1NÜ. STUD oct.
37
P M
BLoti H^r .p riaeR
INLEIDING TOT DE STUDIE
VAN HET
INDISCH PRIVAATRECHT.
IND
M
r-
ÜlOh
«VfiS
10pt rj
aer{
Olltf
INLEIDING TOT DE STUDIE
VAN HET
NDISCH PRIVAATRECHT.
ITNri^IEILIDIIsrG- $-£,/
TOT DE STUDIE VAJf HET
INDISCH PRIVAATRECHT
DOOR
Mr. J. A. NEDERBURGH.
AFDRUKKEN UIT: „WET EN ADATquot;
MET EEX SUPPLEMENT OVER:
GEMENGDE HUWELIJKEN.
Fonds ten behoeve van Indologische Sludiën aan Rijks Universiteit te Utrecht.
G. KOLFF amp; Co. BATAVIA.
Een tvoord vooraf
om dengeon, die dit mocht willen beweren, reeds bij voorbaat toe te geven dat de titel, waaronder de achterstaaude tijdschriftartikelen hier zijn bijeengebracht, onjuist is.
Ik kon geen beteren vinden en troost mij met de gedachte, dat niemand er door zal worden misleid, omdat op den omslag duidelijk is gewaarschuwd, dat men slechts afdrukken van „quot;Wet en Adatquot; zal vinden. Men kan dit letterlijk opvatten. Het zijn geen herdrukken, maar afdrukken, waarvan nog een aantal ter drukkerij over was en die ter beschikking van de belanghebbenden worden gesteld, nu de volledige jaargangen van „Wet en Adatquot; nagenoeg zijn uitverkocht.
Ware de titel juist, dan zou deze bundel voorzien in een behoefte, die m.i. reeds lang gevoeld wordt: die aan een algemeene inleiding tot het Indisch privaatrecht, waardoor de in Indië komende jurist wordt ingewijd in eenige algemeene onderwerpen van speciaal-Indisch recht, waarvan de kennis voor hem noodig is om den weg te vinden in het velerlei recht, dat iu ons Insulinde geldt. Zijn Nederiandsche boekenschat laat hem hierbij in den steek, en zoo hij al in de gelegenheid is de uitgebreide voorraad jurisprudentie en verhandelingen te raadplegen, die in tijdschriften en weekbladen verspreid zijn, dan zal het hem toch moeilijk vallen een keuze te doen uit de vele en soms lijnrecht tegenover elkaar staande opinies. Een overzicht van het geheel zal hij zich daardoor niet, of eerst na langdurige studie kunnen verschaften. Zoo zal hij het gemis voelen van een algemeen werk, waarin de stof niet broksgewijze, maar in haar geheel en systematisch wordt behandeld.
In deze behoefte voorziet de hier aangeboden reeks van verhandelingen niet, vooreerst omdat slechts een deel der stof er in is bewerkt, en ten tweede omdat een en ander zich noch door grondigheid, noch door objektiviteit verheft boven het
gewoon gehalte van tijdschriftartikelen (1). Wat men hier vindt ontslaat niet van de moeite om zelf te onderzoeken en te overwegen, maar moge een aanleiding zijn om hiertoe over te gaan.
Wordt dit in het oog gehouden, dan zal deze verzameling wellicht van nut kunnen zijn, omdat hier door alle opstellen één draad loopt en zij een poging zijn om eenige hoofdstukken der gedachte „Inleidingquot; systematisch te behandelen. Mochten zij iemand, die over de daartoe vereischte kunde en tijd beschikt, aanleiding geven om een heusche „Inleidingquot;, zooals ik mij die voorstel, samen te stellen, en hem zelfs van dienst zijn bij de volvoering van dit plan, dan zou het mij een voldoening zijn, daartoe iets te hebben bijgedragen.
Met het oog op de nieuwe regeling der ^(jemengde huwelijkeri\'\' (Ind„ Stbl. 1898 No. 158) is aan deze verzameling een supplement toegevoegd, handelende over dit onderwerp.
Het houdt ook verband met de overige opstellen, bij welker lezing men in het oog houde de in het supplement besproken quot;wijzigingen, speciaal wat betreft den staat der vrouw.
Batavia, April 1899. J. A. N.
(1) Ik heb dan ook niet getracht de opstellen te zuiveren van de daarin voorkomende fouten en onjuistheden, van welke ik ongetwijfeld slechts een klein deel zelf zou ontdekken, en mij tot de vermelding hij den inhouds-opgaaf van eenige drukfouten beperkt.
INHOUD.
BiiZ.
WET en ADAT............17—78.
Beteekenis van deze woorden en van ^godsdienstige ■wettenquot; in art. 75 R. R., taalkundig, in verband met de Handd. der St. G., met de gansche wet en met de bepalingen, waaruit die woorden zijn overgenomen. — Verhouding tusschen de godsdienstige wetten en de instellingen en gebruiken. — De opvatting van Mr. L. W, C. v. d.
Berg. — Eenige vroegere bepalingen. —
Ind. Reg. Regl. art. 75 alinea 1....... 45.
^ 4fi n n t) f) .......
Mr. Piepers1 definitie van „onroerend goedquot; voor Inlanders. — Stbl. 1834 no. 27 en 1873 no. 38.
Ind. Reg. Regl. art. 75 alinea 3....... 52.
De adat der Vreemde Oosterlingen. — Stbl. 1855 no. 79.
Vreemde Inlanders als vreemde Oosterlingen. — Stbl. 1874 no. 94 c, 1880 no. 34 en 1882 no. 82; drie definities van:
Vreemde Oosterlingen. — Het groeien der adat; overgang van gewoonte tot gewoonterecht; gewoonte-owrecht; leiding der ontwikkeling van de adat; A;tosse«gebruik contra toZisadat.— Adat in verband met territoir.— Adat in verband met moh. recht; nogmaals Mr. v. d. Berg\'s opvat-ïing (1); de „receptio in complexu;quot; de autoriteit van Sinoesi; protektie van den Islam; de onmisbaarheid (r) v; h. moh. recht voor den rechter in N. Indië. — Hoe men de adat leert kennen en haar beginselen afleidt; de vrijheid van den adat-rechter; recht vinden en scheppen; subsidiaire toepassing der beginselen v. h. Eur. recht. De .algemeen erkende beginselenquot; enz. (2).
1
Hierbij te vergeiijken blz. 323.
— 8 —
Blz.
Ind. Beg. Reg I. art, 75 alinea 5....... 75.
Waarom alleen als verweerders?
Naschrift.............. 76.
Prof. v. d. Lith. over kodifikatie voor Inlanders.
DE KLASSEN DER BEVOLKING VAN N. I, . 79-398.
t
Eerste Afdeeung.
i
Het Nederlanderschap. (1)......... 81.
Het Rijk in en buiten Europa. — De wet yan 28 Juli 1850 en Ned. B. W. I, 2. — Jus sanguinis en jus soli.
Art. 2. a, de spil waarom de wet draait. — Onhoudbaarheid van het jus sanguinis door rassenvermenging. —
Invloed van ras en territoir op de nationaliteit. — Onbillijke beoordeeling van het gemengd bloed. — Gelijkheid van recht en plicht geen onmisbare voorwaarde tot gelijkheid van staatsverband. — De wet van 12 Dec. 1892 geldt ook in Indië; art. 107 R. R.—Het amendement-Levyssohn en zijn toelichting; kritiek daarop. — De onderlworigheids-theorie van Mr. Beyen. De ongegronde vrees voor het „civis Romanus sumquot;. — Gevolgen van het amendement-Levyssohn : verschillende soorten van Nederlanders, ook in Indië. Art. 5 en 83 Ned. Strafwb. — R. R. art. 107, en 108.—Vondelingen.—Staatsblad-Europeanen (a. Staats-blad-Nederlanders, b. Staatsblad-vreemdelingen).—Invloed der gemengde huwelijken op het staatsverband. — Stbl.
1895 no. 62. — Vooruitzicht op herziening der wet o. h. Nederlanderschap? quot;Welke wijzigingen zouden daarbij voor Indië gewenscht zijn?
Tweede Afdeelikg.
Ingezetenschap. (2).......... 127.
Art. 106 R. R., art. 4 Alg. Bep.— Het in de St. Gen. verhandelde.—Ingezetenschap van tijdelijk toegelatenen.—
(1) Op blz. 102, regel 8, ia liet woordje op uitgevallen tuauohen „vooralquot; en „worden.quot;
(2) Blz. 135, regel 6 v. onderen, voor; „zoo ikquot;... lezerneu; zooaft? ikquot;.. enz.
— 9 —
Blz.
Wie zijn inboorlingen? Opvatting van Mr. Abendanon.— Onvolledigheid der regeling voor N. I., vergeiijking met art. 13—15 Ned. wet.—Wanneer houdt het ingezsch. op? juridische en feitelijke voorwaarden voor het bestaan er yan. — Zijn Inlanders per se ingezetenen? Art. 7 Stbl.
1872 no. 38. Verschil tusschen nos. 38 en 40 van Stbl. 1872.—Niet in Indië geboren Inlanders.— Verschillende soorten vreemdelingen: art. 12 wet van 12 Dec. 1892;
stbl. 1895 no. 62 ; art. 5 A. B.; Oostersche vreemdelingen.— Ingezetenschap geen surrogaat voor het staatsverband;
ander gevoelen van Mr. Abmdanon.—Uit N. Indië gekomen Chineezen in Siara. No. 3190 Ind. Bijblad. Nationality of domicile (subditus temporalis).
Derde Afdeelixg.
De Invloed der vreemdelingschap op het rechtswezen in N. I. (1).............. 147
A. Wat het internationaal privaatrecht betreft. . . 147
Art. 6. e. v. Ned. Alg. Bep. — Nationaliteits-beginsel.
Art. 3 en 16 Ind. Alg. Bep. — Geërfd en tijdelijk ingezetenschap.
B. De invloed der vreemdelingschap, van een nationaal oogpunt beschouwd............ 159
Gastvrijheid tegenover vreemdelingen.—Het groot aantaal Chineezen in N. I; de voordeelen en nadeelen daarvan. Ze zijn niet onmisbaar; houden den middenstand gesloten voor de nationale elementen.—Onze taak in deze koloniën.—Recht en rechtsbewustzijn; belemmering hunner ontwikkeling door verscheidenheid en groot aantal der vreemcielingen en door toekenning aan dezen van uit-heemsch recht. — Art. 75 al. 3 JR. R. geen regel van internationaal recht. — Geldt voor Vreemde Oosterlingen het recht van hun land van herkomst, of hun in Indië bestaande adat? Zuiver-ühineesch-recht contra Chineesche adat. De Jurisprudentie daarover. De argumenten van Mrs. C. P. K. Winckel, J. Sib. Trip, G. ion Faber, P, H. Fr omberg en van J. W. Young. — Besluit.
(1) Blz. 186, regel 5 v. onderen, achter: ,roepasaelijkquot; leze men: ,euquot; Blz. 192, regel 1, leze men: „ynaar het is nu eenmaalquot;,., enz.
— 10 —
Blz.
Vierde Afdeeliso.
Öuasi-Nationaliteit (1).......... 197.
(Europeanen, Inlanders, gelijkgestelden).
Beteekenis v. d. terra quasi-nationaliteit. — Noodzakelijkheid der onderscheiding Yan Europeanen en Inlanders;
geen bevoorrechting.—Hoofd-en nevenklassen.—
Wie zijn Europeanen, wie Inlanders? .... 204.
Verwerpelijkheid van het geografisch kriterium. Ras-onderscheiding. Het Eur. beschavings-verbanden gebied.—
Regelen ter onderscheiding wie Europeanen, wie Inlanders zijn.— Uiterlijk voorkomen geen bewijs van afstamming. De vrouw volgt in dit opzicht niet den staat v.
haar man. (Zie echter blz 370).— Exceptioneele gevallen,
waarin de quasi-na- tionaliteit zich bij de hoofdklassen kan wijzigen.
Wie zijn Inlanders?......... 216.
Territoir; ras.— Vondelingen en verlaten kinderen.—
Kinderen uit het huwelijk van een Inlander met een Europ. vrouw. Art. 15 Ov. bep.— De erkenning vaneen natuurlijk kind beeft ten opzichte van zijn Europeaanzijn terugwerkende kracht.
De Gelijkstellingen (2)......... 224.
Aard der gelijkstelling. Wordingsgeschiedenis van art.
109 al. 2 en 3 R. R. — De godsdienst is eenig kriterium der gelijkstelling. Andere opvatting van Mr. Margadant.— Chi-neesche Christenen zijn geen „Inlandsche Christenenquot;. Bezwaren ; veranderl ijkheid van het kriterium der gelijkstelling.
Quasi-natüralisatie.(8)......... 240.
Beteekenis van dezen term. — Geschiedenis van R. R.
109 al. 5. — Geeft deze alinea recht uitzonderring temaken op de hoofdonderscheiding? Uitzonderingen op al.
(1) Nadat deze Terhandeling reeds was verschenen, is door de Staten-Generaal een wet a ar gen omen, waardoor — met wijziging- van art. 109 Reg. Regl. — de Japanners worden gelijkgesteld met Europeanen. De bedoeling dezer wet was echter niet in het systeem van art. 109 vd. eenige wijziging te brengen.
(2). Blz. 230 regel 16/17, voor ,Europeanenquot; leze men: met Europeanen ye-ïijkyesteldquot;.
Blz. 237, in ée noot, voor ^Art. 6 A.quot; leze men: „Art. 6 A. B.quot;
(3). Blz. 251, regel 11, voor „met Christenenquot; leze men: „metEuropeanen.quot;
— 11 —
Blz.
4?—Algemeene of personeele uitzonderingen ? Kunnen Europeanen met Inlanders worden gelijkgesteld? — Vorm der quasi-naturalisatie. — Gelijkstellen, of: toekennen der hoedanigheid van Enropeaan?—Gevolgen. De quasi-nationalitiet Yan kinderen en echtgenoot v. d. quasi-genaturaliseerde.— Welk recht geldt voor het vroeger huwelijk v. d. quasi-genaturaliseerde met een Inl. vrouw ?— De wetenschap kan hier dikwijls slechts voorlichten; de wetgever moet de vragen oplossen.
Eesige Kritiek............ 257
Geografisch kriterium. Meening van Mr. Abeiulanon.—
Systeem van Mr. Manjadant. Inkonsekwentie ten opzichte van de Turken en Chineezen. — Bewijs dat men Europeaan is. Bewijs van si lat is een subsidiair bewijsmiddel, geen middel om een rechiens niet bestaande quasi-nationaliteit te verkrijgen.— Besiissins: v. h. Hof (9 Nov. 1892) i. z. L. A. JF. Fisser. Konklusie v. d. Proc. Gen. in die zaak. Zijn „ethnologischquot; kriterium. — Verslag en rekwisüoir v. d. Proc. Gen. i. z. J\'. M. Makatita. — Beslissingen i. z. den zich noemende E. L. Jünner (1895).—
Vonnis R. v. J. Soer. d. d. 1 Aug. 1896. — De zaak Zecha.
Vijfde Afdeelixg.
quot;Weifelklassen. (1)............ 279
Algemeen karakter dezer klassen.
Forum-Europeanen........... 280
GelegenJieids-Eurojieanen.......... 281
Stbl. 1840 No. 2.— Artt. 11 en 13 A. B.—Algemeene onderwerping a. d. Eur. wetgeving niet mogelijk. — Zijn alle bepalingen v. h. Eur. priv. recht vatbaar voor vrijwillige onderwerping? Bepalingen van publieke onie, Privatorum conventio juri publico non derogat. Onjuiste toepassingen van dit beginsel. — Is altijd tusschenkomst van een Notaris noodig bij de vrijwillige onderwerping?—
Vrijw. onderw. bij gemachtigde. — Posterieure vrijw.
onderw. — Vrijw. onderw. is ook geoorloofd, al is geen der betrokkenen Europeaan.— Stilzwijgende onderwerping. —
(1) Blz. 284, regel 2 v. onderen, voor .heeftquot;, lees: Blz. 303, regel 15, voor ,rechterquot; lees: .wetgever.quot;
— 12 —
Blz.
Onderwerping van rechtswege. — Hoever is de vrijw.
onderw. ook bindend tegenover derden? Erfgenamen enz. Belanghebbenden. — Te niet gaan der vrij w. onderw.
door den wil v. d. onderworpene. — Eenzijdige onderwerping. — Vereischte toestemming voor intrekking der onderwerping.— Onderwerping bij een gefinyeerde handeling.
Huwelijks-Europeanen (1)......... 298.
Historie van art. 15 Ov. bep. — In dit artikel dezelfde •vrijw. onderw. bedoeld als in A. B. 11; één verschilpunt. Wenschelijk: onderw. v. rechtswege, en ook aan het Eur. publiek recht. — Vrijw. onderw. hier alleen mogelijk bij afzondl. authent. akte. Ze vervalt, als \'t huwelijk niet doorgaat; uitzondering hierop.— Posterieure vrijw. onderw.
hier uitgesloten. — Bevoegdheid y. minderjarigen tot vrijw.
onderw. — Vrijw. onderw. bij gemachtigde — Toepasselijkheid v. d. regel; privatorum conventio enz. (A. B. 23).
Gevolgen voor derden. — Vrijw. onderw. bij niet-gemengde huwelijken door art. 15 Ov. bep. niet uitgesloten. — Kan bjj gemengde huwelijken onderwerping a. d. Eur. wetg.
ontstaan zonder medewerking v. partijen? Artt. 16, 18 A. B. Huweljjken v. Inl. ia Europa, \'s Hofs beslissing v. 22 Oct. \'96 betreffende huwelijksconsent voor in China huwenden. Art. 83 B. W. De vrijw. onderw. in Nederland een onmogelijkheid.
De Zakenrechtelijke Europeanen....... 315.
Stbl. 1855 No. 79. Kriterium der toepasselijkheid naar de plaats en naar den persoon; artt. 1 en 2 jo. 9. — De legitieme portie.— Toepasselijkheid regel: niet-toepasse-lijkheid uitzondering.
Zesde Afdeeling.
Inlandsche Christenen. (2)......... 321.
Niet onderworpen a. d. adat der andere Inls., maar aan
(1). Tengevolge van Stbl. 1898 Ko. 158 zijn deze beschouwingen over de huwelijks-Europeanen nog sleclits van belang voor degenen, die vóór 1 Sept. 1898 reeds gehuwd waren. Overigens raadplege men het supplement over „f/emengde Jiuwelijfcenquot;9 hierachter blz. 351, waarin de bepalingen, die voor de later gesloten huwelijken gelden, worden besproken.
(2). Over het privaatrecht der Inl. Christenen handelt een ook hier opgenomen verhandeling, die oorspronkelijk in den 2en jaargang van ,Wet en Adatquot; verscheen en een eigen paginatuur heeft.
— 13 —
Blz.
eigen adat. — De „godsdienstige wettenquot;. Bestrijding van Mr. v. d. Beeg (noot blz. 323). Het Kanonioke recht. Het Kruis tegenover de Halve maan. — Hebben Inl. Chr.
geen rechtsbewustzijn? Overdreven eischen daaromtrent.— Het Oud. Holl. en het Rom. recht. — Adat behoeft niet oud te zijn om tegelden. Wordende adat.—Behoefte aan regeling v. h. recht der lol. Chr.
Zevende Afdeeling.
Waarheen?............. 331
Ontstaan eener klasse uit geslachts- en ook uit ideeënvermenging. De middeltjes der wet om desniettemin de tweeledige indeeling te handhaven; onhoudbaarheid van het systeem. — Japan. Emancipatie der Oostersche staten in het internationaal verkeer. Wenschelijkheid de onderscheiding tot haar natuurlijke grenzen te herleiden.—
Chaos van rechten, overgangstoestand. Twee uitzonderingen: het Europeesch-Nederiandsch en het Inlandsch recht, zonder regel: het N. Indische recht. — Zekerheid van onrecht of onzekerheid van recht. — Aan welke eischen het algemeen Ind. recht moet beantwoorden. — Een juridische sambalbak. — De rechtsbehoeften der Inl. Christenen als maatstaf voor het algemeen Indisch recht.—
Enge of ruimere opvatting van art. 75 al. 2 Reg. Regl.—
Wijze van geleidelijke totstandkoming van het algemeen Indisch recht. Wetgeving voor Inl. Christenen, ook toepasselijk op de Vreemde Oosterlingen.—Welke beginselen te stellen in de plaats van artt. 75 en 109 Beg. Regl. ?
Supplement.
Gemengde huwelijken.......... 351
Regeling bij wet of bij Kon. Besluit? 352. — Aandeel van Mr. v. d. Berg in de voorbereiding, 353. — Verouderd systeem v. wetgeving, 354. — Polygamie en Westersche vrouwen, 355. — Bestond behoefte aan regeling? 356.—
Wat zijn gemengde huwelijken? 357. — Vérstrekkende gevolgen der definitie van art. 1. Graden van verschil in recht, 358/9. — Verschil v. recht, waarop de definitie niet doelt, 360.
— 14 —
Blz.
Wijze van voltrekking der gemengde huwelijken. . . 363—376.
Art. 7, „Toldoenquot;, 363. — Voorbereidende handelingen door elke echtgenoot afzonderlijk, 364. — Het in art. 7 al. 2 bedoeld certifikaat; niet altijd zeker wie het moet afgeven, 365. — Het voorschrift omtrent het opmaken eener schriftel. huwelijksakte te beperkt, 365/6. — Het „nationalequot; recht van den man, ondeugdelijke maatstaf voor toelating van het gemengde huwelijk, 367/8. — Hoe zal het recht des mans de vreemde vrouw beschouwen? 369. — Is er altijd een autoriteit, die volgens het recht der betrokkenen het huwelijk behoort te voltrokken? Zoo neen, hoe moet de voltrekking plaats hebben en wie moet der vrouw het certifikaat geven? 370/1. — Mogelijke knoeierij, 371. — Gem. huwelijken voltrokken zonder- of met onwaar certifikaat, 372/3.—Stuiting, 373.—Gemengde huwelijken in zelfbesturende landen (art. 10); onnoodige en gevaarlijke regeling. Afsobaffing der afkondigin;;.ju voor deze huwelijken; gevaar voor klandestiene huwelijk«:i en voor bigamie, 374/5.
De staat der vrouw........... 376.
De staat der vrouw onder het vroegere recht, 376/7.—
Beteekenis van „staatquot; in de nieuwe regeling; betreft niet het Nederlanderschap; Inlander is niet per se vreemdeling; artt. 2—5 bedoelen met „staatquot; de quasi-nationa-liteit, 378/81. — Bezwaren tegen: de vrouw volgt den staat des mans, 382. — Aangeboren en aangehuwde staat (—recht); „oorspronkelijkquot;, „voordat zij een gem. huw.
slootquot;, 383/4. — Afstand van staat; ten onrechte beperkte termijn daarvoor, 384/5. — Wanneer vangt de afstand van staat aan te werken? 385. — Gebrek aan overgangsbepalingen voor den staat der vrouwen in gem. huw. voor de nieuwe regeling gesloten; art. 2 ^e\'dt niet voor haar, 385/7. — Gevolgen van den overgang van aangeboren tot aangehuwden staat of omgekeerd. Opvatting der Staats-kommissie. Mr. v. d. Bergs „van ouds erkend beginsel\' betreffende de zakelijke rechten. Het verloren gaan der bevoegdheden en plichten tengevolge van verandering van staat, naar de opvatting der Staatskommissie, 387/96.
Besluit, 396.
— 15 —
Blz.
HET PRIVAAT-RECHT DER INLANDSCHE
CHRISTENEN..........1—89.
De aanleiding tot en geschiedenis van Staatsblad 1861
No. 38. .........................2.
Besluit van 23 Aug. 1859 no. é en zijn aanleiding, 3. — Missive v. d, Gouv. der Mol. 26 Sept. 51 over \'t huwe)ijk v. d. radja van Nolloth, 5.— Consid.
en advies (2 Dec. 52) vau den Proc. Gen., 7.—Advies 25 Maart 53 v. d. Raad v. I., 7. — Missive 13 April 53 fd. Alg. Secr.,8—Nota der Alg. Secr., 9.—
Nadere missive 12 Juli 53 v. d. Gouv. der Moln 10.—
Consid. en advies 18 Auj,\'. 54 v. d. Proc. Gen., 12.—
Missive 3 Oct. 1854 v. h. H. Gerechtshof. 13—Missive 29 Mei 55 v. d. Gouv. kommissaris Mr. du Cloux, 19.—Consid. en advies 7 Aug. 55 v. d. Proc. Gen.. 27—Missive 2 Oct. 55 v. h. H. Gerechtsh., 30.—Uittreksel missive 27 Maart 58 v. h. H. Gerechtsh., 30.
Reglement v. d. Inl. Chr. i. h. Godv. der Mol. Eil. op
HET AANGAAN VAN HUWELIJKEN ENZ. (STBL. 1861 NO.
38), met toelichtende aanteekeningen (1). . . . 33.
Gemengde huwelijken (art. 12 en 13) en de oorspronkelijke voorstellen daaromtrent door Mr. du Cloux gedaan, 45. Mem. v. toel daarvan, 46. Kritiek van het Hof, 47. Tweede mem. v. toel.,\'48. Voorstel Proc.
Gen., 49.
Na betrachting..........................49 _
Reglement van de Vlamingh van Oudshoorn..........51.
GESLACHTS- EN VOORNAMEN. INLANDSCHE BÜRGERS. . . 53.
Aigemeene regelen. — Inl. burgers i. d. Molukken toelichting der nieuwe bepp. daarover; offic. beschei den; de bepp. omtrent Inl. burgers zooals zij thans luiden (blz. 59).
Burgerlijke stand........... 02
Het huwelijk........................05
Is het een burgerlijke of kerkelijke handeling?\'t Eerste met kerkelijke tint. — Is de voltrekking kerkelijk? — Is
(1) In art. 6 van dit reglement, op blz. 4S, in plaats van „drie dagenquot; te lezen; %drie maal vier en twintig urenquot; (aldus gewijzigd bii Stbl. 1898 No. 226).
— 16 —
Blz.
de voltrekker verplicht, of alleen bevoegd tot het voltrekken?— Art. 1 van Stbl. 1898 No. 158 en de huweljjken tusschen Inl. en Vr. Oost), van verschillend recht (blz. 69). — Monogamie (art. 27 B. W.). — Huwelijk m. d.
medepl. a. overspel. — Tweede huwelijk tusschen gescheiden echtelieden.— Bewijs van het huwelijk. Bewijskracht der door leeraren, zendelingen enz. opgemaakte akten van huwelijk, doop enz. Gevoelen van Mrs. Hekmeyer en Carpentier Alting.
Echtscheiding........................81
Ebkenning en wettiging......... 83
Voodij. Meerderjarigheid......... 87
Vermoedelijk overlijden..................88
WET EN ADAT.
Men vatte „-wetquot; hier niet op in den engeren zin, waarin het (art. 31 Reg. Regl.) wordt gesteld tegenover Koninklijk-Besluit en Ordonnantie van den Goeverneur-Generaal, maar in den zin van algemeen bindend voorschrift, waarin het als tegenstelling wordt geplaatst naast „adatquot;; de regel die niet is voorgeschreven, maar in de gewoonte belichaamd.
Art. 31 R.R. vat de wetten, besluiten en ordonnanties samen onder de benaming „algemeene verordeningenquot;, die de gewestelijke reglementen en keuren uitsluit. Dit nog daargelaten, heb ik deze uitdrukking niet gekozen, omdat ze in het spraakgebruik nog weinig is doorgedrongen en als soortnaam ook weinig geschiktheid bezit. Immers men kan wel in \'t algemeen spreken van „de wetquot;, maar niet van „de algemeene verordeningquot; om daarmee het geheel der bestaande rechtsbepalingen aan te duiden. Men zal ook moeilijk kunnen spreken van den „algemeenen verordenaarquot; in plaats van den „wetgeverquot; (evenmin van den „Besluiterquot; of „Ordonnateurquot; om den Kolonialen Wetgever aan te duiden). En hoe van „algemeene verordeningquot; bijvoegehjke naamwoorden te vormen ter vervanging van „wettigquot; en „wettelijkquot;, wanneer men het stamwoord dezer bij voegelijke naamwoorden niet meer in de algemeene beteekenis wil gebruiken? Ik geloof dan ook, dat men „wettigquot; en „wettelijkquot;, zelfs in de algemeene ver-u.leningen, wel degelijk bedoelt in den algemeenen zin en deze is daardoor m.i. gewettigd, ook voor het stamwoord „wetquot;.
De titel van deze verzameling, die in nauw verband staat met het doel, geeft mij een eigenaardige aanleiding, aan wet en adat hier eenige beschouwingen te wijden, om beider beteekenis, verband en tegenstelling uit de wet af te leiden. Dit onderwerp vindt men in het Regeerings-Beglement behandeld in art. 75, dat luidt:
W. en A. 2
— 18 —
Alinea 1. „Voor zooveel de Europeanen betreft, berust do rechtspraak in burgerlijke en handelszaken, alsmede in strafzaken, op algemeene verordeningen, zooveel mogelijk overeenkomende met de in Nederland bestaande wetten.
Alinea 2. „De Goeverneur-Generaal is bevoegd om, in overeenstemming met den Raad van Nederlandsch-Indië, de daarvoor vatbare bepalingen dier verordeningen, des noodig gewijzigd, toepasselijk te verklaren op de Inlandsche bevolking of een gedeelte daarvan.
Alinea 3. „Behoudens de gevallen waarin zoodanige verklaring heeft plaats gehad, of waarin zich Inlanders vrijwillig hebben onderworpen aan liet voor de Europeanen vastgestelde burgerlijke en handelsrecht, worden door den Inlandschen rechter toegepast de godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken der Inlanders, voor zoover die niet in strijd zjjn met algemeen erkende beginselen van billijkheid en rechtvaardigheid.
Alinea 4. „Naar die wetten, instellingen en gebruiken wordt, onder gelijk voorbehoud, ook door den Europeeschen rechter gevonnisd in zaken der aan zijn rechtspraak onderworpen Inlandsche hoofden en bij kennisneming in liooger beroep van door den Inlandschen rechter, in burgerlijke en handelszaken, gedane uitspraken.
Alinea 5. „Op die wetten, instellingen en gebruiken wordt door den Europeeschen rechter, bij zijn rechtspraak naar de voor Europeanen vastgestelde wetgeving, zooveel mogelijk acht gegeven, wanneer Inlanders, buiten het geval waarin de bij het 2a lid bedoelde verklaring heeft plaats gehad, of het geval van vrijwillige onderwerping aan gezegde wetgeving in de bij wettelijke bepalingen aangewezene gevallen, als verweerders in burgerlijke of handelszaken voor hem terechtstaan.
Alinea 6. „Bij de rechtspraak over Inlanders, in het 3^ en 4C lid van dit artikel bedoeld, neemt de rechter de algemeene beginselen van het burgerlijk en handelsrecht voor Europeanen tot richtsnoer, wanneer het de beslissing geldt van zaken, die bij de hiervoren bedoelde godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken niet geregeld zijn.quot;
Vóór ik tot de bespreking van dit artikel overga, moet ik
eerst nog, evenals ik boven aangaf wat ik met „■wetquot; bedoel, een definitie geven van wat ik „adatquot; noem.
Adat noem ik het gewoonterecht van den Inlander, beschreven of onbeschreven, voor zoover het niet is afgeschaft of gewijzigd. De niet door het Europeesch gezag vervaardigde stellige voorschriften, die dus als geschreven recht in iSed. Indië geen kracht hebben, beschouw ik als bronnen, waaruit men het gewoonterecht van den Inlander kan leeren kennen, tenzij ze mochten blijken noch aan de adat te zijn ontleend, noch met deze te zijn vergroeid, in welke gevallen geen roden bestaat om aan deze, noch kracht van wet, noch kracht van gewoonte bezittende bepalingen eenig gezag toe te kennen. (1) Adat kan men verder, maar dan alleen in historischen zin, noemen liet gewoonterecht, dat in onbruik geraakt en dat, hetwelk door de wet opgeheven is. Beiden kunnen in den tegenwoordigen tijd geen adat genoemd worden, de eerste omdat het in onbruik geraken den feiteiijken, de tweede omdat de wet den wettigen grondslag, waarop zij berustten, heeft weggenomen. Noemen wij deze beiden resp verouderde en afgeschafte adat. Een derde oneigenlijke soort is die, welke in strijd met de wet ontstaat of voortbestaat en dus als onwettige adat kan worden aangeduid.
Deze oneigenlijke adat, zoowel de verouderde en de afgeschafte als de onwettige, kan uit een wetenschappelijk (ethnologisch, historisch, juridisch) en ook uit een politiek oogpunt van belang zijn; dit laatste omdat de wetgever daaruit kan zien in hoever zijn wetten niet aan de behoeften voldoen, en de inwoners zich daarom aan haar voorschriften trachten te onttrekken. Wij moeten dus trachten ook deze zooveel mogelijk te leeren kennen. Evenwel, waar wij ons op de adat als rechtsbron beroepen of haar als zoodanig bespreken, mogen wij alleen rekening houden met de adat, die nocli verouderd, noch afgeschaft, noch onwettig is, en dan de eigenlijke adat kan worden genoemd.
Ik dien nu mijn bovenstaande definitie aan art. 75 E.R., en wel aan de 3e alinea, te toetsen. Wil de tegenstelling, die
(1) Ik spreek liier natuurlijk niet van de rijkjes, waar nog zeli-bestuur is.
— 20 —
ik in de door mij gedéfinieerde ■svoorden leg, zuiver zijn, dan moeten zij samen het gansclie recht omvatten, dat in ona jSederlandsch-Indisch gebied geldt.
Stemt mijn definitie overeen met de bewoordingen der bedoelde alinea, of kent deze naast de wet en de adat nog een derden faktor ? Men zou dit om de woorden „godsdienstige wettenquot; kunnen denken.
Zijn door deze woorden nog andere bronnen van recht erkend, dan wet en adat? Zijn daardoor nog andere wetten, dat is: geschreven, bindende bepalingen erkend, dan de algemeene verordeningen ?
Om deze vraag te beantwoorden, zullen we de beteekenis der woorden „yodsdienstiye wettenquot; langs verschillende wegen trachten op te sporen.
Wat is taalkundig de beteekenis dier woorden?
In onze taal verstaat men onder godsdienst, het dienen van God, direkt door hem op verschillende wijzen eerbied te betuigen, indirekt door in ons gedrag Gods voorschriften op te volgen. Nu is er wel geen scherpe grens mogelijk tusschen het gebied van den godsdienst en dat van het recht, en zal men zelfs erkennen dat de Godheid als bron van al het goede ook de bron is van alle recht, maar men neemt toch algemeen, zoowel taalkundig als in de praktijk aan, dat er een verschil bestaat tusschen godsdienst en recht, en in Staten zooals de Nederlandsche en ook de Xederlandsch-Iudische zonder staats-godsdienst, wordt als behoorende tot het gebied van het recht beschouwd de regeling der verhoudingen tusschen de burgers, der oplossing van hun geschillen. De regelen hieromtrent gaan uit van den Staat, met uitsluiting van elk ander gezag.
Derhalve worden in het Nederlandsch, en vooral in een Nederlandsche of Ned. Indische wet, met wetten van den Godsdienst eigenlijk alleen bepalingen aangeduid, die dat betreffen wat wij godsdienst en niet wat wij recht noemen Edoch, zoo opgevat, zouden de woorden hier niets beteekenen, want er is juist sprake van recht. Geeft ons dit aanleiding om het woord godsdienst hier in ruimeren zin te nemen, er volgt nog
niet het recht uit — althans niet taalkundig — om er de meest uitgebreide strekking aan te geven, die anderen er maar aan gelieven te hechten; te meer omdat, strikt genomen, godsdienstige wetten iets anders zijn dan Gods-of goddelijke wetten Een godsdienstig boek is niet een boek dat door de godheid geschreven of gedikteerd is, zooals de koran en de tien geboden, maar een boek welks inhoud met Gods geboden strookt; en deze beteekenis doet ons tot de slotsom komen dat onze verordeningen evengoed, zelfs in Mohammedaanschen zin, godsdienstig kunnen zijn en dat onder die uitdrukking niet vallen de wetten der godheid, zoodat aan deze als zoodanig geen gezag is toegekend.
Wij zullen dus een anderen weg dan den taalkundigen moeten inslaan, om de bewuste woorden te verklaren en het ligt voor de hand, dat wij dan het eerst in de Handelingen over het Eegeeringsreglement zoeken (zie de uitgave van mr. Keuchenius, in b deeleu). Bij liet raadplegen dezer bron moet men echter het volgende in acht nemen, dat de waarde ervan niet verhoogt. Plet reglement kan in veel opzichten als een kompromis beschouwd worden, dat waar de inzichten zeer uiteenliepen veel onbeslist liet en naar een redaktie streefde, die allen even veel of weinig bevredigde en voor verschillende uitlegging vatbaar was. Bovendien bestonden de Kamers der Staten-Generaal toenmaals op zeer enkele uitzonderingen na uit leden, die of geen of vage en zelfs onjuiste begrippen omtrent Indië hadden.
Of) grond hiervan is het ongeoorloofd uit het in de Staten-Generaal door één of enkele leden gesprokene af te leiden, wat de juiste bedoeling van het besproken artikel was, tenzij duidelijk blijke van algemeene overeeustemming der leden onderling en met den spreker en de Regcering.
Van zulk een overeenstemming is weinig gebleken, wat de hier aanhangige vraag betreft.
Deze is zelfs niet duidelijk en niet rechtstreeks besproken. De hoofdkwestie was, wie de wetboeken voor Indië zou vaststellen, de Koning alleen of met de Staten-Generaal, en wat men vindt opgemerkt over de godsdienstige wetten en de rechtspraak over Inlanders, geeft mij den indruk, dat de leden
— 22 —
bijna zonder uitzondering daarover zeer verwarde begrippen hadden en het onderwerp noch wat kennis van zaken, noch wat juist inzicht betreft, beheerschten.
Zoo vindt men opmerkingen, die zouden doen vermoeden dat art. 75 al. 3 speciaal den Islam als godsdienst bedoelde, maar bij nader inzien zal men bemerken dat er slechts een flauwe notie bestond, wat de Islam eigenlijk is en dat men soms met „Mohammedanenquot; en Mohammedaansch recht in het algemeen de Inlanders en hun recht bedoelde, zonder het wat den godsdienst betreft zoo nauw te nemen. Zoo wordt, als van een ilaliommedaansche instelling, gesproken van de uitsluiting der vrouwen van het erfrecht bij de Battaks (!) Zelfs de minister was niet altijd korrekt in zijn woordenkeus. Men vindt daarvan o. a. voorbeelden op blz. 691 van het S11 deel der Handelingen (ed. Keuchenius). Hij zegt daar;
„Wat aangaat de toepassing der godsdienstige wetten en instellingen, waarvan in art. 78 sprake is. is ook reeds aangemerkt, en ik voeg mij daar geheel bij, dat die toepassing geheel moet plaats vinden naar de denkbeelden van den Europeeschen rechter, en dus niet naar Oostersche, maar naar Westersche begrippen\'\'\' enz.
Maar enkele regels verder, lezen wij van dienzelfden minister de woorden:
„Ik geloof evenwel niet, dat het in zijn bedoeling ligt een revolutie te doen plaats hebbeu in dat gedeelte van ]STeder-landsch-Indië, waar de omstandigheden vorderen, dat Oostersche begrippen vooralsnog moeten worden toegepast. Door onze Europeesche begrippen van burgerlijk recht onvoorwaardelijk te willen doordrijven, zou men onbillijk zijn jegens de Inland-sche, uit Mohammedanen bestaande bevolking, en wanneer dan al waar moge zijn, dat de vrouw, volgens de Oostersche begrippen, niet mede erft, dan kunnen wij dien regel betreuren, maar ik geloof niet, dat het voorzichtig en aanbevelenswaardig zou zijn daarin.... verandering te brengen\'\' enz.
Men ziet het, zijn bedoeling is: geen revolutie, alles te dezen opzichte laten zooals het is; niettemin verkondigen zijn eerst aangehaalde woorden het overwicht van de Westersche
— 23 -
op de Oostersche denkbeelden, terwijl de laatst aangehaalde daarentegen weer de noodzakelijkheid betoogen om de Oostersche begrippen toe te passen.
Wanneer zoo iets niet bewijst dat Z. Exc. een zeer nevelachtig begrip had van het door hem besproken onderwerp en van de juridische moeilijkheden, die een regeling der • verhondi ng van het Europeesch en het overig recht in onze
koloniën oplevert, dan mag men toch aannemen, dat hij den op enkelen na met Indië onbekenden leden geen onbeneveld begrip der zaak heeft gegeven, en de beraadslagingen bevestigen dit.
In Zijner Excellentie\'s laatstbedoelde woorden wordt eerst van Oostersche begrippen gesproken, waaronder, met het oog op de algemeenheid der uitdrukking en het logisch verband, in Indië zouden moeten worden verstaan: Indische\', maar ten slotte wordt van de Inlandsche bevolking gesproken als van een Mohammedaansche. Door het zinsverband en de toevoeging „uit Mohammedanen bestaandequot;, worden „Oosterschquot;\' en „Moham-i medaanschquot; gelijkgesteld. Immers het kan toch niet de bedoe
ling zijn geweest, de noodzakelijkheid om den Inlander zijn eigen recht te laten, alleen voor de Mohammedanen te betoogen en den overigen dit voorrecht te ontzeggen ; trouwens twee regels verder worden de begrippen, die bij deze Mohammedaansche bevolking moe ten worden geëerbiedigd, weer „Oosterschequot; genoemd.
Men zou dus zeggen dat de Minister de bevolking van r/awsc/f JVed. Indië, waarvoor art. 75 al. 3 immers werd vastgesteld, voor Mohammedanen hield. Maar deze wel wat naïeve opvatting kon de zijne niet zijn, daar hij kort daaiop (Keuchenius III blz. 696) zeide:
„Daar (n.1. in art. 3 der Overgangsbep.) zijn de gevallen voorzien, die de spreker op het oog heeft en daaruit zal hem blijken, dat de tot de Inlandsche bevolking behoorende Chris-\' ■* tenen over geheel Kederlandsch-Indië, met opzicht tot het
burgerlijk en handelsrecht, alsmede tot de strafwetgeving en de rechtsbedeeling in het algemeen, geheel en al zullen blijven in hun tegenwoordigen rechtstoestand en zulks met dien gevolge, dat, voor zoover zij thans met de Inlanders zijn gelijkgesteld, alle de in de nieuwe wetgeving omtrent deze laatsten gemaakte
— 24 —
bepalingen, ook op hen toepasselijk zullen zijn. En in de alge-meene bepalingen van wetgeving voor N. I. vindt men in art. 11 en 12, dat op de Inlanders door den Inlandschen rechter worden toegepast hunne godsdienstige wetten, volksinstellingen cn gebruiken, behoudens de gevallen, waarin zij zich vrijwillig hebben onderworpenquot;.... enz.
Dus:
de minister wist dat onder de Inlanders ook uiot-Moham-medanen waren;
deze niet-Mohammedanen zijn ook volgens hem onderworpen aan de godsdienstige wetten enz. Kan Z. Exc. dan met deze wetten ot\'—zooals hij ze elders noemt — Oostersche begrippen, speciaal de Mohammedaansche hebben bedoeld?
Kunnen met deze „wettenquot; of „begrijjpenquot;, aan welker heerschappij de Christen-Inlanders ook onderworpen zijn, godsdienstige of goddelijke wetten als zoodanig zijn bedoeld?
Dat mag men voorwaar niet aannemen!
Alleen voorzoover de bevolking in zijn gewoonterecht die wetten heeft verwerkt tot nationaal recht, kan de wetgever die hebben gesanktionneerd, maar dan op grond van de rechtsovertuiging der bevolking en niet op grond dat zoo door eenige godheid is voorgeschreven. Of zou de wetgever den Inlandschen Christen, den heidenschen Dajak enz. hebben willen onderwerpen aan het bestaande recht voor Inlanders, op grond dat het zoo is vastgesteld door een godheid, welker gezag noch zij, noch de wetgever zelf erkennen ?
Deze vraag leidt m. i. uit het ongerijmde tot het bewijs van de stelling, dat de wet noch eenige godsdienst in het bizonder bedoelt, noch aan goddelijke voorschriften als zoodanig eenig gezag toekent.
Daar do handelingen der Staten-Generaal dus, naar mijn bescheiden meening, geen uitsluitsel geven op de vraag wat met „godsdienstige wettenquot; bedoeld is, wil ik thans nagaan of de wetsbepalingen van vroegeren datum, waarvan art. 75 R. R. gedeeltelijk is overgenomen, over de bedoeling dier woorden meer licht verspreiden.
— 25 —
Alinea 3 van art. 75 R. R. is overgenomen van art. 11 der Algem. Bepp. van Wetgeving, waar gesproken wordt van „godsdienstige wetten, volksinstellingen en gebruiken.quot; Mij is geen officieele of officieuse toelichting dezer bepalingen bekend. Alleen is gepubliceerd in Deel XIII van het Tijdschrift „het Regt in N. I.quot; een toelichting van den Staatsraad Wichers op de door hem ontworpen Overgangsbepalingen, waarin hij o. a. het een en ander aanteekent op art. 4 dier bepalingen. Merkwaardig genoeg zegt hij daar (zie blz. 328): „Dit artikel heeft ten dool om den regter, die, ingevolge art. 11 eu 12 (eerste lid) van de alg. bepp. v. wetgeving naar de Inlandsche wetten, instellingen en gebruiken moet oordeelen, een richtsnoer aan de hand te gevenquot;. . . . enz. We vinden hier dus in plaats van „godsdienstigequot; de „Inlandschequot; wetten genoemd. Moet hier gedacht worden aan een schrijf- of drukfout, of bewijzen zijn woorden dat de ontwerper met de godsdienstige wetten de Inlandsche bedoelde?
Ik durf het niet uit te maken. Overigens blijkt echter uit de toelichting niets omtrent de strekking der bewuste woorden.
Deze komen ook voor in art. 3 van het Regl. op de Rech-terl. Organisatie en daar dit, van de Wetgeving van 1847, het eerst ontworpen is, kan het zijn nut hebben in \'t kort den oorsprong van dit artikel aantehalen, zooals Mr. A. J. Im-mink ons die meedeelt in zijn werk „De Rechterlijke Organisatie v. N. I quot;
Wij zien daar dat de oerbepaling was: art. 13 van Staatsblad 1820 N0. 22 (houdende een instruktie voor de regenten op Java),\' dat den regent voorschreef te zorgen „dat aan de Priesters (van den Mohammedaanschen godsdienst) het oefenen van hun beroep, overeenkomstig de zeden en gewoonten dei-Javanen, worde vrijgelaten, zooals in huwelijkszaken, boedelscheidingen en dergelijkenquot;.
Van godsdienstige wetten is hier dus nog geen sprake. Integendeel, het woord „beroepquot; kenmerkt vrij goed wat de bemoeienis der priesters was en nog is: een beroep, een middel van bestaan.
Staatsblad 1835 No. 58 verklaart „dat, zoo dikwijls tusschen
— 26 -
Javanen onderling geschillen ontstaan omtrent huwelijkszaken, boedelscheidingen en dergelijke, welke volgens de Mohamme-daansche Metten moeten worden beslist, wel de priesterraden daaromtrent uitspraak moeten doen, dochquot;.... enz.
Het erkent dus dat er zaken zijn, omtrent welke het recht van den Javaan moet worden beslist naar de Mohammedaan-sche wetten en wel (blijkens het verband met Staatsblad 1820 No. 22, waarvan het een „ampliatie en explicatiequot; geeft) omdat de zeden eu gewoonten het zoo willen; maar het verheft deze godsdienstige wetten (om ze zoo maar te noemen) niet als zoodanig tot verbindende voorschriften.
De aanvankelijke ontwerpers van het Regl. o. d. R. Org. stelden hierop (zie Immink blz. 28) een regeling voor, waarvan de eerste zinsnede zou luiden:
„De burgerlijke geschillen, gerezen tusschen personen geboortig of afkomstig van den Indischen Archipel, het Christelijk geloof niet belijdende, welke volgens de wetten of oude herkomsten van die personen geheel aan de uitspraak van derzelver hoofden of priesters zijn onderworpen, blijven aan de beslissing van die hoofden of priesters overgelaten.quot;
Ook hier is dus nog alleen sprake van de „wetten of oude herkomstenquot;, terwijl de woorden hoofden of\' priestersquot; er op duiden, dat niet meer uitsluitend een regeling voor de Javanen, maar voor de geheele niet-Europeesche, niet-Christe-hjke bevolking werd beoogd. De gewijzigde redaktie van April 1845 (Immink blz. 32) bracht in deze geen verandering. Eerst in de redaktie-Wichers van 1846 (op dezelfde blz. 32 vermeld) treffen we de uitdrukking „godsdienstige wettenquot; aan, zonder dat echter uit iets blijkt, dat een veranderde zienswijze aanleiding gaf tot deze toevoeging; integendeel de kwesties, die tot herhaalde wijziging der redaktie aanleiding gaven, waren ganach andere. In elk geval is in art. 3 E. O., zooals het ten slotte werd vastgesteld, wel sprake van godsdienstige wetten, maar stelt dit artikel toch geenszins vast dat per se de godsdienstige wetten voor den Inlander rechtskracht hebben. Het neemt slechts aan dat er burgerlijke geschillen kunnen zijn, die volgens de godsdienstige wetten (of zeden en oude herkomsten) ter beslis-
— 27 —
sing staan van de priesters of hoofden; en uit het verband der woorden blijkt zelfs, dat de wetgever volstrekt niet alh burgerlijke geschillen aan de godsdienstige wetten onderworpen acht; dat de bevoegdheid der priesters zelfs op de oude herkomsten of zeden kan berusten. Goed gelezen bepaalt het artikel zelfs niet dat de geschillen zelf naar die godsdienstige wetten zullen worden beslist, maar neemt het deze wetten slechts aan tot criterium voor de kompetentie der priesters en hoofden. In dit verband nu kunnen wel niet anders bedoeld zijn dan de aan den godsdienst ontleende, door do landsadat ia zich opgenomen en verwerkte voorschriften; want de Islam als zoodanig kan moeilijk geacht worden iets te hebben voorgeschreven omtrent do funkties der onder Nederlandsch gezag staande priesters en hoofden, en aangezien de voorschriften van den Islam hier nooit zijn afgekondigd, kan men onder de godsdienstige wetten van den Inlander moeilijk andere verstaan dan de door zijn adat gehuldigde.
Daar het Regl. E. O. het eerst ontworpen werd, ligt het voor do hand aan te nemen dat de bewuste uitdrukking daaruit is overgenomen in art. 11 en 12 Alg. Bepp. v. Wetg. en 4 üverg. Eepp. Deze artikelen raakten echter niet de kompetentie, maar het materieel recht der Inlanders. Of men daaraan wel gedacht en de woorden met het oog daarop nog eens goed gewikt en gewogen heeft, vóór men de eenmaal gekozen omschrijving ook hier volgde, betwijfel ik.
De „zeden en oude herkomstenquot; van art. 3 R. O. werden voorts in de laatstgemelde artikelen vervangen door „volksinstellingen en gebruikenquot; (waarmee wel niets anders zal zijn bedoeld), en deze werden vandaar weer overgenomen in d3 3e en volgende zinsneden van art. 75 E. R. met weglating (zonder reden) van „volks-quot; vóór „instellingenquot;. Ook moet nog worden opgemerkt dat tusschen „godsdienstige wettenquot; en wat daarop volgt in art. 3 R. O. het disjunktieve woordje ,,ofquot; staat, dat in de latere artikelen door een komma is vervangen, ook weer zonder dat van eenige bedoeling blijkt om daardoor iets anders uit te drukken.
Uit dit overzicht der wording ziet men:
— 28 —
1° dat in art. 75 R. R. het bijv. naamwoord „godsdienstigequot; alleen op de „wettenquot; slaat en niet tevens op de „instellingen en gebruikenquot;;
2° dat de „godsdienstige wettenquot; bij de omschrijving van het voor den Inlander geldend recht ziju ingeslopen, zonder dat zij vroeger als zoodanig rechtsgeldig waren verklaard en zonder dat de latere invoeging ook maar uit het geringste blijkt, zoodanige rechtskracht te hebben willen toekennen. En ware dit wèl de bedoeling geweest, dan zou men toch zulk een wijziging niet hebben aangebracht, zonder zelfs met een enkel woord de invoering van zulk een belangrijk beginsel toe te lichten.
Nu ook deze historische toelichting van art. 75 al. 3 R. R. tot hetzelfde resultaat leidt, meen ik te mogen aannemen dat de bedoeling des wetgevers niet is geweest door de woorden „godsdienstige wettenquot; eenig gezag te erkennen van godsdienstige, beter gezegd goddelijke wetten, maar hij eenvoudig het bestaande, de adafj heeft willen erkennen als rechtsbron \\ooi alle gevallen, waarin de Europeesche wet niet op den Inlander toepasselijk is.
Maar men zal mij tegenwerpen dat de historische gegevens, die te mijner beschikking stonden, onvolledig zijn. Bovendien zal men wellicht niet met mij willen meegaan, waar ik het bijvoegelijk naamwoord „godsdienstig\' als een ondoordacht toevoegsel beschouw, waaraan maar niet te veel moet worden gehecht, en hiertegen aanvoeren dat het er nu eenmaal staat.
Welnu, voor dit geval wil ik al het vorenvermelde prijsgeven en uit de wet zelf aantoonen, dat mijn opvatting de juiste is. Als ik mij op artikelen van hetzelfde Regeerings-Reglement beroep, als ik de 3U alinea in verband beschouw met het gansche artikel 75, dan zal men toch moeilijk aan dat ééne woordje angstvallig kunnen vasthouden, wanneer uit de gansche strekking van het Reglement en uit het artikel zelf, waarin het voorkomt, blijkt dat de beteekenis, die men er aan zou willen hechten, de juiste niet lean zijn.
Laat ons dan aanvangen met te onderzoeken, welk
— 29 —
standpunt de Staat in N. Indië inneemt ten opzichte van den godsdienst.
Dit kan geen ander zijn dan neutraliteit, met dien verstande echter:
1° dat de Staat de Europeesch-Christelijke opvattingen beschouwt als voortreffelijker dan die der Inlanders;
2° dat hij echter den Inlander niet door dwang tot die voortreffelijker opvattingen wil bekeeren en hem te dien opzichte dus voorloopig in den toestand laat, waarin hij verkeert, behoudens de te maken uitzonderingen.
De neutraliteit blijkt uit art. 119 R. R.
Wat betreft hetgeen ik daarbij sub. 1° aanteeken, dit ligt in den aard der zaak en blijkt o. a. hieruit:
dat de Europeescho Christen-overheerscher de wet stelt, dat de Europeesche wetgeving wel op de Inlanders of een deel hunner kan worden toepasselijk verklaard, maar niet het Inlandsche recht op den Europeaan (art. 75 al. 2 R. R.),
dat bij huwelijken tusschen Europeanen en Inlanders de laatsten zich moeten onderwerpen aan het Eurojjeesche recht (art. 15 Ov. Bep.),
dat het recht van den Inlander slechts wordt toepasselijk verklaard, voorzoover het niet strijdt met de algemeen erkende beginselen van billijkheid en rechtvaardigheid en dus — in tegenstelling met het Europeesche recht — wordt geacht daarmee niet altijd te strookon.
Is het onder deze omstandigheden aannemelijk dat de wetgever één of meer niet-Christelijke godsdiensten als zoodanig in \'t bizonder, zelfs boven de Christelijke heeft willen bevoorrechten en daaraan een gezag toekennen, dat zich uitstrekt buiten de grenzen van den godsdienst, zooals de Nederlandsche wetgever die opvat?
De wet zelf, waar ze bepaaldelijk den godsdienst bespreekt, antwoordt hierop ontkennend, en daarom acht ik het ongeoorloofd aan te nemen dat op naar onze begrippen niet-godsdienstig gebied aan den Mohammedaanschen of in hot algemeen aan de Indische godsdiensten meer gezag zou zijn toegekend, dan aan de Europeesche. Bestond hiervoor op zuiver godsdienstig
gebied geen noodzaak, nog minder kon die dan bestaan op een gebied, waar zelfs in die streken van Indië, die den Islam het ijverigst volgen, liet wereldlijk gezag zich in de praktijk nergens onvoorwaardelijk heeft onderworpen aan het geestelijk gezag.
Nu zal men in liet Zevende Hoofdstuk van het Reseerinsrs-
O O
reglement, speciaal handelende over den godsdienst, vinden:
dat ieders godsdienstvrijheid, dus ook die der Mohammedanen, beperkt wordt door de strafwetten (art. 119), door de eischen der openbare orde (art. 120), door de bepalingen der alge-meene verordeningen (art. 121); dat de niet-Cliristenpriesters staan onder het oppertoezicht der vorsten, regenten en hoofden, derhalve onder het wereldlijk gezag, hetwelk toeziet dat zij niets ondernemen strijdig met het R. 11. en met de door den Goeverneur-Generaal uitgevaardigde verordeningen (art. 124). Dus: de godsdiensten der Inlanders hebben, zelfs op godsdienstig gebied (want van de in het slot van art. 114 vermelde verordeningen zijn niet uitgesloten die regelende godsdienstaan-gclegenheden) geen soeverein gezag; de algemeene verordeningen, het gezag van den Goeverneur-Generaal en van de ouder hem staande vorsten, regenten en hoofden staat er boven. Welke reden zou de koloniale grond svet dan hebben, om op ander gebied aan één of meer godsdiensten een uitgebreider gezag toe te kennen?
Men mag hiertegen aanvoeren dat volgons den Islam het ganscbe recht tot het gebied van den godsdienst behoort, dit is geen reden voor den niet- Mohammedaanschen wetgever om dezelfde opvatting te hebben: hij kan die zelfs onmogelijk hebben; en nu is het niet de vraag waar de profeet, maar waar de wetgever de grens trekt.
Het zou zelfs in strijd zijn met de vrijheid van godsdienstige overtuiging, in art. 119 R. R. afgekondigd, als ditzelfde Reglement elders aan de wetten van den godsdienst als zoodanig gezag toekende, want daardoor zou iemand gedwongen kunnen worden zijn godsdienstige meeningen te laten varen voor die van andereu, die beweren de waarheid, den wil Gods, beter te kennen. Zulk een dwang is verboden.
— 31 —
De ingezetene kan wel gedwongen worden zich te schikken naar de opvattingen van anderen, die met de zijne strijden, niet echter op grond van den godsdienst, maar op grond van het hooger belang der gemeenscliap, van het uit volksbewustzijn voortgesproten, in de adat uitgedrukt recht.
De wetgever kan dus alleen hebben gewild liet bestaande recht van den Inlander, de adat, te sanktioneeren, en heeft, dit begrip willende omschrijven, daarvoor eenige woorden gekozen, die men meer naar de bedoeling dan naar de letter moet uitleggen; want hij is zelf niet standvastig in zijn woordenkeus en doet maar een greep uit dezen voorraad: zeden, oude herkomsten, gebruiken, instellingen, volksinstellingen, godsdienstige wetten. Aan deze laatste uitdrukking moet dan m.i. de verklaring worden gegeven dat hij — wetende dat bij een groot deel der bevolking het gewoonterecht meer of minder aan den Islam ontleende rechtsvoorschriften gewijzigd of ongewijzigd heeft overgenomen — zekerheidshalve deze afzonderlijk heeft willen aanduiden. De woordenkeus is dan niet zeer gelukkig geweest, maar dat komt wel meer voor en mag ons niet op een dwaalspoor brengen.
Nu moeten wij art. 75 zelf van hot R. R. eens nader beschouwen en trachten daaruit de woorden, die tot twijfel aanleiding geven, te verklaren. De 3e alinea spreekt, waar zij het voor den Inlander geldende recht omschrijft, niet alleen van de godsdienstige wetten, maar noemt in één adem vde godsdienstige wetten, instellingen en gehruike)i\'\\ Zooals ik reeds betoogde, slaat het bijv. nmw. „godsdienstigquot; alleen op „wettenquot;, niet op de „instellingen en gebruikenquot;. De Regeering zelf verklaarde, bij de bespreking van al. 3, dat deze is overgenomen van art. 11 Alg. Bepp., zonder dat zij releveerde bij de overneming eenige wijziging te hebben gebracht in het beginsel van A. 13. 11, zoodat wij moeten aannemen dat beiden gelijke strekking hadden.
Xu wordt in art. 11 A. B. gesproken van volksinstellingen, waarmee nationale- en niet godsdienstige instellingen werden
— 32 —
aangeduid. Dat de minister geen idee had op afschaffing dezer volksinstellinc/en, blijkt ook uit zijn hiervoren op blz. 24. weergegeven woorden, waar hij zelf art. 11 Alg. Bepp. en ook het hier gekursiveerde woord citeert. (1)
Volgens de wet, dan, gelden evengoed de instellingen en gebruiken als de godsdienstige wetten; maar daar ze zonder onderscheid naast elkaar worden geplaatst, rijst nu de vraag: als deze drie niet overeenstemmen, welke der drie heeft dan den voorrang en is met uitsluiting der andere toepasselijk? r)e godsdienstige wetten, omdat ze vooraan staan? Ik geloof dat dit een vrij willekeurige redeneering zou zijn, daar we reeds zagen dat — althans in art. 3 E. O., dat het eerst werd ontworpen — deze vooraanstaande woorden juist het laatst zijn ingevoegd en dus meer een komplement der volgende zijn dan omgekeerd. Kan het ook wel de bedoeling zijn geweest; de nog bestaande gebruiken en instellingen slechts te erkennen voorzoover ze overeenkomen met de godsdienstige wetten? Deze uitdrukking zou dan reeds alles omvatten en de rest dus overbodig zijn.
Maar bovendien zou zoo iets ook bepaald in strijd zijn met geheel den geest van ons koloniaal systeem en met de omtrent den godsdienst in het R. R. aangenomen beginselen.
Wanneer we artt. 11 A. B. en 75 R. R. vergelijken, zal ons dan ook blijken dat het laatste artikel, waarschijnlijk uit onnauwkeurigheid of in de meening hetzelfde in minder woorden even duidelijk te kunnen zeggen, ten nadeele van de duidelijkheid het eerstgenoemd artikel heeft besnoeid, dat immers luidt:
(Art. 11 A. B.) „Behoudens de gevallen enz......blijven ten
aanzien van die personen (n.1. de Inlanders) van kracht, en
(1) In de Handelingen 15. R. zal men meermalen opmerken dat tie Regeering verklaart, eenige bepaling van het ontwerp te hebben overgenomen uit een reeds bestaande wet, dat zij hierna opmerkzaam wordt gemaakt op verschil van redaktie en dit dan dadelijk wegneemt. Uit wijst er op dat onnauwkeurigheid — en niet een opzettelijke afwijking — oorzaak placht te zijn van zulke verschilpunten, waarop men zich dan ook niet mag beroepen.
— 33 -
worden door den Inlandschen rechter toegepast, derzelver godsdienstige wetten, volksinstellincjen en gebruiken, voorzoover. .. . enz.
De gekursiveerde woorden zijn in hot R. R weggelaten en daardoor komt er niet zoo duidelijk in uit, als in de A. B. door het woord vMiJven\'\\ dat hier slechts bedoeld is erkenning van het bestaande recht, geen invoering van wetten — zij het dan godsdienstige of andere — die de bevolking zich niet tot gewoonterecht heeft aangenomen. Evenwel heeft art. 75 R. R. dezelfde strekking, zooals de Regeering duidelijk te kennen gaf, als art. 11 A. B.
„Blijven van krachtquot;, zegt art. 11 en men kan moeilijk beweren dat ook die bepalingen van den Islam van kracht waren, aan welke de Inlander zich niet stoorde, van welker bestaan hij zich misschien niet eens bewust was. In ffodsdienstiquot;
O O
dogmatischen zin moge de Inlander door Mohammed\'s leer te omhelzen zich hebben onderworpen aan alle, dus ook de rechtsvoorschriften van den Islam, de praktijk is hiermee niet in overeenstemming en, waar wij de ÏT. Indische wetten interpreteeren, moeten wij niet vragen wat de Islam, maar wat de wetgever verstaat onder „van kracht zijnquot; ; daaronder vallen dan zeker geen andere voorschriften van den godsdienst, dan die als recht werden erkend en toegepast.
Xeemt meu, zooals ik veronderstel, niet aan dat aan de godsdienstige wetten den voorrang is toegekend, dan kan het gelijktijdig, als voor den Inlander van kracht gebleven, opnoemen van deze wetten en volksinstellingen en gebruiken, slechts tot één der twee hier volgende konklusies leiden:
a. öf de drie uitdrukkingen werden door den wetgever zóó bedoeld dat elk een eigen afgebakend terrein aanduidt, met niet over elkaar vallende grenzen; in dit geval zou dan de eerste uitdrukking slechts liet zuiver-godsdienstig terrein moeten betreffen; maar de wet regelt hier juist de rechtspraak, die buiten het zuiver-godsdienstig terrein ligt; bovendien zijn , volksinstellingenquot;\' en „gebruikenquot; in elkaar vloeiende begrippen, die niet elk een afzonderlijke rechtsbron aanduiden; deze konklusie is dus onmogelijk;
W. en A. q
— 34 —
h. öf de drie uitdrukkingen werden beschouwd als ongeveer van gelijke beteekenis en samen volledig uitdrukkende bet bestaande (1) recht van den Inlander; in dit geval moet de wetgever met de eerste uitdrukking bedoeld hebben dat deel dei-bij de bevolking in gebruik zijnde rechtsregelen, dat zij, al of niet gewijzigd, aan haar godsdienst ontleende.
Dit laatste geeft wel de meest aannemelijke, ja, de eenig aannemelijke verklaring en zij vindt steun in de bewoordingen van hetzelfde art. 75. Immers:
1°. alinea 3 spreekt niet van de godsdienstige wetten zonder meer, maar van de godsdienstige wetten der Inlanders. Geen godsdienst wordt speciaal genoemd of bedoeld, en daar onder de Inlanders verschillende godsdiensten heerschen, is hier blijkbaar de strekking niet aan een of meer godsdiensten een officieel karakter te geven, maar wordt onder godsdienst verstaan, dat wat de Inlander als zoodanig heeft aangenomen, dus iets subjektiefs.
Trouwens men kou moeilijk objectief van godsdienst spreken, want zelfs in den Islam bestaat verschil van richting — de als ketters beschouwde sekten nog daargelaten — en door toepasselijk verklaring van den godsdienst, zonder nadere aanduiding, laat de wet dus geheel in \'t midden hoe men zijn
godsdienst wil opvatten.
Waar nu gesproken wordt van de wetten van dezen subjek-tieven godsdienst, kan men daarmee niet bedoelen objektieve, van den wil van volk en regeering onafhankelijke voorschriften, zooals deze in een theokratisch rijk alleen kunnen bestaan.
\'2°. de laatste alinea van art. 75 R. R. beveelt het Euio-peesch recht tot richtsnoer te nemen, „wanneer het ae beslissing geldt van zaken, die bij de hiervoren bedoelde godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken niet geregeld zijn.quot;
Do wet maakt dus wel degelijk een afscheiding tusschen de verschillende rechtsbronnen niet alleen, maar regelt ook hun onderlinge verhouding door te bepalen welk recht voorgaat en welk recht als aanvullend geldt, zoodat niet mag worden aangenomen dat zij in alinea 3 met „godsdienstige wetten, instel-
~ l-l) Anders kon liet niot van kraelit blijven.
— 35 —
lingen en gebruikenquot; verschillende rechtsbronnen heeft bedoeld, aangezien ze dan ook voor deze had bepaald, wat als regel moet gelden en wat als uitzondering.
» Neemt men dit in aanmerking, dan is het onbegrijpelijk
hoe Mr. L. W. C. van den Berg in de Encyclopedie van Ned. Indië (blz. 8 i. v. adat of hadat) de zaak zoo geheel anders kan voorstellen. Ik zoek de verklaring hierin, dat geleerden voor hun studievakken soms zulk een voorliefde opvatten, dat zij zich geheel verplaatsen op het door hen bestudeerde standpunt en van daaruit redeneeron. Zijn bedoeld artikeltje, dat dan ook met de arabische beteekenis van het woord adat aanvangt, zou men haast zeggen een eigenzinnigen Arabier uit den mond genomen te zijn. liet is of daarin alles stelselmatig is omgekeerd.
Zoo heet de adat „inbreuk te makenquot; op de Mohamme-daansche wet (wat me ongeveer in de ooren klinkt als wanneer men zegt van den vader, dat hij op zijn zoon lijkt of van een oudere verordening dat zij aan een jongere derogeert) en zoo wordt de Moh. wet „in haar geheel en als geheelquot; als de voor de Indische muzelmannen geldende regel vermeld, terwijl de adat een „afwijkingquot;, een „uitzonderingquot; wordt genoemd.
quot;Wanneer het artikel in een Arabische encyclopedie stond, zou ik er vrede mee hebben, maar in een jSTederlandsch-Indische komt het me althans onaannemelijk voor dat de adat gezegd wordt „m juridischen zinquot; als uitzondering te moeten worden aangemerkt. Evengoed zou men kunnen zeggen dat „in astrono-mischen zinquot; de zon om de wereld draait, omdat dit werd volgehouden door een autoriteit, die in het algemeen en dus ook op dit gebied zich onfeilbaar achtte en werd geacht, evenals de Profeet.
Het slot van hetzelfde artikeltje over adat is me ook al onbegrijpelijk, tenzij men het alweer als een Islamitische verzuchting beschouwt. Het luidt:
„Bij Europeesche schrijvers over Ned. Indië, vooral uit vroegeren tijd, vindt men niet zelden, ofschoon natuurlijk ten
— 36 —
onrechte, het woord adat of hadat in den algemeenen zin van Inlandsch recht gebezigd.quot;
Waarom „natuurlijk ten onrechtequot;? Uit het voorafgegane zou men opmaken dat de schrijver den naam „adatquot; alleen gunt aan de „afwijkingenquot; van den Islam, zoodat een onge-loovige Inlander geen recht zou hebben zijn recht met dat woord aan te duiden. Van een Arabische wereldbeschouwing uitgaande is dit misschien zeer juist, maar in de N. I. Encyclopedie mocht men een N. Indische beschouwing der zaak verwachten; en nu geloof ik dat naar deze, zoowel bij de Europeanen als bij de Indiërs, „adatquot; algemeen in het spraakgebruik de beteekenis heeft van :
1°. gewoonte en 2° gewoonterecht, en dit zoowel van niet-als van wei-Islamieten, zoowel wanneer het met den Islam in overeenstemming, als wanneer het er mee in strijd is.
Hoewel ik onzen, zelfs in het buitenland bekenden, Aiabicus Mr. L. W. C. vax den Berg, de verdienste niet kan ontzeggen, dat hij anders ondanks zijn speciale studiën de klip der specialiteiten zeer goed weet te ontzeilen en van een onzijdig standpunt weet te redeneereu, is in deze mijn indruk dat hij door een Islamitischen bril keek, toen hij de bewuste woorden schreef, nog versterkt door zijn opstel „Nalezingquot;, geplaatst in de bijdragen tot de taal-, land- en volkenkunde van N. I., 6e Volgreeks, deel I (1) en aangezien, zooals hij daar zelf opmerkt, „het verschil van groot gewicht isquot;, veroorloof ik mij zijn opvatting hier te bestrijden.
Laat mij uit dit opstel een gedeelte, waarin Mr. v. d. B. zijn encyclopedie-artikel tegen een opmerking van Mr, M. C. Piepers verdedigt, aanhalen.
„Naar mijne meening namelijk moetenquot; — zoo zegt Mr. v. d. B. — „de Indische Muzelmannen, door het enkele feit van van den Islam te belijden, ondersteld worden ook de Moliam-medaansche wet in beginsel te hebben aangenomen, voorzooverre niet van bet tegendeel blijkt, zoodat in juridischen zin
(1) Deze Nalezing is ook te vinden in het 65e deel v. h. rechtskundig tijdschrift sliet Recht in N. Indiéquot;.
de met die wet strijdige instellingen en gebruiken, hoe omvangrijk ook, steeds als afwijkingen, d. w. z. als uitzonderingen moeten worden aangemerkt. Volgens den heer Piepers daarentegen zoude de grondtoon van het voor den inlander geldende recht zjjne nationale instellingen en gebruiken, zjjne adat, zijn; terwijl de Mohammedaansche wet, voor zooverre zij gerecipieerd is, de uitzondering zoude vormen. Het verschil is van groot gewicht; want volgens mij zal men de Mohammedaansche wet moeten toepassen, wanneer niet hij den inlander van een afwijlcend rechtsbewustzijn blijkt, doch volgens den heer Piepers, alleen wanneer een positieve receptie kan wordeu aangetoond.
„Mijne redeneering is aldus. De inlanders, die den Islam, hoe dan ook, belijden, geven zich zelf voor Muzelmannen uit. Volgens het bij hen algemeen in gebruik zijnde Arabische werkje van Sinoesi, de Omm al-Barahin, ten deze overeenstemmende met alle dergelijke Mohammedaansche geschriften, is men geen Muzelman, indien men niet de geloofsbelijdenis: „Er is geen God dan Allah en Mohammed is de gezant van Allahquot;, als een waarheid heeft erkend, en die geloofsbelijdenis bevat, volgens denzelfden schrijver, virtueel de geheele geloofsleer, en daarmede de verbindbaarheid der wet, speciaal van Koran en Sonnah in zich. Hieruit volgt m.i. logisch, dat al werd die wet door de Indische Muzelmannen voor op zijde gezet, en daarvoor hun gewoonterecht in de plaats gesteld (1), zij toch de grondslag zoude(n) blijven, natuurlijk niet van de positieve voorschriften van het gewoonterecht, maar van het rechtsbewustzijn in het algemeen. Het is als een kleed, waarop zoovele lappen zijn geplaatst, dat zij het kleed bijna bedekken, en dat toch in beginsel het oude kleed blijft. Van een niet-jurist kan ik mij begrijpen, dat hij bij een oppervlakkige beschouwing in zoodanig geval de uitzondering voor het beginsel aanziet; een jurist moet dieper doordringen. Een
(1) Let wel: het gewoonterecht is niet opzij gezet, maar de Mohammedaansche wet, waarvoor liet gewoonterecht in de plaats is gesteld.
Men zou hieruit opmaken dat de volgers van Sinoesi er eigenaardige begrippen omtrent chronologische volgorde opnahouden.
— 38 —
analoog verschijnsel levert trouwens de receptie van het Romein-sche recht in Duitschland op. Ofschoon in de gedeelten van dat land, waar het Romeinsche recht nog geldt, tal van Eomein-sche instellingen niet meer bestaan, of nooit bestaan hebben, hetzij tengevolge van niet receptie, hetzij tengevolge van positieve wetsvoorschriften, zoo neemt men toch van het Romeinsche recht een receptie in complexu, d.w.z. in zijn geheel en als geheel, aan.quot;
Tot zoover de woorden van Mr. v. d. B. (de kursiveeringen zijn van mij).
Kan men duidelijker bewijs verlangen, dat de schrijver als een Islamiet redeneerde, dan deze woorden opleveren ? Zijn geheele systeem berust op enkele als geloofsbelijdenis uitgesproken woorden, die als de kleine sneeuwbal, die voortrollende een lawine wordt, tot een geloofsleer opzwellen om ten slotte den Inlander te bedelven onder het centenaarsgewicht van Koran, Sonnah en Kitab\'s.
Ik moet echter zeggen, dat die Sinoesi met zijn Omm al-Barahin en de overige „daarmee ten deze alle overeenstemmende Moliammedaansehe geschriftenquot; mij — waarschijnlijk omdat ik nog niet onder de sjahadat-lawine ben geraakt — niet in \'t minst intimideeren, laat staat overtuigen, en ik veronderstel dat onze N. I. wetgevers, die al evenmin de geloofsbelijdenis uitspraken, hem en zijn geleerde kollega\'s ook wel niet zullen raadplegen om te weten welk recht in Indië geldt of behoort te gelden.
Gaarne willen we van hen vernemen, wien zij niet tot de Muzelmannen rekenen, hoe men ivel Muzelman kan worden; maar wanneer zij hun grensteeken tusschen de niet- en de wel-geloovige helft der wereld tevens aan ons willen opdringen als grens, waarbinnen het recht van den Islam heerscht, dan vergunnen wij ons met hen van opinie te verschillen, evengoed als wij dit zouden doen, wanneer zij zich in andere opzichten met ons wereldlijk gezag wilden bemoeien; en al gingen meneer Sinoesi en de geheele juridische fakulteit van Mekka en Kaïro op hun hoofd staan, ze zullen ons niet tot andere gedachten brengen. Want het is niet Sinoesi, dien we willen ontzien,
— 39 -
maai\' de röc/lt;^\'-overtuiging onzer Inlandache onderdanen, welke we geen geweld willen aandoen, en deze uit hun adat (in de K. I. beteekenis van het woord) blijkende overtuiging bepaalt voor ons in hoever wij den Islam zullen erkennen, niet het uitspreken van eenige Arabische woorden, waaraan men een reeks gevolgen gelieft te verbinden, die o. a. art. 119 li. R. ons verbiedt onzen onderdanen als verbindend voor te stellen of op te dringen.
De vergelijking met het gelapte kleed is, naar mijn bescheiden meening, door Mr. v. d. B. al zeer te onpas aangebracht, want als hij evenals ik liet oorspronkelijke het kleed, en wat er naderhand aangevoegd wordt de lappen noemt en niet omgekeerd van opvatting is, dat het kleed aan de lappen wordt gezet, dan zou ik toch meeuen dat men het oorspronkelijke landsrecht met het kleed en de deelen van het Mohammedaan-sche recht, die het landsrecht allengs wijzigden of verdrongen, met de lappen moet gelijkstellen en ik ben dan zoo vrij zijn overigens zoo treffend juiste woorden, in dien zin toe te passen: „Het is als een kleedquot; enz. Do landsadat is het oude, eerwaardige, van de vaderen geërfde kleed, waarop tal van Moham-medaansohe lappen zijn gezet, zoodat men soms het oorspronkelijke niet meer herkent; maar juridisch is het toch een fout de uitzondering (het Moh. recht) voor het beginsel aan te zien; juridisch (w. t. v. N. /.-juridisch, want het X. I. Keg. Regl. moet naar onze juridische methode en niet naar die der Arabieren worden verklaard), juridisch kom ik tot een geheel andere volgo-rde dan Mr. v. d. B., en wel op grond van ous aloud systeem en van art. 75 li. R. Hij rangschikt aldus: Xo. 1 het Mohammedaansche recht, Xo. 2 (uitzondering op Xo. 1) de adat; maar uit de wet lees ik: Xo. 1 de X. I. algemeene verordeningen (al. 1 en 2); Xo. 2 (uitzondering daarop) de adat (al. 3, 4, 5); Xo. 3 (weer een uitzondering op Xo. 2, waardoor de regel voor sommige gevallen wordt hersteld) de X. 1. algemeene verordeningen (al. 6).
Op hetgeen Mr. v. d. B. aanvoert omtrent de receptie van het Romeinsche recht in Duitschland, kom ik in een volgend deel van dit opstel terug.
— 40 —
Voor de thans aanhangige vraag is dit niet noodig, te minder daar het ons wel vergund zal zijn oen andere opvatting en een andere gedragslijn te kiezen dan onze Duitsche naburen.
Men kan, zooals ik betoogde, of de woorden „godsdienstige wettenquot; beschouwen als een overtollige toevoeging bij de omschrijving van het ludisch gewoonterecht, — in welk geval mijn opvatting de juiste is — of die woorden zóó opvatten dat daardoor de voorschriften van den godsdienst als zoodanig (dus zonder de voorwaarde dat ze in het landsgebruik zijn overgegaan) tot wet zijn verheven.
Nemen wij nu voor een oogenblik deze laatste opvatting als de juiste aan, om te zien tot welke gevolgen dit moet leiden.
Men weet, en tijdens het vaststellen van her Eeg. Kegl. was dit ook reeds bekend, dat onder de Inlanders en daarmee gelijkgestelden een groote verscheidenheid van godsdiensten bestaat en dat deze godsdiensten niet territoriaal zijn afge-schieden.
Alleen de Chineezeu kennen al drie godsdiensten (ongerekend de Cln-istehjke), verder vindt men onder de Inlanders c.a. Christenen. Mohammedanen, aanhangers der Hindoesche-en van verschillende andere godsdiensten.
Geen daarvan is als de godsdienst der Inlanders erkend; art. 119 R. li. stelt ze alle zelfs gelijk voor de wet. Nu vraag ik: welke godsdienst bepaalt het voor den Inlander geldende recht?
Daarop kan men antwoorden;
a de godsdienst, die ter plaatse de overhand heeft; of:
!gt; die, welke door den persoon wordt beleden, over wien wordt rechtgesproken. (In dit geval, welke godsdienst geldt als er geschil is tusschen personen van verschillende gezindten?)
