen heeft toebedeeld. In de tweede plaats zal ik hen er aan herinneren, dat zij ook van die weinige talenten rekenschap zullen hebben af te leggen. En dan zal ik ten besluite de troostrijke opmerking maken, dat, indien onze weinige talenten op de rechte ivijze worden gebruikt, icij noch door onze eigene conscientie, noch door het oordeel onzes Meesters veroordeeld zullen worden, omdat wij niet méér hebben.

i. god heeft sommige menschen slechts met weinige talenten begiftigd. Zeer dikwijls hoort gij de menschen van elkander spreken, alsof God geen verstandelijk onderscheid in hen gelegd heeft. Daar is iemand, die veel voorspoed heeft, en hij denkt, dat iedereen zoo vlijtig en volhardend kan wezen als hij is, en dat dus iedereen evenveel voorspoed kan hebben, als hij gehad heeft. Gij zult dikwijls aanmerkingen hoo-ren maken op leeraren, die godvruchtige en ijverige mannen zijn, maar nu juist niet veel aantrekkingskracht hebben, en zij worden voor traag en lui gehouden, omdat zij niet zoo veel beweging maken in de wereld, terwijl de ware oorzaak hiervan kan wezen, dat zij weinig talent hebben, maar van dit weinige echter het best mogelijke gebruik maken, en dus niet bestraft moesten worden wegens het geringe dat zij slechts tot stand brengen. Het is een feit, dat iedereen kan opmerken, dat er zelfs onderscheid is in onze geboorte. Alle kinderen zijn niet even vroeg ontwikkeld, en alle menschen hebben gewis niet hetzelfde vermogen om iets te leeren of iets te onderwijzen. God heeft tusschen de menschen een zeer groot en wondervol verschil gemaakt. Wij moeten niet denken, dat al het onderscheid tusschen een\' Milton en een\' man, die leeft en sterft zonder ooit te hebben leeren lezen, aan niets anders dan aan de opvoeding is toe te schrijven. Er moet ongetwijfeld in den oorsprong reeds een verschil tusschen hen bestaanhebben, en ofschoon opvoeding en onderwijs zeer veel kunnen, zoo vermogen zij toch niot alles. Een vruchtbare grond, die goed bewerkt is, zal noodwendig veel meer opleveren, dan de best bewerkte grond, die van nature hard en onvruchtbaar is. God heeft groot en zeer bepaald onderscheid gemaakt, en in ons gedrag tegenover onze medemenschen behooren wij dit in her-

-ocr page 145-

DE TWEE TALENTEN.

innering te houden, opdat wij geene harde dingen zeggen van diezelfde menschen, tot wie God eenmaal zeggen zal: „Wel, gy goede en getrouwe dienstknecht.quot;

Maar waarom is het, dat God niet aan alle menschen ge-Ujke talenten heeft toebedeeld? Mi,jn eerste antwoord is: omdat God vrijmachtig is, en Hij, na zyne liefde, het meest behagen heeft in het tentoonspreiden zijner vrijmacht. De Heere God wil allen menschen doen weten, dat Hij het recht heeft met het zyne te doen wat Hij wil. Vandaar ook dat Hij verlossing en zaligheid schenkt aan sommigen en niet aan anderen, en zijn eenig antwoord op eene beschuldiging van onrechtvaardigheid luidt; „Maar toch, o mensch! wie zijt gij, die tegen God antwoordt? zal ook het maaksel tot dengenen, die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt gij mij alzoo gemaakt?quot; De worm moet niet murmureeren, omdat God hem geen engel gemaakt heeft, en de visch, die in de zee zwemt, moet niet klagen, dat hij geene vleugels heeft om hoog in de lucht te kunnen vliegen. God had het recht om zijne schepselen te maken zooals het Hem behaagde; en ofschoon de menschen Hem dit recht willen betwisten, zal Hij het toch ongeschonden handhaven tegen ieder. Ten einde nu dit zyn recht tegen aanranding te beschermen en het door den ijdelen, nietigen mensch te doen erkennen, herinnert Hij ons in alle zijne gaven voortdurend aan zijne vrijmacht. „Aan dezen mensch,quot; zegt Hü, „zal Ik zulk een scherpzinnig verstand geven, dat hij alle verborgenheden zal doorvorschen; en dien anderen mensch zal Ik zoo stompzinnig maken, dat niets dan de eenvoudigste beginselen van kennis of wetenschap tot zijn geest kunnen doordringen. Ik zal den eenen mensch begiftigen met zóó rijk eene verbeeldingskracht, dat hij bergen op bergen van beeldspraak zal stapelen, totdat zijne taal de hemelsche majesteit schijnt te naderen, en aan een ander zal Ik zulk een gewoon, alledaagsch verstand geven, dat nooit eene dichterlijke gedachte bij hem kan opkomen.quot; Waarom dit, o God? En het antwoord luidt: „Zal Ik met het mijne niet doen wat Ik wil?quot; „Als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve .... zoo werd tot haar gezegd: De meerdere zal den mindere dienen.quot; En zoo is er geschreven betreffende de menschen, dat de een grooter zal zijn dan de ander. De een zal zijn\' hals krommen, en de ander zal er zijn\' voet op plaatsen; want de Heere heeft het recht te beschikken over plaatsen en gaven, over talenten en rijkdom, zooals het goed schijnt ia zijne oogen.

Verre weg de meeste menschen nemen hier geen genoegen mede. Doch merk op, dat hetgeen waarover gij klaagt in God, juist iets is, dat gij in u zei ven lief hebt. Iedereen is er zich

134

-ocr page 146-

DE TWEE TALENTEN.

gaarne van bewust, dat hij het recht heeft met het zijne te doen wat hij wil. Allen willen wij gaarne souverein zijn. G-ij zult uw geld gewillig en mild aan de armen geven, maarzoo iotnand de onbeschaamdheid had van te zeggen, dat hij recht heeft op uw geld, zoudl gij het hem dan ook geven? Gewis niet! En wie zal dan daarom uwe vrijgevigheid in twijfel trekken ? Het is ook als in de gelijkenis in een der Evangeliën, waar, nadat de menschen hadden gearbeid, sommigen hunner gedurende twaalf uren, sommigen gedurende zes uren, en wederom anderen gedurende slechts één uur, de heer des huizes ieder één penning gaf. O! ik zou nederig mijn hoofd willen buigen en zeggen: „Heere, hebt Gij mij één talent gegeven? Zoo loof en dank ik U er voor, ik bid U, schenk mij de genade om het op de rechte wijze te gebruiken. Hebt Gij mijn\' broeder tien talenten gegeven ? Ik dank U voor de grootheid uwer goedheid over hem; maar ik wil noch hem benijden, noch mij over U beklagen.quot; O! dat wij immer de gezindheid hadden ons voor Gods vrijmacht te buigen!

En wederom: God geeft aan den eenen vijf, en aan den ander twee talenten, omdat de Schepper verscheidenheid bemint. Men heeft gezegd, dat des hemels eerste wet orde is, maar dan is de tweede gewis verscheidenheid, want in alle Gods werken heerscht de schoonste afwisseling. Heft des nachts uwe oogen op naar den hemel: de sterren schitteren niet allen met denzelfden glans, en zij zijn ook evenmin in rechte lijnen geplaatst zooals de lampen in onze straten. En slaat dan den blik nederwaarts: ziet welk verschil er heerscht in de plantenwereld, van den ceder op den Libanon tot den hijsop aan den muur, of het nog kleinere mosplantje. Zie van den hoogen, machtigen boom, onder welks takken geheel een leger schaduw zou kunnen vinden, op het fijne mos, aan uwe voeten, God heeft alles wonderschoon geformeerd, maar het is alles vol van afwisseling. Neemt welken boom gij wilt, geene iwee bladeren er van zullen volkomen op elkander gelijken ;

— ziet hoe zelfs de bladknoppen, die op den reuk van de naderende lente, zich beginnen te openen, nog van elkander verschillen. En ziet dan op de wereld der dieren: God heeft ze niet allen gelijk geschapen. Hoe groot is de afstand — tusschen den kolossalen olifant en het konijn, dat de rotsen omwoelt

— tusschen den walvisch, die de zee troebel maakt door de zwieping van zijn staart, tot het stekelbaarsje, dat in de beek zwemt. God heeft alle dingen verschillend gemaakt en overal zien wij verscheidenheid. Ik twijfel niet of het is zelfs in den hemel even zoo, want daar zijn „tronen en heerschappijen, en overheden en machtenquot; —■ verschillende rangen onder de engelen, de eene rij zich verheffende boven de andero. „deeene ster in heerlijkheid verschillende met de andere ster.quot; En

135

-ocr page 147-

DE TWEE TALENTEN.

waarom zou dezelfde regel niet ook gelden onder de menschen ? Heeft God ons allen in denzelfden vorm gegoten? Het schijnt van neen; want Hij heeft ons aangezicht niet aan elkander gelyk gemaakt. Geene twee aangezichten kunnen volkomen eender genoemd worden, want is er al gelijkenis, er is toch blijkbaar ook verschil. Zullen dan de geesten der menschen aan elkander gelijk zijn ? Zullen de zielen der menschen allen op dezelfde wijze geformeerd zijn. Zal Gods schepping verlaagd worden tot eene groote fabriek, waarin alles gesmolten wordt in hetzelfde vuur en uitgegoten wordt in den zelfden vorm ? Neen, om den wille der verscheidenheid, wil Hij den eenen mensch vermaard doen zijn, als David, en een ander Davids onbekende wapendrager doen blijven. Hij wil dat de een, een Jeremia zal zijn, die profeteert, en een ander een Baruch, die de profetie leest. De een zal rijk wezen, een ander arm, gelijk Lazarus. De een zal spreken met eene stem, zoo luid als de donder, een ander zal stom wezen. De een zal machtig wezen in woord en in leer, een ander zal zwak zijn in zijne sprake en langzaam in het vinden van woorden. God wil verscheidenheid. En de dag zal komen, wanneer wij, nederziende op de wereld, zullen ontwaar worden, dat de schoonheid van hare geschiedenis grootendeels toegescheven moet worden aan de verscheidenheid der karakters, die er in gekomen zijn.

Doch laat ons een\' stap verder gaan. God heeft hier nog eene diepere reden voor. God geeft aan sommige menschen slechts weinige talenten, omdat Hij vele kleine sfeeren heeft en deze vervuld wil hebben. Daar is een groote oceaan, hij behoeft bewoners. O Heere! gij hebt den Leviathan gemaakt om er in te zwemmen. Daar is eene verborgen grot, eene verscholen spelonk in de diepte der zee, derzelver ingang is slechts klein ; indien er geene andere zeedieren waren dan de Leviathan, dan zou zij voor altyd onbewoond moeten blijven maaier is een klein vischje geschapen, en voor dat kleine vischje is die plaats reeds een oceaan. Er zijn duizenden van takjes en twijgjes op de boomen in het woud; waren nu alle vogelen adelaars, hoe zou het woud dan vervroolijkt worden door hun lied, en hoe zou ieder takje of twijgje zijn\' zanger kunnen dragen ? Omdat God echter gewild heeft, dat elke twijg hare eigene muziek had, heeft Hij er den kleinen zanger voor gemaakt om er op te kunnen zitten. Elke sfeer moet bewoond worden door het schepsel, dat voor hare grootte of ruimte geschikt is. God handelt altyd met spaarzaamheid. Bestemt Hij een\' man om de herder en leeraar te zijn van eene kleine gemeente van misschien vier of vijf honderd zielen ? Waartoe zou het dan dienen hem de gaven en bekwaamheden van een\' apostel te geven? Bestemt Hij eene vrouw om de nederige on-

136

-ocr page 148-

DE TWEE TALENTEN.

derwijzeres te zün van hare eigene kinderen te huis, eene stille opvoedster van haar eigen gezin ? Zou het haar dan zelfs niet schaden en beroeren, indien God haar eene dichteres had gemaakt met de gave om geheel een volk te bezielen en in verrukking te brengen ? Het kleine, geringe van hare talenten zal haar juist geschikt maken voor het kleine van hare sfeer. Daar is een jongeling, die volkomen in staat is in eene have-looze school te helpen onderwijzen. Had hij nu een hoogeren, meer genialen aanleg, dan zou hy wellicht met minachting neerzien op dat werk, en zoo zou dan de havelooze school van haren voortreffelijken onderwijzer beroofd zyn. Er zijn kleine levenskringen, en dezen wil God door kleine, geringe lieden vervuld zien. Er zijn plaatsen van groote en gewichtige verantwoordelijkheid, en er zullen mannen van moed en geestkracht en groote bekwaamheid gevonden worden, die geschikt zijn voor dien arbeid. Hij heeft een beeld gemaakt voor elke nis, eene schilderij voor elk deel der galerij; geene enkele plaats zal ledig blijven ; daar echter sommige nissen zoo klein zijn, moeten ook de beelden klein wezen, die er in geplaatst worden. Aan sommigen heeft Hij twee talenten gegeven, omdat twee voor hen genoeg, en vijf voor hen te veel zouden wezen.

En wederom : God geeft aan sommige menschen twee talenten, omdat Hij in dezen zeer dikwijls de grootheid zijner genade ten toon spreidt in de behoudenis van zielen. Gij hebt gehoord van een\' predikant, die zeer geleerd was in de Schrift; hij bezat diepe wijsheid en had eene bevallige, aangename manier van spreken. Onder zijne prediking zijn er velen bekeerd geworden. Maar hebt gij nu nooit gehoord, hoe men — wel niet in zoo vele woorden zeide, — maar dan toch wel bedektelijk te kennen gaf, dat zijn voorspoed aan zijne geleerdheid en welsprekendheid toegeschreven moest worden? En van den anderen kant, daar is een man, ruw in zijne manieren en ruw in zijn spreken, en blijkbaar zonder eenig letterkundig talent, maar aan dezen man heeft God het ééne talent geschonken van een ernstig, vurig hart. Hij spreekt als een zoon des donders. In ruwe, strenge taal veroordeelt hij de zonde en verkondigt hij het Evangelie; en hij is het middel ter bekeering van honderden. De wereld bespot hem. „Ik kan niets verstandigs of redelijks in dit alles ontdekkenquot; zegt de geleerde; „het is alles onzin — fe-melarij, de man weet niets.quot; De criticus neemt zijne pen op, punt haar, en doopt haar in de bitterste gal, die htj kan vinden. En dan schrijft hij eene zeer aantrekkeiyke geschiedenis van dien man, waarin hij wel niet zoo ver gaat van te zeggen, dat hij hoornen ziet op zijn hoofd, maar toch schier alles op dat eene na. Hij is alles wat slecht is, en niets wat goed is. Hij brandmerkt hem. Hij is alledaagsch, hij is ijdel, hij is laag, hij

137

-ocr page 149-

de twee talenten.

is trotsch, hy is ongeletterd, hy is gemeen. Er is in geheel de taal geen woord, dat zijne slechtheid genoegzaam kan aanduiden, en daarom moet er maar een woord voor gemaakt worden. En nu, wat zegt de gemeente? Wat zegt de man zelf? „Ja, Heere, want nu moet de eer en heerlijkheid uwer wezen tot in eeuwigheid, daar Gij het onedele der wereld, en het verachte hebt uitverkoren, en hetgene niets is, opdat Gij hetgene iets is, te niet zoudt maken.quot; En zoo schijnt God somtyds meer eere te verkrijgen uit het kleine dan [ uit het groote, en ik twijfel niet, of Hij heeft sommigen van u met zoo weinig vermogen begaafd om goed te doen, met zoo weinig invloed en met zoo klein eene sfeer, op dat Hij in den laatsten grooten dag aan de engelen zal kunnen toonen, hoe veel Hij kan nederleg-genin een klein bestek. Gij weet, waarde vrienden, er zijn twee dingen, die altijd onze aandacht zullen trekken. Het eene is bekwaamheid, belichaamd in iets kolossaal groots. Wij zien een groot schip, een Leviathan, en wij staan er over verbaasd, dat de mensch het heeft kunnen vervaardigen. En op een ander maal zien wij een keurig flijn kunstwerk, dat minder dan eene vierkante duim ruimte inneemt, en wij zeggen : „Ik kan nog begrijpen, dat de menschen een groot schip kunnen maken, maar wat ik niet kan begrijpen, is, dat een kunstenaar het geduld en de bekwaamheid heeft, om zoo iets kleins voort te brengen.quot; O mijne vrienden, het komt mij voor, dat God niet grooterisin ons begrip, als wy de grenzenlooze aetheri-sche velden zien, en de tallooze werelden, die er in zweven, dan wanneer wij eene nederige hutbewoonster zien, en aanschouwen, hoe Gods woord volvoerd wordt in hare ziel, en hoe door haar klein, gering talent Gode de hoogste eer en heerlijkheid wordt toegebracht. Gewis, indien de mensch zich in het kleine kan eeren zoowel als in het groote, dan kan de Oneindige en de Eeuwige zich het meest verheerlijken, als Hij zich nederbuigt tot de geringheid van den mensch.

II. Onze tweede stelling was dat zelfs vaN weinige talenten eekenschap gegeven moet woeden. Als WÏj ous den dag des oordeels voorstellen, dan zijn wij zeer geneigd te denken, dat sommigen eene zwaarder vuurproef zullen hebben te doorstaan dan anderen. Ik heb meermalen, als ik de geschiederis van Napoleon las, onwillekeurig gezegd: „Hier is een man van ongehoorde bekwaamheid, de meester der wereld. Er zouden een dozijn eeuwen noodig zy\'n, om wederom zulk een\' man voort te brengen; maar hier is tovens een man, die zijne bekwaamheid veil heeft voor zijne eerzucht, zijne legerscharen als een zondvloed heenvoert over elk land, vrouwen tot weduwen, kinderen tot weezen maakt, niet bij honderden, maar bij duizenden, indien niet bij millioenen. Welk eene rekenschap zal die man hebben te geven, als hij voor Gods troon staat !

138

-ocr page 150-

DE TWEE TALENTEN.

139

Zullen de getuigen niet opstaan van de velden van Spanje en Rusland, van Italië en Egypte, en Palestina om dien man te beschuldigen, die, ten einde zijne eigene stoute eerzucht te bevredigen, hen ter dood heeft gevoerd ?quot; Maar wilt gij u herinneren, dat, ofschoon Napoleon als beschuldigde voor Gods rechterstoel zal hebben te staan, ook ieder onzer daar zal geplaatst worden? En ofschoon wij geene zeer hooge positie innemen, en wij niet op het toppunt van roem en macht waren, hebben wij toch hoog genoeg gestaan om onder het oog en de opmerkzame blikken des Allerhoogsten te komen, en wij hebben juist bekwaamheid en macht genoeg gehad om kwaad te kunnen doen in de wereld, en er verantwoordelijk voor te zyn. „O!quot; zegt iemand, „Ik dacht, dat God my in den dag des oordeels gewis wel voorbij zal gaan Ik ben geen Tom Paine (1) geweest; ik ben niet de leider geweest van ongeloovl-gen; ik ben geen moordenaar geweest; ik ben geen vorst of aanvoerder geweest onder de zondaren; ik heb den openbaren vrede niet verstoord. De enkele zonden, die ik heb bedreven, zijn in alle stilte geschied; niemand heeft er van gehoord, en ik denk niet, dat mijn slecht voorbeeld veel kwaad gedaan heeft. Mijne kinderen zijn wellicht niet zeer gezegend door mijn gedrag, evenwel, ik heb slechts zeer weinig kwaad gesticht, te weinig om er iemand, behalve mij zei ven, door te schaden. Ik heb over het geheel een zedelijk levensgedrag geleid, en ofschoon ik niet kan zeggen, dat ik God heb gediend, zoo is toch mijne afwijking van den weg des plichts zeer gering geweest!quot; O gewis, mijne vrienden, gij moogt u zoo klein maken, als gij wilt, maar al maakt gij u zeiven nog zoo onbeduidend, zal dit u toch niet verontschuldigen. Er is u slechts weinig toevertrouwd ! Dan was er ook zoo veel te minder moeite voor u om van uwe talenten een goed gebruik te maken. De man, die veel talenten heeft, heeft hard te werken om ze allen goed te besteden. Hij zou de verontschuldiging kunnen aanvoeren, dat hij vijf talenten te veel vond, om ze allen te gelijk naar de markt te brengen. Iedereen kan wel zijn een en eenig talent op rente zetten. Het zal u weinig moeite kosten hier de toepassing van te maken, en in zoo ver gij leeft en sterft, zonder met dat eene talent te hebben gewoekerd, zal uwe schuld des te zwaarder zijn juist door het feit, dat uw talent zoo gering was, en bijgevolg de moeite, om het te gebruiken, ook gering was. Indien gij slechts weinig hadt, heeft God ook slechts weinig van u geëischt; waarom hebt gij dat weinige niet gegeven ? Indien iemand een hu\'s huurt voor één pond in het jaar, al is het huis nu ook nog zoo klein voor het geld, zoo hij zijne huur niet opbrengt, dan is hij niet voor de helft

(1) Een vermaard ongeloovig schrijver.

-ocr page 151-

DE TWEE TALENTEN.

zoo te verontschuldigen, als wanneer zijne huur honderd pond had bedragen, en hij gefaald had te betalen. Juist van wege het weinige, dat van u geëischt werd, zjjt gij te minder te verontschuldigen. Laat mij u dan mogen herinneren, dat er rekenschap van u zal geëischt worden.

Herinner u, mijn hoorder, dat gij in den dag des oordeels persoonlijk rekenschap zult hebben af te leggen. God zal u niet vragen, wat uwe kerk gedaan heeft. — Hij zal u vragen, wat gij zelf gedaan hebt. Nu is daar eene zondagschool. Indien God alle leden der gemeente gezamenlijk zou ondervragen, van hen gezamenlijk, als één lichaam, rekenschap zou eischen, dan zou een iegelijk hunner zeggen: Heere, als een lichaam hadden wij eene voortreffelijke zondagschool en vele onderwijzeres, en aldus zouden zij zich dan verontschuldigen. Maar neen, één voor één moeten de belijders vóór Hem verschijnen. „Wat hebt gij voor de zondagschool gedaan ? Ik heb u de gave geschonken om kinderen te onderwijzen — wrat hebt gij gedaan ?quot; „Heere, er was eene zondagschool.quot; „Dat heeft hier niets mede van doen. Wat hebt gij gedaan ? Gij behoeft nu geene rekenschap te geven van het gezelschap, de gemeente, waartoe gij behoordet, maar van u zeiven als enkel persoon. „O!quot; zegt iemand, „er waren zoo vele arme predikanten daar in dit gebouw, toen er voor hen gecollecteerd werd, ik was er ook, en er werd zeer veel gegeven.quot; Ja, maar wat hebt gij gegeven ? Gij zijt persoonlijk verantwoordelijk voor uwe aardsche goederen, evenals voor uwe talenten, uwe gaven en bekwaamheden. „Het doet my genoegen,quot; zegt iemand, dat er heden ten dage veel meer gepredikt wordt dan vroeger, er schijnt meer leven te zijn gekomen in de gemeente.quot; Ja, vriend, en gij schijnt in de meening te verkeeren, dat ook aan u een deel van de eer hiervan toekomt. Predikt gij meer dan gij placht te doen ? Gij zijt een leeraar; streeft gij er naar om meer te doen dan vroeger? Gedenk, dat u niet van hetgeen uwe broederen doen, maar van hetgeen gij doet, rekenschap zal worden gevraagd voor den rechterstoel Gods, en dat aan een iegelijk uwer de vraag zal worden gedaan: „Wat hebt gij met mo talent gedaan ?quot; Al uw lidmaatschap der kerk zal u niets baten; het is uw persoonlijk doen ■— uw persoonlijk dienen van God dat van u geëischt wordt als blijk van zaligmakende genade. En zoo anderen traag zijn — zoo anderen aan God niet geven wat Hem toekomt — dan is dit eene reden te meer, waarom gij al uwe krachten hadt behooren in te spannen om het zelf te doen.

En wederom; herinner u, dat u van alles in het bijzonder rekenschap zal worden gevraagd. Op den dag des oordeels zult gij niet in der haast eene soort van algemeene rekening en verantwoording kunnen opmaken, neen, alle bijzondere

140

-ocr page 152-

DE TWEE TALENTEN.

posten zullen gelezen en nagegaan worden. Hebt gy hier voor een bewijs uit de Schrift? vraagt iemand wellicht. Ja. „Ik zeg u, dat van elk ijdel woord, hetwelk de menschen zullen gesproken hebben, zij van hetzelve zullen rekenschap geven in den dag des oordeels.quot; Het is juist in de bijzonderheden, dat de menschen te kort komen. „Als ik mijn leven overzie in zijn geheel,quot; zegt iemand, dan gevoel ik niet heel veel schaamte, maar het is in de afzonderlijke dingen, in de kleine bijzonderheden, dat ik moeite heb.quot; Weet gij, dat de dag van gisteren gansch en al door kleinigheden was ingenomen ? En de dingen van heden zijn klein, en wat gij morgen doen zult, het zullen allen kleine dingen wezen. Evenals de kleine, fijne schelpjes allen te zamen de krijtbergen vormen, en de krijtbergen allen te zamen den bergketen uitmaken, zoo maken de kleine, nietige daden en handelingen allen te zamen de rekening uit, en die allen moeten afzonderlijk worden beschouwd en nagegaan. Gij hadt onlangs eens een uur vrü — wat hebt gij er mede gedaan? Gij hadt eene stem — hoe hebt gij haar gebruikt? Gij hadt eene pen — gij kondet haar gebruiken — welk gebruik hebt gij er van gemaakt? Elke bijzondere zaak zal afzonderlijk worden behandeld, zal afzonderlijk verantwoord moeten worden. O dat gij wijs waart, dat gij niet licht over deze zaak heen liept, maar eiken toon in de muziek van uw levensgedrag naamt, en hem in harmonie trachtet te brengen met de andere tonen, opdat ten laatste uw levenspsalm geen afschuwelijke wanklank blijkt te zyn. O! dat gij, die nog zonder God zijt, wildet gedenken, dat uw leven gevasselijk van zulk een\' aard is, dat het rechtsonder-zoek ten laatsten dage in uwe veroordeeling moet eindigen.

En wederom: die rekenschap zal heel nauwkeurig wezen, en gij zult u van deze „kleine dingenquot; niet af kunnen maken. „O dat waren slechts geringe zonden, kleine, nietige aangelegenheden; ik heb er nooit de som van opgemaakt.quot; Maar te dien dage zal er wèl de som van worden opgemaakt. Als God ten laatste komt om in ons hart te zien, dan zal Hy niet slechts zijn oog laten gaan over het groote, maar ook over het kleine. Alles zal onderzocht worden, de zonde van een\' penning zoowel als de ongerechtigheid van ponden — alles zal tegen ons aangevoerd worden, van alles zullen wij nauwkeurig rekenschap hebben te geven.

Herinnert u hieromtrent nog dit eene, dat in den dag des oordeels, wanneer allen onderzocht zullen worden, zonder dat hierbij hun rang of stand in aanmerking genomen wordt, die rekenschap heel onpartijdig gegeven zal moeten worden. De vorst zal opgeroepen worden om rekenschap te geven van zyne talenten, en naast hem zullen zijn hoveling en zijn slaaf

141

-ocr page 153-

de twee talenten.

staan. De machtigste keizer moet even goed voor Gods rechterstoel staan als de geringste hutbewoner. Allen moeten verschijnen en geoordeeld worden naar de daden, die zij in het lichaam gedaan hebben. Wat onze belijdenis betreft, die zal ons van geenerlei nut zijn. Wy kunnen de hoovaardigste huichelaars geweest zijn, die ooit der wereld afkeer hebben ingeboezemd door onzen hoogmoed, maar wij moeten beproefd en doorzocht worden, even goed als of wij de snoodsten dei-openbare zondaren geweest waren. Wij moeten zeiven voor Gods rechterstoel worden onderzocht en niets kan onzen Rechter voorinnemen, of Hem buiten de bewijzen om, gunstig of ongunstig voor ons stemmen. O hoe ernstig en ontzaggelijk wordt hierdoor het onderzoek, dat wij hebben te ondergaan, inzonderheid als wij het bloed van Christus niet hebben om op te pleiten! De groote Voorspraak zal door zijne toegerekende gerechtigheid de vrijspraak verkrijgen van zijn volk, al zouden hunne zonden hen ook veroordeelen. Maar gedenkt, dat wij zonder Hem nooit in staat zullen zyn de vuurproef van die ontzettende rechtszitting te doorstaan. „Toen de wet gegeven werd,quot; zeide een prediker van ouds, „rookte de Sinaï en ver smolt als was; maar als de straf der wet zal toebedeeld wor den, dan zal de geheele aarde sidderen en vreezen. Want wie zal den dag des Heeren kunnen verdragen, den dag van Gods verbolgenheid ?quot;

HL Ons laatste punt is: indien door Gods genade (en het is alleen door Gods genade, dat dit ooit geschieden kan) onze

twee talenten op de rechte wijze gebruikt woeden, dan zal .het feit, dat wij er geene vijf hadden, ons niet in het minst schaden of benadeelen.

Als een man sterft, die in het midden der gemeente stond als een overwinnend strijder voor de waarheid, dan zegt gij, dat de engelen aan de poort des hemels zullen staan om hem te zien, want hij is een machtig held geweest, en heeft veel voor zijn\' Meester gedaan. Met wat gejuich zullen een Calvijn en een Luther begroet zijn! — mannen van vele en groote talenten, die getrouw zyn geweest, en met het hun toevertrouwde gewoekerd hebben. Ja, maar weet gij niet, dat er menig dorpsleeraar is, wiens gemeente nauwelijks vijftig zielen telt, die zyn gansche leven voor hen arbeidt en zwoegt, zijne uren doorbrengt in gebed voor hun welvaren, de weinige gaven, die hij heeft, allen gebruikt in zijn streven om hen voor Christus te winnen. Denkt gij, dat zyn intocht in den hemel minder triomfantelijk zal zijn dan die van een\'man als Luther? Zoo ja, dan weet gy nog niet hoe God handelt met zijn volk. Hij geeft hun hun loon, niet naar de grootte van het goed, dat hun toevertrouwd was, maar naar hunne trouw, en hij, die in het minste getrouw is geweest, zal even groot loon

142

-ocr page 154-

DE TWEE TALENTEN.

143

ontvangen, als hij, die in veel getrouw is geweest. Slaat nog eens een\' blik in dit hoofdstuk. Gij zult ten eerste opmerken, dat de man met de twee talenten even gerust tot zijn\' Heer kwam als de man, die vijf talenten had. „En hy zeide: Heere! twee talenten hebt gü mij gegeven; zie, twee andere talenten heb ik boven die gewonnen.quot; Ik durf wel zeggen, dat terwyl die arme man handel deed met zijne twee talenten, hij wel dikwijls op zijn\' buurman met de vijf talenten zal gezien hebben, zeggende: „O ik wenschte, dat ik even veel kon doen als hij! Zie, hij heeft vijf talenten om uit te zetten, hoe veel rente brengt hem dit niet elk jaar op! Ach! dat ik even veel kon doen als hij!quot; En terwijl hij voortging, heeft hij dikwijls gebeden: „O Heere, geef mij grooter bekwaamheid, en meerdere genade om U te dienen, want ik verlang er naar meer te doen.quot; En als hij nederzat om zijn dagboek te lezen, dacht hij, „Ach, dit dagboek zegt mij niet veel. Er wordt hier niet vermeld, dat ik dooi- vijftig landstreken gereisd heb. Ik kan niet, gelijk Paulus, verhalen, dat ik van land tot land ben getogen om de waarheid te prediken. Neen, ik kon niets anders doen dan op mijne plaats blijven in deze gemeente, waar ik schier van honger moest omkomen, terwijl ik arbeidde voor haar, en zoo ik tien of twaalf menschen tot de kerk heb mogen toebrengen, dan was dat al zeer veel voor mij. Ik hoor, dat Ds. Die en-die het voorrecht had van twee honderd in een jaar toe te brengen; o dat mij dit ook te beurt kon vallen! Gewis, als ik naar den hemel ga, dan zal ik op de eene of andere wijze door de deur zien te sluipen, terwijl hü door genade vrijmoedig in zal kunnen gaan, dragende zijne schoven.quot; Houd op, wacht een weinig, o kleingeloovige, houd op, uw Meester zal niet aldus met u handelen. Als gy komt te sterven, zult gij door zijne genade even gerust en vol vertrouwen sterven met uwe wel besteede twee talenten, als uw\' medebroeder met zijne tien, want als gij daar komt, zult gij in de vriendelijke tegenwoordigheid uws Heeren komen, en dan zult gy zeggen: „In Christus ben ik volmaakt. De gerechtigheid van Christus bedekt mij van het hoofd tot de voeten, en terug ziende op myn leven, kan ik zeggen: Geloofd zij zijn heilige naam. Het is weinig wat ik heb kunnen doen, maar zoo veel ik kon, heb ik voor Hem gedaan. Ik weet, dat Hij mijne gebreken en tekortkomingen zal vergeven, en ik zal nooit op mijne nederige predikantsplaats in het dorpje terug kunnen zien zonder groote vreugde te gevoelen, wyl de Heere mij vergund heeft daar te arbeiden.quot; O, het komt mij voor, dat die man zelfs eene nog grootere tevredenheid zal vinden in zyne eigene conscientie, dan de man, die in het openbaar werd toegejuicht, want, na al zijn vertrouwen op Christus gesteld te hebben, kan hy zeggen; „Ik weet, dat ik dit niet gedaan heb

-ocr page 155-

DE TWEE TALENTEN.

om roem of eer te winnen. Niemand heeft ooit van mijne daden gehoord of gelezen, wat ik gedaan heb bleef tusschen mij en mijn God, en ik kan er Hem rekenschap van geven en zeggen; „„Heere, ik deed het voor U, en niet om mij zeiven te eeren.quot;quot; Ja, mijne vrienden, ik zou u thans kunnen verhalen van menig ijverig evangelist in ons land, die harder werkt dan iemand onzer, maar er veel minder eer voor ontvangt. Ik zou u kunnen spreken van zeer vele stadszendelin-gen, wier arbeid voor Christus ver verheven is boven onzen lof, maar die hier op aarde nooit lof verwerven, ja, die niets dan smaad en verguizing ontmoeten. Gij ziet dien man zich op weg begeven, zoodra hij het bedehuis verlaat. Hij moet in den namiddag drie uren doorbrengen met het bezoek van kranken, en dan zult gij hem Maandagmorgen terug zien. Hij moet gaan van huis tot huis, waarbij hem echter dikwijls op de grofste wijze toegang wordt geweigerd. Meermalen is hü blootgesteld aan de beleedigingen en mishandelingen van het grauw, of van dronken lieden. Hij moet spreken met menschen van allerlei godsdienstige gezindten, en zeer dikwijls met menschen zonder eenige de minste godsdienstige gezindheid. Hü blüft voortzwoegen, en heeft zijne kleine avondbüeenkomst, en daar tracht hij met de weinige bijeen gekomenen te bidden, en nu en dan smaakt hij de vreugde van eens een\' man of eene vrouw tot bekeering te zien komen; maar eer verkrijgt hij niet. Die bekeerlingen brengt hij naar den wijkpredikant en zegt: „Dominé, hier is een man, die naar ik geloof, indrukken ten goede heeft ontvangen, wilt gij hem als lid uwer gemeente aannemen?quot; Die leeraar ontvangt er dan al de eer van, maar wat den armen stadszendeling betreft, van hem wordt weinig of niet gesproken. In het een of ander verslag wordt wellicht als ter loops zijn naam genoemd, maar de menschen denken niet veel aan hem, behalve misschien als iemand, aan wien zij barmhartigheid moeten bewijzen, terwijl hij eigenlijk de man is, die hun barmhartigheid bewijst, daar hij de kracht van zijn leven, zijn bloed, zijne ziel geeft voor een armzalig traktement, dat nauwelijks voldoende is om zijn gezin voor gebrek te bewaren. Maar, mijn vriend, als die man sterft, dan zal hij niet minder de goedkeuring van zijn geweten hebben, dan de man, aan wien het gegeven was voor groote scharen op te treden, en geheel een volk in beweging te brengen van wege den godsdienst. Hij zal voor den Meester verschijnen, bekleed met de gerechtigheid van Christus, en zonder schaamte op het gelaat zal hij zeggen: „Twee talenten heb ik ontvangen, zie, twee anderen talenten heb ik boven die gewonnen.quot;

En nu ten besluite: gij bemerkt, dat er geen verschil was in zijns Meesters lof, evenmin als in de belooning. In beide

144

-ocr page 156-

DS TWEE TALENTEN.

145

gevallen was het: „Wel, gü goede en getrouwe dienstknecht! over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heeren.quot; Hier komt Whitefleld, de man, die voor twintig duizend menschen tegelijk het Evangelie predikte, die in Engeland, Schotland, Ierland en Amerika voor de waarheid Oods heeft getuigd, en zyne bekeerlingen telt by duizenden, zelfs onder eene enkele prediking! Hier komt hy, de man, die smaad en vervolging heeft geleden, maar niet wankelde — de man, dien de wereld niet waardig was, die geleefd heeft voor zijne medemenschen, en eindeiyk voor hunne zaak is gestorven: Staat er by, o engelen, en bewondert, terwijl de Meester hem bij de hand neemt en zegt: „Wel, gu goede en getrouwe dienstknecht, gain, in de vreugde uws Heeren!quot; Zie, hoe de vrije genade den man eert, dien zü in staat stelde kloekmoedig te arbeiden. Hoort! Wie is het, die nu komt? Eene armoedige, vermagerde vrouw, die op aarde eene teringlijderes is geweest. Nu en dan was er eene koortsachtige blos op hare wangen, en gedurende drie lange jaren lag zij op het krankbed neder. Was zij eene vorstendochter? Want het schijnt, dat er om harentwil veel beweging is in den hemel. Neen, zij was een arm meisje, die met hare naald haar brood verdiende en zich dood gewerkt heeft! Van den morgen tot den avond was zij bezig met die naald, en hier komt zij nu. Zij is vóór haren tijd ten grave gedaald, maar zij komt in den hemel als eene korenschoof, die ten volle rijp is, en haar Meester zegt: „Wel, gü goede en getrouwe dienstmaagd, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws Heeren.quot; Zy neemt hare plaats in naast Whitefield. Vraag nu, wat zy ooit gedaan heeft, en gij zult vernemen, dat zij op een achter zolderkamertje heeft gewoond in een der duistere gangen van Londen, en dat een ander arm meisje by haar placht te komen werken, en dat dit arme meisje, toen zy voor het eerst by haar kwam, een onbezonnen, lichtzinnig schepsel was, en dat dit teringachtige kind haar van Christus sprak; en dat zij, als zij er wel genoeg voor was, des avonds te zamen naar de eene of andere kerk gingen. Het was in den beginne moeielijk om de andere mede te krijgen, maar zij placht haar met liefde te dringen, en als het meisje niet luisteren wilde, en haar eigen weg bleef gaan, dan gaf zij haar toch niet op. „O Johannaquot;, placht zy te zeggen, „ik wensch zoo, dat gij den Zaligmaker liefhadtquot;. En als Johanna er niet was, dan placht zy üoo/-haar te bidden; en als zij er wèl was, dan bad zyquot; met haar, en nu en dan, terwijl Johanna naaide, las zy haar eenige verzen voor uit den Bijbel, want de arme Johanna kon zelve niet lezen. En met vele tranen trachtte zij haar te spreken van den Zaligmaker, die haar lief had en zich voor haar had overgege-

10

-ocr page 157-

DE TWEE TALEKTËïf.

ven. Eindelijk, na menigen dag van moeitevolle overreding, en menige ure van droeve teleurstelling, en menigen nacht van tranen en gebed heeft zij het ten laatste beleefd, dat het meisje hare liefde voor Christus beleed; en zij verliet haar en werd ziek, en daar lag zij neder tot dat men haar naar het hospitaal\' bracht, waar zij stierf. Terwijl zij in het hospitaal was, had zij eenige tractaatjes, die zij placht te geven aan hen, die haar kwamen bezoeken. In den eersten tijd van haar verblijf aldaar stond zij nu en dan op van haar bed en ging naar eene stervende, en de verpleegster liet haar dit toe, totdat zy eindelijk zelve te ziek werd, en toen vroeg zij aan eene vrouw aan de andere zijde der zaal, die herstellende was en al uitging, of zij bij haar wilde komen, om haar een hoofdstuk uit den Bij bei voor te lezen. Niet dat zij hieraan behoefte had voor zich zelve, maar om harentwil, want zij dacht, dat wellicht haar hart getroffen zou worden onder het lezen. Eindelijk is dit arme meisje gestorven, ontslapen in Jezus; en de arme naaister zeide tot haar: „Wel gedaanquot;. Wat zou een aartsengel meer tot haar hebben kunnen zeggen? — „Zij heeft gedaan wat zij kon.quot;

Gij ziet alzoo, dat des Meesters lof en de eindelijke belooning voor alle mensohen gelijk zal wezen, die hunne talenten goed gebruikt hebben. O! indien er trappen van verschil zijn in de heerlijkheid, dan zal dit niet wezen overeenkomstig onze talenten, maar overeenkomstig onze getrouwheid in het gebruik er van. Of daar zulke trappen van verschil zijn zullen, weet ik niet, maar dit weet ik, dat tot hem, die den wil des Heeren doet, gezegd zal worden: „Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht, ga in, in de vreugde uws Heeren.quot;

146

-ocr page 158-

DE SCHAPEN EN DE BOKKEN

OF

HET LOON DER RECHT VAARDIGEN.

„Kn wanneer de Zoon des menschen komen zal in zijne heerlijkheid, en f...*?6 . ,e^\'Se engelen met hem. dan zal hij zitten op den troon zijner heerlijkheid. En voor hem zullen al de volken vergaderd worden, en hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt. En hij zal de schapen tot zijne rechterhand zetten, maar de bokken tot zijne linkerhand. Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot zijne rechterhand zijn; Komt, gij g.!zogenden mijns Vaders! beërft dat koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld. Want ik ben honge-ng geweest^ en gij_ hebt mij te eten gegeven; ik ben dorstig geweest en gij hebt mij te drinken gegeven: ik was een vreemdeling, en gij hebt mij geherbergd; ik^ was naakt, en gij hebt mij gekleed, ik ben krank geweest, en gij hebt mij bezocht; ik was in de gevangenis, en gij zijl tot mij geko-men-\' JIatth. XXV: 31—36.

Het is uiterst heilzaam voor onze ziel, om zich boven de tegenwoordige booze wereld te verheffen tot iets, dat edeler en beter is. De zorgvuldigheden dezer wereld en de verleiding des rykdoms kunnen allicht alles wat goed is in ons, verstikken, en dan worden wü gemelijk en zwartgallig, wellicht ook hoogmoedig en vleeschelijk gezind. Het is ons nuttig deze doornen en distelen weg te snijden, want het hemelsche zaad, dat er onder gezaaid wordt, zal niet licht een\' oogst opleveren, en ik ken geene betere sikkel, om ze weg te snijden, dan de gedachte aan het toekomend koninkrijk. In de Zwitsersche valleien zijn vele inwoners dwergachtig en mismaakt, en allen hebben een ziekelijk voorkomen, omdat de atmosfeer er bezwangerd is met miasma. De lucht is er bedompt, omdat zy er niet vrijelijk kan circuleeren. Gij doorreist deze valleien zoo snel gij slechts kunt, en zijt blijde er aan te ontkomen. Daar boven op de bergen zult gij een kloek gebouwd ras van menschen vinden, die de heldere frissche lucht inademen, gelijk zij van de maagdelijke sneeuw der Alpentoppen tot hen komt. Het zou voor het lichaamsgestel van de bewoners dier valleien heel goed wezen indien zij dikwijls hunne woningen in de moerassen en de koorts»

-ocr page 159-

DE SCIfAtEN ÈN bE BOÉKEN, OF

nevelen konden verlaten, om eenigen tijd in de zuivere, heldere atmosfeer op de hoogten te kunnen verwijlen. Het is tot zulk een heldenfeit van bergbeklimming, dat ik u heden uit-noodig. Moge de Geest Gods ons dragen als op arendswieken, opdat wij van de nevelen der vreeze en de koorts der bezorgdheid weg komen, en van alle de kwalen en plagen, die zich bijeen vergaderen in deze vallei der aarde, en tot de bergen komen der toekomstige blijdschap, waar het ons een genoten verlustiging is eeuwiglijk te wonen! O moge God ons voor eene wijle losmaken uit de strikken der verwarring, moge Hij de koorden doorsnijden, die ons hier beneden vasthouden, en ons aldus veroorloven op te stijgen! Sommigen van ons zijn als aan de rots geketende adelaars, behalve dat wy, gansch ongelijk aan den adelaar, onze keten lief beginnen te krijgen, en, ais het er eens wezenlijk op aankwam, er afkeerig van zouden wezen haar te zien verbreken. En indien wij, wat ons lichaam betreft, aan de keten des sterfelijken levens nog niet kunnen ontkomen, zoo moge God door zijne genade onzen geest er van bevrijden; en het lichaam als een dienstknecht aan den voet des bergs latende, onze ziel, gelijk Abraham, naar den top des bergs klimmen, om daar gemeenschap te oefenen met den Allerhoogste.

Terwijl ik mijn\' tekst voor u verklaar, zal ik heden ten eerste uwe aandacht bepalen bij de omstandigheden, die het beloonen der rechtvaardigen omringen, ten tweede, bij hun deel; en ten derde bij de personen zeiven.

148

I. Er is zeer veel uit deze omstandigheden te leeren. Wij lezen: „Wanneer de Zoon des menschen komen zal in zijne heerlijkheid.quot; Hier uit blijkt dus, dat w\\j niet terstond ons loon moeten verwachten, maar „gelijk de daglooner onzen dagquot; moeten .,vervullenquot;(l) en dan zullen wij des avonds onzen penning ontvangen. Maar al te vele Christenen verwachten eene onmiddelijke belooning voor hun\' arbeid, en als zij voorspoed hebben, beginnen zij er op verzot te worden, alsof zij hun loon haddenquot; ontvangen. Gelijk de discipelen, die terugkeerden, zeggende: „Heere, ook de duivelen zijn ons onderworpenquot;, verblijden zij zich te uitsluitend in hun\' tegenwoordig welslagen; \'terwijl de Meester hun zeide, dat zij dezen wonderen voorspoed niet moesten beschouwen als hun loon, daar zij dien wellicht niet altijd zouden hebben. „Verblijdt u daarin nietquot;, zeide Hij; „maar verblijdt u veel meer, dat uwe namen geschreven zijn in de hemelen.quot; Voorspoed in zijn dienstwerk is van den Christenleeraar niet het wezenlijk loon, het is slechts een voorsmaak, het eigenlijke loon wacht hem nog. De goedkeuring uwer medemenschen moet gij niet be-

(1) Job 14: G nair de Engelsche overzetting.

-ocr page 160-

HKT LOON DEK RECHTVAARDIGEN.

schouwen als het loon op voortreffelijkheid, want zeer dikwijls zal het tegenovergestelde uw deel zijn. Gij zult ervaren, dat uwe beste daden verkeerd uitgelegd, en uwe beweegredenen in een valsch daglicht gesteld worden. Indien gij verwacht uw loon hier op aarde te zullen ontvangen, dan moet ik u herinneren aan het woord des apostels: „Indien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zoo zijn wij de ellendigste van alle menschenquot;, omdat andere menschen hun loon krijgen; zelfs de Farizeër, „Voorwaar zeg ik u: zij hebben hun loon weg;quot; maar wij ontvangen het hier niet. Veracht en verworpen te zijn door de menschen, dat is des Christens lot. Onder zijne mede-Christenen zal hij niet altijd een\' goeden naam hebben. Het is niet altijd onvermengde liefde en vriendelijkheid, die wij van de heiligen ontvangen. Ik zeg u, dat, zoo gij zelfs van Christus\' bruid uw loon verwacht, het u ontgaan zal. Indien gij denkt van de hand uwer broederen uwe kroon te zullen ontvangen, van uwe broederen in de bediening, die uwen arbeid kennen, en medegevoel behoorden te hebben met uwe beproevingen, dan zult gij u vergissen. „Als de Zoon des menschen komen zal in zijne heerlijkheidquot;, dan is het tijd voor u om uw loon te ontvangen; maar niet heden, niet morgen, te geener tyd in deze wereld. Acht niets van hetgeen gy verkrijgt —geene eer, die u ten deel valt — als het loon van uwen dienst aan uwen Meester; dai is weggelegd voor den tijd, „wanneer de Zoon des menschen komen zal in zijne heerlijkheid.quot;

Let met vreugde op den verheven Persoon, door wiens hand het loon wordt gegeven. „Er is geschreven: „Wanneer de Zoon des menschen komen zalquot;. Broeders, wij hebben des Konings hovelingen lief, het is ons eene zielsverlustiging tot hen gerekend te mogen worden. Het is geene geringe zaak Hem te dienen, wiens hoofd „ofschoon eens met doornen gekroond, thans gekroond is met eer en heeriykheid.quot; Maar het is eene heerlijke gedachte, dat het werk van ons te beloonen niet aan de hovelingen zal worden over gelaten. De engelen zullen daar wezen, en de broederen des Konings zullen daar wezen, maaide hemel is niet bereid door hen, en kan ook door hen niet geschonken worden. Hunne hand zal onze kroning niet verrichten; wij zullen instemmen met hun lied; maar hun lied zal geen loon voor ons wezen. Wij zullen ons nederbuigen met hen, en zij met ons; maar het zal hun niet mogelijk zyn ons de vergelding des loons te schenken. Die sterrenkroon is te zwaar voor de hand eens engels om haar tot ons te brengen, en de zegen to liefelijk, om zelfs door de lippen eens Serafs te worden uitgesproken. De Koning zelf moet zeggen: „Wel, gy goede en getrouwe dienstknecht.quot; Waarde broeder, wat zegt gij hiervan? Gy gevoeldet de verzoeking naar Gods dienstknechten op te zien, uit te zien naar de goedkeuring van

149

-ocr page 161-

DE SCHAPEN EN DE BOKKEN, OF

den leeraar, den vriendeHjken blik van ouders, naar een woord van lof van uwen medearbeider. Dit alles waardeert gij, en hierom zal ik u niet laken; maar dit alles kan u falen, en daarom moet gij er nooit naar uit zien als naar het loon. Gy moet wachten tot den tyd, wanneer de Zoon des menschen komen zal, en dan zullen het noch uwe broederen, noch uwe leeraren, noch uwe ouders, noch uwe helpers, maar de Koning zelf zijn, die tot u zeggen zal: „Komt, gy gezegendenquot;. Hoe dit den hemel liefelijk maakt! Het zal Christus\' eigene gave zijn. Hoe dit den zegen dubbel zegenrijk maakt! Hij zal vloeien van zijne lippen, die druppende zijn van mirre en overvloeiende van honing. Geliefden, het is Christus, die een vloek voor ons is geworden, die ons den zegen schenken zal.

Het karakter, waarin onze Heere Jezus zal verschijnen, is veelbeteekenend. Jezus zal dan geopenbaard worden als de wezenlijke Koning. Het was aan Hem, als Koning, dat de dienst bewezen werd, en het is van Hem, als Koning, dat de belooning moet komen; en zoo rijst dan reeds bij den aanvang eene vraag van zelfonderzoek: „De Koning zal de dienstknechten van een ander vorst niet beloonen — ben ik nu zijn dienstknecht? Is het myne vreugde te wachten aan zijne poort, en — gelyk Mordechai in het voorhof van Ahasveros — neder te zitten aan den dorpel zijner deur? Zeg, o mijne ziel, dient gy den Koning?quot; Ik bedoel niet de koningen en koninginnen der aarde; laat hen trouwe dienstknechten tot onderdanen hebben; maar de heiligen zijn de dienstknechten van den Heere Jezus Christus, den Koning der koningen — zyt gij dit? Indien niet, dan kan er, als de Koning komt in zijne heerlijkheid, voor u geene belooning zijn. Ik verlang in mijn eigen hart Christus\' koninklijk ambt meer dan ooit te erkennen. Het is mij eene verlustiging geweest, Christus aan het kruis voor u te prediken, en „het zy verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christusquot;; maar ik verlang voor mij zeiven Hem te kunnen realiseeren op zijn\' troon, heerschende in mijn hart, het recht hebbende met my te doen, wat Hem behaagt, opdat ik in den toestand moge geraken van Abraham, die, toen God sprak, al was het om hem te zeggen zyn\' zoon Izak te offeren, nooit eene vraag opwierp, maar eenvoudig zeide: „Hier ben ik.quot; Geliefden, streeft er naar u van de regeerende macht des Konings bewust te zijn, want als gij Hem niet kent als Koning, kan Hij, wanneer Hjj komt, u niet kennen als dienstknechten; en het is alleen aan den dienstknecht, dat de Koning de belooning kan schenken, waarvan gesproken wordt in den tekst; — „Als de Zoon des menschen,quot; de Koning, „komen zal.quot;

En nu, laat ons voortgaan. „Wanneer de Zoon des menschen zal komen in zijne heerlijkheid.quot; De volheid hiervan kunnen

150

-ocr page 162-

het loon dkr bechïvaaedigen.

151

wy ons onmogelijk voorstellen. Maar dit weten wij, — en het is het liefelijkste, dat wij kunnen weten, — dat, zoo wij gemeenschap hebben aan de versmaadheid van Jezus, wij ook dealen zullen in de heerlijkheid, die Hem zal omringen. Zijt gij, geliefde, één met Christus Jezus? Zijt gij van zijn vleesch en zijne beenen? Zijt gij door eene levende eenheid met Hem verbonden? Dan zijt gij heden met Hem in zijne schande; gij hebt zijn kruis opgenomen, en zijt met Hem buiten de legerplaats gegaan, zijne versmaadheid dragende, en dan zult gij ongetwijfeld ook met Hem wezen, als het kruis verwisseld wordt voor de kroon. Maar oordeel heden u zeiven. Indien gij niet met Hem zijt in de wedergeboorte, dan zult gij ook niet met Hem wezen, als Hij zal komen in zijne heerlijkheid. Indien gij terugdeinst voor de donkere zijde der gemeenschap, dan zult gij er het heldere, schitterende tydperk ook niet van kennen, als de Koning zal komen in zijne heerlijkheid en al zijne heilige engelen met Hem. Hoe! zijn er engelen met Hem ? Toch heeft Hij de engelen niet aangenomen, Hij heeft het zaad Abrahams aangenomen. Zijn de heilige engelen met Hem? Welaan, mijne ziel, dan kunt gij niet ver van Hem verwijderd zyn. Indien zijne vrienden en geburen te zamen worden geroepen om zijne heerlijkheid te zien, wat dunkt u dan, als gij aan Hem gehuwd zijt? Zult gij verre zijn? Ofschoon het een dag des oordeels is, kunt gij niet verre zijn van het hart, van Hem, die de engelen toegelaten hebbende tot gemeenzaamheid, zich met u heeft vereenigd, hetgeen zoo oneindig groo-ter is. Hoeft Hij, o mijne ziel, niet tot u gezegd: „Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; ja Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheid?quot; Hebben zijne eigene lippen niet gezegd: „Mijn lust is aan u?quot; Indien dan de engelen, die slechts zijne vrienden en naburen zijn, met Hem zullen wezen, dan is het vol komen zeker, dat gij, zijne ondertrouwde, in wie Hij lust heeft, nabij Hem zult wezen en deelen zult in zijne heerlijkheid. Het is wanneer Hij komt in zijne heerlijkheid, en wanneer zijne gemeenschap met de engelen bepaald en duidelijk erkend zal zijn, — dat zijne eenheid met zijne Kerk openbaar en van allen gezien zal worden. „Dan zal hij zitten op den troon zijner heerlijkheid.quot; Hier is eene herhaling van dezelfde reden, waarom het uw tijd en mijn tyd zou wezen om het loon van Christus te ontvangen, indien wij onder zijne getrouwe volgelingen gevonden worden. Wanneer Hij gezeten is op zijn\' troon, dan zou het niet voegen, dat zijne eigene geliefden nog in het slyk op de straat staan. Toen Hij op de plaats der schande stond, waren zij met Hem, en nu Hij op den gouden troon is, be-hooren zij ook met Hem te wezen. Er zou geene eenheid wezen, — de vereeniging met Christus zou uit niets dan louter

-ocr page 163-

de schapen en de bokken, of

woorden bestaan, indien het niet zeker ware, dat wanneer Hij gezeten zal zyn op zün\' troon, ook zy met Hem op den troon zullen zijn.

Maar ik wensch u nog op eene bijzondere omstandigheid te wijzen met betrekking tot den tijd der belooning. Het zal wezen, wanneer Hij de schapen van de bokken zal hebben gescheiden. Indien ik een kind van God ben, dan kan ik mijn loon niet ontvangen, zoolang ik nog in vereeniging ben met de goddeloozen. Zelfs op aarde zult gij het meeste genot hebben van Christus, wanneer gü het meest afgescheiden zyt van de wereld. Weest er van verzekerd, dat, ofschoon dat afgezonderde, eenzame pad niet gemakkelijk schijnt, en het u gewis vervolging en het verlies van vele vrienden zal bezorgen, zoo is het toch daar het gelukkigste wandelen. Gij Christenen, die der wereld gelijkvormig zijt; gij, die tot op zekere hoogte, in de vreugde en vroolijkheid der wereld kunt deelen; zooals gij nu zijt, kunt gij nooit de innerlijke blijdschap kennen van hen, die in eenzame, doch liefelijke gemeenschap leven met Jezus. Hoe dichter gij nadert tot de wereld, hoe verder gij van Christus af zijt; en ik geloof, dat, hoe beslister een scheid-brief gij geeft aan elk aardsch voorwerp, waarop uw hart zich zou kunnen zetten, hoe inniger uwe gemeenschap zal wezen met den Heere. „En vergeet uw volk en uws vaders huis, zoo zal de Koning lust hebben aan uwe schoonheid, dewijl Hy uw Heere is, zoo buig u voor Hem neder.quot; Voordat de Koning de schapen van de bokken scheidt, zal Hij niet zeggen: „Komt, gÜ gezegendenquot;, en dit feit is van groote beteekenis. En ofschoon de rechtvaardigen als van het lichaam ontdane geesten zaligheid zullen genieten, zal toch hunne zaligheid niet volkomen vervuld zijn, voordat de groote Herder zal verschenen zijn, om hen eens voor al door eene groote klove, waarover men niet heen kan, te scheiden van alle samenvoeging met de natiën, die God vergeten. Welnu geliefden, al deze omstandigheden te zamen genomen, komen hierop neder, dat het loon van Christus te volgen niet is voor heden, niet is onder de kinderen der menschen, niet is van menschen, zelfs niet is van de voortreffelijken der aarde, ja ons ook niet door Jezus wordt geschonken, zoo lang wij nog op aarde zjjn, maar dat de heerlijke kroon des levens, die des Heeren genade aan zijn volk zal schenken, weggelegd is tot aan zijne wederkomst, „wanneer de Zoon des menschen komen zal in zijne heerlijkheid, en al de heilige engelen met hem.quot; Wacht geduldig, wacht in blijde hope, want Hij zal komen, en gezegend is de dag zijner verschijning.

II. Wy wenden ons thans tot ons tweede punt — het deel zelf. Elk woord is van groote beteekenis. Ik zal niet beproeven er alles van te zeggen, wat er van te zeggen is, maar er slechts een\' vluchtigen blik op slaan. Het loon der rechtvaar-

152

-ocr page 164-

HET LOOf DER RECHTVAARDIGEN.

153

digen wordt aangetoond in de liefdevolle zegening, die door den Meester over hen wordt uitgesproken, maar zelfs hunne plaats geeft er hun reeds eene aanduiding van. Hij stelt de schapen aan zijne rechterhand. De hemel is eene plaats van de verhevenste waardigheid, die met gezag toegekend wordt, en waarin het goddelijk welbehagen openlijk wordt genoten. Gods heiligen zijn altijd aan zijne rechterhand overeenkomstig het oordeel des geloofs, maar hiernamaals zal dit duidelijker worden geopenbaard. Het behaagt Gode nabij zijn volk te wezen, en hen in zijne nabijheid in eene plaats van beschutting te stellen. Somtijds schijnt het, alsof zij aan zijne linkerhand waren. Sommigen van hen hebben ongetwijfeld minder gemak, minder behaaglijkheid des levens dan de wereldlingen. „Ik heb gezien een\' gewelddrijvenden goddelooze, die zich uitbreidde als een groene inlandsche boom.quot; „Hunne oogen puilen uit van vet; zü hebben meer dan het hart kan begeerenquot; (1) ter-terwijl aan zynvolk dikwijls „wateren eens vollen bekers worden uitgedrukt,quot; en hunne spijs en drank als met gal en alsem bitter worden gemaakt. De wereld is thans onderst boven gekeerd. Het Evangelie heeft begonnen haar met de rechte zijde naar boven te brengen ; maar als de dag der genade voorbij, en de dag der heerlijkheid daar is, dan zal de wereld eens voor goed recht gesteld worden. Dan zullen zij, die in schaapsvellen en geitenvellen hebben gewandeld, bekleed worden met een blinkend gewaad, daar zij, gelijk de Heiland op den berg Tabor, van gedaante zullen veranderd worden. Dan zullen zij, welker de wereld niet waardig was, komen tot eene wereld, die hunner wèl waardig is. Dan zullen zy, die voortgedreven werden naar de vlammen op de brandstapels, triomfeeren met vurige wagenen en vurige paarden, en den glans verhoogen van huns Meesters heerlijke verschijning. Ja, geliefden, gü zult eeuwiglijk het voorwerp wezen van het welbehagen Gods, niet slechts in verborgen gemeenschapsoefening, neen, uw staat en heerlijkheid zullen geopenbaard worden voor de kinderen der menschen. Uwe vervolgers zullen op de tanden knarsen, als zü u de eereplaats zien innemen aan zijne rechterhand, terwijl zij, ofschoon zij op aarde veel grooter en voornamer waren dan gij, veroordeeld zullen worden tot do laagste plaats. Hoe zal de „rijke manquot; zich ergeren en kwellen, als hij Lazarus, den verachten bedelaar op den mesthoop, thans ziet nederzit-ten aan de rechterhand des eeuwigen en ontsterfelijken Konings! De hemel is eene plaats van waardigheid. „Daar zullen wij wezen als de engelen,quot; zegt iemand, maar ik weet. dat wü nog meerder zullen wezen dan zij. Is er niet geschreven van Hem, die in alle dingen onze Vertegenwoordiger is: „Gij hebt

(1) Psalm 73: 7 naar de Engelsche overzetting.

-ocr page 165-

DE SCHAPEN ES DE BOKKEN, OF

alles onder zijne voeten gezet?quot; Zelfs de serafim, de zoo rijk gezegenden, wat zijn zij anders dan „gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden, om dergenen wille, die de zaligheid beërven zullen ?quot;

Maar wenden wij ons tot het welkom, uitgesproken door den Rechter. Het eerste woord is „Ju»?^.quot;Het is het symbool des evangelies. De wet zeide: „Gaatquot;; het evangelie zegt „Komt.quot; De Geest zegt hetinuitnoodiging; deBruid zegt het in voorbidding. „Die het hoort, zegge : Kom.quot; Zeg het voortdurend, zeg het met ijver, span alle krachten in om de blijde boodschap bekend te maken. Daar Jezus zegt: „Komt!quot; begrijpen wij, dat het wezen des hemels gemeenschap is. „Komt!quot; Gij zijt nabij genoeg gekomen om te zeggen : „Heere, wij gelooven, kom Gij ons ongeloof te hulp !quot; Aan het kruis hebt gij op Mij gezien en werdt verlicht. Gij hadt gemeenschap met Mij in het dragen van mijn kruis, komt! Komt altijd! Komt voor altijd! Komt op uit uwe graven, gij verrezenen ! Komt van uit het midden der ongodvruchtigen, gij geheiligden! Komt vanwaar gij u in uwe verootmoediging nedergeworpen hebt voor den grooten witten troon! Komt, om mijne kroon te dragen en met Mij te zitten in mijn\' troon! O het is de hemel, die in dat woord schuilt. Het zal uwe eeuwige vreugde wezen den Heiland tot u te hoo-ren zeggen; „Kom.quot; Ik betuighet voor ulieder aangezicht, dat mijne ziel somwijlen zóó vervuld was van blijdschap, dat ik mij niet meer kon inhouden, ais mijn beminde Heere tot mijne ziel gezegd heeft; „Kom,quot; want Hij heeft mij in zijne feestzaal gebracht, en zijne banier der liefde wapperde boven mijn hoofd, en Hij heeft mij weggenomen van uit de wereld met hare zorgen en hare vreeze, met hare beproevingen en hare geneugten, en opgevoerd naar „den top van Amana, den top van Senir en van Hermon,quot; waar Hij zich aan mij heeft geopenbaard. Als dit „Komquot; van des Meesters lippen tot uw ooi-zal komen, dan zal er geen vleesch meer zijn om u terug te trekken, er zal geene traagheid van geest wezen, geene be-zwaardheid van hart; gij zult dan eeuwiglijk komen. Gij zult dan niet opklimmen, om wederom af te dalen, maar irame; voortgaan met hooger op te klimmen in één afgebroken, zalig Excelsior, voor eeuwig en altoos. Het eerste woord duidt aan, dat de hemel een staat van gemeenschap is. — „Kom.quot;

En dan heet het; „Komt gij gezegenden,quot; hetgeen eene duidelijke verklaring is, dat de hemel een staat is van gelukzaligheid. Zij kunnen niet méér gezegend zijn, dan zij reeds zijn. Zij hebben de begeerte huns harten; en ofschoon hunne harten ruimer werden, en hunne begeerten zich hebben uitgebreid door in te komen in het Oneindige en bevrijd te zijn van de beperkende invloeden des bederfs en des tijds, toch zullen zij, ook wanneer hunne begeerten geene grenzen meer zullen ken-

154:

-ocr page 166-

HET LOON DER EECIITVAAIiDIGEN. 155

nen, al de zaligheid ontvangen, die hunne ziel zich bij mogelijkheid kan denken of voorstellen. Zoo veel weten wij — z;j zijn volkomen gelukzalig. Gij bemerkt, dat hunne zaligheid niet voortkomt uit een geneugte van ondergeschikten aard. maar van de groote oorspronkelijke Bron van alle goed. „Komt, gij gezegenden mijns Vaders.quot; Zij drinken den onvermengden wijn aan de wijnpers zelve, waar hij uit de druiven vloeit. Zij plukken de hemelsche vruchten van de onverwelkelijke takken des onsterfelijken booms. Zij zullen zitten aan de fontein en de wateren drinken, zooals zij met ongeëvenaarde frischheid uit de diepten voortkomen van het hart Gods. Zij zullen zich niet koesteren in de stralen der zon, maar zij zullen wezen als Uriel, de engel in de zon. Zij zuilen wonen in God, en zoo zal hunne ziel verzadigd worden met goedgunstigheid, ja verzadigd worden door zijne tegenwoordigheid en zegening.

En merk wederom, dat het volgens de woorden, die gebezigd zijn, een staat is, waarin zij hun recht zullen erkennen om daar te zijn ; een staat dus van volmaakte vrijheid, gerustheid en onbeschroomdheid. „Beërft dat koninkrijk.quot; Niemand is bevreesd datgene te zullen verliezen, wat hij door erfrecht van zijne ouders ontvangt. Indien de hemel eene zaak ware, die men moet verdienen, dan zouden wij vreezen, dat onze verdiensten, danr niet toereikend voor zouden zijn, en dat er dan eens een Acte van Appel zou uitgevaardigd worden, waardoor wij ontzet zouden worden uit de bezitting. Maar wij weten wiens kinderen wij zijn, wij weten wiens liefde het is, die ons hart verblijdt, en als wij het koninkrijk „beërven,quot; dan zullen wij daar binnen gaan, niet als vreemdelingen, maar als zonen, die tot hun geboorterecht komen. Die gouden straten en paar-len poorten aanschouwende, zullen wij de bewustheid hebben van te huis te zijn in onze eigene woning, en recht te hebben — geen verdiend recht, maar genaderecht — op alles wat daar is. Het zal een staat wezen van hemelsche gelukzaligheid. De Christen zal er zich van bewust zijn, dat wet en gerechtigheid aan zijne zijde zün. en dat het deze strenge hoedanigheden waren, even goed als de hoedanigheden van goedertierenheid en genade, die hem daar gebracht hebben. Maar door het woord „beërftquot; wordt hier het volle bezit en genot aangeduid. In zekeren zin hadden zij te voren reeds beërfd, maar evenals een erfgenaam, wanneer hij meerderjarig is, zijn eigen geld begint uit te geven en zij n eigen land verhuurt, zoo gaan ook zü in tot hunne erfenis en nemen er bezit van. Wij zijn thans nog niet volwassen, niet meerderjarig, en daarom zijn wij ook nog niet in het volle bezit onzer erfenis gesteld. Doch wacht eene wijle; deze grijze haren, mijne broeders, duiden aan, dat gij rijp begint te worden. Deze mijne nog jeugdige lokken toonen mij helaas, dat ik nog voor eene wijle hier moet blij-

-ocr page 167-

DE SCHAPEN EN DE BOKKEN, OF

ven, maar toch! ik weet het niet, de Heere kan mij spoedig vergunnen te ontslapen met mijne vaderen. Maar, vroeger of later — het zy gelijk het Hem behaagt — eens zullen wij het schoone land in bezit nemen. Indien het nu liefelijk is erfgenaam te zijn, terwijl gij minderjarig zijt, wat zal het dan wezen erfgenaam te zijn wanneer de volle mannelijke leeftijd bereikt is ? Indien het bloote denken aan den hemel de ziel in verrukking brengt, wat moet het dan wezen daar te zijn, zich te kunnen baden in de volle stroomen der gelukzaligheid ? Van den wijn des hemels even te drinken, gelijk ons dit somwijlen vergund wordt, verblijdt ons hart zóó zeer, dat wy niet weten hoe onze vreugde uit te drukken; maar wat zal het zijn, dien wijn te drinken met volle teugen, en voor altijd aan des Heeren tafel aan te zitten, te weten, dat het feestmaal nooit zal eindigen, de bekers nooit ledig zullen zijn, en dat er op het laatst geen slechter, maar, indien mogelijk, nog immer beter wijn voorgebracht zal worden ?

Het woord „koninkrijk,quot; dat daarna komt, duidt denrykdom aan van de erfenis der heiligen. Het is geen klein goed, geen gelukkig hoekje in verborgenheid of onbekendheid. Ik hoorde eens een vroom man zeggen, dat hij tevreden zou wezen met een hoekje achter eene deur. Ik niet. De Heere zegt, dat wy een fccminA;n}\'A: zullen beërven. Wij zouden niet tevreden zijn met eene mindere erfenis, omdat minder dan dit niet voegen zou b;j ons karakter. „Hij heeft ons Gode gemaakt tot koningen en priesters,quot; en wij moeten voor eeuwig regeeren, of anders even ongelukkig zijn als onttroonde vorsten. Een koning zonder koninkrijk zou een ongelukkig mensch wezen. Indien ik niets dan een arme dienstknecht was, dan zou een kamertje in een armhuis eene weldaad voor wij wezen, want het zou in overeenstemming wezen met mijn\' staat en stand; maar indien ik door genade een koning gemaakt ben, dan moet ik een koninkrijk hebben, want anders zou mijn staat niet overeenkomen met mijne natuur. Hij, die ons tot koningen maakt, zal ons een koninkrijk geven, passend bij de natuur, die Hij ons toebedeeld heeft. Geliefden, streeft naar meer, gedurig meer naar hetgeen de Geest Gods u geven zal, nl. een koninklijk hart. Gij moet niet behooren tot hen, die tevreden zijn mei de ellendige natuur der gansch gewone menschheid. Voor een\' echt koninklijken geest is de gansche wereld slechts als de glaskoraal eens kinds. Die glinsterende diademen zijn voor Gods koningen niets dan kinderspeelgoed ; de echte juweelen zijn hier Boven, de ware rijkdom is boven de sterren. Bekrimp uwe ziel niet; wees niet nauw in uwe ingewanden! Heb een koninklijk hart — vraag den Koning der koningen het u te geven, bid Hem om een\' koninklijken geest. Handel op aarde koninklijk met uwen Heere. en om zijnentwil ook met de

156

-ocr page 168-

HET LOON DER HECHTVAARDIGEN.

menschen. Gaat, wat uwe gemoedsgesteldheid en uwe handelingen betreft, door de wereld, niet als geringe, onaanzienlijke lieden, maar als koningen en vorsten, verre verheven boven de modderschrapers, die op hunne knieën in het sUjk kruipen om een weinig van het gele stof bijeen te krijgen. En als uwe ziel koninklijk is, zoo herinner u, dat uwe toekomstige erfenis alles zal wezen, waarnaar uw koninklijk hart uitgaat. Het zal een staat van onuitsprekelijken rykdom wezen voor de ziel.

In het woord „bereidquot; ligt opgesloten, dat het een uiterst voortreffelijke toestand zijn zal. Het is een koninkrijk, dat bereid is, en het is reeds gedurende zóó langen tijd bereid, en die het bereid heeft, is zóó verwonderlijk rijk in hulpmiddelen, dat wij ons bij geene mogelijkheid voor kunnen stellen, hoe voortreffelijk het is. Gods gewone gaven, die Hij, als ik dit eens zoo zeggen mag, daar henen werpt, als of zy niets waren, zijn onschatbaar; maar wat zullen dan deze gaven zü\'n, waarmede het oneindig verstand Gods eeuwen op eeuwen bezig is geweest, om ze tot de hoogst mogelijke voortreffelijkheid te brengen ? Lang vóór Kerstmis heeft zich eene moeder er in verblijd, dat haar zoon, die voor het eerst naar school was, met vacantie te huis zou komen, en terstond begon zij allerlei plannen te beramen, om hem genoegen te bereiden. Wél kan die vacantie-tijd een gelukkige tijd zijn, als de moeder alles gedaan heeft wat zij kon, om hem tot een\' gelukkigen tyd te maken. Welnu, op oneindig edeler wijze heeft de groote God een koninkrijk bereid voor zijn volk. „Dit zal hun genoegen doen, dat zal hen gelukkig maken,quot; dacht Hij. Hy heeft het koninkrijk zóó bereid, dat het volmaakt is, en alsof dat nog niet genoeg ware, is de hoogheerlijke Mensch, Christus Jezus, van de aarde naar den hemel gegaan, en gij weet, wat Hij zeide, toen Hij heenging, — „Ik ga heen, om u plaats te bereiden.quot; Wij weten, dat de oneindige God eene plaats kan bereiden, die geschikt is voor een eindig schepsel, maar de woorden zijn ons zoo liefelijk, als wij lezen, dat Jezus zelf, die Mensch is, en dus de begeerten kent van ons hart, hierbij medewerkt; ook Hij heeft ons eene plaats bereid. Het is een koninkrijk, bereid voor u, waarmede de gedachten Gods zich van „vóór de grondlegging der wereldquot; hebben bezig gehouden, ora het zoo voortreffelijk mogelijk te maken.

Het is een „koninkrijk dat u bereid is.quot; Let hier op. Ik beken dat ik wel eens uitdrukkingen hoor, die ik gansch niet bemin; gezegden, die te kennen geven, dat de hemel bereid is voor sommigen, die hem nooit zullen bereiken, bereid voor hen, die als vervloekten heengedreven zullen worden naar de plaats der pijniging. Ik weet, dat er eene heilige uitdrukking is in de Schrift, waar gezegd wordt; „opdat niemand uwe kroon

157

-ocr page 169-

t)2 SCHAPEN EN DE BOKKEN, OP

neme,quot; maar dat heeft veeleer betrekking op de kroon van het welslagen des leeraars in zijn dienstwerk, dan op de eeuwige heerlijkheid. Ik heb met smart onlangs een goed man hooren zeggen: „Er is voor u allen een hemel bereid, maar zoo gij niet getrouw z;jt, zult gij er niet komen. Er is in den hemel eene kroon voor u weggelegd, maar zoo gij niet getrouw zijt, zult gij haar niet dragen.quot; Dat is iets, dat ik niet geloof, niet kan gelooven. Dat de kroon des eeuwigen levens, die voor de gezagenden des Vaders is weggelegd, ooit aan iemand anders gegeven zal worden, of wel in niemands bezit zal komen, kan ik niet geleoven. Ik durf mij geene kronen voorstellen in den hemel, die door niemand worden gedragen. Denkt gij, dat, wanneer het getal der heiligen in den hemel volkomen zal zijn, er nog een zeker aantal ongebruikte kronen gevonden zullen worden ? „Ach! waar voor zijn dezen ? Waar zijn de hoofden voor deze kronen ?quot; Zij zijn in de hel!quot; Dan, mijn broeder, heb ik geene bijzondere begeerte om in den hemel te zijn, want, indien het gansche gezin van Christus daar niet is, dan zal mijne ziel er eenzaam en ongelukkig zijn van wege hun droevig verlies, want ik ben één met die allen. Indien er ééne ziel is, die in Jezus heeft geloofd, en daar niet komt, dan zal ik mijn\' eerbied verliezen voor de belofte, en mijn\'eerbied ook voor den Meester, want Hu moet zijn woord gestand doen aan allen, die op Hem vertrouwden. Indien uw God zoo ver is gegaan vaa wezenlijk eene plaats te bereiden voor zyn volk, maar toen in hen teleurgesteld werd en hen liet verloren gaan, dan is Hij geen God voor mij, want ik zou geen teleurgesteld, verslagen God kunnen aanbidden. In zulk een God geloof ik niet. Het denkbeeld van teleurstelling in zijne toebereidingen van eeuwigheid af is niet bestaanbaar met de Godheid. Aldus kunt gij spreken van Jupiter, of van Venus, indien het u behaagt; maar de oneindige Jehovah is, voor zoo veel de mcnschelyke sprake Hem kan onteeren, onteerd door in zulk een verband genoemd te worden. Hij heeft eene plaats bereid voor ii. Hier is persoonlijke uitverkiezing. Hij heeft voor een ieder der zynen verordineerd, dat, waar Hij is, ook zij zyn zullen.

„Bereid van voor de grondlegging der wereld.quot; Hier verschijnt de eeuwige verkiezing, eer de menschen geschapen waren, eene kroon bereidende voor hoofden, die nog geschapen moesten worden. En zoo heeft God, eer de sterrenhemel begon te schitteren, het raadsbesluit der verkiezing in zekere mate uitgevoerd, hetwelk, als Christus komt, ten volle zal uitgevoerd worden tot prijs der heerlijkheid züner genade, „die alle dingen werkt naar den raad van zyn\' wil.quot; Ons deel is alzoo van alle eeuwigheid af voor ons bereid overeenkomstig de verkiezing van Gods genade, en het is een deel, dat

158

-ocr page 170-

hët lóón ber rechtvaardigen.

past voor den verhevensten staat, dien wij ooit kunnen bereiken, en gelegen zal zijn in het nabij zijn bij Christus, in gemeenschap met God, en het eeuwiglijk verblijven in eeno plaats van waardigheid en gelukzaligheid.

111. En nu rest my nog slechts zeer weinig tijd om te spreken, gelijk ik heden had willen spreken, over lgt;e personen,

die daar komen zullen.

Zij zijn te herkennen aan een verborgen en aan een openbaar karakter. Hun naam is — „ajezegenden des Vaders.quot; De Vader heeft hen verkoren, heeft zijn\' Zoon voor hen gegeven, heeft hen door Christus gerechtvaardigd, heeft hen in Christus Jezus bewaard, heeft hen aangenomen als leden van zijn huisgezin, en hen thans toegelaten in zijn eigen huis. Hunne natuur vindt gij beschreven in het woord „beërft.quot; Niemand kan beërven, dan die een zoon is. Zij zijn wedergeboren, en zij zijn der goddelijke natuur deelachtig geworden, nadat zij ontvloden zyn het verderf, dat in de wereld is door de begeerlijkheid ; en dus zijn zij zonen. Hunne bestemming wordt aangewezen: „beërft dat koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld.quot; Hun naam is „gezegendenquot;; hunne natuur is die van kinderen, hunne bestemming is die, welke hun door Gods raadsbesluit is aangewezen. Run doen. Wij willen een oogenblik spreken over hun uitwendig doen. Zij schijnen zich onder de menschen onderscheiden te hebben door daden van barmhartigheid, die op geenerlei wijs in verband stonden met het waarnemen van plechtigheden. Er wordt niet gezegd, dat zij predikten — dat hebben sommigen van hen gedaan. Er wordt niet gezegd, dat zij hebben gebeden — dat moeten zij wel gedaan hebben, of zij zouden niet geestelijk levend zijn geweest. De daden, die gekozen zijn als hun type, zijn daden van barmhartigheid jegens de armen en de hulpe-loozen. Waarom dezen? Ik denk, omdat het algemeen gehoor, verzameld rondom den troon, juist dit blijk hunner nieuioe natuur zou weten te waardeeren. De Koning zou meer prijs kunnen stellen op hunne gebeden dan op hunne aalmoezen, maar de menigte zou dit niet. Hij spreekt op eene wijze, die de instemming der gansche vergadering wint. Zelfs hunne vijanden zouden er niets tegen in kunnen brengen, dat Hij hen „gezegen-denquot; noemt, die deze daden hebben verricht, want, indien er eene daad is, die ieders lof verwerft, dan is het voorzeker eene daad, die de menschen ten goede komt. Daartegen bestaat geene wet. Ik heb nog nooit gehoord van een\' staat, waar men wetten heeft gemaakt tegen het kleeden van de naakten en het voeden van de hongerigen. De menschheid zal, zelfs als de conscientie zóó toegeschroeid is, dat zij hare eigene zondigheid niet kan ontdekken, toch de deugd wel kunnen onderscheiden van het brood geven aan de armen. Dit is on-

159

-ocr page 171-

DE SCHAPEN EN DE BOKKBN, OE

160

getwijfeld een der redenen, waarom juist deze daden gekozen zyn. Eu wederom, zij kunnen gekozen zijn als blijken en kenmerken van genade, omdat zij, als daden, uitnemende middelen zijn om te omlerscheiden tusschen den geveinsde en den waren Christen. Dr. Gill (1) denkt — en hierin kan hij wel gelijk hebben — dat dit geen beeld is van het algemeene oordeel, maar van het oordeel der belijdende kerk, en indien dit zoo is, dan is het des te redelijker om tot de gevolgtrekking te komen, dat deze werken van barmhartigheid gekozen zijn als kenmerken, om er den geveinsde van den oprechte mede te onderscheiden. Ik vrees, dat sommigen van u, die groot zijt in het belijden, deze proef niet zoudt kunnen doorstaan. „Vrome, biddende menschenquot; noemt men u, maar wat geeft gij aan den Heere? Uw godsdienst gaat buiten uwe beurs om. Er zijn er ook onder u, die dit niet raakt, want er zijn velen hier, van wie ik voor Gods rechterstoel zou durven betuigen, dat ik weet, dat hetgeen zij bezitten aan den Heere gewijd is en aan zyne armen, en ik heb wel eens gedacht, dat zij zelfs boven hun vermogen geven, beide aan de armen en aan de zaak Gods. Maar er zijn anderen van eene geheel verschillende gezindheid. Tot u zal ik eenige woorden zeggen, die zoo duidelijk zijn, dat niemand ze kan misverstaan. Gij kunt van uwen godsdienst spreken, zoo lang en zoo veel, dat uwe tong er moede van is, en gij kunt het gedaan krijgen, dat anderen u gelooven, en gü kunt wel twintig jaren lang bü de gemeente blijven aangesloten, zonder dat iemand iets in u ontdekt, dat onbestaanbaar is met uwe belijdenis. Doch zoo gij niets doet om den nood te verlichten van de arme leden van Christus\' lichaam, terwijl dit toch in uwe macht is, dan zult gij even gewisselijk verloren gaan, alsof gij dronkaards of hoereerders waart. Indien gij geene zorge hebt voor de kerke Gods, dan is die tekst van toepassing op u, en zal u even gewisselijk tot de diepste diepte der hel doen nederdalen, als of gü Godslasteraars waart geweest. Dat is duidelijke taal, maar het is ook de duidelijke beteekenis van mijn tekst, en het is mijn dure plicht voor God, dat ik u dit zeg zonder te aarzelen. „Ik ben hongerig geweest, en gij hebt mij gegevenquot; — wat? goeden raad; ja, maar niet te eten. „Ik ben dorstig geweest, en gij hebi mij gegevenquot; — wat? een tractaatje, en geen drinken. „Ik was naakt, en gij gaaft mijquot; — wat? uwe goede wenschen, maar geene kleederen. Ik was een vreemdeling, en — gij ba-klaagdet mij, maar — gij hebt mij niet geherbergd. Ik ben krank geweest, gü zeidet, dat gij mij een doktor kondet aanbevelen, maar gij hebt mij niet bezocht. Ik was in de gevangenis, ik, Gods dienstknecht, vervolgd, in de gevangenis go-

(1) Een voornaam Engelsch Godgeleerde.

-ocr page 172-

HET LOON DEE REOHTVAAEDIGEN.

161

worpen om Christus wil, en gü zeidet dat ik voorzichtiger had behooren te wezen; maar gij hebt niet aan mijne zü\'de gestaan en niet gedeeld in de blaam, en niet met mij smaadheid geleden om den wille der waarheid. Gij ziet, dat dit ook eene zeer schrikkelijk ziftende wan is voor sommigen van u, gierigaards, wier voornaamste doel in het leven is zooveel te krijgen als gij kunt en hel vast te houden, maar het is eene wan, die dikwijls gebruikt moet worden. Wie u ook bedriege of spare, door Gods genade hoop ik hiervoor bewaard te bly ven. integendeel ik hoop ijveriger en vrijmoediger dan ooit u op uwe zonde te wijzen. „Wel,quot; zegt iemand, „wat moeten diegenen doen, die zóó arm zyn, dat zij niets hebben om weg te geven ?quot; Waarde broeder, hebt gij wel opgemerkt, hoe schoon en heerlijk de tekst voor u zorgt. Hij zinspeelt er op, dat er sommigen zijn, die geen brood kunnen geven aan de hongerigen en geene kleederen aan de naakten, maar wat dan nu van hen ? Wel, gij ziet, dat dit de personen zijn, van wie gesproken wordt als van „mijne broederenquot; die de gave der vriendelijkheid ontvangen, zoodat deze Schriftuurplaats de armen vertroost, maar hen niet veroordeelt. Sommigen van ons geven aan de armen, al wat wij wezenlijk kunnen missen, en tot hen komt natuurlijk iedereen, en als wij zeggen: „Ik kan waarlijk niet meer geven,quot; dan hoort men zich toesnauwen; „En gij noemt u een Christen?quot; „Ja, dat doe ik, maar ik zou my geen Christen noemen, indien ik het geld weggaf van andere menschen; dan zou ik mij een dief noemen, die voorwend barmhartigheid te oefenen, terwijl ik mijne schulden niet betalen kan.quot; Ik heb inderdaad innig medelijden met menschen, die door bankroeten lijden, en alles verliezen, wijl zij vertrouwen stelden in oneerlijke lieden. Indien iemand zou zeggen: „Ik zal boven mijn vermogen geven, ten einde een\' goeden naam te verwerven,quot; dan zou ik hem willen toeroepen: „Waarde broeder, gij begint verkeerd, die daad is in zich zelve reeds verkeerd. Wat gij weggeeft, moet het uwe zijn.quot; „Maar ik zal mij,erg moeten bekrimpen en behelpenquot;, zegt iemand, „indien ik dat doe.quot; Welnu, bekrimp u, behelp u! Ik denk dat men niet half geniet van goed doen, voordat wij aan het „bekrimpingsquot; punt zijn. Dit geldt natuurlijk alleen diegenen van ons, die slechts weinig middelen hebben, en die door te geven al heel spoedig aan het „bekrimpingspuntquot; komen. Als gij begint te beseffen: „Ik moet het nu maar doen zonder dit of dat; ofwel, ik moet mij hier of daar in verminderen, ten einde goed te kunnen doen.quot; Ach! vóórdat gij gevoelt: „Nu heb ik aan God niet slechts datgene gegeven, wat ik zelf niet gebruiken kon, maar een wezenlijk deel van mijn dagelijksch brood, en ik ben blijde-dit te doen, zoo ik door my zeiven te verloochenen myne liefde voor Jezus Christus kan toonenquot;, hebt gij de ware blijd-

11

-ocr page 173-

162

schap niet gesmaakt in goed doen. Indien gy dit doet, indien gij aldus uit liefde tot Jezus de hongerigen voedt, de naakten kleedt, dan geloof ik, dat dit als bewijs zal gelden, van uw Christendom, omdat het zulk een kenmerkend verschil aantoont tusschen de geveinsden en de waarlijk Godvruchtigen. Als gij hier het woord „wantquot; aantreft, dan moet gij dit niet zóó verstaan, dat deze lieden hun loon ontvingen omdat zij dif gedaan hebben, maar wijl dit het bewijs was, dat zü Gods dienstknechten zijn, en, terwyl zy de zaligheid dus niet verdienden om, of van wege deze daden, zoo toonen deze daden toch, dat zij door genade zijn verlost, hetgeen duidelijk blijkt uit het feit, dat Jezus Christus zulke werken in hen gewrocht heeft. Indien Christus zulke werken niet in u werkt, dan hebt gij geen deel aan Hem; als gij zulke werken niet doet, dan hebt gij niet in Jezus geloofd. Nu zegt iemand: „Dan zal ik voortaan aan de armen geven, opdat mij dit loon te beurt valle.quot; Ach! maar gy vergist u grootelijks zoo gü dit doet. Er kwam eens bij den hertog van Brunswyk een man, die heel arm. maar tevens een trouwhartig onderdaan was. Hij bracht den hertog een zeer grooten knol, die in zijn tuintje was gegroeid. Die man was zeer arm, en iedere knol die in zijn\'moestuin groeide, was van groot belang voor hem, maar nu bracht hij uit trouwe liefde en gehechtheid den grootste, die zijn hof had voortgebracht, aan zyn vorst. Deze was zóó ingenomen met des mans blijkbare trouw en gehechtheid, dat hü hem eene groote som gelds gaf. Een der dienaren van den hertog dacht toen„Ik zie, dat dit de moeite loont. Deze man heeft wor zijn\' grooten knol zes honderd gulden yekregm; ik zal den hertog ook eens iets present geven. Hij bracht hem een paard, en rekende er tienmaal de waarde voor te zullen ontvangen; maar de hertog, die een verstandig man was, nam heel bedaard het paard aan, maar gaf er den inhaligen knecht niets voor. Dat was alles. En zoo zegt gü, „wel hier is een Christen, en hij wordt beloond. Hij heeft aan de armen gegeven, hij heeft de gemeente des Heeren geholpen, en zie hij is verlost en behouden; die zaak is dus voordeelig, ik zal in dat fonds ook wat beleggen.quot; Ja, maar gij ziet, dat die knecht van den hertog het paard niet gaf uit trouw of uit aanhankelijkheid en liefde voor den hertog, maar uit zeer groote liefde voor zich zeiven, en daarom ontving hy er geene belooning voor. En indien gü werken van barmhartigheid doet in het denkbeeld van daardoor den hemel te zullen verwerven, dan doet gij niets dan u zeiven voeden, u zeiven kleeden; en al uwe deugd is geene deugd, maar louter zelfzucht; zü riekt zeer sterk naar het eigen-ik, en Christus zal het nooit willen aannemen; gij zult er Hem nooit „Ik dank uquot; voor hooren zeggen. Gij hebt slechts u zeiven gediend en dus is Hy u geen loon schuldig. Gij moet eerst tot den Heere

-ocr page 174-

HET LOON DER RECHTVAARDIGEN.

163

Jezus Christus komen, en op Hem zien om behouden te worden. Gij moet voor altijd afstand doen van het denkbeeld iets te doen, waardoor gü u zeiven kunt behouden, en dan behouden zijnde, zult gij in staat wezen aan de armen te geven en werken van barmhartigheid te doen, zonder dat zich eeniger-lei zelfzucht mengt in uwe drijfveeren, en dan zult gij voor het bewijs van liefde, dat gij hebt gegeven, het loon der genade ontvangen. Om tot ware deugd van de hoogste orde in staat te wezen is het noodzakelijk in Christus te gelooven. Het is noodig, dat gü op Jezus vertrouwt en zelf ten volle verlost zijt, eer er eenige de minste waardij is in uw voeden van de hongerigen en uw kleeden van de naaüten. God geve u de genade om tot mijn\' Meester heen te gaan en te rusten in de kostelijke verzoening, die Hij voor de zonden der menschen heeft aangebracht, en als gy dat gedaan hebt, en gij weet met welk eene liefde de Heiland u heeft liefgehad, zoo toon dan uwe wederliefde. Gekocht zijnde tot zóó duur een\' prijs, zoo leef voor Hem, die u gekocht heeft, en laat dan onder de daden, door welke gij dit bewijst, deze daden, als van God geschonken juweelen blinken en schitteren, dat gij de kranken bezoekt, de nooddruftigen vertroost en helpt, de zwakken bijstaat. Moge God deze offeranden aannemen als komende van zielen, die Hij verlost en godvruchtig gemaakt heeft, en Hem zy de lof tot in eeuwigheid. Amen.

-ocr page 175-

DE SCHAPEN BIN T)E BOKKEN

OF

DE LAATSTE SCHEIDING.

„En voor hem zullen al de volken vergaderd worden, en hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt.

Matth. XXV ; 32.

Jezus Christus, de Man van Nazareth, die ook de Zone Gods is, was gekruisigd, gestorven en begraven, en ten derden dage opgestaan van de dooden. Nadat Hij zich gedurende veertig dagen aan zijne discipelen had vertoond — nu eens aan een\' enkelen alleen, en dan weder aan twee of drie te zamen, en bij ééne gelegenheid aan vijf honderd broederen te gelijk — is Hij opgevaren ten hemel. Van den Olijfberg, van uit het midden zijner discipelen, verhief Hij zich in de lucht, en weldra nam eene wolk Hem weg van hunne oogen. Die zelfde Jezus, die naar den hemel gegaan is, zal alzoo wederkomen, gelliker-wijs zij Hem naar den hemel hebben zien henenvaren, dat is: in persoon, met zijn eigen verrezen lichaam. Dezelfde Christus, die opvoer ten hemel, zal ten laatsten dage gewisselijk weder op aarde nederdalen. De tijd zijner wederkomst is ons niet geopenbaard, — „Van dien dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelenquot;, maar met iederen dag komt die tijd gewisselijk meer nabij, en wy weten niet, wanneer die ure wezen zal. Er wordt ons gezegd, dat Hij haastelijk zal komen. Het schijnt zeer lang geleden sedert dit gezegd werd, het is reeds achttien honderd jaren, maar wjj herinneren ons, dat dingen, die ons langzaam toeschijnen, zeer snel kunnen wezen voor den Heere, want voor den Heere is één dag als duizend jaren, en duizend jaren als één dag. Het komt ons niet toe de tijden en gelegenheden te weten; zij blijven verborgen in het voornemen Gods.

Het is om zeer uitnemende redenen, dat deze tijden en ge-gelegenheden niet geopenbaard zijn, opdat wij ons altijd op onzen wachttoren zullen bevinden, niet wetende, op welke

-ocr page 176-

DE SCHAPEN EN DE BOKKEN, enz.

ure de Heere Jezus geopenbaard zal worden. Voor de ongodvruchtige wereld zal Hij komen als een dief in den nacht, en hen onverhoeds overvallen; maar wij\', broeders, zijn niet in duisternis, dat ons die dag als een dief zou bevangen. Kinderen des dags zynde, wordt ons geleerd te waken en met omgorde lenden te staan in het heldere licht, en altyd uit te zien naar de verschoning onzes Meesters. Ten allen tijde behooren wij wakende te zyn en nooit te slapen.

Onze tekst zegt ons, dat er, als een der gevolgen zyner komst, een algemeen oordeel zal wezen. Ik zal heden niet trachten de volgorde te vinden of aan te wijzen van de andere gebeurtenissen, die by de komst des Heeren zullen plaats hebben. Het is waarschijnlijk dat er bij zijne komst ten eerste, en vóór alles eene opstanding zal wezen en een beloonen zijner heiligen, eene verdeeling van de tien steden en de vyf steden, overeenkomstig de getrouwheid van hen, aan wie talenten waren toevertrouwd, en dat aan het einde van dat tijdperk de ontzaggelijke dag zal komen, waarvan profetenen apostelen hebben gesproken. Een dag der verschrikking en des toorns, een dag der verwoesting van de goddeloozen, een dag van toetsing voor geheel de menschheid, een dag, die brandend zal wezen als een oven. Van dien dag kunnen wij sidderend zeggen: „Wie zal den dag zyner toekomst verdragen? en wie zal bestaan als hij verschynt? Want hij zal zijn als het vuur van een\' goudsmid, en als zeep der vollers.quot;

Ten dage als Christus komen zal, zal Hij alle natiën oor-deelen. Dan zullen voor Hem vergaderd worden, niet slechts de Joden, aan wie de wet was gegeven, maar ook de volken; niet bloot die natiën, welke gedurende vele eeuwen het Evangelie hebben gehoord, maar ook die, aan welke het dan slechts in den laatsten tyd verkondigd werd; want het koninkryk Gods moet aan alle volken bekend gemaakt worden als een getuigenis tegen hen. Christus zal overal gepredikt zijn, en dus zullen de menschen uit alle landen opgeroepen worden om voor Hem te verschynen. En niet slechts alle dan nog levende volken, maar ook al die natiën, die verdwenen zijn. Er zullen uit de dooden opstaan de heirscharen, die omgekomen zyn vóór den zondvloed, en ook evenzeer die, welke door de golven van den zondvloed werden verzwolgen. Daar zullen ook verschijnen de myriaden, die Nimrod gevolgd zijn, de zwermen van de kinderen van Jafeth, die de eilanden der volken verdeeld hebben, en de horden, die op bevel van de koningen van Assyrië en van Babel ten krijg togen. De dooden van Egypte zullen opstaan van hunne specerijbedden, of van de aarde, waarmede hun stof zich had vermengd. Daar zullen de tienduizenden wezen, over wie Xerxes geweend heeft, toen hy bedacht, hoe spoedig zij weggevaagd zouden zijn. De Griek en

165

-ocr page 177-

DE SCHAPEN EK DE BOKKEN, OF

de Pers zullen opstaan, en ook de Romein, en alle de horden van Hunnen en Gothen, die als bijenzwermen uit het Noorden kwamen. Die allen zijn heengegaan in het onbekende land, maar zü zyn niet verloren; allen zullen z;j op den groeten dag des Heeren opgeroepen worden en verschijnen. De aarde, die thans al meer en meer een doodenakker wordt, zal hare dooden wedergeven, en zelfs de zee, die alsdan in een vast plaveisel zal zijn veranderd, zal de eenzamen te voorschijn brengen, die heden in hare duistere afgronden slapen. Allen, die van vrouwen zijn geboren, zullen uit den vruchtbaren schoot des grafs te voorschijn treden — myriaden, talloos als de morgendauwdroppen, of als het zand, dat aan den oever der zee is. Menigten, menigten zullen in het dal der beslissing te zamen vergaderd worden. Hunne beenderen zullen tot elkander naderen, de adem zal opnieuw in hun lichaam komen, en zij zullen wederom leven. Hoe lang zij ook geslapen hebben in het graf, toch zullen zij allen door eene zelfde aandrift opstaan, en dat wel met deze ééne gedachte van voor hun1 Rechter te verschijnen.

De groote witte troon zal opgericht worden, zuiver en glanzend, schitterend en helder als een saffier, als één groote spiegel, waarin iedere mensch zich zeiven en zyne zonden weerkaatst zal zien, en op dien troon zal de Zoon des menschen gezeten zijn. Die zelfde Jezus, die aan het kruis genageld was, en opvoer ten hemel, zal op den rechterstoel zijn gezeten, om het lot van het gansche menschdom te beslissen. Welk eene bijeen vergadering! Geene verbeeldingskracht zoo rijk of sterk, die het kan omvatten. Zoover het oog kan reiken, ja zoover de adelaar kan vliegen, zal de aarde bedekt zijn met menschen, gelijk in de lente het veld met gras bedekt is, en daar zullen zti allen staan met den Rechter op den grooten witten troon, als het brandpunt van aller blikken, want alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben, en alle geslachten der aarde zullen over hem rouw bedrijven. Het zal eene bonte menigte zijn, gelijk gtj u wel kunt voorstellen; maar de Herder, de groote Herder, de Rechter zelf, zal hen verdoelen. Die verdeeling zal het ééne werk van den oordeelsdag zijn. Hü zal hen verdoelen met evenveel snelheid en onfeilbare zekerheid als een herder zijne schapen van de bokken scheidt. Ik wensch heden de aandacht van een iegelijk uwer te vragen voor die verdeeling, opdat gij allen moogt onderzoeken, wat er voor een ieder uwer persoonlijk het gevolg van zijn zal. Ik heb er voor my zeiven over nagedacht, en begeer er nog verder over te denken. Ik wensch mijn\' geest heen te doen vliegen in de toekomst om voor een oogenblik „de majesteit te aanschouwen, wanneer Christus komen zal met de wolken.quot; Ik zou de uitspraak van die ure nu reeds

166

-ocr page 178-

de laatste scheiding.

willen hooren, en er over willen nadenken dat die uitspraak mij öf den hemel öf de hel zal toewezen. Het is mijne bede tot God, dat wy allen hieraan mogen denken, en inzonderheid gij, die er nog niet voor bereid zijt, opdat gij terstond de toevlucht moogt nemen tot Hem. door wiens bloed en gerechtigheid alleen gij in die ontzettende ure het hoofd omhoog kunt houden.

Wij zullen spreken ovsr drie zaken; en wel ten eerste over de verdeeling, ten tweede over den Verdeeler, en ten derde over den regel der verdeeling.

I. de verdeeling. „En voor hem zullen al de volken vergaderd worden, en hü zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt.quot;

Dat wil in de eerste plaats zeggen, dat zij in twee deelen verdeeld zullen worden — zijne schapen en de Dokken. Er zal tweeërlei positie zyn. Hij zal zijne schapen tot zijne rechterhand zetten, maar de Dokken tot zijne linkerhand. Is er dan geene plaats voor een derde soort? Neen, en wel om de eenvoudige reden, dat er dan geene derde soort zijn zal. En dat er dan geen derde soort zün zal, is om de eenvoudige reden, dat er nooit eene derde soort geweest is. Ik weet, dat er heden avond menschen hier zijn, die niet durven zeggen, dat zij in Jezus gelooven; maar zij zouden niet gaarne tot de goddeloo-zen gerekend willen worden. Maar ik bid u, gedenkt toch, dat er slechts twee boeken zyn, en dat in één van die beide boeken uw naam door de hand Gods geschreven moet staan, want een derde boek is er niet. Er is het Boek des Levens des Lams; en zalig zijt gij zoo uw naam daarin geschreven staat. Indien uw naam daarin niet wordt gevonden, dan staan uwe zonden nog opgeteekend in de boeken, waarin het ver-oordeelend getuigenis staat, dat het doodvonnis is voor de on-geloovigen. Luistert. Er is in deze wereld nergens eene soort van menschen behalve diegenen, welke dood zyn in de zonde, en zij, die Gode leven. Er is geen tusschenstaat. De mensch leeft, of hij is dood; een onzijdige toestand is er niet. De mensch kan in bezwijming verkeeren, of hij kan slapen, maar dan leeft hij toch; maar er is geen staat, die niet tusschen de grenslijnen ligt van het leven of van den dood. Is dit niet volkomen duidelijk? Er is geen toestand tusschen bekeerd zijn en onbekeerd zijn — tusschen levend gemaakt te zyn en dood te wezen in de zonde. Er is geen toestand tusschen begenadigd te wezen, en nog in onze zonde te zijn. Er is geen toestand tusschen het verwijlen in de duisternis en het overgebracht zyn in Gods wonderbaar licht. Het een of het ander moet onze toestand wezen, en dit is ten allen tijde de groote dwaasheid van het menschdom geweest, dat zij van een\' tusschenstaat willen droomen en in dien tusschenstaat willen verwij-

167

-ocr page 179-

de schapen en de bokken, of

len. Daarom was het-, dat de profeet, staande op den Kannel, zeide: „Hoe lang hinkt gy op twee gedachten? Zoo de heerb God is, volgt Hem na, en zoo het Baal is, volgt hem na.quot;En het is daarom, dat wy hetmenschdom voortdurend en onafgebroken moeten wijzen op de groote uitspraak des Eva nge-lies: „Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofdj hebben, zal verdoemd worden.quot;

God heeft den prediker twee handen gegeven, opdat hy de menschen aan zjjne beide zyden zal plaatsen, en de waarheid zal doen hooren aan de twee soorten van menschen en aan niet meer. Laat u hieromtrent niet bedriegen gij zijt öf op weg naar den hemel, öf op weg naar de hel. Er is in de toekomende wereld geen vagevuur, geen tusschenstaat. Het vagevuur is een verzinsel van den paus om zijn schatkist te vullen, en nooit is er winstgevender speculatie gedreven dan met het lezen van missen en het berooven van dupes onder voorwendsel van hierdoor verandering te brengen in een\' toestand, die voor altijd vastgesteld is. Gij zult öf naar den hemel gaan öf naar de hel, en gij zult öf in de eene öf in de andere plaats blyven; want gy hebt öf een karakter, dat u geschikt maakt voor den hemel, öf een karakter, dat geschikt is voor de hel, en, zoo wij de Schrift recht verstaan, dan is er geen karakter, dat geschikt zou zijn voor een tusschenstaat, en zulk een tusschenstaat is er ook niet voor bereid. „Hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen vnn de bokken scheidt. En hij zal de schapen tot zy\'ne rechterhand zetten, maar de bokken tot zijne linkerhand.quot; De menschelijke kudde zal in twee gezelschappen verdeeld worden.

Merk vervolgens op, dat zij gemakkelijk van elkander gescheiden zullen worden. Niet iedereen zou schapen van bokken onderscheiden. Ik denk, dat gy naar uwe opvatting van bokken, ze heel gemakkelyk van schapen zoudt weten te onderscheiden; maar iemand, die in het Oosten gereisd heeft, of zelfs in Italië, weet, dat er een eenigszins geoefend oog voor noodig is om eene zekere soort van bok van eene zekere soort van schaap te kunnen onderscheiden. Zij gelyken zeer sterk op elkander. De wol van sommige schapen in warme landen heeft zoo veel overeenkomst met haar, en het haar van eene zekere soort van bok is zóó gelijk aan wol, dat een reiziger ze nauwelijks van elkander kan onderscheiden, maar de herder, die met hen leeft, kent dat onderscheid heel goed. Zoo kan ook in deze wereld de zondaar in sommige gevallen zeer gemakkelijk van den heilige worden onderscheiden. Gij hebt niet heel veel verstand of vernuft noodig om het karakter te onderscheiden van hen, die zich aan grove oneerlijkheid schuldig maken, of aan dronkenschap, of aan Sabbatschenden en Godslastering. Gij weet,

]68

-ocr page 180-

DE LAATSTE SCHEIDING.

169

dat him deel niet is onder Gods volk, want zy dragen aan hun voorhoofd het merkteeken der kinderen van den booze: de on-zedelijken kunnen gemakkelijk onderscheiden worden van de reinen van hart. Maar er is in de kerk een aantal menschen, die zóó veel goeds schijnen te hebben, en toch ook zóó veel dat schrikkelijk onbestaanbaar is met het goede, dat wü volstrekt onbekwaam ztjn te ontdekken, wat hun eigenlijke aard is. Gode zij dank ! wij zijn niet geroepen hen te oordeelen, ja het is ons zelfs niet geoorloofd dit te doen. De meest ervaren loeraar mag zich nauwelijks hieraan wagen. Indien hy omtrent die zaak in groote onrust verkeert, zoodat hij er mede tot den Heere gaat, en Hem vraagt, hoe hij met dit onkruid heeft te handelen, dan zal hem voorzeker gezegd worden, dat hij het luoet laten opgroeien tot aan den oogst, opdat hij, het onkruid uitroeiende, niet ook te gelijk de tarwe uitrukt. Ik sprak heden met een trouw dienstknecht des Heeren, die zeer ijverig arbeidt onder de armen van de achterbuurten van Londen. „Er komen zeer vele menschen tot ons,quot; zeide h;j, die zeggen bekeerd te zijn, maar ik denk niet, dat er van de vijf één is, van wie dit werkelijk en op den duur blijkt. Doch in de gemeente veroorzaken dezen niet vele moeielijkheden, niet zoo voel ten minste als gij in uwe gemeente van die soort van menschen, zoudt ondervinden. Want onder den stand van menschen, die bij u ter kerk gaan, heerscht het gevoelen, dat hot betamelijk is ten minste eens, en zoo mogeiyk twee malen des Zondags naai\' Gods huis op te gaan; en indien zij zich bij uwe gemeente aansluiten, dan zullen zij uit gewoonte en sleur ook bij u blyven. Doch van het oogenblik af dat iemand uit de armste klassen der maatschappy ophoudt een Christen te zijn, dan houdt hy tegelijk op den openbaren eeredienst bij te wonen, omdat hy niet geeft om wat men in de wereld fat-doenlijkheid of betamelijkheid noemt. En zoo volgt hij dan zijn\' eigen smaak, slentert op straat, geeft zich aan dronkenschap over of aan andere ondeugden, en zoo is hy dan terstond ge-gezift.quot; In zulke gevallen zijn de klassen zeer gemakkelijk van elkaar te onderscheiden. Maar onder de aanzienlijker standen, onder hen, die zich over het algemeen niet aan sterken drank te buiten gaan en den Sabbat onderhouden, zult gij een aantal menschen vinden, die in de gemeente blijven, ofschoon er geene godsvrucht in hen is, geene ware liefde tot Christus, geen gebed in de binnenkamer, en vandaar dat het gevaar zoo veel grooter is. quot;Welaan, mijne vrienden, wat wij niet kunnen doen, en niet mogen doen, dat zal Jezus Christus gemakkelyk genoeg doen. Als de Herder komt, zal Hij zijne schapen zeer spoedig van de bokken scheiden. Zijn vlammend oog zal in ieders hart lezen ; de huichelaars in de gemeente zullen sidderen, daar zij instinctmatig de beteekenis zullen begrijpen van

-ocr page 181-

DE SCHAPEN EN DE BOKKEN, OF

dien blik, als Christus\' oog tot hen zal zeggen: „Wat doet gij hier onder mijn volk ?quot;

En gelijk die verdeeling gemakkeiyk zal geschieden, zal zij ook onfeilbaar wepen. Dat is: er zal onder de bokken geen enkel sidderend schaap worden gevonden, dat met de onreine kudde wordt weggedreven. Als Christus zegt; „Gaat weg, gij vervloekten,quot; dan zullen die woorden tot geene enkele zwakke doch oprechte ziel gericht zijn. Ach neen! gij kunt u zeiven veroordeelen, maar indien gij waarlyk een levend geloof hebt, dan zal de Heere u niet veroordeelen. Gij kunt wel dikwijls vreezen, dat Hij u zal gebieden weg te gaan, maar Hij zal het niet doen. Geen enkel lam zijner kudde zal onder de bokken wezen. Het gansche gezelschap zijner verlosten zal veilig bijeenvergaderd zijn in de eeuwige woningen.

Het zwaard snijdt ook naar den anderen kant, en dus kunt gy er van verzekerd wezen, dat geen enkele bok toegelaten zal worden in de weiden der zaligen onder de schapen. Geen onbekeerde zal den Grooten Herder volgen naar de levende fonteinen hier Boven, die aan de vrijgekochten en verlosten teugen van eeuwige zaligheid bieden. Ofschoon de zondaar gedurende veertig of vijftig jaren een leven kan hebben geleid, dat voor het uitwendige in overeenstemming is met het Christendom, ofschoon hij het Evangelie kan hebben gepredikt en vele wondervolle werken heeft kunnen doen, zal Christus toch tot Hem zeggen : „Ik heb u nooit gekend.quot; Dan zal hij zijne schaapskleederen niet langer kunnen aanhouden, zich niet langer als schaap kunnen voordoen: Christus zal hem kennen en doorgronden, welke vermomming hij ook moge dragen. Hij zal hem ontdekken, en hem heenzenden naar zijne eigene plaats, zoodat geen enkele van de vervloekten de stad met de geze-genden zal binnentrekken. Het zal een onfeilbaar oordeel zijn, en er zijn dus maar al te goede en gegronde redenen, om er op bereid zijn. Er is omkoopen noch bedriegen van dezen Rechter, en aan zijn\' rechterstoel kan men niet ontkomen. O weest toch bereid den blik uit dat oog te verdragen, dat u door en door zal zien.

Laat mij u voorts nog herinneren, dat die verdeeling uiterst streng zal wezen. O ! denkt hierover na, want sommigen van u kunnen er de ontzettende gevolgen van hebben te ondervinden. „Er zullen twee op den akker zijn, de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden.quot; Die twee waren arbeiders, die te zamen arbeidden; zij hadden denzelfden ploeg met dezelfde ossen bestuurd, maar de een zal ter rechter, de ander ter linkerhand gezet worden. Twee timmerlieden aan dezelfde schaafbank hadden denzelfden dissel en dezelfde schaaf gehanteerd, maar de een zal aangenomen en de ander zal verlaten worden. Er waren twee, die in dezelfden winkel dienden

170

-ocr page 182-

DE LAATSTE SCHEIDING.

aan dezelfde toonbank dezelfde wartn verkochten, de een zal aangenomen, de ander zal verlaten worden. Die twee hadden elkander jaren lang gekend, maar de een zal zich met blijdschap het „komquot; hooren toeroepen, de ander zal sidderend het schikkelijk vonnis „ga wegquot; moeten aanhooren. Helaas ! de verdeeling zal onder nog veel sterker en inniger met elkander verbonden personen plaats hebben. Twee vrouwen zullen in één huis zün : de een zal aangenomen, de andere zal verlaten worden „Er zullen twee vrouwen malen in den molendat is: bezig zijn met dezelfde huiselijke plichten, malende het koren voor liet morgen ontbijt — „de eene zal aangenomen en de andere zal verlaten worden.quot; Zoo kunt gij twee dienstmaagden zijn in hetzelfde huis, de eene zal verlost en behouden worden, de andere zal verloren gaan. Twee zusters wonende onder één dak, de eene ingebracht in de heerlijkheid, de andere uitgeworpen tot eeuwige schande en smaad. Twee van u kunnen onder hetzelfde dak wonen, brood eten aan dezelfde tafel, drinken uit denzelfden beker, terwijl een uwer zal aanzitten aan het feestmaal der eeuwige vreugde, en de ander zal roepen om een\' droppel waters om zyne brandende tong er mede te verkoelen. Gü zult niet gaarne gescheiden worden, maar gij moet gescheiden worden. Helaas! nog smartelijker scheiding zal plaats hebben. „Er zullen twee op één bed zijn; de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden —-de echtgenoot, weggerukt van zijne huisvrouw, de huisvrouw gescheiden van haren man. O! er zullen scheidingen plaats hebben, en bijgevolg zal er weening zijn voor den rechterstoel van Christus; niet voor de godvruchtigen want in hen zal de heerlijkheid des Heeren alle andere gedachten verzwelgen, maar voor hen, die zonder Christus, zonder genade, zonder gebed zijn. O dat weeklagen van de kinderen, en dat weeklagen van de vrouwen, en dat weeklagen van de echtgenooten, en dat weeklagen van de vaders, als hunne kinderen, of hunne ouders, of hunne echtgenooten, of hunne huisvrouwen zü\'n behouden, en zij zeiven voor eeuwig zijn uitgeworpen.

Die scheiding zal voor hen, die verloren gaan, inderdaad eene ontzettende, eene vlij monde smart zijn. Ik zou nauwelijks den moed hebben iemand vaarwel te zeggen, indien ik wist, dat ik hem nooit weder zou zien. Het ergste wat ik den erg-sten vijand, dien ik ooit gehad heb — maar ik weet niet, of ik in de gansche wereld\' één enkelen vyand heb — zou kunnen toewenschen, zou niet zóó ver kunnen gaan van te zeggen, dat ik hem nooit weer wensch te zien, want daar ik hoop, dat ik zijn zal, waar Jezus is, zou ik hem, hij moge zijn wie hij wil, wenschen te zien onder de gezaligden. Maar dat moet niet wezen, het moet niet wezen, indien de zondaren zich niet willen bekeeren van de zonde; indien zij volharden in hunne

171

-ocr page 183-

DE SCHAPEN EN DE BOKKEN, OF

verwerping van Jezus Christus. Tenzü gy gelooft in Jezus, zal de scheiding smartelijk en snijdend zijn, eene verdeeling der samenvoegselen en des mergs, huwelijksbanden vaneen rijtende, en banden van kinderlijke genegenheid en ouderliefde, alle ijdele hoop vernietigende. O gij onboetvaardigen, ik zou over u kunnen weenen! Indien gij door banden desbloedsaan de heiligen zijt verbonden, dan zal u dit niet baten, als gij onwedergeboren komt te sterven! Al zoudt gij been zijn van elkanders been, en vleesch van elkanders vleesch, toch moet gij van elkander gescheiden worden, tenzij gij één wordt met Christus. Ik smeek u, on wedergeborenen, neemt dit ter harte, en beuzelt niet langer!

Die verdeeling of scheiding zal ook zeer groot zijn, want de afstand, die er door ontstaat tusschen de verschillende personen, is zoo groot als de afstand tusschen den hemel en de hel! Welk een afstand! De afstand tusschen God en den duivel! Tusschen geluk en ellende! Tusschen eer en heerlijkheid en eeuwige versmaadheid! Tusschen eindelooze blijdschap en grenzenlooze smart! Tusschen zingen en weenen! Tusschen het lied des triomfs en de rouwklage, tusschen het aanzitten aan het feestmaal en het knarsen der tanden! Indien de scheiding alleen maar bestond uit hetgeen voortvloeit uit de verschillende graden of trappen van heerlijkheid (indien deze bestaan) dan zouden wij toch nog smachten naar het bijzijn onzer geliefden; maar het verschil is tusschen den hemel en de hel, en Christus zegt, dat daar „eene groote klove gevestigd isquot;, zoodat zij, die van ons tot u willen overgaan, niet kunnen; noch ook die daar zijn, van daar tot ons over kunnen komen. De afstand zal zoo uitgestrekt wezen als de eeuwigheid, de scheiding makende klove zal zoo diep zijn als de afgrond, zoo onoverkomelijk als de hel.

En die scheiding zal voor eeuwig wezen. Over dien reusachti-gen afgrond kan geene brug worden gelegd. De veroordeelde geesten kunnen in die ontzettende klove, in het onuitsprekelijk duistere van hare duisternis nederblikken, maar nooit zullen zij iets gewaar worden, dat hun hoop geeft om er over heen te komen, naar het land der gezaligden. De sleutel is verloren, zij kunnen nooit uit den kerker der wanhoop geraken. „Voor eeuwig! voor eeuwig! staat geschreven op de keten, waarmede de veroordeelden zijn gebonden. Geene hoop op wederherstelling werd ooit gekoesterd door iemand, die in de hel is, en het is nutteloos hier nog aan te denken. Van alle verzinselen van het brein vindt dit wel het minste steun in de Schrift. De verloren zondaar is voor eeuwig gescheiden van Jezus en van de discipelen van Jezus, hoe na verwant in het vleesch deze discipelen hem ook geweest zijn. Onveranderlijk is die scheiding en eeuwig.

172

-ocr page 184-

DE LAATSTE SCHEIDING.

Greliefden, deze dingen zijn van zoo groot aanbelang, dat ik, er by verwijlende, veel meer geneigd zou zün om neder te zitten en te weenen, dan hier voor u te staan en tot u te spreken. Het onderwerp doet mij gevoelen hoe zwak bloote woorden zijn, en in zekere mate doet het my het vermogen verliezen van mij uit te drukken. Want, vrat zou het zijn, indien iemand uwer voor eeuwig verloren ging ? Gisteren heb ik eene zuster in Christus bezocht, die gedurende vele jaren onder mijn gehoor is geweest. Het was zeer aandoenlijk van haar te vernemen, dat zij de besliste keuze had gedaan om Christus toe te behooren, toen ik onlangs, op het punt zijnde van buiten \'s lands te gaan, gezegd heb, dat ik wellicht nooit meer tot u zou spreken, wijl ik in het vreemde land misschien een graf zou vinden. Toen ik die woorden sprak, gevoelde ik, dat dit wel het geval zou kunnen wezen, ofschoon het mij eene blijdschap is, dat mijne woorden niet in vervulling zijn gekomen. (1) Die zuster dacht: „Hij heeft gedurende vele jaren voor mij gepredikt, en als ik onbekeerd sterf, dan zal ik hem nooit wederzien.quot; En toen kwam plotseling de gedachte in haar op: „Hoe veel erger zal het nog wezen te weten, dat ik nooit den Koning zal zien in zijne schoonheid, dat ik nooit den Zaligmaker zal zien!quot; En aldus werd zij door den Heiligen Geest er toe gebracht haar hart aan Jezus te geven. Wellicht zal de Heere door de gedachte aan deze scheiding sommigen van u er toe bewegen om te zeggen: „Ik zal tot Jezus komen en in Hem rusten.quot; O Heere, mijn God, geef dat het zoo zijn moge, om Jezus wil.

11. Wij hebben nu gesproken over de verdeeling, thans zul len wij eenige woorden spreken over den veedeeler. „Hij zal ze van elkander scheiden.quot;

178

Christus Jezus zal het zijn, die het geslacht der menschen in twee deelen verdeelt, en het verheugt mij dit te weten, ten eerste, omdat dit de gelegenheid zijn zal der duurzame, ja der eeuwige blijdschap voor a,l zijne heiligen. Geen kind zal in den hemel ooit aan iets twijfelen; maar het is noodzakelijk, dat zij hunne gelukzaligheid beginnen met eene zeer sterke verzekerdheid van Gods liefde, want anders zou er, dunkt my, wèl twijfel in hun hart opkomen. Indien God de methode niet had verordineerd, waarop de tekst heenwyst, dan zou ik mij in den hemel kunnen denken, bij mij zeiven zeggende, nadat ik er voor een ■wijle geweest zou zijn: „O! is het mogelijk! is het waar, dat ik hier ben ? Ik gedenk aan de zonde van dezen of dien dag, en aan de tekortkomingen van zulk eene ure, aan

(1) Die woorden zijn ook werkelijk niet in vervulling gekomen, want, hoewel Ds. Spurgeon in het vreemde land is gestorven, is toch zijn graf in Engeland.

-ocr page 185-

DE SCHAPEN EN DE BOKKEN, OP

mijne murmureeringen, mijn ongeloof en aan al mijne afwijkingen van God; en ben ik nu toch hier?quot; Zonder de middelen, die gebruikt werden om die mogelijkheid onmogelijk te maken, zou ik mij kunnen voorstellen te zeggen: „Gewis, dit wordt mij slechts voor eene wyle te smaken gegeven, om my daarna myn verdiende loon te geven, opdat de hel mij te schrikkelijker zij, nu ik gezien heb wat de hemel is, en mijn honger des te ondragelijker wordt, nadat ik het brood der engelen heb gegeten.quot; Indien zulk eene vreeze mogelijk ware, zie hier dan het antwoord er op. „Hij, de Rechter, de Rechter zelf, heeft gezegd: „Komt, gij gezegenden myns Vaders.quot;quot; Die Rechter kan zich niet vergissen, want Hij is Jezus, de onfeilbare Zone Gods. God zelf heeft zijne uitverkorenen gezegend, en Jezus zegt hun dit in de duidelijkste bewoordingen: „Komt, gij gezegenden mijns Vaders, beërft dat koninkrijk hetwelk u bereid is.quot; Daar Jezus zijne eeuwige gelukzaligheid heeft afgekondigd, kan het kind Gods gedurende de gansche eeuwigheid nooit meer twijfelen. Die stem zal eeuwiglijk in zyne ooren klinken, liefelijker dan de muziek van luit, of harp, of lier. „Komt, gij gezegenden mijn Vaders.quot; Ach! het zal de grondslag der hemelsche zaligheid z;jn te denken: „Jezus heeft mij gezegd te komen. Wie zal mij de vraag doen: Hoezijtgij hier in gekomen? Heeft Hij mij niet toegelaten ? Wie zal mijn recht om daar te zijn in twijfel stellen ? Heeft Hij niet gezegd: „Komt, gÜ gezegenden myns Vaders?quot;quot; Ziet gij niet, dat dit een kostelijk en vertroostend feit is, dat wij ons ten laatsten dage niet zei ven van anderen zullen scheiden, en dat ook geen engel het doen zal, daar deze zich zou kunnen vergissen; maar dat Hij, die de scheiding volbrengt, Jezus zelf is, de Zoon van God, en daarom zal de heeriykheid, die Hij ons toebedeelt, ontwijfelbaar onzer wezen; nu kunnen wij ons onbevreesd verheugen.

Doch ziet nu ook van den anderen kant, dat het de verschrikking der verlorenen zal doen toenemen, dat Christus hen zal afscheiden.

Zou Christus, die vol is van oneindige liefde, een\' zondaar doen omkomen, indien dit niet moeste Hij, die Jeruzalem had willen redden, en weende, omdat het verwoest moest worden! De schuldige stad had besloten zich der verwoesting prijs te geven, maar toen haar Heer het vonnis over haar uitsprak, weende Hy. Als ik hoor, dat een rechter zich het hoofd dekte, ten einde het doodvonnis over iemand uit te spreken, dan lees ik gaarne in de nieuwsbladen: „De stem des rechters beefde, en het was hem blijkbaar niet mogelijk zy he gemoedsbeweging te onderdrukken, toen hij het doodvonnis uitsprak.quot; Hoe zou een rechtgeaard man niet bewogen zyn, als hg genoodzaakt is zijn\' medemensch ten doode te doemen? Maar geen aardsch

1T4

-ocr page 186-

£gt;E LAATSTE SCHEIDING.

rechter heeft zulk een medelijden met z\\jn\' medemensch, als Jezus medelijden heeft met zondaren; en als het er toe komt, dat Rij moet zeggen: „Ik moet u veroordeelenquot;, dan, zondaar, moet dit ook wel geschieden. Als de verpersoonlijkte liefde zegt: „Gaat weg, gij vervloektenquot;; dan moet gij wel nadrukkelijk vervloekt zijn. Gij moet wel zeer snoode wezens zijn, als Hij, van wiens lippen zegeningen vloeien, gelijk er welriekende mirre vloeit uit leliën, u aldus noemt. Er moet iets schrikkelijks in u wezen, als Hij u gebiedt „weg te gaanquot;; en voorwaar er is ook iets afgrijselijks in u, want ongeloof in God is zelfs in de hel het afschuwelijkste van alles wat bestaat. Niet te gelooven, dat God liefde is, dat is de strengste veroordeeling waardig. Indien gij verloren gaat, dan zult gij moeten zeggen; „Ik werd veroordeeld door den liefderijkston Rechter, die ooit op een\' rechterstoel is gezeten. De Christus, die gestorven is, heeft zijne doorboorde hand opgeheven, toen Hij zeide: „Gaat weg gij vervloekten.quot;

Doch er is nog iets, schoon het voorafgaande reeds kon volstaan. Indien gij verloren gaat — hetgeen God verhoede! — dan zal het uwen angst en uwe verschrikking ontzaggelijk verzwaren, dat gij veroordeeld waart door Eenen, die oneindig rechtvaardig is. Gij zult gevoelen, dat de Christus, die u veroordeelde, de heiligste der menschen is geweest, in wien geene zonde was, en dat Hij daarenboven rein en volkomen God is; zoodat gij niet in staat zult zijn iets ^p het vonnis aan te merken. Er zal ook geene kwestie kunnen wezen van een nieuw rechtsonderzoek. Uwe eigene conscientie zal u doen gevoelen, dat die beslissing onherroepelijk is, omdat zij rechtvaardig is; en gij zult maar al te wel verzekerd wezen van hare werkelijkheid en gewisheid, want Hij, die dat vonnis uit zal spreken, is de God der waarheid. Hij heeft gezegd; „Ik ben de weg en de waarheid.quot; Gij wildet Hem niet hebben als „wegquot;; maar gij zult bevinden, dat Hij „de waarheidquot; is; en als Hij u vervloekt noemt, dan zult gij buiten allen twijfel vervloekt zijn.

Nog eens. Indien Hij, die u veroordeelt, de Christus Gods zal wezen, dan zult gij gewaar worden, dat Hij de macht heeft het vonnis uit te voeren, want Hem is gegeven alle macht in hemel en op aarde, en de heerschappij zal op zijneschouders wezen; en zoo Hij zegt; „Gaat weg in het eeuwige vuur,quot; dan zult gij in dat vuur hebben te gaan. Indien Hij verklaart, dat het vuur nimmer zal uitgebluscht worden, dan kunt gü er staat op maken, dat het eeuwig zal branden; en zoo Hij verordineert, dat de worm nooit zal sterven, dan zal die worm tot in eeuwigheid leven en knagen, want Hij, die het vonnis uitspreekt, is machtig het ook uit te voeren. Gedenk, dat Hij gezegd heeft: „De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar

175

-ocr page 187-

de schapen en de bokken, op

mijne woorden zullen geenzins voorbijgaan.quot; Vaster, onwrikbaarder dan de rotsen zal het onherroepelijk raadsbesluit staar. — „Deze zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven,quot; Mijne ziel siddert, terwijl ik aldur. Jezus bekend maak als den Rechter, wiens ontzaggelijke stem de zondaren van de heiligen zal scheiden.

Verleent mij nog voor eene wyle uwe aandacht, terwijl ik in de derde plaats spreek van den regel dee veedeeling, olquot; scheiding. Hebt gij opgemerkt waar de verdeeling gemaakt is V Het is mij een zeer verwonderlijke zaak! De groote scheiding tusschen de kinderen der menschen is Christus. Hier zijn de schapen : daar zijn de bokken. Wat scheidt hen ? Christus! Hij is het middenpunt. Er is op dien grooten, schrikkelüken dag geen groote slagboom opgericht; Hij zelf is de scheiding. Hü zal do schapen tot zijne rechterhand en de bokken tot zijne linkerhand zetten. Welnu, hetgeen ons heden avond in twee deelen scheidt, is onze betrekking tot Jezus Christus. Aan welke zijde van Christus bevindt gij u heden avond ? Ik wensch, dat gij u zeiven deze vraag zult doen. Indien gij aan zy\'ne rechterhand zijt, dan zijt gij onder Gods volk. Indien gij niet metHemzijt, dan zijt gij tegen Hem, en dus zijt gij dan aan zijne linkerhand. Hetgeen den heilige scheidt van den zondaar is Christus ; en op het oogenblik, dat een zondaar tot Christus komt, gaat hij over naar de andere zijde, en dan wordt hij tot de heiligen gerekend. Dat is het wezenlijke punt van scheiding. Christus staat tusschen de geloovigen en de ongeloovigen, en geeft voor beiden de grenslijn aan. Toen Aaron stond tusschen de levenden en de dooden en het wierookvat zwaaide, wat. heeft toen de dooden van de levenden gescheiden ? Stel u dil. tooneel voor, eer gij antwoordt op deze vraag. Daar liggen zij ! Daar liggen zij, zeg ik, zij, die door de pestilentie waren ne-dergeveld; De onzichtbare wreker heeft hen bij hoopen verslagen. Maar hier zijn de levenden, veilig en gelukkig. Wat scheidt hen ? De priester, die daar staat met het wierookvat. Evenzoo staat onze Hoogepriester op dit oogenblik tusschen de levenden en de dooden, terwijl het reukwerk zijner verdienste opstijgt tot God en de meest wezenlijke scheidingsmuur vormt tusschen de doode zondaren en hen, die Gode leven door Jezus Christus. Christus is het, die de scheiding bewerkstelligt, Christus zelf is de scheiding.

Maar wat is de regel, door welken Hij de menschen van elkander scheidt? De regel voor die scheiding wordt tem eerste gevormd door daden. Daden ! Hebt gij dat opgemerkt ? Hij zegt niets van woorden. Hij verwijlt bij daden van barmhartigheid : „Ik ben hongerig geweest, en gü hebt mij te eten gegeven; ik ben dorstig geweest, en gij hebt mij te drinken gegeven ; ik was naakt en gij hebt mii gekleed,quot; Dat zijn allen daden.

176

-ocr page 188-

DE LAATSTE SCHEIDING.

Nu zoudt gij wellicht gaarne gehad hebben, dat de Rechter had gezegd : „Gij hebt zeer stichtelijk over Mij gesproken, en gij hebt Mij Meester en Heere genoemd. G-y placht aan te zitten aan den Avondmaalsdisch.quot; Geen woord wordt hiervan gezegd. Neen, en evenmin wordt iets gezegd van ceretnonieele handelingen. Hij zegt niet: gij placht u te buigen voor de hostiekas; gedurende één deel van den eeredienst hebt gij eerbiedig gestaan, en gedurende een ander deel van den dienst hebt gij geknield; • gy hebt psalmzingende een\' plechtigen omgang gedaan in de kerk.quot; Van deze verrichtingen wordt met geen enkel woord gesproken, het zijn slechts gansch gewone daden, die genoemd worden. „Ik ben hongerig geweest en gij hebt my te eten gegeven; ik ben dorstig geweest, en gij hebt mij te drinken gegevendat zijn gansch gewone, alledaagsche zaken. Daden zullen de groote regel wezen voor het oordeel ten laatsten dage. Myne prediking is thans niet in tegenspraak met het Evangelie, ik herhaal slechts in andere woorden wat onze Heere zelf gezegd heeft. „Wy allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelyk wegdrage, hetgene door het lichaam geschiedt, naar dat hy gedaan heeft, hetzy goed, hetzij kwaad.quot; Dit is eene uitspraak, niet der wet, maar van het Nieuwe Testament .onzes Heeren en Zaligmakers Jezus Christus. Zij, die kwaad gedaan hebben zullen heengaan in de eeuwige pijn.

Worden wij dan zalig door onze werken ? In geenen deele. Maar onze werken zyn er het bewys van, dat wy verlost zijn, en de genade zal die bewyzen, zoo wy ze bezitten, openbaar maken in ons leven. Een rechter oordeelt de daden naar de bewijzen, die er voor geleverd zyn. Wel is waar, hy kan, en hij zal acht geven op de beweegredenen, waaruit de daad is voortgekomen, maar vóór alles moeten de daden zeiven met de bewyzen onder zyne aandacht worden gebracht, en zoo maakt ook de Koning hier melding van de daden, die geschied zijn.

Laat ons opmerken, dat de daden, die den regel aangaven voor het oordeel, allen daden waren met betrekking tot Christus. Ik wensch, dat gij hier nauwkeurig acht op geeft. De Heere zegt: Ik ben hongerig geweest, en gij hebt mij te eten gegeven y ik ben dorstig geweest, en gij hebt mij te drinken gegeven ; ik ben krank geweest, en gy hebt mij bezocht.quot; Dit is een kort begrip van daden voor Christus. Ik zal dus deze zeer ernstige vraag tot u richten — Welke daden hebt gij ooit gedaan met betrekking tot Jezus ? „Ik ben lid der gemeente,quot; zegt iemand. Daarover wensch ik thans niets te hooren, want de Rechter zal hier geen woord van zeggen. Het verheugt mij, dat gij belijdt een discipel van Christus te zyn, indien gy dit waarlyk zyt; maar bewyst gy het door uwe daden? Dat

177

12

-ocr page 189-

178 DE SCHAPEN EN DE BOKKEN, OF

s de vraag. Hebt gij ooil iets voor Christus gedaan? Hebt gij ooit iets aan Christus gegeven? Zou Christus tot u kunnen zeggen: „Ik ben hongerig geweest, en gij hebt mij te eten gegeven; ik ben dorstig geweest, en gij hebt mij te drinken gegeven ?quot; Ach! ik ken sommige belijders, van wie, naar ik vrees, Jezus Christus niet aldus zou kunnen spreken, want Hij kan niet zeggen, wat niet waar is. Hunne beurs is hermetisch gesloten, zelfs de reuk van hun geld zal nooit Christus\' arme broeders bereiken. Een\' hongerige te eten geven ? O neen, dat zullen zy niet. Laat hem naar het armbestuur gaan. Kleêren geven aan een\' naakte ? O neen! Waar betalen wy belasting voor ? Het denkbeeld van iemand iets te geven, of iets voor iemand te doen, zonder er voor betaald te worden, of zonder er voor geprezen te worden, schijnt hun iets buitensporigs, iets ongehoords en onredelijks. Nu is zelfzucht evenzeer in tegenspraak met het Evangelie, als de koude van het Noorden tegenovergesteld is aan de warmte der zon. Indien de zon van Christus\' liefde in uw hart heeft geschenen, dan zult gy anderen liefhebben, en gy zult uwe liefde voor anderen toonen door uwe begeerte om hen op allerlei wijzen goed te doen, en gij zult het doen om Christus wil; zoo dat Hij, als Hij komt, zeggen kan: „I/c ben hongerig geweest, en gy hebt mij te eten gegeven; ik ben dorstig geweest, en gij hebt mij te drinken gegeven; ik ben krank geweest, en gij hebt mij bezocht; ik ben in de gevangenis geweest onder smaad en verachting, en gij zyt tot mij gekomen.quot; Wat zijn uwe daden geweest ten opzichte van Christus ? Ik bid u, broeders en zusters, die met mij vereenigd zyt in de belijdenis van trouw en gehechtheid aan Christus, oordeelt u zei ven naar uwe daden ten zijnen opzichte, gelyk ik my zeiven zal oordeelen.

Merkt nu nog op, dat Christus ons hier door afleiding, als het ware, zegt, dat de daden, die op den oordeelsdag vermeld zullen worden als bewijs, dat wij de gezegenden des Heeren zijn, voortkomen uit Gods genade, want Hy zegt „Gij gezegenden mijns Vaders, beërft dat koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld.quot; Zy hebben de hongerigen gevoed, maar de vry machtige genade Gods had hen eerst gevoed. Zij hebben de naakten gekleed, maar de oneindige liefde had hen eerst bekleed. Zij gingen naar de gevangenis, maar de vrye genade had hen eerst uit veel erger kerker bevryd. Zy hebben de kranken bezocht, maar in zijne ontferming is de Goede Geneesmeester gekomen en heeft hen het eerst bezocht. Zy hadden blijkbaar niet het minste denkbeeld, dat er iets verdienstelijks stak in hetgeen zij gedaan hebben. Het was nooit bij hen opgekomen er eene belooning voor te verwachten. Als zy voor den rechterstoel zullen staan

-ocr page 190-

DE LAATSTE SCHEIDING.

dan zal het bloote denkbeeld, dat er eenlge voortreffe-lykheid lag in hetgeen zü gedaan hebben iets gansch nieuws zyn voor de heiligen, want zij hadden er een\' zeer geringen dunk van, en het scheen hun veel te gebrekkig te wezen om op lof aanspraak te kunnen maken. De heiligen hebben de hongerigen gevoed en de naakten gekleed, omdat hun dar, veel genoegen verschafte. Zü deden het, omdat zij het niet laten konden, want hunne nieuwe natuur drong hen er toe. Zij deden het, omdat het hun eene verlustiging was goed te doen, het was even goed hun element, als water het element is van de visschen en lucht van de vogelen. Zij deden goed, om Christus wil, omdat het de liefelijkste zaak ter wereld was iets voor Jezus te doen. Hoe komt het, dat eene vrouw zoo vriendelijk is voor haren echtgenoot ? Omdat het haar plicht is, zegt gy. Dat is alles heel goed en wel, maar de ware reden is, omdat zij hem zoo innig lief heeft. Waarom is eene moeder zoo vol van teedere zorge voor haren zuigeling ? Is er eene landswet, die beveelt, dat moeders zeer veel van hare kinderkens moeten houden? Neen, zulk eene wet is er niet; er is eene wet van God, nedergelegd in het hart, en de moeder kan niet anders dan vriendelijk wezen voor haar kind. Welaan, als de Heere eene nieuwe natuur in ons schept, en ons één maakt met Christus Jezus, dan kunnen wij niet anders dan zyn volk liefhebben en het goede zoeken voor onze medemenschen, en dit zal de Heere Jezus Christus ten laatsten dage als het bewijs aannemen, dat er liefde was in het hart, wijl die liefde getoond werd door de hand. God geve, dat wij, wanneer de Rechter van allen zal komen, bevonden worden vernieuwd te zijn van hart en vol van liefde, door de kracht van zyn\' Heiligen Geest.

„O !quot; zegt iemand, „Ik wenschte wel dat ik dit nieuwe hart bezat, waaruit zulke daden kunnen voortkomen.quot; Jezus kan het u geven. Vóórdat gij verlost en behouden zyt, zult gij al-tyd op de eene of andere manier voor u zeiven leven. Zonder de beweegreden van den godsdienst, hebben zelfs de grootste philanthropen over het algemeen slechts de achting hunner medemenschen gezocht. Maar als gij een nieuw hart ontvangt, dan zult gij niet leven voor de goedkeuring uwer medemenschen. Dan zullen uwe aalmoezen in het verborgen gegeven worden, en zult gij uwe linkerhand niet laten weten, wat uwe rechterhand doet. En als gy dan liefde en barmhartigheid beoefent, dan zal het niet wezen, opdat anderen overal bekend zullen maken, dat gij de kranken hebt bezocht en de naakten hebt gekleed; neen uwe aalmoezen zullen in het verborgen, in een\' hoek geschieden, waar niemand er iets van weet dan uw God en de dankbare ontvangers uwer weldaden. Gy zult stil

179

-ocr page 191-

180 DE SCHAPEN EN DE BOKKEN, enz.

en zonder opzien te baren uwe „twee kleine penningen, hetwelk is een oortquot; in de schatkist werpen en denken, dat gij onopgemerkt zijt gebleven, maar Een, die gezeten is tegenover de schatkist, en uw hart kent, zal het gedenken, Uw Heere zal aannemen wat gü doet, omdat gy het doet uit liefde tot Hem; en ten laatsten dage zal Hij, terwijl gy bloost om er van te hooren, het mededeelen aan de engelen en aan de luisterende scharen der aarde en des hemels, en dan zal Hij de poorten der onsterfelyke zaligheid wyd open doen en u overeenkomstig de belofte zijner genade binnen laten gaan.

God zegene u, geliefden, om Jezus wil, Amen.

-ocr page 192-

HET ZAAD, GROEIENDE IN HET VERBORGEN,

OF

WAT DE ARBEIDERS KUNNEN, EN WAT ZIJ NIET KUNNEN.

„En hij zeide : Alzoo is het koninkrijk Gods, gelijk een mensch het zaad in de aarde wierpe, en voorts sliepe, en opstonde, nacht en dag; en het zaad uitsprote, en lang wierde, dat hij zelf niet wiste hoe. Want de aarde brengt van zelve vrucht voort: eerst het kruid, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar. En als de vrucht zich voordoet, terstond zendt hij de sikkel daarin, omdat de oogst daar is.quot; Markus IV : 26—29.

Onlangs was het onderwerp onzer prediking de arbeiders op Gods akker en hun groote Meester, en toen hebben wij u trach-teh aan te toonen in hoe ver de menschelijke werkzaamheid noodig is voor den arbeid des Evangelies. Wij hebben toen ook gezien, hoe alle heilige vruchten van dien arbeid volkomen afhankelijk zyn van God, want noch hij, die zaait, noch hij, die nat maakt is iets, maar God, die den wasdom geeft. Wij zullen heden ongeveer hetzelfde onderwerp behandelen, slechts gaat het wat dieper, en toont het nog meer ten volle aan, hoe ver de arbeider gaan kan, en hoe ver hij niet gaan kan ; ivaar de mensch met heilige naarstigheid mag komen, en waar geen menschelijke arbeid zich by mogelijkheid kan indringen. Ons onderwerp voor heden zal voornamelijk wezen de mate en de grens van het menschelijke medearbeiden in het koninkrijk der genade. Indien de Geest Gods ons onderwijst, dan zullen wy uit deze schriftuurplaats zeer veel omtrent deze aangelegenheid kunnen leeren.

Het is opmerkelijk, dat deze gelykenis alleen bij Markus gevonden wordt. Geen ander Evangelist maakt er melding van, doch dat vermindert er voor ons de hooge waardij niet van. Indien zij ons vier maal ware verhaald, wij zouden er de herha-

-ocr page 193-

182 het zaad, groeiende in het veeboegen, of

ling gaarne van aangehoord hebben, en er eene viervoudige aandacht aan hebben verleend. Daar zij ons echter slechts één maal is medegedeeld, zullen wij met te meer ernst hooren naar eene stem, die slechts eens tot ons spreekt. Wy verheugen ons, dat de Heilige Geest Markus er toe geleid heeft uit de vele voortreffelijke dingen, die onze Heere gezegd heeft, en die verloren zijn, deze parel voor ons te bewaren. Johannes zegt .ons, dat, zoo de vele dingen, die Jezus gedaan heeft, elk bijzonder geschreven werden, de wereld zelve de geschreven boeken niet zoude bevatten. Velen van de dingen, die Jezus gezegd heeft, z;in ongetwijfeld nog gedurende eenigen tijd bewaard gebleven, maar werden toen langzamerhand vergeten, en wy behooren dankbaar te wezen, dat de Geest Gods door de hand van zijn\' dienstknecht Markus deze keurige gelijkenis te boek heeft doen stellen, want zij is van onschatbare waarde.

Hier is eene les voor zaaiers, — voor de arbeiders op den akker Gods. Het is eene gelijkenis voor allen, die belang hebben bü het koninkrijk Gods. Voor hen, die in het rijk der duisternis zyn, zal zij weinig waarde hebben, want hun is niet bevolen het goede zaad te zaaien. „Tot den goddelooze zegt God : Wat hebt gij mijne inzettingen te vertellen?quot; Maar alle trouwe onderdanen van Koning Jezus, allen, die de opdracht ontvangen hebben het zaad voor den koninklijken Landman uit te strooien, zullen verblijd zijn te weten, hoe het koninkrijk bevorderd wordt en de oogst bereid wordt voor Hem, dien zij dienen. Luistert dan, gij allen, die aan alle wateren zaait, gij, die met heilige arbeidzaamheid de graanschuren uws Gods zoekt te vullen, — luistert, en moge de Geest Gods in uwe ooren spreken naar de mate gy in staat zijt het te dragen.

I Wij zullen ten eerste uit onzen tekst leeren, wat wij doen

kunnen en wat wij niet doen kunnen.

„Alzoo het is koninkrijk Gods. gelijk of een mensch het zaad in de aarde wierpe.quot; Dat is dus iets, hetwelk de godvruchtige arbeider doen kan. „En het zaad uitsprote, en lang wierde, dat hij zelf niet wiste hoe.quot; Dat is iets, hetwelk hij niet doen kan ; het behoort tot eene hoogere macht. De mensch kan het zaad noch doen uitspruiten, noch doen opgroeien; te dien opzichte kan hij gerust het veld verlaten en naar huis gaan, om „te slapen, en op te staan nacht en dag.quot; Is het zaad eens gezaaid, dan behoort het niet meer tot de rechtsmacht der men-schen, maar is onder de zorge Gods. Eerlang komt de arbeider echter weder: „Als de vrucht zich voordoet, terstond zendt hij de sikkel daarin.quot; Ter bestemder tijd kunnen wy oogsten, en het is beide onze plicht en ons voorrecht dit te doen. Gij ziet alzoo, dat er voor den arbeider eene plaats is bij het begin, en schoon er in het midden tijdperk geene plaats voor hem is, wordt hem daarna toch weder gelegenheid gegeven

-ocr page 194-

WAÏ DE AEBEIDERS KUNNEN, EN WAT ZIJ NIET KUNNEN. 183

tot arbeiden, wanneer het zaad, dat hij gezaaid heeft, vrucht draagt.

Wij kunnen dus zaaien. Ieder, die de kennis van de genade Gods in zün hart heeft ontvangen, kan anderen onderwijzen. Wij kunnen niet allen gelijkelyk onderwijzen, want allen hebben niet dezelfde gaven; aan de een is één talent gegeven, aan een ander tien. En evenmin hebben wij allen dezelfde gelegenheden, want de een leeft stil en onbekend, en een ander heeft een ver reikenden invloed. Toch is er in het huisgezin Gods geene enkele kinderhand, die haar zaadkorreltje niet in den grond kan laten vallen. Er is geen man onder ons, die ledig op de markt behoeft te staan, want er is werk, dat berekend is voor zijne krachten. Er is geene enkele vrouw, die door genade verlost is, aan wie geene heilige taak wordt opgedragen; dat zy haar vervulle en aldus het goedkeurend woord des Meesters verwerve: „Zij heeft gedaan wat zy kon.quot; Er is het een of ander heilig werk, dat binnen het bereik is van ieders gave of vatbaarheid, of het de moeder is in haar gezin, of het kindermeisje, dat voor een klein kind heeft te zorgen ; de knaap in de school, de ambachtsman in zijne werkplaats, of de verpleegster aan het leger der kranken. Zü, die de minste gelegenheid hebben, kunnen toch nog iets doen voor Jezus en zijne zaak. Het kostbare zaad van het Woord Gods is klein als een mosterdzaad, en kan door de zwakste hand heengedragen worden naar de plaats, waar het honderdvoudige vrucht voortbrengt.

Wij behoeven nooit met God te twisten, omdat wij niet alles kunnen, indien Hij ons slechts vergunt dat éénetedoen; want het goede zaad te zaaien is een werk, waarvoor wij al ons verstand, al onze kracht, al onze liefde, al onze zorge noo-dig hebben. Heilig zaad te zaaien kan wel door ons worden aangenomen als het hoogste doei, dat wy moeten najagen, en dat volstrekt niet beneden de waardigheid is van het edelste leven, dat men kan leiden. Gij zult hemelsch onderwijs behoeven ten einde de tarwe zorgvuldig te kiezen en vry te houden van het onkruid der dwaling. Wy moeten er zelfs onze eigene gedachten en meeningen uit weg wannen, want zy zouden wel eens in strijd kunnen zijn met de bedoelingen Gods. De menschen worden niet behouden door ons woord, maar door Gods woord. Wy zijn verplicht te zorgen, dat wij zei ven het Evangelie kennen, en het gansch en al te onderwijzen. Aan verschillende menschen moeten wy met voorzichtig beleid dat gedeelte van het Woord Gods brengen, dat het best tot hun geweten spreekt, want heel veel kan er van afhangen, dat het een woord op zijn tijd is, en niet een volzin, die, alsby\' geval, onverschillig daarheen wordt geworpen. Wy zullen genoeg te doen hebben, als wy acht geven op de zaadkorf, opdat wy wellicht niet even goed onkruid als tarwe zaaien, of het goede zaad

-ocr page 195-

182 het zaad, groeiende in het veeboegen, of

ling gaarne van aangehoord hebben, en er eene viervoudige aandacht aan hebben verleend. Daar zij ons echter slechts één maal is medegedeeld, zullen wij met te meer ernst hooren naar eene stem, die slechts eens tot ons spreekt. Wü verheugen ons, dat de Heilige Geest Markus er toe geleid heeft uit de vele voortreffelijke dingen, die onze Heere gezegd heeft, en die verloren zijn, deze parel voor ons te bewaren. Johannes zegt-ons, dat, zoo de vele dingen, die Jezus gedaan heeft, elk bijzonder geschreven werden, de wereld zelve de geschreven boeken niet zoude bevatten. Velen van de dingen, die Jezus gezegd heeft, zijn ongetwijfeld nog gedurende eenigen tijd bewaard gebleven, maar werden toen langzamerhand vergeten, en wy behooren dankbaar te wezen, dat de Geest Gods door de hand van zün\' dienstknecht Markus deze keurige gelijkenis te boek heeft doen stellen, want zij is van onschatbare waarde.

Hier is eene les voor zaaiers, — voor de arbeiders op den akker Gods. Het is eene gelijkenis voor allen, die belang hebben bij het koninkrijk Gods. Voor hen, die in het rijk der duisternis zijn, zal zij weinig waarde hebben, want hun is niet bevolen het goede zaad te zaaien. „Tot den goddelooze zegt God : Wat hebt gij mijne inzettingen te vertellen ?quot; Maar alle trouwe onderdanen van Koning Jezus, allen, die de opdracht ontvangen hebben het zaad voor den koninklijken Landman uit te strooien, zullen verblijd zijn te weten, hoe het koninkrijk bevorderd wordt en de oogst bereid wordt voor Hem, dien zij dienen. Luistert dan, gij allen, die aan alle wateren zaait, gij, die met heilige arbeidzaamheid de graanschuren uws Gods zoekt te vullen, — luistert, en moge de Geest Gods in uwe ooren spreken naar de mate gij in staat zijt het te dragen.

I Wij zullen ten eerste uit onzen tekst leeren, wat wij doen

kunnen en wat wij niet doen kunnen.

„Alzoo het is koninkryk Gods, gelijk of een raensch het zaad in de aarde wierpe.quot; Dat is dus iets, hetwelk de godvruchtige arbeider doen kan. „En het zaad uitsprote, en lang wierde, dat hü zelf niet wiste hoe.quot; Dat is iets, hetwelk hij niet doen kan; het behoort tot eene hoogere macht. De mensch kan het zaad noch doen uitspruiten, noch doen opgroeien; te dien opzichte kan hij gerust het veld verlaten en naar huis gaan, om „te slapen, en op te staan nacht en dag.quot; Is het zaad eens gezaaid, dan behoort het niet meer tot de rechtsmacht der men-schen, maar is onder de zorge Gods. Eerlang komt de arbeider echter weder: „Als de vrucht zich voordoet, terstond zendt hij de sikkel daarin.quot; Ter bestemder tijd kunnen wy oogsten, en het is beide onze plicht en ons voorrecht dit te doen. Gij ziet alzoo, dat er voor den arbeider eene plaats is bij het begin, en schoon er in het midden tijdperk geene plaats voor hem is, wordt hem daarna toch weder gelegenheid gegeven

-ocr page 196-

WAT DE ARBEIDERS KUNNEN, EN WAT ZIJ NIET KUNNEN. 183

tot arbeiden, wanneer het zaad, dat hij gezaaid heeft, vrucht draagt.

Wij kunnen dus zaaien. Ieder, die de kennis van de genade Gods in zyn hart heeft ontvangen, kan anderen onderwijzen. Wij kunnen niet allen gelijkelyk onderwijzen, want allen hebben niet dezelfde gaven; aan de een is één talent gegeven, aan een ander tien. En evenmin hebben wij allen dezelfde gelegenheden, want de een leeft stil en onbekend, en een ander heeft een ver reikenden invloed. Toch is er in het huisgezin Gods geene enkele kinderhand, die haar zaadkorreltje niet in den grond kan laten vallen. Er is geen man onder ons, die ledig op de markt behoeft te staan, want er is werk, dat berekend is voor zijne krachten. Er is geene enkele vrouw, die door genade verlost is, aan wie geene heilige taak wordt opgedragen; dat zü haar vervulle en aldus het goedkeurend woord des Meesters verwerve: „Zij heeft gedaan wat zy kon.quot; Er is het een of ander heilig werk, dat binnen het bereik is van ieders gave of vatbaarheid, of het de moeder is in haar gezin, of het kindermeisje, dat vooreen kleinkind heeft te zorgen ; de knaap in de school, de ambachtsman in zijne werkplaats, of de verpleegster aan het leger der kranken. Zy, die de minste gelegenheid hebben, kunnen toch nog iets doen voor Jezus en zijne zaak. Het kostbare zaad van het Woord Gods is klein als een mosterdzaad, en kan door de zwakste hand heengedragen worden naar de plaats, waar het honderdvoudige vrucht voortbrengt.

Wij behoeven nooit met God te twisten, omdat wij niet alles kunnen, indien Hij ons slechts vergunt dat éénetedoen; want het goede zaad te zaaien is een werk, waarvoor wij al ons verstand, al onze kracht, al onze liefde, al onze zorge noo-dig hebben. Heilig zaad te zaaien kan wel door ons worden aangenomen als het hoogste doel, dat wij moeten najagen, en dat volstrekt niet beneden de waardigheid is van het edelste leven, dat men kan leiden. Gij zult hemelsch onderwijs behoeven ten einde de tarwe zorgvuldig te kiezen en vrij te houden van het onkruid der dwaling. Wü moeten er zelfs onze eigene gedachten en meeningen uit weg wannen, want zij zouden wel eens in strijd kunnen zijn met de bedoelingen Gods. De menschen worden niet behouden door ons woord, maar door Gods woord. Wy zijn verplicht te zorgen, dat wij zeiven het Evangelie kennen, en het gansch en al te onderwijzen. Aan verschillende menschen moeten wij met voorzichtig beleid dat gedeelte van het Woord Gods brengen, dat het best tot hun geweten spreekt, want heel veel kan er van afhangen, dat het een woord op zijn tijd is, en niet een volzin, die, als bij geval, onverschillig daarheen wordt geworpen. Wij zullen genoeg te doen hebben, als wij acht geven op de zaadkorf, opdat wij wellicht niet even goed onkruid als tarwe zaaien, of het goede zaad

-ocr page 197-

HET ZAAD, (ÏBOEIENDE IN HET VEEBOEGEN, OF

wegwerpen ter plaatse waar hetslechtsbooze vogelen kan voeden.

Het zaad hebbende gekozen, zullen wij werk genoeg hebben, als wy uitgaan om het met volle handen overal te zaaien, want elke dag en leder gezelschap brengt zijne gelegenheden. „Zaai uw zaad in den morgenstond, en trek uwe hand des avonds niet af.quot; „Zaait aan alle wateren.quot; Doet als de zaaier in de gelijkenis, die niet de verkeerde zuinigheid heeft betracht van alleen maar te zaaien, waar, naar zijne meening, goede aarde was, maar die, gevoelende, dat hü behalve voor het kiezen van den grond zijn oordeel nog voor andere zaken kon gebruiken, rechts en links hel zaad strooide terwyl hy over den weg ging, en zelfs aan den steenachtigen en met doornen begroeiden grond geen handvol zaad heeft geweigerd. Gy, waarde medearbeiders, zult ten allen tijde en aan alle plaatsen genoeg te doen hebben, als gij, beide met ijver en voorzichtigheid het levende woord van den levenden Heere bekend maakt.

Evenwel, verstandige zaaiers ontdekken gunstige gelegenheden tot zaaien, en grijpen ze met blijdschap aan. Er zijn tijden, wanneer zaaien duidelijk een verspillen zou zijn van het zaad, want de aarde zou het niet in zich op kunnen nemen, zij is er niet in den geschikten toestand voor. Na eene regenbui, of vóór dat de regenbui komt, of op zulk een\' tijd, als hy, die de landbouwkunde heeft bestudeerd, goed acht, dan is het de tijd om aan het werk te gaan. Terwijl wij dus immer voor God arbeiden, zyn er toch tyden, wanneer het paarlen voor de zwynen geworpen zou zijn om over heilige dingen te spreken; en er zijn andere tyden, wanneer traagheid een schandelijk verwaarloozen van gunstige gelegenheden zou zijn. Wie traag is in den tijd van ploegen en zaaien, is in waarheid traag, want hij verspilt niet slechts den dag, maar het geheele jaar. Indien gij uitziet naar zielen, en de gunstige uren, en de oogenblikken van heilige verteedering gebruikt, dan zult gij niet hebben te klagen over de weinige ruimte, die u voor uwen arbeid gegeven is. Zelfs al zoudt gij nooit geroepen worden tot „nat makenquot;, of tot oogsten, is uw arbeid nog omvangrijk genoeg, als gij het werk eens zaaiers doet.

Want, gering als het schijnt om de eenvoudige waarheid des Evangelies te onderwijzen, toch is dit onontbeerlijk. Hoe zullen de menschen hooren zonder iemand, die hen onderwijst? De akker zal nooit koren opleveren, als het niet gezaaid werd. Onkruid zal wel van zelf groeien, zonder dat wij er iets voor behoeven te doen, maar geene tarwe of gerst. Het menschelyk hart is zóó verdorven, dat hetgansch natuurlijk overvloedig kwaad voortbrengt, en Satan zorgt er voor het niet te laten liggen, zonder kwaad zaad te zaaien; maar indien de ziel des menschen Gode ooit vrucht zal voortbrengen, dan moet het zaad der waarheid er van buiten af ingebracht

184

-ocr page 198-

wat de arbeiders kunnen, en wat zij niet kunnen. 185

worden. Dienstknechten Gods, het zaad der waarheid is niet gelijk distelwol, dat door eiken wind voortgedragen wordt, noch gelijk sommige zaden, die zich zeiven zaaien, neen, het koren des koninkrijks behoeft eene menschelijke hand om gezaaid te worden, en zonder deze medewerking zal het in des menschen hart niet komen, en kan het geene vruchten voortbrengen tot Gods eer. De prediking des Evangelies is de noodzakelijkheid van iedere eeuw, God geve, dat ons land er nooit beroofd van moge worden. Zelfs als de Heere het noodig voor ons oordeelde ons gebrek aan brood en gebrek aan water te doen hebben, zoo moge Hij ons toch nooit een\' hongersnood zenden van Gods Woord. Het geloof is uit het gehoor, en hoe kan er een hooren zyn, zoo er geene prediking is? Zaait, o! zaait dan het zaad des koninkrijks, want dit is onmisbaar voor den oogst. De verspreiding van het Evangelie is niet iets, dat gy kunt doen, of niet kunt doen, al naar u dit welgevallig is. Neen, het is eene volstrekt noodzakelijke plichtsbetrachting om het te doen, en er zal u streng rekenschap van gevraagd worden, zoo gü dien plicht verzuimt. Gij kunt het zaad zaaien, en het zaad moet gezaaid worden.

Dit zaad moet dikwijls gezaaid worden, want in den tijd, waarin wij leven, kan één enkel zaaisel niet volstaan. Het zaad moet ook overal gezaaid worden, want er zyn in de wereld geene keurige, kostelijke plekjes, waaraan gij niets behoeft te doen, wijl gij hoopt, dat deze wel van zeiven een\' oogst zullen opleveren. Gij moet niet denken, dat gij aan de rijken en ontwikkelden niet behoeft te arbeiden, wijl zij toch zeker wel met het Evangelie bekend zullen zijn, want het is niet zoo; de grootschheid des levens leidt hen af van God. Gij moogt de armen en ongeletterden niet aan zich zeiven overlaten, zeggende: „Dezen zullen gewis wel zeiven hunne groote behoefte aan een\' Zaligmaker gevoelen.quot; Niet alzoo: zij zullen al lager en lager zinken, tenzij gij hen opheft door het Evangelie. Geen menschengeslacht, geene menschen met een\' bij-zonderen gemoedsaard mogen door ons veronachtzaamd worden; overal moeten wij het Woord prediken, tijdig en ontijdig. Ik heb gehoord, dat Kapitein Cook, de beroemde reiziger rondom de wereld, in één opzicht een bewonderenswaardig voorbeeld voor ons was. In welk deel van de wereld hij aan land ging, overal nam hij een pakje met verschillende Engelsche zaden met zich, en dan zag men hem dat zaad op geschikte plekjes zaaien. Hij verliet de boot en wandelde een eind van de kust af, en zonder aan iemand iets te zeggen, zaaide hij het Engelsche zaad, waar hij ook heenging, zoodat hij de wereld omgordde met de bloemen en kruiden van zijn geboorteland. Volg hem na, overal waar gij heen gaat. Zaai geestelijk zaad aan alle plaatsen, waar gij den voet zet. Sommigen van

-ocr page 199-

HET ZAAD, GROEIENDE IN HET VERBORGENE, OF

u zult u eerlang in de eene of andere zeebadplaats bevinden, of te midden van de Zwitsersche bergen, of in andere streken der aarde, om wat afwisseling te hebben en van de schoonheden der natuur te genieten. Draagt het hemelsche zaad met u, en rust nïet, vóórdat gij overal eenige zaadjes hebt laten vallen, die Gode vrucht kunnen voortbrengen. Dit kunt gij doen, ziet toe, dat gij het doet.

Laat ons thans denken aan hetgeen gij niet kunt doen. Als het zaad uit uwe hand is, kunt gij het geen leven doen voortbrengen. Gü kunt het niet doen groeien, want gij weet niet hoe het groeit. De tekst zegt: „en het zaad uitsproot en lang werd, dat hij zelf niet wist, hoe.quot; Hetgeen buiten het bereik van onze kennis is, is zeer gewis ook buiten het bereik van onze macht. Kunt gü een zaadje doen ontkiemen. Gij kunt er warmte en vochtigheid aan geven, waardoor het zwelt en uitbot, maar de kieming zelve is buiten uwe macht. Hoe geschiedt zij? Wij weten het niet. En als de kiem daar is, kunt gij haar dan verder doen groeien, en haar leven ontwikkelen in blad en stengel? Neen, ook dit staat niet in uwe macht. En als de groene, grasachtige halm gevolgd wordt door de aar, kunt gij haar dan doen rijpen? Zij zal rijpen, maar kunt gij het? Gü weet, dat gü het niet kunt, gij kunt aan die werking volstrekt niet mede doen, al kunt gij iets büdragen tot bevordering van den toestand, onder welken zü voortgebracht wordt. Het leven is eene verborgenheid, de wasdom is eene verborgenheid, het rijpen is eene verborgenheid, en deze drie verborgenheden zijn fonteinen, die voor alle indringers gesloten en verzegeld zün. Hoe komt het, dat er in het rijpe zaad de toebereiding is voor een ander zaaisel en een\' and-eren groei? Wat is dit levensbeginsel, deze verborgene voortbrengingskracht ? Weet gij er iets van? De wijsgeer moge zeggen, dat hij leven en groei kan verklaren, en dan zal hij naar de gewone manier der philosophie u overstelpen met termen, die minder verstaanbaar zü\'n dan de gewone praat van kleine kinderen, en nu zegt hü: „Ziedaar de geheele zaak! Het is zoo duidelijk mogelük!quot; Hü omhult zijne onwetendheid, met allerlei hoogdravende termen van geleerdheid en noemt het wijsheid. Tot op den huidigen dag blyft het waar van het groeien van de gewoonste zaden; „Hij weet niet hoe.quot; De man van wetenschap kan spreken over chemische verbindingen en physische omzettingen, en hij kan op gelijksoortige gevallen wijzen, maar het groeien des zaads blijft eene verborgenheid; het ontspruit „hij weet niet hoe.quot; Dit is voorzeker even waar van de opkomst en den voortgang van het Woord Gods in het hart. Het treedt de ziel binnen, en schiet er wortelen; gü weet niet hoe. Van nature haten de menschen het Woord, maar het komt in het hart en verandert het hart, zoodat zij er toe

186

-ocr page 200-

WAT DE AEBEIDEBS KUNNEN, EN WAT ZIJ NIET KUNNEN. 187

komen het Woord lief te hebben; maar hoe weten wij niet. Geheel hunne natuur is vernieuwd, zoodat zij, in plaats van zonde voort te brengen, bekeering, geloof en liefde voortbrengt; maar hoe weten wij niet. Hoe de Geest Gods werkt op den geest der menschen, hoe Hij het nieuwe hart schept en den vasten geest, hoe wij wedergeboren worden tot eene levende hope, hoe wij geboren worden uit den Geest, dat weten wij niet. De Heilige Geest komt tot ons in; wij hooren zijne stem niet, wy zien zijn licht niet, w;j gevoelen zijne aanraking niet, en toch werkt Hij een krachtdadig werk in ons, dat niet lang zal voortgaan eer wy het bemerken. Wy weten, dat het werk des Geestes eene nieuwe schepping is, eene opstanding uit de dooden, maar al deze woorden zijn slechts bedekselen van onze volkomene onbekendheid met de wijze zijner werking, waar wij ons niet kunnen inmengen. Wij weten niet, hoe Hij de wonderen zijner liefde tot stand brengt, en, niet wetende hoe Hy werkt, kunnen wij er zeker van zijn, dat wij Hem het werk niet uit de hand kunnen nemen. Wij kunnen niet scheppen, wij kunnen niet levend maken, wy kunnen niet wederbaren, wij kunnen niet zalig maken.

En als nu dit werk Gods tot den groei des zaads is gekomen, wat dan vervolgens? Wij kunnen de rijpe aren inzamelen. Na eene wijle zal God, de Heilige Geest, zyne dienstknechten wederom gebruiken. Zoodra het levende zaad in de allereerste plaats de halm der gedachte heeft voortgebracht, en toen de groene aar der overtuiging van zonde, en daarna het geloof, dat als het volle koren in de aar is, dan kan de Christenarbeider weder dienst doen, want hij kan maaien. „Als de vrucht zich voordoet, terstond zendt hij de sikkel daarin.quot; Dat is niet het oogsten van den laatsten grooten dag, want dat komt niet binnen den kring van deze gelykenis, die blijkbaar heenwijst naar een menschelijk zaaier en maaier. Het soort van oogst, dien de Zaligmaker hier op het oog heeft, is die, welken Hij bedoelde, toen Hij tot zijne discipelen zeide; „Heft uwe oogen op, en aanschouwt de landen, want zij zijn aireede wit om te oogsten.quot; Nadat Hij het zaad in de harten der Samaritanen gezaaid had en het ontsproten was, zoodat zij geloof in Hem begonnen te toonen, riep de Heere Jezus; „De landen zijn aireede wit om te oogsten.quot; De apostel zegt: „De een zaait, een ander maait.quot; Onze Heere zegt tot de discipelen; „Ik heb u uitgezonden om te maaien, hetgene gij niet bearbeid hebt.quot; Is er niet de belofte; „Te zijner tijd zullen wij maaien, zoo wij niet verslappenquot;?

Christenarbeiders beginnen hun werk met zorgvuldig op te letten, wanneer de menschen teekenen van geloof in Christus toonen. Zij verlangen het halmpje te zien, en verlustigen er zich in de rijpende aar gade te slaan. Zij hopen dikwijls, dat

-ocr page 201-

188 HEÏ ZAAD, GE0I51ENDE IN HET VERBORGENE, OF

de menschen geloovigeu zün, maar zij verlangen er zeker van te wezen; en als zij oordeelen, dat de vrucht des geloofs ein-delyk voortgebracht is, dan beginnen zij aan te moedigen en te vertroosten. Zy weten, dat de jonge geloovige het noodig heeft ingebracht te worden in de schuur der Christelijke gemeenschap, ten einde beschermd te worden tegen duizenderlei gevaren. Geen verstandig landbouwer zal de veldvruchten lang blootgesteld laten blijven aan den hagel, die er de korrels uit kan slaan, of aan den honigdauw, die ze kan verwoesten, of aan de vogelen des hemels, die ze kunnen rooven. Blijkbaar moet geen geloovige buiten de korenschuur der heilige gemeenschap gelaten worden, hij moet in het midden der gemeente gebracht worden met al de blijdschap, die de inzameling van den oogst kenmerkt. De arbeider voor Christus ziet zorgvuldig uit, en als hij ontdekt, dat zijn tijd is gekomen, dan begint hy terstond de bekeerden in te halen, opdat zij door de broederen verzorgd, afgezonderd van de wereld, beschut tegen verzoeking en voor den Heere bewaard kunnen worden. Hij beijvert zich dit terstond te doen, want de tekst zegt, „terstond zendt hij de sikkel daarin.quot; Hij zal niet maanden lang wachten in koude achterdocht; hij is niet bevreesd te spoedig aan te moedigen, als het geloof wezenlijk daar is. Hij komt met het woord der belofte, en den glimlach der broeder-lyke liefde, en dat wel terstond, en hij zegt tot hem: „Hebt gÜ belijdenis afgelegd van uw geloof? Is de tyd niet gekomen, dat gij den Heere openlijk belijdt? Heeft Jezus niet geboden, dat de geloovige gedoopt zal worden? Zoo gij Hem lief hebt, bewaar zijne geboden.quot; Hij rust niet, voordat hij den bekeerde ingeleid heeft tot de gemeenschap der geloovigen. Want ons werk, geliefden, is nog maar half gedaan, als de menschen tot discipelen gemaakt en gedoopt zijn. Dan hebben wij hen te bemoedigen, te onderwijzen, te versterken, te vertroosten, en in tijden van moeielykheden en gevaar bij te staan en te ondersteunen. Wat zegt de Zaligmaker? „Gaat dan henen, maakt discipelen (1) onder alle volken, dezelye doopende in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; leerende hen onderhouden alles, wat ik u geboden heb.quot;

De maaier is de man, die de bekeerden inbrengt, en hij bekleedt een eervol en nuttig ambt. Indien ik heden het Evangelie verkondig, en er worden menschen bekeerd, dan ben ik de zaaier; maar indien gij, die als vreemdelingen hier in dit kerkgebouw zijt gekomen, weder huiswaarts keert naar de verschillende steden en dorpen, waar gij woont, en door uwe leeraars opgenomen wordt in de gemeenten, dan zullen zij maaien, wat ik gezaaid heb. Ik benijd myn\'medebroeder in de

(1) Zie de kantteekening in den Statenbijbel op Matth. 28; 19.

-ocr page 202-

WAT DE ARBEIDERS KUNNEN, EN WAT ZIJ NIET KUNNEN. 189

bediening zijn voorspoed niet in het inzamelen der bekeerden, maar ik verblijd mij met hem. De zaaier en de maaier kunnen zich wel te zamen verblijden, want ons werk is één, en wij hebben gearbeid voor den Heere.

Let dan op de sfeer van werkzaamheid. Wij kunnen de waarheid brengen tot de menschen, maar die waarheid moet de Heere zelf zegenen. Het leven en groeien des Woords binnen in de ziel is de werking van God alleen. Als de verborgene werking des groeiens geschied is, dan zjjn wy in staat de verlosten in te leiden in de gemeente. Hen in gemeenschap te brengen met de geloovigen is ons werk, en wij moeten niet verzuimen het te doen. Want dat Christus in de menschen gewrocht is, Christus de hope der heerlijkheid, dat is niet ons werk, dat blijft overgelaten aan God; maar als Jezus Christus in hen gevormd is, dan is het onze plicht en onze zielsver-lustiging om dat beeld des Heeren in hen te onderkennen, en tot hen te zeggen : „Kom in, gij gezegende des Heeren, waarom zoudt gij buiten staan?quot; Het goddelijk leven te scheppen is Godes, het te koesteren is onzer. Het verborgen leven in stilte te doen groeien is het werk des Heeren; het opkomen en het volkomen worden van dat leven te zien en er zich in te verblijden, is het werk der geloovigen, gelijk geschreven is: „Als de vrucht zich voordoet, terstond zendt hij de sikkel daarin, omdat de \'oogst daar is.quot;

Dit is alzoo de eerste les: wij zien wat wij kunnen, en wat wij niet kunnen.

II. Ons tweede punt is gelijk aan het eerste, en bestaat in

WAT WIJ KUNNEN WETEN, EN WAT WIJ NIET KUNNEN WETEN.

Ten eerste: wat wij kunnen weten. Wij kunnen weten, dat, als wij het goede zaad des Woords gezaaid hebben, het zal groeien; want dat heeft God beloofd. Niet iedere zaadkorrel in elke plaats, want sommige graankorrels zullen naar de vogelen gaan, en sommigen naar de wormen, en sommigen zullen verschroeid worden door de zon; maar in algemeenen zin zal Gods Woord niet ledig tot Hem wederkeeren, het zal voorspoedig zijn in hetgeen waartoe Hij het gezonden heeft. Dit kunnen wy weten. En wy kunnen weten, dat het zaad, wanneer het eens wortel geschoten heeft, voort zal gaan te groeien; dat het geen droombeeld is, dat verdwijnt, maar eene zaak van werkelijkheid en kracht, dat voortgaat van de grashalm naar het koren in de aar, en onder Gods zegen zich zal ontwikkelen tot werkelijke zaligheid, en dan „het volle koren in de aarquot; zijn zal. Als God ons helpt en zegent, dan zal ons werk van onderwijzen de menschen niet slechts leiden tot nadenken en tot overtuiging van zonde, maar tot bekeering en het eeuwige leven.

Wy weten ook, omdat het ons gezegd is, dat de voornaam-

-ocr page 203-

HET ZAAD, GROEIENDE IK HET VERBORGENE, OF

ste reden hiervan is, dat er leven is in het Woord. Er is in het Woord Gods zelf leven, want er is geschreven: „Het Woord Gods is levend en krachtig.quot; Het is het „onvergankelijk zaad, het levende en eeuwigbluvende Woord Gods.quot; Het is in de natuur van levend zaad te groeien, en de reden, waarom het Woord Gods groeit in het hart der menschen, is, omdat het het levende woord is van den levenden God, en waar het woord eens konings is, daar is heerschappij. Wij weten dit, omdat de Schrift het ons leert. Is er niet geschreven: „Naar zijn\' wil heeft hü ons gebaard door het woord der waarheidquot; ?

En voorts: de aarde, die hier het type is van den mensch, „brengt van zelve vrucht voort.quot; Wü moeten zeer voorzichtig zün in de verklaring dezer woorden, want het menschehjk hart brengt niet van zeiven geloof voort, het is zoo hard als de rots, waarop het zaad te loor gaat. Maar het beteekent dit: dat gelijk onder den zegen van dauw en regen Gods verborgene werking de aarde het zaad in zich doet opnemen, zoo wordt ook het hart des menschen toebereid om het Evangelie van Jezus Christus in zich te ontvangen. Er is iets in de aarde, dat overeenstemt met het zaad, dat er in gezaaid is, zoodat het zaad door den grond wordt opgenomen en gevoed. Evenzoo is het hart des menschen, als God het tot goeden grond heeft gemaakt. Het ontwaakte hart des menschen heeft juist behoefte aan hetgeen het Woord Gods geeft. Door goddelijken invloed bewogen zal de ziel de waarheid omhelzen, en er door omhelsd worden, en zoo leeft dan de waarheid in het hart, en het hart zal er door levend gemaakt worden. De liefde des menschen neemt de liefde aan van God; des menschen geloof, dat door den Geest Gods in hem gewrocht is, gelooft de waarheid Gods; des menschen hoop, die de Geest Gods in hem gewerkt heeft, grijpt de dingen aan, die geopenbaard zijn, en aldus groeit het hemelsche zaad in de ziel. Het leven komt niet van u, die het woord predikt, maar het is door den Heiligen Geest gelegd in het woord, dat gij predikt. Hot leven is niet in uwe hand, maar in den mensch zeiven, die door den Geest Gods er toe geleid word de waarheid aan te grijpen. De zaligheid is niet door het persoonlyk gezag van den prediker, maar door de persoonlijke overtuiging, het persoonlijk geloof en de persoonlijke liefde van den hoorder. Aan u, den zaaier, wordt door de gelijkenis geleerd, dat het geestelijk leven en de wasdom van God zijn, en door het zaad en den grond komen, veel meer dan door u. Voor zooveel het de waarheid betreft, is hare innerlijke kracht dezelfde, wie haar ook predikt. Het is niet, omdat deze of die godgeleerde, die door God werd gezegend, het Evangelie verkondigt, dat het in des menschen hart leeft. O neen! het is van wege de waarheid zelve.

190

-ocr page 204-

wat de arbeiders kunnen, en wat zij niet kunnen. 191

en van wege de harten zeiven, die door de verborgene werking van Gods gezegenden Geest, de waarheid ontvangen. Zoo veel weten wij. En is dit voor alle practische doeleinden niet genoeg?

Evenwel, er is iets, dat wij niet kunnen weten, eene verborgenheid, waar wij niet in kunnen komen. Ik herhaal wat ik reeds heb opgemerkt: gj kunt in het hart der menschen niet lezen, niet zien hoe de waarheid tot hem doordringt, noch hoe het hart de waarheid aangrijpt. Velen hebben zóó lang op hunne eigene gewaarwordingen gezien, dat zij verblind werden door vertwijfeling; en anderen hebben de gewaarwordingen van jonge menschen bespied, en hebben hen door hun streng toezicht meer kwaad dan goed gedaan. In Gods werk is meer plaats voor geloof dan voor aanschouwen. Het hemelsche zaad groeit in het verborgen. Gy moet het begraven van voor uwe oogen, of er zal geen oogst wezen. Maar al zoudt gij het zaad boven den grond houden, als het uitspruit, kunt gij toch niet ontdekken hoe het groeit, al zoudt gij het zwellen en uitbotten ook door een microscoop gadeslaan, zoudt gü toch de innerlü\'ko levenskracht niet zien, die het zaad beweegt. Onder den sluier, die de verborgene werking Gods in de geheimenissen van het natuurlijk leven en groeien bedekt, kunt gij niet gluren; en zoo moet ook het goddelijk leven in den mensch voor altijd voor alle sterfelijke oogen verborgen blijven. De vrucht er van zult gij in staat zijn te zien, en iets van de wijze van ontwikkeling er van zult gy kunnen weten, maar de wezenlijke, de eigenlijke wijze van werking, de verborgen, de inwendigste geheimenis van de nieuwe geboorte zal u niet gegeven worden te bemerken. Gy weet den weg des Geestes niet. (1) Zijn werk geschiedt in het verborgen, en gij weet niet van waar Hy komt, of waar Hij henen gaat. „Verklaar my de nieuwe geboorte,quot; zegt iemand. „Wees zelf wedergeboren,quot; is myn antwoord, „en gij zult weten wat het is.quot; Er zijn verborgenheden, waar wij niet in kunnen komen, want haar licht is te hel voor sterfelyke oogen. Gy kunt niet alwetend worden, o mensch, want gij zijt een schepsel, en niet de Schepper. Voor u zal er altijd een gebied overblijven, dat niet slechts onbekend is, maar ook niet gekend kan worden. Tot zoo ver zal uwe kennis gaan, maar ook niet verder; en gij kunt God danken, dat dit zoo is, want aldus laat Hij plaats overblijven voor het geloof, en geeft Hy ons reden tot gebed. Roep sterk tot den Groeten Werker, vraag Hem te doen, wat gij niet kunt volbrengen, zoodat gij, het heil, de verlossing ziende, van den mensch. Hem voor eeuwig de eer er van zult geven.

III. Ten derde. Onze tekst zegt ons, wat wij, zoo wu ar-

(I) Prediker 11: 5 naar de Engelsche overzetting.

-ocr page 205-

192 het zaad, groeiende in het verborgen. of

beiden voor god, künnen verwachten, en wat wij niet

kunnen verwachten. Volgens deze geiykenis kunnen wy verwachten vruchten te zien. De landman strooit zijn zaad in de aarde, en het zaad ontkiemt en groeit, en zoo kan hij een\' oogst verwachten. Ik wenschte wel een woord te kunnen spreken, om bij Christenarbeiders verwachting op te wekken ; want ik vrees, dat velen arbeiden zonder geloof. Indien gij een\' hof hebt, of een\' akker, en gij zaait er zaad in, dan zoudt gy zeer verbaasd en teleurgesteld zyn, zoo het niet opkomt; maar vele Christenen schijnen volkomen tevreden te zijn om maar altijd voort te werken, zonder ooit vrucht te verwachten. Dit is een erbarmelijk soort van werken — het is alsof men jaar in jaar uit ledige emmers optrekt uit een\'waterput. Voorwaar! indien ik een trouw dienstknecht ben van mijn\' grooten Meester, dan moet ik öf vrucht zien op mijn\' arbeid, öf diepe smart hebben, omdat ik haar niet zie. Wy moeten vrucht verwachten op onzen arbeid ; indien wij meer hadden verwacht, wij zouden meer gezien hebben, maar het niet verwachten iseene groote oorzaak van het niet slagen van Gods arbeiders.

Wat wij echter niet mogen verwachten : het is al het zaad, dat wij zaaien, terstond te zien uitspruiten. Geloofd zij God! soms gebeurt het, dat wij het woord hebben te spreken en er zullen terstond menschen zijn, die zich bekeeren. In zulke gevallen volgt de maaier den zaaier als op den voet, doch het is niet altijd zoo. Er zü\'n zaaiers, die jaren lang met grooten ijver In dezen of dien akker gezaaid hebben, maar het scheen te vergeefs, totdat eindelijk de oogst daar was, een oogst, die, menschelijker wtjze gesproken, nooit ingezameld zou zijn, indien zij niet volhard hadden tot het einde toe. Deze wereld zal, naar ik geloof, tot Christus bekeerd worden; maar niet heden, en niet morgen, ja wellicht niet in vele eeuwen; maar het zaaien der eeuwen is niet verloren, het werkt voort totdat het groote einddoel bereikt is. Een oogst van paddestoelen kan wel spoedig worden voortgebracht, maar een woud van eiken zal den planter niet beloonen, voordat vele elkander opvolgsnde geslachten zijner kinderen tot stof zyn vergaan. Onzer is het te zaaien en te hopen op een spoedig oogsten; maar wij be-hooren ons tevens te herinneren, dat „de landman verwacht de kostelijke vrucht des lands, lankmoedig zijnde over dezelve, totdat het den vroegen en spaden regen zal hebben ontvangen,quot; en dat ook wy dit moeten doen. Wij moeten vrucht verwachten, maar wy mogen niet ontmoedigd zijn, zoo wij ze heden of morgen nog niet zien.

Wy moeten verwachten het goede zaad te zien groeien, maar niet altijd op onze manier. Wij zijn schier allen als kinderen, want er zyn nog niet vele vaders, en evenals kinderen zyn wij licht geneigd ongeduldig te worden. Uw zoontje

-ocr page 206-

WAl1 DE ARBEir)ERamp; KUNNEN, EN WAT ZIJ NIET KUNNEN. 193

heeft gisteren mostaard en waterkers in zijn tuintje gezaaid. Heden zal hij reeds gaan zien, of het nog niet opkomt. Er is niét veel waarschijnlijkheid, dat zijn mostaard en waterkers iets geven zullen, want hij laat ze niet lang genoeg met rust om te kunnen groeien. Zoo is het ook met haastige arbeiders; zij moeten terstond het resultaat zien van de Evangelieprediking, want anders houden zü er mede op, en wantrouwen het. gezegend Woord. Sommige predikers zijn zóó gehaast, dat zij, ofschoon de menschen het Woord in zich ontvangen hebben en er over. nadenken, hun geen tijd gunnen om te denken, geene ruimte om de kosten te berekenen, en geene gelegenheid om hun\' weg te overdenken en zich met een vast voornemen des harten tot den Heere te wenden. Alle andere zaden hebben tijd noodig om te groeien; maar het zaad des Woords moet als met quot;tooverslag voor de oogen des sprekers opkomen, of hij denkt, dat niets geschied is. Die broederen zijn zóó gretig om terstond halmen en aren voort te brengen, dat zij hun zaad roosteren op het vuur der dweepzucht, zoodat het niet in het leven kan blijven. Zij laten de menschen denken, dat zü bekeerd zijn, en aldus verhinderen zij hen om tot de zaligmakende kennis der waarheid te komen. Ik ben er ten diepste van overtuigd, dat sommige menschen verhinderd zijn om tot verlossing te komen, wijl hun gezegd wordt, dat zij reeds verlost zijn, en opgeblazen worden door het denkbeeld van volmaaktheid en zondeloosheid, terwijl zij nog niet eens verbroken van hart zijn. Indien aan deze menschen geleerd was naar iets diepers uit te zien, zij zouden zich wellicht niet te vreden hebben gesteld met het zaad in een\' steenachtigen grond te \'ontvangen ; terwijl zij zich thans vergenoegen met hetgeen voortkomt uit zaad, dat op on verbroken rotsen gezaaid is. Zij too-nen eene zeer snelle ontwikkeling, en eene even snelle kwijning en verval. Laat ons geloovig verwachten het zaad te zien groeien ; maar laat ons daarbij verwachten den voortgang te zien naar de wijze der predikers, — ten eerste, ten tweede, ten derde : eerst het kruid, daarna de aar, vervolgens het volle koren in de aar.

Gy zijt haastig, mijn broeder, maar het zou veel beter zijn, het geduld te betoonen van beginsel, dan de hitte van hartstochtelijkheid. Laten alle menschen haast hebben om behouden te worden, maar laten zij, die de waarheid prediken, er zich mede vergenoegen de menschen overtuigd te zien van zonde, verlost van het betrouwen op zich zeiven, verlicht omtrent de genade Gods, om aldus met vasten tred op weg te zijn naar het geloof. Sommigen van de beste Christenen weten het juiste oogen-blik niet te noemen, toen zij bekeerd werden. Het was eene trapsgewijze werking: van het groene kruid tot de rijpe aar, en zjj kunnen niet met juistheid en nauwkeurigheid zeggen,

13

-ocr page 207-

HET ZAAD, GROEIENDE IN HET VEKBORGEN, OF

wanneer de werkeHjke vrucht des geloofs in hen gevormd was. Sommigen van hen, die het diepst denken, komen niet plotseling, niet met een\' ruk, als het ware, tot het inzicht van den godsdienst, zij komen langzaam en trapsgewijze tot het licht, even als ook de middaghoogte der zon langzaam en trapsgewijze bereikt wordt. Bij velen is er in den beginne niets dan een grasscheutje; gij weet niet, of het al of niet enkel gras, en niets dan gras is. Wat zy gevoelen, gelijkt zeer veel op eene natuurlijke gewaarwording, veroorzaakt door vrees voor de hel, en dit zou wel eens op niets kunnen uitloopen. Daarna komt een klein weinigje geloof, dat wel op de korenaar des geloofs gelijkt, maar toch wel eens niets dan een denkbeeld, een begrip kan wezen. Er is voor zulke menschen tijd noodig, eer zij het volle koren in de aar toonen van een welverzekerd geloof in Jezus. De groei is dikwu\'ls, zoo niet altijd, langzaam en trapsgewijze; en zullen wü\'verandering wenschen te brengen in Gods wijze van werken ? Wy kunnen verwachten, dat het zaad zal groeien, maar elke grond is niet even welig, en wij moeten van God niet eischen, dat Hij altyd en bij iedereen met dezelfde mate van spoed zal werken.

Wy kunnen ook verwachten, dat het zaad rijp zal worden. Ons werk zal door Gods genade tot waar geloof leiden in hen, in wie Hu door zijn woord en Geest een werk begonnen heeft, maar wij moeten niet verwachten, het terstond tot volkomenheid te zien komen. Hoe vele vergissingen heeft men te dezen opzichte niet begaan! Hier is een jeugdig persoon, die diepe indrukken ontvangen heeft, en nu komt een broeder en legt dien jongen inensch allerlei diepzinnige vragen voor. Hij schudt zijn wijs hoofd, en fronst züne wenkbrauwen. Hü gaat op het korenveld om te zien, hoe het met den oogst staat, en schoon het nog vroeg is in het jaar, klaagt hy, dat hy nog geene korenaren ziet, ja, dat hij nog niets dan gras kan ontdekken. „Ik kan nergens een spoor van koren gewaar worden,quot; zegt hij. Neen, broeder, natuurlijk kunt gij dat niet; want gy zijt niet tevreden met het kruid als blijk van leven, gy staat er op alles terstond ryp te zien. Indien gij hadt uitgezien naar het kruid, gij zoudt het ontdekt hebben, en het zou u hebben aangemoedigd. Ik voor my ben al zeer blijde,\'als ik in iemand eene flauwe begeerte mag bespeuren, een zwak verlangen, eene zekere mate van onrust en van afkeer van zonde, of van behoefte aan genade. Zal het ook niet verstandig zijn in u, als gij de dingen laat beginnen van het begin, en er mede te vre-den te zijn, als dit begin klein is? Ontdek het kruidje der begeerte, en zie dan uit naar meer. Weldra zult gij iets gewaar worden, dat meer is dan begeerte, want er zal overtuiging zyn van zonde en een vast besluit om in Gods kracht er tegen te strijden, en daarna zult gy een zwak geloof bemerken, klein

194

-ocr page 208-

WAT DE ARBEIDERS KUNNEN EN WAT ZIJ NIET KUNNEN. 195

als een mosterdzaadje, maar dat bestemd is te groeien. Veracht niet den dag der kleine dingen. Ga het pasgeboren kindeken geen examen afnemen over de verschillende schakeeringen in de Calvinistische geloofsleer, ten einde te zien of het, naar uwe idee van gezondheid, gezond is. Tien tegen een, dat het er nog heel ver af is van gezond te zyn, en dan zult gij zulk een kindeke in het geloof slechts kwellen met uwe moeielijke vragen. Spreek tot hem van het feit, dat hy een zondaar is. en dat Christus de Zaligmaker is, dan zult gü hem op die wyze bevochtigen, zoodat zijne genade tot het volle koren in de aar zal groeien. Het kan wezen, dat er in, of aan hem nog niet veel te bespeuren is, dat op koren gelijkt, maar weldra zult gy zeggen: „Tarwe! o gewis, indien ik weet wat tarwe is, dan is dit tarwe. Deze mensch is zeer stellig eene echte korenaar, en met blijdschap zal ik hem bij mijns Meesters schoven plaatsen.quot; Indien gij het kruid vertreedt, waar zullen de aren dan vandaan komen ? Indien gy de groene aren afsnijdt, waar zullen de rijpe dan wezen ? Verwacht genade in uwe bekeerlingen, maar verwacht niet nu reeds heerlijkheid in hen te ontdekken. Het is genoeg, zoo gü den hernel ziet begonnen, denk niet, dat gij hem hier beneden volmaakt in hen zien zult.

Vewacht dan, broeders, den oogst te zien, maar verwacht niet, dat elk zaadje opkomen zal. „Dat is een ontmoedigend woord,quot; zegt iemand.quot; Het kan zyn, maar het is een waar woord. Er is een oud wereldsch spreekwoord, hetwelk zegt: „Zalig zij, die niets verwachten, want zij zullen nooit teleurgesteld worden.quot; Ik houd niet van dat spreekwoord, maar ik vind er toch eene zekere mate van waarheid in : „Zalig zij, die niet verwachten wat onredelijk is, want zij zullen het niet verkrijgen.quot; Indien gij, jonge lieden, die begint te arbeiden voor God, verwacht, dat elk woord, dat gü spreekt, nuttig en gezegend zal zyn voor hen, die het hooren, dan zal dat niet gebeuren, en zoo zult gjj ontmoedigd worden. Daarom zou ik uwe verwachting zoo hoog willen spannen als de waarheid het toelaat, maar niet hooger. Ik zou u tot de hoogste sport van de ladder willen laten klimmen, maar zoo ik u aanmoedig om nog hooger te gaan, dan zult gij zeer spoedig, terwijl gy nog denkt te klimmen, aan de andere zijde naar beneden tuimelen. Ik houdt er nooit van iemand iets te zien verwachten, dat hy niet zal verkrijgen. Nu weet ik, dat een deel van ons zaad onder de doornen zal vallen, en een ander deel op steenachtige plaatsen, en als dit gebeurt, dan wanhoop ik daarom niet. Als ik het Evangelie predik, dan verwacht ik niet, dat ieder, die het hoort, het ook zal ontvangen, want ik weet, dat het voor sommigen eene reuke des levens ten leven, en voor anderen eene reuke des doods ten doode zal wezen. Ik znl het

-ocr page 209-

196 het zaad, groeiende in het verborgen, 01?

net optrekken, on dat wel met alle macht; maar ik weet, dat als het op den oever komt, er allerlei vreemde dingen in zullen wezen, die geene visschen zijn, en die weggeworpen zullen moeten worden ; en ik ben blijde, dat er ook een bemoedigend aantal goede visschen in zijn zullen. Het resultaat van ons dienstwerk in deze dagen zal van gemengden aard zijn, gelijk als toen Paulus predikte: sommigen geloofden, en anderen geloofden niet. Daarop moeten wij voorbereid zijn; en toch vermaan ik u zeer groote verwachtingen te koesteren, want zoo God met n is, kunt gij zestig of honderdvoudige vrucht hebben van het zaad, en dat zal u overvloediglijk be-loonen, al zullen dan de kraaien en de wormen hun deel van het graan opeten.

IV. Ons laatste punt is: hoe veel slaap de arbeiders mo\'

gen hebben, en hoeveel zij ki et mogen hebben\', Want 61\' is van dezen zaaier gezegd, dat hij sliep, en opstond nacht en dag, en het zaad uitsproot, en lang werd, en hij zelf niet wist \'hoe. Men zegt, dat het bedrijf van een\' landman winstgevend is, wijl het immer doorgaat, ook terwijl hij te bed is en slaapt. En gewis, ook ons bedrijf is kostelijk, als wij onzen Meester dienen door goed zaad te zaaien, want ook dat groeit, terwijl wij slapen.

Maar hoe mag een goed arbeider voor Christus wettig gaan slapen ? Ik antwoord, ten eerste, dat hij den slaap der gerustheid mag slapen, die geboren wordt uit vértrouwen. Gij vreest, dat het koninkrijk van Christus niet zal komen? quot;Wie heeftu gevraagd bevreesd te zijn, dat de ark des Heeren zal vallen? Bevreesd, dat de raadsbesluiten van dén oneindigen Jehovah niet uitgevoerd zullen worden? Schande over u ! Uwe bezorgdheid onteert God. Gij beleedigt Hem door uwe vreeze, dat Hij zal falen. Zal de Almacht verslagen worden ? Gij deedt beter te slapen dan te waken, zoo gij de rol van Uzzah wilt spelen. Hebt geduld. Gods wil zal geschieden, en zijn koninkrijk zal komen, en züne uitverkorenen zullen behouden worden, en om den arbeid zijner ziel zal Christus het zien. Slaapt den zoeten slaap, dién God geeft aan zijne beminden,quot; den slaap des volkomen vertrouwens, gelijk Jezus dien genoot in het achterdeel van het schip, toen het door den storm heen en weer werd geslingerd. De zaak Gods is nog nooit in gevaar geweest, en zal het ook nimmer wezen. Het gezaaide zaad is door de Almacht tegen schadeof ramp verzekerd, en moet zijn\' oogst opleveren. Bezit uwe\'ziel in uwe lijdzaamheid, en wacht tot\'de oogst daar is. want door Jezus\' hand zal het welbehagen des Heeren ge-lukkiglyk voortgaan.

Geniet ook den slaap, die tot het zalig ontwaken leidt eener blyde verwachting. Staat des morgens op met de bewustheid, dat de Heere alles bestuurt tot de vervulling zijner eigéne

-ocr page 210-

WAT DE ARBEIDERS KUNNEN, EN WAT ZIJ NIET KUMNEN. 197

doeleinden. Ziet daar naar uit. Indien gij niet slaapt, dan zult gij des morgens gewis ook niet verkwikt opstaan en bereid zijn voor meer werk. Indien het mogelijk voor u ware den geheelen nacht op te blijven en het brood der bezorgdheid te eten, dan zoudt gij ongeschikt zijn voor den dienst, dien de Meester u voor den morgenstond aanwijst. Zoo neemt dan rust, en arbeidt met kalme waardigheid, want in de hand des Heeren is de zaak volkomen veilig. #

Neemt rust, omdat gij wel bewust het werk in de hand des Heeren hebt overgegeven. Neemt, na het Woord gesproken, te hebben, de toevlucht tot G-od in het gebed, en beveelt het in Gods handen, en tobt er dan niet over. Nergens kan het beter bewaard zijn; laat het daar.

Doch den slaap van het niet waakzaam zijn moogt gij niet slapen. De landman zaait zijn zaad; maar na het gezaaid te hebben vergeet hij het niet. Hij moet de heiningen in orde brengen, ten einde het vee buiten te houden. Hij moet wellicht ook vogels verjagen, onkruid wieden, of overstroomingen zien te voorkomen. Hij zit niet neder om den groei gade te slaan, hij heeft vrij wat anders te doen. Xooit zal hij den slaap der onverschilligheid, of der werkeloosheid slapen, want ieder jaargetijde eischt werkzaamheid van hem. Hij heeft den eenen akker bezaaid, maar nu moet hij nog een\' anderen akker bezaaien. Hij heeft gezaaid, maar hij moet ook maaien; en als het maaien afgeloopen is, dan heeft hij weer wat anders te doen. Nooit heeft hij afgedaan; want het een of ander deel van den akker zal hem noodig hebben. Zijn slaap is slechts een tusschenspel, dat hem kracht geeft, om zijn\' arbeid voort te zetten. Bedenkt, dat de gelijkenis ons leert, dat wij ons in het domein Gods niet hebben in te dringen, maar dat wij met betrekking tot de verborgene werking der waarheid in het hart der menschen, rust moeten nemen, onzen weg moeten gaan, en, overeenkomstig den wil van God, onzen tijden ons geslacht moeten dienen.

Ik wensch, waarde broeders en zusters, dat gij heden morgen nog tot dit punt komen zult. „Heere, dit is uw eigen werk. Heere, gij kunt uw eigen werk doen. Heere, doe uw eigen werk — wij bidden en smeeken U, doe het. Heere, help ons ons werk te doen, beide aan het begin en aan liet einde, vertrouwende, dat Gij liet in het midden niet zult verlaten, maar dat Gij uw werk zult doen. Help ons geloof te oefenen in U, en onzen arbeid te verrichten in het vertrouwen, dat Gij met ons zijt, en dat. wij uwe medearbeiders zijn.quot; Staat op, mijne broeders, verheft u, beklimt nog heden den Karmel, en bidt God, dat Hij door zijn\' Geest een\' hemelschen re~en doe nederdalen. Verhef u, Elia, roep tot God, totdat gij er zeker van zijt, dat de wolk, schoon zij in den beginne niet grooter is

-ocr page 211-

HET ZAAD, GROEIENDE IN HET VERBOEGEN, eilZ.

198

dan eens mans hand, de gansche aarde zal bedekken, en het land zal bevochtigen met regen. Sta op, en bid, dat God alle twijfelingen weg zal vagen, alle twijfelingen, die heden, evenals sprinkhanen, de kerk verslinden, en alle liefde tot de zonde, en alle verwerping van Christus; dat God nog heden, ja te dezer ure, zich door de zwakke hand des zaaiers, terwijl hij het zaad zaait, moge verheerlijken. Bidt, waarde vrienden, bidt heden namiddag, en heden avond, dat het Woord des Heeren goddelijk moge overwinnen. Ik stel mij ter zijde, ik treed terug, opdat God moge werken, en dan treed ik voorwaarts, opdat God moge werken door mij, en Hem zij de lof tot in eeuwigheid. Amen.

-ocr page 212-

BLINDE LEIDSLIEDEN DER BLINDEN,

OF

DE KEUZE VAN EEN\' GIDS.

„En hij zei Je tot hen eene gelijkenis: Kan ook wel een blinde een\'blinde op den weg leiden ? zullen zij niet beiden in de gracht vallen ? De discipel is niet boven zijn\' meester; maar een iegelijk volmaakt discipel zal zijn gelijk zijn meester.quot; Lucas VI: 39, 40.

Al is de mensch ook naar de plaats der wijsheid heengebracht, dan is het nog moeielijk hem er te houden. De waarheid ligt tusschen twee uitersten, en de mensch zal, evenals de slinger van een uurwerk, nu eens te veel naar deze zijde, en dan weder te veel naar de andere zijde overhellen. Hij blijft niet lang in ééne positie, maar wordt heen en weder geslingerd, nooit, behalve door Goddelijke genade, rust vindende in het middenpunt der wijsheid. Er zijn met betrekking tot het pelgrimschap en het leerlingschap des levens twee uitersten. Sommigen beweren, dat de mensch hoegenaamd geene behoefte heeft aan een\' gids. Is hij niet een edel wezen, begaafd met een groot en veelomvattend verstand ? Kan hü niet redeneeren en oordeelen, begrijpen en onderscheiden? Gewis! hij kan zijn\' weg best vinden, zonder dat hij van buitenaf aanwijzing ontvangt. Als leerling: waartoe heeft hü een\' leeraar noodig\'PHij kan zichzelven onderwijzen. Bezit hij geene wetenschap ? Heeft hij niet reeds vele uitvindingen gedaan ? Zulke zelfgenoegzame snoevers zullen zich dus niet verwaardigen aan de voeten eens meesters te zitten, of het spoor te volgen van een\' gids, en bijgevolg worden zij dikwijls dwalend, zonderling, willekeurig en onredelijk in liunne wijze van denken, ja zelfs in hunne wijze van handelen. Zulke pelgrims zullen in den doolhof van het ongeloof en der Godloochening verdwalen; zulke leeraars van zich zeiven zullen hun eigen geest in dwaasheid en zelfbegoocheling doen verzinken. Dit plan is gevaarlijk, maar de tegenovergestelde pool is het niet mirdtr. Verlcs een\' mensch

-ocr page 213-

BLINDE LEIDSLIEDEN DER BLINDEN, OF

200

van rationalisme, en hij zal dikwijls de prooi worden van bijgeloof, en zeggen: „Ik zie, dat ik een\' gids behoef, ik zal er den eersten den besten voor aannemen.quot; Een\' gids vindende, aangesteld door het gezag van dezen of van dien, zal de mensch, die ophoudt zijn eigen oordeel te gebruiken, zich terstond aan zyne leiding overgeven, en achten, dat te twijfelen is zich schuldig te maken aan boos ongeloof. Zonder te vragen of de gids ziende is of blind, of de leeraar een wel onderwezen en bevoegd onderwijzer is, geven de lichtgeloovigen zich over aan priesters of aan leiders, en worden misleid. Het denken moede, vragen zij, dat anderen voor hen zullen denken, en daarbij laten zij de zaken blijven. Dat is de godsdienst van zeer velen, en zij vinden er veel vrede in, den vrede van sluimering en stompzinnigheid. Zij komen in eene kerk, die aanspraak maakt op het eerwaardige van hooge oudheid, en dan gelooven zij alles wat die kerk leert. Zij achten, dat zij niet langer het recht hebben van te oordeelen, of van hun verstand te gebruiken. Zij hangen het geweten en het verstand in een\' slinger, alsof zij gebroken armen waren, die niet meer te gebruiken zijn, en laten zich, als kranken en zwakken rondrijden in den wagen der overlevering en der dogma\'s. Zij durven geene vraag opwerpen; — dat zou alles bederven ; — zij sluiten hunne oogen, en laten andere menschen voor hen zien, ja zij sluiten hunne oogen en laten zich leiden door blinden. Zij denken niet meer, en laten zich besturen door hen, die ook niet meer denken, en reeds voor zeer lang hunne oogen gesloten, en hun\' mond geopend hebben, om alles in zich op te nemen wat een concilie of een paus or in gelieft te doen. Tusschen deze twee uitersten ligt een smal pad van recht, en zalig is hij, die het vindt, namelijk het eerlijk en oprecht beoordeelen wie de leider en leeraar behoort te wezen, de ontdekking, dat een Leiderquot; verordineerd is in den Persoon van den Heere Jezus, en een\' Leeraar in den Persoon des Heiligen Geestes, en daarna eene volkomene, gewillige en ge-loovige onderwerping aan deze onfeilbare leiding. Zalig hij, die noch in den hoogmoed van zijn verstand besluit zijn eigen gids te wezen, en aldus de gids wordt van een\' dwaas, noch in de slapheid en traagheid van het bijgeloof zich er aan onderwerpt geleid te worden door zijn\' evenmensch, hij zij priester, paus, of predikant, of wie ook; maar die, bevonden hebbende, dat God zijn\' Zoon in de wereld gezonden heeft, om de Overste Leidsman onzer zaligheid te zijn, die vele kinderen tot de heerlijkheid leiden zal, volgt, waar zijn Gebieder voorgaat; en dezen zelfden Jezus verordineerd gezien hebbende om de Profeet zijns volks te zijn. er zich in verlustigt neder te zitten aan zijne voeten en zijne woorden te ontvangen, terwijl zijn verstand, zijne genegenheid en zijn\' wil volkomen

-ocr page 214-

DE KEÜZE VAN EES* GID3.

rast in Hem vinden. Met zijns oogen wijd open volgt Hij den Alziende, en zijn verstand verlicht zijnde, wordt hij een discipel van het Eeuwige Licht.

Als wij het hieromtrent eens zijn geworden, dat wij een\' gids noodig hebben, dan is het klaarblijkelijk van het allergrootste belang de aanspraken te onderzoeken van hen, die dit ambt willen vervullen. Sommigen nemen een\' gids, omdat, gelijk ik reeds heb opgemerkt, hij door het gezag van dezen of genen is aangewezen. Hij is wellicht de leeraar der gemeente, en dan wordt hij terstond en zonder nadenken als zoodanig aangenomen. Het zou wel een groote dwaas moeten zijn, die bij het beklimmen der Zwitsersche bergen een persoon tot gids neemt, op het bloote zeggen van dien persoon, dat hij een gids is, en de gewone getuigschriften vertoont, terwijl hij, hem aanziende, ontdekt dat de man stekeblind is. Zoudt gij dan zeggen, dat het er niet toe doet, daar hij toch door het openbaar gezag als gids is aangesteld ? Zondt gij den Mont Blanc met hem bestijgen ? Zoo ja, hij zou u spoedig in een\'afgrond voeren, waar dan ook het einde uwer dwaasheid zou zijn. Toch zijn er eene menigte van menschen, die een\' godsdienst aannemen volgens het voorschrift van een ander, daar zij vertrouwen, dat hetgeen beschermd wordt door de grooten en machtigen der aarde, ingesteld en begiftigd is door geheel het volk, natuurlijk het ware moet wezen. Of de gids zien kan of niet zien kan, schijnt eene kleinigheid, eene beuzeling te zijn, maar wél moet hij eene behoorlijke aanstelling hebben. Als dat uitgemaakt is, dan zal de onnadenkende menigte naar niets meer vragen. Ik voor mij, zie mijn\' gids gaarne in de oogen. Ik wil gaarne weten, of hij het land al doorgetrokken is, en of hij kennis en ervaring heeft van den weg, en zoo hij mij hieromtrent geene zekerheid kan geven, dan zie ik uit naar iemand anders, naar iemand, die één en al oog is, en alle ervaring hoeft opgedaan, namelijk den Heere Jezus. Zijn gezag kan ik niet in twijfel trekken; wat Hij mij leert, geloof ik waar en recht te zijn. Ik verheug er mij in een ziend mensch te wezen, die een zienden gids volgt, en ik tracht een verstandig leerling te zijn, die door een wijs en sympathetisch leeraar onderwezen wordt.

Er is hieromtrent veel wijsheid in onzen tekst; want in de eerste plaats maakt hij ons bekend met een groot, algemeen beginsel, als eene waarschuwing, namelijk, dat een discipel niet boven zijn\' meester is, maar gelijk zijn meester wordt. In de tweede plaats geeft hij van dit groote, algemeene beginsel eene bijzondere toepassing op Christus, nl. dat wij, volmaakt wordende. Hem gelijk worden, evenals alle andere discipelen, die gelijk hunne meesters worden. Daarna zal ik den tekst trachten te gebruiken tot bemoediging van hen, die Christus

201

-ocr page 215-

blinde lkid3l1eden der blinden, op

begeeren tot hun\' Meester, door te zeggen, dat wij het feit, vermeld in den tekst, practisch op de proef mogen stellen,

1. Laat ons dan het ghoote algemeene beginsel gebruiken als eene waarschuwing.

Er zijn verschillende waarheden opgesloten in den tekst, die allen tot verklaring kunnen dienen van het grootste punt. Het is blijkbaar, dat de discipel over het algemeen aangetrokken wordt tot den meester, die de meeste overeenkomst met hem heeft; — de blinde wordt geleid door den blinde. „Soort zoekt soort,quot; van daar dat menschen van eenerlei zin en richting zich met elkander verbinden. Maar er is bovendien nog eene natuurlijke neiging in ons om ons eigen beeld te bewonderen, en ons gewillig te onderwerpen aan iemand, die boven ons staat, onze meerdere is, maar toch ook van ons type. Een leeraar, die onze vooroordeelen niet kwetst, maar symphatie betoont met onzen smaak, met hem voeïen wy ons terstond op ons gemak. De priester is gelijk aan de gemeente, omdat het der gemeente behaagt hem aldus te hebben. Wat van afgoden waar is, is ook waar van leeraars: „Die hen maken, zijn hun gelijk.quot; Indien de blinde slechts zien kon, dan zou hij geen blinde tot gids nemen; maar daar hij niet zien kan, ontmoet htf iemand, die spreekt, gelyk de blinden spreken, die over de dingen oordeelt gelijk zij in het duister zijn, en niet weet, wat ziende menschen weten, en daarom den blinde nooit aan zijn gebrek herinneren, en terstond zegt deze nu: „Dat is mijn ideaal van een\' man ; hij is juist de gids, dien ik noodig heb, aan hem zal ik mij toevertrouwen.quot; En zoo neemt dan de blinde den blinde tot gids, en dat is de reden, waarom de dwaling zoo populair is. Geene dwaling zou kunnen bestaan blijven, indien zij niet samenstemde met de eene of andere booze neiging in de menschelijke natuur, niet de eene of andere dwaling vleide in den mensch, waarmede zij overeenstemt. Afgoderij is eene heerschende zonde, omdat de mensch vervreemd is van God, die een Geest is, en in zijne dwaasheid een\' god eischt, dien hij met zijne zinnen kan waarnemen. Als gij hoort, dat er gansche menigten naar het Pausdom over-loopen, moet gij u hierover niet verwonderen. Het Pausdom is de godsdienst van de verdorvene menschelijke natuur, waaraan de duivel eene gestalte heeft gegeven; en daarom is het niet te verwonderen, dat de natiën er door bekoord worden, want wat zij liefhebben, en wat de God dezer wereld aangenaam maakt voor hunne zinnen, zal hun welkom wezen. Het Pausdom en ook nog andere vormen van godsdienst, waarbij men aan de uiterlijke plechtigneden blijft hangen, zijn zachte bedden voor luie leden, en even gewis als een luiaard zich nederlegt, even gewis zal een bijgeloovige deze stelsels volgen.

202

-ocr page 216-

DE KEÜZE VAN EEN* GIDS.

Gy kunt in den beginne niet begrijpen, hoe de blinde, die zich als gids opwerpt, nog zoo velen kan vinden, die hem wilien volgen, en dat zou hij ook niet, indien er niet zoo vele andere blinden waren, die van zijne blindheid niets weten, en hem tot hun\' gids aannemen. Hoed u er voor zelf zoo blind te zyn van hun voorbeeld te volgen. Jongeling, zie wel toe, wie het is, dien gij tot gids kiest. Uwe natuurlijke neiging zal er u toe leiden om den verkeerde te kiezen, wijl uwe neigingen zeiven verkeerd zijn. Bid, dat gij de levensreize op de rechte wijze moogt beginnen, dat gij, door de genade, die in uw hart is uitgestort, den Christus Gods kiest, die „de weg, de waarheid en het levenquot; is. O Heere, laat toch niemand hier zoo blind zijn, om blinde Godloochening, blinde twijfelzucht of blind bu-geloof tot gids te kiezen ; maar neem Gij de blinden bij de hand, en leid hen langs een\' weg, dien zy niet weten, en langs paden, die zy niet weten. Doe hun dit, o Heere, en verlaat hen niet.

Zijn onderwijzer gekozen hebbende, zal de leerling langzamerhand almesr en meer zijn\' meester gelijk worden, of wel, zijn\'gids aangenomen hebbf nde, zal de neiging om al meer en meer in zijne voetstappen te wandelen, en zijne regels stipter op te volgen, met iederen dag sterker worden. Wij moeten er ons allen van bewust zijn, dat wij hen, die wy bewonderen, ook navolgen. Liefde oefent een\' vreemden invloed over onze natuur om haar te kneden in den vorm van den geliefde. Een waar discipel is als leem, en zijn Meester vormt hem naar zijn beeld. Wij mogen er ons wellicht nauwelijks van bewustzijn; maar wij zullen zeer stellig gevormd worden naar het beeld van hen, wier invloed wij willen ondergaan. Wie dan ook uw Meester moge wezen, mijn vriend, gij zult veranderd worden naar zijn beeld. Indien gij verkiest geleid te wordendoor hem, die zich aan wereldsch genot en vermaak wijdt, dan zult gij hoe langer hoe beuzelachtiger worden. Indien gij den slaaf der gierigheid bewondert, dan zult gij gierig worden. Indien gij den invloed gevoelt van hem, die zich aan ondeugd overgeeft, dan zult gy slecht worden. Indien iemand, die het Woord Gods veracht, uw held wordt, dan zult ook gij het eerlang verachten. Terwijl gij hem vol bewondering aanstaart, heeft er eene soort van photographische werking plaats, en zult gij, evenals het photographie papier, zijn beeld ontvangen. Ik bid u, zie dan wel toe, wie uw gids wordt.

En let wel: de leerling gaat niet verder dan de leermeester, en zoo zal de man, die er zich aan onderwerpt geleid te worden, ook zyn gids niet voorbij streven. Zulk een geval komt zeer zelden voor, ja ik mag wel zeggen, dat het nooit voorkomt, want wanneer hij, die geleid wordt, verder gaat dan zijn leider, dan wordt hij in waarheid niet langer geleid; maar

203

-ocr page 217-

BLINDE LEIDSLIEDEN DER BLINDEN, OF

ook dit heeft zeer zelden plaats. Indien de raenschen hunne\' leiders voorbij streven, dan doen zij dat gewoonlijk in eene verkeerde richting. Zelden zullen zij hunne deugden overdrijven, zij zullen ze zeer dikwijls vermijden; maar wèl zullen zij hunne eigenaardigheden, hunne dwaasheden, hunne gebreken en hunne zwakheden in nog veel sterker mate vertoonen. Men zegt, dat de hovelingen van Richard III langzamerhand allen gebocheld werden, omdat de koning hooge schouders had, en wij hebben — niet in de vorige eeuw, maar in deze tegenwoordige eeuw — geheel een volk zóó verdwaasd gezien, dat schier alle vrouwen mank gingen, omdat eene algemeen beminde vorstin gedurende eenigen tijd door lamheid gekweld was. Dat is zoo der menschen wijze van doen. Als door instinct volgen zij elkander na, en dit is de eenige verontschuldiging, die ik weet bij te brengen voor Darwin\'s theorie, die ons van den aap doet afstammen. De gave der navolging is goed in ons ontwikkel\'!, maar als zij aan zich zelve overgelaten wordt, dan werkt zij met eene overhelling naar de verkeerde zijde, en dan opsnbaart zich de navolging het sterkst in de richting van mismaaktheid en gebrekkig heil. In muziek en schilderkunst, in poëzie en letterkunde zullen de beoefenaars, die tot eene school behooren, zelden hun\' meester overtreffen, en zoo dit wèl het geval is, dan verlaten zij hem; maar over het algemeen zullen zij de eigenaardigheden en zwakheden des meesters blijven vertoonen. Dit is nog meer waar in de kunst van leven. Jonge lieden, als gij een\' meester moet kiezen voor uw geloof, o ik smeek u, draagt zorg, dat gij geen ander dan den beste kiest; want gij zult den meester, dien gij volgt, niet overtreffen, veeleer zult gij bij hem achter blijven. Indien gij een\' leider kiest, zoo kiest eenen, die den weg kent, want zoo hij zich vergist heelt, zult gij u nog tien maal meer vergissen, en naar alle waarschijnlijkheid znllen zijne vergissingen bij u nog veel sterker uitkomen dan bij hem.

Als iemand een verkeerde leidsman kiest voor zijne ziel, dan zal hij ondervinden, dat aan het einde van elke verkeerde leiding eene „grachtquot; is. Iemand leeraart eene dwaling, die hij zegt aan de Schrift te hebben ontleend, en hij ondersteunt haar met teksten, die verwrongen of verkeerd aangehaald worden. Volgt gij nu die dwaling, en neemt gij hem, die haar leert, tot uwen leidsman, dan kunt gij een\' tijd lang zeer ingenomen zijn met u zeiven, wijl gij meer weet, dan de arme, eenvoudige lieden, die zich aan den ouden goeden weg houden; maar, gij kunt er zeker van zijn, dat er aan het einde dier dwaling eene gracht is. Gij ziet haar nog niet; maar zij is er, en gij zult er voorzeker in vallen, zoo gij uwen leidsman blijft volgen. Zeer dikwijls loopt eene dwaling uit op eene zedelijke

204

-ocr page 218-

£)E KEÜZE VAN EEN\' GIDS.

205

gracht, en daarin verzinken de menschen, terwijl zy nauwelijks weten waarom, totdat zij, na leerstellige dwaling in zich opgenomen te hebben, ook hunne zedelijke beginselen vergiftigd zien, en zij zich als dronken lieden in het slijk der zoude wentelen. Op een ander maal zal eene dwaling van geringe beteekenis uitloopen in de gracht van eene volstrekt doemwaardige leer. De eerste vergissing was, vergelijkenderwijs, onbeduidend, maar daar zij den geest als op een hellend vlak plaatst, ging de mensch schier als van zelf naar de diepte, en vond hij zich, eer hij het recht wist, overgegeven aan eene kracht der dwaling om de leugen te gelooven. Wat de blinde en zijn leidsman ook mogen missen, zeer stellig zullen zij de gracht vinden, zij hebben geene oogen noodig om daarin een\' ruimen ingang te hebben. In de gracht te vallen is, helaas! zeer gemakkelijk, maar hoe zullen zij er uit komen? Als er nieuwe leerstellingen gepredikt worden, dan zou ik inzonderheid hen, die belijden Christenen te zijn. ernstig willen smee-ken om wel toe te zien. Ik bid u, denkt aan de gracht. Eene kleine wending van den wissel zal den spoortrein naar het verre Oosten of het verre Westen doen gaan; de eerste wending is uiterst klein en gering, maar de punten van aankomst zijn zeer ver van elkander verwijderd. Er zijn nieuwe dwalingen ontstaan, die uwe vaders niet gekend hebben, en waarmede sommigen zeer ijverig in de weer zijn; maar ik heb opgemerkt, dat de menschen, als zij die dwalingen hebben aangenomen, ophouden nuttig te wezen. Ik heb leeraren gezien, die zich slechts een weinigje aan speculatieve theoriën hebben gewaagd, en langzamerhand gleden zij af, van het latitudina-risme (1) naar het Socinianisrne of de Godloochening. In- deze grachten vallen , duizenden. Anderen worden in een\' even afgrijselijken poel gestort, namelijk in dien van alle leerstellingen aan te nemen in theorie, maar geen van allen in practyk\'te brengen. Heden ten dage gelooven de menschen in waarheden, waar het leven en de beteekenis van weggenomen zijn. Er zijn leden en leeraren van Evangelische kerken, die niet in de Evangelische leerstellingen gelooven, of zoo zij ze al gelooven, hechten zij er slechts zeer weinig beteekenis aan. Hunne preeken zijn opstellen over de philosophie met een Evangelisch tintje er over heen. Het vierendeel van een grein van Evangelie doen zij in eene Atlantische zee van praterij, en zoo worden de arme zielen overstroomd met woorden, waarin niet de minste nuttigheid is. God beware er ons voor om ooit het oude Evangelie te verlaten, of den geest er van kwijt te raken, en de degelijke vertroosting, die het met zich

(1) De latitudimiren zijn godgeleerden, die lats zijn ten opzichte van godsdienstige beginselen en meeningen.

-ocr page 219-

blinde leidslieden der blinden, op

brengt; maar zoo wij ons aan eene verkeerde leiding overgeven, dan zullen wij spoedig genoeg in de gracht eener leven-looze belijdenis quot;cn philosophische droomerij terecht komen. Dit alles moest ons beletten van eenigen mensch, wie hij ook zijn moge, tot onzen leidsman te kiezen; want zoo wy op een bloot mensch gaan betrouwen, al heeft hij het neg«n en negentig maal van de honderd bij het rechte einde, dan heeft hy toch ergens onrecht in, en onze neiging zal dan meer wezen om onder den invloed te komen van dat ééne verkeerde punt, dan onder dien van al zijne rechte punten. Geloof het vry: in zake den\'godsdienst is de aloude vervloeking overvloediglyk uitgekomen; „Vervloekt is de man, die op een\' mensch vertrouwt, en vleesch tot zijn\' arm stelt.quot; Eén is er, dien gy onbepaald en onvoorwaardelijk kunt volgen, en dien Eéaen alleen. Eén is er, dien gij onvoorwaardelijk kunt vertrouwen, en dien Eénen alleen, — den mensch Christus Jezus, den Zone Gods. Doch indien gij niet wenscht in dwalingen van het hart of dwalingen van de practyk geleid te worden, zoo wacht u voor menschen, en volgt niemand dan Jezus, en geene andere voetstappen, dan die der kudde, welke Hem volgt. Zelfs zal het het beste wezen, zoo gij niet de schapen, maar alleen den Herder volgt, en dit te doen, zelfs als gij alleen wandelt. Mocht de Heilige Geest u geschonken worden om u in alle waarheid te leiden.

II. de bijzondere toepassing van dien tekst op onzen heere jezüs Christus is onze bemoediging. Indien wij den Heere Jezus Christus tot onzen Gids hebben, dan kunnen wy Hem gewis niet voorbij streven, maar wy zullen het voorrecht hebben van Hem al meer en meer gelijk te worden en overeenkomstig onzen tekst, zullen wy volmaakt worden gelijk onze Gids volmaakt is.

Ten eerste: dit is wat wij konden verwachten. Gelijk wy reeds gezegd hebben: over het algemeen zien wy, dat de discipel zyn\' meester gelyk wordt, maar met zulk een\' Meester is dit nog meer zeker. Met zulk een\' Meester, van wien deze myne lippen nooit met genoeg lof kunnen spreken, een\'Meester, wiens schoenriemen ik niet waardig ben te ontbinden, zal het wel kunnen geschieden, dat wij, gesmolten door de warmte der liefde, uitgegoten worden in den vorm der gehoorzaamheid. Hij is de Schepper, kan Hij zijn beeld niet in ons scheppen? Van zoodanig Een, als Hij is, kunnen wy dit vertrouwend verwachten.

Want, merk op, dat het onderwys zelf van zoodanigen aard is, dat het wel macht moet hebben over de harten, die er zich onder buigen. Zijne leer is alvermogende liefde; al zijn onderwijs is goddelijk, en toch zóó geschikt gemaakt voor de menschelyke bevatting, dat het volkomen past bij den mensch,

206

-ocr page 220-

DE KEUZE VAN EEN* GIDS.

die het juk van Christus op zich genomen, en besloten heeft van Hem te leeren. Andere meesters leeren ons verdraaide, twyfelachtige leeringen, en als wij ze geleerd hebben, dan is het maar al te vaak het verstandigst om ze weer af te leeren ; maar het onderwijs onzes Heeren is gewis, hemelsch, machtig, en wij gevoelen, dat het zóó waar, zóó edel, zóó verheven is, dat het tot ons komt met gezag, en niet als het woord eens menschen.

Indien ik alleen maar wist, wat Jezus leert, dan zou ik nog tot de gevolgtrekking komen, dat een leeraar, die zulk eene leer verkondigt, en zulke geboden geeft, invloed moet oefenen op zijne discipelen, maar zijn invloed is niet slechts gelegen in zijne leer, zij ligt bovenal in Hem zeiven. Toen Hij hier beneden gesproken heeft, zeide men: „Nooit heeft een mensch alzoo gesproken, gelijk deze mensch,quot; en de reden was, dat „nooit een mensch alzoo geleefd heeft, gelijk deze mensch.quot; Zijn woord was met macht; maar dit kon ook niet anders, want Hy zelf was het Woord. Indien gij Christus\' geboden beschouwt als belichaamd in zün leven, dan stralen zy van schoonheid en schitteren zij van macht. Van zulk een\' Leeraar kunt gij dragen, wat gij van niemand anders hadt kunnen dragen, want zijn karakter geeft Hem recht tot spreken. Velen van zijne geboden zouden volkomen ongerijmd hebben geschenen, indien zij voor het eerst van de lippen van een\' feilbaren mensch waren gevloeid, want die ze gehoord hadden, zouden hebben uitgeroepen: „Geneesmeester, genees u zeiven.quot; Komende van Hem, zijn zy natuurlijk, evenals goede vruchten van een\' goeden boom; zij zijn de noodwendige uitstortingen van zulk eene natuur en van zulk een leven. Wie kan anders dan overtuigd en overreed zijn, als de argumenten voor onze oogen leven? Wij zijn overweldigd door het majestueuze van des Verlossers goedheid, door den glans zijner liefde, het oneindige van zijns zelfs offerande. Door zich zei ven te openbaren dwingt Jezus ons geloof af, en door die zelfde openbaring doet Hij ons aan zich gelijkvormig worden. Was er ooit een leven als het zijne? Was er ooit zulk een dood? Was er ooit iemand, die zóó gansch en al begeerlijk was? Was er ooit zulk eene volmaaktheid? In zijn leven was Hij zóó oprecht en openhartig en tegelijk ook zóó zachtmoedig, zóó kloekmoedig en tevens zóó vriendelijk, zóó onbuigzaam en toch ook zóó teeder, zóó gansch doorzichtig van waarheid, maar met dat al voorzichtig en zich met onfeilbare wijsheid bewakende; opgewas-schen tegen ieder, hoe men Hem ook aanviel, en toch blijkbaar nooit op zijne hoede, maar verkeerende onder hen als een kind, — het heilig kind Jezus. O, indien gij nederzit aan Jezus\' voeten, dan zult gij niet slechts van Hem leeren, en zijn onderwys zal niet slechts macht over u hebben, maar gij

207

-ocr page 221-

blinde lsid3ltëden der blinden, op

zult Hem leeren, want Hij zelf is zijne beste leering. Nooit hebben oogen in de dierbare oogen van Jezus geblikt, die oogen, welke zijn „als die der duiven bij de waterstroomen, met melk gewasschen, staande als in kasijes der ringen,quot; of zij werden zeiven gereinigd en gezuiverd, zoodat zij werden „als de vijvers te Hesbon, bij de poort van Bath-rabbim.quot; Wie zou den Heere Jezus als een bundeltje mirre op zijn hart kunnen dragen en niet welriekend gemaakt worden door zijne tegenwoordigheid? Wie zou met Hem kunnen zyn, zonder Hem gelijk te worden?

Wij zijn er volkomen van overtuigd, dat Jezus discipelen Hem geiijk zullen worden, omdat Hij hen eene innige vurige liefde voor zich instort, eene liefde, die zich openbaart in gloeiende geestdrift voor Hem. Neem een\' leermeester, dien al de scholieren liefhebben en bewonderen, en zij zullen spoedig leeren. Beziel hen met geestdrift voor hun\' meester, en.geene les zal hun te moeielijk wezen. Dit heeft onze dierbare Heere, van wien mijne lippen niet kunnen spreken, zooals zij van Hem moesten spreken, gedaan. Wij bewonderen, wij beminnen, ja wij aanbidden Hem. Hij is onze God, ons Alles in alles, vandaar dat wij er naar smachten gevormd te worden naar zijn\' wil. Voor Hem leven ? O ja, wij bevinden, dat. dit onze blijdschap is, want de liefde van Christus dringt ons. Voor Hem sterven? O ja! in alle tijden hebben do heiligen met vreugde hun leven voor Hem gegeven. Vol van ijver, aangevuurd door geestdrift, hebben zij verliezen geleden, en smaad-heid verdragen om zijns naams wil. Indien de Meester zulk eene geestdrift opwekt, dan zal Hij zijne discipelen voorzeker wel vormen naar zijn beeld.

En het beste van alles is, dat onze Groote Meester een\' Geest met zich heeft, oen\' machtigen Geest, God zeiven, den Heiligen Geest; en als Hij onderwijst, dan onderwijst Hij niet slechts met woorden, maar met eene kracht, die verder gaat dan tot het oor, en het hart zeiven bereikt. Andere leeraars zijn, tenzjj zij Christus volgen, afhankelijk van de bekoring der welsprekendheid, of van de kracht van het argument; maar onze Heere; ofschoon Hij het welsprekendst is van allen, want zijne lippen zijn druppende van vloeiende mirre; ofschoon vol van argumenten, want zijner is de wijsheid Gods, steunt op de kracht, die Hij in zich ontwaarde, toen Hij zeide: „De Geest des Heeren heeken is op mij, omdat de heere mij gezalfd heeft.quot; De Geest Gods geeft licht in de ziel, en wellicht van zulk eene helderheid, dat de dingen, die niet gezien worden, met de grootst mogelijke duidelijkheid te voorschijn treden, en de dingen, die wij hopen, in hunne substantie onwerkelijkheid worden aangegrepen. Met dat licht komt ook leven om te gevoelen, kracht om te verwezenlijken, en onderschei

208

-ocr page 222-

DE KÊÜZE VAN EEN* GIDS.

dingsvermogen om te oordeelen, en aldus wordt de ziel in alle waarheid geleid, en ontvangt de discipel de lessen zijns Heeren in haar leven en hare kracht. Wie anders kan dezen Geest geven? Door welken anderen leeraar kan de Heilige Geest ons worden ingeblazen? Wie zou niet willen nederzitten aan de voeten eens Meesters, die door het bezit van zulk eene oneindige gave alle anderen zoo ver overtreft? O ik bid het van God, dat terwijl ik spreek, sommigen, hier tegenwoordig, er toegebracht worden om te zeggen: „Aan dien grooten Leeraar wil ik mij toevertrouwen.quot; Herinnert u, geliefden, dat, zoo gij Hem verlangt als uwen Meester, Hij evenzeer verlangt u tot discipel te hebben.

Ik meen thans aangetoond te hebben, dat het te verwachten was, dat de discipel van zulk een\' Meester Hem gelijk moet worden. Zoo laat mij dan nu er op wijzen, dat dit ook werkelijk beloofd was. Het is ons beloofd in het groote raadsbesluit der voorverordineering; „Die Hij te voren gekend heeft, heeft Hij ook te voren verordineerd, den beelde zijns Zoons gelijkvormig te zijn.quot; Dit is de groote bedoeling Gods, dat Christus de Eerstgeborene zij onder vele broederen, en dat die broederen een gezelschap zullen uitmaken, op wier gelaat de Heere het beeld van den Eerstgeborene zal ontdekken. Hetgeen God voorverordineert, kunnen wij vertrouwend verwachten.

Het is ons beloofd tot zelfs in den naam van Jezus Christus; immers die naam is Jezus, „want Hij zal zijn volk zalig maken van hunne zonden.quot; De menschen zalig te maken van hunne zonden, dat is hen terug te brengen tot een\' toestand van reinheid en heiligheid. Dit, voorwaar! is de zaligheid, die wij prediken, niet bloot de vergeving der zonden, gelyk sommigen denken, maar het overwinnen der zonden, het door den Geest Gods gelijkvormig worden van den mensch aan den Heere Jezus. Tot zelfs de naam Jezus zegt ons, dat het zijne bedoeling is zijne discipelen even vrij te maken van zonden als Hy zelf is.

Wy weten ook, datditonzes Heeren einddoel was, want het plan van Christus\' leven wordt duidelijk gezien in zijn laatste gebed, toen Hij bad: „Heilig ze in uwe waarheid; uw woord is de waarheid. . . En ik heilige mij zeiven voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid.quot; Gij kunt zien, dat dit zyn eenig doel is; zyn volk heilig te maken, gelijk Hij heilig is; hen te bewaren voor den booze, gelijk Hij bewaard was; hen overwinnaars te maken van de zonde, gelijk als Hy overwinnaar was. Zijn gansche leven lang heeft Hij hieraan gearbeid met de twaalven, en met anderen, die Hein volgden, en zijne laatste bede is; „Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van den booze. Overal blijkt dit waar te zyn. De betrekking van Broeder, en

209

14

-ocr page 223-

BLINDE LEIDSLIEDEN DER BLINDEN, OF

Vriend, waarin Hij zich verwaardigde tot ons te staan, doet dit reeds vermoeden, want broeders zijn gelijk hun broeder, en vrienden zijn gelijk hun\' vriend. De zinnebeelden, die Hij gebruikt, wijzen heen naar dezelfde zaak, want de ingeente tak neemt de natuur aan van den stam, de echtgenoote wordt gelijk aan haren echtgenoot, en de leden des lichaaras zijn van dezelfde natuur als hun hoofd. De mystieke Christus is niet gelijk aan het beeld in den droom van den Babylonischen monarch, het beeld met het gouden hoofd en de voeten van leem; neen, Christus is gansch en al één. De genade, die verwijlt in het hoofd, doet het gansche lichaam van gedaante veranderen. Het is onze heerlijke, kostelijke verwachting, dat „wij hem gelijk zullen wezen; want wij zullen hem zien gelijk hij is,quot; en dan zullen wij verzadigd worden met zyn beeld, als wij zullen opwaken.

Welnu, mijne broeders, wat wij konden verwachten, en wat God aldus krachtiglijk heeft beloofd, is ook werkelijk gezien, want de discipelen zijn\' hun\' Meester gelijkvormig geworden, en dit is het, waarop ik den meesten nadruk wensch te leggen. Zijn de discipelen niet gelijk hun Heer geweest ten opzichte van hun karakter ? Het zou ongerijmd zijn te beweren, dat de heiligen des Ouden Testaments in letterlijken zin discipelen van Christus geweest zijn; maar wél waren zij dit in den geest, want het Evangelie is in alle eeuwen hetzelfde. Het is hetzelfde licht, hetwelk verlicht een iegelijk mensch, komende in de wereld. Het innerlijk onderwijs des Geestes was hetzelfde voor Abel en Noach, als het was voor Johannes en Paulus; en gelijk de apostelen terugzagen op Jezus en verlicht werden, hebben de patriarchen voorwaarts gezien en hadden zij evenzeer licht. Nu had elk der heiligen van den ouden tijd de eene of andere gelijkenis met den Heere Jezus Christus. Stel u eeni-gen hunner voor den geest, en gij zult sommigen van zyne schoone trekken gewaar worden. Abel openbaart zijne rechtvaardigheid, en Henoch wandelt met God. Job toont zijn geduld, en Abraham zijn geloof; Mozes zijne zachtmoedigheid, en Samuöl zijne macht van voorbidding. Daniël gelijkt Hem in zijne oprechtheid, en Jeremia in zijn weenen. Alle dezen hebben als morgendauwdroppen het licht weerkaatst van de Zon der Gerechtigheid. In het Nieuwe Testament zien wij in vele voorbeelden de natuurveranderende kracht van zijn onderwijs. Petrus en Johannes waren gelijk hun Meester, want wij lezen van hunne vijanden: „zij nu de vrijmoedigheid ziende van Petrus en Johannes, en vernemende, dat zij ongeleerde en slechte menschen waren, verwonderden zich, en kenden hen, dat zij met Jezus geweest waren.quot; De gelijkenis was zóó treffend, dat zij verplicht waren het te erkennen. Neemt voor een\' oogen-biik alleen Johannes; wie kan zijne brieven lezen zonder te

210

-ocr page 224-

DE KËÜZE VAN EEN\' GIDS.

zeggen: „Aldus heeft zijn\' Meester gesproken.quot; Johannes stond zeer ver achter bij zijn\' Heere, en toch! hoe verwonderlijk was hij Hem gelijk! Het dwong u bij wijlen een\' glimlach af, als gij zaagt hoe uwe eigenaardigheden, uwe wijze van doen, afgespiegeld werden in uwe kinderen. Schier onbewust waren zij de miniatuur van u zeiven. Zoo was het ook blijkbaar met Johannes. Indien het waar is, wat de overlevering van hem verhaalt, dat hij, te oud geworden zijnde om te kunnen loo-pen, zich in de bijeenkomsten der geloovigen liet dragen, en dan gewoon was tot hen te zeggen: „Kinderkens, hebt elkander lief, kinderkens hebt elkander lief,quot; dan was dit zóó gelijk onze Heere Jezus Christus, dat gij gedacht zoudt hebben, dat de Meester weer op aarde was teruggekeerd. In zeer vele opzichten is Paulus eene weerspiegeling van zijn\' Meester; en als ik die plaats lees in zijn\' brief aan de Romeinen, die plaats, waardoor sommigen als het ware verschrikt en ontzet worden, waar hij zegt: „Ik zou zelf wel wenschen verbannen te zijn van Christus voor mijne broederen, die mijne maagschap zijn naar het vleesch,quot; dan word ik er toe geleid te zeggen: „Hierin gelijkt hij op dien Gezegende, die werkelijk een ban, een vloek voor ons gemaakt is, gelijk geschreven is: vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt.quot; Ku zullen alle heili-ligen Gods, al naar mate zij ten volle discipelen van Jezus geweest zijn, min of meer deze karaktertrekken openbaren. Ik kan heden morgen mij niet ophouden om u te zeggen, welke karaktertrekken ik in u zie, die gelijken op mijn\' Heere. Het is mij eene zieleblijdschap, dat ik broeders en zusters hier ken, van wie ik dikwijls bij mij zeiven gezegd heb: „In hen kan ik mijn\' Meester zien.quot; Ik wenschte wel, dat ik dit van u allen kon zeggen; maar toch! het verheugt mij in zoo velen punten van ware overeenkomst te zien met Jezus, de famielietrek-ken, die alle de kinderen Gods met elkander gemeen hebben. In alle de erfgenamen der zaligheid kunnen wij trekken vinden van hun\' Vader, hetgeen ons doet gevoelen, dat zij met Jezus tot hetzelfde huisgezin behooren. Die wijze van handelen en van zijn zouden zij niet hebben kunnen aanleeren, zij moet hun door de wedergeboorte van Boven zijn ingeplant.

Het is opmerkelijk, dat zy, die Christus\' discipelen zijn. Hem zelfs gelijk worden in de geschiedenis van hun leven. Teruggaande tot de heiligen van ouds, die wezenlijk discipelen zijn geweest van de leer des Verlossers, zien wy Melchizedek, die brood en wijn brengt om Abraham te verkwikken — zoudt gij niet gedacht hebben, dat het Christus zelf was ? Daar is Izak, die zich zachtmoedig onderwerpt aan zijn\' vader, terwijl deze het mes opneemt om hem te slachten — zoudt gü niet hebben kunnen zeggen, dat het Jezus was ? Daar is Jozef, die zich bekend maakt aan zijne broeders, en gansch

-ocr page 225-

èl2 BLINDE LEIDSLIEDEN DEE BLINDEN, OP

Egypte regeert, hun ten goede — zouden wy niet hebben kunnen denken, dat het onze Heere was, die vóór zijn\' tijd op aarde is gekomen om zijne verkorenen te zegenen ? Daar is David, terugkomende met Goliath\'s hoofd, terwijl al de maagden van Israël hem juichende te gemoet gaan — zoudt gij niet hebben kunnen denken, dat het onze Heere was, terugkomende van Edom met besprenkelde kleederen van Bozra ? De heiligen zijn typen van Hem, omdat zij met Hem van hetzelfde type zijn. Wat aangaat de discipelen nadat Christus gekomen was, gij zult hen dikwijls in toestanden vinden, waarin Jezus Christus u voor de oogen geschilderd is. Zie Stefanus vrijmoedig het Evangelie verkondigende, totdat zijne vijanden hem steenigen. Hebt gy van zijn\' Meester niet dikwijls gelezen: „Zij zochten hem te grijpen om hem te steenigen, maar hij ontging uit hunne handquot; ? Zie Paulus te Lystra. Zij staan op het punt voor hem te offeren: het doet u denken aan de dagen, toen de schare riep ; Hosanna !quot; Zie, de apostel bestraft de menigte, en nu steenigen zij hem, en het herroept in uw geheugen den tijd, toen de schare riep ; „Kruis hem ! kruis hem ! weg met hem!quot; Leest de geschiedenis van Paulus in de schipbreuk , als hij tot den kapitein van het schip en den hoofdman over honderd zegt „Alsnu vermaan ik ulieden goedsmoeds te zyn, want er zal geen verlies geschieden van iemands leven onder u.quot; Gij zoudt schier gedacht hebben, dat het de Heiland zelf was, zeggende tot den wind en de golven ; „Zwijgt, weest stil!quot; want er was zóó veel van zijn\' Meester in hem. Voorwaar! Christus is in alle zijne leden; zijn leven is op nieuw geschreven in hun leven. Geliefden, ik zou vele heiligen uit de latere tijden kunnen noemen, in wier leven wij Jezus kunnen aanschouwen. Die arme vrouw, die hare twee penningskens in de schatkist wierp, de twee penningskens, die haar gansche leeftocht waren: is zij niet zeer gelijk aan Hem, die zijn alles voor ons heeft overgegeven en arm werd, opdat wij door zyne armoede rijk zouden worden ? Anderen zijn gelijk aan de vrouw, die haar albasten flesch met zeer kostelijke zalf brak, ten einde het beste was zij hebben aan den Heere te geven. Herinneren zij u niet aan Hem, die onze ziel liefheeft, en de kostbare albasten flesch zijns lichaams verbrak, en aarde en hemel met den geur ervan vervulde? Een iegelijk, die het eigen-ik opgeeft voor de eere Gods is Jezus in miniatuur. Zie John Howard, die gansch Europa doorreist om de gevangenissen te bezoeken ten einde te zien op wat wijze hij aan de gevangenen wel kan doen. Is dat niet wederom Christus met de blijde boodschap voor de gevangenen? Of John Williams, landende te Erromanga, zijn leven veil hebbende om kanibalen tot Christus brengen : was dat niet zijn leven af te leggen voor zijne schapen? Welaan, mijn vriend, als uw leven voor ons ontvouwd

-ocr page 226-

CE KEUZE VAN EEN\' GIDS,

werd, denkt gij, dat wij er iets in zouden vinden, dat op Jezus Christus gelijkt? Indien gij zijn discipel zijt, dan zal dit voorzeker zoo wezen. Dan zal er iets staan in uwe levensbeschrijving, gelijk uwe kinderen haar zullen lezen —• want zij ziil-len haar lezen, en wel veel beter dan iemand anders — gelijk uwe vrouw haar zal lezen; gelijk zy, die met u arbeiden, haar zullen lezen; iets dat er uitziet, alsof het uit het leven van Jezus was genomen. De leerlingen in de school van Christus moeten als hun Leermeester worden, en dat worden z\\j ook. Ik denk, dat de broeder, van wien ik zal spreken, hier tegenwoordig is, en indien dat zoo is, dan zal het hem leed doen, dat ik de geschiedenis verhaal, en als hij kon, zou hij mij beletten te spreken; doch ik zal zoo vrij zijn van voort te gaan. Ik ken een\' huisschilder, die met andere mannen ergens op eene zeer groote hoogte aan het werk was. Een van zijne medewerklieden had meer sterken drank gedronken dan hij verdragen kon, en stond onvast op den hoogen steiger. „Die man komt stellig niet levend naar beneden,quot; zeide hij bij zich zeiven, en veeleer dan hem te zien omkomen, bood hij aan hem naar beneden te dragen. Ik geloof, dat het hun beiden het leven gekost zou hebben, indien de proef genomen ware, maar goedsmoeds bood hij het aan. „Mijne ziel is geborgen,quot; zeide hij, „ik ben een Christen. Ik vrees, dat gij zult sterven, als gij alleen naar beneden gaat, en dan zal uwe ziel verloren gaan. Zoo gu u slechts stil wilt houden, zalik u naar beneden dragen.quot; In weerwil van zijn dringend aanhouden, — heeft de man dit vriendelijk aanbod echter afgewezen; en helaas! toen hij trachtte naar beneden te gaan, viel hij van eene ontzettende hoogte, en werd dood opgenomen. Toen ik hoorde dat mijn geliefde broeder, een nederig lid onzer gemeente, dat gedaan heeft, dacht ik : „Daar is onze Meester, geopenbaard in zijn\' discipel.quot; Ons leven is eene schilderij, en zoo wij in Christus\' atelier zijn, zullen wij zijne hand herkennen, en dan zullen de menschen zeggen, dat dit geen gewoon schilder was. Die penseel streek, deze lijn, is juist de lijn, die de groote Meester placht te maken. Die trekken zijn stellig van zijne hand. O mijne broeders, niemand van ons behoeft te wenschen origineel te zijn, laten wij maar zooveel mogelijk van Christus overnemen, dan zai dit voor ons de beste oorspronkelijkheid zijn. God helpe ons hierin.

Ik had nu nog willen zeggen — maar de tijd is schier voorbij, en er rest mij nog slechts een oogenblik, — dat Christus\' discipelen Hem gelijk worden in hunne worstelingen en in hunne verzoekingen. Satan treedt hen tegen, gelijk hij Christus tegen getreden is; de wereld beproeft hen. zooals zij Christus beproefd heeft. Zij ■ worden aangerand door Sadduceesch

213

-ocr page 227-

blinde leidslieden der blinden, of

ongeloof en Farizeesch bijgeloof, gelijk Christus er door aangerand was. Zij moeten heengaan door denzelfden strijd, en Gode zij dank, zij behalen dezelfde overwinningen. Christus\' discipelen overwinnen de zonde; door de hulp huns Meesters komen zij twijfelingen te boven, overwinnen zij de wereld, staan zij in reinheid en in geloof. Weldra zullen zij Hem gelijk wezen in hun loon. „Die overwint,quot; zegt Hij, ik zal hem geven met mij te zitten in mijn\' troon, gelijk als ik overwonnen heb, en ben gezeten met mijn\' Vader in zijn\' troon.quot;

Zoo ik het vermogen had om het uit te werken, zou het een schoon onderwerp zijn om over te spreken, die wijze, waarop de discipel van Jezus aldus met vasten tred voortgaat op den weg om den beelde van Christus gelijkvormig te worden, totdat de gelijkenis zóó treffend is, dat zelfs de benevelde oogen der booze wereld in de duistere atmosfeer harer onwetendheid wel moet zien, dat die mensch gelijk zijn Meester is.

III. En nu zullen wij ten slotte nog enkele oogenblikken verwijlen bij het bemoedigend feit, dat wij dit alles heden op de proef kunnen stellen. Broeders en zusters, indien gij nog geene discipelen zijt van Jezus Christus, zoo gedenkt, dat Hij u als zoodanig wil aannemen. Hij zal u nog aannemen, al zijt gij ook naar andere meesters gegaan, en al hebt gij ook zeer veel van hen geleerd, dat gij wederom af zult hebben te leeren. Het is zeer gemakkelijk iemand te onderwijzer, wiens geest helder en blank is, dat is, die nog als wit papier is, waarop niets geschreven staat; maar gij hebt reeds zeer veel geleerd, dat gij weer zult moeten vergeten. O gij, men-schen van veertig, vijftig, zestig jaren, welk eene wereld van kwaad is er in u, dat uitgedreven zal moeten worden. Welnu, mijn Meester wil u als zijne leerlingen aannemen, al zijt gij ook al dien tijd bij andere leermeesters geweest, en al weet gij ook nog de allereerste beginselen niet van hetgeen Hij u zal leeren. Mijn Heere Jezus houdt eene ABC school; Hij begint met de kinderkens. Welk eene genade is het, dat hij zulke arme. stompzinnige leerlingen, als wij zijn, wil aannemen, die niets weten dan hetgeen wij niet moesten weten. En ik zal er bij voegen, dat het er in het geheel niets toe doet, of gij weinig of geen bekwaamheid hebt. Niet vele grooten, niet vele machtigen zijn verkoren ; maar God heeft de armen dezer wereld verkoren, en hetgeen niets is, en hetgeen veracht is, ja liet zwakke en dwaze heeft God verkoren. Komt tot Hem, want zoo gij onbekwaam zijt. Hij is het niet, en zijne bekwaamheid zal uwe onbekwaamheid spoedig te boven komen. „Ik kan niet leeren,quot; zegt gij. Ach; maar gij weet niet, hoe goed Hij kan onderwijzen; want Hij kan zóó goed onderwijzen, dat zeifs diégenen, die denken niet te kunnen leeren, in zijne school weldra onderwezen zullen zijn. Blijf ook niet weg, mijn

214

-ocr page 228-

DE KEUZE VAN EEN\' GIDS.

215

vriend, wijl gü denkt niet voor uw onderwijs te kunnen betalen, want de school mijns Meesters is eene vrije schooi. Hij neemt niets van ons, en Hij geeft ons alles. De eenige toegangskaart, die gij noodig hebt, is eenvoudig gewillig te zijn om te leeren, u bewust te zijn, dat gij onderwijs en leiding noodig hebt, en u aan zijne leiding en zijn onderwijs te onderwerpen. Zijt gij hiertoe bereid? „O!quot; zegt gij, „ik zal Hem zoo veel smart aandoen, dat Hij mij moet opgeven.quot; Dat heb ik ook dikwijls gedacht. Het verwondert mij niet, dat gij door deze gedachte wordt gekweld; zij is dikwijls bij mij opgekomen, als ik zag, hoe weinig vorderingen ik maakte, na zoo lang in zijne school geweest te zijn. Als ik een\' mensch tot leermeester had gehad, hij zou al lang het geduld met mij verloren hebben; maar de Heere Jezus Christus geeft nooit een\' leerling op. Als Hij eens begonnen is ons te onderwijzen, dan zet hij zijn goddelijk onderwijs voort, totdat wij volleerd zijn, en hoe moeielijker het voor Hem is ons te onderwijzen, hoe meer eer Hij er door zal ontvangen, als al zijne leerlingen ten volle onderwezen en toebereid zijn voor den Hemel. Hij zal zich in deze zaak niet laten teleurstellen. Hij zal de overhand behouden boven onwetendheid, en zonde, en hardheid des harten, en zwakheid, en onbekwaamheid, totdat Hij ons in de kennis des hemels zal hebben onderwezen, en ons geschikt gemaakt heeft om te deelen in de erve der heiligen in het licht. Komt, waarde broeders en zusters, gij, die Christus\' leerlingen zijt, laat ons aan zijne voeten zitten, en Hem meer dan ooit getrouw navolgen. En gij. mijne vrienden, die nog niet in zijne school zijt, tot u zegt Hij: „Wie is slecht? hij keere zich herwaarts;quot; en tot den verstandelooze zegt Hij: „Kom, eet van mijn brood, en drink van den wijn, dien ik gemengd heb.quot; Moge de Heere uw hart neigen om van Hem te willen leeren, om Christus wil. Amen.

-ocr page 229-

DE BARMHARTIGE SAMARITAAN.

(EENE LEERREDE TEN BEHOEVE VAN DE ZIEKENHUIZEN.)

„En ziet, een zeker wetgeleerde stond op, hem verzoekende, en zeggende: Meester!\' wat doende zal ik het eeuwige leven beërven? En hij zeide tot hem; Wat is in de wet geschreven? hoe leest gij? En hij, antwoordende, zeide: Gij zult den Heere, uwen God, liefhebben, uit geheel uw hart, en uit geheel uwe ziel, en uit geheel uwe kracht, en uit geheel uw verstand; en uwen naaste als u zeiven. En hij zeide tot hem: Gij hebt recht geantwoord; doe dat, en gij zult leven. Maar hij, willende zich zeiven rechtvaai-digen, zeide tot Jezns: En wie is mijn naaste? En Jezus, antwoordende, zeide; Een zeker mensch kwam af van Jeruzalem naar Jericho, en viel onder de moordenaars, welke, hem ook uitgetogen, en daartoe zware slagen gegeven hebbende, heengingen, en lieten hem halfdood liggen. En bij geval kwam een zeker priester denzelven weg af, en hem ziende, ging hij tegenover hem voorbij. En desgelijks ook een Leviet, als hij was bij die plaats, kwam hij, en zag hem, en ging tegenover hem voorbij. Maar een zeker Sa-mariiaan, reizende, kwam omtrent hem, en hem ziende, werd bij met innerlijke ontferming bewogen. En hij, tot hem gaande, verbond zijne wonden, gietenle daarin olie en wijn; en hem heffende op zijn eigen beest, voerde, hem in de herberg, en verzorgde hem. En des anderen daags weggaande, langde hij twee penningen uit, en gaf ze den waard, en zeide tot hem; Draag zorg voor hem; en zoo wat gij meer aan hem te koste zult leggen, dat zal ik u wedergeven, als ik wederkom. Wie van deze drie dunkt u de naaste geweest te zijn desgenen, die onder de moordenaars gevallen was? En hij zeide; Die barmhartigheid aan hem gedaan heeft. Zoo zeide dan Jezus tot hem; Ga heen, en doe gij desgelijksquot;. Lucas X; 25—37.

Wij hebben tot tekst de geheele geschiedenis van den Samaritaan; daar zij echter zeer lang is, zonden wij, om ons geheugen ter hulp te komen, de vermaning, vervat in het 37ste vers, als onzen tekst kunnen beschouwen. „Ga heen, en doe gij desgelijksquot;.

Er zijn menschen, die den prediker over niets anders vergunnen te spreken dan over de leerstellige uitspraken betreffende den weg der zaligheid, die bekend zijn als „het Evangeliequot;. Indien de prediker aandringt op de beoefening eener deugd, of practische genade, dan zoggen zij terstond, dat hij het Evangelie niet gepredikt heeft, dat hij wettisch is geworden, en niets clan een zedeprediker was. Zoodanige kritiek boezemt ons niet het minste ontzag in, want wij zien duidelijk, dat

-ocr page 230-

de barmhartige samaritaan.

onze Heere Jezus Christus zelf zeer dikwijls die kritiek uitgelokt zou hebben. Leest de Bergrede, en oordeelt of sommige menschen eene dergelijke prediking gaarne iederen Zondag zouden willen hooren, Zij zouden haar veroordeelen als zeer weinig van het Evangelie, en al te veel over goede werken te bevatten. Onze Heere was een practisch prediker. Hij heeft dikwijls toespraken gehouden, waarin Hij vragers beantwoordde, of leiding en aanwijzing gaf aan zoeicenden, of overtreders bestrafte, en daarbij stelde Hij dan practische waarheden op den voorgrond, op eene wijze, die sommigen van zu\'ne dienstknechten niet durven navolgen Voortdurend en telkens opnieuw zegt Jezus ons, hoe wij tegenover onze medemenschen hebben te leven, en zeer grooten nadruk legt Hij op de liefde, die in het gansche karakter des Christens uit moet blinken.

De geschiedenis van den barmhartigen Samaritaan, die wy thans zullen behandelen, is hier een voorbeeld van, want onze Heere gebruikte haar ter opheldering van het antwoord, dat gegeven moet worden op de vraag: „Wat doende zal ik het eeuwige leven beërven?quot; De vraag was wettisch en het antwoord ter zake dienende. Doch wij moeten nooit vergeten, dat hetgeen de wet van ons eischt, het Evangelie wezenlijk in ons voortbrengt. De wet zegt ons, wat wij behooren te wezen, en het is een der bedcelingen van het Evangelie ons tot dien toestand op te heffen. Vandaar dat het onderwijs onzes Heeren, schoon bij uitnemendheid practisch, toch altijd Evangelisch is. Zelfs als Hy de wet verklaart, heeft Hij nog altijd een Evangelisch doel voor oogen. Door een\' hoogen maatstaf van plicht te stellen bereikte Hij tweeërlei doel: de menschen de onmogelijkheid doende gevoelen van de zaligheid te zullen verwerven door hunne eigene werken, doodt Hij de eigengerechtigheid, die er aaspraak op maakt de wet te hebben gehouden. En van den anderen kant roept Hij de geloovigen weg van het zich te vreden stellen met de bloote betamelijkheden van het leven en den sleur van den uitwendigen godsdienst, en spoort Hij hen aan naar den hoogsten trap van heiligheid te streven, ja naar die voortreffelijkheid van karakter, die zijne genade alleen geven kan. Ofschoon ik nu heden morgen voornamelijk bij de practische punten zal verwijlen, vertrouw ik toch door den Geest der heiligheid geleid te zullen worden, zoodat ik mij aan geene wettischgezindheid zal schuldig maken, en niemand uwer tot wettisch gezindheid gebracht zal worden. Ik zal de liefde tot den naaste niet als eene voorwaarde der zaligheid stellen, maar als eene vrucht er van. Ik zal van gehoorzaamheid aan de wet niet spreken als van den weg naar den hemel, maar ik zal u het pad wijzen, dat gevolgd moet worden door het geloof, hetwelk werkt door de liefde.

I. Onze eerste opmerking is, dat dr wereld vol is van

217

-ocr page 231-

de barmhaetige samaeitaan.

leed en beproeving. Deze geschiedenis is slechts één uit duizend. „Een zeker mensch kwam af van Jeruzalem naar Jericho, en viel onder de moordenaars.quot; Hij vertrok voor eene korte reize, en heeft op weg bijna het leven verloren. Nooit zijn wij gewaarborgd tegen ongelukken. Zij treffen ons, als wij gezeten zijn rondom den huiselijken haard, en doen ons lijden in onzen eigen persoon, of in den persoon van dierbare bloedverwanten of vrienden. Zij treden onze winkels en kantoren binnen en beproeven ons daar; en als wij onze woning verlaten, vergezellen zij ons op de reize. „Uit het stof komt het verdriet niet voort, en de moeite spruit niet uit de aarde; maar de mensch wordt tot moeite geboren, gelijk de spranken der vurige kolen zich verheffen tut vliegen.quot;

De grootere beproevingen zijn dikwijls niet veroorzaakt door de schuld van den lijder. Niemand kon er den armen Jood om laken, dat hij, toen hij voor zijne zaken af ging naar Jericho, door moordenaars werd overvallen, die hem zijn geld afeisch-ten, en hem, toen hij een weinig weerstand bood, wondden, naakt uittogen, en hem half dood lieten liggen. Hoe zou men hem daarvoor kunnen laken? Het was voor hem niets dan een ongeluk. Gelooft mij, er is in deze wereld zeer veel smart, die niet ontstaat uit de ondeugd of de dwaasheid van hen, die haar lijden. Zij komt van de hand Gods over den lijder, niet omdat hij boven anderen gezondigd heeft, maar om wijze doeleinden, die voor ons verborgen zijn. Nu is dit de soort van benauwdheid, die meer dan alle andere aanspraak heeft op Christelijke sympathie, juist het soort van lijden, dat in onze ziekenhuizen zoo overvloedig wordt aangetroffen. Het is de schuld niet van dien man, dat hij geslagen en gewond daar nederligt. Die gapende wonden, waaruit zijn levensbloed wegvloeit, heeft hij zichzelvenniet toegebracht, en evenmin heeft hij ze ontvangen in eene dronkenmans vechtpartij, of ze opgedaan door de eene of andere roekelooze waaghalzerij. Hij lijdt niet door eigenschuld, en daarom heeft hij alle aanspraak op de welwillende hulp zijner medemenschen.

Maar seer veel smart en benauwdheid worden veroorzaakt dooide boosheid van anderen. De arme Jood op weg naar Jericho was het slachtoffer van de dieven, die hem wondden en half dood lieten liggen. De ergste vijand van den mensch is de mensch. Indien de mensch slechts zóó getemd ware, dat hij den vrede bewaart, dan zou het wildste dier ter wereld tam zijn; en indien het booze uitgezuiverd ware uit het hart des menschen, dan zou het grootste deel van de rampen en kwalen des levensophouden te bestaan. De verspillingen dierlijkheid des dronkaards, de minachting van den hoovaardige, de wreedheid van den verdrukker, de leugen des lasteraars, de schelmerij van den bedrieger, het vermalen van de aangezichten der ellendigen door den mensch zonder hart, — dit alles te zamen vormt de

218

-ocr page 232-

DE BAEMHAETIGE SAMARITAAN.

wortelen van schier al het giftige onkruid, dat zich tot onze schaamte en smart op de oppervlakte der aarde vermenigvuldigt. Indien de heerschende zonden konden weggenomen worden, gelijk zij, Gode zij dank, ook weggenomen zullen worden, als Christus in de geheele wereld zal hebben gezegepraald, dan zal veel van de menschely ke smart verlicht worden. Als wij onschuldige men-schen zien lijden als gevolg van de zonde van anderen, dan behoorde ons medelijden te worden opgewekt. Hoe vele kleine kinderen zijn er niet, die honger en gebrek lijden, de prooi worden van slepende ziekten, waarvan de dronkenschap huns vaders de oorzaak is! Ook vrouwen die zei ven hard werken, worden door de luiheid en wreedheid van hen, die haar moesten beschermen en koesteren, aan pijnlijke kwalen en wegkwijnende krankheid overgeleverd. Werklieden worden soms ook schrikkelijk verdrukt in hun arbeidsloon, en moeten zich doodwerken om zich en hun gezin een weinigje voedsel te verschaffen. Dat zijn de menschen, aan wie wij medelijden behooren te toonen, als ongeluk en krankheid hen „gewond en half doodquot; aan de poorten der ziekenhuizen brengen.

De man in de gelijkenis was gansch en al hulpeloos, hij kon niets doen voor zich zeiven. Daar moet hij blijven liggen en sterven. Uit deze diepe wonden moet hij doodbloeden, tenzij eene vriendelijke hand hem te hulp komt. Alles wat hij kan doen is kermen. Hij kan zelfs zijne wonden niet verbinden, en nog veel minder opstaan om ergens eene schuilplaats te zoeken. Te midden der meedoogenlooze rotsen op den weg naar Jericho moet hij doodbloeden, en zijn lichaam moet hij aan de vogelen des hemels ten prooi laten, tenzij een vriend hem te hulp komt. Als nu iemand zich zeiven kan helpen en hij doet het niet, dan verdient hij te lijden. Als iemand door zijne traagheid, of zijn toegeven aan zichzelven schoone gelegenheden laat voorbijgaan, dan is het goed hem eene zekere mate van lijden te laten verduren als geneesmiddel tegen zijne ondeugden; maar wanneer de menschen krank zijn, of gekwetst, en niet in staat zijn om ziekenverpleegster of geneesheer te betalen, dan is het oogenbllk daar, wanneer ware menschen-liefde op moet treden en alle krachten moet inspannen. Dat wordt ons hier door den Zaligmaker geleerd.

Op sommige paOm des lerens zijn tcj zeer hijzonder blootgesteld (tan ramp en liep roering. De weg van Jeruzalem naar Jericho was altijd onveilig gemaakt door roovers. Hieronymus zegt, dat men hem don bloedweg noemde, vanwege de menigvuldige rooverijen en moorden, die er gepleegd werden; en het is nog niet zoo heel lang geleden, dat een Engelsch reiziger op dien weg vermoord werd. Zelfs reizigers uit deze latere tyden verhalen, dat zij bedreigd, of soms werkelijk aangerand werden in die bijzonder sombere landstreek, de woestijn, die

219

-ocr page 233-

DE BA11MHA.11T1GE SAMARITAAN.

(E ENE LEERREDE TEN BEHOEVE VAN DE ZIEKENHUIZEN.)

„En ziet, een zeker wetgeleerde stond op, hem verzoekende, en zeggende: Meester!\' wat doende zal ik het eeuwige leven beërven? En hij zeide tot hem: Wat is in de wet geschreven? hoe leest gij? En hij, antwoordende, zeide: Gij zult den Heere, uwen God, liefhebben, uit geheel uw hart, en uit geheel uwe ziel, en uit geheel uwe kracht, en uit geheel uw verstand; en uwen naaste als u zeiven. En hij zeide tot hem: Gij hebt recht geantwoord; doe dat, en gij zult leven. Maar hij, willende zich zeiven rechtvaai-digen, zeide tot Jezus: En wie is mijn naaste? En Jezus, antwoordende, zeide: Een zeker mensch kwam af van Jeruzalem naar Jericho, en viel onder de moordenaars, welke, hem ook uitgetogen, en daartoe zware slagen gegeven hebbende, heengingen, en lieten hem halfdood liggen. En bij geval kwam een zeker priester denzelven weg af, en hem ziende, ging hij tegenover hein voorbij. En desgelijks ook een Leviet, als hij was bij die plaats, kwam hij, en zag hem, en ging tegenover hem voorbij. Maar een zeker Samaritaan, reizende, kwam omtrent hem, en hem ziende, werd hij met innerlijke ontferming bewogen. En hij, tot hem gaande, verbond zijne wonden, gieten le daarin olie en wijn; en hem heffende op zijn eigen beest, voerde, hem in de herberg, en verzorgde hem. En des anderen daags weggaande, langde hij twee penningen uit, en gaf ze den waard, en zeide tot hem: Draag zorg voor hem; en zoo wat gij meer ann hem te koste zult leggen, dat zal ik u wedergeven, als ik wederkom. Wie van deze drie dunkt u de naaste geweest te zijn desgenen, die onder de moordenaars gevallen was? En hij zeide: Die barmhartigheid aan hem gedaan heeft. Zoo zeide dan Jezus tot hem; Ga heen, en doe gij desgelijksquot;. Lucas X: 25—37.

Wij hebben tot tekst de geheele geschiedenis van den Samaritaan; daar zij echter zeer lang is, zouden wij, om ons geheugen ter hulp te komen, de vermaning, vervat in het 37ste vers, als onzen tekst kunnen beschouwen. „Ga heen, en doe gij desgelijksquot;.

Er zijn menschen, dio den prediker over niets anders vergunnen te spreken dan over de leerstellige uitspraken betreffende den weg der zaligheid, die bekend zijn als „het Evangeliequot;. Indien de prediker aandringt op de beoefening eener deugd, of practische genade, dan zoggen zij terstond, dat hij het Evangelie niet gepredikt heeft, dat hij wettisch is geworden, en niets dan een zedeprediker was. Zoodanige kritiek boezemt ons niet het minste ontzag in, want wij zien duidelijk, dat

-ocr page 234-

DE BARMHARTIGE SAMARITAAN.

onze Heere Jezus Christus zelf zeer dikwijls die kritiek uitgelokt zou hebben. Leest de Bergrede, en oordeelt of sommige menschen eene dergelijke prediking gaarne iederen Zondag zouden willen hooren, Zij zouden haar veroordeelen als zeer weinig van het Evangelie, en al te veel over goede werken te bevatten. Onze Heere was een practisch prediker. Hij heeft dikwijls toespraken gehouden, waarin Hij vragers beantwoordde, of leiding en aanwijzing gaf aan zoeicenden, of overtreders bestrafte, en daarbij stelde Hij dan practische waarheden op den voorgrond, op eene wijze, die sommigen van zyne dienstknechten niet durven navolgen Voortdurend en telkens opnieuw zegt Jezus ons, hoe wij tegenover onze medemenschen hebben te leven, en zeer grooten nadruk legt Hij op de liefde, die in het gansche karakter des Christens uit moet blinken.

De geschiedenis van den barmhartigen Samaritaan, die wy thans zullen behandelen, is hier een voorbeeld van, want onze Heere gebruikte haar ter opheldering van het antwoord, dat gegeven moet worden op de vraag: „Wat doende zal ik het eeuwige leven beërven?quot; De vraag was wettisch en het antwoord ter zake dienende. Doch wij moeten nooit vergeten, dat hetgeen de wet van ons eischt, het Evangelie wezenlijk in ons voortbrengt. De wet zegt ons, wat wij behooren te wezen, en het is een der bedoelingen van het Evangelie ons tot dien toestand op te heffen. Vandaar dat hefc onderwijs onzes Heeren, schoon bij uitnemendheid practisch, toch altijd Evangelisch is. Zelfs als Hij de wet verklaart, heeft Hij nog altijd een Evangelisch doel voor oogen. Door een\' hoogen maatstaf van plicht te stellen bereikte Hij tweeërlei doel: de menschen de onmogelijkheid doende gevoelen van de zaligheid te zullen verwerven door hunne eigene werken, doodt Hij de eigengerechtigheid, die er aaspraak op maakt de wet te hebben gehouden. En van den anderen kant roept Hij de geloovigen weg van het zich te vreden stellen met de bloo\'te betamelijkheden van het leven en den sleur van den uitwendigen godsdienst, en spoort Hij hen aan naar den hoogsten trap van heiligheid te streven, ja naar die voortreffelijkheid van karakter, die zijne genade alleen geven kan. Ofschoon ik nu heden morgen voornamelijk bij de practische punten zal verwijlen, vertrouw ik toch door den Geest der heiligheid geleid te zullen worden, zoodat ik mij aan geene wettischgezindheid zal schuldig maken, en niemand uwer tot wettischgezindheid gebracht zal worden. Ik zal de liefde tot den naaste niet als eene voorwaarde der zaligheid stollen, maar als eene vrucht er van. Ik zal van gehoorzaamheid aan do wet niet spreken als van den weg naar den hemel, maar ik zal u het pad wijzen, dat gevolgd moet worden door het geloof, hetwelk werkt door de liefde.

I. Onze eerste opmerking is?, dat de wereld vol is van

217

-ocr page 235-

218 DE BABMHAETIGE SAMARITAAN.

leed en BEPEOEviNG. Deze geschiedenis is slechts één uit duizend. „Een zeker mensch kwam af van Jeruzalem naar Jericho, en viel onder de moordenaars.quot; Hij vertrok voor eene korte reize, en heeft op weg bijna het leven verloren. Nooit zijn wij gewaarborgd tegen ongelukken. Zij treffen ons, als wij gezeten zijn rondom den huiselijken haard, en doen ons lijden in onzen eigen persoon, of m den persoon van dierbare bloedverwanten of vrienden. Zij treden onze winkels en kantoren binnen en beproeven ons daar; en als wij onze woning verlaten, vergezellen zij ons op de reize. „Uit het stof komt het verdriet niet voort, en de moeite spruit niet uit de aarde; maar de mensch wordt tot moeite geboren, gelijk de spranken der vurige kolen zich verheffen tut vliegen.quot;

De grootere beproevingen zijn dikwijls niet veroorzaakt door de schuld van den lijder. Niemand kon er den armen Jood om laken, dat hij, toen hij voor zijne zaken af ging naar Jericho, doer moordenaars werd overvallen, die hem zijn geld afeisch-ten, en hem, toen hij een weinig weerstand bood, wondden, naakt uittogen, en hem half dood lieten liggen. Hoe zou men hem daarvoor kunnen laken? Het was voor hem niets dan een ongeluk, (relooft mij, er is in deze wereld zeer veel smart, die niet ontstaat uit de ondeugd of de dwaasheid van hen, die haar lijden. Zij komt van de hand G-ods over den lijder, niet omdat hij boven anderen gezondigd heeft, maar om wijze doeleinden, die voor ons verborgen zijn. Nu is dit de soort van benauwdheid, die meer dan alle andere aanspraak heeft op Christelijke sympathie, juist het soort van lijden, dat in onze ziekenhuizen zoo overvloedig wordt aangetroffen. Het is de schuld niet van dien man, dat hij geslagen en gewond daarnederligt. Die gapende wonden, waaruit zyn levensbloed wegvloeit, heeft hij zichzelven niet toegebracht, en evenmin heeft hij ze ontvangen in eene dronkenmans vechtpartij, of ze opgedaan door de eene of andere roekelooze waaghalzerij. Hij lijdt niet door eigenschuld, en daarom heeft hij alle aanspraak op do welwillende hulp zijner medemenschen.

Maar zeur veel smart en benauwdheid worden veroorzaakt dooide hoosheid van anderen. De arme Jood op weg naar Jericho was het slachtoffer van de dieven, die hem wondden en half dood lieten liggen. De ergste vijand van den mensch is de mensch. Indien de mensch slechts zóó getemd ware, dat hij den vrede bewaart, dan zou het wildste dier ter wereld tam zijn; en indien het booze uitgezuiverd ware uit het hart des menschen, dan zou het grootste deel van de rampen en kwalen des levensophouden te bestaan. De verspillingen dierlijkheid des dronkaards, de minachting van den hoovaardige, de wreedheid van den verdrukker, de leugen des lasteraars, de schelmerij van den bedrieger, het vermalen van de aangezichten der ellendigen door den mensch zonder hart, — dit alles te zamen vormt de

-ocr page 236-

CE BARMHARTIGE SAMARITAAN.

wortelen van schier al het giftige onkruid, dat zich tot onze schaamte en smart op de oppervlakte der aarde vermenigvuldigt. Indien deheerschendezonden konden weggenomen worden, gelijk zij, Gode zij dank, ook weggenomen zullen worden, als Christus in de geheele wereld zal hebben gezegepraald, dan zal veel van de menschelijke smart verlicht worden. Als wij onschuldige men-schen zien lijden als gevolg van de zonde van anderen, dan behoorde ons medelijden te worden opgewekt. Hoe vele kleine kinderen zijn er niet, die honger en gebrek lijden, de prooi worden van slepende ziekten, waarvan de dronkenschap huns vaders de oorzaak is! Ook vrouwen die zei ven hard werken, worden door de luiheid en wreedheid van hen, die haar moesten beschermen en koestoren, aan pijnlijke kwalen en wegkwijnende krankheid overgeleverd. Werklieden worden soms ook schrikkelijk verdrukt in hun arbeidsloon, en moeten zich doodwerken om zich en hun gezin een weinigje voedsel te verschaffen. Dat zijn de menschen, aan wie wij medelijden behooren te toonen, als ongeluk en krankheid hen „gewond en half doodquot; aan de poorten der ziekenhuizen brengen.