Geen dezer twee oplossingen bevredigt, en een derde is er niet! De sub a gemelde zou in strijd zijn met de vrijheid van godsdienst, die ook den minderheden toekomt. Men zal hiertegen aanvoeren dat de minderheid haar inzichten moet opofferen aan die der meerderheid; maar dit geef ik alleen toe voorzoover er werkelijk inzichten der meerderheid bestaan,
— 41 —
wanneer het derhalve een rechtsovertuiging der meerderheid geldt, niet wanneer de opottering, de gehoorzaamheid wordt gevorderd uit naam van den godsdienst (tenminste zoolang deze geen Staats-(jodsdienst is). Maar, is men dit met mij eens, dan verliezen de bewuste wetten hun godsdienstig karakter, althans dan berust hun dwingend vermogen niet op hun god-delijkeu oorsprong en vervalt hun gezag, zoo dikwijls zij niet in het landsrecht zijn overgegaan.
De sub h gemolde oplossing is al even onaannemelijk in een geregelden staat, waar niet ieder er zijn eigen recht op-nahouden kan.
Ziedaar dus een nieuwe moeilijkheid, waartoe de woordelijke interpretatie van R. R. 75 al. 3 aanleiding zou geven; een onoverkomelijke moeilijkheid en eene, die de wetgever moest voorzien, wanneer hij de bewuste woorden zoo bedoelde. Ook op dezen grond moet men dus aannemen, dat hij aan de uitdrukking „godsdienstige wetten, instellingen en gebruikenquot; niet de door mij bestreden beteekenis heeft gehecht, maar daarmee heeft bedoeld hetgeen ik in den aanvang als adat omschreef.
En dit kan ook wel niet anders.
Eén vreemd recht naast het nationale als geldig te vorklaren, gaat nog; — zoo in Duitschland het Romeinsche, — maar welk een verwarring zou het moeten stichten, wanneer men in een staat, waar allerlei godsdiensten dooreenkrioelen, aan elk dezer de wetgevende bevoegdheid toekende, die hij zich maar gelieft aantematigen.
Den wetgever, die zich dan toch zeker ten doel stelt orde en regelmaat te scheppen, mag men niet verdenken juist wanorde te hebben willen stichten, zoolang men uit zijn woorden een minder absurde bedoeling kan afleiden.
Uit den aard der zaak zullen door de verscheidenheid van nationaliteiten en landsgebruiken in den Archipel toch reeds zeer ingewikkelde kwesties kunnen voorkomen; maar mijn opvatting van alinea 3 beperkt deze tot het onvermijdelijke. De andere uitlegging daarentegen stelt alles op losse schroeven: de godsdienstige wetten, zooals zij die opvat, hangen af van den godsdienst; de godsdienst, nu, is iets persoonlijk, dat niet bij meerderheid
— 42 -
kan worden uitgemaakt in onzen vrijen staat, dat door geen grenzen wordt gehandhaafd binnen- of gesloten buiten eenig territoir; dat in Indië dus geen recAtekracht kan hebben.
Ik heb mij in de voorgaande bladzijden beroepen op ons koloniaal systeem. Dit is, meen ik, van ouds geweest den Inlander zijn adat te laten, voorzoo ver wij deze niet door onze bepalingen vervingen, maar zonder nog een derde soort recht naast adat en wet te erkennen. Het is hier niet de plaats hieromtrent in bijzonderheden te treden. Alleen wil ik hier herinneren aan eenigena 1816 vastgestelde bepalingen betreffende dit onderwerp.
Ari. 121 van het ^Reglement op de administratie der politie en de crimineele en civiele rechtsvordering onder den Inlander in Ned.-Indiëquot;, opgenomen in Staatsblad 1819 no. 20, bepaalde: „In liet opmaken der condemnation zullen gevolgd worden de Inlandsche wetten en gewoonten van het eiland, behoudens echter dat dezelve niet strijdig zijn met de algemeen bekende beginselen van recht, en de bevelen, mitsgaders de wetten van het Gouvernement.quot;
De eed, in art. 154 van datzelfde reglement den Djaksa\'s en Panghoeloe\'s voorgeschreven, luidde:
„Ik beloof en zweer.......dat ik al de mij gedane vragen,
hetzij in geschrifte of bij monde, oprecht en naar mijn beste kennis zal beantwoorden, en zonder partijdigheid opgeven wat de geschreven wet of van ouds yevestiyde plaatselijke gewoonte is, en niets dat niet met zoodanige wet of gewoonte overeenkomstig is.quot; enz.
Kunnen hier andere dan de Inlandsche wetten bedogld zijn? Neen. In het geheele reglement wordt niet van andere gesproken. Bij vergelijking met art. 8 R.O., dat den eed der adviseerende leden van den Landraad voorschrijft, zal men vinden dat de aangehaalde woorden daarin geheel zijn overgenomen ; alleen is het woord „plaatselijkequot; weggelaten.
In Staatsblad IS\'JS no. 42 wordt onder ten tweede goedgevonden en verstaan:
„ïe gelasten, dat, evenals de Landraden, zoo ook de Raden van Justitie in de beoordeeling der zaken, welke voor dezelve
— 43 —
in appel van Landraden gebracht worden, zich zullen gedragen naar de Inlandsche of Godsdienstige Wetten, inrichtingen of gebruiken van zoodanige Indische natie, tot welke hetzij beide partijen, dan wel de gedaagde alleen is behoorende, mits deze wetten niet strijdig zijn met de erkende beginselen van billijkheid en rechtvaardigheidquot;..... enz. Hier stuiten wij dus voor
\'t eerst op de uitdrukking „Godsdienstige Wettenquot;, maar het daaraan voorafgaande „Inlandsche of. . .quot; bewijzen dat men hiermee geen andere dan de Inlandsche bedoelde en er blijkt niet in \'t minst van een bedoeling om een nieuw beginsel in te voeren: de bepaling wordt alleen gemaakt voor de rechtspraak in appel.
In Staatsblad 1832 no. 29 vinden wij dan ook:
„En in aanmerking nemende, dat het gebleken is, dat de woorden, voorkomende bij art. 2 der Publicatie van 13 December 1825 (Staatsblad no. 42), waarbij zoowel aan de Raden van Justitie, in de beoordeeling van zaken in appel, als aan de Inlandsche rechtbanken, is aanbevolen zich te gedragen naar de Inlandsche Wetten, inrichtingen of yehruil-en, mitsquot; enz.
In de considerans wordt dus alleen gesproken van de Inlandsche wetten, in het dispositief daarentegen wordt er weer bijgevoegd: „of godsdienstigequot;. Hieruit kan men zien, hoe weinig aan deze laatste woorden werd gehecht; hoe „Inlandschequot; op zich zelf reeds werd geacht de zaak voldoende uit te drukken. De woorden „van zoodanige Indische natiequot;, boven gecursiveerd, toonen ook aan dat men een regel stelde, die niet op eeu specialen godsdienst doelde.
In elk geval duiden al deze bepalingen van vroegeren datum m.i. zeer beslist op een erkennen van de godsdienstwetten alleen voorzoover ze burgerrecht hadden verkregen, dus: adat waren geworden. Hetzelfde blijkt uit Staatsbl. 1835 Xo. 58, dat ik reeds aanhaalde en toelichtte (zie hiervoren blz. 25) en uit de geheele rol van den Inlaodschen Adviseur bij den Landraad. Terwijl de Landraad, bestaande uit Inlandsche hoofden onder een Europeeschen President beslist, brengt de Panghoeloe slechts advies uit; en dit was van den aanvang af de bescheiden rol van deze specialiteit voor godsdienstige wetten.
Ten slotte worde art. 7 van het tegenwoordig Reglement
— 44 —
op de Rechterlijke Organisatie vermeld, volgens hetwelk het gevoelen van de adviseurs wordt ingewonnen bepaaldelijk ten aanzien van de ter zake betrekkelijke godsdienstige of andere wetten of gebruiken, ten einde daarop bij het doen der uitspraak worde c/elet.
Mr. Immink (l.c. blz. 60) merkt naar aanleiding van dit laatste woord op dat art. 75 al. 3 Reg. Regl. verder gaat, door de toepassing te bevelen van de godsdienstige wetten enz. Het verschil tusschen deze twee bepalingen is al weer verklaarbaar, wanneer men mijn opvatting deelt. De adat wordt toegepast; maar op het advies van den Panghoeloe, van welken als geestelijke is te verwachten dat hij in zijn godsdienstijver de voorschriften van zijn profeet zal willen doen gelden, ook al strijden ze met de adat, wordt slechts yeJet.
quot;Ware trouwens in al. 3 van art. 75 bedoeld aan de godsdienstige wetten een onvoorwaardelijk gezag toe te kennen, gelijk de Panghoeloe dit waarschijnlijk zal doen, dan zou er geen reden bestaan hem afzonderlijk als adviseur teliooren en ware het logisch geweest öf priesters tot leden te kiezen of, wanneer de leden voldoende op de hoogte zijn, den adviseur af te schaffen, daar deze geen ander standpunt van beoordeeling inneemt dan zij.
In het bovenstaande heb ik de vraag wat volgens het Re-geerings-Reglement voor den Inlander recht is, wanneer de wet dit niet heeft geregeld, van verschillende zijden beschouwd naar aanleiding van die twee ongelukkige woorden „godsdienstige wettenquot;. Ik geloof niet dat iemand er ernstig over zou denken, de wetten van den godsdienst op grond van die woorden toepasselijk te ac ten boven het lands-gewoonterecht. Toch achtte ik het wenschelijk de vraag hier uitvoeriger te bespreken om haar gewicht, ook voor dit boekje. Die vraag toch beheerscht alle kwesties omtrent het recht van den Inlander. Op alle gronden, in liet voorgaande ontwikkeld, meen ik mijn definitie van adat te mogen handhaven en te mogen volhouden dat er voor den Inlander maar twee soorten van recht bestaan; de hem betreffende stellige bepalingen van den
— 45 —
Europeeschen heerseher en de adat. Tertium non datur. Yan dit standpunt uit ga ik thans art. 75 R. R. nader beschouwen.
Alinea 1.
Men bad hier blijkbaar alleen op \'t oog de wetboeken, de kodifikatie. Bij de beraadslagingen bestond er dan ook strijd over de vraag wie daartoe bevoegd zou zijn; velen wilden deze bevoegdheid geheel aan de Wetgevende Macht in Nederland trekken en men zal toch wel niet bedoeld hebben, de (jeheele regeling van zaken op privaat- en strafrechtelijk gebied naar Nederland over te brengen. De bemoeienis der Staten-Generaal zou daardoor voor Indië nog grooter worden dan voor Nederland zelt\'. Evenwel, wanneer men al. 1 letterlijk opvat, omvat zij het geheele gebied van de rechtspraak: ik weet althans niet welke zaken noquot;- meer tot de rechtspraak behooren dan burgerlijke, handels- en strafzaken.
Wanneer men deze bepaling van de Indische konstitutie vergelijkt met art. 1-iG der toenmalige Grondwet, dat het voor Indië moest vervangen, dan kan men niet anders dan ook hier weer erkennen, dat het Reg. Regl. zich kenmerkt door een zorgeloosheid van redaktie, die zelfs waar liet model juistere bewoordingen aan de hand deed, in plaats van deze zonder eenige reden andere woorden deed kiezen, die zeker de bedoeling niet duidelijker uitdrukken.
„Er is een algemeen wetboek van burgerlijk recht, van hoophandel, van strafrecht, van burgerlijke rechts- en van strafvordering en van de samenstelling der rechterlijke machtquot;, zeide art. 146 der toenmalige grondwet.
Deze bewoordingen sluiten de bizondere regeling van onderwerpen van burgerlijk recht enz. niet uit, zooals art. 150 der nieuwe Grondwex nog uitdrukkelijk doet uitkomen. Het R. R. daarentegen spreekt niet van algemeene wetboeken van burgerlijk recht enz., hoewel die reeds grootendeels in Indië ingevoerd waren, maar van burgerlijke, handels- en strafoaiew. Nu wordt de rechtspraak verdeeld, iu die in burgerlijke- en die in strafzaken, welke samen de geheele gewone rechtspraak omvatten.
Dit schijnt geen bezwaar te hebben, omdat de rechtspraak
— 46 —
in die zaken gezegd wordt te berusten op algemeeue verordeningen, de algemeene term waaronder ook de koloniale ordonnanties begrepen zijn. Maar bij nader overweging zal men inzien dat deze alinea zoodoende overeenstemming (zooveel mogelijk) met de Kederlandsche wetten eisclit voor het geheele privaat- en strafrecht, ook voor de onderwerpen, die niet in de algemeene wetboeken zijn geregeld. En wanneer we deze konsekwentie der gebezigde woorden bij de 2e alinea nagaan, zal zij ons nog onaannemelijker voorkomen.
Volledigheidshalve moet ik bij deze alinea aanteekenen, 1quot; dat behalve de algemeene verordeningen daar bedoeld, nog van kracht zijn alle vroeger gemaakte, op 1 Mei 1855 nog verbindende wettelijke verordeningen, reglementen en besluiten, derhalve alle bepalingen voor dien datum door de toen daartoe bevoegde autoriteit vastgesteld in den toen voorgeschreven vorm (R. R. art. 132, j0 Stbl. 1855 No. 2); 2° dat de ambtenaren, met het hoogste gewestelijk gezag bekleed, bevoegd zijn tot het maken van reglementen en keuren van politie en tot het bedreigen van straffen tegen de overtreding daarvan, overeenkomstig regelen bij algemeene verordening te stellen; zoodat in strafzaken de rechtspraak in deze gevallen niet berust op algemeene verordeningen. (R. R. art. 72.)
Alinea 2.
Wanneer men deze alinea in verband met de le en de 3e beschouwt komt men tot de zonderlinge konklusies:
1° dat de wetgever niet bevoegd zou zijn onderwerpen van burgerlijk-, handels- of strafrecht voor den Inlander bij algemeene verordening te regelen, maar alleen de voor de Europeanen gemaakte bepalingen, des noodig gewijzigd, op den Inlander toepasselijk kan verklaren. Immers behoudens deze toepasselijkverklaring of vrijwillige onderwerping aan het Euro-peesch recht geldt voor den Inlander zijn adat, zegt alinea 3. Zij kent dus slechts twee uitzonderingen op de heerschappij der adat: dat het Eur. recht toepasselijk wordt verklaard op den Inlander, of dat deze zelf zich daaraan vrijwillig onderwerpt. Een derde uitzondering: dat de wet, los van het Euro-
— 47 —
peesche recht, eenig onderwerp van privaat- of strafrecht voor den Inlander regelt, laat het R. R. art. 75 dus, strikt genomen, niet toe. Ik geloof evenwel, dat men geheel in strijd met de bedoeling der wet zou handelen door haar zoo op te vatten; zij wilde alleen dat van de algemeene wetboeken, voorzoover dit mogelijk werd, alle bepalingen ook op de niet-Europeanen zouden worden toepasselijk verklaard; en zelfs dit is m. i. al te veel geëischt. Neemt men aan dat het eerste vereischte voor de wetgeving moet zijn dat zij overeenkomstig de rechts-behoeften en omstandigheden des lands zij, terwijl de navolging-der Nederlandsche wetboeken een belang van ondergeschikten aard is, dan zal of die eerste eisch verwaarloosd — uf de navolging opgegeven moeten worden. Wel veroorlooft de wet „des noodigquot; te wijzigen, maar men zou misschien zóóveel moeten wijzigen, dat van het oorspronkelijke niets meer overbleef en dan toch nog maar een samenilansel krijgen, dat nooit zoo goed zou kunnen voldoen als een geheel met het oog op de behoeften ontworpen wetgeving. In de praktijk ziet men dan ook voor den Inlander (voor de vreemdelingen is het natuurlijk iets anders) allerlei onderwerpen van privaat- en strafrecht geregeld worden, zonder dat hierbij de vorm eener toepasselijk-verklaring van het Europeesche recht wordt gekozen. En gelukkig!
2° dat de algemeene verordeningen betreffende burgerlijke-, handels- en strafzaken alleen voor de Europeanen kunnen worden vastgesteld, en slechts door toepasselijk-verklaring tevens voor Inlanders kunnen gelden, tenzij deze er zich vrijwillig aan onderwerpen.
Ook deze konklusie, hoe duidelijk ze ook uit de woorden der eerste drie zinsneden is af te leiden, moet onjuist zijn. Daar Europeanen en Inlanders niet van elkaar gescheiden leven, kon men wel voorzien dat het niet mogelijk zou zijn de Inlanders geheel buiten alle regelingen te laten, die voor Europeanen worden getroffen, en de praktijk bevestigt dit, daar in tal van algemeene verordeningen een bepaling, die zoowel Inlanders als Europeanen betreft, is gemaakt; wat meer zegt, de omstandigheden maken het soms onmogelijk een wet niet op
— 48 —
den Inlander toe te passen, hoewel zij speciaal voor de Europeanen vastgesteld en nooit op den Inlander toepasselijk verklaard werd. Men denke b. v. aan de Europeesche bepalingen omtrent eigendom en omtrent in- en overschrijving van vaste goederen, die geregeld worden toegepast op de Inlandsche eigenaren van vaste goederen op alle groote plaatsen. (1)
Het is niet altijd gemakkelijk uit te maken of en in hoever een algemeene verordening ook op den Inlander toepasselijk is, wanneer dit niet uit den titel, uit een uitdrukkelijke verklaring of uit den inhoud ondubbelzinnig blijkt. Men zal dan uit de verordening zelve moeten opmaken wat te dezen opzichte haar bedoeling is, en daarbij steeds in het oog moeten houden, dat de wil van R. R. art. 75 zeer duidelijk is den Inlander als regel zijn adat te laten en de Europeesche bepalingen niet voor hem te doen gelden, tenzij ze uitdrukkelijk op hem zijn toepasselijk verklaard. Zonder zulk een verklaring mag men dus m. i. alleen aannemen, en wel omdat dit
onafwijsbare uitzonderingen zijn ;
a. dat de verordening in haar geheel op den Inlander toepasselijk is, wanneer dit uit de verordening en uit haar titel duidelijk blijkt, en deze twee niet met elkaar in tegenspraak zijn, of uit één der twee, zonder dat de andere daaraan weer
twijfel doet rijzen;
h. dat de verordening, hoewel overigens niet op Inlanders toepasselijk, in zekere gevallen toch op hen moet worden toegepast, wanneer bizondere omstandigheden dit noodzakelijk maken. In deze gevallen mag men echter niet generaliseeren en in het algemeen de geheele verordening toepasselijk achten op Inlanders.
Zelfs al vereenigt men zich met deze regels van wetsuit-legging, die ik voorstel, zal in de praktijk dikwijls verschil ontstaan.
(1) Ik. bedoel natuurlijk niet de gevallen, waarin al. ö van art. /5 wordt toegepast; want in die gevallen worden de «algerneene beginselen van het Kuropeesch recht tot richtsnoer genomen, wegens stilzwijgen der adat; in de door mij bedoelde gevallen wordt de Europeesche wet toegepast, met terzijdestelling der adat.
— 49 —
Men veroorlove mij hier een voorbeeld te geven, dat ik ontleen aan het 47e deel van het Tijdschrift „Het Eecht in N. I,quot; waar wij op biz. 2S0 en 281 een opmerking vinden van mr. M. C. Piepers over de difinitie van onroerend goed., die voor Inlanders zou gelden.
Hij vestigt de aandacht op art. 1 der ordonnantie van Staatsblad 1^34 n0. 27 dat luidt:
„De bewijzen van eigendom en overgang van alle vaste of onroerende goederen [waaronder verstaan worden landerijen, huizen, tuinen en erven, met al hetgeen op of in dezelve aard-, grond- en nagelvast is, zoo ook schepen en vaartuigen, zonder onderscheid, open en overdekt, van de grootte van vier lasten of koijangs en daarboven, met derzelver toebehooren en inventaris), voorts alle akten, waarbij zoodanige onroerende goederen worden verhypothekeerd of verbonden, en eindelijk alle akten van cessie van zoodanige hypotheken, zullen, op poene van nulliteit, worden verleden, enz.
De geachte schrijver zegt naar aanleiding hiervan:
„Deze ordonnantie is geldend voor geheel ]STcd. Indië en zoowel voor Inlanders als voor Europeanen. Naar mijne meening is daarbij de vraag wat in het burgerlijk recht voor den Inlander onroerend goed is, door den wetgever uigemaakt en mag te dien opzichte derhalve niet meer naar de adat worden rechtgesproken.quot;
Ik kan mij met deze zienswijze in het geheel niet vereenigen.
quot;Wel is waar is de titel „ordonnantie op de overschrijving van eigendom van vaste goederen en het inschrijven van hypotheken op dezelve in Nederlandsch-Indiëquot; zonder vermelding dat zij alleen voor Europeanen geldig is, maar niettemin is de door mr. M. C. Piepers daaruit gemaakte gevolgtrekking m, i. onjuist en wel om de volgende redenen.
1°. Art. 1 der ordonnantie geeft zelfs voor Europeanen geen definitie van onroerende goederen, die in het algemeen geldt, maar zegt alleen wat zij onder vaste of onroerende goederen verstaat, m. a. w. van welke goederen zij eischt dat bewijzen van eigendom zullen worden opgemaakt volgens de door haar gestelde regelen.
Zij wijkt dan ook af van hetgeen in het Burgerl. Wetboek
W. en A. 4
— 50 —
(art. 506 en vlgd.) onroerend goed wordt geaoemd. Zou dit Wetboek, dat na de bewuste ordonnantie is vastges teld, dan aan de omschrijving van deze hebben gederogeerd? Neen, juist omdat zij een speciale bepaling is, die niet definieert in \'t algemeen wat onroerend goed is, maar wat zij daaraan gelijkstelt voorzoover betreft de in- en overschrijving.
Nu kan men toch moeilijk aannemen, dat deze beperkte strekking van het artikel ten opzichte speciaal van Inlanders in de uitgebreidere zou veranderen, om in het algemeen vast te stellen wat rechtens onroerend goed is! Dit argument is opzichzelf reeds afdoende; maar er is meer.
2°. De ordonnantie van 1834 heeft alleen ten doel regeling der in- en overschrijving enz., een Europeesche instelling. Men mag niet aannemen dat zij deze instelling algemeen wilde invoeren voor geheel Ned. Indië, want dit ware een kolossale maatregel, een hervorming geweest, terwijl uit de considerans der ordonnantie blijkt dat zij alleen het bestaande beter regelen wilde.
Evenmin had de ordonnantie het oogmerk het recht voor den Inlander vast te stellen of te wijzigen. Het bewijs daarvan, uit hot ongerijmde, ligt voor de hand. Immers er is geen reden om aan te nemen dat zij in het eene opzicht wel-, in het andere niet op Inlanders toepasselijk is. Om nu nog niet eens verder te gaan dan de algemeene definitie, die mr. P. in art. 1 ziet, deze zou dan tengevolge hebben; dat huizen der Inlanders, veelal licht gekonstrueerde, boven den grond staande, verplaatsbare zaken, per se onroerend goed waren; evenzoo hun schepen ter grootte van 4 koijangs of meer; dat de adat, die eigendom van op eens anders erf staande boomen kent, word afgeschaft. Verder zou uit art. 1 volgen dat van elke verpanding van gronden door Inlanders, die in vele deelen van Indië algemeen gebruikelijk is en dan toch valt onder de benaming „verbinden,quot; op de in dit artikel omschreven wijze een akte moet worden opgemaakt evenals van het overgaan van zulk een pand, dat valt onder de benaming cessie.
Dat dit van den aanvang af nooit is geschied, levert wel het beste bewijs op, dat het nooit in de bedoeling der Regee-
— Si
ring, bij de yaststelling dezer bepalingen, heeft gelegen deze voor den Inlander vast te stellen.
3°. In de ordonnantie is niet bepaald dat zij voor Inlanders is vastgesteld; evenmin is zij op hen toepasselijk verklaard.
Moet daarom worden aangenomen dat zij nooit op Inlanders kan worden toegepast?
Dit zou moeilijk zijn vol te houden en dan ook in strijd zijn met den boven sub b door mij voorgestelden regel van wetsuitlegging; want er zijn gevallen, waarin deze voor Europeanen gemaakte verordening wel op Inlanders moet worden toegepast, tengevolge van het aanhoudend verkeer tusschen beide rassen. Bij gronden zijn die gevallen uit den aard der zaak beperkter, doordat zij niet verplaatsbaar zijn en men dus een grens kan trekken. Aan de eene zijde liggen de gronden c a. die meerendeels opgemeten en in elk geval geboekt zijn, die tengevolge van de overheerschend Europeesche samenleving het Europeesch recht volgen. Hot zou niet aangaan dat deze, naar gelang ze in Europeesche of Inlandsche handen komen, dan weer niet, dan weer wel werden in- of overgeschreven. Binnen deze grenzen moet dus onvermijdelijk op den Inlandschen eigenaar de ordonnantie van \'34 worden toegepast. Daarbuiten liggen de gronden, die nog onder de adat vallen. — Voor vaartuigen kan zul li een onderscheiding niet worden gemaakt, ook omdat ze — in tegenstelling met gronden — alle, zonder uitzondering, vatbaar zij i voor overdracht door Inlanders aan niet-Inlanders. Daardoor moeten op vaartuigen de bepalingen wel algemeen worden toegepast, terwijl ze voor gronden van Inlanders alleen gelden, wanneer deze zijn geëmancipeerd, losgemaakt van het adat-verband.
Zóó is dan ook, naar ik meen, steeds de opvatting geweest en volkomen in overeenstemming hiermee is de afzonderlijke regeling in Staatsblad 1873 no. 38 van de wijze van in- en overschrijving van den eigendom van en het inschrijven van hypotheek op gronden, door Inlanders in eigendom verkregen overeenkomstig Staatsbl. \'72 no. 117 (z.g.n. „agrarisch eigendomquot;). Deze gronden zijn dan och wel degelijk in officieel erkend eigendom bij den Inlander en zouden volgens
— 52 —
de redeneering van mr. P. onder Stbl. 3-1 no. 27 vallen. Volgens mijn redeneering daarentegen niet, aangezien ze aan het verkeer der Europeanen onttrokken blijven, zoodat er geen noodzakelijkheid bestaat ze onder het Europeesch recht te brengen. De Regeering vond het dan ook noodig de materie voor don Inlander speciaal te regelen in gemeld Staatsblad van 1873 en — hetgeen wel voor mijn opvatting pleit — verschillende bepalingen uit do voor Europeanen bestaande regeling uitdrukkelijk toepasselijk te verklaren (zie artt. 2, 4) of wel voor de Inlanders te herhalen. In het systeem van mr. P. zou daarentegen alleen noodig zijn geweest eenige uitzonderingen ten behoeve van de Inlanders te maken op de overigens ook voor hen toepasselijke bepalingen van de reeds bestaande ordonnantie (Stbl. 34 no. 27). (1)
Alinea 3.
De vrijwillige onderwerping door Inlanders aan de Europee-sche wetgeving, waarvan deze alinea spreekt, zal ik als slechts ter loops in art. 75 R. R. aangeroerd, hier maar niet nader behandelen.
De bepalingen daaromtrent voorkomende in art. 11 en 13 der Alg. Bepp. en 4 en 15 der Overg. Bepp. zouden hier geen bespreking kunnen vinden, zonder dat de omvang van dit opstel onmatig werd uitgebreid.
(1) Tegen liet in revisie bekrachtigd vonnis van de proatin te Tandjong Karang, naar aanleiding waarvan mr. P. zijn liier besproken opmerking schreef, had hij, dunkt mij, een beter argument kunnen aanvoeren zonder zich op Stbl. 1834 no. 27 te beroepen. Bij de toepassing-der strafwet had de rechter immers moeten nagaan wat de strafwetgever met «roerende goederenquot; bedoelde en dat kan niet anders zijn geweest dan feitelijk-roerende, verplaatsbare goederen, de eenige waarvan men zich misbruik van vertrouwen in den zin der wet kan denken. In dien zin nu zal zelfs een Lamponger een pepertuin wel geen roerend goed noemen, tenzij het een tuin a la Semiramis was.—Hot verwondert mij trouwens dat mr. P. niet nog een ander argument heelt aangevoerd. Vergis ik mij niet dan is hij een aanhanger der door het Hooggerechtshof gehuldigde leer (die ik niet volg) dat men de termen van het Inl. strafwetboek moot verklaren uit het Burgl. Wetb. voor Europeanen (zie Weekbl. v. h. Recht no. 1110 en het naschrift vanmr. M. C. P.)
— 53 —
Ingevolge art. 1G9 R. R. moet men de hier aanhangige alinea beschouwen als ook geschreven voor de met Inlanders gelijk-gestelden n. 1. de Arabieren, Mooren, Chineezen en allen, die Mohammedanen of heidenen zijn. Ook deze allen zijn dus in het genot hunner adat gelaten. Men zal wellicht liet woord adat hier onjuist achten, aangezien o. a. de Arabieren en Chineezen geschreven wetten kennen. Deze wetten houden echter buiten de grenzen van hun vaderland op wetten te zijn; derhalve hebben zij als zoodanig in N. I. geen kracht; de gewoonten der vreemdelingen, die zij uit hun vaderland overbrachten en die daar waarschijnlijk op wetten berustten, worden echter als hun artW gerespektcerd, niet als hier geldende wetten.
De N. Indische rechter zou dan ook buiten staat zijn de wetten dier vreemdelingen toe te passen;
1° omdat hij niet op de hoogte kan zjjn en bljjven van al die vreemde wetten en de daarin komende veranderingen;
2° omdat het geen zin zou hebben die wetten anders toe te passen dan zooals ze bedoeld zijn en uitgelegd worden in hun eigen land. jSTu kan men toch moeilijk verlangen dat de ]^. I. rechter zich thuis bevinde in de zoo uiteenloopende nationale wetten der Chineezen, Arabieren, Mooren, Japanneezen, Afrikanen enz., deze uit derzelver kommentaren bestudeere, en nog veel minder dat hij verschillende daarbij geldende regelen van uitlegkunde volge naar gelang van de uitheemsche wet, die hij moet toepassen! Voor zulk een taak zouden zelfs de beste krachten te kort schieten.
De eenige logische en mogelijke opvatting der bewuste alinea ten opzichte der vreemde oosterlingen is dan ook, m. i., dat op hen toepasselijk zijn hun eigenaardige rechtsbegrippen en rechtsgewoonten, zooals deze in Ned. Indië zich gewijzigd of ongewijzigd hebben gehandhaafd en dan nog alleen voorzoover ze hunnen worden toegepast.
Het spreekt toch van zelf dat deze vreemdelingen niet in dezelfde mate op eerbiediging hunner adat aanspraak hebben als de bevolking des lands. Waar het geldt personen- en familierecht, zal het in den regel geen bezwaar opleveren hun begrippen te eerbiedigen; maar in de meeste andere opzichten
— 54 —
is het onmogelijk aan al die Terschillende adats in een zelfde territoir gelijk recht te laten; de vreemdelingen zullen zich in dit opzicht moeten schikken of naar het Leerschende (Europee-sche) of naar het getolereerde recht (des Inlanders) der plaats hunner inwoning.
In de praktijk, geloof ik, dat dit dan ook meestal geschiedt en geschiedde, zelfs vóór de toepasselijkverklaring van het grootste deel der Europeesclie \'wetgeving op de vreemde Oosterlingen.
Dit is dan ook geen maatregel van hardheid tegenover den vreemdeling, maar een gevolg der noodzakelijkheid, die zich evengoed doet gevoelen, ■wanneer eigenlijkgezegde Inlanders de streek verlaten, waar hun eigen adat heerscht. Ook deze kunnen buiten liet territoir van hun adat geen aanspraak maken op gelijke eerbiediging derzelve. Van dit inzicht is de wetgever ook blijkbaar uitgegaan bij de vaststelling van art. 9 der ordonnantie van Staatsblad 1855 No. 79, houdende toepasselijkverklaring van de Europeesclie wetgeving op de met de Inland-sche gelijkgestelde bevolking (vreemde Oosterlingen). De wijze waarop, daarvan uitgaande, deze aangelegenheid voor den Inlander werd geregeld, komt mij echter voor niet boven kritiek verheven te zijn. Mijns inziens had de wet moeten onderscheiden vreemde Oosterlingen en vreemde Inlanders. Wanneer men de artikelen l en 9 dier ordonnantie leest, moet de contradictio in terminis, die daaruit voorspruit, in het oog vallen:
„Vreemde Oosterlingenquot; zijn de met Inlanders gelijkgestelden, zegt art. 1 en nu gaat art. 9 een deel der Inlanders met deyenen, die aan ken zijn gelijkgesteld \\
Dit is geen woorden-kwestie, maar een kwestie van beginsel; want de kontradiktie in woorden is tevens eene in rechten.
Even logisch als het was de Oostersche vreemdelingen, behoudens uitzonderingen, te onderwerpen aan het recht van den heerschenden, Westerschen vreemdeling, evenzeer lag het ^oor de hand den Inlandschen vreemdeling te onderwerpen, behoudens uitzonderingen, aan het voor de overige landzaten ter plaatse geldende recht. Hij behoort immers tot deze kategorie en daar hij zich licht beter zal kunnen schikken naar de adat van stamverwanten, dan naar het geschreven recht der quot;VVes-
— 55 —
terlingen, zou het geheel in den geest van het Regeerings-Reglement zijn geweest hem aan die adat en niet aan het Europeesch recht te onderwerpen. Dit ware ook beter geweest om de volgende reden;
De eigenlijke vreemde Oosterlingen zijn in den ganschen archipel vreemdelingen en blijven dus in ons geheele N. I. gebied onderworpen aan dezelfde wetgeving. De Inlander, die in N. I. reist, wordt daarentegen ingevolge bedoeld art. 9 dan eens onderworpen aan de in art. 1 vermelde deelen der Europeesche wetgeving, dan weer als hij in zijn land terugkeert aan zijn eigen adat; en zulk een afwisseling van rechtstoestand kan bij veel reizende Inlanders een aanhoudende zjjn.
Wanneer men tot nu toe weinig heeft gehoord van moeilijkheden, die zich bij de rechtspraak in Indië tengevolge van art. 0 vd. hebben voorgedaan, dan meen ik dit te moeten toeschrijven aan de eigenaardigheid onzer Indische rechtspraak, die met zóóveel verschillend recht, met zóóveel partieele regelingen te maken heeft, dat het overzien daarvan moeilijk valt eu men dikwijls algemeen en in de gemoedelijke overtuiging, dat men naar de wet handelt, deze verkeerd toepast. Ik houd het er voor dat de meeste juristen óf zich van het bestaan der bepaling, die achter in de verordening van Stbl. 55 No. 79 verscholen ligt, niet bewust zijn, óf zich nooit ernstig van haar strekking rekenschap gegeven en daar althans in de praktijk nooit aan gedacht hebben. Ik wil ten minste wel bekennen geruimen tijd tot de zoodanigen te hebben behoord.
Wanneer men het in deel XXVII van „het Recht in Indiëquot; op blz. 65 en volgenden uit officieele gegevens omtrent de wordingsgeschiedenis der ordonnantie van Staatsblad 55 No. 79 meegedeelde raadpleegt, blijkt de bedoeling te zijn geweest den vreemden Inlander bij de rechtbanken te doen ondervinden „de bescherming welke hij bij de eigenlijke inheemsche volkshoofden niet vinden zou; terwijl de Sumatranen, Benkoeleezen Lampongers, Palembangers, Lingganeezen, Borneoten, Maka-saren, Menadoreezen, ïernatanen, Amboineezen, Bandaneezen, ïimoreezen vooreerst op Java, en bij verdere toepassing der wet, overal elders zich onder de schut en bescherming der
Nedcrlandsche vlag, van de Nederlandsche (lees Nederlandscli-Indische) rechtbanken zullen kunnen nederzettenquot; enz.
Ik vind dit een zeer fraai doel, maar het daartoe gekozen middel minder praktisch. De JN\'ederlandsche vlag kan de vreemde Inlanders evengoed als de inheemsche beschutten, zonder dat de eerste daarom in tegenstelling met de anderen aan de Europeesche wetgeving behoeven te worden onderworpen; zij is daartoe verplicht en zou dit zelfs zjjn, wanneer die vreemden geen ingezetenen van K. Indië waren (art. 108 R . R.) Ik zie ook niet in dat de vreemde Inlanders juist onder de schut der voor Europeanen bestemde rechtbanken moeten worden gebracht, als die der Inlandsche rechtbanken voldoende i s voor de overige Inlanders, en stel me voor dat onze goede „Borneo-tenquot;, Timoreezen enz. het een allesbehalve verkwikkelijke omarming zouden vinden, als onze wetboeken van burgerlijken handelsrecht beschuttend hun armen om hen strengelden en hen met zacht geweld voor de Raden van Justitie brachten om daar hun geschillen te doen beslechten, zoodra ze hu n gewest verlaten hebben. Hier en daar moge zulk een gewoon te bestaan hebben tot voor betrekkelijk korten tjjd, dit was een anachronisme, een overblijfsel uit den Compagniestijd, toen dit handelslichaam zich over het algemeen met rechtspraak o ver Inlanders weinig inliet en de landzaten nog onder de rechtspraak hunner vorsten verkeerden. In dien tijd had elke Hollandsche nederzetting een klein gebied, waar geen Inlandsch gezag gold en de vreemde of inheemsche Inlanders, die er zich onder de schut der Nederlandsche vlag kwamen vestigen, voor één zelfden rechter terecht stonden als de Compagniesdienaren en andere Hollanders. Deze Inlanders werden dan gerekend speciale volgelingen der O. I. O. en als zoodanig aan het landsgezag onttrokken te zijn(l).
(i) Zoo vindt men op Celebes een streek sToerikaléquot; (saan het lijf verbondenquot;, volgeling) bij de hoofdplaats Maros: op Saleier, waar vroeger een fort (benteng) der O. I. C. stond, heet het gebied dor hoofdplaats »Bentengquot; en staat niet onder een »opoequot; (regent, oorspronkelijk: vorst), maar onder een oglarangquot;, minder hoofd: te Boelekomba, waar
— 57 —
De toestanden zija echter sinds veranderd en er is geen reden meer om de vreemde Inlanders aan een speciale jurisdiktie te onderwerpen dan daar, waar do rechtspraak nog niet geheel in onze handen is (b.v. in de vorstenlanden van Java). Dit vindt dan ook bevestiging in een opmerking der Regeeriug, meegedeeld in het aangehaald deel van „het Hecht inlndiëquot;, in de 2° noot op blz. 95. „Thans,quot; beet het daar, „zit meer het streven voor, om den inboorling van den archipel, waar hij zich ook bevindt, als Inlander aan te merken.quot; Deze mee-,deeling „ter voorkoming van minder juiste gevolgtrekkingenquot;, moge ons in kennis stellen met de zienswijze der toenmalige Regeering; de bepaling, waaruit het gevolg wordt getrokken, is daardoor evenwel niet opgeheven; evenmin door het in Bijblad 1862 opgenomen besluit \\an 22 Juli 1865 No. 14. Wel is het bewust art. 9, hoewel niet afgeschaft, toch voor Sumatra\'s quot;Westkust gewijzigd in Stbl. 1874 No. 94c, maar daar voor Java en Madoera de oorspronkelijke bepaling is blijven gelden, maakt dit de zaak niet beter. Immers dit Staatsblad rangschikt onder de vreemde Oosterlingen „alle Inlanders, landzaten of inboorlingen van den N. I. Archipel, die niet behooren tot de iniieemsche bevolking van Sumatra en de daaronder behoo-rende eilanden en zicii niet met deze hebben vermengdquot;, en terwijl dit ook geldt voor Benkoelen (Stbl. \'80 No. 34), is bij Staatsblad 1882 No. 82, dat de Europeesche wetgeving conform Staatsblad 1855 No. 79 toepasselijk verklaart op de vreemde Oosterlingen in de gewesten Celebes e. O., Timor, Amboina, Menado en Teruate, bepaald (zie art. 2): Onder vreemde oosterlingen worden.... alleen gerangschikt de krachtens art. 109 vau het .Reglement op het beleid der Regeering van N. 1. met Inlanders gelijkgestelde personen, niet behoorende tot de inheemsche bevolking van N. Lquot; De laatste acht woorden hadden veilig achterwege kunnen blijven, zelfs de geheelebepa-
vroeger ook een bentong stond, staan de kanipoengs der hoofdplaats evenzoo onder afzonderlijke hoofden. Van gelijke verschijnselen in andere Buitenbezittingen kan ik, wegens plaatselijke onbekendheid, geen voorbeelden geven: maarzij zullen daar waarschijnlijk ook nog wel voorkomen.
— 58 —
ling van art. 2 was overbodig, daar het bewust art. 9 niet op Celebes enz. werd toepasselijk verklaard en zonder zoodanig artikel zou wel niemand op het idee komen de Inlanders onder de met Inlanders gelijkgestelden (vreemde Oosterlingen, zie art, 1 v. Stbl. \'55 No. 79) te „rangschikkenquot;.
Zoodoende gelden in N. I. drie definities van vreemde Oosterlingen: 1° de meest omvattende voor Java en Madoera (Stbl. \'55 No. 79), 2° die welke overeenstemt met art. 109 R. R., voor het grootste deel der Buitenbezittingen en 3° een minder dan de eerste en meer dan de tweede omvattende (Stbl. 74 No. 94c) voor Sumatra\'s Westkust enBenkoelen. De reizende Borneoot zal dus als hij over Java naar Timor gaat op het eerste eiland een vreemde Oosterling en als hij nog geen 23 jaren oud is minderjarig zijn, om op Timor weer de vrije beschikking over zijn vermogen te krijgen. De Maleier van de hoofdplaats Makasar is in het Maleische Padang vreemde Oosterling, de Batak niet. De Bantammer is in Benkoelen vreemdeling, de Atjeher niet! De Padanger is te Makasar gewoon Inlander, maar de Makasaar is te Padang vreemde Oosterling. De kettingganger van Bandong is te Buitenzorg (in zijn taalgebied) vreemde Oosterling, te Pontionak niet. De van Java afkomstige, voor landelijke ondernemingen ter Sumatra\'s Westkust ot Benkoelen aangeworven koelies zijn allen onderworpen aan het grootste deel van ons burgerlijk-en handelsrecht! En dan onze goede soldaatjes, de Javanen, Madoereezen, Boegineezen en Ambonneezen, die naar alle deelen van Java en de Buitenbezittingen heen en weer trekken. Van deze zal men dan toch zeker niet kunnen beweren, dat zij onder de leiding van de plaatselijke hoofden der inheemsche bevolking staan! Hoe menige capitis diminutio, afgewisseld door een kortstondige meerderjarigheid, zullen deze fiere strijders, zoolang ze jonger dan 23 jaren zijn, moeten ondergaan! Het zal hun daarbij tot troost strekken, dat zij hun eventueele burgerrechtelijke geschillen grootendeels voor den Raad van Justitie mogen aanbrengen en dat zij niet alleen de schut van onze vlag, maar ook van onze wees- en boedelkamers genieten, (denken de schutsheeren daar wel altijd aan?)
— 59 —
En dan de gepensionneerde Inlandsche soldaten, die men op de buitenbezittingen op zoovele plaatsen aantreft, rustig van hun pensioen levende in de zoogenaamde kampong-Djawa, onder het geschut der benting, waar slechts bij uitzondering Inlanders van de inheemsche bevolking wonen. quot;Worden deze „anak-kompaniquot; gerekend zich te hebben vermengd met de inheemsche bevolking? In dit opzicht zal wel moeilijk een vast criterium zijn aan te geven, zoodat de staat dezer personen onzeker wordt en zij zonder merkbaren overgang van vreemde Oosterling, onderworpen aan de Europeesche wetgeving, allengs Inlander kunnen worden, onderworpen aan de adat, louter door geleidelijke vermenging met de bevolking.
En wat is bedoeld met de woorden „buiten de leiding van de plaatselijke hoofden der inheemsche bevolkingquot;? De eenige uitlegging dier woorden, welke tot een bevredigend resultaat zou leiden, is m. i. dat zij worden geacht onder die leiding le staan, wanneer zij de plaatselijke hoofden niet als hun natuurlijke hoofden, maar slechts als plaatselijke bestuursauto-riteiten beschouwen; want dat zij per se ter plaatse, waar zij zich bevinden, het gezag der hoofden moeten erkennen en gehoorzamen, spreekt wel van zelf: wat zou het plaatselijk gezag beteekenen, wanneer dit tegenover eiken niet inheemschen inwoner of doortrekkende machteloos was zich te doen gelden ? Zelfs de eigenlijke vreemde Oosterlingen kunnen zich niet onttrekken aan het plaatselijk gezag, zij dit ook in handen van iemand van een andere nationaliteit. Zou men nu den niet-inheemschen Inlanders wanneer zij in grooteren getale ergens in een eigen wijk, onder een eigen wijkmeester wonen, als vreemde Oosterlingen willen beschouwen, hoewel zij daar dan toch zeker burgerrecht hebben verworven, en den ecliten vreemdeling, die zich maar tijdelyk en alleen ergens bevindt, niet als vreemde maar als inheemschen Inlander willen aanmerken? Dit kan toch zeker niet; zoodat wij wel de boven door mij gegeven uitlegging moeten aannemen. Doet men dit niet, dan zou de vreemde Inlander ter plaatse waar hij met rasgenooten in een eigen wijk woont vreemde Oosterling zijn, maar gewoon Inlander worden zoodra hij elders in het gewest reist, waar hij
— 60 —
veel vreemder is. Doet men het ivel, dan komt men tot liet inzicht dat er onder de Inlanders een zeer groote kategorie vreemde Oosterlingen bestaat, die aan het grootste deel van onze burgerlijke- en handels-wetgeving is onderworpen. Wanneer men nu eens nauwkeurig nagaat welke gevolgen dit heeftquot;* op hun rechtstoestand, op de kompetentie der Raden van Justitie en der Weeskamers, zal men, geloof ik, toegeven dat de rangschikking van de vreemde Inlanders een onlogische en onpraktische maatregel is. De plaats en tijd ontbreken mij om dit door voorbeelden nader aan te toonen.
Ik kom nu tot de adat der eigenlijke Inlanders. In den aanvang gaf ik reeds een definitie. Hier is het de plaats om, aan de hand dier omschrijving na te gaan, hoever het gebied der adat zich uitstrekt.
Reeds werd opgemerkt dat dit wordt beheerscht door: 1° de algemeene verordeningen, waarvoor de adat moet wijken; 2° de vrijwillige onderwerping aan het Europeesche recht; 3° de gevallen, waarin de omstandigheden het onvermijdelijk maken op den Inlander liet Europeesch recht toe te passen. Om volledig te zijn moet ik nog melding maken van de 1 Mei 1855 nog bestaande „verbindende wettelijke verordeningen, reglementen en besluitenquot;, die bij art 132 R. R zijn gehandhaafd, totdat zij door anderen zouden zijn vervangen. Ook door deze kan dus voor den Inlander, met wijziging of opheffing van de adat, recht zijn gecreëerd. (1)
De adat, het levende en groeiende recht van den Inlander, wijzigt zich nog aanhoudend. Het kan wel niet de bedoeling van het Regeeringsreglement zijn geweest dit recht alleen te handhaven, zooals het toen bestond, zoodat wat naderhand in
(1) Onder deze oude bepalingen zou het mij niet verwonderen, dat zich veien bevonden, aan welker bestaan men thans niet meer denkt, en het is de vraag of deze toe te passen soms niet tot groote onbillijliieden zou leiden, vooral wanneer men teruggaat tot bepalingen uit de vorige eeuw, die bij hun vaststelling slechts betrekking konden hebben op een klein deel van Indië en reeds in onbruik waren geraakt vóór het efl\'ek-tief gezag onzer wetten zich meer algemeen over Indië uitstrekte.
— 61 —
onbruik geraakte toch zou moeten worden toegepast en wat later eerst in gebruik kwam niet zou gelden. De rechter zal dus aanhoudend op de hoogte moeten blijven, een zeker niet gemakkelijke taak!
Immers er is moeilijk een grens te trekken tusschen gewoonterecht en gewoonte. De eerste, die ontstaat uit het voorbeeld, door enkelen gegeven en later door anderen gevolgd, wordt recht, wanneer ze van de gewoonte van enkelen die der bevolking is geworden. De overgang heeft plaats door een soms langzaam, soms snel proces. Men kan daaromtrent geen vast criterium stollen. De rechter zal voorzichtig moeten zijn, dat hij niet aan het volk als recht opdringe wat slechts in enkele klassen als gewoonte is aangenomen. Vooral is dit van belang ten opzichte van den Islam. De klasse der hadjies en die der priesters, die om niet dubieuse redenen een neiging hebben het gezag van gemelden godsdienst uit te breiden, voeren in hun kringen veel daaraan ontleende gewoonten in of proklamee-ren eenvoudig tot gewoonte, wat in het volksleven nog in \'t geheel niet is doorgedrongen. In dit geval ligt het allerminst op onzen weg dit klassengebruik te helpen om het volksrecht te verdringen. Ook in andere opzichten zal het soms moeilijk zijn de eigenlijke adat, het volksrec/ilt;, te onderkennen van allerlei ziekelijke uitwassen, die men gewoonte-oxrecht zou kunnen noemen. Bij dit laatste zijn de gewoonten niet ontstaan uit het volksleven, berusten zij niet op de behoeften en overtuiging des volks, maar heeft de sterkere den zwakkere gedwongen die aan te nemen: ik bedoel de gedrochtelijke rechten, die despostisme en standenbevoorrechting deden ontstaan. Ik wil de oppositie, die ik hiertegen voorzie, graag toegeven dat hier ook al weer geen duidelijke grens tusschen gewoonte/-cc7ï^ en gewoonteowrec/ii kan worden aangegeven, dat formeel beiden adat zijn en het zelfs zeer onverstandig zou zijn hot onrecht in de adat dadelijk geheel te willen afschaffen, wanneer de langdurige gewoonte en de daarnaar vergroeide maatschappelijke toestanden zulk een radikale amputatie voorloopig gevaarlijk zouden doen zijn. Onder den invloed van ons rechtstreeksch gezag zullen dergelijke adats veelal spoedig van zelf hun gezag
— 60 —
veel vreemder is. Doet men het wel, dan komt men tot het inzicht dat er onder de Inlanders een zeer groote kategorie vreemde Oosterlingen bestaat, die aan het grootste deel van onze burgerlijke- en handels-wetgeving is onderworpen. Wanneer men nu eens nauwkeurig nagaat welke gevolgen dit heeft* op hun rechtstoestand, op de kompetentie der Raden van Justitie en der Weeskamers, zal men, geloof ik, toegeven dat de rangschikking vau de vreemde Inlanders een onlogische en onpraktische maatregel is. De plaats en tijd ontbreken mij om dit door voorbeelden nader aan te toonea.
Ik kom nu tot de adat der eigenlijke Inlanders. In den aanvang gaf ik reeds een definitie. Hier is het de plaats om, aan de hand dier omschrijving na te gaan, hoever het gebied der adat zich uitstrekt.
Reeds werd opgemerkt dat dit wordt beheerscht door: 1° de algemeene verordeningen, waarvoor de adat moet wijken; 2° de vrijwillige onderwerping aan het Europeesche recht; 3° de gevallen, waarin de omstandigheden het onvermijdelijk maken op den Inlander het Europeesch recht toe te passen. Om volledig te zijn moet ik nog melding maken van de 1 Mei 1855 nog bestaande „verbindende wettelijke verordeningen, reglementen en besluitenquot;, die bij art 132 R. R zijn gehandhaafd, totdat zij door anderen zouden zijn vervangen. Ook door deze kan dus voor den Inlander, met wijziging of opheffing van de adat, recht zjjn gecreëerd. (1)
De adat, het levende en groeiende recht van den Inlander, wijzigt zich nog aanhoudend. Het kan wel niet de bedoeling van het Regeeringsreglement zijn geweest dit recht alleen te handhaven, zooals het toen bestond, zoodat wat naderhand in
(1) Onder deze oude bepalingen zou het mij niet verwonderen, dat zich velen bevonden, aan welker bestaan men thans niet meer denkt, en liet is de vraag of deze toe te passen soms niet tot groote onbillijliieden zon leiden, vooral wanneer men teruggaat tot bepalingen uit de vorige eeuw, die bij hun vaststelling slechts betrekking konden hebben op een klein deel van Indië en reeds in onbruik waren geraakt vóór het elfek-tief gezag onzer wetten zich meer algemeen over Indië uitstrekte.
onbruik geraakte toch zou moeten worden toegepast en wat later eerst in gebruik kwam niet zou gelden. De rechter zal dus aanhoudend op de hoogte moeten blijven, een zeker niet gemakkelijke taak!
Immers er is moeilijk een grens te trekken tusschen gewoonterecht en gewoonte. De eerste, die ontstaat uit het voorbeeM, door enkelen gegeven en later door anderen gevolgd, wordt recht, wanneer ze van de gewoonte van enkelen die der bevolking is geworden. De overgang heeft plaats door een soms langzaam, soms snel proces. Men kan daaromtrent geen vast criterium stellen. De rechter zal voorzichtig moeten zijn, dat hij niet aan het volk als recht opdringe wat slechts in enkele klassen als gewoonte is aangenomen. Vooral is dit van belang ten opzichte van den Islam. De klasse der hadjies en die der priesters, die om niet dubieuse redenen een neiging hebben het gezag van gemelden godsdienst uit te breiden, voeren in hun kringen veel daaraan ontleende gewoonten in of proklamee-ren eenvoudig tot gewoonte, wat in het volksleven nog in \'t geheel niet is doorgedrongen. In dit geval ligt het allerminst op onzen weg dit klassengebruik te helpen om het volksrecht te verdringen. Ook in andere opzichten zal het soms moeiljjk zijn de eigenlijke adat, het volksrec/^, te onderkennen van allerlei ziekelijke uitwassen, die men ge\\voonte-o«recht zou kunnen noemen. Bij dit laatste zijn de gewoonten niet ontstaan uit het volksleven, berusten zij niet op de behoeften en overtuiging des volks, maar heeft de sterkere den zwakkere gedwongen die aan te nemen: ik bedoel de gedrochtelijke rechten, die despostisme en standenbevoorrechting deden ontstaan. Ik wil de oppositie, die ik hiertegen voorzie, graag toegeven dat hier ook al weer geen duidelijke grens tusschen gewoonte/\'cc/ii en gewoonteowrec/^ kan worden aangegeven, dat formeel beiden adat zijn en het zelfs zeer onverstandig zou zijn het onrecht in de adat dadelijk geheel te willen afschaffen, wanneer de langdurige gewoonte en de daarnaar vergroeide maatschappelijke toestanden zulk een radikale amputatie voorloopig gevaarlijk zouden doen zijn. Onder den invloed van ons rechtstreeksch gezag zullen dergelijke adats veelal spoedig van zelf hun gezag
— 62 —
gaan verliezen. Wij zullen dit moeten bevorderen en niet in tegendeel volijverig streven om het afkeurenswaardige te handhaven, want daardoor zouden wij de ontwikkeling van het gewoonterecht in de goede richting tegenhouden.
Wanneer de kleine man zich niet meer onvoorwaardelijk aan zulke adats onderwerpt en rechterlijke of hestuurstusschen-komst moet worden ingeroepen, heeft de rechter alle reden aan te nemen, dat de volksovertuiging bezig is de adat te dien opzichte te wijzigen en doet hij verstandig het volk een weinig tegemoet te komen, waartoe hij o. a. gelegenheid heeft door hetgeen aan het einde der derde alinea geschreven staat.
Adat, in den zin van gewoonterecht, is een begrip dat men zich moeilijk vormen kan zonder daaraan de gedachte aan een territoir te verbinden; want het is niet de gewoonte van elk individu opzichzelf, die een recht schept; eerst waar beginselen bestaan, waarnaar de samenwonenden zich plegen te gedragen, kan er sprake zijn van gewoonterecht. Nu rijst de vraag, hoe groot moet het territoir van een adat, de kring waar binnen zij heerscht, zijn om haar recht te geven op de eerbiediging, die in al. 3 van art. 75 R. R. aan de adat wordt toegekend ?
Deze alinea bepaalt daaromtrent niets, en ik geloof dat wij dus geen adat kunnen afwijzen op grond dat zij slechts in een zeer klein gebied heerscht of dat zij ingesloten ligt binnen het gebied van een andere adat. Immers het Regeerings-Reglement vat alle Inlanders samen in één kategorie, waarvan het hoogstens de Inlandsche Christenen (en de quasi-vreemde Oosterlingen) eenigermate onderscheidt; het verdeelt Indië niet in verschillende rechts- of nationaliteitsgebieden; elke onderscheiding van nationaliteiten of van territoiren, die we te dezen opzichte maakten, zou dus een geheel willekeurige zijn.
De onderscheiding tusschen Java met Madoera en de Buitenbezittingen is een administratieve, de verdeeling in gewesten, afdeelingen, regentschappen en distrikten evenzoo, *en alinea 3 geeft niet het minste recht te veronderstellen, dat de wetgever een overheersching van de eene adat ten opzichte van de andere
— 63 —
heeft mogelijk geacht, op grond dat beiden ia een zelfde gewest, regentschap of distrikt voorkomen.
Derhalve staan elk binnen haar kring volkomen gelijk de adat der Badoewi\'s, die der Dèpokkers, die dor Tenggereezen en de adat der omwonende bevolkingen, de adat der Chinee-sche en Arabische nederzettingen enz. Buiten haar kring verliest de adat haar gezag daarentegen voor een groot deei. In hoever zj dit daarbuiten nog behoudt ten opzichte van degenen, die uit haar kring afkomstig zijn, is een kwestie van quasi-internationaal reeht, evenals de vraag welke adat moet worden toegepast op de geschillen en op de verhoudingen tusschen lieden, die van adat verschillen, wanneer het betreft die onderwerpen, waaromtrent zij ook buiten haar kring gezag behoudt.
Het is hier echter de plaats niet om in beschouwingen te treden over deze bizondcrheden. Ik vrees toch reeds te veel van des lezers geduld te hebben geëischt bjj de uitweiding over deze alinea van art. 75 R. R. en wil daarom nog slechts één punt bespreken: de wijze waarop do rechter de adat moet interpreteeren en toepassen, ook in verband met het Mohammedaan-sche recht.
Het zij mij vergund hier de aanhaling uit Air. v. d. Berg\'s voormelde „Nalezingquot; voort te zetten van af liet punt, waar ik haar op blz. 88 staakte, ton einde de argumenten, die ik bestrijden wil. voorop te stellen.
Na, zooals wij zagen, de receptie van den Islam in Indië te hebben vergeleken met die van het Romeinsche recht in Duitschland, vervolgt de schrijver aldus:
„Dat door deze constructie niets wordt te kort gedaan aan het subsidiaire karakter der receptie, noch aan het gezag dei-nationale instellingen, is duidelijk, en evenzeer dat, om tot Nederlandsch-Indië terug te keeren, daardoor aan de bevolking geen Mohammedaansche begrippen worden opgedrongen, waarvan zij niet gediend is. Hare adat blijft primeeren, doch alleen voor de bizondere instellingen, en men is niet genoodzaakt de receptie van elk Mohammedaansch rechtsbegrip op zich zelf te bewijzen, wanneer niets eene omgekeerde conclusie vordert.
„De constructie van den heer Piepers heeft bovendien nog een groot, praktisch bezwaar. Het recht is nimmer door de Indische Muzelmannen in zijn geheel van een nationaal standpunt bewerkt. Ue nationale Inlandscbe wetten zjjn allen speciale wetten, die bovendien slechts concreet gestelde voorschriften bevatten. Algemeene leidende beginselen en princi-pieele leerstukken zoekt men daarin te vergeefs, zelfs in den casuïstiscben vorm, waarin zij bij de Arabische juristen voorkomen. Het onbeschreven gewoonterecht is even onvoldoende, daar het alleen te kennen is uit geobserveerde feiten, en feiten Tan nature omtrent de beginselen, voor zooverre zij voor concrete waarneming onvatbaar zijn, weinig leeren. De rechter zal dus omtrent die leerstukken bijna altijd in onzekerheid verkeeren, indien hij niet de Mohammodaansche wet als grondtoon aanneemt, behoudens de geconstateerde afwijkingen. Ik wijs slechts op liet rechtskarakter der verschillende familieverhoudingen, het begrip van erfgenaamschap, de werking van een termijn of van een voorwaarde, de bronnen en de soorten der verbintenissen enz. enz. als voorbeelden van .eer-stukken, waaromtrent men in de nationale Inlandsche wetten niets aantreft, en waaromtrent men uit de feiten van het dage-lijksch leven, welke het gewoonterecht doen kennen, in Jen regel al zeer weinig zal kunnen opmaken. Voor die leerstukken heeft men noodig een recht, dat behoorlijk bewerkt is door juristen, en zoodanig recht levert de Mohammedaansche wet (?) op, al is het grootendeels in casuïstiscben vorm.
„Neemt men nu daarvan een receptio in complexu aan, zoo zal de rechter telkens weten, waaraan zich te houden, en behoeft hij slechts een open oog te hebben voor de afwijkingen, -welke zich voordoen. Zoodanige receptie immers beteekent geenszins die van elk leerstuk afzonderlijk. Mag de rechter daarentegen de Mohammedaansche wet, ook in haar theoretisch gedeelte, niet toepassen, zoolang hem niet gebleken is, dat de bevolking door feiten getoond heeft zich ook van dat gedeelte rekenschap te geven, zoo zal hij bijna altijd in het duister rondtasten. In Indië geldt ten deze hetzelfde als in Nederland : de massa der bevolking geeft zich van abstracte rechts-
— 65 —
begrippen geen rekenschap, en de weinige Inlanders, die dit wel doen, hebben hunne wijsheid uit de Arabische rechtsboeken geput. Van hen zal men dus slechts den weerklank van die boeken vernemen. Zeer zeker geef ik den heer Piepers in het algemeen toe, dat men wel een yodsdienst voor een deel kan aannemen, maar dat dit in cam niet heeft plaats gehad., llijld uit de zooeven geciteerde plaats van het door de Inlanders zelf als autoriteit erkende werkje van Sinoesi.quot;
Ik kan niet nalaten hier nogmaals op te komen tegen de redeneeringen van ,Mr. v. d. B. en wanneer ik zelfs bij zijn woorden mij niet geloovig wil neerleggen, zal hij wel begrijpen, dat ik nog minder wil zweren bij de uitspraken van Sinoesi. Het is voor ons volstrekt niet de vraag of Sinoesi, zelfs niet of de Islam gedeeltelijk aannemen van dien godsdienst toelaat, maar of onze hier hoven het gezag van Sinoesi geldende wetten en begrippen dit toelaten, en hierop zal wel niemand ontkennend antwoorden.
Ten overvloede verwijs ik nog eens naar art. 119 R. li. quot;Wanneer Mr. v. d. B. dan ook iets verder een logisch gevolg van het uitspreken der Mohammedaansche geloofsbelijdenis noemt: dat men de Mohammedansche wet als hetprimum veruni moet beschouwen, erken ik deze logica dan ook alleen vsn een Arabisch-, niet van een N. Indisch of van een wettig standpunt. Mohammads uitspraken mogen „op theologisch, juridisch en politiek gebied dezelfde waarde hebbenquot;, volgens hem zelf en een groot deel zijner aanhangers, de wet heeft op juridisch en politiek gebied zoodanige waarde niet erkend, wat wel het duidelijkst hieruit blijkt, dat zij zelfs op godsdienstig gebied naaide wet slechts voor ieder do waarde hebben, die hij er aan verkiest te hechten. En als wij naast de theorie van Sinoesi c.s. de praktijk stellen, dan zien wij dat do Inlander wel degelijk de Mohammedaansche godsdienst voor een deel kan aannemen. Mr. v. d. B. geeft daarvan in een noot zelf een zeer sprekend voorbeeld, dat der Menangkabausche Maleiers, bij wie „het gebeele materieele familierecht van den Islam is op zjj gesteld\'. Wanneer zelfs dit deel van het Mohammedaansche recht, dat het nauwst verband houdt met den zuiveren gods-
W. en A. r
— 66 —
dienst, is op zij gesteld, verbeeld ik me dat daar niet veel van den Islam zal overblijven dan het zuiver godsdienstige,. .. tenzij het politieke, dat in elk geval wel alle wettig gezag zal missen. — Moge de geleerde sclirij ver ons verzekeren dat door zijn constructie aan de .bevolking geen Mohammedaansche begrippen worden opgedrongen, ik ben daardoor nog geenszins gerust gesteld.
Integendeel ik ben overtuigd dat het Mohammedaansche recht den Inlander is en nog wordt opgedrongen, en dat de Islam onder de schut onzer vlag wordt uitgebreid.
Ik zal hierover niet uitweiden wat betreft de overige feiten, waaruit dit blijkt, maar alleen er op wijzen:
dat naast een Sinoesi ook een Mr. v. d. B. voor de receptio in complexu van liet Mohammedaansche recht pleit;
dat de, deels door ons uit gemakzucht ingevoerde, priesterraden de adat verdringen;
dat onze rechters dikwijls doon, alsof de Islam feitelijk voor den Inlander was afgekondigd en, wanneer zich kwesties voordoen, zonder meer naar Mr. L. W. C. van den Bergs „Beginselenquot; verwijzen, wat zeker wèl zoo gemakkelijk is als een omslachtig onderzoek naar de adat in te stellen.
Zoo wordt de Islam door ons geprotegeerd!
Wanneer nu nog het eenig bezwaar was, dat wij daardoor een langzamen zelfmoord plegen, zou ik er des noods nog in kunnen berusten, maar het is ook in strijd met onze roeping in dezen archipel, een — aan hot volk niet eens eigene rechts-en levensbeschouwing te bevorderen, die den domper zet op zijn moreele en verstandelijke ontwikkeling, die het beknelt in een bevroren systeem, dat de samenleving op haast eik gebied tot stilstand noopt.
Uit louter liberaliteit en verdraagzaamheid laten we ons van de baan dringen door de meest illiberale en onverdraagzame orde van zaken die er is, en bevorderen alzoo do illibe-raliteit eu onverdraagzaamheid !
Zooals ik reeds betoogde, bestaat er geen reden om een wettig erkende receptie van het Mohammedaansche recht aan te nemen. Naar mijn bescheiden meening gaat de vergelij-
— 67 —
king mot het Romeinsche recht in Duitschland niet op.
De theoretische receptie daarvan „wurzelte in dena Gedanken, dasz das Eömische Reich Deutscher Nation eine Fortsetzuns: des alten Römischen Reichs bilde, das demnach die Gesetze der Römischen Kaiser Gesetze der Vorfahren der Deutschen Könige seien und als soche subsidiare Kraft battenquot;. (1)— „So kam es, dasz das Deutsche Recht von den gelehrten und halbge-lehrten Juristen, mit welchen die Gerichte besetzt waren, in ungebührlichster Weise bei Seite geschoben und vernachlassigt wurdequot;. (2)
Wanneer nu H. M. onze Koningin als een opvolgster van den Profeet kon worden aangemerkt, wanneer Haar Indisch rijk als een voortzetting van dat der Kaliefs, of als een bij verbrokkeling daarvan afgescheiden deel kon gelden, zou er nog iets voor te zeggen zijn om ook hier een receptie in complexu van het Mohammedaausche recht aan te nemen. Maar zoo iets zal wel in geen normale hersens opkomen en daarmee vervalt de vergelijking, daargelaten of ze overigens Mr. v. d. B\'s zienswijze diende.
Hoe mr. v. d. B. zich voorstelt dat de adat zal blijven pri-mceren, als de receptie van elk Mohammedaansch rechtsbegrip op zich zelf aangenomen wordt „wanneer niets een omgekeerde konklusie vordert,quot; als men „de Mohammedaausche wet als grondtoon aanneemt, behoudens de gekonstateerde afwijkingenquot;, moet ik erkennen niet te begrijpen; want zooals hij de Inlandsche wetten en gewoonten zelf beschrijft, zal men dan een rechtspraak krijgen, waarop de volgende niet zeer vleiende beschrijving van Dr. Brunner (1. c. blz. 269) niet ontoepasselijk zou zijn:
„Allein was stets Tadel und Vorwurf hervorrufen wird, ist
(1) Prof. Dr. Heinrieh Brunner »Gesehiehte und Quellen des Deutsehen
Rechtsquot; in Holtzendorffs Encyelopaedie dor Rechtswissenschaft I (System Theil) blz. 267.
(2) Brunner l.c. blz. 268. Men ziet het: deze schrijver volgt ook de redeneerwijze van Mr. v. d. B. niet en zegt, dat liet gerecipieerde recht liet oorspronkelijke terzijde stelde, en niet omgekeerd.
— 68 —
die Art, wie die Rezeption von ihm (1) durchgefiihrt wurde. Ein nationales Ungliick war jenea engherzige Ignoriren des Deutschen Rechts, jenes geistlose und rein auszerliche Aufpfropfen Römischer Rechts-satze auf einheimische Verhiilt-nisse, die Unkenntnisz des Gegensatzes zwischen diesen nnd dem Römischen Rechte, ivelke Tauh machte yegen die Wahrheit, dasz kein Volk init der Seele eines anderen zu denken vennay.quot;
Wanneer ik, in overeenstemming met deze wijze woorden, mij verklaar tegen een onoordeelkundig opdringen der Enro-peesche wetgeving aan den Inlander, behoef ik wel niet te zeggen, waarom ik het gezag van den Islam, die niet geivijzigd, niet naar de volksopvattingen en toestanden vervormd wil worden, bestrijd, voor zoover het niet duidelijk op de wet berust.
Wanneer onder onze auspiciën de Inlander eenmaal algemeen de wet van den Profeet als het „prirnum verumquot; is gaan beschouwen en de gevolgen daarvan, zooals Sinoesi die op dogmatische en mr. v. d. B. op logische gronden bepleiten, ten volle heeft aanvaard, zal het te laat zijn om hem tegen zijn fanatisme te beschermen, en welk een langen en bangen strijd zal hij dan moeten doormaken, eer hij zich van dat juk bevrijden en naar een eigen en zich voor hem eigenend recht zoeken zal.
De praktische bezwaren, die mr. v. d. B. tegen „de constructie van den heer Piepersquot; en — met alle bescheidenheid gezegd — van mij (2) aanvoert, zijn m. i. al even ongegrond als zijn theoretische constructie. De schrijver redeneert daar weer, alsof er geen recht bestond buiten de adat en de Mohamiue-daansche wet, zoodat, als de adat geen uitsluitsel geeft (volgens hem == bijna altijd), de rechter slechts zou hebben te kiezen tusschen „in onzekerheid verkeerenquot; of de Moh. wet toepasien. Van iemand, die niet alleen als Arabicus, maar ook als jurist een grooten en verdienden naam heeft, is zoo iets onverklaarbaar. De laatste alinea van art. 75 R. R. is eenvoudig geheel over
(1) n.1. dem Juristenstande.
(2) Ik heb n.1. dezelfde ideeën al in het kort ontwikkeld in een nant-woord aan Mr. Piepersquot;, voorkomende in »Het Recht in Indië , deel 61 (zie aldaar hlz. 287 en 288).
— 69 —
het hoofd gezien. Deze geeft don rechter een oplossing dei-bezwaren, die, waar onze vlag wappert en in naam van onze Koningin wordt rechtsgesproken, vrij wat logischer is dan de dogmatische geef-je-een-vinger-dan-neem-ik-de-lieelehand-vede-neering van Sinoesi, die mr. v. d. B aanhangt; liet logische echter daargelaten, zullen de overige juristen in elk geval wel toegeven dat zij de eenige wettige is, weshalve ik me maar aan haar zal honden.
De redeneering van mr. v. d. B. zou dan ook tot de overtuiging leiden, dat het voor alle Inlanders, die nog niet hebben beleden: „Er is geen God dan Allah en Mohammed is de Gezant van Allah!quot;, hoog tijd wordt dit haastiglijk te doen, ten einde zich en hun rechters uit de onzekerheid te helpen, en we vragen ons met verbazing af hoe die rampzaligen het zoo lang zonder dat hebben uitgehouden en hoe die verstokte Menangkabauers, ziende blind, zelfs na hun inlijving bij de gemeenschap der geloovigen, hun onzekerheid op het gansche gebied van liet materieele familierecht durven te verkiezen boven de zegeningen van den Islam, en zulks ondanks liet door hen zelf „als autoriteit erkende werkje van Sinoesi.quot;
Wanneer men zich afvraagt, hoe het dan toch wel gaat, waar in onze Oost het Mohammedaansche recht nog niet „in com-plexu gerecipieerdquot; is, moet men wel tot liet besluit komen, dat daar de adat alleen toch in de behoefte moet voorzien en dit is dan ook werkelijk het geval, wanneer men zich van de rechtspraak naar de adat maar niet de voorstelling maakt, die mr. v. d. B. zich daarvan schijnt te vormen.
Dat liet recht door de Indische Muzelmannen nimmer in zijn geheel van een nationaal standpunt is bewerkt — trouwens dooide Indische niet-Muzelmannen evenmin —, dat men slechts konkreet gestelde voorschriften en geen leidende beginselen en principieele leerstukken vindt, moge in het algemeen waar zijn, dit belet volstrekt niet recht te spreken naar de adat, tenzij de rechter niet anders kan werken dan met behulp van een uitgewerkt wetboek en eenige kommentaren daarop. De bedoeling der derde alinea van art. 75 R. R. is echter, dat een rechtspraak plaats hebbe overeenkomstig de behoeften des volks, overeen-
— 70 -
komstig zijn begrippen van recht, en deze is volstrekt niet onmogelijk, mits men haar niet toevertrouwt aan steile weigeleerden, maar aan rcc/f tegeleerden in den waren zin des woords. Dezen zullen hetzelfde moeten doen, wat de rechter overal tot taak had, waar in een primitieve maatschappij een nog weinig ontwikkeld en ongeschreven recht bestond. Het Romeinsche recht is ook niet van den aanvang af geweest wat het in zijn bloeitijd was; het is ook uit een kleine kiem opgegroeid en in het algemeen zal men zien, dat de leidende beginselen eerst ontstaan of althans tot het bewustzijn doordringen, nadat zij zich reeds in een reeks van gevallen hebben doen gelden, dat de principieele leerstukken uit de praktijk opgebouwd worden en niet omgekeerd de basis zijn, waaruit het landsrecht zich oprichtte. Wanneer men „een recht noodig heeft, dat behoorlijk bewerkt is door juristenquot;, dan zullen de ÏJquot;. Indische juristen aan het werk moeten tijgen om het Inlandsche recht te bewerken, evenals dit voor den Muzelmannen „al is het dan grootendeels in casuïstischen vormquot; werd gedaan. quot;Wanneer er grond bestaat te verwachten dat zij iets kunnen leveren, dat minstens evenveel waarde heeft als deze Arabische casuïstiek, is er geen reden om deze te prefereersn.
De jurist zal voor den Inlander hot recht moeten vinden, de leidende beginselen moeten afleiden uit de bestaande gegevens, de principieele leerstukken moeten ontwikkelen, waar de Inlander nog slechts konkreet gestelde voorschriften kent.
Evengoed als dit in Rome kon, zal het ook in Indië kunnen. Ik beweer niet dat het gemakkelijk zal zijn, maar onmogelijk is hot niet, mits men zich niet uitsluitend toelegt op het vinden van positieve, duidelijke regelen bij het volk, zich ook niet tevreden stelt met het verzamelen van uitspraken, maar doordringt in den geest des volks en deszelfs behoeften en toestanden grondig bestudeert.
Dan zal men, de drie deelen van het „Eindrésuméquot; geven recht dit te verwachten, bemerken dat er veel meer door het gewoonterecht is geregeld, dan wij vermoeden of te weten komen, wanneer wij in den Landraad of Koempoelan aan den Panghoeloe, protektor van den Islam, en aan de Inlandsche ambtenaren, die in de atoeran-kompani het primum (et unicum)
— 71 —
vcrum meenen te moeten zien, Tragen: „bagimana adat di sini?quot; Die autoriteiten kennen zelf de adat soms niet en vinden die eenvoudige gewoonten der orang-goenoeng of orang ketjil niet voornaam genoeg om er zich mee op te houden.
Wanneer gij de werkelijke adat, liet volksrecht wilt kennen, gaat dan naar de patriarchale desabesturen, bespreekt de kwesties met de bevolking der plaatsen, die er belang bij hebben.
Dan zult ge vinden, dat deze meestal een overtuiging hebben van wat in het aanhangig geval recht is, al houden zij er geen juridische systemen op na. Dan zult ge meestal het leidend beginsel daaruit voldoende kunnen bepalen om ook, wanneer een konkreet geval zonder antecedent is, met zekerheid uit te maken, wat naar de volksovertuiging recht is. Twee dingen kunnen u daarbij tot toets dienen:
1° de behoeften des lands, want het recht—wil het recht zijn — moet in die behoeften voorzien en vooral het adat-recht zal daarmee nooit in strijd geraken; 2° de algemeene rechtsbeginselen, die een jurist behoort te kunnen losmaken van den vorm waarin hij ze het eerst heeft leeren kennen, en die hem in staat zullen stellen de ongeordende stoffen tot een ordelijk, logisch geheel te verwerken.
Laten de gegevens, die hij aldus heeft verkregen, den jurist op zeker punt zóó geheel in den steek, dat hij op de boven omschreven wijze geen recht kan vinden, zelfs geen recht kan maken, eerst dan moet hij uit andere bronnen putten; niet uit de Mohammedaansche bronnen, zooals Mr. v. d. B. beoogt, maar uit „de algemeene beginselen van het burgerlijk en handelsrecht voor Europeanen.quot;
De laatste alinea van art. 75 E. R., die dit uitdrukkelijk voorschrijft, beveelt niet dat de stellige bepalingen van het Europeesche recht dan worden gevolgd, maar laat aan het inzicht van den rechter over met deze algemeene beginselen tot „richtsnoerquot; zelf het recht voor den Inlander te vinden, en ontwapent dus degenen, die mochten willen beweren dat de wijze, waarop ik boven de toepassing der adat voorstel, in strijd zou zijn met den wil des wetgevers.
Blijkens de bewoordingen der laatste alinea heeft de wetgever
— 72 —
den rechter over Inlanders volstrekt niet kleingeestig willen beperken tot het toepassen alleen van stellige bepalingen, zij \'t dan van adat of van Europeesch recht (tenzij dit reeds is toepasselijk verklaard), en heeft de jurist wel degelijk de bevoegdheid om het recht van den Inlander te zoeken, des noods te scheppen. Dit is dan ook een onmisbaar vereischte voor een goede adat-rechtspraak: men kan geen behoorlijk recht verkrijgen, als men een zelfde materie wil doen beheerschen door een regeling, zonder eenig systeem samengelijmd uiteen stukje adat en een paar stukjes van ander recht, dat er in geen logisch verband mee staat. In die ruime bevoegdheid van den rechter is ook geen groot gevaar gelegen: de rechter is dooide aangegeven richting gebonden en wanneer deze met ijver, nauwgezetheid en doorzicht wordt gevolgd, zal weldra de praktijk aan de rechtspraak vaste vormen geven.
Dat ik het Mohammedaansche recht, voorzoover het in de adat is overgegaan, bij bovenstaande beschouwingen niet heb willen uitsluiten, maar onder de adat begreep, spreekt van zelf; ik wil zelfs toegeven dat een onvoorwaardelijk door de adat overgenomen instelling in den regel naar de Mohammedaansche begrippen moet worden opgevat en toegepast, wan neer de adat niet hieraan iets heeft veranderd of nog verandert,
maar verder mogen wij in onze concessies aan dit produkt vau vreemden bodem m.i. niet gaan.
Aan de rechtskracht, der adat toegekend, is als beperkende voorwaarde gesteld, dat zij niet in strijd zij met algemeen erkende beginselen van billijkheid en rechtvaardigheid.quot;
Deze uitdrukking, die al in vroegere verordeningen (o, a. s
in art. 2 van Staatsbl. 1825 no. 42) voorkomt, wordt in Staatsbl.
1839 no. 29 officieel toegelicht door de verklaring: „datdoor het bovengemelde artikel, in de gevallen daarbij omschreven,
zijn gehandhaafd alle Tnlandsche of godsdienstige wetten,
inrichtingen of gebruiken, ook dan, wanneer dezelve niet mochten overeenkomen mot de positieve hier te lande voor Europeanen en daarmee gelijkstaande personen gemaakte wetsbepalingenquot;. De bedoeling van deze verklaring is natuurlijk,
— 73 —
dat de positieve bepalingen van liet Europeesch recht geen maatstaf zijn voor de beoordeeling of iets in strijd is met die „algemeen erkende beginselenquot;; maar den rechter werd daardoor niet de bevoegdheid ontnomen een adat buiten toepassing te laten, voorzoover zoodanige strijd bestaat. Integendeel uit de handelingen van het Regeerings Reglement blijkt, dat men den rechter in deze veel vrijheid wilde laten en de algemeenheid der bewoording bevestigt dit.