De man in de gelijkenis was gansch en al hulpeloos, hij kon niets doen voor zich zeiven. Daar moet hij blijven liggen en sterven. Uit deze diepe wonden moet hij doodbloeden, tenzij eene vriendelijke hand hem te hulp komt. Alles wat hij kan doen is kermen. Hij kan zelfs zijne wonden niet verbinden, en nog veel minder opstaan om ergens eene schuilplaats te zoeken. Te midden der meedoogenlooze rotsen op den weg naar Jericho moet hij doodbloeden, en zijn lichaam moet hij aan de vogelen des hemels ten prooi laten, tenzij een vriend hem te hulp komt. Als nu iemand zich zeiven kan helpen en hij doet het niet, dan verdient hij te lijden. Als iemand door zijne traagheid, of zijn toegeven aan zichzelven schoone gelegenheden laat voorbijgaan, dan is het goed hem eene zekere mate van lijden te laten verduren als geneesmiddel tegen zijne ondeugden; maar wanneer de menschen krank zijn, of gekwetst, en niet in staat zijn om ziekenverpleegster of geneesheer te betalen, dan is het oogenblik daar, wanneer ware menschen-liefde op moet treden en alle krachten moet inspannen. Dat wordt ons hier door den Zaligmaker geleerd.

Op sommige imlm des levens zijn wij zeer bijzonder blootgesteld. lt;icni ramp en beproeving. De weg van Jeruzalem naar Jericho was altijd onveilig gemaakt door roovers. Hieronymus zegt, dat men hem den bloedweg noemde, vanwege de menigvuldige rooverijen en moorden, die er gepleegd werden; en het is nog niet zoo heel lang geleden, dat een Engelsch reiziger op dien weg vermoord werd. Zelfs reizigers uit deze latere tijden verhalen, dat zij bedreigd, of soms werkelijk aangerand werden in die bijzonder sombere landstreek, de woestijn, die

219

-ocr page 237-

DE BARMHARTIGE SAMARITAAN,

men door moet trekken om tot de Palmstad te komen. Zoo zyn er ook in de wereld rondom ons levenspaden, die zeer gevaarlijk ziin, schrikkelijk bezocht worden door krankheden en rampen. Jaren geleden was er menig beroep of bedrijf, dat, van wege gebrek aan voorzorgen, zijne duizenden heeft verslagen. Ik dank God, dat de wetten, die gezondheids-en voorzorgsmaatregelen voorschrijven, thans beter in acht worden genomen, en dat de menschenlevens wel wat kostbaarder worden geacht. Toch zijn er ook heden nog levenswegen, die met recht „bloedwegenquot; genoemd kunnen worden; bedrijven, die noodzakelijk zijn voor de maatschappij, maar zeer gevaarlek voor hen, die ze uitoefenen. Onze mijnen, onze spoorwegen en onze zeeön toonen eene ontzettende lijst van lijden en dood. Lange uren in slecht geventileerde werkplaatsen hebben duizenden menschenlevens doen te loor gaan; en hetzelfde kan gezegd worden van karige arbeidsloonen, die onvoldoend voedsel ten gevolge hebben. Van menige naaister is het levenspad in waarheid een weg des bloeds. Als ik denk aan de menigte van werklieden in onze stad, die in benauwde, ongezonde vertrekken wonen, saamgepakt in gangen en stegen, waar nooit de lucht vrü en frisch door heengaat, dan aarzel ik niet te zeggen, dat een groot deel van den weg, die door de armen van Londen betreden wordt, even goed den naam van „weg des bloedsquot; verdient, als de weg van Jeruzalem naar Jericho. Indien zij er hun geld niet kwijt raken, dan is het, omdat zij er geen hebben. Indien zij al niet onder de moordenaars vallen, zoo vallen zij toch wel onder kwalen enkrankheden, die hen in prac-tischen zin wonden en half dood laten liggen. Welaan, indien gij zulk werk niet te doen hebt, indien uw weg u niet van Jeruzalem naar Jericho heenvoert, maar u wellicht dikwijls van Jeruzalem naar Bethaniö leidt, waar gij de liefelijkheid kunt smaken van huiselijke genegenheid en Christelijke gemeenschapsoefening, dan behoort gij zeer dankbaar te wezen, en des te meer bereid diegenen te hulp te komen, die om uwentwil, of tot welzijn der maatschappij in het algemeen, de gevaalijker paden des levens hebben te volgen. Zijt gij het niet met mij eens, dat zulke menschen in de eerste plaats onze Christelijke vriendelijkheid moeten ondervinden ? Do zoo-danigen worden overvloedig in de ziekenhuizen, en ook nog elders aangetroffen.

II. Ten tweede, er zijn velen, die nooit lijden trachten te vehzachten. Onze Heiland spreekt ons ten minste van twee, die „tegenover hem voorbijgingen,quot; en ik denk, dat Hij, indien Hy het gewild had, de gelijkenis had kunnen voortzetten, en wel twee dozijn van zulke voorbijgangers aan de overzijde had kunnen noemen, en ook dan nog had Hij van niet meer dan van dien enkelen barmhartigen Samaritaan melding behoeven te maken.

220

-ocr page 238-

DE BARMHAETIGE SAMARITAAN.

want ik denk, dat er op twee ongevoelige menschen nauwelijks één barmhartige Samaritaan is. Ik wenschte, dat zij er wèl waren, maar ik vrees, dat het aantal der barmhartige Samaritanen zeer klein is in verhouding tot het groote aantal van hen, die de rol van den priester en den Leviet vervullen.

Zoo merk dan op wie het waren, die aan dezen in nood verkeerenden mensch hulp hebben geweigerd.

Ten eerste, zij teerden door Gods voorzienigheid naar die plaats geleid, opdat zij dien medemensch zouden bijstaan. Wat zou de Heere zelf meer hebben kunnen doen voor den armen man, die daar half dood nederlag, dan een mensch tot hem te brengen om hem te helpen ? Een engel zou hier toe niet zoo goed in staat zijn geweest. Hoe zou een engel, die zelf nooit gewond was, er verstand van hebben om wonden te verbinden en er wyn en olie in te gieten ? Neen, hier was een mensch noodig, die wist wat er noodig was, en die met broederlijke sympathie den geest kon bemoedigen terwijl hij het lichaam verpleegde. In onze overzetting van den Bijbel lezen wij: „Bijgeval\'kwa.m oen zeker priester denzelven weg afquot; maar geleerden, die zeer bedreven zyn in de Grieksche taal, lezen hier.- „Door een samentreffen,quot; Het was in de orde der goddelijke voorzienigheid, dat eerst een priester bij dien in nood verkeerenden mensch kwam, opdat hij heen zou gaan en als man van opvoeding en bekwaamheid, ja als deskundige, het geval zou onderzoeken; en als dan daarna de Leviet kwam, dan zou deze kunnen voortzetten wat de priester had begonnen. Met hun beiden zouden zy den gewonde naar de herberg hebben kunnen dragen, of wel, de een had bij hem kunnen blijven, terwijl de ander hulp ging halen. God had hen in deze positie geplaatst, maar moedwillig hebben zij den heiligen plicht verzuimd, dien de voorzienigheid en de menschelijkheid hun hadden opgelegd. Welaan, gy rijken, gü zijt met het bijzondere doel in onze stad gezonden, om barmhartigheid te betoonen aan de kranken, aan de gewonden, aan de armen, aan de van alles verstokenen. Als God iemand meer geeft dan hij behoeft, dan vertrouwt Hij hem hiermede het liefelyk ambt toe, of laat my liever zeggen, dat Hij hem hierdoor het heerlijk voorrecht schenkt, om nood en ellende te kunnen lenigen. Helaas ! hoe velen zijn er niet, die den voorraad, welken God hun in handen heeft gegeven om de armen en nooddruftigen te helpen, beschouwen als eene voorziening voor hunne buitensporige weelde, eene weelde, die hen streelt en vertroetelt, maar hun noch voordeel noch genot oplevert. Weder anderen verkeeien in den waan, dat hunne schatten hun geschonken zijn om ze weg te sluiten, ze aan mot en roest over te geven, en er gierigheid mede te kweeken. Wie durft een\' steen op den mond eens puts wentelen, als ieder in het rond versmacht van dorst ? Wie durft brood te onthouden

221

-ocr page 239-

DË BARMfiARTIGË SAMARITAAN.

aan vrouwen en kinderen, die zich schier het vleesch van hun eigen lichaam zouden afknagen van den honger? En bovenal, wie durft den lijder, die wegkrimpt van pijn, onverzorgd laten, de kranken te laten wegkwijnen zonder zo te verplegen ? Dit is geene kleine zonde, het is eene misdaad, waarvoor men zich te verantwoorden zal hebben voor den Rechter, als Hij komt om de levenden en de dooden te oordeelen. Deze lieden, die den armen man aan zijn lot overlieten, waren daar gebracht met het doel om hem bij te staan, even als gij dit ook zijt, maar zij gingen tegenover hem voorbij.

Zij waren beiden mannen, die hem hadden behooren te helpen, omdat zij gemeenzaam hekend warm met dingen, die hun hart hadden moeten verteederen. Als ik die schriftuurplaats goed begrijp, dan kwam de priester af van Jeruzalem. Ik heb mij dikwijls afgevraagd, waar hij heenging, of hij opging naar den tempel en haast maakte ten einde bij tijds daar te zijn, uit vrees van anders de vergaderde menigte te laten wachten, of dat hij wellicht zijn werk reeds gedaan had, zijne dienstmaand in den tempel vervuld had en nu naar huis ging. Ik denk, dat hij van Jeruzalem naar Jericho ging, omdat er staat: Bij geval kwam een zeker priester denzelven weg a/quot;.quot; Als er nu sprake is van een gaan naar de hoofdstad, dan heet het immer „opgaan,quot; opgaan naar Jeruzalem; en daar deze priester af kwam, reisde hij dus naar Jericho. Het was ook in letterlijken zin waar, want de ligging van Jericho is zeer laag. Ik kom dus tot de gevolgtrekking, dat hij naar huis ging te Jericho, na zijne maand dienst in den tempel volbracht te hebben, waar hij bekend was met de aanbidding des Allerhoog-sten, zoo nabij God als de mensch maar wezen kan, dienende te midden der offeranden en der heilige Psalmen en plechige gebeden, en toch had hij niet geleerd zelf een offer te brengen. Hij had de profetische woorden gehoord : „Ik heb lust tot weldadigheid, en niet tot offer,quot; maar die les was hij gansch en al vergeten. Hij had dikwijls de wet gelezen: „Gij zult uwen naaste liefhebben als u zeiven,quot; maar hij sloeg er geen acht op. De Leviet was wel niet zóó bezig geweest in het heiligdom als de priester, maar hij had in de heilige werkzaamheid gedeeld, en toch ging hij er met een hard hart van heen. Dat is een droevig feit. Zij waren nabij God geweest; maar zij waren Hem niet gelijkvormig. quot;Waarde vrienden, gij kunt el-ken Sabbat doorbrengen in de aanbidding van God, of in hetgeen gij denkt dat de aanbidding Gods is, en gij kunt Jezus Christus aanschouwen, gelijk Hij u voor de oogen geschilderd is geweest, onder u gekruisd zijnde; en er kunnen u dingen voor den geest komen, die een steenen hart in een vleezen hart behoorden te veranderen, en toch even gierig terugkee-ren naar de wereld, met even weinig medegevoel voor uwe

222

-ocr page 240-

DE BARMHAUTIGË SAMARITAAN.

raedemenschen als ooit te voren. Dit behoort niet zoo. Ik smeek u, laat het nooit meer zoo bij u worden.

Deze twee personen -waren daarenboven door hun ambt verplicht dien man ter hulp te komen, w;int ofschoon het oorspronkelijk slechts van den hoogepriester gezegd was, geloof ik toch, dat het van iederen priester gezegd kan worden, dat hij van onder de menschen genomen was, opdat hij medelijden zou kunnen hebben. Indien ergens medeleden met de menschen gevonden moet worden, dan moet het voorzeker wel in iiet hart wezen van den priester, die gekozen is, om voor God te spreken tot de menschen, en voor de menschen tot God. Geen steen moet ooit in zijn\' boezem worden gevonden. Hij moet zachtmoedig, grootmoedig, vriendelijk en vol van medelijden en teederheid zijn ; maar deze priester was dit niet, en evenmin was het de Leviet, die terstond na hem kwam. O gij. Christen-leeraars, gij allen, die onderwijst in scholen, of eenigen arbeid verricht voor God — en dit behoort gij allen te doen, want de Heere heeft zich alle de zijnen tot priesters gemaakt — reeds van wege uwe roeping en uw ambt behoort er eene bereidheid des harten bij u te zijn om de vriendelykste liefdediensten te bewijzen aan hen, die ze noodig hebben.

Er is nog iets, dat tegen dezen priester en Leviet vermeld moet worden, namelijk dit: zij loaren zeer goed met diens mans toestand bekend. Zij kwamen zeer dicht bij hem en zagen in welken toestand hij zich bevond. De weg, die afgaat naar Jericho is zeer smal, en zij waren schier genoodzaakt over zijn gewond lichaam heen te stappen. De eerst aangekomene zag hem aan, maar spoedde zich voort. De tweede schijnt eenig onderzoek te hebben ingesteld, of in elk geval genoeg nieuwsgierigheid gehad hebben, om zich op de hoogte van zijn\' toestand te stellen ; maar, zijne nieuwsgierigheid bevredigd zijnde, werd zijn medelijden niet opgewekt, en zoo ging hy dan ijlings van daar. Het verwaarloozen van de arme kranken komt meestentijds voort uit het feit, dat men niet weet, dat er zulke gevallen zijn, maar velen blijven moedwillig onwetend, en die onwetendheid is dan gewis geene verontschuldiging.

Doch deze ticee konden voortreffelijke verontschuldigingen aanvoeren: beide de priester en de Leviet hadden zeer goede redenen, waarom zy den gewonde veronachtzaamden. Ik heb nog nooit van iemand gehoord, die hulp weigerde aan de armen, en er niet ten minste één zeer goede reden voor opgaf. Ik geloof dat er niemand is, die zijn hart sluit voor den noodkreet der armen en hulpbehoevenden, of hij heeft argumenten aan te voeren, om te bewijzen, dat hij geliik heeft, argumenten, die naar zijn oordeel volkomen gegrond zijn, en hun, die op de zaak bij hem zouden willen aandringen, het stilzwijgen opleggen. Byvoorbeeld: de priester en de Leviet waren beiden

22S

-ocr page 241-

DE BAEMHAETIGE SAMARITAAN.

224

zeer gehaast. De priester was gedurende eene maand afwezig geweest te Jeruzalem, afwezig van zyne vrouw en kinderen, en hij verlangde natuurlijk naar huis. Als hij daar bleef verwijlen, zou de zon ondergaan. Het was eene plaats, waar men niet gaarne na zonsondergang vertoefde, en gij zoudtvan hem niet kunnen verwachten, dat hij de onvoorzichtigheid zou begaan om alleen aan zulk eene plaatste blijven als het duister wordt. Hij had eene maand van zwaren arbeid doorgebracht in den tempel. Gij weet niet, hoe afmattend hij het vond om gedurende eene geheele maand den priesterdienst waar te nemen, en zoo gij het wèl weet, zult gij er hem niet om laken, dat hij naar huis verlangt om een weinig rust te genieten. En behalve dat. Hij had beloofd op een bepaald uur te huis te zullen komen, hij was er zeer op gesteld, stipt en nauwkeurig zijn woord te houden, en hij zou voor niets ter wereld zijne vrouw en kinderen, die op het dak van zijn huis naar hem uitzagen, ongerust willen maken. Dat was eene zeer fraaie verontschuldiging; maar hij gevoelde daarenboven ook, dat hij den man hoegenaamd geen goed zou kunnen doen. Hij had geen verstand van heelkunde, en zou, al moest hij er het leven om laten, geene wond kunnen verbinden. Hij had er een afkeer van; alleen maar het gezicht van bloed maakte hem ziek. Hij kon er zich niet toe brengen in de nabijheid van iemand te komen, die zoo ontzettend verminkt was. Als zijne vrouw bij hem ware geweest, dan zou zij het hebben kunnen doen, of als hij wat verbandmiddelen bü zich had gehad, dan zou hij het beproefd hebben, maar nu kon hij niets uitrichten. De arme man was ook blijkbaar reeds half dood, en zou wel over een paar uur sterven, en dus zou het maar jammer zyn voor zulk een hopeloos geval nog den kostbaren tijd te verspillen. Die priester was ook maar één enkel man, en men kon niet van hem eischen, dat hij dien gewonden, bloedenden man zou dragen. Het zou dus van geenerlei nut zijn om te beginnen met iets aan hem te doen, en hem dan verder den geheelen nacht daar te laten liggen. Het is waar; hij kon de voetstappen van den naderenden Leviet bijna hooren, ja hy hoopte zelfs, dat deze maar spoedig komen zou, want hij gevoelde zich gansch niet op zijn gemak om in zulk een geval alleen te zijn; maar dit was dus eene reden te meer voor hem om zijns weegs te gaan, daar de Leviet den man zeker wel hulp zou verleenen. En nog beter was de volgende wijze van verontschuldiging: — Gij zoudt niet willen, dat iemand zich blijft ophouden op eene plaats, waar een ander door dieven half doodgeslagen werd. De dieven zouden terug kunnen komen, zij waren nog nauwelijks buiten het gezicht, en na eene maand dienst moest een priester wel geld bij zich hebben. Het was van het grootste gewicht voor hem de midde-

-ocr page 242-

de baemhaetige samae1taak.

len om zyn gezin te onderhouden niet in de waagschaal te stellen, door op eene plaats te bleven verwijlen, die zoo blijkbaar door roovers onveilig was gemaakt. Hij zou zelf gewond kunnen worden, en dan zouden daar twee menschen half dood nederliggen, van wie de een nog wel oen priester, een aanzienlijk geestelijke was. Waarlijk, de menschenliefde zelve zou hier het denkbeeld opperen, dat gij voor u zeiven behoort te zorgen, daar gij dien armen man toch niet het minste goed zoudt kunnen doen. Waarbij nog komt, dat de man kon sterven, en dat dan de persoon, die bij hem gevonden wordt, beschuldigd zou kunnen worden van hem vermoord te hebbjn. Het is altijd eene netelige positie om ergens op eene duistere plaats gevonden te worden bij het lijk van iemand, die blijkbaar vermoord is. De priester zou in hechtenis genomen zijn kunnen worden onder zware verdenking van moord te hebben gepleegd. Werd hern dan niet door alle de regelen der voorzichtigheid geboden zich zoosnel mogelijk te verwijderen ? Hü kon daarenboven ook bidden voor den man, en het verheugde hem een tractaatje by zich te hebben, dat hij naast hem kon nederleggen. Wat zou men nu meer van een vroom man kunnen verwachten, dan dat hij voor zijn\' naaste bidt en hem een tractaatje geeft? Met deze vrome overdenking spoedde hij zich voort op zijn\' weg. Het zou ook kunnen wezen, dat hij vreesde zich te verontreinigen. Een priester was te heilig om iets met wonden, en builen, en kneuzingen te doen te hebben. Wie zou zoo iets voorsteHen ? In alle reuke van heiligheid was hij van Jeruzalem gekomen; hü gevoelde zich zoo heilig als hy geschiktelijk zijn kpn, en daarom wilde hij zoo zeldzame voortreffelijkheid aan geene wereldsche invloeden blootstellen door een\' zondaar aan te raken. Om al deze sterke redenen te zamen was hij er mede te vreden zich moeite te besparen en het bewijzen van vriendelijkheid over te laten aan anderen.

Nu zal ik u heden alle redenen laten aanvoeren, die gü maar wilt, waarom gij de armen niet moet bijstaan en geen steun moet verleenen aan de ziekenhuizen; en als gij die redenen hebt genoemd, zullen zij even goed wezen, als die ik u heb blootgelegd. Er kwam u een glimlach op het gelaat om hetgeen de priester gezegd zou hebben; maar indien gij, telkenmale als u hulp gevraagd wordt om wezenlijken nood te lenigen, en gij in staat zijt die hulp te verleenen, u verontschuldigt, dan behoeft gij over die verontschuldigingen niet te lachen, dat zal de duivel wel doen; gij deedt beter met er over te weenen, want er is de grootst mogelijke reden om er over te treuren, dat uw hart zoo hard is voor uwe medemenschen, als zy krank zyn, ja wellicht krank zijn ten doode.

III. En nu ten derde : de Samaritaan is een voorbeeld

225

15

-ocr page 243-

226 DÉ BARMHARTIGE SAMARITAAN.

VOOR HEN, DIE DE BEPROEFDEN TE HULP KOMEN. Hij is dit ten eerste, als wij letten op den persoon, die door hem geholpen werd. Het wordt wel niet met zoo vele woorden in de gelijkenis gezegd, maar het ligt er toch in opgesloten, dat de gewonde een Jood was, en bijgevolg was de Samaritaan noch van denzelfden godsdienst, noch van denzelfden stand met hem. De apostel zegt: „Terwijl wij tijd hebben, laat ons goed doen aan allen, maar meest aan de huisgenooten des gelocfs.quot; Naar het oordeel van den Samaritaan, behoorde deze man niet tot de huisgenooten des gelocfs, maar was hy een van „allenquot;. In sympathie ten opzichte van den godsdienst stonden de Jood en hij zoo ver mogelijk van elkander af. Ja, maar hij was een mensch, of hij een Jood was of niet, hij was een mensch, een gewonde, bloedende, stervende mensch, en de Samaritaan was ook een mensch, en zoo had de eene mensch medegevoel voor den anderen mensch, en kwam hij hem te hulp. Vraag toch niet, of een kranke gelooft in de 39 artikelen (1) of instemt met den catechismus der Westminster vergadering. Laat ons hopen, dat hij gezond is in de leer, maar indien hij het niet is, dan heeft hij er toch even veel behoefte aan, dat zijne wonden verbonden worden, als wanneer hij eene volmaakte geloofsleer ware toegedaan. Gy behoeft hem niet te vragen of hij wel een goed Calvinist is, want ook een Arminiaan heeft pijn, als hij gewond is. Een lid van de „Kerk van Engelandquot; heeft even veel pijn, wanneer zyn been gebroken is, als een dissenter (2), en een ongeloovige heeft verpleging noodig, als hij bij het een of ander ongeluk gekwetst wordt. Het is voor een\' mensch, die eene onrechtzinnige geloofsleer is toegedaan, even erg om te sterven, als wanneer hij rechtzinnig ware in de leer; ja in sommige opzichten is het veel erger, en daarom moeten wij des te ijveriger zijn om te trachten hem te genezen. Wezenlijke nood en ellende moeten wy trachten te lenigen zonder dat daarbij het geloof van den lyder in aanmerking genomen wordt; dat heeft de barmhartige Samaritaan gedaan.

Daarbij kwam nog, dat de Samaritanen door de Joden werden gehaat; en deze Samaritaan kon ongétwijfeld gedacht hebhen : „Als ik in diens mans plaats was, zou hy my niet helpen. Hy zou mij voorbijgaan en zeggen: „Het is een Sa-maritaansche hond, hij zij vervloekt.quot; De Joden waren gewoon de Samaritanen te vervloeken; maar het kwam bij dezen edel-moedigen man niet op om te bedenken wat de Jood gezegd zou hebben ; hij zag hem bloedend nederliggen, en hij verbond zijne wonden. De gulden regel, dien onze Heiland ons gege-

(1) Van de geloofsbelijdenis der Anglikaansche Kerk.

(2) Afgescheidene. ................

-ocr page 244-

DE BAEMHARTIGE SAMARITAAN.

ven heeft, is niet: „Doet aan anderen, gelijk zij u zouden doen,quot; maar gelijk „gij wilt, dat u de menschen zouden doen.quot; De Samaritaan volgde dien regel, en ofschoon hij de vijandschap wel kende, die er in het hart van den Jood was, gevoelde hij, dat hij vurige kolen op het hoofd des gewonden moest hoopen door hem liefderijke hulp te verleenen. en daarom heeft hy hem ook zonder aarzelen geholpen. Op een andermaal zou de Jood den Samaritaan wellicht hebben afgewezen, en geweigerd hebben door hem aangeraakt te worden, maaide teerhartige, medelijdende man denkt daar niet aan : deze ongelukkige is te krank om zich nu door zijn vooroordeel te laten leiden, en terwijl de Samaritaan zich over hem buigt en olie en wijn in zyne wonden giet, vangt hij een\' dankbaren blik op uit het oog van den zone Abrahams.

Die arme gewonde was iemand, die hem zijne vriendelijkheid niet kon vergelden. Hij was beroofd van alles, tot zelfs zyne kleederen waren hem ontnomen; maar de barmhartigheid verlangt geene betaling, want anders zou het ook geene barmhartigheid zijn. Hij was ook een volslagen vreemdeling. De Samaritaan had hem nooit te voren gezien. Maar wat deed dit er toe? Hij was een mensch, en alle menschen zyn aan elkander verwant. God heeft „uit een\' bloede het gansche geslacht der menschen gemaakt.quot; De Samaritaan gevoelde die aanraking der natuur, welke alle menschen aan elkander verwant maakt; en zoo boog hij zich over den vreemdeling en lenigde zyne smarten.

Hij zou hebben kunnen zeggen: „Waarom zou ik hulp verleenen ? Door zijn eigen volk werd hij verworpen. De priester en de Leviet hebben hem verlaten; hij heeft het allereerst aanspraak op de hulp zijner landslieden.quot; Zoo heb ik sommigen gekend, die zeiden: „Deze lieden hebben nergens aanspraak op, laten zij naar hun eigen volk, of naar hunne eigene ge-gemeente gaan.quot; Maar gesteld nu eens, dat zij dit gedaan hebben, maar dat zy het vruchteloos gedaan hebben, zoo is het dan nu uwe beurt. Wat de Jood niet wilde doen voor den Jood, laat de Samaritaan het doen, en dan zal hij in zijne daad gezegend worden. Hy was veronachtzaamd door de ambtsdragers, en veronachtzaamd door de heiligen. De besten, of zy, die de besten behoorden te wezen, dé priester en de Leviet, hadden hem verlaten, hem laten sterven. De Samaritaan is noch een heilige noch een ambtsdrager, maar toch treedt hij voorwaarts om de daad te doen. O Christenbroeders, draagt zorg, dat gij u door dezen Samaritaan niet beschaamd laat maken.

Hy is vervolgens een. voorbeeld voor ons ten opzichte van den geest, in welken hij zijn werk deed. Hy deed het zonder naar iets te vragen. De man was in nood, daar was hij zeker van, en hij hielp hem terstond, zonder te aarzelen. Hy maakte niet

227

-ocr page 245-

t)E ËARMHAHTIGË SAMAfelTAAN.

eerst eene overeenkomst met hem, maar ging er terstond toe over olie en wijn in zyne wonden te gieten. Hy deed het zon-dar eerst te trachten het op iemands anders schouders te schuiven. De hedendaagsche liefdadigheid beteekent, dat A aan B vraagt hem te helpen, en dat B hem in zijne buitengewone barmhartigheid de groote gunst bewast van hem naar G te zenden. Dat wil zeggen, dat men heden ten dage slechts zelden de hand in de eigene beurs steekt, maar de lieden heenzendt naar enkele personen, die geld vinden voor allen. Mü schijnt het toe eene zeer lage manier te wezen om zich van eene zaak af te maken door zijne eigene beurs gesloten te houden, maar den vrager naar iemand heen te zenden, die volstrekt niet rij kei\' is dan gij zljt, maar wel veel milddadiger. De Samaritaan was persoonlijk weldadig, en daarin is hij voor ons een spiegel en een voorbeeld.

Hij deed het zonder eenige zelfzuchtige vrees. De roovers zouden hem hebben kunnen overvallen, maar waar een leven in gevaar was, bekommerde hy zich om geene roovers. Hier is een mensch in nood; die mensch moet, of er roovers zyn of niet, geholpen worden, en hy doet het met zelfverloochening, want hij verschaft zich wijn, en olie, en alles in de herberg, ofschoon hij geen rijk man was, want hij „langde twee penningen uit,quot; dat wel eene grootere som is dan het zich laat aanzien, maar toch eigenlyk eene kleine som is. Hij wierp zijne aalmoezen niet in het rond, omdat hy ryk was. Er wordt niet gezegd, dat hy eene handvol penningen gaf, doch slechts twee, want hij was verplicht de penningen te tellen, die hij uitgaf. Het was een arme Samaritaan, die deze rijke en edele daad heeft verricht. De armsten kunnen de armen helpen; zelfs diegenen, die zelf in nood zijn, kunnen nog eene edelmoedige Christelyke gezindheid toonen, en hunne diensten, hun arbeid geven. Dat zij het doen, als de gelegenheid er zich toe aanbiedt.

Deze mensch hielp zyn\' armen medemenssh met groote tee-derheid en zorg. Hy was als eene moeder voor hem. Alles geschiedde met liefdevolle zorg en nadenken en met al de bekwaamheid, die hy bezat. Hij deed wat hy kon. Broeders, laat ons wat wij voor anderen doen altyd op de best mogelyke wijze doen. Laat ons de armen niet behandelen als honden, die wij een been toewerpen, noch de kranken bezoeken, als of wy hoog verheven wezens waren, die ons diep neder moeten buigen tot menschen, ver , beneden ons, als wij hunne kamer binnentreden; maar laat ons met de teederheid der ware liefde, welke wy aan Jezus\' voeten hebben geleerd, dezen barmhartigen Samaritaan navolgen.

Doch wat heeft hij gedaan ? Wel, hij k wam ten eerste aan de plaats waar de lijder zich bevond, en stelde zich in zijne

-ocr page 246-

t)E BAEMHAETIGE SAMARITAAN.

plaats en toestand. Daarna hoeft hij al zijne bekwaamheid voor hem aangewend. Hij verbond zijne wonden, waartoe hij waar-schijnlijk zijne eigene kleederen verscheurde om ze als ver-bandstoffen te gebruiken. H^i goot olie en wijn in zijne wonden, de beste medicijn, die hij kende, en die op datoogenblik in zijn bezit was. Toen zette hij den kranke op zijn\' muilezel, en moest dus bijgevolg zelf loopen, doch dat deed hij blijmoedig, en onderwijl kon hij den kranke nog ondersteunen. Hij bracht kem naar eene herberg, maar daar verliet hij hem niet, zeggende: „Nu zal iedereen wel voor hem zorgenquot;; neen, hij ging naar den waard en zeide: „Draag zorg voor hem.quot; Ik bewonder dien kleinen volzin, omdat er eerst geschreven is: „hij verzorgde hem,quot; en daarna zeide hij. „Draag zorg voor hem.quot; Wat gij zelf doet, kunt gij verwachten, dat anderen ook doen zullen. Hü zeide; „Ik laat dezen armen man bij u, ik bid u, veronachtzaam hem niet. Er zijn vele lieden in de herberg, maar zorg voor hem.quot; „Is hij uw broeder?quot; „Neen, ik heb hem nooit te voren gezien.quot; „Hebt gij dan ook verplichting aan hem ?quot; „Neen! — ja, o ja, ik gevoel my onder verplichting jegens iedereen, die mensch is. Indien hij hulp behoeft, dan ben ik verplicht hem te helpen.quot; „Is dat alles?quot; „Ja maar draag zorg voor hem. Ik stel grootelijks belang in hem.quot;

De Samaritaan heeft niet opgehouden voordat hij hem al de goedheid en vriendelijkheid had bewezen, die noodig voor hem waren. „Dit geld,quot; zeide hij, is wellicht niet voldoende, want het zou wel lang kunnen duren, eer hij in staat is verder te reizen. Haast hem niet om te vertrekken, laat hem hier blijven, en zoo dit meerdere onkosten noodzakelijk maakt dan zal ik ze vergoeden, als ik weder terug kom van Jeruzalem.quot; Niets is zoo kostelijk als de barmhartigheid, die ten einde toe wordt volgehouden. Ik wenschte wel den tijd te hebben om over al deze dingen uitvoerig te spreken, maar dit kan ik niet; vertoont ze in uw leven, dan zult gy het best weten wat ik bedoel. Gaat heen, een iegelijk van u, en doet desgelijks.

IV. Maar nu, ten vierde, wu hebben een hooger voorbeeld dan zelfs deze Samaritaan — onze Heere Jezus Christus. Ik denk niet, dat onzé Heere door deze gelijkenis iets omtrent zich zeiven heeft willen leeren, behalve in zoo ver Hij zelf het groote voorbeeld is van alle goedheid. Hij antwoordde op de vraag: „Wie is mijn naaste?quot; en Hy predikte toen volstrekt niet over zich zeiven. Men heeft aan deze gelijkenis eene zeer vergezochte uitlegging gegeven, om den Heere Jezus en alles wat Hem betreft er in te zien, maar dit durf ik niet na te volgen. Toch kunnen wij door analogie de goedheid des Heeren er door voorstellen. Het is het beeld vaneen ede\'moe-

229

-ocr page 247-

DE BAUMHAETIGE SAMAKITAAN.

dig man, die de nooddruftigen verzorgt; maar de edelmoedigste Mensch, die ooit geleefd heeft, was de Man van Nazareth, en nooit heeft iemand zoo voor kranken en lijdenden gezorgd als Hü. Indien wy dus den barmhartigen Samaritaan prijzen, dan behooren wij den gezegenden Heiland nog veel meer te loven, Hem, dien zijne vijanden een Samaritaan hebben genoemd, en die deze beschuldiging nooit heeft afgewezen ; immers wat was er Hem aan gelegen zoo al het vooroordeel en al den smaad der menschen zich uitte tegen Hem ?

Welaan myne broeders, de Heere Jezus Christus heeft beter gedaan dan de barmhartige Samaritaan, omdat onze toestand nog veel erger was. Gelijk ik reeds gezegd heb, de gewonde had zich zijn\' treurigen toestand niet zeiven te wijten; het was zijn ongeluk, niet zijne schuld; maar gij en ik zyn niet half dood, maar geheel en volstrekt dood in zonden en misdaden, en zeer veel van onze ongelukken en kwalen hebben wü zeiven over ons gebracht. De moordenaars, die ons beroofd hebben, zijn onze eigene ongerechtigheden; de wonden, die wij hebben, zijn ons door onze eigene, zelfmoordende hand toegebracht. Wij staan niet tegenover den Heere Jezus Christus, geiyk deze arme Jood tegenover den Samaritaan stond, bloot uit kracht van het vooroordeel, maar reeds van nature hebben wij den gezegenden Zaligmaker tegengestaan, wij hebben ons reeds van den beginne van Hem afgewend. Helaas! wij hebben Hem weerstaan en verworpen. De arme man heeft zijn\' Samaritaanschen vriend niet. afgeweerd, maar dat hebben wij den Heere wèl gedaan. Hoe menigmaal hebben wfö de almachtige liefde afgewezen! Hoe dikwijls hebben wy niet door ongeloof de wonden opengereten, die Christus reeds had verbonden! Wy hebben de olie en den wyn, die Hij ons aanbood in het Evangelie, verworpen! Wij hebben booze woorden van Hem gesproken, en hebben jaren lang geleefd in algeheele en volstrekte verwerping van Hem, en toch heeft Hij in zyne oneindige liefde ons niet opgegeven, maar sommigen van ons toegebracht tot zyne gemeente, waar wy rusten als in eene hérberg, levende en terende op zijne goedheid en milddadigheid. Het was eene wondervolle liefde, die het hart des Heilands bewoog, toen Hij ons allen vond in onze ellende, en zich over ons heen boog om er ons uit op te heffen, schoon Hij wist, dat wij zijne vijanden waren.

De Samaritaan was aan den Jood verwant, omdat hij mensch was; maar onze Heere Jezus was oorspronkelijk niet van nature aan ons verwant. Hij is God, oneindig ver boven ons verheven, en zoo Hij, „in gedaante gevonden is als een mensch, dan was dit, omdat Hij dit gewild heeft. Indien Hij den weg gereisd heeft over Bethlehems kribbe naar de plaats onzer zonde en ellende, dan was dit, omdat zijne oneindige ontferming Hem derwaarts he-

230

-ocr page 248-

DE BARMHARTIGE SAMARITAAN.

nen heeft gevoerd. De Samaritaan kwam tot den gewonde, omdat hij wegens zijne zaken daar langs moest gaan, en daar ter plaatse komende, verleende hij denman hulp en bijstand; maar Jezus is voor niets anders op aarde gekomen dan om ons te verlossen, en Hij heeft onze natuur aangenomen, opdat Hij medegevoel met ons zou kunnen hebben. Tot zelfs in het bestaan toe van den mensch, Christus Jezus, ziet gü den edel-sten vorm van medelijden geopenbaard.

En hier ter plaatse zijnde, waar wij onder de moordenaren gevallen zjjn, heeft Hij zich niet slechts blootgesteld aan het gevaar, van zelf door de moordenaars aangerand te worden, maar werd Hij ook inderdaad door hen aangevallen. Hij werd gewond, naakt uitgetogen, en Hij was niet half dood, maar geheel en volkomen dood, want Hü was in het graf gelegd. Om onzentwil is Hij gedood, want het was niet mogelijk, dat Hij ons van het kwaad zou kunnen verlossen, dat de moordenaren der zonde en ongerechtigheden in ons hadden teweeggebracht, tenzü Hij dit kwaad leed in zijn eigen Persoon, en Hij heeft het geleden, opdat Hij ons er van zou kunnen bevrijden.

Wat de Samaritaan dien armen man gaf getuigde van zijne edelmoedigheid, maar het is niet te vergelijken bij het geen de Heere Jezus ons gegeven heeft. Hij, de Samaritaan, gaf den gewonde wijn en olie; maar Jezus heeft zijn harte bloed gegeven om onze wonden te genezen; Die ons liefgehad heeft en zich voor ons overgegeven heeft. De Samaritaan leende zich met al zijne zorg, maar Christus gaf zich zeiven voor ons, ja Hij gaf zich voor ons tot in den dood. De Samaritaan gaf twee penningen, een groot bedrag uit eene kleine beurs, en ik schat de gave niet gering, maar Christus is om onzentwil arm geworden. daar Hij rijk was, opdat wij door zijne armoede rijk zouden worden. O wat wondervolle gaven heeft Christus ons geschonken! Wie kan ze tellen 1 Onder die zegeningen is de hemel; maar Hij zelf is de voornaamste gave.

Het medelijden van den Samaritaan openbaarde zich slechts voor eene wyle. Indien hij naast zijn muilezel moest loopen, was dit slechts eenige mijlen ver; maar Christus heeft een geheel leven van vermoeienis voor ons geleid. De Samaritaan heeft zich niet lang in de herberg opgehouden, want hij moest zijne zaken behartigen, en dat deed hij, en wel met. volle recht; maar onze Heere is zijn gansche leven bij ons go-bleven, zelfs tot dat Hij opvoer ten hemel, ja Hij is ook thans met ons, de kinderen der menschen immer zegenende.

Toen de Samaritaan vertrok, zeide hij; „Zoo wat gij meer aan hem te koste zult leggen, dat zal ik u wedergeven.quot; Jezus is naar den hemel gegaan, en Hij heeft heerlijke beloften achtergelaten voor iets dat geschieden zou, als Hij wederkomt.

231

-ocr page 249-

DE BARMHARTIGE SAMARITAAlT.

Nooit vergeet Hy ons. Ik durf wel zeggen, dat de Samaritaan in latere jaren weinig meer aan den Jood gedacht zal hebben, ja het is het kenmerk van een grootmoedig hart, niet al te veel te denken aan hetgeen het gedaan heeft. Hij ging terug naar Samaria, behartigde er zijne zaken, en heeft nooit aan iemand verhaald : „Ik heb een\' armen Jood bijstand verleend op den weg.quot; Maar onze Heere moet noodzakelijker wys anders handelen. Immers, wijl wy voortdurend in nood zijn, moet Hü voortdurend voor ons zorgen, en zijne daad der liefde moet telkens op nieuw geschieden, en zal immer herhaald worden, zoolang er menschen zijn om te verlossen, zoolang er eene hel is, waaraan men moet ontkomen, zoolang er een hemel is, dien men moet binnengaan.

Ik heb u aldus op het hoogste voorbeeld gewezen, en ik heb ten besluite nu nog slechts twee dingen te zeggen. Oordeelt u zeiven, müne hoorders, indien gij hoopt door uwe eigene werken zalig te worden. Ziet op hetgeen gij gedurende uw gansche leven wezen moet, indien uwe werken u zalig zullen maken. Gü moet God liefhebben met geheel uw hart, met geheel uwe ziel en al uwe krachten, en uwen naaste op de wijze zooals deze Samaritaan het gedaan heeft, namelijk als u zeiven, en dat wel zonder dat gij ooit eene enkele maal hierin te kort komt. Kunt gij hopen dit op volmaakte wijze te doen ? Zoo neen, waarom zoudt gü dan uwe zielen in zoo broos eene bark wagen, in zoo lekkend, zinkend een schip, als uwe armzalige werken zijn ? Want, weet het wel, nooit zult gjj er den hemel mede bereiken.

Eindelijk: g\\j, die Christus\'eigendom züt, zijt behouden, maar gU zult deze dingen niet doen ten einde u zeiven zalig temaken. De Grootere Samaritaan, heeft u gered; Jezus heeft u verlost, heeft u in zijne gemeente gebracht, heeft u onder de zorg gesteld van zijne dienstknechten, heeft ons geboden voor ii te zorgen, en belooft ons te beloorien, indien wij gevonden worden, dit doende, ten dage als Hij wederkomt. Tracht dan ware volgelingen te zijn van uwen Heere door practische daden van liefde; en zoo gij tot nu toe uwe gaven hebt teruggehouden voor de tijdelijke en geestelijke behoeften uwer medemen-schen, begint dan heden met ze grootmoedig uit te deelen, en God zal u zegenen. O Geest van God, help 01 s allen als Jezus te zijn. Amen.

232

-ocr page 250-

DE BARMHARTIGE SAMARITAAN,

OF

GOEDE TIJDING VOOR U.

„Maar een zeker Samaritaan, reizende, kwam omtrent hem.quot;

Lu kas X : 33.

De barmhartige Samaritaan is een meesterlijk geschetst beeld van ware weldadigheid. De Samaritaan stond in geene bloedsbetrekking tot den Jood; hy was van zuiver vreemden oorsprong, maar toch ontfermt hij zich over zijn\' naaste. De Joden vloekten de lieden van Chut en wilden geen\' omgang met hen hebben, wyl zij indringers waren in hun land. Er was dus in het voorwerp van des Samaritaans medelyden niets, dat zijne nationale sympathie kon opwekken, maar wel alles, dat zijn vooroordeel prikkelde; vandaar het edele in zijne weldadigheid.

Het is heden myn voornemen niet de liefelijke punten van voortreffeiykheid aan te toonen, die Christus in het licht stelt ten einde een voorbeeld te geven van hetgeen ware barmhartigheid tot stand zal brengen. Ik wensch u slechts het ééne feit te doen opmerken, dat de weldadigheid, welke de Samaritaan jegens dezen armen gewonden, half dooden mensch aan den dkg legde, nuttig en practisch was. Hij heeft niet tot hem gezegd: „Indien gij naar Jericho wilt loopen, dan zal ik uwe wonden verbinden, en er olie en wijn in gietenquot;; of „indien gij met mij naar Jeruzalem wilt gaan, dan zal ik voorzien in hetgeen gy noodig hebt.quot; O neen, hij kwam „omtrent hemquot;, dat is: hij kwam, waar de gewonde was, en bemerkende, dat deze hoegenaamd niets doen kon om zich zei ven te helpen, begon de Samaritaan te eigener plaats en stond hem hulp te verleenen. Hij stelde hem geene onmogelijke voorwaarden, geene bepalingen, die hy niet kon volbrengen, neen, hij deed alles voor den man, en hij deed het waar hij was, en zooals hij was.

-ocr page 251-

t)E BARMHARTIGE SAMARITAAN, OF

Geliefden, wy weten volkomen, dat eeno barmhartigheid, die niet genoeg onder iemands bereik gesteld is om er gebruik van te kunnen maken, in het geheel geene barmhartigheid is. Gaat eens onder de werklieden in een onzer steden, en zegt hun, dat niemand hunner van honger of koude behoeft om te komen, wyl er -op den top van den Mont Bernard gastvrije monniken ■ wonen, die in hun klooster eene eetzaal hebben, waar alle voorbijgangers zich aan spijs, drank en warmte te goed kunnen doen. Zegt hun, dat zij niets anders behoeven te doen, dan naar de Alpen te reizen, om daar overvloed van spijs en drank te vinden. Arme zielen ! Zij gevoelen, dat gij den spot met hen drijft, want de afstand is veel te groot. Gaat in een onzer achterbuurten, klimt er een zestal trappen op om in een ellendig dakkamertje te komen, dat zóó vervallen is, dat gij door de dakpannen heen de sterren zien kunt, en gij vindt er een jong meisje, dat de tering heeft, wegkwijnt van armoede en gebrek. Zegt haar, zoo gij durft: „Als gij naar eene zeebadplaats gaat en alle dagen goed, gezond en versterkend voedsel gebruikt, dan zult gij beter worden.quot; Gü zoudt dan niets doen, dan haar schandelijk bespotten — zij kan zich deze dingen niet verschaffen — zij zijn buiten haar bereik. Zij kan naar geene badplaats gaan — zij zou sterven eer zij er is. Uwe barmhartigheden gelyken op de barmhartigheden der goddeloozen; zij zijn wreed. Verbeeld u Jeremia in den diepen kerker. Indien Ebed melech en Baruch boven aan den put staande, hem hadden toegeroepen: „Jeremia, indien gy halverwege, wilt opklimmen, dan zullen wij u optrekkenquot; terwyl er geene ladder was, noch eenig ander middel, waardoor hij by mogelijkheid zoo ver kon komen; hoe wreed zou dan hunne barmhartigheid niet geweest zijn! Maar neen, zij nemen eenige oude, verscheurde lompen van onder de schatkamer des konings, en lieten ze met zelen af tot hem, en zeiden hem ze onder de okselen zijner armen te leggen van onder aan de zelen, en aldus trokken zij hem op uit den kuil. Dit was eene doeltreffende barmhartigheid, maar de andere zou niets dan een huichelachtig voorwendsel geweest zijn. Mijne broeders, indien Christus den barmhartige® Samaritaan aldus schetst naar het leven, als Hij hem voorstelt den armen gewonden man op practisehe, nuttige wijze liefde bewijzende, is het dan niet zeer waarschijnlijk, of liever, is het dan niet gansch zeker, dat, als Christus zal komen om met de zondaren te handelen, hü hun eene doeltreffende barmhartigheid zal betoonen, eene genade, die hun werkelijk van dienst is?

Vandaar, vergunt mij het te zeggen, dat ik niet geloof, dat de wijze, waarop sommigen het Evangelie willen prediken, goed is. Zij hebben geen Evangelie voor zondaars als zondaars,

284

-ocr page 252-

GOEDE TIJDING VOOR ü.

maar alleen voor diegenen, die boven het doode peil van het zondaarsschap zyn, en met den geijkten naam van gevoelende zondaars bestempeld worden. Evenals de priester in deze gelijkenis, zien zij den armen zondaar, en zeggen: „Hij is zich niet bewust van zijne behoefte, wij kunnen hem niet uitnoo-digen tot Christus te komen.quot; „Hij is dood,quot; zeggen zij, „het dient nergens toe voor doode zielen te prediken,quot; en zoo gaan zij tegenover hen voorbij, en houden zich dicht bij de uitverkorenen en levendgemaakten, maar hebben hoegenaamd niets te zeggen aan de dooden, uit vrees van Christus al te goedertieren, en zijne genade al te vrij en om niet voor te stellen. De Leviet was niet gansch en al zóó gehaast als de priester. De priester moest dienst doen, moest prediken, en zou te laat kunnen komen voor den dienst, en daarom kon hij zich niet ophouden om den man bij te staan. En daarenboven: hy zou zijn priesterkleed hebben kunnen bezoedelen, of zich zeiven hebben kunnen verontreinigen, en dan zou hü niet geschikt zijn geweest om op te treden voor de deftige lieden, waaruit zijn gehoor bestond. En wat den Leviet betreft: hy moest de gezangen lezen; hij was voorzanger in de Kerk, en hij was wel eenigszins gehaast, maar toch kon hy wel na het voorgebed komen, en zoo gaf hij zich nog even den tijd om naar hem te zien. Het is juist zoo als ik weet, dat sommige leeraren gezegd hebben: „Wel, gij weet, wij moeten den zondaar zyn\' toestand voor oogen houden, en hem waarschuwen, maar wij moeten hem niet uitnoodigen tot Christus te komen.quot; Ja, vrienden, gij moet, na hem aangezien te hebben, tegenover hem voorbij gaan, want naar hetgeen gij zelf bekent, hebt gij geene goede tijding voor hem. Ik loof en dank mijn\' Heer en Meester, dat H;j mij een Evangelie gegeven heeft, dat ik tot doode zondaars kan brengen, een Evangelie dat ook voor de snoodsten der snooden nuttig is. Ik dank mijn\' Meester, dat Hij tot den zondaar niet zegt: „Kom Mij halverwege tegemoetquot;, maar dat Hy „omtrent hem komtquot; dat is: dat Hij komt waar de zondaar is, en hem verloren, verstokt, in het verderf gestort vindende, geeft Hij hem leven en vrede, zonder er om gevraagd te zijn, of te verwachten, dat hij er zich op zal toebereiden om genade te ontvangen.

I. De zondaar heeft geene zedelijke eigenschap, die hem hecht geeft op de zaligheid, maar Christus komt waar hij is.

Indien het mij mogelijk is, dan zou ik over deze zaak wen-schen te spreken niet met betrekking tot de scharen, die buiten zijn, maar die hier tegenwoordig zijn. Ik spreek niet van hen en van dezen, maar van u en van mij. Ik wensch te zeggen tot eiken zondaar: „Gij bevindt u in een\' toestand, waarin in zedelijken zin niets is, dat n geschikt maakt om

235

-ocr page 253-

DE BARMHARTIGE SAMARITAAN, OF

zalig te worden, maar Jezus ontmoet u ter plaatse waar gij nu zyt.quot;

1. Herinnert u, ten eerste, dat, toen het Evangelie voor het eerst in de wereld gezonden was, zij, tot wie het gezonden was, blijkbaar zonder eenige zedelijke geschiktheid waren om het te ontvangen. Hebt gij ooit het eerste hoofdstuk van Paulus\'brief aan de Komeinen gelezen? Het is een dier ontzaggelijke plaatsen in de Schrift, welke niet bestemd zjjn om in de bijeenkomsten te worden gelezen, maar om, in het verborgene onzer eigene binnenkamers te worden overdacht. De apostel schetst het beeld van de zeden en gewoonten der Heidenwereld, een beeld, zóó ontzettend, dat de ongeloovigen zouden gezegd hebben, dat Paulus zeker overdreven heeft, indien onze zendelingen ons niet mededeelden, dat het nog te dezer ure de nauwkeurige photographie is van hèt leven in Hindostan. Het Heidendom in de dagen van Paulus was zóó ontzettend slecht, dat het volstrekt onmogelijk zou zijn eene zonde te bedenken, waarin de menschen niet gevallen waren. En toch zeide de apostel: „Wij keeren ons tot de Heidenen,quot; en heeft de Heere Jezus zelf bevolen; „Gaat heen in de gehéele werele, predikt het Evangelie aan alle kreaturen.quot; Hoe! ook aan menschen, wier kleinste zonde bestaat in overspel en hoererij; aan dieven en moordenaars, aan moordenaars van vader of moeder? Ja, gaat heen, predikt het Evangelie aan hen l Het feit, dat de wereld tot aan den hals gedompeld was in het slijk van afschuwelijke goddeloosheid, terwijl haar toch het Evangelie gebracht moest worden, is het duidelijk bewijs, dat Christus naar geene zedelijke geschiktheid uitziet, geene gerechtigheid verwacht in den mensch, vóórdat het Evangelie hem kan baten. Hij zendt het Woord tot den dronkaard, den vloeker, do hoer, de snoodsten der snooden; want het Evangelie van Christus is bestemd om de zoodanigen te verlossen.

2. Herinnert u daarna, dat de beschrijving, die de Bijbel geeft van hen, voor wie Christus in de loereld kwam om ze te verlossen, ten duidelijkste bewijst, dat Hij tot den zondaar komt, waar hij is. Hoe beschrijft de Bijbel hen, die Christus is komen verlossen ? Als menschen? Neen mijne broeders, Christus ié niet gekomen om de menschen als menschen te verlossen, maalais zondaars. Als gevoelende zondaars? — neen, zij worden voorgesteld als „rfood door de misdaden en de zonden.quot; Doch! naar de wet en het getuigenis! laat mij enkele plaatsen uit de Schrift voor u lezen, en mocht gij, terwijl ik lees, in staat zijn te zeggen : „Daar is hoop voor mij.quot; Ten eerste, zij, die Christus is komen verlossen, worden in 1 Timotheus 1: 15, en in vele andere plaatsen, aangeduid als „zondarenquot; „Dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig, dat Christus

236

-ocr page 254-

GOEDE TIJDIKG VOOR Ü.

Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben.quot; „De zondarenquot;, zonder eenig bijvoegelijk naamwoord om ze nader aan te duiden. Geeue ontwaakté zondaars, geene boetvaardige, berouwvolle zondaars; maar\'zondaars als zondaars. „Gewis,quot; zegt iemand, „ik ben dus niet uitgesloten.quot; In Romeinen V: 6 lezen wij: „Want Christus, als wij nog krachteloos waren, is te zijner tijd . . . gestorvenquot; — voor wie? Voor hen, die eenigerlei begeerte hadden naar God? eenigerlei eerbied voor zyn\'naam? neen, „voor de goddeloozen.quot; Nu beteekent een goddelooze iemand, die zonder God is, iemand, die niet om God geeft; wiens „gedachten zijn dat er geen God is,quot; en bijgevolg is hy niet wat de menschen een gevoelend zondaar noemen. De goddeloozen zyn „als het kaf, dat de wind henendrijftquot;; én ook dezen zijn de personen, voor wie Christus op aarde is gekomen om ze te verlossen. In hetzelfde hoofdstuk vindt gij in het tiende vers van hen gewag gemaakt als van „vyandenquot; — „indien wij, vyanden zijnde, met God verzoend zijn door den dood zijns Zoons.quot; Wat zegt gij hiervan? Zy worden niet aangeduid als vrienden. In één zin heeft Christus zijn leven gesteld voor zijne vrienden; „Maar God bevestigt zijne liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren.quot; Vijanden Gods zijn de voorwerpen geweest van zijne genade, zoodat Christus in die vyandschap komt en den mensch ontmoet, waar hy is.

In Efeze II: 1 lezen wij van hen als „dood door de misdaden en de zonden.quot; — „En u heeft Hy mede levend gemaakt, daar gij dood waart, door de misdaden en de zonden.quot; Christus vraagt den zondaar dus niet, dat hy zich zeiven levend zal maken. Het Evangelie moet niet slechts gepredikt worden aan hen, die eenige goede begrippen, eenige goede begeerten, een sprankje van het hemelsche leven in zich hebben; maar aan de dooden als dooden; tot de dooden komt Christus en ontmoet hen in hun graf der zonde. En wederom (Efeze II: 3,): zij zyn „kinderen des toorns.quot; „Wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen.quot; Doch tot de zulken kwam het Evangelie. Kunt gij iets goeds, iets hoopgevends bespeuren in een kind des toorns? Indien dit zijn naam en karakter is, dan vraag ik u hem aan te zien van het hoofd tot de voeten: kunt gij een plekje goed, ook maar zoo groot als de punt eener speld, in dien mensch ontdekken? Toch zijn het de zoodanigen, die Christus is komen verlossen. En wederom: er wordt van hen gesproken als van „vervloekten.quot; „Achquot;! zegt een zondaar, „ik heb my zeiven dikwijls voor Gods aangezicht vervloekt, en Hem gevraagd my te vervloeken.quot; Welnu, Christus is voor de vervloekten gestorven; (Galaten III: 13,) „Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zynde

237

-ocr page 255-

DE BARMHARTIGE SAMARITAAN, OF

voor ons;quot; dat is; voor ons, die onder den vloek waren. En wederom; zij worden aangediüd met het schrikkelijk woord „verloren.quot; zijn verloren voor alle hoop, zelfs hunne eigene vrienden geven de hoop voor hen op. „De Zoon des menschen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken dat verloren was.quot; (Lukas XIX; 10.) Indien ik deze Schriftuurplaatsen versta, dan beteekenen zij eenvoudig dit; dat in hen, die Christus is komen verlossen, hoegenaamd geen goed is, dat mede zou kunnen werken ter hunner verlossing, en d^it Christus hen niet aanziet om iets goeds in hen te vinden. Ik verstout mij te zeggen, dat de eenige geschiktheid om gereinigd te worden, is, dat men onrein is; de eenige geschiktheid om den Zaligmaker te kunnen ontvangen, is, verloren te zijn; de eenige hoedanigheid in welke wij tot Jezus kunnen komen, is de hoedanigheid van zondaars, verloren, dood, onder den vloek.

3. Maar nu ten derde; uit het werk der genade zelve blijkt het ten duidelijkste, dat de Heere van den zondaar niet verwacht iets te doen, of iets te zijn om Hem te ontmoeten; maar dat Hü tot hem komt waar hij is. Zie, o zondaar! Christus sterft op Golgotha, een last van zonde is op zijne schouders en op zijn hart; in de ontzettendste benauwdheid dei-ziel roept Hij uit onder de verlating van zijn\' God. Voor wie stierf Hij? Voor den onschuldige? Waarom voor de onschuldi-gen? Wat zoenoffer hadden zij van noode? Voor hen, in wie nog eenig goed was? Waartoe al die doodsbenauwdheden voor de zoodanigen? Gewis, voor hen kan wel een imndere prijs volstaan! Maar omdat Christus van wege de zonde is gestorven, geloof ik, dat zij, voor wie Hij stierf, als zondaars, en niet anders dan als zondaars beschouwd moeten worden. Daar Hij zulk een ontzettenden losprijs betaald heeft, maak ik hieruit op, dat zij eeno ontzettende schuld op zich hadden geladen, en dat Hij stierf voor hen, die niets hadden om te betale n. Maar Christus is opgestaan, opgestaan ter onzer rechtvairdig-making. Ter rechtvaardigmaking van wie? Van hen, die reeds in en door zich zeiven rechtvaardig waren gemaakt? Ach! dat zou dan wezen een gansch onnoodig werk te doen. Neen, mijne broeders, maar voor hen, die geene rechtvaardigmaking van zich zeiven bezaten, ja zelfs geene schaduw daarvan, maar die van wege hunne eigene werken volkomen en volstrekt veroordeeld waren. En met het oor des geloofs hoor ik Hem daarenboven ook pleiten voor den eeuwigen troon. Voor wie pleit Hij ? Voor hen, die zeiven iets hebben om op te pleiten? Dat zou dan onnoodig wezen. Geeft iemand zijn geld aan de ryken? Geeft iemand aalmoezen aan hen, die ze niet noodig hebben ? Indien de menschen zei ven iets hebben om op te pleiten, waarom pleit Christus dan voor hen? Neen, myne broeders, Hij pleit voor dogenen, die hoegenaamd niets be-

238

-ocr page 256-

goede tijding voor u.

zitten, dat zjj als argument kunnen gebruiken om kracht bij te zetten aan hunne gebeden. Maar Christus, is opgevaren en heeft gaven genomen. Voor wie? Voor hen, die eene belooning verdienden? Neen, voorwaar! laten dezen ze zei ven nemen. Maar Hij heeft gaven genomen om uit te deelen onder de inenschen, „ja ook de wederhoorigen, om bij u te wonen, o heere God.quot; Maar Hij geeft den Heiligen Geest. Aan wie ? Aan hen, die sterk zyn, en goed, en alles zeiven kunnen doen ? O mijne broeders, dat ware dan een overtollig werk! Neen, Hij geeft den Heiligen Geest aan hen, die machteloos, zwak, doodzün; Hij geeft den Heiligen Werker aan hen, die onheilig zijn en vol van zonde. Hij stort den alvermogenden invloed in hen, die slaven waren van het kwaad. Broeders, het werk van Christus veronderstelt een verloren, ten ondergang gebracht, wederhoorig zondaar, en daarom zeg ik, dat Christus den mensch ontmoet, waar hij is.

4. Meer nog, want ik wensch dit punt tot klaarheid te brengen, eer ik er van afstap; de goddelijke hoedanigheid van Gods genade bewijst, dat Hij den zondaar ontmoet, waar hij is. Indien God slechts aan kleine zondaars vergeving schenkt, dan is Hü ook klein in zijne genade. Indien de Heere niet iets meer doet, dan de menschen kunnen denken, dan hebben wij al te veel beweging gemaakt met het Evangelie, en het kruis boven mate verheerlijkt. Tenzij in de genade Gods iets buitengewoons, is, kan ik eene Schriftuurplaats als deze: „Gelijk de hemelen hooger zijn dan de aarde, alzoo zijn mijne wegen hooger dan uwe wegen, en mijne gedachten dan ulieder gedachtenquot; niet begrijpen. Ik verstout mij te zeggen, broeders, dat velen onzer gedachten hebben van onze vijanden te vergeven. Het is soms ons zalig lot geweest wel te doen aan hen, die ons haten. Welaan, indien God goddelijk wil wezen in zijne genade — en daar houd ik mij van overtuigd — daa moet Hij iets meer doen dan dit; Hij moet niet slechts zijne vijanden vergeven, maar die vijanden moeten dan zóó wreed en schrikkelijk van aard zijn, dat geen mensch hun vergeving zou schenken. Maar hoe zou men dit kunnen zeggen, indien de Heere slechts aan die zondaren vergeving schonk, die hunne zonden gevoelen en betreuren? Neen, het verbazingwekkende hiervan is, dat Hü hen door zijne genade roept, terwijl zü nog vijanden zijn, ja meer, dat HU hunne zonden uitdelgt, hen verandert in vrienden en den zondaar aldus ontmoet, waar hij is.

5. Door den geest, het kenmerkend karakter, des Evangelies-wordt elke veronderstelling uitgesloten, dat God iets in den mensch vereisclit om hem té: kunnen verlossen en zalig maken. Indien de zaligheid aa.p.demand, op de eene of andere voorwaarde wor^t aangeboden, dan : liehben zij, die deze voorwaarde nakomen, rftcht op den zgg^m Éat.M h^t. oude werkverbond. De substan-,

239

-ocr page 257-

DE BARMHARTIGE SAMARITAAN, OP

voor ons;quot; dat is: voor ons, die onder den vloek waren. En wederom: zjj worden aangeduid met het schrikkelijk woord „verloren.quot; Z\\j zijn verloren voor alle hoop, zelfs hunne eigene vrienden geven de hoop voor hen op. „De Zoon des menschen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken dat verloren was.quot; (Lukas XIX: 10.) Indien ik deze Schriftuurplaatsen versta, dan beteekenen zij eenvoudig dit; dat in hen, die Christus is komen verlossen, hoegenaamd geen goed is, dat mede zou kunnen werken ter hunner verlossing, en d^t Christus hen niet aanziet om iets goeds in hen te vinden. Ik verstout mij te zeggen, dat de eenige geschiktheid om gereinigd te worden, is, dat men onrein is; de eenige geschiktheid om den Zaligmaker te kunnen ontvangen, is, verloren te zijn; de eenige hoedanigheid in welke wij tot Jezus kunnen komen, is de hoedanigheid van zondaars, verloren, dood, onder den vloek.

3. Maar nu ten derde: uit het werk der genade zelve blijkt het ten duidelijkste, dat de Heere van den zondaar niet verwacht iets te doen, of iets te zijn om Hem te ontmoeten; maar dat Hu tot hem komt waar hij is. Zie, o zondaar! Christus sterft op Golgotha, een last van zonde is op zijne schouders en op zyn hart; in de ontzettendste benauwdheid dei-ziel roept Hij uit onder de verlating van zijn\' God. Voor wie stierf Hij? Voor den onschuldige? Waarom voor de onschuldi-gen? Wat zoenoffer hadden zij van noode? Voor hen, in wie nog eenig goed was? Waartoe al die doodsbenauwdheden »oor de zoodanigen? Gewis, voor hen kan wel een mindere prijs volstaan! Maar omdat Christus van wege de zonde is gestorven, geloof ik, dat zy, voor wie Hij stierf, als zondaars, en niet anders dan als zondaars beschouwd moeten worden. Daar Hij zulk een ontzettenden losprijs betaald heeft, maak ik hieruit op, dat zij eeno ontzettende schuld op zich hadden geladen, en dat Hij stierf voor hen, die niets hadden om te betale n. Maar Christus is opgestaan, opgestaan ter onzer rechtvaardig-making. ïer rechtvaardigmaking van wie? Van hen, die reeds in en door zich zei ven rechtvaardig waren gemaakt? Ach! dat zou dan wezen een gansch onnoodig werk te doen. Neen, mijne broeders, maar voor hen, die geene rechtvaardigmaking van zich zeiven bezaten, ja zelfs geene schaduw daarvan, maar die van wege hunne eigene werken volkomen en volstrekt veroordeeld waren. En met het oor des geloofs hoor ik Hem daarenboven ook pleiten voor den eeuwigen troon. Voor wie pleit Hij ? Voor hen, die zei ven iets hebben om op te pleiten? Dat zou dan onnoodig wezen. Geeft iemand zijn geld aan de ryken? Geeft iemand aalmoezen aan hen, die ze niet noodig hebben ? Indien de menschen zeiven iets hebben om op te pleiten, waarom pleit Christus dan voor hen? Neen, mijne broeders, Hij pleit voor degenen, die hoegenaamd niets be-

298

-ocr page 258-

goede tijding voor u.

zitten, dat zü als argument kunnen gebruiken om kracht bij te zetten aan hunne gebeden. Maar Christus is opgevaren en heeft gaven genomen. Voor wie? Voor hen, die eene belooning verdienden? Neen, voorwaar! laten dezen ze zei ven nemen. Maar Hij heeft gaven genomen om uit te deelen onder de menschen, „ja ook de wederhoorigen, om bij u te wonen, o heere God.quot; Maar Hij gee,ft den Heiligen Geest. Aan wie? Aan hen, die sterk zijn, en goed, en alles zeiven kunnen doen ? O mijne broeders, dat ware dan een overtollig werk! Neen, Hü geeft den Heiligen Geest aan hen, die machteloos, zwak, dood zijn; Hij geeft den Heiligen Werker aan hen, die onheilig zijn en vol van zpnde. Hij stort den alvermogenden invloed in hen, die slaven waren van het kwaad. Broeders, het werk van Christus veronderstelt een verloren, ten ondergang gebracht, wederhoorig zondaar, en daarom zeg ik, dat Christus den mensch ontmoet, waar hij is.

4. Meer nog, want ik wensch dit punt tot klaarheid te brengen, eer ik er van afstap; de goddelijke hoedanigheid van Gods genade bewijst, dat Hij den zondaar ontmoet, waar hij is. Indien God slechts aan kleine zondaars vergeving schenkt, dan is Hy ook klein in zijne genade. Indien de Heere niet iets meer doet, dan de menschen kunnen denken, dan hebben wij al te veel beweging gemaakt met het Evangelie, en het kruis boven mate verheerlijkt. Tenzij in de genade Gods iets buitengewoons, is, kan ik eene Schriftuurplaats als deze: „Gelijk de hemelen hooger zijn dan de aarde, alzoo zijn myne wegen hooger dan uwe wegen, en mijne gedachten dan ulieder gedachtenquot; niet begrijpen. Ik verstout mij te zeggen, broeders, dat velen onzer gedachten hebben van onze vijanden te vergeven. Het is soms ons zalig lot geweest wel te doen aan hen, die ons haten. Welaan, indien God goddelijk wil wezen in zijne genade — en daar houd ik mij van overtuigd — dam, moet Hij iets meer doen dan dit; Hij moet niet slechts zijne vijanden vergeven, maar die vijanden moeten dan zóó wreed en schrikkelijk van aard zijn, dat geen mensch hun vergeving zou schenken. Maar hoe zou men dit kunnen zeggen, indien de Heere slechts aan die zondaren vergeving schonk, die hunne zonden gevoelen en betreuren? Neen, het verbazingwekkende hiervan is, dat Hij hen door zijne genade roept, terwijl zij nog vijanden zijn, ja meer, dat Hü hunne zonden uitdelgt, hen verandert in vrienden en den zopdaar aldus ontmoet, waar hij is.

5. Door den geest, het kenmerkend karakter, des Evangelies-wordt e],ke veronderstelling uitgesloten, dat God iets in dm mensch vereischt om hem ta, kannen verlossen en zalig maken. Indien de/ zaligheid aiin.aeinand, op de eene of andere voorwaarde wordt aangeboden, dan:; hebben zij, die deze voorwaarde nakomen, rpcht op den_zegf;ni t)at, I^ lipt.oude werkverbond. De substan-,

239

-ocr page 259-

de baemhaktige samaritaan, of

tie van het wettisch verbond is: „Doe dit, en Ik zal u beloo-nen.quot; Als de mensch dit dan gedaan heeft, verdient jii,j, wat hem beloofd werd. En, let wel: al maakt gij die voorwaarde nu nog zoo gemakkelijk, zoo lang het eene voorwaarde is, is God door zijn eigen Woord gehouden en verplicht den mensch, zoo hij de voorwaarde is nagekomen, te geven wat hij verdiend heeft. Dit is werk, maar geene genade; het is het betalen eener schuld, niet het betoonen eener gunst. Maar in zoover het Evangelie van het begin tot het einde vrye gunst is, ben ik er volstrekt zeker van, dat God den zondaar niets vraagt, geene goede wenschen, geene begeerten, geene goede gevoelens, eer hij tot Christus mag komen. Neen, opdat de rebel wete, dat alles uit genade is, wordt hem bevolen te komen zooals hij is, niets met zich brengende, maar alles ontvangende van God, ciie overvloedig is in genade, en daarom den zondaar ontmoet, waar hij is.

Ik zeg dus tot den zondaar: waar gy heden ook moogt wezen ; indien gü zonder eenige deugd zijt, en indien gij vol zijt van alle kwaad; indien er geene goede punten zyn in uw karakter, maar alles wat slecht is tegenover den mensch en tegenover God; indien gij alle de misdaden hadt gepleegd, die op de lijst vermeld staan; indien gü uw lichaam h:dt verwoest en uwe ziel hadt verdoemd, toch heeft Christus gezegd; „Die tot my komt zal ik geenszins uitwerpen.quot; En indien gij tot Hem komt. dan kan Hij u niet méér uitwerpen, dan indien gij de deugdzaamste, eerbaarste en vroomste mensch ter wereld geweest waart. Geloof heden in de barmhartigheid Gods in Christus, steun en betrouw op Hem, en gy zyt behouden tot roem en prjjs van de genade, die u ontmoét, waar gy zyt, en u zalig maakt van uwe zonde.

H. Ten tweede. Er zyn onder het verloren geslacht van Adam zeer velen, die zeggen, dat zij zonder eenige verstandelijke gaven zijn, die hen geschikt maakt om verlossing te ontvangen.

Dit voeren zy aan ter hunner verontschuldiging : — „Ik ben niet geleerd. Reeds als knaap moest ik mijn eigen brood verdienen, zoodat ik geene week op school ben geweest. Ik ben gansch onwetend; ik kan niet eens lezen, en indien iemand mij vroeg een gebed te doen, ik zou het niet kunnen, ik heb er geen verstand van.quot; Welnu, gy ziet, dat Jezus u ontmoet waar gij zyt. En hoe doet Hij dit? Wel, ten eerste: de daad der verlossing vereischt geen verslqndsgave in u. Het is het geloof, dat het eeuwige leven aangrijpt. Zelfs een kind, hoe weinig ontwikkeld het ook zij, kan g^looven wat men het zegt. Het kind kan niet redeneeren, kan n\'iet redetwisten, weet niet van haarkloverijen, kan geen moeiely k püntin de theologie ontdekken, maar het kan gelooven wat men het zegt. Het geloof

240

-ocr page 260-

GOEDE TIJDING VOOR Ü.

vereischt zoo weinig verstandelijk vermogen, zoo weinig helderheid van verstand, dat er velen geweest zijn, die ten opzichte van andere dingen idioot waren, maar door de daad des geloofs in Christus wijs werden gemaakt tot zaligheid. Gij herinnert u onzes Heeren eigene woorden: „Ik dank U, Vader ! Heere des hemels en der aarde ! dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt de-zelven den kinderkens geopenbaard.quot; Doch dit had nooit kunnen geschieden, indien de daad, welke ons in gemeenschap brengt met Christus, niet de geringste daad ware geweest van het menschelijk kunnen, namelijk van eenvoudig op Christus te betrouwen als gevolg van ons gelooven, hetgeen ons op goed en waarachtig getuigenis gezegd wordt.

Maar voorts: gedenkt aan de buitengewone eenvoudigheid.van hetgeen geloofd wordt. Is er iets ter wereld, dat eenvoudiger is dan de leer der verzoening? Wij verdienen te sterven, Christus sterft voor ons. Wij hebben schulden, Christus betaalt ze voor ons. Is dit zelfs voor de havelooze school niet eenvoudig genoeg ? Het is zoo duidelijk, dat velen onzer zeer geleerde doctoren in de theologie het uit den Bijbel weg zien te krijgen. Zij denken: „Indien dit de pit en het merg van alles is, dan kan ieder ongeleerde wel theoloog zijn.quot; en daarom slaan zij er tegen achteruit. Wat is de leer der Unitariërs (1) anders dan een zich ergeren aan de eenvoudigheid van het kruis ? Hot waren Unitariërs, die by het kruis stonden, toen Christus stierf; „Dat hij nu afkome van het kruis,quot; zeiden zij, „en wij zullen hem gelooven.quot; Dat is van toen aan altyd het karakter van de Unitariërs geweest. Zij willen Jezus overal ontvangen behalve op zijn kruis; maar hangende aan het kruis, stervende in de plaats van den mensch, is Hu zóó gewoon en zóó alledaagsch, dat deze groote mannen zich liever naar de philosophie en het ydele bedenken der menschen zullen wenden dan datgene aan te grijpen, hetwelk de gewoonste, eenvoudigste menschen even goed kunnen begrijpen als zij.

241

Doch meer: om elk verstandelijk gebrek in den mensch te hulp te komen, is de in zich zelve reeds zoo eenvoudige waarheid in den Bijbel onder zulke eenvoudige beelden voorgesteld, dat niemand zeggen kan, dat hij het niet verstaat. Hoe eenvoudig is het beeld van de koperen slang, opgericht voor de oogen der door de slangen gebeten Israëlieten, terwijl hun bevolen wordt er op te zien om in het leven te blijven. Wie begrijpt niet, dat een blik op Christus, die sterft voor en in de plaats der menschen, hen zal doen leven ? „Zoo iemand dorst, die kome tot mij en drinke.quot; Wie begrijpt het beeld niet van eene fontein, vloeiende in de straten, opdat ieder voorbijganger.

(1) Tegenstanders van de leer der Drieëenheid.

16

-ocr page 261-

DE BAEMHARTIGË SAMARITAAN, OF

die dorst heeft, er zijne lippen onder kan houden om te drinken ? „Ziet het Lam Gods.quot; Wie verstaat het offer niet? Hier is een lam, geslacht voor de zonde van Israël, en even zoo sterft Christus voor de zonde van hen, die in Hem gelooven. De daad des geloofs is eenvoudig, de beelden verduidelijken het, en zoo is dan hij, die het Evangelie van Christus niet verstaat, niet te verontschuldigen.

En om het alles te kronen: aan u, waarde hoorders, heeft Christus overvloed van leeraren geschonken. Daar zit een man naast u, die van uw eigen stand en roeping is, zoo gij het Evangelie niet verstaat, zal hij het u verklaren. Hier zijn velen onzer, die maar al te blijde zouden zijn den steen van uw graf af te wentelen. Hier zijn kinderen Gods, die zeiven door vrijmachtige genade verlost en behouden zy\'n; indien gij den weg wenzenlijk niet weet, zoo stoot slechts den persoon die naast u zit, even aan, en zeg tot hem: „Kunt gij mij nog duidelijker zeggen wat ik doen moet om zalig te worden ?quot; Welnu, dit is waarlijk u te hulp te komen, u te ontmoeten. Laat uw verstand nu nog zoo klein wezen, dit is tot u afdalen, al bevindt gij u ook op den laagsten trap der mensche-lijke ontwikkeling. Jezus Christus komt tot u, waar gü zijt.

III. Maar nu hoor ik iemand zeggen: „Ik ben wanhopig,

want IK KAN NOCH IN MIJ ZELVEN, NOCH BUITEN MIJ ZELVEN EENE REDEN VINDEN, WAAEOM GOD AAN ZOODANIG IEMAND, ALS IK BEN, VEEGEVING ZOU SCHENKEN.quot;

Gij zijt alzoo in een\' hopeloozen toestand, of ten minste gij ziet geene hoop. De Heere komt tot u, waar gij zijt, door de reden uwer verlossing en zaligheid gansch en al in Hem zeiven te stellen. Zal ik u op eenige Schüftwoorden wijzen, die u volkomen voldoen zullen ? „Ik, Ik ben het die uwe overtredingen uitdelg.quot; Waarom? „Om mijnentwil.quot; Om uwentwil kan Hij niet vergeven, dat ziet gij duidelijk genoeg in; en gij gevoelt ook, dat Hij u om den wil van iemand anders niet vergeven kan ; maar om „mijnentwil,quot; zegt Hij, „opdat Ik Mij verheer-lijke.quot; Niet in u, maar in zijn eigen groot hart vindt Hü de beweegreden, dat Hij zijne eigene barmhartigheid groot zal maken ; om zijnentwil zal Hij het doen. Of neemt een\' anderen tekst: „Om mijns naams wil zal ik mijn\' toorn langer uitstellen, opdat Ik u.niet afhouwe.quot; Hier is het wederom om zijns naams, wil, alsof Hij wist, dat Hij geene andere beweegreden zou kunnen vinden, en zoo neemt Hij het dan gansch en al op zich; Hij vergeeft ten einde zijn eigen naam te eeren en te verheerlijken. Zondaar, gü kunt niet zeggen, dat dit op uwen toestand niet past, want al waart gij ook de grootste booswicht, die ooit Gods aarde ten vloek was, en de lucht veront-reinigdet, waarin gij ademdet, toch kan Hij u om zijns naams

242

-ocr page 262-

ÖOEDE TIJDING VOOR O. 243

wil verlossen en zaligmaken. Er is nog plaats voor u om te hopen, want hoe grooter zondaar gü zijt, hoe meer eer en heerlijkheid voor Hem, zoo Hij u verlost; en indien de zaligheid \'geschonken wordt om geene andere reden, dan die gelegen is in Hem zeiven, dan is er toeh eene reden, om u, ja zelfs u, te verlossen.

Herinnert u, dat Hij u zijn eigen doel voor oogen stelt om u te toonen, dat, zoo gij geene reden vindt in u zeiven, dit geene hinderpaal voor Hem is om u te verlossen. quot;Wat is Gods bedoeling met de verlossing der menschen ? Wat zal er het gevolg van wezen, als Hij heu naar den hemel brengt? quot;Wel, dat zy zijn\' naam voor eeuwig zullen loven en danken, en zingen : „Hem, die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewasschen heeft in zijn bloed, zij de heerlijkheid.quot; Gy zyt juist die mensch; indien gij verlost en naar den hemel ge bracht wordt, zult gij zijne genade dan niet loven ? „Ja,quot; zeide eens een oud man, die lang in de zonde had geleefd, „indien Hy my naar den Hemel brengt, dan zal Hy er nooit het einde van hooren, want dan zal ik Hem gedurende de gansche eeuwigheid loven.quot; quot;Wel, ziet gij niet, dat gij juist de man zijt, die aan Gods bedoeling zult beantwoorden; immers, wie zal zoo veel liefhebben als hij, aan wien veel vergeven is; en wie zal zoo met luider stemme loven als hij, wiens machtige zonden overwonnen werden door de machtige liefde, en goedheid, en genade van God ? Gij kunt niet zeggen, dat dit u niet baat, want hier is eene drijfveer en eene reden, al kunt gij er inu zeiven geene vinden.

Hier is nog eene reden, waarom God u zal verlossen, het is zijn eigen Woord, het woord van Hem, die niet liegen kan. quot;Wederom wijs ik u op dien tekst, want er is hier wellicht een hart, dat in staat is er het anker in uit te werpen — „Die tot Mij komt zal ik geenzins uitwerpen.quot; „Maar als ik kom,quot; zegt gij, „zie ik geene enkele reden, waarom Hij mij zou verlossen.quot; Ik antwoord: er is eene réden, en wel in zijne eigene belofte. God kan niet liegen. Gij komt; Hij zal u niet uitwerpen. Hij zegt; „Ik zal geenszins uitwerpen;quot; maar gij zegt; „Hij zou dit om deze of die reden wèl doen.quot; Dit nu is in volkomene tegenspraak met elkander; die twee kunnen niet samengaan. Indien er iets noodig is voor eene ziel om te komen, en gij komt zonder hetzelve, zoo is daar toch de belofte, en daar die belofte geene perken heeft, zoo pleit er dan op, en dan zal de Heere niet weigeren zijn eigen Woord teeeren. Indien Hy u kan uitwerpen, omdat gij de eene of andere onmisbare hoedanigheid mist, dan is zijn Woord niet waar. Me gij ook wèl zijn moogt, en wat gij ook niet zijn moogt, en wat gij ook zijn moogt, indien gij gelooft in Jezus Christus, dan is er eene reden in elke eigenschap van God, waarom gy

-ocr page 263-

de baftmhafitige samaiiitaan, óf

behouden zoudt worden. Zijne waarheid roept: „Behoud hem, want Gij hebt gezegd, dat Gij het doen zult.quot; Zijne macht zegt: „Behoud hem, opdat de vijand uwe macht niet loochene.quot; Gods wijsheid pleit: „Behoud hem, opdat de menschen niet twijfelen aan uw oordeel.quot; Zijne liefde zegt: „Behoud hem,quot; alle zijne hoedanigheden zeggen: „Behoud hemquot;; ja zelfs de gerechtigheid roept: „Behoud hem, want, „indien wij onze zonden belijden. Hy is getrouw en rechtvaardig, dat Hy ons de zonden vergeve.quot;

Ik tracht in diepe wateren te visschen om sommigen vanu te vangen, die lang aan het net ontkomen zyt. Ik weet, dat gü, als ik de vrije en volle uitnoodiging tot u heb gebracht, gezegd hebt: „Ach! daar kan ik niet mede bedoeld zü\'n.quot; Gü zyt zonder geloof in Christus, omdat gy denkt, dat gij er niet toe geschikt zyt. Ik zal heden rein zijn van uw bloed; ik zal u toonen, dat er geene geschiktheid noodig is, dat u bevolen wordt thans, en zoo als gü zyt, in den Heere Jezus Christus te gelooven ; want het Evangelie van Jezus Christus komt tot u, komt tot u, waar gij zyt. Zonder zedeiyke of verstandelijke bekwaamheid of geschiktheid, zonder eenigerlei reden waarom Hij u zal verlossen, komt Hij tot u als zoodanig, en zegt u op Hem te betrouwen.

IV. En nu ten vierde. „O!quot; zegt iemand, „maar ik heb geen moed ; ik durf niet in Christus gelooven, ik ben zoo sidderend, zoo beschroomd, dat ik, wanneer ik hoor, dat anderen op Christus betrouwen, denk, dat dit vermetele aanmatiging is. Ik wenschte wel evenzoo te doen, maar ik kan niet, ik ben mu zoo sterk bewust van mijne zonde, dat ik niet durf. Neen, o neen! ik durf niet, want indien ik op Christus ging betrouwen en my ging verheugen in de vergeving mijner zonde, dan zou dit wezen, alsof ik de gerechtigheid Gods beleedigde.quot; Zeer goed, maar door zeer teedere uitnoodigingen komt Christus tot u, waar gy\' zyt. „O alle gij dorstigen! komt tot de wateren, en gy, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wy\'n en melk.quot; „Komt herwaarts tot mij, allen, die vermoeid en belast zyt, en ik zal u rust geven.quot; „De Geest en de bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge: Kom! En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet.quot; Hoe liefelijk stelt Hy het u voor. Ik weet niet waar uitlokkender woorden te vinden zy\'n, dan die de Zaligmaker gebruikt. Wilt gy niet komen, als Christus u wenkt, als Hij u met tranen in de oogen toeroept om tot Hem te komen. Hoe ! is eene uitnoodiging van Hem u te gering ? Maar wetende, dat gij op zyne uitnoodiging geen acht zoudt slaan, heeft Hij haar in den vorm gekleed van een gebod. „Dit is zyn gebod, dat wij gelooven in den naam van zyn\' Zoon Jezus Christus.quot; „Geloof in den Heere

m

-ocr page 264-

GOEDE TIJDING VOOE U.

Jezus Christus, en gij zult zalig worden.quot; „Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.quot; Hij wist, dat gig zult zeggen; Ach, ik ben niet geschikt om de uitnoodiging aan te nemen.quot; „Wel,quot; zegt hij, Ik zal den mensch gebieden het te doen.quot; Het is gelyk een arme hongerige man, die brood voor zich heeft staan, en zegt: „Ach, het zou vermetel van my zijn te durven eten;quot; maar de koning zegt: „Eet, man, of ik zal u straffen.quot; Welk een edelmoedig gebod, zelfs in de bedreiging is nog geen toorn. Het is gelyk eene moeder, die, wanneer haar kind den dood nabij is, en alleen door het gebruik van zekere medicijn herstellen kan, en het kind die medicijn niet wil innemen, het kind met straf dreigt. Die moeder dreigt slechts uit liefde, ten einde het kind te behouden. Zoo heeft de Heere ook bedreigingen toegevoegd aan zijne geboden; want een streng woord zal somwijlen eene ziel naar Christus heendrijven, waar een zacht woord haar niet tot Hem zou trekken. De vrees voor de hel doet de menschen wel eens heenvluchten naar Jezus. De vermoeide vleugel deed de arme duive heenvliegen naar de ark: en de bliksemen van Gods gerechtigheid hebben geen ander doel dan u heen te doen vlieden naar Christus, den Heere.

Nog eens, geliefden; mijn Meester komt uw gebrek aan moed op liefelijke wijze te hulp door vele anderen tot zich te brengen, zoodat gij hun voorbeeld kunt volgen. Gelijk vogelaars somtijds lokvogels gebruiken, zoo heeft ook mijn Meester lokvogels, om anderen tot Hem te lokken. Andere zondaren zijn zalig geworden, anderen, die op Hem hebben betrouwd, zijn door Hem gereinigd. Daar was Lot. Ach! hy had zich schuldig gemaakt aan dronkenschap en bloedschande, en toch was hij een heilige Gods. David, de overspeler en moordenaar van Uria, was toch gewasschen en witter gemaakt dan sneeuw.quot; Manasse, de bloeddorstige vervolger, die Jesaja in tweeën heeft laten zagen, was toch „gevangen genomen onder de doornen,quot; en God heeft zich zyner ontfermd. Wat zal ik zeggen van Saulus van Tarsen, de vervolger van Gods volk? van den moordenaar, die om zijne misdaden aan het kruis is gestorven, en die toch beiden behouden werden ? Zondaar, indien dezen u niet aanmoedigen te komen, wat zou dan uwen schroom kunnen overwinnen ? „Maar,quot; zegt iemand, „mijn toestand hebt gy nog niet beschreven; ik ben een schrikkelijk snood zondaar !quot; Welnu, ik zal uwen toestand dan nu bespreken. Hoor het Woord des Heeren in 1 Corinthe VI; 9; „Noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers noch ontuchtigen noch die by mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geene lasteraars, geene roovers zullen het koninkrijk Gods beërven. En dit waart gij sommigen; maar gij

245

-ocr page 265-

DE BAEMHARTIGE SAMARITAAN, OF

246

zijt afgewasschen, maar gij zyt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd, in den naam van den Heere Jezus, en door den Geest onzes Gods.quot; quot;Wat ontzettende schilderingen, mijne broeders! sommigen er van zijn zóó schrikkelijk, dat wij, na de beschrijving er van gelezen te hebben, die zonden wenschen te vergeten. En toch! en toch! Eere zij uwer almachtige genade, o God! dezulken hebt Gij verlost, en dezulken kunt Gü nog heden verlossen. O beschroomd zondaar, kunt gij na dit gelezen te hebben, nu nog niet op Jezus vertrouwen? Hoor wederom het quot;Woord des Heeren (Titus III: 3—B). quot;Want ook wy waren eertijds onwijs, ongehoorzaam dwalende, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zynde, en elkander hatende. Maar wanneer de goedertierenheid van God, onzen Zaligmaker, en zijne liefde tot de menschen verschenen is, heeft Hy ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, maar naar zijne barmhartigheid, door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes.quot; quot;Welaan, gij hatelyke zondaars, en gü, die vol zijt van boosheid en nydigheid, hier is de poort open, zelfs voor u, want de goedertierenheid en liefde van God jegens den mensch wordt geopenbaard in Christus. Luistert naar nog een woord der schrift want Gods woorden zijn meer dan mijne, en ik hoop dat sommigen van u er door getrokken zullen worden (Efeze II: 1 — 8) :\'„U heeft Hij medelevend gemaakt,.daargy dood waart door de misdaden en de zonden; in welke gij eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw dezer wereld, naar den overste van de macht der lucht, van den geest, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid; onder dewelke ook wü allen eertüds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vlee-sches, doende den wil des vleesches en der gedachten; en wy waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen. Maar God, die rijk is in barmhartigheid, door zijne groote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, ook toon wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus (uit genade zyt gy zalig geworden), en heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus.quot; Waarvoor ? „Opdat Hij zoude betoonen in de toekomende eeuwen den uitnemenden rijkdom zijner genade door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus.quot; Nog ééne Schriftuurplaats, en dan zal ik verder uwe aandacht niet vermoeien. O dat deze laatste Schriftwoorden sommigen van u mochten vertroosten ! Het is Paulus, die spreekt: „Die ik te voren een Godslasteraar was, en een vervolger, en een verdrukker; maar mij is barmhartigheid geschied, dewijl ik het onwetende gedaan heb in myne ongeloovigheid. Doch de genade onzes Heeren is zeer overvloedig geweest, met geloof en liefde, die er

-ocr page 266-

goede tijding voor u.

is in Christus Jezus. Dit is een getrouw woord,quot; — zie hoe hij dit nu voorstelt als zijne eigene ervaring, — „en aller aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben.quot; „Ach!quot; zegt iemand, „maar Hy zal niemand meer willen zalig maken.quot; Laat mij voortgaan. — „Maar daarom is my barmhartigheid geschied, opdat Jezus Christus in mij, die lt;le voornaamste ben, al zyne lankmoedigheid zou betoonen, tot een voorbeeld dergenen, die in hem gelooven zullen ten eeuwigen leven.quot; Zoodat, indien gtj betrouwt, gelijk Paulus betrouwd heeft, gij. als Paulus, verlost en zalig zult worden, want zyne bekeering en verlossing zijn een voorbeeld voor allen, die in den Heere Jezus Christus zullen gelooven ten eeuwigen leven. En aldus, o zondaar, hoe beschroomd gij ook zijt, hier komt Jezus tot u, waar gij zijt.

O ik wenschte wel een woord te kunnen spreken, dat u, weenenden en bedrukten, er toe kon brengen op Jezus te zien. O laat de duivel u niet in de verzoeking brengen om te gelooven, dat gij te zondig zijt. „quot;Waarom hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door hem tot God gaan.quot; Geschiktheid is niet noodig, kom slechts tot Hem. Gij zijt onrein, en gij gevoelt uwe onreinheid niet, zooals gij haar moest gevoelen — en dat maakt u nog altijd meer onrein. Zoo kom dan, en wees rein. Gij zijt zondig, en dit is uwe grootste zonde, dat gij uwe zonde niet betreurt, zoo als gij moest; maar kom tot Hem, en vraag Hem uwe onboetvaardigheid te vergeven. Komt, zooals gij zijt; indien Hij iemand uwer uitwerpt, dan zal ik daar eeuwiglij k de blaam van dragen. Indien Hij iemand uwer, die op Hem betrouwt, verstoot, zoo noemt mij ten dage der opstanding een valsch profeet. Maar ik sta er u borg voor met mijn leven, ik sta er u borg voor met het deel, dat mijne eigene ziel hieraan heeft — dat, wie tot Hem komt, Hij geenszins zal uitwerpen.

V. Ik hoor nog eene klacht. „Ik ben krachteloosquot; zegt iemand ; „zal Jezus komen, waar ik ben ?quot; Ja, o zondaar, juist daar, waar gy zyt. Gy zegt, dat gy niet kunt gelooven, dat dit uw groot struikelblok is. Zoo komt God u dan te hulp in uwe onmacht, in uwe onbekwaamheid. Ten eerste : Hij komt u tegen met zijne beloften. Ziele, gij kunt niet gelooven; maar als God, die niet liegen kan, belooft, wilt gy, kunt gij dan nog niet gelooven ? Ik denk waarlyk, dat Gods belofte — zoo gewis, zoo onwrikbaar — deze uwe onmacht moet overwinnen. „Die tot my komt, zal ik geenszins uitwerpen.quot; Kunt gij nu niet gelooven ? Wel, die be lofte moet waar zyn! Doch alsof Hy wist, dat dit nog niet genoeg was, heeft Hij het met een\' eed bevestigd — en nooit werd outzaggelyker, plechtiger eed afgelegd — „zoo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere

247

-ocr page 267-

de baemhaetige samaritaan, enz.

248

Heeke, zoo Ik lust heb in den dood des goddeloozen ! maar daarin heb Ik lust, dat de goddelooze zich bekeere van zyn\' weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uwe booze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israels.quot; Kunt gij nu niet geloo-ven ? Hoe! wilt gij twijfelen aan God, als Hij het zweert, zoodat gij dan God niet slechts tot een\' leugenaar maakt, maar — o ik huiver terwijl ik het zeg — meent gij dat God zijn\' eed kan verbreken ? Verre zy het van u aldus God te lasteren ! Gedenk: die God niet gelooft, heeft Hem tot een\' leugenaar gemaakt, dewijl hij niet geloofd heeft het getuigenis, dat God getuigd heeft van zijn\' Zoon. Doe dit niet. Gü kunt voorzeker wel gelooven, als belofte en eed u tot geloof noodzaken. Doch meer: alsof Hij wist, dat ook dit nog niet genoeg was, heeft Hy u zijn\' Geest gegeven. „Indien dan gij, die boos zijt, weet uwen kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelsche Vaderden Heiligen■ Geest geven dengenen, die Hem bidden.quot; Gewis, hiermede moet gij kunnen gelooven. „Maar,quot; zegt iemand, „ik zal het beproeven.quot; Neen, neen, beproef het niet; dat is het niet wat God u beveelt te doen; er wordt geen beproeven verlangd; zondaar, geloof Christus. „Maarquot; zegt iemand, „ik zal er over denken.quot; Denk er niet over, doe het, doe het thans, want dit is Gods Evangelie. Er zijn er onder u, die daar staan in deze gangpaden, of nederzitten op hunne plaatsen, van wie ik het in mijne ziel gevoel, dat nooit meer eene uitnoodiging tot hen zal komen, en indien de uitnoodi ging van heden verworpen wordt, dan gevoel ik de plechtige overtuiging in mijne ziel — ik geloof dat zij van den Heiligen Geest is — dat gij nooit meer eene getrouwe prediking zult hooren, maar dat gij onboetvaardig naar de hel zult gaan, tenzij gij thans op Jezus vertrouwt. Ik spreek niet als mensch; ik spreek als gezant Gods tot uwe zielen, en in den naam van God gebied ik u: vertrouwt op Jezus, vertrouwt thans op Jezus. Het is op uw eigen gevaar, dat gij de stem afwijst die van den hemel spreekt; want „die niet zal geloofd hebben zal verdoemd worden.quot; Hoe zult gü ontvlieden, indien gij op zoo groote zaligheid geen acht geeft ? Als dit doordringt tot uw hart, als dit zich stelt op uwen weg, ach! hoe zult gij dan ontvlieden, indien gij er geen acht op slaat ? Met tranen noodig ik u, en zoo ik kon, zou ik u dwingen in te gaan. Waarom wilt gij niet ? O indien gij verloren wilt gaan, indien gij vast besloten zijtom u door geene genade of goedertierenheid te laten lokken, en door geene waarschuwingen te laten bewegen, wat ketenen der wrake moet gij dan niet verduren, gij, die deze banden der liefde versmaadt. Gy hebt de diepste hel verdiend, want gij minacht de genietingen hier Boven. God verlosse u. Hij zal u verlossen, zoo gij in Jezus gelooft. God helpe u om thans op Hem te betrouwen^ om Jezus wil, Amen.

-ocr page 268-

DE ONVRUCHTBA.KE VIJGEBOOM.

„Houw hem uit: waartoe beslaat hij ook onnuttelijk de aarde? En hij, antwoordende, zeide tot hem: Heere, laat hem ook nog dit jaar.

Lukas XIII; 7, 8,

De vergelijking van een\' mensch bij een\' boom, en van men^ schelijk werk bij vrucht, komt in de Schrift veelvuldig voor, omdat zij zeer leerqjk, natuurlijk en gepast is. Gelijk vrucht het voorbrengsel is van den levensboom, en het doel, waarvoor hij bestaat, zoo moet gehoorzaamheid aan den wille Gods en heiligheid den Heere het voortbrengsel wezen van eens men-schen leven, en tot dat doel is h;j ook oorspronkelijk geschapen. Als de menschen een\'wijngaard beplanten, dan verwachten zij natuurlijk, dat die planten vrucht zullen voortbrengen, en wanneer zij die vrucht niet vinden op hun\' tijd, dan worden zij in hunne natuurlijke en rechtmatige verwachting teleurgesteld. En evenzoo is het, naar den mensch gesproken, natuurlijk, dat de groote Maker van allen en van alles verwacht de goede vruchten van gehoorzaamheid en liefde te vinden in de menschen, die de voorwerpen zijn van zijne voorzienige zorg, ■en smart gevoelt, als Hij ze mist. De mensch is veel meer het eigendom Gods dan een boom ooit het eigendom kan wezen van den mensch, die een\' wijngaard plant; en daar God zoo oneindig meer bekwaamheid en wijsheid te koste heeft gelegd in de schepping van den mensch, dan een landman besteed kan hebben in het bloote planten van boomen, is het ook zoo veel te natuurlijker, dat God naar vrucht uitziet van zijn schepsel, den mensch, en zoo veel te meer redelijk, dat zijne rechtmatige eischen niet worden afgewezen. Boomen, die geene vruchten voortbrengen, moeten uitgehouwen worden; en zondaars, die geene vruchten van bekeering, geloof en heiligheid voortbrengen, moeten sterven. Het is niets dan eene quaestie van tijd, of de wijngaard van de belemmering zijner onvruchtbare boomen zal gezuiverd worden; en het is ook slechts eene quaestie van tijd, of de wereld van den overlast van onvruchtbare zielen zai bevrijd worden. Het gansch gewone gezond verstand zegt ons, dat onvruchtbare boomen, die spoedig de

-ocr page 269-

de onvruchtbare vijgeboom.

verblijfplaats worden van allerlei schadelijke wezens, nadeelig worden voor den wijngaard; en evenmin kan het den zondaren toegelaten worden, om maar altijd tot verblijfplaats te strekken van booze geesten, en holen van ongerechtigheid te zijn. Het is even noodzakelijk onboetvaardige zondaars als vermolmde boomen weg te ruimen. Er is een tijd, wanneer onvruchtbare boomen geveld; en er is ook een bestemde tijd, wanneer de onnutte zondaar afgehouwen en in het vuur geworpen moet worden.

Wij zullen heden morgen niet lang bij de inleiding tot ons hoog ernstig werk blijven verwijlen, want onze last is zwaar, en wü wenschen er spoedig van ontdaan te zijn. Wij zullen ons dan terstond richten tot hen, die leven zonder God en zonder Christus, onder welke velen mijner hoorders gerekend moeten worden. Wij zullen spreken tot hen, die niet behouden zijn; de zoodanigen worden in de belijdende Kerk overal gevonden. O dat de Heilige Geest hen mocht ontdekken door ons woord en er hun loe mocht brengen orn ernslig hun\'weg te overdenken! Tot alle onnutte, onvruchtbare zondaren richten wij dit harde, maar noodzakelijke woord; het zou niets dan hoogst redelijk wezen u uit te houwen. Het is redelijk en verstandig onvruchtbare boomen te vellen, en het is even redelijk en verstandig, u uit te houwen.

1. Dit zal ten eerste blijken, als wij bedenken, dat dit de kortste en zekerste weg is om met u te handelen. Het zal de minste moeite vereischen en de zekerste uitwerking hebben u weg te nemen van de plaats, waarvoor gij eerder schadelijk dan weldadig zijt. Als de eigenaar van den wijngaard tot den hovenier van zulk een\' boom zegt: „Houw hem uitquot;, dan is dit geneesmiddel krachtig, maar tevens zeer eenvoudig. Het vellen is spoedig geschied, de opruiming is volkomen, en als een andere boom in zijne plaats geplant wordt, dan is het voordeel voor de hand. Rondom een\' boom te graven, hem te bemesten, te snoeien, te bewateren — dat alles duurt zeer lang, vereischt veel zorg, arbeid en opmerkzaamheid, terwijl al die arbeid ten laatste kan blijken vergeefs te zijn geschied. Te sparen is moeielijk en brengt zorg en last mede; uit te houwen is gemakkelijk en blijkbaar een onfeilbaar geneesmiddel. Onbekeerde hoorder, u het Evangelie te prediken, u te roepen tot bekeering, u te smeeken, te vermanen, te onderwijzen en te waarschuwen is een zwaar en moeielijk werk, en zal met dat al onvoorspoedig kunnen blijken. Voor dien arbeid is veel nadenken noodig. De leidingen der voorzienigheid moeten met wijsheid worden gade geslagen, de heiligen moeten onophoudelük en vurig bidden, de leeraren moeten pleiten met tranen, de Schriften moeten geschreven, verklaard en opgehelderd worden; en dit alles is meer, dan gij recht hebt

250

-ocr page 270-

r)E ONVEDCHTBAEE VIJGEBOOM.

te verwachten, dat God voor u doen zal, als Hij eene veel eenvoudiger medicijn bij de hand heeft, waardoor Hij zich on-middelyk van zijn\' tegenstander kan ontdoen, en u kan beletten nog meer kwaad aan te richten. Hü behoeft slechts uwen adem weg te nemen, uw lichaam in het graf te laten dalen en uwe ziel naar de hel te slingeren, en de wijngaard zal gezuiverd, en plaats gemaakt zyn voor een\'anderen boom. Deze krachtige, snelle, eenvoudige werking beveelt zich den menschen zeer aan ten opzichte van boomen, en het is een verbazend wonder, dat de Heere haar ook niet toepast op u. Er zal geen lasteren meer zijn van God, zondaar, als de byl u afgehouwen heeft! Er zal geen verwerpen meer zynvande belofte zyner genade, geen schenden meer van den Sabbat, geen verachten meer van de Schrift, als de dag des oordeels daar is! Aan al deze afgrygelijkheden zal de dood voor altyd een einde maken. Wy zullen over u niet langer in doodsbenauwdheid behoeven te verkeeren; wy zullen niet meer bitterlijk behoeven te weenen over uwe hardheid van hart, niet langer behoeven te studeeren om op uwe tegenwerpingen te antwoorden, niet langer behoeven te zuchten over uwen voort-durenden tegenstand; de vlammen der hel zullen, tot uwe ontzettende schade, aan dit alles een einde maken. Niet langer zal een lankmoedig God vermoeid worden door uwe zonden, neergebogen worden onder den last uwer ongerechtigheden. Hij zal in zijne gerechtigheid een kort, maar tevens een zuiver werk doen. Hy zal u wegvagen met den bezem des verderfs, en uwe rebellie zal een einde nemen, en uwe ongerechtigheden een schrikkelijke en zekere vergelding ontmoeten. Onvruchtbare vijgeboom, gy zult de vettigheid van den grond niet langer tot u trekken, en met uwen boozen invloed de andere boomen niet langer overschaduwen. Gy zijt niets dan eene verspilling, ja erger dan eene verspilling geworden. Zondaar, ik vraag u, wordt door den tekst niet de snelste en gemakkelijkste manier aangeduid om van u ontslagen te worden? „Houw hem uitquot;! Gij zelf zoudt aldus handelen meteen\'boom, wat reden is er, waarom de Heere niet aldus zou handelen met u?

Voert gij als reden aan, dat gij van oneindig meer belang zyt dan een boom? Hoe bewijst gij dit? Een boom is van veel meer waarde voor u, dan gy verondersteld kunt worden voor den oneindigen God te zijn. De wijngaardenier zou wellicht iets verliezen door zyn\' boom uit te houwen, maar hoe kunt gij denken, dat uw ondergang den grooten God eenig nadeel zou toebrengen? Voor den man, wiens wijngaard vele bunders beslaat, kan het geen zeer groot ongeluk zyn, indien één onvruchtbare wijnstok afgesneden wordt; want hy heeft nog vele anderen. Indien God in zyn ryksgebied slechts één mensch

251

-ocr page 271-

DE ONVED CHTBAEE VIJGEBOOM.

had, dan zou het van groot belang kunnen geacht worden, of die mensch al of niet behouden wordt; maar er zyn er zóó velen van ons geslacht, dat uw verlies niets meer zal wezen dan het wegwaaien van één zandkorreltje van den oever der zee, of het verdampen van één enkelen droppel uit den oceaan. Gy zelf kunt u er niet over beklagen, als gy uitgehouwen wordt, want gij hecht geene groote waarde aan uwe ziel; gü zyt zonder eenige zorge of bekommernis omtrent hare zaligheid; gij beuzelt met hare dierbaarste belangen. Waarom zoudt gü willen, dat een ander u op hooger waarde schat dan gij zelf? Om den wille van voorbijgaande genietingen werpt gy uwe ziel weg; gü slaat geen acht op de groote zaligheid; gij leeft in dagelijksche ongehoorzaamheid aan God, die alleen u goed kan doen. Zelfs de prediking des Evangelies, dat alvermogende middel ter behoudenis, schijnt geen uitwerking te hebben op u, omdat gij u zeiven gering schat. Welnu, indien God u dan ook gering acht, en zijnen engelen beveelt u uit te houwen, dan kunt gij u niet beklagen. Het is niet meer dan billijk, dat God u schat naar de waarde, die gij zelf bepaalt, en u weegt in uwe eigene weegschaal. Gij hebt by velerlei gelegenheden zelf moedwillig de bijl gebruikt, waarom zou de rechtmatige rechter haar niet ook, en dat wel in allen ernst gebruiken? Sommige menschen verwoesten hunne gezondheid door hunne zonden; met woest geweld slingeren zij de byl tegen hun\' eigen wortel, en brengen zich schrikkelijke wonden toe. Op uwe ziel gebruikt gij die byl onophoudelijk, want gij schaadt haar door de zonde; gy jaagt de dwaasheid na, gy kiest den weg der verdoemenis, gy arbeidt om verloren te gaan. Daarom kunt gij u niet beklagen. U te verpletteren zal voor dit groot heelal van geen grooter gewicht zyn, dan het dooden van een miertje op den heuvel. Men zal u niet missen. Gij kunt wel groote gedachten koesteren van u zeiven, maar, vergeleken bij Gods groot heelal, zijt gy niets dan een worm. O oproerig, onboetvaardig zondaar, neem u in acht. Mijne liefde doet u de waarschuwing hooren tot uw heil, maar mijn verstand moet uw verderf goedkeuren, voorziet het, en verwacht het snel, tenzij gij u tot den Heere wendt en leeft.

2. Er is nog eene reden, die groote kracht bijzet aan het argument ten gunste van het oordeel, namelijk, dat reeds genoeg tijd gelaten werd voor hekeering. Indien er voor uwe be-keering eenige hoop ware geweest, mij dunkt, dat velen uwer zich reeds lang bekeerd zouden hebben. Ik weet niet, wat voor sommigen van u meer gedaan kan worden, dan reeds gedaan is. Er is om u gegraven — het graven bestaat naar ik veronderstel, in het loswoelen der wortelen van de aarde — en gij hebt beproevingen gehad, en droefheid, die als de spade van den hovenier, u moesten losmaken van de aaide en van vleesche-

252

-ocr page 272-

DE ONVRUCHTBARE VIJGËBOOM.

lijke dingen. Gij hebt krankheid gehad — gij hebt u heen en weder gewenteld op het leger der smart; gy zyt aan den rand des grafs geweest, dat zich reeds voor u scheen te openen, maar niets van dit alles heeft mogen baten. Waartoe zoudt gij nog meer geslagen worden? Gij zoudt slechts al meer en meer in opstand komen. Reeds zün sommigen van u geslagen totdat uw gansche hoofd krank, uw gansche hart mat geworden ia, maar gij wilt naar de roede niet hooren. „Gezwellen der wonden zyn in den booze eene zuiveringquot;, zegt Salomo; maar bij u is dit niet alzoo geweest. Deze uwe gezwellen dér wonden, deze groote, smartelijke beproevingen, zijn niet geheiligd aan uw hart; integendeel, gij zijt voortgegaan tegen God te zondigen en den Allerhoogste te tergen.

De hovenier sprak van bemesten, zoowel als van graven, en sommigen van u hebben overvloediglyk hulp gehad om u te bekeeren. Het Evangelie is zeer dicht tot uwe wortelen gebracht, wel honderden malen. Gy hebt den Bybel in ieder huis. Sommigen van u hadden het voorrecht eene godvruchtige opvoeding te ontvangen, van uwe jeugd aan. Wederom en nog eens zijt gij gewaarschuwd, soms streng en ernstig, soms met teederheid en liefde. Gij hebt de lokkende stem der genade gehoord, en de donderstem van het oordeel; maar toch! hoewel hel eigen Evangelie van Jezus Christus dicht bij uwe wortelen werd gelegd, o onvruchtbare boom, zyt gij toch nog onvruchtbaar. Waartoe dient het dan u te sparen? Het sparen werd beproefd, en het heeft niet geholpen; het andere geneesmiddel werkt stellig en zeker — „Homo hem uit.quot; O God! houw den zondaar toch niet uit! Toch zouden wy niet durven zeggen, dat het onredelijk is, integendeel, het is het natuurlijkst gevolg van het minachten der genade.

8. Zondaar, gij denkt, dat ik uwen toestand met hardheid bespreek. Ach! ik wenschte wel van God, dat ik u kon doen, denken, dat ik hard ben, zoo gü slechts medelijden wilt hebben met uwe eigene ziel; want mijne hardheid is slechts in schijn, niet in werkelijkheid, en uwe zorgeloosheid omtrent uwe eigene ziel is wezenlijke hardheid, want gij geeft niet om uwe eigene ziel, maar behandelt haar, alsof het. iets ware, dat weggeworpen moet worden, en haar verderf iets was, waarom men moet lachen. Er is tot nu toe geen het minste teeken van vooruitgang ten goede in u te hespeuren. Indien er eenige vruchten waren geweest; indien er tranen des berouws uit uwe oogen waren gevloeid; indien er een zoeken van Christus by u ware geweest; indien uw hart een weinig verteederd ware geworden; indien gij slechts een weinigje geloof hadt in Jezus, al ware het niet grooter dan een mostaardzaadje, dan zouden er inderdaad redenen zijn om u te sparen; maar het is treurig om te zeggen; dat gij gespaard werdt, heeft eene slechte uitwer-

-ocr page 273-

DË ONYKtjCHTBAtlE VIJÖEBOOM.

king op u gehad. Omdat God u niet gestraft heeft, zijt gij brooddronken en vermetel geworden, en hebt gü gezegd: „Hoezou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?quot; Gij meent, dat Hij ten eenenmale is, gelijk gij, en dat Hij nooit met u in het gericht zal treden. Gij waant, dat zün zwaard in de schede geroest, en zijn arm verkort is. Vreemde waanzin des kwaads, dat gij de lankmoedigheid, die u tot bekeering roept, in eene reden verkeert om nog meer te zondigen! Hoe! als Jehovah u spaart, opdat gy u tot Hem zult wenden, zal dan juist dat sparen u den voet uwer rebellie doen opheffen? Dat is geschied. Tot aan deze ure zy\'t gü verhard in plaats van verteederd. Gij zijt ouder geworden, maar gij zijt niet wjjzer, of het moest wezen met Satans listigheid om wijzer te zjjn in de zonde. Het Evangelie heeft op u niet meer dezelfde uitwerking als het gehad heeft. Deze stem kon uwe ziel doen sidderen, en uw bloed doen stollen in uwe aderen, maar zij kan dit nu niet meer. Deze oogen hebben u aangezien, en dan was het u, alsof zij vlammen schoten, maar nu schijnen zy u zoo dof als lood. Voorheen stroomden u de tranen uit de oogen, als wij u spraken van den toekomenden toorn; er waren tranen van medelijden met uwe eigene ziel; maar ach! zoo is het thans niet met u. Gij zult uws weegs gaan, en onze ernstige woorden zullen u slechts als het gefluit zy\'n van den wind, en onze dringendste smeekredenen als het liedeke eens kinds. O God, het is voorwaar zeer redelijk en billijk, dat Gij uwe scherpe bijl opheft en zegt: „Houw hem uit.quot; Ik denk, dat ik de gestrengheid Gods overvloediglijk zou kunnen rechtvaardigen, indien Hij haar thans gebruikte, wanneer ik bemerk, dat al zijn sparen van u geene andere uitwerking op u gehad heeft, dan u erger te maken, en dat er in weerwil van al die lange jaren wachtens geen enkel teeken van vooruitgang te bespeuren is. Indien Hij zegt: „Houw hem uitquot;, dan moeten, beide recht en billijkheid zeggen: „Ja, Heere, het js recht dat dit geschiede.quot;

4. Maar er zijn nog andere redenen, waarom dit „Houw hem uitquot; volkomen billijk is, als wij aan den eigenaar en aan de andere hoornen denken. Ten eerste: hier is een boom, die hoegenaamd geene vrucht voortbrengt, en hijgevolg nergens toe nut is. Het is als geld, dat onvoordeelig belegd is, geene rente oplevert, en den bezitter dus een groot verlies doet lijden. Waartoe dient het hem te houden? De doode boom is noch tot gebruik noch tot versiering geschikt; hy kan geen dienst doen en geen genoegen verschaffen. O gewis! houw hem uit. En evenzoo is het met u, o zondaar; waartoe zyt gy nut? Gy zyt nuttig voor uwe kinderen, voor uw gezin; in zaken kunt gy ook wel nuttig wezen voor de wereld in het algemeen; maar de wereld heeft u niet gemaakt; uwe kinderen, en uw

254

-ocr page 274-

BE ONVRÜCÖtBAftE VUGÈBOOM.

265

gezin hebben u niet geschapen. God heeft u gemaakt; God heeft u geplant; God is uw Eigenaar — en gij hebt niets gedaan voor God. Zelfs in uw opgaan heden naar dit huis des gebeds was in uw komen geene begeerte om God te eeren; en als gij morgen bij geval iets geeft aan de armen, dan doet gij dit niet. omdat het Gods armen zijn, of uit liefde tot Hem. Gij bidt God niet; gy dankt God niet; gij leeft niet voor God. Gü leeft voor alles, en voor ieder, en voor niets, veeleer dan voor den God, die u gemaakt heeft. Wat is alzoo het goed, dat God van u geniet? Al zijne andere \'schepselen loven Hem. Er is geene spin, die van blad tot blad haar web weeft, ofzü volbrengt zijn bevel. „De os kent zijn bezitter, en een ezel de krib zyns heerenquot;; maar gij hebt geene kennis, gü verstaat niet. Zoudt gij een paard houden, dat u nooit diensten bewees ? Zoudt gij een\' hond in uw huis willen hebben, die u nooit de hand likte, u geene liefde of vriendschap bewees, en u niet gehoorzaam was? „Waar dient dit voor?quot; zoudt gij zeggen, „een dienstknecht in mijn huis, die zich voedt met mijn brcod, die zich kleedt door mijne milddadigheid, maar mij nooit gehoorzaamt en op mijne billijke, redelijke bevelen geen acht slaat!quot; Tot zulk een\' dienstknecht zoudt gy zeggen: „Vertrek, gij zijt geen dienstknecht voor mij.quot; Wél zou de Heere dit van u kunnen zeggen: „Gedurende al deze jaren heb Ik in mijne bewarende en sparende goedertierenheid het verleden voorbijgezien; in mijne lankmoedigheid heb Ik uwe dwaasheden en gebreken verdragen; maar dit kan niet altijd zoo voortgaan, want het gezond verstand eischt, dat een nutteloos ding niet altijd in den weg staat; en het „Houw hem uitquot; is het natuurlijk gevolg van de nutteloosheid van uw leven. En dit is niet alles. Terwijl gij aldus geleefd hebt zonder eenige vrucht voort te brengen, zijt gij ook een zeer kostbare boom geweest. De boom in den wijngaard kost niet veel behalve voor het graven, het bemesten en snoeien. Er zijn natuurlijk de kosten voor den hovenier, die hem verzorgen moet, doch die zijn niet hoog. Gij kunt den onvruchtbaren boom laten staan, want hij veroorzaakt geene groote uitgaven; maar zie eens wat het kost om u te onderhouden! Gij moet dagelijks gevoed worden. De adem in uwen neus moet ieder oogenblik van God komen. Met eiken tik van deze klok moet er kracht uitgaan van God, of gij zoudt niet leven. De samengestelde machine van het lichaam moet door den grooten Werkmeester verzorgd en in orde gehouden worden, of de tanden der raderen zouden niet meer ingrijpen in elkander, en de raderen zouden gebroken en de geheele machinerie uit haar verband geraken. Uw lichaam is eene duizendsnarige harp, indien één van die duizend breekt, is de harp bedorven. Een goed harpenaar moet met ijver en nauwgezetheid er voor zorgen, dat de snaren niet springen. Gij

-ocr page 275-

DË ONVlitJCHTBAÈE VUGEËOOM.

kost Gode zeer veel; veel geduld, veel goedheid, veel bekwaamheid, veel macht. quot;Waarom zou Hij u sparen? Wat is er in u, dat Hij op die wijze voort zal gaan met u ? Gij zoudt de mug niet sparen, die u altijd steekt, u om de ooren gonst, u elk oogenblik beleedigt. Indien het u veel van uw armzalig goud kostte om het leven dier arme mug te sparen, het zou niet lang duren, of gij hadt haar verpletterd. O! het is een wonder, dat Jehovah niet aldus met u handelt, want gij zyt schaamte-loozer dan die mug wezen kan. Zondaar, indien gij in Gods plaats waart, en door uw schepsel even slecht behandeld wordt, als de Heere door u behandeld wordt, zoudt gij er uwe liefde en goedheid aan verspillen, om dan niets dan hardheid van hart en opstand er voor terug te ontvangen? Gewis niet. Oordeel dan, of het niet recht zou zijn, indien de Heere zeide: „Houw hem uit.quot;

Maar er is eene erger overweging, namelijk, dat gij al dien tijd eene ruimte hebt ingenomen, die iemand anders tot eere Gods had kunnen vervullen. Waar die onvruchtbare boom staat, daar zou een boom, beladen met vruchten, hebben kunnen wezen. Gelijk de tekst zegt; „Gij beslaat onnuttelijk de aardequot;, dat is, gij doet niets anders dan in den weg staan. Indien eene andere moeder deze kinderen had, zij zou voor hen bidden en over hen weenen, en hen onderwijzen omtrent Christus, maar gü doet niets van dit alles. Indien een ander man dit geld had, hij zou het gebruiken tot Gods eer, en gij gebruikt het voor uw eigen genoegen en vergeet God, die het u gegeven heeft. Indien een ander op de plaats had gezeten, die gij thans inneemt, hij zou wellicht reeds voor lang zich in zak en asch bekeerd hebben, maar gij hebt, evenals de lieden te Capernaüm, uw hart verhard onder het Evangelie, in plaats van er onder verteederd te worden. Man van invloed, het zou kunnen wezen, dat, indien een ander gestaan had, waar gü\' staat in het oordeel der wereld, hij honderden op de paden des rechts zou geleid hebben, maar gij hebt dit niet gedaan. O! indien een ander uwe gaven had, jonkman, hij zou geen gezelschap in herberg of kroeg aan het lachen brengen, maar met alle macht pleiten voor Jezus. Indien een ander uwe gave des woords bezat, hij zou aan gebed en onderwijs te koste leggen, wat gij te koste legt om dwazen te vermaken. O! indien een ander dien tijd van leven had, hü zou in ernst leven voor zijn\' Meester. Indien deze jonge heilige, die nu juist door de doodsrivier heengaat, uwe kracht en gezondheid bezat, hij zou de koster-doen en te koste gegeven worden! Ik herinner mij een\' dienst: knecht van Christus, die slechts één talent had, maar veel hart, dien ik dit gebed heb hooren uitspreken: „O God! ik wenschte, dat ik tien talenten had, ten einde ü beter te kunnen dienen. Als ik denk aan sommigen, die ze hebben, en er U

2S6

-ocr page 276-

I)E ONVEUCHTBAËË VIJÖEBOOM.

niet mede dienen, dan ben ik geneigd te bidden: Heere. neem die tien talenten van hen weg, en vertrouw ze mij toe, indien het U behaagt, want het is myne vurige begeerte iets meer te hebben om voor U te besteden.quot; quot;Wees gewaarschuwd, mijn geliefde, doch zondige hoorder, want de Heere zou u plotseling weg kunnen nemen, en uwe plaats laten innemen door iemand, die gehoorzaam is aan zijn\' wil.

Het is zoo blijkbaar eene verspilling van lankmoedigheid en genade, dat sommige overtreders gespaard worden, dat zij alle reden hebben om zich er over te verbazen. Denk er eens over na, en het zal u volkomen duidelijk worden: het feit zelfs, dat God de zonde niet onmiddelijk straft, wordt op noodlottig verkeerde wijze uitgelegd. Ten allen tijde hebben de menschen uit de lankmoedigheid van den grooten Rechter booze gevolgtrekkingen afgeleid. „Omdat niet haastelijk het oordeel over de booze daad geschiedtquot;, zegt de prediker, „daarom is het hart van de kinderen der menschen in hen vol om kwaad te doen.quot; „Wel,quot; zegt gij, „ik ken iemand, die zü\'n leven lang een dronkaard en vloeker is geweest, en toch heeft hij nu al een\' hoogen ouderdom bereikt, en is nog volkomen krachtig en gezond. En er is iemand anders, die zich aan allerlei dwaasheid en slechtheid heeft overgegeven. Hij was een dief, en nog veel meer dat slecht is, en toch is hy voorspoedig in de wereld en wordt hij rijk. In plaats, dat God hem terstond in de diepte der hel doet verzinken, heeft Hij hem gunst betoond, en hem vet gemest als een stier in eene vette weide.quot; „O!quot; zegt de wereldling, „er is in God geene gerechtigheid. Hij straft de zonde niet.quot; Het bloote feit, dat gü, o zondaar, gespaard zijt, doet kwaad in de wereld. Ziet gij dat niet in? Uw bloot bestaan in deze wereld is voor anderen eene aanleiding tot volharding in de zonde; want terwijl gü gespaard zijt, zien anderen op u, en zeggen: „God heeft hem niet gestraft.quot; En daaruit leiden zij dan af, dat Hij in het geheel niet straffen zal.

En daarenboven, hoe velen zyn er niet, wier voorbeeld ontzettend aanstekelijk is; wier lippen en leven samenwerken om hunne metgezellen te doen afdwalen van God. Toen de schrikkelijke veepest heerschte, die onze weiden verwoest en ons vee gedood heeft, gaf men den raad om, zoodra een rund door de ziekte was aangetast, het terstond af te maken, en het vijf voet diep onder de aarde te begraven. Laat ons bedenken, dat de pest der zonde oneindig doodelijker is dan deze veeziekte, en dat daarom de strenge gerechtigheid roept: Laat de zondaar terstond heengezonden worden ter plaatse, waar hij de pest der ongerechtigheid niet kan doen toenemen. Het is nergens toe nut hem te sparen; alle aangewende middelen maken hem slechts erger, en intusschen behooren wij op

257

17

-ocr page 277-

DE ONVRüCHTBAEE VIJGEBOOM.

het welzijn van anderen te letten, opdat hü niet nog meerderen met zich in het verderf stort. Hy leert zijne kinderen te vloeken; hij maakt anderen wereldschgezind, degeheele strekking van zijn leven is de menschen aan te porren om tegen God te rebelleeren, zoo laat hü dan terstond gestuit worden in zijn\' loop. De melaatsehheid heeft hem aangetast, al wat hü aanraakt wordt door hem besmet; om gewichtige redenen van gezondheid is het dus noodzakelijk, dat hy weggenomen wordt.quot; Het is beter dat één sterft, dan dat velen aangetast worden, en daarom is het van wege het algemeen welzijn der mensch-heid noodig en nuttig, dat het gebod uitga: „Houw hem uit.quot;

11. Ons tweede, hoog ernstige werk is, u, o onboetvaardig zondaar, te doen gedenken, dat het eene zeeh wondervolle

zaak is, dat god u nog zoo lakg gespaard heeft. Dat de oneindig rechtvaardige en heilige God u, onbekeerd man, u, onbekeerde vrouw, tot nu toe gespaard heeft, is geene kleine zaak,, maar iets om er zich aanbiddend over te verwoh-deren-

Laat my u dit aantoonen. Denk aan de zaak in ontkennen-den zin: God spaart u niet, omdat Hij ongevoelig of onverschillig is mor uwe zonden : ten allen dage toornt hij op de god-deloozen. Indien de Heere onverschillig kon wezen omtrent de zonde, en zyn heilig gemoed er toe kon brengen haar als niets dan eene kleinigheid te beschouwen, dan zou het niette verwonderen zyn, dat Hy den overtreder liet leven. Maar Hij kan de ongerechtigheid niet verdragen — den ganschen dag rookt en brandt zijn\' toorn over het kwaad, en toch houdt Hy zijne bliksemschichten terug en treft den schuldige niet. Indien gij ook maar gedurende een half uur toornig waart geweest, het zou tot harde woorden, ja tot slagen by u zijn gekomen, doch hier is de Rechter der gansche aarde gedurende twintig, dertig, veertig, vyftig, zestig, zeventig of tachtigjaren toornig op u, en toch heeft Hij u niet nedergeveld. Het is niet omdat de overtreding op een\' afstand, ver van zijn opmerkend oog geschiedt; neen uwe zonden zyn gelyk rook in zijn\'neus; uwe ongerechtigheden geschieden in zyne tegenwoordigheid ; gij raakt zijn\' oogappel aan. En toch, in weerwil van dit alles, hoewel de gevloekte zaak, genaamd zonde, zich ieder oogenblik voordoet aan zijn oog, toch heeft Hij u tot hiertoe gespaard. En, zondaar. Hij heeft u niet gespaard omdat Hij de macht niet had u te verderven. Hij zou de dakpannen hebben kunnen gebieden van het dak te vallen, of de koorts had u kunnen bevangen op straat. De lucht zou hebben kunnen weigeren uwe longen binnen te treden, of het bloed zou hébben kunnen stilstaan in uwe aderen. Velen zijn de poorten des doods. De pijlkoker des oordeels is vol van scherpe pylen. De

258

-ocr page 278-

DE ONVHÜCHTBAKE VlJGEËOOM.

Heere behoeft het slechts te willen, en uwe ziel wordt van u afgeëischt. Tot den dwazen rijken man zeide Hy: „In dezen nacht zal men uwe ziel van u afeischenen den morgen zag hy niet weder. Even gemakkelijk had de Heere die droeve boodschap tot u hebben kunnen doen komen, en wat dan ? Gelijk ik reeds gezegd heb: dit groote geduld wordt jegens uwe zondige ziel niet betoond, omdat de Heere op eenigerlei wyze afhankelijk van u is. Uw leven zal zijne heerlijkheid niet doen toenemen, en uw sterven zal haar niet minder doen worden. Gy zult niet meer gemist worden, dan een dor blad in een bosch gemist wordt, of een enkele dauwdroppel op een bunder grasland. De gerechtigheid behoeft slechts een woord te spreken om u door hare uiterste wrake te treffen. En gij zijt daarby zóó tergend, dat het een wonder is, dat de strengheid Gods u nog zoo lang gespaard heeft. Verwonder u over deze lankmoedigheid, en bewonder haar.

Dit wonder zal u nog grooter toeschijnen, als gij bedenkt, hoeveel vrucht Hij verdiend heeft van u te ontvangen. Een God zoo goed en genadig, behoorde door u bemind te worden. Hij heeft u zoo uitermate wel gedaan. Hij heeft u zoo veel vatbaarheid gegeven om te genieten, dat Hij wel waarlijk aanspraak had op eenige diensten uwerzyds. Gy zijt voor God niet gansch en al wat een os is voor zijn\' bezitter — gij geeft den os slechts zijn gras of zijn stroo, en hebt dan afgedaan; maar God geeft u niet slechts uw dagelijksch voedsel, maar ook uw leven — gy zijt geheel en volstrekt van Hem afhankelyk. Niets kan in zoo volkomen zin het uwe zijn, als gijGodeszyt. Gy hadt Hem behooren te dienen, in zijn\' dienst behagen moeten scheppen, voor uwen Heere de kosten hebben moeten doen en te koste gegeven worden. Hij vraagt niet meer van u, dan Hem toekomt, maar Hy vraagt, dat gij den Heere, uwen God lief zult hebben met geheel uw hart, geheel uwe ziel en al uwe krachten — dit was zijn eerste en groote gebod, maar gij hebt het voortdurend overtreden. O, als gy God zoo slecht vergolden hebt wat Hij voor u gedaan heeft, bedenk dan, bid ik u, hoe gij Hem tot toorn hebt moeten verwekken.

En ach ! myne hoorders, ik moet thans nog een zeer ernstig punt aanroeren, als ik er u op wijs, dat velen, hier tegenwoordig, zich tvellicht schuldig hebben gemaakt aan zeer God-tergende zonden. Sommige overtredingen tergen God veel meer dan anderen — ik geloof, dat dit b. v. met vloeken het geval is, want dat is moedwillige onbeschoftheid, waarmede men niets wint. Dat is gansch en al eene moedwillige beleediging van God. pen vloek Gods in te roepen over iemands lichaam of ziel is eene onnoodige, overtollige zonde. Er kan geen genot steken in vloeken. Het is omdat de mensch zijn\' Maker

259

-ocr page 279-

DE ONVEÜCHTBAÊE VIJGEÈOOM.

wil haten en tergen, dat hij dit doet. O zondaar, hebt gij God ooit gevraagd u te verdoemen, en zjjt gij er dan niet van verbaasd, dat Hij het niet gedaan heeft ? Hebt gij ooit begeerd, dat het verderf over u komen zou, en verwondert het u dan niet, dat Hij u niet reeds voor lang weggeslingerd heeft naaide plaats, waar zijn toorn u aan altijddurende verderving overgeeft? Vloeken is eene zonde, die den Allerhoogste tergt. O zondaar, verafschuw deze veiachtelijkste van alle ondeugden.

En dan is er ook ongeloof. Hoe velen zijn daar niet aan schuldig! Hoe God tergend, dat de mensch tot zelfs het bestaan van God loochent! Hü ademt in Gods lucht, hij leeft van Gods leven, en zegt toch nog, dat er geen God is! Een nietige worm durft den Almachtige uit te dagen om door eene schrikkeiyke daad zijner gerechtigheid zijne Godheid en bestaan te bewyzen. Dat is eene God tergende zonde.

Hetzelfde is ook waar van verdrukking. Er zijn hier wellicht mannen, die vrouw of kind hebben verdrukt, omdat zij Christus gevolgd zijn. „Die ulieden aanraakt, die raakt mijn oogappel aan,quot; zegt God. Wacht u zondaar! gij zult des Heeren oog niet lang aanraken, zonder zijne zware hand te gevoelen. Zoo gij vader zyt, dan stijgt u het bloed naar de wangen indien men uwe kinderen schaadt of beleedigt, en gij gevoelt u stérk om hen te beschermen en te verdedigen; evenzoo zal de he-melsche Vader zijne uitverkorenen wreken. Wacht u er dan voor in deze hemeltergende zonde te volharden.

Ook het lasteren, het liegende kwaadspreken van Gods dienstknechten, het verzinnen en verspreiden van booze verhalen van hen, die in de vreeze Gods wandelen, is ook een kwaad dat den toorn Gods doet ontwaken, en rechtmatige gramschap opwekt tegen hem, die er zich. aan schuldig maakt. Hoed u er voor!

Onreinheid van lichaam en van leven is mede eene terging van den Allerhoogste. Dit heeft eenmaal de hel over Sodom gebracht. God heeft vuur en zwavel nedergezonden van den hemel van wege de begeerlijkheden des vleesches, die Sodom tot een\' stank in zijne neusgaten heeft gemaakt. De ontuchtige, de overspeler en hoereerder zullen weten, dat zij niet kunnen zondigen, zonder God schrikkelijk tot toorn te verwekken.

En laat mij bij deze God-tergende zonden nog die voegen van het smoren der conscientie, waaraan sommigen zich hebben schuldig gemaakt. O mijne hoorders, er zijn niet velen onder u, tot wie ik omtrent deze voorafgaande dingen gesproken heb, want ik weet, dat slechts zeer weinigen van u aan deze\'grovere zonden toegeven. Maar er zijn sommigen van u, die in een\' anderen zin even slecht zijn; want gij kent het

-ocr page 280-

DE ONVRUCHTBARE VIJGEBOOM.

recht en verkiest het onrecht; gy hoort van Christus, en geeft Hem uw hart niet. Van sommigen uwer hadden wij gehoopt, dat gü reeds voor lang gewandeld zoudt hebben in de vreeze des Heeren, maar nog zijt gij vreemdelingen voor Christus. Dit moet u zwaar gevallen zijn. Gij moet een\' harden strijd gehad hebben met uwe conscientie, ik weet, dat gü menige heilige begeerte hebt onderdrukt, en toen de Geest Gods met u heeft getwist, waart gij zoo wanhopig besloten tot kwaad, dat gij toch in de dwaling uws wegs hebt volhard. Welnu, dat zijn God-tergende zonden. Als ik hier op dezen kansel sta en in den naam Gods bij u pleit, en dan terug moet gaan naar mijn\'Meester om Hem te zeggen, dat gij zijne waarschuwingen in den wind slaat, dan geloof ik niet, dat dit geschieden kan, zonder dat Gods toorn wegens uwe hardheid des harten wordt ontstoken Als wij een\' gezant naar een vreemd hof zenden om vrede te sluiten, en als hij eerlijk en oprecht de vredesvoorwaarden aanbiedt, en zij worden, verworpen, dan zult gij spoedig eene algemeene verontwaardiging in het land ontdekken, „Hoe!quot; zegt men, „willen zij op zóó billijke voorwaarden geen vrede sluiten ? Zoo rust dan de gepanserde schepen uit, en laten zij oorlog hebben, oorlog op leven en dood. Indien zij niet willen luisteren naar hetgeen zóó redelijk is, zoo laten wij ons rusten ten oorlog en tegen hen optrekken.quot; En wat denkt gij ? Zal God zich immer laten tergen ? Zal de genade Gods u aitijd te vergeefs worden verkondigd ? Zal Christus u worden voorgesteld en altijd worden verworpen, en wilt gij voortgaan met zijne vijanden te zijn, zonder dat Hij ooit den oorlog afkondigt tegen uwe ziel? Het is een wonder, dat deze God tergende zonden zoolang verdragen worden, en dat gij nog niet uitgehouwen zijt.

III. En WAT IS NU DE REDEN VAN AL DEZE LANKMOEDIGHEID ?

Waarom is het, dat deze boom, die zoo onnut den grond beslaat, niet uitgehouwen is? Het antwoordt \\vv\\t: omdat tr Een is, die voor de zondaren pleit. Ik heb u aangetoond — en sommigen van u zullen denken, dat ik het met zeer groote gestrengheid gedaan heb, hoe billijk het is, dat gij uitgehouwen wordt. Ik wenschte, dat gij het gevoeldet; want. indien gij gevoeldet, hoe redelijk het is, dat God u ter helle verwijst, dan zoudt gtj beginnen te sidderen, en dan zou er hoop voor u zijn. Ik kan u verzekeren, dat ik voor u gesidderd heb, toen ik dacht, hoe redelijk, hoe rechtvaardig, ja hoe noodzakelijk het mij toescheen, dat sommigen van u verloren zullen gaan. Het heeft mij doen sidderen, en ik bid God, dat ook u eene siddering hierover zal bevangen. Maar wat is er de verborgene oorzaak van geweest, dat gij in het leven zijt gebleven? Het antwoord is; Jezus Christus heeft voor u gepleit; de gekruisigde Heiland is voor u tusschenbeiden getreden. En vraagt gij mij

261

-ocr page 281-

DE ONVRUCHTBARE VIJGEBOOM.

262

„Waarom?quot; zoo antwoord ik: omdat Jezus Christus in u allen belang stelt. Wij gelooven niet in eene algemeene verlossing, maar wij gelooven in elk woord van onzen kosteltjken Bijbel, en er zijn vele plaatsen in de Schrift, die aantoonen, dat de dood van Christus voor alle kinderen der menschen van be-teekenis is geweest. Er wordt ons gezegd, dat Hij „voor allen den dood smaken zou.quot; Wat beteekent dit ? Beteekent het, dat Jezus Christus gestorven is om een iegelijk mensch zalig te maken? Ik geloof het niet, want het komt m;j voor, dat alles wat Christus voornemens was door de daad zijns stervens te weeg rte brengen, Hü ook tot stand heeft moeten brengen, want anders zou Hij gefaald hebben, en dat is niet te veronderstellen. Zij, voor wier verlossing Christus gestorven is, zullen ook werkelijk door zijn verzoenend lijden en sterven verlost worden. Maar is Hij in eenigen anderen zin of beteekenis voor het overige menschdom gestorven? Ja. Het schijnt mij toe, dat niets in de Schrift duidelijker is, dan dat, als gevolg van den dood van Jezus Christus, alle zondaren gespaard worden, en in dezen zin is het, dat er gezegd wordt, dat de menschen het bloed van Jezus Christus vertreden. Wü lezen van sommigen, dat zij den Heere. die hen gekocht heeft, verloochenen. Memand, die met het bloed van Christus ter eeuwige zaligheid gekocht is, vertreedt dat bloed; maar Jezus Christus heeft zijn bloed gestort ten einde uitstel te verkrijgen voor de menschen, opdat zij nog gespaard zouden worden; en zij, die Gods sparende genade als eene gelegenhei i aangrijpen om opnieuw te zondigen, maken er zich inderdaad schuldig aan het bloed van Jezus Christus te vertreden. Gij kunt die leerstelling gelooven, zonder in de algemeene verlossing te gelooven, of zonder ook maar voor het minst in tegenspraak te zijn met de ontwijfelbare waarheid, dat Jezus zijn leven gegeven heeft voor zijne schapen, en dat Hü niet te vergeefs geleden heeft. Welaan, zondaar, of gij het weet of niet, gij zijt het Hem, die aan het kruis hing, verschuldigd, dat er thans nog adem in u is. Gij zoudt heden niet tot God hebben kunnen bidden, indien de Heiland niet voor u had geleden. Onze tekst stelt den wijngaardenier voor als slechts te vragen, dat de vijgeboom gespaard mocht worden; maar Jezus Christus heeft iets meer gedaan dan vragen; Hij heeft niet slechts gepleit met den mond, maar met zijne doorboorde handen, zijne doorgraven voeten, zijne doorstoken zijde, en deze overmogende pleitredenen hebben het hart Gods bewogen, en aldus zijt gij nog gespaard. Mag ik dan vrij uit tot u spreken ? Indien gü ter dood waart veroordeeld, en uw leven door mijne tusschenkomst gespaard bleef, zoudt gij mij dan verachten? Indien gij ter dood waart veroordeeld, en ik een\' machtigen invloed had aan het hof, en ik zou er heen zijn gegaan om voor u te pleiten.

-ocr page 282-

DE ONVRUCHTBARE VIJGEBOOM.

263

en er was u uitstel verleend, zoudt gij mij dan jaar in jaar uit blijven haten? Zoudt gij kwaad van mij spreken? Zoüdt gij smalen op mijn karakter? Zoudt gij vitten op mijne vrienden? Ik ken u beter; gij zoudt mij liefhebben; gij zoudt er mij dankbaar voor zijn, dnt uw leven gespaard werd. O zondaar, ik wensohte wel, dat gi,j den Heere Jezus behandeldet, zooals gü den mensch behandelt. Ik wenschte wel, dat gij aan den Heere Jezus wildet denken, zooals gij aan uwen mede-mensch denkt, die u van den dood heeft gered. Gü zijt nog niet in de hel, waar gij geweest zoudt zijn, indien Hij niet tus-schenbeiden ware getreden en voor u had gepleit. Ik smeek u, denk aan de rampzaligheid der zielen, die verloren gaan, en gedenk, dat gij u in zoo ontzettenden toestand zoudt bevonden hebben, indien Hij zijne voor de zonden der menschen doorboorde hand niet had opgeheven. Daar, daar, waar de hitte des vuurs niet kan verminderd worden; waar een droppel waters eene te groote weldaad is om ontvangen te kunnen worden — daar, waar de hoop is uitgesloten, en de wanhoop op haren ijzeren troon is gezeten, en de gevangen zielen in eeuwige boeien sluit — waar rVoor eeuwig!quot; geschreven is op het vuur, en „Voor eeuwigquot; gegraveerd is op de keten, en het „Voor eeuwig! voor eeuwig! voor eeuwig!quot; als het gelui eener doodsklok weerklinkt voor alle hoop, en alle rust — daar zoudt gij heden morgen zijn, indien de sparende genade het niet had voorkomen. Waar zijn uwe voormalige metgezellen? Gij zat neder met hen in de kroeg; zij zijn in de hel, en gij nog niet. Toen gij jonger waart, hebt gij gedeeld in hunne zonde, zü zijn verloren, maar gij nog niet. Van waar dit verschil? Waarom zijn zij uitgeworpen en zijt gij gespaard? Ik kan dit aan niets anders dan aan de lankmoedigheid Gods toeschrijven O, ik bid u, zie op Hem, die u gespaard heeft, en ween om uwe zonde. Moge de Geest Gods heden tot u komen en u heen voeren naar den voet van zijn kruis, en, als gü dan het bloed ziet, dat uw bloed heeft gespaard, en het sterven aanschouwt, waardoor gij tot nu toe hebt kunnen leven, dan vertrouw ik, dat de Geest u zal doen neder vallen op uwe knieën, uitroepende: „O Jezus, hoe kan ik U beleedigen?Hoe kan ik U weerstaan? Neem mij aan en verlos my om den wille uwer goedertierenheid.quot; Want terwijl ik aldus sprak van de algemeene belangstelling, die Christus in u heeft, heb ik goede hope, dat Christus eene bijzondere belangstelling heeft in sommigen van u. Ik hoop, dat Hij u in het bijzonder verlost heeft van onder de menschen, u gekocht heeft, niet met zilver of goud, maar met zijn eigen dierbaar bloed, daar Hij u lief heeft gehad met eene eeuwige liefde, en u heden morgen door de koorden der liefde tot u wil trekken. „O!quot; zegt iemand, ik denk niet, dat dit mogelijk kan wezen.quot; Maar gesteld nu eens, dat gij

-ocr page 283-

DE ONVRUCHTBARE VIJGEBOOM.

264

binnen kort ontdekt, dat God u heeft uitverkoren, en dat gü dierbaar zijt aan Christus, en voor altijd een juweel moet zijn aan zijne kroon, wat zoudt gij dan wel van u zeiven zeggen ? „Ik zou er over treuren, dat ik Hem, die mij zóó lief heeft gehad, ooit heb kunnen haten. Dat ik Hem heb kunnen tegenstaan, die zoo vast besloten was mü zalig te maken! Welk een dwaas ben ik geweest, dat ik twisten kan met Hem, die myn rantsoen heeft betaald, en mij door zijne genade heeft verkoren, en mij zich voor altyd ondertrouwd heeft!quot; Ik zeg u, dat God u zal vergeven, maar nooit zult gij het u zei ven vergeven, dat gij Hem zoo lang weerstaan hebt. O mocht de eeuwige goedertierenheid, die thans nog niet gezegd heeft: ,.Houw hem uitquot; heden om u graven en u bemesten, opdat gij vrucht moogt voortbrengen, dan zal het alles strekken tot lof en prijs van Hem, door wiens dierbaar bloed wy van den eeuwigen toorn zijn verlost. Moge God deze myne zwakke woorden zegenen. Hij weet, wat ik er mede bedoeld heb, hoe ik er over had willen weenen, hoe mijne ziel smacht naar uwe bekeering; maar indien zulke uitwendige teekenen niet aanwezig zijn, dan bid ik God, dat de waarheid zelve onweerstaanbaar zal blijken, en dat Hij de overwinning moge wegdragen, zoo zal zijn naam eeuwiglyk de eer ontvangen. Amen.

-ocr page 284-

T)E ONVRUCHTBARE VIJGEBOOM.

(VOOR HET NIEUWE JAAR.)

„Ook nog dit jaar.quot; Lukas XIII: 8.

De wijngaardenier pleitte voor den onvruchtbaren vygeboorn; „Laat hem ook nog dit jaareen jaar dateerende, als het ware, van den tijd toen hij sprak. Boomen en vruchtdragende planten hebben een\' natuurlijken maatstaf voor hun leven: het was blijkbaar tegen het einde des jaars, toen het tijd was om naar vruchten uit te zien van den vijgeboom, en een ander jaar was aangevangen, dat de wijngaardenier zyn werk van graven en snoeien begon. De menschen zijn zóó onvruchtbaar, dat door hun vruchtdragen geene vaste tijdperken worden aangewezen, en zoo wordt het noodig, dat er voor hen kunstmatige verdeelingen gemaakt worden van den tijd. Er schijnen voorden geestelijken wijnoogst of inzameling der vruchten van den mensch geene bestemde tijdperken te zijn, of, zoo zy er zijn, dan komen de schoven en druiventrossen niet op hun\' tijd, vandaar dat wij tot elkander zeggen: — „Dit zal het begin wezen van een nieuw jaar.quot; Zoo zij het dan. Laat ons elkander geluk wenschen met het aanbreken ook van dit jaar, en laat ons te zamen bidden, dat wij het mogen beginnen en voleindigen onder den voortdu renden zegen des Heeren, wiens alle jaren zijn.

I. Bij het begin van een nieuw jaar komen wy er als van zelf toe een terugblik te werpen op den voorbijgeganen tijdkring. Doen wij het met kalmte en met oprechtheid. „Ook nog dit jaarquot; — er zijn dus reeds te voren jaren dor genade geweest. De wijngaardenier heeft nu niet voor het eerst bemerkt, dat de vijgeboom geene vrucht had gedragen, en evenmin had de eigenaar thans voor het eerst te vergeefs naar vruchten er van uitgezien. God, die ons „ook nog dit jaarquot; geeft, heeft er ons ook te voren gegeven. Zijne sparende genade is niets nieuws, zijn geduld werd reeds lang door onze tergingen op de proef gesteld. Er waren ten eerste onze ./oHj/e jaren, wanneer ook een

-ocr page 285-

dë onvruchtbare vijgeboom.

?66

weinigje vrucht Gode zeer liefelijk is. Hoe hebben wij ze doorgebracht ? Is al onze kracht uitgeloopen in wild hout en overtollige ranken? Zoo ja, dan mogen wij wel treuren over deze onze verspilde kracht — het leven, dat zoo slecht besteed werd, de zonde welke zoo ontzettend werd vermenigvuldigd. Hy, die gezien heeft, hoe wij de gouden dagen der jeugd hebben misbruikt, geeft ons evenwel „ook nog dit jaar,quot; en wij behooren het in te treden met eene heilige vreeze, dat hetgeen ons nog van kracht en vurigheid van geest is overgebleven, niet even als te voren onnut zal worden besteed. Na onze jonge jaren kwamen de jaren van onzen vroegen mannelijken leeftijd, toen wij een huisgezin stichtten, en als een boom werden, geworteld en vast in zyne plaats. Ook toen zou vrucht iets zeer kostelijks zijn geweest. Hebben wij eenigerlei vrucht voortgebracht ? Hebben wij den Heere eene mandvol zomervruchten aangeboden ? Hebben wij Hem de eerstelingen gewijd van onze kracht ? Zoo ja, dan mogen wij wel de genade verheerlijken, die ons zoo vroegtijdig heeft verlost; maar zoo neen, dan worden wij door ons verleden bestraft; dan heft dit verleden waarschuwend den vinger tegen ons op, en roept ons toe „ook nog dit jaarquot; niet te laten voorbijgaan, gelijk wij onze vorige levensjaren lieten voorbijgaan. Hij, die zijne jeugd en zijn\' vroegen mannelijken leeftijd heeft verspild, heeft voorzeker genoeg dwaasheid begaan. De tijd, die voorbü is, kan hem waarlijk wel volstaan om er den wil des vleesches in te hebben gewerkt. Het zou een „overvloed van boosheidquot; zijn, om „ook nog dit jaarquot; te laten vertreden in den dienst der zonde. Velen onzer zijn thans „in den bloei des mannelijken leeftijds,quot; en de jaren, die reeds voor ons verloopen zijn, zijn niet weinigen. Moeten wij ook thans nog belijden, dat onze jaren door den sprinkhaan en de rups zijn verteerd ? Hebben wij reeds de helft onzer levensreize afgelegd, en weten wij nog niet, waar wij heengaan ? Zijn wij op veertigjarigen leeftijd nog dwazen ? Zijn wij volgens den almanak reeds eene halve eeuw oud, en toch nog ver van tot jaren des onderscheids te zijn gekomen? Helaas! groote God, hoe treurig is het, dat er menschen worden gevonden, die dezen leeftijd reeds voorbij zijn, zonder nog tot kennis der waarheid te zijn gekomen! Zestig jaren, en nog niet verlost! Zeventig jaren en nog niet wedergeboren ! Tachtig jaren, en nog niet ontwaakt! Negentig jaren en nog on-vernieuwd van hart! Dit is schrikkelijk om in te denken. Toch kunnen deze woorden nog gehoord worden door ooren, die zij moesten doen klinken, maar ze zullen aanhooren, alsof zij ze niet hoorden. Volharding in het kwaad brengt verstoktheid van hart te weeg; en als de ziel lang gesluimerd heeft in onverschilligheid, dan is het moeielijk haar uit die doodelijke sluimering op te wekken.

-ocr page 286-

„OOK NOG DIT JAAE.quot;\'

De klank dezer woorden „ook nog dit jaarquot; doet sommigen van ons gedenken aan jaren van groote goedertierenheid, schitterend en stralend van zielsverlustiging. Zijn deze jaren neder-gelegd aan de voeten des Heeren ? Zij waren te vergelijken bij de zilveren bellen der paarden — zijn zij „de heiligheid des Heerenquot; geweest ? Zoo niet, hoe zouden wij het dan kunnen verantwoorden, indien „ook nog dit jaarquot; welluidend was door de blijdschap wekkende goedertierenheid Gods, en toch in zorgeloosheid werd doorgebracht? Dezelfde woorden herinneren sommigen van ons aa,njarenvan grooteheproeving, toen erin waarheid om ons gegraven en mest gelegd werd. Hoe zijn deze jaren doorgebracht? God heeft toen groote dingen voor ons gedaan. Hij heeft groote wijsheid, liefde en zorgaanonstekoste gelegd Rebben wü Hem vergolden naar de weldaad, die wü hebben ontvangen? Zijn wij opgestaan van het leger der krankheid meer geduldig en zachtmoedig, meer gespeend aan de wereld, meer en inniger verbonden aan Christus ? Hebben wij vruchten voortgebracht om den wijngaardenier te beloonen ? Laat ons deze vragen des zelfonderzoeks niet afwijzen; want het zou kunnen wezen, dat dit wederom een der jaren van gevangenschap was. een tijdperk van beproeving en loutering in den smeltkroes. De Heere geve, dat die komende beproeving meer kaf van ons wegneme dan hare voorgangsters gedaan hebben, en beter en reiner koren mogen achterlaten.

Het nieuwe jaar doet ons ook denken aan gelegenheden om nuttig te zijn, die wij ongebruikt voorbij lieten gaan; aan voornemens die nietten uitvoer zijn gebracht, en slechts bloeiden om te verwelken. Zal „ook dit jaarquot; wezen als de jaren, die voorbijgegaan zvjn ? Mogen wij niet hopen op genade om in de genade, die reeds verkregen is, verder op te wassen; en beboeren wij dan God niet te vragen om kracht, ten einde onze zwakke beloften in krachtige daden te doen overgaan ?

Terugziende op het verleden, betreuren wij de dwaasheid, door welke wij niet „ook nog dit jaarquot; gevangen wenschen gehouden te worden; en wij aanbidden de vergevende goedertierenheid, de bewarende voorzienigheid, de onbegrensde goedheid, de goddelijke liefde, waarvan wij „ook nog dit jaarquot; hopen te zullen genieten.

267

H. Indien de prediker vry kon denken, dan zou hy zijn\' tekst nog op velerlei wijze kunnen gebruiken; maar hy is zwak (1) en zoo moet hij nu reeds terstond tot zijn tweede punt van overdenking komen, namelijk dat de tekst spreekt van eene goedertierenheid. Het was eene groote goedertierenheid, dat de boom, die onnuttelijk de aarde besloeg, nog een jaar

(1) Deze korte leerrede werd door Ds. Spurgeon in zijn ziekenkamer uitgesproken.

-ocr page 287-

DE ONVRUCHTBARE VIJGEBOOM.

mocht biyven staan; en de verlenging van ons leven behoort altijdalseenegave van Gods goedheid te worden aangemerkt. „Ook nog dit jaarquot; moeten wij als eene gave der oneindige genade beschouwen. Het is verkeerd om te spreken, alsof wij onverschillig waren voor het leven, en ons bestaan hier beneden als een kwaad of eene straf te beschouwen. Wij zijn „ook nog dit jaarquot; hier als het gevolg van het pleiten der liefde, en om de doeleinden der liefde tot stand te brengen.

Den goddelooze behoort de lankmoedigheid des Heeren eene heenwyzing te zijn naar de verlossing, en hij moet zich door de koorden der liefde derwaarts heen laten trekken. O! dat de Heilige Geest den Godslasteraar, den Sabbatschender, hem, die openlijk leeft in de zonde, mocht doen gevoelen, welk een wonder het is, dat hun leven „ook nog dit jaarquot; gespaard bleef! Werden zij gespaard om te vloeken, te zwelgen, en hun\'Maker te tarten? Zal dit de eenige vrucht zijn, die Gods lankmoedigheid in hen werkt? Hij, die immer bleef aarzelen, die den bode des hemels afscheepte met uitstellen en halve beloften, moet hij er zich niet over verbazen, dat het hem vergund wordt „ook nog dit jaarquot; te zien? Hoe is het mogelijk, dat de Heere hem in zijn aarzelen en wankelen heeft verdragen? Zal ook dit jaar der genade evenzoo worden doorgebracht? Voorbijgaande indrukken, haastige besluiten en spoedig daarop gevolgde afvalligheden — zullen dezen altijd opnieuw de stof leveren voor de treurige geschiedenis? Het verschrikte geweten, de tyranniek heerschende hartstocht, de onderdrukte gemoedsbeweging! Moeten dezen de kenmerken zijn van nog een ander jaar? Moge God het verhoeden, dat iemand onzer „ook nog dit jaarquot; doorbrengt in aarzelen en uitstellen. De oneindige barmhartigheid houdt de bijl der gerechtigheid nog terug; zal zü nog langer beleedigd worden door het opnieuw bedrijven van zonden, die het werktuig des toorns reeds hebben doen opheffen? Wat is tergender voor het hart der goedheid dan onbeslistheid? Wél mocht des Heeren profeet ongeduldig worden en uitroepen: „Hoe lang hinkt gij op twee gedachten? Wél mag God zelf aandringen op eene beslissing en een on-middelijk antwoord eischen. O onbesliste ziel, wilt gij nog langer zweven tusschen den hemel en de hel, en handelen, alsof het zóó bijzonder moeielijk was te kiezen tusschen de slavernij van Satan en de vrijheid van des Grooten Vaders huis der liefde? Wilt gij „ook nog dit jaarquot; de gerechtigheid Gods uittarten door uwen tijd te verbeuzelen, en de edelmoedigheid der genade verkeeren in vrijheid om nog verder te rebelleeren? Moet de liefde Gods „ook nog dit jaarquot; als eeue gelegenheid gebruikt worden om te volharden in do zonde? O handel toch niet zoo laaghartig, zoo in tegenspraak met elke edele aandrift, zoo ten nadeele van uwe allerbeste belangen.

268

-ocr page 288-

.,öólt nog dit jaar.quot;

De geloovige wordt in liefde, niet in toorn „ook nog dit jaarquot; buiten den hemel gehouden. Er zijn sommigen, om wier wille het noodig is, dat hij nog in het vleesch moet verwijlen; sommigen, die door hem voortgeholpen moeten worden op weg naar den hemel, en anderen, die door zijn onderwijs aan de voeten des Verlossers gebracht moeten worden. De hemel van vele heiligen is nog niet voor hen bereid, omdat hunne naaste vrienden en metgezellen nog niet gekomen zijn, en hunne geestelijke kinderen nog niet in genoegzaam aantal ingezameld zijn, om hun een door en door hemelsch welkom te verzekeren. Zij moeten „ook nog dit jaarquot; wachten, opdat hunne rust des te heerlijker, en de schoven, die zij mede zullen brengen, hun des te grooter vreugde zullen verschaffen. Om den wille der zielen, om den wille der blijdschap en heerlijkheid onzes Heeren, en de vermenigvuldiging van de juweelen onzer kroon, kunnen wij gewis „ook nog dit jaarquot; gaarne hier beneden blijven wachten. Dit is een wijd veld, maar wij mogen er niet in verwijlen, want tijd en krachten zouden heden voor ons te kort schieten.

III. Onze laatste zwakke woorden zullen u herinneren, dat in de uitdrukking; „Ook nog dit jaarquot; eene grens ligt opgesloten. De wijngaardenier vroeg om geen langer uitstel dan een jaar. Indien zijn graven en mest leggen ook dan nog zonder gevolg bleven, dan zou hij niet verder pleiten, maar dan moest de boom vallen. Zelfs wanneer Jezus de Pleiter is, heeft de bede om genade toch nog haar grens en tijd. Niet voor altijd zullen wy gespaard blijven, niet voor altijd zal ons toegelaten worden de aarde onnuttelijk te beslaan. Indien wij ons niet willen bekeeren, moeten wij omkomen; indien wij ons niet wél willen laten doen door de spade, dan moeten wy vallen door de byl.

Voor een iegelijk onzer zal een laatst jaar komen: zoo laat ons dan bij ons zeiven zeggen — Is dit mijn laatste jaar? Indien het het laatste jaar is voor den prediker, hij zou zijne lenden omgorden om zijns Heeren boodschap met al de kracht zijner ziel te verkondigen, en zijne medemenschen smeeken zich met God te laten verzoenen. Waarde vriend, zal dit jaar ook uw laatste jaar zijn? Zijt gij bereid den voorhang te zien oprollen, die de eeuwigheid nu nog voor u bedekt? Zijt gij thans bereid te middernacht het geroep te hooren, om in te gaan tot de bruiloft? Het oordeel, met alles wat er opvolgt, is zeer gewisselijk het erfdeel van iederen mensch, die leeft. Zalig zij, die door het geloof in Jezus in staat zijn zonder vrees of verschrikking voor Gods rechterstoel te verschijnen.

Indien wij zóó lang leven, dat wij tot de oudste inwoners des lands gerekend worden, zoo moeten wij toch ten laatste van hier gaan. Er moet een einde wezen, en de stem moet

269

-ocr page 289-

tgt;Ë ONVRÜÖÖTBAllË VUGEBÓOM.

gehoord worden — „Zoo zegt de Heerk: dit jaar zult gij sterven.quot; Zóó velen z^jn ons voorgegaan, zóó velen gaan elk uur henen, dat niemand een ander „Gedenk te stervenquot; noo-dig heeft; en toch is de mensch zóó begeerig om zijne eigene sterfelijkheid te vergeten, en daardoor zijne hoop op de zaligheid te verbeuren, dat wy het hun niet te dikwijls voor den geest kunnen brengen. O sterfelijk mensch, denk na! Bereid u uwen God te ontmoeten, want ontmoeten moet gij Hem. Zoek den Heere, ja zoek Hem, eer nogmaals de zon ter kimme neigt.

„Ook nog dit jaarquot;, en wellicht niet langer dan dit jaar, is het kruis nog opgericht als het lichtbaken der wereld, het ééne licht, waarop geen oog te vergeefs zien kan. O! dat mil-lioenen er op mochten zien en leven! Weldra zal de Heere Jezus wederkomen, en dan zal de schittering van zijn\' troon het zacht stralende licht van zijn kruis vervangen; dan zal de Rechter worden gezien veeleer dan de Verlosser. Thans behoudt Hij, maar dan zal Hij verderven. Laat ons in dezen eigen oogenblik hooren naar züne stem. Hij heeft een\' dag bepaald, laat ons zeer begeerig zijn ons voordeel te doen met den tijd der genade. Laat ons heden nog in Jezus gelooven, daar het ook heden onze laatste dag zijn kan. Dit is het pleiten van een\' man, die te zwak is om verder voort te spreken. Luistert naar hem om den wille uwer eigene zielen, en leeft.

270

-ocr page 290-

HET GROOTE AVONDMAAL,

ALLE DINGEN ZIJN NU GEREED. KOMT.

„Komt, want allo dingon zijn nu gereed. Lnkas XIV: 1quot;.

Deze uitnoodiging was het eerst gericht tot de Joden; maar zij schijnt m\\j toe zeer bijzonder geschikt te zijn voor ons. Het is later op den dag dan toen de Heere hier op aarde was, en bijgevolg is de tyd des Avondmaals ook veel meer nabij gekomen. De schaduwen verlengen zich. de zon der tegenwoordige bedeeling is op het punt van onder te gaan; haar dag is nu reeds byna negentien honderd jaren korter geworden sedert de Heere voor het eerst zijne dienstknechten ten tijde des avondmaals uitzond. De volheid der tüden voor het bruiloftsmaal des Lams moet weldra daar zijn, en daarom betaamt het ons meer dan ooit ernstig en ijverig te zijn in het brengen der boodschap aan de genoode gasten.

En indien men zelfs ten dage, toen onze Zaligmaker op aarde was, zeggen kon, dat alle dingen gereed •waren, dan mogen wü dit heden voorzeker met des te meer nadruk zeggen. Immers, toen Hij deze gelijkenis uitsprak, was de Heilige Geest nog niet uitgestort; maar thans is het Pinksterfeest voorby, en de Geest Gods blijft met ons om het Woord te vergezellen, het te bekleeden met macht en onze zielen te zegenen, terwijl wy ons spijzigen met de waarheid. Zeer nadrukkelyk is het dus heden waar, dat alle dingen nu gereed zyn, en het Avondmaal wacht op de gasten. Ik bid u, begint dan geene verontschuldigingen te maken, maar wilt ons bereidwillig volgen, als wij u noodigen te komen, met ons te gaan als wij u zoeken in te brengen, of ten minste gehoor te geven aan onze smeekingen, als wij u met al het heilig geweld der liefde dwingen in te komen. Wij zullen gaarne van al deze drie toenemende wijzen van overreding gebruik maken bij u, zoo gij u slechts er toe laat brengen om te komen, wyl „alle dingen nu gereed zijn.quot;

Er zyn in onzen tekst duidelijk twee dingen op te merken,

-ocr page 291-

Het gëoote avondmaal.

en dezen staan in nauwe betrekking tot elkander. Eene duidelijke uitnoodiging — „Komtquot;, en daarna een krachtig argument — „want alle dingen z^\'n nu gereed.quot; Het argument is ontleend aan de goddelijke toebereidingen der kostelijke spijzen van den koninklijken maaltijd. „Mijne ossen en de gemeste beesten zijn geslacht: komt tot de bruiloft.quot; De bereidheid van alles aan Gods zijde is het argument waarom de menschen moeten komen om zijner genade deelachtig te worden; en dat is het punt, waarbij wij heden zullen stilstaan — het bereid zijn van het feestmaal der genade, waarom de menschen er terstond behooren te komen.

I. Wij zullen onze overdenking beginnen met het eerste punt, namelijk, dat het Gods gewoonte is alle dingen ge-eeed te hebben, zoowel voor zijne gasten als voor zijne schepselen. Nooit zult gij Hem voor iets te laat vinden. Als de gasten komen, dan is er geene drukte om de tafel in gereedheid te brengen en de spijzen toe te bereiden; neen, de Heere heeft over alles nagedacht, heeft in alles voorzien, en alle bijzonderheden geregeld. „Alle dingen zijn gereed.quot;

Zoo was het in de schepping. Hij heeft geen enkel grashalmpje op de aarde geschapen, vóórdat de grond en de atmosfeer er voor toebereid waren, en de vriendelijke zon geleerd had op het aardrijk neder te zien. Stelt u een\' plantengroei voor zonder zon, of zonder afwisseling van dag en nacht! Maar de lucht was vol van licht, het uitspansel droeg de wolken, en het droge land was te voorschijn gekomen uit de zee; en toen waren alle dingen gereed voor kruid, en plant, en boom. En evenmin heeft God een enkel levend wezen geschapen, geen\' vogel, die vliegt in de lucht, geen\' visch, die in de zee zwemt, geen dier, dat zich beweegt op het land, vóórdat Hij hunne woonstede had bereid, en in de voor hen bestemde spijzen had voorzien. Er was geen vee, vóórdat er weiden waren, waarin zij konden grazen; geene vogels, vóórdat er boo-men waren voor hunne nesten; ja zelfs geen kruipend insect, vóórdat er het bestemde voedsel voor was aangewezen. Geen schepsel had hongerig te wachten terwijl het voedsel groeide; alle dingen waren gereed: eerst gereed tot plantengroei, en daarna voor het dierlijk leven. En toen God Adam gemaakt heeft als zijn laatst en edelst scheppingswerk, waren alle dingen voor hem gereed. De hof was aangelegd langs de oevers van stroomende rivieren, en met allerlei soort van boomen beplant. De vruchten waren rijp om hem tot spijze te dienen; de bloemen bloeiden ter zijner verlustiging. Hij kwam in geen ongemeubileerd huis, maar trad eene woning binnen, die zijn Vader liefelijk en aangenaam voor hem had gemaakt. De wereld was eerst in orde gebracht, eer de mensch, die er over moest heerschon, er in geplaatst werd. „Alle dingen zijn ge-

m

-ocr page 292-

ALLE DINGEN ZIJN NU GEREED. KOMT.

reedquot; schijnt de Heere te zeggen, „Ontspruit, o zaadzaaiend kruidquot;; en toen „Alle dingen zijn gereed, treedt te voorschijn o reeën en hinden des velds.quot; En daarna „Alle dingen zijn gereed, treed voor, o mensch, geschapen naar mijn beeld!quot;

In latere tijden kunnen wij voorbeelden van dezelfde waarheden vinden in de wegen Gods met den mensch. Eerst was de ark gebouwd en de verschillende dieren er in bijeengebracht met allen noodigen voorraad van levensmiddelen voor de vreemde reize, die zy stonden te doen; en toen zeide de Heere tot Noach: „Ga gy, en uw gansche huis in de arkquot;. „Alle dingen zijn nu gereed, komtquot;, zoo luidde zijne stem tot het verkoren achttal, toen zij in de ark gingen. Het was niet noodig langer te toeven; alle toebereidselen waren gemaakt, en daarom heeft God „achter hem toegesloten.quot; Alles was met stiptheid en nauwkeurigheid door den alleen wijzen God gedaan. Op den eigen dag, dat iets noodig is, is het ook bereid.

Neemt eene andere gebeurtenis in de leidingen van Gods voorzienigheid, zooals by voorbeeld Israels afgaan naar Egypte. God had besloten, dat Jakob en zijn zaad voor eene wyle in het land van Cham zouden wonen. Met hoeveel wijsheid is die zaak door Hem voorbereid! Hij zond een\' man voor hen henen, namelijk Jozef, en Jozef was daar op den troon, bekleed met macht om hen gedurende den hongersnood te spijzigen. Hij was er jaren te voren geweest, juist bij tijds om den voorraad van koren te verzamelen, gedurende de zeven jaren van overvloed, opdat zij gedurende de zeven jaren van hongersnood behoorlijk gevoed zouden kunnen worden. Ook het land Gosen was ter beschikking van Jozef, zoodat Israels schapen en runderen in dit vette land weide konden vinden. Gods Israël zal niet naar Egypte gaan, vóórdat alle dingen gereed zijn; en wanneer alle dingen gereed zijn, zullen zij wederom uittrekken door eene sterke hand en uitgestrekten arm.

Zoo was het ook, toen de stammen naar Kanaan trokken. God bracht hen niet in het beloofde land, vóórdat alle dingen gereed waren. Zij moesten wachten totdat de geschikte tyd gekomen was, want de Heere zeide: „De ongerechtigheid der Amorieten is tot nog toe niet volkomen.quot; Niet voordat de inwoners des lands de perken der genade waren te buiten gegaan en ter dood waren veroordeeld, worden de Israëlieten ten tooneele gevoerd, om het vonnis aan hen te voltrekken en hunne opvolgers te zijn in het land. En toen de stammen aan de Jordaan kwamen, had God alles voor hen gereed gemaakt, want Hij had horzelen voor hen heen gezonden om het volk van voor hunlieder aangezicht weg te dry ven, en ook eene pestilentie, want de verspieders zeiden: „Het is een land,

\'273

18

-ocr page 293-

HET GEOOTE AVOKDMAAL.

dat zijne inwoners verteert.quot; De Heere God was voor hun aangezicht uitgegaan om hun\' strijd te strijden, eer zij er nog kwamen, en hun eene plaats te bereiden, zoodat zij, toen zü ingingen, woonden in huizen, die zy niet hadden gebouwd, en de vruchten plukten van de olijfboomen, die zy niet hadden gepland. Zij kwamen in een land, vloeiende van melk en honing, een land, dat uitstekend bebouwd was, niet in eene woestijn, die slechts door zwaren, harden arbeid ontgonnen kon worden. Israël kwam in eene landstreek, die als de hof des Heeren was, welks vruchten terstond genoten konden worden, want niet zoodra waren zij de Jordaan overgetrokken, of zij aten reeds terstond van het oude koren. Gij ziet dus, dat „Alle dingen zijn (nu gereedquot; eene aloude bekendmaking is, die de Heere dikwijls gedaan heeft aan hen, die Hy verkoos te zegenen.

Het feit, dat in het groote Avondmaal des Evangelies alle dingen nu gereed zijn, leert ons ten eerste, dat Gods gedachten het komen der menschen voorafgaan. „Komt, want alle dingen zijn gereed.quot; Niet „Indien gij komt, zullen alle dingen gereed zijn,quot; maar „zij zijn gereed, komt dus.quot; De genade komt het eerst, en op zijn best genomen volgen de menschen in hare voetstappen. Lang vóór wij ooit aan God gedacht hebben, heeft Hij gedacht aan ons; ja vóórdat wij nog het aanzijn hadden ontvangen, eer de tjjd was, waren in het hart des Eeuwigen gedachten der liefde jegens hen, voor wie de tafel zyner goedertierenheid thans bereid is. In zyne verhevene gedachten had Hij reeds van ouds alles geregeld en beschikt, ja Hij heeft alles voor het Avondmaal en alle de gasten die er aan zullen zitten, te voren gekend en verordineerd. Eer de aarde geschapen was, was alles reeds in zijn eeuwig verbond en raadsbesluit vastgesteld. Denk nooit, o zondaar, dat gij de liefde Gods voorbij kunt streven, zij is reeds aan het einde der loopbaan, voordat gy nog aan het begin zijt. God heeft voleindigd eer gy hebt begonnen. Zijne gedachten zyn de onze voor geweest, en dat zijn ook zijne daden, want Hij zegt niet; „Alle dingen zijn ontworpen en geregeldquot;, maar „Alle dingen zyn nu gereed.quot; Jezus, het groote zoenoffer, is geslacht; de fontein ter onzer reiniging is gevuld met bloed; de Heilige Geest is gegeven, het Woord waardoor wij onderwezen worden, is in onze handen, en het licht, dat de gewyde bladzijden moet bestralen is ons beloofd door den Heiligen Geest. Hetgeen ons beloofd is moest ons aanmoedigen om tot Christus te komen; maar hetgeen reeds geschonken is, moest eene onweerstaanbare aantrekking voor ons hebben. Alle dingen zyn door da Heilige Drie6enheid reeds voltooid, eer wij nog komen en om genade roepen; dit moest ons met eene levende hoop bezielen als wy naderen tot den Heere. Kom, o zondaar, kom terstond:

274

-ocr page 294-

alle dingen zijn nd gereed. komt.

dit behoort u te bemoedigen, daar alles wat God te doen heeft ter uwer behoudenis, reeds gedaan is, eer er nog eene enkele gedachte aan Hem in uw hart is opgekomen, en gij nog een voet verzet hebt om tot Hem te naderen. Alle dingen zijn nu gereed. Kom!

Dit bewijst ook hoe welkom zij zijn, die komen. Indien gü ge-noodigd wordt een\' vriend te bezoeken, en gy aan zün huis komende, de deur gesloten vindt, en na herhaalde malen geklopt te hebben niemand ziet verschijnen, omdat niemand te huis is, dan acht gij, dat er eene vergissing, een misverstand moet wezen, of dat anders de uitnoodiging niet oprecht gemeend was. Zelfs als uw gastheer de deur voor u opent en u binnenlaat, maar blijkbaar verlegen is, wyl geen maaltijd bereid is, en er geene schikkingen zijn getroffen om u des nachts te herbergen, dan zult gij dit spoedig bemerken, en als een verstandig man heengaan, want, indien gy welkom waart geweest, dan zou alles voor u in gereedheid zijn gebracht. Maar als gü tot God komt, dan zijn alle dingen gereed om u te onthalen. De plaats der liefelijke ruste en kalmte is u bereid. Alle dingen zü\'n gereed. Hoe vrij en gul wordt gij door Jehovah welkom geheeten; hoe van harte begeert Hij, dat gij zult komen om aan den feestdisch met Hem aan te zitten!

Dit moge volstaan voor onze eerste opmerking, dat het des Heeren gewoonte is alles voor zijne gasten gereed te hebben.

II. In de tweede plaats merken wij op dat deze bereidheid

eene reden moest wezen voor zijne heiligen, waarom zij

voortdurend tot hem komen en genade vinden om geholpen te worden ter bekwamer tyd. O kinderen Gods, ik zal de gelijkenis voor een oogenblik afzonderen van het onmiddelyk gebruik, dat de Heiland er van gemaakt heeft, ten einde haar u ten goede aan te wenden. Gij weet, geliefden, dat wanneer de Heere Jezus zijn volk ook uitnoodigt tot Hem te komen en van zyne milddadigheid te genieten, alle dingen immer gereed zün. Het was een schoon tafereel aan de zee van Tiberias, toen de Heere sprak tot hen, die den ganschen nacht op het meer waren geweest om te visschen, en tot hen zeide: „Komt herwaarts, houdt het middagmaal.quot; Zij waren gaarne bereid het middagmaal te houden, doch zü waren toen bezig het net met de groote visschen naar den oever te sleepen. Maar herinnert u, dat zij, aan land gekomen zijnde, bevonden, dat het geene ijdele uitnoodiging was, die zü hadden ontvangen, want er is geschreven; „zij zagen een kolenvuur liggen, en visch daarop liggen, en brood.quot; Hoe de kolen daar kwamen, en de visch, en het brood, wordt ons door den Evangelist niet medegedeeld ; maar onze Heere zou hen niet genoodigd hebben het middag^ maal te houden, indien hü niet in staat ware geweest hen gnl

275

-ocr page 295-

HET GROOTE AVOKDMAA.L.

en gastvrij te onthalen. Er was het kolenvuur en de visch daarop en het brood. quot;Wanneer dus uw Heere en Meester u door zijn\' gezegenden Geest roept om tot Hem te komen, dan kunt gij er u van verzekerd houden, dat alle dingen voor u gereed zijn om ze terstond te genieten. Gij behoeft niet stil te staan of te aarzelen, maar kunt zonder langer verwijl tot Hem naderen. Ik wensch u te waarschuwen om toch niet te antwoorden; „Maar, Heere, ik gevoel mij nog niet bereid.quot; Dat is volkomen waar; maar dat is geene reden van verontschuldiging voor u om terug te blijven. Het is zijne bereidheid, waar het op aankomt, niet de uwe; en daar alle dingen gereed zijn, zoo kom, of gy u bereid gevoelt of niet. Ik heb gehoord van Christenen, die zeggen : „Ik gevoel my niet in de rechte gemoedsstemming om te bidden.quot; Mijn broeder, bid, totdat gij wèl in de rechte stemming zijt. Er waren menschen, die zeiden : „Ik zal heden maar niet opgaan naar Gods huis, ik gevoel mij zoo ongelukkig en terneergeslagen.quot; Wanneer heb: gij het meer noodig er heen te gaan dan juist in die oogen-blikken, ten einde er vertroosting te vinden ? „Maar,quot; zegt iemand, „gij zoudt toch niet willen, dat ik een loflied zing, wanneer ik zoo bedrukt van hart» ben ?quot; O gewis wensch ik dat! Ik zou wenschen, dat gy u uit de diepte der zee, waar Gods baren en golven over u zijn heengegaan, naar boven zingt. David heeft dat zeer dikwijls gedaan. Hij begon een\' Psalm in de diepte, en langzamerhand verhief hij zich dan al hooger en hooger, totdat hy in ware zielsverrukking was, eer hy nog aan het einde van den Psalm was gekomen. Alle dingen zijn gereed bij uwen Heere, zoo kom dan, of gij al of niet bereid zijt.

Merkt op den tijd wanneer deze waarheid hare macht over u moet doen gelden. Alle dingen zyn nu gereed, zoo komt dan tot de voorraadschuur der goddelijke belofte. Bevindt gij u in een toestand van geestelijke armoede ? Komt, en ontvangt hetgeen God voor u voorzien heeft, want alles is het uwe, en alle de zegeningen der eeuwige heuvelen behooren aan al het volk Gods. Behoeft gij kracht ? Daar is eene belofte; „Uwe kracht zal zyn als uwe dagen.quot; Zij is gereed, komt en ontvangt haar. Hebt gij behoefte aan vertroosting? Weet gij niet, dat alle dingen gereed zyn ter uwer vertroosting, dat twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is, dat God liege, u reeds zijn voorgezet. Komt dan, en neomt uwe vertroosting. Ja gedenkt, dat alles wat God beloofd heeft toebehoort aan allen, die de belofte gelooven, en dat gij dus te allen tijde moogt komen, hoe groot uw nood ook zij, en zoo gij slechts geloof hebt, dan zult gy in uwe bijzondere behoefte op bijzondere wijze voorzien vinden. Alle dingen zijn gereed, zoo komt dan met heilig vertrouwen, en neemt hetgeen rijp genoeg is om te plukken rijp genoeg voor u.

276

-ocr page 296-

ALLE DINGEN ZIJN NU GEREED. KOMT.

Kom tot den troon Oer genade in het gebed, alle dingen zijn daar gereed. De troon der genade is besprenkeld met het dierbaar bloed van Christus. De voorhang is in tweëen gescheurd, en van tusschen de cherubim straalt Jehovah\'s heerlijkheid met het zachtste licht. Laat ons daarom met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der hemelsche genade, omdat daar alle dingen voor den pleitenden smeekeling gereed zijn. Gij behoeft niets mede te brengen. Gij behoeft geene andere toebereidselen te maken dan de Heilige Geest u wil geven in den vorm van onuitsprekelijke zuchtingen. Kom, kind van God, niettegenstaande uwe zorgeloosheid en onverschilligheid, of wat anders het ook zij, waarover gij hebt te klagen, want, hoewel gij niet bereid zijt, de troon der genade is gereed, nader dan tot dien troon, en vind de genade, die gij noodig hebt.

Indien wij heden sterken aandrang in ons bespeuren om gemeenschap te oefenen met Christus, welk een zegen is het dan niet, dat Christus altijd gereed is gemeenschapte oefenen met zijn volk. „Ziequot;, zegt Hij, „Ik sta aan de deur en ik klop.quot; Wij denken, dat wij aan de deur staan en kloppen, maar dit is nauwelijks het geval. Wat ten opzichte van zijn volk méér waar is, is dat Jezus om gemeenschap vraagt met ons, en ons zegt, dat, zoo wij de deur open doen — en dat is alles wat Hij van zyn volk vraagt — Hij in zal komen en avondmaal met ons zal houden, en wij metHem. Gesteld eris geen avondmaal: Hij zal er in voorzien — Hij heeft alle dingen gereed. De Meester zegt; „Waar is de eetzaal?quot; Hij zegt niet: „Waar is het feestmaal?quot; Indien uw hart die eetzaal is, dan zal Hij wel in het avondmaal voorzien, en dan zult gij het avondmaal met Hem houden, en Hij met u. Aan wiens deur heeft, volgens de Schriften, Christus geklopt ? Het was aan de deur dei-gemeente te Laodicea, aan de deur dierzelfde gemeente, waarvan Hij gezegd heeft: „Omdat gij lauw zijt, en noch koud, noch heet, ik zal u uit mijn\' mond spuwen.quot; Daarom, gij arme Laodiceesche geloovige, die u heden morgen hier bevindt, indien gij eenigen aandrang in u bespeurt om tot Christus te gaan , zoo sta op, want alle dingen zijn gereed. Hij is gereed ons aan zijn hart te ontvangen. Hoe liefelijk moest dit ons niet dringen om in Jezus\' armen te vluchten.

Ik geloof, dat diezelfde gedachte in ons op moest komen met betrekking tot onze dagelijksche plichten. Wij ontwaken in den morgen, maar weten niet juist, wat voor ons ligt, want Gods voorzienigheid heeft gedurig nieuwe openbaringen. Maar des morgens is het mij liefelijk te denken, dat alle dingen gereed zijn op den weg des plichts, die door den dag heen gaat, en dat, zoo ik uit wil gaan om God te dienen in mijne bediening, Hij een oor bereid heeft, waarin ik een goed woord kan spreken, en een hart, in welks voren ik met goed gevolg het

277

-ocr page 297-

278 het geoote avondmaal.

goede zaad kan zaaien. Ziet, hoe de gansche voorzienigheid met hare machtige raderen samenwerkt met den dienstknecht van den levenden God. Ga slechts voort, mijn broeder, in het betoenen van ijver en vertrouwen op God, en gij zult bevinden, dat iedere voetstap van uwen weg voor u bereid is. Uw Meester heeft den weg betreden; Hij heeft de huizen aangewezen, waar gij u kunt verkwikken, en waar gij moet verblijven, totdat gij komt tot de hemelsche stad zelve, en de heilige plaatsen, waar gij zyn\' gezegenden naam eere zult toebrengen. Alle dingen zijn voor ons gereed om een nuttig leven in den dienst onzes Heeren door te brengen.

En zoo wij behalve den arbeid van het leven ons ook nog gedrongen gevoelen om te streven naar eene hoogere mate van heiligheid; indien wij wenschen op te wassen in genade en de volle gestalte van een\' mensch in Christus Jezus wenschen te bereiken, dan zijn ook daartoe alle dingen voor ons gereed. Geen Christen kan eene heilige begeerte hebben naar heilig heid, welke de Heere niet bereid is te vervullen. Gy, die als uwen Meester begeert te zijn; gij, die eene zelfopoffering wilt toonen, waardoor de kracht zijner genade in u uitkomt, de Heilige Geest wacht om u te helpen; alle dingen zullen voor u medewerken, want alle dingen zijn gereed. Komt dan zonder vreeze.

Een dezer dagen zal het gebeuren, dat gij en ik öf zeer oud geworden zullen zijn, öf door krankheid zullen worden aangetast, en dan zullen wij op het ziekbed nederliggen, wachtende en uitziende naar de komst onzes Meesters. Dan zal plotseling een bode van zijnentwege verschijnen, die tot ons zal komen met dit woord : „Alle dingen zijn gereed, kom tot het avondmaal,quot; en onze oogen sluitende op de aarde, zullen wij ze openen in den hemel en zien wat Hij gedaan heeft, die zoo liefelijk zeide: „Ik ga heen om u plaats te bereiden. En zoo wanneer ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zoo kome ik weder, en zal u tot mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar ik ben.quot; O ! het zal een heerlijk oogenblik zijn als de oproeping tot ons komt: „Alle dingen zijn gereed, verlaat uw leemen huis, uwe hofstede, uwe koopmanschap, ja zelfs haar, die rust aan uwe borst, want de bruiloft des Lams is gekomen, en gij moet u daar bevinden. Daarom, sta op. geliefde, en kom. De winter is voorbij; de zangtijd genaakt voor u, alle dingen zijn gereed, kom!quot; O hoe gaarne zou ik hier nog bij willen verwijlen, maar ik moet mij als losscheuren van dit onderwerp om tot het volgende punt te komen.

III. Het volkomen gereed zijn van het feestmaal der

goddelijke barmhartigheid, is blijkbaar als een krachtig argument bedoeld voor de zondaren om terstond te ko-

-ocr page 298-

alle dingen zijn nu gereed. komt.

men. Het is dus tot den zondaar, dat ik thans spreken zal.

Ziele, begeert gü het eeuwige leven ? Is er binnen in u een hongeren en dorsten naar zulke dingen, die voldoening schenken aan uw gemoed en u voor eeuwig doen leven ? Zoo luister terwijl de dienstknecht uws Meesters u de uitnoodiginng brengt. „Kom, want alle dingen zijn gereed,quot; — alle, niet sommige, maar alle. Er is niets, dat gij tusschen uw verblijf alhier en uwe komst in den hemel noodig kunt hebben, of het is gegeven in Jezus Christus, in zijn Persoon en in zyn werk. Alle dingen zy\'n gereed; het leven voor uwen dood, vergeving voor uwe zonden, reiniging voor uwe onreinheid, bekleeding voor uwe naaktheid, vreugde voor uwe smart, kracht voor uwe zwakheid, ja, meer dan alles, wat gij ooit kunt behoeven, is weggelegd in de grenzenlooze natuur en het werk van Christus. Gy moet niet zeggen : „Ik kan niet komen, omdat ik dit niet heb, of dat niet bezit.quot; Zyt gij het dan, die den maaltijd moet bereiden ? Moet gij iets in gereedheid brengen ? Moet gij ook maar zoo veel als het zout en het water voor den maaltijd verschaffen ? Gy kent uwen waren toestand niet of gij zoudt zoo iets niet denken. De groote Heer des huizes heeft zelf voorzien in alles wat voor het avondmaal noodig is; gü hebt niets te doen dan te genieten van hetgeen HJj bereid heeft. Hebt gij gebrek ? Zoo kom en neem hetgeen, waaraan gü gebrek hebt. Hoe grooter uw nood, hoe grooter de reden, waarom gij zoudt komen, waar alles, wat gij by mogelijkheid kunt behoeven, u terstond gegeven zal worden. Indien gy zoo arm zijt, dat gij hoegenaamd niets goeds in of aan u hebt: alle dingen zijn gereed. Wat wilt gü nog bijbrengen, als God toch reeds in alles voorzien heeft ? Een overvloed van boosheid zou het zijn, indien de gedachte bij u opkwam, dat gy tot zijn „alle dingenquot; nog iets toe moest voegen. Het zou een vermetel en een verwaand wedijveren zijn met den grooten Koning in het voorzien van het benoodigde, en dit zal Hij niet dulden. Alles wat gij behoeft — ik kan niet anders dan het herhalen — tusschen de] poorten der hel, waar gij u thans bevindt, en de poorten des hemels, waarheen de genade u brengen zal, zoo gij gelooft, — dit alles is voorzien en bereid in Jezus Christus, den Zaligmaker.

En alle dingen zijn gereed; verwilt bij dat woord. De ossen en de gemeste beesten zijn geslacht; en wat meer is, zy zijn gereed om genuttigd te worden. Het is reeds iets, wanneer de koning bevel geeft, om zoo vele ossen voor zulk een\' maaltijd te slachten; maar dan is de maaltijd nog niet gereed. En als de slachtoffers onder de bijl gevallen zijn, en toebereid zijn voor het vuur, dan is er wel iets gedaan, maar zy zyn toch n og niet gereed. Het is wanneer het vleesch rookend en dam-

279

-ocr page 299-

HET GROOTE AVONDMAAL.

pend op de tafel staat, en alles, wat er b;i benoodigd is, ordelijk geschikt en toebereid is voor het feestmaal, dat alle dingen gereed zijn; en dat is thans het geval. Op dezen eigen oogen-blik zult gij het feestmaal in den best mogelijken toestand vinden, het is nooit beter geweest, en het kan nooit beter worden dan het nu is. Alle dingen zijn gereed in den juisten toestand, waarin gij ze noodig hebt, in juist zulk een toestand als het best is voor de vertroosting en de genieting uwer ziel. Alle dingen zijn gereed. Niets behoeft beter of smakelijker gemaakt te worden, alles is in den besten toestand, waarin de eeuwige liefde het kan brengen.

Doch let op het woord „nuquot;, „Alle dingen zyn nu gereed,quot; — thans, op dit oogenblik. Bij feestmaaltijden wordt de goede huisvrouw dikwijls in verlegenheid gebracht, als de gasten laat komen. Het zou haar leed doen, als zij een half uur te vroeg kwamen, maar een half uur te laat bederft alles. En in welk een toestand van kwelling en onrust verkeert zij, wanneer alle dingen nu gereed zijn, terwijl hare vrienden toch nog uitblijven. Laat de spijzen nog voor eene wijle op het vuur, en dan schijnen zi.) niet „nu gereedquot; te zijn, maar iets meer dan gereed, namelijk bedorven. Zoo legt ook de groote Heer des huizes klem en nadruk hierop, dat alle dingen nu gereed zijn, zoo kom dan terstond. Hij zegt niet, dat wanneer gy nog eens zeven jaren wilt toeven, alle dingen dan gereed zullen zijn. God geve, dat gij lang te voren geene overreding meer noodig zult hebben, doordat gij aan het feestmaal reeds deel hebt genomen; maar wèl zegt Hij, dat zij nu gereed zijn. ïhans, op dit oogenblik, nu uw hart zoo zwaar, uw geest zoo zorgeloos is, en uwe gedachten zoo afdwalen — thans zijn alle dingen gereed. Ofschoon gij nooit te voren aan deze dingen gedacht hebt, maar heden hier gekomen zijt terwijl daarbij uwe eigene zaligheid volstrekt niet de drijfveer was, zyn toch thans alle dingen gereed. Ofschoon uwe zonden zoo talrijk zijn als de sterren aan den hemel, en uwe ziel siddert onder het ontzettend voorgevoel van het komend oordeel, zijn nu toch „alle dingen gereed.quot; Na al nwe verwerpingen van Christus, na de menigvuldige uitnoodigingen, die aan u verspild zijn, noodig ik u toch om tot het avondmaal te komen.

En indien alle dingen nu gereed zijn, zoo is het argument dan ook, dat gij nu moet komen, terwijl zij nog gereed zijn. Terwijl de Geest biijft verwylen en nog twist met den mensch; terwijl de poorten der genade nog wyd openstaan, zoodat „een iegelijk, die wil, kan komenquot;; terwijl het leven, en de gezondheid, en uwe geestvermogens nog gespaard bleven, en de stem, die u noodigt te komen, nog gehoord wordt, zoo kom nu, kom terstond -— alle dingen zijn gereed ■— kom! Nu alle dingen gereed zyn, zal uitstel even onredelijk als slecht wezen.

280

-ocr page 300-

alle dingen zijn nu geeeed. komt.

Merk op, dat alle dingen gereed waren voor de genoodig-den. Zij zijn niet gekomen, maar dit was niet wyl zij slechts eene schijnuitnoodiging hadden ontvangen. Het feit, dat alle dingen gereed waren, bewees, dat de uitnoodiging, hoewel zij afgeslagen werd, oprecht gemeend was. Er zijn menschen, die willen, dat wij geene uitnoodiging zullen geven dan aan hen, van wie wij gelooven, dat zij komen zullen; dat wil zeggen, dat zij den leeraar overtollig maken. Waartoe dient het, dat hij eene uitnoodiging brengt aan hen, die reeds begonnen zijn te komen? Wij gelooven integendeel, dat het onze plicht en ons voorrecht is de gansche massa van het menschdom te noodigen; zelfs ook hen, die niet willen komen. Indien wij wisten, dat zu niet willen komen, dan zou ons dit nog niet ontheffen van den plicht hen te noodigen, want de dienstknecht was uitgezonden om diegenen tot de bruiloft te roepen, die zich eenparig begonnen te verontschuldigen. Zij waren genoodigd, dringend genoodigd, en alle dingen waren gereed, ofschoon zij niet kwamen. O waarde hoorders, indien gij niet tot Christus komt, dan zult gij omkomen, maar nooit zult gij kunnen zeggen, dat gij niet genoodigd waart, en dat er niets voor u gereed was. Neen, daar staat het feestmaal bereid en opgedischt, en gij zijt in alle oprechtheid genoodigd te komen en er deel aan te nemen. God geve, dat gij terstond moogt komen.

IV. En nu kom ik tot mijn vierde en laatste punt. Moge God het zegenen tot vertroosting van zoekende zielen. Deze tekst toont het overtollige aan van het spreken

over des zondaars bereid zijn of niet bereid zijn. immers,

indien de reden, waarom de zondaar komen moet, hierin bestaat, dat alle dingen gereed zijn, dan is het nutteloos te zeggen: „Maar ik ben niet gereed.quot; Het is duidelijk, dat alle bereidheid, die van de zijde des menschen vereischt wordt, gelegen is in de bereidwilligheid om te komen en den zegen te ontvangen, dien God hem toebeschikt heeft. Er is niets anders noodig; indien de menschen willen komen, dan mogen zij komen, en dan zullen zij komen. Waar het den Heere behaagd heeft den wil om te buigen, zoodat des menschen begeerte uitgaat naar Christus; waar het hart werkelijk hongert en dorst naar gerechtigheid, daar is al de bereidheid, die noodig is. Al de geschiktheid, die Hij eischt, is, dat gü uwe behoefte aan Hem gevoelt fen dat geeft Hij u) en dat gij, uwe behoefte aan Hem gevoelende, gewillig z;jt te komen. Gewilligheid om te komen is alles. Gewilligheid om in Jezus te gelooven, gewilligheid om op Hem te betrouwen, gewilligheid om Hem aan te nemen zooals Hij is, omdat gij u bewust zijt, dat Hij juist de Zaligmaker is, dien gij behoeft-—- dat is alles. Er was, er kon geeno andore bereidheid zijn bij hen, die arm.

281

-ocr page 301-

HET GROOTE AVONDMAAL.

82

en blind, en kreupel, en verminkt waren, en toch tot het avondmaal kwamen. De tekst zegt niet: „Gij zijt gereed, kom dusquot;; dat is eene wettische manier van het Evangelie voor te stellen; neen, de tekst zegt; „Alle dingen zijn gereed; het Evangelie is gereed, daarom moet gy komen.quot; Wat uwe gereedheid betreft; al de gereedheid, die bij mogelykheid van u verlangd wordt, is de bereidheid, welke de Heilige Geest ons schenkt, de gewilligheid, namelyk, om tot Jezus te komen. Merk nu op, dat de onbereidwüligheid van de genoodigden voortkwam uit hunne bezittingen en hunne bekwaamheden. De een wilde niet komen, omdat hij een\' akker had gekocht. Welk een ontzaggelijke hoop werpt Satan op tusschen de ziel en den Zaligmaker! Van wereldsche bezittingen en goede daden werpt hy tusschen den zondaar en zyn\' Heere een aardwerk op van ontzettend groote afmetingen. Sommige menschen hebben veel te veel akkers om ooit tot Christus te komen: zij denken te veel aan de wereld om veel aan Hem te kunnen denken. Velen hebben te veel akkers van goede werken, waarin een\' oogst groeit, waarop zij zich verhoovaardigen, en die hen doet gevoelen, dat zij voorname lieden zijn. Menigeèn kan niet tot Christus komen voor alle dingen, omdat hy zelf al zoo veel bezit. Anderen konden niet komen, omdat zij zooveel te doen hadden, en het zoo heel goed konden doen — deeenhadvyf juk ossen gekocht, en moest heengaan om ze te beproeven. Hy was een krachtig man, die zeer bekwaam was in het ploegen. De reden, waarom hij niet komen kon, was, dat hij zoo heel bekwaam was. Duizenden worden teruggehouden van de genade door hetgeen zij hebben en hetgeen zy kunnen. Ledigheid is eene betere voorbereiding voor een feestmaal, dan volheid. Hoe dikwijls gebeurt het niet, dat armoede en onbekwaamheid de ziel helpen om tot Christus te komen! Als iemand denkt ryk te wezen, dan zal hy niet tot den Zaligmaker komen. Als iemand zich inbeeldt, dat hij altyd nog wel in staat zal zijn zich te bekeeren en te gelooven, en alles wat noodig is zelf te kunnen doen, dan is het niet zeer waarschijnlijk, dat hij door een eenvoudig geloof op Christus betrouwt. Het is niet wat men niet heeft, maar wat men wèl heeft, waardoor menigeen verre van Christus wordt gehouden. Het zondige eigen-ik is een duivel, maar het eigengerechtige eigen-ik is zeven duivelen. De mensch, die zich schuldig gevoelt, kan wel voor eene wyle door zijne schuldbewustheid van Christus af worden gehouden; maar de eigengerechtige zal nooit komen; voordat de Heere zyn\' hoogmoed nedergeworpen heeft, zal hy weigeren aan het feestmaal der vrije genade aan te zitten. Het bezit van gaven en bekwaamheden, van eer en rijkdom weerhoudt de menschen van tot den Verlosser te komen.

-ocr page 302-

ALLE DINGEN ZIJN Nü GEREED. KOMT.

Maar van den anderen kant is het ook waar, dat iemands persoonlijke toestand hem niet ongeschikt maakt om tot Christus te komen; want de treurige staat van hen, die als gasten aanzaten, heeft hen niet van het avondmaal verwijderd gehouden. Sommigen waren arm, en zagen er ongetwijfeld ellendig en haveloos uit, zij bezaten geen penning. Hunne kleederen waren gescheurd, of wellicht nog erger, zij waren vuil. Die menschen waren niet geschikt om naast deftige lieden aan te zitten, en zullen de tafel van dien aanzienlijken man gewis niet tot eer hebben verstrekt. Maar zij, die uitgingen om hen te halen, liebben hunne zakken niet onderzocht, noch op hunne kleeding acht geslagen. Zij hebben hen eenvoudig ingebracht. Die lieden waren arm; maar de boden hadden bevel ontvangen om de armen in te brengen, en daarom hebben zij hen ingebracht. Hunne armoede stond hunne geschiktheid niet in den weg. O mijne vrienden, indien gij in letterlijken zin arm zijt, of in geestelijken zin, geenerlei soort van armoede kan u ongeschikt maken om Gods genade te ontvangen. Indien gij tot uwen laatsten penning gekomen zijt, ja, indien gij ook dien reeds hebt uitgegeven, en indien gij alles hebt verpand, en over de ooren in schulden steekt, en denkt, dat u niets anders te wachten staat, dan voor altijd in de gevangenis te versmachten, dan moogt gij, zoo arm als gij zijt, toch tot Christus komen.

En wederom anderen waren verminkt, en dezen hadden dus alles behalve een aangenaam voorkomen; een arm was afgehouwen, of een oog uitgestoken. Een ander had zijn\' neus verloren, en nog een ander een been. Zij waren op allerlei wijzen verminkt. Soms wenden wij het hoofd af, en zouden liever alles geven dan bedelaars aan te zien, die hunne wonden toonen, en u met levendige kleuren schetsen, hoe zij verminkt werden. Maar hoe mismaakt zij ook waren, toch werden zij ingebracht, en geen hunner werd afgewezen vanwege de afzichtelijke wonden, die hij in zijn lichaam droeg. Evenzoo, arme ziel, hoa Satan u ook gescheurd en gehouwen heeft, en in icelken toestand hij u ook heeft gebracht, zoodat gij u schaamt te leven, toch maakt dit u niet ongeschikt om te komen. Zoo als gij zijt, moogt gij aan het feestmaal zijner genade aanzitten. Zedelijke verminkingen worden spoedig hersteld, als Jezus de genezing onderneemt. Komt tot Hem, hoe droevig gij ook door de zonde ontsierd zijt.

Er waren ook kreupelen, dat is, er waren menschen, die een been hadden verloren, of die een been hadden, dat hun den dienst weigerde. Dezen konden niet komen, of zy moesten een\' stok of kruk hebben om er naar het feestmaal mede heen te strompelen. Toch was ook dit geene reden, waarom zij niet welkom waren. Ach ! zoo gij het moeielijk vindt te gelooven

283

-ocr page 303-

HET GROOTE AVONDMAAL.

dan is dit geene reden, waarom gij niet zoudt komen om de groote kwijtschelding uwer zonden te ontvangen, die Jezus Christus bereid is u te schenken. Verlamd door twijfel en wantrouwen, zoo kom toch tot het Avondmaal, en zeg; „Heere ik geloof, kom Gij mijne ongeloovigheid te hulp.quot;

Anderen waren hlind, en toen hun gezegd werd te komen, konden zy den weg niet zien; maar in zulk een geval was het den bode niet bevoïen hun te zeggen, dat zij mochten komen, neen, dan moest hij hen inbrengen, en ook een blinde kan komen, als hij geleid wordt. Alles wat zij behoefden, was gewilligheid om zich bij de hand in de rechte richting te laten leiden. quot;Welaan! gij, die het Evangelie niet zoo ten volle kunt verstaan, als gij wel zoudt wenschen; gij die verlegen en in de war gebracht zijt, leg slechts uwe hand in de hand van Jezus, en wees bereid u te laten leiden ; wees bereid te geloo-ven, wat gij niet kunt begrijpen, en met vertrouwen aan te nemen, wat gy met uw verstand nog niet kunt bevatten. De blinden zullen om hunne onwetendheid, hoe groot die ook zij, niet van Jezus afgehouden worden.

En dan waren er ook menschen van de ivegen en heggen. Ik denk, dat dit bedelaars en landloopers waren of wellicht menschen, die zich schuil hielden, waarschijnlijk dieven; maar toch waren zij genoodigd, en ofschoon zij dieven en landloopers waren, heeft dit toch niet belet, dat zij kwamen en welkom werden geheeten. Zij waren het uitschot der maatschappij, geestelijke heidens lieden, om wie niemand gaf; maar, wat zij ook zijn mochten, zij moesten komen, omdat alle dingen gereed waren; komen in hunne lompen, komen in hunne vuilheid, komen verminkt, bedekt met zweren en wonden, komen met al hunne onreinheid en afschuwelijkheid, want, dewijl alle dingen nu gereed waren, moesten zij ingebracht, of gedwongen worden in te komen.

Eindelijk; ik denk, dat het juist datgene was, hetwelk in deze menschen het aanzien had van ongeschiktheid, dat hun eene hulpe is geweest. Het is eene groote waarheid, dat hetgeen wij als ongeschiktheid beschouwen, dikwijls onze ware geschiktheid is. Let op deze armen, die blinden en kreupelen, Sommigen van de genoodigden wilden niet komen, omdat zij een\' akker, of vijf juk ossen gekocht hadden; maar het is duidelijk, dat toen de bode tot den armen, in lompen gehulden man ging en zeide: „Kom tot het auondmaal,quot; deze niet zeide, dat hij een\' akker, of ossen gekocht had, want dat kon hij niet, daar hij geen penning bezat, zoodat die verzoeking voor hem weggenomen was. En wanneer een\' mensch uitgenoodigd wordt om tot Christus te komen, en hij antwoordt: „Ik heb Hem niet noodig, ik heb mijne eigene gerechtigheid,quot; dan zal hij wegblijven. Maar toen de Heere Jezus tot mij kwam,

284

-ocr page 304-

ALLE DINGEN ZIJN Nt7 GEREED. KOMT.

ben ik door die verzoeking niet gekweld geworden, want ik had geene gerechtigheid van mij zelve, en zou er geene hebben kunnen maken, al had ik het ook beproefd. Ik ken sommigen, die geen kleed der gerechtigheid saam kunnen flansen, al zouden zy daartoe ook al hunne lompen bij elkander doen, en dit is eene groote hulpe om den Heere Jezus te ontvangen. Hoe zalig is het om zoodanige bewustheid van armoede dei-ziel te hebben, dat gij om hetgeen gy bezit nooit van Christus weg zuit blijven.

En sommigen konden niet komen, omdat zij eene vrouw getrouwd hadden. Nu denk ik, dat die kreupelen en verminkten zulk een onooglijk voorkomen hadden, dat zij waarschijnlijk geene vrouw hebben kunnen krijgen. Welnu, dan waren zij ook niet in de verzoeking daarom weg te blijven. Zy waren te verminkt en wanstaltig, om iets aantrekkelijks te hebben voor hen, die naar schoonheid uitzagen, en zoo was deze verzoeking voor hen dan ook uit den weg geruimd. Maar aan het avondmaal des Lams vonden zij een eeuwigdurend huwelijk, dat oneindig beter was. Aldus kan men aardsche genoegens en genietingen verliezen, maar door dit verlies het heerlijkste gewin verkrijgen; want aldus worden wij gewillig gemaakt om ons te vereenigen met Christus en inniger vertroosting en hooger genot te vinden. Die verlamming, welke het aanzien had van ongeschiktheid, bleek juist geschiktheid te zijn.

Eéne verontschuldiging luidde: „Ik heb vijf juk. ossen gekocht, en ik ga heen om die te beproeven.quot; De kreupelen konden dat niet doen. Toen de bode den kreupele aansprak en tot hem zeide: „Kom,quot; kon deze niet antwoorden; „Ik ga van avond met myne nieuwe ossen ploegen.quot; Hij was nooit meer over de aardkluiten gegaan sedert hij zijn been had verloren, zoodat hij zich hiermede niet kon verontschuldigen. De blinde kon niet zeggen; „Ik heb een\' akker gekocht, en het is noodig, dat ik uitga, en hem bezievan alle begeerlijkheid der oogen was hij bevrijd, en in zoo ver dus des te meer gereed om tot het Avondmaal geleid te worden. Als de ziel hare eigene zondigheid gevoelt, hare ellende en verloren toestand dan denkt zy ongeschikt te zijn om tot Christus te komen; maar het is veeleer eene hulpe dan eene belemmering, daar het haar belet om op iets anders dan op Christus te zien, alle verontschuldigingen te niet doet, en haar vrij maakt om de zaligheid uit genade aan te nemen.

Doch hoe nu met hen, die van de wegen kwamen? Het komt my voor, dat dezen reeds op weg waren, of ten minste buiten hun huis — indien zij een huis hadden. Indien zij zich daar bezig hielden met bedelen, dan waren zij ook des te meer bereid eene uitnoodiging aan te nemen aan een\' maaltyd te

285

-ocr page 305-

HET GROOTE AVONDMAAL.

komen, want het was juist naar spijs en drank, dat zy verlangden. De mensch, die buiten het huis zijner eigene gerechtigheid is gekomen, is, al ware hij ook de grootste zondaar, in eene gunstiger positie dan hij,die zich op zijne ingebeelde eigene gerechtigheid verhoovaardigt, en er is veel meer waarschijnlijkheid, dat hy tot Christus zal komen.

En wat hun aangaat, die zich onder de heggen bevonden, dezen hadden geene huizen, en bijgevolg zullen zy veel eerder geneigd zijn te komen en Gods huis te vullen. Zoo lang iemand nog een dak boven zyn hoofd heeft — al is het ook het stroodak van eene bouwvallige stulp — zal hij niet onder eene heg gaan slapen. O ! als gy in zóó groote benauwdheid verkeert, dat gij u gaarne onder eene heg zoudt willen verbergen; als u niets overgebleven is dan eene schrikkelijke verwachting des oordeels ; als gij u een verworpene en verstootene gevoelt voor Gods aangezicht, en gelyk Kaïn om moet dolen, dan zyt gij juist de mensch, die tot Christus moet komen. Kom dan te voorschijn van onder uwe heg, want u zoek ik. Al gingtgyuook verbergen, Gods Geest zal uontdekken, en u, naar ik hoop en vertrouw, nog heden te huis brengen, omute voeden en te laven met de liefde Gods. Vertrouw op Jezus Christus, dat is alles wat van u gevraagd wordt. Doe het zooals gü zijt, met al uwe ongeschiktheid en onbereidheid. Ontvang, neem aan wat God voor u bereid heeft, het dierbaar bloed om u te reinigen, een kleed der gerechtigheid om u te bedekken, eeuwige blijdschap om uw deel te zyn. Ontvang de genade Gods in Christus Jezus, o ! ontvang haar thans. God neige uw hart daartoe, om Jezus Christus wil, Amen.

286

-ocr page 306-

HET GliOOÏE AVONDMAAL.

(EENE SLECHTE VERONTSCHULDIGING ERGER DAN GEENE VERONTSCHULDIGING.)

„En zij begonnen allen zich eendrachtelijk te ontschuldigen.

Lukas XIV: 18.

Hetgeen ons in het Evangelie van Christus geschonken is, kan met volle recht vergeleken worden bij een avondmaal, daar het als het ware in den avond der wereld — „in deze laatste dagenquot; gegeven werd. De aanduiding: een groot avondmaalquot; doet de zaak goed uitkomen, zoo wij slechts denken aan de grootte van Gods voorzieningen, aan de vele liefde en barmhartigheid, die God in den Persoon van Jezus Christus aan de menschen heeft geopenbaard, aan de groote macht en de genaderijke werkingen, die Hij door.zijn\' Heiligen Geest heeft betoond. Wy zullen het een groot avondmaal vinden, als wy denken aan het kostelijke der geestelüke spijzen — ja het is een feestmaal, den grooten Koning volkomen waardig. Het vleesch van Jezus is onze geestelijke spijze, en zijn bloed onze kostelijkste wijn. Onze ziele wordt verzadigd met verbondsgoedertierenheden, welke zeer gepast voorgesteld worden als „een maaltijd van vet vol mergs, van reine wijnen, die gezuiverd zijn.quot; Het is ook een groot Avondmaal als wij denken aan het aantal der genoodigde gasten. „Gaat heen in de geheele wereld, predikt het Evangelie aan alle kreaturen.quot; De roepstem des Evangelies komt tot iederen man en elke vrouw, die van Adam geboren is, en zich binnen het bereik bevindt van Gods dienstknechten. Geen ander koning heeft ooit zoo ruime uitnoodigingen rond gezonden. Maar de wysheid roept „aan de zyden der poorten, voor aan de stad, aan den ingang der deuren roept zü overluid: tot u, o mannen! roep ik, en myne stem is tot der menschen kinderen.quot;

Is het niet vreemd, dat toen de heer des huizes zoo groot een avondmaal had bereid, toen hy het aanbood zonder geld en zonder prijs, al zyne naburen zich eendrachtelijk begonnen

-ocr page 307-

HET GROOTE AVONDMAAL.

288

te ontschuldigen ? Hij riep hen niet naar de gevangenis, of tot armoede en ellende; hoe waren zij dan zoo onwillig om aan zijne roepstem gehoor te geven ? Vanwaar die eenstemmige verwerping ? Wij zien dikwijls, dat godvruchtigen onderling verschillen, hoe komt het dan, dat slechte menschen zoo eenstemmig handelen ? Hoe! niet één, die eerbied genoeg heeft voor zijn\' edelinoedigen vriend, om aan te zitten aan zijne tafel en van zyne goedheid te genieten ? Neen, niet één. Voorwaar, myne broeders, hier hebben wij een treffend beeld van de algemeene verdorvenheid van het menschdom. Alle menschen zijn zoo snood om de barmhartigheid Gods af te wijzen. Nooit weten wij, hoe slecht de mensch is, vóórdat hem het Evangelie wwdt gepredikt. Het Evangelie is als een witte achtergrond om de zwartheid van het menschelijk hart te doen uitkomen. Hier bereikt de natuur des menschen de grootste hoogte van den gruwel der zonde. Zijn venijn uitspuwende tegen den Heer der oneindige liefde, betoont de mensch zich in waarheid van het zaad der slang te zijn. Het Evangelie wordt gepredikt aan duizenden, en die allen ontschuldigen zich ? Dat wordt ons door de gelykenis geleerd, en de feiten bewijzen er de waarheid van. Hoe I is er niet één wiens vrye wil hem neigt tot Christus ? Is er niet één, wiens natuurlijke gemoedsgesteldheid zóó goed is, dat hij tot Jezus wil komen ? Neen, de tekst zegt, niet één; „Zij begonnen aHen zich eendrachtelijk te ontschuldigen.quot; Hoe volkomen heeft vader Adam ons verstand bedorven ! Welke dwazen, zoowel als rebellen, zijn wij, om te weigeren aan den maaltijd der liefde deel te nemen. Allen te zamen zijn wij onnut geworden, er is niemand, die God zoekt. Gij zult er mij wellicht aan herinneren, dat, behalve hen, die zich ontschuldigden, ook nog andere menschen waren. Zeer waar, maar dezen waren in de wegen en heggen, of in de stegen en gangen der stad; en zoo zyn zij, die het Evangelie niet hoeren, en er zich dus niet aan schuldig maken het te verwerpen, toch ook ver van God, vervreemd van het burgerschap Israels. Nemen wij dus deze tweeërlei karakters als vertegenwoordigers van geheel hetmenschelyk geslacht, dan bevinden wij, dat zij allen vijanden Gods zyn. Die in de wegen zijn hebben het noodig „gedwongenquot; te worden in te komen. Van nature hadden zy een\' weerzin van een feestmaal aan diens mans tafel, en zoo hebben ook alle soorten van menschen een\' weerzin van het Evangelie. Zij zijn volkomen gewillig om te zondigen — te vreden zelfs om in hunne zonde om te komen ; maar tot Christus te komen, het groote zoenoffer aan te nemen, hun vertrouwen in Jezus te stellen, dat is iets, waar zij niet van houden, niet van willen weten, en zoodra zij het E vangelie hooren, zullen zij zich eendrachtelijk beginnen te ontschuldigen.

-ocr page 308-

eeke slechte veeoktschuldigikg erger dan geene. 289

Wij vreezen, dat heden morgen velen hier zijn, die jaren lang het voorrecht hadden van het Evangelie te hooren, maar dat hun eenig antwoord op de zoo genaderijke boodschap was, dat zij zich ontschuldigen. Ik hoop tegenover dezen zeer eenvoudig en zeer liefderijk te handelen, vurig wenschende, dat zij heden hunne laatste onschuldiging gemaakt zullen hebben, en dat die laatste ontschuldiging den doodslag zal ontvangen. O dat zij tot het feestmaal mochten komen, dat zij zoo lang hebben verworpen, en zich mochten verblijden in de barmhartigheid Gods in Christus Jezus.

Waarom hebben zij zich ontsclmldigd? Laat ons in de eerste plaats hunne handelwijze trachten te verklaren; in de tweede plaats zien, welke verontschuldigingen zij aanvoeren, ze nog eens nagaan; en ten derde opmerken hoe dwaas het was zich aldus te ontschuldigen! — en dus die ontschuldigingen onder de oogen zien.

I. Laat ons trachten het zoo treurige feit te verklarek, dat

de menschen meer bereid zijn zich te ontschuldigen dan

het Woord Gods te ontvangen.

quot;Wij verklaren dit in de eerste door plaats het feit, dat zij hoegenaamd geen lust hadden om naar dit Avondmaal te gaan. Hadden zij de eenvoudige waarheid gesproken, zij zouden gezegd hebben: „quot;Wij wenschen niet te komen, en het is ook volstrekt niet onze bedoeling te komen.quot;\' Indien het hart des men-schen niet zoo bedriegelijk ware, hij zou zich niet ontschuldigen, maar ronduit zeggen: „Wij willen niet, dat deze koning over ons zij. Wij gevoelen niet, dat wij zondig zijn, en daarom willen wij ook geene vergeving aannemen. Wy gelooven, dat wij door onze eigene handelingen onze zaligheid kunnen werken, of, indien niet, dan zullen wij ons lot afwachten. Indien het ons slecht vergaat, dan zal het ook heel veel anderen menschen slecht vergaan. Wij zullen het er maar op wagen. Wij verlangen naar geene zaligheid ; veel liever willen wij volop genieten van de wereld. Uw godsdienst brengt veel te veel zelfopoffering mede ; hij is gansch en al in strijd met de begeerten van onze zinnen, en daarom weigeren wij.quot; Dit ligt op den bodem er van. Sommigen van u, mijne hoorders, hebt dikwijls diepe indrukken ontvangen, en gij zijt ten deele overtuigd geworden van zonde, maar gij hebt ontschuldigingen bedacht en Christus afgewezen. Wilt mü eene wijle met geduld aanhooren, als ik u plechtig verzeker, dat in zijn\'diepsten grond uw hart vyandig is aan God. Uwe ontschuldiging kan wel zeer fraai en billijk schijnen, maar zij Is even armzalig als schoonschijnend. Indien gtj eerlijk waart met uwe eigene ziel, gij zoudt terstond zeggen : „Ik heb Christus niet lief, ik verlang zijne zaligheid niet.quot; Uw uitstellen en verschuiven, uwe valsche beloften, uwe ontschuldigingen hebben geene de minste waarde, men kan ze reeds

19

-ocr page 309-

«KT GROOTE AVONDMAAL.

terstond doorzien, wantzij zijn zeer doorzichtig. Gij zyt een vijand Gods; gij zijt niet verzoend, en gij wilt het niet wezen. Deze waarheid moge u onliefelijk in de ooren klinken ; maar zij is gewis. Moge God u helpen dit te gevoelen, en moge het u voor zijn aangezicht verootmoedigen.

Maar toch, indien zij tot het feestmaal van dien edelmoedi-gen man niet wilden komen, waarom hebben zij het dan niet gezegd. Indien dit de sleutel tot het raadsel was, dat zij hem haatten en zijn feestmaal verachtten, is het dan niet treurig, dat zij niet eerlijk genoeg waren om terstond zijne uitnoodiging af te wijzen? Zij zijn gewis zoo eerlijk niet geweest, en eene reden daarvoor kon hierin bestaan, dat zij met hunne eigene conscientie op goeden voet wenschten te zijn. Zij gevoelden, dat zij verplicht waren te gaan. Hij was iemand, die recht had op hunne beleefdheid. indien al niet op hunne dankbaarheid, en daar zij dus de bewustheid hadden, dat zij gaan moesten, maar toch niet voornemens waren te gaan, namen zij de toevlucht tot ontschuldigingen. Het geweten is een zeer onbeminnelijk nabuur voor hen, die in de zonde leven. Er wordt gezegd van David: „Het geschiedde daarna, dat Davids hart hem sloeg,quot; en het is een zeer harde slag, dien het hart in staat is te geven. Om dien slag nu af te weren, houden de menschen hun schild van ontschuldigingen op. Gij kunt uw geweten, dat de kaars des Heeren is, niet gansch en al uitblusschen, en daarom wilt gij het onder de korenmaat van ontschuldigingen zetten. De dief vreest den wachthond, en daarom werpt hij hem een been toe om hem stil te houden — dat been bestaat hier in ontschuldigingen. Bunyan zegt ons, dat de heer Kegistreerder Conscientie, toen de stad Menschziel door Diabolus veroverd was, soms met zóó luider stemme kon schreeuwen, dat al de inwoners der stad bevreesd werden, en daarom hebben zij hem naar eene zeer duistere plaats gebracht en getracht een\'prop in zijn\' mond te doen, om hem het schreeuwen te beletten; maar dat hij in weerwil van dit alles, van tijd tot tijd de stad in groote onrust kon brengen. Ik weet wat de conscientie tot sommigen van u zegt; zy zegt tot u: „Hoe kunt gü de dingen Gods vergeten ? Hoe kunt gij een spel drijven met de toekomende dingen ? Hoe kunt gü leven, alsof gij nooit denkt te sterven ? Wat zult gij doen, als gij komt te sterven zonder deel te hebben aan den Heere Jezus Christus ?quot; Zoodat gij, om de conscientie voor eene wijle rustig te houden, u ontschuldigt, maar toch volhardt in uwe weigering om tot het avondmaal te komen.

Het kan ook wezen, dat gij u ontschuldigt om aan gewoonte en gebruik te voldoen. Het is in onze tegenwoordige eeuw geen gebruik, om zoo maar lompweg Christus in het aangezicht te be-leedigen. Er zyn niet vele menschen onder uwe kennissen of

290

-ocr page 310-

EENE SLECHTE VERONTSCHULDIGING ERGER DAN GEENE. 291

de mijnen, die openlijk den godsdienst tegenstaan. Uw vader vreest God; uwe moeder is eene zeer godvruchtige vrouw; uwe vrienden gaan op naar Gods huis, en spreken uit eigen ervaring van goddelijke dingen; daarom zoudt gij niet gaarne tot hen zeggen : „Ik wil nooit een Christen worden; de wegen Gods mishagen mij; het plan der vrije en vrijmachtige genade verkies ik niet. Om dus hunne gevoelens te sparen, maakt gij verontschuldigingen. Gij wenscht uwe lieve vrienden niet te grieven, gij vreest, dat, zoo gij eerlyk en rond zeidet, wat er omgaat in uwe ziel, het de grauwe haren uwer moeder met droefenis ten grave zal doen nederdalen, of het hart uws vaders zou doen breken, en zoo maakt gij verontschuldigingen, ten einde hun eene troostrijke hoop te laten behouden, terwijl er, zoolang gij u blijft ontschuldigen. geene hoop voor u is. Wat mij betreft: ik zou veleer wenschen, dat gij uitspreekt, wat er in uw hart is, en zegt: „Ik ben een vijand van Christus; ik geloof zijn Evangelie niet; ik wil Hem niet dienen.quot; Dit zou zeer onaangenaam klinken, maar het zou ten minste toonen, dat er oprechtheid in u is, en dan zouden wij kunnen hopen, dat gij u weldra zoudt buigen onder den wil van Christus. Verontschuldigingen zijn een vloek, en als er u geene meer resten, dan zal er hoop voor u zijn.

Gij maakt deze ontschuldigingen wellicht, omdat gü overtuigingen hebt gehad, die u van tijd tot tijd zóó vervolgen, dat gij Christus niet openlijk durft tegenstaan. Gij zijt uit de kerk naar huis gegaan om te weenen. Uwe binnenkamer is er getuige van, dat gij toch niet gansch en al zonder gebed kunt leven. ïoen gij onlangs eene begrafenis hebt bijgewoond, zyt gij zeer ernstig gestemd te huis gekomen, en gij hebt toen gedacht, dat gü u gewisselijk aan de geboden van Jezus zoudt onderwerpen. Toen gij krank waart en die paar weken alleen in uwe kamer moest doorbrengen, toen hebt gij geloften gedaan en besluiten genomen, maar die besluiten hebben zich opgelost in damp. De tranen komen u in de oogen; gij zyt bijna bewogen een Christen te worden, maar ach! de een of andere booze metgezel brengt u morgen in verzoeking, en, overeenkomstig het aloude spreekwoord, is: „De hond wedergekeerd tot zijn eigen uitbraaksel; en de gewasschene zeug tot de wenteling in het slijk.quot; Ach! hoe dikwijls had ik zeer schrikkelijke overtuigingen van zonde, en heb ik toch gezegd, gelyk Felix tot Paulas: „Voor ditmaal ga heen; en als ik gelegenen tijd zal hebben bekomen, zoo zal ik u tot mü roepen,quot; maar ik kon deze overtuigingen niet smoren door Christus openlijk tegen te staan. Ik wist te veel, en gevoelde te veel om dat te kunnen, en daarom heb ik een verdrag, eene soort van wapenstilstand trachten tot stand te brengen tusschen mijne zielen mijne overtuigingen.

-ocr page 311-

HET GHOOTE AVONDMAAL.

Satan is ook altijd bereid de menschen aan ontschuldigingen te helpen. Dat is hij gewis reeds zeer vroeg begonnen, want nadat onze eerste ouders gezondigd hadden, was een der eerste bezigheden, waarmede zij zich onledig hielden, zich schorten te maken van vijgebladeren, ten einde hunne naaktheid te bedekken. Lees de Schriften, en gij zult zien, dat het maken van verontschuldigingen in gebruik is geweest in alle eeuwen en onder alle klassen van menschen. En tot dat de laatste zondaar door vrye genade behouden zal zijn, zullen de menschen nog altijd hunne ijdele ontschuldigingen in G-ods tempel doen hooren. Indien gij het kanon wilt afvuren, zal Satan u wel altijd ammunitie bezorgen. Als hy denkt, dat eene waarheid zal doordringen tot uw hart, als gij voor u zeiven geene verontschuldiging weet te bedenken, dan zal hij het wel voor u doen. Hij zal zich stellen tusschen u en het kanonschot van Gods Woord om te voorkomen, dat gy er door gewond wordt. Indien het zwaard des predikers te scherp voor u is, en uwe conscientie doet bloeden, dan heeft de booze een satanische pleister, waarmede hij spoedig de wonde zal bedekken.

De natuurlijke eigengerechtigheid van den mensch brengt hem er toe verontschuldigingen te maken. Naar onzen eigen maatstaf zijn wij allen de beste menschen van de wereld. Als wij onze eigene rechters konden zijn, dan zou de uitspraak immer luiden: „Niet schuldig.quot; De zonde, die in een ander zeer ergerlijk zou zijn, is in ons van zeer weinig beteekenis, ja wat in andere menschen verfoeielijk zou wezen, wordt in ons schier lofwaardig, zóó partijdig oordeelen wij over ons zei ven. Daalde zondaar het niet gansch en al goed en recht in zich kan keuren om niet in Christus te gelooven; daar zijne verlichte conscientie hem niet toelaat te zeggen, dat hij gansch en al veilig is, zoolang hij weigert de toevlucht te nemen tot Jezus\' wonden, zal hij verontschuldigingen bedenken om toch nog te kunnen zeggen: „Ik ben rijk en verrijkt,quot; en niet tot de ongelukkige noodzakelijkheid gebracht te worden van uit te roepen : „Ik ben naakt, en arm, en ellendig.quot; Het zondige eigen-ik is zeer moeielijk te overwinnen, maar het rechtvaardige eigen-ik is van die beiden de ergste vijand. Als wjj de menschen er toe kunnen brengen zich schuldig te erkennen, dan spreekt God hen vrij; maar zoo lang de menschen nog met hunne verzachtende omstandigheden komen, is er zeer weinig hoop voor hen. O groote God, onze Meester, scheur weg de ontschuldigingen van eiken zondaar, hier tegenwoordig, en laat hen in hunne eigene bewustheid schuldig staan voor uwen rechterstoel, zoodat zij uitroepen: „O God! wees mij,zondaar, genadigquot;, en vergeving vinden door het bloed van Jezus Christus. Neemt u in acht! o ongodvruchtigen, wacht u van voort te gaan met u te ontschuldigen totdat gij in den afgrond der

292

-ocr page 312-

eene slechte verontschuldiging ergee dan geene. 293

hel zijt gekomen; want weet het wel, als gij eenmaal daar zijt zullen uwe ontschuldigingen er u nooit uitbrengen.

II. Laat ons nu deze ontschuldigingen eens nagaan. Velen willen tot het groote Avondmaal niet komen — willen, om dezelfde redenen, als die in deze gelijkenis werden opgegeven, geene Christenen worden — omdat zij het te druk hebben. Zij hebben een groot gezin — en zü hebben al hun\' tijd noodig om het dagelijksch brood voor al die kleinen te verdienen. Zy hebben eene groote zaak — vele arbeiders in hun\' dienst, en indien zij van des morgens vroeg tot des avonds laat niet overal zelf bij zijn, en alles zelf nagaan, dan gaan de zaken verkeerd. Of wel, zoo zij geene zaken hebben, dan hebben zij allerlei genoegens en vermaken, en dezen vereischen veel tijd — hunne vlinderachtige bezoeken in den morgen kosten vele uren — het afgeven van kaartjes aan de deuren van andere menschen neemt al hun\' vrijen tijd in, en zoo zijn zij wezenlijk nooit in de gelegenheid om over zoo onaangename dingen als dood en eeuwigheid te denken. Op deze ontschul-diging is het nauwelijks noodig, dat ik antwoord, want iedereen weet, dat zij grovelijk onwaar is. Niemand sterft van honger omdat hij geen tijd heeft om te eten. Indien God ons nu tijd gegeven heeft om ons lichaam te onderhouden, dan heeft Hij ons nog zoo veel te meer tijd gegeven om onze ziel te voeden. Ik zie mijne vrienden niet half gekleed op straat; maar wèl zie ik sommigen van hen menig half uur doorbrengen op die speld, of op dat lint. Indien zij nu tijd hebben om hun lichaam te kleeden, dan moet hun voorzeker ook wel tijd gegeven zijn om het kleed der gerechtigheid aan te doen en hunne ziel te versieren. Indien gij geen tijd hebt, dan moet gij uwen tijd verkeerd hebben doorgebracht, want God heeft u tijd gegeven. God geeft u tijd als rentmeester, en indien gij tot uwen Meester zegt: „Ik heb geen tijdquot; dan zal Hij u zeggen: „Ik heb u tijd toevertrouwd, gij moet hem dus voor u zei ven gebruikt, en God beroofd hebben.quot; Een weinig vroeger opstaan, een weinig minder tyd aan tafel — een van die beiden zou u tijd genoeg geven. Gij weet, dat gij tijd hebt, en als gij zegt geen tijd te hebben, dan is die leugen zoo doorzichtig, dat gij er door heen kunt zien. O ziel! als heilige mannen uren kunnen vinden voor het gebed; als zulk een man als Luther, wanneer hij het zeer druk had, placht te zeggen: „Ik moet heden ten minste drie uren hebben voor gebed, anders kan ik niet door mijn werk heen komenquot;, kom gij mij dan niet zeggen, dat gij geen tijd hebt om den Heere te zoeken. Het is daarenboven ook geen zaak van tijd. De zaligheid kan in een oogwenk verkregen worden. Er is leven in een\' blik op den Gekruiste, er is op dit oogenblik levon voor u, en van nu, totdat deze godsdienstoefening voorbij is, is er tijd genoeg voor u om het

-ocr page 313-

HET GROOTE AVONDMAAL.

eeuwige leven aan te grijpen, en Jezus Christus te hebben aangenomen tot zaligheid uwer ziel. Die verontschuldiging gaat dus niet op.

Maar dan nemen zij de toevlucht tot wederom eene andere. Zij zijn te goed. Als ik vrije genade en een\' vollen Christus gepredikt heb, dan heb ik sommigen hooren zeggen: „Dat is eetie goede preek voor het volk, de massa, de onwetenden, de menschen uit „den minderen standquot;; maar wij, achtenswaardige lieden, hebben zulk eene verlossing niet noodig. Vrije genade aan te bieden aan menschen, die noch dronkaards, noch vloekers zijn! Wel het is bespottelijk! Die preek was heel goed voor Magdalena\'s, voor dieven en dergelijken, maar niet voor ons.quot; Neen, gij zijtje goed om behouden te worden; gij hebt geen\' medicijnmeester van noode; want gij zijt gezond. Er zijn spijzen genoeg op uwe eigene tafel; gij behoeft tot dit feestmaal niet te komen. Maar ik bid u, denk eens na, en zie of dit geene vergissing is. Waarin zijt gij met dat al beter dan andere menschen? Indien gij al geene openbare zonde doet, gaan de begeerten uws harten dan toch niet uit naar kwaad? Spreekt uwe tong altijd hetgeen goed en waar is? Indien gij u geene dadelijke zonden herinnert, hoe staat het dan met de zonden van nalaten? Hebt gij de hongerigen gespijzigd? Hett gij de naakten gekleed? Hebt gij de onwetenden onderwezen ? Hebt gij God liefgehad met geheel uw hart, met geheel uwe ziel, en al uwe krachten? Hebt gij Hem alles gegeven wat Hij van u ejscht? Ach! dat kunt gij niet zeggen. Welnu, de volmaaktheid, de heiligheid, die God eischt voor de zaligheid, moet wezen als eene albasten vaas, zonder eenig gebrek, de minste barst, het kleinste vlekje bederft haar. Gij kunt wel zeggen: „Zij is niet erg gebroken, wij hebben haar niet erg beschadigdquot;; ja, maar God wil haar volmaakt hebben, en hoe gering de beschadiging ook zy, die er aan toegebracht werd, gij kunt door uwe goede werken niet in den hemel komen — gij zijt voor eeuwig buitengeworpen. Luister naar deze woorden; „Daarom zal uit de werken der wet geen vleesch gerechtvaardigd worden voor Hemquot;. „Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet om dat te doenquot;, en „Zoo velen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder den vloek.quot; God verlosse u van die onware verontschuldiging.

Wederom anderen zeggen; Wij zijn te slecht om zalig teivor-den. Het Evangelie roept: Geloof in den Heere Jezus Christus, en leef; maar daar kan ik niet mede bedoeld zijn, ik ben een te groot overtreder geweest. Toen ik nog heel jong was, heb ik my al tot het kwade gewend, en van dien tijd af ben ik van kwaad tot erger vervallen. Ach, ik heb God gevloekt; ik heb gezondigd tegen licht en kennis in, tegen de gebeden en tranen mijner moeder in. Ik heb kwaad gesproken van Gods

294

-ocr page 314-

BENE SLECHTE VERONTSCHULDIGING ERGER DAN GEENE. 295

Woord; ik heb zelfs met den naam van zijn\' Zoon. Jezus Christus, gespot. Ik ben te slecht om behouden te worden.quot; Al weder eene slechte verontschuldiging. Indien gij een hoorder des Evangelies geweest zijt, dan weet gij, o zondaar, dat dit niet waar is; want, hoe slecht gij ook zijt, niemand is van wege zijne slechtheid van Christus buitengesloten. „Alle zonde en lastering zal den mensch vergeven worden.quot; De uitnoodigin-gen des Evangelies blijven niet staan bü een zeker punt van zonde, integendeel, zij schijnen zich het eerst tot de ergste zondaars te richten. Wat heeft de Heiland gezegd? „Begintte Jeruzalem.quot; Maar, Heere, daar wonen de menschen, die U gekruisigd hebben. „Begint te Jeruzalem.quot; Maar, Heere, het was te Jeruzalem, dat zij uw bloed hebben vergoten, dat zij U gesmaad hebben, dat zij met uwe gebeden hebben gespot. „Begint te Jeruzalemquot;; — het ergste het eerst. Juist zooals gedurende een\' veldslag de heelmeester het eerst de zwaarst gewonden behandelt. Hier is iemand, die een\' vinger verloren heeft. O, laat deze nog maar wachten, daar zal ik later wel naar zien. Maar hier is iemand anders, die een arm of been verloren heeft, en het bloedverlies is zóó groot, dat zoo hij niet terstond verbonden wordt, hij gewis moet doodbloeden, en daarom neemt de doctor hem het eerst onder handen. O gij groote zondaars, gij die weet en gevoelt, bekende en beruchte overtreders te zijn geweest, ik bid u, maakt u niet nog daarenboven schuldig aan de groote zonde van dit als eene verontschuldiging te gebruiken om niet tot Christus te komen; integendeel, beschouwt het als eene reden, waarom gij terstond de toevlucht tot Hem moet nemen. Hoe meer onreinheid, hoe grooter behoefte aan reiniging; hoe meer krank, hoe grooter behoefte aan den geneesmeester, hoe meer hongerig, hoe meer welkom een goed voorziene disch. Komt tot Jezus zooals gij zijt, met al uwe zonden: „Al waren zij als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.quot; Geen vorm van denkbare of ondenkbare zonde kan bij mogelijkheid een slagboom zijn voor eens menschen zaligheid, zoo hy slechts in den Heere Jezus Christus wil gelooven.

En dan komt nog eene andere ontschuldiging: „Ik zou heden morgen wel gaarne mijne ziel aan Christus toe willen vertrouwen, maar ik gevoel mij niet in een\' geschikt en gemoedstoestand om op Christus te vertrouwen. Ik heb die bewustheid niet van zonde, welke ik geloof eene geschikte voorbereiding te zijn om tot Christus te komen.quot; Ach! mijn hoorder, dit is eene ontschuldiging, die er heel fraai uitziet, maar toch is zij niet waar. Er wordt geene geschiktheid vereischt, eer gij op Christus moogt vertrouwen. Wat uw tegenwoordige toestand ook zij, zoo gij aan Jezus Christus uwe ziel toevertrouwt, dan zijt gij terstond

-ocr page 315-

HET GROOTE AVONDMAAL.

verlost en behouden; uvve zonden zijn u vergeven; gijzyteen kind van God geworden; gij zijt aangenomen in den Geliefde. Waar leest gij in de Schrift van geschiktheid voor Christus? Waren de dooden, die Jezus opgewekt heeft, geschikt om opgewekt te worden? Ach! Martha zeide van haren broeder; „Heere! hij riekt nu al, want hij heeft vier dagen aldaar gelegen.quot; Was er in Lazarus eenigerlei geschiktheid om op te staan uit de dooden? En toch zeide Jezus: „Lazarus, kom uit!quot; Zegt het Evangelie: „Hij, die in een\' zekeren toestand is, en dan gelooft, zal zalig wordenquot;? neen, maar „Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden.quot; Hoe is mij bevolen voor u te prediken? Moet ik zeggen: „Een iegelijk, die dit gevoelt, kan komen?quot; neen, maar: „Die wil, kome, en neme het water des levens om niet.quot; Zijt gij gewillig om Christus te hebben? Dan moogt gü Hem hebben, want Christus is even toegankelijk voor ieder nooddruftig zondaar, als de fontein in de straten toegankelijk is voor alle dorstige voorbijgangers. Vertrouw op Jezus, al ware uw hart ook zoo hard als graniet — Hij kan het verteederen. Vertrouw op Hem, al is uwe conscientie ook in slaap geraakt; of al zijn al uwe geestvermogens ook verdorven — vertrouw op Hem. Hetis zijne zaak, zijn werk, u heilig te maken, en niet uwe zaak — vertrouw op Hem om het voor u te doen. Hij wordt genoemd Jezus, omdat Hij zijn volk zalig maakt van hunne zonden. Vertrouw op Hem om uw bederf te overwinnen, uw boos humeur te dooden, uwen wil te onderwerpen, uw hart te verteederen, uwe conscientie te verlichten, uwe liefde te doen ontvlammen — vertrouw op Hem voor dat alles. O! wees toch niet zoo dwaas om te zeggen: „Ik ben te krank om den doctor te laten komen; als ik beter wordt, als ik mij beter ga voelen, dan zal ik om hem zenden.quot; Zeg niet: „Ik ben zoo zwart; als ik mij reiner gevoelde, dan zou ik mij wasschenquot;; neen, wasch u, omdat gij zwart zijt; ga tot den grooten Geneesmeester o?»-dat er geene gezondheid in u is. Er is in u niets dan wonden en etterbuilen, laat daarom uw geloof uwe genezing gansch en al toevertrouwen aan Hem.

En hier is wederom een ander: „Ach! ik zou mijne ziel weigaarne aan Christus toevertrouwen, maar het schijnt te heerlijk en kostelijk om waar te kunnen zijn, dat God mij zoo maar terstond zou verlossen. Weinig weet gij, waar ik gisterenavond geweest ben, of wat ik gisteren gedaan heb. Gij weet niet, wie ik ben; gij weet niet hoe slecht ik geweest ben; en gij zegt mij, dat ik, zoo ik op Jezus Christus vertrouw, zalig zal worden. Ach leeraar! het is te groot om waar te kunnen zijn. Ik kan het my niet voorstellen,quot; Waarde vriend, wilt gij Gods koren met uwe maat meten? Omdat] u die zaak zoo verbazingwekkend toeschijnt, moet zij daarom ook verbazingwekkend

206

-ocr page 316-

EEKE SLECHTE VERONTSCHULDIGING ERGER DAN GEENE. 297

zyn voor Hem ? Maar indien nu zyne gedachten zoo hoog boven uwe gedachten zijn, als de hemelen hooger zijn dan de aarde ? Is dit het niet, wat Hij in de Schrift zegt ? Ik weet wel, dat gij het moeielijk vindt uwen medemensch te vergeven, maar mijn Vader, myn God, kan u zeer gemakkelijk vergeven. Hij schept als God; Hij maakt niet slechts eenige insecten, of hier en daar eene ster, neen, dit groot heelal heeft Hij geformeerd, en Hij strooit de hemelbollen met beide zijne handen. Wanneer de Heere dus komt om vergiffenis te schem ken, dan zijn het niet kleine zonden of beuzelachtige overtredingen, die Hij vergeeft en voorbijziet, neen, de gansche massa der zonde wordt in een oogenblik door Hem gereinigd, alle zonde en lastering worden in een oogwenk door Hem achter zijn\' rug geworpen. Ach! geloof toch dat God God is, en niet iemand zooals gü zijt; geloof, dat Hij machtig is grootere dingen te doen, dan waaraan gij ooit zoudt hebben kunnen denken. Vertrouw op Hem, vertrouw thans op Hem, en hoe heerlijk de dingen ook zijn, gij zult bevinden, dat zij waar zijn; en hoe groot zij ook mogen wezen, zij u geschonken zullen worden.

Maar nu hoor ik iemand zeggen : „Het is voor mij nog te vroeg om te komen: laat mij eerst nog iets van de wereld mogen zien. Ik ben nog nauwelijks vijftien of zestien jaren oud. Er is voor mij nog tijd genoeg.quot; Gij zijt wel eens op het kerkhof geweest. Wordt u dan niet op menigen grafsteen gezegd, dat er velen zijn, die vijftien of zestien jaren niet te vroeg vonden; want zie, op dien leeftijd werden zy weggenomen en opgeroepen om van hun leven op aarde rekenschap af te leggen. Te vroeg! Is het ooit te vroeg om gelukkig te zijn ? Indien de godsdienst u ongelukkig maakte, dan zou ik u kunnen aanraden, om hem tot het allerlaatste oogenblik uit te stellen; maar daar in Christus te zün wil zeggen gelukkig te wezen, kunt gij niet te spoedig in Hem wezen. Ik heb aan menig sterfbed gezeten, en over veel zaken leedwezen en berouw hoo-ren uitdrukken ; maar nooit heb ik een Christen hooren zeggen dat het hem spijt te vroeg bekeerd te zyn geworden. Ik heb vele jonge bekeerden als leden der kerk aangenomen; maar nooit heb ik een hunner hooren zeggen, dat zü het betreurden, zoo vroeg reeds door Gods genade te zyn geroepen. Indien ik ter dood was veroordeeld, en iemand zou mij van wege de koningin komen zeggen, dat mij pardon wordt verleend, dan zou ik niet achten, dat die tijding mij te spoedig gebracht wordt. De toorn Gods blijft op u — kan het te vroeg zijn er aan te ontkomen? Gij zijt het voorwerp van dagelijksche verzoekingen, en doet dagelijks toe tot uwe zonde — kan het te vroeg zijn om een nieuw hart en een\' rechten geest te ontvangen ?

Anderen roeien in eene tegenovergestelde richting, en zeggen :

-ocr page 317-

HET GROOTE AVONDMAAL.

verlost en behouden; uwe zonden zijn u vergeven; gijzyteen kind van God geworden; gij zijt aangenomen in den Geliefde. Waar leest gij in de Schrift van geschiktheid voor Christus? Waren de dooden, die Jezus opgewekt heeft, geschikt om opgewekt te worden? Ach! Martha zeide van haren broeder; „Heere! hij riekt nu al, want hij heeft vier dagen aldaar gelegen.quot; Was er in Lazarus eenigerlei geschiktheid om op te staan uit de dooden? En toch zeide Jezus: „Lazarus, kom uit!quot; Zegt het Evangelie; „Hij, die in een\' zekeren toestand is, en dan gelooft, zal zalig wordenquot;? neen, maar „Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden.quot; Hoe is mij bevolen voor u te prediken? Moet ik zeggen; „Een iegelijk, die dit gevoelt, kan komen?quot; neen, maar: „Die wil, kome, en neme het water des levens om niet.quot; Zijt gij gewillig om Christus te hebben ? Dan moogt gü Hem hebben, want Christus is even toegankelijk voor ieder nooddruftig zondaar, als de fontein in de straten toegankelijk is voor alle dorstige voorbijgangers. Vertrouw op Jezus, al ware uw hart ook zoo hard als graniet — Hij kan het verteederen. Vertrouw op Hem, al is uwe conscientie ook in slaap geraakt; of al zijn al uwe geestvermogens ook verdorven — vertrouw op Hem. Het is zyne zaak, zijn werk, u heilig te maken, en niet uwe zaak — vertrouw op Hem om het voor u te doen. Hij wordt genoemd Jezus, omdat Hij zijn volk zalig maakt van hunne zonden. Vertrouw op Hem om uw bederf te overwinnen, uw boos humeur te dooden, uwen wil te onderwerpen, uw hart te verteederen, uwe conscientie te verlichten, uwe liefde te doen ontvlammen — vertrouw op Hem voor dat alles. O! wees toch niet zoo dwaas om te zeggen; „Ik ben te krank om den doctor te laten komen; als ik beter wordt, als ik mij beter ga voelen, dan zal ik om hem zenden.quot; Zeg niet; „Ik ben zoo zwart; als ik mij reiner gevoelde, dan zou ik mij wasschenquot;; neen, wasch u, omdat gij zwart zijt; ga tot den grooton Geneesmeester om-dat er geene gezondheid in u is. Er is in u niets dan wonden en etterbuilen, laat daarom uw geloof uwe genezing gansch en al toevertrouwen aan Hem.

En hier is wederom een ander; „Ach! ik zou mijne ziel weigaarne aan Christus toevertrouwen, maar het schijnt te heerlijk en kostelijk om waar te kunnen zijn, dat God mij zoo maar terstond zou verlossen. Weinig weet gij, waar ik gisterenavond geweest ben, of wat ik gisteren gedaan heb. Gij weet niet, wie ik ben; gij weet niet hoe slecht ik geweest ben; en gij zegt mij, dat ik, zoo ik op Jezus Christus vertrouw, zalig zal worden. Ach leeraar! het is te groot om waar te kunnen zijn. Ik kan het mij niet voorstellen,quot; Waarde vriend, wilt gij Gods koren met uwe maat meten? Omdat] u die zaak zoo verbazingwekkend toeschijnt, moet zij daarom ook verbazingwekkend

296

-ocr page 318-

EEKE SLECHTE VERONTSCHULDIGING ERGER DAN GEENE. 297

zün voor Hem ? Maar indien nu zijne gedachten zoo hoog boven uwe gedachten zijn, als de hemelen hooger zijn dan de aarde? Is dit het niet, wat Hij in de Schrift zegt? Ik weet wel, dat gij het moeielijk vindt uwen medemensch te vergeven, maar mijn Vader, mijn God, kan u zeer gemakkelijk vergeven. Hij schept als God; Hij maakt niet slechtseenigeinsecten, of hier en daar eene ster, neen, dit groot heelal heeft Hij geformeerd, en Hij strooit de hemelbollen met beide zijne handen. Wanneer de Heere dus komt om vergiffenis te schenken, dan zijn het niet kleine zonden of beuzelachtige overtredingen, die Hij vergeeft en voorbijziet, neen, de gansche massa der zonde wordt in een oogenblik door Hem gereinigd, alle zonde en lastering worden in een oogwenk door Hem achter zijn\' rug geworpen. Ach! geloof toch dat God God is, en niet iemand zooals gy zijt; geloof, dat Hij machtig is grootere dingen te doen, dan waaraan gij ooit zoudt hebben kunnen denken. Vertrouw op Hem, vertrouw thans op Hem, en hoe heerlijk de dingen ook zijn, gij zult bevinden, dat zij waar zijn; en hoe groob zij ook mogen wezen, zij u geschonken zullen worden.

Maar nu hoor ik iemand zeggen : „Het is voor mij nog te vroeg om te komen: laat mij eerst nog iets van de wereld mogen zien. Ik ben nog nauwelijks vijftien of zestien jaren oud. Er is voor mij nog tijd genoeg.quot; Gij zyt wel eens op het kerkhof geweest. quot;Wordt u dan niet op menigen grafsteen gezegd, dat er velen zijn, die vijftien of zestien jaren niet te vroeg vonden; want zie, op dien leeftijd werden zy weggenomen en opgeroepen om van hun leven op aarde rekenschap af te leggen. Te vroeg! Is het ooit te vroeg om gelukkig te zijn ? Indien de godsdienst u ongelukkig maakte, dan zou ik u kunnen aanraden, om hem tot het allerlaatste oogenblik uit te stellen; maar daar in Christus te zyn wil zeggen gelukkig te wezen, kunt gij niet te spoedig in Hem wezen. Ik heb aan menig sterfbed gezeten, en over veel zaken leedwezen en berouw hoo-ren uitdrukken ; maar nooit heb ik een Christen hooren zeggen dat het hem spijt te vroeg bekeerd te zijn geworden. Ik heb vele jonge bekeerden als leden der kerk aangenomen; maar nooit heb ik een hunner hooren zeggen, dat zü het betreurden, zoo vroeg reeds door Gods genade te zijn geroepen. Indien ik ter dood was veroordeeld, en iemand zou mij van wege de koningin komen zeggen, dat mij pardon wordt verleend, dan zou ik niet achten, dat die tijding mij te spoedig gebracht wordt. De toorn Gods blijft op u — kan het te vroeg zijn er aan te oDtkomen ? Gij zijt het voorwerp van dagelyksche verzoekingen, en doet dagelijks toe tot uwe zonde — kan het te vroegzijn om een nieuw hart en een\' rechten geest te ontvangen ?

Anderen roeien in eene tegenovergestelde richting, en zeggen :

-ocr page 319-

HET GROOTE AVONDMAAL.

„Helaasquot; het is te laat.quot; De duivel zet eerst de klok achter en zegt, dat het te vroeg is, en als hij daar zyn doel niet mede bereikt, dan zet hij haar vóór, en zegt: „Het uur is om, de dag der genade is voorbij; de poort der genade is gesloten, gij kunt niet meer binnen komen.quot; Laat ons hem terstond van antwoord dienen. Zoolang de mensch nog op aarde is, is het nooit te laat voor hem om in Jezus te gelooven. Zoolang de levenslamp nog brandt, zal de snoodste zondaar, die zich bekeert, Christus gereed vinden om hem te ontvangen. Er zijn menschen bekeerd, toen zij al den leeftijd van honderd jaren hadden bereikt. Er zyn voorbeelden vermeld van menschen, die de honderd jaren reeds voorbij waren, en kinderen van Jezus Christus zijn geworden! Hoe oud zijt gij ? Hebt gtf het dorre blad van den tachtigjarigen leeftijd bereikt ? Ach! gij hebt vele zonden ! maar welk een triomf der genade zal het wezen, wanneer die tachtig jaren van zonde in een oogwenk uitgewischt zullen zijn ! Ik zeg u: al waart gij zoo oud als Methusalach, en al hadt gij in elk jaar van dat lange leven even veel zonden, als gij nu reeds bedreven hebt in deze tachtig jaren, zoo is de genade van Jezus Christus toch genoeg, om die allen weg te doen. Uwe zonden kunnen zich opstapelen als bergen, maar de liefde van Christus kan, evenals Noach\'s zondvloed, nog twintig el hooger stijgen, en de toppen der bergen bedekken. Het is niet te vroeg; het is niet te laat. Geen van deze verontschuldigingen heeft ook maar de minste waarde, ofschoon velen er zich zeiven mede misleiden.

En wederom een ander zegt: „Ik zou wel in Christus gelooven, maar ik iveet niet, of ik tot Gods uitverkorenen behoor. Het is de leer der uitverkiezing, die my benauwt en in de war brengt. Als ik wist, dat ik uitverkoren ben, dan zou ik op Christus betrouwen.quot; Dat is — indien God u zyne verborgenheden bloedt legt, dan zult gij Gods wil doen, en dus moet de Almachtige zich aan uwe voorwaarden onderwerpen, en dan zult gy doen, wat Hij van u eischt. Gij zult aan de tafel des mans komen, als hij u eerst in zijne binnenkamer, in zijn geheim vertrek brengt, en zijne schatten toont! Dat zal hij echter niet doen. Hoe dwaas is zulk gepraat over de verkiezing. De leer der uitverkiezing is eenegroote, dierbare waarheid, maar nooit kan zij eene geldige reden zijn, waarom de mensch niet in Christus gelooft. Gij zijt heden krank, en de doctor komt bij u. „Daar,quot; zegt hij, „is de medicijn, ik sta er voor in, dat gij zult genezen, zoo gij haar inneemt.quot; „Doctor,quot; zegt gij, „ik zou die medicijn terstond innemen, maar ik weet niet, of ik wel voorbeschikt ben om die koorts te boven te komen. Indien ik voorbeschikt ben om in het leven te blijven, dan zal ik de medicijn gebruiken; maar ik moet het eerst weten. „Hoor eens,quot; zegt de doctor, „als gij die medicijn niet inneemt, dan zijt gij voorbeschikt om

298

-ocr page 320-

EENE SLECHTE VERONTSCHULDIGING ERGER DAN GEENE. 299

te sterven.quot; En ik zeg u: zoo gij niet wilt gelooven in Jezus Christus, dan zult gij, wie gij ook zijn moogt, verdoemd worden, maar dan zult gy er de schuld niet van kunnen geven aan de uitverkiezing; gij zelf zijt er de schuld van. Een man is over boord gevallen; er wordt hem een touw toegeworpen. „Ik zou dat touw wel willen grijpen,quot; zegt hij, „alleen maar, ik weet niet, of ik niet voorbeschikt ben om te verdrinken.quot; Dwaas! hij zal met eene leugen in den mond naar den bodem der zee gaan. Wij zeggen niet: „Ik zou wel aan tafel willen gaan; maar Ik zal heden toch niet eten, want ik weet niet, of ik wel voorbeschikt ben om heden een middagmaal te hebben.quot; In de dingen van het dagelijksch leven zeggen wij zulke dwaasheden niet, waarom dan wèl met betrekking tot den godsdienst ? Als de menschen geene andere verontschuldiging meer weten, dan grijpen zij naar de mysteriën Gods en gebruiken ze als een sluier om hun aangezicht te bedekken. O waarde vrienden, gij moet weten dat, schoon God een verkoren volk heeft, zoo kan dit, waar Hij u gebiedt in Christus te gelooven, geene verontschuldiging voor u zijn, als gij het gebod niet gehoorzaamt: Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden.quot; Al deze verontschuldigingen zou ik niet afzonderlijk kunnen noemen; ik zal u dus ten besluite op nog slechts op twee wijzen.

„Als ik in Christus ging gelooven.quot; zegt iemand, dan zou ik na korten tijd weder even slecht wezen als te voren. Ik zou voor eenigen tyd misschien eenige beterschap toonen, maar ik zou toch weder teruggaan, en dus dient het nergens toe om op Christus te vertrouwen.quot; Dat beteekent, myn vriend; Jezus Christus zegt, dat Hij u, zoo gij op Hem betrouwt, zal verlossen ; gij zegt, dat zoo gij op Hem betrouwt, Hij u niet zal verlossen. Daar komt het op neer. Jezus Christus belooft, dat Hij u, zoo gij op Hem betrouwt, zal verlossen van uwe zonden; gij zegt: Neen, ik zou teruggaan naar mijne zonden, en even slecht wezen als ooit te voren.quot; Wat moet ik nu gelooven — uwe verontschuldigingen, of zijne belofte? Wel. gewis! Christus\' belofte! „Maar ik heb het al eens beproefd,quot; zegt iemand. Zeer waarschijnlijk hebt gij dit gedaan, maar Christus heeft het niet beproefd, want indien Hij het had beproefd, dan zou Hij geslaagd zijn. „Maar ik heb wel eenigen tijd volgehouden.quot; Ik wil wel gelooven, dat gij volhield; maar indien Christus u had aangegrepen, Hy zou u nooit hebben loslaten. Als gij Christus tracht vast te 1 louden, dan zult gij Hem wel spoedig loslaten, maar als Jezus u aangrijpt, dan zegt Hij: „Ik geef mynen schapen het eeuwige leven, en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal ze uit mijne hand rukken.quot; Indien gy groótelijks op Christus hadt betrouwd, Hij zou u niet hebben laten worden wat gy geweest zijt

„Ik kan niet op Christus betrouwen,quot; zegt iemand, „ik kan

-ocr page 321-

HET GROOTE AVONDMAAL.

800

niet in Hem gelooven.quot; Gij spreekt Latijn, broeder, gij spreekt La-tyn. Ik zal dat woord voor u vertalen. Het beteekent: „Z/cwjü niet.quot; Als gij zegt: „Ik kan niet, dan beteekent het: „ik wil niet;quot; en als uw leeraar zegt: „Gij kunt niet,quot; dan meent hü : „gij wilt niet,quot; want hij bedoelt niet, dat gij een natuurlijk onvermogen hebt, maar wel, dat gij een zedelijk onvermogen hebt, welke veroorzaakt is door uwe liefde voor de zonde — eene moedwillige onbekwaamheid. Iemand zond eens zijn\' knecht naar zekere stad om eenige zaken te halen, en hij kwam terug zonder ze mede te brengen. „Waarom zijt gy er niet heen gegaan ?quot; Ik kwam aan eene rivier. Mijnheer, eene zeer diepe rivier. Ik kan niet zwemmen, en ik had geene boot, en zoo kon ik niet aan de overzijde komen.quot; Dat was eene goede verontschuldiging, niet waar ? Het scheen zoo; maar het bleek eene zeer slechte verontschuldiging te zijn, want zijn meester zeide: „Is daar geen veer?quot; „Ja, mijnheer.quot; Hebt gy den veerman gevraagd u over te zetten ?quot; „Neen, mijnheer.quot; Die verontschuldiging was dus niets dan een verzinsel ! Zoo zijn er ook vele dingen met betrekking tot onze zaligheid, die wij niet kunnen doen. Dat is zoo; maar ziet gij, er is een veer! De heilige Geest is er, die machtig is alles te doen, en gij herinnert u den tekst: „Indien dan gü, die boos zijt, weet uwen kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal uw Vader, die in de hemelen is, goede gaven geven dengenen, die ze van Hem bidden ?quot; Het is waar, gij kunt u zeiven geen nieuw hart maken; maar hebt gij gevraagd om een nieuw hart, hebt gij er in oprechtheid om gevraagd ? Hebt gij Christus gezocht ? Indien gij zegt: „Ja, ik heb Christus in oprechtheid gezocht, maar Christus heeft my niet willen verlossen welnu, dan zijt gij verontschuldigd; maar nooit is er eene ziel geweest, die dat in waarheid heeft kunnen zeggen. Er is nooit een zondaar geweest, die Christus zoekende, omkwam, en nooit zal er zulk een zondaar zijn. Indien uw hart in oprechtheid uitgaat naar de verlossing, die in Christus Jezus is, dan kunnen hemel en aarde voorbijgaan; maar Christus zal u niet uitwerpen, zoo lang zijn woord stand houdt: „Die tot my komt zal ik geenszins uitwerpen.quot; „Maar toch kan ik niet op Christus vertrouwen,quot; zegt gij. Hierin verschil ik met u — verschil ik met ieder ontwaakt zondaar. Ik ben het met u eens, indien gij mij mijne eigene overzetting laat van dat woord: „kan niet,quot; namelijk dat het beteekent, dal gij melt; ; maar als het woord in zijne gewone beteekenis genomen moet worden, dan ben ik het volstrekt niet eens met u. Gesteld eens, gy gelooft, dat ik een eerlijk man ben ; zou het dan billijk in u wezen te zeggen: „Ik kan u niet gelooven?quot; Indien gij gelooft, dat ik een leugenaar ben, dan kan ik het begrijpen, dat gy mij niet kunt vertrouwen; maar als gij aanneemt, dat ik

-ocr page 322-

eene slechte veeontschuldiging erger dan geene. 301

niet in staat ben te liegen, en gij gelooft toch niet wat ik u zeg, dan zijt gij een leugenaar. Welnu, gij gelooft, dat Christus niet liegen kan; gij zijt niet als degenen, die met het karakter van Christus onbekend zijn, en daarom weet gij, dat Hij totgeene onwaarheid in staat is — en dan zegt gij, dat gij Hem niet kunt gelooven. Daar Jezus Christus niets dan waarheid kan spreken, kan het voor niemand moeielyk zijn te gelooven wat Hy zegt. Indien de Heilige Geest u genoeg licht heeft gegeven om te weten, dat Christus de waarheid is, dan geloof ik, dat gy ook genoeg macht hebt om te gelooven wat Christus zegt. Ik weet, dat dit Gods gave is, maar u bid ik de macht te gebruiken, die Hij u gegeven heeft. Als Christus ten laatsten dage op den rechterstoel zal gezeten zijn, zult gij Hem dan zeggen, dat gij Hem niet kunt gelooven ? Zult gy dit durven zeggen, als zijne vlammende oogen u door en door zullen zien ? „Heilige Christus, ik heb op U niet kunnen betrouwen ! O Gij volmaakt waarheidlievende Zaligmaker, ik heb U niet kunnen gelooven ! Ik heb U verdacht, ik heb aan U getwijfeld !quot; „Waarom hebt gij aan Mij getwijfeld? Wat reden heb Ik u daarvoor gegeven? Waarom dacht gij, dat Ik een leugenaar ben ? Waarin heb Ik ooit mijne beloften geschonden ? Wanneer ben Ik van de waarheid afgeweken ?quot; „Die God niet gelooft,quot; zegt Johannes, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, dewijl hü niet geloofd heeft het getuigenis, dat God getuigd heeft van zyn\' Zoon.quot; O denk hieraan, en gebruik nooit deze verontschuldiging meer. In plaats van te zeggen: „Ik kan niet gelooven,quot;. zeg: „Ik kan God tot geen\' leugenaar maken, daarom moet ik gelooven; ik weet, dat God geen leugenaar is — daarom moet ik op zijn\' Zoon Jezus Christus betrouwen.

Ik heb nu enkele dier verontschuldigingen genoemd, en wellicht zult gij er nog andere verzinnen, gij, die niet behouden wilt worden. De Geest van God alleen is machtig uwen wil aan Christus te onderwerpen, en daarom zal ik ten besluite nog enkele woorden spreken over het derde punt.

III. Hoe dwaas is het zulke verontschuldigingen te maken. Want gedenk, ten eerste, wie het is, met wien gij te doen hebt. Gij komt met die verontschuldigingen niet bij een\' mensch, die bedrogen kan worden, maar bij God, die de harten doorgrondt. Waarde hoorders, laat mij u ernstig over dit punt mogen spreken. Gij weet, dat God dit alles doorzien kan — waarom gebruikt gij dan zulke doorzichtige sluiers? Belijdt thans voor Hem uwe dwaasheid: „Heere ik ben vijandig geweest; Heere. ik had een\' afkeer van uwen Zoon, Jezus Christus, en daarom heb ik deze verontschuldigingen bedacht. Vergeef mij; ik zie, hoe dwaas ik geweest ben, geef, dat ik nooit meer aldus moge handelen.quot;

-ocr page 323-

HET GROOTE AVONDMAAL.

En wederom: herinner u wat het is, waarmede gij beuzelt. Het is uwe eigene ziel, de ziel, die nooit kan sterven. Gij beuzelt met een\' hemel, dien gij nooit zien zult, indien gij voortgaat met zulke verontschuldigingen te maken. Zondaar, gij beuzelt met de hel, die, indien gij blijft, wat gij nu zyt, uw nimmer eindigend deel zal wezen. Kunt gij spelen met het vuur der hel? Kunt gij een spel maken van den hemel? Kunt gtl lachen met het bloed van Jezus? Dit is het wat gü doet, als gij aldus hinkt op twee gedachten. Indien gij volstrekt dwaas wilt zijn, zoo zoekt iets, dat goedkooper is dan dit, om mede te spelen. O mijne vrienden, indien gij u wilt vermaken, zoo vermaakt u ten koste van wat anders. Wilt gij zalig worden, zoo luistert naar de muziek des hemels! Wilt gij verloren gaan, luistert naar het gekerm der hel! Dit zijn geene dingen waarvan gij u een spel kunt maken. Zegt, terwijl gij hier nog zit — ik bid God, dat Hij u zal helpen het te zeggen, eer gij dit kerkgebouw verlaat — „Heere, ik heb gebeuzeld met de eeuwigheid, ik heb liever beuzelachtige verontschuldigingen gemaakt, dan uwe liefde aan te nemen in Christus. Ik heb gebeuzeld met den hemel en met de hel, geef, o Heere, dat hier een einde aan moge komen, dat ik van nu aan ü moge liefhebben en op U moge betrouwen.quot;

En wederom: gedenk, dat deze verontschuldigingen er weldra gansch anders zullen uitzien. Hoe zult gij verontschuldigingen maken, als gij komt te sterven? — en sterven moet gij. Als de dood u heeft aangegrepen, als de krachtige man bezwykt, als men het doodzweet van uw voorhoofd wischt, als het floers van den nacht des doods uwe oogen bedekt^ wat zult gü dan van deze verontschuldigingen denken? Het zou kunnen wezen, dat gij dan in brandenden toorn tegen u zeiven zyt ontstoken, omdat gij zoo schromelijk lichtvaardig met uwe ziel hebt gehandeld. Wat zult gij met uwe verontschuldigingen doen, als gij voor den rechterstoel staat? Hot bazuingeschal wordt gehoord, gij komt te voorschijn uit uw graf en staat te midden van myriaden om geoordeeld te worden. De boeken worden geopend, en Christus spreekt uw oordeel uit: — „Gaat weg, gij vervloekten, in het eeuwige vuur.quot; Zullen uwe verontschuldigingen u dan vertroosten? Zult gij dan in staat zijn te zeggen: „Heere, het was te vroeg; Heere, het was te laat; Heere, ik was een te groot zondaar om in Jezus te gelooven, of wel, ik had geen\' Zaligmaker van noodequot;? Ach! als de bazuin wordt geblazen, als de hemelen in vlam staan, als de zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed, en de sterren zullen vallen als bladeren van den wijnstok, dan zult gij wel iets anders te doen hebben dan verontschuldigingen te maken. Dan zult gij weenen en rouwklagen van wege uwe zonde; en als gij in de hel wordt geworpen, wat

302

-ocr page 324-

EENE SLECHTE VERONTSCHULDIGING ERGER DAN GEENE. 303

zult gü dan met uwe verontschuldigingen doen? Geschreven met letters van vuur, zult gij als een reusachtigen boog boven uw hoofd zien: „Gij hebt uwen plicht gekend, maar hem niet volbracht.quot; En met eene donderstem, luider dan de bazuin dei-opstanding, zullen deze woorden tot u komen: „Dewijl Ik geroepen heb, en gijlieden geweigerd hebt; mijne hand uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte .... zoo zal Ik ook in ulieder verderf lachen. Ik zal spotten, wanneer uwe vreeze komt; wanneer uwe vreeze komt, gelijk eene verwoesting, en uw verderf aankomt als een wervelwind; wanneer ubenauwdheid en angst overkomt.quot; O moge de Heere zich ontfermen over u, die u ontschuldigt, en er u toe brengen om thans op Jezus te zien. Thans, zeg ik, want de Schrift zegt: „Nu is het de welaangename tijd, nu is het de dag der zaligheid.quot; Het eenige middel om aan uwe ontschuldigingen een einde te maken is op Christus te zien. Daar hangt de bloedende Heiland aan het kruis, daar lijdt Hij, opdat de zonde zou worden vergeven. Zie op Hem, betrouw op Hem, en gij zult zalig worden. Mijn hoorder, in den naam van God breng ik u thans deze uitnoodi-ging, dit gebod: vertrouw uwe ziel aan Jezus, den Zone Gods, die voor de zonde heeft geleden, en gij zult zalig worden. Doch houdt dit in gedachtenis: aan deze zijde des grafs zal ik u wellicht nooit wederzien, maar op Gods grooten dag zal ik u ontmoeten, en zoo gij Christus niet hebt aangenomen, en op Hem niet hebt betrouwd, dan ben ik rein van uw bloed. Gü hebt het Evangelie gehoord; or is u gezegd, zooals gij zyt op Jezus te betrouwen; er is u verzekerd, dat Hij volkomenlijk zalig kan maken degenen, die tot Hem komen. Gij zijt uitge-noodigd te komen, en nu zal uw verderf op uw eigen hoofd zijn, zoo gij niet komt. O moge de Geest Gods deze dingen toepassen op uwe ziel! Moge Hij wezen als een vuur en als een hamer in uwe ziel: als een vuur om te smelten, als een hamer om te verbreken, en mocht gü heden met een verbroken hart Christus aannemen tot uwen Zaligmaker, beide nu en voor eeuwig. Amen.

-ocr page 325-

HET GllOOTE AVONDMAAL.

(DWING ZE IN TE KOMEN.)

„Dwing ze in te komen.quot; Lukas XIV: 23.

Ik gevoel my heden zóó gedrongen om uit te gaan en gehoorzaam te zijn aan dit gebod, en diegenen te dwingen in te komen, die nu nog in de wegen en de heggen verwijlen, dat ik my niet kan ophouden, met eene inleiding en maar terstond met de zaak moet beginnen.

Hoort dan, o gij, die nog vreemdelingen zijt voor de waarheid, gelijk zij is in Jezus — hoort de boodschap, die ik u heb mede te deelen. Gü zijt gevallen, gevallen in uwen vader Adam; gü zijt ook gevallen in u zeiven door uwe dagelijksche zonde en voortdurende ongerechtigheid. Gij hebt den Allerhoogste tot toorn verwekt, en zoo gewisselyk als gij hebt gezondigd, zoo gewisselijk moet God u straffen, indien gij in uwe ongerechtigheid volhardt, want de Heere is een God des rechts, en zal den schuldige geenszins onschuldig houden. Maar hebt gÜ niet gehoord, is het niet voor lang in uwe ooron gesproken, dat God in zijne oneindige genade een middel heeft bedacht, waardoor Hij, zonder te kort te doen aan zijne eer, zich over u, die schuldig zijt, en zonder eenige verdienste, kan ontfermen ? Tot u spreek ik, en mijne stem is tot der menschen kinderen: Jezus Christus, God uit God, is nedergekomen van den hemel in gelijkheid des zondigen vleesches. Ontvangen van den Heiligen Geest, geboren uit de Maagd Maria, heeft Hij in deze wereld een leven geleefd van voorbeeldige heiligheid en het schrikkelijkste lijden, totdat Hij zich overgegeven heeft om voor ons te sterven, Hij, „de Rechtvaardige voor de onrecht-vaardigen, opdat hij ons tot God zou brengen.quot; En thans isu het plan der verlossing eenvoudig blootgelegd — „Eeniegelyk, die in den Heere Jezus Christus gelooft, zal zalig worden.quot; Aan u, die alle de geboden Gods hebt overtreden, die zijne genade hebt versmaad en zijne wrake hebt getart, aan u wordt toch nog genade verkondigd, want, „een iegelijk, die den naam des

-ocr page 326-

dwing ze in te kómen.

Heeren zal aanroepen, zal behouden worden.quot; „Want dit is een getrouw woord en aller aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste benquot;; „die tot Hem komt, zal Hij geenszins uitwerpen,quot; want „Hij kan volkomen zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, daar Hij altijd leeft om voor ons te bidden.quot; Alles wat God nu van u vraagt — en dit geeft Hij u te doen — is, dat gij eenvoudig ziet op zijn\' bloedenden, lijdenden Zoon, dat gij uwe ziel beveelt in de handen van Hem, die alleen machtig is van den dood en de hel te verlossen. Is het geene verwonderlijke zaak, dat de verkondiging van het Evangelie niet aller menschen blijdschap en tevredenheid opwekt? Men zou gedacht hebben, dat, zoodra dit Evangelie gepredikt werd, „Dat een iegelijk, die gelooft, het eeuwige leven heeftquot; een iegelijk van u zijne zonden en zijne ongerechtigheden van zich afwerpende, Jezus Christus zou aangrijpen om alleen op zijn kruis te zien. Maar helaas! de boosheid onzer natuur is zóó groot, dat deze boodschap wordt geminacht, de uitnoodiging tot het feestmaal des Evangelies wordt verworpen, en velen van u vijanden Gods zijn door uwe booze werken, vijanden van den God, die u heden Christus laat prediken, vijanden van Hem. die zijn\'Zoon gezonden heeft om zijn leven te geven tot een rantsoen van velen. Het is vreemd, ik herhaal het, dat dit zoo is, maar toch! het is een feit; en vandaar de noodzakelijkheid van het gebod, vervat in mijn\' tekst, — „Dwing ze in te komen.quot;

Kinderen Gods, gij, die hebt geloofd, tot u zal ik heden weinig of niets hebben te zeggen. Ik begeef mij terstond aan het werk; ik wend mij tot hen, die niet willen komen, tot hen, die in de wegen en heggen zijn, en God met mij zijnde, is het thans mijn\' plicht zijn gebod te volbrengen, — „Dwing ze in te komen.quot;

Daartoe moet ik u in de eerste plaats vinden, u ontdekken, en in de tweede plaats aan het werk gaan om u te dwingen in te komen.

I. Ten eerste, ik moet tr vinden of ontdekken. Indien gy de verzen leest, die den tekst voorafgaan, zult gij de uitbreiding vinden van dit gebod: „Ga haastelijk uit in de straten en wijken der stad, en breng de armen, en verminkten, en kreupelen en blinden hier inquot;; en daarna: „Ga uit in de wegenquot;: breng de landloopers, de stroopers en struikroovers; „en heggenquot;; breng hen in. die geene plaats der ruste hebben voor hun hoofd, en zich onder de heggen ter ruste leggen, breng ook dezen in. ja, „dwing ze in te komen.quot; Ja, ik quot;zie u heden morgen, gij diearmzijt. Ik moet u dwingen in te komen. Gij verkeert in armoedige omstandigheden, maar dit is geen slagboom, die u belet het koninkrijk der hemelen binnen te

305

20

-ocr page 327-

MÉT GROOTË AVONDMAAL.

gaan, want God heeft den mensch niet van zijne genade uitgesloten, die in lompen gekleed is en beeft van koude, en broodsgebrek hteft. Indien er eerig onderscheid gemaakt is, dan is dit onderscheid in uw voordeel — „Totu is het woord dezer zaligheid gezonden.quot; „Want den armen wordt het Evangelie verkondigd.quot; Doch ik moet inzonderheid spreken tot u, die geestelijk arm zijt. Gü hebt geen geloof; gü hebt geene deugd; gij hebt geen goed werk; gij hebt geene genade, en wat nog erger armoede is, gij hebt geene hoop. Ach, mijn Meester heeft u eene vriendelijke uitnoodiging gezonden. Komt, en weest welkom tot het bruiloftsmaal zijner liefde. „Die wil kome, en neme het water des levens om niet.quot; Komt, u moet ik aangrijpen en niet loslaten; al hebt gij u met het vuilste slijk verontreinigd, en al hebt gij niets dan lompen aan het lijf, en al ware uwe eigene gerechtigheid als vuile lompen geworden, zoo moet ik u toch het eerst uitnoodigen en zelfs dwingen in te komen.

En nu zie ik u nogmaals. Gij zijt niet slechts arm, gij zijt ook verminkt. Er was een tyd, toen gij dacht uwe eigene zaligheid te kunnen werken, zonder daarbij Gods hulp te behoeven; toen gij goede werken kondet doen; godsdienstplechtigheden kondet waarnemen en door u zeiven wel in den hemel dacht te komen. Maar nu zijt gij verminkt; het zwaard der wet heeft uwe handen afgehouwen, en gü kunt niet langer werken. Gy hebt alle macht verloren om gehoorzaam te zün aan de wet; gij gevoelt dat het kwade u bijligt, als gij het goede zoudt willen doen. Gy zjjt verminkt; gy hebt alle pogingen om u zeiven zalig te maken als eene ydele hoop opgegeven, omdat gij verminkt zyt, geene handen hebt. Maar gij zyt er nog erger aan toe, want zoo gy door uwe werden den hemel al niet kondet bereiken, zoo kondet gü toch door het geloof op den weg gaan, die er henenvoert; doch gij zijt verminkt in uwe voeten, zoowel als in uwe handen. Gy gevoelt niets te kunnen gelooven, u niet te kunnen bekeeren, aan het gebod des Evangelies niet te kunnen gehoorzamen. Gij gevoelt u gansch en al in het verderf gestort, volkomen machteloos om iets te doen, dat Gode welbehagelijk is. Opk tot u ben ik gezonden. Voor uwe oogen moet ik de banier van het kruis opheffen, aan u moet ik dit Evangelie prediken: „Al wie den naam des Heeren aanroept zal zalig wordenquot;; u moet ik toeroepen; „Die wil, kome, en neme het water des levens om niet.quot;

Er is nog eene andere klasse van menschen. Gi] zyt kreupel. Gy hinkt op twee gedachten. Soms zijt gij ernstig gestemd, en op een\' anderen tyd laat gij u door wereldsche vermaken afleiden. De kleine vordering, die gy maakt in den godsdienst, is slechts een hinken. Gy hebt een weinigje kracht, maar het

SÓ6

-ocr page 328-

DWtNG ZË IN TE KOMEN.

is zóó weinig, dat gij slechts met moeite en niet zonder pijn vooruit komt. O mijn hinkende broeder, ook tot u is het woord der zaligheid gezonden. Ofschoon gij hinkt op twee gedachten, zendt de Meester mij toch tot u met deze boodschap: „Hoe lang hinkt gü op twee gedachten? Indien de Heere God is, dien Hem.quot; Overdenk uwen weg; geef bevel aan uw huis, want gij zult sterven en niet leven. Omdat Ik u dan dit doen zal, zoo schik u, ,0 Israël! om uwen God te ontmoeten. Bhjf niet langer hinken, maar neem eene beslissing voor God en zyne waarheid.

En wederom eene andere klasse: — de blinden. Ja, gy, die u zeiven niet zien kunt; die denkt goed te zijn, terwijl gó vol zyt van kwaad; die het bittere tot zoet stelt, en het zoete tot bitterheid; die duisternis tot licht stelt, en het licht tot duisternis; tot u bon ik gezonden. Gy, blinde zielen, die uwen verloren toestand niet ziet, die niet gelooft, dat de zonde zoo schrikkelijk zondig is, als zy is, en niet bewogen wilt worden te denken, dat God een rechtvaardig God is, tot u ben ik gezonden. Ook tot u, die den Zaligmaker niet kunt zien, die geene schoonheid in Hem ziet, dat gij Hem zoudt begeeren; die geene voortreffelijkheid ziet in deugd, geene heeriykheid in den godsdienst, geene zaligheid in het dienen van God, geen genot in zijne kinderen te zijn; ook tot u ben ik gezonden. Jatotwien ben ik volgens mijn tekst niet gezonden? Want hy gaat nog verder — hij geeft niet slechts eene bijzondere aanduiding, zoodat in elk bijzonder geval is voorzien, hy omvat daarna een ruimer, wyder kring, en zegt: „Ga in de wegen en heggen.quot; Hier komen wy tot alle rangen en standen van menschen. De edelman te paard op den grooten weg, en de vrouw, die moeieiyk voortstrompelt om hare zaken te gaan verrichten ; de dief, die zich in hinderlaag legt om den reiziger te overvallen — alle dezen zijn in de wegen, en zij worden gedwongen in te komen. En daar ginds onder de heggen liggen arme schepselen, wier toevlucht der leugen weggevaagd is, en die thans eene schuilplaats trachten te vinden voor hun vermoeid hoofd, ook tot u zy\'n wy heden gezonden. Hetalgemeene gebod luidt: dwing ze in te komen.

Na aldus het karakter beschreven te hebben, toef ik eene wyie om op den herculischen arbeid te zien, die vóór mij ligt. Wèl heeft Melanchton gezegd: „De oude Adam was te sterk voor den jongen Melanchton.quot; Even goed zou een kindeke een\' Simson zoeken te dwingen, als ik zou trachten een\' zondaar naar het kruis van Christus te leiden. En toch zendt mijn Meester mij uit met deze boodschap. Ach! ik zie den grooten berg voor mij der menschelijke verdorvenheid en der stompzinnige onverschilligheid, maar door het geloof roep ik: „Wie zyt gü, o groote berg ? Voor het aangezichte van Zerubbabel

807

-ocr page 329-

het gèoote avondmaal.

zult gij worden tot een vlak veld.quot; Zegt mijn Meester: dwing ze in te komen? Al is dan de zondaar als Simson en ik als een kindeke, zoo zal ik hem toch vermogen te leiden. Als God zegt; doe het, en ik beproef het in het geloof, dan zal het gedaan ivordeu. En als ik heden met een zuchtend, woistelend en weenend hart zondaren tracht te dwingen tot Christus te komen, dan zal de liefelijke drang des Heiligen Geestes elk woord vergezellen, en zoo zullen sommigen in waarheid gedwongen worden te komen.

II. En nu het werk. Mannen en vrouwen, die met bekeerd, niet verzoend, niet wedergeboren zijt, ik moet u dwingen in te komen. Vergunt mü u ten eerste staande te houden op de wegen der zonde, en u mijne boodschap over te brengen. De Koning des hemels zendt u heden morgen eene genaderijke, vriendelijke uitnoodiging. Hij zegt; „Zoo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heere, zoo Ik lust heb in den dood des goddeloozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddelooze zich bekeere van zijn\' weg en levequot;; „Komt dan en laat ons samen rechten, zegt de Heeee; al waren uwe zonden als scliai-laken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.quot; quot;Waarde broeder, mijn hart is verblijd bij de gedachte, dat ik u zulk eene goede tijding heb te brengen, en toch beken ik, dat mijne ziel bezwaard is, omdat ik zie, dat gij niet acht, dat het eene goede tijding is, maar er u van afwendt, en er niet behoorlijk acht op slaat. Vergun mij u te zeggen, wat de Koning voor u gedaan heeft. Hij kende uwe schuld; Hij voorzag, dat gij u in het verderf zoudt storten. Hij wist, dat zijne gerechtigheid uw bloed zou eischen, en om nu aan die moeielijkheid te ontkomen, en opdat aan zijne gerechtigheid ten volle voldaan wierd, en gij toch verlost en zalig zoudt kunnen worden, is Jezus Christus gestorven. quot;Wilt gij voor een oogenblik uw oog richten op dit tafereel? Gij ziet in dien hof van Gethsémané dien Man op zijne knieën, wien groote droppelen bloedig zweet woiden uitgeperst. Gij ziet vervolgens dezen Lijder gebonden aan een pilaar om gegeeseld te worden met een\' ontzettenden geesel, die zijn vleesch verscheurt. En zie nu op dit derde tafereel; het is dezelfde Man, hangende aan het kruis, waaraanHyaan handen en voeten vastgenageld is, stervende, kermende, bloedende. Het is mij alsof dat beeld sprak, en als hoorde ik Hem zeggen ; „Het is volbracht.quot; Dit alles nu heeft Jezus Christus van Nazareth gedaan, opdat God, zonder aan zijne gerechtigheid te kort te doen, de zonde zou kunnen vergeven, en zoo luidt heden morgen de boodschap aan u — „Geloof in den Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden.quot; Dat is; vertrouw op Hem, doe afstand van uwe werken, en stel uw hart alleen op dezen Man, die zich voor zondaren heeft gegeven.

308

-ocr page 330-

DWING ZE IN TE KOMEN.

Welaan, broeder, ik heb u de boodschap gebracht, wat is nu uw gevoelen hieromtrent? Gij zegt mij, dat het uniet aangaat; gij kunt er niet naar luisteren, gij zult mij later wel eens hoeren, als gij gelegenen tijd zult bekomen hebben, maar heden zult gij uws weegs gaan om uwen akker of uwe koopmanschap te verzorgen. quot;Wacht een oogenblik, broeder, er werd my niet bevolen u dit slechts te zeggen en dan heen te gaan. Neen, er is mij gezegd, dat ik u moet dwingen in te komen, en vergun mij, eer ik verder ga, u te doen opmerken, dat er één ding is, dat ik u kan zeggen — en God is heden myn getuige, dat ik ernstig en vurig verlang, dat gij Gods gebod zult gehoorzamen. Gij kunt uwe eigene zaligheid wel verachten, maar ik veracht haar niet. Gij kunt heengaan en vergeten wat gij zult hooren; maar gij zult u herinneren, dat hetgeen ik thans zeg, mij menige zucht gekost heeft, eer ik hier kwam om het uit te spreken. Van uit den diepsten grond mijns harten spreek ik tot u, mijn arme broeder, als ik u smeek bij Hem, die leeft, en die dood geweest is, en thans eeuwig leeft: neem toch de boodschap in overweging, die mijn Meester mij heden tot u laat brengen.

Doch versmaadt gij haar ? Weigert gij steeds haar te ontvangen ? Dan moet ik voor een oogenblik een anderen toon doen hooren. Ik zal u niet bloot de boodschap zeggen, en u met allen ernst en oprechte liefde uitnoodigen — ik zal verder gaan. Zondaar, in den naam Gods beveel ik u, dat gij u bekeert en gelooft. Vraagt gij mij, aan wien ik mijn gezag ontleen ? Ik ben een gezant des hemels. Mijne geloofsbrieven zyn, sommigen verborgen, en in mijn eigen hart, en anderen heden openbaar voor uwe oogen in de zegelen mijner bediening, die zich in deze plaats onzer bijeenkomst bevinden, waar God mij vele zielen tot mijn loon gegeven heeft. Daar de eeuwige God mij de opdracht gegeven heeft zijn Evangelie te prediken, gebied ik u tegelooven in den Heere Jezus Christus, niet op mijn eigen gezag, maar op het gezag van Hem, die gezegd heeft: „Gaat heen in degeheele wereld, predikt het Evangelie aan alle kreaturen,quot; ener deze plechtige bekrachtiging aan heeft toegevoegd: „Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn zal zalig worden, maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.quot; Wijs mijne boodschap af, maar gedenk ; „Als iemand de wet van Mozes heeft te niete gedaan, die sterft zonder barmhartigheid, onder twee of drie getuigen: hoeveel te zwaarder straf, meent gij, zal hij waardig geacht worden, die den Zone Gods vertreden heeft.quot; Een gezant staat niet beneden den mensch met wien hij onderhandelt. Als de leeraar zijne roeping begrijpt, dan zal hij, omgord zijnde met de almacht Gods en gezalfd met zijne heilige zalving, de menschen bevelen, en hen met gezag dwingen in te komen: „Bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid.

309

-ocr page 331-

HET GEOOTE AVONDMAAL.

Maar keert gij u af; zegt gü, dat gij geen gebod wenscht te ontvangen? Dan zal ik wederom een anderen toon doen hoeren. Mocht ook dit niet baten, dan zullen alle andere middelen beproefd worden. Mijn broeder, ik kom tot u met eenvoudige woorden, en ik vermaan u tot Christus te vluchten. O broeder, weet gij welk een liefdevolle Christus Hy is ? Laat mij u van uit mijne eigene ziel mededeelen wat ik van Hem weet. Ook ik heb Hem eens veracht. Hij heeft geklopt aan de deur myns harten, en ik heb geweigerd haar open te doen. Ontelbare malen is Hij tot mij gekomen, eiken morgen, iede-ren avond; Hij heeft mij weerhouden door mijne conscientie, en tot my gesproken door zün\' Geest, en toen eindelijk de donder der wet zich in mijne conscientie deed hooren, toen dacht ik, dat Christus wreed en onvriendelijk was. Nooit kan ik het myzelven vergeven, dat ik zoo slechte gedachten van Hem koesterde. Maar welk eene liefdevolle ontvangst viel mij te beurt, toen ik tot Hem ging. Ik dacht, dat zijne slaande hand mij zou treffen, maar neen, Hij heeft in genade zijne handen tot mij uitgestrekt. Ik dacht, dat zijne oogen in vlam-menden toorn op mij gericht zouden zü\'n ; maar neen ! zy stonden vol tranen. Hij viel my om den hals en kuste mij; Hij nam my mijne lompen af, en bekleedde mij met zijne gerechtigheid en deed myne ziel zingen van vreugde, terwijl er in het huis myns harten en in het huis zy\'ner kerk gezang en gerei was, omdat zijn zoon, dien Hy\' had verloren, was gevonden, en hij, die dood was, levend was gemaakt. Ik vermaan u dan op Jezus Christus te zien en verlicht te worden. Zondaar, nooit zult gü het betreuren, nooit zal er een wensch in uwhartzijn om terug te gaan tot uwen toestand van] veroordeeling; gü zult uitgaan uit Egypte en ingaan in het Beloofde Land, en zult het bevinden over te vloeien van melk en honing. De beproevingen van het Christelijk leven zult gy wel zwaar vinden, maar gij zult ervaren, dat Gods genade ze licht maakt. En wat aangaat de biydschap en zielsverlustiging van een kind Gods te zijn, indien ik heden lieg, zult gij mij in de toekomst daarvan kunnen beschuldigen. Indien gij wilt smaken en zien, dat de Heere goed is, dan vrees ik niet, dat gij Hem niet goed zult vinden, integendeel, ik ben er van overtuigd, dat gij Hem beter zult vinden dan menschelijke lippen Hem ooit kunnen beschrijven.

Ik weet niet welke argumenten ik by u moet gebruiken. Ik zal een beroep doen op uw eigenbelang. O mijn arme vriend, zou het niet beter voor u zijn met den God des hemels verzoend te zijn, dan zijn vijand te wezen ? Welk gewin is er voor u in uw tegenstaan van God? Maakt het ugelukkigzyn vijand te zijn ? Antwoord, o gy, die wereldsch genot najaagt, hebt gij in dien beker wezenlijk genot gevonden? Antwoord

S10

-ocr page 332-

DWING ZE IN TE KOMEN.

311

mij, o eigengerechtige, hebt gy in al uwe werken rust gevonden voor het hol van uwen voet ? O ik smeek u, gij die op uwe eigene gerechtigheid vertrouwt, laat toch uw geweten spreken. Hebt gy bevonden, dat dit een gemakkeiyke weg is om te bewandelen ? Ach mijn vriend, „waarom weegt gij geld uit voor hetgeen geen brood is, en uwen arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan ? Hoor aandachtelijk naar Mij, en eet het goede, en laat uwe ziel in vettigheid zich verlustigen.quot; Ik vermaan u by alles wat heilig en plechtig is, bü alles wat van groot gewicht en eeuwig is, vlucht om uws levens wil, zie niet achter u om, sta niet op deze gansche vlakte, sta niet stil totdat gij deel hebt verkregen aan het bloed van Jezus Christus, het bloed, hetwelk reinigt van alle zonde. Zijt gij toch nog koud en onverschillig ? Wil de blinde mij niet veroorloven hem naar het feestmaal te leiden ? quot;Wil mijn verminkte broeder zijne hand op mijn\' schouder niet leggen en mij vergunnen hem te helpen om aan den feestdisch te komen ? Zal de arme mij niet toelaten naast hem te loopen ? Moet ik nog sterker woorden bezigen ? Moet ik nog andere drangredenen gebruiken, om u te dwingen in te komen? Zondaars, ééne zaak heb ik heden vast besloten : indien gij niet verlost wordt, dan zult gij u met niets kunnen verontschuldigen. Gij allen, van den grijsaard tot den jeugdige van jaren, indien gij heden Christus niet aangrijpt, zal uw bloed op uw eigen hoofd wezen. Indien er in een\' mensch kracht onvermogen is om zijn\'medemensch in te brengen (en die kracht is er, als die mensch geholpen wordt door den Heiligen Geest) dan zal, zoo God mij zyne hulpe verleent, die kracht heden aangewend worden. Komt, ik zal mij door uwe weigering niet laten afwijzen. Indien mijne vermaning niet helpt, dan moet ik iets anders doen. Myn broeder ik SMEEK u, ik smeek u, sta stil en denk eens na. Weet gij wat het is, dat gij heden verwerpt? Gy verwerpt Christus, uwen eenigen Zaligmaker. „Niemand kan een ander fondament leggen;quot; „Er is ook onder den hemel, geen andere naam, die onder de menschen gegeven is, door welken wij moeten zalig worden.quot; Mijn broeder, ik kan het niet dragen, dat gij dit doet, want ik gedenk wat gij vergeet, nl., dat er een dag komt, wanneer gij een\' Zaligmaker noodigzult hebben. Het zal niet zoo lang duren, eer de moeizame maanden voorby zijn, uwe kracht begint af te nemen, uwe pols ophoudt te kloppen, uwe sterkte van u geweken is, en gü den dood in het aangezicht zult hebben te zien. Hoe zult gij het zonder Verlosser maken in de verheffing van de Jordaan ? Zonder den Heere Jezus Christus zijn doodbedden zeer hard. De dood is altijd iets ontzaggelijks; hij die de kosteiykste hoop en het triomfanteiykst geloof heeft, vindt, dat de dood geene zaak is om mede te lachen. Het is schrikkelijk om over te

-ocr page 333-

HET GEOOTE AVONDMAAL.

gaan van hetgeen gezien wordt, naar hetgeen niet gezien wordt, van het sterfelijke naar het onsterfelijke, van den tijd naar de eeuwigheid; en gij zult het zwaar vinden door de ijzeren poorte des doods heen te gaan zonder de liefelijke engelenvleugelen, om u naar de voorportalen des hemels te dragen. Het zal schrikkelijk zijn zonder Christus te sterven. Ik kan niet anders dan aan u denken. Ik zie, hoe gij heden morgen zelfmoord pleegt, en ik stel mij voor, dat ik sta aan uw leger en uwe kreten hoor, en weet dat gij sterft zonder hoop. Ik kan dat niet dragen. Mij dunkt ik zie u, terwijl gij op uw doodbed nederligt, ik zie uwe verstijfde trekken en zeg; „Deze man heeft Christus versmaad en op de groote zaligheid geen acht geslagen. Ik weet wat bittere tranen ik zou weenen, indien ik dan dacht, dat ik niet getrouw voor u ben geweest, en hoe die gesloten oogen mij verwijtend schijnen aan te zien, zeggende: „Leeraar, ik ben toen onder uw gehoor geweest, maar het was u geen ernst met mij; gij hebt mij vermaakt, gij hebt voor mij gepredikt, maar gij hebt niet bij mij gepleit. Gy hebt niet geweten, wat Paulus bedoelde, toen hij zeide Zoo zijn wü dan gezanten van Christus\' wege, als of God door ons bade: wij bidden van Christus\' wege, laat u met God verzoenen.quot;

Er is nog eene andere reden, waarom ik u smeek deze boodschap te laten doordringen tot u hart. Ik zie mij zeiven, staande voor den rechterstoel Gods. Zoo waarachtig als de Heere leeft, de dag des oordeels komt. Gij gelooft dit ? Gij zyt geen ongeloovige; uwe conscientie laat u niet toe te twijfelen aan de waarheid der Schrift. Gij hebt dit misschien voorgewend, maar gij kunt het niet volhouden. Gij gevoelt, dat er een dag moet zijn, wanneer God de wereld zal oordeelen in gerechtigheid. Ik zie u, staande in het midden dier menigte, en het oog Gods is op u gericht. Het is u, alsof Hij naar niets anders zag, dan alleen naar u, en Hij roept u op om voor Hem te verschijnen, en Hij leest uwe zonden, en Hij roept; „Gaat weg, gij vervloekten in het eeuwige vuur!quot; Mij n hoorder, ik kan het niet dragen u in dien toestand te denken; mijn hart wordt ontroerd bij de gedachte, dat er van mijne hoorders zullen zijn, die verloren gaan. Wilt gij u zei ven in dien toestand denken ? Het woord is uitgegaan: „Gaat weg, gij vervloekten.quot; Ziet gij den afgrond, die zich opent om u te verslinden ? Hoort gij de kreten van hen, die u zijn voorgegaan in dien poel der eeuwige smart ? In plaats van u dit tooneel voor te stellen wend ik mij tot u met de woorden van den profeet, en zeg: „Wie is er onder ons, die bij een\' verterend vuur wonen kan? Wie is er onder ons, die bij een\' eeuwigen gloed wonen kan ?quot; O mijn broeder, ik kan u niet aldus den godsdienst laten wegdoen van u; neen, ik denk aan hetgeen volgt na den dood.

312

-ocr page 334-

DWING ZE IN TE KOMEN.

Ik zou ontbloot zyn van alle menschelykheid, Indien ik iemand zou zien, die zich vergiftigt, en hem den beker niet uit de hand sloeg; of indien ik iemand zag, die zich in het water wil werpen, en ik hielp niet mede om hem dit te beletten. En ik zou erger dan een duivel zijn, indien ik thans niet met alle liefde, en vriendelijkheid, en ernst u smeekte: „grijp naar het eeuwige leven„Werk niet om de spijze, die vergaat, maar om de spijze, die blijft tot in het eeuwige levèn.

Een hyper-calvinist zou mij wellicht zeggen, dat het verkeerd van mij is dit te doen. Ik kan het niet laten, ik moet het doen. Daar ik ten laatsten dage voor mijn\' Rechter moet staan, gevoel ik niet te kunnen „maken, dat men van mijn\' dienst ten volle verzekerd zij,quot; zoo ik u niet met vele tranen smeek, dat gij verlost wilt worden, dat gij op den Heere Jezus Christus wilt zien, om zijne heerlijke verlossing te ontvangen. Maar helpt ook dit nog niet? Is al ons smeeken bij u te vergeefs ? Dan zal ik nogmaals een\' anderen toon aanslaan. Zondaar, ik heb bij u gepleit, gelijk iemand pleit bij zijn\' vriend, en als het mijn eigen leven gold, dan zou ik heden met niet meer ernst kunnen spreken, dan ik spreek, nu het uw leven geldt. Ik ben inderdaad zeer ernstig bezorgd geweest omtrent mijne eigene ziel, maar volstrekt niet méér dan over de zielen mijner hoorders, en daarom laat ik nu af van mijne smeeking, want ik gevoel mij nu genoodzaakt tot u te komen met bedreigingen. Gij zult niet altijd zulke waarschuwingen ontvangen. Er komt een dag, wanneer de stem van lederen leeraar tot zwijgen wordt gebracht, ten minste voor u, want dan zal uw oor verstijfd zijn in den dood. Dan zal er ook geen dreigen meer wezen, want de bedreigingen zullen dan in vervulling gaan. Er zal dan geene belofte wezen, geene bekendmaking van genade en vergeving, geen bloed, dat van vrede spreekt; maar dan zult gij wezen in een land, waar de Sabbat verzwolgen is in eeuwige nachten van ellende, en de prediking des Evangelies verboden is, wijl zij niet meer zou baten. Ik beveel u dus, hoor naar de stem, die thans spreekt tot uw geweten, want zoo niet, dan zal God tot u spreken in toorn, en tot u spreken in zijne grimmigheid: „Dewijl Ik geroepen heb, en gijlieden geweigerd hebt; mijne hand uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte, zoo zal Ik ook in ulieder verderf lachen, Ik zal spotten, wanneer uwe vreeze komt.quot; Zondaar, nog eene bedreiging laat ik u hooren. Gedenk, dat het nog slechts een korte tijd is, dat gij deze waarschuwingen kunt ontvangen. Gij denkt, dat gij een lang leven zult hebben, maar gij weet niet hoe kort het is? Hebt gij ooit beproefd er aan te denken, hoe zwak en broos gij zijt? Hebt gij ooit een lichaam gezien, dat door den ontleedkundige aan stukken was gesneden? Hebt gij ooit zoo iets wonder vols gezien als

313

-ocr page 335-

HET GEOOTE AVONDMAAL.

314

het menschelijk lichaam is? Laat slechts een weinig voedsel in eene verkeerde richting gaan, en gü kunt sterven. Het minste toeval (gelijk wij het noemen) kan u snel den dood veroorzaken, zoo God het wil. Sterke mannen werden gedood door een klein ongeluk, en dat kan ook u overkomen. In de kerk, het huis Gods, zijn menschen soms dood neeigevallen. Hoe dikwyls hooren wij van menschen, die op straat vallen — door een\' plotselingen slag van den tijd in de eeuwigheid gebracht! En zijt gij er zeker van, dat uw hart in volkomen gezonden toestand is? Is uw bloedsomloop gansch en al in orde? Zyt gy daar zeker van? En zoo ja, hoe lang zal dat zoo blijven? O er zyn er onder u, die het aanstaande feest wellicht niet meer beleven; het gebod is wellicht reeds uitgegaan; „Geef bevel aan uw huis; want gy zult sterven en niet leven.quot; Uit de groote schare, die hier samen gekomen is, zou ik niet met nauwkeurigheid kunnen zeggen, hoe velen er van in één jaar-zullen sterven; maar zeker is het, dat wij allen, zooals wij nu hier zyn, nooit weer ergens op aarde samen zullen komen. Sommigen van deze groote menigte, twee of drie wellicht, zullen de aarde hebben verlaten, eer het nieuwe jaar daar is. Ik herinner u dan, mijn broeder, dat öf de poorte der zaligheid gesloten kan wezen, of wèl, dat gy niet meer zijt in de plaats, waar de poort der genade staat. Kom dan, en laten de woorden der bedreiging bij u overmogen. Ik laat die bedreigingen niet hooren, omdat ik u zonder oorzaak wil verschrikken, maar in de hoop, dat dit woord der dreiging uitgesproken door een\' broeder, u heen zal drijven naar de plaats, waar God den Evangeliemaaltijd heeft bereid. En thans . . . mcoet ik mij hopeloos afwenden? Heb ik gezegd alles wat er te zeggen is? Neen, ik zal nogmaals tot u komen. Zeg mij wat het is, myn broeder, dat u van Christus afhoudt. Ik hoor iemand zeggen: „Ach! het is, omdat ik mij zoo schuldig gevoel.quot; Dat kan niet, mijn vriend, dat kan niet. „Maar, leeraar, ik ben de voornaamste der zondaren.quot; Mijn vriend, dat zijt gij niet. De voornaamste der zondaren is reeds vele jaren geleden gestorven en naaiden hemel gegaan. Zijn naam was Saulus van Tarsen, die naderhand Paulas, de apostel, werd genoemd. Hij was de voornaamste der zondaren, ik weet, dat hij de waarheid sprak. Maar gij houdt vol en zegt: „ik ben te slecht.quot; Gij kunt niet slechter zijn dan de voornaamste der zondaren. Maar gesteld eens, dat gij het wèl waart, is dat dan niet juist de reden, waarom gij tot Christus moet komen ? Hoe zieker een mensch is, hoe meer reden er voor hem bestaat naar het hospitaal of naar den doctor te gaan. Hoe armer gij zijt, hoe meer reden gij hebt de weldadigheid van een\' ander te ontvangen. Welnu, Christus verlangt geene verdiensten in u. Hy geeft u alles om niet. Hoe slechter gij zijt, hoe meer welkom gij hem zijt. Maar laat

\\

-ocr page 336-

DWIKG ZE IN TE KOMEN.

315

mü u eene vraag doen. Denkt gij beter te kunnen worden door van Christus weg te blüven? Zoo ja, dan weet\'gij nog zeer weinig van den weg der zaligheid. Neen, vriend, hoe langer gij van Hem wegblijft, hoe slechter gij zult worden. Uwe hoop zal zwakker, uwe wanhoop sterker worden. De banden, waarmede Satan u gebonden heeft, zullen vaster toegesnoerd worden, en gij zult meer dan ooit hopeloos worden. Ach ik smeek u, gedenk toch, dat er met uitstel niets wordt gewonnen, maar dat door uitstel alles kan worden verloren. „Maar,quot; roept een ander, „ik gevoel, dat ik niet kan gelooven.quot; Neen, mijn vriend, en nooit zult gij gelooven, indien gij begint met op uw geloof te zien. Herinner u, dat ik niet gekomen ben om u uit te noo-digen tot geloof, maar om u uit te noodigen tot Christus te komen. „Maar waarin bestaat het onderscheid?quot; vraagt gij. Wel, in niets anders dan dit: indien gij begint met te zeggen: „ik verlang iets te geloovenquot;, dan komt gij er niet toe. Uw eerste vraag moet wezen: „ Wat moet ik gelooven ?quot; En dan zal, als gevolg van dat onderzoek, het geloof komen. Wij hebben niet in de eerste plaats te doen met geloof, maar met Christus. Ga, bid ik u, naar Golgotha, en zie het kruis. Aanschouw den Zone Gods, die den hemel en de aarde gemaakt heeft, stervende voor uwe zonden. Zie op Hem, is er in Hem geene kracht om te behouden? Zie op zijn gelaat, dat zoo vol is van medelijden en ontferming. Is er geene liefde in zijn hart, om te bewijzen, dat Hü wil zalig maken? Gewis, o zondaar, het zien op Christus zal u helpen te gelooven. Gij moet niet eerst gelooven en dan naar Christus gaan, want dan zou uw geloof van geenerlei waarde zijn. Ga tot Christus zonder eenigerlei geloof, en vertrouw op Hem. Maar nu hoor ik een\' anderen kreet: „O leeraar, gij weet niet, hoe dikwijls ik genoodigd was. hoe lang ik den Heere heb verworpen.quot; Dat weet ik niet, en dat wensch ik niet te weten. Alles, wat ik weet, is, dat myn Meester mij gezonden heeft om u te dwingen in te komen; zoo kom dan nu. Gy kunt duizendmaal de uitnoodiging hebben afgewezen, zoo doe het dan nu niet voor de duizend en eerste maal. Gij zijt opgegaan naar Gods huis, en gij werdt slechts verhard onder het Evangelie; maar zie ik thans geen traan in uw oog? Kom, broeder, wees door deze leerrede niet nog meer verhard. O Geest van den levenden God, kom en verbreek dit hart, want het is nog nooit verbroken geweest, en dwing hem in te komen! Ik kan u wegens zoo nietige verontschuldigingen niet loslaten. Indien gij zóó vele jaren in minachting van Christus geleefd hebt, dan is dit eene reden te meer, waarom gij niet moet voortgaan Hem te minachten. Doch hoorde ik u fluisteren, dat dit geen gelegen tijd voor u is? Wat zal ik dan tot u zeggen? Wanneer zal die gelegen tijd komen? Zal hij komen, als gij in de hel zijt? Zal het dan de gelegen tijd zijn? Zal hij komen,

-ocr page 337-

HET GROOTE AVOKDMAAL.

als gij op uw sterfbed ligt; als het doodzweet op uw voorhoofd staat? Zal dat de gelegen tijd zijn? Als gij gefolterd wordt door zware pijnen en gij aan den rand des grafs zijt gekomen ? Neen, broeder, heden morgen is het de gelegen, de geschikte tijd. God doe hem alzoo worden ! Herinner u, ik heb geene volmacht om u voor morgen tot Christus te noodigen. De Meester zendt u geene uitnoodiging voor aanstaanden Dinsdag. De uitnoodiging luidt: „Heden, zoo gij zijne stem hoort, verhard uw hart niet, gelijk het geschied is in de verbittering,quot; want de Geest zegt; Heden.quot; „Kom nu en laat ons samen rechten;quot; waarom zoudt gij het uitstellen? het zou wel de laatste uitnoodiging kunnen wezen, die tot u komt. Stel de zaak uit, en gij zult wellicht nooit meer tranen kunnen storten in Gods huis. Er zal wellicht nooit meer zulk een ernstig woord totu worden gesproken. Er zal wellicht nooit meer bij u gepleit worden, zooals ik thans bij u pleit. Gu kunt heengaan, terwijl God van u zegt: „Hij is vergezeld met de afgoden, laat hem varen.quot; Hij zal den teugel vieren, en, let wel op — dan is uwe loopbaan verzekerd, maar het is verzekerde veroordeeling en snelle verwoesting.

En nu nog eens: is het alles te vergeefs? Wilt gij niet tot Christus komen ? Wat meer kan ik dan doen? Ik heb nog één middel, en ook dat zal beproefd worden. Het kan mij vergund zijn over u te weenen; het kan mij toegelaten worden voor u te bidden. Gij zult mijne rede versmaden, zoo het u gelust, gij zult den prediker belachen, gij zult hem, zoo het u behaagt, een dweper noemen; hij zal er u niet om bestraffen, hij zal bij den grooten Rechter er u niet om aanklagen. Uwe beleediging is u, voor zooveel het hem betreft, reeds bij voorbaat vergeven; maar wilt gij er aan denken, dat de boodschap, die gij heden morgen afwijst, eene boodschap is van Eenen, die u liefheeft, en dat zij u gebracht wordt door iemand, die u ook liefheeft? Gij zult u herinneren, dat gij uwe ziel aan den duivel kunt verspelen, dat gij koud en onverschillig kunt denken, dat het geene zaak van gewicht is, maar één leeft er ten minste, die ernstig bekommerd is, om uwe ziel, een, die vóórdat hij hier kwam, met God geworsteld heeft om kracht ten einde het woord tot u te brengen, en die, als hij van deze plaats weggaat, zijne hoorders van heden morgen niet zal vergeten. Ik zeg wederom, als de woorden falen, dan kunnen wij onze tranen geven — want woorden en tranen zijn de wapenen, waarmede de Evangeliedienaars de menschen dwingen in te komen. Gij weet niet, en naar ik denk kunt gij ook niet ge-looven, hoe een man, dien God tot de bediening geroepen heeft, bezorgd kan wezen om de zielen zijner gemeente, en inzonderheid om sommigen van hen. Ik hoorde nog onlangs van een\' jongeling, die gedurende langen tijd den dienst in deze

816

-ocr page 338-

Dwing ze in te komen.

kerk bijwoonde, en zijn vader was vol hoop, dat hij tot Christus zou gebracht worden. Doch hij raakte bekend met een\' on-geloovige, en nu verwaarloost hij zijne zaken, en leeft dagelijks in de zonde. Ik zag het vermagerd gelaat zijns vaders; ik vroeg hem niet dat hij zelf mij de treurige geschiedenis zou verhalen, want ik gevoelde dat dit zou wezen eene wonde open te rijten ; maar soms vrees ik, dat de grauwe haren diens godvruchtigen met droefheid ten grave zullen dalen. Jonge lieden, gü bidt niet voor u zeiven, maar uwe moeders bidden voor u. Gij wilt aan uwe eigene ziel niet denken, maar uws vaders bezorgdheid over u is gaande gemaakt. Ik heb bidstonden bijgewoond, waar ik kinderen Gods heb hoeren bidden, en zij zouden met niet meer ernst hebben kunnen bidden, en met niet meer zielsbenauwd-heid, al hadden zij ook om het heil hunner eigene ziel gebeden. En is het niet vreemd, dat wij hemel en aarde bewegen voor uwe zaligheid ; en dat gij niet eens met betrekking tot de eeuwige dingen aan u zeiven denkt ?

En nu wend ik mij\' voor een oogenblik tot sommigen, hier tegenwoordig. Gy zijt lidmaten eener Christelijke gemeente, gü belijdt den godsdienst, maar, tenzij ik mij ten eenenmale in u vergis — en dit zou mij van harte verblijden — uwe belijdenis is eene leugen. Uw leven is er niet mede in overeenstemming, gy onteert haar door uw leven. Gij kunt leven in voortdurende afwezigheid van Gods huis, indien niet in nog ergere zonden. Nu vraag ik diegenen onder u, die de leer van God, uwen Zaligmaker, niet versiert, denkt gij, dat gij mü uwen herder en leeraar kunt noemen, en dat mijne ziel dan niet in benauwdheid over u verkeert, en dat ik niet in het verborgen over u ween. quot;Wederom zeg ik: er moge u weinig aan gelegen zijn, hoe gij het kleed des Christendoms bezoedelt, maar voor Gods kinderen is het eene groote smart, zij zuchten en weenen om de ongerechtigheid van de belijders in Zion.

Blijft er voor den leeraar nu ook nog iets anders over dan te weenen en te bidden? Ja, er is nog iets. God heeft zijn\'dienstknechten geene kracht gegeven tot wederbaren, maar wel iets, dat er aan verwant is. Het is voor den mensch onmogeUjk zijn\' evenmensch wedergeboren te doen worden, maar toch! hoe worden de menschen Gode geboren ? Zegt de apostel niet van dezen en genen, dat hij hen in zijne banden heeft geteeld? Welnu, den Evangeliedienaar heeft God eene macht gegeven, om door hen, die Gode geboren zijn, beide als vader en moeder beschouwd te worden, want de apostel zegt, dat hij arbeidde zielen te baren, totdat Christus eene gestalte in hen zou krygen. Wat kunnen wij dan doen ? Wij kunnen ons thans wenden tot den Geest. Ik weet, dat ik het Evangelie heb verkondigd, en nu verwacht ik van mijn\' Meester, dat Hij zijne belofte zal gestand doen. Hij heeft gezegd, dat zijn woord niet

S17

-ocr page 339-

UKÏ GftOOÏE AVONDMAAL.

ledig tot Hem zal wederkeeren, en dat zal het ook niet. Het is in zijne handen, niet in de mijne. Ik kan u niet dwingen; Maar Gij, o Geest van God, die den sleutel bezit tot het hart, Gij kunt den mensch dwingen. Hebt gij ooit opgemerkt, dat dezelfde Persoon, van wien het in het derde hoofdstuk der Openbaring heet: „Zie, ik sta aan de deur, en ik klop,quot; eenige ver zen te voren aangeduid wordt als hij „die den sleutel Davids heeft ?quot; Zoodat, indien het kloppen niet baat, Hij toch den sleutel heeft, en Hij kan, en zal binnenkomen. Indien dus het kloppen van den leeraar heden morgen zonder uitwerking blijft, dan is er toch nog het verborgen openen des harten door den Geest, zoodat gü gedwongen wordt in te komen.

Ik heb het mijn plicht geacht aan u te arbeiden, alsof ik het doen moest, maar nu geef ik het over in de handen mijns Meesters. Het kan zijn wil niet zijn dat wij arbeiden om te baren, en toch geene geestelijke kinderen voortbrengen. Hij is Meester van het hart, en de dag zal het openbaren, dat sommigen van u, gedrongen door vrije genade, de gewillige gevangenen zijt geworden van den alles overwinnenden Jezus, en Hem door het woord, dat heden gesproken werd, uw hart hebt onderworpen.

318

-ocr page 340-

Ï)E MA.N DIE EEN\' TOREN WIL BOUWEN,

\' (OVERREKENENDE DE KOSTEN.)

„Want wie van u, willende een\' toren bouwen, zit niet eerst neder, en overrekent de kosten, of hij ook heeft hetgeen tot volmaking noodig\'is? Opdat niet misschien, als hij het fondament gelegd heeft, en niet kan voleindigen, allen, die het zien, hem beginnen te bespotten, zeggende: Deze mensch heeft beginnen te bouwen, en heeft niet kunnen voleindigen.

Lucas XIV : 28—30.

Deze gelijkenis wordt alleen bü Lukas gevonden, en hij zegt ons, dat, toen de Heere haar sprak, vele scharen met Hem gingen. Het is opmerkelijk, dat onze Heere, wanneer Hij door de menigte verlaten werd, niet terneergeslagen was, en er wanneer zijne prediking populair werd, geene zelfverheffing in Hem was. Te midden der opgewondenheid der scharen, die zich om Hem heen verdrongen, bleef Hy altijd kalm en w\\js. Deze Schriftuurplaats is een voldoend getuigenis voor dat feit. By deze gelegenheid sprak onze Heere met het oog op het wannen van den grooten hoop van naamdiscipelen, die vóór Hem stond, opdat het kaf weggedreven en alleen het kostbare koren blijven zou. Dit woord doet ons denken aan Gideons methode om zijn zeer groot, maar tevens zeer bont saamgesteld leger te verminderen, waarvan de Heere had gezegd „Des volks is te veel, dat met u is.quot; Na allen, die bloode en versaagd waren, weggezonden te hebben, voerde hij de overgeblevenen naar de rivier en beval hun te drinken, en toen hield hij alleen diegenen b\\j zich, die het water als een hond gelekt hadden, want daardoor hadden zij blijk gegeven van ijver en voortvarendheid, geestkracht en ervaring. Onze Heere stelde zyne volgelingen op de proef, om ook slechts diegenen over te houden, die geschikt waren de wereld te veroveren. Om zijne kostbare schatten over te brengen koos Hy vaten, die zyne genade geschikt had gemaakt tot gebruik, de overigen had Hij niet van noode.

Onze Heere Jezus bezat veel te veel wijsheid om zich op het aantal zijner bekeerlingen te laten voorstaan. Hü gaf meer om de hoedanigheid dan om de hoeveelheid. Hij verblijdde zich over één zondaar, die zich bekeerde; maar tienduizenden van zondaars, die slechts zeiden zich bekeerd te bebben, veroorzaak-

-ocr page 341-

DE MAN, DIE EEK* TOREN WIL BOÜWEN.

ten Hem niet de minste vreugde. Zijn hart ging uit naar hetgeen echt was, maar al wat nagemaakt was, boezemde Hem afkeer in. Hij dorstte naar het wezen, de schaduw kon Hem niet bevredigen. Zijne wan was in zijne hand, waarmede Hij zijn\' dorschvloer doorzuiverd heeft, en zijne bijl is aan den wortel der boomen gelegd om de onvruchtbaren uit te houwen. Hij wenschte vurig eene levende gemeente te hebben, als goed zaai koren in het land, zooveel slechts mogelijk is vrij va-n vreemde byvoegselen. Vandaar dat men bij deze gelegenheid eerder had kunnen denken, dat Hij de menschen terugwees, dan dat Hij ze aantrok om zich onder zyne leiding te stellen ; maar in werkelijkheid was dit toch volstrekt niet het geval. H;i begreep volkomen, dat de menschen, om icaarlijk gewonnen te zijn, door waarheid moesten gewonnen worden ; dat ware, echte liefde altijd eerlijk is, en niet hij de beste discipel is, die haastig en onbezonnen den Meester volgt, om dan later te ontdekken, dat hij niet leert wat hij verwacht had te zullen lee-ren, maar wèl\' hij, die smacht en verlangt naar die kennis en wetenschap, welke de leeraar bereid is mede te deelen. Onze Heere wist daarenboven wat wij wel eens vergeten — namelijk, dat er voor den godvruchtigen arbeider in de wereld geen grooter smart is, dan die, welke voortkomt uit teleurgestelde hoop, wanneer zij, die gezegd hebben: „Heere, ik zal U volgen, waar Gij ook heengaat,quot; terugkeeren tot het verderf, en als de heete adem uit den mond, die „Hosannaquot; riep, stolt en verstijft tot denwreeden, kouden kreet; Kruis hem! kruis hem !quot; Niets is schadelijker voor eene kerk dan eene verwatering, veroorzaakt door leden, wier hart niet onverdeeld den Heere toebehoort ; en niets is voor de menschen zei ven gevaarlijker, dan op eene onoprechte belijdenis te worden toegelaten. Daarom heeft de Meester het meeste zorg gedragen op een\' tijd toen die zorge het meest noodig was, dat niemand Hem onder een misverstand zou volgen, maar dat zij ten volle begrepen wat het beteekende zijne discipelen te zijn, zoodat zü naderhand niet konden zeggen: „Wij zijn misleid, wij zijn onder een valsch voorgeven in een\' dienst gelokt, die ons teleursteltquot; Gansch ongelijk aan den werfofficier, die, om recruten te winnen, den militairen dienst in schitterende kleuren voorstelt, en nooit van eene schaduwzijde spreekt, wenschtde groote Overste Leidsman onzer zaligheid, dat zijne volgelingen alles wel overwegen, voor zij lotgemeen met Hem worden.

Onze tekst kan heden morgen even gepast, en de waarschuwing, er in vervat, even noodzakelijk en even heilzaam zijn, als toen de Meester die woorden voor het eerst gesproken heeft, want ook heden zijn er groote scharen, die Christus volgen. Er is eene opwekking gekomen, en velen zijn bewogen en ontroerd geworden. Er zijn (Gode zij dank) onder hen, die disci-

320

-ocr page 342-

overrekexende de kosten

pelen willen worden, velen, die door den Heere zeiven geroepen zijn, en voor een iegelijk van dezen zijn wij van harte dankbaar, maar natuurlijk (want wanneer is het ooit anders geweest?) zijn er ook anderen, die volstrekt niet door God geroepen zijn, maar bewogen werden door de natuurlijke aandrift om anderen na te volgen, en wier gevoelens, hoewel op dit oogenblik innig en vurig, toch zeer veranderlijk en voorbijgaand zijn. Daarom is het onze roeping en plicht in den naam van Christus tot u te spreken, zooals Hij gesproken heeft, en u in zü\'ne eigene woorden de waarschuwing te doen hooren: „Indien iemand tot mij komt, en niet haat zijn\' vader, en moeder, en vrouw, en kinderen, en broeders, en zusters, ja ook zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn. En wie zijn kruis niet draagt, en mij navolgt, die kan mijn discipel niet zyn. Want wie van u, willende een\' toren bouwen, zit niet eerst neder, en overrekent de kosten, of hij ook heeft hetgeen tot volmaking noodig is ? Opdat niet misschien, als hy het fondament gelegd heeft, en niet kan voleindigen, allen, die het zien, hem beginnen te bespotten, zeggende: Deze mensch heeft begonnen te bouwen, en heeft niet kunnen voleindigen.quot;

Om ons geheugen te hulp te komen zullen wü onze overdenking verdoelen in drie deelen. Ten eerste : de ivare godsdienst is eene kostbare zaak; ten tweede: het gezond verstand eischt dat wij, eer wij er ons in begeven, de kosten berekenen, en ten derde: wat hij ook moge kosten, hij is de kosten ivaard.

I. Uit onzen tekst blijkt dan ten duidelijkste, dat de ware godsdienst KOSTBAAB is. Verre zij het van ons om hier verwarring van denkbeelden te veroorzaken. De gaven van Gods genade kosten niets; ook kan zijne zaligheid noch door geld, noch door verdiensten, geloften of boetedoeningen gekocht worden. „Al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem ten eenenenmale verachten.quot; Het wachtwoord des Evangelies luidt; „Zonder geld en zonder prijs.quot; quot;Wij zijn „om niet gerechtvaardigd uit zijne genade door de verlossing, die in Christus Jezus is.quot; En toch! zoo iemand een Christen wil wezen, zal het hem iets kosten. Denkt een oogenblik na. Hier is een blinde, die aan den weg zit 1e bedelen; Hü vraagt dat hem de oogen geopend zullen worden. Zal het hem iets kosten ? Neen, de Heiland zou al het goud der wereld voor die genezing niet willen aannemen: Hij zal zijne oogen openen om niet; maar als zij geopend zijn, zal het dien blinde iets kosten. Het gezicht verkrijgende, zal hij er toe geroepen worden de plichten te volbrengen van iemand, die oogen heeft. Het zal hem daarna niet meer vergund zijn daar te be, delen, of zoo hij dit beproeft, zal hij het medelijden verliezen, dat door zijne blindheid was opgewekt. Nu zyne oogen geopend zijn, moet hij ze gebruiken en zijn brood gaan verdie-

8-21

2;

-ocr page 343-

022 DE MAN, DIE EEN\'TOKEN WIL ÊOÜWEN.

nen. Het zal hem iets kosten, want hij zal zich nu bewustzijn van de duisternis des nachts, waarvan hij te voren niets wist 1 En er zijn droevige gezichten, die hij thans zien moet, maar die hem te voren nooit hadden gekweld, want dikwijls gebeurt het, dat, wat het oog niet ziet, het hart niet deert. De mefisch kan geen zintuig, geen vermogen tot iets verkrijgen, zonder dat het hem iets kost. Die wetenschap vermeerdert, — of de middelen om wetenschap te verkrijgen, — vermeerdert smart en vermeerdert ook plichten. Neem een ander geval. Een arm man wordt plotseling tot vorst verheven : het zal hem iets kosten zijne vorige manieren af te leggen, en het zal nieuwe plichten en nieuwe zorgen voor hem medebrengen. Een mensch is als pelgrim op weg naar den hemel gebracht: betaalt hy iets om aan de poort toegelaten te worden ? Ik vertrouw van neen; de vrije genade geeft hem om niet toegang tot dien heiligen weg. Is die mensch echter op weg naar den hemel, dan zal het hem wèl iets kosten. Het zal hem ernst en volharding kosten om aan te kloppen aan de poort; en het zal hem zweet kosten om den heuvel „Moeieliikheidquot; te beklimmen; en het zal hem tranen kosten, om zijne rol weder te vinden, als hij haar in het prieel der „Gemakzuchtquot; verloren heeft; het zal hem groote zorg en moeite kosten om afwaarts ts gaan in de „Vallei der Verootmoediging;quot; het zal hem een ten bloede toe weerstaan kosten, als hij den strijd moet aanbinden met Apollyon. Het zal hem veel angst en vrees kosten, als hij het „Dal vain de Schaduwen des Doodsquot; moet doortrekken; hst kan hem het leven kosten als hij op de „IJdelheidskermisquot; komt, en evenals „Getrouwe,quot; geroepen wordt te getuigen op den brandstapel. De ware godsdienst is de gave Gods, en wij kimden niets doen om hem te koopen; maar te gelijker tijd zullen er, als wij hem ontvangen, zekere gevolgen uit voortvloeien, en wij moeten wèl overwegen, of wij die gevolgen dragen kunnen.

Gij kunt er u wel van verzekerd houden, dat de kosten groot moeten zijn, daar onze Heere ze vergelijkt bij het bouwen van een\' toren. Het woord, dat hier voor „torenquot; gebruikt is, be-teekent ook dikwijls een van torentjes voorzien huis, eene villa, een landhuis. „Wie van u,quot; zegt Hij tot het volk, „willende een landhuis voor zich bouwen om er gemakkelijk en aangenaam in te wonen, zou niet eerst de kosten overrekenen?quot; Dat is duidelijk uit het gezegde onzes Heeren, dat een wijs man nederzit om de kosten te overrekenen. Hij zal riet bloot opstaan en zeggen : „Deze toren zal mij zoo vele honderden ponden kosten;quot; neen, het moet eene wel doordachte, goed uitgewerkte rekening zijn van een schoon, grootsch gebouw, en daarom zit hij neder als een koopman aan zijn\' lessenaar en denkt na over de onderneming. Hü raadpleegt den bouwmeester; hij berekent hoe hoog de kosten zullen loopen voor

-ocr page 344-

overbekenekde de kosten.

de buitenmaren, voor het dak, voor het inwendige, enz. En voor dit alles waagt hij zich niet aan eene ruwe gissing, neen hü maakt eene juiste, nauwkeurige berekening. Het is blijkbaar eene zaak van aanbelang voor hem; en dat is de ware godsdienst ook — geene kleinigheid, geene beuzeling, maar eene allergewichtigste zaak. Hij, die zich verbeeldt met een zorgeloos, onverschillig gissen, een onbezonnen, roekeloos wagen te kunnen volstaan waar het züne eeuwige belangen geldt, is het tegenovergestelde van wijs of verstandig.

De ware godsvrucht is het opbouwen van een karakter, dat in den dag des oordeels kan bestaan. Het begint met eendiep leggen van de fondamenten in geloof en liefde en een vernieuwd hart. Het wordt voortgezet door met geduld en zorgvuldigheid en dikwijls ook met groote smart, steen op steen te leggen van de materialen van het schoone gebouw, door naarstiglijk bij het geloof deugd, en by de deugd kennis, en bij de kennis matigheid, en bij de matigheid lijdzaamheid, en bij de lijdzaamheid godzaligheid, en bij de godzaligheid broederlijke liefde, en bij de broederlijke liefde, liefde jegens allen te voegen. Ons levenswerk bestaat in ons zeiven „op te bouwen op ons allerheiligst geloof.quot; Ziec gij niet, dat het een schoon, heerlijk paleis is, waarbij het Christelijk karakter vergeleken wordt ?

Opdat wij echter toch nog de kosten niet gering zullen achten, vergelijkt onze Heere het bij een\' krijg, en Hij spreekt van het aantal troepen, dat voor dien oorlog gebruikt wordt, aantoonende, dat het geene kleine schermutseling is tusschen twee onbeduidende stammen. Hij vergelijkt het bij een\'oorlog, waarin van de eene zijde tienduizend man in het veld worden gebracht, terwijl de tegenpartij over een leger van twintig duizend man beschikt. Nu is krijgvoeren altijd kostbaar. Behalve de kosten voor uitrusting en ammunitie, zijn er ook nog de kosten van menschenlevens, die afgesneden, van bloed dat vergoten, van krachtige armen, die aan het werk worden onttrokken, behalve nog het gevaar van nederlaag, gevangenschapen verwoesting. De Heere vergelijkt dus den godsdienst, voor zoo veel het het uitwendige er van betreft, bij een\' krijg tusschen den godvruchtige en het kwaad, dat in de wereld zoo overvloedig wordt aangetroffen. De discipel van Jezus heeft zich te verdedigen tegen een\' reusachtigen vijand, en hij heeft in zich zeiven eene kracht, die voor zoo ver hem betreft, ongenoegzaam is voor den strijd ; er is eene ontzettende overmacht — twintig duizend tegenover tienduizend. Wèl heeft de Heiland voor dit geval gezegd, dat het goed is neder te zitten en te beraadslagen. De koning, die slechts over het kleinere leger beschikt, vraagt zijne wijze senatoren naar hun gevoelen, hij wint den raad in der ervaring, roept goede raadslieden tot zich en overlegt met hen, of de zaak al of niet geschieden kan, ^oo

323

-ocr page 345-

de Man, die een\' toeen wil bouwe^.

moesten ook wij nadenken over de belangen onzer ziel, want de godsdienst is eene kostbare zaak, waartoe men zich niet, gelijk de Franschman f 1) zeide, „met een licht hartquot; moet begeven. Dat lichte hart is aan zijn volk duur te staan gekomen, en het zal ook ons duur te staan komen, als wij de dingen dei-eeuwigheid met luchthartigheid beschouwen.

Wij zouden dit ook nog uit iets anders hebben kunnen afleiden, en wel in de eerste plaats uit het feit, dat de ware godsdienst duurzaam is. Hy duurt ons leven lang. De valsche godsdienst komt en gaat; de echte wedergeboorte wordt nooit herhaald; zij is het begin van een leven, dat geen einde kent, hetzij in den tyd of in de eeuwigheid. Nu is alles wat duurzaam is, ook kostbaar. Gij kunt uw glas wel heel goedkoop gekleurd krijgen, maar de zon zal er de schoonheid van wegnemen. Zoo gij een glas wilt hebben, dat eeuwen lang zjjne kleur behoudt, dan zal in de bewerking er van alles zeer kostbaar wezen, daar er groote zorg en veel arbeid voor wordt vereischt. Zoo is het ook met den waren godsdienst. Gij kunt hem, zoo het u gelust, zeer goedkoop hebben, en hij zal er uitzien, alsof hij echt was, en voor eene wü\'le zal hy u ook schier al den troost en al den eerbied aanbrengen, die de echte u aangebracht zou hebben. Maar dit zal niet lang duren, de kleur er van zal spoedig verdwijnen, en de schoonheid en voortreffelijkheid,die (in schijn) aanwezig waren, zullen niet meer gezien worden. Mijn vriend, gy verlangt een\' godsdienst (daarvan houd ik mij overtuigd) die u zal bijblyven, tot dat gij sterft, maar, wees er zeker van, dat hij u dan ook iets kosten zal.

Herinnert u ook, dat de ware godsdienst zeer veel te verduren zal hebben, want hij zal gewisselijk tegengestaan worden. Zonder tegenstand zal deze toren niet gebouwd worden. Het is als met den muur van Jeruzalem: Sanbal-lat en Tobias zullen alles aanwenden om den [bouw te verhinderen. De ware godsdienst moet verdrukking kunnen lijden; indien hij dat niet kan, dan deugt hy nergens toe. De oude Toledo kling heeft den krygsman veel geld gekost, maar had hy er zich eens een aangeschaft, dan wist hij, dat zij ten dage des stryds door samenvoegselen en merg heen zou snijden, en hy vreesde niet zich midden in het krijgsgedrang te begeven, daar hy op hare ongeëvenaarde harding en scherpte kon rekenen. Kon hy geen goedkooper zwaard vinden ? Ik geloof, dat hij dit gemakkelijk genoeg kon, maar als dit zwaard dan op des vyands helm neerkwam, dan bevond hij, dat het in plaats van des vijands schedel te kloven, in zijne hand in tweeën brak, en hem alzoo het leven kostte. Evenzoo is ook de goedkoope

0) De Fransche minister Ollivier, die, toen in 1870 de oorlog tegen Duitseh-land uitbrak, in de kamer der afgevaardigden deze woorden sprak; Wij gaan ten krijg met een licht hartquot;

324

-ocr page 346-

OVEREEKENENDE DE KOSTEN.

godsdienst, die door zoo velen aangenomen wordt; er is geene zelfverloochening in, geen verlaten van de wereld, geen opgeven van vleeschelijke vermaken — zij zijn volkomen gelijk aan de wereld. Hun godsdienst kost hun niets, en als zij hem ten laatste noodig hebben, faalt hij hun; evenals een slecht vervaardigd zwaard, breekt hij ten dage des krijgs en laat hen weerloos. Ach! indien gij datgene verlangt, hetwelk den strijd kan doorstaan, dan moet gij er iets aan te koste leggen. Jezus Christus wist, dat de personen, tot wie Hij sprak, niet in staat zouden zijn de proef te doorstaan, die zijne discipelen wachtte. Zij wisten niet, dat Hij gekruisigd zou worden, want op dat oogenblik was Hij populair, en zij hoopten, dat Hij de Koning Israöls zou worden. Maar de Heiland wist, dat er duistere dagen aanstaande waren, waarin de Koning der Joden aan een hout zou gehangen\'worden, en zijne discipelen, zelfs zijne ware, oprechte discipelen. Hem voor het oogenblik zouden verlaten en vluchten, en daarom kwam hetgeen Hij hun zeide eigenlijk hierop neer: gij moet bereid zijn het kruis te dragen, gij moet bereid zijn Mij te volgen te midden van smaad en spot, en verachting, en zoo gij daar niet toe bereid zijt, dan is uw dis-discipelschap eene vergissing. Zij hebben de toets niet kunnen doorstaan, ten dage der beproeving waren zij nergens te vinden.

En herinnert u, mijne vrienden, — en hierop leg ik groeten nadruk — wij hebben een\' godsdienst noodig, die den onderzoekenden blik des grooten Rechters ten laatsten dage zal kunnen doorstaan. Nu zün er dingen in de wereld, die wei voor eene wijle stand kunnen houden, maar als men ze van nabij beschouwt, en inzonderheid als men ze door een microscoop beziet, dan zal men er vele gebreken in ontdekken. En er is geen microscopisch onderzoek, dat ook maar voor een oogenblik vergeleken kan worden bij den blik van Jehovah, die ons door en door zal zien. O welk eene verdorring zal er zijn van fraaie belijdenissen, ten dage wanneer zijn vlammend oog er op zal staren. Nooit kan het gras onder den verschroeien-den adem van den Sirocco ook maar half zoo snel verdorren,\' als de fraaie vlakten van een voorgewend Christendom op den laatsten, schrikkeHjken dag verdorren zal onder den blik van Gods oog. Hij zal zien op hetgeen de menschen Christendom noemen, en het zal bijna, zoo niet gansch en al, verdwijnen; want „de Zoon des menschen, als hij komt, zal hij ook geloof vinden op de aarde ?quot; Zal het dan niet ten duidelijkste blijken, dat „velen geroepen maar weinigen uitverkoren zijn ?quot; „Strijdt om in te gaan door de enge poort,quot; wordt ons nog allen door Christus toegeroepen, „want velen zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen.quot; Indien onze godsdienst op de weegschaal gewogen moet worden, en mischien te licht zal worden bevonden, dan betaamt het ons wel toe te zien, en te weten

325

-ocr page 347-

DE MAN, DIE EEN\'TOREN WIL BOUWEN.

dat hy oprecht moet zijn, en kostbaar, zal bij deze vuurproef kunnen doorstaan.

Maar waarin bestaan dan de kosten ? Wat zal het bouwen van dezen toren, of het uittrekken tot dien krijg kosten ? Het antwoord wordt niet door mij, maar door onzen Zaligmaker gegeven. Ik zou zulk een toetssteen niet hebben durven uitdenken, als die welke Hij verordineerd heeft. Ik moet slechts de echo zijn van zijne stem en niets meer. Wat zegt Hij ? Wel ten eerste, dat, zoo gij de zijne wilt wezen, en zijner zaligheid deelachtig wilt worden, dan moet gü Hem meer dan ieder ander persoon in deze wereld liefhebben. Is dat niet de betee-kenis van die uitdrukking; „Indien iemand tot mij komt, en niet haat zijn\' vader en zijne moeder?quot; Dierbare namen ! „Vader en moeder!quot; Leeft er eenig mensch met eene ziel zóó dood, dat hij een dezer woorden zonder gemoedsbeweging kan uitspreken, inzonderheid het laatste-— „moeder ?quot; Mannen broeders, dat is ons een dierbare, teedere naam; hij roert eene snaar aan, die trilt in het diepst van ons wezen ; maar oneindig machtiger is de naam des Zaligmakers, de naam van Jezus. Minder bemind moeten vader en moeder zijn dan Jezus Christus. De Heere eischt ook den voorrang boven de geliefdste „vrouw.quot; Hier roert Hij nog eene andore snaar van het hart aan. Dierbaar is ons het woord „huisvrouw,quot; echtgenoote, deel-genoote van ons bestaan, troost in onze smart, lust onzer oogen —- „vrouw !quot; En toch, echtgenoote, gij moet niet de eerste plaats hebben, gij moet nederzitten aan Jezus\' voeten, want anders zijt gij een afgod, en Jezus zal uwe mededinging niet dulden. En „kinderen,quot; de lieve kleinen, die zich nestelen aan onzen boezem, ons op de knieën klimmen en met tonen van muziek den vader en moedernaam uitspreken, zij moeten onze eerste liefde niet hebben ; zü moeten niet tusschen ons en den Heiland komen: om hunnentwil, om hun genoegen te geven, of hun wereldsch voordeel te bevorderen, moeten wij den Heere geene smart aandoen. Menig kind is meester van zijn\' vader; menige dochter is de meesteres geweest van hare moeder; doch indien dit ten kwade is, dan moet dit terstond ophouden. Indien zij ons verzoeken tot kwaad, dan moeten zij behandeld worden alsof wij hen om Christus\' wil haatten. Zoo gij Christus\' discipelen zijt, dan moet uw Heere voor u de eerste zijn, en dan zullen vader en moeder, vrouw en kinderen, broeders en zusters op hunne eigene plaats blijven.

Ik vrees, dat vele belijders hiertoe niet bereid zyn. Zij zouden Christenen willen wezen, indien hun gezin, hunne familiebetrekkingen dit goedkeurden, maar zij moeten eerst hun\'broeder, hun vader, hunne vrouw raadplegen. Zij zouden wereldsche genoegens wel willen tegengaan, als anderen het ook deden ;

826

-ocr page 348-

OVEREEKENENDE DE KOSTEN.

maar zy kunnen het niet dragen zonderling te schijnen, of de gevoelens en inzichten hunner bloedverwanten te bestrijden. ,,Mijn vader wenscht het,quot; zeggen zij, en ik durf hem niet te zeggen, dat het verkeerd of slecht is.quot; „Myne moeder zegt, dat wij niet al te stijf moeten zijn, en ofschoon mijn geweten mij zegt, dat het verkeerd is, zal ik het toch doen.quot; Of anders zegt men: „Mijne dochters groeien op, en zij moeten wat amusement hebben, en mijne jongens moeten de vrijheid hebben zich te vermaken, en daarom moet ik de zonde maar oogluikend toelaten.quot; O mijne broeders, dit moet indien gij Christus\' discipelen zijt, niet alzoo wezen. Gij moet hen allen op zijde stellen, ook de dierbaarsten moet gij laten gaan, veeleer dan Jezus te verlaten. Zegt Hij niet in de Psalmen: „Hoor, o dochter ! en zie, zoo zal de Koning lust hebben aan uwe schoonheid: dewijl Hij uw Heere is, zoo buig u voor Hem neder?quot; Gelooft het vrij, gij zult uwe liefde tot uwe bloedverwanten het best bewijzen, door beslist te zijn voor hetgeen recht en goed is, daar gij aldus veel waarschijnlijker hunne ziel zult kunnen winnen. Hebt hen veel te lief, om hun toe te geven in het. kwaad. Bemint hen zóó oprechtelijk, dat gü datgene in hen haat, dat hen zou schaden en in het verderf storten. Gij moet, bereid zijn lijden te verduren van hen, die met de dierbaarste banden aan u zijn verbonden; want, wat er ook gebeure, geene zonde mag worden geduld. Op het punt van zonde kunnen wij niet toegeven; ons besluit is onwrikbaar, hetzij er haat of liefde door ontsta, wij moeten Christus volgen.

De volgende post op de rekening der kosten is — dat wij ons zeiven, het eigen-ik, moeten haten. Ik vrees, dat sommigen veel eerder hun\' vader of hunne vrouw, dan hun eigen leven zouden haten. Toch is dit de eisch. En de beteekenis is deze, dat ik overal, waar mijn genot of gewin, mijn goede naam, ja zelfs mijn leven zich in den weg stelt van Christus\' heerlijkheid, zoo weinig mij zeiven moet tellen, dat ik mij zeiven zou moeten haten, indien ik Christus, in den weg sta. Ik moet vader en moeder, broeder en zuster en ook mijzelven als vijand beschouwen, in zoover zij den Heere Jezus en zijn\' eigen wil tegenstaan. Ik moet hen liefhebben en het goede voor hen be-geeren, gelijk ik ook voor mij zeiven het goede begeer, maar noch voor hen, noch voor mij, ten koste van te zondigen en den Heere Jezus van zijne eer te berooven. Wat mij betreft, indien ik iets in mij bespeur, dat zich tegen Jezus stelt, dan moet ik dat wegdoen. Ik moet het vleesch kruisigen en deszelfs begeerlijkheden, mij alles ontzeggen en van alles onthouden, dat mijn\' Zaligmaker smart zou kunnen aandoen, of mij zou verhinderen naar volkomene gelijkvormigheid met Hem te streven.

En voorts zegt de Heiland, dat wij, zoo wij Hem willen

82quot;

-ocr page 349-

DE MAN, DIE EEN* TOREN WIL BOUWEN.

volgen, ons kruis moeten dragen. „Wie zijn kruis niet draagt, en mij navolgt, die kan mijn discipel niet zijn.quot; Dat kruis komt somtijds in den vorm van ons geloof te belijden voor tegensprekers. „Ach!quot; zegt het beschroomde hart, „indien ik dat doe, dan zal ik alle mijne vrienden tegen mij in het harnas jagen.quot; Neem uw kruis op! Het is een deel der kosten van het ware discipelschap. Ik zal nauwelijks ih staat zün mij slaande te houden in mijn beroep, als ik voor mijn\'godsdienst uit kom.quot; Neem uw kruis op! mijn broeder, of gij kunt Christus\' discipel niet zijn. Maar het zal eene geheele omkeering teweegbrengen in mijn dagelyksch leven.quot; Laat die omkeering plaats hebben, myn broeder, of gij kunt des Heeren discipel niet wezen. „Maar er is iemand, die mjj zeer dierbaar is, dien ik beschouwd heb als waarschijnlijk mijn toekomstige levensgezel te zullen worden, en ik weet, dat hij mü zal verlaten, indien ik mij niet langer naar de eischen der wereld wil schikken.quot; Welnu, hoe zwaar uw verlies dan ook zijn zal, laat hem gaan, indien gij Christus niet kunt volgen zoo gij u met hem verbindt, want Jezus moet gij volgen of voor eeuwig verloren gaan. Welke hartontdekkende woorden zijn dit! Hoe wordt er de geveinsdheid van menig belijdend Christen door aan het licht gebracht! Hebben zij zich ooit afgescheiden van de wereld ? O neen ! zij volgen hare manieren, gelijk doode visschen met den stroom afdrijven. Hebben zij een kruis te dragen ? Wordt hun door iemand verweten, dat zij te stijf en te punteinsch zijn? O neen, want zij hebben een\' godsdienst, die bij de wereld in aanzien is, en bijgevolg is het een godsdienst, die door God wordt verafschuwd. Zoo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem, en wie de goedkeuring der goddeloozen wegdraagt, moet het ongenoegen Gods verwachten.

Doch meer, als volgende post op de rekening der kosten eischt de Zaligmaker, dat zijn discipel zijn kruis opneemt en Hem wa-volgt; dat is: hij moet handelen, zooals Christus gehandeld heeft. Indien wy niet bereid zün Christus tot ons voorbeeld te nemen, ja indien het onze grootste eerzucht niet is, te leven, zooals Hij geleefd heeft, dan kunnen wij zijne discipelen niet wezen.

Eindelijk, wij moeten zonder eenig voorbehoud alles aan Jezus overgeven. Luistert naar deze woorden; „Een iegelijk van u, die niet verlaat alles wat hij heeft, die kan mijn discipel niet zijn.quot; Het zou er toe kunnen komen, daf. eene vervolging ontstaat, en dat gij in waarheid en werkelijkheid alles zult moeten verlaten. Wij moeten op die gebeurlijkheid voorbereid zijn. Gij behoeft wellicht niets hoegenaamd te verlaten, maar de overgave moet in uw hart even werkelijk plaats hebben gehad, alsof het ook in letterlijken zin geschieden moest. Niemand heeft zich in waarheid aan Christus gegeven, of hij heeft ook gezegd :

328

-ocr page 350-

0veereken3nde de k0st3n.

„Heere, ik geef U heden mijn lichaam, mijne ziel, mijne gaven en vermogens, mijne goederen, mijn huis, mijne kinderen, alles wat ik heb. Van nu voortaan zal ik alles slechts van ü telleen hebben, en her, als uw rentmeester gebruiken of bestieren, het is alles uwe. Wat mij aangaat, ik heb niets, ik heb het alles aan U overgegeven.quot; Met mindere kosten dan dezen kunt gij Christus\' discipelen niet zijn. Als gij nog een\' penning bezit, die uw eigendom, en niet uws Meesters is, dan is Christus uw Meester niet. Het moet alles zijne zijn, elke tittel en jota van uwe bezittingen, en ook uw leven, of gij kunt zijne niet zijn.

Dat zijn hartontdekkende woorden, maar nog eens herinner ik u er aan, dat het mijne woorden niet zijn. Indien ik in de verklaring er van gedwaald heb, dan doet mij dit leed; maar ik houd er mij van overtuigd, dat ik niet gedwaald heb naar den kant van al te groote strengheid. Ik erken, dat het mogelijk is, dat ik met te veel toegeeflijkheid heb gesproken. De woorden van den tekst leggen de bijl aan den wortel, en zijn zoo volstrekt mogelijk. O wilt dan de kosten overrekenen! en indien iemand uwer een\' godsdienst heeft aangenomen, die u niets kost, zoo werp hem van u, want hij zal uw vloek wezen en uw verderf.

Is het mogelijk zonder deze kosten in den hemel te komen ? Neen. Maar kunnen wij geene Christenen zijn zonder deze offers te brengen? Gij kunt namaaksels zyn, gij kunt geveinsden zijn, gij kunt broederen wezen van Judas, maar ware Christenen kunt gij niet wezen. Die kosten zijn onvermijdelijk, er kan geen penning af. God stelle u in staat om u er aan te onderwerpen.

II. Ons tweede punt van overdenking is: de wijsheid eischt, dat wij de kosten overrekenen. Gij gevoelt, dat gij een Christen zoudt willen wezen. Waarde vriend, geef mij uwe hand, het verblijdt mij, dat gij dit wenscht. Maar terwijl ik uwe hand grijp en u gaarne tot Christus heen zou willen trekken, zie ik u aan en zeg: „Weet gij, wat gij begeert? Zijt gij er zeker van, dat gij het begeert? Er zijn menschen, die op het ziekbed neder liggen en om hulp roepen, maar als zij hersteld zijn en uit moeten gaan om strijd te voeren tegen de wereld, dan kan de tijd aanbreken, wanneer zij zullen zeggen ; „Ik zou wel even gaarne weder op het ziekbed liggen uitgestrekt.quot; Ik zou niet gaarne willen, dat er een tijd komt, wanneer iemand uwer zou zeggen: „Ik heb mij bij de gemeente gevoegd,maar het was bij vergissing. Ik had de zaak niet rijpelijk overwogen. Ik ben er nu eenmaal, maar het doet mij leed, waut ik moest niet zijn, waar ik ben.quot; Indien gij eerlijk zijt, dan behoort gij in zulk een geval uwe belijdenis te herroepen. Indien gij geene genade hebt, dan hoop ik, dat gij ten minste genoeg dood gewone eerlijkheid hebt,

329

-ocr page 351-

DK MAN, DIE EEN\' TOREN WIL BOUWEN.

om zulk eene leugen niet te blijven volhouden. Het zou my leed doen, indien dit gebeurde, en daarom bid ik u heden de kosten te overrekenen. Want, let wel, indien gij de kosten niet overrekent, dan zult gij niet in staat zijn uw voornemen uit te voeren. Het is een groot gebouw, een groote oorlog. Geene vergissing kan grooter zijn dan het idee, dat er om verlost en behouden te worden niets anders noodig is, dan gedurende eenige dagen eene zekere mate van gemoedsaandoening te gevoelen, en hetgeen men in een of ander beslissend uur gelooft. Als ik zulk eene leer predikte, dan zou ik uwe zielen misleiden. Geloof en bekeering zijn niet het werk van een paar weken, zij zijn een levenswerk. Zoolang de Christen op aarde is, moet hij zich bekeeren, en wat het geloof betreft: dat bestaat niet in te zeggen ! „Ik geloof in Jezus, en dus ben ik behouden.quot; Neen, het is eene dagelijksche genade, het betrouwen van geheel een leven. De Christen blijft gelooven en zich bekeeren, totdat hij begint te triomfeeren in de eeuwige heerlijkheid. Het geloof brengt daarenboven voortdurend vruchten der heiligmaking voort in het leven van den geloovige, want anders bezit hij het ware geloof niet. Die in Jezus Christus gelooft, is behouden, maar indien er een tijdelijk, voorbijgaand geloof zou kunnen bestaan, dan zou er ook eene tijdelijke, voorbijgaande verlossing wezen. Die zich waarlijk bekeert van de zonde, is een nieuw mensch; maar indien bekeering van de zonde iets voorbijgaands was, dan zou het leven, dat er door wordt aangeduid, ook spoedig voorbij zijn. Gij moet u niet vergenoegen met een valschen, voorbijgaanden godsdienst. Gij begint een\' krijg, die nooit zal eindigen, vóór gij het zwaard voor de palmtak kunt verwisselen.

Herinnert u ook, dat falen in deze groote onderneming eene schrikkelijke nederlaag ten gevolge zal hebben; immers, wat zegt onze Heere ? Hij zegt, dat het niet kunnen voleindigen u aan bespotting zal blootsteilen. Ik verzoek u te letten op don vorm dier bespotting. „Allen, die voorbijgaan, zullen beginnen hem te bespotten, zeggende tot elkander (want dat is de kracht der uitdrukking): Deze mensch heeft begonnen te bouwen, eu heeft niet kunnen voleindigen.quot; Onze Heere stelt hen niet voor als zeggende tot den dwazen bouwer; „Gij hebt begonnen te bouwen en hebt niet kunnen voleindigen,quot; maar sprekende van hem als van een\' derden persoon — „Deze mensch.quot; Welnu, halve Christenen, menschen, die maar half en half godsdienstig zijn, worden wel niet op straat in hun aangezicht bespot; maar wèl zijn zij het voorwerp der bespotting achter hun\'rug. Gij, valsche belijders, wordt door iedereen veracht. De werekl-lingen zeggen lachende; „Wel, dat zijn fraaie voorbeelden van Christenen !quot; De wereld ziet op eene wereldsche kerk met de alleruiterste verachting neder, en ik voor mij betreur het voV

830

-ocr page 352-

oveeeekenekde de kosten.

trekt niet, dat die verachting uitgestort wordt op een voorwerp, dat het zoo ten volle verdient. Slechts voor te wenden een discipel van Christus te wezen, dat is een voorwerp van smaad en minachting te worden in den tijd en in de eeuwigheid, en datzal hetlot van den valschen belijder wezen. Vriend, indien gij besluit een Christen te zijn, zoo besluit een wezenlijk Christen te zijn, een beslist Christen, een Christen door en door. Want, ofschoon de menschen u dan niet in het aangezicht zullen prijzen, zoo zullen zij u toch achten, en zelfs degenen, die u haten, zullen u op prijs weten te stellen. Maar indien gij niets dan een halfslachtig Christen zijt, dan zullen zij wellicht niet komen en u in het aangezicht hunne minachting toonen, maar terwijl zij voorbijgaan, zullen zij den neus voor u ophalen, en meer achting hebben voor een volslagen wereldling, dan voor u, omdat hij is, wat hij zegt te zijn, en niet iets anders. Maar wat u betreft, gij begont te bouwen en hebt niet kunnen voleindigen. Welk een ellendig wezen is een nagemaakte Christen ! Wy hebben wel eens groote gebouwen gezien, die begon, nen, en daarna verlaten werden door menschen, die zich al to veel door speculatie lieten leiden; en de omwonenden noemden die half opgetrokken gebouwen „Smits dwaasheid,quot; of „Brown\'s dwaasheid,quot; of „Eobinson\'s dwaasheid en dergelijke meer. Dat zyn echter slechts voorbijgaande oorzaken van spotternij; maar de mensch, die den schijn aannam van een Christen- te willen zijn, en toen halverwege bleef steken, zal zelfs door de verlorenen in de hel met den vinger worden nagewezen. De dronkaard zal roepen : „En gij ? Zijt gij ook hier gekomen, gü, die zoo welsprekend de matigheid hebt aangeprezen, en zoo gereed waart den wijnzuiper te bestraffen.quot; „Ha!quot; roept een ander, „gij zijt de man, die in onze straat hebt gewoond en zoo veel vertoon maaktet met den godsdienst. Gij zeidet my, dat ik heel slecht was, maar zijt gij er beter aan toe dan ik ?quot; Ach, ik zie den openbaar onheilige zich verheffen van zijne folterbank der wroeging om uit te roepen: „Zijt gy ons gelijk geworden ? gij, lid der gemeente, zijt gij in de hel? Is de smaak van den sacramentswijn nog in uwen mond ? Waarom vraagt sij dan om een droppel waters om uwe tong te verkoelen ? Gij, leugenaar voor God en menschen, recht en billijk is het, dat gy buiten geworpen werdt evenals wy.quot; O indien gij dan verloren wilt gaan, zoo laat het toch niet wezen als geveinsden. Indien gij om moet komen, zoo kom liever om buiten de kerk dan in de kerk. Ik ken geene slechter daad dan de voortreffelijkheden van den Zaligmaker onbeschaatn d na te bootsen. Wat grooter boleediging zoudt gij der majesteit zijner heilige deugden kunnen aandoen, dan zijne heiligheid en volmaaktheid na te apen ?

III. Mijn laatste woord is; wat het ook moge kosten, de

381

-ocr page 353-

de man, die een* toren wil bouwen.

wake godsdienst is die kosten waabd. Wij zijn als iemand, die door de zwarte pest is aangetast, en weet; dat hij gaat sterven; maar daar ginds is een kruid, dat hem kan genezen. „Doctor,quot; zegt hü, ,,gü vraagt zóó groot een prijs, dat iedere droppel van dien drank mij een diamant kost, gij vraagt er meer voor dan zijn gewicht in de kostbaarste paarlen, maar dat doet er niet toe, ik moet hem hebben. Indien ik dien drank niet verkrijg, moet ik sterven, en wat zal het mij dan baten, dat ik mijn goud heb behouden ?quot; Zoo is het met een iegelijk van ons; wij moeten Christus hebben of voor eeuwig omkomen, en het zal ons beter zijn onzen rechterarm af te houwen en ons rechteroog uit te rukken, dan in het vuur der hel geworpen te worden.

En, mijne broeders, reeds de tegenwoordige zegeningen van den waren godsdienst zijn al die kosten wel waard. Wat doet het er toe, zoo ik wellicht eene mij lief geworden verbintenis moet opgeven ? Jezus, Gij zijt mij beter dan echtgenoot of kind. Indien het aldus moet wezen, dat zij, die rust aan mijne borst, mij haren vijand acht, zoo zult Gij, o mijn Heiland, in mijn hart wezen, en mij meer waard zijn dan Rachel of Rebekka. Ja, het moet zóó wezen, dat de vader zal zeggen; gij zult nooit meer mijn\' drempel overschrijden, indien gij Christus volgt;quot; hij moet dit zeggen, want, „als vader en moeder mij hebben verlaten, zal de Heere mij aannemen.quot; (1) De onmidde-lijke blijdschap zal het onmiddelijk verlies vergoeden, ja ge-wisselijk, gij zult ook alle dingen schade achten te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, uwen Heere, en aan de winnende hand blijven.

332

En wederom, hoe veel vergoeding komt er voor alle kosten in de vertroosting van den waren godsdienst in de stervens-ure. Als wy op het punt zijn van te sterven, dan zal het ons geene smart veroorzaken te kunnen zeggen; „Ik werd verworpen door mijne familie om Jezus wil.quot; Het zal geene droefheid zijn ons te herinneren; „Ik werd bespot om Christus wil.quot; Het zal ons geene hartepijn veroorzaken te zeggen; Men vond mij te „fijnquot; en te „Puriteinschquot;. Neen, mijne broeders, dat zijn de dingen niet, die doornen leggen in ons hoofdkussen, waarop wij stervend nederliggen. O neen! dan zullen wij zien, hoe liefelijk het was een deel van Jezus\' kruis te mogen dragen; een splintertje van zijn kruis zal ten dage, als wij sterven, een konings rantsoen waard wezen. En op den dag des oordeels, als de bazuin wordt geblazen en de dooden opstaan uit hun graf, dan zullen wij niet zeggen; „Ik heb te veel voor Christus geleden.quot; Als de \'uitverkorenen aan zijne rechterhand zullen gaan, en wij ons onder hen zullen bevinden, dan zullen wij

(I) Psalm 27 : 10 naar ue Engelsche overzetting.

-ocr page 354-

ÖVEREEKENENDE DE KOSTE».

j niet met leedwezen terugzien op het feit, dat wij om Jezus wil van onzen rang en stand in de maatschappij werden ver-

[_ drongen. Wij zullen het niet betreuren, dat wij ons bij een

,! veracht hoopje volks hebben gevoegd, dat wij God aanbaden

r in het midden van de armen deze ] wereld uit liefde tot Jezus

t en uit getrouwheid aan zijn Evangelie. O neen, ik sta er u borg

t voor, dat op dien dag hy het meest zal schitteren en blinken,

t die om des Heeren wil hier als omhuld is geweest van neve

len. Te midden der blinkenden zullen de martelaren schitteren met dubbelen glans, zij, welker de wereld niet waardig was, en als aller afschrapsel geworden zijn. En terwijl elk der discipelen honderdvoudig zal ontvangen voor alles wat hij om zijns Heeren wil heeft opgegeven, zullen dezen het schoonste deel verkrijgen.

Laat mij u ook nog herinneren, geliefden, dat Christus u niet vraagt iets te verlaten, waardoor gij schade of nadeel zoudt moeten lu\'den. Indien gij vader en moeder moet haten, dan is dit alleen in dien zin, dat gü hunne verkeerde eischen niet moet inwilligen, of om hunnentwil Christus niet moet verlaten. Indien gij eenig genot moet opgeven, dan is dit, omdat het geen voor u geschikt genot is; het is giftig loodsuiker, geene ware zoetheid. Christus zal u veel heerlyker genietingen schenken.

En voorts herinner ik u, dat onze Verlosser aan niemand onzer iets vraagt, wat Hij zelf niet gedaan heeft. Die gedachte treft mij tot in het diepst mijner ziel, en ik wensch, dat zij ook uw hart moge treffen. Meester, zegt üij: verlaat uw vader? Hebt Gij uwen Vader niet verlaten? Gebiedt Gij my om zelfs mijns vaders huis te verlaten, indien het om uwentwil moet_ geschieden? Hebt Gij de heerlijke woningen in den hemel niet verlaten? Worden wij geroepen versmaadheid te dragen? Zij hebben U, den Heer des huizes, Beëlzebub gehee-ten. Worden wij uitgeworpen? Zij hebben ook Uuitgeworpen. Als wy denken aan de geeseling, en de schande, en de bespuwing, die de Heere heeft ondergaan en verduurd, wat zyn dan, daarbij vergeleken, onze smarten? En indien wy om zijnentwil zelfs ter dood veroordeeld worden, wy weten, dat Hij aan het kruis hing, van alles beroofd, opdat Hij ons van den toekomenden toorn zou verlossen. O geloovige, kunt gij uwen Heere volgen, waar Hij ook henengaat? Krijgsknechten van het kruis, kunt gy Hem volgen? Is het pad wèl effen genoeg voor die dierbare voeten, maar te ruw voor u? Daar is Hij in het midden van den krijg, waar de meeste slagen vallen, wilt gij Hem volgen? Durft gij Hem volgen,, of hunkert gij naaide tenten van rust en gemak, en het zachte leger der bloohar-tigen, die terugdeinzen, of overloopen naar den vijand? O! by alles wat goed is, indien gij waarlijk zijne volgelingen zijt, dan

ÜS3

-ocr page 355-

öS4 de Mak, öiè een\' toeèn wil boüwën.

gebied ik u in den naam Gods te roepen: „Waar Hü is, laat daar ook zijn dienstknecht wezen. Zij zijne vernedering ons deel in deze wereld, opdat, wij in de toekomende wereld mogen deelen in zijne heerlijkheid.quot;

Dat zijn sterke woorden, zegt gij, maar alles wat ik zeide, heeft de Heiland bedoeld. Zijne rede was als een toetssteen. Er zijn evenwel ook waarheden te gedenken, die ons kunnen vertroosten, terwijl w^j ze hooren. Het is waar, dat gij den toren niet kunt bouwen; Jozua zeide reeds in zijn\' tijd tot het volk: „Gij zult den Heeee niet kunnen dienen.quot; Indien gij de kosten overrekend hebt, dan weet gij thans, dat gij dien krijg niet kunt voeren. Tienduizend kunnen niet stand houden tegenover twintig duizend. Maar het moet geschieden, de onvermijdelijke noodzakelijkheid drijft ons voorwaarts, ivat er ook vóór ons ligt, terugkeeren durven wij niet. Gedenk aan de vrouw van Lot. Wat moeten wij dan doen? Hoort het woord des Heeren: „Bij de menschen is dat onmogelijk, maar bij God zün alle dingen mogelijk.quot; Zijt gij gewillig? Dan zal de Geest Gods u helpen. Gij zult \'de wereld en het vleesch opgeven zonder eene zucht te slaken; gij zult strijden tegen uwe lusten en ze overwinnen door het bloed des Lams. De toren zal gebouwd worden, en de Heere zal hem bewonen. Werpt u door een eenvoudig geloof op Jezus, rust in zijne macht, gelooft van dag tot dag in zijne kracht, en Hij zal u veilig door alles heen brengen.

Hebt gij wel gelet op het vers, dat op deze Schriftuurplaats volgt? Ik zou wel eens willen weten, of er ook zoo iets na mijne leerrede volgen zal. Men moet er over verbaasd staan, dat, ofschoon Jezus den donder van Sinaï deed hooren. en zijne woorden hard klonken, er toch geschreven is: „Al de tollenaars en de zondaars naderden tot hem, om hem te hooren,quot; alsof zü bij zich zei ven hadden gezegd: „Deze mensch zegt ons de waarheid, daarom willen wij hem hooren.quot; En toen begon Hij hun de kostelijke waarheden mede te deelen van zijne vrije genade. Hy deed als de landman, die de ploeg door het land drijft en den grond omkeert. En als hij dan de aardkluiten in de voren gebroken heeft, het gouden zaad zaait, maar niet eerder. O gij allen, die Christus wenscht te bezitten, komt, en bezit Hem! Gij, die de verlossing begeert, neemt haar aan als de gave zijner vrije genade, maar ontvangt haar niet onder een misverstand, begrijpt wat er mede bedoeld is. De verlossing is niet slechts verlossing van de hel, het is verlossing van de zonde. Het is niet bloot een redden van den mensch van de eeuwige pün, het is zijne vrijmaking van de ijdele en booze wegen dezer wereld. Dit kan niet verdeeld worden, het is een kleed zonder naad, van boven af geheel geweven. Indien gij rechtvaardigmaking wilt hebben, dan moet gij heiligmaking

-ocr page 356-

OVERREKENENDE DE KÖSTEK.

hebben. Indien gij vergeving wilt hebben, dan moet gy heiligheid hebben. Indien gij één wilt zijn met Christus, dan moet gij u afscheiden van de zondaren. Indien gij de gouden straten hier Boven wilt betreden, dan moet gij den weg der heiligheid bewandelen hier beneden. God geve u zijn\' Heiligen Geest ten einde u hiertoe in staat te stellen, en Hem zij de lof tot in eeuwigheid. Amen.

BE KONING GAANDE NAAR DEN KRIJG

„Wat koning, gaande naar den krijg, om tegen een\' anderen koning te slaan, zit niet eerst neder, en beraadslaagt, of hij machtig is met tien duizend te ontmoeten dengenen, die met twintig duizend tegen hem komt. Anderszins zendt hij gezanten uit, terwijl diegene nog verre is, en begeert hetgeen tot vrede dient.quot; Lukas XIV: 31, 32.

Ieder verstandig man tracht zijne voornemens in overeenstemming te brengen met zijne kracht. Hij begint geen huis te bouwen, dat hij niet in staat is te voleindigen, en hy vangt geen oorlog aan, dien hij niet ten einde kan brengen. De godsdienst van Christus is de redelijkste van alle godsdiensten, en Jezus Christus verlangt nooit discipelen te hebben, die Hem blindelings volgen zonder vooraf de kosten te berekenen. Wij vinden het altijd zeer gelukkig, als wij de menschen kunnen bewegen tot nadenken. De meesten van u zyn zóó vervuld \' van andere gedachten, zóó geheel en al bezig met de wereld, immer her- en derwaarts gaande voor uwe gewone zaken, dat wij u er niet toe kunnen bewegen om uwe gedachten te verzamelen, kalm neder te zitten, de dingen met soberheid te beschouwen in het licht der eeuwigheid, en ze bedaard en opzettelijk bij u zeiven te overwegen. En toch is het niet meer dan redelijk, dat de Meester u vraagt datgene voor Hem te doen met betrekking tot uwe geestelijke aangelegenheden, wat gij erkent, dat ieder verstandig man altijd doet voor zijne wereldlijke zaken. Gij zijt alles behalve goede kooplieden, als gij nooit

335

-ocr page 357-

öö6 de Koning «aande naar den krijg.

eens een\' inventaris opmaakt. Het zal niet lang duren eer gü failliet verklaard wordt, zoo gij nooit uwe boeken en rekeningen opmaakt. En evenzoo wil Christus, dat gij soms eens ne-derzit. en alles bij u zeiven nagaat om te weten waar gij zijt, en wat gij zijt, en dan eene soort van rekenkunde gebruikt, waardoor gij tot eene zuivere berekening kunt komen van hetgeen gij doen kunt en hetgeen gij niet doen kunt, en wat dus verstandig voor u is te ondernemen, en wat onverstandig; waar uwe positie behoort te wezen, en waar niet.

Heden avond noodig ik inzonderheid diegenen in deze vergadering, die nog onbekeerd zijn, een weinig na te denken over den krijg, waarin zij gewikkeld zijn met God, in de hoop, dat zü door dit nadenken er toe gebracht zullen worden een gezantschap te zenden en te begeeren hetgeen tot vrede dient. Als ik daarover gesproken zal hebben, dan zullen er wellicht sommigen zijn, die het denkbeeld opvatten om maar terstond vrede te hebben met God en krijg te voeren tegen Satan; maar ik wensch hen eerst eens bedaard te doen nagaan welke kans op overwinning zü hebben in zulk een\' kryg, en of zij in staat zijn den zwarten prins der duisternis in hunne eigene kracht tegen te treden. Wij zullen dit tot het onderwerp trachten te maken van eene eenvoudige bespreking van de belangen onzer ziel, en van een ernstig, persoonlijk nadenken over onze toekomst.

I. Ten eerste, er zijn sommigen hiee, die geene vrienden van God zijn, en in dat geval is hu, die niet met Hem is, tegen Hem.

Indien gü niet op kunt zien tot God, en zeggen: „Mü\'n vaderquot;, en niet gevoelt, dat uw hart in getrouwheid voor Hem klopt, zoo herinnert u, dat het een feit is, dat gg zijne vijanden zijt. Indien gü uwen wensch kondet verkrijgen, dan zou er geen God zijn. Indien het in uwe macht stond, gü zoudt u nooit meer de moeite geven van aan Hem te denken. Gü zegt, dat gij gaarne zoudt leven naar het u gevalt, en ik weet, hoe het u zou gevallen te leven. Het zou alles behalve naar Gods geboden zyn. En daar gü Hem nu tegenstaat, zoo denk eens een oogenblik na. Kunt gij verwachten, te zullen slagen? Is er eenige waarsclujnlijkheid, dat gij de overwinning zult behalen? Gij hebt den strijd aangebonden tegen zijne wet; gij züt niet van zins haar te houden, zyn\' dag wilt gij niet waarnemen, gü voert dus krijg tegen God. Is er nu eenige kans. dat gü voorspoedig zult zijn ? Zoo ja, dan zoudt gij wel kunnen voortgaan. Indien gij Hem kunt overwinnen, indien de vlag der zonde triomfantelijk op de kanteelen der heerlijkheid kan wapperen, welnu, beproef het. Dat zal dan ten minste eene eerzucht zün. Satan waardig, die liever wilde regeeren in de hel, dan geregeerd te worden door den hemel. Maar is er zoodanige hoop voor

-ocr page 358-

BB KONING GAANDE NAAR DEN KRIJG.

u? Laat mij u het een en ander voorhouden, waardoor gij wellicht begint te denken, dat de stryd al te ongelijk is, en die gedachte dan terstond laat varen.

Denkt aan Gods ontzaggelijke macht! Wat is er, dat Hij niet doen kan? Vergelykenderwijs gesproken, zien wij slechts weinig van Gods macht in ons land. Nu en dan wordt het schrikkelijk geluid des donders vernomen, en wij zien met verbazing en ontzetting op, als Hij door zijne bliksemen den hemel in vlam zet. Maar gaat heen, en doet handel op de groote wateren, laat uw schip heen vliegen voor den huilenden orkaan, hoort, hoe al dat stevige houtwerk kraakt alsof het een rietje was; ziet, hoe de zware, statige mast over boord gaat of tot splinters wordt geslagen. Let op hetgeen God doet, als Hij de groote diepte beroert en den hemel naar beneden schijnt te brengen, en de aarde opheft, totdat de elementen zich tot ééne enkele massa schijnen te vermengen in den storm. Gaat naaide Alpen en luistert naar den donder van den sneeuwval. Staat verbaasd, als gij in den een\' of anderen ijzingwekkenden afgrond staart, of in de blauwe geheimenissen van eene bergkloof. Aanschouwt de watervallen en de bevrozen zeeën, de gletschers, terwijl zij zich met donderend geraas van de bergen storten; blijft daar eene wijle, totdat er een storm opsteekt, en Alp tot Alp zal spreken, en hunne witte hoofden zich schijnen te buigen, terwijl de vleugelen van den storm er over heen gaan. Daar kunt gü iets leeren van de macht van God. Indien gij naast Dr. Woolfe hadt gestaan, toen hij op een\' morgen vroeg opstond en de poort van Aleppo uitging, en omziende, Aleppo niet meer zag, omdat het in één enkel oogenblik door eene aardbeving was verzwonden, gij zoudt dan gezien hebben wat God kan doen. Maar waartoe zal ik met mü\'ne zwakke woorden opsommen, wat gij allen zoo goed weet? Denkt aan hetgeen in dit Boek vermeld staat van zijne groote daden, toen Hij de afgronden ontsloot en de fonteinen der groote diepte verbrak, opdat de gansche toenmalige wereld met water zou worden bedekt ? Denkt aan hetgeen Hij gedaan heeft aan de EoodeZee, toen voor eene wijle de stroomen overeinde hebben gestaan als een hoop, terwijl zijn volk er door heenging, en toen die stroomen daarna in de handen klapten van vreugde en de vijanden in de diepten hebben begravèn! Laat de namen van Og, koning van Basan, Sihon koning der Amorieten, en Sanherib, den machtige, in uwe herinnering opkomen, en let op hetgeen God gedaan heeft! Welke schilden heeft Hij niet gebroken ? Welke spiesen niet aan\' splinters geslagen ? Millioenen zijn tegen Hem „aangeloopen,quot; maar door den adem van zijn\' neus zijn zij gevallen, of zij vloden heen als kaf voor den wind. Laat de zee bruisen met hare volheid, de rotsen\' staan stil en werpen de golven terug in vlokken van schuim,

887

22

-ocr page 359-

DE KONING 9AANDE NA.AH DEN KRIJG.

en zoo doet God, als zijne vijanden het verwoedst zijn, Die in den hemel zit, lacht, de Heere bespot hen, en Hy breekt hen in stukken zonder een\' enkelen slag van zijne hand of ook maar een\' blik uit zyn oog. Denk, o zondaar, denk aan Hem, met wien gij strijdt. Hebt gij een\' arm als Gods arm ? Kunt gij eene donderstem doen hooren gelijk aan de zijne? Kunt gij de bergen aanraken en ze doen rocken ? Kunt gjj tot de zee zeggen; „Wees beroerd tot in uwe diepten,quot; of kunt gij tot de winden roepen en den storm loslaten ? Indien gij dat niet kunt, zoo denkt dan aan dien krijg! Tracht niets verder tegen Hem te ondernemen, maar spoedt u terug naar uwe legerstede, spreekt in ulieder hart, en sluit vrede met Hem, tegen wien gij niet met voorspoed zult vermogen te strijden.

En denk nogmaals, o rebelleerende mensch! Gij hebt niet slechts te doen met de almacht, maar met eene overal aanwezige, alles omringende macht. Denk er eens aan, hoe gij heden met betrekking tot uwe tijdelijke positie in Gods macht zijt. Gij zijt voorspoedig in uwe zaken, maar het getij van dien voorspoed kan verkeeren op eene wijze, die u gansch en al onbekend is. God heeft duizenderlei middelen om diegenen van alles te ontblooten, die Hij te voren op de ruimst mogelijke wijze scheen te bekleeden. Uwe echtgenoote heeft al de liefde van uw hart, zij is de lust uwer oogen. Zij kan op eens voor uwe oogen worden nedergeworpen, zij kan nederliggen op het ziekbed en wegkwijnen, of wel zij kan op eens van uwe zijdeworden weggerukt, en waar is dan uwe blijdschap ? Deze kinderen, die uwen huiselij-ken haard vervroolijken, zoudt gij ze één oogenblik langer kunnen houden, indien God hun\' adem wegneemt? Indien Hij zegt; „Keert weder, gij menschenkinderen,quot; wat zouden dan uwe gebeden, uw geneesheer, uwe liefde baten ? Gij hebt niets te doen dan uwe dooden van voor uw aangezicht te begraven. God kan alles van u wegnemen, indien het Hem behaagt, en u zonder penning laten, kinderloos, weduwnaar, zonder eenigen troost in de wereld. Ik zou niet willen strijden met Hem, die zoo vele middelen heeft om my te wonden. Ik ben kwetsbaar in zoo vele punten, en Hij weet mij in die allen doodelijk te treffen. Ik wil Hem dus liever tot mijn\' Vriend hebben dan tot mijn Vijand. Ik moet maar liever niet strijden met Hem, die den sleutel heeft van de achterdeur, en van de voorpoort, en van de ijzeren poort, en die, wanneer het Hem ook gelieft, alle de punten van mijn bolwerk kan bestormen.

Bedenk ook hoe zeer gü u persoonlijk in zijne macht bevindt. Gij zijt sterk, zegt gij. Gij kunt zoo hard werken als de beste; er zijn weinigen, die zoo gemakkelijk als gij een\' zwaren last kunnen opheffen; en toch is ééne seconde tijds genoeg om al uwe leden te doen verstijven en verlammen. Uwe geestvermogens zijn helder ; gij kunt uwe gedachten duidelijk in schrift uitdrukken

888

-ocr page 360-

DE KONING GAANDE NAAR DEN KRIJG.

839

niemand kan een ingewikkeld vraagstuk sneller oplossen dan gö, of spoediger een geheim uitvorschen, en toch is een tik van de klok tijds genoeg om u of mij tot een\' idioot te maken, of een\' krankzinnige. Eene geheimzinnige hand valt op dat brein en verkilt het, zoodat het licht des verstands er niet meer in is; of wel, een schrikkelijke adem brengt er vuur in, totdat het brandt als Nebukadnezar\'s oven, en de ziel wandelt daarbinnen als een martelaar, gedoemd om midden in het vuur te leven. Denk hieraan — niet vele ellen hier van daan staat Bedlam (1) als een ontzettend getuige van hetgeen Gods voorzienigheid in een oogwenk doen kan met hen, die het gezondst van zinnen schenen, de vernuftigste, bekwaamste menschen waren. En gy behoeft niet ver te gaan,of gy komt aan de poort van het eene of andere ziekenhuis, waar gij zult bemerken hoe snel het lichaam kan zinken, zinken tot in het stof, indien God het wil. O zondaar! ik zou God niet anders dan tot mijn\' vriend willen hebben, terwijl ik zoo hulpeloos in zijne macht ben. Indien de mot in mijne hand is, en ik kan haar naar welbehagen verpletteren, dan zou die mot, indien zij eenig vernuft of verstand had, mijn\' toorn niet opwekken; neen, zij zou, zoo zij slechts kon, wegschuilen in mijn\' boezem, zich nestelen aan mijn hart, opdat ik, die zoo in staat ben haar te verpletteren, mijne macht zou aanwenden om haar te beschermen, en mijn vernuft om haar te beschutten.

Het is ook goed te denken aan het machtig heir van den Heere der heirscharen; te bedenken, dat gij leeft te midden van de schepselen Gods, die allen gereed zijn, zijn bevel te doen. Toen de kinderen Israels reisden in de woestijn, werden zij door God behoed tegen vele vijanden en ontelbare gevaren, die om hen heen loerden, wachtende om hen te verderven. Eens veroorloofde God aan vurige slangen het heir aan te vallen, en door welk een\' schrik en dood was het leger terstond vervuld ! Toen moeten zij gezien hebben, dat het geene kleine zaak is met God te strijden, daar Hij zulk eene menigte van bondgenooten heeft, die gereed staan om zijne bevelen te volvoeren. Hoe duidelijk werd dit getoond in de plagen van Egypte toen vorschen, sprinkhanen en luizen, hagel en vuur, pest en dood op den wenk van Gods opgeheven vinger het ongelukkige land overstroomden. En ook heden is Hij nog in staat de krachten der natuur te hulp te roepen. De sterren in hun\' loop streden tegen Sisera, en God kan nog alle dingen doen medewerken ten kwade, zoowel als ten goede, indien het Hem behaagt hun dit te gebieden. Toen Herodes streed met God, werd hij met wormen geplaagd en stierf, en God heeft ook heden nog een talloos heir van dienaren, die zijne bevelen doen, gehoorzamende

(1) Gesticht voor krankzinnigen te Londen.

-ocr page 361-

DE KONING WAANDE NA AH DEN KKIJÖ,

de stem zijns woords. Gij deedt beter nog eene wijle te wachten en eens na te gaan, of gü tegen Hem zyt opgewassen. Zijn uwe vrienden even talrijk ? Is de monsterrol uwer heir-s\'charen gelijk aan de zijne ? Beschouw de hemelen, want Hij voert de menigte aan der sterren en noemt ze allen by namen ; omdat Hij groot is van kracht, is er niet een die faalt. Wees verstandig en maak een verbond met Hem door bloed, maar ga gee-ne gewisse nederlaag te gemoet door God te willen overvleugelen.

Denk ook aan de grootte van Gods wijsheid, en dat zijne dwaasheid hooger is dan uwe grootste kennis. Een goed generaal is meer waard dan een heel regiment soldaten. Toen de Hertog van Wellington nog leefde, was hij voor ons een leger, eene sterkte boven alle berekening groot. En let nu eens op de bekwaamheid en oneindige wijsheid { van God, die het heir des hemels aanvoert. Alle licht en alle kennis zijn zijne. Hy is de Oude van dagen, en zijne ervaring omvat de gansche eeuwigheid. Gij zijt slechts van gisteren en weet niets. Zyne plannen zijn boven uwe bevatting, maar Hij kent den weg, die bij mij is. Hij is ver boven uwe gedachten, en altijd buiten uw gezicht; maar Hij kan u door en door zien, en kent u beter dan gij u zeiven kent. Openbaar uwe dwaasheid niet door uwe wysheid tegen de zijne in de weegschaal te leggen, of te denken, dat gij Hem zóó kunt overschitteren, dat gij Hem overwint. Arme mot, die in de kaars vliegt, gy zult te midden van het medelijden der goeden en de bespotting der slechten verteerd worden.

Doch er is nog iets, dat ik u wensch te doen gedenken, u, die vijanden Gods zijt — namelijk, dat gy een geweten hebt. Dat zijt gij nog niet kwijt geworden. Gij hebt wel is waar een dief in de kaars des Heeren, maar zij brandt toch. Zy is nog niet uitgebluscht, en God heeft middelen om het tot eene schrikkelijke plaag voor u te doen worden, zoo gij het niet aanneemt als uw vriend. Het geweten is bestemd om des menschen wapendrager te zijn, onder wiens schild hy den strijd des rechts kan strijden, maar indien gij het tot uwen vyand maakt, dan plaatst het geweten soms een zwaard op zulk eene wyze, dat het u schrikkelijk snijdt en wondt. Gy hebt een geweten, en dat is zeer lastig voor iemand, die een vyand Gods is. Indien ik Gods vijand was, dan zou ik al zoo lief geen monitor hebben, die mijne aandacht vestigt op het heilig karakter en de rechtvaardige wet van den Allerhoogste; ik zou gaarne van alle zedelijke bewustzijn ontbloot wezen. Maar gy hebt een geweten, en de meesten van u zijt niet dood voor alle gevoel-van schaamte en schuld, daarom kunt gij niet zoo gemakkelijk zondigen als anderen. En zoo het u al voor het oogenblik gelukt het geweten tot zwygen te brengen, toch is het in u, en de tyd komt, wanneer gy zijne stem al luider en luider zult hooren, en dan

SéO

-ocr page 362-

DE KONING GAANDE NAAR DEN KRIJG.

zal er verschrikking wezen in die stem, waardoor het u iets vreeselyks zal zyn te gaan slapen, en iets zeer moeielyks om met uwe gewone regelmatigheid uwe dagelyksche bezigheden te verrichten. De menschen, die God het getrouwst dienen, bevinden nog, dat het geweten, als het hen van iets verkeerds kan beschuldigen, alles behalve een aangenaam metgezel is, ofschoon het toch hun beste vriend is. Er staat geschreven, dat Davids hart hem sloeg. Ik zou liever door ieder ander dan door mijn eigen hart geslagen worden, want het brengt zeer harde siagen toe, en doet ze neerkomen juist op die plaats, waar wij ze het meest gevoelen. En zoo zal het met u wezen, tenzij uw geweten als met een brandijzer toegeschroeid is. Ik vrees, dat er een tyd komt, wanneer gij niet pp uwe legerstede zult kunnen verwijlen, en nergens vrede of voldoening zult kunnen vinden. Daarom denk ik, dat, zoo ik een vriend Gods in mijn hart had, ik niet gaarne met God zou willen strijden, zoo lang die vriend nog in mij is. Ach! dat gij vrede met Hem wildet hebben, daardoor zou u het goede overkomen.

Nog eene andere overweging (want ik wensch, dat gy lang over dit punt zult nadenken) is deze. Gedenk, dat gij moet sterven, en daarom is het zeer te betreuren, dat gy in vijandschap leeft met God. Gij kunt dit nu wel uit uwe gedachten trachten te bannen en zeggen; „Ik zal nog niet sterven; maar hoe weet gij het ? Gy kunt morgen sterven. Maar gesteld eens, dat gy nog twintig of dertig jaren leeft, welnu wat is dat? Ik ben heden slechts ongeveer dertig jaren oud, maar ik moet bekennen, dat ik nooit zooals thans gevoeld heb, hoe kort de tyd is. Toen wij kinderen waren, vonden wij een jaar een lang tijdperk ; toen wy twintig jaren oud waren, vonden wij een heel jaar ook nog tamelijk lang, maar nu vliegt de tyd om, en sommigen van myne vrienden hier, wier haar begint te gry-zen, zullen u zeggen, dat, of het vijftig, of zestig, of zeventig jaar is, het alles toch is als een droom, zoo snel gaan de jaren voorbij. Waarde vriend, zal het niet schrikkelijk zijn te sterven, terwijl gy krijg voert tegen God ? Al zoudt gij dien kryg altyd kunnen blyven voeren onder dezelfde omstandigheden, waarin gy u thans bevindt, dan zou ik u hem toch moeten ontraden. Daar hij echter tot zulk een\' ontzettenden stilstand moet komen, daar gij ook nog een\' doodstrijd te strijden zult hebben, zult gij vrij watbeterste doen hebben, in uwe ster-vensure dan de wapenen te dragen tegen den God des hemels. Zij, die God tot vriend hebben, vinden den dood toch niet aangenaam, maar hoe zult gij den dood vinden, gij, die u zeiven treft met eiken slag, dien gij den Allerhoogste meent toe te brengen, den Allerhoogste, dien gij tot uwen vijand hebt gemaakt en nog steeds blijft maken.

341

-ocr page 363-

DE KONING GAANDE NAAR DEN KRIJG.

Er is ook nog de gedachte aan de toekomst, daar gü, als gij gestorven zijt, toch wederom zult moeten leven. Wij weten zeer weinig omtrent dien toekomenden staat, en ik ben niet voornemens er heden avond veel over te spreken. Uw geest, zal, ontdaan van het lichaam, in eene wereld komen, die gij nog nooit gezien hebt. Zult gij daar metgezellen vinden, of zult gij er alleen zijn? Wat soort van wereld zal het zijn? Ik zou niet gaarne in het rijk der geesten willen binnentreden zonder God tot vriend te hebben; want het zou iets schrikkelijks wezen in dat geheimenisvolle, onbekende land te komen, met niets anders om mü over de grenzen er van te brengen dan — een\' ingekankerden haat tegen den Koning, die daar oppermachtig regeert. Als ik over de grenzen ga en in een land kom, dat ik nooit te voren heb betreden, dan zou ik ten minste een paspoort willen hebben, of in staat kunnen zijn te zeggen: „Ik ben een vriend van den Koning, die hier regeertquot;; maalais Gods vyand daar heen te gaan — ach hoe schrikkelük moet dat wezen!

Laat mij u daarenboven ook zeggen, dat gü\'niet kunt hopen voorspoedig te zijn. Alle ervaring is tegen u; nooit is er nog iemand geweest, die, hetzij in dezen staat of in den toekomenden, met God gestreden heeft en de zegepraal heeft behaald; en gij zult de eerste niet zijn. Want allen, die tegen God strijden, komen tot deze gevolgtrekking: „Hij gaat uit in zijne kracht, en zijne vijanden worden als stoppelen voor het vuur en als was voor de vlam; Hij heft zijne stem op en zij vei smelten. Hij ziet hen aan, en die ééne fiikkering des vuurs doet hen voor eeuwig verdorren. En van uit den bodemloozen afgrond der wanhoop weenen zij en klagen met hartverscheurend, doch nutteloos berouw, dat hun oogst voorby, hun zomer geëindigd is, en zij niet verlost zijn, want zij hebben hunne kracht verspild tegen hun\' God, en aldus hebben zy zich zei ven gebracht, waar het verderf eeuwig is, en de hoop nooit komen kan.quot; O dat gij een\'gezant wildet zenden, en vredesloot!

Mij dunkt, ik hoor u nu zeggen: „Wei, wy\' wenschen den strijd op te geven, maar wat moet er geschieden om tot vrede met God te komen?quot; Ik vraag: hebt gij een\' gezant om voor u naar God te gaan? Dat is de eerste zaak. U kan hij niet aanzien. Jezus Christus is de Gezant tusschen God en den mensch; kunt gij uwe zaak in zijne hand stellen? Wilt gij het? Zoo ja, dan zal de zaak goed voor u afloopen. God kan Hem geen enkel verzoek weigeren. Hij heeft recht op alles wat Hij den Vader vraagt Hem te geven, en in Hem heeft de Vader altyd een welbehagen, en Hy verlustigt zich er in Hem te geven alles, waar Hij om vraagt. Die Verlosser is bereid uwe zaak te bepleiten. Hy wacht om genadig te zijn. Ik ben gezonden om u do blijde boodschap te brengen van zyne liefde en goedertie-

342

-ocr page 364-

DE KONING GAANDE NAAR DEN KRIJG.

renheid, om u te waarschuwen voor het wis verderf, dat allen wacht, die zich van Christus afwenden, en om u en ieder rebel, die krank is door de zonde, te noodigen terstond, en zooals gü zyt, te komen tot den troon der genade, en — daar ik de gezant van Christus ben voor dat doel — kan ik u de eer van God verpanden, dat Hij u, zoo gij komt, geenszins zal uitwerpen. En de vredesvoorwaarden zijn zeer weinig in aantal. Zij zijn dezen; geef over de verraders. Er kan tusschen u en God geen vrede zijn, zoolang gij de zonde nog onthaalt en huisvest. Geef ze op, en wees bereid afstand te doen van elke zonde; want één enkele verrader, die nog eene schuilplaats bij u vindt, zal God beletten vrede met u te sluiten.

Zondaar, wat zegt gij ? Valt het u zwaar de zonde op te geven? Vindt gij die voorwaarde onredelijk? O myn vriend, draal niet, dood alle ongerechtigheid. Ach! er is geene enkele zonde, die het waard is, dat gij er om verdoemd wordt. Eenige drinkgelagen, eenige jaren van onkuisch leven, is dat waard er het eeuwige vuur der hel om te verduren? Hoe! een paar uur van lichtzinnig vermaak, is dat eene behoorlijke vergoeding voor eene eeuwigheid van vuur, onverzacht door de koelte van een\' enkelen droppel water? Ik bid u, weest toch verstandig. Verkwansel uwe ziel toch niet voor beuzelingen, verpand de eeuwigheid niet voor de verzinselen van een oogenblik. God schenke u de genade, die voorwaarde niet te verwerpen, maar terstond uwe en Gods vijanden uit te werpen, en dan Jezus Christus aan te grijpen, Jezus Christus alleen, en Hem uw Gezant bij God te laten zijn Gij kunt dien strijd niet volhouden. Laat er dan vrede gesloten worden. O dat hij nog heden avond wierd gesloten door het bloed van Jezus Christus, Gods lieven Zoon.

En erkent vervolgens, dat gij des Konings toorn hebt verdiend. Buigt het hoofd, belijdt, dat gij des doods schuldig zyt. Bidt God om vergeving, en roept: „O God, wees my zondaar genadig!quot; en klampt u dan vast aan het kleed van den Zaligmaker, den Heere Jezus Christus, die aan gindsch vloekhout verzoening gedaan heeft voor de zonden van Gods vijanden, opdat zij aldus Gods vrienden zouden worden. God eischt van u eene belijdenis van schuld. Hij zal geëerd worden, doordat gij u voor Hem verootmoedigt. Uwe zonde was gericht tegen zijne eer, en nu zal Hij zich verheerlijken door uw berouw en uwe bekeering. Het zou van zijne zijde niets meer dan recht vaardig zyn, indien Hij u van zich weg dreef, en vi nederslin-gerde in den bodemloozen afgrond, maar hij heeft gezegd, dat wie zijne zonde belijdt, vergeving zal ontvangen. Gaat daarom in de gezindheid van den tollenaar, slaat u op de borst, en zegt: „O God, wees mij zondaar genadig.quot; Erkent, dat gij de

1 11 verdiend hebt, maar vraagt om den hemel, dan zult g

343

-ocr page 365-

de koning gaande naar den krijg.

niet te vergeefs pleiten. Alleenlijk, eert G-ods gerechtigheid, en beroept u op zijne genade door den Heere Jezus Christus. Dit is voorwaar toch niet te veel, dat God van u verwacht. Indien gij u niet wilt onderwerpen, wat kunt gü dan zeggen, als G-od u verplettert? Gij weigert de knie te buigen, en het hoofd te buigen; wat zult gy dan doen, als God u zal vertreden in zijn\' toorn, en u zal vertrappen in zijne grimmigheid? Daarom moet gü thans, in den welaangenamen tijd, terwijl het nog de dag der genade is, zijn aangezicht zoeken met weening en smeeking; neemt deze woorden met u, en bekeert u tot den Heere, en Hij zal zich uwer ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk.

II. En nu keeren wij het onderwerp om en zien op den

tweeden strijd, dien, naar ik vertrouw, zeer velen zullen willen strijden.

Een jeugdig gemoed, getroffen door het besef van zijn\' toestand en eenigszins opgeschrikt, zegt wellicht: „Ik wil niet langer Gods vijand zijn; ik wil zijn vriend wezen.quot; De knieën buigende, roept dat hart; „O God, verzoen mij met Udoor den dood van uwen lieven Zoon. Ik werp de wapenen neder; ik erken mijne schuld, ik smeek om genade. Schenk ze mij om Jezus wii!quot; „Maar,quot; zegt die ziel, „indien ik de vriend ben van God, dan moet ik de vijand wezen van Satan, en van heden af verbind ik mij om voor altijd den strijd aan te binden met Satan, totdat ik de overwinning behaal en vrij ben van de zonde.quot; Waarde vriend, wacht een oogenblik. Ik wensch niet, dat gij vrede maakt met Satan, maar wèl wensch ik, dat gij goed weet, wat gü doet. Er zün enkele dingen, die ik u in het oor wil fluisteren, en een daarvan is: de zonde is zoet. De bovenste droppelen in den beker der zonde glinsteren en schitteren. Er is voor een\' zekeren tijd een zeker genot in de zonde. Het is een giftig zoet, het is slechts eene tijdelijke zinsbegoocheling, maar toch! de wereld doet fraaie beloften, en ofschoon alles, wat bij haar blinkt, geen goud is, heeft het er toch wel den schijn van. Kunt gü de zonde weerstaan, als zij u zoo bekoorlik toeschijnt. Als de beker u weder gebracht wordt — gy kent er den geur en smaak van, en die smaak is zoet! — kunt gij u dan afwenden? Zü\'t gy er zeker van, dat gü hem van uwe lippen zult wegrukken? Ach! gü zult het gansch anders bevinden in de ure der verzoeking, dan gij het nu vindt terwijl gij hier nederzit, en, ver zijnde van de verzoeking, besluit te zullen doen wat recht is.

Herinner u ook, dat gij verleid kunt ivorden door vrienden, die zeer sterk bij u zullen aandringen. Thans kunt gg de zonde opgeven, maar gij weet niet, wie de volgende maal de verzoeker zijn zal. Indien zij u eens overhaalt, die u reeds te voren met zoo veel succes verzocht heeft! Indien hij — hij! zou

344

-ocr page 366-

DE KONING GAANDE NAAR DEN KRIJG.

spreken! Hü ! dat woord wekt reeds herinneringen bü u op. Indien hij eens sprak, zooals hij alleen kan spreken, en u aanziet, zooals hü alleen u aanzien kan, zult gij dan kunnen weerstaan ? Die betooverende stem, dat bekorend oog! O hoe vele zielen zijn der verdoemenis pry\'s gegeven voor hetgeen (Je menschen liefde noemen! Ach, dat zij slechts een weinig ware liefde hadden voor zich zeiven en voor anderen, en niet aldus het spel speelden van den duivel! Maar helaas! helaas! terwyl de beker zelf u reeds zoet schyntj komt daar nog de hand bij, die u hem aanbiedt. Het is niet zoo gemakkelijk met Satan te strijden, als hij de diensten gebruikt van iemand, dien gij hoogacht en van ganscher harte liefhebt. Denk aan Salomo, wiens wijsheid verwonderlijk was, maar verleid en verstrikt zijnde door zijne vrouwen, den booze als prooi in handen viel. Er is een geest, eene gezindheid als die des Meesters noodig, om tot den verzoeker te kunnen zeggen: „Ga weg achter mij, Satan,quot; als hij het voorkomen heeft van een uwer beste vrienden te zü\'n. De duivel is een listig wezen, en zoo hü de deur niet kan openbreken, dan zal hü den sleutel zien te krügen, die in het werk van het slot past, en door middel van onze teederste liefde en genegenheid zal hij zich toegang verschaffen tot ons hart. Gij zult het dus niet gemakkelijk vinden met hem te strijden. gt;

Herinner u voorts ook nog, dat daar is gewoonte. Plotseling wilt gij uwe zonden opgeven en met Satan stryden. Zeg my\' dit niet! Zal ook de Moorman zyne huid veranderen? of een\' luipaard zyne vlekken? Zoo ja, dan zal hy\', die gewoon is kwaad te doen, leeren goed te doen. Indien gij nooit hadt gezondigd, zooals gy gezondigd hebt, dan zou dit niet zoo moeielyk voor u wezen, maar hü, die dag op dag, en jaar op jaar, in de zonde geleefd heeft, is er niet zoo gemakkelijk van af te krygen. Gij kunt even goed hopen het water van de Niagara naar boven in plaats van naar beneden te zien vallen, als de menschelijke natuur terug te doen vloeien naar de deugd, in plaats van afwaarts te vloeien naar de zonde. Gij kent u zeiven niet. De gewoonte is een y\'zeren band, en wie er eenmaal door omringd is, kan er aan rukken en trekken zooveel hü wil, maar hij zal eerder zü\'n vleesch scheuren, dan de schakels van die ontzettende keten verbreken. Wij hebben menschen gezien, die, overtuigd zü\'nde van de dwaling huns wegs, getracht hebben er zich af te wenden zonder daarvoor de hulpe Gods te vragen. Voor een\' tü\'d schenen zij een weinig vorderingen te maken, maar het was slechts als het deinzen der golven by\' het opkomen van het gely\'; hunne slechte gewoonten zijn met onstuimigheid tot hen wedergekeerd, en hebben meer dan ooit de overhand over hen gehad. Lees de gelijkenis onzes Heeren betreffende den onreinen geest, die uitging uit den mensch en

34B

-ocr page 367-

DE KONING GAANDE NAAR DEN KRIJG.

door dorre plaatsen ging, zoekende rust zonder ze te vinden, en toen zeide: „Ik zal wederkeeren in mijn huis, van waar ik uitgegaan ben.quot; Hij kwam terug in het huis, en vond het ledig, met bezemen gekeerd en versierd. En toen ging hij heen, en nam met zich zeven andere geesten, boozer dan hij zelf, en zoo was het laatste van dien mensch erger dan het eerste. Zoo is het ook met hen, die het werk hunner eigene verlossing en zaligheid beginnen, zonder door het geloof op te zien tot God om zijne hulp te verkrijgen. Satan zal over u triom-feereh. Gij zijt als de vlieg in het web van de spin, hoe meer zij . worstelt om er uit te komen, hoe meer zij er in verward raakt. Grij moet om hulp\'roepen, want gij zijt gansch onmachtig om door u zeiven aan de strikken van den booze te ontkomen. Hij heeft u gebonden aan handen en voeten, en nooit zult gij zijne banden verbreken, noch in staat 7ijn zijne touwen van u te werpen. Gij hebt geene zeven haarlokken van sterkte, gelijk Simson, en gij zoudt gewisselijk overwonnen worden.

Nog eens: gij denkt, dat gij de zonde zult willen opgeven, maar bespotting is zeer onaangenaam, en als men u met den vinger begint na te wijzen en u toeroept: „O zoo! gij poseert als heilige! gij hangt den vrome uit!quot; en als zy dit doen op eene wijze, zooals zij alleen het kunnen: scherp, snijdend, bitter; en als zij dit heel vernuftig in een kort stekelig gezegde rondfluisteren in de werkplaats, of op het kantoor, of in de kazerne; en als zij dan daarbij de kunst verstaan om uw streven naar heiligheid vast te haken aan uwe zwakheid en gebreken, en er vijftig spottend lachende gezichten om u heen zijn, kunt gij dat dan dragen? O het is heel goed en aangenaam om Zondags hier in de kerk te komen en te zeggen wat gij doen zult, maar gansch wat anders is het, als het Maandag op doen aankomt. Het is voor een verstandig man niet zoo veel bijzonders om uitgelachen te worden, dunkt mij, gij behoeft er slechts aan gewoon te raken, en dan zult gij even goed verwachten, dat de menschen om u lachen, als de vogels te hooren zingen, wanneer gy des morgens uitgaat; maar in het eerst is het eene groote beproeving, dit verzocht worden door „bespottingquot;, en velen, die uitgingen om tegen Satan te strijden, zijn teruggegaan, omdat zij er niet staande onder konden blijven. Toen de Joden na hun\' terugkeer uit de gevangenschap de muren van Jeruzalem herbouwden, werd hun ijver en hunne toewijding op de zwaarste proef gesteld door het lachen en spotten hunner vijanden, die kwamen om naar hun werk te zien en zeiden: „Wat doen deze amechtige Joden? Al is het, dat zij bouwen, zoo er een vos opkwame, hij zou hun steenen muur wel verscheuren.quot; De woorden hunner vijanden waren snijdender dan zwaarden, het smalen

346

-ocr page 368-

DE KONING GAANDE NAAR DEN KRIJG.

dier spotters sneed hun door de ziel. En het is heden nog even pijnlijk voor eene fijngevoelige ziel om bespot te worden, als het van ouds geweest is, maar gij moet u niet laten afschrikken. De hemel is waard gekocht te worden, al zou de prys ook wezen een leven vol van snijdende woorden en boosaardige gezegden van eene spottende, smalende wereld. Heeft Christus zelf ons niet getoond hoe deze beproeving te verdragen? Ziet zijne vyanden om Hem heen vergaderd, als Hü stervend aan het kruis hangt. Zelfs daar lachen zij nog om Hem: „Anderen heeft hij verlost, zich zeiven kan hij niet verlossen,quot; zeidén zü\', terwyl zy hun hoofd schudden en te gelijk spotten met zijne waardigheid en met zyn Hjden. „Indien gij de Christus zijt, kom af van het kruis, en wij zullen u gelooven.quot; Deze woorden moeten bitterder zijn geweest voor zijn gemoed, dan de galle met alsem gemengd was voor zijne lippen. Ook hier moet gij Christus volgen, indien gy tegen Satan wilt stryden, zoo als Hij met hem gestreden heeft. Zoo overrekent dan de kosten. Kunt gü zijn\' drinkbeker drinken en met zyn\' doop ge doopt worden?

En laat mij ook nog zeggen tot u, die met zooveel yver den weg naar den hemel wilt bewandelen, dat gewin iets zeer fraais, iets zeer aangenaams is. Wie zou niet gaarne fortuin willen maken? Als gij godsdienstig kunt zyn en tegelyk ook ryk kunt worden, dan is dit juist wat aan sommigen uwer by uitstek bevalt. O ja, als dit samen kan gaan, dan is dit bijzonder aangenaam. De Heer „Bijdoelquot; zeide; „Indien iemand door godsdienstig te worden eene ryke vrouw kan trouwen, een\' goeden winkel met veel klandizie kan bekomen, wel, dan is de godsdienst heel goed, want eene goede en ryke vrouw te trouwen is eene goede zaak, en een goede winkel met veel klandizie is ook eene goede zaak, en zoo is, alles te zamem genomen, de godsdienst dus heel goed.quot; Maar wie den heer „Bedoelquot; kent, weet, dat hij, hoe fraai hij ook weet te redeneeren, een slecht mensch is. Ik heb hem gekend. Het doet mij leed te moeten zeggen, dat hij lid is van onze gemeente; maar ik ken geene gemeente, waar hij geen lid van is. Ik heb het beproefd hem buiten te sluiten, en ik heh hem ook buiten gesloten, maar er was nog iemand, die van zijne familie was, en binnen bleef, en hoevelen gü ook buitensluit, altijd zullen er toch nog van dit gebroed binnen blijven. Maar „Bijdoelquot; wordt toch ook wel eens in het nauw gebracht. Indien gij merkt, dat gij door uwen winkel op Zondag gesloten te houden uwe klandizie verliest, wat dan ? Zoudt gij het kunnen dragen? Er zijn sommigen van u, die dit nu en dan eens pro-beeren, want nu en dan hebt gij buien van godsdienstigheid, maar gij bevindt, dat het u geene winst oplevert, en zoo gaat gij dan uwen winkel maar weer openen op den dag des Hee-

347

-ocr page 369-

DE KONING GAANDE NAAR DEN KRIJG.

ren. Gij, die op Zondag verkoopt, bemerkt, dat het u een weinig te benauwd wordt, als gij nu en dan op Zondag ook eens hier komt, en dan sluit gij uwen winkel weer. Maar weldra zegt gij: „De menschen moeten toch leven.quot; Ja, en de menschen moeten ook sterven, en de menschen moeten\'ook verloren gaan, als zij willen leven door Gods geboden te overtreden. Denk er aan. dat sommige menschen meenen, dat er geen gewin is in godsdienstig te zijn. Wij hebben gehoord van iemand, die zeide: „Het kan er bij mij niet op overschieten om er een geweten op na te houden, dat is mij ce duur.quot; Ach! maar denk aan het woord van den Heere: „Wat zou het den mensch baten\', zoo\'-hij de geheele wereld won, en zijner ziele schade leed ?quot; Er is zoo iets als „zuinig te zijn met penningen, en verkwistend te zyn met ponden,quot; en er is ook zoo iets als „wereldwijs en eeuwig dwaas te zijn.quot; Denk hier dus aan, want de beproeving zal tot u komen in de gestalte van goud, en het zal u zwaar vallen om u ver te houden van het blinkend lokaas, dat u door den God dezer wereld wordt voorgehouden.

Deze dingen houd ik u voor, ten einde u te doen overwegen, of gü dien krijg tegen den duivel en zijne schrikkelijke overmacht kunt volhouden. Ware ik een werfofficier, dan zou ik dit niet doen. Zulk een werfofficier biedt den eenvoudigen boerenknapen het handgeld, en op al hunne tegenwerpingen en bedenkingen, roept hij; „O dat is niets, dat is van geenerlei belang; treed slechts in dienst en gij zult voortaan niets dan roem en eer verwerven.quot; Ik kan de menschen niet aldus bedriegelyk verlokken om dienst te nemen onder de banier van het kruis. Ik wensch daar geene hindernissen voor in den weg te leggen; alles wat ik verlang is, dat gij de kosten over-vekent, opdat gü niet gelyk zoudt wezen aan hem, die begon te bóuwen, maar niet heeft kunnen voleindigen. Dat is het ongeluk van zeer velen. Indien gij aan Satan den oorlog gaat verklaren, dan raad ik u eerst te zien, of gij dien krijg wél ten einde kunt brengen en de overwinning kunt behalen.

„Wel,quot; zegt iemand, „het is moeielijk zalig te worden.quot; Ik hoop, dat niemand ooit gedacht heeft, dat het anders was. Wat zegt Petrus? „Indien de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, waar zal degoddelooze en zondaar verschijnen ?quot; „Het is moeie-Ijjk zalig te worden,quot; zegt gij. Wie heeft ooit gezegd, dat het dit niet is ? Maar het is niet moeielijk zalig té worden, indien de mensch gewillig is zalig gemaakt te worden overeenkomstig het plan, dat God er voor beraamd heeft. Indien Christus het onderneemt, dan is het geschied ; en aan u, die aan Satan den oorlog wilt verklaren, geef ik den raad er aan te denken, dat dit voor uwe krachten te veel is, en dat gij het dus niet in uwe eigene kracht moet doen. Wacht u hiervoor. Ik weet, dat Satan u eerst in de verzoeking zal bren-

348

-ocr page 370-

DE KONING GAANDE NAAR DEN KRIJft.

gen van te gelooven, dat gü geen\' Zaligmaker noodig hebt; en als gij daar dan toch niet van overtuigd zijt, maar ontrust begint te worden van wege uwe zonde, dan zal hy u zien wys te maken, dat gij u zeiven wel kunt zalig maken. Hij spreekt van Abana en Farpar, de rivieren van Damaskus, die voorbij üw eigen huis vlieten. „Wasch u in deze vaderlandsche stroomen,quot; zegt hy, „en word rein. Blijft waar gü zyt, en help u zeivenmaar zoo gij luistert naar den verleider uwer zielen, dan zijt gij voor eeuwig verloren. Kan een blindgeborene genoeg zien om de schillen van zü\'ne oogen weg te nemen en zich aldus het gezicht weder te geven ? Kan de kreupele van zijne eigene lamheid wegloopen ? of de zwakheid zijner voeten voorbyloopen ? Kan de doode krachtsinspanning betoenen om het leven weder in zyne aderen terug te doen vloeien, en aan zü\'ne wangen den blos der gezondheid te hergeven ? Kan hy zijn\' geest uit de ongeziene wereld terug roepen, en hem zijne vermolmende woning weder doen bewonen, en de teekenen van den machtigen verderver gebieden te verdwijnen, zoodat er geen spoor van de overwinning des doods meer achterblijft om den wederkeerenden bewoner er aan te herinneren, dat het paleis door den niets ontzienden verderver was in bezit genomen ? Wij antwoorden, neen. Een machtige vinger moet de oogen aanraken en ze openen. Een almachtige arm moet den verlamden, krachteloozen mensch kracht en sterkte hergeven; en Gods stem alleen kan de doo-den doen herleven. Op dit punt wenschen wy, dat men ons goed versta. Nooit zult gy uit u zeiven de zonde met goed gevolg kunnen weerstaan, om aan hare macht te ontkomen; en hoe veel minder nog zoudt gij in staat zijn schuld weg te nemen ? De kanker is in uw bloed, en gij kunt hem er niet uit verwijderer. De zwarte daad is geschied, en er is geschreven : „De ziel, die zondigt, die zal sterven.quot; O! vraagt dan terstond hulp van Hem, die alleen machtig is u van den toekomenden toorn te verlossen.

Herinner u, gij onmachtige, dat voor God niets te moeielijk is, en vraag den Almachtige, dat Hij u te hulp kome met zijne kracht. Het is zoo, gij kunt niet strijden tegen uwe boezemzonden ; uwe hartstochten, en uw bederf, van welken aard het ook zij, zyn veel te sterk voor u. De oude Adam is te machtig, dan dat uwe beste voornemens stand kunnen houden tegen hem; maar er is een Sterke, wiens hand, die eenmaal doorboord was, immer gereed is tot den dienst van eiken zondaar, die Satan van zich wenscht uitgeworpen te zien. Er is Eén, die „zalig kan maken,quot; en u kan redden, en voor u kan doen, wat gij zelf niet kunt. O ! dat gy heden nog Christus tot uw deel mocht hebben, zoodat gy terstond uitroept: „Jezus red my; ik zie, dat de strijd te ongelyk voor my is; ik kan myne

849

-ocr page 371-

DE KONING GAANDE NAAR DEN KRIJG.

zonden niet uitdrijven, ik kan mij niet al strijdende een\' weg naar den hemel banen; kom en help rnjj, Heere Jezus. Ik geef mij over in uwe handen; wasch mij in uw bloed, vervul mij met uwen Geest; verlos mij met uwe groote verlossing, en laat mij ten laatste zijn, waar Gij zijt.quot;

„Niemand kan zich zeiven verlossen en zaligmaken,quot; zegt iemand. Maar de zaak is tamelijk gelijk aan den man, die zijn\' neger heenzond om ergens een\' brief te brengen. Doch die neger was, gelijk er wel meer zijn, wat traag van aard, en kwam met den brief terug. „Waarom hebt gij hem niet bezorgd ?quot; Ik kon niet.quot; „Gij kondet hem niet bezorgen ?quot; Neen, meester.quot; „Waarom niet?quot; „Eene diepe rivier, mijnheer,eene heelediepe rivier, ik kon er niet Qver heen.quot; „Eene diepe rivier?quot; „Ja.quot; „Is daar dan geen veerman?quot; „Ik weet het niet, mijnheer, als er een is, dan was hij aan den overkant.quot; „Maar hebt gij hem dan niet geroepen?quot; Neen, mijnheer.quot; „Welnu, wat beduidt dit dan, dit is geene verontschuldiging. Het is waar, gij kondet niet over de rivier komen, maar er was iemand, die u er over heen brengen kon, maar gij hebt niet tot hem geroepen.quot; Zoo is het ook met u. „Ik kan mij zeiven niet zaligmaken,quot; zegt gij. Volkomen waar, maar er is Een, die het kan, en gij hebt niet tot Hem geroepen, want, let hier op: indien gij tot Hem roept, indien uw hart zegt: „O Heiland, kom en verlos mij,quot; en indien uwe ziel zich aan Hem toevertrouwt, diep als deze rivier uwer zonde werkelijk is, kan Hij er u toch veilig over heen brengen. Mocht Hij dit doen voor een iegelijk van u. Bij God zijn alle dingen mogelijk, schoon het voor den mensch onmogelijk is. Moge de zegen des Allerhoogsten heden avond op u rusten, om Jezus wil, Amen.

8B0

-ocr page 372-

DE VERLOREN ZOON,

(BELIJDENIS VAN ZONDE — EENE LEERREDE OVER ZEVEN TEKSTEN.)

Myne leerrede zal heden morgen over zeven teksten loopen, en toch zullen er voor al die zeven slechts drie verschillende woorden gebruikt worden; want ziet, die zeven teksten zijn allen aan elkander gelyk, maar komen voor in zeven verschillende plaatsen van Gods heilig Woord. Ik zal ze echter allen noodig hebben om verschillende toestanden te kunnen schetsen, en ik moet u verzoeken uwe Bijbels open te slaan, om ze er met mij te lezen.

Het onderwerp onzer rede van heden morgen is — belijdenis van zonde. Wij weten, dat dit voor de zaligheid een volstrekt vereischte is. Tenzy er eene waarachtige, hartgrondige belijdenis van onze zonden is voor God, hebben wy geene belofte, dat wy door het bloed des Verlossers genade zullen vinden. Die zijne overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zyn; maar die ze bekend en laat, zal barmhartigheid verkrijgen.quot; Doch er is in den Bijbel geene belofte voor den mensch, die zijne zonden niet wil belijden. Doch ten opzichte van alle punten der Schrift is er mogelijkheid van zich te kunnen bedriegen, en dat is inzonderheid het geval met de belijdenis van zonde. Er zijn velen, die eene belijdenis doen, eene belijdenis doen voor God, maar die toch geen\' zegen ontvangen, omdat aan hunne belijdenis zekere kenteekenen ontbreken, die door God worden geeischt om er de echtheid en oprechtheid van te bewijzen, en waardoor zij gestempeld wordt als het werk des Heiligen Geestes. Mijn tekst voor heden morgen bestaat uit drie woorden: „Ik heb gezondigd.quot; Gij zult zien, hoe deze woorden, op de lippen van verschillende menschen, zeer verschillende gewaarwordingen aanduiden. Terwijl de een zegt; „Ik heb gezondigd,quot; en vergeving ontvangt, zullen wij een ander zien, die zegt: „Ik heb gezondigd,quot; maar zijns weegs gaat om zich door nog zwarter misdaden te bezoedelen dan te voren, en in grooter diepte van zonde weg te zinken, dan hij nog ooit ontdekt had.

-ocr page 373-

belijdenis van zonok,

DE VERSTOKTE ZONDAAR.

FARAO — „Ik heb gezondigd.quot; Ex. IX: 37. (1)

I. De eerste toestand, dien ik met u wensch te bespreken, is die van den verstokten zondaae, die, als hij in angst verkeert, uitroept: „Ik heb gezondigd.quot; Gij zult den tekst vinden in het boek van Exodus, het 9de hoofdstuk, het 27ste vers: „Toen schikte Faraö heen, en hij riep Mozes en Aaron, en zeide tot hen: Ik heb mij ditmaal verzondigd; de Heere is rechtvaardig, ik daarentegen en mijn volk zyn goddeloozen.quot;

962

Maar waartoe deze belijdenis op de lippen van den hoog-moedigen tyran? Hy was niet gewoon zich voor Jehovah te verootmoedigen. Waarom buigt de trotschaard zich? Gij zult over de waardy van zijne belijdenis oordeelen, als gij hoeren zult onder welke omstandigheden zij gedaan werd. „Toen strak-te Mozes zijn\' staf naar den hemel, en de Heere gaf donder en hagel, en het vuur schoot naar de aarde; en de Heere liet hagel regenen over Egypteland. En er was hagel, en vuur in het midden des hagels vervangen; hij was zeer zwaar, desge-lijke is in het gansche Egypteland nooit geweest, sedert het tot een volk geweest is.quot; „Nuquot;, zegt Faraö, terwijl de donder door het luchtruim rolt, terwijl de bliksemschichten de aarde in vlam zetten en de hagel neerkomt in groote brokken ijs. nu zegt hij: „Ik heb gezondigd.quot; Hy is slechts het type van eene gansche menigte van dezelfde soort van menschen. Als het schip kraakt, als de masten gebroken zijn, en het schip heendrijft voor den storm; als de hongerige golven gereed zijn het vaartuig te verzwelgen, hoe menig verstokt zeeman is er dan niet geweest, die zijne knieën boog en met tranen in de oogen uitriep; „Ik heb gezondigdquot;! Maar wat baatte deze belijdenis, en welke waarde had zij ? Het berouw en de bekeering, die in den storm werden geboren, stierven in de kalmte. Dit berouw van Faraö, dat te midden van donder en bliksem was opgekomen, hield op, zoodra alles weer stil was in de natuur; en

(1) Naar de Engelsche overzetting.

-ocr page 374-

EEXE LEERREDE OVER DIEVEN TËKSTEtl.

de man, die een vroom zeeman was aan boord, werd de meest goddelooze der zeelieden, zoodra hij aan wal was. Hoe dikwijls hebben ook wij dit gezien bij een onweer? Menig man verbleekt, als hij den donder hoort rollen, de tranen wellen op in zyne oogen, en hij roept: „O God, ik heb gezondigd!quot; terwijl de balken van zijn huis bewogen worden, en de aarde dreunt op de stemme Gods, die vol is van majesteit. Maar ach! Als de zon wederom schijnt, en de zwarte wolken verdwenen zijn, dan komt de zonde weder tot dien mensch, en hij wordt erger dan ooit te voren. Hoe vele dergelijke belijdenissen hebben wij ook gezien in tijden van cholera, koorts, of pestilentie! Dan zijn onze kerkgebouwen te klein om de hoorders te bevatten, die, omdat zij zoo vele begrafenissen hebben zien voorbijgaan, of omdat er zoo velen op straat zijn gestorven, zich niet hebben kunnen weerhouden van op te gaan naar Gods huis en hunne zonden te belijden. En als er onder die bezoeking een, twee, of drie dooden in huis waren, of in het huis van een\' buurman, hoe velen waren er dan niet, die dachten, dat zij zich nu waarlijk tot God zouden bekee-ren! Maar helaas! als de pestilentie haar werk had verricht, dan hield de overtuiging van zonde op; en als de klok voorde laatste maal had geluid voor een\' doode, die aan cholera was gestorven, dan hield hun hart op te kloppen van berouw, en hunne tranen vloeiden niet meer.

Heb ik heden morgen de zoodanigen onder mijn gehoor? Ik twijfel niet, of er zijn verharde menschen, die zelfs het denkbeeld van den godsdienst verachten, en mij een\'huichelachtigen femelaar zouden noemen, indien ik trachtte dit woord tot hun hart te doen doordringen, terwyl zij toch zeer goed weten, dat de godsdienst waar is, en dit in hunne oogenblikken van angst of benauwdheid ook gevoelen. Indien er van de zoodanigen heden morgen hier zü\'n, zoo laat mij ernstig en plechtig tot hen zeggen: „Gij hebt de gewaarwordingen vergeten, die gij in uwe tijden van verschrikking gekend hebt, maar weet, dat God de geloften niet vergeten heeft, die gij toen gedaan hebt.quot; Zeeman, gij zeidet, dat, zoo God u spaarde, zoodat gij het land weder zoudt zien, gij zijn dienstknecht zoudt worden. Gij zijt dit niet; gij hebt Gode gelogen, gij hebt Hem eene vaische belofte gedaan, want nooit zijt gij de gelofte nagekomen, die uwe lippen hebben geuit. Op het leger der krankheid hebt gij gezegd, dat, zoo God u het leven spaarde, gij nooit meer zoudt zondigen, zooals gij te voren gezondigd hebt, maar hier zijt gij nu, en de zonde van deze week zullen voor zich zeiven spreken. Gij zijt niet beter dan gij vóór uwe krankheid geweest zijt. Zoudt gij uwen medemensch kunnen liegen en onbestraft blijven? En denkt gij Gode te kunnen liegen en ongestraft te blijven? Neen, de gelofte, hoe onbezonnen ook ge-

23

-ocr page 375-

BELUbENIS VAN ZONDE,

daan, is opgeschreven in den hemel, en ofschoon het eene gelofte is, die do mensch niet kan betalen, zoo is het toch eene gelofte, die hij zelf gedaan heeft, ja vrijwillig gedaan heeft, en hij zal voor het niet houden er van gestraft worden; en God zal ten laatste wraak aan hem oefenen, omdat hij gezegd heeft zich van zijne booze wegen te zullen bekeeren, en toen de plage ophield, het niet gedaan heeft. Er is in den laatsten tijd zeer veel gesproken tegen de verlofkaarten dei-gevangenen ; ik twijfel niet of er zijn sommigen hier, die ten opzichte van den hoogen hemel in dezelfde verhouding staan, als waarin deze verlofkaart-menschen staan tot de regeering. Zij dachten op het punt te zijn van te sterven; zij beloofden zich goed te zullen gedragen, indien zij gespaard werden, en nu zijn zij heden hier met eene verlofkaart in deze wereld; maar hoe hebben zij hunne belofte gehouden ? De gerechtigheid zou hetzelfde geschreeuw kunnen aanheffen tegen hen, als zij aanheffen tegen de dieven en inbrekers, die zoo voortdurend op ons los gelaten worden. De engel der wrake zou kunnen zeggen: „O God, deze menschen zeiden, dat zij zóó veel beter zouden zijn, indien zij gespaard werden; maar zie, zij zijn veeleer slechter dan beter. Hoe hebben zij hunne belofte geschonden, en hoe hebben zij den toorn Gods over zich gebracht!quot; Dit is nu de eerste soort van berouw, ik hoop, dat niemand uwer het zal navolgen, want het heeft hoegenaamd geene waarde, Het baat u hoegenaamd niets te zeggen: „Ik heb gezondigdquot;, als dit bloot onder den invloed van angst of verschrikking door u gezegd wordt, om dan daarna weder te worden vergeten.

DE DUBBELHARTIGE.

niKIvlM. — „Ik heb gezondigd.\'\' Nunieri XXII; 34.

II. Ik wensch u thans een ander karakter voor te stellen — den dubbelhartige, die zegt: „Ik heb gezondigdquot;, en dit ook gevoelt, ja diep gevoelt, maar die zóó wereldschgezind is. dat hij „den loon der ongerechtigheid liefheeft.quot; Het karakter, dat ik gekozen heb om hiervan ten voorbeeld te strekken, is dat van Bileam. Slaat het boek van Numeri open, en leest van het 22ste hoofdstuk, het 34ste vers: Toen zeide Bileam tot den Engel des Heeren: „Ik heb gezondigd-\'

„Ik heb gezondigd,quot; zeide Bileam, maar met die zonde bleef hij voortgaan. Een van de vreemdsoortigste karakters der wereld is Bileam. Ik heb mij dikwijls over dien man verwonderd, en in een\' anderen zin is het woord van Ralph Erskine op hem toepasselijk: „Gelijkelijk geneigd tot goed en tot kwaad, is hij beide een duivel en een heilige.quot; Want aldus scheen hij

B54

-ocr page 376-

EENli LKERREDE uVEK ZEVEN TEKSTEN \'155

te zijn. Er waren oogenblikken, dat niemand schooner en meer naar waarheid kon spreken dan hy, en op andere tijden legde hij de laagste geldgierigheid aan den dag, die de menschelijke natuur kon on teer en. Stelt u Bileam voor. Hij staat op den top des bergs, en aan zijne voeten zijn de heirscharen Israels gelegerd. Er wordt hem verzocht hen te vervloeken, en hij roept; „Wat zal ik vloeken, dien God niet vloekt?quot; En daar God zijne oogen opende, begint hü zelfs van de komst van Christus te spreken, en zegt: „Ik zal hem zien, maar nu niet: ik zal hem aanschouwen maar niet nabij.quot; En dan eindigt hij zijne rede met te zeggen — „Mijne ziel starve den dood des oprechten, en mijn uiterste zij gelijk het zijne!quot; Nu zult gij van dien man zeggen, dat er voorzeker zeer veel hoop voor hem is. Wacht, totdat hij van den top des bergs is afgeklommen, en gy zult hooren, hoe hij aan den koning van Moab den moest duivelschen raad geeft, dien Satan zelf kon uitdenken. „Gij kunt dit volk in den krijg niet overwinnenquot;, zeide hij tot den koning, „want God is met hen: tracht hen dan van hun\'God af te trekken.quot; En gij weet, hoe de Moabieten de kinderen Israels verleidden tot hoererij, en hen aldus ontrouw deden worden aan Jehovah, zoodat deze man de stem scheen te hebben van een\' engel, terwijl toch de ziel van een\'duivel in hem woonde. Het was een schrikkelijk karakter! Hü was een man van twee zaken, een man, die met twee zaken te gelijk heel ver ging. Ik weet, dat de Schrift zegt: „Niemand kan twee heeren dienen.quot; Dit wordt dikwyls verkeerd begrepen. Sommigen lezen het: „Niemand kan toee heeren dienen.quot; Dat kan hij wèl, hjj kan wel drie of vier dienen. Men moet het aldus lezen: „Niemand kan twee heeren dienen.quot; Zij kunnen niet beiden hoeren zijn. Hij kan wel twee dienen, maar zij kunnen niet beide zijn heer wezen. Iemand kan wel twee dienen, die zijne heeren niet zijn, of ook wel twintig. Hij kan voor twintig verschillende doeleinden leven, maar voor méér dan een doel, dat alles beheerscht, kan hij niet leven — er kan slechts één alles beheerschend doel in zijne ziel zijn. Maar Bileam trachtte twee te dienen; het was als het volk, waarvan gezegd wordt: „Zij vreesden den Heeke, en dienden ook hunnne goden.quot; Of geljjk Eufus, die een brood was van hetzelfde baksel; want gij weet, onze koning Eufus heeft op de eene zyde van zijn schild eene voorstelling van God laten schilderen, en aan de andere zijde van den duivel, en daaronder het motto: „Voor beiden gereed.quot; Er zyn velen van de zoodanigen, die voor beiden gereed zijn. Zij ontmoeten een\'leeraar, en zijn dan o! zoo vroom en heilig. Op den Sabbat zyn zy de achtenswaardigste en oprechtste lieden van de wereld, zoudt gij denken, ja zy spreken op een\' heel eigenaardigen toon, dien zy by uitstek godsdienstig vinden. Maar als gij op een\' weekdag

-ocr page 377-

c56 beludeKis van zonde,

een der grootste bedriegers wenscht te zien, dan zult gu hem onder die lieden vinden. Welaan, mijne hoorders, weester van verzekerd, dat geene belijdenis van zonde echt kan zijn, zoo zij niet van ganscher harte gemeend is. Het dient nergens toe te zeggen: „Ik heb gezondigdquot; en dan toch te blijven zondigen. „Ik héb gezondigd,quot; zegt gij, en het is een zeer schoon gelaat, dat gij vertoont, maar ach! hoe treurig is het, dat gij dan heengaat en opnieuw zondigt. Sommige menschen schijnen geboren met twee karakters. Toen ik eens de universiteitsbibliotheek te Cambridge bezocht, zag ik een heel fraai standbeeld van Lord Byron. „Plaats u hier,quot; zeide de bibliothecaris tot mij. Ik zag het beeld aan. „Welk een schoon, verstandig gelaat!quot; riep ik; „welk een genie!quot; „Kom nu hier,quot; zeide hij, „en ga aan dien kant staan. „Ach! welk een demon! Daar is de man, die God kon tarten.quot; Er was zulk eene uitdrukking van bitterheid op dat gelaat, het was zoo als Milton Satan geschilderd zou hebben, toen hij zeide — „Het is beter te heerschen in de hel dan te dienen in den hemel.quot; Ik keerde mij af en zeide tot den bibliothecaris: „Denkt gij, dat de beeldhouwer dit bedoeld hoeft?quot; „Ja,quot; zeide hij, „hij wilde twee karakters voorstellen — hetgrootsch, schier bovenmenschelijk genie, dat hij bezat, en de ontzettende massa van zonde, die er in zijne ziel was.quot; Er zijn hier sommige menschen van hetzelfde type. Ik denk, dat zij, evenals Bileam alles met hunne tooveryen zouden willen omverwerpen; zij zouden wonderen kunnen doen; maar toch is er iets in hen, dat het afschuwelijk karakter der zonde verraadt, en dat even groot en sterk is, als hetgeen hun karak:er voor gerechtigheid zou schijnen te zyn. Gij weet, dat Bileam offeranden bracht aan God op het altaar van Baal; dat was het type van zijn karakter. Dat doen velen; zij brengen offers aan God op het altaar van den Mammon, en terwijl zij gaven schenken voor het bouwen eener kerk, en geld uitdeelen onder de armen, zullen zij aan de andere deur van hun kantoor de aangezichten der armen vermalen, en het bloed der weduwen uitzuigen om zich zeiven te verrijken. Ach! het is ijdel en nutteloos, als gij zegt: „Ik heb gezondigd,quot; tenzij gij het van harte meent. De belijdenis van den dubbelhartige zal hem niet baten.

DE ONOPRECHTE.

SVI I.. — Ik heb gezondigd. 1 Samuel XV; 24.

III. En thans een derde karakter, en een derde tekst. In het eerste boek van Samuel, het 15de hoofdstuk, het 24ste vers: „Toen zeide Saul tot Sainuël: Ik heb gezondigd.quot;

-ocr page 378-

bene lkereede over zeven teksten.

357

Hier is de onoprechte — de man, die niet is als Bileam, die tot op zekere hoogte in twee dingen oprecht is, maar juist het tegenovergestelde van hem — de man, die geen in het oog loopend punt heeft in zijn karakter, maar immer gekneed wordt in den vorm der omstandigheden, die over zijn hoofd gaan. Zulk een man was Saul. Samuel bestrafte hem, en hij zeide: „Ik heb gezondigd.quot; Maar hij meende niet wat hy zeide, want leest gij het geheele vers, dan merkt gij, dat hij zeide: rIk heb gezondigd, omdat ik des Heeren bevel en uwe woorden overtreden heb; omdat ik het volk heb gevreesd,quot; (\\) dat eene leugenachtige verontschuldiging was. Saul heeft nooit iemand gevreesd, hij was immer genoeg bereid zijn eigen wil door te zetten — hij was een despoot. En even te voren had hij nog eene andere verontschuldiging aangevoerd, nl. dat hü de schapen en runderen had gespaard om ze aan Jehovah te offeren, en bijgevolg konden beide verontschuldigingen niet waar zijn. Gij herinnert u, mijne vrienden, dat onoprechtheid een der meest kenmerkende trekken was van Sauls karakter. Den eenen dag liet hij David van zijn bed halen, om hem, naar hij dacht, in zijn huis ter dood te brengen. Op een ander maal verklaart hij, nadat David hem het leven had gered: „Gij zijt rechtvaardiger dan ik.quot; Den dag te voren was hij uitgetrokken om tegen zijn\' eigen schoonzoon te strijden, en hem om te brengen. Somtijds was Saul onder de profeten, gansch gemakkelijk in een\' profeet verkeerd, en daarna is hij onder de tooverheksen; nu eens hier, en dan weder daar, maar altijd, en overal, en in alles onoprecht. Hoe velen van de zooda-nigen hebben wij in eene Christelijke bijeenkomst! menschen, die gansch kneedbaar zijn! Zeg tot hen wat gü wilt,altyd zijn zij het met u eens. Zij hebben liefdevolle neigingen, waarschijnlijk ook wel een teeder geweten, maar dat geweten is dan ook zoo bijzonder teeder, dat hot, aangeraakt zijnde, reeds schijnt te smelten, zoodat gij bevreesd zijt om het lancet dieper te laten indringen, — maar, het geneest even spoedig als het gewond is. Ik heb, geloof ik, de vergelijking al eens meer gebruikt, maar ik moet haar thans nog eens gebruiken: er zijn menschen, die een hart van gutta percha schijnen te hebben. Zoo gij hen slechts aanraakt, wordt terstond een indruk op hen gemaakt; maar die indruk leidt tot niets, want weldra nemen zij hun oorspronkelijk karakter weder aan. Gij kunt hen dringen naar welken kant gij wilt, z[i zijn zóó elastiek, dat gij altijd uw doel met hen schijnt te bereiken; maar hun karakter is niet beslist, en zeer spoedig zijn zij weer wat zij geweest zijn. Ach mijne vrienden, maar al te velen onder u hebt hetzelfde gedaan. Gij hebt in de kerk uw hoofd gebogen,

(1) Naar de Engelsche overzetting.

-ocr page 379-

belijdenis van zonde,

en gezegd: „Wij hebben gedwaald, wij zün afgeweken van uwe wegen;quot; maar gij hebt niet gemeend wat gij hebt gezegd. Gij zijt tot uwen leeraar gekomen en hebt gezegd: „Ik heb berouw van mijne zonden.quot; Gij gevoeldet toen niet, dat gij een zondaar waart, gij zeidet het slechts om hem te behagen. Gij gaat op naar het huis Gods, en niemand is meer vatbaar voor indrukken dan gij. In een oogwenk stroomen u de tranen over de wangen, maar in weerwil van dat alles zijn die tranen even spoedig gedroogd als te voorschijn geroepen, en gij blijft die gij geweest zijt. Te zeggen; „Ik heb gezondigdquot; zonder het te meenen is erger dan waardeloos, want het is eene bespotting van God, om zulke onoprechte belijdenissen af te leggen.

Ik heb bij dit karakter niet lang stilgestaan ; want het scheen in verband te zijn met het karakter van Bileam, ofschoon ieder, die denkt, terstond zal inzien, dat er een wezenlijk contrast bestaat tusschen Saul en Bileam, al is er ook eene zekere gelükheid van verwantschap tusschen hen. Bileam was de groote slechte man, groot in alles wat hy deed; Saul was in alles, behalve in zijne statuur, klein — klein in zijne deugd, en klein in zijne ondeugd, en hij was te dwaas om wanhopig slechtte wezen, ofschoon ook te slecht om ooit goed te zijn, terwijl Bileam in beide groot was. De man, die op het eene oogenblik Jehovah kon tarten, en toch op een ander oogenblik kon zeggen: „WanneerBalak my zijn huis vol zilver en goud gave, zoo vermocht ik niet het bovel des Heeeen mijns Gods te overtreden, om te doen klein of groot.quot;

DE TWIJFELACHTIGE BOETVAARDIGE.

\'■ i AniAV — „Ik heb gezondigd.quot; Jozua VII: 20.

IV. En nu heb ik u een zeer belangwekkend geval voor te stellen, het is dat van den twijfelachtige boetvaardige, het geval met Achan in het boek van Jozua, het 7de hoofdstuk, het 20ste vers: „Achan nu antwoordde Jozua, en zeide: Voorwaar ik heb tegen den Heeee, den God Israels gezondigd.quot;

Gij weet, dat Achan een gedeelte van den buit van de stad Jericho had gestolen — dat hij ontdekt was door het lot en ter dood werd gebracht. Ik heb dit geval uitgekozen als het type van sommigen, wier karakter nog twijfelachtig is op hun sterfbed, die zich oogenschijnlijk bekeeren, maar van wie het meeste, wat wij zeggen kunnen is, dat wy hopen, dat hunne ziel ten laatste toch geborgen, verlost is, maar dat wij het niet weten. Gij weet, dat Achan gesteenigd werd met steenen, omdat hij Israël verontreinigd had. Maar ik vind in de Mishna, eene oude Joodsche verklaring van den Bijbel, deze woorden

358

-ocr page 380-

eese leerrede over zkve.v tekstkx.

859

„Jozua zeide tot Achan : De Heere zal u beroeren te dezen dage.quot; En de verklaring hierbij luidt — „Hij zeide te dezen dage, te kennen gevende, dat hij slechts in dit leven beroerd zou worden door gesteenigd te worden tot dat hij stierf, maar dat God zich zou ontfermen over zijne ziel, daar hij eeno volledige belijdenis van zonde gedaan had.quot; En ook ik ben geneigd bij de lezing van dat hoofdstuk, in te stemmen met mijn\' eerwaarden, thans reeds verheerlijkten voorganger, Dr. Gill, als hij zegt, dat Achan ook werkelijk behouden was, al was hij ook als een voorbeeld voor anderen, om zijne misdaad ter dood gebracht. Want gij zult bemerken, hoe vriendelijk Jozua hem toesprak. „M;in zoon,quot; zeide hij, „geef toch den Heere, den God van Israel, de eer, en doe voor Hem belijdenis; en geef mij toch te kennen, wat gü gedaan hebt, verberg het voor mij niet.quot; En gij ziet, dat Achan ook eene volledige bekentenis aflegt. „Voorwaar,quot; zeide hy, „ik heb tegen den Heere, den God Israels gezondigd, en heb alzoo en alzoo gedaan. Want ik zag onder den roof een schoon sierlijk Babylonisch overkleed, en twee honderd sikkelen zilvers, en een gouden tong, welker gewicht was vijftig sikkelen; en ik kreeg lust daartoe, en ik nam ze; en zie, zij zijn verborgen in de aarde, in het midden mijner tent, en het zilver daaronder.quot; Het schijnt eene zoo volledige bekentenis, dat, indien het mij vergund was te oordee-len, ik zeggen zou: „Ik hoop Achan, den zondaar, te ontmoeten voor Gods troon.quot; Maar ik zie, dat Matthew Henry niet van deze meening is, en ook vele andere Schriftuitleggers achten, dat, evenals zijn lichaam, ook zijne ziel ten verderve was overgegeven. Ik heb dit geval dus gekozen als een geval van twijfelachtig berouw. Ach! mijne vrienden, het is mijn lot geweest aan menig sterfbed te staan, en van vele zoodanige bekeeringen getuige te zijn. Ik heb een\' man gezien, die als een geraamte was uitgeteerd, ondersteund in zijn bed door kussens, en als ik hem sprak van het toekomstige oordeel, dan zeide hij: „Dominé, ik weet, dat ik schuldig ben, maar Christus is goed, en op Hem betrouw ik.quot; En dan zeide ik bij mij zeiven; „Ik geloof, dat diens mans ziel geborgen ls.quot;Maar toch ging ik dan altijd weg met de treurige gedachte, dat ik er geen ander bewijs voor had dan zijne eigene woorden, want er zijn bewijzen noodig van daden in de toekomst om eene vaste overtuiging te hebben van iemands zaligheid. Gij hebt gehoord van het groote feit, dat een geneesheer eens eene lijst hield, waarop hij duizend personen had opgeschreven, die dachten, dat zij gingen sterven, en die hij dacht boetvaardig te zijn. Hij schreef hunne namen in een boek als van degenen, die, als zij gestorven waren, naar den hemel zouden gegaan zijn. Zij zijn toen echter niet gestorven, en hij zegt, dat van al die duizend er geene drie bij waren, die later ook werkelijk bekeerd ble-

-ocr page 381-

SCO belijdenis van zonde.

ken te zijn. De anderen keerden terug tot hunne vroegere zonden en waren even slecht als ooit te voren Ach! mijne vrienden, ik hoop, dat niemand uwer zulk eene sterfbed-bekeering zal hebben; ik hoop, dat uw leeraar of uwe ouders niet aan uw leger behoeven te staan en er van heen te gaan, zeggende: „Ik hoop, dat hij behouden is. Maar helaas: sterfbed bekee-ringen zijn zoo ellendig en armzalig, zij geven zulk een\'zwakken, onbeduidenden grond van hoop, dat ik vrees, dat zulk eene ziel met dat al toch verloren is gegaan.quot; O te sterven met de volle bewustheid eu verzekerdheid der verlossing! te sterven niet een\' ruimen ingang tot de zaligheid, het getuigenis achterlatende, dat wij in vrede uit dit leven zijn gescheiden! Dat is oneindig gelukkiger dan op zoo twijfelachtige wijze te sterven, krank nederliggende, zwevende tusschen twee werelden, terwijl noch wij zei ven, noch onze vrienden weten naar welke van die twee werelden wij heengaan. Schenke God ons de genade in ons leven blijken te geven van eene waarachtige bekeering, zoodat ons geval niet twijfelachtig zij.

HET BEROUW DER WANHOOP.

.Il l) W — „Ik heb gezondigd.quot; Mattliéüs XXVII ; 4.

Y. Ik zal u niet te lang ophouden, maar ik moet u van nog één boos geval spreken: het ergste van allen. Het is het be-eotjw der wanhoop. Gij vindt het in het 27ste hoofdstuk van Matthéüs, het 4de vers. Daar hebt gij het ontzettend geval van het berouw der wanhoop. Gij zult dit karakter herkennen, zoodra ik het vers gelezen heb. En Judas zeide; „Ik heb gezondigd.quot; Ja, Judas, de verrader, die zijn Meester had verraden, heeft, ziende dat hij veroordeeld was, „berouw gehad, en heeft de dertig zilveren penningen den overpriesteren en den ouderlingen wedergebracht, zeggende: Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed. En als hij de zilveren penningen in den tempel geworpen had, vertrok hij.quot; En wat verder? „En heengaande verworgde zich zeiven.quot; Dat is van allen de ergste soort van berouw, ja ik weet niet, of ik het wel berouw mag noemen, eigenlijk moet het wroeging, gewetenskna-ging, genoemd worden. Maar Judas heeft zijne zonden beladen, en toen ging hij heen en verworgde zich. O die ontzettende die afschuwelijke bekentenis der wanhoop. Hebt gij het nooit gezien? Zoo neen, dankt er God voor. Ik heb het eens .in mijn leven gezien, ken ik bid God, dat ik het nooit meer zien zal — het berouw van den mensch, wien de dood aangrijnst, en die zegt; „Ik heb gezondigd.quot; Gij zegt liem, dat Christus voor zondaren is gestorven; hij antwoordt „Er is voor mij goene hoop; ik heb God vaarwel gezegd; ik heb Hem getart; mijn

-ocr page 382-

EENE LEERREDE OVER ZEVEN TEKSTEN.

dag van genade is voorbij ; mijne conscientie is als met een brandijzer toegeschroeid, ik sterf, en ik weet, dat ik verloren ga.quot; Zulk een geval heeft langen tijd geleden plaats gehad, en wordt door de geschiedenis vermeld — het geval met Frans Spira — wellicht, behalve dat van Judas, het schrikkelijkste geval, dat er bij menschen heugenis heeft plaats gehad. O mijne hoorders, zal iemand uwer tot zulk een berouw komen? Zoo ja, dan zal dit in de toekomst een baken in zee zijn voor allen, die zondigen. Indien gij zulk ean berouw moet gevoelen, dan zal dit tot waarschuwing strekken van de toekomende geslachten. In het leven van Benjamin Keach — ook hij was een mijner voorgangers — vind ik het geval vermeld van een\' man, die een belijder was geweest van Christus, maar hij was van zijne belijdenis afgeweken, en was tot een leven van schrikkelijke zonde vervallen. Toen hij kwam te sterven, ging Keach met nog andere vrienden hem bezoeken, maar geen van allen kon langer dan vijf minuten bij hem blijven. „Ga maar heen,quot; zeide hij tot hen, „het dient nergens toe bij mij te komen, ik heb gezondigd, ik heb den Heiligen Geest weggezondigd. Ik ben als Esau; ik heb mijn geboorterecht verkocht, en schoon ik het met tranen terug zoek, zal ik het nooit kunnen vinden.quot; En dan uitte hij deze schrikkelijke woorden: Mijn mond is vol van zandsteentjes, (1)nacht en dag drink ik galle en alsem. Spreek mij niet van Christus! o spreek mij niet van Christus! Ik weet, dat Hij een Zaligmaker is, maar ik haat Hem, \'en Hij haat mij. Ik weet, dat ik moet sterven; ik weet, dat ik verloren moet gaan !quot;En dan volgden schrikkelijke kreten, die niemand zonder afgrijzen aan kon hooren. In kalme oogenblikken kwamen zij weder bij hem, maar het was slechts om dan wederom zijne wanhoop op te wekken, en dan riep hij: „Ik ben verloren! Gij behoeft het mij niet te zeggen, het dient nergens toe er mij over te spreken !quot; Ach, er is wellicht iemand hier, die aldus sterven zal. Laat ik hem mogen waarschuwen eer het zoo ver met hem komt, en God, de Heilige Geest, geve, dat die mensch tot God moge bekeerd en een waar boetvaardige zal worden, waarna hij dan niet meer behoeft te vreezen, omdat zijne zonden afgewasschen zijn in het bloed van den Heiland; en geene wroeging meer behoeft te gevoelen om zijne zonden, omdat zij om den wille des Verlossers zijn vergeven.

HET BEROUW VAN DEN HEILIGE.

JOB. — „Ik heb gezondigd.quot; Job VII: 20. (2)

VL Thans kom ik in het daglicht. Ik heb u heengevoerd door

(1) Zie Spreuken 20: 17.

(2) Naar de Engelsche overzetting. i

361

-ocr page 383-

BELIJDENIS VAN ZONDE.

sombere, akelige belijdenissen, doch ik zal u da ar niet langer laten verblijven, maar u heenbrengen naar twee kostelijke belijdenissen, die ik u voor zal lezen. De eerste is die in Job VI ; 20: „Ik heb gezondigd, wat zal ik Ü doen, o Menschen-hoedei ?quot; (1) Dit is het berouw van den heilige. Job was een heilige, maar hij heeft gezondigd. Dit is het berouw van den mensch, die reeds een kind van God is, een Gode welbehage-lijk berouw. Daar ik echter heden avond hier over wensch te spreken, zal ik uit vrees van u te vermoeien, dit onderwerp heden morgen niet behandelen. David was een voorbeeld van deze soort van boetvaardigheid, en ik wensch, dat gij met ernst en aandacht zijne boetpsalmen bestudeert, welker taal immer vol is van weenenden ootmoed en ernstig berouw.

DE ZALIGE BELIJDENIS.

DE VEBL«RE\\ ZOO\\. — „Ik heb gezondigd. Lukas XV: 18.

862

VIL Ik kom nu tot het laatste voorbeeld, waarvan ik melding zal maken, en dat is de verloren zoon. In Lukas XV: 18 lezen wij, dat de verloren zoon zegt: „Vader! ik heb gezondigd.quot; O! dit is eene zalige belijdenis! Hier hebben wij hetgeen bewijst, dat iemand een wedergeborene is — „Vader, ik heb gezondigd.quot; Laat mü het tafereel voor u schetsen. Daar is de verloren zoon; hy is weggegaan van een liefelijk, aangenaam te huis en een\' goeden vader, en hij heeft al zijn geld met hoeren doorgebracht, en nu blijft hem geen geld meer over. H\\j begeeft zich naar zijne voormalige metgezellen en vraagt hun om bijstand. Zij belachen hem. „O,quot; zegt hij, gij hebt menigmaal mijne wijnen gedronken; ik heb altijd bij uwe drinkgelagen voor u betaald; wilt gij mij thans niet een weinig hulp verleenen?quot; ,,Ga heen,quot; zeggen zü, en zij wijzen hemde deur. Hij gaat naar al zijne vrienden, naar allen, met wie hij omgang heeft gehad, maar niemand geeft hem iets. Eindelijk zegt een zeker burger van de stad: „Gij verlangt werk te hebben, niet waar? Welnu, ga heen, en hoed mijne zwijnen.quot; De arme jongeling, hij, de zoon van een een rijk landeigenaar, en die zeif een groot fortuin heeft bezeten, moet nu uitgaan om zwijnen te hoeden; hij, die daarenboven een Jood is! — Voor zijn gevoel is dit wel het akeligste beroep dat hij zou kunnen uitoefenen. Zie hem daar in armoedige lompen gekleed, de zwijnen hoeden. En wat is zijn loon? Wel zóó klein, dat hij „begeerde zün\' buik te vullen met den draf, dien de zwijnen aten; en niemand gaf hem dien.quot; Zie, daar is hij met de andere knechten in het varkenskot in al het vuil en al het slijk.

(1) Naar de Engelsche overzetting.

-ocr page 384-

EENE LEEREEDE OVER ZEVEN TEKSTEN.

363

Plotseling wordt hij getroffen door eene gedachte, die de goede Geest in hem gewerkt had. „Hoe vele huurlingen mijns vaders,quot; zeide hij, „hebben overvloed van brood, en ik verga van den honger! Ik zal opstaan, en tot mijn\' vader gaan, en ik zal tot hem zeggen ; Vader! ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u, en ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden: maak mij als een\' van uwe huurlingen.quot; Terstond vertrekt hij. Hg bedelt zyn brood van stad tot stad. Soms kan hg een eind mede rijden op een\' voorbijgaanden wagen, maar op andere tijden moet hy den weg te voet afleggen over kale bergen en door eenzame valleien, en altijd alleen. En nu komt hij eindelijk aan den heuvel buiten het dorp, en ziet in de verte zijns vaders huis. Daar is het: de oude populier staat er nog, en daar zijn de hooimijten, rondom welke hij en zyn broeder plachten te spelen, en op het gezicht van het oude huis komen al zijne vroegere gewaarwordingen en herinneringen weder bg hem op; de tranen stroomen hem over de wangen, hy is op het punt van weer snel te vertrekken. „Zou mijn vader dood zgn?quot; zegt hy; „het hart mijner moeder zal wel gebroken zyn, toen ik wegging, ik ben altijd haar lieveling geweest. En zoo zij nog leven, zullen zij mij toch nooit weerzien, zij zullen de deur voor mij gesloten houden. Wat zal ik doen? Teruggaan kan ik niet, en ik ben bang om voorwaarts te gaan.quot; En terwijl hü aldus bij zich zeiven overlegde, was zyn vader op hel dak van zyn huis gegaan om uit te zien naar zijn\' zoon, en ofschoon deze zijn\' vader niet kon zien, kon zyn vader Mm zien. Welnu, die vader gaat zoo snel hij kan naar beneden, loopt hem te gemoet, en terwyl h;j, de zoon, er aan denkt om weg te loopen, zijn zijns vaders armen om zyn\' hals, en kust hg hem als een liefdevol vader; en nu begint de zoon, — „Vader! ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u, en ben niet meer waardig uw zoon genaamd te wordpn,quot; en hij was op het punt van er bij te voegen: „Maak mij als een\' van uwe huurlingen.quot; Maar zijn vader legt hem zijne hand op den mond. „Niets meer hierover,quot; zegt hij; „ik vergeef u alles; gij moet niets zeggen van een myner huurlingen te willen zijn — dat wil ik niet gedoogen. Kom, ga met mij mede,quot; zegt hij. En nu roept hij de dienstknechten: „Brengt hier voort het beste kleed, en doet het hem aan, en doet schoenen aan zijne bloedende voeten; en brengt het gemeste kalf, en slacht het; en laat ons eten en vroolijk zijn; want deze, mijn zoon, was dood, en is weder levend geworden; hij was verloren, en is gevonden. En zij begonnen vroolijk te zijn.quot; O welk eene heerlijke ontvangst voor een van de voornaamste zondaren! Do godvruchtige Matthew Henry zegt —• „zijn vader zag hem: daar waren oogen der barmhartigheid; hij liep hem te gemoet: daar waren voeten der barmhar-

-ocr page 385-

BELIJDENIS VAN ZONDE, enz.

tigheid; hij viel hem om zijn\' hals: daar waren armen der barmhartigheid; hij kuste hem: dat was de kus der barmhartigheid ; hij zeide tot hem: daar waren woorden van barmhartigheid, — brengt hier voort het beste kleed: dat waren daden van barmhartigheid, wonderen van barmhartigheid, — alles genade en barmhartigheid. O welk een God van barmhartigheid en genade is Hij!quot;

Welnu, verloren zoon, ga heen, en doe gij desgelijks. Heeft God het u in het hart gegeven? Er zijn velen, die nu reeds voor lang weg zijn gegaan. Zegt God: „Keer weder?quot; O! ik bid u, keer dan terug, want zoo waarlijk als gij wederkeert, zoo waarlijk zal Hij u ontvangen. Nooit is er nog een zondaar tot Christus gekomen, die door Christus werd afgewezen. Indien Hij u afwijst, dan zult gij de eerste wezen. O zoo gij Hem slechts kondet vertrouwen! „Ach! ik ben zoo zondig, zoo onrein, zoo snood!quot; zegt iemand. Welnu, kom, want gij kunt niet zondiger en onreiner wezen dan de verloren zoon was. Kom tot het huis uws Vaders, en zoo gewisselijk als Hij God is, zoo gewisselijk zal Hij zijn woord houden — „Die tot mij komt, zal ik geenszins uitwerpen.quot;

Ach ! mocht het mij ter ooren komen, dat sommigen heden morgen tot Christus zijn gekomen, dan zou ik inderdaad God loven! Ik moet! eer ik eindig, hier nog tot eer van God eene merkwaardige omstandigheid mededeelen. Gij herinnert u, dat ik hier eens gesproken heb van een\' ongeloovige, die een sma-ler en spotter geweest is, maar door het lezen van een mijner gedrukte leerredenen tot Gods huis was gebracht en daarna tot Gods voeten. Welnu, op het laatste Kerstfeest heeft diezelfde ongeloovige al zijne boeken bij elkander gepakt, en ging er mede naar de marktplaats te Norwich, daar heeft hij in het openbaar al zijne dwalingen herroepen en Christus beleden. En toen nam hij al de boeken over slechte onderwerpen, die hij had geschreven en bij zich in huis had, en verbrandde ze voor de oogen van al het volk. Ik heb God gedankt voor zulk een wonder van genade, en ik bid, dat nog vele zulke wonderen zullen geschieden, zoodat zij, die als verlorenen zijn geboren, toch naar huis gaan, zeggende: „Ik heb gezondigd.quot; Amen.

364

-ocr page 386-

T)E TERUGKEEE VAN DEN VERLOREN ZOON.

„En als hij nog verre van hem was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming over hem bewogen; en toeloopende, viel hem om zijn\' hals. en kuste hem. Lukas XV : 20.

Allen, die zich bezig houden met opvoeding, zullen u zeggen, dat zij het moeielijker vinden den geest desmenschen dwalingen af te doen leeren, dan waarheden te doen aannemen. Indien wij ons iemand konden denken, die met alle dingen volstrekt onbekend is, hoegenaamd niets weet, dan zouden wij meer kans hebben hem snel en goed te onderwijzen, dan wanneer zijn hoofd en hart eerst met leugenen waren vervuld. Ik twijfel niet, of gij allen zult het moeielijker vinden iets af te leeren dan iets aan te leeren. Zich van oude vouroordeelen en vooraf opgevatte denkbeelden te ontdoen, dat voorwaar! kost zeer veel strijd. Men heeft gezegd, en dat wel zeer terecht, dat die enkele woorden: „Ik heb mij vergist,quot; de moeielijkste zijn in de geheele taal, en er is voorzeker eene groote kracht toe noodig om ze ons uit te doen spreken. En als wy het gedaan hebben, dan is hét toch nog moeielijk het spoor uit te wis-schen, dat eene oude slangendwaling in ons hart heeft achtergelaten. Het is beter voor ons niets te hebben geweten, dan iets verkeerds te hebben geweten. En ik ben cr zeker van, dat deze waarheid nooit sterker uitkomt, dan wanneer zij betrekking heeft op God. Indien ik alleen en uitsluitend mijne denkbeelden omtrent God aan de Schrift had kunnen ontleenen, dan gevoel ik, dat het mij door de hulpe des Heiligen Geestes veel gemakkelijker zou zijn gevallen te begrijpen wat Hij is, en hoe Hij de wereld regeert, dan die waarheden zelfs uit zijn eigen Woord te leeren nadat het verstand bedorven werd dooide meeningen van anderen. Broeders, wie is het, die eene goede, onpartijdige voorstelling geeft van God ? De Arminiaan lastert God door Hem van ontrouw te beschuldigen (dit is wel niet zijne bedoeling, maar in werkelijkheid doet hij het); want hij leert, dat God kan beloven, wat Hij nooit zal volbrengen; dat Hij het eeuwige leven kan geven, en beloven, dat zij die het hebben nooit zullen verderven, en dat zij met dat al dan toch

-ocr page 387-

DE TERUGKEER VAN DEN VERLOKEN ZOuN.

zullen verderven. Hij spreekt van God alsof Hij een veranderlijk wezen ware, want hij stelt Hem voor, alsof Hij de men-schen den eenen dag liefheeft, en hen den anderen dag wederom haat; dat Hij in het ééne uur hunne namen opschrijft in het Boek des levens, en ze er in het volgende oogenblik weer in uitwischt. En de invloed, dien zulk eene dwaling uitoefent is zeer schadelijk. Vele kinderen Gods, die in hunne vroegste jeugd deze dwalingen hebben ingezogen, hebben hun gebroken leven treurig en met moeite voortgesleept, terwijl zij den weg naar den hemel met blijdschap hadden kunnen bewandelen, zoo zij slechts van den beginne aan met de waarheid bekend waren geweest. En van den anderen kant :zü die den Calvinistischen prediker hooren, zijn ook licht geneigd zich een verkeerd begrip van God te vormen. Ofschoon wij hopen en vertrouwen nooit van God te zullen spreken in eenigen anderen zin, dan in dien, waarin wij Hem voorgesteld zien in de Schrift, is het ons toch wel bekend, dat velen onzer hoorders door hetgeen wij zeggen, al zijn wij ook nog zoo omzichtig in de keus onzer woorden, eerder eene caricatuur dan een juist beeld van God ontvangen. \'A\\i beelden zich in, dat God een streng Wezen is, zeer licht geneigd tot toorn, maar volstrekt niet licht geneigd tot liefde. Zij stellen zich Hem voor als Eenen, die in hoog verheven majesteit is gezeten, öf volkomen onverschillig voor de wenschen zijner schepselen, öf wel vastbesloten zijn eigen zin en wil met hen te doen, evenals een ty-rannisch vorst, die nooit luistert naar de wenschen zijner onderdanen, en nooit medelijden heeft met hunne ellende. Ach, dat wy ons van alle deze drogredenen konden ontdoen, en God konden gelooven te zijn wat Hij is! Dat wij konden komen tot de Schrift om in dien spiegel te zien, die zijn beeld terugkaatst, en Hem dan te ontvangen gelijk Hij is, de Alwijze, Rechtvaardige, en toch ook de albarmhartige en liefdevolle Jehovah ! Ik zal, met de hulp des Heiligen Geestes, heden morgen beproeven u het liefderijk karakter te schetsen van Christus, en indien ik gelukkig genoeg ben onder mijne hoorders sommigen te hebben, die zich in de positie van den verloren zoon in deze gelijkenis bevinden — tot Christus komende, maar toch nog zeer verre van Hem zijnde — zoo vertrouw ik, dat zij door denzelfden goddelijken Geest geleid zullen worden, om te gelooven in de goedertierenheden van Jehovah, en aldus vrede met God zullen vinden, eer zïj nog dit bedehuis zullen hebben verlaten.

„Als hij nog ver van hem was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming over hem bewogen; entoeloopende, viel hem om zijn\' hals, en kuste hem.quot; Ik zal, ten eerste, letten op de positie, die aangeduid wordt door de woorden „als hij nog ver van hem was;quot; ten tweede,op de bijzonderemoeie-

366

-ocr page 388-

de terugkeer van den verloren zoon.

lijkheden, die den geest beroeren van hen, die in dien toestand zijn, en in de derde plaats zal ik trachten de groote goedertierenheid van onzen aanbiddensivaardigen God in het licht te stellen, daar Hij, als wij nog „ver van Hem zijnquot; ons te gemoet komt, en ons in de armen zijner liefde ontvangt.

I. Ten eerste, welke is de staat, of positie, aangeduid door de woorden, „als hij nog ver van hem was?quot; Laat ons eerst letten op hetgeen die staat niet is. Het is niet die van den man, die zorgeloos is, en zich volstrekt niet aan God gelegen laat liggen ; want gy bemerkt, dat de verloren zoon hier voorgesteld wordt als tot zich zeiven gekomen, en op weg om naar het huis zijns vaders terug te keeren. Ofschoon het waar is, dat alle zondaars, of zij het weten of niet, ver van God zijn, is de staat van dezen verloren zoon toch bestemd om den toestand aan te duiden van iemand, die tot overtuiging van zonde gekomen en er toe gebracht is zijn vroeger leven te verafschuwen, en op-rechtelijk begeert tot God weder te keeren. Ik zal dus heden morgen niet inzonderheid het woord richten tot den Godslasteraar. Deze kan als ter loops en van ter zijde een woord van waarschuwing ontvangen, maar zoodanig iemand zal ik heden toch niet bepaald en bijzonder toespreken. Neen, het is voor iemand anders, dat deze tekst bestemd is, voor hem namelijk, die een Godslasteraar geweest is, of wel, voor iemand, die een dronkaard, een vloeker — en wat niet ? — geweest is, maar van deze dingen heeft afgelaten, en vastbesloten en vastberaden Christus zoekt ten einde het eeuwige leven te verkrijgen. Dat is de man, van wien, schoon hij op weg is om tot den Heere te komen, hier toch gezegd wordt, dat hü nog „ver van hemquot; is.

En er is nog iemand, die hier niet bedoeld is, en dat is de zeer groote en brave man, de Parizeer, die zich voor zeer bijzonder rechtvaardig houdt, en nog nooit geleerd heeft zijne zonde te belijden. In uw eigen oordeel over u zeiven, zyt gij, mijn vriend, niet ver van hem. In Gods oog ztft gü dit wel wezenlijk; gij zyt even ver van Hem als het licht van de duisternis, als het Oosten van het Westen; maar van u wordt hier toch niet gesproken. Gij zyt den verloren zoon niet gelijk, want, in stede van uw leven rechtvaardiglijk door te brengen, zijt gij weggegaan van uwen Vader, en hebt het goud, dat Hij u gegeven heeft, in de aarde begraven; en gij zijt wèl in staat u te voeden met den draf, dien de zwijnen eten, terwijl gij door eene armzalige betrachting van spaarzaamheid in goede werken genoeg van uwe bezittingen hoopt over te leggen, om er hielen hiernamaals van te kunnen leven. Uwe hoop om u zeiven zalig te kunnen maken is eene ijdele inbeelding, en de woorden van mijn\' tekst zijn tot u niet gesproken. Het is van don mensch, die zich verloren weet, maar begeert gered, verlost, be-

367

-ocr page 389-

S68 DE TERUGKKER VAN DEN VERLOREN ZOON.

houden te worden, dat hier gezegd quot;wordt, dat God hem ontmoet, en hem met eene liefdevolle omhelzing ontvangt.

En nu komen wij tot de vraag : Wie is die mensch, en waarom wordt van hem gezegd, dat hij nog ver was? Immers, nu hij zijn\' nood kent en den Zaligmaker zoekt, schijnt hij zeer nabij het koninkrijk te zijn gekomen. Ik antwoord, ten eerste dat hij in zijn gevoel of begrip nog ver is. Gij zijt hier dezen morgen, en gij koestert het denkbeeld, dat nooit iemand zóó ver van God was, als gij zijt. Gij ziet terug op uw voorbijgegaan leven, en gij gedenkt, hoe gij God hebt veronachtzaamd, den Sabbat hebt geminacht, op zijn heilig Woord geen acht hebt geslagen, het bloed der besprenging hebt vertreden, en al de uitnoodigingen zijner gena,de hebt afgewezen. Gij gaat de geschiedenis na van uw leven, en gij herinnert u de zonden, die gij hebt begaan, — de zonden uwer jeugd en uwe vorige overtredingen, de misdaden van uwen mannelijken leeftyd, en de rijpere zonden van uwen ouderdom; zij komen als zwarte golven tegen eene donkere kust, zij komen als een ontzettende stortvloed en overstelpen uwe herinnering. En terwijl die zee van zonden u voor oogen is, staat gij verbaasd en ais verplet. „O Heere, mijn God, hoe diep is de afgrond, die mij van U scheidt, en waar is de macht, die hem overbruggen kan ? Door gansche mijlen van zonde ben ik van U gescheiden, bergen van schuld verheffen zich tusschen U en mij. O God ! in dien Gij mij thans zoudt verderven, Gij zoudt slechts rechtvaardig wezen, en zoo Gij mij ooit tot U terugbrengt, kan dit door geene mindere macht geschieden dan door de Almacht waardoor Gij de wereld hebt geschapen. O hoe ver ben ik van God !quot; Sommigen van u zouden verschrikt worden, indien zij, die naast u zitten, u zouden zeggen wat er in hun hart omgaat. Indien de man, die zich daar ginds onder de menigte bevindt, dezen kansel beklom, en zou uitspreken wat hij op dit oogenblik gevoelt, gij zoudt ontsteld staan bij de beschrijving van zü\'n eigen hart. Velen van u hebben er geen denkbeeld van, hoe de ziel, die van zonde overtuigd is, benauwd en gekweld kan worden. Indien gij dien mensch zoudt hooren zeggen wat hij gevoelt, gij zoudt zeggen : „Ach ! het is een dweper, die zich dat alles maar inbeeldt, want niemand kan zich zeiven zoo uitermate slecht vinden.quot; Of gü zoudt wellicht denken, dat hij-zich aan de eene of andere misdaad heeft schuldig gemaakt, die hij niet eens durft noemen, en die zijn geweten bezwaart en ontreinigt. Neen mijn vriend, hij is even zedeiyk braaf en oprecht geweest als gij, maar als hij u eene beschrijving gaf van zich zeiven, zooals hy zich nu ontdekt heeft te zijn, hij zou u ten uiterste verbazen. En toch zyt gij even zoo, al gevoelt gij dit ook niet, ja zoudt dit zelfs met verontwaardiging ontkennen. Als het licht van Gods genade

-ocr page 390-

DE TERUGKEER VAN DEN VERLOREN ZOON.

in uw hart komt, dan heeft dat iets van het openen van de vensters van een\' kelder, die vele dagen gesloten is gebleven. Daar beneden in dien kelder, die maanden lang niet open geweest is, zijn allerlei soort van afzichtelijke insecten, benevens eenige ziekelijke planten, die door de duisternis verkleurd zijn. De muren zijn donker en vochtig door het slijm van kruipende dieren, dieerover heengingen; het is een afzichtelijk, vuil vertrek, waarin niemand gaarne binnentreedt. In de duisternis kunt gij daar veilig op en neer gaan, en behalve de onaangename aanraking van het een of ander kleverig dier, bemerkt gij niets, dat u zou doen gelooven, dat die plaats zoo ongezond en zoo onrein is. Maar open nu eens de luiken, verwijder het vuil van de ruiten, zoodat het licht binnen kan komen, en gü zult duizend schadelijke dingen gewaar worden, die zich deze plaats ter woning hebben gekozen. Het was voorzeker niet het licht, dat die plaats zoo akelig en afzichtelijk maakte, het licht toonde slechts hoe afschuwelijk zij te voren reeds was. En laat Gods genade slechts\' een venster openen en het licht binnen laten in de ziel van een\' mensch, en hij zal verbaasd wezen te zien op hoe grooten afstand hij van God is. Ja, mijn vriend, heden waant gij van niemand dan van den Eeuwige de mindere te wezen; gij denkt met vasten tred zijn\' troon te kunnen naderen; het is slechts zeer weinig, dat gij behoeft te doen om zalig te worden. Gij verbeeldt u, dat gij dit in een uur tijds wel zult kunnen volbrengen, en dat gij u op uw sterfbed even goed als nu zalig zult kunnen maken. Ach ! dat gij eens door Ithuriël\'s roede aangeraakt kondet worden, zoodat uwe uiterlijke gedaante in overeenstemming gebracht wierd met het geen gij werkelijk zijt, dan zoudt gij zien, dat gij ook thans nog zeer ver zijt van God, zóó ver, dat gij, indien de armen zü\'ner genade zich niet naar u uitstrekken om u tot Hem te brengen, zult moeten omkomen in uwe zonde. En nu richt ik mijn oog wederom op u met hope, en vertrouw, dat er in deze groote vergadering niet weinigen zullen zijn, die kunnen zeggen: „Ik weet, ik gevoel, dat ik ver van God ben, en soms vrees ik zoo ver van Hem te zyn, dat Hij mij nooit genadig kan wezen. Ik durf zelfs mijne oogen niet opheffen naar den hemel; ik sla mij op de borst en zeg: Heere, wees mij zondaar genadig.quot; O bedrukte en bekommerde, hier is een woord van vertroosting voor u : „Als hij nog ver van hem was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen.quot;

Maar sommigen kunnen zich in nog een\' anderen zin ver van God gevoelen. De conscientie van een\' iegelijken mensch zegt hem, dat, zoo hij zalig wil worden, hij zich moet ontdoen van zijne zonde. De Antinomiaan kan wellicht voorwenden te gelooven, dat de menschen wel zalig kunnen worden,

869

24

-ocr page 391-

DE TERUGKEER VAN DEN VERLOREN ZOON.

370

al blijven zij ook voortleven in de zonde; maar deconscientie laat aan niemand toe zoo buitensporig eene leugen te geloo-ven. Er is in deze vergadering niemand, die er zich niet van verzekerd houdt, dat hij, zoo hij zalig wil worden, van zijne dronkenschap of van zijne andere ondeugden moet aflaten. Er is voorwaar niemand hier, die door het verdoovend middel der helsche onverschilligheid zóó verstompt is, om zich in te beelden, dat hij aan zijne lusten en begeerlijkheden kan toegeven, en dan toch het witte kleed der verlosten in het paradijs kan dragen. Indien gij u verbeeldt, dat gij deel kunt hebben aan het bloed van Christus, en toch ook den Belials beker aan de lippen kunt nemen; indien gij in den waan verkeert, dat gu te gelijker tijd leden van Satan en leden van Christus kunt wezen, dan hebt gij minder gezond verstand dan men n wel zou toeschrijven. Neen, gij weet, dat er rechterarmen zijn, die afgehouwen, en rechteroogen, die uitgerukt moeten worden — dat van de boezemzonden afstand moet worden gedaan, zoo gij het koninkrijk Gods wilt binnengaan. Er is iemand onder mijn gehoor, die overtuigd is van de onheiligheid van zijn leven, en hij streeft er naar zijn leven te verbeteren, niet omdat hij denkt door die verbetering van zijn leven zalig te zullen worden, want hij weet wel beter, maar omdat hij weet, dat de hervorming van zijn karakter een van de eerste vruchten der genade is. Die arme mensch is jaren lang verslaafd geweest aan den drank, en nu worstelt hij om die hartstocht te overwinnen. Hij heeft ook reeds bijna de overwinning behaald, maar nooit te voren heeft hij zulk een Herculeswerk te verrichten gehad, want de verzoeking is zóó sterk, dat het hem ontzettend veel kost om er weerstand aan te bieden, en wellicht is het hem, sedert hij voor het eerst van zonde overtuigd werd, ook wel gebeurd, dat hij opnieuw in de zonde gevallen is. Of het is wellicht eene andere ondeugd, en gij, mijn broeder, hebt er uw aangezicht tegen gesteld; maar er zijn vele banden en boeien, die ons vasthechten aan onze ondeugden, en gij bevindt, dat, schoon het gemakkelijk genoeg was om schering en inslag der zonde saam te weven, het lang zoo gemakkelijk niet is dit weefsel wederom te ontrafelen. Gij kunt uw huis niet zuiveren van uwe afgoden; gij weet niet hoe af te laten van uwe zondige genoegens, of het gezelschap der ongodvruchtigen op te geven. Eén voor één hebt gij met uwe vertrouwdste vrienden en bekenden gebroken, maar het is zeer moeielijk dit geheel en al door te zetten, en gij worstelt om het te kunnen, en dikwijls valt gij op uwe knieën en roept: „O Heere! hoe ver ben ik nog van U! Welk eene hoogte heb ik nog te beklimmen! O hoe kan ik verlost; hoe kan ik zalig worden! Gewis indien ik mij niet kan reinigen van mijne oude zonden, dan zal ik

-ocr page 392-

de terugkeer van den verloren zoon.

nooit in staat zijn om voort te gaan op mijn\' weg, en al zou ik er ook van bevrijd raken, dan zou ik er toch wederom in vallen. O hoe groot is de afstand, die mij van God scheidt! Heere, breng mij U nabij!

En nu moet ik u onzen afstand van God schetsen op nog eene andere wijze. Gij hebt uwen Bijbel gelezen, en gij zijt er van overtuigd, dat nlleen het geloof de ziel met Christus kan vereenigen. Gij weet, dat gij nooit het koninkrijk Gods zien zult, tenzij gij gelooft in Hem, die voor uwe zonden aan het kruis is gestorven. Maar heden morgen kunt gij zeggen: „Ik heb er naar gestreefd te gelooven; ik heb, niet gedurende eenige uren, maar dagen lang, de Schriften onderzocht om eene belofte te vinden, waarop mijn vermoeide voet kan ruften. Ik heb mij zeer dikwijls op de knieën begeven en vurig gesmeekt om een\' zegen; maar afschoon ik heb gepleit: het was te vergeefs, want tot nu toe is mij geen teeken ten goede, geen blijk van genade geschonken. Ik heb al de kracht gebruikt, die ik bezit, en getracht mij aan des Heilands voeten te werpen en mijne zonden gewasschen te zien in zijn bloed. Ik ben niet onverschillig gebleven voor de geschiedenis van het kruis; ik heb haar honderden malen gelezen en er zelfs over geweend; maar als ik het beproef mijne hand op het hoofd van het zondoffer te leggen en tracht te gelooven, dat mijne zonden over zijn gegaan op Hem, dan komt een boozo geest en belet mij mijne ziel uit te storten in aanbidding, en er is iets, dat mijne hand terughoudt, als ik haar wil leggen op het hoofd van Hem, die voor mij is gestorven.quot; Ach, arme ziel, gij zijt in waarheid ver van God. Ik zal de woorden van mijn\' tekst voor u herhalen, en moge de Heilige Geest ze doen doordringen tot uw hart! „Als hij nog verre van hem was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen; en toeloopende, viel hem om zijn\' hals, en kuste hem.quot; Zoo zal het ook met u wezen, indien gij zoo ver zijt gekomen. Die afstand moge groot zijn, maar uwe voeten behoeven hem niet te doorloopen. God, de Eeuwige, zal neder-zien van zijn\' troon en uw arm hart bezoeken, ofschoon gij thans nog op den weg blijft verwijlen, wijl gij bevreesd zijtf Hem te naderen.

H. Ons tweede punt van overdenking is de eigenaardige moeielijkheden en benauwdheden, die het hart beroeren van hen, die zich in dien toestand bevinden. Laat mij u den armen, in lompen gehulden verloren zoon voorstellen. Na een leven van weelde en gemak, is hij door zijne eigene schuld en zonde in de diepste armoede gedompeld, en moet hij zwaren arbeid verrichten. Gedurende eenigen tijd heeft hij de zwijnen geweid, en is daarbij schier omgekomen van den honger en nu begeeft hij zich op weg om naar het huis zijns vaders terug

371

-ocr page 393-

DE TERUGKEER VAN DEN VERLOREN ZOON.

te keeren. Het is eene lange en vermoeiende reis. Hij loopt menig uur, totdat hij zijne voeten door heeft geloopen. Eindelijk komt hij op den top eens bergs en ziet zijns vaders huis ver weg in de vlakte. Er liggen nog vele mijlen tusschen hem en zijn vader, dien hij veronachtzaamd heeft. Kunt gij u zijne gewaarwordingen voorstellen, als hij na zoo lange afwezigheid het ouderlijk huis wederziet? Hij herinnert het zich goed op dien afstand, want, schoon het lang geleden is, dat hij die vloeren betreden heeft, is het hem toch nooit uit het geheugen gegaan. De herinnering aan zijns vaders vriendelijkheid, en aan zijn eigen welstand, toen hij nog bij hem was, is nooit bij hem verflauwd. Gij zoudt denken, dat hij op het eene oogen-blik eene gewaarwording heeft van blijdschap, als een lichtstraal te midden van den storm; maar weldra is zijn geest gansch van duisternis omringd. In de eerste plaats zal hij waarschijnlijk denken; „Gesteld al, dat het mij mogelijk is mijns vaders huis te bereiken: zal mijn vader mij willen ontvangen? Zal hij zijne deur niet voor mij sluiten, en mij zeggen heen te gaan om de rest van mijn leven door te brengen, waar ik het eerste deel er van heb doorgebracht?quot; En dan komt nog eene andere gedachte; „Gewis, de booze geest, die mij het eerst op den dwaalweg bracht, kan mij wederom doen wegdwalen, vóór ik mijn\' vader nog heb kunnen begroeten. Of wellicht zal ik onderweg sterven, en zal mijne ziel voor God staan, eer ik mijns vaders zegen nog heb kunnen ontvangen.quot; Ik twijfel niet, of deze gedachten zijn ook in uw hart opgekomen, indien gij u in den toestand bevindt van iemand, die Christus zoekt, maar treurt omdat hij zich op zoo grooten afstand van hem gevoelt.

Ten eerste, gij vreesdet te sterven, eer Christus zich nog aan u had geopenbaard. Gij hebt maanden lang den Heiland gezocht zonder Hem te vinden, en nu komt de ontzettende gedachte : „Als ik nu eens stierf, terwijl al deze gebeden onverhoord zijn gebleven ? O ! zoo Hü my slechts wilde hooren. eer ik deze wereld verlaat, ik zou tevreden zijn, al zou Hij mij dan ook nog jaren lang lang in angst en benauwdheid laten blijven. Maar indien ik morgen ochtend nu eens een lijk was? Ik kniel heden avond neder voor mijne legerstede en roep om genade. O ! als Hij mij de vergiffenis eens niet vóór morgenochtend schonk, terwijl ik reeds heden nacht opgeroepen word om voor zijn\' rechterstoel te verschijnen! — Wat dan ?quot; Het is vreemd, dat andere menschen denken, dat zij nooit zullen sterven ; terwijl de menschen, die van zonde overtuigd zijn, en een\' Zaligmaker zoeken, vreezen, dat zij geen oogenblik langer zullen leven. Gij hebt den tijd gekend, waarde broeder, dat gij uwe oogen niet durfdet sluiten uit vrees, dat gij ze op aarde niet weder zoudt openen; dat gij de scha-

372

-ocr page 394-

DE TERTJGKEEU VAN DEN VERLOREN ZOON.

873

duwen van den nacht hebt gevreesd, of zij mogelijk het licht der zon voor altijd zouden bedekken, en gij tot in alle eeuwigheid in duisternis zoudt moeten verwijlen. Gij hebt getreurd bij lederen dag, die aanbrak, en geweend, als die dag zich ten avond neigde, omdat gij u voorsteldet, dat gij met den eersten stap, dien gij doen zoudt, in den eeuwigen afgrond zoudt geworpen worden, ik heb geweten wat het is, op de aarde te treden en te vreezen, dat ieder plekje gras eene deur verborg, die naar de hel voert, sidderende bij de gedachte, dat ieder stofje en ieder steentje met God in verbond was om mij te verderven. John Bunyan zegt, dat hij gedurende eenigen tijd het gevoel had om liever als een hond of eene padde geboren te zijn dan als een mensch. Hij gevoelde zich zoo onuitsprekelijk ongelukkig van wege de zonde. En wat hem nog de diepste smart veroorzaakte, was de gedachte, dat, schoon hij reeds gedurende drie jaren Christus had gezocht, hij met dat al toch kon sterven zonder Hom te hebben gevonden. En dit is, voorwaar! geene noodelooze bezorgdheid. Het kan wellicht eene noodelooze bezorgdheid zijn voor hen, die hunne behoefte aan Christus reeds gevoelen, maar de meesten van ons hebben het noodig onophoudelijk opgeschrikt te worden door de gedachte des doods. Hoe weinigen van u willen hier ooit aan denken! Omdat gij leeft en gezond zijt, omdat gij eet, drinkt en slaapt, denkt gij, dat gij niet zult sterven. Ziet gij ooit ernstig en kalm op uw einde ? Begeeft gij u ooit ter ruste met de gedachte, dat gij u eens ontkleeden zult voor uwe laatste sluimering ? En als gij des morgens ontwaakt, ko.nt liet u dan ooit in de gedachte, dat de bazuin van den aartsengel u zal oproepen om voor God te verschijnen in den laatsten grooten dag, wanneer het gansch heelal voor den Rechter zal staan ? Neen. „Alle menschen denken, dat alle menschen sterfelijk zijn, behalve zij zeiven,quot; en alle gedachten aan den dood verbannen wij uit ons hart, totdat wij ten laatste opwaken, zijnde in depijn, en waar te ontwaken het \'telaat is om te ontwaken. Maar gij, tot wie ik heden morgen inzonderheid het woord richt; gij die gevoelt, dat gij nog zeer verre zijt van Christus, gij zult niet sterven, maar leven en de werken des Heeren vertellen. Indien gij Hem waarlijk hebt gezocht, dan zult gij niet sterven, voordat gij Hem hebt gevonden. Nooit is er eene ziel geweest, die den Heiland in oprechtheid heeft gezocht, en omgekomen is, eer zij Hem had gevonden. Neen, de poorten der hel zullen zich nooit achter u toesluiten, voordat de poorten der genade voor u zijn opengegaan. Vóórdat Christus uwe zonden afgewasschen heeft, zult gij niet in den Jor-daanstroom worden gedoopt. Uw leven is u verzekerd, want dit is het voortdurend plan Gods — Hij bewaart zijne uitverkorenen bij het leven tot aan den dag zijner genade, en dan neemt Hij hen tot zich. En in zoover gij uwe behoefte

-ocr page 395-

DE TERUGKEEU VAN DES VERLOREN ZOON.

aan den Zaligmaker kent, zijt gij een der zijnen, en zult gij niet sterven, vóórdat gij Hem hebt gevonden.

Maar gij koestert nog eene andere vreeze. „Ach, leeraar, ik vrees niet te sterven vóórdat ik Christus gevonden heb, ik vrees iets, dat nog erger is. Ik heb te voren reeds overtuigingen gehad van zonde, en die zijn dan dikwijls weer voorbijgegaan. Waar ik heden het meest voor vrees is, dat het nu weder zoo gaan zal.quot; Ik heb gehoord van een\' armen kolen-koopman, die bij eene zekere gelegenheid zeer diepe indrukken had ontvangen onder de prediking des Woords, en er toe geleid werd zich te bekeeren van zijne zonde en zijn vorig leven vaarwel te zeggen. Maar hij gevoelde zulk een\'diepen afschuw er van om ooit tot zijn vroegeren handel en wandel terug te keeren, dat hij op zekeren dag neerknielde en aldus tot God riep: „O Heere, laat mij veeleer terstond en terwijl ik nog aan deze plaats ben sterven, dan ooit den godsdienst te verzaken, dien ik heb omhelsd en tot mijn vorig leven weder te keeren.quot; En het werd ons door geloofwaardige menschen mode-gedeeld, dat hij werkelijk op de plaats dood bleef, cn zijn gebed aldus verhoord was. God wilde hem liever te huis halen in den hemel, dan hem de hitte der verzoeking te laten doorstaan op de aarde. Welnu, als de menschen tot Christus komen, dan willen zij liever alles lijden dan hunne overtuigingen van zonde te verliezen. Menigmaal zijn wij, gij en ik, tot Christus getrokken geworden onder de prediking des Woords. Wij kunnen terugzien op velerlei gelegenheden, wanneer Let voor ons juist het keerpunt scheen te zijn. Er was eene stem in ons hart, die tot ons zeide: „Geloof thans in Christus, nu is het de welaangename tijd, nu is het de dag der zaligheid.quot; Maar wij zeiden: „Morgen, morgenquot;, en als de morgen daar was, waren onze indrukken verdwenen. Wij dachten, dat ons woord van gisteren, de daad zou zijn van heden; maar in stede hiervan is het uitstellen van gisteren de verharde boosheid geworden van heden; wij dwaalden nog verder weg van God en vergaten Hem. Nu roept gij tot Hem uit vrees, dat Hij ii op zal geven. Gij hebt dezen morgen, eer gij hier kwaamt, gebeden en gezegd: „Vader, laat toch niet toe, dat mijne metgezellen mij van mijn\' godsdienst wegspotten; laat niet toe, dat myne wereldsche zaken zóó zeer al mijne gedachten innemen, dat het mij belet behoorlijke aandacht te schenken aan de zaken eener andere wereld. O laat toch mijn hart niet zóó vervuld zijn met de beuzelingen van heden, dat ik mij niet bereid mijn\' God te ontmoeten. Laat dit beginsel der genade toch in mij doorwerken, en mij niet ontnomen worden.quot; Is dit uw ernstig gebed? O arme verloren zoon, het zal gehoord, het zal verhoord worden. Gij zult den tijd niet hebben om terug te keeren. Heden ziet uw Vader u van zijn\' troon

874

-ocr page 396-

DE TEüUCJKEER VAN DEN VERLOREN ZOON.

in den hemel; heden komt Htf u le gemoet in de boodschap des Evangelies; heden omhelst Hij u en verheugt Hij zich over u; heden zegt Hü tot u: „Uwe zonden, welke velen zijn, zijn u allen vergevenquot; Heden zegt Hij u in de prediking des Woords te komen en met Hem te rechten, want „al waren uwe zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.quot;

Maar ik veronderstel, dat de laatste gedachte van den verloren zoon, de gedachte, die hem het meest kwelde en benauwde, was, dat zijn vader, als hij tot hem gekomen zou zijn, hem zou toevoegen; „Ga heen, ik wil niets meer met u te doen hebben.quot; „Ach,quot; dacht hij bij zich zeiven, „ik herinner mij, hoe ik dien morgen vóór den dageraad opstond, omdat ik wist, dat ik de tranen mijner moeder niet zou kunnen weerstaan. Hoe ik stil de achterdeur uitsloop en al het geld mede nam, en heenvlood naar het land, waar ik alles, wat ik bezat doorbracht. O wat zal de oude man zeggen, als ik terugkom ? Ach, ik zie hem op mij toeloopen, maar hij heeft zeker eene roede in zijne hand om mij weg te slaan. Het is niet mogelijk dat hij een vriendelijk woord voor mij heeft. Alles, wat ik van hem kan verwachten, is, dat hij tot mij zal zeggen : „Mijn zoon, gij hebt al uw geld doorgebracht, gij kunt niet denken, dat ik nog verder iets voor u doen zal. Ik zal u echter niet van honger laten omkomen, maar gij zult een mijner dienstknechten zijn.quot; En als hij dat doet, dan zal ik hem nog grootelijks verplicht zijn; ja, dat is eigenlijk de gunst, die ik van hem vragen zal. Ik zal zeggen: „Maak mij als eenen van uwe huurlingen.quot; „Oquot;, zeide de duivel in zijn binnenste, „uw vader zal geen woord van troost tot u spreken, gij deedt beter met maar weer weg te gaan. Ik zeg u, dat, zoo gij tot hem komt, hij niets dan harde woorden en slagen voor u zal hebben. Gij zulit sterven aan een gebroken hart; gij zult er waarschijnlijk dood neervallen, en dan zal de oude man u niet laten begraven; hij zal u de roofvogels ten prooi laten. Er is voor u geene hoop. Bedenk, hoe gij hem behandeld hebt. Stel u in zijne plaats. Wat zoudt gij gedaan hebben, als gij een\' zoon hadt, die met de helft van uw vermogen was weggeloopen, om het met hoeren door te brengen?quot; En de zoon dacht, dat wanneer hij in zijns vaders plaats was, hij hard en streng zou zijn, en toen keerde hij zich misschien reeds om om weder weg te gaan. Maar hij had daar den tijd niet toe. Op het oogenblik, toen hij er aan dacht weg te gaan, waren plotseling de armen zijns vaders om zijn\' hals, en ontving hij den kus zijns vaders. En eer hij nog zijn verzoek geheel had uitgesproken, was hij reeds gekleed in een wit kleed, het beste, dat er in huis was; en zij brachten hem aan tafel, en het gemeste kalf werd geslacht om hem voorgezet te worden. Evenzoo, bekommerde

375

-ocr page 397-

de terugkeer van den verloren zoon.

ziel, zal het met u wezen. Gij zegt; „Indien ik tot God ga, zal Hij mij toch niet ontvangen. Ik ben te slecht, te zondig. Anderen kan Hij wel aan zijn hart ontvangen, maar mij niet. Indien mijn broeder ging, hij zou wel behouden worden; maar ik heb onder zulke verzwarende omstandigheden gezondigd; ik ben reeds zoo oud geworden; ik heb zooveel kwaad gesticht; ik heb Hem zoo dikwijls gelasterd; ik heb zoo dikwijls zijn\' Sabbat geschonden; ach! en ik heb Hem zoo dikwijls bedrogen ! Ik heb Hem beloofd mij te zullen bekeeren; en als ik dan weder wel was, dan heb ik Gode gelogen, en ben ik tot mijne oude zonden teruggekeerd. O, zoo Hij mij slechts stil de deur des hemels wilde laten binnensluipen. Ik wil niet vragen een zyner kinderen te zijn; ik wil slechts vragen, dat Hij mij laat wezen, waar de Kananesche vrouw wilde zijn — een hondeke, om de kruimkens te eten, die van des Meesters tafel vallen. Dat is alles wat ik vraag; en ach! zoo Hij het mij slechts toestaat, dan zal Hij er nooit het einde van hooren, want ik zal Hem mijn leven lang loven. En als de wereld vergaat, en de zon wordt verduisterd, dan zal mijne dankbaarheid, onsterfelijk als mijne ziel, nooit ophouden te zingen van zijne liefde, die mijne grootste zonden heeft vergeven en mij gewasschen heeft in zijn bloed.quot; Zoo zal het zijn. Komt en beproeft het. Welaan, zondaars, droogt uwe tranen; laat er een einde zijn aan uw hopeloos treuren; ziet op de wonden van Christus, die gestorven is. Laat al uwe smart thans gestild zijn, er bestaat geene oorzaak meer voor. Uw Vader heeft u lief; Hy neemtu in genade aan. Hij ontvangt u aan zijn hart.

III En nu zal ik ten besluite u nog doen opmerken, hoe

deze vreeze geëindigd is in het geval van den verloren

zoon, en hoe zij ook voor ons zal eindigen, als wij ons in denzelfden toestand bevinden.

De tekst zegt; „De Vader zag hem.quot; Ja, en God heeft u thans gezien. Die traan, die zoo haastig afgewischt werd — alsof gij er u voor schaamdet — God heeft haar gezien en in zijne flesch gelegd. Dat gebed, hetwelk gij eenige oogenblikken geleden uit uw hart liet opgaan, zoo zwak, en met zoo weinig geloof — God heeft het gehoord. Onlangs waart gij in uwe binnenkamer, waar geen oor u heeft gehoord; maar God was daar. Zondaar, het zij u tot vert;-oosting, dat God u ziex, wanneer gij berouw begint te gevoelen over uwe zonde. Hij ziet dit niet met zijn gewoon zien, waarmede Hij alle menschen gadeslaat, maar quot;met innige, groote belangstelling. HU heeft op u gezien in al uwe zonde, en in al uwe smart, hopende, dat gij u zoudt bekeeren, en nu ziet Hij het eerste vonkje gloren der genade, en Hü ziet dit met blijdschap. Nooit heeft een wachter op den eenzamen kasteelmuur het eerste grauwe mor-gendagen met meer blijdschap aanschouwd, dan waarmede God

376

-ocr page 398-

DE TERUGKEER VAN DEN\' VERLOREN ZOON.

de eerste begeerte in uw hart ontdekt. Nooit heeft een arts zich meer verheugd bij de eerste ademhaling van iemand, dien men dood waande, dan God zich verheugt over u, nu Hij het eerste teeken ten goede in u bespeurt. Denk niet, dat gij veracht, onbekend of vergeten zijt. Van zijn\' hoogen troon der heerlijkheid ziet Hij u. Hij verblijdt zich in hetgeen Hij ziet. Hij zag u bidden; Hij hoorde u zuchten; Hij heeft de traan opgemerkt, die opwelde in uw oog. Hij heeft op u gezien, en Hij heeft zich verblijd deze eerste zaden der genade in uw hart te zien.

En dan zegt de tekst, dat hij „met innerlijke ontferming werd bewogen.quot; Hij heeft hem niet slechts gezien; hij heeft over hem geweend, wijl hij hem in dien toestand zag. De oude vader kon zijn oog over een zeer uitgestrekt vergezicht laten weiden ; en schoon de verloren zoon zijn\' vader niet uit de verte kon zien, kon deze den verloren zoon wèl zien. En toen hij hem zag, was zijne eerste gedachte — „O mijn arme zoon ! mijn arm kind, dat hij zich ooit in zulk een\' el-lendigen toestand heeft gebracht!quot; Hij zag door den telescoop der liefde, en hij zag hem, en zeide; „Ach! hij heeft op die wijze mijn huis niet verlaten. Zijne voeten bloeden, hij moet van eene verre reize zijn gekomen. Zie zijn gelaat; hij ziet er niet uit, alsof het dezelfde jongeling was, die mij toen heeft verlaten. Zijn oog, dat toen zoo helder stond, is thans gezonken; zijne wangen, die blozende waren van gezondheid, zijn nu hol van den honger. Al zijne beenderen zou men kunnen tellen, zoo vermagerd is hij.quot; In plaats van nu toorn in zijn hart te gevoelen, gevoelt hij juist het tegenovergestelde, hij gevoelt diep, innig medelijden met zijn\' zoon. En dat is het wat de Heere gevoelt voor u, voor ii,die zucht en treurt om uwe zonde. Hij vergeet uwe zonde; Hij heeft er slechts smart over, dat gij u in zoo beklagenswaardigen toestand hebt gebracht. Het was juist als op den dag toen Adam heeft gezondigd. God wandelde in den hof, en Hij miste Adam. Hij riep tofin niet; „Adam, kom hier ten oordeel!quot; Neen, met zachte, klagende stem zeide Hij : „Adam, waar zijt gij ?quot; O Adam, dien Ik zoo schoon en zoo gelukkig hebt gemaakt, waar zijt gij thans? O Adam! gij dacht een God te worden; waar zijt gij thans? Gij hebt met Mij gewandeld ; verbergt gij u thans voor uwen Vriend? Weinig weet gij, o Adam, wat leed en ellende gij over u zeiven hebt gebracht, over u zeiven en over uw nakroost. Adam, waar zijt gij ?quot; En zoo is ook Jehovah heden met innerlijke ontferming over u bewogen. Hij is niet toornig op u; zijn toorn is afgekeerd, en zijne handen zijn naar u uitgestrekt. Daar Hij er u toe gebracht heeft te gevoelen, dat gij tegen Hem hebt gezondigd, en verzoening met Hem te begeeren, is er nu geen toorn in zijn hart. De eenige smart, die Hij gevoelt.

amp;77

-ocr page 399-

DE TERUGKEER VAN DEN VERLOKEN ZOON.

is smart over den toestand, waarin gij u zeiven hebt gebracht.

Maar hij liet het niet bij bloot medelijden blijven. Zich over hem ontfermende, liep hij toe, en viel hem om zijn\' hals, en kuste hem.quot; Dat verstaat gij nog niet, maar gij zult het lee-ren verstaan. Zoo waarachtig als God God is, indien gij Hem heden in oprechtheid zoekt door Christus, dan zal de dag komen, wanneer gij den kus der volle verzekerdheid zult ontvangen, en de armen der vrijmachtige liefde u zullen omhelzen en gij u hiervan bewust zult zijn. Gij kunt Hem wel hebben geminacht; maar gij zult nog te weten komen, dat Hij uw Vader is en uw Vriend. Gij kunt wel gesmaald hebben op zijn\' naam; eens zult gij er toe komen er u in te verheugen als veel kostelijker dan zuiver goud. Gij kunt zijn\'Sabbat hebben geschonden en zijn Woord versmaad; de dag zal komen, wanneer de Sabbat uwe verlustiging en zijn Woord uw schat zal wezen. Ja, sta niet verbaasd; gij kunt u wel in het slijk der zonde hebben gewenteld, en uwe kleederen bezoedeld hebben met ongerechtigheid, maar eens zult gij voor zijn\' troon staan, wit als de , engelen, en die tong welke Hem eens gevloekt heeft, zal Hem nog zegenen. Indien gij een oprecht zoekende zijt, dan zullen de handen, die verontreinigd waren door begeerlijkheden, toch eens de gouden harp omklemmen, en het hoofd, dat verraderlijke plannen beraamde tegen den Allerhoogste, met goud gekroond zijn. Schijnt het geene vreemde zaak, dat God zoo veel doet voor zondaren ? Maar hoe vreemd het ook schijnt, het zal verwonderlijk waar zijn. Zie den wankelenden dronkaard in de kroeg. Bestaat de mogelijkheid, dat hij zich nog eens onder de blinkendste kinderen des lichts zal bevinden? Mogelijkheid! O gewis, en meer dan dat! zekerheid, zoo hij zich slechts bekeert van de dwaling zijns wegs. Hoort gij dien mensch daar vloeken en zweren? Ziet gij dien mensch, die zich zeiven ten toon stelt als een dienaar der hel, en er zich niet voor schaamt? Is het mogelijk, dat hij nog eens in de zaligheid der verlosten zal deelen ? Mogelijk ! Ja veel meer ! Het is zeker, zoo hij zich afkeert van zijn\'boozen weg. O vrijmachtige genade, neig gij het hart der menschen, opdat zij zich bekeeren. „Bekeert u, bekeert u, waarom wilt gij sterven, o huis Israels ?\'\'

Nog één woord. Indien iemand uwer heden tot overtuiging-van zonde is gekomen, zoo laat mij u plechtig waarschuwen geene plaatsen te bezoeken, waar deze overtuigingen naar alle waarschijnlijkheid uitgewischt, vernietigd zullen worden.

Een correspondent van de New York Christian Advocate geeft het volgend aandoenlijk verhaal.

„Toen ik reisde in den staat van Massachusetts, nu zes en twintig jaren geleden, predikte ik op een\' avond in de stad.— Een jonge man van een zeer ernstig voorkomen stond op na

378

-ocr page 400-

DE TERUGKSER VAN\' DHX VrJRF.ORÜN ZOOX. 379

de preek, en wenschte een woord tot de gemeente te spreken. Na hiertoe verlof gekregen te hebben, sprak hij als volgt: „Mijne vrienden, nu ongeveer een jaar geleden, heb ik en een andere jonge man, met wien ik zeer gemeenzaam bekend was, begonnen de zaligheid mijner ziel te zoeken. Gedurende verscheidene weken bleven wij te zamen. Wij arbeidden te za-men en hebben dikwijls het verbond vernieuwd, om nooit van ons zoeken af te laten\', voordat wij den godsdienst van Jezus tot den onze hadden aangenomen. Doch plotseling bleef de jonge man weg van de bijeenkomsten. Hij scheen alle middelen der genade den rug toe te keeren, en vermeed mij zoo, dat ik nauwelijks gelegenheid kon vinden hem te spreken. Zijn vreemd gedrag veroorzaakte mij groore bekommernis, maar ik was toch vast besloten de zaligheid mijner ziel te blijven zoeken, of anders om te komen met de tollenaars bede op mijne lippen. Na eenige dagen werd mij door een\' vriend medegedeeld, dat mijn jonge metgezel eene uitnoodiging had gekregen tot bijwoning van een bal, en dat hij besloten had te gaan. Ik ging onmiddelijk tot hem en met tranen in de oogen poogde ik hem te bewegen van zijn voornemen af te zien, en dien avond naar eene bijeenkomst tot gebed met mij te gaan. Het was te vergeefs. Toen wij van elkander scheidden, zeide hij mij, dat ik hem niet als verloren moest beschouwen, want dat hij, na dit bal bijgewoond te hebben, bepaald werk van den godsdienst zou maken. De bewuste avond kwam, hij ging naar het bal, en ik ging naar den bidstond. Kort nadat de bijeenkomst geopend was, heeft het Gode behaagd in antwoord op mijn gebed, mijne geestelijke gevangenschap te wenden, en mijne ziel zich te doen verblijden in zijne rechtvaardigmakende liefde. Spoedig daarna begon liet bal, mijn jonge vriend stond aan het boveneinde der balzaal, met de hand eener jonge dame in de zijne, gereed om haar ten dans te leiden; en terwijl de muzikant zijne viool stemde, zonder een enkel oogenblik van waarschuwing, zakte de jongeling in een en was dood. Men liet mij terstond roepen, om met mij te beraadslagen hoe het lijk naar het huis zijns vaders te vervoeren. Gij zult beter in staat zijn te oordeelen wat er in mijn hart omging, als ik u zeg, dat die jongeling mijn eigen broeder was.quot;

Beuzelt dan niet met uwe overtuiging van zonde, want de eeuwigheid zal te kort zijn om over zoodanig beuzelen uwe klage uit te spreken.

-ocr page 401-

DE ONTVANGST VAN DEN VERLOREN ZOON.

„En opstaande, girg hij naar zijn\' vader. Fn als liij nog ver van hem was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen, en toeloopende, viel hem om zijn\' hals en kuste hem.quot; l.ukas XV : 20.

Daar is hij! Hij is zoo ellendig als de ellende zelve; zoo vuil en onrein als zijne melgezellen. die zich konden verzadigen met het zwijnendraf, dal, hij niet kon, wijl niemand hem dien gaf. Zijne kleederen hangen hem als lompen om het lijf, en zooals hij er uitwendig uitziet, zoo is hij ook werkelijk inwendig. Hij is onteerd in do oogen der goeden, en de deugzamen kunnen niet anders dan met verontwaardiging aan hem denken. Hij heeft eenige begeerte om terug te gaan naar zijns vaders huis, maar deze begeerte volstaat niet om zijn\' toestand te veranderen. Die bloote begeerten hebben hem niet van zijne onreinheid ontdaan, zij vermochten niet eens zijne lompen saam te flansen. Wat hij ook moge begeeren of niet begeeren, nog is hij vuil, nog is hij onteerd, nog is hij vervreemd van het huis zijns vaders; en dit weet hij, want hij is tot zich zeiven gekomen. Het zou hem vertoornd hebben, indien wij dit te voren van hem gezegd hadden, maar nu kunnen wij hem niet te zwart afschilderen. Met vele tranen en zuchten verzekert hij ons, dat hij nog vi el slechter is dan hij schijnt te zijn, en dat niemand al het schrikkelijk snoode van zijn gedrag kan kennen. Hij heeft zijn goed met hoeren doorgebracht; de liefde zijns edclmoedigen vaders heeft hij versmaad; aan zijn wijs bestuur zich onttrokken; met beide handen heeft hij zoj veel kwaad gedaan als hij maar kon. Daar staat hij, niettegenstaande deze belijdenis, juist zooals ik hem heb beschreven ; want ofschoon hij bij zich zei ven gezegd heeft; „Ik htb gezondigd,quot; heett die belijdenis zijne smarten niet weggenomen. Hij erkent, dat hij niet waardig is een zoon genoemd te worden — en dat is hij ook niet; maar zijne onwaardigheid houdt niet op, omdat hij er zich van bewust is, of omdat hij haar belijdt. Hij heeft geene aanspraak op de liefde zijns vaders. Indien deze vader zijne deur voor hem sluit, dan is dit volkomen rechtvaardig. Indien hij weigert ook maar een enkel woord tot hem

-ocr page 402-

de oktvangst van den verloren zoon.

te richten, behalve woorden van verwyt en bestraffing, kan niemand den vader er om laken, want de zoon heeft ziclr allertreurigst misgaan. Da zoon heeft hier niets tegen in te bren-gen; hij erkent, dat hij voor altijd een verworpene moet blijven ; hij heeft dit volkomen verdiend. Ik weet, dat dit beeld de photographie is van sommigen, hier tegenwoordig. Gij gevoelt uwe slechtheid en zondigheid ; maar die bewustheid uwer zonde kunt gij niet beschouwen als iets dat verzachting of verandering brengt in uwen toestand. Gij gevoelt; maar op uwe gevoelens en gewaarwordingen kunt gij niet pleiten. Gij belijdt heden morgen, dat gij begeerten hebt naar God, maar dat gij geen recht op Hem hebt — gij hebt niets van Hem te eischen. Indien uwe ziel ter helle werd verwezen — zijne rechtvaardige wet keurt het goed, en dat doet ook uw geweten. Gij kunt uwe lompen zien; gij kunt uwe onreinheid gewaar worden; gij kunt naar iets beters verlangen; maar gij zijt niet beter. Gij hebt niet meer recht of aanspraak op Gods genade dan gij placht te hebben. Gij staat heden hier als iemand, die zich innerlijk bewust is een overtreder te zijn tegen de goedertierenheid en heiligheid Gods. Ik bid, dat ik voor u, die in dit geval verkeert, heden de brenger mag wezen van eene boodschap Gods tot uwe ziel. O gtl, die den Heere kent, laat er een vurig gebed opgaan uit uw hart, dat mijne boodschap door mag dringen tot het hart van hen, wier geweten ontwaakt en beroerd is. En ik smeek u, ziet tot uw eigen welzijn, op de holligheid des bornputs, waaruit gij gegraven zijt, en het modderig slijk, waaruit gij zijt opgehaald, en herinnert u hoe God u ontvangen heeft. En terwijl wij spreken over hetgeen Hij machtig en gewillig is voor zondaars te doen, die nog van verre staan, laat uwe ziel opspringen van dankbare blijdschap bij de herinnering hoe Hij u in zijne liefde heeft ontvangen, en u deelgenooten heeft gemaakt van zijne genade.

Er zijn twee zaken in den tekst: de eerste is de toestand van menig zoekende — hij is nog rerre; en de tweede, de weerga-looze vriendelijkheid des vaders jegens hem.

I. De toestand van zulk een\' zoekende — hij is nog verre.

Hij is nog verre, als gij denkt aan tweeërlei zaken. Herinnert u zijn gebrek aan kracht. Deze arme jongeling is gedurende eenigen tijd zonder voedsel geweest — hij was in zulke kommervolle omstandigheden, dat de draf der zwijnen hem eene lekkernij zou geschenen hebben, zoo hij dien slechts had kunnen bekomen. Hij heeft zóó geleden van den honger, dat hij vermagerd en uitgeteerd is, en elke roede, die hij te loopen heeft, maakt hem zoo moede als of het eene mijl was. Het kost hem veel pijn en smart om zich voort te slepen, al is

331

-ocr page 403-

DE ONTVANGST VAN DEN VERLOREN ZOON.

het ook niet meer dan een duim breed. Zoo is ook de zondaar ver van God, ais gy zijn volslagen gebrek aan kracht in aanmerking neemt om tot God te komen. Zelfs de kracht, die God hem gegeven heeft, wordt niet dan met veel smart gebruikt. God heeft hem kracht genoeg gegeven om de zaligheid te begeeren, maar die begeerten gaan altijd vergezeld van diepe, oprechte smart over de zonde. Het punt, dat hij bereikt heeft, heeft al zijne kracht uitgeput, en alles, waartoe hij in staat is, is neder te vallen aan\' Jezus voeten, en te zeggen ; „Ach, ik heb geene andere kracht dan neder te liggen aan uwe voeten.quot;

Hij is ook nog verre, als gij denkt aan zijn gebrek aan moed. Hij verlangt zijn\' vader te zien; maar het is meer dan waarschijnlijk, dat hij, als zijn vader komt, op de vlucht gaat. Het geluid van de voetstappen zijns vaders zou eene uitwerking op hem hebben, gelijk aan die op Adam in den hof — hij zou zich verbergen tusschen het geboomte; zoodat, in plaats, dat hij roept tot zijn\' vader, de groote Vader hem zal moeten toe roepen: — „Waar zijt gij, arme, gevallen mensch ? waarzijt gij ?quot; Zijn gebrek aan moed maakte dus den afstand groot, want bij eiken voetstap, dien hij deed, was het hem, alsof hij den dood te gemoet ging. „Ach zegt de zondaar, „het moet lang duren eer ik durf hopen; want mijne ongerechtigheden zijn over mijn hoofd heengegaan, zoodat ik niet naar Boven kan zien.quot; Bevindt gij u dan heden morgen in een\' toestand van vrees en ontzetting? Uwe gebeden schenenu toe geene gebeden te zijn. Als gij denkt aan God, dan wordt uwe ziel verschrikt, en gij gevoelt, dat gij verre, zeer verre van Hem zijt. Gy denkt, dat Hij u geroep niet zal hooren en op zijne woorden geen acht zal slaan Gij zijt nog zeer verre.

Gij zijt nog verre, als gij denkt aan het moeielijke van dm iceg der hekeeriug. John Bunyan zegt ons, dat hij het zeer moeielijk vond naar het prieel terug te keeren, nadat hij zijne rol had verloren. Ieder, die van Gods weg is afgedwaald, bevindt dit, en ieder boetvaardig zondaar weet, dat er eene bittere smart is in het treuren over de zonde, die te vergelijken is bij de smart over het verlies van een\' eenigen zoon. Iemand, die verdrinkt, gevoelt niet veel pijn; men zegt zelfs, daï de gewaarwordingen, die men heeft bij verdrinken, eerder aangenaam zijn dan niet. Het is alleen wanneer de drenkeling weer bijgebracht is, als het bloed in de aderen begint te ruischen, omdat het leven daar weer binnen stroomt; als de zenuwen weer gevoelig worden, dan, zegt men, is het gansche lichaam vol pijn en smart. Maar dit is dan slechts de smart van het leven. Evenzoo gevoelt de arme boetvaardige, dat het doeleinde ver weg moet zijn; want, zoo hij moet gevoelen, wat hij nu gevoelt, al was liet maar gedurende eene maand, dit een zeer

382

-ocr page 404-

DE ONTVANGST VAN DEN VERLOREN ZOON.

lange tijd zou wezen ; en indien hij vele mijlen zou moeten reizen, zooals hij nu reist,— zoo pijnlijk, met zulke bloedende voeten, — het inderdaad een zeer lange weg zou zijn, dien hij zou hebben af te leggen.

Laat ons deze zaak van nabij beschouwen, en wij zullen zien, dat, terwijl de weg om die reden lang schijnt, hij ook inderdaad lang is, zoo wij hem bezien van uit een zeker standpunt. Er zijn vele zoekende zondaars, die nog zeer ver schijnen te zijn in hun leven. Mij dunkt, ik zie den mensch thans, en hoor hem aldus klagen: „Ik heb mijne dronkenschap nagelaten. Ik zou nu niet kunnen zijn, waar ik vroeger uren lang geweest ben. Ik dank God, dat men mij thans nooit meer door de straten zal zien waggelen, want dien lagen lust verafschuw ik thans. Ik maak mij niet meer schuldig aan Sabbatschenden, en ik word in Gods huis gevonden. Ik heb ook mijn best gedaan om de gewoonte van vloeken af te leggen; maar toch ben ik nog verre. Ik kan Christus nog niet aangrijpen, want ik kan mijne hartstochten nog niet bedwingen. Een mijner vorige metgezellen hield mij onlangs eens staande, en hij had niet lang met mij gesproken, of ik gevoelde den ouden mensch en de oude lusten weer in mij opkomen. Ik heb mij ook weer op vloeken betrapt. Ik dacht die zonde overwonnen te hebben, maar het is zoo niet — ik ben nog verre, zeer verre. Als ik lees van hetgeen de heiligen zijn; als ik zie, wat ware Christenen zijn, dan gevoel ik, dat mijn leven zoo weinig gelijkt op wat het zijn moest, dat ik nog zeer verre ben.quot; Ach, mijn vriend, dat zijt gij ook; en indien gij tot God moest komen langs den weg uwer eigene gerechtigheid, dan zoudt gü nooit tot Hem komen, want aldus kan Hij niet worden gevonden. Christus Jezus is de weg. Hij is de veilige, zekere en volmaakte weg tot God. quot;Wie Jezus ziet, heeft den Vader gezien; maar wie op zich zeiven ziet, ziet slechts wanhoop. De weg naar den hemel over den berg Sinaï is voor den sterfelijken mensch onbegaanbaar; maar Golgotha voert naar de heerlijkheid; het „verborgene der steile plaatsquot; is in Jezus\' wonden.

En wederom; gij gevoelt u nog zeer verre met betrekking tot kennis. „Ach!quot; zegt gij, „vóór ik dit alles gevoelde, achtte ik mij volleerd in alle theologie. Alle leerstellingen kende ik van buiten. Als ik eene leerrede hoorde, dan was ik heel goed in staat haar te critiseeren, en er mijn oordeel over te zeggen. Nu zie ik, dat mijn oordeel ongeveer dezelfde waarde had als de kritiek van een\' blinde op eene schilderij, want ik miste het geestelijke gezicht. Nu gevoel ik een dwaas te zijn. Ik weet wel wat zonde beteekent, doch nog slechts tot op eene zekere hoogte. Zelfs hierin gevoel ik mij niet gansch en al bewust te zijn van het snoode der schuld in den mensch. Ik heb de leerstelling gehoord van de verzoening van Christus, en ik dank

383

-ocr page 405-

de ontvangst van des veeloken zoon.

God, dat ik haar ook wel eenigermate ken, maar ik moet tevens erkennen, dat ik de voortreffelijkheid en heerlijkheid van het plaatsbekleedend offer van Christus niet ten volle begrijp.quot; De zondaar belijdt, dat hij, in plaats van de Schriften te ver staan, nog noodig heeft als een kind naar school te gaan, om er het A. B. C. van te leeren. „O!quot; zegt hij, „ik ben nog zeer verre van God, want ik ben zóó onwetend, zóó dwaas, ik schijn slechts [als „een onvernuftig beestquot; te zijn, wanneer ik aan de diepe dingen Gods denk.quot; Ach, mijn jonge, dwalende broeder, het verwondert mij niet, dat u dit zoo toeschijnt, v/ant de onwetendheid van den vleeschelijken mensch is inderdaad ontzettend, en God alleen kan u licht geven. Doch Hij kan het u in één oogenblik geven, en de afstand tusschen u en Hem met betrekking tot uwe onwetendheid kan terstond overbugd worden, en gij kunt heden nog met alle heiligen begijpen wat de hoogten en diepten zijn, en de liefde van Christus bekennen, die de kennis te boven gaat.

Ook nog ten opzichte van eene andere zaak is menig ernstig zoekende nog zeer ver, ik bedoel in zijn berouw. „Helaas!quot; zegt hij, „ik gevoel het berouw niet zooals ik het moest gevoelen. Indien ik slechts zoo verbroken van hart ware, als anderen, van wie ik gehoord heb ! O wat zou ik niet geven, zoo ik kon zuchten! iioe dankbaar zou ik zijn, zoo mijn hoofd water ware, en mijn oog eene springader van tranen! indien ik slechts den ootmoed kon gevoelen van den armen tollenaar en met nedergeslagen oogen kon staan, slaande op mijne borst, en zeggende: „O God! wees mij, zondaar, genadig.quot; Maar helaas! ik ben jaren lang een hoorder des Woords geweest, en mijn wasdom in genade is zóó gering, dat ik, wetende, dat het Evangelie waar is, het toch niet gevoel. Ik ken mij zeiven als zondaar, en soms treur ik er over; maar mijn treuren is zóó oppervlakkig, dat mijn berouw een berouw is, waar ik berouw over moet hebben. O indien God slechts zijn\' zwaarsten hamer wilde gebruiken om mijn hart te verbreken, dan zou ieder gebroken deeltje er van zijn\' naam loven en danken. Ik wenschte, dat ik echt, wezenlijk berouw had. O hoe smacht ik er naar te gevoelen, dat ik verloren ben, en dat vurige verlangen naar Christus te hebben, dat zich niet laat afwijzen; maar mijn hart schijnt op dit punt zoo hard als in de hel gehard staal, zoo koud als eene rots van ijs. Het wil, het kan zich niet gewonnen geven, zelfs niet als de liefde Gods het er toe uitlokt. De hardste steen zou eerder smelten en in stroomen wegvloeien, dan dat mijne ziel door iets, wat het ook z;j, bewogen wordt. Heere, verbreek het! o Heere verbreek het!quot; Arme mensch! ik zie inderdaad, dat gij heden nog zeer verre zijt; maar weet gij, dat, zoo mijn Heere u heden morgen zou verschijnen, en tot u zou zeggen: „Ik heb u lief gehad met

884

-ocr page 406-

DE OKTVANGST VAN DEN VERLOKEN ZOON.

eene eeuwige liefde,quot; uw hart in een oogwenk verbroken zou zijn? Hoe ver gij ook nog zij1quot;,, zoo de Heere u vergiffenis schenkt, terwijl gij nog zoo verhard zijt, ja met bewustheid verhard zijt, wilt gij dan niet nedervallen aan zijne voeten, en u aanbevelen aan die groote liefde, waarmede Hij u liefgehad heeft, zelfs toen gij nog dood waart door de misdaden en de zonden ?

Maar nu hoor ik iemand zeggen: „Er is nog een ander punt ten opzichte waarvan ik mij zoo verre gevoel, want ik heb weinig of geen gdoof. Ik heb eiken sabbat het geloof hooren prediken; ik weet wat het is; ik geloof, dat ik het weet; maar ik kan het niet bereiken. Ik weet, dat ik, zoo ik mij zelveu geheel en al op Christus werp, behouden zal worden. Ik versta het ten volle, dat Hij niets van mij vraagt, geen willen, geen doen, geen gevoelen. Ik weet, dat Christus bereid is den grootsten zondaar aan te nemen, die nog buiten de hel is, indien deze zondaar slechts tot Hem wil komen en eenvoudig op Hem wil betrouwen. Ik heb dit trachten te doen; soms dacht ik geloof te hebben, maar als ik dan wederom zag op mijne zonden, dan was ik weer zoo vol van schrikkelijken twijfel, dat ik bemerk, dat ik in het geheel geen geloof heb. Ik heb wel eens zonnige oogenblikken, wanneer ik denk te kunnen zeggen: „Mijn geloof is op niets minder gebouwd, dan op Jezus\' bloed en gerechtigheidquot;, maar ach! als ik mijn bederf dan weer in mij voel opkomen, dan hoor ik eene stem, die mij toeroept: „De Filistijnen over u, Simsonquot;! en terstond ontdek ik dan mijne zwakheid. Ik heb het geloof niet, dat ik verlang te bezitten; ik ben er nog verre van, en ik vrees, dat ik het nooit zal verkrijgen.quot; Ja, mijne broeders, ik kan inkomen in uwe moeielijkheid, want ik heb zelf er de smart van gevoeld; maar ach! mijn Heere, die de gever is van geloof, die verhoogd is om te geven bekeering en vergeving van zonden, kan u ook het geloof geven, dat gij zoo zeer begeert, en kan u heden morgen met volkomen vertrouwen doen rusten in het werk, dat Hij ook voor u volbracht heeft.

Om nu alles saam te vatten in één woord: de waarlijk boetvaardige zondaar gevoelt, dat hij ten opzichte van alles nog zeer ver is. Er is geen enkel punt, waarover gij met hem spreekt, dat hem niet tot eene bekentenis van zijne tekortkoming zal brengen. Begin met hem in de weegschaal des hei-ligdoms te wegen, en hij roept: „Helaas! eer gij nog het gewicht in de schaal legt, weet ik reeds, dat ik te licht zal worden bevonden.quot; Breng hem naar den toetssteen, en hij zal er voor terugdeinzen, uitroepende: „Ik kan deze proef niet doorstaan, want ik ben „gansch onheilig en onrein; ik ben niets dan zonde.quot; Zie, hoe uitnemend mijn Meester in deze gelijkenis uwen toestand heeft geschetst— ,,Nog verrequot;; nog bedekt met

385

25

-ocr page 407-

de ontvangst van den verloren zoon.

lompen, nog gansch bezoedeld, nog onteerd, nog een vreemdeling voor het huis uws Vaders, hebt gij eene begeerte naar God, en gij zoudt gaarne het eeuwige leven aangrijpen. Maar gij gevoelt u nog te ver af om troostrijke hoop te kunnen koesteren. Ik moet bekennen, dat ik grootelijks bezorgd ben over u, als gij u in zoodanigen toestand bevind. Ik vrees, dat gÜ, zoo ver gekomen zynde, toch terug zult gaan; want er zijn velen, die wij dachten, dat reeds zoover gekomen waren, en die werkelijk toch teruggekeerd zijn. O denk er toch aan, dat begeerten naar God niet zulk eene verandering bij u teweeg zullen brengen, dat gij er door verlost en behouden zult worden. Gij moet Christus vinden. Gedenk, dat het niet genoeg is te zeggen; „Ik zal opstaan,quot; ja zelfs, dat ook het opstaan niet genoeg is. Gij moet niet rusten, vóórdat uw Vader u den kus gegeven heeft, voor Hij u het beste kleed heeft aangetrokken. Ik vrees, dat gij nu al tevreden zult zijn en zeggen: „Mijn staat is goed : de leeraar zegt, dat velen in zulk een\' toestand komen, eer zij verlost worden. Ik zal het hier nu maar by laten.quot; Waarde vriend, het is een goede staat om door te maken, maar het is een slechte staat om in te blijven. Ik bid u, wees toch niet te vreden met de bewu-theid van zonde, wees niet te vreden met bloot te weten, dat gij niet zijt, wat gij behoort te wezen. De bloote wetenschap dat iemand de koorts heeft, zal er hem niet van genezen. In sommige opzichten is die wetenschap voor hem een goed teeken, want het is een bewijs, dat de koorts hem nog niet ijlhoofdig heeft gemaakt, maar het zal nooit iemand voïkomen gezond maken te weten dat hij ziek is. Het is goed, dat hij het weet, want anders zal hjj niet om den doctor zenden, maar, tenzij dat het hem hiertoe leidt, zal hij sterven, of hij zich ziek gevoelt of niet. De bloote bewustheid, dat gij honger hebt, terwijl de huurlingen uws vaders overvloed van brood hebben, zal uwen honger niet tot bedaren brengen; gij hebt meer noodig dan dit. Gij zijt nog verre, en ik smeek u, denk er aan, dat het gevaar hierin gelegen is, dat gij diiar blijft, en de bewustheid, die gij nu hebt, weder zult verliezen. Gij kunt door wanhoop worden aangegrepen. Sommigen hebben onder het gevoel van den grooten afstand, waarop zij van God waren, zelfmoord gepleegd, omdat zij niet op den Zaligmaker durfden zien. Wij zullen God bidden, dat het tweede gedeelte van onzen tekst aan u bewaarheid moge worden, en dat beide afkeering en wanhoop voorkomen mogen worden, door de spoedige komst van God, bekleed met de kleederen der genade om uwe schuldige ziel te ontmoeten, en u blijdschap én vrede te schenken door het geloof.

II. Moge de Meester ons zijne hulp verleenen, terwijl wij nu in de tweede plaats de weergalooze vriendelijkheid van

386

-ocr page 408-

de ontvangst van den verloren zoon.

den hemelschen Vadee zullen beschouwen. Wij zullen bij ieder woord stilstaan.

Wy hebben hier dan ten eerste de goddelijke opmerking. „Als hij nog ver van hem was, zag hem zijn vader.quot; Het is waar, hij heeft hem altijd gezien God ziet den zondaar in elkeh toestand en iedere positie. Ja, en Hij ziet hem met het oog der liefde — zulk een verkoren zondaar, als die hier beschreven wordt — nog wel niet met welbehagen, maar toch met liefde. God ziet zijne dwalende uitverkorenen. Ik zeg: die vader zag zijn\' zoon, toen hij zijn goed met hoeren doorbracht. Hij zag hem met diepe smart, toen hij begeerde zijn\' buik te vullen met den draf, dien de zwijnen aten; maar nu ziet de vader hem met een oog van nog teederder liefde en grooter zorg. „Zijn vader zag hem.quot; O welk een gezicht was dat voor een\' vader! Het is zijn zoon, voorzeker! maar het is zi.\'n verworpen zoon, die zijns vaders naam had onteerd; die den naam van een achtenswaardig geslacht heeft doen noemen tegelijk met het schuim en uitvaagsel der maatschappij. Daar is hij! Welk een gezicht voor het oog eens vaders! Hij is vuil en bezoedeld, alsof hij zich in het slijk had rondgewenteld. Zijne fraaie kleederen hebben reeds lang hunne schoone kleuren verloren, en hangen hem in lompen om het lijf. De vader wendt zich echter niet van hem af. Hij tracht niet hem te vergeten, hü vestigt zijn oog op hem en ziet hem lang aan. Zondaar, gij weet, das God u heden morgen ziet; terwijl gij hier nederzit in zijn huis, wordt gij door den God des hemels opgemerkt. Er is geene begeerte in uw hart, die Hij niet gelezen heeft; geene traan in uw oog, die Hij niet heeft opgemerkt. Ik zeg u, dat Hij uwe middernachtelijke zonden gezien heeft; dat Hü uw vloeken, en uwe Godslasteringen heeft gehoord, en toch heeft Hij u, in weerwil van alles wat gij gedaan hebt, liefgehad. Gij zoudt nauwelijks nog méér tegen Hem hebben kunnen rebelleeren; en toch heeft Hij uwen naam opgeschreven in het boek des levens, en heeft Hij besloten u te verlossen; en het oog zijner liefde is u gevolgd, overal waar gij heen zijt gegaan. Is hier geen troost in? Waarom hoeft hij zijn\' vader niet kunnen zien? Hebben de tranen in zijne oogen het hem helet? Of was het omdat zijn vader een scherper gezicht had dan hü ? Zondaar, gü kunt God niet zien, want gij zijt onge-loovig, en vleeschelijk, en blind; maar Hij kan u zien. Uwe tranen des berouws benevelen u het gezicht; maar uw Vader heeft een helder, scherp oog; en Hij ziet u thans, en heeft u lief, en in ieder zijner blikken is liefde. „Zijn vader zag hem.quot;

Merk wel op, dat dit een liefdevol zien was, want er is geschreven: „Zijn vader zag hem.quot; Hij zag hem niet, zooals ieder ander hem had kunnen zien; hij bemerkte hem niet, zoo als iemand het kind zijns vriends bemerkt, met eenig mede-

387

-ocr page 409-

DE ONTVANGST VAN DEN VERLOREN ZOON.

lijden en welwillendheid, neen! hy zag hem, zooals alleen een vader hem zien kan. Welk een scherpe blik, is de blik van een\' vader of van eene moeder! Ik heb een\'jongeling gekend, die voor eene korte vacantie te huis kwam. De moeder heeft niets gehoord ten nadeele van het gedrag haars zoons, niets, en toch zegt zij tot haren echtgenoot: „Er is iets in onzen zoon, dat mij doet vermoeden, dat hij zich niet gedraagt, zooals hij moest. Ik weet niet, wat het is, maar ik ben er zeker van, dat hij in slecht gezelschap is geraakt.quot; Zij leest terstond zijn karakter. En ook de vader kan niet anders dan iets vreemds bespeuren; hij zou niet met juistheid kunnen zeggen wat, maar hij gevoelt, dat het iets is om bezorgd over te zijn. Maar hier hebben wij een\' vader, die alles zien kan, en die evenveel scherpzinnigheid der liefde heeft, als zekerheid van kennis en wetenschap. Daarom kan Hij elke vlek, alle striemen en etterbuilen bemerken. Hij doorziet zijn\' zoon, alsof hij kristal ware. Hij leest in zijn hart; niet slechts in zijne van zooveel ellende sprekende lompen; niet slechts in het treurig sprekende van het ongewasschen gelaat en de armoedige schoenen, neen, hij kan ook in zijne ziel lezen; hij begrijpt alles van den ellendi-gen toestand, waarin hij zich bevindt. O, arme zondaar, gij behoeft God niet in te lichten, want Hij weet reeds a\'les. Gij behoeft niet naar woorden te zoeken in uw gebed ten einde uwe zaak helder en duidelijk te maken, want God kan haar zien, en alles wat gij te doen hebt, is uwe wonden te ontdekken, uwe striemen en uwe etterbuilen, en te zeggen: „Mijn Vader, Gij ziet het alles. Gij leest in één oogenblik geheel het duistere verhaal van mijn leven, mijn Vader, ontferm U over mij.quot;

De volgende gedachte, waarbij wij stil moeten staan, is het goddelijk mededoogen. Als hij hem zag werd hij „met innerlijke ontferming bewogen.quot; Ontferming, medelijden, beteekent dit niet, dat hij met hem leed? Wat is ontferming, of medelijden anders dan u in de plaats van den lijder te stellen en zijne smart te gevoelen ? De vader heeft, als ik dit eens zoo zeggen mag, zich in de lompen zijns zoons gestoken, en toen gevoelde hij even sterk medelijden met hem, als die arme verloren zoon met zich zeiven kon gevoelen. Ik weet niet, hoe ik heden uw medelijden zal opwekken, behalve door eens te onderstellen, dat dit uw eigen geval is. Ik wil eens veronderstellen, vader, dat dit een uwer zonen is. Het is nog niet vele uren geleden, dat ik een jongeling zag, die mij aan den verloren zoon desd denken. Op zijn gelaat waren tallooze teekenen van zonde en ellende; zijn lichaam was vermagerd en verzwakt, geheel zijn voorkomen droeg het kenmerk van diepe ellende. Hij klopte aan mijne deur. Ik wist wat er met hem gebeurd was; ik kan hem geen nadeel doen door het mede te deelen. Hij had zijne

388

-ocr page 410-

de ontvangst van den vebloeen zoon. 889

familie schande aangedaan, niet een of twee maal, maar herhaaldelijk. Eindelijk nam hij al het geld, dat hij in eene goede zaak van eene achtenswaardige firma had gestoken, terug, kwam naar Londtn met vierhonderd pond sterling, en bracht ze in vijf weken tijds geheel door. Thans bezit hij geen penning, en heeft menigmaal broodsge\'brek, en ik vrees, dat hij dikwijls des nachts in een der parken sliep, waardoor hij zich pijnen op den hals heeft gehaald, die hem wel tot aan zijn\' dood toe zullen kwellen. Over dag loopt hij als een vagebond door de straten. Ik heb aan zijne familie geschreven, maar zij willen hem niet meer erkennen, en zijn schandelijk gedrag in aanmerking genomen, verwondert mij dit niet. Hij heeft geene ouders meer. Voor zooveel wij kunnen oordeelen, zou elke hulp, die verder reikt dan hem voedsel en een dak te verschaffen, niet anders zijn dan het geld weg te helpen. Indien men hem aan meer hielp, hij zouden zelfden weg er mede opgaan als vroeger. Toch zou ik bij nadere overweging gaarne zien, dat er nog eens eene proef met hem werd genomen, en dit zou voorzeker ook geschieden, indien zijn vader nog leefde; maar anderen gevoelen de bron der liefde in zich uitgedroogd. Als ik aan hem denk, dan kan ik niet anders dan gevoelen, dat, zoo ik zijn vader ware, en ik hem in zulk een\' toestand aan mijne deur zag komen, ik hem — aan welke misdaad hij zich ook schuldig zou hebben gemaakt — om zijn\' hals zou moeten vallen en kussen. De grootste zonde zou de vonken der vaderlijke liefde in mijn hart niet kunnen uitblusschen. Zijne zonde zou ik in de scherpste en strengste termen kunnen veroordeelen; ik zou het kunnen betreuren, dat iiij ooit geboren werd, en met David kunnen uitroepen: „Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och dat ik, ik voor u gestorven ware!quot; maar ik zou hem niet buiten mijn huis kunnen sluiten, noch weigeren hem mijn kind te noemen. Mijn kind is hij, en mijn kind blijft hij, tot dat hij sterft. Gij gevoelt thans, dat gij hetzelfde zoudt doen, zoo hij uw kind ware. Dat is het wat God gevoelt ten opzichte van u, zijn uitverkoren, zijn berouwvol en boetvaardig kind. Gij zijt zijn kind; dat hoop ik, dat vertrouw ik. Deze begeerten naar Hem, die gij in uwe ziel bespeurt, geven mij de overtuiging, dat gij zijn kind zijt, en God, nederziende van den hemel, weet wat gij bedoelt? Wat is het? Wat zal ik zeggen? Neen, ik behoef het niet te beschrijven, maar „Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt zich de Heere over degenen, die hem vreezen.quot; Hij zal zich uwer ontfermen, en u thans aan zijn hart ontvangen. Heb goeden moed, want de tekst zegt: „Hij werd met innerlijke ontferming bewogen.quot;

Let nu ook zorgvuldig op het snelle dezer goddelijke liefde. „Toeloopende.quot; Waarschijnlijk was hij op het dak van zijn

-ocr page 411-

d2 ontvangst van den veeloeen zoon.

huis geweest om uit te zien naar zijn\' zoon, toen hü op eens in de verte iemand zag, die een ongelukkig, erbarmelijk voorkomen had. Indien hij zün vader niet ware geweest, hü zou gewis zijn zoon niet herkend hebben, zóó veranderd was deze. Maar hij zag en tuurde, totdat hij eindelijk zeide; „Hij is het! O wat teekenen van den hongersnood vertoont zijn gelaat, en wat teekenen van lijden!quot; Èn hij ijlt naar beneden — my dunkt ik zie hem, daar hij de trappen afsnelt, en de dienstboden naar vensters en deuren gaan, zeggende: „Waar gaat Mijnheer henen? Het is lang geleden sedert ik hem zoo hard zag loopen.quot; Zie, daar gaat hij! Hij gaat den weg niet op, want dat is wat om; maar er is eene opening in de heg, daar gaat hij door. Hij neemt den kortsten weg om tot zijn\' zoon te komen; en eer die zoon nog tijd heeft om te zien wie het is, is zijn vader bij hem, heeft hü de armen om zyn\' hals en kust hü hem. Ik herinner mü een\' jongen man, een verloren zoon, die op dezelfde wijze werd ontvangen. Hier staat hü, ik ben het. Ik zat neder in een klein kerkje, weinig wetende, dat mijn Vader mij zag, zeer stellig was ik nog ver van Hem. Ik gevoelde iets van mijne behoefte aan Christus; maar ik wist niet wat ik doen moest om zalig te worden; ofschoon ik de letter des Woords wel kende. Ik was echter geestelijk onbekend met het plan der verlossing; schoon ik er van der jeugd af aan in onderwezen was, kende ik het toch niet. Ik gevoelde, maar ik gevoelde niet, wat ik wenschte te gevoelen. Indien er ooit iemand was, die zich ver van God gevoelde, dan was ik het. En toch! niet zoodra had ik de woorden gehoord: „Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gü einden der aardequot;, en niet zoodra waren mijne oogen op den gekruisigden Jezus gericht, of ik gevoelde mij volkomen verzoend met God; en wist ik, dat müne zonden waren vergeven. Er was geen tü\'d om van mijn\' hemelschen Vader weg te gaan. Het was geschied, geschied in een oogenblik. In mijn geval ten minste was het volkomen waar, Hij liep toe, viel mü om den hals en kuste mij. Ik hoop, dat het ook heden morgen aldus geschieden zal, eer gij dit kerkgebouw verlaat, eer gij weder terug gaat naar uwe twijfelingen en vrees, naar uw zuchten en weenen, hoop ik, dat de Heer der liefde zal toeloopen om u te ontmoeten.

En vergeet nu ook nog de nabijheid niet, ik bedoel de nabü-heid der innige liefde: „Hij viel hem om zün\' hals en kuste hem.quot; Dit kan ik verstaan door eigen ervaring; maar het is mij te groot en te wonderbaar, om het te kunnen verklaren, „hij viel om zijn\' hals.quot; Indien hij zich op een\' afstand had gehouden en gezegd had: „Ik zou u wel gaarne kussen, maar gü zijt te onrein. Ik weet niet, wat er onder deze vuile lompen schuilen kan. Ik ben nog niet geneigd u thans reeds om den hals te vallen, daarvoor zijt gij te diep gezonken. Ik bemin u,

390

-ocr page 412-

DE ONTVAKGST VAN DEN VERLOREN ZOON.

maar er zijn grenzen aan de openbaring mijner liefde. Als ik u eerst weer toonbaar gemaakt heb, dan kan ik u wel weder mijne genegenheid betoonen, maar nu nog niet, niet terwijl gü nog zoo onrein z;jt.quot; O neen! eer hij nog gewasschen en gereinigd is, valt hij hem reeds om zijn\' hals — dat is er het verwonderlijke van. Ik kan begrijpen, dat God zijne liefde openbaart aan eer.e ziel, die gewasschen is in Jezus\' bloed, maar hoe kan Hij een\' vuilen, onreinen zondaar als zoodanig om den hals vallen! Maar zoo is het — niet als geheiligden, niet als iets goeds hebbende in zich zei ven, maar als niets dan een\' onreine, wanhopende rebel zijnde, valt God hem om zijn\' hals en kust hem. O onbegrtipelijk wonder der liefde! Het raadsel is opgelost, wanneer gij u herinnert, dat God op dien zondaar nooit gezien heeft, zooals hij is in zich zeiven, maar altijd zooals hij is in Christus. En toen hij dien verloren zoon om zijn\' hals viel, is Hij in werkelijkheid slechts zyn\' voormaals lijdenden Zoon, Jezus Christus, om den hals gevallen; en Hg kuste den zondaar, omdat Hij Christus in hem zag, en dus niet het walglijke van den zondaar, maar alleen het schoone en liefelijke van Christus bemerkte, en daarom kuste Hij hem, zoo als Hjj zijn\' Plaatsbekleeder zou gekust hebben. Merk op, hoe God tot den zondaar nadert, hem nabij komt. Men verhaalt van dien uitnemenden heilige en martelaar. Bisschop Hooper, dat iemand, die zich in groote zielsbenauwdheid bevond, verlof had gekregen om tot hem te gaan in zijne gevangenis, om hem zijne gemoedsbezwaren mede te deelen. Maar Bisschop Hooper zag hem zóó streng aan, en richtte in den beginne zulke harde woorden tot hem, dat de arme man wegliep, en geen troost kon erlangen, voordat hij een\' anderen leeraar met een zachtmoediger voorkomen had gevonden. Nu was Hooper in werkelijkheid een vriendelijk, liefderyk man; maar zyn ernstig, streng uiterlijk had den armen boetvaardige afgeschrikt. Die strengheid van manieren wordt in onzen he-melschen Vader niet gevonden. Hij bemint het, zijne verloren zonen te ontvangen. Als Hij komt, dan is er geen: „Blijf op een\' afstandquot; dat den zondaar wordt toegeroepen. Neen, Hij valt om zijn\' hals en kust hem.

Er is nog eene andere gedachte, die door dat beeld wordt opgewekt; en wy zullen het niet voorbijgaan, zonder onzen beker in dien honing te doopen. Zijn\' zoon kussende, erkent de vader hiermede zijne betrekking tot hem. Met nadruk zeide hij tot hem: Gij zijt mijn zoon.quot; En wederom: die kus was het zegel van vergeving. Hy zou hem niet gekust hebben, zoo hy toornig op hem was; hij vergaf hem, ja hij vergaf hem alles. Er was daarenboven nog iets meer dan vergeving, er was aanneming — „Ik ontvang u wederom in myn hart, alsof gij alles waardig waart, wat ik aan uwen oudsten broeder heb gegeven,

391

-ocr page 413-

^92 DE ONTVANGST VAN DEN VERLOKEN ZOON.

en daarom kus ik u.quot; Die kus was voorzeker ook een kus des welbehagens; het was eene verlustiging voor zijne oogen hem te zien; hij gevoelde zich gelukkiger hem te zien, dan al zijne akkers, zijne gemeste kalveren, en alle de schatten, die hij bezat te aanschouwen. Zijne vermaking was in het zien van dit arme, verloren, doch wedergevonden kind. Gewis! dit alles ligt opgesloten in, en wordt uitgedrukt door een\' kus. En indien mijn Vader en uw Vader heden morgen treurende boetvaardi-gen mocht ontmoeten, dan zal Hij u in een oogenblik toonen, dat gij zijne kinderen zijt, en gij zult reeds op weg naar uwe woning „Abba, Vaderquot;! tot Hem zeggen Gij zult gevoelen, dat uwe zonde vergeven is, dat i der greintje er van achter Jehovah\'s rug is geworpen. Gij zult heden gevoelen, dat gij zijt aangenomen — terwijl uw geloof op Christus ziet, zult gü zien, dat God u aanneemt, omdat Christus, uw Plaatsbekleeder, Gods liefde en Gods welbehagen waardig is. Ja, ik mag ge-loovon, dat gij u nog heden morgen zult verlustigen in God, omdat God zich verlustigt in u, en gij zult hooreii, dat Hij u toefluistert: „Gijjzult genoemd warden: Mijn lust is aan haar . . . want de Heere heeft een\' lust aan u.quot; (1) Ik wenschte, dat ik u een\' tekst als deze kon voorstellen, zooals hij voorgesteld moet worden. Daar hoort iemand toe met een feeder, medegevoelend hart, om al het teedere van zulk een vers te doen uitkomen. Maar ach! ofschoon ik het u niet vermag te beschrijven, zoo hoop ik, dat gij het zult gevoelen, en dat is beter dan beschrijven. Ik kom niet hier om u dit tooneel af te schilderen, of het moest wezen, dat ik het penseel ben in Gods hand om het in uw hart af te malen. Er zijn sommigen van u, die zeggen kunnen: „Ik heb niet noodig, dat mij dit beschreven wordt, wantik heb het ervaren. Ik ben tot Christus gegaan en heb Hem mijn\' toestand blootgelegd, en Hem gesmeekt mij te ontmoeten; en nu geloof ik in Hem, en ik ga mijns weegs mij in Hem verblijdei de.quot;

Nog enkele woorden ten besluite. Alles te zamen vattende kunnen wij opmerken, dat deze zondaar, ofschoon hij nog ver was van zijn\' vader, niet langzaam en trapsgewijze de volle vergeving en aanneming heeft verkregen, maar terstond en ten volle. Zijn vader liet hem niet eerst in een buitengebouw gaan; hij liet hem des nachts niet in eene schuur slapen, om dan later nu en dan aan de tafel der dienstboden te mogen eten en drinken, en nog later aan het einde der tafel van zijn\' vader te zitten, om aldus trapsgewijze weer in de onmiddelijke nabijheid zijns vaders te komen. Neen, de vader viel hem terstond om zijn\' hals en kuste hem; hij komt reeds in het eerste oogenblik zoo nabij God als hij ooit wezen zal. Zoo kan eene ver-

(1) Jesaja G2; 4.

-ocr page 414-

de ontvangst van den verloren zoon.

loste ziel in den aanvang wellicht niet zoo veel genieten en niet zooveel weten; maar hij is in liet eerste oogenblik, dat hij gelooft, Gode even na en even dierbaar als hij ooit wezen zal, een ware erfgenaam aller dingen in Christus, en nu reeds even wezenlijk, als wanneer hij verheerlijkt in den hemel en zijn\' Heere gelijk zal wezen. O welk een wonder! Hij komt regelrecht van de zwijnen, hun geknor is nog in zijne ooren; en nu^ hoort hij reeds de liefdevolle woorden zijns vaders. Nog weinige dagen geleden bracht hij den zwijnendraf aan zijnen mond, en nu worden zijns vaders lippen op zijne lippen gedrukt. Welk cene verandering! en dat wel plotseling. Ik zeg, dat hier geen langzaam proces in werking wordt gebracht, maar dat de zaak terstond geschiedt. In een oogenblik komt hij tot zijn\' vader, zijn vader komt tot hem, en hij bevindt zich in zijns vaders armen.

En wederom, die ontvangst was ook evenmin slechts gedeeltelijk. Hij was niet voorwaardelijk begenadigd; hij werd niet aan zijns vaders hart ontvangen, indien hij zoo of zoo wilde doen. Neen, er waren geene „indiensquot; en geene „maarsquot;. Hij werd gekust, en gekleed, en onthaald, zonder eenige voorwaarde, hoe ook genaamd. Er wordt hem niets gevraagd — zijn vader heeft al zijne overtredingen als in een oogwenk achter zijn\' rug geworpen, en hij werd zonder zelfs eene berisping of bestraffing terstond ontvangen. Het was niet eene ontvangst ten deele. Hij was niet ontvangen voor sommige dingen en afgewezen voor anderen. Het was hem, bijvoorbeeld, niet vergund zich wel een kind te noemen, maar zich toch een\' mindere, een ondergeschikte of huurling te blijven vinden. Neen, hij draagt het beste kleed; hij heeft den ring aan zijn\'vinger; hij heeft de schoenen aan zijne voeten; en hij zit mede aan om van het gemeste kalf te eten. En evenzoo wordt ook de zondaar niet voor eene tweede klasse plaats ontvangen, neen, hij komt terstond in de volle positie van een kind Gods. Het is noch eene gradueele noch eene partieele ontvangst.

En nog eens: het is ook (jc.eiia tijdelijke ontvangst. Zijn vader heeft hem niet gekust en toen de achterdeur weer uit laten gaan. Hij heeft hem niet maar voor een\' tijd ontvangen, om dan later tot hem te zeggen: „Ga uws weegs, ik heb medelijden met li gehad on u geholpen. Ga nu weer in het verre land en gedraag er u beter,quot; Neen, de vader zeide tot hem, wat hij reeds tot den oudsten broeder gezegd heeft: „Kind, gij zijt altijd bij mij, en al het mijne is het uwe.quot; In de gelijkenis kon hij het verlorene goed niet terug ontvangen, want liij had zijn deel doorgebracht, maar in de waarheid zelve, die er door voorgesteld wordt, maakt God den mensch, die ter elfder ure komt, gelrk aan hem, die in de eerste ure van den dag gekomen was. Hij geeft aan een iegelijk zijn\'penning; en hij geeft

393

-ocr page 415-

DE ONTVANGST VAN DEN VERLOREN ZOON.

894

aan het kind, dat het vaakst en het verst gedwaald heeft, dezelfde voorrechten, en ten laatste ook hetzelfde erfdeel, dat Hij geeft aan de zijnen, die vele jaren met Hem geweest zijn, en zijne geboden niet hebben overtreden. Er is eene merkwaardige zinsnede bij een der profeten, waar hij zegt: „Ekron als de Je-busietquot;, hetgeen beteekent, dat wanneer de Filistijn bekeerd zal wezen, hij als de oorspronkelijke inwoners van Jeruzalem behandeld zal worden; dat de takken van den olijfboom, die ingeënt zijn, dezelfde voorrechten hebben als de natuurlijke takken. Als God menschen neemt, die erfgenamen des toorns zyn en erfgenamen der genade van hen maakt, dan hebben zy reeds by den aanvang evenveel voorrechten, alsof zij reeds twintig jaren lang erfgenamen der genade geweest waren, omdat zij in Gods oog altijd erfgenamen der genade geweest zijn, en Hij van alle eeuwigheid ook zijne meest afdwalende kinderen gezien heeft. O ik bid God, dat Hy in zyne oneindige genade heden nog sommigen van zyne geliefde kinderen tehuis zal brengen, zoo zal Hij tot in alle eeuwigheid den lof er voor ontvangen. Amen.

-ocr page 416-

DE VERLOREN ZOON.

(GODS OVERVLOEDIGE LIEFDE VOORDEN TOï HEM WEDERKEERENDEN ZONDAAR.)

„En kuste hem.quot; Lucas XV: 20.

In de Herziene Vertaling (1) van het Nieuwe Testament vindt gij in de kantteekening deze lezing van den tekst; „En kuste hem veel.quot; Dit is eene zeer goede vertaling van het Grieksch, dat men ook zou kunnen overzetten in „Kuste hem vuriglijk,quot; of „kuste hem dikwijls.quot; Ik geel\' de voorkeur aan het gebruik van zeer eenvoudige woorden, en daarom zal ik de lezing van den tekst in de kantteekening der Herziene Vertaling;quot; „En kuste hem veel,quot; tot tekst nemen voor onze overdenking, waarvan het onderwerp zijn zal Gods overvloedige liefde voor den tot Hem wedekeerenden zondaar.

Het eerste woord „enquot; verbindt ons aan alles wat vooraf is gegaan. De gelijkenis is zeer bekend; maar z\\i is zoo vol van heilige beteekenis, dat wij er altijd weder nieuwe leeringen uit kunnen trekken. Laat ons dan verwijlen bij hetgeen aan die omhelzing vooraf is gegaan. Er was iets van de zyde des zoons, en van de zijde des vaders was er nog veel meer. Eer de verloren zoon deze kussen der liefde ontvangen heeft, had hü in het verre land gezegd: „Ik zal opstaan en tot mijn\' vader gaan.quot; Doch hij had meer gedaan dan dit, want anders zou hü den kus zijns vaders nooit ontvangen hebben. Het besluit was tot daad geworden. Hij stond op en ging tot zijn\' vader. Eene gansche scheepslading van besluiten of voornemens is van weinig waarde; een greintje praktijk is even veel waard als dat alles. Het besluit om naar huis terug te gaan is goed; maar het is wanneer de dwalende jongeling dat besluit werkelijk ten uitvoer begint te brengen, dat hij den zegen nabij komt. Indien iemand uwer, hier tegenwoordig, gedurende langen tyd gezegd hebt: „Ik zal mij bekeeren, ik zal

(1) De Engelsche.

-ocr page 417-

396 GODS OVERVLOEDIGE I.IEFEE VOOK DEN

mij tot God wenden,quot; zoo houd nu op met dit besluit te nemen, en kom nu eens tot de uitvoering; en moge God in zijne genade u beide tot bekeering en geloof in Christus brengen !