Zulk een vrijheid van den rechter past geheel in het systeem der adat-rechtspraak; hij zal er een nuttig en wijs gebruik van moeten maken om langzamerhand de slechte adat te doen verdwijnen: aanvankelijk door wat daarin bepaald onmenschelijk is dadelijk rechtskracht te ontzeggen, vervolgens door do andere monstruositeiten, naar gelang de toestanden daarvoor rijp zijn, allengs buiten gebruik te brengen. Men beweert wel eens dat er geen absoluut „goedquot; of „rechtquot; is, dat alles relatief\' is en dus geen andere dan een geheel willekeurige maatstaf kan worden aangenomen bij de toepassing dezer „algemeen erkende beginselenquot;. Ik wil hierover niet twisten. Men kan zeer goed de zoden, gebruiken en rechtsvormen van anderen apprecieeren, zonder daarom de overtuiging te verliezen, dat er een hoogere bron is waaruit het recht voortkomt, waaraan wij ons recht ontleenen om voor do verdrukten optekomen, om goed van slecht, rechtvaardig van onrechtvaardig te onderscheiden; on zoolang men dit toegeeft, zal men erkennen dat de adatrechter soms op grond der billijkheid en rechtvaardigheid zijn veto tegen de adat zal moeten kunnen richten. Hot beste is, dat ik mijn bedoeling door voorbeelden toelicht.
De slavernij is een instelling, die, mag men zeggen, algemeen door alle beschaafde volken is veroordeeld als in strijd met het recht. Duizenden hebben hun bloed geofferd om de slavernij ten val te brengen en de maatregelen, door alle mogendheden genomen ter bestrijding van den slavenhandel, zou men de kruistochten der 19e eeuw kunnen noemen. Derhalve kan men nu als een beginsel niet van ons stellig recht, maar in \'t algemeen van het recht, vooropstellen dat de mensch vrij is en alleen een subjekt-, nooit een objekt van rechten, nooit een zaak kan zijn.
— li —
Op grond van dit beginsel behoort de N. I, rechter zijn tusschenkomst te weigeren, wanneer de Inlander in gewesten, waar de slavernij nog niet geheel is verdwenen, op een slaaf rechten wil uitoefenen als ware de slaaf een zaak; hetzelfde geldt voor de pandelingen. Op denzelfden grond ook achtte ik de volgende beslissing onjuist, die wijlen Prof. Willeen mij meedeelde eens te hebben genomen, toen hij nog Kontroleur bij het Binnenlandsch Bestuur in N. Indiö was, en wel in een streek waar het „leviraats huwelijkquot; nog in zwang was. Overeenkomstig die instelling eischte een Inlander de weduwe van zijn overleden broeder voor zich als vrouw op. Deze weduwe weigerde echter zich hieraan te onderwerpen, waarop de Kontroleur Willeen baar hiertoe veroordeelde.
Nu twijfel ik geen oogenblik of hij meende volkomen te goeder trouw dat hij verplicht was zoo te beslissen, maar ik voor mij zou in zijn plaats den Inlander hebben te kennen gegeven dat de rechter zich met de levering van dergelijke „zakenquot; niet kan inlaten, en hem zelfs gewaarschuwd hebben zich niet door het plegen van geweld aan de strafwet bloot te stellen, die zulk een geweld zou beschouwen als tegen een persoon gericht. Het verzet der vrouw was het eerste spoor van ontluikend verzet tegen deze betreurenswaardige adat, die door herhaald verzet haar steunpunt in de volksovertuiging wellicht allengs had verloren; maar de bejegening, die der eerste vrouw, die in verzet kwam, van wege den rechter wedervoer, was ontmoedigend genoeg om de overigen af te schrikken en zoo zouden wij de adat beletten zich ten goede te wijzigen.
De laatste drie alinea\'s van art. 75 R. R. zal ik hier niet afzonderlijk bespreken. Mijn opstel zou daardoor een ongewenseh-ten omvang verkrijgen. Het onderwerp, door het opschrift dezes aangeduid, is hiermee door mij behandeld, voor zoover ik mij dat had ten doel gesteld. Verder gaande zou ik mij moeten begeven op het terrein van het quasi-internationaal privaatrecht, dat wel een afzonderlijk opstel waard is. Alleen wil ik, in de onzekerheid of zich spoedig iemand daartoe zal zetten, hier ter toelichting van
alinea 5 nog iets meedeelen van wat ik daaromtrent aantrof in de „Handelingenquot;.
„Door sommige leden is gevraagd waarom in deze alinea enkel van verweerders wordt gesproken. De verplichting toch voor den rechter om op de wetten, instellingen en gebruiken dei-Inlanders acht te geven, scheen niet minder te moeten gelden wanneer deze eischers waren. En dat znlks het geval konde zijn meende men te mogen afleiden uit de artt. 108 en 124 R. O., waarbij aan de rechtsmacht zoo van de Residenten op Java en Madura als van de Raden van Justitie op Java worden opgedragen rechtsvorderingen, ingesteld door Inlanders tegen Europeanen\'\' (Keuchenius II blz. 566). Het antwoord der Regeering hierop luidde:
„De Regeering kan niet toestemmen dat op Europeanen, door Inlanders voor een Enropeeschen rechter gedaagd, zouden kunnen worden toegepast de godsdienstige instellingen, wetten en gebruiken der Inlanders en gelooft derhalve dat de bepaling van de 5e alinea van dit artikel terecht beperkt is tot het geval dat Inlanders als verweerders voor den Enropeeschen rechter terechtstaanquot; (Keuchenius II blz. 571).
Een paar vragen naar aanleiding van dit antwoord der Regeering: Is het iets ondenkbaars of onbestaanbaars dat een Europeaan een recht bezit en uitoefent, dat alleen bij de adat bekend is, zoodat de rechter niet ver zou komen, wanneer hij kwesties daarover naar ons recht wilde beslissen ?
Kan b. v. een Europeaan van een Inlander erven; een Euro-peesche zoon b. v. van zijn Inlandsche moeder? Zoo ja, kan hij daardoor aanspraak maken op het erfelijk individueel bezit eener sawah; zal de Inlander, die hem dit wil betwisten, hem dan niet voor den Enropeeschen rechter moeten dagen; en zou deze die kwestie over erfelijk individueel bezit dan volgens het Burgerlijk Wetboek moeten beslissen?
quot;Wanneer een Inlander, overeenkomstig zijrt adat, zijn sawah aan een Europeaan verpandt en naderhand dezen voor den Eur. rechter aanspreekt om tot inlossing te geraken, moet de rechter dit geschil over een in de Europeesche wet onbestaanbaar pandrecht dan toch naar die wet beslissen?
Zou liet daarom niet beter zijn geweest de woorden „als verweerdersquot; dan wel de geheele 5° alinea weg te laten, om aan de wetenschap over te laten naar (of met inachtneming van) welk recht moet worden beslist in dergelijke quasi-international e rechtskwesties ?
Naschrift.
Toen ik dit opstel reeds op de laatste bladzijden na gereed had, bedacht ik mij zeer vele jaren geleden een stuk van mijn geachten leeraar, Prof. Van der Lith, te hebben gelezen, waarvan ik mij echter titel en inhoud niet goed herinnerde en nog minder waar ik hot in aangetroffen had. Het is mij echter gelukt ZHGrel.\'s verhandeling terug te vinden in de „Gidsquot; van 1882 (deel III, Augustus, blz. 193) onder het opschrift „De koloniale wetgever tec/enoi er Europeesclte en Inland-sche rechtgbegrippenquot;.
Ware het stuk eer in mijn bezit gekomen, dan had ik er zeker een nuttig gebruik van kunnen maken bij het schrijven van dit opstel, dat voor een deel dezelfde onderwerpen aanroert als het Gidsartikel; aan den anderen kant is de overeenstemming op zoo menig punt tusschen zijn en mijn opvatting, nu wij elk zelfstandig redeneerden en ik niet onder den invloed van zijn welsprekend betoog verkeerde, te bemoedigender voor mij. Ik meen dan ook — en niet zonder voldoening — op te merken, dat de hooggeleerde schrijver mijn opvatting der alinea 3 van art. 75 E. R. deelt, waar hij op blz. 217 schrijft:
„Maar zelfs al stond het den rechter vrij, zich van een rechtsvraag af te maken door alles, wat in het handboek van Mr. v. d. Berg staat, als eenige bron voor het Moslemsch recht aantenemen, dan was hij, althans in Nederlandsoh-Indië, nog niet veel verder, omdat op den Inlander zijn eigene ivetten enz. moeten worden toegepast en v. d. Berg bijna uitsluitend het zuiger Moslemsche recht teruggeeftquot;.
Wanneer ik met den Leidschen hoogleeraar niet geheel meega in zijn pleidooi voor kodifikatie van het Inlandsch recht, dan moge hij mij dit ten goede duiden, daar ik op grond van plaatselijke aanschouwingen, die ZHGel. heeft moeten derven.
ook na herlezing zijner woorden mijn zienswijze nog niet kan opgeven. Evenwel is mijn doel, evenals het zijne, meerdere rechtszekerheid voor den Inlander te verkrijgen en is ons beider einddoel ia wezen één.
„Maar bovenal zal men, dunkt mij, met het instellen van een onderzoek moeten aanvangen, om na te gaan, welke verschillende rechtsbegrippen hier eu daar heerschenquot;, zegt Prof. v. d. Litb (blz. 229) en voegt daaraan in de 52e noot toe: ,Ofschoon het natuurlijk niet in het plan van dit opstel ligt, om over de uitwerking van het daarin besproken denkbeeld in détails te treden, meen ik echter te moeten meedeelen, dat een dergelijk onderzoek wel het best aan de voorzitters dei-landraden zal worden opgedragen, die, dunkt mij, een dergelijke gelegenheid om in alle reciitsbegrippen der Inlanders door te dringen, met vreugde zullen aangrijpen. Zij kunnen daarbij zich laten voorlichten door hoofden enz., maar {zullen) vooral hij den desaman terecht moeten komen, die misschien niet goed afyetrohken denkbeelden van recht zal kunnen weergeven, maar wel op de hoogte van zijn recht is, waar het kwesties geldt, waarin hij betrokken wasquot; enz. De gekursiveerde woorden stemmen al weer overeen met hetgeen ik op blz. 70 en 71 zeide. Wat de opdracht van het onderzoek aan de landraad-voorzitters betreft, kan ik mij minder goed vereenigen met het idéé van Prof. v. d. L. Deze voorzitters missen, wat een groot deel hunner aangaat, de geschiktheid voor zulk een onderzoek — althans naar mijn bescheiden meening — ; soms treden zij als zoodanig al op na 2 a 3 jaren dienst en zeer dikwijls komen zij dan voor het eerst in aanraking met de Inlandsche maat-schapppij; maar wat op zich zelf het plan-van-der-Lith al onuitvoerbaar maakt is dit: dat 90 0/0 hunner geen gelegenheid hebben zulk een onderzoek in te stellen, omdat hun ambtsbezigheden te veel en te dagelijks hun tijd in beslag nemen.
In 1886 schreef ik reeds (in ]Vo. 1209 van het Indisch Weekblad van het Recht, onder den titel „een belangrijke werkkringquot;) eenige beschouwingen over de wijze, waarop in Indië gegevens omtrent de adat verzameld en bestudeerd eu aldus een kodificeering van des Inlanders recht voorbereid
— 78 —
zouden kunnen worden, en al zijn mijn ideeën sinds niet geheel dezelfde gebleven, in hoofdzaak zou ik thans nog de daar voorgeslagen methode boven de vander-Lithsche prefereeren, al was liet maar omdat er eenheid en systeem moet zijn bij het onderzoek. De personen elk op zichzelf mogen het nóg zoo goed meenen, wanneer zij niet samenwerken naar een vast plan en niet veel tijd hebben om geregeld aan het onderzoek te besteden, zal liet resultaat nooit aan hot groote doel geëvenredigd zijn.
Intusschen is het voor de praktijk van geen belang geweest, wie onzer het beste plan voorstelde, daar geen der twee — geloof ik — ooit ernstig in overweging is genomen en zelfs het Gidsartitel geen waarneembare gevolgen heeft gehad.
Sinds dat artikel zijn veertien jaren verloopen zonder dat zelfs een aanvang is gemaakt met een onderzoek als daar werd bedoeld; de gelegenheid om de — uit een wetenschappelijk oogpunt zoo belangwekkende — nog onveranderde adat dei-primitieve volken te bostudeeren, om verzamelingen der verschillende volksrechten te verkrijgen, die de rechter kan raadplegen en die wellicht later zich zullen kunnen ontwikkelen en oplossen in één of meer kodifikaties van Inlandsch recht, neemt af naarmate de oorspronkelijke zeden en gebruiken onder verschillenden invloed allengs ontaarden. En daarmee gaat veel van de vroegere illusies verloren.
Moeten wij daarom moedeloos den strijd voor de goede zaak opgeven?
Ik heb alle hoop nog niet verloren, dat door partikuliere samenwerking, althans voor een deel, kan worden tot stand gebracht, wat bij officieel initiatief zooveel gemakkelijker en heter zou kunnen geschieden. „Wet en Adatquot; kan veel daartoe bijdragen, wanneer werkelijk in Indië velen met goeden wil voor dat doel bezield zijn. Mogen de bouwstoffen daaraan mildehjk en van alle zijden toestroomen en mogen de bouwmeesters niet uitblijven, die uit dit materiaal in het belang der rechtspraak voor Inlanders een schoon en degelijk gebouw helpen optrekken.
J. A. Kederburgh.
Batavia, 20 Juni 1896.
DE KLASSEN DER BEVOLKING VAN NEDERLANDSCH-INDIÈ.
In een vorig opstel, getiteld „Wet en Adatquot;, besprak ik het verschillend recht, dat in Indië geldt, en herleidde dit tot twee soorten: het Europeesche recht, door den Xeder-landschen of\' N. Indischen wetgever voor de Europeanen vastgesteld, en het gewoonterecht, de adat, met de wijzigingen en aanvullingen daarvan door denzelfden wetgever, waardoor de Inlander of daarmee gelijkgestelde wordt boheerscht.
In verband hiermee is een andere onderscheiding van belang: van degenen, op wie hot eene of het andere dier verschillende rechten toepasselijk is, dus van Europeanen en Inlanders. Naast deze hoofdonderscheiding komen nog anderen: die van de dooide wet met Europeanen en de met Inlanders gelijkgestelden, van de door den Goeverneur-Generaal met Europeanen gelijkgestelden en van hen, die zich zeiven hebben onderworpen aan de Europeesche wetgeving. Eindelijk zal het noodig zjjn in het oog te houden de onderscheiding tusschen Nederlanders en vreemdelingen en tusschen ingezetenen en niet-ingezetenen.
Het al-of niet- Nederlanderschap schijnt, nu wij de verdeeling der bevolking willen beschouwen in verband met het verschil in recht, van minder belang. Ik hoop echter aan te toonen dat het belang in werkelijkheid grooter is.
In elk geval brengt een geregelde en volledige bespreking van het onderwerp mee, dat ook het Nederlanderschap besproken wordt en zelfs in de eerste plaats.
Het is niet zonder schroom dat ik hiertoe overga. Ik kan het niet nalaten, omdat de tegenwoordige regeling van Nederlander-, ingezeten- en vreemdelingschap tot verwarring ook in het privaatrecht aanleiding geeft. Ik mag het niet om minder fraaie redenen laten, uit vrees voor ongunst. Maar ik voorzie wel, dat menigeen na lezing der eerste bladzijden
W. en A. Bev. 1. 0
— 80 —
mijn opstel gemelijk zal wegleggen met de woorden: ook al zoo\'n woelwater, die hier van die nieuwigheden zou willen invoeren en van de Inlanders blanda\'s willen maken.
Hun grief zal, als zij doorlezen, hun blijken een vermeende te zijn. Men verwarre twee onderscheidingen niet: die tusscheu Nederlanders en vreemdelingen is geheel onafhankelijk van die tusschen Europeanen en Inlanders, al is de naam, waarmee de Inlanders eiken Europeaan aanduiden, Blanda, afgeleid van Hollander. Het is heel iets anders van de Inlanders „Nederlandersquot;\' te maken, dau ze tot „blandaquot; te promoveeren. (1)
Om een billijke beoordeeling van mijn opstel te bevorderen, meen ik dit te moeten vooropstellen en mij te mogen beroepen op iemand, dien men wel niet verdenken zal van ultra-radikale neigingen, n.1. op den Hoogleeraar Mr. J. de Louter, die in de 4e uitgave zijner Handleiding tot de kennis van het Staats-en Administratief Recht van N. 1. op blz. 123 zegt:
„De Inlanders en met hen gelijkgestelde!! behooren derhalve thans ongetwijfeld tot de vreemdelingen. Dit beginsel, geboren uit de vrees om den Inlander politieke rechten te verleenen en door Thorbecke reeds in 1850 verdedigd, verdient strenge afkeuring. Het sluit millioenen onderdanen buiten elk staatsverband en verdiept noodeloos de klove tusschen den Inlander en zijn Europeeschen overheerscherquot;.
(1) Tor onderscheiding zou men kunnen spreken van sorang Xnler-lamlu\'. een uitdrukking die de beschaafdere Inlander kent en die niet wordt gebruikt om Europeanen van Inlanders te onderscheiden.
EERSTE AFDEELIXG.
HET NEDERLANDERSCHAP.
„De Grondwetquot;, zoo zegt zij zelf in art. 2, „is alleen voor het Rijk in Europa verbindende, voor zoover niet liet tegendeel daaruit blijkt.quot;
„Waar in de volgende artikelen het Rijk wordt genoemd, wordt alleen het Rijk in Europa bedoeld.quot;
De wet van 12 December 1892 op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (Ned. Stb. no. 268) volgt hetzelfde systeem. De memorie van toelichting zegt daaromtrent (1): „Overeenkomstig de terminologie der Grondwet, beteekent in deze wet het woord „Rijkquot; overal het Eijk in Europa. Het is niet noodig dit nader aan te duiden, omdat uit andere bepalingen dezer wet bljjkt, dat daar, waar ook de „koloniën en bezittingen van het rijk in andere werelddeelenquot; bedoeld worden, deze telkens met name worden genoemdquot;. De noodzakelijkheid nu daargelaten, ware het m.i. dan toch wenschelijk — evengoed als in de Grondwet — zulk een terminologisch beginsel uitdrukkelijk voorop te stellen, daar volgens art. 1 der Grondwet het Koninkrijk der Nederlanden ook de koloniën en bezittingen in andere werelddeelen omvat en het dus niet van zelf spreekt dat men met „het Rijkquot; alleen het in Europa gelegen deel daarvan bedoelt, tenzij er nog verschil bestaat tusschen „het Rijkquot; en „hetKoninkrijk.quot;
Hetzelfde begrip van afscheiding tusschen moederland en koloniën heeft er zeker toe geleid om deze wet op het Nederlanderschap niet in het Indisch Staatsblad op te nemen, alsof Indië er geenerlei belang bij had.
(1) Zie de door mr. H. van der Hoeven geredigeerde verzameling »Wetgevingquot; 189\'2, \'ie stuk, blz. \'22. Bij aanhalingen uit de handelingen der Staten-Generaal over deze wet. wordt voortaan naar dit stuk van die verzameling verwezen, door de afkorting: Wetg.
— 82 —
Toch raakt de wet wel degelijk Indische belangen, al was het maar om de overgangsbepaling.
Is Indië echter tot het volle besef daarvan gekomen?
Ik betwijfel het! Zelfs bij iiooggeplaatsten, ja bij rechterlijke ambtenaren merkte ik op, dat zij van de veranderingen, die de nieuwe wet aanbracht, ja zelfs van haar bestaan, geen of slechts een flauw vermoeden hadden en nog voortbouwden op de theorieën van vroeger.
Mr. Abendanon heeft het Isederlanderschap, van een koloniaal standpunt beschouwd, behandeld in zijn verhandeling over „Publiek- en privaatrechtelijke Verhoudingen tusschen Nederland en de Xederlandsche koloniënquot; (Iml. Wbl. v. h. Hecht, jaargang 1889 en 1890 zie in het bizouder iios 1381, 1382 en 1383). Tengevolge der wet van 1892 hebben zijn beschouwingen echter een deel hunner aktualiteit verloren, zoodat ik het niet ondienstig acht den tegenwoordigen stand der kwestie hier wat uitvoeriger van een Indisch standpunt te behandelen, waarbij ik gaarne erken van zijn waardevolle beschouwingen niet weinig te hebben geprofiteerd.
Vóór deze wet bestoud, zooals men weten zal, tweeërlei Nederlanderschap: dat volgens de wet van 28 Juli 1850 (Ned. Stb. no. 44), alleen betrekking hebbende op het „genot vau burgerschapsrechtenquot; en op de benoembaarheid tot landsbedieningen, en dat volgens het (Ned. Burgerlijk Wetboek (I, 2), \'t welk niet beperkt was tot enkele- en dus alle overige opzichten betrof.
Het was bij de nieuwe wet zoowel de wil der Ilegeeringals die van de Staten-Generaal „aan de ongerijmdheid van tweeerlei Nederlanderschap een einde te maken.quot;
Wij zullen in den loop van dit opstel zien, in hoever het gelukt is „bij ééne wet het Nederlanderschap zoowel voor de publiek- als voor de privaatrechtelijke verhoudingen te regelen.quot; (1)
De Regeering verklaart omtrent het beginsel, aan de nieuwe regeling ten grondslag gelegd :
(1) Wetg. blz. 2.
— 83 —
„Ter regeling van het ^Nederlanderschap kan in hoofdzaak tweeërlei stelsel als grondslag worden aangenomen, het territoriale, volgens hetwelk het land, waar de geboorte plaats vindt, mede op den voorgrond treedt {jus soli), of wel meer uitsluitend het beginsel van afstamming, naar hetwelk de nationaliteit der ouders als beslissend wordt aangenomen (Jus sanguinis). Na aandachtige overweging is liet der Regeeriug voorgekomen, dat liet laatste niet alleen de voorkeur verdient, maar thans eigenlijk alleen mogel ijk is.quot; (1)
Het aannemen van dit stelsel, het jus sanguinis, wordt aangeprezen als logisch en gevallen van duhhele nationaliteit zooveel mogelijk uitsluitende, die bij het territoriale stelsel zoo licht voorkomen. (2)
Nevens de afstamming moeten huwelijk en naturalisatie, en bij onbekendheid der afstamming zelfs de plaats der geboorte, wel invloed blijven oefenen op de vraag omtrent het al of niet Nederlanderschap (3); „dit zijn echterquot; — zegt de Regeering (4) — „op zjjn hoogst afwijkingen, die worden toegelaten, maar van een (jenmigd stelsel kan inderdaad geen sprake zijn.quot;
Een ander beginsel, dat de wetgever in acht nam, wordt door Mr. K. H. Beyen in zijn akademisch proefschrift (5), dat van veel invloed op de samenstelling der wet is geweest, aldus omschreven: „dat in de beschaafde ivereld niemand zonder staatsverband mag zijn.quot; (6). Hij(B) is ten zeerste ingenomen tegen de „Heimatlosigkeit,quot; die, als er opzettelijk naar gestreefd wordt, aanleiding geeft tot een „klaploopenj op groote schaal,quot; voor welker gisping haast geen woorden sterk genoeff zijn, terwijl Laurent (7) „le heimatlosat la ruinequot; en „la lèpre de la société\'\' noemt.
(1) Wetg. blz. 3.
(2) Wetg.\'blz, 4.
(3) Wetg. blz. 5.
(4) Wetg. blz 11.
(5) K. H. Beyen, het Nederlanderschap in verband met het internationaal recht. Utrecht ISÖO.
(6) Zie o. a. Wetg. blz. 108 «dewijl zij anders zonder reden tot geene nationaliteit zouden behooren. —De regeling der nationaliteit van vondelingen berust ook op dit beginsel.
(quot;) Le droit civil international III. 257.
— 84 —
Uit bovenstaande beginselen is dus de wet op het Nederlanderschap opgebouwd, die in den Regeerings-alinanak is opgenomen en dus hier niet in haar geheel behoeft te worden meegedeeld.
Bij lezing der eerste twee artikelen, waarin het hoofdbeginsel der wet wordt neergelegd, zal men al dadelijk moeten toegeven, dat ondanks de voren aangehaalde verklaringen der Regeering van een zuivere toepassing van „jus sanguinisquot; geen sprake is, daar in art. 1 sub d tot Nederlander „door geboortequot; (maar dan toch niet door afstamming?) wordt verklaard het noch door den vader noch door de moeder erkend natuurlijk kind, in het Eijk geboren, terwijl volgens art. 2 niet alleen in het Rijk te vondelinggelegden enz. ook Nederlanders zijn, maar evenzoo het kind van een ingezetene des Rijks, die zelf geboren is uit eenc in het Rijk wonende moeder, tenzij blijke dat het kind als vreemdeling tot een ander land behoort.
En terecht zegt Prof. Mr. C. Asser (1), dat deze bepaling van art. 2a niet is een kleine afwijking, als waarvan in vorenaangehaalde woorden der Regeering sprake is, maar de spil is, waar de geheele wet thans om draait. En zonder deze eerst bij amendement in de wet gebrachte bepaling ben ik benieuwd, hoe iemand, al moge de Regeering toenmaals de probatio diabolica hebben ontkend, had kunnen bewijzen Nederlander te zijn, daar hij, zich op het Nederlanderschap van een voorvader beroepende, telkens weer het Nederlanderschap van diens vader zou moeten bewijzen en zoo zou moeten opklimen tot... ?
Inderdaad komt het kriterium „afstammingquot; mij voor op zichzelf al even onbruikbaar te zijn als het territoriale stelsel.
Er is wel een tijd geweest, dat de rassen nog zuiver bewaard waren en twijfel omtrent de afstamming dus zelden of nooit kon voorkomen, hoewel ook toen weldra de verscheidenheden in hetzelfde ras, waarmee onze tegenwoordige nationaliteiten
(1) In zijn beoordeeling van Mr. C. E. Achterberg\'s «Nederlanders. Vreemdelingen en Ingezetenen,quot; Rechtsgeleerd Magazijn, löe jaargang, afl. 3.
meer verband houden, ontstonden en wel voor een groot deel tengevolge van plaatselijke omstandigheden, zoodat reeds daarom het territoir wel degelijk stem behoort te hebben bij de bepaling der nationaliteit.
Maar bovendien is die tijd reeds lang voorbij!
Er heeft zulk een aanhoudende vermenging plaats gehad, dat omtrent een zuivere afstamming uit één ras of zelfs uit één nationaliteit slechts zelden zekerheid of\' uiterlijke keutee-kenen bestaan.
Men denke eens aan een rijk als Oostenrijk Hongarije of Amerika, wanneer men sprekende voorbeelden wil van lieden van de meest uiteenloopende afstamming, als leden van één zelfden staat vereenigd.
Maar zelfs in andere Staten heeft vermenging op groote s.chaal plaats gehad en nog plaats. Een groot deel der Duit-schers, Pruissisehe onderdanen, is van zuiver of gemengd Pool-sche afkomst, een ander deel van Fransohe of Nederlandsche; een niet onaanzienlijk deel van Frankrijks bewoners is half of driekwart Italiaansch of Vlaamseh; de Engelsche nationaliteit bestaat ouk uit verschillende rassen; België is half Waalsch, half Vlaamseh en de burgers stammen voor een deel uit de verte af van Spanjaarden en Eranschen, evenals in Nederland. Hoevelen in ons moederland en onze koloniën kunnen gezegd worden van zuivere afstamming te zijn, zonder éénige inmenging van Spaansch, Eransch, Duitscb of Aziatisch bloed?
Trouwens, waar de afstamming slechts van één der ouders wordt in aanmerking genomen, waar duizenden van onmiskenbaar zuiver, of overwegend Oostersche afkomst zelfs zonder eenige naturalisatie Nederlanders zijn en zelfs Chineezen — naar afkomst — Nederlanders kunnen worden, daar kan aan de afstamming als zoodanig weinig gewicht worden toegekend voor de bepaling van het Nederlanderschap, tenzij men alleen bedoele de afstamming gedurende twee geslachten (en dan nog met de noodige afwijkingen) en overigens weer tot het territoriale stelsel zijn toevlucht neme. Maar dan bestaat er toch allerminst reden de benaming „yemenyd stelseV af tewijzen.
Men moge zich beroepen op Thorbecke, die opkwam tegen
— 86 —
„gemeenschap van naam zonder eenige gemeenschap van recht of van volkswezenquot;, liet is niet te ontkennen dat noch gemeenschap van recht, noch gemeenschap van volkswezen een onmisbaar vercischte is om lid te zijn van denzelfden staat.
Ten einde misverstand te voorkomen moet ik mij hier een uitweiding veroorloven over twee niet geheel gelijke begrippen, die ik, al is dit misschien niet geheel juist, met de woorden national if eit en staatsverhund zal aanduiden.
Onder natie versta men dan de eenheid ontstaan door gelijkheid van zedeu, beschaving, begrippen, hoe zal ik ze omschrijven, die eenheid, welke wij gevoelen zonder te kunnen zeggen wat het eigenlijk is, dat ons vereenigt? Misschien is de bovenvermelde uitdrukking volkswezen daarvoor nog de beste. „Ce qui constitue une nationquot;\', zoo luiden de door Beyen in zijn proefschrift aangehaalde woorden van Serge Popoff\\ „ce n\'est ni Viuiité politique, ui Vunité (Toriginequot;. Waar hij vervolgens tracht aan te geven wat dan wèl constitutif is, kan ik zijn uitspraak niet zoo onvoorwaarlijk volgen. „Ce qui coustitue une nationquot;, zegt hij, „est l\'unité de civilisation, ou mieux l\'unité de culture, ce dernier mot ayant un sens plus étendu. . . . Voila, a notre sens, la seule conception rationnelle de l\'idée de nation. Maintenant, pour que cette conception puisse être appréciée a sa juste valeur, nous avons a préciser ce que nous entendons par runité de culture. . . La religion, la science, la morale, le droit. Tart, la littérature, la laugue sont des elements constitutifs de toute culture sociale.quot;
De godsdienst, het recht, de kunst, de taal, mogen dikwijls een belangrijken invloed hebben op de nationaliteit, — of zou het niet juister zijn te zeggen dat omgekeerd de nationaliteit op den godsdienst en althans op liet recht, de kunst en de taal invloed had ? — men kan geen dezer aanduiden als zijnde nu speciaal een onmisbaar element voor de nationaliteit eu veel minder allen te zamen. Eij de minst geciviliseerde deelen des volks is het gevoel van nationaliteit dikwijls juist het meest ontwikkeld; godsdienstzin eu vaderlandsliefde gaan ook niet altijd samen, en een nationale litteratuur is al evenmin een conditio sine qua non voor een krachtige nationaliteit.
Nationaliteii; is eeu produkt van verscliilleude samenwerkende omstandigheden, waaronder ras en territoir beide» een voorname plaats innemen.
Door de omstandigheden van het territoir cn zijn klimaat wordt op liet ras, dat dit bewoont, een eigenaardig stempel gedrukt: de afdruk, dien dit stempel geeft, zal echter weer athankeljjk zijn van de eigenschappen van liet ras. Zoo werken beiden op elkaar in. Daarbij komen nog de historie, de tradities, de aanraking met andere volken.
Door deze gegevens wordt de nationaliteit bepaald, de onzichtbare band, die liet volk vereenigt, waaraan, omdat hij onzichtbaar is, soms wordt getwijfeld, maar die in bewogen tijden het volk beheerscht en die krachtig genoeg is om de vreemde elementen, die zich in de natie mengen, in het 2e of 3e geslacht om te zetten in eigen elementen, althans wanneer dit quasi-chemisch proces niet kunstmatig wordt tegengegaan.
Het territoir nog niet zoozeer, als wel de omgeriny, waarin men op dit territoir verkeert, heeft een overwegenden invloed, die dien van de afstamming, van het bloed, bijna geheel vermag te neutraliseeren en daarentegen in vereeniging met de afstamming de zeer langdurige inwerking van andere invloeden, die in den vreemde de stem des bloeds bijna geheel tot zwijgen hadden gebracht, soms in korten tijd weer van bijna al haar effekt berooft.
Breng een kind van desnoods zuiver Inlandsche atkomst zeer jong, vóór het nog door zijn omgeving is geïnfiuënceerd. naar Europa en ge zult liet, in een zuiver Europeesclie omgeving, zien opgroeien tot een 1\'uropeaan met hart en ziel. Breng het op zijn 20e jaar in Indië terug in een Inlandsche omgeving, waarin het zich aanvankelijk geheel vreemd en unheimisch gevoelt, en het zal weldra weer meer Inlander dan Europeaan zjjn. Zelfs als her in Indië zich uitsluitend onder Europeanen blijft bewegen, zal het alleen door inspanning echt-Europeeseh blijven in deuken, doen en laten.
De invloed van Indië op lieden van zuiver-Europeesoh bloed is evenmin te miskennen. Men kan dit liet best waarnemen aan menschen, die jarenlang in een bijna geheel Inlandsche omgeving blijven en zóó totaal verinlandsehen, dat zij zich onder hun eigen
- 88 —
rasgenooten niet meer op hun geraak gevoelen en zich moeilijk hun Indische zeden en opvattingen weer kunnen afwennen (er zijn zelfs voorbeelden van dat zij hun moedertaal afwennen): Maar zelfs op hen, die zich minder uitsluitend in een Inlandsche omgeving bevonden en moeite deden ora zoo Europeesch mogelijk te blijven, legt de territoriale invloed zeker cachet, waaraan men in Nederland den „Indisch-gastquot; pleegt te herkennen.
Het spreekt van zelf dat de invloed van territoir en omgeving zich niet bij ieder en in alle omstandigen even sterk laat gelden. Vooreerst hangt in deze veel af van de meer of minder krachtige individualiteit der personen en van de wijze van leven, die men aanneemt. Maar bovendien vindt men in Indië plaatsen, waar een samenleving is ontstaan, die in meer of mindere mate Europeesch is, soms zelfs van de Europeesche weinig verschilt. Dit is dus in de grootere Indische-een kleinere Europeesche omgeving, die men zich kan kiezen om zich aldus kunstmatig te behoeden voor hetgeen ik zooeven het quasi-chemisch proces noemde. Dat inheemsche invloed echter zelden geheel kan worden uitgesloten, merkt men zelfs in die Europeesche omgevingen aan degenen, die door hun leeftijd het lichtst voor zulke invloeden vatbaar en daaraan tocli dikwijls liet meest blootgesteld zijn : de kinderen, die op school in aanraking komen met niet-Europeesche (zelfsInlandsche en Chineesche) elementen, thuis dikwijls grootendeels aan de hoede of zorgen van Inlandsche bedienden worden overgelaten.
In het algemeen zal men in Indië opmerken dat niet alleen waar Europeesch en Inlandsch bloed in iemand gelijkstaan, maar zelfs waar in hier geborenen zuiver Europeesch bloed vloeit, het territoir, het klimaat en de Inlandsche omgeving een machtigen invloed op het individu hebben, die slechts door inspanning en voorbehoedsmiddelen (liefst door een zeer langdurig verblijf in Europa gedurende de jaren der vorming) kan worden geweerd of althans onwerkzaam gemaakt. Is een deel van het bloed in verbond met het territoir en wat daar bij behoort, dan kan men zeker zijn dat de schaal naar die zijde zal overslaan.
Het bovenstaande bedoelt in geenen deele tegen de Indische invloeden per se te velde trekken, tegen gemengd bloed te
— 89 —
pleiten of aan te dringen op een angstvallig vasthouden van het Hollandsche en weren van het Indische in ons denken en doen. Het vooroordeel tegen gemengd bloed is een der zwakheden, die wij nog wel niet geheel te boven zijn, maai* toch moeten trachten meester te worden. Er zijn bewijzen te over dat gemengd bloed voortreffelijke individuen kan opleveren, uitmuntende op allerlei gebied.
De verwaarloozing, waarvan een groot deel dezer personen vooral vroeger het slachtoffer was o. a. wat hun opvoeding betrof, de overwegende invloed, dien een moreel en intel-lektueel lager staande Inlandsche omgeving op hen had. hun stelling tusschen twee afgescheiden klassen van ingezetenen en zoovele andere ongunstige omstandigheden moeten wel maken, dat in doorsnede het oordeel over hen minder gunstig is, maar zulk een beoordeeling is onbillijk en wij zelf, gedreven door ons vooroordeel, laden veel schuld daaraan op ons door niet meer te trachten deze personen od te heffen en op te houden en met onzen invloed dien van de Inlandsche maatschappij zooveel doenlijk te bekampen.
Het is hier de plaats niet om hierop door te gaan. Ik wilde alleen maar aantoonen, dat ik niet vooringenomen ben tegen al wat niet zuiver Europeesch is. Het zon, ook voor den echten Westerling, dwaasheid zijn zich hier te willen verheffen boven de eischen van klimaat en omstandigheden en de gepaste vaderlandsliefde zou in een even rampzalige als bespottelijke rassentrots ontaarden, wanneer wij in onze ideeën en zeden aan die onzer landgenooten voorkeur en overwicht bleven schenken, ook als zij onjuist, te bekrompen of met de omstandigheden niet te rijmen bleken te zijn.
Het is voor hen, die den staat hier wenschen te dienen, zelfs een gebiedende eisch, dat zjj zich zóóver los weten te maken van hun uit Europa meegebrachte zeden en begrippen, als noodig is om het volk, waarover zij een deel der staatszorg moeten helpen uitoefenen, te begrijpen en zijn behoeften te beseffen, te gevoelen. Maar dit kan eerst het gewenschte nut hebben, wanneer het oen opzettelijk iets is, niet een instink-tief iets (omdat men niet beter weet of het hoort zoo, als
— 90 —
het in Inclië is). De toegeetiijklieid tegenover de bogrii^en, gewoonten, wenscheu van het inheemsche volk moet gepaard gaan met een zaohten, maar aanhoudenden aandrang om het tot een hoogeren graad van ontwikkeling over te lialen, tot veredeling van karakter en verzachting van zeden te brengen.
Daarvoor is veel en aanhoudende versclie aanvoer vau Europeanen in Indië en, zooveel mogelijk, Europeesche vorming der kindereu noodig, liefst in Europa. (1)
Ik meen boven voldoende te hebben aangetoond, dat de nationaliteit slechts voor een klein deel van hot bloed — en vooral niet alleen van dat des vaders (of bij niet erkende natuurlijke kinderen alleen van dat der moeder) afhangt; dat aan het territoir verbonden elementen een nóg beslissender invloed hebben.
Het stelsel van afstamming (jus sanguinis) schijnt dan ook slechts aan de wet ten grou islag te liggen, omdat omtrent den grooten hoop nooit dergelijke kwesties zich zullen voordoen en de voorkomende gevallen meestal juist zulke zullen zijn, waarin liet territoir niet meer vaststaat, on dan moot men in zekere mate wel de afstamming in de laatste geslachten den doorslag laten geven. AVant het zou natuurlijk niet aangaan het jus soli zóó op te vatten, dat de plaats, waar toevrillif/ iemands geboorte plaatsgreep, zou beslissen tot welke nationaliteit of staat hij behoort. Het territoir, dat op deze hoedanigheid invloed heeft, is immers een gansch ander n.1. dat waar men leeft en (liefst ook) waar de voorouders leefden. Dit is feitelijk liet territoir, dat tot kriteriuin moet worden aangenomen; eerst waar dit ons in den steek laat, nemen wij de afstamming te baat om op te klimmen tot dat geslacht, welks territoir niet onzeker was en dan beslissen moet.
(1) Het zou dan ook zeker geen onvruchtbare uitgaaf zijn voor den Staat, door finantieele tegemoetkoming het zenden der Europeesche kinderen naar Europa, voor hun opvoeding, te bevorderen. Desnoods konden meervermogenden een vereeniging oprichten om dit nationale doel te bevorderen.
— 91 -
Heb ik speciaal met het oog op Indië getracht aan te toonen dat zelfs voor de nationaliteit de afstamming van geen overwegenden invloed is, voor het staatsverband is die invloed van nog minder gewicht.
Gelijkheid van afstamming, zelfs gelijkheid van nationaliteit, is geen onmisbaar vereischte om tot hetzelfde staatsverband te behooren.
Onder staatsverband versta ik in liet algemeen „de band, die er bestaat tusschen den staat en elk zijner ledenquot; (1), derhalve: het lidmaatschap van den staat.
De staat is een feit, hoofdzakelijk afhankeljjk van territoir, en geheel onafhankelijk van de afstamming van zijn leden.
Het doel van den staat, dat zijn wezen bepaalt, is: bevordering der gemeenschappelijke belangen van zijn leden en bescherming van zijn leden zoo tegen elkander als tegen al wat er buiten is. Wat liet in de eerste en tweede plaats bedoelde betreft, wordt de vreemde in het moderne recht zoo liberaal behandeld, dat in deze opzichten het verschil tusschen leden en niet-leden van den staat slechts gering is. De bescherming naar buiten is hoofdzaak geworden bij de onderscheiding. Overigens is het lidmaatschap van den staat nog van invloed op de rechten en verplichtingen, niet van de individuen onderling, maar van de leden tegenover den staat. Gelijkheid van deze rechten en verplichtingen is echter al evenmin een vereischte als gelijkheid van recht in het algemeen. Nemen wij als voorbeeld van rechten die, welke invloed geven op het bestuur van den snaat. Deze komen volstrekt niet toe aan alle leden van den staat. Althans, mogen sommigen in principe
(1) /ie Beven blz. 4. Deze schrijver noemt den staat een rechts-gemeensehap, welke uitdrukking ik echter vermijd, omdat men daaronder, ten onrechte, zou kunnen verstaan: een gemeenschap, een gemeen hebben van recht, hoewel verschillend recht in denzelfden staat zeer goed bestaanbaar is, en daarentegen ook niet-leden van den staat met de leden recht gemeen kunnen hebben; gemeenschap van recht is dus noch een kenmerkende eigenschap, noch een essentieel vereischte voor het staatsverband.
— 90 —
het in Indië is). De toegeefijjklieid tegenover de begrippen, gewoonten, wenschen van het inheemsche volk moet gepaard gaan met een zachten, maar aanhoudenden aandrang om liet tot een iioogeren graad van ontwikkeling over te halen, tot veredeling van karakter en verzachting van zeden te brengen.
Daarvoor is veel en aanhoudende versche aanvoer van Eurof)e-anen in Indië en, zooveel mogelijk, Europeesche vorming dei-kinderen noodig, liefst in Europa. (1)
Ik meen boven voldoende te hebben aangetoond, dat de nationaliteit slechts voor een klein deel van het bloed — en vooral niet alleen van dat des vaders (of bij niet erkende natuurlijke kinderen alleen van dat der moeder) afhangt; dat aan het territoir verbonden elementen een nog beslissender invloed hebben.
Het stelsel van afstamming (jus sanguinis) schijnt dan ook slechts aan de wet ten gron islag te liggen, omdat omtrent den grooten hoop nooit dergelijke kwesties zich zullen voordoen en de voorkomende gevallen meestal juist zulke zullen zijn, waarin het territoir niet meer vaststaat, en dan moot men in zekere mate wel de afstamming in de laatste geslachten den doorslag laten geven. quot;Want liet zou natuurlijk niet aangaan het jus soli zóó op te vatten, dat de plaats, waar toeriilli/j iemands geboorte plaatsgreep, zou beslissen tot welke nationaliteit of staat hij behoort. Het territoir, dat op deze hoedanigheid invloed heeft, is immers een gansch ander n.1. dat waar men leeft en (liefst ook) waar de voorouders leefden. Dit is feitelijk het territoir, dat tot kriterium moet worden aangenomen; eerst waar dit ons in den steek laar, nemen wij de afstamming te baat om op te klimmen tot dat geslacht, welks territoir niet onzeker was en dan beslissen moet.
(1) Het zou dan ook zeker geen onvruehtbare uitgaaf zijn voor den Staat, door finantieele tegemoetkoming liet zenden dor Europeesche kinderen naar Europa, voor hun opvoeding, te bevorderen. Desnoods konden meervermogenden een vereeniging oprichten om dit nationale doel te bevorderen.
— 91 -
Heb ik speciaal met liet oog op Indië getracht aan te toonen dat zelfs voor de nationaliteit de afstamming van geen overwegenden invloed is, voor het staatsverband is die invloed van nog minder gewicht.
Gelijkheid van afstamming, zelfs gelijkheid van nationaliteit, is geen onmisbaar vereischte om tot hetzelfde staatsverband te behoor en.
Onder staatsverband versta ik in het algemeen „de band, die er bestaat tusschen den staat en elk zijner ledenquot; (1), derhalve: het lidmaatschap van den staat.
De staat is een feit, hoofdzakelijk afhankelijk van territoir, en geheel onafhankelijk van de afstamming van zijn leden.
Het doel van den staat, dat zijn wezen bepaalt, is: bevordering der gemeenschappelijke belangen van zijn leden en bescherming van zijn leden zoo tegen elkander als tegen al wat er buiten is. Wat het in de eerste en tweede plaats bedoelde betreft, wordt de vreemde in het moderne recht zóó liberaal behandeld, dat in deze opzichten het verschil tusschen leden en niet-leden vau den staat slechts gering is. De bescherming naar buiten is hoofdzaak geworden bij de onderscheiding. Overigens is het lidmaatschap van den staat nog van invloed op de rechten en verplichtingen, niet van de individuen onderling, maar van de leden tegenover den staat. Gelijkheid van deze rechten en verplichtingen is echter al evenmin een vereischte als gelijkheid van recht in het algemeen. Nemen wij als voorbeeld van rechten die, welke invloed geven op het bestuur van den staat. Deze komen volstrekt niet toe aan alle leden van den staat. Althans, mogen sommigen in principe
(1) Zie Beven blz. 4. Deze schrijver noemt tien staat een reehts-geraeenschap, welke uitdrukking ik echter vermijd, omdat men daaronder, ten onrechte, zou kunnen verstaan: een gemeenschap, een gemeen hebben van recht, hoewel verschillend recht in denzelfden staat zeer goed bestaanbaar is, en daarentegen ook niet-leden van den staat met de leden recht gemeen kunnen hebben; gemeenschap van recht is dus noch een kenmerkende eigenschap, noch een essentieel vereischte voor het staatsverband.
— 92 —
wenschen, dat alle ledeu gelijkelijk; invloed op het bestuur krijgen, ook zonder dat kan de staat bestaan en heel wat staten zullen nog heel wat eeuwen bestaan, eer daarin alle leden (de konse-kwentie zou dan meebrengen ook de vrouwelijke) recht op zulk een invloed hebben verkregen.
Als voorbeeld van de verplichtingen kan de krijgsdienst gelden, iloge in principe gelden, dat ieder lid voor de verdediging van den staat zijn leven veil hebben moet, er kunnen goede gronden zijn om slechts aan een deel van hen die verplichting op te leggen, zij het dan door het lot dat deel te doen aanwijzen of door degenen, wier verre woonplaats een overwegend bezwaar is, daarvan vrij te stellen. Men kan dus niet zeggen dat er geen staat kan zijn, als de verplichtingen der leden niet gelijk zijn.
Het is dus duidelijk dat het lidmaatschap van den staat wel één der vereischten voor het bestaander bizondere rechten en verplichtingen jegens den staat is, maar deze daaraan niet per se verbonden zijn, zoodar het ontbreken daarvan geen beletsel is Toor het lid zijn van den staat.
De eenige voorname raste eigenschap van het staatsverband, een eigenschap die nooit ontbreken kan, is de bescherming in den vreemde en tegenover den vreemde, waarop het recht geeft.
Het eenig absoluut beletsel om iemand als lid van den staat toe te laten is dus zijn onwaardigheid om die bescherming te genieten. Alle andere bezwaren zullen te verhelpen of althans niet altijd onoverkomelijk zijn.
Wanneer het bovenstaande juist is, staat daardoor vast, dat er van een algemeen standpunt gezien, geen bezwaar bestond om aan hen, die van geslacht oji geslacht in Nederlandsch-Indiê wonen, het lidmaatschap van onzen staat toe te kennen. Immers de vraag of deze Ifederlandsch-Indiërs de bescherming van den Nederlandschen staat in den vreemde en tegenover den vreemde waardig zijn, is door de feiten al toestemmend beantwoord, zooals blijkt uit de hier geldende uitleveringsbepalingen, uit de bescherming, dien onderzaten in Djeddah en Siam verleend, en uit het onderzoek naar de behandeling in Duitsch Nieuw
— 93 —
Guinea van hier voor koeliewerk aangeworven Inlanders. (1)
Dus blijft nog slechts te onderzoeken over in hoever er zich bezwaren voordoen, die hoewel in het algemeen niet, in dit bizondere geval toch wel onoverkomelijk zouden zijn.
Daartoe zal ik eerst eenige bezwaren bespreken, die zijn aangevoerd, vervolgens andere, die zouden kunnen worden aangevoerd.
In de eerste plaats: hoe dacht men er over bij het vaststellen der nieuwe wet?
Naar aanleiding van de kwestie of de wet uitdrukkelijk moest spreken van het Eijk in Europa, zeide de Minister dat ook zonder dat de koloniën en overzeesche bezittingen niet onder de wet vielen, omdat art. 122 der Grondwet bepaalt, dat do wetten alleen voor het Rijk verbindende zijn, voorzoover daarin niet is uitgedrukt dat zij voor de koloniën enz. verbindend zijn. (2) Daarop vervolgt hij:
(1) Nog een voorbeeld levert de kwestie met Portugal op. over sonheusehe behandelingquot; van N. I. inboorlingen door de autoriteiten op Portugeescli Timor, (zie Kol. Verslag van 1895, blz. 2, le kolom.) Blijkens art. VI van het in Stbl. 1894 no. 185 opgenomen traktaat met Portugal, heelt de Xederlandsche Regeering zell\'s beweerd recht te hebben op schade vergoeding uit hoofde van deze of dergelijke behandeling van Ned. Indische visschers in de jaren 1889 tot 1892 door ambtenaren van Portugeescli Timor.
(2) Gaf dit art. 122 Gw. het Lid Mr. van der Kaay wellicht aanleiding tot de bewering sdat er geen ander Rijk is dan het Rijk in Europaquot;? (zie Wetg. blz. 49). Men zou dit uit art. \'122, op zichzelf beschouwd, kunnen afleiden, omdat sliet Rijkquot; en »de koloniën en bezittingen in andere werelddeelenquot; er tegenover elkander worden gesteld: maar blijkens art. 2 der Grondwet wordt hier sliet Rijkquot; gebezigd bij verkorting-voor het Rijk in Europa.
Nu weet ik wel. dat er maar één Rijk der Nederlanden is en men dus niet kan spreken van nog een tweede Rijk: maar als men spreekt van «het Rijk in Europaquot; bedoelt men daarmee natuurlijk: het Rijk, voorzoover het in Europa ligt. De uitlating van Mr. van der K. zou. nu door de Grondwet deze uitdrukking eenmaal een geijkte term is geworden, doen vermoeden, dat hij het grondgebied van den Staat buiten Europa niet als het Rijk beschouwt, wat alleen te verklaren zou zijn, wanneer hij alles buiten Europa niet meer als een deel. maar als een eigendom van den Staat beschouwde; want in dien zin zou men kunnen zeggen: eigenaar en eigendom kunnen niet één zijn, het laatste dus niet een deel van den eerste. Maar ik schrijf de bovenaangehaalde woorden liever toe aan onduidelijkheid, dan aan zulk een opvatting der zaak.
— 94 —
..Xaar ik mij voorstel, sredraagt de zaak zich aldus: De koloniën en bezittingen in andere werelddeelen hebben eene eigene wetgeving, waartoe de tegenwoordige wet niet zal be-hooren. Voorzoover echter die wetgeving, hetzij in Oost- hetzij in West-Indië. verwijst naar eene Xederlandsche wet. zullen de regelen daarvan aldaar wel is waar gelden, maar niet omdat het eene Xederlandsche wet is, doch omdat er naar verwezen wordt. Dit nu is somtijds het geval met het Xederlanderschap. Zelfs in de wetten, die gemaakt zijn voor de koloniën en bezittingen door de Wetgevende -Macht hier te lande, is niet stilzwijgend aangenomen de geldigheid onzer Xederlandsche wet. maar terecht uitdrukkelijk bepaald, welk begrip aan het woord .Nederlanderquot; in de koloniale wetten zal worden gehechtquot;. • : !
Derhalve: de wet bepaalt slechts wie in Nederland Nederlanders zijn. niet wie het daarbuiten zijn;- Dit kan toch wel niet de bedoeling zijnl en ik kan mij niet voorstellen dat
(1 i Wetu\'. Mz. 47.
cii Een an\'k\'i\' voorbeeld van deze zonderlinge opvatting vindt men bij Keuchenius. Handelingen Regl. II. blz. 191. Naar aanleiding
van een vraag betreffende an. 2 R. R.. dat voor de waardigheid van Goevemeur-Generaal Nederlanderschap als vereischte stelt, schrijft d\'- Regeerin:; daar in haar inernoi ie van t iel. onder rneer: »Het is volkomen waar dat die wet (van 28 Juli 185\'i op het Nederlandschap) in velband met art. 118 der Grondwet voor liet Rijk builen Europa niet verbindende i-: de toepasselijkheid echter in de hier bedoelde gevallen lif.-tt ni-t in Indie. maar in Nederland plaats. De benoeming tot d\'\' betrekkinir van G. G. en van andere hooge staatsambten voor den Ind. dienst, tot wier vervulling het bezit der hoedanigheid van Nederlander volgens dit Reglement vereischt wordt, geschiedt door den Koning in Nederland, onder de werking en met toepassing derhalve van de wet van 28 Juli 1850quot;. Tot zulke onnoodige woordenkunstjes noopte de door mij gewraakte opvatting: men moest spreken van het plaats hebben van een toepasselijkheid en betoogen dat iemand om in Indiè Goeverneur Generaal te zijn. in Nederland, waar hij niét is. Nederlander moest zijn. en niet in Indië. waar men het zelfs bepaald niet is. want. . de wet op :i Nederlanderschap was er niet toepasselijk! Iets later op dezelfde bladzijde staat dan ook zeer juist: Die de hoedanigheid van Nederlander volgens de wet (van 28—7—1850) bezit, behoudt haar ook dan wanneer hij zich buiten Nederland bevindt, tot dat hij haar krachtens diezelfde
— 95 —
een vreemde wet zou kunnen bepalen wie elders Nederlanders zijn, zelfs niet een verordening onzer eigene koloniën. Hoogstens zou zij kunnen bepalen, wie zij als Xederlanders zal beschouwen. en dan zou het nóg een zonderling iets zijn als een vreemde wet anderen als Xederlanders tdng beschouwen, dan die het werkelijk zijn.
In dit opzicht zeer korrekt, zegt art. 107 van het Eegeerings-Reglement dan ook: .Onder .Nederlanders worden in dit Kegr-lement verstaan, die het zijn volgens de wetten van het Koninkrijk. tiier wordt dus niet. zooals de woorden des Ministers het zouden doen verwachten, naar een bepaalde wet lt;■lt;-/•-(rezen, maar de wetgeving in quot;t algemeen van het Koninkrijk Ook voor de Ko.onien toepasselijk verklaard, voorzoover betreft het Xederlanderschap. dat in liet Keg. Kegl wordt bedoeld. Het is dus eer een huldiging van het beginsel van eenheid van wetgeving op dit punt tusschen moederland en koloniën, dan een argument voor de afscheiding. Ik althans vat het artikel zóó op, dat dientengevolge voor het Nederlanderschap, in het lieg. liegl. bedoeld, de koloniën de wetgeving des moederlands deelen en dat dus thans in onze koloniën -Nederlander zijn dezelfden, die het zijn volgens de wet van 189^. Daarmee is echter nog niet gezegd, dat in de koloniën die wet zou mogen worden gelezen, also! zij het koloniaal territoir met dat in het moederland had gelijkgesteld en dus kinderen van ingezetenen der koloniën, die daar zelf ook uit een evenzoo in de koloniën wonende moeder geboren zijn, tot Nederlanders waren geproklameerd. Zelfs al ware Xo. 268 van het Xeder-landsch Staatsblad i89J ook in het Indische afkondigd, zou zulk een interpretatie niet mogelijk zijn. Heeft vrees hiervoor de afkondiging in Indië belet, dan was deze reden dus zeer ongegrond. Ie minder zou zulk een interpretatie mogelijk zijn, nu het eerste lid der overgangsbepaling van deze wet, tengevolge van een door het gewezen Lid van den Raad van X. I.
wet verloren lieefiquot;. Had men dit maar dadelijk gezegd, dan was die heele tirade . .ver de plaatshebhendequot; toepasselijkheid overbodig geweest en zou men dadelijk hebben toegegeven dat bedoelde wet in Indië toepasselijk is.
W. en A, B-v. 2. -
— 96 —
Mr. Levys olin Xorman, in de 2e kamer voorgesteld en door liaar aangenomen amendement, luidt:
. Met uitzondering van hen, die in K. I. inyevolye de wet van 2 September 1854 {d.i, het Bey. Kegl.) ols inlanders en met dezen (jelijhgesteldm worden beschouwd, zijn zjj die op het tijdstip, waarop deze wet in werkirig treedt, den staat van Nederlander bezitten, Nederlanders in den zin van deze wet, totdat zij lier Nederlanderschap volgens deze wet verliezen. Voor lien, die op dat tijdstip liunne woonplaats hebben buiten hot Rijk en zijne Koloniën of bezittingen in andere wereld-deelcn, begint de termijn van tien jaren, bedoeld in art. 1, sub 5o, van genoemd tijdstip af te-loepenquot;.
Hieruit valt, dunkt mij, niet anders af te leiden dan dat de Inlanders en met dezen gelijkgestelden tjeen Nederlanders zijn. (1) Uit de rede van den voorsteller van evenbedoeld amendement zullen we nu moeten zien, welke redenen tot uitsluiting van bijna alle Indiërs van het Nederlanderschap hebben bewogen.
In liet voorloopig verslag (2) werd reeds gezegd:
„Indien het de bedoeling is het Nederlanderschap in zijn ganse hen omvang toe te kennen ook aan hen, die dit uitsluitend krachtens het Burgerlijk Wetboek zijn, dan zou men, overeenkomstig art. 5 ten le van dat Wetboek, ook het volle [Nederlanderschap geven aan alle personen geboren uit ouders in de koloniën gevestigd, en dus alle inboorlingen en Chineezen in O. en W. Indië tot Nederlanders verheffen Sommige leden zouden dit zeer bedenkelijk achten; andere evenwel, ofschoon erkennende dat dit gevolg een meer of min vreemden indruk maakt, waren niettemin van oordeel, dat werkelijke bezwaren daartegen niet zouden bestaan.\'
De Regeering bevestigde in haar antwoord (2) dat ook zij,
(1) We zullen maar niet kinderachtig zijn eu ons niet beroepen op de verklaringen van den toenmaligen minister om te betoogen, dat deze overgangsbep. der hier niet afgekondigde wet niet op Indië toepasselijk is. en dus hier in Indië den Inlander zijn Nederlanderschap nog niet heeft kunnen ontnemen.
i2) Wetg. blz. IST.
die alleen volgens het B. Wetb. Nederlander waren, door de overgangsbep. het volle Nederlanderschap zoudea erlangen. „De overgangsbepaling onderscheidt niet en is dus niet dubbelzinnig. Mochten daartegen ook al eenuje bezwaren bestaan — die de ondergsteekenden echter niet inzien en niet erkennen—, dan nog zon men zich die moeten getroosten ter wille van het gewenschte doel van groot ar belang.\'quot;
Men ziet hieruit, dat een deel dor volksvertegenwoordiging — hoewel het wel wat vreemd vindende — en evenzoo de Rpgee-ring aanvankelijk geen werkelijke, althans geen overwegende bezwaren zag in het Nederlanderschap van den Inlander.
Ziehier het voornaamste uit de redevoering van het lid Levyssohn Norman, die de 2e Kamer en den Minister overtuigde dat er wél bezwaren waren. (1)
„Ik meen van den Minister te hebben verstaan, dat deze wet met met de koloniën niets heefc te maken. Is dit wel geheel juist?
„De aanhef der overgangsbepalingquot; — n.1. zooals zij in het ontwerp was voorgesteld — „luidt: Zij, die op het tijdstip, waarop deze wet in werking treedt, den staat van Nederlander bezitten, zijn Nederlanders in den zin van deze wet.
„En de aanhef der Memorie van Beantwoording luidt: Bij de Regeering staat tweeërlei vast, zoowel dat er een eind moet komen aan het tweeslachtig Nederlanderschap, als dat het onrecht zou zijn rechten te ontnemen aan hen die, op op welke wijze dan ook, Nederlanders zijn. (2)
„Het (Ned.) Burgerlijk Wetboek zegt in art. 5, 1°: Nederlanders zijn allen, die binnen het Koninkrijk of deszelfs koloniën zijn geboren uit ouders, aldaar gevestigd.quot;
„In burgerrechtelijken zin worden dus op dit oogenblik ook als Nederlanders beschouwd Inlanders uit Ned.-Indië en vreemde Oosterlingen, geboren binnen het Koninkrijk of deszelfs koloniën, uit ouders daar gevestigd, en zelf gevestigd binnen het Rijk in Europa. Die personen zullen thans Nederlander worden in den vollen zin des woords.
(1) Wetg. lilz. 160.
(2) De kui\'siveering is van mij.
„Hiertegen kan ik niet de minste bedenking hebben, te minder omdat die Inlanders eu vreemde Oosterlingen op een enkelen misschien na, er niet zijn — mij althans zijn zij niet bekend — (1) maar al ware het anders, dan nog zou dit voor die enkelen in de praktijk niet tot moeilijkheden kunnen leiden.
„Hoe staat het nu met de Inlanders en met hen gelijkge-steldeu in Indië zelf?
„Art. 107 van het Rcgeeringsreglement, het werd reeds dooiden geachten afgevaardigde uit Steenwijk gereleveerd, zegt: Onder Nederlanders worden in dit reglement verstaan, die het zijn volgens de wetten van het Koninkrijk, dus ook de in Indië gevestigde Inlanders en vreemde Oosterlingen, die in Indië geboren zijn uit ouders, aldaar mede gevestigd, echter slechts in burgerrechtelijken zin en zonder dat dit voor hen volgens de Xederlandsche Wetboeken, zoolang zij niet in Xe-derland zijn, eenig effekt kan sorteeren.
„Op enkele plaatsen in het lieg. Regl. wordt van Nederlander gesproken, in afwijking van de gewone, indeeling der ingezetenen iu Europeanen e. d. g. g. eu Inlanders e. d. g. g.quot;
Hierop haalt de spreker aan artt. 2, 4 eu 8 R. R., dat het Jvederlandschap als vereischte stelt voor eenige hooge ambten, artt. 45 t/m 47 betrekkelijk politieke verwijdering van Nederlanders, en art. 105 al. 2 over de toelating van Nederlanders en vreemdelingen. Hierop vervolgt hij:
„Nu zullen dus door genoemde artt. 5 B. \\V. en 107 R. R. in verband met de samensmelting van het burgerrechtelijk Nederlanderschap met het politische, ook alle Inlanders en daarmede gehjkgestelden, op zijn minst voor zoover liet Regeerings-reglement betreft (2), in den volsteu zin Nederlander worden.
„Voor de toepassing van die enkele bepalingen van het Regeoringsreglement levert dit nu geen bepaald bezwaar op.
(1) Spreker dacht zeker in liet vuur zijner improvisatie niet aan de talrijke baboes, die in den Haag\' dienen, aan de vele Inlanders, die tijdelijk te Anisterclam en Rotterdam toeven en aan de talrijke Inlandsche schepelingen op Nederlandsche vaartuigen buiten N. I.
{■!) Ik zou zeggen in alle opzichten; want het svollequot; Nederlandschap zou hun zijn verleend door de overgangsbep., zooals zij aanvankelijk werd voorgesteld.
— 99 —
Daar liet echter niet aangaat, dat iemand liet eene oogenblik we!, het andere mef-Nederlander is, zoo meen ik dat als daarin niet wordt voorzien, alle Inlanders e. d. g. g. in den vollen zin Nederlanders zullen worden.
„Kon men dit beperken tot enkele bepalingen van het Reg. Regl., dan zou ik tegen de onveranderde aanneming der overgangsbepaling geen overwegende bedenking hebben, maar daar, naar ik meen, wanneer er geen aanvulling plaats heeft, geheel noodeloos een gansche ommekeer zal gebracht worden in de positie van de Inlanders e. d. g. g., waarvan de gevolgen niet zijn te overzien, zoo zal ik, tenzjj beter ingelicht, aan dat artikel mijn stem moeilijk kunnen geven.
„Het zou zijn, zooals Thorbeeke het uitdrukte en onlangs in de Nieuwe Rotterdammer te lezen stond: gemeenschap van naam zonder eenige gemeenschap van recht of volkswezen.
„Maar er is meer. Ook in de praktijk zullen er zich telkens moeilijkheden voordoen. Bij voorbeeld een Inlander kan niet worden ofiicier in het Indische leger. Dit is vroeger na lange overwegingen uitgemaakt.
„Welnu, als deze overgangsbepaling, zooals zij nu luidt, wordt gehandhaafd, kan de Inlander zeggen: civis Romanus sum, dus: ook ik kan officier worden.
„De vreemde Oosterling kan niet worden burgerlijk ambtenaar in Indiö. Maar volgens deze overgangsbepaling kan ook hij zeggen: civis Romanus sum, ik wil dien weg op.quot;
De Minister antwoordde hierop (1):
„Met betrekking tot de koloniën heeft de overgangsbepaling inderdaad aanleiding gegeven tot vele onderzoekingen en veel verschil van meening. Ten slotte is men met betrekking tot de koloniën tot de meening gekomen, dat de overgangsbepaling, zooals zij in het gewijzigd wetsontwerp was voorgedragen, geen bezwaar zou opleveren. Maar het bleek vervolgens toch weder een intricaat punt te zijn, en daarom is het onderzoek niet gestaakt, maar voortgezet. De wisseling van denkbeelden daarover is menigvuldig geweest. Ik zal intusschen de Kamer niet vermoeien met mededeeliug van bijzonderheden, die niet terzake
(i) Wetg. blz. -163
— 100 —
doen. De slotsom is geweest dat zoo al niet noodzakelijk het toch inderdaad voorzichtiger zou zijn, deze bepaling niet ongewijzigd te handhaven, zooals zij is voorgedragen. Men is het er op dit oogenblik nog niet over eens of het wel volstrekt noodig is, — daaromtrent treed ik dus ook niet in discussie — maar de Regeering meent dat er tegen een uitsluiting geen bezwaar kan zijn, zooals die door den heer Levyssohn horman wordt bedoeldquot;.
Op grond hiervan nam de Regeering liet amendement-Levijssohn over.
Ik moet hier vóór alles wijzen op een onjuistheid (naar mijn bescheiden meening) in liet boven weergegeven betoog des Hoeren Levyssohn Xorman, die het den Minister en der Vergadering gemakkelijk maakte over een beginsel heen te stappen, dat de Regeering bij deze regeling had vooropgesteld en door den Heer L. zelf\' was aangehaald in den aanvang zijner rede; „dat het onrecht zou zijn rechten te ontnemen aan hen die, op welke wijze dan ook, Nederlanders zijn,quot; terwijl hier onder Nederlanders werden verstaan „zoowel die het zijn volgens het Burgerlijk Wethoek als naar de wet van 1850quot;. (1) Men ziet dat de Heer L. N. in zijn rede liet deed voorkomen 1° alsof de aangehaalde bepaling van art. 5, 1quot; van het B. \\V. alleen uitmaakte wie in hurgerrechtelijken zin Nederlanders zijn; hoewel de Regeering in de eerste regelen van haar Memorie van Toelichting reeds deed uitkomen dat het B. W. het Nederlanderschap regelde in het algemeen, behalve ten aanzien van het genot der burgerschapsrechten en van de benoembaarheid tot landsbedieningen; (2)
2° alsof deze bepaling het Nederlandschap ook alleen toekende aan Inlanders en vreemde Oosterlingen Ned.-Indië, geboren enz. eu zelf gevestigd binnen het Rijk in Europa. En dit zijc. er volgens hem maar enkelen, of geen.
Maar ook in dit tweede opzicht stelde de redenaar de zaak (ongetwijfeld ter goeder trouw) geheel onjuist voor. Hij haalt
(1) Wetg. Iilz. 156. 157.
(2) Zie hierover o. a. Asser en v. Heusde, Handl. Xed. Burgl. Recht, 3e druk, I blz. 110.
101 -
art. 5, lü van het B. W. volledig aan en daarin vind ik de voorwaarde van zelf gevestigd te zijn binnen het Rijk in Europa niet gesteld. Zijn uitbreidende interpretatie zal wel weer een gevolg zijn van het verkeerde begrip, dat de Koloniën geheel afgescheiden zjjn en daarom de bepaling van art. 5 slechts op haar bewoners toepasselijk zou zijn, wanneer zij zich binnen het Rijk in Europa bevinden. Maar welk een zonderlinge begripsverwarring ligt hieraan dan toch ten grondslag!
Wanneer er één soort wetten is, welker gezag niet binnen de-grenzen van den staat beperkt blijft, dan zjjn het zeker wel de wetten regelende wie tot den staat als leden behooren. Zij gelden voor de onderdanen, waar zij zich ook bevinden,. . . . behalve (volgens den lieer L. X.) als zij zich in dat deel van het Rijk bevinden, dat buiten Europa ligt\'? Dat kan immers niet! Volgens die redeneering zouden er in Indië geen Nederlanders zijn dan wat betreft de enkele opzichten, waarin de X. I. wetgever uitdrukkelijk en met omschrijving van dit begrip of met verwijzing naar de wetten van het moederland, van Nederlanders spreekt!
Neen, wie Nederlander is, heeft alleen de Nederlandsche wetgever het recht te bepalen, en die bepaling geldt alom, behoudens natuurlijk het recht van andere staten um tot huu staatsverband te rekenen dezelfden, die wij onder het onze rangsciiik ken, wat de wetgever voor de kolonie echter niet kan doen, omdat de kolonie geen eigen staatsverband heeft, geen Indiërschap, dat tegenover het Nederlanderschap zou kunnen worden gesteld.
Naar deze zienswijze, waarvan ik waarlijk niet de eerste of eenige voorstander ben, (1) waren niet enkelen — zooals L. N. meende — maar miljoenen Inlanders, behoorende tot wat art. 1 het Rijk of het Koninkrijk der Nederlanden noemt, leden van dat Rijk, Nederlanders in alle opzichten, do burgerschapsrechten en de benoembaarheid tot landsbedieningen uitgezonderd, en is hun dit Nederlanderschap ontnomen tegen het stellig uitge-
(1) Mr. Abendanon. in zijn gemeld werk. is van dezelfde meening en ik geloof niet dat de argumenten zijn weerlegd, waarmee hij de onjuistheid aantoonde der enkele gronden, waarop men nog ontkende dat de Inlanders krachtens het Ned. B. W. Nederlanders waren.
drukte beginsel der Jsederlandselie Regeering, dat ik zooeven aanhaalde.
Yóór ik de bezwaren, die de Heer Levyssolm tegen het Nederlanderschap der Inlanders aanvoerde, aan een nadere beschou-■ning onderwerp, moet ik nog eenige woorden van Mr. Beven aanhalen, die hetzelfde onderwerp betreffeh
Op blz. 4 zijner dissertatie zegt hij :
„Er moet vooral worden gelet, dat niet iedere band met don staat staatsverband is, maar dat het eene betrekking zijn moer, die voorvloeit uit het lidmaatschap der rechtsgemeenschap.
„Dus kan men het staatsverband niet definieeren als: „„le lien qui unit l\'individu a 1\'Etat,quot;quot; gelijk Cogordan doet. Want zoodoende vergeet men dat de individu op verschillende wijzen met den staat verbonden zijn kan. ilen kan aan den staat verbonden zijn als lid, maar er kan ook zijn een betrekking van onderhoorigheid. Men denke b. v. aan de inheemsche bewoners van onze koloniën. Ongetwijfeld zijn zij onderworpen aan liet gezag van den Jfederlandschen staat en dus aan dien staat verbonden: maar leden van de rechtsgemeenschap zijn zij niet. Welnu, deze betrekking van onderhoorigheid wordt nimmer bedoeld, wanneer men spreekt van staatsverband.quot;
Op blz. 7 .Ti wordt nogmaals er op gewezen, dat de in de koloniën geboren Inlanders en kleurlingen (1) geen leden, maar onderhoorigen van den staat zijn.
Daar deze opvatting nog verder gaat en schcrper een principe uitdrukt dan de rede van den lieer L. X., meen ik haar het eerst te moeten aanvallen.
Ik verbeeld mij dat de Beyensche onderhoorigheidstheorie is voortgevloeid uit geheel verouderde begrippen omtrent onze koloniën, die echter bij liet Nederlandsche volk in Europa, dat zij l koloniën niet door aanschouwing kent, maar voortbouwt op oude tradities, gekleurde verhalen en de zich bij voorkeur aan Ooster-sche zaken hechtende fantasie, — moeilijk zijn te verdringen.
(1) De kleurlingen, voorzoover wettig vaststaat dat zij dit zijn. m. a. \\v. dat zij van een Nederlander afstammen, zijn dan toch altijd als leden van den staat beschouwd.
— 103 —
3Ien stelt zieli Indië voor als een reusachtige plantage iu de tropen, waar tot meerdere glorie en welvaart van Nederland suiker, koffie enz. wordt geplant, waarheen zij, die in Holland „niet willen deugenquot;, worden gedirigeerd (om na 20 a 30 jaren natuurlijk als nababs terug te keeren) ten einde beheer te voeren over die aanplantingen, waaraan kudden halfwilden arbeiden onder hun toezicht, terwijl een legeitje deze Indianen in bedwang houdt.
Deze opvatting behoort tot dezelfde kategorie, die er zich over verwondert dat menscaen, die uit de Oost komen niet zwart zijn, dat kinderen van daar Mollandsch spreken en zich niet kan voorstellen, dat iets in ludië zou zijn zooals in een ander, beschaafd land.
Uit zulke zonderlinge voorstellingen alleen kan ik het verklaren, dat Mr. Beven, die betoogt dat in de heschaafrh wereld niemand zonder staatsverband mag zijn, het voor het gros dei-bevolking van X. Indië voldoende acht, dat in plaats daarvan „onderhoorigheidquot; haar aan den Staat bindt.
Hij rekent „de Oostquot; blijkbaar niet tot de beschaafde wereld en vraagt in de 2e noot van blz. 2\' : „ Waarom zouden bovendien die inenschen, welke niet wonen op hot gebied van eeni-gen staat en \' geheel buiten het verkeer dor volkeren staan, eene nationaliteit moéten hebben?quot;
Wanneer ik niet overtuigd was, dat de schrijver zich van het koloniale vraagstuk toenmaals nog niet voldoende rekenschap had gegeven, zou ik willen vragen; wonen dan de Inlanders niet op het gebied van eenigen staat? en: hoe moet het nu gaan, als die „onderhoorigenquot; eens in de beschaafde wereld komen, waar ze volgens den schrijver een nationaliteit moeten hebben ?
„Voor de rechtszekerheidquot;\' — zegt hij in dezelfde noot—„is het voldoende, als iemand of lid of onderlioorige van den staat isquot;, maar als het in andere opzichten niet voldoende is onderlioorige te zijn, waarom moet dan dit verschil worden in stand gehouden ? en als er daarentegen geen essentieel verschil is, waarom onderscheidt dan de schrijver deze twee begrippen?
Ce bedoeling is tocii niet daardoor een grens te onderhou-
— 104 —
den tussehen hen, die wel- en hen, die niet deelen in de burgerschapsrechten? Deze bedoeling mag men althans niet veronderstellen bij iemand, die (zie blz. 9 zijner dissertatie) zelf zegt:
„Ten slotte moeten wij er hier nog even aan herinneren, dat men toch vooral staatsverband niet moet vereenzelvigen met staatsburgerschap. — Men kan geen (staats)burger zijn, zonder lid te zijn van den staat, maar omgekeerd zijn niet alle leden van den staat ook burgers. Want niets belet den staat aan soiitinigen hunner niet het (jenot can alle rechten toe te hennen. Uaarom doet men goed de woorden lid en burger, en dus staatsverband en staatsburgerschap, uit elkander te houden. Wij zullen in liet vervolg niet handelen over het staatsburgerschap, maar over het staatsverband, dat daarvan slechts een voorwaarde is.quot;\'
De laatste woorden stellen buiten twijfel, dat de even besproken noot niet de onderhoorigen wilde onderscheiden om te voorkomen, dat zij de burgerschapsrechten zouden deelachtig worden, een vrees die blijkbaar wel de \'1* Kamer heeft bewogen het door de Regeering overgenomen amendement .in de overgangsbepaling toe te laten. Ik kan ten minste geen ernstig bezwaar in de rede van den Heer L. X. vinden, dan dat de Nederlanders geworden Inlanders onder de strijdleus: „civis Romanus sumquot; officier, en de vreemde Oosterlingen burgerlijk ambtenaar in X. Indischen dienst zouden willen worden.
De zooeven gekursiveerde woorden van Mr. Beijen doen het ongegronde van die vrees reeds voldoende uitkomen.
De verklaring dezer vrees meen ik te moeten zoeken in een minder juist gebruik, dat men bij de behandeling dezer wet maakte van liet woord „volquot;\'. Men sprak er van dat deze wet het volle Nederlanderschap verleende, terwijl zij inderdaad slechts in het algemeen regelde, wie Nederlanders zijn, zonder echter daarom aan allen, die volgens haar tot het staatsverband behooren, alle rechten en bevoegdheden te willen toekennen, voor welke het lidmaatschap van den staat meestal als eerste, maar daarom toch niet als eenig vereischte word gesteld, zooals het kiesrecht. Het woord „volquot; zou echter doen den-
— 105 —
ken, dat thans Nederlanderschap en staatsburgerlijke rechten steeds samenvallen, wat toch geenszins liet geval is. Door de inlieemsche bevolking van X. Indië Nederlander te noemen, liep men dus geen gevaar hun een ongewenscht aandeel in de voorrechten van dat lidmaatschap te verleenen. Wel is waar zou, als liet amendement van den Heer L. X. niet was aangenomen, de Inlandsche Xederlander kunnen vragen om officier te worden (1), de Chinees om burgerlijk ambtenaar te worden, maar weigeren staat vrij en men zou, om dit te vereenvoudigen, bij afkondiging der wet in Indië hebben kunnen bepalen: „de ambten, tot welke naar de wettelijke bepalingen alleen Xederlanders kunnen worden geroepen, mogen alleen worden vervuld door Xederlanders, in Europa geboren, of van in Europa geborenen afstammendequot;, of: „door Xederlanders, die naar de onderscheiding van het Regeerings-reglement behooren tot de Europeanen en met dezen gelijkgestelden.quot;
Op dezelfde wijzo zon men kunnen voorzien in alle bezwaren van dezen aard, die nog mochten worden ontdekt. Men hecht trouwens te veel aan de politieke bezwaren, die de toekenning van het Xederlanderschap zou meebrengen. In Indië komt bijna alles neer op de onderscheiding tusschen Europeanen c. a. en Inlanders c. a., die ar niet door zou iror-dén opgeheven; ook bij de voorbeelden, die de Heer L. X. gaf is dit duidelijk.
Om op de zienswijze van den lieer Beven terug te komen: ik wil toegeven, dat er gevallen kunnen zijn, waarin een staat gezag over een streek uitoefent, zonder haar inwoners te hoeven aannemen als leden van den staat. Bij het protektoraat zal dit het geval zijn (quot;J); evenzoo was het overeen te brengen met het régime der Oost-Indische Compagnie.
(1) Zouden hiertegen zulke overwegende bezwaren bestaan?
De Inlanders, die aan de vereisehten om officier te worden voldoen, zullen wel uitzonderingen blijven en, als ofiicier gekleed, niet te onderscheiden zijn van zoo menig ander donker ol\'licier, die met eere in ons leger dient. In den guerilla-oorlog zouden zij, waarschijnlijk van veel nut kunnen zijn.
(-) Aan het eind dezer aldeeling stel ik dan ook voor aan te nemen dat een deel der Inlanders, die niet onder ons rechtstreeksch bestuur
— 106 —
In zoodanige gevallen behouden de inwoners hun oorspronkelijk staatsverband, al is hun staat door een anderen in zijn soevereiniteit beperkt. Nog zou men, het met de moraliteit niet te nauw nemende, op dezelfde wijze kunnen te werk gaan, waar een vreemde staat een landstreek bezet met het voornemen zich die toe te eigenen en de inheemsche bevolking te verdringen. In dit geval verdelgt men de oorspronkelijke bevolking allengs, of althans men bemoeit zich niet verder met baar dan eigen belang meebrengt; tot handhaving der orde en veiligheid ; men beschouwt die bevolking als \'t ware als do fauna, die het land oplevert en die men met rust laat, voorzoover ze geen schadelijk gedierte zijn.
Met geen dezer gevallen kan de toestand in Xed.-Indië vergeleken worden en ik geloof niet, dat het hedendaagsche r-\'cht der beschaafde wereld andere gevallen erkent, waarin de bevolking eener veroverde of ingelijfde streek als zoodanig en bloc behoort te worden uitgesloten van het lidmaatschap van den stnat, waaraan zij gehecht wordt. (1) Is X. Indië niet een
staan, zich onder ons protektoraat bevinden.