Eer die kus der liefde werd gegeven, was deze jonge man op weg naar zijn\' vader , maar hij zou hem niet bereikt hebben, zoo zijn vader hem niet het grootste gedeelte van den weg te gemoet was gekomen. Als gij aan God een duim geeft, zal Hij ii een el geven. Indien gij een klein eind weegs aflegt om tot Hem tc komen, dan zal Hij, als gij „nog verre van Hem zijtquot; toeloopen om u te ontmoeten. Ik weet niet, of de verloren zoon zijn\' vader gezien heeft, maar zijn vader zag hem. De oogen der genade zien scherper dan de oogen des beroirvs. Vergeleken met het oog van Gods liefde is zelfs het oog onzes geloofs nog duister. Hij ziet den zondaar lang voor dat de zondaar Hem ziet.

Ik denk niet, dat de verloren zoon met groote snelheid heeft gereisd. Ik zou veeleer denken, dat hij zeer langzaam ging-

Met neergeslagen oog en een bezwaard hart,

Met zeer vele zuchten en tranen der smart.

Hij was besloten te komen ; maar toch was hij nog half bevreesd. Maar van zijn\' vader lezen wij, dat hij toeliep. Langzaam is de gang des berouws; maar zeer snel zijn de voeten der vergeving. God kan toeloopen, waar wij nauwelijks kreupel kunnen voortstrompelen; maar als wij hinkend en strompelend tot Hem gaan, dan zal Hij snel op ons toeloopen. Die kus word hem in der haast gegeven. De geschiedenis wordt op zulk eeno wijze verhaald, dat het ons bijna is, alsof wij het aldus zien gebeuren voor onze oogen; er is zelfs tot inde bewoordingen, die gebruikt zijn, een gevoel van haast. Zijn vader „toeloopende, vii.-l hem om zijn\' hals, en kuste hem,quot; kuste hem met warmte. Hij heeft geen oogenblik gewacht, want schoon hij buiten adem was, was hij to?h niet buiten de liefde, hij, „viel hem om zijn\' hate en kuste hem veel.quot; Daar stond zijn zoon, gereed om zijne schuld te belijden, en daarom heeft zijn vader hem des te meer gekust. Hoe gewilliger gij zijt om uwe zonde te bekennen, hoe gewilliger God is u te vergeven. Hij zal de zonde uitdelgen, die gij gewillig en ootmoedig voor Hem hebt beleden. Wie gewillig was zijne lippen te gebruiken voor belijdenis van schuld, zal bevinden, dat zijn vader gewillig is zijne lippen te gebruiken om hem te kussen.

Zie het contrast. Daar is de zoon, die er nauwelijks aan durft denken zijn\' vader te omhelzen ; terwijl zijn vader hem nauwelijks gezien heeft, of hij valt hem reeds om den hals en kust hem. De nederbuigende goedheid Gods jegens boetvaardige zou-

-ocr page 418-

tot hevt wederkeerenden zondaar.

daren is zeer groot. Hij schijnt zich neder te bukken van zijn\' troon der heerlijkheid ten einde den boetvaardigen zondaar om den hals te vallen. God, den zondaar omhelzende! Welk een tooneel! Kunt gij het u voorstellen? Ik denk het niet; maar zoo gij het u kunt voorstellen, dan hoop ik, dat gij het ook voor u zeiven zult kunnen verwezenlijken. Als Gods arm om onzen hals is, en zijne lippen op onze wang, ons veel kussende, dan begrijpen wij meer van zijne nederbuigende liefde, dan predikers of boeken er ons ooit van kunnen verhalen.

De vader „zagquot; zijnquot; zoon. Er ligt in dat woord „zagquot; zeer veel opgesloten. Hij zag, wie het was; zag waar hij van daan kwam; zag het kleed des zwijnenhoeders; zag het vuil en slijk op zijne handen en voeten; zag zijne lompen ; zag zijnquot; boetvaardigen, berouw vollen blik; zag wat hij geweest is; zag wat hij toen was ; en zag wat hij weldra zijn zou. „Zijn vader zag hem.quot; God heeft eene manier van mannen en vrouwen te zien, die gij en ik niet kunnen begrijpen. Met een\' enkelen blik doorziet Hij ons, alsof wij van glas waren gemaakt. Hij ziet ons verleden, ons heden, onze toekomst.

„Als hij nog ver van hem was, zag hem zijn vader.quot; Het was niet met ijskoude oogen, dat de vader zijn\' tot hem wederkeerenden zoon aanblikte. Er was liefde in die oogen, en terwijl hij hem aanzag, werd hij „met innerlijke ontferming bewogenquot;; dat is: hij gevoelde voor hem. Er was in zijn hart geen toorn jegens zijn\' zoon, hij had niets dan medelijden voor den armen jongeling, die in zulk een\' ellendigen toestand was gekomen. Wel is waar, het was alles zijne eigene schuld; maar dit kwam zijn vader thans niet in de gedachte. Het was de toestand, waarin hij hem zag, zijne armoede, zijne verlaging, zijn bleek, uitgehongerd gelaat, dat zijn vader dooide ziel sneed. En God is met innerlijke ontferming bewogen over het wee en de ellende der menschen. Zij kunnen zich wel zeiven hunne benauwdheden op den hals gehaald hebben, en dat hebben zij ook werkelijk, maar toch ontfermt God zich over hen. „Het zijn de goedertierenheden des Heeren dat wij niet vernield zijn, dat zijne barmhartigheden geen einde hebben.quot;

Wij lezen, dat de vader „toeliep.quot; De ontferming Gods wordt gevolgd door snelle bewegingen. Hij is traag tot toorn; maar Hij is snel en ijverig om te zegenen. Hij behoeft er niet lang over na te denken, hoe Hij zijne liefde aan boetvaardige verloren zonen betoonen zal; dat is reeds lang geleden geschied in het eeuwige verbond. Hij behoeft zich zeiven niet voor te bereiden op hunne ontvangst, dat is alles geschied op Golgotha. In de grootheid van zijn mededoogen komt God sneliijk tot iedere boetvaardige ziel om haar te helpen. En als Hij komt, komt Hij om hen te kussen. ïrapp zegt, dat, zoo wij gelezen

397

-ocr page 419-

Gods overvloedige liefde voor den

hadden, dat de vader zijn\' zoon met voeten had getreden, wy daar niet zeer over verwonderd zouden geweest zyn. Mij zou dit echter zeer hebben verbaasd, wijl de vader in de gelijkenis God moest voorstellen. Evenwel, de zoon had de ruwe behandeling ten volle verdiend, waarop hy door sommige har-telooze menschen onthaald zou zijn geworden. En indien dat verhaal slechts een zelfzuchtig, aardsch vader had gegolden, dan zou er geschreven hebben kunnen zijn; „toen hü naderbij kwam, liep zijn vader op hem toe en vertrad hem onder zijne voeten.quot; Er zijn zulke vaders in de wereld, die schijnen niet te kunnen vergeven. Indien hij hem aldus had behandeld, dan zou dit niet meer zijn dan hij verdiend had. Maar neen, wat in het Boek staat geschreven, staat er, en is waar voor alle tijden, en voor eiken zondaar, — „Hij viel hem om zijn\'hals en kuste hemquot;; kuste hem vurig, kuste hem herhaaldelijk.

Wat beteekent dit kussen ? Het beteekent, dat de zondaren als zy tot God komen, liefdevol ontvangen en hartelijk welkom geheeten worden. Indien iemand uwer. terwijl ik tot u spreek, tot God komt, zoo verwacht genade te zullen a\'in-den van wege het groote zoenoffer van Christus. Dit zal waar wezen van u, gelijk het waar is geweest van velen onzer ; „Hy kuste hem veel.quot;

I. Ten eerste, dit vele kussen beteekent veel liefde. Het beteekent veel liefde, werkelijk gevoeld; want God geeft nooit eene uitdrukking van liefde, zonder haar in zyn oneindig hart te gevoelen. God zal nooit een\' Judaskus geven, en verraden dien Hij omhelst. Er is in God geene geveinsdheid; nooit kust Hij hen, die Hij niet liefheeft. O hoe zeer heeft God de zondaren lief. Gy, die berouw hebt van uwe zonde en tot Hem komt, zult het ontdekken, hoe grootelijks Hij u liefheeft. Deze zijne liefde tot u kan niet gepeild of gemeten worden. Hij heeft u liefgehad van voor de grondlegging der wereld, en Hy zal u blijven liefhebben, als de tijd niet meer is. O hoe onmetelijk groot is Gods liefde voor de zondaren, die tot Hem komen en zich aan zyne genade en ontferming overgeven.

Dit vele kussen beteekent ook veel betoonde liefde. Gods kinderen weten niet altijd hoe groot zijne liefde jegens hen is. Doch somwylen wordt zij uitgestort in ons hart door den Heiligen Geest, die ons gegeven is. Er zyn tijden, wanneer sommigen van ons weten wat het is schier te gelukkig te zijn om te leven. De liefde Gods is bij sommige gelegenheden met zoo overweldigende kracht door ons ervaren, dat wij schier moesten vragen, dat het daar nu maar bij blijven mocht, omdat wij niet meer hadden kunnen dragen. Indien de heerlyk-heid niet een weinig omsluierd ware geworden, wij zouden aan overmaat van geluk en zielsverrukking gestorven zyn. Geliefden, God heeft wondere wegen om het hart zyns volks te

398

-ocr page 420-

TOT HEM WEDËRKEEBENDEN ZONDAAR.

openen voor de tentoonspreiding zijner genade. Hij kar;, niet slechts nu en dan een\' enkelen droppel, maar stroomen dier liefde er in uitstorten. Mevrouw Guyon placht te spreken van de strooraen der liefde, die door hart en geest heen gaan en alles met zich voeren. Aan den verloren zoon inde gelijkenis werd zóó veel liefde geopenbaard, dat hij ook wel van de stroomen der genegenheid zijns vaders had kunnen zingen. Dat is de wijze waarop God hen ontvangt, die Hij verlosten zalig maakt; daar Hü hun geene kleine, karige mate van genade schenkt, maar eene overvloeiende liefde jegens hen openbaart.

Dit vele kussen beteekent ook veel liefde opgemerkt. Indien die verloren zoon nooit te voren geweten heeft, dat zijn vader hem liefheeft, dan wist hij het voorzeker wèl, nadat zijn vader hem zoo herhaaldelijk had gekust. Hy twijfelde er niet aan; hij had er een helder besef van. Zeer dikwijls gebeurt het, dat de zondaar in de eerste oogenblikken, nadat hij in Jezus heeft geloofd, die „velequot; liefde ontvangt. God openbaart haar hem, en hij bemerkt haar en geniet er van reeds bij den aanvang. Denkt niet, dat God den besten wijn altijd voor het laatst bewaart; Hij geeft ons sommigen van de beste dingen op zü\'ne tafel, zoodra wij er aanzitten. Ik herinner my het genot, dat ik smaakte, toen ik voor het eerst in Jezus geloofde, en zelfs thans is de herinnering er van nog even versch, alsof het gisteren pas gebeurd was. O ik zou het niet hebben kunnen gelooven, dat een sterfelijk mensch, na zóó lang belast en beladen te zijn geweest, en zoo schrikkelijk terneder-gebogen, zóó gelukkig kon zijn! Ik heb slechts op Jezus gezien aan het kruis, en de verpletterende last was onmiddelijk weggenomen; en het hart, dat niets kon doen dan zuchten en weenen van wege deszelfs last, begon thans op te springen van vreugde. In Christus had ik alles gevonden wat ik behoefde, en terstond kou ik toen rusten in de liefde Gods. Zoo kan het ook met u wezen, indien gij slechts door Christus wilt wederkeeren tot God. Van u zal het, evenals van dien verloren /.oon, worden gezegd: Zijn vader zag hem, en toeloopende viel hem om zyn\' hals en kuste hemquot; met veel liefde.

II. Ten tweede: dit vele kussen beteekende veel vergeving. De verloren zoon had vele zonden te belijden; maar eer hy tot de byzonderheden er van kwam, had zijn vader hem vergeven. Ik bemin belijdenis van zonde na vergeving. Sommigen denken, dat wij, eenmaal vergeving hebbende ontvangen, nooit meer onze zonden behoeven te belijden, maar, o, geliefden, dan is het juist dat wij de zonden het oprechtst, het wezenlijkst belijden, omdat wy dan het best de schuld, het snoode der zonde begrijpen. Als ik bedenk, dat Christus mij van my ne zonden gewasschen heeft in zijn eigen bloed, dan gevoel ik mijne zonde daardoor des te scherper, en zal haar dus ook des te

899

-ocr page 421-

GODS OVERVLOEDIGE LIEFDE VOOR DEN

ootmoediger belijden voor mijn\' God. Het beeld van dezen verloren zoon is verwonderlijk waar in de ervaring van hen, die wederkeeren tot God. Zijn vader kuste hem met den kus der vergeving, en toch ging- de jongeling voort te zeggen: „Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel, en voor u, en bon uiet meer waardig uw zoon genaamd te worden.quot; Aarzel dus niet uwe zonde voor het aangezicht Gods te bekennen, al weet gij ook, dat zij in Christus allen weggedaan zijn.

Uit dit oogpunt beschouwd, beteekenden deze kussen teu eerste : „ Vwe zonde is geheel weggenomenquot; en er zal nooit meer melding van worden gemaakt. Kom aan mijn hart, mijn zoon! Gij hebt mij zwaar gegriefd en vertoornd; maar Ik delg uwe overtredingen uit als een nevel, en uwe zou den als eenewolk.quot;

Terwijl de vader hem aanzag en veel kuste, kwam er waarschijnlijk nog een kus, die zeide : „Er is niets pijnlijks van orer-gebleven: ik heb niet slechts vergeven maar ook vergeten. Het is alles volkomen voorbij. Ik zal het nooit meer als eene beschuldiging tegen u inbrengen. Ik zal er u nooit minder om liefhebben. Ik zal u nooit behandelen, alsof gij nog een onwaardig, onbetrouwbaar persoon waart.quot; Daarop kwam waarschijnlijk nog een kus; want vergeet niet, dat zijn vader hem vergaf en veel kuste, om te toonen, dat de zonde gansch en al was vergeven.

Daar stond de verloren zoon, overstelpt door zijns vaders goedheid, maar toch gedenkende aan zijn voorbijgegaan leven. Terwijl hij op zich zeiven zag en dacht; „Ik ben nog altijd in mune lompen gekleed, en kom regelrecht van het weiden der zwijnen,quot; kan ik mij voorstellen, dat zijn vader hem weder een kus gaf, als om tot hem te zeggen: „Mijn kind, ik denk niet meer aan het verleden; ik ben zóó verblijd u te zien, dat ik geene onreinheid aan u bespeur, en ook geene lompen. Ik ben er zóó van verrukt u weder bij mij te hebben, dat ik, gelijk ik een verloren diamant uit het slijk zou oprapen en blijde zou zijn van hem weer terug te hebben, u ook wederom tot mij neem, want gij zijt mij zeer dierbaar.quot; Dat is de genaderijke en heerlijke manier waarop God handelt met hen, die tot Hem wederkeeren. Wat hunne zonde aangaat, Hij heeft haar weggedaan, zoodat Hij haar niet meer zal gedenken. Hij vergeeft als God.

„Welquot;, zegt iemand, „kan zulk eene wondervolle verandering ooit plaats hebben met mij Door Gods genade kan die verandering plaats hebben met een iegelijk, die gewillig is tot God terug te keeren. Ik bid God, dat het thans geschieden moge, en dat gij de verzekering erlangt uit het Woord Gods door de kracht zijns Heiligen Geestes, zoodat gij door de aanschouwing van het dierbaar bloed van Christus, gestort ter uwer verlossing, in staat zult zijn te zeggen. „Ik begrijp het nu, Ik

400

-ocr page 422-

TOT HEM WEDERKEERENDEN ZONDAAR.

zie, hoe Hij al myne zonden wegkust, en als zij wederom bij mij opkomen, kust Hij ze nogmaals weg; en als ik er met schaamte aan denk, dan geeft Hij mij wederom een\' kus; en als ik bloos bij de herinnering aan mijne booze daden, dan kust Hij mij wederom, en nog eens. om m\\j te verzekeren, dat ik volkomen vergiffenis heb erlangd. Aldus hebben de vele kussen van dien vader er allen toe bijgedragen om zijn\' dwalenden zoon te doen gevoelen, dat alle zijne zonden waren weggenomen. Zij openbaarden veel liefde en veel vergeving.

HL Deze herhaalde kussen beteekenden ook volkomene wederherstelling. De verloren zoon was op het punt van tot zijn\' vader te zeggen : „M.iak mij als eenen van uwe huurlingen. In liet verre land had hy het besluit genomen dit verzoek tot zijn\' vader te richten, maar zijn vader had hem dooreen\' kus hiervan terughouden. Door dien kus ivas zijn zoonschap erkend; door dien kus zeide de vader tot den ongeluk-kigen afgedwaalde: „Gij zijt myn zoon.quot; Hij gaf hem zulk een kus, als hij slechts aan zijn\' zoon kon geven. Ik zou wel eens willen weten, hoevelen hier tegenwoordig zijn, die ooit aan iemand zulk een\' kus hebben gegeven. Daar zit iemand, die wel iets weet van zulke kussen als de verloren zoon ontvangen heeft. De dochter van dien vader ging den verkeerden weg op, en na jaren van zonde, is zij ziek en uitgeput te huis gekomen om er te sterven. Hij ontving haar, vond haar boetvaardig en heeft haar met blijdschap en een\' kus welkom geheeten. Ach myn vriend, gij weet wel iets van zulke kussen! En gij, goede vrouw, uw zoon is van huis weggeloopeu, en gij verstaat ook wel iets van kussen als deze. Hij heeft u verlaten, en gij hebt in jaren niet van hem gehoord, en hij heeft zich in een leven van zonde gestort. Toen gij eindelijk wèl van hein hoordet, heeft het schier uw hart gebroken ; en toen hij terugkwam, hebt gij hem nauwelijks herkend. Herinnert jrij het u nog, hoe gij hem in huis ontvangen hebt ? Het was u, alsof gij wenschtet dat hij nog het kleine knaapje was, dat gij aan uw hart placht te drukken ; maar nu is hü opgegroeid tot een volwassen man en een groot zondaar; maar toch hebt gij hem zulk een\' kus gegeven, en hebt uw welkom zóó dikwijls herhaald, dat hij het nooit zal vergeten, evenmin als gij \'zelve het zult vergeten. Gij kunt het verstaan, dat deze overstelpende begroeting was als toen de vader zeide: „Kind, gij zijt mijn zoon. In weerwil van alles wat gij gedaan hebt, behoort gü mij toe; hoe diep gij ook gezonken zijt, toch erken ik u als mijn zoon. Gij zijt been van mijn been en vleesch van mijn vleesch.quot; Door deze gelijkenis wil Christus u, arme zondaar, doen verstaan, dat God ii zal erkennen, zoo gij door Jezus Christus tot Hem komt en Hem uwe zonde belijdt. Hij zal u met blüdschap ontvangen, want alles is voor uwe komst bereid.

401

26

-ocr page 423-

gods overvloedige liefde voob dek

De vader ontving zijn\' zoon met vele kussen, en zoo bewees hij, dat zijn gebed loas verhoord. Ja zijn vader heeft zijn gebed gehoord, vóór het nog was uitgesproken. „Vader, ik heb gezondigdquot; ging hij zeggen, en vergeving vragen; maar hy ontving den zegen en den kus om haar te bezegelen, eer het gebed nog was uitgesproken. Ook dit zal waar wezen van u, o zoixlaar, die door Jezus Christus tot uwen God terugkeert. Het zal u vergund zijn te bidden, en God zal u verhooren. Hoor het, arme, vertwijfelende zondaar, wiens gebed buiten den hemel schijnt gesloten! Kom thans tot den boezem uw Vaders, en Hij zal uw gebed verhooren, en eer nog vele dagen voorbij zijn zult gij de helderste bewijzen hebben, dat gij ten volle in Gods gunst zijt hersteld door zoodanige gubedsverhooringen, dat gij u moet verwonderen over des Heeren goedheid jegens u.

Meer nog; — gu zult in al uwe voorrechten worden hersteld evenals deze dwalende jongeling terstond bij zijne terugkomst onder de kinderen gesteld was. Gelijk gij hem thans ziet in zijns vaders huis, waar hij met de vele kussen werd ontvangen draagt hij het kleed der zonen, met den familiering aan zijn vinger, en de schoenen van het huis aan de voeten. Geen zwijnendraf eet hy meer, maar het brood der kinderen. Evenzoo zal het met u wezen, als gij tot God terugkeert. Ofschoon gij er zoo onrein en zoo diep gezonken uitziet, en in werkelijkheid nog meer verontreinigd zijt dan gij er uitziet; en of schoon de reuk der zwijnen, waarmede gij omgegaan hebt, nog zoo sterk aan u is, dat sommige menschen zich met walging van u zouden afkeeren, zal uw Vader deze kenmerken van uw bedrijf in het vergelegen land, met alle afschuwelijke verontreiniging, die er aan verbonden is, niet bij u opmerken. Zie, hoe de vader met zijn\' zoon handelt! Hij kust hem, en hij kust hem nog eens, omdat hij zijn eigen kind kent, en hem als zijn kind erkent; en zijn vaderlykhart in ontferming over hem bewogen gevoelende, kust hij hem herhaaldelijk. Dit doet hij om hem te doen weten, dat hij in al zijne rechten en voorrechten ten volle hersteld is.

In dit herhaalde kussen zien wy alzoo deze drie dingen: veel liefde, veel vergeving, en volkomene wederherstelling.

IV. Doch die vele kussen beteekenden zelfs nog meer dan dit. Zij openbaarden des Vaders zeer groote blijdschap. Des vaders hart vloeit over van vreugde en hij kan die vreugde niet bedwingen. Ik denk, dat hij zijne blijdschap getoond moet hebben door hem herhaaldelijk aan te zien. Ik zal u zeggen, hoe de vader zich, naar ik geloof, gedragen heeft tegenover zijn zoon, die dood geweest is, maar weder levend was geworden, verloren was, en gevonden is. Laat mij trachten het tooneel voor u te schetsen. De vader had zijn\' zoon gekust, en hij noodigt hem plaats te nemen. Dan gaat hij voor hem staan en ziet hem

402

-ocr page 424-

toï hem wederüeefeenöe^ zondaaë.

aan, en gevoelt zich zóó gelukkig, dat hij zegt: „Ik moet u nog eens omhelzen,quot; en dan gaat hij een oogenblik van hem weg, maar weldra is hij weder terug, bij zich zelven zeggende: „Ik moet hem nog een\' kus geven!quot; Hij doet het, want hij gevoelt zich zoo uitermate gelukkig. Zijn hart klopt van blijdschap ; de grijsaard wil, dat de muziek zich doe hooren; hij verlangt by den dans tegenwoordig te zü\'n; maar intusschen geeft hij zich het genot van zijn lang verloren kind voortdurend aan te zien. O! ik geloof, dat God den zondaar aanziet, ja hem bltfft aanzien, zich verlustigende in dien aanblik, als die zondaar oprecht boetvaardig is en tot zijns Vaders huis wederkeert.

Dat herhaalde kussen beteekent ook een AertonWesef/m, want telkenmale als hij hem omhelst, zegt hij, „God zegene u,mijn zoon, o God zegene u! Hij gevoelde, dat zijn zoon een\' zegen met zich gebracht heeft door terug te komen, en nu roept hij opnieuw zegeningen in over zijn hoofd. O zondaar! indien gij slechts wist, hoe God u zou verwelkomen, hoe Hij u zou aanzien en u zou zegenen, voorwaar! gij zoudt u terstond tot Hem bekeeren, in zijne armen komen en aan zijn hart, en u gelukkig vinden in zijne liefde.

De vele kussen beteekenden ook eene herhaalde verlustiging. Het is eene zeer wondervolle zaak, dat het in de macht is van een\' zondaar om God blijdschap te geven. Hij is de volzalige God, de bron en oorsprong van alle gelukzaligheid, wat kunnen wij aan zijne zaligheid nog toedoen ? En toch ! naar den mensch gesproken, is liet Gods grootste vreugde zijne eigenzinnige Efraïms aan zijn hart te drukken, als Hij gehoord heeft, dat zij zich zelven beweenen, en gezien heeft, dat zij opstaan en naar huis terugkeeren. God geve, dat Hij ook thans dit gezicht moge zien, en dat Hij zich kan verblijden, omdat zondaars tot Hem wederkeeren. Ja, wij gelooven, dat dit zal geschieden, omdat Hij met ons is en zijn Heilige Geest genadiglijk onder ons werkt. Dit is het voorzeker wat de woorden van den profeet ons leeren . ,De Heebe, uw God, is in het midden van u, een held die verlossen zal; Hij zal over u vroolijk zijn met blijdschap, Hij zal zwijgen in zijns liefde. Hij zalquot; zich over u verheugen met gejuich.quot; Denk u den eeuwigen God juichende, en herinnner u, dat Hij juicht wyl een afgedwaald zondaar tot Hem wedergekeerd is. Hy verheugt zich in den terugkeer van den verloren zoon, en de gansche hemel deelt in zijne vreugde.

V. Ik heb nog niet afgedaan met mijn onderwerp. Als wij voor de vijfde maal zien, dan bemerken wij, dat die vele kussen beteekenen eene overvloeiende vertroosting. Deze arme jongeling, die in zijn\' hongerigen, zwakken en ellendigen toestand een\' zeer verren weg had afgelegd, kan toen niet heel veel moed hebben bezeten. De honger had hem van alle veer-

403

-ocr page 425-

GODS OVERVLOEDIGE LIEFDE VOOR DEN

kracht en geestkracht, beroofd, en hij was zich zoo zeer bewust van zijne schuld, dat hij nauwelijks den moed had zijn\' vader onder de oogen te komen. Daarom kust hem zijn vader, als om tot hem te zeggen : „Kom, myn zoon, wees niet ternedergeslagen, ik heb ii lief.quot;

,.0 mijn vader, het verleden\', het verleden!quot; kon hij wel zuchten, als hij dacht aan zijne verspilde jaren; maar niet zoodra had hij die verzuchting geslaakt, of hij ontving wederom een\' kus, alsof zijn vader zeide; „Laat het verleden rusten, ik heb het geheel en al vergeten.quot; Dat is des Heeren wijze van doen met zijne verlosten. Hun verleden ligt verborgen onder het bloed der verzoening. De Heere heeft door den mond van zyn\' dienstknecht Jeremia gezegd : „In die dagen zal Israels ongerechtigheid gezocht worden, maar zij zal er niet zijn, en de zonden van Juda, maar zullen niet gevonden worden: want Ik zal ze dengenen vergeven, die Ik zal doen overblijven.quot;

Maar de jongeling zal toen wellicht een\' blik hebben geslagen op zijn vuil, bezoedeld gewaad, en gezegd hebben : „Het heden! mijn vader, het heden\', hoe ontzettend is de toestand, waarin- ik mij bevind!quot; En met wederom een\' kus kwam het antwoord; „Bekommer er u aiet om, mijn zoon. Ik ben tevreden u te hebben, zooals gij zijt. Ik heb u lief.quot; Ook dit is Gods wooid tot hen, die „begenadigd zijn in den Geliefde,quot;of, gelijk het oorspronkelijke in Efeze 1; 6 ook gelezen kan worden, „die aangenaam gemaakt zijn in den Geliefde.quot; In weerwil van al hunne snoodheid en onreinheid zijn zij in Christus rein en vlekkeloos, en God zegt tot een iegelijk van hen: „Van toen af, dat gij kostelijk zijt geweest in mijne oogen, zijt gij verheerlijkt geweest. Daarom zijt gij, al hoewel onwaardig in u zeiven, in mijn\' geliefden Zoon welkom in mijn huis.quot;

„Ach! maar de toekomst, mijn vader, cte zou de

zoon hebben kunnen zeggen. „Hoe zou het u te moede zijn als ik opnieuw afdwaalde ?quot; En daarop volgde dan wederom een heilige kus, en zijn vader antwoordt: „Voor de toekomst zal ik zorgen, mijn zoon ! ik zal mijn huis zoo vriendelijk en vroolijk voor u maken, dat gij het nooit weder zult begeeren te verlaten.quot; Maar God doet nog meer dan dat voor ons, als wij tot Hem terugkeeren. Hij omringt ons niet slechts met de teekenen zijner liefde, maar Hij zegt van ons: „Zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn. En Ik zal hun eenerlei hart en eenerlei weg geven, om Mij te vreezen al de dagen, hun ten goede, mitsgaders hunnen kinderen na hen. En Ik zal een eeuwig verbond met hen maken, dat Ik van achter hen niet zal afkeeren, opdat Ik hun weldoe; en Ik zal mijne vreeze in hun hart geven, dat zij niet van Mij afwijken.quot; En voorts zegt Hij tot ieder, die tot Hem wederkeert: „Ikzal u een nieuw hart geven, en zal een\' nieuwen geest geven in

404

-ocr page 426-

TOT HEM WEDERKEERENDEN ZONDAAH.

het binnenste van u ; en Ik zal het stcenen hart uit uw vleesch wegnemen, en zal u een vleezen hart geven. En Ik zal mijn\' Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken, dat gy in mijne inzettingen zult wandelen, en mijne rechten zult bewaren en doen.quot;

Bij alles wat er was om den zoon te benauwen, gaf zijn vader hem een kus, om die benauwdheid van hem weg te nemen; en evenzoo heeft onze God een teeken der liefdevoor iederen tijd van twijfel of verslagenheid, die over zijne nog niet verzoende kinderen komen kan. Wellicht spreek ik tot iemand, die zegt: „Al zou ik ook mijne zonden belijden en Gods barmhartigheid zoeken te verkrijgen, toch ben ik in zeer groote benauwdheid, want door mijne zonde heb ik mij in groote armoede gedompeld.quot; „Hier is een kus voor u,quot; zegt de Heere ; „Uw brood zal u worden gegeven, uwe wateren zijn gewis.quot; „Maar ik heb mij door mijne zonde zelfs krankheid op den hals gehaald,quot; zegt een ander. „Daar is een kus voor u, want Ik ben Jehovah-Rophi, de Heere, die u geneest, die al uwe ongerechtigheid vergeeft, die al uwe krankheden geneest.quot; „Maar ik ben in zeer kommervolle omstandigheden,quot; zegt een ander. De Heere geeft ook ueen\'kus en zegt: „Ik zal u opheffen en in alle uwe behoeften voorzien. Ik zal het goede niet onthouden dengenen, die in oprechtheid wandelen.quot; Al de beloften in dit Boek behooren aan iederen boetvaardigen zondaar, die tot God terugkeert, geloovende in zijn\' Zoon Jezus Christus.

De vader van den verloren zoon kuste hem veel, en maakte hem aldus te eigener plaats en stond gelukkig. Bekommerde zielen bevinden zich in een\' zeer moeielijken toestand, als zij tot Christus komen, en weten nauwelijks wat aan te vangen. Ik heb er velen gekend, die in hunne wanhoop allerlei onzin spraken, en in hunne schrikkelijke twijfelmoedigheid ook harde dingen van God hebben gesproken. De Heere geeft op dat alles geen ander antwoord dan door een\' kus. Niets brengt den boetvaardige zoo zeer tot rust als des Heeren herhaalde verzekering van zijne overanderlijke liefde. De Heere heeft zoo iemand dikwijls ontvangen en „veel gekust,quot; ten einde hem op te halen uit den ruischenden kuil, en zijne voeten op een\' rotssteen te stellen, en zijne gangen vast te maken. Geve de Heere, dat velen van hen, tot wie ik thans het woord richt, de dingen zullen begrijpen, waarvan ik spreek.

405

VI. En nu ten zesde, ofschoon gij wellicht gaat deuken, dat ik ben als de oude Puriteinen met deze vele hoofden. (I) Maar het is mijne schuld niet, want deze vele kussen hadden velerle beteekenissen ; liefde, vergeving, wederherstelling, blijdschap en

(1) Dat is: onderwerpen van bespreking.

-ocr page 427-

gods overvloedige liefde voor den

vertroosting zijn er in opgesloten, en ook nog sterke veeze-

keedheid.

De vader heeft zijn\' zoon veel gekust om hem volkomen zeker te doen zijn, dat het alles werkelijkheid was. Door zoo herhaaldelijk gekust te \\vorden kon de verloren zoon bij zich zeiven zeggen: „Al die liefde moet echt zijn, want voor eene wijle heb ik nog het geknor der zwijnen gehoord, en nu hoor ik niets dan de kussen van de lippen mijns lieven vaders;quot; En zoo gaf de vader hem nog een\' kus, want niets is zoo geschikt om hem er van te overtuigen, dat de eerste kus werkelijk gegeven werd, als er hem wederom en nog eens een te geven, en zoo er bij den tweeden nog eenigen twijfel was overgebleven, geeft de vader hem een\' derden kus. Als in de dagen van ouds een droom herhaald werd, dan was de uitlegging gewis; deze herhaalde kussen lieten geen twyfel meer overig blijven. De vader hernieuwde de teekenen zijner liefde, opdat zün zoon ten volle overtuigd zou zijn van hare werkelijkheid.

Hij deed dit, opdat er ook in de toekomst geen tivijfel aan zou ontstaan. Sommigen van ons waren vóór onze bekeering zóó zeer naar de diepte gebracht, dat God ons als eene overmaat van blijdschap schonk, toen Hij ons heeft verlost, opdat wij het nooit zouden vergeten. Soms zegt de duivel tot mij; „Gij zijt geen kind van God.\'quot; Ik heb het reeds lang opgegeven hem te antwoorden, want ik vind het maar tijdverspillen om met dien listigen ouden leugenaar te redetwisten. Doch zoo ik hem moet antwoorden, dan zeg ik: „Wel, ik gedenk hoe ik door den Heere werd verlost! Ik kan zelfs het plekje gronds niet vergeten, waar ik voor het eerst mijn\' Zaligmaker gezien heb; daar is mijne blijdschap als metgroote Atlantische golven over mij gekomen, om mij gansch en al met zegeningen te overdekken. Ik kan het niet vergeten. Dat is een argument, waarop zelfs de duivel geen antwoord weet, want hij kan my niet doen gelooven, dat zoo iets nooit heeft plaats gehad. De Vader heeft my veel gekust, en dat herinner ik mjj zeer goed. De Heer schenkt aan sommigen van ons zulk eene onmiskenbare verlossing, zulk een\' helderen, zonnigen dag bij onze bekeering, dat wij aan onzen staat voor Hem nog niet meer kunnen twijfelen, maar moeten gelooven, dat wij voor eeuwig behoudsn zijn.

De vader heeft de verzekerdheid van den verloren zoon boven allen twijfel gesteld. Indien hem de eerste kussen zonder getuigen gegeven werden, daar niemand dan de vader en de zoon tegenwoordig waren, zoo is het toch volkomen zeker, dat hij hem later ook in de tegenwoordigheid van anderen gekust heeft. Hij kuste hem veel in tegenwoordigheid van zijn gezin, opdat ook zij er niet aan zouden twijfelen, dat hij zijns vaders

406

-ocr page 428-

tot hevf wederkeerenden zondaar.

kind was. Het was te betreuren, dat de oudste broeder daar ook niet bü was. Maar, ziet gij, deze was in het veld. Hij stelde meer belang in den oogst dan in de ontvangst van zijn\' broeder. Ik heb zoo iemand gekend. Het was een man, die geene weekbeurten in de kerk bijwoonde. Hij had het zóó druk met zyne zaken, dat hij op Donderdag niet komen kon, en nu kwam juist de verloren zoon op zulk een\' Donderdag terug, zoodat de oudste broeder niet zag, dat zijn vader hem ontving. Indien hij nog leefde, h;j zou waarschijnlijk ook niet in onze bijeenkomsten verschijnen, want hy zou het te druk hebben. En zoo zou hij ook niets weten van de ontvangst van boetvaardige zondaren. Maar toen de vader zijn\' zoon ontving, was het zijne bedoeling, dat allen het zouden weten, eens voor altijd zouden weten, dat hij zijn kind is. O dat gij thans die vele kussen mocht ontvangen ! Indien zij u gegeven worden, dan zult gij voor het overige van uw leven sterke verzekerdheid hebben, ontleend aan het geluk, dat gij in uwe eerste dagen hebt gesmaakt.

Vil. Ten besluite: ik denk, dat wy hier een voorbeeld hebben van de innige gemeenschap, die de Heere dikwijls oefent met zondaren, als zij voor het eerst tot Hem komen. „Als zijn vader hem zag, werd hij met innerlijke ontferming bewogen; en toeloopende viel hem om zijn\' hals, en kuste hem veel.quot;

Ziet gij, dat was vóór dat er gemeenschap geoefend to as met de familie, het gezin. Eer de dienstboden het maal hadden bereid, vóór dat er muziek en dans in het huisgezin was, heeft zijn vader hem gekust. Hij zou weinig gegeven hebben om hunne liederen, hij zou zijne ontvangst door de dienstknechten slechts weinig hebben gewaardeerd, indien hij niet vóór alles welkom ware geweest aan het hart des vaders. Zoojs het ook met ons; eerst moeten wij gemeenschap hebben met God, eer wij veel kunnen denken aan eenheid met zijn volk. Eer ik mijbijeene gemeente voeg, moet ik eerst mijns Vaders kus hebben. Eer de leeraar mij de rechterhand der gemeenschap geeft, heb ik de rechterhand mijns hemelschen Vaders noodig om mij welkom te heeten. Eer ik erkend word door Gods volk hier beneden, moet ik in de binnenkamer erkend zijn door den grooten Vader hier Boven, en dat doet Hij voor allen, die tot Hem komen, zooals de verloren zoon tot zijn\' vader kwam. Moge Hij het thans doen voor sommigen van u.

Dit kussen geschiedde ook, eer zij aan de tafel der gemeenschap aanzaten. Gij weet, dat de verloren zoon naderhand aan zijns vaders tafel moest aanzitten om van het gemeste kalf te eten; maar eer dit geschiedde, had de vader hem gekust. Hij zou nauwelijks in staat zijn geweest om gerust aan dien maaltijd aan te zitten, als hij niet eerst die kussen der liefde had ontvangen. De gemeenschap der tafel, waaraan wij genoodlgd worden, is zeer liefelijk. Het is zalig om in de inzetting des

40?

-ocr page 429-

408 GODS OVERVLOEDIGE LIEFDE VOOR DEN

Avondmaals in symbollschen zin het vleesch van Christus te eten en zijn bloed te drinken; maar eer ik hier kom, verlang ik, bij wijze van kussen der liefde, gemeenschap te oefenen met God. „Hü kusse mij met de kussen zijns monds. Dit is iets verborgens, iets liefelijks, iets dat het hart bekoort en verkwikt. God geve het aan velen uwer. Mocht gij de vele kussen uws Vaders ontvangen, eer gij komt tot de gemeente, en ook eer gij aanzit aan zijne tafel.

Die vele kussen kwamen ook vóór het openbare vreugdebetoon. De vrienden en geburen waren mede aan den feestmaaltijd genoodigd. Maar denk eens, hoe beschaamd de zoon in hunne tegenwoordigheid geweest zou zijn, indien hij niet vóór alles een plaats had gevonden in zijns vaders liefde, of indien hij er ook maar niet volkomen zeker van ware geweest. Dan zou hü wel schier geneigd zijn geweest weg te vluchten. Maar de vader had hem veel gekust, en zoo kon hij den nieuwsgierigen blik der geburen met glimlachend gelaat verdra,gen, tot dat elke onvriendelijke aanmerking, die zij dachten te maken, wegstierf, gedood door zijne blijkbare blijdschap in zijn\' vader. Het is moeielijk Christus te belijden, zoo men niet te voren eene overstelpende bewustheid van gemeenschap met Hem heeft gehad. Maar als wij opgeheven zijn tot de wolken in de zielsverrukking, die God ons geeft, dan wordt het gemakkelijk, niet slechts om de wereld het hoofd te bieden, maar zelfs om de sympathie te winnen van hen, die anders tegensgestaan zouden hebben. Daarom is het, dat pas bekeerden zoo dikwijls het middel zijn om anderen in het licht te brengen. Des Heeren vele kussen van vergeving zijn hun nog zoo kort geleden geschonken, dat hunne woorden iets van den geur der goddelijke liefde hebben. Ach! hoe treurig is het, dat sommigen hunne eerste liefde verliezen en de vele kussen vergeten, die zij van hun\' hemelschen Vader hebben ontvangen !

Eindelijk, dit alles werd geschonken, vóórdat de ontmoeting met den oudsten broeder plaats had. Indien de verloren zoon had geweten, wat de oudste broeder dacht en zeide, dan zou het mij volstrekt niet hebben verwonderd, zoo hij spoorslags weg ware gegaan om nimmermeer terug te keeren. Hij zou dicht bij het huis hebben kunnen komen, om dan, na gehoord te hebben wat zijn broeder zeide, stil en ongemerkt weer weg te gaan. Ja, maar eer dat kon gebeuren, had zijn vader hem vele kussen gegeven. Arme zondaar! Gij zijt hier binnen gekomen, en gij hebt wellicht den Zaligmaker gevonden. Het kan wezen, dat gij nu met den een of anderen Christen gaat spreken, en hij zal bang zijn u al te veel aan te moedigen. Het verwondert mij niet, dat hij nog aan u twijfelt, want in u zeiven, zijt gij thans nog niet juist een aangenaam persoon

-ocr page 430-

TOT HEM WEDERKKEREN DEN ZONDAAR.

om mede te spreken. Maar indien gij uws Vaders vele kussen ontvangt, dan zult gij het niet zeer ter liarte nemen, zoo uw oudste broeder een weinigje hard voor u is. Ik hoor nu en dan wel eens van iemand, die zich bij de gemeente wenschte te voegen, zeggende: „Ik ben in den kerkeraad geweest, maar een der ouderlingen heeft mij zóó ruw toegesproken, dat ik wegging, en niet meer terug denk te komen.quot; Hoe dwaas is deze uwe redeneering! Is het dan hun plicht niet een weinig ruw te zijn met sommigen van u, opdat gij u zei ven niet zult bedriegen, en omtrent uwen wezenlijken toestand voor God niet in dwaling zult blijven verkeeren ? Het is onze innige, vurige wensch u tot Christus te brengen, en zoo wij vreezen, dat gij niet wezenlijk tot God zijt teruggekeerd met boetvaardigheid en geloof, moeten wij, als eerlijke mannen, u dit dan niet zeggen ? Maar gesteld eens, dat gij wel waarlijk gekomen zijt, en dat uw broeder zich vergist, zoo ga heen, ontvang een\' kus van uwen vader, en bekommer u niet om uwen broeder. Hij kan u er aan herinneren, hoe gij uwen leeftocht hebt doorgebracht, hij kan de schilderij zelfs met wat donkerder kleuren malen dan noodig is, maar de kussen uws Vaders zullen u de donkere blikken uws broeders doen vergeten. Indien gij denkt dat gij ^in het huisgezin des geloofs iedereen even beminnelijk zult vinden, en iedereen even gewillig om u te helpen, dan zult gij u grootelijks vergissen. Jonge Christenen worden dikwijls verschrikt, als zij in aanraking komen met sommigen, die van wege herhaalde teleurstelling in hunne hoop, of wel van wege eene aangeborene omzichtigheid, of ook wel door gebrek aan geestelijk leven, diegenen slechts koud en koel ontvangen, aan wie de Vader reeds zeer veel liefde heeft bewezen. Indien dit met u het geval is, zoo stoor u niet aan deze onvriendelijke oudste broederen, maar vraag om nog een\' kus van uwen Vader. Wellicht is de reden, waarom er geschreven is : „Hij kuste hem vecV dat de oudste broeder hem zoo koud zou bejegenen, en zoo toornig zou weigeren aan den feestmaaltijd mede aan te zitten.

Heere, geef aan vele arme, sidderende zielen den wil om tot U te komen ! Breng vele zondaren aan uwe gezegende voeten, en ga Gij, terwijl zij nog verre van U zijn, hen haastelijk te gemoet. O omhels hen, geef hun vele kussen der liefde, en vervul hen met hemelsche blijdschap en zielsverlustiging, om Jezus Christus wil! Amen.

409

-ocr page 431-

DE VERLOREN ZOON

(DE ONTVANGST VAN ZONDAREN1.

„Maar de vader zeide tot zijne dienstknechten : Brengt hier voort het beste kleed, en doet liet hem aan, en geeft een\'ring aan zijne hand, en schoenen aan de voeten; en brengt het gemeste kalf, en slacht het; en Iaat ons eten en vroolijk zijn.quot; Lucas XV : 22, 23.

Op den vorigen dag des Heeren hebben wij gesproken over de wijding of heiliging van priesters. Dat zou een te hoog verheven onderwerp kunnen schijnen voor menschen met een ontroerd hart en eene sidderende consciëntie, menschen, die vreezen, dat zij nimmer Gode tot koningen en priesters gemaakt zullen worden. Zoo heerlijk een voorrecht schijnt hun in een nevelig verschiet te liggen, en zij weten niet of zij het ooit zullen bereiken. Daarom zullen wij heden nederkomen van die hoogten, om hen te vertroosten, die den Heere zoeken, en hen te helpen om ook op hunne beurt tot die hoogten op te klimmen.

Wij spreken heden morgen dus niet over de wijding van priesters, maar over de ontvangst van zondaars, en volgens onzen tekst is dit eene zeer vreugdevolle zaak, zij wordt zelfs voorgesteld als eene vroolykmaking met muziek en dans. Wij spreken dikwijls van de smart over de zonde, waarvan de bekeering vergezeld gaat, en ik denk niet, dat wij daar te dikwijls over kunnen spreken; maar de mogelijkheid bestaat ook, om de heilige en merkwaardige blijdschap voorbij te zien, waarvan de terugkeer eener ziel tot God evenzeer vergezeld gaat. De dwaling heeft bij zeer velen ingang gevonden, dat de mensch gedurende een zeer groot tijdsbestek door wanhoop en verschrikking van ziel heen moet gaan, eer hij vrede met God kan vinden. In deze gelijkenis schijnt do vader besloten dit tijdperk zeer te bekorten. Hij laat zijn\' zoon zijne belijdenis niet eens ten einde brengen, en eer deze kan vragen om tot een der huurlingen gemaakt te worden, is zijn klaaglied reeds veranderd in een\' vreugdezang; want de vader is reeds om zijn\' hals gevallen, en heeft zijne bevende lippen door een\' kus tot

-ocr page 432-

DE ONTVANGST VAN ZONDAREN.

zwijgen gebracht. De Heere verlangt niet, dat cle zondaren lang in een\' toestand van ongeloovige overtuiging van zonde zullen verwijlen. Het is iets dat op zich zeiven verkeerd is, dat hen daar zoo lang houdt; hetzij dat zij onbekend zijn met liet vrije en volle van Christus, of dat zij eene eigengerechtige hoop koesteren, of wel hunne zonden blijven aanhouden. De zonde ligt aan de deur; het is geen werk van God, dat den weg verspert. Hij verlustigt zich in hunne verlustiging en verblijdt zich in hunne blijdschap. Het is des Vaders wil en welbehagen, dat de \'zondaar terstond in Jezus zal gelooven, terstond volkoniene vergeving zal vinden, en onmiddelijk tot rust zal komen. Indien iemand uwer tot Jezus zou komen, zonder dat tijdperk van angst en verschrikkingen door te maken, dat zoo veelvuldig voorkomt, dan bid ik u, niet te denken, dat uwe bekeering twijfelachtig is; zij is er, in plaats van minder, juist meer echt om, als zy veeleer het zegel draagt des evangelies dan het zegel der wet. Het weenen van Petrus, dat binnen weinige dagen in blijdschap verkeert, is veel beter dan het afgrijzen van Judas, dat in zelfmoord eindigt. Bekeeringen, die in de Schrift vermeld staan, hebben meestal een zeer snel verloop. Op het Pinksterfeest waren zij verslagen in het hart, en op denzelfden dag werden zij gedoopt en tot de gemeente toegevoegd, omdat zy door Jezus Christus vrede hadden gevonden bij God. Paulus was ternedergeworpen door overtuiging van zonde, en binnen drie dagen een gedoopt geloovige. Het beeld is wellicht ongeschikt, maar ik wilde zeggen, dat Gods macht zóó nabü ons is, dat het bliksemlicht der overtuiging van zonde dikwijls op het zelfde oogenblik vergezeld gaat door den donder van Gods stem, die onze vreeze verdrijft, en vrede en vergeving aankondigt voor de ziel. In zeer vele gevallen wordt de scherpe naald der wet onmiddeiy\'k gevolgd van den zijden draad des Evangelies. De regens van het berouw worden terstond gevolgd door den zonneschijn des ge-loofs. Boetvaardigheid wordt op den voet gevolgd door vrede, en deze twee gaan dan arm in arm in nog volkomener rust.

Na u aldus er aan herinnerd te hebben, dat het Godswil is, dat de boetvaardigen spoedig tot blijdschap zullen komen, wensch ik u heden morgen de blijdschap voor te stellen, die veroorzaakt wordt door vergeving van zonde. Die blijdschap is van drieërlei aard. Wij zullen er over spreken, ten eerste, als de blijdschap van God over zondaren; ten tweede, als de blijdschap van zondaren in God, en ten derde, hetgeen zoo dikwijls wordt vergeten, als de blijdschap der dienstknechten. Ook zij verheugden zich, want de v;ider zeide: „Laat ons eten en vrooiyk zijn;quot; en een der punten van de gelijkenis is dit; gelijk als in het geval van het verloren schaap de herder zijne vrienden en buren riep, en in het geval der vrouw, die haren penning had ver-

411

-ocr page 433-

de ontvangst van zondaren.

loven, en hare geburen samen riep, zoo is het ook hier. Anderen moeten deelen in de blijdschap, die voornamelijk en inde eerste plaats den liefdevollen vader en den terugkeerenden afgedwaalde betrof.

I. De blijdschap van God oveh zondaren. Het is altijd moeielijk op betamelijke wijze van den eeuwig gezegenden God te spreken, als wij Hem moeten voorstellen onder gemoedsbewegingen of aandoeningen. Daarom is het mijn gebed, dat ik in mijn spreken geleid mag worden door den Heiligen Geest. Wij zijn opgevoed in het denkbeeld, dat de Heere verheven is boven aandoeningen of gemoedsbewegingen, hetzij van smart of van genoegen. Dat Hij i iet kan lijden, bijvoorbeeld, wordt altijd als eene vanzelf sprekende waarheid beschouwd. Is dat nu wel zoo heel duidelijk ? Kan Hij niet doen of verduren wat Hij wil ? Wat beteekent dan de Schrift, die zegt dat des men-schen zonde vóór den zondvloed het den Heere deden berouwen, dat Hij den mensch op aarde gemaakt had? „en het smartte Hem aan zijn hartquot; ? Is er geene beteekenis in de eigene woorden des Heeren: „Veertig jaren heb Ik verdriet gehad aan dit geslachtquot;? Wordt niet van Hem gezegd, dat Hü door de goddeloozen werd getergd? Gewis, dan kan Hij ook smart gevoelen; dat kan dan niet eene uitdrukking zijn zonder eenige beteekenis. Wat mij betreft, ik verheug er mij in den levenden God te aanbidden, die, omdat Hij leeft, ook smart heeft en zich kan verblijden. Hierdoor hebben wij Hem meer lief, dan wanneer Hij kalm en onbewogen op den een\' of anderen Olympus zetelde, onverschillig voor onze ellende, omdat Hij onvatbaar is om iets voor ons of met ons te gevoelen, of belang in ons te stellen. Hem te beschouwen als volkomen lijdelijk en onvatbaar voor eenigerlei aandoening of ontroering kan naar mijn begrip, den Heere niet verhoogen; integendeel, het brengt Hem veeleer tot het lage standpunt van vergeleken te kunnen worden bij de goden van hout en steen, die met hunne aanbidders geen medegevoel kunnen hebben. Neen, Jehovah is niet ongevoelig. Hij is de levende God, en alles wat in verband staat met leven, -— rein, volmaakt, heilig leven, wordt in Hem gevonden. Toch is dit eene zaak, waarover met de uiterste kieschheid gesproken moet worden en met eerbiedig, plechtig ontzag, omdat, ofschoon wij iets weten van wat God is, daar wij naar het beeld Gods zijn geformeerd, en de beste gelijkenis van God ongetwijfeld de mensch moet zijn geweest, zooals hij uit zijns Scheppers hand te voorschijn kwam, zoo moeten wij toch immer gedenken, dat de mensch God niet is, dat iiij zelfs in zijn vol-maaktsten toestand slechts een zeer klein miniatuurbeeld van God moet geweest zijn, en nu hij gezondigd heeft, dat beeld gansch en al heeft bedorven. Het eindige kan den Oneindige niet volkomen afspiegelen, en evenmin kunnen de majestueuze.

412

-ocr page 434-

r!e ontvangst van zondaren.

heerlijke eigenschappen der Godheid aan schepselen worden medegedeeld; zij moeten Gode alleen eigen blijven. Maar de Heere wordt immer voorgesteld als blijdschap openbarende. Mozes zeide tot het zondige Israël, dat, indien zij zich bekeerden en de stem des Hekken, huns Gods, gehoorzaam zouden zijn, de Heere zich over hen zou verblijden ten goede, gelijk als Hij zich over hunne vaderen verblijd heeft. (Daut. XXX: 9). Van den Heere wordt gezegd, dat Hij zich verblijdt inzijne werken, en zich verlustigt in goedertierenheid, en wij moeten dit gewis gelooven. Waarom zouden wij er aan twijfelen ? In vele Schriftuurplaatsen wordt op treffende wijze gesproken van Gods blijdschap in zijn volk. Zefanja drukt dit uit in de krachtigste bewoordingen: „De Heere, uw God is in het midden van u, een Held, die verlossen zal; Hij zal over u vroolijk zijn met blijdschap, Hij zal zwijgen in zijne liefde. Hij zal zich over u verheugen met gejuich.quot; Onze God is voor eeuwig de volzalige God; wij kunnen Hem ons niet anders denken dan volkomen zalig en gelukkig. Toch leert ons de Schrift, dat Hij bij sommige gelegenheden eene bijzondere vreugde openbaart; en Hij wil, dat wij dit zullen erkennen. Ik denk niet, dat het eene bloote gelijkenis maar een wezenlijk feit is, dat de Heere zich verblijdt over den zondaar die zich bekeert.

Elk wezen openbaart zijne blijdschap overeenkomstig zijn\' aard, en zoekt naar middelen om haar ten toon te spreiden op eene hem passende wijze. Zoo is het met den mensch. Als de oude Romeinen een\' triomf vierden, omdat een groot veldheer als overwinnaar wederkeerde uit Afrika, Griekenland of Azië, beladen met den buit van een\' langdurigen veldtocht, op wat wijze heeft de woeste Romein dan zijne vreugde geopenbaard? Wel, in het Colosseum, of in een nog grooter amphitheater, waar hot volk zich verdrong op den weg, om niet slechts wilde dieren, maar hunne medemenschen ter slachting te zien leiden, ten einde een\' Romeinschen feestdag te vieren. Wreedheid op buitengewoon groote schaal was hunne manier om de vreugde van hun ijzeren hart te openbaren. Zie den mensch, die enkel voor zijn genot leeft! Hij heeft voorspoed gehad in zijne zaken, of er is iets in zijn huisgezin gebeurt, dat hem bijzondere voldoening schenkt, wat zal hij nu doen om zijne vreugde te kennen te geven? Zal hij in dankbaarheid de knie buigen, of een loflied aanheffen. Neen, hij zal eene drinkpartij aanleggen, en als hij en zijne makkers dan verdwaasd zijn door den wijn, dan zal zijne blijdschap hare uiting hebben gevonden. De zinnelijke toont zijne vreugde door zinnelijkheid. God nu, wiens naam goed, en wiens aard liefde is, uit zijne vreugde in genade en goedertierenheid. Des vaders vreugde in de gelijkenis, die wij heden overdenken, uit zich in de volle vergiffenis, die hij schenkt, in den kus der volmaakte liefde, in de gave van het

418

-ocr page 435-

ÖS ONTVANGST VAN ZONDAREN.

414

beste kleed, den ring en de schoenen, en in het blijde feest, dat het geheele huis niet heilige vroolijkheid vervulde. Alles uit zijne vreugde overeenkomstg zijne eigene natuur: de oneindige liefde zal hare blijdschap dus uiten in daden van liefde.

De natuur van God even ver verheven zijnde boven de onze als de hemel hooger is dan de aarde, is de uitdrukking zijner vreugde dus ook zoo veel te verhevener, en zijn zijne gaven zoo veel te grootor. Toch is er ook eenige overeenkomst tus-schen Gods wijze van zijne blijdschap te kennen te geven en de onze, en het zal nuttig zijn die overeenkomst op te merken. Hoe uiten wij ons gewoonlijk, als wij blijde zijn? Vrij algemeen door het betoonen van weldadigheid. Als in de oude tü-den onze koningen in Londen kwamen, of als eene groote overwinning gevierd moest worden, dan was de buis van de waterleiding in Cheapside (J) met rooden wijn gevuld. Dan werden er in de straten tafels aangericht, en de heeren van het stadsbestuur hielden open tafel, en iedereen kon zich aan spijs en drank verzadigen. Aan de blijdschap werd uiting gegeven door gastvrijheid. Gij hebt de schilderij gezien, die een\' jongen erfgenaam voorstelt, als hij meerderjarig wordt, en gij hebt opgemerkt, dat het groote voorplein van het kasteel gansch vol is van mannen en vrouwen, die naar hartelust eten en drinken. By gelegenheid van het Kerstfeest, bij een huwelijk, of bij het binnenhalen van den oogst geven de men-schen gewoonlijk uiting aan hunne vreugde door ruime gaven uit te deelen. Evenzoo betoont ook de vader in deze gelijkenis groote milddadigheid, en daarin stelt hij de grenzenlooze goedheid en milddadigheid voor van den grooten Vader der geesten, die zijne blijdschap over boetvaardigen toont door de wyze, waarop Hij hen onthaalt. Het beste kleed, de ring, de schoenen en het gemeste kalf, alsmede het „Laat ons eten en vroo-lijk zijnquot; het moet alles dienen, om aan te toonen, dat God verblijd is. Zijne ossen en gemeste beesten zijn geslacht, want het feestmaal der genade is het feestmaal Gods. Zóó ongeëvenaard zijn de gaven zijner milde hand, dat de ontvangers zijner gunsten vol verbazing uitriepen : „Wie is een Gud als Gij!quot; Geliefden, denk eens na over des Heeren goedheid jegens terug-keerende zondaars. Hij delgt hunne overtredingen uit als een wolk. Hij rechtvaardigt hen in de gerechtigheid van Christus; Hij begiftigt hen met den Heiligen Geest; Hij doet hen wederom geboren worden; Hij vertroost hen; Hij verlicht hen; Hij reinigt hen. Hij versterkt hen. Hij bestuurt hen, Hij beschermt hen; Hij vervult hen met zijne volheid; Hij verzadigt hun\' mond met het goede; Hij kroont hen met goedertierenheden

(1) Eene wijk in Londen.

-ocr page 436-

DE ONTVANGSt VAN ZONDAEilN.

en barmhartigheden. Ik zie in de overvloeiende milddadigheid Gods, waarmede Hu de tot Hem wederkeerende zondaren overlaadt, een krachtig bewüs, dat Hij zich met groote blijdschap verbMjdt over de verlossing der menschen.

In tyden va-n blijdschap betoonen de menschen meestal iéts bijzonders in hunne milddadigheid. Als de jonge erfgenaam meerderjarig wordt, dan zal het vat wijn, dat sedert lang bewaard werd, opgestoken worden, en de beste os wordt geheel gebraden. Zoo lezen wij ook hier in de gelijkenis : „Brengt hier voort het beste kleed,quot; waarmede te kennen gegeven wordt dat het voor dit heugelijk oogenblik bewaard was geworden! Niemand had dit kleed gedragen; het was weggeborgen, om slechts bij eene bijzondere gelegenheid voor den dag te \'worden gehaald. Dit was do gelukkigste dag, waardoor het huis ooit vervroolijkt was geworden, en daarom : „Brengt hier voort het beste kleed,quot; geen ander kan gebruikt worden. Er is vleesch noodig voor den maaltijd. Laat een kalf geslacht worden. Welk kalt ? Een kalf, dat zoo maar voetstoots van de kudde wordt genomen ? Neen, maar het gemeste, kalf, dat in de stallen gestaan heeft, goed doorvoed is, en voor eene feestelijke gelegenheid werd bewaard. O geliefden, als God een\' zondaar zegent, dan toont Hij zijne vreugde door hem de gereserveerde goedertierenheden te schenken, de bijzondere schatten van eeuwige liefde, de kostbare dingen der genade, het verborgene des ver-bonds; ja Hij heeft aan de zondaars het beste van het beste gegeven, toen Hij hun Jezus Christus gaf en de inwoning zijns Heiligen Geestes. Het beste, dat de hemel oplevert, schenkt God aan zondaren, als zij tot Hem komen. Geen afval, geene resten worden den hongerigen en dorstigen zoekenden gegeven, neen, in vorstelijke milddadigheid van onbekrompen liefde schenkt de hemelsche Vader zijne overvloedige genade. Ik wenschte wel, dat de zondaren wilden komen om de gastvrijheid mijns Heeren op de proef te stellen. Zij zouden zijne tafel nog lijkei beladen vinden dan die van Salomo, ofschoon dertig ossen en honderd schapen nog niet genoeg waren om in de behoeften van dien grooten vorst voor één dag te voorzien. Indien zij slechts komen wilden, dan zouden zelfs de ruimsten van hart onder hen verbaasd staan, als zij zien hoe rijkelijk God in hunne nooddruft heeft voorzien naar zyn\' rijkdom quot;in heerlijkheid door Christus Jezus.

Wij toonen ook onze vreugde door eene concentratie van gedachten op het voorwerp er van. Als iemand in eene vervoe-nng is van blijdschap, dan vergeet hij alle andere dingen, om zich met die eene oorzaak van blijdschap bezig te houden. David was zóó verheugd de ark des Hoeren weder te brengen dat hij met alle macht huppelde voor het aangezicht des Heeren, en met niets dan een\' linnen lijfrok was omgord. Hij

415

-ocr page 437-

De ontvangst van zondaren.

416

legde zijne staatsiekleederen af, en dacht zóó weinig aan zijne eigene waardigheid, dat Michal op hem smaalde. Hij was zóó geheel en al verdiept in de aanbidding zijns Heeren, dat hij zich om geen uiterlijken schijn meer bekommerde. Let nu op deze gelijkenis, en stelt u voor, dat gij den vader hoort zeggen; „Brengt hier voort het beste kleed, en doet het hem aan, en geeft een\' ring aan zijne hand, en schoenen aan de voeten, en laat ons eten en vroolijk zijn, want deze mijn zoon was dood, en is weder levend geworden.quot; De vader heeft alleen den zoon in het oog, en het geheele huis moet voor hem in beweging komen. Aan niets kan heden gedacht worden, dan aan den lang verloren zoon; hij is nommer een in de kleerkast, in de juweelenkamer, in de boerderij, in de keuken, in de eetzaal. Hij, die verloren was; hij, die dood was, gevonden en in leven zijnde, neemt den vader gansch en al in beslag. Zondaar, het is verwonderlijk, hoe God al zijne gedachten op u stelt, overeenkomstig zijne belofte: „Ik zal mijn oog op hen stellen ten goede,quot; (Jeremia XXIV: 6), en wederom: „Ik zal over hen waken, om te bouwen en te planten, spreekt de Heere.quot; De Heere denkt aan de armen en nooddruftigèn, zijne oogen zijn op hen, en zijne ooren zijn open voor hun geroep. Aan ieder berouwvol zondaar denkt Hij even veel, afsof hij het eenige wezen was in het heelal. O boetvaardige, voor u is de werking van des Heeren voorzienigheid om u te huis te brengen ; voor u de opleiding zijner dienstknechten, opdatzij uw hart zullen weten te be reiken voor u de gaven des Geestes over hen, opdat zij met macht kunnen spreken tot uwe conscientie; ja voor u heeft zijn Zoon, zijn eeuwige Zoon, eenmaal gebloed aan het kruis, en is thans gezeten in de hoogste hemelen om voor u te bidden. Ik bezocht te Amsterdam een diamantslijperij, en ik zag groote raderen, eene groote fabriek en machtige machinerieën, en al die kracht en macht werd te koste gelegd aan een steentje, niet grooter dan de nagel mijner pink. Al die enorme machinerieën voor dat steentje, omdat het zoo kostbaar is 1 Mij dunkt, ik zie u, arme onbeduidende zondaren, die tegen uwen God hebt gerebelleerd, teruggebracht naar het huis uws Vaders, en nu is het gansch heelal vol raderen, en al die raderen zijn in beweging u ten goede, ten einde een juweel van u te maken, geschikt om in des Verlossers kroon te worden gedragen. God wordt voorgesteld als van de schepping niet meer zeggende, dan dat zij „zeer goed was,quot; maar in het werk der genade wordt Hij voorgesteld als juichende van blijdschap. Hij verbreekt de eeuwige stilte en roept: „Mijn zoon is gevonden.quot; Gelijk de wijsgeer, toen hij de natuur gedwongen had hem haar geheim af te staan, door de straten liep, roepende : „Eureka ! Eureka! Ik heb het gevonden! ik heb het gevonden !quot; zoo verwijlt ook de Vader bij dat woord „Mijn zoon

-ocr page 438-

DË ONTVANGST VAN ZONÖARËK.

was dood, en is weder levend beworden; en hij was verloren, en is gevonden.quot; De gansche Schrift heeft de wederbrenging van des Heeren ballingen op het oog. Daarvoor verlaat de Verlosser zijne heerlijkheid; daarvoor keert de Kerk haar huis met bezemen en ontsteekt zij hare kaars; en als het werk geschied is, dan is alle andere blijdsciiap ondergeschikt bü deal-les overtreffende blijdschap des Heeren, waarin Hij wil dat zyne verlosten zullen deelen, zeggende: „Gaat in, in de vreugde uw Heeren.quot;

Wij toonen ook onze vreugde door opgeivektheid van beweging. Ik heb zoo even van David gesproken; het was zoo bij hem, hij huppelde voor de ark. Ik kan mij niet voorstellen, dat David met langzamen tred voor de ark had geloopen, of haar als een rouwdragende bij eene begrafenis gevolgd ware. Ik heb dikwijls het verschil opgemerkt tusschen uwe wijze van opgaan tot dit bedehuis, en die van andere menschen, die elders ter kerke gaan. In schier ieder ander zie ik eene zeer plechtige, statige beweging, die bijna aan het sombere grenst; maar gij spoedt u vröolijk voorwaarts, als of gij blijde zijt naar liet huis des Heeren te gaan. Gij beschouwt de plaats onzer vreugdevolle bijeenkomsten niet alsof het eene soort van godsdienstige gevangenis was, maar als het paleis en de feestzaal desgroo-ten Konings. Als iemand blijde is, dan zal hij dit meest altijd toonen door eene vroolijke snelheid van beweging. Hoort dén vader, als hij zegt; „Brengt hier voort het beste kleed, en doet het hem aan, en geeft een\' ring aan zijne hand, en schoenen aan de voeten; en brengt het gemeste kalf, en slacht het; en laat ons eten en vroolijk zijn,quot; Zoo snel mogelijk spreekt hij volzin na volzin uit. Er is geen oponthoud, geene tusschenpoos tusschen de bevelen. Zou hij niet hebben kunnen zoggen: „Brengt het beste kleed en doet het hem aan, en laten wij hem voor eene wijle beschouwen, en nederzitten om hem eerst op het nu volgende voor te bereiden; en over een uur, of wellicht morgen, zullea wij een\' ring aan zijne hand doen. Voor het oogenblik is het ook maar beter hem geene schoenen te geven, want zoo hij ze had, zou hij misschien weer wegloopen. En wat aangaat een\' feestmaaltijd, wij zouden wellicht beter doen met dit vreugdebetoon te wachten, totdat wij zien, dat zijn berouw echt is.quot; Neen, neen, neen ! des vaders hart is te-zeer verblijd; hij moet zijn\' zoon terstond den vollen zegen schenken, zijne gunsten ophoopen, als het ware, en zijne teekenen der liefde vermenigvuldigen. Als de Heere een\' zondaar ontvangt, dan loopt Hjj toe hem te gemoet; Hl; valt om zijn\' hals en kust hem, en spreekt tot hem, en vergeeft hem, en rechtvaardigt hem, en heiligt hem, en stelt hem onder zijne kinderen, en opent hem zijne schatkameren, en dat alles in snelle opeenvolging. Binnen weinige minuten is hij gereinigd

41?

27

-ocr page 439-

DE ONTVANGST VAN ZONDAREN.

van zijne zonde; is hij gekleed en versierd; is hij geschoeid tot arbeid en dienen. De liefde des harten van onzen Verlosser deed Hem tot den moordenaar aan het kruis zeggen; „Heden zult gij met mij in het paradijs zün.quot; Hij wilde hem niet in folterende pijn aan het kruis laten verwalen, maar voerde hem in een paar uren tijds naar het paradijs. Liefde en blijdschap zijn altijd snelvoetig. God is traag tot toorn, maar Hij is zóó overvloedig in genade, dat zijne goedertierenheid overvloeit en voortsnelt als een bergstroom, die zich in de diepte stort.

En wederom: de blijdschap des vaders openbaarde zich gelijk ook de onze dikwijls wordt geopenbaard, namelijk door openlijke mededeeling. Iemand, die blijde is kan moeielijk stilzwijgen. Wat kunnen stommen doen als zij verheugd zijn?Ik kan mij niet begrijpen hoe zij het in zulke oogenblikken kunnen dragen stil te zijn; juist dan moet dit een groot ongeluk voor hen wezen. Als gij zeer gelukkig zijt, is het u eene be; hoefte dit aan iemand te zeggen. Zoo doet ook deze vader. Hij uit zijne blijdschap, en wel op zeer eenvoudige wijze. „Mijn zoon was dood, en is weder levend geworden; en hij was ver loren en is gevonden.quot; Maar hoe eenvoudig dit ook is, toch is er poëzie in. De poëzie der Hebreën bestond in paralellisme, of eene herhaling van den zin, of van een deel der woorden. Hier zijn twee regels, die zich paren, en alzoo een vers van Hebreeuwsche poëzie vormen. Als de menschen blijde zijn, en zij spreken op natuurlijke, eenvoudige wijze, dan zeggen zij wat zy zeggen moeten, en wel op de beste manier, de poëzie der natuur gebruikende, gelijk de vader dit hier doet. Merk ook op de herhaling zijner denkbeelden. Hij zou zich hebben kunnen vergenoegen met te zeggen: „Deze mijn zoon was dood, en is weder levend geworden.quot; Maar neen, dit feit is hem zoo liefelijk, dat hy het nog eens moet uitspreken: „Hij was vei--loren, en is gevonden.quot; Evenzoo spreken wij, als wij zeer vol zijn van eene liefelijke tevredenheid. Het hart „geeft een goede rede opquot;, telkens en nogmaals moeten wij onze blijdschap uitspreken. Wij kunnen het niet laten. Evenzoo verheugt zich de Heere over zondaren, en Hij spreekt in de Heilige Schrift zijne blijdschap uit in allerlei vormen en beelden; en ofschoon die Schriften eenvoudig zijn van stijl, bevatten zij toch het wezen zelf der poëzie. De barden van den Bijbel nemen de eerste plaats in onder de kinderen van het lied, daar God zelf zich verwaardigt zijne blijdschap te uiten in poëzie, wijl het proza er te koud en te eentonig voor zou zijn. Hoor, hoe Hij dit uitdrukt: „Gelijk de bruidegom vroolijk is over de bruid, alzoo zal uw God over u vroolijk zijn.quot; „Ik zal mij verheugen over Jeruzalem, en vroolijk zijn over mijn volk.quot; Wij zouden omtrent die blijdschap van God onwetend hebben kun-

418

-ocr page 440-

ï)e oiïtvakgsï van zonbaren.

nen blijven; er zou ons koud en koel zu\'n kunnen medegedeeld, dat God zondaren verlost en behoudt, zonder dat wij ooit te weten kwamen, dat Hij daar zulk eene blijdschap in vond; maar de goddely\'ke blijdschap was te groot om verborgen te blijven; Hij moet aan het gansch heelal bekend makenj welk eene verlustiging Hij er in vindt om genade te betoonen. Het betaamde, dat Hij blijde en vroolijk zou zijn, en daarom was Hij het ook, want niets, dat betamelijk is, zal ooit door den Heere onzen God nagelaten of veronachtzaamd worden.

Aldus, mijne vrienden, heb ik in zwakheid gesproken van de blijdschap van God, en ik wensch u te doen opmerken, dat het eene blijdschap is, waarin door iedere eigenschap van God wordt gedeeld. De nederbuigendheid ging den zoon te ge-moet; de liefde viel hem om zijn\' hals, de genade kuste hem, de wijsheid kleedde hem, de waarheid gaf hem den ring, de vrede schoeide hem, de wijsheid voorzag in het benoodigde voor het feest, de macht bereidde het. Geene enkele eigenschap der goddelijke natuur is in strijd met de vergeving en de zaligheid des zondaars; geene enkele eigenschap houdt Hem terug van dit geliefkoosd werk. Kracht versterkt de zwakken, en goedertierenheid verbindt de gewonden. De gerechtigheid ziet met welgevallen op den gerechtvaardigden zondaar, want zij heeft voldoening erlangd door het bloed der verzoening; en de waarheid strekt hare hand uit tot waarborg, dat de belofte dei-genade vervuld is. De onveranderlijkheid bevestigt hetgeen geschied is, en de alwetendheid ziet toe, dat niets ongedaan is gebleven. Geheel de Godheid arbeidt voor een\' armen worm in het stof, om hem op te heften en te veranderen in een\' erfgenaam Gods en mede-erfgenaam van den Eengeborene. De blijdschap Gods is in geheel zijn wezen, zoodat wij, er aan denkende, wel mo-jen zeggen; „Loof den Heere, mijne ziel! en al wat binnen in my is, zijn\' heiligen naamquot;, daar al wat binnen in Hem is aangewend wordt om zijne heiligen te zegenen.

Deze blijdschap des Heeren moest aan ieder zondaar groot vertrouwen geven om door Jezus Christus tot God te komen; want zoo gij blijde zijt verlost te worden. Hij is blijde u te verlossen. Indien gij verlangt uw hoofd aan uw Vaders borst te leggen, uws Vaders borst verlangt dat gij uw hoofd eraan te ruste zult leggen. Indien gij er naar smacht te zeggen: „Ik heb gezondigdquot;, Hij verlangt even sterk om door daden van liefde tot u te zeggen: „Ik vergeef u gaarne en volkomen. Indien gij er naar smacht wederom zijn eigen kind te zijn in zijn eigen huis, de deur is open, en Hij zelf ziet naar u uit. Kom, en wees welkom, draal niet langer.

II. Thans moet ik spreken over de blijdschap van den zondaar. De zoon was blijde. Hij heeft dit, voor zoo veel ik

419

-ocr page 441-

420 DK ONÏVAKGST VAN ZONDABEN.

zien kan, in de gelijkenis niet door woorden uitgedrukt, maar hij heeft ze er niet minder om gevoeld. Integendeel! Soms is stilzwijgen bescheiden, en dat was hier het geval; en op een ander maal zijt gij tot zwijgen genoodzaakt, omdat gij niet in staat zijt uwe gewaarwording in woorden uit te drukken, en ook dit was zoo bij den verloren zoon. Het hart des zoons ■ was te vol om zich in M\'oorden te uiten, maar zijne oogen, zijn gelaat spraken, als hij dien geliefden vader aanzag. Toen hij hem het kleed, den ring en de schoenen liet aandoen, moet hij te verbaasd zijn geweest om te kunnen spreken. IIij weende stroomen van tranen op dien dag; maar die tranen waren niet zout gemaakt door smart; het waren zoete tranen, glinsterende als dauwdroppen in den morgen. Wat was het, dat den zoon verblijd heeft? Ach! het was des vaders liefde, des vaders vergeving, zijne wederherstelling in zijne oude plaatsin des vaders hart. Dat was het groote punt. Maar voorts was elke gave een teeken van die liefde, en deed zijne blijdschap overvloeien. Daar was het kleed, dat hem werd aangedaan — het gewaad eens zoons, geliefd en aangenomen. Hebt gij wel opgemerkt hoe dat kleed een antwoord was op zijne belijdenis? De zinsneden slaan in dier voege op elkander: „Vader ik heb gezondigdquot;; — ,,Brengt hier voort het beste kleed, en doet het hem aan.quot; Bedekt alle zijne zonden met Christus\'gerechtigheid; doet weg zijne zonde door hem de gerechtigheid toe te rekenen van den Heere Jezus. Het kleed beantwoordde ook aan zijn\' toestand. Hij was in lompen gehuld, en daarom: „Brengt hier voort het beste kleed, en doet het hem aanquot;, en gij zult van zijne lompen niets meer bespeuren. Het was voegzaam, dat hij aldus gekleed werd ten teeken van wederherstelling. Hij, die opnieuw begiftigd is met de voorrechten van een\' zoon, moet niet armoedig gekleed zijn; hij moet de kleederen dragen, die passen aan zijn\' rang en stand. En behalve dat; daar er een feestmaaltijd zou plaats hebben, moest hij ook een feestkleed dragen. Het zou niet betamelijk voor hem zijn in lompen gekleed aan een feestmaal aan te zitten. Doet hem het beste kleed aan, opdat hij gereed zij zijne plaats aan tafel in te nemen. En als de boetvaardige tot God komt, dan wordt hij niet slechts ten opzichte van het veiiedene bedekt door de gerechtigheid van Christus; hij wordt ook toebereid voor de toekomstige zaligheid, die weggelegd is voor de begenadigden, ja hij is geschikt gemaakt om zich terstond te verblijden.

En toen kwam de ring, een artikel van woelde veeleer dan van behoefte, behalve in zoo ver, dat hij, nu wederom een zoon zijnde, ook in al de eer hersteld moest worden, die dit zoonschap medebracht. In vroegere tijden gaf de zegelring groote voorrechten. In die dagen teekende men niet zijn\'naam, maar drukte men een zegel af in was, zoodat de ring iemand

-ocr page 442-

DE ONTVANGST VAN ZONDAREN.

macht gaf over eigendommen, en hem. als het ware tot een tweede ik maakte van den man, wiens ring hij droeg. De vader geeft den zoon een\' ring, en hoe volkomen een antwoord was die gave op eene andere zinsnede zijner belijdenis. Laat mij die twee zinsneden te zamen lezen. „Ik ben niet moer waardig uw zoon genaamd te worden.quot; „Geeft een\' ring aan zijne hand.quot; Die gave slaat volkomen op deze belijdenis. Ook paste zij volkomen bij zijn\' veranderden toestand. Hoe vreemd, dat dezelfde hand, die de zwijnen gevoed had, nu een\' ring zou dragen! Er waren geene ringen aan zijne handen, toen zij bezoedeld waren door den trog; doch nu is hij geen zwijnenhoeder meer, maar een geöerde zoon van een rijk vader. Slaven dragen geene ringen. Juvenalis lacht om zekere vrijge-maakten, omdat men hen op den Via Sacra op en neer zag wandelen met schitterende ringen aan de vingers, de zinnebeelden hunner pas verkregene vrijheid. Die ring duidde des boetvaardigen vrijmaking aan van de slavernij der zonde, en zijn genieten van alle voorrechten van het huis zijns Vaders. O geliefden, de Heere zal u verblijden, zoo gij tot Hem komt, door het zegel op u te plaatsen van de inwoning des Heiligen Geestes in u, hetgeen beide het onderpand is der erfenis, en het kostelijkste sieraad aan de hand van uw practisch karakter. Gij zult een onmiskenbaar en eervol teeken bekomen, en gij zult weten, dat alles het uwe is, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen. Deze ring aan uwen vinger zal uwe hu-welijksvereeniging bekend maken met Christus, zal van de eeuwige liefde gewagen, die de Vader op u gevestigd heeft, zal het blijvend onderpand zijn van het volkomen werk des Heiligen Geestes.

En zij hebben ook schoenen gedaan aan zijne voeten. Ik denk, dat hij de zijnen versleten had. In het Oosten droegen dienstknechten, als zij van huis waren, gewoonlijk geene schoenen, en vooral niet in de beste vertrekken van het huis. De heer des huizes en zijn zoon dragen sandalen, maar niet de dienstknechten, zoodat deze order een antwoord was op het laatste deel van des boetvaardigen bede: „Maak mij alséénen van uwe huurlingen.quot; „Neen,quot; zegt de vader, „geeft schoenen aan de voeten.quot; Bij den begenadigden zondaar is de eerbied, het ontzag, waardoor hij de schoenen zou uittrekken van zijne voeten, overtroffen door de gemeenzaamheid, waardoor hij de schoenen draagt, die de oneindige liefde voor hem bereid heeft. De begenadigde moet niet langer sidderen bij den berg Sinai, hij moet komen tot den berg Sion, en gemeenzamen omgang-hebben met God. Aldus was deze in gunst herstelde geschooid tot kinderlijk dienstbetoon — hij kan heenloopen om zijns vaders boodschappen te verrichten, of om te arbeiden op zijns vaders veld. Hij had nu alles wat hij noodig had of kon verlangen

421

-ocr page 443-

de ontvangst van zondaren.

— het kleed dat hem bedekte, den ring, die hem versierde, en de schoenen, die hem tot reizen en arbeiden in staat stelden.

Welaan, gij ontwaakten en bekommerden, die verlangt tot God te naderen, ik wenschte wel, dat deze beschrijving van de vreugde van den verloren zoon, u er toe bracht om terstond tot Hem te komen. Komt, o gij naakten, en Hij zal zeggen: „Brengt hier voort het beste kleed.quot; Komt, gij die uwe natuurlijke mismaaktheid van wege de zonde hebt beginnen in te zien, en Hij zal u versieren met een\' ring der schoonheid. Komt, gij, die gevoelt, dat gij niet komen kunt, wijl gij bloedende, vermoeide voeten hebt, en Hij zal u schoeien met de zilveren sandalen zijner genade. Alleenlijk komt, en gij zult zulk eene blijdschap in uw hart hebben, als waaraan gij nooit hebt gedacht. Er zal een hemel geboren zijn in uw gemoed, die zal wassen en toenemen, totdat de volheid der gelukzaligheid bereikt is.

III. En nu moeten wij verwijlen bij de blijdschap der dienstknechten. Zij moesten vroolijk zijn, en zij waren ook vroolijk, want de muziek en dans, die buiten gehoord werden, konden niet van één enkel persoon komen; er moeten velen geweest zijn, die er aan deel namen, en wie waren dit? Wie anders dan de dienstknechten, aan wie de vader zijne bevelen gaf. Zjj aten en dronken; zij dansten en stemden in met de muziek. Er zijn velen van ons hier, die de dienstknechten zijn van onzen hemelschen Vader; ofschoon wij zijne kinderen zijn, is het ons eene zielsverlustiging ook zijne dienstknechten te wezen. Welnu, telkenmale als een zondaar zalig gemaakt is, hebben wij ons deel aan de blijdschap. Wij verheugen ons ten eerste in de blijdschap des Vaders. Zij waren zoo blijde omdat hun heer blijde was — aan goede dienstknechten doet het immer genoegen, als zij zien, dat hun meester een groote voldoening smaakt; en ik houd er mij van overtuigd, dat de dienstknechten des Heeren altijd groote blijdschap smaken, als zij weten en gevoelen, dat hun Heere verheugd is. De dienstknecht, die tot den oudsten broeder naar buiten ging, toonde door hetgeen hij zeide, dat hij sympathie had met den vader, want hy bepleitte de zaak bij dien zoon. En als gij in sympathie zijt met God, mijn waarde broeder of zuster, zoo de Heere u arme zondaren toont, die behouden zyn, dan moet gij u, en dan zult gij u ook met Hem verblijden. Dat zal u beter zijn dan een zak vol goud te vinden, of groote winsten te behalen in uwe zaken\'; ja niets ter wereld kan u meer vermaak geven, dan een uwer broeders of een uwer kinderen zich te zien verblijden in God. Eene moeder heeft eens zoo schoon gezegd: „Ik herinner mij de nieuwe, wondervolle gewaarwordingen, die mijne ziel vervulden, toen ik hem voor het eerst

422

-ocr page 444-

DE ONTVANGST VAN ZONDAREN.

als klein kind aan het hart drukte — hem, mijn eerstgeborene. De aandoening van dat oogenblik ligt mij nog bij, maar toen hij wedergeboren was, toen ik hem als „een nieuw schepsel in Christus Jezusquot;, als mijn geestelijk kind in de armen sloot, als mijn zoon ir. het Evangelie, begenadigd, gerechtvaardigd, aangenomen, verlost, voor eeuwig zalig gemaakt! O toen was er eene diepte van vreugde, eene vreugde, die onuitsprekelijk is! Mijn kind was een kind Gods. De gebeden, die aan zijne geboorte voorafgingen, die hem in zijne kindsheid hebben gewiegd, die hem hebben omringd in zijne jeugd, waren verhoord. Mijn zoon was het eigendom van Christus. Het moeizame waken, het smachtend verlangen, de sidderende hope van lange jaren, dat alles was nu tot rust gekomen. Onze eerstgeboren zoon was nu openlijk desHeeren eigendom.quot; Mocht iedere vader en moeder, hier tegenwoordig zulke blijdschap smaken door mede te gevoelen met God.

Maar zij hadden ook sympathie met den zoon. Ik houd er mij van verzekerd, dat zij blijde waren hem terug te zien, want zelfs slechte zonen worden dikwijls door goede dienstknechten bemind. Als jonge lieden weggaan, en een groot verdriet worden voor hun\' vader, dan gebeurt het niet zelden, dat de dienstknechten hen blijven aanhangen. „Wel,quot; zullen zij zeggen, „de jonkman was zeer onbezonnen, en hij hoeft zijn\' vader veel smart veroorzaakt, maar ik zou toch blijde zijn hem terug te zien komen.quot; Dit is inzonderheid het geval met oude dienstknechten, die reeds in huis waren, toen de jongeling werd geboren. Zij vergeten hem niet. En gij zult bevinden, dat Gods oude dienstknechten altijd blijde zijn, als zij verloren zonen of dochteren terug zien komen. Dat doet hun onuitsprekelijk veel genoegen, omdat zij hen met dat al, en in weerwil hunner afdwalingen, toch liefhebben. Zondaar, niettegenstaande al uwe fouten, en al uwe hardheid van hart, hebben wij u toch lief, en wij zouden ons om uwentwil verblijden u verlost te zien van het eeuwig verderf en van den toorn Gods, die thans op u blijft, en er u toe gebracht te zien dat gij u verheugt in de vergeving uwer zonde, en in uwe aanneming in den Geliefde.

Wij zouden ons verblijden om den wille der zondaren; maar ik denk, dat de dienstknechten zich het meest verblijden, ah zij in de hand des vaders het mi ldel waren om den zoon te zegenen. Denkt hier eene wijle over na. De vader zeide tot de dienstknechten: „Brengt hier voort het beste kleed.quot; Hij zou zelf naar de kleerkast hebben kunnen gaan en haar met den sleutel openen, om zelf het bes^e kleed te halen; maar hij gaf hun het genoegen dit te doen. Als ik aan den morgen van don dag des Heeren van mijn\' Heere en Meester mij no orders ontvang om het beste kleed hier voort te brengen, dan is mij

4\'23

-ocr page 445-

DE ONTVANGST VAN ZONDAREN.

dit eene ware zielsverlustiging. Ik ken geen grooter genot dan de toegerekende gerechtigheid van Jezus Christus, en het plaatsbekleedend offer van onzen verhoogden Verlosser te prediken. „Brengt hier voort het beste kleed.quot; O mijn Meester, ik zou tevreden kunnen zijn om altijd buiten den hemel te blijven, indien Gij mij altijd dit werk te doen geeft — het beste kleed voort te brengen, en den Heere Jezus Christus voor de oogen des volks te prijzen en te verheerlijken. Toen zeide hij: „Doet het hem aan.quot; Als de Heere ons genade geeft om dat te doen, dan is er nog grooter vreugde. Hoe menigmaal heb ik het beste kleed Imr voortgebracht, zonder het u te kunnen aandoen. Ik heb het u getoond, ik heb er u de de voortreffelijkheid van aangewezen, en het vergeleken bij uwe lompen; en ik heb gezegd hoe heerlijk het zou wezen, zoo ik het u kon aandoen, maar ik kon niet. Doch als de hemelsche Vader door zijne goddelijke genade en de kracht des Geestes ons tot middel gebruikt om deze schatten in het bezit van arme zondaren te brengen, o welk eene blijdschap is dit dan! Ik zou mij verheugen den ring voort te brengen van het bezegelende werk des Heiligen Geestes, en de schoenen der bereidheid van het Evangelie des vredes, want het is eene groote vreugde die zegeningen ten toon te spreiden, en eene nog grooter vreugde om ze den armen afgedwaalde aan te doen. God zij er voor gedankt, dat Hij zijnen dienstknechten zoo groot een genot verschaft! Ik zou niet hebben durven zeggen, dat des Heeren dienstknechten clen zondaar het kleed, den ring en de schoenen aandoen, maar daar Hij het zelf gezegd heeft, verheugt het mij, dat ik de eigene taal des Heiligen Geestes kan gebruiken.

Hoe liefelijk was dit bevel: „Doet het hem aan.quot; Ja doet het den armen, haveloozen, sidderenden zondaar aan; „doet het hem aanquot;, hem, schoon wij zulk eene goedheid nauwelijks kunnen gelooven. „Doet het hem aan!quot; Hem? Ja, hem. Hem, die een dronkaard was, een vloeker, een echtbreker? Ja, doet het hem aan, want hij heeft berouw. Wat blijdschap is er, als wij door Gods opdracht in staat gesteld worden, dien heerlijken mantel over een\' grooten zondaar fe werpen. En wat den ring betreft, doet hem aan zijn\' vinger, dat is er de schoonheid van. En de schoenen, doet ze hem aan; dat zij voor hem zijn is het wezen onzer blijdschap — dat zulk een zondaar, inzonderheid wanneer hij tot ons eigen huisgezin behoort, deze gaven der genade zou ontvangen, dat is wondervol! Het was ten uiterste vriendelijk van den vader, dat hij den arbeid dei-liefde verdeeld heeft. De een moest hem het kleed aandoen, een ander den ring, een derde de schoenen. Sommigen van mijne broeders kunnen Jezus Christus in zijne gerechtigheid op heerlijke wijze verkondigen, en zij doen het beste kleed aan. Anderen hebben meer gaven om te verwijlen bij het werk

m

-ocr page 446-

DE ONTVANGST VAN ZONDAREN.

van Gods Geest, en zij doen den ring aan; terwijl wederom, anderen practische godgeleerden zijn, en dezen doen de schoenen aan des zondaars voeten. Er is mij niets aan gelegen wat ik te doen heb, zoo ik er slechts deel aan mag hebben om aan arme zondaren deze onschatbare gaven der genade te brengen, die de Heere met ontzettend groote kosten bereid heeft voor hen, die tot Hem wederkeeren. Hoe verblijd zij geweest zijn, die hem hielpen kleeden, vermag ik niet te zeggen. Intusschen was een andere dienstknecht uitgegaan om het gemeste kalf te halen; en een paar anderen gingen het slachten en toebereiden, terwijl nog een ander het vuur in de keuken ontstak om het te braden. De een richtte de tafel aan, een ander ging naar den hof om bloemen te halen, om kransen te maken voor de eetzaal — ik denk, dat ik dit gedaan zou hebben, indien ik daar geweest ware. Allen waren gelukkig. Allen bereid oin deel te nemen in muziek en dans. Zij, die arbeiden aan het welzijn van zondaren, zijn altijd het meest verheugd, als zij verlost zijn. Gij, die voor hen bidt; gij, die hen onderwijst; gij, die voor hen predikt; gij, die hen wint voor Christus; gij allen zult deelen in de blijdschap en in de feestvreugde.

Waarde broeders, er wordt ons gezegd, dat zij begonnen vroolijk te zijnquot;, en volgens de beschrijving moeten zü ook wel waarlijk vroolijk geweest zijn; maar toch! zij „begonnenquot; slechts. Ik zie geene aanduiding, dat zij er ook mede geëindigd zijn. „Zij begonnen vroolijk te zijnquot;, en daar vroolijkheid, als zij eens begonnen is, allicht de grenzen te buiten kan gaan, wie weet, waartoe zij thans al gekomen zijn. De heiligen beginnen thans vroolijk te zijn, en z:j zullen er nooit mede ophouden, maar zich immer verblijden Al de vreugde, die wij op aarde hebben, is slechts een beginnen vroolijk te zijn; het is slechts in den hemel, dat die blijdschap gansch en al kan genoten worden. Onze kostelijkste verlustiging op aarde is nauwelijks meer dan laag water bij eb; maar daar zal het springvloed wezen.

Laat ons heden morgen beginnen vroolijk te zijn. Maar dat kunnen wij niet tenzij wij op alle mogelijke icijze arbeiden aan het heil van anderen. Indien w ij dit gedaan hebben en nog doen, zoo laat ons den Heere loven en prijzen en ons verblijden met de wedergebrachten van de dwaalwegen der zonde, en laat ons het feest vieren, zooals Jezus het zou gevierd hebben; want ik hoop, dat hier geen oudste broeder is, die toornig is eu weigert binnen te gaan. Laat ons voortgaan met vroolijk te zijn zoolang als wij leven, omdat da verlorenen gevonden, en cle dooden weder levend geworden zijn. God geve u hierom vrooüjk te zijn tot in eeuwigheid. Amen.

425

-ocr page 447-

RENTMEESTERS-

(EENE LEERREJJE TEN BEHOEVE VAN DE ZONDAGSSCHOOL-VUREENIGING.)

..Geef rekenschap van uw rentmeesterschap.quot; Lucas XVI: 2.

quot;Wij hebben dikwijls in ons leven gehoord, dat wij allen rentmeesters zijn van den Almachtigen God. Wij houden het voor eene groote en gewichtige waarheid van onzen godsdienst, dat de rijke verantwoordelijk is voor het gebruik, dat hij van zijn\' rijkdom maakt; dat de mensch, die begaafd is met talenten, rekenschap aan God zal hebben te geven van de rente, waarop hij zijne talenten heeft uitgezet; dat een iegelijk van ons, in verhouding van den tijd en de gelegenheden, die ter onzer beschikking zijn gesteld, rekenschap van zich zeiven heeft af te leggen voor den Almachtigen God. Doch waarde broeders en zusters, onze verantwoordelijkheid is nog grooter dan die van andere menschen. Wij dragen de verantwoordelijkheid, die het deel is van alle belijders van den godsdienst, en waardoor wij van alles aan God rekenschap moeten geven; maar behalve dat hebben gij en ik nog de buitengewone verantwoordelijkheid van ons ambt — gij, als leeraars voor Christus in u.ve scholen, en anderen van ons als predikers, die optreden voor de gemeente. De eerste verantwoordelijkheid is te zwaar voor eenigen mensch om haar te kunnen dragen. Zonder de go kle-lijke genade is liet onmogelijk, dat eenig mensch alles, wat God hem gegeven heeft, zóó gebruikt, dat hij ten laatste het „wel, gij goede en getrouwe dienstknechtquot; kan hooren. Doch zelfs al ware dit mogelijk, dan zou het ons toch nog volkomen onmogelijk zijn het ontzettend gewicht van verantwoordelijkheid te dragen, dat op ons rust als leeraren des Woords van God tot onsterfelijke zielen. Op onze schouders zijn twee jukken gelegd. De vrijmachtige genade Gods kan ze licht en gemakkelijk maken, maar zonder die genade zouden zij onze schouders doen krommen, want in zich zei ven zijn zij voor ons veel te zwaar om te dragen. De gewone verantwoordelijk-

-ocr page 448-

rentmeesters.

heid is als Salomo\'s roeden; maar de buitengewone verantwoordelijkheid, die ontleend is aan ons officieel ambt, zal, als er niet nauwlettend acht op wordt geslagen, als de schorpioen zijn van Eehabeam; haar kleinste vinger zal dikker zijn dan baars vaders lenden. Wee dan den wachter, die hen niet waarschuwt; wee den leeraar, die de waarheid niet onderwijst; wee den zondagschoolonderwijzer, die ontrouw is aan zline roeping. Zoo laat ons dan nu trachten elkander op te wekken met betrekking tot deze zoo gewichtige zaak. Gij zult voor mij bidden terwijl ik voor u predik, dat God mij woorden en gedachten zal geven, die allen tot zegen zijn, die mij heden hooren.

Laat mij nu in de eerste plaats aantoonen wat e?- de hetee-kenis van is, dat wij rentmeesters zijn; laat ons daarna zien wat soort van rekenschap wij zullen hebben te geven; en laat ons eindelijk letten op den tijd en de gelegenheden, ivanneer tuj onze rekening behooren op te maken, en den tijd wanneer wij rekening en vei antwoording zullen moeten doen.

I. Ten eerste dan. de rentmeester. — wat is hij ?

De rentmeester is in de eerste plaats een dienstknecht. Hij is een der voornaamste dienstknechten, maar hij is niet meer dan een dienstknecht. Hij is wellicht de rentmeester van eene hofstede en moet als zoodanig alles nagaan. Hij gaat te paard over de bezitting zijns meesters, en heeft menschen, die onder zijne bevelen staan; maar toch is hij slechts een dienstknecht, hij bevindt zich onder het gezag van iemand anders, hij is slechts rentmeester. Of wellicht is hij rentmeester in het liuis van een rijk heer, die hem in dienst heeft genomen om het opzicht te houden over geheel zijn huis, ten einde zelf van de zorg af te wezen. In die hoedanigheid is hij zelf eenigszins meester, maar toch is hij ook dienstknecht, want hij is aan iemand ondergeschikt. Hij mag zoo trotsch wezen als hij wil, maaibij beeft inderdaad weinig om trotsch op te zijn, want de eenige rang, dien hij in de maatschappij bekleedt, is die van dienstknecht. Nu behooren de leeraar en de zondagschoolonderwijzer zeer bijzonder tot den stand van dienstknechten. Niemand van ons is meester. Wij zijn geene onafhankelijke heeren, die mogen doen wat wij willen. Onze klassen zijn niet onze akkers, die wij mogen bewerken naar het ons lust, of mogen braak laten liggen, als het ons gevalt; die wy, naar bet ons goeddunkt, al of niet een\'oogst kunnen laten opleveren. Neen, wij zijn niet meer dan rentmeesters, en wij moeten arbeiden voor onzen Meester in den hemel. Wat vreemde zaak is het, als een leeraar of onderwijzer zich houdt alsof hij over ieder te zeggen bad en mocht doen wat hij wil. Is dit niet in strijd met eiken regel? Hoe kan hij spreken, over de ofters, die hij brengt, als hy toch slechts zijns meesters geld

427

-ocr page 449-

RENTMEESTERS.

uitgeeft? Hoe kan hij snoevend spreken van den tijd, dien hij besteedt, als die tijd hem niet toebehooit. Hij behoort gansch en al aan zijn\' Meester. Hij is een dienstknecht, en ivat hij dus moge doen, hij volbrengt slechts den plicht, waarvoor hij rijkelijk wordt beloond. Hij heeft geene reden om hoogmoedig te zijn, of om over anderen te willen heerschen, want welke macht of gezag hij ook over hen uitoefent, toch is hij zelf niet meer of minder dan een dienstknecht. Laat een iegelijk van ons, zich trachten te herinneren, „Ik ben slechts een dienstknecht.quot; Indien het hoofd eener zondagsschool aan eene onderwijzeres eene klasse aanwijst, die zij niet gaarne heeft, zoo laat haar bedenken, dat zij^ eene dienst-maucjd is. Zij laat hare dienstboden in haar eigen huis niet toe, op te staan en te zeggen, dat zij geen werk in de keuken zal doen, daar zij voortaan alleen maar aan tafel wil bedienen. Zij zijn dienstmaagden en moeten doen wat haar gezegd wordt. En indien wij beseften, dat wij dienstknechten zijn, dan zouden wij er niet op legen hebben om Christus wil te doen wat ons gezegd wordt; al zouden wij het ook niet; doen op bevel van menschen, maar om Christus wil doen wij het den Heere. Wij denken niet, dat onze dienstboden des avonds bij ons zullen komen, verwachtende dat wij tot hen zullen zeggen ; „Gij hebt heden uw werk goed gedaan.quot; Wij stellen ons niet voor, dat zij altijd door ons geprezen willen worden. Zij zijn dienstboden, en als zij hun loon krijgen, dan is dit de lofspraak op hun werk. Zij kunnen tot de gevolgtrekking komen dat zij hun geld waard zijn. want anders zouden wij hen niet houden. Als gij uw werk voor den Heere Je-zns doet, zoo herinner u, dat gij slechts een dienstknecht zijt. Verwacht niet altijd die aanmoediging te zullen vinden, waarom sommige menschen voortdurend roepen. Indien gij aanmoediging ontvangt van uwen leeraar, van andere onderwijzers, van uwe vrienden, wees er dankbaar voor; maar zoo gij haar nieu ontvangt, ga dan toch voort met uw werk. Gij zijt een dienstknecht,quot; en als gij uwen loon ontvangt, die uit genade is, en niet iets dat u verschuldigd is, dan zult gij den boogsten lof hebben, die over u uitgesproken kan worden, de goedkeuring uws Heeren en de eeuwige heerlijkheid met Hem, wiens gij zijt, en wien gij wenscht te dienen.

Evenwel: de rentmeester is wel een dienstknecht, maar hr is ook em gelord dienstknecht. Aan de andere dienstknechten voegt het niet hem te zeggen, dat hij slechts een dienstknecht is. Hij zal dat niet dragen. Hij weet het, hij gevoelt het; hij begeert als zoodanig te handelen en te arbeiden; maar hij is ter zelfder tijd een geëerd dienstknecht. Welnu, zij die Christus dienen in het ambt van onderwijzer, zijn eervolle mannen en vrouwen. Ik herinner mij eens eene zeer onbetamelijke dia-

428

-ocr page 450-

11ENT ME ESTERS.

cussie gehoord te hebben tusschen twee personen, over de vraag of de predikant niet hooger en meerder is dan de zondagsschoolonderwijzer. Het deed mij denken aan het gesprek der discipelen over wie van hen de grootste was. Ach, zoo het recht met ons stond, dan zouden wij allen „de minste zijn.quot; En schoon vyij allen het ambt moeten verhoogen, dat God ons gegeven heeft, zie ik toch nergens iets in den Bijbel, dat mij er toe kan brengen te gelooven, dat het ambt van den prediker meer is dan het ambt van den onderwijzer. Het schijnt mij toe, dat ieder Zondags-schoolonderwijzer even veel recht heeft als ik om „Eerwaardequot; voor zijn\'naam te zetten. Hij onderwijst en hij predikt. Ik moge prediken voor meer menschen, en hij voor minder, maar hij doet hetzelfde werk, al is het ook in engeren kring. Ik kan volkomen sympathiseeren met den zendeling Carey, toen hij van zijn\' zoon Felix zeide, toen deze den zendingsarbeid verliet om ambassadeur te worden: Felix heeft zich versuft in een\'abassadeuiquot;,quot; waarmede hij zeggen wilde, dat hij eens als zendeling eene voorname betrekkingbekleedde, maardathij later een vergelijkenderwijs, onbeduidend postje had aangenomen. En zoo geloof ik, dat wij van den zondagschoolonderwijzer, die zijn werk opgeeft, omdat hij van wege zijne uitgebreide zaken er geen tijd meer voor heeft, zeggen kunnen : hij versuft in een rijk koopman. Indien hij zijn onderwijs staakt, omdat hij vindt, dat er zooveel anders te doen is, dan versuft hij in iets dat minder en lager is dan hij geweest is; behalve in het geval dat hij verplicht is zijn werk op te geven, omdat hij zijne zorgen aan zijn eigen gezin moet wijden, en van zijn gezin eene zondagschool klasse maakt. Dan is dit geen versuffen, want hij bekleedt dezelfde positie als te voren. Ik zeg, dat zij, die onderwijzen, zij die zielen als een vuurbrand uit het vuur zoeken te rukken, als eervolle personen beschouwd moeten worden, veel minder en veel geringer dan Hij, van wien zij hunne opdracht hebben ontvangen; maar toch in liefelijken zin opgeheven om medegenooten met Hem te worden, want Hij noemt hen zijne broeders en zijne vrienden. „De dienstknecht weet niet, wat zijn heer doet; maar ik heb u vrienden genoemd, want al wat ik van mijn\' Vader gehoord heb, dat heb ik u bekend gemaakt.quot;

Nog één denkbeeld. De rentmeester is ook een dienstknecht toiens positie grootc. verantwoordelijkheid medebrengt. Het gevoel van verantwoordelijkheid schijnt voor iemand, die recht is, altijd eene zeer gewichtige zaak. Iets te doen, dat geene verantwoordelijkheid medebrengt, dat is eene zeer lichte zaak, vandaar dat wij in het gewone leven zien, dat arbeid, waarvoor geen vertrouwen vereischt wordt, slechts karig wordt beloond. Maar in een post van groot vertrouwen, zal de arbeid naar verhouding goed beloond worden. Nu brengt het werk

-ocr page 451-

rentmeesters.

van den Zondagschoolonderwijzer de grootst mogelijke verantwoordelijkheid met zich. Soms sta ik er van verbaasd en verschrikt, als ik denk aan het groote vertrouwen, dat God stelt in u en in mij. Gij herinnert u de geschiedenis van den verloren zoon. Zij vindt hare wederga in een iegelijk onzer, die, na lang in de zonde gedwaald te hebben, tot Jezus we-derkeeren. Soms denk ik, dat een voorzichtig vader, als de verloren zoon in zijn huis wedergekeerd is, hem zal ontvangen aan zyn hart, hem zal omhelzen, en hem in zijn\' rijkdom zal doen deelen, maar hij zal er niet spoedig toe overgaan hem verantwoordelijkheid te doen dragen. Op den eerst volgenden marktdag zal de vader zeggen: „Mijn zoon, ik bemin u met mijn gansche hart, maar ziet gij, gij zijt eens weggegaan en hebt uw goed doorgebracht, levende overdadiglijk. Ik moet nu uwen oudsten broeder naar de markt zenden; ik kan u mijne beurs niet toevertrouwen. Ik heb u lief; ik heb u alles vergeven; maar ik kan niet op u aan.quot; Waarom zegt God dat niet tot ons? Neen, als Hij ons, zijne verloren zonen,aan zijn hart ontvangt, dan vertrouwt Hij ons zijne kostbaarste juweelen toe, Hij vertrouwt ons onsterfelijke zielen toe. Hij laat ons het middel zijn om zijne verloiene schapen te zoeken, en dan vergunt Hij ons, nadat zij bijeenvergaderd zijn, de lammeren te weiden. Hij geeft den verloren zoon de gewichtigste plaats, en heeft vertrouwen in hem. Welaan, broeders en zusters, daar Hij zoo genadig is geweest om in zulke onwaardige personen als wij zijn, vertrouwen te stellen, zullen wij Hein nu bedriegen? O neen; laat ons als rentmeesters ernstig streven om ieder deel van de bezitting, die ons toebetrouwd is, in goede orde te hebben, als ■ onze Meester komt; dat iedere tittel en jota van onze rekenschap juist wordt bevonden als Hij op den grooten dag de rekening opmaakt. Ons ambt is zeer zwaar en ernstig. Sommigen denken er min over. Sommigen nemen het luchthartig op zich. Onbezonnen knapen worden overgehaald om in de school te komen arbeiden, en zij worden niet soberder of ernstiger door hunne betrekkingen aan die school. Laten de zoodanigen van ons heengaan. Wij hebben niemand noodig dan hen, die wel en ernstig overwegen wat zij gaan doen, en het werk beschouwen als eene za-:ik van leven of dood; niet als eene beuzeling, die slechts de belangen des tijds geldt, maar als eene hoog ernstige zaak, die zelfs geen engel zou kunnen tot stand brengen, tenzij hij de overvloedige hulp ontving van God, den Heiligen Geest. Ik heb dus op zeer eenvoudige wijze het denkbeeld trachten duidelijk te maken, dat er in het woord „rentmeesterschapquot; ligt opgesloten. Wij zijn hooggeëerde dienstknechten, die een groote verantwoordelijkheid hebben, en aan wie zeer veel toevertrouwd is.

II. En nu de rekenschap — „Geef rekenschap van uw

430

-ocr page 452-

Eentmeestees.

rentmeesterschap.quot; Laat ons hier kortelijk bij stilstaan.

Laat ons ten eerste opmerken, dat, als wij rekenschap van ons rentmeesterschap geven aan God, die rekenschap door een iegelijk onzer persoonlijk gegeven moet worden. Terwijl wij hier zün, spreken wij in het algemeen, maar als wij voor God komen, dan zullen wij te spreken hebben als individuen, dat is: persoonlijk en een ieder voor zich zeiven. Gij hoort menschen snoevend spreken van „onze Zondagschool.quot; Velen zyn goddeloos genoeg om de Zondagschool „hunne schoolquot; te noemen, terwijl zij er in een geheel jaar geene enkele maal in verschijnen. „Ik hoop dat het goed gaat met onze schoolquot;, zeggen zij, terwijl zij er nooit een penning voor bijdragen, de onderwijzers nooit een woord van bemoediging toespreken, en niet eens weten, hoe veel kinderen de school bezoeken. Toch noemen zij haar de hunne, zich aldus iets toeëigenende, dat hun niet toekomt. Doch in zekere mate begaan wij dezelfde vergissing. Als leeraren spreken wij dikwijls met bewondering van alles wat door onze „kerkquot; of liever door ons kerkgenootschap geschiedt. Doch laat ons gedenken, dat, als wij voor God staan, er geen oordeelen van ons zijn zal als „genootschapquot;, dat er niet met ons gehandeld zal worden als school, of als gemeente, maar dat ieder voor zich rekenschap zal hebben te geven. Welaan dan. gij, die de klasse der jonge kinderen bestuurt, gij zult er rekenschap van hebben te geven. Onlangs hebt gij aanmerkingen gemaakt op de leiding van andere klassen, en er werd u toen gezegd, liever acht te geven op u zeiven. Het geweten zeide u dit. En als gij ten laatsten dage voor God zult staan, dan zult gij ook werkelijk geene rekenschap hebben te geven van iemands anders klasse, maar van de klasse, die aan uwe leiding was toevertrouwd. En gij, mijne zuster, gij zijt gedurende zeven of acht jaren onderwijzeres geweest — gij zult u voor u zelve hebben te verantwoorden, niet voor de onderwijzeres eener andere klasse, van wie gij zoo dikwijls roemdet, wijl zij het middel is geweest om zes of zeven kinderen tot Christus te brengen. Denk er aan, dat hare 6 of 7 niet bij uwe O gevoegd kunnen worden om aan het einde des jaars een getal te krijgen, dat er eenigszins bemoedigend uitziet. Aan het einde van uwen arbeid zal daar die groote nul blijven staan, het slechte teeken van uwe onachtzaamheid, uwe onverschilligheid, uw gemis aan nauwgezetheid, zonder dat die donkere vlek uitgewischt kan worden door den glans van den ijver en het welslagen van een ander. Er moet over u geoordeeld worden naar wat gij zelf zijt, niet over allen te zamen, maar over ieder afzonderlijk. Dit maakt het tot zulk eene hoog ernstige zaak voor den mensch om alleen en op zich zeiven beschouwd te worden. Ik heb mannen gekend, die het niet konden dragen op een\' kansel te

481

-ocr page 453-

EËXTMEESTERS.

staan. Het bloote feit, dat zoo veler oogen op hem gericht zijn, scheen hem iets ontzettends. Maar hoe zal het ons dan zijn, als wij moeten opstaan om door het alziend oog van God in ons hart te laten lezen, en als geheel ons doen en laten in het ambt, dat wij thans bekleeden, aan den dag zal worden gebracht, en dat wel — ik herhaal het — zonder het lichtpunt van anderer welslagen, zonder dat het te kort op onzen arbeid aangevuld kan worden met de naarstigheid van andere leeraars of onderwijzers! Welaan, o rentmeester, wat is uwe rekening en verantwoording? Niet de rekening van dezen, of van dien, maar van u zeiven? ,.Heere, ik heb de rekening opgemaakt van de boeken der Zondagschool.quot; „Die wordt niet gevraagd, mee rekening; de verantwoording voor uwe eigene klasse?quot; „Heere, ik heb de rekening gebracht van de klasse over de laatst verloopen vijf en twintig jaren, aantoonende hoe velen bekeerd werden.quot; „\'Niet die rekening wordt bedoeld; maar de rekening uwer klasse, terwijl gij er de onderwijzer van waartquot; „Ik heb de rekening gebracht van de klasse, terwijl ik er met „Die en-diequot; samen gewerkt lieb.quot; „Neen, die niet, de rekening wordt gevraagd van de klasse, terwijl gil alleen haar hebt onderwezen; er wordt u rekenschap gevraagd van ivat gij hebt onderwezen, hoe gij hebt onderwezen, hoe gij hebt gebeden, hoe ijverig gij hebt gewerkt, hoe vlijtig gij de Schrift voor u zeiven hebt bestudeerd, wat gü voor Christus hebt zoeken te doen.quot; Niet de som totaal van hetgeen met anderen te zamen is geschied, maar uwe eigene persoonlijke rekening en verantwoording hebt gij aan God in te leveren. „Geef rekenschap van uw rentmeesterschap.quot; Uit dat oogpunt bezien, welke rekenschap zullen sommigen van u in den laat-sten grooten dag afleggen? Ik hoop, dat zeer velen van u met ootmoed in het hart zult kannen zeggen: „Ik heb slechts weinia gedaan, maar icat ik deed heb ik in oprechtheid en biddend gedaan, moge het Gode welbehagelijk zijn door Jezus Christus!quot; Maar ik vrees, dat er anderen zijn, die, zoo zij oprecht willen wezen tegenover hunne consciëntie, zeggen zullen; „Ik heb slechts weinig gedaan, en dat weinige deed ik slordig; ik deed het zonder gebed; ik deed het zonder de hulp des Heiligen Geestes.quot; Mijn broeder, mijne zuster, indien dit zoo is, dan hoop ik, dat gij \'er nog bij zult kunnen voegen; „O mijn God, vergeef mij, en help mij van deze goede ure af, naarstig te zijn in de dingen Gods, vurig van geest, dienende den Heere.quot; En moge God u zegenen in dat gebed! Vat geen besluit op, koester geen voornemen, maar zend een gebed op tot God, dat oneindig beter is, en mocht gij in den hemel, de woonstede Gods, verhoord worden.

Merk voorts ook op, dat, gelijk die rekenschap persoonlijk moet gegeven worden, zoo moet zij ook nauwkeurig wezen.

-ocr page 454-

RENTMEESTERS.

433

Als gij uwe verantwoording doet bij God, dan kunt gij niet met de som totaal volstaan, neen, gij moet eiken afzonderlijken post aanwijzen. Het zal aldus moeten wezen: Gij hadt zoo en zooveel kinde.en. Wat hebt gij gezegd tot dit kind, en wat tot dat kind? Hoe dikwijls hebt gij gebeden voor het kind met het booze humeur, voor het kind met een koppig karakter, voor het kind met het vlugge verstand en het liefhebbend hart, voor het stugge, onhandelbare kind, voor het kind dat zich aan ondeugd overgeeft, het kind, dat alle slechtigheden van de straat medebrengt en besmettelijk is voor anderen? Wat hebt gij voor ieder dezer kinderen gedaan? Hoe hebt gij gearbeid aan hunne bekeering? En om die rekenschap nog meer in bijzonderheden te geven, zal zij een antwoord moeten bevatten op vragen als dezen: Wat hebt gij voor ieder kind op eiken Zondag gedaan ? Een der kinderen hebt gij een boos woord hooren spreken, hebt gij het er om berispt? Gij zaagt hoe een ander kind een kleiner kind verdrukte, hebt gij den zwakksre verlosten den sterkere bestraft? Hebt gij beiden geleerd elkander lief te hebben? Hebt gij de dwaasheden opgemerkt van een iegelijk hunner; hebt gij er naar gestreefd hun karakter te begrijpen, zoodat gij uwe woorden of uw gebed er naar kondet inrichten? Hebt gij gearbeid aan hunne bekeering? Hebt gij geworsteld in het gebed tot God, en hebt gij hen toen met tranen vermaanden gesmeekt om met Christus verzoend te zijn? Ik geloof, dat de rekenschap nog veel meer in byzonderheden zal moeten treden, als God komt om ons hart en onze nieren te beproeven, zoowel als ons werk. Mijne gebrekkige manier van voorstelling omfloerst slechts de waarheid, die ik duidelijk wensch te maken; maar toch! zoo zal het zijn; er zal eene in bijzonderheden tredende en nauwkeurige verantwoording gedaan moeten worden. Er zal rekenschap moeten worden afgelegd van elke gelegenheid, niet slechts van ieder kind, maar van elke gelegenheid om het kind goed te doen. Hebt gij gebruik gemaakt van de gelegenheid toen het kind zeer ernstig gestemd was, omdat zijn broertje dien dag was gestorven? Hebt gij getracht tot zijn hart te spreken, van Gods liefde in de beproeving, die hem trof, toen hij zijne lieve moeder verloor? Hebt gij er naar gestreefd van alles wat er in de school voorviel, hetzij van smartelijken of van vreugdevollen aard, partij te trekken, zoodat er iets goeds, iets heilzaams uit geboren werd? God gaf u die gelegenheden, en Hij zal u vragen wat gij er mede gedaan hebt. A\'elen van ons zullen bij die rekenschap zeer beschaamd moeten staan, want wij hebben veel nagelaten van hetgeen wij hadden behooren te doen, en als onderwijzers en leeraars zullen wij hebben te belijden: „Wij hebben gedaan wat wij niet hadden moeten doen, en wij hebben nagelaten wat wij hadden behooren te doen.quot;

28

-ocr page 455-

RENTMEESTERS.

En wederom: die rekenschap zal nauwkeurig moeten wezen met betrekking tot alles wat wij gedaan htbben. Er zal ons niet slechts gevraagd worden, hoe wij de kinderen hebben toegesproken; wij kunnen daar zeer bijzondere gaven voor hebben gehad, en het goed gedaan hebben. Het zal niet slechts wezen: „Hoe hebt gij uwe eigene klasse toegesproken?quot; maar: „Hoe hebt gij de lessen bestudeerd?quot; Indien gij er geen tijd voorgehad hebt, dan zal niet van u geëischt worden, wat gij niet hebt kunnen doen. Maar zoo gij wèl veel vrijen tijd tot uwe beschikking hebt gehad, hoe hebt gij dien tijd dan doorgebracht? Was het voor uwe leerlingen? ten nutte van uwen Meester\'? opdat gij gladde pijlen zoudt hebben op uwen boog, en God u zou zegenen door u kracht te geven om die pijlen tot hun hart te doen doordringen? En voorts, wat deedt gy in uwe binnenkamer? Waart gij daar koud en onverschillig? Waren uwe leerlingen vergeten, of hebt gij ze er medegebracht in uw hart en in uwe armen om ze met tranen en sterke roepingen aan Christus op te dragen? O onderwijzers in Zondagscholen, uwe binnenkamers zullen eens voor ieders blik geopend zijn, en wat er omging in uwe verborgene kameren, zal openlijk bekend gemaakt worden. O gij, wier binnenkamer tegen u getuigen zal; o gij, tegen wie de steen uit den muur roepen zal, omdat uwe stem daar niet werd gehoord; tegen wie zelfs de vloer getuigen zal, omdat gij er nooit op neder-geknield zyt, hoe zult gij dit hartdoorgrondend onderzoek doorstaan? Hoe zult gijMien brandenden dag verdragen, als God u ter verantwoording zal\'roepen voor alles wat gij gedaan hebt, en voor alles wat gij deedt, maar niet hadt behooren te doen, in verband met het onderwijs aan uwe kinderen ? De verantwoording moet juist en nauwkeurig zijn,\' zoowel als persoonlijk. Ik zal hier echter niet langer bij stilstaan, uw eigen geweten en uw eigen oordeel kunnen te huis het onderwerp verder voor u uitwerken.

Bedenkt ook, dat die rekenschap volledig zal moeten zijn. Er zal u niet veroorloofd worden er iets uit te laten, of er iets aan toe te voegen. Er zijn er wellicht onder u, die met morgen, of met den volgenden Zondag zouden wenschen te beginnen, en het verledene zouden willen uitwisschen. Neen, als God u zegt: „Geef rekenschap van uw rentmeesterschap,quot; dan zulc gij moeten beginnen van den eersten dag af, dat gij onderwijzer geworden zijt. O mijn God, hoe velen zijn er, die zeggen het Woord te prediken, en wèl mochten bidden, dat Gij menigjaar van hun dienstwerk der vergetelheid prijs gaaft! Ach! zouden sommigen van ons niet op de knieën willen vallen, uitroepende: „Heere, laat mij rekenschap geven van my ne vlijtige jaren, maar niet van mijne trage, onnut doorgebrachte jaren?quot;Maar wij moeten beginnen met den dag onzer ordening, en eindigen

434

-ocr page 456-

Rentmeesters.

met onzen dood; en gij moet beginnen met de eerste ure, dat gij als onderwijzer voor uwe klasse stondt, en eindigen als uw leven eindigt, en niet eerder. Geeft dit niet iets ontzaggelijk ernstigs aan de verantwoording van sommigen van u? Gij zegt immer: „Morgen zal het beter gaan.quot; Zal dat morgen het gisteren uitwisschen? „Ik moet voortaan ijveriger zijn.quot; Zal dat de onnut voorbijgegane gelegenheden vergoeden van de voorbijgegane Jaren? Neen, zoo gij lang zijt blijven staan, zoo gij gedurende langen tijd met tragen, langzamen tred zijt voortgegaan, dan zal de snelste loop van heden den tragen tred van gisteren niet goed maken. Er zijn menschen geweest, die, na vele jaren in de zonde te hebben doorgebracht, daarna met verdubbelde vlijt en inspanning voor Christus hebben gearbeid, maar zij hebben altijd gevonden, dat zij slechts één dag werks in één\' dag hebben kunnen doen, en zij hebben getreurd over de jaren, die de sprinkhaan heeft gegeten, als onherroepelijk verloren. O neemt toch de oogenblikken waar, terwijl zij voorbijvliegen, gebruikt de dagen naarmate zij elkander opvolgen. Spreekt niet van het slechte van het eerste deel uwer verantwoording te zullen vergoeden door het schitterend schoone van het slot. Gij kunt dit niet; gij moet van eiken dag en van ieder jaar afzonderlijk rekenschap geven. En wat gij ook doet om de schade in te halen, of de verliezen te dekken, die schade en deze verliezen staan geboekt, en de Meester zal zeggen; „Hoe kwamen deze kwade posten hier?quot; En ofschoon zij allen bedekt zijn door Gods vrijmachtige genade, zoo gij in Jezus Christus gelooft, zult gij daarom toch niet wenschen nog meer van zulke vlekken te hebben. Omdat Christus u gewasschen heeft, begeert gij toch niet u weder te verontreinigen. Omdat Hij verzoening over u gedaan heeft, begeeit gij toch niet opnieuw te zondiger. Neen, broeders en zusters, leeft zooals Zondagschoolonderwijzers behooren te leven. Leeft, alsof uwe zaligheid afhing van uwe stipte plichtsbetrachting; en herinnert u dan toch tegelijkertijd, dat uwe zaligheid daar volstrekt niet van afhangt, maar alleen van uw persoonlijk deel hebben aan het eeuwig verbond en van het alles overmogende bloed van den Heere Jezus Christus, die Israels Sterkte en Verlosser is.

HL Alhoewel er nog over velerlei dingen gesproken zou kunnen worden, zal ik echter, om u niet te vermoeien, slechts op eenige gelegenheden wijzen, wanneer het qoed zal zijn rekenschap te geven van uw rentmeesterschap, en wanneer gij die rekenschap zult moeten geven.

Gij kent het spreekwoord : „Korte rekeningen maken lange vrienden,quot; en dit spreekwoord is een zeer waar woord. De mensch zal altijd in vriendschap leven met zijne consciëntie, zoo lang hij kort en snel zyne rekeningen met haar vereffent. Het was eene goede gewoonte van de oude Puriteinen, om eiken

4 So

-ocr page 457-

RENTMEESÏEKS.

avond eene vrije en volledige belijdenis van zonde te doen. Niet de zonde van eene geheele week voor den Zaterdagavond te laten, of voor den Zondagmorgen, maar de gebreken en tekortkomingen en vergissingen van den dag te overzien, ten einde van het falen op den eenen dag te leeren, hoo de overwinning weg te dragen op den volgenden dag, en opdat, door ons dagelijks te wasschen van onze zonde, wij de reinheid en witheid onzer kleederen kunnen behouden. Broeders en zusters, gaat heen en doet desgelijks; maakt korte rekeningen. En het zou goed zijn, aan den avond van eiken Dag des Heeren, of op welken anderen dag gij wilt, de rekening op te maken van hetgeen gij op den Sabbat doet. Ik zeg dit niet om u aan te moedigen in een\' eigengerechtigen lof van u zeiven over hetgeen gij gedaan hebt, want, zoo gij uwe rekening nauwkeurig opmaakt, zult gij nooit veel oorzaak vinden tot eigen lof, maar wel om rouw te bedrijven, omdat gij uwen plicht zoo gebrekkig volbracht hebt, als gij bedenkt, hoe gij hem hadt behoor en te volbrengen. Als de Sabbat voorbij is, en als gij twee maal naar het huis Gods geweest zijt om uwe klasse te onderwijzen, zit neder en tracht u te herinneren in welke punten gij gefaald hebt. Gij hebt wellicht toegegeven aan drift; gij hebt al te scherp gesproken tot een\' knaap, die wat ongezeggelijk was. Gij waart wellicht al te toegevend; gij zaagt zonde bedrijven, die gij hadt moeten bestraffen, en gij hebt het niet gedaan. Indien gij ontdekt, waarin gij te kort komt, dan is dit wellicht roods het middel om het voortaan beter te maken.

En dan zijn er tijden, die Gods voorzienigheid u geeft en uitnemend geschikt zijn om er de rekening in op te maken. Bijvoorbeeld; als een knaap of een meisje de school verlaat, dan is dit voor u eene gelegenheid om bij u zei ven te zeggen; „Hoe heb ik met dat meisje of dien jongen gehandeld? Heb ik dien knaap onderwezen op zulk eene manier, dat het hem in zijn verder leven zal helpen eerlijk te blijven in het midden van verzoeking, op het rechte pad te blijven, als hij van gevaren omringd is? Hoe heb ik dat meisje onderwezen? Was het zoo, dat zij weet wat haar plicht is, als zij de wereld ingaat? Heb ik uit alle macht er naar gestreefd haar aan den voet van het kruis te brengen?quot; Er zijn vele ernstige vragen, die gij ii zolven voor kunt leggen met betrekking tot dat kind. En als gij hen later volwassen weer ziet, dan zult gy dit eene goede gelegenheid vinden om rekenschap van uw rentmeesterschap te geven aan uwe consciëntie, door eens te zien of gij met dien man of die vrouw toen hij of zij nog een kind was, gedaan hebt, zooals gij het wenschelijk acht.

Het is ook een bijzonder geschikte tijd om de rekening op te maken als een kind sterft. O welk eene menigte van ge-

436

-ocr page 458-

RENTMEESTERS.

dachten verdringen zich in ons hart aan het sterfbed vaneen kind, dat wij hebben onderwezen. Ik geloof, dat behalve de ouders, de Zondagschoolonderwijzer het meeste belang stelt in zulk een\' stervende. Gij denkt; „Daar ligt de bloem te verwelken, die mijne hand bewaterd heeft; daar is eene onsterfelijke ziel, op het punt van de eeuwigheid in te treden, die ik heb onderwezen. O God, heb ik dit stervende kind de waarheid geleerd, of heb ik het bedrogen! Ben ik getrouw met hem geweest? Heb ik hem duidelijk gemaakt, dat hij in Adam is gevallen, en bedorven is in zich zeiven ? Heb ik hem de groote verlossing van Christus bekend gemaakt? Of heb ik hem slechts vermaakt met de verhalen uit het geschiedkundig deel des Bijbels, hem over zedelijke onderwerpen onderhouden, maaide gewichtiger zaken der wet achter gehouden? Kan ik mijne hand in zijne stervende hand leggen en mijn hart in stilte opheffen tot God, zeggende; „O God, Gij weet dat ik rein ben van zijn bloed?quot; Ach! dat is dikwijls een angel in het geweten van den leeraar — als hij er aan denkt, dat een lid zijner gemeente, iemand uit zijn gehoor, stervende is. Als ik somwijlen aan het sterfbed sta van een der ongodvruchtigen uit mijne gemeente, dan brengt dit eene schrikkelijke gedachte voor mij mede. Ben ik zoo ernstig en ijverig geweest, als ik had moeten wezen? Heb ik dezen stervende toegeroepen; „Behoud u om uws levens wil, zie niet achter u om, en sta niet stil op deze gansche vlakte, behoud u nr.ar het gebergte heenquot; ? Heb ik voor hem gebeden; heb ik over hem geweend; heb ik hem gesproken van zijne zonde; heb ik hem op eenvoudige wijze Christus gepredikt, eenvoudig, maar vrijmoedig en duidelijk? Was er geene gelegenheid, waarbij ik zeer ernstig had moeten wezen, maar slechts oppervlakkig was? Heb ik niet wel eens bij vergissing woorden gesproken, die „als kussens voor de okselen der armenquot; hebben gediend, waarop zijne consciëntie kon rusten? Heb ik er niet aan medegewerkt om zijn pad naar de hel te effenen, in plaats van dien weg voor hem te versperren, opdat hij er zich van zou afkeeren om den Zaligmaker te zoeken?quot; Ach! terwijl wij weten, dat de zaligheid geheel uit genade is, zoo laat niemand onzer toch denken, dat wij vrij zijn van het bloed der zielen, tenzij wij hen ernstig en vlijtig waarschuwen, tenzij wij getrouw zijn in onze prediking; want deze zelfde Bijbel, die mij zegt, dat Christus van den arbeid zijner ziel hot zal zic^ en verzadigd worden, zegt mij ook, dat zoo\' ik hen niet waarschuw, hun bloed, zoo zij omkomen, van mijne hand zal geëischt worden.

Doch laat mij 11 thans spreken van eene gelegenheid, wanneer gij rekenschap zult moeten geven. Al deze gelegenheden kunt gij, zoo het u gelust, voorbij laten gaan. Gij kunt zoo zorgeloos leven als gij wilt; maar zoo gij een greintje hart in

437

-ocr page 459-

RENTMEESTERS.

avond eene vrije en volledige belijdenis van zonde te doen. Niet de zonde van eeue geheele week voor den Zaterdagavond te laten, of voor den Zondagmorgen, maar de gebreken en tekortkomingen en vergissingen van den dag te overzien, ten einde van het falen op den eenen dag te leeren, hoo de overwinning weg te dragen op den volgenden dag, en opdat, door ons dagelijks te wasschen van onze zonde, wij de reinheid en witheid onzer kleederen kunnen behouden. Broeders en zusters, gaat heen en doet desgelijks; maakt korte rekeningen. En het zou goed zijn, aan den avond van eiken Dag des Heeren, of op welken anderen dag gij wilt, de rekening op te maken van hetgeen gij op den Sabbat doet. Ik zeg dit niet om u aan te moedigen in een\' eigengerechtigen lof van u zeiven over hetgeen gij gedaan hebt, want, zoo gij uwe rekening nauwkeurig opmaakt, zult gij nooit veel oorzaak vinden tot eigen lof, maar wel om rouw te bedrijven, omdat gij uwen plicht zoo gebrekkig volbracht hebt, als gij bedenkt, hoe gij hem hadt behooren te volbrengen. Als de Sabbat voorbij is, en als gij twee maal naar het huis Gods geweest zljt om uwe klasse te onderwijzen, zit neder en tracht u te herinneren in welke punten gij gefaald hebt. Gij hebt wellicht toegegeven aan drift; gij hebt al te scherp gesproken tot een\' knaap, die wat ongezeggelijk was. Gij waart wellicht al te toegevend; gij zaagt zonde bedrijven, die gij hadt moeten bestraffen, en gij hebt het niet gedaan. Indien gij ontdekt, waarin gij te kort komt, dan is dit wellicht reeds het middel om het voortaan beter te maken.

En dan zijn er tijden, die Gods voorzienigheid u geeft en uitnemend geschikt zijn om er de rekening in op te maken. Bijvoorbeeld; als een knaap of een meisje de school verlaat, dan is dit voor u eene gelegenheid om bij u zeiven te zeggen; „Hoe heb ik met dat meisje of dien jongen gehandeld? Heb ik dien knaap onderwezen op zulk eene manier, dat het hem in zijn verder leven zal helpen eerlijk te blijven in het midden van verzoeking, op het rechte pad te blijven, als hij van gevaren omringd is? Hoe heb ik dat meisje onderwezen? Was het zoo, dat zij weet wat haar plicht is, als zij de wereld ingaat? Heb ik uit alle macht er naar gestreefd haar aan den voet van het kruis te brengen?quot; Er zijn vele ernstige vragen, die gij u zulven voor kunt leggen met betrekking tot dat kind. En als gij hen later volwassen weer ziet, dan zult gij dit eene goede gelegenheid vinden om rekenschap van uw rentmeesterschap te geven aan uwe consciëntie, door eens te zien of gij met dien man of die vrouw toen hij of zij nog een kind was, gedaan hebt, zooals gij het wenschelijk acht.

Het is ook een bijzonder geschikte tijd om de rekening op te maken als een kind sterft. O welk eene menigte van ge-

436

-ocr page 460-

EENTMEE3TEES.

dachten verdringen zich in ons hart aan het sterfbed vaneen kind, dat wij hebben onderwezen. Ik geloof, dat behalve de ouders, de Zondagschoolonderwijzer het meeste belang stelt in zulk een\' stervende. Gij denkt: „Daar ligt de bloem te verwelken, die mijne hand bewaterd heeft; daar is eeneonsterfelijke ziel, op het punt van de eeuwigheid in te treden, die ik heb onderwezen. O God, heb ik dit stervende kind de waarheid geleerd, of heb ik het bedrogen! Ben ik getrouw met hem geweest? Heb ik hem duidelijk gemaakt, dat hij in Adam is gevallen, en bedorven is in zich zeiven ? Heb ik hem de groote verlossing van Christus bekend gemaakt? Of heb ik hem slechts vermaakt met de verhalen uit het geschiedkundig deel des Bijbels, hem over zedelijke onderwerpen onderhouden, maaide gewichtiger zaken der wet achter gehouden? Kan ik mijne hand in zijne stervende hand leggen en mijn hart in stilte opheffen tot God, zeggende; „O God, Gij weet dat ik rein ben van zijn bloed?quot; Ach! dat is dikwijls een angel in het geweten van den leeraar — als hij er aan denkt, dat een lid zijner gemeente, iemand uit zijn gehoor, stervende is. Als ik somwijlen aan het sterfbed sta van een der ongodvruchtigen uit mijne gemeente, dan brengt dit eene schrikkelijke gedachte voor mij mede. Ben ik zoo ernstig en ijverig geweest, als ik had moeten wezen? Heb ik dezen stervende toegeroepen: „Behoud u om uws levens wil. zie niet achter u om, en sta niet stil op deze gansche vlakte, behoud u naar het gebergte heenquot;? Heb ik voor hem gebeden; heb ik over hem geweend; heb ik hem gesproken van zijne zonde; heb ik hem op eenvoudige wijze Christus gepredikt, eenvoudig, maar vrijmoedig en duidelijk? Was er geene gelegenheid, waarbij ik zeer ernstig had moeten wezen, maar slechts oppervlakkig was? Heb ik niet wel eens bij vergissing woorden gesproken, die „als kussens voor de okselen der armenquot; hebben gediend, waarop zijne consciëntie kon rusten? Heb ik er niet aan medegewerkt om zijn pad naar de hel te effenen, in plaats van dien weg voor hem te versperren, opdat hij er zich van zou afkeeren om den Zaligmaker te zoeken?quot; Ach! terwijl wij weten, dat de zaligheid geheel uit genade is, zoo laat niemand onzer toch denken, dat wij vrij zijn van het bloed der zielen, tenzij wij hen ernstig en vlijtig waarschuwen, tenzij wij getrouw zijn in onze prediking; want deze zelfde Bijbel, die mij zegt, dat Christus van den arbeid zijner ziel het zal zien en verzadigd worden, zegt mij ook, dat zoo ik hen niet waarschuw, hun bloed, zoo zij omkomen, van mijne hand zal geëischt worden.

Doch laat mij u thans spreken van eene gelegenheid, wanneer gij rekenschap zult Dioden geven. Al deze gelegenheden kunt gij, zoo het u gelust, voorbij laten gaan. Gij kunt zoo zorgeloos leven als gij wilt; maar zoo gij een greintje hart in

437

-ocr page 461-

RENTMEKSTER?.

u hebt, zult gij rekenschap moeten geven, als gij zelf krank nederligt, en niet naar uwe klasse kunt gaan. Indien uw geweten der moeite waard is het te hebben — hetgeen met het geweten van sommigen niet het geval is, want het is dood en als toegeschroeid — indien uw geweten ontwaakt is, dan zult gij, als gij van het werk weggeroepen wordt, beginnen te denken over de wijze, waarop gij het gedaan hebt. Lees de brieven eens van den godvruchtigen Rutherford. Indien er ooit iemand was, die het Evangelie liefelijk en met goddelijke zalving gepredikt heeft, clan denk ik dat hij het geweest moet zijn; en toch heeft hij, toen hij te Aberdeen opgesloten was, en niet naar zijne beminde gemeente gaan kon, gezegd: „O indien de Heere mij weer uit wil laten gaan om te prediken, dan zal ik nooit meer zulk een doodige luiaard zijn als ik geweest ben. Ik zal prediken met tranen in de oogen, zóó dat de heiligen vertroost en de zondaren bekeerd mogen worden.quot; Als gij ziek te bed ligt, en een uwer leerlingen komt tot u en zegt: „Ik hoop, dat gij spoedig weer beter zijt,quot; of een ander kind eiken Zondag naar u komt vragen en de dienstbode, die hem de deur opent, verzoekt u voor hem, of haar, te groeten, en dat hu, of zij hoopt, dat gij spoedig weer in de school terug zult zijn, dan is het de tijd, wanneer gij uwe rekening op moet maken. „Ach!quot; zult gij zeggen, „als ik weer terugkom in mijne klasse, dan zal ik de kinderen niet meer onderwijzen, zooals ik het vroeger gedaan heb; ik zal mijne lessen meer vooruit overzien en bestudeeren, ik zal meer bidden. Ik zal niet meer zoo driftig en ongeduldig zijn als ik geweest ben. Ik zal de slechte manieren der kinderen verdragen. O als mijn Meester mij, evenals Hizkia, nog vijftien jaren arbeids geeften meer genade, dan zal ik er naar streven beter te doen.quot; O gewis, in de ure der krankheid zult gij uwe rekening opmaken.

Maar zoo gij het dan niet doet, dan zal ik u zeggen, wanneer gij het wèl zult doen; het is wanneer gi]\'komt te sterven. Hoe schrikkelijk moet voor een ontrouw prediker do stervens-ure zijn. (O mocht ik door genade hiervoor bewaard blijven!) Als het leven voorbij is! Vele en goede gelegenheden te hebben gehad, groote scharen van toehoorders, en zóó ijverig geweest te zijn voor iets anders, dat men verzuimd heelt het volle en vrije Evangelie van onzen Heere Jezus Christus te verkondigen ! Mij dunkt, dat ik, als ik op mijn sterfbed lag, dan grimmige spookgestalten om mij heen zou zien. De een zou mij naderen en mij aanstaren en zeggen : „O ! gij sterft ? Herinner u hoe dikwijls ik onder u gehoor was en naar u geluisterd hebt, maar nooit hebt gij mij vermaand den toekomenden toorn te ontvlieden. Gij hebt tot mij gesproken over iets, dat ik niet begreep, maar het eenvoudig Evangelie hebt gij mij nooit gepredikt, en zoo ben ik in vreeze en siddering gestor-

438

-ocr page 462-

KENTMEESTEBS.

439

ven. En nu komt gij tot mij in de hel, die mijn deel werd, omdat gij niet getrouw waart.quot; En als wij oud zijn geworden, en wij zien de geslachten, die rondom onzen kansel zijn opgegroeid, dan zullen wij aan die allen denken. Wij zullen denken aan den tijd, toen wij op jeugdigen leeftijd begonnen te prediken; wij zullen ons de jongelingen, daarna de mannen en de grijsaards herinneren, die ons gehoord hebben en heen zijn gegaan. En als zij voor onze oogen voorbijgaan, dan, dunkt mij, zullen zij opnieuw een\' vloek op ons geweten laden, omdat wij niet getrouw met hen zijn geweest. Het sterfbed van een\' mensch, die zijn\' medemensch heeft vermoord, of van een\' wreeden tyran, die\' de bloedhonden des oorlogs op het mensch-dom heeft losgelaten, moet iets verschrikkelijks zijn. Als de krygsman, en de weduwe van den krijgsman, en de vermoorde man des vredes voor hem oprijzen; als de rook van verwoeste landstreken in zijne oogen waait om ze rood en pijn-lijk te maken; als het bloed der menschen als een scharlaken lijkkleed op zijn geweten ligt; als bloedige moord, de roode gordijnen om zijn leger toe haalt, en als hij het einde nadert, waar de moordenaar zijn ontzettend lot tegemoet gaat, dan moet dit een schrikkelijke tijd zijn. Maar mij dunkt, dat het nog ontzettender moet wezen zielen vermoord te hebben ; den kinderen vergift te hebben toegediend in plaats van brood; hun steenen te hebben gegeven, als zij ons om gezond voedsel vroegen; hun dwaling te hebben geleerd, als wij hun de waarheid hadden moeten leeren, gelijk zij is in Jezus, of met koude onverschilligheid tot hen te hebben gesproken, wanneer vurigheid van geest noodig was. O 1 hoe uwe kinderen u schijnen te vervloeken, als gij daar neder-ligt en ontrouw zyt geweest aan uwe roeping. Ja, dan zult gij uwe rekening moeten opmaken ; en laat mij u zeggen : ofschoon uwe hoop uitsluitend op Jezus gevestigd moet zijn, en Hij uw eenige troost moet wezen in leven en in sterven, zal het, als gij komt te sterven, toch lieflijk wezen te gedenken, dat gij zielen voor Christus hebt mogen winnen. Ach ! dat zal nog eenig leven brengen in de oogen der Zondagschoolonderwijzeres, die aan tering wegkwijnt, als gij haar herinnert, dat er een klein meisje was, die een jaar vóór dat zij zelve ziek werd, hare hand kuste en zeide: „Wij zullen elkander in den hemel wederzien. Weet gij nog wel, hoe gij mij de geschiedenis verhaald hebt van Jezus aan het kruis, en dat gij mij eens op eenquot; Zondag namiddag te huis hebt gebracht, en daar met uwen arm om mijn\' hals nedergeknield zijt om te bidden, dat God mij zou zegenen? Dat is het middel geweest om mij tot Jezus te brengen.quot; Ja, zuster onderwijzeres, als gij bleek en teringachtig op uw bed ligt, dan zult gij u herinneren, dat er eene ziel bij uwen Zaligmaker in den hemel is, die u in de eeuwige

-ocr page 463-

RENTMEESTERS.

•woningen welkom zal heeten, die jeugdige ziel, die u is voorgegaan, en voor wie gij het middel zijt geweest om haar vrij te maken van de goddeloosheid en de slavernij een er zondige wereld. Zalig de onderwijzer, die wettige hoop mag koesteren zeer velen van dezulken in den hemel te ontmoeten. Zulke gedachten hebben mij zeer aangemoedigd. Laat de wereld zeggen wat zij wil; ik weet, dat ik, als ik kom te sterven, er menigeen is, die in latere jaren aan mij zal denken als aan den man, die hem het Evangelie verkondigd heeft. Menig dronkaard werd tot Jezus gebracht, menige diep gezonken vrouw opgericht en gered. En voor den onderwijzer moet het hetzelfde zyn, als hij de vleugels uitslaat en van deze lagere vallei der aarde opstijgt naar den hemel, dan zal hij een blinkende tot zich zien komen, en hij zal dien blinkende hooren zeggen ; „O ga mede naar de heilige stad Gods, het Nieuwe Jeruzalem.quot; En als hij dan de oogen opent, dan zal hy zien, dat die woorden gesproken werden door iemand, voor wien hü\'ten zegen is geweest als het middel tot zijne bekeering. Zalig zijt gij, zoo gij aan de poorten van het Paradijs verwelkomd zult worden door uwe geestelijke zonen en dochteren, en die behalve het welkom van uwen Meester, u ook het welkom zult hooren toeroepen van hen, die Hij u gegeven heeft alsjuwee-len in uwe eerekroon voor eeuwig en altoos.

En nu ten besluite. Wij moeten allen rekenschap geven aan God in den dag des oordeels. Dat is het, wat de dood zoo schrikkelijk maakt. O dood ! indien gij niets waart dan dat, dan zoudt gij slechts een oogenblik van pijn zijn. en alles zou voorbij wezen. Maar na den dood komt het oordeel. Dat is de slangenbeet voor de goddeloozen. De laatste groote dag is gekomen. De boeken worden geopend — mannen, vrouwen en kinderen zijn bijeenvergaderd. Velen zijn gekomen; sommigen staan rechts en sommigen links, en dezen hebben hun oordeel reeds vernomen. Nu is het uwe beurt. Onderwijzer, welke rekenschap hebt gij kunnen geven ? In de eerste plaats : zijt gij zelf in Christus? of hebt gij anderen geleerd, wat gij zelf niet wist? Zijn er van de zoodanigen onder mijn gehoor? Ongetwijfeld, want helaas! er zijn velen van de zoodanigen in onze scholen. O mijn vriend, wat zult gij zeggen, als de Meester het boek zal openen en u zal vragen : „Wat hadt gij mijne inzettingen te vertellen ?quot; Zult gij Hem aanzien en zeggen: „Heere, ik heb in uwe scholen onderwezen, en Gij hebt in onze straten gegeten en gedronken.quot; Zoo ja, dan zal Hij zeggen: „Ik zeg u, ik ken u niet, ga weg van mij, gij vervloekte.quot; En-wat zult gij te zeggen hebben met betrekking tot uwe scholen? Want, alhoewel onze staat ten laatste vastgesteld zal worden naar het deel, dat wij hebben in Christus, zult gij toch geoordeeld worden naar uwe werken, als getuigenis daar van.

440

-ocr page 464-

EENTMEESTEES.

441

De Schrift zegt altijd, dat wij geoordeeld zullen worden naar onze werken. Welnu, het boek ia geopend. Gij hoort uwen eigen naam lezen, en gij hoort deze ééne, korte uitspraak ; „Over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u zetten — ga in, in de vreugde uws Heeren!quot; O! de hemel der hemelen! En is dit het loon voor het weinigje moeite om eenige kinderen te onderwijzen ? O Meester, Gy geeft baren gronds voor onze greintjes stof — ons weinigje arbeids en dienens beloont Gij met kronen en koninkrijken! Doch Hij keert zich tot anderen en tot dezen zegt Hij: „Voor zooveel gij dit een van deze minsten niet gedaan hebt, zoo hebt gij het mij ook niet gedaan gaat weg van mij, gij vervloekten! in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijnen engelen bereid is.quot; Welke van die twee volzinnen zal tot mij gesproken worden ? En welke tot u ? O! als voor het aangezicht God smeek ik u bij Hem, die de Rechter is van de levenden en de dooden, bij de snelheid zijner wagenraderen, die Hem thans hier brengen, bij het ontzaglijke van z;jn\' rechterstoel, bii dat vonnis, dat nooit herroepen of gewijzigd zal worden, oordeelt u zeiven, want dan zult gij niet geoordeeld worden. Geeft rekenschap van uw rentmeesterschap aan uw geweten, aan uwen God. Belijdt uwe zonden, zoekt zijne hulpe, en begint van deze ure door den bijstand zijns Heiligen Geestes den arbeid opnieuw, zoo zult gij staan voor zijn aangezicht bekleed met de gerechtigheid van uwen Verlosser en gewasschen in zyn bloed. Ofschoon gij niet zult roemen in uwe werken, zult gij toch welbehaaglijk zijn in zijne oogen, en uwe werken zullen u volgen, als gij opstaat van uwen arbeid, en gij zult wezen onder „de zaligen, die in den Heere sterven.quot;

-ocr page 465-

DE KLOVE ZONDER BRUG.

„En boven dit alles, tusschen ons en ulieden is eene groote klove gevestigd, zoodat degenen, die van hier tot u willen overgaan, niet\'zouden kunnen, noch ook die daar zijn, van daar tot ons overkomen.quot; i

Lucas XVI : 2G.

Gedurende de laatste maanden werd ik er toe geleid de zilveren b.izuin te blazen, en het geklank der liefde en goedertierenheid Gods in Christus te doen hooren. Ik heb u menigmaal den vollen Christus voor ledige zondaren gepredikt, en het vrije, en genaderijke der goddelijke bekendmaking doen hooren, die in het Evangelie ook tot de voornaamsten der zondais gericht. Ik heb hieromtrent niet geaarzeld u den vollen raad Gods te verkondigen. Doch thans gevoel ik mij gedrongen op den ruwen ramshoorn te blazen, want onze hoorders moeten somwijlen herinnerd worden aan de wet en aan de verschrikkingen Gods, en aan het komend oordeel. Wij hebben de ervaring, dat de prediking des oordeels grootelijks door God wordt gezegend. Wij hebben gezien, dat zeer velen tot bekeering zijn gekomen duor middel van die prediking, waarin met plechtigen nadruk gewezen werd op Gods toorn tegen alle ongerechtigheid. Een onweer zuivert de lucht. Er zijn pestilentiën, die onder de vleugelen der kalmte zouden broeden, en alleen door bliksemschichten uitgezuiverd kunnen worden. Als God zyn\'dienstknecht zendt met zware tijdingen, dan zal zijne boodschap dei-verschrikking de geestelijke atmosfeer zuiveren, en de traagheid, den hoogmoed, de onverschilligheid, de ongevoeligheid dooden, die anders de gemeente zou bevangen. Gelijk de scherpe naald den weg bereidt voor den draad, zoo bereidt de hart doorborende wet een\' weg voor den zilveren draad van Gods genade. Het lancet is even noodig als de heelende balsem. De wet is onze tuchtmeester om ons tot Christus te brengen. Gelijk de oude Grieksche leermeester den knaap naar school bracht, zoo brengt de wet ons tot Christus, die ons onderwijst en ons wijs maakt tot zaligheid. Zij, die ten tijde der Puriteinen de wet

-ocr page 466-

de klove zonder brü6.

predikten, zoo wel als het Evangelie, waren de meest vruchtbare zielwinners. Wij zien onzen gezegenden Heere en Meester, wiens hart overvloeide van barmhartigheid, en wiens natuur liefde was, zeer dikwijls verwijlen bij het komende oerdeel; ja zijne woorden zijn schrikkelijker dan de bi-andendste bedreigingen op de lippen der zieners van ouds. God geve, dat de uitwerking, die ik zco vurig begeer, heden moge volgen op den last des Heeren, die mij thans nog zoo zwaar op het hart drukt. Moge de Meester zich heden een zaad uitlezen, dat verlost zal worden van den toekomenden toorn, en tot in alle eeuwigheid het loon zal wezen van den arbeid der ziel onzes Verlossers. Heft uwe harten op tot God, gij die hem kent en macht bij Hem hebt, en vraagt, dat de Geest Gods thans krachtig moge werken, opdat harten verbroken, en zondaren tot Jezus geleid mogen worden.

„En boven dit alles, tusschen ons en ulieden is eene groote klove gevestigd.quot; Het menschelijk vernuft heeft zeer veel gedaan om groote kloven te overbruggen. Er is in de wereld nauwelijks eene rivier zoo breed, of de mensch heeft het middel gevonden over hare wateren heen te komen; er is geen bergstroom zoo wild en onstuimig, die het menschelijk vernuft niet onder het juk heeft weten te brengen. Hoog boven het schuim van Columbias prachtigen waterval heeft de mensch zijn\'ranken, doch hechten ijzeren weg gelegd, en de stoomfluit der locomotief wordt boven den Niagara gehoord. Voor eenige dagen zag ik de eerste kettingen, die de diepe klove overspannen door welke de Bristol Avon te Clifton vloeit. De mensch heeft zijne hangende brug geworpen over don afgrond, en weldra zal hij kunnen reizen over plaatsen, waar voor eene wijle slechts vogels over heen konden vliegen. Doch er is één afgrond, waarover geene bekwaamheid van den ingenieur eene brug kan leggen; daar is ééne klove, waar ook geen gevleugelde over heen kan ; het is de afgrond, door welke de wereld der vreugde, waar de rechtvaardigen triomfeeren, gescheiden wordt van het land der smarte, waar de goddeloozen de scherpte gevoelen van het zwaard Gods. Welke andere redenen er nu ook zijn, waarom de rechtvaardigen in den toekomstigen staat geene gemeenschap hebben met de goddeloozen; er is behalve die redenen, welke elke op zich zelve zeer gewichtig en volkomen afdoend kan wezen, eene groote klove gevestigd, zoodat er geen weg is om van de eene wereld in de andere te komen.

I. Over deze hoog ernstige zaak met u sprekende, zal ik beginnen met er u op te wijzen, dat er geen weg is, die van den hemel naar de hel voert. „Zoodat degenen, die van hier tot u willen overgaan, niet zouden kunnen.quot; De verheerlijkte heiligen kunnen het gevangenhuis der verloren zondaars niet bezoeken. Lang genoeg waren de rechtvaardigen vermengd met de

443

-ocr page 467-

DE Kr.0V3 ZONDEK BEUG.

goddeloozen ; lang genoeg was de booze tijd, toen de tarwe door het onkruid schier verstikt werd ; volkomen lang genoeg was het tijdperk, toen het kaf naast het koren op denzelfden dorschvloer lag. De lijdzaamheid heeft een volmaakt werk gehad. Zij zijn te zamen opgegroeid tot aan den tijd des oogstes; het is niet noo-dig, nu de oogst gekomen is, dat zij nog langer vermengd zullen blijven. Het zou onbestaanbaar zijn met de volmaakte blijdschap en den zaligen staat der rechtvaardigen, met deszelfs volmaakte kalmte en reinheid, dat de zonde in hun midden zou worden toegelaten, of dat het hun vergund zou zijn gezelschap te vinden in de verblijfplaats des kwaads. Het zou den Heere Jezus Christus geene eere aanbrengen, als zij ophielden züne schoonheid te beschouwen en zijn\' Persoon te aanbidden, ten einde zijne vijanden te ondersteunen en te vertroosten. Zullen de hovelingen des hemels verraders worden van hun\' Koning, alleen maar om zijne onverzoenlijke tegenstanders lafenis te bieden ? Zullen de prinsen van den bloede, die eeuwige kronen dragen, hun eergewaad afleggen om lage dienstknechten te worden van de veroordeelden in de hel, die, toen hun Christus gepredikt werd, de knie niet wilden buigen, den Zoon niet wilden kussen ? Dat moet niet zoo zijn. En daarenboven : het raadsbesluit van God heeft, gelijk een hooge koperen berg, voor eeuwig de rechtvaardigen ingesloten in het gebied der heiligheid en der gelukzaligheid bij God; en, al zouden zij het ook willen, zij kunnen, zij moeten de groote klove niet overschrijden, die hen van de wereld der boozen scheidt.

Hieruit volgt, dat ook dn vurigste en ijverigste prediker alle hoop moet opgeven om daar zondaren tot bekeeriug te brengen. God heeft mannen verwekt met apostolischen ijver, wier tegenwoordigheid onder een volk als het opgaan was der zon. De duisternis vliedt voor hen henen, en het licht der verlossing straalt van hen uit over tien duizenden. Als zij hunne hand opheffen om te prediken, geelt God hun de kracht om de poorten der hel te doen beven ; en als zij de knie buigen om te bidden, dan ontsluiten zij de poorten des hemels. Mannen als Baxter, wier hart overvloeide van liefde, of als Joseph Alleine met vurige welsprekend, of als Whitefiold eu Wesley met den ijver eens serafs, dat zijn de mannen, die een zegen zijn voor hunne eeuw, en die in waarheid groot zijn. Deze mannen kunnen, zoo zij willen, naar de einden der aarde gaan, hunne opdracht is even groot en uitgebreid als het menschelijk geslacht — „Gaat heen in de geheele wereld, predikt het evangelie aan alle kreaturen.quot; „Eu ziet, ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld.quot; Deze mannen zijn nooit zoo gelukkig als wanneer zij prediken. Woe hen, zoo zij het Evangelie niet verkondigen ; en als zij het prediken en God verleent hun zijne hulpe, dan hebben zij gelijk Elihu, „lucht gekregenquot; door het

444

-ocr page 468-

1)E KLOVE ZONDER BRUO.

werk. Zij waren geboren om het Evangelie te prediken er-zielen voor Christus te winnen, en zij zijn nooit te vreden, tenzij zij hunne hooge opdracht vervullen. Doch zy moeten weldra aflaten van hun werk, want in den hemel is het niet noo-dig, en van de hel zijn zij buiten gesloten. O zondaar, zelfs onze stem, hoe zwak zij ook zij, kan u thans voor Jezus winnen ; maar zoo gij onboetvaardig sterft, dan kan zij u nooit meer tot den Zaligmaker lokken. Thans is het mijn tijd om voor u te prediken, en de deur der genade voor u te openen; maar dan kan ik niet meer waarschuwen, noch u noodigen; dan kan ik u nooit meer het lijden en de doodsbenauwdheid mijns Heeren schetsen, en u trachten aan te trekken door de geschiedenis zijner liefde, zijner stervende, bloedende liefde. Neen, dat zal dan alles voorbij zijn. „Zij rusten van hun\'arbeid en hunne werken volgen met hen.quot; Zij moeten hunne schoven met zich brengen, want zij kunnen in geen ander veld gaan zaaien, noch heentrekken naar andere akkers om te oogsten. Brandend als hun hart zal wezen van goddelijke liefde, zullen zij haar op eene andere wijze hebben te beoefenen. Hun vurig verlangen naar Gods heerlijkheid zal andere kanalen vinden om in te vloeien. Zij zullen hun hoofd buigen en Hem dag en nacht aanbidden; maar zij kunnen Hem niet meer dienen in het Evangelie. De gezant vouwt zijn\' lastbrief op, want God heeft de zwarte vlag der veroordeeling uitgestoken en laat geene seinen des vredes meer waaien. Arme zondaar, hoe gaarne zou ik u thans willen winnen, want met u en met mij is het thans „nu of nooit.quot;

De arbeid van den ijverigsten leeraar, den liefderijksten vriend moet eindigen met den dood. Sommigen van u hebben vrienden, die meer toegang hebben tot uw hart dan ik. Mijne zwakke woorden kunt gij wel eens vergeten en gij kunt uws weegs gaan om opnieuw te zondigen. Maar gij hebt eene zuster, en als zy bij u pleit, dan gevoelt gij het. Gij hebt een\' liefdevollen vriend, en als hij tot u spreekt, kunt gij niet doof zijn. Zijne woorden hebben dikwijls indruk op u gemaakt, en door hem hebben de worstelingen des Geestes soms krachtig gewerkt op uw geweten. Broeders en zusters, ik zie het gaarne, dat gy arbeidt aan, dat gij bidt voor de zielen van anderen. God kan u sommige zielen geven, die Hij mij nooit geven zal, en zoo zij slechts behouden worden, zal ik mij even hartelijk verblijden in hunne verlossing, alsof ik zelf er het middel toe geweest was. Gaat heen, en arbeidt uit alle macht. Verkondigt wat Christus voor u gedaan heeft. Smeekt hen om met God verzoend te worden. Maar ach! herinnert u, dat gij dit slechts in dit leven doen kunt, want, als de poorten gesloten zijn, dan zyt gij ingesloten om uwe belooning te ontvangen, maar de gansche wereld is uitgesloten van uwen arbeid. O mijn vriend,

445

-ocr page 469-

tgt;E KLOVE ZOKDËR BEÜÖ.

hoort gij dit? Er zullen dan niet slechts geene openlijke bijeenkomsten zijn, geene Sabbaten, geen huis des gebeds; maar er zullen ook geene bijzondere boden zijn, geene ijverige Christenen, die aan uw heil zoeken te arbeiden. Wat zegt gü hiervan ? Geeft dit niet eene ontzaggelijke waardij aan die tee-dere woorden der dringende liefde? O bekeert u op de zachte, liefdevolle bestraffing, want anders zult gij plotseling omkomen, en dan zal uw verderf onherroepelijk zijn.

Als gij sterft in uwe zonden, moeten zij, die u het naast en dierbaarst zijn, van u gescheiden worden. Eene moeder kan haren arm om den hals van een kind slaan, en hier op aarde voor hem bidden; zij kan haren zoon liefderijk vermanen om thans vrede met God te zoeken. Zij kan hem voortdurend en ernstig smeeken; maar is hij eenmaal verloren en veroordeeld, dan kan zij uit het rijk der gezaligden nooit meer tot hem komen. „Zoodat degenen, die van hier tot u willen overgaan, niet zouden kunnen.quot; Hoort gij dit, jongeling? Die schitterende oogen van de liefde eener moeder zullen nooit meer over u weenen. Die roerende stem, die somwijlen de echo\'s in uw hart deden ontwaken, zal nooit meer bij u pleiten. O ongodvruchtige vrouw, gij zult uw godvruchtig kind nooit wederzien. Vader, is het die dochter, welke God in hare kindsheid lief had en vreesde, en toen van u weggenomen werd, aan wie gij thans denkt? Heeft zij u niet met stervende lippen gezegd: „Volg my naar den hemel, mijn vader?quot; Gij hebt hare stem voor de laatste maal gehoord, dat kind zal haren vader nooit wederzien, tenzij hij zich bekeert van zijn\' boozen weg. Mij dunkt: indien zij in den hemel kon wezen wat zij op aarde geweest is, zij zou hare armen om uwen hals slaan en u naar den heerlijken troon des Allerhoogsten zoeken te trekken; maar ach! dat kan niet. Een rechtvaardig God veroordeelt den on-boetvaardigen zondaar, en rechtvaardige menschen stemmen in met het vonnis van God. Ziet dan, o ongodvruchtigen, die u heden hier bevindt! Gij acht ons gezelschap dikwijls een last, en terwijl ik predik zijn mijne woorden u wellicht zeer hinderlijk! Ach! wij zullen u niet lang meer hinderen. Kwelt uwe moeder u, als,zij u vermaant den Heere te zoeken? Zij Sal u niet lang meer kwellen. Als ik u spreek van het komend oordeel, is dit onderwerp u dan aanstootelijk? Ik zal u niet lang meer om geduld vragen. Wij zullen gescheiden worden; indien gij uws weegs gaat en de zonde en den toorn Gods najaagt. dan zal er een tijd van scheiding komen. En o! laat mij het u zeggen: gij zoudt werelden geven, zoo gij ze hadt; gü zoudt ze geven, al waren zij van louter diamant, om de stem nog eens te hooren, die u thans zoo vermoeit, en nog eens te luisteren naar die klagende, dringende uitnoodigingen, welke u thans zoo kwellen, en uwe vroolijkheid bederven. O hoe zoudt

446

-ocr page 470-

tgt;e klove zonder brüg.

gij God danken, als Hij u vergunde nog eens weder op aarde te komen, en nog eens een van die Sabbaten te hebben, dieu zoo eentonig en somber toeschenen; als gij nog eens op mocht gaan naar Gods huis, dat thans wellicht als een gevangenhuis is voor uw lichtzinnig hart. O mijne hoorders, ik zeg, dat gü wel voor eene wijle geduld met ons kunt hebben, en ons dringen, dat u zoo lastig is, moogt dragen, want heel veel langer zullen wij u niet kwellen. Wij smeeken u tot Jezus te komen. Wij zouden u bij uwe kleederon willen grijpen en u smeeken den toekomenden toorn te ontvlieden. Vergeeft ons, dat wij alzoo bij u aandringen, want zoo wij bij u falen, dan zult gü spoedig van het lastige onzer liefde ontslagen zijn. Nog eenlge korte maanden van sterfelijk leven, en dan zult gij ver buiten het bereik zijn van elke godsdienstige toespraak en van alle geestelijke gesprekken over toekomende dingen. Gij zult u dan in uw eigen gezelschap bevinden, maar ik waarschuw u van te voren, dat dit u weinig genoegen zal baren. Waarde vrienden, hoe ijverig behoort dit Gods volk te maken om te arbeiden terwijl het nog het heden der genade is. Indien dit onze eenige tijd is om goed in te kunnen doen, zoo laat ons goed doen terwijl wij kunnen. Ik hoor wel eens zeggen: „Die en-die doet te veel; hij werkt te hard.quot; Ach! niemand onzer doet half genoeg. Spreek niet van te hard werken voor Jezus Christus, want dit is onmogelijk. Zal ik slapen terwijl er zielen zijn, die omkomen? Mijn traag, vadzig vleesch, zult gij mij stil laten zitten, terwijl de menschen sterven, en de hel bevolkt wordt? Broeders en zusters, laat ons niet langer lauw zijn. Indien God ons tot lichten in de wereld heeft gemaakt, zoo laten wij ons te koste geven, gelijk de kaars zich te koste geeft, zich verteert door licht te geven. Gelijk eene arme vrouw, die slechts ééne kaars heeft, zich haast bij haar werk en niet rust vobr zij het af heeft, wijl anders die eene kaars opgebrand is en zij geen ander licht bekomen kan, zoo moeten ook wij aanhouden tijdig en ontijdig, wakende, biddende, arbeidende voor de zielen der menschen. Het is ons geen ernst genoeg met onsterfelijke zielen. Indien wij slechts beseften hoe kort het leven is, hoe ras de tijd voorbijgaat; ons de verschrikkingen konden voorstellen van den eeuwigen toorn; indien wij de veroordeelde zielen slechts konden zien; indien wij ons slechts een begrip konden vormen van hunne onuitsprekelijke rampzaligheid, dan zouden wij ons losmaken van het stof en uitgaan ten arbeid zoo lang het dag is.

II. Gelijk wij niet van den hemel naar de hel kunnen gaan, zoo verzekert ons de tekst, dat „noch ook die daar zijn, vandaar tot ons overkomen/\' De verloren geesten in de hel zyn daar voor eeuwig opgesloten. Ik zie den engel, staande aan die ijzeren deur; ik hoor den sleutel, die in dit ontzettend slot

447

-ocr page 471-

DË KLOVE ZONDER KEÜG.

omdraait, en als die poort gesloten is, dan werpt hij den sleutel in den afgrond der vergetelheid en de gevangenen zijn opgesloten, in boeien geklonken, die nooit zullen breken, in ketenen, die nooit zullun roesten. Er zijn eene gansche menigte van redenen, waarom do zondaar niet in den hemel kan komen. Onder anderen dezen. Ten eerste: zijn eigen karakter laat het niet toe. Gelijk de mensch leeft en sterft, alzoo zal hij gedurende de gansche eeuwigheid wezen. Wie hier een dronkaard geweest is, zal daar den dorst eens dronkaards hebben, zonder dat hij de middelen bezit dien dorst te bevredigen. Wie hier een vloeker geweest is, zal daar tot nog grooter Godslasteraar ontwikkeld zijn. Door den dood wordt het karakter niet veranderd, maar vastgesteld, bevestigd; het wordt als het ware versteend. „Die vuil is, dat hij nog vuil worde; die heilig is, dat hij nog geheiligd worde. Hü, die verloren gaat blpt een zondaar, en wel een zondaar bij toeneming; hij gaat voort met tegen God te rebelleeren. Zoudt gij zoo iemand in den hemel willen hebben? Zal de dief rondsluipen in de straten van het Nieuwe Jeruzalem? Zal de lucht van het Paradijs besmet worden door een\' vloek? Zal het lied der engelen gestoord wordsn door de vuile taal der losbandigen? Dat kan niet. De hemel zou geen hemel zijn, indien de zondaar er in werd toegelaten. „Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het ko-n ink rijk Gods niet zienquot;; en daar er geene hoop is, dat zij, die verloren zijn gegaan, ooit wedergeboren zullen worden, kunnen zij het koninkrijk Gods ook niet zien. Zondaar, indien gij thans niet geschikt zijt voor den hemel, hebt gij dan het recht te hopen, dat gij het ooit worden zult? Indien gij sterft zonder God en zonder hope, waar moet dan uw deel zijn ? Kunt gij zonder God zijnde, wonen in den hemel, die Gods eigen rijksgebied is? Kunt gij, zonder hoop zijnde, daar binnengaan, waar de hoop is overgegaan in genieting? Nooit. Het zal aan de vijanden Gods niet worden toegelaten om Hem in zijn aangezicht te trotseeren, en aan hunne lasteringen lucht te geven in zijn eigen paleis. Zij moeten uitgedreven worden van zijne tegenwoordigheid, en dat wel voor eeuwig.

En het is niet slechts des menschen karakter, dat hem uitsluit, van den hemel; dit geschiedt mede door het oordeel over den zondaar. Hoe luidde dit? „Dezen zullen gaan in de eeuwige pijn.quot; Indien die pijn eeuwig is, hoe kunnen zij dan in den hémel komen? Wat zegt de Heiland? „Daar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgebluscht wordt.quot; Indien er in dat beeld eenige waarheid is, dan zijn zij, die verloren gaan, voor eeuwig verloren. De worm zou sterven, en het vuur zou uitgebluscht worden, als zij in den hemel kwamen. Hoe wordt dit door den Heiligen Geest voorgesteld? Duidt Hij den toekomenden toorn niet aan als een bodemloozen afgrond ? Dit zou

448

-ocr page 472-

De Klove zoudër brug.

hij niet wezen, indien zij, die er in nedergeslingerd worden, zich ergens aan konden vasthouden, om dan later naar de sterren tronen der engelen op te klimmen. Broeders, Hij die de menschen veroordeelt. Hij, die dit heeft voorgesteld in de zoo sterke uitdrukking: „Die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd wordenquot;, zal voorzeker en letterlijk zijn eigen woord gestand doen; en indien dit zoo is, dan zal het hun nooit mogelijk zijn hun\' kerker des vuurs te verbreken, en het land des vredes en der blijdschap binnen te gaan.

En behalve dat: zondaar, gij kunt uit dat gevangenhuis niet uitgaan, omdat Gods karakter en Gods Woord tegen u zijn. Zal God ooit ophouden rechtvaardig te wezen? Maar indien Hij rechtvaardig is, dan moet Hij ook nooit ophouden u te straffen, als het eindvonnis over u is uitgesproken. „Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharenquot;, alzoo luidt de voortdurende kreet der cherubim; maar zoolang Hij „heilig, heilig, heiligquot; is, kunt gij Hem nooit welbehaaglijk zijn. Zal God ooit ophouden getrouw te zijn? Maar herinner u, zoo lang Hij getrouw blijft aan zijne eigene bedreigingen, moet Hij en zal Hij u doorboren met zijne pijlen, en zal Hij u door zijne grimmigheid doen verteren. Dan staat daar zijn raadsbesluit: „Die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.quot; Dat is de groote klove, door welke de onboetvaardige zondaar gelijk Prometheus voor eeuwig aan de rots is geketend, om nooit, in tijd noch eeuwigheid, losgemaakt te worden. Het moet niet — het zal niet gebeuren — indien God God is, en indien zijn raadsbesluit geene leugen, geene ijdelheid is, dan moet gij uit de plaats der pijniging niet weggaan.

Ja meer, zondaar, gedenk dat er tusschen God en den gevallen mensch nooit anders dan ééne enkele brug geweest is. Die brug verwerpt gij. De Persoon des Middelaars, zijn plaats-bekleedend lijden, zijne gerechtigheid, zijn smartvolle dood — dezen vormen den eenigen weg van de zonde naar de gerechtigheid, van den toorn naar het Gode welbehaaglijk zijn. Maar dezen verwerpt gij. Indien gij ooit verloren gaat. dan zult gij Christus geheel en voor altijd hebben verworpen ; en voor zooveel gij heden morgen nog niet bekeerd zijt, verwerpt gij thans Christus. Het is evengoed alsof gij zeidet: Christus is wel gestorven, maar niet voor mij; Christus heeft wel zijn bloed gestort om de menschen te verlossen, maar ik wil op die wijze niet verlost worden. Laat Hij sterven. Ik acht zijn dood eene nietigheid, en zijn bloed eene beuzeling; ik wil liever omkomen, dan door Hem behouden worden.quot; Dit is het wat gij eigenlijk zegt. Ik weet, dat die woorden u doen huiveren; gij zoudt het niet wagen ze uit te spreken ; maar dat is het, wat gij gevoelt. Gij wilt niet, dat deze Koning over u zij; gij wilt de knie niet buigen en den Zoon kussen; gij wilt Gods tegenstander blijven,

449

29

-ocr page 473-

DE KLOVE ZONDER BÜÜG.

en liever het verderf ten prooi zün, dan door Christus zoenbloed worden behouden. Welnu, indien gij den eenigen weg verwerpt, wat wronder dan, dat er voor u geene hope overig blijft. En herinner u daarenboven, dat er geen ander slachtoffer is voor de zonde. De Schrift zegt ons beslist en duidelijk, dat er geen slachtoffer meer overblijft voor de zonden. Denkt gij, dat Jezus ten tweeden male zal komen om te sterven? Zullen deze goddelijke handen nog eens aan het hout worden genageld? Gij verwept Hem thans. Indien Hij wederom stierf, gij zoudt Hem nogmaals verwerpen. Zal dat hoofd wederom met doornen gekroond worden? Zal die zijde nogmaals met eene speer worden doorstoken? Ach! zondaar, indien gij weigert Hem thans aan te nemen, dan zoudt gij dit evenzeer weigeren, als Hij ten tweeden male stierf. Doch dat kan niet. Hij heeft eens voor altijd verzoening aangebracht, en nu is Hy voor eeuwig gezeten aan de rechterhand der Majesteit in den hemel. Geene verzoening ten tweeden male, geene tweede verlossing zal ooit voor de zonden der menschen worden aangeboden.

Herinner u ook, dat er in dien afgrond geen Heilige Geest is. De gezegende Geest is thans hier en heeft dikwijls met sommigen van u getwist. Herinnert gij u niet, dat gij met Felix hebt gesidderd? Heugt u den tijd niet meer, toen g;j, evenals Agrippa, bijna bewogen waart? Maar dit alles werd weggedaan; het geweten werd in slaap gewiegd; de Geest Gods werd uitgebluscht. Welnu, die Geest kan wederom met u twisten, en zoo Hij uitgaat in zijne onweerstaanbare kracht, dan zou Hij uw hart, al ware het ook van steen, kunnen verbreken; en al ware het van ijzer. Hij zou het kunnen smelten. Maar eenmaal in den afgrond zijnde, zal de Heilige Geest daar nooit komen. Die gezegende Duive vermijdt de plaats destoorns;en nooit zullen zijne levenwekkende vleugelen zich uitbreiden over zielen, die aan het verderf zyn overgegeven. Indien dit nu zoo is, dan kunt gij niet wedergeboren worden en den hemel binnen gaan; gij kunt niet worden geheiligd; en van ongeheiligde geesten kan de hemel het deel niet wezen. Zoo is het dan nu duidelijk genoeg, dat gij bij geene mogelijkheid van de hel naaiden hemel kunt gaan. Ach! dat zal een oordeel over u wezen, een plechtig, ontzaggelijk oordeel wegens velerlei zaken. Gij zoekt het huis Gods niet; gij zult er van uitgesloten zijn. Gij bemint den Sabbat niet; gij zijt uitgesloten van den eeuwigen Sabbat. De stemme des heiligen lieds had geene bekoorlijkheid voor u; gij zult met dat lied nooit instemmen. Het aangezicht Gods hebt gij nooit liefgehad; gij zult het nimmer aanschouwen. De naam van Jezus Christus was nooit welluidend voor nw oor; gij zult hem nimmermeer hooren. Jezus Christus was u gepredikt; maar gij hebt Hem verworpen; zijn bloed hebt gij vertreden. De weg naar den hemel werd u aangewezen en

450

-ocr page 474-

DE KLOVE ZONDER BRUG.

geopend; maar gij wildet tot Hem niet komen, opdat gy het leven zoudt hebben. Er is een weg van de aarde naar den hemel: zondaar, al zijt gij ook tot in de diepste diepten dei-zonden vervallen, al waart gij de gruwelijkste van alle overtreders, toch is er nog een weg naar den hernel. De ontuchtige vrouw, de dief, de onheilige, de dronkaard, kunnen door Jezus Christus nog genade vinden, maar die genade moet op aarde verkregen worden, terwijl wij nog in het heden der genade zijn. Moge God deze ernstige woorden zegenen, dan zal Hij er de eer voor ontvangen

III. Doch nu moet ik voor eene wijle het onderwerp veranderen. Ik moet in de derde plaats opmerken, dat, gelijk geene personen over die klove zonder brug heen kunnen gaan, er

ook evenmin zaken of voorwerpen over heen kunnen. Er kan

niets van de hel in den hemel komen. Verblijdt u, gij heiligen in het licht, juicht hierom in uwen God — geene verzoeking van Satan kan u kwellen, als gij eens op de gouden kust zijt aangeland. Gij zijt dan buiten het bereik van uwen aartsvijand. Hij kan brullen en brieschen, maar dit kan uwen vrede niet verstoren. Gij zult niet langer gekweld worden door de onreine gesprekken der goddeloozen. Lot zal nooit meer één enkel vuil woord vernemen. Gij behoeft nooit meer te klagen: „O wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars wone.quot; Gij zult buitengesloten zijn van alles wat aan de hel behoort. En herinnert u ook, dat gij in den hemel zóó veilig zult zijn, dat de toorn Gods, die de hel uitmaakt, nooit op u kan vallen. Uw Zaligmaker heeft hem gedragen, geen enkele droppel er van kan op u vallen. Geene pijnen of smarten zullen in den hemel zijn; z[] zijn voor de verlorenen; geene pijn van het lichaam, geene verbijstering voor den geest. Gij zult geene zonde hebben; de zonde kan van hen niet tot u komen. Gij zult volmaakt wezen, evenals uw Heere; zonder vlek, of rimpel of iets dergelijks. Gij zult geene vreeze hebben voor de toekomst. Gij zult weten, dat uwe zaligheid eeuwig is. Dit zal immer de honing van uwen honingraat wezen, dat zij eeuwig is. Millioenen van jaren zult gij op het gelaat staren van uwen Welbeminde; door eindelooze eeuwen zult gij u in het zonlicht koesteren van zijn vriendelijk aanschijn. Dit, zeg ik, is blijdschap voor den Christen. Indien hij er slechts over wil nadenken, zal het hem verzoenen met de grootste der tijdelijke beproevingen, en hem blijdschap doen vinden in den zwaarsten strijd van dit leven. Vat moed, o mensch, het is slechts een paar dagen worstelens, en dan wacht u de onsterfelijke kroon; een paar uur van strijd, en dan gaat gij in tot de eeuwige ruste. Mij dunkt, ik zie heden de engelen zich heenbuigende over de kanteelen van het hemelsch paleis\' en als zij zien hoe gü u als gewapende mannen een.\' weg

451

-ocr page 475-

DE KLOVE ZONDER BEUG.

derwaarts henen baant, roepen zij u toe: — „strijdt voort, de kroon der overwinning wacht u.quot; quot;Wilt gij uw zwaard in de scheede steken? Wilt gij den strijd staken? Neen, gaat voort, en laten uwe echte Jeruzalemmer klingen heen gaan doorzie! en geest, en de samenvoegselen en het merg verdoelen,totdat gij den top bereikt, en de eeuwige heerlijkheid uw deel is geworden.

IV. Wederom slaan wij eenquot; anderen toon aan, en dat wel voor een vierde, een schrikkelük punt. Gelijk er niets van de hel naar den hemel kan gaan, zoo kan ook niets, dat hemelsch is, ooit in de hel komen. Er zijn rivieren des levens aan Gods rechterhand, maar die stroomen kunnen nooit in zalige watervallen naar de verlorenen heen vloeien. Neen, het is Lazarus niet vergund het uiterste zijns vingers in het water te doopen, om een verkoelenden droppel aan de door het vuur gepijnig-den te brengen. Geen droppel van hemelsch water kan ooit over die klove heen komen. Zie dan, o zondaar, de hemel is rust, volkomen rust — maar er is geene rust in de hel; het is arbeiden in het vuur; maar geen geraak, geen vrede, geen slaap, geene kalmte, geene stilte, een eeuwige storm, een onophoudelijke orkaan. In de ergste krankheid zijn er oogenblik-ken van verademing; stuiptrekkingen van benauwdheid, maar dan ook weder oogenblikken van rust. Maar er is geene pauze in de pijniging der hel. De schrikkelijke muziek van het eeuwige miserere kent geen enkel rustpunt. Het is immer voort, met krijgsrumoer, mot stof en bloed, met vuur, en damp en rook.

De hemel is ook eene plaats van blijdschap; daar tokkelen de vingeren der zaligen de hemelsche snaren ; daar zingen zij de blijde hosannah\'s ; maar er is geene vreugde in de hel: want daar bestaat de muziek in zuchten en kermen; voor alles wat vreugdevol is heeft men daar alles wat smartelijk is. Neen, ik zou hier niet kunnen overdrijven; het zou onmogelijk zijn ; ik kan den treurigen toestand niet eens recht en ten volle beschrijven, en daarom laat ik er van af. Niets van de blijdschap des hemels kan in de hel komen.

De hemel is de plaats van liefelijke gemeensehap met God; maar er is geene gemeenschap met God in de hel. Daar zijn gebeden, maar zij worden niet verhoord; daar zjjn tranen maar zij worden niet aangenomen; daar zijn kreten om erbarming, maar zij zijn den Heere een gruwel. God wil den dood van niemand, Hij wil, dat zij zich bekeeren en leven; maar indien deze genade niet wordt aangenomen, dan zal Hij de kleederen der wraak aantrekken, en in zijn\' toorn zweren : Zoo zij, die mijne beloofde ruste hebben versmaad, in die ruste zullen ingaan! Zeg mij, zoo gij wilt, wat de hemel is, en welke beschrijving gij mij ook geeft van zijne genietingen,

4(32

-ocr page 476-

DE KLOVE ZONOEE RRUG.

ik moet u zeggen, dat niets daarvan in Tophet wordt gevonden, want de zegeningen des hemels kunnen van het gebied des hemels niet naar het gevangenhuis heen komen. Neen, derzelver smart kent geene verlichting, de ellende is er zonder hoop, en wat er het grievende, de schrikkelijke kwelling van is — het is een dood zonder einde. Ik ken slechts ééne hoedanigheid, die in den hemel en in de hel gelijk zyn — en dat is het eeuwisxlurende. „De toekomende toorn, die tot in eeuwigheid en altoos brandt, maar toch nooit wordt verteerd.

Enthans... o gave God, dat ik tot u kon spreken, zooals mijn hart het begeert, daar dit de eenige gelegenheid is, die ik er toe heb, want gelijk ik u reeds gezegd heb, indien ik behouden word en gij verloren gaat, dan kan ik dit niet meer doen. Verleent mij dan nog eenige oogenblikken uwe aandacht, terwijl ik deze mijne zwakke rede eindig door een woord te spreken tot diegenen onder u, die nog niet bekeerd ztft. Ik heb heden weinig te zeggen gehad tot Gods volk; ik zal wellicht heden avond een woord van troost voor hen hebben, maar heden morgen heb ik te doen met u, die God niet vreest, en er zijn velen van de zoodanigen in ons midden. Ik zal u nooit vleien door voor u te prediken als of gij allen Christenen waart. De Heere, mijn God, weet, dat hier menig hart is, dat nog nooit werd verbroken, dat hier menige ziel is, die nog nooit gesidderd heeft voor de majesteit der oneindige gerechtigheid, en den toegereikten schepter van den gekruisten Verlosser nooit hebben gekast. Sommigen van u weten dit. Gy weet dat gij nog in eene gansch bittere gal en samenknooping der ongerechtigheid zijt. Ik bedoel niet slechts u, die openlijk in de zonde leeft; ik bedoel ook u, die beminnelijk, voortreffelijk, bewonderenswaardig zijt in uw gedrag en wandel, terwyl toch de liefde Gods niet in n is. Voor het uitwendige is er op uw karakter niets te zeggen wellicht, maar gij zijt niet wedergeboren ; gij zijt niet overgegaan van den dood in het leven. O! gedenkt, dat er eene zelfde hel is voor de voortreffelijksten als voor de afgrijselijksten, tenzij gij heen vlucht naar Christus — „Want niemand kan een ander fondament leggen, dan hetwelk gelegd is, hetwelk is Jezus Christus;quot; en indien gij niet in Hem gelooft, dan zult gij sterven in uwe zonden, „Want er is onder den hemel geen andere naam, die onder de men-schen gegeven is, door welken wij moeten zalig worden.quot; Komt, dan, en laat mij bij u pleiten, en ik zal u eene vraag doen. Gelooft gij in dit alles? Gelooft gij, dat er eene hel is? Gelooft gij, dat er een hemel te verliezen is? Indien gij zegt dit niet te gelooven, dan heb ik afgedaan met u. God brenge u tot betere gedachten. Maar waartoe zijt gij dan hier gekomen ? Waarom belijdt gij een Christen te zijn, zoo gij het door den

453

-ocr page 477-

DE KLOVE ZONDER BEUG.

Heiligen Geest ingegeven Boek verwerpt? Wordt ongeloovigen, maar weest eerlijk. Wat mij betreft: het hedendaagsche ongeloof verschrikt mij niet. Ik zou u al zoo lief in naam en voor het nitwendige ongeloovigen zien verklaren, als u Christenen te hooren noemen, terwijl gij toch geloof weigert aan hetgeen dit Boek leert. Ik houd van eerlijkheid, en het schijnt mij toe, dat wanneer iemand ronduit zegt: ,,Ik wil niet voorwenden iets te gelooven, dat ik toch eigenlijk niet geloof,quot; er ten minste ééne deugd in hem is, en wij mogen hopen, dat ook nog andere deugden bij hem volgen zullen. Maar wat kan ik zeggen tot u,die zegt godsdienstig te zijn, tot u, die ter kerke gaat, en toch in niet eene Godsopenbaring gelooft; wat anders dan dat uwe veroordeeling volkomen rechtvaardig zal wezen ? Mij dunkt, ik hoor sommigen van u zeggen; „Maar wij hebben hier nooit aan getwijfeld ; wij hebben het in onze vroegste kindsheid geleerd; wij hebben het altijd gehoord, en wij hebben er nooit aan durven twijfelen.quot; Welnu, dan vraag ik; kunt gij gelooven, dat er eene hel is, en er niet aan zoeken te ontkomen. Gelooft gij, dat er een toekomende toorn is, en dat die toorn in het volgende oogenblik op u kan vallen, (want gij zondt wel kunnen sterven eer gij nog dit bedehuis hebt verlaten) en zit gij dan toch kalm en rustig op uwe plaats? Heelt de zonde n zoo zeer bedwelmd, dat gij niet kunt denken ? Want zoo gij kunt denken, en er is een vertoornd God, die u kan straffen met de ontzaggelijke kracht zijner almacht, hoe is het dan mogelijk, dat gij gerust zijt in Zion ?

Laat mij u eene andere vraag doen; indien deze dingen al-zoo zijn, hebt gij dan uw verstand gebruikt, toen gij de genoegens van dit leven hebt verkoren in plaats van de genietingen des hemels, het genoegen van heden hebt gezocht, terwijl gij weet, dat het door de ellende der eeuwigheid zal worden gevolgd ? Versta mij niet verkeerd, ik wil niet zeggen, dat een Christen zonder genot of genoegen is; wij hebben het hoogste en zuiverste genot, dat een sterveling kan kennen. Wij hebben niet de genietingen der zonde, maar wij hebben veel dieper, veel heerlijker genoegens. Maar dit bedoel ik: wilt gij u zeiven verteren in zondige genoegens? Wilt gij uwen tijd doorbrengen met te voldoen aan uwe begeerlijkheden, in dronkenschap, in de beuzelingen van een leven naar de mode; en gelooft gij, dat deze dingen waard zijn wat zij u kosten ? Iemand, \'die eene hooge positie bekleedt in de maatschappij, kwam onlangs tot mij en zeide : Ü het schijnt iets ontzettends, dat ik, wetende wat mijn lot zal zijn, indien ik leef en sterf zooals ik nu ben, toch blijf handelen zooals ik nu handel. Als gij by mij zijt, of als ik eene ernstige evangelieprediking hoor, dan denk ik, dat er eene verandering in mij zal plaats hebben; dan wensch ik God te dienen; maar ach! gij weet

454

-ocr page 478-

DE KLOVE ZONDER BRUG.

niet, aan wat verzoekingen ik bloot sta; gij weet niet, hoe het is, als ik te midden van de pracht en ijdelheid der wereld ben, en mij voeg bü menschen, die met alle gedachten aan godsdienst den spot drijven; dan verdampen al mijne indrukken, * en ik ben dwaas genoeg voor deze nietigheden mijne ziel te verkoopen.quot; Er zijn heden hier velen van zulke dwazen, die voor een weinigje zonde hunne ziel verkoopen. Men bedwelmt zich en neemt voor een oogenblik deel aan den woesten waanzinnigen dans der wereld, waar de duivel uw mededanser is, en dan is de vroolijkheid voorbij. Ik vraag u uw gezond verstand te gebruiken, en te oordeelen, of het der moeite waard is de gansche wereld te gewinnen en uwe eigene ziel te verliezen.

Ik zal het u nog anders voorstellen. Hoe komt het, dat gij Christus niet aanneemt, daar dit toch de eenige tijd is, in welke het mogelijk is Christus aan te nemen ? Ik zal het u zeggen : Gij bemint Christus niet; gij bemint de zonde. Of wel, gijzijt te trotsch om tot Christus te komen; gij denkt, dat gij goed genoeg zijt, dat Christus niet is voor de zoodanigen als gij zijt, maar alleen voor groote zondaren, voor de si chtsten der slechten. O quot;mü\'ne vrienden, is uw hoogmoed dan zulk eene fraaie zaak, dat gij verloren wilt gaan, om dien hoogmoed maar vol te kunnen houden ? Werp weg dien hoogmoed; kom zoo als een zondaar moet komen, en grijp Jezus Christus aan. Of indien het de zonde is, die u in den weg staat, zoo moge God, de Heilige Geest, u helpen, het rechteroog uit te rukken en den rechterarm af te houwen, veeleer dan met tweeoogen en twee armen in het helsche vuur te worden geworpen.

„Maar,quot; zegt iemand, „hoe kan ik Christus aangrijpen?quot; Mocht gij door den gezegenden Geest er toe in staat worden gesteld! Doch zie hier hoe: vertrouw op Jezus Christus, en gij zult zalig worden. Gij zijt u bewust, dat gij zijn\' toorn hebt verdiend; gy siddert van wege zijne schrikkelijke wet; maar zie op Jezus. Daar hangt de bloedende Heiland. Mij dunkt, dat deze oogen Hem daar kunnen aanschouwen; God, de Eeuwige, Hij, door wien de hemel der hemelen werd gemaakt, en de aarde met hare volheid, neemt de gestalte aan van den mensch, en hangt aan het vloekhout. Er is leven in een blik op dien Gekruisigde, er is thans, op dezen oogenblik, leven in voor u. Wilt gij met tranen in de oogen op Hem zien, en zeggen: „Jezus, gefolterd, gedood om mijnentwil, ik geloof in U. Aan uwe voeten werp ik mij neder, gansch beladen met schuld, bevlekt, onrein; laat uw bloed op mij gesprengd worden, richt Gtj uw oog op mij, en zeg tot mij: „Ik heb u liefgehad met eene eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid. Kom, o zondaar, en wees welkom.quot; Ik heb u slechts uit liefde de wet gepredikt. God weet, hoe mij het hart bloedt, terwijl ik deze harde dingen zeggen moet. O dat gij in Jezus

455

-ocr page 479-

DE KLOVE ZONDER BRUG.

456

wildet gelooven; Hij wordt u om niet verkondigd, neem Hem dan aan. Moge de Geest van God er u toe brengen Hem thans aan te nemen. Dit zyn geene harde, strenge voorwaarden van een bloeddorstig tyran, Hij zegt slechts: „Buig de knie en kus den Zoon. Kom, o zondaar, gtf zijt welkom.quot; Jongeling, wilt gij al of niet behouden worden? Zondaar, gij, wiens grijze haren de nadering des doods aankondigen, wilt gij al of niet in Christus gelooven? Het zou kunnen wezen, dat dit de laatste maal is, dat u het Evangelie met ernst, en aandrang, en liefde wordt gepredikt. Wilt gü Jezus als den uwe aannemen ? O Geest van God, neig dat hart om te antwoorden: „Ja, Heere, ik wil het,quot; en gelijk die aanneming gehoord wordt op aarde, moge zij opgeschreven worden in den hemel, en moge alzoo nog heden de zaligheid tot diens mans hart komen. De Heere zegene u allen en een iegelijk van u, en als Hij zijn volk bijeenvergadert, mochten gij en ik, en een iegelijk onzer aan züne rechterhand worden gevonden, om zijn vriendelijk aangezicht te aanschouwen. Amen.

-ocr page 480-

EEN PREDIKER UIT DE DOOÜEK

Doch Abraliam zeide tot hem: Indien zij Mozes en de profeten niet hoo-ren, zoo zullen zij ook, al ware het, dat er iemand uit de dooden opstond, zich niet laten gezeggen. Lucas XVI: 31.

De niensch denkt niet gaarne kwaad van zich zei ven. Do meeste menschen zijn uiterst geneigd verontschuldigingen te vinden voor de zonde. „Indien wij in betere tijden hadden geleefd,quot; zeggen zij, „wij zouden betere menschen zijn geweest. Indien wij onder gelukkiger omstandigheden in deze wereld geboren waren, wij zouden heiliger zijn geweest, en meer geneigd tot hetgeen recht is.quot; De groote massa der menschen zal de oorzaak hunner zonde overal zoeken behalve waar zij is. Hunne eigene natuur zullen zij er niet om laken; op hun eigen verdorven hart zullen zij niets vinden aan te merken, neen, zij zullen liever overal elders de schuld zoeken. Sommigen geven de schuld aan hunne eigenaardige positie. „Indien ik rijk in plaats van arm ware geboren,quot; zegt iemand, „ik zou niet oneerlyk geweest zijn.quot; „Indien ik in de middelklasse ware geboren,quot; zegt een ander, „in plaats van rijk te zijn van mijne jeugd af aan, ik zou niet blootgesteld zijn geweest aan zoo vele verzoekingen van lusten, en begeerlijkheden, en hoogmoed, gelyk ik nu ben; maar mijn stand en positie is zoo zeer het tegenovergestelde van bevorderlijk te zijn aan vroomheid, dat ik door de plaats, die ik bekleed in de maatschappij, gedwongen word alles te zijn behalve wat ik moest zijn.quot; Weder anderen keeren zich tegen geheel de samenleving; zij beweren dat geheel de organisatie van de maatschappij verkeerd is. Zij zeggen ons, dat alles in de regeering, alles wat den staat betreft, alles wat de menschen tot een gemeenebest vereenigt, zóó slecht is, dat zij niet goed kunnen wezen, zoolang de zaken zyn, zooals zij zijn. Zij moeten eene revolutie hebben;zy moeten alles onderst boven werpen, en dan denken zij wel heilig te kunnen wezen! Nog anderen geven de schuld aan hunne opvoeding. Indien hunne ouders hun eene andere opvoeding hadden gegeven, indien zij eene andere jeugd hadden gehad, zij zouden niet zijn, wat zij zijn. Het is de schuld hunner

-ocr page 481-

EEN PREDIKER L\'IT liE DOODEN.

ouders; de zonde ligt aan de deur van hun\'vader of van hunne moeder. Of anders is het hun gestel. Hoort hen van zich zeiven spreken: „Indien ik een humeur had als Die-en-die, welk een goed man zou ik geweest zijn! Maar met mijne hardnekkige natuur is het onmogelijk. Gij hebt goed spreken, maar de menschen zijn nu eenmaal verschillend van aard, en mijn gemoedsaard brengt niet mede ernstig te zijnquot;; en aldus geeft N deze dan de schuld aan zijn temperament. Wederom anderen gaan nog veel verder en geven de schuld aan den leeraar. „Indien de leeraar ernstiger ware geweest in zijne prediking, ik zou een beter mensch zijn geweest; indien ik het voorrecht had gehad gezonder leerstellingen te hooren verkondigen, indien mij het Woord getrouwer ware gepredikt, ik zou beter zijn geweest.quot; Of anders zoeken zij het bij de belijders van den godsdienst, cn zeggen: „Indien de gemeenteleden meer leefden naar hunne belijdenis, indien er geene huichelaars en uitwendig vromen waren, dan zouden wij wel van gedrag veranderen!quot; Ach mijne vrienden, gij logt het zadel op het verkeerde paard; gij legt den last op den verkeerden rug; do schuld ligt in uw eigen hart, en nergens anders. Indien uw hart vernieuwd ware, gij zoadt beter zijn; maar vóórdat dit is geschied, zoudt gij, al ware de maatschappij vervormd tot volmaaktheid, al waren de leeraren engelen, en de belijders van den godsdienst aartsengelen, er hoegenaamd niets beter om zijn; maar, minder verontschuldigingen hebbende voor uwe zonden, zoudt gij dubbel schuldig wezen, en met ontzettender verderf omkomen. Toch zullen de menschen alijd denken, dat indien dit of dat anders ware, zij ook anders zouden zijn, terwijl het verschil in hen zeiven gezocht moet worden, zoo zij ten minste op de rechte plaats willen zoeken.

Onder de andere grillen, die in het menschelijk hart zijn opgekomen, kan ook die wezen, welke in mijn\' tekst is uitgedrukt. „Zoo iemand van de doodenquot;, zeide de ryke man in de hel, „tot hen heenging; indien Lazarus van den hemel naar\' de aarde ging om er te prediken, dan zouden myne verharde broederen zich wel bekeeren.quot; En sommigen waren geneigd te zeggen: „Indien mijn oude vader, of een eerbiedwaardig aartsvader van de dooden kon opstaan om te prediken, wij zouden ons allen tot God bekeeren.quot; Dat is nog eene andere manier om de schuld verkeerd te huis te brengen. Wij zullen heden morgen trachten deze en dergelijke veronderstellingen te wederleggen, en met grooten nadruk de leerstelling van onzen tekst bevestigen: „Indien zij Mozes en de profeten niet hooren, zoo zullen zij ook, al ware het, dat er iemand uit de dooden opstond, zich niet laten gezeggen.quot; Liat ons voortgaan met dit onderwerp.

Gesteld eens, dat er een prediker uit eene andere wereld

468

-ocr page 482-

EEN PREDIKER L\'IT DE DOODEK.

kwam om voor ons te prediken, dan zouden wij natuurlijk moeten denken, dat hij van den hemel kwam. Zelfs de rijke man vroeg niet, dat hij of een zijner medegenooten in de pijn uit de hel naar de aarde zou gaan om er te prediken. De geesten, die verloren gingen en overgegeven werden aan onuitsprekelijke boosheid, zouden deze aarde niet kunnen bezoeken; en zoo zij het wèl deden, dan zouden zij de waarheid niet prediken, en ons niet leiden op den weg naar den hemel, dien zij zeiven niet hebben betreden. De komst van een der verdoemde geesten op de aarde zou een vloek, een bederf, een verschroeiende, verdorrende wind zy\'n; wij behoeven niet te denken dat zoo iets gebeurd is, of beeft kunnen gebeuren. De prediker uit eene andere wereld, zou, indien htj kwam, noodwendig van den hemel moeten zijn gekomen. Hij zou een Lazarus moeten zijn, die in Abrahams schoot had gelegen, een rein, volmaakt en heilig wezen. Stelt u nu voor, dat zoo iemand op aarde ware gekomen; dat wij morgen plotseling de tijding zouden vernemen, dat iemand, die reeds voor lang in het graf heeft gelegen, plotseling uit zijn graf te voorschijn was getreden, en thans het woord des levens verkondigde. Welkeen toeloop van menschen zou er zijn om hem te hoeren! quot;Welk gebouw in deze wijde wereld zou groot genoeg zijn om de massa zü\'ner hoorders te bevatten! Hoe zoudt gij u heenspoe-den om naar hem te luisteren! Hoe vele duizenden van portretten zouden van hem verschijnen, hem voorstellende in zyn doodsgewaad, of wel als een engel, die zoo even van den hemel is nedergekomen! O hoe zou deze stad ontroerd en bewogen worden, en niet slechts deze stad, maar het geheele land! Ver af wonende volken zouden die tijding weldra vernemen, en elk schip zou vol zijn van passagiers, mannen en vrouwen die gekomen zyn om dien wondervollen prediker te hooren, dien reiziger, die uit het onbekende land is wedergekeerd.

En hoe gij zoudt luisteren! Met hoeveel eerbied en ernst zoudt gij hem aanzien! Hoe zou uw oor zich neigen om elk zyner woorden te hooren! Elke lettergreep zou opgevangen en door de geheele wereld bekend gemaakt worden, als de uiting van een\' mensch, die dood was en weder levend is geworden. En wij zijn zeer geneigd te denken, dat, indien zooietsplaats had, er talrijke bekeeringtn zouden komen, want de menigten, die aldus gelokt werden, zouden dan natuurlijk een\' groeten, rijken zegen ontvangen. Vele verharde zondaren zouden boetvaardig worden, honderden van hen, die nu nog op twee gedachten hinken, zouden dan tot beslissing komen, en er zou veel goed worden gedaan. Ach! houdt op! al zou ook het eerste deel van die droomerij verwezenlijkt worden, het laatste voorzeker niet. Indien iemand van de dooden opstond, dan zouden de zondaren zich op zijne prediking evenmin bekeeren als op

459

-ocr page 483-

EEN PREDIKER UIT DE DOODEK.

de prediking van wie ook. God zou zulk eene prediking kunnen zegenen tot verlossing, indien het Hem beliefde; maar in zich zeiven zou er in de prediking van dien verrezen doode, of van dien verheerlijkten geest, niet meer kracht zijn, dan in de prediking van den zwakken mensch van heden. „Al ware het, dat er iemand uit de dooden opstond, zij zouden zich niet bekeeren.quot;

Toch zouden velen denken, dat er veel goeds zou kunnen voortvloeien uit de opstanding van een\' heilige, die zou kunnen getuigen van hetgeen hij gezien en gehoord heeft. Nu zou dit goeds, dunkt mij, kunnen bestaan uit niet meer dan drieërlei zaken. Sommigen zouden zeggen, dat er een voordeel zou wezen in de kracht van getuigenis, die zulk een\' mensch zou kunnen afleggen voor de waarheid der Schrift. Want gij zoudt zeggen: „Indien werkelijk iemand van het Nieuwe Jeruzalem, het vaderland der gezaligden, zou terugkomen, dan zou de waarheid der openbaring niet meer betwist worden. Dat zou dus eene uitgemaakte zaak zijn. Sommigen zouden meenen, daü hij ons meer kon zeggen dan Mozes en de profeten ons gezegd hebben; en dat er ook een voordeel kon wezen in het onderwijs, dat hij zou kunnen wecZetfeefe», zoowel als in het getuigenis, dat hij zou afleggen. En ten derde: er zijn sommigen, die zouden kunnen denken, dat er een voordeel is in de wijze waarop zoo iemand zou spreken. „Want voorzeker,quot; zeggen zij, „zou hij spreken met groote welsprekendheid, met veel meer macht en dieper gevoel dan een gewoon prediker, die van de ontzaggelijke dingen der andere wereld nog niets heeft gezien.quot; Over deze drie punten zullen wij heden spreken.

I. Ten eerste; men denkt, dat zoo er iemand van de dooden opstond om te prediken, er eene bevestigikg zou zijn van de waarheid des Evangelies en een getuigenis, waarvoor het spottend en smalend ongeloof, van schrik bevangen, zou verstommen. Wacht een weinig, wij zullen dat eens van naderbij bezien. Wij gelooven het niet. Wij gelooven, dat als er iemand uit de dooden opstond, om heden hier in dit gebouw te prediken, hierin geene bevestiging zou zijn van het Evangelie voor hen, die liet niet reeds gelooven.

Mijne vrienden, indien het getuigenis van iemand, die opgewekt is van de dooden van eenige waardij zou zijn voor het Evangelie, zou God dit middel dan niet reeds voor lang gebruikt hebben ? Dit zal mijn eerste argument zijn. Het is ongetwijfeld waar, dat er menschen van de dooden zijn opgewekt. Wij vinden melding gemaakt in de Schrift van sommigen, die door de kracht van Christus, of door middel van profeten opgewekt zijn van de dooden ; maar het is opmerkelijk dat geen hunner ooit een woord heeft gesproken, dat in de Schrift bewaard is gebleven, om ons te zeggen wat zij, terwijl zij dood waren, hebben gezien. Ik zal hier nu in geene beschouwing treden

460

-ocr page 484-

EEN PREDIKKE UIT DE DOODEN.

over de vraag of hunne ziel in een\' toestand van slaap heeft verkeerd gedurende den tijd van hun\' dood, of dat zij al of niet in den hemel geweest is. Dat zou voor ons van hoegenaamd geene nuttigheid zijn, er zou slechts twisting uit voortkomen, die ons geenerlei vrucht zou opleveren. Dit alleen zeg ik : het is opmerkelijk, dat van niemand vermeld staat, dat zij eenigerlei beschrijving gaven van hetgeen zij gezien hebben, nadat zij waren gestorven. O wat geheimen zou hij hebben kunnen openbaren, die vier dagen in het graf heeft gelegen! Denkt gij, dat zijne zusters hem niet ondervraagd zullen hebben ? Gelooft gij niet, dat zij hem vroegen wat hij zag — of hij voor den brandenden troon Gods heelt gestaan, en geoordeeld werd wegens hetgeen hij in het lichaam had gedaan, en of hij toen was ingegaan in de ruste ? Doch hoe zy hem ook ondervraagden, het is zeicer, dat hij geen antwoord gaf; want zco hy een antwoord had gegeven, het zou ons zijn medegedeeld; de overlevering zou zijn verhaal zorgvuldig hebben bewaard. En herinnert gij u, dat Paulus eens eene lange predikatie hield, tot middernacht toe, en er een jongeling, met name Eutychus door den slaap overvallen werd en van de derde zoldering nederstortte, en dood opgenomen werd ? Paulus ging af en bad, en Eutychus werd in het leven teruggeroepen. Maar stond Eutychus nu op om te prediken, nadat hij van de doo-den was wedergekeerd ? Neen, in die gansche vergadering schijnt dit denkbeeld bij niemand te zijn opgekomen. Paulus ging voort met zijne rede, en zij luisterden naar hem, zonder zich in het minst te bekommeren over hetgeen Eutychus had gezien. want Eutychus had niets anders te zeggen dan wat Paulus te zeggen had. Van het gansche getal dergenen, die dooide macht van God uit de schaduwen des doods waren wedergekeerd, — ik herhaal het — is er niemand, door wien ons eene enkele verborgenheid wordt medegedeeld. Nu weet God het best wat goed is; wij zullen dus onze onderstellingen niet vergelijken bij zijne beslissingen. Indien God gewild heeft, dat zij, die opgestaan zijn van de dooden, zouden zwijgen, dan was dit alzoo het boste. Hun getuigenis zou van weinig waarde geweest zijn om ons te helpen, want anders zou dit getuigenis gewis zijn gegeven.

En nog eens, wij zullen terstond inzien, dat indien heden iemand uit zijn graf zou opstaan, en hier kwam om de waarheid des Evangelies te bevestigen, deongdoovige wereld daarom niet dichter bij het geloof zou komen, dan zij nu is. Hier komt de ongeloovige chriticus. Hij ontkent de getuigenissen des Bijbels, getuigenissen, waaruit zóó duidelijk hare echtheid blijkt, dat wij moeten gelooven dat hij öf Godslasterlijk, of buiten zyne zinnen is in hetgeen hij doet, en wij laten het hem over tusschen die twee te kiezen. Maar hij durft de waarheid der

461

-ocr page 485-

EEl} PREDIKElt ÜIT DE DOODËN.

462

Schrift loochenen, en hij beweert, dat alle de wonderen, waardoor zij gestaafd wordt, onwaar of verdicht zgn. Denkt gij, dat iemand, die van de dooden is opgestaan, zulk een\' man tot het geloof zou kunnen brengen ? Hoe! als de gansche schepping Gods, door de hand der wetenschap doorzocht zijnde, slechts van de waarheid der openbaring getuigde ; als de gansche geschiedenis van begraven steden en verdwenen natiën verkondigd hueft, dat de Bijbel waar is; als ieder strookje lands in het verre Oosten eene verklaring en eene bevestiging is geweest van de profetieën der Schrift, en de menschen dan toch niet overtuigd zijn, denkt gij dan dat een mensch. die van de dooden opgestaan is, hen zou kunnen overtuigen? Neen, ik zie den critiseerenden Godslasteraar reeds gewapend voor zijne prooi. Hoor hem: „Ik ben er nog volstrekt zoo zeker niet van, dat gij dood waard, vriend. Gij zegt opgestaan te zijn van de dooden: ik geloof u niet. Gij zegt te zijn gestorven en naaiden hemel te zijn gegaan ; wel. gij moet eene verrukking van zinnen gehad hebben. Gij moeteerstmet het bewijs van het stadhuis komen, dat gij gestorven zijt.quot; Dit bewijs wordt gebracht. „Ja, maar nu moet gij nog bewijzen, dat gij werdt begraven.quot; Dat bewijs wordt geleverd, en het bewijs wordt ook geleverd, dat een doodgraver van ouds zijne beenderen heeft opgegraven, en zijne asch in den wind heeft gestrooid. „Dat is nu alles heel goed en wel; maar nu hebt gij nog het bewijs te leveren dat gij de man zijt, die toen gestorven en begraven is.quot; „Wel, ik ben het; ik weet, dat ik het ben. Ik verklaar u als eerlijk man, dat ik in den hemel geweest ben, en nu teruggekomen ben.quot; „Welnu,quot; zegt de ongeloovige, „het is onbestaanbaar met de rede. Het is bespottelijk te denken, dat iemand, die dood en begraven is, ooit weder levend kan worden, en daarom zeg ik u ronduit, dat ik u niet geloof.quot; Aldus is het, dat de menschen hem zouden antwoorden; en in plaats van slechts schuldig te wezen aan het loochenen van vele wonderen, zouden de menschen er nog slechts een aan toevoegen; maar zij zouden er geen haarbreed dichter bij de waarheid omkomen. En gewis, indien dit wonder in een vergelegen land geschiedde, en het aan het overige der wereld slechts werd medegedeeld, dan kan ik mij voorstellen, dat de ongeloovige wereld zou uitroepen: „Kr zijn ook op andere plaatsen van die kindersprookjes in omloop, maar wij zijn verstandige menschen, wij gelooven ze niet.quot; Al zou ook een geheel kerkhof zijne dooden wedergeven aan het leven, en al zouden die allen voor den ongeloovige staan, die de waarheid des Christendons loochent, dan verklaar ik niet te gelooven, dat er in al de kerkhoven der wereld genoeg kracht van bewijs voor hem zou zijn, om hem tot overtuiging te brengen. Het ongeloof zou nog altijd om meer roepen. Bewijs iets aan een ongeloovige, en hij

-ocr page 486-

EËK PEEDIKER UIT DE DOODEN.

zal om een nieuw bewijs vragen. Laat het door velerlei getuigenissen zoo klaar voor hem zijn als de dag, toch zal hij het niet gelooven. Of eigenlijk gelooft hij het wel, maar hij wendt ongeloof voor, hij is ongeloovig in weerwil van zich zeiven. Maar gewis ! de opstanding van een\' doode zou voor de overtuiging van zulke menschen weinig waarde hebben.

Doch herinnert u, mijne vrienden, dat de talrijkste klasse der ongeloovigen uit diegenen bestaat, die in het geheel niet denken. Er zijn zeer velen in dit land, die eten en drinken, en nog allerlei andere dingen doen, maar niet denken. Of wel, zij denken genoeg om des morgens de luiken van hunne winkelvensters weg te nemen, en ze er des avonds weer voor te doen. Zij denken genoeg aan het rijzen en dalen der fondsen, of aan de marktprijzen, of aan den prijs van het brood, maar hun brein schijnt hun voor niets anders te zijn gegeven dan om over hunne dagelijksche behoeften te peinzen. Voor hen is de godsdienst eene zaak van zeer gering aanbelang. Zij willen wel aannemen, dat de Bijbel waar is; zij willen gaarne gelooven, dat het heel goed is godsdienstig te zijn; maar zij bekommeren er zich niet veel om. Zij denken Christenen te z;jn -—• werden zij niet als klein kind gedoopt? Zij moden wel Christenen zijn; dat denken zij ten minste; maar zy geven zich de moeite niet om eens te vragen wat Godsdienst is. Zij gaan nu en dan eens naar de kerk, maar dat beteekent voor hen niet veel. De eene predikant mag in tegenspraak wezen met den anderen predikant, maar daar weten zü niets van; zij zullen zeker wel beiden gelijk hebben. De eene leeraar kan den anderen leeraar op schier ieder leerstuk aanvallen ; het raakt hen niet, zij troosten zich met de gedachte: — „God Almachtig zal ons zeker niet vragen naar welke kerk wij gingen.quot; Hun oordeel gebruiken zy niet. Deuken is zulk een zwaar werk voor hen, dat zij zich nooit over iets het hoofd zullen breken. Indien nu morgen den dag iemand van de dooden opstond, dan zou dit die menschen opwekken of verschrikken. O ja, zij zullen hem wel eens gaan zien, zoo als zij eene andere zeldzaamheid gaan zien; en dan zullen zij er veel stof tot praten over hebben; zij zullen zeggen: „Er is iemand van de dooden opgestaan ;quot; en wellicht zullen zij zelfs op een\' winteravond een zijner preeken lezen; maar nooit zullen zij zich de moeite geven om eens na te denken over zijn getuigenis. Neen, het zijn zulke zware blokken steen, dat zij niet bewogen kunnen worden; en indien de verrezene in hun huis zou komen, dan zou het meeste van wat zij gevoelen vrees zijn ; maar over hetgeen hij zou zeggen, zouden zij hunne looden hersenen niet kwellen. Al ware het, dat iemand van de dooden opstond, zoo zou toch de groote massa des volks niet bewogen worden.

4GÖ

-ocr page 487-

EEN PREDIKER tJIT DE DOODEtf.

En behalve dat. mijne vrienden, indien de menschen het getuigenis Gods niet willen gelooven, dan is het onmogelijk, dat zij het getuigenis eens menschen zullen aannemen. Indien de stemme Gods van den Sinaï, en zijne stem door Mo/es in het boek dei-wet ; indien zijne stem door de verschillende profeten in het Oude Testament, en inzonderheid zijn eigen woord door zijn eigen Zoon, die de onsterfelijkheid aan het licht heeft gebracht door het Evangelie, de menschen niet kan overtuigen, dan is er niets in de wereld, dat dit werk uit en door zich zeiven tot stand kan brengen. Neen, indien God eens gesproken heeft, en de mensch geen acht op Hem sloeg, dan behoeven wij ons niet te verwonderen, dat wij zeer dikwijls hebben te prediken zonder dat men acht slaat op ons; en wij moeten geen ingang verleenen aan het denkbeold, dat sommige menschen, die opgestaan zijn van de dooden, eene grootere macht van overtuiging zouden hebben dan G-ods eigen Woord. Indien deze Bijbel zonder den Geest Gods de kracht niet heeft utebekee-ren (en die heeft hij voorzeker niet) dan is er buiten zijn\' invloed, niets ter wereld, dat deze macht wèl heeft. En indien de openbaring, die God in dit gezegende Boek heeft gegeven van zijn\' Zoon Jezus Christus; indien de Heilige Schrift in de hand Gods niet genoeg is om u tot het geloof van Christus te brengen, al zou dan ook een engel van den hemel komen, of de heiligen uit de heerlijkheid, ja al zou God zelfnederko-men op de aarde om voor u te prediken, gij zoudt toch niet verlost en niet gezegend worden. „Indien zij Mozes en de profeten niet hooren, zoo zullen zij ook, al ware het, dat iemand uit de dooden opstond, zich niet laten gezeggen.quot;

II. Doch men heeft zich voorgesteld, dat, zoo een van „de geesten der volmaakte rechtvaardigenquot; op aardo zou komen, hij, al ware het ook, dat zijn getuigenis de ongoloovigen niet zou bevredigen, toch zeer veel betreffende het koninkrijk Gods zou kunnen mededeolen. „Gewis,quot; zouden sommigen zeggen, „indien Lazarus uit Abrahams schoot naar de aarde ware gekomen, hij zou dingen hebben kunnen verhalen, die hun haar te berge zou doen rijzen terwijl hij sprak van de pijn, waarin do rijke man zich bevond. Voorzeker, indien hij van de poorten dor zaligheid zijne blikken heeft laten rondweiden, hij zou ons hebben kunnen spreken van den werm, die niet sterft, en het vuur, dat nooit nitgebluschl kan worden, eenige afgrijselijke bijzonderheden, eenige ontroerende woorden van afschuw en verschrikking zou hij wel hebben kunnen uitspreken, woorden die ons meer van den toekomenden staat zouden ontvouwd hebben, dan wij er thans van weten. „Enquot; zegt de geloovige met het heldere, schitterende oog: „Indien hij op aarde ware gekomen, hij zou ons van de eeuwige ruste der heiligen hebben kunnen verhalen; hij zou ons die heerlijke

464

-ocr page 488-

eek prediker uit de doodek.

405

stad hebben kunnen schetsen, die de Heere God tot haar eeuwig licht hoeft, welker straten van goud, welker poorten paarlen zijn. O hoe liefelijk zou hij hebben kunnen spreken van het rusten aan Christus\' borst, van de gelukzaligheid der verlosten! Voorzeker, hij zou eenige hand vollen van Èscol\'s druiventrossen mede hebben gebracht. Hij zou in staat zijn geweest ons sommigen van de geheimen des hemels mede te deelen, ons krachten moed hebben ingestort om do hemelsche loopbaan te loepen.quot; Houd op! ook dat zijn droomerijen. Een geest dor volmaakte rechtvaardigen, nederkomende van den hemel, zou ons niets meer, dat ons van eenig nut is, kunnen mededeelen, dan wij reeds weten. Wat zou een geest uit den hemel ons meer van de smarten der hel kunnen zeggen dan ons reeds bekend is? Is de Bijbel niet duidelijk genoeg? Heeft Christus ons geen schikkelijk beeld geschetst van den poel desvuurs? Heeft Hij, zelfs toen Hij weende over de menschen, ons niet in ontzettende bewoordingen medegedeeld, dat God ten laatsten dage zeggen zal: „Gaat weg, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijnen engelen bereid is ?quot; Verlangt gij nog ontroerender, nog aangrijpender woorden dan deze? „De worm, die niet sterft, en het vuur dat niet uitgebluscht wordt.quot; Hebt gij nog ontzettender waarschuwing noodig dan deze: — „De goddeloozen zullen terugkeeren, naar de hel toe, alle God-vergetende Heidenenquot;? Nog ontzaggelijker waarschuwing dan deze: „Wie is er onder ons, die bij een verterend vuur wonen kan ?quot; Hoe! gij verlangt nog vollediger mededeelingen dan die van het Woord Gods? „Tofeth is van fisteren bereid, het vuur en hout van zijn\' brandstapel is veel; de adem des Heeren zal hem aansteken als een\' zwavelstroom.quot; Gij kunt hiervan niet meer verlangen dan de Schrift geeft. Zelfs hiervan zoekt gij u nog af te wenden. Gij zegt dat het Boek te schrikkelijk is, en al te veel spreekt van de verdoemenis en van de hel. Mijne hoorders, indien gij denkt, dat hier te veel van in den Bijbel staat, en hem daarom verwerpt, zoudt gij dan ook maar een oogenblik stilstaan om te luisteren naar iemand, die er u nog meer van zegt? Neen, gij verlangt niets meer te weten, en het zou ook nergens toe dienen, zoo gij er wèl meer van wildet weten. Wenscht gij nadere bijzonderheden omtrent het oordeel, dien dag des toorns, dien wij allen te gemoet gaan ? Is ons niet gezegd, dat de Koning „zal zitten op den troon zijner heerlijkheid, en voor hem zullen al de volken vergaderd worden, en hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidtquot;? Gesteld eens, er was iemand hier, die do plechtige toebereidselen had gezien voor den groo-ten oordeelsdag — iemand, die stond aan de plaats, waarde troon opgericht zal worden, en de toekomst met een doordringender oog had gezien dan wij haar zien. Wat zou ons

30

-ocr page 489-

EEN PREDIKER UIT DE DOODEN.

466

dit baten? Zou hij ons meer kunnen zeggen, dan do Heilige Schrift ons nu gezegd heeft — iets dat ons ten minste van meer nut zou kunnen wezen? Wellicht weet hij niet meer dan wij weten. En van één ding ben ik zeker, hij zou ons van den maatstaf des oordeels niets meer zeggen, dan wij nu al weten. Zeg mij, o geest, die van eene andere wereld zijt wedergekeerd, hoe worden de menschen geoordeeld? Waarom worden zij veroordeeld? Waarom worden zij behouden? Ik hoor hem zeggen: „De menschen worden veroordeeld van wege de zonde. Lees de tien geboden van Mozes, en gij zult de tien groote veroordeelingen vinden, waarom de menschen afgesneden worden.quot; Dat heb ik te voren reeds geweten, o geest, gij hebt mij niets nieuws medegedeeld! „Neen,quot; zegt hij, „en ik heb ook niets nieuws mede te deelen. „„Want ik ben hongerig geweest, en gij hebt mij niet te eten gegeven, ik ben dorstig geweest, en gij hebt mij niet te drinken gegeven; ik was een vreemdeling, en gij hebt mij niet geherbergd; naakt, en gij hebt mij niet gekleed; krank en in de gevangenis, en gij hebt mij niet bezocht; voor zooveel gij dit een van deze minsten niet gedaan hebt, zoo hebt gij het mij ook niet gedaan. Gaat weg, gij vervloekten !quot;quot; „Was dat het woord des Konings?quot; „Ja,quot; zegt hij, „dat was het woord des Konings.quot; „Maar ik heb dat zelf ook gelezen, gij hebt mij niets méér gezegdquot;. Indien gij door het lezen der Schrift het verschil niet kent tusschen recht en onrecht, dan zoudt gij dit ook niet leeren kennen, al zou een geest het u aanduiden. Indien gij door den Bijbel zeiven den weg naaide hel en den weg naar den hemel niet weet, dan zult gij hem nooit te weten komen. Geen boek kan helderder, geene openbaring, geen getuigenis duidelijker zijn. En daar deze getuigenissen zonder de werking des Geestes ongenoegzaam zijn, volgt hier uit, dat geene verdere verklaring van eenig nat zou wezen. De zaligheid wordt gansch en al toegeschreven aan God, en des menschen verderf bloot en alleen aan den mensch. Wat meer zou een geest ons kunnen zeggen, dan — eene duidelijke bekendmaking van deze twee groote waarheden. — „O Israël, gij hebt u zei ven verdorven; maar in Mij wordt uwe hulpe gevonden!quot; (1)

Geliefden, plechtig en ernstig zeggen wij nogmaals, dat de Heilige Schrift zóó volmaakt en volledig is, dat zij geene aanvulling kan behoeven door eene nadere verklaring omtrent onzen toekomenden staat. Alles wat gij omtrent de toekomst behoort te weten, kunt gij uit de Heilige Schrift vernemen. Het is niet recht om, gelijk sommigen, te spreken van de toekomst als van een\' bodemloozen afgrond, alsof dat alles was wat wij er van weten. Geloofd zij God, de theilige ziet niet nederwaarts

(1) Hoséa 13: 0 naar ile Kngnlsc.lie overzetting.

-ocr page 490-

een pkkd1kek üiï de dooden.

in een\' bodemloozen afgrond, hij ziet op naar de hemelsche „stad, die fondamenten heeft, welker kunstenaar en bouw meester God is.quot; Ja ook de goddeloozen zien niet in een\' on-bekenden afgrond, want het is hun duidelijk geopenbaard wat die afgrond is. Ofschoon „geen oogquot; de smarten van hen die verloren gingen „heeft gezien,quot; en geen oor ze „heeft gehoordquot;, zoo heeft de Heilige Schrift er ons toch genoeg van medegedeeld, om ons hun\' toestand als een nauwkeurig geteekenden weg voor te stellen, zoodat, als zij den dood, de hel, de verschrikking ontmoeten, dezegeene hun onbekende, nieuwe zaken voor hen zijn zullen; want zij hebben er van te voren van gehoord, en het is hun duidelijk geopenbaard geworden. Wij zouden niets meer kunnen weten, dat ons van eenig nut zoii zijn. Snappers, lieden, die behept zijn met eene ijdele nieuwsgierigheid, en dergelijken meer, zouden groot welbehagen hebben in zulk een man. O welk een kostelijke prediker zou hij voor hen wezen, zoo zij hem den ganschen weg van den hemel naar de aarde konden doen afleggen, en er hem toe konden brengen om alle geheimen te openbaren! O hoe zouden zij hem liefhebben; hoe zouden zij zich in hem verlustigen! „Want,quot; zeggen zij, „hij weet veel meer dan ieder ander; hij weet veel meer dan de Bijbel ons zegt; hij weet eene menigte kleine bijzonderheden, en het is prachtig ze hem te hoeren verklaren!quot; Maar daar zou het dan bij blijven. Het zou niets dan eene bevrediging zijn van ijdele nieuwsgierigheid; er zou geen zegen uit voortvloeien; want indien het een zegen voor\'ons zou zijn om meer van den toekomenden staat te weten, dan zou God ons die wetenschap niet onthouden. Er kan ons niet meer worden medegedeeld. Indien gij door hetgeen gij weetu niet laat gezeggen, dan zoudt gü, al ware het dat iemand uit de dooden opstond, u evenmin laten gezeggen.

III. Doch sommigen zullen zeggen: indien er al geene

winst ware in de substantie, er zou toch voorzeker wel iets gewonnen zijn in de manier der prediking. o indien

zulk een geest uit de hemelsche sfeeren nederkwam, welk eene prediking zouden wij te hooren krijgen! Wat hemelsche welsprekendheid zou er van zijne lippen vloeien! Hoe majestueus zou hij zijne rede inkleeden! Hoe machtig zou hij zijne hoorders bewegen! Wat wondervolle woorden zou hij uiten! Wat volzinnen, die ons zouden doen sidderen! Er zou in zulk een prediker geene dofheid, geene eentonigheid zijn; het zou geene vermoeienis wezen naar hem te luisteren. Er zou in hem geen gebrek wezen aan liefde, en gewis ook geen gebrek aan ernst. Wij zouden hem zeker volgaarne alle dagen willen hooren, en zijne wondervolle sprake nooit moede worden. Zulk een prediker heeft de aarde nooit gehoord. Ach, dat hij kwame! Hoe wij naar hem zouden luisteren!quot; Houd op! ook dat zijn droo-

-ocr page 491-

EEN PREDIKER UIÏ DE DOODEN.

468

merijen. Ik geloof, dat Lazarus, uit Abrahams schoot naar de aarde komende, geen zoo goed prediker zou wezen als iemand, die nog niet gestorven is, maar wiens lippen wèl aangeraakt zijn met eene gloeiende kool van het altaar. Wel verre dat hij beter zou zijn, kan ik niet inzien, dat hij zoo goed zou wezen, als deze. Zou een geest uit de andere wereld plechtiger tot u kunnen spreken dan Mozes en de profeten hebben gesproken?. Of zouden zij ernstiger kunnen spreken, dan het woord u reeds menigmalen verkondigd is? O mijne vrienden, sommigen van u hebben eene prediking aangehoord zoo ernstig en plechtig als de dood. Ik kan u aan tijden herinneren, toen gij onder het geklank des woords zat, bevende en vol van verbazingen ontroering. Het scheen alsof de leeraar boog en pijlen had, en dat hij uwe conscientie tot doelwit voor zijne schichten had gekozen. Gij wist niet meer waar gij waart; gij waart zoo ontzettend verschrikt, dat uwe knieën tegen elkander aanstieten, en uwe oogen overvloeiden van tranen. Wat verlangt gij nog meer? Indien die hoogernstige prediking van een\' machtigen prediker, dien God toen voor het werk had bezield, u uiet heeft gered, wat kan — buiten den invloed des Gees-tes — u dan wèl redden? En ach! gij hebt nog ontzaggelij ker prediking dan deze gehoord. Gij hadt een kind, een dochtertje; zij was gewoon de Zondagsschool te bezoeken. Zij kwam te huis, krank ten doode toe. Dag en nacht hebt gij bij haar gewaakt, en de koorts nam toe, en gij zaagt, dat het kind moest sterven. Gij hebt niet vergeten, dat dit kind eene prediking voor u gehouden heeft, waardoor gij tot in de ziel ontroerd werdt. Een oogenblik vóór dat zij stierf, nam zij uwe hand in de hare, en zeide: „Vader, ik ga naar den hemel, wilt gij er ook komen ?quot; Dat was eene hoogst ernstige prediking voor u. Wat zou uw doode prediker u meer kunnen zeggen? Gij zijt het nog niet vergeten, dat uw vader, toen hij stervende was, (hij was bij zijn leven een heilige man Gods, die zijn\'Meester trouw heeft gediend) u en uwe broeders en zusters rondom zijn bed had verzameld, en dat hij u een voor een heeft toegesproken. Vrouw! gij hebt, in weerwil van al uwe zonde en goddeloosheid, waaraan gij u sedert hebt overgegeven, niet vergeten, hoe hij u aanzag en zeide: „Mijne dochter, het ware u beter nooit te zijn geboren, dan dat gij Christus versmaadt en op zijne zaligheid geen acht slaat.quot; En gij hebt de uitdrukking van zijn gelaat niet vergeten, toen hij u allen met tranen in de oogen aansprak en zeide: „Kinderen, ik bezweer u bij den dood en de eeuwigheid, zoo gij uwe eigene ziel liefhebt, zoo veracht het Evangelie van Christus toch niet. Keert u af van uwe dwaasheden; wendt u tot God en leeft.quot; Welk een prediker, beter dan deze, verlangt gij ? Wat stem, plechtiger dan die van uwen eigen vader of moeder, toen zij aan den

-ocr page 492-

EEN PREDIKER UIÏ DE DOODEN.

ingang- der eeuwigheid stonden? En gij zijt ook nog niet gansch en al aan den invloed van een ander zeer ernstig, aangrijpend toonecl ontsnapt. Gij hadt een vriend, een zoogenaamd vriend; hij was een verrader, iemand, die in de zonde leefde, en tegen God rebelleerde met eene sterke hand en een\' uitgestrekten arm. Gij herinnert u zijn sterfbed. Toen hij den dood nabij was, werd hij door angst en verschrikking aangegrepen; het vuur der hel brandde hem reeds vóór hij de aarde nog had verlaten. Gij hebt zijne zuchten, zijne bange kreten niet vergeten; gij kunt hot gezicht nog niet bannen uit uwe droomen van die hand, waarin hij in zijne doodsbenauwdheid de nagels diep had ingedrongen, en dat gelaat, dat gansch verwrongen was van verbazing en verschrikking. De quot;ontzettende kreten klinken u nog in de ooren, waarmede die geest het rijk der duisternis inging en het land der levenden verliet. Wat kunt gij van een\' prediker meer verlangen? Hebt gij die prediking gehoord, en hebt gij u toch niet bekeerd? Voorwaar, indien gij na dit alles toch nog verhard zijt gebleven, dan zoudt gij, al ware het, dat iemand uit de dooden opstond, u toch niet laten gezeggen.

Ach 1 maar gij zegt, dat gij iemand verlangt, die met meer gevoel voor u predikt. Dan mijn vriend, kunt gij hem niet vinden in den prediker, dien gij verlangt. Een geest uit den hemel zou geen gevoelvol prediker kunnen zijn. Het zou Lazarus, komende uit Abrahams schoot, onmogelijk zijn om met gevoel, met aandoening voor u te prediken. Als een volmaakt wezen, moet hij natuurlijk gelukkig zijn. Verbeeld u, dat heden iemand, die volkomen gelukzalig is, voor u zou prediken over bekeering en den toorn Gods. Ziet gij hem niet? Er is een kalme glimlach op zijn gelaat; het licht des hemels omstraalt hem, Hij spreekt van de pijn in de hel, de plaats van zuchten en geween; maar hij kan niet zuchten ; zijn gelaat blijft altijd even kalm en vredig. Hij spreekt van de folteringen der goddeloozen : dat is een oogenblik voor tranen ; maar hij kan niet weenen, dat ware onbestaanbaar met de gelukzaligheid. De man spreekt over ontzettende dingen met een\' glimlach op het gelaat. Er is zomer op zijn voorhoofd, en winter op zijne lippen; do hemel in zijne oogen, en de hel in zijn\' mond. Gij zoudt zulk een\' prediker niet kunnen verdragen, het zou wezen alsof hij u bespotte. Ach! er is een prediker noodig, die een mensch is van gelijke bewegingen als gij, een mensch gelijk gij zeiven, die in staat is met u te gevoelen. Er is iemand noodig, die, als hij Christus predikt, zijne hoorders aanziet met den glimlach der liefde; en als hij spreekt van verschrikkingen, siddert in zijn eigen gemoed, terwijl hij u den toorn Gods voorstelt. Na de kracht van Gods Geest, ligt de groote kracht der prediking daarin, dat de prediker gevoelt wat hij zegt. Nooit

469

-ocr page 493-

EEN PREDIKER UIT DE DOODEN.

zullen wij met onze prediking veel goeds uitrichten, tenzij wij in ons hart gevoelen wat wij uitspreken met onze lippen. „Wij dan, wetende den schrik des Heeren, bewegen de menschen tot het geloof.quot; Nu zou een verheerlijkte geest uit den hemel deze dingen niet kunnen gevoelen; hij zou slechts weinig gemoedsbeweging kunnen toonen. Het is waar, hij zou van de heerlijkheid des hemels kunnen spreken, en hoe zou zijn gelaat al schitterender en stralender worden, terwijl hij van de wonderen der bovenwereld gewaagt! Maar als hij er toe kwam om uit te roepen : „Vliedt den toekomenden toorn,quot; dan zou zijne stem nog even liefelijk klinken als hij spreekt van den dood en het oordeel, als toen hij sprak van de heerlijkheid, en dat zou een treurige wanklank opleveren. Het geluid zou niet in overeenstemming wezen met den zin; zijne stembuiging zou ongeschikt zijn om het denkbeeld helder te doen uitkomen. Zulk een prediker zou geen krachtig prediker kunnen zijn, al ware het ook, dat hij uit de dooden was opgestaan.

En één ding kunnen wij zeggen: hij zou zijne prediking niet méér rechtstreeks en persoonlijk tot uw hart kunnen richten, dan u de waarheid op den man af reeds verkondigd is. Ik zal niet zeggen, dat gij die prediking, waardoor uw geweten wel moest getroffen worden, van den kansel hebt gehoord. Ik heb er soms ijverig naar gestreefd zeer persoonlijk te zijn in mijne prediking. Ik ben er niet voor teruggedeinsd sommigen van u als met den vinger aan te wijzen, en u een woord van bestraffing te doen hooren, dat niet te miskennen was. En als ik wist, dat iemand uwer zich toegeeft in zonde, ik zou u niet sparen. Ik dank God, dat ik niet vrees een persoonlijk prediker te zijn, en den pijl af te zenden naar ieders geweten, naar dat hij het van noode heeft. Evenwel, ik ben niet bij machte het woord zoo te doen doordringen tot uw hart, als ik wel wenschte. Gij denkt allen, dat uw naaste bedoeld is, terwijl gij het zelf zijt, voor wien het woord gesproken is. Maar eenmaal hebt gij een persoonlijk prediker gehad. Er was een groot prediker, die u eens in uw huis heeft bezocht; zijn naam was Cholera en Dood. Een schrikkelijk prediker! Met strenge woorden en harden toon leide hij de hand op uwe vrouw, en toen leide hij zijne andere hand op u, en gij werdt koud en schier verstijfd. Gij herinnert u, hoe hij toen voor u gepredikt heeft. Hij heeft uwe conscientie opgeschrikt; hij wilde u niet stil laten liggen ; hij riep luide over uwe zonde en ongerechtigheid ; hij stelde uw geheele voorbijgegane leven in het licht, en uwe booze handelingen voor uwe oogen. Hij leidde u door al uwe afdwalingen heen, van uwe kindsheid tot aan deze ure, en toen nam hij de tuchtroede der wet, en begon uwen rug te doorploegen. Hij verschrikte u inetden „toekomenden toorn.quot;Gij zondtom den leeraar; gij verzocht hem te bidden; gij dacht ook zelf

470

-ocr page 494-

EEN PREDIKER UIT DE DOODEN. 471

te bidden. En toen ging de prediker weg, en zijne komst was vruchteloos; er was u geen goed gedaan. Gij waart een weinig bewogen en een weinig verschrikt; maar gij zijt heden, wat gij toen waart; niet bekeerd en niet behouden. Zoo zoudt gij u dan ook niet bekeeren, al ware het, dat iemand uit de dooden opstond. Gij hebt schipbreuk geleden op zee; gij zijt aan den rand des grafs gekomen door koorts en krankheid; gij waart bijna gedood door een ongeluk, en toch, met al die persoonlijke prediking, en terwijl het geweten luide sprak in uw binnenste, zijt gij heden nog onbekeerd. Zoo leer dan deze waarheid kennen dat geene uitwendige middelen in de gansche wereld u ooit tot de voetbank der goddelijke genade kunnen brengen en een Christen van u kunnen maken, indien Mozescn de profeten daarin gefaald hebben. Alles wat nu geschieden kan is dit: God, de Heilige Geest, moet het woord aan u zegenen, want anders kan het geweten u niet doen ontwaken, kan het verstand u niet doen ontwaken, kunnen krachtige drangredenen u niet doen ontwaken, kan geene overreding u tot Christus brengen. Dit kan door niets of niemand geschieden dan door God, den Heiligen Geest. O! gevoelt gij heden morgen getrokken te zijn ? Is er eene hand der liefde, die n naar Christus heentrekt, en is er eene gezegende stem, die tot u zegt : „Kom tot Jezus, o zondaar; er is hoop voor u ?quot; Dan is dit de Geest van God. Loof en dank er Hem voor. Hij trekt u met menschenzelen, met koorden der liefde. Maar ach! zoo gij niet wordt getrokken, zoo gij aan u zeiven wordt overgelaten, dan zult gij ge-wisselijk sterven. Broeders en zusters in het geloof, laat ons God bidden voor do zondaren, dat zij tot Christus getrokken mogen worden; dat zij er toe geleid mogen worden te komen, zoo schuldig en beladen als zij zijn, en tot Jezus mogen opzien om verlicht te worden, en dat zij zich door de kracht des Geestes zullen laten gezeggen om Christus te nemen tot hun „Alles in alles,quot; wetende dat zij in zich zeiven „niet metalquot; zijn. O Heilige Geest, zegen dit woord, om Jezus Christus wil, Amen.

-ocr page 495-

DE UN RECH T V A /V R Dl GE RECHTER.

En hij zeide uok eene gelijkenis tot lien, daartoe strekkende, dat men altijd bidden moet, en niet vertragen ; zeggende: Er was een zeker rechter in eene stad, die God niet vreesde, en geen\' mensch ontzag. En er was eene zekere weduwe in dezelve stad, en zij kwam tot hem, zeggende: Doe mij recht tegen mijne wederpartij. En hij wilde voor een\' langen tijd niet; maar daarna zeide hij bij zicli zeiven : Hoewel ik God niet vreeze, en geen\' mensch ontzie, nochtans, omdat deze weduwe mij moeielijk valt, zoo zal ik haar recht doen, opdat zij niet eindelijk kome, en mij het hoofd breke. En de Heere zeide: Hoort wat de onrechtvaardige rechter zegt. Zal God dan geen recht doen zijnen uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, hoewel Hij lankmoedig is over hen? Ik zeg u.dat Hij hun haastelijk recht doen zal.quot;

Lukas XVIII : 1—8.

Herinnert u, dat onze Heere niet slechts met grooten ernst vermaand heeft tot bidden, maar dat Hij zelf er het schitterend voorbeeld van gegeven heeft. Het zal immer kracht bijzetten aan de woorden eens leeraars, als zijne hoorders goed weten, dat hij zeil\' beoefent wat hij leert. Jezus was een profeet, machtig, beide in werken en in woorden, en wij lezen „van al hetgeen Jezus begonnen heeft beide te doen en te leeren.quot; In de oefening des gebeds hebben „koude bergen en de middernachtsluchtquot; getuigd, dat Hij een even groot Dader als Leeraar was. Toen Hij zijne discipelen vermaand heeft aan te houden in den gebede, en te „bidden zonder ophoudenquot;, heeft Hij hun slechts bevolen in zijne voetstappen te wandelen. Indien onder al de leden van zijn mystiek lichaam er een was, van wien men kon veronderstellen, dat hij geen gebed noodig had, dan zou hot voorzeker wel ons groot Verbonds-Hoofd moeten zijn; maar zoo ons Hoofd overvloedig was in smeeking, hoeveel te meer hebben wij, de mindere leden, dit dan niet van noode! Hij was nooit verontreinigd door de zonden, welke ons in geestelijken zin hebben verlaagd en verzwakt; Hij had met geene aangeborene neigingen te strijden. Maar indien de volmaakt Reine zoo dikwijls tot God naderde, hoe veel te meer behooren wij dan niet voortdurend te bidden! Zóó machtig, zóó groot, en toch zóó biddend! Ü gij zwakken onder de kudde, met hoeveel kracht komt deze leering tot uw geweten! Stel u dus voor dat deze leerrede heden niet door mij voor u wordt uitgesproken, maar dat zij

-ocr page 496-

473

van de lippen komt van Eenen, die de groote Meester was in het bidden in het verborgene; het hoogste Voorbeeld van smeeking, door niemand dan God gehoord, en laat ieder woord de kracht hebben, als of het door zulk Eenen gesproken werd.

Wenden wij ons dan terstond tot onzen tekst, en wij zullen opmerken, ten eeiste, het doel en de strekking van de gelijkenis; in de tweede plaats zullen wij eenigo woorden hebben te spreken over de twee handelende personen, die er voorgesteld worden, en wier karakter voorbedachtelijk beschreven is op eene wijze, die kracht bijzet aan het argument; en dan zullen wij in de derde plaats verwijlen, bij de macht, die in de gelijkenis als overwinnend wordt voorgesteld.

I. Laat ons dan nadenken over des Heehen doei, in deze gelijkenis ■— „Dat men altijd bidden moet en niet vertragen.quot;

Maar kan de mensch altijd bidden? Er bestond in de eerste dagen van het Christendom eene secte, wier aanhangers dwaas genoeg waren om die zinsnede in letterlijken zin op te vatten, en dus poogden zonder ophouden te bidden, door voortdurend gebeden op te zeggen. Natuurlijk hebben zij zich van alle wereldlijke bemoeiingen verre gehouden, en zoo hebben zij, om den eenen plicht te vervullen, een\' anderen plicht veronachtzaamd. Zulke waanzinnigen kunnen wel verwachten de vruchten van hunne dwaasheid te zullen oogsten. Gelukkig is het in onzen tijd niet noodig zulk eene dwaling te bestrijden en te veroordeeleu. Er bestaat veel meer noodzakelijkheid om onze stem te verheften tegen hen, die onder voorwendsel van altijd te bidden, in het geheel geene vastgestelde tijden hebben tot gebed, en dus in het tegenovergestelde uiterste vervallen. Toen onze Heere zeide, dat men altijd bidden moet, bedoelde Hij, dat men altijd in den geest, de gezindheid des gebeds moet ive-zen, altijd bereid moet zijn om te bidden. Gelijk de oude ridders wel altijd in oorlog waren, maar daarom niet altijd te paard zaten om met gevelde lans voorwaarts te rukken, ten einde hun tegenstander uit het zadel te lichten; maar wel altijd hunne wapens droegen, waar zij ze gemakkelijk konden bereiken, en altijd gereed en bereid waren den dood te gemoet te gaan of zich te laten wonden voor de zaak, waarvan zij kampioenen waren. Deze woeste krijgers sliepen dikwijls met hunne wapenrusting aan; en zoo moeten wij, zelfs als wij slapen, in den geest des gebeds wezen, zoodat wij, des nachts ontwakende, nog altijd met God zijn. Onze ziel, haren goddelijken, middelpunt zoekenden invloed hebbende ontvangen, die haar haar hemelsch middenpunt doet zoeken, behoort immer meer natuurlijk en als van zeiven naar God uit te gaan. Ons hart moet gelijk de bakens en wachttorens zijn, welke ten tijde van de „Onoverwinnelijke Vlootquot;, toen men deze met elk uur ver-

-ocr page 497-

UE ONRECHTVAARDIGE RECHTER.

wachtte te zien verschijnen, langs de kusten van Engeland waren opgericht. Zij waren wel niet altijd brandende, maar er was immer droog hout gereed met eene brandende lont er bij, zoodat op het bestemde oogenblik de geheele hoop terstond in vlammen opwaarts kon gaan. Onze ziel behoort in zulk een\' toestand te wezen, dat ieder oogenblik een gebed uit ons hart kan oprijzen. Daar behoeft men zyne bezigheden niet om te staken; het is niet noodig van achter den toonbank weg te gaan en op de knieën te vallen, de geest moet stil en snel een kort gebed tot God kunnen richten. Als Nehemia den koning om eene gunst wilde verzoeken, heeft hij — gelijk gij u zult herinneren — gelegenheid hiertoe gevonden doordat do koning hem vroeg; „Waarom is uw aangezicht treurig?quot; Maar eer hij den koning antwoordt, zegt hij: „Toen bad ik tot God van den hemelquot;; instinctmatig gevoelende, dat de gelegenheid daar was, heeft hij haar toch niet terstond aangegrepen; neen, hij toefde een oogenblik om van God te vragen, van die gelegenheid op eene verstandige wijze gebruik te maken, en er zijn groot doel mede te bereiken. Zoo moeten ook gij en ik dikwijls gevoelen; „Ik kan dit of dat niet doen, voor ik er een\' zegen over gevraagd heb.quot; Hoe ik mij ook door eene natuurlijke aandrift gedrongen gevoel om mijne hand uit te strekken naar een voordeel, eene te behalen winst, zoo moet toch mijn geest onder den invloed der goddelijke genade aarzelen, mij terughouden, totdat hij gezegd heeft; „Indien uw aangezicht niet medegaan zal, doe mij van hier niet optrekken.quot; Een Chr sten behoort het wapen van het „altijd biddenquot; als een uitgetogen zwaard in de hand te houden. Dat zwaard onzer smeekingen moeten wij nooit in de schede steken. Ons hart moet nooit wezen als een ongeladen en ongericht kanon, dat nooit op den vijand kan losbranden, vóórdat eerst allerlei er aan geschiedt; neen, het moet als die kanonnen zijn, welke geladen en gereed zijn, en slechts het vuur behoeven om afgeschoten te kunnen worden. De ziel moet niet altijd in de oefening, maar wel voortdurend in de kracht des gebeds zijn; zij moet niet altijd in de daad des gebeds, maar wèl immer in den geest des gebeds zijn.

En voorts: toen onze Heere zeide, dat men altijd bidden moet, kan hij ook bedoeld hebben, dat het gansche leven van den Chi isten een leven van toewijding aan God moet wezen. God te loven, beide met onze stem en met onze daden voor de goedertierenheden, die wij van Hem hebben ontvangen, en dan God te bidden om den zegen, die wij behoeven, godvruchtig erkennende dat zij van Hem komen, deze twee oefeningen of werkzaamheden behooren in den een\' of anderen vorm de som totaal van het menschelijk leven uit te maken. Onze levenspsalm moet samengesteld zijn uit afwisselende verzen van

474

-ocr page 498-

DE ONRECHTVAARDIGE RECHTEE.

475

gebed en dankzegging, totdat wij in de andere wereld komen, waar het gebed kan ophouden, en de lof geheel onze onsterfelijkheid zal innemen. „Maar,quot; zegt iemand, „wij moeten toch ons werk doen, onze dagelijksche plichten waarnemen.quot; Ik weet het, maar het is mogelijk dat wij onze dagelijksche bezigheden tot een deel maken van gebed en dankzegging. „Geef ons heden ons dagelyksch broodquot;, zegt gij, en terwijl gij dit zegt, is het een gebed. Nu gaat gij naar uwen arbeid, en zoo gij uw werk doet in eene godvruchtige gezindheid, bidt gij door dezen uwen wettigen arbeid wederom hetzelfde gebed. In uwen morgenzang looft gij G-od voor de weldadigheden, die gij van Hem hebt ontvangen, en als gij u tot de plichten des levens begeeft, en er de genade in tentoonspreidt, die eer doet aan Gods naam, dan gaat gij op de best mogelijke wijze voort met zijn\' lof te vermelden. Gedenkt, dat voor Christenen te arbeiden is te bidden, en dat er veel waarheid is in het woord des dichters: „Hij bidt het best, die het best lief heeft. Het goede te begeeren voor mijne medemenschen en het voor hen te zoeken; Gods eer te begeeren, en zóó te leven, dat zij er door bevorderd wordt, dat is ware godsvrucht. De vroomheid dei-kloosters staat geenszins gelijk aan die van den mensch, die den strijd des levens strijdt. Die kloostcrvroomheid is op zijn best genomen slechts gelijk aan den heldenmoed van een\' krijgsman, die het gevecht ontwijkt; maar de godsvrucht van iemand, die bezig is in zijn dagelijksch beroep, en alles doet tot eer van God, dat is de moed van iemand, die zich in het heetst van den strijd werpt, en er den verheven, aloudcn standaard van Jehova nissi ornhoog houdt. Gij behoeft niet te vreezen, dat er in een wettig beroep iets kan wezen, dat u van bidden, het ware bidden, behoeft te doen aflaten; maar als gij een beroep uitoefent, dat onbestaanbaar is met gebed, o! dan deedt gij veel beter met dit beroep te laten varen. Als het een zondig, onheilig beroep is, dan kunt gij dat natuurlijk Gode niet aanbieden; maar alle gewone werkzaamheden des levens zijn van zulk een\' aard. dat zoo gy ze niet kunt heiligen, dit aanduidt, dat er heiligheid ontbreekt in u zei ven, en zoo draagt gij er dan de schuld van. Men moet altijd bidden. Dat wil zeggen, dat als iemand den schoenmakersklopsteen gebruikt, of den beitel hanteert; als de handen aan den ploeg zijn, of aan de spade; als zij koopwaren meten, als zij handelen in geldswaardig papier, of wat zij ook anders doen, zij behooren alle deze dingen tot een deel te maken van het heilig streven om Gods eer te bevorderen. Hunne gewone, daagsche kleederen moeten heilige gewaden worden, hunne maaltijden sacramenten, hunne gewone handelingen offeranden, en zij zeiven een koninklijk priesterdom, een bijzonder volk, ijverig tot goede werken.

-ocr page 499-

DE ONRECHTVAARDIGE RECHTE 11.

476

Eene derde beteekenis, die, geloof ik, onze Heere ons wilde doen verstaan, is deze; men moet altijd bidden, dat is: men moet volharden in den gelede. Dit is waarschijnlijk, wat Hij in de allereerste plaats bedoeld hoeft. Als wij God eens om een\' zegen vragen, dan moeten wij niet denken, dat wij er Hem nu verder niet lastig om moeten vallen; neen; wij moeten er herhaaldelijk om tot Hem gaan. Indien wij Hem zevenmaal om iets gevraagd hebben, dan moeten wij er mede voortgaan tot aan zeventig maal zeven malen. In tijdelijke zaken kan er eene grens zijn, en kan de Heilige Geest ons zeggen er niet meer om te vragen. Dan moeten wij zeggen; ,,De wil dos Hee-ren geschiede.quot; Indien het iets is voor ons persoonlijk voordeel, dan moeten wij ons door den geest der onderworpenheid laten beheerschen, zoodat wij, na den Heere driemaal gevraagd te hebben, tevreden moeten zijn met de belofte: „Mijne genade is u genoegquot;, en niet langer er op aandringen, dat de doorn uit ons vleesch zal worden weggenomen. Maar ten opzichte van geestelijke zegeningen, en inzonderheid in het vereenigd gebed der gemeente, moeten wij ons niet laten afwyzen. Hier moeten wij volharden zoo wij willen overmogen, wij moeten er onophoudelijk mede voortgaan, en van geene pauze weten voor ons gebed, totdat de verlangde zegen ons in de ruimste mate is geschonken. „Men moet altijd bidden.quot; Week op week, maand op maand, jaar op jaar moet de bekeering van dat geliefde kind het onderwerp van zijns vaders gebed wezen. De toebrenging van den onbekeerden echtgenoot moet dag en nacht op liet hart zijner gade liggen, totdat zij haar verkregen heeft. Zelfs tien of twintig jaren van onverhoord bidden mag zij niet als eene reden beschouwen om er mede op te houden. Zij mag Gode geene tijden of gelegenheden stellen, maar zoo lang er leven is in haar, en zoo lang er leven is in het dierbaar voorwerp harer bezorgdheid, moet zij voortgaan met bij den machtigen God Jakobs te pleiten. De leeraar moet niet slechts nu en dan een\' zegen vragen voor zijne gemeente, om als hij dien zegen in zekere mate ontvangen heeft, dan nu verder af te laten van zijne voorbede voor haar, neen, hij moet met vurigen ernst voor haar blijven bidden, zonder te verzwakken of te vertragen; hij moet luid roepen en niet inhouden, totdat de vensteren des homels geopend en een zogen geschonken zij, te groot voor hem om hem te kunnen bergen. Maar broeders, hoe dikwijls gebeurt het niet, dat wij van God vragen en niet hebben, omdat wij er niet lang genoeg op wachten aan zijne deur! Wij kloppen een paar maal aan de deur der genade, en daar er geen vriendelijke bode is, die de deur voor ons opent, gaan wij onzes weegs. O mocht ons de genade geschonken worden, om stand te houden voor den engel Gods, en Hom nimmer, nimmer, nimmer loslaten, gevoelende, dat de zaak.

-ocr page 500-

DE ONRECHTVAARDIGE KECHTER.

waarvoor wij pleiten, eene zaak is, waarin wij voorspoedig moeten zijn, omdat het heil der zielen er van afhangt, de eere Gods er mede gemoeid, de toestand onzer medemenschen in gevaar is. Indien wij het hebben opgegeven om te bidden voor ons eigen leven en het leven van lien, die ons het dierbaarst zijn, zoo kunnen wij de zielen der menschen toch mei qp(/ei;eK, daarvoor moeten wij dringend bidden en aanhoudend pleiten, totdat wij verhoord zijn.

Ik kan van dit deel van het onderwerp niet afstappen zonder op te merken, dat onze Heere ons wil leeren, dat men meer dikwijls in het gebed moet zijn. Wij moeten niet slechts altijd den geest des gebeds hebben, wij moeten niet slechts ons gansche leven tot één gebed maken, en volharden in den gebede voor iets dat dierbaar is aan onze ziel, maar ei- moet onder al de heiligen veelvuldiger gebeden worden. Ik leer dit uit de gelijkenis : „Opdat zij niet eindelijk kome, en mij het hoofd breke.quot; Zulk eene geneigdheid tot bidden z.il niet lang aanhouden, tenzij men tijden en gelegenheden afzondere voor het gebed. Er zijn in de Schrift geene bepaalde tijden tot het gebed aangewezen, behalve door het voorbeeld van heilige, godvruchtige menschen, want de Heere laat veel over aan de liefde zijns volks en den drang van het innerlijk leven. Hij zegt niet; „Bidt eiken dag om zeven uur in den morgen,quot; of „bidt des avonds om acht, negen, tien, of elf uur.quot; Neen, Hij zegt: „Bidt zonder ophouden. Toch zal ieder Christen het bij uitstek nuttig vinden om zijne geregelde tijden van afzondering te hebben tot het gebed, en ik betwijfel het, of eene hooge godsvrucht bestaan kan indien zulke tijden niet nauwgezet waargenomen worden. Wij lezen in oude overleveringen van den apostelJa-kobus, dat hij zóó veel bad. dat zijne knieën vereelt waren door het gedurig knielen ; en Fox verhaalt ons, dat Latimer gedurende zijne gevangenschap zoo veel op de knieën was, dat de arme grijsaard soms niet op kon staan om zijn\' maaltijd te gebruiken, en dan door zijne dienaren opgericht moest worden. Toen hij niet langer kon prediken, en opgesloten was binnen steenen muren, ging zijn gebed op voor zijn land, en zoo ontvangen wij in onzen tijd den zegen. Daniël bad dagelijks op gezette tijden en met geopende vensters. „Ik loof u zeven maal des daags,quot; zegt iemand. David verklaarde, dat hij „des avonds, en des morgens, en des middagsquot; tot God zal gaan. O dat onze gebeden niet door zoo groote tusschenpoozen van elkander gescheiden waren. Gave God, dat de bronnen, waaruit wij op den pelgrimstocht des levens drinken, menigvuldiger waren. Op deze wijze is het, dat wij moeten bidden zonder ophouden.

Om het nu alles saam te vatten : onze Heere bedoelde, dat de geloovigen eene algemeenheid van bidden moeten beoefenen — ten allen tijde moeten wij bidden. Er zijn in des Christens dag

477

-ocr page 501-

476 DE ONKECHÏVAARDIGE KECHTEK.

Eene derde beteekenis, die, geloof ik, onze Heerc ons wilde doen verstaan, is deze; men moet altijd bidden, dat is; men moet volharden in den gebede. Dit is waarschijnlijk, wat Hij in de allereerste plaats bedoeld heeft. Als wij God eens om een\' zegen vragen, dan moeten wij niet denken, dat wij er Hem nu verder niet lastig om moeten vallen; neen; wij moeten er herhaaldelijk om tot Hem gaan. Indien wy Hem zevenmaal om iets gevraagd hebben, dan moeten wij er mede voortgaan tot aan zeventig maal zeven malen. In tijdelijke zaken kan er eene grens zijn, en kan de Heilige Geest ons zeggen er niet meer om te vragen. Dan moeten wij zeggen; ^De wil des Hee-ren geschiede.quot; Indien het iets is voor ons persoonlijk voordeel, dan moeten wij ons door den geest der onderworpenheid laten beheerschon, zoodat wij, na den Heere driemaal gevraagd te hebben, tevreden moeten zijn met de belofte; „Mijne genade is u genoegquot;, en niet langer er op aandringen, dat de doorn uit ons vleesch zal worden weggenomen. Maar ten opzichte van geestelijke zegeningen, en inzonderheid in het vereenigd gebed der gemeente, moeten wij ons niet laten afwijzen. Hier moeten wij volharden zoo wij willen overmogen, wij moeten er onophoudelijk mede voortgaan, en van geene pauze weten voor ons gebed, totdat de verlangde zegen ons in de ruimste mate is geschonken. „Men moet altijd bidden.quot; Week op week, maand op maand, jaar op jaar moet de bekeering van dat geliefde kind het onderwerp van zijns vaders gebed wezen. De toebrenging van den onbekeerden echtgenoot moet dag en nacht op het hart zijner gade liggen, totdat zij haar verkregen he aft. Zelfs tien of twintig jaren van onverhoord bidden mag zij riet als eene reden beschouwen om er mede op te houden. Zij mag Gode geene tijden of gelegenheden stellen, maar zoo lang er leven is in haar, en zoo lang er leven is in het dierbaar voorwerp harer bezorgdheid, moet zij voortgaan met bij den machtigen God Jakobs te pleiten. De leeraar moet niet slechts nu en dan een\' zegen vragen voor zijne gemeente, om als hij dien zegen in zekere mate ontvangen heeft, dan nu verder af te laten van zijne voorbede voor haar, neen, hij moet met vurigen ernst voor haar blijven bidden, zonder te verzwakken cf te vertragen; hij moet luid roepen en niet inhouden, totdat de vensteren des hemels geopend en een zegen geschonken zij, te groot voor hem om hem te kunnen bergen. Maar broeders, hoe dikwijls gebeurt het niet, dat wij van God vragen en niet hebben, omdat wij er niet lang genoeg op wachten aan zijne deur! Wij kloppen een paar maal aan de deur der genade, en daar er geen vriendelijke bode is, die de deur voor ons opent, gaan wij onzes weegs. O mocht ons de genade geschonken worden, om stand te houden voor den engel Gods, en Hem nimmer, nimmer, nimmer loslaten, gevoelende, dat do zaak.

-ocr page 502-

DE ONRECHTVAARDIGE RECHTER. 477

waarvoor wij pleiten, eene zaak is, waarin wij voorspoedig moeten zijn, omdat het heil der zielen er van afhangt, de eere Gods er mede gemoeid, de toestand onzer medemenschen in gevaar is. Indien wij het hebben opgegeven om te bidden voor ons eigen leven en het leven van hen, die ons het dierbaarst zijn, zoo kunnen wij de zielen der menschen toch niet opgeven,

voor moeten wij dringend bidden en aanhoudend pleiten, totdat wij verhoord zijn.

ik kan van dit deel van het onderwerp niet afstappen zonder op te merken, dat onze Heorc ons wil leeren, dat men meer dikwijls in het gebed moet zijn. Wij moeten niet slechts altijd den geest des gebeds hebben, wij moeten niet slechts ons gansche leven tot één gebed maken, en volharden in den gebede voor iets dat dierbaar is aan onze ziel, maar er moet onder al de heiligen veelvuldiger gebeden worden. Ik leer dit uit de gely-kenis: „Opdat zij niet eindelijk kome, en mij het hoofd breke.quot; Zulk eene geneigdheid tot bidden z.tl niet lang aanhouden, tenzij men tijden en gelegenheden afzondere voor het gebed. Er zijn in de Schrift geene bepaalde tijden tot het gebed aangewezen, behalve door het voorbeeld van heilige, godvruchtige menschen, want de Heere laat veel over aan de liefde zijns volks en den drang van het innerlijk leven. Hij zegt niet: „Bidt eiken dag om zeven uur in den morgen,quot; of „bidt des avonds om acht, negen, tien, of elf uur.quot; Neen, Hij zegt; „Bidt zonder ophouden. Toch zal ieder Christen het bij uitstek nuttig vinden om zijne geregelde tijden van afzondering te hebben tot het gebed, en ik betwijfel het, of eene hooge godsvrucht bestaan kan indien zulke tijden niet nauwgezet waargenomen worden. quot;Wij lezen in oude overleveringen van den apostelJa-kobus, dat hij zóó veel bad, dat zijne knieen vereelt waren door het gedurig knielen ; en Fox verhaalt ons, dat Latimer gedurende zijne gevangenschap zoo veel op de knieën was, dat de arme grijsaard soms niet op kon staan om zijn\' maaltijd te gebruiken, en dan door zijne dienaren opgericht moest worden, ïoen hij niet langer kon prediken, en opgesloten was binnen steenen muren, ging zijn gebed op voor zijn land, en zoo ontvangen wij in onzen tijd den zegen. Daniël bad dagelijks op gezette tijden en met geopende vensters. „Ik loof u zeven maal des daags,quot; zegt iemand. David verklaarde, dat hij „des avonds, en des morgens, en des middagsquot; tot God zal gaan. O dat onze gebeden niet door zoo groote tusschenpoozen van elkander gescheiden waren. Gave God, dat de bronnen, waaruit wij op den pelgrimstocht des levens drinken, menigvuldiger waren. Op deze wijze is het, dat wij moeten bidden zonder ophouden.

Om het nu alles saam te vatten : onze Heere bedoelde, dat de geloovigen eene algemeenheid van bidden moeten beoefenen — ten allen tijde moeten wij bidden. Er zijn in des Christens dag

-ocr page 503-

de ok recht vaardige rechter.

of week geene byzondere uren, die heilig zijn, en daarom meer dan andere in het gebed doorgebracht moeten worden. Wij bidden van dat des morgens de haan kraait tot aan middernacht, op ieder oogenblik wanneer wij er door den Geest toe bewogen worden. Wij moeten bidden in alle toestanden, in onze armoede en onzen rijkdom, in gezondheid en krankheid, in de zonnige dagen der feestvreugde, en in de donkere nachten van rouw en geween. Wij moeten bidden bij geboorten en bij begrafenissen ; wij moeten bidden als onze ziel zich verheugt in ons binnenste van wege de overvloedige goedertierenheid des Heeren, en wij moeten bidden als onze ziel van wege rouw en gedruktheid tot aan de poorten des doods is gekomen. Wij moeten bidden bij al onze verrichtingen, zoowel bij die van wereldlijken als die van geestelijken aard. Alles moet geheiligd worden door gebed. Het Woord Gods en het gebed moeten boven en behalve de gewone dingen des dagelijkschen levens komen. Bid bij een\' koop, dien gij sluit; bid als gij naar een\' winkel gaat en er weder uitkomt. Herinner u hoe in de dagen van Jozua de Gibeonieten Israël hebben bedrogen, omdat Israël het den mond des Heeren niet vraagden,quot; en laat ook gij u niet bedriegen door eene schoonschijnende verzoeking, hetgeen u zeer licht kan gebeuren, indien gij niet dagelijks tot den Heere gaat en zegt: „Bestuur mij, maak rechte paden voor mijne voeten, en leid mij op den eeuwigen weg.quot; Nooit zult gij dwalen door te veel te bidden; nooit zult gij u vergissen door al te dikwijls om Gods leiding te vragen; maar gij zult het eene genaderijke verlichting uwer oogen vinden, als gij voor twee wegen staat, die beiden gelijkelijk recht schijnen te zijn, en tot God roept: „Leid mij, o groote Jehovah.quot; „Men moet altijd bidden.quot; Ik heb hier nu over gesproken van dezen kansel, gaat heen en geeft er de verklaring van in uw dagelijks leven.

II. Ten einde kracht bij te zetten aan dit gebod, geeft de Heere ons eene gelijkenis, waarin twee handelende personen voorkomen, en het zijn de de kenmerkende trekken dezer twee personen, die aan dit gebod kracht bijzetten.

In het eerste vers van deze gelijkenis vinden wy een\' rechter. Hierin hebben wij nu het groote voordeel in het gebed. Broeders, indien deze arme vrouw overmocht heeft bij een\' rechter, wiens ambt streng, onbuigzaam en ontoegevend is, hoe veel te meer behooren gij en ik aan te houden in den gebede en vol hoop te zijn om verhoord te worden, als wij onze smeekingen richten tot een\' Vader! Een vader is zeer verschillend van een\' rechter. De rechter moet noodzakelijker wijs onpartijdig zijn en streng; maar de vader is als van zeiven partijdig voor zijn kind, meêdoogend en teeder voor zijn eigen kroost. Heeft zij overmocht bij een\' rechter, en zullen wij dan

478

-ocr page 504-

DE ONRECHTVAARDIGE RECHTER.

niet overmogen bij onzen Vader, die in de hemelen is? Blijft zij in haren grooten nood bij hem aanhouden, hem lastig vallen, tot dat zij hare begeerte verkrijgt, en zullen wij dan niet in de innigheid van ons verlangen volharden in den gebede, tot dat wij van onzen hemelschen Vader verkrijgen alles wat zijn woord ons belooft ?

En behalve dat hij een rechter was, had die mmsch ook geen goed karakter. Van beide kanten kwam hij te kort. Hij „vreesde God niet.quot; Zijn geweten was toegeschroeid; hij dacht niet aan den grooten rechterstoel voor welken ook rechters moeten verschijnen. Hij heeft wellicht een\' eed gedaan voor het aangezicht Gods om onpartijdig recht te spreken, maar hij heeft zijn\' eed vergeten, en het recht onder zijne voeten vertreden. Hij was een rechter, „die God niet vreesde, en geen mensch ontzag.quot; De goedkeuring zijner medemenschen, die zeer dikwijls eene macht is, om zelfs van nature slechte menschen te weerhouden van openlijk kwaad te doen, of wel hen te nopen tot rechtvaardigheid, liad op hem geen\' invloed. Indien nu de weduwe bij zulk een\' ellendeling overmocht; indien het ijzer van haar lastig dringen het ijzer en staal brak van dezes mans verhardheid van hart, hoe veel te meer kunnen wij dan niet verwachten wel te slagen bij Hem, die rechtvaardig is en goed, de Vriend der nooddruftigen, de Vader der weezen, en de Wreker van allen, die verdrukt worden ! O laat het karakter van God, als het u voor oogen komt in al de majesteit zijner waarheid en trouw vermengd met goedertierenheid, teederheid en genade een\' onvermoeibaren yver van smeeking in u opwekken en u met deze arme vrouw doen besluiten, dat gij met uwe smeeking niet zult ophouden, voordat gij uwe begeerte hebt verkregen.

Die rechter was zoo door en door slecht, dat hij zijne slechtheid bij zich zeiven erkende, en dat wel met groote zelfvoldoening. Zonder het minste gevoel van berouw zeide hij bij zich zeiven : „Hoewel ik God niet vreeze, en geen mensch ontzie.quot; Er zijn weinige zondaren, die zóó ver gaan. Zij zullen God niet vreezen en geen mensch ontzien, maar toch zullen zij iets in hun hart koesteren dat nog eenigen schijn van deugd heeft, en zich zeiven zoo misleiden dat zij gelooven ten minste niet erger te zijn dan anderen. Doch bij dezen man was dat zelfbedrog niet. Hij was even onverschilig onder deze erkentenis als do Fari-zeër omtrent het tegenovergestelde was: „O God! ik dank U, dat ik niet ben gelijk de andere menschen.quot; Tot welk eene schaamteloosheid moét deze mensch niet zijn gekomen, hoe grootelijks moet zijn hart niet verhard zijn geweest, dat hij zich zeiven, als zoodanig kennende, toch op den rechterstoel durfde plaats te nemen om zijne medemenschen te oordeelen ! Toch heeft de vrouw bij dit monster in menscheHjke gedaante

479

-ocr page 505-

DE ONRECHTVAARDIGE RECHTER.

overmocht, bij dien mensch, die een welbehagen had in zijne eigene slechtheid. Bij dien rechter heeft.het lastige aandringen overmocht; hoe veel te meer zal dan ons pleiten niet overmogen bij Hem, die Zijn eigen Zoon niet gespaaid heeft, maar Hem vrijwillig voor ons allen heeft overgegeven; bij Hein, wiens naam liefde is, wiens natuur geheel en al aantrekkelijk is en bemoedigend voor hen, die zijn aangezicht zoeken ! Hoe slechter deze rechter ons wordt voorgesteld,— en hij zou nauwelijks in zwarter kleuren geschilderd zijn kunnen worden, —-hoe meelde stem van den Zaligmaker ons schijnt toe te roepen, dat „men altijd bidden moet en niet vertragen.quot;

Merk ook op met betrekking tot het karakter van dezen rechter dat hij met volkomene bewu-itheid om niets gaf dan om zijn eigen gemak. Toen hij er eindelijk in bewilligde recht te doen, was zijne eenige beweegreden hiervoor de vrees „dat zij niet eindelijk kome, en mij het hoofd breke.quot; „Dat zij mij niet versuft makequot; zou men hier het oorspronkelijke Grieksch kunnen lezen, of gelijk sommigen vertalen: „Dat zij mij het gelaat niet zwart maakt door er,gedurig op te hameren,quot; eene soort van boeventaal, denk ik, uit die dagen. Dat was de taal, die hij gebruikte, een korte volzin om zijne verontwaardiging uit te drukken, omdat men hem over zulk een geval lastig durfde vallen. Het eenige wat hem bewoog was de begeerte om zijn gemak te kunnen houden, en alles aangenaam om zich heen te hebben. O mijne broeders, indien zij bij zoo iemand heeft overmocht, hoe veel te meer zullen wij dan niet welslagen bij God, wiens verlustiging het is zorg te dragen voor zijne kinderen, en hen lief heeft als den appel van zijn oog!

Deze rechter was onvriendelijk en wreed voor haar, toch bleef de weduwe bij hem aandringen. In den beginne wilde hij in het geheel niet naar haar luisteren, ofschoon haar gezin, haar leven, het lot harer kinderen, van zijn\' wil en welbehagen afhingen. Door eene lijdelijke onrechtvaardigheid besterdigde hij haar leed en haar lijden. Maar onze God is vriendelijk en barmhartig voor ons, tot aan dezen oogenblik toe heeft Hij ons gehoord en onze bede toegestaan. Stel dit tegenover het karakter van den rechter, en dan zal ieder liefhebbend hart, dat de kracht des gebeds kent tot dringend aanhouden in smeeking worden bewogen.

Doch wij moeten er nu toe overgaan om den anderen handelenden persoon in dit tooneel gade te slaan. Het is de ; en ook hier wordt de gemeente Gods er door alles toe bemoedigd om aan te houden bij God in het gebed. Het was blijkbaar, dat zij den rechter hoegenaamd niet kende. Zij verscheen voor hem als iemand, in wie hij hoegenaamd geen belang stelde. Waarschijnlijk had hij haar nooit te voren gezien; wie zij was en wat zij verlangde ging hem niet aan. Maar als do

480

-ocr page 506-

DE ONKECHïVAAHDIGE EECHÏER.

gemeente voor God verschijnt, komt zy als de bruid van Christus; zij verschijnt voor den Vader als eene, die Hij heeft lief gehad met eene eeuwige liefde. En zal Hij zijne uitverkorenen, zijn eigen volk, geen recht doen ? Zullen liunne gebeden bij Hem niet o vermogen, als het lastig aandringen eener vreemdelinge by dien onwilligen rechter wèl heeft overmocht ?

De weduwe verscheen voor den rechterstoel zonder een\' enkelen vriend. Volgens de gelijkenis had zij geen advokaat, geen krachtig pleiter, die voor de rechtbank opstond en zeide: „Ik ben de beschermer dezer arme vrouw.quot; Zal zij overmogen, dan moet het door haar eigen ijver en vastheid van voornemen zijn om haar doel te bereiken. Maar als gij en ik voor onzen Vader komen, dan komen wij niet alleen, want wij hebben een\' Vriend, die altijd leeft om voor ons te bidden. O Christen, dring met heilige vrijmoedigheid aan bij God, want het bloed van Jezus spreekt met eene stem, die gehoord moet worden. Wees dus niet versaagd, maar volhard in uwe smeeking. Deze arme vrouw kwam zonder eene belofte om haar tebemoedigen, integendeel er was veel om haar af te schrikken. Maar als gij en ik voor God komen, dan wordt ons door God zeiven bevolen te bidden, en er is ons beloofd, dat zoo wij vragen, wij zullen ontvangen, dat zoo wij zoeken, wij zullen vinden. Wint zij hare zaak zonder het heilig wapen der belofte ; en zullen wij dan niet winnen, wij, die den stormram van Gods eigen woord tegen de poorten des hemels kunnen gebruiken ? O mijne broeders, wij moeten geen oogenblik aflaten van onze smeeking zoolang wij Gods belofte hebben om haar te ondersteunen.

Behalve dat de weduwe geene enkele belofte had, had zij ook geen voortdurend recht van toegang. Ik denk, dat zij op gewone tijden, als er recht gesproken werd, een recht had om geboord te worden. Maar welk recht had zij om den rechter immer met hare bede te vervolgen, hem op te wachten op straat, aan te kloppen aan de deur zijner eigene woning, in den nacht zelfs, zoodat hij, boven in het huis slapende, door haar roepen en schreeuwen werd gewekt ? Zij had er geen verlof toe om hem zoo lastig te vallen; maar wij mogen ten allen tijde tot God komen. Wij mogen dag en nacht tot Hem roepen, want Hij heeft ons bevolen te bidden zonder ophouden. Hoe! zonder er verlof toe te hebben blijft die vrouw zoo dringend aanhouden ! En zullen wij, met de heilige vergunning, die God ons gegeven heeft, en de bemoediging zyner overvloedige goedertierenheid, met ons pleiten ophouden ?

Die arme vrouw heeft telkens, als zij met haar verzoek tot hem kwam, den rechter tot toorn geprikkeld. Ik denk, dat hij woedend moet geweest zyn, wyl zoo onbeduidend een persoon hem lastig durfde vallen. Maar als wij bij Jezus pleiten, behagen wij Hem veeleer, dan dat wij Hem vertoornen. De ge-

481

31

-ocr page 507-

de onrechtvaardige hechter.

beden der heiligen zijn muziek in Gods ooren. Naar den mensch gesproken, doen wij Gode een genoegen, als wij bij Hem pleiten. Het is Hem eene ergernis, zoo wy onze smeekingen inhouden ; maar Hij heeft een welbehagen in ons, als wij voortdurend tot Hem naderen. O gij kinderen der liefde, indien gij den goedkeurenden blik opvangt uit uws Vaders oog, zoo bid ik u, versaagt niet, maar volhardt, blijft aanhouden om den zegen van Hem af te smeeken.

En wederom: deze vrouw had eene rechtszaak, die voor den rechter zeiven niet van belang was; maar wij bidden om eene zaak, waar God nog veel meer belang bij heeft dan wy ; want als de gemeente vraagt om de bekeering van zielen, dan kan zij met recht zeggen: „Sla op, o God ! twist uwe twistzaak.quot; Het is tot eer van Christus als zielen behouden worden ; het verheerlijkt de goedertierenheid en de macht van God als groote zondaren zich bekeeren van de dwaling huns wegs, en bijgevolg pleiten wij hij den Rechter voor den Eechter, pleiten wij bij God voor God. Ons gebed is eigenlijk door Christus voor Christus, dat zijn koninkrijk kome en zyn wil geschiede.

Ik moet niet vergeten er op te wijzen, dat deze vromv slechts alleen was. Zij overmocht, ofschoon zij alleen was; maar zal God zijnen uitverkorenen geen recht doen, die niet een, maar tienduizenden zijn? Indien er eene belofte is, dat waar twee of drie zullen samenstemmen op de aarde over eenige zaak, die zij zouden mogen begeeren, dat die hun zal geschieden, hoe veel te meer zal dit dan niet geschieden, indien in eenige gemeente honderden samenkomen, die vuriglijk begeeren, dat God zijne belofte zal vervullen ? Zulke pleitgronden werpen ketenen rondom den troon van God! Hoe wordt er de Almacht, als het ware, door ingesloten! Hoe nopen zij den Almachtige om op te staan en zijn volk te antwoorden en de groote daad te doen, waardoor zijne gemeente gezegend en Hij zelf verheerlijkt zal worden!

Gij ziet dus, dat, hetzij wij den rechter beschoaiwen, of onzen blik richten op de weduwe, het karakter van elk hunner ons wijst op onzen plicht en ons voorrecht om altijd te bidden en niet te vertragen.

Hl. Het derde en laatste punt onzer bespreking is: de

macht, die, volgens deze gelijkenis, de overwinning behaalde.

Deze macht was niet de welsprekendheid der vrouw: „Doe mij recht tegen mijne tegenpartij.quot; Dat zyn slechts weinige woorden. Zü hebben de verdienste van veelbeteekenend te zijn; maar wie de kunst der welsprekendheid wil bestudeeren, zal er niet veel uit leeren. „Doe my recht tegen mijne tegenpartij-quot; Slechts zes woorden. Gij ziet, dat er geen pleitgrond is. Er is niets over haren weduwstaat, niets over hare kinderen, niets

482

-ocr page 508-

1)E ONRECHTVAARDIGE EËCHTËR.

over de slechtheid van hare tegenparty; niets omtrent het oordeel Gods over onrechtvaardige rechters, noch omtrent den toorn Gods over onrechtvaardige menschen, die de huizen dei-weduwen verslinden, niets van dat alles. „Doe mij recht tegen myne wederpartij.quot; Haar welslagen hing dus niet af van de kracht harer welsprekendheid. En hieruit leeren wij, dat het overmogen eener ziel of van eene gemeente bij God niet afhangt van de keus harer woorden of van de welsprekendheid dei-taal, die zij gebruikt. Het gebed, dat ten hemel oprijst, kan wel eens zeer weinig sierlijkheid van woorden hebben; maar wel moet er eene kracht van Innige begeerte, van vurig verlangen in wezen. Het moet, zoo het den zevenden hemel wil bereiken, niet als de pauw zijn, schitterend van kleurenpracht, maar als de arend, die zich naar de wolken verheft. Als gy in het openbaar bidt, dan zal het, in den regel, hoe korter hoe beter zijn. Woorden zijn hinderlijk voor het gebed. Dikwijls gebeurt het, dat een overvloed van woorden eene schaarschte van begeerten aanduidt. Woordenrijkheid in het gebed is dikwijls slechts een vijgeblad, om de naaktheid eener niet ontwaakte ziel te bedekken.

Er is nog iets, dat volkomen zeker is, namp;meWik dat de vrouw niet overmocht heeft door het rechtvaardige van hare zaak. Deze kan goed of niet goed zijn geweest, maar er staat hieromtrent niets vermeld. Ik betwijfel het rechtvaardige er niet van ; evenwel, de rechter bekommerde er zich niet om, of hare zaak al of niet recht was, waar hem aan gelegen was, was dat die vrouw hem lastig viel. Hy zegt niet: „hare zaak is goed en recht,ik moet er mijne aandacht aan wijden.quot; Neen, hij was te slecht om zich door zulk eene beweegreden te laten leiden — maar „zij kwelt mijquot;, dat is alles, „ik zal de zaak dan maar op mij nemen.quot; Evenzoo is er ook in onze zaak, de zaak tusschen den zondaar en God, niets waardoor wij bij God kunnen overmogen. Neen, zondaar, gij hebt geene verdienste. Indien gij uw pleit wint, dan moet het wezen om de verdienste van een Ander, en van uwe zijde moet er geene verdienste maar ellende zijn. Het moet niet wezen door uwe gerechtigheid, maar door uw aanhouden, dat gij bij God overmoogt. Hoe behoorde dit diegenen onder u te bemoedigen, die gedrukt zijt onder het gevoel uwer onwaardigheid! Hoe onwaardig gij ook zijt, volhard in den gebede. De hand kan zwart zijn, zoo zij echter den klopper kan opheffen, zal de poort open gaan. Ja, en al is die hand verlamd, en al zoudt gy behalve die verlamming ook nog melaatsch wezen; al zou de witte melaatschheid zich aan uw voorhoofd openbaren; zoo gij slechts sidderend dien klopper kunt opheffen, en haar door haar eigen gewicht op die heilige belofte laat vallen, dan zult gij gewisselijk bij den Koning der koningen gehoor erlangen. Hot is geene welspre-

483

-ocr page 509-

DE ONRECHTVAAEMGE HECHTER.

484

kendheid, het is geene verdienste, die bij G-od wint, het is niets dan het dringend aanhouden in den gebede.

Merkt nog op betreffende deze vrouw, dat de rechter eerst zeide, dat zij hem moeielijk viel, daarna dat zij voortdurend tot hem kwam (1) en toen voegde hij er de vrees bij, dat zij hem het hoofd zou breken. Ik denk, dat de zaak zich ongeveer aldus zal hebben toegedragen. Op een morgen was de rechter op zyne plaats in de rechtzaal gezeten. Vele menschen kwamen tot hem om recht van hem te vragen, en dit recht verkregen zij van hem naar de onpartijdigheid (?) van een booswicht, daar hij altyd het beste woord had voor hem, die hem het kostbaarste geschenk bracht. Opeens kwam daar ook eene arme weduwe met hare klacht. Zij had reeds verscheidene malen beproefd gehoor te verkrijgen, maar hare stem werd overschreeuwd door die van anderen. Ditmaal was hare stera echter zóó luid en scherp, dat het haar gelukte de opmerkzaamheid van den rechter te trekken. „Heer, doe mij recht tegen mijne wederpartij.quot; Niet zoodra ziet hij aan haar armoedig gewaad, dat hij van haar geen rijk geschenk kan verwachten, of hij antwoordt: „Zwijg, ik moet mij met andere zaken bezig houden.quot; Nu behandelt hij eene zaak van iemand, die hem beter weet te beloonen (of om te koopen). Maar wederom hoort hij haar geroep: „Heer, ik ben eene weduwe, doe mij recht tegen mijne tegenpartij.quot; Vertoornd over deze nieuwe stoornis, gebood hij den deurwaarder haar naar buiten te brengen, omdat zij de stilte van het hof verbrak, en de werkzaamheden belemmerde. „Draag zorg, dat zij morgen niet binn-en komt,quot; zeide hij, „het is eene lastige vrouw.quot; Lang vóórdat de morgen daar was, ondervond hij reeds, hoe juist zijne opinie van haar was. Zü wachtte, totdat hij het hof verliet, ging hem achterna, volgde hem dooide straten, totdat hy blijde was zyne deur binnen te gaan; en nu gebood hij zijnen bedienden de deur goed te sluiten, opdat het gerucht, dat de vrouw maakte, niet tot hem zou doordringen, want zij had hem voortdurend toegeroepen: „Doe mü recht tegen mijne wederpartij.quot; Hy is nu veilig in huis, en hij gebiedt zijnen dienaren hem zijn\' maaltijd op te brengen. Zü gieten water op zijne handen en voeten, en hij staat op het punt van zyn\' maaltijd te gebruiken, toen er wederom zeer luid aan de deur wordt geklopt, waarna men een geluid hoort als van iemand die binnen wil dringen, maar wien men dit belet. „Wat is het?quot; vraagt hij. „Er staat buiten eene vrouw, eene weduwe, die wenscht, dat gü haar recht doen zult.quot; „Zeg haar, dat ik haar niet kan spreken, en dat zy heen moet gaan.quot;

(1) In de Engelsche overzetting luidt de tekst: Omdat deze weduwe mij lastig valt, zal ik baar recht doen, opdat zij door voortdurend tot mij te komen, mij niet vermoeie, of afmatte.

-ocr page 510-

DE ONEECHTVAARDIGE RECHTER.

Hy wil des nachts boven in het huis zich ter ruste begeven, maar wederom hoort hij dat kloppen, en eene stem, die van de straat tot hem doordringt; „Heer, doe mij recht tegen müne wederpartij.quot; Den volgenden morgen is het gerechtshof weder open, en schoon het haar verboden is binnen te gaan, weet zij toch binnen te dringen, en voortdurend valt zij den rechter in de rede met haar geroep van; „Heer, doe mij recht tegen mijne wederparty.quot; Vraag haar, waarom zij zoo lastig aandringt, en zij zal u zeggen, dat haar echtgenoot overleden is. Hij liet haar een stukje land na — het was alles wat zij had; maar een wreede nabuur zag dit stukje land aan met benijdende, hebzuchtige oogen, en heeft het genomen, gelijk Achab Naboth\'s wijngaard heeft genomen; en nu heeft zij geen meelengeene olie voor hare kinderen, en zij schreien om brood. O indien hun vader nog leefde, hoe zou hij waken over hunne belangen! Maar zij heeft geen helper; en de zaak is zoo helder als de dag; en waar is een rechter voor, indien het niet is om de verdrukten, de benadeelden te beschermen ? Er blijft haar ook geen ander hulpmiddel meer over, want de schuldeischer zal hare kinderen als slaven verkoopen. Dat kan zij niet verdragen. „Neen,quot; zegt zij, „er blijft mij slechts één redmiddel over, het is, dat deze man voor mij opkomt, en mij recht doet, en ik ben vast besloten hem niet met rust te laten vóórdat hij het gedaan heeft. En zoo ik omkom, dan zullen de laatste woorden op mijne lippen zijn; „Doe mij recht tegen mijne wederpartij.quot; En zoo wordt dan het hof voortdurend in zijne werkzaamheden gestoord. Wederom roept de rechter; „Brengt haar naar buiten! Ik kan niet voortgaan met de zaken te behandelen, zoolang deze waanzinnige haar oorverdoovend geroep van „Doe mij recht tegen mijne wederpartij aanhoudt.quot; Maar dit is spoediger gezegd dan gedaan. Zij houdt zich vast aan de pilaren der zaal om te beletten dat men haar naar buiten sleept; en toen dit eindelijk toch geschiedde, wachtte zij slechts op eene gelegenheid om weder naar binnen te gaan. Zij vervolgt den rechter met haar geroep, en laat hem geen oogenblik met rust. „Ach!quot; zegt de rechter, „ik word er doodelijk door gekweld. Ik bekommer mij niet om deze weduwe, noch om haren eigendom, noch om hare kinderen. Voor my mogen zij van honger omkomen; maar dit kan ik niet uithouden; het zou mij doodelyk vermoeien en vervelen. Ik zal hare zaak dus maar liever afdoen.quot; Dat geschiedt, en nu gaat zy haars weegs. Zij heeft door niets dan door haar aanhouden overwonnen.

Welaan, broeders, gij hebt vele andere wapenen, die gij bij God in het gebed kunt gebruiken, maar onze Heiland vermaant u dit alles overwinnend instrument van het aanhouden in het gebed niet te veronachtzamen. God zal gemakkelijker te bewegen zijn dan deze onrechtvaardige rechter, alleenlijk wees

485

-ocr page 511-

DE ONEECHTVAAEDIGE EECHTEE.

436

gij even dringend en even volhardend als deze weduwe is geweest. Indien gü er zeker van zyt, dat de zaak, waarom gij vraagt, goed is, zoo pleit thans, pleit des middags en des avonds, ja pleit immer voort. Legt met tranen en sterke roepingen uwe zaak bloot voor denHeere; regelt uwe argumenten, ondersteunt uw pleiten door goede redenen; pleit op het dierbaar bloed van Jezus, stelt Christus\' wonden voor de oogen des Vaders, wijst op het zoenoffer van Golgotha; laat u door den gekroonden Vorst, den Priester, die aan Gods rechterhand staat, helpen, en neemt in het binnenste uws harten het vast besluit, dat, indien Zion niet bloeit, indien er geene zielen behouden worden, indien uw gezin niet wordt gezegend, indien uw eigen ijver niet wordt opgewekt, gij zult sterven met de bede op uwe lippen, en de aanhoudende, dringende begeerte in uwe ziel. Laat mij u zeggen, dat, zoo iemand uwer sterft, zonder dat uw gebed werd verhoord, gü daarom nog niet tot de gevolgtrekking behoeft te komen, dat God u teleurgesteld heeft. Ik zal eindigen met u iets te verhalen. Ik heb gehoord, dat een zeker godvruchtig vader het ongeluk had van verscheidene zeer ongodvruchtige zonen te hebben. Naarmate zij opgroeiden, werden zij hoe langs zoo meer ongeloovig, en leidden een zeer onzedelijk leven. De vader, die aanhoudend voor hen had gebeden, en in alle opzichten een voorbeeldig Christen was, hoopte eindelijk, dat hij op zijn sterfbed een woord tot hen zou kunnen spreken, waardoor hun hart bewogen werd. Hij liet hen aan zijn bed komen, maar in zijne laatste oogen-blikken was hij bitter ongelukkig, want hij verloor het licht van Gods vriendelijk aangezicht, en werd door twijfelingen en vrees bevangen. De laatste sombere gedachte, die hem kwelde was: „In plaats dat mijn dood een getuigenis is voor God, waardoor mijne lieve zonen gewonnen worden, sterf ik in zulk eene duisternis der ziel, dat ik vrees, dat zij er in hun ongeloof door bevestigd zullen worden, en het hen zal doen denken, dat er in het Christendom geene waarheid en dus geene zaligheid is.quot; Maar de uitwerking was juist het tegenovergestelde. Toen de zonen van de begrafenis te huis kwamen, sprak de oudste van hen zijne broeders aldus aan; „Mijne broeders, onze vader heeft ons bij zijn leven dikwijls over den godsdienst gesproken, maar wij hebben er nooit acht op geslagen; maar welk eene prediking is zijn sterfbed voor ons geweest! Want, indien hij, die God zoo trouw heeft gediend, en zoo nabij God heevt geleefd, het toch zóó moeielijk vond om te sterven, wat soort van sterfbed zullen wij dan wel hebben, die zonder God en zonder hope hebben geleefd?quot; Hetzelfde gevoel had zich van allen meester gemaakt, en alzoo is in den dood diens vaders op vreemde wijze het gebed verhoord, dat hij door Gods genade gedurende zijn leven voor hen had opgezonden. Gij weetniet,

-ocr page 512-

DE OK RECHTVAARDIGE EECHTKE.

487

of gij, als gij in de heerlijkheid zijt en door de vensteren des hemels heenziet, niet een dubbele hemel zult ontvangen, door uwe geliefde zonen en dochteren bekeerd te zien door de woorden, die gij hebt gesproken. Ik zeg dit niet om u te doen aflaten van het gebed om hunne onmiddelijke bekeering, maar om u te bemoedigen. Laat u door niets in verzoeking brengen om af te laten van het gebed. Zoo lang er nog adem in u is, en zoo lang er nog adem in hen is, moet gij voor hen blijven bidden, want ik zeg u, dat Hij u spoedig recht zal doen, ofschoon Hij u lang heeft verdragen. God zegene deze woorden om Jezus wil. Amen.

-ocr page 513-

DE FARIZEËR EN DE TOLLENAAR.

„En de tollenaar, van verre staande, wilde ook zelfs de oogen niet opheffen naar den hemel, maar sloeg op zijne borst, zeggende; O God! wees mij zondaar genadig. Lukas XVIII: 13.

De helden uit de verhalen onzes Zaligmakers zijn meeren-deels gekozen om tot voorbeelden te dienen van karaktertrekken, hoegenaamd niet in overeenstemming met hetgeen, waarvan zij over het algemeen den naam hadden. quot;Wat zoudt gij denken van een schrijver uit onzen tijd, die ons ;in een verdicht verhaal de liefelijke deugd der welwillendheid zou willen voorstellen door het voorbeeld van een\' Sepoy? (1) En toch heeft Jezus Christus ons een der schoonste voorbeelden van barmhartigheid voorgesteld in een\' Samaritaan. sSToor de Joden was een Samaritaan even spreekwoordelijk wegens zijne bittere vijandschap tegen hun volk, als de Sepoy onder ons van wege zijne verraderlijke wreedheid, en ook evenzeer een voorwerp van verachting en haat. Maar toch heeft Jezus Christus zijn\' held gekozen uit de Samaritanen, opdat er niets bijkomends zou zijn om hem te versieren, maar al de versiering of schoonheid aan de deugd der barmhartigheid zou worden toegeschreven. Zoo ook hier: de Heiland ons op de noodzakelijkheid van ootmoed in het gebed willende wijzen, heeft daartoe niet het voorbeeld gekozen van een groot heilige, die bekend was om zijne nederigheid, neen. Hij koos een\' tolgaarder, waarschijnlijk een\' die de grootste afperser was van allen, want dit schijnt door den Parizeer te kennen worden gegeven; en ik twijfel niet of hij heeft den tollenaar van terzijde aangezien, toen hij met zooveel zelfbehagen zeide: „O God! ik dank U, dat ik niet ben gelijk de andere menschen, roovers, onrecht-vaardigen, overspelers; of ook gelijk deze tollenaar.quot; Om echter te toonen, dat er niets aangenaams was in den persoon, maar dat het welbehaaglijke van het gebed nog des te helderder in

(1) De Sepoys zijn inlandsche soldaten in Britsch Indië, berucht om hnnne wreedheid in den opstand in 1857.

-ocr page 514-

DE FARIZEER EN DE TOLLENAAR.

489

het licht zou treden door het donkere contrast met het karakter van den tollenaar, heeft onze Heere dien man tot voorbeeld gekozen voor hem, die een Gode behaaglijk gebed wenscht te bidden. Let hier op, en het zal u niet verwonderen dienzelfden karaktertrek in velen van de gelijkenissen onzes Heere n Jezus Christus terug te vinden. Wat nu dezen tollenaar betreft; wij weten weinig van zyne vroegere loopbaan, maar zonder gevaar te loopen van ons op ernstige wyze te vergissen, zullen wy toch wel de waarheid eenigszins kunnen raden. Hij kan, en zal ook, ongetwijfeld een Jood geweest zijn, die eene vrome, godsdienstige opvoeding genoten heeft; doch die, even als Levi, wellicht van zijne ouders was weggeloopen, en geen ander beroep vindende, dat met zijn\' bedorven smaak overeen kwam, zich tot die verdorvene klasse van menschen gevoegd had, die de Romeinsche belastingen inden, en, zich schamende om langer als Levi bekend te staan, zijn\' naam veranderd had in Matthéus, opdat niemand in den lagen tollenaar den man zou herkennen, wiens ouders God vreesden, en hunne knieën bogen voor Jehovah. Het kan wezen, dat deze tollenaar in zyne jeugd den weg zijner vaderen had verlaten, en zich aan een onkuisch leven had overgegeven, en dit onwaardig beroep toen het meest naar zijn\' smaak had gevonden. Wij weten niet, hoe dikwijls hij het aangezicht der ellendigen heeft vermalen, of hoe vele vervloekingen over zyn hoofd zijn uitgestort, als hij het erfdeel der weduwe heeft aangetast, en de onbeschermde weezen heeft beroofd. De Romiinsche regeering gaf aan den tollenaar veel meer macht, dan hij behoort te hebben, en hij heeft nooit geschroomd die macht te gebruiken om zich zeiven te verrijken. Waarschijnlijk was de helft van alles wat hij bezat, — indien niet meer— door roof verkregen, want Zacheus schijnt dit van zich zeiven te kennen te willen geven, als hij zegt: — „Zie, de helft van mijne goederen, Heere! geef ik den armen, en indien ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel weder.quot; Het was niet dikwijls dat deze tollenaar den tempel bezocht; zeer zelden zagen de priesters hem met een offer komen; het zou een verfoeisel geweest zijn, en hij bracht het niet. Maar nu gebeurde het, dat de Geest des Heeren den tollenaar tegenkwam, en hem deed nadenken over zijne wegen en het bijzonder goddelooze er van. Zijne ziel was in hem benauwd, maar hij kon er met niemand over spreken. Des nachts kon hy nauwelijks eenige rust genieten, en over dag was het hem schier onmogelijk zijne bezigheden te verrichten, want dag en nacht was de hand Gods zwaar op hem. Eindelijk, niet in staat zijne ellende langer te verduren, dacht hij aan het huis Gods op Zion, en aan het offer, hetwelk daar dagelijks gebracht werd. „Tot wien,ofwaar zou ik heen gaanquot; zeide hy, „dan tot God? En waar anders kan ik

-ocr page 515-

de fabizeër ek de tollenaar.

hopen genade te vinden, dan ter plaatse waar het offer wordt gebracht?quot; Niet spoediger gezegd dan gedaan. Hij ging; zijne hieraan niet gewende voeten richtten zich naar het heiligdom ; maar hij schaamt zich er binnen te treden. Gindsche Farizeör, heilig man als hij schijnt te zijn, gaat zonder te blozen naar het voorhof der Israëlieten; hij nadert zoo dicht als hij het slechts durft tot de ruimte, die alleen voor de priesters bestemd was, en hij spreekt zijn gebed in snoevende taal. Maar wat den tollenaar betreft, hij zoekt een verborgen hoekje, waar hij noch gezien, noch gehoord kan worden, en nu staat hij op het punt van te bidden, niet, gelijk gindsche Farizeër, met opgeheven handen, met ten hemel gerichte oogen en schijnheiligen blik, maar met nedergeslagen oogen, waarin heete tranen opwellen; want hij durft zijne oogen niet naar den hemel opheffen. Eindelijk vindt hij eene uiting voor zijn over-kropt hart, maar die uiting was niets dan een kort gebed, eene verzuchting: „O God! wees mij zondaar genadig.quot; Het is gesproken, het is gehoord; de engel der genade schrijft zijne vergeving in het register; zyne conscientie heeft vrede; hij gaat naar huis als een gelukkig man; gerechtvaardigd, hij veeleer dan de Farizeër, en zich verblijdende in de rechtvaar-digmaking, die de Heere hem had geschonken. Welaan, het werk, dat mij heden morgen op de hand is gezet, ia utenoo-digen, u aan te sporen, u te smeeken om te doen, wat de tollenaar gedaan heeft, opdat gij moogt verkrijgen wat hij verkregen heeft. Er zijn twee zaken, waarover ik een zeer ernstig woord zal hebben te spreken; de eerste is belijdenis van zonde; de tweede kwijtschelding van zonde.

I. Broeders, laat ons den tollenaar navolgen, ton eerste in zijne belijdenis. Er is in den laatsten tijd veel gesproken over het biechten. Wat dit nu betreft, het is wellicht een groote zegen, dat het uitwendige en zichtbare teeken van het Pausdom in de Kerk van Engeland aan hare ware vrienden het innerlijk en geestelijk kwaad heeft ontdekt, dat reeds lang te voren in haar heeft gewoeld en gewerkt. Wij behoeven niet te denken, dat de biecht, of de priesterheerschappij, waarvan zij slechts het uitvloeisel is, in de Kerk van Engeland iets nieuws is. Zij heeft er reeds zeer lang bestaan. Wij, die buiten hare palen staan, hebben het reeds lang opgemerkt, en er over getreurd; maar nu verblijden wij ons in het vooruitzicht, dat de Kerk van Engeland zelve genoodzaakt zal zijn het kwaajd in haar midden te zien, en wij hopen, dat God haar de genade en de kracht zal geven, om den kanker uit haren boezem weg te snijden, eer zij ophoudt eene Protestantsche kerk te zijn, en door God als een verfoeisel weggeworpen zal worden. Doch heden morgen heb ik met geen biechten van doen. Dwaze vrouwen kunnen zoolang zij het begeeren ter biecht gaan, en

490

-ocr page 516-

DE FAEIZEËR EN DE TOLLENAAR.

de dwaze echtgenooten dier vrouwen kunnen haar, zoo het hun gelust, aan zulke mannen toevertrouwen. Laten zij, die dwaas zijn, toonen, dat zij het ztjn. Laten zij, die gezond verstand missen, handelen gelijk het hun goeddunkt; ik voor my, wensch er voor te waken, dat ik, noch een der mijnen, iets daarmede van doen heb. Doch wij zullen hier nu van afstappen en tot de persoonlijke zaken komen, en zelfs uit de dwalingen van anderen trachten te leeren, hoe wij zeiven recht zullen handelen.

Let op de belijdenis van den tollenaar: tot ivien vias zij gericht? „O God! wees mij zondaar genadig!quot; Heeft de tollenaar er ooit aan gedacht om tot den priester te gaan, hem zijne zonden te belijden en hem om genade te vragen ? Het is wellicht in zyn hart opgekomen; maar zijne zonde was te zwaar een last op zijne conscientie, om op die wijze verlichting te kunnen verkrijgen, en zoo heeft hij dit denkbeeld dan spoedig uit zijn hart verbannen. „Neenquot;, zegt hij, „ik gevoel, dat mijne zonde van zoodanigen aard is, dat niemand dan God haar kan wegnemen, en al zou het ook goed zijn om mijne zonde aan mijn\' medemensch te belijden, zoo denk ik toch, dat het mij hoegenaamd niet baten zou om vrede te verkrijgen, want mijne krankheid is van zulk een\' aard, dat niemand dan de Almachtige Medicijnmeester mij er van genezen kan.quot; En zoo gaat hij dan met zline belijdenis en zijn gebed tot slechts ééneplaats: „O God! wees mij zondaar genadig!quot; En gij zult ook opmerken, dat deze belijdenis van zonde aan God greMm bleef. Alles wat gij van deze belijdenis hoort, is dat ééne woord „zondaar.quot; Denkt gij, dat dit alles was wat hij beleed? Neen, geliefden, ik denk, dat de tollenaar lang te voren al zijne zonden in het verborgen, in de binnenkamer voor God zal hebben beleden. Maar thans, in Gods huis, is alles wat hij voor de ooren der menschen te zeggen heeft: — „Ik ben een zondaar.quot; En ik raad u, telkens als gij voor de ooren der menschen zonde hebt te belijden, laat het eene algemeene, nooit eene bijzondere belijdenis wezen. Gij behoort dikwijls voor uwe medemenschen te belijden, dat gij een zondaar zijt geweest, maar aan eenig mensch mede te deelen in welk opzicht gij een zondaar geweest zijt, dat is slechts opnieuw te zondigen en uwe medeschepselen te helpen overtreden. Hoe onrein moet de ziel we zen van den priester, die zijn oor leent om er al de onreinheid van der menschen hart in uit te storten! Ik kan mij zelfs den duivel niet verdorvener voorstellen dan den man, die zijn\'tijd doorbrengt met te luisteren naar mannen en vrouwen, die zoo zij waarlijk hunne zonden belijden, hem tot een\' ingewijde maken van elke ondeugd, en hem met ongerechtigheden bekend moeten maken, die hij anders nooit geweten zou hebben. O ik gebied u in den naam Gods, verontreinig uwen mede-

491

-ocr page 517-

DE PAEIZEËR EN DE TOLLENAAR.

mensch niet; houdt uwe zonden voor u zei ven en voor uwen vri

God. Hij kan door uwe ongerechtigheid niet worden veront- gij

reinigd. Belijd Hem volkomen en volledig uwe zonde; maar bei

voor uwe medemenschen past u geene andere belijdenis dan be

deze: „Ik ben een zondaar.quot; ro

De belijdenis, die hij voor God deed, was vrijwillig. Er werd be

dien man niet gevraagd of hij al of niet een zondaar was, of to

hij het zevende gebod had overtreden, of het achtste, of het re

negende, of het tiende. Neen, zijn hart was vervuld van berouw, vlt; en het smolt weg in dezen uitroep : „O God ! wees mij zondaar

genadig!quot; — Men zegt ons, dat sommige menschen nooiteene d:

volledige belijdenis van zonden kunnen doen, zoo zij er niet E

door een\' priester bij geholpen worden. Waarde vrienden, de d

voortreffelijkheid der boetvaardigheid gaat te loor, zoo er eene d

vraag gedaan wordt; de belijdenis is niet waar, niet oprecht, r

indien zü niet vrijwillig is. De mensch kan het gewicht der 1:

zonde niet gevoeld hebben, die nog iemand noodig heeft om (

hem te zeggen, waarin zijne zonden bestaan. Kunt gü u iemand 1

492

voorstellen met een\' last op zijn\' rug, aan wien men, eer hij i

er onder zucht, zeggen moet, dat h;j een last op den rug heeft ? Gewis niet. De man zucht er reeds onder, en hij heeft niet noodig, dat gij hem zegt: „Gü hebt een\' last op den rug!quot; weet het reeds. En indien ook door de vragen van den priester eene volledige belijdenis van zonde uitgelokt kan worden, dan zou dit toch volkomen nutteloos zijn, ijdel voor God, omdat zij niet vrijwillig geschied is. Wij moeten onze zonden belijden, wijl wij niet anders kunnen, omdat wij ze niet in kunnen houden. Zij zijn als vuur in ons gebeente, en het schijnt alsof ons hart er onder zal versmelten, zoo wij er geen lucht aan geven |door ze te belijden voor den troon van God. Ziet dezen tollenaar; gij kunt de volledige belijdenis van zijne lage, verachtelijke zonden niet hooren; alles wat gij verneemt is zijne eenvoudige bekentenis, dat hij een zondaar is; maar dat vloeit hem dan ook vrijwillig van de lippen. God zelf behoeft hem geene vraag te doen; hij komt voor den troon en geeft zich vrij willig over in de handen der Almachtige Gerechtigheid, belijdende dat hij een rebel en een zondaar is. Dat is het eerste, dat wij in zijne belijdenis hebben op te merken, nl. dat hij haar in het verborgen en vrijwillig voor God deed, en dat alles, wat hij in het openbaar zeide, was, dat hij een „zondaarquot; was.

En ivat heeft hij beleden? Hij beleed, gelijk onze tekst zegt, dat hij een zondaar was. Hoe gepast is dit gebed ook voor ons! Immers! is er hier een mond, waarin de belijdenis niet zou voegen: „O God ! wees mij zondaar genadig ?quot; Zegt gij: „dat gebed past in den mond der diep gevallene vrouw, als na een leven van zonde, haar gebeente verteerd wordt door krankheid, en zij in wanhoop ligt te sterven? O ja; maar mijn

I

-ocr page 518-

DE PARIZEER EN DE TOLLÊNAAR.

493

vriend, het zal ook passen in uwen mond en in de mijne. Indien gij uw eigen hart kent, en ik het mijne ken, dan zal het gebed, dat haar past, ook ons passen. Gij hebt nooit de zonden bedreven, die de Farizeër van zich afwierp; gij waart geen roover; gy waart niet onrechtvaardig ; gü hebt geen overspel bedreven; gü zijt zelfs nooit als de tollenaar geweest; maar toch zal de benaming „zondaarquot; voor u passen; en zoo het recht met u is, zult gij u hiervan bewust zijn. Gedenk, hoe veel gij gezondigd hebt tegen licht en beter weten in. Het is waar, de ontuchtige vrouw heeft meer openlyk gezondigd dan gü ; maar had zy zoo veel licht als gij gehad hebt ? Heeft zij van hare kindsheid af zulk eene zorgvuldige opvoeding genoten ? Werd zü ooit zoo door haar geweten weerhouden; is zij zoo bewaard en bewaakt als gij dit geweest zy\'t. Dit moet ik voor mij zeiven belijden : ik ben mij bewust van het byzonder snoode en tergende in mijne zonde, want ik zondig tegen het licht, en tegen het geweten, ja meer, tegen de liefde, die ik van God heb ontvangen, en tegen de goedertierenheid, die God mij heeft beloofd. Kom, treed te voorschyn, gij grootste onder de heiligen, en antwoord mij op deze vraag: past deze bede niet voor u ? Ik hoor u antwoorden zondereen oogenblik te aarzelen: „o ja, zij past thans voor my ; en tot dat ik sterf. Mijne bevende lippen moeten dikwijls de bede herhalen ; „Heere ! wees mij zondaar genadig.quot; Mannen broeders, ik bid u, bidt heden dit gebed, want het moet gepast zyn voor u allen. Koopman, hebt gij ten opzichte van uwe zaken, van den handel, dien gij drijft, geene zonden te belijden? Vrouwe, hebt gij ten opzichte van het bestier van uw huis geene zonden te belijden? Kind van vele gebeden, hebt gij geene zonden tegen vader of moeder te belijden ? Hebben wij den Heere, onzen God, liefgehad met geheel ons hart, met geheel onze ziel, met al onze krachten; en hebben wij, een iegelijk van ons, onzen naaste liefgehad als ons zei ven? O! sluiten wij onze lippen voor alle roemen, en als wij ze openen, laten dan de eerste woorden, die zij uiten dezen wezen: „Ik heb gezondigd, o Heere; ik heb uwe geboden overtreden; Heere! wees mij zondaar genadig. Doch let eens op: is het niet vreemd, dat de Heilige Geest den mensch op zijn\' zondaarstoestand leert pleiten voor den troon Gods? Men zou zoo denken, dat wij, als wij voor God verschijnen, een weinigje over onze deugden zouden trachten te spreken. Wie zou denken, dat als iemand om genade vraagt, hij van zich zeiven zou zeggen: „Ik ben een zondaar ?quot; Wel zijn verstand moet hem doen zeggen : „Heere, wees mij genadig, want er is nog wel iets goeds in mij. Heere wees mij genadig, want ik ben niet slechter dan anderen. Heere, wees mij genadig; ik zal mij trachten te verbeteren.quot; Strijdt het niet met de rede; is het niet wondervol

-ocr page 519-

GE FAElZEÊR EN DE TOLLENAAR.

verheven boven alle rede, dat de Heilige Geest den mensch leert datgene als een pleitgrond voor Gods troon te gebruiken, hetwelk tegen hem schijnt te pleiten, het feit, namelijk, dat hij een zondaar is? En toch, waarde broeders, zoo gij en ik verhoord wenschen te worden, dan moeten wij tot Christus komen als zondaren. Laten wij niet pugen ons zeiven beter voor te stellen dan wij zijn Alswy voor Gods troon komen,zoo laat ons voor geen enkel oogenblik de valsche juweelen onzer zoogenaamde deugden bijeen zoeken te rapen ; de kleederen der zondaars zijn niets dan lompen. Schuldbelijdenis is de muziek, die van onze lippen moet komen. „O God! wees mij zondaar genadig;quot; dat is de eenige hoedanigheid, waarin ik God kan bidden. Welaan, zijn er niet velen hier, die gevoelen, dat zij zondaars zijn, die kermen, en zuchten, en treuren, omdat het gewicht der zonde op hun geweten drukt? Broeder, het verheugt mij, dat gij u een zondaar gevoelt, want nu hebt gij den sleutel des koninklijks in uwe handen. Die zonde bewustheid is uwe eenige aanspraak op genade. Kom, ik smeek het u, zooals gij zijt. Uwe naaktheid is uwe eenige aanspraak op het gewaad des hemels; uw honger is de eenige aanspraak op des hemels graanschuren; uwe armoede is uwe eenige aanspraak op des hemels eeuwige schatten. Kom, zooals gij zijt, zonder iets van u zeiven, behalve uwe zondigheid, en pleit er op voor den troon: „O God! wees mij zondaar genadig!quot; Dit is het wat deze raan heeft beleden, nl. dat hij een zondaar was; en hij pleitte er op voor God.

En wederom: hoe komt hij ? Welke houding neemt hij aan ? Ik wensch u in de eerste plaats te doen opmerken, dat hij van verre stond. Waarom deed hij dat? Was het niet, omdat hij gevoelde afgezonderd te zijn van alle anderen? Wij hebben dikwijls algemeene belijdenissen afgelegd in den tempel, maar nooit werd eene belijdenis aangenomen, zoo zij niet ook particulier, persoonlijk en hartgrondig was. Daar waren de menschen bijeengekomen voor de gewone godsdienstoefening; zij heffen een\' lofpsalm aan; maar de arme tollenaar hield zich verre van hen. Daarna vereenigen zij zich tot het gebed, en nog kon hij zich niet bij hen voegen. Neen, hij was daar gekomen voor zich zeiven, en hij moet alleen blyven. Gelijk het gewonde hert, dat de verste schuilhoek zoekt in het woud, waar het eenzaam en alleen kan bloeden en sterven, zoo heeft deze arme tollenaar ook de behoefte gevoeld om alleen te zyn. Gjj bemerkt, dat hij in zijn gebed niet van andere menschen spreekt. „O God! wees mij\' zondaar genadig !quot; zegt hij Hij zegt niet, „mij, als een van een gezelschap van zondaars,quot; maar „my zondaarquot; ; alsof er geen andere zondaar in de wereld was. Let hier op, mijn hoorder, dat gy u eenzaam en alleen moet gevoelen, eer gy dit gebed op Gode welbehaaglijke wyze kunt bidden. Heeft de Heere u ooit afzonderlijk gesteld, u uitgele-

494

-ocr page 520-

1gt;E fARIZEËR EN DE TOLLENAAR.

zen uit eene vergadering ? Heeft het u in deze vergaderplaats toegeschenen, alsof er een groote, zwarte muur om u heen was en gij ingeloten waart met den prediker en met uwen God, en alsof elke pijl van des predikers boog op u gericht was, en elke bedreiging voor u bedoeld was, en elk ernstig verwijt u trof ? Indien gij dit gevoeld hebt, dan acht ik u gelukkig. Niemand heeft ooit dit gebed op de rechte wijze gebeden, of hij moet het voor zich alleen hebben gebeden, en gezegd hebben; O God! wees mij, die als als zondaar eenzaam en alleen sta, genadig: „De tollenaar stond van verre.quot;

En let op het volgende. Hij „wilde ook zelfs de oogen niet opheffen naar den hemel.quot; Dat was, omdat hij het niet durfde, niet omdat hij het niet wilde. Hij zou het gedaan hebben, indien hij het had durven doen. Hoe opmerkelijk is het, dat de bekeering al het stoutmoedig durven uit de menschen wegneemt. Wij hebben personen gekend, die vóór dat zü door Gods vrye genade waren aangeraakt, alles durfden, niet wisten wat schroom was, en die later menschen werden met een teeder geweten en van eene zeer groote schroomvalligheid. Zorgelooze, snoevende lieden, die God durfden tarten, zijn als nederige kleine kinderen geworden, bevreesd om hunne cogen op te heffen naar den hemel, ofschoon zij er voorheen wel hunne eeden en vervloekingen durfden heenslingeren. Maar waarom heeft hy zijne oogen niet naar den hemel durven opheffen? Het was omdat hij zoo terneergeslagen was in zijn\' geest, zich zoo gedrukt en belast gevoelde, dat hij niet op kon zien. Is dat heden morgen ook zoo met u, mijn vriend? Vreest gij te bidden?Is het u, alsof gij niet durft hopen, dat God u genadig zijn zal ? alsof het minste straaltje van hoop meer licht was, dan gij bij mogelijkheid kunt verdragen ; alsof uwe oogen zóó gewend waren aan de duisternis van twijfel en wanhoop, dat zulk een lichtstraal te sterk was voor uw zwak gezichtsvermogen ? O vrees dan niet, want welgelukzalig zult gij zijn; gij volgt thans slechts den tollenaar in zijne treurige ervaring, en de Heere, die u helpt hem te volgen in zijne belijdenis, zal u ook helpen om u met hem te verheugen in schuldvergeving.

Let op hetgeen hij nog meer deed. Hy sloeg zich op de borst. Hij was een goed theoloog, een wezenlyke doctor in de Godgeleerdheid. Waarom sloeg hy zich op de borst? Omdat hü wist, waar het kwaad schooi — in zijne borst. Hü sloeg zich niet op het voorhoofd, gelyk sommige menschen doen, als zij zich in verlegenheid bevinden, alsof de fout aan hun verstand geweten moest worden. Menigeen zal wel zijn verstand laken, maar niet zyn hart. „Ik heb mij vergistquot;, zal hy zeggen, „ik heb wel verkeerd gedaan, maar ik ben in den grond toch een goed mensch.quot; Deze man wist, waar het kwaad school, hy sloeg zich op de rechte plaats. Hij sloeg zich op de borst, als-

495

-ocr page 521-

BE FAKIZEËR EN DË TOLLENAAR.

496

of hij vertoornd was op zich zeiven. „0!\'quot; scheen hij te zeggen, „o dat ik u kon slaan, mijn ondankbaar hart, wijl gij de zonde meor lief hebt gehad dan God.quot; Hij heeft geene boete gedaan; en toch was het eene soort van boete, toen hij zich op de borst sloeg, en uitriep: „o wee mij! dat ik ooit tegen God heb gezondigd — O God! wees mij zondaar genadig!quot; Welaan, mijn vriend, kunt gij aldus tot God komen? O laat ons allen op die wijze tot God naderen. Gij hebt genoeg, mijn broeder, om alleen te staan, want er z:jn zonden, waarin gij en ik eenzaam schuldig stonden. Er zijn ongerechtigheden, die alleen aan ons zeiven bekend zijn, en die wü nooit aan iemand hebben medegedeeld, zelfs niet aan onze levensgezellin, aan onze ouders, onze broeders of zusters, zelfs niet aan den vriend, dien wjj in zoetigheid heimelijk raadpleegden. Indien wij aldus alleen en afzonderlijk hebben gezondigd, zoo laat ons heengaan naar onze binnenkamer en het belijden, de echtgenoot afzonderlijk, en de huisvrouw afzonderlijk, de vader afzonderlijk, en het kind afzonderlijk. Laat ons een iegelyk voor zich zeiven klagen over onze zonde. Mannen broeders, houdt op van elkander te beschuldigen. Houdt op met het twisten, veroorzaakt door uwe zucht tot berispen, en van het lasteren, waartoe gij geprikkeld wordt door afgunst en nijd. Bestraft u zeiven en niet uwe medemenschen. Scheurt uw eigen hart, en verscheurt niet den goeden naam van uwe naburen. Komt, laat een iegelijk onzer op zich zeiven zien, en niet op zijn\' naaste, en dat een iegelijk voor zich roepe: „Heere, wees my genadig, terwijl ik hier afgezonderd sta van anderen, wees my, zondaar, genadig.quot; En hebt gij geene zeer goede redenen om uwe oogen neder te slaan? Schynt het soms niet veel te veel voor ons te zijn, om ooit weder op te zien tot den hemel ? Wij hebben, sommigen van ons. God gelasterd, en zelfs vervloekingen over ons ingeroepen, en als wij ons deze dingen herinneren, dan is er alle reden voor ons om zóó beschaamd te zijn, dat wij onze oogen niet op durven heffen naar den hemel. Of, zoo wij bewaard bleven voor de zonde der Godslastering, hoe dikwijls hebben wij — gij en ik — dan toch niet God vergeten! Hoe dikwijls hebben wij het gebed verzuimd, den Sabbat ontheiligd, den Bijbel ongelezen gelaten! Gewis! als deze dingen ons voor den geest komen, dan kunnen zij ons wel het gevoel geven, dat wij ook zelfs de oogen niet op durven heffen naar den hemel. En wat nu betreft, het slaan op onze borst: wie onder ons heeft dit niet noodig te doen? Laat ons toornen op ons zeiven, omdat wij God tot toorn hebben verwekt. Laat ons toornen op de zonde, die verderf heeft gebracht over onze ziel. Laat ons de verraders naar buiten brengen en hen terstond den dood doen sterven. Zij verdienen het ten volle; zij hebben ons in het verderf gestort, laat ons hen verderven. Hij sloeg zich

-ocr page 522-

DE FARIZEËR EN DE TOLLENAAR.

op de borst en zeide: 0 God! wees mij zondaar genadig.quot;

Er is nog een karaktertrek in het gebed dezes mans, dien gy niet voorbij moogt zien. Wat reden had hij te verwachten, dat God hem genadig zou zijn? Het Grieksch verklaart ons dit, want wij zouden hier kunnen lezen: „O God! wees met mij zondaar ?jer-zoend.quot; Er isin het oorspronkelijke woord eene bepaalde heenwij-zing naar de leer der verzoening. Het is niet het gebed van den Unitariër (1) — „O God ! wees mij genadig!quot; het is meer dan dat: het is het gebed des Christens: „O God! wees met mij zondaar verzoend.quot; Er is, ik herhaal het, in dit korte gebed eene bepaalde heenwijzing naar de verzoening en den troon der genade. Mijn vriend, zoo wij met onze belijdenis voor God willen komen, dan moeten wij zorg dragen te pleiten op het bloed van Christus. Er is voor den zondaar geene hoop buiten het kruis van Jezus. quot;Wij mogen roepen: „O God! wees mij genadig!quot; maar zonder het offer, het Lam dat geslacht werd vóór do grondlegging der wereld, kan dat gebed niet worden verhoord. Als gij uw oog hebt gevestigd op den troon der genade, zoo draag zorg, dat gij het evenzeer op het kruis houdt gericht. Herinner u, dat het kruis eigenlijk de troon der genade is, dat de genade nooit op den troon was, voordat zij met doornen gekroond aan het kruis hing. Indien gij genade wilt vinden, zoo ga naar het sombere Gethsémané, en zie uwen Verlosser terwijl Hem het bloedig zweet wordt uitgeperst, en Hij in doodsbenauwdheid verkeert. Indien gij vrede der conscientie begeert, zoo ga naar Gabbatha, het plaveisel (2), en zie hoe het bloed langs den rug uws Zaligmakers stroomt. Indien gij de laatste en beste rust voor uwe conscientie begeert te vinden, zoo ga naar Golgotha, aanschouw het vermoorde slachtoffer, hangende aan het kruis, terwijl zijne handen, en voeten, en zijne zijde doorstoken zijn. Er kan geene hoop op genade zijn buiten het offer dat gebracht werd, namelijk Jezus Christus, de Zone Gods. O! komt, laat ons naderen tot quot;den troon der genade en pleiten op het bloed van Jezus. Laat ons, een iegelijk onzer heengaan, en zeggen : „Vader, ik heb gezondigd, maar wees mij genadig om uws Zoons wil.quot; Kom, o dronkaard, geef mij uwe hand, wij zullen te zamen tot Hem gaan. Diep gevallen vrouw, geef mij uwe hand, en laat ons te zamen naderen tot den troon. En gij, die belijdt Christenen te zijn, komt, schaamt u uw gezelschap niet. Laat ons met vele tranen verschijnen in zijne tegenwoordigheid, terwijl niemand onzer zijn\' naaste, maar een iegelijk onzer zich zeiven beschuldigt, en laat ons pleiten op het bloed van Jezus Christus, het bloed, dat tot ieder ontrust geweten van vrede en vergeving spreekt.

(1) Dat is iemand, die de leer der Drieëenheid verwerpt.

(2) De oorspronkelijke beteekenis van dien naam.

497

32

-ocr page 523-

de fabizeër en de tollenaar.

Zorgelooze, ik heb nog een woord tot u, eer ik van dit onderwerp afstap. „Welquot;, zegt gij, „dat is voorzeker een zeer goed gebed voor iemand, die gaat sterven. Als iemand de cholera heeft, en den zwarten dood in het aangezicht ziet, of als hij verschrikt en ontzet wordt in een\' grooten storm, of als hij zich te midden der verschrikking en verwarring bevindt, veroorzaakt door eene algemeene ramp of een plotseling ongeluk, en hij de poorten des doods nadert, dan voorzeker is het niet meer dan recht en gepast om te zeggen: „Heere, wees mij genadig.quot; Ach vriend, dit gebed is dus zeer gepast voor u, want gij weet niet, hoe dicht gij aan het graf zijt. O ! zoo gij slechts de broosheid des levens kendet en het zwakke van het steunsel, waarop gij rust, gij zoudt zeggen; „Helaas voor mijm ziel! indien dit gebed passend voor mij is op mijn sterfbed, dan is het ook nu passend voor mij, want ik ben heden stervende, en weet niet, wanneer ik den laatsten adem zal uitblazen.quot; „Oquot;, zegt iemand, „ik denk, dat dit een goed gebed is voor iemand, die een zeer groot zondaar geweest is.quot; Gij hebt recht gesproken, myn vriend, indien gij dus u zeiven kent, dan zult gij weten, dat het voor u past. Het is volkomen juist, als gij zegt, dat dit gebed voor niemand anders past dan voor groote zondaren, en indien gij niet gevoelt een groot zondaar te zijn, dan zult gij het ook wel nooit bidden. Maar er zijn sommigen hier, die gevoelen te zijn, wat gij behoort te gevoelen en te weten, dat gij zijt. Gedrongen door Gods genade, zullen de zoodanigen met nadruk heden dit gebed bidden, terwijl zij met tranen en zuchten uitroepen: „O God! wees mij zondaar genadig!quot; Doch let wel op, mijn vriend, gij kunt met verachting neerzien op den mensch, die deze belijdenis doet; maar hij zal van dit huis afgaan gerechtvaardigd, terwijl gij weg zult gaan en nog in uwe zonde zult blijven, zonder hoop, zonder een straal van blijdschap om uw onverbroken hart te vervroolijken.

II. Na aldus kortelijk deze belijdenis van zonde te hebben beschreven, zal ik nu nog korter wezen in het spreken over de kwijtschelding, die God hem verleende. Eene vrijspraak van de lippen des menschen is, daarvan houd ik nrj overtuigd, weinig minder dan Godslastering. Er is in het gebedenboek der Kerk van Engeland een aflaat, die in zijn wezen Roomsch is, en, naar ik denk, ook woordelijk uit het Roomsche misboek is overgeschreven. Ik aarzel niet te zeggen, dat er nooit iets gedrukt is, dat meer Godslasterlijk is, dan de absolutie, die dooiden geestelijke over een\' stervende wordt uitgesproken. En het is inderdaad ontzettend te denken, dat menschen, die zich Christenen noemen, gerust kunnen blijven in eene kerk, voordat zij alles gedaan hebben wat zij kunnen, om eene grondige herziening te bewerken van dat zoo uitnemende boek, ten einde

498

-ocr page 524-

DE PARIZEER EN DE TOLLENAAR.

1:99

het van de Roomsche dwalingen te zuiveren. Maar, mijne vrienden, er is absolutie, en de tollenaar ontving haar. Hij „ging af gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan die.quot; Aan dien anderen werd geen vrede geschonken voor zijn hart; maar deze arme man had alles, en hij ging af gerechtvaardigd in zijn huis. Er staat niet, dat hij naar zijn huis ging met een verlicht hart; dat was wel zoo, maar er was meer, hij ging „gerechtvaardigdquot; in zijn huis. „Gerechtvaardigdquot; — wat beteekent het? Het Grieksche woord, dat hier gebruikt is, is hetzelfde, dat dooiden apostel Paulus altijd gebruikt wordt om de groote leerstelling van de rechtvaardigheid van Jezus Christus in het licht te stellen, namelijk de rechtvaardigheid Gods, die geopenbaard wordt uit geloof tot geloof. De zaak is, dat zoodra deze man dit gebed had gebeden, elke zonde, die hij ooit bedreven had, uitgewischt was uit Gods boek, /oodat zij niet meer tegen hem kon getuigen. Meer nog, zoodra dat gebed gehoord was in den hemel, werd die mensch een\' rechtvaardige geacht. Alles wat Christus voor hem gedaan heeft, werd hem als een sierlijk kleed om de schouders geworpen. Al de schuld, die hij op zich had geladen, was voor eeuwig afgewasschen en weggedaan. Als een zondaar in Christus gelooft, dan houden zijne zonden op te bestaan. Zij worden allen als in één oogenblik weggevaagd; de misdaden van vele jaren, de afpersingen, het overspel, ja zelfs de moorden zijn in een oogwenk uitgewischt, want gij ziet, dat de vrijspraak onmiddelyk is gevolgd. God heeft tot dezen man niet gezegd; — „Nu moet gij eerst eenige goede werken gaan doen, en dan zal Ik u absolutie geven.quot; Hij zeide niet gelijk de paus: „Gij moet eerst een\' tijd lang in het vagevuur gemarteld worden, en dan zal Ik eruuitlaten.quot; Neen, Hij rechtvaardigde hem te eigener plaats en stond; de vergeving werd geschonken, zoodra de zonde was beleden. „Mijn zoon, ga heen in vrede; ik heb geene beschuldiging tegen u in te brengen. Gij zijt een zondaar in uwe eigene oogen, maar niet in de mijnen. Ik heb al uwe zonden weggenomen en ze in de diepte der zee geworpen, en zij zullen u nooit meer gedacht worden.quot; Kunt gij u voorstellen, hoe gelukkig de tollenaar was, toen hij aldus in één oogenblik een veranderd mensch was ? Indien gij het beeld door Milton gebruikt, kunt omkeeren : „Hij scheen zichzelven toe eene afzichtelijke padde te zyn geweest, maar door de aanraking van des Vaders genade werd hemden glans en de schoonheid eens engels medegedeeld en zoo ging hij dan af, niet langer bevreesd om zijne oogen opwaarts te heffen naar den hemel. In plaats van het zuchten zijns harten, was er een loflied op zijne lippen. Hij was niet langer alleen en afgezonderd; hij voegde zich bij de godvruchtigen, en zeide: „Komt, hoort toe, o allen gij, die God vreest, en ik zal vertellen, wat Hy aan mijne ziel gedaan heeft.quot; Hij sloeg zich toen

-ocr page 525-

DE FARIZEËR EN DE TOLLENAAR.

500

niet op de borst, maar ging naar huis, en nam zijne harp om God met snarenspel te loven. Gij zoudt niet gedacht hebben, dat het dezelfde man was, zoo gü hem uit hadt zien gaan, en dat alles was geschied in één oogenblik. „Maar,quot; zegt iemand, „denkt gij, dat hij zeker wist, dat zijne zonden waren vergeven ? Kan de mensch dat weten ? Voorzeker. En er zijn sommigen hier, die getuigen kunnen, dat het waar is. Zij hebben het zeiven ervaren. De vergeving, die bezegeld is in den hemel, is opnieuw bezegeld in onze consciëntie. De genade, die hier Boven bekend gemaakt wordt, stort haar licht in de duisternis van ons hart hier beneden. Ja, de mensch kan op aarde weten, dat zijne zonden vergeven zijn, hij kan er even zeker van zijn als van zijn bestaan. En nu hoor ik den kreet uit iemands hart opgaan; „Kan ik dan heden morgen die vergeving erlangen ? En dit nog heden morgen ook te weten komen ? Kan ik eene vergiffenis verkrijgen, waardoor alles vergeten wordt ? — Ik ben een dronkaard, een vloeker, ja wat niet ? geweest! Kunnen mijne overtredingen allen afgewasschen worden ? Kan ik de zekerheid bekomen van naar den hemel te zullen gaan, en dat wel in één oogenblik?quot; Ja, myn vriend, indien gij gelooft in den Heere Jezus Christus; indien gij op de plaats, waar gij nu zijt, opstaat, en dit gebed opzendt tot God: ,Heere, ontferm U over mij! o God! wees mij zondaar genadig door het bloed van Christus.quot; Ik zeg u, o mensch, dat God dit gebed nog nooit heeft afgewezen. Als het voortkwam uit een oprecht hart, heeft Hij de poorten der genade er niet voor toegesloten. Het is eene plechtige litanie, die gebruikt zal worden, zoolang de tijd is, en zij zal tot het oor Gods doordringen, zoolang er een zondaar is, die het gebruikt. Kom, vrees niet, bid ik u, dit gebed te bidden eer gü nog dit gebouw verlaat. Sta op van uwe plaats; tracht u voor te stellen, dat gij gansch alleen zijt, en zoo gij u schuldig gevoelt, zoo laat dit gebed ten hemel rijzen. O hoe heerlijk zou het wezen, indien uit de duizenden harten hier tegenwoordig, even zoovele duizenden gebeden opgingen tot God ! Voorwaar! zelfs de engelen hadden nooit zulk een\' dag in het paradijs, als zij heden zouden hebben, indien een iegelijk onzer ongeveinsd dit gebed kon bidden. Sommigen doen het; ik weet het, en God helpt hen. En gij, zondaar, blijft gij achterwege? Gij, die er de meeste behoefte aan hebt te komen, gij weigert u bij ons te voegen ? Kom, broeder, kom. Gij zegt, dat gij te zondig zijt. Neen broeder, gij kunt niet te zondig zijn om te zeggen : „O God ! wees mij genadig! Gij zijt wellicht niet zondiger dan wij zijn. In elk geval, dit kunnen wij zeggen; — wij gevoelen ons zondiger dan gij zijt, en wij verlangen, dat gij hetzelfde gebed zult bidden, dat wij gebeden hebben. „Ach !quot; zegt iemand, „ik kan niet, mijn hart wil er zich niet aan onderwerpen, ik kan niet!quot; Maar

-ocr page 526-

de farizeër en de tollenaar. 501

mijn vriend, indien God bereid is u te vergeven, dan moet gij wel een hard hart hebben, zoo gij niet bereid zijt die vergeving te ontvangen. Geest van God, adem over dat harde hart, en doe het smelten! Help den mensch, die gevoelt, dat de zorgeloosheid hem vermeestert, help hem terstond die zorgeloosheid af te schudden. Gij worstelt er tegen; gij zegt: „Gave God, dat ik kon bidden, dat ik wederom een kind kon worden, dan zou ik het kunnen. Maar ik heb mij verhard, ik ben grijs geworden in de zonde, en het gebed zou huichelarij zijn in mij. Neen, broeder, dat zou het niet. Indien gij het van harte zeggen kunt, zoo smeek ik u, zeg het. Menigeen denkt, dat hij een huichelaar is ; terwijl hij het toch niet is, en slechts vreest onoprecht te zijn, terwijl die vreeze juist het bewijs zijner oprechtheid is. „Maar,quot; zegt iemand, „ik heb in mijn karakter niets dat goed of schoon is.quot; Het verheugt mij, dat gy dit denkt; maar toch kunt gij dit gebed bidden; „O God ! wees mij zondaar genadig.quot; „Maar het zal een nutteloos gebed zijn,quot; zegt iemand. Broeder, ik verzeker u, niet in mijn\' eigen naam, maar in den naam van God, mijn\'Vader en uwen Vader, dat het geen nutteloos gebed zal zijn. Zoo waarachtig als God God is, zoo waarachtig zal Christus liem, die tot Hem komt, niet uitwerpen. Kom, ik smeek u, kom thans met mij, draal niet langer. Gods ingewanden der barmhartigheid zijn over u bewogen. Gij zijt zijn kind, en Hij zal u niet loslaten. Gij hebt Hem nu reeds vele jaren verlaten, maar Hü heeft u niet vergeten; Gij hebt tot nu toe al zijne waarschuwingen in den wind geslagen, en Hij is schier moede van op u te wachten, maar toch zegt Hij van u: „Hoe zou ik u maken als A\'dama ? u stellen alsZeboïm? mijn hart is in Mij omgekeerd, al mijn berouw is te samen ontstoken.quot;

Gaat terug naar uwe woningen Dat wij allen — de prediker, de ouderlingen, de diakenen, de gemeente, gij die van de kerk zijt, en gij die van de wereld zijt, een iegelijk onzer, naar huis gaan, en eer wij ons lichaam verkwikken door spijs en drank, ons hart uitstorten voor God, en laat deze kreet uit ons aller mond opgaan : „O God! wees mij zondaar genadig!quot;

Ik bid u, verdraagt mij een oogenblik. Laat ons thans, op dezen eigen oogenblik dit gebed tot het onze maken. O dat het heden voor den Heere moge komen als de vurige smeeking uit ieder hart in deze vergadering! Ik zal het herhalen, niet als tekst, maar als gebed, als mijn gebed, als uw gebed. Wilt gij allen het tot het uwe maken ? Laat dan een iegelijk, die dit gebed wenscht te bidden, aan het einde er van een hoorbaar „Amenquot; uitspreken.

Laat ons bidden ; „O GOD! WEES MIJ ZONDAAR GENADIG.quot;

(En de gemeente heeft met luider stem plechtig „Amenquot; gezegd.) r.S. De prediker hoopt, dat bij, die deze leerrede leest, gedrongen zal wezen om ernstig en plechtig hetzelfde te doen.

\'

-ocr page 527-

DE DIENSTKNECHTEN EN DE PONDEN.

Een zeker welgeboren man reisde in een vergelegen land, om voor zich zeiven een koninkrijk te ontvangen, en dan weder te keeren. En geroepen hebbende zijne tien dienstknechten, gaf hij hun tien pondtn, en zeide tot hen : Doet handeling totdat ik kome. LnkasXlX: 12,13.

De reden wordt ons medegedeeld, waarom de Heiland deze gelijkenis op dat bijzonder oogenblik heeft uitgesproken. Hy ging toen op naar Jeruzalem, en de onwetende, door geestdrift bezielde menigte hoopte, dat Hy thans eene tijdelijke heerschappij zou gaan vestigen. „Zij meenden, dat het koninkrijk Gods terstond zou openbaar worden.quot; Zij waren vervuld van allerlei dwalingen en vergissingen, en nu wilde c\'e Heere hen met betrekkirig tot dit punt eens voor goed inlichten. Ten einde ieder denkbeeld aan een Joodsch koninkryk uit hun hart te verbannen, een koninkrijk, waarin ieder Hebreër een vorst zou zijn, heeft de Heere hun deze geschiedenis verhaald: — het is met opzet, dat ik het woord geschiedenis hier gebruik, want deze gelijkenis was ook tegelijk een gebeurd feit. Hij wilde hun toonen, dat zü vooralsnog geene deelgenooten zouden zijn in een koninkrijk ; maar dat zij weldra zouden hebben te wachten op hun\' afwezigen Heer, die heen was gegaan om een koninkrijk te ontvangen en daarna terug te keeren. In zijne afwezigheid moesten zijne discipelen in de positie komen van dienstknechten, aan wie huns meesters goederen waren toevertrouwd, terwijl hij weggereisd was om een koninkrijk te ontvangen en daarna weder te komen. Hij was thans gelijk een „welgeboren manquot;, één onder zeer vele anderen; maar Hij begaf zich naar een hof. waar Hij met koninklijk gezag zou worden bekleed, en van waar Hy terug zou komen als Koning. Aan hen zouden tot aan zijne wederkomst zekere ponden worden toevertrouwd.

Ik moet bekennen, dat ik de beteekenis dezer gelijkenis nooit geheel en ten volle begrepen heb, totdat ik door een uitnemend schriftverklaarder gewezen werd op eene plaats in Josephus, die, zoo zij er al niet de sleutel toe is, toch een treffend voorbeeld is van feiten, die ongetwijfeld in den tijd van

-ocr page 528-

DE DIENSTKNECHTEN EN DE PONDEN.

onzes Heeren omwandeling op aarde in het Romeicsche rü\'k dikwijls zyn voorgekomen. Herodes was, gelijk gij weet, koning over Judea; doch hij was slechts een ondergeschikt koning, onder de opperheerschappij staande van den Romeinschen keizer. De Caesar te Rome stelde koningen aan en zette hen weer af, al naar het hem behaagde. Toen Herodes stierf, werd hij opgevolgd door zijn\' zoon Archelaus, van wien wij in Mattheus\' bericht omtrent de kindsheid onzes Heeren lezen, dat Jozef, gehoord hebbende, dat Archelaus in Judea koning was in de plaats zijns vader Herodes, vreesde daar heen te gaan.

Deze Archelaus had geen recht op den troon, voor hij de toestemming van Caesar had verkregen, en daarom scheepte hij zich in met zijn gevolg en ging naar Rome, dat in die dagen een vergelegen land was, ten einde het koninkrijk te ontvangen en daarna weder te keeren. Terwijl hij nu nog op reis was, hebben zijne burgers, die hem haatten, hem gezanten nagezonden, die aan Caesar deze boodschap brachten : „Wij willen niet, dat deze over ons koning zij.quot; De gezanten trachtten Caesar duidelijk te maken, dat Archelaus niet geschikt was koning der Joden te zijn. Sommigen van de redenen, die zij aanvoerden, worden in Josephus medegedeeld, en daaruit blijkt, dat de advokaten van voor negentien honderd jaren op ongeveer dezelfde manier hebben gepleit, als hunne ambtgenooten van heden. Het volk was de Herodessen moede, en gaf aan alles de voorkeur boven hunne wreede heerschappij. Zij verzochten zelfs, dat Judea eene Romeinsche provincie mocht worden en met Syrië zou worden vereenigd, veeleer dan langer onder het gehate juk van de Idumeesche tyrannen te zuchten. Het is een feit, dat Archelaus door zijne burgers werd gehaat, en dat zij zeiden: ,.wy willen niet, dat deze over ons koning zy.quot; Het behaagde Caesar het koninkrijk te verdeelen, en Archelaus als ethnarch op den troon te plaatsen, dat is, als een heerscher met minder macht dan een koning. Na zijn\' terugkeer, oefende hij eene\' schrikkelijke wraak op zijne tegenstanders. maar zijne getrouwe aanhangers heeft hij mild en vorstelijk beloond. Dit verhaal van hetgeen dertig jaren te voren geschied was, moet het volk ongetwijfeld in de herinnering zyn gekomen, toen Jezus tot hen sprak; want Arche laus had zich in de onmiddelijke nabijheid van Jericho een paleis laten bouwen, en het was wellicht onder de muren van dit paleis, dat de Heiland die gebeurtenis als grondslag nam voor zijne gelijkenis. Zij, die ten tijde van onzen Heere geleefd hebben, moeten zijne toespelingen op de toenmaals algemeen bekende feiten veel beter hebben begrepen, dan wij, die negentien eeuwen later leven, dit kunnen. De voorzienigheid Gods heeft der wereld den schranderen, opmerkenden Jood Josephus geschonken, en hem geleid om zeer veel onwaardeerbare ken-

503

-ocr page 529-

de dienstknechten en de ponden.

nis van feiten voor ons te bewaren. Lees deze plaats in zijn geschiedverhaal, en gij zult bemerken, dat zelfs de bijzonderheden overeenkomen met die in deze gelijkenis. Zie hier het verhaal.

Zonder Archelaus te verontschuldigen of hem in eenig opzicht te prjjzen, gebruikt de Heiland zyne reis naar Rome eenvoudig als een voorbeeld voor hetgeen Hij zeggen wilde. Hier is de welgeboren man, die koning moet worden ; maar om den troon te kunnen beklimmen, moet hij zich naar het hof begeven van een machtiger vorst. Terwijl hy op reis is, zenden zijne burgers, die hem haten, hem gezanten na, om zich tegen zijne aanspraken te verzetten, want zij begeeren hem niet tot koning. Evenwel, hij ontvangt het koninkrijk en keert terug om de regeering te aanvaarden. Nu beloont hy hen, die hem getrouw bleven, en hij straft met verpletterende verwoesting hen, die getracht hebben te voorkomen, dat hij aan de regeering kwam. Dat is de geschiedenis,; laat mij haar nu verder voor u verklaren.

De Zaligmaker vergelijkt zich bij een welgeboren man. Hier op aarde is Hij een mensch onder de menschen geweest, en zeer gewis wel een welgeboren man onder zijne medeburgers. Het was zijne roeping koning te worden der geheele aarde ; ja van nature en rechtens is Hij dit; maar eerst moet Hij door den dood, en de opstanding, en de hemelvaart naar het hoogste hof gaan, om daar van den grooten Heere over allen het koninkrijk voor zich te ontvangen. Er is geschreven ; „Eisch van Mij, en Ik zal de Heidenen geven tot uw erfdeelen daarom moet Jezus voor den Koning zijne aanspraken bepleiten en zijne zaak winnen. De dag komt, wanneer Hij zal we-derkeeren, bekleed met eer en heerlijkheid, om z;jne groote macht en heerschappij op zich te nemen, want Hij moet heer-schen, totdat Hij al de vijanden onder zijne voeten zal gelegd hebben. Als Hij komt zullen zijne vijanden verdelgd, en zijne getrouwe dienstknechten overvloedig beloond worden. Naderen wij thans tot dit feestmaal van goddelijk onderwijs. Moge de Geest Gods ons helpen uit deze gelijkenis practische leeringen te trekken!

I. Ik noodig u ten eerste op te merken, dat hier tweeërlei soort van menschen zijn. Wij zien de vijanden, die niet wilden, dat deze koning over hen zijn zou, en de dienstknechten, die handel moesten doen met zijn geld. Er zün onder de menschen velerlei verdeelingen in nationaliteiten, rangen en standen, ambten en karakter, maar de diepst ingrijpende verdeelingen zullen altijd deze twee zijn — de vijanden en de dienstknechten van Jezus Christus. Gij, die zijne dienstknechten niet zijt, zijt zijne vijanden; gij, die zijne vijanden niet zijt, hebt wel toe te zien, dat gij zijne dienstknechten zijt. Ik vind in

504

-ocr page 530-

DE DIENSTKNECHTEN EN DE PONDÜN.

in deze gelijkenis van geene andere dan van deze twee klassen

e- van menschen melding gemaakt; en ik houd er my van over-

r- tuigd, dat op de gansche oppervlakte der aarde geene andere gevonden worden. Gij allen zijt of vijanden, of dienstknechten

p- van Jezus.

2- Beschouwt de vijanden! De persoon, die gehaat werd, was jr een welgeboren man. Hy was een man, doch een edele man. n Welk een Man is de Heere Jezus! Vergeet vooreene wylezijne

3- Godheid, en beschouwt Hem als den Mensch Christus Jezus; n en welk een mensch ! Ik behoef niet stil te staan bij den adel n zijner geboorte uit het zaad Davids; maar wel wensch ik u it te wijzen op den adel van zijn karakter, want daarin schuilt g de ware adel. Waar is, in dit opzicht, een adel gelijk aan de ti zijne ? Broeders, het zou moeielijk zijn voor Christus een gelijke g te vinden. Zelfs diegenen, die Hem het getrouwst trachten na !• te volgen, moeten met smart erkennen, dat zy in zeer vele r dingen achterstaan bij zyne heerlijkheid. Er was in Jezus van

Nazareth niets kleins, niets dat laag of zelfzuchtig was. Hij

r was in alle opzichten een edel mensch.

i Uit genaderijke doeleinden heeft Hij zich verwaardigd een burger te worden onder de andere burgers; want, daar wij

; lezen, dat Hij met olie der vreugde gezalfd was boven zijne

j medegenooten, ligt hierin opgesloten, dat sommigen zyne me-

t degenooten zijn geweest. Hij was Mensch onder de menschen.

i Hij behoorde tot het gilde der timmerlieden; en Hij behoorde

i mede tot het gezelschap der reizende predikers. Hy vergezelde

i zich met zeelieden, met mannen, die het vischnet en de roei

riem hanteerden. Hij ging in en uit bij de landlieden, en er was noch in zyne kleedij, noch in zijne wijze van leven iets, dat Hem van de overige burgers onderscheidde. Gewis, Hy was van hen onderscheiden door zijn heiliger karakter; maar die onderscheiding werd niet veroorzaakt door zijn\' onwil om tot hen af te dalen; maar wel door hunne onmacht om zich tot zyne hoogte te verheffen.

De burgers haatten Hem; maar zij haatten Hem zonder oorzaak. In ons is wel altijd eene oorzaak voor afkeer of weerzin; maar niet in Hem. In toon en manieren geven de besten onder ons wel eens aanstoot; maar in Hem was niets, dat hun haat kon verontschuldigen. Het was eene moedwillige, onnoo-dige verwerping van Hem, die het geschiktst was om over hen te regeeren.

Daar Hij er aanspraak op maakte Koning der Joden te zijn, hebben zij zijn koningschap zeer bijzonder gehaat, zeggende: „Wy willen niet, dat deze over ons koning zy;quot; en wederom: „Wij hebben geen\' koning dan den keizer.quot; Hij is gekomen tot het zijne, en de zijnen hebben hem niet aangenomen.quot;\' En toch, mijne broeders, indien wij een koning noodig hebben, en wij

505

-ocr page 531-

DK DIENSTKNECHTEN EN DE PONDEN.

beschouwen Jezus bloot als Mensch, dan moest Hij toch door de gansche menschheid met algemeene stemmen, als zoodanig met gejuich gekozen worden. Machtig Overwinnaar, heersch tot in eeuwigheid! Koning van de koningen der aarde. Liefhebber van de kinderen der menschen, die om onzentwil uw dierbaar bloed hebt gestort, Gij verdient het Koning van allen te zijn! De koninklijkste der menschen moet Koning der menschen zijn. Toch hebben zij zijne koninklijke aanspraken gehaat, maar ook dit zonder oorzaak. Wie van hen had Hij verdrukt? Welke inkomsten heeft Hij het volk afgeperst ? Welke zijner wetten waren hard of wreed? In welke rechtzaak heeft Hij onrechtvaardig geoordeeld ? Toch hebben zijne burgers Hem gehaat. Is er ook nog heden ten dage die haat voor Christus in de wereld. Is er iemand onder u, die Hem haat? „Neenquot;, zegt gij; maar zijn er toch niet sommigen onder u, die Hem wel niet openlik tegenstaan, maar Hem met meer minachting behandelen, dan wanneer zij Hem wèl tegenstonden. Gij gaat Hem gansch en al voorbij; gij handelt, alsof Hij het niet eens waardig was tegengestaan te worden; gij acht Hem voor niets. Hy behoort niet tot den kring van voorwerpen, waarvoor gij leeft. Soms kunt gij wel eenigszins met bewondering spreken van zijn karakter; maar oprechte bewondering le;\'dt tot navolging. Indien Jezus een Zaligmaker is, wat kunt gij Hem dan ergers aandoen dan te weigeren door Hem zalig gemaakt te worden? Ik zeg u, onverschilligen, dat gij in uw hart zijne ergste vijanden zijt. Ach! dat gij u hiervan wildet bekeeren, dat gij u tot Hem wildet wenden; want Hij zal wederkomen, en dan zal Hij zeggen; „Deze mijne vijanden, die niet hebben gewild, dat ik over hen koning zoude zijn, brengt ze hier, en slaat ze hier voor mij dood.quot; Dit gezegde is vol van verschrikking. Gedood te worden voor de oogen der beleedigde liefde, dat is een\' dubbelen dood te sterven. Moge de Heere door zijne genade ons voor zoo schrikkelijk een oordeel bewaren!

De andere soort van menschen waren zijne dienstknechtm het oorspronkelijke kan hier overgezet worden in slaven of lijfeigenen. Zij, die zijne vijnnden niet waren, waven zijne getrouwe dienstknechten. Ik veronderstel, dat de welgeboren heer hen voor zijn geld had gekocht, of dat zij in zijn huis waren geboren; of dat zü zich vrijwillig door een verdrag aan hem hadden verhonden. Toen ik zeide, dat die menschen slechts zijne slaven geweest zijn, zeidet gij bij u zeiven; „Dan zijt gü, die in Jezus gelooft, zijne lijfeigenen.quot; Gij behoeft ons zelfs het hardere woord „slavenquot; niet te sparen. Wij zijn nooit vrij geweest, vóórdat wij in dienstbaarheid kwamen bij Jezus; en wij worden al meer en meer vrij, naarmate wij ons meer aan Hem onderwerpen. Paulus zeide; „Ik draag de litteekenen van den Heere Jezus in mijn lichaamquot;, als of het heete schroeiijzer der

?)06

-ocr page 532-

de dienstknechten en de ponden.

)r beproeving hem den naam Christus had ingebrand. Ja, wij zijn

^g het eigendom des Heeren Jezus, en wy behooren niet ons zei-

h ven. Wü kunnen geene woorden vinden, die ten volle uitdruk-

f- ken, dat wij den Heere Jezus toebehooren; wij wenschen op te

v gaan in Christus, en, om zijnentwille, als niets te worden. Voor-

n zeker! Hij heeft ons vrienden genoemd; maar wij noemen ons

i- zijne dienstknechten. Het is ons eene verlustiging Hem als

;■ onzen Meester te erkennen, gelijk David, toen hij zeide: „Ik ben uw knechtquot;; en nog eens: „Ik ben uw knechtquot;; en we-

9 derom herhaalde: „een zoon uwer dienstmaagd.quot; Hij was een

t geboren knecht; geboren uit eene moeder, die zelve eene dienst-

i maagd was. En na dit alles voegde hij er bij: „Gij hebt mijne

3 banden losgemaakt.quot; Dienstbaarheid onder Christus is volmaak-

, te vrijheid; dit hebben wij in ieder opzicht waar bevonden,

i Wü kunnen niet verwachten ooit volkomene vrijheid te sma

ken, voordat Hij iedere gedachte, en elk begrip, en elke begeerte gevangen geleid heeft tot de gehoorzaamheid aan Hem. Wij zijn gekocht met zijn geld, en Hij heeft ons duur gekocht. Wij zijn ook geboren in zyn huis door de wedergeboorte, en wij zijn aan Hem verbonden door een verdrag, dat wij met blijdschap hebben onderteekend en verzegeld, en dat wij gaarne opnieuw willen onderteekenen en verzegelen. Wij zijn dus in waarheid aan de tegenovergestelde zijde der vijanden, want wij zijn zijne gewillige dienstknechten.

Ik heb u alzoo de twee soorten van menschen voorgesteld. Moge de Heilige Geest, eer wij verder gaan, dusdanig in ons werken, dat wij juist en duidelijk zien tot welke van de twee wij behooren! En mochten wij, zoo wij vijanden zijn, van nu voortaan zijne dienstknechten worden!

II. Wij gaan nu een stap verder en letten op het werk dezer dienstknechten. Hun heer vertrok, en hy gaf zijnen tien dienstknechten een klein kapitaal, waarmede zy handel moesten drijven tot aan zijne terugkomst. Hij zeide hun niet, hoe lang hij zou wegblijven, hij wist dit wellicht zelf niet — ik bedoel den koning in het verhaal; en zelfs onze Meester heeft gezegd: ,,Van dien dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen.quot; ,Ik ga heen,quot; zeide hij, „gij zijt mijn© dienstknechten, en ik laat u als mijne dienstknechten in het midden mijner vijanden. Weest mij trouw, en, om uwe trouw te bewijzen, doet handel in mijn\' naam. Ik zal aan ieder uwer eene zeer kleine som gelds toevertrouwen; maar het zal u bezig houden, en uw handel drijven ten mijnen behoeve zal uw da-gelijksch getuigenis wezen, dat gij mij getrouw zijt, tea/anderen dan ook wezen mogen.

Merk op ten eerste, dat dit een eervol iverk ivas. Er werden hun geene groote fondsen toevertrouwd, maar het bedrag was voldoende om hunne trouw op de proef te stellen. Indien zij

507

-ocr page 533-

DE DIENSTKNECHTEN EN DE PONDEN.

werkelijk aan hun\' meester waren gehecht, dan zouden zij gevoelen, dat hij een vertrouwen in hen stelde, hetwelk zij moesten rechtvaardigen. Aan slaven moet men niet altijd geld toevertrouwen, want de strekking der slavernij is altijd geweest om den menschen hunne eigenschap van betrouwenswaardig-heid te ontrooven. Onze dienstbaarheid aan Christus heeft eene tegenovergestelde uitwerking; maar die dienstbaarheid is ook geene slavernij. In sommige opzichten werden deze dienstknechten door hun\' meester als deelgenooten behandeld. Zij moesten do bezitting met hem deelen. Zij waren zu\'ne vertrouwde beheerders. Zijn oog bespiedde hen niet; want hij was naar een vergelegen land heengereisd; en hij vertrouwde van hen, dat zij eene wet zouden zijn voor zich zeiven. Zij moesten geene dagelijksche rekenschap afleggen; maar aan hun eigen geweten overgelaten worden tot aan zijne terugkomst. Dit is nu juist de wijze, waarop onze Meester met ons handelt. Hij heeft ons het Evangelie toevertrouwd en Hij rekent op onze eerlijkheid ; maar Hij vraagt ons niet terstond om rekenschap, want Hij is niet hier. Ik geloof niet, dat stelsels van kerkregeering, die eene zekere mate van spionnage met zich brengen, naar het hart of de bedoeling onzes Heeren zijn. Indien de Christenen zijn, wat zij behooren te zijn, dan kunnen zij vertrouwd worden; zij zijn zich zeiven de wet. De Heere stelt u niet onder zekere regelen en verordeningen, waarbij u bevolen wordt tienden te geven, ofschoon ik wensch, dat gij ten minste zoo veel geeft. Hij zegt niet; „Gij zult zoo en zooveel op eens inschrijven, of op die en die manier te werk gaan.quot; Neen, gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade. Indien gij uwen Meester lief hebt, dan zult gij spoedig genoeg ontdekken wat gij voor Hem doen kunt, en dan zal het u eene verlustiging zijn het te doen. De Heere legt ons geene strikte verordeningen op; Hij verordineert niet, dat gij op zulk of zulk uur des morgens aan het werk moet gaan, en dan zoo en zoo veel uren aan het werk moet blijven. Neen, Hij zegt; „Neemt mijn pond, en doet er handel mede.quot; De Heere behandelt ons op den voet van vertrouwen, en doet een beroep op onze eerlijkheid en onze liefde. Hij zal heden of morgen niet komen om ons in het oog te houden; ofschoon Hij in het einde nauwkeurig rekenschap van ons zal vragen. En intusschen is Hij heengegaan, maar heeft ons in het midden zijner vijanden gelaten, ten einde aan dezen te toonen, dat Hij ook vrienden heefc, en dat Hy een goed Meester moet zijn, daar zij zelfs, die zich zijne dienstknechten erkennen te zijn, er zich in verheugen om hungansche leven in zijn\' dienst door te brengen. Is het dan niet waar, dat Hij hun een eervol werk heeft gegeven?

Het ivas werk, waarvoor hij hun een kapitaal in handen gaf. „Geen groot kapitaalquot;, zult gij zeggen. Neen, dat was ook zijne

508

-ocr page 534-

DE EIENSTKHECHTEtf EN DE PONDEN.

bedoeling niet. Zij waren niet bekwaam genoeg om veel te beheeren. Indien hij hen getrouw bevond „in het minstequot;; dan kon hij hun eene grootere verantwoordelijkheid opleggen. Ik lees niet, dat één hunner zich beklaagd heeft over de kleinheid van zijn kapitaal, of gewenscht heeft, dat het verdubbeld ware. Broeders, wij behoeven niet om meer talenten te vragen; wij hebben juist zooveel als wij zullen kunnen verantwoorden. Predikers behoeven geene grootere gemeenten te wenschen; laten zij getrouw zijn in de gemeente, die zij dienen. Een broeder zeide eens tot mij; „Ik kan niet veel uitrichten met honderd hoordersquot;; en ik antwoordde: „6y zult het zwaar genoeg vinden om zelfs van honderd zielen goede rekenschap te kunnen afleggen.quot; Ik moet bekennen, dat ik dikwijls gewenscht heb eene kleine gemeente te hebben, ten einde over elke ziel in het bijzonder te kunnen waken; maar nu is het myn lot om altijd ontevreden te zijn over mijn werk; want wat vermag ik onder zoo velen? Ik kan slechts beseffen, dat ik nog het honderdste part niet begonnen heb te doen van wat er in eene gemeente als deze gedaan moet worden. Ieder hunner had één pond in handen, en zijn heer zeide hem: „Doe handeling daarmede.quot; Hij verwachtte niet, dat zij met zoo klein een kapitaal een\' handel in het groot zouden drijven; neen, zij moesten handelen al naar de markt het medebracht. Hij heeft niet verwacht, dat zij meer zouden winnen dan billijk was, want hij was met dat al geen „straf mensch.quot; „Neem dit pondquot; zeide hij, „en doe uw best. Ik weet, dat de tijden moeieUjk zijn, want gij hebt te handelen onder vijanden. Gij zoudt in zulke omstandigheden wellicht geene twintig pond in uwen handel kunnen steken; maar met één pond kunt gij wel beginnen, om er op de beste manier iederen gulden van te beleggen.quot; En zoo gaf hij hun dan een kapitaal, dat volkomen voldoende was voor zijn doel. Mijn vriend, hebt gij dat pond ook bij u? „Helaas!quot; zegt iemand, „ik heb hoegenaamd geene gaven.quot; Hoe kan dat? Uw Heere heeft u een pond gegeven, wat is ervan geworden? Gij zijt een zijner dienstknechten, en als gü niets doet, dan ztjt gij in een zeer verkeerden toestand, en gij behoorde! u te schamen. Wat hebt gij met uw pond gedaan ? Steek uwe hand nog eens in uwen zak ... het is er niet ? Is het in een\' zweetdoek? — dien zweetdoek, waarmede gij het zweet van den arbeid van uw voorhoofd hadt moeten afwisschen? Hebt gij dat pond? „Het is niet veelquot;, zegt gij. De Meester heeft niet gezegd, dat het veel is; Hij noemde het „het minstequot;; maar hebt gij dit „minstequot; gebruikt? Dat is eene vraag, die door moet dringen tot uwT geweten. Gij werdt behandeld als vertrouwde dienstknechten, en toch zijt gy uwen Heere niet getrouw. Hoe komt dat?

Wat zij met het pond te doen hadden wordt in algerneene ter-

509

-ocr page 535-

DE DIENSTKNECHTEN RN DE PONDEN.

men aangeduid. Zij moesten er niet mede spelen, maar er mede handelen. Ik denk, dat zij geneigd waren aldus te redeneeren : „De zaak onzes meesters wordt aangevallen; laat ons voor hem strijdenquot;; maar toch heeft hij niet gezegd: „strijdquot;; maar „Doe handeling.quot; Petrus trok zijn zwaard. O voorzeker; wij zijn ijverige strijders; maar langzame handelaars. Velen openbaren een uitdagend karakter, en zijn nooit zoo tevreden, als wanneer zij in het midden van strijd en rumoer zijn. De dienstknechten in deze geiykenis moesten niet strijden, maar handel doen, dat in veler schatting iets veel minder edels is. Wij kunnen des Heeren vijanden aan Hem zeiven overlaten; een dezer dagen zal Hij wel een einde maken aan hunne rebellie. Wij hebben eene veel nederiger gedragslijn te volgen.

Sommigen van hen hebben ongetwijfeld gedacht, dat dit • pond nuttig besteed zou zijn, als zij er zich dingen voor aanschaften, die het leven veraangenamen, of wel voorwerpen van weelde. De een zou een nieuw kleed er voor koopen, een ander een nieuw meubelstuk voor zijn huis, nog een ander zou ernstig en plechtig zeggen: „Wij moeten denken aan ons gezin.quot; Ja, maar hun heer heeft dat niet gezegd; hij zeide; ,Doet handeling, totdat ik kome.quot; Zij moesten dit geld dus niet gebruiken om te strijden; zij mochten het ook niet wegsluiten, niet uitgeven en niet verkwisten; zij moesten er handel mede doen voor hem.

Het pond was hun niet in handen gegeven om er mece te pronken. Zij moesten er zich niet op beroemen bij anderen, die niet eens een\' penning bezaten; want, hoewelzij op kleine schaal kapitalisten waren, behoorde hun kapitaal toch eigenlijk aan hun\' heer. Het is te betreuren, als men op gaven en talenten gaat roemen, alsof zij van ons zeiven waren. Een koopman, die voorspoedig is in zijne zaken, heeft zelden veel geld in kas; hij heeft het alles noodig voor zijn\' handel. Soms zal hij niet eens een muntbiljet of kleine banknoot in zu\'n bezit hebben; omdat hij al zijn gereed geld heeft moeten uitgeven; zijn gouden graan is gansch en al in den akker van zijn\'handel gezaaid. Wat mij aangaat, ik kan niet de minste reden ontdekken om te roemen in mij zei ven; want, zoo ik, het zij genade of sterkte heb, dan heb ik toch zeker niets te veel, niets om te kunnen missen. Ik heb nauwelijks genoeg voor heü werk, dat mij op de handen gezet is, en niet genoeg voor het werk, dat mij wacht. Ons pond mogen wij niet als sieraad gebruiken; wij moeten er handel mede doen.

Handel stelt een leven voor, dat men alledaagsch zou kunnen noemen; maar het is bü uitnemendheid practisch, en heeft eene zeer practische uitwerking op den persoon, die er zich mede bezig houdt. Dit moet ten deele toegeschreven worden aan het feit, dat het eene bezigheid is, die vrije speling

510

-ocr page 536-

DE DIENSTKNECHTEN EN DE PONDEN.

511

laat aan het verstand. Zij waren niet beperkt tot, of gebonden aan, ééne soort van koopmanschap. De man, die met zijn pond tien ponden had gewonnen, heeft de beste manier van handel drijven gekozen. Hij zocht niet wat voor hem het aangenaamst was, maar wat het voordeeligst was voor zijn heer. En zoo is het ook aan n, waarde vrienden, overgelaten, om zelf het soort van werk voor uwen Heer te kiezen; alleenlijk zorgt, dat gij voor Hem handelt, en voor Hem moet altyd alles goed gedaan worden. Op dit oogenblik is er nergens zulk een winstgevende handel te drijven voor den Heere dan in den zendingsarbeid aan de Congo (1) of onder de bergstammen in Indië. Groote winst kan ook verkregen worden door het handelen met de armsten der armen in stegen en sloppen, en evenveel door het weldoen aan weduwen en weezen, die gebrek lijden. Als de menschen hun leven moeten afleggen voor den Heere Jezus, na een leven dat wegkwijnde door koorts, dan komen daar onmetelijke winsten uit voort. Waar de nood het hoogst is, daar ontvangt de Heere de meeste eer en heerlijkheid. Het is u overgelaten te oordeelen wat gij doen kunt, hoe gij het doen kunt, en waar gij het wilt doen. Doe hetgeen, waardoor gij de meeste zielen kunt winnen voor den Heere, datgene, waardoor het koninkrijk uws Heeren het meest wordt uitgebreid. Gebruik uw verstand, neem dat deel van den heiligen arbeid ter hand, waarmede gij voor uwen glorierijken Meester de grootste winsten kunt behalen.

Het werk, dat Hij hun beval te doen, was een werk, waardoor hunne gaven en talenten het best konden uitkomen. Kent gij den man, die nooit slaagt in zijn\' handel ? Ik ken hem. Hij klaagt, dat hij een klein hoofd heeft; en die klacht is gewoonlijk ook gegrond. Hij moet eene zaak hebben, die hem zijn brood en boter gereed en wel aan de deur brengt, en zelfs dan moet het ook nog voor hem in kleine stukjes gesneden worden, zal hij zijn ontbijt kunnen gebruiken. De man, die in deze dagen slagen wil in den handel, moet vertrouwen hebben, goed uit de oogen zien, en overal op letten. Onze tijden zijn zwaar, maar toch niet zoo zwaar als die, welke in de gelijkenis beschreven wordt, toen de getrouwe dienstknechten handel moesten doen in het midden van verraders. Zij hadden inzonderheid schranderheid en bedachtzaamheid van noode. Het handel drijven ontwikkelt des menschen volharding, zijn geduld en zijn\'moed. Het stelt zijne eerlijkheid, waarheidsliefde en standvastigheid op de proef. Het is eene bijzonder voortreffelijke oefenschool voor het karakter. Toen deze welgeboren man zijn\' dienstknecht het pond gaf, deed hij het om te zien wat voor karakter hij had. Handel drijven met een klein kapitaal, dat be-

(l) Dit werd gezegd in het jaar 1887.

-ocr page 537-

DE DIENSTKNECHTEN EN DE PONDEN.

teekent persoonlijke arbeid, arbeid van geringen en vermoeien-den aard; lange uren, en weinige vrije dagen; heel veel teleurstelling en kleine winst. Het beteekent werkfen uit alle macht, en de zaken te doen met uw gansche hart en al uw verstand. Op die wijze is het, dat wij Christus moeten dienen. In het woord „handelquot; ligt eene wereld van beteekenis. Ik kan die beteekenis heden niet ten volle doen uitkomen; maar dit is ook niet noodig, want de meesten uwer weten meer van den handel dan ik, en gij kunt u zeiven onderwijzen. Gij moet voor den Heere Jezus Christus handel doen in hoogeren, en te geUjk in meer nadrukkelijken zin, dan waarin gij handel hebt gedreven voor u zeiven. Met uwe lichaamskracht, met uwe geestvermogens, met uw geld en goed, met uw gezin, met alles moet gij eer en heerlijkheid toebrengen aan den naam van Jezus. Het moet uwe levenstaak zyn te arbeiden voor Jezus en met Jezus.

De handel, zoo hij voorspoedig gedreven wordt, is een werk, dat den geheelen mensch inneemt, al zijne gaven en krachten in beoefening brengt. Het is een voortdurend zwoegen, eene beproeving van allerlei aard, een zeer opmerkelijke toetssteen, een kostelijk tuchtmiddel; en daarom heeft deze welgeboren man zijne dienstknechten er aan onderworpen, ten einde hen later in hoogere bedieningen te kunnen gebruiken. Broeders, stelt u op de hoogte van hetgeen met handeling doen bedoeld wordt, en legt u dan met geheel uw hart op uwen geestelijken handel toe.

quot;Wij moeten tegelijk ook opmerken, dat het werk was, dat voor hunne gaven en krachten was berekend. Klein als hun kapitaal was, het was voor hen voldoende, want zij waren slechts slaven, en geene menschen van hoogen rang in de maatschappij, of van hooge verstandsontwikkeling. Hun meester gaf hun slechts één pond, dat gelijk stond aan f42 van ons geld. Met zulk een klein bedrag kan men geen\' grooten winkel openen, ja zelfs niet eens een\' eenigszins grooten inkoop doen. Zij konden niet klagen, dat zij eene zaak hadden te beheeren, die te omvangrijk voor hen was. Zü konden eenige waren opslaan, en er mede gaan venten. De Heere Jezus Christus vraagt u niet om meer te doen dan gij kunt; Hij laat u niet gebukt gaan onder zorgen, die voor u te zwaar zijn. Wij zijn nog niet tot aan de grens van onze bekwaamheid gekomen; wij kunnen nog meer doen. Jezus is geen veeleischend Meester; het is slechts een leugenachtig dienstknecht, die Hem een „straf menschquot; noemt, die maait, waar hij niet gezaaid heeft. Het geiykt er niet naar! Hij heeft ons eene lichte taak opgedragen ; ons werk voor Hem past voor onze beperkte vermogens, en door zijn\' Heiligen Geest is Hij bereid ons te helpen. Laat ons ons eenig pond dan wèl besteden. Laat het onze eerzucht

512

-ocr page 538-

de dtekstknëchten en de ponden.

wezen, om er ten minste tien mede te winnen, en moge de Heere onze pogingen daartoe genadiglijk zegenen; opdat wij Hem bü zijne wederkomst eene goede rente kunnen aanbieden !

Hebt gij er eens naar gevraagd, waarvan deze menschen moesten leven? Hun meester zeide hun met, dat zij van zijn pond moesten lever.. Neen, zij waren zijne dienstknechten, en dus woonden zij onder zijn dak, en hij voorzag in al hunne behoeften. Hu was op reis gegaan; maar zijn huisgezin was daarom niet opgebroken. De tafel werd nog altijd gespreid, en de kinderen en dienstknechten hadden overvloed van brood. ,0quot;! zegt iemand, „dat verandert de zaak.quot; Juist; maar zij is niet verschillend van de uwe, of, indien zij het wèl is, dan doet my dit leed om uwentwil. Moet gij voor u zeiven voorzien ? Roept gij: „Wat zal ik eten ? Wat zal ik drinken ?quot; Weet gÜ niet dat de volkeren der wereld deze dingen zoeken ? Terwijl Jezus zegt: „Uw hemelsche Vader weet, dat gij deze dingen behoeft.quot; Gelijk ik mijn leven versta, is het, dat ik mijns Heeren werk moet doen, en dat Hij dan voor mij zal zorgen. Hy kan dit doen door middel van mijne eigene vlyt; maar toch is het zijn werk om het te doen, en niet het mijne. Indien Gods voorzienigheid niet voldoende is om voor ons te zorgen, dan kunnen wij gewis ook niet voor ons zeiven zorgen ; en zoo zij wèl voldoende is, dan zullen wij verstandig doen, zoo wij al onze zorgen op den Heere werpen, en onverdeeld leven tot zyn\' lof. Herinner u dien tekst: „Zoekt eerst het koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden. Gy, als dienstknecht, moet niet verstrikt worden door knagende zorgen voor uwe belangen; gy moet al uwe gedachten en geheel uw leven aan uws Meesters dienst wijden. Hij zal heden voor u zorgen, en bij zijne wederkomst zal Hij u beloonen.

HL Om deze gelijkenis te verstaan, moeten wij denken aan

de verwachting onder welker invloed zij zich voortdurend

zouden bevinden. Zij werden als vertrouwde dienstknechten achtergelaten tot dat Hij zou wederkeeren: maar die terugkeer was het voornaamste van de geheele zaak.

Zy moesten gelooven, dat hij zou wederkeeren, en wel als koning. De burgers geloofden dit niet. Zij hoopten, dat Caesar hem den troon zou weigeren ; maar wy moeten er ons van verzekerd houden, dat onze edele Meester het koninkrijk zal ontvangen. Deze rebelleerende wereld gelooft niet, dat Jezus ooit Koning zal zijn. Onlangs lazen wy over de „Eclips van het Christendom.quot; Voortdurend zien wy zijne heerschappij aanranden. Zij zeggen, dat het practisch weerlegd is door de feiten. Waarlijk? Gij moet het my ten goede houden, mijne heeren : ik ben zeer sterk bevooroordeeld, want ik ben Christus dienst-

513

33

-ocr page 539-

DE ÖtENSTKNECHTEtI ËN DE POSDEN.

knecht. Ik ben Hem mijn leven, mijn alles verschuldigd. Ik ben er van overtuigd, dat Hij Koning der koningen moet zijn, en dit ook is. Ik ken Hem zóó goed, dat ik stellig geloof, dat Hij zal overmogen aan het hof, -waar Hij heen gegaan is. Hij is daar in zeer hoog aanzien. De laatste maal dat ik het aangezicht des grooten Konings mocht aanschouwen, heb ik die gunst verkregen door het gebruik van zijn\' naam. Als ik zijn\' naam noem, verkrijg ik alles wat ik vraag, en zoo geloof ik, dat Hij hier Boven groote gunst geniet. Wel! zijn Vader is de Souverein 1 Ik houd er mij van verzekerd, dat Hij aan zijn\' eengeboren Zoon het koninkrijk niet zal weigeren. Jezus zal tot zijn koninkrijk komen : daar ben ik zeker van. Laat ons arbeiden in de volle overtuiging, dat onze afwezige Heere spoedig weder komen zal met eene glorierijke kroon op zijn hoofd. Toen hij heenging, droeg Hij de litteekenen van iemand, die den dood eens misdadigers is gestorven; en als Hij wederkomt, zal Hij ze nog dragen; maar de teekenen der nagelen zullen geene gedenkteekenen zijn van zijne schande; zij zullen als juweelen aan zijne hand zijn.

Zijne dienstknechten moesten hun\' afwezigen heer reeds beschouwen als koning; en zij moesten onder zijne vijanden handeling doen op zulk eene wijze, dat hunne eigene trouw nooit verdacht kon worden. Zij waren van de partij oes konings en van geene andere. Men is in eene zeer moeielijke positie, als men handeling moet doen onder menschen, die vijanden zijn van onzen Koning; in zulk een geval moet men voorzichtig zijn als de slangen, en oprecht als de duiven. Dit is ook werkelijk onze positie. Wij moeten eere toebrengen aan God door menschen, die Hem haten. Wij moeten onzen Heere verheerlijken in het midden van menschen, die, als zij slechts konden. Hem opnieuw zouden kruisigen. Wij moeten bij hen in en uitgaan op zulk eene wijze, dat zij nooit zeggen kunnen, dat wij deel hebben genomen aan hunne rebellie, of hunne ontrouw door de vingers zagen. Wij kunnen niet op innige, vertrouwelijke wijze omgaan met hen, wier leven eene voortdurende aanranding is van de kroonrechten van Koning Jezus. Wij moeten bovenal van onze trouw doen blijken aan onzen afwezigen Heere, opdat Hij ons ons deel niet aanwijze onder zijne vijanden.

Bij eene aandachtige lezing van het oorspronkelijke wordt de gedachte opgewekt, dat zü hun\' meester moesten beschouwen als reeds terugkeerende. Dit moet ook onze beschouwing zijn van onzes Heeren wederkomst. Hij is reeds op weg om hier te komen. Niet zoodra was onze Heere opgestaan uit het graf, of Hij was, in practischen zin, reeds terugkomende. Dit lijkt eene machtspreuk. Maar zijne hemelvaart was in zekeren zin een gedeeltelijk tot ons terugkeeren, want voor Hem lag

514

-ocr page 540-

ce blenstknëchten en de pondén.

de weg van het kruis op aarde tot de kroon van geheel de aarde over het Nieuwe Jeruzalem. Hij komt thans zoo snel als de wijsheid het recht oordeelt. Onze Heere zal gewis geen oogen-blik langer toeven dan volstrekt noodzakelijk is; want Hij bemint de gemeente, die zijne bruid is, en als haar Bruidegom zal Hij het lang verbeide uur der ontmoeting om nooit meer te scheiden, niet uitstellen of vertragen. Hij is gereed; het is de bruid, die zich nog moet bereiden. Jezus verlangt te komen. Onze kreet: „Kom haastelijk!quot; vindt weerklank in zijn hart. Hij zal spoediger komen dan wij denken. Wij zijn verplicht te gevoelen, dat Hij thans reeds op weg is, en wij moeten leven als of Hy ieder oogenblik komen kan.

Wij moeten handeling blijven doen totdat onze Heere komt. Uit zijn werk, zijn\' handel, mogen wij ons niet terugtrekken, al zouden wij ons ook terugtrekken uit onze zaken. Er moet geen stilstand komen in ons werk voor Hem, omdat wij ons verbeelden reeds genoeg gedaan te hebben. Onze rust zal aanvangen als Hij komt; maar tot aan dat oogenblik moeten wij voortarbeiden.

Laat ons arbeiden als in zijne tegenwoordigheid. Hoe zoudt gü handelen als Jezus naast u stond ? Handelt alzoo. Hij ziet ons even duidelijk, alsof Hij lichamelijk onder ons tegenwoordig ware. Wordt opgewekt, wordt bezield door het oog uws Verlossers. Aldus zult gij in dezen staat van toetsing en beproeving op de beste wijze leven.

IV. Nu komt het liefelijk gedeelte van het onderwerp. Let op de geheime bedoeling des Heeren. Is het u ooit in de gedachte gekomen, dat deze welgeboren man zeer vriendelijke bedoelingen had ten opzichte zijner dienstknechten. Heeft hij dezen mannen ieder een pond gegeven met geen ander doel dan dat zij geld voor hem zouden winnen ? Het zou ongerijmd zijn zoo iets te denken. Eenige ponden zouden van hoegenaamd geen belang zijn voor iemand, die tot koning wordt verheven. Neen, neen ! Het was, gelijk Bruce opmerkte, niet om geld, maar om karakters te doen.quot; Zijn doel was niet winst door hen te behalen, maar hen op te voeden.

Ten eerste: het was eene op de pr oef stelling, dat hun iedereen pond was toevertrouwd. Deze welgeboren man zeide bij zich zeiven : „Als ik koning ben, moet ik trouwe dienaren om mü heen hebben, aan wie ik macht kan geven over anderen. Mijn vertrek stelt mij in de gelegenheid om te zien van welk gehalte mijne dienstknechten zü\'n. Ik zal dus hun üver en bekwaamheid, hunne eerlijkheid en trouw op de proef stellen. Indien zij trouw zu\'n in kleine zaken, dan zullen zij ook in groote zaken vertrouwd kunnen worden.quot; De proef werd genomen met slechts één pond. Zij konden er dus niet veel kwaad mede doen; maar het was volkomen genoeg om hunne

515

-ocr page 541-

516 DE DIENSTKNECHTEN EN DE PONDEN.

belvwaamlieid en trouw op de proef te stellen; want wie in het minste getrouw is zal ook in veel getrouw zijn. Niet allen hebben de proef doorstaan; maar de proef was het middel om hun karakter te doen uitkomen.

Het was voor hen ook eene toebereiding voor verderen dienst. Hij zou hen verhoogen, want van dienstknechten zouden zy he\'erschers, bestuurders worden. Daarom moesten zij op een post van vertrouwen gesteld worden, om zoodoende tot bevordering te kunnen komen. Zij moesten beheerders of bestuurders zijn over weinig — over één pond bijv., en hetgeen met dat pond gewonnen werd, en dit zou hun tot oefenschool wezen. Door hun arbeid in den handel werden zij meteen geoefend voor den arbeid van regeeren of besturen. De beste manier om te leeren meester te zijn, is om eerst dienstknecht te wezen; en de reden waarom sommige meesters hard en tyra-niek zijn, is, dat zij het hart van een\' dienstknecht niet uit eigen ervaring hebben leeren kennen. Zij weten niets van dienen, en daarom bezitten zij noch de wijsheid, noch de grootmoedigheid, noch de teederheid, die meesters aan hunne dienstknechten hebben te betoonen. Deze welgeboren man was dus verstandig; hij stelde zijne dienstknechten op de proef, en die op de proefstelling moest hun tegelijk tot oefenschool strekken, om zich voor hoogere dingen te bekwamen.

Ik geloof, dat hij hun ook wel een weinig hunne toekomstige eer en grootheid te kennen heeft gegeven. Hij wilde hen tot bestuurders aanstellen over steden, en daarom stelde hij hen eerst tot bestuurders aan over ponden. Zij waren dienstknechten geweest, en hadden hunne orders iederen morgen van hem ontvangen; maar nu hebben zij geen meester, tot wien zij heen kunnen gaan, en dus moeten zij naar eigen inzicht handelen. In hun\' kleinen kring waren zij dus als kleine koningen aangesteld. In dat gehcele land waren de burgers in opstand gekomen; maar er was een klein koninkrijk onder des welgeboren mans eigene dienstknechten, en dezen gehoorzaamden hem, en deden hun best, om, voor zooveel zij vermochten, zijne rechten te handhaven. Zij waren reeds vry geworden, er was hun eene zekere mate van gezag gegeven, het hef en leed van persoonlijke verantwoordelijkheid zouden zij bij ervaring leeren kennen. O gij, die arbeidt voor God, als gij opzieners zijt over anderen voor Hem, als gij zielen wint voor Hem, en in zijn\' naam de overwinning behaalt over zijne tegenstanders, dan smaakt gij reeds bij voorbaat uwe eeuwige belooning. Wij fatsoeneeren onzen toekomstigen staat op het aanbeeld onzes levens; want ofschoon de hemel een\' toestand en eene plaats is, die ons door den Heere Jezus bereid is, zoo ligt hij toch ook voornamelijk in ons eigen karakter. De mensch is veel meer do bron van vreugde, dan de gouden straten, waarin hij

-ocr page 542-

DE DIENSTKNECHTEN ES DE PONDEN.

zal wandelen. Indien gy uw pond verbergt, en hier op aarde uws Meesters dienst veronachtzaamt, dan bereidt gij u eene doffe, nevelachtige toekomst in zijne groote, duizendjarige regeering. Gij, die u met hart en ziel wijdt aan uwen heiligen handel, en u gansch en al overgeeft in den dienst uws Hee-ren, zult hoogelijk geëerd worden, als Hij wederkomt om „op den berg Zion en te Jeruzalem te regeerenquot;, en er „voor zijne oudsten heerlijkheid zal zijn.quot;

Want ziet, toen hy kwam tot den man, die tien ponden gewonnen had, gaf hij hem tien steden. Denkt hier eens aan! Er is geene evenredigheid tusschen den geringen dienst en de rijke belooning. Een pond wordt beloond met eene stad. Het loon in dit duizendjarige rijk zal blijkbaar geheel en al uit genade zyn, want het is zoo oneindig ver boven hetgeen de verdienste van den dienstknecht waard was. Hun heer was niet gehouden om hun iets te geven; zij waren zijne slaven; wat hij hun gaf was dus uit loutere goedheid. Ik denk niet, dat hy, die de vijf ponden bracht, in het minst gelaakt werd. Hij kan even vlijtig zyn geweest als de ander, maar hij had minder bekwaamheid. Maar hoe wijd zal hij zyne oogen hebben geopend, toen zijn meester hem vijf steden gaf. Hij zal er zich wellicht meer over verwonderd hebben dan de eerste. Stelt u voor, dat iemand onzer één pond had ontvangen om er commissiehandel mede te drijven, en daarna vijf steden tot loon had ontvangen! Voor het verdiende geld zou hij het kleinste huisje niet hebben kunnen koopen, en toch bracht het den arbeider vijf steden op! Welk eene verrassing voor hem, die het voorwerp was van zulk eene milddadigheid! Het is nooit in zijn hart opgekomen den broeder te benijden, die de tien steden had ontvangen, want zijne eigene vijf sleden waren reeds zulk een ontzaggelijk groot loon. Hij moet in vervoering zijn gekomen bij het vooruitzicht, dat zich voor hem opende. Ofschoon er trappen en graden kunnen zijn in de heerlijkheid, zal het verschil toch alleen bestaan in het vermogen der ge-zaligden om haar te bevatten. Al de vaten zullen vol zijn, maar zij zullen niet allen even groot wezen: de man van de tien ponden zal eenvoudig een grooter vat zijn, gevuld tot aan den rand; en de man met de vijf ponden zal minder kunnen bevatten, maar tot zijne eigene groote verwondering en blijde verbazing zal hij toch even vol zijn. Evenwel, laat ons zoo veel wij slechts kunnen er naar streven om de tien ponden te winnen. Laat ons, om onzes Heeren wil, ons van ganscher harte toeleggen op onzen geestelijken handel.

„Maarquot;, zegt iemand, „waar en wat zullen deze steden zijn ?quot; Het kan wezen, dat dit alles letterlijk zoo geschieden zal in het duizendjarige rijk, maar ik weet het niet. Als Christus komt, zullen zij, die in Christus gestorven zijn, het eerst op-

517\'

-ocr page 543-

DE DIENSTKNECHTEN EN DE PONDEN.

518

staan, en wij lezen: „De overigen der dooden werden niet weder levend, totdat de duizend jaren geëindigd waren.quot; Er kan gedurende dat tijdvak ruimte zijn voor al de bijzondere belooningen der Evangeliebedeeling. Het kan ook wezen — maar ik weet het niet, en dus kan ik het u niet zeggen — dat wij in de toekomstige bedeelingen voor andere werelden denzelfden dienst zullen vervullen, als de engelen een\' dienst vervullen voor ons. Jezus heeft ons gemaakt tot koningen en priesters, en wij worden opgevoed voor onzen troon. Zou het niet kunnen zijn, dat ik in deze gemeente leer mijns Meesters heerlijkheid aan myriaden van werelden bekend te maken? De prediker, die hier op aarde getrouw is, zal zijns Meesters heerlijkheid wellicht aan de werelden van gansche sterrenbeelden te gelyk kunnen verkondigen. Hoe zou het zijn, als iemand eens op eene ster in het middenpunt des heelals kon staan om Christus voor tallooze werelden te prediken, in plaats van Hem voor enkele duizenden van menschen te prediken in dit kerkgebouw! En waarom niet? Hoe dit zij, indien ik ooit eene stem krijg, luid genoeg om op millioenen mijlen afstands gehoord te worden, dan zou ik over geene andere dan deze heerlijke waarheden spreken, welke de Heere in Christus Jezus heeft geopenbaard. Indien wij hier op aarde getrouw zijn, dan kunnen wij verwachten, dat onze Meester ons hier namaals hooger werk zal toevertrouwen; laat ons slechts toezien, dat wij de proef kunnen doorstaan, en dat wij ons voordeel doen met het onderwijs, dat wij ontvangen, en met de tucht, die ons vormt voor ons werk. Al naar mate onze rekenschap is in het kleine, in het minste, zal het op groote schaal met ons zijn in de eeuwigheid. Dit geeft aan onzen arbeid in deze lagere sfeer een ander aanzien. Heerschers over tien steden! Heer-schers over vijf steden! Broeders, gij zyt niet geschikt voor zulk eene waardigheid, indien gij uwen Heere met het weinige, dat Hij u toevertrouwd heeft in deze wereld, niet goed kunt dienen. Indien gij hier beneden gansch en al voor Hem leeft, dan zult gij bereid zijn voor de onuitsprekelijke heerlijkheid, die voor alle den Heere toegewijde zielen is weggelegd. Laat ons terstond een leven van toewijding beginnen te leiden! De tijd is zoo kort, en de dingen, waarmede wij te doen hebben, zijn betrekkelijk zoo klein! Weldra zullen wij uit de eierschaal des tijds te voorschijn treden, en als wij in vrijheid de eeuwigheid binnen gaan, en de grootheid zien van Gods plannen en bedoelingen, dan zullen wij gansch verbaasd staan over den dienst, die ons geschonken wordt als loon voor den dienst, dien wij gedaan hebben. O Heere, maak ons getrouw! Amen.

-ocr page 544-

ANDERE SCHAPEN EN ÉÉNE KUDDE.

Ik heb nog andere schapen, die van dezen stal niet zijn; deze moet ik ook toebrengen; en zij zullen mijne stem hooren; en het zal worden ééne kudde, en één herder. Johannes X: 16.

Dit vers is van voren en van achteren bewaakt door twee merkwaardige verklaringen. In het voorgaande vers hooren wij den Meester zeggen: „Ik stel mijn leven voor de schapenquot;; en ontniddelijk daarna vinden wij eene andere beteekenis-volle zinsnede: „Daarom heeft mij de Vader lief, overmits ik mijn leven afleg, opdat ik hetzelve wederom neme.quot; De eerste stelling: „Ik stel mijn leven voor de schapenquot;, is het plechtanker van ons betrouwen, als het schip der kerk door storm wordt beloopen. De Heere Jezus heeft door zyn\' dood zijne liefde voor zijn volk bewezen, en zijn besluit om hen zalig te maken wordt duidelijk, doordat Hij zijn leven voor hen geeft. Daarom moeten twijfel en vrees uit het hart worden verbannen, en tot zelfs het woord „wanhoopquot; moest onder het Israël Gods onbekend zijn. Thans zijn wij zeker van de liefde van Gods Zoon voor zijne uitverkoren kudde; want wij hebben er een onfeilbaar bewijs voor in het afleggen van zijn leven voor hen. Nu zijn wij er ook volstrekt zeker van, dat Christus\' voornemen eeuwig is. Het kan niet veranderen; de Heere Jezus heeft zich onherroepelijk verbonden om dat voornemen tot stand te brengen, want de prijs is betaald, en de daad is geschied, waardoor dit voornemen ten uitvoer moet worden gebracht. Hierdoor is er geene schaduw van twijfel overgebleven, dat het goddelijk raadsbesluit uitgevoerd zal worden, want het is onmogelijk, dat Christus te vergeefs zou gestorven zijn. Wij achten de onderstelling, dat zijn bloed nutteloos gestort werd, eene Godslastering te zijn. Wij zijn er volkomen van overtuigd, dat alles wat tot stand gebracht moest worden door dat de Zone Gods zijn leven heeft afgelegd, in weerwil van alle tegenstanders ook ten volle tot stand gebracht sce^ worden; want wij spreken thans niet van der mensdien plannen, maar van Gods raadsbesluit, waaraan Hij het hartebloed van zijn\' eeniggeboren Zoon gewijd heeft. Geduldig hopen wij, en rustig

-ocr page 545-

ANDERE SCHAPEN EN ÉÉNE KUDDE.

wachten wy om de zaligheid Gods te zien en de uitvoering te zien van al zijne voornemens der liefde; want die dood aan het kruis is eene oorzaak, die buiten allen twijfel hare uitwerking zal teweegbrengen. Christus is niet door een toeval gestorven. De onderstelling, dat de Zaligmaker teleurgesteld kan worden inde gevolgen zijner bloedstorting, kan geen oogen-blik worden geduld. In de donkerste tijden straalt dat glorierijke kruis van licht. Geenerlei kwaad kan er de kracht en uitwerking van beletten. Indien Jezus zijn leven gesteld heeft voor de schapen, dan is alles wel. Houdt u verzekerd van des Vaders liefde voor deze schapen; houdt u verzekerd van de onveranderlijkheid van Gods raadsbesluit over hen; houdt u verzekerd, dat dit raadsbesluit ten uitvoer zal gebracht worden. Het moet niet, het zal niet geschieden, dat Gods eigen Zoon te vergeefs zijn leven heeft afgelegd. Al zouden hemel en aarde voorbügaan, het dierbaar bloed van den Zone Gods zal datgene tot stand brengen, waartoe het zoo gewillig gestorü werd. Jezus zegt; „Ik stel mijn leven voor de schapenquot;, daarom moeten de schapen leven, die tot zulk een\' prijs zijn gekocht; en in hen zal de Herder om den arbeid zijner ziel het zien en verzadigd worden. Dat is de bemoediging, die wij ontleenen aan het vers, dat aan onzen tekst voorafgaat, en er als het ware de voorhoede van vormt.

Maar, alsof het arme, beangste volk van God toch soms in den waan zou kunnen verkeeren, dat Christus\'voornemen niet tot stand zou worden gebracht, zien wij in de achterhoede van den tekst nog eene andere uitspraak: „Daarom heeft mü de Vader lief, overmits ik mijn leven afleg, opdat ik hetzelve wederom neme. Hij, die stierf, en aldus zijn volk tot een\'duren prijs gekocht heeft, leeft, opdat Hij persoonlijk zou kunnen zien, dat zij ook verlost zijn door kracht. Als iemand sterft, om een voornemen, een plan, tot stand te kunnen brengen; dan gevoelt gij er ii van verzekerd, dat zijne gansche ziel in dat voornemen geweest moet zijn. Maar als die mensch zou opstaan uit de dooden, en met zijn plan nog zou voortgaan, dan weet gij voorzeker hoe vastbesloten hij is om zijn voornemen ten uitvoer te brengen. Indien hij opstond met grooter macht, bekleed met een\' hoogeren rang, verheven tot hoogere positie en indien hij dan nog zijn groot doel nastreeft, dan zoudt gij nog meer zeker zijn van zijn vast besluit om zijn voornemen te volvoeren. In het verrezen leven van Jezus wordt de zekerheid dubbel zeker; nu zijn wij er van overtuigd, dat zijn plan uitgevoerd zal worden, en dat niemand of niets het kan^ verhinderen. Wij durven de gedachte niet koesteren, dat de Zone Gods teleurgesteld kan worden in het doel, waarvoor Hij is gestorven, en waarvoor Hij wederom leeft. Indien Jezus voor een doel is gestorven, dan zal dat doel tot stand komen; in-

520

-ocr page 546-

andere schapen en eénb kudde.

3 dien Jezus eeuwig leeft voor een doel, dan zal Hij het teweeg

i brengen. Voor mij is die gevolgtrekking onbetwistbaar; en in

dien dit zoo is, \'dan is het lot der schapen ook niet van een 1 toeval afhankelijk. Heeft Paulus niet eenigszins dezelfde rede-

1 neering gevolgd, toen hij zeide; „quot;Want indien wij, vijanden

zijnde, met God verzoend zijn door den dood zijns zoons, veel i- meer zullen wy, verzoend zijnde, behouden worden door zijn

i levenquot;?

t Indien iemand uwer ternedergeslagen werd door moeielijk-

3 heden, waarmede gij heden te worstelen hebt, zoo laat deze

3 twee groote, verhevene teksten hunne zilveren bazuinen in

i uwe ooren doen weerklinken. Indien gij ten venster hebt uit-

i. gezien, en het uitzicht bovenmate somber hebt gevonden, zoo

i vat moed, bid ik u, uit hetgeen uw Heere heeft gedaan; zyn

3 dood en zijne opstanding zyn profetieën van goede dingen, die

3 staan te komen. Gij durft niet denken, dat Christus het doel,

waarvoor Hij gestorven is, zal missen. Gij durft niet denken, i- dat Hij het doel van zün glorierijk leven niet zal bereiken;

i waarom zijt gü dan ternedergeslagen? Zijn wil zal geschieden

op aarde geltjk in den hemel, zoo gewis als Hij van den hemel i op aarde is gekomen, en van de aarde naar den hemel is we-

3 dergekeerd. Even zeker als Hij gestorven is en wederom leeft,

even zeker zal zijn voornemen tot stand komen, Is dit niet de i verborgene reden, waarom Hij, toen Hij aan zijn\' treurenden

t dienstknecht Johannes is verschenen, tot hem gezegd heeft;

i „Ik ben de eerste en de laatste; en die leef, en ik ben dood

3 geweest; en zie, ik ben levend in alle eeuwigheid. En ik heb

de sleutels der hel en des doodsquot;? Is niet de stervende en 3 daarna wederom levende Herder de veiligheid en de heerlijk-

, heid zijner kudde? Daarom vertroost elkander met deze woor-

i den uws Heeren: „Ik stel mijn leven voor de schapenquot;; „Over

mits Ik mijn leven afleg, opdat ik hetzelve wederom neme.quot; t I. Er zijn in den tekst zeiven vier dingen, die uwe aandacht

verdienen, omdat zij vol van vertroosting zijn voor hen, wier i hart ontroerd is door het kwaad van de gevaarlijke tijden,

i waarin w:j leven. Het eerste is: — Onze Heere Jezus Cheis-

, tüs heeft onder de ongunstigste omstandigheden een volk

3 gehad. Als Hy spreekt van „andere schapenquot;, dan ligt hierin

j opgesloten, dat Hij toen zekere schapen had; en als Hij zegt;

i „Ik heb nog andere schapen, die van dezen stal niet zijnquot;;

dan is het duidelijk, dat de Goede Herder ook toen een\' stal i had. De tijden waren zeer boos en donker, maar enkele trouwe

harten vereenigden zich rondom den Zaligmaker, en door zijne ) goddelijke macht werden zij beschermd als in een „stal.quot; Men

s heeft verondersteld, dat onze Heere met de woorden „dezen

stalquot; of kudde zinspeelde op de Joden; maar de Joden, als zoodanig, zijn nooit Christus\' stal geweest. Hij kon de Joden,

521

-ocr page 547-

522 ANDERE SCHAPEN EN ÉÉNE KÜDDE.

door wie Hij omringd was, niet bedoeld hebben, want een weinig verder roept Hij: „Gijlieden gelooft niet, want gij zytniet van mijne schapen, gelijk ik u gezegd heb.quot; Zijn stal, of kudde, was de kleine handvol van zijne discipelen, die Hij door zijn\' persoonlijken arbeid bijeen had vergaderd, en die als eene kudde rondom den Goeden Herder stond. Men kon op hen smalen als op een zeer klein gezelschap; maar tot zijne vijanden, die schuimende van woede buiten staan, zegt Hij: „Ik heb nog andere schapen, die van dezen stal niet zijn; gij kunt ze niet zien; maar niettemin heb Ik ze; dezen moet Ik ter bestemder tijd leiden, en dan zal het worden ééne kudde en één Herder.quot;

Zoo ziet gij, dat de Heere Jezus ook in de ongunstigste tijden een volk had. Ongetwijfeld zijn de dagen, waarin_ wij leven, zeer gevaarlijk; en ik ben omringd van broederen, die mij nooit toelaten het te vergeten; want zij spelen immer in den mineurtoon, en verwijlen zeer rechtmatig bü het noodzakelijk onderwerp van het algemeen verval der kerk en de toenemende verdorvenheid der wereld. Ik zou niet willen, dat zij aflieten van hunne getrouwe waarschuwingen, ofschoon ik hun kan verzekeren, dat ik hetzelfde lied met slechts eene kleine wijziging in den toon, jaren lang heb hoeren zingen. Van der jeugd af aan hebben zij mij menigmaal gekweld, en het is goed voor mij geweest. Ik herinner mij, dat ik dertig jaren geleden heb hooren zeggen, dat wij leefden in ontzettend zware tijden, en, voor zooveel ik het mij herinner, zijn de tijden altijd ontzettend zwaar gebleven; en ik denk, dat zij het ten einde toe zullen blijven. De wachters in den nacht zien alles behalve den komenden dageraad. Onze lootsen zien gevaren vóór den boeg en sturen met omzichtigheid. Dit is wellicht zooals het behoort, want in elk geval is het beter dan in het paradijs der dwazen te slapen. Doch hoe dit zij, het is duidelijk dat de dagen van onzes Heeren omwandeling op aarde in den nadruk-kelijken zin des woords zware tijden waren. Geene eeuw kan slechter wezen dan de eeuw, die den Zone Gods in letterlijken zin gekruisigd heeft, roepende: „Neem weg, neem weg, kruis hem!quot; Of onze dagen beter zijn dan die, wil ik niet beslissen; maar erger kunnen zij niet wezen. De dag van onzes Heeren eerste komst was het toppunt en keerpunt van der wereld loopbaan van zonde; en toch had de Goede Herder in den middernacht zijner geschiedenis een\' stal, d. i. eene kudde, onder de menschen.

Er was in die dagen een treurig gebrek aan levende Godsvrucht. Er waren godvruchtigen, die naar de komst van den Messias hebben uitgezien, doch zij waren zeer weinig talrijk, zooals bijvoorbeeld de vrome oude Simeon en Anna. Een klein overblijfsel zuchtte en weende om de overvloedige zonde der

-ocr page 548-

ANDERE SCHAPEN EN EENE KUDDE.

natie; maar het zout was schier verdwenen; Israël begon als Sodom en Gomorra te worden. De keurbende der treurenden in Zion was nog niet geheel uitgestorven; maar hun aantal was zóó klein, dat „een jongen ze zou opschrijven.quot; Over het algemeen genomen kan men zeggen, dat de Zaligmaker tot de zijnen is gekomen, en dat de zijnen Hem niet hebben aangenomen. De massa van het volk, dat den godsdienst beleed, was te dien dage door en door verdorven; het leven Gods was weg. Het kon niet wonen onder de Farizeën en Sadduceën, noch onder eenige andere sekte van dien tijd; want zij waren allen te zamen afgedwaald. De Heere zag uit, maar er was niemand, die zijne rechtvaardige zaak hielp of ondersteunde. Zij, die beleden hare kampioenen te zijn, waren allen nutteloos geworden. Wat de godsdienstleeraars aangaat, hun mond was een geopend graf geworden, slangenvenijn was onder hunne lippen, en toch had de Heere ook toen een volk in Judea. Er was op aarde een stal voor de schapen, die Hij had verkoren, die de stem des Herders kenden, zich op zijne roepstem bijeenvergaderden en Hem getrouwelijk volgden.

Het was een tijd toen alom eene eigenwillige aanbidding heerschte. De menschen hadden afgelaten van God te aanbidden overeenkomstig de Schriften; zij aanbaden naar hun\'eigen goeddunken. Toen kon men aan alle hoeken der straten trompetgeschal hooren, want de Farizeën deelden hunne aalmoezen uit. Men kon vaders en moeders zien veronachtzaamd en huis gezinnen verstrooid, omdat de Schriftgeleerden het volk hadden geleerd, dat, zoo zij zeiden „Corbanquot;, zij ontheven waren van elke verplichting om vader of moeder bij te staan. Als leerstellingen hadden zij de geboden van menschen; en de geboden Gods werden ter zyde gelegd. Kleederen met groote zoomen en breede gedenkcedels te dragen werd eene zaak van het uiterste gewicht geacht; maar liegen en bedriegen, dat was maar eene kleinigheid. Met ongewasschen handen te eten, dat werd als eene misdaad aangezien; maar de huizen dei-weduwen op te eten, dat was iets, dat den eigengerechtigen Parizeer niet de minste gewetenswroeging bezorgde. Het land was vol van eigenwillige aanbidding, en dat is eene grooteen toenemende ergernis ook in onze dagen; maar met dat al heeft Christus toch een\' stal gehad, en in dien stal waren de schapen, die zijne stem kenden, en dezen. Hem getrouw en op den voet volgende, konden in- en uitgaan en weide vinden.

Het was een dag van den heftig sten tegenstand tegen de waarheid Gods. Onze Heere Jezus kon nauwelijks zijn\' mond openen, of zij namen steenen op om Hem te steenigen. Men zeide, dat Hij een\' duivel had en uitzinnig was; dat Hij een vraat en wijnzuiper was en met tollenaren en zondaren omging. Der menschen woede tegen Christus was toen ten top gestegen,

523

-ocr page 549-

ANDERE SCHAPEN EN ÉENE KUDDE.

totdat zij Hem namen en aan het kruis nagelden, omdat zij het niet konden verdragen, dat Hij onder hen leefde. En toch had Hij in die schrikkelijke dagen de zijnen; zelfs toen had Hij zyn verkoren gezelschap, voor wie Hij zijn leven stelde, en van wie Hü zeide tot den Vader: „Zij waren uwe, en Gij hebt mij dezelve gegeven; en zij hebben uw woord bewaard.quot; Tot dezen sprak Hij, zeggende; „Gij zijt degenen, die met my steeds gebleven zijt in mijne verzoekingen. En ik verordineer u het koninkrijk, gelijkerwijs mijn Vader dat mij verordineerd heeft.quot; Daarom, geliefden, kom ik tot de gevolgtrekking, dat, schoon er heden ten dage een droevig verval is in levende Godsvrucht, en ofschoon de eigenwillige Godsvereering met hare onstuimige golven het land overstroomt, en ofschoon de tegenstand tegen de zuivere waarheid van Christus heftiger is dan ooit te voren, er toch ook in onzen tijd een overblijfsel is naar de verkiezing der genade. Zelfs heden luidt het antwoord Gods aan den klagenden profeet: „Ik heb in Israël doen overblijven zeven duizend, alle knieën, die zich niet gebogen hebben voor Baal. Daarom, broeders, bezit uwe ziel :n uwe lyd-zaamheid en in vertrouwen.

Nu is het merkwaardig, dat Christus dit kleine gezelschap zijns volks een „stalquot; noemt. Naderhand zal Hij hen eene „kuddequot; noemen; maar zoo lang Hij lichamelijk onder hen tegenwoordig was, waren zij bij uitnemendheid een, „stalquot;. Zij waren vveinig in aantal, behoorden allen tot eenzelfde volk, kwamen meestal van eene zelfde plaats, en waren zóó dicht in een gedrongen, dat zij met recht een stal genoemd konden worden. Eén blik van des Herders lichamelijk oog omvatte hen allen. Zü waren gelukkig ook zoo volkomen onderscheiden van het overige der wereld, dat zij blijkbaar en bij uitnemendheid als in een\' stal bijeen waren gebracht. Onze Heere zeide van hen: „Zij zyn niet van de wereld, gelijkerwijs ik van de wereld niet ben.quot; Hij had hen ingesloten met zich, en de wereld buiten gesloten. In deze zalige afzondering waren zij volkomen veilig, zoodat hun Heere tot den Vader zeide: „Toen ik met hen in de wereld was, bewaarde ik ze in uwen naam. Die Gij mij gegeven hebt, heb ik bewaard, en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon der verderfenis, opdat de Schrift vervuld worde.quot; Wat hunne fouten en vergissingen ook waren — en zij waren menigvuldig — aan het geslacht, onder hetwelk zij leefden, waren zij niet gelijkvormig geworden. Zoolang Jezus met hen was, hielden zij zich afzonderlijk, als in een\' stal, eene schaapskooi. In dien „stalquot; waren zij beschermd tegen alle weer en wind, beschermd tegen den wolf, beschermd tegen den dief. De tegenwoordigheid des Heeren was eene vurige muur rondom hen. Zij behoefden zich slechts tot Hem heen te spoeden, dan zou Hij de tegenstanders wel te woord

524

-ocr page 550-

ANDERE SCHAPEN EN ÈÉNE KUDDE.

staan, en hen tegen smaad verdedigen. Als een andere David heeft de Heere Jezus zijne kudde behoed voor al de woedende leeuwen, die ze zochten te verslinden. Het is waar: zelfs onder de kleine kudde waren bokken, want Hij zelf heeft gezegd: „Heb ik niet u twaalf uitverkoren? en een uit u is een duivel.quot; Ook toen waren zij niet volstrekt rein; maar zij waren het in hooge mate, en zü waren afgescheiden van de wereld, bewaard voor valsche leerstellingen, er voor bewaard verdeeld en verstrooid te worden. Binnen dien stal moesten zij versterkt worden om naderhand hun\' grooten Herder volkomen te kunnen volgen. Zij leerden duizend dingen, die hun later te pas zouden komen, als Hij hen zou zenden als schapen onder de wolven, zoodat zij „voorzichtig konden zijn als de slangen en oprecht als de duivenquot;, door hetgeen zij geleerd hadden van hun\' Heere. Zoo ziet gij, dat de Heere ook in de meest ver-dorvene tijden eene gemeente had. Ik zou schier kunnen zeggen, dat Hij toen de beste gemeente had. Mag ik haar zoo niet noemen ? Immers stond die apostolische gemeente, waarop de Heilige Geest was nedergedaald, in niets achter bij de gemeente uit welk tijdperk ook, die haar opvolgde. Het was de uitgelezene kudde van al de kudden uit alle eeuwen, dat kleine gezelschap, tot hetwelk Jezus gezegd heeft: „Vrees niet, gij klein kuddeken! want het is uws Vaders welbehagen, ulieden het koninkrijk te geven.quot;

Doch er is ééne zaak, waarop wèl gelet dient te worden. Toen Jezus hen alzoo had ingesloten by elkander, wilde Hij toch niet, dat er een geest van uitsluiting onder hen zou heer-schen, en dat zij zoo langzamerhand tot een\' staat van zelfzuchtige voldaanheid zouden komen. Neen, wijd opent Hij de deur van de schaapskooi, en roept: „Ik heb nog andere schapen.quot; Aldus legt Hij een beslag op de neiging, die zoo algemeen heerscht in de kerk, om hen te vergeten, die buiten de schaapskooi zijn, en van onze eigene persoonlijke zaligheid de som en substantie van den godsdienst te maken. Ik acht het niet verkeerd te zingen:

Wij zijn als een ommuurde hof,

Een verkoren plekje gronds,

Omheind door Gods genade,

Afgezonderd van de woestijn der wereld.

Integendeel, ik geloof, dat het vers waar en liefelijk is, en behoort te worden gezongen; maar er zijn, behalve deze, ook nog andere waarheden. Ook voor ons opent de Herder de deur van den ommuurden hof, en zegt: „De woestijn en de dorre plaatsen zullen hierover vroolijk zijn, en de wildernis zal zich verheugen, en zal bloeien als eene roos.quot; De stal, of schaapskooi ; is onze woning, maar niet onze eenige sfeer van werk-

525

-ocr page 551-

526 ANDERE SCHAPEN EN EENE KUDDE.

zaamheid; want wij moeten er van uitgaan om in geheel de de

wereld onze broederen te zoeken. Daar onze Heere nog andere Gc

schapen heeft, die van dezen stal niet zijn, en dezen door mid- Zo

del van zijn getrouw volk moet vinden, zoo laat ons opstaan inlt; en ons aangorden tot den heiligen arbeid.

Geliefden, nog dit enkele woord, eer ik van dit punt afstap; he

Wanhoopt nooit! De Heere der heirscharen is met zijn volk. hi

Zij kunnen arm wezen, en weinig talrijk; maar zij zijn van pe

Christus en dit maakt hen kostelijk en dierbaar. Eene gewone an

schaapskooi is geene zaak van heerlijkheid of schoonheid; zij ar

bestaat uit niets dan vier ruwe kale muren, en is slechts een in

schapenhok; en zoo kan ook de gemeente gering en onaan- Ja

zienlijk schijnen in de oogen der wereld ; maar zij is de schaaps- sc

kooi van den Herder-Koning, en de schapen behooren den da

Heere God, den Almachtige Daar is eene heerlijkheid aan, die ze

de engelen niet falen te zien. Hier is menschelijke zwakheid, in

maar ook evenzeer goddelijke kracht. Ik vrees, dat wij de Ni

kracht eener gemeente niet geheel en al naar waarde schatten. df

Ik heb gelezen van die broederen, die eene school moesten in st

stand houden terwijl de middelen daartoe schenen te ontbre- w

ken. Een hunner klaagde, dat zij geene helpers hadden, ener zi

dus geene hoop bestond van te zullen slagen ; maar een ander h

die meer geloof had, zeide tot zijn\' broeder: Vraagt gij wat wij amp;

doen kunnen? Zegt gij, dat wij zoo weinig in aantal zijn ? Dat ^

zie ik niet in; want wij zijn ten minste wel duizend.quot; „Dui- w

zend!quot; zeide de ander verwonderd, „hoe zoo ?quot; „Wel,quot; her- h nam de eerste, „ik ben eene nul, en gij zijt eene nul, en onze broeder is eene nul, zoo hebben wij dus drie nullen om mede

te beginnen. En daar ik er nu zeker van ben, dat de Heere y

Jezus EEN is, zoo plaats Hem achter de drie nullen, en dan o

hebben wij terstond duizend.quot; Was dit niet moedig gesproken? k

Welk eene macht bezitten wij, zoo wü slechts dien grooten o

EEN voor aan stellen. Gij zijt niets, broeder; gij zijt niets, g

zuster; ik ben niets; wij zijn allen te zamen niets zonder on- ^

zen Heere; maar ach! als Hij bij en met ons is, dan zijn wij g

duizenden; en dan is het waar op aarde, gelijk amp;,ls in den he- o

mei: Gods wagenen zijn tweemaal tien duizend, de duizenden e

verdubbeld, duizenden van zijne boden, de Heere is onderhen j-

een Sinaï in heiligheid. Weest dus niet ternedergsslagen, mijne t

vrienden, maar zegt by u zeiven: — Zelfs nu bevinden wij z

ons niet in zoo duister een nacht, als eens over deze wereld z

gekomen is. Wij zijn in deze smartelijke ure toch nog niet in zóó »

moeielijk en gevaarlijk een\' toestand, als waarin de gemeente j

van Christus in zijn\' eigen tyd geweest is; en indien de Heere !

geestelijk in ons midden is, dan behoeven wij niet te vreezen, ^

al veranderde de aarde hare plaats, en al werden de bergen gt; verzet in het hart der zeeën; want er is eene stad, die eeuwig

-ocr page 552-

anduhe schapen en éene kudde.

blijft, en er is ecne rivier, welker beekjes haar zullen verbiy-den. God is in het midden van haar, zij zal niet wankelen ; God zal haar helpen in het aanbreken van den morgenstond. Zoo dan, mijne medegeloovigen, zijt sterk, en hebt goeden moed !

II. Maar nu ten tweede: het is duidelijk, want de tekst zegt het ons in zoo vele woorden, dat de Heere andere schapen heeft, die nog niet bekend zijn. „Ik heb nog andere schapen,quot; zegt Hij. Let op die krachtige uitdrukking: „Ik heb nog andere schapen,quot; — niet „Ik zal hebbenquot;, maar „Ik heb nog andere schapen. Velen van deze schapen waren zelfs nog niet in de gedachten\' der apostelen. Ik denk niet, dat het bij Petrus Jakobus of Johannes ook maar opgekomen is, dat hun Heere schapen had in dit ons arm, woest, door wilden bewoond land, dat toen nog nauwelijks beschouwd werd als binnen de grenzen der aarde te liggen. Ik geloof zelfs niet, dat de apostelen in dien tijd dachten, dat de Heere Jezus schapen had te Rome. Neen, het ruimste denkbeeld, dat in hun hart opkwam, was, dat het Hebreeuwsche volk bekeerd zou worden, en de verstrooiden van het zaad Abrahams bijeen vergaderd zouden worden. Onze Herder-Koning heeft grootere gedachten, dan zijne dienstknechten met het ruimste hart. Hij schept er behagen in de sfeer onzer liefde uit te breiden. „Ik heb nog andere schapen.quot; Gij kent ze niet, maar de Herder kent ze. Onbekend aan de leeraren, onbekend aan de Christenen met het warmste hart, zijn er velen in de wereld, die Jezus in en door het verbond der genade erkent als de zijnen.

__Wie zyn zij? Wel, deze „andere schapenquot; waren ten eerste zijne uitverkorenen; want Hij heeft een volk, dat Hy heeft uitverkoren van voor de grondlegging der wereld, en dat Hy verordineerd heeft ten eeuwigen leven. „Gü hebt mij niet uitverkoren,quot; zegt Hij, „maar ik heb u uitverkoren.quot; Er is een volk, op hetwelk zijne liefdevolle vrij macht reeds vóór de grondlegging der wereld zijne keus had gevestigd. En van deze uitverkorenen zegt Hy : „Ik heb hen.quot;Zyne verkiezing van hen is de grondslag van zijn eigendomsrecht op hen. Dan zijn er ook degenen, die zijn Vader Hem gegeven heeft, en van wie Hij aan eene andere plaats zegt: „Al wat mij de Vader geeft, zal tot mij komenen wederom : „Die Gy mij gegeven hebt, heb ik bewaard.quot; Zyns Vaders eeuwige schenking van hen, bezegelt zijn recht op hen. Dat zijn degenen, voor wie Hij in het bijzonder zijn leven gesteld heeft, opdat zy de verlosten des Hee-ren zouden zijn. „Christus heeft de gemeente lief gehad, en heeft zich zeiven voor haar overgeven.quot; Dezen zijn „gekócht uit de menschen,quot; van wie wij lezen: „Gij zyt uws zelfs niet, gij zyt duur gekocht.quot; De Heere Jezus heeft zijn leven gesteld voor zijne schapen ; dit heeft Hij ons zelf gezegd, en niemand

527

-ocr page 553-

andere schapen en êene kudde.

kan zijn woord in twijfel trekken. Dezen zijn het, van wie Jezus zegt: „Ik heb hen;quot; want om hunnentwil heeft Hij verplichtingen op zich genomen als Borg, evenals Jakob de zorg voor Labans kudde op zich heeft genomen en er nacht en dag over heeft gewaakt om haar niet te verliezen, en indien een schaap dier kudde verscheurd ware geworden, het zou vergoed hebben. Deze schapen stellen menschen voor, voor wie Christus Borg is gebleven bü zijn\' Vader, dat Hij ze ten laatsten dage veilig te huis zal brengen, zoodat er geen enkel van gemist zal worden, als zij door zullen gaan onder d-e hand van Hem, die ze telt, gelijk zij op den laatsten grooten dag geteld zullen worden: „Ik heb nog andere schapen,quot; zegt Christus. Hoe verwonderlijk is het, dat Hij zegt: „Ik heb ze,quot; ofschoon zij thans nog vervreemd waren en vijanden door het verstand in de booze werken.

Wat was hun staat? Zy waren een volk zonder herder, zonder stal of schaapskooi, zonder weide, verdwaald en verloren op de bergen, wegdwalende in de bosschen, nederliggende om te sterven, gereed om door den wolf te worden verslonden. En toch zegt Jezus; „Ik heb nog andere schapen, die van dezen stal niet zijn.quot; Het waren schapen, die zeer ver weggedwaald waren, in de schandelijkste ongerechtigheid waren vervallen, en toch zegt Hij: \'„Ik heb hen.quot; Slecht als de wereld heden is, moet zij toch nog oneindig slechter geweest zijn in de eeuw van de wreede heerschappij der Romeinen ten opzichte van openbare zonde, en ondeugden, en afgrijselijkheden, die niet eens genoemd mogen worden. En toch waren deze ver afge-dwaalden de schapen van Christus, en ter bestemder tijd zouden zij verlost worden van de zonde, en weggetrokken worden uit al het bijgeloof, de afgoderij en onreinheid, waartoe zy waren vervallen. Zij waren van Christus, zelfs toen zij nog verre waren. Hij had hen uitverkoren; de Vader had hen aan Hem gegeven; Hij had hen vrijgekocht, en Hij was vast besloten hen ten eigendom te hebben. Ja Hij zegt; „Ik heb hen;quot; en Hij noemt hen de zijnen, zelfs terwijl zij nog overtreden en hun verderf te gemoet gaan.

Het komt mij voor, dat dezen aan Christus even bekend waren, als degenen die zich reeds in zijne schaapskooi bevonden. Mij dunkt, ik zie Hem, den God-Mensch, daar staande en zijne tegenstanders in de oogen ziende, en nadat Hij zijn\'blik voor eene wijle op zijne vijanden had laten rusten, zie ik die oogen die de gansche aarde doorloopen, om een voor Hem oneindig liefelijker tooneel te aanschouwen. Terwijl Hij spreekt, schit-rertzijn oog van vreugde, daar het staart op duizenden uit elk volk, en geslacht en tong, en Hij bij zich zeiven de woorden aanhaalt uit den twee en twintigsten Psalm: „Alle einden der aarde zullen het gedenken, en zich tot den Heere bekeeren;

528

-ocr page 554-

andere schapen en èéne kudde.

en alle geslachten der Heidenen zullen voor uw aangezicht aanbidden. Want het koninkrijk is des Heeben, en heerscht onder de Heidenen. Het zaad zal Hem dienen; het zal den Heere aangeschreven worden tot in geslachten.quot; Hü bemerkt de myriaden, die zijne zijn, en Hij verblijdt zich in de tegenwoordigheid zijner smalende vijanden, als Hij zijn zich uitbreidend koninkrijk aanschouwt, dat zij niet bij machte zijn omver te werpen. De hoogmoedige, eigengerechtige mensch moge in zijne blindheid de leiding van des Heeren gezalfden Herder afwijzen; maar toch zal het Hem niet aan eene kudde ontbreken, die zijne heerlijkheid is en zijn loon. Heeft de Heere zich te dier ure innerlijk verheugd en bij zich zeiven gezegd; — „Hoewel Israël zich niet laat verzamelen, nochtans zal ik verheerlijkt worden in de oogen des Heeren, en myn God zal mijne sterkte zijnquot;? Dit heeft Hem er toe gebracht te zeggen: „Ik heb nog andere schapen.quot;

Hierin is voor Gods kinderen, die de zielen hunner mede-menschen liefhebben, een groote troost gelegen. De Heere heeft een volk in deze stad, en Hij kent hen. „Ik heb veel volks in deze stad,quot; aldus luidde het woord tot den apostel, toen in die stad nog niemand bekeerd was. „Ik heb hen,quot; zegt Christus, ofschoon zij Hem tot nu toe niet hadden gezocht. Onze Heere Jezus heeft te dezer ure een uitverkoren, verlost volk over geheel de wereld, ofschoon zij tot nu toe nog niet door genade zijn geroepen. Ik weet niet, waar zij zijn; maar zeer stellig heeft Hij hen ergens, daar het nog immer waar is: „Ik heb nog andere schapen, die van dezen stal niet zijn.quot; Dit is een deel van onze volmacht, om uit te gaan en de verlorene schapen te zoeken; want, mijne broeders, wij hebben het recht om overal heen te gaan, en naar de schapen onzes Meesters te vragen. Het komt mij niet toe de schapen van anderen te zoeken ; maar indien zü mijns Meesters schapen zijn, wie zal mij verhinderen om over heuvel en dal te gaan en overal te vragen : „Hebt gij ook de schapen mijns Meesters gezien ?quot; En zoo iemand zegt; „Gij dringt u hier binnen,quot; zoo laat het antwoord zijn; „Wij zoeken naar de schapen onzes Meesters, die hierheen verdwaald zijn.quot; „Vergeef ons, zoo wij meer aandringen dan de wereldsche beleefdheid veroorlooft, maar wij hebben haast om een verloren schaap te vinden.quot; Dit is uwe verontschuldiging voor het gaan in een huis, waar men u niet verlangt te zien, maar waar gij beproeft een tractaatje te laten en een woord voor Christus te spreken. Zegt; „Ik denk, dat hier een van mijns Meesters schapen is, en ik kom het zoeken.quot; Gij hebt de volmacht daartoe ontvangen van den Koning der koningen, en daarom hebt gij het recht binnen te treden om den gestolen eigendom uws Meesters te zoeken. Indien de menschen den duivel toebehoorden, dan zouden wij zelfs den vijand niet wil-

529

34

-ocr page 555-

andere schapen en éene küdde.

len berooven; maar zij behooren hem niet toe. Hij heeft hen noch gemaakt, noch gekocht; en daarom grijpen wij hen in den naam des Konings, telkenmale als wij de hand op hen kunnen leggen. Ik twijfel niet, of er zijn sommigen hier, die den Heiland nog niet kennen, en dus ook niet lief hebben; maar die den Verlosser toch toebehooren, en Hij zal hen tot zich brengen en bij de kudde voegen. Daarom is het, dat wy prediken met vertrouwen. Ik beklim dezen kansel niet in de hoop, dat iemand misschien uit eigene beweging tot Christus terug zal keeren. Dat zij, hoe het zij, maar mijne hoop ligt in iets anders: ik hoop dat mijn Meester sommigen van hen zal aangrepen en zeggen: „Gij zijt de mijnen, en gij zult de mü\'nen zijn: Ik eisch u op voor Mij zeiven.quot; Mijne hoop vloeit voort uit het vrije zijner genade, en niet uit het vrije van desmen-schen wil. De Evangelie-visscher zal al zeer weinig ophalen uit de diepte, als hij geene andere visschen in zijn r.et krijgt, dan die gretig verlangden er in te springen. O dat Jezus eens gedurende een uur in het midden dezer menigte was. O dat de groote Herder eens zelf vijf minuten aan het werk ware! Als de goede Heider zijn verloren schaap inhaalt, dan heeft Hij er niet veel aan te zeggen. Volgens de gelijkenis zegt Hij niets; maar Hij grijpt het aan, legt het op zijne schouders en brengt het te huis; en dat is het, wat ik vurig wensch, datdeHeere heden doen zal met sommigen van u, die gansch wat anders begeert, wier wil en wenschen juist het tegenovergestelde zijn van de zijnen. Ik wensch, dat Hij zal komen met heilig geweld en machtige liefde, om u weder te brengen tot uwen Vader en uwen God. Niet, dat gij tegen uwen zin verlost zult worden; maar uw wil zal omgebogen, uwe toestemming op liefelijke en liefdevolle wijze verkregen worden. O dat de Heere Jezus u in handen nam, om u nooit meer los te laten. Moge Hij tot u het zoo liefderijke woord richten: „Ja Ik heb u liefgehad met eene eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.quot;

III. Ons derde punt bevat zeer veel liefelijks. Onze Heeee

moet deze andere schapen toebrengen of leiden. „Dezen moet ik ook toebrengen.quot; Eene nauwkeuriger lezing is: „Dezen moet ik ook leiden.quot; Christus moet aan het hoofd zijn van die andere schapen ; en zij moeten zijne leiding volgen. „Dezen moet ik ook toebrengen en zy zullen mijne stem hooren.quot; Zü die Christus toebehooren in het verborgen, moeten er openlijk toe gebracht worden om Hem te volgen.

Ten eerste: het is Christus, die dit doen moet, gelijk Hij het tot hiertoe gedaan heeft. De tekst zegt: „Dezen moet ik ook toebrengenquot;, hierin ligt opgesloten, dat zü, die reeds gekomen zijn, door Hem toegebracht werden. Allen, die nog in den stal waren, zijn er door Christus gebracht; en allen, die nog in den

530

-ocr page 556-

ANDERE SCHAPEN EN EENE KUDDE.

stal moeten komen, zullen er door Hem geleid worden. Wij allen, die verlost en behouden zijn, zijn verlost en behouden door de macht Gods in Christus Jezus. Is het niet zoo ? Is ei-iemand onder ons, die tot Jezus gekomen is, zonder dat Jezus eerst tot hem was gekomen? Gewis niet. Zonder uitzondering erkennen wij allen, dat het zijne liefde was, die ons gezocht heeft, en er ons toe gebracht heeft schapen zijner weide te zijn. Daar de Heers Jezus dit nu voor ons gedaan heeft, moet Hü het ook doen voor anderen; want nooit zullen zij komen, zoo Hij hen niet haalt.

Hier komt nu dit nadrukkelijke, dit gebiedende „moet.quot; Het spreekwoord zegt, dat „moetenquot; voor den koning is, en dat de koning tot ons allen van „moetenquot; mag spreken. Maar hebt gü ooit gehoord van een „moetquot;, dat den koning zelf bond en drong? Over het algemeen hebben de koningen het niet gaarne, dat men „gij moetquot; tot hen zegt; maar hier is een Koning, van wien geen koning ooit de gelijke was, noch immer zijn zal in macht en heerschappij, en toch wordt Hij gebonden door een „moet.quot; Vorst Immanuël zegt; „Dezen moet ik ook toebrengen.quot; Als Jezus zegt „moetquot;, dan zal daar altijd iets uit voortkomen. Wie kan dit almachtige moeien weerstaan? Gaat uit, gij duivelen! Gaat weg, gij goddeloozen! Vlied weg, o duisternis! Sterf, o dood! Als Jezus zegt „moetquot;, dan weten wij, wat er zal gebeuren: moeielijkheden verdwijnen; onmogelijkheden geschieden. Eere! eere! de Heere zal de overwinning wegdragen! Jezus zegt van zijne verkorenen, zijne verlosten, zijne ondertrouwden, zijne in het verbond opgenomenen; „Dezen moet ik ook toebrengen,quot; en daarom zal het geschieden.

En voorts zegt Hij ons, hoe Hij het moet doen. „Zij zullen mijne stem hoorenquot;, zegt Hij. Zoodat onze Heere nog immer voortgaat met de menschen te verlossen door het Evangelie. Ik zie naar geene andere middelen uit om de menschen te be-keeren, dan naar de eenvoudige prediking van het Evangelie en het openen van der menschen ooren om het te hooren — „Zij zullen mijne stem hooren.quot; Die oude methode moet ten einde toe worden gevolgd. Voortdurend luiden onze orders: „Gaat heen in de geheele wereld, predikt het Evangelie aan alle kreaturen.quot; Wij hebben geene opdracht ontvangen om iets anders te doen dan het Evangelie te blijven prediken, hetzelfde Evangelie dat ons heeft verlost, en dat ons van den beginne was verkondigd. Wij weten van geene veranderingen, of uitbreidingen, of verbeteringen van het Evangelie. Wij gehoorzamen en volgen ééne stem, niet vele stemmen. Eén Evangelie der verlossing moet alom worden verkondigd, en wij hebben geene opdracht voor eenig ander werk.

Er wordt bijgevoegd: „Zij zullen mijne stem hooren.quot; Er wordt eerst beloofd, dat zy een aandachtig oor zullen leenen,

531

-ocr page 557-

ANDKEE SCHAPEN EN EÉNE KUDDE.

en dan, dat zij een gewillig hart zullen hebben voor de stem der goddelijke liefde, en dat zy Jezus zullen volgen, waar Hü hen ook leiden zal. „Maar hoe!quot; zegt iemand, „gesteld eens, dat ik spreek in den naam van Christus, en zü willen niet hooren.quot; Veronderstel niet wat niet kan. De Schrift zegt van de uitverkoren schapen, — „Zij zullen mijne stem hooren.quot; De overigen volharden in hunne blindheid; maar de verlosten zullen hooren en zien. Zeg niet: „Gesteld eens, dat zij niet willen! Gij moet niet iets veronderstellen, dat in tegenspraak is met hetgeen Jezus belooft, als Hij zegt: „Zij zullen mijne stem hooren.quot; De goddeloozen kunnen hunne ooren toestoppen, als zij willen, en omkomen, terwijl Christus\' stem tegen hen getuigt; maar zijne verlosten zullen de hemelsche stem hooren en haar gehoorzaam zijn. Dit goddelijk moeten is niet te weerstaan. Jezus zegt: — „Ik moet hen toebrengen, en zjj zullen mijne stem hooren.quot; Het was met dit woord, dat Paulus zich tot de Heidenen wendde en tot de Joden zeide: „Het zij u dan bekend, dat de zaligheid Gods den Heidenen gezonden is, en dezelven zullen hooren.quot; Hij had geene vrees ten opzichte van het onthaal, dat aan het woord te beurt zou vallen; en evenmin behoeven wij daarvoor te vreezen, daar Christus een volk heeft, dat geleid moet worden, en dat de stem van den Herder en Opziener hunner zielen hooren zal.

Wij hebben wel eens hooren zeggen: „Indien Christus zijn volk moet hebben, waartoe dient dan de prediking?quot; Waartoe zou de prediking dienen, indien het anders ware ? O mijn vriend, dit feit is juist eene groote reden, waarom wij prediken. Hetgeen gij denkt eene reden tot werkeloosheid te zijn, is juist de krachtigste drijfveer voor ernstigen, ijverigen arbeid. Omdat de Heere een volk heeft, dat verlost moet worden, gevoelen wij de gebiedende noodzakelijkheid om ons met Hem te vereenigen ten einde dit volk tot Hem te brengen. Zij moetoz komen; en wij moeten hen halen. Christenbroeders, gevoelt gij niet, dat gü moet helpen hen te dwingen tot het bruiloftsmaal te komen ? Is het u niet opgelegd, dat gij heen moet gaan om verlorene zielen te zoeken, dat gü tot lien spreken moet, daar gij toch moet medewerken om deze door bloed gekochten door zijn\' Heiligen Geest tot Christus te brengen?

En wederom: zijn er niet te dezer plaatse menschen tegenwoordig, die de noodzakelijkheid gevoelen, dat ook zij moeten komen? Hoor ik sommigen van u niet zeggen: „Ik heb lang weerstaan; maar ik moet komen. Ik heb de goddelyke genade zoo lang weerstaan, als ik slechts kon; maar nu heeft Christus zijne hand op mij gelegd, ik moet komen.quot; Hoe zou ik wenschen, dat een hemelsch „moetenquot;, eene zalige noodzakelijkheid van een almachtig raadsbesluit u zal overschaduwen, en u als schapen heen zal voeren naar den stal. Ach, dat gü u

532

-ocr page 558-

andeee schapen en ééne kudde.

thans Gode mocht onderwerpen, omdat de liefde van Christus er u toe dringt! Onderwerpt u Gode, erkent het oppergezag zijner genade, die alle gedachte gevangen zal leiden, opdat van nu voortaan Christus in uwe harten moge heerschen, en eiken vyand onder zijne voeten zal leggen. „Die tot mij komtquot;, zegt Hij, „zal ik geenszins uitwerpen.quot; „Ik zal op Hem vertrouwenquot;, zegt iemand, „ik gevoel dat het moet.quot; Zoo is het; en dat vertrouwen is het kenmerk van uwe uitverkiezing door God, want „Die in Hem gelooft, heeft het eeuwige leven.quot; „Die Hij te voren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook geroepen.quot; Indien Hy u roept, dan [is het omdat Hij u te voren verordineerd heeft; gij kunt daar volkomen zeker van wezen, en u met heilige vreugde en zielsverlustiging aan Hem onderwerpen. Wat mij betreft, ik gevoel my zóó gelukkig het Evangelie te mogen prediken, omdat ik niet visch met een „bij gevalquot; of een „misschienquot;, dat sommigen in het net zullen komen. De Heere kent degenen, die zijne zijn, en zij zullen komen. Iedere bijeenkomst der gemeente is in dien zin eene uitgelezene vergadering. Toen ik van morgen hier kwam, dacht ik: Er zijn zoo velen onzer naar buiten, dat ons kerkgebouw waarschijnlijk zeer weinig vol zijn zal. Het verblijd mij, dat ik mij zoo misrekend heb; maar zelfs dan, dacht ik, heeft God een volk, dat Hy hier zal doen komen en dat Hij voornemens is te zegenen. Hier zijn zij, en terwijl ik nu hier sta, weet ik, dat Gods woord niet ledig tot Hem zal wederkeeren, maar dat het voorspoedig zal zijn in hetgeen waartoe Hij het gezonden heeft.

IV. Eindelijk; onze Heeee waarborgt de eenheid zijner gemeente. „Dezen moet ik ook toebrengen; en zij zullen mijne stem hooren; en het zal worden ééne kudde en één herder.quot; Wü hooren zeer veel over de eenheid der kerk, en de denkbeelden hieromtrent zijn wel eenigszins buitensporig. Wij moeten de Roomsche en de Grieksche en de Anglikaansche kerk allen in één verband hebben. Indien dit geschiedde, het resultaat ten goede zou geen penning waard zijn; maar wèl zou er veel kwaad uit voortkomen. Ik twijfel niet, of God heeft onder deze drie groote kerkelijke lichamen zijn verkoren volk ; maar de vereeuiging van deze organisaties zou een onheilspellend teeken van kwaad zijn voor de wereld : de duistere eeuwen met een erger pausdom dan ooit te voren zouden spoedig over ons komen. Hoe meer deze drie met elkander twisten, hoe beter het is voor waarheid en gerechtigheid. Ik zou gaarne zien, dat de Anglikaansche Kerk in heftige vijandschap stond tegenover de Roomsche Kerk, en al sterker en sterker in openlijk verzet kwam tegen haar bijgeloof. Gave God, dat de landskerk in alle dingen verlost mocht worden van den Paus van Rome en zijne Antichristelijke gruwelen.

Voorwaar, dit is ten uitvoer gebracht als een feit. Er is

533

-ocr page 559-

ANDERE SCHAPEN EN ÉÉNE KUDDE.

nooit anders dan één Herder der schapen geweest, namelijk Jezus Christus; en er is nooit anders dan ééne kudde Gods geweest, en er zal ook nooit eene andere zijn. Er is ééne gees-l\\jke kerke Gods, en er zijn nooit twee geweest. Al de zichtbare kerken in de wereld bevatten deelen in zich van de ééne kerk van Jezus Christus; maar nooit zijn er twee lichamen van Christus geweest, en die kunnen er ook niet zyn. Er is ééne gemeente. Het wachtwoord des Christendoms is; — ééne kudde en één Herder.

In de geloovigen wordt dit ten uitvoer gebracht als eene zaak van ervaring. Ik weet niet, wie de mensch is: indien hy in waarheid een geestelijk gezinde mensch is, dan is hy één met alle geestelijk gezinde menschen. De personen, die in eene zichtbare kerk geene genade hebben, zijn gewoonlijk de grootste voorvechters voor ieder puntje van verschil, en ieder onderdeeltje van kerkplechtigheid en vorm van eeredienst. Naam-belijders zijn spoedig ten oorlog gereed; levende geloovigen volgen den vrede na. Als iemand ook niets anders heeft dan het uitwendige, dan zal hij er ook natuurlijk met hand en tand voor strijden. Maar de mensch, die den Heere liefheeft, en nabij Hem leeft, bemerkt het innerlijk leven in anderen, en heeft er gemeenschap mede^ Dat innerlijk leven is één in het gansche levendgemaakte huisgezin Gods, en hoopt hen één van hart te zijn. Laten twee broederen te zamen bidden, de een is Calvinist, de ander Arminiaan, toch zal hun gebed één zijn. Laat ergens eens een wezenlijk werk des Geestes geschieden, en zie hoe Baptisten (1) en Paedobaptisten (2) te zamen arbeiden. Spreek van uwe innerlijke ervaring, en spreek van het werk des Geestes in de ziel, en hoe wij hierdoor allen worden bewogen. Hier is een broeder, een lid van het Genootschap der Vrienden (3); hij bemint de stille Godsvereering. Hier is een ander, die zich verlustigt in het loflied, dat uit de volle borst wordt gezongen. Als zij tot God naderen, zullen zij hierover niet gaan twisten; neen, zij komen overeen om in gevoelen van elkander te mogen verschillen. De een zegt: „De Heere zij met u in uw heilig stilzwijgen,quot; en de ander bidt, dac de Psalm zyns broeders den Heere welgevallig moge wezen. Allen, die één zijn met Christus hebben eene soort van familiebetrekking op elkander, een\' hoogeren vorm van stamverwantschap, dat zij niet van zich af kunnen schudden. Ik heb een godvruchtig boek gelezen, dat mij tot God beeft doen naderen; en ofschoon ik wist, dat het geschreven was door iemand, met wiens denkbeelden ik het weinig eens ben, heb ik daarom toch niet geweigerd mij door hem te laten stichten

(1) Voorstanders van den doop der geloovigen.

(2) Voorstanders van den kinderdoop.

(3) De kwakers.

534

-ocr page 560-

ANDEBE SCHAPEN EN ÉÉNE KUDDE.

in punten, die duidelijk geopenbaard zijn. Neen, maar ik heb den Heere gedankt, dat hij, in weerwil van al zijne vergissingen, toch zoo veel wist van de levende waarheid, en zoo naby zijn\' Heere leefde. Welk Protestant kan weigeren eerbied en liefde te koesteren voor St. Bernard ? Was er ooit een meer toegewijd dienstknechL van God, of die Christus meer liefhad dan hij ? Toch was hij allerdroevigst in dienstbaarheid van het bijgeloof zijner eeuw en van de Roomsche kerk. De uitwendige kerk is noodig; maar het is niet de ééne en ondeelbare kerk van Christus. Als het Leven bindt Jezus zijne gemeente te zamen ; en dat Leven vloeit door alle wedergeborenen, evenals het bloed door al de aderen des lichaams vloeit. Laat het uitwendige liggen, en zie door het geloof in het geestelijk rijk, en gij zult de ééne kudde en den éénen Herder zien.

Wat hier nu practisch voor ons uit te leeren valt is! laat ons behooren tot die ééne kudde. Hoe worden zij gekend ? Ik antwoord : zij zjjn eene hoorende kudde — zij hooren den Heere en volgen zijne leiding. Wees gij een dergenen, die luisteren naar de stem van Christus, en naar niemand anders. BUjft bij den éénen Herder! Hoe kent gij Hem? Het is Jezus; in zijne handen en voeten zijn de teekenen der nagelen, en in zijne zijde is het litteeken van den lanssteek. Hy is het, die de ééne en eenige kudde leidt. Volg Jezus, en gij zijt op den rechten weg. Volg Hem overal en gy zyt gelukkig. De beste manier om de éénheid der kerk te- bevorderen is, dat alle de schapen den Herder volgen. Indien zij allen den Herder volgen, dan zullen zij ook allen bij elkander bly-ven. Laat ons heengaan en dit trachten te doen; laat ons verlangen naar den zaligen dag, als alle punten van geschil opgelost zullen zijn in het gehoorzamen aan den Heere. Schikkingen, verdragen, beteekenen slechts, dat men te zamen overeenkomt om den Heere ongehoorzaam te zijn. Niemand geve een beginsel prijs onder voorwendsel van de liefde te bevorderen; het is geene liefde om leugen waarheid te noemen. Wij moeten Jezus volkomen volgen, en dan zullen wij tot elkander komen. ïen eerste zuiver, daarna vreedzaam — dat is de regel. O wanneer zal de drievoudige banier wederom wapperen over allen, — „Een Heere, een Geloof, een Doop 1quot; O Heilige Geest, vergeef ons onze dwalingen, en breng ons tot uwe waarheid ! O Zoon van God, vergeef ons ons gebrek aan heiligheid, en vernieuw ons naar uw beeld ! O God ! vergeef ons ons gebrek aan liefde, en vereenig ons tot één huisgezin. Den eenigen God zij heerlijkheid in de ééne gemeente, van nu aan tot in eeuwigheid, Amen.

535

-ocr page 561-

DE SCHAPEN EN HUN HERDER.

Mijne schapen hooren mijne stem, en ik ken dezelve, en zij volgen mij.

Johannes X; 27.

De Christenen worden hier vergeleken bij schapen. Geene vleiende vergelyking, kunt gij wel zeggen; maar wij wenschen ook niet gevleid te worden, en de Heere zou het niet goed achten ons te vleien. Maar, hoewel alles behalve vleiend, is zij toch bij uitnemendheid vertroostend, want onder alle schepselen zijn er geene, die meer met zwakheid zijn omvangen dan schapen. In deze broosheid hunner natuur zijn zij een gepast zinnebeeld van ons zeiven, ten minste van diegenen onder ons, diein Jezus geloofd hebben en zijne discipelen zijn geworden. Laat anderen roemen op hunne kracht; maar zoo er ook ergens sterken zijn, wij voorzeker zijn zwak. Wij hebben onze zwakheid leeren kennen; en dag aan dag betreuren wij haar. Wij belijden onze zwakheid; maar toch mogen wij er niet over morren, want, gelijk Paulus zeide : als wij zwak zijn, dan zijn wij machtig. Schapen hebben velerlei behoeften; maar zij zijn zeer hulpeloos, en volkomen onbekwaam om voor zich zeiven te zorgen. Als de herder niet voor hen zorgde, zouden zij spoedig omkomen. Ook dit is waar van ons. Onze geestelijke behoeften zijn talrijk en dringend; maar in geene enkele er van kunnen wij zeiven voorzien. Wij zijn reizigers in eene woestijn, die ons voedsel noch water oplevert. Tenzij er brood voor ons nederdaalt uit den hemel, en er water voor ons vloeit uit de rots, moeten wij sterven. Onze zwakheid en onze behoeften worden scherp door ons gevoeld; maar toch hebben wij geene reden om te murmureeren, daar de Heere met onzen toestand bekend is, en ons met de teederste zorge helpt en ondersteunt. Schapen zijn ook zeer dwaze schepselen; en ook in dit opzicht zijn wy zeer schaapachtig. Wij erkennen het met ootmoed voor Hem, die bereid is ons te leiden. Met David zeggen wij: „O God ! Gij weet van mijne dwaasheid;quot; en tot ons zegt Hij, evenals tot David: „Ik zal u onderwijzen, en u leeren van den weg, dien gij gaan zult.quot; Indien Christus

-ocr page 562-

de schapen en hun herder.

337

ons niet ware geworden tot wijsheid, wij zouden spoedig de prooi worden van den verderver. Elk greintje ware wijsheid, dat wij bezitten, hebben wij aan Hem ontleend; in ons zeiven zijn wij stompzinnig en onbezonnen. Hoe meer gij, mijne broeders, u bewust zijt van uwe tekortkomingen, uw gebrek aan vastheid, voorzichtigheid, schranderheid en het instinct van zelfbewaring, hoe grooter zielsverlustiging het u zal wezen te zien, dat de Heere u in dien toestand aanneemt, en u het volk noemt zijner weide, en de schapen zijner hand. Hij ziet u, zooals gij zü\'t, eischt u op als zijn eigendom, voorziet al de rampen, waaraan gy zijt bloot gesteld, maar verzorgt u als zijne kudde, stelt prys op ieder lammetje, en weidt u naar de oprechtheid zijns harten en leidt u met een zeer verstandig beleid zijner handen. „Ik zal mijne schapen weiden, en ik zal ze legeren spreekt de Heere Heere.quot; O wat liefelijke muziek is er voor ons in den naam van „den goeden Herder,quot; die aan onzen Heere Jezus Christus is gegeven! Hierin wordt niet slechts het ambt aangeduid, dat Hij bekleedt; maar het stelt de sympathie in het licht, die Hij gevoelt, de geschiktheid, die Hij aan den dag legt, en de verantwoordelijkheid die Hij op zich heeft genomen om ons welzijn te bevorderen. En wat doet het er nu toe, dat de schapen zwak zijn, de Herder is sterk genoeg om zijne kudde voor den rondzwervenden wolf of den brieschenden leeuw te behoeden. Indien de schapen gebrek lijden van wege de onvruchtbaarheid van den grond, dan is de Herder in staat hen naar eene voor hen geschikte weide te voeren. Zij kunnen wel dwaas en dom zijn, maar Hij gaat voor hen henen, moedigt hen aan door zijne stem, en regeert hen door den staf van zijn gebod. Er kan geene kudde zijn zonder herder; en evenmin is er een herder, die waarlijk zonder kudde is. Die twee moeten samengaan. Zij vervolledigen elkander. Gelijk de gemeente de volheid is van Hem, die alles in allen vervult, zoo gedenken wij met vreugde, dat wij „uit zijne volheid hebben ontvangen, ook genade voor genade.quot; Dat ik als een schaap ben, is eene droevige gedachte; maar dat ik een\' Herder heb, neemt die droefheid weg, en schept nieuwe blijdschap. Het wordt zelfs iets verblijdends zwak te zijn, opdat ik zou kunnen steunen op zijne kracht; vol van nooden en behoeften te zijn, opdat ik uit zijne volheid zou kunnen putten; ondiep en dikwijls ten einde raad te wezen, opdat ik mij immer door zijne wijsheid zou laten leiden. Op die wijze wordt hetgeen mijne schande is Hem tot lof en heerlijkheid. Niet voor u, gij grooten en machtigen, die uw hoofd hoog opheft en voor u zeiven aanspraak maakt op eer: niet voor u is vrede, niet voor u is rust; maar aan u, nederigen, die u verlustigt in de vallei der verootmoediging, en gevoelt, dat gij in uwe eigene schatting gedaald zijt; aan u zal de Her-

-ocr page 563-

DE SCHAPEN EN HUN HERDEB.

der dierbaar worden; u zal Hij doen nederliggen in grazige weiden, aan zeer stille wateren.

Wij zullen op eenvoudige wijze spreken over den Eigenaar der schapen. „Mijne schapen.quot; zegt Christus. Daarna zullen wij iets hebben te zeggen over het kenmerkende der schapen ; en eindelijk zullen wij eenige oogenblikken verwijlen bij de voorrechten der schapen. „Ik ken mijne schapen;quot; zij hebben het voorrecht van door Christus gekend te worden. „Mijne schapen hooren mijne stem.quot;

I. Wie is de eigenaar der schapen ? Zij zijn allen van Christus? „Mijne schapen hooren mijne stem.quot; Hoe kwamen de heiligen van Christus te zijn?

Zij zijn de zijnen, in de allereerste plaats, omdat Hij hen heeft uitverkoren. Eer de werelden geschapen waren, heeft Hy hen uit het gansche overige menschdom uitverkoren. Hij wist, dat het menschelijk geslacht zou vallen, en der eigenschappen onwaardig zou worden, waarmede Hij hen had begiftigd, en het erfdeel, dat Hü hun had toebedacht. Hem behoorde het sou-vereine kroonrecht genadig te mogen zijn, wien Hü genadig zou zü\'n, en naar zijn eigen volstrekten wil, en naar den raad zijns welbehagens, lieeft Hij sommigen uitverkoren en gezegd : „Dezen zijn mijne.quot; Hunne namen waren geschreven in zijn boek : zij werden zijn deel, zijne erve. Hen van ouds verkoren hebbende, kunt gij er van verzekerd zijn, dat Hij hen thans niet zal verliezen. De menschen stellen prijs op hetgeen gedurende langen tijd in hun bezit is geweest. Indien er iets is, dat gisteren pas mijn eigendom is geworden, en dat ik heden wederom verlies, zal ik er wellicht niet om treuren of tobben ; maar als ik het reeds zeer lang gehad heb; als ik het mijn vaderlijk erfdeel heb genoemd, dan zou ik er niet gaarne afstand van doen. Schapen van Christus, gij zult eeuwiglijk de zijnen wezen, omdat gij van eeuwigheid af de zijnen zijt geweest. Het zijn Christus\' schapen, omdat zijn Vader ze Hem gegeven heeft. Zij waren des Vaders gave aan Christus. Zeer dikwijls spreekt Hij van hen als zoodanig. „Die Gij mij gegeven hebtquot;; „Al wat Gij mij gegeven hebt,quot; zegt Hij, en herhaalt Hij gedurig. De Vader heeft zijn volk van ouds aan Christus gegeven. Hen afzonderende van onder de menschen, heeft Hij hen aan Hem geschonken als eene gave, hen toevertrouwd aan zijne handen als een aanvertrouwd pand, en hen voor Hem verordineerd als het deel zijner erfenis. Aldus worden zij een teeken van des Vaders liefde voor rijn\' eengeboren Zoon, een bewijs van het vertrouwen, dat Hij in Hem stelde, een onderpand van de eer, die Hem aangedaan zou worden. Nu veronderstel ik, dat wij allen eene gave weten te waardeeren om den wille van den gever. Indien zij ons aangeboden wordt door iemand, dien wij liefhebben, dan hechten wij er groote

538

-ocr page 564-

DE SCHAPEN EN HUN HERDER.

waarde aan. Indien het bedoeld was als een teeken der liefde, dan wekt het vele liefelijke herinneringen bij or.s op. De innerlijke waarde er van kan onbeduidend wezen, maar hetgeen er aan verbonden is, maakt het tot iets zeer kostbaars. Wü zouden iets, dat in zich zeiven van oneindig grooter waarde is, liever verliezen dan de gave van een\' vriend, het geschenk zijner lielde. Hoe krachtig is de uitdrukking der liefde, als Jezus tot den Vader spreekt van ^de menschen, die Gij mü uit de wereld gegeven hebt!quot; „Zij waren uwe,quot; zegt Hij, „en Gij hebt mij dezelven gegevenen „Die Gij mij gegeven hebt, heb ik bewaard.quot; Schapen van Christus, gij kunt veilig rusten ; laat uwe ziel niet ontroerd worden door vreeze. De Vader heeft u aan zijn\' Zoon gegeven, en wat God zelf Hem gegeven heeft, zal Hij niet licht verliezen. De leeuwen der hel zullen het kleinste lammetje niet verscheuren, dat een teeken der liefde is des Vaders aan zijn\' geliefden Zoon. Terwijl Christus de zijnen beschermt, zal Hij hen verdedigen tegen den leeuw en den beer, die de lammeren zijner kudde zouden willen roeven; ook de geringsten hunner zal Hü niet laten omkomen.

„Mijne schapen,quot; zegt Christus. Zij zijn voorts ook de zijnen, omdat Hü, behalve dat zij de zijnen werden door zijne verkiezing en door de schenking zijns Vaders, hen ook duur gekocht heeft. Zij hadden zich verkocht om niet; maar Hü heeft hen verlost, niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, maar door zijn dierbaar bloed. De mensch acht datgene van uiterst groote waarde, dat hij zich met gevaar van Hjf en leven verschaft heeft. David wilde het water niet drinken, dat dappere krijgers hem brachten, nadat zij zich door het leger der Filistijnen een\' weg hadden gebaand om het uit den bornput te Bethlehem voor hem te halen; omdat het hem toescheen, als het bloed der mannen, die er hun leven voor in de waagschaal hadden gesteld; en hij goot het uit voor den Heere. Maar de goede Herder heeft niet slechts zijn leven gewaagd, maar het ook werkelijk gegeven voor zijne schapen. Jakob heeft zeer grooten prijs gesteld op een deel zijner bezittingen, en hij gaf het aan Jozef: hij gaf hem een deel boven zijne broederen. Nu kunt gij er zeker van zijn, dat hij aan Jozef gaf wat hij het kostelijkst vond. Maar waarom gaf hü hem juist dat deel ? Omdat, het een stuk lands is, „hetwelk ik,quot; zegt hij, „met mün zwaard en mün\' boog uit de hand der Amorieten genomen heb.quot; Welnu, onze gezegende Herder waardeert zijne schapen, omdat zij Hem zy\'n bloed gekost hebben. Zij kostten Hem zijn bloed — ik mag zeggen, dat Hij hen met zijn zwaarden zy\'n boog uit de hand van den Amoriet genomen heeft indien bloedigen strijd, waarin Hij gedood werd, maar toch overwinnaar is gebleven. Er is geen enkel schaap van zijne kudde, of Hij kan er het merk op zien van zijn bloed. Op het gelaat van

539

-ocr page 565-

DE SCHAPEj; EN HUN HERDEÈ.

iederen heilige ziet de Heiland als in een spiegel de gedenk-teekenen van zijn bloedig zweet in Gethsémané en van zijn\' doodstrijd op Golgotha. „Gy zijt uws zelfs niet, want gij zijt duur gekocht.quot; Dat staat geschreven als eene oproeping tot plichtsbetrachting; maar tevens als vertroosting, want zoo Hij mij gekocht heeft, zal Hij mij bezitten. Gekocht tot zoo duur een\' prijs, zal Hy mij niet willen verliezen, noch toelaten, dat mij iemand uit zijne hand zal rukken. Denk niet, dat Christus iemand zal laten omkomen, voor wie Hij gestorven is. Voor mij schijnt zulk eene gedachte schier Godslastering te zijn. Indien Hij mij gekocht heeft met zijn bloed, dan kan ik mij niet voorstellen, dat Hij mij niet liefheeft, dat Hij zich nu verder niet om mü zal bekommeren, of toe zal laten, dat mijne ziel in den afgrond wordt geworpen. Indien Hij in mijne plaats heeft geleden; waar zou dan de gerechtigheid zijn,indien myn Borg mijne schuld draagt, en ik haar toch ook moet dragen? En waar is Gods goedertierenheid, zoo Hij voor ééne overtreding twee maal straf eischt? Neen geliefden, zij, die Hy met zijn bloed gekocht heeft ztjn zijne, en Hij zal hen bewaren.

„Mijne schapen,quot; zegt Christus. Zij zijn reeds zijne, of zullen het ter bestemder tijd worden, daar Hij hen door zijne heilige kracht en sterkte heeft gevangen. Wij zijn verlost door zyne kracht zoo wel als door zijn bloed, want deze duur gekochte schapen zijn afgedwaald, zoowel als de anderen. „Wf dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn\' weg;quot; maar mijne broeders, de goede Herder heeft met oneindige, nederbuigende goedheid velen onzer van den dwaalweg teruggebracht; met eindelooze ontferming heeft Hij ons gevolgd, als wij afdwaalden. O welke verblinde slaven waren wij, toen wy aldus met den dood hebben gespeeld! Wij wisten toenmaals niet, wat zyne liefde ons verordineerd had. Nooit is het in ons arm verdwaasd hoofd opgekomen, dat er eene kroon voor ons was weggelegd; wij wisten niet, dat eer de morgenster hare plaats kende, des Vaders liefde op ons gevestigd was. Thans weten wij het, en Hij is het, die het ons bekend heeft gemaakt; want Hij is ons gevolgd over bergen van ijdelheid, door moerassen en modderige plaatsen van ongerechtigheid. Hij is het spoor onzer afwijkende voeten nagegaan gedurende onze jeugd en onzen mannelijken leeftijd, totdat Hy met de kracht zijner genade ons eindelijk heeft gegrepen, ons op zijn\' schouder heeft gelegd, en ons heden ten dage naar huis draagt naar de groote Schaapskooi hier Boven, zich verblijdende terwijl Hij onzen last op zijne schouders gevoelt en ons vindt in onze nooden en behoeften. O dat gezegende werk der genade 1 Hy heeft ons tot de zijnen gemaakt; Hij heeft den vijand verslagen ; den machtige is de roof ontnomen, en de wettelijke gevangene is bevrijd. „Hij heeft de koperen deuren gebroken.

540

-ocr page 566-

de schapen en hun herder.

en de ijzeren grendelen in stukken gehouwen,quot; ten einde zijn volk in vrijheid te stellen. „Laat hen voor den Heere zijne goedertierenheid loven, en zyne wonderwerken voor de kinderen der menschen !quot;

„Mijne schapen,quot; zegt Christus, terwijl Hij staat in het midden zyner discipelen. Laat ons allen eenstemmig antwoorden: „myn Herder.quot; Al de schapen van Christus, die door zijne kracht zyn verlost, worden de zynen door da,t zij zich gewillig en blümoedig aan Hem onderwerpen. Al zouden wij het ook mogen of kunnen, zouden wy toch niemand anders willen toebe-hooren, en evenmin zouden wij ons zeiven willen toebehoo-ren, al zouden wij het ook kunnen; en ik vertrouw, dat wij ook geen enkel deel van ons zeiven a!s onzen eigendom zouden willen beschouwen. Oordeelt zeiven, of dit al of niet waar is van u. Ten dage dat ik mijne ziel aan mijn\'Zaligmaker heb overgegeven, heb ik Hem mijn lichaam, myne ziel, mijn\'geest gegeven. Ik gaf Hem alles wat ik had, en alles wat ik in den tijd en in de eeuwigheid zal hebben. Ik gaf Hem al mijne talenten, mijne vermogens, mijne bekwaamheden, mijne oogen, mijne ooren, mijne leden, mijne gewaarwordingen, mijn ver: stand, geheel mün menschelijk wezen, en alles wat er uit voort kon komen, elke nieuwe gave of bekwaamheid, die my geschonken zou kunnen worden. Indien ik te dezer ure mün toon van blijdschap in dien van droefheid moest verkeeren, het zou we/.en om myn diep berouw uit te spreken over den tüd en de omstandigheden, waarin ik gefaald heb in die strikte en onwankelbare trouw, die ik mijn\' Heere verschuldigd ben. Wel verre van mijne gelofte te betreuren, zou ik haar gaarne willen vernieuwen. Ik denk, dat ieder Christen hier wel mede in zal stemmen. En toch, broeders, opdat ons hart, dat nu brandt van liefde voor onzen Heere, niet wederom koud en kil zal worden door de gure atmosfeer dezer booze wereld, laat ons nooit ophouden te denken aan den goeden Herder in die groote en goede daad, waaruit het meest zijne liefde is gebleken, toen Hij zijn leven gesteld heeft voor de schapen. Gij kent de geschiedenis, die door Francois de Salis verhaald werd. Hij zag een meisje, dat een emmer water op het hoofd droeg, en in het midden van den emmer had zy een stuk hout gelegd. Op zijne vraag waarom zij dat deed, zeide zij hem, dat het was om de beweging van het water tegen te gaan, daar zij vreesde anders te zullen storten. Laat ons, zeide hij, even zoo het kruis van Christus in het midden van ons hart plaatsen, om de beweging onzer genegenheden tegen te gaan, opdat zij niet verspild worden in rustelooze zorgen of groote benauwdheden.

„Mijne schapen,quot; zegt Christus, en aldus duidt Hij zijn volk aan. Zij zijn van Christus, zij zijn zijn bijzonder eigendom. Mag ik hopen, dat deze waarheid van nu voortaan als een schat in

541

-ocr page 567-

tgt;E SCÖAtEN ËN HUN HËEDER.

uw hart zal bewaard worden ? Het is voorzeker eene alge-meene waarheid, maar als zij toegepast wordt door den Heiligen Geest, dan schijnt zü niet slechts als eene lamp in een duister vertrek, maar dan schittert zij als de opkomende morgenster in uw hart. Herinnert u, dat dit niet meer onze schande is, dat wij schapen zijn, maar onze eer, dat wij Christus\' schapen zyn. Een\' koning toe te behooren, daar is eene zekere mate van onderscheiding in gelegen. Wij zijn de schapen van des Konings weide. Dit is onze veiligheid: Hij zal den vijand niet toelaten zijne schapen te dooden. Dit is onze heiligheid: wij zijn afgezonderd, schapen der weide van den Heere Christus. Dit is heiligmaking, want ons af te zonderen om tot in eeuwigheid des Hee-ren deel te wezen, dat is ons heilig te maken. En dit is de sleutel tot onzen plicht: wij zijn zijne schapen, zoo laat ons Hem leven, ons toewijden aan Hem, die ons heeft liefgehad en zich voor ons heeft overgegeven. Christus is de Eigenaar der schapen : wü zijn het eigendom van den goeden Herder.

II. Laat ons nu eenige oogenblikken verwijlen bij de kenmerken der schapen. Als er zoo vele kudden van schapen zijn, is het noodig ze te teekenen. Onze Heiland teekent ons. Zeer terecht heeft men opgemerkt, dat er op Christus\' schapen twee merken zijn. Het eene is op hun oor; het andere is op hun\' voet. Dat zijn twee merken op de schapen van Christus, die op geene anderen worden gevonden; maar wèl op alle de zynen. Het merk op het oor: „Mijne schapen hooren mijne stem.quot; Het merk op den voet: „Ik ken dezelven, en zü volgen my.quot;

542

Denkt na over dit merk op hun oor. „Mijne schapen hooren mijne stem.quot; Zij hooren geestelijk. In den tijd van Christus\' omwandeling op aarde hebben zeer vele menschen zijne stem gehoord, die haar niet gehoord hebben op de wyze en met de opmerking, die hier worden bedoeld. Zij wilden niet hooren; dat is: zy wilden niet hooren om acht te geven; zij wilden zijne roepstem niet gehoorzamen; zij wilden niet tot Hem komen, opdat zij het leven zouden hebben. Dat waren niet altijd de slechtste soort van menschen; integendeel, het waren sommigen van de besten, die Christus niet wilden hooren, en van wie Hy, volgens sommiger vertaling van het oorspronkelijke (1) zeide: „Gij onderzoekt de Schriften, want gij meent in dezelven het eeuwige leven te hebben; en die zijn het, die van my getuigen. En gy wilt tot mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben.quot; Zij wilden zoo ver gaan als nieuwsgierigheid of critiek hen dreef; maar niet verder; zij wilden in Jezus niet gelooven. Maar het geestelyk oor luistert naar God. Het openen van dit oor is het werk des Heiligen

(1) Zie de kantteekeuing in den Statenbijbel op Joh. 5; 39.

-ocr page 568-

BE scaAPBN EN HUN herdër.

543

Geestes, en dit is een kenmerk van het volk, dat Christus verkoren en met zijn bloed gekocht heeft, dat zij niet slechts den hollen klank hooren, maar ook den verborgen zin ; niet slechts de bloote letter verstaan, maar ook de geestelyke leering, die er in ligt opgesloten, en ook niet bloot met het uitwendig orgaan, maar met het hart. Het voorname punt is, dat zij stem hooren. O indien allen, die mijne stem hooren, Christus\' stem hoorden, hoe zou ik heengaan in iedere straat dezer stad om het Evangelie van Jezus Christus te verkondigen; maar helaas ! de stem des leeraars is volstrekt onbekwaam om ook maar ééne enkele ziel te verlossen, tenzij de stem van Christus doordringt tot de conscientie. „Mijne schapen hooren mijne stemquot;; de stem van Jezus, zijn\' raad, zijn gebod, bekleed met het gezag van zijne eigene heilige, souvereine uitspraak. Als het Evangelie tot u komt als het Evangelie van Christus, in betooning des Geestes, dan wordt de uitnoodiging door Hem tot u gericht. Gij kunt het uit geen ander oogpunt beschouwen; en daarom moet gij het ontvangen en aannemen. Als zijne vorstelijke macht over u komt — en, daar Hij machtig is om te behouden, legt Hij zaligmakende kracht in het Woord — dan hoort gü Christus\' stem als een gebod, waaraan gehoorzaamd moet worden, als eene roepstem, waarop acht dient geslagen, en waarop ten spoedigste antwoord gegeven moet worden. O geliefden, vergenoegt u toch nooit met slechts de stem des predikers te hooren. Wij zijn slechts de spreekbuis van Christus: er is in ons niets, het is slechts zijn spreken door ons, dat eenig goed kan doen. O kinderen Gods, sommigen van u luisteren niet altijd naar de stem van Christus in de prediking. Terwijl wij het woord verklaren en uitleggen, maakt gij aanmerkingen op ons. Onze stijl, of onze toon, ja zelfs onze gebaren houden uwe gedachten bezig, of laat mij liever zeggen: leiden uwe gedachten af. ,,Wat ziet gij zoo sterk op ons?quot; Ik smeek u, geeft minder acht op de livrei van den dienstknecht, en let zorgvuldiger op de boodschap des Meesters. Luistert met behoedzaamheid, zoo gij wilt, maar oordeelt met verstand, zoo gij kunt. Ziet hoeveel zuiver graan, hoeveel van Christus er is in de prediking. Gebruikt uwe zeef; doet weg al het kaf, behoudt slechts de goede tarwe; hoort naar de stem van Christus. Het zou goed wezen, zoo wy ons zeiven in de schaduw stelden, ten einde Hem in het licht te stellen. Ik zou wenschen zoo te prediken, dat gij mij gansch en al uit het oog verliest, maar het volle gezicht hebt op Jezus alleen. O dat gij zijne stem zóó mocht hooren, dat de onze er door overstemd wordt. Dit is het teeken, het bijzondere kenmerk van hen, die Christus\' eigen volk zijn : zij hooren zijne stem. Soms klinkt zij in de prediking; een andermaal spreekt zij uit het boek der boeken, dat dikwijls zoo grovelijk wordt veronachtzaamd; en dan

-ocr page 569-

DE SCHAPEK EN HÜN HERDER.

weder komt zij in de nachtwake. Zijne stem kan tot ons spreken in de straten. Zwijgend, ten opzichte van geluid, maar toch in welbekende tonen, zooals wij ze soms hooren in droo-men, wordt de stem van Christus duidelijk vernomen in de ziel. Zij zal tot u spreken in liefelijke en in zware wegen van Gods voorzienigheid; ja, wij kunnen Christus\' stem hooren in het ritselen van elk blad op den boom, in het huilen van den wind, in het ruischen van de golven. En er zijn van de zoo-danigen, die geleerd hebben op Christus\' borst te leunen, totdat zij in de oogen van geheel de wereld waren als eene schelp, die in den oceaan ligt van Christus\' liefde, immer luisterende naar de welluidende tonen, die hun uit deze onpeilbare, geheimenisvolle diepte tegenruischt. De golven zijner liefde heffen zich steeds omhoog, en zijn in het oor van den Christen als een plechtige koorzang. O dat wij ieder voor ons zeiven Christus\' stem mochten hooren! Ik bemerk, dat de taal te kort schiet, en beelden te zwak zijn om haren machtigen invloed aan te duiden.

Er is echter nog één punt, dat wèl waard is opgemerkt te worden. Ik denk, dat onze Heere hier bedoelde, dat zijne schapen, als zij zijne stem hooren, haar zóó goed kennen, dat zij haar terstond van die eens vreemden weten te onderscheiden. Het ware kind van God kent het verschil tusschen Wet en Evangelie. Het is niet door het leeren van een\' catechismus, door het lezen van theologische boeken, ofdoor hetaanhooren van eindelooze twistgesprekken, dat hy dit onderscheid ontdekt. Er is een instinct van zijne wedergeborene natuur, oneindig meer betrouwenswaardig dan alle lessen, die men hem heeftquot;laten leeren. De stem van Jezus! Ach! er is geene muziek, die er bij vergeleken kan worden. Indien gij haar eens gehoord hebt, dan kunt gij haar niet voor die van iemand anders houden, en evenmin zult gij de stem van iemand anders voor de stem van Jezus houden. Sommigen zijn nog kin-derkens in de genade; anderen zijn reeds volwassen, en hunne zintuigen zijn geoefend; maar er is één zintuig, dat spoedig ontwikkeld wordt — het is het zintuig des gehoors. Het is zoo gemakkelijk de blijde klokketonen des Evangelies van den doodklok der wet te onderscheiden, want de letter doodt; maaide Geest maakt levend. „Doe, of sterfquot;, zegt Mozes. „Geloof en leefquot;, zegt Christus: deze twee moet gij van elkander weten te onderscheiden. Ja; en ik geloof dat zij ook even schrander zijn om te onderscheiden tusschen het vleesch en den Geest. Laten sommigen van de zwaksten van Gods kinderen eene prediking aanhooren, versierd met al de schoonheid der redekunst, en laat de leeraar de waardigheid der menschelijke natuur verheffen, en de genoegzaamheid der menschelijke rede om den weg der gerechtigheid te vinden, en gij zult henhoo-

544

-ocr page 570-

DE SCHAPEN EN HUN HERDEK.

ren zeggen: „Dit is zeer geleerde, zeer fraaie taal, maar er is geen voedsel in voor mijne ziel.quot; Breng nu echter den be-schaafdsten, meest ontwikkelden Christen onder het gehoor van eene prediking, die zeer gebrekkig is in den vorm, onnauwkeurig zelfs ten opzichte van de regelen der spraakkunst, zoo zij echter vol is van Jezus Christus, dan weet ik, wat hij zal zeggen: „O! aan den man is niet veel gelegen, en evenmin aan den schotel, waarop hy ons de spijze heeft toegediend; maar het was voedsel voor mijne ziel, waarvan ik van harte genoten heb; het was vet vol mergs, want ik kon er Christus\' stem in hooren.quot; Ik zal niet verder op deze proeven ingaan; maar dit is zeker: de schapen kennen Christus\' stem, en kunnen haar zeer gemakkelijk onderscheiden. Ik zag onlangs honderden van lammetjes bij elkander; en hunne moeders waren er ook bij; als het mij nu ten taak ware gesteld bij elk schaap het lammetje te voegen, dat er bij behoorde, ik zou er heden nog niet mede gereed zijn. Maar de lammetjes kenden zeiven hunne moeders, en de moeders kenden de lammetjes, en zeer tevreden waren zij in elkanders gezelschap.

Ieder heilige, hoe zeer hij ook somwijlen vermengd is met allerlei soorten van belijders, kent Christus, en Christus kent hem, en daarom is hij aan zijn\' Eigenaar verbonden. Dat is het merk op het oor. Gij hebt soms twee kudden schapen tegelijk op den weg gezien, en dan zeidet gij: „Hoe kunnen de herders ze toch uit elkander houden ? Z\\j zullen onder elkaar vermengd worden.quot; Dat gebeurt echter niet. Zij gaan een eind weegs te zamen, en voor een oogenblik vermengen zij zich onder elkander; maar daarna scheiden zij zich van elkander af, want zü kennen de stem huns meesters, „de stem des vreemden kennen zij niet.quot; Morgen zullen velen uwer uitgaan in de wereld; sommigen gaan naar de beurs, anderen naar de markt, wederom anderen naar de fabriek: gij zijt allen vermengd. Ja, maar die schijnbare verwarring in uw gezelschap is tijdelijk, niet werkelijk en blijvend. Gij zult wederom uit de verwarring geraken, gij zult naar huis en tot uwe eigene metgezellen terug-keeren. En als wij onze pelgrimsreize volbracht zullen hebben, dan zal de een den weg inslaan naar de heerlijkheid, en de ander naar den afgrond der ellende. Dan zal er geene vergissing plaats hebben. Gij zult des Meesters roepstem hooren en gehoorzamen. Er is een merk op het oor, waaraan ieder heilige gekend wordt.

Christus\' schapen hooren zyne stem in gehoorzaamheid. Dit is een gewichtig bewijs van het discipelschap. Ja, voorwaar! het kan voor menigeen eene bestraffing zijn. O hoe wenschte ik, dat gij hieromtrent zorgvuldiger waart! „Die mijne geboden heeft, en ze bewaartquot;, zegt Christus, „die is het, die mij liefheeft.quot; „Die mij niet liefheeft, die bewaart mijne woorden

545

85

-ocr page 571-

DE SCHAPEN EN HUN HEEDEB.

niet.quot; Hoe is het dan, dat er geboden van Christus zyn, die sommige Christenen maar altijd blijven afschuiven? „Dit is wel een gebod des Heerenquot;, zeggen zij, „maar het is niet van het alleruiterste belang; het is niet volstrekt noodzakelijk er aan te gehoorzamen.quot; O hoe moet de liefde ontbreken in het hart van hem, die denken kan, dat iets wat de Bruidegom u beveelt te doen, van geen belang is! Zij, die lief hebben, achten ook kleine zaken van groot belang, inzonderheid als zy beschouwd moeten worden als het teeken van de kracht en de teederheid der liefde. Het kan wezen, dat het om de betrekking te bewijzen, die er bestaat tusschen eene huisvrouw en haren echtgenoot, niet volstrekt noodzakelijk is, dat zij zich op de hoogte tracht te stellen van zijn\' smaak, met zijne wenschen te rade gaat of acht geeft op hetgeen hem aangenaam en gemakkelijk is. Maar zal zy er minder naar streven hem te behagen, omdat zij door liefde, en niet door vrees wordt gedrongen? Ik denk het niet. En kan het zijn, mijne broeders, dat gij zulk eene gedachte koestert als door uwe onachtzaamheid wordt aangeduid? Denkt gij waarlijk, dat, nadat Christus zijne keus op u gevestigd heeft, en de liefde van Christus u geschonken was, gij nu voorts zoo tekortkomend en zoo onachtzaam moogt zijn, als het u behaagt? Mogen wij niet veeleer denken, dat gij door een\'heiligen, vurigen ijver bezield, luisteren zult om ook het minste geluid van zijne stem op te vangen, ten einde zijn\' wil te doen? Hoe gering of onbeduidend het gebod ook moge schijnen in de oogen van anderen; van hoe weinig beteekenis het ook moge wezen in vergelijking met onze zaligheid, — de vraag is; heeft de Heere het geboden? Zoo ja, dan hooren de schapen zijne slem, en zij volgen Hem.

Christus heeft zijne schapen gemerkt op hunne voeten, zoowel als op hunne ooren. Zij volgen Hem: zij worden zachtkens geleid, niet met hardheid voortgedreven. Zij volgen Hem als den Oversten Leidsman hunner zaligheid; zy vertrouwen in de kracht van zijn\' arm om den weg voor hen te banen. Al hun betrouwen is op Hem gevestigd, al hunne hoop berust op Hem; Zij volgen Hem als hun\'Leeraar; zij noemen niemand „Rabbiquot; dan Christus alleen. Hy is de onfeilbare bron van liunne geloofsbelijdenis; en zoo willen zy hun\' geest, hun gemoed niet laten beheerschen door conclaves, concilies, noch decreten. Heeft Christus het gezegd\' Het is genoeg. Zoo neen, dan heeft het voor mij geene meerdere beteekenis dan het huilen van den wind. Zij volgen Christus als hun Leeraar.

En de schapen van Christus volgen Hem als hun voorbeeld; zij begeeren in de wereld te zyn, gelijk Hij was. Het is een hunner kenmerken, dat in meerdere of mindere mate hunne gezindheid, hun geest, als die van Christus is; en zoo zy slechts

546

-ocr page 572-

de schapen en hdn herdee.

konden, zouden zij gaarne gansch en al als hun Heere zijn.

zy volgen Hem ook, als hun Gebieder, hun Wetgever, hun Vorst. „Zoo wat hij ulieden zal zeggen, doet datquot;, alzoo luidde de verstandige taal zijner moeder; en het is de verstandige regel voor de kinderen: „Zoo wat hij ulieden zal zeggen, doet het.quot; O zalig zullen diegenen zijn boven velen, van wie gezegd zal worden: „Dezen zijn het. die hunne kleederen niet bevlekt hebben.quot; „Dezen zijn het, die het Lam volgen, waar het ook henengaat.quot; Sommigen van hen, die Hem volgen, zijn niet zeer nauwgezet. Zij beminnen Hem. Het betaamt ons niet hen te oordeelen. Veeleer gaan wij naast hen staan, en nemen ons deel van de bestraffing. Maar zalig boven allen zijn zij, die den indruk zien van den voetstap, den voetstap van den voet, die eens doorboord was, en hun\' voet daarin plaatsen, en dan wederom in dienzelfden voetstap. Hem dus volgen, waar Hij is voorgegaan, totdat zü ten laatste opklimmen tot den troon. Houdt u dicht bij Christus: neemt ook zyne kleine geboden waar, en dat wel ten einde toe. Herinnert u, dat Hy gezegd heeft: „Zoo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden en de menschen alzoo zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in het koninkrijk der hemelen.quot; Stelt u er niet aan bloot de minsten te zyn in het hemelsche koninkrijk, al is het ook, dat dit beter is dan de grootsten te zyn in het rijk der duisternis. O zoekt zeer nabij Hem te zijn, een uitgelezen schaap zijner verkoren kudde te zijn, en het merk duidelijk op uwen voet te dragen!

Ik zal mij niet ophouden om deze waarheden toe te passen; maar het aan een iegelijk uwer overlaten om zijn eigen hart te onderzoeken. Heb ik het oormerk ? Heb ik het voetmerk ? „Mijne schapen hooren mijne stemquot;, „en zij volgen mij.quot; Ik hoop, dat ik tot hun getal behoor.

IH. Het laatste punt, waarmede wij nu zullen eindigen, is — het voorrecht van Christüs\' schapen. Dat voorrecht schijnt op den eersten aanblik niet groot; maar als wij het nauwkeurig bezien, dan zullen wij er eene verbazend groote mate van zegen en zaligheid in ontdekken. „Ik ken ze.quot; Wat beteekent dit?

De tijd ontbreekt mij om u te zeggen alles wat het beteekent. „Ik ken ze.quot; Is het tegenovergestelde daarvan niet een van de schrikkelijkste dingen, die voor den dag des oordeels bewaard zijn? Sommigen zullen zeggen: „Heere, Heere, hebben wy niet in uwen naam geprofeteerd, en in uwen naam duivelen uitgeworpen?quot; En Hij zal zeggen: „Voorwaar, voorwaar, ik heb u nooit gekend, gaat weg van mij, gij vervloekten.quot; Meet nu de hoogte van dat voorrecht af naar de diepte van deze ellende. „Ik heb u nooit gekend.quot; Hoeveel smaad en verachting ligt hierin niet opgesloten ! Welk een brandmerk van eerloos-

547

-ocr page 573-

DE SCHAPEN EN HUN HEEDEË.

548

heid wordt er door ingedrukt! Verander dit tooneel. „Ik ken henquot;, zegt de Verlosser, „Ik ken hen.quot; Hoe schitteren zijne oogen van vriendeiykheid; hoe brandt hun het oog van dankbaarheid, als Hy zegt: „Ik ken henquot;! Ach! indien iemand een\' vriend of bekende had, dien hy na jaren van afwezigheid terug vond als een ellendig, doortrapt misdadiger, een door en door slecht mensch, dan ben ik er tamelijk zeker van, dat hy niet overal zal gaan vertellen, dat hij dien mensch gekend heeft; al zou hij ook genoodzaakt kunnen wezen te bekennen, dat hij jaren geleden eene lichte kennis met hem had aangeknoopt. Maar ofschoon onze Heere Jezus Christus weet, wat arme, onwaardige schepselen wij zijn, zoo zal Hij toch, als wy voor den grooten, witten troon gebracht zullen worden, ons belijden, verklaren, dat Hij ons kent. Hij kent ons ook; wij zijn oude bekenden van Hem, en Hij heeft ons gekend van voor de grondlegging der wereld: „Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, den heelde zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat hij de eerstgeborene zy onder vele broederen. En die hy te voren verordineerd heeft, dezen heeft hij ook geroepen.quot; Er zyn hierin schatten van genade; maar wy zullen het nog van een\' anderen kant beschouwen. Onze Heiland kent ons, onze Herder kent ons. Geliefden, Hij kent uwen persoon en alles wat u betreft. U, met dat ziekelyke lichaam, u met dat hoofd, waarin gij altijd pijn hebt, kent Hij, en Hij kent uwe ziel met alles wat er in omgaat, met al quot;hare gevoelens en gewaarwordingen, met die verlegenheid, die bezorgdheid, die aangeborene neerslachtigheid — Hy kent het alles. Een geneesheer kan u bezoeken en onderzoeken, zonder te kunnen ontdekken, wat de oorzaak is van uwe krankheid; maar Christus kent u door en door; Hij begrijpt ieder deel van uw wezen. „Ik ken zequot;, zegt Hij, en daarom kan Hij u ook het geneesmiddel voorschrijven. Hij kent uwe zonden. Laat u dit niet verschrikken, want Hij heeft ze allen uitgedelgd; Hij kent ze slechts om ze te vergeven, ze te bedekken met zijne gerechtigheid. Hij kent uw velerlei bederf; Hij zal u helpen het te overwinnen; Hy zal met u handelen in zijne voorzienigheid en genade, zoodat het uitgeroeid, ontworteld zal worden. Hy kent uwe verzoekingen. Gy woont wellicht ver van uwe ouders en Christelijke vrienden, gy hadt te worstelen met eene buitengewone verzoeking, en nu wenscht gy naar huis te kunnen gaan om het uwe moeder te zeggen. O! Hy weet het, Hy weet het; Hij kan u beter helpen dan uwe moeder. „Ik wenschte welquot;, zegt gy, „dat de leeraar de verzoeking kende, die ik door te staan had.quot; Verhaal het hem niet; God weet het. Gelijk Daniël niet noodig had, dat Nebu-kadnezar hem zyn\' droom zou vertellen, maar hem zijn\'droom met de uitlegging er by te kennen gaf, zoo kan God ook u

-ocr page 574-

DE SCHAPEN EN HUN HEEDER.

549

vertroosting zenden. Er zal een woord wezen, even gepast voor uwen toestand, alsof die toestand in een boek gedrukt te lezen stond, en de prediker er volkomen mede bekend was. Zoo moet het zijn. Geloof het vrij, de Heere kent uwe verzoeking, en slaat u gade in uwe beproeving; of het een krank kindis, of iets in uwe zaken, dat onlangs plaats had; of een laster, waardoor uw hart werd gewond — er is geene smart, die gü gevoelt, of God ziet haar even gewis, als de wever de spoel ziet, die hij met zyne hand heen en weer werpt. Hij kent uwe beproeving, en Hij verstaat de beteekenis van uw zuchten. Hij leest de verborgene begeerte uws harten. Gij behoeft haar noch te schrijven, noch uit te spreken; Hy heeft het reeds alles verstaan. Gij zeidet: „Ach! mocbt toch dit kind bekeerd worden ! Mocht ik toch toenemen in genade!quot; Hij weet het. Er is geen woord op uwe tong, er is geene begeerte in uw hart, of Hij kent het. O geliefde, Hij kent uwe oprechtheid ! Gü wenscht u wellicht aan te sluiten bij de gemeente, maar uw voorstel daartoe werd afgewezen, omdat gij geen voldoend getuigenis kondet afleggen. Indien gij oprecht zyt, Hü weet het; Hy weet daarenboven ook wat uw angst, wat uwe bezorgdheid is. Gij kunt aan anderen niet zeggen, wat u zoo bitter zwaar valt — het hart kent zijne eigene bittere droefheid — maar Hij weet het. Gehjk zijne verborgenheid is voor u, (1) zoo is uwe verborgenheid voor Hem. Hü kent u. Hy weet, wat gij hebt trachten te doen. Die gave in het verborgen, dat offer zoo in stilte gebracht, waar niemand het zien kon — Hij weet het; Hij heeft het gezien. En Hij weet, dat gij PHem liefhebt. „Ja,quot; zegt gij bij u zeiven, „indien ik U, dierbare Jezus, ooit liefgehad heb, dan is het nu.quot; Neen, gij kunt het Hem niet zeggen; gij kunt het niet aan anderen zeggen; maar Hij weet alles.

En nu ten besluite; laat ons zeggen, dat er in den tekst eene wederkeerige kennis is. „Ik ken dezelven, maar zij kennen ook mij, omdat zij mijne stem hooren en haar herkennen.quot; Hier is eene wederkeerige belydenis. Christus spreekt, anders zou er geene stem zijn: zy hooren, anders zou de stem nutteloos zijn. „Ik ken zequot;: dat zijn zijne gedachten, die uitgaan naar hen. „Zij volgen mijquot;, dat zijn hunne gedachten, die uitgaan naar Hem. Hij gaat hun voor, anders zouden zij hem niet kunnen volgen. Doch zij volgen, als Hy hun voortgaat. Daar zü elkanders tegenbeeld zijn, zal, wat de een doet, de ander door genade ook doen; en wat de genade in de schapen werkt, wordt door den Herder erkend, en dat werkt Hü dan ook wederkeerig voor hen. Christus en zijne gemeente worden de echo van elkander: zijner is de stem. hunner is er slechts de

(1) Zie Ps. 25: 14.

-ocr page 575-

DE SCHAPEN EN HUN HEEDEE.

BSO

flauwe echo van; maar het is eene getrouwe echo, en daaraan zult gij weten, wie van Christus is. Geven zij een\' weerklank van hetgeen Christus zegt? O hoe wenschte ik, dat wij allen schapen waren! Hoe smacht mijne ziel er naar, dat velen van ons, die nog van zijn\' stal niet zijn, toegebracht zullen worden. Moge de Heere u toebrengen, geliefde hoorders. De Heere schenke u zijne genade, en make u tot zyn eigendom, Hy ver trooste u, en brenge u er toe Hem te volgen. En zoo gy de zijnen zyt, toont het. Deze waarde broeders en zusters begee-ren thans Christus te belijden in uw midden. Indien z\\j recht hierin handelen, en gij doet niet, zooals zij doen, dan doet gij verkeerd. Indien het de plicht is van den een, dan is het de plicht van allen; en indien één Christen het kan nalaten Christus te belijden, dan kunnen allen het nalaten; en dan zal er nergens eene zichtbare gemeente zijn, en dan moeten de zichtbare middelen der genade ook verdwijnen. Indien gy Hem kent, zoo erkent Hem, want Hij heeft gezegd: „Een iegelijk,die mij belijden zal voor de menschen, dien zal ik ook belijden voor mijn\' Vader, die in de hemelen is, maar zoo wie mü verloochend zal hebben voor de menschen, dien zal ik ook verloochenen voor mijn\' Vader, die in de hemelen is.quot; God zegene u, om Christus wil, Amen.

-ocr page 576-

DE VEILIGHEID VAN DE GELOOVIGEN;

OF

SCHAPEN, DIE NIET VERLOREN GAAN,

Mijne schapen hooren mijne stem, en ik ken dezelven, en zij volgen mij. En ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit mijne hand rukken. Mijn vader, die ze mij gegeven heeft, is meerder dan allen; en niemand kan ze rukken uit de hand mijns Vaders. Ik en de Vader zijn een. Joh. X : 27—30.

Onze Heiland heeft niet geaarzeld de diepere leerstellingen des Evangelies te prediken zelfs voor een gehoor, dat uit zeer verschillende bestanddeelen was samengesteld. Toen |Hij begon te prediken ter plaatse waar Hij was opgevoed, verzamelden allen zich vol bewondering om Hem heen, tot dat Hij deleer der uitverkiezing verkondigde; maar toen werden zij zóó verwoed, dat zij Hem gaarne gedood zouden hebben. Zij konden het niet verdragen, dat de weduwen van Israël voorbijgegaan waren, en de vrouw van Sarepta verkoren werd; noch dat een Heidensch melaatsche genezing vond, terwijl de vele melaat-schen van hun eigen volk aan den dood prijs gegeven bleven. De uitverkiezing schijnt veler bloed te verhitten en veler toorn te ontsteken. Niet, dat er hun iets aan gelegen is om zei ven door God uitverkoren te zijn; maar gelyk de hond in de fabel, willen zij dat anderen van dat voorrecht verstoken zullen zijn. Maar zelfs niet om deze uiting van onwil en toorn te voorkomen heeft onze Heere de onderscheidene waarheden des Woords teruggehouden. Terwijl Hij hier het woord richtte tot de Joden, aarzelde Hü niet, om ook zelfs voor dit ruwe gepeupel over deze heerlijke leerstelling te spreken. „Gijlieden gelooft niet,quot; zegt Hy, „want gij zijt niet van mijne schapen, gelijk ik u gezegd heb.quot; Hij verlaagt den maatstaf niet van deze leer; Hy blijft stand houden en brengt den oorlog in des vijands kamp over. Het denkbeeld, dat sommige waarheden niet geschikt zijn om voor eene gemengde schare gepredikt te worden, maar bewaard moeten blijven voor eene bijzondere byeenkomst der heiligen, is, geloof ik, uiterst schadelyk. Chris-

-ocr page 577-

DE VEILIGHEID DER GELOOVIGEN, OF

tus heeft ons niet bevolen een deel van ons onderwijs sub rosd te houden, iets dat niet voor de gewone lieden, voor het algemeen, bestemd is, maar alleen voor de priesters. Hij is voor de openlijke verkondiging van alle waarheid. „Hetgeen ik u zeg in de duisternis, zegt het in het licht; en hetgeen gij hoort in het oor, predikt dat op de daken.quot; Er is geene waarheid, waarvoor wij ons behoeven te schamen; en er is geene waarheid, die schaadt. Wy erkennen, dat elke waarheid verwrongen, misvormd kan worden ; maar zelfs dat is nog een minder kwaad, dan de waarheid te verbergen. Goddelooze men-schen kunnen elke leerstelling bederven en verkeeren naar hunne eigene booze lusten, en zoo wy moeten aflaten van eene leer te prediken, omdat de mogeUikheid bestaat, dat zij verkeerd opgenomen zal worden, dan zullen wij nooit iets prediken, want elke waarheid kan bedorven en vervalscht worden, tot de vruchtbare moeder worden gemaakt van oneindig veel kwaad. Onze Heiland heeft aan zijne discipelen niet gezegd, dat zij zekere dingen alleen voor de ontwikkelden en wel on-derwezenen moeten bewaren; voor die enkelen, die in staat waren ze te begrijpen en aan te nemen; neen, Hy heeft ons bevolen alle de waarheden bekend te maken, daar zij noodig zyn tot overtuiging van zonde, tot bekeering, tot stichting, tot heiligmaking en tot volmaking van het volk Gods. Zelfs tegenover zijne verdierlijkte tegenstanders heeft Hij slechts weinig terughouding aangenomen. Hy hield zijnen tegenstanders deze groote, doch verootmoedigende waarheid voor oogen ; „Gijlieden gelooft niet, want gij zijt niet van myne schapen.quot; Uw ongeloof is een bewijs, dat gij niet zyt uitverkoren, dat gij door den Geest Gods niet zijt geroepen, dat gij nog in uwe zonden zyt.

De Joden hadden tot Hem gezegd: „Indien gy de Christus zijt, zeg het ons vry uit.quot; Zy gaven voor, dat zy meer zekerheid omtrent Hem wenschten te hebben. Dit was een ydel voorwendsel, want Hij had hun gezegd alles wat zij behoefden te weten, maar zy hadden Hemniet geloofd. Daarom heeft Hij hun grootendeels geantwoord door hun meer omtrent hen zeiven bekend te maken. Des menschen kennis is dikwyls niet gebrekkig ten opzichte van het Evangelie, maar ten opzichte van zijne eigene behoefte er aan. Hij kan van Christus wel alles weten wat voor zijne zaligheid noodig is, terwijl hij niet genoeg weet omtrent zich zeiven en zijn\' eigen verloren toestand ; en daarom is hij dan niet in den weg, waarin Christus hem dierbaar wordt, omdat hij met zijn\'grooten, schreien-den nood onbekend is. Zoo begon de Heiland dan tot hen te spreken, niet zoo zeer over zich zeiven als wel over zyn volk, en wat zij wezen moesten. „Mijne schapen hooren myne stem, en ik ken ze, en zij volgen mij.quot;

552

-ocr page 578-

schapen, die niet verloebn gaan.

Ik bid God, den Heiligen Geest, het woord te zegenen voor velen, opdat zij meer omtrent het werk van Christus in hun hart mogen te weten komen, hunne eigene behoefte er aan mogen leeren beseffen, en er aldus toe gebracht mogen worden om Jezus te zoeken en Hem nog heden avond te vinden als hun Zaligmaker en Herder.

Er zijn twee dingen in onzen tekst, die ons genoegzame stof ter overdenking bieden. Ten eerste; wü vinden hier eene beschrijving van des Heeren volk. „Mijne schapen hooren mijne stem, en ik ken ze, en zij volgen mij.quot; Ten tweede; er is hun een voorrecht verzekerd, namelijk hunne eeuwige, ontwijfelbare veiligheid. „Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal ze uit mijne hand rukken. Mijn Vader, die ze mtf gegeven heeft, is meerder dan allen, en niemand zal ze rukken uit de hand myns Vaders. Ik en de Vader zijn een.

I. Ten eerste — en in vergelijking van de ruime stof zal ik er slechts weinig over kunnen zeggen — de beschrijving,

die hier gegeven woedt van het volk gods.

Zij worden ten eerste aangeduid door het particuliere van het bezit: „Mijne schapen.quot; Alle menschen zyn geene schapen, want sommigen zijn vossen, of grijpende wolven, en anderen worden vergeleken by honden en leeuwen. Allen, die schapen genoemd zouden kunnen worden, zijn daarom nog geene schapen van Christus. Allen behooren niet tot zyne kudde. Allen zü\'n niet bijeengebracht in zijn\'stal, zijne schaapskooi. Er is een particulier bezit. Er kunnen vele schapen zijn; maar de Heiland spreekt van „Mijne schapenquot;; van hen, die Hij van ouds verkoren heeft; van hen, die de Vader Hem gegeven heeft; van hen, die gekocht zijn met zijn bloed, verlost zijn van onder de menschen, en ter bestemder tijd bevrijd zijn door zijne macht, want Hij heeft hen teruggekocht uit de hand des vijands, en daarom eischt Hy ze op als zijn eigendom. „Des Heeren deel is zijn volk.quot; Andere heeren hebben hun deel, en Christus neemt het zyne. Zyn volk is het deel zijner erve. Hij spreekt van „mijne schapenquot; als een bijzonder erfdeel, die Hij, als Herder, opeischt als zijn eigendom. Van dezen is Hij de eenige Eigenaar. Hy is niet slechts hun Herder, maar hun Bezitter. Wij lezen van den herder, die slechts huurling is: „wien de schapen niet eigen zynquot;; maar van onzen Goeden Herder, dat „wanneer hij zijne schapen uitgedreven heeft. Hij voor hen henen gaat.quot;

Er is iets particuliers in hun karakter. Zy zijn „mijne schapen.quot; Zij zyn afhankelijk, beschroomd, bevend, gehoorzaam, volgzaam; zij zijn door zijn\' eigen Geest tot schapen gemaakt. Zij hebben eene natuur ontvangen, die niet van de hondenwereld is, noch die van de verdierlijkte menigte, of van den

553

-ocr page 579-

DE VEILIGHEID DER GELOOVIGEN, OP

wolfachtigen vervolger; maar die van menschen, in wie de Geest Gods woont, en die dus rein, zachtaardig, liefdevol en godvruchtig zyn. Hü noemt hen „Mijne schapenquot;, want zy hebben eene bijzondere betrekking op Hem: zij zijn als Jezus. Zijne schapen zijnde, is Hij hun Beschermer geworden, zoowel als hun Eigenaar, en als zoodanig zien zij op Hem. Zij zijn zijne schapen, en Hij is hun Herder.

wy kunnen heden over ons zeiven oordeelen door na te gaan, of wy Christus\' schapen zijn. Erkennen wij, dat wy Hem naar geest, ziel en lichaam toebehooren? Achten wjj, dat wij in betrekking tot Hem niet wijzer, niet sterker zijn dan schapen ten opzichte van hun\' herder? Ik ken sommigen, die stellig geene schapen zyn van Christus\' kudde, want zij willen door niemand in hemel of op aarde geleid worden; zij moeten in alles hun eigen zin volgen. Zij zyn richters, geene discipelen van den Bijbel. Zij zijn wellicht zeer goede honden, maar allervreemdste schapen. Zy zouden zeer goed dienst kunnen doen als wolven, want in afbrekende critiek zijn zij groot; maar schapen zyn zy niet; en hun aard brengt mede, dat zy die hoedanigheid, indien zij haar begrepen, zouden verachten. „Hoe! gaan waar ik word geleid? Nederliggen, waar mij gezegd wordt neder te liggen? Niet mijn eigen weg gaan? Niets te zien, en niets te weten; maar myne oogen te hebben in zijn hoofd, en mijne wijsheid in zijn verstand ? Bestuurd te worden door een\' ander verstand dan het mijne? Moet ik voor den Heere Jezus niets anders zijn dan een schaap?quot; Ja, zoo is het, en vandaar dat de hedendaagsche wijze zoo verontwaardigd is en met zoo veel trots de hoedanigheid van een schaap afwijst. Wat ons aangaat, wij nemen aan alles wat in die benaming ligt opgesloten. O broeders, wij kunnen tegenover onze medemenschen wel mensch zijn, maar als wij ons voor het aangezicht des Heeren stellen, dan gevoelen wy ons, evenals een schaap slechts een dier is voor den herder, minder dan dat. Hoe dikwyls hebben wij met den psalmist uitgeroepen; „Ik was onvernuftig en wist niets; ik was een groot beest bij Uquot;! O Heere, in uwe tegenwoordigheid zink ik zoo laag mogelijk, en Gij wordt zeer hoog, ja Gij wordt alles in alles voor mij, de Herder van mijn zwak, wankelend, sidderend hart! Er is dus ietsparticu-liers in de aanduiding van dit volk; maar de tijd ontbreekt mij om hieromtrent iets anders dan wenken te geven.

Een voornaam kenmerk van het volk des Heeren is aandachtigheid. „Mijne schapen hooren.quot; Zij kunnen hooren, omdat zy geestelijke ooren hebben ontvangen. Voormaals zou de Herder den ganschen dag hebben kunnen spreken, zonder dat zij Hem zouden hebben gehoord; maar thans is dit zoo niet. Zelfs de kreten der smart, die de Heere aan het kruis heeft geuit, hebben zij niet gehoord; maar nu heeft Hij hun een geestelijk

554

-ocr page 580-

SCHAPEN, DIE NIET VERLOREN GAAN.

bevattingsvermogen gegeven, en zij kunnen hooren, en zij hooien ook werkelijk wat zijne stervende liefde hun wil doen weten en verstaan. Hun Heere heeft tot hen gesproken. Zij hebben zü\'ne stem gehoord en haar voor de zijne herkend; zij hooren haar nog, en zy kunnen zijne stem van andere stemmen onderscheiden. „Eenen vreemde zullen zij geenszins volgen, maar zullen van hem vlieden; overmits zy de stem der vreemden niet kennen.quot; Zij hooren die stem thans op de rechte wijze; en zij toonen haar te kennen, door haar met blijdschap te gehoorzamen. Zegt gij niet soms tot een ongehoorzaam kind: „Kind, hebt gy niet gehoord, dat ik tot u sprak?quot; Zoo zegt Christus tot velen, die met het uitwendige oor hooren, maar niet gehoorzamen, dat zy Hem niet hebben gehoord, want inderdaad hebben zij ook met het inwendige oor niet naar Hem geluisterd. Hun oor reikt niet tot hun hart, en dus is het voor geestelijke doeleinden in het geheel geen oor. Het is iets ontzettends als het oor een verstopt kanaal is, gesloten voor de stem des Zaligmakers. Gy kunt de schapen van Christus herkennen aan het merk op hun oor. „Mijne schapen hooren mijne stem.quot; Zij kunnen veel van hetgeen andere menschen hooren, niet hooren, zy kunnen zelfs blijde zijn er doof voor te wezen. Er zijn vele roepstemmen, die zeer welluidend klinken in vleeschelijke ooren, maar voor hen hoegenaamd geene bekoorlijkheid hebben. Zij trachten doof te zijn voor sommige stemmen, van wie zy niets anders zouden hooren dan hetgeen hun tot verzoeking is; maar Christus\' stem hooren zy. Als Hij spreekt, zyn allen daar: hunne ziel is aan de deur om ook zijne zachtste fluisteringen te kunnen hooren. Zij doen hun best om te hooren, zy willen geen enkelen hemelschen toon verliezen. Zy hooren; maar zy verlangen meer te hooren, en meer gehoorzaam te zyn aan de stem, die door de kameren hunner ziel weerklinkt. O hoe hebben wy soms naar Christus geluisterd! Ik heb Hem gehoord met mijn lichaam, myne ziel, myn geest; dit dacht ik ten minste; maar, of het geschied is in het lichaam, weet ik niet, of buiten het lichaam, weet ik niet. Indien in het lichaam, dan was elke porie een oor voor de liefelijke stem mijns Heeren. Alles wat in mij is werd diep ontroerd en bewogen door de bekoorlyke tonen der stem van den Welbeminde. O dat Hij heden avond mocht spreken! Kunt gy Hem niet hooren? Geliefden, Hij roept ons. Verheugt gij u niet Hem te hooren?

Gij ziet alzoo, dat eene merkwaardige bijzonderheid der uitverkorenen is gelegen in de aandacht, die zy verleenen aan Jezus, hun\' Herder, Tot anderen roept Hy te vergeefs; maar zijne schapen hooren zijne stem.

Een ander kenmerk van des Heeren volk is gemeenzame bekendheid. „Mijne schapen hooren mijne stem, en ik ken ze.quot;

555

-ocr page 581-

DE VEILIGHEID DER QELOOVIGEN, 05quot;

„Ik ken ze.quot; Ja, de Heere onderscheidt hen. Hij wijst hen aan, want „de Heere kent degenen, die zijne ztjn.quot; Soms kennen wij ze niet; maar Hü zegt: „Ik ken ze.quot; In donkere tyden kennen zij zich zeiven niet; maar Hij zegt: „Ik ken ze.quot; Als een kind van God niet weet, of hij al of niet een kind van God is, dan weet hun Vader toch wel wie zijne kinderen zijn, en de groote Herder kent zijne eigene schapen. Zijn onderscheidingsvermogen faalt nooit. De geveindsde kan niet in de ware schaapskooi van Christus komen. In de zichtbare schaapskooi kan hij zich wel indringen, maar niet in de ware, geestelijke schaapskooi van Christus; want Christus kent hem niet, en gebiedt hem weg te gaan. Dit is het zegel op het fondament — „De Heere kent degenen, die zijne zijn.quot; Zijne oogen onderscheiden tusschen de rechtvaardigen en de goddeloozen, tusschen hem, die God vreest, en hem, die Hem niet vreest.

Dit zou ons echter doen sidderen, indien wy niet wisten, dat de uitdrukking: „Ik ken zequot;, eene kennis van goedkeuring aanduidt. „Ik ken zequot; zegt de Herder, „Ik schep behagen in ze. Ik ken hun verborgen zuchten en treuren. Ik hoor hun gebed in de binnenkamer. Ik ken den lof, die er in stilte opgaat uit hun hart. Ik ken hunne toewijding, hun streven en begeeren om Mij volkomen te dienen. Ik ken hun verlangen en hunne liefde. Ik weet, dat zij zich in Mij verlustigen. Ik weet, dat zij zien op myn zoenbloed. Ik weet, dat zfl in het binnenste hunner ziel zich verblyden in mu\'n\' naam. Ik ken ze, en heb behagen in hunne verborgene gedachten.quot; O liefelijk woord, zoo het in dien zin wordt verstaan! En dit is een deel van het eigenaardige van Gods volk — dat Hij hen te voren gekend heeft in zy ne vrijmachtige genade, en dat hij hen thans persoonlek kent door zich in hen te veilustigen.

Dit goddelijk welbehagen leidt er Hem toe om hen zeer nauwlettend gade te slaan. ^Hij kent den weg, die bij mij is.quot; „De Heere kent den weg der rechtvaardigen.quot; Hij heeft het oog op hen en let op hunne paden. Zijne ooren zijn open tot hun geroep, en Hij hoort hun gebed. Ofschoon Hü in zijne alwetendheid het gansch heelal gadeslaat, ziet Hy toch cp ieder zijner heiligen, alsof hy de eenige persoon in de wereld was. O denkt dit eens in! „Ik ken zequot;, het klinkt in deze beteeke-nis als muziek in onze ooren. Hy, die de sterren kent, en de tallooze menigte van levende wezens kent, welke bestaan in het heelal, kent in gansch byzonderen zin zijne uitverkorenen. „Ik ken zequot;, zegt Hij, en daarmede bedoelt Hij, dat Hij ze kent doordat hy ze nauwlettend gadeslaat.

Welaan, geliefden, beproeft u zeiven hier aan, en ziet of gij behoort tot hen, van wie Hij aldus zegt: „Ik ken ze.quot; Kent de Heere u als de zijnen ? Heeft Hy een\' persoonlijken omgang met u, en gij met Hem ? Of zal Hij ten laatsten dage tot u

556

-ocr page 582-

SCHAPEN, DIE NIET VEKLOREN GAAN.

moeten zeggen; „Ik heb u nooit gekendquot;? O sommigen van u kent Hij, want gij zijt tot Hem gegaan in zulke beproevingen en in zulke benauwdheden, en gy hebt tot Hem geroepen in zulk een\' bitteren angst der ziel, dat gü, zoo Hij naar uwen naam vraagt, zeggen kunt: „Ik ben degene, die

Gekneld lag in banden van den dood,

Daar d\' angst der hel mij allen troost deed missen;

Ik was benauwd, omringd door droefenissen;

Maar riep den Heer dus aan in al mijn\' nood:

„Och Heer! och. wierd mijn ziel door TT gered!quot;

Toen hoordet Gij.

Toen Gü mij geholpen hebt in mijn\' grooten nood; toen Gij mijne groots zonde voorbij hebt gezien; toen, o mijn Heiland, hebt Gij my gekend! Vraagt Gij m;i, wie ik ben? Heere, Gy kent mijn\' naam.quot; Evenals sommige menschen den lastigen bedelaar zeer goed kennen, die zoo dikwijls aan hunne deur is, zoo kent de Heere stellig sommigen van u, want gij gaat eiken dag naar zijne deur om Hem om iets te vragen, en voortdurend moogt gij iets uit zyne hand ontvangen. En daarenboven gaat gij ook eiken dag tot Hem, om Hem te danken voor de goedertierenheden, die gy van Hem hebt ontvangen. Hij kent uwen naam; den naam van eenen, die alles aan zyne oneindige goedheid en milddadigheid zijt verschuldigd. Hij kan uwe zuchten, uwe „roepingenquot; niet vergeten, en dag aan dag doet uw lof Hem aan u gedenken. Door zyne liefde, zijn medelijden, zyne ontferming moet Hij uwer wel gedachtig zyn. Veeleer kan eene vrouw haren zuigeling vergeten, dan dat God u zal vergeten.

Dat zijn zaken, die onze aandacht overwaardig zijn. Het particuliere van des Heeren zorg voor de zijnen, de opmerkzaamheid, die Hij hun schenkt, en zyne gemeenzame bekendheid met hen. Hebt gy ze ervaren?

Maar nu nog iets: werkelijke gehoorzaamheid. Hoe stelt onze Heere dit voor? „Ik ken ze, en zij volgen mij.quot; Al de schapen des Heeren hebben een merk op hunne voeten, zoowel als op hun oor. Het voetmerk en het oormerk moeten op elk schaap van des Heeren kudde gevonden worden. „Zij volgen mij. Dat is: zij erkennen Hem openlyk als hun\'Herder. Andere herders komen, en dezen worden gevolgd door andere schapen; maar deze schapen kennen den Heere Jezus, en zij volgen hem. Hij alleen is hun Leidsman. Zij schamen zich niet dit te erkennen. Zy nemen het kruis op, en volgen den Kruisdrager, en zy noemen zich naar zijn\' naam.

Meer nog: zij brengen die openlijke erkenning in praktijk zij volgen Hem in het dagelyksch leven, zy volgen zijn voor\'

557

-ocr page 583-

DE VEILIGHEID der geloovigen, op

beeld. Zij zeggen niet slechts: „Hij is mijn Leidsmanquot;, maar zij volgen Hem. Christus\' schapen trachten te wandelen in het spoor, dat Hij voor hen afgebakend heeft. Zij zijn nooit zoo gelukkig als wanneer zy\' in zijne voetstappen kunnen treden. Het spoor dat zijne bloedende voeten hebben achtergelaten, wenschen wy te volgen den ganschen dag en eiken dag. Geliefden, ziet hier wèl op toe! Doet, naar uwe mate en uwe kracht wat Jezus gedaan heeft. Dit is wat Gods volk tracht te doen. Indien gij er niet naar streeft als Christus te wezen, dan zijt gij zijne schapen niet, want van zijne schapen wordt in waarheid gezegd: „Ik ken ze, en zij volgen my.quot;

En dit is van persoonlyke inwerking op hen. Ik kan het niet nauwkeurig in onze taal overbrengen, maar het Grieksche woord geeft hier eene soort van persoonlijkheid aan het gansche gezelschap. „Mijne schapen hooren mijne stemquot;, dat is:dege-heele kudde Gods. „Ik ken zequot;, dat is wederom geheel de kudde, allen te zamen. Maar „zij volgen mijquot; — hiervoor wordt het meervoud gebruikt. Het is alsof er stond: „Zij, dat is, een iegelijk hunner, volgen mij.quot; Wij, des Heeren uitverkorenen, hooren als één geheel, en de Heere kent de geheele gemeente, want zy is als één geheel door Christus verlost; maar wij, een iegelijk voor zich, volgen Hem door zyne genade. „Zy volgen wi/.quot; ïk bemin dit persoonlijk voornaamwoord in het enkelvoud. Er staat niet: „Zij volgen mijne gebodenquot;, ofschoon zij dit doen. Het is nieU „Zij volgen den weg, dien Ik voor hen afgebakend hebquot;, alhoewel zij dit doen. Maar, „zij volgen mij.quot; In hunne individueele persoonlijkheid volgen zy hun Heere in zijne in-dividueele persoonlijkheid. Zij hebben Hem herkend boven zijne woorden, boven zijne wegen, en zelfs boven zyne verlossing. Dit is het groots kenmerk van den Christen, zij leiden niet bloot een leven van zedelijkheid, een leven van oprechtheid, een leven van heiligheid, maar een leven van dit alles te zamen in verband met Christus. Zij volgen Hem; — niet zedelijkheid, niet oprechtheid buiten Christus om, zij volgen hun\' Heere. Een goed leven is goed in iederen mensch. Wij kunnen geen kwaad spreken van de deugd, al vinden wij haar ook in den gewonen zedeleeraar; maar zij is toch niet het volledige merk van Christus\' schapen. De deugden van Christus\' schapen staan in verband met Christus zeiven. De Christen is heilig, enz., omdat hij zijn volmaakten Meester volgt en zich dicht bij Hem houdt. Dit is een der bijzondere en onfeilbare kenteekenen van het kind Gods.

Ik heb alzoo, zeer in het kort, over de beschrijving gesproken, en zal dit onderwerp nu verder aan uwe eigene overdenking overlaten. De beschrijving van de schapen van Christus is wel waardig dat men er over leest, en er veel en dikwijls over nadenkt.

658

-ocr page 584-

schapen, die niet verloren gaan.

11. Mijn voornaamste onderwerp voor heden avond is echter

het groote vooreecht, dat hier aan het volk gods geschonken wordt. Christus heeft hun de onschatbare weldaad verzekerd van eeuwige veiligheid in Hem. Geen schaap van Christus zal ooit verloren gaan. Geen enkel schaap, dat Hy gekocht heeft met zü\'n bloed en tot zyn eigendom heeft gemaakt, zal ooit op zulk eene wijze van Hem wegdwalen, dat het ten laatste omkomt. Dit is de leerstelling, vervat in de verzen, die wij thans te zamen overdenken. Ik zou ten minste geene woorden kunden vinden, die deze leerstelling vollediger of .fjuister zouden uitdrukken, dan zij in deze woorden uitgedrukt is.

De veiligheid van het volk Gods is ten eerste gelegen in den aard van het leven, dat zij hebben ontvangen. Luistert naar dit woord: „En ik geef hun het eeowige leven.quot; Al het geestelijke leven, dat alle de schapen van de kudde thans bezitten, is hun gegeven door hun\' Herder. Nooit is dit van eene andere kudde gezegd kunnen worden. Geen andere herder dan deze kan zijn leven geven voor de schapen: maar Hij gaf hun al het ware leven, dat zy bezitten. Ja meer; Hy gaf hun niet slechts leven, maar Hij onderhoudt dat leven door eene voortdurende schenking. Merkt op, dat er niet geschreven is; „Ik gaf hun het eeuwige levenquot;; maar „Ik geef hun het eeuwige leven. Zij leven steeds uit kracht van het leven, dat Hij hun immer schenkt. Voortdurend ontvangen zij leven van Hem overeenkomstig deze verzekering; „Want ik leef, en gij zult leven.quot; Wat Hij altijd geeft, moeten zü altijd ontvangen, en daarom kan het niet stilstaan of ophouden.

Merk op den aard van dit leven. „Ik geef mijnen schapen het eeuwige leven.quot; Gij weet allen wat „eeuwigquot; beteekent; of liever, niemand kan zich een denkbeeld vormen van de eeuwigheid, dat hare gansche lengte, haar geheelen duur omvat. Alleen dit; Gij weet, dat de eeuwigheid geen einde heeft, en daarom niet tot eene afsluiting kan komen. Indien iemand zeide, dat hij het eeuwige leven heeft gehad, maar het heeft verloren, dan zou hij met zich zeiven in tegenspraak wezen. Het kan niet eeuwig geweest zijn, want anders zou hy het nog hebben. Als het eeuwig is, dan is het eeuwig, en dan is er geen einde aan, en dan is er een einde aan alle verdere redeneering er over. Indien het leven, dat Christus ons geeft, als wij wedergeboren worden, kan sterven, dan is het geen „eeuwigquot; leven; want anders houden de woorden op eenigerlei beteekenis te hebben. Het werk zijnde van den Heiligen Geest, en eene uitvloeiing zijnde van God zeiven, is het leven, dat ons bij de wedergeboorte geschonken word, naar zijn\' aard, een onsterfelijk leven. Heeft de Heilige Geest ons niet voorgesteld als „wedergeboren, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk

559

-ocr page 585-

Ï)E VE1LIGIÏÉID DËR GKLOOVtGEN, OF

zaad door het levende en eeuwigblijvende woord van Godquot;? Het leven Gods, ingeplant door den Heiligen Geest moet eeuwig leven. Daar de gave voortdurend is, en daar het in zich zeiven een eeuwig leven is, moet het ook altijd blijven bestaan.

Maar ik wensch voornamelyk te verwijlen bij het heerlijk karakter van den Gever. „Ik geef mijnen schapen het eeuwige leven.quot; Het leven, dat Christus geeft, is niet het armzalig leven, dat zoowat drie weken duurt, en dan afneemt en sterft of wellicht een\' duur heeft van drie maanden, en dan, als de opwekking voorbij is, den bekeerling laat, waar hij geweest is, zoodat hij van voren af aan moet beginnen. Zoodanig is het godsdienstig leven, dat door menschen wordt opgewekt; maar zoo is het niet met het leven, dat van God komt. Ik zeide, dat de onwezenlijke bekeerde van voren af aan begint maar hoe hij dat doet, weet ik niet, want in de Schrift lees ik wel van menschen, die wedergeboren worden; maar ik lees nergens, dat zij telkens opnieuw wedergeboren worden. Men zegt mij, dat sommigen van onze godsdienstige ijveraars hunne hoorders ontelbare malen bekeerd en wedergeboren hebben gezien; ik heb o. a. gehoord dat eene vrouw bij gelegenheid van eene zekere meeting twaalf maal werd wedergeboren; maar de persoon, die het verhaalde, maakte de schrandere opmerking, dat hij vreesde, dat het de laatste keer niet heel goed gedaan is. Neen, ik denk niet, dat het op die wyze ooit goed gedaan zal worden. Wie overeenkomstig de Schrift is wedergeboren, heeft het eeuwige leven ontvangen, en dat is het eenige leven, dat waard is ontvangen te worden. Ik zou mijn leven niet willen doorbrengen met het Evangelie te prediken, om zoodanige armzalige, voorbijgaande verlossing den menschen te verkondigen, maar te verkondigen, dat de Heere Jezus het euwige leven geeft, dat is waard om er voor te leven en te sterven. Ik zeg u, mijne vrienden, dit is het, wat mij tot Christus heeft gebracht. Toen ik nog jong was, en mijne gedachten liet gaan over de zaken, zagik jongelingen, die tegelijk met my hunne opvoeding hadden ontvangen. Het waren jongelieden van een uitnemend karakter; maar nadat zij hunne ouders hadden verlaten om een beroep te gaan leeren, heeft de wereld, hebben allerlei verzoekingen de overhand over hen gehad, en zoo zijn zij op doolwegen gekomen. Maar toen ik las, dat Christus zijnen schapen het eeuwige leven geeft, beschouwde ik dit als eene zedelijke levensverzekering voor mijne ziel; ik kwam tot Christus, en heb op Hem betrouwd om my ten einde toe te bewaren. Het zal mij eene ontzettende teleurstelling zyn, indien ik ooit ontdek, dat het leven Gods in mij niet eeuwig is, en dat de nieuwe geboorte ons geen volharden ten einde toe verzekert. Ik heb geen biljet genomen voor een vierde van den afstand naar den hemel, neen! ik heb het genomen voor den

560

-ocr page 586-

SCriAPÉN, DIÉ itlET VERLOREN GA.VN.

geheelen afstand. Ik vertrouw, ja ik weet, dat mij geschieden zal naar mijn geloof. Mijn hart verheugt er zich in, het biljet te bezitten, dat mij recht geeft op de geheele reis naar den hemel, en ik geloof, dat ik, tenzij de trein der almachtige genade verongelukt — hetgeen nooit geschieden zal — regelrecht in de hemelsche stad zal aankomen, zoo zeker als de almachtige genade mij daarheen kan trekken; want alzoo is het geschreven: „Ik geef mijn\' schapen het eeuwige leven.quot;

Nu kunt gij er zeker van zijn, dat hetgeen gü de menschen voorstelt, veel invloed zal hebben op de gedragslijn, die zy daarna zullen volgen. Zegt hun, dat zij, zoo zü in Christus gelooven, niet het eeuwige leven zullen ontvangen, maar slechts leven voor eene wijle — leven voor zoo lang zij er goed zorg voor zullen dragen, en ik vrees, dat dit dan ook het geval zal wezen. Het weinigje verandering, waarvan gij spreekt, kan hun wellicht goed doen, maar even zeker als zü slechts tot een tijdelijk, een voorbijgaand leven bekeerd zijn, even zeker zal dat leven dan ook weldra sterven. Gy hebt hun dit ook gezegd. Gij hebt hun niet meer voorgesteld. Maar als gij hun dit voorstelt: — „Door in Christus te gelooven kunt gij het eeuwige leven verkrijgen. Het is geen tijdelijk, geen voorbijgaand leven, maar eeuwig levenquot; — welnu, dan zullen zij dit aangrijpen. Hiervoor gelooven zij in Christus, en hun geschiedt naar hun geloof; en de Heer en Gever des levens wordt verheerlijkt, door hun deze groote, heerlijke gave te schenken. „Ik geef mijn\' schapen het eeuwige leven.quot;

Ik weet niet op welke andere wijze ik over dezen tekst zou kunnen prediken, dan de wijze waarop ik er over gepredikt heb. Iemand zegt: „O, dat is Calvinisme!quot; Het doet er voor mij niet toe wat het is. Het is Schriftuurlijk. Ik heb dit dooiden Heiligen Geest ingegeven Boek voor mij, en ik kan geene beteekenis van deze woorden ontdekken, indien zij niet be-teekenen, dat zij, die van den Heere Jezus leven hebben ontvangen, een eindeloos erfdeel hebben verkregen. Ik kan er geene andere beteekenis in ontdekken. „Ik geef mijn\' scha-den het eeuwige levenquot;, moet beteekenen, dat de geloovigen tot in eeuwigheid veilig zijn. „Dat is eene gevaarlijke leerquot;, roept iemand. Ik heb haaf niet gevaarlijk bevonden, en ik heb er toch vele jaren de proef van genomen. Ik geloof, dat het oneindig veel gevaarlijker zou zijn aan de menschen te neggen, dat zy in waarheid bekeerd kunnen wezen, terwijl dit werk der genade toch binnen zes maanden weder ophouden kan, en dat zij dan weder opnieuw kunnen beginnen, en dit zoo dikwijls als zij willen kunnen herhalen; terwyl het Woord van God hun zegt, dat, zoo zij afvallig worden, het onmogelijk is, hen wederom te vernieuwen tot bekeering. De menschen kunnen vallen en wederom opgericht worden, maar zoo

561

36

-ocr page 587-

t)E VEILIGHEID DER GELOOVlGEN, OP

zij geheel en volstrekt vallen, dan blijft er niets aan hen te doen overig. Indien dit eeuwige leven kon sterven, dan zou de Heilige Geest gedaan hebben, wat Hy kon, en dan bleef er niets te doen overig. Indien het zoo ware, dat het goede zout smakeloos ware geworden, waarmede zou het dan gezouten worden ? Zie weUk een afgrond zich voor u opent; en zie niet uit naar een werk, dat niet alle mogelijke spanning kan verduren. O dat dit eeuwige leven uw deel mocht worden! i: En zoo gaan wij dan een stap verder. De kinderen Gods zijn yeilig, niet slechts van wege het leven, dat zij ontvangen, maar omdat de inwendige gevaren van hen afgewend loordm. Neemt den .•volgenden volzin: „En zij zullen niet verloren gaan.quot; Zy hebben aanleg tot geestelijke krankheid; maar hun Herder zal hun Geneesheer zijn, zoodat zij niet omkomen. Zij zijn schapen, en hebben eene neiging tot wegdwalen; maar hun Herder zal hen hoeden, zoodat zij niet verloren gaan. De tijd is eene beproeving voor hen; zij worden oud, en het nieuwe van den godsdienst slijt uit; maar zjj zullen niet omkomen. Denkt van hen, wat gij wilt, „zy zullen niet verloren gaanquot;, want aldus luidt de belofte.

De eerste verklaring: „Ik geef hun het eeuwige leven, is zoo ruim als zij slechts wezen kan; en deze is nog ruimer, „zy zullen niet verloren gaan.quot; Die regel kent hoegenaamd geene uitzondering. Zy zullen allen bewaard blyven. Laten zy zoo , oud worden als Methusalach, zij zullen niet omkomen, door welke verzoeking zij ook worden aangevallen. Zij kunnen beproefd en beroerd worden; zij kunnen zwak worden, zoodat zy nauwelijks in staat zijn te leven; maar zij zullen niet verloren gaan. Geloofd zij God, deze groote belofte blijft — „Zij zullen niet verloren gaan.quot;

En nu moeten wij nog een\' stap verder gaan, want de tyd ontbreekt ons om bij deze argumenten lang stil te staan. Zy zijn veilig omdat ook uitwendig leed of schade voorkomen wordt. „Niemand zal dezelven uit mijne hand rukken.quot; Velen zullen aan hen rukken, maar niemand zal hen wegrukken. De duivel zal hun menigen afschuwelijken ruk doen gevoelen om hen .weg te trekken; maar uit de hand des grooten Herders zal Hij hen nooit weg kunnen rukken. Hunne voormalige metgezellen en de herinnering aan hunne oude zonden zullen komen, en zeer hard en ook zeer listig rukken; maar de Heiland zegt: „Niemand zal dezelven uit mijne hand rukken.quot; Zoo is hier dan ten eerste hunne veiligheid ; zij zijn in zijné hand; dat is: in zijn hezit, en Hy grypt hen, gelijk iemand éen Voorwerp aangrijpt en vasthoudt, en zegt: „Het is mijn.quot; Gok zal niemand hen wegrukken van onder zijne bescherming. ■Nooit zullen zij van Christus weggerukt worden. Als Hij dit zegt, dan verpandt Hij zyne eer, dat Hy hen zal bewaren;

562

-ocr page 588-

SCHAPEN, DIE NIET VERLOEEN GAAN.

want indien het zijn kon, dat één enkel schaap uitzyne hand wordt gerukt, dan zouden de duivelen in de hel zich verbly-den, en zeggen : „Hij kon hen niet bewaren. Hij heeft gezegd, dat Hij het wilde, maar hy kon niet. Wy zijn er in geslaagd, dit ééne schaap uit de doorboorde hand zyns Verlossers te rukken.quot; Maar zoodanige afschuwelijke juichtoon zal nooit door de gansche eeuwigheidv/orden gehoord. „Zy zullen nietverloren gaan, en niemand zal dezelven uit myne hand rukken.quot;

; Iemand heeft boosaardiglijk gezegd: pZij kunnen zich zeiven wel losmaken uit zyne hand.quot; Maar hoe kan dit waar zyn, als toch de eerste zinsnede luidt: „Zy zullen niet verloren gaanquot; ? Handel eerlijk en oprecht met de Schrift, en gij zult erkennen, dat de belofte: „Zy zullen niet verloren gaanquot; het denkbeeld buiten sluit van verloren te gaan door dat zij eigener beweging uit zijne hand weggaan ; zich door hunne daden en handelingen van Hem losmaken. „Zy zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelven uit mijne hand rukken.quot; Wie zal de omklemming loswringen van de hand, die om mijnentwil en ten mynen behoeve doorboord werd, door den nagel van het kruis? Mijn Heere Jezus heeft my te duur gekocht om mij ooit los te laten. Hij heeft mij zóó lief, dat met die hand geheel zijne almacht in werking zal worden gebracht, en, tenzy er iets bestaat, dat grooter en machtiger is dan de Godheid, kan ik uit die dierbare, yzör-vaste omklemming niet weggerukt worden.

. Om dit nu volkomen zeker voor ons te maken, en de vertroosting nog te vermenigvuldigen voegt de Heiland hier ook nog de zorg en de macht van God zeiven by. Onze Heere zegt :\' „Mijn Vader, die ze mij gegeven heeft.quot; De heiligen Gods zyn veilig, omdat de Vader ze aan zyn\' Zoon heeft gegeven. Hy gaf Hem geene tijdelijke, voorbijgaande erfenis. Hij gaf Hem niet iets, dat Hij daarna weder kon verliezen. Zal de Heere Christus verliezen wat zijn Vader Hem heeft gegeven ? Gy weet, dat de menschen wel eens zeggen : „O als een dief bij mij komt stelen, dan hoop ik, dat hij dien beker niet zal wegnemen, want dat is een erfstuk in mijne familie. Mijn vader gaf hem my.quot; Indien iemand zijn\' eigendom moest verdedigen, dan zal hy in de eerste plaats zorg dragen voor het-r geen een geschenk was iemand, dien hy liefheeft; ofdateener gave der eere was, als eene herinnering aan een groot, werk; Zoo is het met onzen Heere Jezus; Hij waardeert hetgeen zyn-Vader hem gegeven heeft. Ik verlustig mij in deze gedachte,\') Ik stel mij mijn\' gezegenden Heiland voor, iedei-; zijner geloo-/ vigen aanziende en zeggende: Myn Vader heeft u aan My gelt; geven.quot; Die arme vrouw, die worstelende jongeling, die zieke-: Lyke oude dame, die man, die half verhongerd is, maar die; zijn\' Heere lief heeft — van die allen en een iegelijk hunner

863;

-ocr page 589-

ÖE VËIL16ÖE1D DER GELOOVIGEN, Of

zegt Jezus; Mijn Vader heeft die ziel aan Mij gegeven.quot; Hij kan niet verliezen wat zijn Vader Hem heeft gegeven. Hü wilde liever sterven dan hen verliezen. Zijn dood heeft hunne zaligheid buiten alle gevaar gesteld. Hij heeft zijn leven gesteld voor de schapen. De leeuw kwam en sprong onder de kudde; maar de Herder trad den leeuw tegen ; ja richtte diens aanval op zijne eigene naakte borst en hield hem daar vast. Het was eene ontzettende worsteling. De Heere zweette groote droppelen bloeds terwijl Hij het monster gekluisterd hield; maarHü scheurde hem, en slingerde hem ter aarde, uitroepende: „Het is volbrachtquot;; en het was volbracht. Hij heeft geheel zijne kudde tot aan dezen oogenblik zoo zeer verlost en behouden, dat wü er zeker van zijn, dat Hij nooit een dergenen zal verliezen, die de Vader aan zijne zorg heeft toevertrouwd. „Mijn Vader heeft ze mij gegeven.quot;

En dan vaart Hij voort te zeggen, dat zijn volk bewaard wordt door zijns Vaders macht; want Hij zegt. „Mijn Vader, die ze mij gegeven heeft, is meerder dan allen.quot; Geliefden, hoewel God ons aan Christus gegeven heeft, heeft Hij toch niet opgehouden zelf voor ons te zorgen ! Ik moet u onzen liefelykèn tekst van den vorigen Zondag in herinnering \'brengen. Ik heb hem niet volledig kunnen behandelen; maar de tekst was ook zonder leerrede op zich zeiven genoeg: „Al het mtfne is uwe, en het uwe is myne; en ik ben in hen verheerlijkt.quot; Wij hebben getracht u aan te toonen, dat wij, omdat wij des Zoons zijn, daarom toch niet minder ook des Vaders zijn; en niet minder des Zoons, omdat wy den Vader toebehooren. Zoo zegt Jezus hier werkelijk : „Mijn Vader heeft u aan mij gegeven, maar daarom draagt Hij niet minder zorg voor u, maar juist des te meer. Omdat Hy vast besloten is, dat, wat Hij Hem gegeven heeft Zijne zal zijn, zal de Heere zijne wijsheid en macht aanwenden om u te bewaren.

Laat mij u door een symbool de laatste woorden van den tekst trachten op te helderen. Daar liggen de kinderen Gods in de hand van Christus. Ziet gij die vast geklemde hand ? Daar zijn zij veilig. Jezus zegt: „Niemand zal in staat zijn za uit mijne hand te rukken.quot; Maar ziet: de Vader strekt zijne hand uit over de hand van Jezus! En zoo bevindt gij u dan nu in twee handen. „En niemand kan ze rukken uit de hand mijns Vaders.quot; O welk eene vredige, kalme bewustheid van veiligheid wordt genoten door hen, die de stem van Christus hooren, en die Hij zijne schapen noemt! Eene dubbele macht, de macht van twee handen bewaart hen veilig tegen alle kwaad. Ruk Satan, zooveel gij wilt. Nooit zult gij ze uit de hand van Jezus en uit de hand des Vaders rukken! Quis separabitT\' „Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus ?quot; Het kan onmogelijk geschieden.

564

-ocr page 590-

SCHAPEN, DIE NIET VERLOREN GAAN.

En dan besluit de Zaligmaker met te zeggen, dat, terwijl Hij van den Vader en van zich zeiven gesproken heeft als twee — en als Personen zijn zij twee — zijn zij toch in hun goddelijk wezen één. „Ik en de Vader zijn éénquot;, zegt Hij; één, inzonderheid in liefde tot zijn volk. „De Vader zelf heeft u liefquot;; evenals Hij zyn\' Zoon liefheeft; en als gij leest van de liefde van Christus in zijn\' dood; dan moet gij in die groote offerande even duidelijk de liefde des Vaders kunnen lezen. Het is waar van onzen Heere Jezus, dat Hij „de gemeente liefgehad heeft, en zich zeiven voor haar heeft overgegevenquot;; maar het is even waar, dat „God de wereld alzoo liefgehad heeft, dat Hij zyn\' eeniggeboren Zoon gegeven heeft.quot; Zij zijn één in oneindige liefde voor allen, die, geroepen overeenkomstig het raadsbesluit Gods, Christus volgen en zijne stem hoo-ren. Ik houd mü met innige blijdschap vast aan de zalige overtuiging, dat Hü niet verloren zal laten gaan, die uit zijne handen het eeuwige leven hebben ontvangen. Indien gij slechts een tijdelijk leven hebt ontvangen, indien gij in niets meer dan dit gelooft, dan zult gij ook niets meer dan dat ontvangen. Uwe gave zal u toegemeten worden naar uw geloof. Zoo gij echter zegt: „Ik heb mij aan Christus overgegeven, opdat Hij de Alfa en de Oméga voor mij zij, ik wil mij geheel en zonder eenige terughouding aan Hem toevertrouwen om mij te verlossen en zalig te maken, dan zal Hij het doen; want „Ik ben verzekerd, dat Hij machtig is, mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaien tot dien dag.quot; „Vertrouwende ditzelve, dat Hij, die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op den dag van Jezus Christus.quot; „Het pad van den rechtvaardige is gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot den vollen dag toe.quot;

Gij züt veilig in Christus\' hand. Weet dit, en gevoel er de blijdschap van. „O!quot; zegt iemand, „maar indien ik dit dacht, dan zou ik in de zonde vallen !quot; Dit doet mij leed voor u, want de zaken schijnen eene vreemde uitwerking op u te hebben. Er is niets, dat mij zoo vast aan mijn\' Heere verbindt als een sterk geloof in zijne onveranderlijke liefde. „O! maar het zou veel veiliger zijn uwen hoorders te zeggen, dat zij door de zonde overwonnen kunnen worden, en dat zij dan verloren gaan.quot; Ik wil hun niet zeggen wat ik niet geloof. Ik wil mijn\' Heere niet onteeren door eene leugen. Zal ik in uw huis komen en tot uwe kinderen zeggen, dat gij, zoo zij kwaad doen, hun het hoofd zult afsnijden; of dat zij, als zij u ongehoorzaam zijn, ophouden uwe kinderen te wezen. Indien ik zulk eene leer verkondigde, uwe kinderen zouden toornig worden wegens dit lasteren van hun\' vuder. „Neen,quot; zouden zij zeggen, „wij weten wel beter!quot; Ik zou veeleer tot hen zeggen : „Kinderen, uw vader heeft u lief; hij zal u altijd liefhebben, doet hem dus

565

-ocr page 591-

DE VEILIGHEID DEE GELOOVIGEN, ENZ.

geen verdriet aan.quot; Dan zouden ware kinderen zeggen : „quot;Wij zullen onzen immer liefdevollen vader beminnen. Wy zullen hem niet ongehoorzaam zijn. Wij zullen trachten in zijne wegen te wandelen.quot; Onze liefderijke Heere zal hen niet verstoeten, met wie Hij door huwelijksbanden is verbonden.

„Maar gesteld nu eens, dat wy zondigen.quot;-Dan zal Hij ons kastyden en terecht brengen. „Indien ik in zulk eene leer geloofde, dan zou ik leven naar het goeddunken van mijn hart,quot; zegt iemand. Dan zyt gij niet een zijner schapen; want zijne schapen beminnen heiligheid en zullen geene ongerechtigheid liefhebben. De verandering, die door de nieuwe geboorte wordt gewerkt, is van zulk een\' aard, dat de wedergeboren mensch niet naar zyne oude wegen van zonde en dwaasheid zal we-derkeeren. Ware heiligen zullen de genade Gods niet tot losbandigheid misbruiken; neen, de bloote vermelding der eeuwige liefde leidt hen tot nauwgezette gehoorzaamheid.

Nog iets ten besluite. Sommige leeraren prediken een Evangelie met eene zeer wijd geopende deur, maar als gij er binnentreedt vindt gij er niets. Er wordt mij soms toegevoegd, dat ik myne deur een weinig te eng maak. Dit is niet zoo, want ik predik het Evangelie aan ieder schepsel onder den hemel, en dat wel uit alle macht; maar al zou de deur ook eng zijn, als gij er binnentreedt, vindt gy iets, dat de moeite waard is om te hebben. En is ook de weg eng, zoo gy er eens op wandelt, dan blijft gy er op wandelen, en dan hebt gy\' het eeuwige leven gevonden, en dan zult gy niet verloren gaan, en dan zal niemand u uit Christus\' hand rukken. Zondaar, kom, en ontvang een\' eeuwigen zegen! Hy is waard, dat men hem bezit. Kom, en ontvang hem ! Indien gij gelooft, dan zultquot;\' gij ge-wisselyk zalig worden. „Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal] zalig worden,quot; verlost van de zonde, zoodat men er nooit weder toe terugkeert om er in te leven; zóó verlost, dat men ook heilig gemaakt is; zóó verlost, dat men óók in heiligheid bewaard wordt. Naar heiligheid zal het voorname streven zijn van uw leven, totdat gy volmaakt heilig gemaakt, hier Boven bij God zult wonen.

Laat ons heden avond onzen geest bevelen in zijne handen dan kunnen wy verzekerd zijn, dat hij tot in eeuwigheid veilig zal wezen. Amen.

566

-ocr page 592-

HET EEUWIGE LEVEN.

„En ik geef hun hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit mijne hand rukken !

Joh. X: 28.

Sommigen zullen zeggen, dat dit eene gemengde vergadering is, en dat eene leerstelling als deze niet in de tegenwoordigheid van ongodvruchtige mannen en vrouwen behandeld moet worden/Hieruit blü\'kt slechts hoe weinig zij, die zulke tegen* werpingen maken, den Bybel lezen, want onze Heiland heeft deze zelfde tekst niet gesproken tot zijne liefhebbende discipel len, maar tot zijne vijanden. Leest het 31ste vers van dit hoofdstuk, en gij zult de gezindheid begrijpen van hen, voor wie Jezus Christus over dit onderwerp heeft gepredikt. —- „De Joden dan namen wederom steenen op, om hem te steenigen.quot; Zoodat het der vertoornde menigte van dwepers door den Heiland in het aangezicht werd geworpen, dat, schoon, zi)\' Hem verwierpen, en hoewel zij door hunne moedwillige hardnekkigheid de zegeningen der genade zouden derven, die zegeningen toch ryk en kostelijk waren. Hü wilde hun doen weten, dat hetgeen zü verloren van onuitsprekelijk groote waarde was, en dat zij zijne boodschap niet konden versmaden zonder groote schade voor hunne ziel. Indien het dus eene gemengde vergadering is tot wie ik heden het woord richt — en ik. vrees dat die veronderstelling maar al te juist is, en dat er velen hier zijn, die de dierbaarheid der dingen Gods niet kunnen begrijpen —• zullen wij toch om dezelfde reden, die er den Heiland toe drong deze leer te prediken voor de ooren der goddeloo-zen van zijn\' tyd, heden hetzelfde doen, opdat zij mogen weten wat het is, dat zij verliezen door Christus te verliezen, hoe heerlijk en troostrijk de dingen zijn, die zij versmaden ; wat onwaardeerbare schatten zü moeten missen, die de schatten dezer wereld zoeken en hun\'God en hun\'Zaligmaker voor-bügaan.

Wy hebben geen tyd om te talmen; laat ons dan, gelijk de by honing zuigt uit de bloem, het liefelijke zoeken van den

-ocr page 593-

het eeuwige leven.

tekst; „Ik geef hun het eeuwige leven.quot; Het tekstverband zegt ons, dat het voornaamwoord „hunquot; op de schapen van Ohris-tus ziet, op zekere menschen, die Hij verkoren heeft om zijne schapen te zijn, en die Hij daartoe ook geroepen heeft. Opdat wij nu zouden weten, wie dat zijn, heeft onze Heiland ons in zijne genade de kenteekenen gegeven, waaraan zij te ontdekken zijn. De geheime rolle der uitverkiezing kunnen wij niet lezen, en evenmin kunnen wij het hart doorgronden; maar wèl kunnen wij op het uitwendig gedrag der menschen letten, en het vers, dat wij thans te zamen overdenken geeft ons de teekenen aan, waaraan wy Gods volk herkennen. „Mijne schapen hooren mijne stem, en ik ken ze, en zij volgen mij.quot; Die teekenen zijn het hooren naar Christus, en daarna het volgen van Christus, ten eerste door het geloof in Hem, en daarna door eene werkdadige gehoorzaamheid aan zijne geboden. „Geloof door de liefde werkende,quot; dat is het merk van Christus\' schapen; en het is van ware geloovigen, dat Hü spreekt, als Hij zegt: „Ik geef hun het eeuwige leven, en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal ze uit mijne hand rukken.quot; Gave God, dat wij allen de livrei der uitverkorenen droegen, welke bestaat in werkzaam, heiligmakend geloof ! O mochten wij allen luisteren naar de stem des Grooten Herders; dat wij de waarheid mochten aannemen, die Hij verkondigt ! En mochten wij dan genade hebben om te besluiten Hem te volgen waar Hij ook heengaat, gelijkdeschapen hun\'herder volgen.

Aldus aangeduid hebbende aan wie de tekst rechtmatig toekomt, zullen wij hem thans op drieërlei wijze behandelen. De tekst behelst ten eerste iets betreffende het verleden dezer menschen; de tekst zegt in de tweede plaats zeer veel over het heden van deze menschen, en do tekst geeft in de derde plaats duidelijke wenken betreffende hunne toekomst.

I. De lezer zal dan in de eerste plaats bemerken, dat de tekst iets bevat omtrent het verleden van het volk Gods.

Er wordt gezegd : „Ik geef hun het eeuwige leven. Hierin ligt dus opgesloten, dat zij het eeuwige leven hadden verloren.

Allen, die tot Gods volk behooren zijn gevallen in Adam; en allen zijn ook gevallen door hunne eigene, dadelijke zonde. Dientengevolge kwamen wij onder de veroordeeling, en Christus Jezus heeft voor ons gedaan wat Hare Majesteit de Koningin soms voor een veroordeeld misdadiger gedaan heeft — Hij heeft ons gratie, vergeving geschonken. Hij heeft ons het leven geschonken. Toen hetgeen wij verdiend hadden eene eeuwige verwoesting was voor het aangezicht des Heeren, kwam Jezus Christus tusschen beiden, en zeide : „Gij zijt begenadigd ; het vonnis zal aan u niet voltrokken worden; uwe overtreding is uitgedelgd; gij zijt rein.quot; Ja, ik geloof, dat de tekst nog iets meer behelst; er was ook voltrekking van straf. Wij

568

-ocr page 594-

HET EEUWIGE LEVEN.

waren niet slechts veroordeeld om te sterven; geestelyk waren wü reeds dood. Jezus heeft niet slechts het leven gespaard dat verbeurd was, en het ons in dien zin geschonken; maar Hy heeft ons ook een leven gegeven, dat wij te voren niet hebben gekend. De tekst geeft te kennen, dat wy geesteliik dood waren; ja wij zyn hieromtrent geenszins aan onze eigene gissingen overgelaten, en zelfs niet aan onze eigene ervaring, want de apostel Panlus heeft gezegd: „U heeft hij mede levend gemaakt, daar gü dood waart door de misdaden en de zonden,quot; Hoe! Paulus, dood? Vergist gij u niet? Zij waren misschien slechts een weinig krank ? Ja wij willen zelfs wel erkennen, o apostel, dat zy krank waren, krank tot stervens toe; maar er was toch voorzeker nog een weinig levenskracht in hen, een weinigje vermogen om zich zeiven te helpen ! „Neen,quot; zegt de apostel, „gü waart dood door de misdaden en de zonden,quot; Het werk der verlossing geldt niet slechts het heelen der kran-ken, maar ook de werkelijke opstanding van een\' doode uit zijn graf. Al de heiligen, die thans Gode leven, waren eens even dood als de anderen, en van wege hunne zonden evenzeer een stank in de neusgaten der Goddelijke Gerechtigheid, als ook de meest verdorvenen hunner medegenooten. Allen zyn wij afgeweken, te zamen zijn wij gruwelijk geworden, want „er is niemand, die goed doet, ook niet één. Toen wij allen besloten waren onder de zonde, is Jezus Christus in het gebied des doods gekomen en heeft ons leven en onsterfelijkheid gebracht. Alle heiligen hadden het leven verbeurd; geestelijk leven bezat niemand hunner; Jezus de Levendmaker, heeft hen Gode levend gemaakt.

Ligt hier ook niet zeer duidelijk in opgesloten, dat dese rwew-schen, ver van eenig leven te bezitten, het leven niet anders konden verkrijgen dan door schenking. Het is\' allen, die de Schriften onderzoeken, wel bekend, dat in het Woord Gods geen on-noodig wonder te vinden is, dat geen wonder geschiedde, waar de gewone loop der natuur volstaan zou hebben. Welnu, broeders, het grootste van alle wonderen is de verlossing eener ziel. Indien die ziel zich zelve kon verlossen, dan zou God haar niet verlossen. Hij zou haar zelve laten doen wat zij kon. En indien de geestelijk dooden zich zeiven levend konden maken, zoo kunt gij uit de overeenkomst met andere goddelijke handelingen er van verzekerd wezen, dat Jezus Christus niet gekomen zou zijn om hun leven te geven. Ik geloof, dat het voor iemand onzer volkomen onmogelijk zou zijn den hemel binnen te gaan, hoe wij er ons ook voor zouden inspannen, indien Jezus Christus niet van den hemel gekomen ware om ons den weg te wijzen, de grendels en sloten voor ons weg te nemen, en ons in staat te stellen het pad te betreden, dat naar de heerlijkheid en onsterfelijkheid heenvoert. Verlo-

569

-ocr page 595-

HET EEUWIGE LEVEN.

ren! verloren! verloren! Het geslacht was geheel en volkomen verloren; niet gedeeltelü\'k verloren; niet in een\' toestand gebracht, waarin het verloren zou gaan, tenzij het alle krachten inspande om zich zeiven zalig te maken; maar zoo verloren, dat, zonder de verschijning van God in het vleesch, zonderde ontzettende gebeurtenis op Golgotha en zonder het werk des Heiligen Geestes in het hart, geene enkele doode ziel ooit tot leven zou kunnen komen. Het eeuwige leven zou niet het bü-zondere werk des Heeren Jezus kunnen zijn, indien de mensch er ook iets mede te doen had; maar nu is de macht des men-schen buitengesloten, en de genade heerscht.

By een weinig nadenken zal men in den tekst duidelijk kunnen zien, dat het eeuwige leven geene verdienste was van iemand uit Gods volk, want er wordt gezegd, dat het ons gegeven is. Nu is eene gave het tegenovergestelde van eene betaling. Wat iemand ontvangt als eene gave, heeft hy gewisselijk niet verdiend. Indien het ons gegeven wordt, dan is het geene schuld geweest; maar als het eene schuld is, dan kan het geene gave zijn. Niemand onzer verdient het eeuwige leven, of kan het ooit verdienen. Het bloot sterfelijk leven is eene gave der goddelijke genade; wy verdienen het niet. En wat betreft het eeuwige leven waarvan in den tekst gesproken wordt, het is een geschenk, te hoog, dat dan de vingeren der menschelyke verdienste kunnen hopen haar te bereiken. Al zou iemand ook uit alle macht er naar streven, op den voet der wet zou het hem toch onmogelijk zyn het te verkrygen. De mensch verdient niets dan de dood, en het leven moet de vr;je gave Gods zyn. „De bezoldiging der zonde is de dood;quot; datjis: de dood wordt verdiend en teweeggebracht als iets, dat verschuldigd is; „maar de genadegifte Gods,quot; de gave der vrije genade Gods „is het eeuwige leven.quot; Nu weet ik wel, dat dit eene zeer verootmoedigende leer is, maar zij is waar, en ik wensch, dat gij er allen van doordrongen zult zijn. Kinderen Gods, ik weet, dat gij dit gevoelt. Gy kent de holligheid des bornputs, waaruit gij gegraven zijt. Ziet gy haar ? Of zyt gij in den laatsten tyd hoogmoedig geworden ? Zijt gy u op uwe fraaie gevoelens en schoone gebeden gaan verhoovaardigen ? Ik bid u, bedenkt wat gij geweest zyt! Gij hoogmoedig! Vergeet den mesthoop niet, waarop gy geteeld zyt. Herinnert u het modderig slyk, waaruit God u opgericht heeft, en in plaats van de scharlaken kleederen des hoogmoeds te dragen, mag het rood der schaamte uwe wangen bedekken! O moge God het eens voor altijd verhoeden dat wy in iets zouden roemen; immers wat hebben wij om in te roemen ? Wat hebben wy dat wij niet hebben ontvangen?