Op grond daarvan kan de Ned. staat zich hunner in den vreemde aantrekken. Dit gaat echter niet op voor de vreemdelingen in den Archipel: deze behooren tot een ander staatsverband of zijn uit eigen verkiezing heimatlos, zoodat wij niet met hen te maken hebben, zoodra zij buiten ons gebied zijn.
(1) K. von Stengel (Deutsche Kol. Zeit. \'87 lilz. 31)7 v.) neemt dan ook aan. dat in de Duitscbe bezittingen de inboorlingen leden v. h. Staatsverband (Reichsangehorige) worden, wanneer hun land tot bestanddeel v. h. Duitscbe rijksgebied is verklaard, (zie hij Abendanon noot I \'i9. Wlil. no. 1382). Hcffter hlz. 134 rekent tot de wijzen waarop men Staatsangehiirige wordt sub lrgt;. «Abtretung oder Eroberung eines Staatsgebiets, dessen Einwohner vollbürtige Staatsangehörige des Staats werden, der das Gebiet erwirbtquot; (solern nicht das Rechtsmittel der Option gewahrt wird). En Geffken. die de 8e editie bewerkte, teekent daaraan, blz. 133: sDie l\'ridier bestehenden Kategorien von Landsassen, Forensen u. s. w. sind fiir das heutige Recht gegenstandslos geworden. das uur zwischen Sfaafsange/iiirigm vnd Fremdrn nnterscheidetquot;.
Cogordan. la Nationalité enz. blz. 320: »Oii peut done dire que c\'est une des conséquences ordinaires de la conquéte, que les habitants du sol con-quis embrassent la nationalité du vainqueurquot;. blz. 327: «Quand il s\'agit de pays conquis sur un ])euple barbare, les choses se jiassent a peu piés
I
— 197 —
deel vj-an liet Rijk ? Wordt liet uiot door dezelfde Koningin en namens deze bestuurd ? \\\\ ordt de wet voor Indië niet vastgesteld door denzelfden wetgever als voor Xederland, of krachtens opdracht van dezen? Wordt in Indië niet gelijk in Nederland, alom in naam derzelfde Koningin rechtgesproken?
Waarlijk onder zulke omstandigheden kan men niet, althans niet meer beweren, dat Indië als een -wingewest moet worden beschouwd, dat geen rechten, maar alleen verplichtingen heeft. Het is zeker moeilijk, van het eene beginsel tot het andere overgaande, dit laatste dadelijk zuiver toe te passen, en zoo is
de mêtne. Des que le pouvoir du couquérant est établi définitivement, les vaincus sont sujets du vainqueur. C\'est ce qu\'a fait la France lurs de la conquéte de TAIgériequot;. blz. 342 «Dans la pratique, on a admis que les Algériens étaient Mijets francais (non citoyens. qu\'on ne 1\'oublie pas), ilès lt;1110 leur pays a éte définitivement annexe a la Francequot;. Men make uit de gekursiveerde woorden niet de gevolgtrekking\', dat sujet hier in den Beyenschen zin »onderhoorigequot; en niet »fid van den staatquot; zou beteekenen, want één bladzijde verder schrijft hij: »il a droit sans doute a fa qualification de Francaisquot;.
De zaak is dat de Franschen onderscheid maken tusschen Francais en citoyens Francais. Het onderscheid ligt bij hen in het genot der burgerschapsrechten eenerzijds, het behoud iler originaire rechten anderzijds. Evenwel aarzelden de hoogste rechters in Algiers en in het Fransche moederland niet, reeds vóór dit uitdrukkelijk door de wet was uitgemaakt. »se fondant sur ce que la constitution du 4 Nov. 1848 avait déeliiré 1\'Algérie torritoire Francais et partant de ce principe de droit international que nul ne peut avoir deux patriesquot;, te verklaren dat de Algiersehe inboorlingen sujets Francais waren, en een sénatus-consulte van 14 Juli bevestigde sque la qualité de Francais appartient atout indigene musuimanquot;. De Franschen, dien het toch niet aan nationalen trots ontbreekt, schamen zich dus niet de inboorlingen van Algiers sFranschenquot; te noemen. Men zie hierover Emmanuel Besson, la legislation civile de l\'Algérie, Paris 1894, o. a. op blz. 67 en vlgd. Ferguson (Manual ot\' international law, blz. 117) zegt ook: «When different peoples or nations are united into one state, individuals of the diflerent natural nationalities have all the same political nationality of the statequot; en op blz. 54: oDilferent nations can, bij their common consent, be united into one state, in which case all the individuals composing the state have tlie same political nationality, though they may dilfer greatly from an ethnographical point of viewquot;. Zie verder bij Mr. Abendanon (Wbl. nos. 1881 en vlgd.) speciaal de noten 152. wat Spanje betreft, 148, wat het Britsche rijk betreft. 151, wat N. Amerika betreft.
— 108 —
ook in onze koloniën de overgang van het régime der I. C. tot dat van den tegenwoordigen tijd slechts langzaam bewerkstelligd en nog niet geheel afgeloopen. Maar zijn er velen, die ons recht in Indië nog op een andere basis willen en kunnen verdedigen, dan die van liet staatsdoel: de handhaving van het recht en de welvaart en ontwikkeling der bevolking? En als dan dezelfde staat in zijn twee verschillende deelen hetzelfde doel nastreeft, welke grond kan er dan nog bestaan een principieel onderscheid, als van meerdere en mindere, tusschen die deelen te maken en de inwoners van het eene deel leden, die van het andere onderhooriyen te noemen?
\' Verschil van ras? De staat, boven de partijen, mag dit verschil niet in aanmerking nemen, dan voorzoover het algemeen belang dit meebrengt. En zooals ik reeds aantoonde, is eenheid van ras voor de leden van den staat geen vereischte.
Gebrek aan beschaving? Nu, dan zou een groot deel der inwoners van het moederland evengoed van het lidmaatschap van don staat moeten worden uitgesloten als de Inlanders. Het gros der Europeanen stelt zich dan ook de onbeschaafdheid des Inlanders verkeerd voor; men vergeet dat in sommige streken een zeer oude beschaving bestaat, zij hot dat zij van de onze afwijkt; dat een deel der Inlandsche bevolking o\'aa toch evenveel van het onderwijs heeft geprofiteerd, of meer, dan de lagere klassen in Europa.
Wij doen moeite den Inlander te onderwijzen cu op te heften, hem tegen willekeur te beschermen — waarvoor we dan toch een zekere mate van zelfstandigheid bij hem moeten aankwee-ken —; is het daarmee overeen te brengen hem onderhoorige te noemen ?
•
„Het behoeft eigenlijk haast niet te worden gezegd, dat men van een bepaalden staat óf lid is, of niet; dat m. a. w. niet eenzelfde individu tegenover eenzelfden staat zoowel de hoedanigheid van lid als van vreemdeling bezitten kan. Men kan dus onmogelijk lid zijn van eenen staat wat publiekrecht aangaat en vreemdeling voor het privaatrecht ot omgekeerd. De nationaliteitquot; (hier in den zin van staatsverband) „is ondeel-
— 109 —
baarquot;. Zoo zegt Mr. Beyex op blz. 56 zijner dissertatie. Ik kan mij hiermee wel vereenigen, maar als men of lid is of niet en er geen middenweg is tusschen Nederlander of vreemdeling, dan vraag ik: is dan de „onderhoorigequot;, is de Inlander Treemdeling in het Rijk, dat hij sinds tientallen geslachten bewoont? Zoo ja, .:ot welk ander staatsverband behoort hij dan 1J Tot geen? Als dit het resultaat is van Beyen\'s, ten deze door den Nederlandschen wetgever gevolgde, uitsluitings- of onderhoorigheids-theorie, dan zal hij mij ten goede moeten houden dat ik, Xederlamlsch-Indië als deel van het Koninkrijk der Nederlanden tot de beschaafde wereld rekenende, dit zeer betreur, want: „in de beschaafde wereld mag niemand zonder staatsverband zijnquot; en ik vind het niet billijk een gansche bevolking, die men beschaven wil, in de onmogelijkheid te stellen, zich bij de beschaafde wereld te scharen. (1)
Ik moet nu overgaan tot de bespreking van een ander bezwaar, dat tegen het Nederlanderschap der Indiërs zal worden aangevoerd :
het verschil in recht tusschen Nederland (in engeren zin) en zijn koloniën, en in die koloniën zelf tusschen Inlanders en Europeanen. Dit verschil staat echter geheel buiten de onder-
el) Wat bedoelt Mr. Beven met de beschaafde wereld?
Heffter. das Eur. Yolkerrecht der (legenwart. 8e Ausgabe, 1888. zegt op blz. 22 dat het Eur. volkenreeht slechts «volle Geltung bat in dein Kreise cbristlicher Volkerstaaten, in und auszerhalb Europa\'squot; en daarbuiten slechts onverplicht wordt opgevolgd. Is de bedoeling van Mr. B. wellicht dezelfde?
•Wanneer men Nederland tot de Christelijke staten, in bovenbedoelden zin, rekent, en wanneer Heffter zelfs voor de Porte en haar aanhoorigheden aanneemt, dat zij tot de sEuropiiischen Staatengenossensebaft and deren öffentlicbes Rechtquot; is toegetreden en tegenover haar het Eur. volkenrecht behoort te worden in acht genomen, dan is het toch wel wat zonderling een deel van ons Koninkrijk te rekenen tot de onbeschaafde wereld, tot de onchristelijke staten tegenover welke de regelen van het volkenrecht niet verbindend zijn.
Trouwens er bestaat een neiging, zooals Gelfken reeds t. a. p. bij Hellter aanteekende, om de niet-christelijke staten binnen den kring van het Europeesch volkenrechtelijk verband te brengen, zooal.s ook wij deden door traktaten met Japan, China, Siam enz.
— 110 —
scheiding van Nederlanders en vreemdelingen en houdt bijna uitsluitend verband met die van Europeanen en Inlanders. Het bezwaar bestaat dus slechts in schijn.
Het moge in het algemeen wenschelijk zijn, dat voor alle leden van den staat dezelfde wetgeving gelde, dit is — zooals ik reeds betoogde — geen regel, die geen uitzonderingen toelaat, zoodat men ook niet kan zeggen dat een staat onbestaanbaar is zonder gelijkheid van wetgeving voor alle leden. Ons eigen land vormde reeds lang een staat, vóór zulk een gelijkheid, zelfs maar voor éénzelfde provincie, bestond en zag nog in onze eeu v wel uitzonderingen op die gelijkheid; er zijn in Europa verscheidene rijken, waar afzonderlijke wetgevingen voor de verschillende Eurupeesche onderdeden bestaan. Hoeveel meer moet het dan gerechtvaardigd zijn, zulke afzonderlijke wetgevingen te hebben in ons rijk, waarvan de onderdeden zoover uiteen liggen en de omstandigheden zulk een ouderscheiding noodzakelijk maken.
De rijkseenheid gaat hierdoor niet verloren; evenmin wordt zij bedreigd doordat de leden van het rijk zelfs op dezelfde plaats niet onder dezelfde wetten staan. Ware dit zoo, dan zou niemand in den vreemde Xederlander kunnen zijn; en hoe zou het dao te verdedigen zijn, dat zelfs de Nederlanders, in den engeren zin der wet van 1892, in Xed.-Indië door den Xederlandschen wetgever zelf zijn ouderworpen aan ander recht dan in het moederland geldt?
In Indië zelf bestaat, nog daargelaten het verschil van recht voor Europeanen en Inlanders, geen gelijkheid van recht. De Inlanders zijn in de verschillende gewesten aan verschillend gewoonterecht, aan verschillende, al^eraeene onderwerpen van recht regelende algemeene verordeningen onderworpen ; zelfs de vreemde Oosterlingen staan niet overal in ludië onder hetzelfde recht. Is daarom Xed.-Indië geen staat, wat is het dan, als het ook seen intesreerend deel van den Xederlandschen staat uitmaakt?
O O
Men ziet: gelijkheid van wetgeving is een onhoudbare eisch voor opneming in het staatsverband.
Gelijkheid van lasten? Ook deze kan niet als voorwaarde worden gesteld. In geen enkden staat zijn de lasten gelijkelijk
— Ill —
over de leden verdeeld. Moge in Indië in dit opzicht de onderscheiding (al weer niet tiisschen Nederlanders en vreemdelingen, maar tusschen Europeanen, Inlanders en soms nog afzonderlijk Chineezen) bizonder sterk uitkomen, zij berust moer op traditie en op administratieve overwegingen, dan op een beginsel van staatsrecht. Het beginsel dat de Inlandsche „onderhoorigequot; werkt voor den overheerscher, is reeds lang in diskrediet geraakt en in de praktijk ook niet meer uitvoerbaar, nu aan Indië zóóveel wordt besteed, dat de batige saldo\'s plaats maakten voor te-korten. Hoogstens kan men spreken van bevoorrechting, op het punt van belasting, van de eene klasse of\' stand boven anderen, hoewel sinds geruimen tijd ook de bevoorrechten zeer merkbaar moeten bijdragen voor de staatsuitgaven.
Ik geloof dat uit het bovenstaande volgt, dat uit geenerlei juridisch oogpunt bezwaar bestaat tegen de toekenning van het Nederlanderschap aan allen, die naar de wet daarvoor in aanmerking zouden komen, wanneer deze onder het Rijk niet uitsluitend had verstaan dat in Europa.
Wat de politiek betreft, de wet was alleen bestemd alle gevallen te beheerschen, waar verschil van nationaliteit tevens verschil van rechtsbevoegdheid medebrengt. Verder zou bij afzonderlijke wet kunnen worden bepaald aan welke vereischten men nog daarenboven moet voldoen, ten einde als staatsburger rechten van verschillenden aard uit te oefenen of voor sommige betrekkingen benoembaar te zijn. (1)
En inderdaad zijn aan de uitoefening van politieke rechten en dgl. wettelijk nog andere voorwaarden verbonden, die het gevaar, dat de Inlandsche bevolking daardoor een ongewenschten invloed op het staatsbestuur zou verkrijgen, geheel denkbeeldig maken. Dat een enkele Inlander, die zich in Nederland mocht vestigen,, daar naar de kieswet stemgerechtigd zou zijn, legt toch waarlijk geen gewicht in de schaal!
Nog een algemeen, meer gemoedelijk dan juridisch bezwaar voorzie ik. Men zal het zoo al niet onbestaanbaar, dan toch ongepast vinden dat tusschen leden van éénzelfden staat zóó groote ongelijkheid besta, en het een ongerijmdheid noemen (1) Asser en v. Heusde I, blz. 112.
W. en A. Bev. 3. 3
dat personen van zóó uiteenloopende geaardheid en ras onder denzelfden naam van Nederlander worden samengevat.
Wat het laatste betreft, over dat bezwaar moeten wij ons heen-zetten ; er is nu eenmaal niets aan te doen. Een groot Rijk met uitgestrekte koloniën, mag zich niet door kleinlandsche vooroordeelen laten beheerschen. De internationale gewoonte, waaraan niet te veranderen valt, brengt nu eenmaal mee, dat alle onderdanen van den staat naar dezen worden aangeduid en zoo zullen naar internationaal recht de onderdanen van Nederland, ook die in de koloniën, Nederlanders moeten hee-ten. Wij zijn trouwens in dit opzicht al zóó liberaal, dat het een dwaze preutschheid zou zijn, waar eenmaal A, B en C is gezegd, niet verder te durven gaan. De vreemde elementen, die het Rijk in Europa heeft opgenomen, nu nog daargelaten, telt men onder de Nederlanders in Indië:
lieden, die naar afstamming Afrikanen zijn;
lieden, afstammende van een Europeaan, wiens descendenten zich van geslacht op geslacht weer met Inlanders vermengden, zoodat op het laatst de verhouding van Europeesch tot Inlandsch bloed is als die van 1 tot 20, of tot 100;
volbloed Inlanders, door Europeanen erkend om hen te helpen of wel in de dikwijls abusieve meening, dat zij de auteurs zijn;
Inlanders, die wat rechten en verplichtingen betreft met Europeanen zijn gelijkgesteld;
en personen in wie Portugeesch, Inlandsch en Chineesch bloed om den voorrang kampen.
En deze rubriek neemt nog steeds toe. Welk bezwaar er tegen haar bestaat, wanneer men andere vreemde elementen niet uitsluit en zelfs bereid is deze door naturalisatie opzettelijk in te lijven, begrijp ik niet.
Wat overigens het gemoedelijk bezwaar betreft: als men de ongelijkheid ongepast acht; deze ongelijkheid wordt niet gepaster door een verschil van naam. Is de ongeljjkheid noodig, dan is ze gepast; is ze niet noodig, dan kan geen — in dit geval allerminst gepaste — onderscheiding in landsnaam zulke een onbillijkheid gepast doen zyn.
De onderscheiding, wat het recht betreft, tusschen het Rijk
— 113 —
in Europa en de koloniën, en in de koloniën tusachen Europeanen en Inlanders, is m. i. hoog noodig en daarom gepast, onverschillig of degenen, tusschen vrie verschil wordt gemaakt, gelijkelijk [Nederlanders zijn (zooals nu wat het recht betreft onderscheid bestaat tusschen Nederlanders, die in het moederland en die in de koloniën zijn) of niet.
Ook in het gezin, het gemoedeljjkste verband dat er bestaat, staan allen niet gelijk en niemand zal beweren, dat de kinderen geen lid zijn van het gezin, omdat zij niets hebben in te brengen en verplicht zijn het ouderlijk gezag te gehoorzamen. (1) Een gelijke verhouding bestaat m. i. tusschen ons en de Inlanders, onze pupillen, aan wie wij geen stem in het kapittel kunnen geven, maar aan welke onmondigen wij daarom toch wel een plaats als lid in het groote gezin der Nederlanden mogen inruimen.
Ziet men hiertegen op, dan zie ik logisch maar één uitweg: dat wij twee staatsverbanden onderscheiden onder een hoogere eenheid: het Nederlandsch-Indische staatsverband, naast het Nederlandsche. Men zou, in den vorm van een statenbond (2), bet Koninkrijk Nederland en het Rijk N. Indië als twee staten met zekere mate van onderlinge onafhankelijkheid kunnen vereenigen tot een Keizerrijk. Dan zouden Nederlanders en Nederlandsch-Indiërs kunnen worden onderscheiden, hoewel gelijkelijk leden in het Keizerrijk; maar zoolang er alleen een Koninkrijk Nederland is, waarvan de koloniën een deel uitmaken, gaat dit niet.
Men zal wellicht zeggen, dat Nederland zijn Inlandsche onderdanen evengoed beschermt, als waren ze Nederlanders, en het dus niet de moeite waard is over een kwestie louter van een naam zooveel moeilijkheden te maken.
(1) Men zal tocti de «buitenledenquot; ot\' buitengewone leden eener Societeit wel niet willen beschouwen als niet-leden, omdat ze geen stemrecht hebben?
(2) Van eeu personeele unie kan geen sprake zijn, daar Nederland en Indië niet alleen den vorst, maar ook den wetgever gemeen hebben, en zelfs de kas. hoewel met gescheiden administraties.
— 114 —
Als dit juist was, zou ik inderdaad de kwestie niet hebben aangeroerd, althans niet in dit opstel, dat evenals het vorige („Wet en Adatquot;) bestemd is als inleiding te dienen op de studie van het privaat recht der Inlanders.
De wet van \'92 is echter van meer invloed geweest op den rechtstoestand der Inlanders, dan men zou verwachten. Het zij mij daarom vergund hier die wet in het bizonder van een Indisch standpunt te beschouwen en te beoordeelen.
Vooral tengevolge van het amendement-Levyssohn heeft de wet geheel het doel gemist, dat de Regeering vooropstelde. Zij heeft noch aan de ongerijmdheid van tweeërlei Nederlanderschap een eind gemaakt, noch dit voor alle verhoudingen in eens geregeld. Wat de N. Indiërs betreft heeft men:
1°. Nederlanders volgens artt. 1 t/m 10 van de wet van\'92;
2°. Nederlanders speciaal ten opzichte van de uitlevering in N. Indië;
3°. Nederlanders ten opzichte van uitlevering in Nederland. (1)
Wat de 2C kategorie betreft, de omschrijving daarvan in Ind. Stbl. \'83 no. 188 verschilde van die der 3e kategorie, die men vindt in de slotbepaling van de wet van \'92 op het Nederlanderschap; thans is de kategorie bij Ind. Stbl. 1895 no, 62 in overeenstemming gebracht met gemelde slotbepaling, met dien verstande dat volgens dit Stbl. als Nederlanders worden „beschouwdquot; zij, die volgens de slotbepaling der wet van \'92 Nederlanders zijn.
Die onder de 3e kategorie vallen, staan bovendien gelijk met Nederlanders, ingevolge art. 83 al. 2 van het Ned. Strafwetboek (in tegenstelling met hen, die volgens al. 1 van dat artikel Nederlanders zijn), welke gelijkstelling natuurlijk tot het strafrecht beperkt is.
Men heeft dus Nederlanders, als Nederlanders beschouwden en met Nederlanders gehjkstaanden. Nu wil ik toegeven dat het Lid
(1) Verder kan men nog spreken van Nederlanders in den zin van Bijblad 3190 in verband met het traktaat met Siam, waarover ik zal spreken in de volgende afdeeling.
— 115 —
der le Kamer Kist terecht vroeg „welk praktisch onderscheid toch wel bestaat tusschen hen, die als Nederlanders worden aangemerkt en hen die met Nederlanders gelijkstaanquot;, en ik wil zelfs verder gaan en beweren dat praktisch tusschen deze twee en echte Nederlanders in de opzichten, waarvoor de gelijkstelling bestaat, geen verschil bestaat. Maar wanneer dan in de gewichtigste opzichten — uitlevering, heerschappij der strafwet, bescherming in den vreemde — de Inlanders feitelijk Nederlanders zijn, is het dan niet wel wat kinderachtig hun dien naam te onthouden?
De terminologie echter daargelaten, spruiten allerlei kwesties en moeilijkheden voort uit de onderscheidingen der wetten en verordeningen op dit stuk, en dan komt het eerst uit hoe jammer het is, dat deze algemeene Rijks-aangelegenheid is geregeld alsof Indië er niets mee te maken had, in plaats van een algemeene regeling te maken voor het gansche Rijk, ook dat buiten Europa.
Men zal vooreerst opmerken dat de bovengemelde verschillende kategorieën betrekking hebben op niet altijd zuiver afgescheiden en juist aangegeven territoriën. Het opvallendst is dit wel ten opzichte van den omvang der Nederl. strafwet.
Deze is ingevolge art. 5 toepasselijk op den Nederlander, die zich buiten het rijk in Europa schuldig maakt aan de daar vermelde misdrijven, en in dit opzicht staat volgens art. 83 met den Nederlander gelijk ieder ander, wiens uitlevering bij de wet is verboden, dus ook de boven sub 3° vermelde kate-gorie, in de slotbepaling der wet van\'92 bedoeld. Deze bepaling opzichzelf is nu wel gemaakt om alleen in Nederland zelf toepassing te vinden, want buiten Nederland vertoevenden kunnen moeilijk door dezen staat worden uitgeleverd; dit neemt echter niet weg, dat tengevolge van art. S3 Ned. Str. wetb. j0. gemelde slotbepaling de Nederlandsche strafwet, wat de daarin bij art. 5 aangeduide misdrijven betreft, op allen toepasselijk is, die in de Nederlandsche koloniën of bezittingen in andere werelddeelen uit aldaar gevestigde ouders geboren zijn, derhalve op nagenoeg de geheele Inlandsche en daarmee gelijkgestelde bevolking van N. I.
Nu zijn artt. 5 en 83 ongetwijfeld bestemd om alom (ook
— 116 —
buiten het Rijk in Europa) te gelden en een wet op het Nederlanderschap evenzoo, gelijk ik reeds betoogde. De strafwet van Nederland zou dus eigenlijk op de Inlanders toepasselijk zijn, zelfs in de koloniën; maar ik wil nu niet eens zoover gaan; in elk geval zal men echter moeten toegeven dat de wetten op het Nederlanderschap den Nederlander, waar hij gaan moge, volgen en evenzoo artt. 5 en 83 van het Nederl. Strafwetboek; dat dus de Inlander, zoodra hij buiten Ned. Indisch (jebied komt, onderworpen is aan de Nederlandsche strafbepalingen in gemeld art. 5 aangeduid en dus strafbaar is en voor den Nederlandschen rechter kan worden terechtgesteld wegens bigamie op Portugeesch Timor gepleegd, hoewel in ons Indisch Strafwetboek voor Inlanders daartegen geen straf is bedreigd.
Een andere verwarring en onvastheid van beteekenis zullen wij als gevolg der nieuwe regeling van het Nederlanderschap opmerken bij lezing van het Indisch Regeeringsreglement.
Zooals wij reeds zagen, bepaalt art. 107 van dat Reglement, dat het onder Nederlanders verstaat hen, die het zijn volgens de wetten van het Koninkrijk. Daaruit volgt onvermijdelijk dat het ook onder „vreemdelingenquot; — als dit woord in tegenstelling niet met ingezetenen, maar met Nederlanders wordt gebruikt — hetzelfde verstaat als de wetten des Koninkrijks in Europa.
Nu staat in art. 108 alinea 2 vreemdelingen ongetwijfeld tegenover Nederlanders; immers de kwestie van al of niet uitleveren staat in verband met liet al of niet lid zijn van den staat, niet alleen volgens algemeene beginselen, maar ook naar de opvatting, die in de regeling der uitlevering voor Indië wordt gehuldigd (zie art. 16 van Stbl. 1883 n0. 188).
Het Nederlander- en vreemdelingschap, voorzoover betreft uitlevering, behoorde dus volgens artt. 107 en 108, al. 2 voormeld door de Nederlandsche wet te worden beheerscht. In strijd daarmee hebben Stbl. 1883 n0. 118 en 1895 n0. 62 afzonderlijk geregeld, wie als Nederlanders worden beschouwd, voorzoover uitlevering betreft.
— 117 —
Aan Nederlanders, die vergunning tot vestiging in X. I. verkregen, kan niet dan in het geval en op de wijze, bij art. 45 vernield, liet verblijf in N. I. worden ontzegd, bepaalt art. 105 R. R. in de laatste alinea. Leest men hierbij art. 45, dan komt men ook weer tot raoeielijke kwesties met liet oog op art. 107. Het verband dier bepalingen geeft aanleiding — hoewel ik de mogelijkheid eener andere uitlegging niet bestrijd— daaruit te lezen: allen, die zich van elders in N. I. willen vestigen, hebben daartoe vergunning noodig; zonder deze kunnen zij, op grond van ontstentenis daarvan, worden verwijderd; hebben zij wél vergunning dan kunnen zij,Nederlanders zijnde, alleen verwijderd worden zooals in art. 45 is vermeld en mag hun het verblijf dus niet worden ontzegd als zij in Indië geboren zijn. Inlanders, die Indië met-der-woon verlaten hadden, en terugkomende zich dus ran elders hier komen vestigen, hebben volgens al. 1 van art. 105 vergunning noodig, behooren in den zin der wetten van liet Koninkrijk tot de vreemdelingen en dus volgens art. 107 ook in den zin van art. 105, al. 2 en 3; zij mogen dus blijkens al. 3 worden uitgezet, ook al zijn ze hier geboren. Personen, die niet mogen worden uitgeleverd, zouden daardoor der vreemde justitie toch in handen kunnen worden gespeeld, en de Inlander, geen Nederlander zijnde, zou het onvoorwaardelijk recht om in Indië te blijven verliezen. — Mocht men bovenstaande lezing der artt. 105 en 107 niet willen volgen, dan zal mede toch deze konklusies in elk geval als juist moeten erkennen, wanneer de Inlander toevallig buiten Indië geboren is, want niets belet dan zijn uitzetting, al mogen zijn voorouders gedurende 100 achtereenvolgende geslachten in Indië geboren zijn en onafgebroken gewoond hebben.
Neemt men nu nog in aanmerking, dat zelfs binnen den Indi-schen Archipel niet alles tot Nederlandsch-Indië behoort en onze Inlandsche onderdanen dikwijls toeven in Singapore, Timordehli en Duitsch Nieuw-Guinea, dan zal men moeten toegeven, dat het in deze opzichten voor den Inlander volstrekt niet onverschillig is of hij Nederlander, lid van het Rijk, dan wel, om met Mr. Beven te spreken, slechts onderboorige van dat Rijk is.
Voudelingen ea verlaten kinderen zijn er in Indië, wat de nationaliteit betreft, al bizonder vroolijk aan toe. Zij zijn geen Nederlanders volgens de wet van \'92 en dus volgens art. 12 dier wet vreemdelingen.
Dat zij Inlanders zijn kunnen zij evenmin bewijzen. Dus zullen zij het hier, in deze onbeschaafde wereld, maar zonder staatsverband moeten doen, niet alleen, maar zelfs de den „onderhoorigenquot; toegestane bescherming moeten derven.
In een dergeljjken toestand verkeereu de na 1 Juli 1893, het tijdstip van inwerkingtreding der gemelde wet, door den Goeverneur-Generaal krachtens het slot van art. 109 R. R-met Europeanen gelijkgestelden.
Zij onder deze gelijkgestelden, wien dit vóór dat tijdstip te beurt viel, waren volgens titel II van het Burg. quot;Wb.j die toen nog gold, Nederlanders en daar zij niet behoorden tot de in de overgangsbepaling uitgezouderden, maar tot de met Europeanen gelijkgestelden, verkregen zij krachtens deze cv. bep. het „vollequot; Nederlandschap in den zin der wet van \'92. Mr. Johan Lee, die vóór den 1™ Juli 1893, reeds coor den G. G., „uitzondering makende op den regel, vervat in do 4° alinea van art. 109 R. R., wat rechten, lasten en verplichtingen betreft, geheel en al met Europeanen, gelijkgesteldquot; was geworden, (zie Ind. Stbl. 1891 no. 221), was dus vóór dien reeds Nederlander in den zin van het Ned. B. W. en zou, ook zonder naturalisatie, ingevolge de ov. bep. Nederlander zijn gebleven.
Daarentegen zijn zij, die na 1 Juli 1893 werden gelijkgesteld, daar zij door de afschaffing van artt. 5 t/m 12 Ned. B. AV. in verband met de overg. bep der wet van\'92 hadden opgehouden Nederlanders te zijn, ook geen Nederlander na hun gelijkstelling, daar deze op het aliof niet Nederlander zijn geen invloed heeft. Ook zij zijn noch lid, noch onderhoorige van den Nederlandschen Staat en worden dus door hun promotie tot Europeanen tevens bevorderd tot het door Laurent zoo aangenaam gekwalificeerde „heimatlosatquot; (zie voren blz. 83), tot de vreemdelingen in N. Indië.
Men zou dus deze gelijkgestelden, tot dusver gewoonlijk als
— 119 —
Staatsblad-Europeanen aangeduid, kunnen onderscheiden in Staatsblad-Nederlanders (de oude garde) en Staatsbladvreemdelingen (de na 30 Juni \'93 gelijkgestelden). Ook door een huwelijk met één dezer laatsten verliest de Kederlandsohe vrouw haar Nederlanderschap zonder daardoor tevens in een ander staatsverband over te gaan.
Laat ons nu eens nagaan welke gevolgen de nieuwe regeling van het Nederlanderschap heeft bij gemengde huwelijken.
Art. 5 zegt: „de vrouw volgt staande huwelijk den staat vau haren manquot;. De Inlandsche vrouw, met een Nederlander getrouwd, is dus rechtens ten volle Nederlandsche. Wat het recht betreft is zij onderworpen aan de burgerlijke en handelswetgeving van haar man, overigens is zij van rechtstoestand Inlandsche. Dit is op zichzelf duidelijk en goed: het Nederlanderschap en vreemdelingschap is een onderscheiding, die niet samenvalt met de andere in Europeanen en Inlanders. Dit neemt echter niet weg dat, nu de wet eenmaal bij beide onderscheidingen de Inlanders als zoodanig aan gene zijde stelt, onwillekeurig het ton opzichte van de eene onderscheiding ophouden van Inlandsche te zijn, zal worden verward niet het in het tweede ojjzicht ophouden Inlander te zijn. quot;Wanneer Inlanders e. d. g. g. geen Nederlanders zijn en deze vrouw Nederlandsche wordt, derhalve ophoudt Inlandsche te zijn — zoo zal men gaan redeneeren — kan zij ook niet meer onderworpen zijn aan de rechten, lasten en verplichtingen der Inlanders.
De redeneering zou fout zijn, maar het blijft waar dat het vreemd klinkt dat een vrouw, volgens de tegenwoordige regeling Nederlandsche, en toch Inlandsche kan zijn. Door het Nederlanderschap voor het ycmsche Rijk te regelen en alle vaste ingezetenen, van ouder op ouder in N. I. wonende, Nederlander te noemen, ware dit vermeden: men zou dan Euro-peesche en Inlandsche Nederlanders hebben als twee groote kategorieën; het huwen zou geen verandering van staat te weeg-brengen en dus geen schijnbaar recht op het volgen van den rechtstoestand van den man, dan voorzoover dit (ten opzichte van burgerlijk- eu handelsrecht) uitdrukkelijk is bepaald.
— 120 —
Een ander zonderling gevolg der tegenwoordige regeling zou dan tevens vermeden worden, n. 1. dat de Europeesche vrouw, die met een Inlander of d. g. g. huwt, diens staat volgende volgens art. 5, vreemdelinge wordt, immers haar man is dit volgens art. 11.
Yolgt hieruit dat zij ook Inlandsche wordt? M. i. niet, omdat de onderscheiding van Eur. en Inl. niet te maken heeft met het staatsverband. Wel echter zou zij naar de onderscheiding van Mr. Beven, in plaats van lid, voortaan ^onderhoorigequot; zijn van het Kijk, maar de wet kent die hoedanigheid niet, en noemt haar evenals 75quot; 0 der vaste ingezetenen van het Rijk vreemdeling. Daar haar man, de vreemdeling, echter geen lid is van een anderen Staat, wordt zij ook heimatlos en staat zelfs nog bij hem achter, wanneer zij niet in onze koloniën of bezittingen geboren is, daar zij dan mag worden uitgeleverd, maar haar man niet.
Men zal dus bij zoodanig huwelijk het zonderlinge verschijnsel zien, dat dat de man om met de Nederlandsche vrouw te huwen, zich aan het grootste doel van haar recht moet onderwerpen, maar zij daarentegen door dat huwelijk tevens ophoudt lid te zijn van het rijk, dat dit recht vaststelde.
Art. 9 der wet geeft aan de Inl. vrouw, met een Nederlander gehuwd, het recht na de ontbinding van dit huwelijk — mits binnen één jaar — van het Nederlanderschap bevrijd te worden door formeel den wil daartoe te kennen te geven. Daardoor houdt zij op Nederlandsche te zijn en wordt zij vreemdelinge. Op dezelfde wijze kan de met een Inlander gehuwde Nederlandsche vrouw, na ontbinding des huwelijks weer Nederlandsche worden; haar kinderen zijn en blijven echter desniettemin Inlanders en vreemdelingen.
Stbl. 1883 No. 188 regelde wie ten opzichte van uitlevering als Nederlanders worden beschouwd, n. 1. in artt. 22 en volgende.
Het is, dunkt mij, al moge een weinig smokkelen geen kwaad kunnen, wel wat zonderling, als men met een vreemden staat een verdrag aangaat tot het uitleveren van vreemdelingen, van deze uitlevering ettelijke millioenen vreemdelingen uit te sluiten, door hen voor deze speciale gelegenheid als Nederlanders te
beschouwen. ^Xiet dat ik van alle Inlanders de uitlevering zou willen toestaan; ik wil slechts doen uitkomen, hoe onlogisch het ook hier weer blijkt de overgroote helft der vaste bevolking van het Rijk vreemdelingen in dat Rijk, niet-leden van den Staat te noemen.
In plaats van de vrij volledige regeling van dit gelegenheids-Nederlanderschap, vervat in art. Tl tot en met 26 der oorspronkelijke verordening, werd bij Ind. Stbl. 1895 no. 62 één artikel gesteld, luidende;
„Als Nederlanders beschouwt deze verordening hen, die het zijn volgens de Nederlandsche wet op het Nederlandschap en het ingezetenschap alsmede hen, die in de Nederlandsche koloniën of bezittingen in andere werelddeelen uit aldaar yeves-ticjde ouders zijn (jehoren.
„Allen die niet begrepen zijn in het eerste lid van dit artikel beschouwt deze verordening als vreemdelingen.quot;
De reden van deze verandering was, volgens het Koloniaal Verslag van 1895 (Hoofdstuk F. § 4, blz. 82) dat in do thans vervangen artikelen de omschrijving van het begrip „Nederlanderquot; overeenstemde niet de bij de wet van 12 Dec. \'92 afgeschafte artikelen van den 2en titel, Ie boek van het Ned. weshalve een wijziging w^erd noodig geacht.
Men heeft deze wijziging aangebracht door de bewoordingen van de slotbepaling der wet van \'92 over te nemen. Deze brengt n. 1. in al. 2, voorzoover uitlevering betreft, onder de Nederlanders ook „hen, die in de Ned. koloniën of bez. in andere werelddeelen uit aldaar gevestigde ouders zijn geboren.quot;
Hoewel zulk een omschrijving voor Nederland, waar zeer weinig Inlanders vertoeven en van hun uitlevering dus niet licht sprake zal zjjn, vcldoendf mocht worden geacht, is nu de omschrijving voor Indië wel wat heel sober en onvolledig gewwden en mag men daarin geen zeer gelukkige toepassing zien van bet Regeeriugsbeginsel, de wetgeving in moederland en koloniën zooveel mogelijk gelijk te doen luiden.
Zijn de vrouwen van hen, die slechts in den zin van Stbl. \'95 n0. 62 Nederlanders zijn, ook Nederlanders in den zin dier verordening ?
Zijn de vrouwen, die volgens dat Stbl. Nederlanders waren, maar met vreemdelingen huwden, in den zin van die verordening Nederlanders gebleven, of moet art. 5 der wet van \'92 analogice worden toegepast? Men kan hiertegen aanvoeren, dat men een Nederlandsche hier niet afgekondigde wet moeilijk kan toepassen, waartegenover weer staat dat Ind. Stbl. \'95 n0. 62 zelf naar deze wet verwijst, maar ook dit laatste argument houdt weer geen steek: art. 25 van Stbl. 1883 n0. 188, dat behoorlijk in de kwestie voorzag, is uitdrukkelijk vervangen, dus afschaft en art. 5 der Ned. wet is niet daarvoor in de plaats getreden, dan voorzoover do eigenlijk gezegde Nederlanders betreft.
Hoe gaat het speciale Nederlanderschap van deze verordening verloren? Hoe wordt het, verloren zijnde, weer verkregen?
Ziedaar vragen, die in de nieuwe regeling niet, in de ondc wel zijn voorzien.
Verscheidene personen, die volgens de oorspronkelijke artt. 22 t/m 25 als Nederladers werden beschouwd, zijn het niet meer volgens de bepaling, die Stbl. \'95 n0. 62 daarvoor in de plaats stelde. Een overgangsbepaling is niet gemaakt. Hebben nu zij, die volgens de vroegere, ruimere bepalingen reeds Nederlanders waren, deze hoedanigheid behouden, of zijn zij nu ook ten opzichte van de uitlevering vreemdelingen geworden ? Ik geloof het laatste, maar zekerheid is er niet.
In de lotgevallen der slotbep. van de wet op het Nederlanderschap en die der Ind. bepp. op het Nederlanderschap, wat uitlevering betreft, ziet men een zonderling krijgertje-spelen der verordeningen. In de slotbepp. werd opzettelijk een verandering aangebracht, waardoor in afwijking van de Nederlandsche wet een uitbreiding werd gemaakt voor Inlanders om zoodoende hun uitlevering in Europa gelijk te regelen met die in Indië, waar daaromtrent met den gewezen IIen titel van het BW. overeenstemmende bepalingen bestouden. Men wilde dus de Ned. wet, wat uitlevering betreft, met de Indische regelingen doen overeenstemmen; en eenige jaren later schafte men de Indische bepalingen weer af omdat ze niet met de Nederlandsche overeenstemden (en vollediger waren ?).
— 123 —
Zal den eerstvolgenden keer de iSTederlandsche wet weer aan de beurt zijn om te worden gewijzigd?
„Men moet. maar hopen,quot; zeide het Lid Belaerts van Blokland bij de behandeling der wet in de 2° Kamer, „dat wanneer er eenmaal door middel van dit wetsontwerp gebroken is met het dubbele Nederlanderschap, later gemakkelijker bij novelle zal kunnen worden voorzien in de praktische leemten en bezwaren, die de nieuwe regeling mocht opleveren.quot; (1)
Moge deze hoop verwezenlijkt worden!
Of ook in het moederland de nieuwe regeling praktische leemten en bezwaren oplevert en, zoo ja, welke, laat ik daar; maar ik meen dat uit het vorengaande dan toch voldoende blijkt, dat de regeling voor een ander deel van het Koninkrijk wel degelijk leemten en bezwaren meebrengt; dat het liier niet louter geldt een woorden- of namen-kwestie, maar een principieele vraag, die door een onlogische oplossing tot verwarring en moeielijkheden in de praktijk aanleiding moet geven.
Mocht het zoover komen, dat men het Nederlanderschap op nieuw wil regelen en wel op een minder bekrompen grondslag, dan zal met het oog op X. Indië, dunkt mij, op het volgende moeten worden gelet.
Er zijn gedeelten van Indië, zelfs in onze „interessen-sfeerquot;, die geheel onafhankelijk van ons zijn, of wel alleen in bondgenootschap tot ons staan. Andere Inlandsche staten, die onze soevereiniteit erkenden, genieten nog zeker zelfbestuur.
De inwoners der laatste behooren volkenrechtelijk onder onze bescherming te staan en evenzoo de eersten, voorzoover zij niet of onder het bestuur of onder het protektoraat eener andere Euro-peesche mogendheid verkeeren. Immers dit volgt uit het feit, dat wij de hoofd-okkupanten zijn van den Archipel, en bovendien uit de verbonden met bijna alle staatjes in dezen Archipel gesloten, waardoor ons alom de hegemonie toekomt en de beheersching der betrekkingen met den vreemde.
Evenwel kunnen de inwoners dezer staatjes niet als Neder-
(1) Wetg. biz. H5.
— 124 —
landers worden beschouwd, daar Nederland, moge het politiekeu invloed over hen oefenen, zijn staatstaak niet tot hen uitstrekt en zij dus niet in liet staatsverband zijn, zelfs waar de hoofden dier staatjes de Federlandsche soevereiniteit hebben erkend en als leenvorsten bewind voeren. Is de aard van den leenvorst die eens landsdienaars geworden, die namens- en volgens de bevelen van den Staat bestuurt, dan doet het er natuurlijk niet toe of hij in naam vorst is gebleven.
Ik zou dus het Nederlanderschap slechts willen toekennen aan hen, die naar de beginselen der wet van 92 dit zouden zijn, als daarin onder „het Rijkquot; werd verstaan: het grondgebied in Europa eu dat buiten Europa, dot onder rechtstreeksch Nederlandsch bestuur is gebracht.
Daarnaast zou men dan een Xederlandsch protektoraat kunnen aannemen voor alle overige Inlanders, die in geen politieke betrekking staan tot eenige andere Europeesche mogendheid.
liet valt echter niet te ontkennen, dat de afscheiding, aldus gemaakt tussschen Inlandsche Nederlanders enlnlandsche vreemdelingen, moeilijk zou zijn vol te houden. In sommige gedeelten van N. Indië is de bevolking zeer vlottend en stoort zich weinig aan de grenzen tusschen ons en vreemd gebied. Die grenzen \'ïijn ook soms ethnologisch weinig geprononceei\'d en meer het gevolg van veroveringen enz. dan van de afscheidingen, die taal, zeden enz. meebrengen.
Op Zuid-Celebes bestaat ons gebied b. v. uit stukken, die allengs van Boné, Goa enz. zijn afgenomen. De daardoor ontstane grenzen scheiden soms naburen, die meer overeenkomst met elkaar hebben, dan met andere volken binnen datzelfde gebied (Hoegineezen en Makasaren in ons gebied verschillen meer dan de Boegineezen aan de eene en aan de andere zijde der Tangké bij Balangnipa, waar de grens is tusschen ons en Boné).
Men zal bovendien opmerken, dat bij Inlanders, die lang in ons gebied vertoeven of daar reeds van ouder op ouder wonen, naast een bewustzijn van plaatselijke verschillen, een zeker gevoel heerscht van éénheid onder het Nedorlaudsch gezag van al wat Inlander is. Een Inlander, die van buiten
— 125 —
ons rechtstreeksch gebied zich daarbinnen vestigt, heett niet het gevoel van vreemdelingschap, dat een Xedeilander in Frankrijk; heeft. Hij is in zijn land, hij went en hecht zich spoedig aan de instellingen van het Groevernement.
Daarom zou het overdreven zijn hun lidmaatschap van den Staat afhankelijk te stellen van het in ons rechtstreeksch gebied gevestigd zij a gedurende twee geslachten. In elk geval ware het m. i. voldoende, als zij in dat gebied geboren en daar blijvend gevestigd waren, en zelfs zou liet dunkt mij voldoende zijn, als zij daar gedurende geruimen tijd gevestigd waren b. v. gedurende 10 achtereenvolgende jaren, met het kennelijk doel binnen ons gebied te blijven.
Deze vrijgevigheid moest zich ook uitstrekken tot Inlanders afkomstig van buiten ons gebied, die in jST. I. staatsdienst zijn en als zoodanig meer dan f 15.— maandelijksche bezoldiging genieten.
Wat de vreemde Oosterlingen betreft, men zou voor deze vreemdelingen minder vrijgevig moeten zijn, niet alleen omdat zij niet tot liet inheemsche volk van onzen archipel behooren, maar ook omdat de ekonomische toestanden dit niet meebrengen. Vóór ik echter hierover verder spreek, zal het dienstig zijn eerst de bepalingen omtrent het ingezetenschap te bel\'indelen.
TWEEDE AFDEELING.
INGEZETENSCHAP.
Men heeft ook hier weer te onderscheiden tusaehen het Kijk (in Europa) en „zijn koloniën of bezittingen in andere werelddeelen,quot; zooals blijkt uit art. 13 der wet 12 December 1892, die evenals het Nederlander-, ook het ingezetenschap alleen voor het rijk in Europa regelt.
Wij moeten dus uit het Regeerings-Reglement zien wie ingezetenen zijn. In art. 106 wordt daar bepaald:
„Ingezetenen va» Ned. Indi\'e zijn, behalve de inboorlingen des lands, allen die op den voet, hij het vorig artikel bepaald, hun verblijf in Ned. Indië gevestigd hebben.quot;
De Regeering, deze bepaling voorstellende, zcide dat zij was overgenomen van art. 4 der (Ind.) Alg. Bep. v. Wetg. (Keuchenius II blz. 21), dat echter luidt:
{Alg. Bep. art. 4.) „Onder de benaming van ingezetenen van Ned. Indië verstaat de wet alle Nederlanders, inwoners zijnde van Ned. Indië; voorts de landzaten of inboorlingen van de eilanden van den Indischen Archipel, voorzoover deze tot Ned. Indië be hoor en; en eindelijk alle personen, onverschillig van welken landaard, die met toestemming der Regeerinj hunne woning binnen Ned. Indië gevestigd hebben.quot;
Geen wonder dat in de afdeelingen der 2e Kamer deze wijze van „overnemenquot; eenige bevreemding wekte en deed vragen: „waarom zich dan niet aan de bewoordingen van dat artikel (4 A. Bep.) gehouden, die van den hier voorkomenden tekst aanmerkelijk afwijken?quot; (Keuch. II, 151).
Het antwoord luidde: „Die afwijking lost zich intusschen in niets anders op dan in een verbetering van redactie, vooral gelegen in weglating van hetgeen overtollig scheen.quot; (Keuch. II, 295).
Terzelfder plaatse verklaarde de Regeering:
W. en A. Bev. 4 11
— 128 —
dat degenen, die een akte van tijdelijk verblijf hebben erlangd, wol onder de ingezetenen begrepen zijn en art. lOfi (vroeger 96 en 102) juist dient om door de algemeene strekking der daarin gegeven definitie allen twijfel daarover weg te nemen; en;
„dat hier van inboorlingen en niet van Inlanders gesproken wordt, is het gevolg van de noodzakelijkheid om de r/camp;oor^e als kenmerk van het ingezetenschap duidelijk te doen uitkomen; ware er van Inlanders gesproken, de daarmee gelijkgestelde personen hadden uitdrukkelijk moeten worden uitgesloten.quot;
Naar aanleiding van deze gegevens doen zich enkele vragen voor en wel vooreerst of art. 4 Alg. Bep. nog geldt naast art. 10(J li. R.
Ik geloof dat hierop niet anders dan ontkennend kan worden geantwoord. Beide artikelen bepalen in het algemeen — niet met het oog op een bizonder onderwerp — wie ingezetenen zijn, en dan moet van twee wetsbepalingen van gelijke strekking de oudste worden geacht door de jongere te zjjn afgeschaft.
Een tweede vraag is: moeten zij, die ingevolge art. 1 van de Staatsbladen 1872 No. 38 en 40 een toelatingskaart voor zes maanden hebben gekregen, ook als ingezetenen worden beschouwd? Men kan hierop ontkennend antwoorden op grond dat zij niet hun verblijf in K. I. gevestigd hebben op den voet bij art. 105 R. R. bepaald, zooals art. 106 vereischt, want daarvoor zouden zij moeten hebben de schriftelijke vergunning tot vestiging bedoeld in Stbl. 1872 No. 38 art. 4 en No. 40 art. 8.
Hiertegenover staat echter, dat blijkens de bovenaangehaalde woorden der Regeering, do bedoeling was het ingezetenschap ook toe te kennen op grond van een akte van tijdelijk verblijf, die evenmin gelijkstond met een vergunning tot vestiging, en voorts, dat blijkbaar het feit der vestiging als maatstaf werd bedoeld, mits zij niet onwettig was. Ik zou daarom het ingezetenschap aan hen, die een toelatingskaart hebben, willen toekennen, voorwaarclelij 1c d. w. z. voorzoolang en voor zoover hun toelatingskaart hen daarvoor in aanmerking brengt en zij van die toelating gebruik maken om werkelijk in N. I. te verblijven, Is de termijn, waarvoor de kaart geldt, ver-
— 129 —
streken en niet verlengd, dan houdt het ingezetenschap op; evenzoo wanneer de toelatingskaart wordt ingetrokken (art. 2 der gemelde Staatsbladen). Deze opvatting strookt met art. ö van Stbl. \'7 J ISTo. 88 en art. 4 van Stbl. \'72 No. 40, dat do verwijdering ook alleen in deze gevallen toelaat.— De vraag is van belang omdat voor de Verwijdering van ingezetenen andere eischen worden gesteld.
De derde vraag is: wat bedoelde men met inboorlincjen \'f Vallen daaronder alleen de lieden van het inheemsche ras, of ook de hier geboren afstammelingen van vreemdelingen;-\'
De uitgebreidere opvatting is dunkt mij in strijd met het spraakgebruik. Althans ik heb nog nooit gehoord dat de hier geboren Europeanen als inboorlingen van I. werden beschouwd. Men zal wel zeggen, dat de laatstaangehaalde woorden des ministers (dat deze term is gekozen om de geboorte als kenmerk van het ingezetenschap duidelijk te doen uitkomen) wijzen op een andere zienswijze; maar er staat niet dat de geboorte het eeniye kenmerk is en bovendien blijkt uit diezelfde woorden, dat de uitdrukking niet op Europeanen zag. Immers: daarin wordt toegeven dat in plaats van „inboorlingenquot; kon zijn gezegd: „Inlandersquot;, mits de met dezen gelijkgestelden uitdrukkelijk werden uitgesloten.
Dus: inboorlingen zjjn de Inla uiers, daaronder niet begrepen de in art. 109 al. 3 H. R. met hen gelijkgesteld en; welke gevolgtrekking geheel strookt met den natuurlijken zin der uitdrukking. In de toelichting des ministers is dan met „geboortequot; bedoeld : de afstamming. In art. 47 R. R. wordt dan ook gesproken van „personen binnen X. Indie geborenquot; en niet van „inboorlingenquot;, welke twee kategorieën het R. R. dus niet gelijk stelt.
Op grond hiervan meen ik, dat in art. 106 R. R. onder inboorlingen moeten worden verstaan alleen de in X. Indië geborenen, behoorende tot de oorspronkelijke bevolking des lands. Mr. Abendauon komt tot een ander besluit, maar zijn argumenten kunnen mij niet overtuigen. (1)
(1) /.ie ind. Wbl. v. h. R. Xo. 1383 1)1/.. 205, 3e kolom. Het Ie argument is dat art. 105 R. R. alleen van hen, die zich vut elders hier vestigen, daartoe schriftelijke vergunning vordert. Kunnen dan hier
— 130 —
Mag men op grond hiervan aannemen dat de met Inlanders gehjkgestelden alleen ingezetenen zijn van N. I., wanneer zij vergunning tot vestiging hebben verkregen, en dus zonder deze geen ingezetenen zijn, zelfs al zijn ze hier geboren en gevestigd?
Dit zou een te ver gaande konklusie zijn. Men moet m. i. onderscheiden degenen, die hier geboren zijn uit ouders, die vergunning hadden tot vestiging, en hen die uit niet wettig hier gevestigde onders voortsproten. De laatsten zijn m. i. geen ingezetenen; de eersten daarentegen wel, aangezien in de aan hun ouders verleende vergunning die voor hun afstammelingen moet worden geacht stilzwijgend te liggen opgesloten.
Het geval kan zich voordoen dat een ingezetene van N. I. tevens Nederlandsch Rijksingezetene is. De minderjarige n. 1., wiens vader Rijksingezetene is, wordt als zoodanig aangemerkt (art. 15 der wet van 1892). Men zou ook kunnen aannemen dat hij, als minderjarige het domicilie zijns vaders
geborenen niet van elders herwaarts komen? — Het 2e argument is dat krachtens art. 45/47 R. R. aan hier geborenen liet verblijf in N. L niet kan worden ontzegd. Zeer juist; maar art. 45 vlgd. spreken nergens van «inboorlingen;quot; gebruikte liet dit woord bij afwisseling met «inN.I. geborenen,quot; dan ware de redeneering eerst juist. — Een 3e argument is art. 4 der Ind. Alg. Bep., waar gesproken wordt van ^landzaten of inboorlingenquot;, waar Mr. A. sofquot; in disjunktieven zin schijnt op te vatten, zoodat de daardoor gescheiden woorden ieder iets anders zouden beteekenen. Echter werd »of\', vooral vroeger, dikwijls gebruikt tusschen twee woorden, die hetzelfde aanduiden, waar ten overvloede of ter verduidelijking beiden worden gebruikt; vooral moet dit in art. 4 A. B. de bedoeling zijn geweest, omdat het een opsomming geldt en daarbij «of alleen bij woorden van gelijke beteekenis en bij alternatieve vermelding wordt gebruikt, terwijl men anders tusschen de deelen der opsomming of een komma, of het woordje »enquot; plaatst (zie ook hierachter 3e noot blz. i35 sub 3o). Bovendien is het uit de woorden «onverschillig van welken landaardquot;, in het derde deel van het artikel duidelijk, dat de twee vorige deelen een onderscheiding maken met den landaard, ei; niet de geboorteplaats, tot maatstaf: het artikel spreekt successievelijk van I Nederlanders II landzaten of inboorlingen van N. 1. en III alle anderen, die zich hier wettig vestigden. Eindelijk, en dit doet de deur dicht, is art. 4 A. B. door art. 100 R. R. afgeschaft, zooals ik reeds betoogde.
— 131 —
volgende, hierdoor ophoudt ingezetene van N. I. te iiijn, maar ik geloof niet dat het dubbel ingezetenschap (n. 1. tegelijk in Nederland en in Indië) bezwaren oplevert en zou er daarom tegen zijn den minderjarige de aan het ingezetenschap verbonden rechten in het land zijner feitelijke inwoning te ontnemen.
De regiiling van het N. I. ingezetenschap laat aan volledigheid wel iets te wenschen over.
Vergelijken wij haar met art. 13 t/m 15 der Nederlandsclio wet, dan valt in de eerste plaats op, dat voor Indië niet gelijk voor Nederland een termijn is bepaald, gedurende welken men hier zijn woonplaats moet hebben gehad om ingezetene te worden. In het algemeen is dit geen bezwaar, daar de aanvraag om vergunning tot vestiging wel eenigen waarborg oplevert, dat men zich niet in het voorbijgaan hier ophoudt. Er zijn echter personen, die geen vergunning (althans geen schriftelijke) behoeven aan te vragen. Deze worden ook dadelijk ingezetene, al komen zij wellicht voor enkele dagen in Indië.
Verder is voor Indië niet bepaald hoe het ingezetenschap ophoudt. Het gaat echter niet aan daarom maar aan te nemen dat deze hoedanigheid niet kan verloren gaan, dat degeeu die wel eens zich met de vereischte vergunning in ÏT. I. heeft gevestigd, op grond daarvan nog ingezetene zou zijn, al liad hij daarna elders zich gevestigd en jarenlang gewoond. De woorden „hun verblijf binnen N. I. gevestigd hebbenquot; bedoelen ongetwijfeld oen voortdurenden toestand, niet een in het ver-ledene gelegen feit.
Deze bedoeling zou duidelijker uitkomen als het woord „gevestigdquot; was weggelaten, dat echter noodig was in verband met art. 105, waarnaar verwezen wordt en waarin een vergunning tot vestiging wordt gevorderd.
De vraag waardoor het ingezetenschap ophoudt wordt beheerscht door den aard van het ingezetenschap. Wanneer de voorwaarden, voor het bestaan van het ingezetenschap vereischt, ophouden vervuld te worden, is het ingezetenschap onbestaanbaar en wordt het dus opgeheven. Voor het bestaan van het ingezetenschap gelden de zelfde voorwaarden, als voor het omstaan daarvan, met dien verstande natuurlijk, dat die voor-
waarden moeten voortduren. Zij zijn een feitelijke: liet verblijven binnen L, en een juridische: dat dit verblijven geoorloofd is. Wanneer zij, die een vergunning tot vestiging behoeven er geen bezitten, of de hun verleende komt te vervallen door ontzegging van het verblijf (art. 45 R. II.), wanneer de termijn der toelatingskaart is verstreken, houden de betrokkenen op ingezetene te zijn, ook al blijven zij zich in Kquot;. I. ophouden; want de juridische voorwaarde voor hun ingezetenschap wordt niet meer vervuld.
Wat do feitelijke voorwaarde betreft: de aard van liet ingezetenschap is onvereenigbaar met het buiten X. I. verblijven en het verblijven binnen _X. I. mag, zooals ook Mr. Abendanon betoogt, niet worden verward met het krachtens een rechtsfiktie wonen (domicilie hebben) ergens waar men feitelijk niet is; want de wet geeft geenerlei grond om het begrip zóó uit te breiden en daardoor liet woord te beschouwen als in oneigenlijken zin gebezigd. Wonen, verblijven, vestigen zijn feitelijke begrippen, die zonder uitdrukkelijke bepaling niet in onfeitelijken zin mogen worden opgevat. Daarom heeft de Nederlandsche wet dan ook in art. 15 uitdrukkelijk bepaald, dat de minderjarige .Rijksingezetene is, wanneer zijn vader of voogd het is.
Bij gebreke van een dergelijke bepaling voor Indië mag dus als X. I. ingezetene alleen worden beschouwd hij, die werkelijk hier verblijf houdt.
Het spreekt echter van zelf dat niet elke afwezigheid, hoe kort ook, het ingezetenschap doet verliezen. Men kan in Indië blijven wonen, al verlaat men het tijdelijk (1). Ik geloof echter, juist om het feitelijke karakter van bet ingezetenschap, waarop ook Mr. Abendanon wijst, dat er een bepaald feit moet zijn, waardoor het wonen blijft voortduren en zonder \'t welk geen ingezetenschap bestaat.
Gaat iemand op reis buiten N. I., terwijl zijn gezin hier achterblijft, neemt hij dit gezin mee, maar houdt hij in Indië een ter bewoning gereed huis aan, of zelfs houdt hij zijn
(1) Dit volgt ook uit art. 16 Alg. Bep., dat spreekt van ingezetenen van N. I. die zich buiten \'s lands bevinden.
- 133 -
meubelen enz., maar aan, dan blijkt hieruit dat hii in Indië blijft wonen, en zijn -verblijf slechts tijdelijk onderbreekt.
Breekt hij daarentegen alles op om met zijn gezin Indië te verlaten, dan moge zijn voornemen nog zoo duidelijk op terugkeer gericht zijn, dit kan niet in de plaats\'treden van het feit, zoodat het ingezetenschap door ontstentenis van zijn feitelijk element ophoudt (1). ïen onrechte zegt Mr. Adbu-DAXON dus naar mijn opvatting, dat „uit de omstandigheden moet worden opgemaakt of zij, die N. I. verlaten, dit al dan niet doen met de bedoeling het ingezetenschap prijs te geven.quot; Hoogstens zou men mogen aannemen, dat als deze bedoeling niet blijkt, de afwezige recht op ingezetenschap blijft behouden, welk recht men echter moet onderscheiden van het feit, zooals Mr. A. ook opmerkt.
Ofschoon Mks. de Louter (2) en Abendakon evenals ik van meening zijn, dat ook voor de in Indië geborenen het ingezetenschap kan verloren gaan, moet ik hier een argument bespreken, dat men aan art. 106 R. R. zou kunnen ontleenen om de tegengestelde meening te verdedigen.
Bij oppervlakkige lezing van art. 106 R. R. zou men n. 1. kunnen meenen, dat daarin de inboorlingen des lands alsse ingezetenen worden beschouwd. Het daardoor afgeschafte art. 4 A. B. geeft nog meer aanleiding tot die meening. Daar heet het: „Onder de benaming van ingezetenen van N. 1.
verstaat de wet.......voorts de landzaten of inboorlingen
van de eilanden van den Ind. Archipel, voorzoover deze tot N. I. behoorenquot;, zonder dat behalve het inboorlingschap nog een feitelijk verblijf wordt geëischt. Wanneer men echter deze woorden leest in verband met de niet twijfelachtige beteekenis van het woord „ingezetenequot;, dan kan men moeilijk
(Ij Men kan liet voornomen om terug te keeren (animusrevertendi) hebben, hoewel men voor tal \\an jaren heengaat en alle sporen van inwoning verchvijnen. — In Bijblad 4702 wordt, naar mijn bescheiden meening ten onrechte, als maatstaf aangenomen ol\' men hier zijn domicilie behoudt.
(2) Handleiding St. en Adm. Recht v. N. L, 4e uitgave blz. 120.
— 134 —
in ernst volhouden, dat de wetgever bij Inlanders ingezetenschap mogelijk zou hebben geacht zonder verblijf binnen N.-Indië.
In elk geval, het afgeschaft art. 4 A. B. nu daargelaten, volgt zulk een opvatting volstrekt niet uit art. 106, dat daarvoor in de plaats kwam.
Het woord „behalvequot;, dat tot zeer verschillende opvattingen kan leiden, is daar al weer niet gelukkig gekozen. Wanneer men zegt: „leden der societeit C. zijn, behalve A. en. 2?., alle ambtenaren die zich te X hebben gevestigdquot;, dan beduidt die meestal dat A en B. geen loden zijn. Naar die meest gewone beteekenis zou men uit art. 106 R. R. moeten lezen, dat de inboorlingen geen ingezetenen zijn. Daarnaast wordt „behalvequot; (duidelijker: „buiten en behalvequot;) nog wel eens gezegd in de beteekenis van; „buitenquot;, „ongerekendquot;, „om niet te spreken
van.....quot;. Dit is blijkbaar de beteekenis, die wij hier aan
het woord moeten hechten; maar dan is dus de beteekenis! „ongerekend de inboorlingen des lands zijn ingezetenen van N. I., allen die...quot; enz. en dan is het duidelijk dat men in art. 106 het begrip ingezetenen alleen wilde definieeren ten opzichte van de niet-inboorlingen, en dus de definitie daarvan voorzoover inboorlingen betreft ontbreekt. Dat deze laatste achterwege bleef is zeker daaruit te verklaren, dat in 1854 de inboorlingen N. I. zelden of nooit verlieten, en te hunnen opzichte geen kwesties over al of niet ingezetenschap werden voorzien.
Dat ook voor alle hier geborenen het ingezetenschap ophoudt door buiten N. I. gevestigd verblijf, ligt dunkt mij, in den aard der zaak en wordt door de woorden der wet niet weersproken. Het lag ook in de bedoeling der Regeering, die de bepaling voorstelde, zooals volgt uit deze woorden, waarmee zij art. 105 (al. 1) verdedigde;
„De redactie van het artikel is, zegt men, te absoluut, mot het oog op personen, in N. I. geboren, die derwaarts terug-keeren.
„De Regeering wenscht de gekozen redactie te behouden, omdat er gevallen kunnen voorkomen waarin personen, tot de
— 135 —
hier bedoelde categorie behoorende, in het algemeen belang zouden moeten worden afgewezen.quot; (1)
Nu zal het wel geen betoog behoeven dat ingezetenen geen vergunning tot vestiging meer noodig hebben, en dat de hier geborenen dus volgons de Kegeering, als zij van elders (2) komen, geen ingezetenen zijn, derhalve die hoedanigheid hebben verloren door X. I. metterwoon te verlaten. Men voere niet hiertegen aan, dat volgens art. 7 van stbl. 1872 n0 38 in jN. I. geboren personen geen schriftelijke vergunning meer behoeven, want het bij dat staatsblad afgekondigd Koninklijk Besluit vermocht niet het bij de wet vasgesteld Regeerings-reglement te wijzigen. Dat art. 7 houdt een liberaliteit in, tengevolge waarvan de llegeering — zoolang de bepaling in stand blijft — zich verbonden heeft de in Indië geborenen per se toe te laten en zonder schriftelijke vergunning.
Deze maatregel is daarmee echter niet tot een fundamenteel beginsel van ons regeeringsbeleid verheven, art. 106 R. R. is er niet door aangetast en de Koningin kan zoodra Zij wil de toelating der hier geborenen, die van elders zich hier willen vestigen, weer afhankelijk stellen van een schriftelijke vergunning.
Ik moet hier ter loops wijzen op een asymmetrie tusschen Stbl. 1872 n0 38 en 40. Het laatste houdt in een ordonnantie van den Goeverneur-Generaal, vaststellende „bepalingen op de toelating in N. I. van Oostersche vreeindeliHcjen of met Inlanders gelijkgestelde personen, niet behoorende tot de ingezetenen van den iV. I. archipelquot;. (3)
(1) Zie Keuehenius II blz. 293.
(2) d. w. z. van buiten N. I. (zie Keuehenius [II blz. 743).
(3) Deze gecursiveerde woorden! geven te denken :
lo. Beduidt «Oostersche vreemdelingenquot; hetzelfde als: «vreemde Oosterlingenquot;? Ik meen dit te mogen aannemen.
2o. Onder deze vr. Oosterl. vallen, zoo ik op blz. 58 en vlgd. van mijn eerste opstel (dWet es Adatquot;) betoogde, vele inboorlingen, eigenlijk gezegde Inlanders, die dan zoo ze buiten N. I. (b. v. op Portugeescli Timor) geboren zijn in elk geval een schriftelijke vergunning tot vestiging zouden moeten vragen.
3o. Wanneer de uitlegging, die ik in de Ie noot op blz. 129 bestreed,
In deze ordonnantie komt geen artikel voor, overeenstemmende met evengemeld art. 7 (van stbl. \'72 n0. 38) Hieruit volgt dat van de hier bedoelde kategorie van personen, zelfs de hier geborenen slechts worden toegelaten na schriftelijke vergunning tot vestiging.
Blijkens don titel heeft de ordonnantie alleen betrekking op met Inlanders gelijkgestelden, dus op eigenlijkgezegde Inlanders alleen voorzoover zij op Java, Madoera en een deel van Sumatra ouder de vreemde Oosterlingen worden gerangschikt (op hen zal dus stbl. 72 n0. 40 al of niet toepasselijk zijn naargelang ze op genoemde plaatsen of elders aan wal stappen.)
Maar nu de overige Inlanders, onder welke bepalingen vallen deze, wat de toelating in Indië betreft?
Vóór de nieuwe wet op het Nederlanderschap vielen zij, als Nederlanders volgens het Ned. H. W. evenals trouwens een groot deel dor vreemde Oosterlingen, onder stbl. 72 n0. 38 zoodat stbl. 72 n0. 40 alleen sloeg op de niet hier geboren vreemde Oosterlingen. Thans zijn zij echter geen Nederlanders meer.
Ik weet er niets anders op dan met het oog op het t ijdstip der afkondiging van gemelde staatsbladen aan te nemen, dat het zelfde Koninklijk besluit op hen toepasselijk is gebleven, dat van de afkondiging af voor lion gold. Men zou de verklaring ook hierin kunnen zoeken dat in 1872 de toenmalige Grouverneur-Generaal de inboorlingen beschouwde als, ook wanneer zij zich buiten N. I. vestigden, steeds blijvende ingezetenen van N. I. Deze opvatting, die in strijd is met de bedoeling des wetgevers en met een gezonde opvatting van het begrip „ingezetenequot;, — zooals ik boven betoogde — zou echter geen officieel gezag hebben bij de interpretatie van een wet of koninklijk besluit en kunnen wij overigens, als reeds bestreden, terzijde laten. M. i. behooren in N. 1. geboren Inlanders dus krachtens art. 7 van stbl. 72 n0. 38 zonder schriftelijke ver-
juist was, Jan zouden ook liier de woorden, waartusschen «of staat,
niet hetzelfde beduiden en de vreemde Oosterlingen dus niet de met
Inlanders gelijkgestelde personen zijn. Wie zouden er anders mee bedoeld kunnen zijn?
gunning te worden toegelaten, wanneer zij van eltlers zich hier komen vestigen. De billijkheid brengt dan ook mee, dat zjj in dit opzicht hetzelfde voorrecht genieten als de hier geboi\'en Nederlandera.
Inlanders, die niet in N. Indië geboren en daar ook niet gevestigd zijn, moet men in den zin der wet beschouwen als vreemdelingen in de uitgebreidste beteekenis des woords, althans sinds de nieuwe wet op het Nederlanderschap in werking is getreden en zjj volgens de overgangsbepaling dier wet geen Nederlanders meer zijn. Zij mogen zich niet in N. I. vestigen zonder schriftelijke vergunning daartoe, zij mogen worden uitgeleverd en ook na wettige vestiging alhier mag hun het verbljjf in gansch N. I. worden ontzegd op don voet in art. 45 R. R. voor niet-Nederlanders vastgesteld. Daarentegen kunnen zij niet ingevolge art. 47 R. R. worden geïnterneerd.
Het is niet te verwachten dat de Indische Regeering van dit een en ander misbruik zal maken, maar de wetten, ook het Regeeringsreglement, zijn er nu eenmaal om dergelijke misbruiken, al worden ze niet verwacht, onmogelijk te maken; en dan is het, dunkt mij, wel hard dat aan een Inlander, die toevallig buiten N. 1. is geboren, het verblijf in zjjn land kan worden ontzegd en dat hij kan worden uitgeleverd; in deze opzichten zou bjj er beter aan toe zijn als zijn land een eigen staat vormde, die dan toch wel buiten \'s lands geboren kinderen van den landgenoot niet per se van het staats-lidmaatschap zou uitsluiten. De fout ligt hier uitsluitend in onze wet op het Nederlandschap, niet in de regeling van het ingezetenschap, dat met afstammig niets te maken heeft. Ook in Nederland houdt het Rijksingozetenschap op door vestiging der woonplaats buiten het Rijk en dit is zeer logisch, juist omdat het ingezetenschap een feitelijk begrip is, waaraan geen rechten zijn verbonden, die langer duren dan het feit waarop zijn berusten. —
Art. 5 A. B. dat bepaalt wie vreemdelingen zijn, is niet door het R. R. afgeschaft, zoodat het m. i. nog van toepassing is, althans voor de onderwerpen bij de wetgeving van 1847 geregeld; zoodoende heeft men evenals van Nederlanders,
— 138 —
ook van vreemdelingen in Indië eeaige soorten, die aanmerkelijk verschillen.
1°. zijn vreemdelingen volgens art. 12 der wet van 12 Dec. 92 allen, die volgens deze wet den staat van Nederlander niet bezitten en tengevolge van art. 107 R. R. geldt deze onderscheiding ook hier;
2°. zijn er vreemdelingen in tegenstelling met hen, die in zake uitlevering als Nederlanders worden beschouwd (zie stbl. 95 no. 62, al. 2 der nieuwe bepaling, vermeld hiervoren op blz. 121.);
3°. zijn volgens art. 5 der A. 13. vreemdelingen „dezulken, die geen ingezetenen van N. Indie zijn, uitgezonderd de Nederlanders en zij, die volgens de Nederlandsdie wetten als zoodanig zijn te beschouwen.quot;
Volgens deze laatste definitie kunnen dus zij, die de N. I. algemeene verordeningen als Nederlanders beschouwen, des ondanks toch nog vreemdelingen zijn.
Verder zou men volgens stbl. 1872 no. 40 nog kunnen spreken van Oostersche vreemdelingen, tegenover welke dan de Westersche vreemdelingen zouden staan.
Het begrip vreemdeling als zuivere tegenstelling van ingezetene vindt men niet gedefinieerd. Eigenlijk staat vreemdeling dan ook tegenover lid van het staatsverband, en kan een ingezetene zeer goed vreemdeling zjjn, zooals dan ook uit een vergelijking van artt. 12 en 13 der Ned. wet van \'92 blijkt.
Daarom moet men er zich voor hoeden aan het ingezetenschap voorstellingen te hechten, die het zouden doen gelijkstaan met het lidmaatschap van den staat; het staatsverband^ zooals dit lidmaatschap pleegt te worden aangeduid.
Ik geef\' toe, dat de wettelijke bepalingen daartoe wel eens aanleiding geven; maar toch is, naar mijn bescheiden mee-ning, onjuist wat Mr. Abendanon zegt:
„Wordt het staatsverband der individuen elders bepaald door de nationaliteit, in de Nederlandsche koloniën is het ingezetenschap als het criterium te beschouwen. Behoudens de enkele uitzonderingen, waarop bereids gewezen werd.
— 139 —
bestaat uit een publiekrechtelijk oogpunt tusschen Nederlanders en niet-Nederlanders in de koloniëi) geen onderscheid, indien beiden het ingezetenschap zijn deelachtig geworden. Nederlanders zoowel als vreemdelingen komen bij het verkrijgen van het ingezetenschap dadelijk in dezelfde staatsrechtelijke verhouding tot de koloniale Regeering, zonder dat de nationaliteit kan worden ingeroepen. Met opzet is de uitdrukking „staatsrechtelijke verhoudingquot; gebezigd omdat de Regeerings Reglementen den ingezetenen zonder onderscheid verplichtingen opleggen, welke elders alleen voor eigen onderdanen bestaan, zooals het deelnemen aan schutterijen of andere gewapende vereenigingen, het vragen van erkenning van Europeesche titels van adeldom en van verlof tot het aannemen van vreemde ordeteekenen, titels, rangen of waardighedenquot; (1) (zie artt. 114 R. R.)
De door Mr. A. tot toelichting van zijn meoning aangehaalde voorbeelden gaan, n. m. b. m., niet op. Wat het deelnemen aan de schutterijen betreft, ik zie niet in, waarom alleen aan hen, die tot het staatsverband behooren, de taak kan worden opgelegd mee te werken tot bewaring der orde en rust in het land, waar zij van die orde en rust evengoed profiteeren.
Gelijk zij mede belasting opbrengen voor dat doel, kan hun ook een last in den vorm van persoonlijken dienst daarvoor worden opgelegd. In zoover als hierdoor een verhouding tusschen den Staat en de individuen ontstaat, mag men die wel een staatsrechtelijke noemen, maar hieruit volgt nog niet, dat deze individuen tot het staatsverband behooren.
Ook tusschen vreemdelingen en den Staat, voorzoolang zij zich op diens territoir bevinden, bestaat een verhouding, die voor de eersten verplichtingen meebrengt; b. v. de verplichting om te getuigen. Het staatsverband heeft daarmee niet te maken, en wanneer in de bovenaangehaalde woorden van Mr. A. met „elders\'\'\' bedoeld wordt: buiten deze koloniën, dan moet ik toch opmerken, dat in Nederland volgens art. 177 der Grondwet van 1S4S het dragen der wapenen tot handhaving der onafhan-
(1) Zie Ind. Wbl. no. 1384 blz. 1, 2e kolom.
— 140 —
keljjkheid van dea Staat „een der eerste plichten van alle ingezetenenquot; was (waaruit men dan zou mogen afleiden dat ook in Nederland liet ingezetenschap het criterium van liet staatsverband was?!) en volgens de thans geldende redaktie (art. 180) yjooli aan ingezetenen, die geen Nederlanders zijn\'\'\' de plicht kan worden opgelegd „mede te werken tot handhaving der onafhankelijkheid van het Rijk en tot verdediging van zijn grondgebiedquot;.
Wat art. 114 R. R. betreft, het is dunkt mij rationeel dat, wien liet ook gelde, de Staat binnen zijn gebied geen vreemden adeldom erkent, dan als de Koningin die heeft verleend en het dragen van vreemde ordeteekenen enz. slechts toelaat als de Koningin daartoe verlof gaf. Zoolang adeldom, ridderorden en dgl. nog eenige beteekenis hebben, is zulk een bepaling noodig om te voorkomen dat er de klad in komt of misbruik van wordt gemaakt. Ook in deze bepaling zie ik dus geen aanleiding om voor Indië staatsverband en ingezetenscnap als gelijkheden te beschouwen.
Het is echter een feit, dat er groote en zeer verklaarbare verwarring heerscht ten opzichte van alles wat Nederlanderschap en ingezetenschap van N. I. betreft. Zij i» een gevolg van het feit, waarop ik reeds wees, dat men dergelijke aangelegenheden van algemeen Rijksbelang van een eenzijdig en kleinlandsch standpunt beschouwd en geregeld heett, zonder zich voldoende rekenschap te geven van de omstandigheid, dat de grootste helft van het Rijk buiten Europa ligt. ^u de inwoners van die grootste helft zijn uitgesloten van liet Ne-derlandsch staatsverband en het zelfs vóór 1892 betwjjfeid werd of zij daartoe behoorden, werd het wel noodzakelijk—en steeds meer door de toeneming van het internationaal verkeer — naar een anderen grondslag om te zien voor de beoordeeling der kwesties van internationaal belang. Terwijl men docr excep-tioneele bepalingen een paar soorten van gelegenheids-Nederlanders in het leven riep, die overigens vreemdelingen zijn, wierp men zich in andere opzichten op het ingezetenschap van N. Indië als criterium voor de internationale bemoeienissen van den Staat.
— 141 —
Hot is zeer goed te begrijpen, dat dit middel werd aangegrepen om tot een uitkomst te geraken. Maar is het juist?
Ik kan niet anders dan ontkennend hierop antwoorden. Hot zou, zooals ik op blz. 113 betoogde, zeer wel mogelijk zijn Nederland en ISquot;. Indië tot twee onder één oppergezag vereenigda staten van een statenbond of bondstaat te verheffen en dan voor elk een afzonderlijk staatsverband aan te nemen naast een aan beiden gemeen rijksverband.
Ik wil dus het scheppen van een afzonderlijk Indisch staatsverband niet als een onmogelijkheid voorstellen, maar wel kom ik er tegenop dat men, zoolang dit niet bestaat, eenvoudig als zoodanig beschouwt liet ingezetenschap. Dit is niet alleen in strijd met de wet, maar ook praktisch onhoudbaar. Het staatsverband, dat iemand volgt waar hij ook gaat, dat het landskind alom in den vreemde op bescherming aanspraak geeft, dat den Staat kan dwingen tot groote geldelijke otters ja tot het in do waagschaal stellen van menschcnlevens om die bescherming uit te oefenen, mag niet worden aangenomen . p zoo onbeduidende gronden als het ingezetenschap oplevert. iSroch het feit der vestiging, noch de vergunning daartoe, leggen een hechten band, die staatsbemoeienis buiten het staatsgebied rechtvaardigen kan. Men zou ook tot allerlei moeilijkheden komen, want het ingezetenschap houdt op als de vestiging ophoudt. Nu zal (b. v.) een Chinees uit N. I. gaan met het plan in Siam inkoopen te doen. Hij houdt zijn woning hier aan en blijft dus ingezetene. Maar na eenigeu tijd ziet hij van terug-keeren af. Hoe zal nu vaststaan, wanneer wij moeten ophouden hem als ingezetene te beschermen?