Het is ook duidelijk uit den tekst, dat zij, die thans recht vaardig zijn, zonder Christus verloren zouden gegaan zijn. Chris-

570

-ocr page 596-

HET EEUWIGE LEVEN.

tus zegt; „Zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid.quot; Beloften worden nooit geschonken als overtolligheden. Er is voor deze belofte dus ook eens noodzakelijkheid. Er was gevaar, een ernstig gevaar, dat ieder van hen, die thans verlost en behouden zijn, voor eeuwig verloren zouden zijn gegaan. De zonde heeft hen tot erfgenamen des toorns gemaakt, gelijk ook de anderen. Dat leert ons de Schrift. En de gerechtigheid zou hen hebben moeten verpletteren, indien de onderscheidende genade Gods het niet voorkomen had. Gij leeft, maar gij zoudt in geestelijken zin geen uur geleefd hebben, indien de Heilige Geest niot voortgegaan ware met levenskracht uit te storten in uwe ziel. Gy zult bewaard worden, doch merk het wel op, het wordt gezegd als eene belofte, en daarom is het volstrekt niet iets, dat noodzakelijker wijs en als van zei ven had moeten geschieden. Zonder de genade zijt gij in ontzettend gevaar van afvallig te worden, en waarschijnlijk komt vrees hiervoor thans op in uw hart; evenals de apostel, die beducht was, dat hy anderen gepredikt hebbende, zelf verwerpelijk zou worden. Dit is eene zeer gepaste vreeze, die dikwyls de ziel der oprechten zal vervullen, die een\' heiligen ijver over zich zeiven gevoelen. Maar als wij tot Gods belofte komen, behoeven wij niets te vreezen, want zoo wij waarlijk in Christus zijn, dan is onze veiligheid gewaarborgd, daar Christus zelf gezegd heeft; „Zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid.quot; De belofte was stellig gegeven, omdat er behoefte aan was. Er is gevaar van verloren te gaan; de Almacht alleen kan de vurige pijlen van Satan uitblusschen. Het vergift zou ons dooden, indien de gezegende Geneesmeester ons niet het tegengift gaf. Hy, die gezworen heeft ons veilig te huis te zullen brengen, beschermt ons tegen duizend vijanden, die ons anders kwaad zouden berokkenen. „Zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid.quot;

Hierin ligt mede opgesloten, dat de kinderen Gods van nature tien duizend vijanden hebben, die hen uit Christus\' hand zouden .willen rukken. Eens waren zij in de hand des vijands, de gewillige slaven van Satan. Dit alles weten zij, en allen zijn gewillig het te erkennen. Gave God, dat sommigen, hier tegenwoordig, de waarheid gevoelden van hetgeen ik gezegd heb. Gij, eigengerechtigen, zult zeggen; „Met mij is alles wel, ik doe mijn best, ik ga naar de kerk.quot; Welaan, ziele, dat is op zich zeiven zeer goed, maar zoo gij hierop roemt, dan is dit een blyk, dat gij noch God, noch u zeiven kent. Als ik sommigen heb hooren zeggen, dat zij geene aangeborene zonde in ,zich gewaar worden, dan heb ik wel eens gewenscht, dat zij de geschiedenis lazen van den Farizeër en den Tollenaar. Op een\' bidstond is het gebeurd, dat een broeder om het gebed der geloovigen verzocht, omdat hy het bederf van zyn eigen hart zoo zeer gevoelde, en zich zoo blootgesteld wist aan de

,571

-ocr page 597-

het eeuwige leven.

verzoekingen van Satan, en inzonderheid aan de snoodheid van zijne eigene natuur. Toen stond een andere broeder op, die zeide God te danken, dat dit zyne ervaring niet was; want hij gevoelde geenerlei bederf in zich; zijn hart was niet verdorven. De eerste antwoordde hier niet op; maar een vriend, die daar ook tegenwoordig was, las deze woorden; „Twee raen-schen gingen op in den tempel om te bidden, de een was een farizeër, en de ander een tollenaar. De farizeër staande, bad dit by zich zei ven: O God! ik dank U, dat ik niet ben gelijk de andere menschen, roovers, onrechtvaardigen, overspelers; of ook gelijk deze tollenaar. Ik vast tweemaal per week, ik geef tienden van alles, wat ik bezit. En de tollenaar, van verre staande, wilde ook zelfs de oogen niet opheffen naar den hemel, maar sloeg op ziine borst, zeggende: O God! wees mij zondaar genadig! Ik zeg ulieden: deze ging af gerechtvaardigd in zyn huis, meer dan die: want een ieder, die zich zeiven verhoogt, zal vernederd worden, en die zich zeiven vernedert, zal verhoogd worden.quot; De bewustheid van zonde is een gezegend teeken, hetzij van reeds ontvangen vergeving, of van vergeving, die nog geschonken zal worden. quot;Wie zegt, dat hü niet gezondigd heeft, maakt God tot een\' leugenaar, en de waarheid is niet in hem. Wie zijne zonde niet wil belijden, zal geene vergeving ontvangen; maar wie met een verbroken, sidderend hart naar den voet van het kruis gaat, zal er vergeving vinden. Dit voor zooveel den vroegeren toestand van de erfgenamen des hemels aangaat.

II. Naderen wij thans tot het onderwerp. De tekst stort

een stroom van licht op den tegenwoordigen toestand van ieder geloovige.

In stede van eene uitvoerige verklaring zullen wij u slechts wenken kunnen geven. Beschouwt dan den eersten volzin, die spreekt van eene gave te ontvangen. „Ik geef hun het eeuwige leven.quot; Deze gave is in de eerste plaats leven. Gij zult het Woord Gods op vreemde wijze misverstaan, zoo gij leven verwart met bestaan, want dat zijn zeer verschillende zaken. Alle menschen zullen eeuwig bestaan; maar velen zullen verwijlen in den eeuwigen dood, zij zullen van het leven hoegenaamd niets kennen. Leven is iets, dat gansch en al onderscheiden is van bestaan; in het quot;Woord Gods wordt er bedrijvigheid, werkzaamheid en geluk mede te kennen gegeven. In den tekst, dien wij thans behandelen, zijn er velerlei zaken in opgesloten. Let op het verschil tusschen een\' steen en eene plant. De plant heeft een plantaardig leven. Gy kent het onderscheid tusschen dier en plant. Hoewel de plant oen plantaardig leven heeft, is zij toch volstrekt dood in den zin, waarin wij van levende schepselen spreken. Zy kent de gewaarwordingen niet, welke tot het dierlijk leven behooren. En wederom: wenden

572

-ocr page 598-

het eeuwige leven

wü ons tot een\' hoogeren graad van leven, namelyk het verstandelijk leven, dan is het dier, voor zooveel het dit betreft, dood. Het kan in de geheimmenisvolle berekeningen van den wiskundige niet inkomen; het kan zich in de verhevene heerlijkheid der poëzie niet verlustigen. Het dier heeft niets van doen met het verstandelük leven van den geest; ten opzichte daarvan is het dood. Nu is er een graad van leven, dat nog hooger is dan het verstandelijk leven — een hooger leven, dat den wysgeer volstrekt onbekend is, waarvan in Plato niets wordt gevonden, en waarvan door Aristóteles geen gewag wordt gemaakt; maar dat door de geringsten van Gods kinderen wordt begrepen. Die gestalte van leven wordt genoemd „geestelijk levenquot;. Het is een geheel nieuwe vorm van leven dat den mensch van nature niet eigen is, maar dat hem door Jezus Christus wordt geschonken. De eerste mensch, Adam, is geworden tot eene levende ziel, en al zijne nakomelingen zyn hem gelijk gemaakt. De tweede Adam is geworden tot een\'levendmakenden geest, en vóórdat wij den tweeden Adam gelijkvormig zjjn gemaakt, weten wtf niets van geestelijk leven. Ons lichaam is van nature geschikt gemaakt voor een ziellijk leven. De apostel zegt ons in dit wondervolle hoofdstuk van zijn Isten brief aan de Corinthen, dat het lichaam is — wat ? „Een natuurlijk lichaam.quot; In het Grieksch staat hier: „Een zielljjk lichaamquot; — maar „het wordt opgewektquot; — wat? „Een geestelyk lichaam.quot; Er is een ziellijk lichaam en er is een geestelijk lichaam. Er is een lichaam, dat geschikt is voor het lagere leven dat aan alle menschen gemeen is, een bloot verstandelijk bestaan; en er zal een lichaam wezen, dat aan allen gemeen zal wezen, die geestelijk leven ontvangen hebben, en die in dat lichaam zullen wonen in den hemel als in het huis van hun\' volmaakten geest. Het leven, dat Jezus Christus geeft aan zijn volk, is geestelijk leven, en daarom is het een verborgen leven. „Gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet, vanwaar hij komt, en waar hij henengaat; alzco is een iegelijk, die uit den Geest geboren is.quot; Gij, die verstandelijk leven hebt, kunt aan het paard of aan den hond niet duidelijk maken wat het is; en evenmin kunnen wij, die geestelijk leven hebben, verklaren wat het is aan hen, die het niet hebben. Gij kunt hun zeggen wat het doet, en wat het uitwerkt, maar wat die „vonk der hemelsche vlamquot; is, weet gij zeiven niet, al zijt gij er u ook van bewust, dat het in u aanwezig is.

Het is geestelijk leven, dat Jezus Christus geeft aan zijn volk; maar het is meer nog dan dit, het is goddelijk leven. Dit leven is als het leven Gods, en daarom is het verheffend. „Opdat gijquot;, zegt de apostel, „der goddelijke nature deelachtig zoudt worden.quot; „Die wedergeboren zijt niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad.quot; quot;Wy worden niet goddelijk, maar wij

573

-ocr page 599-

HET EEUWIGE LEVEN.

ontvangen eene natuur, die ons in staat stelt met God te sym-pathiseeren, behagen te scheppen in de dingen, die den Eeuwigen Geest bezig houden, en te leven naar dezelfde beginselen aiS waarnaar de heilige God leeft. Wy hebben lief, want .God is liefde. Wij beginnen heilig te zün, want God is driemaal heilig. quot;Wij smachten naar volmaaktheid, want Hij is vol\' maakt. Wij verlustigen ons in goed doen, want God isgoed. Wy komen in eene nieuwe atmosfeer. Wü verlaten den ouden kring van bloot verstandelijke vermogens; onze geestelyke vermogens maken ons verwant aan God. „Laat ons menschen makenquot;, zeide Hij, „naar ons beeld, naar onze geiykenis.quot; Dat beeld heeft Adam veiloren; dat beeld heeft Christus hersteld, en Hij geeft ons het leven, dat Adam verloren heeft ten dage dat hü heeft gezondigd, toen God tot hem zeide: „Ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven.quot; In dien zin is hy gestorven; het vonnis werd niet verdaagd; geestelijk is hy gestorven op het eigen oogenblik, dat hij de vrucht aanraakte. Dit lang verloren leven nu geeft Jezus Christus terug aan elke ziel, die in Hem gelooft. i;

■ Uit hetgeen ik gezegd heb zult gij bemerken, dat dit. leven hemelsch is. Het is hetzelfde leven, dat zich uitbreidt en ontwikkelt in den hemel. De Christen sterft niet. Wat zegt de Heiland? „Die in mij gelooft zal niet sterven in der eeuwig\' beid.quot; Sterft het verstandelijk leven niet? Gewis! Sterft het bloot lichameiyk leven niet? Voorzeker! Maar het geestelyk leven sterft niet.\' Het is hetzelfde leven hier, dat het hiernamaals zal wezen, slechts is het hier nog niet ontwikkeld, en het bederf staat deszelfs werking in den weg. Broeders, niets van ons zal als vleesch en bloed naar den hemel gaan, maar alleen als het door den invloed van het geestesleven onder-Worpen, opgeheven, veranderd en volmaakt is. Weet gy niet, dat „vleesch en bloed het koninkrijk Gods niet beërven kunnen, en de verderfelijkheid beërft de onverderfelijkheid niet.quot; Wat is alzoo het „ikquot;, dat den hemel binnen zal gaan? Wel, indien gij in Christus een nieuw schepsel zyt, dat nieuwe schepsel en niets anders dan dat nieuWe schepsel; het leven, dat gij hier in dezen tabernakel geleefd hebt; het leven, dat ontsproten is en gebloeid heeft in den hof der gemeenschapsf oefening met God; dat leven, hetwelk u geleid heeft om de kranken te bezoeken, de naakten te kleeden, de hongerigen te spijzigen; dat leven, hetwelk tranen des berouws uit uwe oogen deed stroomen; dat leven, hetwelk u in Jezus heeft doen gelooven, — dat is het leven, dat naar den hemel zal gaan; en\'zoo gij dit niet hebt, dan bezit gy ook het leven des hemels niet, en doode zielen kunnen daar niet binnenkomen. Alleen levende menschen kunnen het land der levenden binnentreden. „Gelijkerwijs wij het beeld des aardschen gedragen heb:

574

-ocr page 600-

HET EEUWIGE LEVEN.

ben, alzoo zullen wij ook het beeld des hemelschen dragen.quot; Reeds nu werkt dit heraelsche leven in ons binnenste.

Ik denk, dat uit dit alles ook afgeleid mag worden, dat het leven, hetwelk Christus zyn volk geeft een krachtig leven is. Indien iemand geestelijk leven is ingestort, dan heft het hem op boven zijn vroeger bestaan en boven den kring van bloot vleeschelijke begrippen. Hü zelf wordt door geen\' mensch onderscheiden. „Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.quot; Gy kunt niet verwachten, dat de wereld dit nieuwe leven zal begrypen. Het is eene verborgene zaak. Het /al eene geheimenis wezen voor u zeiven, een wonder voor nw eigen hart. Maar o! hoe werkzaam zal het wezen! Het zal strijden tegen uwe zonden, en zal niet rusten, voor het ze gedood heeft. Indien gij mij zegt, dat gy nooit strijd hebt van binnen, dan zeg ik n, dat ik niet begrijp, hoe gij het goddelyk leven kunt hebben, want dat moet terstond in botsing komen met de oude natuur, en zoo zal er een onophoudelijke strijd zijn. De man wordt een nieuw mensch in zijne woning. Zijne vrouw, zijn gezin bemerken dit; hij is een nieuw mensch in zyn beroep; hij is gansch en al veranderd, hetzij gij hem beschouwt in verband met zijne medemenschen of in betrekking tot God. Hij is een nieuw schepsel. Hij gevoelt, dat het nieuwe en wondervolle leven, dat henl ingeplant is, hem dus doet behooren tot een gansch verschillend ras, en zoo wandelt hy onder de kinderen der menschen met de bewustheid dat hy een vreemdeling en bywoner onder hen is. „Geliefden! nu zijn wy kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zyn zullen; maar wij weten, dat als hy zal geopenbaard zyn, wy hem zullen gelyk w.ezen, want wij zullen hem zien gelyk hij is.quot;

Ik wenschte meer tyd te hebben om dit innerlijk leven te beschrijven, maar dit moet volstaan om den zegen aan te duiden, die Jezus den geloovige schenkt door het werk van den Heiligen Geest.

Er is in den tekst een woord, dat er de hoedanigheid van aanduidt: „Ik geef hun het eetimgfe leven.quot; „Eeuwigquot; beteekent „eindeloos.quot; Indien Christus het leven Gods in een\' mensch legt, dan kan het hem niet ontnomen worden. Het kan niet sterven, dat is onmogelijk. Toen ik iemand hoorde zeggen, dat gij heden een kind Gods, maar in de volgende week een kind des duivels kunt zijn, heb ik gedacht, dat naar zijne opvatting het woord „eeuwigquot; slechts vijf of zes dagen kan beteekenen. Maar volgens het woordenboek, dat ik gebruik, overeenkomstig de meening des Geestes, beteekent „eeuwigquot; „zonder einde.quot; Als iemand nu zegt: „Ik heb eens het eeuwige leven bezeten; maar thans bezit ik het nietquot;, dan is het duidelijk, dat hy zich of thans vergist, bf dat hij het eeuwige

575

-ocr page 601-

HET ËËÜWtGE LËVËU.

leven nooit gehad heeft. Indien Jezus gezegd had: „Ik geef hun leven, dat zeven jaar duren zal, maar dat misschien onder eene verzoeking uitgebluscht zal wordenquot; dan zou ik het kunnen begrijpen, dat iemand zegt, dat hij van de genade vervallen is; maar als het „eeuwig levenquot; is, dan moet het ook „eeuwigquot; zijn, dan is er geen einde aan, dan moet het altijd duren. Wy gelooven, dat het bloote bestaan der ziel nooit zal ophouden, maar dat zal voor de goddeloozen geene weldaad zün. Het is voor Christus niet betamelijk, dat Hij ons bloot onsterfelijkheid van bestaan geeft, want dat zal voor sommigen een ontzettende vloek zyn. De veroordeelde zielen zouden blijde genoeg wezen om zich van hun onsterfelijk bestaan te kunnen ontdoen; maar Christus geeft ons een eeuwig, heilig en gelukkig leven, dat oneindig meer is dan bestaan. Het bestaan kan een vloek wezen, maar het leven is een zegen. Dit leven begint hier: „Ik geef hun.quot; Niet „Ik zal gevenquot;, maar „Ik geef.quot; Niet, „Ik zal het hun geven als zij stervenquot;, maar „Ik geef het hun hier, Ik geef hun het eeuwige leven.quot; Welaan, mijn hoorder, gij hebt heden of dit eeuwige leven ontvangen, öf gij zijt nog in den dood. Indien gij het niet ontvangen hebt, dan zijt gij „dood door de misdaden en de zonden,quot; en uw deel zal schrikkelijk wezen; maar indien God u het eeuwige leven geeft, zoo vrees de u omringende legerscharen der hel niet, noch de verzoekingen der wereld, want de eeuwige God is u eene woning en onder u zijn de eeuwige armen.

Dit leven is geschonken als eene vrije gave aan een iegelijk van Gods kinderen; het wordt geschonken door den Heere, en door niemand anders.

2. Keeren wij ons nu tot het tweede gedeelte van den zegen. Hier is ons bewaring verzekerd. „Zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid.quot; Sommigen, die de leer der volharding ten einde toe niet kunnen verdragen, pogen zich van de volgende zinsnede: „en niemand zal ze uit mijne hand rukkenquot; af te maken door te zeggen: „Maar zij kunnen er zich eigener beweging uit los maken.quot; Neen! neen! neen! want de tekst zegt: „Zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid.quot; De volzin, dien wij thans overdenken doet alle veronderstellinsren van het verderf van een van Gods schapen te niet. „Zy zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid.quot; Beschouwt den zin woord voor woord. „Zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid.quot; Sommigen van hunne gevoelens en denkbeelden kunnen wel verloren gaan; sommigen van hunne genoegens, van hunne vertroostingen, van hunne ervaringen kunnen verloren gaan; maar ZIJ zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid. Datgene hetwelk het wezen uitmaakt van den mensch, zijne ware ziel, zijne innerlijke, vernieuwde natuur zal nooit verloren gaan. Zie dan, Christen, hoe gij van duizend dingen beroofd kunt

576

-ocr page 602-

HET EEUWIGE LEVEN.

577

worden, zonder dat deze belofte ook maar in het minst wordt geschonden. De belofte luidt niet, dat het schip niet zal zinken, maar wel dat de passagiers aan land zullen komen. De belofte luidt niet, dat het huis niet zal verbranden; de belofte is, dat gij, die in het huis zijt, zult ontkomen. „Zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid.quot; Neemt een ander woord: „Zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid.quot; Zij zullen wellicht zeer nabij den toestand komen van verloren te gaan. Zij zullen hunne blijdschap en hunne vertroosting verliezen, maar „zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid.quot; Het leven in hen zal nooit door honger of geweld uit hen gedreven kunnen worden. Als gij eens zuurdeeg in een stuk brood hebt, krijgt gij het er nooit weder uit. Gü kunt het koken, of braden, of bakken, of roosteren, gij kunt er mede doen wat gij wilt, maar het zuurdeeg is er in, en gij kunt het er niet uit krijgen. Laat eens de ziel gansch en al doordrongen zijn van Gods genade, en gij kunt die genade niet bij hem uitroeien. De mensch zelf zal nooit verloren gaan. Hij kan denken, dat hij verloren gaat; de duivel kan hem zeggen, dat hij verloren zal gaan; zijne vertroostingen kunnen hem ontnomen worden; hij kan vol angst en benauwdheid op zijn sterfbed liggen, maar hij zal niet verloren gaan in der eeuwigheid. Eén van beiden nu . . . dit is waar, of het is niet waar. Gy, die denkt, dat het niet waar is, zeg dit aan den Heere; maar ik geloof, dat het een volkomen zeker, ontwijfelbaar feit is, want Jehovah zegt het. Ik weet niet, hoe liet is, dat zij niet verloren gaan in der eeuwigheid. Het is eene wondere zaak; maar het is ook van het begin tot het einde een wonder. Neemt nu de woorden „in der eeuwigheid.quot; Wij hebben u aangetoond, hoe lang die bewaring duurt: „Zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid.quot; ..Maar, als zij nu eens zeer oud werden, en dan nog in zonde vielen?quot; „Zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid.quot; „O! maar zij kunnen wel eens aangevallen worden van eene zijde, wanwaar zü dit niet verwacht zouden hebben; of zü kunnen aangevochten en als belegerd worden door eene verzoeking.quot; „Zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid.quot; „Maar iemand zou wel een kind Gods kunnen wezen en toch naar de hel gaan.quot; Hoe zou dat kunnen, indien hij niet ver loren gaat in der eeuwigheid? Wel, in die woorden liggen de tijd en de eeuwigheid opgesloten; zy omvatten leven en sterven, den berg en het dal, den storm en de stilte. „Zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid.quot; Onder de vleugelen van den almachtigen God kan de nacht met hare pestilentie, die in de donkerheid wandelt, hen niet aanraken; kan de dag met zyne zorgen hen niet verderven. De jeugd met hare hartstochten, den middelbaren leeftijd met zijne drukke werkzaamheden zullen zy veilig doorgaan; de ouderdom met zijne gebreken en

37

-ocr page 603-

het eeuwige leven.

zwakheden zal hun het land Beulah (1) worden; [de donkere doodsvallei zal verlicht worden door den glans van de toe komstige heerlijkheid; het oogenblik van scheiden zal een droogvoets heengaan ztjn door de rivier. „Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstroomen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken, spreekt de Heere.quot; „Zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid.quot;

Ik denk, dat men wel alles kan wegredeneeren; maar in waarheid weet ik toch niet, hoe de tegenstanders van de leer dei-volharding van Gods heiligen, dezen tekst kunnen verklaren. Zij kunnen er mede doen wat zij willen; maar ik zal blijven ge-looven wat ik hier vind, nl. dat ik niet zal verloren gaan in der eeuwigheid, indien ik tot Christus\' volk behoor. Indien ik verloren ga, dan heeft Christus zijne belofte niet gehouden; maar ik weet, dat Hij aan zü\'n woord getrouw moet blijven. God is geen man, dat Hij liegen zou, noch eens menschen kind, dat het Hem berouwen zou.quot; Elke ziel, die rust en betrouwt op het zoenoffer, is veilig en zalig tot in eeuwigheid; „zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid.

578

3. Nu komt de derde volzin, waarin wij eene veilige positie vinden — „in Christus\' hand.quot; De tijd ontbreekt ons om dit te verklaren : het is in de plaats der eere te zijn; wij zijn de ring, dien Hij aan zijn\' vinger draagt. Het is eene plaats dei-liefde ; „Zie, Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd; uwe muren zijn steeds voor Mij.quot; Het is eene plaats van macht: zijne rechterhand omvat al zijn volk. Het is eene plaats van bezitting; Christus houdt zijn volk. Het is eene plaats van vrijmacht; wij zijn aan Christus overgegeven, en Hij regeert ons naar zijn welbehagen. Het is eene plaats van leiding en bestuur, eene plaats van bescherming. Gelijk schapen gezegd worden in de hand des herders te zijn, zoo zyn wij in de hand van Christus. Gelijk pijlen in de hand zijn van den sterke om door hem gebruikt te worden-, gelijk juweelen in dehandzyn der bruid, om haar tot sieraad te strekken, zoo zijn wij in de hand van Christus. En wat zegt de tekst nu verder? Hij doet ons gedenken, dat er sommigen zijn, die ons van daar weg zouden willen rukken. Er zijn lieden, die, indien het mogelyk ware, met hunne valsche leer zelfs de uitverkorenen zouden willen bedriegen. Er zijn woedende vervolgers, die Gods heiligen zouden willen verschrikken, en hen terug zouden willen doen keeren ten dage des strijds. Er zijn listige verleiders — de agenten der hel, die ons gaarne ten verderve zouden willen voeren. En dan is er ook nog ons eigen hart, dat ons vandaar weg zou willen rukken. „Niemand zal ze uit mijne hand

(1) Beulah wil zeggen: „Het getrouwde.quot; Zie Jes. 62: 4.

-ocr page 604-

HET EEÜW1GE LEVEN.

rukken.quot; Niemand — geen mensch en geen duivel. Niets, dat-tegenwoordig is, zal dit doen, niets in de toekomst zal dit doen ; geene overheid, geene macht, niets hoegenaamd. „Niemand zal ze uit mijne hand rukken.quot; Hiermede worden niet slechts men-schen bedoeld, die soms onze ergste vijanden zijn, want de ergste vijanden, die wij hebben, zijn soms onze eigene huisgenooten ; maar hierin zijn mede begrepen gevallen geesten. Doch niemand zal ons uit zijne hand rukken. Bij geene mogelijkheid zal iemand hunner door hunne listig beraamde plannen ons kunnen verwijderen, zoodat wij zijne gunstgenooten, zijn eigendom, zijne geliefde kinderen, zijne beschermde en bewaarde kinderen niet zouden zün. Welk eene zalige belofte!

Terwijl ik over deze dingen tot u sprak, heb ik een weinig gedacht aan mijne eigene geschiedenis eer ik den Heere kende. Een van de dingen, die mij deden verlangen een Christen te worden, was dit. Ik had eenige jongelingen gezien, met wie ik ter schole gegaan ben. Het waren voortreffelijke jonge lieden, en sommigen van hen werden mij en anderen als voorbeelden ter navolging aangewezen. Ik zag hen, die slechts weinige jaren ouder waren dan ik, zoo ijdel en ongodvruchtig mogelijk worden; en toch wist ik, dat zij als knapen zeer goede neigingen hadden; ja een voorbeeld waren voor anderen; en toen kwam deze gedachte bij mij op: „Is er geen middel om te voorkomen, dat mijn leven aldus schipbreuk zal lijden ?quot; Toen ik er toe kwam om den Bijbel te lezen, scheen hij mij vol van deze leer: „Indien gij op Christus betrouwt, dan zal Hij u verlossen van alle kwaad. Hy zal u bewaren bij een leven van oprechtheid en heiligheid, terwijl gij hier op aarde zijt, en Hij zal u daarna veilig in den hemel brengen.quot; Ik gevoelde, dat ik op geen mensch kon betrouwen, want ik had sommigen van de allerbesten van de waarheid zien afwijken. Indien ik op Christus betrouw, dan is er niet maar een kans, datik in den hemel kom ; maar dan is dit volkomen zeker; on ik begreep, dat, zoo ik met mijne gansche zwaarte op Hem steunde. Hij mij zou bewaken, want ik bevond, dat er geschreven is: „De rechtvaardige zal zijn\' weg vasthouden, en die rein van handen is, zal in sterkte toenemen.quot; Ik bevond, dat de apostel zegt: „Vertrouwende ditzelve, dat Hij, die in u een goed werk begonnen heel t, dat voleindigen zal tot op den dag van Jezus Christus,quot; en dergelijke uitdrukkingen meer, „Welquot; zelde ik bij mij zeiven, „ik heb een kantoor van levensverzekering gevonden, en een heel goed ook; ik zal daar mijn leven gaan verzekeren. Ik zal tot Jezus gaan, zooals ik ben, want Hij zegt mij tot Hem te komen, en ik zal mij aan Hem toe-betrouwen.quot; Indien ik het oor had geleend aan de leerstelling der Arminianen, dan zou ik nooit bekeerd zijn, maar zij had nooit eenige bekoorlijkheid voor mij. Een Zaligmaker, die zijn

579

-ocr page 605-

HET EEUWIGE LEVEN.

volk verstoot; een God, die zijne kinderen verloren laat gaan, zouden mijne aanbidding niet waardig zijn, en eene verlossing, die niet werkelijk verlost, is niet waard, dat er over gepredikt of er naar geluisterd wordt. Als ik hier sta, en tot deze vergaderde menigte zeg: Vertrouwt op mijn\'Meester; gelooft Hem dan is er geen twijfel aan, of gü zult behouden worden, want Hij heeft gezegd: „Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden.quot; Als ik dit zeg, dan gevoel ik, dat ik iets te zeggen heb, dat waard is om er naar te luisteren. quot;Waarde hoorder, met een nieuw hart en een\' vasten geest zult gij een nieuw mensch wezen. Zoo als gij nu zijt, zoudt gij, indien gij heden vergeving ontvingt, morgen weder veroordeeld worden, want de neiging uwer natuur is om af te dwalen. Maar zoo God eene nieuwe natuur in u schept, zal uwe oude natuur er niet over kunnen heerschen. Het nieuwe, onsterfelijke beginsel zal de bovenhand verkrijgen ; gij zult terug gehouden worden van te zondigen, gij zult bewaard worden in heiligheid, en ofschoon gij zult hebben te treuren over uwe onvolmaaktheid, zult gij toch weten, dat Gods leven in u is. Ofschoon gij volkomen beseft, dat gij niet volmaakt zijt, zult gij het toch wenschen te zijn, en deze begeerte zal het teeken van\'genade zü\'n in uwe ziel. Die wenschen en begeerten zullen toenemen en sterker worden, totdat gij door de kracht des Geestes de zonde overwonnen hebt, en dan zal de dag komen, w£.nneer dit lichaam afgelegd wordt, en het nieuwe leven, ontdaan van de vuile lompen, die het hier beneden gedwongen was te dragen, tot volkomenheid zal geraken. Dan zal het wachten op het bazuingeschal, waarop het lichaam zelf, gereinigd en geschikt gemaakt voor een hooger leven, opnieuw bewoond zal worden; en zoo zullen beide lichaam en ziel, verlost van alle zonde, een eeuwig getuigenis zijn van de belofte van Christus. quot;Want, zij, die rusten in Hem, zullen het eeuwige leven hebben en niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal hen uit zijne hand rukken.

HL En daarmede ben ik eigenlijk reeds begonnen te spreken over het laatste punt; DE BLIK, DIEN O-NZE TEKST OKS GEEFT IN DE TOEKOMST.

Indien God u het eeuwige leven heeft gegeven, dan omvat dit de gansche toekomst. Uw geestelijk bestaan zal nog bloeien, als koninkrijken en keizerrijken zullen te niet gedaan z^jn. Uw leven zal voortleven, als het hart dezer groote wereld koud wordt, als de polsslag dezer groote aee zal ophouden, als het oog der schitterende zon verdonkerd zal wezen door ouderdom. Gy bezit eeuwig leven. Wanneer het gansch heelal, evenals het schuim versmelt in de golf, die het droeg, voorbij zal gegaan zijn, en zelfs geen wrak achter gelaten heeft, zal het wel zyn met u, want gij hebt het eeuwige leven. Gij hebt

580

-ocr page 606-

581

een bestaan, dat gelijkloopend zal wezen met het bestaan van God. Eeuwig leven ! 0 welk een verschiet van heerlijkheid opent zich bij deze woorden — Eeuwig leven! Omdat ik leef, zegt Christus, zult gij leven. Zoo lang er een Christus is, zal er eene zalige ziel wezen, en die zalige ziel zijt gij. Zoo lang er een God is, zal er een zalig bestaan wezen, en dat zalig bestaan zal uw deel zijn, want Jezus geeft u het eeuwige leven. Biyft u voortwentelen, aloude wereld, totdat uwe as versleten is. Spoed u henen, o tijd, totdat uw uurglas gebroken is, en gij zult ophouden te bestaan! Kom, machtige engel! plant uwen voet op de zee en het land, en zweer by Hem, die leeft, dat de tijd niet meer zijn zal, want ook dan zal ieder Christen leven, omdat Christus hun het eeuwige leven geeft.

En geeft de volgende zinsnede ons niet mede een\' blik in de toekomst? — „Zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid. Zij zullen niet ophouden te bestaan in eeuwige gelukzaligheid ; nimmer ophouden als God te wezen in hunne natuur ; nimmer. Denk u duizend jaren in den hemel geweest te zijn — kunt gü het u voorstellen ? Duizend jaren van zalige gemeenschap met Jezus! Duizend jaren aan zijne borst! Duizend jaren, waarin het gezicht op Hem uwen geest in verrukking brengt! Maar gij zult daar zóó lang wezen, alsof gij nooit begonnen waart, want gij zult niet verloren gaan, niet omkomen in der eeuwigheid. Als het duizendjarig rijk komt, of als het oordeel begint, en wanneer alle de groote voorzeggingen der profeten in vervulling gaan, dan behoeft dit u niette benauwen, want indien gij op Christus betrouwt, zult gij in dee eeuwigheid niet verloren gaan. Welk eene eeuwigheid van heerlijkheid, welk eene onuitsprekelijke zaligheid ligt opgesloten in deze belofte; „Zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid.quot;

En dan is er gewis nog een blik in de toekomst: — „Niemand zal ze uit mijne hand rukken.quot; Wij zullen voor eeuwig in zyne hand zijn; wij zullen voor eeuwig in zijn hart zijn ; wij zullen eeuwig in Hem zeiven, in zijn wezen zijn — één met Hem, en niemand zal ons van daar wegrukken. Zalig, zalig is de mensch, die zich daze belofte kan toeëigenen.

O! ik wenschte, dat deze belofte aan sommigen van u mocht toekomen! Zij is zeer rijk en vol van vertroosting; ik wenschte, dat zij u mocht toebehooren. Zegt gij: „Ik wenschte, dat zij mij toekwamquot;? O mijn vriend, het verheugt mij u dit te hooren zeggen! Weet gij, dat er slechts één sleutel is om deze schatkameren te openen? Het is de sleutel van het kruis van den Heere Jezus. Wat zegt gij? Kunt gij op Hem betrouwen? Iemand zeide mij onlangs, dat zij niet op Christus kon vertrouwen, en toen zag ik haar aan en zeide: „Wat heeft Hij gedaan, dat gij niet op Hem kunt betrouwen? Kunt gij mij

-ocr page 607-

HET EEUWIGE LEVEN.

vertrouwen?quot; „Jaquot;, zeide zij, „mijne medemenschen kan ik vertrouwen, maar op God kan ik niet betrouwen.quot; O! dacht ik, welk eene ontzettende Godslastering! Het was in oprechtheid gesproken, gesproken door iemand, die niet besefte hoe groote zonde er in lag opgesloten; maar ik weet niet, dat er iets ergers gezegd kan worden dan dit; „Ik kan niet op God vertrouwen.quot; Wel, mijn vriend, dan hebt gij God tot een\'leugenaar gemaakt! Dat is er het practisch gevolg van; want indien gij van iemand gelooft, dat hij eerlijk en oprecht is, dan kunt gij hem altijd vertrouwen. Kan ik wel mijn\' mede-mensch vertrouwen, en niet vertrouwen op God? O hoe afschuwelijk is deze gedachte! Daar is zooveel Godslastering in opgesloten, dat ik het niet nogmaals mag uitspreken. Niet op Christus vertrouwen! „Wel,quot; zegt iemand, „maar kunnen wij niet een bloot natuurlijk vertrouwen koesteren en dus bedrogen zijn?quot; Ik ken geen vertrouwen op Christus buiten een geestelijk vertouwen, en ik geloof ook niet, dat er een ander vertrouwen is. Indien gij op Christus vertrouwt, dan hebt gij dat niet uit u zeiven gedaan. Er was nooit eene ziel, die op Christus vertrouwde, of zü werd door God den Heiligen Geest daartoe in staat gesteld; en indien gy eenvoudig en ten volle op Christus vertrouwt, dan behoeft gij geene vragen op te werpen omtrent een natuurlijk of een geestelijk betrouwen. Indien gij gansch en al op den Heere Jezus vertrouwt, dan staat het recht met u. Vertrouw dan op Hem; rust eenig en alleen in Hem, en zoo gij dan verloren gaat, dan versta ik het Evangelie niet, dan kan ik niet begrijpen, wat de Bijbel bedoelt, ik zal u iets zeggen, en daarmede eindig ik. Indien gij op Christus vertrouwt, en dan verloren gaat, dan moet ik zeer gewisselijk verloren gaan, en dan moeten alle de broeders en zusters, hier tegenwoordig, die in Jezus geloofd hebben, verloren gaan. Als gij in het verderf gestort wordt, dan moeten wij allen in het verderf gestort worden. Als er een storm ontstaat op zee, dan kan een passagier, die in het schip is, niet zinken, of allen, die in het schip zijn, moeten met hem zinken. Wij gaan te zamen, wij zijn lotgemeen. Wij zijn in de reddingsboot gegaan, en indien deze reddingsboot vergaat, dan moet zij vergaan met al de heiligen, die er in zijn, en ook met alle de apostelen en alle de martelaars. Zij zijn betrouwende op Christus naar den hemel gegaan, en indien gij rust in Christus, zult gij er ook heengaan.

O zondaar! mocht gij er heden toe gebracht worden om op Jezus alleen te betrouwen, en neem dan den tekst voor u zeiven. „Ik geef mijnen schapen het eeuwige leven, en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal ze uit mijne hand rukken.quot;

582

-ocr page 608-

EEN SCHERP SNOEIMES VOOU T)E WIJNRANKEN,

„Alle ranke, die in mij geene vrucht draagt, die neemt hij weg; en al die vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage.quot;

Joh. XV : 2.

Dit zijn de woorden van Jezus. U, die gelooft, is Hij dierbaar en ieder woord, dat Hij spreekt, is dierbaar om zijnentwil. Daarom zult gij aan elke lettergreep volle recht laten wedervaren, en ieder woord tot uwe ziel laten doordringen, als komende van Hem. Dit zijn de woorden van onzen Heere Jezus op het oogeublik, toen Hij op het punt stond van de wereld te scheiden. Wij achten, dat de woorden van stervende menschen het waard zijn, dat zij worden bewaard; maar inzonderheid als het de woorden zijn van zulk een\' weergaloozen Mensch als onze Heere en Meester geweest is. Van Hem kan gezegd worden: „Gij hebt den besten wijn tot nu toe bewaardquot;; wantin dit en in het volgende hoofdstuk, hebben wij sommigen van de keurigste, diepste en rijkste woorden, die de Meester ooit gesproken heeft. Gij zult dus trachten naar Hem te luisteren als staande aan den ingang van Gethsémané; gij zult luisteren naar die volzinnen als komende tot u vergezeld van het kermen en het bloedig zweet zijner doodsbenauwdheid. Het zijn daarenboven ook woorden, die ons betreffen, en die wij dus met eerbied en aandacht moeten ontvangen. De meesten van ons, die hier zijn, zijn op de eene of andere wijze in Christus; de meesten van ons belijden Christenen te zijn, en dus is de tekst gericht tot ons. Als Jezus over iets spreekt, dan is dit eene zaak van gewicht, die onze aandacht eischt, maar als Hij tot ons spreekt over ons, dan moeten wij Hem ons hart zoowel als onze aandacht schenken, dan moeten wij ernstig en nauwkeurig acht geven op hetgeen Hij tot ons zegt, opdat zijne woorden ons niet ontglippen. Er zou een dag kunnen komen, dat wij het betreuren niet geluisterd te hebben naar zijne stem, want wij zouden haar kunnen hooren, als wij er naar moeten luisteren, als zijne woorden woorden des oordeels zijn, en Je-

-ocr page 609-

een schekp snoeimes voor de wijnranken.

zus, de Kechter, tot ons zeggen zal: „Ik ken u nietquot;, al zouden wij er op pleiten, dat wij in zijne tegenwoordigheid hebben gegeten en gedronken, en dat Hij in onze straten heeft geleerd.

Uwe ernstige aandacht aldus verkregen hebbende, zullen wij den tekst nogmaals lezen, „Alle ranke die in mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg; en al die vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage.quot;

De tekst spoort aan tot zelfonderzoek; brengt ons leering; en noodigt tot overdenking.

I. Ten eerste: zelfonderzoek.

In deze plechtige woorden hoor ik den toon der stem van Hem, van wien Maleachi zeide: „Wie zal den dag zijner toekomst verdragen? en wie zal bestaan, als hij verschijnt ? Want hij zal zijn als het vuur van een\' goudsmid, en als zeep dei-vóllers.quot; Ik ontdek in deze twee hartdoorzoekende volzinnen de stem van Hem, van wien Johannes zeide: „Wiens wan in zijne hand is, en hy zal zijn\'dorschvloer doorzuiveren, en zijne tarwe in zijne schuur te zamenbrengen, en zal het kaf met onuitblusschelijk vuur verbranden.quot; Voorwaar! de Heere heeft te Zion vuur, en te Jeruzalem een\' oven.quot; Zalig de mensch, die het verdragen kan in de vlam te worden geworpen en bedekt te worden met de gloeiende kolen der brandende waarheid, welke hier geleerd wordt; maar wie deze proef niet kan doorstaan, zal uitgeworpen worden.

B84

1. Merk op, dat onze tekst melding maakt van twee karakters, die in sommige opzichten grootelijks aan elkander gelijk zijn; beiden zijn zij ranken; beiden zijn zij ranken van den wijnstok: „Alle rank, die in mij geene vrucht draagt.quot; Hoe zeer kunnen menschen aan elkander gelijk zijn, die in Gods oog als tegenoverliggende polen van elkanders karakter z;jn! Beide personen, in den tekst beschreven, waren in Christus: (1) in Christus in zeer verschillenden zin, dit is duidelijk, daar de eerste personen niet zoo in Christus waren, dat zij vrucht droegen. En daar het nu de vrucht is, waaraan wij iemand moeten beoordeelen, waren zij bijgevolg niet krachtig, niet godvruchtiglijk, niet invloedrijk in Christus, niet zóó, dat zij het vruchtvoortbrengende sap van Hem ontvingen. Indien zij vruchten hadden voortgebracht, dan zou hunne vruchtbaarheid het teeken geweest zijn, dat zij zaligmakend in Christus waren. Wie zal durven zeggen, dat iemand, die geene vruchten der gerechtigheid voortbrengt, waarlijk een Christen zijn nan? Toch waren zij in het een of ander opzicht in Christus, dat is: beide personen waren gelijkelijk geacht Christenen te zijn. Hunne

(I) Naar de Engelsclie overzetting luidt de tekst: „A.lle rank in mij, die geene vrucht draagt,quot; enz.

-ocr page 610-

EEN SCHERP SNOEIMES VOOR DE WIJNRANKEN.

namen waren in hetzelfde kerkregister opgeschreven. Naar het oordeel der menschen waren zij gelijkelijk Christenen; zij waren dit ook naar hunne eigene belijdenis. In nog vele andere opzichten, die wij nu niet allen behoeven op te noemen, waren zij beiden in Christus als zijne erkende discipelen, als krijgsknechten, die zeiden te strijden onder eene zelfde banier, als dienstknechten, die zijne livrei droegen.

Deze twee personen waren beiden waarschijnlijk even gezond in hunne leerstellige beschouwingen; dezelfde dierbare waarheden werden door beiden geloofd. Als zij onwaai-heid hoorden verkondigen, waren beiden even ijverig om dit af te keuren. Als zij luisterden naar het Evangelie, ontvingen zij het met blijdschap, en wel zoo, dat zij gaarne bereid waren het te helpen verspreiden, ja daar zelfs offers voor te willen brengen. Zij waren beiden ook even ijverig in het gebruik der genademiddelen. Hoe dikwijls is het gebeurd, dat twee menschen van zeer verschillenden staat voor den Heere, in dezelfde ure werden gedoopt, in hetzelfde water, in denzelfden Naam van den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest; dat zij daarna met schijnbaar gelijke godsvrucht en vurigheid van geest het Avondmaal des Heeren hebben gebruikt. Ook het zedelijk gedrag dezer lieden was naar het oordeel der toeschouwers aan elkander gelijk. Alles wat in boos gerucht gtquot; .t hebben zij vermeden, en naai- hunne mate hebben zij g. ótreefd naar hetgeen liefelijk is en wèl luidt onder de menschen. Ach! er zullen dikwijls twee gevonden worden, die in het openbaar gelijkelijk bidden, in dezelfde mate de gave des gebeds hebben — en wat erger is, naar allen schijn met dezelfde vurigheid en ij ver prediken, terwijl toch het einde van den eenen zal wezen weggeworpen te worden als eene rank, die moet worden verbrand, terwijl het einde des anderen zal zijn vrucht te voldragen en tot loon het eeuwige leven te ontvangen. O mijne vrienden, de mensch kan zeer kunstig het echte namaken, en als de duivel hem helpt, dan wordt hij een meester in die kunst. Gij kunt geldstukken zien, waarvan het u schier onmogelijk is aan hunne kleur of zelfs aan hun\'klank te ontdekken, dat zij valsch zijn; in de schaal zullen zij u wellicht nog bedriegen, maar als gij ze in het vuur doet, dan zult gij bemerken wat hun gehalte is. Er zijn ongetwijfeld duizenden in de Christelijke kerken, die het beeld en opschrift des Konings dragen, en er als echte sikkels van het heiligdom uitzien; maar met dat al toch slechts geschikt zijn om als valsche muntstukken op den voetbank van den rechterstoel gespijkerd te worden tot hunne eeuwige schande en smaad. Hoe kunnen wij een stoutmoedig man van een\' lafaard onderscheiden? De soldaten dragen dezelfde uniform; zij zullen allen even hoog opgeven van hetgeen zij zullen doen, als de vijand komt. Het is de veldslag, die

585

-ocr page 611-

EEN SCHEEP SNOEIMES VOOR DE WIJNRANKEN.

hen op de proef stelt, en toonen zal van welke gehalte zij zijn. Iets bijzonders in den strijd zal het verschil in hetlicht stellen; maar vóór dat de strijd begint is het voor den lafaard zeer gemakkelijk den held te spelen, terwijl de kloekmoedigste zich soms heel bescheiden op den achtergrond houdt! Onze tekst spreekt ons dus van tweeërlei menschen, die naar het uitwendige elkander gelijk schijnen te zijn.

2. Maar dan toont hij ons in de tweede xgt;laats het groot en ernstig verschil, dat er ticsschen hen bestaat. De eerste rank bracht geene vrucht voort; de tweede heeft vruchten gedragen. „Aan hunne vruchten zult gy ze kennen.quot; Wy hebben het recht niet een oordeel te vellen over de drijfveeren en gedachten van onze naasten behalve wanneer zij door hunne handelingen en hunne woorden openbaar worden. Het inwendige moeten wij aan God overlaten, maar over het uitwendige mogen en moeten wij oordeelen? In één opzicht mogen wy niet oordee-len, maar in een ander opzicht zou hij, die niet voortdurend zijn verstand gebruikt om de menschen te beoordeelen, een groote dwaas zijn. „Aan hunne vruchten zult gij ze kennen,quot; dat is onzes Heeren regel voor heilige cvitiek. Indien gij de menschen, indien gij u zeiven wilt oordeelen, dan is dit de maatstaf — „hunne vruchten.quot;

Welaan dan, wat zegt gij, belijders, die u heden hier bevindt, gij, die zoo geregeld gebruik maakt van de middelen der genade? Wilt gij thans u zeiven beproeven, en zien of gij eeni-gerlei vrucht draagt? Laat mij, om u hierby behulpzaam te zijn, u herinneren, dat de apostel Paulus ons eene lijst van deze vruchten heeft gegeven in het vijfde hoofdstuk van zijn\' brief aan de Galaten. In het 22ste vers zegt hy: „De vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid.quot; Negen soorten van vrucht, en die allen moeten in ons overvloedig zijn. Laten wij ons zeiven afvragen of wij eenigen er van bezitten.

Spreek, belijder, hebt gij de vrucht gedragen der „liefdequot;? Eene hartontdekkende vraag. Ik vraag u niet, of gij over de liefde kunt spreken; maar bespeurt gij de liefde in u? Ik zeg niet: is liefde op uwe tong, maar heerscht de liefde in uw hart? Hebt gij God lief, als een kind zijn\' vader liefheeft? Hebt gij den Zaligmaker lief uit dankbaarheid omdat Hij u gekocht heeft met zijn bloed? Gevoelt gij de liefde van den genaderijken Trooster, die, zoo gij waarlijk een kind Gods zijt, in u woont? Wat weet gij van liefde tot de broederen? Hebt gij de heiligen lief, als heiligen, hetzij zij al of niet tot uwe kerk behooren, hetzij zij al of niet u behagen, u in het gevlei komen? Zeg, hebt gij Gods armen lief? Bemint gij Gods vervolgden en verachten? Antwoord, bid ik u. En hoe is het met de liefde tot het koninkrijk van Gods gelief Jen Zoon en tot

586

-ocr page 612-

EEN SCHERP SNOEIMES VOOR DE WIJNRANKEN.

de zielen der menschen? Kunt gij stil zitten en tevreden zijn met zelf behouden te wezen, terwijl uwe naasten bij duizenden verloren gaan? Vloeien uwe oogen nooit over van tranen over onboetvaardige zielen? Wordt gij door de verschrikkingen des Heeren nooit aangegrepen, als gij denkt aan hen, die zich in het verderf storten? „Die zijn\' broeder niet liefheeft, dien hij gezien heeft, hoe kan hij God liefhebben, dien hij niet gezien heeft?quot; Bezit gij dan deze vrucht? Zoo neen: „Alle rank, die in mij geene vrucht draagt, die neemt Hij weg.quot;

Vervolgens komt blijdschap. Geeft uw godsdienst u ooit blijdschap ? Is hij u bloot eene zaak van plicht, een zware keten, die gij als een galeislaaf met u voortsleept; of is uw godsdienst eene harp voor u, welker snarenspel u doet huppelen ? Verblijdt gy u in Jezus Christus? Veroorzaakt het u vreugde te denken, dat Hij dezelfde is, ook wanneer de vijgeboom niet bloeit, en de kudde uit de kooi wordt afgescheurd ? Gevoelt gij blijdschap bij het lezen der beloften van Gods Woord ? Hebt gü blijdschap bij het gebed in uwe binnenkamer, die blijdschap, welke de wereld u niet gaf, en ook niet wegnemen kan ? Bezit gij eene verborgene blijdschap als eene geslotene bron, eene verzegelde fontein, die slechts open is voor u en uwen Heere, omdat uwe gemeenschap is met Hem, en niet met de kinderen der zonde ! Hij, die nooit getreurd heeft van wege de zonde, heeft er ook nooit berouw van gehad ; maar hij, die zich nooit verblijd heeft van wege vergeving, kan het kruis niet hebben gezien. Welaan dan, hebt gij deze vrucht gedragen der blijdschap ? De Heere schenke u haar meer en meer! Indien gij haar nooit gehad hebt, zoo hoor het vonnis. „Alle rank, die in mij geene vrucht draagt, die neemt Hij weg.quot;

En dan volgt „vrede.quot; O gezegende vrucht! eene herfstvrucht, zacht en zoet, zelfs voor engelen geschikt. Het is de vrucht, waarmede de gezaligden in den hemel zich voeden — vrede met God, vrede der conscientie; vrede met onze medemen-schen, „de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat,quot; die „de harten en zinnen bewaart in Christus Jezus.quot; „Die uwe wet beminnen hebben groeten vrede, en zij hebben geen\' aanstoot.quot; „Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof,hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus.quot; Ach ! mijne hoorders, sommigen van u spreken wellicht zeer luid over den godsdienst, die toch nooit vrede der conscientie smaken. Dit is iets, wat zij, die aan uiterlijke plechtigheden blijven hangen, nooit kunnen verkrijgen. „Wij hebben een\' altaar, van hetwelk geene macht hebben te eten, die den tabernakel dienenquot; van uitwendige inzettingen, en vleeschelijke, ijdele plechtigheden. Van ons altaar, waar het volbrachte offerals een vrede offer gegeten wordt, kunnen zij niet eten. Zij vinden geen\' vrede na al hunne missen, hunne heilige diensten en pro-

587

-ocr page 613-

een scherp snoeimes voor de wijnranken.

sies, en heilige uren, en priester-heerschappij, en ik weet niet wat meer. Arme slaven, zij gaan even gebonden als ooit naar hun graf, met het treurig vooruitzicht van het vagevuur voor oogen. Geen liefelijk vooruitzicht van te ontwaken en verzadigd te worden met het beeld van Christus; geene bewustheid van de waarheid dier heerlijke schriftuurplaats: „En gy zijt in hem volmaakt.quot; Hij, die Christus heeft, heeft van zijne vruchten deze, nl. vrede. Hij, die geen\' vrede met God kent, heeft, grootelijks reden tot vreezen.

Er wordt ook gesproken over lankmoedigheid. Ik vrees, dat er vele belijders zijn, die daar zeer weinig van hebben; het is eene hoedanigheid, die van verschillende kanten bezien kan worden. Het is geduld hetwelk Gods kastijdende hand verdraagt, en zich niet tegen Hem keert, maar zegt: „De Heere heeft gegeven, de Hïere heeft genomen, de naam des Heeren z\\j geloofd.quot; Lankmoedigheid ten opzichte van God, langdurig lijden. Dan is er de lankmoedigheid tegenover de menschen; waardoor men vervolging verdraagt zonder afvallig te worden; laster en smaad verdraagt zonder zich willen wreken; de dwalingen en vergissingen van het menschdom verdraagt, terwijl het hart vervuld is van teeder medelijden met hen. Daarvan moet de geloovige veel bezitten. Sommigen van ons kunnen van nature wat haastig en driftig zijn : die hartstocht des toorns moet door genade overwonnen worden. Het voegt u niet te zeggen: „Ik kan het niet helpen;quot; de vrucht des Geestes is lankmoedigheid, en dus moet gij het helpen. Indien er geene ver-andeiing is in uw humeur, dan is er in het geheel geene verandering in u; dan moet gij nog bekeerd worden. Indien de genade Gods u niet helpt, om dat temperament te beheerschen, dat er wel is, maar dat ten onder gehouden moet worden, dan hebt gij het noodig tot God te gaan en Hem te vragen grondig in u te werken, want vooralsnog is er geen werk der genade in u. Wij moeten lankmoedigheid hebben, of wij zouden onvruchtbaar kunnen worden bevonden, en wee dan onzer!

Daarna komt goedertierenheid; waaronder ik vriendelijkheid versta. De Christen is een vriendelijk mensch. Hij erkent zijne verwantschap aan zijne medemenschen en wenscht hen te behandelen als zijne verwanten, zijne vrienden. Hij heeft medelijden met hen, die lijden; hij tracht vriendelijk en beleefd te zijn in zijne manieren. Hij weet, dat het kruis een aanstoot is voor vleeschelijke menschen, en daarom wenscht hu\' er niet nog eene ergernis doorzijn eigen persoon aan toe te voegen. Hij wenscht in zijn leven geene gemelijkheid te too-nen, niet achterdochtig, hard, trotsch of heerzuchtig te zijn ; maar zoekt zijn\' Meester r.a te volgen, die van zich zeiven gezegd heeft; „Neemt mijn juk op u; en leert van mü, dat ik zachtmoedig ben en nederig van hart.quot; De geloovige in Chris-

588

-ocr page 614-

EEN SCHEËP SNOEIMES VOOÏl DE WIJNRANKEN. 585

tus behoort zachtmoedig te zijn jegens alle menscheR, met wie hij in aanraking komt. Dit is één van de vruchten des Gees-tes. en, ik mag er bijvoegen, eene vrucht des Geestes ten opzichte waarvan vele belijders droevig te kort schieten. Denkt niet, dat ik u oordeel, ik oordeel u niet — er is een, die u oordeelt; het is dit woord Gods, waarover wij thans spreken. Goedertierenheid is de vrucht des Geestes, en zoo gij haar niet bezit, dan hebt gij ook die vrucht des Geestes niet; en wat zegt de tekst? „Alle ranke, die in my geene vrucht draagt, die neemt hij weg.quot;

En dan komt geloof, waarmede waarschijnlijk niet is bedoeld de genade des geloofs, die veeleer een wortel is dan eene vrucht, maar die er toch in ligt opgesloten. De vrucht des Geestes is gewis geloof in God; zonder dit, is er niet eens een begin van veiligheid of gerustheid in de ziel. Gelooft gij in den Zone Gods ? Hebt gü geloof? Indien gij geloof hebt als een mostaardzaadje dan is dit een teeken van leven in u. Indien gij er weinig van bezit, zoo bidt: „Heere, vermeerder ons het geloof!quot; Maar wat hier bedoeld wordt, is, denk ik, getrouwheid — getrouwheid aan God, getrouwheid tegenover de conscientie. Hoe weinig .wordt dit door de Christenen heden ten dage geteld! Achlzü verslinden hunne conscientie. Broeders, moge uwe conscientie getrouw zijn, en moogt gij getrouw zijn aan uwe conscientie. De menschen, die met de leer des Bijbels spelen en beuzelen weten weinig wat groote zonde zij begaan. Ik zeg u, die beuzelt met leerstellingen, dat gij even slecht zijt als dieven; ja gij zijl erger, want de dief berooft slechts menschen, maar gij berooft God en uwe eigene ziel. Door de quot;dwaling te helpen bevorderen vergadert gij de elementen eener pestilentie, die, tenzij de genade het voorkomt, ons land volkomen ten ondergang zal brengen. Wij moeten ook trouw zijn in het doen van zaken met onze medemenschen. De heiligen zijn mannen van eer. De Christen zweert tot zijne schade en evenwel verandert hij niet. (1) H:o doet geene noodelooze eeden, maar hy acht zich gebonden door zijn woord. O dat wij deze vrucht des Geestes mochten dragen: getrouwheid, oprechtheid, openhartigheid, doende wat recht is, de waarheid liefhebbende, en wandelende in oprechtheid voor den Heere, onzen God!

De vrucht die daarna genoemd wordt, is zachtmoedigheid. Mochten wij hier veel van bezitten, want aan de zachtmoedi-gen wordt een byzondere zegen beloofd: „Zalig zijn de zacht-moedigen; want zij zullen het aardrijk beërven.quot; De Christen moet oprecht wtzen als de duiven. Als hij den strijd zijns Meesters strijdt, moet hl) moedig zijn als een leeuw, maar waar het zijn eigen persoon geldt, of zijne eigene zaak, daar moet

(1) Zie Psalm 15: 4.

-ocr page 615-

ËEN SCHERP SNOEIMES VOOR DË WIJNRANKEN.

hij teeder en zachtzinnig zijn, twist trachten te vermijden, rust en kalmte liefhebben, liever eene bestraffing ontvangen dan toedienen, en zich zwak en broos gevoelen. Mozes was de zachtmoedigste der menschen. Hij werd dikwijls getergd, maar slechts eene enkele maal heeft hij „wat onbedachtelijk voortgebracht met zijne lippen.quot; Het is verwonderlijk, hoe hij het volk droeg. Zij waren de on verdragelij kste menschen ter wereld, — behalve wij zeiven—-maar toch gelijk eene voedster zachtkens handelt met een krank kind, zoo handelde hij met een dwaas volk. Hoe dikwijls hebben zij hem getergd en zijn\'geest verbitterd ! Hij werd toornig, en wierp de twee tafelen ter aarde toen hij de afgoderij zag van het volk. Mozes, de zachtmoedigste der menschen, kon dat niet verdragen ; en Gods zachtzinnigste dienstknechten worden toornig, als zij het bijgeloof en het ongeloof aanzien, dat zoo ontzettend toeneemt in het land. Doch zachtmoedig moeten wij wezen tegenover alle menschen, en zoo wij deze vrucht niet hebben, dan zegt de Meester: „Alle ranke, die in mij geene vrucht draagt, die neemt Hij weg.

Vergeet ook niet matigheid, van welke thans over het algemeen gesproken wordt met betrekking tot spijs en drank, maar, ofschoon ook dit bedoeld wordt, ligt er toch veel meer in op-, gesloten. De mensch, die toegeeft aan vleeschelü\'ke lusten, en zich niet kan beheerschen ten opzichte van spijs en drank, moet niet voorgeven een Christen te zijn. Hij moet eerst too-nen, dat hü de gelijke is van een dier, vóór hy er aanspraak op mag maken een kind Gods te zijn; toonen, dat hy mensch is, eer hij naar de eer mag dingen van een Christen te zijn. Zij, die zich overgeven aan dronkenschap, zullen eerlang den wijn drinken van Gods toorn; en hoe bitter zal hun zoete wijn dan voor hen wezen! Hoe zal hetgeen zoo zoet was aan het gehemelte tot in eeuwigheid als gif zijn in hunne ingewanden ! Indien wij die soort van matigheid niet eens betrachten, dan kunnen wij blijkbaar niets van den waren godsdienst kennen. Maar eene zelfde matigheid moet ook voor andere dingen in acht genomen worden; matigheid in uwe kleedij, in uwe uitgaven, in uw humeur, ja in elk uwer daden. Er behoort eene gematigdheid te worden betracht, een smal pad te worden gevolgd, dat door het geoefend oog van den geestelijken mensch kan worden onderscheiden, en het is eene vrucht des Geestes, zoo dit smalle pad door den geestelijken voet wordt betreden. God geve, dat wij deze vruchten mogen dragen.

Geliefden in den Heere, het is mijne innige overtuiging, dat er geene waarheid is, die meer door moet dringen tot mijne eigene ziel en tot uwe z el, dan deze: dat vrucht het eenig bewys is van ons zijn in Christus. Wij kunnen zoo gemakkelijk het denkbeeld gaan koesteren, dat het waarnemen van

590

-ocr page 616-

EEN SCHEEP SNOEIMES VOOR DË WIJNRANKEN.

591

godsdienstige plechtigheden het bewijs is; maar het is niet zoo, want: „Tenzij uwe gerechtigheid overvloediger zij, dan der schriftgeleerden en der farizeënquot; — die de godsdienstige menschen waren van hun\' tijd — „gij zult in het koninkrijk der hemelen geenszins ingaan.quot; Ik weet dat het gemakkelijk is te denken : „Wel, ik geef mü niet over aan dronkenschap, ik doe dit niet en dat niet, ik ben geen slecht mensch.quot; Dit doet weinig ter zake. Herinner u, dat het oordeel gaan zal over positieve zaken. Hoe stelt Jezus Christus de zaak voor, waarover het oordeel gaan zal ? „Ik ben hongerig geweest, en gjj hebt mij niet te eten gegeven; ik ben dorstig geweest, en gij hebt mij niet te drinken gegeven; ik was een vreemdeling, en gij hebt mij niet geherbergd; naakt, en gij hebt mij niet gekleed; krank en in de gevangenis, en gij hebt mij niet bezocht. De afwezigheid van positieve vrucht was het, die de verlorenen heeft veroordeeld. „Alle boom dan, die geene goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen,quot; zegt Johannes. Hij zegt niet; „Alle boom, die bittere vruchten draagt, of zure druiven draagtquot;, maar „Alle boom. die\' geene goede vrucht voortbrengtquot;. Belijders, die geene vruchten voortbrengt, siddert! Mijne woorden hebben wellicht de kracht niet om deze waarheid zoo te doen doordringen tot uwe ziel, als ik dit wel wenschte; maar ik bid den eeuwigen Geest haar als vuur in het gebeente te doen zijn van iederen man en elke vrouw, die zich zeiven hieromtrent bedriegen Mijn hoorder, indien mijn Heer dag aan dag tot u komt, gelijk Hij eens tot den onvruchtbaren vijgeboom is gekomen, en wel bladeren aan u vindt, maar geene vruchten, dan zal Hij tot u zeggen: „Uit u worde geene vrucht meer in dei-eeuwigheid,quot; en dan zult gij verdorren. Leest zijne eigene gelijkenis! De man, die een\' vijgeboom geplant had in zijn\'wijngaard, zeide tot den wijngaardenier; „Zie, ik kome nu drie jaren, zoekende vrucht op dezen vijgeboom, en vindt ze niet; houw hem uit: waartoe beslaat hij ook onnuttelijk de aarde?quot; En toen de wijngaardenier nog tusschenbeiden trad om den boom te sparen, is hij toch niet verder gegaan dan dit gebed: „Indien hij vrucht zal voortbrengen, laat hem staan; maar indien niet, zoo zult gij hem namaals uithouwen.quot; Jezus, de Middelaar, stemt in met zijn\' Vader, den Wijngaardenier. De Goedertierenheid stemt in met de Gerechtigheid: indien er geene vrucht is, dan moet de boom uitgehouwen worden. O ik smeek u, neemt deze dingen ter harte. Gij moet door de kracht des Geestes Gode vrucht dragen, of gij zijt verloren. God neemt heden zijne bijl ter hand; zij is scherp, en wee den onvruchtbaren vijgeboom, zoo Hy haar opheft! Ja wee ook mij,indien ik in den dag van des Heeren verschijning onvruchtbaar bevonden word.

-ocr page 617-

EEN SCHERP SNOEIMES VOOÏl DE WIJNHANKEN.

592

Om dit gewichtig onderwerp van zelfonderzoek te besluiten, moet ik er u aan herinneren, dat de Heere ons zegt, dat ofschoon deze menschen in sommige opzichten op elkander gelijken, het ontzaggelijk verschil, dat er tusschen hen bestaat, tot een ontzettend gevolg voor hen zal leiden. Er zijn velerlei wijzen, waarop de Heere onvruchtbare ranken wegneemt. Soms laat Hij het toe, dat de belijder afvallig wordt. Hij wordt rijk, en dan wil hij zich niet meer voegen bij het arme hoopje volks, waarmede hij voormaals naar Gods huis placht op te gaan, toen hij nog nederig genoeg was om het Evangelie te willen hoo-ren verkondigen. Hij gaat nu, waar hij alles hoort, behalve de waarheid, en aldus wordt hij weggenomen door zijn eigen hoogmoed. Of wèl, de Heere laat toe, dat hij openlijk in de zonde valt. Wij moeten altijd den val van belijders betreuren, maar soms is het mogelijk, dat de ontdekking van zonden tot een zegen wordt, want daardoor worden menschen uit de gemeente verwijderd, die er nooit behoord hebben, en er schadelijk voor zijn. Vele belijders liepen wel voor een\' tijd, maar ten laatste is hun kerkelijk licht, dat eerst de oogen verblindde, uitgebluscht door hunne openbare zonden. God heeft hen weggenomen. Sommigen zijn in nog schrikkelijker zin weggenomen door den dood; God heeft hen verwijderd. Zij hebben geleefd in de gemeente, en zij zijn in de gemeente gestorven; maar door een ontzettend oordeel werden zij weggenomen en in het vuur der hel geworpen. Dat is het ontzettendste wegnemen, als de Meester zegt: „Gaat weg, gij vervloekten!quot; En, let hier wel op: Dit waren deftige, voor het uitwendige, achtenswaardige lieden; menschen zooals gij: fatsoenlijke, brave menschen, die naar de kerk gingen, en de kerk hielpen in stand houden, en een zedelijk leven leidden, maar toch geene genade hadden in hunne ziel. Zij hadden een naamchristen-dom, maar niet de vrucht des Geestes; en wat geschiedde met hen? „Heere, kunnen geene zachte middelen aangewend worden? Hoe treurig om die ranken af te snijden!quot; „Neen,quot; zegt Hij, „indien zij geene vrucht dragen, dan moeten zij weggenomen worden.quot; „Maar Heere, zij zijn nooit dronken uit eene kroeg gekomen! Heere, zij waren veel te goed en veel te beminnelijk om onder de verdorvenen en verdierlijkten gevonden te worden!quot; „Neem hen weg; zü hebben geene vruchten gedragen, en zij moeten weggenomen worden.quot; „Maar, Heere, zij waren zoo vlijtig in het waarnemen der inzettingen; zij hebben zoo regelmatig de bidstonden bijgewoond!quot; „Zij hebben geene vruchten voortgebrachtquot;, zegt Hij. „neem hen weg. Er is slechts die ééne zaak voor hen: indien zij door het zaligmakend geloof de vruchten des Geestes hadden voortgebracht, zij zouden behouden zijn, daar er echter geene vruchten zijn, zoo neem hen weg.quot;

-ocr page 618-

ËËN SCHEKP suoéimës voor dé wijnranken. 593

Wat geschiedt er met hetgeen weggenomen wordt? Indien ik u thans buiten de muren van den hof kon brengen, dan zou ik u een hoop onkruid en wijnrank snoeisel toonen; dit ligt daar opgehoopt met een weinig stroo, en de hovenier verbrandt het. De andere ranken met hare purperen trossen zijn in eere; maar deze dingen worden naar buiten gebracht en smadelijk verbrand. Ik kan u den dag des oordeels, het ontzettende lot niet voorstellen, hetwelk komen zal over de onvruchtbare ranken van den geestelijken wijnstok — buiten de poort, met eene groote klove gevestigd tusschen hen en den hemel, waar de rook hunner pijniging opgaat tot in eeuwigheid, „waar hun worm niet sterft, en hun vuur niet uitgebluscht wordt.quot; Indien zulke menschen nu uitgeworpen worden, wat zal er dan gebeuren met sommigen van u? Indien deze brave lieden, die in een zeker opzicht in Christus waren, toch verloren gaan, omdat zij geene vrucht hebben gedragen, o gij, die als scheerling waart in de voren van den akker, gij die de druiven van Gomorra en de appelen van Sodom hebt voortgebracht, wat zal dan uw vonnis wezen op den dag der afrekening, als uw Meester uitgaat, gehuld in de kleederen des rechts, om gerechtigheid te oefenen aan de kinderen der menschen?

II. Slechts een kcrt woord over het tweede punt. De tekst brengt o^s leering. Als wy hem met aandacht lezen, bemerken wij, dat de vruchtdragende ranken niet volmaakt zijn. Indien zij volmaakt waren, zij zouden het niet noodig hebben gesnoeid te worden; maar de waarheid is, dat er in de besten van Gods volk nog veel oorspronkelijke, aangeborene zonde is, zoodat, wanneer het sap in hen krachtig wordt tot voortbrenging van vrucht, er ook eene neiging is, om die kracht ten kwade te gebruiken, zoodat er in plaats van goede, kwade vruchten worden voortgebracht. Het is de kracht van den boom en het overvloedige van het sap, dat de takken in al te overvloedig hout doet schieten, zoodat er gesnoeid moet worden. De hovenier wenscht die kracht te zien in de vruchten; maar helaas, in stede hiervan loopt zij uit in hout. Merk nu op, dat, wanneer in den Christen het sap komt om vertrouwen op God in hem voort te brengen, dit dikwijls slechts vertrouwen op zich zeiven in hem werkt, zoodat hij, die sterk moest wezen in het geloof, sterk wordt in vleeschelijke gerustheid. Als die sap ijver zou willen voortbrengen, hoe dikwijls komt er in plaats van ijver roekeloosheid; hoe dikwijls wordt er niet in plaats van ijver met verstand dweepzucht teweeggebracht! Veronderstelt eens, dat het sap bestemd is om zelfonderzoek teweeg te brengen; en over het algemeen zal er ongeloof uit voortkomen, zoodat de mensch, in plaats van te twijfelen aan zich zeiven, begint te twijfelen aan zijn\' Heere. Hoe dikwijls

38

-ocr page 619-

594 EEN SCIlEEt SNOÉIMES VOOtt DË wijnranken.

heb ik gezien, dat zelfs de blijdschap des Heeren in hoogmoed werd verkeerd, en als de mensch moest roemen indenHeere, in zich zeiven begon te roemen, hoogmoedig werd, en zeide: „welk eene prachtige bevinding heb ik!quot; De liefde, die wij onzen naaste moesten toedragen, hoe licht gaat zij niet over in liefde tot de wereld en vleeschelijke inschikkelijkheid voor hetgeen slecht is. De goedertierenheid, die ik zoo even geprezen heb, gaat maar al te dikwijls over in een dwaas toegeven aan ieders grillen; en de zachtmoedigheid, die eene vrucht des Geestes is, hoe dikwijls wordt zij niet als voorwendsel gebruikt om te zwygen, waar met vrijmoedigheid gesproken dient te worden! De zaak komt hierop neer, dat het zeer moeielyk is, om, als wy in bloeienden staat verkeeren, ons zeiven er voor te bewaren, dat wij geen hout in plaats van druiven voortbrengen. God schenke ons de genade om bewaard te blijven voor dit kwaad; en ik weet niet, hoe de genade anders dan door dit oordeelkundig snoeien komen kan.

Ik zeg, dat de vruchtdragende ranken niet volmaakt zijn, omdat zij veel en velerlei voortbrengen, dat geen vrucht is; en hier komt nog bij, dat geene enkele rank zooveel vrucht draagt, als zij moest dragen Ik ben het niet eens met Wes-leys denkwijze over volmaaktheid. Het is zeer moeie.ijk te zien hoe hij meer heeft kunnen doen dan hij gedaan heeft; maar ik twijfel niet, of hij zelf heeft toch gjevoeld, dat hij zün\' Heere nog meer gelijkvormig had kunnen zijn. Geen van Gods kinderen, met wie ik ooit in gemeenschap ben gekomen, heeft van zich zeiven durven denken, dat hij volmaakt was, en indien iemand dit gezegd had en het had bewezen, ik zou mij verheugd hebben, dat er zulke menschen zijn; maar met groote smart zou ik gevoeld hebben, dat ik tot een gansch andere soort van menschen behoor; want „in mij, dat is in mijn vleesch, woont geen goed.quot; De Meester stelt ons op den weg om meer vrucht voort te brengen; maar voor het oogen-blik zijn de vruchtdiagende ranken nog niet volmaakt.

Daarom wordt ons in de tweede plaats geleerd dat gesnoeid te worden het deel is van alle vruchtbare heiligen. Gij kunt aan dit snoeien ontkomen, als gij niet vruchtbaar zijt, want dan wordt gij niet gesnoeid, maar afgesneden, weggenomen ; doch al de vruchtdragende heiligen moeten het snoeimes gevoelen. Ziet Abraham, Izak en Jakob: hadden deze aarstv aders hunne beproevingen niet? Mozes en David, Jeremia en Daniël — aan wien van hen is de beproeving gespaard gebleven ? Zij hebben hun\' Meester zeer geëerd; maar wie hunner heeft het snoeimes niet gevoeld ? En als gü tot de heiligen des Nieuwen Testaments komt,— voorwaar ! de vlam was zevenmaal heeter vooizen dan voor hunne andere broederen. Hoe snoeit de Heere p,an zijn volk? Over het algemeen zegt men door beproeving.

-ocr page 620-

EÉN SCHEEP SNOÉIMES VOOR DE WtjtfRAtfKËN.

596

Ik twijfel of dat wel bewezen kan worden zooals het daar staat; er is eene verklaring by noodig. Over het algemeen denkt men, dat onze moeielijkheden en beproevingen ons reinigen: daar ben ik nog zoo zeker niet van. Op sommigen zijn zy ten minste verloren. Onze Heere zegt ons wat het is, dat ons snoeit. „Gijlieden zyt nu rein.quot; (of gesnoeid) zegt Hij in het derde vers van dit hoofdstuk, „door het Woord dat ik tot u gesproken heb.quot; (1) Het is het woord dat den Christen snoeit; het is de waarheid, die hem reinigt; de Schrift, levend en krachtig gemaakt door den Heiligen Geest, is het, die den Christen wer-keiyk reinigt. „Watdoet de beproeving dan?quot; vraagt gij. Wel, de beproeving is, als ik dit zoo eens uitdrukken mag, het hecht van het mes. Beproeving is de slijpsteen, die het woord scherpt. Beproeving neemt onze zachte kleederen weg, en legt het kranke vleesch bloot, zoo dat het lancet van den heelmeester er in kan gaan. Beproeving bereidt ons om het woord te gevoelen; maar de wezenlijke snoeier is het Woord in de hand van den grooten Landman. Als gij op het ziekbed ligt uitgestrekt, dan denkt gij soms meer aan het Woord dan gij anders gedaan hebt; dat is ééne groote zaak. En dan ziet gij in de tweede plaats meer van het toepasselijke van dit woord op u zeiven. En in de derde plaats: de Heilige Geest doet u, terwijl gij aldus eenzaam nederligt, meer de kracht gevoelen van het Woord, dan gij haar voormaals gevoeld hebt. Geliefden, vraagt dat de beproeving moge geheiligd worden, maar herinnert u steeds, dat er in de beproeving op zich zelve geene meerdere strekking tot heiligmaking is dan in voorspoed ; ja dat de natuurlijke strekking der beproeving is tegen God in opstand te brengen, en dat is juist het tegenoverstelde van heiligmaking. Het is het Woord, tot ons komende terwijl wij in de beproeving zijn, dat ons reinigt. Het is God, de Heilige Geest, die de goddelyke waarheid doet doordringen tot ons hart, het bloed van Jezus op ons toepast en in al zijne goddelijke kracht werkt in onze ziel. Dit is het, dat ons snoeit, maar beproeving is slechts het hecht van het snoeimes, of ik mag wellicht zeggen de ladder, die de wijngaardenier gebruikt om de ranken te bereiken en ze aldus des te beter te kunnen snoeien! Nu zou het wel kunnen wezen, dat sommigen van ons zwaar beproefd werden, en toch niet werden gesnoeid. Ik ken menschen, die zeer arm zijn geweest, en ik zie niet, dat zü er deugdzamer, godvruchtiger, om werden; en ik ken anderen, die door groote krankheid waren bezocht; maar ik heb nooit gehoord, dat die krankheid iets goeds by hen heeft gewerkt. Helaas! sommige menschen hebben een karakter, waardoor zjj, indien hun gansche hoofd krank en hun

(1) Naar de Kngelsche overzetting; zie ook de kantteekening op den Statenbijbel.

-ocr page 621-

ben scherp snoeimes voor ue wijnranken.

sansche hart mat werd, daar toch geen nut of V001\'de®l nv.0n0,r

V0En \'nu : het doel van dit snoeien is nooit om te^dfm-God reinigt zijne kinderen niet om hen strafrechtelijk te be zoeken quot;oor hunne zonde. Hij kastijdt; maar Hy straft niet die-enen voor wie Jezus Christus reeds gestraft is geworden. A Isquot; iemand beproefd wordt, dan hebt gij het recht met te zeg riaf liet- is omdat hii kwaad gedaan heeft; integendeel. glT diê vïuclS\' dmagt, die reinigt Hii.quot; Het i3 juist de ^ nno- a-oed voor iets is, waar het snoeimes bü komt. Ze0 niet- van u zeiven of van anderen. „Die mensch moet wel een „root zondaar zijn, want anders zou hem zulk een ooideel met S quot; Het Is onzin! Wie is een heiliger man dan Job

Geweest is; maar wie is zoo naar de diepte gebracht ? De waar-v! \'a io riQt Ha Heere ziin volk kastijdt, omdat Hij hen lief heeft maar niet omdat Hij toornig op hen is. ^aar geliefden en inzonderheid gij, die u onder beproeving bevindt, leert in u smarten en verliezen of in uwe kruisen niet een vertoornd God te yien maar een wij ngaardenier, die u eenerank van zoo groote waarde acht dat^ Hij de moeite neemt om u te snoeien, het-ITn ntót doVn\' Zou, indien HU u niet vriendemk gezind

W n\'e ware reden is: dat meer vrucht zal voortgebracht worden

des Woords gesnoeid te worden van deze of ^een® . . d=a Sgero\'eesSfmS ^0^00quot;,. verdut

r VKt ^ eene

Ei^\'t^iSe 1quot;ei Sm\'lisrj\'iiïietïoeSn Zt h SrS quot;te\' z\\0n ifoorquot; anderen^ ^ feirSn^ci.Unpo\'óK^^

v»nKv»on pn hof meer zii scesnoeid woiden, hoe meei vruch tè^zü dragen Er zuUeï aUerfef soort van vrUten zijn beide nieuwe en oude, die zij opleggen voor hun\' Weibemmde. Zij

596

-ocr page 622-

een scherp snoeimes voor de wijnranken.

zullen ook meer voortbrengen ten opzichte van de hoedanigheid. De mensch zal wellicht niet veelvuldiger bidden; maar hij zal met meer ernst en aandrang bidden. Hij zal niet vaker prediken, maar hij zal meer uit het hart prediken en met groo-ter zalving. Hij zal, met betrekking tot den tijd, wellicht niet méér in gemeenschap zijn met God, maar die gemeenschap zal inniger wezen. Hij zal nu gansch en al inkomen in het goddelijk element der gemeenschap, en wat hij doet zal meer van harte geschieden.

Dit is het resultaat van het snoeien, dat onze Hemelsche Vader geeft, en indien dit het resultaat is, zoo moge de Heere voortgaan met snoeien. Immers! lootf grooter zegening kan de mensch deelachtig zijn dan veel vrucht voort te brengen voor God ? Het is beter God te dienen dan een vorst te worden. Hy, die veel doet voor Christus, zal schitteren als de sterren, eeu-wiglijk en altoos. Hij verheerlijkt God; hij is een zegen voor zyne medemenschen; hij brengt blijdschap in zün eigen gemoed. O indien wij op gebogen knieën om slechts ééne gunst mochten vragen, my\' dunkt het zou niet wezen om de wijsheid af te smeeken, die Salomo heeft begeerd; wij zouden hierom bidden, dat wij veel vrucht mochten voortbrengen, opdat wij Christus\' discipelen mogen zijn.

III. Ten besluite. Onze tekst noodigt tot overdenking. Ik zal de punten aanwijzen, waarover de tekst ons tot nadenken noodigt. Hij stelt aan ieder onbekeerd persoon, hier tegenwoordig, deze eene vraag. Het schijnt voor den rechtvaardige geene gemakkelijke zaak zalig te worden, „Indien de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, waar zal de goddelooze en zondaar verschijnen ?quot; Indien de ranken, die geene vruchten dragen in Christus, weggenomen worden, wat moet er dan worden van de sabbatschenders, de verachters van God, de Godloochenaars, de dronkaards, de onkuischen, de oneerlijken, de Godslasteraars? Ik stel de vraag — geeft er zeiven het antwoord op; en laat het inbranden in uwe ziel.

Ten tweede, welk eene genade is het, dat de geloovige ivel gesnoeid, maar niet weggenomen wordt! O ! laat het snoeimes zeer scherp zijn; laat het woord ons zeer naar de diepte brengen, tot dat wy schier wanhopen; maar Gode zij dank! wij worden niet in de hel geworpen! Waarde vrienden, uw gebed behoorde te wezen: „Heere, laat uw woord diep insnijden in mij; laat de prediker de zaken niet voor mij bewimpelen. Behoed hem voor „„kussens te naaien voor de okselen mijner armenquot;quot; en mij in slaap te wiegen. Heere, ik wensch, dat er getrouw met mij omgegaan zal worden ! Ik stel mijn hoogmoedig vleesch voor U: snijd het af en laat de wonde niet zóó genezen, dat zij genezen zijnde nog erger is dan te voren.quot; Welk eene genade is het, niet afgesneden te zijn 1 O Christen, gij twijfelt en wan-

597

-ocr page 623-

EEN SCHERP SNOEIMES VOOR DE WIJNRANKEN.

hoopt heden, terwijl het woord u beproeft; maar gij zoudt in de hel kunnen zijn! Denk dat eens in. Gij zijt arm, of gü zyt vol van pijn, maar gij zoudt uit de tegenwoordigheid Gods kunnen zijn verbannen. Hoe kunt gij als een levend mensch klagen over wat het ook zij, dat God u oplegt?

Vervolgens: het zou goed zijn te bedenken, met hoeveel zachtheid in vergelijking met onze onvruchtbaarheid, dit snoeien tot nu toe bij de meesten onzer geschied is. Het verwondert mij, dat de Heere niet veel diepere insnijdingen in ons gemaakt heeft. Wie aan eene ingewortelde krankheid lijdt, heeft scherpe medicijnen noodig, en als de kwaal diep ligt, moet het lancet van den heelmeester ook diep gaan. Met zooveel roest als in ons aanwezig is, verwondert het mij, dat wij niet, nog meer afgevijld worden. Er is zóóveel vreemd bijmengsel, dat het een wonder is, dat wij niet vaker in den smeltkroes worden gedaan. O Geest van God, Gij hebt bij sommigen van ons een moeielijk werk te verrichten, maar wy loven U, omdat uwe zachtmoedigheid zoo klaarblijkelijk in ons werd tentoongespreid. Hoe teederlijk hebt Gü gehandeld met ons broos stof, o God der liefde!

En wederom: hoe ijverig moesten wij er naar streven meer vrucht voort te brengen ! Indien dit het is wat God begeert, dan moesten wij het van ganscher harte zoeken. Indien Hij den wijnstok snoeit, alhoewel Hij dit niet gaarne doet, want Hij plaagt of bedroeft der menschen kinderen niet van harte, zoo laat ons eenswillend zyn met God en trachten meer vrucht voort te brengen.

Hoe ernstig moesten wij er naar streven om wezenlijk één te zijn met Christus. Ik had moeten zeggen, dat het punt, waarop het in dezen tekst het meest aankomt, gelegen is in de woorden „in mij, in mij, in mij.quot; Want, indien iemand in het geheel niet in Christus is, welnu, dan is er ook in het geheel geene hoop voor hem ; en als hg wêl in Christus is, dan komt het aan op de vraag: is hij in Christus door een levend geloof, een wezenlijk betrouwen ? Heeft hij het geloof van Gods uitverkorenen ? Is hij wedergeboren? Is hij een geestelyk, door genade onderwezen mensch ? Laat dit de vraag zijn, die in ons hart blijft verwijlen. Ik wensch, dat mijn tekst u heden liefelijk is, liefelijk, zeg ik, omdat hij, voor het oogenblik bitter schijnende, in het einde toch zoet is. De wonden, door zulk een\' vriend als Jezus is, geslagen, zijn in getrouwheid toegebracht. Indien Hij iemand uwer gewond heeft, dan is dit niet om u van Hem weg te drijven, maar opdat gij u des te meer aan Hem zult vastklemmen. Hebt gij nog nooit geleerd, dat, wanneer gij u liet meest verootmoedigd gevoelt, wanneer gij het meest bevreesd zijt, wanneer gij u het meest vol weet van zonde, u het meest bewust zijt van uwe onvolmaaktheid het het best is om u des te meer aan Christus vast te klemmen ?

598

-ocr page 624-

EEN SCHEEP SNOEIMES VOOR DE WIJNRANKEN.

599

,0 Heere, indien ik de gevloektste huichelaar ben, die ooit geleefd heeft, dan wil ik thans toch tot U komen. Indien ik mij tot nu toe bedrogen heb, en geen greintje oprecht geloof heb bezeten, en geen vrucht des G-eestes heb voortgebracht, zoo kom ik toch nu, als een arme, onreine zondaar, tot de Fontein ; als een naakte zondaar om mij te hullen in den mantel uwer gerechtigheid ; ik zie op naar uw kruis, en ik geloof, dat Gy mij kunt redden en zaligmaken. Uit de kaken des doods, ruit den buik des grafsquot; roep ik tot U, en Gij zult mij verhoeren. O zondaars en heiligen, komt wederom tot Christus, het zij gij bij ervaring weet de zijnen te wezen, of nog vreemdelingen voor Hem zljt; komt thans tot Hem, want nog wordt het liefelijk klokgelui des Evangelies vernomen : „Die wil, neme het water des levens om niet.quot; O God schenk ons de genade om opnieuw tot U te komen, en U zij de lof! Amen, ja Amen.

-ocr page 625-

ZONDER CHRISTUS - NIETS.

„Zonder mij kunt \'gij niets doen.quot; Joh. XV : 5.

Dit is niet de taal van een gewoon mensch. Geen heilige, geen profeet, geen apostel zou ooit een gezelschap van getrouwe mannen hebben toegesproken en tot hun gezegd hebben : „Zonder mij kunt gy niets doen.quot; Indien Jezus Christus, gelijk sommigen zeggen, een goed man, maar ook niets meer, ware geweest, dan zou zulk eene taal onbetamelijk geweest zijn en onbestaanbaar met zijn karakter. Onder de deugden van een\' volmaakten mensch behoort voorzeker ook bescheidenheid en nederigheid; maar zulke woorden zouden in den mond van een\' gewonen mensch van schaamtelooze verwaandheid getuigen. Het is onmogelijk te denken, dat Jezus van Nazareth, indien Hij niet méér dan mensch ware geweest, ooit dezen volzin zou hebben kunnen uitspreken: „Zondermij kunt gü niets doen.quot; Mijne broeders, in dezen volzin hoor ik de stem van dien goddelijken Persoon, zonder wien geen ding is gemaakt, dat gemaakt is. De majesteit der woorden openbaart de Godheid van Hem, die ze heeft uitgesproken. De „Ik benquot; komt uit in het persoonlijk voornaamwoord „mij,quot; en die aanspraak op alle macht ontsluiert den Almachtige. Deze woorden beteekenen de Godheid, of zij beteekenen niets. De geest, waarin wij naar deze taal luisteren, is die der aanbidding. Laat ons het hoofd buigen in plechtige aanbidding, en ons aldus vereenigen met de schare rondom den troon, die kracht en heerschappij en macht toeschrijven aan Hem, die op den troon zit en het Lam.

In dezen gemoedstoestand van aanbidding zullen wij des te beter toebereid zijn om tot het hart van den tekst door te dringen. Ik zal niet spreken over de zedelijke onmacht der on-wedergeborenen, ofschoon ik in die leerstelling van harte geloof; want deze waarheid lag niet op des Heeren weg, toen Hij deze woorden uitsprak, en Hij heeft er toen ook niet op gezinspeeld. Het is volkomen waar, dat onwedergeboren menschen, zonder Christus zijnde, geene enkele geestelijke daad tot stand kun-

-ocr page 626-

zondeb christus — niets.

nen brengen, niets kunnen doen, dat welbehagelyk is in Gods oog; maar onze Heere sprak toen niet tot onwedergeboren menschen, en Hij sprak toen ook niet van hen. Hü was omringd door zijne apostelen, de elven, van wie Judas als onkruid uitgewied was; en het is tot hen, als tot de ranken van den waren wijnstok, dat Hij zegt; „Zonder my kunt gij niets doen.quot; Dit betreft hen, die in den wijnstok zyn, en zelfs tot de zoo-danigen, die gesnoeid zijn en voor eene wijle bevonden zijn te blijven in den stam, welke is Christus. Zelfs in de zoodanigen is eene volstrekte onmacht om iets heiligs v^oort te brengen, indien zij afgescheiden zijn van Christus.

Wij zijn thans niet geroepen om te spreken over alle vormen van doen, die buiten onze macht zijn, maar van dien vorm van doen, die in den tekst wordt bedoeld. Er zyn zekere vormen van doen, waarin menschen uitmunten, die weinig of niets van Christus weten ; maar de tekst moet in zijn eigen verband worden beschouwd, en dan is de waarheid duidelijk. De geloo-vigen worden hier aangeduid onder het beeld van ranken in den wijnstok, en het doen, waarvan gesproken wordt, moet dus het voortbrengen zijn van vrucht. Ik zou dit kunnen overbrengen in de volgende bewoordingen : „Buiten My kunt gij niets voortbrengen — niets maken, niets scheppen, niets teweegbrengen.quot; Er wordt hier gesproken van dat doen, dat voorgesteld kan worden door de vrucht van de wijnrank, en dus tot die goede werken en genadegaven des Geestes behoort, die verwacht worden van menschen, welke geestelijk met Christus zijn vereenigd. Het is van dezen, dat Hij zegt: „Zonder mij kunt gij nietsdoen.quot; Onze tekst is slechts een andere vorm van het vierde vers: „Gelijkerwijs de ranke geene vrucht kan dragen van zich zelve, zoo zij niet in den wijnstok blijft, al-zoo ook gij niet, zoo gij in mij niet blijft.quot; Ik zal dus het woord richten tot u, die belijdt den Heere te kennen en lief te hebben, en grootelijks begeert zijn\' naam te verheerlijken. U moet ik doen gedenken, dat de vereeniging met Christus een noodzakelijk en onmisbaar vereischte is; want alleen dan, als gij één zijt met Hem, en één met Hem blijft, kunt gij de vruchten voortbrengen, waaruit blijkt, dat gij waarlijk de zijnen zijt.

I. „Zonder mij kunt gij niets doen.quot; Door dien volzin wordt in de eerste plaats hoop in mij opgewekt. Er moet iets c/ciacm worden, onze godsdienst moet groote, practische gevolgen hebben. Ik heb aan Christus gedacht als aan den wijnstok, en aan de myriaden van ranken in Hem, en mijn hart heeft groote dingen gehoopt. Welk een wijnoogst moet uit zulk een\' wortel voortkomen! Ranken zijnde in Hem, wat vruchten moeten wij niet voortbrengen ! Er kan geene schaarschheid, niets armoedigs zijn in de vrucht van een\'wijnstok, die zóó vol sap is.

601

-ocr page 627-

ZONDER CHRISTUS — NIETS.

Vrucht van de beste hoedanigheid, vrucht in den grootsten overvloed, ongeëvenaarde vrucht moet door zulk een\'wijnstok worden gedragen. Er is muziek in dat woord „doen.quot; Ja, myne broeders, Jezus ging het land door goeddoende, en in Hem zijnde, zullen ook wy\' goed doen. In Hem is alles krachtig, practisch, — in één woord vruchtdragend, en met Hem vereenigd zijnde, zal ook veel door ons gedaan worden. Door de almachtige genade Gods zyn wij verlost buiten elk doen van ons zeiven, en nu wij verlost zijn, verlangen wij ook wederkeerig iets te doew; wij koesteren de hooge eerzucht, om onzen grooten Heere en meester van eenig nut te kunnen zijn. Ofschoon er in den tekst eene ontkenning is, wekt hij toch in onze ziel de hoop op, dat wij, eer wy van hier gaan en niet meer zijn. ook nog op aarde iets voor Christus kunnen doen.

Geliefden, er is de heilige eerzucht en de hoop, dat wij iets kunnen doen om God te verheerlijken door de vruchten voort te brengen van heiligheid, vrede en liefde. Wij zouden wenschen de leer van God, onzen Zaligmaker in alles te versieren. Door reinheid van wandel, door kennis, door lankmoedigheid, door ongeveinsde liefde, door alle goed en heilig werk zouden wij den lof onzes Gods willen verkondigen. Wy weten, dat wtf zonder den Heere Jezus niet heilig kunnen zijn, maar vereenigd met Hem, overwinnen wij de wereld, het vleesch en den duivel en wandelen in kleederen, die onbesmet zijn van de wereld. De vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid en alle heilige wandel. Tot geen dezer dingen zijn wy bekwaam in ons zeiven, maar in het geloof kunnen wy met Paulus zeggen ; „Ik vermag alle dingen door Christus, die mij kracht geeft.quot; Wy kunnnen versierd zijn door rijke vruchten, wij kunnen den Heiland blijdschap doen hebben in ons, opdat onze blijdschap vervuld worde.

Wy begeeren niet slechts vruchten voort te brengen in ons zei ven, maar ook veel vrucht te dragen in de bekeering van anderen, evenals Paulus begeerde eenige vrucht te hebben onder de Romeinen. Te dien opzichte vermogen wy\' alleen en in ons zeiven niet het allerminste of geringste, maar vereenigd met Christus brengen wy den Heere vruchten voort. De Heere Jezus zegt; „Die in my gelooft, de werken, die ik doe, zal hij ook doen, en zal meer doen, dan deze: want ik ga heen tot mijn\' Vader.quot; Broeders, de hoop wordt levendig in ons hart, dat wy, een iegelyk van ons, vele zielen tot Jezus zullen brengen. Niet omdat wij eenigerlei kracht hebben in ons zeiyen, maar omdat wij vereenigd zijn met Jezus, koesteren wij de blijde hope vruchten te zullen voortbrengen door anderen tot de kennis des Evangelies te brengen.

Die hoop doet mijne ziel ontvlammen, en ik zeg tot mij zei-

602

-ocr page 628-

ZONDER CHRISTUS — NIETS.

603

ven; indien dit zoo is, indien er zoovele ranken zijn, en indien al deze ranken leven, hoe vele vruchten van nog meerdere zegeningen zullen er dan niet rijpen voor deze arme wereld. De men-schen zullen gezegend worden in ons, omdat wij gezegend zijn in Christus. Welk een invloed zal er niet uitgaan van tienduizend godvruchtige levens! Welk een invloed moeter niet geoefend worden op ons land door duizenden van Christen mannen en vrouwen, die liefde, vrede, gerechtigheid, deugd en heiligheid op practische wijze bevorderen! En indien ieder hunner er naar streeft anderen tot Christus te brengen, hoe talrijk zullen dan niet de bekeeringen zijn , en hoe sterk zal de kerke Gods dan niet worden uitgebreid! Weet gij niet, dat zoo er slechts tien duizend ware Christenen in de wereld waren, die ieder elk jaar een ander Christen toebrachten, er geene twintig jaren noodig zouden zijn om de bekeering van geheel de bevolking der aarde tot stand te brengen? Dit is eene eenvoudige rekensom, die iedere schoolknaap maken kan. Het schynt gewis eene kleinigheid, dat iedereen, die Christus kent en liefheeft, een ander toe zal brengen, en zoo wij één zijn met Hem, dan kunnen wy hopen, dat dit voorzeker geschieden zal. En zoo zit ik neder, en heb myn\' liefelijken droom, overeenkomstig de belofte: „Uwe jongelingen zullen gezichten zien, en uwe ouden zullen droomen droomen.quot; Ziet deze duizenden van ranken, voortkomende uit zulk een\' stam als Christus Jezus, en met zulk een sap als de Heilige Geest, in hen vloeiende, o gewis! deze wijnstok moet weldra de bergen bekleeden met zijn groen, zoodat er geene enkele barre rots is, die door zijne zegenrijke bladeren niet wordt versierd! Dan zullen de bergen van zoeten wijn druipen, en al de heuvelen zullen smelten. Niet van wege eenigerlei natuurlijke vruchtbaarheid in de ranken, maar van wege hun\' heerlijken wortel, en stam, en sap, zal ieder hunner rijke vruchten dragen, en elke vruchtbare tak zal over den muur loopen. Geliefden in Christus, hebt gij geen sterk verlangen zulk eene voleindiging te zien ? Begeert gij niet te deelen in de grootsche onderneming van de wereld voor Christus te veroveren ? O gij, die jong zijt en vol van levensmoed, wenscht gij u niet in de voorste gelederen te bevinden van dezen grooten kruistocht? Onze ziel smacht er naar te zien, hoe de kennis des Heeren de aarde zal bedekken, gelijk de wateren den bodem der zee. Het is ons eene blijde tijding, dat wy, vereenigd met Christus, iets kunnen doen, waarop de Heere met welgevallen nederziet, iets, dat zijn\' naam eer en heerlijkheid zal toebrengen. Wij zijn niet tot werkeloosheid gedoemd; de blijdschap des dienens, de hooge zaligheid van geven en van doen is ons niet ontzegd; de Heere heeft ons verkoren en verordineerd om vrucht voort te brengen, en dat wel blijvende vrucht. Dit is de sterke begeerte, die opkomt in onze ziel; de

-ocr page 629-

004 zonder christus - nikts,

Heere geve, dat wij het tot eene werkelijke gestalte in ons

leiinMaar nï ten tweede: er vaart mij eene huivering van vreeze door het hart. Ofschoon ik brand van een zeer steik verlangen, en mij verhef op de vleugelen eener machtige zucht om iets groots voor Christus te doen, zoo wordik toch bij het lezen van den tekst door eene piotselinge siddering bevangen. Zonder mijquot;; — het is dus mogelijk, dat ik zonder Christus ziin kan, en bijgevolg volstrekt onbekwaam tot eenig

goéd Münfvriên\'den. oflcl.oon u ^ 70nnSdCehr

ik u toch de mogelijkheid te doen gevoelen, dat gu „zonde Christusquot; zijt. Ik wensch, dat gij dit tot in het binnenste uws harten zult gevoelen. Gij belijdt in Christus te zijn, maai j gy werkelijk in Christus? De groote meerderheid vd,n hen, tot wie ik heden morgen spreek, zijn leden van de zichtbaie ge meente van Christus; maar wat zouhet z«n\'

zoo in Hem zijt, dat gij vruchten voortbrengt? Het is duidexy dat er ranken zijn, die, in een\' zekeren zin, m den wynstoK zijn, maar toch geene vruchten dragen! Er is geschieven^A rank in mij, die geene vrucht draagt, die neemt hij weg. (1) Ja eii zijt een lid der gemeente, wellicht wel een ouderling misschien een diaken, of wel een leeraar, en als zoodanig zyt gil in den wijnstok; maar brengt gij de vruchten der heiligheid voort? Hebt gij u den Heere toegewijd? Poogt SV anderen tot Jezus Christus te brengen? Of is uwe behjdems iets\' ^^ ^5 geen heilig leven van doen heeft, en ho,eSenaa™^®;nh1^ l^lk oefent op anderen? Geeft het u een\' naam onder het volk Gods en niets meer? Zeg, is het eene bloot natuurlijke ver-eenieing met de gemeente, of is het eene levende, bovennatuurlijke eenheid met Christus? Laat die gedachte u dooi de ziel gaan en u in het stof neerleggen voor Hem, die van den hemel op u nederziet, zijne doorboorde hand opheft en roept. Zonder mij kunt gij niets doen.quot; Mijn vriend, indien gij zonder ChrSus zijt, waar dient het dan voor, dat gij uwe Bijbelklasse aanhoudt? want gij kunt mets doen. Waai toe is het nut dat ik hier kom op dezen kansel, indien ik zondei Christus ben? Waartoe dient het, dat gy hedeinniddag naai de Zondagschool gaat, indien gij met dit al zondei Christus zijt9 Tenzij wij zeiven den Heere Jezus bezitten, kunnen ij Hem niet aan anderen brengen. Tenzij wij het levende water in ons binnenste hebben, springende tot m het eeuJf6 ^ev®n\' kunnen wij niet zóó overvloeien, dat stroomea des levenden

waters uit ons vooitkomen, ^ i _ Watynn

Ik zal het op nog eene andere wijze voorstellen. — Wat zou

1

Joh. 15; 2 naar de Engelsche overzetting, en de kantteekening op den statenbijbel.

-ocr page 630-

ZONDER CHRISTUS — NIETS.

het zijn, indien gij wel in Christus zijt, maar niet zoo, dat gij in Hem blijft? Uit sommige woorden onzes Hoeren blykt het, dat er ranken in Hem zijn, die weggenomen worden en dan verdorren. „Zoo iemand in mü niet blijft, die is buiten geworpen, geiykerwijs de rank, en is verdord.quot; Er zijn sommigen, die naar zijn\' naam zijn genoemd, en gerekend worden tot zijne discipelen; wier namen gehoord worden, telkenmale als de monsterrolle der kerk wordt afgelezen, en die toch niet in Hem blijven. Wat zou het zijn. mijn hoorder, indien gij alleen des Zondags in Christus zijt, maar de gansche week in de wereld! Indien gU alleen aan den Avondmaalsdisch in Christus zijt, of op den bidstond, of op de bepaalde tijden van openlijke Godsvereering ? Wat zou het zijn, indien gij slechts af en toe in Christus zijt! Indien gij uitwendig een heilige, en inwendig een duivel zijt! Ach, mijn vriend, wat zal het einde wezen van zulk een gedrag? En toch zijn er van de zoodanigen, die volharden in het streven om eene tusschenpoozende gemeenschap met Christus te onderhouden: heden in Christus, omdat het de Sabbatdag is; morgen buiten Christus, omdat het marktdag is, en gehoorzaamheid aan Christus lastig is en ongelegen komt, terwyl er gekocht en verkocht wordt. Mu\'ne vrienden, dat gaat niet; dat is niet recht. Wij moeten zóó in Christus zün, dat wij altijd in Hem zijn, want anders zijn wij geene levende ranken van den levenden wijnstok, en dan kunnen wij geene vrucht dragen. Indien er zoo iets bestond als eene wijnrank, die slechts nu en dan met den stam vereenigd is, zoudt gij dan denken, dat zij den wijngaardenier vrucht zou opleveren. En evenmin kunt gij vrucht dragen, zoo gij nu eens wèl, en dan weder niet in Christus zijt. Gij kunt niets doen, zoo gij niet voortdurend met Hem zijt vereenigd.

Toen ik eens op reis was naar do plaats, waar ik gewoonlijk mijn\' winterrusttijd doorbreng, overnachtte ik te Marseilles en werd daar door eene hevige pijn overvallen. Het was koud in de kamer van mijn hotel, en dus verzocht ik, dat men er vuur zou aanleggen. Ik zat daar neder in sombere, neerslachtige gemoedsstemming, toen mij plotseling de tranen in de oogen kwamen, alsof ik door eene groote smart was aangegrepen. Nooit zal ik de gedachten vergeten, die mijn hart bewogen. De portier van het hotel kwam binnen met een hand vol twijgen om het vuur aan te maken. Hij was op het punt om die twijgen in de kachel te werpen als vuurmakers, om het hout spoedig op te doen vlammen, toen ik hem vroeg om ze eens te mogen zien. Het waren verdorde wijnranken, die bij het snoeien afgesneden waren. O! dacht ik, zal dat ook mijn lot wezen ? Hier ben ik, ver weg van huis, niet in staat vrucht te dragen, gelijk ik zou wenschen. Zal ik eindigen, terwijl dit mijn lot is? Zal ik bewaard worden om in het vuur te worden ge-

605

-ocr page 631-

606

2ÖKOEË CHRtSTÜS — NiEÏS. »

worpen? Deze twijgjes maakten deel uit van een\'goeden wijnstok, ranken, die er ongetwijfeld frisch en groen uitzagen; maar nu dienen zij slechts tot voedsel van de vlam. Zij waren afgesneden en als onnutte dingen weggeworpen, en de menschen hadden ze opgeraapt en in bosjes saamgebonden, en nu werden zij smadelijk in het vuur geworpen ! Welk een beeld! Daar is een groep leeraren; zy worden als een bundel saamgebonden en in het vuur geworpen. Daar is zulk een bundel van ouderlingen ! Hier een bundel van diakenen, een bundel van lidmaten der gemeente, een bundel van Zondagschool-onderwijzers! „Men vergadert dezelve, en men werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand.quot; Waarde broeders en zusters, zal dit het lot wezen van iemand onzer, die den naam van Christus hebben aangeroepen! Wèl mocht ik zeggen, dat ons eene huivering kan bevangen, terwijl wij luisteren naar deze woorden: „Zonder mij.quot; Zonder Christus zal ons einde inderdaad schrikkelijk wezen. Eerst: geene vrucht; dan; geen leven; en eindelijk geene plaats onder de heiligen, geen bestaan in de kerke Gods. Zonder Christus doen wy niets, zijn wij niets, zyn wij erger dan niets. Dit is thans de toestand van den Heiden, en eenmaal was dit ook onze toestand; God verhoede, dat het ook thans onze toestand zij — zonder Christus „geene hoop hebbende.quot; Hier is eene ernstige reden tot het onderzoeken van ons hart, en daartoe zal ik dit onderwerp nu verder aan u overlaten.

III. En zoo ben ik genaderd tot mijn derde punt. Ik zie een visioen van een algeheel falen, eene volstrekte mislukking. „Zonder mij,quot; zegt de tekst, „kunt gij niets doenquot; — niets voortbrengen. De zichtbare kerk van Christus heeft reeds dikwijls deze proef genomen, en altijd met denzelfden uitslag. Afgescheiden van Christus, kan zijne kerk nietsdoen van hetgeen zy bestemd was te doen. Zij is tot een groot en edel doel in de wereld gezonden; zij heeft groote krachten ter harer beschikking; maar indien zii kon ophouden van gemeenschap te oefenen met Christus, dan zou zij volstrekt machteloos worden.

Wat zyn nu de uitwendige teekenen, dat eene gemeente buiten Christus is ? Ik antwoord: dit kan ten eerste gezien wor-In ééne bediening des ivoords, zonder Christus in de leer. Dit hebben wij zei ven gezien. Wee den dag, dat dit zoo is! De geschiedenis zegt ons, dat Christus niet slechts in de Eoomsche en in de Anglikaansche, maar ook evenzeer in de andere kerken by tijden vergeten werd. Niet slechts onder de Unitariërs, 1) maar ook onder Presbyterianen (2) Methodisten, Baptisten, is Jezus onteerd geworden. Er zyn pogingen aangewend om het

(1) De secte, die de Godheid van Christus loochent.

(2) Gereformeerden.

-ocr page 632-

KONDER CHRISTUS — NlEÏS.

60T

doen zonder Christus als de waarheid voor te stellen, die gepredikt moet worden. O hoe ontzettend is die dwaasheid ! Zij verheerlijken in hunne prediking het menschelijk verstand, en hopen, dat dit de groote kracht Gods zal blijken te zijn maar het is het niet. „Gewis!quot; zeggen zü, „nieuwe gedachten en eene iljn beschaafde taal zullen de menschen aantrekken en winnen ! Het streven der predikers is om leiders te worden der gedachte: zullen zij dan niet de menigte beheerschen en de ontwikkelden bekoren ? Voeg daar nu nog muziek en fraaie kerkgebouwen bij, en wat zou dan het succes in den weg staan ?quot; Menig jong predikant, heeft daar al zijne gedachten aan gewijd — zeer beschaafd en verstandelijk ontwikkeld te zijn, en wat heeft hij nu met deze fraaie, schitterende middelen uitgewerkt ? De som totaal is uitgedrukt in den tekst — „Niets.quot; „Zonder mij kunt gij niets doen.quot; Welk eene leegte werd door deze dwaasheid geschapen ! Als de kansel zonder Christus is, zijn de stoelen en banken al zeer spoedig zonder menschen. Ik heb eene kerk gekend, van welks kansel jaren lang een zeer voornaam godgeleerde gehoord kon worden. Een bekeerde Jood naar Londen komende om een\' vriend te bezoeken, ging op een Zondagmorgen uit om eene plaats van Christelijke Godsvereering te vinden, en zoo kwam hij in de kerk van dien voornamen godgeleerde. Toen hij terugkwam zeide hy, dat hij vreesde zich vergist te hebben; hy was een gebouw binnengetreden, dat, naar hij hoopte, eene vergaderplaats voor Christenen zou zijn; daar hij echter gedurende den gan-schen dienst den naam van Jezus niet had gehoord, dacht hij, dat hij misschien onder eene secte van godsdienstige dwepers was gekomen. Ik vrees dat menige moderne preek even goed in eene Mohamedaansche moskee als in eene Christelijke kerk uitgesproken zou kunnen worden. quot;Wij hebben maar al te vele predikers, van wie men zou kunnen zeggen: „Zy hebben myn\' Heere weggenomen, en ik weet niet, waar zij Hem gelegd hebben.quot; Het Christendom zonder Christus is eene heele vreemde zaak! En wat is er het gevolg van in plaatsen waar men het het volk verkondigt? Ach, weldra komen er niet genoeg menschen om den eeredienst in stand te houden; er z\\j n vele ledige banken, en het duurt niet lang of de geheele zaak is verloopen. 1) God zü er voor gedankt! Het verheugt mij, dat zonder Christus, deze zoogenaamde Evangeliedienaars geen voorspoed kunnen hebben. Laat Christus weg uit de prediking, en gij zult niets doen. Maak het slechts overal bekend, Mr. broodbakker,

(1) Dit wordt natuurlijk gezegd van gemeenten, die zeiven in het onderhoud van hun\' leeraar en in de kosten van den eeredienst, moeten voor zien. Voor gemeenten, die op staatskosten leven, gaat dit gemakkelijk genoeg.

-ocr page 633-

ZONBËR CHRISTUS — NIETS.

dat gij brood bakt zonder meel; adverteer het in alle couranten : „Brood zonder meel;quot; en gij zult spoedig uwen winkel kunnen sluiten, want uwe klanten zullen naar andere winkels gaan. Er schijnt een vreemd vooroordeel onder de men-schen te heerschen ten gunste van brood, dat van meel bereid wordt, en evenzoo is er een onverklaarbaar vooroordeel in des menschen hart, waardoor zij denken, dat, zoo er een Evangelie is, Christus in dat Evangelie moet wezen. Eene leerrede zonder Christus als haar begin, midden en einde is eene vergissing in de bevatting en eene misdaad in de uitvoering. Hoe grootsch en schoon de taal ook zij, het zullen holle klanke wezen, zoo Christus er niet in is. En als ik van Christus spreek, dan bedoel ik niet slechts zijn voorbeeld, .en de zedelijke strekking van zijne leer; maar zijn zoenbloed, zijne wondervolle genoegdoening voor de zonde der menschen, en het groote leerstuk van „geloof en leef.quot; Indien het „Leven in een\' blik op den Gekruistequot; verduisterd wordt, dan is alles duister. Indien de rechtvaardigmaking door het geloof niet op den voorgrond en in het volle licht gesteld wordt, dan kan niets geschieden. Zonder Christus in de leer zult gij niets doen.

En voorts: zonder ten allen tijde de volstrekte oppermacht van Christus te erkennen, zullen wij niets doen. Heden ten dage maakt men zeer vele plichtplegingen voor Jezus; maar met dat al onderwerpt men zich niet aan Hem als aan den Opperheer. Ik hoor zeer veel fraais over Christus van menschen, die zyn Evangelie verwerpen. „Levens van Christusquot; zyn er in overvloed. Ach! dat er zulk een ware, dat Hem voorstelt in zijne heerlijkheid als God, als Hoofd der Gemeente als Heere over allen! Het zou mij grootelijks verblijden een „Leven van Christusquot; te zien, geschreven door iemand, die Hem kent door gemeenschapsoefening met Hem, en door eerbiedig aan zijne voeten te zitten. De meesten van de fraaie dingen over Jezus, die ik heden lees, schijnen geschreven te zijn door personen, die Hem door een\' telescoop op zeergroo-ten afstand gezien hebben, en Hem kennen „volgens Matthéüsquot;, maar niet naar hunne persoonlijke gemeenschapsoefening met Hem. O dat er een „Leven van Christusquot; ware, geschreven door Samuel Eutherford, of door George Herbert, of door een ander godvruchtige, voor wien de Eeuwig Gezegende een gemeenzaam Vriend geworden is. Er zijn heden ten dage sommigen, die Jezus in hunne geschriften prijzen, omdat Hij, naar hun oordeel, een godsdienst gesticht heeft, die over het algemeen zoo tamelijk wel past bij de verlichting der 19de eeuw, en wellicht zells wat langer zou kunnen duren. Door deze critici wordt Jezus geprezen, en eenigszins bewonderd, als de voorkeur te verdienen boven de meeste andere leeraars; maar toch moet Hij volstrekt niet blindelings worden gevolgd. Het

608

-ocr page 634-

ZONDER CHRtSTUS — NIETS. (50ij

is gelukkig voor Jezus, dat Hij zich aanbeveelt aan „de beste gedachtenquot; en de rijkste beschaving en ontwikkeling van onzen tijd, want indien Hij dit niet gedaan had, dan zou Hij door die wijze en geleerde heeren tentoongesteld worden als iemand, die met zijn\' tijd ten achteren is. Zij moeten natuurlek wel sommigen van zijne leerstellingen rectifleeren, inzonderheid zulke leerstellingen als rechtvaardigmaking door het geloof, of de verzoening, of de uitverkiezing — dat zijn ouderwetsche begrippen, die tot een vroeger, minder verlicht, tijdperk behoo-ren, en daarom maken zij ze geschikt en pasklaar voor onzen tijd door ze van hare ware beteekenis te berooven. Volgens de onfeilbare critici van onzen tijd zijn de leerstellingen dei-genade ouderwetsch — daaraan gelooft niemand meer, en bijgevolg verklaren zij de ouderwetsche geloovigen niet te bestaan. Christus wordt gerectifieerd en gefatsoeneerd, en zijn kleed zonder naad wordt Hem afgenomen, en men kleedt Hem naar de mode; en dan wordt Hü ons voorgesteld als een merkwaardig Leeraar. en men geeft ons den raad Hem tot op zekere hoogte te volgen. Voor het oogenblik zullen ds wijzen Jezus nog dulden ; maar men kan niet weten wat er gebeuren zal. De vorderingen van onzen tyd zijn zóó verbazend groot, dat het zeer wel mogelijk is, dat wij Christus en het Christendom weldra zullen achterlaten. quot;Welaan, mijne vrienden, wat zal er van zoo dwaze wijsheid worden ? Wat zal er het gevolg van wezen ? Niets dan begoocheling, onheil, ongeloof, anarchy en alle denkbaar en ondenkbaar kwaad. De zaak is deze: indien gij Christus niet erkent als te zijn alles, dan hebt gij Hem in werkelijkheid geheel buitengesloten, en dan zijt gij zonder Hem. Wij moeten het Evangelie prediken, omdat Christus het heeft geopenbaard. „Alzoo spreekt de Heerequot; dat moet onze logica zün. Wij moeten het Evangelie prediken als gezanten, die hunne boodschap overbrengen, dat is in naam des Konings, dooreen gezag, dat het hunne is, Wij prediken onze leerstellingen, niet omdat wij ze passend en geschikt, gelegen en gemakkelijk achten, maar omdat Christus ons bevolen heeft ze te verkondigen. Wij gelooven in de leerstellingen der genade, niet omdat de verlichting der eeuw er haar goedkeurend zegel op zet, maar omdat zij waar zijn, omdat zij de stemme Gods zijn. De eeuw heeft er niets mede van doen. De wereld haat Christus en moet Hem haten. Indien zij Christus onverholen van kwaad beschuldigde, dan zou dit voor ons een meer hoopgevend teeken zijn, dan haar bedriegelijke Judaskus. Wij houden ons eenvoudig aan dit: — de Heere heeft het gezegd; en wy bekommeren er ons niet om of men het goed of afkeurt. Jezus is God en het Hoofd der gemeente, en wü moeten doen wat Hy gebiedt : komen wy hierin te kort, dan kan daar geen goed uit voortkomen. Indien de gemeente terugkeert tot het geloof, dan

39

-ocr page 635-

ZONBER CHRISTUS — ÜIETS.

dat gij brood bakt zonder meel; adverteer het in alle couranten : „Brood zonder meelen gij zult spoedig uwen winkel kunnen sluiten, want uwe klanten zullen naar andere winkels gaan. Er schijnt een vreemd vooroordeel onder de men-schen te heerschen ten gunamp;te van brood, dat van meel bereid wordt, en evenzoo is er een onverklaarbaar vooroordeel in des menschen hart, waardoor zij denken, dat, zoo er een Evangelie is, Christus in dat Evangelie moet wezen. Eene leerrede zonder Christus als haar begin, midden en einde is eene vergissing in de bevatting en eene misdaad in de uitvoering. Hoe grootsch en schoon de taal ook zij, het zullen holle klanke wezen, zoo Christus er niet in is. En als ik van Christus spreek, dan bedoel ik niet slechts zijn voorbeeld, jen de zedelijke strekking van zijne leer; maar zijn zoenbloed, zijne wondervolle genoegdoening voor de zonde der menschen, en het groote leerstuk van „geloof en leef.quot; Indien het „Leven in een\' blik op den Gekruistequot; verduisterd wordt, dan is alles duister. Indien de rechtvaardigmaking door het geloof niet op den voorgrond en in het volle licht gesteld wordt, dan kan niets geschieden. Zonder Christus in de leer zult gij niets doen.

En voorts: zonder ten allen tijde de volstrekte oppermacht van Christus te erkennen, zullen wij niets doen. Heden ten dage maakt men zeer vele plichtplegingen voor Jezus; maar met dat al onderwerpt men zich niet aan Hem als aan den Opperheer. Ik hoor zeer veel fraais over Christus van menschen, die zyn Evangelie verwerpen. „Levens van Christusquot; zijn er in overvloed. Ach! dat er zulk een ware, dat Hem voorstelt in zijne heerlijkheid als God, als Hoofd der Gemeente als Heere over allen! Het zou mij grootelijks verblijden een „Leven van Christusquot; te zien, geschreven door iemand, die Hem kent door gemeenschapsoefening met Hem, en door eerbiedig aan zijne voeten te zitten. De meesten van de fraaie dingen over Jezus, die ik heden lees, schijnen geschreven te zijn door personen, die Hem door een\' telescoop op zeergroo-ten afstand gezien hebben, en Hem kennen „volgens Matthéüsquot;, maar niet naar hunne persoonlijke gemeenschapsoefening met Hem. O dat er een „Leven van Christusquot; ware, geschreven door Samuël Rutherford, of door George Herbert, of door een ander godvruchtige, voor wien de Eeuwig Gezegende een gemeenzaam Vriend geworden is. Er zijn heden ten dage sommigen, die Jezus in hunne geschriften prijzen, omdat Hij, naar hun oordeel, een godsdienst gesticht heeft, die over het algemeen zoo tamelijk wel past bij de verlichting der 19de eeuw, en wellicht zei is wat langer zou kunnen duren. Door deze critici wordt Jezus geprezen, en eenigszins bewonderd, als de voorkeur te verdienen boven de meeste andere leeraars; maar toch moet Hij volstrekt niet blindelings worden gevolgd. Het

608

-ocr page 636-

ZONDEK CHRISTUS — KlETS.

609

is gelukkig voor Jezus, dat Hij zich aanbeveelt aan „de beste gedachtenquot; en de rijkste beschaving en ontwikkeling van onzen tijd, want indien Hij dit niet gedaan had, dan zou Hij door die wijze en geleerde heeren tentoongesteld worden als iemand, die met zijn\' tijd ten achteren is. Zij moeten natuurlijk wel sommigen van zijne leerstellingen rectifieeren, inzonderheid zulke leerstellingen als rechtvaardigrnaking door het geloof, of de verzoening, of de uitverkiezing — dat zijn ouderwetsche begrippen, die tot een vroeger, minder verlicht, tijdperk behoo-ren, en daarom maken zij ze geschikt en pasklaar voor onzen tijd door ze van hare ware beteekenis te berooven. Volgens de onfeilbare critici van onzen tijd zijn de leerstellingen dei-genade ouderwetsch — daaraan gelooft niemand meer, en bijgevolg verklaren zij de ouderwetsche geloovigen niet te bestaan. Christus wordt gerectifieerd en gefatsoeneerd, en zijn kleed zonder naad wordt Hem afgenomen, en men kleedt Hem naar de mode; en dan wordt Hy ons voorgesteld als een merkwaardig Leeraar. en men geeft ons den raad Hem tot op zekere hoogte te volgen. Voor het oogenblik zullen de wijzen Jezus nog dulden ; maar men kan niet weten wat er gebeuren zal. De vorderingen van onzen tijd zijn zóó verbazend groot, dat het zeerwel mogelijk is, dat wij Christus en het Christendom weldra zullen achterlaten. quot;Welaan, mijne vrienden, wat zal er van zoo dwaze wijsheid worden ? Wat zal er het gevolg van wezen ? Niets dan begoocheling, onheil, ongeloof, anarchy en alle denkbaar en ondenkbaar kwaad. De zaak is deze; indien gij Christus niet erkent als te zijn alles, dan hebt gij Hem in werkelijkheid geheel buitengesloten, en dan zijt gij zonder Hem. Wij moeten het Evangelie prediken, omdat Christus het heeft geopenbaard. „Alzoo spreekt de Heerequot; dat moet onze logica zijn. Wij moeten het Evangelie prediken als gezanten, die hunne boodschap overbrengen, dat is in naam des Konings, door een gezag, dat het hnnne is, Wij prediken onze leerstellingen, niet omdat wij ze passend en geschikt, gelegen en gemakkelijk achten, maar omdat Christus ons bevolen heeft ze te verkondigen. Wij gelooven in de leerstellingen der genade, niet omdat de verlichting der eeuw er haar goedkeurend zegel op zet, maar omdat zij waar zijn, omdat zij de stemme Gods zijn. De eeuw heeft er niets mede van doen. De wereld haat Christus en moet Hem haten. Indien zij Christus onverholen van kwaad beschuldigde, dan zou dit voor ons een meer hoopgevend teeken zijn, dan haar bedriegelijke Judaskus. Wij houden ons eenvoudig aan dit; — de Heere heeft het gezegd; en wü bekommeren er ons niet om of men het goed of afkeurt. Jezus is God en het Hoofd der gemeente, en wij moeten doen wat Hij gebiedt : komen wij hierin te kort, dan kan daar geen goed uit voortkomen. Indien de gemeente terugkeert tot het geloof, dan

39

-ocr page 637-

ZONBER CHRISTUS — NlEÏS.

dat gij brood bakt zonder meel; adverteer het in alle couranten; „Brood zonder meel;quot; en gij zult spoedig uwen winkel kunnen sluiten, want uwe klanten zullen naar andere winkels gaan. Er schijnt een vreemd vooroordeel onder de men-schen te heerschen ten gunste van brood, dat. van meel bereid wordt, en evenzoo is er een onverklaarbaar vooroordeel in des menschen hart, waardoor zij denken, dat, zoo er een Evangelie is, Christus in dat Evangelie moet wezen. Eene leerrede zonder Christus als haar begin, midden en einde is eene vergissing in de bevatting en eene misdaad in de uitvoering. Hoe grootsch en schoon de taal ook zij, het zullen holle klanke wezen, zoo Christus er niet in is. En als ik van Christus spreek, dan bedoel ik niet slechts zijn voorbeeld, .en de zedelijke strekking van zijne leer; maar zijn zoenbloed, zijne wondervolle genoegdoening voor de zonde der menschen, en het groote leerstuk van „geloof en leef.quot; Indien het „Leven in een\' blik op den Gekruistequot; verduisterd wordt, dan is alles duister. Indien de rechtvaardigmaking door het geloof niet op den voorgrond en in het volle licht gesteld wordt, dan kan niets geschieden. Zonder Christus in de leer zult gij niets doen.

En voorts: zonder ten allen tijde de volstrekte oppermacht van Christus te erkennen, zullen wij niets doen. Heden ten dage maakt men zeer vele plichtplegingen voor Jezus; maar met dat al onderwerpt men zich niet aan Hem als aan den Opperheer. Ik hoor zeer veel fraais over Christus van menschen, die zü\'n Evangelie verwerpen. „Levens van Christusquot; zyn er in overvloed. Ach! dat er zulk een ware, dat Hem voorstelt in zijne heerlykheid als God, als Hoofd der Gemeente als Heere over allen! Het zou mü grootelijks verblijden een „Leven van Christusquot; te zien, geschreven door iemand, die Hem kent door gemeenschapsoefening met Hem, en door eerbiedig aan zijne voeten te zitten. De meesten van de fraaie dingen over Jezus, die ik heden lees, schijnen geschreven te zijn door personen, die Hem door een\' telescoop op zeer groo-ten afstand gezien hebben, en Hem kennen „volgens Matthéüsquot;, maar niet naar hunne persoonlijke gemeenschapsoefening met Hem. O dat er een „Leven van Christusquot; ware, geschreven door Samuël Rutherford, of door George Herbert, of door een ander godvruchtige, voor wien de Eeuwig Gezegende een gemeenzaam Vriend geworden is. Er zyn heden ten dage sommigen, die Jezus in hunne geschriften prijzen, omdat Hij, naar hun oordeel, een godsdienst gesticht heeft, die over het algemeen zoo tamelü\'k wel past bij de verlichting der 19de eeuw, en wellicht zells wat langer zou kunnen duren. Door deze critici wordt Jezus geprezen, en eenigszins bewonderd, als de voorkeur te verdienen boven de meeste andere leeraars; maar toch moet Hij volstrekt niet blindelings worden gevolgd. Het

608

-ocr page 638-

ZONDER CHRISTUS — NIETS. 609

is gelukkig voor Jezus, dat Hij zich aanbeveelt aan „de beste gedachtenquot; en de rijkste beschaving en ontwikkeling van onzen tijd, want indien Hij dit niet gedaan had, dan zou Hij door die wijze en geleerde heeren tentoongesteld worden als iemand, die met zijn\' tijd ten achteren is. Zij moeten natuurlijk wel sommigen van zijne leerstellingen rectifieeren, inzonderheid zulke leerstellingen als rechtvaardigmaking door het geloof, of de verzoening, of de uitverkiezing — dat zijn ouderwetsche begrippen, die tot een vroeger, minder verlicht, tijdperk behoo-ren, en daarom maken zij ze geschikt en pasklaar voor onzen tijd door ze van hare ware beteekenis te berooven. Volgens de onfeilbare critici van onzen tijd zijn de leerstellingen dei-genade ouderwetsch — daaraan gelooft niemand meer, en bijgevolg verklaren zij de ouderwetsche geloovigen niet te bestaan. Christus wordt gerectifieerd en gefatsoeneerd, en zijn kleed zonder naad wordt Hem afgenomen, en men kleedt Hem naar de mode; en dan wordt Hy ons voorgesteld als een merkwaardig Leeraar, en men geeft ons den raad Hem tot op zekere hoogte te volgen. Voor het oogenblik zullen ds wijzen Jezus nog dulden ; maar men kan niet weten wat er gebeuren zal. De vorderingen van onzen tijd zijn zóó verbazend groot, dat het zeerwel mogelijk is, dat wij Christus en het Christendom weldra zullen achterlaten. quot;Welaan, mijne vrienden, wat zal er van zoo dwaze wijsheid worden ? Wat zal er het gevolg van wezen ? Niets dan begoocheling, onheil, ongeloof, anarchy en alle denkbaar en ondenkbaar kwaad. De zaak is deze: indien gij Christus niet erkent als te zijn alles, dan hebt gij Hem in werkelijkheid geheel buitengesloten, en dan zijt gij zonder Hem. Wij moeten het Evangelie prediken, omdat Christus het heeft geopenbaard. „Alzoo spreekt de Heerequot; dat moet onze logica zijn. Wij moeten het Evangelie prediken als gezanten, die hunne boodschap overbrengen, dat is in naam des Konings, dooreen gezag, dat het hunne is, Wij prediken onze leerstellingen, niet omdat wij ze passend en geschikt, gelegen en gemakkelijk achten, maar omdat Christus ons bevolen heeft ze te verkondigen. Wij gelooven in de leerstellingen der genade, niet omdat de verlichting der eeuw er haar goedkeurend zegel op zet, maar omdat zij waar zijn, omdat zij de stemme Gods zijn. De eeuw heeft er niets mede van doen. De wereld haat Christus en moet Hem haten. Indien zij Christus onverholen van kwaad beschuldigde, dan zou dit voor ons een meer hoopgevend teeken zijn, dan haar bedriegelijke Judaskus. Wij houden ons eenvoudig aan dit: — de Heere heeft het gezegd; en wij bekommeren er ons niet om of men het goed of afkeurt. Jezus is God en het Hoofd der gemeente, en wij moeten doen wat Hij gebiedt; komen wij hierin te kort, dan kan daar geen goed uit voortkomen. Indien de gemeente terugkeert tot het geloof, dan

39

-ocr page 639-

20^DEE CHRISTUS — NlËTS.

zal zjj zien, wat haar Heere doen zal; maar zonder Cluistus als den oppermachtigen Heere, als den onfeilbaren Leeraar en geëerbiedigden Koning, moet alles ten einde toe mislukken.

Ga nog een weinig verder: gij kunt gezond zyn in de leer, en toch niets doen, tenzij gij Christus hebt in uwen geest, uw gemoed, uwe gezindheid. Er waren leeraars, die al de leerstellingen der genade predikten, en toch kwamen er op hunne prediking geene bekeeringen — het was omdat zij geene bekeeringen verwachtten, ja ze nauwelijks begeerden. In vroegere jaren hebben vele orthodoxe predikers gedacht, dat hun eenigè plicht bestond in de godvruchtigen te vertroosten en te bevestigen. Deze broeders spraken van zondaren als van lieden, die God wel toe zou kunnen brengen, indien Hij het goed vond; maar er was hun niet veel aan gelegen, of\'Hij het al of niet deed. Maar te weenen over zondaren, gelijk Christus geweend heeft over Jeruzalem; hen te noodigen om tot Christus te komen, zooals de Heere deed, toen Hij den ganschen dag zijne handen tot hen had uitgestrekt; met Jere-mia te weenen over een volk, dat zijn verderf te gemoet gaat — met zulke gewaarwordingen hadden zij geene sympathie; zy vreesden, dat dit wel een weinig Arminiaansch was. Prediker en hoorders waren als in eene harde schelp gesloten, en leefden alsof hunne eigene verlossing en zaligheid het eenig doel was van hun bestaan. Als iemand yverig was en arbeidde aan de bekeering van zondaren, dan heette hij een drijver, een onbezonnen, of wel een ingebeeld mensch. Wanneer eene gemeente in zulk een\' toestand geraakt, dan is zij ten opzichte van den geest, die onder haar heerscht, „zonder Christus.quot; Wat is er het gevolg van ? Sommigen van u weten uit eigene ervaring of opmerking wat er het gevolg van is. Zulk eene met zich zelve voldane gemeente bestaat en groeit voor eene wijle; maar op den duur gaat zij te niet, en dat kan nietanders. Er kan geen vrucht dragen zijn, waar de geest van Christus niet is, zoowel als de leer van Christus. Tenzij de geest des Heeren op u rust en u doet smachten naar het heil en de verlossing der men-schen, zooals Jezus er naar gesmacht heeft, kunt gij niets doen.

Doch wü hebben Christus bovenal noodig in de kracht van zijne werkelijke tegenwoordigheid. Denken wij altijd aan dit; — „Zonder mij kunt gij niets doenquot;? Wij zullen heden middag uitgaan om de jeugd te onderwijzen: zal het onze vurige begeerte zün, dat Christus met ons gaat? Of zullen wij plotseling stilstaan op den weg en zeggen: „Mijn Meester is niet bij mij, en ik durf geen stap verder doenquot;? De blijvende bewustheid van de liefde van Christus in onze ziel is het wezenlijke element van onze kracht. Wij kunnen zonder Christus evenmin een\' zondaar tot bekeering brengen, als wy nieuwe sterren

610

-ocr page 640-

ZONDER CHEISTÜS — NIETS.

kunnen doen lichten aan den hemel. De kracht om den wil des menschen te veranderen, de macht om het verstand te verlichten ten opzichte van de dingen Gods en invloed te oefenen op het gemoed tot bekeering en geloof, moet geheel en volstrekt komen van den Allerhoogste. Gevoelen wij dit ? Of rangschikken wij onze gedachten voor eene toespraak, en zeggen wij; „Dit is een sterk punt, dat moet effect makenquot;, om daar dan bij te blijven? Zoo ja, dan knnnen wij nietsdoen. De kracht is bij den Meester, niet bij den dienstknecht; de macht is in de hand, niet in het wapen. Wij moeten Christus hebben bü de hoorders en bij den prediker. Christus moet wezen in de Zondagschool; en Christus moet op de hoeken der straten wezen, als wij daar over Hem spreken; en wij moeten ons bewust zijn, dat Hij met ons is tot aan het einde der wereld, of wy zullen niets doen.

Wij hebben dus niets dan eene algeheele mislukking te wachten van alles, zoo wij iets, wat het ook zij, ondernemen zonder Christus. „Zonder mijquot;, zegt Hij, „kunt gij niets doen.quot; Het is in het doen, dat het falen het meest openbaar wordt. Gi) kunt zonder Hem wel heel veel spreien; gij kunt congressen houden en conferenties, en vergaderingen; maar doen is gansch wat anders. Zonder Jezus kunt gü heel veel praten-, maar zonder Hem kunt gij niets doen. De welsprekendste redevoering zal, zonder Hem, niets dan eene flesch met damp zyn. Gij kunt plannen bedenken, en uwe machinerie in orde schikken, en uwe ontwerpen beginnen uit te voeren; maar zonder den Heere zult gij niets doen. Een onmetelijk wolkenland van voornemens en geen enkel plekje van wezenlijk doen, groot genoeg voor den voet eener duive om op te rusten — dat zal van alles het einde wezen! Gij kunt al het geld hebben, dat door mildheid en grootmoedigheid wordt geschonken; al de geleerdheid, die aan uwe universiteiten zijn te verkrijgen, en al de welsprekendheid, die door de rijkst begaafden aan uwe voeten worden gelegd; maar „zonder mijquot;, zegt Christus, „kunt gy nietsdoen.quot; Geraas, flikkering, vuurwerk en mislukking — dat is er het einde van. „Zonder mij kunt gij niets doen.quot; Laat mij die woorden herhalen: „Niets doen.quot; „Niets doenquot;; en de wereld rondom ons sterft! Afrika in duisternis verzonken! China\'s mil-lioenen komen om! Hindostan verzonken in bijgeloof, en eene kerk, die niets kan doen! Geen brood om uit te deelen aan de hongerigen, en de scharen bezwijken en sterven ! De rots moet geslagen worden en het water des levens er uit voortstroomen voor de dorstigen, maar geen enkele droppel komt te voorschijn, omdat Jezus daar niet is. Predikanten, evangelisten, kerken, reddingslegers, de wereld komt om uit gebrek aan ulieden, en toch, zoo de Heere niet bij u is, kunt gij niets doen De eeuw zal voortschrijden met hare ontdekkingen, en de man^

611

-ocr page 641-

Zonder christüs — niets.

nen der wetenschap zullen het weinigje doen wat zij kunnen, maar zonder Christus zult gij „nietsquot; doen, niets, volstrekt niets! Gij zult geen duimbreed vorderen op uwen moeizamen weg. ofschoon gij zóó hard roeit, dat de roeiriemen breken; gij zult door wind en strooming teruggedreven worden, tenzij gij Jezus met u in het schip neemt. En gedenk, dat gedurende al dien tijd de groote Landman u gadeslaat, want zijn oog is op iedere rank gevestigd. Hij ziet, dat gij geene druiven voortbrengt, en Hij komt met zijn scherp snoeimes en snijdt hier en daar de ranken weg! Wat moet er worden van u, die niets voortbrengt ? Onze ziel is verschrikt in ons als wij bedenken, dat wij zouden leven om niets te doen. Toch vrees ik, dat duizenden Christenen niet verder komen dan dit; zij zijn niet onzedelijk, niet oneerlijk of Godslasterlijk; maar zij doen niets. Zij denken aan hetgeen zij wel gaarne zouden willen doen, en zij maken plannen; maar zü doen niets. Er zyn overvloed van knoppen, maar er wordt geene enkele druif voortgebracht, en dat alleen omdat zij niet in die krachtige, levende gemeenschap zijn met Christus, waardoor zü vervuld zouden worden van leven, en gedrongen zouden worden vruchten voort te brengen tot eer en heerlijkheid Gods. Indien wij dus iets trachten te doen zonder Christus, dan staat ons niets dan mislukking te wachten.

IV. Maar nu ten vierde: ik hoor eene stem der wijsheid, eene stem als het suizen eene zachte stilte, die spreekt uit den tekst, en tot ons, die in Christus zijn, zegt: laat oks dit erkennen. Buigt uwe knieën, steekt uwen mond in het stof en zegt: „Heere, het is waar: zonder U kunnen wij niets doen, niets hoegenaamd, dat goed en welbehagelijk is in Gods oog. Wij zijn van ons zeiven niet bekwaam iets te denken, als uit ons zei ven; maar onze bekwaamheid is uit God.quot; Nu moet gij aldus niet spreken, alsof gü een kompliment maakt, dat door de rechtzinnigheid van u geëischt wordt; maar uit de diepte uwer ziel, vervuld van wanhoop aan u zeiven, moet gij die waarheid voor God erkennen. „Het willen is wel bij mü, maar het goede te doen, dat vind ik niet.quot; Heere ik deug nergens toe, en doe niets; zonder U ben ik eene onvruchtbare, dorre rank, en dit gevoel ik in het diepst mijner ziel. Wees niet verre van mij, maar maak mij levend door uwe tegenwoordigheid,

Vervolgens: laat ons bidden. Indien wij zonder Christus niets kunnen doen, zoo laat ons tot Hem roepen en vragen, dat wij nooit zonder Hem zijn mogen. Laat ons met sterke roepingen en tranen smeeken om zijne voortdurenJe tegenwoordigheid. Hij komt tot hen, die Hem zoeken; zoo laat ons nooit aflaten van Hem te zoeken. Laat ons in bewuste gemeenschap met Hem pleiten, dat die gemeenschap immer onverbroken moge

612

-ocr page 642-

ZONDER CHRISTUS — KIETS.

blijven. Laat ons bidden, dat wij zóó met Jezus saamgevoegd mogen zijn, dat wij ééns geestes met Hem mogen wezen, en nooit meer van Hem gescheiden worden. Meester en Heere, laten de levensstroomen uwer genade nooit ophouden in ons te vloeien, want wü weten, dat dit geschieden moet, omdat wy anders niets kunnen voortbrengen. Broeders, laat er veel meer gebeds onder ons wezen, dan er ons placht te zijn. Het gebed is bestemd om ons den zegen toe te voeren, dien God voor ons verordineerd heeft; zoo laat ons dan voortdurend van het door Hem aangewezen middel gebruik maken, en moge het resultaat er van van dag tot dag toenemen.

En voorts; laat ons persoonlijk Jezus aankleven. Laat ons geen leven van scheiding beproeven, want dat zou wezen de levenden te zoeken onder de dooden. Laat ons geen enkel oogen-blik van Hem afwyken. Zoudt gü willen dat gu ook maar voor eene enkele seconde van uw leven in een\' toestand werdt aangetroffen, waarin gij niets kunt doen? Ik moet bekennen, dat ik niet gaarne in zulk een\' toestand zou zijn — onmachtig om mij te verdedigen tegen mijne vijanden, onmachtig om mijn\' Heere te dienen. Indien eens een ontwaakt zondaar in ziels-benauwdheid tot u kwam, en gij zoudt u gansch onmachtig gevoelen om hem eenig goed te doen, welk eene treurige verlegenheid zou dat voor u wezen! Of, zoo gij u niet onbekwaam gevoeldet; maar dit in werkelijkheid toch zoudt zijn; en indien gij dan wel godsdienstige gesprekken met hem houdt, maar er de kracht niet van kent in uw eigen hart, zou dit dan geene zeer treurige zaak zijn? Mocht gij nimmer in zulk een\' toestand wezen, waarin gij tot niets doen gedoemd zijt, terwyl u de gelegenheid geboden wordt om iets te doen, maar de kracht niet hebt, om van die gelegenheid gebruikte maken! Indien gij van Christus gescheiden zijt, dan zijt gij ook van de mogelijkheid gescheiden om goed te doen. Klem u dus uit alle macht vast aan den Zaligmaker, en laat niets u van Hem scheiden, neen, ook zelfs niet voor één enkel uur.

Ondenverpt u van harte, mijne vrienden, aan de leiding des Heeren, en bidt, dat gij alles op zijne wijze en naar zijn\' wil moogt doen. Hy zal niet met u zijn, tenzij gij Hem erkent en aanneemt als uwen Meester. Er moet geen twist zijn tusschen u en Hem over de oppermacht, maar gij moet u geheel en volstrekt aan Hem onderwerpen, u overgeven in zijne handen om te zijn, of te doen, of te lijden, wat Hem behaagt. Als dit geheel en al zoo is, dan zal Hij met u wezen, en dan zult gij alles doen wat van u geëischt wordt. Als de Heere u alles in alles is, zal Hij wondervolle dingen door u tot stand brengen. Wenschen wij dit niet ?

Gelooft in Hem met verheuging des harten. Zonder Hem kunt gij niets doen. maar met Hem zijn alle dingen mogelijk. De

613

-ocr page 643-

zonder christus — niets.

mensch, die Christus in zich heeft, heeft de Almacht in zich. Gij kunt de zwakheid zelve zijn, maar gij zult leeren roemen in die zwakheid, omdat de kracht van Christus op u rust, indien gij in voortdurende eenheid en gemeenschap met Christus zijt. O dat wij een vast, een onbepaald vertrouwen hadden in Christus! Wij hebben zelfs nog niet in Hem geloofd naar de mate van den zoom zijns kleeds, want zelfs dat, geloof heeft de kranke vrouw gezond gemaakt. O dat wij in Hem geloofden naar de mate zijner oneindige Godheid ! Mocht de heerlijkheid des geloofs ons deel zijn, dat zich afmeet naar Christus, op wien het betrouwt! Moge God ons daar brengen, dan zullen wij overvloedige vrucht voortbrengen tot eer zijns naams!

V. Eindelijk. Terwijl ik luisterde naar mijn\' tekst, gelijk een kind eene schelp aan zijn oor houdt, totdat hij de zee hoort bruisen, hoorde ik in mijn\' tekst een lied der tevredenheid. „Zonder Mij kunt gij niets doen.quot; En mijn hart zeide: wat is er, dat ik zonder U zou willen doen ? Die gedachte heeft voor mij niets smartelijks. Indien ik iets kan doen zonder U, dan doet het mij leed zulk eene gevaarlijke macht te bezitten. Ik ben gelukkig wijl ik ontbloot ben van alle kracht, behalve van die, welke van ü komt. Het is mij eene blijdschap en zielsver-lustiging te denken, dat Gij mijn alles zijt. Gij hebt mij volstrekt arm gemaakt ten opzichte van allen rijkdom in mij zeiven, opdat ik mijne hand zou kunnen steken in uwe schat-kameren. Gij hebt mü alle kracht ontnomen, opdat ik zou rusten aan uwe borst.quot; „Zonder mij kunt gij niets doen.quot; Hetzij zoo. Broeders, stemt gij allen hiermede in ? Wenscht gy het veranderd, gij, die zijn\' dierbaren naam liefhebt? Stellig niet; want veronderstelt eens, mijne vrienden, dat wij zonder Christus iets konden doen doen, dan zou Hij er de eer niet voor ontvangen. Wie wenscht dit? Er zouden kroontjes wezen voor ons hoofd, want wij zouden dan iets gedaan hebben zonder Hem ; maar nu is er eene groote kroon voor dat dierbare hoofd, dat eens met doornen was gekroond; want alle zijne heiligen te zamen kunnen zonder Hem niets doen. Het voortreffelijk gezelschap der apostelen, de edele schare der martelaren en het triomfeerend heir der verlosten door het bloed des Lams, deze allen kunnen, zonder Jezus, niets d-oen. Laat Hij met majesteit worden gekroond, die in ons werkt beide het willen en het werken naar zijn welbehagen. Om ons zelfs wil, om onzes Heeren wil verblijden wij ons, dat dit zoo is. Alle dingen zijn méér onzer door dat zij zijner zijn, en indien de vrucht, die wij dragen, veeleer zijner dan onzer is, dan is zij er niet minder, maar wel meer onzer door. Is dit voor een heilig oor geene zeldzame, heerlijke muziek ?

Het is mij eene zeer groote blijdschap, dat wij zonder Chris-

614

-ocr page 644-

ZONDER CHRISTUS — NIETS.

tus niets kunnen doen, omdat ik vrees, dat de kerk, indien zy zonder Christus iets kon doen, ook zou beproeven zonder Hem te leven. Indien zij in de school zou kunnen onderwijzen, en de kinderen tot zaligheid kon doen komen zonder Christus, dan vrees ik, dat Christus wel nooit meer in de Zondagschool zou komen. Indien wij zonder Christus met succes zouden kunnen prediken, dan vrees ik, dat de Heere Jezus Christus nooit meer onder ons zou komen. Indien onze Christelijke litteratuur tot een\' zegen voor de menschen kon wezen zonder Christus, dan vrees ik, dat wij de drukpers zouden laten werken, zonder ooit aan den Gekruisigde daarbij te denken. Indien er werk kon gedaan worden door de gemeente zonder Jezus, dan zouden er kameren zijn, waarin Hij nooit genoodigd zou worden binnen te treden, en dit zouden dan weldra kameren worden vol van verschrikkingen. letsdat wij zouden kunnen doen zonder Christus ! Ach! de massa der gemeente zou de machinerie voor dat iets met grooten ijver in beweging brengen, en al het overige zou verwaarloosd worden, en daarom is het een zegen voor geheel de gemeente, dat zij overal en voor alles Christus van noode heeft.

„Zonder my kunt gij niets doen.quot; Terwijl ik luisterde naar het lied in deze woorden, moest ik lachen; en ik vroeg mij af, of gij ook niet zult lachen. Evenals Abraham van ouds lachte ik bij my zeiven. Ik\'dacht aan hen, die de rechtzinnige leer van de aarde gaan verdelgen. Hoe snoeven zij over het verval en den dood der ouderwetsche Evangelieleer! Ik heb al eenige malen gelezen, dat ik de laatste der Puriteinen ben, want dat geslacht sterft uit. Daar heb ik op tegen; want ik ben wel bereid de minste zijn, maar niet de laatste van het geslacht. Er zijn vele anderen, die standvastig zijn in het geloof. Zij zeggen, dat onze oude godgeleerdheid vermolmt, en dat niemand er meer in gelooft. Dit is eene leugen; maar wijze lieden zeggen het, en dus zijn wy verplicht ons zeiven als verouderd en niet meer bestaande te achten. In hunne schatting zijn wy even ouderwetsch als antediluvianen zijn zouden, als zij in onze straten konden wandelen. Ja, zij zulien onze „kool, die overgebleven is, uitblusschenquot; en ons uitroeien van Israël. Nieuwsbladen en tydschriften en de algemeene wetenschap der eeuw nemen allen deel aan den dans op ons graf. Gaat naar huis, gij allen, die van de evangelie orde zijt, en slaapt den slaap der rechtvaardigen, want uw einde is daar. Zoo spreken de Filistijnen, maar de heirscharen des Heeren deelen hunne meening niet. De tegenstanders juichen met groot gejuich; maar Christus is niet bij hen. Zij weten weinig van Hem; zij arbeiden niet in zijn\' geest, zij loven Hem niet; zij prijzen het Evangelie niet van zijn dierbaar bloed, en zoo geloof ik, dat, als zij hun uiterste best gedaan nebben, het toch op niets zal

615

-ocr page 645-

zondtk christus — niets.

616

uitloopen. „Zonder mij kunt gij niets doenquot;; indien dit waar is van apostelen, dan is het nog veel meer waar van tegenstanders! Indien zijne vrienden zonder Hem niets kunnen doen, dan houd ik er mü van verzekerd, dat zijne vijanden niets kunnen doen tegen Hem. Indien zij, die zijne voetstappen volgen, en rusten aan zijne borst, zonder Hem niets kunnen doen, dan geloof ik, dat zijne vijanden het ook niet kunnen, en daarom lachte ik om hun lachen, en glimlachte om hunne beschaming. Ik lachte ook, omdat ik dacht aan de geschiedenis van eene godsdienstoefening in Nieuw Engeland, toen de leeraar op een\' namiddag predikte op de hem eigene plechtige manier en de gemeente luisterde, of sliep, al naar het hun goeddacht. Het was een hecht, stevig kerkgebouw, waarin zij bijeen waren gekomen, wel geschikt om zelfs tegen eene aardbeving bestand te zyn. Alles ging kalm en rustig zijn\' gang op dien namid-dig, totdat plotseling een krankzinnige opsprong, den leeraar aanklaagde, en verklaarde, dat hij terstond de kerk wilde gaan afbreken. Een der pilaren van de galerij omvattende, herhaalde deze nieuwe Simson zijne bedreiging. Iedereen stond op; de vrouwen waren op het punt van in onmacht te vallen; de mannen stormden naar de deur, en er was groot gevaar dat de menschen onder den voet zouden raken en vertreden worden. Er zou een groot tumult zijn ontstaan, toen plotseling een broeder, die bij den predikstoel zat, kalante teweegbracht door een\' enkelen volzin. „Laat hij het probeeren!quot; was het strenge sarkastische woord, dat den storm tot bedaren bracht. Zoo zal ook heden de vijand gaan bewijzen, dat het Evangelie niet waar is, en hü zal de leer der genade te niet doen. Zijt gij verbaasd? verschrikt? in benauwdheid? Het is er zoo ver vandaan, dat mijn eenig antwoord aan den vijand, die snoeft, dat hij de pilaren van ons Zion omver zal rukken, is -—- Laat hij het beproeven ! Amen.

-ocr page 646-

DE KAA«S.

„Noch steekt men eene kaars aan, en zet die onder eene korenmaat, maar op een\' kandelaar, en zij schijnt allen, die in het huis zijn. Laat uw licht alzoo schijnen voor de menschen, dat zij uwe goede werken mogen zien, en uwen vader, die in de hemelen is verheerlijken. Mattheus V: 15, 16.

Onze Heiland sprak van den invloed zijner discipelen op zijne medegenooten, en in de eerste plaats van dien verborgen, doch machtigen invloed, welken Hy voorstelt onder het beeld van zout: „Gij zijt het zout der aarde.quot; Niet zoodra is een mensch Gode wedergeboren, of hij begint op zyne medemen-schen te werken door een\'invloed, die meer gevoeld dan gezien wordt. Het bloote bestaan van den geloovige werkt reeds op de ongeloovigen. Hij is als eene handvol zout, die op vleesch geworpen wordt; hy heeft een\' geur en smaak in zich, endezen dringen door tot hen, met wie hy in aanraking komt. De onbemerkte en schier onbewuste invloed van een heilig leven werkt zeer krachtig tot bewaring der maatschappij en tot voorkoming van zedelijk bederf. Mocht er zout zijn in een iegelijk van ons, want „het zout is goed.quot; Hebt zout in u zeiven, dan zult gij tot een\' zegen worden voor allen, die u omringen.

Maar er is in ieder waar Christen ook een openbare, zichtbare invloed, dien hy geroepen en verplicht is uit te oefenen, en deze wordt door den Heere voorgesteld onder het beeld van licht; „Gij zijt het licht der wereld; eene stad boven op een\' berg liggende, kan niet verborgen zijn.quot; De ware Christen zal in ieder geval den stillen, ongezienen invloed des zouts oefenen op hen, die in onmiddelijke aanraking met hem komen. Laat hij er echter naar streven om ook den tweeden, den verlichtenden invloed te bezitten, die zich over een veel ruimer gebied uitstrekt, en meer ingrijpt in het werkelijke leven; want zout is voor dood vleesch, en licht is voor levende menschen. „Laat uw licht alzoo schijnen voor de menschen, dat zy uwe goede werken mogen zien, en uwen Vader, die in de hemelen is, verheerlijken.quot; Zoutheid en licht zijn de kracht van den Christen. Ik geloof niet, dat iemand licht van zich kan laten uitgaan, zoo hij niet eerst zout ontvangen heeft; maar som-

-ocr page 647-

de kaars.

migen hebben wel eene zekere mate van zout, doch zyn niet al te vrijgevig met hun licht. Schenke God ons de genade om evenredigheid te hebben tusschen het inwendige en het uitwendige. Mogen wij het bederf werende zout en het zich verspreidende licht bezitten. Onze gedachten zullen zich thans bepalen bij het licht geven, en ik bid God, mij zijne hulpe te verlee-nen, om de minder werkzamen onder ons te bewegen hun\' invloed op anderen uit te oefenen in ruimer kring, het zwijgend getuigenis van hun nederig geloof te kronen door een vrijmoedig uitgesproken getuigenis voor hun\' Heer en Heiland. Allen, die zout hebben, zullen nu opgewekt worden om ook hun licht te toonen.

Het beeld, door onzen Heere gebruikt, is zeer eenvoudig; het is ontleend aan eene Oostersche tent of huis. Hij spreekt van eene kaars, of eigenlijk van eene lamp. De zin behoort aldus gelezen te worden: ^Noch steekt men eene lamp aan, en zet die onder eene korenmaat, maar op een\' lampenvoet, en zü schijnt allen, die in het huis zyn.quot; Ik zal het beeld beide in zyn Oostersch en Westersch kleed gebruiken, zoodat wy nu eens van eene lamp en dan wederom van eene kaars zullen spreken. Wij zullen misschien des te beter zien kunnen als wij beide lamp en kaars gebruiken, en, schoon wij die beelden eenigszins met elkander zullen verwisselen, zullen wij hierdoor toch geene verwarring brengen in iemands geest of verstand ten opzichte van de gewichtige waarheid, die er door voorgesteld wordt.

Er zijn in den tekst drie dingen: beheerste, het ontsteken van licht, het tweede, de plaatsing van licht, het derde het schijnen van het licht. De eerste twee zaken zijn bestemd om de derde teweeg te brengen. Moge Hij, die alleen licht kan scheppen, onzen geest verlichten terwijl wij zyn woord overdenken.

I. Laat ons dan ten eerste stilstaan bij het ontsteken van het licht. „Noch steekt men eene kaars aan.quot; Wat is dit ontsteken van licht in de zielen der menschen? Van nature zijn zij zonder licht, „verduisterd in het verstand, vervreemd zijnde van het leven Gods door de onwetendheid, die in hen is.quot; Wat is alzoo deze verlichting ?

Het is in de eerste plaats een goddelijk werk. God heeft van ouds zijn werk der schepping begonnen dooi het woord te spreken: „Er zij lichtquot;, en er was licht. En evenals in de oude, zoo is ook in de nieuwe schepping het eerste wat God in het hart des menschen werkt, licht; „De opening uwer woorden geeft licht.quot; Wèl heeft David gezegd: „De Heere is mijn licht en mijn Heil.quot; De-Heilige Geest verlicht het verstand, zoodat de mensch het wanhopige van zijn\' toestand bespeurt, en zijne onmacht om door zijne eigene werken de zaligheid te verwerven. De Heere stort licht in de ziel, zoodat door het geloof

618

-ocr page 648-

DS KAABS.

Christus wordt gezien, en op den aanblik van Hem het hart ontvlamt en het licht zich meester maakt van den inwendi-gen mensch, zoodat hij niet alleen licht ziet, maar licht heeft. Het licht schijnt dan niet slechts in het hart, maar straalt ook uit van het hart. „Grij waart eertijds duisternisquot;; —gij waart niet slechts in de duisternis, gij waart zeiven duisternis, — „maar nu zijt gij licht in den Heerequot;: niet slechts hebt gij licht van den Heere, maar gy zijt licht, uwe zielen hebben vlam gevat. Alleen de Heilige Geest kan dit werk tot stand brengen. Geen menschelijk wezen zal ooit licht in zich hebben, vóórdat God, die het machtwoord sprak by de schepping, door dat zelfde woord licht schept in de ziel. De apostel Paulus zegt van al de heiligen: „God, die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is degene, die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus.quot;

Deze verlichting is een werk van afscheiding. Als dit licht komt, scheidt het den mensch van hen, die hem omringen, die als de duisternis zyn. Het neemt hem niet weg van zijne omgeving, het sluit hem niet op in een klooster; maar de scheiding is toch volledig; immers, al wat er noodig is om scheiding te maken tusschen eene kaars en de duisternis, is de kaars te ontsteken. Het kleinste vonkje zal door zijn bloot bestaan onderscheiden worden van de duisternis. Het is niet noodig een opschrift te plaatsen op licht om te voorkomen, dat men het voor duisternis aanziet; en evenmin behoeft het voor zich uit te laten trompetten, zeggende: „Hier ben ik.quot; Wat gemeenschap heeft licht met duisternis ? Niet zoodra komt in het hart des menschen licht, of hij is gescheiden van hen, die hem omringen; geroepen door Gods genade met eene roeping, waardoor terstond een verschil ontstaat tusschen de geroepenen en de overige kinderen der menschen. De duisternis zou geen licht hebben kunnen scheppen, want zij begrijpt het zelfs niet. ^Het licht schunt in de duisternis, en de duisternis heeft hetzelve niet begrepen.quot; Zij, die den Christen omringen, kunnen hem niet begrijpen, want zijn leven is met Christus verborgen in God. Als hij bekeerd wordt, bemerken zij, dat eene vreemde verandering in hem heeft plaats gehad; en, gelijk Dr. Watts het uitdrukt: „zij staren en bewonderen, maar haten toch die verandering.quot; Maar zy weten er even veel van als eene uil van de zon weet. In het eerst schrijven zij die verandering toe aan zwartgalligheid, totdat,de ervaring diens mans hem vervult van vreugde, en dan noemen zy het dweepzucht, of eene soort van waanzin, eene afwijking in de hersenen. O zalige afwyking! Mochten zij allen die afwijking kennen ! Het is het aansteken van de kaars, zoodat, waar alles te voren duisternis was, nu het hemelsche licht schijnt.

619

-ocr page 649-

DE KAAES.

Ofschoon de duisternis het licht niet begrijpt of liefheeft, is het toch gedwongen er voor te wijken; want de strijd tusschen licht en duisternis is kort doch beslissend. Naar de mate der sterkte van het licht, naar die mate zal de sterkte van des-zelfs overwinning zjjn. Ofschoon er zich slechts nog maar enkele lichtstralen aan den Oostelijken hemel vertoonen, zijn toch in zooverre de pijlen der zon doorgedrongen tot het hart van den nacht; en naarmate dat licht zich tot den vollen middag zal ontwikkelen, moet elk spoor der duisternis er voor vlieden. Geliefden, indien God ons licht gegeven heeft, heeft Hij een beginsel in ons gelegd, dat uit zal gaan, overwinnende en opdat het overwonne. Laat de duisternis zoo zwaar zyn, als die welke Egypte teisterde, toch zal zij moeten wijken voor licht. Er is strijd te wachten, maar de overwinning is zeker. Wij moeten niet denken, dat de duisternis hare zwarte armen zal uitstrekken ten einde ons licht te omhelzen; en evenmin moeten wij ons voorstellen, dat zjj aan den voet van onzen kandelaar zal nederhurken en vragen om in verbond met ons te z;in. Het licht kan niet samenwonen met de duisternis en er een verbond mede maken, want er is geschreven; „God maakte scheiding tusschen het licht en tusschen de duisternis. En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nachtquot;, aldus aan ieder een onderscheiden naam gevende, opdat niemand ze met elkander zou verwarren. Niemand zal deze twee ooit kunnen dooreenmengen; zij zijn onderscheiden en moeten onderscheiden blijven. Tot aan het einde der tijden zal er tweeërlei zaad zijn: de erfgenamen des lichts en de kinderen der duisternis, en deze twee kunnen niet tot één worden. Het licht zal krijg voeren tegen de duisternis, totdat het eeuwige licht ten volle is opgegaan en het toppunt heeft bereikt, en dan zal de aarde vervuld zijn van het licht en de heerlijkheid Gods. Ziet dan wèl toe, o gij kinderen des lichts, dat gij geene gemeenschap hebt met de onvruchtbare werken der duisternis. Dit aansteken van de kaars heeft plaats bij de wedergeboorte, en gij bemerkt het in de verlichting, overtuiging, bekeering. De vraag is: zijt gij, waarde vriend, ooit verlicht geworden ? Hebt gij ooit het goddelijk licht ontvangen ? Hebt gij ooit de aanraking gevoeld van de hemelsche toorts van het woord, waardoor licht tot u is gekomen, en nu in u woont, zoodat gij zelf een licht zijt geworden, en schijnt tot heerlijkheid Gods?

En voorts: dit licht geven is een persoonlijk werk voor een iegelijk, die er het onderwerp van is. De tekst zegt: „Laat uw licht alzoo schijnen voor de menschen.quot; Als iemand eene kaars aansteekt, dan is dat licht niet oorspronkelijk in de kaars; maar heeft de kaars de vlam eens tot zich genomen, dan wordt het licht het eigen licht der kaars, en de kaars begint dan te

620

-ocr page 650-

DE KAARS.

schijnen door haar eigen licht. Even zoo, geliefden, moet de genade Gods, het licht van den hemel, tot ieder van ons persoonlijk komen van de goddelijke hand, en wij moeten het persoonlijk ontvangen. Het licht is niemand onzer aangeboren, en daarom moet het ons geschonken worden. Die schenking maakt eene persoonlijke aanneming noodzakelijk. Het wordt ons niet geschonken als het deel van een volk of geslacht. In hare verlichtende werking handelt de genade met de menschen niet in het algemeen, maar met eiken mensch afzonderlijk. De zonde is persoonlijk, en dus moet de genade ook persoonlijk wezen. Wij bevinden ons persoonlijk in duisternis, en moeten persoonlijk tot licht ontstoken worden. Een voor een moet iedere mensch het licht aannemen, het als het ware, vergunnen in hem ontstoken te worden, zoodat de pit van zijn bestaan, het innerlijk leven, dat door het middenpunt van zijne natuur heengaat, de vlam omhelst en er mede begint te ontbranden. Er moet eene persoonlijke toeëigening zijn van het licht, zoodat het voor een iegelijk uwer uw eigen licht wordt. „Laat uw licht alzoo schijnen voor de menschen.quot; Misleidt u-zeiven niet met het denkbeeld van een nationaal Christendom, of een erfelijk Christendom; de eenig ware godsdienst is persoonlijke godsvrucht. Wij kunnen deze kaarsen niet bij ponden tegelijk aansteken, wij kunnen geene lampen opstapelen tot een\'hoop van licht, dat dan in massa ontstoken wordt. Wij hebben heden ten dage wondervolle soorten van licht, die allen in een oogwenk ontstoken kunnen worden door eene enkele aanraking van electriciteit; maar ook daarmede moet toch ieder licht voor zich zeiven de vlam ontvangen. Er bestaat geen middel, waardoor de persoonlijkheid vernietigd en de menschen in massa behouden worden.

In iederen mensch is het licht bijzonder en onderscheiden van ander licht. Het licht, dat in den eenen waren dienstknecht van Christus schijnt, is hetzelfde, dat ook van een anderen uitstraalt, en toch verschilt ook de eene ster in heerlijkheid van eene andere ster. Petrus is niet Johannes; Paulus is niet Jakobus, Whitefleld is niet Wesley. Gy kunt de gansche rei van Gods lampen en kaarsen beschouwen en geene twee vinden, die volkomen aan elkander gelijk zijn. Vele kunstenaars putten zich uit en dan herhalen zij zich; maar God is onuitputtelijk oorspronkelijk; geene twee penseelstreken van Hem zijn dezelfden. Het licht is één, en de heerlijkheid er van is één, en toch is er eene heerlijkheid der zon, en eene andere heerlijkheid der maan en eene andere heerlijkheid der sterren. Er is verschil in het licht van verschillende soorten van olie en gas, en zoo is er ook verschil, mijn broeder, tusschen uw licht en het mijne. Het is zeer wel mogelyk, dat gij mijne kaars gaarne in orde zoudt willen brengen; dat moogt gij doen, zoo

621

-ocr page 651-

üe Kaars.

gÜ kunt; maar mijn licht uitblusschen moogt gij niet. Doch uw eigen licht is hetgeen, waarmede gij het meest te doen hebt, en gij zult wèl doen, zoo gij om de bijzondere genade vraagt, dat het niet zal falen. Uw licht is onderscheiden van het mijne, even onderscheiden als uw leven is van het mijne, ofschoon het in een\' anderen zin waar is, dat uw geestelijk licht één is met al het licht, dat ooit in deze wereld geschenen heeft. Er is bij het aansteken van het licht eene persoonlijke toeëigening van de goddelijke vlam, en daarna eene persoonlijke en onderscheidene uitstraling van het heilig licht. Let hier wel op, opdat gij u niet vergist, en denkt verlichtte zijn van den hemel, terwyl gij niets anders dan de dwaallichten zijt van het zelfbedrog.

Die overzetting van het woord in kaars — „Noch steekt men eene kaars aan,quot; is mij lief, want heden ten dage is eene kaars het kleinste van alle lichten. In deze dagen van elec-trisch licht zien wy schier met minachting neder op eene kaars; toch zijn ook kleine lichten nuttig en hebben ook kleine lampen haar sfeer. God heeft vele kleine lichten. In zijn groot huis heeft Hij kaarsen zoowel als sterren; en Hij wil ook zelfs het kleinste licht niet laten verspillen. Het geringste straaltje van licht werd door God ontstoken. Denk hieraan, gij, die niet meer kunt doen dan tot een kindeke te spreken, of slechts uit liefde tot zijn\' naam een tractaatje kunt weggeven. Gij zijt een klein licht; doch zoo de Heere u ook maar een enkel vonkje van het heilige vuur heeft gegeven, dan is het zijne bedoeling, dat gü zult schijnen. Er zijn vele lichten in deze wereld, maar volstrekt niet te velen. Wij zouden de zon niet kunnen missen, en het zou eene ramp zijn, zoo ook maar de kleinste ster werd uitgebluscht. Wij kunnen de ontdekkingen en uitvindingen van onze eeuw niet missen, die ons zoo ver-vroolijken door den nacht in onze steden in dag te verkeeren, ja wij zouden zelfs het glimwormpje niet gaarne missen van zijne bedauwde verblijfplaats onder de boomen. Wij kunnen onder onzen nevelachtigen, somberen hemel geen enkel straaltje van licht missen. De kerk en de wereld hebben al het licht noodig, dat haar vergund is en nog veel meer. Daarom zou ik al mijne broeders en zusters, hier tegenwoordig, die slechts één enkel talent hebben, op de noodzakelijkheid willen wijzen; om dat eene talent vrucht te doen dragen. Uw licht, mijn vriend, kan wel niet sterker zijn dan het licht van een zeer klein kaarsje; maar gij moet het niet verbergen, want alle lichten zijn uit God en zijn ons door den grooten Vader dei-lichten met genaderijke doeleinden gezonden.

Het ontsteken van licht is ook een werk dat onderhouden moet worden. Het ontsteken van licht geschiedt in een oogenblik, maar toch moet die werking ook voortgezet worden, want de

62-2

-ocr page 652-

;h lamp beeft verzorging noodig, en het zou gansch verkeerd

.n uitkomen, als men eene lamp aanstak, en er dan nooit meer

le naai omzag. Er moet van tijd tot tijd versche olie in gedaan

.n worden, daar zij door te schijnen hare olie verteert. Laat dus

e bij niemand uwer de gedachte opkomen om te zeggen: „Ik

ik was op dezen of dien datum bekeerdquot;, alsof gij nu voortaan

e- naar het goeddunken uws harten zoudt kunnen leven. Dat

m- verhoede God! De heiligen bewijzen hunne bekeering door

r. hunne volharding, en die volharding komt voort uit genade,

t. die hun telkens en bij vernieuwing wordt geschonken. Be-

;e oordeelt dus u zeiven hieraan, niet zoo zeer of gij bij eene

1- zekere gelegenheid overgebracht\'zijt van de duisternis tot het licht, maar wel naar het antwoord op deze vraag: „Zijt gij

:t ook nu nog „licht in den Heerequot;? Hebt gü olie in uwe vaten

e met uwe lampen? Ziet gij op Jezus? Het was heel goed, dat gij op Hem zaagt; maar blyft gij op Hem zien? Want dat is

e het, waar het op aankomt. Denkt er aan, dat het eene zaak

e is van heden — het is ziende. Het is heel goed, dat gü tot

it Jezus gekomen zijt, doch dat is slechts het begin; het moet

s wezen: „tot wien komende, als tot een\' levenden steen.quot; Onze

e longen moeten, gelijk wij allen weten, gedurig nieuwen toe-

it voer van lucht hebben. Het zal my heden niet baten, dat ik

t gisteren geademd heb; zoo ik heden niet ook adem, sterf ik.

t Wij moeten voortdurend voedsel hebben. Gij hebt gisteren ge-

■1 gegeten; maar zoudt gij zonder honger en zwakheid heden

e zonder eten kunnen blyven? Ons lichaam moet voortdurend

e opgebouwd worden; en evenzoo is het met onze ziel. Zoo wij

t die verwaarloozen; als wij ons inbeelden, dat iets hetgeen

e twintig jaar geleden geschied is, alles is wat er noodig is, dan

! zullen wij ons grootelijks vergissen. Er moet een voortdurend onderhouden zijn van de lamp, en dit voortdurende onderhoud

) is eigenlijk een voortdurend aansteken van de lamp. ï Als dit werk van licht aan te steken in den mensch ge-

^ schied is, dan wordt hij hiermede gansch en al afgezonderd tot

3 den dienst van licht te verspreiden. Als eene kaars aangestoken

t is en men laat haar branden, dan zal zij door licht te geven

i zich zelve verteren. Daarvoor was zij ook gemaakt, niet om

3 onder eene stolp gelegd en aangezien te worden, maar om te

; verbranden. Zalig de mensch, die zeggen kan: „Myn ijver heeft

i mij verteerd.quot; Gij zult zeggen, dat dit met de lamp toch niet het geval is, want de lamp wordt niet verteerd. Neen, maar

j zij is bestemd en afgezonderd tot dit ééne doel: het huis te verlichten, en zij bevat den voorraad olie, waardoor de vlam gevoed wordt. De gansche lamp, hetzy zij vervaardigd is van

f goud, of zilver, of leem, of van wat ook, is gewijd aan het ééne doel van licht geven. En zoo God ooit komt en u verlicht,

j mijn broeder, dan zyt gü voortaan afgezonderd van alle andere

-ocr page 653-

DE KAARS.

doeleinden, en aangewezen voor die ééne roeping. Gij kunt ten opzichte van uwe maatschappelijke roeping nog heel veel andere dingen doen, maar het moet alles hieraan ondergeschikt wezen. Ik wenschte wel, dat de menschen de aardsche dingen veel meer ondergeschikt houden dan zij doen. De eerste zaak voor den Christen is zijn Christendom. De voornaamste zaak voor iemand, dien God geroepen heeft, is, dat hij leeft als de uitverkorene Gods. Ziet op Christus Jezus: Hij was een timmerman, maar ik beken, dat ik slechts zelden als zoodanig aan Hem denk ; het is als de Zaligmaker der menschen en de Dienstknecht Gods, dat Hij mij voor den geest komt. En als een Christen een timmerman is, behoort hij zóó te leven, dat de timmerman opgaat in den Christen; en indien hij een man van zaken is, een geletterd man, of een redenaar, dan behoort hij zoo te leven, dat hetgeen het meest bij hem op den voorgrond treedt, en het meest in hem uitkomt, is, dat hij een Christen is. Hij is eene lamp, en het eenige wat hij te doen heeft, is te schijnen, licht te verspreiden. Gij kunt eene kaars gebruiken tot velerlei doeleinden. Ik zag onlangs eens iemand, die er eene zaag mede smeerde, en een ander, die er zijne schoenen mede inwreef, ten einde ze geschikt te maken om er mede in de sneeuw te loopen. Toch zijn dat de zaken niet, waarvoor eene kaars bestemd is. Zij heeft niet beantwoord aan hare bestemming, als zij geen licht geeft. Ik denk, dat gij somwijlen eene lamp gebruiken kunt als een gewicht, of tot een ander doel, maar zij zou voor niets anders een geschikt instrument wezen dan om licht te geven. Voor alles is het het best, als men het tot zijn eigen doeleinden gebruikt. Hebt gij ooit eene zwaan uit het water gezien? Hoe onsierlijk is haar gang! Welk een onbehouwen vogel schijnt zij dan te zijn! Maar beschouw haar in het water. Welk een fraai model voor een schip! Welk eene bevalligheid! welk eene schoonheid! Zoo is het met den Christen: zijne schoonheid komt het best uit,als hij in ziin eigen element is. Geef hem een ander levensdoel, en hij zal log, onbehouwen en onsierlijk zijn. Als hij zijn\'me-demensch zoekt te onderwijzen en te redden, dan is hij, waar God hem wenscht te hebben, en dan zullen alle de lijnen van scheppende wijsheid en al de schoonheid der goddelijke genade in hem zichtbaar worden. Laat ons dan wel zorgdragen voor dit ontsteken van licht, dat het licht zij van boven, dat het een aansteken zij van licht, waardoor het het onze wordt, en bezit van ons neemt, en ons gansch en al toegewijd doet zijn aan den dienst des Heeren, een licht dat voortdurend onderhouden wordt door de bezoekingen van den Geest Gods.

II. Beschouwen wij nu ten tweede de plaatsing. „Noch steekt men eene kaars aan en zet die onder eene korenmaat. Die plaatsing van den mensch is eene gewichtige zaak — zijn

624

-ocr page 654-

en licht kan er of door verborgen, öf heinde en ver door ver-n. spreid worden. De voornaamste zaak is, dat licht in hem ont-stoken wordt, zoodat hij in staat is licht te geven; maar het 3n punt, dat daarna van het meeste belang is, is de plaats, waar jjj hü gesteld wordt, nadat het licht in hem ontstoken is. Want sommige menschen zijn, als zij voor het eerst Christus hebben (jg gevonden, gansch en al op eene verkeerde plaats. Hoe kan ij.. eene lamp licht van zich geven, als men haar in eene rivier laat vallen? Voor sommige menschen is het noodzakelijk,om na hunne bekeering terstond naar eene andere plaats te gaan. 3n Het is van groote beteekenis, dat toen God Abraham riep, Hij hem niet in Ur der Chaldeön liet blijven. De plaats, waar ln Abraham zyn licht moest laten schijnen, was niet eens Ha-jy ran; neen, hy moet naar het verkoren land gaan en omwan-1(j delen als een herdersvorst, want alleen daar en in die hoeda-;n nigheid kon Abraham tot eer van God zijn licht laten schijnen. \'jg De meeste menschen zullen verstandig handelen met te blijven jj. waar zij zü\'n en daar hun licht te laten schijnen; maarerzyn je anderen, in wier positie eene groote verandering moet komen, e. eer zij in staat zijn hun licht te verspreiden in die mate, welke je God voor de verspreiding van hun licht bestemd heeft. Aldus, r. mijn vriend, kan het verklaard worden, dat gij nauwebekee-in ring in meer moeielykheden en benauwdheden zijt gekomen q. dan gy ooit te voren gekend hebt. Tot nu to 3 werd het u verin gund stil te mogen zitten; maar nu is er werk voor u, en Ll. daarom wordt gij uit uwe schuilplaats te voorschijn gehaald;

Toen er nog geen licht van u uitging, kwam het er niet op it aan, waar gij waart; gij kondet even goed „tusschen de vaten r[ zijnquot;, als ergens anders; maar nu gij verlicht zyt, moet gij op g. een\' lampvoet gesteld worden, en daarom leidt God in zijne ,n voorzienigheid u langs wegen, die eenigszins smartelijk voor js u zijn. Die plaatsing, door Gods voorzienigheid of zij al of lg niet verwijdering met zich medebrengt, heeft plaats op zeer .j ruime schaal. De een wordt hier geplaatst, een ander daar, en e\' wy zullen wèl doen, zoo wij onze positie uit dit oogpunt be-ir schouwen. God plaatst ons daar, waar wy het best zijne zaak n kunnen dienen en tot zegen kunnen zijn voor ons geslacht. e. Indien gij eene straatlantaarn moest wezen, en gij uwe plaats :n mocht kiezen, gij zoudt een ruim en fraai park kiezen om uw ^ licht te laten schijnen voor de rijken en aanzienlijken, die ^ daar voorbij gaan. Maar de armen in gindsche blinde steeg, of in dien smallen, donkeren gang, waar voortdurend wordt ge-j. twist, en waar dronken mannen hunne vrouwen vermoorden, hebben het licht veel meer noodig. Indien aan hem, die God jj liefheeft, de keus wordt gelaten, zou hy veel eerder kiezen om gt; in de ellendigste, dan inde fraaiste plaatsen zyn licht te laten schijnen. „Ach!quot; zucht iemand, „mocht ik slechts wonen te

40

-ocr page 655-

DË KAARS.

midden van eene levende gemeente, wier leden warm van hart zijn voor Gods zaak!quot; Indien gij een ernstig Christen zijt, dan ben ik blijde, dat gij zijt, waar gij zijt, in dat doodsche dorpje, waar de menschen schier uitgehongerd zijn ten opzichte van geestelijk leven. „Hoe!quot; zegt iemand, „gü zijt blijde, dat ik zoo veel heb te lijden?quot; Neen, niet daarom ben ik blijde, maar omdat, zoo gij een krachtig man zijt, gij zelf niet zult lijden, maar anderen zult doen Uiden, dat wil zeggen, dat gij het voor den leeraar, en den kerkeraad, en de gemeente moeielijk zult maken om in dien ellendigen toestand van lauwheid te blijven. Ik hoop, dat gij het middel zult zijn om hen wakker te schudden en hen nader tot Christus te brengen. Hoe dikwijls zal eene min begeerlijke plaats zeer begeerenswaardig worden, als wy haar uit dit oogpunt beschouwen. Gods voorzienigheid plaatst ons daar waar wij het meeste licht kunnen verspreiden, en indien onze lamp in het midden der duisternis gesteld wordt, waar anders zou zij dan moeten wezen ? Dit kerkgebouw doet mij denken aan die werktuigen op wielen, die gevuld zijn met lampen en aan onze spoorwegstations gebruikt worden. Daqr zijn eene menigte van lampen, die allen tegelijk branden, en al die lampen worden een voor een in de rijtuigen geplaatst om langs de spoorlijn te verdwijnen en wellicht in Australië, of Amerika, of Indië te voorschijn te komen. Het doet mij leed u te verliezen; maar het verheugt mij, dat gij heengaat naar eene plaats, waar gij meer goed zult kunnen doen dan hier. Waarom zoudtgij niet verstrooid worden, gelijk de eerste geloovigen? Waarom zouden de kaarsen niet gebracht worden naar plaatsen waar de duisternis is? Waarom zouden wy eene altoosdurende verlichting in stand houden op deze bijzondere plok, ten einde onze oogen te verblijden, in plaats van het licht der gansche wereld ten goede te laten komen? Onzer is het tot anderen te zeggen: „Hier is eene kaars, laat haar licht schijnen in uw huis;quot; of „Hier is eene lamp, stelt haar in uwe tenten, opdat God u er door moge zegenen.quot;

Maar hoewel ik alzoo gesproken heb van Gods voorzienigheid, zeer veel van die plaatsing bemst toch in onze eigene handen. Er zijn wegen en middelen om u zelven te plaatsen, die bijvoorbeeld, van welke in onzen tekst wordt gesproken, en die even verderfelijk zijn voor onzen invloed als wanneer men eene kaars onder eene korenmaat steekt; of wel, gij kunt eene geschikte en voordeelige plaats innemen, zooals eene lamp, die op een\' lampvoet gesteld wordt.

Beschouwt ten eerste het woord in den ontkennenden zin. — „Noch steekt men eene kaars aan en zet die onder eene korenmaat.quot; Eene korenmaat is een goed en bruikbaar voorwerp. In bijna elk Oostersch huis kon men eene korenmaat vinden, omdat iedereen zyn eigen koren maalde. Die zoo nut-

626

-ocr page 656-

BË kaabs.

627

tige korenmaat is voor mü als het streven van het gewone dagelyksche leven, de natuurlijke en gepaste bezigheden van het gezin. Vele mannen en vrouwen verbergen het licht, dat God ontstoken heeft, onder de korenmaat van beroep of bedrijf of van huiselijke zorgen. „Maar,quot; zegt gij, „moet de huisvrouw dan niet huisvrouw zijn?quot; Gewis! maarzij moet niet zóó huisvrouw zijn, dat zij er hare godsvrucht door verbergt. „Moet de arbeider dan niet werken met zu\'ne handen ?quot; Gewis ! maar hij moet niet zóó werken voor de spijze, die vergaat, dat hij er het eeuwig3 leven door mist. „Moet de koopman dan niet al zijne aandacht schenken aan zijne zaken?quot;Natuurlijk moet hij dit, maar hy moet tegelijk wèl toezien, dat hij er zijne eigene ziel niet door verliest, of schade doet aan de zielen van anderen. Behoud uwe korenmaat; niemand vraagt u haar te verbranden ; maar laat haar aan hare plaats. Maak alle wereldsche zaken ondergeschikt aan de heerlijkheid Gods. Laten uwe bezittingen en uwe begeerten, uwe genoegens en uwe zorgen niet de korenmaat voor u zijn, die uw licht verbergt. Dit gebeurt bij zeer velen. Ik moet aan uwe consciëntie vragen om mij den dienst te bewyzen van eens gedurende eenige oogenblikken voor mij te prediken. Wilt gü eens een\'blik slaan in uwe woningen, mijne vrienden, en zien, waar gij uwe beroepszaken plaatst en waar uw godsdienst? quot;Wat is nommer een? Is de godsdienst uwe zaak, of is uwe zaak uw godsdienst? Schijnt uwe kaars boven op uwe korenmaat; of wordt, uwe kaars doordekoren-maat verborgen? Ik zal bij die vraag niet verwijlen, omdat het goed voor u is, dat gij zeiven er u het antwoord op geeft. Ik weet, hoe een leeraar zijn licht onder eene korenmaat kan verbergen — hü kan bloot uitwendig zijn ambt waarnemen, en dus slechts een tooneelspeler zijn. Het ergste wat men met het Evangelie doen kan is het tot eene vertooning te maken. Zoodra wij prediken alleen maar om ons uitwendig ambt waar te nemen, zijn wij alle kracht kwyt: wy moeten spreken als mensch tot menschen. Een leeraar zeide mij eens: „zoodra ik de deur van mijn\' kansel gesloten heb, heb ik mijne natuurlijke persoonlijkheid buitengesloten.quot; Dit is niet recht. De geheele mensch moet wezen daar, waar hij God dient, en zoo hij ooit zich zeiven is, dan moet hij het wezen als hij predikt. Wy kunnen de kaars ook bedekken door moeie-lijke woorden te gebruiken, woorden, die niet moeielijk zijn voor gestudeerde, ontwikkelde lieden, maar wel voor de groote meerderheid van de hoorders. Wij kunnen ook technische termen uit de geloofsbelijdenis gebruiken, zooals wij ze gebruiken in de collegekamers of bij discussies, en dezen kunnen dan hetgeen wy bedoelen voor liet volk verbergen. Ik ken sommige Christenen, die hun licht onder eene korenmaat verbergen door uiterst verlegen te zijn. Zij zyn lang niet zoo ver-.

-ocr page 657-

DE KAAltS.

legen en beschroomd als er geld te verdienen valt, maar als er iets voor Christus gezegd moet worden, dan blozen en stotteren zij. O dat zij dien hinderpaal te boven mochten komen! Anderen steken hun licht onder eene korenmaat door dat zü niet leven naar hunne belijdenis; zij handelen niet zooals Christenen moeten handelen, en als de menschen hunne slechte werken zien, varheerlüken zij God niet. God verhoede het, dat onze duisternis merkbaarder is in het huis dan ons licht. Ik vrees, dat sommigen hun licht verbergen onder de korenmaat der onverschilligheid; zy schijnen er zich niet otn te bekommeren hoe het met de zaak en het koninkryk van Christus gelegen is. Zij zorgen heel goed voor hunne bezittingen, maar om het huis des Heeren bekommeren zij zich niet. Ik bid u, myne vrienden, wilt toch uw licht op geenerlei wijze verbergen. Laat uw wettig beroep, uwe betrekkingen, uwe krankheid, uw letterkundige arbeid of uw persoonlijk verdriet niet zulke overdreven proportiën aannemen in uwe gedachten, dat gü er het goddelijk licht in uwe ziel door verbergt.

Maar de tekst is ook positief. Plaats u op een\' kandelaar, of op een lampvoet. Wat is dit? Een kandelaar is een geschikt tentoonsteller van licht, en zoo moet iedereen eene gepaste belijdenis afleggen van zijn geloof De beste manier is aangeduid in Gods Woord. Er is geschreven; „Die geloofd zal hebbenen gedoopt zaj zijn, zal zalig worden.quot; Als gij geloof hebt, belijdt het op de door God verordineerde wijze, want wie met het hart gelooft en met den mond Christus belydt, zal zalig worden. O lamp, zeg niet: „Ik wil wel schijnen, maar ik wil op den grond liggen en schijnen.quot; Neen, uwe plaats is op den voet, die daartoe is aangewezen. Waarde Christen vriend, voeg u bij de gemeente, opdat gij daar geplaatst moogt zijn, waar gü naar de regeling van Gods huisgezin behoort. Een lampvoet moet ook iets wezen, dat de lamp genoeg zichtbaar maakt. Indien gij niet uitgaat en uw licht gewillig en blijmoedig verspreidt, dan zal de Heer des huizes zeer waarschijnlijk komen en u naar buiten halen. Gods voorzienigheid zal het zoo beschikken, dat het licht niet verborgen blyft. Zie wat de Heere jaren geleden voor zijne kerk gedaan heeft; Hij liet het toe, dat zij vervolgd werd, zoodat z;j wel openbaar moest worden. Welk een lampvoet werd er voor het Christendom gevonden in de martelingen van het Colosseum, in de openbare brandstapels, opgericht door Heidenen en Eoomschen, en door al die andere middelen, waardoor de Christenen met geweld vermaard zijn gemaakt. Toen er nog geene drukpers was, toen, vergeleken met onze dagen, de middelen nog zeer schaarsch waren om het Evangelie bekend te maken, heeft de Heore zijne getuigen doen staan voor koningen en heerschers, om daar op de meest publieke plaatsen het Woord zijns heils bekend te maken. De

(5-28

-ocr page 658-

DE KAARS.

vervolging heeft den vuurtoren gebouwd, en de goddelyke liefde heeft er het brandend en schijnend licht der heilige waarheid in geplaatst. Gij zoudt kunnen bevinden, dat God zulk een\' kandelaar bereidt voor u. Gij zult tot getuigen gedwongen worden in uw gezin door den tegenstand van hen, die u omringen, tenzij gij een anderen en beteren weg volgt. quot;Wij moeten kloekmoedig zijn voor de waarheid en er met alle bescheidenheid, doch ook zonder de minste aarzeling, van spreken.

Ik smacht naar den dag, wanneer al de geboden van den Christelijken godsdienst voor alle menschen deregel zullenzyn, waarnaar zij in alles handelen. Ik hoor dikwijls zeggen: „Breng den godsdienst toch niet in de politiek.quot; Daar is het nu echter juist, dat de godsdienst wèl gebracht, en voor het aangezicht van alle menschen als eene kaars op een\' kandelaar gesteld moet worden. Ik zou wenschen, dat de regeering, en de leden van het parlement het werk der natie doen als voor het aangezicht des Heeren, en ik zou wenschen, dat de natie voor oorlog of vrede de zaken mocht beschouwen in het licht der gerechtigheid. Wij moeten met andere natiën handelen volgens de beginselen van het Nieuwe Testament. Ik dank God, dat ik het beleefd heb, dat men dit bij sommige gelegenheden ook werkelijk beproefd heeft, en ik bid God, dat dit beginsel voortdurend het overwicht zal behouden. Wij hebben genoeg van knappe menschen zonder conscientie; laat ons nu eens zien wat eerlijke, Godvreezende mannen doen zullen. Maar er wordt ons gezegd, dat wij met de „Britsche belangenquot; moeten te rade gaan. Als of het niet in het waar belang van een volk was om recht en gerechtigheid te doen! ,Maar wij moeten onze eigene politiek volgen.quot; Ik zeg Neen! Laat de politiek, die op onrecht gegrond is, als afgoden weggeworpen worden voor de mollen en de vledermuizen. Houdt u aan de kostelijke politiek van: „Gelijk gij wilt, dat u de menschen doen zullen, doet gij hun ook desgelijks.quot; Hetzij wij koningen zyn of koninginnen, of eerste ministers, of leden van het parlement, of straatvegers, als wij Christenen zijn, dan moet dit de regel wezen, waarnaar wij handelen.

Ja, en brengt den godsdienst ook in uwe zaken, in uw beroep en bedrijf, en laat het licht schijnen in de fabriek en in het kantoor. Dan zullen wij niet zooveel porseleinaarde krijgen in het katoen, waarmede wij den vreemdeling bedriegen; en dan zullen goedkoope en en slechte dingen niet aangeprezen worden als of zij van de beste qualiteit waren; en evenmin zullen wij dan die andere knoeierijen zien, die iedereen zich heden ten dage schijnt te veroorloven. Gij kooplieden en fabrikanten zijt hierin zoo tamelijk aan elkander gelijk: er wordt overal en met alles geknoeid. Ik geloof, dat iedereen in Engeland, Schotland en Ierland eerlijk is, tot dat hij ontmaskerd

629

-ocr page 659-

de kaars.

wordt; maar of er ook iemand zoo eerlijk en onomkoopbaar is, dat hij hierin niet te kort komt, dat zegt deze getuige niet; want ik ben geen rechter.

Steekt uwe kaars niet onder eene korenmaat, maar laat haar schijnen, want zij was er voor bestemd gezien te worden. De godsdienst moet even goed gezien worden aan onze eigene tafel als aan de tafel des Heeren. De godsdienst moet even goed invloed uitoefenen op de vergadering van het parlement als op de vergadering der synode. God geve, dat de dag spoedig moge aanbreken, wanneer van de booze scheiding tusschen wereldlijke en godsdienstige aangelegenheden niet meer gehoord zal worden, want Christenen behooren in alles God te verheerlijken, overeenkomstig het gebod; „Het zü dan dat gijlieden eet, het zij dat gij drinkt, het zij dat gij iets anders doet, doet het al ter eere Gods.quot;

III. Onze tijd is voorbij, maar ik moet nog eene kleine wijle uwe aandacht vragen terwijl ik tot u spreek over het schijnen; „Laat uw licht alzoo schijnen voor de menschen.quot;

Als eene kaars schijnt, dan is dit, omdat zü niet anders kan. Schijnen is het natuurlijk gevolg van het bezit van het licht; en ik wensch, waarde broeders, dat gij een\' heiligen invloed uitoefent op anderen, omdat de genade Gods werkelijk in u is. Sommige menschen hebben wanhopige pogingen gedaan om den schijn te hebben van goed te zijn; zij zouden oneindig beter slagen, indien zü trachtten in werkelijkheid goed te zijn. De genade moet in den mensch wezen als eene levende fontein, en dan zullen strooiren van levend water uit hem vloeien. Het natuurlijk gevolg van een vernieuwd hart is een vernieuwd leven ; en het natuurlijk gevolg van een vernieuwd leven is, dat de menschen het zien en God verheerlyken.

Het schijnen is echter niet zoo volkomen eene vanzelfheid, dat het onze aandacht niet zou eischen; want de tekst eischt die aandacht. „Laat uw licht alzoo schijnen.quot; Ik moet den drukker vragen, deze vijf letters — a,l, z,oo, — met heel groot kapitaal te zetten. „Laat u licht ALZOO schünen voor de menschen, dat zij uwe goede werken mogen zien, en uwen Vader, die in de hemelen is, verheerlijken. Ai hebt gij ook genade in uw hart, zult gü toch niet op de beste wü\'ze schijnen, tenzij gij overvloedig züt in biddende, waakzame, ernstige zorge. Gü moet hart, en lip, en hand behoeden, of gy zult niet alzoo schijnen voor de menschen, als te wenschen is. Uw licho moet verzorgd worden. Verzuimt dit niet.

Het schijnen van den Christen wordt hier aangeduid als „goede werken.quot; Goed spreken is niet te versmaden; maar er is heel veel spreken noodig om een vertrek te verlichten. Goede werken zijn de glayis van het licht Gods. Welke werken zyn

630

-ocr page 660-

DE KAARS.

goede werken? Ik antwoord: oprechte daden, eerlijkheid en nauwgezetheid in handel en wandel. Als iemand tot in de kleinste bijzonderheden van zijn doen en laten volkomen waar en trouw is, dan zullen alle rechtgeaarde menschen erkennen, dat zyne werken goed zijn. Goede werken zyn werken van liefde, onbaatzuchtige werken, werken tot nut en voordeel van anderen en tot heerlijkheid Gods. Daden van barmhartigheid, vriende-lü\'kheid en broederlijke liefde zijn goede werken. Hiertoe be-hooren mede een zorgvuldig nakomen van plichten, trouw in het verrichten van allen arbeid, en alles wat er geschiedt tot bevordering van het zedelijk en geestelijk goed van onze me-demenschen. Werken van godsvrucht, waarmede gij uwe liefde toont voor God en zijn\' Christus en voor het Evangelie, en dat gij de uitbreiding begeert van Christus\' koninklijk, zoodanige werken zullen door gewone menschen nu wel niet zoo hoog gewaardeerd worden, maar toch zyn zij bij uitnemendheid goede werken. Laten deze goede dingen in u overvloedig zijn en als een licht uit u schijnen; doet ze niet uit praalzucht, maar doet ze ook zonder valsche schaamte.

Goede werken hebben ook, evenals het licht eener kaars, goede uitwerkselen. Eene kaars is eene vervroolijking in duisternis. Welk eene vertroosting gevoelt gij, als gij, na lang in de duisternis omgedwaald te hebben, het schijnsel eener kaars bespeurt aan het venster eener hut! Eene kaars strekt den menschen ten gids op hun weg, en door haar licht onderwyst zü hen. By haar licht zien zij, onderscheiden zij, doen zy ontdekkingen. Wie handelt, onderwijst tevens. Van den mensch, die het Christendom beleeft, gaat eene prediking uit. Hij, wiens leven eere toebrengt aan God en een welbehagen veroorzaakt in de menschen is in den waren zin des woords een evangelist.

Doch merk op, dat er gezegd is: „Zij schijnt allen, die in het huis zijn,quot; zoodat wij, wanneer er licht in ons ontstoken is van Boven, dat licht het allereerst in ons eigen te huis moeten laten schijnen. Het is niet slechts daar buiten, in de wereld, dat wy het Christendom bekend moeten maken, maar bovenal aan onzen eigen haard, aan hen, die in het huis zijn. Sommigen hebben een zeer klein huis, zij hebben een klein gezin, en wonen slechts in een paar kamers. Laten zij zorgen, dat zij die weinige personen volkomen gelukkig maken, maar dit is niet altijd gemakkelijk. Anderen hebben een groot gezin; mocht hun genade zijn geschonken om op allen een\' invloed ten goede uit te oefenen. Sommigen hebben groote werkplaatsen, en hebben vele menschen in hun dienst; dezen behooren op al hunne werklieden een\' heiligen invloed te oefenen. Sommigen van ons zijn predikers van het Evangelie, en hebben alzoo een groot huis, waarin wij ons licht moeten laten schijnen. Wij

681

-ocr page 661-

DE KAARS.

zullen meer van de olie der genade noodig hebben dan anderen, om ons licht overal in het huis te laten schijnen; maar die genade is te verkregen. De gansche wereld is een huis, waarin de gemeente de kaars is; en daarom moeten al deleden der gemeente, ieder op zijne eigene plaats alzoo schijnen, dat de gansche wereld vervuld wordt met de kennis der heerlijkheid Gods.

De tekst zegt, dat de kaars licht geeft aan allen, die in het huis zijn. Sommige belijders geven slechts licht aan een deel van het huis. Ik heb vrouwen gekend, die voor iedereen goed waren behalve voor hare echtgenooten, dezen kwellen zij van den morgen tot den avond, zoodat zü hun geen licht geven. Ik heb mannen gekend, die zóó vele vergaderingen gingen bijwonen, dat zy hun eigen te huis verwaarloosden, zoodat hunne vrouwen van hen geen licht ontvingen. Ik heb meesters gekend, die volmaakt onverschillig waren voor hunne knechten, vrouwen, die er nooit aan dachten het goede te zoeken voor hare dienstmaagden. Indien ons licht in orde is, dan zal het schenen in de huiskamer en in de keuken; het schünt allen, die in het huis zijn. Kaarsen zenden haar lictit niet uit alleen maar in deze of die richting,, neen, zij verspreiden haar licht naar alle kanten. Een Christen behoort een zegen te zijn, voor grooten en voor kleinen, voor allen, die in aanraking met hem komen.

Het doel van ons schijnen is niet, dat de menschen zullen zien hoe goed wij zijn, ja zelfs niet, dat zij ons zien zullen, maar dat zij genade in ons zullen zien, dat zij God in ons zullen zien en uitroepen; „Welk een\' Vader moeten deze menschen hebben!quot; Is dit niet de eerste maal, dat God in het Nieuwe Testament onze Vader genoemd wordt ? Het Vaderschap van God wordt het best gezien in de heiligheid der Christenen. Als de menschen zien, dat het licht goed is, dan loven zij de bron van dat licht, en ziende, dat het komt van den Vader der lichten, verheerlijken zij zijn\' naam.

Ik kan bij dat alles niet stilstaan, maar ik bid God, dat Hij kracht legge in het woord om ieder Christen, hier tegenwoordig, op te wekken, om toch al het licht, dat hij heeft, te gebruiken. Het is eene donkere wereld, en zü schijnt hoe langer hoe duisterder te worden, want Satans zendelingen gaan uit en verlangen elk licht uit te blusschen. Zorgt dan voor uwe lampen, gij maagdelijke zielen; en gaat uit, zelfs in den donkeren nacht, om den Bruidegom te ontmoeten. Heft uwe toortsen hoog op in het aangezicht der duisternis zelve, en laat de menschen zien, dat God, de Vader, nog in het midden zijns volks is.

Toen de eerwaardige Bede dezen tekst verklaarde, zeide hij, dat Christus Jezus het licht der Godheid in de armoedige lan-

632

-ocr page 662-

DE KAARS.

taarn onzer rnenscheid heeft gebracht; en het toen op den kandelaar zijner kerk heeft geplaatst, opdat het geheele huis der wereld er door verlicht zou worden. En zoo is het. De reden waarom er licht is in de kerk is, dat zij, die in de duisternis zijn, zien mogen. De kerken bestaan niet voor zich zeiven, maar voor de wereld in het algemeen. Hebt gy, belijders, hier wel aan gedacht? Gij zijt gezegend, opdat gij tot zegen zoudt zijn voor anderen. Ziet toe, dat gij recht wandelt. Gij begeeft u naar Christus\' bruiloftsfeest, en het verblijdt u te hooren, dat Hij water in wijn verkeert, en gij looft en dankt Hem, omdat Hij den besten wijn tot nu toe bewaard heeft. Maar o, dienstknechten Gods, herinnert u, dat er gezegd is; „Schept nu, en draagt het tot den hofmeester.quot; Dat zijn uwe orders. Daar is de door God gemaakte wijn. — „Schept nu, en draagt het tot den hofmeester.quot; Ontvangt uit de volheid van Christus, en deelt het uit aan anderen. Verzuimt uwen plicht niet als dienaars bij het groote feest uws Heeren. Uw Meester heeft het brood genomen en gebroken, en toen heeft Hij het u gegeven. Is dat nu het einde der zaak? Staat gij daar en eet gij uw eigen stuk brood in ellendige tevredenheid met en voor u zeiven? Neen, indien gij waarlijk Christus\'discipelen zijt, dan zult gij u herinneren, dat de volgende woorden aldus luiden: „en de discipelen gaven ze aan de schare, en zij aten allen.quot; Breekt dan uw brood, en deelt het uit aan de hongerigen, die u omringen. Neemt het geheele brood van Christus, snijdt het recht en deelt het uit, en gij zult nog even veel hebben als bij het begin; ja meer; gij zult met de overgeschoten brokken nog vele korven vullen. Alleenlijk ziet toe, dat gij om niet geeft, wat gij om niet hebt ontvangen, opdat het tot den volgenden dag bewaarde manna geene wormen tele; opdat geen kanker kome in uw opgehoopte gouden zilver, en uwe eigene ziel niet beschimmele tot dat zij als eene verrotting wordt voor Gods aangezicht, omdat gij uwe ziel niet liet uitgaan tot de hongerigen, en niet getracht hebt hen te onderwijzen, die omkomen uit gebrek aan kennis.

Onze zendelinggenootschappen geven u de gelegenheid licht te verspreiden onder de Heidenen. Neemt deel aan dien arbeid, bidt er voor, doet er voor wat gij kunt, en moge Gods zegen rusten op u en uwen arbeid, Amen.

633

-ocr page 663-

DE TWEE BOUWERS EN HUNNE HUIZEN.

Een iegelijk dan, die deze mijne woorden hoort en dezelve doet, dien zal ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op eens steenrots gebouwd heeft; en er is slagregen nedergevallen, en de waterstroomen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis aangevallen, en het is niet gevallen, want het was op de steenrots gegrond. En een iegelijk, die deze mijne woorden hoort en dezelve niet doet, die zal bij een\' dwazen man vergeleken worden, die zijn huis op het zand gebouwd heeft; en de slagregen is nedergevallen, en de waterstroomen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid en zijn tegen hetzelve huis aangeslagen, en het is gevallen, en zijn val was groot.quot; Matth. VU : 24—27.

Dit waren de woorden, waarmede onze Heiland zijne gewichtige bergrede besloot. Sommige predikers wenden al de kracht van hunne welsprekendheid aan om te eindigen met een heel fraai stuk, dat zij eene peroratie of slotrede noemen, hetgeen, overgezet zu\'nde^eteekent eene uitbarsting van redekunstig vuurwerk, te midden van welks glans en pracht de spreker van het tooneel kan verdwijnen. Op het voorbeeld van Christus in deze bergrede kunnen zy zich stellig niet hiervoor beroepen. Hier hebben wij de slotrede van den Heiland, maar zij is even eenvoudig als alle de overige deelen zijner toespraak. Er is hier niets van eene kunstmatige welsprekendheid te bespeuren. Deze gansche bergrede was gekenmerkt door hoogen ernst, en die ernst blijft tot aan het einde, zoodat de laatste woorden als vurige kolen zijn, of als scherpe pijlen van den boog. Onze Heere besluit zyne rede niet met eene tentoonspreiding van zijne eigene macht van welsprekendheid, maar met eenvoudig en hartelijk eene waarschuwing te richten tot hen, die, zijne woorden gehoord hebbende, zich nu daarmede zouden vergenoegen, zonder ze in beoefening te brengen. Daar de ervaring ons leert, dat de ernst en vurigheid van den prediker toenemen naarmate hij het einde zijner rede nadert, zijn wij verplicht dubbele aandacht te schenken aan de woorden, die wij thans te zamen overdenken, en waarmede de Heere van alle predikers zijne gedenkwaardige rede heeft geëindigd.

Jezus had vele dingen gezegd; maar er zijn twee woorden, waarop Hij, geloof ik, inzonderheid zinspeelde, toen Hyzeide:

-ocr page 664-

de twee bouwees en hunne hüizen.

„Een iegelyk dan, die deze mijne woorden hoort en dezelve doet, dien zal ik vergelijken bij een voorzichtig man.quot; Het eerste van deze twee woorden was: „Gaat inquot; (Matthéüs VII: 13); en het tweede was: „ Wacht uquot; (Matthéüs VII: 15). Onze Heere had gesproken van de „enge poort,quot; den „nauwen weg,quot; en zijne dringende vermaning luidde; „Gaat in.quot;Niet: „Verneemt alles wat hieromtrent geweten kan worden en weest dan tevreden.quot; Niet: „Maakt aanmerkingen op den weg en op de reizigers, die er op gaan.quot; Niet: „Tracht de poort wijder en den weg breeder te makenquot;; maar: „Gaat in,quot; Weest gehoorzaam aan het Evangelie, gelooft zijn getuigenis aangaande Jezus; treedt in gemeenschap met zijne verborgenheden; ontvangt zijne zegeningen: bereist den weg, dien het u aanwijst. „Gaat in.quot; Hij, die van den weg des hemels hoort, maar er niet op gaat, is een dwaas; hij, die van de nauwe poort hoort, en zich haast om in te gaan, is wijs.

Daarna voegde deHeere er ook deze vermaning bij: „Wachtu.quot; „Wacht u,quot; zegt Hy, „vande valsche profetenquot;; en na hier een oogenblik bij stilgestaan te hebben, voegde hij er met nog andere woordenbij : „Wacht u voor valschebelijdenissen.quot; Wacht u voor valsche profeten, want zU zouden u misleiden. Zij kunnen u eene zaligheid voorstellen, die geene zaligheid is, eene luchtspiegeling, die u het beeld voorstelt van een\' helderen, koelen, verfrisschenden stroom, doch die uwen dorst slechts bespot. Wacht u voor elke leer, die u zou afleiden van den eenigen Zaligmaker der menschen. En dan voegt Hij er by: „Wacht u voor eene onoprechte belijdenis, hoe luid zy u ook doet roepen: „Heere, Heere!quot; Gij kunt met zulk eene belijdenis ook nog de verhevenste gaven bezitten, zooals byv. de gave om duivelen uit te werpen; en de grootste bekwaamheden, zoo als die, welke alleen de profeten bezitten; maar zij zullen u van geenerlei nut zijn. Ten dage, wanneer de Heere alleen diegenen tot zyne bruiloft zal toelaten, die zyne metgezellen waren in zijn\' strijd op aarde, zal Hij zeggen tot hen, die den wil des Vaders niet hebben gedaan: „Ik heb u nooit gekend, wykt van my, gij werkers der ongerechtigheid.quot; Dit zijn twee van de woorden van Christus, en zij sluiten schier alles in zich wat Hij .ooit gezegd heeft: „Gaat inquot; en „Wacht u.quot; Draagt zorg, dat gij ze doet, zoowel als hoort.

I. Wy zullen nu voortgaan met de gelijkenis des Meesters. Wilt in de eerste plaats letten op de twee bodwers.

De voorzichtige en de dwaze man hielden zich bezig met hetzelfde soort van werk, en tot op eene aanmerkelijke hoogte hebben zij ook beiden hetzelfde doel bereikt. Zij zijn beiden begonnen huizen te bouwen; beiden hebben zij dien bouw voortgezet, beiden hebben den bouw van hun huis voleindigd. De gelijkenis tusschen hen is zeer groot. Zij waren beiden gelijkelijk overtuigd van de

635

-ocr page 665-

DE TWEE BOUWERS EN HUNNE HUIZEN.

noodzakelijkheid om een huis te houwen. Zij zagen hoe noodig het was beschut te zijn tegen de zware regens. Beiden verlangden zij even sterk bewaard te zijn tegen de watervloeden en den storm. Het nut en voordeel van een huis te hebben om in te wonen was voor beiden even duideiyk. Evenzoo hebben wy in onzen tijd zeer velen onder ons gehoor, die er van overtuigd zijn, dat zij een\' Zaligmaker noodig hebben. Het is iny eene groote blijdschap als er beweging komt onder mijne hoorders. Ik vertrouw, dat zij door Gods Heiligen Geest is te weeg-gebracht, en dat velen uwer als gevolg daarvan diep zult gevoelen, dat gij eene verberging, eene schuilplaats noodig hebt tegen den toekomenden toorn. Gij erkent thans, dat gij begenadigd, gerechtvaardigd, wedergeboren en geheiligd moet worden; en uwe begeerten zijn vurig; en voor dit alles ben ik innig dankbaar, maar het veroorzaakt my tevens groote bezorgdheid. Gansche menigten van u verlangen bouwers te worden, en hoewel sommigen voorzichtig en sommigen dwaas ztjn, kunnen wy tot nu toe nog geen onderscheid tusschen ulieden bespeuren, want gij schijnt er allen gelijkelyk van overtuigd te zijn, dat gij het eeuwige leven behoeft en eene goede hope voor de toekomende wereld. En ook hiermede houdt de gelijkheid tusschen ulieden nog niet op, want de tivee bouwers loaren beiden vast besloten te verkrijgen ivat zij behoefden — een huis; en hun besluit bestond niet enkel in woorden, maar in daden, want beiden togen zij vastberaden aan het werk. Evenzoo zijn er ook te dezer ure velen onder ons, die besloten zijn, om als Christus verkregen kan worden. Hem te bezitten, en indien de zaligheid werkelijk bestaat, zij haar deelachtig zullen worden. Het is hun zeer ernst met de zaak, en schoon sommigen van hen zullen falen, en anderen slagen, zijn zü toch tot hiertoe volkomen aan elkander gelyk; niemand dan Hü, die alle harten doorzoekt, kan het minste verschil tusschen hen ontdekken. Ik zie met droefheid op de twee pelgrims, die beiden vastberaden hun aangezicht naar Sion hebben gericht, en een zucht ontglipt my, terwijl ik mij afvraag, wie van beiden de Hemelshe Stad zal bereiken, en wie zich bij Formalist en Hypocriet zal voegen en op de Duistere Bergen om zal komen. Wy zijn blijde om te hooren van verlangende harten en vaste besluiten, maar helaas! alles, wat op het korenveld groeit, is geene tarwe, en alles, wat blinkt, is geen goud. De schijn is dikwijls zeer hoopvol; maar dikwijls is het waar, dat schijn bedriegt. Er kan eene diepe bewustheid zijn van nood en behoefte, en er kan een vast voornemen zijn om die behoefte vervuld te krijgen, en toch kunnen van de twee zoekers de een vinden wat hij zoekt, en de ander niet; de een kan dwaas, de ander voorzichtig zijn.

Deze twee bouwers schijnen beiden even bedreven in de bouw-

636

-ocr page 666-

DE TWËË BOÜVVERS ËN HÜNNE HUIZEN.

kunst geweest te zijn. De een kon een huis bouwen zonder daarbij meer onderricht te ontvangen dan de ander. Ik zie niet, dat een van beide tot eene pauze kwam en niet voort kon, wijl hij voor het een of\' ander onderdeel der bouwkunde verlegen stond. Blijkbaar waren zij beiden zeer bekwame werklieden, die goed bekend waren met hun vak. Zoo is het ook hier met velen. In theorie zyn zij volkomen bekend met het plan der verlossing. Doch waar de kennis gelijk staat, kan de uitkomst zeer verschillend zijn. Twee menschen kunnen gelijkelijk wel onderwezen zijn in de Schrift, terwyl toch de een voorzichtig en de ander dwaas is. Te weten wat geloof is, wat bekeering is, wat eene goede hope in Christus is, dat kan alles uw deel zijn, terwijl dit toch slechts zal dienen om uwe eeuwige ellende grooter te maken. Indien gij deze dingen weet, zalig zyt gij, zoo gij ze doet. Het is niet de hoorder, maaide dader des woords, die zalig is. De kennis maakt opgeblazen; alleen de liefde sticht. Waarde vrienden, het is mijn vurige wensch, dat gü, die het eeuwige leven begeert te vinden in Christus Jezus, niet tevreden zult zyn dan met een waar en diep werk der genade in uw hart, want geen helder weten van het verstand, geen natuurlijke ernst van bedoeling, en geene vurigheid van begeerte kan u verlossen en zaligmaken; als gij geen deel hebt aan Christus Jezus zijt gij voor eeuwig verloren. „Gij moet wedergeboren worden;quot; gij moet in levende eenheid gebracht worden met den levenden Zaligmaker, of uwe hoop zal eindigen in eeuwig verderf.

Deze twee bouwers hebben heiden ook volhard en hun werk voleindigd. De dwaze man heeft, nadat hij begonnen was te bouwen, niet plotseling er mede opgehouden omdat hy niet kon voleindigen; neen, voor zoo veel ik weet, was zijn huis met evenveel volkomenheid voleindigd als het huis van den anderen, en wellicht ook even fraai versierd. Als gü beide gebouwen hadt aangezien, zij zouden u van de onderpui tot aan het dak even schoon en volkomen toegeschenen hebben, en toch was er juist in het allergewichtigste punt een zeer groot verschil tusschen die beiden. Evenzoo kunnen velen volharden in hunne zaligheid te zoeken, totdat zij zich inbeelden haar ook gevonden te hebben. Jaren lang brengen zij door in het volle geloof, dat zij behouden zijn. Zij roepen „Vrede, vredequot; en schrijven hun\' naam onder die der verlosten, en toch ligt er eene noodlottige vergissing op den grondslag van hun\'godsdienst; al hunne hoop is ijdel en hun levenswerk zal eene ontzettende mislukking blijken te zyn. De bouwers zijn tot aan dit punt zeer aan elkander gelijk; maar in werkelykheid is er een hemelsbreed verschil tusschen hun beider werk en hun beider karakter. De eene bouwer is wu\'s, de andere dwaas; de een is oppervlakkig, de ander degelijk; de een matigt zich aan wat hem niet toe-

63\'

-ocr page 667-

dë twee boüweiis en hunne hüizën.

komt, de ander is oprecht. Het werk van den wijze was een deugdelijk werk ook in die deelen waar het oog des menschen het niet kon beoordeelen; het werk des anderen was slechts goed boven den grond, er was niets wezenlijks in de verborgen deelen. Daarom heeft ter bestemder tijd de eerste bouwer zich verheugd toen hij zag, dat zijn huis den storm kon weerstaan, terwijl het huis des anderen instortte en verwoest werd.

II. Zooveel voor hetgeen de twee bouwers aangaat, laat ons thans denken aan hunne twee huizen.

Eén voornaam en blijkbaar verschil tusschen de twee gpbou-wen bestond waarschijnlijk hierin, dat de een zijn huis veel sneller heeft gebouwd dan de andere. De voorzichtige moest heel veel tijds besteden aan den arbeid onder den grond. Lucas zegt ons, dat hij „groef, en verdiepte, en het fondament lelde op eene steenrots.quot; Met dat graven en snijden in het harde graniet moeten dagen en weken zijn heengegaan. De dwaze bouwer had ditopont-houd niet. Het zand lag effen en klaar voor hem; hij kon terstond beginnen met zijn lagen van tichelsteenen te leggen, en de muren snel optrekken. Maar alle haast is nog geen voorspoedige spoed, en er zijn sommigen die te snel gaan om stand te kunnen houden. Belijders, die in den grond niet recht staan voor den Heere, hebben soms den schijn van een\'zeer snellen geestelijken wasdom. Gisteren waren zij nog onbekeerd, heden worden zij geloovigen, morgen beginnen zij anderen te leeren, en overmorgen zijn zij volmaakt. Zij schijnen volwassen te worden geboren, en reeds terstond van alles voorzien en in alle punten wel toegerust te ztjn, evenals Minerva, toen zij volgens de fabelleer, uit het brein van Jupiter te voorschijn kwam. Zij komen op in een\' enkelen nacht, maar helaas! evenals Jona\'s wonderboom, verdorren zij ook in een\' nacht. Nu werp Ik volstrekt geen twijfel op aan de echtheid van plotselinge bekeeringen. Ik geloof, dat plotselinge bekeeringen tot de beste vormen van bekeeringen behooren. Denkt bijv. aan de bekeering van den apostel Pau-lus. Maar toch! onder hen, die belijden plotseling bekeerd te . zijn, zijn er zeer velen, die gelijken op het beeld, dat ik zoo even geschetst heb, want zij bouwen zeer, zeer snel, veel te snel dan dat het metselwerk duurzaam kan zyn en lang stand kan houden. Nu is er wellicht een treurende, die bitterlijk klaagt over zijne langzame vordering in de genade. „Maanden langquot;, zegt iemand, „heb Ik God gezocht in het gebed. Ik was verootmoedigd en verbroken, onder bewustheid van zonde, en nu en dan slechts zie ik een straal van hoop, als ik het oog op den gekruisigden Zaligmaker heb mogen richten. Ik heb tot nu toe slechts weinig vertroosting, maar wel vele twijfelingen gekend. Zoo gaarne zou ik het volle licht der liefde in mijn hart hebben, maar het aanbreken van den dag duurt lang.quot; Mijn vriend, gij bouwt wel langzaam, maar zoo gij goed en stevig

638

-ocr page 668-

DE TWEE BOUWERS EK HÜNNE HüIZËN.

bouwt, dan zult gij geene reden hebben om over dat diepe graven te treuren. Gij zult weinig oorzaak hebben tot treuren, dat het langer duurde eer gij tot vrede zijt gekomen, dan dit met uwen haastigen vriend het geval was, indien uw vrede de eeuwigheid zal verduren, terwijl zu\'ne hoop slechts als eene bezitting is in de wolken, die door den wind voortgedreven en weggevaagd worden.

Van die twee huizen was het eene ongetwijfeld met veel minder moeite gebouwd dan het andere. Gelijk ik reeds gezegd heb: fondamenten graven in harde rotsen kost heel veel tijd, maar het brengt ook zeer veel arbeid mede. Zeer dikwijls moest die voorzichtige bouwer eens stilstaan om zich het zweet van het voorhoofd te wisschen. Zeer dikwijls begaf hij zich uitgeput van vermoeienis na den volbrachten arbeid ter ruste, en nog was er geen enkele steen zichtbaar boven den grond. Zijn buurman aan de overzijde, had zijne muren reeds hoog opgetrokken en was al bijna tot het dak genaderd, eer nauwelijks een voet zichtbaar was boven den grond van het huis van den \'voorzichtigen bouwer. „Oquot;, zeide de man van het zand-fondament, „uw arbeid is overtollig, en gij hebt er geene voldoening van, want gij kunt er niets van vertoonen. Zie hoe snel mijne muren verrezen zijn, en toch heb ik veel minder gewerkt en gezwoegd dan gij. Ik maak het mij niet moeielijk. Ik kwel mij niet met in rotsen te graven, en zie hoe ver ik al ben met mijn huis, en hoe goed en fraai het er uitziet! Uwe ouderwetsche manieren zijn bespottelijk. Gij graaft en hamert daar in de diepte, alsof gij tot het middenpunt der aarde wilt doordringen. Waarom gebruikt gij uw gezond verstand niet, en zet gij niet, evenals ik, spoed achter het werk? Weg met uw zuchten en kermen, doe als ik doe, en verheug u terstond. Angst en kommer zullen u dooden.quot; Op die wijze zijn waarlijk ontwaakte zielen „verachte fakkels, naar de meening desgenen, die gerust is.quot; Iemand komt met een\' sprong, als het ware, tot vrede en roemt zich veilig; maar of zyn vertrouwen al of niet juist is, daarover bekommert hij zich niet, daar vraagt hij niet naar. Hij gevoelt zich veel te behagelijk om tijd te vinden om daarnaar een onderzoek in te stellen. De bezitting is schoon, waartoe dient het zich te kwellen over de bewijzen van eigendom? De maaltijd is kostelijk, waartoe den tijd verspild met eerst het bruiloftskleed aan te trekken? Indien eene twijfeling opkomt, zal de vleeschelijke geruste haar aan Satan toeschrijven, en haar van zich afzetten, terwijl het zijne eigene con-sientie is en de waarschuwende stem van den hemel, die hem vermaant acht te geven en zich zeiven niet te misleiden. Het gebed, dat de Heere hem zal doorgronden^ zijn hart en zijne nieren zal proeven, heeft hij nooit in oprechtheid gebeden. Zoo iemand houdt niet van zelfonderzoek, en kan het niet verdra-

639

-ocr page 669-

ÜE TWEË BÓÜWËIlS ÈN HÜ^NE MUIZEN.

gen als men hem zegt, dat er vruchten moeten zijn, der bekeering waardig. Hij neemt de dingen op de gis af, komt tot roekelooze gevolgtrekkingen en sluit zijne oogen voor onaangename feiten. Hij beeldt zich in rijk en verrykt te zijn en geens dings gebrek te hebben, terwijl hij in werkelijkheid arm, en naakt, en ellendig is. Helaas! welk een ontwaken zal er voor hem komen ! Zijn ernstiger metgezel, die tegelijk met hem ontwaakt is, is oneindig meer beschroomd, en wantrouwt zich zeiven. Als hij bidt, gaat er een zuchten op uit zijn hart tot God; toch bevangt hem de vrees, dat hij niet recht zal bidden, en nooit staat hij voldaan over zich zeiven van zijne knieën op. Hü is niet zoo spoedig zeker van de werkelijkheid van zyn geloof als de ander. „Misschien is het met dat al toch niet het geloof van Gods uitverkorenenquot; zegt hij. Hij onderzoekt zich zeiven, of hij in het geloof is. Hü beeft bij de gedachte, dat hü de gedaante der godzaligheid heeft, zonder de kracht er van te kennen. Hij is bevreesd voor hetgeen nagemaakt is, en wenscht goud te koopen, dat in het vuur beproefd is. „Ben ik er zeker vanquot;, zegt hü, „dat mijne bekeering wezenlijk een verafschuwen is van de zonde als zonde, of heb ik slechts eenige tranen gestort onderden invloed van eene opwekkingspreek? Is mijne natuur werkelijk vernieuwd door het werk des Heiligen Geestes in mij, of is het slechts eene poging van mij zeiven om mijn leven te verbeteren ?quot; Gü ziet, dat deze mensch door veel ziele-strü\'d heengaat; hü arbeidt om tot rust te komen. Hü heeft vele aanvechtingen, veel bekommerdheid; hij onderzoekt dikwijls zün eigen hart omdat hij oprecht is en vreest zich zeiven te bedriegen. Door hem wordt het koninkrijk der hemelen geweld aangedaan; hü bevindt, dat de poort eng en de wegnaauwis, en dat de rechtvaardigen nauwelü\'ks zalig worden.

quot;Wees er dankbaar voor, waarde hoorder, zoo gij tot deze tweede klasse van menschen behoort, want dezen zijn de ware kinderen Gods en de erfgenamen der onsterfelijkheid. Het bouwen van uw huis kost u meer, maar het zal de kosten waard zijn. O wacht u van de schaapskleedoren te dragen zonder den schapenaard te hebben. Wacht u van „Heere, Heerequot; te zeggen, terwijl gü de dienstknecht zijt der zonde. Wacht u voor een\' ingebeelden godsdienst, en uwe ervaring te ontleenen aan levensbeschrüvingen; wacht u voor eene godzaligheid uit de tweede hand, van uwen vader of uwe moeder, van vrienden en bekenden. Wat het u ook moge kosten aan hartzeer en zielsbenauwdheid, zorg dat gü tot het ware fondament komt, en dat het huis zóó gebouwd is, dat het de beproevingen kan verduren, die onvermijdelijk komen moeten. Ik zou u met tranen willen smeeken hier toch acht op te geven, zóó gewichtig en noodzakelük acht ik deze waarschuwing voor mü zelven en voor u.

Ö40

-ocr page 670-

De twëe boüwërs en hünne hüizen. 641

Ofschoon die dwaze bouwer met zoo veel minder kosten en met zoo veel meer spoed gebouwd heeft, denk ik toch, dat zijne muren na verloop van eenigen tijd er heel slecht zulien hebben uitgezien. Want muren, die geen fondament hebben, maar slechts op zand zijn opgetrokken, moeten nu en dan wel lee-lijke scheuren vertoonen. Nu eens zullen er steenen losgewoeld worden, en dan eens zal het houtwerk loslaten, zoodat zeer dikwijls cement en pleister ter hand genomen moeten worden. quot;Welk een werk voor huisschilder en pleisteraar om aan die bouwvallige muren het aanzien van stevig metselwerk te geven ! En als zulk eene scheur toegestopt was in den eenen muur, kwam eene andere voor den dag in een\' anderen muur, want met zulk een fondament is het moeielijk het gebouw bij elkander te houden, en het zou mij niet verwonderen, zoo het den dwazen bouwer op den duur nog op grootere onkosten te staan kwam om het ellendig gebouw staande te houden, dan het den voorzichtigen bouwer gekost heeft, die zoo hard aan zijn fondament gewerkt heeft. Gelooft het vry, het is zeer moeie-lük om een\' bloot vormelijken godsdienst en veinzerij op den duur staande te houden. Het kost zulk een\' mensch moeite om zijn\' goeden naam op te houden, en hem door gedurig nieuwe leugens te steunen, en er door nieuwe valsche aanspraken een schoon aanzien aan te blijven geven. Nu eens zal de onver-nieuwde wil in heftigen opstand komen, en dan heeft hy onderwerping te veinzen onder beproeving; nu eens is er een begeerlijkheid, die niet ten onder gebracht is en om bevrediging roept, en dan moet hij zijne zonde met dubbele listen en bedrog bedekken. De vorm van bidden wordt lastig, by is verplicht zich tot die ontzettende bespotting op te schroeven, en intusschen leeft hij in voortdurende vrees van ontdekt te zullen worden. Eigenlijk leeft hy altijd in angst, evenals een dief, die bang is, dat de politie hem op de hielen zit. Met iedere windvlaag dreigt zijn huis boven zijn hoofd in te storten. Nu wenscht hij wel half, dat hij zich in den beginne de moeite maar getroost had om een fondament te graven in de rots, maar wanhopig besluit hij het oor te sluiten voor de stem dei-waarschuwing en hare bestraffing van zich te weren. O waarde hoorder, houd u er van verzekerd, dat de waarheid op den langen duur toch het goedkoopst en het gemakkelijkst is. Uw verguldsel, uw vernis, uwe verf, uwe geveinsdheid zullen spoedig afslijten, maar de werkelijkheid heeft geene kosten te doen om zich op te smukken, wijl zij dit niet noodig heeft. Eeeds in dit leven zal het op den langen duur moeielijker zyn om te blijven voorwenden dan om waar te zijn, want met de waarheid hebt gij God aan uwe zijde om u te ondersteunen, maar alles wat onwaar en onwezenlijk is verafschuwt Hij. Ik smeek u, ziet toe, dat gij uwe muren met geene looze kalk pleis-

41

-ocr page 671-

DE TWEE BOUWERS EK HUNNE HUIZEN.

tert, opdat zij niet alleen niet met een donderend gedruisch instorten, als gij hunne beschutting het meest behoeft; maar ook nu niet reeds teekenen van vermolming toonen.

Hoe hoog er de divaze man bouwde, hoe moeielijker het hem viel om het gebouiü in stand te houden, want elke laag steenen, die hij legde, maakte het gewicht natuurlijk grooter, en deed het zand meer wijken. Hoe dichter hij met zyn gebouw bij den hemel kwam, hoe sterker de muur zich tot vallen boog. Iemand, die naar de kerk gaat met geen ander doel dan om voor een achtenswaardig man gehouden te worden, kan er wel eenigs-zins in slagen om zulk een\' lagen muur zelfs zonder fondament in stand te houden. Een ander, die voor den vorm lid wordt eener gemeente, welke geene aanspraak maakt op reinheid, kan daar ook wel succes op hebben. Maar als hij zich voegt by eene gemeente van Jezus Christus, die er naar streeft reinheid te handhaven bij hare leden, dan zal het hem moeielyk vallen om te leven naar den maatstaf, die hem wordt voorgehouden. Gaat nu eens verder en veronderstelt eens, dat zoo iemand diaken wordt, of ouderling, dat hij gansch van genade ontbloot is, dan zal zijn hooger doel hem ook veel duurder te staan komen, want. er zijn meer oogen op hem gevestigd, en er wordt veel meer van hem geëischt. Nu bidt by in het openbaar; nu spreekt hü een woord tot de zoekenden. Hoe wordt die arme mensch daarbij nu in de engte gedreven! Hoe voortdurend wordt hij niet uit zijn eigen mond geoordeeld! „Ach!quot; zegt hü bij zich zeiven, „voor mijne eigene ziel weet ik niets van deze dingen; en toch moet ik spreken en handelen, alsof ik van God geleerd ware.quot; Wordt hij een prediker, dan is hij in nog erbarmelijker toestand; hoe ontzettend moeie-lijk moet het hem vallen zijn karakter op te houden! Als de toren zich verheft, verdieping op verdieping, en op zoo zwak een grondslag rust, dan zal hij, evenals de toren van Pisa, overhellen, maar ongelijk aan dit vreemd gebouw, dreigt hij met donderend geweld in te storten. Zulk een prullig ding moet wel in duigen vallen, en de hoogte er van werkt mede om dien val te bespoedigen. Evenzoo, my\'ne hoorders, hoe hooger en geestelijker het doel is, waarnaar gü streeft, hoe erger het voor u zijn zal, tenzij gij een goed fondament hebt van waar gij begint, nl. in oprechtheid en waar geloof. Zóó slecht is eene onware godsdienstigheid, dat hoe verder gij er in gaat, hoe erger het voor u wordt.

Maar het voorname verschil tusschen de twee huizen lag niet in deze spleten en scheuren, en ook niet in de goedkoopheid en snelheid van het bouwen, het lag in hetgeen buiten het gezicht bleef, onder den grond. Het was geheel en al eene zaak van het fondament. Hoe velen zijn er niet, die denken, dat als iets buiten het gezicht is, het ook buiten de gedachten, buiten het

642

-ocr page 672-

DE TWEE BOUWERS EN HUNNE HUIZEN.

weten blijft. Wie neemt de moeite om te gaan graven ten einde het fondament te onderzoeken? „Wel,quot; zegt iemand, „ik zie er de noodzakelijkheid niet van in om zoo over precies te zijn; wat niemand ziet, deert niet. Er zijn velen, die instemmen met het onchristelijk rijmpje:

„Dat zich de dweper met geloof en Gods genade kwel\',

Leeft men maar goed en braaf, dan loopt het alles wel.quot;

Gij betaalt twintig stuivers in den gulden; gij gaat naar de kerk en aan het Avondmaal; gij zegt uwe gebeden, en verder bekommert gij u om nietsquot; —dat is het denkbeeld, dat algemeen ingang vindt. „Waartoe dient het om te tobben over uw hart? Dat is al te maal onzin. Wat is er aan gelegen ?quot; Op die wijze heeft de dwaze bouwer zich moed ingesproken, en ongetwijfeld heeft hij gesmaald op den voorzichtigen bouwer als een ellendig wezen, die „al te rechtvaardigquot; was, en veel te neerslachtig. Voor de menschen is het uitwendige alles; voor God is het niets. Het wezenlijk verschil tusschen het ware kind van God en den naamchristen is niet zoo licht te ontdekken, zelfs niet door hen, die geestelijk gezind xjjn; maar de Heere ziet het. Het is een verborgen, geheimzinnig iets, dat de Heere op prys stelt, want „Hü kent degenen, die zijne zijn.quot; Hij onderscheidt tusschen het „kostelijke en het snoode.quot; Hij doet de naambelyders weg als schuim; maar den oprechte zal Hij niet laten omkomen.

Wat is dan de zaak, waar het op aankomt? Het is dit. Mijn hoorder, indien gij wilt bouwen op de rots, zie toe, dat gij een ivaar besef hebt van zonde. Ik zeg niet, dat het besef van zonde eene toebereiding is voor Christus, en dat wij de menschen van het Evangelie moeten terughouden, tot dat zy hunne zonden gevoelen; maar wèl geloof ik, dat waar oprecht geloof is in Jezus, een diepe afschuw van de zonde zal worden gevonden. Geloof, zonder berouw over de zonde, is een dood, waardeloos geloof. Als ik Christenen ontmoet, die lichtvaardig spreken over de zonde, dan ben ik er van overtuigd, dat zij zonder fondament hebben gebouwd. Indien zy ooit des Geestes wondend en doodend zwaard der overtuiging van zonde gevoeld hadden, zij zouden vluchten voor de zonde, zooals zij voor een\' leeuw of beer vluchten. Zondaars, die waarlijk begenadigd zijn, vreezen den schijn des kwaads, zoo als gebrande kinderen het vuur vreezen. Eene oppervlakkige bekeering leidt tot een zorgeloos leven. Het geloof, dat nooit door tranen des berouws werd bevochtigd, zal nooit de bloemen der heiligheid voortbrengen. Bidt ernstig om een verbroken hart. Gedenk, dat het een verslagen hart is, waarin God een welbehagen heeft. Gelooft niet, dat gü grond kunt hebben om u te verblijden, indien gij nooit eene reden hebt gezien om te treuren. De beloofde vertroosting is alleen voor hen, die treurenden geweest zyn. (Matth. V; 4.)

643

-ocr page 673-

DE ÏWEË BOUWERS EN HUNNE HUIZEN.

En streeft dan ook naar waar geloof. Er is veel, dat de men-schen geloof noemen, dat niet het dierbaar geloof is van Gods uitverkorenen. Een oprecht betrouwen in Jezus Christus wordt op duizenderlei wijze nagebootst, en soms zóó nauwkeurig, dat alleen door een streng zelfonderzoek het bedrog ontdekt wordt. Gij moet gansch uitgestrekt liggen op Christus, de Rots; gij moet gansch en al van Hem afhankelijk zijn; al uwe hoop en al uw betrouwen moet in Hem zijn gevestigd. Indien gij gelooft met het hart, en niet bloot in naam, dan zult gij zalig worden, maar anders ook niet. Gij moet waar berouw en een oprecht geloof hebben, of gij zijt dwaze bouwers.

En voorts; streef naar innerlijke ervaringen van de waarheid Gods. Vraag, dat die waarheid ingebrand worde in uw hart. Hoe komt het, dat de menschen de leerstellingen der vrye genade laten varen, als zij onder de macht komen van de welsprekende pleitbezorgers van den vrijen wil? Waarom geven zij de rechtzinnige geloofsbelijdenis prijs, als zij met geleerden in aanraking komen, die haar tegenspreken ? Omdat zy het Woord nooit in de kracht des Heiligen Geestes hebben ontvangen, zoodat het aan hun hart werd verzegeld. Ik beef voor onze kerken, nu de valsche leerstellingen hoe langs zoo meer verspreid worden, omdat ik vrees, dat er velen zijn, die niet bevestigd zijn in de waarheid. Mijn gebed gaat op tot God voor u, geliefde gemeente, dat gij de waarheid moogt kennen door dat gij van den Heere geleerd zijt, want dan zult gij niet ter zijde afgeleid worden. De dieven en roovers zullen komen, maalais schapen van Christus zult gij hen niet hooren. Eén ding is het, eene geloofsbelijdenis te hebben, maar gansch wat anders is het, de waarheid gegraveerd te hebben op de tafelen van uw hart. Velen lijden hier schipbreuk, omdat de waarheid nooit door ervaring hun eigendom is geworden.

Bidt ook dat uw geloof persoonlijke heiligheid moge voortbrengen. Gelooft niet zalig gemaakt te zijn van de zonde, zoolang gy in de zonde blijft leven. Indien gij een welbehagen kunt vinden in de begeerlijkheid des vleesches, dan zijt gij geen kind van God. Indien gü u overgeeft aan dronkenschap — en dit is, helaas! met vele belijders het geval, alleen maar: zij drinken te huis, en worden op straat niet gezien — hoe kan Gods genade dan in u wonen? Indien gij behagen schept in een tjdel lied; indien gü plaatsen van ijdele vermakelijkheden bezoekt, dan behoeft het wegen van u zeiven niet heel lang te duren, want gü zijt reeds te licht bevonden. Indien gij vernieuwd waart in den geest uws gemoeds, dan zoudt gij die dingen niet méér liefhebben dan een engel ze liefheeft. Er moet u eene nieuwe natuur ingeplant worden; en als dit niet openbaar wordt in heiligheid van leven, dan kunt gij bouwen zoo hoog als gij wilt, en zoo luid als gij wilt over dat bouwen

644

-ocr page 674-

de twee bouwers en hunne huizen.

spreken, maar dan zal het met dat al toch slechts een ellendig stulpje zijn, dat door den eersten den besten storm weggeblazen wordt.

Gebrek aan diepte, gebrek aan oprechtheid, gebrek aan werkelijkheid in den godsdienst — dat is het gebrek onzer dagen. Men heeft, in zake, den godsdienst betreffende, het oog niet op God gericht; men is niet oprecht tegenover zijne eigene ziel; men gebruikt het lancet niet om het eigen hart te peilen; men slaat geen acht op het bevel tot opsporing, dat God uitgevaardigd heeft tegen de zonde; men is onverschillig betreffende het leven en teren op Christus. Er wordt veel over Hem gelezen; er wordt veel over Hem gesproken; maar men voedt zich niet met zijn vleesch, men drinkt zijn bloed niet; en dit alles is de oorzaak van onze. wankelende belijdenis en van onze hoop, die geen fondament heeft.

Aldus heb ik getracht u de gelijkenis te verklaren. Het was hierbij geenszins mijne bedoeling eene oprechte ziel af te schrikken; mün doel was tot u te zeggen: „Gij moet uwe roeping en verkiezing vast maken. Souwt op Christus\' liefde, oprechtheid, begeerte, het werk des Heiligen Geestes, en bedriegt u zeiven niet.

III. Ik zal nu in de derde plaats stilstaan bij de beproeving,

die aan beide huizen gemeen is.

Hetzij dat uw godsdienst waar is of niet, hü zal op de proef gesteld worden. Of het kaf is of koren, de wan van den grooten Wanner zal gewisselyk in werking worden gebracht voor alles wat op den dorschvloer ligt. Indien gij met God te doen hebt, dan hebt gij te doen met een „verterend vuur.quot; Of gü een wezenlijk Christen zijt of een naamchristen, als gij tot Christus nadert, zal Hij u beproeven, gelijk het zilver beproefd wordt. Het oordeel moet beginnen met het huis Gods, en zoo gij in het huis Gods durft komen, dan zal het oordeel beginnen met u. Maar laat ons hier, als in het voorbijgaan opmerken: indien er zoodanige beproeving is voor hen, die belijden Christenen te zijn, wat zal er dan worden van u, die niets belüdt Indien de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, waar zal de goddelooze en zondaar verschijnen? Indien het oordeel begint met het huis Gods, wat zal dan het einde wezen van hen, die niet gelooven ? Schrikkelijke gedachte! Maar laat ons terug keeren tot ons onderwerp. De belijdenis zal — of zy waar is of valsch — de proef hebben te doorstaan. Indien ik de heenwijzing in den tekst naar regen, waterstroomen en wind goed begrijp, dan zullen er op zijn minst drie soorten van beproevingen zyn De regen stelt de beproevingen voor, die van den hemel komen. God zal u tegenspoeden zenden als zware regenbuien, wederwaardigheden, even talrijk als de droppelen van den dauw. Tusschen hier en den hemel zult gij, o belijder, den zwaren, bulderenden storm

645

-ocr page 675-

DE TWEE BOUWERS EN HUNNE HUIZEN.

gevoelen. Uw lichaam zal, evenals het lichaam van andere menschen, krank zijn; of, indien niet, dan zult gu huiseiyk verdriet hebben. Kinderen en vrienden zullen sterven, of „de rijkdommen zullen zich vleugelen maken, gelyk een arend, die naar den hemel vliegtquot; (1). Gy moet beproevingen hebben, die u uit Gods hand worden toegezonden, en, zoo gy niet op Christus steunt, zult gij ze niet kunnen dragen. Indien gij niet door een waar geloof één geworden zijt met Jezus Christus, dan zal Gods regen zelfs te veel voor u wezen. Maar er zullen ook beproevingen over u komen uit de aarde — „De waterstroomen zijn gekomen.quot; In vroegere dagen waren de waterstroomen der vervolging schrikkelijker dan heden ten dage; maar toch wordt de vervolging ook thans nog gevoeld; en zoo gij een belijder zijt, dan zult gij er uwe mate van hebben te dragen. Nog altyd heeft het volk Gods „bespottingenquot; te proeven. De wereld heeft de ware gemeente van Christus heden niet méér lief dan zy haar vroeger liefgehad heeft. Kunt gij om Jezus wil smaad en laster verdragen ? Niet dan wanneer gij vast gegrond en geworteld zyt. Ten dage der verzoeking en beproeving zijn de wortellooze planten in den steenachtigen grond verdord. Let hier op. En dan zullen er geheimzinnige beproevingen komen, welke voorgesteld worden door „de winden.quot; De overste van de macht der lucht zal u aanvallen met zyne lasterlijke inblazingen, met afschuwelijke verzoekingen, of listige bedenkselen. Hij weet wolken van neerslachtigheid over den msnschelüken geest te brengen; hij kan door zijne verborgene werkingen alle vier [hoeken van het huis te gelijk aanvallen; hü kan ons op verschillende manieren tegelijk in verzoeking brengen en ons ten einde raad voeren. Wee u, indien gij dan niets beters hebt dan het bloote zand der belijdenis om u aan vast te houden!

Waar een goed fondament is, daar kunnen beproevingen niet schaden; maar waar geen fondament is, daar zal des menschen belijdenis dikwijls tot niets komen, zelfs reeds in dit leven. Hoe velen raken reeds bij den aanvang hun\'godsdienst kwijt! Meelooper en Christen \'hebben zich beiden op weg begeven naar de Hemelsche Stad; beiden verlangden in het bezit te komen van de gouden kroon; maar zy vielen in den Poel Moedeloos. Toen nu de een na een paar wanhopige pogingen uit den poel geraakte aan den kant die naar zyn huis toe lag, en terug ging naar de Stad des Verderfs, terwijl de ander moedig worstelde om den tegenoverliggenden oever te bereiken, trad het onderscheid tusschen den wijzen en den dwazen pelgrim in het licht.

646

Nadat de Christen nu wat verder is gekomen, aal hij nog op

(1) Spr. 23: 5, naar de Engelsche overzetting.

-ocr page 676-

DE TWEE BOUWERS EN HUNNE HUIZEN.

andere wyzen worden aangerand. Hij heeft dikwijls aanvechtingen te verduren van het ongeloof, ik bedoel twijfelingen aan de grondwaarheden des geloofs met al zijne leerstellingen. Zij, die dan niet vast gegrond zijn op de rots, zullen licht bewogen worden tot ongeloof. Onze eeuw is de eeuw van allerlei ongeloof, maar zij, die door wezenlijke ervaring op de rots gegrond zijn, zullen niet bewogen worden. Een neger hoorde eens van een\' vriend, dat iemand gezegd had, dat de Bijbel niet waar is. Onze arme vriend had nooit gedacht, dat iemand aan de waarheid des Bijbels kon twijfelen; maar zeer snel heeft hij die nieuwerwetsche moeiehjkheid uit den weg geruimd. „Dat boek niet waar!quot; riep hij, „wel ik neem het in myn huis, en ik zet mjj neder om het te lezen, en het maakt dat mijn hart lacht. Hoe kan nu hetgeen maakt, dat mijn hart lacht, eene leugen zyn? Ik ben een dronkaard geweest, en een dief, en een leugenaar, en dat boek heeft tot mü gesproken en my tot een nieuw mensch gemaakt — dat boek is geene leugen.quot; Dit was voorwaar het beste bewijs ter wereld, ten minste voor hem zeiven, al was het dit ook niet voor anderen. Wij, aan wie Gods Woord het hart heeft doen lachen, kunnen van ons geloof niet weggelachen worden. Wij hebben geleefd op het Woord, wij hebben er de waarheid van bewezen gezien door onze eigene ervaring, daarom zijn wij tegen alle aanvallen bestand, terwijl zy, die deze ervaring niet kennen, aan het wankelen worden gebracht.

Waar het hart werkelijk gegrond is op de waarheid, daar zullen ketterijen even weinig ingang vinden als ongeloovighe-den. De gezonde Christen is als een steen; als hij in den poel der valsche leerstellingen wordt geworpen, dan kan hij er wel nat door worden; maar hjj ontvangt dit water niet in zijn binnenste; terwijl de onvaste belijder is als eene spons, die het gretig opslorpt, en wat hij opslorpt ook in zich houdt.

Hoe velen zijn er niet, die op de proef gesteld worden door wereldschgezindheid! Als hun godsdienst dan niets is dan eene bloot uitwendige belijdenis, dan zal die wereldschgezindheid er spoedig als een kanker het hart van wegknagen, en dan worden zij als anderen! Maar als het hart des Christens recht, is voor God, dan komt hij van hen uit en scheidt zich van hen af, en dan zal de grootschheid des levens hem niet verstrikken.

In geval van afwijking zal hij, wiens hart recht is voor God, spoedig van zijn\' dwaalweg terug worden gebracht; maar waar het hart bedorven is, daar zal de afgekeerde van kwaad tot erger vervallen. Ik was zeer getroffen door de geschiedenis van twee mannen, die in godsdienstige samenkomsten dikwijls een stichtelijk woord spraken. Er was twist tusschen hen ontstaan, en een hunner broederen, wien het smartte, dat dienstknech-

647

-ocr page 677-

de twee bouwers en hunne huizen.

ten Gods zoo oneenig onder elkander waren, ging heen en trachtte hen met elkander te verzoenen. Hij begaf zich tot den eersten, en zeide: „Het doet mü zeer leed, Johannes, dat gÜ met Jakobus getwist hebt. Het is zeer te betreuren, want het brengt veel smaad over de kerke Gods.quot; „Achquot;, zeide Johannes, „het is ook inderdaad zeer treurig; wij moesten eensgezind zijn, want wij zijn broeders; maar wat mij het meest leed doet in de zaak, is, dat het alles mijne eigene schuld is. Het kwam alleen omdat ik harde woorden gezegd heb, waardoor Jakob zich beleedigd gevoelde.quot; „O zoo!quot; riep de brave man, „die moeielijkheid zal dan wel spoedig uit de wereld zijn,quot; en hij begaf zich tot Jakob. „Het doet mij zeer leed,quot; zeide hij tot hem, „dat gij en Johannes het oneens zijt.quot; „Jaquot;, antwoordde deze, „dat is ook inderdaad zeer verkeerd, maar wat mij het meest spijt, is, dat het mijne schuld is. Indien ik geen acht had geslagen op een ietwat hard woord, dat Johannes zich heeft laten ontglippen, dan zou er geen twist uit ontstaan zijn.quot; Die zaak werd, gelijk gij denken kunt, spoedig in het reine gebracht. Want ziet gij, in den grond gevoelden deze twee eene oprechte en hartelijke vriendschap voor elkander, zoodat die kleine moeielijkheid spoedig uit den weg was geruimd. En zoo zal ook, wanneer er eene ware eenheid bestaat, tusschen God en de ziel, de afkeerigheid spoedig genezen zijn.

IV. Ten besluite. Daar ik u nu gesproken heb over de alge-meene beproevingen en de uitwerkselen daarvan op dit leven, zoo laat mij u thans herinneren aan de verschillende gevolgen dek beproevingen in betrekking tot het toekomende leven.

De regen kwam neder met groote kracht en dreigde het huis weg te spoelen; maar het was gebouwd op eene rots, en het huis bleef niet alleen staan, maar de man, die er in was, vond er groot genot in. Hij kon den kletterenden slagregen hooren op het dak, terwijl hij stil nederzat en zong. Toen de windvlagen tegen de vensters bliezen, was hij er slechts te gelukkiger om, als hij bedacht, hoe goed hij was beschut. Daarna kwamen de waterstroomen. Zij zouden de fondamenten ondermijnd hebben; maar zij hadden niet de minste uitwerking op de rots van graniet, en ofschoon de storm gierde rondom dat huis, was elke steen toch zóó vast verbonden aan den anderen steen, en was alles als met ijzeren banden aan die majestueuze oude rots gehecht, en daarom was de man, die er in was, gelukkig, en bovenal dankbaar, dat hij op zulk een vast fondament had gebouwd. Hij kon nederzitten en zingen;

, Euwe stormen mogen woeden,

Alles om mij heen zij nacht,

God, mijn God zal mij behoeden,

God houdt voor mijn heil de wacht.

648

-ocr page 678-

DE TWEE BOUWERS EN HUNNE HUIZEN.

De Christen rust vreedzaam en veilig in Christus. De benauwdheden komen, de eene na de andere, maar zij zullen hem niet wegstormen, zy zullen de hoop, die op Christus Jezus is gegrond, slechts dierbaarder maken aan zijne ziel. En wanneer eindelek de dood komt, de ontzettende vloed, die alles zal ondermijnen wat beweeglijk is, dan zal hij in de hoop desvoor-zichtigen bouwers niets vinden, dat hem kan doen wankelen. Hij rust op hetgeen Christus gedaan heeft; en dit kan door den dood niet bewogen worden. Hij gelooft in een getrouw God; en het sterven kan dit niet wegnemen. Hij gelooft in een ge-teekend, en verzegeld, en bevestigd verbond, dat in alles wel geordineerd en bewaard is. Hij legt de hand op het „zullenquot; en „willenquot; van een onveranderlijk God, dat gansch bezegeld is met het bloed des Verlossers; daaraan kan de dood niets veranderen. En als de laatste bazuin gehoord wordt, en als het laatste vuur, dat het werk van een\' iegelijken mensch zal beproeven om aan te toonen van welk gehalte het is, voortkomt van den troon Gods, dan zal de mensch, die in ware oprechtheid en door wezenlijke ervaring Christus heeft aangegrepen, in dit ontzaggelijk uur geene vrees kennen. Het bazuingeschal moge luid wezen en lang aanhouden, de dooden mogen ontwaken, en de engelen zich vergaderen rondom den grooten witten troon, de pilaren des hemels mogen wankelen en de aarde ontbonden worden, en de elementen smelten en vergaan, de man Gods gevoelt, dat de rots, waarop hij gebouwd heeft, hem nooit kan begeven, en dat de hoop, die de genade hem heeft gegeven, nooit weggenomen kan worden. Te midden van dit alles kan hij kalm en rustig blijven.

Maar ziet nu den mensch, wiens hoop op zand gebouwdis! De beproevingen des levens heeft hü nauweiyks kunnen verduren. Onder eene gansch gewone verzoeking is hy schier bezweken. In de ure der vervolging gaf hij zijne belijdenis prijs. Maar erger beproevingen wachten hem. Sommige geveinsden hebben zich tot het laatste oogenblik weten staande te houden, en hebben wellicht nooit geweten, dat zij verloren waren, voordat zij het gevoelden, gelijk de rijke man, van wien geschreven staat: „Als hij in de hel zijne oogen ophief, zijnde in de pijne.quot; Hij had nooit te voren zijne oogen opgeheven; h\\j heeft zijn\' toestand niet ingezien, vóórdat hy er al de ellende van ervoer. Maar de meeste menschen, die onder het geklank des Evangelies zyn gekomen, en het Christendom hebben beleden, maar zich zeiven en anderen hebben bedrogen, ontdekken dit bij hun sterven, en het moet iets ontzettends wezen om die ontdekking te doen, terwijl de pijn scherp en heftig is, en het scheiden bitter zwaar valt! Ach! mijn vriend, indien gij u hebt vergist, mocht gij het dan thans ontdekken, en niet als gij op uw sterfbed ligt. Laat uw gebed wezen: „Heere, toon mij het

649

ni

* n i Rf 11

Pli

(«ï in

ill In

li

Él r

i y

llill

m

■lii ifl

I lil

II li

, I

i itii\' i ti

I li

1® .i

li I

ir1

l|; li II

-MBi\' ■

SfiK I

■I \'•

■■

-ocr page 679-

DE TWEE BOUWERS EN HUNNE HUIZEN.

650

ergste van mijn\' toestand. Indien mijne belydenis zelfbedrog is geweest, o laat mij dan niet voortbouwen op iets, dat reeds wormstekig is, maar help mij te bouwen op de Kots der eeuwen.quot; O ik smeek u, bid dat gebed. Gedenk, dat zoo de dood u niet de volle waarheid openbaart omtrent uwen toestand, het oordeel dit wèl doen zal. Daar zal geene vergissing knnnen plaats hebben, en daar zal geene gelegenheid meer wezen voor berouw of bekeering. Dit gevallen huis is nooit weder opgericht; van dien algeheelen ondergang was geene redding mogelijk. Verloren! verloren! er is geen woord, dat hierop volgt, want is men eens verloren, dan is men voor eeuwig verloren! O waarde hoorder, indien gij den naam hebt van te leven, en dood zijt, zoo sta op van de dooden, en Christus zal u leven geven. Indien gij zoekende zyt, zoo bid ik u, stel u niet tevreden met eene vage hoop of een ijdel vertrouwen. Koop de waarheid en verkoop haar niet. Grüp naar het eeuwige leven. Zoek den waren Zaligmaker, en rust niet, vóórdat gij Hem hebt gevonden; want zoo gij verloren gaat, zal uw ondergang vreeselyk zijn. O die poel! Hebt gij ooit die woorden gelezen; „Geworpen in den poel des vuurs; dit is de tweede doodquot;? De poel des vuurs, en zielen, welke daarin geworpen worden! De beeldspraak is ontzettend. „O!quot; zegt iemand, „dit is een me-taphoor, eene figuurlijke uitdrukking.quot; Ik weet het; doch een metaphoor is slechts eene schaduw van de werkelijkheid. Indien nu de schaduw een poel des vuurs is, wat moet de werkelijkheid dan wel wezen! Indien wij het nauwelijks kunnen dragen te denken aan een\' „worm, die niet sterftquot;, en een „vuur, dat niet uitgebluscht wordtquot;, en aan een\'poel, waarvan de ziedende golven van vuur over onsterfelijke en hopelooze zielen gaan, wat moet de hel in wei\'kelijkheid dan wel zijn ? De schilderingen der Schrift zijn toch eigenlijk slechts een tegemoet komen aan onze onwetendheid, gedeeltelijke openbaringen van ondoorgrondelijke geheimenissen; indien nu dezen al zoo ontzettend zijn, wat moet de volle werkelijkheid dan wel wezen ? Laat het er niet toe komen, dat gij het weet door ervaring, mijne hoorders, verzoekt uwen God niet, veronachtzaamt de groote zaligheid niet, want zoo gij het wèl doet, dan zult gü niet ontkomen. Speelt niet met uwe ziel, weest niet achteloos en zorgeloos omtrent de werkelijkheden der eeuwigheid; maar moge God thans, ja thans, het gebed verhooren, dat uit het binnenste uws harten tot Hem opgaat, en moge Hij u geven in waarheid gewasschen te zijn in het dierbaar bloed van Christus, en behouden te zijn door Hem, in wien daar is volheid van waarheid en genade. Amen.

-ocr page 680-

FONDAMENTEN.

„En wat noemt gij mij Heere, Heere! en doet niet hetgeen ik zeg? Een iegelijk, die tot mij komt, en mijne woorden hoort, en dezelve doet, ik zal u toonen, wien hij gelijk is. Hij is gelijk een mensch, die een huis bouwde, en groef, en verdiepte, en leide het fondament op eene steenrots; als nude hooge vloed kwam, zoo sloeg de waterstroom tegen dat huis aan, en kon het niet beweg\'-n: want het was op de steenrots gegrond. Maar die ze gehoord, en niet gedaan zal hebben, is gelijk een mensch, die een huis bouwde op de aarde zonder fondament; tegen hetwelk de waterstroom aansloeg, en het viel terstond, en de val van hetzelve huis was groot.quot;

Lukas VI: 46—49.

Deze gelijkenissen stellen twee soorten van hoorders voor, maar zij zeggen niets van degenen, die geene hoorders zijn. Hun toestand en hun vooruitzicht moeten wij afleiden van hetgeen van de hoorders gezegd is. Onze Heere Jezus Christus is in de wereld gekomen om ons te spreken van de liefde des Vaders, en nooit heeft iemand gesproken, gelijk Hü gesproken heeft, en toch zijn er velen, die weigeren Hem te hooren. Ik bedoel hen niet, die ver zijn, en aan wie de naam van Jezus schier onbekend is; maar de menschen, die in dit land wonen, inzonderheid in deze groote en hoog bevoorrechte stad, en die moedwillig weigeren te hooren naar Hem, dien God gezalfd heeft, om ons de boodschap der zaligheid bekend te maken. Onze Heere Jezus is gepredikt — ik had haast gezzgd van de daken in deze stad; want zelfs in de concertzalen en de schouwburgen wordt Hu aan de menigte verkondigd; en op de hoeken der straten wordt zijne banier ontplooid. En toch zijn er nog tien duizenden, voor wie de prediking des Evangelies is als muziek in de ooren van een lijk. Zij sluiten hunne ooren en willen niet hooren, ofschoon het getuigenis den Zone Gods betreft, en het eeuwige leven, en den weg ter ontkoming aan den eeuwigen toorn. Voor hunne eigene beste belangen, voor hun eeuwig welzijn zijn de menschen dood; niets kan hen bewegen hunne aandacht aan God te wijden. Waaraan zijn deze menschen dan gelijk? Zij kunnen gevoegelijk vergeleken worden bij den mensch, die in het geheel geen huis bouwde, zonder woning bleef bij dag, en zonder toevlucht des nachts. Als

-ocr page 681-

FONDAMENTEN.

652

aardsche beproevingen komen gelijk een storm, dan hebben zij, die de woorden van Jezus niet willen hooren, geene vertroosting om hen te bemoedigen. Als krankheid komt, hebben zy geene blijdschap in het hart om hen te ondersteunen in hunne pijn en smart; en als de dood komt, dan loopt die schrikkelijkste van alle stormen hen aan met volle krachten geweld; maar zij kunnen geene schuilplaats vinden. Zij zorgen niet voor de huisvesting hunner ziel, en als in de toekomende wereld de orkaan van den almachtigen toorn losbarst, dan zal er voor hen geene schuilplaats zijn. Te vergeefs zullen zij dan roepen tot de bergen om op nen te vallen, en tot de rotsen om hen te bedekken. Zij zullen te dien dage geene beschutting hebben tegen den rechtvaardigen toorn des Allerhoogsten. O hoe treurig is het, dat een wezen, hetwelk het beeld des men-schen draagt, in zulk een\' toestand gevonden wordt! Zwervelingen, die geen dak hebben ten dage des storms! Hoe treurt mijne ziel over hen! Maar welke verontschuldiging zullen die menschen bedenken, die geweigerd hebben den weg der zaligheid te leeren kennen? Welke verontschuldiging kan het tee-derste hart voor hen bedenken? Zullen zy er op pleiten, dat zy niet konden gelooven? Maar zy kunnen niet zeggen, dat zij niet konden hooren, en het geloof is uit het gehoor, en het gehoor door het woord Gods. O mijn vriend, indien het woord Gods tot u komt, en gy weigert er naar te hooren, en gij dus ook niet in Jezus gelooft, maar sterft in uwe zonden, wat is dit dan anders dan een vermoorden van uwe ziel? Indien iemand sterft aan eene krankheid, waartegen een onfeilbaar geneesmiddel te krijgen was, moet zijn dood dan niet aan hem zeiven geweten worden, zoo hy van dit middel geen gebruik wil maken? Indien iemand omkomt van honger, terwijl hy gansch omringd is van brood, waarmede anderen zich verzadigen, en hy het niet hebben wil. zal dan iemand medelijden met hem hebben? Voorwaar! geen enkele droppel van het water des medelijdens zal geschonken worden aan eene verlorene ziel, om €r de pijniging der gewetenswroeging door te verlichten, want alle heilige wezens zullen bemerken, dat de zondaar zyn verderf gewild heeft. Dit zal altijd een loodzwaar gewicht zijn op de conscientie der veroordeelden; gy wist, dat er eene zaligheid is, en dat Christus de Zaligmaker is, en dat vergeving aangekondigd is aan schuldige menschen; maar gij hebt den tyd niet willen afnemen van uwe werkzaamheden in uwe boerdery, of van uwe koopmanschap, van uwe genoegens en van uwe zonden om te hooren hoe gij zalig kunt worden. Datgene, hetwelk aan God zoo duur te staan is gekomen, hebt gij als eene kleinigheid beschouwd en behandeld. Ach, myne vrienden, mocht niemand uwer behooren tot de soort van menschen, die niet hooren. Het is niet tot de zoodanigen,

-ocr page 682-

fondamenten.

dat ik heden morgen het woord zal richten; maar ik zou toch niet mijne rede hebben kunnen beginnen, zonder een woord van hartelijke vermaning tot hen te spreken. Laat mij afscheid van hen nemen met het waarschuwend woord des Heiligen Geestes: „Ziet toe, dat gy dien. die spreekt, niet verwerpt: want indien dezen niet zyn ontvloden, die dengene verwierpen, welke op aarde goddelijke antwoorden gaf, veelmeer zullen wü niet ontvlieden, zoo wij ons van dien afkeeren, die van de hemelen is.quot;

Onze ernstige aandacht zal nu gegeven worden aan hen, die hoorders des Woords zijn, en er ook eenigszins door bewogen worden. Alle hoorders zijn bouwers van huizen voor hunne ziel: ieder hunner doet iets om eene geestelijke woning op te richten. Sommigen van hen gaan tamelijk ver met dit bouwen van een huis, zij kronen zelfs hun gebouw door Christus openlijk te belijden. Zij zeggen tot Hem: „Heere, Heere;quot;zij komen te zamen met zijne volgelingen en vereenigen zich met hen in eerbied voor des Meesters naam; maar zij gehoorzamen den Heere niet; zij hooren Hem, maar zij doen niet hetgeen Hij zegt. Vandaar, dat zij gansch verkeerd bouwen; hun fondament is niet goed, en z\\i kunnen in hun bouwen van niets zeker zyn, behalve van dat eene, dat hun huis boven hun hoofd zamp;l instorten. Er zijn anderen, en wij vertrouwen, dat er velen van hen onder ons gevonden zullen worden, die op de rechte wijze bouwen, die bouwen voor de eeuwigheid. Zij maken zich eene woning, die eene rots tot grondslag heeft, en goedgebouwde muren van steen, waarvan de Heere Christus beide de grondslag en de hoeksteen is.

Ik wensch heden bovenal te spreken tot hen, die pas begonnen zijn voor de eeuwigheid te bouwen. Het is mij eene ware blijdschap te weten, dat velen van de zoodanigen zich onder ons bevinden. Moge de Heilige Geest het woord voor hen zegenen.

I. Ons eerste onderwerp zal zijn eene verzoeking, die aan alle menschen gemeen is. Eene verzoeking, welke aan alle hoorders des Woords gemeen is, is, volgens deze twee gelijkenissen, een veronachtzamen van het grondwerk, het fondament, een zich haasten om over het eerste gedeelte van het werk heen te komen, om maar snel het gebouw op te kunnen trekken. Zij zijn in verzoeking om aan te nemen, dat alles, wat gezegd wordt gedaan te zijn, ook werkelijk gedaan is; het er voor te houden, dat alles in orde is, wat gehoopt wordt in orde te zijn, om dan zoo snel zij slechts kunnen de muren te bouwen. Ik zeg, dat voor eerstbeginnenden in het godsdienstig leven de grootste verzoeking hierin bestaat, om het met het fondament niet zoo nauw te nemen, die dingen van weinig aanbelang te achten, welke juist van het grootste gewicht zijn. Die zelfde ver-

6oó

-ocr page 683-

FONDAMENTEN.

zoeking zal ons ons leven lang aanvallen, maar voor pas be-ginnenden is zij bijzonder gevaarlijk. Satan wil hen de grondbeginselen doen veronachtzamen, waarop hunne hoop en hun karakter moet berusten, zoodat zij, wanneer later de ure der beproeving daar is, uit gebrek aan een vast fondament, toe zullen geven aan het kwaad, en aldus het gansche gebouw huns levens zullen verliezen.

Deze verzoeking is des te gevaarlijker, ten eerste, omdat deze jonge beginners geene ervaring hebben. Zelfs het meest ervaren kind van God heeft zich dikwijls bedrogen, hoe veelte meer dan niet de pelgrim, die nog zoo pas de enge poort is binnen getreden! De beproefde heilige ziet soms nog wel eens voor eene deugd aan, wat slechts een verguld gebrek is, en hij denkt iets echt te zijn, wat eigenlijk slechts nagemaakt is; hoe zal dan het kindeke in de genade met hoegenaamd geene ondervinding aan bedrog ontkomen, zoo Gods genade er hem niet gansch bijzonder voor bewaart? Pas ontwaakt en ernstig geworden, zullen vurige, ijverige karakters snel en haastig aan het werk gaan in het goddelijk leven; het eerste wat hun voor de hand komt aangrijpen, in achteloozen haast gaan bouwen, zonder behoorlijke zorg en nauwkeurig onderzoek. Er moet iets gedaan worden, en zij doen het zonder te vragen of het overeenkomstig het onderwys des Heeren is. Zij noemen Jezus „Heerequot;; maar zy doen veeleer wat anderen zeggen dan wat Hij zegt. In zulke oogenblikken is Satan er gewis bij om den jong bekeerde er toe te brengen, in plaats van de Evangelie bekeering eene bekeering te hebben, waarvan hy bekeerd moet worden, en in plaats van het geloof van Gods uitverkorenen eene hoovaardige aanmatiging of eene ijdele inbeelding. Voor de liefde Gods, die het werk is van Gods Geest, brengt hij de bloot natuurlijke liefde voor een\' leeraar; en zegt; „Ziedaar, dit is genoeg. Gij moet een huis hebben voor uwe ziel om in te wonen. Daar zyn de bouwstoffen; begin maar te bouwen.quot; Gelijk kinderen, die spelen aan den oever der zee, bouwen de bekommerden hunne kasteelen van zand, en verlustigen er zich in, omdat Satans listen hun onbekend z;jn. Daarom wensch ik des te vuriger myne geliefde jonge vrienden uit de strikken van den bedrieger te redden. De gewone verzoeking bestaat hierin, dat men, in plaats van zich wezenlijk te bekeeren, over bekeering praat; in plaats van van harte te gelooven, te zeggen „ik geloofquot;, zonder te gelooven; in plaats van waarlijk lief te hebben, over liefde te spreken zonder liefde te betoonen; in plaats van tot Christus te komen, te spreken over het komen tot Christus, en te belijden tot Christus gekomen te zijn, terwijl men in het geheel niet tot Hem komt. Het karakter van Prater is in Bunyans Christenreize met groote bekwaamheid geschetst. Ik heb hem meermalen ontmoet, en kan getuigen,

6o4

-ocr page 684-

PONDAMENTEN.

dat John Bunyan een photograaf was vóór dat de photographie was uitgevonden. Christen zeide van Prater: „Hü spreekt over gebed, bekeering, geloof en wedergeboorte, maar hij weet er alleen over te spreken. Ik heb in zijn huisgezin verkeerd, en heb hem gadegeslagen. In zijn huis is even weinig godsdienst, als er smaak is in het wit van een ei.quot; wy zijn maar al te veel omringd van menschen, die ten opzichte van hetgeen zy zeggen, alles zijn wat men zou kunnen wenschen, maar naar hetgeen zij zich toonen, slechts napraters blijken te zijn. Gelijk kooplieden in hunne winkels schijnpakketten leggen, waarop etiquetten geplakt zijn, die er het aanzien van koopwaren aan geven, terwijl het toch alles behalve koopwaren zijn, zoo dragen deze lieden het etiquette van Christenen, terwijl de genade Gods toch niet in hen aanwezig is. O dat gij, jonge beginners toch op uwe hoede moogt zijn, zoodat gij u niet vergenoegt met de gedaante der godzaligheid, maar er ook de kracht van moogt ervaren.

En de verzoeking wordt nog versterkt, door dat dit plan voor het oogenblik zeer veel moeite uitspaart. Uw hart is ontroerd, en gij behoeft vertroosting; welnu, het zal u troost geven „Heere, Heerequot; te zeggen, ofschoon gij niet doet wat Christus zegt. Indien gij de aanspraak erkent van Jezus om Heer te zijn, zult gij door die erkenning reeds eenige verlichting smaken, al gelooft gij ook niet in Hem ter zaligheid, zoodat gij het voornaamste van hetgeen Htf gebiedt veronachtzaamt. Hij gebiedt u u te bekeeren van de zonde, te vertrouwen op zyn bloed, zijn woord lief te hebben, naar heiligheid te streven, maar het is veel gemakkelijker deze dingen te bewonderen dan ze in praktijk te brengen. Bekeering en geloof te veinzen is niet moeielijk, maar ware godzaligheid is een werk van het hart en vereischt denken, zorg, oprechtheid, gebed en waakzaamheid. Geloof mij, ware godsdienst is geen kinderspel. Die verlost wil wezen, zal dit geene zaak vinden om mede te schertsen. „Het koninkrijk der hemelen wordt geweld aangedaanquot;; en hij, die de zaak zoo licht opneemt, en denkt dat alles maar zoo bij tooverslag kan geschieden, begaat eene treurige vergissing. „Strijd om in te gaan door de enge poort,quot; zegt Christus. De Geest werkt machtig in ons, en brengt dikwijls doodsbenauwdheid in ons te weeg. De kroon der eeuwige heerlijkheid wordt niet verkregen zonder strijd, en de prijs onzer hooge roeping wordt niet behaald, zoo wij de loopbaan niet hebben geloopen. Maar door eene heilige belijdenis te doen, en de uitwendige vormen waar te nemen kan men zich wel inbeelden, dat hetzelfde resultaat wordt verkregen als door den Heere te zoeken met het geheele hart en in den Heere Jezus te gelooven. Indien dit zoo ware, dan zou er een fraaie, breede weg naaiden hemel zijn, en dan zou Satan zelf wel pelgrim willen worden.

6oamp;

-ocr page 685-

itundaMënïén.

Waarde hoorders, gelooft mij, dit besparen van moeite zal een scheppen van moeite blijken te zijn, en eer wij aan het einde der zaak komen, zal de zwaarste weg de gemakkelijkste blijken te wezen.

Dit soort van bouwen zonder fondament heeft dit voordeel, dat het de verzoeking ondersteunt, -— het stelt den mensch in staat om zeer spoedig met den godsdienst klaar te zijn. Hij maakt prachtige vorderingen. Terwijl de wezenlijk bekommerde in het binnenste zijner ziel naar waarheid zoekt, en bidt om door genade te worden vernieuwd, is zyn juichende, triomfeerende vriend zoo gelukkig als hü slechts wezen kan in het bezit van een\' vrede, dien hij plotseling heeft verkregen zonder eenige moeite van zelfonderzoek. Die man, die zoo snel wast en toeneemt, vraagt niet: „Is door mijn\' godsdienst myn levensgedrag anders geworden? Gaat mijn geloof vergezeld van eene nieuwe natuur? Woont Gods Geest in mij? Ben ik waarlijk wat ik belijd te zijn, of ben ik met dat al slechts een bastaard belijder?quot; Neen, hij weert alle zelfonderzoek af als eene verzoeking van den duivel. Alles wat goed is neemt hij als eene vanzelfheid voor zich aan, en hij verklaart dat alles wat blinkt goud is. Zie hoe snel hy voorwaarts strydt! De nevel is zwaar, schier tastbaar— hij stoomt er door heen en denkt aan geen gevaar! Hy heeft zich aangesloten bij de gemeente; hij is begonnen voor God te arbeiden: hij roemt op zijne genade en zijne gaven: hij denkt volmaakt te zy\'n. Maar is dit gebouw, dat als een paddenstoel uit den grond is opgekomen, ook veilig om er in te wonen ? Zal het op den laatsten grooten dag den toets kunnen doorstaan? Zal het stand houden in den storm? De schoorsteen is hoog, maar is hij ook veilig? Ach! Dat is de grooto vraag, die een einde maakt aan zeer veel van het roemen, dat wü rondom ons hooren. Het is beter te leven op Gods Woord dan zich roekeloos iets toe te eigenen, waar men nog geen recht op heeft. Het is beter te vreezen, toch nog ver-werpeiyk te worden bevonden, dan een stalen voorhoofd te hebben door y\'del betrouwen. Als iemand op een\' verkeerden weg is, hoe harder hij dan loopt, hoe verder hy af zal dwalen. Gedenk aan den wyzen raad van zich langzasmi te haasten, en aan het oude spreekwoord: „Hoe meer haast, hoe minder spoed.quot; Indien gij snel bouwt, omdat gij zonder fondament bouwt, dan zal uw tyd en arbeid weggeworpen zijn.

Hoe algemeen en hoe bedriegelijk is deze verzoeking! Want de beginner, de mensch, die pas opgewekt is om den Heere te zoeken, zal zeer velen vinden, die hem stijven in zijne vergissing, indien hij het goede fondament veronachtzaamt. Goede, vriendelijke Christelijke vrienden dragen, zonder het te willen of te weten, er toe by, om zoekende zielen op een dwaalspoor te brengen. „Ja,quot; zeggen zy\', „gy zijt bekeerd,quot; en dat zou de per-

-ocr page 686-

VONDAMENTEÏf.