Een ander geval: Een Hombaijer vestigt zicli met de noo-dige vergunning in N. I. Na eenigeu tijd gaat hij voor zijn handel naar Hritsch Indië en roept daar de hulp in van den Nederlandschen consul. De Britsche Regeering -zal dan zeker diens tusschenkomst afwijzen, tenzij de Bombaijer heeft opgehouden lid van den Britsciien staat te zijn door in het Neder-landsch staatsverband over te gaan, en als onze consul voor zijn bemoeienis geen ander argument kan aanvoeren, dan dat de Bombaijer ingezetene van N. I. was, terecht zich daaraan
— 142 —
niet storen. Iletzelfde zou kunnen gebeuren met een Chinee-schen ingezetene van iNquot;. I. in China, met een Spaanschen ingezetene van K I. in Manila, in Madrid, ja overal waar Nederland buiten zijn eigen territoir zich met de aangelegenheden van niet-Nederlanders bemoeide, behalve, natuurlijk, wanneer de staat, tot welken de vreemdeling behoorde, aan den Keder-landschen consul met goedvinden der JNederlandsche Regeering had opgedragen de belangen van zijn onderdanen te behartigen, of\' wanneer Nederland uit vriendschap tot een vreemden staat zich het lot van diens onderdanen in den vreemde in eenig bizonder geval aantrok. Dan zou echter die opdracht of vriendschap en niet liet N. I. ingezetenschap de grond zijn van de bemoeienis der consuls (1).
Alleen wanneer het één soort vreemdelingen betrof, zouden wij minder kans hebben, dat onze tusschenkomst buitenslands werd afgewezen. Ik bedoel de Inlanders. Maar waarom? Omdat de vreemde staat wel niet zal twijfelen of dezen, van ouder op ouder inwoners van het staatsgebied des Koninkrijks der Nederlanden, behooren tot ons staatsverband. Is het dan echter rationeel dat wij, deze opvatting door onze daden bevestigende, niettemin deze menschen niet leden van ons staatsverband noemen, dat de consuls van het Rijk zich bemoeien met de zaken van vreemdelingen, die zelfs geen ingezetenen des Rijks meer zijn, en dat de Nederlandsche vloot zoo noodig nadruk daaraan geeft? Want het is steeds het Rijk dat in deze handelt, de consuls, de diplomatie, de vloot, die optreden, zijn van het Rijk; Indië heeft noch diplomatie, noch consuls, noch vloot om buitenslands op te treden.
De Regeering zelf ziet dan ook blijkbaar in, dat het ingezetenschap op zichzelf geen voldoenden grond oplevert om het buitenslands voor iemand op te nemen.
Men zal namelijk uit No. 3190 van het IndiscJ Bijblad zien, dat tusschen den Nederlandschen consul te Bangkok en de Siameesche Regeering „moeilijkheden zijn gerezen over de
(Ij Zie Heffter, o. c. Mz. 136. »Blos freundschaftliclie Intercessionen dürfen sich fremde Machte l\'ür den auswartigen Unterthan einer anderen erlaubenquot;.
— 143 —
positie van vreemde Oosterlingen uit Indië afkomstig, die in Siam verblijf houden, met betrekking tot de vraag: in hoever zij kunnen beschouwd worden als „Netherlands subjectsquot; in den zin van het met dat rijk gesloten traktaat (Ind. Stbl. 1863 No. 20).quot;
Bij lezing van dit traktaat zal men zien, dat in den Engel-schen (origineelen) tekst overal wordt gesproken van Netherlands\' subjects. De daarbijgevoegde officieele Nederlandsehe vertaling geeft dit meestal weer door „Nederlandsche onderdanen,quot; maar ook wel door „Nederlandersquot;; zie art. 2, waar in éénzelfde, n.1. de 5e alinea beide uitdrukkingen zonder onderscheid worden gebruikt, en art. 6, waar twee keeren van Nederlanders wordt gesproken en daarnevens van Siameesche onderdanen (Siamese subjects). Van de Siameesche onderdanen wordt meestal gesproken als van Siamese (Siameezen). Ik geloof, dat het wel niet twijfelachtig is, dat niet bedoeld werd aan de eene zijde meer onder de rubriek te brengen, dan aan de andere, en dat zoowel met Siameezen als met Nederlandsche onderdanen alleen werden aangeduid degenen, die tot het staatsverband dier respektieve staten behooren. (1) (Bij een andere opvatting konden we wel eens last krijgen
(1) Dat, hoewel van «Siamesequot;, als substantief, werd gesproken, daarnaast staat «Netherlands subjectsquot;, zal wel moeten worden verklaard hieruit, dat in het Engelsch «Netherlanderquot; minder gebruikelijk is en minder goed klinkt, terwijl het algemeen gebruikte «Dutchmenquot; daarentegen het publiekrechtelijk begrip Nederlander weer minder korrekt zou weergeven.
«Onderdaanquot; is, zooals Buys, Grondwet III blz. 109 opmerkt, een onbestemde uitdrukking, maar kan hier niet in uitgebreideren zin bedoeld zijn, omdat in dezen geen bescherming buiten\'s lands gebied gebruikelijk is. In internationalen zin wordt die uitgebreidere beteekenis dan ook niet aangenomen, althans niet voor subject. «Under the term subject or citizen of a state, are comprehended all persons possessing the political ■nationality of the state, whether originally or through naturalisation.quot; {Ferguson, manual of international law, blz. 118). Ferguson (blz. 117) onderscheidt hiervan de natural or tribal nationality, die afhangt van afkomst, ras enz. en zegt verder: «hence the nationality which constitutes an object of international law, is the political nationality.quot; — Zie de uitleveringstraktaten met Spanje en België, in Indië afgekondigd bij Stbl. 1895 nos 82 en 112; in beide wordt de uitlevering over en weer
W. en A. Bev. 5 12
— 144 —
van Siaraeesche consuls, die zich hier gingen mengen in zaken van Chineezen, die zich tevoren in Bangkok hadden opgehouden).
Vóór de wet van 1892 had men daarvoor als maatstaf kunnen nemen het Nederlanderschap volgens het Ned. B. \\V. en thans ook zou het misschien nog het beste zijn bij de toepassing van dit traktaat die bepalingen, welke golden tijdens het tot stand komen van het traktaat, te volgen, wanneer men ten minste de consulaire bemoeienis verder wilde uitstrekken, dan de nieuwe wet meebrengt. Maar de Regeering wilde zich blijkbaar niet op het Ned. B. W. beroepen en onze consul heeft, schijnt het, zijn zorgen uitgestrekt tot alle ingezetenen van N. I. Althans uit gemeld Bijblad zien wij, dat de kwestie gold eenige Chineezen, die beweerden Nederlandsche onderdanen te zijn en ten bewijze daarvan overlegden vergunningen tot inwoning in N. I. en reispassen.
Het verwondert mij niets dat de Siameesche regeering daarin geen voldoenden grond zag om hen als Nederlandsche onderdanen aan te merken en de N. I. Regeering heeft dan ook volgens evenbedoeld Bijblad goedgevonden en verstaan:
Eerstelijh enz.
Ten tweede „Den consul der Nederlanden te Bangkok (Siam) uit te noodigen, om in het vervolg als Nederlandsche onderdanen te beschouwen alleen die vreemde Oosterlingen, die, blijkens daarvan op hunnen reispas gehouden aanteekening, (jehoren zijn in N. Indië en aldaar gedurende de zes aan de aanvrage van den pas laatstvoorafgeyane jaren zijn gevestigd geweest, en om ten aanzien van hen, die van geen reispas zijn voorzien, of op wier reispas eene zoodanige aanteekening niet voorkomt, voor het geval zij desniettemin beweren in vorenomschreven zin Nederlandsche onderdanen te zijn, zóó te blijven handelen, als waartoe hun het verzoek is gedaan bij de missive van de len Grouv. Secr. van 22-12-76 No. 2990
toegezegd a l\'exeeption de leurs nationaux, hetgeen beide keuren olficieel vertaald wordt: met uitzondering hunner onderdanen. Zou hier onderdanen iets anders beteekenen dan leden van het resj). staatsverband, dus, wat ons betreft, Nederlanders? Zoo neen waarom zou dit woord dan in andere traktaten weer iets anders beteekenen?—
— 145 —
b,quot; (n. 1. informaties v. d. Ned. Ind. Regeering te vragen en af te wachten);
„Wordende liem de bij zijne brieven van 28-2-en 23-3-77 No. 54 en 8\'i overgelegde stukken teruggezonden onder me-dedeeling, dat die bescheiden aan de houders niet het recht geven om als Nederlandsche onderdanen te \\vorden aangemerkt.quot;
Door deze beslissing is dus van Regeeringswege het ingezetenschap verworpen als zelfstandig criterium voor het staatsverband, maar tevens een geheel nieuwe soort Nederlanderschap geschapen, die noch met dat volgens de wet van 1850 ot volgens den vroegeren 2en titel van het Ned, H. W., I, noch met dat volgens de nieuwe wet van 1892 of volgens de bepalingen op de uitlevering overeenstemt (1). quot;Want dat „Nederlandsche onderdanenquot; in het traktaat met Siam niets anders beteekent dan: Nederlanders, leden van het Nederlandsch staatsverband, staat naar mijn boven uiteengezette meening vast.
Nu doet zich nog de vraag voor: zal de in gemeld bijblad aangegeven interpretatie van de woorden Nederlander of Nederlandsch onderdaan ook door andere consuls en autoriteiten
(1) Men zou geneigd zijn te denken, dat deze beslissing berust op wat Feryuson (blz. 118 vlgd.) noemt ^Nationality of domicilequot;, maar dan ware eenvoudig het gevestigd ingezetenschap tot maatstaf moeten genomen zijn, zonder de geboorte of den duur van het verblijf alhier in aanmerking te nemen. Bovendien zou deze smationaliteit naar het domiciliequot; geen grond opleveren om zulk een tijdelijken onderdaan (ssubditus temporalisquot;) ook buitenslands te beschermen. Althans Ferguson zegt: sFrom this Nationality of Domicile results a temporary allegiance to the municipal Laws of the Domicile, termed local allegiance, but which ceases the instant the individual leaves the state in which his domicile is situatedquot; (bl. 119).
Door deze local allegiance wordt het eigenlijk onderdanen verband ook niet opgeheven; alleen wordt de vreemdeling door deze gevestigde inwoning geacht zich zoo aan de wetten der plaats van inwoning te hebben onderworpen, dat zijn bevoegdheid om de bescherming van zijn eigen staat in te roepen tegen dien, waar hij gevestigd is, daardoor in gewone gevallen grootendeels vervalt en ook in gevallen van oorlog hij door den vijand aan dezelfde lasten wordt onderworpen als zijn medebewoners. Buiten het land van domicilie houdt echter alle gevolg van deze «nationality of domicilequot; op, zooals trouwens in den aard der zaak ligt (zie Ferguson t. a. p.).
— 146 —
worden opgevolgd, of zal dit nu eens (in tegenstelling met de Nederlandsche bepalingen op dit punt, die naar het heet alleen voor Nederland-, en met de Indische, die alleen voor Indië gelden) een bepaling zijn, die noch voor Nederland, noch voor N. Indië, noch voor het buitenland geldt, dan alleen voor Siam ?
Deze laatste omschnjving van het Nederlanderschap is er eene, die op minder gebruikelijke wijze de geboorteplaats en het ingezetenschap (of gewezen ingezetenschap) gedurende een, voorzoover ik weet zonder positieven grond, aangenomen tijdsverloop samen tot grondslagen aanmeent.
Zij is waarschijnlijk slechts een voorloopige, bestemd om tot richtsnoer te dienen tot tijd en wijle een definitieve regeling zal zijn getroffen. Laat ons hopen dat, zoo deze tot stand komt, de eenige rationeele basis daarvoor zal worden aangenomen: dat allen, die van geslacht op geslacht in het Koninkrijk der Nederlanden wonen, hetzij in of buiten Europa, Nederlanders zijn, als zoodanig de bescherming der Nederlandsche machten ook in den vreemde genieten; maar dat deze zich buiten ons gebied niets aantrekken van Chineezen, die hier eenigen tijd zijn gevestigd geweest en daarna naar Bangkok of elders trekken, wellicht om daar rustig onze rijksdaalders en bankbiljetten te kunnen namaken, of van andere vreemdelingen die na hier als ingezetenen hun brood, zelfs een fortuin te hebben verdiend onder de bescherming onzer vlag, niet kunnen of niet verkiezen Nederlander te worden. Die uitlandige ingezetenen of gewezen ingezetenen behooren daar beschermd te worden door hun eigen staat; houden zij er voor het gemak geen staatsverband op na, dan moeten zij daarvan de ongemakken ook maar ondervinden ; blijft hun staat in gebreke, dan is het niet onze schuld, dat zij zich niet bij ons hebben laten naturaliseeren.
DERDE AFDEELIXG
DE INYLOED DER VREEMDELINGSCHAP OP HET RECHTSWEZEN IX N. I.
In tweeërlei opzicht dien ik dit onderwerp te bespreken, n. 1. in verband met liet internationaal privaat recht en uit een nationaal oogpunt.
IVat het internationaal privaatrecht betreft, het ligt niet in mijn voornemen reeds hier daarover in bizonderheden te treden. Ik wil er alleen op wijzen van welk belang met het oog daarop de kwestie van het staatsverband is; hoe noodig het is een logische en duidelijke grens te trekken tusschen leden van het Staatsverband en vreemdelingen; en hoe ook hier weer onze wetgeving de toch al zoo moeilijke kwesties van internationaal privaatrecht nog lastiger dreigt te maken.
Men zal wellicht opmerken, dat zich zulke kwesties toch in Indië zelden voordoen en ik wil dit niet tegenspreken. Het menigvuldig voorkomen eener kwestie doet echter weinig af tot haar belangrijkheid. Ook houd ik het er voor, dat zulke kwesties zich meer zullen voordoen, naarmate de studie van het internationaal privaatrecht meer algemeen wordt, en dat nu over menige zoodanige kwestie wordt heengestapt zonder dat men ze zelfs opmerkt. Wanneer de balie zich van dit wapen gaat bedienen, kunnen er, in Indië meer dan ergens anders, zeer moeilijke kwesties ontstaan.
Uit de oude wetenschap der kontlikten van wetten heeft zich in den nieuweren tijd die ontwikkeld van het internationaal privaatrecht, die de moeilijkheden tracht op te lossen, welke verschil van wetgeving in de verschillende staten veroorzaakt. Daar er geen internationale wetgever is, staande boven de soevereine staten, is dit recht wel is waar evenmin absoluut
— 148 —
bindend als het internationaal publiekrecht, dan voorzoover de staten zelf er zich toe hebben verbonden, maar de algemeene overtuiging der beschaafde wereld en de kracht der noodzakelijkheid en der gewoonte scheppen toch zekere moreele verplichting om de regelen van het internationaal recht te volgen, waaraan geen staat zich behoort te onttrekken of kan onttrekken zonder de belangen zijner leden in het buitenland wederkeerig in gevaar te brengen.
Dit neerat niet weg, dat elke staat binnen zijn gebied soeverein is, dat de internationale regelen daar slechts door hem of namens hem door zijn rechters zich kunnen doen gelden; maar de meeste staten plegen dan ook regelen te stellen, waarnaar dergeljjke kwesties door den rechter behooren te worden beoordeeld en beslist of wel den rechter geheel, dan wel voorzoover er niet wettelijk in is voorzien, vrij te laten om zelf de oplossing te zoeken, die door de algemeen erkende beginselen of door de rede en door de omstandigheden wordt geëischt. Wilde de staat binnen zijn grondgebied elke erkenning of toepassing van andere dan de nationale wetten uitsluiten— wat hem in abstracte zou vrijstaan — dan zou hij tot de grootste onbillijkheden aanleiding geven. Ik zal dit wel niet nader behoeven te betoogen.
Over algemeen erkende beginselen en over hetgeen de rede en de omstandigheden meebrengen, blijft echter altijd verschil van opinie mogelijk; zij laten dus bij de toepassing eenige onzekerheid voortbestaan.
In de nieuwere wetgevingen openbaart zich dan ook een neiging om voor de kwesties van internationaal privaatrecht, die zich kunnen voordoen, een regeling meer in bizonöerheden vast te stellen, hetgeen ook door de enorme toeneming van het internationaal verkeer zeer verklaarbaar is, hoewel zich wellicht een nadeel daartegenover zal doen kennen: dat de vrije ontwikkeling der wetenschap, die in haar tegenwoordige gedaante nog jong is, er door wordt belemmerd, tenzij men den rechter zekere vrijheid in de toepassing veroorlove. Het is n. 1. de vraag of zelfs de uitvoerige regelingen van den laatsten tijd niet nog te veel algemeene regelen stellen om voor de gevallen,
— 149 —
die zich zullen voordoen, steeds oplossingen aan te geven, die aan het rechtsbewustzijn en de behoeften der samenleving voldoen.
Bij ons bestaat zoodanige regeling in bizonderheden nog niet en heeft de wetgever zich bepaald tot het stellen van enkele zeer algemeene regelen, die aan de oudere wetenschap der konflikten en haar statutenleer herinneren; en geen wonder, wanneer wij bedenken in welken tijd die regelen werden gesteld. Ik zal over deze regelen niet verder uitweiden, en verwijs naar artt. 6 — 10 der Nederlandsche Algemeene Bepalingen van wetgeving, die zelf den lezer mogen overtuigen, dat zij onvoldoende zijn om alle kwesties tot een harmonische oplossing te brengen. Wat ik alleen wensch te doen uitkomen is, dat het al of niet Nederlanderschap en de vraag, tot welken staat iemand dan wel behoort, volgens art. 6 dier Ned. Alg. Bep. van belang is en invloed heeft op het voor hem geldend recht. Immers art. 6, den Nederlander ook in den vreemde bindende aan zijn nationaal recht betreffende de rechten, den staat en de bevoegdheid der personen, houdt de stilzwijgende erkenning in, dat de vreemdeling binnen het Koninkrijk evenzoo zich aan zijn nationale wetten mag houden, wat die onderwerpen betreft.
Ook in de nieuwere school wordt aan de nationaliteit — niet in den uitgebreideren, door mij hiervoren op blz. 86 daaraan gegeven zin, maar in dien van het staatsverband — een gewichtige plaats toegekend bij .de beoordeeling van internationaal-privaatrechtelijke betrekkingen en, wil men zich houden aan het positieve recht, in het onlangs aangenomen Burgerlijk Wetboek voor het Duitsche Rijk, waarvan het zesde boek aan dit onderwerp is gewijd, wordt evenzoo in een overgroot deel der bepalingen als geldend erkend het recht van den staat,tot welken een der partijen behoort, m. a. w. waarvan zij lid is. (1)
(1) Zie verder: Asser, Schets Intern. Priv. recht, Haarlem 1880. blz. 31—37. Von Bar, Theorie und Praxis des intern, priv. Rechts, 2 Aullage 1889, I blz. 263 vlg. en 274. Eenige landen nemen nog in plaats van do nationaliteit het domicilie tot maatstaf, hetgeen echter tot tal van moeilijkheden aanleiding geeft. Bij ons gaat dit echter te minder omdat in het moederland de nationaliteit als criterium geldt.
— 150 —
Gaan wij nu na, wat voor Indië bepaald is, dan vinden wij do Ned. Alg. Bep., die daarop betrekking hebben, terug in de Indische, nl. art 6, 7 en 10 Sed. resp. in artt. 16, 17 en 18 Ind. In hoofdzaak komen deze artikelen overeen, met dit verschil echter dat in art. 16 Ind. van ingezetenen van N. I. wordt gesproken, in art. 6 Ned. daarentegen van Nederlanders Hetzelfde zal men opmerken bij vergelijking van art. 3 der Ind. Alg. Bep. met art. 9 der Nederlandsche.
Wat te denken van dit verschil, dat blijkbaar opzettelijk in het leven is geroepen, hoewel ik moet betwijfelen of men zicli er wel behoorlijk rekenschap van gaf? Ik voor mij krijg eer den indruk, dat men het slachtoffer werd van eigen inkon-sekwenties; dat men, de Inlanders niet als Nederlanders willende aanduiden, een andere uitdrukking zocht en zonder veel over de gevolgen na te denken het woord „ingezetenenquot; koos. Ik verbeeld mij ten minste, dat de ontwerper bij menige gevolgtrekking waartoe de bewoordingen van art. 16 Ind. Alg. Bep. aanleiding zou kunnen geven, uitroepen zou: „nu ja, zoo heb ik het niet bedoeld!quot; en dat de rechter in zulke gevallen de duidelijke woorden der wet zou moeten ter zijde stellen, om niet tot onmogelijkheden te geraken. Geeft men dit toe, dan is daarmee de keuze van het woord „ingezetenenquot; veroordeeld.
Wat art. 3 Ind. Alg. Bep. betreft, maakt het minder uit of daar de eene of de andere uitdrukking gebezigd wordt, want of men zegt het burgerlijk recht is gelijk voor vreemde ling en en voor Nederlanders, of: is gelijk voor hen die ingezetenen van N. I. en die het niet zijn, in beide gevallen omvat men in die gelijkstelling alle personen. Onder dit „allequot; zal men wel moeten verstaan allen, die zich op het grondgebie bevinden, want eenige bedoeling om de Nederlandsche (resp. N. Indische) wet op de gansche menschheid toepasselijk te verklaren mag niet in de artikelen 9 (Ned.) en 3 (N.I.) worden gezocht. Evenzoo mag er geen bedoeling in worden gezocht om de door het internationaal privaatrecht aangenomen uitzonderingen, waarin een ander recht dan het onze behoort te
— 151 —
worden toegepast, uit te sluiten. Artt. 6 en 7 (Ind. 16 en 17) toonen dit ten overvloede aan.
In art. 16 Ind. Alg. Bep. is het verschil van uitdrukking echter bedenkelijker. Dit artikel bepaalt:
„De wettelijke hepalinyen betreffende den staat en de bevoegdheid der personen blijven verbindende voor ingezetenen van N. Indië, wanneer zij zich buiten \'s lands bevinden.quot;
Hiervoren (op blz. 127 en volgenden) zagen wij, wie ingezetenen van N. I. zijn. Men moge nu verschillen over de wijze, waarop iemand ophoudt dit te zijn, n. 1. of dit ook geschiedt bij verbreking der vestiging ondanks bet voornemen om terug te keeren, in elk geval bestaat er tocb volkomen overeenstemming hierin, dat het ingezetenschap een licht verbreekbaren band schept, dat met het ophouden van het feit der inwoning — meer of minder ruim opgevat — de bami verbroken wordt. liet is op zichzelf al zeer twijfelachtig of zulk een minder hechte band, afhankelijk van verblijf binnen het territoir, aanleiding kan geven tot een bepaling als art. 16, die juist buiten het territoir bindt. Wil men den band, die den ingezetene, den subditus temporalis, aan het land zijner inwoning bindt naar analogie nationaliteit („nationality of domicilequot;) noemen, dan kan men toch in geen geval ontkennen, dat deze band ophoudt, zoodra de ingezetene het land verlaat (zie hiervoren blz. 145 in de noot). Dit beginsel is zoo rationeel, dat het haast geen toelichting behoeft.
Ten overvloede begin ik met er op te wijzen, dat de ingezetene als zoodanig geen Nederlander is, dus geen lid van den staat. Zeer goed mogelijk is het derhalve; dat hij tot een ander staatsverband behoort. Laat ons dan nu spreken over het geval dat de ingezetene tot een ander staatsverband behoort, want is hij Nederlander, dan volgt zijn gebondenheid aan de nationale wetten betreffende den staat enz. reeds uit die hoedanigheid en heeft dus het ingezetenschap daarop geen invloed meer.
Nu brengt de in den aard der zaak liggende reciprociteit mee, dat men den vreemdeling toestaat zich tegenover den staat, in welks verband hij verkeert, even gebonden te achten als men zelf
— 152 —
zijn onderdanen in vreemde landen gebonden acht aan hun nationale wetten. Hieruit vloeit voort:
1° dat de vreemdeling-ingezetene, zelfs binnen ons territoir, in zekere mate (de regel, die de wet in art. 16 stelt, is te absoluut) aan zijn nationale wetten betreffende den staat en de bevoegdheid der personen gebonden is; hoe zou hij dan juist in die opzichten aan de onze in plaats van aan zijn eigene gebonden zijn, wanneer hij buiten ons gebied vertoeft!
2° dat evenals onze ingezetenen buiten ons territoir aan onze wetten betreffende den staat enz. gebonden zijn, de ingezetenen van andere staten op ons territoir gebonden blijven aan dezelfde soort wetten van het land, waarvan zij ingezetenen zijn ; maar dit gaat in het geheel niet aan. Op die wijze zouden wij verplicht zijn een Nederlander, die ingezetene is van China, toe te laten dat hij zich hier gedroeg naar- en beriep op de Chineesche bepalingen betreffende den staat.
De bepaling van art. 16 houdt dan ook duidelijk een strijd met zich zelf in, waarvan de bovenstaande tegenstrijdigheden weer het gevolg zijn. Zij gaat uit van het beginsel den onderdaan ook in den vreemde te binden aan sommige der wetten zijns lands, maar door dit beginsel uit te breiden ook tot ingezetenen van ons, die onderdanen kunnen zijn van vreemde staten, overschrijdi; zij de door de natuur der zaak aangegeven grens en brengt, daar de wederkeerigheid alleen zonder bezwaren kan worden toegepast, wanneer de grens zuiver is getrokken, alles in de war; de grenzen vallen nu over elkaar en dezelfden die krachtens ons beginsel, door ons toegepast, onder onze wetten vallen, worden krachtens hetzelfde beginsel, als men aan de overzijde er zich op beroept, aan het gezag dierzelfde wetten onttrokken.
Uit deze moeilijkheid kan men alleen geraken, wanneer men aanneemt dat „ingezetenenquot; in art. 16 der Ind. Alg. Bep. moet worden opgevat in de beteekenis van „leden van het staatsverbandquot;. Het is misschien wel wat veel gevergd, deze oneigenlijke beteekenis aan het woord te geven, wanneer het voorkomt in een algemeene verordening, waarin eenige artikelen vroeger een gansch andere definitie van dat woord wordt gegeven; maar ik weet geen beteren uitweg en deze is niet zoo onaannemelijk.
— 153 —
wanneer men bedenkt dat art. 16 op andere wijze in de Ind.- Alg. Bep. is terechtgekomen dan art. 4 over het ingezetenschap. Art. 16 is n. 1. overgenomen van de iNederland-sche bepalingen (art. 6), waarin men echter vermoedelijk om de bovenaangegeven reden „Nederlandersquot; door „ingezetenen van N. I.quot; verving. Art. 4 daarentegen is een speciaal voor Indië gemaakte bepaling. Beiden werden met nog verschillende anderen bijeengebracht in één zelfde verzameling van „algemeene bepalingen van wetgevingquot;, zonder dat hieruit nog volgt dat beiden in hun bedoelingen en in hun terminologie geheei overeenkomen.
Maar hoe dit zij, men zal in elk geval den vreemdeling, lid van een ander staatsverband, het recht niet kunnen ontzeggen de tot dat verband behoorende wetten te volgen in die opzichten, waarin wij van de aan ons verbondenen ook eischen, dat zij in den vreemde zich aan onze wetten houden. Nu bestaat echter bijna de geheele bevolking van Ned. Indië volgens de wet uit vreemdelingen. Voor een zeer groot deel behooren deze tot geenerlei staatsverband; maar mot een ander niet onaanzienlijk deel dei-bevolking is het een ander geval. De vreemde Oosterlingen n. 1. behouden hun nationaliteit, naar ik meen, ook wanneer zij zich hier vestigen en met de oorspronkelijke bevolking vermengen. Zij en hun afstammelingen zouden dus, ook wanneer zij gedurende meerdere geslachten in N. Indië wonen, wat hun staat en persoonlijke bevoegdheid betreft, onderworpen blijven aan de wetten van het land hunner afkomst (1).
Hierin is niets ongewoons gelegen; het is zelfs billijk, ten opzichte van degenen, die hier vreemd zijn, zelfs ten opzichte van van het eerste geslacht, dat zich hier duurzaam vestigt; maar de toestand wordt ongezond, wanneer er geen grens wordt getrokken, wanneer de nationaliteit naar afkomst niet bij vestiging gedurende meer geslachten door middel van een wetsbepaling wordt vervangen door een opneming in het staatsverband van het land, waarin het geslacht zich blijft vestigen en als \'t ware wortel heeft geschoten. Zoodanige wetsbepaling bestaat echter niet
(1) Van de Europeesche vreemdelingen, als kleine minderheid, zal ik niet afzonderlijk spreken.
— 154 —
en is zelfs opzettelijk achterwege gelaten yoor Indië.
Men zou kunnen onderscheiden tweeërlei ingezetenschap: het vaste, geërfde (om het zoo maar eens te noemen) en het tijdelijke. Maar vooreerst is dit een onderscheiding geheel buiten de wet om, daar deze geen verschil van ingezetenschap kent en bovendien zou de grens moeilijk te trekken zijn: de hier geboren Chineezen, Arabieren en Europeanen zouden tot de eerste soort moeten worden gerekend, hoewel zij hun nationaliteit van afkomst nog niet verloren hebben. Dan zou men kunnen onderscheiden ingezetenen, die niet- en die wel tot eenig ander staatsverband behooren, maar ook deze onderscheiding berust niet op de wet. Toch zou men in de praktijk dit middel wel moeten aangrijpen om tot een aannemelijke toepassing van art. 16 der Ind. Alg. Bep. te komen, wanneer men er voor terugdeinst dit artikel te lezen als waren met ingezetenen alleen bedoeld de leden van ons staatsverband. Men zou zich dan de vrijheid veroorloven het als niet geschreven te beschouwen voor de ingezetenen, die tot een ander staatsverband behooren en dan buiten X. I., evenals daarbinnen, gehouden zouden zijn aan de wetten betreffende personeele rechten en bevoegdheden van dat staatsverband De overige ingezetenen zouden daarentegen in die opzichten gebonden zijn aan de N. I. verordeningen, ook in den vreemde.
Maar ook deze uitweg zou niet volkomen aan de behoefte voldoen.
Wel is waar zou hij in vele gevallen overeenstemmen met een regel van het modern internationaal privaatrecht, dat, namelijk zoodikwijls het recht van den staat, in welks verband een partij behoort, als maatstaf moet worden aangenomen voor de beoordeeling van haar staat of bevoegdheid of van de geldigheid van een handeling, in de plaats daarvan, wanneer die partij tot geen staatsverband behoort, tot maatstaf wordt genomen het recht van den staat, tot welks verband zij het laatst behoorde, of, wanneer zij (zooals de Inlander rechtens i nooit tot eenig staatsverband behoorde, het recht van den staat, waar zij domicilie of, bij gebreke van domicilie, waar zij haar verblijf heeft (zie Boek VI § 2263 Duitsch Burgl, Wetb.).
— 155 —
Het is echter duidelijk dat, zoodra onze heimatlose bruine onderdanen hun domicilie naar den vreemde overbrengen of wel — mits zij maar niet meer domicilie in Indië hebben — daar verblijven, volgens denzelfden regel de wetten van dat vreemde land voor hen toepasselijk worden zonder dat /Aj zich voor den vervolge kunnen beroepen op hun vaderlandsch recht in die opzichten, waarin dit den leden van een staatsverband wel zou worden veroorloofd. Ziedaar, dunkt mij, een groot nadeel dat, indien zulk een geval zich voordeed, voor den Xederlandsch-Indier zou zijn verbonden aan het uitgesloten zijn van het Xederlandsch, en uit den aard der zaak, wat den Inlander betreft, ook van elk ander staatsverband.
En zulke gevallen kunnen en zullen zich voordoen. Gesteld, bijvoorbeeld, dat een Inlandsche bediende zijn meester volgt naar Frankrijk, en daar geruimen tijd verblijf houdt, zonder in N. Indië domicilie te behouden. Hij houdt dan, zooals we zagen, op ingezetene van N. Indië te zijn en wordt, zonder uitzondering, onderworpen aan de wetten van het land waar hij verblijft. Laat ons aannemen, dat de vreemde rechter, zooal niet uit liberaliteit, dan toch uit onbekendheid met onze onredelijke bepalingen betreffende het staatsverband, aanneemt, dat die Inlander in de door het internationaal reciit erkende gevallen onder de heerschappij zijner eigene wetten blijft. Maar nu komt hij later in Indië terug, en wel als vreemdeling. De wet verklaart uitdrukkelijk dat hij dit is; hij moge, in Indië geboren zijnde, zekere voorrechten genieten wat betreft do toelacing en de verwijdering uit X. I., een hier geboren Engelschman, Kus of Japannees heeft die ook, zelfs als hij wettelijk nog behoort tot het Engelsch, Eussich op Japansch staatsverband. quot;Wij zullen nu voortaan op dezen vreemdeling-Inlander in sommige opzichten het Fransche recht moeten toepassen, willen wij ons houden aan den bovenvermelden regel van internationaal recht; is hij indertijd Fransch ingezetene geworden, dan moeten wij dit zelfs volgens het positieve recht naar analogie van art. 16 Ind. Alg. Bep. doen; en alles, wat betreft zijn staat en bevoegdheid en in den vreemde is voorgevallen, zullen wij in elk geval naar dat vreemde recht
— 156 —
moeten beoordeelen. aangezien hij naar de wet noch Nederlander, noch insrezetene van X. I. was tijdens het voorval. Oas gevoel zegt on? daarentegen, dat deze gevallen behoorden te vrorden beoordeeld naar dat deel van het in den Xederlandschen staat bindende recht, dat voor den Inlander geldt. Xaar de natuur der zaak behoort hij dan ook als lid tot dien staat, maar de wet erkent hem niet als zoodanig en de rechter moet volgens de wet rechtspreken, zonder haar innerlijke waarde of\'billijkheid te mogen beoordeelen \'art. 20 Ind. Alg. Bep.).
Ik koos boven een voorbeeld, dat voorloopig wel niet dikwijls zal voorkomen. Men bedenke echter dat een tijdelijk verblijf in andere landen wel veel voorkomt. Zoo guan vele ZSquot;. I. ingezetenen naar Singapore, Mekka, Duitsch Xieuw-Guinea of Pomigeesch Timoer, de Cocos-eilanden, zelfs naar West-Indië. Ook in deze kolonie komen zij als vreemdelingen, in den zin van nier-leden van het Xederlandsch staatsverband; en opgehouden hebbende ingezetenen van N. Indië te zijn, verliezen zij alle bevoegdheid zich aan het Inlandsch recht te houden, voorzoover art. 16 Ind. Alg. Bep. die anders verleent, en moet, voor-zooveel het tijdvak van hun verblijf in quot;West-Indië betreft, hun staat en bevoegdheid naar West-Indisch recht beoordeeld worden, wanneer zich daarover na hun teruekomst in X. Indië kwesties voordoen. Ook binnen den Indischen Archipel kunnen verhuizingen voorkomen naar Inlandsche staten, die niet tot ons gebied behooren: waardoor de verhuisden dus ophouden ingezetenen van X. Indië te zijn en bij hun eventuee-len terugkeer derhalve weer juridische moeilijkheden moeten ontstaan.
I Al deze moeilijkheden kan men ongetwijfeld ontgaan door
.met den Franschen slagquot; te werk te gaan, maarniet teveel aan art. 16 Alg. Bep. te denken en meer zijn gezond verstand en de behoeften der praktijk te raadplegen: maar welk nut heeft het dan nog bepalingen te maken, als men er zich niet a.an houdt, en hoe moet de rechter het dan stellen met art. 20 der Ind. Al?. Bep., waarop ik boven doeldequot;?
Ik wil volstrekt geen enge interpretatie der wet prediken. Ik neem gaarne aan. dat de wetten zóó moet worden opge-
— 157 —
vat, dat zij zin hebben en geen onzin, zóó dat zij geen onmogelijkheid -worden. Tooral bij kwesties van internationaal recht mag men zich niet aan letterknechterij overgeTen. In de plaats dier enge interpretatie mag men echter niet stellen algeheele willekeur, maar alleen een meer rationeele uitlegging. Men mag niet dan eens zóó en dan weer in regen gestelden zin interpreteeren.
Naar een rationeele interpretatie zoekende, vind ik slechts de keuze tusschen : 1° .ingezetenen\' in art. 16 Ind. Alg. Bep. op te vatten alsof er stond .leden van het Xederlandsch staateverbandquot; en 2° een onderscheiding der ingezetenen van ÜSquot;. Indië te maken, die noch op de wet berust, noch geheel in de behoefte voorziet.
Ik voor mij ben geneigd den eersten weg te volgen. Beide wegen mogen tot een min of meer rationeele interpretatie leiden, de eenige rationeele regeling — het zij mij vergund nogmaals op dit aanbeeld te hameren — zou zijn eene, waarbij het staatsverband, dat van nature tusschen het grootste deel der Xederlandsch-Indische onderdanen van het Koninkrijk en dit Rijk bestaat, bij de wet erkend wordt en daarnaar de verbindendheid onzer wetten in den vreemde en die der vreemde wetten binnen ons territoir geregeld wordt.
Dat het niet aangaat ingezetenschap in Ned. Indië als criterium voor het staatsverband aan te nemen, heb ik hier-voren op biz. 13S onderaan) en vlgd. reeds betoogd: de Indische Kegeering heeft dit criterium ook verworpen; en de lezer zal wel inzien dat het niet aangaat, door ingezetenschap en staatsverband gelijk te stellen den letterlijken inhoud van art. 16 Ind. Alg. Bep. wel is waar nader te bevestigen, maar tevens tot de onaannemelijke gevolgtrekking te komen, dat (bijvoorbeeld) een Duitscher, die zich hier vestigt, hoewel hij tot het Duitsch staatsverband blijft behooren en geen Nederlander wordt, tevens tot een ander, n. 1. het Indisch staatsverband zou behooren en dus steeds in tweestrijd zou moeten verkeeren of hij krachtens art. 16 in de daar bedoelde gevallen onder het Duitsch of onder het X. Indisch recht verkeert.
Trouwens bestaat er een N. Indisch staatsverband ? Ik meen
— 158 —
voldoende te hebben aangetoond van niet en deze opvatting wordt bevestigd door de Indische bepalingen op de uitlevering, die deze uitsluiten voor degenen, die voor die gelegenheid worden beschouwd als Nederlanders. Van leden van een Indisch staatsverband is daar geen sprake, evenmin van ingezetenen, hetgeen duidelijk de erkenning inhoudt, dat er in het internationaal recht maar één criterium wordt aangenomen: het al of niet lid zijn van het Rijk. Immers anders ware het andere, Indische criterium aangenomen in plaats van een gefingeerd Nederlandsch criterium.
Zou het dan misschien geoorloofd zijn in het internationaal privaatrecht tot maatstaf aan te nemen of iemand volgens bedoelde uitleveringsbepalingen al dan niet als Nederlander wordt beschouwd? Mijns inziens niet. Die bepalingen zijn speciaal voor de uitlevering vastgesteld. Zij bepalen ook niet, wie als leden van het N. Indisch staatsverband, maar wie als Nederlanders worden beschouwd en dat men hieraan geen uitbreiding voor andere gevallen mag geven, blijkt wel ten duidelijkste hieruit, dat de wet van 12 December 1892 uitdrukkelijk en opzettelijk de N. Indische ingezetenen — de Nederlanders van Europeesche afkomst uitgezonderd — heeft uitgesloten van het Nederlanderschap. De bepaling waarbij andere personen nog onder liet begrip „Nederlanderquot; worden gebracht voor zoover de uitlevering betreft, moeten dus als uitzondering strikt worden geïnterpreteerd.
— 159 —
De invloed der vkeemdelixc;schap, van een nationaal oogpunt beschouwd, is van nog grooter belang.
De vreemdelingen stroomen Indië binnen in hoeveelheden, die op menige plaats de vraag zouden wettigen in wat voor land men eigenlijk is. Onder zulke omstandigheden klinkt het nog wel zeer fraai van algemeen erkende beginselen, van liberaliteit en gastvrijheid te spreken, maar kan dit dengenen, die den invloed van dit verschijnsel ondervinden, niet veel troost geven en nog minder overtuigen van de voortreffelijkheid dier beginselen.
Gastvrijheid is een schoone deugd, maar wanneer er zoo-velen gebruik van maken, dat men zich in zijn eigen huis niet meer verroeren kan, dat men moeite heeft er baas te blijven, dan neemt men maatregelen, die tegenover enkelen die aankloppen vermeden zouden worden: men weigert den verderen toegang en verwijdert zoo noodig zelfs eenigen, die reeds zijn binnengekomen.
Men ziet clan ook dat in landen, waar men te lijden heeft van toevloed van berooide vreemdelingen, de inwoners dooide fraaiste theoriën niet zijn te overtuigen van het wensche-hjke of onvermijdelijke daarvan en, als zij zelf het heft in handen of althans genoeg invloed hebben, er een eind aan maken. In Europa zelf geschiedt dit, zonder dat men er veel van merkt, in het klein.... omdat men er niet zoo in het groot last van heeft. Had men dit wel, kwamen groote hoeveelheden vreemdelingen binnenstroomen, die door hun geringere levensbehoeften en grootere werkkracht, hoewel arm gekomen, dreigden het volksbestaan, de ekonomische toestanden in gevaar te biengen, en door hun aantal of door de vruchten van hun nijverheid weldra alles naar hun hand te zetten, dan zouden zooal niet de regeerders, dan toch het volk, spoedig alle liberaliteit en gastvrijheid overboord zetten en den toegang verbieden.
In Indië gaat dit niet zoo gemakkelijk: de vreemdelingen, die daar in groote hoeveelheden toestroomen zijn de Chineezen, een volk dat om zijn goede eigenschappen veel voorstanders heeft, vrienden, die uit egoisme of uit zuivere bewonderin0-
W. cn A. bev. 6 „„0\'
— 160 —
cr zich tegen zouden verzetten hen te weren. Het behoeft dan ook niet te worden ontkend, dat de Chineezen veel, zeer veel goeds hebben; maar ook van het goede kan men te veel krijgen, en dat wij van dit goede in Indië nog niet genoeg zouden hebben, kan toch moeilijk worden beweerd, zoodat er geen reden is om den verderen toevloed niet te beletten of althans (b.v. door voor eiken nieuweling een zeer hooge waarborgsom, ƒ 5000.— of meer, te eischen) zooveel mogelijk tegen te gaan.
Evenals een middel, dat in kleine hoeveelheden ingenomen heilzaam is, ten verderve kan leiden, wanneer men het zonder mate gebruikt, zoo moeten onze nijvere vreemde Oosterlingen een ramp zijn, wanneer hun aantal niet zeer beperkt is.
Hun buitengewone ijver en werkkracht vinden hun oorsprong in een alles overheerschende zucht tot gewin. Deze moet hen, wanneer hun aantal grooter en de zucht daardoor niet zoo gemakkelijk te voldoen is, tot gevaarlijke middelen toevlucht doen nemen en het onweerstaanbare van hun zucht zal hen over de grenzen van hot geoorloofde dier middelen gemakkelijk doen heenstappen.
Wij hoogcrgeplaatstc Europeanen beseffen dit gevaar niet, of niet voldoende. Vooreerst omdat wij te weinig onder het volk zijn om de ekonomische en inoreele gevolgen van het Chi-ueezendom duidelijk waar te nemen. Het volk zelf daarentegen is te lijdzaam om er zich druk over te maken: het gewent aan dit gif even geleidelijk en gemakkelijk als aan een ander dat er mee samen gaat; de opium; het is bovendien gebonden: ware het vrij op zijn manier zich tegen de plaag te verzetten, dan zouden andere omstandigheden een tegenwicht voor dien invloed vormen: de uitzuigers zouden op hun beurt uitgezogen worden van uit den hooge, de woekeraars zouden geen rechtszekerheid vinden voor hun pretensics en menige Chinees zou zijn rijkdom duur bekoopen. Ü3 geschiedenis is niet geheel verstoken van voorbeelden; opstanden, deels toe te schrijven aan de uitpersing der bevolking door Chineezen; moorden op al te lastige geldschieters enz. Die, zeker af te keuren, middelen verbieden en beletten wij ;
— 161 —
maar dan is het ook billijk dat wij hem, dien wij outwa-pendeu, beschermen, met de wapens die ons ten dienste staan. (*).
Een tweede oorzaak van ons niet beseffen des gevaars is, dat wij te veel verblind worden door de voordeelen, die ons persoonlijk meer opvallen dan de nadeelen. De Europeesche handelaar „kan den Chinees niet missen als tusscheuper-soonquot; en schreeuwt moord en brand, wanneer de Chineezen zullen worden verwijderd uit een gewest, waar zij niet mochten zijn, maar zooals overal waren binnengekomen, evenals petroleum door een reservoir sijpelt. Hij vergeet niet alleen, dat het belang van een volk gaat boven dat van eenige handelaren, maar ook dat het aan hem zei ven ligt, als hij niet buiten den Chinees kan. Wanneer hij zich moeite wil geven om den Inlander en zijn talen te leeren kennen, om zelf relaties te zoeken en zijn handel in te richten naar de maatschappelijke opvattingen en behoeften, zal hij tegen den Chinees zijn opgewassen. Wil men echter zonder dat en in een minimum van tijd fortuin maken, dan wordt het iets anders.
Een ander gemak, dat de Chineezen opleveren, is hun optreden als leveranciers, pachters enz. Dit ontslaat ons van veel moeite, voorzeker, en onthoudt aan onze energie menigen prikkel, dien
(\') Het zou niet in strijd zijn met liet volkenrecht de Chineezen te weren of hun toelating aan zeer belemmerende voorwaarden te onderwerpen. — Het Institnut voor internationaal recht nam wel als regel aan, dat ook aan vreemdelingen het grondgebied van den staat niet behoort te worden verboden bij wijze van algemeenen en voortdurenden maatregel, maar erkent hierop uitzonderingen, door het algemeen belang om dringende redenen geeischt en geeft als voorbeeld een groot verschil van zeden en beschaving. La protection du travail national n\' est pas, a elle seule, un motif suffisant de non-admission, heet hot verder; maar deze reden wordt m. i. wèl «surtisantquot;, als het aantal vreemdelingen maar suffisant is; men zou het dan ook in Europa wel inzien. Het verschil van zeden bij de Chineezen is trouwens op zichzelf reeds een voldoende reden, zooals ik hoop aan te toonen. Bovendien zijn wij tegenover Chineezen, die zelf hun land grootendeels voor vreemdelingen sluiten, niet aan deze regels gebonden.
— 162 —
anders de noodzaak om zelf te organiseeren zou opleveren, (f) Of-de pachten en leveranties, en de bemoeienissen der Ohineezen daarbij, nu zulk een onverdeelde ingenomenheid wettigen, mag wel betwijfeld worden. Wij troosten ons, als er kwade noten over gekraakt worden, met de gedachte dat het nu eenmaal niet anders kan, dat wij er zonder de Chineezen niet komen zouden.. Maar als er geen Chineezen waren, dan moesten en zouden we het zonder hen doen. De leveranties zouden misschien iets hooger gaan, de pacliten iets minder opbrengen, maar land en volk zouden er niet armer door zijn!
Ook als handwerkslieden heeten de Chineezen onmisbaar. Hoeveel duurder zou zonder hen alles niet zijn!
Zeker is het, dat (om maar iets te noemen) meubels op de hoofdplaatsen van Java goedkoop zijn, goedkooper dan in Europa. Maar vraagt niet, hoe de Chineesche meubelmakers aan hun (ook Chineesche) werklieden komen, hoe deze tegen een hongerloon als halve pandelingen werken om zoo in Indië vasten voet te krijgen en later, als hun verbandtijd om is, zich als een zwerm sprinkhanen over Indië te verspreiden! Dat Inlanders onder Europeesche meesters niet bruikbare handwerkslieden kunnen worden en de Indo-Europeanen evenmin, kan moeilijk worden volgehouden. Sommige artikelen zouden zonder den toevloed van uitgehongerde Chineezen, wellicht iets duurder of iets minder fraai zijn ; daaronder zouden de gegoede standen, die het wel velen kunnen, een weinig lijden, maar de algemeene welvaart zou er eer door worden bevoordeeld dan benadeeld.
Onmisbaarheid is iets betrekkelijks. Als het nu eenmaal niet anders was, zouden we het ook zonder Chineezen doen; er zijn streken, waar ze niet of weinig zijn of waren en waar het ook goed ging.
Men zal de voordeelen en de nadeelen onpartijdig moeten vergeleken en hierbij moeten overwegen, dat met den Chinees
(t) Zoo beginnen wij thans de uitgebreidste pacht zelf te organiseeren na— reeds hoe lang — getwijfeld te hebben aan ons vermogen om dit te doen. En behoeft in deze onze organisatie onder te doen voor die der Chineezen ? In intriges zeker: in andere opzichten zeker niet.
— 163 —
de opium en de korruptie onvermijdelijk hun joyeuse entree houden, gelijk met de Arabieren hun godsdienst; dat beide Tassen per se zich een plaats onder de meer gegoeden trachten te verschaffen en hun dit meestal lukt; dat zij, de een voornamelijk door woeker, de ander door sawahmelkerij, knoeien, omkoopen enz., beiden door te spekuleeren op de zorgeloosheid van het volk en gebruik te maken van hun meerderheid in sommige opzichten, zich verrijken ten koste der eigenlijke bevolking; dat Indië, — althans die deelen, waarheen de stroom der vreemdelingen zich richt, — eer aan overbevolking lijdt dan aan het omgekeerde, zoodat vermeerdering van buiten niet gewenscht is, vooral niet wanneer de vreemdelingen in hoofdzaak de betere standen innemen en dus de inboorlingen daarvan terugdringen. En welke voordeelen, die men daartegenover stelt, kunnen daartegen opwegen P
Het gaat niet aan de kwestie van een bekrompen standpunt te beoordeelen en enkele voordeelen of gemakzucht den doorslag te laten geven. Men moet zich daarboven verheffen en verder zien dan dadelijk voordeel en eigenbelang van enkele standen.
Doet men dit, dan zal moeilijk kunnen worden ontkend, dat uit een nationaal — d. i. Nederlandsch en Indisch — standpunt beschouwd, de groote proporties der Oostersche vreemdelingschap en haar doorsijpelen in gansch jSquot;. Indië een gevaar zijn.
Ik beschouw, op historische gronden, de Nederlanders en de Inlanders als de eigenaren van Indië; hun belangen, die zich steeds meer moeten verbroederen, als de nationale. Is hiermee overeen te brengen, dat vreemdelingen zich van bijkans den ganschen middenstand meester maken en daardoor den Inlander en den ingeboren Europeaan in de laagste klassen terughouden?
Het gewone argument zal wel hiertegen worden aangevoerd : de Inlander deugt voor niets dan om landbouwer, koeli of ambtenaar te zijn; de Indo-Europeaan is eveneens ongeschikt, daar hij te weinig energie en aanleg bezit; hij deugt alleen voor klerkenbaantjes en dgl.
— 162 —
anders de noodzaak om zelf te organiseeren zou opleveren, (f) Of: de pachten en leveranties, en de bemoeienissen der Chineezen daarbij, nu zulk een onverdeelde ingenomenheid wettigen, mag; vrel betwijfeld worden. quot;Wij troosten ons, als er kwade noten over gekraakt worden, met de gedachte dat het nu eenmaal niet anders kan, dat wij er zonder de Chineezen niet komen zouden-Maar als er geen Chineezen waren, dan moesten en zouden we het zonder hen doen. De leveranties zouden misschien iets hooger gaan, de pachten iets minder opbrengen, maar land en volk zouden er niet armer door zijn!
Ook als handwerkslieden heeten de Chineezen onmisbaar» Hoeveel duurder zou zonder hen alles niet zijn!
Zeker is het, dat (om maar iets te noemen) meubels op de hoofdplaatsen van Java goedkoop zijn, goedkooper dan in Europa. Maar vraagt niet, hoe de Chineesche meubelmakers aan hun (ook Chineesche) werklieden komen, hoe deze tegen een hongerloon als halve pandelingen werken om zoo in Indië vaster»: voet te krijgen en later, als hun verbandtijd om is, zich als een zwerm sprinkhanen over Indië te verspreiden! Dat Inlanders onder Europeesche meesters niet bruikbare handwerkslieden kunnen worden en do Indo-Europeanen evenmin, kan moeilijk worden volgehouden. Sommige artikelen zouden zonder den toevloed van uitgehongerde Chineezen, wellicht iets duurder of iets minder fraai zijn ; daaronder zouden de gegoede standen, die het wel velen kunnen, een weinig lijden, maar de algemeene welvaart zou er eer door worden bevoordeeld dan benadeeld.
Onmisbaarheid is iets betrekkelijks. Als het nu eenmaal niet anders was, zouden we het ook zonder Chineezen doen; er zijn streken, waar ze niet of weinig zijn of waren en waar het ook goed ging.
Men zal de voordeden en de nadeelen onpartijdig moeten vergelijken en hierbij moeten overwegen, dat met den Chinees
( ) Zoo beginnen wij thans de uitgebreidste pacht zelf te organiseeren na— reeds boe lang — getwijfeld te hebben aan ons vermogen om dit te doen. En behoeft in deze onze organisatie onder te doen voor die der Chineezen ? In intriges zeker: in andere opzichten zeker niet.
— 163 —
de opium en de korruptie onvermijdelijk hun joyeuse entrée houden, gelijk met de Arabieren hun godsdienst; dat beide rassen per se zich een plaats onder de meer gegoeden trachten te verschaffen en hun dit meestal lukt; dat zij, de een voornamelijk door woeker, de ander door sawahmelkerij, knoeien, omkoopen enz., beiden door te spekuleeren op de zorgeloosheid van het volk en gebruik te maken van hun meerderheid in sommige opzichten, zich verrijken ten koste der eigenlijke bevolking; dat N. Indië, — althans die deelen, waarheen de stroom der vreemdelingen zich richt, — eer aan overbevolking lijdt dan aan het omgekeerde, zoodat vermeerdering van buiten niet gewenscht is, vooral niet wanneer de vreemdelingen in hoofdzaak de betere standen innemen en dus de inboorlingen daarvan terugdringen. En welke voordeelen, die men daartegenover stelt, kunnen daartegen opwegen?
Het gaat niet aan de kwestie van een bekrompen standpunt te beoordeelen en enkele voordeelen of gemakzucht den doorslag te laten geven. Men moet zich daarboven verheffen en verder zien dan dadelijk voordeel en eigenbelang van enkele standen.
Doet men dit, dan zal moeilijk kunnen worden ontkend, dat uit een nationaal — d. i. Nederlandsch en Indisch — standpunt beschouwd, de groote proporties der Oostersche vreemdelingschap en haar doorsijpelen in gansch ïf. Indië een gevaar zijn.
Ik beschouw, op historische gronden, de Nederlanders en de Inlanders als de eigenaren van Indië; hun belangen, die zich steeds meer moeten verbroederen, als de nationale. Is hiermee overeen te brengen, dat vreemdelingen zich van bijkans den ganschen middenstand meester maken en daardoor den Inlander en den ingeboren Europeaan in de laagste klas-aen terughouden?
Het gewone argument zal wel hiertegen worden aangevoerd : de Inlander deugt voor niets dan om landbouwer, koeli of ambtenaar te zijn; de Indo-Europeaan is eveneens ongeschikt, daar hij te weinig energie en aanleg bezit; hij deugt alleen voor klerkenbaantjes en dgl.
— 164 —
Dit argument schijnt door de feiten bevestigd te worden, maar is naar mijn overtuiging toch onjuist.
Wat de Inlanders betreft, men pleegt zijn oordeel daarover te vestigen na eenige ondervinding op Java, waar het volk door omstandigheden, waarover ik hier niet zal uitweiden, zijn energie wel een weinig verloren heeft. quot;Wanneer men wat verder uitkijkt, zal men Inlanders vinden, die een zeer goeden aanleg voor klein- engroothandel aan den dag leggen; zeevaarders die met hun kleine vaartuigen tot de uiterste punten van den Archipel uitgaan ten handel., aannemers en leveranciers voor zeer belangrijke bedragen. Zelfs op Java ontbreken de voorbeelden niet van Inlanders, die door eigen energie zich een aardig vermogen verwierven als handelaren, prauwvoerders enz. of door het uitoefenen van een ambacht. De geschiktheid om ambachten aan te leeren ontbreekt den Inlander niet; evenmin die voor den kleinhandel. (1) — Maar om iets te kennen moet een volk, evenals een persoon, het geleerd hebben; en een natuurlijke aanleg moet zich allengs bij een volk ontwikkelen; hiertoe zijn gunstige maatschappelijke omstandigheden noodig. Het onderricht zou de Inlander van den Europeaan en van de vele Chineezen, die er reeds zijn, kunnen genieten, wanneer dezen niet gemakshalve verkozen Chineezen te gebruiken voor alles wat meer dan groven handenarbeid vereischt; de straf van dwangarbeid zou ook een schoone gelegenheid opleveren om onder den Inlander meer ontwikkeling, meer kennis van ambachten te brengen.
Hoe zal echter de ingesluimerde energie zich bij den Inlander oprichten, de lust tot aanleeren bij hem ontstaan en de gelegenheid daartoe zich aan hem voordoen, wanneer hij zonder ervaring, zonder tradities, zonder kapitaal en zonder ontwikkeling zich in konkurrentie moet begreven met de Chinee-
(1) Men ziet, zelfs op Java, dikwijls Inlanders rondgaan — evenals de Chineesche sklontongsquot; — niet allerlei huishoudelijke artikelen. Ik moet mij, kortheidshalve, er toe bepalen hier nog te herinneren aan: de Wadjoreezen, speciaal, en in \'t algemeen de Makasaren en Boeginee-zen, aan de Baweanners. Palembangers enz. bekend voor hun handelsondernemingen.
— 165 —
zen, die door hun landgenooten worden gesteund, die — ondanks al hun faillissementen — honderd maal meer krediet hebben bij den groothandel dan een Inlander, die nu eenmaal als de aangewezen personen voor alles van dien aard worden beschouwd en die zich van de meer energieke elementen onder de Inlanders, die de handen willen uitsteken, meester maken niet om hen op te leiden, maar om hen dienstbaar te maken? Onder zulke omstandigheden moet het den Inlander wel schier onmogelijk zijn een plaatsje te veroveren in de standen, die door anderen reeds zijn ingenomen en waarheen nog steeds nieuwe vreemdelingen heendringen, zóó dat zelfs onder het proletariaat de spoeling nog dunner wordt gemaakt door dezen overvloed van indringers!
AVat de mindere standen der Europeanen betreft, voor het grootste deel hier geborenen, het valt niet te ontkennen, dat zij—loffelijke uitzonderingen daargelaten — in veel opzichten een vergelijking niet kunnen doorstaan. Hun grootste ongeluk is dat zij Europeanen zijn, tot „het overheerschende rasquot; behooren en tengevolge van tradities een valsche schaamte voor-, een afkeer van verlerlei arbeid hebben, waarvoor de zuiverbloed Europeaan in zijn samenleving volstrekt niet terugdeinst. Ziedaar een alle energie uitdoovende omstandigheid, die door den drang der omstandigheden zou moeten wijken en waarschijnlijk reeds zou zijn geweken, wanneer een tus-schenstand tusschen Europeaan en Inlander de scherpe tegenstelling uitwischte en den overgang gemakkelijk maakte. Maar ook voor hen is die tusschenstand een ontoegankelijk gebied: de vreemde Oosterlinnren verdringen zich daar reeds om elk
O O
plaatsje! Zoo is de Indo-Europeaan genoodzaakt zich met wanhopige moeite op het traditioneel-Europeesche standpunt te handhaven tot de krachten hem begeven en hij, met passeering van den tusschenstand, neerploft in de laagste. (Jok hij is niet tegen den vreemden Oosterling opgewassen en geen wonder! Men zal al weer spreken van gebrek aan energie en aanleg. Zeer goed! maar dat gebrek is zeker, evenals bij den Inlander, voor een groot deel de vrucht der verdrukkende omstandigheden.
— 166 —
De konkurrentie is moeilijk vol te houden tegen een ras, dat hier straatarm aankomt en zich met het geringste hongerloon tevreden stelt, om zich er op den duur bovenop te werken.
De oude theorieën van vraag en aanbod en van den strijd om het bestaan, waarin de zwakkeren moeten ondergaan, — hoe fraai ook — klinken onder die omstandigheden wel wat schril en men zou geneigd zijn do vraag te opperen, waarom m dieu strijd dan maar van sommige wapens mag worden gebruik gemaakt en degeen, die de macht in handen heeft, niet daarvan gebruik mag maken om zijn landgenooten en zijn beschermden, die andere eischen aan het leven stellen, door afsluiting der grenzen voor de vreemde Oosterlingen, te behoeden voor de noodzakelijkheid om zulk een strijd aan te binden.
Men voert hiertegen aan het algemeen belang, dat door de konkurrentie gebaat wordt.
Maar drijft men zoo bij de opvolging van dit beginsel de konsekwentie niet tot in het ongerijmde? Zal men, zich blind turende op de goedkoopte van eenige meubels, op de leveranties, pachten enz., deze voordeelen hoog genoeg achten om op te wegen tegen de korruptie, het opiummisbruik en de verarming van het volk? Zal men, om de natie eenige artikelen wat goedkooper te bezorgen, gedoogen dat zij allengs gedegradeerd wordt tot een zee van proletariaat waarboven de eerzame konkurrent, die al dat voordeel aanbracht, genoegelijk blijft drijven?
Wanneer men een nationale welvaart, een ontwikkeling van het volk wenscht, zal men zich wat ongemak en wat minder goedkoope luxe moeten getroosten ten einde het volk een eerlijke gelegenheid te geven om zich te ontwikkelen en op te werken, om zijn inheemsclie gebreken (b. v. zorgeloosheid) te overwinnen (in plaats van drommen menschen binnen te halen, die deze gebreken als bronnen van gewin bevorderen), om werk te vinden tegen billijk loon (in plaats van, waar het loon toch al gedrukt is, nog nieuwelingen toe te laten, die het door hun aanbod nog meer zullen drukken).—
Ik vlei mij natuurlijk niet, in deze enkele bladzijden iets
I
— 167 —
nieuws gezegd of althans een volledige beschouwing geleverd te hebben omtrent dat maatschappelijke vraagstuk. Toch kon ik niet vermijden hot ooderwerp in het algemeen te bespreken en mijn standpunt in het kort aan te duiden, vóór ik overging tot een speciale behandeling in verband met het rechtswezen, die ik nu laat volgen.—
Er zijn, ook in de staatkunde, personen die op zien komen spelen en anderen, die naar een vast plan, met een doel voor oogen, te werk gaan.
Het eerste schijnt wel zoo gemakkelijk, men laat alles maaide richting uitgaan, die het van zelf inslaat en bepaalt er zich toe het stuurrad een weinig te bewegen, wanneer een hindernis moet worden ontweken. Toch heeft dit systeem, of liever: gebrek aan systeem, een bezwaar. Wanneer men niet vooruit overlegt, waar men heen wil en welken weg men daartoe moet volgen, komt men soms daar, waar de weg doodloopt of de doorgang versperd is, terwijl een weinig overleg, vooruitziende naar het doel, dit zou hebben doeu vermijden door een kleine wijziging aan de richting te geven, wellicht ongemerkt of door geringe middelen, maar zoo noodig met van zijn doel bewusten en daardoor gerechtvaardigden dwang. Xiet zonder grond zegt men dan ook; gouverner c\'est yrévoir. Het is een afgezaagd citaat, maar waarvan de mond meer pleegt te getuigen dan de daad. Ik sluit er mij bij aan en dus bij degenen, die de staatkunde met een bepaald doel voor oogen verdedigen.
Hiertegen zal wel worden ingebracht dat de historie en de natuurlijke loop van zaken zich niet laten dwingen en dit is in zekere mate waar. Men kan een boom niet dwingen om met de wortels naar boven den grond in te groeien, evenmin een stroom om naar het hoogland terug te loopen; zulk een onbereikbaar doel kiezen zou dan ook het summum van onhandigheid zijn, ook in de staatkunde. Als doel moet gekozen worden wat de omstandigheden als bereikbaar aanwijzen, wat uit den natuurlijken samenhang van zaken en gebeurtenissen kan voortvloeien en wat, dit alles in aanmerking genomen, het begeerlijkste is, dat kan worden bereikt.
— 168 —
Of het werkelijk zal worden bereikt hangt nog van zooyeel onvoorziene omstandigheden af, dat zekerheid natuurlijk niet bestaat. De boom kan door den bliksem worden getroffen, de stroom kan tengevolge eener aardbeving een gansch anderen loop krijgen; maar dit zal ons toch niet weerhouden den boom te snoeien, van schadelijke insekten te zuiveren enz. en den stroom door dijken in te sluiten, door kanalen te leiden, zóó dat hij ons het minste schade en het meeste welvaart brengt; en zoo is het ook in do staatkunde beter zich een doel voor oogen te stellen, al kunnen hoogere machten ons streven verijdelen, boter dan zich over den weg voorthollende alleen om uitwijken, waar noodig, te bekommeren, zonder bewustzijn waarheen men gaat: misschien wel op zijn eigen verderf af!
Ik stel mjj dus onze taak in deze koloniën voor als een desbewust en moedig streven. Overmoedig behoeft het daarom niet te zijn, maar evenzeer moet kleinmoedigheid vermeden worden: die het roer houdt durft ook langs de klippen te sturen, als hij maar weet waar het heen moet.
Ons doel is niet, dit meen ik te mogen vooropstellen, het inheemsche volk uit te roeien, of te verdringen en te verdrukken ; veel minder dus anderen hiertoe in staat te stellen.
Ons doel is wel (en aan dit beginsel ontleenen wij onzo innerlijke kracht, het moreele gezag tegenover den inboorling en tegenover de buitenwereld) het volk te beschaven, tot wolvaart te brengen en te beschermen. Wij hebben dit niet te doen ten opzichte van enkele individuen, maar ten opzichte van een volle, dat aan ons en waaraan wij verplichtingen hebben, en de vraag is dus: hoe dit volk op te voeden en te veredelen.
De beste methode van opleiding is volgens sommigen iemand aan zich zelf over te laten en dit is zeker een methode, die velen door schade en schande wijs doet worden, maar misschien nog meerdeeren in schade en schande doet ondergaan; die krachtige, maar egoïste individuën, vormt en dus niet bevorderlijk is £ jn de vorming eener samenleving, waar het individualisme zich voor een deel aan de samenleving, aan de naastenlieft 3 moet opofferen.
— 169 —
In elk geval is de methode niet aan te raden tooi\' hen, die nog niet op zichzelf kunnen staan. Even weinig deugt ze voor een volk, dat nog onder voogdij staat en dat, liet men het op zich zelf staan, ongetvrijfeld weldra ten prooi zou vallen aan anderen, of althans door inwendige zwakte in kwijnenden staat zou geraken. Leiding is hier noodig en wel zoodanige, die de ontwikkeling der individualiteit vrij laat en bevordert, maar zóó dat aan den eenen kant die individualiteit in harmonie zij met het geheel, met de menschheid, dat de vrije en krachtige ontwikkeling niet door schadelijke invloeden worde belemmerd en dat aan deu anderen kant de slechte kiemen der individualiteit zooveel mogelijk worden uitgeroeid of in hun opkomst belemmerd.
Voor het recht in den staat is dit alles van het grootste gewicht. Een staat zonder recht kan niet bestaan en recht kan niet bestaan zonder rechtsbewustzijn, ten minste zonder dat is het niets dan een vorm zonder inhoud, een willekeurig iets zonder hoogere wijding en daardoor zonder moreel gezag.
De beteekenis van het recht in verband met de ontwikkeling des volks zal ik wel niet behoeven te betoogen. Zoo er één ding is dat een volk kan neerdrukken, is het gebrek aan recht, aan helder bewustzijn en aan zekere toepassing daarvan; en omgekeerd is een der machtige middelen tot opvoeding juist het recht, mits dit geen willekeurig samenstel van bepalingen zij, maar op de toestanden, behoeften en gevoelens des volks beruste, een nationaal recht dus.
Het zou een dwaasheid zijn, dit nationale zóó eng op te vatten, dat al het vreemde er uit moet worden geweerd. Gelijk bij elk ontwikkelingsproces is het ook hier niet te versmaden, dat men een voorbeeld neme aan anderen. Het is zelfs noodig dat de invloed van een hooger ontwikkeld element zich doe gelden, evenals enting plaats heeft om van een wilden vruchtboom goede vruchten te verkrijgen.
Dat hooger ontwikkelde element, dat met den wilden plant moet samengroeien, zijn wij die met de inheemschen als \'t ware één nieuw, nationaal geheel moeten worden.
Meer dan op het angstvallig handhaven der gelijkvormig-
— 170 —
heid van de Europeesclie en de Indo- Europeesche wetgeving, zoover dit maar mogelijk is (art. 75 al. 1 R. R.), moet ons streven dan ook gericht vrorden op het ontwikkelen en veredelen van het nationale recht door onzen invloed.
Daartoe is gelijkvormigheid geen vereisehte, soms eer een groot struikelblok. Daarentegen is een eerste vereisehte dat de geest van ons recht steeds meer doordringe. Zal zich echter zulk een recht ontwikkelen, dan spreekt het vanzelf dat een ongestoord wordingsproces noodig is, en de steeds zich vernieuwende vreemdelingschap is daarvoor een hindernis.
Waar in een land een naar verhouding gering aantal werkelijke vreemdelingen is, die naar algemeen gevolgde beginselen van internationaal recht voor een groot deel ouder huu eigen recht blijven, zal dit aan de ontwikkeling van het nationale recht niet hinderen. Men merkt er haast niet van. Anders w7ordt het echter, wanneer de vreemdelingen groote, aaneengesloten groepen met een eigen recht uitmaken, welk recht daardoor dikwijls ook beslissend wordt voor de overige inwoners; daar zal de invloed op het nationale recht niet kunnen uitblijven. Is er slechts één soort vreemdelingen, dan kan de vrucht der vermenging wellicht een voortreffelijke zijn, maar bij verscheidenheid van vreemdelingen kan niet anders dan een spurius geboren worden, zal het mengelmoes naar van alles smaken, zonder aan één smaak te voldoen.
Het rechtsbewustzijn moet er onder lijden wanneer in éénzelfden staat, ja in eenzelfde plaats en tusschen dezelfde burgers verschillend, soms geheel met elkander strijdend recht wordt toegepast, niet in enkele uitzonderingsgevallen maar als vaste regel. Er is dan geen nationaal recht meer! Hot rechtsbewustzijn moet zoodoende verdwijnen. Wat recht of onrecht, goed of kwaad is, hangt dan maar af van het toeval. De begrippen van zedelijkheid, die in nauw verband staan met het recht, moeten ook daaronder lijden.
Ziedaar gevolgen, die niet kunnen uitblijven, en die dan ook niet te loochenen zijn overal, waar de bevolking in aanraking komt met een uitgebreide en uiteenloopende vreemdelingschap en daardoor een soort rottingsproces ontstaat.
— 171 —
Hetzelfde nadee\'i is niet te wachten, wanneer slechts één soort vreemdelingen met eigen recht met de inheemsche bevolking in aanraking komt. Hoogstens zal dan een groeikoorts ontstaan, die echter ook zal kunnen worden vermeden. Er is dan geen bonte verscheidenheid van recht, maar slechts een liooger ontwikkeld vreemd en een lager ontwikkeld inheemsch recht, uit welker onderlinge toenadering een nieuw nationaal recht zal kunnen ontstaan. Twijfel omtrent de richting, waarin beiden zich zullen moet bewegen is daarbij niet mogelijk; het rechtsbewustzijn zal dus niet opgaan in een chaos van recht.
Ook voor de organen van het recht is de groote omvang der vreemdelingschap, met haar eigen recht, een nadeel. Waar zij zich aan deze moeten laten gelegen liggen, zal dit heel wat inspanning vorderen en zullen zij zich niet ongestoord kunnen wijden de wetgever aan de vorming en leiding van het nationaal recht, de rechter aan het wetenschappelijk uitwerken daarvan; wanneer hij zich hier geheel inwerken wil, zal het mengelmoes van vreemde wetten hem daarbij telkens storen.
„Pour que des hommes appartenant a des races diverses puissent vivre dans un mème Etat et conserver un droit privé différent, il faut que les relations sociales entre ces races ne soient ni trés fréquentes, ni tres intimesquot; zegt Josephus Jitta (la méthode du droit international privé, blz. 22) en laat daarop een helder betoog volgen, dat wanneer zicli geregelde rechtsbetrekkingen tusschen zulke verscheidene rassen vormen, weldra de regel, dat bij geschillen het recht van den gedaagde geldt, niet voldoende is om de moeilijkheden, uit verschil van recht voortspruitende, te overwinnen, en behoefte aan een gemeenschappelijk recht zich zal doen gevoelen.
Wanneer er nu één gebied als treffend voorbeeld kan worden genoemd van het samenwonen van verschillende rassen met zeer uiteenloopend recht, is het zeker S\'eder-landsch-Indië. Dat voor dit gebied eenheid van recht niet begeerlijk zou zijn, ■zal wel niemand volhouden; maar evenzeer zal iedereen toegeven, dat deze eenheid voorloopig een onbe-
reikbaar iets is, hoewel wij daarom niet behoeven af te zien van het streven naar meer eenheid, naar het zooveel mogelijk vereenvoudigen van den gekompliceerden toestand, en daartoe is het noodig, dat men zich rekenschap geve van den bestaanden toestand en naga wat niet-, wat wel onvermijdelijk is, om hetgeen kan worden afgeschaft niet als afwijkend recht te laten voortbestaan.
Er zijn twee elementen, met welke in N. Indië rekening moet worden gehouden : het heerschende en het oorspronkelijke. De groote verscheidenheid van recht bij de onderworpen bevolking is op zichzelf reeds een groot bezwaar; maar wij dienen dit te eerbiedigen en het hindert minder, omdat het een plaatselijke verscheidenheid is, zoodat in den regel op een zelfde plaats maar éénerlei recht van den onderworpene de tegenstelling vormt met het recht des heerschers.
Naast deze twee hoofdsoorten van recht, die in Indië gelden, zijn daar — de Europeanen niet meegerekend — nog verscheidene soorten vreemde Oosterlingen (met Inlanders geljjkge-stelden), die er eigen recht opnahouden, althans volgens de de heerschende opvatting. Laat ons nu eens nagaan wat hun rechtstoestand is.
Volgens de wet van 1892 zijn alle Inlanders en daarmee-gelijkgestelden, enkelen uitgezonderd, vreemdelingen. IS\'aar gewone regelen van internationaal recht zou voor deze allen in zekere mate — de bizonderheden kunnen hier onbesproken blijven — hun nationaal, derhalve een vreemd recht gelden, terwijl zij overigens onderworpen zijn aan het N. Indisch recht.
Men stuit hier al dadelijk op een moeilijkheid: welk vreemd recht moet op den Inlander worden toegepast ? Hij heet wel vreemdeling, maar het land, dat hij bewoont, en liet recht, dat hem eigen is, behooren niet tot een vreemden staat. Hetzelfde geldt in zekere mate van de vreemde Oosterlingen, reeds van ouder op ouder hier geboren en geheel vervreemd van het land hunner herkomst. Het moet dan ook in \'t oog vallen, dat deze personen wel in wettigen, maar toch in zeer oneigenlijken zin vreemdelingen zijn; dat voor de Inlanders geen mogelijkheid,
— 173 —
voor de anderen geen billijke reden bestaat om hen geheel ot ten deelc onder een vreemd recht te brengen.
Om tot een praktisch resultaat te komen zal men moeten aannemen, dat do Inlanders en een groot deel der met hen gehjk-gestelden geen vreemdelingen zijn. Doordat dit in tegenspraak is mot de wet en derhalve ook een wettige afbakening ontbreekt, staan wij hier voor de moeilijke keuze om óf\'alle Inlanders en daarmee geljjkgestoiden als vreemdelingen te blijven beschouwen, of willekeurig ergens een grens te trekken. Het een is al even verwerpelijk als het andere, zoodat wij slechts kunnen hopen dat de wet deze moeilijkheid spoedig zal opheffen, door de regeling van het staatsverband ook tot do niet-Europeanen uit to strekken.
Dat hot ingezetenschap hier niet in de plaats van het staatsverband kan treden, heb ik hiervoren reeds betoogd. Het ingezetenschap, dat onmiddellijk na wettige vestiging bestaat, kan zulk een hechten band niet scheppen. AVare dit het geval, dan zouden trouwens in Indië geen andere vreemdelingen bestaan dan enkele wederrechtelijk ingeslopenen en zouden dus alle Europecsche vreemdelingen als ingozotenen onmiddeljjk geheel onderworpen zijn aan onze X. Indische wetgeving, ook wat betreft de persoonlijke rechten, hetgeen wel niet de bedoeling zal zijn geweest van denzelfden wetgever, die aan de niet- Europeesche vreemdelingen in zoo groote mate hun eigen recht liet. Het is daarom een onmogelijkheid dat art. 1G dor Ind. Alg. Bop. v. Wetg. dit zou hebben bedoeld, vooral omdat do wetgever- van den Staat, waartoe Indiö behoort, elders (art. 6 JSTed. Alg. Bep.) juist hot nationaliteitsbeginsel huldigt.
In afwachting nu dat de wet do juiste grens trekke tusscheu de niet- Europeesche loden en niet-leden van ons staatsverband, kunnen wij, daarlatende waar die grens loopt of zal loopon, aannemen dat zoodanige grens bestaat en wel op grond van art. 75 R. R., dat het recht vast stelt ook van do Inlanders cn daarmee geljjkgestelden; want het is duidelijk dat alüïea 3 van dit artikel \'jeen regel van internationaal, maar van nationaal recht vaststelt. Behoeft dit nog betoog? Art. 75 regelt
— 172 —
reikbaar iets is, hoewel wij daarom niet behoeven af te zien van het streven naar meer eenheid, naar het zooveel mogelijk vereenvoudigen van den gekompliceerden toestand, en daartoe is het noodig, dat men zich rekenschap geve van den bestaanden toestand en naga wat niet-, wat wel onvermijdelijk is, om hetgeen kan worden afgeschaft niet als afwijkend recht te laten voortbestaan.
Er zijn twee elementen, met welke in JST. Indië rekening moet worden gehouden : het heerschende en het oorspronkelijke. De groote verscheidenheid van recht bij de onderworpen bevolking is op zichzelf reeds een groot bezwaar; maar wij dienen dit te eerbiedigen en liet hindert minder, omdat het een plaatselijke verscheidenheid is, zoodat in den regel op een zelfde plaats maar éénerlei recht van den onderworpene de tegenstelling vormt met het recht des heerschers.
Naast deze twee hoofdsoorten van recht, die in Indië gelden, zijn daar — de Europeanen niet meegerekend — nog verscheidene soorten vreemde Oosterlingen (met Inlanders gelijkge-stelden), die er eigen recht opnahouden, althans volgens de de heerschende opvatting. Laat ons nu eens nagaan wat hun rechtstoestand is.
Volgens de wet van 1S92 zijn alle Inlanders en daarmee-gelijkgestelden, enkelen uitgezonderd, vreemdelingen. Naar gewone regelen van internationaal recht zou voor deze allen in zekere mate — de bizouderheden kunnen hier onbesproken bljjven — hun nationaal, derhalve een vreemd recht gelden, terwijl zij overigens onderworpen zijn aan het K. Indisch recht.
Men stuit hier al dadelijk op een moeilijkheid: welk vreemd recht moet op den Inlander worden toegepast ? Hij heet wel vreemdeling, maar het land, dat hij bewoont, en het recht, dat hem eigen is, behooren niet tot een vreemden staat. Hetzelfde geldt in zekere mate van de vreemde Oosterlingen, reeds van ouder op ouder hier geboren en geheel vervreemd van het land hunner herkomst. Het moet dan ook in \'t oog vallen, dat deze personen wel in wettigen, maar toch in zeer oneigenlijken zin vreemdelingen zijn; dat voor de Inlanders geen mogelijkheid,
— 173 —
voor dc anderen geen billijke reden bestaat om hen geheel ot ten dccle onder een vreemd recht te brengen.
Om tot een praktisch resultaat te komen zal men moeten aannemen, dat de Inlanders en een groot deel der met hen gelijk-gestelden geen vreemdelingen zijn. Doordat dit in tegenspraak is met de wet en derhalve ook een wettige afbakening ontbreekt, staan wij hier voor de moeilijke keuze om óf allo Inlanders en daarmee gelijkgestelden als vreemdelingen te blijven boschouwen, óf willekeurig ergens een grens te trekken. Het een is al even verwerpelijk als liet andere, zoodat wij slechts kunnen hopen dat dc wet deze moeilijkheid spoedig zal opheffen, door de regeling van liet staatsverband ook tot de niet-Europeanen uit te strekken.