657

Isoon wellicht ook wezen, indien alles, wat hij zeide, waar was; maar het wordt gezegd zonder dat het gevoeld wordt; het komt slechts van de lippen, niet van het hart; en daarom is het zoo verderfelijk hem aan te moedigen. Eene vriendelijke verzekering van een Christen vriend kan valsch vertrouwen wekken, indien die verzekering zonder grond is. In onze dagen zien wij niet vele Christenen, die al te streng zijn voor bekeerlingen; de dwaling gaat den anderen kant uit. Onze voorvaders waren wellicht al te achterdochtig; maar heden ten dage dwaalt men schier overal in de tegenovergestelde richting. Wij zvjn zóó begeerig iedereen tot Christus gebracht te zien, dat onze wensch ons doet gelooven, dat het zoo is. Wij willen zóó gaarne hen, die den Heere zoeken, vertroosten en bemoedigen, dat wy er toe kunnen komen zachte dingen te profeteeren, en aldus alles te vermijden, wat strekt om te toetsen en te doorzoeken, opdat het ook niet tegelyker tijd ont-moedige. Laat ons toezien, dat wy niet „vrede, vrede,quot; roepen, waar geen vrede is. Het zal treurig zijn huichelaars te hebben voortgebracht, waar w;j naar bekeerlingen uitzagen. Ik heb gehoord van eene vrouw, die wel twaalf maal in de „kamer der bekommerdenquot; (1) is geweest, en toen zij bü eene andere gelegenheid weer uitgenoodigd was om er te gaan, antwoordde; „Ik weet waarlijk niet, waarom ik er heen zou gaan, want men heeft mü al twaalf keer gezegd, dat ik bekeerd ben, en ik ben nu hoegenaamd niet beter, dan vóór datsoon wellicht ook wezen, indien alles, wat hij zeide, waar was; maar het wordt gezegd zonder dat het gevoeld wordt; het komt slechts van de lippen, niet van het hart; en daarom is het zoo verderfelijk hem aan te moedigen. Eene vriendelijke verzekering van een Christen vriend kan valsch vertrouwen wekken, indien die verzekering zonder grond is. In onze dagen zien wij niet vele Christenen, die al te streng zijn voor bekeerlingen; de dwaling gaat den anderen kant uit. Onze voorvaders waren wellicht al te achterdochtig; maar heden ten dage dwaalt men schier overal in de tegenovergestelde richting. Wij zvjn zóó begeerig iedereen tot Christus gebracht te zien, dat onze wensch ons doet gelooven, dat het zoo is. Wij willen zóó gaarne hen, die den Heere zoeken, vertroosten en bemoedigen, dat wy er toe kunnen komen zachte dingen te profeteeren, en aldus alles te vermijden, wat strekt om te toetsen en te doorzoeken, opdat het ook niet tegelyker tijd ont-moedige. Laat ons toezien, dat wy niet „vrede, vrede,quot; roepen, waar geen vrede is. Het zal treurig zijn huichelaars te hebben voortgebracht, waar w;j naar bekeerlingen uitzagen. Ik heb gehoord van eene vrouw, die wel twaalf maal in de „kamer der bekommerdenquot; (1) is geweest, en toen zij bü eene andere gelegenheid weer uitgenoodigd was om er te gaan, antwoordde; „Ik weet waarlijk niet, waarom ik er heen zou gaan, want men heeft mü al twaalf keer gezegd, dat ik bekeerd ben, en ik ben nu hoegenaamd niet beter, dan vóór dat zij mij dit gezegd hebben.quot; Het zou beter wezen om sommige menschen weenende dan juichende naar huis te laten gaan. Voor menige wonde is het lancet meer noodig dan de pleister. Gij kunt door welmeenende verzekeringen van teedere vrienden vertroost worden, terwijl die troost toch niets dan leugen is. Daarom waarschuw ik u tegen . allen vrede, behalve tegen den vrede die tot u komt, als gij doet wat Jezus gebiedt; of, in andere woorden, tegen alle betrouwen, behalve dat, hetwelk rust op Jezus alleen, en vergezeld gaat van bekeering, geloof en een leven van gehoorzaamheid aan uwen Heer.

Velen worden ongetwijfeld aangemoedigd in hun licht en dicht bouwen door het feit, dat zoo vele belijders zich zeer fraai voordoen, terwijl hun gebouw toch ook geen fondament heeft. Wij kunnen onze oogen niet sluiten voor het feit, dat in alle kerken menschen zyn, die geene diepte van geestelijken wortel hebben, en wij vreezen, dat zij ook geen wezenlek geestelijk leven hebben. Wy kunnen hen niet uitroeien, ofschoon wij vreezen, dat zy onkruid zijn, want er wordt ons verzekerd, dat

(1) Vertrek, waar menschen, die bekommerd zijn om den toestand hunner ziel, na de godsdienstoefening heen gaan, om door den leeraar, of soms ook door anderen, te worden toegesproken.

42

-ocr page 687-

FONDAMENTEN.

wij dan onvermijdelijk met dat onkruid ook de tarwe zullen uitroeien, en dit verbiedt ons de Meester. Er is in hun uitwendig gedrag niets, waar wy den vinger op kunnen leggen als een bewijs, dat zij bedriegers zijn, en toch doorvaart ons eene koude huivering, als wij met hen spreken, want zij hebben geene warmte, en geen leven, niets van den Heere over zich. In hunne gesprekken missen wij het geestelijke, dat zoo liefelijk is, de heilige zalving, den zaligen ootmoed, die voorzeker niet zal ontbreken, als de mensch waarlijk gemeenzaam is met den Heere en in levende eenheid met Hem is getreden. Deze menschen vermengen zich met ons in onze heilige samenkomsten, en als zij in aanraking komen met hen, die pas ontwaakt zyn, dan spreken zij met zóó veel gemakkelijkheid, maar tegelijk ook met zoo veel lichtzinnigheid, dat zij groot kwaad stichten. Zij spreken van de bekeering, alsof dit slechts eene kleinigheid was, iets dat even gemakkelijk gaat als u de hand te kussen, en zoo worden zij, voor wie wij goede hope hadden, door hen ter zvjde afgewend. Jonge menschen zijn licht geneigd te denken; „Dieendie is aangenomen als lid van de gemeente, en hij is niet over nauwgezet. Indien eene lauwe belijdenis hem voldoet, waarom zou zg ook mij niet voldoen!quot; Ach! myne vrienden, als het zaken gold, zoudt gij zoo niet spreken. Indien gij wist, dat iemand handel drijft zonder kapitaal en dus maar al te waarschijnlijk bankroet zal gaan, dan zoudt gij niet zeggen: „Ik kan wel even zoo doen.quot; Indien gij iemand, die niet kan zwemmen, zich in diep water zaagt wagen, er. gij er u van verzekerd hield, dat hij zal zinken, gij zoudt zijn voorbeeld niet volgen om ook te verdrinken. Neen, neen, laten deze schuim-achtige belijders u tot bakens in zee dienen. Gaat weg van Mr. Prater, opdat hij niet een even klinkend metaal en luidende schel van u maakt als hij zelf is. N^emt u in acht voor oppervlakkige belijders, die even als de lichten der strandroovers, de menschen op klippen lokken. Neemt het ernstig en nauwgezet op met de eeuwigheid, en zegt den beuzelaars, dat zij van u moeten wijken.

Wat de verzoeking om zonder fondament te bouwen ook nog versterkt, is de gedachte, dat het niet geweten wordt, en nog jaren lang onbekend kan blijven. De fondamentwerken blijven gansch en al buiten het gezicht, en het huis kan opgetrokken worden en op allerlei wijzen bruikbaar zijn. Het kan ook wel maanden, of zelfs jaren lang blijven staan, al is er ook geen fondament ; want zulke huizen storten niet dadelijk in; zij kunnen zelfs heel aangenaam bewoond worden tot dat de laatste groote waterstroomen komen. Er is bedrog, dat alleen door den dood aan het licht wordt gebracht. Omdat nu het huis met het slechte fondament voor het oogenblik wel volstaan kan en gebruikt kan worden, en terstond genot en voordeel oplevert

658

-ocr page 688-

fondamenten.

kunnen de menschen het eene nuttige bezuiniging vinden om het fondament als iets overtolligs weg te laten. Indien men eene vraag tot hen richt omtrent hunne levende godsvrucht, dan worden zij boos: — „Wat hebt gy met mü\'ne bijzondere aangelegenheden te maken ? Wat behoeft gij u met de verborgen gedachten mijns harten te bemoeien ?quot; Ach, waarde vriend, indien wij wreedaardig jegens u waren, als wy u bedrogen wilden laten uitkomen, dan zouden wij zwijgen, of met vleiende woorden tot u spreken; maar wijl wy u liefhebben, en hopen, dat gij door uwe ware en heilige toewijding aan Christus gezegend en gelukkig zult zijn, daarom wenschen wij zoo vurig, dat gij op de rechte wijze zult beginnen. Wij wenschen u datgene te zien bouwen, hetwelk niet weder afgebroken behoeft te worden, een werk, dat stand houdt, als de slagregen neder-valt en de waterstroomen er met geweld tegen aanbruisen. Ik vrees, dat iedere mensch, die geen godsdienst heeft, verloren gaat, maar nog veel meer vrees ik het, dat iemand met zijn\' godsdienst verloren gaat, als hij zal ontdekken, dat zyn geloof met dat al toch niet oprecht is geweest. Indien gij bouwt, zoo bouwt hetgeen waardig is gebouwd te worden. Indien gij bouwers moet zijn voor uwe ziel — en dat moet gij zeer zeker, of anders zonder beschutting blijven — ziet dan wel toe op welk fondament gy bouwt, en ook op hetgeen gij er op bouwt, opdat in het einde niet al uw arbeid en moeite vergeefs zal zijn geschied. Hoe treurig zal het zyn zoo naby den hemel te schynen, en uw leven door te brengen onder hen, die er de toekomstige bewoners van zullen zijn, om dan wegens gebrek aan oprechtheid van de hemelsche stad uitgesloten te zijn. Hoe ontzettend om door eigen ervaring te weten te komen, dat er van de poorten des hemels nog een weg is, die naar de hel voert. God geve, dat het met niemand onzer zoo zijn moge. O gij bouwers, bekommert u toch niet alleen om het tegenwoordige, maar bouwt voor den dood, voor het oordeel en voorde eeuwigheid!

Dit deel onzer rede is niet slechts voor onze jongelieden, maar voor ons allen — voor ouden, zoowel als voor jongen. Houdt u er van verzekerd, dat er niemand onder ons is, die het niet noodig heeft zyn eigen hart te onderzoeken en te zien, of het fondament van zyn geloof in waarheid gelegd is of niet.

II. En zoo kom ik nu tot het tweede punt van overdenking,

een wijze voorzorgsmaatregel, dien goede bouwers nooit

vergeten. Zij graven diep, totdat zij een goeden, hechten ondergrond hebben gevonden. Zij willen door al het zand en de losse aarde heendringen, om tot de rots te komen en daarop te bouwen. Dien voorzorgsmaatregel wensch ik u allen aan te bevelen.

659

-ocr page 689-

FONDAMENTEN.

Volgt den tekst en leert acht geven op uwe oprechtheid. De Heere Jezus zegt; „Wat noemt gij mij Heere, Heere, en doet niet hetgeen ik zeg ?quot; Moge de Heilige Geest u tot in het diepst uws harten oprecht maken. Schroomt om ook maar één enkel woord méér te zeggen dan gij gevoelt. Veroorlooft u nooit te spreken, alsof gij iets bij ervaring weet, terwijl gij er alleen maar over hebt gelezen. Laat uwe uitwendige aanbidding geen stap verder gaan dan de inwendige gewaarwording uwer ziel. Indien Christus waarlijk uw Heere is, dan zult gij Hem gehoorzamen ; indien Hü uw Heere niet is, noem Hem niet aldus. Het is van zeei groot aanbelang, dat uw hart is in al uwe godsdienstige gedachten, woorden en handelingen. Het is iets ontzettends om groote heiligheid voor te wenden, en toch in het geheim aan zonden en ondeugden toe te geven. Zulke menschen zullen naar mü luisteren en mij prijzen voor mijne getrouwheid, en toch in hunne geveinsdheid volharden. Dit is zeer smartelijk. Deze menschen kunnen de taal spreken van den Jood, maar de Babylonische sprake is hun toch veel natuurlijker. Zij volgen Christus, maar hun hart is met Belial. Ach! mü\'ne ziel is krank als ik aan hen denk. Weest waar! weest waar! Indien de waarheid u niet verder dan tot wanhoop leidt, dan is het nog beter, dat gü ophoudt in wanhoop, dan dat gij hoop verkrijgt door eene leugen. Leeft niet op fictie, op belijdenis, op aanmatiging van hetgeen u niet toekomt. Eet het goede, en voedt u met niets anders dan met waarheid. Gedenkt, dat, zoo gy met het hout, het hooi en de stoppelen van bloote denkbeelden bouwt, gy slechts de brandstoffen verzamelt voor uwen eigen brandstapel ten dage wanneer het vuur alle liefhebbers en smeders van leugenen zal verteren. Weest getrouw als staal. Ieder verstandig bouwer voor zijne ziel moet hier acht op geven.

En vervolgens er is grondigheid. Want, let wel op, volgens het woord onzes Heeren heeft de voorzichtige bouwer diep gegraven. Iets dat goed is kunt gij niet te goed doen. Graaft diep, zoo gij een fondament wilt leggen. Geldt het bekeering, zoo laat er eene innige, grondige bekeering zijn, met een diepen haat tegen iederen vorm van zonde. Indien gij belydenis doet voor God, zoo doet die belydenis uit het diepst uwer ziel, en niet slechts met uwe lippen ; legt uw hart bloot voor God. Is het geloof, waarover gü spreekt, zoo gelooft van ganscher harte. Hebt niets te doen met dat soort van twijfelend geloof, dat heden ten dage zoo algemeen is. Indien gij gelooft, gelooft: indien gü berouw hebt, hebt berouw. In de reiniging der ziel is niets zoo kostelijk, als ieder greintje van den ouden zuurdeesem weg te vagen. En als het geldt goede dingen in het hart te brengen, dan is niets zoo goed als alles daarin te brengen, wat Christus voorschrijft, opdat wjj uit zijne volheid

660

-ocr page 690-

FONDAMENTEN.

niet slechts genade mogen ontvangen, maar ook genade voor genade, al de genade die noodig is. Wees grondig in alles. De voorzichtige bouwer groef zoolang in de aarde totdat hy op de rots stiet, en toen groef hij in de rots, om er zijn fondament in te leggen; want hij kon niet rusten, voor dat het werk hecht en grondig gedaan was. Oprechtheid en grondigheid zijn kostelijke bouwstoffen.

En voegt daarbij zelfverzaking; want dat is in de gelijkenis. Als iemand een diep fondament graaft, dan moet hij veel aarde uitgraven. Zoo is er ook zeer veel, dat hy, die voor de eeuwigheid bouwt, kwyt moet raken. Reeds aan het begin zal zelfvertrouwen moeten wijken; daarna volgt liefde tot de zonde, wereldschgezindheid, hoogmoed, zelfzucht — alle soorten van eigengerechtigheid moeten uitgeworpen worden. Er is heel veel puin, en het puin moet weg. Gij kunt geen grondig werk voor de eeuwigheid krijgen, zonder heel veel weg te doen, wat vleesch en bloed zou willen behouden. Let hier op, en overre-kent de kosten.

En dan moet er een vast grondbeginsel zijn. De mensch, die vast besloten is, om, zoo hy bouwt, hecht en goed te bouwen, graaft diep tot aan de rots. „Ik geloof in God,quot; zegt hij, „Hij is mijn Helper. Ik geloof in Jezus Christus; en op zijn zoenoffer en levende voorspraak grond ik myne hoop voor de eeuwigheid. Ik bouw ook op de leer der genade, want de Heere heeft gezegd, — Uit genade zyt gij zalig geworden, door het geloof. Ik bouw op de Schrift: voor mij geldt niets anders dan het gezag der Schrift.quot; Wat God gezegd heeft is eene rots: wat de mensch leert, is slechts dryfzand. Hoe zalig is het tot de eeuwige beginselen der goddelijke waarheid te komen! Gy, die uwen godsdienst van uwen vader of moeder aanneemt; gij, die dezen godsdienst aanneemt, omdat hy nu eenmaal in uw geslacht wordt beleden; hoe zal het u gaan ten dage dei-benauwdheid ? Gy wordt omgeblazen als eene bladerhut. Maar gij, die weet, wat gij gelooft, en waarom gij het gelooft, gij die, als gy uwen voet nederzet, weet waarop gy staat, en er van verzekerd zijt, dat gij eene sterke rots onder u hebt, gij zijt de mannen, die pal staat, als de bloote raambelijders van hunne plaatsen weggerukt worden. O mijne geliefde, zoekende vrienden, neemt toch vaste grondbeginselen aan, en vergenoegt u met geene leugen.

Aan deze ware beginselen moeten wy (/eimm; zijn. Verbindt uw gebouw aan de rots. Een huis zal niet blijven staan, alleen maar omdat het op de rots is, gij moet deszelfs fondamenten in de rots leggen. Het huis moet de rots aangrijpen, en de rots moet het huis vast houden. Hoe meer gij het huis tet een stuk van de rots kunt maken, en de rots, als het ware in het huis laat groeien, hoe veiliger gij zyt. Het baat niet te zeggen;

ïa4 \\*

1 lil

I

II

661

li li m üj 1;

I

m

li IKU

li!

■I H il

illH

|i\' 1 ill I

IB ■ 11 roili;

III -r

Ij! iii:

(■ Hl ■ li

lil J k).

-ocr page 691-

FONDAMENTEN.

„•Ja, ik betrouw op Christus, op de genade, op de openbaringquot; tenzij uw leven indringt in deze zaken, en die zaken indringen in u. De huichelaars, zegt Job, zullen des nachts weggestolen worden (1); zoo gemakkelijk kunnen zij weggevoerd worden. De uitvinder van het een of ander nieuw denkbeeld komt te voorschijn, hemelt zijne nieuwigheden op, en terstond laten dwaze lieden zich door hem meeslepen. Christus kan weggaan, de genade kan weggaan, en de Bijbel kan weggaan: hun nieuwe meester heeft hen volkomen in zijne macht. Aan zulke onzelfstandige menschen hebben wij geene behoefte; wü geven niet om zulke speculatie bouwers. Wij hebben al genoeg van de kasteelen in de lucht; wij hebben mannen noodig, die vast staan als de bergen, terwijl de dwalingen als wolken over hen heenvaren.

De man in de tweede gelijkenis heeft niet gebouwd zooals hij had moeten bouwen. Wat zal ik van hem zeggen ? Slechts drie woorden. Ten eerste: hij was iemand, die niets had huitan het gezicht; als gij het huis aanzaagt, dan kondet gü het huis zien in zijn geheel. Indien gij metéén\'enkelen oogopslag al den godsdienst van iemand kunt zien, dan heeft hij geen\' godsdienst, die der moeite waard is om te bezitten. De godsvrucht is bovenal gelegen in het gebed in het verborgene en in inwendige genade. De voorzichtige bouwer had het kostbaarste deel van zijn huis onder den grond, maar de ander toonde alles wat hij had boven den grond. Het is een armoedig koopman, die al ztjne waren voor de glazen legt. Wie geen kapitaal heeft, zal niet lang blijven bestaan. Wie geen ruggegraat heeft, kan niet lang op zijne beenen blijven staan. Wacht u voor schijngodsdienst.

662

En voorts: die man had niets om zich aan vast te houden. Hij bouwde een huis; maar het stond op den lossen grond. Daar kon hij gemakkelijk in graven, en zün huis optrekken; maar zijne muren hadden geen houvast. Wacht u voor een\' godsdienst zonder houvast. Maar als ik mij houd aan eene leerstelling, dan word ik een dweper genoemd.\'; Het zij zoo. Dweperij is hatelijk; maar hetgeen thans voor dweperij gescholden wordt, is eene groote deugd, en is zeer noodig in onzen beuzelachtigen tijd. Ik was in den laatsten tijd wel geneigd eene nieuwe gemeente te stichten, en haar de „Gemeente der Dwepersquot; te noemen. Iedereen wordt zóó glad, zóó buigzaam, zóó onwaar, dat wij een geslacht van onbuigzame mannen behoeven om ons te leeren, hoe te gelooven. Die ouder-wetsche lieden, die in vorige eeuwen iets geloofden, en dachten, dat het tegenovergestelde daarvan valsch was, waren meer waar dan de tegenwoordige weerhanen. Ik zou aan de mannen

(1) Zie Job 27.

-ocr page 692-

FONDAMENTEN.

van de „ruime schoolquot; wel eens willen vragen, of er eene leerstelling is, waardig, dat men er voor sterft. Zij zouden moeten antwoorden: „Indien iemand naar den brandstapel moest of zyne denkbeelden veranderen, dan zou het natuurlijk de rechte weg zijn om zijn gevoelen te zeggen met groote voorzichtigheid, en met zeer veel eerbied te spreken van de school, die het tegenovergestelde leert.quot; Maar als er nu eens van hem geëischt werd de waarheid te verloochenen? „Wel, daar is ook heel veel te zeggen voorde andere zijde, en waarschijnlijk is er in de ontkenning, het negatieve, even goed eene mate van waarheid als in het positieve. Het kan in geen geval voorzichtigheid hee-ten om de kans te loopen verbrand te worden, en zoo verdient het de voorkeur om dit nu vooreerst nog maar eene open vraag te laten bleven.quot; Ja, en daar deze lieden het altijd onaangenaam vinden om niet populair, dat is: niet bemind te zijn bij de groote massa, nemen zij het harde weg uit de bedreigingen dei-Schrift ten opzichte van de toekomende wereld, en geven een schijn van aantrekkelijkheid aan elke leerstelling, waar tegen wereldwijzen bezwaar maken. De leeraren van den twijfel zijn zeer twijfelachtige leeraars. De mensch moet iets hebben om zich aan vast te houden, of hij \'zal noch zelf een\' zegen verkrygen, noch anderen ten zegen zijn. Breng alle schepen in den poel, doch laat er geen enkel geankerd of vastgelegd worden; zij moeten allen vrij blijven! Nu komt een stormachtige nacht, en zij stoeten allen tegen elkander, en uit die vrijheid zal zeer groot kwaad ontstaan. Als wij geen van allen geankerd zijn, dan zal daar geene volmaakte liefde uit voortkomen ; maar wèl daaruit, dat wij allen onzen ankergrond hebben en er ons in den naam van God ook aan houden. Gij moet iets hebben om u aan vast te klemmen; maar dat had de bouwer in de gelijkenis niet, en daarom is hij omgekomen.

De dwaze bouwer had niets, om uitwendige omstandigheden te kunnen weerstaan. In zomerdagen was zijn huis een zeer geliefkoosde plaats van samenkomst, en dan beschouwde men het als in alle opzichten even goed te zijn als het huis van zijn\' buurman. Menigmaal wreef hij zich in de handen, zeggende: „Mij dunkt dat mijn huis even goed is als het zijne, ja het is misschien nog wel iets beter; want ik had nog wat geld over, dat ik niet, zooals hij, in den grond begroef; maar ik heb het besteed aan wat ornamenten, zoodat mijne woning een fraaier aanzien heeft dan de zijne.quot; Zoo scheen het; inaartoen de stroom zich met geweld van den berg stortte, is zijn gebouw, wijl het niets had om den geweldigen vloed te weerstaan. terstond ingestort, en toen de storm voorbij was,, was het spoorloos verdwenen. Evenzoo zullen de menschen falen, omdat zij geen weerstand bieden aan de machten, die hen

663

-ocr page 693-

FONDAMENTEN.

heenvoeren naar de zonde. De groote stroom des kwaads vindt in hen slachtoffers, geene tegenstanders.

III. Tans zullen wij aan den tekst eenige argumenten ontkenen, die ons aansporen om zorg te dragen voor het fondament. Ik zal ze slechts als ter loops kunnen noemen, maar hoe zou ik wenschen den tijd te hebben om er met klem en nadruk van te spreken! Het eerste argument is dit: Wy moeten met een goed fondament beginnen te bouwen, omdat wij anders geen enkel deel van het huis goed homoen kunnen. Slecht werk in het fondament oefent invloed op al het overige van het werk. In de ^Herziene Vertaling van het Nieuwe Testament (1) lezen wy in het 48ste vers in plaats van: „Want het was op de steenrots gegrond,quot; „Omdat het goed gebouwd was.quot; Het huis was beneden goed gebouwd, en dat bracht er den werkman toe om het overal in de hoogte ook goed te bouwen, zoo dat het geheel „goed gebouwd was.quot; De andere man heeft onder den grond slecht gebouwd, en met dat slechte werk ging hij voort tot aan het dak. Als gij u gewend hebt aan slecht en slordig werk in het verborgen, dan zult gü de neiging hebben om ook slordig te werken in het openbaar. Indien het onder-den-grond gedeelte van onzen godsdienst niet vast op Christus gelegd is, dan zal er in het bovenste deel vermolmend werk zijn: tichelsteenen, die maar half gebakken zijn; slijk in plaats van kalk. Toen een Grieksch beeldhouwer een beeld maakte voor den tempel, heeft hij met groote zorg ook de achterzijde der godin bewerkt, waarop iemand tothemzeide: „Gy behoeft u voor die zijde van het beeld niet zoo veel moeite te geven, want het moet in den muur gemetseld worden.quot; Maaide kunstenaar antwoordde: „De goden kunnen ook in den muur zien.quot; Die man had een juist denkbeeld van hetgeen wy aan God verschuldigd zijn. Dat deel van mijn\' godsdienst, hetwelk niemand zien kan, moet even volmaakt wezen, alsof het voor iedereen zichtbaar was. De dag zal het aan het licht brengen. Als Christus komt, zal alles aan het gansch heelal bekend worden gemaakt. Zie dus toe, dat het geschikt zij, om aldus bekend gemaakt te worden.

664

Wy zullen ook zien, dat wij goede fondamenten noodig hebben, als wij de plaats beschouwen, waar het huis gebouwd moet worden. Volgens de gelijkenis is het duidelijk, dat beide huizen gebouwd waren niet ver van eene rivier, of op eene plaats, waar stroomen van water verwacht konden worden. Sommige plaatsen in het Zuiden van Frankryk hebben eene verwonderlijke overeenkomst met Palestina, en op dit oogenblik zyn die plaatsen waarschijnlijk veel meer gelijk aan hetgeen het Heilige Land in de dagen van Christus geweest is, dan het Heilige

(1) De Engelsche.

-ocr page 694-

FONDAMENTEN.

Land van heden er aan gelijk is. Toen ik in het vorige jaar te Cannes kwam, bevond ik, dat daar eene overstrooming had plaats gehad. Die overstrooming was niet ontstaan ten gevolge van eene gezwollene rivier, maar tengevolge van hevige regenbuien. Er scheen zich een waterhoos ontlast te hebben boven den bergkant, waardoor aarde, rotsen en steenen losgewoeld, en met geweld naar de zee werden gedreven. Het water stortte zich over het spoorwegstation in de straat, die er henen voert, verscheidene personen verdronken in den vloed. Toen ik er was, zag ik een groot hotel van wel vijf verdiepingen hoog, met balken onderstut, en zeer waarschijniyk was het gedoemd om in te storten; want toen de stroom zich in de nauwe straat stortte, werd het onderste metselwerk van het gebouw er door ondermijnd, en daar er geene fondamenten waren, die zulk eene drukking konden weerstaan, werd het gansche gebouw onveilig. Het was zulk een geval, dat den Heiland voor oogen zweefde. Een bruisende stroom zou zich met geweld neerstorten van den berg, en zoo dan een huis op de bloote aarde gebouwd was, zou het terstond weggevaagd worden; maar zoo het hecht en sterk op de rots was gebouwd, zoodat het als het ware een deel der rots was geworden, dan zou het water er wel om heen kunnen stroomen, maar het zou de muren niet doen wankelen. Waarde bouwer van een huis voor uwe ziel, uw huis is zóó gelegen, dat het een dezer dagen een zeer sterke drukking zal te verduren hebben. „Hoe weet gij dat?quot; Wel, ik weet, dat het huis, waarin myne ziel woont, juist daar ligt, waar alle winden waaien, waar de vloed hoog opstijgt, en de stormen losbarsten. Waar ligt het uwe? Woont gy ergens in een beschut, warm boekje ? Ja, maar een dezer dagen zult gij gewaar worden, dat het warme hoekje evenmin beschut is tegen den storm, als de opene rivierzijde, want God heeft het in zijne voorzienigheid zoo beschikt, dat iedere mensch vroeg of laat zgn zware proef heeft te doorstaan. Gü kunt wel denken alle verzoeking ie boven te zijn gekomen, maar de tijd zal leeren, dat dit eene illusie is. Juist door de omstandigheid, dat gy volkomen buiten den weg zijt, kan eene zeer bijzondere verzoeking tot u komen. Daarom bid ik u, om den wille van het gevaar, waaraan het gebouw uws levens van alle kanten bloot staat, bouwt op een\' deugdelyken grondslag, op een hecht en sterk fondament.

Het volgende argument is: bouwt diep van wege het schrikkelijk verderf, dat van een slecht fondament het gevolg zal wezen. Het huis van den dwazen bouwer had geen fondament. Let op dit woord „zonder fondament.quot; Schrijft die uitdrukking neder, en ziet of zij al of niet op u van toepassing is. Wat gebeurde er met dit huis zonder fondament? De waterstroomen liepen het aan. De bedding der rivier had lang droog gelegen, maar

665

-ocr page 695-

FONDAMENTEN.

plotseling trad diezelfde rivier buiten hare oevers en met on f zettende kracht stuwde zij hare golven voort. Het was wellicht eene vervolging, of wel voorspoed; het kon benauwdheid zijn geweest of eene verzoeking. Misschien was het eene algemeen heerschende twijfelzucht, of de dood; hoe dit zij, de stroom sloeg met geweld tegen dat huis, en nu lezen wij de volgende woorden — „en het viel terstond.quot; Het had geen langdurigen aanval te verduren, „het viel terstond.quot; Hoe! in één oogenblik die schoone belijdenis weg? „Het viel terstond.quot; Wel, dat is de man, dien ik verleden Zondag nog de hand gaf en „broederquot; genoemd heb, en nu heeft men hem dronken op straat gezien Of hü heeft eene ijdele, wereldsche vergadering bijgewoond en onheilige taal op de lippen genomen! Of hij is plotseling een twijfelaar geworden! Het is een treurig werk, als wy onze vrienden begraven; maar het is een nog veel treuriger werk hen op deze wijze te verliezen: maar toch! het is aldus, dat zy verdwenen. Zij zijn weg; „De Oostenwind heeft hen weggevoerd en zij zyn heengegaan.quot; „Terstondquot; zijn zij gevallen ; en toch stonden zy zóó hoog by ons aangeschreven; en hadden zij zulk een\' hoogen dunk van zich zeiven. „Het viel terstond.quot; Hunne belijdenis kon geene beproeving verdragen, omdat zy geen\' grond had.

„En de val van datzelve huis was groot.quot; Met een ontzettend gekraak kwam het huis naar beneden, en het was alles wat de man bezat. Hij was een uitnemend belijder, en daarom was zyn verderf des te merkwaardiger. Het was een groote val, omdat het huis nooit meer opgebouwd kon worden. Als iemand sterft als huichelaar, dan is er voorzeker geene hoop op herstel voor hem. Tot zelfs het puin van het ingestorte huis was weggevaagd, er was niets overgebleven. O myne vrienden, indien gy een\' veldslag verliest, dan kunt gij den strijd opnieuw beginnen en op een andermaal gelukkiger zijn. Als gij failliet gaat in den handel, dan kunt gij later eene andere zaak be-beginnen en voorspoedig zijn; maar als gij uwe ziel verliest, dan is zy onherroepelijk verloren. Eens verloren, voor eeuwig verloren. Er zal u geene tweede gelegenheid geboden werden. Bedriegt u niet hieromtrent. Graaft dus diep, en legt iederen steen zoo vast mogelijk op het rotsfondament.

Eindelijk, en dit zai wellicht het beste argument wezen, let op de uitwerking, teweeggebracht door dit goede, stevige gibouw, dit diep bouwen. Wy lezen, dat de waterstroom, toen hij tegen het huis van den wijzen houw er a,tms\\oeg, „het niet kon beivegen.quot; Dat is zeer schoon. Niet alleen kon de vloed het huis niet wegvagen; hy kon het ook niet bewegen. Ik zie dien man: hij heeft zijn geld verloren en is arm geworden; maar zijn geloof heeft hy niet opgegeven: zijn verlies „kon het niet bewegen.quot; Hij werd bespot en belasterd, en velen van zijne vroegere vrien-

66

-ocr page 696-

FONDAMENTEN.

667

den zagen hem met den nek aan; maar dit „kon het niet bewegen.quot; Onder zijne groote beproeving ging hij tot Jezus en hü werd ondersteund: de beproeving „kon het niet bewegen.quot;Hij was zeer krank, en zijn geest was ter nedergedrukt, maar toch behield hij zijn vertrouwen op Christus: zijne krankheid „kon het niet bewegen.quot; Hy was den dood nabij; hij wist, dat hij weldra van deze wereld zou moeten scheiden; maar de smarten des doods en de zekerheid der ontbinding konden hem niet bewegen. Hy stierf, zooals hij heeft geleefd, standvastig als eene rots, zich even veel verbiedende als ooit te voren, ja zich meer verblijdende, omdat hij meer naby het koninkrijk en de vervulling zijner hoop was gekomen. „En kon het niet bewegen.quot; Het is eene groote zaak om een geloof te hebben, dat niet bewogen kan worden. Onlangs zag ik eene menigte beukeboomen, die te zamen een bosch gevormd hadden: zij waren allen door een\' storm ter aarde geworpen. Die boomen hadden grooten-deels op elkander gesteund, het bosch was zóó dicht geworden, dat dit de boomen belette vast in dien grond te wortelen. Zij hielden elkander staande en noodzaakten elkander hoog op te schieten maar dun te blijven, tot schade van den groei der wortelen. Toen de storm de eerste boomen velde, moesten de anderen volgen. Dicht bij diezelfde plek zag ik een\' anderen boom in eene opene rnimte, in eenzame kracht den storm moedig het hoofd biedende. De orkaan had rondom hem gewoed, maar onbeschut had hij al deszelfs kracht verduurd. Die eenzame, kloeke boom scheen na den storm nog vaster geworteld te zün dan vóór den storm. „Is het niet ook zoo met belijders?quot; dacht ik. Dikwijls houden zy elkander staande, en helpen elkander om op te groeien; maar indien zij niet persoonlijk vast wortel hebben geschoten, dan zullen zy, als de storm opsteekt, bij reien omvallen. Een leeraar sterft, of sommige leiders en voorgangers worden weggenomen, en de leden vallen weg van het geloof en van de heiligheid des levens. Het is mijne begeerte voor u, dat gy allen persoonlyk in Christus opwast, dat gij geworteld en gegrond zijt in liefde, en geloof en iedere heilige gave der genade. Als dan de zwaarste storm opsteekt, die ooit gewoed heeft, dan zal er van uw geloof gezegd worden; „De storm kon het niet bewegen.quot; Ik smeek u, die thans Christus zoekt, te zorgen, dat gij goed bouwt, opdat gy lang moogt staan blijven in ons Sion, standvastig en onwankelbaar. God geve het om Christus wil. Amen.

-ocr page 697-

tm VERLOREN SCHAAP.

„Wat dunkt u? Indien eenig mensch honderd schapen had, en één uit dezelve afgedwaald ware, zal hij niet de negen en negentig laten, en op de bergen heengaande, het afgedwaalde zoeken? En indien het geschiedt, dat hij het vindt, voorwaar ik zeg u, dat hij zich meer verblijdt over hetzelve, dan over de negen en negentig, die niet afgedwaald zijn geweest.

Matth. XVIII: 12, 13.

Deze Schriftuurplaats komt voor in eene rede van onzen Zaligmaker tegen het verachten van een dezer kleinen, die in Hem gelooven. Hij voorzegt een schrikkelijk oordeel over hen, die in hunne minachting voor de kleinen, hen doen struikelen, en Hy verbiedt deze minachting door verscheidene zeer krachtige argumenten, waarbü wy heden niet kunnen verwijlen. Er is in onze dagen blijkbaar eene neiging om zeer gering te denken over indivudueele bekeering, en het werk des Heiligen Geestes op iederen afzonderlijken persoon te beschouwen als iets dat veel te langzaam gaat in onze eeuw van vooruitgang en spoed. Wy hooren groote theoriën over eene soort van Gods-regeering, onbekend in de Heilige Schrift: eene half-en-half politieke heerschappij van den Heere over de massa\'s, waarvan de eenlingen nog niet wedergeboren zijn. Wij luisteren naar groote, prachtige woorden over de opheffing der volkeren en den vooruitgang van het menschelijk geslacht; maar deze hoog verheven denkbeelden brengen geene feiten voort, en bezitten geene de minste zedelijke kracht. Onze „beschaafde en ontwikkeldequot; leeraren zijn het langzame, vervelende werk van indivudueele zielen tot het licht te brengen moede geworden; zij verlangen naar werk in het groot door eene veel sneller methode dan die der persoonlijke verlossing. Zij zijn het moede eenlin-lingen te zien, hun groote geest verwijlt bij „de solidariteit (1) van het menschelijk geslacht.quot; Ik verstout my te zeggen, dat wij, zoo wij ooit de methode van individueele bekeering rrin-achten, dan gansch en al tot eene ongezonde en onware manier van beschouwing zullen komen en op de klippen der hui-

(1) Gemeenschappelijke verantwoordelijkheid.

-ocr page 698-

ÉÉN VERLOKEN SCHAAP.

chelarij verzeild zullen raken. Zelfs in dien heerlijken tyd als het Evangelie zyn\' volkomen vrijen loop zal hebben en in de ruimste mate verheerlijkt zal worden, zal zijn\' voortgang toch wezen naar de oude manier van overtuiging, bekeering en heiligmaking van individuen, dat is: van afzonderlijke personen, die ieder voor zich zullen gelooven en gedoopt zyn overeenkomstig het Woord des Heeren.

Daar men heden ten dage deze ruime en philosophische methode zoo hemelhoog verheft, vrees ik, dat ook in sommigen van u iets van die minachting voor het ééne verloren schaap wordt gevonden. Ik wensch, dat gü het goud van het persoonlijk Christendom niet zult inruilen voor het onedele metaal van een Christelijk socialisme. Indien de afgedwaalden in grooten getale terecht gebracht worden — en ik bid God, dat dit moge geschieden, dan moet dit toch geschieden door dat zij één voor één toegebracht worden. Eene nationale wedergeboorte tot stand te brengen zonder persoonlijke wedergeboorte, dat is alsof men een huis zou willen bouwen zonder afzonderlijke steenen ervoor te gebruiken. In die ydele poging om en gros, in\'t groot, te werken, zullen wij de practische uitkomst moeten derven, die uit den arbeid in \'t klein zou zijn voortgekomen. Laat de overtuiging by ons vaststaan, dat wy niet beter kunnen doen dan het voorbeeld te volgen van den Heere Jezus, hetwelk wij vinden in onzen tekst, en het ééne schaap zoeken, dat verloren is.

Onze tekst waarschuwt er ons tegen, om iemand te verachten zelfs vanwege zijn slecht karakter. De eerste verzoeking is om één te verachten, omdat het maar één is; de volgende, en wellicht de gevaarlijkste, verzoeking is, om iemand te verachten wijl hij afgedwaald is. De persoon is niet op den rechten weg, hij gehoorzaamt niet aan de wet; hij doet geene eer aan de gemeente; maar wèl doet hij veel, dat de geesteiyk gezinden kwelt, en de heiligen smart. En toch moeten wy hem hierom niet verachten. Leest het 11de vers: „De Zoon des menschen is gekomen om zalig te maken, dat verloren was.quot; In het oorspronkelijk Grieksch staat voor dit woord „verlorenquot; eene zeer krachtige uitdrukking. Wij kunnen er voor lezen „dat verwoest of vernield was.quot; Het beteekent niet „hetgeen niet bestaat,quot; gelyk gij duidelijk genoeg zien kunt; maar hetgeen vernield, onbruikbaar is geworden voor den herder, verwoest met betrekking tot deszelfs eigen welzyn en de vervulling van het doel, waatoe het was geschapen. Indien sommigen zoo volkomen bedorven zijn door de zonde, dat hun bestaan eene groo-ter ramp is dan hun niet-bestaan zijn zou; indien zij thans dood zyn door de misdaden en de zonde, ja zelfs door hun karakter schadelijk zyn voor anderen, zoo moeten wy hen toch niet verachten. De Zoon des menschen heeft de zoodanigen niet veracht, want „Hij is gekomen om te zoeken en zalig te maken,

669

-ocr page 699-

een verloren schaap.

da1; verloren was.quot; Menige ziel, die zoo verwoest was, dat zij verloren was voor zich zelve, verloren voor God, verloren voor zijn volk, verloren voor alle hoop en voor alle heiligheid, heeft de Heere Jezus Christus door zyne genaderijke macht verlost en gered. Hij stelt prijs op een iegelijk hunner. Dit is de les, die. ik u heden wensch te leeren; moge de Heilige Geest mij daartoe bekrachtigen, en die leering ingang bij u doen vinden.

Bij de overdenking van deze woorden onzes Heeren verzoek ik u in de eerste plaats op te merken, dat de Heere Jezus hierin zijne bijzondere belangstelling toont in ééne ziel, die verloren is; ten tweede, dat Hij zich zeer bijzonder moeite geeft om die ééne verlorene ziel te redden; en ten derde, dat Hij eene bijzondere blijdschap toont, als die verlorene ziel gered is. Als wy over dit alles nagedacht zullen hebben, dan zullen wü in de vierde plaats opmerken, dat Hij ons hierin een treffend voorbeeld geeft, daar Hy ons leert bekommerd te zyn om elke ziel, die verwoest is door de zonde.

I. Ten eerste dan: onze heiland toont in de woorden, die nu voor ons liggen, eehe bijzondere belangstelling in ééne

enkele ziel, die verloren is.

Merk op by den aanvang dat onze Heere om den wille dezer verlorenen een bijzonder karakter aanneemt. Dit zien wy in vers 11: „De Zoon des menschen is gekomen om zalig te maken, dat verloren was.quot; Hy was oorspronkelijk niet bekend als „de Zoon des menschen,quot; maar als „de Zone Gods.quot; Eer de werelden geschapen waren, was Hy in den schoot des Vaders, en Hij „heeft het geen\' roof geacht Gode even gelijk te zyn.quot; Maar om de menschen te verlossen is de Zoon des Allerhoogsten „de Zoon des menschenquot; geworden. Hij was geboren uit de Maagd en door zyne geboorte erfde Hij de onschuldige zwakheden onzer natuur en droeg Hij het lyden, dat uit die zwakheden voortvloeit. En toen heeft Hij ook onze zonde en hare straf op zich genomen, en daarom stierf Hij aan het kruis. Hij is in alles zynen broederen gelijk geworden. Hij zou de Herder der menschen niet geworden kunnen zijn, zonder hun gelijk te worden, en daarom heeft het Woord zich verwaardigd vleesch te worden. Aanschouwt het ontzaggelijke wonder der vleeschwor-ding! Niets kan het wonder van „Immanuel, God met onsquot; overtreffen! „In gedaante gevonden als een mensch, heeft hy zich zei ven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja den dood des kruises.quot; O verlorene, die u bewust zijt verloren te zyn, grijp moed als de naam van Jezus genoemd wordt. Hij is God, maar Hy is ook Mensch, en als God en-Mensch maakt Hij zyn volk zalig van hunne zonde.

En om nu verder aan te toonen welk een\' prijs door Jezus gesteld wordt op eene verlorene ziel, wijs ik u op zijne verbazingwekkende afdaling. „De Zoon des menschen is gekomen.quot;

670

-ocr page 700-

EEN VERLOREK SCHAAP.

Hij is altyd bekend geweest als „de Komende;quot; maar ten opzichte van de redding der verlorenen is Hij ook werkelijk gekomen. Ten opzichte van het oordeel is Hü nog altyd „de Komendequot;; maar voor onze verlossing en zaligheid verblijden wy er ons in dat de Zaligmaker gekomen is. De vergaderingen dei-volmaakten verlatende, is Hij hier geweest als de Vriend van tollenaren en zondaren. De Heer der engelen zynde, heeft Hij zich nedergebogen om „een man van smarten en verzocht in krankheidquot; te zijn. Ja Hij is gekomen, en dat niet te vergeefs. Zij, die den komenden Zaligmaker hebben gepredikt, hadden zulk eene blyde boodschap te verkondigen, dat hunne voeten liefelijk waren op de bergen, en hunne stem als hemelsche muziek was; maar wij, die prediken, dat Hij gekomen is, en dat Hij door te komen het werk heeft volbracht, dat Hij op zich had genomen, hebben voorzeker de kostelijkste boodschap te brengen. Onze Heere Jezus heeft het zoenoffer volbrachten de rechtvaardigmakende gerechtigheid tot stand gebracht, waardoor verloren menschen behouden worden. Zalig is de prediker van zulk eene goede boodschap, en zalig zijn uwe ooren, die haar hooien! De Goede Herder heeft alles tot stand gebracht wat noodig was voor de verlossing der kudde, die de Vader in zyne hand heeft gegeven. Geliefden, laat ons moed vatten. Wij zijn verloren, maar Christus is gekomen om ons zalig te maken. Hij is gekomen tot de plaats van onze verwoesting en ellende. Zijn komen en zoeken zal niet te vergeefs zijn. Broeders, op hoe hoogen prijs behooren wij de zielen der menschen te stellen, als Jezus om hunnentwil Mensch is geworden, in deze zondige wereld onder ons schuldig geslacht is gekomen, ten einde de verlossing te werken van hen, die verloren zijn!

Merk hier op, dat hij dit doet voor hen, die nog verloren zijn, die zich nog op den dwaalweg bevinden. Toen ik den Griek-schen tekst nazag, bemerkte ik, dat er eigenlyk staat; „Hij zoekt hetgeen verdwaalt.quot; De Herder zoekt het schaap terwijl het wegdwaalt; Hij zoekt het, omdat het wegd waalt en dus noodig heeft gezocht te worden. Zeer velen van des Heeren verlosten dwalen ook thaus, en thans volgt hen de Herder om hen te zoeken. De Heiland zoekt hen, die zelfs nu nog zondigen. Dat Hij liefde heeft voor hen, die zich bekeeren, kan ik verstaan; maar dat Hij zich bekommert om hen, die moedwillig dwalen, dat is nog veel meer genade. Jezus zoekt hen, die Hem den rug toekeeren, die al verderen verder iveg dwalen van de schaapskooi-, hierin is vrye en vrijmachtige genade. Het is waarlijk zoo. Ofschoon gij u verhardt tegen den Heere; ofschoon gij weigert terug te keeren op zijne bestraffing, zal toch, zoo gij zijne verlosten zijt, zijn oog der liefde u ontdekken, en u in alle moedwillige afdwalingen volgen. Hij ziet u, Hij zoekt

671

-ocr page 701-

ÉÉN VERLOBEU SCHAAP.

u; o dat gij u aan Hem gewonnen gaaft, zoodat gü bevindt, dat Hij zalig maakt! O gij, die thans in de kudde zü\'t, denk aan de liefde van Christus voor u, toen gü nog buiten de schaapskooi waart, toen gij volstrekt niet hebt gewenscht weder te keeren, toen gij, bemerkende, dat Hij u volgde, des te sneller liept om aan zijne almachtige liefde te ontkomen. Niettegenstaande al myn rebelleeren en al mijne moedwillige overtredingen heeft Hij mij toch liefgehad met zijn hart, en mij achtervolgd met zijn Woord. O hoe moesten wij de zondaars liefhebben, daar Jezus ons liefgehad heeft, en voor ons gestorven is, toen wij nog zondaars waren! Wij moeten ons met liefde het lot aantrekken van dronkaards, ook reeds terwijl zij den beker nog laten rondgaan ; van vloekers, zelfs terwijl wy hen noghooren vloeken; van losbandigen, terwijl wij nog de smart hebben van hen des middernachts onze straten te hoo-ren verontreinigen. Wij moeten niet wachten, totdat wij iets beters in hen ontdekken, maar innige belangstelling voor hen koesteren om hetgeen zij zijn — afgedwaalden en verlorenen. Als het schaap gewond is door de doornen der woestijn; als het krank is, uitgeput en uitgemergeld door het langdurige dwalen en den honger, dan moeten wij trachten het terecht te brengen, al zien wij ook niet de minste begeerte om zich aan de zorg en heerschappij van den Herder te onderwerpen. Zoodanig was des Heilands liefde voor ons: zoodanig moet onze liefde wezen voor de verlorenen.

De Heiland stelt zeer bijzonder belang in de verlorenen, niet slecht als op dit oogenblik dwalende, maar als reeds ver weg-gedwaald zijnde. Beschouwt aandachtig deze woorden: „Indien het geschiedt, dat hij hetzelve vindt.quot; Dat „indienquot; spreekt voor zich zeiven. Het schaap was zoo schrikkelijk verdwaald, dat het niet waarschijnlijk was, dat de herder het zou vinden. Het was in zulk een dicht kreupelhout verward geraakt, of in zulk eene woeste plaats gekomen, dat het nauwelijks mogelijk scheen te hopen, dat het ooit ontdekten terecht gebracht zou worden. Wy zien niet dikwijls een „indienquot; in verband met het werk van Christus; maar hier is een „Indien het geschiedt, dat hü hetzelve vindt.quot; Dit openbaart geene onmacht in den Herder, maar wel den ontzettend gevaarlijken toestand van het schaap. Ik heb dikwijls door hen, die komen om Christus te belijden en zijne liefde voor hen te erkennen, hooren zeggen, dat zij getroffen zijn van verbazing, dat zij, eerder dan anderen, zoo iets zouden doen. Als wij aanzitten aan des Hee-ren tafel, dan is het feestmaal eene wondere zaak; maar het grootste wonder is de gast, als ik die gast ben. Maar zoo is het. De goede Herder zoekt heden velen, wier verlossing hoogst onwaarschijnlijk schijnt te wezen, indien al niet gansch onmogelijk. Hierin is de liefde; dat Hij uitgaat om diegenen tezoe-

672

-ocr page 702-

ÉÉN VEELORËN SCHAAP.

ken, van wie het gansch niet zeker, ja niet eens waarschijnlijk is, dat zij gevonden zullen worden! Zeer onwaarschijnlijk, büna onmogelijk is de taak, die Hij onderneemt! En toch stelt Hij er zulk een groot belang in.

En daarenboven zij, over wie onze Heere deze gedachten dei-liefde heeft, hebben dikwijls gezondigd op zulk eene wijze, dat zij zich zeiven in het grootste gevaar gebracht hebben. „Want de Zoon des menschen is gekomen om zalig te maken, dat verloren was.quot; Dit zaligmaken of verlossen doet aan verderf en gevaar denken, ja aan een verderf en verwoesting, die in zekere mate reeds over hen gekomen zijn. Zü\'n er niet velen, die thans nog spelen met het vuur der hel? Want, wat is diton-uitblusschelyk vuur? wat anders dan de zonde in haren aard en in hare gevolgen? De menschen beuzelen op den rand der eeuwige ellende: „Ten tijde als hunlieder voet zal wankelen.quot; Met scherpe werktuigen te spelen beteekent niets in vergelijking van het gevaar om met uwe lusten en begeerlijkheden te spelen, en er zijn velen, die dit doen. En toch, in weerwil van het gevaar, worden zij door Jezus gezocht. Ziet gij niet hoe deze schapen zorgeloos weiden bij het hol van den wolf? In een oogenblik zal het monster ze verscheuren. Zij zijn ver van huis, ver van hun voedsel, ver van rust en van veiligheid. Zij hebben geene begeerte om terug te keeren, maar zijn vast besloten nog verder van de schaapskooi weg te dwalen. Deze schrikkelijk misleiden is de Heere Jezus komen zoeken. Zoolang gij de ijzeren poort nog niet door zijt gegaan, zal het Evangelie u noodigen om terug te keeren. Indien gij nog één duimbreed van de hel verwijderd zijt, zal de liefde u achtervolgen, zal de goedertierenheid u volgen. Zoolang er nog één lam in leven is, is onze glorierijke David in staat het uit den muil van den leeuw en den klauw des beers te verlossen. Ofschoon eene ziel, gelijk Jona, nedergedaald is in de diepte, en buiten het bereik ligt van den mensch, kan toch een woord van Jezus haar ophalen uit den diepsten kuil. Eere zij den gezegen-den naam van djn Almachtigen Heiland: Hij kan volkotneniyk zalig maken. Zijne macht om de verlorenen te redden is zoodanig, dat niemand te slecht is om door Hem verlost te worden.

Indien wij deze gelijkenis recht beschouwen, dan zullen wij zien, dat Hij in deze verloren schapen bijzonder belang stelt, omdat zij de zijnen zijn. Deze man heeft geene wilde dieren achtervolgd, en hij ging ook niet de schapen van anderen zoeken; maar hij bezat honderd schapen, en toen hij ze geteld had, miste hij er een. De huurling, wien de schapen niet eigen zijn, zou gezegd hebben: „Wij hebben bijna de honderd voltallig, over het ééne, dat ontbreekt, behoeven wij ons niet zoo te bekommeren;quot; Maar deze honderd schapen behoorden den

678

*

hij

JI j

11? I

I! ii i

i

Hl

I

II

43

-ocr page 703-

één verloren schaap.

heider zeiven; zij waren de zijnen door keus, door erfenis, door goddelijke schenking, door glorierijke verovering en door zeer duren aankoop; hy kon geene negen en negentig voor honderd aannemen. „Niemand uit hen is verloren gegaanquot;, zegt Hij. „Die Gij mij gegeven hebt, heb ik bewaard, en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon der verderfenis, opdat de Schrift vervuld worde.quot; Jezus kon het niet dragen om een verlies te moeten melden uit de kudde, die Hem door den Vader gegeven is. Negen en negentig zijn geen honderd, en de Heiland wil ze niet als zoodanig aanmerken, want wèl weet Hy, dat het „de wil niet is uws Vaders, die in de hemelen is, dat een van deze kleinen verloren ga.quot; Waarde vrienden, daar Jezus nu zelfs in éóne afgedwaalde ziel zulk een belangstelt, moet gij het niet gering achten, als gü geroepen wordt om ook maar voor ééne enkele ziel te zorgen. Denkt niet, dat een gehoor van veertig of vijftig menschen te gering in aantal is om er al uwe krachten en gaven aan te wijden. Indien uwe klasse in de zondagschool door allerlei omstandigheden tot een zeer klein aantal kinderen is verminderd, dan moet gij haar daarom niet opgeven. Neen, neen. Stelt ééne enkele ziel op hoogeren prijs dan al de schatten der wereld. Het gezelschap der verlosten is nog alles behalve voltallig, en de Heere heeft veel volks in deze stad, die nog niet aan zyne voeten gebracht zijn; denkt er dan niet aan om met uwen arbeid op te houden. Rust niet, voordat allo Gods uitverkorenen toegebracht zyn en eere brengen aan zyn\' naam.

II. Moge de Geest Gods my zyn\' bijstand verleenen, terwijl ik u in de tweede plaats er op wijs, dat onze Heere zich

zeer bijzondere moeite geeft om eene enkele ziel te verlossen.

Merk op in deze gelykenis — want het is eene gelijkenis, schoon in zeer korte bewoordingen verhaald — dat de Herder liefdijker bezigheden voor het oogenblik verlaat. Onder zijne aan Hem gehechte en getrouwe kudde gevoelde Hij zich te huis. Zij waren niet afgedwaald, zij vergaderden zich rondom Hem; Hij voedde hen en vond een welbehagen in hen. Er is aan schapen altijd heel veel te doen: zij hebben vele ziekten, vele zwakheden, vele behoeften; maar als gü eene kudde rondom u hebt, die aan u gehecht is en u liefheeft, dan gevoelt gü u te huis en op uw gemak met haar. Zoo stelt de groote Herder zich zeiven voor als de negen en negentig schapen, de keur der kudde, de schapen, die gemeenschap met Hem oefenen, en met welke Hij gemeenschap oefent, te verlaten. Ja, Hij laat hen, in wie Hij een welbehagen heeft, om hem te zoeken, die Hem smart veroorzaakt. Ik zal er thans niet over spreken, dat Hij het paradijs hier Boven en al de genietingen van het huis zijns Vaders heeft verlaten, en tot deze sombere

674

-ocr page 704-

ÉÉN VERLOEES SCHAAP.

wereld is gekomen; maar ik bid u, denki er aan, dat Hij dit gedaan heeft. Het was eene verwonderlijke nederdaling, toen Hij kwam van boven de sterren om op deze bewolkte aarde te wonen, ten einde de kinderen der menschen te verlossen. Maar gedenkt, dat Hü nog altijd komt door zyn\' Geest. Zijne uitgangen der ontferming zijn eeuwig. De Geest van God beweegt zy\'ne dienstknechten, die de vertegenwoordigers zyn van Christus, om het weiden der bijeenvergaderde kudde voor het oogenblik na te laten en door hunne prediking de verlossing te zoeken van de afgedwaalden, in wier aard en gedrag niets is om ons te bemoedigen. Het hart mijns Meesters is vol van zorge voor allen, die Hem liefhebben ; Hij draagt hunne namen gegraveerd op de edelgesteenten van zijn\' borstlap; maar toch gaat zijn hart immer uit naar hen, die nog niet tot Hem zyn gekomen, en naar diegenen, welke eens in zijne schaapskooi geweest zijn, maar terzyde zijn afgewend en quot;de kudde hebben verlaten. Hij laat de gelukkigen en de heiligen, en wijdt zijne beste gedachten aan de verlorenen.

Onze Heere gaat uit om dezen te zoeken. Het is niet bloot een uitgaan der gedachten, maar een uitgaan van kracht. Zijne goddelijke genade gaat uit, naar ik vertrouw ook op dezen dag, buiten het gezelschap van hen, die zijne genade heeft geroepen, naar die andere schapen, die nog niet van zyn\' stal zijn, en die Htj ook moet toebrengen. Hij wil niet, dat zyne gemeente al hare zorgen wydt aan de kudde, die Hy in hare grazige weiden heeft geleid; Hy wil, dat zij uitgaat en hen zoekt, die zich nog niet in haar gelukkig gezelschap bevinden.

Volgens den tekst gaat de Herder in de bergen: dat is:Hyquot; begeeft zich in moeielijkheden en gevaren. Hy wil arbeiden en zijn leven in de waagschaal stellen om de verlorenen te redden. Zijne liefde kan door geene moeielijkheid of ontbering afgeschrikt worden. Gy weet door wat sombere bergkloven Hy is heengegaan om de menschen te verlossen. Gij hebt gehoord hoe Hij heeft moeten klimmen om de hoogmoedige zielen te bereiken; hoe Hy zich heeft moeten neerbuigen om wanhopen-den te bevrijden. In het Oosten is het schaap lichter van voet dan in ons land; het huppelt als eene gazelle en klimt op de bergen als eene gems ; en zoo zijn de zondaren snel ia de overtreding, en roekeloos stoutmoedig in verwaandheid. Zij wagen een\' sprong in hunne ongerechtigheid, waar de kinderen Gods huiveren om hen ook maar in hunne gedachten te volgen. Zij geven niet het minst om den sprong in Godslastering, die het bloed doet stollen in de aderen van hem, die aan de voeten van Jezus Christus de vreeze Gods heeft geleerd. Toch is de Heere Jezus deze roekeloozen nagegaan. Wat moeielykheden heeft Hij overwonnen, wat lijden heeft Hij verduurd, over wat

67ó

-ocr page 705-

ÉÉN VERLOREN SCHAAP.

bergen is Hy heengegaan om te zoeken en zalig te maken! O broeders, Hij draagt nog hetzelfde, hart met zich om: voortdurend gaat Hü uit in de prediking des Woords. Onder veel zuchten van zijne verkoren dienstknechten, gaat Hy op de bergen om te zoeken hetgeen afgedwaald is. Ik bid God, dat Hy het streven van zijn\' onwaardigen dienstknecht heden met zijn\' zegen zal achtervolgen, zoodat ook door middel van deze leerrede eenige verlorenen terecht worden gebracht.

Om zijn\' arbeid voor de verlorenen te doen zien stelt onze Heere zich voor als zoekende met ijver en volharding. Hy ziet uit naar alle kanten, maar bespeurt niets. Hij houdt zijne hand boven zijne oogen, en ziet scherp en langdurig. Hij dacht het schaap te zien. Gewis! daar beweegt zich een levend voorwerp op den bergrug! Hij staart er naar met groote aandacht. Neen, het beweegt zich niet: het is een wit rotsblok! Het verloren schaap is wellicht daar in die holte! Het is een lange weg om er heen te komen, maar Hy wenscht zoo vurig het schaap te vinden, dat Hij weldra daar is; maar het schaap is nergens te zien. Waar kan het zyn? Hy reist voort met snellen tred, want hij weet niet wat het schaap overkomen kan terwyl hij talmt. Nu en dan blijft hy stilstaan, wijl hij meent geblaat te hooren. Gewis! dat is de stem van het schaap! Hij vergist zich. Door zijne liefde meent zijn oor geluiden te hooren, waar geen geluid is. Al deze lange uren heeft hij het niet gezien of gehoord; maar toch wil hij het blijven zoeken totdat hij het vindt. De alwetendheid van Christus wordt in werking gebracht voor eene ziel, die afdwaalt; Hij zoekt haar in al hare booze begeerten en slechte gewaarwordingen. Hy ziet uit naar bekeering, en bemerkt met droefheid de verharding van het hart. Dit is het wat onze Heere doet voor hen, die verlost zyn door zyn bloed, maar nog niet tot de schaapskooi terug zijn gebracht. Hij brengt oog en verstand, zoowel als voet en hand in beweging om zijn afgedwaald schaap te zoeken.

Eindelijk verlost Hij — verlost Hij volkomen. Hij is niet gekomen om de verlossing van zyn volk slechts mogelijk te maken; maar om hen te verlossen. Hij is niet gekomen om hen op weg te brengen om zich zei ven te verlossen; maar opdat Hy hen gansch en al zou verlossen. Als myn Heere in de majesteit zijner vrije genade uitgaat om eene ziel te verlossen, dan zal Hy in weerwil van zonde, dood en hel zijn doel tot stand brengen. De wolf moge knarsetanden; maar de Herder is Meester van den wolf. Het schaap zelf moge gedurende langen tijd afgedwaald zyn, en ten laatste zelfs tegen Hem worstelen; maar Hy grypt zijne voeten, legt het op zyn\'schouder en draagt het naar huis; want Hij is vast besloten het te redden. Het schaap verheugt zich aldus gedragen te worden, want door eene enkele aanraking vormt de Herder deszelfs wil

676

-ocr page 706-

één veelohen schaap.

naar zyn\' eigen volmaakten wil. Zyne genade is de overwinnende kracht, waardoor het verlorene terecht gebracht wordt.

De redding van ééne enkele ziel is als eene gansche massa van wonderen. Er was eens brand in den winkel van een juwelier, en toen de brand uitgewoed had, vond men onder het puin eene menigte van gouden en zilveren voorwerpen en kostbare edelgesteenten, die tot ééne massa waren samengesmolten. Welk eene redding van die schatten! Zoodanig is de verlossing van één\' enkelen mensch: het is eene massa van onwaardeerbare goedertierenheden, saamgesmolten tot eene groote onschatbare baar gouds, gewijd aan de eer en heerlijkheid van zijne genade, die ons „begenadigd heeft in den Geliefden.quot; Als ik denk aan de kracht, die de Heere aanwendt om ééne enkele ziel te redden, dan gevoel ik mijn hart bewogen, en ik wensch dat ook uwe harten bewogen zullen worden, om alle krachten in te spannen en heen te gaan om des Heeren verlorenen te zoeken. Laat ons zijne medearbeiders zijn in zijn groot werk van zoeken hetgeen verloren is. O mocht de Heilige Geest die gezindheid in ons werken en in ons houden!

III. Ik ben genoodzaakt mij eenigszins te haasten. Merk dan nu in de derde plaats op, dat de Heebe zich zeer bijzonder verheugt over het wedervinden van een verloren

schaap. Nu moet gij hier geene vergissing begaan. Gij moet niet denken, dat de Heere de ééne ziel, die afgedwaald is, méér liefheeft dan de negen en negentig, die door züne genade voor afdwalen werden behoed. O neen! Hy denkt negen en negentig maal meer van negen en negentig dan van één, want zijne schapen zijn Hem allen even lief. Wy moeten niet denken, dat Hy op één zijner verlosten ziet met eene teederheid negen en negentig maal grooter dan de teederheid, die Hij voor anderen heeft. Maar gij zult de beteekenis der schriftuurplaats begrijpen door een voorbeeld uit uwe eigene ervaring. Gij hebt een gezin, en gij hebt al uwe kinderen even lief. Maar een hunner is zeer ziek, hij heeft koorts en is den dood nabii. Nu denkt gü meer aan hem dan aan al de anderen. Hij wordt beter, en gy draagt hem in uwe armen naar beneden, en op dat oogenblik is hij het liefste kind van het heele gezin. Niet dat hij werkelijk meer gewaardeerd wordt dan zijne broeders en zusters; maar omdat hij zoo ziek is geweest en op het punt was van te sterven, hebt gij meer aan hem gedacht, heb gy meer zorge over hem gehad, en daarom verheugt gu u meer in hem van wege zyne genezing. De groote diepten van Ohristus\'liefde zyn voor alle de zijnen gelijk; maar op de oppervlakte is er soms een heilige storm van vreugde als een hunner na afgedwaald te zijn weder teruggebracht wordt.

Verneemt de gelegenheid van deze zoo merkbare vreugde.

677

-ocr page 707-

ÉÉN VERLOREN SCHAAP.

De afgedwaalde heeft groote smart veroorzaakt. Wy hebben er allen leed om gedragen, dat onze broeder zoo ontzettend af-keerig is geworden; dat zulk een ernstig Christen, als hy scheen te zijn, zijne belijdenis zoo zeer onteerd heeft. Onze Heere gevoelt er nog meer smart om dan wij. Als de dwalende terugkeert, dan gevoelen wij nieuwe blijdschap in hem. Naarmate van de smart, die wy gevoeld hebben over den afgedwaalde, naar die zelfde mate is de blijdschap, die wy over hem tentoonspreiden, als hij wederkeert.

Er was daarenboven groote vrees en bezorgdheid gewekt. Wy vreesden, dat hij den Heere niet toebehoorde, en dat hij ten verderve zou gaan. Wij sidderden voor hem. Die sombere vreeze is nu voorbij: het schaap is veilig; hij aan wien wij hebben getwijfeld, is behouden tot de schaapskooi wederge-bracht. Naarmate de bezorgdheid grooter was, wordt de verlichting inniger en dieper gevoeld.

De Herdei had ook zwaren arbeid verricht voor het verloren schaap. Hij ging het gebergte in om het te zoeken, maar thans is zijn arbeid ten volle beloond, want Hij heeft zijn schaap gevonden. In de vreugde over de redding van het schaap vergeet Hij den arbeid en de moeite, die het Hem gekost heeft om het te zoeken.

Er zijn daarenboven in dit wedergevonden schaap teekenen van redding en verlossing, die groote vreugde veroorzaken. De doornen hadden het gescheurd, maar nu komt het tot rust. Ziet hoe het zich nodervleit in het malsche gras! Het was uitgeput van vermoeienis door al zijn dwalen, maar hoe gelukkig is het thans in de tegenwoordigheid van den Herder! Hoe-zorgvuldig volgt het de voetstappen des herders. Dit alles strekt den herder tot vreugde.

De herder is blijde als hij zijn verloren schaap wedervindt, omdat dit hun ook de gelegenheid geeft om een, feestdag te vieren. Hij wil dat al zijne schapen zullen bemerken welk een welbehagen hij in hen allen heeft door het welbehagen, dat hij toont in dit ééne. Ik weet, dat het zoo is in de gemeente. Ik loof den Heere, als Hij de voeten zijner heiligen voor struikelen behoedt. Ik loof Hem eiken dag voor zijne bewarende genade : maar als een ver afgedwaalde wordt wedergebracht. dan loven wij Hem gansch nadrukkelijk. Dan hebben wij gezangen gerei. De oudste broeder is verwonderd en vraagt zich af wat de oorzaak is van deze uitbundige vreugde; maar ieder ander ziet uitnemende redenen voor bijzondere blijdschap als de verlorene wedergebracht is. De herders en hunne kudden kunnen nietelken dag feestvieren ; maar als een verloren schaap wedergebracht is, dan gevoelen zij zulk eene wederkeerige blijdschap in elkander, en zulk eene vreugde over de redding van het verlorenene, dat zy de gelegenheid aangrijpen om vroolijk te zijn en feest te vieren. Ik

678

-ocr page 708-

ÉÉN VEELOREN SCHAAP.

wensch, dat gij allen erkent, dat gü, zoo gy de gemeente van Christus liefhebt, verplicht zijt een\' feestdag te houden, als de gevallenen worden opgericht, en dat gij, om dien feestdag te kunnen vieren, verplicht zyt al uwe krachten aan te wenden om het verlorene weder te brengen.

IV. Zien wij thans op onzen Goddelijken Herder terwijl Hij ons zulk EEN TBEFFEND VOORBEELD geeft.

quot;VVÜ kunnen dezen tekst beschouwen als onze persoonlijke zm-dingsvolmacht. quot;Wij zijn heden geroepen om aan de zending te denken, en daar ik het onnut vind om op hoogdravende wijze over de zending te prediken, zal ik slechts eenige gansch gewone, doch practische zaken te berde brengen. Broeders, wij allen moeten zendelingen zijn voor Christus, en de tekst is voor een Iegelijk onzer de volmacht en het bevel om yverig aan den arbeid te gaan om zielen te winnen.

Wat zullen wij dan doen om onzen Heere na te volgen ? Het antwoord is — laat ons arbeiden om eene enkele ziel voor den Heere te winnen. Ik kan heden geene keus voor u doen, maar ik smeek u allen, die Gods medearbeiders zijt, om de eenlingen te zoeken. Er is eene bepaalde gave om tot enkele personen te spreken — niet iedereen bezit die gave — maar ieder geloovige moest er naar streven om haar te verkrijgen. Zoekt de zielen der menschen één voor één. Het is voor mij veel gemakkelijker om tot u allen te spreken, dan om ieder uwer afzonderlijk over de belangen uwer ziel te onderhouden; en toch zou zulk spreken tot u één voor één wellicht meer vrucht dragen dan deze leerrede, die voor u allen tegelijk wordt uitgesproken. En daar nu de groote Herder zelf uitgaat om den eenling te zoeken, zoo smeek ik u, acht niet, dat het eene vernedering voor u is, om te arbeiden aan één armen man, of vrouw, of kind, maar doet het thans.

Luistert nogmaals; laat die ééne iemand wezen, die gansch en al buiten den weg is. Tracht aan iemand te denken, die op zeer bedenkelijke wijze afgedvvaald is. Wellicht hebt gij zoo iemand in uwe eigene familie, of wellicht ontmoet gij zoo iemand in de zaken van uw beroep. Denkt met zorge aan die ééne ziel, denkt na over hare zonde en het gevaar, waarin zij zich bevindt. Gij zoudt wel gaarne iemand willen bearbeiden, bij wien gij hoop hebt te zullen slagen; maar doet ditmaal anders: zoekt juist diegene, die zóó zeer is afgedwaald dat er voor hem geene hoop meer schijnt te bestaan. Volgt het voorbeeld uws Heeren; zoekt diengene, van wien het het minst waarschijnlijk is, dat hij gevonden zal worden. Wilt gij dit beproeven? Zoo neen, dan verlaat gij den weg, waarop uw Heere heeft gewandeld.

„Ik heb myne klasse in de Zondagschool; ik heb mijn werk,quot; zegt iemand. Ja, maar ik wensch, dat gij voor eene wijle de

679

-ocr page 709-

ÉÉN VERLOREN SCHAAP.

negen en negentig zult laten. Ik bid God, dat gij u geroepen moogt gevoelen om te zien naar iemand, die zeer veidorven is, of naar een gansch verwaarloosd kind. Ga voort met uwe klasse van negen en negentig, zoo u dit mogelyk is, maar ga in elk geval den ééne opzoeken. Doe eene gansch buitengewone poging. Ga eens buiten uwen weg. Laat den gewonen dienst eens voor eene wvjle de tweede plaats innemen. Het zal eene heilzame afwisseling voor u zijn, en misschien ook eenegroote verlichting. Wie weet, of gij dan naderhand niet terug zoudt kunnen komen en meer goed doen aan de negen en negentig, na voor eene wü\'le bij den afgedwaalde vertoefd te hebben. Gij zijt wellicht de eentonigheid van uw werk eenigszins moede geworden. Eiken Zondag dezelfde meisjes, of dezelfde jongens, en dezelfde soort van lessen. Welnu, laat het alles voor het oogenblik eens daar en zoek het ééne schaap, dat verloren is. „Gjj geeft ons daar een wonderlijken raad, Dominé.quot; Indien die raad niet in mijn\' tekst is opgesloten, zoo volgt hem niet; maar indien de woorden onzes dierbaren Meesters aldus luiden, dan vertrouw ik, dat gij er ook moedig naar zult handelen.

Als gij dat ééne schaap gaat zoeken, dan moet gij aluw verstand gebruiken. Ga henen en zoek; maar dat kunt gij niet doen, tenzij gij wakker en vlug zijt. Ga den afdwalende na. Zeidet gij, dat gij wilt wachten, totdat hij bij u aan huis komt? Is dat uw denkbeeld van het verloren schaap te zoeken? Is dat de manier, waarop de jagers in den herfst te werk ga.an0 Blijven zij in hunne kamers zitten, totdat de fazanten hunne vensters binnen komen vliegen? Dat zou eene armzalige jacht zijn! Volgt hen, want dat heeft de herder gedaan. Hij braveerde den glibberigen bergrug. Ik denk niet, dat die herder meer van bergpaden hield dan gij er van houdt; maar toch heeft hij die ruwe, steile paden beklommen, ten einde het schaap te kunnen zoeken. Ga heen, zoek de zondaars op in hunne armoede en ellende, en rust niet voor gij hen hebt gevonden.

Hier is iets om u te bemoedigen. Indien gij zulk eene ziel wint, dan zult gij meer blijdschap smaken, dan door de verlossing van hen, voor wie gij geregeld arbeidt — meer blijdschap over dien verlorene dan over de negen en negentig, die zooveel hoop geven. Het zal zulk eene ondersteuning zijn voor uw geloof, zulk eene opwekking van uwe vreugde, zulk een helder licht voor uwen arbeid, dat gij juist zulk een\' bijzonder schuldige hebt gewonnen. Het zou mij niet verwonderen, zoo gü er dagen lang van spreekt, en dat het u eene bron van kracht zijn zal in den tijd, wanneer de dingen niet zullen gaan, zooals gij wel zoudt wenschen. Zulke bekeerlingen zijn onze kroon en onze blijdschap. Mag ik u zeer bijzonder aanbevelen om eens de proef te nemen van dit extra zoeken naar schapen?

680

-ocr page 710-

KÉN VERLOREN SCHAAP.

Indien gij niet slaagt, zult gij geen kwaad gedaan hebben; want gij zult uwen Heere en Meester hebben nagevolgd. Maar gij zult slagen, want Hij is met u, en zyn Geest werkt door u.

Ik wensch u er aan te herinneren, dat gij zelfs onder de oude wet verplicht zoudt zijn dit te doen. Leest het drie en twintigste hoofdstuk van Exodus, het vierde en vijfde vers. „Wanneer gij uws vijands os. of zijn\' dwalenden ezel ontmoet, gij zult hem denzelven ganschelijk wederbrengen. Wanneer gij uws haters ezel onder zijn\' last ziet liggen, zult gij dan nalatig z^n om het uwe te verlaten voor hem? Gij zult het in alle manier met hem verlaten.quot; Gjj zijt verplicht goed te doen zelfs aan uwen vijand. Zult gy dan uwen besten vriend niet dienen? Indien uws vijands os of ezel cot hem teruggebracht moest worden, dan waart gij verplicht dit te doen. tfae veel te meer dan niet als het schaap Hem toebehoort, dien gü van ganscher harte liefhebt! Bewijs uwe liefde tot Jezus door Hem zijne verlorenen terug te brengen.

Slaat nu het twee en twintigste hoofdstuk van Deuterono-mium op, en gij zult in het eerste tot het vierde vers nog een deel der wet vinden. „Gij zult uws broeders os of klein vee niet zien afgedreven, en u van die verbergen; gij zult ze uwen breeder ganschelijk weder toesturen.quot; O! wilt gij dan niet het verloren schaap van uwen grooteren Broeder, „den Eerstgeborene onder vele broederenquot;, wederbrengen? „En indien uw broeder niet nabij u is, of gij hem niet kent, zoo zult gij ze binnen in uw huis vergaderen, dat zij bij u zijn, totdat uw broeder die zoeke, en gü ze hem wedergeeft.quot; Indien gij eene ziel niet terstond tot Christus kunt brengen, zoo tracht haar ten minste tot u zeiven te doen komen. Indien gij haar niet terstond tot bekeering kunt brengen, zoo betoon haar eenige gastvrijheid in uw eigen huis door haar zoo veel in uw vermogen is vertroosting en liefelijkheid te doen smaken. Doe wat gij kunt om het verslagen hart van den afgedwaalde te bemoedigen totdat Christus zelf tot hem komt. „Gij zult uws broeders ezel of zijn\' os niet zien, vallende op den weg, en u van die verbergen; gij zult ze met hem ganschelijk oprichten.quot; Als gij weet, dat menschen zeer slecht zijn, dan is de gewone wijze van doen hun alles goeds toe te wenschen, maar hun uit den weg te blijven. Do voorzichtigheid eischt, dat gij u voor hen verbergt. De gansche straat moge wemelen van diep gezonken vrouwen; maar ziet gij, uwe deur is gesloten en gij begeeft u ter ruste. Wat heeft hare zonde van doen met u ? Er zijn vele dronken lieden op straat; maar gij zijt niet onmatig in het gebruik van sterken drank: wat heeft hun drinken van doen met u? Dat is het wat bedoeld wordt met u van hen te verbergen. Hoe gemakkelijk kan dit niet geschieden! Neemt

681

-ocr page 711-

ÉÉN VERLOREN SCHAAP.

een voorbeeld, dat wel der moeite waard is om het mede te deelen. Onlangs ging een schip den Atlantischen Oceaan over en ontmoette het ontredderde emigranten schip „De Damnark.quot; Gesteld nu eens, dat de kapitein zyn\' koers had blijven houden. Hij zou naar een\' anderen kant hebben kunnen zien en besloten hebben zich niet te laten ophouden. Hij zou aldus hebben kunnen redeneeren: „Ik ben verplicht de belangen der reeders te behartigen. Het zal mij veel tijd rooven als ik mij met dat schip ga bemoeien. Het beste is om voort te zeilen en het schip niet te zien; of wel om zoo spoedig mogelijk naar de haven trachten te komen om van daar uit hulp te zenden.quot; Dat zou hebben kunnen geschieden, zonder dat iemand er iets van te weten ware gekomen, want het schip zou spoedig gezonken zijn. Maar de kapitein was van edeler aard. Hü heeft zich niet verborgen, hu heeft zyne oogen niet gesloten voor het schip in nood. Wat deed hij? Hij naderde het schip en nam het op sleeptouw. Dat was niet alles. Hij bemerkte, dat het niet vlot kon blijven, en nu besloot hij om die honderden emigranten allen bü zich aan boord te nemen. Maar hij kon niet de menschen en ook zijne cargo bergen. Wat moest hij nu doen? Zijn besluit strekt hem grootelijkstot eer. De cargo over boord! Gods zegen ruste over den man. De gansche lading werd in zee geworpen en de passagiers aan boord genomen en naar de naastbij gelegene haven gebracht. Niet waar? Hy had zich zeer gemakkelijk kunnen verbergen. Dat kunt ook gij, die u zeiven Christenen noemt. Kunt gij heengaan door de wereld en altijd uwe oogen sluiten voor den toestand van verloren zondaren? Kunt gij in dit kerkgebouw in en uitgaan en nooit een woord spreken tot de vreemdelingen, die zich hier verdringen? Wilt gij hen ongewaarschuwd naar de hel laten gaan ? Kunt gij u van hen verbergen! Hoe durft gij u Christenen noemen? Hoe zult gij er u ten laatsten dage voor kunnen verantwoorden? Broeders, zusters, laat ons deze onmenschelijke onverschilligheid afschudden, en ons rust, gemak en eer ontzeggen, ten einde die arme zielen te redden, die anders ten verderve zouden gaan. Werpt blijmoedig de cargo over boord, opdat gij in de kracht des Heiligen Geestes zielen van den dood moogt redden.

Nog eens, deze tekst is de groote zendingsvolmacht voor geheel de kerke Gods. Wij moeten, evenals de Heiland, heengaan om te zoeken en te redden wat verloren was, en wij moeten dit doen, niet alleen voor het groot aantal der Heidenen; maar ook voor één\' enkelen van hen. Ik erken, dat er eene groote kracht is in het argument van groote getallen — zóó vele honderden mlllioenen in China, zóó vele honderden millioenen in Indiö; maar indien er ergens in de wereld nog slechts één enkel onbekeerd persoon was, dan zou het voor geheel de

682

-ocr page 712-

ÉÉN VERLOREN SCHAAP.

Christelijke kerk de moeite waard zyn om dien eenen persoon op te zoeken; want H;j, die grooter is dan de Kerk, gelijk de Bruidegom grooter is dan de bruid, heeft den hemel verlaten, ja, en het liefelijke gezelschap van zijne eigene geliefden verlaten, om uit te gaan naar dien eenen, die afgedwaald was. Geeft dus niet zoo veel om groote getallen ; gaat heen en redt de kleinste stammen. Denkt aan de dorpjes en gehuchten van ons land. Ik geloof, dat de verspreidde hutten in ons land in slechter toestand verkeeren dan de dorpen. Trekt u het lot aan van de enkelen. Uw Heere heeft dit, gedaan, en hier is uwe volmacht om hetzelfde te doen.

Merk ook op, dat wij ons nooit door de veronderstelde su perioriteit of voortreffelijkheid van een menschenras moeten laten bewegen. Ik heb wel eens hooren zeggen, dat het veel beter zou zijn om te trachten de hcogere menschenrassen, de rassen, die zeer vatbaar zijn voor beschaving en ontwikkeling tot bekeering te brengen, dan z^jne krachten te verspillen aan volkstammen, die zóó diep zijn gezonken, dat zü, om zoo te zeggen, niet meer opgeheven kunnen worden. Is het niet veel beter de Brahminen toe te brengen dan de wilde bergbewoners? „Welk een voortreffelijk soort van menschen zijn deze philosophische Hindoes! Als wij hen voor het Christendom konden winnen, dan zou dat nog eens der moeite waard zijn!quot; Dat is volstrekt niet naar de bedoeling van Christus. De Herder zocht een verloren schaap, en toen Hij het had gevonden, was dit voor Hem geen bijzonder groote aanwinst, want het was zóó uitgeput, dat het niets dan een krank schaap was. Toch heeft Hü juist dit arme schaap opgezocht. Laat ons de overtuiging hebben, dat de diep gezonkene Afrikanen, de Boschdwergen, de kannibalen van Nieuw Guinea en alle de zoo-danigen even goed opgezocht en geëvangeliseerd moeten worden als de hoogere rassen. Zij zijn menschen, dat is genoeg.

Nog eens: de beweegreden tot zendingsarbeid moet nooit wezen de voortreffelijkheid van karakter der menschen. De herder ging het schaap niet zoeken, omdat het nooit afgedwaald was, maar juist omdat het afgedwaald en niet volgzaam was. In der menschen zonde is hunne aanspraak gelegen op de Kerke Gods. Hoe meer zonde, hoe meer reden er is om overvloedige genade te betoonen. O dat de gemeente mocht beseffen, dat het haar plicht is, om, zoo al niet tot de diepst gezonkenen het eerst te gaan, hen ten minste niet tot het allerlaatste te laten! Waar gij het minste schijnt te zullen slagen, gaat daar terstond, want daar zult gij plaats vinden voor geloof, en waar het geloof plaats vindt, en de plaats vervult, daar zal God zijn\' zegen geven.

Waarde vrienden, daar gij niet allen uit kunt gaan tot de

683

-ocr page 713-

ÉÉN VERLOREN SCHAAP.

684

Heidenen — ofschoon sommigen van u dit behoorden te doen — zoo vraag ik u te doen wat gij kunt. Ondersteunt den zendingsarbeid door uwe gaven en uw gebed. Hier is eene kleine gelegenheid voor u om Gods koninkryk te helpen bevorderen, zoo gij daar geen gebruik van maakt, zult gij waarschijnlijk wel nooit het grootere doen, waartoe ik u uitgenoo-digd heb. De Heere zegene u ! Amen.

-ocr page 714-

DE GELIJKENIS VAN HET VERLOKEN SCHAAP.

„Wat mensch onder n, hebbende honderd schapen, en één van die verliezende, verlaat niet de negen en negentig in de woestijn, en gaat naar het verlorene, totdat hij hetzelve vinde? En als hij het gevonden heeft, legt hij het op zijne schouderen, verblijd zijmie. En te hnis komende, roept hij de vrienden en de gebaren zanien, zeggende tot hen: Weest blijde met mij, want ik heb mijn schaap gevonden, dat verloren was. Ik zeg ulieden, dat er alzoo blijdschap zal zijn in den hemel over één zondaar, die zich bekeert, meer dan over negen en negentig rechtvaardigen, die de bekeering niet van noode hebben.quot; Lukas XV: 4—7.

Terwijl onze Heere Jezus Christus hier op aarde was, heeft Hg zich voortdurend bezig gehouden met verlorene zielen te zoeken. Hij zocht verlorene mannen en vrouwen, en het was om die reden, dat Hij zich onder hen begaf, onder hen namelijk, die blijkbaar verloren waren, opdat Hij hen zou kunnen vinden. Hij nam de moeite om daar heen te gaan, waar Hij in aanraking met hen kon komen, en Hg betoonde hun zóó groote vriendelijkheid, dat zij in gansche menigten tot Hem heenstroomden om Hem te hooren. Mij dunkt, het moet wel eene vreemdsoortige vergadering geweest zijn, een berucht grauw, dat zich rondom den Heere Jezus verzameld had. Het verbaast mij niet, dat de Farizeër, als hij die menigte aanzag, smalend opmerkte: „Hü verzamelt het uitschot der maatschappij om zich henen, de ellendelingen, die tol en belastingen innen voor den vreemdeling eh verdrukker van Gods vrije volk. De gevallene vrouwen uit de steden, en al zulk gespuis vormt zijn gehoor. En in plaats van hen terug te wijzen, ontvangt Hü hen, heet hen welkom, beschouwt hen als eene klasse van menschen, op welke Hy eene byzondere betrekking heeft. Hij eet zelfs met hen. Ging Hij niet in het huis van Zachéus, en het huis van Levi om aan te zitten aan den maaltyd, die deze lage lieden voor Hem hebben aangericht?quot; Wij kunnen u al de gedachten van den Farizeör niet mededeelen, het zou niet tot stichting dienen om het te beproeven; maar van wege het gezelschap, dat Hem omringde, hebben zij zoo slecht mo-geiyk over onzen Heere gedacht. En zoo verwaardigt Hij zich in deze geiy\'kenis om zich te verdedigen; niet wijl Hij zich be-

-ocr page 715-

DË GELIJKENIS VAN HET VERLOREN SCHAAP-

kommerde om hetgeen zy dachten, maar opdat zij geene verontschuldiging zouden hebben voor hun vyandig spreken van Hem. Hij zeide hun, dat Hij het verlorene zocht; en waar anders moest Hij wezen dan onder hen, die Hij zocht? Moeteen arts de kranken mijden? Moet een herder het verloren schaap uit den weg gaan? quot;Was Hü niet juist op de rechte plaats, als „al de tollenaars en de zondaars naderden tot Hem om Hem te hooren.

Onze Heere verdedigde zich door het geen men noemt een argumentum ad hominem, dat is, door een argument of bewijs op den man af; want Hij zeide: „Wat mensch onder u, hebbende honderd schapen, en één van die verliezende, verlaat niet de negen en negentig in de woestijn, totdat hij hetzelve vinde?quot; Geen argument werkt krachtiger op de menschen dan een argument, dat in innig verband staat met hun eigen da-gelu\'ksch leven, en de Heiland heeft dit alzoo gebruikt. Zoo zij al niet overtuigd werden, waren zij ten minste tot zwijgen gebracht. Het was een bijzonder krachtig argument; omdat er bij hen slechts sprake was van een schaap, dat zij zouden gaan zoeken; terwijl hetgeen Hy zocht van oneindig grooter waarde was, dan alle de kudden van schapen, die ooit op Saron of Karmel geweid hebben, want het was de ziel des menschen, die Hij zocht te redden. Er was in dit argument niet slechts het punt van zeer byzondere toepasselijkheid; maai- er was eene ontzaggelijke kracht in om het te doen doordringen tot ieder oprecht hart. „Indien een iegelijk van u, menschen, een verloren schaap zoudt gaan zoeken, deszelfs spoor zoude volgen, totdat gü het hebt gevonden, hoe veel te meer mag Ik dan niet heengaan om verlorene zielen te zoeken, ze te volgen op hare dwaalwegen, totdat Ik ze kan redden?quot; Het zoeken van het schaap is een deel van de gelijkenis, dat onze Heere hen wilde doen opmerken. De herder volgt een\' weg, dien hij nooit zou volgen, indien hij alleen met zijn eigen genoegen te rade ging. Hy kiest dien weg niet voor zijn vermaak of genoegen, maar om den wille van het verloren schaap. Hij volgt zijn spoor op berg en in dal, ver weg in de woestijn, of in een donker woud, om de eenvoudige reden dat het schaap dien weg was gegaan, en dat hü het moet volgen, totdat hij het heeft gevonden. Uit smaak, of voor zijn genoegen, zou onze Heere Jezus Christus nooit in het gezelschap van tollenaren en zondaren zijn gevonden, noch in het gezelschap van iemand anders uit ons schuldig geslacht. Indien Hij met z^in eigen gemak of genot ware te rade gegaan, Hij zou zich alleen met de heilige en reine engelen vergezelschapt hebben, en met den grooten Vader hier Boven. Maar Hy dacht niet aan zich zeiven, zyn hart was met de verlorenen, en daarom ging Hij waar de verlorene schapen waren; „want de Zoon des men-

Ö8(i

-ocr page 716-

dé gelijkenis van het verloken schaap.

schen is gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was.quot; Hoe aandachtiger gij deze gelijkenis bij u zeiven overweegt, hoe duidelijker gij zien zult, dat onzes Heeren antwoord volledig was. Wij behoeven het heden niet uitsluitend als een antwoord aan de Farizeën te beschouwen, maar er ook voor ons zei ven leering in vinden; want ook hiervoor is het even volledig. Moge de goede Geest ons onderwijzen, terwijl wy er over nadenken.

I. Ik zal in de eerste plaats uwe aandacht bepalen by deze opmerking: het ééne onderwerp van gedachten voor den man, die zyn schaap had verloren. Dit toont ons de eenige gedachte van onzen Heere Jezus Christus, den Goeden Herder, als Hy een\' mensch verloren ziet voor heiligheid en gelukzaligheid, doordat hij weggedwaald is in de zonde.

De herder, zijne kleine kudde van honderd schapen overziende, kan er slechts negen en negentig tellen. Hy telt ze nog eens, en hij bemerkt dat één schaap weg is. Het is misschien een schaap met witten kop en eene zwarte plek op den voet. Hy weet alles van dat schaap, want „de Heere kent degenen, die zijne zyn.quot; De herder heeft van het dwalende schaap eene photographic in het oog zyns geestes, en nu denkt hij maar weinig aan de negen en negentig, die in de weiden der woestijn grazen, maar zijn hart is onrustig in hem over dat eene verloren schaap. Dit ééne denkbeeld heeft zich meester gemaakt van geheel zijne ziel: „een schaap is verloren!quot; Dit ontrust en ontroert hem al meer en meer — „een schaap is verloren!quot; Het neemt al zijne geestvermogens in beslag. Hij kan geen brood eten; hij kan niet naar huis terugkeeren; hy kan niet rusten, terwijl er een schaap verloren is.

Voor een teeder gemoed is een verloren schaap iets pijnlijks om aan te denken. Het is een schaap, en dus volkomen loeer-loos, nu het zyn\' beschermer verlaten heeft. Indien de wolf het bespeurt, of indien de leeuw of de beer het ontmoet, het zou terstond verscheurd worden. En zoo vraagt de herder zich af: „Wat zal er van mijn schaap worden? Wellicht is op dit eigen oogenblik de leeuw gereed het te bespringen, en dan kan het zich niet verweren!quot; Een schaap kan niet vechten, en zelfs voor de vlucht bezit het de snelheid niet van zijn\' vijand. Het maakt zijn\' medelijdenden eigenaar nog treuriger als hij denkt — „Een schaap is verloren, en loopt groot gevaar van een\' wreeden dood te sterven.quot; Een schaap is van alle schepselen het onverstandigst. Als wij een\' hond verloren hebben, kan hy wellicht zelf wel den wegnaar huis vinden; een paard zou ook wel naar den stal zijns meesters kunnen terugkeeren; maar een schaap zal voort blijven dwalen, totdat het als in een\' doolhof gansch verloren is. Het is te onverstandig om aan terugkeeren naar de plaats van veiligheid te denken. In landen

687

-ocr page 717-

DE GELIJKENIS VAN HET VERLOEEN SCHAAP.

waar de weiden niet omheind, en de vlakten grenzenloos zijn, is een verloren schaap in waarheid verloren. Dat feit is den man gedurig voor oogen — „Een schaap is verloren, en het zal niet terugkomen, want het is een dwaas schepsel. Waar kan het niet al heengedwaald zijn? Vermoeid en afgemat, kan het bezwijken, omkomen van honger te midden der kale rotsen of het dorre zand.quot; Een schaap is owöe/joZpew; het heeft er niet het minste begrip van om zelf in zijne behoefte te voorzien. Het kameel kan op verren afstand reeds water ruiken; de gier kan op ontzettend grooten afstand zijn voedsel bespeuren; maar het schaap kan niets voor zich zeiven vinden. Van alle ongelukkige schepselen is een verloren schaap er het ergst aan toe. Indien iemand op dat oogenblik tot den herder ware gekomen, en tot hem had gezegd: „Vriend, wat deert u? Gij schijnt in groote zorge te zijnquot;; hij zou geantwoord hebben: „Daar heb ik wel waarlijk reden toe, want er is een schaap verloren.quot; „Het is er slechts één, en ik zie, dat gij nog negen en negentig over hebt.quot; ,,Acht gij het weinig om er een te verliezen? Gij zyt geen herder, of gy zoudt zoo niet spreken. Ach, het is mü, alsof ik de negen en negentig, die allen in veiligheid zijn, vergeet, en slechts aan dat ééne kan denken, hetwelk verloren is.quot;

Hoe komt het, dat de groote Herder het verlies van één schaap zijner kudde zoo ter harte neemt? Waarom is Hij zoo ontroerd bjj de gedachte — „een van diequot; te verliezen ?

Ik denk ten eerste, omdat het zijn eigendom is. De gelijkenis spreekt niet zoo zeer van een\' gehuurden herder als wel van een\' herder, die de eigenaar is der schapen. „Wat measch onder u, hebbende honderd schapen, en één van die verliezende.quot; Op eene andere plaats spreekt Jezus van den huurling, wien de schapen niet eigen zijn, en dus vliedt, als de wolf komt. Het is de herder-eigenaar, die zijn leven stelt voor de schapen. Het is maar niet een schaap, en een verloren schaap, het is een van zijne eigene schapen, waar die man in zorge over is. Deze gelijkenis is niet geschreven voor de verloren menschheid in het groote algemeen — het kan, indien gij wilt, ook daarvoor gebruikt worden; maar er worden toch in de eerste plaats Christus\' eigene schapen mede bedoeld; gelijk ook in de tweede gelijkenis van het eigen geld der vrouw wordt gesproken; en in de derde niet iets verhaald wordï over den een\' of anderen losbandigen jongeling, maar over des vaders eigen zoon. Jezus heeft zijne eigene schapen, en sommigen er van zijn verloren; ja eenmaal waren zij allen in dien toestand; want „wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn\' weg.quot; De gelijkenis heeft betrekking op hen, die Jezus gekocht heeft met zijn dierbaar bloed, maar die nog onbekeerd zyn, en waarvoor Hij gekomen is om ze te zoeken

688

-ocr page 718-

de gelijkenis van hst verloren schaap. 689

en zalig te maken. Dat zijn die andere schapen, die Hij ook moet toebrengen. „Want zoo zegt de Heere Heere; Ziet, Ik, ja Ik, zal naar mijne schapen vragen en zal ze opzoeken. Gelijk een herder zijne kudde opzoekt, ten dage als hij in het midden zijner verspreide schapen is, alzoo zal Ik mijne schapen opzoeken; en Ik zal ze redden uit al de plaatsen, waarhenen zij verstrooid zijn, ten dage der wolke en der donkerheid.quot; De schapen van Christus zijn zijn eigendom, lang vóórdat zij het weten — zij zijn de zijnen zelfs als zij afdwalen. En als zij door de krachtige werking zijner genade in de schaapskooi zijn gebracht, dan worden zij in het openbaar wat zij reeds van ouds in het verbond geweest zijn. De schapen zijn van Christus, ten eerste, omdat Hij hen van voor de grondlegging der wereld heeft uitverkoren — „Gü hebt mij niet uitverkoren, maar ik heb u uitverkoren.quot; De zijne, vervolgens, omdat de Vader ze Hem gegeven heeft. Hoe verwijlt Hij niet bij dat feit in zijn heerlijk gebed in Johannes XVII: „Zij waren uwe, en Gü hebt ze my gegevenquot;; „Vader! ik wil, dat waar ik ben, ook die bij mij zijn, die Gij my gegeven hebt.quot; Wijzynde eigene kudde des Heeren, ook wyl Hij ons gekocht heeft. „Ik stel mijn leven voor de schapenquot;, zegt Hij. Het is bijna negentien eeuwen geleden, sedert Hy den losprijs betaald heeft, en ons gekocht heeft om de zijnen te zijn; en wy zullen dezynen zyn, want dat losgeld is niet te vergeefs betaald. En zoo ziet de Heiland op zijne handen, en ziet het merk van zijn\'koop; Hij zietop zyne zijde, en ziet het teeken van de afdoende, volkomene verlossing zijner uitverkorenen, daar Hy voor den levenden God zyn bloed heeft uitgestort en hen aldus ten eigendom heeft verkregen. Deze gedachte dringt zich dus aan Hem op: „Een mijner schapen is verloren.quot; Het is eere vreemde onderstelling, die in deze gelijkenis ligt opgesloten — „indien hy een van die verliest.quot; Hoe! een te verliezen, dien Hij lief heeft gehad eer de wereld was? Het kan voor een© wyle afdwalen, maar Hij kan het niet voor altyd verloren laten gaan. Dat zou Hij niet kunnen dragen. Een verliezen, dien Hy met zyn eigen leven heeft gekocht? Hij kan het denkbeeld niet verdragen. Dat woord „een van die verliezendequot; doet zijne ziel ontvlammen. Dat zal niet geschieden. Gij weet op hoe hoogen prys de Heere ieder zijner uitverkorenen gesteld heeft, daar Hy voor hunne verlossing zijn leven heeft gegeven. Gij weet hoe lief Hij ieder der zynen heeft. Het is voor Hem geene nieuwe liefde, en het is ook geene liefde, die by Hem oud kan worden. Hij heeft de zynen liefgehad en moet hen tot het einde toe liefhebben. Die liefde heeft reeds van eeuwigheid af bestaan, en zij moet door alle eeuwen heen blijven bestaan, want Hij verandert niet. Zal Hij een van degenen verliezen, die Hij zoo teeder liefheeft? Nooit, nooit! Hy heeft een eeuwig bezit in hen door een zoutverbond,

44

-ocr page 719-

DE gSmjkeUis van iIet verloren scaAAP.

waarin de Vader ze Hem gegeven heeft. Dit is het in groote mate, waardoor zijne ziel beroerd wordt, zoodat Hij aan niets kan denken dan aan dit feit; — Een myner schapen is ver-

loren. ,

Ten tweede. Hij heeft nog eene reden voor die alles beheer-schende gedachte, namelijk; zijn grool medelijden met zijn verloren schaap. Het dwalen eener ziel kost Jezus diepe smart; Hij kan de gedachte niet verdragen, dat zij zou omkomen. De liefde en teederheid van zyn hart zyn zoo groot, dat Hij het niet dragen kan dat een der zijnen in gevaar is. Hij kan niet rusten zoolang eene ziel, voor welke Hy zijn bloed gestort heeft, nog onder de heerschappij van Satan is en onder de macht der zonde. Daarom zal de Groote Herder nacht noch dag zijn schaap vergeten; Hij moet zyne kudde behouden, en Hy wordt geperst totdat dit volbracht is.

Hy heeft een innig medegevoel met ieder verdoold hart. Hy kent de smart, die door de zonde wordt teweeggebracht, de verontreiniging en de schrikkelijke verwonding, die het gevolg zyn der overtreding, zelfs reeds in dit leven; het treurige hart en het verbroken gemoed, dat hier weldra uit geboren zal worden; en daarom treurt de medegevoelende Heiland over ieder verloren schaap, want Hy weet welk eene ellende ei ligt opgesloten in het feit van verloren te zijn. Indien gij ooit in een huis waart met eene moeder en een vader, en dochters en zonen, als een klein kind verloren was, dan zult gy de ontroering van ieder lid van dat gezin nooit vergeten. Beschouw den vader, als hij naar het politiebureau gaat, en elk huis binnentreedt, want hy moet zijn kind vinden, of zijn hart zal breken. Aanschouw de diepe neerslachtigheid en den angst dei-moeder; het is alsof zij van hare zinnen beroofd is, zoo lang er geene tijding is van haren lieveling. Nu begint gij te begrijpen wat Jezus gevoelt voor iemand, dien Hij liefheeft, die in zijne handpalmen is gegraveerd, op wien Hij in den spiegel zijner voorkennis gezien heeft, toen Hy zijn leven heeft weg-gebloed aan het kruis. Hij heeft geen rust in zijn gemoed, totdat zyn beminde gevonden is. Hy heeft ontferming als God, en die overtreft alle mededoogen van ouders of broeders, — de ontferming van een oneindig hart, overvloeiende van liefde. Deze eene gedachte wekt het medelijden des Heeren op — .een van die verliezende.quot;

De man in de gelijkenis had daarenboven nog eene derde betrekking op het schaap, die hem met deze ééne gedachte vervulde; — hij was er de herder van. — Het was zijn eigen schaap, juist daarom was hij er de herder van geworden. En nu zegt hij by zich zeiven: „Indien ik een mijner schapen veilles, dan zal mijn herderswerk slecht gedaan wezen.quot; Welk eene oneer zou het voor een\' herder wezen om een zijner schapen

690

-ocr page 720-

DE GELIJKENIS VAN HET VERLOREN SCHAAP.

te verliezen! Het moet of uit gebrek aan bekwaamheid wezen om het te bewaren, of uit gebrek aan goeden wil, of uit gebrek aan werkzaamheid; maar niets van dit alles kan aan den Oppersten Herder worden toegeschreven. Het zal nooit van den Heere Jezus Christus gezegd kunnen worden, dat Hij een der zijnen heeft verloren, want Hü stelt er züne eer in ze allen bewaard te hebben. „Toen ik met hen in de wereld was, bewaarde ik ze in uwen naam. Die Gü my gegeven hebt, heb ik bewaard, en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon der verderfenis, opdat de Schrift vervuld worde.quot; De duivel zal nooit zeggen, dat Jezus een van hen, die de Vader Hem heeft gegeven, verloren heeft laten gaan. Zü\'n werk der -liefde kan in geen enkel opzicht mislukken. Zijn dood te vergeefs! Neen, in geen jota of tittel! Ik kan mij voorstellen, dat de Zone Gods — indien dit mogelijk ware — te vergeefs zou leven; maar te vergeefs sterven! Dat zal nimmer geschieden. Het doel, dat Hij door zyn lijden en sterven heeft willen bereiken, zal Hij bereiken, want Hij is de Eeuwige, de Oneindige, de Almachtige, en wie zal zijne hand keeren, of zijn\'raadslag te niet maken? Hij zal het niet toelaten. „Indien hij een van die verliest!quot; Stelt u voor wat daar de gevolgen van zouden zyn. Wat minachting zou er van Satan komen! Welkeen\' smaad zou hij uitstorten over den Herder! Hoe zou de hel weerklinken van de tijding: „Hü heeft een van die verloren!quot; Gesteld eens, het was het zwakste; dan zouden zjj roepen; „De sterken kon Hij wel bewaren.quot; Gesteld het was het sterkste; dan zouden zü roepen; „Zelfs een der machtigsten van hen kon Hij niet bewaren, maar moet hem laten omkomen.quot; Dit is een goed argument, want Mozes pleitte bij God; „Wat zullen de Egyptenaren zeggen ?quot; Het is de wil niet uws Vaders, die in hemelen is, dat één van deze kleinen verloren ga, en het is ook niet tot eer van Christus, dat een zijner eigene schapen voor eeuwig verloren zal gaan.

Gij ziet de reden, waarom het hart des Heeren vervuld is van die ééne brandende gedachte; want ten eerste het schaap is zyn eigendom; ten tweede, Hy is vol van mededoogen, en eindelijk, het is zijn werk, zijn ambt de kudde te hoeden.

Maar gedurende al dien tyd denkt het schaap niet aan den herder, ja bekommert zich niet het minst om hem. Sommigen van u denken in het geheel niet aan den Heere Jezus. Gij hebt noch den wil noch den wensch Hem te zoeken! We\'.ke eene dwaasheid! O hoe treurig is het, dat het groote hart van Christus heden naar u smacht, en geene rust kan vinden, omdat gy in gevaar zijt; terwyl gij, die verre weg het meest er by verliest, want gy zult uwe eigene ziel verliezen, speelt met de zonde, en u vroolyk maakt met het verderf. Helaas! hoe schrikkelyk ver zijt gij afgedwaald! Hoe hopeloos zou uw toestand we-

691

-ocr page 721-

t)E GELIJKENIS VAN HET VÈRLOREN SCÖAAP.

zen, indien er geen almachtige Herder was om aan u te denken.

II. Nu komen wij tot het tweede punt, en letten op het eenig vooKWEEP van dat zoeken. Dit schaap ligt op des herders hart gebonden, en hij moet terstond heengaan om het te zoeken. Hij laat de negen en negentig in de woestijn, en gaat heen om dat eene te zoeken totdat hij het heeft gevonden.

Merkt hier op, dat het een zoeken is naar een bepaald voorwerp. De herder zoekt het schaap, en niets anders, en hij heeft dit bijzondere schaap in het oog. Ik heb over dezen tekst hoo-ren spreken op eene manier, die mij deed denken, dat Christus, de Herder, heenging naar de woestijn, om elk schaap te zoeken, aan wien dit overigens ook mocht toebehooren. Er waren daar velen, en Hij kende ze niet uit elkander, maar vergenoegde zich met het eerste het beste, dat Hem in handen zou komen, of liever, het eerste, dat Hem zou naloopen om zich door Hem te laten grijpen. Maar zoo wordt in de gelijkenis de zaak niet voorgesteld. Het is zijn eigen schaap, dat hij zoekt, en daarvoor alleen begeeft Hy zich op weg. Het is zijn schaap, dat verloren was —• een welbekend schaap; welbekend niet slechts aan hem zeiven, maar zelfs aan zijne vrienden en geburen, — want hij spreekt er van als of ieder volkomen begreep, welk schaap Hij ging redden. Jezus weet alles van zijne verlosten, en Hü gaat bepaaldelijk uit om zóó of zóó een schaap te redden. Als ik in den naam des Heeren predik, dan is het mü een genot te denken, dat ik met de boodschap der genade tot afzonderlijke personen ben gezonden. Ik zal myn\' pijl volstrekt niet maar bij geval afschieten; maalais Gods handen de mijnen besturen om den boog te spannen, dan weet de Heere het doel volkomen te treffen; dan zal het woord doordringen tot het binnenste des harten, want er is geen „by gevalquot; in Jezus\' handelingen met de menschen. Hij onderwerpt den wil, en overwint het hart, en maakt zijn volk gewillig ten dage zijner heirkracht. Hij roept afzonderlijke personen, en zij komen. Hij zegt „Maria,quot; en het antwoordt luidt: Rabbouni.quot; Ik zeg, dat de man in de gelijkenis een bepaald voorwerp zocht, en niet rustte voor dat hij het had gevonden; en zoo gaat ook de Heere Jezus in de beweging zijner liefde niet uit tot iets onbestemds. Hij tast niet in den blinde, om te grijpen, wien Hem voor de hand komt, neen, Hij zoekt en maakt zalig datgene zijner schapen, waarop Hij het oog gevestigd heeft in deszelfs afdwalingen. Jezus weet wat Hy voornemens is te doen, en tot eer zijns Vaders zal Hy het doen.

Merk op, dat dit een zoeken is, dat het gansche hart inneemt. Hy denkt aan niets dan aan zijn verloren schaap. De negen en negentig worden wel in veiligheid verlaten, maar verlaten worden zy. Als wij lezen, dat hy ze verlaat in de woestijn, dan

692

-ocr page 722-

DE G2LIJKENIS VAN HET VERLOREN SCHAAP.

denken wy allicht aan eene dorre, onvruchtbare plaats; maar dat is er niet in opgesloten. Het beteekent eenvoudig eene opene weide, de steppe, de prairie. Hy verlaat ze, wijl zij goed verzorgd zyn, en Hy ze dus verlaten kan. Voor het oogenblik is hy vervuld van die ééne gedachte, dat hy het verlorene moet zoeken en redden, en daarom verlaat htf de negen en negentig in de weide. „Herder, de weg is zeer rotsachtig!quot; Hij schijnt niet te weten, wat het voor een weg is, zijn hart is met zijn verloren schaap. „Herder, die berg is zeer moeielijk te beklimmen!quot; Hij let niet op zyn zwoegen; zijne ontroering en bezorgdheid leenen hem de voeten der klipgeit, hij gaat met vasten tred, waar op andere tyden zyn voet uit zou glijden. Hy ziet rond naar zijn schaap, en schijnt klip noch afgrond te bemerken. „Herder, het is een schrikkelijke weg, waarlangs gij naar gindsche sombere vallei moet afdalen !quot; Hy is niet schrikkelijk voor hem; de eenige vrees, die hem beklemt, is, dat zijn schaap zal omkomen. Hij stort zich in gevaar, en ontkomt er slechts aan door de sterke aandrift, die hem door alles heen doet gaan. Het is heeriyk om aan den Heere Jezus Christus te denken, terwyi Hij zijn hart gesteld heeft op de verlossing eener ziel, die op dat oogenblik voor Hem verloren is.

Het is ook een zeer werkzaam zoeken; want hy zoekt hetgeen verloren is, totdat hy het vindt, en doet dit persoonlijk. Hij zegt niet tot een zijner dienstknechten: „Ga heen, haast u het schaap te zoeken, dat verloren is, en breng het tehuis.quot; Neen, hij zelf volgt het. En indien er ooit eene ziel van de zonde tot de genade wordt gebracht, dan geschiedt dit niet door den arbeid van ons, geringe leeraars, alleen, maar door den Meester zei ven, die zijn verloren schaap zoekt. Hetis eene heeriyke gedachte, dat Hü nog altijd persoonlijk uitgaat om zondaren te zoeken, die schoon zü in ontzettende dwaasheid van Hem wegvlieden, nog altijd achtervolgd worden door Hem, achtervolgd door den Zone Gods, den eeuwigen Liefhebber der men-schen, achtervolgd, totdat Hij hen vindt.

Want let op het volhardende van dat zoeken: „totdat hij hetzelve vinde.quot; Hij houdt niet op, voordat hy de daad volbracht heeft. Gy en ik behooren te zoeken naar eene ziel. Hoe lang ? quot;Wel, totdat wij haar gevonden hebben; want dat is het voorbeeld, dat de Meester ons gesteld heeft. De gelijkenis zegt niets van een niet vinden van het schaap; er wordt zelfs in de verte van geen falen, geen vruchteloos zoeken gesproken. Het komt ons niet in de gedachte, dat een schaap, dat Christus toebehoort, niet door Hem gevonden zal worden. O mijne broeders, er zijn zeer velen, die gij en ik nooit zouden vinden; maar als Jezus zijne verloren schapen zoekt, dan kunt gij er van verzekerd wezen, dat zy\'ne macht en bekwaamheid zóó

6:3

-ocr page 723-

de gelijkenis van het verloren schaap.

groot zijn, dat Hij zóó scherp en helder ziet, zóó krachtig tus-schenbeiden treedt, dat Hy ze gewisselijk zal vinden en te huis brengen. Ik kan mij geen verslagen Christus voorstellen. Het is een persoonlijk, volhardend en voorspoedig zoeken, totdat hij hetzelve vinde. Laat ons hiervoor zyn\' naam loven en prijzen.

Er is een kleine trek in deze gelijkenis, die niet dikwijls opgemerkt wordt. Als de herder het schaap gevonden heeft, dan schynt hij bet niet weder in de schaapskooi te brengen. Ik bedoel, dat dit niet uitdrukkelijk geschreven staat als een feit, dat opgemerkt moet worden. Ik denk, dat hij het er ten laatste wel in gebracht zal hebben; maar voor het oogenblik houdt hij het liever by zich dan het weder bij de andere schapen te laten gaan. In het volgend tafereel is de herder te huis, zeggende; „Weest blijde met mij, want ik heb mijn schaap gevonden, dat verloren was.quot; Het is alsof Jezus eene ziel redt niet zoo zeer voor de kerk als voor zich zeiven, en ofschoon de verlosten zich onder de kudde bevinden, is het toch de grootste vreugde, dat het schaap bü den herder is. Dit toont, hoe volkomen Christus alle krachten aanwendt om zijn volk te redden. Er is in Christus niets, dat zich niet strekt tot de zaligheid zijner verlosten. Er zijn in hem geene roelselen des harten, geene slechts half gewijde invloeden, die Hem doen aarzelen. In het najagen van zekere doeleinden gebruiken wy soms niet meer dan een deel van onze krachten en gaven; maar Jezus wendt al zyne vermogens aan om de zielen te zoeken en zalig te maken.

Ieder zondaar wordt door den ganschen Christus gezocht, en als de Heere eene ziel vindt, dan geeft Hij zich aan die eene ziel, als of Hjj slechts die eene ziel had te zegenen. Hoe be wondert mijn hart de geheele samentrekking der Godheid en menschheid van Christus in het zoeken van ieder schaap zijner kudde.

HL Ik zal nu kortelijk verwijlen bij een derde punt. Wy hebben gehad één onderwerp van gedachte, en één voorwerp van het zoeken, thans hebben wij één last der liefde. Als het zoeken geëindigd is, dan volgt het redden — „Als hij het gevonden heeft, legt hij het op zyne schouderen, verblijd zijnde.quot; Heerljjke daad! Hoe schoon wordt door de gelijkenis de geheele verlossing voorgesteld. Sommigen van de oude schrijvers hebben het aldus uitgedrukt: In zijne menschwording is Hü uitgegaan naar het verloren schaap; in zijn leven is Hij voortgegaan met het te zoeken; in zijn\' dood heeft Hij het op zijne schouderen gelegd; in zijne opstanding heeft Hü het op weg gedragen, en in zijne hemelvaart heeft Hij het juichende te huis gebracht. Geheel het leven onzes Heeron was gewijd aan het winnen van zielen; een leven, dat Hij besteed heeft

694

-ocr page 724-

DE GELIJKENIS VAN HET VEBLOEEN SCHAAP.

ten behoeve van zyn volk; en daarin kunt gy het gansche plan der verlossing zien.

Maar nu verder, de herder vindt het schaap, en legt het op zyne schouderen. Het is eene daad van opheffing, den gevallene oprichtende van de aarde, waarop hij gedwaald had. Het is alsof hü het schaap opnam, zooals het daar was, zonder een enkel woord van bestraffing, onverwijld, zonder aarzeling, het opheffende uit het moeras, of van uit de doornen, om het in veiligheid te brengen. Herinnert gij het u niet, hoe de Heere u heeft „opgehaald uit een\' ruischenden kuilquot;? Hoe Hij „zond van de hoogtequot; en u heeft verlost en uwe sterkte is geworden? Ik zal dien dag nooit vergeten. Welk eene wondervolle opheffing was het voor mij toen de Groote Herder mij ophief tot nieuwigheid des levens. De Heere zeide van Israël: „Ik heb u gedragen op vleugelen der arendenquot;; maar het beeld is nog liefelyker om op de schouderen gedragen te worden van den in het vleesch verschenen Heere.

Dit leggen op de schouderen was eene. daad van toeëigening. „Gy zyt mijn schaapquot;, scheen hij te zeggen, „en daarom leg ik u op myne schouderen.quot; Hij heeft dit nu niet in zoo vele woorden uitgesproken, maar door eene snelle daad heeft hij het duidelijk te kennen gegeven, want men draagt geen schaap weg, waarop men geen recht heeft. Het was geen schapendief, maar een schapeneigenaar. Hij grijpt het schaap zoo vast aan, dat het zich niet kan bewegen, en dan legt hij het op zijne schouderen, want het is nu geheel en al het zyne. Ik ben ver-van huis, schijnt hij te zeggen, en ik bevind my in een afmattende woestijn; maar ik heb mijn schaap gevonden, en deze handen zullen het vast houden.quot; Zie hier des Heeren eigene woorden: „Ik geef hun (d. i. mijnen schapen) het eeuwige leven; en zy zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit mijne hand rukken.quot; Handen, waarin zoo veel kracht schuilt als in die van Jezus, zullen het gevondene schaap vast houden. Schouderen, zoo krachtig, als die van Jezus, zullen het gevondene schaap veilig naar huis dragen. Het is volkomen wel met dat schaap, want het is gewis het eigendom des Goeden Herders, gelyk het dit naar de eeuwige bedoeling des Vaders ook altyd geweest is. Herinnert gij het u, dat Jezus tot u gezegd heeft: „Gij zijt de mijnequot;? Dan weet ik, dat gij u Hem ook toegeëigend hebt.

En nog meer nederbuigend is eene andere beschouwing van deze handeling: het was eene daad van dienstbetoon aan het schaap. Het schaap rust met zijn gansche gewicht op den herder. De herder is de lastdrager. Het schaap rust, de herder arbeidt. „Ik ben in het midden van u, als een die dient,quot; heeft onze Heere voorlang gezegd. „In gedaante gevonden als een mensch, heeft Hij zich zei ven vernederd, gehoorzaam geworden

«95

-ocr page 725-

de gelijkenis van het veeloeen schaap.

696

zijnde tot den dood, ja den dood des kruises.quot; Op dat kruis heeft Hjj den last gedragen onzer zonde, en wat meer is, den last van ons zeiven. Geloofd zü zijn naam: „De Heere heeft ons aller ongerechtigheid op zich geladenquot;, (1) en Hy heeft ook ons op zich geladen, en Hij draagt ons. Herinnert u dat kostelijke Schriftwoord: „Door zijne liefde en door zgne genade heeft Hij hen verlost; en Hij nam hen op, en Hij droeg hen al de dagen van ouds. Ziel ver teederende gedachte! de Zone Gods werd dienstbaar aan de kinderen der menschen! De Schepper van hemel en aarde boog zijne schouders om het gewicht der zondaren te dragen.

Het was eene rustgevende daad, die zeer waarschijnlijk noodig was voor het schaap, dat vermoeid en afgemat was en niet verder voort kon. Het was eene volkomene rust voor het arme dier, indien het dit slechts had kunnen begrijpen, om zich op des herders schouders te gevoelen, en met onweerstaanbaar, doch liefelijk geweld terug gebracht te worden naar de plaats der veiligheid. Welk eene ruste is het voor u en voor mij om te weten, dat wij door de eeuwige macht en Godheid van den Heere Jezus Christus gedragen worden! „De beminde des Hebben, Hij zal zeker bij hem wonen; Hij zal hem den ganschen dag overdekken, en tusschen zijne schouders zal Hij wonen !quot; Den ganschen dag worden wy door Christus gedragen: wij hebben geene kracht van noode; onze zwakheid is voor ons geen beletsel, want Hij draagt ons. Heeft de Heere niet gezegd: „Ik zal u opnemen, en Ik zal u dragen en redden.quot; Wy zullen zelfs niet struikelen en nog veel minder vallen tot verderf: des Herders voeten zullen den ganschen weg veilig afloopen. Geen enkel deel van den weg moet ons vrees inboezemen, want Hij is machtig ons naar zijn huis hier Boven te dragen. Welk een liefelyk woord vinden wij in Deuteronomium: „De Heere, uw God, heeft u gedragen, als een man zijn\' zoon draagt, op al den weg, dien gy gewandeld hebt, totdat gij kwaamt aan deze plaats.quot; Zalige rust des geloofs, om u gansch en al over te geven aan die handen om u te bewaren, en aan die schouderen om u te dragen tot aan het einde! Laat ons den Heere loven en pryzen! De Herder is toegewijd aan zyn\' last; Hij draagt op zijne schouderen niets anders dan zyn schaap; en de Heere Jezus schynt geen\' anderen last te dragen dan dien van zijn volk. Hij wendt zyne almacht aan om zyne uitverkorenen te redden; na hen gekocht te hebben door zijn bloed, verlost Hij hen nu verder door zijne macht. „En zij zullen, zegt de Heeee der heirscharen, te dien dage, dien Ik maken zal, Mij een eigendom zijn.quot; O heerlyke genade van onzen nimmer moede wordenden Zaligmaker, die zich geheel

(I) Jesaja 53: 6, naar de kantteekening op den Statenbijbel.

-ocr page 726-

de gelijkkni9 van het verloren schaap.

wijdt aan onze verlossing, en tot dat ééne doel aanwendt alles wat Hij heeft en wat Hij is.

IV. WQ zullen, ten besluite, nog bü ééne zaak stilstaan, en die is; — de eene bron van vreugde. Deze man, die zijn schaap verloren had, is vervuld van vreugde, maar zijn schaap is er de eenige oorzaak van. Zijn schaap heeft zóó zeer al zijne gedachten ingenomen, en al zijne krachten en vermogens, dat hij, gelijk hij er eerst al zgne zorge aanhad gewijd, er ook nu al zyne vreugde in vindt.

Merkt op die eerste vermelding van blijdschap: „Als hy het gevonden heeft, legt hij het op zijne schouderen, verblijd zijnde.quot; „Herder, dit is een zware last voor u, om te torsen!quot; Vroolijk antwoordt hy: „Ik ben blijde dien last op mijne schouders te hebben.quot; Als de moeder haar verloren kind heeft gevonden, dan zegt zij niet: „Dit is een zware last.quot; Neen, zy drukt het aan haar hart. Zy vraagt niet hoe zwaar het is, het is haar een dierbare, liefelijke last. Zij is blijde, dat zij het wederom mag dragen. „Legt hij het op zijne schouderen, verblijd zijnde.quot; Denkt aan dien tekst: „Die voor de vreugde, die hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht.quot; Eene groote smart was over Christus, toen onze last op Hem gelegd werd, maar eene nog grootere blijdschap vervulde zijn hart, toen Hij kon donken, dat wy aldus uit onzen verloren toestand gered waren. „Ik heb hen op myne schouderen genomenquot;, dacht Hy by zich zeiven, „en niemand kan hun nu eenig leed berokkenen, en zy kunnen nu ook niet meer wegdwalen en te gronde gaan. Ik draag hunne zonde, en zy zullen niet in de verdoemenis komen. De straf hunner zonde is op Mij gelegd, opdat zij nooit op hen gelegd zou worden. Ik ben een volkomen Plaatsbekleeder voor hen. Ik draag den rechtvaardigen toorn myns Vaders, opdat zy dien nooit zullen behoeven te dragen.quot; Zijne liefde voor hen deed Hem blijdschap smaken in elke striem der gerechtigheid, die Hij gevoelde; zijne liefde voor hen maakte het Hem tot een genot, dat de nagelen zijne handen en voeten zouden doorboren, en dat zyn hart gebroken zou worden door het zich verbergen voor Hem van zyn\' Vader, God. Zelfs het „Eloi, Eloi, lama sabachtaniquot; nadat de diepten dei-ellende gepeild waren, zullen bevonden worden paarlen van vreugde in deszelfs duistere spelonken te verbergen. Geen triomfkreet kan bij dien kreet der smarte ook maar vergeleken worden, omdat de Heere zich verblijdde zelfs om het verlaten des Vaders te dragen voor de zonde zyner uitverkorenen, die Hij liefhad van voor de grondlegging der wereld. O gij kunt het niet anders dan in eene zeer zwakke mate verstaan. Laat ons trachten er eene aardsche miniatuur gelijkenis voor te vinden. Een zoon, die ver van zijn ouderlijk huis is, wordt ziek. Hij

697

-ocr page 727-

DE GELIJKENIS VAN HET VERLOREN SCHAAP.

heeft zware koortsen, en men telegrafeert naar huis. Zjjne moeder zegt, dat zij hem moet gaan verplegen; zy is ongelukkig zoolang zij niet op reis is om tot hem te gaan. Het is eene sombere, akelige plaats, waar haar zoon ziek ligt, maar op dit oogenblik is het voor haar de dierbaarste plek op aarde. Met vreugde verlaat zij de gemakken en genoegens harer woning om ter liefde van haren zoon onder vreemden te gaan verwijlen. Het is haar een genot om zich op te offeren; Zij weigert zijne legerstede te verlaten; Dag en nacht waakt zij bij hem, en het is slechts door volslagene vermoeienis en uitputting, dat zij in slaap valt. Gij zoudt haar niet te huis hebben kunnen houden; zij zou al te ongelukkig zijn geweest. Het was haar eene groote, innige, heilige vreugde om te gaan, waar zij haar geliefd kind kon dienen. Ziele, gedenk, dat gij aan Jezus veel vreugde hebt geschonken, toen Hij u verlost heeft. Hij was van eeuwigheid af by den Vader, eeuwig gelukkig, oneindig heerlijk als God, boven allen te prijzen; maar van wege zijne grenzenlooze liefde moet Hy op aarde komen, onze natuur aannemen en in onze plaats lijden, om ons tot heiligheid terug te brengen en tot God. „Legt hij het op zijne schouderen, verblijd zynde.quot; Op dien dag heeft de herder slechts ééne blijdschap gekend. Hy had zijn schaap gevonden, en tot zelfs de drukking er van op zijne schouderen maakte zijn hart licht, want daaraan wist hy, dat het voorwerp zijner zorge buiten allen twijfel veilig was.

Nu gaat hij er mede naar huis, en zijne blijdschap was toen zoo groot, dat zyne ziel er tot overvloeiens vol van was. De gelijkenis maakt geene melding van zyne blijdschap om weder te huis te zyn; er is met geen enkel woord gewag gemaakt van de blijdschap om door vrienden en geburen begroet te worden. Neen, de blijdschap van zijn schaap gevonden te hebben stelde alle andere blijdschap des harten in de schaduw; zelfs het licht van te huis te zijn en het licht der vriendschap werd er door verdonkerd. Hij wendt zich tot zijne vrienden en geburen en smeekt hun hem het gewicht van zyn geluk te helpen dragen. „Weest blijde met mij,quot; roept hij, „wantik heb mijn schaap gevonden, dat verloren was.quot; Eén zondaar had zich bekeerd, en de gansche hemel moet hierom feest vieren. O myne broeders, er is in het hart van Christus genoeg blijdschap over zijne verlosten, om er den ganschen hemel als het ware mede te overstroomen. In de straten van het Paradys staat men tot aan de knieën in de hemelsche wateren van des Heilands blijdschap. Zij vloeien uit de ziel van Christus, en de engelen en de verheerlijkte geesten baden zich in dien machtigen stroom. Laat ons hetzelfde doen. Wy zijn vrienden, zoo wij al geene geburen zijn. Hij roept ons heden te komen en onze harten te brengen als ledige vaten, opdat Hij ze zou kun-

698

-ocr page 728-

DE GELIJKENIS VAN HET VEELOBEN SCHAAP.

nen vullen met zijne eigene blijdschap, en opdat onze blijdschap volkomen zij. Diegenen van ons, die verlost zijn, moeten ingaan in de vreugde onzes Heeren. Toen ik getracht heb dezen tekst te overdenken, heb ik mij verblijd met mijn\' Heereinde toebrenging van ieder zijner schapen, want elk hunner maakt den hemel vol van vreugde. Maar wat moet het wezen om al de verlosten ingebracht te zien! Jezus zou geene blijdschap hebben, indien Hij een van hen verloor, dan zou alles bedorven schijnen. Indien het voornemen der genade op eenigerlei wijze verijdeld kon worden, dan zou dit voor den grooten Zaligmaker eene treurige nederlaag zijn. Maar zijne voornemens zullen allen tot stand komen. „Om den arbeid zijner ziel zal hij het zien en verzadigd worden.quot; „Hü zal niet verdonkerd worden, en hy zal niet verbroken worden.quot; Hij zal den wil des Vaders volvoeren. Hij zal het volle loon hebben van zijn lijden. Laten wy ons heden met Hem verblijden.

Maar de tekst zegt ons, dat er meer blijdschap was over dat eene verloren schaap, dan over de negen en negentig, die niet verloren waren. Wie zijn deze rechtvaardigen, die de bekeering niet van noode hebben ? Wel, men moet eene gelijkenis nooit zóó uitleggen, dat men haar op vier voeten doet loopen, als zij bestemd was om slechts op twee voeten te gaan. Zulke rechtvaardigen kunnen er wel in het geheel niet zyn, terwyl toch de gelijkenis strikt nauwkeurig is. Indien wij allen zulke rechtvaardigen geweest waren, en de bekeering nooit van noode hadden gehad, dan zouden wy aan het hart van Christus niet zoo veel blijdschap veroorzaakt hebben, als één zondaar, die zich bekeert. Maar gesteld nu eens, dat gij en ik er mede bedoeld waren, die ons reeds lang te voren bekeerd hebben — en dus in zekeren zin, thans de bekeering niet van noode hebben, omdat wy nu reeds gerechtvaardigd zijn — dan geven wij op dit oogenblik aan het hart Gods niet zooveel blijdschap als een zondaar, die zich voor het eerst tot God wendt. Het is niet alsof het iets goeds ware om te dwalen, of iets slechts om voor dwalen bewaard te zijn gebleven. Gij begrijpt hoe dit is: er zijn zeven kinderen van een huisgezin; zes van hen zijn volmaakt wei; maar één geliefd kind is ernstig krank en aan den rand des grafs gebracht. Het kind wordt beter, zijn leven is gespaard: verwondert het u, dat het nu aan het gezin meer blijdschap geeft dan de anderen, die gezond zijn ge bleven? Hieruit volgt nu volstrekt niet, dat het iets goeds is om ziek te zyn. Verre van daar! Wy spreken slechts van de blijdschap, die door herstel uit krankheid wordt gewekt. Neemt een ander geval. Gij hebt een\' zoon, die gedurende langen tijd in een vreemd land heeft vertoefd, en een anderen zoon, die tehuis is gebleven. Gij hebt beiden gelijkelijk lief; maar als de afwezige tehuis komt, dan zal hij voor het oogenblik het meest

699

-ocr page 729-

DE GELIJKENIS VAN HET VEBLOEEN SCHAAP.

in uwe gedachten zü\'n. Is dit ook niet gansch natuurlijk? Die te huis zijn, geven dagelijks vreugde; maar als de stroom der blijdschap afgedamd was door zyne afwezigheid, dan zal hij bij zün\' terugkeer met des te meer kracht terugvloeien. Dan vieren wy feest; dan worden de vreugdevuren ontstoken.

Er zijn bij berouw en bekeering bijzondere omstandigheden, die over den teruggekeerden dwalende blijdschap veroorzaken. Er was te voren smart, en hierdoor komt nu de vreugde des te meer uit. De herder was zóó getroffen van medelijden met het verloren schaap, dat zijne droefheid nu wel in vreugde verkeerd moet zyn. Hij was in groote spanning van onzekerheid, en dat is iets doodelijks, het is als een zuur dat knaagt aan de ziel. Die spanning, welke iemand doet vragen: Waar is het schaap? Waar kan het wezen? is hartverscheurend. Al die moeizame uren van zoeken, en rondzien, en volgen van het spoor over berg en dal zijn pijnlijk en afmattend voor het hart. Gij hebt een gevoel, alsof het u schier liever was te weten, dat gij het schaap niet zult vinden, dan nog langer in de onzekerheid te verkeeren. Is die onzekerheid ten einde, dan komt er gansch natuurlijk eene liefelijke verruiming en blijdschap. Gij weet daarenboven, dat de blijdschap over boetvaardigen zóó onzelfzuchtig is, dat gij, die door Gods genade gedurende vele jaren bewaard zijt gebleven, er niet door gegriefd zijt, dat er meer blijdschap is over een\' zondaar, die zich bekeert, dan over u. Neen, gü zegt bü u zeiven, „daar is goede reden voor. Ik behoor zelf tot hen, die zich verblijden.quot; Gij herinnert u, dat godvruchtigen zich ook grootelijks over u hebben verblijd, toen gij voor de eerste maal tot Jezus zijt gekomen, en gij vereenigt u van harte met hen om de nieuw aangekomenen welkom te heeten. Gij wilt niet doen als de oudste broeder, en zeggen: ik wil niet deelen in de vreugde mijns Vaders. O neen! gij zult van harte instemmen met het gezang en het gerei, en het als uwen hemel beschouwen om zielen verlost te zien van de hel. Ik gevoel mij als van eene plotselinge blijdschap overstroomd, als ik iemand ontmoet, die eens aan de sombere deur der h\',*l lag, maar nu tot de poorte des hemels gebracht is. Is het ook niet zoo bü u?

De eenige gedachte, die ik in uw hart wensch te laten, is, hoe onze genadige Heiland zich voor zijne verlosten schijnt te vergeten. Hoe volkomen gaat iedere gedachte van zijn hart, elke werking zijner macht uit naar de nooddruftige, schuldige, verlorene ziel. Hij legt alles wat Hij heeft ten koste om zijne ballingen weder te brengen. De arme zielen, die in Hem geloo-ven, hebben al zijne kracht en macht ter hunner beschikking. Geloofd zü zijn naam! Laat nu ook ons hart uitgaan in liefde tot Hem, die zijngansche hart heeft gegeven om onze verlossing te werken. Laat ons Hem liefhebben. Wij kunnen Hem

Too

-ocr page 730-

DE GELIJKENIS VAN HET VERLOREN SCHAAP.

niet in gelijke mate liefhebben als Hij ons liefgehad heeft, maar laat ons Hem liefhebben op dezelfde wijze. Laat ons Hem liefhebben met ons gansche hart en met geheel onze ziel. Laat het ons wezen alsof wü niets zagen, niets wisten, niets liefhadden dan Jezus, en dien gekruisigd. Gelijk wij geheel zijn hart vervuld hebben, laat ons hart geheel vervuld zijn van Hem.

O zondaar, die u he \'en hier bevindt, wilt gij u niet overgeven aan den Goeden Herder? Wilt gij niet stilstaan als Hij tot u nadert? Wilt gij u niet onderwerpen aan zijne almachtige genade? Weet dat uwe verlossing van zonde en dood van Hem moet komen, en van Hem alleen. Laat er een gebed uit uw hart tot Hem opgaan: — „Kom Heere, op uwe zaligheid wacht ik! Behoud mij, want ik betrouw op U.quot; Indien gij aldus bidt, dan is het merk van Christus\' schaap op u, want Hij zegt; „Mijne schapen hooren mijne stem, en ik ken dezelven, en zij volgen mij.quot; Kom tot Hem, want Hij komt tot u. Zie op Hem, want Hij ziet naar uit u.

701

-ocr page 731-

GEZAAID ONDER DE DOORNEN.

„En een ander deel viel in de doornen; en de doornen wiessen op, en verstikten hetzelve. Matth. XIII: 7.

„En die in de doornen bezaaid is, deze is degene, die het woord hoort; en de zorgvuldigheid dezer wereld, en de verleiding des rijkdoms verstikt het woord, en het wordt onvruchtbaar.quot; Matth. XIII: 22.

De arbeid des zaaiers is te vergeefs geschied, als hetgeen uit zijn zaaien voortkomt onvruchtbaar is, en dan heeft hij zijne kracht verspild. Zonder vrucht zou des zaaiers werk onzinnig schijnen, want hij neemt goede tarwe, werpt haar weg, en verliest haar in den grond. Het prediken zou de meest nut-telooze van alle bezigheden zijn, als het woord niet geschikt is om in te gaan tot het hart en een goed resultaat op te leveren. O mijne hoorders, indien gü niet bekeerd wordt, dan verspil ik tyd en krachten met hier te staan! Men zou het wel waanzin kunnen achten, dat een geheele dag van de week doorgebracht wordt in het aanhooren van redevoeringen, indien er geene gevolgen uit voortkwamen voor hart en geweten. Indien gij geene vruchten voortbrengt tot heiligheid, en indien het einde niet is het eeuwige leven, dan zou ik nuttiger werkzaam zijn met steenen te breken aan den weg dan met voor u te prediken.

Het vruchtdragen maakte het verschil openbaar tusschen de onderscheidene soorten van grond, waarin de zaaier het zaad gestrooid had. Gy zoudt niet met zooveel zekerheid de hoedanigheid er van hebben kunnen kennen, indien gij de mislukking of den voorspoed van het zaad niet hadt gezien. Wij kennen uw hart niet, vóór wij uwe houding en gedrag zien ten opzichte van het Evangelie. Indien het in u voortbrengt heiligheid en liefde tot God en menschen, dan weten wy, dat er goede grond in u is. Maar indien gü niets meer zyx dan veelbelovende menschen, zonder ook volbrengende menschen te zün, dan weten wij, dat de grond van uw hart hard is, of steenachtig, of doornig. Het woord des Heeren proeft het hart en de nieren van de kinderen der menschen, en hierin is het als het vuur, dat het verschil doet kennen tusschen metaal en schuim.

-ocr page 732-

GEZAAID ONDER DE DOORNEN.

O waarde hoorders, ook gij wordt heden getoetst! Gy zult wellicht den prediker oordeelen, maar een. grooter dan de prediker, zal u oordeelen, want het Woord zelf zal u oordeelen. Gij zit hier als eene rechtbank van gezworenen over u zeiven; uw eigen toestand zal duideluk in het licht treden door de wijze waarop gü Gods Evangelie aanneemt of afwyst. Indien gij tot lof van Gods genade vrucht voortbrengt, zoo is het wel; maar zoo niet, met hoeveel aandacht gij ook schijnt te luisterer, en het gehoorde in uw geheugen bewaart, zoo er geene zaligmakende uitwerking is teweeggebracht in uwe ziel, dan zullen wij weten, dat de grond van uw hart door den Heere niet werd toebereid, maar nog in zijn\' natuurlijken toestand van onvruchtbaarheid verkeert.

Welke vrucht hebt gij tot nu toe voortgebracht van al uw hooren? Mag ik die vraag zeer persoonlijk richten tot u allen ? Sommigen van u zyt van uwe kindsheid af hoorders geweest — zijt gij er beter door geworden? Welk eene lange lyst van predikatiën moet gij nu al aangehoord hebben! Telt uwe zondagen eens over; hoe velen hebt gij er beleefd ? Denkt aan de godvruchtige leeraren, die nu reeds in den hemel zijn, en naar wie gij eens geluisterd hebt! Denkt aan de tranen, die door hun woord aan uwe oogen ontvloeid zijn! Indien gij nu nog niet verlost zijt, zult gij dan ooit verlost worden ? Indien gü nog niet heilig zijt, zult gij ooit heilig worden ? Waarom heeft de Heere zoo veel te koste gelegd aan iemand, die dit zoo weinig beloont? Waartoe dit verlies? Voorwaar! gy zult zeer veel te verantwoorden hebben in dien grooten dag, als de dienstknechten Gods rekenschap zullen afleggen, en geene blijdschap zullen smaken bij de vermelding van uwen naam. Hoe zult gij u voor God verontschuldigen, dat gij hun zoo veel teleurstelling hebt veroorzaakt?

Ik zal heden slechts over ééne soort van hoorders spreken. Ik zal niet spreken tot hen, die het Woord hooren, maar er van wege de hardheid huns harten niets van meedragen; dit zijn de hoorders voor wie het zaad „by den wegquot; gevallen was. Ik zal het woord ook niet richten tot hen, die de waarheid met plotselinge geestdrift onvangen, maar haar even ge-reedelyk verlaten, als hun verdrukking of vervolging overkomt; dat zijn de hoorders van den steenachtigen grond. Ik zal slechts handelen met diegenen van u, die het Woord aandachtig hoort, en het, in zekeren zin, ook ontvangt in uw hart. en verstand, zoodat het zaad in u groeit, ofschoon deszelfs vrucht nooit tot volkomenheid geraakt. Gij zijt godsdienstige menschen, en, naar allen schijn, zijt gij onder den invloed der godsvrucht. Gy vertoont overvloedige bladeren, maar er is geen koren in de a;ir, geene degelijkheid in uw Christendom. Ik kan, van wege de groote lichaamszwakheid, waaronder ik heden

703

-ocr page 733-

gezaaid onder de doornen.

lijd, thans niet met kracht tot u spreken, maar wat ik zeg, zeg ik met de ernstige begeerte, dat de Heere het aan u zal zegenen. Een welsprekend gehoor kan iederen prediker welsprekend maken: zoo wilt mij dan heden helpen. Indien gij mij uw oor wilt geven, dan zal het gebrekkige van müne tong vergoed worden. Indien gü uw hart geeft aan God, dan zal Hij zijne waarheid zegenen, hoe zwak zy door mij ook geuit zal worden.

Ik wensch ten eerste een weinig tot u te spreken over het zaad, dat gij hebt ontvangen; ten tweede over de doornen; ten derde over de uitkomst, het resultaat er van.

1. Ten eerste een weinig over het zaad. Herrinnert u in de eerste plaats, dat het overal hetzelfde zaad ivas. Daar ginds heeft het dertigvoudige vrucht voortgebracht: het was hetzelfde zaad, dat in u verloren ging. In nog een beter geval heeft het zaad honderdvoudige vrucht gedragen, het was volkomen hetzelfde koren, dat ook in uwen akker gezaaid was. De zaaier is voor al het zaad naar zijns Meesters graanschuur gegaan; hoe komt het dan, dat het by u gansch en al te loor ging? Indien er twee evangeliën waren, dan zouden wij tweeërlei resultaat kunnen zien, zonder dat het de schuld was van den grond, waarin het mislukte. Maar voor velen uwer, tot wie ik spreek, is er gedurende uw gansche leven slechst één Evangelie geweest. Gij zijt opgegaan tot dit huis des gebeds, waar wü nooit ons zaa,d veranderd hebben, maar immer voortgegaan zijn met de ééne, eeuwige waarheid Gods te zaaien. Velen hebben honderdvoudige vrucht gedragen van het zaad, dat met volle handen van dezen kansel gezaaid is. Zij hebben niets meer gehoord dan gij gehoord hebt, maar hoe veel beter hebben zy er niet mede gehandeld dan gij er mede gehandeld hebt! Ik wensch, dat gy hier eens over nadenkt. Hoe moet uw hart niet met doornen en distelen bedekt zyn, dat het Evangelie, waardoor uwe zuster of uwe vriendin bekeerd werd u nooit heeft getroffen! Ofschoon gij zegt in het Woord Gods te gelooven, heeft het toch nooit zulk eene uitwerking op u gehad, dat gij er heilig en godvruchtig door zyt geworden. Gij zijt nog slechts een hoorder. Hoe komt dit ? De schuld ligt niet aan het zaad, want het is hetzelfde, dat voor anderen zoo nuttig geweest is.

Gij hebt het Evangelie met firozoefirewgehoord. „Het gehoord!quot; zegt gij, „ik heb het al gehoord, toen ik nog een klein kind was.quot; Uwe moeder heeft u in hare armen naar het huis Gods gebracht. Gij hebt het gehoord, en gü hoort het nog, al is het u ook als een oud lied. Maar is dit nu alles? Ik ben er zeer dankbaar voor, dat gij het Evangelie hoort, want ik hoop, dat God het weldra in u zal doen opwassen en vrucht voortbrengen. Maar toch rust er eene zware verantwoordelijkheid op u. Denkt eens aan de voorrechten, die u ten deel vielen! Hoe zult gij

704

-ocr page 734-

UEZAA1D ONDER DE DOORNEN.

van die voorrechten rekenschap kunnen geven, indien gij ze veronachtzaamt en als zü door die veronachtzaming nutteloos worden ? Waarde hoorders, indien wü in het hart van Afrika woonden, en wü stierven zonder te gelooven in Christus, van wien wtf nooit hadden gehoord, dan zou dit onze schuld niet zün; maar hier zijn wij in het hart van Londen, waar het Evangelie in alle straten wordt gepredikt, en zoo wy omkomen, zal ons bloed op ons eigen hoofd zün. Is het uwe bedoeling naar de hel te gaan? Zjjt gij zoo wanhopig slecht, dat gij met het kleed der Christenen om de leden daarheen wilt gaan ? Indien gij volhardt met uwe ziel te verwoesten, dan zullen mijne oogen u volgen met tranen, en als ik niet meer bü machte ben u te waarschuwen, dan zal mijne ziel in verborgene plaatsen wee-nen, van wege uwe verdorvenheid.

De personen, die in mijn\' tekst beschreven worden, zijn niet slechts hoorders, maar in zekere mate hebben zij het goede Woord ook aangenomen. Het zaad viel niet slechts op den grond, maar ook in den grond, zoodat het begon te groeien. Van u is het waar, dat gij het Evangelie niet afwijst, of er niet over twist. Het doet my genoegen, dat gij geene moeielijkheden hebt te overwinnen omtrent de ingeving der Schrift, of de Godheid onzes Heeren, of het feit zijner verzoening. Gij hult u niet in de nevelen der „moderne gedachte,quot; maar gij belijdt uw geloof in het oude Evangelie. Dat is nu alles heel goed, maar wat moet ik denken van het vreemde feit, dat uw aannemen van de waarheid geenerlei uitwerking op u heeft ? Het is een zeer treurig geval, niet waar, dat iemand het Evangelie gelooft waar te zijn, terwijl hij leeft, alsof het eene leugen was? Indien het de waarheid is, waarom gehoorzaamt gü er niet aan. De mensch weet, dat er verzoening is aangebracht voor de zonde, maar hü heeft zijne zonde nooit beleden, en het groote Offer niet aangenomen. Die groote waarheden, die als eene sterrenkroon het kruis omstralen — hy heeft er de schoonheid van gezien, hy heeft zich in haren glans verlustigd, maar nooit heeft hij haar licht toegelaten in zyn hart, om er een weerschijn van te doen vinden in zijn zedelijk karakter.Ditis kwaad, niets dan kwaad. Indien gij de waarheid gelooft, wat doet gü dan méér dan de duivel? Ja, gü staat nog bij hem ten achteren, want hy gelooft en siddert, en gy zyt er nog niet toe gekomen om te sidderen. Het behoorde zoo te wezen, dat elke groote waarheid, welke men gelooft, invloed moest oefenen op het gemoed, de gedachten moest beheerschen, eene gestalte moest geven aan het leven; dit is de natuurlijke vrucht eener groote geestely\'ke waarheid. Als de leer der genade bezit neemt van den geest, en het hart bestuurt, dan zal zij het zuiverste resultaat opleveren; maar als zy\' in ongerechtigheid wordt aangenomen, dan is het eerder een vloek dan een zegen, om zulk eene kennis van het

705

45

-ocr page 735-

CtSZaaid onder de doornen.

hoofd te bezitten. Is het niet schrikkelijk Gods openbaring te gelooven zonder Gods Geest te ontvangen? Het is als of men eene bron ontvangt, maar er nooit het water van drinkt; alsof men koren in de schuur aanneemt, en toch omkomt van honger. God ontferme zich over de bezitters van een dood geloof!

Het zaad, dat onder de doornen gezaaid was, leefde en bleef groeien. En in het hart van vele menschen groeit in zekeren zin het Evangelie der goddelijke waarheid; zij begrijpen het beter, kunnen het krachtiger verdedigen en er vloeiender over spreken. In zekeren zin en zekere mate oefent het ook invloed op hen uit, want de grove ondeugden worden nagelaten. Zij zijn tamelyk goede namaaksels van geloovigen; gij kunt den vorm van eene aar onderkennen: de halm heeft zich door de doornen heengeworsteld, tot gij haar hoofd zien kunt, en ertoe komt om er koren van te verwachten. Neem nu echter die schijn korenaar in de hand en betast haar: er zyn wel de hulzen, maar er is niets in; gij hebt den vorm van eene korenaar, maar er komen geene graankorrels uit. Ik wensch te spreken tot hen, die wellicht gedoopt zijn, en leden zyn der gemeente, en ik wensch u eenige vragen te doen ? Gelooft gij niet, dat er heden ten dage veel uitwendig belijden zonder innerlijke waarheM wordt gevonden ? Gelooft gij niet, dat er velen zijn, die den naam hebben van te leven en dood zijn? „Ja,quot; zegt gü, „ik ken iemand, die, geloof ik, in dien toestand verkeert.quot; Kan er nu niet iemand anders zijn, die juist zoo oordeelt over u? Zou het niet goed zijn u zeiven deze vraag te stellen? Hebt gij waarlijk in den Heere Jezus gelooft? Zyt gij waarlijk bekeerd van de zonde en van het eigen-ik ? Kicht uw scherp critisch oog eens op u zeiven. Onderzoek uwe eigene daden, en oordeelt daarnaar uwen toestand. Doe u zeiven eens in den smeltkroes. O myn God, indien ik nu eens een prediker ware voor anderen, en zelf verworpen moest zijn! Zal niet iedere ambtsdrager in de gemeente, en ieder lid der gemeente op dezelfde wijze tot zich zeiven spreken ? Gü zult heden middag naar uwe Zondagschool gaan: zult gij de kinderen leeren wat gij zelf niet weet? Gij wilt heden avond naar eene vergadering gaan en tot anderen over bekeering spreken: zult gij hen aansporen tot het geen gij zelf nooit hebt ervaren? Gij hebt geene schocne prediking noodig, wat gij behoeft is u zeiven te onderzoeken. Zulk een grondig onderzoek zal aan de gezonden geen kwaad doen, en den kranken tot zegen wezen. „Heere laat mü het ergste van myn\' toestand kennen,quot; dat is een gebed, dat ik dikwijls bid, en ik raad het ook u aan te bidden.

Zooveel wat betreft het zaad. Het was goed zaad, het was gezaaid; het was door den grond ontvangen, het wies op en beloofde voorspoedig te zullen zijn, maar bleek in het einde

7ü6

-ocr page 736-

GEZAAID ONDiOR DË DOOKNEN.

toch onvruchtbaar. Er zijn zeer vele menschen, die het Christendom aannemen, geregeld naar de kerk gaan, en een eerlijk, zedelijk leven leiden; maar Christus is voor hen niet alles in alles; hü heeft slechts eene zeer ondergeschikte plaats in hunne genegenheden. Hun koren is overschaduwd door een gansch kreupelbosch van doornen, die het zóó verstikken, dat het onmogelijk groeien en tot rijpheid komen kan. Hun godsdienst is begraven onder hunne wereldschgezindheid. Droevig zal hun einde zijn. Moge G-od in zijne genade ons voor zulk een oordeel behoeden.

II. Maar nu wensch ik in de tweede plaats eenige woorden te spreken over de doornen. Door Matthéüs worden zij aangeduid als „de zorgvuldigheid dezer wereld en de verleiding des rijkdoms.quot; Lukas voegt er bij: „en wellusten des levensquot;, en Markus maakt ook nog melding van „de begeerlijkheden omtrent de andere dingen.quot; Ik veronderstel dat de zaaier geene doornen gezien heeft, toen hij zijne handvol koren uitstrooide; zij waren Tallen gelijk met den grond afgesneden. Hij heêft waarschijnlijk de hoop gekoesterd, dat het overal goede grond was, en daarom heeft hij hem bezaaid, weinig vermoedende, dat de doornen er reeds bezit van hadden genomen.

Merk wel op, dat doornen den grond van nature eigen zijn. Sedert den val zijn doornen de eerstgeboren kinderen van den grond. Geen kwaad, dat den godsdienst in den weg staat, is iets buitengewoons — het is wat wij van den gevallen mensch moeten verwachten. De genade is eene uitheemsche plant; doornen zijn inheemsch. De zonde is zeer te huis in hetmen-schelyk hart, en, evenals onkruid, schiet zij welig op. Indien gij naar den hemel wenscht te gaan, dan zou ik wel eenigen tijd noodig hebben om u den weg te wijzen, en ik zou u moeten aansporen tot ijver en volharding, maar indien gij naar de hel wilt gaan — wel! „Breed is de weg, die tot het verderf leidtquot; — het is slechts een weinigje verzuim, of veronachtzaming. „Hoe zullen wy ontvlieden, indien wü op zoo groote zaligheid geen acht nemen?quot; Slechte dingen zijn gemakkelijke dingen; want zij zijn natuurlijk voor onze gevallene natuur. Goede, rechtvaardige zaken zijn zeldzame bloemen, die gekweekt moeten worden. Indien iemand uwer schade heeft geleden aan zijne ziel door de zorgvuldigheden des levens en de verleiding des rijkdoms, dan verwondert mij dit niet, want dit is gansch natuurlijk. Zoo weest dan op uwe hoede tegen dit velerlei kwaad. Ik bid u, zegt tot u zeiven: Kom, er is wel iets in hetgeen deze man zegt, dat waardig is om ter harte te worden genomen. Hij is wel zeer vervelend en ouderwetsch, maar hij kon toch wel eens gelijk hebben in hetgeen hij zegt. Het zou kunnen wezen, dat ik de doornen duld in mijn hart, die het goede zaad verstikken, want ik ben van gelijke

707

-ocr page 737-

«EZAAID ONDER DK DOOEKEN.

bewegingen als andere menschen.quot; Ik smeek u, hebt acht op u zeiven, opdat gij ten laatste niet bedrogen uit moogt komen.

De doornen waren reeds in den grond. Zij waren niet slechts de natuurlijke bewoners van den grond, zij waren er in geworteld en bevestigd. Onze zonden maken aanspraak op het bezit onzer vermogens, en vrijwillig zullen zü dat bezit niet opgeven. Zij zullen voor den Heiligen Geest, of voor het nieuwe leven, of\' voor de invloeden der goddelijke genade niet zonder hevige worsteling wijken. De wortelen der zonde hebben zich wijd en zijd uitgespreid in onze natuur, haar met eene verbazingwekkende kracht aangegrepen en vastgehouden. O waarde hoorder, wie gij ook zijn moogt, gy zijt een gevallen schepsel. Al waart gy de Paus, of de President der Vereènigde Staten, of de Koningin van Engeland, dan zou het toch waar zijn, dat gy in zonde zijt geboren en in ongerechtigheid zijt ontvangen, cm dat uw onwedergeboren hart arglistig is meer dan eenig ding, ja doodelijk is. De staatskerk van de stad Menschziel heeft den duivel tot aartsbisschop. De zonde heeft onze natuur omvat, zoo als een boa-constrictor zijn slachtoffer omvat, en als zij gedurende twintig, veertig of zestig jaren haar bezit heeft gehandhaafd, dan zult gij, hoop ik, niet zoo dwaas zijn van te denken, dat heilige dingen heel gemakkelijk de overhand zullen krijgen. Onze booze natuur is door en door conservatief, en zij zal elke poging tot eene revolutie, waardoor de genade Gods zal heerschen door gerechtigheid, uit alle macht tegen gaan. Zoo waakt dan, en bidt, opdat geenerlei verzoeking het goede in u verstikke. Waakt, want de genade is een teer plantje in een\' grond, die haar vreemd is, en in een voor haar zeer ongunstig klimaat; terwijl de zonde in haar eigen element is, en diep in den grond is geworteld.

Weet gij, waarom zoo vele belijdende Christenen als de doornige grond zijn? Het is omdat er werkingen zyn nagelaten, die in dien staat van zaken een grooten ommekeer teweeg zouden gebracht hebben. Het was de plicht des landmans de doornen uit te roeien, of ze op de plaats zelve uit te branden. Als de menschen in vroeger tijd bekeerd werden, dan plachten zij overtuiging van zonde te kennen. De groote ploeg der ziels-benauwdheid werd gebruikt om diepe voren te maken in de ziel. En ook het vuur brandde met heftige hitte in het gemoed. Als de menschen de zonde zagen en de ontzettende gevolgen er van bespeurden, dan werd de liefde tot die zonde bij hen uitgebrand. Maar heden hooren wij het geraas in onze ooren van snelle bekeeringen. Ik, voor mij, geloof in plotselinge bekeeringen, en het verblijdt mij ze te zien, maar nog blyder ben ik, als ik een grondig werk der genade zie, eene diepe bewustheid van zonde, eene krachtige doorwonding, veroorzaakt

708

-ocr page 738-

GEZAAID ONDER DE DOORNEN.

door de wet. Met ploegen, die slechts de oppervlakte van den grond aanraken, zullen wij de doornen nooit uitroeien. Het beste koren groeit in akkers, die het best beploegd zyn. De bekeering zal waarschtjnlük daar stand houden, waar de doornen uiet op kunnen schieten, omdat zy door den ploeg werden ontworteld. Waarde hoorder, lijdt gij thans onder eene diepe en smartelijke overtuiging van zonde? Dank God er voor. Zijtgij in groote zielsbenauwdheid ? Denk niet, dat u hiermede eene ramp heeft getroffen. Moge God zelf voortgaan met u te beploegen, en dan in u te zaaien, en een krachtig werk in u te werken. Gij ziet alzoo, dat deze doornen inheemsch waren in den grond, inboorlingen, die het land van ouds her in bezit hadden, en dat het goed ware geweest, zoo zij uitgeroeid waren geworden.

De doornen moesten groeien. Er is eene ontzettende levenskracht in het kwaad. Eerst doen die doornen eenige dunne twijgjes uitspruiten. Die twijgen vertakken zich, en zoo komen er al meer en meer om hun gezelschap te houden, totdat het koren-halmpje als een eenzaam plantje in het midden vaneenkreu-pelbosch van doornen stond en er al meer en meer door werd overschaduwd. De doornen streefden naar de heerschappij, en hebben haar ook spoedig verkregen. Dit geschied zijnde, tijgen zij nu aan het werk om het koren te vernielen. Zy versperden het den weg; sommigen van de doorntwijgen kronkelden zich om de korenhalmen, totdat dezen ten laatste er door verstikt werden.

De doornen haalden al het voedsel der tarwe naar zich toe, en zoo moesten de korenhalmen verhongeren; want er is slechts eene zekere hoeveelheid van voedsel in den grond, en als dit door de doornen verteerd wordt, dan blijft er voor de tarwe niets over. Er is slechts eene zekere hoeveelheid van gedachten en van kracht in den mensch, en als de wereld ze ont vangt, dan kan Christus ze niet ontvangen. Indien onze gedachten zich bezig houden met zorgvuldigheden en wellusten, dan kunnen zij zich niet bezig houden met den godsdienst. Is dat niet duidelijk? Dat is de manier, waarop de doornen gehandeld hebben met het koren: zy hebben het laten verhongeren door er het voedsel van te verteren, en zy hebben het doen verstikken door er de zon en de lucht van af te sluiten, en zoo werden dan die arme korenhalmen dor en zwak, gansch onmachtig om de graankorrels voort te brengen, die de zaaier er van verwachtte. Zoo is het ook met vele belijdende Christenen. Zij zyn in den beginne wereldsch, maar niet zoo heel wereldsch. Zy zyn tamelijk godsdienstig, maar niet al te yverig. Zy zoeken de genoegens dezer wereld, maar volstrekt niet in zoo hooge mate als anderen. Doch weldra komen de doornen op, en nu wordt het twijfelachtig wat de

709

-ocr page 739-

GEZAAID ONDER DE DOORNEN.

bewegingen als andere menschen.quot; Ik smeek u, hebt acht op u zeiven, opdat gij ten laatste niet bedrogen uit moogt komen.

De doornen waren reeds in den grond. Zij waren niet slechts de natuurlijke bewoners van den grond, zü waren er in geworteld en bevestigd. Onze zonden maken aanspraak op het bezit onzer vermogens, en vrijwillig zullen zü dat bezit niet opgeven. Zij zullen voor den Heiligen Geest, of voor het nieuwe leven, of voor de invloeden der goddelijke genade niet zonder hevige worsteling wijken. De wortelen der zonde hebben zich wyd en zijd uitgespreid in onze natuur, haar met eene verbazingwekkende kracht aangegrepen en vastgehouden. O waarde hoorder, wie gü ook zijn moogt, gij zijt een gevallen schepsel. Al waart gü de Paus, of de President der Vereènigde Staten, of de Koningin van Engeland, dan zou het toch waar zijn, dat gij in zonde zijt geboren en in ongerechtigheid zijt ontvangen, an dat uw onwedergeboren hart arglistig is meer dan eenig ding, ja doodelijk is. De staatskerk van de stad Menschziel heeft den duivel tot aartsbisschop. De zonde heeft onze natuur omvat, zoo als een boa-constrictor zijn slachtoffer omvat, en als zij gedurende twintig, veertig of zestig jaren haar bezit heeft gehandhaafd, dan zult gij, hoop ik, niet zoo dwaas zijn van te denken, dat heilige dingen heel gemakkelijk de overhand zullen krijgen. Onze booze natuur is door en door conservatief, en zij zal elke poging tot eene revolutie, waardoor de genade Gods zal heerschen door gerechtigheid, uit alle macht tegen gaan. Zoo waakt dan, en bidt, opdat geenerlei verzoeking het goede in u verstikke. Waakt, want de genade is een teer plantje in een\' grond, die haar vreemd is, en in een voor haar zeer ongunstig klimaat; terwijl de zonde in haar eigen element is, en diep in den grond is geworteld.

Weet gij, waarom zoo vele belijdende Christenen als de doornige grond zijn? Het is omdat er werkingen zyn nagelaten, die in dien staat van zaken een grooten ommekeer teweeg zouden gebracht hebben. Het was de plicht des landmans de doornen uit te roeien, of ze op de plaats zelve uit te branden. Als de menschen in vroeger tijd bekeerd werden, dan plachten zij overtuiging van zonde te kennen. De groote ploeg der ziels-benauwdheid werd gebruikt om diepe voren te maken in de ziel. En ook het vuur brandde met heftige hitte in het gemoed. Als de menschen de zonde zagen en de ontzettende gevolgen er van bespeurden, dan werd de liefde tot die zonde bij hen uitgebrand. Maar heden hooren wij het geraas in onze ooren van snelle bekeeringen. Ik, voor mij, geloof in plotselinge bekeeringen, en het verblijdt mij ze te zien, maar nog blijder ben ik, als ik een grondig werk der genade zie, eene diepe bewustheid van zonde, eene krachtige doorwonding, veroorzaakt

708

-ocr page 740-

GEZAAID ONDER DE DOORNEN.

door de wet. Met ploegen, die slechts de oppervlakte van den grond aanraken, zullen wij de doornen nooit uitroeien. Het beste koren groeit in akkers, die het best beploegd zyn. De bekeering zal waarschünUjk daar-stand houden, waar de doornen niet op kunnen schieten, omdat zü door den ploeg werden ontworteld. Waarde hoorder, lijdt gij thans onder eene diepe en smartelijke overtuiging van zonde? Dank God er voor. Zijtgij in groote zielsbenauwdheid ? Denk niet, dat u hiermede eene ramp heeft getroffen. Moge God zelf voortgaan met u te beploegen, en dan in u te zaaien, en een krachtig werk in u te werken. Gij ziet alzoo, dat deze doornen inheemsch waren in den grond, inboorlingen, die het land van ouds her in bezit hadden, en dat het goed ware geweest, zoo zü uitgeroeid waren geworden.

De doornen moesten groeien. Er is eene ontzettende levenskracht in het kwaad. Eerst doen die doornen eenige dunne twijgjes uitspruiten. Die twijgen vertakken zich, en zoo komen er al meer en meer om hun gezelschap te houden, totdat het korenhalmpje als een eenzaam plantje in het midden van een kreu-pelbosch van doornen stond en er al meer en meer door werd overschaduwd. De doornen streefden naar de heerschappij, en hebben haar ook spoedig verkregen. Dit geschied zijnde, tijgen zij nu aan het werk om het koren te vernielen. Zy versperden het den weg; sommigen van de doorntwijgen kronkelden zich om de korenhalmen, totdat dezen ten laatste er door verstikt werden.

De doornen haalden al het voedsel der tarwe naar zich toe, en zoo moesten de korenhalmen verhongeren; want er is slechts eene zekere hoeveelheid van voedsel in den grond, en als dit door de doornen verteerd wordt, dan blijft er voor de tarwe niets over. Er is slechts eene zekere hoeveelheid van gedachten en van kracht in den mensch, en als de wereld ze ont vangt, dan kan Christus ze niet ontvangen. Indien onze gedachten zich bezig houden met zorgvuldigheden en wellusten, dan kunnen zij zich niet bezig houden met den godsdienst. Is dat niet duidelijk? Dat is de manier, waarop de doornen gehandeld hebben met het koren; zij hebben het laten verhongeren door er het voedsel van te verteren, en zy hebben het doen verstikken door er de zon en de lucht van af te sluiten, en zoo werden dan die arme korenhalmen dor en zwak, gansch onmachtig om de graankorrels voort te brengen, die de zaaier er van verwachtte. Zoo is het ook met vele belijdende Christenen. Zy zyn in den beginne wereldsch, maar niet zoo heel wereldsch. Zij zyn tamelijk godsdienstig, maar niet al te yverig. Zy zoeken de genoegens dezer wereld, maar volstrekt niet in zoo hooge mate als anderen. Doch weldra komen de doornen op, en nu wordt het twijfelachtig wat de

709

-ocr page 741-

GEZAAID ONDEE DE DOORVEN.

overhand zal hebben, zonde of genade, de wereld of Christus. Twee meesters kunnen er niet zyn, en vooral in dit geval is dit onmogelijk, daar geen der strydende partijen een\' mededinger kan dulden. De zonde is uit een\' koninklijken, hoewel boozen, stam voortgekomen, en zoo zij in het hart is, zal zy naar de heerschappij streven. En zoo is het geschied, dat het onkruid, in den akker geduld zynde, het goede zaad verstikt heeft.

Laat mij u deze doornen eenigzins beschrijven. Matthéüs, Markus en Lukas te zamen lezende, bevinden wij, dat er vier soorten van doornen zyn geweest. De eerste soort wordt genoemd: „De zorgvuldigheden dezer wereld.quot; Dezen zullen onge-twyfeld de armen aanvallen: zy zyn maar al te zeer geneigd bezorgd te worden en mistrouwen te koesteren aangaande wereldlijke aangelegenheden. „Wat zullen wij eten? Wat zullen wy drinken? Waarmede zullen wij ons kleeden?quot; Deze drieeenheid van mistroostige vragen is voor velen eene ware kwelling. Maar bezorgdheid blyft ook van de ryken niet weg. Zorg verwijlt by rijkdom zoowel als bij armoede. „Hoe zal ik: méér verkrijgen? Hoe zal ik het verkregene opleggen? Hoe zal ik het vermeerderen?quot; — en zoo voorts. Het is tegen „dezorgvuldigheid dezer eeuwquot;, dat wij het sterkst gewaarschuwd worden. Elke eeuw brengt hare eigene tobberij mede. Het is niet de zorge van God te behagen — er is geene enkele eeuw, die deze zorge kent, — neen, de zorg, de bekommering der eeuw geldt de eene of andere ydelheid, en een der meest blijvende zorgen is de begeerte om gelyken tred te houden met uwe medegenooten, deftig en voornaam te zyn in de oogen dei-wereld en den uiterlijken schijn op te houden. Dat is de zorge, die als een kanker aan veler hart knaagt. Knagende zorg bezorgt aan zeer vele menschen gryze haren, en zal menig voorhoofd met rimpels doorploegen. Als gij de zorge laat groeien in uwe ziel, dan zal zij uwen godsdienst verstikken. Gij kunt niet tegelijk om God geven en om den Mammon. „Wy moeten zorge hebbenquot;, zegt iemand. Er is eene zorge die gepast is, en er is eene bezorgdheid, die ongepast is. Het is eene gepaste zorge of bekommernis, die gy op den Heere kunt werpen — „Werpt al uwe bekommernissen op Hem, want Hy zorgt voor u.quot; Het is eene onbetamelijke zorge, als gy er niet mede tot God durft gaan, maar ze zelf moet dragen. Wacht u voor bezorgdheid, want zij zou het hart van uwen godsdienst weg-knagen.

710

Er waren anderen, die „de bedriegelijkheid des rijkdomsquot; (1) ervaren hebben. Onze Heere spreekt niet van den „rijkdomquot;, maar van „de bedriegelijkheid des rijkdoms.quot; Die twee dingen

(1) Matth. 13: 22, naar de Engelsche overzetting.

-ocr page 742-

GEZAAID ONDER DE DOORNEN.

gaan altijd samen: rijkdom is altyd bedriegelijk. Hij bedriegt de menschen bij het verkrijgen er van, want zij hebben een onbillijk oordeel over de zaken, zoodra er gewin voor hen in het spel is. De bekoorlijke klank van het goud, of het gezicht van „den almachtigen dollarquot; maken eene wereld van onderscheid voor het oor en voor het oog bij het beoordeelen van zaken. De menschen kunnen het niet bijbrengen om door eerlijkheid en oprechtheid verliezen te lijden, en zoo kiezen zij dan den twyfelachti-gen weg, en zullen zóó lang speculeeren, tot het dobbelen wordt. Zu zouden er niet aan denken zulk eene gedragslijn te volgen, indien de hoop op gewin hen niet bedroog. Ons gedrag moest nooit door verlies of gewin worden geregeld. Doe recht, al zou ook de hemel naar beneden vallen. Doe geen onrecht, al zoudt gÜ er ook een koninkrijk door kunnen winnen. De menschen nemen Adam Smith\'s „rijkdom der volkerenquot; tec hand. Het is een merkwaardig boek, waarin zy zekere wetten vinden, die, geloof ik, even vast en onveranderlijk zijn als de wet der aantrekkingskracht van de aarde. Gedreven door de bedriegelijk-heid des rijkdoms, gebruiken zij die wetten tot voorwendsel om het aangezicht dei- armen te vermalen. Zij zouden even goed de menschen naar den top eener rots kunnen brengen, ze van daar in den afgrond werpen, zoodat zij verpletterd worden, en dan zeggen: „Dit is het natuurlijk gevolg van de aantrekkingskracht der aarde.quot; Zeker! de wet van de aantrekkingskracht van de aarde werkt onverbiddelijk, en evenzoo werkt ook de wet van vraag en aanbod onverbiddelijk; maar geen dezer wetten mogen wij gebruiken om er wreedheid jegens armen en nooddruftigen mede te bedekken. Toch doen velen dit door „de verleiding des rijkdoms.quot;

Er is ook eene groote verleiding in rijkdom, als hij reeds verkregen is, want er worden in den mensch velerlei ondeugden door \'aangekweekt, wier bestaan hij zelfs niet had vermoed. De een is trotsch op zijn\' rijkdom en verbeeldt zich nederig te zijn. Hij is een man, die door eigen kracht en wijsheid groot en rijk is geworden, en daarom aanbidt hij zich zeiven. In zijn hart denkt hij: „Ik ben een belangrijk persoon. Ik kwam naar Londen met een\' daalder in mijn\' zak, en nu zou ik wel eene geheele straat kunnen koopen.quot; Voor zoo iemand moet men eerbied hebben, niet waar? al is hij ook op wat vreemde wijze aan zijn geld gekomen. Heden ten dage doet het er weinig toe, hoe gij aan uw geld komt; alleenlijk verkrijg het, en gij zult eene gansche menigte van bewonderaars hebben, en de verleiding des rijkdoms zal u in staat stellen om ook u zeiven te bewonderen. Met den hoogmoed komt de begeerte naaiden omgang met rijke lieden en naar ijdel gezelschap, en ook aldus wordt aan den godsdienst groot nadeel toegebracht. Zeer

711

-ocr page 743-

GEZAAID ONDER DE DOORNEN.

overhand zal hebben, zonde of genade, de wereld of Christus. Twee meesters kunnen er niet zijn, en vooral in dit geval is dit onmogeiyk, daar geen der strijdende partijen een\' mededinger kan dulden. De zonde is uit een\' koninklijken, hoewel boozen, stam voortgekomen, en zoo zü in het hart is, zal zy naar de heerschappij streven. En zoo is het geschied, dat het onkruid, in den akker geduld zynde, het goede zaad verstikt heeft.

Laat mü u deze doornen eenigzins beschrijven. Matthéüs, Markus en Lukas te zamen lezende, bevinden wij, dat er vier soorten van doornen zijn geweest. De eerste soort wordt genoemd: „De zorgvuldigheden dezer viereld.quot; Dezen zullen ongetwijfeld de armen aanvallen: zü zyn maar al te zeer geneigd bezorgd te worden en mistrouwen te koesteren aangaande wereldlijke aangelegenheden. „Wat zullen wij eten? quot;Wat zullen wij drinken? Waarmede zullen wij ons kleeden?quot; Deze drieeenheid van mistroostige vragen is voor velen eene ware kwelling. Maar bezorgdheid blijft ook van de rijken niet weg. Zorg verwijlt bij rijkdom zoowel als bij armoede. „Hoe zal ik méér verkrijgen? Hoe zal ik het verkregene opleggen? Hoe zal ik het vermeerderen?quot; — en zoo voorts. Het is tegen „dezorgvuldigheid dezer eeuwquot;, dat wij het sterkst gewaarschuwd worden. Elke eeuw brengt hare eigene tobberij mede. Het is niet de zorge van God te behagen — er is geene enkele eeuw, die deze zorge kent, — neen, de zorg, de bekommering der eeuw geldt de eene of andere ijdelheid, en een der meesi blijvende zorgen is de begeerte om gelyken tred te houden met uwe medegenooten, deftig en voornaam te zyn in de oogen dei-wereld en den uiterlijken schyn op te houden. Dat is de zorge, die als een kanker aan veler hart knaagt. Knagende zorg bezorgt aan zeer vele menschen grijze haren, en zal menig voorhoofd met rimpels doorploegen. Als gij de zorge laat groeien in uwe ziel, dan zal zij uwen godsdienst verstikken. Gij kunt niet tegelijk om God geven en om den Mammon. „Wü moeten zorge hebbenquot;, zegt iemand. Er is eene zorge die gepast is, en er is eene bezorgdheid, die ongepast is. Het is eene gepaste zorge of bekommernis, die gij op den Heere kunt werpen — „Werpt al uwe bekommernissen op Hem, want Hij zorgt voor u.quot; Het is eene onbetamelijke zorge, als gij er niet mede tot God durft gaan, maar ze zelf moet dragen. Wacht u voor bezorgdheid, want zij zou het hart van uwen godsdienst weg-knagen.

710

Er waren anderen, die „de bedriegelijkheid des rijkdomsquot; (1) ervaren hebben. Onze Heere spreekt niet van den „rijkdomquot;, maar van „de bedriegelykheid des rijkdoms.quot; Die twee dingen

(1) Matth. 13: 22, naar de Engelsche overzetting.

-ocr page 744-

GEZAAID ONDER DE DOOBNEN.

gaan altijd samen: rijkdom is altijd bedriegelijk. Hij bedriegt de menschen bij het verkrijgen er van, want zij hebben een onbilltjk oordeel over de zaken, zoodra er gewin voor hen in het spel is. De bekoorlijke klank van het goud, of het gezicht van „den almachtigen dollarquot; maken eene wereld van onderscheid voor het oor en voor het oog bij het beoordeelen van zaken. De menschen kunnen het niet bijbrengen om door eerlijkheid en oprechtheid verliezen te lijden, en zoo kiezen zij dan den twijfelachti-gen weg, en zullen zóó lang speculeeren, tot het dobbelen wordt. Zü zouden er niet aan denken zulk eene gedragslijn te volgen, indien de hoop op gewin hen niet bedroog. Ons gedrag moest nooit door verlies of gewin worden geregeld. Doe recht, al zou ook de hemel naar beneden vallen. Doe geen onrecht, al zoudt gij er ook een koninkrijk door kunnen winnen. De menschen nemen Adam Smith\'s „rijkdom der volkerenquot; ter hand. Het is een merkwaardig boek, waarin zjj zekere wetten vinden, die, geloof ik, even vast en onveranderlyk zijn als de wet der aantrekkingskracht van de aarde. Gedreven door de bedriegelijk-held des rijkdoms, gebruiken zy die wetten tot voorwendsel om het aangezicht der armen te vermalen. Z\\i zouden even goed de menschen naar den top eener rots kunnen brengen, ze van daar in den afgrond werpen, zoodat zij verpletterd worden, en dan zeggen: „Dit is het natuurlijk gevolg van de aantrekkingskracht der aarde.quot; Zeker! de wet van de aantrekkingskracht van de aarde werkt onverbiddelijk, en evenzoo werkt ook de wet van vraag en aanbod onverbiddelijk; maar geen dezer wetten mogen wij gebruiken om er wreedheid jegens armen en nooddruftigen mede te bedekken. Toch doen velen dit door „de verleiding des rijkdoms.quot;

Er is ook eene groote verleiding in rijkdom, als hij reeds verkregen is, want er worden in den mensch velerlei ondeugden door quot;aangekweekt, wier bestaan hij zelfs niet had vermoed. De een is trotsch op zijn\' rijkdom en verbeeldt zich nederigte zijn. Hij is een man, die door eigen kracht en wijsheid groot en rijk is geworden, en daarom aanbidt hij zich zeiven. In zijn hart denkt hij: „Ik ben een belangrijk persoon. Ik kwam naar Londen met een\' daalder in mijn\' zak, en nu zou ik wel eene geheele straat kunnen koopen.quot; Voor zoo iemand moet men eerbied hebben, niet waar? al is hij ook op wat vreemde wijze aan zijn geld gekomen. Heden ten dage doet het er weinig toe, hoe gij aan uw geld komt; alleenlijk verkrijg het, en gij zult eene gansche menigte van bewonderaars hebben, en de verleiding des rijkdoms zal u in staat stellen om ook u zeiven te bewonderen. Met den hoogmoed komt de begeerte naaiden omgang met rijke lieden en naar ijdel gezelschap, en ook aldus wordt aan den godsdienst groot nadeel toegebracht. Zeer

711

-ocr page 745-

GEZAAID ONDER DE DOORNEN.

gemakkelijk komt dan afgoderij in het hart met deze wereld en hare schatten. „Ik geef niet om geldquot;, zegt iemand. „Gij weet, dat niet het geld, maar de liefde tot het geld de wortel is van alle kwaad.quot; Zoo is het; maar zijt gij er zeker van, dat gij het geld niet lief hebt? Gij zyt er in uwe gedachten zeer mede bezig. Gy houdt het tamelijk stijf vast, en vindt het hard om er van te scheiden. Ik zal u niet beschuldigen, maar wèl wensch ik, dat gij tot het besef zult komen, dat rykdom, eer men het weet, als een worm aan het hart des menschen knaagt.

Gij kunt de verleiding des rykdoms bespeuren, als gy let op de verontschuldigingen, die de menschen maken, dat zy zóó veel voor zich trachten te verkrijgen, maar het aan de zaak Gods onthouden. „Zij zijn voornemens er heel veel mede te doen.quot; Hoort gij den duivel niet lachen? Ik spreek niet van vele geliefde broederen, hier tegenwoordig, die met de middelen, hun door God geschonken, werkelijk veel doen; maar wèl van hen, die voor niets anders leven dan om schatten op te hoopen, en zeggen. dat zij voornemens zijn er later veel goed mede te doen. Dat zeggen zij. Zal het ooit tot iets meer komen dan tot zeggen ? Ik vrees, dat zeer vele ryken zich hierin bedriegen. Zij gaan voort met schatten te Vergaderen, zonder ze ooit te gebruiken. Zij maken tichelsteenen, maar bouwen niet. Alles wat zij verkrijgen zullen is een hoekje in oen geïllustreerd nieuwsblad, waarin te lezen staat, hoeveel zy bij hun\' dood hebben nagelaten. O mijne hoorders, hoe kunt gij het aldus toelaten, dat het goede in u verstikt wordt? Overal waar deze verleiding des rykdoms de bovenhand verkrijgt, zal zij het goede zaad verstikken. De mensch kan niet met gretigheid rijkdom wen-schen te verkrijgen, en vurig verlangen den rijkdom te behouden, en te vermeerderen, en millionair te worden, en tege-gelijker tijd een waar dienstknecht van den Heere Jezus zijn. Naarmate het lichaam rijk wordt, zal de ziel verarmen.

Lucas spreekt ons van een ander soort van onkruid, genaamd de „wellusten des levens.quot; Ik houd er mij van overtuigd, dat deze doornen heden ten dage eene ontzettende rol spelen. Ik heb volstrekt niets tegen betamelijke uitspanning, er zijn uitspanningen, die noodig en nuttig zijn; maar het is ellendig als uitspanning, of vermakelijkheid, de zaak wordt, waarvoor men leeft. Uitspanning moet gebruikt worden om ons goed te doen, zoo als men medicijnen gebruikt, maar nooit mag zij als voedsel voor den mensch worden gebruikt. Sommigen brengen van den vroegen morgen tot den laten avond hun\'tijd door in beuzelingen; of soms werken zij met geen ander doel dan om geld te verkrijgen ten einde hunne genoegens en vermakelijkheden te kunnen bekostigen. Dit is slecht. Door zulk voortdurend beuzelen zijn alle heilige gedachten en godvruchtige voornemens

712

-ocr page 746-

GEZAAID ONDER DE DOORNEN.

in veler hart onderdrukt en verstikt geworden. Wat de wereld „pleizierquot; noemt, is de dood voor alle denken. Dit is de eeuw van buitensporig genieten, iedereen haakt naar genot. In den soberder tijd onzer vaderen hadden de menschen iets beters dan dwaze pret om voor te leven. De doornen verstikken de eeuw.

Markus voegt er by en de begeerlijkheden omtrent andere dingen. Ik zal al die andere dingen niet bij name opnoemen; maar alle dingen, behalve de dingen van Christus en van den Vader, zijn „andere dingen.quot; Indien iemand zijn leven doorbrengt met iets, dat Gods eer niet is, hoe goed het op zich zelf ook moge wezen, dan wordt het goede zaad door een geringer voorwerp verstikt. Iemand is zeer bedreven in de kunst; zoo htf er alle krachten en gaven aan besteedt, dan doet hij er wel aan, indien die kunst gebruikt wordt als een muildier voor Christus om er op te rijden, maar zoo de kunst rijdt op Christus, dan is dit een groot kwaad. Ik ontmoette, jaren geleden, eens een\' predikant, die mijlen ver liep om eene nieuwe soort van kever te zoeken. Hij was een groot insectenkundige, en daarvoor heb ik hem niet gelaakt, want voor een nadenkend man is er uit de insectenkunde zeer veel nuttigs te leeren. Indien hü echter zijn\' predikdienst veronachtzaamt om insecten te kunnen vangen, dan verwondert het mij niet, dat zijne gemeenteleden wen-schen, dat zijne insecten zijne oude preeken maar wegknagen, omdat zü zoo heel oud en oudbakken zyn. Ik noem het een verstikken van het zaad, als onze geest beheerscht wordt door de beoefening van iets, dat van minder aanbelang is, terwijl dan de zaak Gods en der waarheid slechts de tweede plaats moet innemen in het hart. Telkenmale als Christus niet ons alles is in alles, wordt het zaad in onze ziel verstikt. Gü bemerkt mijn\' gedachtengang: wat het ook zij — gewin, roem en eer, wetenschap, genot en genoegen — het kan alles doornen wezen, die het zaad verstikken.

Ds. Jay heeft nooit méér voldoening gesmaakt, dan toen hij eens te Bristol een briefje ontving van den volgenden inhoud: „Een jongeling, die voorspoedig is in zijne zaken, verzoekt om het gebed van Gods volk, dat de voorspoed geen strik voor hem moge worden.quot; Ziet toe, dat gij uwen voorspoed in dit licht beschouwt. Myn lieve vriend, Dr. Taylor van New-York, zegt, dat sommige hedendaagsche Christenen een „vlinder Christendomquot; bezitten. Als tijd en kracht, gedachten en talenten allen tot bloot amusement zijn aangewend, wat zijn dan die mannen en vrouwen anders dan vlinders? Wat men de „hooge kringenquot; der samenleving noemt, is slechts eene verzameling van menschen, die hun\' tijd in ijdelheid doorbrengen,, en elkander daarin behulpzaam zijn. O waarde hoorders, wij zijn toch waarlijk niet in de wereld gekomen, om onzen tijd te verbeuzelen! Ik geloof niet, dat wy in de wereld zijn gekomen om ons dood te zwoegen,

713

-ocr page 747-

GEZAAID ONDER DE DOORNEN.

gemakkelijk komt dan afgoderü in het hart met deze wereld en hare schatten. „Ik geef niet om geldquot;, zegt iemand. „Gy weet, dat niet het geld, maar de liefde tot het geld de wortel is van alle kwaad.quot; Zoo is het; maar zijt gij er zeker van, dat gij het geld niet lief hebt? Gij zyt er in uwe gedachten zeer mede bezig. Gij houdt het tamelijk styf vast, en vindt het hard om er van te scheiden. Ik zal u niet beschuldigen, maar wèl wensch ik, dat gij tot het besef zult komen, dat rykdom, eer men het weet, als een worm aan het hart des menschen knaagt.

Gij kunt de verleiding des rykdoms bespeuren, als gy let op de verontschuldigingen, die de menschen maken, dat zy zóó veel voor zich trachten te verkrygen, maar het aan de zaak Gods onthouden. „Zij zijn voornemenser heel veel mede te doen.quot;Hoort gij den duivel niet lachen? Ik spreek niet van vele geliefde broederen, hier tegenwoordig, die met de middelen, hun door God geschonken, werkelijk veel doen; maar wèl van hen, die voor niets anders leven dan om schatten op te hoopen, en zeggen. dat zij voornemens zijn er later veel goed mede te doen. Dat zeggen zy. Zal het ooit tot iets meer komen dan tot zeggen ? Ik vrees, dat zeer vele ryken zich hierin bedriegen. Zij gaan voort met schatten te vergaderen, zonder ze ooit te gebruiken. Zy maken tichelsteenen, maar bouwen niet. Alles wat zy verkrygen zullen is een hoekje in oen geïllustreerd nieuwsblad, waarin te lezen staat, hoeveel zy bij hun\' dood hebben nagelaten. O myne hoorders, hoe kunt gij het aldus toelaten, dat het goede in u verstikt wordt? Overal waar deze verleiding des rykdoms de bovenhand verkrijgt, zal zy het goede zaad verstikken. De mensch kan niet met gretigheid rykdom wen-schen te verkrygen, en vurig verlangen den rijkdom te behouden, en te vermeerderen, en millionair te worden, en tege-gelijker tijd een waar dienstknecht van den Heere Jezus zyn. Naarmate het lichaam rijk wordt, zal de ziel verarmen.

Lucas spreekt ons van een ander soort van onkruid, genaamd de „wellusten des levens.quot; Ik houd er my van overtuigd, dat deze doornen heden ten dage eene ontzettende rol spelen. Ik heb volstrekt niets tegen betamelijke uitspanning, er zyn uitspanningen, die noodig en nuttig zyn; maar het is ellendig als uitspanning, of vermakelijkheid, de zaak wordt, waarvoor men leeft. Uitspanning moet gebruikt worden om ons goed te doen, zoo als men medicijnen gebruikt, maar nooit mag zij als voedsel voor den mensch worden gebruikt. Sommigen brengen van den vroegen morgen tot den laten avond hun\'tyd door in beuzelingen; of soms werken zy met geen ander doel dan om geld te verkrygen ten einde hunne genoegens en vermakelijkheden te kunnen bekostigen. Dit is slecht. Door zulk voortdurend beuzelen zijn alle heilige gedachten en godvruchtige voornemens

712

-ocr page 748-

GEZAAID ONDER DE DOORNEN.

in veler hart onderdrukt en verstikt geworden. Wat de wereld „pleizierquot; noemt, is de dood voor alle denken. Dit is de eeuw van buitensporig genieten, iedereen haakt naar genot. In den soberder tyd onzer vaderen hadden de menschen iets beters dan dwaze pret om voor te leven. De doornen verstikken de eeuw.

Markus voegt er by en de begeerlijkheden omtrent andere dingen. Ik zal al die andere dingen niet bij name opnoemen; maar alle dingen, behalve de dingen van Christus en van den Vader, zyn „andere dingen.quot; Indien iemand zijn leven doorbrengt met iets, dat Gods eer niet is, hoe goed het op zich zelf ook moge wezen, dan wordt het goede zaad door een geringer voorwerp verstikt. Iemand is zeer bedreven in de kunst: zoo hy er alle krachten en gaven aan besteedt, dan doet hij er wel aan, indien die kunst gebruikt wordt als een muildier voor Christus om er op te rijden, maar zoo de kunst rijdt op Christus, dan is dit een groot kwaad. Ik ontmoette, jaren geleden, eens een\' predikant, die mijlen ver liep om eene nieuwe soort van kever te zoeken. Hü was een groot insectenkundige, en daarvoor heb ik hem niet gelaakt, want voor een nadenkend man is er uit de insectenkunde zeer veel nuttigs te leeren. Indien hij echter zijn\' predikdienst veronachtzaamt om insecten te kunnen vangen, dan verwondert het mij niet, dat zijne gemeenteleden wen-schen, dat zijne insecten zijne oude preeken maar wegknagen, omdat zij zoo heel oud en oudbakken zijn. Ik noem het een verstikken van het zaad, als onze geest beheerscht wordt door de beoefening van iets, dat van minder aanbelang is, terwijl dan de zaak Gods en der waarheid slechts de tweede plaats moet innemen in het hart. Telkenmale als Christus niet ons alles is in alles, wordt het zaad in onze ziel verstikt. Gy bemerkt mijn\' gedachtengang: wat het ook zij — gewin, roem en eer, wetenschap, genot en genoegen — het kan alles doornen wezen, die het zaad verstikken.

Ds. Jay heeft nooit méér voldoening gesmaakt, dan toen hij eens te Bristol een briefje ontving van den volgenden inhoud: „Een jongeling, die voorspoedig is in zijne zaken, verzoekt om het gebed van Gods volk, dat de voorspoed geen strik voor hem moge worden.quot; Ziet toe, dat gij uwen voorspoed in dit licht beschouwt. Mijn lieve vriend. Dr. Taylor van New-York, zegt, dat sommige hedendaagsche Christenen een „vlinder Christendomquot; bezitten. Als tijd en kracht, gedachten en talenten allen tot bloot amusement zijn aangewend, wat zijn dan die mannen en vrouwen anders dan vlinders? Wat men de „hooge kringenquot; der samenleving noemt, is slechts eene verzameling van menschen, die hun\' tyd in ijdelheid doorbrengen,, en elkander daarin behulpzaam zijn. O waarde hoorders, wö zijn toch waarlijk niet in de wereld gekomen, om onzen tijd te verbeuzelen! Ik geloof niet, dat wij in de wereld zijn gekomen om ons dood te zwoegen,

713

P li..

i

i I\'

11 11

li

it \'i!

[ili 1

i ii-.

11 iij

-ocr page 749-

gezaaid ondeb de doornen.

en evenmin om ons leven te laten wegroesten in ledigheid. Wij zijn hier gekomen, zooals men in een portaal komt, ten einde daarna het huis binnen te treden. Het leven is de doorgang naar het paleis des hemels. Gaat er op zulk eene wyze door heen, dat gij met heilige vreugde tot den Koningin kunt gaan. Indien gü uw hart en uwe gedachten aan deze voorbijgaande dingen wydt — waarin zij ook mogen bestaan — dan zult gü uwe zielen ten verderve voeren, want dan kan het goede zaad niet groeien.

III. En zoo zal ik nu ten slotte stilstaan bij de uitkomst. Het zaad was onvruchtbaar.

Deze doornen en distelen konden het zaad niet uitrukken, of het wegwerpen. Het bleef waar het was; maar zjj verstikten het. Zoo kan het ook wezen, dat uwe zaken, uwe zorgen, uwe genoegens den godsdienst niet bij u ontworteld hebben — zoo als hij is, is hij nog bij u aanwezig. Maar die dingen verstikken uwe betere gevoelens. Een man, die stikt, is tot niet veel meer in staat. Als een dief in zijn huis komt, en hü wenscht zijn eigendom te verdedigen, wat kan hij dan daarvoor doen, terwijl hü stikt? Hü moet wachten, tot dat hij weer bij adem komt. Welk eene massa van verstikten godsdienst hebben wij rondom ons! Die godsdienst kan nog in leven zijn: ik weet niet, of hij het is of niet is; maar wèl weet ik, dat hij een zeer doodsch voorkomen heeft. God behoede u er voor, dat uw godsdienst verstikt wordt!

Ik heb u reeds gezegd, dat er al het noodige voedsel aan was onttrokken. Ziet op vele Christenen; ik noem hen Christenen, omdat zij zich zeiven zoo noemen. Een jongen liep te koop met koekjes, en riep overluid: „Warme koekjes!quot; Iemand die er een van hem kocht, bevond dat zij geheel koud waren. „Jongen,quot; zeide hij, „waarom hebt gij die koekjes warm genoemd?quot; „Omdat zü zoo heeten,quot; antwoordde de knaap. Zoo zijn er ook vele menschen, die Christenen genoemd worden, maar geene Christenen zün; zü zyn onder dien naam bekend; maar het wezen van Christen te zijn is door andere dingen in hen vernietigd. Gü ziet de gestalte van een\'Christen, gü hoort iets van de sprake van een\' Christen; maar de vrucht eens Christens is er niet. Dat is het gevolg van het verstikken door de doornen der zorgvuldigheden, rijkdom, wellusten des levens en van wereldschgezindheid in het algemeen.

Het weinigje leven, dat er in het koren was, was \'iiekelyk. Laat mü aan sommige personen er opmerkzaam op maken, dat hun geestelijk leven zwak begint te worden. Hoe lang heeft heden uw morgengebed geduurd? Bloost niet. Ik zal er niets meer van zeggen. Heden avond gaat gij niet naar de kerk? Gy acht het genoeg, zoo gij den halven Zondag aan Gods aanbidding wijdt. Zoudt gij niet gaarne ergens wonen, waar

714

-ocr page 750-

GEZAAID ONDER DE DOORNEN.

gü in het geheel niet naar de kerk behoeft te gaan? Hoe dikwijls leest gij in den Bijbel? Is het u een genot om met uw gezin te bidden? Ach! zeer vele zoogenaamde Christenen hebben den huisgodsdienst maar voor goed opgegeven. Hoe staat het met het bijwonen der weekbeurten ? Gij gaat niet dikwijls naar den bidstond. Neen, de kerk is te ver. „Wel ik zou er wel gaarne heengaan, maar ziet gij, er is dan juist eene buitenpartij.quot; Wilt gij dan des winters komen ? „Ja, dan zou ik wel willen, maar dan komt juist de een of ander, en dan brengen wy te zamen den avond door met een gezellig spel.quot; Hoe velen zijn er niet in dien toestand! Ik zal hen niet oordeelen; maar ik herinner mü, dat een voortreffelijk leeraar placht te zeggen: „Als de weekbeurten worden overgeslagen, dan kan men wel vaarwel zeggen aan het leven der godsvrucht.quot; Zulke menschen schijnen zich nooit te baden in hun\' godsdienst, zij bevochtigen zich slechts een weinig, en zoo trachten zij een goed en rein voorkomen te hebben; maar inwendig zijn zü niet gereinigd.

En wat aangaat het openlijk belijden van Christus — daarin komen velen gansch en al te kort. Indien gij in de engte werdt gedreven met de vraag op den man af: „Zyt gij een Christen?quot; gij zoudt zeggen: „Wel, ik ga naar de kerkmaar gij begeert ganschelijk niet u de liefelijke beschuldiging te laten aanleunen. Onze vrienden van het „Leger des Heilsquot; schamen zich hun\'godsdienst niet; waarom zoudt gij er u wèl voor schamen? Onze Kwakervrienden plachten breedgerande hoeden te dragen; maar tegenwoordig leggen zij, zeer terecht, hunne eigenaardige kleedij af. Nu hoop ik maar, dat dit voor u het teeken niet is, dat gij uwen godsdienst moogt verbergen, en zooveel mogelijk der wereld gelijkvormig moogt wezen. Hoopt gij krijgsknechten te wezen, zonder dat gij ooit uwe uniform draagt? Dat is een der kenteekenen van eene kwijnende godsdienstigheid.

Als het er toe komt om het Evangelie te verdedigen, waar ziet gij dit dan in onzen tyd? Ik heb gehoopt, dat er onder de Baptisten velen gevomlen zouden worden, aan wie de waarheid ter harte gaat; maar thans kom ik tot de gevolgtrekking dat het bij velen is als met den spelleman. Men vroeg hem welk beeld Wellington en wolk Bonaparte voorstelde: „Welk gij maar wilt, lieve kinderen,quot; antwoordde hij, „betaalt uwe entree, en kiest dan maar zelf wien gü wilt!quot; Vrije wil of vrije genade, men-schelijke verdienste of Christus\' zoenbloed — dat komt er heden niet meer op aan. Nieuwe theologie, of oude theologie, menschelijke bespiegeling, of goddelijke openbaring — wie geeft er om? Wat is er hun aan gelegen, of Gods waarheid of des duivels leugen stand houdt? Ik ben deze dwazen moede! De doornen hebben het zaad verstikt op de kansels en in de

T15

-ocr page 751-

GEZAAID ONDER DE DOORNEN.

kerken, zoowel als in de afzonderlijke personen. Ach! dat God mocht wederkeeren! Dal zijn Geest mannen onder ons verwekte, die in waarheid gelooven, en de kracht van hun geloof toonen!

De vrucht van veel hedendaagsche vroomheid is nil. Ik was eens in gezelschap met eenige bejaarde Christenen. Zoodra wij bijeen waren begonnen wij al dadelijk te spreken van den weg, dien God houdt met zyn volk, en wy verhaalden elkander voorbeelden van gebedsverhooringen, en wü spraken over de vrye genade van God er? zijne getrouwheid jegens zijne heiligen. Toen die gesprekken een poosje geduurd hadden, gaf een hunner te kennen, dat hij er veel van had genoten. „Helaas!quot; zeide hy, „niemand spreekt thans meer van God. Zeer zelden hoort men meer melding maken van zijne voorzienigheid en zune bereidwilligheid om het gebed te verhoeren. Men spreekt over de marktprijzen, en het weder, en de „Home rulequot; (l), en den heer Gladstone, en de „Scheiding van Kerk en Staatquot;, maar zeer weinig over den Heere Jezus Christus.quot; Dat getuigenis was waar. In vroeger tyd spraken de kinderen Gods dikwijls met elkander, en de Heere stond aan het venster en luisterde: „De Heere merkt er toch op en hoort.quot; Hij beminde hunne gesprekken zóó zeer, dat Hy zeide ze te willen schrijven in een boek. „Er is een gedenkboek voor zijn aangezicht geschreven voor degenen, die den Heere vreezen en voor degenen, die aan zijn naam gedenken.quot; Waar kunt gij thans bevindelijke ChristeUike gesprekken hooren? De doornen verstikken de heilige gemeenschap. Vurig gebed! krachtig gebed! quot;Waar vindt gü het? Gode zij dank, wij hebben hier sommige broederen, wier gebed de vensteren des hemels zouden kunnen openen of toesluiten; maar dit kan niet van zeer velen worden gezegd. Gaat eens naar de bidstonden in de meeste kerken. Hoe arm zijn zij! Op het platte land worden de bidstonden gedurende den hooitijd en den oogst gansch en al nagelaten. In Londen laat men de bidstonden niet ophouden in den zomer, omdat zü van te weinig aanbelang zijn om er formeel van te zeggen, dat zij ophouden. Hoe kunnen wü een\' zegen verwachten, als wij te traag zijn om er om te vragen? Is het geen bewijs van den stervenden toestand van den godsdienst, als wü zelfs leeraren twy\'fel hooren opperen aan de waardü van bidstonden, alleen maar om er hunne onverschilligheid door te bedekken?

716

Waar ziet gij een innig, hartelyk genieten van de dingen Gods? Het geestelijk leven moet wel heel flauw en zwak zijn, als er zoo weinig verlustiging is in den heiligen dienst. O mocht het oude.Methodistische vuur eens weder opvlammen! O dat

(1) Zelfregeering in Ierland.

-ocr page 752-

GEZAAID ONDEB DË DOORKEN.

wij bij den klank van Jezus\' naam ons hart in ons van blyd-schap voelden opspringen! O dat wy als lichtbakens waren, dat de vlam onzer heilige liefde en zielsverrukking opging naaiden hemel! Het is een droevige dag, als de godsdienst uitgaat zonder zijn sieraad der blijdschap te dragen. Als een leger zyne vlag heeft achtergelaten, dan heeft het blijkbaar alle gedachten aan de overwinning opgegeven.

Indien er verval is in het geestelijk leven, dan kunnen wij geene daden van heilige toewijding verwachten. O dat er mannen en vrouwen waren, die hunne albasten flesch tot Jezus brachten! Het verheugt mij die soort van klacht te hooren: „Ik heb voor den Heere niet gedaan, wat ik had moeten doen. Ik ben nu al sedert vele jaren een geloovige geweest; maar ik heb voor zijne zaak niet gegeven wat ik er voor had moeten geven; zeg mij wat ik doen moet.quot; Er zijn hoopgevende teekenen in zulke vragen, en daarom zijn zü goed; maar nog beter zou het zijn om maar vroeg te beginnen, ten einde zulk leedgevoel te voorkomen.

Ik wensch u, mijn waarde hoorder, de vraag voor te leggen; zijt gij vruchtbaar geweest ? Zijt gij vruchtbaar geweest met uwe bezittingen? Zijt gij vruchtbaar geweest met uw talent? quot;Wat doet gij thans voor Jezus? De zaligheid wordt door geen doen verkregen van menschen, gij zijt zalig geworden uit genade; maar indien gü aldus zalig gemaakt zijt, toont het door uw aan den dienst des Heeren toegewijd leven. Wijdt u heden opnieuw en ten volle aan den dienst uws Meesters. Gij zijt uws zelfs niet, gij zijt duur gekocht; en zoo gü niet gelijk wilt wezen aan dit door de doornen verstikte zaad, zoo leeft met een\' alles verterenden ijver, terwijl gij leeft.

„Maarquot;, zegt iemand, „daar zijn de doornen.quot; Ik weet het. Zij waren hier, toen onze gezegende Heiland onder ons is gekomen, en zij zijn tot eene wreede kroon voor Hem gemaakt. Zult gij er nog meer aankweeken? Mag ik u dringend en ernstig vragen om niet langer doornen te kweeken? Zij zijn nutteloos; er komt geen goed uit voort. Alles wat gij najaagt, dat niet tot eer van God is, is een doorn en is tot niets nut. In het eind zal hij u even smartelijk zijn, als hij uw Heere geweest is. Een doorn zal uw vleesch verscheuren, ja uw hart verscheuren. Als gij komt te sterven, zullen deze doornen,in uw hoofdkussen wezen. Zelfs als gij sterft in den Heere, zal het uw hart grieven, als gij bedenkt, dat gij niet méér voor Jezus geleefd hebt. Indien gij voor deze dingen leeft, dan zal het u berouwen, want zij zijn gelijk doornen, pijnlijk in het verkrijgen, pijnlijk in het behouden, en pijnlijk in de uitrukking er van. Gij, die wel eens een doorn in uwe hand gehad hebt, weet wat ik bedoel. Wereldsche zorgen komen met smart, blijven met smart, en worden niet dan met sm art weggedaan.

717

-ocr page 753-

7lÖ GEZAAtÜ ONDËÏl DE DOOÜNEN.

Toch is er nog eenige nuttigheid in doornen. Waarin bestaat die nuttigheid? Ten eerste: zoo gij heden doornen bij u hebt, doe er mede wat een kind er mede doet. Wat doet het kind? Als hij een\' doorn in zijn\' vinger krijgt, ziet hij er naar en schreit. Hij doet hem zoo zeer! Dan loopt hij naar zijne moeder. Dat is de liefelijke nuttigheid van den tegenspoed, het verschaft hem terstond toegang tot zijne moeder. „Waarom komt gü hier?quot; zegt zij wellicht, „ga spelen in den tuin.quot; Maar hij schreit en roept: „Ach, moeder, ik heb een\' doorn in mijn\' vinger.quot; Dit argument is volkomen voldoende om hem dege-heele aandacht van de koningin des huizes te verzekeren. Zie met hoeveel teederheid zü dien kleinen dolk verwijdert! Laat uwe zorgen u uitdrijven tot God. Ik zou het niet betreuren als gÜ vele zorgen hebt, indien zij allen u slechts dringen tot gebed. Indien elke smart of kweling u meer doet steunen op Jezus, zal het eene weldaad voor u zyn. Het is aldus, dat gij ook van doornen een goed gebruik kunt maken.

En dan kunnen doornen ook gebruikt worden om er eene heg van te maken, ten einde de bokken van wereldsch vermaak te beletten de jonge plantjes uwer genadegaven te eten. Laten de zorgen des levens de verzoekingen weren, die u anders ernstig kwaad en nadeel zouden berokkenen.

Mogen wij elkander ontmoeten in den hemel! Welk eene groote vergadering is het, tot welke ik heden heb mogen spreken. Van de einden der aarde zijt gü wellicht hier gekomen. De Heere zegene u! Er zijn hier zeer vele vreemdelingen, want de meesten van onze gewone hoorders z;jn uit de stad. Wellicht zal ik u dus nooit weer zien op aarde. Mogen wij elkander allen ontmoeten in den hemel, waar nooit doornen zullen groeien! Mogen wy door de engelen vergaderd worden, ten dage als de Heere zeggen zal: „Brengt de tarwe samen in myne schuurquot;! Amen. Zoo zü het.

-ocr page 754-

HKT ZAAD OP DEN STEENACHTïGEN GROND.

rEn liet andere viel op het steenachtige, waar het niet veel aarde had en het ging terstond op, omdat het geene diepte van aarde had. Maar als de zon opgegaan was, zoo is het verbrand geworden, en omdat het geen wortel had, zoo is het verdord.quot; Markus IV; 6.

Volgens de gelijkenis valt het zaad des Evangelies op allerlei grond. Sommigen van de kosteiyke korrels vallen op den harden weg, sommigen op de rots, sommigen onder de doornen, en slechts één deel, misschien wel in nog kleinere verhouding dan die van één tot vier, valt op goeden grond, waarin het eene geschikte verblijfplaats vindt. De prediker zal dus niet overal onvermengden voorspoed hebben. Hy kan op een volledig loon rekenen voor zijn werk als een geheel; maar hij moet niet denken, dat het goede woord overal ingang zal vinden, want voor velen zal het eene reuke des doods zijn ten doode. en niet des levens ten leven. Zelfs toen Jezus predikte hebben slechts weinigen Hem ontvangen, en van Paulus\' dienstwerk lezen wij ; „Sommigen geloofden wel hetgeen gezegd werd, maar sommigen geloofden niet.quot; Het is voor den eerstbeginnende in den dienst des Heeren de roeping om voorwaarts te gaan met billijke, doch niet al te hoog gespannen verwachtingen, opdat hij niet eerlang het werk moede wordt en het in zijne bittere teleurstelling geheel opgeeft.

Merkt wel op, dat de zaaier in de gelijkenis niet gelaakt wordt voor zijn uitstrooien van zaad op een\' grond, die onvruchtbaar bleek te zyn. Geen woord van afkeuring hierom staat van hem geschreven. Hieruit kunnen wij nu redelijkerwijs afleiden, dat hij niet meer en niet minder dan zijn plicht gedaan heeft; en dat de dienstknecht van Christus het zaad des Evangelies onder geheel het menschdom heeft uit te strooien. Het is Gods werk het zaligmakend woord te doen doordringen tot de harten, die Hü toebereid heeft om het te ontvangen; maar wat ons betreft; wg moeten het Evangelie prediken aan alle kre-aturen; en uitgaande in de straten en stegen der stad, moeten wij allen, die wij vinden, noodigen om tot het Avondmaal des

-ocr page 755-

hkï zaad ot den steekachtlgen grond.

Heeren te komen. Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. De bedoeling is nooit geweest, dat de uitwendige roeping even beperkt zou zijn als de uitverkiezing; toch zijn er sommige leeraren, wier prediking veel meer bestaat in eene ontleding van den grond, dan in een zaaien van het zaad. De ontleding van den grond aan God overlatende, neem ik myne opdracht aan uit zijne handen, en wensch haar ten uitvoer te brengen. Hoorder van den steenachtigen grond, er is eene handvol zaads voor u; gij, die een hart hebt, zoo hard als een begane weg, er is eene handvol voor u; en zelfs onder de doornen, die in onze eeuw zoo overvloedig gevonden worden, zal het goede zaad als een kostbare regen van den hemel ne-derkomen. En zoo God in zijne genade het heenleidt naar zijne uitverkorenen, en dezen het, evenals de goede aarde, ontvangen, dan zal dat zijn werk wezen, want door mijne macht of bekwaamheid zal het nooit tot stand komen. Mijner is het aan alle wateren te zaaien, zijner is het den wasdom te geven. Het beste schot, dat ooit met pijl en boog gedaan was, werd gedaan, toen een man den boog spande „in zijne eenvoudigheidquot;, en Achab, den koning van Israël schoot tussehen de gespen en tussehen het pantsier. En terwijl ik mijn\' boog span oin het Evangelie te prediken aan alle kreaturen, gevoel ik in het geloof de zekerheid, dat de Heere den pijl zal besturen en zijne bedoelingen der genade tot stand zal brengen.

Ik gevoel, dat mij een hoog ernstig werk op de hand is gezet. Het is mij altijd een genot over een bemoedigend onderwerp te prediken, maar heden morgen zal ik moeten spreken over onderzoeken en toetsen. Wij hebben te handelen over menschen, die zeer goed schijnen te zijn, en wij zullen moeten aantoonen, dat zij niet zijn wat zij schijnen. Wij zullen het koren van den dorschvloer in de zeef moeten doen, en nu zou het wel kunnen zijn, dat er veel kaf is, dat weggeblazen moet worden. Dit is eene werking, die niet aangenaam is voor het vleesch, en wij hebben den Geest Gods noodig om haar op de rechte wijze te verrichten, opdat de zwakken niet grootelijks beroerd worden, hetgeen wü verre zijn van te wenschen. Eene ernstige rede moet voortkomen uit een ernstig hart, en moet met ernst in het hart worden gehoord. God geve, dat dit heden zoo zijn moge, dat het woord ten zegen moge zijn voor een iegelijk onzer, hetzij wij al of niet belijders van het Evangelie zijn.

Wy zullen ten eerste de geschiedenis lezen van de hoorders der steenachtige aarde; in de tweede plaats zullen wij op het radicaal gebrek wijzen van hun karakter, om dan in de derde plaats uit het geheel eene leering te vinden voor ons zeiven.

I. Wij hebben hier dan, ten eerste, eene koete levensbeschrijving van zekere belijders van den godsdienst. Laat

720

-ocr page 756-

HET ZAAD OP DEN STËENACIlTlGEN ÖROND. TH

ons haar met opmerkzaamheid lezen. Er wordt in de eerste plaats van hen gezegd, dat zij het woord hoorden. „Welke, als zij het woord gehoord hebben, terstond hetzelve met vreugde-ontvangen.quot; Zij hadden het groote voorrecht van Gods Woord te hooren. Zij hoorden het wezenlijke Evangelie; zij woonden geen\' kerkdienst by, waar het woord Gods vervalschi wordt door roomsch bijgeloof of philosophische bespiegelingen: het was het woord, dat zij hoorden. De zaaier zaaide geen onkruid, maar deugdelijk koren. Hoe gelukkig zijn zü, die eene zuivere Evangelieverkondiging kunnen hooren! Mocht het God behagen zoodanige leeraren overal te vermenigvuldigen, en de harten der menschen te neigen om hen gaarne te hooren. Hoe kunnen wij verwachten, dat de zaligheid tot ons zal komen, indien wij het Evangelie der zaligheid niet hooren? Indien wij slechts luisteren naar meeningen, en denkbeelden, en wijsgeerige redeneeringen en bijgeloovigheden, en niet naar het eigen Woord van God, dan kunnen wij geene zaligheid verwachten. De Heilige Geest behoudt de menschen niet door middel van leuge-nen; maar zoo wij de waarheid hooren, gelyk zij is in Jezus, dan kunnen wij hopen, dat Hij er kracht van zal doen uitgaan ter onzer bekeering.

Herinnert u voorts, dat hooren niet genoeg is. Die alleen maar hoorders z;jn des woords, zullen den hemel niet binnengaan, er moet een doen wezen van het woord zoowel als een hooren er van. Deze menschen waren goede, uitnemende hoorders, want zij gingen nog verder dan hooren — zij hebben het ontvangen; niet in de goddelijke kracht en bovennatuurlijke uitwerking er van; maar toch hebben zij het ontvangen, dat is: zij hebben er niet op gevit, zij hebben er mede ingestemd gelijk zij het hoorden, en het erkend als de waarheid Gods. Het ontvangende, heeft het ook eene zekere uitwerking op hen gehad. Zij waren eenigermate onder den indruk er van gekomen. Als er in de prediking gesproken werd van Gods toorn van wege de zonde, dan werden zy verschrikt. Zjj hebben niet altid met droge oogen gehoord; zij waren niet altijd als de banken, waarop zij zaten, onbewogen en stompzinnig. Neen, zij ontvingen het woord, het wekte gewaarwordingen by hen op; zü gevoelden er de uitwerking van en werden aldus geleid om in veel van hun leven verandering te brengen. Zij gingen naar huis en reinigden de kameren, die vol van onreinigheden waren geweest. Zij reinigden ten minste de buitenzijde van schotel en drinkbeker, en zorgden dat het graf, indien al niet ontdaan werd van de dorre doodsbeenderen, ten minste betamelijk wit gepleisterd was, zoo dat de voorbijganger er zich niet aan ergerde. Door hetgeen zij hadden gehoord waren zy voor het uitwendige veranderd en verbeterd, en in zoover hebben zij het ontvangen.

46

-ocr page 757-

HET ZA-At) OP DEN STEENACHTIGBN GEOND.

En dan wordt, in de derde plaats, van hen gezegd, dat zij het terstond hebben ontvangen. Het heeft in hen geen\' strijd, geene twijfelingen of moeielijkheden opgewekt. De prediker zeide: „Dit is het Woord Godsquot; en zy waren tevreden om hem te gelooven, schoon zij niet wisten waarom. Terwijl anderen vroegen naar het gezag, waaraan hij zijne boodschap ontleende, en na dit gezag erkend te hebben, met duizend moeielijkheden hadden te kampen, hebben deze lieden zich alle moeite bespaard door maar nergens over te denken. Het was de godsdienst van hun\' vader en moeder, en daarom geloofden zij er in. Zy slikten de pil met gesloten oogen en bekommerden er zich niet om of het Gods waarheid of Satans leugen was. Aan een geestelijk, innerlijk verwerken van de leer: daaraan dachten zü niet eens; alles wat men hun leerde namen zij voetstoots aan. De priesters zeiven zouden geen volgzamer leerlingen kunnen wenschen. Deze hoorders hadden geene zware worstelingen om tot den Zaligmaker te komen, geene bewustheid van schuld om hen terug te houden, geene gewetenswroeging om hen te beangstigen, geene ongerustheid door de vraag of zij wel waarlyk tot Gods volk behoorden, geene toetsing en geene zifting om te zien of zij oprecht berouw en een Gode welgevallig geloof hadden. „Gewis,quot; zeiden zij, „dit is eene goede zaak, en wy willen haar hebbenquot;; en in zekeren zin hebben zij haar ook gehad, niet met eenigerlei diepte van nadenken of met eenig gewicht van oordeel, maar onmiddelijk hebben zy het woord ontvangen.

Er wordt nog bijgevoegd: zij hebben het met vreugde ontvangen. Het onmiddelijk gevolg van hun ontvangen van het woord was, dat het hen zeer gelukkig maakte; en er zijn niec weinigen, die gelooven, dat zeer gelukkig geworden te zijn een stellig bewijs is van bekeerd te zyn. Gelooft my: dit is een zeer twijfelachtig bewijs. Ongetwijfeld is één groot gevolg van het ontvangen des Evangelies in het hart, dat men blijdschap en vrede ontvangt door te gelooven; maar er zijn vele soorten van blijdschap, en vele soorten van vrede; en er is eene blijdschap, die niet de vrucht is van genade, maar een voortbrengsel der natuur, en een vrede, die voortkomt uit zelfbedrog en niet uit den Geest van God. Wij moeten ons wachten voorde gevolgtrekking, dat wy verlost en behouden zijn, omdat wy „zoo gelukkigquot; zijn. De ryke man, die naar de hel ging, was gelukkig, toen hij allen dag vroolijk en prachtig leefde. De man, die zeide, dat hij zijne schuren wilde afbreken en grootere bouwen, was gelukkig terwijl hij zijne goederen aanzag. Ook de verloren zoon was gelukkig, terwijl hij zyn goed doorbracht en overdadig leefde; maar hunne blijdschap was van een\' gansch anderen aard dan die, welke de vrucht des Geestes is. De men-schen van onzen tekst zagen uitsluitend op de gelukkige zijde van

722

-ocr page 758-

HET ZAAD OP DËN STEENACHTIGEN GEOND.

den godsdienst. „Daar is mijne moeder,quot; zeide de hoorder van den steenachtigen grond, „welk eene gelukkige Christin is zij ! Ik heb haar onder zware beproeving ondersteund gezien door den Geest Gods; ik heb haar gadegeslagen als er een sterfgeval bü ons was, en ik heb gezien hoe kalm en vredig zij er onder geweest is. Ik zal Christus aannemen, want dai; zal ik even gelukkig zijn als zy.quot; Die hoorders van den steenachtigen grond dachten, dat het zeer gelukkig moet wezen om vergiffenis te hebben verkregen; en zoo is het ook; maar zij bleven alleen daarbij staan. Begenadigd te zijn, een kind van God te wezen, aangenomen te zijn in den Geliefde, hoe kos-teljjk en heerlijk moet dit wezen! Hoe heerlijk om tot Gods heiligen te worden gerekend, aan de tafel des Heeren aan te zitten en een geacht lid der gemeente te zijn tot wien men hoog opziet! Zijn dat niet allen wegen der liefelijkheid? En dan eindelijk naar den hemel te gaan, juichend te sterven, opgenomen te worden om met Jezus te zijn in het midden der heerlijkheid, wat vreugdevolle zaken! Wie twijfelt er aan? Maar deze menschen bleven alleen by deze beschouwing dei-zaak, en zij gedachten niet, dat er tusschen hier en den hemel velerlei verzoeking is te bestrijden en te overwinnen; dat er beproevingen zijn te verduren, zware beproevingen, die wij niet anders dan door Gods hulp en ondersteuning kunnen dragen. Rechterarmen zullen afgehouwen, rechteroogen uitgerukt moeten worden. Er zullen kosten te overrekenen zijn, er zal eene rekening moeten worden opgemaakt om te zien of de toekomst tegen den arbeid en de moeite van heden zal opwegen. Jeugdige lieden vol hoop in het hart doen de gelofte, dat zij bezit zullen nemen-van het schoone land Kanaan, maar zij bedenken niet hoe ruw de weg is, die er henen voert. Evenals „Meelooperquot; begeven zij zich op weg naar de hemelsche stad; maar zij hebben niet gerekend op den rPoel der Wanhoop,quot; en daarom willen zij, zoodra zij een weinigje slijk in den mond krijgen, maar liever terug-keeren, en het schoone land overlaten voor hen, die er om geven. Wat hun betreft, zoo zij slechts hunne beenderen heel kunnen houden in hun lichaam, willen zij de toekomst gaarne overlaten voor wat zij is.

Deze lieden hebben alzoo het woord terstond met blijdschap ontvangen. Hoe hoopvol moet dit den zaaier hebben toegeschenen! Bemerkt gij niet hoe gemakkelijk leeraren bedrogen kunnen worden ? Als gij slechts hebt te prediken, en als de menschen gewillig zijn om te hooren; slechts te prediken, en de menschen bereid om aan te nemen, — het Evangelie aan te nemen, en dat wel terstond, zonder dat zij u lastig vallen en u moeite veroorzaken door met hen te moeten redeneeren; als zy het woord terstond met vreugde ontvangen, en gij u de-

723

-ocr page 759-

HET ZAAD OP DEN STËENACHTIGEN GROND.

moeite niet behoeft te geven om hen er toe aan te moedigen, en op hunne vragen en twijfelingen te antwoorden, hen in hun\' angst en benauwdheid te vertroosten met duizenderlei beloften, die gij uit Gods woord moet kiezen, is dat dan geen heerlijk werk, dat den zaaier rijkelijk zal beloonen? Helaas! wij moeten onze vruchten niet tellen aan de knoppen ! Alles wat blinkt is geen goud, en niet alle eieren zullen uitgebroed worden.

Wij lezen ook, dat deze lieden snelle vorderingen maakten, „het ging terstond op, omdat het geene diepte van aarde had.quot; Omdat de aarde zoo\'ondiep was, kon het snel opwassen. Deze menschen hoorden eens op een\' dag het Evangelie, zij ontvin-vingen het en hielden zich er van overtuigd, dat zij verlost en behouden waren. Zij waren terstond vol van blydschap en haastten zich om dadelijk openlijk belijdenis te doen. Zij hadden geen\' tijd noodig om neder te zitten en eens te zien of zij die belijdenis gestand zouden kunnen doen, of om genade te zoeken, opdat zij niet zouden loopen voor en aleer zij geroepen zijn; maar voort gingen zij, als of er eene vonk in een\' hoop buskruit ware gevallen. Zü deden belijdenis, en eene week daarna gaven zij al onderwijs in de zondagschool. Zij waren er zóó zeker van op den rechten weg te zijn, dat zij zich vertoornden op andere pelgrims, die niet zoo snel reisden. Toen zij hoorden van Christenen, die ongerust waren over hun\' toestand, zeiden zij: „Welk een onzin! Wat reden hebt gij hiervoor?quot; Als zy een wèl onderwezen Christen zagen, die sidderend zün eigen hart onderzocht, dan zeiden zij; „O gij moet volstrekt niet op u zei ven zien; geen acht geven op hetgeen er in u omgaat.quot; Zij hadden slechts een eenzijdig Evangelie ontvangen, en dat bevredigde hen volkomen; maar het werk des Geestes in de ziel, en de heilige jaloerschheid, die een dei-beste vruchten is van eene levende godsvrucht, daar hielden zij zich niet mede op. Zij wilden de Kerk achter zich aan slepen, en de wereld voor zich uit drijven, en zeer snel zouden zy ook de prediking, die, naar zij voorgaven, het middel was van hunne bekeering, voorbij streven. Van hijzop op den muur werden zij op eens cederen van den Libanon. Zij waren nu eens mannen, en met hen zou de wijsheid uitsterven. Heerlijk om met zulke menschen te doen te hebben, niet waar? Wij zullen zien, en dan zullen wij bemerken, dat niet alle ranken, waaraan bladeren ontspruiten, ook vruchten zullen dragen.

Ter \'bestemder tijd kwam, volgens de gelijkenis, de beproeving. Het zaad was opgekomen; maar ook de zon was opgekomen, en begon het te verschroeien. Niemand zal in den hemel komen zonder op den weg derwaarts beproefd te zijn. Vraagt eens omtrent hen, die in hunne witte kleederen voor den troon Gods staan: Wie zijn zij, en van waar zijn zy gekomen? En

7\'24

-ocr page 760-

HET ZAAD OP DEN STEENACHTIGEN GROND.

het antwoord zal wezen: „Dezen zijn het, die uit de groote verdrukking komen, en zij hebben hunne lange kleederen ge-wasschen, en hebben hunne lange kleederen wit gemaakt in het bloed des Lams.quot; Er is niet het minste goud in den gan-schen tempel Gods, dat niet door het vuur gegaan is. Een onbeproefd geloof is geen geloof; onbeproefde genade isgeene genade. God zal zyn volk toetsen en zal het kostelijke van het snoode uittrekken.

Volgens des Heilands verklaring van den tekst kwam de beproeving in den vorm van vervolging. Ach! hoe velenzyn er, die het woord met blijdschap ontvangen hebben, en die, zoo de brandstapels weder opgericht werden, zeer spoedig hunne belydenis van het Christendom zouden verzaken! Of, zoo er eene gevangenis was, waarin zij moesten liggen totdat er mos groeide op hunne oogleden, spoedig de waarheid zouden verlaten om de zijde der dwaling te kiezen. Wy behoeven niet zeer bevreesd te zijn voor de herleving van zoodanige beproevingen; maar er zijn andere vormen van vervolging, die bloot uitwendige belijders niet in staat zijn te ondergaan. Een smalend woord in de voorname kringen der maatschappü; een aanmerking op het Christendom van iemand, dien gü gewoon zyt te eerbiedigen; een blik van iemand, die rijker is dan gij, terwijl hij u minacht om uwe belydenis van een volgeling van Christus te zijn; onvriendelijke woorden van een\'vader; tegenstand van een\' echtgenoot; het verlaten worden door een jongen metgezel, aan wiens leven gü hooptet verbonden te worden; zulke dingen — die volstrekt niet gelijken op brandstapel of gevangenis -— zu\'n toch volkomen voldoende om op zwakke belijders de overhand te verkrijgen, zoodat zij geërgerd worden en den rug toekeeren aan den godsdienst, dien zij eens zoo snel en zoo bereidvaardig hadden aangenomen. Dikwijls gebeurt het, dat het vasthouden aan zyn beginsel groot verlies in zaken medebrengt; en zulk een verlies kunnen zij niet dragen. Indien Christus goedkooper te krygen ware, dan zouden zy Hem wel gaarne hebben; maar al de schatten van Egypte prys te geven! Neen, dat zouden zy niet kunnen; en zoo doen zy dan wederom afstand van dien Christus, dien zy eens hun Alles in alles hebben genoemd.

Voor anderen was het niet dusdanige beproeving, maar nood en ellende door den weg van Gods voorzienigheid met hen. Ik gedenk met smart aan een\' man met zijne vrouw, die leden onzer gemeente geweest zijn, en van wie volkomen waar was, wat zij zeiden, dat zij van het oogenblik, datzij den godsdienst openlijk hebben beleden, in moeielijkheden zijn gekomen; en daarom hebben zij van wege die smart en benauwdheid toen ook maar afstand gedaan van de vertroosting, want zij kwamen tot de gevolgtrekking, dat zij gewis niet tot het volk Gods

725

-ocr page 761-

HET ZAAD OP DEN STEENACHTIGEN GROND.

moeite niet behoeft te geven om hen er toe aan te moedigen, en op hunne vragen en twijfelingen te antwoorden, hen in hun\' angst en benauwdheid te vertroosten met duizenderlei beloften, die gij uit Gods woord moet kiezen, is dat dan geen heerlijk werk, dat den zaaier rijkelijk zal beloonen? Helaas! wij moeten onze vruchten niet tellen aan de knoppen ! Alles wat blinkt is geen goud, en niet alle eieren zullen uitgebroed worden.

Wij lezen ook, dat deze lieden snélle vorderingen maakten, „het ging terstond op, omdat het geene diepte van aarde had.quot; Omdat de aarde zoo\'ondiep was, kon het snel opwassen. Deze menschen hoorden eens op een\' dag het Evangelie, zij ontvin-vingen het en hielden zich er van overtuigd, dat zij verlost en behouden waren. Zij waren terstond vol van blijdschap en haastten zich om dadelijk openlijk belijdenis te doen. Ztj hadden geen\' tijd noodig om neder te zitten en eens te zien of zij die belijdenis gestand zouden kunnen doen, of om genade te zoeken, opdat zij niet zouden loopen voor en aleer z\\j geroepen zijn; maar voort gingen zij, als of er eene vonk in een\' hoop buskruit ware gevallen. Zij deden belijdenis, en eene week daarna gaven zij al onderwijs in de zondagschool. Zij waren er zóó zeker van op den rechten weg te zijn, dat zü zich vertoornden op andere pelgrims, die niet zoo snel reisden. Toen zij hoorden van Christenen, die ongerust waren over hun\' toestand, zeiden zij: „Welk een onzin! Wat reden hebt gij hiervoor?quot; Als zü een wèl onderwezen Christen zagen, die sidderend zijn eigen hart onderzocht, dan zeiden zij; „O gij moet volstrekt niet op u zeiven zien; geen acht geven op hetgeen er in u omgaat.quot; Zij hadden slechts een eenzijdig Evangelie ontvangen, en dat bevredigde hen volkomen; maar het werk des Geestes in de ziel, en de heilige jaloerschheid, die een dei-beste vruchten is van eene levende godsvrucht, daar hielden zij zich niet mede op. Zij wilden de Kerk achter zich aan slepen, en de wereld voor zich uit drijven, en zeer snel zouden zü ook de prediking, die, naar zij voorgaven, het middel was van hunne bekeering, voorbij streven. Van hijzop op den muur werden zij op eens cederen van den Libanon. Zij waren nu eens mannen, en met hen zou de wijsheid uitsterven. Heerlijk om met zulke menschen te doen te hebben, niet waar? Wij zullen zien, en dan zullen wij bemerken, dat niet alle ranken, waaraan bladeren ontspruiten, ook vruchten zullen dragen.

Ter bestemder tijd kwam, volgens de gelijkenis, de beproermj. Het zaad was opgekomen; maar ook de zon was opgekomen, en begon het te verschroeien. Niemand zal in den hemel komen zonder op den weg derwaarts beproefd te zijn. Vraagt eens omtrent hen, die in hunne witte kleederen voor den troon Gods staan; Wie zijn zü, en van waar zijn zij gekomen? En

724

-ocr page 762-

HET ZAAD OP DEN STEENACHTIGEN GROND.

het antwoord zal wezen: „Dezen zijn het, die uit de groote verdrukking komen, en zij hebben hunne lange kleederen ge-wasschen, en hebben hunne lange kleederen wit gemaakt in het bloed des Lams.quot; Er is niet het minste goud in den gan-schen tempel Gods, dat niet door het vuur gegaan is. Een onbeproefd geloof is geen geloof; onbeproefde genade isgeene genade. God zal zijn volk toetsen en zal het kostelijke van het snoode uittrekken.

Volgens des Heilands verklaring van den tekst kwam de beproeving in den vorm van vervolging. Ach! hoe velen zijn er, die het woord met blijdschap ontvangen hebben, en die, zoo de brandstapels weder opgericht werden, zeer spoedig hunne belijdenis van het Christendom zouden verzaken! Of, zoo er eene gevangenis was, waarin zij moesten liggen totdat er mos groeide op hunne oogleden, spoedig de waarheid zouden verlaten om de zijde der dwaling te kiezen. quot;Wy behoeven niet zeer bevreesd te zijn voor de herleving van zoodanige beproevingen; maar er zijn andere vormen van vervolging, die bloot uitwendige belijders niet in staat zijn te ondergaan. Een smalend woord in de voorname kringen der maatschappij; een aanmerking op het Christendom van iemand, dien gü gewoon zyt te eerbiedigen; een blik van iemand, die rijker is dan gij, terwijl hij u minacht om uwe belijdenis van een volgeling van Christus te zijn; onvriendelijke woorden van een\'vader; tegenstand van een\' echtgenoot; het verlaten worden door een jongen metgezel, aan wiens leven gij hooptet verbonden te worden; zulke dingen — die volstrekt niet gelijken op brandstapel of gevangenis — zijn toch volkomen voldoende om op zwakke belijders de overhand te verkrijgen, zoodat zij geërgerd worden en den rug toekeeren aan den godsdienst, dien zij eens zoo snel en zoo bereidvaardig hadden aangenomen. Dikwijls gebeurt het, dat het vasthouden aan zijn beginsel groot verlies in zaken medebrengt; en zulk een verlies kunnen zij niet dragen. Indien Christus goedkooper te krijgen ware, dan zouden zij Hem wel gaarne hebben; maar al de schatten van Egypte pry\'s te geven! Neen, dat zouden zy niet kunnen; en zoo doen zy dan wederom afstand van dien Christus, dien zij eens hun Alles in alles hebben genoemd.

Voor anderen was het niet dusdanige beproeving, maarnood en ellende door den weg van Gods voorzienigheid met hen. Ik gedenk met smart aan een\' man met zijne vrouw, die leden onzer gemeente geweest zijn, en van wie volkomen waar was, wat zij zeiden, dat zij van het oogenblik, dat zij den godsdienst openlijk hebben beleden, in moeielijkheden zijn gekomen; en daarom hebben zij van wege die smart en benauwdheid toen ook maar afstand gedaan van de vertroosting, want zij kwamen tot de gevolgtrekking, dat zy gewis niet tot het volk Gods

725

-ocr page 763-

HKT ZAAD OP DEN STEENACHTIGEN GROND.

konden behooren, want dat God hen dari niet zooveel beproevingen zou kunnen opleggen; eene gevolgtrekking, die lijnrecht in strijd is met de Schrift. Velen willen Christus wel hebben, als Hij hen liefkoost; maar niet als Hij hen kastijdt. Zü willen den Heere volgen, zoolang Hij geeft; maar zü kunnen niet gelooven in een\' God, die ontneemt. Zij kunnen Hem loven, zoolang Hij hen verrykt; maar zij weten niets van een geloof als dat van Job, toen hü uitriep: „De Heere heeft gegeven, en de Heere heeft genomen; de naam des Heeren zü geloofd.quot;

Het kan ook wezen, dat zij, toen zij voor het eerst den godsdienst hebben beleden, niet heel veel wisten van de verzoekingen des levens. Maar nu hebben zij het ouderlijke huis verlaten, en eene betrekking verkregen, waar zij omgaan met jonge lieden, die hen bekend maken met plaatsen van zondig genot. Of wèl, zij hebben den kring der godvruchtigen, waarin zij eens verkeerd hebben, verlaten, en zijn nu onder de godde-loozen; en helaas! zij hunkeren naar de genoegens der wereld. De basilisk van zondige genoegens heeft hen betooverd, en nu verlaten zij Christus voor Belial, den waren godsdienst voor we-reldschgezindheid, het volgen van God voor het bevredigen van het vleesch. O hoe dikwijls is dit het geval!

Of wellicht is een ander schijnsel der zon over hen gekomen. Zij dachten in het Evangelie te gelooven, maar zij zijn onder] twistredenaars geraakt. Zij zijn omringd van twijfelaars, van wie zü argumenten hooren, die zü nooit te voren gehoord hebben. Daar zij nu nooit gewoon waren iets te wegen, of zich rekenschap te geven waarom zü in God geloofden en in Christus, staan zij gansch verschrikt en verbaasd. Zij hebben geene diepte van aarde; zij zün niet geworteld in de waarheid door overtuiging. Niet zoodra zullen zy dus een\' atheist (1) of een deist (2) of een\' twijfelaar, in welken vorm dan ook, ontmoeten of zy zün als distelwol voor den wind. Daar zü geen ballast in hun schip hebben, zal de eerste de beste windvlaag hen doen omslaan, en dan zijn zij verloren. Welk eene groote zaak is het bevestigd te zijn in de waarheid, geworteld, gefondeerd en vast te zün. Ik heb eens van iemand gelezen, die zeide: „Als ik de argumenten lees, die door de ongeloovigen tegen het Evangelie worden aangevoerd, dan kan ik niet anders dan den spot met hen drijven, omdat zij hoegenaamd niet zoo lastig zijn of zoo moeielü\'k te beantwoorden, als de argumenten, die mijn eigen hart in vroeger jaren tegen den Heere heeft ingebracht. En daar dezen beantwoord en omver geworpen zün, gevoel ik mü meer dan opgewassen tegen den nietigen

(1) Godloochenaar.

(2) Godist, d. i. iemand, die alleen door de rede aan éénen God gelooft.

726

-ocr page 764-

hkt zaad op den steenachtigen grond.

tegenstand der goddeloozen.quot; Het is heerlijk om in deze tijden van twijfelzucht niet bewogen te worden, maar den Heere te kennen door den verborgen omgang met Hem; z\\jne waarheid te kennen door eene innerlijke bewustheid en een godvruchtig lezen van zü\'n woord met oogen, die van Boven geopend zijn. Helaas! vele hoorders en ontvangers des Woords zijn door vittende ongeloovigen ten verderve gevoerd. Zij hebben niets grondig geweten, en zoo werden zij gemakkelijk bedrogen.

Er wordt van die menschen van den steenachtigen grond gezegd, dat zij terstond geërgerd worden. Hunne liefde voor het Evangelie is even snel bekoeld als opgekomen. „Terstond worden zij geërgerd.quot; Zij hebben zich bij den aanvang niet opgehouden met de vraag, waarom zij Christenen moesten zijn; en nu houden zij zich niet op om redenen bij te brengen, waarom zy maar afstand moeten doen van hunne belijdenis. Iemand zeide hun: „Geloof! geloof! geloofquot;! En toen waren zij opgewonden; en nu zegt een ander spreker: „Geloof niet, geloof nietquot;! en zij zijn opgewonden in de tegenovergestelde richting. Bij eene opwekking gingen zij mede met de menigte, en nu gaan ztj met de menigte mede in den tyd der lauwheid. De leeraar liet hen binnenkomen door de voordeur, en nu moet hü hen weer laten gaan door de achterdeur. Zij hebben hem teleurgesteld, zij hebben ergernis gebracht over de gemeente en eene dubbele verantwoordelijkheid over hen zeiven, en nu zijn zij even begeerig om hun\' godsdienst te verzaken, als zij eerst waren om hem te belijden. Ongelukkige zielen, vluchtig in alles, beuzelachtig omtrent de ontzaggelijke dingen der eeuwigheid, bereid om recht te loopen, als zü recht geleid worden, en even bereid om verkeerd te gaan, als zij in de verkeerde richting gedreven worden. Zij hebben geene eigene meening, schepselen als de weekdieren, zonder merg of gebeente, niets dan geleiachtige visch; er is niets substantieels, geene zelfstandigheid in hen te vinden. Hunne huizen van zand zyn niet zoodra opgebouwd, of zij worden door den vloed weggespoeld. Zij hebben geen rotsfondament; zij hebben de waarheid niet aangegrepen ; zü hebben geene beginselen. De beweegredenen, die hen beheerschen, zijn onderwerping aan overreding, bewondering van welsprekendheid, en begeerte om geprezen te worden. Ongelukkigen ! God geve, dat wij niet tot deze klasse van menschen behooren!

II. Ik zal nu het radicaal gebrek aantoonen van hun karakter. Het bestond in de eerste plaats in een onverbroken hart. De gelijkenis spreekt niet van een\' grond met steenen er in, niet van wat wij gewoonlijk een\' steenachtigen grond noemen; want daar kan wel koren in groeien; maar van een\' bodem, met eene harde rots tot ondergrond, en slechts eene zeer dunne bedekking van aarde. Eene harde laag van ijzeren

727

-ocr page 765-

HET ZAAD OP DEN STEENACHTIG EN GKOND.

728

rots was op den bodem, nauwelijks verborgen door een weinig aarde, ontstaan uit wat mos; juist genoeg om het zaad op te vangen en te doen ontkiemen ; maar niet genoeg om er op den duur de wortelen mede te voeden. Het hart dezer lieden was nooit verbroken. „Is mijn woord niet als een hamer, spreekt de Heere?quot; Zij weten het niet, want zy hebben de hamerslagen er van nooit gevoeld. Zij hebben zonder slag of stoot hun\' vrede en blijdschap verkregen. Wat moet er geschieden met een stuk gronds, waarin de rots zoo dicht bij de oppervlakte is ? De mensch kan er niets mede doen. Het eenige, dat geschieden kan, is, dat God tusschenbeiden treedt; en als God in zijne oneindige genade de rots in goeden grond verkeert, dan zal de tarwe groeien; maar ook niet eerder. „Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een\' nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het steenen hart uit uw vleesch wegnemen, en zal u een vleezen hart geven.quot; Er moet een werk des Heiligen Geest,es zijn, waardoor de harde rots der natuur in de goede aarde der genade wordt verkeerd, want anders zal al het zaaien van de wereld nooit een\' oogst voortbrengen. Deze menschen zagen dit voorbij; zij wilden er ook liever niet van hooren. Zij hielden van predikers, die altijd het eenvoudig geloof in het werk van Jezus predikten, maar nooit van het werk des Heiligen Geestes spraken, — eenzijdige predikers, die slechts de helft van Gods boodschap brengen tot de menschen. Onder zulk eene prediking vonden zij vrede zonder benauwdheid der ziel, en vertroosting zonder wedergeboorte. Bekeering en de ouderwetsohe genade — daarop zagen zij minachtend neder. Voor God te weenen van wege de zonde, verschrikking en benauwdheid onder de bewustheid van Gods toorn, vreeze dat het vonnis der wet aan hen ten uitvoer zal worden gelegd, daarvan wisten zij niets. Z\\i gingen het Land der Hope binnen zonder den weg van het Weenende Kruis genomen te hebben, en met eiken dag groeit mijn wantrouwen aan in iemands godsdienst, als hij dien weg niet heeft betreden. Iemand, die genezen werd, vóór hij nog was gewond; gekleed werd, vóórdat hij nog was ontbloot; vervuld werd, vóórdat hü nog was ontledigd; levend gemaakt werd, vóórdat hij nog was gestorven, heeft wel reden om te twijfelen of hü door Gods vrije en vrijmachtige genade ooit aangeraakt is. Deze menschen van het onverbroken hart hadden eene blyde hope en vroolijk betrouwen; maar het kwam alles tot een einde, gelijk dit ook geschieden zal met u en met mij, als wij vreemd zijn gebleven aan berouw over de zonde. Laat het nooit worden vergeten, dat hoe waar het ook zij, dat een iegelijk, die in Jezus Christus gelooft, zalig zal worden, het even waar is dat gij ,wedergeboren moet worden.quot; „Indien gij u niet verandert en wordt gelijk de kinderkens, zoo zult gij in het ko-

-ocr page 766-

HET ZAAD OP DEN STEENACHTIGEN GROND.

ninkrijk der hemelen geenszins ingaanquot;; „Hetgeen uit het vleesch geboren is, dat is vleesch; en hetgeen uit den Geest geboren is, dat is geest;quot; en „vleesch en bloed kunnen het koninkrijk Gods niet beërven.quot; Alleen die uit den Geest is geboren kan inkomen in geestelijke zaken en in het bezit komen van ware geestelijke blijdschap. Een onverbroken hart is een noodlottig gebrek.

En dit leidde tot een tweede gebrek, namelijk gebrek aan diepte. De hoorder van den steenachtigen grond was een en al oppervlakte; alles in hem was oppervlakkig. Daar de rots nooit verbroken was, was er geene diepte van aarde om in te ploegen. Zoo is er in velen, die zeggen bekeerd te zijn, nooit een waar begrip geweest van de zonde. „Ja, wy zün allen zondaars,quot; zeggen zy; maar te gevoelen wat het is een zondaar te zijn, dat is gansch wat anders. Nedergebogen te zynen als verpletterd onder de bewustheid van de heilige wet Gods te hebben verbroken, dat is door velen nooit gekend. En Jezus Christus — ja, Hij is een Zaligmaker, en zij zeggen, dat zij Hem aannemen als hun\' Zaligmaker; maar wat het is verlost te zijn, wat Hij geleden heeft, waarom het noodig was, dat Hy leed; wat de ontzettende schuld was, die zulk een offer noodzakelijk maakte, daar hebben zij nooit over nagedacht; ja zy hebben eigenlijk nergens over nagedacht, en zij zijn ook niet voornemens ergens over na te denken. De byen strijken neer op de bloemen en halen er den honing uit; maar vlinders zitten voor een oogenblik op de leliën, en gaan dan weer weg, als ware zinnebeelden van de onbezonnenen, die voorwenden genade te hebben; maar nooit genade hebben gekend. Velen, die belijden Christenen te zijn, zijn onbekend gebleven met de plage van hun hart. Zij gelooven, dat er daar binnen iets niet recht is; maar zij weten niet, dat hun hart „arglistig is, meer dan eenig ding, ja, dat het „doodelijk is;quot; hoewel zij dus erkennen genade noodig te hebben, weten zij toch niet, hoe zeer zy haar behoeven. Zij stemmen in met de waarheid: „Zonder mij kunt gij niets doen,quot; maar zij weten dit niet door eigene ervaring. Zy weten niets van de fouten en innerlijke teleurstellingen, die er den mensch toe brengen zijne nietigheid te gevoelen. Het blijft alles bij de oppervlakte; er is niets, dat by hen naar de diepte gaat. Toen zij belijders werden van den godsdienst van Christus, hebben zy de waarheid nooit gewogen ; zij hebben nooit de Schriften onderzocht om te zien of die dingen wezenlijk alzoo waren. Zij waren Calvinisten, omdat de prediker Calvinist was; zij zouden even gereedelyk Ar-minianen geweest zijn, indien de prediker Arminiaan ware geweest; ja zy zouden alles geweest zijn, wat men hun geleerd had te zijn; want zij oordeelden niet, zij wogen niet; zij dach ten niet na over de dingen. Toen zij zich verklaarden voor de

729

-ocr page 767-

HET ZAAD OP DEN STEENACHTIGEN GROND.

waarheid gelijk zij in Jezus is, hebben zü nooit aan de moeie-lykheden van een godsdienstig leven gedacht. Het kwam niet bij hen op, dat zy te strijden zouden hebben met zonde van binnen en zonde van bniten. Zjj hebben nooit een\' blik geworpen op de machtige drieöenheid: de wereld, het vleesch en de duivel, waarmede zij hun leven lang te strijden zouden hebben. Zij namen het zoete, en dachten aan geene bittere kruiden. Zij waren vluchtig, en zijn dit nog. Zij kunnen niet denken; en gy kunt hen er niet toe bewegen om dit eens te beproeven. Dit voorwaar! is een gebrek.

En dan was er nog een derde gebrek: het verborgen deel van hun\' godsdienst deugde niet. Het zaad in den steenachtigen grond bleef niet in gebreke uit te spruiten, of in halmen boven den grond te komen; maar het had geen\' wortel. Als gij sommige belijders in hunne woningen kondet zien, dan zoudt gü geen gebed in het verborgene ontdekken. Laat dit woord heengaan door deze vergadering, zoo er onder u zyn, die het gebed in de binnenkamer verzuimen. Geen bidden in het verborgen, geen lezen van Gods Woord in het verborgen; geen nadenken er over, ten einde er het sap en het wezen uit re halen; geene levende aanraking met Christus in het verborgen; geene verborgen gemeenschap der ziel met den levenden God! Dit is een doodelijk teeken! Zij waren in de openbare bijeenkomst; zij waren luidruchtig genoeg in de bestuursvergadering; zij waren de eersten en de voornaamsten als er gezongen moest worden, of als er eene prediking noodig was; maar ach! het gebed in het verborgen; het verborgen leven met God, het onderzoeken van het eigen hart; het beproeven dei-nieren om te zien of zij op den rechten of verkeerden weg waren — dit alles hadden zü maar opgegeven. Zij houden het er voor, dat hun staat goed moet zijn, omdat zij eene soort van geloof hebben; en daarom beschouwen zij eiken twijfel aan hunne behoudenis als even zoo veel ongeloof en het werk van Satan, en zoo blijven zij zich zeiven bedriegen. Zij denken, dat zij kinderen Gods zijn, omdat zij zeggen, dat zij het zijn; maar zij hebben nooit uitgezien naar de vrucht, die door elke rank van den waren wijnstok gedragen moet worden.

730

En ten vierde was er nog iets dat hun ontbrak, hetwelk gij niet door Markus vermeld zult vinden, maar wel door een der andere evangelisten — er ontbrak hun vochtigheid. (1) Eene plant nu moet vochtigheid hebben. Dauw, regen, of eene andere soort van bewatering moet tot haar komen. Op dat weinigje aarde met de harde rots op den bodem was er zeer veel hitte als de zon scheen; het weinigje vochtigheid, dat er was,deed het zaad terstond uitspruiten; maar meer vochtigheid was er

(1) Lukas 8: 6.

-ocr page 768-

HET ZAAD OP DEN STEENACHTIGEN GEOND.

731

niet, en daarom moest het zaad verdorren. Evenzoo verkrijgen sommige hoorders weinig vochtigheid, als het ware, door hunne aanraking met een ernstig prediker. Zij komen onder dat woord, hetwelk druipt als de regen, en vloeit als de dairv, maar zij hebben den levenwekkenden Heiligen Geest niet aan hun\' wortel om de eeuwige bron huns levens te zijn. Zij hebben hunne lampen, maar zü hebben geene olie in hunne vaten om ze brandende te houden. Hun ontbreekt de vochtigheid des Heiligen Geestes. Hij is het, die in het verborgen tot zijn eigen volk komt, aan de wortelen van hun leven, zoodat zij door Hem het leven Gods tot zich nemen en aldus zei ven leven; maar de bekeerling van den steenachtigen grond heeft den Heiligen Geest niet. En ach, laat mij tot een iegelijk, hier tegenwoordig ernstig mogen zeggen; indien wij niet méér hebben dan de natuur onder hare beste omstandigheden ons gaf, dan hebben wij niet meer dan de Parizeën hadden, en dat heeft hen ter helle gevoerd. Wy moeten den Geest Gods hebben, en van het begin tot het einde, moet de Godsdienst onzes harten door den Geest zijn gewerkt, en door den Geest worden onderhouden ; want zoo niet, hoe eerder wy ons dan van dien godsdienst ontdoen, hoe beter, want hij zou ons slechts bedriegen. Ik gevoel de noodzakelijkheid om op die wijze tot u te spreken, omdat ik bemerk, dat leden der gemeente ter zijde afwijken en in openlijke zonde vallen, en anderen ter zijde afgewend worden door de eene of andere begoocheling der eeuw, waarvan schier met elke maand eene nieuwe komt. Sommige dwaze lieden staan met open mond gereed om iedere nieuwigheid in te drinken. Zij zyn als droog stroo, er behoeft slechts de een of andere bedrieger te komen, die de vonk in hen werpt, en dan noemen zij zich Christenen. Er zijn heden tendage zoo velen, die niet weten wat zij gelooven, en daarom de prooi worden van Roomschen en Ritualisten en Atheïsten, of van andere bedriegers. Er is een plantje in den hof, en nu komt een dief, die het met wortel en al wegrooft. Dat zou hij met een\' vastgewortel-den eik niet kunnen; en zoowy, even als de eik, vastgeworteld waren, dan zouden wij gelooven wat wy gelooven, en weten wat wij weten; en dan zouden wij beginselen hebben om ons standvastig te houden. De oude afgescheidenen (1) werden zonder moeite naar de gevangenis of naar den brandstapel gesleept; maar hen hunne beginselen te doen verzaken, dat was niet mogelijk. Hoe treurig is het de ontaarde kinderen te zien van zoo stoere vaderen. Indien hetgeen gij gelooft niet waar is, werpt het weg; maar indien het waar is, zoo stelt uw aangezicht als een keisteen tegen alle verzoekingen van dezebooze, voortdurend veranderende eeuw, die nu eens hier, en dan daar

(1) Van de Staatskerk in Engeland.

-ocr page 769-

het ZAAD op den steenachtigen grond.

gaat, maar altijd in de richting, die van God weggaat. O wanneer zal het zijn, dat zij, die den Heere kennen, vast zullen staan, en, alles gedaan hebbende, nog blijven vaststaan.

III. Ik wensch nu ten besluite u de leering te doen zien, die in den tekst ligt opgesloten. Die leering is vierderlei. Tot een iegelijk onzer zegt de tekst: laat het u zeer ernst wezen. Speel niet met den godsdienst. Denk niet aan den godsdienst als aan het kleed, dat gij aan kunt doen en af kunt leggen. Bid God een werk in uwe ziel tot stand te brengen voor de eeuwigheid. Gij moet sterven; gü zult voor Gods rechterstoel moeten verschijnen: heb een\'godsdienst, die deze vuurproeven zal kunnen doorstaan. Bid, dat gü zoodanig een werk in uwe ziel zult hebben, dat geen dood of oordeel u zal kunnen verschrikken. Roep tot God, dat berouw en bekeering diep tot uw hart doordringen, dat uw geloof geen nagemaakt geloof zij; maar dat gij uwe ziel gansch en al overgeeft in de handen van Christus; dat uwe liefde voor Christus geene opwinding is maar eene zaak van wezenlijke genegenheid des harten; dat uw godsdienstige wandel niet is om door anderen gezien te worden, maar een wandel voor Gods aangezicht; dat al uwe daden het uitvloeisel mogen wezen van beginselen, en dat gij niet geleid wordt door het verkeer met de wereld; maar dat gij veeleer invloed ten goede zult uitoefenen op de wereld; en dat gij eene levende kracht in u zult hebben, die u door God zeiven ingeplant werd, waardoor gij wandelt op den smallen weg, welke weg door anderen ook gevolgd moge worden. Wederom zeg ik; laat het u diepe ernst wezen met alles wat den godsdienst betreft, en bid God, dat Hy u vergeven zal, zoo gij op eenigerlei wjjze oppervlakkig en beuzelachtig hieromtrent geweest zijt.

Ten tweede: let op de uitwerking van uwe dagelijksche beproevingen. Als eene boot reeds zinkt in de Theems, dan moet zü stellig niet naar zee gezonden worden. Indien uw godsdienst u thans reeds begeeft, wat zal hü dan naderhand voor u doen? Gü werdt uitgelachen, en gij waart al half geneigd om alles maar op te geven: wat zoudt gij dan doen, indien gij eene strenger vervolging hadt te verduren? Gij waart reeds bereid terug te gaan; uw hart heeft gewankeld: wat zult g\\i dan doen, zoo gij door heftiger verzoeking wordt aangevallen ? Gij zijt reeds schrikkelijk in verlegenheid gebracht door de argumenten van een\' dwaas: wat zoudt gü dan doen, als sommigen van de diepzinnige denkers met u gingen redeneeren? „Als gij loopt met de voetgangers, zoo maken zij u moede; hoe zult gy u dan mengen met de paarden? Zoo gij alleenlük vertrouwt in een land van vrede, hoe zult gij het dan maken in de verheffing van de Jordaan?quot; Ik heb er niets tegen, dat gij langzaam wast en toeneemt, indien dit dan wel eene langzame

\'?82

-ocr page 770-

het zaad of den steenachtigen grond.

doch zekere toeneming is. Indien het bouwen van mijn huis lang duurt, dan wil ik den bouwer liever den tijd laten dan hem aan te sporen het in een paar weken klaar te krijgen, wanneer het dan echter zoo slecht in elkaar zit, dat de eerste windvlaag de beste het als een kaartenhuis omwaait. G-ij zult in dit huis eeuwig moeten wonen, bid God, dat het stevig gebouwd zij. Maar het snelle bouwen, daar is volstrekt niets aan gelegen. O gij, die nauwelijks een\' stap naaiden hemel doen kunt zonder twijfeling of tegenspraak, om u ben ik niet zoo bekommerd als om sommigen, die nooit twijfeling kennen, omdat zij eigenlyk nooit nagedacht hebben, maar alles licht opnemen, omdat zij zorgeloos en luchthartig zijn. Ziet dan, hoe gij u onder uwe tegenwoordige beproevingen gedraagt. Gü zijt rijker geworden: hebt gij den Heere even lief als vroeger? Uwe zaken zijn uitgebreid: kunt gij nog altijd de wereld uit uw hart houden ? Gy hebt in den laatsten tijd meer lof ontvangen van menschen: kunt gij u nog steeds vastklemmen aan Christus zooals in den tijd toen gij nog maar weinig vrienden hadt? Gü hebt in den laatsten tijd eene goede gezondheid genoten: hebt gü even naby God geleefd als toen gij krank waart? Of wel: gij zijt achteruitgegaan in de wereld en wordt gerekend met de armen: hebt gü den Heere even lief, als toen Hij u heeft verrijkt? Gü hebt onlangs de opmerkingen gehoord van een\' listigen vü\'and van het Evangelie: waart gij in staat te gevoelen, dat gü, ofschoon gü hem niet met woorden kondet antwoorden, uw hart hem toch wel geantwoord heeft, en zijne leugenen afgeworpen heeft, gelijk het dak den regen afwerpt? Zoo neen, let er dan op. Indien uw vaartuig reeds in kalm water zinkt, wat zal het dan doen in een\' storm ? Indien gü het thans niet vry\' kunt houden van water, wat zult gü dan doen, zoo het door een\' orkaan wordt overvallen? Ik vrees, dat het dan geheel gedaan met u zün zal.

En wat gy er nog verder uit te leeren hebt is dat gij voortdurend u zeiven moet onderzoeken. Vele kooplieden gaan bankroet, maar zoover ik mij herinner is dit nog nooit met iemand gebeurd door dat hü te veel acht gaf op zü\'ne zaken. Ik heb nog nooit gehoord van een\' landbouwer, die zijn\' oogst verloor door dat hij al te vlijtig het land bewerkte; en van al de zielen, die verloren zijn gegaan, is er geene enkele omgekomen door al te veel ernst bij het zelfonderzoek. Waarde broeders, kiest ii eene getrouwe, hartontdekkende prediking des Woords. Ziet niet uit naar een\' leeraar met gladde tong, die altyd roept: „Troost, troost mün volkquot; Gü behoeft vertroosting en moet haar ontvangen; maar gü hebt ook hartontdekking noodig, en ook deze moet gü ontvangen. Bidt, dat er getrouw met u worde gehandeld; dat er geene bemanteling zij der zaken, geen bedekken der wonden; maar dat er een oprecht

733

-ocr page 771-

HET ZAAD OP DEN STEENACHTIGE!? GROND.

handelen zij tusschen u en den leeraar, tusschen u en uwen God. God geve, dat wij bereid zijn om ons te laten onderzoeken, want als wij daar onwillig voor zijn, dan kunnen wü er gerust op rekenen, dat er iets verkeerds in ons is. Als wü roepen; „Ik vrees, dat ik een huichelaar ben,quot; dan is er weinig reden om dit te vreezen; maar de aanmatiging der valsche gerustheid is noodlottig.

Eindelijk; laat dit alles ons toonen hoe noodzakelijk het is, dat wij het gansche gewicht onzer verlossing geheel en al op den Heere Jezus Christus leggen, want wie dat doet, heeft goede aarde verkregen in zyne ziel, en daar is het zaad behoorlijk opgewassen. Wanneer de mensch waarlijk zeggen kan; „Ik rust alleen in Jezus.quot; Dan is dit het groote geheim der ware hope; Jezus heeft voor ons geleefd en is voor ons gestorven, en zoo wij volkomen en alleen op Hem steunen, dan is het wel met onze ziel.

Het is goed voortdurend te leven aan den voet van het kruis opziende tot Jezus, onze hoop vindende in Hem en niet in ons zeiven. Geliefden, het is het werk van den Geest Gods om ons daar te brengen en daar te houden. Indien wij ons zeiven onderzoeken in het licht van het kruis, dan zullen wij gaarne ons zeiven oordeelen, opdat wij niet geoordeeld worden. Bij het aanschouwen van die dierbare wonden, waaruit het bloed der verzoening vloeit, zullen wij roepen; „Toets mijne nieren en mijn hart.quot; Maar zoo iemand zegt; „Ik geloof in Jezus, daarom wil ik geen onderzoek; ik vertrouw op Jezus, en daarom wil ik leven naar het mij goeddunkt,quot; dan heeft hij door zijne roekelooze redeneering het kruis ontheiligd, en dan mag hü er wel over nadenken hoe God hem zal oordeelen; want dat zal voorwaar! hetzwaartste oordeel zijn, hetwelk komen zal over den mensch, die de leer van het kruis tot voorwendsel nam voor een slordig leven, en de genade en de reinigende kracht van den Verlosser tot eene verontschuldiging maakte van zijn\' ach-teloozen wandel voor God en voor zijn volharden in zyne ydele aanmatiging. God schenke ons de genade het zaad in goede aarde te ontvangen, om Jezus wil, Amen.

734

-ocr page 772-

DE GELIJKENIS VAN DEN ZAAIER.

„Als nu eene groote schare bijeen vergaderde, cn zij van alle steden tot hem kwamen, zoo zeide hij door gelijkenis: Ken zanier ging uit om zijn zaad te zaaien; en als hij zaaide, viel het ééne bij den weg, en werd vertreden. en de vogelen des hemels aten dat op. En het andere viel op eene steenrots, en opgewassen zijnde, is het verdord, omdat het geene vochtigheid had. En het andere viel in het midden van de doornen, en de doornen mede opwassende, verstikten hetzelve. En het andere viel op de goede aarde, en opgewassen zijnde, bracht het honderdvoudige vrucht voort. Dit zeggende riep hij: Wie ooren beeft om te hooren, die hoore.quot; Lukas VIII; 4—8.

Wanneer in ons land een zaaier uitgaat met zijn zaad, dan gaat hij naar een\' omheinden akker, en begint terstond met orde en nauwkeurigheid het zaad uit zyne mand te strooien in elke vore; maar in het Oosten is het korenland in de nabijheid eener kleine stad ééne groote, aan alle kanten opene vlakte. Wel is waar, het is verdeeld in verschillende deelen, die aan verschillende eigenaars toebehooren, maar er zijn geene heggen, geene afscheidingen, behalve de aloude landpalen, of wellicht in zeldzame gevallen eene rei steenen, die het land van den eenen scheidde van het land van den anderen. Door dit groote open veld loopen voetpaden; en die, welke het meest gebruikt worden, heeten wegen. Gij moet u niet voorstellen, dat deze wegen in het minst of geringst gelijken op onze straatwegen; het zijn eenvoudig druk begane paden, die tot eene tamelijke hardheid getreden zijn. Hier en daar zijn bijpaden, langs welke de reizigers, die den openbaren weg wenschen te vermijden, met eenige meerdere veiligheid kunnen reizen, als de wegen door roovers onveilig gemaakt worden, en de voetganger, die wat gehaast is, het veld dwars over steken kan, en aldus een nieuwen weg maakt voor anderen, die in dezelfde richting gaan. Als de zaaier des morgens uitgaat om zijn zaad te zaaien, dan vindt hy wellicht een klein plekje gronds, dat met de uiterst eenvoudige Oostersche ploeg een weinig opgekrabbeld is. Daar begint hy natuurlijk zyn zaad overvloedig uit te strooien. Maar door het midden van zijn\' akker loopt een pad; en zoo hij niet gaarne een zeer groot stuk braak wil Jaten liggen, moet hij wel eene handvol zaads ophetpadwer-

-ocr page 773-

DE GELIJKENIS VAN DEN ZAA1EK.

pen. En daar ginds steekt in het midden van het beploegde land eene rots het hoofd omhoog, en ook daarop valt het zaad. En hier wederom is een hoek, waar eene menigte wortelen zijn van brandnetels en distelen; en ook daar zaait de zaaier zijn zaad. Het koren en de brandnetels groeien te zamen op, en, gelijk wvj dit zien in de gelijkenis, daar de doornen het krachtigst zijn, wassen zij op en verstikken het zaad, zoodat het geene vrucht voldragen kan. De herinnering, dat de Bijbel in het Oosten is geschreven, en dat zijne zinnebeelden en toespelingen ons slechts door reizigers uit het Oosten duidelijk gemaakt kunnen worden, zal ons dikwijls helpen om de verschillende Bijbelplaatsen beter te begrijpen, dan dit gewoonlijk het ge val is.

Nu is de prediker van het Evangelie gelijk een zaaier. Hij maakt zijn zaad niet; het zaad wordt hem gegeven door zijn\' Meester. Het zou den mensch niet mogelijk zijn om ook maar het kleinste zaadje te maken, dat ooit op aarde ontkiemd is, en nog veel minder om het hemelsche zaad des eeuwigen levens te maken. De leeraar gaat in het verborgen tot zijn\'Meester, en vraagt Hem hem zijne waarheid bekend te maken; en aldus vult hij zijne korf met het goede zaad des koninkrijks. Wat de leeraar te doen heeft is uit te gaan in den naam zijns Meesters en de kostelijke waarheid te verbreiden. Indien hij wist waar de beste aarde te vinden is, dan zou hij zich wellicht kunnen bepalen bij hetgeen door den ploeg der overtuiging van zonde toebereid is. Daar hij echter het hart des men-schen niet kent, is het zijn plicht het Evangelie te prediken aan alle kreaturen — eene handvol zaads te werpen op dat harde hart daar ginds, en eene andere handvol op dat begroeide hart, hetwelk vol is van de zorgen, en schatten, en genoegens dezer wereld. Dat zaad moet hij nu verder overlaten aan de zorg en hoede des Meesters, die het hem heeft gegeven, want hij begrijpt goed, dat hij niet verantwoordelijk is voor den oogst. Hij is slechts verantwoordelijk voor de zorg, de getrouwheid en de oprechtheid, waarmede hij het zaad naar alle kanten en met beide handen uitstrooit. Al zou er nu geene enkele volle aar komen, al zou er geen enkel groen blaadje uitspruiten in de voren, dan zou die man toch door zijn\' Meester beloond worden, zioo hij slechts met zorgzame hand het rechte zaad heeft uitgestrooid. Helaas! helaas! zoo het niet ware om dit feit — dat wij niet verantwoordelijk zyn voor ons welslagen — met welk eene zielsbenauwdheid zouden wij er aan moeten denken, dat wij maar al te dikwijls te vergeefs arbeiden, en onze kracht onnuttelyk en ijdelijk toebrengen. De kreet van Jesaja van ouds kunnen wij tot den onze maken; „Wie heeft onze prediking geloofd? en aan wien is de arm des Heeren geopenbaard ?quot; Slechts één zaad op de vier valt in eene hoop.

736

-ocr page 774-

DE GELiJKËNIS VAN ÖEN ZAAIER.

gevende aarde. De drie deelen van de vier, gestrooid op verkeerde plaatsen, brengen niets goeds voort; zij zyn verloren en zullen nimmer meer voor den dag komen, behalve wanneer zu in den dag des oordeels op zullen staan tegen onze ongodvruchtige hoorders om hen te veroordeelen. Laat mij hier opmerken, dat de mate van onzen plicht niet bepaald wordt door het karakter onzer hoorders maar door het gebod onzes Gods. Of de menschen hooren willen of niet. wü zijn verplicht hun het Evangelie te verkondigen. Laat het hart des menschen wezen wat het wil, ik ben niet ontheven van mijne verplichting om het zaad te zaaien op de rots, zoowel als in de vore; op den weg, zoowel als op den omgeploegden akker.

Mijn plan voor heden morgen is eenvoudig het woord te richten tot de vier soorten van hoorders, die hier bijeenverga-derd kunnen zijn. Wij hebben ten eerste hen, die voorgesteld worden door den iceg, de hloote hoorders, daarna hen, die voorgesteld worden door de steenrots, dat zyn zij, in wie een voorbijgaande indruk teweeggebracht is, maar een indruk, die zóó voorbijgaand is, dat er nooit iets goeds, iets dat duurzaam, is, uit voortkomt. Vervolgens hebben wij hen, op wie een sterke en goede indruk is teweeggebracht; maar de zorgvuldigheden des levens, en de rijkdom, en de wellusten des levens verstikken het zaad; en eindelijk, die weinig talrijke klasse — moge het God behagen haar zeer te vermenigvuldigen — de kleine klasse van hoorders van de goede aarde, in wie het Woord vrucht voortbrengt, in den een dertig-, in den ander zestig- en den ander honderdvoud.

I. Laat mü dan in de eerste plaats spreken tot die harten, die zün als de zijden van den weg — „Als hij zaaide, viel het ééne bij den weg, en werd vertreden, en de vogelen des hemels aten dat op.quot; Er zijn velen onder u, die heden niet hier gekomen zün om een zegen te ontvangen. Het was uw voornemen niet God te aanbidden, of iets ter harte te nemen van hetgeen gij zoudt hooren. Gij zijt als de weg, die nooit bestemd was om een korenakker te zijn. Indien een enkele zaadkorrel der waarheid in uw hart zou vallen en groeien, het zou een wonder zyn; een even groot wonder als wanneer een graankorrel op den hard beganen weg zou ontkiemen. Gij zijt de hoorder van den weg. Indien het zaad echter bekwanielijk gestrooid wordt, dan zal een deel er van op u vallen en voor het oogenblik in uwe gedachten blyven. Gij zult het, wel is waar, niet verstaan; maar zoo het u toch op boeiende wijze wordt voorgesteld, zult gij het voor eene wijle in u opnemen. Tot dat er iets komt dat aantrekkelijker voor u is, zult gij spreken van de woorden, die gij van den leeraar der waarheid hebt gehoord. Doch ook dit kleine voordeel duurt slechts kort, want zeer snel zult gij vergeten wat soort van menschen gij zijt.

73?

47

-ocr page 775-

MET ZAAD OP DËN STEENACHTIGE!} GROND.

handelen zü tusschen u en den leeraar, tusschen u en uwen God. God geve, dat wij bereid zijn om ons te laten onderzoeken, want als wij daar onwillig voor zijn, dan kunnen wij er gerust op rekenen, dat er iets verkeerds in ons is. Als wy roepen: „Ik vrees, dat ik een huichelaar ben,quot; dan is er weinig reden om dit te vreezen; maar de aanmatiging der valsche gerustheid is noodlottig.

Eindelijk: laat dit alles ons toonen hoe noodzakelijk het is, dat wij het gansche gewicht onzer verlossing geheel en al op den Heere Jezus Christus leggen, want wie dat doet, heeft goede aarde verkregen in zyne ziel, en daar is het zaad behoorlyk opgewassen. Wanneer de mensch waarlijk zeggen kan: „Ik rust alleen in Jezus.quot; Dan is dit het groote geheim der ware hope: Jezus heeft voor ons geleefd en is voor ons gestorven, en zoo wij volkomen en alleen op Hem steunen, dan is het wel met onze ziel.

Het is goed voortdurend te leven aan den voet van het kruis opziende tot Jezus, onze hoop vindende in Hem en niet in ons zeiven. Geliefden, het is het werk van den Geest Gods om ons daar te brengen en daar te houden. Indien wy ons zeiven onderzoeken in het licht van het kruis, dan zullen wij gaarne ons zei ven oordeelen, opdat wij niet geoordeeld worden. Bij het aanschouwen van die dierbare wonden, waaruit het bloed der verzoening vloeit, zullen wij roepen: „Toets mijne nieren en mijn hart.quot; Maar zoo iemand zegt: „Ik geloof in Jezus, daarom wil ik geen onderzoek; ik vertrouw op Jezus, en daarom wil ik leven naar het mij goeddunkt,quot; dan heeft hij door zijne roekelooze redeneering het kruis ontheiligd, en dan mag hij er wel over nadenken hoe God hem zal oordeelen; want dat zal voorwaar! het zwaartste oordeel zijn, hetwelk komen zal over den mensch, die de leer van het kruis tot voorwendsel nam voor een slordig leven, en de genade en de reinigende kracht van den Verlosser tot eene verontschuldiging maakte van zijn\' ach-teloozen wandel voor God en voor zijn volharden in zijne ijdele aanmatiging. God schenke ons de genade het zaad in goede aarde te ontvangen, om Jezus wil, Amen.

734

-ocr page 776-

DE GELIJKENIS VAN DEN ZAAIER.

„Als nu eene groote schare bijeen vergaderde, en zij van alle steden tot hem kwamen, zoo zeide hij door gelijkenis : Een zanier ging uit om zijn zaad te zaaien; en als hij zaaide, viel het ééne bij den weg, en werd vertreden, en de vogelen des hemels aten dat op. En het andere viel op eene steenrots, en opgewassen zijnde, is het verdord, omdat het geene vochtigheid had. En het andere viel in het midden van de doornen, en de doornen mede opwassende, verstikten hetzelve. En het andere viel op de goede aarde, en opgewassen zijnde, bracht het honderdvoudige vrucht voort. Dit zeggende riep hij; Wie ooren heeft om te hooren, die hoore.quot; Lukas VIII: 4—8.

Wanneer in ons land een zaaier uitgaat met zijn zaad, dan gaat hij naar een\' omheinden akker, en begint terstond met orde en nauwkeurigheid het zaad uit zijne mand te strooien in elke vore; maar in het Oosten is het korenland in de nabijheid eener kleine stad ééne groote, aan alle kanten opene vlakte. Wel is waar, het is verdeeld in verschillende deelen, die aan verschillende eigenaars toebehooren, maar er zijn geene heggen, geene afscheidingen, behalve de aloude landpalen, of wellicht in zeldzame gevallen eene rei steenen, die het land van den eenen scheidde van het land van den anderen. Door dit groote open veld loopen voetpaden; en die, welke het meest gebruikt worden, heeten wegen. Gij moet u niet voorstellen, dat deze wegen in het minst of geringst gelijken op onze straatwegen; het zijn eenvoudig druk begane paden, die tot eene tamelijke hardheid getreden zijn. Hier en daar zijn bijpaden, langs welke de reizigers, die den openbaren weg wenschen te vermijden, met eenige meerdere veiligheid kunnen reizen, als de wegen door roovers onveilig gemaakt worden, en de voetganger, die wat gehaast is, het veld dwars over steken kan, en aldus een nieuwen weg maakt voor anderen, die in dezelfde richting gaan. Als de zaaier des morgens uitgaat om zijn zaad te zaaien, dan vindt hij wellicht een klein plekje gronds, dat met de uiterst eenvoudige Oostersche ploeg een weinig opgekrabbeld is. Daar begint hy natuurlijk zyn zaad overvloedig uit te strooien. Maar door het midden van zijn\' akker loopt een pad; en zoo hij niet gaarne een zeer groot stuk braak wil laten liggen, moet hij wel eene handvol zaads ophetpadwer-

-ocr page 777-

DE GELIJKENIS VAN DEN ZAAIER.

pen. En daar ginds steekt in het midden van het beploegde land eene rots het hoofd omhoog, en ook daarop valt het zaad. En hier wederom is een hoek, waar eene menigte wortelen zijn van brandnetels en distelen; en ook daar zaait de zaaier zijn zaad. Het koren en de brandnetels groeien te zamen op, en, gelijk wij dit zien in de gelijkenis, daar de doornen het krachtigst zijn, wassen zij op en verstikken het zaad, zoodat het geene vrucht voldragen kan. De herinnering, dat de Bybel in het Oosten is geschreven, en dat zijne zinnebeelden en toespelingen ons slechts door reizigers uit het Oosten duidelijk gemaakt kunnen worden, zal ons dikwijls helpen om de verschillende Bijbelplaatsen beter te begrijpen, dan dit gewoonlyk het ge val is.