Dat het ingczetonschap hier niet in de plaats van het staatsverband kan treden. Leb ik hiervoren reeds betoogd. Het ingezetenschap, dat onmiddellijk na wettige vestiging bestaat, kan zulk een hechten band niet scheppen. Ware dit het geval, dan zouden trouwens in Indië geen andere vreemdelingen bestaan dan enkele wederrechtelijk ingeslopenen en zouden dus alle Europeesche vreemdelingen als ingezetenen onmiddelijk geheel onderworpen zijn aan onze jSt. Indische wetgeving, ook wat betreft de persoonlijke rechten, hetgeen wel niet de bedoeling zal zijn geweest van denzelfden wetgever, die aan de niet- Europeesche vreemdelingen in zoo groote mate hun eigen recht liet. Het is daarom een onmogelijkheid dat art. 16 dor Ind. Alg. Bep. v. Wetg. dit zou hebben bedoeld, vooral omdat de wetgever- van den Staat, waartoe Indië behoort, elders (art. 6 JSTed. Alg. Bep.) juist het nationaliteitsbeginsel huldigt.
In afwachting nu dat de wet de juiste grens trekke tusschen de niet- Europeesche leden en niet-leden van ons staatsverband, kunnen wij, daarlatende waar die grens loopt of zal loopen, aannemen dat zoodanige grens bestaat en wel op grond vau art. 75 II. R., dat het recht vast stelt ook van de Inlanders en daarmee gelijkgestelden; want het is duidelijk dat aliilea 3 van dit artikel fjeen regel van internationaal, maar van nationaal recht vaststelt. Behoeft dit nog betoog? Art. 75 regelt
- 174
de rechtspraak in den staat, voorzoover zijn N. I. gebied betreft) hot recht dat daarbinnen geldt; niet het internationale recht, dat slechts als exceptie binnen liet staatsgebied kan gelden. Trouwens als regel van internationaal recht zou R. R. 75 al. 3 geheel afwijken van de in de beschaafde wereld algemeen aangenomen regelen. — Bovendien blijkt uit de 2e. alinea, dat hier geen sprake is van het recht voor den vreemdeling, maar van dat voor de leden van den staat, die zoo veel moïe-
1 O
lijk onder gelijk recht worden gebracht.
Derhalve hebben zoowel het door ons vastgestelde als het door ons voorloopig in stand gelaten inheemsch recht aanspraak op den naam van nationaal, Indisch recht, en wel krachtens art. 75 R. R. Evenwel is het niet te verwonderen, dat zekere verwarring is ontstaan en men soms over een deel van dit nationale recht spreekt, als gold liet hier alleen het statut personnel, het persoonlijke recht dat den vreemdeling volgt waar hij ook ga. Wanneer wij nagaan dat art. 75 al. 3 van het Reg. Regl. in de eerste plaats geschreven is voor den eigenlijken Inlander, bij wien geen sprake kan zijn van het toepassen van vreemd recht in zaken, die het statut personnel betreffen, dan zal moeten worden toegegeven, dat deze alinea niet een deel van bet recht, maar het gansche recht geldt. Laat ons dus steeds goed uiteenhouden den in art. 16 Alg. Bep. gebrekkig weergegeven regel van internationaal recht, die den vreemdeling onder zijn eigen recht laat wat het statut personnel betreft, en den regel van nationaal recht, die in art. 75 R R. al. 3 is neergelegd. Dit zal ons leiden tot deze regelen: I. De niet-Europeesche vreemdeling in N. Indië blijft evenals de Europeesche, onderworpen aan zijn nationaal recht, wat betreft het statut personnel;
II. De overige niet-Europeanen zijn geheel onderworpen aan het N. Indische recht en wel zooals dit in R. R. 75 is aangegeven.
Zooals ik reeds opmerkte, noemt de wet op het Nederlanderschap alle niet-Europeanen eenvoudig vreemdelingen (= niet-Ncderlanders) en is er dus wettig geen grens getrokken tusschen de vreemdelingen en niet-vreemdelingen
— 175 —
onder de niet-Europeanen, maar moet deze toch bestaan; anders had al. 3 van art. 75 R. R. geen zin. Ik ga dus uit van dit onderscheid tusschen vreemdelingen en niet-vreemdelingen en moet dan al dadelijk waarschuwen voor de verwarring, die zou kunnen worden veroorzaakt door den terra vreemde Oosterlingen, ook wel Oostersche vreemdehmjen. (Zie hiervoren blz. 135 noot 3). Hiermee wordt to^h niet bedoeld dat deze Oosterlinaron in
O
den zin der wet vreemdelingen zijn, — dit zou noch overeenkomen met de opvatting van hen, die in hot ingezetenschap het staatsverband zien, noch mot art. 5 Ind. Alg. Bep., noch mot de wet op het Nederlanderschap, die de eigenlijke Inlanders ook vreemdelingen noemt, zoodat zij evengoed vreemde Oosterlingen zouden moeten heeten — maar eenvoudig dat zij van vreemde, d. i. niet inheemschc afkomst zijn. Desniettemin kunnen zij natuurlijk tot de niet-vreemdelingen behooren. De eigenlijke term is dan ook met Inlanders gelijkgestelden, volgens art. 109 R. R. en krachtens al. 1 van di: artikel geldt ook voor hen, wat in art. 75 al. 3 voor den Inlander is bepaald.
Met dit art. 75 al. 3 tot grondslag hebben we nu na te gaan welk recht voor de met Inlanders gelijkgestelden geldt, voorzoover zij geen vreemdelingen zijn onbeperkt, voorzoover zij wel vreemdelingen zijn met uitzondering van het statut personnel.
Volgens algemeene beginselen van recht zou men moeten zeggen, dat zij zijn onderworpen aan het nationale reclit van den staat waarin zij werden opgenomen, dus in dit gedeelte van het Koninkrijk aan hot N. Indisch recht en wel, daar hier tweeërlei nationaal recht bestaat, aan dat van de klasse, waarbij zij zijn ingedeeld. Thans zouden zij dus moeten worden onderworpen aan het recht van den eigenlijken Inlander. De wet is hier echter van andere beginselen uitgegaan; ook voor hen gelden volgens de bewuste alinea 3 hun eigen godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken; althans zoo wordt de bepaling algemeen opgevat, naar ik meen in overeenstemming met haar bedoeling.
jSJu doet zich echter een vraag voor, die ik hier niet onbesproken mag laten, n. 1. of voor den met Inlanders gelijkgestelde van kracht zijn de godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken van het land, waaruit hij afkomstig is, dan wel die, welke
W. en A. Bev. 7 90
ouder zijn landgenooten hier in ludië gelden. De vraag heelt tot veel verschil van gevoelen aanleiding gegeven in het bizonder voor de Chineezen en daarom zal ik, hoewel natuurlijk dezelfde redenoering opgaat voor de andere met Inl. gehjk-gestelden, hier kortheidshalve maar spreken van Chineezen.
Geldt krachtens art. 75, al. 3 li. R. (dus voor niet-vreemdelingen) in ludië voor den Chinees het recht van China, of het recht, dat onder de Chineezen in Indië zich allengs daaruit heeft ontwikkeld?
liet eerste zullen we zuiver- Chineesch recht noemen, het andere, ook wel als Indo- Chineesch (1) recht aangeduid, noem ik liever Chineesche adat.
De strijd zuiver- Chineesch recht contra Chineesche adat is met wissevallig geluk gestreden; de jurisprudentie koos dan eens deze dan eens gene zijde.
Voor de Chineesche adat verklaarde de rechter zich meermalen uit overwegingen als deze:
dat zij, die zich in een vreemd land vestigen, wel tot op zekere hoogte (indien de wetten van het land zulks toelaten) de wetten en gebruiken van hun oorspronkelijk vaderland zullen kunnen handhaven, doch dat, door hun voortdurende aanraking en vermenging met de eigenlijke bewoners van het land en hun eigenaardige toestanden, voor hen andere behoeften zullen ontstaan, die noodzakelijk wijzigingen in die wetten en gebruiken zullen ten gevolge hebben, zoodat dus onder hen zal ontstaan een gewoonterecht, dat hoewel voor een groot deel gegrond op de wetten en gebruiken van hun oorspronkelijk vaderland, daarvan in vele opzichten meer of min afwijkt;
dat de Chineezen reeds langer dan twee eeuwen inN.I. gevestigd zijn en, o. a, door verordeningen in hun rechtstoestand zooveel is veranderd, dat er te hunnen opzichte geen sprake meer kan zijn van het specifiek Chineesche recht, maar alleen van het hen hier te lande beheerschende;
dat in art. 12 Aig. Bep. v. Wetg. en art. 7 5 E. R. klaarblijkelijk gesproken wordt van de godsd. wetten, instellingen en
1
Dit zou kunnen doen denken aan Indo-China.
— 177 —
gebruiken, welke gelden ter plaatse, waar ze moeten wordec toegepast; enz.
(Zie Tijdschr. h. R. i. N. I. 27e deel, blz. 124, 144, 147, waar van Chineesclie adat wordt gesproken; 54e deel, blz. 183 ; Ind. Wbl. v. h. R. no. 685 blz. 131, le kolom).
Hoewel in rechterlijke beslissingen geen uitvoerige beschouwingen over rechtskwesties plegen te worden opgenomen, kan men van het bovenstaande zeggen, dat het de gevolgde zienswijze althans vrij voldoende motiveert.
Aan de zijde van het zuiver Chineesch recht wordt meestal korter overwogen, b. v.:
a. dat, vermits de Europeesche bepalingen niet toepasselijk zijn, liet aanhangig geschil aan het Chineesche versterfrecht, dat is het versterfrecht, zooals het in China bestaat, moet worden getoetst; (h. R. i. N. I. XXIII, 335).
b. dat de gestelde vraag naar de termen van art. 75 R. R. getoetst behoort te worden aan de godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken, zooals die in het land van herkomst der betrokken partijen bestaan; (h. R. i. N. I. XXX, 386).
c. dat, aangezien de Chineezen hier te lande geene eigene natie uitmaken, geene afzonderlijke nationaliteit bezitten en derhalve (!) ook geene afzonderlijke godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken hebben, de onderwerpelijke rechtspraak (lees: rechtsvraag) alzoo behoort getoetst te worden naar de godsd. wetten, volksinstollingen en gebruiken, zooals die bij de Chineezen in China bestaan; (Ind. Wbl. v. h. R. no. 102 blz. 100 en no. 1205).
d. dat de rechter gehouden is het versterfrecht te volgen zooals dat in China voor de Chineezen bestaat, en dat ook daar, gelijk elders, samenhangt met den religieusen, socialen en politieken toestand; (h. R. i. ÏT. I. XXX. 194). (f)
Onder a. en b. vindt men geen gronden aangegeven dan (sub h.)
(j) Nadat dit opstel reeds voltooid was, werd in het Ind. Wbl. v. li. R. 1755 een vonnis gepubliceerd van den R. v .lust. te Soerabaja d. d. 8 Juli 1890, waarin ten gunste van het zuiver Chineesch recht, wordt overwogen: »dat voorts de wet met godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken, in casu van de Chineezen. niet kan bedoeld hebben de veelvuldig van elkaar afwijkende opvattingen omtrent hetgeen in ver-
— 178 —
art. 75 R. R., dat echter in het geheel niet spreekt van eea land van herkomst; onder d. schijnt een argument te schuilen in de laatste helft van den zin („dat samenhangtquot; enz.), maar zoolang niet is beweerd, veel minder aangetoond, dat de religieuse, sociale en politieke toestand der Chineezen in N. I. dezelfde is als iu China (en in geloof dat dit ook moeilijk zou zijn vol te houden), kan dit argument weinig waarde hebben. Dus blijft slechts over het onder c. vermelde argument, maar ook dit weegt, s. r., niet zwaar.
Dat de Chineezen hier te lande geen afzonderlijke nationaliteit zouden bezitten is dunkt mij een zeer betwijfelbare stelling. Ze is te vaag om haar in enkele regelen te kunnen bestrijden; maar vermoedelijk bedoelen de bewuste woorden, dat de Chineezen niet inheemsch zijn en hun recht dus niet naar binnenlandsche gegevens kan worden beoordeeld. Dit gaat niet op, zooals ik hoop aan te toonen, maar ging liet wol op en had de rechter reden daaruit af te leiden dat zij derhalve ook geen afzonderlijke godsdienstige wetten enz. hebben, dan zou liet voor de hand liggen, dat zij dan de inheemsche moeten volgen, en allerminst dat zij toch wel afzonderlijke godsdienstige wetten enz. hebben, evenwel noch hun eigene, noch die van het land hunner inwoning, maar.... die van het land huuner herkomst.
Mr. C. P. K. Winckel, een vroeger zeer bekend en kundig advokaat te Semarang, zegt in zijn „Essai sur les principes régissant 1\' administration de la justice aux Indes Or. ïïoll.quot;, blz. 122, over deze kwestie; „La jurisprudence penche a suivre les usages des Indo-Chinois; nous croyons qu\'elle a tort, et que la loi ne parle que du droit propre des Chinois, de celui qui est en vigueur en Chine,quot; maar geeft ook geen gronden aan voor dit gevoelen. Alleen verwijst hij naar het
sehillendo streken van N. Indiö als zoodanig zou gelden, doch wel hetgeen in het land van herkomst der betrokken partijen dienaangaande is vastgesteldquot;. II; vermeld dit volledigheidshalve, hoewel deze uitspraak geen verdere argumenten geeft. Dat de plaatselijke, uiteenloopende Chi-neesche adat juist tvel moet worden toegepast zal men verderop in dit opstel betoogd vindon.
— 179 —
E. i. N. I. XXVIII 65 en inderdaad vinden -wij daar eindelijk een degelijk betoog voor de toepasselijkheid van het zuiver Chineesch recht, gesteld door iln J. Sibemüs Trip. Deze, de argumenten der tegenstanders waardeerende en de wenschebjkheid toegevende dat hier de Chineesche adat van kracht ware, meent echter dat de wet alleen het zuiver Chineesche recht kan bedoelen.
„De wet kent het onderscheid niet,quot; zegt hij 1. c. blz. \'jG, „tusschen het gewoonterecht der vreemde oosterlingen hier te lande en de godsdienstige wetten enz. dor Chineezen in hun oorspronkelijk vaderland.quot; Ik zou hier liever voor „kentquot; lezen „maaktquot; en merk daarbij op, dat dit nog niet bewijst, dat de wet overal hetzelfde met die uitdrukkingen bedoelt.
Mr. Trip wijst er daarna op, dat art. 4 Ov. bep., 7 R. O., 11 Alg. Bep. en 75 R. R. alleen spreken van rZe godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken; dat nu volgens art. 7 R. O. de strafrechter ook op die godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken zal dienen te letten, en daarbij aan geene andere kan worden gedacht, dan die, welke in het oorspronkelijk vaderland der vreemdelingen vigeren, omdat hier omtrent het strafrecht geen gewoonterecht onder hen kan bestaan, daar zij ten allen tijde aan de hier vigerende strafwetten zijn onderworpen geweestquot;. De wetgever zou derhalve in dit artikel, en dus ook overal elders, niet anders kunnen bedoeld hebben dan het zuiver Chineesche recht.
Hoeveel aantrekkelijks dit betoog ook hebbe, geloof ik niet dat het opgaat. Wat in art. 7 R. O., dat over het hooren van adviseurs handelt en terloops over de godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken spreekt, met deze uitdrukking bedoeld wordt zou men uit art. 75 R. R. al. 3, of vóór dit Reglement bestond uit art. 11 Alg. Bep., mogen afleiden, daar dit de bepalingen zjjn, die deze materie hebben geregeld; maar niet omgekeerd mag men dit doen uit een bepaling, die iets anders regelt en bij welker redaktie de wetgever zijn aandacht op een ander onderwerp koncentreerde. Maar al ware het anders dan zou de redeneering nog niet opgaan.
Wanneer bij de Chineezen in Indië zich nooit een gewoon-
— ISO —
terecht omtrent strafzaken heeft gevormd, dan zal de adviseur,, hiernaar gevraagd, dit ongetwijfeld meedeelea ; een gelijk geval zou zich ergens ten opzichte van den eigenlijken Inlander en zelfs in civiele zaken kunnen voordoen, zooals in de laatst© zinsnede van art. 75 R. R. uitdrukkelijk is voorzien; maar dergelijke uitzonderingsgevallen behoefden den wetgever niet te weerhouden van als algemeenen, niet speciaal de Chineezen betreftenden regel te stellen, dat zoowel in straf- als in civiele zaken een adviseur wordt gehoord over de godsdienstige wetten enz., ten einde daarop bij het doen der uitspraak worde gelet.
Voorzien deze wetten enz. niet in het behandelde geval, welnu dan kan daarop ook niet gelet worden en is aan het voorschrift der wet voldaan als de adviseur, gehoord zijnde, dit heeft megedeeld. — Dat art. 7 R. O. geen andere godsd. wetten, instellingen en gebruiken kan bedoelen dan die, welke voorzien in alle crimineele en civiele zaken, die zich kunnen voordoen, is toch zeker niet vol te houden, want als een Chinees hier terechtstaat wegens een opium-overtreding, wegens sluiken van Goevernements-koffie of het overtreden der bepalingen van een rooireglement, om maar iets te noemen, zal het zuiver Chineesch recht evenmin uitsluitsel geven.
Bovendien zag ilr. S. Trip, naar mijn bescheiden meening, een gewichtig ding over het hoofd. Zijn redeneering n. 1. zou alleen opgaan, wanneer in strafzaken de adviseur alleen kon worden gehoord over het, zuivere of Indo- Chineesche, strafrecht. Het is echter zeer goed te denken, dat in een strafzaak burgerrechtelijke kwesties te pas komen, hetzij omdat de beoordeeling van de zwaarte des misdnjfs afhangt van de beschouwing, die aan den landaard des beklaagden eigen is ten opzichte van onderwerpen van niet-strafrechtelijken aard; (bij meineed b. v. rijst de vraag: welke beteekenis had de eed voor den beklaagde, bij misdaden tegen de zeden; in hoever kunnen de opvattingen van beklaagdes landaard als verzachtende omstandigheid gelden? enz.); hetzij omdat in andere gevallen zelfs de strafbaarheid van het gepleegde feit geheel afhangt van een burgerrechtelijke vraag, b. v. was de beklaagde eigenaar, erfgenaam, was hij familie van den bestolene ? enz. In al deze ge-
— 181 —
vallen zal de adviseur in strafzaken, ook ofschoon het recht waarover hij adviseert zich niet tot liet crimineele moge uitstrekken, een advies uitbrengen, dat wel degelijk loopt over „de ter zake betrekkelijke godsdienstige of andere wetten of gebruikenquot;, waarop dan ook bij het doen der uitspraak gewis zal worden yelet. Dus, hoe men het opvatte, in het systeem der Avet is altijd reden den Chin, adviseur te hooren, zij \'t dan over zuiver Chin, recht of over Chin. adat. Dat art. 7 dit voorschrijft pleit dus volstrekt niet voor hot eerste.
Een andere, jongere voorstander van het zuiver Chineesche recht, Mr. Gr. von Faber, voert in zijn boekje: „het familie-en erfrecht der Chineezen in Jf. Lquot;, nog eenige andere argumenten aan.
Hjj meent (blz. 27) „dat do wetgever slechts het oog gehad kan hebben op het recht zóó als het in China van kracht is, daar hij anders zijne bedoeling op eene andere wijze zou hebben kenbaar gemaakt.quot; — Zoolang hij niet aangeeft op welke andere wijze, kan ik moeilijk tegen dit onbestemde argument iets aanvoeren. Waar hij echter in de middelste zinsnede op blz. 29 zegt „dat voor de Chineezen in Nquot;. 1. slechts hot zuiver-Chiueescho recht geldt, — als het eenige, dat den naam van „Chineesch rechtquot; verdientquot; — zou men geneigd zijn te veronderstellen, dat hij meent ergens in do wet gelezen te hebben, dat op de Chineezen ia K I. „het Chineesch rechtquot; van toepassing is; ten minste ik begrijp niet wat anders het nut is van deze gekursiveerde woorden. De wet spreekt echter nergens van Chineesch recht en het kan ons dus vrij onverschillig zijn of wat wij toepassen verdient zoo genoemd te worden, mits het maar in overeenstemming is met de godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken van de betrokkenen, in casu dus van de Chineesche inwoners van N. I. Dat deze van de in China heerschende zouden kunnen afwijken ontkent Mr. v. F. wel is waar, maar m. i. op vrij zwakke gronden, n. 1.
1°. op grond van zijn eigen nauwkeurig onderzoek (blz. 28). De schrijver zal mij wel ten goede houden, dat ik aan het nauwkeurig onderzoek van iemand, die zoo juist zijn akade-mische studies eindigt, niet veel waarde hecht, waar alleen
— 182 —
een uitgebreid plaatselijk onderzoek in deze waarde zou kunnen hebben.
2o. op grond dat het z. g. n. Indo-Cliineesch recht is louter gefingeerd door onbekendheid met de zuiver-Ciiineesche godsd. wetten, instellingen en gebruiken bij hen, die de rechterlijke macht moesten voorlichten (blz. 28). Nu, deze voorlichters waren Chineosche tolken en Chineesche hoofden (aanzienlijken). Wanneer zelfs deze het echt Chineesche recht niet kennen, bestaat er toch wel eenige reden om aan te nemen, dat de instellingen en gebruiken, die zij hier in Indië waarnamen, andere waren en hier dus wel degelijk\' een afwijkend Chinee-zenrecht bestond. Waarom nu dit waargenomene een fictie genoemd ?
De schrijver zet vervolgens op blz. 28 uiteen — en het is koren op mijn molen — dat de in N. Indië gevestigde Chiuee-zen. die tot de heffe des volks in China behooren of althans daarvan afstammen, niet voldoende bekend zijn met de wetten of instellingen van hun eigen land. Welnu, reden te meer om aan te nomen, dat deze menschen het hun gebrekkig bekende recht wel niet zuiver bewaard en overgeleverd zullen hebben; dat zich dus gedurende de eeuwen, dat hier al Chi-neezen wonen en zich voortplanten, onder hen een gewoonterecht zal hebben gevormd, in veel afwijkende van het zuiver-Chineesche recht, al waren zij zich hiervan niet bewust.
Vervolgens beroept Schr. zich op Pieter Haksteen\'s verzameling van Chinaas Kocht, die ook niet het Chineesche recht weergaf, ofschoon dit wel de bedoeling des samenstellers was. Mij dunkt, dat ook hieruit weer volgt, dat wat P. H. in Indië waarnam en vernam van het Chineesche recht (hij zal het toch wrel niet verzonnen hebben?) afweek van het zuiver-Chinee-sche, m. a. w. dat in Indië reeds toenmaals een specifiek-In-disch gewoonterecht der Chineezen bestond.
Wanneer op grond van dit alles op blz 29 als het grootst denkbare misverstand wordt aangeduid, dat deze z. g. u. Indo-Chineesche instellingen en gebruiken, tengevolge van onbekendheid met het zuiver Chineesche recht door sommige
— 183 —
roclitorlijke colleges in het leven geroepen, hij de Chineezen in N. I. zelf zouden zijn ontstaan, dan vraagt men zich af: bij wie anders? hebben de rechters zich in Indië wetgevende bevoegdheid aangematigd, of hebben ze eenvoudig door getuigen en deskundigen gekonstateerd, wat onder de Chineezen voor recht gold ? Die deskundigen en getuigen mogen van het zuiver-Chin. recht minder goed op de hoogte zijn geweest, er is geen reden om aan te nemen, dat zij zelfs van de plaatselijke gebruiken hier te lande niet op de hoogte waren of op-:ettelijk den rechter onjuist inlichtten!
Ik meen hiermee voorloopig voldoende te hebben aangetoond, cat ook de argumenten van Mr. vox Faber de heerschappij ran het zuiver-Chineeschc recht alhier niet kunnen schragen, maar dien nu nog melding te maken van het gevoelen van Mk. 1\'. H. Fromberg, die in een zeer interessante verhandeling in het R. i. I. (deel 66 blz. 154 en volgd.) de kwestie terloops aanroert en evenzoo te kennen geeft aan dat Indisch-Chineesch recht weinig geloof te hechten. Hij vraagt echter meer bepaald of „een Indo-Chineesch gewoonterecht is ontstaan dat op kardinale punten van het nationale recht afwijktquot;. Nu is het moeilijk uit te maken wat kardinale punten zijn; daarover kunnen de opinies zeer uiteenloopen; evenzoo zal de beantwoording der vraag zeer verschillen naar gelang van de plaats; deze adat zal zich wel niet overal gelijk ontwikkeld liebben; hier zal zij weinig, daar weer veel van het oorspronkelijke afwijken.
De vraag óf er oen Chineesche adat in Indië bestaat en hoever zij zich uitstrekt, is dan ook voor mijn betoog van minder belang ; want het is mij om het beginsel te doen. Is deze adat niet anders dan het zuiver-Chineesche recht, dan behoeft men zich er ook niet warm over te maken dat de Chin, adat wordt geldig geacht, immers vallen beiden in de praktijk samen.
Maar het zou een wonder zijn, als geen afwijkingen door de Chineesche adat waren ontstaan en het is dan wel vreemd, dat, als zij niet bestaan, zich toch meermalen — zooals uit de jurisprudentie kan blijken — over deze vermeende (?) verschillen rechtstnjd heeft voorgedaan, waarin gedecideerd aan beide zijden partij werd gekozen.
— 184 —
Zou de rechter zich op den duur door zulke denkbeeldige moeilijkheden laten verschalken?
Mr. Fkomberg zegt zelf (opblz. 157): „Hier te lande schijnt reeds oudtijds tusschen Chineesche echtgenooten gegolden te hebben, dat een ieder behield wat hij hadquot;, hetgeen dan toch schijnt te wijzen op een begin van adat-wording.
Ik zal verder de bizondere kwesties, waarover mijn kundige ambtgenoot op do aangehaalde bladzijden spreekt, er bui ter laten, daar het mij alleen te doen is om het beginsel; maar wii hier wijzen op eenigc zijner uitlatingen, die aantoonen dat lij zich op een m. i. verkeerd standpunt plaatst bij de beoordeeling der kwestie.
Xa te hebben bestreden wat wel eens als Chineesche adat :s voorgesteld, zegt hij op blz. 158: „Of zou men meenen dat hier een tijd is geweest, dat de Chineesche vrouw niet meer in manu mariti, dat maritale macht bij de Chineezen een onbekende zaak was? Ware dit zoo, de Chineezen zouden geen Chineezen meer zijnquot; Ik laat daar welk antwoord op zijn vraag moet worden gegeven, en of er geen graden zijn ook van maritale macht, maar wil alleen opmerken, dat wat op de vraag volgt, blijkbaar met de strekking om aan te toonen, dat men onmogelijk zóó kan meenen, goedbeschouwd niet daartoe dienen kan.
Het is mogelijk, dat Chineezenvrienden zoover gaan van het iets onmogelijks of iets verschrikkelijks te vinden, dat een Chinees geen Chinees meer is; maar van een wettig standpunt. waarmee wij hier te maken hebben, kan het volkomen onverschillig zijn of de Chineezen in Indië „geen Chineezenquot; meer zijn, waarmee blijkbaar bedoeld wordt: dat ze in karakter en gewoonten anders zijn dan hun voorouders en hun landgenooten in China. Immers de Nederlandsche Staat in Indië stelt zich geenszins ton doel hier een stoeterij van zuivere Chineezen te houden. Evenals deze zich hier lichamelijk vermengen mot anderen en meer en meer op dezen gaan gelijken, derhalve minder op hun rasgenooten; evenzoo kan er geen bezwaar tegen bestaan dat zij ook in hun recht en hun zoden veel van het voorvaderlijke laten varen. Bestond
er gevaar, dat zij dit zouden vervangen door gewoonten der Roodhuiden of door ander exotisch recht, dan zou de ruil misschien eenig gevaar kunnen opleveren. Maar hierop bestaat weinig kans; de overgang zal wel een geleidelijke zijn naar de inheemsche zeden en gewoonten en de wetgever is er altijd nog om, zoo dikwijls ditnoodig blijkt, zelf dien overgang te leiden in de gewenschte richting.
Dat niet alle Chineezen in Indiö even trouw blijven aan al wat Chineesch is, hoop ik weldra te doen uitkomen, en waarom de belangen en begrippen van degenen, die hot meest zijn ingeburgerd, niet in aanmerking «ouden komen, maar alleen die der orthodoxe Chineezen, zie ik niet in.
„Blijkt uit het bovenstaandequot;, zegt Mr. Fromberg op blz. 159, „dat wij het bestaan van een afwijkend Indo-Chineesch gewoonterecht niet gewaar zijn geworden, dan kan voor ons de term „godsdienstige wetten, instellingen en gebruikenquot; van art. 75 R. R., met betrekking tot Chineezen (art. 109 R. E.) ook niet anders beteekenen, dan het nationale recht der Chineezen. Wij betwijfelen zelfs of art. 75 R. R. een andere beteekenis zou toelaten. Het is liberaal dat Chineezen, van huis uit vreemdelingen, hier te lande, niettegenstaande zij door vestiging ingezetenon zijn geworden, nog voor een belangrijk deel op hun nationale wet beroep mogen doen. De vrijgevigheid zou echter niet alleen alle perken te buiten gaan, indien zich tussclien het Europeesche en liet nationale recht nog een Indo-Cbineesch gewoonterecht mocht plaatsen, maar dientengevolge zou ook in strijd met gemeld art. 75 het Europeesch recht zijn beteekenis als aanvullend, wegwijzend, naar zich toetrekkend, voorzoover eigen recht, eigen instellingen onrechtvaardig of onvolledig zijn, grootendeels verliezenquot;.
Ook tegen deze redeneering veroorloof ik me eenige opmerkingen.
Wat betreft het slot („maar dientengevolgequot;), zie ik niet in welk bezwaar er is in dit gevolg. De hier bedoelde laatste zinsnede van art. 75 R. R. stelt vast dat, wanneer een zaak niet geregeld is bij de godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken, de algemeene beginselen van ons Europeesch recht
— 186 —
tot richtsnoer worden genomen. Het is dus slechts een Toor-waardelijke bepaling: voor \'£ yevcd zich zoo iets voordoet. Ik lees er niet uit, dat in het gewoonterecht per se iets niet geregeld behoort te zijn, opdat het Europeesche recht ook iets „naar zicli toetrekkenquot; kunne, zooals Mit. Fromeerg het noemt, en veel minder dat het gewoonterecht in zijn groei en ontwikkeling daardoor belemmerd wordt, zoodat onderwerpen, waarvoor eenmaal het Eur. recht tot richtsnoer is genomen bij gebreke van voorziening door de adat, niet meer naar de adat zouden mogen worden berecht, wanneer deze later allengs in het geval heeft voorzien. (1) Alleen wanneer de Eur. bepalingen niet tot richtsnoer genomen, maar toepasselijk verklaard zijn, is het te dien aanzien uit met de adat.
Wat de liberaliteit betreft, waarvan do aangehaalde woorden van Mr. F. gewag maken, deze strekt zich volgens art. 75 R. li. niet uit tot een deel van de nationale (?) wet, maar tot het geheel, zoowel voor Inlanders als voor daarmee geljjkgestelden, — daar-tusschen maakt het artikel geen onderscheid — altijd behoudens de toepasselijkverklaring der Eur. wetgeving, waartoe de Goeverneur-Generaal ten opzichte van allen bevoegd is. Ik geef toe, dat deze vrijgevigheid werkelijk zoo niet alle perken, dan toch die der gematigde gastvrijheid te buiten gaat, maar ik zie niet in, waarom het uit een staatkundig of ander (niet speciaal Chineesch) oogpunt ergerlijker zou zijn, als aan een in Indië ontstaan gewoonterecht kracht van wet werd toegekend, dan wanneer dit werd toegekend aan een recht, huiten hei staatsijehied door een vreemd gezag vastgesteld of door een vreemd, in andere omstandigheden levend volk gevormd.
En nu de beteekenis van art. 75 R. R., dat volgens Mr. P. geen andere opvatting zou toelaten dan de zijne. Ik erken
(1) Zie in mijn eerste opstel (»Wet en Adatquot;) blz. 60 onderaan. De wet verklaart in het algemeen de adat (godsdienstige wetten enz.) toepasselijk niet uitsluitend die, welke bij de invoering van het R. R. reeds hestonden. Men vergelijke te dezen opzichte ait. 75 al. 3 R. R. niet de termen van art. 78 al. 2, waar het woord »hlijvenquot; maakt dat alleen een reeds en nog. bestaande adat kan zijn bedoeld.
— 1S7 —
hier gaarne en in alle oprechtheid, dat ik het juridisch inzicht van dezen mijn kollega zeer hoog stel, maar een krachtige overtuiging noopt mij in deze toch zijn opvatting te bestrijden en geeft mij zelfs den moed te beweren, dat hij tot een ander inzicht zou komen, wanneer hij de vraag van een ruimer en algemeener standpunt bekeek.
Waar het internationaal recht den vreemdeling slechts ten opzichte van een klein deel van het privaatrecht oen beroep op zijn nationale wet toelaat, daar is het niet aan te nemen, dat in art. 75 R. R. (al. 3), hetwelk dit beroep, in beginsel, alyemeen toelaat, al moge dan achtereenvolgens ten opzichte van het strafrecht en een groot deel van het privaat recht voor alle of sommige kategorieën van Inlanders en d. g. g. later hierop een uitzondering zijn gemaakt, bedoeld is een regel van internationaal recht te stellen. Hieruit op zichzelf valt al af te leiden, dat ai-t. 75 R. R. (al. 3) noch de eigenlijke vreemdelingen, noch de buitenlandsche wetten, instellingen en gebruiken als zoodanig op het oog had. Nu mag men opmerken, dat de Inlanders c. s. volgens de tegenwoordige wet op het Nederlanderschap vreemdelingen zijn; maar ieder zal toch toegeven, dat dit een onverdedigbare bepaling is; (f) bovendien bestond zij nog niet toen het R. R. werd vastgesteld en art. 5 —12 van het Ned. B. W. nog golden; en eindelijk heeft de bepaling van art. 75 R. R. dan toch in elk geval de ingezetenen van N. I. op het oog en spreekt van de godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken van deze ingezetenen. Gaat het dan aan dit ten opzichte van de hier gevestigde Chineezen zóó op te vatten, dat niet hun wetten, gebruiken enz., maar die van hun rasgenooten in China zijn bedoeld, wanneer tusschen deze twee verschil bestaat? Waar ergens in onze wet wordt van de Chineesche wetten enz. gesproken ?
Art. 75 bedoelt ongetwijfeld in al. 3 aan de bewoners van
(j) Daarbij zijn zij ook volgens de wet van \'02 niet per se vreemdelingen, maar kunnen Nederlanders zijn door naturalisatie of afstamming van een genaturaliseerde.
— 188 —
den staat ia N. I., voorzoover de wetgever nog geen regeling heeft getroffen, hun godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken te laten, omdat het rechtsbewustzijn en de gewoonten dier bewoners zooveel mogelijk worden geëerbiedigd; en aangezien deze zeer uiteenloopen kan daardoor zeer verschillend recht ontstaan. Maar deze eerbiediging heeft toch geeuerlei betrekking op eenig vreemd recht als zoodanig. Heeft een deel der inwoners gewoonten en een rechtsbewustzijn, die van vreemden oorsprong zijn, dan gelden ook deze ingevolge art. 75 j0. art. 109 R. R.; dan wordt echter hun oorsprong niet geëerbiedigd, maar (geheel los daarvan) het feit, dat zij door die inwoners als recht worden gehuldigd. Is wat deze inwoners huldigen niet in overeenstemming met wat in het land van oorsprong geldt, dan vervalt alle reden om het oorspronkelijke desniettemin te handhaven; immers waartoe zou een wetgever een recht, dat met zijn overtuiging in strijd is, opdringen aan hen, met wier overtuiging het evenmin harmonieert! In do wet is trouwens geen term, die zoo iets zou rechtvaardigen. (1)
Art, 75 al. 3 R. R. spreekt alleen van Inlanders. Krachtens art. 109 R. R. is dezelfde regel ook toepasselijk op met Inlanders gelijkgesteldon, dus ook op Chineezen. In die alinea staat dus voorzoover de Chineezen betreft: „Behoudens enz.
..... worden door den Inlandschen rechter toegepast de
godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken der met Inlanders gelijkgestelde Chineezenquot; en dat zijn de Chineezen in Indië, niet die in China, voor wie geen sprake is van gelijkstelling. Dus moeten worden toegepast de godsd. wetten enz. der Chineezen in N. Indië.
Meer staat er niet in de wet en meer zou er ook niet in kunnen staan, zooals men zal inzien, wanneer men zijn gezichtskring
1
Men zal opmerken, dat ik hier geheel dezelfde redeneering volg als vroeger (in het opstel »Wet en Adatquot;) voor den eigenlijken Inlander ten opzichte van het uit den vreemde afkomstige, Mohammedaansche recht, en dit pleit, dunkt mij, voor de konsekwentie van mijnsysteem. Ik leg art. 75 al. 3 R. R. altijd gelijk uit, welken persoon het ook gelde, omdat dit artikel zelf ook geen verschil maakt tussehen de personen.
— 189 —
wat verruimt ge nagaat, welke de gevolgen zouden zijn, wanneer men in het algemeen toepaste, wat men nu speciaal voor de Chi-neezen aanneemt. Want er is in het R. li. geen onderscheid gemaakt voor de Chineezen. Wat voor hen geldt, zou dus evengoed opgaan voor dc andere met Inlanders gelijk gestelden.
Stel nu dat zich een Japansche nederzetting vormt in onzen archipel, welker banden met het moederland allengs losser worden; dat deze ingezetenen na een verblijf van twee geslachten hier ingeburgerd zijn geraakt en onder hen een gewoonterecht ontstaat, wel in veel met het recht in hun moederland overeenkomend, maar toch in andere opzichten ten gevolge van gewijzigde behoeften en door den invloed der omgeving daarvan afwijkende. Nu zouden wij kraciitens art. 75 al. 3 die menschen noodzaken het recht te volgen, zooals het in hun vaderland was, toen zij dit verlieten, niet alleen, maar ook zooals dit later daar wordt gewijzigd? De Japansche wetgever zou dus wetgever worden voor een deel niet van onze vlottende, maar van onze vaste, ingeburgerde bevolking ?
\\ oor de Arabieren in Indië, ook die hier van geslacht op geslacht geboren worden en zich met de Inlandsche bevolking vermengden, zoudeu nog de wijzigingen gelden, die telkens in het Turksche rijk worden aangebracht in liet burgerlijk recht ?
Eu zoo zouden menschen, wier voorouders zich wellicht 200 jaren geleden hier vestigden, nog steeds gebonden zijn aan het recht dat thans geldt of in den vervolge zal gelden in het land hunner herkomst? Mij dunkt voor kolonisten, al brengen zij hun recht mee, houdt het gezag van het daarna in het moederland afgekondigd recht op, tenzij dit moederland het wetgevend gezag bezit over het gekoloniseerde land.
En om nu bij de Chineezen te blijven:
Is geheel het privaat recht voor gansch China hetzelfde?
Zoo neen, welk recht geldt dan hier voor de Chineezen, als men spreekt van het Chineescii recht ?
Is in het reusachtige Chineesche rijk niet een deel van het
— 190 -
recht verschillend naar gelang van plaatselijke gewoonten? Zoo ja, van welke plaats in China moeten -wij dan de gewoonte toepassen op Chineezen, wier plaats van herkomst niet is na te gaan?
Do verhandeling van Mr. Fromberg deed den Sinoloog J. AV. Yöüng naar de pen grijpen, om in het 67° deel van „Het Recht in N.-I.quot; eenige aanteekcningen daaraan toe te voegen, die getuigen van zeer groote, en dan ook wel verdiende ingenomenheid. Ook in deze aanteekeningen van een deskundige zal men het een en ander vinden, dat er op wijst, dat de Chineezen in Indië ten opzichte van het recht nu niet zoo onvoorwaardelijk blijven vasthouden aan het zuivere recht van China. Zelfs bij de volbloed Chineezen in Indië heeft hjj een „stil verlangenquot; van velen opgemerkt om te mogen afwijken van liet zuiver Chineesch erfrecht. Dit heeft zich nog niet tot recht gevormd, verzekert hij (zie blz. 262) en ik wil dit aannemen.
Maar wanneer bij de volbloeds zich reeds zulk een verlangen heeft ontwikkeld, kan men nagaan hoe weinig bij latere geslachten liet konservatisme bestand zal zijn tegen den uit veranderde omstandigheden voortgesproten drang tot afwijking. Ook op blz. 261 (onderaan) maakt de Heer Youxg gewag van een stemming bij vele Chineezen in Indië om het erfrecht der dochters anders te regelen dan in China.
Dergelijke neigingen zouden zeker, wanneer de groei der Chineesche adat niet werd belemmerd, spoedig een zeer afwijkend gewoonterecht doen ontstaan onder do Ciiineezen in Indië. De wees- en boedelkamers en hun deskundigen zijn hier juist het belemmerende element, in plaats van — zooals Mr. v. Faber het voorstelt — nieuw recht aan de Chineezen op te dringen. Zij missen geregelde voeling met het plaatselijk rechtsbewustzijn, met den drang der plaatselijke behoeften en verlangens der Chineezen, en houden zich zooveel mogelijk aan het recht van China. Alleen waar dit onmogelijk is of bezwaar oplevert wordt afgeweken, soms op het advies van Sinologen (zie bij Young blz. 259), en zoo verbeeld ik mij, dat voor de
— 191 —
Chineezen wel eens recht wordt yevonden, geschept, dat dan niet valt ondev het op de Chineezen toepasselijk verklaard deel van het geschreven Enropeesch recht, maar wel degelijk Indisch gewoonterecht is voor de Chineezen.
T^a deze bespreking der opvattingen van eenige autoriteiten, waarbij mijn eigen meening van zelf uitkomt, behoef ik deze niet meer uitvoerig uiteen te zetten, maar kan ik volstaan met haar te resumeeren.
Krachtens art. 75 R. li. hebben alle bewoners van N. Indië, die niet behooren tot de Europeanen of daarmee gelijkgestelden, recht op volledige eerbiediging hunner adat. Do Chineeschc ingezetenen hebben dit recht ook, niet in hun hoedanigheid van Chineezen, maar als inwoners, en \'t is dus do adat dezer inwoners en niet die der Chineezen als zoodanig, die hier geldt.
Komt de adat alhier overeen met het recht in China, dan is hier geen bezwaar tegen,, maar daarom is het nog niet dit laatste, dat hier geldt; immers men zal ook niet zeggen dat liet Pransche strafrecht hier geldt, omdat ons strafrecht voor een groot deel overeenkomt met den Code Pénal en daaraan ontleend is.
Deze adat der Chineezen nu staat geheel gelijk met die der andere niet-Enropeanen. Overal waar bij een afzonderlijke groep inwoners zich een gewoonterecht hoeft ontwikkeld, heeft dit recht op eerbiediging. Van afzonderlijke personen kan natuurlijk geen sprake zijn. Eerst waar onder een samenleving een gewoonte vaste vormen heeft aangenomen, mag zij recht heeten.
De enkele personen, buiten hun groep geraakt, moeten dus behandeld worden naar de groep, waartoe zij behooren door de natuur der omstfindigheden; zoo een Inlandsch Christen op een plaats, waar er anders geen zijn, naar liet gewoonte-recht dei-gemeente, waartoe hij behoort, een Chinees buiten de plaatsen, waar Chineezen gevestigd zijn, naar het recht in de plaats, waar hij te voren gevestigd was; enz.
Ik geef toe, dat dit alles weinig bevorderlijk is aan de éénheid van recht, en dat liet een gruwel is voor den jurist, die in dezen tijd van kodifikaties vergroeid is tot iemand die een afkeer heeft
W. en A. Bcv. 8. ^ .
— 192 —
van alles, wat niet duidelijk op \'t papier staat; (1) het is nu eenmaal zoo volgens de wet, waaraan wij ons hebben te houden enj zoo lastig als het is voor den rechter, is het toch billijker tegenover de rechtzoekenden het beginsel van art. 75 al. 3. R. E. gelijkmatig toe te passen. Men vergete toch niet, dat er verscheidene groepen van Chineesche afstammelingen in ons Insu-linde zijn, aan wie onze sinologen en juristen waarschijnlijk minder dachten bij hun verdediging van het zuiver Chineesch recht, maar die volstrekt geen onbelangrijke minderheid vormen, groepen, die van de Ohineesche tradities geheel vervreemd zijn, ook in hun rechtsopvattingen.
Ik veronderstel dat dit o. a het geval is met de Chineezen van de Borneosclie binnenlanden.
Nog niet gelijk hun landgenooten op Java onderworpen aan de in Stbl. 55 no. 79 vermelde gedeelten der Europeesche wetgeving, zullen zij in die opzichten misschien meer Chineesch zijn dan die op Java; maar in andere opzichten zullen zij, aan zich zeiven overgelaten, weer veel naar de omstandigheden hebben gewijzigd en, geneigd als zij zijn om zich overal naar de landsopvattingen te plooien als dit hun voordeel is, zullen zij veel van de andere bewoners des lands hebben overgenomen.
Andere groepen, zooals ik die bedoel, ontstaan waar de Chineezen door langdurig verkeer en vermenging met Inlanders, behoudens eenige eigendommelijkheden die hen een afzonderlijke groep doen zijn, vrij wel Inlanders zijn geworden. Zulke groepen vormen zich overal, waar de Chineezen geïsoleerd zijn, geen aanhoudende aanvoer van Chineesche nieuwelingen plaats heeft, ongunstige omstandigheden den bloei van hun handel belemmeren enz. Het is moeilijk alle verschillende oorzaken op te sporen, die alleen of te zamen het ontstaan van zulke groepen tengevolge hebben; maar een feit is het, dat onder zekere omstandigheden de hier geboren Chineezen allengs (soms
(1). Gelijk een lichaamsdeel, dat nooit of zelden gebruikt word t, allengs vergroeit en door onbruik onbruikbaar wordt, is het juridisch zintuig dat in vroeger eeuwen, toen er nog geen codes bestonden, den jurist in staat stelde zonder behulp van artikelen uit te maken wat rechtwas, mooi op weg een rudimentair iets te worden.
— 193 —
al in het 2° of 3° geslacht) een geheel van hun landgencoten Terschiüend en veel op Inlanders gelijkend volkje worden, ■evenals dit verschijnsel zich bij de enkele individuen voordoet {en evengoed bij de Europeanen als bij de vreemde Oosterlingen).
Aan de enkele individueën gelukt het gemakkelijker aan de aandacht der overheid te ontsnappen en ongemerkt van gelijkgestelde, Inlander te worden. Maar bij groepen gaat dit niet zoo gemakkelijk (f) want wij dwingen hen te blijven wat zij door, dikwijls erg verwaterde, afstamming van vaderszijde zijn -en straffen hen, wanneer zij zich daaraan trachten te onttrekken. En nu zouden wij zulke groepen van gelijkgestelden dwingen ook in rechtszaken voorschriften te volgen, die hun even vreemd zijn geworden als ons? Dit zou in strijd zijn met de N. Indische nationale belangen en met de wet! Want het moge ■onmogelijk zijn rekening te houden met het rechtsbewustzijn van den enkelen individu, met dat van de adatvormende groepen — en niet met uitheemsch recht — beveelt art. 75 al. 3 R. R. ons wel degelijk rekening te houden. De kleinheid eener groep, mits zij maar een duidelijk afgezonderde is, is hiervoor geen wettig beletsel.
Mr Fromberg spreekt op blz. 159 (zie de aanhaling hiervo-ren op blz. 185) van het Indo-Chineesch gewoonterecht, als zou dit zich plaatsen tusschen het Europeesch en het nationale {n. 1. het zuiver Chineesche) recht. Dit is m. i. onjuist, zoowel uit een wettelijk als uit een feitelijk oogpunt. De Chi-neezen mogen in een deel van onzen Archipel onderworpen zijn aan sommige bepalingen van het Europeesch recht, dit neemt niet weg, dat zij als nevenklasse behooren tot de hoofdgroep Inlanders. Zy zouden dus aan het inheemsch Inlandsch recht onderworpen zijn, wanneer hun vreemde afkomst hun niet een speciaal recht gaf, dat dus tot de hoofdklasse I-nlandsch recht behoort en men dus naar analogie zou kunnen noemen :met-
(■f) Toch gebeurt dit ook op den duur. Te Makasar bestond vroeger •een afzonderlijke groep van peranakan-Chineezen, met een eigen Luitenant een eigen mesigit, een eigen Imam. In den loop der jaren is deze groep ■opgegaan in de Inlandsche bevolking. (Zie Ind. Wbl. v. h. R. no. 1479j blz. 174, 2e kolom en de 15e noot aldaar.)
— 194 —
het-Inlandsche-gelijkgesteld recht. Verviel het eigenaardige, het vreemde daaruit, dan zou het Inlandsch recht zijn; het zou dus tusschen het zuiver Chineesche en het Inlandsche recht (niet het Europeesche) zijn, dat de Chineesche adat zou moeten worden gezegd zich te plaatsen, en inderdaad zal de Chineesche adat zich in den regel meer neigen naar de Inlandsche dan naar de Europeesche zijde, zooals ook in den aard der zaak ligt.
Dank zij deze neiging, die bij alle vreemdelingen in meerdere of mindere mate bestaat, zouden wij in Indiö weldra geen meer geprononceerd vreemdelingenelement hebben dan in andere staten, wanneer wij den aanhoudenden toevloed van vreemdelingen door geschikte middelen tot een minimum reduceerden en wanneer wij nalieten, wat wij nu doen om hun, hoezeer zij zich hier ook mogen inburgeren, steeds hun vreemde zeden en gebruiken te laten, ja zelfs om hen te chvinyen deze in acht te nemen. (1)
Zoolang zij werkelijk vreemdelingen zijn, kan hun een beroep op hun nationale recht gelaten worden, voorzoover het internationaal gebruik dit meebrengt. In alle andere opzichten, en voorzoover zij ingeburgerd zijn in alle opzichten zonder uitzondering, behoorden zij onvoorwaardelijk onderworpen te zijn aan het jST. Indisch recht.
Daarvoor zou echter noodig zijn een algemeen N. Indisch recht, want het Europeesch recht, zelf van vreemden bodem^ is ongeschikt om hier algemeen te worden opgelegd (al zou het beter zijn dit op te leggen, dan hier vreemd recht binnen te halen), en het Inlandsche adat- recht is door zijn verscheidenheid en door andere licht te bevroeden oorzaken evenzoo ongeschikt voor toepassing op de m. Inl. gelijkgestelden.
(1) Ik wil hiermee niet in het minst afdingen op de wetenschappelijke verdiensten van Mr. Fromberg als voorbereider eener speciale wetgeving voor onze Chineezen, of op die van anderen; maar acht het toch, staatkundig, verkeerd speciale wetten voor het recht der Chineezen te maken. Wij gaan daardoor voort in de verkeerde richting van verscheidenheid van recht en kunstmatige instandhouding van het uitgebreide vreemdelingenkamp.
— 195 —
Het zij mij echter veroorloofd mijn ideeën omtrent dit algemeen N. I. recht, die ook in verband staan met de onderscheiding tusschen Europeanen en Inlanders c. a., eerst aan het einde van een volgend hoofdstuk uiteen te zetten.
Ik twijfel niet of onder de lezers zijn er, die zullen vragen: wat kan u cat alles toch schelen? Wat hebt ge tegen de vreemdelingen en tegen het vreemde recht in Indië? welk belang hebben wij Nederlanders bij het weren daarvan?
Voor hen, die geen nationaliteitsgevoel en geen heldere rechtsovertuiging meer hebben, bij wie deze beiden zijn ondergegaan in een kosmopolitisch cynisme, kan ik deze vraag niet bevredigend beantwoorden. Voor hen is ons zijn hier een kwestie van geld verdienen. Ik beklaag die schippers zonder kompas en ik bewonder hen, voorzoover zij ambtenaren zijn, wanneer zij zonder bewustzijn van een goed doel, dat de Neder-landsche inmenging hier rechtvaardigt, nog zedelijke kracht genoeg bezitten om hun plicht goed te vervullen.
Maar zij, die een ander standpunt innemen, zullen mij begrijpen, wanneer ik antwoord met wedervragen:
Hebben wjj toe te laten, dat dit erfdeel onzer vaderen een internationaal kamp worde ?
Hebben wij toe te laten, dat de vreemdelingen, die hier als burgers komen leven, zich gedragen naar vreemd recht, dat wij dikwijls onrecht achten, en hebben wij de rol te vervullen van handhavers van dit onrecht? Moeten wij de ouder onze hoede staande bevolking trachten op te leiden tot hoo-gere begrippen, of moeten wij haar den aanblik schenken eener in haar overdrijving met beginselloosheid gelijkstaande verdraagzaamheid tegenover allerlei vreemde zeden en gebruiken, een beginselloosheid waardoor het te ontwikkelen rechtsbewustzijn in de kiem kan verstikken?
W el is eenheid van recht in N. Indië voorloopig een onbereikbaar iets en zullen wij verdraagzaamheid moeten betrachten tegenover afwijkend recht, maar dit is alleen noodzakelijk en dus alleen gerechtvaardigd tegenover het inheemsche recht en daarbij krijgt de verdraagzaamheid een gansch ander karakter; niet dat
het-Inlandsche-gelijkgesteld recht. Verviel het eigenaardige, het vreemde daaruit, dan zou het Inlandsch recht zijn; het zou dus tusschen het zuiver Chineesche en het Inlandsche recht (niet het Europeesche) zijn, dat de Chineesche adat zou moeten worden gezegd zich te plaatsen, en inderdaad zal de Chineesche adat zich in den regel meer neigen naar de Inlandsche dan naar de Europeesche zijde, zooals ook in den aard der zaak ligt.
Dank zij deze neiging, die bij alle vreemdelingen in meerdere of\' mindere mate bestaat, zouden wij in Indië weldra geen meer geprononceerd vreemdelingenelement hebben dan in andere staten, wanneer wij den aanhoudenden toevloed van vreemdelingen door geschikte middelen tot een minimum reduceerden en wanneer wij nalieten, wat wij nu doen om hun, hoezeer zij zich hier ook mogen inburgeren, steeds hun vreemde zeden en gebruiken te laten, ja zelfs om hen te dwingen deze in acht te nemen. (1)
Zoolang zij werkelijk vreemdelingen zijn, kan hun een beroep op hun nationale recht gelaten worden, voorzöover het internationaal gebruik dit meebrengt. In alle andere opzichten, en voorzoover zij ingeburgerd zijn in alle opzichten zonder uitzondering, behoorden zij onvoorwaardelijk onderworpen te zijn aan het If. Indisch recht.
Daarvoor zou echter noodig zijn een algemeen X. Indisch recht, want het Europeesch recht, zelf van vreemden bodem^ is ongeschikt om hier algemeen te worden opgelegd (al zou het beter zijn dit op te leggen, dan hier vreemd recht binnen te halen), en het Inlandsche adat- recht is door zijn verscheidenheid en door andere licht te bevroeden oorzaken evenzoo ongeschikt voor toepassing op de m. Inl. gelijkgestelden.
(1) Ik wil hiermee niet in liet minst afdingen op de wetenschappelijke verdiensten van Mr. Fromberg als voorbereider eener speciale wetgeving voor onze Cluneezen, of op die van anderen; maar acht het toch, staatkundig, verkeerd speciale wetten voor het recht der Ghineezen te maken. Wij gaan daardoor voort in de verkeerde richting van verscheidenheid van recht en kunstmatige instandhouding van het uitgebreide vreemdelingenkamp.
— 195 —
Het zij mii echter veroorloofd mijn ideeën omtrent dit algemeen N. I. recht, die ook in verband staan met de onderscheiding tussohen Europeanen en Inlanders c. a., eerst aan het einde van een volgend hoofdstuk uiteen te zetten.
Ik twijfel niet of onder de lezers zijn er, die zullen vragen: wat kan u dat alles toch schelen? Wat hebt ge tegen de vreemdelingen en tegen het vreemde recht in Indië? welk belang hebben wij Jsederlanders bij het weren daarvan?
Yoor hen, die geen nationaliteitsgevoel en geen heldere rechtsovertuiging meer hebben, bij wie deze beiden zjjn ondergegaan in een kosmopolitisch cynisme, kan ik deze vraag niet bevredigend beantwoorden. Voor hen is ons zijn hier een kwestie van geld verdienen. Ik beklaag die schippers zonder kompas en ik bewonder hen, voorzoover zij ambtenaren zijn, wanneer zij zonder bewustzijn van een goed doel, dat de Xeder-landsche inmenging hier rechtvaardigt, nog zedelijke kracht genoeg bezitten om hun plicht goed te vervullen.
Maar zij, die een ander standpunt innemen, zullen mij begrijpen, wanneer ik antwoord met wedervragen:
Hebben wij toe te laten, dat dit erfdeel onzer vaderen een internationaal kamp worde?
Hebben wij toe te laten, dat de vreemdelingen, die hier als burgers komen leven, zich gedragen naar vreemd recht, dat wij dikwijls onrecht achten, en hebben wij de rol te vervullen van handhavers van dit onrecht? Moeten wij de onder onze hoede staande bevolking trachten op te leiden tot hoo-gere begrippen, of moeten wij haar den aanblik schenken eener in haar overdrijving met beginselloosheid gelijkstaande verdraagzaamheid tegenover allerlei vreemde zeden en gebruiken, een beginselloosheid waardoor het te ontwikkelen rechtsbewustzijn in de kiem kan verstikken?
Wel is eenheid van recht in N. Indië voorloopig een onbereikbaar iets en zullen wij verdraagzaamheid moeten betrachten tegenover afwijkend recht, maar dit is alleen noodzakelijk en dus alleen gerechtvaardigd tegenover het inheemsche recht en daarbij krijgt de verdraagzaamheid een gansch ander karakter; niet dat
van onverschilligheid, maar van beleid, dat langzame hervormig en overreding verkiest boven dwang.
Men vergunne mij een vergeljjking van den band tusschen Nederland en zijn pupil, N. Indië, met dien tusschen een Europeaan en „de moeder zijner kinderen.quot; quot;Was zij voor hem aanvankelijk slechts een middel, een werktuig, zonder dat eenig hooger beginsel hun verhouding heiligde, in den loop der tijden is een hartelijker verhouding ontstaan. Was. het hem aanvankelijk vrij onverschillig hoe zij dacht, gevoelde en handelde, mits zij maar beantwoorde ^an haar weinig verheven bestemming; door allerlei omstandigheden en gebeurtenissen is in den loop der jaren een innige, meer verhevene gemeenschap tusschen hen ontstaan
Wel blijft hij in vele opzichten haar meerdere, maar hij erkent van zijn kant veel goeds in haar opvattingen en gewoonten, hij vergt niet van haar dat zij geheel een Europeesche dame worde en haar gewoonten en opvattingen opgeve. Wel tracht hij haar zooveel mogelijk tot de zijne te bewegen, maar alleen bij bepaalde noodzakelijkheid dwingt hij haar zijn inzicht te volgeu ; overigens tracht hij slechts haar langzaam over te halen door zijn woorden of door zijn voorbeeld. Uit toewijding is hij jegens haar dus verdraagzaam. Maar zal hij daarom ook, wanneer vreemden in zijn huis komen, zeggen: „doet alsof gij thuis waart; ieder doet hier wat hem goed dunkt; wei zult ge wellicht een slecht voorbeeld geven aan haar; maar geneert u niet!quot; of zal hij zeggen: „ik ben hier baas en in mijn huis zal ieder zich onderwerpen aan de regelen des huizes; voor moeder de vrouw ben ik wat toegevend, ook in zekeren zin uit hoffelijkheid voor de zeer tijdelijke gasten, maar overigens worden geen uitzonderingen gemaakt; die er bezwaar tegen heeft, dien geef ik vrijheid buiten te blijven.quot; ?
Deze laaste opvatting moet, dunkt mij, de onze zijn. Al moesten wij alle hoop opgeven ooit ons schoon Insulinde geheel tot ons standpunt op te heften, we mogen daarom toch niet dulden, dat anderen onzen invloed komen neutraliseeren, dat zij een allemansvrouw en de kinderen allemanskinderen worden!
VIERDE AFDEELING.
QUASI-NATIONAL ITEIT.
(Europeanen, Inlanders en Gelijkgestelden).
In Torige afdeelingen besprak ik de onderscheiding der personen in N. I. met het staatsverband en met het ingezetenschap tot maatstaf. Ik wees er toen reeds op (zie blz. 86), dat men staatsverband niet moet verwarren met nationaliteit in den uitgebreideren zin, hoewel beiden naar hun oorsprong het ras, de eenheid van afkomst, tot basis hebben. In nog algemeeneren, maar ook in principe met het ras in verband staande beteekenis zou men nationaliteit als maatstaf kunnen noemen van een andere onderscheiding, die de wet in Indië maakt Het gebruik dier uitdrukking zou dan echter des te gevaarlijker worden, omdat velen staatsverband en nationaliteit als woorden van gelijke beteekenis dooreen gebruiken en dit bjj de nu te bespreken onderscheiding, die geheel los is ran het onderscheid tusschen Nederlanders en vreemdelingen, verwarring zou kunnen stichten. Bovendien is in den tegenwoordigen tijd het ras als eenig criterium in deze al even onbruikbaar als bij het staatsverband. Eindelijk is hier sprake van een onderscheiding niet tusschen twee nationaliteiten, maar tusschen twee groepen, elk feitelijk bestaande uit verscheidene nationaliteiten. Het is dus noodig ter aanduiding een term te kiezen, die geen verwarring met andere grondslagen van onderscheiding veroorzaakt en tegen het bestaan van verschilpunten waarschuwt, hetgeen door de vóórvoeging quasi wordt bereikt.
De uitdrukking quasi-nationaliteit heeft nog het voordeel, dat zij wijst op de verwantschap tusschen beiden, die in vele opzichten tot analogie aanleiding kan geven. Ik koos dezen.
— 198 —
zoowel op hot verschil als op do overeenkomst duidenden naam te liever, omdat hij zich volkomen aansluit bij een benaming, die reeds burgerrecht verwierf: ik bedoel de uitdrukking quasi-internationaal privaatrecht. Gelijk het internationaal privaatrecht in hoofdzaak de betrekkingen regelt tusschen lieden van verschillende nationaliteit, zoo doet het quasi-int. pr. recht dit tusschen lieden van verschillende quasi-nationa-liteit, die tengevolge van dit verschil niet aan hetzelfde recht zijn onderworpen. Bij het eerste is er echter botsing tusschen wetgevingen van meerdere staten, bij het laatste daarentegen ontstaan de kwesties door verscheidenheid van recht in eenzelfden staat. Deze verscheidenheid houdt verband met het onderscheid der personen, gelijk in het eerste geval de botsing in verband stond met onderscheid der nationaliteiten. Wat bij het internationaal privaatrecht nationaliteit heet, behoort dus in bet quasi-int. priv. recht ook qnasi-nationaliteit te worden genoemd.
Deze terra duidt derhalve aan de hoedanigheid, waardoor men behoort tot een der nu te bespreken klassen (Europeanen, Inlanders, met Eur. gelijkgestelden en met Inl. gelijkgestelden), zonder dat hij op zich zelf een der klassen speciaal aanduidt: evenals dit woord zonder „quasi-quot; ook op zich zelf wordt gebruikt zonder nadere aanduiding.
De bovenbedoelde onderscheiding der personen berust zoowel op de geschiedkundige ontwikkeling der Indische toestanden, als op de noodzakelijkheid. Het moge waar zijn, dat de Europeanen de overheerschers zijn en als zoodanig zekere voorrechten genieten; daaraan zijn — vooral nu deze overheer-sching allengs het karakter eener goedgezinde voogdij heeft aangenomen — verplichtingen voor den voogd verbonden, soms van zeker standpunt beschouwd zelfs nadeden. Het gaat dus niet aan een bevoorrechte in de eerste- en een verdrukte in de andere der twee hoofdklassen onzer inwoners te zien. Velen doen dit, hetzij uit beginsel, hetzij onwillekeurig, en dit geeft aanleiding tot verwarring en onjuiste gevolgtrekkingen. Zoo zal het kunnen gebeuren, dat Aziatische mogendheden, die
— 199 —
beginnen zich krachtiger te doen gelden, er tegen opkomen dat hun onderdanen met de minder-hevoorrochten werden gelijkgesteld; en zoo wordt over de gelijkstelling der Inlandsche Christenen met Europeanen dikwijls gesproken, alsof deze een groot voorrecht zou zijn. Zij zeiven — ik ben er van overtuigd— zouden dit niet zoo grif toegeven, wanneer zjj de gevolgen van zulk een maatregel konden overzien. (1)
Maatschappelijk, ja, — maar geen wet kan dit veranderen — nemen de Europeanen in Indië zekeren voorrang in; staatkundig, zeker, bestaat er ee;i overheersching, niet van indi-viduën, maar van den ïsederlandschen Staat. Wat echter het recht der individuen betreft, bestaat er geen bevoorrechting als zoodanig, maar slechts een verschil van recht, dat onvermijdelijk wordt door verschil van ras, van toestanden, van overgeërfde of door de natuur aangegeven opvattingen. Evenmin als de overheerschers van het inheemsche ras vergden dat dit het vreemde recht zou aannemen, kon omgekeerd dit ras van genen verwachten, dat zij zich aan de opvattingen des overheorschten zouden onderwerpen. Ieder behield dus zijn eigen recht, zijn eigen instellingen. Bij vergelijking zijn aan beide zijden naast voordeelen, die men niet gaarne zou opgeven, nadeelen; maar wat den een voordeel toeschijnt zou den ander, door verschil van ras, omstandigheden enz. dikwijls een nadeel zijn.
De onderscheiding is dus een noodzakelijke en als beginsel geheel los van bevoorrechting. Dit neemt natuurlijk niet weg, dat aan één der twee onderscheiden klassen, ook in de wet, voorrechten kunnen zijn toegestaan. Deze zijn dan echter geen element, geen noodzakelijk gevolg van de onderscheiding, maar iets dat, slechts daaraan vastgehaakt, door de wet kan worden weggenomen, zonder dat hierdoor de onderscheiding zelve vervalt of overbodig wordt.
De wetgever zal echter bij dit wegnemen ongetwijfeld be-
(1) Mon loze blz 69 der Kleinere bijdragen in no, 3 van Wet en Adat. De rustend- zendeling P. Jansz, die er over kan oordeelen, zegt daar dat de last der voor Europeanen geldende verordeningen voor den Inl. Christen in menig opzicht te zwaar zou zijn.
— 200 —
hoedzaam zijn en moeten zijn, omdat dikwijls tusschen de voor- en nadeelen zulk een noodzakelijk, hoewel niet opvallend verband bestaat; omdat aan hen, wien men de tot dusver onthouden „voorrechtenquot; zou willen toekennen, met de médaille ook haar keerzijde zou moeten worden geschonken.
Men denke — om een voorbeeld te kiezen — maar eens aan de rechtspraak. Die voor Europeanen levert, van zeker standpunt beschouwd, ongetwijfeld voordeelen op boven die voor Inlanders. Wanneer men echter nagaat, hoeveel een dergelijke inrichting voor de millioenen Inlanders zou kosten, is het de vraag of voor de belastingbetalenden de algemeene invoering daarvan wel een voorrecht zou blijven; maar zouden bovendien de Inlanders wel zoo verheugd zijn, als ons proces-recht op hen toepasselijk werd? Zou de voor Europeanen bestemde gevangenisstraf den Inlander wel zooveel beter bevallen en bekomen dan dwangarbeid, hoewel deze laatste straf voor den Europeaan zeker erger zou zijn dan gevangenis?
Men kan gerust aannemen dat, alle voor- en nadeelen aan beide zijden goed overwogen, het voor elk individu het voordeeligste is te blijven bij de klasse, waarbij de wet hem — niet uit persoonlijke overwegingen, maar met het oog op zijn geaardheid en omstandigheden — heeft ingedeeld.
Ik wil hiermee niet zeggen een bewonderaar te zijn van de tegenwoordige onderscheiding, maar alleen aantoonen, dat verschil noodzakelijk is en dat het geen weldaad zou zijn allen het Europeesche recht en de daaraan verbonden instellingen op te dringen, al zijn er altijd wel menschen te vinden, die door den schijn verblind, naar het Europeaan-zijn haken als naar een gelukstaat.
De onderscheiding in Europeanen, Inlanders en met een dier twee gelijkgestelden berust, voor zoover de wet haar regelt, op art. 109 Eeg. Regl. Het onderwerp is reeds vele keeren besproken. — Vroeger was de heerschende opvatting daaromtrent niet zeer vast en meestal geneigd tot een m. i. onlogische opvatting van het gemeld artikel. Wij treffen ech-
— 201 -
ter reeds in 1877, in het 29e deel yan „het Recht in N. I.quot; (blz. 287) een uit het Batav. Handelsblad overgenomen opstel van Mr. A. Th. Heyligers aan, waarin art. 109 E. E. historisch wordt uitgelegd in denzeltden geest als later (in hoofdzaak) door Mr. C. W. Margadant in het 5Ge deel yan „h. E. i. N. I.quot; In § 2 van het 2e hoofdstuk zijner dissertatie over den rechtstoestand der Inl. Christenen sluit Mr. F. C. Hekmeijer zich hierbij aan. Sinds ook Mr. J. de Louter in de 4e uitgave zijner „Hcotdleidiny tot de kennis v.h. Staats-en Administratief Recht v. N. J.quot; zijn vroegere opvatting heeft prijsgegeven, kan, meen ik, worden aangenomen, dat de wetenschap in de voornaamste kwestie over het artikel beslist partij heeft gekozen. Historisch is het artikel volkomen toegelicht.
Ik zal dan ook niet trachten voornoemde schrijvers daarin te overtreffen en, zonder geregelde bespreking van de historie, deze alleen te pas brengen, waar mijn betoog het vordert. Overigens valt er nog genoeg aan deze bepalingen van het Eegeeringsreglement te bekijken om het onderwerp te behandelen zonder mij aan plagiaat schuldig te maken.
Opdat de lezer niet genoodzaakt zij telkens in zijn wetboeken de bepalingen op te zoeken, waarnaar ik zal moeten verwijzen, laat ik ze hier volgen, terwijl ik boven elke de afkorting plaats, waardoor ik haar voortaan zal aanduiden.
Art. 109 E. E. {Eegeeringsreglement).
alinea 1. De bepalingen van dit reglement en van alle andere algemeene verordeningen, waarin sprake is van Europeanen en Inlanders, zijn, waar het tegendeel niet hepaald is, toepasselijk op de met hen gelijkgestelde personen.
al. 2. Met Europeanen worden gelijkgesteld alle Christenen en alle personen, niet vallende in de termen der volgende zinsnede.
al. 3. Met Inlanders worden gelijkgesteld Arabieren, Mooren, Chineezen en allen die Mohammedanen of heidenen zijn.
al. 4. De Inlandsche Christenen blijven onderworpen aan het gezag der Inlandsche hoofden, en met opzicht tot rechten lasten en verplichtingen, aan dezelfde algemeene, gewestelijke
— 202 —
en gemeentelijke verordeninr/en en instellingen, als de Inlanders die het Christendom niet belijden.
al. 5. De Gouverneur-Generaal kan, in overeenstemming met den Baad van Nederlandsch-Indié] uitzonderingen maken op de toepassing der in dit artikel gestelde regels.
Art. 7 A. B. (Ind. Alg. Bep. v. Wetgeving).
Met Europeanen worden gelijkgesteld:
1°. alle Christenen, daaronder begrepen die welke tot de Inlandsche bevolking behooren;
2o alle andere personen van waar ook afkomstig, d\'e niet in de omschrijving vallen van het volgende artikel.
Art. 8 A. B.
Met Inlanders worden gelijkgesteld de Arabieren, Mooren, Chineezen, en alle anderen, die Mahomedanen of Heidenen zijn.
Art. 9 A. B.
Het burgerlijk en het handelsrecht, in Nederlandsch-Indië ingevoerd of in te voeren, is toepasselijk op alle Europeesche en daarmede gelijkgestelde ingezetenen van Nederlandsch-Indië.
Art. 10 A. B.
De Gouverneur-Generaaal is bevoegd om, ten aanzien van de Inlandsche Christenen in het algemeen, of van enkele hunner gemeenten, tijdelijk zoodanige uitzonderingen op de bepaling van het voorgaande artikel te maken, als hij noodzakelijk zal oordeelen.
Art. 3 Ov. bep. {Bepalingen omtrent de invoering van-en den overgang tot de nieuwe wetgeving).
Naar aanleiding van art. 10 der Alg. Bep. v. Wetg. wordt hij dezen vastgesteld dat, tot dat dienaangaande nader zal zijn voorzien, de tot de Inlandsche bevolking behoorende Christenen over geheel N. Indië, met opzicht tot het burgerlijken handelsrecht, alsmede tot de strafwetgeving en de rechts-bedeeling in het algemeen, geheel en al zullen blijven in h unnen
•I
- 203 —
tegemvoordigen rechtstoestand, en zulks met dien gevolge, dat, voorzoover zij thans met de Inlanders zijn gelijkgesteld, alle de in de nieuwe wetgeving omtrent deze laatsten gemaakte he-palingen ook op hen zullen toepasselijk zijn.
Aan art. 109 11.11. voorafgegave ontwerp-bepalingen. Art. 97 eerste Ontwerp. (1851)
al. ]. De bepalingen van dit reglement en van alle andere algemeene verordeningen, waarin onderscheidenlijk sprake is van Europeanen en Inlanders, zijn, het tegendeel niet bepaald zijnde, ook toepasselijk op de met hen gelijkgestelde personen.
al. 2. Met Europeanen worden gelijkgesteld alle Christenen, de tot de Inlandsche bevolking behoorende, daaronder begrepen, en alle andere personen van waar ook afkomstig, niet vallende in de hieronder volgende omschrijving.
al. 3. Met Inlanders worden gelijkgesteld de Arabieren, Mooren, Chineezen en allen die mahomedanen of heidenen zijn.
Art. 105 tweede Ontwerp. (1853)
al. 1. Gelijk aan al. 1 v.h. Ie. ontw. met dit onbeduidende verschil dat onderscheidenlijk vóór „sprakequot; en ook vóór .„toepasselijkquot; is weggelaten en de hier aanvoor af gaande woorden luiden: waar het tegendeel niet is bepaald.
al. 2. Met Europeanen worden gelijkgesteld alle Christenen, ook de zoodamgen, die tot de Inlandsche bevolking behoor en, voorts alle andere personen van waar afkomstig, niet vallende in de termen der volgende zinsnede.
al. 3. Gelijk in het le. ontwerp).
Art. 112 derde Ontwerp. (1854)
al. 1. Gelijk in het 2e. ontwerp.
al. 2. Met Europeanen worden gelijkgesteld alle Christenen-, voorts alle andere personen, van naar afkomstig, niet vallende in de termen d.er volgende zinsnede.
Al. 3, 4 en 5 zijn gelijk aan die van art. 109 E. II.
- 204 -
In het N. I. recht worden alle personen (1) verdeeld in twee klassen, Europeanen en Inlanders, of — wanneer deze hoofonderscheiding niet op hen toepasselijk is — in twee met die hoofdklassen korrespondeerende nevenklassen. Er zijn dus:
I (hoofdklasse) Europeanen; Ia (nevenklasse) met Europe
anen gehj kgestelden;
II (hoofdklasse) Inlanders; IIa (nevenklasse) met Inlan
ders gelij kgestelden.
Men pleegt op het voetspoor van het R. R., dat de onderscheiding onderstelt, maar nergens vaststelt of omschrijft, (2) alle aandacht te wijden aan de nevenklassen, die zeker ook de meeste moeilijkheden geven, en de hoofdklassen aan geen nadere beschouwing te onderwerpen. Toch komt het mij voor dat de namen „Europeanenquot; en „Inlandersquot; niet zóó duidelijk zijn, dat verdere bespreking overbodig is, en acht ik het ter voorkoming van misverstand noodig, dat men zich vóór alles rekenschap geve van de beteekenis dier woorden.
Eerst daarna kan men met vrucht de andere kwesties bespreken.
Wie zijn Europeanen, wie Inlanders?
Het is niet zoo eenvoudig, als het wel lijkt, hierop sea antwoord te geven, dat voor alle gevallen, die zich kunnen voordoen, een goede oplossing aangeeft. Toch dienen wij de begrippen behoorlijk af te bakenen, anders loopen wij, als het ware op het gevoel afgaande, kans in de praktijk stelselloos en daardoor onbillijk te zijn.
De benaming Europeaan heeft, dit kunnèo wij vooropstellen, geen betrekking op het staatsverband, aangezien er geen staat
(1) Niet alleen de ingezetenen, want ook op niet-ingezetenen, moet in N. I. wel eens recht worden toegepast en daartoe moet toch vaststaan welk recht op hen toepasselijk is, hetgeen weer afhankelijk is van de klasse, waartoe zij behooren.
(2) Art. 6 Alg. Bep. stelde de onderscheiding wel vast, maar omschrijft haar evenmin. Het zegt: »De ingezetenen v. N. I. zijn onderscheiden in Europeanen en daarmede gelijkgestelde personen, en Inlanders en met deze gelijkgestelde personen.quot; (Over «ingezetenen\' zie de vorige noot.) In art. 7 en 8 volgen daarop omschrijvingen, niet van de begrippen Europeaan en Inlander, maar alleen van de daarmee gelij kgestelden.
— 205 —
Europa bestaat. Kan zij dan een geografische aanduiding zijn? In gewonen taalkundigen zin zou dit mogelijk zijn: gelijk men onder een Amsterdammer pleegt te verstaan dan eens iemand, die te Amsterdam woont, dan weer iemand, die er geboren is, of als men strenge eisehen stelt: iemand die te Amsterdam geboren en getogen is; zoo zou men ook „Europeaanquot; kunnen definieeren met een of meer dier eisehen tot maatstaf. Maar dit zou niet de beteekenis der wet zijn, waarnaar hier wordt gezocht. Immers werd het wonen in Europa als eisch gesteld, dan zou de onderscheiding voor Indië van geen nut zijn; en het geboren zijn in Europa wordt evenmin gevorderd, daar de kinderen van Europe-^che ouders algemeen en van oudsher door wetten en gebruiken als Europeanen worden beschouwd, die van Javanen daarentegen als Inlanders, al werden ze in Europa geboren. Een andere wijze om de geografie te doen beslissen is niet te denken, zoodat ook de geografische uitlegging van het woord ons niet kan baten. (1)
Ons blijft dan niets over dan aan te nemen, dat hier sprake is van een soort ras-onderscheiding, berustende op afstamming en dit is dan ook werkelijk de zin, dien de reeds lang vóór de wet bestaan hebbende praktijk er steeds aan gaf en die door de ratio der onderscheiding wordt aangegeven. Maar deze louter op het ras gegronde beteekenis zou in onzen tijd van wereldverkeer en rassenvermenging niet afdoende zijn en dus moeten wij een vollediger omschrijving zoeken van het wettelijk begrip Europeaan.
Ilier moet de analogie met de kwesties van staatsverband opvallen en kan zij ons den weg wijzen. Gelijk ras-en staatsverband vroeger één waren, maar thans lieden van verschillende rassen tot één staat kunnen behooren, zoo gaat het ook met het Europeaan zijn. Met wat in het eene geval de Staat is, kan men voor het andere geval vergelijken Europa of liever den
(1) Mr. Abendnnon is van een ander gevoelen (zie Inci. Wbl. v. h. R. No. 1384 blz. 2, le kolom, regel 23 van boven). Ik zal, om het geregeld betoog niet te verbreken, deze opvatting en eenige andere, waarvan ik hier afwijk, in een afzonderlijk gedeelte bespreken.
— 206 —
kring van Europa; met het staatsverband is dan analoog het
Europeesch heschaviriijsverhand. (1)
Evenals in het moderne recht, althans naar mijn reeds uiteengezette meening (2), de afstamming niet meer als het zelfstandig criterium voor staatsverband kan gelden en het territoir daarnaast moet worden erkend als gewichtig element, zoo niet om andere redenen, dan toch omdat de afstamming anders niet te bewijzen is; evenzoo zal men bij de beoordeeling van wat ik quasi-nationaliteit noem naast de afstamming een territoir tot onmisbaar hulp-criterium moeten aannemen.
De eerste vraag is dus: wat is Europeesch territoir, n. 1. territoir van den Eivropeeschen beschavingskring?
Neemt men in aanmerking, dat de geografische opvatting is verworpen, en dat hier eigenlijk sprake is van een op het ras berustende onderscheiding, die echter om reeds uiteengezette redenen door een territoriale afbakening de vastheid moet herwinnen, die rassenvermenging haar deed verliezen, dan zal men wel toegeven dat de geografische grenzen van Europa, die door geen rasverschil werden veroorzaakt, hier niet kunnen dienen; dat het Europeesch beschavingsverband tot territoir heeft dat deel der wereld, waar de Europeesche rassen overwegend zijn. Noemen wij dit het Europeesch beschavingsgebied, waartoe dan o.a. behooren de uit Europeesche kolonisatie ontstane staten van Amerika en Australië en een deel van Zuid-Afrika. Waar daarentegen in een territoir, ofschoon onder Europeesche heerschappij, de Europeanen verreweg de minderheid vormen, valt dit niet binnen ons beschavingsgebied. De grenzen hiervan kunnen dus deelen van één zelfden staat vaneen brengen, waarvan o.a. voorbeelden opleveren het Britsche Rijk en het Koninkrijk der Nederlanden, die beiden in Azië buiten het Europeesch beschavingsgebied liggen.
Evenzoo zou men enkele deelen van wat in geografischen zin Europa- is, als meer Aziatisch dan Europeesch, moeten
(1) Ik bedoel hiermee geen tegenstolling, waardoor alle anderen onbeschaafd zouden zijn! Er is slechts sprake van verscheidenheid van beschaving, niet van ontstentenis daarvan bij de overigen.
(2) Zie in No. 2 dezes biz. 84 en volgenden van Dhet Nederlanderschapquot;.
— 207 —
bescliouwen als niet behoorende tot laet Eur. beschavins:s}rebiecl-
o c j
maar redenen van politieken aard zouden zich daartegen verzetten en daar staan geen overwegende redenen tegenover, daar jSquot;. Indië zelden te maken heeft met personen uit die deelen van Europa. Gansch Europa moet dus worden gerekend tot het Europeesch beschavingsgebied.
Dat het aldus afgebakend territoir als zelfstandig criterium even verwerpelijk is als het geografische, waarvan wij reeds spraken, behoeft wel geen betoog. Men zou kunnen zeggen: „Europeaan is ieder, die in het Eur. beschavingsgebied woontquot; of „ieder, die daar geboren isquot;. Deze definitie zou zelfs vóór hebben, dat ze veel onzekerheid vermeed; maar zij zou geheel iets anders zeggen, dan wat zonder twijfel de bedoeling is: dat kinderen van Europeanen ook Europeanen zjjn, al zijn ze noch geboren, noch woonachtig in bedoeld gebied.
„Zoo praat ge in een kringetje rondquot;, zal men zeggen, „want hoe weet men wie kinderen van Europeanen zijn, vóór het vaststaat wie Europeanen zijn!quot; Zeer juist. Ik wees er dan ook reeds op (1) bij de bespreking van het Nederlanderschap, dat de afstamming van een Nederlander moeilijk te bewijzen is, aangezien deze kwaliteit van don vader weer zou moeten blijken uit die des grootvaders en men zou moeten opklimmen tot in het onbekende (2). Om dezen diabolischen bewijslast, zooals de Romeinen het noemen, te ontgaan is een bepaling noodig, die het opklimmen tot meer dan b. v. twee geslachten onnoodig maakt en waardoor men van deze twee geslachten
(1) Zie in liet derde nummer, blz. 84 van „het Nederlanderschap.quot;
(2) Vandaar dat de omschrijving van Mr. de Louted, hoezeer in jjrin-cipo met mijn opvatting overeenkomende, niet voldoende is. In de 4e uitgave zijner handleiding zegt hij op blz. 126: Inlanders zijn de in-heemsehe bewoners van N. Indië en hunne afstammelingen: Europeanen zijn de inheemsehe bewoners van Europa en hunne afstammelingen. De begrippen Inlander cn Europeaan worden daardoor wel voldoende aangeduid, maar voor de praktijk is de definitie onvoldoende, evenals dit zou zijn de definitie: „Nederlanders zijn de inheemsehe inwoners van Nederland.quot; Ivheemsck is een onbestemd woord: wanneer is een geslacht ergens inheemsch? worden Eur. geslachten hot ooit in Indië? Joodsche in Europa?
w. cn A. Bcv. 9. 0_
— 208 —
slechts heeft te bewijzen, dat zij binnen het territoir geboren zijn. Zie art. 2a dor wet op het Nederlanderschap van 1892.
AVanneer het Europeesch beschavingsgebied één soevereinen staat uitmaakte, zou deze zeker bij de regeling dor hoedanigheid van Europeaan een dergelijke bepaling als dat art. 2a maken. Er is echter geen soeverein gezag, dat bevoegd is een voor dat gansche gebied bindende regeling dezer materie vast te stollen. Evenwel zou niets den N.-Indischen wetgever beletten voor zijn eigen yehied vast te stellen wie Europeaan is en wie niet, en er is ook geen bezwaar tegen, dat de N. I. autoriteit, die de wet moet toepassen, wanneer deze zwijgt, zelf de regelen opspore, waardoor de hoedanigheid van Europeaan wordt beheerscht.
Er bestaat, zooals ik zeide, zekere analogie tusschen dit onderwerp en de regeling van het staatsverband, daar beiden betreffen een hoedanigheid, die in beginsel aan afstamming is ontleend, maar waarbij onvermijdelijk een tweede, territoriaal criterium moet worden te hulp genomen.
Een eenvoudige wijze om de regelen, die het Europeaan zijn beheerschen, op te sporen zal das zijn, dat de regelen voor het Nederlanderschap tot leiddraad worden genomen ten ten einde na te gaan in hoever een dergelijke, dan wel een tegenovergestelde bepaling wordt gevorderd door den aard dei-zaak of door de bestaande wetsvoorschriften.
Dit doende ben ik gekomen tot het volgend stel regelen, dat ik voorstel als leiddraad bij de beoordeeling van de quasi-nationaliteit, voor zoover zij de hoofdklassen betreft.
Art. 1 (1) Europeanen zijn:
a het wettig, gewettigd of door den vader erkend natuurlijk kind, waarvan do vader {tijdens de geboorte des hinds of wel, zoo hij vóór die geboorte overleed, hij zijn overlijden) Europeaan was;
h het niet gewettigd of door den vader erkend kind eener ongehuwde (tijdens de geboorte) Europeesche vrouw;
(1). Om het aanhalon to vergemakkelijken koos ik den vorm van artikelen, hoewel hier natuurlijk geen sprake is van een ontwerp voor ■wetsbepalingen, maar van eenige uit den aard der zaak voortvloeiende regelen.
— 209 —
c het in het Europeesch beschavingsgebied geboren kind, waarvan de ouders niet bekend zijn.
Art. 2 Europeanen zijn ook:
a het in het Europeesch beschavingsgebied geboren kind, welks vader — of, wanneer liet een niet wettig, gewettigd of door den vader erkend kind is, welks moeder — eveneens in dat gebied geboren is, tenzij bljjke dat het kind volgens de regelen van onderstaand art. 3 toe de Inlanders of daarmee gelijkgcstelden behoort;
b het in het Europeesch beschavingsgebied te vondeling gelegd of verlaten kind, zoolang van zijn afstamming hetzij als wettig of gewettigd kind, hetzij door erkenning, niet blijkt.
Art. 3. Inlanders zijn :
a het wettig, gewettigd of door den vader erkend natuurlijk Idud, waarvan de vader (tijdens de geboorte van liet kind of wel, zoo hij vóór die geboorte overleed, hij zijn overlijden) Inlander was;
b het kind eener ongehuwde Inlandsche moeder, wanneer liet niet door een Europeeschcn vader is erkend of gewettigd;
c het in den Indischen Archipel geboren, te vondeling gelegd of verlaten kind, dat niet blijkt wettig, door wettiging of door erkenning af te stammen van een niet Inlandschen vader, en waarvan de moedor, dan wel de klasse, tot welke zij behoort, onbekend is.
Art. 4. Degeen die, hoewel volgens de regelen van art. 1 en 2 Europeaan zijnde, is overgegaan in het staatsverband van een niet tot het Europeesch beschavingsgebied behoorenden staat, wordt, zoolang hij in dat verband verkeert, geacht geen Europeaan te zijn.
Art. 5. Degeen die, hoewel volgens de regelen van art. 3 Inlander zijnde, is overgegaan in het staatsverband vau een tot het Europeesch beschavingsgebied behoorenden staat, wordt geacht daardoor de hoedanigheid van Europeaan te hebben verkregen, tenzij hij in dien staat rechtens niet tot de Europeanen, maar tot een daarvan wettig onderscheiden deel der bevolking is gerekend geworden.
Art. 6. Bij huwelijk tusschen een Europeaan en een niet-Europeaan blijven beiden, wat deze onderscheiding betreft, in
— 210 —
denzelfden staat verkeeren als vóór het huwelijk, behoudens de bovenstaande regelen Tan art. 4 en 5 Toer het geval, dat de vrouw door haar huwelijk in het staatsverband van haar nietes ederlandschen echtgenoot is overgegaan.
Art. \\a is overgenomen van art. 1« en amp; der V/et Nedsch.
Ook voor de quasi-nationaliteit heb ik aangenomen, dat het kind als het noch wettig, noch gewettigd, noch erkend is, den staat ziiner moeder volgt. Immers dan heeft het geen vader, volgens het Europeesch recht van JNquot;. Indië; en wij kunnen ten deze niet daarvan afwijken door de natuurlijke afstamming tot maatstaf te nemen, want, nog daargelaten dat deze veelal onzeker is, zou men daardoor in botsing komen met verschillende bepalingen der wet. quot;Waar de vader in den zin der wet niet bekend is, moet het kind dus per se den staat der moeder volgen, al moge het de sporen van Europeesche afkomst duidelijk vertoonen. (Wilde men naar deze uiterlijke kenteekenon te werk gaan, dan zouden velen, die nu Europeanen zijn, moeten worden geacht Inlanders te zijn).
Nu gaat het niet aan, naargelang dit in onze kraam te pas komt, nu eens het uiterlijk, dan eens de afstamming van don vader en dan weer die van de moeder tot maatstaf te nemen.
Het uiterlijk is een hoogst onbetrouwbaar en onbruikbaar kenteeken. De afstamming van moederszijde zou, in abstracto? zeker het beste zijn: 1° omdat van deze zijde de afstamming bijna nooit aanleiding kan geven tot twijfel, terwijl die van vaderszijde nooit op absolute zekerheid berust, maar een kwestie van trouwen of van vertrouwen, van formeel recht, of van overtuiging is; 2° omdat, wanneer slechts één der beide ouders Europeaan is, de moeder meestal de andere is en klimaat, omgeving en andere omstandigheden haar dan meestal bijstaan om een overwegenden invloed te verkrijgen op den aard van het kind.
Het welbegrepen belang van Indië en van vele zoodanige kinderen zou ook meestal vorderen, dat de kinderen te dezen opzichte don staat der moeder volgden. Door dit als regel aan te nemen zouden wij echter in volslagen strijd geraken met den geest van ons Europeesch recht, zooals deze in tal
— 211 —
I
is de van wetsbepalingen uiting vindt. Deze wil, dat de staat der
t de vrouw wijke voor dien haars echtgenoots en dat het kind zijn
liet- vader volge. Zoolang de wet geen uitzondering maakt voor
dit onderwerp, mogen wij niet van dat beginsel afwijken en moeten wij dus aannemen: dat het kind den staat des vaders volgt cb» en slechts als de vader wettig niet bekend is, dien der moeder,
iet Art. Ih is ontleend aan art. 1c Wet iJsed. sch. Dit spreekt
en echter van „het alleen door de moeder erkend natuurlijk kindquot;,
ïr,. | De eisch van erkenning door de moeder kan hier echter niet
■n worden volgehouden. Voor het Nederlanderschap kon de
g bepaling geen kwaad ; het niet door de moeder erkend natuurlijk
il kind, binnen het territoir geboren, valt daar al onder art. 1 d.
Volgde men echter hetzelfde stelsel voor de quasi-nationaliteit, t dan zon het niet door de moeder erkend kind, op Indisch
territoir gebaren, als niet-Europeaan moeten worden beschouwd, hetgeen niet aangaat, wanneer vaststaat dat het kind van onbekenden vader uit een Europeesche moeder geboron is.
In verband hiermee moest art. 1c anders luiden dan het korrespondeerend art. \\d in de Wet Xed. sch. Zoodoende is de invloed van het territoriaal element verminderd en die van de afstamming uitgebreid ook tot het geval, dat het kind blijkt geboren te zijn uit een Europeesche moedor, die het echter niet erkende. Dit is ook gewenscht, omdat liet Inlandsche recht over het algemeen geen erkenning door de moeder kent en het beter is voor Europeanen ten deze geen andere eischen te stellen dan voor Inlanders.
De in artt. 1 en 3 tusschen haakjes geplaatste en gekursi-veerde woorden betreffen een vraag, die hier van minder belang is, omdat men slechts bij hooge uitzondering van Europeaan Inlander kan worden of omgekeerd. De vraag of bij verandering van staat de reeds geboren kinderen in die verandering deelen, is daarentegen van meer belang bij de gelijkstellingen en zal daar worden ter sprake gebracht.
Art 2a is ook de Wet Ned. sch. vrij gevolgd. Deze spreekt in art. 2a van een ingezetene des Rijks; er bestaat echter geen ingezetenschap van het Europeesch beschavingsgebied, zoodat een andere term moest worden gekozen; ook was dit wen-
— 212 —
schelijk, omdat in Indië moeilijker het bewijs is te leverèn. dat iemand in vroeger tijd ingezetene was in verafgelegen landen, dan dat hij in die landen geboren is. Het feit dat èn de persoon in kwestie èn diens vader (of bij gebreke van dien de moeder) in Europeesch beschavingsgebied geboren zijn, levert voldoende vermoeden op om aan te nemen, dat hij door afstamming Europeaan is, want het gedurende twee geslachten in Europa geboren worden van een Inlandsch geslacht is bijna ondenkbaar. De toegevoegde beperking ^tenzij blijké\' enz. laat bovendien de gelegenheid open om te bewijzen, dat het voorafgaande geslacht Inlander was, en het is billijker de bewijslast hiervan aan de betwisters op te leggen, dan van den evenals zijn vader (of moeder) in Europeesch beschavingsgebied geborene te vergen, dat hij nog een geslacht verder opklimme met zijn bewijs. Immers men zou hierdoor den meesten Europeanen het bewijs, dat zij dit zijn, zeer moeilijk maken, daar de meesten geen geboorteakten van hun grootouders bezitten en die slechts met veel tijdverlies en kosien te krijgen zijn (als ze niet zijn verloren gegaan). Komt het op getuigenbewijs aan, dan maken afstand en langdurig tijdsverloop het nog moeilijker.
Zooals ik reeds opmerkte is een regel als van art. 2 a noodig. omdat de hoedanigheid van Europeaan iemand, die haar beweert te bezitten, niet altijd is aan te zien, en zijnen meestal niet aanwezigen voorouders, op wier afstamming hij zich beroept, evenmin.. De doorslag moet dan worden gegeven door feiten, die wel te bewijzen zijn: de plaatsen van geboorte gedurende twee geslachten.
Arï. 2b behoeft geen toelichting. Het breidt de bepaüng van art. 1c uit tot de gevallen, waarin van een kind niet met zekerheid uit te maken is waar het geboren-, maar alleen waar het aangetroffen is.
Art. 3 en 4 der Wet Ned. sch. handelen over naturalisatie en slaan wij dus over. Wel kent de praktijk van het N. Indisch recht ten opzichte van deze onderscheiding iets, dat veel overeenkomst heeft met naturalisatie; maar dit is bij de wet uitdrukkelijk bepaald (R. R. 109 al. 5), zoodat de bespreking er van elders een plaats moet vinden.
— 213 —
Art. 5 dier wet daarentegen bevat in de eerste alinea een bepaling, welker al-of niet toepasselijkheid overwogen dien1: te worden, luidende:
„De vrouw volgt staande huwelijk den staat van haren manquot;.
Deze regel is een zóó natuurlijke, is zoo vastgegroeid in ons privaat recht, dat men geneigd zou zijn hem ook op de quasi-nationaliteit toe te passen. Voor deze is hij echter door de wet te duidelijk uitgesloten, dan dat men hera toepasselijk mag achten.
Immers art. 15 der Overgans-sbep. (Ind. Stbl. 1848 no. 10) bepaalt, dat Inlanders slechts met Europeanen mogen huwen na zich vooraf te hebben onderworpen aan de geheele Europeesche wetgeving aangaande het burgerlijk-en het handelsrecht. Hieruit bljjkt vooreerst dat, voorzoover er van volden sprake is, degeen die volgt niet per se de vrouw is, maar de Inlandsche der twee a. s. echtgenooten, die evengoed de man kan zijn als de vrouw; maar bovendien zou de gansche bepaling onnoodig zijn, als de vrouw ook ten opzichte van de quasi-nationaliteit den man volgde (of omgekeerd); want daardoor zou degeen, die volgde, van zelf onderworpen worden aan het burgerlijk en handelsrecht van de wederpartij en zich daaraan dus niet behoeven te onderwerpen. Hieruit volgt dus, dat bij huwelijken tusschen Europeanen en Inlanders elke echtgenoot zijn eigen quasi-nationaliteit behoudt.
Deze regel is neergelegd in art. 6 van den door mij voorgestelden leiddraad. Dit artikel duidt echter op uitzonderingen, in art. 4 en 5 van mijn voorstel omschreven. Daarover thans een enkel woord.
De Ned. wet regelt in art. 7 hoe het Nederlanderschap verloren gaat. Bij gebreke van dergelijke bepalingen voor de quasi-nationaliteit, kan men niet aannemen dat de hoedanigheid van Europeaan of Inlander kan verloren gaan. Immers de afstamming kan niet veranderen en van haar hangt die hoedanigheid in principe af. Alleen waar iemand op wettige wijze van de eene kategorie in de andere wordt overgebracht krachtens R. R. 10!) al. 5, kan men zeggen, dat daardoor zijn oorspronkelijke quasi-nationalileit voor hem verloren gaat. Daar deze
alinea echter nooit op Europeanen wordt toegepast, is de praktijk: eens Europeaan, steeds Europeaan. ïoch kunnen zich gevallen voordoen, waarin men wel aannemen, dat de hoedanigheid van Europeaan is verloren gegaan. Zonder de mogelijkheid uit te sluiten, dat die noodzaak zich ook op andere wijze voordoet, wil ik thans de art. 4 en 5 toelichten, waarin de gevallen zijn omschreven, die mij voor oogen stonden.
Wanneer een Europeaan of Europeesche vrouw door naturalisatie of op andere wijze lid wordt van een staat, die niet tot het Europeesch staatsverband behoort, kan hij moeilijk nog Europeaan genoemd worden, want Chinees of Siamees, en Europeaan tegelijk zijn gaat niet. Nu kan men hiertegen aanvoeren, dat hij toch in Indië, naar het afstammingscriteriutn, Europeaan is en blijft; maar dit stuit op bezwaren.
Het afstammingscriterium kent in de praktijk meer uitzonderingen en is dus geen overwegend argument. Onze wet kent den personen wel nergens de bevoegdheid toe eigener autoriteit een andere quasi-nationaliteit aan te nemen, maar men vergete niet, dat ter plaatse waar dit geschiedde, de N. Indische wetten geen gezag hadden, terwijl de overgang plaats had óf ingevolge de daar wèl geldende wetten, öf door een daad van de te dier plaatse daartoe bevoegde autoriteit. Onze wet op het Nederlanderschap erkent dan ook uitdrukkelijk in art. 7 sub. 1°, 2° en 3° de geldigheid van zulk een overgang tot een vreemd staatsverband en de Ned. Indische wet kan te dien aanzien geen ander standpunt innemen.
Verondersteld nu dat men wilde volhoudeu, dat deze in optima forma Chinees geworden persoon desniettemin moet worden gerekend tot de hoofdklasse der Europeanen, dan zou men toch naar do beginselen van internationaal recht (zie ook art. 6 Ned. Alg. I3ep. en art. 16 lud. Alg. Bep.) liet Ghineesch, dus een niet Europeesch recht op hem moeten toepassen, zoo dikwijls het betrof zijn persoonlijke staat en bevoegdheid. Daarom komt het mij logischer voor hem niet in zulk een tweeslachtige positie te brengen, maar geheel als niefc-Euro-peaan te behandelen, zoolang hij lid blijft van een niet Eu-ropeeschen staat.
— 215 —
Deze redeuen klemmen nog meei- als de persoon in kwestie een vrouw is, die door een niet-Europeaau te huwen in diens staatsverband overging.—
Wanneer een niet-Europeaan in een Europeesch staats verban is overgegaan, moet men twee gevallen onderscheidei:. Kent de staat, waartoe hij tiians behoort, verschil van Euro-peesche en niet-Europeesche onderdanen, zooals bij ons en in het Uritsche rijk het geval is, dan zal de bewuste persoon, dien we A. zullen noemen, ook daar waarschijnlijk tot de niet-Europeanen worden gerekend en is er dus geen reden hem in Indië als Europeaan te behandelen. Zoo zal een Javaan, die zich in britsch-Indië vestigt en daar in liet staatsverband overgaat. Inlander blijven. Wordt A. daarentegen lid van een staat, die slechts Europeesche onderdanen kent, dan wordt hij m. i. zoodoende onvermijdelijk Europeaan. Hij is b. v. in Noorwegen genaturaliseerd en wordt daar geheel door Europeesch recht belieerscht. Komt hij nu in ]STed. Indië terug, dan blijft hij — behoudens de gevallen, waarin die hoedanigheid verloren gaat — Noor en blijft ook hier naar de beginselen van het internationaal recht in vele opzichten be-heerscht door het zuiver Europeesche recht van Noorwegen; kunnen wij hem dan overigens aan het Inlandsch recht, waaraan hij ontgroeid is, onderwerpen!-\' Hij blijft onder de bescherming van Noorwegen en wordt door dezen ons bevrienden Europeoschen staat als Europeaan beschouwd; kunnen wij hom dan als Inlander beschouwen ? Mij dunkt, dat deze vragen ontkennend moeten worden beantwoord; maar ik geef mijn meening voor een betere. Er zullen zeker ook wel argumenten zijn voor een tegengestelde opvatting.
Gevallen als de hier bedoelde zullen wel betrekkelijk zelden voorkomen. Het meest van toepassing zullen zij zijn bij gemengde huwelijken d. w. z. die tusschen personen van verschillende quasi-nationaliteit, voor welke overigens als regel geldt, dat beide echtgenooten naar N. Indisch recht hun eigen quasi-nationaliteit behouden, zooals boven reeds uit art. 15 Ov. bep. werd aangetoond en dan ook in art. 6 van vorenstaanden leiddraad is uitgedrukt.
— 216 —
Een dergelijke toestand is niet zeer te prijzen. Het ware -wenschehjk steeds éénheid ook van quasi-nationaliteit tusschen man en vrouw te doen bestaan, en dat dit bij ons door art. 15 Ov. bep. wordt verbinderd is wel niet de eenige, maar toch de voornaamste fout van dit artikel. Waar er sprake van is dit artikel door een betere regeling te vervangen, heb ik dan ook lang geaarzeld of de geheele bespreking van de quasi-nationali-teit niet moest worden uitgesteld tot zoodanige regeling zou zijn afgekondigd. Nu ik van zoo\'n uitstel heb afgezien, stel ik mij echter voor, wanneer de gehoopte bepalingen tot stand komen, deze in een bijvoegsel te bespreken in verband met het hier geschrevene.
Over art. 15 Ov. bep. en de gemengde huwelijken zal in een afzonderlijk gedeelte van dit opstel uitvoeriger worden gehandeld. Hij hebben nu eerst andere vragen te bespreken en wel in de eerste plaats;
Wie zijn Inlanders?
Ook dit is in de wet niet nader omschreven, maar wij vinden toch verschillende aanwijzingen, die ons kunnen helpen het begrip vast te stellen.
Dat de onderscheiding niet berust op den godsdienst, blijkt reeds uit liet woord en staat ook historisch vast. Aziaten in het algemeen worden er niet mee bedoeld, anders ware het onnoodig o. a. de Chineezen met hen gelijk te stellen. Op het staatsverband heeft de naam ook geen betrekking, want behoudens eenige uitzondering staat de Inlander buiten elk staatsverband. Deze drie negatieve gegevens beperken ons reeds aanmerkelijk in onze vrijheid van opvatting, en wanneer wij bovendien bedenken, dat hier is bedoeld een tegenstelling met hen, die in bovenomschreven zin Europeanen zijn, dan komen wij tot de gevolgtrekking, dat ook hier een ras-benaming is bedoeld.
Evenals voor de Europeanen zal ook voor dit ras moeten worden nagegaan, wat zijn territoir is en daarover kan geen groot verschil bestaan; dit kan slechts loopen over een iets meer of minder uitgebreide grens. Moeten wij n. 1. het woord Inlanders uitleggen in verband met Nederlandsch-luAïé of met den geheelen Indischen Archipel?
De vraag is, dunkt mij, niet moeilijk te beantwoorden, wanneer men in het oog houdt, dat het staatsverband niet de grondslag is voor de ouderscheiding. Met Inlanders worden blijkbaar bedoeld zij, die behooren tot de oorspronkelijk het land bewonende rassen. Nu is er geen reden om degontn, die in den Indischen archipel inheemsch zijn, buiten dat begrip te sluiten zoodra zij buiten ons, enger of ruimer opgevat, staatsgebied behooren. De grens zou dikwijls onzeker zijn met liet oog op de verscheidenheid van betrekkingen tusschen ons Groevernement en verschillende Indische staatjes; maar bovendien zou zulk een afscheiding geheel overbodig zijn, daar de aldus van de hoofdklasse „Inlandersquot; uitge-slotenen toch onder de daarbij behoorende nevenklasse zouden moeten komen en het al heel onlogisch zou zijn de grens voor een rasverschil elders te trekken,- dan waar zij wezenlijk is. Waren aan de onderscheiding staatkundige of andere rechten verbonden, die tot een strenge beperking noopten, dan zou het natuurlijk iets anders zijn, maar integendeel worden door de wet de natuurlijke grenzen door gelijkstellingen nog uitgebreid; dan is er dus ook geen reden om van hen, die door raseenheid gelijkelijk Inlanders zijn, één deel „gelijk te stellenquot; aan het andere, alsof zij zonder zulk een bepaling niet gelijk zouden staan, en zonder eenigen grond djt laatste deel als de „eigenlijkequot; Inlanders te beschouwen.
Het woord „Inlandersquot; heeft dus betrekking op den ganschen Indischen Archipel. Ik zou liet zelfs willen uitbreiden tot de aangrenzende streken, voorzoover een in den Archipel in-heemsche rasverscheidenheid zich over de grenzen van dezen onafgebroken uitspreidt. De Maleiers op Malakka beschouw ik dus in den zin der wet als Inlanders en evenzoo de Papoe\'s.—
Behalve de vraag betreffende het territoir doet zich nog deze voor, wie daarbinnen onder de benaming Inlanders vallen. Het kan niet betwijfeld worden, dat hiermee niet allen worden aangeduid, die in dat territoir geboren zijn of wonen, maar alleen de rassen, die daar inheemsch zijn. * Immers ook Europea-
— 218 —
nen kunnen daar geboren zijn, evenzoo Chmeezen, Arabieren enz. en van deze allen staat vast, dat ze desniettemin met tot de Inlanders behooren (anders behoefden Chmeezen enz. niet met hen te worden gelijkgesteld, zooals in art. 109 al.
Toch kan men ook hier weer het ras met uitsluitend tot grondslag van de onderscheiding in Inlanders en met-In-landers gebruiken en zal het territoir den doorslag moeten o-even. De reden is dezelfde als ik reeds aangaf: rasvermen-^ waardoor aan het individu niet met zekerheid is waar te nemen tot welk ras het behoort. Dit wordt te moeilijker omdat ons recht ook als Europeanen beschouwt hen, die door wettige gewettigde of erkende afstamming van een Europeaan afstammen, al was demoeder een Inlandsche; zoodat door herhaling dezer fiktie van geslacht op geslacht eindelijk individuen ontstaan kunnen (en onstaan), waarbij slechts daor een speling der natuur nog kenmerken van het Europeesche ras aanwezig zouden kunnen zijn. En nu reken ik nog met mee de zuiverbloed-Inlanders, die tengevolge van ongemotiveerden vadertrots door een Europeaan erkend en zoo tot zijn ras gepromoveerd worden. i t i • j
Omgekeerd kan bij onwettige voortplanting, die liet kind
den staat der moeder doet volgen, een individu onstaan dat
wettig Inlander is, maar meer Europeesch dan Inlandsch bloed
heeft waarvan het uiterlijk ook wel zal getuigen.
Wij komen dus te staan voor het feit, dat Europeanen sprekend op Inlanders kunnen gelijken en omgekeerd. et uiterlijk is dus geen betrouwbare maatstaf; met hat ewys der afstamming kan men dikwijls niet opklimmen tot een voorouder, wiens hoedanigheid in dit opzicht buiten twijfel stond. Doet zich nu zulk een geval voor, dat van een in Indie geboren persoon niet is uit te maken, of zijn voorouders al dan niet Inlanders of Europeanen waren, dan zal men - om me in willekeur te vervallen - zich tot regel moeten kiezen of dat zulk een persoon als Inlander- óf dat hij als Europeaan wordt aangemerkt. De konsekwentie brengt mee den eersten re-el te kiezen, en dus niet alleen hen, wier voorouders geduren-
— 219 —
de twee geslachten in Indie geboren zijn, maar ook alle anderen, die zelf in Indië geboren zijn, Inlanders te achten w. t. v. zoolang niet blijkt dat hun vader, of als deze wettelijk niet bekend is hun moeder, de hoedanigheid van Europeaan bezat. Immers: 1° daar van dein Indië geborenen geen 1/2 pCt. Europeaan is, is de grootste waarschijnlijkheid in Indië, dat iemand Inlander is en deze waarschijnlijkheid zal moeten beslissen, zoolang geen (wettige) zekerheid is te verkrijgen. Anders zou men moeten aannemen, dat bij onzekerheid iemand geacht wordt Europeaan te zijn, wat al zeer gek zou zijn, daar deze quasi-nanionaliteit hier een uitzondering is. 2° De wettige afstamming van een Europeaan is, door het bestaan van akten van den burgerlijken stand, zelden onzeker; wanneer zij niet kan worden bewezen, zal men dus bijna zeker niet met een Europeaan te doen hebben, maar met een Inlander voor wien geen burgerlijke stand bestaat, behoudens enkele uitzonderingen. Wel is er een betrekkelijk groote kans dat iemand, die in de registers van den burgl. stand voorkomt, toch Inlander is; maar omgekeerd, dat een Europeaan niet in die registers zou voorkomen, is haast ondenkbaar.
Wat nu betreft de op blz. 209 in art. 3 voorgestelde regelen voor de beantwoording der vraag, wie Inlanders z\'ijn, de daar sub c gemelde regel zou reeds voldoende zijn, daar hij de sub a en h gestelde omvat; maar daar bij a en h positieve redenen zijn opgegeven, die gewichtiger zijn dan de negatieve bij c, meende ik die twee redenen te moeten vooropstellen.
Van de bij c vermelde vondelingen en verlaten kinderen is meestal niet met zekerheid bekend, waar zij geboren zijn. Het waarschijnlijkste is echter, dat zij in Indië geboren zijn en daarom moeten zij, zoolang van hun afstamming niet blijkt, om de even vermelde redenen als Inlanders worden beschouwd, gelijk de vondelingen in Europa als Europeanen worden aangewerkt.
Niet doordenkende zou men geneigd zijn op den regel betreffende vondelingen twee uitzonderingen aan te nemen n.1. l0voor de plaatsen, waar de niet- Inlanders een aanzienlijk deel der
— 220 —
bevolking uitmaken; en 2° voor de gevallen, waarin de klem-van huid, haar en oogen ■wijst op Europeesche afkomst.
Deze uitzonderingen zouden echter m. i. ongerechtvaardigd zijn en wel om de volgende redenen.
Wat de eerste betreft, de Inlandsche bevolking is toch overal verre in de meerderheid; bovendien zijn de plaats, waar het kind gevonden- en die, waar het geboren werd niet noodzakelijk dezelfde; eindelijk zou het moeilijk zijn de grenzen der bedoelde plaatsen te bepalen.
Wat de tweede uitzondering aangaat, de hierbedoelde kenmerken leveren geen bewijs op. Kinderen, door een volbloed Europeaan bij een Inlandsche vrouw verwekt, maar niet erkend, hebben dikwijls een van des vaders ras getuigend type en zijn niettemin in den zin der wet Inlanders. Het uiterlijk heeft op hun staat geen invloed en kan dit dus evenmin hebben op de quasi-nationaliteit van kinderen, die te vondeling zijn gelegd en waarschijnlijk uit gelijke onwettige gemeenschap voortspruiten.
Ware het anders, dan zou het voor zulke kinderen een voordeel zijn te vondeling te worden gelegd; maar er is, dunkt mij, geen reden om voor de vondelingen een uitzondering te maken op den regel en hun op bloote vermoedens een staat toe te kennen, die met hun uiterlijk moge strooken, maar zeker niet met hun toekomst, die hun het moeilijker zal maken een bevredigend bestaan te vinden en dus het aantal ontevredenen slechts zal doen toenemen.—
Er is één geval — ik ben verplicht er op te -wijzen — waarin twijfelachtig is, of de door mij op blz. 209 in art. 3 voorgestelde regels wel opgaan. Zooals ik reeds opmerkte, geldt in üïquot;. I. do regel, dat de vrouw den staat van haar r.ian volgt, niet voor de quasi-nationaliteit. Daar liet omgekeerde evenmin bepaald is en nog minder aannemelijk zou zijn, volgr uit art. 15 Ov. bep. — vaststellende, dat de Inlandsche i. s. echtgenoot, zij deze de man of de vrouw, zich bij het huwen vai iemand uit de andere klasse moet onderwerpen aan het Europeesch privaatrecht, — dat overigens elk der echtgenooten zijn (of haar) quasi-nationaliteit behoudt. Voor de kinderen uit zulke huwelijken kan echter geen sprake zijn van blijven
— 221 —
in ecu reeds verworven staat; deze moet juist worden uitgemaakt met het huwelijk hunner ouders tot grondslag, en is volgens algemeen erkende beginselen, waarop onze wetten geen uitzondering maken, dezelfde als van hun vader. Is deze Europeaan, dan zijn dus de kinderen uit een Inlandsche moeder evenzoo Europeanen. Maar dan zijn de kinderen uit het huwelijk van een Inlander met een Europeesche vrome ook Inlanders!
Uit een oogpunt van positief recht is hiertegen niets te zeggen; maar toch zal menige overtuiging daartegen in opstand komen en er is inderdaad veel bezwaar tegen dezen uit de wet voortvloeiendeu toestand. Immers de vrijwillige onderwerping aan het Europeesch privaatrecht, waartoe de Inlander (behalve de Inl. Christen in Amboina) moet overgaan om een Europeesche te kunnen trouwen, heeft ten doel (al is dit middel gebrekkig) om ongelijkheid van rechtstoestand in het huisgezin te voorkomen. Welk een ongelijkheid van rechtstoestand\' en welke moeilijkheden moeten echter niet ontstaan, doordat de kinderen uit zulk een huwelijk Inlanders zijn! De vader. Inlander, die zich met het oog op zijn huwelijk expresseljjk onderwierp o. a. aan de Europeesche bepalingen betreffende vaderlijke macht en voogdij, zal deze moeten naleven ton aanzien van kinderen, die evenals hij Inlanders zijn, maar zich niet, zooals hij, vrijwillig onderwierpen, noch van rechtswege onderworpen zijn aan die Europeesche bepalingen. De Europeesche vrouw, die — in strijd met de natuur der zaak — te dezen opzichte den staat haars echtgenoots niet volgde en dezen zelfs dwong haar staat te volgen, wat het privaatrecht betreft, de vrouw, wier staat dus bij liet huwelijk overwegend was, zou. bij haar kinderen daaruit al dit overwicht weer verliezen!
Het kan zeker niet logisch of billijk heeten, dat krachtens hetzelfde recht, dat bij liet huwen het echtpaar naar deze zijde over de streep trekt, de gevolgen van dat huweljjk weer naar gene zijde moeten verhuizen. Maar toch is het zoo.
Zoo men niet wil bepalen, dat bij gemengde huwelijken als hier bedoeld heide cchtgenooten van rechtswege Europea-
— 222 —
nen zijn, of althans hun kinderen, dan zon men ten minste moeten vaststellen, dat de vrouw zich aan het recht van den man moet onderwerpen, ook als die Inlander is, en niet omgekeerd de raan aan het Europeesche recht der vrouw, zooals art. 15. Ov. bep. eischt. Op elke dier andere wijzen zou de rechtseenheid in het gezin gewaarborgd zijn; alleen door dit artikel niet.—
Als regel kan men aannemen, dat wie eenmaal Europeaan of Inlander is, het ook blijft. Verlies of vrijwillige prijsgeving van deze hoedanigheid is niet mogelijk Een uitzondering daarop, die wel steeds zeldzaam zal zijn, is aangegeven in artt. 4 en 5 der door mij voorgestelde regelen. Een andere, die in de praktijk pleegt voor te komen, maar alleen ten opzichte van Inlanders, zullen wij bij de gelijkstellingen bespreken.
Men verwarre deze gevallen, waarin een nog niet bestaande quasi-nationaliteit wordt verworven, of wel een positief beslaande wordt opgeheven, niet met de gevallen, waarin een hoedanigheid die feitelijk reeds aanwezig was (of door de wet wordt verondersteld reeds aanwezig te zijn geweest) slechts wordt aan bet licht gebracht, waar zij te voren verborgen was gebleven, of erkend, waar zij vroeger door de wet werd genegeerd.
Het kan n. 1. zijn dat iemand, na lang als Inlander te zijn beschouwd, de bewijzen in handen krijgt, dat hij Europeaan is; evenzoo kan een door een Europeaan bij een Inlandsche vrouw verwekt kind, bij gebreke van vader steeds als Inlander beschouwd, door erkenning blijken Europeaan te zijn. In het eerste geval zal wel niemand tegenspreken, dat zulk een persoon altijd Europeaan is geweest; in het tweede valt het niet te ontkennen, dat hij vóór zijn erkenning geheel volgens de wret als Inlander werd beschouwd, maar zal men toch, dunkt mij, ook moeten aannemen dat hij steeds Europeaan was, want niet de erkenning, die slechts de afstamming konsta-teert, maar de afstamming zelve is de grond, waarop zijn Europeaan zijn berust, en deze afstamming ving reeds aan met zijn geboorte.
— 223 —
Do erkenning heeft dus in dit opzicht terugwerkende kracht.
In heide gevallen kunnen zich allerlei moeilijkheden voordoen omtrent de geldigheid van vroegere handelingen, waarbij de voorschriften zijn gevolgd van het recht, waaraan de persoon meende en geacht werd te zijn onderworpen, alles ter goeder trouw. Stel b. v. iemand, zoon eeuer Iniandsche moeder, is naar Inlandsch recht getrouwd en wordt daarna door een Europeaan als kind erkend. Is riit huwelijk dan geldig ?
Het zou mij te veel op zijpaden voeren, wanneer ik deze en dergelijke kwesties hier wilde bespreken.
Als regel zal men m. i. moeten aannemen, dat dergelijke handelingen als geldig moeten worden beschouwd, wanneer ter goeder trouw werd gehandeld en de rechten van anderen er mee gemoeid zijn.
Dat in deze gevallen de eerst later aan liet licht getreden hoedanigheid niet als pas verworven, maar als steeds bestaan hebbende moet worden beschouwd, is een regel die ook van behing is voor de verdere afstammelingen.
Wanneer B., steeds als Inlander beschouwd, door den Europeaan A. wordt erkend, na reeds een wettigen zoon C. te hebben verwekt, zal het bjj mjjn opvatting boven twijfel zijn dat ook C. Europeaan is blijkens de erkenning zjjns vaders. Is B. echter eerst door de erkenning Europeaan geworden, dan doet zich de kwestie voor of zijn zoon, verwekt dooreen toen nog Inlander, Inlander bljjft, dan wel in deze het lot zijns vaders deelt.
Kan iemand omgekeerd ook van Europeaan blijken Inlander te zijn tengevolge van erkenning door een Inlandschen vader?
Over het algemeen wordt, tenzij ik mij vergis, aangenomen dat een Inlander niet kan erkennen, ook geen Europeanen. M. i. is dit een onhoudbare stelling; maar voor het oogenblik wil ik haar in het algemeen niet aantasten; in bizondere gevallen echter zou de Inlander het recht daartoe met de wet in de hand kunnen eischen, n. i. wanneer hij onderworpen is aan het Europeesch privaatrecht en moge het twijfelachtig zijn of hij zich vrijwillig kan onderwerpen ook aan de bepalingen
W. en A. Bev. 10. 9«
— 224 —
betreffende dergelijke aangelegenheden, zeker is het dan toch dat hij zich mag en zelfs moet onderwerpen aan het geheele Europeeschc privaatrecht, wanneer hij een Europeesche vrouw wil huwen, en dan zal hij dus kinderen van deze of van een andere Europeesche vrouw als de zijne kunnen erkennen. Daar hij Inlander is en blijft, worden de erkenden dan ook Inlanders.
De gelijkstellingen.
Wanneer iemand Europeaan of Inlander is, kan er natuurlijk geen sprake van ziju hem met Europeanen (of Inlanders) gelijk te stellen; want men kan niet worden gelijkgesteld met hetgeen men i-eeds is. Eén uitzondering hierop bestaat :Stbl 1855 Xo. 79 rangschikt de vreemde Inlanders onder de met Inlanders gelijkgestelden (zie het opstel „Wet en Adatquot;, hier-voren blz. 54), maar dit voorbeeld pleit meer vóór dan tegen den regel.
Evenmin gaat het eigenlijk aan iemand gelijk te stellen met het tegenoverstelde van wat hij is, dus een Europeaan met Inlanders, of een Inlander met Europeanen. Wel geschiedt dit laatste dikwijls door den Grouverneur-Generaal, maar dit zijn uitzonderingen, welker wettigheid ik eerst later zal bespreken, maar die in elk geval slechts in oneigenlijken zin gelijkstelling worden genoemd. In elk geval zal men, ze zoo willende noemen, deze gelijkstellingen krachtens het R. R. wel moeten onderscheiden van die door liet R. R. Men zou dan kunnen spreken van gelijkstelling ex lege en per rescriptum principis. Van gelijkstelling door liet R. R. kan slechts sprake zijn bij hen, die noch Europeanen, noch Inlanders zijn, daar de 2e en 3e zinsneden van art. 109 R. R. slechts dienen om hen, die tot geen dezer twee klassen behooren, daartoe te brengen. Door iemand tot de volgens het R. R. gelijkgestelden te rekenen, zouden wij vanzelf aannemen, dat hij volgens het R. R. niet tot de Europeanen en evenmin tot de Inlanders behoort. Schijnbaar maakte het oorspronkelijk voorstel hierop inbreuk door de lulandsche Christenen met Europeanen gelijk te stellen (zie de eerste ontwerpen); feitelijk echter werd daardoor de grens zelf verlegd en de hoofdomlorscheiding gemaakt
— 225 —
eene naar den godsdienst en niet naar het ras. Maar toen de Regeering dit inzag, veranderde zij haar redaktie overeenkonistig het verlangen der 2e Kamer, die ook de hoofdonderscheiding niet afhankelijk wilde stellen van den godsdienst.
Bij het bepalen tot welke klasse iemand behoort, moet dus in de eerste plaats worden nagegaan of hij Europeaan, dan wel Inlander is. Eerst als hij geen dier twee is, kan er sprake van zijn hem ingevolge al. 2 en 3 van K. R. 109 met een der twee gelijk te stollen.
Ten opzichte van vondelingen zal meestal niet zijn uit te maken, dat zij noch Europeaan, noch Inlander zijn, en dan ook geen grond bestaan Voor gelijkstelling. Het meest rationeele zal dan zijn, zooals voren reeds werd betoogd, hen als Inlanders te beschouwen.
Zooals men bij vergelijking der verschillende ontwerpen (zie hiervoren blz. 203) ziet, zouden volgens de oorspronkelijke redaktie de Inlandsche Christenen met Europeanen zijn gelijkgesteld. De Minister, die dit had overgenomen van art. 7 A. B., scheen zichzelf echter niet voldoende rekenschap hiervan te hebben gegeven en hinkte op twee gedachten, daar hij van den godsdienst sprak als van een hulp-kriterium. Aanvankelijk kon hij niet goed scheiden van de eenmaal gekozen bewoordingen en trachtte aan de bezwaren der 2e Kamer tegemoet te komen door de 4e en 5e alinea, die in het Se ontwerp voor het eerst voorkomen. De 5e, waarbij hem art. 10 A. B. voor den geest stond, geeft den Goeverneur-Geueraal bevoegdheid uitzonderingen te maken op de gestelde regelen en werd vrijwel overbodig — althans voor het oorspronkelijke doel — doordat in de vorige alinea de uitzondering reeds werd vastgesteld, die men meer in \'t bizonder mogelijk wilde maken. Deze 4e alinea, waarvoor art. 3 Ov. bep. als model diende, hief de gevolgen der twee zinsneden vroeger gedekreteerde gelijkstelling van Inl. Christenen met Europeanen weer geheel op. (1)
Men zag dus het volgende zonderlinge stel bepalingen ontstaan :
(1) Art. 3 Uv. bep, werd eerst later vastgesteld krachtens art. 10 A. B. en wel bij Kol. Ord., terwijl de Alg. Bep. bij Kon. Besl. waren vastgesteld.
— 226 —
Terwijl onderscheiden werden 1° Europeanen, 2° Inlanders, 3° gelijkgestelden, werden een deel der sub 2° genoemden weer sub 3° genoemd; vervolgens werden deze laatsten feitelijk weer sub 2° gebracht en daarna werd nog een bepaling gemaakt, speciaal om den Gr. G. in staat te stellen dit te doenT hoewel het reeds (in al. 4) gedaan was. quot;
Was dus de toevoeging van al. 4 en 5 geen gelukkig proeve van wetsredaktie èn op zichzelf, èn in verband met al. 2, nog gekker werd het, toen de minister deze al. 2. zóó wijzigde, dat de Inlandsche Christenen niet meer met Europeanen werden gelijkgesteld en dus de reden van bestaan voor de latei-toegevoegde al. 4 en 5 verviel, maar deze twee zinsneden evenwel gehandhaafd werden.
Geen wonder dat dit tot misverstand aanleiding gaf en men uit de 4e alinea opmaakte, dat de Inl. Christenen wel met Europeanen zijn gelijkgesteld. Zoo o. a. de Louter in de eerste edities zijner voormelde Handleiding; maar een vernieuwd onderzoek deed hem hiervan terugkomen (zie blz. 126 van de 4e uitgave, en ook de le noot aldaar) en inderdaad, een historisch onderzoek leert ons dat de woorden in al. 2 van art. 109 K. R. waardoor de Inl. Christenen met Europeanen werden gelijkgesteld, tengevolge van herhaalden aandrang der 2e Kamer, dus niet bij vergissing, daaruit zijn weggelaten en wanneer dit feit nog niet voldoende de bedoeling aantoont om deze soort Inlanders niet met Europeanen gelijk te stellen, dan blijkt dit doel ten overvloede uit hetgeen de Minister ter toelichting daarvan zeide.
De redaktie der eerste drie zinsneden van art. 109 is daardoor een aannemelijke geworden. Niets staat meer in den weg aan de konsekwente toepassing van het ook door den Minister gehuldigde beginsel: dat vooropstaat de onderscheiding in Europeanen en Inlanders en eerst waar deze onvoldoende is de gelijkstellingen te pas komen, naar de regelen van al 2 en 3.
Wij komen nu tot de vraag, welke de grondslag is voor de onderscheiding in met Europeanen- en met Inlanders gelijkgestelden.
De Louter antwoordt hierop zonder aarzelen: de godsdienst •
Mr. Maegadani antwoordt even beslist: neen, het al of niet vallen in de termen van al. 3 des artikels is de eenige maatstaf. De gronden voor dit laatste gevoelen komen mij echter gezocht en onaannemelijk voor. Mr. M. meent n. 1. dat de woorden „niet vallende in de termen der volgende zinsnedequot; slaan zoowel op „alle Christenenquot; als op „alle personenquot;, en dus allen. Christen of Onchristen, wanneer zij wèl vallen onder de termen van al. 3 met Inlanders zijn gelijkgesteld. Hiermee begeeft Mr. M. zich op taalkundig gebied en hij beroept zich dan ook op het advies van een (niet genoemden) deskundige. Omdat in het 3e ontwerp een kommapunt stond achter alle Christenen en daarop volgde: voorts alle andere personen enz., terwijl de Minister later die kommapunt wegnam evenals de woorden „voortsquot; en „anderequot;, zou nu grammatikaal de oppositie niet meer alleen op „alle personenquot; slaan!
Ik neem de vrijheid zelfs op taalkundig gebied de juistheid van Mr. M. \'s uitlegging te weerspreken. Vooreerst zou een kommapunt zeker niet juist zijn geweest, want men bezigt die (wanneer de zin niet ingewikkeld is) nooit tusschen de deelen eener opsomming en ook nooit om twee deelen van een zelfden volzin te scheiden, wanneer zij het gezegde gemeen hebben. Evenzoo is het ongebruikelijk bij een opsomming van slechts twee zaken „voortsquot; te gebruiken tot verbinding, tenzij achter het eerste deel der verbinding een tusschenzin komt. „Voortsquot; is dan ook pas in het 2e ontwerp gebruikt en de reden daarvan was duidelijk: anders had „ook\'quot; den schijn gehad mede betrekking te hebben op „alle andere personenquot; enz.
Het argument van Mr. M. is trouwens buiten de school van weinig waarde. Het is zeer goed mogelijk dat een taalgeleerde, die zijn regelen mooi in \'t gelid heeft gesteld, zich onwillekeurig gaat voorstellen dat de taal een wiskundig systeem voor het uiten van gedachten is, door quot;s leeraars wetten wordt geregeerd en zich aan deze heeft te houden : maar in werkelijkheid is het omgekeerd: de taal stelt de wet en wat de geleerden vaststellen is haar gedikteerd door de levende taal, die zich overigens al heel weinig aan die regels stoort. Men kan voor een taal al evenmin als voor de kunst regelen stellen, die
— 226 —
Terwijl onderscheiden werden lu Europeanen, 2° Inlanders, 3° gelijkgestelden, werden een deel der sub 2° genoemden weer sub 3° genoemd; vervolgens werden deze laatsten feitelijk weer sub 2quot; gebracht en daarna werd nog een bepaling gemaakt, speciaal om den G. G. in staat te stellen dit te doen, hoewel het reeds (in al. 4) gedaan was. quot;
quot;Was dus de toevoeging van al. 4 en 5 geen gelukkig proeve van wetsredaktie èn op zichzelf, èn in verband met al. 2, nog gekker werd het, toen de minister deze al. 2. zóó wijzigde, dat de Inlandsche Christenen niet meer met Europeanen werden gelijkgesteld en dus de reden van bestaan voor de latei-toegevoegde al. 4 en 5 verviel, maar deze twee zinsneden evenwel gehandhaafd werden.
Geen wonder dat dit tot misverstand aanleiding gaf eu men uit de 4e alinea opmaakte, dat de Inl. Christenen tve\'. met Europeanen zijn gelijkgesteld. Zoo o. a. de Louter in de eerste edities zijner voormelde Handleiding; maar een vernieuwd onderzoek deed hem hiervan terugkomen (zie blz. 126 van de 4e uitgave, en ook de le noot aldaar) en inderdaad, een historisch onderzoek leert ons dat de woorden in al. 2 van art. 109 R. R. waardoor de Inl. Christenen met Europeanen werden gelijkgesteld, tengevolge van herhaalden aandrang der 2e Kamer, dus niet bij vergissing, daaruit zijn weggelaten en wanneer dit feit nog niet voldoende de bedoeling aantoont om deze soort Inlanders niet met Europeanen gelijk te stellen, dan blijkt dit doel ten overvloede uit betgeen de Minister ter toelichting daarvan zei de.
De redaktie der eerste drie zinsneden van art. 109 is daardoor oen aannemelijke geworden. Niets staat meer in den weg aan de konsekwente toepassing van het ook door den Minister gehuldigde beginsel: dat vooropstaat de onderscheiding in Europeanen en Inlanders en eerst waar deze onvoldoende is de gelijkstellingen te pas komen, naar de regelen van al 2 en 3.
Wij komen nu tot de vraag, welke de grondslag is voor de onderscheiding in met Europeanen- en met Inlanders gelijkgestelden.
De Louter antwoordt hierop zonder aarzelen; de godsdienst •
— 227 —
Mr. Margadant antwoordt even beslist: neen, het al of uiet vallen in de termen van al. 3 des artikels is de eenige maatstaf. De gronden voor dit laatste gevoelen komen mij echter gezocht en onaannemelijk voor. Mr. M. meent n. 1. dat de woorden „niet vallende in de termen der volgende zinsnedequot; slaan zoowel oj) „alle Christenenquot; als op „allo personenquot;, en dus allen, Christen of Onchristen, wanneer zij wol vallen onder de termen van al. 3 met Inlanders zijn gelijkgesteld. Hiermee begeeft Mr. M. zich op taalkundig gebied en hij beroept zich dan ook op het advies van een (niet genoemden) deskundige. Omdat in het 3e ontwerp een kommapunt stond achter alle Christenen en daarop volgde; voorts ulle andere personen enz., terwijl de Minister later die kommapunt wegnam evenals de woorden „voortsquot; en „anderequot;, zou nu grammatikaal de oppositie uiet meer alleen op „alle personenquot; slaan!
Ik neem de vrijheid zelfs op taalkundig gebied de juistheid van Mr. M. quot;s uitlegging te weerspreken. Vooreerst zou een kommapunt zeker niet juist zijn geweest, want men bezigt die (wanneer de zin niet ingewikkeld is) nooit tusschen de deelen eener opsomming en ook nooit om twee deelen van een zelfden volzin te scheiden, wanneer zij het gezegde gemeen hebben. Evenzoo is het ongebruikelijk bij een opsomming van slechts twee zaken „voortsquot; te gebruiken tot verbinding, tenzij achter het eerste deel der verbinding een tusschenzin komt. „Voortsquot; is dan ook pas in het 2U ontwerp gebruikt en de reden daarvan was duidelijk: anders had „ookquot; den schijn gehad mede betrekking te hebben op „alle andere personenquot; enz.
Het argument van Mrquot;. M. is trouwens buiten de school van weinig waarde. Het is zeer goed mogelijk dat een taalgeleerde, die zijn regelen mooi in \'t gelid heeft gesteld, zich onwillekeurig gaat voorstellen dat de taal een wiskundig systeem voor het uiten van gedachten is, door \'s leeraars wetten wordt geregeerd en zich nan deze heeft te houden ; maar in werkelijkheid is het omgekeerd: de taal stelt de wet en wat de geleerden vaststellen is haar gedikteerd door de levende taal, die zich overigens al heel weinig aan die regels stoort. Men kan voor een taal al evenmin als voor de kunst regelen stellen, die
— 228 —
altijd opgaan; ten slotte komt men er niet zonder gevoel en gezond verstand. De school kan omtrent tusschenzinnen en apposities mooi regelen stellen, maar als men altijd daarnaar sprak en schreef, zou de taal hoogst ongenietbaar worden. Het gezond verstand en het taalgevoel moeten dikwijls uitmaken, waarop een appositie slaat, die een taai-wiskunstenaar op de zonderlingste wijze toepasselijk zou kunnen verklaren.
Ik grijp het eerste voorbeeld, dat mij voor de hand komt, een verhaal in het bijvoegsel der Javabode van 26 November 1896 (2e kolom onderaan), van een politie-agent, Hacfarlane, die aan een vrouw kwam door een daad van moed. „Zekere mejuffrouw Badham-Thornhill, n. 1., een schatrijke lersche jongedame met landgoederen en voorvaderen die op den troon ■van Ierland hehbm geseten, was getuige van dit voorvalquot; enz... Matematisch kan men wellicht aantoonen, dat volgens die woorden de landgoederen op lerlands troon hebben gezeten, maar de bedoeling is niet twijfelachtig en iemand, die er iets anders uit wilde lezen, zou zeker uitgejouwd en naar de school gejaagd worden.
Ik begrijp bovendien niet, dat de door ilr. 31. geraadpleegde deskundige er niet op heeft gelet dat liet woordje alle, reeds vóór Christenen staande, herhaald wordt vóór „personen,quot; wat, naar mijn taalbegrip, het onmogelijk maakt de appositie op „Christenenquot; en „personenquot; beiden te doen slaan, want dan zou „allequot; niet zijn herhaald. Een voorbeeld zal het duidelijk maken: als ik naar het Gymnasium Willem III een invitatie zend voor „alle docenten en leerlingen, niet behoorende tot de laagste drie klassen,quot; dan zijn de docenten, die in de lagere klassen les geven, uitgesloten; maar luidt het „alle docenten en alle leerlingen, niet behoorendequot; enz., dan zijn alle docenten, zonder uitzondering, geïnviteerd en alleen de leerlingen der laagste drie klassen uitgezonderd.
Maar wij kunnen, dunkt mij, de grammatikale spitsvondigheden er geheel buiten laten; 1° omdat de wetgever van het R. II niet zoo nauwgezet was bij het kiezen zijner woorden en men dus niet te veel aan dergelijke kleinigheden mag hechten ; 2° omdat men tocli nooit van de wet een onaannemelijke
— 229 —
verklaring mag aanvaarden, wanneer een betere voor de hand ligt. Welnu, is liet aannemelijk dat de wetgever heeft bedoeld wat Mr. M. in alinea 2 van R. R. 109 leest?
Jveen! quot;Wanneer men noemt alle personen, die niet in de termen van de volgende zinsnede vallen, zal men niet neg eens afzonderlijk gaan vermelden alle Christenen, die niet if die termen vallen, aangezien Christenen ook personen zijn. Ue vermelding der Christenen heelt dus alleen zin, v/anneer op hen de toevoeging „niet vallendequot; enz. niet slaat. Anders zou er eenvoudig geschreven zijn: „met Europeanen worden gelijk gesteld allen, die niet in de termen der volgende zinsnede vallen.quot;
Ik meen dus dat noch taalkunde, noch gezond verstand de uitlegging van Mr. M. toelaten. Toch schijnt zijn betoog velen te intimideeren, althans ik heb de onjuistheid er van nergens aangetoond gevonden (de Louter t. a. p. noemt het „spitsvondig \', wat nog iets anders is dan onjuist) en Mr. Hekmeijer (t. a. p.) liet er zich ook door meesleepen. Ik acht het daarom niet overbodig het langs anderen weg te bestrijden. De bepaling wie met Europeanen zijn gelijkgesteld (R. R. 109, al. 2) werd ontleend aan art. 7 A. B. De overeenstemming tusschen deze bepalingen was geen toevallige, maar een gewilde, zooals blijkt uit de Memorie van Toelichting (Keuchenius II, 290). AVanneer men nu vergelijkt dit art. 7 A. B. en de vroegere ontwerpen (resp. artt. 97, i05 en 112). dan ziet men duidelijk, hoe uit het eerste ten slotte onze 2e alinea van art. 109 R. R. is geworden en hoe in den loop van dit proces een verschrompelingquot; plaats had. Het is een bij de wording van het Regeeringsre-glement meer voorkomend verschijnsel, dat de ontwerper, wanneer zijn bedoeling is een bestaande bepaling eenvoudig in het Regl. over te nemen, niettemin daarbij eenige woorden w ijzigt of weglaat, hetzij uit onverschilligheid of onnauwkeurigheid, hetzij omdat hij meent een kortere of juistere re-daktie te hebben gevonden en het is niet te verwonderen, dat de politieke wetgever van 1854 dan wel eens bedierf wat door deskundigen in 1S44—48 met zorg was opgesteld.
Art. 7 A. B. moge wat omslachtig zijn, het was tenminste
— 230 —
volkomen duidelijk. Het eerste ontwerp R. li. begint al dadelijk met wat in art. 7 A. B. afzonderlijk sub 1° en sub 2quot; vermeld stond bijeen te trekken en een paar kleine wijzigingen aan te brengen, die alleen de schikking der woorden betreffen en volkomen overbodig waren. Wij kunnen ze beschouwen als geknutsel zonder eenige beteekenis, vermeende verfraaiing of verduidelijking. In het 2e ontwerp weer eenige versohikking en vervanging van woorden, zonder dat de strekking der bepaling eenigszins veranderd werd of dit bedoeld werd. Eerst in hot -je ontwerp komt een wijziging, die den inhoud raakt: do Inlandsche Christenen worden er uitgelicht. Overigens is de bedoeling geheel dezelfde gebleven als van art. 7 A. B., althans do Regeering liet niet blijken van een gewijzigde opvatting en nu zal men toch wel toegeven, dat in dit artikel 7 A. B. de verwijzing naar de omschrijving van met Inlanders gel jjkgestelden niet sloeg op de Christenen, die per se Europeanen waren.
is na dien de bedoeling gewijzigd?
Mr. M. meent dit te mogen opmaken uit de wijzigingen bij de behandeling nog in al. 2 gebracht (weglating van een kommapunt enz.) Üo Minister zeide daaromtrent alleen: „Het is mij voorgekomen dat tot meerdere verduidelijking van dit artikel eene kleine wijziging noodzakelijk is, en wel in de tweede alineaquot;, en overigens werd er uiet over gesproken (zie Keuchenius lil, 746). Deze woorden bewijzen m. i. dat een wijziging in het bec/insel, in het systeem van art, 109 niet beoogd werd, alleen een verduidelijking van wat ook te voren reeds de bedoeling was. Men zou ook wel uiet van een kleine wijziging spreken en die terloops aanbrengen, wanneer het niet meer of minder gold dan het kriterium van gelijkstelling niet Europeanen aanmerkelijk te wijzigen.
In het le ontw. vindt men in de 2e al. ook geen kommapunt en geeu woordje „voortsquot;, hoewel daar zonder twijfel de bedoeling bestond de Christenen zonder uitzondering met Europeanen gelijk te stellen, hetgeen al weer bewijst dat de toenmalige wetgever er omtrent taal en interpunktie andere begrippen op na hield dan Mr. M. en zijn zegsman.
— 231 -
Up groutl vau al het bovenstaande houd ik vol, dat zoowel do taalkunde als het gezond verstand slechts deze uitlegging van K. Ia. 109 al. 2 toelaten: Met Europeanen worden gelijkgesteld :
1quot;. alle Christenen;
2°. allen, die niet vallen in de termen van al. 3.
liet tweede is dan slechts een aanvullend kriterium; het kan trouwens ook wel niet anders, daar men het eigenlijke kriterium wol niet achteraan, maar in de eerste plaats zal vermelden. Wanneer men Christen is en bovendien niet in do tonnen van al. 3 valt, wordt men op den eersten grond met Eur. gelijkgesteld. Alleen wanneer men geen Christen is, komt de tweede grond in aanmerking als aanvullend.
De moeilijkheid, die zich nu voordoet, is deze: alle Christenen — dus ook Chineeseiie — vallen ouder al. 2; alle Chi-neezen — dus ook de Christelijke —• vallen onder al. 3. Zich vastklemmende aan de letter der wet, kan men dus verdedigen, dat Chineesche Christenen zoowel met Europeanen als met Inlanders zijn gelijkgesteld.
Maar dit kan natuurlijk niet en zulk een interpretatie is ook niet noodzakelijk, wanneer men de bepalingen in onderling verband beschouwt en in het oog houdt, dat het doel des wetgevers alleen kan zijn geweest een harmonisch samenstel van bepalingen vast te stellen, maar niet een reeks van met elkaar strijdige regelen. Het is dan niet mogelijk, dat al. 3 strijdt met het reeds in al. 2 bepaalde en men moet aannemen, dat al. 3 omtrent de gelijkstelling met Inlanders regels stelt behouden* het reeds omtrent gelijkstelling met Europeanen een zinsnede vroeger bepaalde. In dezen zin alleen kan art. 8 A. li. bedoeld zijn en evenzoo onze al. 3, die slechts van A. B. 8 verschilt door weglating van „f/equot; vóór het woord Arabieren
Arabieren, Mooren en Ghiueezen zijn dus slechts als voorbeelden genoemd; de wetgever heeft blijkbaar eerst de rassen vermeld, uit welke de vreemde Oosterlingen gewoonlijk bestaan, om daardoor zjjn bedoeling duidelijk te maken en eerst daarna het algemeen kriterium voor deze gelijkstelling aangegeven; m iar in deze omschrijving bedoelde hjj geen andere vreem-
— 232 —
de Oosterlingen, clan die Mohammedanen of heidenen zijn. Of zou hij, in art. 7 A. B. de Inl. Christenen met Eur. gelijkstellende, in het volgende artikel de Ohineesclie Christenen met Inlanders hebben willen assimileeren? Zulk een verregaande stelselloosheid mag men bij den wetgever van 1848 niet veronderstellen. en die van 1854 heeft ten deze niets anders Avillen bepalen.
Mr. Margadant kan tegen mijn explikatie van al. 3 geen bezwaar hebben, want volgens dezelfde taalkundige regelen als hij bij al. 2 meende te moeten toepassen, zou iu al. 3 van art. 109 R. R. de toevoeging „die mohammedanen of heidenen zjjnquot; slaan zoowel op „Arabieren, Mooren, Chineezenquot; als op „en allen.quot; Een konsekwente toepassing van het Margadantsche systeem zou dus al. 2 in verband met al. 3 aldus doen lezen:
„Met Europeanen zijn geljjk gesteld:
lo alle Christenen,) , ,
die noch Arabische, noch M oox-sche, noch
2o alle personen, I Chineesche, noch andere Mohammedanen ot heidenen zijn \'
HO zou dus, konsekwent zijnde, geheel tot hetzelfde resultaat komen als Prof. de Louter: met Inlanders zijn gelijkgesteld alle mohamedanen en heidenen, met Europeanen alle overigen. Deze opvatting wordt nog aannemelijker, wanneer men in ammerking neemt, dat niet wordt gesproken van alle Arabieren, evenals van „alle Christenenquot;, zoodat eer bij de Arabieren, dan bij de Christenen een uitzondering mogelijk is.
De eenzijdige uitlatingen van één dergenen, die bij liet tot-stand komen der wetten meewerken, zijn meestal geen afdoend bewijs voor de bedoeling dier wetten; maar na alle vorige op zich zelf reeds afdoende argumenten zal het mij wel veroorloofd zijn, mij tegenover degenen, die nog twijfelen mochten) te beroepen op de volgende woorden der Regeering, die men vinden kan bij Keuchenius II, 296:
„Zonder het gewicht der gemaakte aanmerkingen te ontkennen, meent men evenwel dat het onderscheid van godsdienst het criterium is, hetwelk in de toepassing de minste moeilijkheden zal opleveren. Het criterium van landaard kan alleen dienen tot het aanwijzen van twee groote klassen: Europeanen en
— 233 —
Inlanders. Voorzoo veel de gemengde klassen betreft, dat is, dezulken, die noch Europeanen noch Inlanders zijn, moet men tot gelijkstellingen toevlucht nemen, en dan wordt het criterium van de godsdienst het eenige hetwell- alles omvattend isquot;. — Toen zij in het volgend ontwerp d9 gelijkstelling der Inl. Christenen met Europeanen liet varen, zeide de Kegeering in de toelichting (Keuchenius II, 538): ,üe zaak is evenwel van te groot gewicht om niet boven allen twijfel te worden verheven, en daarom heeft de Regeering aan het artikel eene andere redactie gegeven, die, zonder de godsdienst als criterium der gelijkstelling op te geven, evenwel op eene duidelijke wijze tegen de gevreesde gevolgen waarborgtquot; enz. Wanneer de Regeering derhalve voor de gelijkstelling een kriterium handhaafde, dat zijzelf allesomvattend noemt, is het niet aan te nemen dat zij daarnaast, onnoodig, een tweede criterium wilde toelaten en dus tweeslachtigheid teweeg brengen. Men mag die bedoeling dus niet afleiden uit een „kleine wijziging,quot; die zij „tot meerdere verduidelijkingquot; aanbracht.
Het systeem der gelijkstellingen is dus eenvoudig. Stellen wij ons voor dat alle personen in X. Indië verzameld zijn voor den wetgever om te worden ingedeeld. ,,I Europeanen rechts, II Inlanders links van mijquot; klinken de eerste bevelen; daarop: „alle Christenen en allen, die zoo straks zullen overblijven, i-echts bij de Europeanenquot; en vervolgens „IV gij Arabische, Moorsche, Chineesche en andere Mohammedanen of heidenen weer links bij de Inlandersquot;. Nu blijven nog oningedeeld degenen, die noch Europeanen, noch Inlanders, noch Christenen, Mohammedanen of heidenen zijn, en deze worden eindelijk bij de Europeanen gesteld. I)ie door een voorgaand bevel reeds zijn ingedeeld, hebben het volgende natuurlijk niet meer als tot hen gericht te beschouwen; daarom blijven de door het derde bevel (R. R. 109 al. 2) reeds bij de Europeanen gestelde Chineesche (enz.) Christenen bij de Europeanen staan, al wordt in het vierde bevel (R. R. 109 al. 3) van Chineezen gesproken. Ware het anders, dan zouden de Europeanen, die Mohammedanen zijn, ingevolge het vierde bevel weer naar den kant der Inlanders moeten verhuizen.
— 234 —
Gaat men in elk bizonder geval, als men moot uitmaken tot welke klasse iemand behoort, eyenzoo te werk, vraagt men eerst: is hij Europeaan? dan: is hij Inlander? vervolgens: is hij Christen? eindelijk: is hij Mohammedaan of heiden? om zoodra een vraag bevestigend beantwoord wordt, de daarbij behoorende klasse aan te wijzen en de overige vragen, als van geen belang, achterwege te laten, dan zal men zelden op een moeilijkheid stuiten. Alleen als iemand op de 3 eerste vragen ontkennend antwoordde en niet Mohamedaansch of heidensch is, zal de oplossing eenig bezwaar in hebben. Die geen godsdienst heeft, zou m.i. bij de Europeanen behooren, daar hij noch heiden, noch Mohammedaan is.
Men zou echter ook het atheïsme als een soort heidendom kunnen beschouwen.
Beslist atheïsme komt, geloof ik, onder de gelijkgestelden nog weinig voor en het is te hopen dat, vóór deze nieuwigheid ook bij hen in de mode komt, de godsdienst als krite-rium zal zijn vervallen.
Intusschea moet ik opmerken, dat de wet natuurlijk als kriterium neemt den godsdienst, waartoe iemand formeel behoort; want zijn werkelijke godsdienstige gezindheid kan nimmer met zekerheid worden nagegaan, noch uit zijn gedragingen, noch uit zijn woorden. Men kan Christen zijn, zuiver van leer, en zich al zeer weinig daarnaar gedragen. Omgekeerd kan men in theorie atheïst zijn, of wel weigeren zich bij eenig Christelijk kerkgenootschap aan te sluiten, en toch in zijn gevoelen, doen en laten een voorbeeld zijn van Christelijke deugden. De eenige vraag kan echter m.i. zijn tot welken godsdienst men formeel behoort, d.i. door het vervullen van datgene, wat door dien godsdienst voor het lidmaatschap wordt gevorderd (geloofsbelijdenis, doop, enz.). Is men op deze wijze bij een godsdienst ingelijfd, dan moet men worden geacht daartoe te blijven behooren, zoolang men niet op gelijke wijze tot een anderen godsdienst overgaat of wel op ondubbelzinnige wjjze blijkt den aangenomen godsdienst te hebben verlaten. Slechts wanneer men op deze wijze niet tot eenigen godsdienst behoort, zou er soms kwestie van kunnen
zijn het bestaan eener bepaalde godsdienstige gezindheid bij hem aan te nemen. Dit zal afhangen van den aard Tan zijn beweerden godsdienst en van andere omstandigheden, zoodat de rechter in elk bizonder geval zal moeten beslissen, zonder dat een vaste regel kan worden gesteld.
Wij zagen reeds dat de 4U :ilinca van art. 109 R. R. daarin is blijven staan, hoewel de reden, waarom zij in het 3e ontwerp werd ingelascht verviel, zoodat zij overbodig werd. Ongelukkigerwijze zou zij bovendien aanleiding kunnen geven tot misverstand, daar men haar toepasselijk zou kunnen achten op Chineezen en andere Oosterlingen, die het Christelijk geloof belijden. Chineezen enz. zijn met Inlanders gelijkgesteld, zou men geneigd zijn te redeneeren, dus zijn zij. Christen wordende, Inlandsche Christenen. De redeneering zou wel een grove dwaling zijn, maar oppervlakkig heeft ze iets verlokkends; de fouten waaruit zij is opgebouwd, vallen niet dadelijk op; en daarom acht ik het raadzaam bier er tegen te waarschuwen.
Vooreerst is er geen reden om wat in art. 109 al. 1 is bepaald voor het begrip Inlander, dat namelijk daaronder ook verstaan wordt de met hem gelijkgestelde (wanneer hot tegendeel niet is bepaald) uit te breiden tot het van dit woord gevormde bijvoegebjke naamwoord, zoodat Inlandsch ook zou in zich sluiten Chineesch, Arabisch enz. Art. 109 R. R. geeft geen aanleiding tot zulk een opvatting en in artt. 70 en 71 van hetzelfde R. R. wordt gesproken van Inlandsche hoofden en Inlandsche gemeenten in een zin, die zeker het met Inlanders gelijkgestelde element uitsluit.
Bovendien zal men de bedoeling der woorden Inlandsche Christenen in al. 4 moeten verklaren uit dezelfde woorden in al. 2 van het le en 2e ontwerp, naar aanleiding van welke de 4° alinea werd toegevoegd. En daar konden zij alleen de eigenlijkgezegde Inlanders bedoelen, want de vreemdelingen, geen Inlanders zijnde en door al. 2 met Europeanen gelijkgesteld wordende, konden niet Inlandsch genoemd worden:
— 236 —
zij waren nocli door afstamming, noch door wetsduiding Inlanders. (l)
Om dezelfde reden kan men ook nu de niet tot de eigenlijke Inlanders behoorende Christenen van niet Europeesclien oorsprong onmogelijk aan alinea 4 onderwerpen.
Volgt men mijn opvatting, dan zijn zij met Europeanen gelijkgesteld, en daar zij niet — gelijk de eigenlijke Inlanders — van nature Inlandsch zijn (en evenmin door wetsduiding), kunnen zij ook geen Inlandsche Christenen zijn. Neemt men daarentegen met Mr. Margadant aan, dat zij onder al. 3 vallen en ondanks hun godsdienst met Inl. zijn gelijkgesteld, dan wordt al. 4 voor hen al even overbodig als voor den eigenlijken Inlander. Men kan ook moeilijk de Chiueesche officieren „Inlandsche hoofdenquot; noemen, zoodat uit die in al. 4 gebruikte uitdrukking ook volgt, dat zij alleen de eigenlijke Inlanders op het oog had.
Cliineezen, Arabieren enz., die Christenen zijn en dus met Europeanen gelijkgesteld, zijn daardoor m. i. onttrokken aan het gezag der Chiueesche, Arabische enz. officieren, want de gelijkstelling is een algemeene, onvoorwaardelijke; alle bepalingen voor Europeanen gelden ook voor hen, dus ook die betreffende het gezag, waaraan de Europeanen hebben te gehoorzamen.
Ten aanzien van de Inl. Chr. vooral schijnt bij sommigen twijfel te bestaan in hoever art. 109 E.. E. in alle opzichten geldt, n.1. alleen voor het privaat- of ook voor het publiek
(1) In een beslissing van den R. v. .T. te Batavia d. d. \'25 Mei 1870 (Ind. Wbl. v. h. R, No. 37\'2) wordt een Chineesch Christen gezegd te behooren tot de vmet Inlandsche Christenen gelijkgestelde personenquot;; dit is eelitcr een onderverdeeling, die de wet niet kent. Zij Kent met Inlanders gelijkgestelden; men zou dus kunnen spreken van »Chnstelijkc met Inl. gelijkgesteldenquot;, of van smet Inlanders gelijkgestelde Christenen,quot; hoewel dit m. i. tegenstrijdige termen zijn: Jaar men — niet Inlander zijnde — juist opgrond van zijn Christendom met Eur. is gelijkgesteld (al. 2), kan men moeilijk met Inl. Christenen worden gelijkgesteld opgrond dat men, ware men geen Christen, met Inl. zou zijn gelijkgesteld en dus (?), Christen zijnde, met Inlandsche Christenen gelijkgesteld is.
— 237 —
recht. (Zie Hek.mei.ter, 1.1. blz. 55 v.) Mij dunkt echter, dat hieromtrent geen twijfel mogelijk is.
Wanneer een latere bepaling iets regelt, dan wordt hierdoor de vroegere regeling van hetzelfde opgeheven. Alleen wanneer de latere regeling een speciale is, die niet het gansohe onderwerp betreft, blijft de oudere van kracht, voorzoover daarin door de jongere niet is voorzien.
Nu is het Regeeringsreglement uit ziju aard een algemeenc regeling en voor dit onderwerp is hierop geen uitzondering gemaakt; art. 109 R. R. is zoo ruim en. algemeen mogelijk. Artt, 7, 8, 10 A. B. en 3 II. O. zjjn daardoor dus geheel opgeheven (1). Wel kan in den verschillenden rechtstoestand, die uit art. 109 R. R. volgt, wijziging worden gemaakt, maar uitsluitend krachtens dit laatste artikel en art. 75 R. R.
Ik geef echter toe, dat dit niet altijd voldoende in het oog werd gehouden. Zoo wijst Mr. Hekmeyer er op dat in Stbl. 1855 n0. 79 de Alg. Bep. v. Wetg. betreffende gelijkstelling met Inlanders werden aangehaald, hoewel tijdens de afkondiging daarvan het R. R. reeds in werking getreden en art. 7 A. B. dus reeds afgeschaft was. Ik vermoed dat de oorzaak hiervan ligt in de omstandigheid, dat bij het ontwerpen van Stbl. 1855 nquot;. 79, waarover men lang doende is geweest, het R. R. nog niet was afgekondigd en men later verzuimd heeft het ontworpene dienovereenkomstig te wijzigen.
Vóór ik afstap van de al. 2 en 3 van art. 109 R. R. moet ik nog wijzen op een verschil tusschen den aard der hoofdklassen (Europeanen en Inlanders) en dien der nevenklassen.
Terwijl de hoofdverdeoling berust op een weinig veranderlijken grondslag n.1. op de afstamming, het ras, is de gelijkstelling afhankelijk van een zeer veranderlijk en persoonlijk kriterium. Het Europeaan of Inlander zijn is iets erfeljjks, waaraan men persoonlijk niets kan doen. In enkele gevallen kan hierin verandering komen, maar deze behooren tot de zeldzame uitzonderingen.
In den regel blijft men dus, wat men is, en is men hetzelfde
(1) Art. (j A. is niet bepaald opgeheven door het R. R.
— 238 —
als zijn ouders en verwanten waren eu zijn kinderen zullen zijn, zoodat geen verschil van recht de verhoudingen in het gezin op losse schroeven kan zetten.
Bij de gelijkstellingen is dit gansch anders. In den tijd toen de godsdienst als kriterium werd beschouwd en ook nog toen deze later als zoodanig in de wet werd erkend, leverde dit nog minder bezwaar op. liet berustte op den geest des tijds. De Christelijke-, .beschaafdequot;- en de overige wereld, het Oosten, stonden nog scherp tegenover elkander. Het was ondenkbaar, dat Chineezen eu andere Oosterlingen Christen werden, althans zoo iets was een groote uitzondering, behalve bij onze overwonnelingen, de Inlanders. Kn had zulk een overgang van een Oosterling tot het Christendom plaats, dan veranderde dit naar de toenmalige overtuiging ook werkelijk zijn rechtstoestand. Want de Onchristen stona buiten de christelijke volkerengemeenschap en haar volkenrecht; de regel adversus hostem aeterna auctoritas was op hem toepasselijk, terwijl hij daarentegen door Christen te worden van rechte-looze een rechtspersoon werd. Deze beschouwing werd wellicht niet altijd en niet konsekwent toegepast, maar lag toch ton gionil-slag aan de vroegere verhoudingen eu heett lang, nadat zij haar onbeperkt gezag had verloren, nog nagewerkt. Maar in onzen tijd wordt het kriterium steeds onhoudbaarder. Het Christendom neemt in Azië toe, wel niet met reuzenschreden, maar toch zóó, dat een Aziatisch Christen niet meer kan gelden als een hooge uitzondering, waarmee de wet geen rekening bohoett te houden. Het Christen worden staat niet meer gelijk met Europeaniseering: er zijn Christelijke volken, die hun Indisch-zijn volkomen bewaren. Daarentegen zijn er niet-Christelijke staten in Azië, die in beschaving en ontwikkeling het Europeesche voorbeeld nastreven, soms in zulk een mate, dat de Europeesche staten zich meer en meer genoodzaakt zien hen op voet van gelijke te behandelen. Zoo ontvalt alle grond aan een onderscheiding naar den godsdienst, waar een verdeeling noodig is naar het verschil in aard en beschavings-soort. En de godsdienst wordt te meer verwerpelijk voor dit doel, doordat luj steeds meer een subjektiet karakter aanneemt.