Nu is de prediker van het Evangelie gelijk een zaaier. Hij maakt zijn zaad niet; het zaad wordt hem gegeven door zijn\' Meester. Het zou den mensch niet mogelijk zijn om ook maar het kleinste zaadje te maken, dat ooit op aarde ontkiemd is, en nog veel minder om het hemelsche zaad des eeuwigen levens te maken. De leeraar gaat in het verborgen tot zijn\' Meester, en vraagt Hem hem zijne waarheid bekend te maken; en aldus vult hy zijne korf met het goede zaad des koninkrijks. quot;Wat de leeraar te doen heeft is uit te gaan in den naam zijns Meesters en de kostelijke waarheid te verbreiden. Indien hü wist waar de beste aarde te vinden is, dan zou hij zich wellicht kunnen bepalen bij hetgeen door den ploeg der overtuiging van zonde toebereid is. Daar hü echter het hart des men-schen niet kent, is het zijn plicht het Evangelie te prediken aan alle kreaturen — eene handvol zaads te werpen op dat harde hart daar ginds, en eene andere handvol op dat begroeide hart, hetwelk vol is van de zorgen, en schatten, en genoegens dezer wereld. Dat zaad moet hij nu verder overlaten aan de zorg en hoede des Meesters, die het hem heeft gegeven, want hü begrijpt goed, dat hij niet verantwoordelijk is voor den oogst. Hü is slechts verantwoordelü\'k voor de zorg, de getrouwheid en de oprechtheid, waarmede hü het zaad naar alle kanten en met beide handen uitstrooit. Al zou er nu geene enkele volle aar komen, al zou er geen enkel groen blaadje uitspruiten in de voren, dan zou die man toch door zün\' Meester beloond worden, zoo hij slechts met zorgzame hand het rechte zaad heeft uitgestrooid. Helaas! helaas! zoo het niet ware om dit feit — dat wij niet verantwoordelijk zün voor ons welslagen — met welk eene zielsbenauwdheid zouden wü er aan moeten denken, dat wij maar al te dikwijls te vergeefs arbeiden, en onze kracht onnuttelük en ijdelü\'k toebrengen. De kreet van Jesaja van ouds kunnen wij tot den onze maken: „Wie heeft onze prediking geloofd? en aan wien is de arm des Heeren geopenbaard ?quot; Slechts één zaad op de vier valt in eene hoop.

736

-ocr page 778-

de gelijkSnis van öen zaaier.

gevende aarde. De drie deelen van de vier, gestrooid op verkeerde plaatsen, brengen niets goeds voort; zij zyn verloren en zullen nimmer meer voor den dag komen, behalve wanneer zy in den dag des oordeels op zullen staan tegen onze ongodvruchtige hoorders om hen te veroordeelen. Laat mij hier opmerken, dat de mate van onzen plicht niet bepaald wordt door het karakter onzer hoorders maar door het gebod onzes Gods. Of de menschen hooren willen of niet, wij zijn verplicht hun het Evangelie te verkondigen. Laat het hart des menschen wezen wat het wil, ik ben niet ontheven van mijne verplichting om het zaad te zaaien op de rots, zoowel als in de vore; op den weg, zoowel als op den omgeploegden akker.

Mijn plan voor heden morgen is eenvoudig het woord te richten tot de vier soorten van hoorders, die hier bijeenverga-derd kunnen zijn. Wij hebben ten eerste hen, die voorgesteld worden door den weg, de bloote hoorders, daarna hen, die voorgesteld worden door de steenrots, dat zyn zij, in wie een voorbijgaande indruk teweeggebracht is, maar een indruk, die zóó voorbijgaand is, dat er nooit iets goeds, iets dat duurzaam is, uit voortkomt. Vervolgens hebben wij hen, op wie een stérke en goede indruk is teweeggebracht; maar de zorgvuldigheden des levens, en de rijkdom, en de wellusten des levens verstikken het zaad; en eindelijk, die weinig talrijke klasse — moge het God behagen haar zeer te vermenigvuldigen — de kleine klasse van hoorders van de goede aarde, in wie het Woord vrucht voortbrengt, in. den een dertig-, in den ander zestig- en den ander honderdvoud.

1. Laat my dan in de eerste plaats spreken tot die harten, die zyn als de zijden van den weg — „Als hij zaaide, viel het ééne bij den weg, en werd vertreden, en de vogelen des hemels aten dat op.quot; Er zijn velen onder u, die heden niet hier gekomen zijn om een zegen te ontvangen. Het was uw voornemen niet God te aanbidden, of iets ter harte te nemen van hetgeen gij zoudt hooren. Gij zijt als de weg, die nooit bestemd was om een korenakker te zijn. Indien een enkele zaadkorrel der waarheid in uw hart zou vallen en groeien, het zou een wonder zijn; een even groot wonder als wanneer een graankorrel op den hard beganen weg zou ontkiemen. Gij zijt de hoorder van den weg. Indien het zaad echter bekwanielijk gestrooid wordt, dan zal een deel er van op u vallen en voor het oogenblik in uwe gedachten blijven. Gij zult het, wel is waar, niet verstaan; maar zoo het u toch op boeiende wyze wordt voorgesteld, zult gij het voor eene wijle in u opnemen. Tot dat er iets komt dat aantrekkelijker voor u is, zult gij spreken van de woorden, die gij van den leeraar der waarheid hebt gehoord. Doch ook dit kleine voordeel duurt slechts kort, want zeer snel zult gij vergeten wat soort van menschen gij zijt.

w

47

-ocr page 779-

DE GELIJKENIS VAN DEN ZAAIER.

738

Gave God, dat ik mocht hopen, dat mijne woorden u zullen bijblijven; maar wü kunnen het niet hopen, want de grond van uw hart is zóó hard geworden door een voortdurend verkeer met de wereld, dat er geen hoop bestaat, dat het zaad werkelijk wortel kan schieten. Er is veel te veel bedrijvigheid in uwe ziel, dan dat het zaad onvertreden zou kunnen blijven. De voet van Satan gaat voortdurend over uw hart met geheel zijn\' troep lasteringen, begeerlijkheden, leugens en ijdel-heden. Dan rollen er ook de wagenen van den hoogmoed over, en de voeten van den hebzuchtigen mammon treden het zoo hard als graniet. Helaas! het goede zaad kan geen oogenblik met rust gelaten worden; gansche menigten gaan heen en weder, ja uwe ziel is als eene koopmansbeurs, waar de snelle en bedrijvige voeten der kooplieden op en neer gaan, die van de zielen der menschen eene koopmanschap maken. Gij koopt en verkoopt; maar weinig denkt gij, dat gij de waarheid verkoopt, en dat gü het verderf uwer ziel koopt. Gij houdt u hier en daar bezig met het lichaam, het omhulsel uwer menschheid; maar gij veronachtzaamt het innerlijke en kostelijke, namelijk uwe ziel. Gy hebt geen tyd, zegt gij, om aan den godsdienst te denken. Neen, de weg van uw hart is zulk een drukke verkeersweg, dat er geene plaats op is, waar tarwe kan groeien. Indien het begon te ontkiemen, dan zou een ruwe voet de groene halmpjes vertreden eer het tot volkomenheid kon geraken. Er zijn tyden geweest, wanneer het zaad lang genoeg in u gelegen heeft om te ontkiemen; maar juist dan was er de eene of andere plaats van publieke vermakelijkheid geopend, en gij gingt daar binnen, en het vonkje levens, dat er in het zaad was, werd als met ijzeren voet vertreden. Het was op de verkeerde plaats gevallen, op eene plaats waar veel te veel verkeer was om er te kunnen groeien. Gedurende de pest in Londen, toen de menschen bü gansche menigten naar hunne langdurige rustplaats werden gedragen, groeide het gras in de straten; maar koren kon niet op straat groeien, hoe voortreffelyk het zaad ook mocht wezen, dat men er uit zou strooien. Doorzoekt de wereld; gij kunt geene tarwe koopen, die voorspoedig op zou wassen, waar zooveel verkeer is. Uw hart is gelijk aan dien drukken verkeersweg, want er zijn zoovele gedachten, en zorgvuldigheden, en zonden; zoo vele hoogmoedige, ydele, booze, oproerige gedachten tegen God, die daar voortdurend heen en weer gaan, dat de waarheid is als zaad, hetwelk op den weg is geworpen. Het kan niet groeien; het is verpletterd; en zoo het voor een oogenblik blijft liggen, komen de vogelen des hemels en eten het op. Ach! het is eene treurige gedachte, dat, zoo gij het zaad strooit op den weg, het niet slechts de voet van den boozen mensch is, die hetzelve belet te groeien; maar dat zelfs de voet van een\'heilige mede-

-ocr page 780-

DE GELlJItENIS VAN DËN ZAAIËR.

werkt om er het leven uit te vertreden. Helaas! het hart des menschen kan verhard worden, niet bloot door zonde, maar zelfs door de prediking van het Evangelie. Het is mogelijk om onder het gehoor des woords te zitten, totdat uw hart dood is,; verstompt, vereelt en onverschillig wordt. Evenals de hond van een\' smid, die ligt te slapen terwyl de vonken hem om de ooren vliegen, zoo zult gij liggen te slapen onder den hamer der wet, terwyl de vonken der verdoemenis om u heen vliegen, zonder dat gij verschrikt of verbaasd wordt. Gij hebt alles te voren reeds gehoord. Wy herhalen slechts een oud lied voor uwe ooren, als wy u waarschuwen voor. den toekomenden toorn. De mannen, die in de fabrieken in Southwark arbeiden, zyn, als zij daar voor het eerst inkomen, zóó verdoofd, dat zy geen enkel geluid kunnen hooren; maar men heeft mü gezegd, dat zij langzamerhand zóó gewoon raken aan dat afschuwelijk gedruisch, dat zü wel in het midden dei-machine zouden kunnen slapen, terwijl men er met hamers op slaat, schoon de terugkaatsing van het geluid zoo sterk is als van den zwaarsten donder. Zoo is het ook met u geworden. Vele leeraren zyn langs den weg uwer ziel gegaan, totdat die weg zóó hard is geworden, dat er — tenzij het God mocht behagen hem te verbreken door eene aardbeving, of liever door eene hartbeving •— geene plaats zal zyn, waar het zaad kan verblijven. Uwe ziel is geworden als een harde, druk begane verkeersweg.

Laat ons nu eens zien wat er worden zal van het goede woord, als het op het hart van zulk een\' mensch valt. Het groeit niet. Het zou gegroeid zyn, indien het in de rechte aarde ware gevallen; maar het ligt op de verkeerde plaats, en het blijft even droog als toen het uit des zaaiers hand viel. Des-zelfs leven slaapt, de levenskiem van het Evangelie verbergt zich, en zoo ligt het zaad op de oppervlakte van het hart, maar dringt er niet in door. Evenals de sneeuw, die soms op onze straten valt, en er geen oogenblik blijft liggen, maar op het natte plaveisel valt en terstond smelt en verdwijnt, zoo is het met dezen mensch. Het woord heeft geen tyd om leven te wekken in de zielen van zulke hoorders. Het ligt daar voor een oogenblik; maar het schiet geen wortel en heeft niet de minste uitwerking.

Maar, zeggen wij, waarom komen de menschen om het woord te hooren, indien het nooit nuttig voor hen zijn zal en nooit inkomt tot hun hart? Dat was mij dikwijls een raadsel. Sommigen van onze hoorders zouden des Zondags voor niets ter wereld uit de kerk weg willen blijven. Zij schijnen het heerlijk te vinden om met ons op te gaan ter aanbidding; maar nooit vloeit er een traan uit hun oog; hunne ziele schijnt zich nooit op de vleugelen des lofs ten hemel te verheffen; en evenmin

739

-ocr page 781-

DE GELIJKENIS VAN DEN ZAAIER.

stemmen zy van harte in met onze belü\'denis van zonde. Wanneer denken zü ooit aan den toekomenden toorn of aan den toekomstigen staat hunner ziel? Hun hart is van ijzer. De leeraar zou even goed voor een\' hoop steenen kunnen prediken als voor hen. Wat voert deze onzinnige zondaren herwaarts? Moeten wij spreken tot koperen voorhoofden en stalen harten ? Gewis, wij kunnen even goed hopen leeuwen en luipaarden te bekeeren als deze ongetemde, onbewogen harten. O gevoel! gü zyt heengevloden naar de redelooze dieren, en de menschen hebben hun verstand verloren. Ik denk, dat deze lieden dikwyls welstaanshalve hier komen, ja zelfs omdat dit medewerkt om hen te verharden. Immers, als zij wegbleven uit de kerk, dan zou hun geweten hen verontrusten; er zou dan een weinigje leven in hen zijn; maar zij gaan naar Gods huis ten einde zich te kunnen vleien met het denkbeeld, dat zy toch eigenlijk wel goed zijn. Zij zijn niet ongodsdienstig, o neen! zij zijn niet onverschillig voor Gods huis en voor zyn\' dienstknecht. Zij komen, om verhard te worden, en meer dan verstompt in hun\' toestand van zonde en ongevoeligheid. O mijne hoorders, uw toestand zou de engelen kunnen doen wee-nen. Uw gelaat wordt beschenen door de zon des Evangelies, maar uwe oogen zyn blind, zoodat zij het licht niet zien. De muziek des hemels klinkt liefelyk; maar uwe ooren zijn doof, en niet het flauwste geluid komt ooit tot uwe ziel. De leeraar is voor u als iemand, die een schoon instrument bespeelt; maar hij speelt voor een standbeeld, dat geene ooren heeft om te hooren. Gy kunt de wending van een\' volzin, de beteekenis van een zinnebeeld begrijpen; maar de verborgen bedoeling, het goddelijk leven is gansch voor u verloren. Gij zit aan het bruiloftsmaal, maar gij eet niet van de kostelijke spyzen; gij drinkt niet van den wijn. Gij hoort het klokgelui des hemels ten teeken van blydschap over verloste zielen; maar gij zelf zijt niet verlost; gij zyt zonder God en zonder Christus. Gij staat aan den ingang van den nauwen weg, maar gij betreedt hem niet. Gij zijt gansch nabij het „Huis der Goedertierenheidquot;, en de deur is open; gij staat daar, en slaat somwylen een\' blik naar binnen, maar doet nooit den beslissenden stap. Wy kunnen wel alles doen om u aan te sporen; wy kunnen bij u pleiten en voor u bidden, en over u weenen; maar gij blijft even verhard, even zorgeloos en onnadenkend als gy geweest zijt. O! moge God zich over u ontfermen en u uitvoeren uit dezen boozen toestand, opdat gij nog behouden mocht worden. O Heilige Geest, verbreek dezen harden weg, en doe hem overvloedige vrucht voortbrengen.

Wij hebben het beeld echter nog niet voltooid. De tekst zegt ons; „De vogelen des hemels aten dat op.quot; Is hier iemand, die zulk een weg-hoorder is? Hij was wellicht niet voornemens

740

-ocr page 782-

DE GELIJKENIS VAN DEN ZAAIER.

om hier te komen; maar hij zag eene groote menigte van menschen, die hier heen gingen, en nu dacht hü, dat hy dit gebouw ook wel eens binnen kon treden en er een uur doorbrengen, en wellicht iets hooren, dat hij niet licht zal vergeten. Maar als hy nu dit gebouw verlaat om naar huis te gaan, dan zal een oude vriend of metgezel hem voorstellen om heden middag ergens een uitstapje te doen. Hij stemt er in toe, en het arme zaad dat op zulk eene ongunstige plaats gevallen is, zal door de vogelen des hemels worden opgegeten. Er zyn zeer vele boozen, die altyd gereed staan om dit goede zaad op te eten. Daar is de duivel zelf, de overste der lucht, die altijd gereed staat eene goede gedachte weg te nemen, of een heilig besluit te onderdrukken. En dan — de duivel is niet alleen — hü heeft een gansch legio van helpers. Hij kan iemands eigene vrouw of kinderen tegen hem aanporren, of wel iemands zaak of beroep tot zijn vijand maken, zoodat die het goede zaad opeten. Er kan een kooper aan de deur zyn van uwen winkel, en ofschoon gy niet wenscht hem heden te bedienen, kunt gij wellicht bevreesd zijn een\' klant in hem te verliezen en hem toch ter wille zü\'n; en dan is het goede zaad weg, en al des-zelfs goede uitwerking te niet gedaan. O! die smart op smart! dat het hemelsche zaad voedsel wordt voor den duivel; dat Gods koren des duivels vogelen moet spijzigen.

Laat ik mij heden morgen weder persoonlijk tot u mogen wenden. O myne hoorders, indien gij van uwe jeugd af aan het Evangelie hebt gehoord, hoe veel prediking is er dan niet aan u verspild! In uwe jongere dagen hebt gij Ds. Die-en-die gehooid. Hoe placht die grijsaard voor zijne hoorders te bidden, totdat zyne oogen overvloeiden van tranen! Herinnert gij u niet menigen Zondag, waarop gij bij u zei ven zeidet: „Ik zal naar mijne kamer gaan en er neerknielen om te bidden?quot; Maar gij deedt het niet; de vogelen des hemels aten het zaad op, en gij zijt voortgegaan met zondigen, gelijk gü altyd gezondigd hebt. Sedert dien tijd zijt gij, door eene onverklaarbare aandrift bewogen, slechts zelden van het huis Gods weggebleven; maar nu vallen de vonken des Evangelies in u alsof zij in een\' oceaan vielen, waarin zij voor altijd worden uitgebluscht. De wet kan u haar donder doen hooren; gij spot er niet mede, maar zij heeft toch ook geen vat op u. Jezus Christus kan u voor oogen worden gesteld; zijne dierbare wonden u worden getoond; gij kunt zijn bloed, als het ware, zien stroomen, en gij kunt met grooten ernst vermaand worden op Hem te zien en te leven; maar het is u eene onverschillige zaak geworden. Gij hebt wel niet in zoo vele woorden (/êzeöfrf; „Als ik verloren moet gaan, dan zal ik verloren gaan, en als ik verlost moet worden, dan zal ik verlost wordenquot;; maar gij zijt er toe gekomen om dit te denken, en nu kunnen wij met u doen wat

741

-ocr page 783-

de gelijkenis van den zaaieft.

wij willen, en voor u doen wat wij willen, maar uw steenen hart wordt niet week, wij kunnen er geene enkele heilige gedachte in doen post vatten. Wat zal ik voor u doen? Zal ik hier staan en dezen harden weg besproeien met mijne tranen? Helaas! mijne tranen zullen hem niet week maken, daar is hü te hard voor. Zal ik er den evangelie ploeg op brongen? Helaas: het staal van de ploegschaar zal wel breken, maar niet in den grond dringen. Wat zullen wij doen? O God! G\\j kunt dien keisteen in stukken breken. Gü kunt door het dierbaar bloed van Jezus dat steenen hart doen smelten. Doe het thans, wü smeeken het U, tot roem en prijs van uwe genade, opdat het goede zaad moge leven en dien hemelschen oogst voortbrengen, waarnaar de ziel uws dienstknechts smacht, zonder welken hij niet kan leven, maar met welken hü zich kan verheugen met eene onuitsprekelijke en heerlyke vreugde.

II. Thans wend ik mij tot de tweede soort van hoorders. „En het andere viel op eene steenrots, en opgewassen zijnde, is het verdord, omdat het geene vochtigheid had.quot; Gij kunt u gemakkelijk dat rotsblok voorstellen, dat zich in het midden van den akker vertoonde. Door de eene of andere werking der natuur heeft het zich om hoog geheven te midden der vlakte, en natuurlijk valt daar het zaad even goed als overal elders. Wy hebben hoorders, die ons meer genoegen verschaffen, maar daarna ook veel meer smart, dan iemand uwer zou willen ge-looven. Niemand dan zij, die de zielen der menschen liefhebben, kan zeggen welke hoop, wat vreugde en, wat bittere teleurstellingen die steenachtige plaatsen ons hebben veroorzaakt. Wij hebben eene soort van hoorders, wier hart inwendig zeer hard is, maar die uitwendig de weekste en gevoeligste menschen ter wereld schynen te zyn. Terwijl andere menschen niets bijzonders vinden in eene leerrede, zullen deze lieden weenen. Het is voor de meesten onzer hoorders eene gansch gewoone preek; maar deze menschen zijn tot tranen toe bewogen. Hetzy gij de verschrikkingen predikt der wet, of de liefde van Golgotha, hunne ziel is gelijkelijk bewogen, en schijnbaar zijn de sterkste indrukken by hen teweeggebracht. Ik heb ook heden morgen dezulken onder mijn gehoor. Zy hebben allerlei goede voornemens gekoesterd, maar de tenuitvoerbrenging van die voornemens blijven zij maar steeds verschuiven. Zy zyn geene stoere, ruwe vijanden van God, die zichbeklee den met staal; neen, zy schijnen hunne borst te ontblooten en open te leggen, en tot den leeraar te zeggen; „Snyd hier maar diep in; hier is mijne naakte borst, richt er uwe scherpste pijlen op; zij zullen er gereedelijk in doordringen.quot; Met een verheugd hart schieten wij daar dan onze pijlen op af, en zy schijnen er in door te dringen; maar helaas! onder het vleesch is eene wapenrusting verborgen, waarop de pylen afstompen,

742

-ocr page 784-

DE GELIJKENIS VAN DEN ZAAIER.

743

en schoon zij er eene korte wyle blyven, zullen zü toch spoedig wegvallen en niets hebben uitgericht. Deze karakters vinden wij aldus beschreven: — „Een ander deel viel op steenachtige plaatsen, daar het niet veel aarde had; en het ging terstond op, omdat het geene diepte van aarde had.quot; Ofgelük eene andere Schriftuurplaats het aanduidt: „Die in steenachtige plaatsen bezaaid is, deze is degene, die het woord hoort, en dat terstond met vreugde ontvangt; doch hij heeft geen\'wortel in zich zeiven, maar is voor een tyd; en als verdrukking of vervolging komt, om des woords wille, zoo wordt hij terstond geërgerd.quot; O! hebben wy niet tienduizenden van hoorders, die het woord met blijdschap ontvangen? Zij hebben wel is waar geene diepe overtuigingen, geene onrust der ziel, maar plotseling, en als met een\' sprong, nemen zij Christus aan, en belijden terstond hun geloof in Hem, en dat geloof is dan naar allen schijn ook echt. Het zaad schijnt werkelijk opgekomen te zijn. Er is eene soort van leven in; wy zien werkelijk de groene halmen. Wy danken God en buigen onze knieën, on klappen in onze handen — er is een zondaar teruggebracht van de dwaling zijns wegs, zeggen wij; daar is eene ziel Gode geboren; daar is een erfgenaam des hemels. Maar onze vreugde is voorbarig — plotseling kwamen zij te voorschijn en ontvingen het woord met vreugde, omdat zij geene diepte van aarde hadden, en diezelfde oorzaak, welke hun ontvangen van het zaad bespoedigde, heeft het later, toen de zon was opgegaan en heet werd, doen verdorren. Die menschen zien wy eiken dag van de week. Zij komen dikwyls om zich by de gemeente te voegen; zij verhalen ons, hoe zy ons bij deze of die gelegenheid hebben hooren prediken, en dat het woord o!zoó aan hen werd gezegend, en dat zij zich nooit in hun leven zoo gelukkig hebben gevoeld! „O Dominé, toen ik van den dierbaren Christus aldus heb hooren spreken, was het my, alsof ik op moest springen van vreugde, en ik heb te eigener plaats en stond in Hem geloofd.quot; Wy vragen hun, of zy ooit behoefte gevoeld hebben aan den Zaligmaker. „O ja,quot; zeggen zy, maar zy meenen „Neen.quot; Wy vragen hun, of zy ooit overtuiging van zonde gekend hebben. Wel, zij denken van ja ; maar zij weten het niet recht; doch één ding weten zy, zij scheppen grootelijks behagen in den godsdienst. Wij vragen hun; „Denkt gü te zullen volharden?quot; O, daar zijn zy volkomen zeker van. Zij zouden niet terug kunnen gaan tot hunne vroegere viienden, daar zyn zij volkomen zeker van. Zij halen de dingen, die zij eens liefgehad hebben; daar twijfelen zy niet aan. Alles was geheel nieuw voor hen geworden. En dat alles is plotseling geschied. Wij vragen, wanneer het goede werk in hen begonnen is. Wy bevinden, dat het begon, toen het eindigde, dat is; er was niets aan voorafgegaan; geen omploegen van den grond;

-ocr page 785-

DE GELIJKENIS VAN DEN ZAAIER.

744

maar plotseling zijn zij overgegaan van den dood in het leven en van de veroordeeling tot de genade, gelijk iemand, die op den oever eener rivier staat, in het water kan springen. Toch zijn wij dankbaar voor die menschen. Wij kunnen niet ontkennen, dat hier naar allen schijn genade aanwezig is. Wij laten hen wellicht toe als lid der gemeente; maar na een paar weken komen zij reeds niet meer zoo trouw ter kerke. Wü trachten hen met liefde te vermanen en te bestraffen, en zij zeggen, dat zy zoo veel tegenstand hebben te verduren om den godsdienst, dat zij zich genoodzaakt zien een weinig toe te geven. Nog eene week later, en wü zien hen in het geheel niet meer. De reden is, dat men om hen gelachen heeft; dat zij een weinigje tegenstand hebben ontmoet, en zoo zijn zij dan nu maar teruggegaan. Zü zijn als „Meelooper,quot; van wien Bunyan ons verhaald heeft. Zjj willen met „Christenquot; wel naar den hemel gaan, want de hemel is een schoon en goed land. Zoo gaan zij dan arm in arm, en spreken liefelijk met elkander over de toekomende wereld. Maar weldra komen zij aan een moeras — den Poel der Wanhoop — Christen valt er in, en Meelooper valt er ook in. „Oquot;, zegt hy, „dat heb ik er niet bij bedongen om den mond vol met modder te krijgen! Indien ik hier levend uitkom, moogt gij, wat my betreft, dat gelukkige land alleen bezitten. En zoo werkt hy er zich na eenige wanhopige pogingen uit, en wel aan dien kant van den poel, die het dichtst by zyn huis is. Hij gaat nu zoo snel mogelyk terug, zeer verblijd by de gedachte, dat hy aan de treurige noodzakelijkheid is ontsnapt van een Christen te moeten zijn. En wat, denkt gy, dat er nu wel bij den leeraar om moet gaan? Hy bemerkt, dat hij al te spoedig op succes gerekend heeft. Hij is als de landman, die zijn\' akker welig en groen ziet worden, maar een nachtvorst verstijft ieder halmpje, en de arme man is treurig omdat zijne hoop op winst vervlogen is. Zoo is het ook met den leeraar. Hij gaat naar zijne binnenkamer, en valt met zijn aangezicht ter aarde voor zijn\' God, en roept: „O ik werd bedrogen; die mensch is als een hond, die wedergekeerd is tot zijn eigen uitbraaksel, en als de gewassene zeuge tot de wenteling in het slijk.quot; Gy herinnert u de oude voorstelling van Orpheus, die met zóóveel bekwaamheid en macht de lier bespeelde, dat hij naar het zeggen der ouden zelfs de boomen en steenen deed dansen. Dat is een poëtisch verzinsel; en toch is het somwijlen gebeurd aan den leeraar, dat niet slechts de god-vruchtigen zich hebben verblijd, maar dat zelfs eikeboomen en steenen op sprongen van hunne plaats; maar helaas! zij bleven er niet minder eikeboomen en steenen om. De lier zwijgt, en de eik keert terug naar de plaats, waar hij geworteld is, en de steen werpt zich op nieuw loodzwaar ter aarde. De zondaar die, evenals Saul, onder de profeten was, gaat terug om boozo

-ocr page 786-

DE GELIJKENIS VAN DEN ZAAIER.

745

plannen te beramen tegen den Allerhoogste. Hij, die gisteren zong, en eergisteren de vergadering is voorgegaan in gebed, gaat nu naar de herberg om er te vloeken; dronken waggelt hy door de straten op den Zondag na dien, waarop hij als lid van de zichtbare kerk op aarde is aangenomen. Er was een man, die mü bittere tranen gekost heeft. In zeker dorp was hij de eerste in alles wat kwaad was. Hij was een schoon man van ryzige gestalte, en die meer drank kon verdragen dan iemand anders mijlen in het rond. Hy was de schrik van de geheele nabuurschap, — een man, die gewoon was te vloeken en te zweren, en niet wist wat vrees beteekent. Eens kwam hij in de kerk om het Woord Gods te hooren, en toen weende hij. Iedereen in het dorp was verbaasd. De menschen weenden, en het gerucht verbreidde zich, dat die man onder sterke indrukken verkeerde. Hij begon geregeld de naar kerk te gaan, en scheen waarlyk een ander mensch te zijn geworden. De herberg verloor in hem een getrouw bezoeker, op de kegelbaan werd hij niet meer gezien, en evenmin werd hy in de dronkaards partijen opgemerkt, welke in die streek zoo veelvuldig gehouden worden. Eindelijk waagde hij het om op den bidstond een woord te spreken. Hij verhaalde zijne ervaringen; hij sprak van hetgeen hij had gevoeld en gekend. Ik heb hem hooren bidden. Zijne taal was ruw; maar hij scheen vurig en ernstig te zijn. Ik geloofde, dat hü een schitterend juweel in de kroon des Verlossers zou zijn. Gedurende zes, ja negen maanden hield hij vol en bleef in ons midden. Als er een zwaar werk verricht moest worden, hij was er toe bereid. Als er een zondagschool in stand gehouden moest worden; hij ging er heen, al moest hy ook twee of drie uur loopen om er te komen. Wat het hem ook mocht kosten, hij ging immer uit om des Heeren werk te doen; en als hij ook aan de geringsten van de gemeente van Christus een\' dienst kon bewijzen, dan was hem dit eene blijdschap. Zoo ging hij voort; maar ten laatste was hij niet meer bestand tegen het smalen en spotten zijner oude metgezellen—schoon hij dit in het eerst met mannenmoed had gedragen. Hij sloop thans ter kerke, terwijl hij er in het eerst moedig en vrijmoedig heenging. Langzamerhand bleef hij weg uit de weekbeurten en ten laatste verzuimde hij ook den dienst op don sabbat. Hoewel hij dikwijls vermaand en bestraft werd, verviel hy toch tot zijne vroegere gewoonten, en schoon hij daarna nooit meer zulk een monster in de zonde werd als hij te voren geweest is, scheen toch iedere gedachte aan God en godsvrucht thans weggevaagd uit zijn hart. Wederom kon hij den vloek der Godslasteraars op de lippen nemen, wederom kon hij goddelooslijk handelen met de onheiligen; en hij — van wien wij zoo dikwijls hadden geroemd, en in onze bijeenkomsten tot elkander hadden gezegd; „O hoe wordt God in dezen man verheerlijkt;

-ocr page 787-

de gelijkenis van den zaaier.

Wat vermag de genade niet!quot; — werd tot ons aller diepe beschaming dronken op straat gezien; en toen werd ons het sma-deiyk woord voor de voeten geworpen: „Ditis nu een van uwe Christenen, niet waar? een uwer bekeerlingen, die weer terug gegaan is, en even slecht is als ooit te voren.quot;

Indien het nu slecht is om zulk een „weg-hoorderquot; te zyn, zoo denk toch niet, dat het veel beter is om als de rots te wezen. En toch geven deze tweede soort van hoorders ons meer vreugde dan de eerste. Er is eene soort van menschen, die zich altijd aan een\' nieuwen leeraar hechten; en ik heb dikwyls gedacht, dat het eene daad van vriendelijkheid is in Gods voorzienigheid, dat Hij altijd zulke menschen zendt in den beginne, terwijl de leeraar nog jong is, en slechts weinigen heeft om hem te steunen — eene soort van menschen, die licht bewogen worden; en als hy ernstig preekt, dan gevoelen zy het, en zij hebben hem lief, en verzamelen zich rondom hem. Maar de tijd, die alles beproeft, beproeft ook hen. Zij schenen van deugdelijk metaal te zyn, maar zü worden in het vuur gedaan, zü worden getoetst, en worden in den smeltkroes verteerd. Als ik myne oogen rond laat weiden, dan ontdek ik hier en daar wel sommigen van die lieden. De meesten uwer ken ik niet; maar wel zie ik sommigen, van wie ik moet zeggen; „Gijzyt juist de menschen, van wie hier gesproken wordt.quot; Ik heb u aangezien terwijl ik predikte, en dikwijls heb ik gedacht: „Die man zal voorzeker een dezer dagen uitgaan van uit de wereld.quot; Ik heb God voor hem gedankt. Maar ach! al die jaren hebben wij voor u gepredikt, en gij zijt nog dezelfde, die gij geweest zyt. Zal dit zoo blijven? Zullen al onze waarschuwingen nog verder in den wind worden geslagen, en onze uitnoodigingen worden afgewezen? Kan dit zijn? Zult gy ten laatste naar uw graf worden gedragen, en zal ik bij dat geopende graf staan en denken: „Hier ligt eene verijdelde hoop; eene bloem, die verwelkt is vóórdat zij nog ontlook; een man, in wien de ge-nadescheen te worstelen, maar in wien zij nooit heeft geheerscht; een man, die soms een hoopvol teeken van leven scheen te geven, maar toen weer in de yskoude van den eeuwigen dood verviel?quot; God verlosse u! O dat Hij krachtiglyk met u mocht handelen, en mocht gy nog toegebracht worden, opdat Jezus al de eer er voor moge ontvangen.

III. Ik zal slechts enkele woorden kunnen spreken over de derde soort van hoorders, en moge Gods Geest my helpen om getrouw met u te zyn. „En het andere viel in het midden van de doornen, en de doornen mede opwassende, verstikten het.quot; Dit nu was goede aarde. De twee eerste karakters waren slecht: de weg was niet de geschikte plaats, de rots niet zeer gunstig om den groei van eenigerleiplant te bevorderen; maar dit is goede aurde, want er groeien doornen in. Waar distelcn groeien, daar

746

-ocr page 788-

DE GELIJKENIS VAN DEN ZAAIER.

kan ook tarwe groeien. Overal, waar de distel ontspruit en tiert, daar zal ook tarwe kunnen gedijen. Het was een ryke, vruchtbare grond, geen wonder dus, dat de landman hier zjjn zaad met volle handen uitstrooide. Zie, boe gelukkig hij is, als hij over een paar maanden die plaats eens bezoekt. Het zaad is opgekomen. Het is waar, hij bespeurt daar ook een verdacht plantje van dezelfde grootte ongeveer als de tarwe. „O!quot; denkt hij, „dat is niet veel, dat zal het koren wel te boven komen; als het maar eenmaal opschiet, dan zal het die enkele distelen, welke er zich ongelukkig mede vermengd hebben, wel verstikken.quot; Ach landman, gij hebt geen begrip van de macht van het kwaad, of gü zoudt zoo niet spreken! Hij komt terug, en het zaad is opgekomen, er is zelfs koren in de aar; maar de distelen en doornen en bramen hebben zich in eengestrengeld, en de arme tarwe kan nauwelijks een zonnestraaltje opvangen. Het koren is zóó omringd van dat onkruid, dat het, deels door hetgeen van die doornen en distelen er op afdruipt en deels wegens de afwezigheid van zonneschijn, er geel en ongezond uitziet. Toch leeft het; het blüft groeien, en het schynt wel, dat het ook nog eenige vrucht zal opleveren; maar het loopt op niets uit. Daarmede zal de maaier zijn arm niet vullen. Er is de schijn van vrucht, maar er is geene werkelijkheid in, het voldraagt geene vrucht.

Deze klasse van hoorders is hier op ruime schaal vertegenwoordigd. Wy hebben de mannen en vrouwen, die hier komen om het Woord te hooren, en zij verstaan ook wat zü hooren. Het ztfn geene onwetende, onverlichte menschen, die wegwerpen wat zü gehoord hebben. Wij werpen geene paar-len voor de zwijnen, als wij voor hen prediken; neen; zij herinneren zich het woord der waarheid, en bewaren het; zij gaan er mede naar huis, en denken er over na, en komen weder hier, telkens en nogmaals. Zij gaan zelfs zoo ver van belijdenis te doen van hun\' godsdienst. De tarwe schu\'nt uit te spruiten en te bloeien, weldra zal zü tot rijpheid komen. Haast u niet. Deze mannen en vrouwen hebben zeer veel te bezorgen. Zij hebben de zorg over eene groote inrichting; zy gebruiken honderden van werklieden, bedrieg u niet omtrent hunne godsvrucht — zü hebben er geen\' tijd voor. Zij zullen u zeggen, dat zij toch moeten leven; dat zij de wereld niet kunnen veronachtzamen; dat zij scherp op het heden hebben te letten, en dat, wat de toekomst betreft, zij daar stellig wel later voor zullen zorgen. Zy blijven de godsdienstoefeningen bywonen, en dat armoedige halmpje blijft groeien. En nu zijn zij rijk geworden; zij kunnen in hun eigen rijtuig naar de kerk gaan; zy hebben alles wat hun hart begeert. O! nu zal het zaad welig groeien, niet waar? Neen, neen. Zij hebben thans geene zorgen; de winkel is opgegeven, zij wonen buiten; zij behoeven

747

-ocr page 789-

DE GELIJKENIS VAN DEN ZAAIER.

niet te vragen: „waar zal het geld vandaan komen om de laatste rekening te betalen?quot; of „hoe zullen wij ons aangroeiend gezin kunnen onderhouden?quot; Neen, thans hebben zij te veel in plaats van te weinig, want zij hebben hun\' rijkdom. „Maar,quot; zegt iemand, „zij zouden hun\' rijkdom voor God kunnen gebruiken; het zouden talenten kunnen wezen, waarmede zij woekeren.quot; „Ach neen! zoo is het niet; hun rijkdom is voor hen eene verleiding. Nu hebben zij vele menschen te onthalen; nu moeten zij naar „hun stand levenquot; en hun „fatsoenquot; in acht nemen. Nu moeten zij er eens a.in denken lid van het parlement te worden; nu moeten zy zich blootstellen aan al de „verleiding van den rijkdom.quot; Ja, maar zy beginnen hun geld te besteden, en zoo zijn zü nu zeker die moeielijkheid te boven. Zy geven ruime giften voor de zaak van Christus; zy zijn mild in het betrachten van barmhartigheid; nu zal het halmpje toch wel groeien nietwaar? Neen, want zie nu de doornen van de wellusten des levens. Hunne vrijgevigheid voor anderen brengt ook vrijgevigheid mede voor zich zeiven. Zy vinden genot in hetgeen zij hebben, en dat is uitnemend; maar terzelfder tijd nemen die wellusten des levens zóó toe, dat zij de tarwe verstikken, en het goede koren des Evangelies kan niet wassen, omdat zij die wellusten hebben, deze muziekpartij moeten bijwonen, naar dit bal en die avondpartij moeten gaan, en zoo hebben zij dan geen tijd voor de dingen Gods, omdat de genoegens dezer wereld het zaad verstikken. Ik ken verschillende ontzettende gevallen, die hier een voorbeeld van zijn. Het zou niet goed zijn om alles hier open-Igk mede te deelen; maar ik zou anders zeer vele voorbeelden kunnen bybrengen. Ik ken iemand, die hoog aangeschreven staat in hofkringen, en die mij dikwijls gezegd heeft, dat hij wenscht arm te zyn, omdat hy denkt, dat hij dan eerder het koninkrijk Gods zou kunnen binnengaan. Hij heeft eene hooge positie, maar hij zeide my — en zijn gelaat duidde aan dat hy meende wat hy zeide — „Ach Dominé, de politiek, de politiek, ik wenschte wel, dat ik er van verlost was; zij knaagt het leven weg uit myne ziel; ik kan God niet dienen, zoo als ik het wenschte. Hoe gaarne zou ik mij in de eenzaamheid terug willen trekken om mijn Heiland te zoeken.quot; Ik ken ook iemand, die wellicht overladen is, met rijkdommen, en er ook altyd vriendelijk wel mede doet. Die man heeft, toen wij eens te zamen wandelden en ik als het ware zyne gedachten las, tot mij gezegd; — „Ach! het is iets ontzettends om ryk te zijn, want het is niet gemakkelijk om zich aan den Zaligmaker vast te houden, als men zooveel van de aarde om zich heen heeft.quot;

O! mijne hoorders, ik wil voor u niet vragen, dat God u op het ziekbed zal uitstrekken; dat Hij u van al uwe schatten zal berooven; dat Hy u tot den bedelstaf zal brengen; dat Hij u de genoegens en gemakken des levens zal ontnemen. Dat zal ik

748

-ocr page 790-

de gelijkenis van den zaaiee.

voor u niet vragen; maar acb! mdiew Hij het deed, en gü zoudt daardoor uwe ziel verlost zien, dan zou dit toch de kostelijkste ruil ter wereld zijn. Indien de koning zijne kroon kon afleggen om behouden te worden; indien deze machtigsten onder de machtigen, die thans deze klacht doen hooren, dat de doornen het zaad verstikken, al hun\' rijkdom konden opgeven en verbannen konden zijn van al hunne wellusten; indien al hunne weelde in armoede werd verkeerd, en indien zy, diealledagen vroolijk en prachtig leven, de plaats konden innemen van Lazarus op den mesthoop, waar de honden hunne zweren likten, dan zou het een heerlijke ruil voor hen wezen, zoo hunne ziel dan slechts verlost en behouden was. Verstaat mij echter wel: ik geloof, dat iemand heel goed rijk en aanzienlijk in de wereld kan wezen, en veel genot kan hebben van Gods goedertierenheden en weldaden, en daarna naar den hemel kan gaan; maar toch zal hem dit zwaar vallen : „Het is lichter, dat een kemel ga door het oog van eene naald, dan dat eemijke inga in het koninkrijk Gods.quot; Sommigen van deze kameelen gaan door het oog der naald; God doet sommige rijken ingaan in het koninkrijk der hemelen; maar zwaar is hun strijd, dien zu voortdurend tegen vleesch en bloed hebben te strijden, om het te onderwerpen en ten onder te houden. Wees kalm en voorzichtig, jongeling! haast u niet, om op die hoogte te komen. Het is eene plaats, waar u het hoofd zal duizelen. Vraag niet aan God om u populair te maken, dat is door iedereen bemind en geprezen te worden. Zij, die deze algemeene volksgunst verkregen hebben, haten haar, en zouden niets liever wenschen, dan om er van ontdaan te zijn. Vraag niet, dat Hij u rijk en beroemd zal maken; zjj die rijk en beroemd zijn, slaan dikwijls den blik naar binnen, en wenschen, dat zij maar weder het rustige, kalme leven konden genieten van vroeger. Roep met Agur; „Armoede of rijkdom geef my niet.quot; God schenke mij den gulden middenweg te bewandelen, en mocht ik immer het goede zaad in mijn hart hebben, hetwelk honderdvoudige vruchten zal voortbrengen tot zyne eer.

IV. Ik zal eindigen met eenige woorden omtrent het laatste karakter, de goede aarde. Van die goede aarde hebben wij, gelijk gij reeds opgemerkt zult hebben, slechts één op vier. O mocht het Gode behagen, dat er een op de vier van ons hier tegenwoordig zij, één op de vier, wiens hart toebereid is om het Woord te ontvangen. De aarde was goed; niet dat zij van nature goed was, maar zij was door genade goed gemaakt. God had haar beploegd met den ploeg der overtuiging van zonde, en daar lag zij nu met omgeploegde voren, gelijk zy buhoort te wezen. En toen het Evangelie werd gepredikt, heeft het hart het aangenomen, want die mensch zeide: „Dat is juist de Christus, dien ik noodig heb. Genade is juist datgene wat een

749

-ocr page 791-

de gelijkenis van den zaaier.

750

nooddruftig zondaar behoelt. Eene toevlucht! God helpe mij om er my heen te spoeden, want zulk eene toevlucht heb ik hoog noodig.quot; Zoodat de prediking van het Evangelie de zaak was, die aan dezen beroerden en beploegden grond rust kon geven. Het zaad viel er in en ontkiemde. By sommigen bracht het eene groote vurigheid der liefde, eene ruimte van hart, eene volharding in het streven ten goede te weeg, evenals zaad, dat honderdvoudige vrucht oplevert. Die mensch werd een krachtig dienstknecht van God; hy deed de kosten en werd te koste gegeven. Hij nam zyne plaats in in de voorhoede van Christus\' leger, stond in het heetste van den strijd, en deed daden van moed, zooals slechts weinigen ze kunnen volbrengen; het zaad bracht honderdvoudige vrucht voort. Dat zaad viel in het hart van een ander, die van gelyke gezindheid was; — deze kon niet het meeste doen, maar toch deed hij veel. Hij gaf zich, zooals hy was, aan God, en in zyne zaken dacht hij immer aan, en zorgde hij voor, de zaak der toekomende wereld. In zijn\' dagelijkschen wandel heeft hy de leere Gods, zyns Zaligmakers versierd, — hy bracht zestigvoudige vrucht voort. En het zaad viel op nog een ander, die slechts geringe talenten en bekwaamheden bezat. Hij kon geene ster, maar slechts een glimwormpje wezen; hy kon niet doen als de grootste; maar hij was te vre-den om iets te doen, al was het dan ook maar het minste. Het zaad had tienvoudige, of wellicht twintigvoudige vrucht in hem voortgebracht. Hoe velen zijn er van de zoodanigen hier in deze groote vergadering? Ik ben hier gekomen met het hart vol van vurige begeerte om voor u te prediken; maar plotseling werd ik door groote bezwaardheid van geest bevangen, en terwijl ik tot u sprak, heb ik in myn eigen gemoed tegen wind en gety in gesproken. Mag ik echter niet hopen, dat in weerwil van de onbeholpenheid, waarmede ik het zaad uitgestrooid heb, het toch ergens in goede aarde gevallen is? Is er iemand, die bidt: „O Heere verlos my; o God, wees mij zondaar genadigquot;? Dan is het zaad op de rechte plaats gevallen. Uw gebed zal verhoord worden; want God doet nooit de begeerte naar genade in iemands hart ontwaken, als Hij niet voornemens is genade te schenken. En fluistert iemand anders: „O mocht ik zalig worden?quot; Ziele, ..Geloof in den Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden.quot; Zijt gij de voornaamste der zondaren geweest? Vertrouw op Christus, en uwe ontzettende zonden zullen verdwijnen gelijk een molensteen, die in de zee is geworpen. Is hier niemand, die terstond op den Zaligmaker wil vertrouwen? Kan het mogelijk zijn, dat de Geest Gods gansch en al afwezig is? Dat Hy in geene enkele ziel werkt? In niemands geest leven schept? Wij zullen bidden, dat Hij thans nederdale, en dat, hoe verkeerd en onhandig het zaad pok gezaaid zij, de beschermende God er over moge waken, het zal

-ocr page 792-

DE GELIJKENIS VAN DEN ZAAIER.

koesteren en kweeken, totdat het ryp is voor den eeuwigen oogst.

Hoe ernstig stemt het ons als wij denken aan deze groote Zondagsbijeenkomsten, die nu al gedurende zoo vele jaren plaats hebben; al die duizenden, die komen en gaan, komen en gaan, terwijl er toch nog zoo velen zijn, die onbekeerd zyn gebleven! Ik denk, dat mij het lot beschoren is om ieder jaar tot meer dan twee millioen menschen het woord te richten, menschen meteene onsterfelijke ziel. Hoe velen onder die millioenen hooren met een doof oor, worden niet bewogen in hun gemoed, maar blijven, zooals zij zijn, dood door de misdaden en de zonden! Die gedachte doet mü soms duizelen! Zullen al deze menschen in de eeuwigheid voor mijne oogen voorbygaan, en zal ieder hunner, indien ik ontrouw ben geweest, mij aanklagen, omdat ik hen bedrogen heb ? Zal ieder oog van al die millioenen, die ik heb toegesproken, gedurende de gansche eeuwigheid vlammende blikken van beschuldiging en veroordeeling op my richten? Zy moeten het, zij moeten het, indien ik uw welzyn niet op het oog heb gehad, indien ik u het Evangelie van onzen Heere en Zaligmaker, Jezus Christus, niet heb gepredikt. Ik bid u, ik smeek u, neemt ter harte hetgeen ik u thans zeg, of laat my hopen, dat gij zult erkennen, dat ik er naar gestreefd heb getrouw met u te zijn, opdat uw bloed niet op mijn hoofd zy. Maar waarom zou uw bloed op iemands hoofd zijn? Is daar geene hoop? Is daar geene zaligheid? Is er, terwyl er nog leven is, geene geopende deur ter ontkoming? O mijn hoorder, vlucht tot Christus! Ik smeek u by den levenden God, by den tyd, by de eeuwigheid, by den hemel, by de hel, vlucht, vlucht tot Jezus, eer de dood u overvalt, eer de verdoemenis u treft; vlucht tot Hem, wiens armen geopend zijn om u te ontvangen. Vertrouwt op Jezus, en gy zyt gered. „Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zyn, zal zalig worden, maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.quot; Ben ik dweepziek, ben ik een geestdry ver, als ik u bid en smeek aan deze dingen te denken? Op den dag des oordeels zal een „dweperquot; slechts iemand wezen, wien het zeer ernst was; en een „geestdryverquot; slechts iemand, die meende wat hij zeide. O gelooft in den Heere Jezus Christus, opdat niet thans reeds, terwijl gij nog hier zyt, Gods toorn over u worde ontstoken en een haastig verderf over u kome. Komt, en moogt gy in kunnen stemmen met het lied des godvruchtigen dichters; (1)

Ik vluchtte tot Jezus, Hij heeft mij gered;

Hij heeft mij verlost van het vonnis der wet;

Mijn heil en mijn vrede en mijn leven werd Hij;

Ik boog me, en geloofde, en — mijn God sprak mij vrij.

751

AMEN.

(1) M\' Cheyne.

-ocr page 793-

SATANS VAARDIGHEID, ZIJNE MACHT EN ZIJN DOEL.

„Daarna komt de duivel, en neemt liet woord uit bun harte weg, opdat zij niet zouden gelooven, en zalig worden.quot; Lukas VIII: 12.

Het is een groote troost, dat zoo groote scharen van men-schen bereid zijn het woord Gods te hooren. Zelfs al zou het van achteren blijken, dat velen als de rots, de weg of de door nige grond zijn, is het toch nog iets bemoedigends, dat het zaad met volle handen over zoo ruim een veld uitgestrooid kan worden. Toch zijn het niet alleen liefelijke gedachten, die door het gezicht van zoo groot eene vergadering bij ons opgewekt worden; de vraag komt gansch natuurlijk hij ons op; — Wat zal uit al dat prediken en hooren voortkomen? De nadenkende Christen zal, als hij deze vraag by zich zeiven overweegt, den toestand in aanmerking nemen van de personen, tot wie hij het woord richt, en zich herinneren, dat velen nog niet toebereid zijn voor het Evangelie. Het is er zóó verre van daan, dat zy een omgeploegde akker zyn, toebereid om het zaad te ontvangen, dat zij veeleer op den druk beganen weg gelyken. Zy hooren het Evangelie, en in zoo ver hebben wij goede hope voor hen; maar zy denken er niet aan om het tot zich te laten doordringen. De akker huns harten is reeds te veel door andere dingen bezet. Andere voeten zullen daarheen treden en de voetstappen des zaaiers snel doen verdwijnen. En wat het goede zaad betreft, het kan liggen blijven, waar het is gevallen, maar ingaan tot het innerlijke van den mensch zal het niet. En dit is niet alles. De angstvolle opmerker herinnert zich, dat er nog eene andere moeielijkheid bestaat; de aartsvijand van God en den mensch is gekant tegen de zaligheid der zielen, en daarom is hij overal waajr het zaad des Woords gezaaid wordt met zijne vernielende, verdervende kracht tegenwoordig. Het is hiervan, dat wij thans zullen spreken : Satans werkzaamheid gedurende de prediking van het Evangelie. Hij is buiten het gezicht; maar wij mogen hem niet buiten onze gedachten, buiten onze herinnering laten,

-ocr page 794-

satans vaaemgheid, zijne macht en zijn doel. 753

■want als de raenschen slapen, doet hij nog veel meer kwaad. Laat ons dan waken en het oog op hem houden en alzoo bewijzen, dat zü\'ne listen en oogmerken ons niet onbekend zijn.

In de woorden, die wij thans overdenken, herinnert oiize Heere zijne hoorders aan Satans vaardigheid — „daarna komt de duivelquot;; aan zijne macht, — „en neemt het woord uit hun harte wegquot;; en aan zijn doel, hetwelk is het zaligmakend geloof te voorkomen, — „opdat zij niet zouden gelooven en zalig worden.quot;

I. Let dan in de eerste plaats op des boozen vaardigheid. Niet zoodra is het zaad gezaaid, of de vogelen aten het op. Onze tekst zegt „danquot; (1), dat is: op het eigen oogenblik, „komt de duivel.quot; Markus zegt: „Zoo komt de duivel terstond.quot; Wie ook moge talmen. Satan talmt nooit. Met zoodra valt een kameel dood neder in de woestijn, of de gieren verschijnen. Geen vogel was ergens in den omtrek zichtbaar, en het scheen niet mogelijk, dat er mijlen in het rond een vogel aanwezig was; maar weldra ziet men stippen aan de lucht, en binnen weinige oogenblikken verzadigt het roofgedierte zich met vleesch. Evenzoo bemerken de booze geesten hunne prooi reeds van verre en spoeden zich dan heen om hun werk der verwoesting te werken. Het verloop van tijd zou gelegenheid kunnen bieden tot nadenken, en het nadenken zou tot berouw en bekeering kunnen leiden, daarom haast zich de vijand om te voorkomen, dat de hoorder nadenkt over de waarheid, die hij heeft gehoord. Als het Evangelie eenlgszins op de hoorders begint te werken, zoodat het in lichten graad tot hun hart is doorgedrongen, sneller dan de vlucht des adelaars is dan de spoed des duivels om het woord uit hun hart weg te nemen. Een weinigje uitstel zou zoo iemand reeds buiten de macht van Satan kunnen doen komen, vandaar die snelheid en stiptheid van des duivels werkzaamheid. O als wy maar half zoo vlug en werkzaam waren in den dienst onzes Heeren, slechts half zoo vaardig om elke gelegenheid aan te grijpen om de zielen der menschen te zegenen!

Er is geen t wijfel aan, dat Satan bij tijden direct inwerkt op de gedachten der menschen. Hij heeft persoonlijk aan Judas het verkoopen zijns Meesters ingeblazen, en menige andere slechte gedachte heeft hij in het hart der menschen doen opkomen. Evenals de gier, die voortdurend aan de ingewanden van Prometheus knaagde, zoo rukt de duivel de goede gedachten weg, die het leven voorde ziel des menschen zou wezen. Schrikkelijke lasteringen, onreine gedachten, grof ongeloof of ijdele beuzelingen werpt de duivel als zoo vele helsche bommen in de ziel, om elk nieuwgeboren denkbeeld te ver-

(1) In de Engelsche overzetting.

48

-ocr page 795-

754 SATANS VAARDIGHEID, Zl.TNË MACHT EN ZIJN DOËL.

nietigen, hetwelk naar Christus en de zaligheid uitgaat. Nu eens betoovert hij den geest, en dan weder verschrikt en ontroert hij hem, terwijl zijn eenig doel hierbij is des menschen gedachten van het Evangelie af te trekken en alzoo te voorkomen, dat het tot het hart en de conscientie ingaat.

Daar Satan niet overal te geiyk kan wezen, brengt hü zijn boos werk dikwiils tot stand door zijne dienstknechten, de mindere geesten uitzendende om als de vogelen te doen, die het zaad opeten. En ook deze booze geesten gebruiken op hunne beurt allerlei werktuigen tot dezen dienst. Met groote list en bekwaamheid worden de gewone voorvallen van het leven gebruikt voor die booze zaken, zoodat zelfs door dingen, die op zich zeiven genomen, onverschillige zaken zijn, de doeleinden van den vijand tot stand worden gebracht. De prediker heeft iets eigenaardigs in zyne manieren, zyne uitspraak, zijn voorkomen, en dit wordt de vogel, die het zaad opeet. De hoorder wordt zóó zeer afgeleid door het ietwat vreemde en eigenaardige in den leeraar, dat hü er de waarheid door vergeet, die werd uitgesproken. Er werd eene anecdote verhaald, een beeld gebruikt ter opheldering van hetgeen gezegd werd, of een woord gesproken, dat eene herinnering opwekt bij den hoorder, en weg ging het woord uit zyn hart, om plaats te maken voorbloote ijdelheid. Of zoo de leerrede al ten einde toe gevolgd wordt, dan komt er een nieuw gevaar: een voorwerp, dat men mist, een weinig meer gedrang dan anders in de gangpaden, eene dwaze scherts, die van iemand in de menigte wordt gehoord, of de vreemde, buitensporige kleedij van een\' onbekende kan Satans doel tot stand brengen en het woord uit het hart en de gedachten wegrukken. Weinig doet het er toe of het zaad opgegeten wordt door zwarte kraaien of door witte duiven, door groote vogels of door muschjes: zoo het niet in het hart blijft, kan het geene vrucht voortbrengen, en daarom beschikt de duivel het zoo, dat hü op op de eene of andere wijze het zaad terstond wegneemt. Als hü op gewone tü\'den nooit in eene plaats van openlü\'ke Godsvereering verscbynt, dan zal hij er toch wel voor zorgen daar te zijn in tijden van geestelijke opwekking, — „dan komt de duivel.quot; Menigen kansel laat hü met rust; maar als een ernstig, vurig man predikt, „zoo komt de Satan terstond.quot;

II. Laat ons nu voor eene wijle letten op zijne macht. „En neemt het woord uit hun hart weg.quot; Er staat niet. dat hij dit tracht te doen, maar dat hü het werkelijk doet. Hü ziet, hij komt, hij overwint. Het woord is daar, en de duivel neemt het even gemakkelük weg, als een vogel het zaad van den weg pikt. Helaas! welk eene macht heeft de booze over den men-schelijken geest, en hoe vruchteloos is het werk des predikers tenzü het door goddelyke kracht wordt vergezeld. Door de tref-

-ocr page 796-

SAÏAN3 VAARDIGHEID, ZIJNE MACHT EK ZIJN DOËL.

fende manier, waarop de waarheid was voorgesteld, zal er wellicht iets van in het geheugen verwylen; maar de vijand neemt het geheel weg uit het hart, en zoo blijft het voornaamste, het deel van het werk, waarop het aankomt, ongedaan. Wij kunnen dwaas genoeg zün om alleen op het hoofd, het verstand, te werken, maar htf, die boven al onze bevatting er van listig is, handelt met het hart. Wie wil, moge het verstand winnen, zoo Satan slechts meester is van de genegenheden, is hü volkomen tevreden. Voor des menschen hart is het goede zaad verloren. De vogelen hebben het verslonden. Het is voor hem van nul en geener waarde geworden; het heeft geene macht over hem, geen leven in hem. Er is geen spoor van overgebleven, niet meer dan er van zaad te zien zou zijn op den weg, nadat de vogelen het hadden opgegeten. Zoo krachtig en afdoend is het werk van den overste van de macht der lucht. Als Satan het der moeite waard vindt om te komen, terstond te komen, dan zorgt hy er wel voor, dat hü niet te vergeefs komt.

Zgne macht komt gedeeltelijk voort uit zijne natuurlijke schranderheid. Gevallen, als hij thans is, was hij toch eens een engel des lichts, en zijne ongemeene gaven, quot;hoe verdorven, verontreinigd en verduisterd zij ook zijn door den invloed der zonde, overtreffen toch nog zeer ver de verstandelijke vermogens der menschelijke wezens, op welke hij zijne listen beproeft. Hij is meer dan opgewassen tegen prediker en hoorder te zamen, indien de Heilige Geest niet komt om zich tegen hem te stellen en hem te verslaan. Door zijne langdurige oefening in zijne gevloekte kunst, is hü ook nog listiger geworden. Hü kent hetmenschelyk hart beter dan iemand.anders, behalve zijn Maker, want gedurende duizenden van jaren heeft hij het bestudeerd, en zoo is hü met al deszelfs zwakke punten bekend. Vergeleken met dezen alouden verleider, zijn wü allen jong en onervaren. Allen zü\'n wij beperkt van inzicht, vergeleken bü deze slang, die arglistiger is dan al het gedierte des velds. Wat wonder dan, dat hü het zaad wegneemt, dat in harde harten gezaaid is!

Zijne voornaamste macht ontleent hü echter aan den zielstoestand van den mensch. Het is gemakkelü\'k voor de vogelsom het zaad op te pikken, dat op een\' harden weg ligt. Indien de aarde goed ware geweest, en het zaad er in ware gevallen, dan zou het hem veel moeielü\'ker zün geweest; ja dan zou hij zelfs teleurgesteld zün kunnen worden; maar een hard hart doet reeds in groote mate zelf het werk van den duivel. Hij behoeft list noch geweld te gebruiken. Daar ligt het afgewezen woord op de oppervlakte der ziel, en hü neemt het weg. De macht van den booze komt grootelijks voort uit onze eigene boosheid. Laat ons den Heere bidden ons hart te vernieuwen, opdat het getuigenis van Jezus van harte worde ontvangen en aangenomen

755

-ocr page 797-

756 satans vaardigheid, zijne macht en zijn doel.

en nooit weggenomen worde. Groot is de behoefte aan zulk een gebed. Onze tegenstander is geen denkbeeldig wezen; zijn bestaan is reëel, zijne tegenwoordigheid voortdurend, zijne macht ontzettend groot, zijne werkzaamheid onvermoeid. Heere, overwin hem, verdoe hem! Verjaag dezen onreinste van alle vogelen ; verbreek den bodem van ons hart, en laat uwe waarheid waarlijk in ons leven en in ons groeien!

III. Onze korte toespraak eindigt met het derde punt, hetwelk is des duivels doel. Hii is een goed theoloog, en weet dat de zaligheid is door geloof in den Heere Jezus, vandaar dat hetgeen hij boven alles vreest, is, dat de menschen „geloo-veu en zalig worden.quot; De substantie, het wezen, des Evangelies ligt in deze weinige woorden: „gelooven en zalig worden,quot; en naar mate Satan dat Evangelie haat, naar diezelfde mate behooren wij\' het op pry\'s te stellen. Hij is niet zoo bang voor goede werken, als voor geloof. Indien hij de menschen er toe kan brengen om te werken, of te gevoelen, of iets anders te doen in plaats van te gelooven, dan is hij tevreden; maar het is voor gelooven, dat hij bang is, omdat dit door God saamgevoegd werd met zalig worden. Ieder hoorder behoort dit te weten en er door geleerd worden om al zyne aandacht te wijden aan de zaak, die de duivel al zijne kracht en werkzaamheid waardig vindt. Indien de verderver arbeidt om het geloof des harten te voorkomen, dan zullen de wijzen hun verstand gebruiken, zoo zij het geloof als het eene noodige beschouwen.

„Opdat zij niet zouden gelooven en zalig worden,quot; neemt Satan het woord weg uit het hart. Hier is ook verstand, — verstand in des vijands list verborgen. Indien het Evangelie in aanraking blijft met het hart, is deszelfs strekking geloof voort te brengen. Het zaad, dat in de aarde verwijlt, ontkiemt en brengt vruchten voort; en zoo zal het Evangelie zvjnelevende kracht tentoonspreiden, indien het blijft in den mensch, en daarom haast zich Satan om het weg te nemen. Het woord Gods is het zwaard des Geestes; en de duivel ziet het gaarne in de nabijheid van den zondaar, uit vrees, dat het hem zal wonden. Hy vreest den invloed der waarheid op de consciëntie, en zoo hij niet kan beletten, dat de mensch de waarheid hoort, dan zal hij ten minste alles doen wat hij kan om te voorkomen, dat hij er over nadenkt. „Het geloof is uit het gehoor, en het gehoor door het woord Gods;quot; het gehoorde uittewis-schen, te doen vergeten, dat is Satans methode om het gelooven te beletten. Hier, wederom, is een practisch woord voor het oor der wüsheid: — laat ons het Evangelie zoo dicht mogelijk bij het hart en gemoed der onbekeerden brengen. Laat ons zaaien en nogmaals zaaien, of wellicht ook een zaadkorreltje wortel mocht schieten. Bii het planten van sommige

-ocr page 798-

SATANS VAARDIGHEID, ZIJNE MACHT EN ZIJN DOEL. 757

zaden plachten de landlieden „één voor den worm en één voor de kraai te geven, het derde zou dan gewis wel opkomen,quot; en wij moeten even zoo doen. In het boek van Jeremia beschryft de Heere zijne eigene werking aldus: — „Ik heb tot u gesproken, vroeg op zijnde en sprekende, maar gij hebt niet gehoerd, Ik heb u geroepen, maar gij hebt niet geantwoord.quot; Gewis, indien de Heere zelf aldus volhard heeft te spreken tot een geslacht, dat niet antwoordde, dan behoeven wij niet te murmu-reeren, indien veel van onze prediking te vergeefs schijnt te zijn. Er is leven in het zaad des Evangelies, en zoo het slechts in den grond des harten kan komen, zal het groeien. Laten wy er dus geloof in hebben en nooit een\' oogst verwachten anders dan op de goede, ouderwetsche manier van goed zaad te zaaien. De duivel haat blijkbaar het woord, laten wy er ons dus aan vasthouden, en het zaaien aan alle plaatsen.

Lezer, of hoorder, gij hebt dikwijls het Evangelie gehoord; hebt gij het te vergeefs gehoord? Dan heeft de duivel meer met u te doen dan gij wel denkt. Is dat eene liefelijke gedachte? De tegenwoordigheid des duivels is Terontreinigend en verlagend, en hy heeft om u heen gewaard als de roofvogels om het aas, en hij heeft het Woord uit u weggenomen. Denk hier aan. Door uw ongeloof mist gij de gemeenschap met den Vader en zyn\' Zoon Jezus Christus, en in plaats daarvan hebt gij gemeenschap met Satan. Is dit niet schrikkelijk? In plaats, dat de Heilige Geest in u woont, gelyk Hy woont in alle geloovigen, maakt de vorst der duisternis u tot zyne woning, ingaande en uitgaande bij u, al naar het hem gelust. Gy herinnert u Jakobs droom van eene ladder, en de engelen, die van hem op en afklommen naar en van den hemel ; uwe levenservaring kan voorgesteld worden door eene andere ladder, die afwaarts gaat in den duisteren afgrond, en jangs die ladder klimmen booze geesten op en af tot u en van u! Verschrikt u dit niet? De Heere geve, dat het u ontzet en verbaasd doe wezen. Verlangt gij naar eene verandering? Moge de Heilige Geest uw hart in goede aarde verkeeren, dan zal het zaad der goddelijke genade in u opwassen en geloof voortbrengen in den Heere Jezus, Amen.

-ocr page 799-

HEÏ MOSTAARDZAAD.

EENE PREEK VOOR DE ZONDAGSCHOOL-ONDERWIJZERS.

„En hij zeide: Wien is het koninkrijk Gods gelijk? en waarbij zal ik hetzelve vergelijken? Het is gelijk een mostaardzaad, hetwelk een mensch genomen heeft; en het wies op, en werd tot een\' grooten boom, en de vogelen des hemels nestelden in zijne takken.quot; Lu kas XIII: 18, 19.

Ik zal geene poging doen om van deze groote gelijkenis in kleinen omvang eene verklaring te geven. Men kan de geiy* kenis verstaan als betrekking hebbende op onzen Heere zeiven, die het levende zaad is. Gij weet ook, dat zijne kerk de boom is, die uit Hem is voortgekomen, en hoe die boom groeit en zyne takken uitspreidt, totdat hij geheel de aarde bedekt heeft. Uit den éénen Mensch, Christus Jezus, veracht en verworpen door de menschen, gedood en begraven, en aldus verborgen van voor het oog der menschen—uit Hem, zeg ik, ontstaat eene schare, die niemand tellen kan. Dezen spreidden zich uit, gelijk een boom, die bij eene rivier groeit, en zü geven beide liefelijke schaduw en geestelijke spyze. Ik noemde dit eene groote gelijkenis in kleinen omvang, en dat is zy, want binnen een klein bestek bevat zij eene wereld van leering. De gelijkenis zelve is een mostaardzaadje, maar hare beteekenis is als een groote boom.

Op dezen tijd van het jaar, plegen de zondagschoolonderwijzers samen te komen ten einde om een\' bijzonderen zegen te vragen op hun werk, en de leeraren worden uitgenoodigd een woord te spreken ter hunner bemoediging in hun werk dei-zelfverloochenende liefde. Aan dit verzoek wil ik volgaarne voldoen, en daarom zal mijne rede geene volledige verklaring zijn van de gelijkenis, maar veeleer een gebruik maken er van tot bemoediging van hen, die zich bezig houden met het heerlijk werk van de jeugd te onderwijzen in de vreeze des Heeren. Geen arbeid is gewichtiger dan deze; hem voorbij te zien, zou eene ernstige fout zijn. Het is ons eene blijdschap onze vrienden aan te moedigen in hun\' arbeid der liefde.

In deze gelijkenis wordt licht verspreid over het werk van

-ocr page 800-

het mostaardzaad.

hen, die het Evangelie onderwijzen. Laat ons dan ten eerste letten op een zeer eenvoudig werk: een mostaardzaad, hetwelk een mensch genomen en in zijn hof geworpen had,quot; ten tweede, op hetgeen er uit voortkwam: „het wies op, en werd tot een\' grooten boom, en de vogelen des hemels nestelden in zvjne takken.quot;

I. Een zeek eenvoudig week. Het werk van het Evangelie te onderwijzen is als het werpen van een mostaardzaad in een\' hof.

Let ten eerste op hetgeen de ongenoemde mensch deed. „Het is gelyk aan een mostaardzaad, hetwelk een mensch genomen (heeft).quot; Rij heeft het genomen; dat is, hij nam het van uit de massa. Het was slechts een zaadje, een korrel van een heel onbeduidend zaad; maar hy liet het niet op de plank liggen, hij nam het in de hand, en maakte er een gepast gebruik van. Een mostaardzaadje is te klein om het in het publiek ten toon te spreiden; de man, die het in zijne hand nam, is schier de eenige, die het zag. Het was slechts een mostaardzaadje; maar de man heeft het zich voorgesteld als een bepaald voorwerp, waarmede iets gedaan moet worden. Hij heeft geen mostaard in groote akkers gezaaid, maar een enkel mostaardzaad heeft hij gezaaid in zijn\' hof. Het is goed voor den onderwijzer, dat hij weet wat hij gaat onderwijzen, dat hij die waarheid duidelijk voor oogen heeft, zooals die mensch het mostaardzaad tusschen zijne vingers had. Gelooft het vrij, tenzij eene waarheid helder ingezien en duidelijk onderscheiden wordt dooiden onderwijzer, zal er van het onderwijs weinig vrucht gezien worden. Het kan eene zeer eenvoudige waarheid zijn; maar indien iemand haar neemt, haar begrijpt en liefheeft, zal hij er iets mede kunnen doen. Geliefden, laat ons in de eerste plaats zeiven het Evangelie aannemen, laat ons het gelooven, het boven alles waardeeren, want de waarheid leeft, als zy wordt bemind, en geene hand is zóó geschikt om haar te zaaien als de hand, die haar goed heeft omvat.

En voorts merken wij in deze kleine gelijkenis op, dat die menscheen\' hof had: „Het is gelijk een mostaardzaad, hetwelk een mensch genomen en in zyn\' hof geworpen had.quot; Sommige Christenen hebben geen\' hof — geen persoonlijken werkkring. Zij behooren tot den geheelen stam der Christenen, en zy verlangen zeer, dat allen uit zullen gaan om geheel de wereld te ontginnen; maar zij komen niet tot persoonlijke bijzonderheden. Het is heerlijk om eens warm en opgewekt te worden door de toespraak van een\' zendeling, en een verlangen in zich te bespeuren naar de verlossing van alle volken, maar het wezenlijk goed, dat voortkomt uit zulk een algemeen theoretisch verlangen voor de geheele wereld, is niet zeer groot. Gelijk wij geen\' tuinbouw zouden hebben, als de menschen geene tuinen

759

-ocr page 801-

HET MOSTAARDZAAD.

hadden, zoo zal er geen zendingswerk gedaan worden, indien niet ieder afzonderlijk persoon eene zending heeft te vervullen. Het is de plicht van iederen geloovige in Christus, om, evenals de eerste mensch Adam, een\' hof te hebben en dien te bebouwen. Er zijn millioenen van kinderen in de Zondagschool: dank er God voor! Maar hebt gij zelf eene klasse voor uwe rekening! De gansche kerk aan den arbeid voor Christus! Heerlijke theorie! Maakt gij u op om te arbeiden voor uwen Heere? Het zal een heerlijke tijd zvjn, als ieder geloovige zijn arbeidsveld heeft, en het met het zaad der waarheid bezaait. De woestijn en de dorre plaatsen zullen bloeien als eene roos, als ieder Christen zijne eigene rozengaarde kweekt. Waar zou die ongenoemde mensch zijn mostaardzaad zaaien, zoo niet in zijn eigen hof? Die hof was in zijne nabijheid, was hem lief, en daarheen begaf hij zich. Onderwijst uwe eigene kinderen; spreekt met uwe naburen, arbeidt aan de bekeering van hen, die God zeer bijzonder aan uwe zorgen heeft toevertrouwd.

Een\' hof hebbende en dit zaad hebbende, heeft de man het gezaaid. Eenvoudig als dit is, is het toch het punt, waarop het bij alle onderwijs aankomt. Gij hebt eenige zaadjes in eene doos. Daar zijn zij, beschouw ze! Open die doos over een jaar, en de zaadjes zullen nog volkomen hetzelfde wezen, wat zü heden zijn. Laat ze gedurende zeven jaren in die droge doos liggen, en er zal niets mede gebeuren. De waarheid is niet bestemd om haar voor ons zeiven alleen te houden; zij moet openlijk bekend gemaakt en bepleit worden. Er is een oud spreekwoord; „Machtig is de waarheid, en zij zal zegevieren.quot; In zekeren zin is het spreekwoord waar; maar toch met onderscheiding. Indien gij de waarheid wegstopt en haar zonder stem laat blijven, dan zal zij niet zegevieren, want dan zal zy niet eens strijden. Wanneer hebben groote waarheden gezegevierd ? Wel, als moedige menschen volhard hebben in haar te zeggen. Kloekmoedige zielen hebben eene zaak omhelsd, die in den beginne niet bemind was bij het algemeen; en zij hebben er met zoo veel ernst over gesproken, en zoo aanhoudend, dat men er wel zijne aandacht aan moest geven. Zij hebben volhard en zijn immer voorwaarts gegaan, totdat die zaak volkomen had gezegevierd. De waarheid is machtig geweest en heeft overwonnen, maar toch niet zonder de menschen, die er leven en eene tong aan hebben gegeven. Ook zelfs het Evangelie zal niet overwinnen zoo het niet gepredikt en geleerd wordt. Indien de geopenbaarde waarheid ter zijde wordt gelegd en stil wordt gehouden, dan zal zij niet wassen en toenemen. Ziet hoe het Evangelie in de duistere middeneeuwen sliep in oude boeken in de kloosterbibliotheken, totdat Luther en zijne medehervormers het te voorschijn brachten en het in het hart der menschen hebben gezaaid.

760

-ocr page 802-

HET MOSTAARDZAAD.

Deze mensch heeft het eenvoudig in zün\' hof geworpen. Hü heeft het niet in bladgoud gewikkeld, of het op andere wijze versierd; maar hu deed het in de aarde. Het naakte zaad kwam in aanraking met den naakten grond. O leeraars, streeft er niet naar aan het Evangelie een fraai aanzien te geven; overdekt het niet met uwe schoone woorden of doorwrochte vtr-klaringen. Het evangeliezaad moet, zoo als het is, in het jeugdig hart worden gelegd. Brengt de waarheid omtrent den Heere Jezus tot het hart en verstand der kinderen. Maakt hen bekend, niet met hetgeen gij omtrent de waarheid weet te zeggen, maar met hetgeen de waarheid zelf zegt. Het is goddeloos om van het Evangelie den kapstok te maken, waaraan wij onze oude kleederen ophangen. Het Evangelie is geene boot, die met menschelijke denkbeelden bevracht moet worden, of met fraaie bespiegelingen, brokstukken van poözie en mooie verhaaltjes. Neen, neen, het Evangelie is de gedachte Gods, in en op zich zeiven is het de boodschap, die de ziel noodig heeft. Het is het Evangelie zelf, dat groeien zal. Neemt eene waarheid, inzonderheid de groote waarheid, dat de mensch verloren is, en zorgt haar tot de ziel te brengen. Leert duidelijk de groote waarheid, dat een iegelijk, die in Hem gelooft, het eeuwige leven heeft, en dat de Heere Jezus zelf onze zonden in zijn lichaam gedragen heeft op het hout, en voor ons geleden heeft, Hü, de Rechtvaardige voor de onrechtvaardigen — ik zeg neemt deze waarheden en stelt ze duidelijk voor aan het hart en het verstand, en ziet wat uit er voortkomen zal. Zaait de waarheid zelve; niet uwe overdenkingen van de waarheid, niet uwe versieringen van de waarheid, maar de waarheid zelve. Deze moet tot de ziel worden gebracht; want de waarheid is het zaad, en de menschelyke geest is de aarde, waar zij moet groeien.

Deze opmerkingen zijn zeer eenvoudig en alledaagsch, en toch hangt alles af van de eenvoudige werking, die hier beschreven is. In den laatsten tijd heeft men schier van alles beproefd in de prediking, behalve de eenvoudige en duidelijke bekend making van de blüde boodschap van het zoenoffer. Men heeft gesproken over hetgeen de kerk doen kan en over wat het Evangelie doen kan. Men heeft ons ingelicht omtrent de bewijzen voor de waarheid van het Evangelie, of de twijfelingen er aan; maar wanneer zal men ons het Evangelie zelf geven? Broeders, wy moeten komen tot de zaak en het Evangelie lee-ren, want dit is het onvergankelijke zaad des woords, hetwelk leeft en eeuwig blijft. Het is gemakkelyk eene rede te houden over het mostaardzaad, aan de kinderen eene proeve te geven van het scherpe en bijtende der mosterd, hun te verhalen hoe het mostaardzaad groeit, wat soort van boom er uit voortkomt, en hoe de vogelen zingen op z\\;ne takken. Maar dit is niet het

761

-ocr page 803-

HET MOSTAARDZAAD.

mostaardzaad te zaaien. Het is zeer fraai om over den invloed des Evangelies te spreken, over de zedenleer des Christendoms, en de opheffende kracht van Christus\' liefde, en zoo voorts; maar wat wy noodig hebben is het Evangelie zelf, door hetwelk die invloed wordt uitgeoefend. Zaait het zaad: verhaalt aan de kinderen de leer van het kruis; deelt hun het feit mede, dat door de striemen van Jezus ons genezing is geworden, en dat wij door het geloof in Hem gerechtvaardigd worden. Wat er noodig is, is niet het spreken over het Evangelie, maar het Evangelie zelf. Wij moeten onophoudelijk het levende Woord des levenden Gods in aanraking brengen met het hart der menschen. O mocht ons den bijstand des Heiligen Geestes hiervoor geschonken worden! Hü zal ons helpen, want Hij verlustigt zich er in Jezus te verheerlijken.

Hetgeen in de gelijkenis wordt beschreven is eene onbeduidende zaak: de mensch nam het zaadje en wierp het in zijn\' hof. Het is iets heel gewoons om neder te zitten met eenige kinderen om u heen, uwen Bijbel te openen en hun de oude geschiedenis te verhalen hoe Jezus Christus in de wereld is gekomen om zondaren zalig te maken. Geen Parizeer zal op de trompet gaan blazen als hij de kinderen onderwijst; hij zal eerder op de kinderen wijzen in den tempel en smalend uitroepen: „Hoort gij wat dezen zeggen?quot; Het is een door en door nederig werk; maar voor het mostaardzaad en voor den man met een\' hof is dit zaaien eene zaak van het grootste aanbelang. Het mostaardzaad zal nooit groeien, als het niet in den grond gelegd wordt: de eigenaar van den hof zal nooit mostaard kunnen oogsten, tenzij hij het zaad zaait. Waarde zondagschool onderwijzer, word uwen nederigen arbeid niet moede, want niemand kan er het gewicht of belang van afmeten. Vertel aan de knapen en meisjes van den Zone Gods, die geleefd heeft en gestorven is, opdat de goddeloozen verlost en behouden zouden worden. Spoor hen aan tot onmiddelijk geloof in den machtigen Zaligmaker, opdat zij terstond behouden worden. Spreek van de nieuwe geboorte, zeg hun, dat de zielen der menschen vernieuwd worden door den Heiligen Geest, zonder wiens goddelijke werking niemand het koninkrijk Gods kan binnengaan. Zaai mostaardzaad, en niets dan mostaardzaad, indien het mostaard is, dat gij wenscht te telen. Leer het Evangelie der genade, en niets dan het Evangelie der genade, indien gij genade wenscht te zien groeien in het hart uwer leerlingen.

Laat ons in de tweede plaats zien wat het was, dat die mensch gezaaid heeft. Wij hebben gezien, dat hij zaaide; wat zaaide hy? Het was één enkel zaadje, en dat zaadje was zeer klein; zóó klein, dat de Joden plachten te zeggen: „Zoo klein als een mostaardzaadje.quot; Vandaar, dat de Heiland er van spreekt als van het kleinste onder de zaden, hetgeen in volstrekten

762

-ocr page 804-

HET MOSTAARDZAAD.

763

zin wellicht niet zoo was, maar in overeenstemming was met de gewone spreekwijze, en onze Heere gaf geen onderwys in de kruidkunde, maar sprak eene gelijkenis, die iedereen verstond. Ja, het Evangelie schijnt eene zeer eenvoudige zaak: Geloof en leef! Zie op Jezus, stervende in de plaats der zondaren! Zie op Jezus gekruisigd, gelyk Israël zag op de koperen slang. Het is de eenvoudigheid zelve; ja het Evangelie is zoo duidelijk en eenvoudig, dat onze hooge en voorname lieden het moede zijn, en uitzien naar iets, dat moeielyker te begrijpen is. De menschen zijn heden ten dage als de neger, die de Schrift gaarne „onklaarquot; hoorde (1) gemaakt. Voor de moderne leeraars is zaad zaaien een alledaagsch werk: zij eischen nieuwe methodes. Maar geliefden, wy moeten geene ijdele bedenk-selen naloopen; onze eenige taak is het Woord Gods in de harten der kinderen te zaaien. Uw plicht en de myne is het om aan iedereen de eenvoudige waarheid te leeren, dat Jezus Christus in de wereld is gekomen om zondaren zalig te maken, en dat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet zal verderven, maar het eeuwige leven hebben. Onder mannen en onder kinderen weten wü van niets anders. Dit ééne zaad, schijnbaar zoo klein en zoo onbeduidend, blijven wij zaaien. Smalend roepen zy: „Wat kan het zedelyk gevolg wezen van de prediking van zulk een Evangelie? Het zou voorzeker veel beter zijn over zedelijk leven, over sociale toestanden of over de wetenschap te spreken!quot; Welnu, vrienden, indien gij op die wyze goed kunt doen, zullen wij u niet verhinderen het te doen; maar wy gelooven, dat men honderdmaal meer goed kan doen met het Evangelie, want het is eene kracht Gods tot zaligheid een\' iegelijk die gelooft. Het Evangelie is aan niets, dat goed is, vijandig; ja veeleer is het de kracht, door welke goede zaken tot stand worden gebracht. Al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat wel luidt wordt gekweekt en gevoed dooide gezindheid, die door het eenvoudig Evangelie van Christus wordt teweeggebracht. Toch worden bekeeringen door geene verhandelingen over de zedeleer teweeggebracht, maar wel door de leer der verlossing door Christus. De reiniging en opheffing van ons geslacht zal door geene staatkunde of wetenschap gewerkt worden, maar door het levende en eeuwig blijvende Woord des Heeren. Ten einde den grootsten zegen te brengen over het opkomend geslacht, moeten wij arbeiden om geloof in den Heere Jezus in te planten in hun gemoed. O dat de kracht Gods in dit werk bespeurd mocht worden!

Maar schoon dit zaad zeer klein was, was het toch iets levends. Er is een groot verschil tusschen een mostaardzaadje en

(1) De neger had bij vergissing het woord „onklaarquot; in plaats van „verklaardquot; gebruikt.

-ocr page 805-

HET MOSTAAEDZAAD.

een stukje lak van dezelfde grootte. In dat zaadje sluimert leven. Wat leven is kunnen wij niet zeggen. Al naamt gij een microskoop zoudt gij het toch niet kunnen zien. Het is eene verborgenheid; maar het is een onmisbaar bestanddeel van het zaad. Er is iets in het Evangelie, dat door den wüsgeerigen navorscher niet licht ontdekt zal worden. Neem eene grondstelling van Socrates of Plato, en vraag eens of er ooit een volk of geslacht was, dat er van ruwe onbeschaafdheid tot beschaving door gekomen is. Eene grondstelling van een wijsgeer kan iemand in zekere mate geïnfluenceerd hebben om hem in de rechte richting te doen gaan, maar wie heeft ooit gehoord, dat iemands geheele karakter veranderd is door iets wat Confucius of Socrates heeft gezegd ? Ik beken, dat ik dit nooit gehoord heb. Leeringen van menschen zijn onvruchtbaar. Maar in het Evangelie met al zijne eenvoudigheid is een goddelijk leven, en dat leven maakt het ganse he verschil. Hetmensche-Ujke kan nooit wedijveren met het goddelijke, want er ontbreekt het levensvuur aan. Het is beter vijf woorden te spreken uit Gods woord, dan vijf millioen woorden van mensche-lijke wijsheid. De woorden der menschen kunnen wijzer en aantrekkelijker schijnen, maar er is geen hemelsch leven in. In Gods Woord, hoe eenvoudig het ook zij, is eene almacht verborgen gelijk aan die van God, van wiens lippen het gekomen is.

Een zaadkorrel is in waarheid een zeer veel omvattend iets. Wat wordt er in het mostaardzaad gevonden? Wel, er is alles in, wat er ooit uit komen zal. Zoo moet het zijn. Elke tak en twijg, elk blad en iedere bloem, en elk zaad dat komen zal, is in zijn wezen reeds in dat zaadje opgesloten. Het moet ontwikkeld worden; maar het is reeds aanwezig. Evenzoo: hoeveel ligt er niet saamgedrongen in het eenvoudig Evangelie! Beschouw het! Binnen die waarheid liggen wedergeboorte, bekeering, geloof, heiligheid, ijver, toewijding, volmaking. De hemel zelf ligt verborgen in het Evangelie. Gelijk een vogeltje in zijn nest, zoo verwijlt eer en heerlijkheid in genade. Wij mogen niet reeds bij den aanvang al de gevolgen er van zien, ja wij zullen ze in het geheel niet zien, voordat wi; het zaad zaaien en voordat het opgroeit; toch is dit alles daar reeds aanwezig. Jeugdig onderwijzer, gelooft gij dit ? Hebt gij het voor u zeiven verwezenlijkt wat gij hebt, als gij het Evangelie van Gods genade hebt aangegrepen? Het is de verwonderlijkste zaak der wereld. Gelooft gij in het Evangelie, dat gij hebt te onderwijzen? Bemerkt gij, dat binnen zijne schijnbaar enge grenzen het Eeuwige, het Oneindige, het Volkomene en het Goddelijke is opgesloten? Gelijk in het kindeke te Bethlehem de Eeuwige God was, zoo zijn binnen de eenvoudige leer van „Geloof en leefquot; al de elementen van de eeuwige zaligheid der

764

-ocr page 806-

MET MOSTAARDZAAD.

menschen en de onbegrensde heerlijkheid Gods. Dat kleine zaadje, dat Evangelie van God, is eene zeer veel omvattende zaak.

En daarom is het zoo wondervol: het is eene schepping Gods. Roept uwe scheikundigen te zamen, brengt hen bijeen met al hunne vaten en hunne vuren. Kiest eene jury onder alle de thans levende grootste scheikundigen. Geleerde heeren, wilt gü zoo goed zijn eens een mostaardzaadje voor ons te maken? Gij moogt een mostaardzaadje nemen en het vermalen en ontleden, en dus al de bestanddeelen leeren kennen, waaruit het is samengesteld. Is nu uw werk niet goed begonnen? Welnu, maakt thans één enkel van die zaadjes. Wij zullen er u eene week tyd voor geven. Het is eene kleine, nietige zaak. Gy hebt in uwen vijzel al de elementen van het mostaardzaad. Maakt ons nu één\' levenden zaadkorrel; wij vragen u niet om eene groote hoeveelheid. Eén enkel mostaardzaadje is ons genoeg. Groote scheikundigen, hebt gij zóó klein een ding nog niet gemaakt? Eene maand is voorbijgegaan. Wy hebben u om slechts één mostaardzaadje gevraagd, en waar is het? Hebt gü er in eene geheele maand nog geen gemaakt? Wat doet gij dan toch? Zullen wij er u zeven jaren voor geven? Ja, gaat, met al de laboratoria in het ryk tot uwen dienst, en al de bekende bestanddeelen voor uw materiaal, en al de steenkolen der aarde voor uwe brandstof, aan het werk. De lucht is zwart van uwen rook, en de stroomen zijn verontreinigd met den afval van uwe onnutte voortbrengselen; maar waar is het mostaardzaad? Dit brengt de wijzen in verlegenheid: zij kunnen geen levend zaad maken. Neen, en niemand kan een Evangelie maken, of ook maar een Evangelietekst. De denkers der eeuw konden zelfs geen leven van Christus samenstellen, dat op ééne lijn geplaatst zou kunnen worden met de vier Evangeliën, die wy reeds bezitten. Ik ga nog verder: zij zouden zelfs geen nieuw voorval kunnen scheppen, dat in overeenstemming zou wezen met de feiten, die wij reeds kennen. Vele romanschrijvers onzer dagen kunnen denkbeeldige geschiedenissen op hun aanbeeld smeden; laat hen een vijfde Evangelie schryven — het Evangelie volgens de beschrijving van Petrus, bijvoorbeeld, of van Andreas! Zij zullen dien arbeid niet eens beginnen. Wie zal een nieuwen Psalm schrijven; of ook maar eene nieuwe belofte?Bekwame scheikundigen zullen van hun verstand blijk geven door terstond te zeggen: „Neen, wij kunnen geen mostaardzaad makenquot;; en wijze denkers zullen evenzoo belyden, dat zij geen ander Evangelie kunnen maken. My ne geleerde broederen doen zeer hun best om een nieuw Evangelie te maken voor deze negentiende eeuw; maar gij, onderwijzers, zult maar beter doen met u aan het oude te houden. De mannen der vooruitgang kunnen geen leven brengen in hunne theorie. Dit levende

765

-ocr page 807-

HÉT MOSlAAilDZAAI).

quot;Woord is de vinger Gods. Dat eenvoudige mostaardzaad moet door God gemaakt worden, of in het geheel niet gemaakt worden; en Hij moet leven brengen in het Evangelie of het zal geene kracht oefenen in het hart. Het Evangelie der Zondagschoolonderwijzers, het Evangelie van „Geloof en leefquot; heeft, hoe door menschen ook veracht, een van God gegeven leven in zich. Gij kunt geen ander maken, om in deszelfs plaats te komen, want gü kunt geen leven brengen in uw verzinsel. Gaat voort en gebruikt de eene levende waarheid met uwe kinderen, want niets anders heeft het leven Gods in zich.

Ik wensch u te doen zien hoe klein eene zaak het zaaien schijnt te zijn, als wy antwoorden op de vraag: Wat was het voor hem? Het was eene zeer natuurlijke daad; hij zaaide een zaad. Het is eene gansch natuurlijke zaak, dat wy anderen leeren wat wy zeiven gelooven. Ik kan niet begrijpen hoe sommige belijders zich Christenen noemen, en toch nooit hun geloof mededeelen aan anderen. Dat de jonge lieden onzer gemeenten andere jonge menschen om zich heen verzamelen, om hun te verhalen van Jezus, dien zij liefhebhen, is even natuurlek als dat een hovenier in zijn\' bewerkten grond zaad strooit.

Een mostaardzaadje te zaaien is eene zeer onkostbare daad. Slechts één mostaardzaadje: niemand kan my een muntstukje noemen, klein genoeg om er de waarde van aan te duiden. Ik weet niet hoe veel mostaardzaad die mensch had; het is voorzeker niet iets zeldzaams; maar hij nam er slechts één zaadje van en wierp het in zyn\' hof. Hy heeft door die uitgave geene schatkist geledigd; en dit is een der voortreffelijkheden van den Zondagschoolarbeid, dat het de Kerk noch van menschen noch van geld ontbloot. Hoeveel van dit werk ook gedaan wordt, het vermindert de hulpbronnen van ons Zion niet. Het wordt om niet gedaan, rustig, kalm, zonder opwinding, zonder dat er levens aan worden opgeofferd; en toch! welk eene fontein van zegen is het!

En toch was het eene daad van geloof. Het is altijd eene daad van geloof zaad te zaaien, omdat gy er voor een\' tyd afstand van hebt te doen en er niets voor in de plaats krygt. De landbouwer neemt zijn kostelijk zaaikoren en werpt het in den grond van zijn\' akker. Hij zou er menig brood van hebben kunnen verkrijgen; maar hij werpt het weg. Alleen zijn geloof behoedt hem er voor als een\' waanzinnige te worden aangezien: hij verwacht er eene vijftigvoudige opbrengst van. Indien gij nooit een\' oogst hadt gezien, gy zoudt denken, dat iemand, die goede tarwe onder de aardkluiten begraaft, waanzinnig was geworden. En indien gy nooit bekeeringen hadt gezien, dan zou het iets ongerijmds kunnen schynen om zich voortdurend bezig te houden met jongens en meisjes te onderwijzen omtrent den Man, die aan het kruis was genageld. Wy prediken en

766

-ocr page 808-

HET MOSTAAEÖZAAD.

onderwijzen in het geloof, dat dit werk aan zijn doel zal beantwoorden. De regel voor den oogst is: „U geschiede naar uw geloof.quot; Geloof, waarde onderwijzer, geloof in het Evangelie. Geloof in hetgeen gij doet, als gij het verhaalt. Geloof, dat ait kleine oorzaken groote gevolgen voortkomen. Ga voort met uw mostaardzaad van de zaligheid door het geloof te zaaien, ge-loovende en verwachtende, dat het vrucht zal dragen.

Het was eene daad, die den zaaier geene eer aanbracht. De Heiland heeft het feit vermeld, dat die mensch een mostaardzaadje had genomen en het had gezaaid; maar duizenden van men-schen hebben gedurende de helft van een menschenleeftüd voortdurend mostaardzaad gezaaid, zonder dat dit met een enkel woord ergens geboekstaafd is. Niemand heeft ooit een woord ter uwer eer gesproken, mijn vriend, hoewel gij de waarheid onderwezen hebt. Waarde onderwijzer, ga voort met zaaien, al zou uw ijver ook door niemand opgemerkt worden, en niemand uwe getrouwheid prijzen. Zaai het zaad der kostelijke waarheid in den hof des harten van het kind, want er zal veel meer uit voortkomen dan gij hebt durven hopen.

Het komt mij voor, dat onze Heere in deze gelijkenis het mostaardzaad gekozen heeft, niet omdat het het grootst mogelijk resultaat oplevert van alle zaden — want een eik of een ceder zijn veel grooter dan een mostaardboom — maar omdat het het grootste resultaat oplevert naar verhouding van de grootte van het zaad. Volg de analogie. Ga naar gindsche school, en zie! Die ernstige jongeling onderwijst een knaap, een van die woeste straatjongens, waarvan het overal wriemelt. Hij heeft een dozijn jonge Turken voor zich, of wel, wat wij „Straat-Arabierenquot; noemen; hij leert hun het Evangelie. Dat is eene onbeduidende zaak, niet waar? O ja; maar wat kan er niet uit voortkomen ? Denk aan het vreugdevolle vele, dat uit dit weinige voort kan komen! Wat onderwijst die jonge man? Slechts ééne eenvoudige waarheid. Smaal niet; het is waarheid, maar het is er slechts het a, b, c. van. Hij raakt geene diepe leerstukken aan; hij zegt alleen: „Christus Jezus is in de wereld gekomen om zondaren zalig te maken. Kindlief, geloof in den Heere Jezus, en leef.quot; Dat is alles wat hij zegt. Kan uit Nazareth iets goeds zijn? De onderwijzer zelf onderwast de ééne waarheid op zeer gebrekkige wijze. Dat denkt hij ten minste. Vraag hem, wat hij denkt van zijn eigen onderwijs; en hij antwoordt: „Ik gevoel mij niet geschikt om te onderwijzen.quot; Ja, die jongeling zucht over zijn onderwijs, en naar zijne eigene schatting er van is het zwak en gebrekkig; maar er is leven in de waarheid, die hij mededeelt, en de eeuwige gevolgen er van zullen openbaar worden, gevolgen, waarvan ik nu in het tweede deel mijner rede heb te spreken. Moge de

767

-ocr page 809-

Met mostaardzaad.

Heilige Geest mij helpen om zoo te spreken, dat gü, geliefde vrienden, er bemoedigd door zult worden, gij die uw leven gewijd hebt aan den heerlyken arbeid van de kleinen te onderwijzen.

II. Vragen wij, ten tweede: wat is er uit voortgekomen?

Ten eerste, „het wies op.quot; Dat was wat de zaaier hoopte, dat er uit zou voortkomen. Hy legde het zaad in den grond, hopende, dat het zou groeien. Het zou geen\' zin hebben te denken, dat hij het zou hebben gezaaid, indien hij niet had gehoopt, dat op het zou wassen. Waarde onderwijzer, zaait gij altijd in hope? Vertrouwt gü, dat het Woord zal leven en opwassen? Zoo neen, dan denk ik niet, dat het zoo heel zeker is, datgy zult wel slagen. Verwacht, dat de waarheid wortel zal schieten, dat zy zich zal uitbreiden en dat zij zal toenemen. Onderwijs de waarheid Gods met yver en ernst, en verwacht, dat het leven, dat er in ligt opgesloten, hare wonderen zal ontsluieren.

Maar hoewel de zaaier den wasdom heeft verwacht, zou hij zelf het echter niet hebben kunnen doen groeien. Nadat hy het zaad in de aarde had gelegd, kon hy het bevochtigen; hij kon God bidden er de zon ovei te laten schynen; maar hij kon niet direct den groei tot stand brengen. Slechts Hij, die het zaad heeft gemaakt, kan het doen groeien. Groei is eene voortzetting van die almachtige daad, waardoor het leven het eerst gegeven is. Leven te leggen in het zaad is Gods werk, en het voortbrengen van leven uit het zaad is ook Gods werk. Dit is iets, hetwelk binnen het bereik is uwer hoop; maar zeer ver buiten het bereik uwer macht.

Dat het zaad groeit is eene zeer wondervolle zaak. Indien wij het niet dagelijks zagen, wij zouden meer verbaasd staan over den groei van het zaad dan over alle de wonderen der toovenaars. Een groeiend zaad is Gods bly vend wonder. Gy ziet een stuk gronds dicht bij de stad, dat bedekt is met tuinvruchten ; en als gij na eenige maanden terugkomt, dan ziet gij daar straten en pleinen, en eene kerk, en eene groote bevolking. Gy zegt bij u zeiven: „Het is merkwaardig, dat al die huizen binnen zoo weinig tijds uit den grond zijn verrezen. Toch is dit niet zoo verwonderlijk, als dat een beploegde akker met vier voet hoog koren bedekt wordt, en dat alles zonder het gebruik van wagenen om er de stoffen heen te brengen, of gereedschappen om den oogst te doen opkomen. Zonder gerucht van hamer, of het gerinkink van truffels; zonder den handenarbeid des menschen is dat alles geschied. Verwonder u over den groei der genade. Zie, hoe zij toeneemt, dieper wordt en kracht erlangt! Wasdom in genade is een wonder der goddelijke liefde. Dat iemand door het Evangelie tot berouw en bekeering komt, dat hij gelooft in Jezus, dat hij gansch en al

768

-ocr page 810-

HET MOSTAARDZAAD.

veranderd is van karakter, dat hij eene hoop heeft in den hemel, dat hij macht ontvangt om een kind Gods te worden — dat zijn alle wonderen, en zij geschieden voor onze oogen, maar wij blyven in gebreke ze naar behooren te bewonderen. De toeneming van heiligheid in zulke gevallen schepselen als w;j zijn, maakt de bewondering uit van engelen, de verlustiging-van alle reine geesten.

Voor den zaaier was die wasdom zeer aangenaam. Hoe liefelijk is het het zaad der genade te zien groeien in kinderen! Herinnert gij u niet, hoe gij als knaap voor het eerst kers hebt gezaaid, en dat gü reeds den volgenden morgen den grond om-woeldet om te zien hoe veel het gegroeid was? Welk een genoegen deed het u, als gij het gele uitspruitsel zaagt en dan daarna een paar groene blaadjes! Zoo is het met den waren onderwijzer: hij heeft een sterk verlangen om wasdom te zien, en vraagt er naar. Wat hij verwacht heeft, geschiedt; en wat het ook voor anderen moge wezen, hem is het eene zielsver-lustiging. Iemand, die daar niet in komen kan, roept: „O! ik heb niet veel op met de gemoedsbewegingen van dat kind. Het is niets dan een voorbijgaande indruk; hü zal het spoedig geheel vergeten zijn.quot; De onderwijzer denkt dit niet. De ijskoude criticus zegt: „Ik geef niet veel om de tranen van een kind. De tranen van kinderen zijn zoo heel dicht bij hunne oogen.quot; Maar de onderwijzer is vol van hoop, dat in hij deze tranen ware droefheid ziet over de zonde en een oprecht zoeken van den Heere. De twijfelaar zegt: „Een kind zal heel gemakkelijk zeggen, dat hij zijn hart aan den Heere Jezus geeft. Jonge menschen denken al spoedig, dat zij gelooven. Zij zijn zoo licht te leiden.quot; Zoo spreken de menschen, omdat zij de kinderen niet liefhebben, niet leven met de begeerte hen verlost te zien. Indien gij met kinderen gevoelt, dan zijt gij blijde met elk teeken ten goede; dan ziet gij uit naar ieder teeken van goddelijk leven in hen. Indien gü een bloemist zijt, dan ziet gij meer van de vorderingen van uwe planten, dan wanneer gij geen hovenier zijt en in zulke dingen geen belang stelt. Denk dan aan hetgeen mijn tekst zegt; „Het wies op.quot; O dat er heden morgen uit uw aller hart het gebed mocht oprijzen: „Heere, laat het zaad des Evangelies opwassen overal waar het wordt uitgestrooid! Hetzij de prediker het zaait, of de onderwijzer; hetzij het valt onder de ouden van dagen of onder de jeugd, Heere, doé het Evangelie wassen!quot; Bidt vuriglijk hierom, mijne broeders! Gij kunt het niet doen groeien, maar gij kunt overmogen bij God, om het te zegenen tot zijne eer en verheerlijking.

En voorts: nu het was begonnen te groeien, werd het een hoorn; „het werd tot een\' grooten boom,quot; zegt Lukas. Hij was groot op zich zei ven, maar de grootte kwam voornamelijk uit in vergelijking met de grootte van het zaad. De

7«9

49

-ocr page 811-

HET MOSTAABDZAAb.

wasdom was groot. Dit is het wonder; niet dat het een groote boom werd, maar dat het, een mostaardzaad zijnde, tot „een grooten boomquot; werd. Ziet gij het doel der gelijkenis? Ik heb het u reeds aangewezen. Luistert! Het was slechts een woord, dat gesproken werd : — „Mijn kind, zie op Jezus.quot; Alleen maar zulk een woord, en eene ziel was behouden; hare zonden waren vergeven, haar geheele natuur was veranderd, er was een nieuwe erfgenaam des hemels geboren. Ziet gy dien wasdom ? Een woord heeft de zaligheid gewerkt! Een mostaardzaadje wordt een groote boom! Een weinig onderwijs heeft het eeuwige leven ten gevolge. Dat is niet alles. Met vele gebeden en tranen bracht de onderwijzeres het kleine meisje naar huis, en pleitte bij haar voor Christus; en het meisje werd er toe gebracht haar hart onder de heerschappij van Christus te stellen. Dat pleiten had een heilig, hemelsch leven ten gevolge. Zie! dat kind wordt een nadenkend, ernstig meisje, eene liefdevolle gade, eene godvruchtige moeder, eene moeder in Israël, eene Dorcas voor de armen, of eene Hanna met haren Samuel. Welk een groot gevolg uit zoo klein eene oorzaak! De woorden der onderwijzeres werden weenend gesproken. Men zou die woorden niet hebben kunnen doen drukken, want z« waren veel te onsamenhangend en kinderlijk; naar zij waren in Gods hand het middel om een liefelijk, kuisch en heerlijk leven te vormen.

Een knaap was zoo wild en onbezonnen als een straatzwerver maar zijn kan. Een onderwijzer knielde naast hem neder met zijn\' arm om hem heen. Hij pleitte bij God voor dien jongen, en bij den jongen voor God. De knaap werd bekeerd, en als jongeling op quot;zijn ambacht of in een kantoor was hij een voorbeeld voor zijne makkers; als vader was hij de gids van zijn gezin; als man Gods was hy een licht voor allen, die hem omringden; als een prediker der gerechtigheid versierde hij in alles de leer van God, zijn\' Zaligmaker. Er is nog veel meer, dat ik u zeer gemakkelijk zou kunnen schetsen; maar gij kunt dit even goed voor u zeiven uitwerken. Alles wat begeerlijk is kan voortkomen uit het eenvoudig spreken van een\' nederig Christen met een kind, of een\' jongen mensch. Een mostaardzaadje wordt een\' groote boom; eenige woorden van heilige vermaning kunnen een edel leven ten gevolge hebben.

Maar is dit alles ? Geliefden, ons onderwijs kan het middel zijn om zielen te behoeden voor de schrikkelijke duisternis van het verblijf der verlorenen. Eene ziel, die overgelaten is aan zich zelve, kan zich afwaarts spoeden van dwaasheid tot ondeugd, van ondeugd tot verharding des harten, van verharding tot het vaste besluit om verloren te gaan; maar door middel van een liefdevol onderwijs kan dit alles andérs worden. Verlost van de macht der zonde; als een lam weggerukt

770

-ocr page 812-

HET MoSTAAftDZAAÖ.

uit den muil des leeuws is de jongeling thans niet langer het slachtoffer der zonde, maar streeft naar heilige en hemelsche dingen. De hel heeft hare prooi verloren; en zie, door des hemels wüde poort is eene kostelijke ziel ingegaan. Velen, die de poorten van het Nieuwe Jeruzalem binnentreden, zijn daar van de Zondagschool heengebracht. Zij, die voormaals onrein waren, zijn thans gekleed in witte kleederen, gewasschen in het bloed des Lams. Luistert naar hun loflied! Gü kunt bly ven luisteren, want hunne lofzangen eindigen niet. Dit alles werd teweeggebracht door een korte toespraak van een\' beschroom-den broeder, die op een Zondagmiddag opstond om de school te eindigen en daarbij nog een weinig over het kruis van Jezus sprak. Of wel, het werd teweeggebracht door eene zuster met een zachtmoedig vriendelijk hart, die nooit in het openbaar zou hebben kunnen spreken, maar die in staat werd gesteld om een jong meisje te waarschuwen, dat op het punt was den slechten weg op te gaan. Het is verwonderlijk, dat door het raadsbesluit Gods, het af kan hangen van het nederig streven van eene zwakke, doch getrouwe onderwijzeres, of eene ziel den weg naar den hemel of naar de hel inslaat! Gij ziet, hoe het mostaardzaad groeide, totdat het een groote boom werd.

Deze groote hoorn werd tot eene schuilplaats: „de vogelen des hemels nestelden in zijne takken.quot; In het Oosten kan de mos-taardplant inderdaad zeer groot worden. De gewoonste soort kan wel eene hoogte van acht of tien Engelsche voeten bereiken; maar er is eene soort, die schier als een boschboom groeit, en waarschüniyk bevonden zich eenigen daarvan in de beschutte plaats, waar onze Heere toen sprak. Er waren hielen daar in Palestina mostaardplanten van verbazingwekkende hoogte en omvang. Als de boomen hoog werden, vlogen de vogels er heen. Hier hebben wij onverwachte invloeden. Denkt hieraan. Die man nam een mostaardzaadje, dat gü nauwelijks zoudt kunnen bespeuren, als ik het u in mijne hand voor hield. Toen hjj dat mostaardzaadje nam en het in zyn\' hof\' zaaide, heeft hü er toen ook maar aan gedacht om vogelen naar die plaats te brengen? Geenszins. Gij weet niet alles wat gij doet, als gij een kind den weg der zaligheid leert door Jezus Christus. Als gij eene ziel tot Christus tracht te brengen, dan zijn er aan uwe daad tien duizend haken, en deze kunnen tallooze dingen grijpen. Heilig onderwys is het openen van eene bron, en niemand kent al de uitwerkselen, die de wateren op die plaats teweeg zullen brengen. Er schijnt geen verband te zyn tusschen het zaaien van een mostaardzaadje en de vogelen des hemels, maar de gevleugelde zwervers wisten dat verband spoedig te ontdekken. Er schijnt wel geen verband te bestaan tusschen het onderwijzen van dien knaap en de redding en verlossing van de kannibalen in Nieuw Guinea, maar ik zie,

771

-ocr page 813-

77-2 HET MOSTAARDZAAD.

dai dit verband zeer mogelijk is. Het onderwijs aan een klein kind kan later van ontzaggelijken invloed blijken geweest te zijn op het leven en de lotgevallen van gansche volksstammen in Midden-Afrika. Toen John Pounds een klein knaapje met een\' warmen aardappel lokte om bij hem te komen om in den Sijbel te leeren lezen, had hij. geloof ik. geen het minste idee van al de havelooze scholen die in Londen zouden gesticht worden, maar in die gansche zaak zien wij de zuivere lijn van oorzaak en gevolg. Een warme aardappel zou wel het wapenschild kunnen wezen van de Unie der Havelooze Scholen. Toen Xasmyth in de nauwe stagen en gangen van Londen huis aan huis bezocht, denk ik nietT dat hij in die daad de wording, de oorsprong gezien heeft van de Londensche stadszending en van de Stadszending in de provinciën. Memand kan zeggen wat het einde zal wezen van hetgeen hij begint, wat er van zijn zaaisel groeien zal. Ga voort met goed doen op kleine schaal, en gij zult eens verbaasd staan over de groote gevolgen, die er uit voortkomen. Doe wat voor de hand ligt. Doe het goed. Doe het den Heere. Laat de uitkomst over aan zijne oneindige milddadigheid der liefde, maar hoop op minstens een\' honderdvoudigen oogst.

Hoe vele vogelen kwamen en op dien eenen mosiaardboom nestten. weet ik niet. Hoe vele vogelen er op één dag, hoe vele vogelen er in een jaar gekomen zijn om eene rustplaats te vinden en het zaad op te pikken, waar zij zoo veel van hielden, •weet ik niet. Als één persoon bekeerd is. dan weet niemand voor hoe velen hij nog ten zegen kan wezen. Onze tijd is romantisch. onze litteratuur vloeit, over van verdichte verhalen; godsdienstige en ongodsdienstige. Hoe vele geschiedenissen zou men niet kunnen schrijven over weldaden, die direct of indirect. door één enkel godvruchtig man of vrouw, geschonken werden\'. Als gij over dit onderwerp een zeer treffend verhaal geschreven hebt. dan kan ik u \\ erzekeren. dat ik van nog iets veel beters kan verhalen. Eén enkel persoon kan weldaden verspreiden over geheel een werelddeel en de aarde omgorden met zegeningen.

Maarquot;wat quot;hoor ik? Ik zie dien mostaardboom — het is een zeer schoone. wondervolle boom; maar ik zie niet slechts, ik hoorl MuziekI muziek! De vogels! de vogels! Het is vroeg in den morgen, de zon is nog nauwelijks aan de kim — welk een stortvloed van zang! Is dat de manier om muziek voort te brengen? Zal ik mostaardzaad zaaien, en liederen oogsten ? Ik dacht, dat wij een orgel moesten koopen. of eene viool; of dat wij door wind- of snaren instrument muziek moesten voortbrengen. maar hier hebben wij iets geheel nieuws. Xebukad-nezar had zijne pijp. citer, vedel, psalteren. akkoordgezang en allerlei soorten van muziek, maar al deze vereenigde en ver-

-ocr page 814-

HET MOSTAARDZAAD.

mengde geluiden konden de melodie der vogelen niet evenaren. Ik zal thans mostaardzaad zaaien en op Gods eigene wijze muziek verkrijgen. Mijne vrienden, als gü uwen kinderen het Evangelie van den Heere Jezus leert, dan zaait gij de muziek des hemels. Telkenmale als gij de tijding mededeelt van vergiffenis, verkregen door bloed, dan vult gij de koren des hemeis met liefelijke stemmen, die dag en nacht den Eeuwigen Naam een lied der dankbaarheid zingen. Gaat dan voort, zoo dit er het resultaat van is. Indien zelfs de schoone harmonie des hemels afhangt van het eenvoudig onderwijs in eene have-looze school, zoo laat ons nimmer ophouden met onzen heiligen arbeid.

Ik zal eindigen met drie practische aanmerkingen. Worden vrij niet grootelijks geëerd, als ons zoo wondervol eene zaak, als het Evangelie is, wordt toevertrouwd\'! Indien het een zaad is, waarin zóó veel ligt opgesloten, en dat, indien het recht gebruikt wordt, zóó veel oplevert, zalig zü\'n wij, dat wij zulk eene blijde boodschap hebben te verkondigen! Toen ik van morgen ontwaakte en den regen en den mist aanzag, en de pijn gevoelde in mijn gebeente, dacht ik, dat ik blijde zal zijn, als wij vier weken verder zijn en ik vrij ben om in een zonniger land een weinig rust te kunnen genieten. Vermoeid naar ziel en lichaam, versterkte ik mij door deze gedachte: — wat heerlijk werk heb ik te doen! quot;Welk een heerlykEvangelie heb ik te prediken! Ik moest een zeer gelukkig mensch wezen, dat ik zulk eene blijde tijding mag brengen aan mijne medemen-schen. „En dat ben ik ookquot;, zeide ik bij mij zeiven. Welnu, waarde onderwijzer, als gij den volgenden Zondag opstaat van uwe legerstede, en zegt: „Ik heb eene week van zwaren arbeid achter den rug, en ik zou wel half wenschen dat ik maar niet naar mü\'ne klasse in de Zondagschool behoefde te gaan, zoo antwoord u zei ven op deze wijze; „Maar ik ben een gelukkig mensch, dat ik tot de kinderen over Jezus Christus mag spreken. Als ik hun rekenen moest leeren, of timmeren, dan zou ik dit wel moede kunnen worden; maar te spreken over Jezus, dien ik liefheb, o! dat is eene emiwige blijdschap voor mij.quot;

Laat ons bemoedigd worden om ook in booze tijden het goede zaad te zaaien. Indien wij elders het Evangelie niet voorspoedig zien, zoo laat ons niet wanhopen. Indien er nergens anders in de geheele wereld meer mostaardzaad aanwezig was, en ik had er slechts één zaadje van, dan zou mijne begeerte slechts te sterker zijn om te zaaien. Indien slechts één zaadje wil groeien, dan kunt gij er eene groote hoeveelheid van verkrijgen. Zoo is er ook heden niet veel Evangelie onderwys; de kerk heeft het opgegeven; zeer vele leeraars prediken alles behalve de levende waarheid. Dit is treurig; maar het is eene

778

-ocr page 815-

HET MOSTAARDZAAD.

sterke reden waarom gij en ik meer dan ooit het Evangelie moeten onderwijzen. Ik heb dikwijls by mijzelven gedacht: — Anderen mogen door het Socialisme te onderwijzen, lezingen te houden, of door een zangkoor een gehoor bijeen trachten te brengen; maar ik zal het Evangelie prediken. Ik zal meer dan ooit het Evangelie prediken, zoo ik slechts kan, en mij al meer en meer bij het eene hoofdpunt bepalen. Anderen mogen aan andere dingen hunne aandacht wyden; maar ik zal my houden aan Christus gekruisigd. Tot de mannen van groote geleerdheid en bekwaamheid, die op de gebeurtenissen van den dag zien, zou ik willen zeggen: „Laat het één armen dwaas toe het Evangelie te prediken.quot; Waarde onderwijzers, weest dwazen voor Christus en houdt u aan het Evangelie. Vreest niet; er is leven in, en het zal opwassen; brengt gü het slechts te voorschijn en laat het groeien. Soms vrees ik, dat wij onze predikatiën en toespraken al te veel bestudeeren en prepareeren, zoodat wij er door schitteren. Indien dit zoo is, dan zijn wij als de man, die aardappelen wilde telen — maar er nooit een kon laten opkomen. Dit verwonderde hem zeer; „wantquot;, zeide hü, „ik heb ze eerst heel zorgvuldig uren lang laten koken.quot; Zoo is het ook mogelijk al het leven te halen uit het Evangelie, en er zoo veel van u zeiven in te brengen, dat Christus het niet zal zegenen.

Eindelijk: wij zijn verplicht het te dom. Indien zóó veel voortkomt uit zóó weinig, dan zijn wij gehouden er ons aan te geven. Heden ten dage verlangen de menschen tien percent van hun geld. Eene gansche menigte van dwazen laten zich zeer gereedelijk vangen door elk plan en iedere speculatie van eene maatschappij of vereeniging, die hun groote dividenden belooft! Ik zou u gaarne verstandig willen maken door u eene belegging voor te stellen, die u volkomen zekerheid biedt. Zaait een mostaardzaadje en teelt een boom! Spreekt van Christus, en redt eene ziel: die ziel gered zijnde zal eeuwen lang een zegen wezen en eene blijdschap voor God gedurende de gansche eeuwigheid. Waar was ooit zoo kostelijke, veilige, gewaarborgde belegging ? Laat ons er mede voortgaan. Indien van ons eenvoudig woord de eeuwigheid afhangt, zoo laat ons dit woord van ganscher harte spreken. Leven, dood en onbekende werelden hangen af van de lippen van een ernstig onderwijzer van Jezus\' Evangelie. Laat ons nooit ophouden te spreken zoolang er nog adem in ons is. De Heere zegene u! Amen, ja amen.

774

-ocr page 816-

DE VERDORDE VIJGEBOOM.

„En hen verlatende, ging bij van daar uit de stad, naar Betlianië, en overnachtte aldaar. En des morgens vroeg, als hij wederkeerde naar de stad, hongerde hem. En ziende een\' vijgeboom aan den weg, ging hij naar hem toe, en vond niets aan denzeiven, dan alleen bladeren, en zeide tot hem: Uit u worde geene vrucht meer in der eeuwigheid! En de vijgeboom verdorde terstond. En de discipelen, dat ziende, verwonderden zich, zeggende; Hoe is de vijgeboom zoo terstond verdord?quot; Matth. XXI; 17—20.

Dit is een wonder en eene gelijkenis. Wy hebben boeken over de wonderen, en wij hebben een gelijk aantal boeken over de gelijkenissen: in welke van deze boeken moet deze geschiedenis eene plaats vinden? Ik zou willen antwoorden: plaats haar in beiden. Het is een zeldzaam wonder, en het is eene treffende gelijkenis. Het is eene gelijkenis, die handelend voorgesteld werd, en waarin onze Heere ons iets bepaalds heeft te leeren. Hij stelt de menschen de waarheid voor oogen, opdat de leering, gelijk hier bij deze gelegenheid, een dieper indruk zal teweegbrengen op den geest en het gemoed. Ik wensch groeten nadruk te leggen op de opmerking, dat dit eene geUikeuis is; want, zoo gij deze geschiedenis niet beschouwt in dit licht, dan zoudt gü haar verkeerd begrijpen. Wjj behooren niet tot hen, die tot het Woord van God komen met de onbeschaamde verwaandheid van een\' criticus, ons zelven wjjzer achtende dan het Boek, en bijgevolg ook in staat het te beoordeelen. WU gelooven, dat de Heilige Geest grooter is dan de geest des menschen, en dat onze Heere en Meester beter dan iemand onzer kan oordeelen over hetgeen goed en recht is. Onze plaats is aan zijne voeten: wü zijn geene bedillaars, maar volgelingen. Al wat Jezus doet en zegt beschouwen wij met den diep-sten eerbied; onze voornaamste begeerte is er zoo veel mogelijk van te leeren. Wij bespeuren in zijne eenvoudigste daden groote verborgenheden en in zijne eenvoudigste woorden een diepzinnige leering. Als Hij spreekt of handelt dan zijn wij als Mozes aan den braambosch, en gevoelen dat wy staan op heiligen grond.

Onbezonnen, oppervlakkige menschen hebben op zeer dwaze

-ocr page 817-

De verdorde vijgeboom.

manier over deze geschiedenis gesproken. Zü hebben het voorgesteld, alsof de Heere, toen Hem aldaar hongerde, aan niets anders dan aan zijne eigene behoefte heeft gedacht, en hopende zich met een paar groene vijgen te kunnen verkwikken, in vergissing naar dien boom ging. Geene vruchten aan den boom vindende, daar Hij er in dit jaargetijde ook geene aan had kunnen verwachten, ergerde Hem dit, en zoo heeft Hy eene vervloeking over den boom uitgesproken, alsof die boom een levend en verantwoordelijk wezen was. Deze beschouwing van de zaak vloeit voort uit de dwaasheid van den opmerker; het is de waarheid niet. Onze Heere wilde zijne discipelen onderrichten omtrent het lot van Jeruzalem. De ontvangst, die Hem in Jeruzalem te beurt viel, beloofde veel goeds, maar zou op niets uitloopen. Hunne luide hosanna\'s zullen verkeeren in den afschuwelijken kreet: „Kruis hem!quot;

Toen Jeruzalem te voren door Nebukadnezar verwoest moest worden, hebben de profeten niet slechts gesproken, maar ook zeer leerrijke zinnebeeldige teekenen gebruikt. Slaat het boek van Ezechiël open, en gij zult er vele teekenen en zinnebeelden vinden, die de komende ramp aanduidden. Die teekenen prikkelden de nieuwsgierigheid, wekten de aandacht op, en deden de profetische waarschuwingen tot het huis en het hart van het gewone volk doordringen. Wederom naderden de oor-deelen Gods tot de poorten der schuldige stad. Woorden —- de woorden van Jezus — waren verspild, ja zelfs tranen -—de tranen van den Heiland — waren te vergeefs gestort; het was tyd, dat het teeken gegeven zou worden — het teeken der veroordeeling. Ezechiël had gezegd; „Zoo zullen alle boo-men des velds weten, dat Ik, de Heere, den hoogen boom vernederd heb, den groenen boom verdroogd hebquot;; en hiermede werd juist het beeld aangegeven, dat door onzen Heere werd gebruikt. Hij zag een vijgeboom, die, door eene grillige speling der natuur, bedekt was met bladeren op een\' tijd, wanneer dit in den gewonen loop der dingen niet zoo wezen moest. Zulke buitengewone dingen kunnen hier en daar in do plantenwereld plaats hebben. Onze Heere zag, dat dit Hem tot aanschouwelijk onderwijs kon dienen, en daarom ging Hij er met de discipelen heen om te zien of er vijgen aan waren, zoowel als bladeren. Toen Hij er geen aan vond, gebood Hij den vyge-boom om voor altijd onvruchtbaar te blijven, en terstond begon hij te verdorren. Onze Heere zou den vijgeboom tot een voortreffelijk doeleinde hebben aangewend, indien Hij bevolen had hem tot brandhout te gebruiken, om er koude handen bij te warmen; maar Hij deed nog beter, toen Hij hem gebruikte om er koude harten in gloed door te ontsteken. Er geschiedde niemand onrecht; het was een boom, die hoegenaamd geene waarde had. Er werd geene smart veroorzaakt; geen toorn ge-

•lt;76

-ocr page 818-

de verdorde vijgeboom.

voeld. De Heere zeide eenvoudig tot den vijgeboom: „Uit u worde geene vrucht meer in der eeuwigheid!quot; en hij verdorde. Hierin heeft de Heere met zeer geringe onkosten eene groote leering verstrekt voor alle tyden. De opdorring van een\'boom is de levendmaking geweest van menige ziel; en indien al niet, dan zou toch niemand iets verloren hebben bij het verdorren van een\' boom, die zich onvruchtbaar had betoond Een groot leeraar mag veel meer doen dan een boom vernielen, indien hij hierdoor de waarheid duidelijk kan maken en de zaden der deugd en godsvrucht kan strooien. Het is het toppunt van de beuzelachtigheid der critiek om aanmerking te maken op den Heere Jezus wegens eene zeer schoone dichterlijke leering, waarvoor, indien zij door een\' anderen leeraar uitgesproken was, diezelfde critici hem uitbundig zouden geprezen hebben.

De verdorde vijgeboom was een bijzonder treffend beeld van den Joodschen Staat. De natie had aan God groote dingen beloofd. Terwijl alle andere volkeren als boomen waren zonder bladeren, die geene belijdenis van trouw aan den waren God uitspraken, was het Joodsche volk bedekt met den bladertooi eenor schoone godsdienstige belijdenis. Schriftgeleerden en Farizeën, priesters en ouderlingen des volks hechtten allen aan de letter der wet en roemden er in aanbidders te zijn van den éénen God en strenge, nauwgezette waarnemers van al zyne wetten. Hun voortdurend geroep was: „Des Heeren tempel, des Heeren tempel, des Heeren tempel zijn deze!quot; „Wij hebben Abraham tot een\' vaderquot; was voortdurend in hun mond. Zij waren een vijgeboom vol bladeren. Maar er was geene vrucht aan dien boom, want het volk was heilig noch rechtvaardig, waar noch getrouw aan God, noch liefderijk jegens hun\' naaste. De Joodsche Kerk was ééne massa van belijdenis zonder eenig geestelijk leven. Onze Heere had een\' blik geslagen in den tempel en had het huis des gebeds een moordenaarskuil bevonden. Hij veroordeelde de Joodsche Kerk om levenloos en onvruchtbaar te blijven, en het was zoo. De synagoge bleef open, maar haar onderwijs was een doodc vorm: Israël had geen\' invloed op de eeuw. Het Joodsche volk was eeuwenlang een verdorde boom. Toen Christus, kwam bezat het niets dan eene belijdenis, en die belijdenis bleek krachteloos te zijn en machteloos zelfs om de heilige stad te redden. Christus heeft de godsdienstige organizatie der Joden niet vernietigd; Hij liet hen zooals zij waren; maar zij verwelkten op hun\' wortel, totdat de Romein kwam en met de bijl zijner legioenen den onvruchtbaren stam heeft uitgehouwen.

Welk eene les is dit voor natiën! Natiën kunnen luide be-Ujdenis doen van godsdienst, en toch niet die gerechtigheid toonen, welke een volk verhoogt. Natiën kunnen versierd wo^

777

-ocr page 819-

DB VERDORDE VIJGEBOOM.

zen met den ganschen bladertooi van beschaving, kunst en wetenschap, vooruitgang en godsdienst; maar zoo er geen innerlijk leven van godsvrucht is, en geene vrucht tot gerechtigheid, zullen zij voor eene wyle bestaan, maar daarna verdorren.

Welk eene leering is dit voor kerken! Er zijn kerken geweest, die van wege het aantal harer leden en de kracht van haren invloed bovenaan stonden; maar geloof, en liefde, en heiligheid werden niet gehandhaafd, en de Heilige Geest heeft ze verlaten en overgelaten aan de ijdele vertooning eener onvruchtbare belijdenis, en daar staan nu die kerken met den tronk der organisatie, en wijd uitgespreide takken; maar zij zijn dood, en met elk jaar gaan zü al meer tot vermolming over. Broeders, zoodanige kerken hebben wy heden ten dage zelfs onder de Nonconformists. (1) Moge het nooit zoo wezen met onze kerk! Er kunnen groote scharen komen om het Woord te hooren, en een aanmerkelijk getal van mannen en vrouwen, die zeggen bekeerd te zijn; maar zoo er geene levende godsvrucht in hen is, wat zijn dan dezo vergaderingen en deze kerken? Wy zouden eene zeer gewaardeerde bediening des Woords kunnen hebben, maar wat zou zü wezen zonder den Geest van God? Wij zouden ruime geldelijke bijdragen kunnen ontvangen voor de kerk en voor alles wat goed is, en er zou ook veel uitwendig krachtsbetoon kunnen zijn, maar wat is dit alles zonder den geest des gebeds, den geest des geloofs, den geest der genade en der toewijding aan God? Ik vrees, dat wij op weg zijn om te worden als een boom, met den overvloedigen bladertooi eener schoone belijdenis, maar toch zonder eenige waardij in de oogen des Heeren, omdat het verborgen leven der godsvrucht, en de levende eenheid met Christus er niet zün. Het is beter, dat de bijl elk spoor van den boom weghouwe, dan dat hij de kruin ten hemel verheft als eene openbare leugen, eene bespotting, eene zinsbegoocheling.

778

Dit is de leering, vervat in den tekst. Maar ik wensch, dat gij dit niet zoo maar in het algemeen beschouwt, in betrekking tot natiën en kerken; de begeerte mijns harten is, dat wü de leering beschouwen en overwegen tot in de kleinste bijzonderheden en haar tot ons eigen hart laten doordringen. Moge de Heere zelf tot een iegelijk onzer persoonlijk spreken! Terwijl ik de leerrede overdacht, heb ik my n eigen hart onderzocht, en ik bid God, dat het aanhooren er van een gelijk resultaat moge teweegbrengen bij u. Mogen wij er voor beven, godsvrucht te belijden en er het uitwendig kleed van te dragen, terwyl toch het vruchtdragen er niet is, dat aan zulk eene

[ (1) De van de Anglicaansche kerk afgescheidenen.

-ocr page 820-

de verdorde yijgeboom.

belijdenis den stempel der echtheid geeft. De naam van een heilige te zijn, is, zoo dit niet door heiligheid wordt gerechtvaardigd, een aanstoot voor de oprechten, en nog veel meer voor een heilig God. Eene openlijke en duidelijke belijdenis van het Christendom zonder een Christelijk leven om die belijdenis te steunen, is eene leugen, verfoeielyk voor God en de menschen, een smaad voor den godsdienst, en de voorbode van een\' verdorrenden vloek.

Moge de Heilige Geest mij helpen om heden zeer ernstig en krachtig te prediken!

Onze eerste opmerking is — Er zijn in de wereld menschen, die eene vurige, doch onvruchtbare belijdenis afleggen. Onze tweede opmerking zal zijn: — die belijdenissen zullen door Koning Jezus in oogenschouw worden genomen; en in de derde plaats zullen wij aantoonen, dat het gevolg van dit in oogenschouw nemen door den Heere Jezus ontzettend zal wezen. Heilige Geest verleen ons uwe hulpe!

I. Er zijn menschen, die eene vurige, doch onvruchtbare

belijdenis doen.

Die menschen zijn niet zeldzaam. Zij zijn veel talrijker dan hunne medemenschen. Hunne belofte is zeer luid en hun uiterlijk voorkomen zeer indrukwekkend. Zij zien er uit als vruchtdragende boomen; gij verwacht er veie manden vol van de beste vijgen van. Zij zijn indrukwekkend door hun spreken, zij overweldigen ons door hunne manier van zijn. flew benijden wij, ons zeiven geeselen wij. Dit laatste zou ons nu wel niet schaden; maar huichelaars te benijden kan op den duur niet anders dan schadelijk zijn; wam als hunne geveinsdheid aan het licht komt, dan zijn wy maar al te geneigd om zoo wel den godsdienst, als hen, die voorwenden godsdienstig te zijn, te verachten. Kent gij geene menschen, die in schyn alles, en in werkelijkheid niets zijn ? O vreeselijke gedachte! Zouden wij zeiven niet tot hen kunnen behooren ? Zie den mensch, hij is sterk in het geloof, sterk tot aanmatiging toe; hij is blijde in hope, blijde tot wuftheid toe; hij is liefderijk van gemoed, liefderijk tot aan onverschilligheid toe voor de waarheid! Hoe rad is hij in zijn spreken! Hoe diepzinnig is hij in theologische bespiegeling! Hoe ijverig is hij om elke voor-waartsche beweging te steunen! Toch is hij nooit door de nieuwe geboorte het koninkrijk binnen gegaan. Hij is nooit door God geleerd. Het Evangelie is niet anders dan in woorden tot hem gekomen. Het werk des Heiligen Geestes kent hy niet. Zijn er niet zulke menschen? Ziin er geene menschen, die kampvechters zijn voor het rechtzinnig geloof, maar zeer onrechtzinnig zijn in gedrag en wandel? Kennen wij geene mannen en vrouwen, wier leven loochent wat hunne lippen belijden? Wij zijn er vast van overtuigd. In alle wijngaarden

779

-ocr page 821-

DE VEEDOFDE VIJGEBOOM.

zijn vijgeboomen geweest, vol van bladeren, menschen, die uitblonken door hunne schoone belijdenis, maar den Heere geen e vrucht hebben voortgebracht.

Zulke lieden schijnen de jaargetijden te tarten. Het was toen de tijd niet der vijgen, toch was deze boom vol van de bladeren, die gewoonlijk rijpe vijgen aanduiden. Ik denk, dat gij allen weet, wat ik dikwijls zelf gezien heb — aan den vyge-boom komen eerst de vruchten en daarna de bladeren. Vroeg in het voorjaar ziet gij groene knobbels aan het einde en aan de punten der takken, en als die knobbels zich uitzetten, dan blijken zy groene vijgen te zijn. Daarna komen de bladeren uit, en als de boom er gansch mede bedekt is, dan zijn de vijgen rijp en kunnen gegeten worden. Als een vijgeboom vol is van bladeren, dan verwacht gü er vijgen aan te vinden, en zoo gij er geene aan vindt, dan zullen er in dat jaargetij er ook geene aan komen. Deze boom had overvloedig bladeren doen ontspruiten nog vóór den tijd, en daarin had hij alle andere vijgeboomen overtroffen. Ja, maar dit was slechts eene gril van de natuur, maar geen gezond resultaaat van een\' echten groei. Zulke grillen der natuur komen voor in bosschen en in wijngaarden; en hunne gelyken kan men in de zedelijke zoowel als in de geestelijke wereld vinden. Er zijn mannen en vrouwen, welke allen, die hen omringen, ver vooruit schijnen te zijn en ons verbazen door hunne bijzondere deugden. Zij zijn beter dan de besten; voortreffelijker dan de voortreffelijksten — dat schijnen zy ten minste. Zij zy\'n zóó ijverig, dat zij dooide hen omringende wereld niet worden verkild; hunnegroote ziel schept een\' zomer voor zich. De traagheid der heiligen en de goddeloosheid der zondaren hinderen hen niet; zij zijn te krachtig en machtig om onder den invloed hunner omgeving te komen. Het zijn zeer verheven personen, gansch bedekt met deugden zooals deze vijgeboom met bladeren.

Merk op, dat zij den gewonen regel ran den ivasdom, als het ware, overspringen. Gelijk ik u reeds gezegd heb, de regel is: eerst de vijg, en daarna de vijgebladeren; maar wij hebben menschen gezien, die godsvrucht belijden eer zy nog de geringste vrucht hebben voortgebracht om die belijdenis te recht vaardigen. Ik zie gaarne, dat onze jonge vrienden, als zij in Christus gelooven, hun geloof toonen door hunne heiligheid te huis en door hunne godsvrucht daar buiten, om dan voorwaarts te treden en hun geloof in den Heere Jezus Christus te belijden. Het schijnt de sobere en normale wijze van doen, dat men eerst is, en dan belijdt te zijn; dat men eerst zelf verlicht is en dan zijn licht laat schijnen; dat men eerst zich bekeert en gelooft, en dan op de schriftuurlijke wijze bekeering en geloof belijdt. Maar deze lieden achten het onnoodig om te letten op (}e kleinigheid van het harte werk — zij durven het voornaamste

780

-ocr page 822-

DE VERDOEDE VIJGEBOOM.

het levensbeginsel der zaak veronachtzamen. Zij hebben eene opwekkingsbijeenkomst bijgewoond, en nu verklaren zij zich verlost en behouden te zijn, schoon hun hart niet werd vernieuwd, en zij noch berouw hebben over hunne zonde, noch geloof. Zü treden naar voren om eene bloote gemoedsaandoening te belijden. Zij hebben niets beters dan een besluit, een voornemen ; maar zij verheugen zich alsof het de daad zelve, de uitvoering was van hun besluit. Snel als de gedachte werpt zulk een bekeerde zich dan op als leeraar. Zonder dat zijne splinternieuwe deugden getoetst of beproefd zijn, stelt hij zich anderen ten voorbeeld. Nu heb ik niets tegen de snelheid der bekeering, integendeel, ik bewonder haar, zoo zü echt is; maar ik kan er niet over oordeelen voor ik er de vrucht en het bewijs van zie in het leven. Indien de verandering van het gedrag duidelijk en beslist is, dan is er mij niets aan gelegen hoe snel hel in zün werk is toegegaan; maar wij moeten de verandering zien. Er is eene warmte, die gisting veroorzaakten eene gistingdie zuurheid en bederf werkt. O waarde vrienden, denkt toch nooit, dat gij over de vrucht wel heen kunt gaan om maar terstond tot de bladeren te komen. Wees niet als een bouwer, die zegt: „Het is onzin om zooveel arbeid en materialen te besteden aan werk onder den grond. De fondamenten worden nooit gezien, ik kan in minder dan geen tijd een huis optrekken; vier muren en een dak vereischen niet veel tijd.quot; Ja. maar hoe lang zal zulk een huis duren ? Is het der moeite waard een huis te bouwen zonder fondamenten? Indien gij het fondament weg Iaat, waarom dan maar niet liever het geheele huis weggelaten? Is er inzonderheid in deze dagen, nu de menschen of twijfelzuchtig of dweepziek zijn, niet eene neiging om eene paddenstoelen godsvrucht te kweeken, die in één nacht opkomt en in één nacht weder verdwijnt? Zal het niet verderfelijk zijn, als men de overtuiging van zonde minacht, over het berouw over de zonde oppervlakkig heen glijdt, het geloof en de wedergeboorte nabootst, en godsvrucht veinst. Geliefden, dat zal nooit goed gaan. Wij moeten vügen hebben, eer wij bladeren hebben; het spreken moet voorafgegaan worden door daden; het geloof moet den doop voorafgaan, er moet eenheid met Christus wezen vóór de vereeni-ging met de gemeente. Gij kunt over de werkingen der natuur niet heenspringen, en evenmin moogt gij de werkingen der genade maar weglaten, opdat uw bladertooi zonder vrucht niet een vloek voor u worde, een vloek, die nooit opgeheven zal worden.

Deze menschen weten altijd het oog van anderen op zich te vestigen. Volgens Markus heeft onze Heere dien vijgeboom „van verrequot; gezien. De andere boomen hadden geene bladeren, en bijgevolg zag Hij bij het opgaan van den heuvel naar Jeruzalem dien boom reeds lang voordat Hij hem bereikte. Een vijgeboom, versierd met zijn gewaad van liefelijk groen is een

781

-ocr page 823-

DE VERDORDE VlJGËBÓOÜ.

in het oogvallend voorwerp, en moet van verre gezien worden. Hü stond ook naby den weg die van Bethanië naar de stadspoort voerde. Hü stond, waar ieder voorbijganger hem kon zien, en waarschijnlijk met verwondering over dien voor dit seizoen buitengewonen bladertooi zou spreken. Menschen, wier godsdienst geveinsd is, zullen gewoonlijk vooraan staan, omdat zij ge ene genade genoeg hebben om zich bescheiden op den achtergrond te houden. Zij staan naar de hoogste plaatsen, begee-ren ambten en werpen zich op als leiders. Zü hebben geen\' verborgen wandel met God; zij bekommeren zich niet om persoonlijke godsvrucht en zoo zijn zij er des te meer begeerig naar om van de menschen gezien te worden. Dit is beide hunne zwakheid en hun gevaar. Schoon zij het minst van allen in staat zijn te dragen hetgeen de publiciteit met zich brengt, be-geeren zij haar boven mate, en worden zij bijgevolg ook het meest gadegeslagen. Dat is het kwaad van de geheele zaak, want het maakt hun geestelijk falen bekend aan velen, en hunne zonde brengt alzoo des te meer smaad over den naam van den Heere, dien zü voorgeven te dienen. Veel beter is het om onvruchtbaar te zijn in een\' hoek van het woud, dan op den openbaren weg, die naar den tempel voert.

Zulke menschen trekken niet slechts ieders aandacht, maar zij weten ook het gezelschap van ware godvruchtig en tot zich te trekken. Wie zal er ons om laken, dat wij tot een\' boom naderen, die lang vóór de anderen in blad is? Is het niet recht om de bekendheid te onderhouden met hen, die bij uitstek goed en godvruchtig zijn? Onze Heiland en zijne discipelen gingen naar den bladrijken vijgeboom toe, hij heeft niet slechts hun oog, maar henzelven tot zich getrokken. Zijn wij niet bekoord door het liefelijk gedrag van iemand, die een broeder in den Heere schijnt te zijn, met meer dan gewone vroomheid en Godvreezende boven velen? Gelijk Jehu, zeide hij: „Zie mijn\' ijver aan voor den Heere;quot; en het verheugde ons met hem in zijn\' wagen te rijden. Hij scheen zoo godvruchtig, zoo edelmoedig, zoo nederig, zoo nuttig, dat wij tot hem opzagen en wenschten, dat wy waardiger waren om met hem verge-zelschapt te zyn. Jong bekeerden, en zij, die zoekende zijn, zijn zeer bijzonder hiertoe geneigd; en het is eene groote ramp als hun vertrouwen misplaatst blykt te wezen.

Als wy iemand zien, die boven anderen uitsteekt en eene vrijmoedige belijdenis aflegt, wat moeten wy dan van zoo iemand denken? Ik antwoord: oordeel hem niet, verval niet in de gewoonte van mistrouwen. LTw Heere bleef niet op een afstand staan, zeggende: „Die boom heeft geenerlei waarde.quot;Neen, Hy ging er naar toe met zijne discipelen, en heeft hem met oplettendheid beschouwd. Die menschen, welke zoo boven anderen uitsteken, kunnen wonderen van Gods genade wezen: laat

782

-ocr page 824-

DE VERDORDE VIJGEBOOM.

ons hopen en bidden, dat het zoo zijn moge. Laat de Heere en zijne liefde in hen grootgemaakt worden! God heeft zyne vij-geboomen, die in den winter vrucht dragen; God heeft zijne heiligen, die vol zyn van goede werken, als de liefde van anderen verkond is. De Heere wekt sommigen op als standaarden voor de waarheid, punten van hereeniging in den strüd. De Heere kan aan jonge menschen rijpheid geven, en pas bekeerden nuttig doen zyn. Er is een soort van spreekwoord, hetwelk zegt; „Sommige mannen zijn met een baard geboren.quot; De Heere kan groote genade geven, zoodat de geestelijke wasdom zeker is, zoowel als snel. Hij doet dit zóó dikwijls, dat wy geen recht hebben om te twijfelen of die broeder, die zoo boven anderen uitsteekt, wel een van die gevallen vertoont van buitengewonen wasdom van genade. Tenzy, dat wjj genoodzaakt zijn om met bittere smart te zien, dat er geene kentee-kenen zijn van genade, geene blijken van geloof, moeten wij het beste hopen, en ons verblijden op den aanblik van Gods genade. Indien wü geneigd zijn tot achterdocht, zoo laat ons de punt van dit zwaard op onze eigene borst richten. Mistrouwen van ons zeiven zal gezond wezen; wantrouwen van anderen kan wreed zijn. quot;Wij zijn geene rechters; en al waren wij het, dan zouden wij toch nog beter doen om in ons eigen hof te blijven, en op onzen eigen rechterstoel te zitten en de wet binnen het kleine koninkrijk van ons zeiven toe te passen.

Indien zij, die boven anderen uitsteken, blyken te zijn wat zy schijnen, dan zyn zij grootelyks tot zegen. Het zou dien morgen goed zijn geweest, indien er vijgen aan dien boom geweest waren. Het zou den Heiland grootelijks verkwikt hebben, zoo Hij de rype vruchten had kunnen nuttigen. Als de Heere hen, die de eersten zyn in rang en positie, de eersten en voor-naamsten maakt in heiligheid, dan is dit een zegen voor de gemeente, voor het gezin en voor de omgeving; ja het kan een zegen blijken te zyn voor geheel de wereld. Daarom moeten wy den Heere bidden om met zijne eigene hand de boomen, die Hy geplant heeft, te bewateren; of, in andere woorden, door zyne genade de mannen zijner rechterhand te ondersteunen, die Hy sterk en krachtig heeft gemaakt.

Maar als wy den tekst tot ons eigen hart laten spreken, dan behoeven wij niet zoo zacht en teeder te zijn, als wanneer het anderen geldt. Ten opzichte van het vooraan staan en van belydenis zyn velen onzer jaren lang als deze vygeboom geweest. En hierin is, in zoo verre, niets waarvoor wij ons behoeven te schamen. Toch is het blijkbaar tot ons zeiven, dat de gelijkenis spreekt, want wy hebben in openbare belijdenis en duidelijk zichtbaren arbeid aan den weg gestaan, en wij konden „van verrequot; gezien worden. Sommigen van ons hebben eene zeer vrijmoedige belijdenis afgelegd, en wij schamen

783

-ocr page 825-

de verdorde vijgeboom.

ons niet die belijdenis voor menschen en engelen te herhalen. Vandaar de vraag: zijn. wij er waar in geweest? Wat zou het zijn, indien het bevonden wordt, dat wij strijden voor een geloof, waaraan wij geen deel hebben? Indien er in ons niets was van het leven der liefde, en dan, bijgevolg onze belijdenis „als een klinkend metaal of luidende schelquot; zou zijn?Indien er eens wèl spreken en geen werken, wèl leerstelling maar geene beoefening was? Indien wij eens zonder heiligheid waren? Dan zullen wij nooit den Heere zien. Hoe schrikkelijk een aanzien deze wonder-gelijkenis ook hebbe, zij is op velen onzer toepasselijk. Ik, de prediker, gevoel hoezeer zij van toepassing is op mij. In die gezindheid heb ik haar overdacht, hopende en vertrouwende, dat ieder ouderling en diaken dezer gemeente, en elk lid en iedere arbeider onder u met ernst en oprechtheid ook zijn eigen hart zal onderzoeken. Moge ieder dienstknecht van Christus, die heden in dit kerkgebouw is gekomen, tot zich zeiven zeggen; „Ja, ik ben als die vijgeboom geweest in positie en belijdenis; God geve, dat ik niet, evenals hij, onvruchtbaar worde bevonden!quot;

II. Laat ons nu bij de ernstige waarheid van ons tweede punt van overdenking stilstaan; dezen zullen doos Koning Jezus in oogensohouw worden genomen.

Hij zal tot hen naderen en naar vrucht van hen uitzien. De eerste Adam kwam tot den vijgeboom om bladeren, maar de Tweede Adam komt om vijgen. Hij doorzoekt ons karakter om te zien of er waar geloof is, en oprechte liefde, en levende hope, en blijdschap, die de vrucht is van den Heiligen Geest, en geduld, en zelfverloochening, en vurigheid in het gebed, en wandel met God, en inwoning van den Heiligen Geest. En als Hij deze dingen niet ziet, dan is hij niet tevreden met het kerkgaan, en met het bijwonen van bidstonden, en het aanzitten aan des Heeren tafel, en het aanhooren der prediking, en het lezen van den Bybel, want al deze dingen kunnen wel niets anders dan bladeren zijn. Indien onze Heere de vrucht des Geestes niet aan ons bespeurt, dan is Hij niet over ons tevreden, en zijne inspectie zal tot strenge maatregelen leiden. Merk op, dat hetgeen, waarnaar Jezus bij u uitziet, niet is uwe woorden, niet uwe besluiten, niet uwe bekentenissen, maar uwe oprechtheid, uw innerlijk geloof, het feit, dat de Geest Gods waarlijk in u werkt, zoodat gij vruchten voortbrengt zijn koninkrijk waardig.

Onze Heere heeft het recht vrucht te verwachten, als Hij er naar uitziet. Toen Hij naar dien vijgeboom toeging, had Hü het recht vruchten te verwachten, omdat naar den aard dei-natuur de vruchten komen vóór de bladeren. Zijn de bladeren daar, dan moeten er ook vruchten zijn. Wel is waar, het was de tijd niet der vijgen; maar indien het de tijd der vijgen niet

784

-ocr page 826-

ÖË VËRDORDÉ VIJGEËOOM.

was, dan was het voorzeker ook niet de tijd der bladeren, want de vijgen komen het eerst. Door bladeren te laten uitspruiten, die de teekenen zijn van rijpe vijgen, heeft die boom zich aangemeld als vruchtdragend. Evenzoo: hoe slecht de tijden ook zijn, sommigen van ons belijden, dat wy de tijden niet willen volgen, maar dat wij de ééne onveranderlijke waarheid willen volgen. Als Christenen belijden wij „gekocht te zü\'n uit de menschenquot; en verlost te zynvan dit verkeerde geslacht. Christus kan geene vrucht verwachten van menschen. die de wereld met hare veranderlijke tijden als hunne leidsvrouw erkennen; maar wèl kan Hü haar van den geloovige in zijn eigen Woord verwachten. Hij ziet uit naar vrucht van den prediker, van den Zondagschoolonderwijzer, van den ambtsdrager in de kerk, van de zuster, die eene Bjjbelklasse bestuurt, van dien broeder, die jonge lieden om zich heen heeft, voor wie hy een gids is in hetEvangelie. Hy verwacht haar van allen, die zich onderwerpen aan zijne Evangelie heerschappij. Gelyk Christus het recht heeft vrucht te verwachten van een\' in vol blad staanden vygeboom, zoo heeft Hij ook het recht groote dingen te verwachten van hen, die zich zijne getrouwe volgelingen noemen. Ach! hoe moest dit den prediker doen sidderen! En behoort het ook niet bij velen onder u dezelfde gewaarwordingen op te wekken ?

Vrucht is hetgeen door den Heere ernstig wordt begeerd. Toen de Heiland by den vygeboom kwam, heeft Hy geene bladeren begeerd; want wij lezen; „Hem hongerdequot; en de honger des menschen kan door geene vijgebladeren worden gestild. Hij begeerde eenige vijgen te eten; en Hij verlangt ook naar vrucht van ons. Hij hongert naar onze heiliglieid; Hij verlangt er naar, dat zyne blijdschap in ons zij, opdat onze blijdschap volkomen moge wezen. Hij komt tot een iegelyk van u, die leden zyt zyner gemeente, inzonderheid tot u, die leidslieden zijt van zyn volk, en Hij verwacht de dingen in u te zien, waarin zijne ziel een welbehagen heeft. Hij wenscht liefde in ons te zien voor Hem, liefde voor onze medemenschen, een krachtig geloof in de openbaring, een ernstig strijden voor de waarheid, die eenmaal den heiligen overgeleverd is, een dringend aanhouden in het gebed, en een\' nauwgezetten levenswandel. Hij verwacht daden van ons, die overeenkomstig de wet Gods zijn en de gezindheid van den Geest Gods. En zoo Hij die niet ziet, dan ontvangt Hij niet wat Hem toekomt. Is Hij voor iets anders gestorven dan om zyn volk heilig te maken? Waar heeft Hij zich voor overgegeven? Was het niet, opdat Hij zich een volk zou afzonderen, ijverig in goede werken? Wat is het loon voor het bloedig zweet, de vijf wonden en de doodsbenauwdheid ? Was het niet, dat wy door dit alles duurgekocht zouden zyn? Wij berooven Hem van zijn loon, zoo wij Hem

50

-ocr page 827-

be veedordk vijgeboom.

niet verheerlijken, en daarom wordt den Geest Gods smart door ons aangedaan, indien wij zijn\' lof niet vermelden door ons godvruchtig en ijverig leven.

Als Christus tot eene ziel komt, dan beziet Hij haar met een\' scherpen blik. Het is niet mogelijk Hem te bedriegen. Ik heb wel eens voor eene vijg aangezien, hetgeen slechts een blad bleek te zijn; maar onze Heere vergist zich niet aldus. En evenmin zal Hy de jonge vijgen voorbijzien, die zich zoo pas hebben ontwikkeld. Hij kent de vrucht des Geestes in elke phase van hare ontwikkeling. Vloeiend spreken ziet Hij niet aan voor bezit des harten, en evenmin zal Hy wezenlijke genade voor niets meer dan gemoedsaandoening houden. Geliefden, ten opzichte van het onderzoek naar uwen toestand zult gij u in goede handen bevinden, als de Heere Jazus komt om met u te handelen. Uwe medemenschen zijn snel in hun oordeel, en zij kunnen óf bedilziek, of wel partijdig zijn; maar de Koning spreekt een rechtvaardig oordeel. Hü weet juist waar wy zijn en wat wy zyn, en Hy oordeelt niet naar den schijn maar naar waarheid. O dat heden morgen ons gebed ten hemel mocht rijzen; „Jezus, Meester, kom en richt uw doorvorschend oog op mij, en zie of ik al of niet leef voor U. Geef, dat ik mij zie, zooals G(j mij ziet, opdat ik van mü\'ne dwalingen terecht worde gebracht en mijne genade worde gevoed en gekweekt. Heere, geef mij in waarheid te zijn wat ik belijd te zijn, en indien ik dat nog niet ben zoo overtuig mij van mijn\' valschen staat, en begin een wezenlijk werk in mijne ziel. Indien ik de uwe ben, indien ik rechtsta voor U, zoo schenk mij een vriendelijk, geruststellend woord om de vreeze uit mijn hart te verbannen, dan zal ik mü met blijdschap in U als den God mijns heils kunnen verheugen.

III. Ik zal nu met de hulp des Geestes in de derde plaats de waarheid voor u ontvouwen, dat het komen van Chbistüs

bij den schijkbaak ijveeigen, maar in waarheid onvrucht-baren belijder, schrikkelijke gevolgen zal hebben.

De Zoeker vindt niets dan bladeren, waar Hij vruchten had kunnen verwachten. Niets dan bladeren beteekent niets dan leugenen. Is dat een hard woord? Indien ik geloof belijd en ik heb geen geloof, is dat dan geene leugen? Indien ik berouw over de zonde belijd, en ik heb geen berouw, is dat dan geene leugen ? Indien ik mij voeg bij het volk van den levenden God, en toch geene vreeze Gods in mijn hart heb, is dat geene leugen ? Indien ik nader tot den Avondmaalsdisch en eet van het brood en drink van den wijn, en toch nooit het lichaam des Heeren onderscheid, is dat geene leugen? Indien ik zeg de leerstellingen der genade te verdedigen, terwijl ik toch niet van derzei ver waarheid overtuigd ben, is dat geene leugen? Indien ik nooit mijn bederf heb gevoeld; indien ik nooit we-

786

-ocr page 828-

de Verdoede viJgeboom. Ts?

zenlijk geroepen ben, nooit mijne uitverkiezing door God heb gekend, nooit betrouwd heb op het bloed der verzoening en nooit door den Geest werd vernieuwd, is dan mijne verdediging van de leerstellingen der genade geene leugen? Indien er niets is dan bladeren, dan is er niets dan leugenen, en de Heiland ziet, dat dit zoo is. Voor Hem is al het groen dei-bladeren zonder vruchten slechts even zoo veel bedrog. Eene belijdenis zonder genade is de begrafenispraal eener doode ziel. Godsdienst zonder heiligheid is het licht, dat uit verrot hout straalt — de lichtgeving der vermolming. Ik spreek schrikkelijke woorden, maar hoe zou ik minder schrikkelijke woorden kunnen spreken? Indien gy en ik slechts den naam hebben van te leven, maar dood zün, in welken toestand bevinden wü ons dan! Die toestand is nog erger dan bederf: het is het bederf van het bederf. Godsdienstigheid te belijden en in zonde te blijven leven, dat is rozenwater op een\' mesthoop te sprenkelen, maar het toch een mesthoop te laten blijven. Aan een\' geest den naam te geven van een\' engel, terwijl hij den aard en het karakter heeft van den duivel, dat is schier\'tegen den Heiligen Geest te zondigen. Indien wij onbekeerd blijven, waartoe is het dan nut om onzen naam geschreven te hebben onder de godvruchtig, n ?

Onze Heere ontdekte, dat er geene vrucht was, en dat was schrikkelijk; maar vervolgens: Hij heeft dien hoorn veroordeeld. Was dit niet recht? Heeft Hij hem gevloekt? Die boom was reeds een vloek. Hij was juist geschikt om de hongerigen te pijnigen, hen uit hun\' weg te doen gaan om hen te bedriegen. God wil niet, dat de armen en noodruftigen aldus bespot worden. Eene ledige belijdenis is een practische vloek; behoort zij door den Heer der waarheid niet te worden veroordeeld ? De boom was tot niets nut waar hij stond; hij bezorgde niemand eenige verkwikking. Zoo neemt ook de onvruchtbare belijder eene positie in, waarin hü een zegen behoorde te wezen; niaar waar in waarheid een booze invloed van hem uitgaat. De genade van God is niet in hem; hij is volstrekt onnut, en naar alle waarschijnlijkheid is hij een vloek. Hij is een Achan in het leger, hij doet den Heere smart aan, en is de oorzaak, dat de Heere geen voorspoed kan geven aan zijn volk.

Onze Heere heeft dien vügeboom echter tot een goed doeleinde gebruikt, toen Hü hem deed verdorren; want van nu voortaan werdt hij als een baken in zee, eene waarschuwing voor allen, die voorgeven te zün wat zij niet zy\'n. Zoo zal ook, als de ongodvruchtige, die eene schoone belijdenis aflegt, wegkwijnt op zijn\' weg, een zedelijke indruk op anderen teweeggebracht worden, want zij zien dan het gevaar van eene onware belydenis, en zoo zü wijs zijn, zullen zij er zich niet langer aan schuldig maken. God geve, dat dit altijd het geval

-ocr page 829-

DE VERDOEDË VIJGEBOOM.

moge wezen, telkenmale als een onoprechte belijder van den godsdienst verdort.

En nadat de Heiland dien boom had veroordeeld, heeft Hij een vonnis over hem geveld. Hoe luidde dat vonnis! Eenvoudig: wat gij waart.quot; Het was niets meer dan eene bevestiging van zijn\' staat en toestand. Deze boom heeft geene vrucht gedragen; hij zal nimmer vracht dragen. Indien iemand verkiest zonder de genade Gods te zijn, en toch belijdt haar te hebben, dan is het niets dan recht als de groote Rechter zegt: „Zoo blijf dan zonder genade.quot; Als de groote Rechter ten laatste spreken zal tot hen, die van God weggaan, dan zal Hij eenvoudig zeggen: „Gaat weg!quot; Hun geheele leven lang zijn zij van God afgeweken, en na hun dood wordt aan hun karakter het zegel der voortdurendheid ingedrukt. Indien gij verkiest zonder genade te zijn, dan zal die genadelooze staat uw oordeel wezen. „Die vuil is, dat hij nog vuil worde.quot; Moge de Heere Jezus niemand uwer aldus hebben te vonnissen, maar moclu Hij ons bekeeren, opdat wij bekeerd mogen zijn; en het eeuwige leven in ons werken tot lof en prijs van zijn\' naam.

En toen kwam er eene verandering over dien hoorn. Hij begon terstond te verdorren. Ik weet niet, of de discipelen er terstond eene siddering door heen zagen varen; maar toen zy den volgenden morgen langs dien weg gingen, was hy tot zijn\' wortel verdord. Niet slechts hingen de bladeren slap neer, evenals wimpels wanneer er geen wind is; niet slechts scheen de schors alle teekenen van levensvatbaarheid verloren te hebben; maar geheel de boom was verdorven. Hebt gij ooit een\' vijgeboom met zijne vreemd uitziende takken gezien? Het is een buitengewoon gezicht als de boom van bladeren ontdaan is. Ik zie hem nu met zijne naakte armen als van een geraamte. Hij is dubbel dood; dood tot in zijne wortelen. Aldus heb ik den bloot uit-wendigen belijder zien verdorren. Hij zag er uit als iets waarover de adem eens ovens ia heengegaan, en welks vochtigheid opgedroogd is. De man is zich zelf niet meer: zijne heerlijkheid en schoonheid zijn voor altijd verdwenen. Geene biil werd opgeheven, geen vuur ontstoken; een woord —de boom is tot in zyne wortelen verdord. Evenzoo is zonder bliksemschicht of pestilentie de eens zoo dappere belijder als met Kaïns oordeel ter aarde geveld. Het is een ontzettend lot. Oneindig beter is het, dat de wijngaardenier met de bijl in de hand totu komt, en tot u zegt: „Boom, gij moet vrucht dragen, of uitgehouwen worden.quot; Zulk eene waarschuwing zou schrikkelijk zün; maar toch oneindig beter dan om onaangeroerd op de plaats te blijven en in stilte te vergaan.

Thans heb ik mü van mijn\' zwaren last gekweten. Ik heb dien last veel meer op müzelven dan op iemand uwer gelegd, want ik sta meer in het licht dan gij. Ik heb luider en ster-

788

-ocr page 830-

DE VERDORDE VIJGEBOOM.

ker dan de meesten uwer myn geloof beleden, en zoo Gods genade niet in mij is, dan zal ik voor de groote scharen staan, die groene bladeren in mij zagen, en tot in de wortelen verdorren, als een schrikkelijk voorbeeld van hetgeen God doet met hen, die geene vruchten dragen tot zijne eer.

Maar ik wensch te eindigen met teederder woorden. Laat niemand zeggen: „Dit is zeer hard.quot; Broeder, niet waar? het is niet hard, dat zoo wij iets belijden, men verwacht, dat wy naar die belijdenis zullen leven en handelen. En daarenboven, ik bid u, denk niet, dat iets, dat de Heere doet, hard kan zijn. Hy is één en al zachtheid en teederlieid. Het eenigu, wat Hij ooit verdorven heeft, was deze vijgeboom. Hij heeft geene menschen omgebracht, zooals Elia, \'toen hij vuur van den hemel op hen deed nederdalen, of gelijk Elisa toen de beren uit het woud kwamen. Het is slechts een onvruchtbare boom, dien Hij doet verdorren. Hu\' is een en al liefde en teederheid; Hü verlangt u niet te verdorren, en dat zal Hij ook niet, zoo gij slechts waar zijt. Het minste wat Hü van u kan verwachten is, dat gy waar zyt in hetgeen gij belydt. Zijt gy in opstand, omdat Hy u vraagt niet te huichelen? Indien gy begint achteruit te slaan tegen zyne vermaningen, dan zou het wezen, alsof gy onwaar zyt in uw hart. Instede van dit, kom, buig u ootmoedig neder aan zijne voeten en zeg: „Heere, indien iets van deze ontzaggelijk ernstige waarheid op mij van toepassing is, zoo smeek ik Ü, laat het doordringen tot myne conscientie, opdat ik er de kracht van gevoele en tot U vluchte om verlossing.quot;\' Velen worden op die wyze bekeerd — deze harde, maar ware dingen drijven hen weg uit hunne toevlucht der leugenen, en brengen hen er toe om waar te zijn tegenover Christus en hunne eigene ziel.

„Maar,quot; zegt iemand, „ik weet wat ik doen zal; ik zal nooit eenigerlei belijdenis afleggen; ik zal geene bladeren voortbrengen.quot; Myn vriend, ook dat is eene weerstrevende, oproerige gezindheid. In plaats van op die wijze te spreken moest gij zeggen: „Heere, ik vraag U niet om mijne bladeren weg te nemen, maar om vrucht voort te brengen.quot; Zonder bladeren zal de vrucht waarschijnlijk niet rijp worden. Bladeren zijn voor de gezondheid van den boom volstrekt noodzakelijk, en de gezondheid van den boom is volstrekt noodzakelijk voor het rypen der vruchten. De openlijke belijdenis des geloofs is goed en moet niet worden geweigerd. Heere, ik zou geen enkel blad willen missen. Ik wensch niet ergens in een\' hoek te worden verborgen; ik wensch te staan op de plaats, waar de menschen myne goede werken zien kunnen en myn\' Vader, die in de hemelen is verheerlijken. Ik vraag niet te worden opgemerkt; maar evenmin schaam ik mij te worden opgemerkt; alleen Heere, maak mij geschikt om te worden opgemerkt. In-

789

-ocr page 831-

t)E VERDORDE VIJGEBOOM.

dien een officier tot een\' soldaat zeide: „Sta vast op uwe plaats, maar zorg uwe patronen gereed te hebben, zoodat gij met geen ongeladen geweer schiet,quot; en die soldaat zou antwoorden: „Ik kan niet zoo precies en nauwkeurig wezen; ik wou maarliever naar de achterhoede gaan.quot; Zou dat een gepast antwoord wezen? Lafaard! omdat uw overste u waarschuwt om geen schtjnsoldaat te zijn, wilt gij nu maar liever wegloopen! Voorwaar, gij zijt wel een zeer slecht soort van soldaat. Gij zijt niet waarlyk des Heeren, indien gij zgne bestraffing niet kunt verdragen. Laten deze ernstige waarheden ons niet wegdrijven van, maar uitdrijven ioi den Heere, en ons doen zeggen: „Heere, Heere, ik bid U, help my om myne roeping en verkiezing vast te maken. Ik smeek ü, help mü de verwachte vrucht voort te brengen. Uwe genade kan dit bewerkstelligen.

Ik wensch een iegelijk hier tegenwoordig, aan te sporen om tot den Heere te roepen, dat Hy ons onze natuurlijke onvruchtbaarheid doe betreffen. God vruchtigen, moge de Heere ons doen treuren over onze betrekkelijke onvruchtbaarheid, al is het ook dat wij eenige vrucht dragen. U geheel voldaan te gevoelen over u zeiven is gevaarlijk; te gevoelen, dat gij heilig zijt, ja dat gij volmaakt zijt, dat is op den rand te staan van den afgrond des hoogmoeds. Indien gij uw hoofd zoo hoog houdt, dan vrees ik, dat gij u tegen den bovenpost der deur het hoofd zult stoeten. Indien gij op stelten loopt, vrees ik, dat gij zult vallen. Veel veiliger is het te gevoelen: „Heere, ik dien U en ik ben geen bedrieger. Ik heb U lief; Gy hebt de werken des Geestes in mij gewrocht. Maar helaas! ik ben niet wat ik verlang te zijn, ik ben niet wat ik behoor te wezen. Ik streef naar heiligheid; help mij haar te bereiken. Heere, ik zou in het stof voor U willen nederliggen, als ik bedenk, hoe er aan mij is gearbeid door uwen Geest, en dat ik toch zoo weinig vruchten draag. Ik gevoel my minder dan niets. De kreet myns harten is: O God wees my genadig. Indien ik alles gedaan had, dan zou ik toch nog slechts een onnutte dienstknecht zijn; maar zoo weinig gedaan hebbende, Heere, waar zal ik myn schuldig hoofd verbergen?quot;

Eindelyk, als gy deze belijdenis hebt gedaan, en de Heere u heeft gehoord, dan is er een zinnebeeld in de Schrift, dat ik u wensch te zien navolgen. Gesteld eens, dat gij u heden morgen zoo droog en dor gevoelt, zoo dood en onvruchtbaar, dat gij God niet kunt dienen, zooals gy wel zoudt wenschen, ja dat gy zelfs niet om meer genade kunt bidden, gelijk gy het zoudt willen. Dan zijt gij zoo ongeveer als die twaalf staven. Zij zijn droog en dood, want zij waren in de hand gehouden van twaalf oversten, die ze gebruikt hadden als ambtsstaven. Deze twaalf staven werden weggelegd voor het aangezicht des Heeren. Die eene is de staf van Aaron; maar hy is even dood

790

-ocr page 832-

DE VERDORDE VIJGEI300M.

791

en droog als al de anderen. Alle twaalf worden nedergelegd ter plaatse waar de Heere verblijft. Den volgenden morgen gaan wij er naar zien. Elf van die staven zyn nog dor en dood; maar ziet nu den staf van Aaron! Wat is er gebeurd ? Hij was zoo droog als de dood. Ziet, hij bloeit! Dit is wondervol. Er zijn amandelbloesems aan. Gvj kent die roode en witte bloesems! Wonderlijk! Maar ziet wederom; hij draagt amandelen. Ziet deze groene vruchten, die er uitzien als perziken. Neemt er het vleezig omhulsel van weg; hier is een amandel, dien gü kunt openen om er de pit uit te halen. De hemelsche kracht is over dien drogen staf gekomen, en hij is uitgebot, hjj bracht bloeiöel voort en droeg amandelen. Vrucht dragen is het bewijs van leven en van gunst. Heere, neem heden morgen deze arme staven, en doe ze bloeien. Heere, hier zyn wy in een\' bundel vereenigd, doe dat wonder ook aan duizenden van ons. Doe ons bloesems voortbrengen en vruchten dragen! Kom met uwe goddelijke macht, en doe deze vergadering van een takkebos tot een woud worden. O dat onze gezegende Heer van den een\' of anderen drogen stok eene vijg mocht verkrijgen! eene vügten minste zooals deze; „O God! wees mij zondaar genadig,quot; er is liefelijkheid in dat gebed. Onze Heere Jezus bemint den smaak van vijgen als deze; „Heere, ik geloof, kom Gij mijn ongeloof te hulp.quot; Ziet hier nog eene andere; „Zoo Hy mij doodde, zou ik niet hopen?quot; — dat is eene geheele mandvol van de beste, rüpe vijgen, en de Heere verblijdt zich in hare zoetheid. Kom Heilige Geest, breng heden vrucht in ons voort door het geloof in Jezus Christus, onzen Heere, Amen, ja Amen.

-ocr page 833-

NIET ÜAN BLADEREN.

„Daarbij gekomen zijnde vond hij niet dan bladeren.quot; Markus XI: 13.

De meesten der wonderen van Mozes waren groote tentoon-spreidingen der goddelijke gerechtigheid. Wat waren zijne eerste tien wonderen anders dan tien plagen ? Hetzelfde kan gezegd worden van de profeten, inzonderheid van Elia en Elisa. Was het niet karakteristiek beide van den aard en de zending van Elia toen hij vuur van den hemel deed nederdalen over de hoofdmannen van vijftigen? En ook ty, op wien zijn mantel was gevallen, was niet minder schrikkelijk, toen de berinnen wraak oefenden op zijne bespotters. Het was weggelegd voor onzen in het vleesch verschenen Heere om het hart Gods te openbaren. De Eeniggeborene was vol van genade en waarheid, en in zijne wonderen wordt God bovenal voorgesteld als de God der liefde. Met uitzondering van het wonder hier vermeld, en wellicht een deel van een ander, waren alle de wonderen van Jezus volkomen weldadig van aard, ja zelfs is dit wonder slechts in schijn, niet in werkeUjkheid, eene uitzondering op dien regel. Het opwekken der dooden, het spijzigen der scharen, het doen bedaren van den storm, de genezing van kwalen en krankheden — wat waren zij anders dan eene tentoonspreiding van de goedertierenheid Gods? Wat moest het ons leeren, indien niet dat Jezus Christus op eene boodschap van zuivere genade is uitgegaan van zijn\' Vader? Laten wij er ons in verheugen, dat God zijne fee/cfe jegens ons bevestigt, dat Christus ,te zijner tüd voor de goddeloozen is gestorven.quot;

Evenwel, als om te toonen, dat Jezus, de Zaligmaker, ook Jezus de Rechter is, moet er één enkele straal van gerechtigheid flikkeren. Waar zal de barmhartigheid haar op doen vallen? Ziet, mijne broeders, het is niet een mensch, die erdoor getroffen wordt, maar een levenloos, voor geen lijden vatbaar voorwerp — een boom. De vloek — indien wij het een vloek kunnen noemen — trof geen mensch of dier, zelfs niet het geringste insect; zijn pijl kwam zonder schade aan te richten

-ocr page 834-

Niet dan bladeren.

op een vügeboom aan den weg. Die boom droeg alle kentee-kenen van onvruchtbaarheid, en was wellicht niemands eigendom. Het verlies was dus zeer gering, dat iemand door het verdorren van dien boom kon lijden, terwyl een onderwijs, kostbaarder dan duizenden akkers, beplant met vijgeboo-men, ons door alle tijden en eeuwen gebleven is. Het eenig ander voorbeeld, waarop ik zoo even zinspeelde, was het verlof aan de duivelen om in de zwijnen te varen, en de geheele kudde zich van de steilte in de zee wierp en omkwam. Welk eene genade was het ook toen niet, dat de Heiland niet toeliet, dat menschen de slachtoffers werden van den booze!Hetwas oneindig beter, dat de geheele kudde zwijnen omkwam, dan dat één mensch door den invloed van den booze waanzinnig zou worden. De schepselen, die versmoorden in de zee, waren slechts zwijnen —zwijnen, die hunne Joodsche eigenaars het recht niet hadden te houden, en ook zij kwamen niet om door de werking van JezusChristus,maar door de boosheid der duivelen, want zelfs zwijnen moeten loopen, als zy doorde duivelen gedreven worden.

Beschouwt dan met aandacht dit ééne voorbeeld van streng recht, dat door den Heiland werd geoefend. Indien Christus in geheel zyn leven slechts één wonder heeft gedaan om een oordeel te volvoeren, dan moet die eenige les wel vol van betee-kenis zijn. Indien er slechts één vloek is, wat zal er door getroffen worden? Wat is de zinnebeeldige leering, die er in ligt opgesloten? Ik weet niet, of ik ooit dieper en ernstiger de noodzakelijkheid heb gevoeld van wezenlijke vruchtbaarheid voor God, dan terwijl ik over deze wonder-gelijkenis nadacht, want aldus kan dit met recht worden genoemd. De vloek treft— gelijk gij terstond zult bemerken — in zijne zinnebeeldige en geestelijke beteekenis hen, die eene schoone en krachtige belijdenis van geloof afleggen, maar ontbloot zijn van ware heilig-ligheid; op hen, die zeer vele bladeren vertoonen, maar Gode geene vrucht voortbrengen. Slechts één bliksemstraal, maar hij is voor hen, die voorwenden te hebben, wat zij niet bezitten; slechts één vloek, maar hy is voor de huichelaars. O gezegende Geest, schrijf deze hartdoorgrondende waarheid op ons hart!

I, Wij zullen onze verklaring beginnen met de opmerking,

dat ee vele boomen waren met niet dan bladeren er aan, maar dat geen van hen, dan alleen deze vijgeboom, door den vloek des heilands werd getroffen. Het is in den aard van vele boomen om den mensch niets dan hunne schaduw te geven. De Heiland heeft zich, toen Hem hongerde, niet naaiden eik begeven, of naar den olm, om er eenige spijze aan te zoeken; en evenmin kon de spar of pijnboom, hem eenige ververkwikking bieden. Hy heeft dan ook ten opzichte dier boomen geen enkel hard woord gesproken, want Hij wist wat in hen was, dat zij geene vruchtboomen waren, en ook niet voor-

-ocr page 835-

NIET DAN BLADEEEN.

794

gaven het te zijn. En zoo, müne vrienden, zyn er vele menschen; wier leven bladeren voortbrengt, maar geene vrucht, en toch heeft God geduld met hen. Het wordt hun vergund hun\' tijd uit te leven, en dan worden zü, wel is waar, uitgehouwen en in het vuur geworpen; maar zoo lang hun toegelaten wordt staan te blijven, treft hen geen vloek; de lankmoedigheid Gods wacht om hun genadig te zijn. Dat zijn sommigen van de karakters, die bladeren, maar geene vruchten hebben. Er zijn duizenden, die wel het teeken aanhangen, maar niets kennen van het wezen der zaak. Wij, in Engeland, achten ons ver verheven boven de Roomsche landen, maar hoe veel van het wezen van het pausdom vertoont zich nog in veler aanbidding! Zij gaan naar de kerk, en zü denken, dat het bloote gaan naar zulk eene plaats der aanbidding, en het gedurende eenigen tijd daar neder zitten eene Gode welbehagelijke daad is. Wat bloote vorm is, wordt dus aangezien voor geestelijke aanbidding! Zij zorgen er voor, dat hunne pasgeborene kinderen gedoopt worden, maar wat die plechtigheid beteekent, weten zij niet, en zonder eens in hun\' Bijbel te zien, of de Heere die ordinantie aldus werkelijk heeft ingesteld, bieden zy Hem hunne eigenwillige aanbidding, en worden daarin geleid of door hunne gehoorzaamheid aan gewoonte en gebruik, of door het bijgeloof der onwetendheid. Wat de zaak is, of waarom zij moet geschieden, daar vragen zij niet naar, zij verrichten die godsdienstige plechtigheid, zooals sommige papegaaien gebeden opzeggen. Van de innerlijke en geestelijke genade, waarvan de Cathechismus spreekt, weten zij niets, indien ook inderdaad innerlijke, geestelijke genade ooit in verband kan staan met een onschriftuurlijk en uitwendig teeken. Als deze arme zielen tot des Heeren Avondmaal komen, dan gaan hunne gedachten niet verder dan het brood en den wijn, of de hand, die het brood breekt en den wyn uitstort. Zij weten niets hoegenaamd van gemeenschap met Jezus, van het eten van zijn vleesch en het drinken van zyn bloed; hunne ziel is tot aan het buitenste omhulsel genaderd, maar tot aan de kern zijn zij niet gekomen om er de zoetigheid van te proeven. Zij hebben den naam te leven, en zijn dood; hun godsdienst is eene bloote vertooning; een uithangbord zonder herberg; eene fraai aangerichte tafel zonder spijzen; eene prachtige vertooning, waar niets goud, maar alles verguld is; niets werkelijkheid, maar alles schijn is. Gansche menigten leven en sterven volkomen voldaan met het uitwendig kleed van den godsdienst, maar geheel en al vreemd aan innerlijke, levende godsvrucht. Toch zijn zulke menschen in hun aardsche leven niet gevloekt! Neen, wij moeten medelijden met hen hebben, voor hen bidden, hen opzoeken, hen naderen met woorden van liefde en trouwe waarheid. Wij moeten voor hen hopen; want wie weet of God hen niet nog tot bekeering

-ocr page 836-

NIET DAN BLADEREN.

zal roepen, of zü niet nog het leven Gods in hunne zielen zullen ontvangen.

Eene andere, zeer talrijke, klasse bestaat uit menschen, die wel eene denkwijze, eene meening hebben, maar geen geloof, eene geloofsbelijdenis zonder geloofsvertrouwen. Wij ontmoeten hen overal. Hoe ijverig zijn zij voor het Protestantisme! Zij zouden niet slechts voor de orthodoxie willen sterven, maar ook anderen er voor willen doen sterven. Het is wellicht de Calvinistische leer, die zij hebben aangenomen, en dan zijn de „vijf artikelenquot; hun even dierbaar alshunne vijf zinnen. Deze menschen zullen — om niet te zeggen met ernst, maar met woede, strijden voor het geloof. Met groote heftigheid brandmerken zij iedereen, die in het minst of geringst met hen in gevoelen verschilt, en spreken met de uiterste vrijgevigheid het oordeel der verdoemenis uit over allen, die in de schaal van hun Zoar, Eehoboth of Jireh te licht wordt bevonden, terwijl toch al dien tijd de geest van Christus, de liefde des Geestes, de ingewanden der barmhartigheid en de heiligheid van karakter evenmin van hen te verwachten zyn, dan men druiven van doornen, of vijgen van distelen kan verwachten. Mijne broeders, de leer is zeer hoog te waardeeren! Wee der kerke Gods, wanneer de dwaling als eene kleinigheid wordt aangezien, want do waarheid zal dan licht geacht worden, en wat blijft ons over, als de waarheid weg is? Maar toch zullen wij ons grootelijks vergissen, als wij denken, dat wy door rechtzinnigheid van geloofsbelijdenis zalig zullen worden. Ik heb een afkeer van het geroep van ,,de waarheidquot;, „de waarheidquot;, „de waarheidquot; van menschen, wier leven verdorven en wier karakter onheilig is. Er is een orthodoxe, zoowel als een heterodoxe, een rechtzinnige, zoowel als een onrechtzinnige weg naar de hel, en de duivel weet even goed met Calvinisten als met Arminianen om te gaan. Geene kerk kan de zaligheid verzekeren; geen vorm van leerstelling kan ons het eeuwige leven waarborgen. „Gijlieden moet wederom geboren worden.quot; Gü moet vruchten voortbrengen der bekeering waardig. „Alle boom dan, die gjene goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.quot; Als wij niet door wezenlijk geloof in levensgemeenschap komen met den Heere Jezus, dan ontbreekt ons de groote eigenschap om den hemel binnen te gaan. Toch is de tijd nog niet aangebroken, wanneer deze bloot verstandelijke geloovigen vervloekt worden. Dezeboomen hebben niet dan bladeren; maar geen vloek heeft hen nog hopeloos doen verdorren. Neen, zij moeten opgezocht worden; zij kunnen er nog toe komen den Heere ook in hun hart te kennen, en de Heilige Geest kan van hen nog volgelingen maken van het Lam. O mocht het zoo zijn!

Eene derde klasse van menschen hebben woorden zonder ge-

795

-ocr page 837-

NIET DAN BLADEREN.

voel. De heer „Praterquot; in Bnnyan\'s Christen reize is de vertegenwoordiger van een zeer groot heir. Zij spreken heel rad over de goddelijke xaken. Hetzij het onderwerp de leer betreft, of de ervaring, of de praktijk, zij kunnen over alles even vloeiend spreken. Maar blijkbaar komt de geheele zaak slechts van de lippen, er is geene opwelling van het hart. Als de zaak uit het hart kwam, dan zou er gloed en warmte in wezen, maar nu hangt zü als een ijskegel aan de lippen. Gij kent hen — gij kunt iets van hen leeren, maar onderwijl zijt gy u bewust, dat, zoo zij anderen zegenen door hunne woorden, zij toch zeiven ongezegend blyven. £) laat ons er toch zeer voor vreezen, dat dit met ons zoo zij. Laat de prediker den angst gevoelen van den apostel Paulus, dat hij, na anderen gepredikt te hebben, niet zelf verwerpelijk wordt bevonden, en laten müne hoorders die zelfde bezorgdheid gevoelen, dat zij, na over de dingen Gods gesproken te hebben, niet blijken wel praters, maar geene welbehaaglijke kinderen des Allerhoog-sten te zijn.

Er is nog een ander geslacht, dat zich thans aan mijne oogen voordoet — het zijn degenen, die wel beromv hebben maar geene bekeering kennen. Velen van u zullen onder eene hartontdek-kende prediking smart gevoelen van wege uwe zonde, maar toch nooit de kracht van geest hebben om ze na te \'aten. Gü zegt berouw te hebben, maar gij gaat voort op denzelfden weg. Als de dood en het oordeel u voor oogen staan, dan gevoelt gij werkelijk spijt, dat gij zoo dwaas hebt kunnen zijn, maar de kracht der verzoeking is zóó groot, dat gij den dag daarna van dezelfde dwaasheid de prooi wordt. Het is gemakkelijk den mensch tot aan den oever van de rivier des berouws te brengen, maar het water van het berouw der bekeering kunt gij hem niet doen drinken. Indien Agag door woorden kon gedood worden, geen Amalekiet zou in het leven blijven. Indien des menschen voorbijgaande droefheid over de zonde werkelijk berouw was, dan /.ou er niemand zijn, die niet nu en dan waarlijk boetvaardig geweest is. Maar hier zijn slechts bladeren, geene vruchten.

En wederom anderen komen wel tot besluiten en voornemens, maar niet tot de daad. Zij zullen\'. Ach, dat zij wilden! Maar het is altijd in den toekomenden tijd. Zij zijn hoorders, en dikwijls hebben zij ook gevoel onder het hooren, maar zij zijn geene daders des Woords: daartoe komt het nooit bij hen. Zij wilden wel vry zijn, maar zij hebben het geduld niet hunne boeien door te vijlen, evenmin als de genade om ze aan den hamer te onderwerpen. Zij zien wat recht, is, maar laten zich beheerschen door hetgeen verkeerd is. De schoonheid der heiligheid bekoort hen, en toch laten zij zich door de zonde misleiden. Zij zouden in den weg van Gods geboden willen loo-

796

-ocr page 838-

nIet dan bladeren.

pen, maar de weg is te ruw en het loopen is vermoeiend. Zy zouden voor God willen strijden, maar het is moeieiijk de overwinning te behalen en zoo zijn zy nauwelijks uitgegaan ten stride, of zij keeren reeds weder terug. Zij slaan de hand aan den ploeg, en aan blijken zy gansch en al het koninkrijk onwaardig.

De groote meerderheid van hen, die nog eenigerlei godsdienst hebben, brengen wel bladeren, maar geene vruchten voort. Ik weet, dat er zoodanigen hier zyn, en ik doe u de ernstige waai--heid hooren; ofschoon gy nog door geen\' vloek wordt getroffen; ofschoon wü niet gelooven, dat het wonder, hetwelk wij thans te zamen overdenken, op eenigerlei manier nog betrekking heeft op u, zoo herinnert u toch, dat er met boomen, dieniet dan bladeren voortbrengen, niets gedaan kan worden, behalve ze ter bestemder tijd uit te houwen en in het vuur te werpen, en dat dit uw lot moet wezen. Zoo waarlijk als gy leeft onder het geklank van het Evangelie, maar er nog niet door bekeerd zijt, zoo waarlyk zult gij uitgeworpen worden in de buitenste duisternis. Zoo zeker als Jezus Christus u uitnoodigt en gy niet wilt komen, zoo gewis zal Hij zyne engelen zenden om de doode ranken bijeen te verzamelen, en gij met haar, om ze in het vuur te werpen. O zie toe, gij onvruchtbare boom! gy zult niet eeuwig blyven staan! De genade bevochtigt u thans nog met hare tranen; Gods goedertierenheid graaft nog om u; nog komt de landman, jaar op jaar, om te zien, of gy ook vrucht gedragen hebt. Neem u in acht! de byl is scherp, en het is de hand der Almacht, die haar zwaait. Zie toe, dat ook gy niet in het vuur geworpen wordt!

II. Ten tweede: er waren andere boomen, die noch bladeren, noch vruchten droegen, en geen van dezen werd gevloekt.

De tijd der vygen was nog niet gekomen. En daar nu de vijgeboom of vijgen voortbrengt eer hij in blad komt, 6f tegelijk vijgen en bladeren draagt, moeten de meeste boomen — wellicht wel allen — behalve die ééne, geheel en al zonder vijgen en zonder bladeren geweest zijn; en toch heeft Jezus geen hunner gevloekt, want de tyd der vygen was nog niet gekomen.

Hoe groot is het getal van hen, die volstrekt ontbloot zijn van alles wat op godsdienst gelijkt. Zij wenden ook geene godsdienstigheid voor. Niet slechts brengen zy geene vruchten der godzaligheid voort, zij hebben ook de bladeren niet van den uitwendigen eerbied voor den godsdienst. Zy bezoeken de voorhoven niet van het huis des Heeren; zij gebruiken geenerlei vorm van gebed; zü nemen geen der inzettingen waar. quot;Welken invloed oefent de godsdienst op de groote massa in

797

-ocr page 839-

niet Dan bladeken.

deze stad. Het is treurig te denken, dat er menschen zyn, die in volslagen duisternis verkeeren en toch vlak naast het licht wonen, dat gij in de eigen straat, waar het Evangelie gepredikt wordt, personen kunt vinden, die nog nooit het Evangelie hebben hooren verkondigen. Zyn er niet tienduizenden van menschen in deze groote stad, die in zaken, den godsdienst betreffende, geen onderscheid weten tusschen hunne rechterhand en hunne linkerhand? Hunne kinderen gaan naar de Zondagschool, maar zij zeiven brengen den geheelen Zondag door met alles behalve met de aanbidding van God. Er zyn in ons land steden en dorpen, waar op de bevolking geenerlei kerk ook maar den minsten invloed oefent. Neem als voorbeeld het dorp Hedingham. Daar zijn kerken van allerlei richting, en toch is het gebeurd, dat er een man gruwelijk vermoord werd, omdat men hem voor een\' toovenaar hield. Moeten de personen, die dezen moord bedreven hebben, niet even onwetend zijn en even onverschillig voor gezond verstand als Kaffers of Hottentotten, die nooit door het licht van den godsdienst werden beschenen? Hoe kon dit geschieden? Was het niet omdat er geen genoegzame zendingsijver was onder de Christenen om uit te gaan tot de onderste lagen der maatschappij, zoodat er gansche menigten zijn, die nooit met eenigerlei godsvrucht in aanraking komen? In Londen zullen de stadszende-lingen getuigen, dat, terwijl zij soms wel een woord kunnen spreken tot de vrouwen, duizenden van mannen noodzakelijk afwezig moeten zijn gedurende het bezoek van den zendeling, en dus nooit een woord hooren van bestraffing of vermaning, van uitnoodiging of bemoediging om tot Jezus te komen. Voor alle practische doeleinden zouden die menschen even goed in het hart van Afrika als in de stad Londen geboren zijn kunnen worden, want zij zijn zonder God, zonder hoop, vervreemd van het burgerschap Israels, verre zijnde, niet slechts door booze werken, maar ook door hunne volslagene onwetendheid om-trend God.

Deze menschen kunnen wij verdeelen in twee klassen, op geen van welke de verdorrende vloek valt in dit leven. Op de eerste zien wij met hoop. Het is waar, wy kunnen noch bladeren noch vruchten bij hen ontdekken, maar wy weten, dat het „de tijd der vijgen nog niet is.quot; Zij zijn door God uitverkoren, maar zij zyn nog niet geroepen. Hunne namen \'zijn geschreven in het Boek des Levens des Lams, en zij waren daar van voor de grondlegging der wereld. Ofschoon zij dood zyn door de misdaden, zijn zij toch de voorwerpen der goddelijke liefde, en ter bestemder tijd moeten zij door onweerstaanbare genade worden geroepen en overgebracht worden van de duisternis tot het licht. „De Heere heeft veel volks in deze stadquot;, en het behoorde voor een iegelijk uwer eene aanmoediging tezynom

798

-ocr page 840-

K1ET DAN BLADEREN.

te trachten goed te doen, dat God onder de snoodsten der snooden, onder de meest verdorven dronkaards, en doorbrengers, en iGsbandigen züne uitverkorenen heeft, die verlost moeten worden. Als gij tot hen gaat met het. Woord, dan doet gÜ dit, omdat God u verordineerd heeft om de boodschap des levens te brengen tot hunne ziel, en zü moeten het ontvangen, want aldus luidt het raadsbesluit der voorverordineering: in de volheid des tüds moeten zij geroepen worden om broederen van Christus en kinderen des Allerhoogsten te zyn. Waarde vrienden, zü zijn vrijgekocht en verlost, maar zij zijn nog niet wedergeboren — maar toch even stellig verlost door het dierbaar bloed als de heiligen voor den eeuwigen troon. Zij zijn het eigendom van Christus, en toch staan zy wellicht thans nog aan de deur der herberg te wachten tot zij geopend wordt; — vrijgekocht door Jezus\' dierbaar bloed, en toch wellicht hunne nachten nog doorbrengende in een huis der ontucht, en hunne dagen in zonde; doch als Jezus Christus hen gekocht heeft, dan zal Hij hen hebben. Indien Hij zijn hartebloed voor hen gestort heeft. God is niet ontrouw om het rantsoen te vergeten, dat zyn Zoon voor hen heeft betaald. Tienduizenden van verlosten zijn vooralsnog niet wedergeboren; maar wedergeboren moeten zij worden; en dit is uw troost en de myne, als wy met het levendwekkend Woord van God uitgaan. Ja meer: voor deze ongodvruchtigen bidt Christus voor den troon. „Ik bid niet alleen voor dezenquot;, heeft de groote Voorbidder gezegd, „maar ook voor degenen, die door hun woord in mij gelooven zullen.quot; Zij zeiven bidden niet, de arme onwetende zielen, zij weten niets van bidden; maar Jezus bidt voor hen. Hunne namen zyn op zijne borst, en eerlang moeten zy hunne weerstrevende knieën buigen, en de zucht der boetvaardigheid slaken voor den troon der genade. „Het is de tyd nog niet der vijgen.quot; Het te voren vastgestelde oogenblik is nog niet gekomen; maar als het komt, dan zullen zij, want God zal de zijnen hebben; zij moeten, want de Geest is niet te wederstaan als Hij uitgaat met macht — zij moeten gewillige dienstknechten worden van den levenden God. „Uw volk zal zeer gewillig zijn op den dag uwer heirkracht.quot; „Hij zal velen rechtvaardig maken.quot; „Om den arbeid zijner ziel zal hij het zien en verzadigd worden.quot; „Daarom zal Ik hem een deel geven van velen, en hij zal de machtigen als een roof deelen.quot;

Op dezen valt geen vloek; zy\'verdienen het; maar de eeuwige liefde voorkomt het. Hunne zonden schrijven den vloek voor hen, maar het volbrachte zoenoffer wischt dit schrift uit. Wèl mochten zy\' verloren gaan, omdat zü geene barmhartigheid zoeken te verkrijgen; maar Christus treedt voor hen tusschen-beiden, en zy\' zullen leven.

Maar helaas! onder hen, die noch bladeren noch vruchten

799

-ocr page 841-

Niet dan ëLadeRe^.

hebben, zijn er ook, die noch de eene noch de andere ooit zullen voortbrengen. Zij leven in zonde en sterven in onwetendheid, en komen hulpeloos om. Kunnen dezen, als zij de wereld verlaten, ons verwijten, dat wij hen veronachtzaamd hebben? Zün wij onschuldig aan hun bloed? Zou niet het bloed van velen hunner tegen ons roepen van den aardbodem ? Zouden zy, van wege hunne zonden veroordeeld zijnde, ons niet kunnen beschuldigen, dat wij hun het Evangelie niet hebben gebracht, maar hen gelaten hebben waar zy waren? Schrikkelijke gedachte! Maar wij moeten haar niet van ons af zetten. Er zijn dagelijks tien duizenden, die zonder verlost te zijn overgaan naar de wereld der geesten, en den rechtvaardigen toorn Gods beërven. Maar gij ziet; in dit leven valt nog geen vloek op hen, en dit wonder heeft geene bijzondere betrekking op hen, maar op eene gansch andere soort van menschen, van wie wij thans zullen spreken.

III. Wij hebben hieu een bijzonder geval.

Ik heb reeds gezegd, dat aan een vügeboom de vrucht voorafgaat aan de bladeren, of wel, de bladeren en de vruchten komen tegelijk; zoodat men als algemeenen regel kan aannemen, dat zoo er aan een\' vygeboom bladeren zün, men er ook met recht vruchten aan kan verwachten.

Om dan nu met de verklaring van dit bijzondere geval te beginnen: aan een\' vijgeboom komt de vrucht vóór de bladeren. Evenzoo zullen in een waar Christen de vruchten aan de belijdenis voorafgaan. Neem iemand, waar het ook zij, die een waar dienstknecht van God is. Eer hij zich bij de gemeente heeft aangesloten, of in de openbare bijeenkomst voorgegaan is in het gebed, of zich met het volk Gods heeft vereenzelvigd, heeft hij zich zeiven beproefd om te zien of hij waarlijk smart heeft over de zonde. Hij begeerde te weten, of hij |een oprecht geloof had in den Heere Jezus Christus, en hij heeft wellicht ook eene wijle getoefd om te zien of er vruchten der heiligheid zijn in zijn dagelijksch leven. Ik kan wel zeggen, dat sommigen al te lang wachten. Zij ziin zoo bevreesd van eene genade te belijden, die zy niet zeiven bezitten, dat zij jaar op jaar — ja veel te lang — wachten en onverstandig worden, zoodat zij, hetgeen eene deugd in hen was tot eene ondeugd maken. Maar bij de Christenen is dit de regel: zij geven zich zeiven eerst aan den Heere en daarna aan des Heeren volk, door den wil van God. Gij, die dienstknechten Gods zijt — veracht gij het niet te roemen „buiten de maat?quot; Zoudt gij het niet schandelijk achten iets te belijden, dat gij niet gevoeld, niet ervaren hebtquot;? Gevoelt gij geene heilige vreeze als gij anderen onderwijst, dat gij hun niet méér leert dan God u geleerd heeft? Ja bekruipt u zelfs bij uw gebed de vrees niet Uitdrukkingen te gebruiken, die verder gaan dan de diepte van

80u

-ocr page 842-

tilEt DAN BLADEEËN.

beteekenis, die gij verstaat? Ik houd er my van verzekerd, dat de ware Christen altijd bevreesd is voor alles wat maar eenigszins gelijkt op het hebben van bladeren voor dat de vrucht aanwezig is.

Hieruit volgt, dat waar wij bladeren zien, wij het recht hebben vrucht te verwachten. Als ik iemand zie, die lid is der gemeente; als ik hem in het openbaar hoor bidden, dan verwacht ik ook heiligheid in hem te zien. het karakter en het beeld van Christus. Ik heb het recht dit te verwachten, omdat die mensch plechtig verklaard heeft der goddelijke genade deelachtig te zijn. Gij kunt u niet aansluiten bij eene gemeente zonder eene ernstige veraniwoordelijkheid op u te nemen. Wat verklaart gy, als gij tot ons komt en vraagt om tot gemeenschap met ons te worden toegelaten? Gij zegt ons, dat gij züt overgegaan van den dood in het leven, dat gij zijt wedergeboren, dat er eene verandering in u heeft plaats gehad, die gij nooit te voren gekend hebt en alleen door God kan zijn gewrocht. Gij zegt ons, dat gij de gewoonte hebt van in het verborgen te bidden, dat gij de bekeering wenscht van anderen. Indien gij dit niet beleedt, dan zouden wij li niet durven aannemen. Welnu, dit alles beleden hebbende, zou het onoprecht in ons wezen, indien wij niet verwachtten, dat uw karakter, uw bestaan heilig, uw wandel zuiver en rein is. Uwe belijdenis geeft ons het recht dit van u te verwachten. Wij hebben het recht dit te verwachten van het werk des Heiligen Geestes, dat gij zegt in u te zijn geschied. Zal de Heilige Geest in iemands hart werken om niets dan eene beuzeling voort te brengen? Denkt gij, dat de Geest Gods ons dit Boek zou hebben geschreven, en dat Jezus Christus zijn dierbaar bloed zou hebben gestort om niets dan een huichelaar voort te brengen? Is een Christen, die niet leeft naar zijne belijdenis, het hoogste werk van God ? Ik denk, dat Gods plan der verlossing zijne gedachten en zijne wijsheid meer in aanspraak heeft genomen dan het scheppen van werelden en de onderhouding dier werelden door zijne voorzienigheid; en zal dit beste, dit hoogste, dit eenige werk van God niets anders dan zulk een armzaligen, lagen, pratenden, werkeloozen en onvrucht-baren bedrieger voortbrengen? Gij hebt geene liefde voor uwe eigene ziel, geen verlangen om het koninkrijk des Verlossers uit te breiden, en toch denkt gij, dat de Geest u gemaakt heeft wat gij zijt! Geen ijver, geene ingewanden der barmhartigheid, geen roepen der ernstige smeeking, geen worstelen met God, geene heiligheid, geene zelfverloochening, en toch zegt gij een vat te zijn, gewrocht door den Meester en geschikt om door Hem te worden gebruikt! Hoe kan dit? Neen, indien gij belijdt een Christen te zijn, dan hebben wij, van wege de noodwendigheid van het werk des Geestes, het recht vrucht van u te verwachten. En daarenboven: in echte belijders zien wij

Sul

51

-ocr page 843-

NIET DAN BLADEREN.

ook werkelijk de vruchten. Wij zien eene trouwe verknochtheid aan de zaak des Verlossers, een volharden tot den einde, in armoede en krankheid, in versmaadheid en vervolging. Wij zien, dat andere belijders vast houden aan de waarheid. Zij worden niet ter zijde afgekeerd door verzoeking; zij brengen geen\' smaad over de zaak, die zij hebben omhelsd, en zoo gij belijdt tot hen te behooren, dan hebben wij het recht dezelfde gezegende vruchten des Geestes van u te verwachten, en zoo wij ze niet zien, dan hebt gij ons bedrogen.

Merkt voorts op, dat Heere hongert naar vruchten. Iemand, die honger heeft, zoekt naar iets, dat hem kan verzadigen; naar vruchten, niet naar bladeren! Jezus hongert naar heiligheid. Dat is eene sterke uitdrukking, zegt gij wellicht; maar ik twijfel volstrekt niet aan hare juistheid. Waartoe zijn wij uitverkoren? Wij werden verordineerd om den beelde van Gods Zoon gelijkvormig te worden. Wij zijn geschapen tot goede werken: „welke God voorbereid heeft, opdat wy in dezelve zouden wandelen.quot; Wat is het doel der verlossing? Waarom is Jezus Christus gestorven? „Die zichzelven voor ons gegeven heeft, opdat hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en zich zei ven een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken.quot; Waartoe zijn wij anders geroepen dan om heilig te zijn? Met welk doel zijn de groote werkingen geschied van het verbond der genade? Wijzen zü niet allen naar heiligheid\'.\' Indien gij denkt aan eenig voorrecht, dat de Heere zün volk schenkt door Christus, dan zult gij bemerken, dat zij allen deheiligma-king van het uitverkoren volk bedoelen, bedoelen hen vruchten te doen voortbrengen opdat God de Vader in hen zou worden verheerlijkt. O Christen, daarvoor heeft Hij doodsbenauwdheid geleden en is Hem het bloedig zweet uitgeperst! Daarvoor heeft Hij zijne vijf doodwonden ontvangen! Daarvoor werd Hij begraven en is Hij opgestaan uit het graf. dat Hij u heilig, ja volkomen heilig zou maken, gelijk Hij zelf heilig is. Kan het nu zijn, dat gij, als Hij hongert naar vruchten, voor het vrucht-dragen onverschillig zijt? O belijder, hoe snood zijt gij, om u een door Christus bloed vrijgekocht kind van God te noemen, en toch u zeiven te blijven leven! Hoe durft gij, onvruchtbare boom, terwijl gij zegt, dat gij bewaterd zijt door het bloedig zweet, en dat er om u heen gegraven is door de smarten van den verwonden Zaligmaker — hoe durft gij bladeren voort te brengen en geene vruchten ? O heiligschennende bespotting van den hongerenden Zaligmaker! O goddeloos tergen van den hongerenden Heere! dat gü belijdt, dat gij Hem dit alles gekost hebt, en Hem toch niets oplevert! Als ik bedenk, dat Jezus hongert naar vruchten in my, dan wekt dit mij op om meer voor Hem te doen. Heeft dit op u niet dezelfde uitwerking?

802

-ocr page 844-

NIKT DAN BLADEREN.

Hü hongert naar uwe goede werken; Hü hongert er naar u nuttig te zien en tot zegen voor anderen. Jezus, de Koning der koningen, hongert naar uw gebed, hongert naar uwe bezorgdheid voor de zielen van anderen, en niets zal Hem ooit voor den arbeid zijner ziel voldoening schenken dan om u geheel toegewijd te zien aan zijne zaak.

Dit voert ons naar het middenpunt en de beteekenis van dit wonder. Er zijn sommigen, die eene buitengewone belijdenis afleggen, maar den Heiland toch in zijne rechtmatige venoachting teleurstellen. De Joden hebben dit gedaan. Toen Jezus Christus gekomen is, was het de tijd niet der vijgen. De tijd der groote heiligheid was na de komst van Christus en de uitstorting des Heiligen Geestes. Alle andere volkeren waren zonder bladeren. Griekenland en Rome toonden geene teekenen van vooruitgang, maar hier was dit Joodsche volk gansch bedekt met bladeren. Zij beleden den zegen reeds verkregen te hebben, dien Hü kwam brengen. Daar stond de Farizeör met zijne lange gebeden; daar waren de schriftgeleerden met hunne diepe kennis van de dingen des Koninkrijks. Zy zeiden, dat zy het licht hadden. De tyd der vygen was nog niet gekomen, maar toch hadden zij de bladeren, alhoewel geene enkele vrucht; en gij weet welk een een vloek er op Israël is gevallen; hoe ten dage van de verwoesting van Jeruzalem de boom tot in zyn\' wortel verdord werd, omdat h;j wel bladeren, doch geene vruchten droeg.

Hetzelfde zal geschieden met elke kerk. Er zijn tijden, wanneer al de kerken als in dofte gevoelloosheid zijn verzonken — zulk een tijd hadden wij nu zoo wat tien jaren geleden — (1) maar er was misschien ééne kerk, die volkomen scheen te leven. De bijeenkomsten zijn groot. Er wordt blijkbaar veel gedaan om de uitbreiding van Christus\' koninkrijk te bevorderen. Er wordt heel veel over gesproken, er gaat veel gerucht van uit, en het volk is een en al verwachting. Zoo er nu geene vruchten zyn, geene ware overgegevenheid en toewijding aan Christus, geene wezenlijke vrijgevigheid, geene ernstige en levende godsvrucht, geene heilige overeenstemming tusschen leer en leven, dan kunnen andere kerken blijven bestaan, maar zulk eene kerk, die zoo schoon eene belijdenis heeft en zoo snel is in het voortbrengen van bladeren, zal door Gods vloek worden getroffen. Niemand zal er ooit eenigerlei vrucht van ontvangen, en zij zal verdorren.

803

Voor afzonderlijke personen is de leering van dit wonder aldus: sommigen worden beschouwd jonge geloovigen, Ais zich vroegtijdig bij de gemeente voegen. „Het is niet de tijd der vijgen;quot; het is geene gewone zaak om kinderen bekeerd te

(1) Dit werd gezegd in het jaar 1864.

-ocr page 845-

NIET DAN BLADEREN.

ook werkelijk de vruchten. Wij zien eene trouwe verknochtheid aan de zaak des Verlossers, een volharden tot den einde, in armoede en krankheid, in versmaadheid en vervolging. quot;Wij zien, dat andere belijders vast houden aan de waarheid. Zij worden niet ter zijde afgekeerd door verzoeking; zij brengen geen\' smaad over de zaak, die zij hebben omhelsd, en zoo gij belijdt tot hen te behooren, dan hebben wij het recht dezelfde gezegende vruchten des Geestes van u te verwachten, en zoo wij ze niet zien, dan hebt gij ons bedrogen.

Merkt voorts op, dat Heere hongert naar vruchten. Iemand, die honger heeft, zoekt naar iets, dat hem kan verzadigen; naar vruchten, niet naar bladeren! Jezus hongert naar heiligheid. Dat is eene sterke uitdrukking, zegt gij wellicht; maar ik twijfel volstrekt niet aan hare juistheid. Waartoe zijn wij uitverkoren? Wij werden verordineerd om den beelde van Gods Zoon gelijkvormig te worden. Wij zijn geschapen tot goede werken: „welke God voorbereid heeft, opdat wü in dezelve zouden wandelen.quot; Wat is het doel der verlossing? Waarom is Jezus Christus gestorven? „Die zichzelven voor ons gegeven heeft, opdat hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en zich zei ven een eigen volk zou reinigen, üverig in goede werken.quot; Waartoe zijn wij anders geroepen dan om heilig te zyn? Met welk doel zijn de groote werkingen geschied van het verbond der genade? Wijzen zü niet allen naar heiligheid? Indien gij denkt aan eenig voorrecht, dat de Heere zyn volk schenkt door Christus, dan zult gij bemerken, dat zij allen deheiligma-king van het uitverkoren volk bedoelen, bedoelen hen vruchten te doen voortbrengen opdat God de Vader in hen zou worden verheerlijkt. O Christen, daarvoor heeft Hij doodsbenauwdheid geleden en is Hem het bloedig zweet uitgeperst! Daarvoor heeft Hij zijne vijf doodwonden ontvangen! Daarvoor werd Hij begraven en is Hij opgestaan uit het graf. dat Hij u heilig, ja volkomen heilig zou maken, gelijk Hij zelf heilig is. Kan het nu zijn, dat gij, als Hij hongert naar vruchten, voor het vrucht-dragen onverschillig zijt? O belijder, hoe snood zijt gij, om u een door Christus bloed vrijgekocht kind van God te noemen, en toch u zeiven te blijven leven! Hoe durft gij,onvruchtbare boom, terwijl gij zegt, dat gij bewaterd zijt door het bloedig zweet, en dat er om u heen gegraven is door de smarten van den verwonden Zaligmaker — hoe durft gij bladeren voort te brengen en geene vruchten? O heiligschennende bespotting van den hongerenden Zaligmaker! O goddeloos tergen van den hongerenden Heere! dat gij belijdt, dat gij Hem dit alles gekost hebt, en Hem toch niets oplevert! Als ik bedenk, dat Jezus hongert naar vruchten in mij, dan wekt dit mij op om meer voor Hem te doen. Heeft dit op u niet dezelfde uitwerking?

802

-ocr page 846-

NIET DAN BLADEREN.

Hü hongert naar uwe goede werken; Hy hongert er naar u nuttig te zien en tot zegen voor anderen. Jezus, de Koning der koningen, hongert naar uw gebed, hongert naar uwe bezorgdheid voor de zielen van anderen, en niets zal Hem ooi!; voor den arbeid zijner ziel voldoening schenken dan om u geheel toegewijd te zien aan zijne zaak.

Dit voert ons naar het middenpunt en de beteekenis van dit wonder. Fr zijn sommigen, die eene buitengewone belijdenis afleggen, maar den Heiland toch in zijne rechtmatige venvachting teleurstellen. De Joden hebben dit gedaan. Toen Jezus Christus gekomen is, was het de tyd niet der vijgen. De tijd der groote heiligheid was na de komst van Christus en de uitstorting des Heiligen Geestes. Alle andere volkeren waren zonder bladeren. Griekenland en Rome toonden geene teekenen van vooruitgang, maar hier was dit Joodsche volk gansch bedekt met bladeren. Zij beleden den zegen reeds verkregen te hebben, dien Hü kwam brengen. Daar stond de Farizeör met zijne lange gebeden; daar waren de schriftgeleerden met hunne diepe kennis van de dingen des Koninkrüks. Zy zeiden, dat zy het licht hadden. De tyd der vijgen was nog niet gekomen, maar toch hadden zij de bladeren, alhoewel geene enkele vrucht; en gij weet welk een een vloek er op Israël is gevallen; hoe ten dage van de verwoesting van Jeruzalem de boom tot in zijn\' wortel verdord werd, omdat hy wel bladeren, doch geene vruchten droeg.

Hetzelfde zal geschieden met elke kerk. Er zijn tijden, wanneer al de kerken als in doffe gevoelloosheid zijn verzonken — zulk een tijd hadden wij nu zoo wat tien jaren geleden — (1) maar er was misschien ééne kerk, die volkomen scheen te leven. De bijeenkomsten zijn groot. Er wordt blijkbaar veel gedaan om de uitbreiding van Christus\' koninkrijk te bevorderen. Er wordt heel veel over gesproken, er gaat veel gerucht van uit, en het volk is een en al verwachting. Zoo er nu geene vruchten zyn, geene ware overgegevenheid en toewijding aan Christus, geene wezenlijke vrijgevigheid, geene ernstige en levende godsvrucht, geene heilige overeenstemming tusschen leer en leven, dan kunnen andere kerken blijven bestaan, maar zulk eene kerk, die zoo schoon eene belydenis heeft en zoo snel is in het voortbrengen van bladeren, zal door Gods vloek worden getroffen. Niemand zal er ooit eenigerlei vrucht van ontvangen, en zij zal verdorren.

803

Voor afzonderlijke personen is de leering van dit wonder aldus: sommigen worden beschouwd aAsjongegeloovigen, die zich vroegtijdig bij de gemeente voegen. „Het is niet de tijd dei-vijgen;quot; het is geene gewone zaak om kinderen bekeerd te

(1) Dit werd gezegd in het jaar 1864.

-ocr page 847-

NIET DAN BLADEREN.

zien, maar wij zien er sommigen en wij zijn er dankbaar voor. Maar wij zijn niet gerust, want wij vreezen wel bladeren, doch geene vruchten te zien. Deze jongelieden zijn in eene buitengewone positie, en daarom verwachten wij hoogere dingen van hen. Als wij teleurgesteld worden in hen, zal er dan geen vloek komen over hunne vroegrijpheid, die hen leidde tot misleiding ? Sommigen van ons werden bekeerd in onze jeugd, of zeggen dit ten minste; als wij nu tot nu toe geleefd hebben en niets hebben voortgebracht dan woorden, besluiten, betuigingen, maar geene vruchten voor God, dan moeten wij den vloek verwachten.

Er zijn ook belijders, die boven anderen uitsteken door hunne positie. Er zijn noodzakelijkerwijs slechts weinige predikanten en weinige ambtsdragers in de gemeente; maar als de menschen zich zóó onderscheiden door hun\' ü\'ver of door hunne krachtiger belijdenis dan die van anderen, dat zij het oor hebben van het Christelijk publiek en in betrekkingen van groote verantwoordelijkheid worden geplaatst, en zij brengen geene vruchten voort, dan z;jn dit de personen, op wie de vloek vallen zal. Voor andere Christenen is het wellicht „de tyd niet der vijgenquot;; zij hebben die sterke betuigingen niet gedaan; maar daar dezen op hunne belijdenis verkoren zijn tot een ambt, waarvoor in de eerste plaats vrucht vereischt wordt, zoo laat hen toezien, indien zjj die vrucht niet voortbrengen.

Tot hen, die voorgeven groote liefde voor Christus te hebben, kan dezelfde waarschuwing worden gericht. Ik vrees te moeten zeggen, dat het voor de meeste Christenen „de tijd der vijgen niet is,quot; want wy zijn maar al te veel gelijk de gemeente te Laodicea. Maar gü ontmoet sommigen, die o! zoo veel liefde voor Christus schijnen te hebben! Hoe liefelijk kunnen zij over Hem spreken! Maar wat doen zij voor Hem? Niets! Niets! Hunne liefde ligt in den wind, die uit hun\' eigen mond komt, en dat is alles. Indien nu de Heere een\' vloek heeft, dan zal Hij de zoodanigen er mede treffen. Zij zijn alle anderen voor geweest in eene ontijdige betuiging van zeer vurige liefde, en nu leveren zij Hem geene vruchten op. „Ja,quot; zegt iemand, „ik heb God zóó lief, dat ik niet acht iets te hebben dat het mijne is. Het is alles des Heeren — alles des Heeren, enik ben zijn rentmeester.quot; Wel, deze lieve vrome man heeft zich natuurlijk aangesloten bij de gemeente, en na eenigen tijd was er een zendingswerk, dat hulp behoefde. Wat was zijn antwoord ? „Als ik mijne plaats in de kerk betaald heb, dan is het genoeg. Ik ben niet voornemens meer te doen.quot; Een rijk man! Na eenigen tijd vond diezelfde man het ongelegen om zelfs zijn plaatsgeld te betalen, en gaat nu naar eene kerk, waar het niet zoo vol is, en waar hij eene plaats kan krijgen en niets behoeft te doen

804

-ocr page 848-

NIET DAN BLADEREN.

om den dienst des Woords te onderhouden. Indien er ergens een zeer bijzondere bliksemschicht is, dan zullen deze teemende huichelaars, die zoo fraai spreken over liefde tot Christus, maar zich intusschen buigen voor den mammon, er door getroffen worden.

Of neem een ander geval. Grij ontmoet anderen, die wel niet zoo veel liefde voorwenden, maar zeggen veel ervaring te hebben. O welke bevindingen hebben zij gehad! Wat diepe bevindingen! O! zij kennen de verootmoediging des harten en de plage der menschelijke natuur! Zij kennen de diepte van het bederf, en de hoogte van gereeenschap met God, en zoo voorts. Ja, en als gij in hun\' winkel komt, dan bevindt gü, dat het bederf voortwoekert achter de toonbank en het bedrog in het dagboek. Indien zij al de plage niet kennen van hun eigen hart, zoo zijn zij toch wel eene plage voor hun eigen gezin. Zulke lieden zijn eene walging voor de menschen en nog veel meer voor God.

Nog anderen hebben eene berispende, vittende tong. Welke deugdzame menschen moeten dit zijn; zij kunnen de gebreken van anderen zoo heel duidelijk onderscheiden! Die kerk is verkeerd, en deze kerk is gebrekkig, en die leeraar daar — wel sommige menschen vinden hem heel goed en vroom; maar zij dealen hun gevoelen niet. Zij hebben een\' diepen blik in de tekortkomingen van al de verschillende secten en kerken, en zü zien, dat er maar zeer weinigen zijn, die waarlijk de Schrift volgen, zooals zij gevolgd moet worden. Zij klagen over gebrek aan liefde, en zij zijn het juist, die dit gebrek doen ontstaan. Indien gij deze zoo berispende menschen eens van nabij gadeslaat, dan zult gij bemerken, dat zij aan dezelfde fouten en gebreken, die zij in anderen laken, zeiven maar al te veel toegeven; en terwijl zij den splinter uit het oog hun broeders zoeken te verwijderen, een\' balk in hun eigen oog hebben. Zij zijn het, die door dezen vijgeboom worden voorgesteld, want naar hun eigene woorden en volgens het beginsel, dat zij zeiven belijden, kunnen wy verwachten, dat zij beter zijn dan anderen. Indien hetgeen zü zeggen waar is, dan zijn zy bijzonder schitterende sterren, en dan behoorden zij een bijzonder helder licht over de wereld te verspreiden. Zij zijn zoo bij uitstek vroom en heilig, dat Jezus Christus zelf vrucht van hen kan verwachten; maar zij zijn in waarheid niets dan bedriegers met hun hoogvliegen en hun trotsch roemen. Evenals Isebel met de verf op haar gelaat, die haar nog veel leelijker maakte, willen zij schijnen wat zü niet zijn. Gelijk Thomas Adam zeide; „Het zijn kaarsen met dikke pitten en geen smeer, en als zij uitgaan, verspreiden zij een\' walglijken stank.quot; Zij hebben het zweet van den zomer op hun voorhoofd en het ijs van den winter in hun hart.quot; Laat ons ons

805

-ocr page 849-

niet dan bladeren.

eigen harf. onderzoeken en zien, of wy ook tot hun getal be-hooren.

IV. Ten besluite: zulk een boom mag wel verdorren. Bedrog wordt door God verafschuwd. Daar was de Joodsche tempel; daar stonden de priesters met statige pracht; daar waren de overvloedige offers op Gods altaar. Maar had God nu een welbehagen in zijn\' tempel? Neen, want in den tempel hadt gy al de bladeren; al de uitwendigheden van den goddelyken eeredienst; maar er was geen waar gebed, geen geloof in het groote Paaschlam Gods, geene waarheid, geene gerechtigheid, geene liefde tot den naaste, geene zorg voor de heerlijkheid Gods; en zoo is de tempel, die een huis des gebeds was geweest, een moordenaarskuil geworden. Het hart kan der wereld worden gegeven, terwijl toch de uitwendige plechtigheden waargenomen worden en gehandhaafd blijven. Hoeden wij ons hiervoor, want zulk eene plaats kan niet lang zonder vloek blijven. Zij is in Gods oog een gruwel.

En wederom; het is teleurstellend voor den mensch. Ziet dien tempel! Waarom gaan de menschen er heen? Om heiligheid en deugd te zien. Waarom betreden zij die heilige voorhoven ? Om nader bij God te komen. En wat vinden zij er? In plaats van heiligheid, gierigheid; in plaats van nader bü God te komen, komen zij in het midden van eene markt, waar men strijdt en kibbelt over den prijs der duiven, en met elkander twist over het wisselen der sikkels. Zoo kunnen de menschen ook een goed woord verwachten van onze lippen, en in stede hiervan kwaad te hooren krygen. En gelijk die tempel gevloekt werd wegens zijne misleiding van de menschen, zoo kan ook ons die vloek treffen, omdat wij de menschen bedriegen en hen teleurstellen in hunne behoeften.

Meer nog; deze onvruchtbare vijgeboom pleegde heiligschennis aan den Persoon van Christus. Is het niet zoo ? Zou Hij er niet aan bespotting door kunnen blootgesteld zyn? Sommigen zouden hebben kunnen zeggen; „Hoe kunt gij, profeet, naar een\' boom gaan om spyze, waaraan geene vruchten zijn ?quot; Een valsche belijder stelt Christus bloot aan bespotting. Gelijk de tempel van ouds God onteerde, zoo onteert een Christen Hem, als zijn haat niet recht is. Hij onteert God, en maakt dat zijne heilige zaak door den tegenstander wordt vertreden. De zoodanigen hebben voorwaar wel reden om zich te wachten.

En wederom; deze boom kan wel vervloekt worden, want het feit, dat hy niet dan bladeren voorbracht, was het bewys zijner onvruchtbaarheid. Er was kracht en leven in, maar leven en kracht werden verkeerd aangewend, en zouden immer verkeerd aangewend blijven. De vloek van Christus was slechts de bevestiging van een\' reeds bestaanden toestand. Het

806

-ocr page 850-

NIET DAN BLADEEEN.

807

was even goed als zeide Hy: „Die onvruchtbaar is, dat Hy onvruchtbaar blijve.quot; En als nu Christus heden morgen in dit kerkgebouw kwam, en u en mij zou beschouwen en in iemand onzer luide betuigingen, groote pracht van bladeren maar geene vrucht zou zien, en Hij den vloek over ons zou uitspreken, wat zou dan de uitwerking zijn? Wij zouden verdorren, gelijk anderen verdord zijn. Wat bedoelen wij hiermede? Wel, zij hebben zich plotseling tot de wereld gekeerd. Wij konden niet begrijpen, hoe zulke blinkende heiligen zoo opeens in zwarte duivelen verkeerd zijn: het feit was, dat Christus het woord had gesproken, en zij verdorden. Indien Hij het woord der ontmaskering over iemand, hier tegenwoordig, die niets dan een belijder is, zou uitspreken en zeggen; „Niemand ete eenige vrucht meer van u in der eeuwigheidquot;, dan zult gü in grove uitwendige zonde vallen en tot uwe versmaadheid op-dorren. Dit zal waarschijnlijk plotseling geschieden, en als het geschiedt, dan zyt gü onherstelbaar verloren. Het bederf, dat over u komt, zal eeuwig wezen. Gij zult leven als een blijvend gedenkteeken van de schrikkelijke gerechtigheid van Christus, als het groote Hoofd der gemeente. Gij zult gespaard worden om het te doen zien, dat iemand, die buiten de kerk staat, ongestraft kan ontkomen in dit leven, maar dat iemand, die binnen de palen der kerk is, reeds terstond gevloekt is, en daar staat als een boom, die door Gods bliksem werd getroffen. Dit nu is eene hartontdekkende zaak. Dit trof mij tot in de ziel, toen ik dacht: ik heb beleden, dat ik door God tot de bediening des Woords ben geroepen; ik heb mij vooraan gesteld in de Kerke Gods; ik heb vrijwillig eene plaats ingenomen, waar eene zevenvoudige verdoemenis mijn onvermijdelijk erfdeel zal wezen, indien ik niet waar en oprecht ben.quot; Ik zou mij schier terug en buiten de kerk kunnen wenschen, of ten minste op eene plaats in hare gelederen, waar het minste licht op valt, ten einde aan de gevaren en de verantwoordelijkheid mijner positie te ontkomen, en dit kunt ook gij wenschen, indien gij het getuigenis des Geestes niet hebt, dat gij Gode zi)t wedergeboren. Gij kunt wenschen nooit aan Chnstus te hebben gedacht, dat het maar nooit in u ware opgekomen zijn\' naam op uwe lippen te nemen. Indien gij u door ij velen volharding eene hooge positie hebt verworven onder Gods volk; indien gij slechts bladeren hebt zonder vruchten, dan zal de vloek u des te gewisser treffen naarmate des Hei lands teleurstelling in u grooter is. Hoe meer gij belijdt, hoe meer er van u wordt verwacht, en — indien gij die vrucht niet oplevert, hoe rechtvaardiger ook uwe veroordeeling zal zijn, als gij daar voor eeuwig staan blijft, verdord door den vloek van Christus. O mannen broeders, laat ons sidderen voor het hartdoorzoe-kend oog van God; maar laat ons tevens gedenken, dat de ge-

-ocr page 851-

NIET DAK BLADEREN.

808

nade ons nog vruchtbaar maken kan. De weg der genade is nog open. Laat ons heden morgen de toevlucht nemen tot Christus\' wonden. Indien wij nog nooit begonnen hebben, zoo laat ons heden beginnen. Laat ons thans den Heiland omhelzen en Hem aannemen als den onze, en dit gedaan hebbende laat ons goddelijke genade zoeken, opdat wy gedurende het overige van ons leven voor God mogen arbeiden. O ik hoop ernstig meer voor God te doen, en ik hoop, dit ook voor u. O Heilige Geest, werk krachtiglijk in ons, want in U wordt onze vrucht gevonden. Amen.

-ocr page 852-

DE VERLOREN PENNING.

„Of wat vrouw, hebbende tien penningen, indien zij een\' penning verliest, ontsteekt niet eene kaars, en keert liet huis niet bezemen, en zoekt naarstiglijk, totdat zij dien vindt? En als zij dien gevonden heeft, roept zij de vriendinnen en de geburinnen samen, zeggende: Weest blijde met mij, want ik heb den penning gevonden, dien ik verloren had. Alzoo, zeg ik ulieden, is er blijdschap voor de engelen Gods over ëén zondaar, die zich bekeert.quot; Lukas XV : 8—10.

Dit hoofdstuk is vol van genade en waarheid. Men heeft gedacht, dat de drie op elkander volgende gelijkenissen, die er in staan opgeteekend, slechts herhalingen zijn van dezelfde leerstelling onder verschillende beelden; en al ware dit zoo, de waarheid, die er in geleerd wordt, is zóó gewichtig, dat zij niet te dikwijls voor onze ooren herhaald kan worden. Wij zijn daarenboven maar al te zeer geneigd haar te vergeten en het is goed om er telkens wederom aan herinnerd te worden. De waarheid, die hier geleerd wordt, is eenvoudig deze — dat de genade hare hand uitstrekt tot de ellende; dat de genade de menschen ontvangt als zondaars, dat zij handelt met het laakbare, het onwaardige en waardelooze; dat zij, die zich rechtvaardig achten, de voorwerpen niet zijn van het goddelijk mede-doogen, maar dat de onrechtvaardigen, de schuldigen, de on-verdienstelijken de geschiktste voorwerpen zijn voor Gods oneindige genade, in één woord, dat de zaligheid niet is door verdienste, maar uit genade. Deze waarheid zeg ik, is van het uiterste belang, want zij moedigt de boetvaardigen aan om terug te keeren tot hun\' Vader; maar zij wordt zeer licht vergeten, want zelfs zij, die door genade zalig zijn geworden, vervallen maar al te licht in de gezindheid van den oudsten broeder, en spreken alsof hunne zaligheid toch eigenlijk van de werken dei-wet afhing.

Maar, mijne vrienden, de drie gelijkenissen, welke in dit hoofdstuk staan opgeteekend, zijn geene herhalingen. Zij verkondigen wel de zelfde hoofdwaarheid, maar alle drie stellen er een ander gezichtspunt van voor. De drie gelijkenissen zijn drie zijden van eene groote pyramide van Evangelieleering, maaralle drie dragen zij een onderscheiden opschrift. Niet slechts

-ocr page 853-

DE VERLOREN PENNING.

810

in de gelijkenis, maar ook in de leering, die er door bedekt wordt, is verscheidenheid, toeneming, uitbreiding en onderscheiding. Wij behoeven slechts aandachtig te lezen om te ontdekken, dat wy in deze drieëenheid van gelijkenissen zoowel eenheid van grondwaarheid, als onderscheiding van voorstelling hebben. Ieder van deze gelijkenissen is noodig voor de anderen, en te zamen verbonden geven zü ons een veel vollediger verklaring van hare leer, dan zij ons ieder afzonderlijk zouden kunnen geven. Beschouwt voor eene wijle de eerste van de drie, die ons een\' herder voorstelt, een verloren schaap zoekende. Wie wordt hiermede bedoeld? Wie is de Herder Israels? Wie brengt het afgedwaalde weder? Zien wij niet duidelijk de eeuwig heerlijke en gezegende opperste Herder der schapen, die zijn leven aflegt om hen te verlossen? Buiten twijfel zien wij in de eerste gelijkenis het werk van onzen Heere Jezus Christus. De tweede gelijkenis neemt eene volkomen gepaste plaats in. Ik twijfel er niet aan, of zy stelt het werk voor van den Heiligen Geest, werkende door de gemeente voor de verlorene, doch kostbare zielen der menschen. De gemeente is die vrouw, die haar huis met bezemen keert, om den verloren penning te zoeken, en in haar werkt de Geest zijne bedoelingen der liefde. Het werk nu des Heiligen Geestes volgt het werk van Christus. Gelijk wij hier eerst den Herder zien het verloren schaap zoekende, en dan lezen van de vrouw, die den verloren penning zoekt, zoo wordt de ziel door den grooten Herder verlost, en dan door den Heiligen Geest verlevendigd. Gij zult bemerken, dat iedere gelijkenis volkomen en tot in de kleinste bijzonderheden begrepen wordt, als zij op die wijze wordt verklaard. De herder zoekt een schaap, dat moedwillig afgedwaald is, en in zoo ver is het element der zonde aanwezig. De verloren penning doet dit denkbeeld niet bij ons opkomen, en dat was ook niet noodig, omdat deze gelijkenis niet, geiyk de eerste, over vergeving van zonde handelt. En van den anderen kant, hoewel het schaap dom is, is het toch niet gevoelloos en dood; maar de penning is volstrekt ongevoelig en onmachtig, en daarom een des te geschikter zinnebeeld van den mensch op hel oogenblik, dat de Heilige Geest op hem begint te werken, want dan is hij dood door de misdaden en de zonden. De derde gelijkenis stelt blijkbaar God den Vader voor, die in zijne overvloedige liefde het verloren kind ontvangt, dat tot Hem wederkeert. Zonder de eerste en de tweede gelijkenis zou de derde waarschijnlijk verkeerd begrepen worden. Wij hebben wel eens hooren zeggen; de verloren zoon wordt, zoodra hij terugkomt, ontvangen; er wordt geene melding gemaakt van een\' Zaligmaker, die hem zoekt en redt. Is het mogelijk om alle waarheden in eene enkele gelijkenis te leeren? Spreekt niet de eerste van den her-

-ocr page 854-

de verloren penning.

der, die het verloren schaap zoekt? Waartoe te herhalen wat reeds gezegd is? Er wordt ook gezegd, dat de verloren zoon vrijwillig teruggekeerd is, want er is geene toespeling op de werking van eene hoogere macht op zijn hart, het is alsof hij eigener beweging zegt; „Ik zal opstaan en tot mijn\' Vader gaan.quot; Het antwoord is, dat het werk des Heiligen Geestes duidelijk beschreven werd in de tweede gelijkenis, en dus niet opnieuw behoefde voorgesteld te worden. Indien gij die drie beelden naast elkander plaatst, dan stellen zy het geheele plan der verlossing voor; maar ieder afzonderlijk stelt het werk voor met betrekking tot den een of den ander van de goddelijke Personen der volzalige Drieëenheid. Met veel smart en zelfopoffering zoekt de Herder het roekelooze, dwalende schaap; de vrouw zoekt naarstiglijk den gevoelloozen penning, die verloren is; de Vader ontvangt den wedergekeerden zoon. Wat God te zamen gevoegd heeft, scheide de mensch niet. Deze drie schetsen naar het leven zijn één, en in alle drie wordt deze ééne waarheid geleerd, maar toch is de eene van de andere onderscheiden en in zich zelve zeer leerrijk.

Moge God ons onderwijzen, terwijl wij de meening des Gees-tes trachten te ontdekken in deze gelijkenis, die, naar wij ge-looven, het werk des Heiligen Geestes voorstelt in en door de gemeente. De gemeente wordt altijd voorgesteld als eene vrouw, hetzij als de reine bruid van Christus, of de schaamtelooze hoere van Babyion; gelijk eene vrouw het huis met bezemen keert ten goede, zoo neemt eene vrouw den zuurdeesem en verbergt hem in het meel totdat het geheel verzuurd is, ten kwade. Voor Christus eene bruid, en voor de menschen eene moeder, wordt de gemeente zeer gepast voorgesteld als eene vrouw. Eene vrouw met een huis onder haar beheer, dat is het volledig denkbeeld van den tekst. Haar echtgenoot is afwezig, en zij heeft den schat in bewaring. Juist zoo is de toestand van de gemeente, nadat de Heere Jezus heengegaan is tot den Vader.

Ten einde ieder deel van den tekst onder de aandacht te brengen, zullen wij letten op den mensch in drieërlei toestand — verloren, gezocht, gevonden.

I. Ten eerste, de tekst handelt van den mensch, het voorwerp der goddelijke genade, als verloren.

Let ten eerste op den schat, die in het stof was verloren. De vrouw had haren penning verloren, en om hem terug te vinden moest zij het huis met bezemen keeren, waaruit blijkt dat hij op eene stoffige plaats, dat hij ter aarde was gevallen, waar hij onder vuil en afval verborgen kon zijn. Elke mensch, uit Adam geboren, is zulk een stuk zilver, verloren, gevallen, ont-eerd; en sommigen zijn begraven onder vuil en stof. Als wy meerdere geldstukken laten vallen, dan zouden zij in verschil-

811

-ocr page 855-

DE VEELOBEN PENNING.

lencle plaatsen terecht komen; een er van zou in den modder kunnen vallen en daar verloren blijven; een ander zou op een tapijt kunnen vallen, op een kleed, of op een\' glad gewreven vloer en daar verloren blijven. Als gij uw geld verloren hebt, dan is het verloren, waar het ook zij, dat gij het hebt laten vallen. Zoo zijn ook alle menschen gelijkelijk verloren; maar niet allen zijn zij in denzelfden toestand van zichtbare verontreiniging. De een is van wege zijne omgeving in zijne kindsheid en de invloeden zijner opvoeding nooit in grove en verdierlijkende ondeugden vervallen. Hij is nooit een vloeker geweest; hy heeft wellicht nooit openlijk den Sabbat geschonden; en toch kan hy met dat al verloren zijn. Een ander daarentegen, heeft zich aan groote uitspattingen overgegeven; hij is gemeenzaam bekend met wulpschheid en losbandigheid en allerlei soort van kwaad; hij is verloren, nadrukkelijk verloren; maar de fatsoenlijke zondaar is even zeer verloren. Er kunnen heden morgen sommigen hier zijn (en wij wenschen altijd de waarheid toe te passen) die in het allerergste bederf verloren zijn. Ik bid God, dat zij hoop beginnen te koesteren, en uit de gelijkenis, die wij thans overdenken, leeren zullen, dat de kerke Gods en de Geest Gods hen zoeken, en dat zij nog tot de gevondenen kunnen behooren. En daar er, van den anderen kant, ook velen zijn, die niet in zoo onreine plaatsen zyn gevallen, zou ik hun met liefde er aan willen herinneren, dat zy toch verloren zijn, en dat zü het even goed noodig hebben om dooiden Geest Gods te worden gezocht, alsof zij tot de snoodsten der snooden behooren. Gods genade is even noodig om de zedelijken als om de onzedelijken te verlossen. Mijn waarde] hoorder, als gij verloren zijt, dan zal het u weinig baten, dat gij u op fatsoeniyke wijze in het verderf stort, en in fatsoenlijk gezelschap vervloekt zijt. Indien u slechts één ding ontbreekt, maar dat ééne ding het eene noodige is, dan zal het u weinig vertroosting bieden, dat u slechts één ding ontbroken heeft. Indien één enkel lek het schip doet zinken, dan was het voorde bemanning niet veel troost, dat hun schip maar op ééne plaats lek was. Eéne enkele kwaal kan een mensch doen sterven. Hij kan in alle andere opzichten gezond zijn, maar het zal eene magere vertroosting voor hem zijn, te weten, dat hij lang had kunnen leven, indien dat ééne orgaan maar gezond ware geweest. Indien gij, mijn hoorder, geene andere zonde hadt, dan alleen maar een boos ongeloovig hiirt te hebben; indien geheel uw uitwendig leven liefelijk en beminnelijk ware, en slechts die eene noodlottige zonde in u gevonden werd, dan zult gij maar weinig troost ontleenen van al het overige, dat goed in u is. Van nature zijt gij verloren, en gij moet, wie gij ook zijt, door genade worden gevonden.

Hetgeen in deze gelijkenis verloren was, ivas zich hoegenaamd

812

-ocr page 856-

DE VERLOREN PENNING.

er niet van bewust verloren te zijn. De penning was geen levend wezen, en had dus geene bewustheid van verloren te zijn of gezocht te worden. Die verloren penning was even tevreden op den vloer, of in het stof. als hij in de beurs van zijn\' eigenaar en onder zijne gelijken was. Hij wist niet, dat hij verloren was, en kon het ook niet weten. En evenzoo is het met den zondaar, die geestelijk dood is in de zonde; hij is zich zijn\' toestand niet bewust, en wij kunnen hem het gevaar, het schrikkelijke van zijn\' toestand niet doen begrypen. Als hy gevoelt, dat hy verloren is, dan is er reeds een werk der genade in hem begonnen. Als de zondaar weet, dat hij verloren is, dan Is hy niet langer tevreden met zijn\' toestand, maar begint te roepen om genade, waaruit blijkt, dat het werk des vindens reeds is aangevangen. De onbekeerde zondaar zal erkennen, dat hij verloren is, omdat hij weet, dat die stelling schriftuurlijk is, en daarom zal hij uit beleefdheid voor Gods woord erkennen, dat zij waar is; maar hij heeft niet het minste besef van hetgeen er mede bedoeld wordt, want anders zou hij het of met verontwaardiging ontkennen, of zich zeiven aansporen tot gebed, ten einde weder hersteld te worden in de plaats, vanwaar hy is gevallen, en met Christus\' kostbaar eigendom geteld te worden. O mijne hoorders, daarom is het, dat de Geest van God zoo noodig is bij al onze prediking, in al ons werk tot behoudenis der zielen, omdat wij met ongevoelige zielen te doen hebben. De man, die een reddingstoestel aan het venster van een brandend huis plaatst, kan hen wel redden, die zich van hun gevaar bewust zijn en zich naar voren haasten om hem te helpen, of zich ten minste aan hem onderwerpen in zijn reddingswerk; maar als iemand krankzinnig is, als hij speelt met de vlammen, als hij idioot is en denkt, datereene groote illuminatie ontstoken is, en niets begrypt van het gevaar, en slechts door de schittering der vlammen gebiologeerd Is, dan zou de redder een heel moeielijk werk hebben te verrichten. Zoo is het ook met de zondaren. Zy weten niet, hoewel zij zeggen het te weten, dat zonde de hel is, dat van God vervreemd te zijn wil zeggen aireede veroordeeld te wezen, dat in de zonde te leven beteekent dood te zijn, terwyl gij leeft. De ongevoeligheid van den penning is eene juiste voorstelling van de volkomene onverschilligheid der zielen, welke door Gods genade nog niet levend zijn gemaakt.

De penning was verloren, maar niet vergeten. De vrouw wist, dat zy oorspronkelijk tien penningen had; zij telde ze zorgvuldig na, want zij maakten haren geheelen schat uit, en zij vond er slechts negen, maar wèl wist zij, dat zij er nog een moest hebben. Dit is onze hope voor de verlorenen des Heeren: zij zijn verloren, maar niet vergeten. Het hart van den Zaligmaker gedenkt\' hen en bidt voor hen. O ziele, ik vertrouw,

813

-ocr page 857-

dë verloren penning.

dat gij behoort tot hen, die de Heere de zynen noemt, als Hij zich de smarten herinnert, die Hij heeft verduurd om u te verlossen, en de liefde des Vaders gedenkt, die zich van eeuwigheid in u weerspiegeld heeft, toen de Vader u zyn\' geliefden Zoon gaf. Gij zyt niet vergeten door den Heiligen Geest, die u voor den Zaligmaker zoekt. Dit is de hope van den leeraar, dat er een volk is, waaraan de Heere gedenkt, en dat Hij nooit zal vergeten, schoon zij Bern vergeten. Hoewel zy vreemdelingen voor Hem zijn; van verre staan; onwetend, verhard en dood zijn, klopt het hart Gods toch van liefde voor hen en is tot hen geneigd. Zij, die van ouds gerekend en opgeteld waren, zijn nog altijd in het goddelyk geheugen gegrift, en hoewel verloren, worden zij toch nog steeds ernstig herdacht. In zekeren zin is dit waar van eiken zondaar hier tegenwoordig. Gij zijt verloren, maar gü wordt toch blykbaar^herdacht, want ik ben heden gezonden om u het Evangelie van Jezus te prediken. God heeft gedachten der liefde over u en noodigt u uit u tot Hem te bekeeren en te leven. Geef acht op het woord zjjns heils.

Vervolgens: de penning was verloren, die hem verloren had, liet er nog altijd haar eigendomsrecht op gelden. Merk op, dat de vrouw dit geldstuk noemt „denpenning, dien ik verloren had.quot; Toen zij hare bezitting verloor, heeft zij niet ook het recht op die bezitting verloren. Die penning is, toen h;j haar hand ontglipte, niet het wettig eigendom van iemand anders geworden. Zij, voor wie Christus gestorven is, die Hij in by-zonderen zin heeft verlost, z^jn het eigendom niet van Satan, ook niet als zü nog dood zyn door de zonde. Zy kunnen onder des duivels wederrechtelijke heerschappij komen, maar het monster zal van zyn\' troon worden verjaagd. Christus heeft hen van ouds van den Vader ontvangen, Hy heeft hen gekocht met zijn dierbaar bloed en Hy zal hen bezitten; Hij zal den overweldiger verjagen en de zijnen opeischen. Zoo spreekt de Heere: „Ulieder verbond met den dood zal te niet worden, en uw voorzichtig verdrag met de hel zal niet bestaan.quot; Gy hebt u om niet verkocht, en gij zult zonder geld worden verlost. Jezus zal de zijnen als eigendom bezitten, en niemand zal hen uit zyne hand rukken; Hy zal zyn recht op hen handhaven tegen allen.

Merk voorts ook op, dat die verloren penning niet slechts in gedachtenis gehouden en als recht opgeëischt is, maar ook hoogelijk werd gewaardeerd. In deze drie gelijkenissen rijst hetgeen verloren was gestadig in waarde. Dit is op den eersten aanblik niet duidelijk, omdat men zou kunnen zeggen, dat een schaap meer waarde heeft dan een penning; doch merk op, dat de herder slechts één schaap verloor van de honderd, terwijl de vrouw één\' penning verloor van de tien, die zij bezat, en de

814

-ocr page 858-

DÊ VERLOREN PENNING.

vader één\' zoon van de twee. Nu is het niet de waardü, die de zaak in en op zich zelve heeft, welke hier in het licht wordt gesteld, want de ziel eens menschen is, in vergelijking van den onein-digen God, van slechts zeer geringe waarde; maar van wege de liefde, die Hij haar toedraagt, is zij van zeer groote waarde voor Hem. Die eene penning is voor de vrouw het tiende deel van alles wat zy bezit, en in hare schatting was hy dus van groote waardij. Voor den Heer der liefde is eene ziel, welke verloren is, zeer dierbaar en kostelijk; niet van wege hare innerlijke waarde, maar zij heeft eene betrekkelijke waarde, die door God zeer hoog wordt gesteld. De Heilige Geest stelt hoogen prijs op zielen, en daarom stelt ook de kerk er prijs op. Soms zegt de kerk; „Er hebben slechts weinige bekeeringen plaats, er zijn weinig leden. Velen zijn geroepen, maar weinig uitverkoren.quot; Zij telt hare weinige bekeerlingen eens over, hare weinige leden, en ééne ziel is voor haar des te meer kostelijk, omdat er zoo weinigen zijn, die zich heden in Christus schatkameren bevinden, het beeld des grooten Konings dragen, en van het kostbare zilver van Gods eigene genade zijn vervaardigd. O mijne vrienden, gij acht u zeiven van geringe waarde gij, die u bewust zijt te hebben gezondigd; maar de kerk acht niet, dat gy van weinig waarde zijt, en de Heilige Geest veracht u niet. Hij stelt hoogen prijs op u, en dat doet ook zijn volk. Wij waardeeren uwe zielen wy wenschen slechts te weten hoe ze te kunnen behouden. Wij zouden kosten noch moeite ontzien, zoo wij slechts het middel konden zyn om u te vinden en u wederom in des grooten Eigenaars hand te brengen.

De penning was verloren, maar hij was niet hopeloos verloren. De vrouw had de hoop hem weder te zullen vinden, en daarom heeft zij niet gewanhoopt, maar ging terstond aan het werk om hem te zoeken. Het is iets ontzettends te denken aan zielen, die hopeloos verloren zijn. Hun toestand herinnert my aan eene paragraaf, die ik dezer dagen uit een nieuwsblad geknipt heb: — „De visscherssmak Veto, van Grimsby, S. Cousins schipper, kwam Zaterdagavond in de haven van Doggers-bank. De schipper, rapporteert, dat hij den Woensdag te voren zoo wat twee honderd mijlen van Spurn, lijwaarts een vaartuig bemerkte, dat hem op den eersten aanblik een kleine schoener toescheen, die in nood was, maar naderbij gekomen bevond hy, dat het eene groote reddingboot was, meer dan twintig voet lang en tot aan de kurken vol met water. Er was geen naam op de boot, die blijkbaar tot een groot schip of eene stoomboot behoorde. Zij was van binnen en van buiten wit geverfd met eene bruine streep om den rand. Toen hy haar op zijde was gekomen, bemerkte hy aan de achterzijde drie lijken van matrozen op elkander, en een vierde dwars voor den boeg

815

-ocr page 859-

816 de veeloeen PENNING.

met het hoofd naar beneden over de roeiklampen hangende. Naar hunne kleeding en voorkomen schenen het vreemdelingen te zijn, maar de lijken waren in verren staat van ontbinding, waaruit bleek, dat dat de dood reeds voor eenige weken was ingetreden. De boot met hare ijzingwekkende cargo dobberde voort, en dit schrikkelijk gezicht heeft de bemanning van de Veto zoo aangegrepen, dat zij schier niet in staat waren hun visscherswerk te doen, en zoo keerde de smak met eene betrekkelijk kleine vangst, en vroeger dan zij verwacht werd, terug naar de haven.quot; Verwondert het u, dat die mannen huiverden in de tegenwoordigheid van deze geheimenis der zee? Eene huivering doorvaart mij als ik denk aan die Charonsboot, immer voortdrijvende. De barmhartigheid behoeft haar niette volgen, zij kan geene weldaad bewyzen; de liefde behoeft haar niet te zoeken, zij kan geene redding aanbrengen. Mijne ziel aanschouwt als in een visioen zielen, die hopeloos verloren zijn, dobberende op de baren der eeuwigheid, buiten alle bereik van hulp. Helaas! helaas! Millioenen van ons geslacht bevinden zich thans in dien toestand. Over hen is heengegaan de tweede dood, en machteloos zijn wij allen om hen te hulp te komen. Zelfs het Evangelie heeft voor hen geen aanblik meer van hoop. Het is tot vreugde en blydschap, dat wij heden met verloren zielen te doen hebben, die nog niet hopeloos zijn verloren. Zij zijn dood door de zonde; maar er bestaat eene levendmakende kracht, die hen kan doen leven. O zeevaarder op de levenszee, visscher van menschen op deze stormachtige wateren, deze verlorenen zyn nog toegankelijk voor uw mededoogen, zij kunnen nog gered worden van de meedoogenlooze diepte; uwe zending is niet hopeloos. Ik verheug er mij heden over, dat de goddeloozen, hier tegenwoordig, nog niet in de pyn, nog niet in de hel zijn; dat zij zich nog niet bevinden onder hen, wier worm niet sterft, en wier vuur niet uitgebluscht wordt. Ik acht ook de Christelijke kerk gelukkig, dat haar penning niet ergens gevallen is, waar hij niet wedergevonden kan worden. Ik verblijd er mij in, dat de gevallenen rondom ons niet hopeloos verloren zijn, ja dat zij, al verblijven zij thans ook neg in de gruwelijkste holen der ongerechtigheid van Londen, aquot;. zijn zij dieven en ontuchtige vrouwen, nog niet buiten net bereik zyn der genade. Sta op, verhef u, o kerke Gods, terwijl de mogelijkheden der genade er nog zijn! Gordt uwe lendenen, o gij winners van zielen, en neemt het besluit, dat door Gods hulp en genade ieder uur der hope goed door u besteed zal worden.

Er is nog een ander punt, dat onze aandacht wel waardig is. De penning was verloren, maar hij was in het huis verloren, en dat wist de vrouw. Indien zij hem op straat had verloren, dan zou zij er waarschijnlijk niet naar gezocht hebben, want andere handen zouden er zich over hebben kunnen toesluiten.

-ocr page 860-

DE VERLÜBEN PKNNING.

Indien zij hem in eene rivier of in de zee had laten vallen, dan zou zy redelijkerwys hebben kunnen zeggen, dat zij hem voor a\'.tijd kwijt was; maar zij was er blijkbaar zeker van, dat zij hem in huis had verloren. Is het niet troostrijk te weten, dat diegenen, hier tegenwoordig, die verloren zyn, toch nog in het huis zyn? Zy bevinden zich nog onder de middelen dei-genade, binnen den werkkring der kerk, binnen de woning, waarin zij heerscht, en waar de Heilige Geest werkt. Hoe moet uw hart niet vol zijn van dank, dat gij niet verloren zijt als Heidenen, niet verloren te midden van Eoomsch of Moharae-daansch bygeloof; maar verloren, waar u het Evangelie getrouw en duidelijk wordt gepredikt, waar u met den drang der liefde wordt gezegd, dat een iegelijk, die in Christus Jezus gelooft, niet wordt veroordeeld. Verloren, maar ter plaatse, waar het de plicht der kerk is u te zoeken, en waar het des Geestes werk is u te zoeken en te vinden.

Dit is de toestand eener verlorene ziel, voorgesteld door den verloren penning.

II. Laat ons nu de ziel beschouwen in den toestand van gezocht te worden.

quot;Wie heeft dien verloren penning gezocht? Het was de eigenares zelve. Zij, die het geldstuk had verloren, ontstak eene kaars, keerde het huis met bezemen, en zocht naarstiglijk, totdat zij hem vond. Zoo, mijne broeders, heb ik gezegd, dat de vrouw den Heiligen Geest voorstelt, of liever de kerk, in welke de Heilige Geest woont. Nu zal er nooit eene ziel worden gevonden, voordat de Heilige Geest haar zoekt. Hij is de groote Vinder der ziel. De ziel zal in duisternis verwijlen, totdat Hij komt met zijne verlichtende kracht. Hij is de Eigenaar, Hij bezit haar, en Hij alleen kan haar met vrucht zoeken. De God aan wien de ziel behoort, kan haar zoeken, Hij alleen. Maar Hij doet het door zijne gemeente, want de zielen behooren ook aan de gemeente; zij zijn de zonen en dochteren derver-korene moeder, zij zijn hare burgers, en hare schatten. Om die reden moet de gemeente persoonlijk de zielen zoeken. Zij kan haren arbeid aan niemand anders opdragen. De vrouw heeft geene dienstmaagd betaald om het huis met bezemen te keeren; neen, zij deed het zelve. Hare oogen waren veel beter dan de oogen eener dienstmaagd, want de oogen eener dienstmaagd zouden slechts naar eens anders penning zoeken, en hem wellicht niet zien; maar de meesteres zoekt haren eigen penning, en zij was zeker hem te vinden. Als de kerke Gods met diepen ernst gevoelt; „Het is ons werk zondaren te zoeken; wij moeten niet eens den leeraar hiertoe afvaardigen, of den stadszendeling, of de Bijbelvrouw, maar de kerk als kerk moet de zielen der zondaren zoeken,quot; dan zullen, geloof ik, ook zielen gevonden en behouden worden. Als de kerk er-

81\'!

52

-ocr page 861-

DE VERLOKEN PENNING.

kent, dat deze verlorene zielen haar toebehooren, dan zal zij ze waarschijnlijk ook vinden. Het zal een gelukkige dag zijn, als elke kerke Gods ijverig werkzaam is voor de behouderas van zondaren. Het is de vloek der Christenheid geweest, dat zij het gewaagd heeft tot hetgeen haar eigen heilige plicht was mannen af te vaardigen, die priesters werden genoemd, of dat zü zekere lieden heeft afgezonderd, die met den bijzonderen naam van godsdienstig en bestempeld werden, om het werk der barmhartigheid en der evangelisatie te verrichten. Wy zijn, een iege-lyk van ons, die Christus\' eigendom zijn, verplicht ons deel te doen, ja wij moesten het een voorrecht achten, waarvan wij niet verstoken willen wezen, om persoonlijk God te dienen, persoonlijk het huis met bezemen te keeien en naar de verloren geestelijke schatten te zoeken. In de kracht des inwonenden Geestes Gods moet de kerk zelve verlorene zielen zoeken.

Merk op, dat dit zoeken eene zaak van het allergrootste belang is geworden voor deze vrouw. Ik weet niet, wat zij nog meer te doen had; maar wèl weet ik, dat zij het alles staan liet, om den penning te zoeken. Daar was het koren, dat gemalen moest worden voor den morgenmaaltijd. Dat was wellicht reeds geschied, maar zoo niet, dan heeft zij het in elk geval toen niet gedaan. Daar was een kleedingstuk, dat versteld; water, dat geput; het vuur, dat aangelegd en ontstoken moest worden; of wel, daar waren buren, die zij moest bezoeken, maar de meesteres van het huis vergeet alle andere dingen; zij heeft haren penning verloren, en zü moet hem dadelijk zoeken en vinden. Zoo is het ook met de kerke Gods; haar voornaamste zorge moet wezen de verlorene menschenkinderen te zoeken. Zielen er toe te brengen om Jezus te kennen, en door Hem verlost te worden met eene groote verlossing, dat moet het groote verlangen en de eerste zorge der kerk wezen. Zü heeft ook nog andere dingen te doen. Zij moet aan hare eigene opbouwing denken; er zijn andere zaken, die zij te verzorgen heeft, maar dit moet eerst, immer en altyd eerst geschieden. Die vrouw hoeft blijkbaar gezegd: „De penning is verloren, dien moet ik eerst en voor alles terugvinden.quot; Het verlies van haren penning was voor haar zulk eene ernstige zaak, dat hare handen, als zij nederzat voor haar verstelwerk, hare vaardigheid verloren; of wanneer de een of andere huiselijke plicht haar aandacht eischte, dit haar eene lastige taak was, want zij kon aan niets dan aan dat eene muntstuk denken. Indien eene vriendin kwam om wat met haar te praten, dan dacht zü bü zich zelve: ik wenschte, dat zij maar weder vertrok, want ik moet myn\' verloren penning zoeken.quot; Ik wenschte wel, dat de kerke Gods zulk eene alles beheerschende liefde had voor arme zondaren, dat zij alles onbetamelijk acht, wat haar in haar werk van zielen te winnen in den weg staat. Nu en dan heb-

818

-ocr page 862-

De veeloeen penning.

ben wy, als gemeente, een weinig met de politiek te doen, en ook wel een weinig met de finantiën, want nog zyn wij in de wereld; maar] zeer gaarne zie ik het, als in alle kerker; alle arbeid en bemoeiingen, vergeleken met den arbeid van zielen te winnen, op den achtergrond blijft. Die arbeid moet de eerste en voornaamste zijn. Onderwijst het volk, o gewis! wy stellen belang in alles wat onzen medeburgers goed kan doen, want wy zijn menschen, zoowel als Christenen; maar ons eerste en voornaamste werk is zielen te winnen, de menschen tot Jezus te brengen, hen, die schoon gevallen en verloren, het beeld des hemels dragen, te zoeken. Dat is de arbeid, waaraan wij ons moeten wijden; dit is voor alle geloovigen het eerste en voornaamste, dit is de reden van bestaan voor de kerk; zoo zij er geen acht op geeft, vergeet zij haar hoogste doel.

Merk nu op, dal. de vrouw, daar zy haar hart er op gezet heeft om haar geld terug te vinden, de meest gepuste en geschikte middelen gebruikt om dat doel te hereiken. Ten eerste, zij ontsteekt eene kaars. Dat doet ook de Heilige Geest in de gemeente. In Oostersche huizen zou het ten allen tijde noodig zijn, om, zoo men een verloren geldstuk zoeken moet, eene kaars te ontsteken, want in de dagen onzes Zaligmakers werd er nog geen gebruik gemaakt van glas, en de vensters waren niets meer dan nauwe openingen in den muur, zoodat de kamers zeer donker waren. Tot op den huidigen dag is het in schier alle Oostersche huizen nog zeer donker, en als men er zoo iets als een klein stukje zilvergeld laat vallen, dan moet men er zelfs op den middag eene kaars ontsteken om er naar te kunnen zoeken. De sfeer, waarin de gemeente op aarde zich beweegt, is eene donkere schemering van geestelijke onwetendheid en zedelijke duisternis, en om nu eene verlorene ziel te vinden, moet er licht worden ontstoken. De Heilige Geest gebruikt het licht des Evangelies: Hij overtuigt de menschen van zonde, van gerechtigheid en van oordeel. De vrouw ontstak eene kaars, en evenzoo verlicht de Heilige Geest een uitverkoren man, dien Hij tot een licht stelt voor de wereld. Hij roept wien Hij wil, en maakt hem tot eene lamp om licht uit te stralen op het volk. Zulk een\' man zal zich te koste hebben le geven in zijne roeping}; als eene kaars zal hij, lichtgevende, verteerd worden. Vurige ijver en werkzame zelfopoffering zullen hem verteren. Zoo kan deze gemeente, en elke gemeente Gods, voortdurend hare gezalfde mannen en vrouwen opgebruiken, die als lichten schijnen te midden van een krom en verdraaid geslacht, ten einde verlorene zielen te zoeken.

Maar zij vergenoegde zich niet met hare kaars, zij haalde haren bezem en veegde het huis. Indien zij den penning niet kon vinden in het huis, zooals het was, dan gebruikte zij ha-

819

-ocr page 863-

820

ren bezem voor het opgehoopte stof. O! hoe zal eene Christe lijke kerk, als zij gedreven wordt door den Heiligen Geest, zich zelve en al liaar werk reinigen! „Misschienquot;, zegt zij, „zyn er leden onzer gemeente, wier leven niet in overeenstemming is met hunne belijdenis, en zoo worden de menschen verhard in de zonde; deze overtreders moeten verwijderd worden. Het godsdienstig leven is laag bij den grond — dat kan een hinderpaal wezen voor de bekeering van zielen, en dus moet het opgeheven worden. Onze voorstelling der waarheid en onze manier van haar te verkondigen zijn misschien niet geschikt om de aandacht op te wekken; dus moeten wij daar verbetering in brengen. Wij moeten de beste methoden gebruiken; ja eigenlijk moeten wij het geheele huis met bezemen keeren.quot; Ik zie gaarne een ernstig mot bezemen keeren van het huis door belijdenis van zonde op de bijeenkomst tot gebed, of door eene hartontdekkende prediking, een met bezemen keeren van het huis, waarbij het iedereen ernst is om zijn leven te bete-renren, nader bij God te komen door eene herleving van zijne eigene persoonlijke godsvrucht. Dit is een der middelen, waardoor de gemeente in staat wordt gesteld om de verborgenen te vinden. En behalve dat; de geheele omgeving der kerk (want het huis is de sfeer, waarin de kerk zich beweegt) moet in beroering worden gebracht, onderst boven worden gehaald, in één woord, moet „met bezemen worden gekeerd.quot; Eene kerk, die wezenlijk ernstig is in het zoeken van zielen, zal door de duisternis der armoede trachten heen te dringen, en de hoopen van ongebondenheid omver halen. Zij zal bij hoog en laag ijverig zoeken, of zij wellicht dat kostbare, waar zij haar hart op gezet heeft, kan redden van het verderf.

Merk ook wel op, dat dit zoeken van den verloren penning met geschikte werktuigen, den bezem en de kaars, van niet weinig heiceging vergezeld gaat. Zij veegde het huis — daar was stof voor hare oogen. Indien er soms buren in het huis waren, dan was daar ook stof voor hen. Gij kunt geen huls met bezemen keeren zonder voor het oogenblik ongemak en verwarring teweeg te brengen. Wij hooren over sommige Christenen de klacht wel eens opgaan, dat zij te veel beweging maken om den godsdienst. Die klacht bewijst, dat er iets gedaan wordt, en dat er naar alle waarschijnlijkheid ook voorspoed op volgen zal. De menschen, die geen belang hebben bij den verloren penning, zijn verdrietig om het stof, dat in beweging is gebracht; het komt hun in de keel en zij moeten er van hoesten. Maar het doet er niet toe: veeg nogmaals goede vrouw, en laat hen nog maar meer murmureeren en klagen. Een ander zal zeggen: „Ik vind zulke godsdienstige opwindingen niet goed , ik houd meer van eene rustige, ordelijke wijze van werken.quot; Ik denk, dat de geburin dezer vrouw, toen zij bij haar kwam om

-ocr page 864-

8-21

een bezoek bij haar af te leggen, vol afkeer uitriep: Ach, er is hier geen stoel om op te gaan zitten, en g;j zijt zóó vervuld van dien verloren penning, dat gij mij nauwelijks te woord staat. Wel, gij verspilt uwe kaars, en schijnt als in eene koortsachtige gejaagdheid te verkeeren.quot; „Ik moet mijn\' penning terug vindenquot;, zal de goede vrouw geantwoord hebben, „en om hem te zoeken, kan ik zelve wel een weinig stof verdragen, en dat moet gij ook, zoo gij hier wilt blijven, terwijl ik zoek.quot; Eene ernstige kerk zal gewis eene zekere mate van onrust ervaren, als zij naar zielen zoekt, en zeer voorzichtige, zeer kieschkeurige en vitachtige lieden zullen dit verkeerd vinden. Geeft geen acht op hen, mijne broeders, gaat voort met uw reinigingswerk, en laat hen praten. Bekommert er u niet om. dat gij het stof in beweging brengt, zoo gij het geld slechts vindt. Als zielen verlost en behouden worden, dan zijn de onregelmatigheden en eigenaardigheden als stofjes aan de weegschaal. Als menschen tot Jezus gebracht worden, trekt het u dan niet aan wat vitters en bedillaars er van zeggen. Gaat voort met uwen arbeid van met bezemen te keeren, al zou men dan ook uitroepen: Dezen, die de wereld in roer hebben gesteld, zijn ook hier gekomen.quot; Al zou ook beroering en zelfs vervolging er voor het oogenblik het gevolg van wezen, indien ten laatste eene onsterfelijke ziel er door behouden wordt, zult gij u wèl beloond achten.

Het is ook opmerkelijk, dat het zeeken van dien penning alle andere dingen zoo volkomen op den achtergrond drong. Er werd voor het oogenblik aan niets anders dan aan dit verloren muntstuk gedacht. Hier is eene kaars. De goede vrouw gaat bij het licht niet zitten lezen, of hare kleederen verstellen; neen het licht dier kaars wordt uitsluitend gebruikt om dien penning te zoeken. Daaraan alleen wordt dit licht besteed. Hier is een bezem. Er is voor dien bezem ook nog ander werk, maar thans keert hij het huis alleen, om het verloren zilverstuk te vinden, en wordt nergens anders voor gebruikt. In het hoofd dier goede vrovw zijn twee heldere, scherpziende oogen; ja, maar zij zien nergens anders naar dan naar haren verforen penning. Wat er overigens in het huis of bniten het huis moge wezen, daar geeft zij niet om — zij geeft slechts om haren penning, dien moet zij vinden; en hier is zij met kaars en bezem, met hare oogen en hare gaven des geestes, met haar lichaam en hare ziel, het wordt alles gebruikt om den verloren schat te vinden. Zoo is het, als de Heilige Geest werkt in de kerk. De prediker, evenals de kaars, geeft zijn licht, maar met het uitsluitend doel om den zondaar te vinden en hem zijn\'verloren toestand te doen inzien. De bezem der wet en het licht des Evangelies, het is alles bedoeld voor den zondaar. Al de wijsheid des Heiligen Geestes wordt aangewend om den zondaar

-ocr page 865-

822 de verloren penning.

te vinden, en al het talent, al de bezittingen en de gansche macht der kerk worden gebruikt, om den zondaar te behouden. Het is een schoon tafereel; mocht ik het dagelijks kunnen aanschouwen. Hoe ijverig worden de zielen gezocht, als de Geest Gods waarlijk in de gemeente aanwezig is!

Nog ééne gedachte. Deze vrouw zocht haren penning met volharding — „totdat zij dien vindt.quot; Mochten gij en ik als deelen van de kerke Gods, afgedwaalde zielen zoeken, totdat wij ze vinden. Wij zeggen, dat zij ons ontmoedigen. Die penning heeft ongetwijfeld de vrouw, die hem zocht, ook ontmoedigd. Wij klagen, dat de menschen niet geneigd schijnen tot den godsdienst. Heeft dit geldstuk deze vrouw op eenigerlei wijze geholpen? Zij heeft gezocht; zij heeft het alleen gedaan. En door u mijn broeder, zoekt de Heilige Geest de verlossing van den zondaar, niet verwachtende, dat de zondaar Hem hierbij zal helpen, want de zondaar wil niet gevonden worden. Zijt gij onlangs teruggewezen door iemand, wiens geestelijk goed gij wenschtet? Ga nogmaals tot hem! Werd er om uwe uitnoodi-ging gelachen? Noodig hen opnieuw! Zijt gij van wege uwe ernstige smeekingen het voorwerp hunner bespotting geworden ? Richt wederom uwe smeekingen tot hen! Dezen, die ons in het eerst afwijzen, zullen wellicht juist behouden worden. Eene harde, ruwe bejegening is soms niets anders dan een tee-ken, dat het hart dé kracht der waarheid erkent, schoon het er zich voor het oogenblik nog niet aan gewonnen wil geven. Volhard, broeder, totdat gij de ziel vindt, die gij zoekt. Gij, die u zoo inspant voor uwe klasse in de Zondagschool, gebruik uwe kaars, verlicht het gemoed des kinds, keer het huis met bezemen, totdat gij vindt wat gij zoekt; laat niet af van het kind, vóór het tot Christus gebracht is. Gij, die in uwe klassen voor oudere leerlingen reeds met jonge lieden te doen hebt, houdt niet op van uw gebed in het verborgen en van uwe persoonlijke vermaningen, totdat dit hart Jezus toebehoort. Gij, die u wijden kunt aan straatprediking, of kosthuizen bezoekt, of van huis tot huis tractaatjes uitdeelt, ik smeek u allen, want allen kunt gij iets doen, nooit het zoeken van zondaren op te geven, vóór dat zij veilig in Jezus\' handen zijn. Wij moeten hen verlost zien! Laat ons met de vurige volharding der vrouw, die alles onderst boven keerde, en alle dingen schade achtte, zoo zij slechts haren schat kon terugvinden, als de Geest Gods in ons werkt door alle vormen en regels en moeielijkheden heenbreken, zoo wij slechts het middel mogen wezen om sommigen te behouden en diegenen op te heffen uit het stof, die des Konings beeld dragen en dierbaar zijn aan des Konings hart.

III. De tijd is, helaas! maar al te snel voorbijgegaan, en daarom moet ik besluiten met het derde punt; de penning gevonden.

-ocr page 866-

DE VERLOKEN PENNING.

Gevonden! Dit was, in de eerste plaats, het ultimatum der vrouiv, met minder was zij niet tevreden. Zij hield niet op voor dat het muntstuk was gevondan. Zoo is ook het doel des Heiligen Geestes, niet dat de zondaar in een\' hoopvollen toestand wordt gebracht, maar dat hij wezenlijk en waarlijk verlost en behouden zal wezen, en dit is de groote zorge der kerk, niet dat de menschen hoorders zullen worden, niet dat zij rechtzinnige belijders zullen worden, maar dat zij wezenlijk veranderd, vernieuwd, wedergeboren zullen worden.

De vrome heeft zelve den penning teruggevonden. Hij kwam niet maar bij toeval terecht, en evenmin is een der buren in het huis gekomen om hem te vinden. De Geest Gods zelf vindt de zondaars, en in den regel is de kerke Gods zelve het middel voor hunne terechtbrenging. Waarde broeders, eenige jaren geleden werd door vele geestdriftvolle, maar misleide personen een blaam geworpen op de zichtbare kerk. Die menschen verbeeldden zich, dat de tijd gekomen was om met allen georga-niseerden arbeid te breken, en dat het werk op onregelmatige wijze buiten de kerk om moest geschieden. Zekere merkwaardige mannen stonden op, wier heftige, woeste kritiek schier gelijk stond aan een\' aanval op de erkende kerken. Hnn arbeid hield zich ver van de regelmatige bediening desWoords, en was er soms zelfs openlijk tegen gekant- Hun doel was even zeer de bestaande kerk omver te werpen als bekeerlingen te maken. Nu vraag ik aan ieder, die deze beweging nauwlettend en onpartijdig heeft gadegeslagen, wat daar nu werkelijk uit is voortgekomen? Ik heb hen niet veroordeeld en zal hen niet veroordeelen, maar in het licht hunner geschiedenis durf ik heden wel zeggen, dat zü den regelmatigen arbeid der kerk niet hebben vervangen en nooit zullen vervangen. De massa\'s moesten wakker geschud worden; maar waar zijn de zoo hoog opgevijzelde resultaten? Wat is er van veel van dien hoogeroem-den arbeid geworden ? Zij, die in verband met eene kerke Gods hebben gewerkt, hebben blijvend nut gesticht; zij die als afzonderlijke arbeiders optraden, zijn, hoewel zij eene wijle voor het oog van het publiek flikkerden en de couranten met geestelijke snoeverij vulden, thans geheel, of zoo goed als geheel verdwenen. Waar zijn de overwinningen, die door hen behaald werden? En de echo antwoordt: Waar? Wij moeten tot de oude regelmatige troepen terugkeeren. God wil de kerk nog zegenen, en het is voor de kerk, dat Hij de kinderen der menschen zal blijven zegenen. Ik verblijd mij als ik van iemand hoor, die het Evangelie predikt; indien Christus gepredikt wordt, dan verblijd ik mij hierin, ja, en ik zal er mij in verblijden. Ik gedenk de woorden des Meesters; „Verbiedt hem niet, want wie tegen ons niet is, die is voor ons.quot; Maar toch! de massa der bekeerlingen zal komen door middel van de kerk,

823

-ocr page 867-

DE VERLOREN PENNING.

en door haren regelmatig georganiseerden arbeid. De vrouw, die de kaars ontsteekt en het huis met bezemen keert, en aan wie de penning behoort, zal zelve hem vinden.

En let nu op hetgeen zij deed, toen zij hem had gevonden, zij verblijdde zich. Hoe meer moeite zij had voor het zoeken, hoe hooger blijdschap zij smaakte, toen zij hem vond. quot;Welk eene blijdschap is er in de kerke Gods, als er zondaars worden bekeerd! Wij hebben onze hoogtijden, wij hebben onze blijde dagen, als wij hooren van zielen, die van de paden des verdervers worden teruggebracht; uwe leeraren en ouderlingen smaken soms zulk eene innige vreugde, als die alleen in den hemel geëvenaard kan worden, als zij de geschiedenis hooren van zielen, die bevrijd zyn uit de slavernij de zonde, en gebracht zijn tot de volkomene vrijheid, die Jezus schenkt. De gemeente verblijdt zich.

Vervolgens: zij roept de vriendinnen engelmrinnen om in hare blijdschap te deelen. Ik vrees, dat wij onze vrienden en gebu-ren niet altijd met de hun toekomende achting behandelen, en er niet altijd aan denken hen te noodigen om in onze vreugde te deelen. Wie zijn zij? Ik denk, dat hier de engelen bedoeld zijn; niet slechts de engelen in den hemel, maar zij, die waken hier beneden. Merk wel op, dat toen de herder liet schaap te huis bracht, er geschreven staat, dat er „alzoo blijdschap zal zijn in den hemel over één zondaar, die zich bekeert, maar dat hier geene melding gemaakt wordt van den hemel, noch van de toekomst wordt gesproken, maar dat er geschreven is: „Alzoo is er blijdschap voor de engelen Gods.quot; Nu is de kerk en de Heilige Geest op aarde aan het werk; als er eene ziel verlost wordt, dan zullen de engelen hier beneden, die de wacht houden over de geloovigen, en dus onze vrienden en geburen zijn, zich met ons verblijden. Weet gij niet, dat er engelen zijn in onze bijeenkomsten? Daarom zegt de apostel, dat de vrouw in de vergadering het hoofd gedekt heeft. „Om deren-gelen wil,quot; zegt hij, want zij beminnen orde en betamelijkheid. Waar de heiligen zijn, daar zijn ook de engelen en aar.schou-wen onze orde en verblijden zich in onze blijdschap. Als wij bekeeringen zien, dan mogen wij hen uitnoodigen om zich ook te verblijden, en dan zullen zij God met ons loven. Ik denk niet, dat de blijdschap hier eindigt, want daar de engel an altijd nederdalen en opklimmen op den Zoon des menschen, brengen zij spoedig de tijding naar de heirscharen hier Boven, en dan verblijdt zich de hemel over een\' zondaar, die zich bekeert.

Die blijdschap is tegenwoordige blijdschap; het is eene blijdschap in het huis, in de gemeente in hare eigene sfeer; het is de blijdschap van hare geburen, die rondom haar zijn hierbeneden. Alle andere blijdschap schijnt hierin te zijn verzwolgen, evenals alle andere bezigheid gestaakt werd om den verloren

824

-ocr page 868-

de verloren penking.

penning te zoeken, zoo zwijgt ook elke andere vreugde, als de kostbare zaak is gevonden. De kerke Gods heeft duizenderlei blijdschap, de blijdschap dat hare heiligen naar den hemel gaan; de blijdschap, dat hare heiligen rijp worden voor de heerlijkheid; de bUjdschap van hen, die strijden tegen de zonde en haar overwinnen, en opwassen in genade, en de belofte ontvangen; maaide voornaamste blijdschap der kerk, en die alle andere blijdschap verzwelgt, gelijk Aarons staf de andere staven verslond, dat is de blijdschap over de verlorene ziel, die na veel keereri met bezemen en veel zoeken eindelijk gevonden wordt.

De practische leering voor de onbekeerden is dit: waarde vriend, zie welk een prijs er op u gesteld luordt. Gu denkt, dat niemand om u geeft —■ maar o! de hemel en de aarde bekommeren zich om u! Gij zegt: „Ik ben als niets, een verworpeling, van hoegenaamd geene waarde.quot; Neen, gij zijt niet waardeloos voor den gezegenden Geest, niet waardeloos voor de kerke Gods — zij verlangt naar u.

Zie voorts ook, hoe valsch uw vermoeden is, dat gij niet ivel-kom zoudt wezen, als gij tot Christus komt. Welkom! welkom! ach! de kerk zoekt u, de Geest Gods zoekt u. Spreek niet van welkom, gy zult veel meer dan welkom zijn. O hoe blijde zal Christus wezen, zal de Geest wezen, zal de kerk wezen, om u te onvangen! Ach! gü klaagt, dat gü niets gedaan hebt om ii geschikt te maken voor genade. Spreek niet zoo. Wat heeft de verloren penning gedaan? Wat kon hij doen? Hij was hulpeloos en verloren. Zij, die hem zoekt, heeft het alles gedaan, Hü, die u zoekt zal alles doen voor u. O ziel, daar Christus u thans zegt te komen, zoo kom! Als zijn Geest u trekt, zoo geef u gewonnen! Daar de belofte thans spreekt: „Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de Heere: al waren uwe zon den als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zü rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol,quot; zoo neem de belofte aan. Geloof in Jezus. God zegene en ver-losse ii, om Jezus wil. Amen.

825

-ocr page 869-
-ocr page 870-
-ocr page 871-
-ocr page 872-
-ocr page 873-
-ocr page 874-
-ocr page 875-