— 239 —
Hoevelen, in algemeenen zin Christenen, hebben zich niet in meerdere of mindere mate losgemaakt van de dogma\'s van hun kerkgenootschap, of hebben zicli bij ^een enkel kerkgenootschap bepaald aangesloten! De vrijheid der individuen heeft in den laatsten tijd zulk een verscheidenheid van godsdienstige richtingen doen ontstaan en de gehechtheid aan het geloof der vaderen zoo verminderd, dat er —■ ongerekend het atheïsme — talloozt nuances bestaan en overgang van de eeue op de andere herhaaldelijk voorkomt. Daarom moet in onzen tijd — vroeger kwam het bij weinigen op, er een eigen godsdienst opna te houden — het thans nog geldende kriterium der gelijkstellingen onbruikbaar worden, al was het maar omdat dikwijls niet is uittemaken welke iemands godsdienst is. Het is een ken-teeken, dat uiterlijk dikwijls niet is waar te nemen, en waaromtrent men dus wel eens zal moeten afgaan op iemands beweren. Bovendien kan men uit overtuiging van godsdienst veranderen en nog gemakkelijker natuurlijk uit berekening. Zoo zou men heden, omdat het beter uitkomt met Inlanders gelijk te zijn, den Islam kunnen aannemen, en morgen, wanneer het voordeeliger is als Europeaan te worden behandeld, die leer kunnen afzweren, in welk geval men zooal geen Christen, dan toch zeker geen Mohammedaan of Heiden is en dus onder al. 2 van art. 109 R. R. valt. Dergelijke manoeuvres komen gelukkig nog zelden voor, maar zouden wel eens in de mode kunnen geraken.
Maar zelfs al wordt niet opzettelijk gebruik gemaakt van de veranderlijkheid, door den maatstaf der geljjkstellingen mogelijk gemaakt, moet deze tot een ongewenscht gebrek aan vastheid en daardoor tot rechtsonzekerheid aanleiding geven. Het kriterium is uit zijn aard persoonlijk. JSTergens is bepaald, dat de afstammelingen van met Inlanders gelijkgestelden ook met Inlanders zijn gelijkgesteld; trouwens zulk een bepaling zou de regelen omtrent de gelijkstelling buiten werking stellen. Zoodoende kan ongelijkheid van recht in het gezin ontstaan en daardoor allerlei juridsche moeilijkheden. En hoe moet worden uitgemaakt tot welke nevenklassen de kinderen be-hooren, die nog tot geen godsdienst behooren ?
quot;W. en A. Bev. 11. 07
— 240 —
Ziedaar waarlijk redenen genoeg om met het systeem van al. 2 en ;i van 11. R. 109 niet bijster ingenomen te zijn! Zoolang bet wet is, bebooren wij het echter eerlijk toe te passen.
Q UASI-jVAT URALISAÏIE.
De analogie, die mij het woord „quasi-nationaliteitquot; deed kiezen, strekt zich nog verder uit en leidde mij er toe den bovenstaanden term aan te nemen voor iets, dat tot de werke-Ijjke naturalisatie in dezelfde verhouding staat, als do quasi-nationaliteit tot de werkelijke.
De andere door mij voorgestelde termen met voorgevoegd „quasiquot; eenmaal aangenomen zijnde, is de beteekenis van dezen term duidelijk: het door een besluit van het gezag verkrijgen van een andere quasi-nationaliteit, dan waartoe men tot nog toe behoorde.
Dat deze quasi-naturalisatie geen verandering brengt in het staatsverband, dat dus b. v. een Arabier door met Europeanen te worden gelijkgesteld op zichzelf nog geen Nederlander wordt, behoeft geen betoog meer. (1)
Voor deze aangelegenheid is liet van belang eerst nog eenS er aan te herinneren, hoe de daarop betrekking hebbende laatste alinea in art. 1U9 li. li. is gekomen. Deze en de 4e zinsnede kwamen in de eerste ontwerpen in het geheel n\'et voor.
De Minister meende, toen de volksvertegenwoordiging de bezwaren te berde bracht, die uit de gelijkstelling der Inl. Christenen met Europeanen moesten voortvloeien, deze voldoende te weerleggen door te wijzen op art. 3 der Ov. bep. (zie blz. 202), waarbij de Grouverneur-Generaal, krachtens de hem in art. 10 A. 13. verleende bevoegdheid orn ten aanzien
(1) Op blz. 118 hiervoren (le aid., „het Nederlanderschapquot;) vindt men er wel een voorbeeld van, dat de quasi-naturalisatie invloed bad op het staatsverband, maar slechts indirekt, doordat n.1. de overgangsbepaling der wet op bet Nederlandersebaj) deze hoedanigheid slechts liet behouden door hen, die geen Inlanders of daarmee gelijkgestelden waren.
— 241 -
van de Inlandsche Christenen in het algemeen of van enkele hunner geincetiten, tijdelijk uitzonderingen te maken op de bepaling van art. 9 A. B. — de Inl. Chr. onderwierp aan het voor de overige Inlanders geldende privaat en strafrecht. Het is duidelijk, dat in art. 10 A. B. geen bevoegdheid werd verleend om uitzonderingen te maken op de onderscheiding in Enropeaneu en Inlanders of op het systeem der gelijkstellingen, welk een en ander immers was geregeld in artt. 6 —Senniot in „het voorgaandequot; artikel 9. In dit art. 9 werd slechts bepaald, dat het burgerlijk en handelsrecht voor de Europeanen ook toepasselijk was op de met dezen gelijkstelden. De bevoegdheid, hier den G. Gr. gegeven, was dus een tegenhanger van die, hem in art. 75 R. li. al. 2 gegeven, om juist omgekeerd op Inlanders geheel of gedeeltelijk het recht der Europeanen toepasselijk te verklaren. Art. 3 Ov. bcp. was hiermee in overeenstemming; het bepaalde slechts tijdelijk („totdat dienaangaande nader zal zijn voorzienquot;) en liet de klassen-indee-ling intakt.
Om ook na de aanneming van R. R. 109, zoo iets mogelijk te doen zijn, meende do Minister aanvankelijk te kunnen volstaan met in al. I van dat artikel te schrijven: „waar het tegendeel niet is bepaaldquot; of „het tegendeel niet bepaald zjjnde.quot; Wanneer men in het 1° en 2C ontwerp naleest, waarop die aangehaalde woorden sloegen, n. 1. op het toepasselijk zijn van de wetten voor Europeanen en die voor Inlanders op de resp. gelijkgestelden, dan ziet men dat de bedoeling nog geenszins was in het systeem der hoofd- en neven-verdeeling wijziging door den G. G. toe te laten.
De aandrang der 2e Kamer deed den Minister echter besluiten duidelijker te zijn. Hij had daartoe óf door een bepaling als van art. 10 A. B. een uitzondering mogelijk kunnen maken, of zelf de uitzondering kunnen vaststellen, gelijk art. 3 Ov. bep. deed. Zooals wij zagen, deed hij beiden door de toevoeging der 4« en 5° alinea.
Ook zagen wij reeds, dat beide zinsneden, wat zijne bedoeliny hetreft, die alleen betrekking had op de Inl. Christenen, overbodig werden toen deze ten stotte uit de omschrijving der
— 242 —
met Eur. gelijkgestelden werden gelicht. Dat cle 4e en 5e aL desniettemin bleven staan heeft, wat al. 4 betreft, geen ander gevolg gehad dan overtolligheid en misverstand, maar aL 5 had een gevolg, dat niet blijkt bij haar wording te zijn voorzien: zij werd de basis der quasinaturalisatie, der gelijkstelling per rescriptum principis.
Zoo ziet men hoe onzorgvuldige redaktie in een wetsbepaling gansch iets anders kan brengen, dan men bedoelde, en hoe weglating op het laatste oogenblik van enkele woorden zonder de gevolgen behoorlijk te berekenen, de strekking eener bepaling soms kan omkeeren. Terwijl de oorspronkelijke bedoeling was, dat Christen-Inlanders krachtens al. 5 met Inlanders zouden worden gelijkgemaakt en wel alleen ten opzichte van hun recht, dient deze bepaling nu juist om hen met Europeanen gelijk te stellen en wol geheel; ennietalleeE hen, maar ook de niet-Christenen. Vermoedelijk was hiervan in de eerste plaats oorzaak slordigheid van redaktie: hoewel men alleen dacht aan de Inl. Christenen, liet men bij de overneming van art. 10 A. B. de woorden weg, die dit deden nit-komen; voorts schreef men in plaats van „uitzonderiagen op de bepalingen van het voorgaande artikelquot; in art. 109 R. li.: „uitzonderingen op de toepassing der in dit artikel gestelde regelsquot;. Voor „het voorgaande artikelquot;, dat natuurlijk niet kon blijven staan, schreef men dus: de voorgaande zinsneden, zonder te bedenken dat deze (op de eerste na) gansch iets anders bepaalden dan art. 9 A. B.
Het is natuurlijk onmogelijk vast te stellen wat de innerlijke bedoeling des wetgevers was, en hoewel het bovenstaande doet twijfelen, of hij wel in art. 109 heeft willen zeggen, wat wij er in lezen, moeten wij ons houden aan de wet zelve, waar deze duidelijk spreekt.
Art. 109, al. 5 geeft den G, G. de bevoegdheid uitzonderingen te maken op do toepassing der in dat artikel gestelde regels, derhalve op deze;
1quot; dat, waar in het R. R. of in andere alg. verordeningen van Europeanen en Inlanders sprake is, die bepalingen toepasselijk zijn op de met hen gelijkgestelden, tenzij het tegendeel is bc-
i
— 243 —
paald (al. 1); de restriktie en art. 75 al. 2 R. R. maken te dezen opzichte al. 5 vau art. 109 vrij wel overbodig; alleen .zou de Gr. Gr. van deze alinea gebruik maken, wanneer hij voor de met Europeanen geljjkgestelden een bepaling, die voor de eigenlijk Europeanen geldt, niet toepasselijk verklaarde;
2° dat met Europeanen zijn gelijkgesteld alle Christenen enz. (al. 2);
3° dat met Inlanders zijn gelijkgesteld alle Mohammedanen en heidenen (al. 3).
(Wat de sub 2o en 3o genoemden betreft, voorzoover ze noch Europeanen, noch Inlanders zijn.)
De hoofdonderscheiding zelve, in Europeanen en Inlanders, is niet in art. 109 R. R. vastgesteld of geregeld. Eigenlijk geeft al. 5 den Gr. Gr. dus geenszins de bevoegheid daarop uitzonderingen te maken en mag Hij, die hoofdonderscheiding onaangeroerd latende, alleen verandering brengen in de indeeling van hen, die noch Europeanen, noch Inlanders zijn. Hij mag dus bepalen, dat de C\'hristen-Chineezen met Inlanders worden gelijkgesteld, de heidensche Cliineezen met Europeanen, de ilohammedaansche Arabieren met Europeanen, Christen-Armeniërs met Inlanders enz. enz., maar niet dat iemand, die tot de eigenlijke Inlanders, derhalve tot één der hoofdklassen behoort, b.v. een Ambonnees (al is hij ook Christen) met Europeanen — of dat een Mohammedaansche Albanees met Inlanders wordt gelijkgesteld.
Deze opvatting is volslagen in strijd met de opvatting der Eegeering, zooals die uit de praktijk blijkt, en aangezien ik mij niet voorstel, dat mijn betoog Haar zal bewegen een andere gedragsliin aan te nemen, zal ik — met behoud van mijn overtuiging — in het vervolg maar redeneeren, alsof art. 109 uitdrukkelijk machtigde tot gelijkstelling van Inlanders, o. a. van de Ambonneezen, wier namen het Staatsblad overstroomen en als tegenbeleefdheid van dit blad hun generieken naam hebben gekregen, met Europeanen.
Mag de Gr. G. ook uitzonderingen maken op de 4e alinea ¥an art. 109?
.Haar de letter van al. 5 ongetwijfeld. Vroeger placht de Re-
— 244 —
geering zelfs speciaal al. 4 aan te halen als de bepaling, waarop zij uitzondering maakte, in de besluiten waarbij Ambonneezen enz. werden gelijkgesteld met Europeanen; wel een bewijs hoe de traditie nog voortleefde, dat de te maken uitzonderingen speciaal Inlandsche Christenen betroffen. Sinds is daarin verandering gekomen en ra. i. terecht, want al. 4 is — zooals reeds is aangetoond — een overbodige bepaling, die zelf een uitzondering maakte op art. 9 A. B., dat al is afgeschaft en op eenige later uit al. 2 van art. 109 weer geschrapte woorden. Het ligt niet op den weg der Regeering op zulke bepalingen uitzonderingen te maken. Bovendien betreft al. 4 niet de gelijkstelling, die zij niet aanroert; door gelijkstelling per rescriptum principis wordt dus geen uitzondering gemaakt op al. 4, wel door de Inl. Christenen aan ander recht te onderwerpen dan hun Mo-hammedaansche of heidensche landslieden, maar daartoe is de G. G. al bevoegd ingevolge art. 75 al. 2.
Thans moeten wij nagaan van welken aard de uitzondering is, die de G. G. krachtens al. 5 mag maken. Zijn hier n. 1. personeele of algemeene bedoeld, d. i. voor bepaalde personen, dan wel hij wijze van aan al. 2 of 3 derogeerenden regel vast te stellen uitzonderingen?
Betrof deze vraag art. 10 A. B., dat aan al. 5 tot voorbeeld strekte, dan zou zij zeker in laatstgemelden zin moeten worden beantwoord, want daar wordt uitsluitend gesproken van de Inlandsche Christenen in het algemeen of enkele hunner gemeenten en komen dus personeele uitzonderingen niet ia aanmerking: maar dit artikel is vervallen en de bewuste al. 5 houdt geen dergelijke beperking in. Toch ben ik voor mij niet overtuigd, dat de wetgever meer heeft gewild dan algemeene uitzonderingen. De wordings-geschiedenis van art. 109 R. R., in verband met art. 10 A. B., verzet zich daartegen en het is dunkt mij in strijd met het karakter van de gelijkstelling, in den zin dien het R. R. aan dit woord hecht, dat zij ooit persoonlijk zou zijn. Zij brengt niet man voor man onder de eene of onder de andere afdeeling, maar verdeelt hen, die noch Europeanen, noch Inlanders zijn, naar zekere algemeene kenmerken onder de twee klassen. Uitzonderingen daarop maken is de
— 245 —
omschrijving dier kenmerken voor een onderdeel wijzigen door yan hen, die allen onder hetzelfde kenmerk der wet vallen, een deel, dat bovendien een eigen kenmerk heeft, naar de tegengestelde klasse over te brengen. Bij voorbeeld: al. 2 svelt alle Christenen gelijk met Europeanen; nu kan de Gr. G. daarop een uitzondering maken door te bepalen dat de Christenen, die Chineezen zijn, met Inlanders worden gelijkgesteld. Men kan in al. 5 wel iets anders onder „uitzonderingquot; verstaan — zooals tegenwoordig dan ook gebruikelijk is—maar dan gaat het wettelijk karakter der gelijkstelling verloren.quot; De vraag is dus of de G„ G-. is gemachtigd om reijelend, dan wel om zonder regel te werk te gaan. Tusschen deze twee bestaat zulk een onderscheid, dat zij wel niet tegeljjk kunnen zijn bedoeld.
Ook al. 2 van art. 75 R. 11. geeft, hoewel in eenigszins andere bewoordingen, den G. G. de bevoegheid om uitzonderingen te maken op den regel betreftende de afscheiding van Europeanen en Inlanders, en wel op het gebied der rechtspraak. Ook hier zou men, omdat quot;VVongso en Jap Eng ïjauw elk een gedeelte van de Inlandsche (e. d. g. g.) bevolking uitmaken, kunnen beweren dat de G. G. speciaal op hen of één van hen het Eur. strafwetboek toepasselijk kan verklaren. Strikt genomen zou ook zulk een maatregel met de woorden der wet in overeenstemming kunnén worden geacht, maar zeker niet met den geest der wet; ik weet dan ook geen voorbeeld van dergelijke persoonlijke toepassehjkverklaring. In beide bepalingen (artt. 75 al. 2 en 109 al. 5) is de strekking, n. m. b. m., dat de G. G. regelen kan vaststellen, die een uitzondering maken op de door de wet gestelde. Zoo zijn, als wettige uitzondering op art. 75 al. 3, sommige deelen der Europeesche wetgeving op de met Inl. gelykgestelden toepasselijk verklaard; in andere opzichten is speciaal voor de Chineezen een regeling vastgesteld afwijkende van art. 75 al. 3 R. R. (Stbl. 1892 Xo. 238, dat echter nog niet in werking is getreden). In deze gevallen geldt het altijd soorten van individuën, nooit bepaalde personen en hetzelfde moest m. i. ook worden in achtgenomen bij R. R. 109 al. 5. De namen quasi-naturalisatie en gelijkstelling per rescriptum principis zouden dan vervallen; de daardoor aange-
— 246 —
duide instelllingen zouden wijken voor gelijkstelling uitsluitend ex leye d. i. door een algemeen bindenden, wettigen regel. In theorie zou dit zeer zijn toe te juichen, daar de persoonlijke gelijkstellingen tot allerlei onzekerheden aanleiding geven en het systeem der wet zouden kunnen ondermijnen. Onderscheidingen als die van art. 109 R. R. en de daarmee samenhangende van art. 75 R. R. verliezen hun nut, wanneer er aan kan worden getornd. Zelfs bij algemeenen maatregel moest er geen verandering in kunnen worden gebracht dan door de wet zelve, en oorspronkelijk lag zoo iets dan ook geenzius in de bedoeling des wetgevers.
Maar ook in dit opzicht staat mijn opvatting tegenover de algemeen, ook door de Regeering, gevolgde; weshalve ik, met het oog op de praktijk, de 5e alinea weer zal bespreken van het standpunt, dat pleegt te worden ingenomen, zonder dit daarom als het juiste te erkennen.
Kan de G. G. krachtens deze zinsnede ook Europeanen of door het R. R. met dezen gelijkgestelden met Inlanders gelijkstellen ?
Volgens de woorden der bepalingen wel, en ik zou ook niet weten waarom niet. Toch zou het velen ongeoorloofd voorkomen en ik moet bekennen, dat zoo iets ook mij lang onaannemelijk voorkwam. Dit is uit het volgende verklaarbaar:
Vooreerst wordt aan de gelijkstelling door den G. G. onwillekeurig het idee vau bevordering gehecht, terwijl men meu gelijkstelling van een Europeaan met Inlanders eer een degradatie zou willen noemen. In art. 75 R. R. is ook alleen sprake van toepasseljjkverklaring der Europeesche wetgeving op de Inlanders of een deel hunner en niet omgekeerd. Op het eerste gezicht lijken deze argumenten niet kwaad; maai goed beschouwd gaan ze toch niet op. Hoewei de gelijkstelling ingevolge al. 5, zooals de tegenwoordige praktijk is, wel eens voor een personeele gunst kan worden aangezien, mag er toch inderdaad geen kwestie zijn van gunst, van promotie evenmin als van degradatie, maar alleen van ieder de plaats aan te wijzen, waar hij behoort. Ook bij persoonlijke gelijkstelling zal de G. G. dienen na te gaan of de persoon in
— 247 —
kwestie werkelijk minder behoort tot de klasse, waaronder de regelen der wet hem brengen, dan tor de tegenovergestelde. Zoo ja, dan bestaat er aanleiding op die regelen een uitzondering te maken; anders niet.
W at art. 75 R. R. betreft, dit staat niet in den weg aan de gelijkstelling met Inlanders door den G. Gr.; het zondert de door den G. G. gelijkgestelden niet uit van de regelen in al. 1—3 gesteld, zoodat als een Europeaan met Inlanders werd geljjkgesteld, zijn rechtstoestand daardoor niet in strijd zou geraken met gemeld artikel.
Ten Tweede. Doordat al. 5 naar haar oorsprong alleen op het oog had de Inl. Christenen en deze tot de Inlanders be-hooren en dus slechts met Europeanen kunnen worden gelijkgesteld, denkt men onwillekeurig dat alleen deze gelijkstelling met Europeanen mogelijk is; maar men bedenke dat deze zinsnede in art. 109 werd gebracht, toen daarin de Inl. Chr. nog met Eur. werden gelijkgesteld (zie het 3° Ontw.), zoodat het oorspronkelijk doel juist was hun gelijkstelling met Inlanders mogelijk te maken. Deze zou dus in het minst niet strijden met den geest der bepaling.
Tot nu toe heeft echter, naar ik meen, geen G. G. ooit gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om Europeanen of daarmee gelijkgestelden over te plaatsen in de klasse der Inlanders c. a. Men zou dus kunnen zeggen, dat onze onbeschreven regeeringsbeginselen zoodanige gelijkstelling met Inlanders niet toelaten, hoewel de mogelijkheid daarvan niet bij de wet is uitgesloten.
De G. G. oefent de bevoegheid tot quasi-naturalisatie, zooals deze uit R. R. 109 al. 5 wordt afgeleid, uit in den vorm van. een in het Staatsblad opgenomen besluit, waarbij Hij „doet te weten, dat Hij, naar aanleiding van het daartoe strekkend verzoekschrift van . . . ., woonachtig te . . . ., gebruik willende maken van de bevoegdheid, Hem verleend bij de laatste alinea van art. 109 v. h. Regl. o. h. beleid der Rog. v. JST. I.; Lettende enz.; heeft goedgevonden en verstaanquot;. . ., waarop tot in 1896 (zie No. 98 Staatsblad van dat jaar) placht te volgen:
— 248 —
„Uitzondering makende op den regel, vervat in de vierde alinea van art. 109 R, R., te verklaren dat de navolgende personen, wat rechten, lasten en verplichtingen betreft, geheel en al met Europeanen worden gelijkgesteldquot; (volgen de namen).
Sinds luidt het eenvoudiger: „De volgende personen worden met Europeanen gelijkgesteldquot;. (Zie Stbl. Xo. 1896 Nos. 192, 230 en 1897 No. 84).
Deze nieuwe redaktie komt mij voor een verbetering te zijn. De wet kent geen gedeeltelijke gelijkstelling, zoodat de vroeger gebruikte woorden „geheel en al\' en de aanduiding der opzichten, waarvoor gelijkstelling werd verleend, overtollig waren en slechts misverstand konden veroorzaken: men zou gaan denken dat er verschillende graden van gelijkstelling waren, hoewel de wel er maar één kent en de mindere graden noemt: onderworpen zijn aan (zekere deelen der Eur. wetgeving), een onderscheid dat men zorgvuldig moet in het oog houden, wil men niet in de war geraken met de terminologie der wet. (1)
De nieuwe redaktie laat ook de fiktie varen, dat een uitzondering wordt gemaakt op al. 4 en inderdaad, het is ook maar beter niet op te geven op welke zinsnede van art 109 R. R. een uitzondering wordt gemaakt door de gelijkstelling van de verschillende — assa\'s, — atoe\'s en — uluw\'s, allen onvervalschte Inlanders, met Enropeanen; want — zooals wij zagen — dit artikel bepaalt niets omtrent hun klassifikatie; er is dus geen bepaling van art. 109, waarop uitzondering wordt gemaakt door hun gelijkstelling.
Zooals men uit de bewoordingen der besluiten ziet, wordt de gelijkstelling verleend naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoekschrift. De G. Gr. is echter in zijn bevoegdheid door al. 5 niet aan een voorafgaand verzoek gebonden en kan dus iemand ook tegen zijn wil met Europeanen gelijkstellen, hetgeen zeer natuurlijk is daar de bevoegdheid in het algemeen belang is gegeven, maar toch bij de tegenwoordige individueele methode onbillijk zou zijn, tenzij men opeens alle — atoes, — uluws enz., die met hun Staatsbladige rasgenooten op
(1) Zie hierover in het vorig nummer op blz. -163 onderaan, en volgenden, der Kleinere Bijdragen.
— 249 —
één lijn van beschaving enz. staan, overplaatste in de klasse, waartoe zij ondanks hun ras door hun individueele hoedanigheden schijnen te behooren.
Ia de term „geljjkstellenquot; wel juist voor hetgeen de G. G. krachtens de laatste zinsnede van art. 109 R. R. pleegt te doen?
Mij ns inziens zou het juister zijn te besluiten; ^Kent
aan...... de hoedanigheid van Europeaan toequot; of „ Verklaart
dat.....is Europeaan.quot;
Door deze woorden zou meer opvallen, dat al. 5 eigenlijk niet toepasselijk is, maar dit doet er minder toe en mag niet terughouden van het kiezen der juiste bewoordingen. Daarentegen maakt het voor den begunstigde een groot verschil, of het besluit zóó luidt, als ik voorstel, of zooals tot nu toe gebruikelijk is.
Besluiten als in Stbl. 1896 no. 230 brengen in al. 2 en 3 van art. 109 R. R. geen wijziging; dit zou alleen het geval zijn wanneer er stond: „achter al. 2 van art. 109 R. R. wordt gelezen „„en bovendien Tjoen Liang Tanquot;quot; eu achter alinea 3 „ „uitgezonderd Tjoen Liang Tanmaar deze twee zinsneden zouden zoodoende tengevolge van de aanhoudende gelijkstellingen ellenlang worden. Zoolang Tjoen Liang Tan niet Europeaan wordt, blijven al. 2 en 3 dus op hem toepasselijk; maar Stbl. lt-96 no. ü30 dat het omgekeerde bepaalt, is ook op hem toepasselijk; beter ware het daarom deze tegenspraak op te heffen en hem Europeaan te noemen, daar „met Europeanen gelijkgesteldequot; geen natuurlijke, maar alleen een wettige be-teekenis heeft: die van iemand die noch Europeaan, noch Inlander, noch Mohammedaan, noch heiden is. De G. G. kan moeilijk besluiten, dat iemand deze laatste negatieve eigenschappen bezit; wel zou Hij het bij besluit kunnen konstateeren, maar dan zou de gelijkstelling uit de gekonstateerde feiten volgen, en niet door het besluit worden verleend. Wanneer iemand noch aan de vereischten voor de klasse, noch aan die voor de nevenklasse voldoet, is er geen reden hem juist in de nevenklasse te plaatsen.
Maar deze redenen zijn van formeelen aard en zouden niet eens door mij worden aangevoerd, wanneer de gevolgen der
— 250 —
gelijkstelling niet zoo oaaanuemelijk waren voor onze Staatsblad- Europeanen, zooals wij zullen zien.
Wij hebben ons in elk geval neer te leggen bij den inhoud van het Staatsblad, die duidelijk is, en moeten nu nagaan welke gevolgen zulk een gelijkstelling heeft.
Degeen, te wiens behoeve zij wordt verleend staat daardoor in alle opzichten gelijk met anderen, die door de wet met Europeanen zijn gelijkgesteld. Dit behoeft geen betoog en geen toelichting; evenmin het feit, dat hij geen meerdere rechten of voorrechten heeft dan de overigen.
Stel nu dat een heidensche Japanner door den Gr. G. met Eur. wordt gelijkgesteld en later Christen wordt. Is hij daarna gelijkgestelde krachtens het li. R. of niet? Wel? STu\'dan vervalt daardoor de bij besluit van den G. G. gemaakte uitzondering en is hij dus gewoon gelijkgestelde. Nu gaat hij over tot den Islam, hetgeen voor den gewonen gelijkgestelde tengevolge heeft, dat hij volgens al. 3 van art. 1U9 R. R. met Inlanders wordt gelijkgesteld. Zal dit met hem ook het geval zijn of herleeft de reeds vervallen uitzonderingsbepaling van den G. G. en blijft hij dus met Eur. gelijkgesteld?
Welke is de toestand der kinderen van den door den G, G. gelijkgestelde?
Wanneer dezen bij besluit de hoedanigheid van Europeaan was toegekend, zou de vraag geen moeite geven; want dan was hem door wetsduiding een raseigenschap aangekomen, dus iets erfelijks. Wanneer de vader Europeaan is, kan men in den zin der wet moeilijk beweren, dat door hem verwekte kinderen — voorzoover zij rechtens den staat des vaders volgen — het niet zijn. Zoowel de vóór als de na deze quasi-naturalisatie geborenen zouden dus ook Europeanen zijn (1). Alleen ware het dan m. i. wenschelijk den reeds meerderjarigen kinderen de mogelijkheid open te laten om, dooi een verklaring dat zij
(1) Voor een andere opvatting is echter ook veel te zeggen. In Nederland wei\'d althans, zoolang de wet van 9\'2 daarin niet had voorzien, aangenomen dat door naturalisatie des vaders de kinderen het Nederlanderschap niet deelachtig worden. Het is daarom dat ik in art. 1 hier-voren op b!z. 208 de gekursiveerde woorden inlasehte.
— 251 —
dit verkiezen, de quasi-nationaliteit te behouden, die te voren de hunne was.
Maar zooals wij reeds op blz. 231 zagen, is de gelijkstelling afhankelijk van een persoonlijk kriterium, hun godsdienst. (1) Van erfelijkheid kan hierbij moeilijk kwestie zijn ; men zal een Mohammedaan wel niet met Europeanen willen gelijkstellen opgrond van afstamming van een Christen; wilde men dit wel, dan zou men- ook aan dit erfelijkheidsbeginsel moeten vasthouden en aangezien alle menschen, wanneer men maar ver genoeg opklimt, van heidenen afstammen, zou dan niemand door al. 2 van art. 109 II. E. met Christenen zijn gelijkgesteld. De kinderen van den door den G. Gr. met Europeanen gelijkgestelde, deelen dus zijn staat alleen, wanneer zij Christenen zijn.
Geheel iets anders zou het zijn, wanneer, zooals ik meer met de bedoeling des wetgevers in overeenstemming acht, niet bepaalde personen, maar soorten werden gelijkgesteld, door b. v. achter al. 3 van art. 109 E. E. te plaatsen: „uitgezonderd.....quot;
De indeeling, door dit artikel vastgesteld, zou dan gewijzigd worden, zonder dat persoonlijke regeling verwarring kon stichten. Want zelfs al wilde men de te maken uitzondering verband doen houden met den godsdienst, dan zou toch alle waarschijnlijkheid bestaan, dat deze bij vader en kinderen dezelfde was. Wordt daarentegen iemand, die geen Christen is, met Europeanen gelijkgesteld, dan zullen zijn kinderen ook wel geen Christenen zijn, dus weer met Inlanders gelijkstaan ingevolge al. 8.
Het gevolg van de tegenwoordige praktijk, die uit al. 5 van art. 109 E. E. iets persoonlijks, een quasi-naturalisatie maakt, is dus dat daardoor een schromelijke verwarring ontstaat ten aanzien van de klassifikatie en van den de onderlinge verhoudingen beheerschenden rechtstoestand van den nieuwen gelijkgestelde en zijn aanhoorigen. Deze verwarring wordt,
(1) Wanneer men met Mrs. Margadant en Hekmeijer aanneemt, dat Chlneezen. Arabieren en Mooren per se met Inlanders zijn gelijkgesteld, ook als zij Christenen zijn. dan gaat ileze redeneering natuurlijk alleen op voor de overigen, die noch Europeaan, noch Inlander zijn en dus naaiden godsdienst moeten worden gelijkgesteld.
— 252 —
naar ik meen, in de praktijk voor een deel ontweken door aan te nemen, dat de afstammelingen van een door den G. G. met Europeanen gelijkgestelde door die afstamming behooren tot de met Europeanen geljjkgestelden; maar door aldus erfelijkheid dier hoedanigheid aan te nemen brengt men feitetijk deze quasi-genaturaliseerden over in de hoofdklasse, waarvoor alleen erfelijkheid bestaat, in plaats van in de nevenklasse, waarvoor zij niet bestaat, en geeft dus toe dat de daad van den G. G. uit haar aard niet is een gelijkstelling in den zin der wet, maar een toekennen van de hoedanigheid van Europeaan. Jure constituendo ben ik het daarmee volkomen eens; maar zoolang de term „gelijkstellenquot; in de desbetreffende besluiten van den G. G. wordt gebruikt, vind ik naar positief recht geen vrijheid de aldus met Europeanen gehjkgestelden tot de hoofdklasse der Europeanen te rekenen in plaats van tot de nevenklasse.
Laat ons dus met vasthouding aan het positieve recht thans eens nader ingaan op de gevolgen der gelijkstelling per re-scriptum principis.
Dat zjj geen verandering brengt in den rechtstoestand der bloedverwanten in de opgaande en in de zijlinie spreekt van zelf. Het verschil tusschen het recht, dat hen en dat hun begunstigden bloedverwant beheerscht, geeft aanleiding tot kwesties, die behooren tot het gebied van het quasi-internationaal privaatrecht. De bezwaren, die nooit geheel kunnen worden vermeden, zijn hier minder groot omdat men mag veronderstellen, dat iemand in den regel niet gedurende zijn minderjarigheid met Europeanen zal worden gelijkgesteld. (1)
Maar voor de echtgenooten en afstammelingen van den quasi-genaturaliseerde is het van meer belang of zij eea verandering van rechtstoestand ondergaan. De verhouding der echtgenooten, de waarschijnlijke omstandigheid dat de afstammelingen allen of ten deele nog minderjarig zijn, moeten oor-
(-1) Hoe echter wanneer iemand, die volgens het hein beheersehend recht meerderjarig is, door gelijkstelling aan het Europeesche recht onderworpen wordt en volgens dit laatste minderjarig is?
— 253 —
zaak zijn van aanhoudende moeilijkheden, wanneer zij aan. verschillend recht zijn onderwerpen.
Deze moeilijkheden kunnen bij alle gelijkgesteldea zich voordoen tusschen bloedverwanten, maar bij de anderen alleen door verschil van godsdienst, dat al weer onwaarschijnlijk is? wanneer de kinderen nog minderjarig zijn; bij deze bizon-dere soort gelijkgestelden daarentegen zal verschil van recht tusschen ouders en kinderen juist kunnen bestaan bij gelijkheid van godsdienst.
Wat nu de kinderen betreft, hun vader is noch door geboorte Europeaan, noch dit geworden door de gelijkstelling. Zij kunnen dus deze hoedanigheid niet van hem verkrijgen. Is hun moeder gelijkgesteld geworden en volgen zij, doordat deze niet met den vader was gehuwd, den staat der moeder overigens, dan kunnen zij dus evenmin van deze de hoedanigheid van Europeaan verwerven, daar zij die ook niet bezit.
Inlanders zijn de kinderen evenmin, al waren hun ouders het oorspronkelijk. Voor de na de gelijkgestelling geborenen staat dit buiten twijfel: de hoedanigheid van Inlander is den ouders door het besluit van den Gr. G. ontnomen en kon dus niet op hun kinderen overgaan.
Wat de te voren geborenen betreft, meen ik dat, waar volgens een algemeene verordening hun vader (of moeder) heeft opgehouden Inlander te zijn, de kinderen van deze ook niet meer gezegd kunnen worden van Inlanders af te stammen; dus zijn ze zelf ook geen Inlanders. Ik geef echter toe dat, wat deze te voren geborenen betreft, ook veel te zeggen is voor de tegenovergestelde opvatting.
Geen Europeanen en geen Inlanders zijnde, behooren de kinderen dus tot de gelijkgestelden en wel tot de Europeesche of tot de Inlaudsche nevenklasse, naar de onderscheiding van al. 2 en 3 van art. 109 R. E.
Wanneer nu een Inlander door den G. G. met Europeanen wordt gelijkgesteld, kunnen zich dus drie soorten van kinderen voordoen :
1°. kinderen te voren geboren, die volgens sommigen Inlanders blijven, volgens anderen ophouden Inlanders te zijn, maar
— 254 —
naar hun godsdienst met Eur. of met Inl. moeten worden gelijkgesteld ;
2°. kinderen, die na de gelijkstelling geboren zijn, maar een heidenschen of den Mohammedaanscben godsdienst aanhangen en derhalve met Inlanders worden gelijkgesteld;
3°. kinderen, die na de gelijkstelling geboren zijn, maar een anderen godsdienst belijden en dus met Europeanen zijn gelijkgesteld.
quot;Wel een bonte klassenmengeling voor kinderen van één vader!
Neemt men de door mij bestreden uitlegging van Mr. Mar-gadant aan: dat A rabieren, Mooren en Chineezen, ook als zij Christenen zijn, met Inlanders worden gelijkgesteld door R. R. 109, dan doet zich weer een andere vraag voor:
Stel een Chinees, A Soe Ax, wordt door den G. G. met Europeanen gelijkgesteld.
Daar art. 109 R. R. geen regel bevat omtrent wie Chinees zijn en wie niet, is door des G. G. \'s besluit op het Chinees zijn geen uitzondering gemaakt en dus niet beslist dat A boe An geen Chinees is Zijn (voor- of na-) geboren kinderen zijn en blijven dus Chineezen? Zoo ja, dan blijven zij daar de gelijkstelling niet tot hen is uitgestrekt — volgens al. 3 van genoemd artikel met Inlanders gelijkgesteld.
De echtgenoot van den of de quasi-genaturaliseerde volgt zijn of haar overgang tot een andere klasse niet; immers wij zagen reeds, dat de regel, die de vrouw den staat des mans doet volgen, in ons recht wel is erkend voor de nationaliteit, maar niet voor de quasi-nationaliteit: dat voor deze laatste in de wet zelfs het tegendeel is uitgedrukt, (zie hiervoren blz. 213)
Wanneer A. en B. beiden Inlanders of met dezen gelijkge-stelden zijn en met elkander huwen, is op beiden nog het met-Europeesch recht toepasselijk en van vrijwillige onderwerping van beiden of één van beiden aan de gansche Europeesche wetgeving betreffende het privaatrecht nog geen sprake.
Wordt één der twee vervolgens door den G. (■. met Europeanen gelijkgesteld, dan volgt hieruit voor de andere geenszins de verplichting om zich alsnog vrijwillig aan die
— 255 —
wetgeving te onderwerpen en is het zelfs de vraag of hij (of zij) daartoe bevoegd zou zijn. De gelijkgestelde daarentegen komt per se onder de Europeesche wet te staan, zoodat zich ondanks art. 15 Ov. bep. dan het geval zal voordoen, dat de twee echtelieden elk aan een ander recht zijn onderworpen. Al dadelijk doet zich dan de vraag voor: zijn zjj nog wettig gehuwd? Immers volgens het recht, dat den gelijkgestelde bindt, zouden zij niet gebonden zijn. Toch geloof ik, dat de vraag, in het algemeen, niet ontkennend mag worden beantwoord, daar het huwelijk wettig was, naar vorm en wezen, toon hot werd voltrokken volgens het destijds gelijkelijk voor beide partijen geldende recht.
De moeilijkheid blijft nu echter, naar welk recht al wat dit huwelijk betreft voortaan moet worden beoordeeld en geregeld; want de een is door gelijkstelling in het vervolg niet meer onderworpen aan het Inlandsche recht, maar evenzeer staat het vast dat de ander onderworpen blijft aan het recht van zijn of haar eigen klasse. Ware het anders, gold bjj huwelijken tusschen lieden van verschillende klassen van zelf het Europeesche recht voor beiden, althans in alles wat het huwelijk en zijn gevolgen raakt, dan behoefde art. 15 Ov. hop. niette eischen, dat de Inlandsche a. s. eclitgenoot zich toch vooraf uitdrukkelijk aan dat recht onderwierp.
Ik geloof, dat deze moeilijkheid het best is op te lossen door het beginsel te huldigen, dat dergelijke huwelijken als hierbedoeld beheerscht blijven door het recht, waaronder zij gesloten zijn. Want het is even gek dat een rechtsband door twee verschillende rechten, als dat hij door geen recht wordt beheerscht, en slechts hiertusschen heeft men te kiezen, wanneer men mijn opvatting verwerpt. Volgens deze daarentegen kan nooit twijfel bestaan, is één recht uitsluitend toepasselijk.
Bovendien ligt het, zoolang niet anders is bepaald, voor de hand dat de gevolgen eener rechtshandeling blijven beheerscht door het recht, waaronder zij plaats had.
Maar hiermee wil ik nog niet zeggen, dat zoodoende alle moeilijkheden zullen zijn voorkomen. Vooreerst kan men vragen of de gelijkstelling niet vrij wel illusoir wordt voor reeds
W. en A. Dev. 12. oa
— 254 —
naar hun godsdienst met Eur. of met Inl. moeten worden gelijkgesteld ;
2°. kinderen, die na de gelijkstelling geboren zijn, maar een heidenschen of den Mohammedaanschen godsdienst aanhangen en derhalve met Inlanders worden gelijkgesteld;
3quot;. kinderen, die na de gelijkstelling geboren zijn, maar een anderen godsdienst beljjden en dus met Europeanen zijn gelijkgesteld.
Wel oen bonte klassenmengeling voor kinderen van één vader!
Neemt men de door mij bestreden uitlegging van Mr. Mar-gadant aan: dat Arabieren, Mooren en Chineezen, ook als zij Christenen zijn, met Inlanders worden gelijkgesteld door R. R. 109, dan doet zich weer een andere vraag voor:
Stol een Chinees, A Soe An, wordt door den G. G. met Europeanen gelijkgesteld.
Daar art. 109 R. R. geen regel bevat omtrent wie Chinees zijn en wie niet, is door des G. G. \'s besluit op het Ch:.nees zijn geen uitzondering gemaakt en dus niet beslist dat A Sob An geen Chinees is Zijn (voor- of na-) geboren kinderen zijn en blijven dus Chineezen? Zoo ja, dan blijven zij — daar de gelijkstelling niet tot hen is uitgestrekt — volgens al. 3 van genoemd artikel met Inlanders gelijkgesteld.
De echtgenoot van den of de quasi-genaturaliseerde volgt zijn of haar overgang tot een andere klasse niet; immers wij zagen reeds, dat de regel, die de vrouw den staat des mans doet volgen, in ons recht wel is erkend voor fie nationaliteit, maar niet voor de quasi-nationaliteit: dat voor deze laatste in de wet zelfs het tegendeel is uitgedrukt, (zie hiervoren blz. 213)
quot;Wanneer A. en B. beiden Inlanders of met dezen gelijkge-stelden zijn en met elkander huwen, is op beiden nog het niet-Europeesch recht toepasselijk en van vrijwillige onderwerping van beiden of één van beiden aan de gansche Earopeesche wetgeving betreffende het privaatrecht nog geen sprake.
Wordt één der twee vervolgens door den G. G. met Europeanen gelijkgesteld, dan volgt hieruit voor de andere geenszins de verplichting om zich alsnog vrijwillig aan die
— 255 —
wetgeving te onderwerpen en is het zelfs de vraag of hij (of zij) daartoe bevoegd zou zijn. De gelijkgestelde daarentegen komt per se onder de Enropeesche wet te staan, zoodat zich ondanks art. 15 Ov. bep. dan het geval zal voordoen, dat de twee echtelieden elk aan een ander recht zijn enderworpen. Al dadelijk doet zich dan de vraag voor: zijn zij nog wettig gehuwd? Immers volgens het recht, dat den gelijkgestelde bindt, zouden zij niet gebonden zijn. Toch geloof ik, dat de vraag, in het algemeen, niet ontkennend mag worden beantwoord, daar het huwelijk wettig was, naar vorm en wezen, toen het werd voltrokken volgens het destijds gelijkelijk voor beide partijen geldende recht.
De moeilijkheid blijft nu echter, naar welk recht al wat dit huwelijk betreft voortaan moet worden beoordeeld en geregeld ; want de een is door gelijkstelling in het vervolg niet moer onderworpen aan het Inlandsche recht, maar evenzeer staat liet vast dat de ander onderworpen bljjft aan het recht van zijn of haar eigen klasse. Ware het anders, gold bij huwelijken tusschen lieden van verschillende klassen van zelf het Europeesche recht voor beiden, althans in alles wat het huwelijk en zijn gevolgen raakt, dan behoefde art. 15 Ov. bep. niette eischen, dat de Inlandsche a. s. echtgenoot zich toch vooraf uitdrukkelijk aan dat recht onclerwierp.
Ik geloof, dat deze moeilijkheid het best is op te lossen door het beginsel te huldigen, dat dergelijke huwelijken als hierbedoeld beheerscht blijven door het recht, waaronder zij gesloten zijn. Want het is even gek dat een rechtsband door twee verschillende rechten, als dat hij door geen recht wordt beheerscht, en slechts hiertusschen heeft men te kiezen, wanneer men mijn opvatting verwerpt. Volgens deze daarentegen kan nooit twijfel bestaan, is één recht uitsluitend toepasselijk.
Bovendien ligt het, zoolang niet anders is bepaald, voor de hand dat de gevolgen eener rechtshandeling blijven beheerscht door het recht, waaronder zij plaats had.
Maar hiermee wil ik nog niet zeggen, dat zoodoende allo moeilijkheden zullen zijn voorkomen. Vooreerst kan men vragen of de gelijkstelling niet vrij wel illusoir wordt voor reeds
W. en A. Cev. 12. OQ
— 256 —
o-chuwde uiet-Europeanen, wanneer de daardoor beoogde verandering van rechtstoestand in een zoo belangrijk en zoo veelomvattend opzicht feitelijk wordt opgeschort door de vroeger aangegane handeling. Üet is dan ook zeer aannemelijk, dat het quasi-internationaal recht, wanneer dit zich nader zal hebben ontwikkeld, een tusschenweg zal aanwijzen en uitzonderingen zal erkennen op den door mij verdedigden regel, dat het oorspronkelijke recht liet huwelijk blijft beheerschen.
Nog andere kwesties kunnen zich voordoen, bijvoorbeeld: als de per rescriptum principis met Europeanen gelijkgestelde, vóór hij dit werd, twee of meer bij de voltrekking wettige huwelijken heeft gesloten, die bij de gelijkstelling nog geen van allen waren ontbonden, zal hij, hoewel aan liet Europeeache recht onderworpen, in staat van wettige, niet strafbare polygamie verkeeren. Zal hij genoodzaakt kunnen worden deze huwelijken op één na te ontbinden? Zoo ja, weZ/c dier huwelijken moet hij gedwongen worden te ontbinden? Zal die ontbinding moeten plaats hebben overeenkomstig het Inlandsche ot het Europee-sche recht? Zoo volgens het laatste, op welke gronden kan
hij echtscheiding eischen?
En verondersteld dat de vrouw de gelijkgestelile is en de man, evenals hun huwelijk, door het Inlandsch recht beheerscht blijft. Nu zal deze man ongestraft nog verscheidene andere vrouwen tegelijk kunnen huwen.
Wanneer een huwelijk, vóór de gelijkstelling wettig voltrokken, wettig blijft ook na die gebeurtenis, en het tegenovergestelde is niet aan te nemen — dan bestaat er natuurlijk geen reden om de daaruit voortgekomen kinderen als onwettige te beschouwen; maar zelfs al wilde men aannemen, dat krachtens het nieuwe recht van den gelijkgestelde diens vroeger huwelijk kwam te vervallen, dan zou dit in geen geval terugwerkende kracht hebben en eenmaal wettige kinde-deren zouden dus in elk geval wettige blijven. Deze in wettige samenleving verwekte kinderen te erkennen ot te wettigen zou dus volkomen overbodig en zelfs in strijd met de wet zijn.
Bij de boven geopperde vragen en andere dergelijke, die
— 257 —
zich kunnen voordoen, zullen wij voorzeker het quasi-inter-nationaal privaatrecht te hulp moeten roepen, welks taak echter dikwijls alleen zal kunnen zijn: te zoeken naar de beste oplossing-, die de wetgever zal kunnen in het leven roepen. Wint in vele gevallen zou de eenige billijke of rationeele oplossing er eene zijn, die met de geschreven wet in zulk een formeels botsing zou komen, dat het gezag der aanvullende wetenschap vau het quasi-internationaal privaatrecht zou moeten wijken voor dat der wet, en dus alleen de wetgever redding kan brengen.
Is het voorbarig, dat hij hiervoor gewaarschuwd wordt, vóór de veelheid der verwikkelingen de behoefte aan betere regeling moer algemeen doet gevoelen ?
EEXIGrE KRITIEK.
Na mijn opvatting te hebben uiteengezet, wil ik nu eenige beschouwingen wijden aan die van anderen. Die telkens wanneer ik daarmee in botsing kwam te bestrijden, zou aan den geregelden gang van mijn betoog geschaad hebben en hieraan ook een al te groote uitbreiding hebben gegeven, daar herhalingen niet waren te vermijden. Ook hier zal ik mij echter moeten bepalen tot enkele punten van verschil.
In de eerste plaats moet ik dan melding maken van het gevoelen van IIr. Abendanon, die het wezen der onderscheiding tusschen Europeanen en Inlanders wel niet uitvoerig bespreekt, maar blijkbaar onder Europeanen verstaat alleen hen, die in Europa zijn geboren en dus het door mij (zie hier-voren) verwerpelijk geachte geografische kriterium aanneemt. Althans, zonder eenigen anderen maatstaf te hebben aangegeven, zegt hij (Ind. Wbl. v. h. R. No. 1384 blz. 2):
„Indien echter onder Europeanen te begrijpen zijn personen in Europa geboren en onder Inlanders personen in den N. I. archipel ter wereld gekomen, dan volgt hieruit, dat in het moederland uit Inlandsche ouders geboren kinderen niet als Inlanders kunnen worden beschouwd, en dat de in N. I. uit
— 258 —
Europeesche ouders geborenen niet zijn Europeanen, doch met Europeanen gelijkgestelden.quot;
Wanneer de geachte schrijver de vergissing in deze redeneering niet over het hoofd had gezien dan zou hij, houd ik het er voor, uit de konsekwenties van zijn definitie al dadelijk hebben bemerkt, dat deze onmogelijk juist kon zijn en niet daarop hebben laten volgen:
vIs deze laatste conclusie zonder belang daar de rechtstoestand der Europeanen en die der met hen gelijkgestelden volkomen overeenstemt, (1) de eerste daarentegen moet er toe leiden om de in het moederland uit Inlandsche ouders geborenen bij latere vestiging in X. 1. als Europeanen te beschouwen
en wel als Nederlanders, zoowel jure publico als jure private. De afstamming toch is zonder invloed, waar de plaats van geboorte als criterium wordt aangenomen.quot;
De vergissing in zijn redeneering is n.1. deze. Wanneer de plaats van geboorte het criterium was, wanneer — zooals de schrijver zelf stelt — in Europa geboren kinderen van Inlanders Europeanen waren, dan zouden in Indië geboren kinderen van Europeanen, geheel volgens dezelfde redeneering niet met Europeanen gelijkgestelden, maar Inlanders zijn. Een groot deel der als Europeanen dienende ambtenaren, wanneer ik mij niet vergis met hoogste waardigheidsbekleeders aan het hoofd, zou dan tot de Inlanders behooren. Ziedaar een konklusie, die men toch wel niet „zonder belang zal noemen en die volkomen in strijd zou zijn niet alleen met het spraakgebruik, maar ook met de onbetwiste opvatting, die steeds, vóór en na 1854, in en buiten rechten heeft gegolden.
Ik geloof dan ook, dat hierdoor de onhoudbaarheid van het geografische standpunt weer duidelijk uitkomt en wel degelijk de afstamming in deze van invloed is, ja van overwegenden invloed.
De oorzaak van deze en andere m.i. zonderlinge konklusies
(1) Ook dit is oj] zich zeil\', n.m. b.m., niet juist. De met Eur. gelijkgestelde wordt, wanneer liij b.v, tot het Mohammedaansch gelo:.f overgaat. een met Inl. gelijkgestelde. Den Europeaan kan dit niet overkomen. Hij is en blijft Europeaan.
— 259 —
ia, dat men zich — zooals ik reeds opmerkte (blz. 204) — te •veel op de kwesties der gelijkstellingen werpt zonder vooraf nauwkeurig de begrippen Europeaan en Inlander te bepalen, waaraan wordt gelijkgesteld.
Een ander voorbeeld daarvan vind ik bij Mu. Margadant (1), die zegt dat Europeanen zijn: „de uit Europeesche ouders, waar ook-, geboren personenquot;, en Inlanders: „de uit de inheemsehe bevolking in iV. I. geboren personen;quot; zie blz. 23 (278) van zijn opstel. Waarom in den vreemde geboren kinderen van Inlanders, in tegenstelling met wat voor Europeanen geldt, geen Inlanders zijn, begrijp ik niet goed; maar dit nu daargelaten, wordt Mr. M. ontrouw aan zijn bovenstaande definitie van Europeanen, wanneer hij den Christen-Amerikaan rekent tot de met Europeanen gelijk-gestelden • zie blz. 30 (283). Wanneer die Amerikaan een Patagoniër is, komt de rekening uit; maar wanneer men daaronder verstaat een lid van een der uit Europeesche volkplantingen ontstane staten van Amerika, die thans bijna de gansche •oppervlakte van dit werelddeel beslaan, dan komt hij in strijd met hetgeen hij heeft vooropgesteld. Een groot deel dier Amerikanen zou, zoo noodig, zijn afstamming van Europeanen kunnen aantoonen, en wanneer een ander, grooter deel dit niet zou kunnen, dan staat toch met een waarschijnlijkheid van 100 tegen l vast, dat zij van Europeanen afstammen, ■even goed als dit vast staat van de Europeanen in X. Indië, waarvan zeker 25% ook niet meer zou kunnen aantoonen hoe zij van een Europeaan afstammen. Nog een voorbeeld van inkonsekwentie windt men bij Mr. M. 1.1. blz. 30 en 31 (283 en 284), waar hij het heeft over de Turken. De Turk in Europa geboren is Europeaan (niet m. Eur. gelijkgestelde), zegt hij» Na hetgeen hij op blz. 23 (278) vooropstelde, zou hieruit dan moeten volgen: de uit zulk een Turk, waar ook, geborene is
(1) In zijn opstel over art. 109 R.R. voorkomende indeel 56 v. h_ Ts. het «Reuht in N. I.quot; hetwelk grootendeels bijna letterlijk is overgenomen in het derde deel van zijn ygt;het Regeeringsreglement v. iV. I.quot; Bij aanhalingen vermeld ik de bladzijde van het laatste boek tusschen haak-j es achter die van het Ts.
— 260 —
evenzoo Europeaan, en dus: de uit dezen laatste geborene, waar ook, is evenzoo Europeaan; hetgeen leidt tot de slotsom dat alle wettige afstammelingen van Europeesche Turken ook Europeanen zijn. Maar Mr, M. denkt er anders over en zegt (blz. 31) dat de Turk, geboren buiten het pjuropeesch grondgebied, geen Europeaan is, maar naargelang van zijn godsdienst met Europeanen (als hij Christen is) of met Inlanders (als hij Mohammedaan is) is gelijkgesteld (1). Volkomen op dezelfde wijze zou Mr. M. tot de gevolgtrekking moeten komen, dat de Engelschman of Nederlander, buiten Europa geboren, geen Europeaan is, maar een naargelang van zijn godsdienst met Eur. of met Inl. gelijkgestelde (2). Die stelling heb ik echter nergens bij hem aangetroffen, zoodat ik meen te mogen aannemen, dat hij hier slechts in een onbewaakt oogenblik van den weg der logika is afgedwaald.
Wil men nog een staaltje van de zonderlinge wegen, waarop men verlokt kan worden door een niet heldere voorstelling der begrippen Europeaan en Inlander, dan leze men wat Mr. M. op blz. 73 en volgenden (3) betoogt naar aanleiding van de volgende vraag: welke is de rechtstoestand van eau in N Indië geboren Chinees — we zullen hem kortheidshalve voortaan Jan noemen, — die ter wille van zijn opvoeding in Nederland heeft gewoond, van de Hollandsche vrouw, die hij daar huwde en herwaarts meenam, en van het in Indië uit dat huwelijk geboren kind?
(1) Mi\' M. onderscheidt dan nog weer twee gevallen: »of hij werd geboren op turksch grondgebied maar in Azië gelegen, of elders buiten Europaquot;. Waarvoor deze onderseheiding dient, blijkt overigens uit niets en kan ik ook niet gissen.
(2) Volgens dit systeem, dat op hetzelfde neerkomt als het evenbe-sprokene van Mn. Abendaxox, zouden het kind van volbloed Fransehen, in Algiers geboren, en dat van volbloed Hollanders, in \'ndiö geboren, geen Europeanen zijn en zelfs als zij het nieuw-Boedhisnie aanhingen of tot den Islam overgingen, met Inlanders zijn gelijkgesteld!
(3) In Mr M\'s standaardwerkwerk over het Regeeringsreglement is dit gedeelte van het opstel niet overgenomen uit het Tijdschrift. Sommige daar verkondigde stellingen vinden we echter elders in eerstbedoeld werk terug; zoo die over naturalisatie.
— 261 —
„Om dwaalbegrippen te dien opzichte tegen te gaanquot; zet Mr. M. een breed betoog op, om aan te toonen dat vader, moeder en zoon Chineezen en met Inl. gelijkgesteld zjjn. Maar laat ons zien, wat er al zoo bij wordt gehaald om tot dit resultaat te komen.
Ingezetenschap, heet het, is een juridiek beyrip en dus bleef Jan ook ingezetene van N. Indië, toen hij in Holland woonde — Een juridiek begrip zal wel beduiden: een begrip, dat ii; het recht wortelt, en aangezien het recht weer op de wet berust, ben ik benieuwd, waar de geachte schrijver uit de wet haalt, dat men ingezetene van X. Indië is, of zijn kan, zonder daar te zijn gevestigd.
Vervolgens wordt art. 16 der Ind. Alg. Bep. v. Wetg. aangehaald. M. i. ware het logischer geweest de Nederlandsche Alg. Bep. v. Wetg. (art. 6) aan te halen. Op eerstgemeld artikel bouwt Mr. M. echter het betoog, dat Jan ook in Nederland beheerscht bleef door artt. 105 en 109 R R. Ik gis, dat het moederland er wel anders over zou denken ! Het Rijk in Europa onderscheidt Nederlanders en vreemdelingen, ingezetenen en niet-ingezetenen, maar kent geen met Europeanen of met Inlanders gelijkgestelden. Met artt. 109 R. R. heeft het niets te maken, aangezien dit daar vreemd recht is. Eerst wanneer Jan als vreemdeling kwesties kreeg rakende zijn statutum personale, kon er sprake zijn van toepassing van vreemd recht, maar dan zou in Nederland waarschijnlijk toch wel naar analogie van art. 6 der Ned. Alg. Bep. het recht zijn toegepast van den staat, waartoe Jan behoorde, dus: het recht van China.
Hierop volgt (blz. 74): „Geen Nederlander zijnde volgens het
Nederlandsche noch volgens het Indische recht......bestond
evenwel niet de mogelijkheid het Nederlanderschap door naturalisatie te verkrijgen, omdat de hier geboren Chinees, die in Nederland vertoeft, blijft ingezetene van Ned. Indië, en om zijn landaard blijft gelijkgesteld aan den Inlander; omdat in één woord art. 109 v. h Regl. door art. 16 Alg. Bep. onverzwakt voor hem van kracht blijft, al bevindt hij zich feitelijk elders. Bovendien omdat de naturalisatie strekt om iemand, tot een ander staatsverband behoorende èn tevens onderdaan
— 262 —
zijnde van een vreemden Souverein, te brengen in het Staatsverband der Nederlanders, Dit nu is niet het geval met den hier geboren Chinees, wiens ingezetenschap wordt beheerscht door de fnndamenteele wet der Nederlandsche koloniën, en die, schoon van andere nationaliteit, is onderdaan van den Neder-landschen Souverein.quot;
„Het punt is niet quaestieus,quot; vervolgt Mr. M.; „alleen mindere bekendheid met het algemeene ea het bijzondere staatsrecht kan leiden tot het zien eener cjuaestie, waar ze niet bestaat.quot;
liet spijt me, maar ik lijd blijkbaar aan die onbekendheid met het algemeene en bijzondere staatsrecht; want achter elke dier niet quaestieuse, even aangehaalde beweringen van Mr. M. zou ik wel een groot vraagteeken willen zetten.
Waarom blijft de hier geboren Chinees ook in Nederland ingezetene van N. I. ?
Waarom blijft art. 109 R. 11. zóó onverzwakt voor hem van kracht, dat hij niet zou kunnen worden genaturaliseerde Wanneer hij door den GK G. kan worden overgebracht naar de klasse der Europeanen, waarom kan een wet hem dan niet Nederlander maken? (1gt;
En wat zijn beschouwingen over naturalisatie betreft, ik moet zeggen dat ik er verstomd van sta!
Wanneer Jan, „schoon van een andere nationaliteit, is onderdaan van den Nederlanschen Souverein,quot; dan bedoelt Mr. M. met dit woord „onderdaanquot; hier toch iets anders dan weinige regels te voren! Is Jan reeds Nederlander, dan kan hij \'t natuurlijk niet meer worden. Is hij het nog niet, hoe zou zijn ingezetenschap { — tijdelijk onderdaanschap) van N. I. dan een beletsel zijn om genaturaliseerd te worden? Integendeel, hij moet ingezetene zijn geweest van Nederland of van N. I. om
(1) Mr. M. is hier m. i. het slachtolVer van een verwarring van staatsverband en gwasi-nationaliteit Al werd Jan genaturaliseerd-Nederlander, dan zou hij toch met Inl. gelijkgesteld blijven, tenzij hij tot het Christendom overging of door den G. G. met Eur. werd gelijkgesteld. De onderscheiding tusschen Europeanen c. a. en Inlanders c. a. is geheel los van die tusschen Nederlanders en vreemdelingen.
— 263 —
genaturaliseerd te kunuen worden. (1) Als de Europeesche tijdolijko onderdanen van den yederlandschen Sou\\erein, die dit zijn als ingezetenon van X. I. en den Staat daar dienen of zjjn bloei bevorderen, hun vroeger staatsverband verloren -hebbende in het Nederlandsche wenschen te worden opgenomen en 3Ik. M\'s (niet quaestieuse) stellingen over deze aangelegenheid vernemen, zullen ze zeker teleurgesteld zijn. Gelukkig maar, dat in de praktijk (natuurlijk door „mindere bekendheid met het algemeene en hot bijzondere staatsrechtquot;) een ander inzicht wordt gevolgd! Of zou Mr. M\'s bovenvermeld systeem speciaal Chineezen gelden? Ik ben dan benieuwd te vernemen, op welken wettelijken grond hij voor den Chinees exceptioneele beginselen toepasselijk acht. (2)
Nu volgt bij Mr. M. do stolling, dat het huwelijk meteen Kederlandsche vrouw in Jan\'s rechtstoestand geen wijziging bracht (3) en volkomen terecht, althans volgens onze wetgeving, zegt hij daarna dat door Jan te huwen diens vrouw haar vroegere nationaliteit (w. t. v. staatsverband) verloor en die van haar man erlangde. Belioorde Jan tot het Chineesch staatsverband, dan werd zij Chinoesche; was hij zonder staatsverband, dan werd zij ook heimatlose.
Mr. M. brengt nog heel wat belegeringsgeschut in batterij
(1) Zoowol volgens art. 5 der vroegere wet van 29 Juli 1850 (Stbl. No, 44) als volgens de thans geldende wet van \'92.
(2) In het derde deel van Mr. M.\'s groote werk over het R. R. op blz. 250 en 251. vindt inen ongeveer dezelfde beweringen. Daar ziet men echter dat de «inboorlingenquot; wel in andere staten, maar niet in Nederland kunnen worden genaturaliseerd, liet schijnt dus, dat het Nederlanderschap iets zeer bizonders is, daar alleen dit staatsverband voor hen onbereikbaar is.
(3) M. i. zeer juist, maar volgens Ma. M\'s redeneering was Jan ook in Nederland door art. 16 Ind. Alg. Bep. gebonden en dus verplicht zich ingevolge art. 15 Ind. Ov. Bep. te onderwerpen aan het gansche (N. I.) Eur. burgerlijk en handelsrecht; dus behoorde het huwelijk toch wel eenigen invloed te hebben op zijn rechtstoestand. Of rekent Mn. M., naai\' aanleiding van de op blz. 76 door hem geciteerde formule »locus non regit conditionem juris neque statuin sed actum tantum,quot; dat de regel van art. 15 Ov. Bep. slechts een formaliteit behelst en den staat der personen niet betreft
— 264 —
om de stelling te winnen. Uitspraken van het Instituut voor Internationaal-Recht, oude Romeinsche rechtsregels enz. We zullen hem maar niet verder volgen. Had de geachte schrijver zich niet in geografische en andere strikken verward, maar vastgehouden aan \'t geen hijzelf vooropstelde, dan had hij den zigzag weg, waarlangs hij zijn doel trachtte te bereiken, niet ingeslagen maar was recht op het doel afgegaan:
Was Jan zoon van een Europeaan (of Europeesclie vrouw) ? Is iet? Welnu dan was hij zelf ook geen Europeaan.
Was hij dan zoon van een Inlander (of Inlandsche vrouw) ? Niet? Welnu dan was hij noch Europeaan, noch Inlander, en behoorde dus volgens de regelen van art. 109 R. R. tot de met Eur. of tot de met Inl. gelijkgestelden, tenzij do G. Gr. hem krachtens zijn bevoegdheid met Eur. gelijkstelde, in wolk geval hij natuurlijk per se tot de mot Eur. gelijkgestelden behoorde.
Was Jan vóór zijn komst in Nederland reeds Nederlander? Niet? Welnu dan was hij het ook niet door die komst of het daarop gevolgd verblijf, of door zijn huwelijk, aangezien daardoor geen Nederlanderschap wordt verworven. Word hij later genaturaliseerd? Wel, dan was hij voortaan natuurlijk wèl Nederlander!
Dit is alles, dunkt me, zoo eenvoudig mogelijk, maar het lijkt wel dat de klanken Chinees of Turk op sommigen een zinsverbijsterenden invloed hebben, bij hen alle normale logika opheffen en tot buitengewone maatregelen van wetsuitlegging nopen. Of zou Mr. M., wanneer liet anderen gold, ovenzoo te werk gaan en een even uitvoering betoog noodig achten om aan te toonen, dat een in N. I. geboren Engelschman, als hij in China huwt, Europeaan blijft; dat hij, zelfs al huwt hij daar een Chineesche vrouw, in N. I. blijft behooren tot de Europeanen en zijn wettige kinderen evenzoo; of: dat een Japanner, in Duitschland opgevoed en gehuwd, niettemin Japanner blijft en, in Indië komende, hier (tenzij hij Christen is) met Inls. gelijkgesteld is? Zou hij omtrentevenbedoelden Engelschman durven volhouden, dat deze — vervolgeus in Engeland komende — daar, wat zijn statut personnel betreft,
— 265 —
zou zijn onderworpen aan het Chineesche of aan bet voor Eur. in N. I. vastgestelde recht? Zou hij in ernst beweren, dat een Duitscher, die zijn „ Entlassungquot; verwierf uit bet Duitsche staatverband, om die reden bij ons niet kan worden genaturaliseerd ?
Wellicht heeft de „onderhoorigheidsquot; theorie (zie voren blz. 102; W. en A. 2e stuk) hem tot dit laatste begrip gebracht. Zoo ja, dan geloof ik toch dat hij, zelfs naar deze — overigens door mij bestreden — theorie, te ver gaat. Zij kan er wel toe leiden de inheemsche volkeren van veroverd gebied te beschouwen als onderhoorigen in minder aangenamen zin, maar brengt niet mee dit ook te doen met de onderdanen van bevriende rijken en hun afstammelingen. Waarom ook zou on-derhooriglieid de naturalisatie uitsluiten? De Romeinen zelfs waren niet zoo streng met hun Romeinsch burgerschap. — Of zou de onderhoorigheid, nog erger dan de slavernij, een inferieure toestand zijn, waaruit men zelfs door een wet niet kan worden verlost? Wet en praktijk schijnen er niet zoo over te denken: de wet van \'02 verbiedt nergens het naturaliseeren van Inlanders of daarmee gehjkgestelden; onze Jan Chinaman is genaturaliseerd; en de Grouvemeur-Generaal ontslaat jaarlijks verscheidene Inlanders of daarmee gelijkgestelden uit den toestand van „onderhoorigheidquot; — zoo men het bestaan daarvan aanneemt — door hen met Europeanen gelijk te stellen. —
Nu moet ik, naar aanleiding van in de laatste jaren voorgekomen kwesties, nog eenige kritische beschouwingen wijden aan het
Bewijs dat mex Europeaan is.
Dit bewijs wordt slechts zelden gevorderd.
Meestal wordt niet getwijfeld aan iemands quasi-nationaliteit en aangenomen, dat \'deze overeenkomt met den staat, dien hij in dat opzicht voert.
Hoe het bewijs, in de gevallen dat het gevorderd wordt, moet worden geleverd, volgt van zelf uit het op blz. 204 en volgenden door mij aangevoerde: Men moet bewijzen, dat men van een Europeaan afstamt op zoodanige wijze als recht geeft diens staat te volgen, m. a. wr. men moet bewijzen, dat men
— 266 —
volgens de regels, in art. 1 op blz. 208 door mij aan de hand gedaan, Europeaan is.
Dit bewijs is zeker moeilijk en striktgenomen zelfs ondoenlijk, wanneer men niet een bepaling aanneemt als van art. 2 (zie blz. 209).
Maar zelfs met behulp van dit laatste artikel zal het soms, n.1. voor hen, wier voorvaderen gedurende verscheidene geslachten in Indië geboren werden, moeilijk zijn te bewijzen, dat men Europeaan is en ik zou het in zulke gevallen zeer aannemelijk vinden, dat het bezit van staat te hulp werd geroepen. De kwestie behoort niet tot het privaat maar tot het publiekrecht en de rechter zal dus bij zijn beslissing ten opzichte van het bewijs nietgebonden zijn aan de beperkende bepalingen van het privaatrecht en ook niet lijdelijk behoeven te blijven.
Men moet echter bezit van staat als bewijsmiddel niet verwarren met het bezit, dat leiden kan tot verwerving van rechten en evenmin met den tijdsduur door welks verloop rechten kunnen te niet gaan.
Ik geloof niet, dat iemand in ernst zou willen volhouden, dat de hoedanigheid van Europeaan kan worden verworven door het langdurig uitoefenen van de daaraan verhouden rechten, door een soort usucapio. Al bezit men nóg zoolang den staat van Europeaan, wanneer dit ten onrechte geschiedt (wanneer men niet werkelijk Europeaan is), kan men door dat bezit geen recht op dien staat verkrijgen. En omgekeerd, wanneer men rechtens Europeaan is, dan kan men zich van die hoedanigheid niet bevrijden door den staat van Inlander te voeren, al is men gedurende tallooze jaren in godsdienst en zeden, in doen en laten, door zijn voorkomen en door de publieke meening niet onderscheiden van Inlanders.
Het bezit van staat kan dus, bij gebreke aan betere gegevens, dienen om te bewijzen, dat men volgens het recht Europeaan is, maar niet om in strijd met het recht dat te bewijzen.
Yan dit standpunt beschouwd is kritiek op een in 1892 gevallen beslissing, naar ik meen, gerechtvaardigd. De Raad van Justitie te Semarang had zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van een misdrijf, gepleegd door een persoon,
— 267 —
zich noemende L. A. W. Fisser en die zaak naar den Landraad verwezen, op grond dat hij geen Europeaan was (vonnis van 11 Oktober 1892). Bij beschikking van 9 November 1S92 werd deze beslissing door het Hoog-Gerechtshof te niet gedaan en den Raad gelast alsnog te beschikken op het requisitoir tot het verleenen van rechtsingang.
Het Hof overwoog vooreerst dat de E. v. J. terecht had geoordeeld, dat de akte verleden voor den ambtenaar v. d. Burgl. Stand te Magelang niet kan strekken als akte van erkenning, omdat daaruit niet blijkt, dat de moeder in de erkenning heeft toegestemd. Derhalve was de beklaagde volgens het Hof een niet erkend natuurlijk kind. De moeder was, zooals blijkt, een Chineesche vrouw.
Dit vooropgesteld, volgde beklaagde, naar ons en naar bijna overal erkend recht, den staat zijner moeder. Deze had, blijkens een der processenverbaal in deze zaak (een authentiek stuk) erkend zijn moeder te zijn; trouwens de erkenning door de moeder is, meen ik, volgens het voor de Chineezen iu Indië geldend recht geen vereischte voor het ontstaan van betrekkingen tussclien moeder en zoon.
Laat ons nu zien, welke argumenten het Hof had om, hoewel beklaagde i-echtens den staat zijner moeder volgde, uit te maken dat hij toch Europeaan was.
De voormelde akte, die niet kan strekken als akte van erkenning, is niettemin een authentieke akte en levert als zoodanig volledig bewijs op van \'t geen daarin gerelateerd wordt, derhalve dat Leendert Fisser heeft erkend de vader te zijn van beklaagde. Dit is volkomen juist; de erkentenis staat dus vast, maar die erkentenis bewijst nog niet de waarheid van het erkende feit. Alleen wanneer een rechtsgeldige erkenning plaats heeft, stempelt de wet het erkende officeel tot waarheid. Het kan daarom feitelijk nog wel onwaarheid zijn; zoodat als het ofticieele stempel vervalt, tengevolge van ongeldigheid der handeling, geenerlei zekerheid overblijft. Maar, dit nu daargelaten, zou ik willen vragen of niet evengoed vaststaat, dat de beklaagde de zoon was der Chineesche vrouw Nio Hing Nio. Zoo ja, is dan niet gebleken dat hij noch
— 268 —
Europeaan noch Oosterling is, maar een mengeling van beiden ? En met welk recht wordt hij dan desniettegenstaande Europeaan genoemd? Met evenveel recht zou men hem, om zijn moeder, Chinees kunnen achten. De vraag is hier dus niet wat luj werkelijk was, Europeaan of Oosterling, want hij was eigenlijk geen der twee, maar wat hij rechtens is; en wanneer hij rechtens geen vader heeft, zal het recht hem toch niet den staat kunnen toekennen van een vader, dien dat recht niet kent. Natuurlijke, niet erkende kinderen volgen den staat hunner moeder!
Wil men van deze rechtsbeginselen afwijken dan bedenke men wel de gevolgen daarvan; want men zal dan konsekwent moeten zijn, anders zou het verwijt van willekeur zich terecht doen hooren. Nu dan, wanneer men bij de beoordeeling der (juasi-natiomiliteit den vader tot maatstaf wil nemen, ook wanneer deze in den zin der wet niet bekend is, brengt men een ganschen omkeer in ons recht te weeg.
De wet stelt alleen regelen voor de wijze, waarop het vader-schap-in-zin-der-wet moet worden bewezen. Voor een officieus vaderschap gelden die regelen niet en men mag zich daarvoor dus niet gebonden achten door speciale bewijsregelen. Geen in het algemeen wettig bewijsmiddel is uitgesloten; ook liet getuigenbewijs niet.
Nu zou het, strikt genomen, alleen mogelijk zijn het vaderschap te bewijzen, wanneer de moeder gedurende de maanden, waarin de conceptie kan hebben plaats gehad, in de absolute onmogelijkheid was geweest met iemand anders dan den beweerden vader gemeenschap te hebben. Maar zulke hooge eischen stelde het Hof niet: de gebleken waarschijnlijkheid werd voldoende geacht, immers de erkentenis dat men de vader is (een erkentenis, die alleen tegenover hem, maar niet tegenover derden bewijs oplevert), en voorts (blijkens de volgende overwegingen van \'s Hofs beschikking): dat beklaagde als Europeaan is grootgebracht, een Europeeschen naam veert, en dat de broeder van zijn beweerden vader zich zijn oom noemde. Deze omstandigheden leiden het Hof tot de overtuiging, dat beklaagde „den staat van Europeaan voert en dus
— 269 —
als zoodanig moet worden beschouwd, zoolang het tegendeel niet is gebleken.quot;
Deze laatste 6 woorden komen mij vreemd voor: het tegendeel was m. i. ivèl gebleken, n. 1. dat beklaagde natuurlijke, niet erkende zoon was van een Ohineesclie vrouw.
Goedbeschouwd werd het bezit van staat hier dus gebruikt om een recht te schoppen in strijd met de wettige feiten. Of men moet aannemen dat natuurlijke, niet erkende kinderen ook den staat huns vaders volgen.
Maar daardoor zou men zich begeven op een glibberig en onwettig terrein. Niet alleen om art. 287 Burgl. Wetb., dat het onderzoek naar het vaderschap verbiedt, maar om het geheele stelsel der wet. Immers wat moet er gebeuren met een kind eener Inlandsche (of daarmeegelijkgestelde) vrouw, door de natuur en door haar recht aan haar zorgen toevertrouwd, maar onderworpen aan het recht van een ofticieusen Europeeschen vader, wien geen recht op dat kind toekomt en evenmin een verplichting om overeenkomstig zijn recht voor dat kind te zorgen ? En hoe zal het gaan met de buiten echt uit Europeesche vrouwen geboren kinderen, wanneer voldoende aanwijzingen bestaan, dat zij door een Inlander zijn verwekt?
Wanneer men de hierbesproken beslissing van het H. Gerechtshof in no 1536 van liet Ind. Wbl. v. h. R. naslaat, is het wel interessant de daar tevens afgedrukte, in deze zaak door don toenmaligen Procureur-Generaal gediende konklusie te lezen, omdat men daarin een verder gaande toepassing vindt van het beginsel, waardoor \'s Hofs beslissing werd geleid: daardoor komt (s. r.) de onaannemelijkheid er van te beter uit.
In dit merkwaardige stuk wordt aangehaald Foei Lr, droit international, I, 54, die leert dat vondelingen, uit onbekende ouders gesproten, „sont considérés commes appartenant a la nation dans 1c territoire de la quelle ils sont trouvésquot; (conform art. 2 der vroegere wet op het Nederlanderschap, van 1850, en art. 2b der nieuwe wet van \'92). Nu zal men toch wel niet willen beweren, dat N. Indië territoir is van den Europeeschen landaard; integendeel is het dat van don Inlandschen.
In overeenstemming daarmee is dan ook wat ik m art. 3c op blz. 209 Yoorstelde en op blz. 219 betoogde.
Maar het doet hier niet ter zake, want ten onrechte, m. i., nam
de P Gr aan, dat ook de moeder Tan beklaagde onbekend was. Niet quot;alleen was zij feitelijk bekend, maar zij had ook erkend moeder van het kind te zijn. De P. Gr. zegt wel dat zij het met had erkend, maar op grond waaiwan eischt hij een formoele, volgens het Eureepeesche recht tot stand gekomen erkenning van een met Inlanders gelijkgestelde Trouw? Op grond van het Europeaan zijn van bet kind, dat hij juist onder meer mt he niet op Europeesche wijze door de moeder erkend zijn am
bewijzen? , , 0 r,
De wet definieert het begrip Europeaan met, gaat de 1. b-.
Toort maar Terstaat daaronder Tolgens het taalgebruik een
persoon van Europeesche afkomst. De term Europeaan staat
tegenover den term Oosterling, Asiaat. De uitdrukking is
ontleend aan de ethnologie, niet aan het volkenrecht of het
staatsrecht. Zij is toepasselijk op elk, die m kleur, zeden,
taal of kleeding tot het ras behoort, hetwelk in Europa in-
heemsch is. Het politiereglement spreekt Tan landaard. Artt. J ,
95 (ten 5°) R. O. gebruiken eTeneens ethnologische termen
en stellen den .eigenlijkgezegden Inlanderquot; tegenover den
Equot;ziedaar des P. G.\'s argumenten. Begrijpelijkerwijze leidden zij hem tot de konklusie, dat een onderzoek door deskundigen zou worden beTolen omtrent de volgende vragen: of de beklaagde in zijn gestalte, gelaatskleur en lichaamsbouw de kenmerken draagt van Europeesche afkomst te zijn, -n. J van zijn jeugd af de Europeesche klecding heett gearagen een Europeesche taal spreekt en als Europeaan ts «P^- \' ^ juist deze konklusie stolt de onhoudbaarheid zijner opvatting in helder licht. Gesteld, dat op de eerste vraag ontkennend,
op de tweede bevestigend werd geantwoord, hoe zou dan moeten
worden beslist? En elk dezer twee Tragen is op zichzeWe no weer Tatbaar voor een gedeeltelijk bevestigende gedeelte^ ontkennende beantwoording, en voorts voor een ^ re^e J6-Een Europeesche taal spreken is b. v. iets zeer betiekkehjks.
— 271 —
men kan ze vlot en zuiver, vlot maar onzuiver, redelijk, slecht en gebrekkig spreken. Waar is de grens? Men kan als Europeaan zeer bruin, als Inlander zeer licht van tint zijn. Waar is de grens ?
Do twoe door den P. G. gestelde vraagpunten stellen zes omstandigheden, van welke dan de beslissing zou moeten afhangen of\' men Europeaan is, n. 1. gestalte, gelaatskleur, lichaamsbouw, kleeding, taal en opvoeding. Moet in al deze opzichten aan de Europeesche eischen voldaan worden, of slechts in de grootste helft, of zal — evenals bij een examen voor elk vak — een cijfer voor elk dier omstandigheden gegeven worden en het totaal, door zes gedeeld, voldoende moeten zijn?
Ik geloof waarlijk, dat uit deze vragen reeds blijkt, hoe onpraktisch zulk een opvatting is en hoe alles geheel van de persoonlijke, op geen vasten grondslag berustende waardeering van den rechter zou afhangen, wiens uitspraak voor een volgend geval niet zou binden. Maar de aangegeven omstandigheden, waarvan de beslissing zou moeten afhangen, missen bovendien de eigenschap, die zo in de eerste plaats zouden moeten bezitten: ze vormen bij de twee rassen geen duidelijke en betrouwbAe tegenstelling. -
Gestalte, gelaatskeur en lichaamsbouw mogen bij zuiver-bloed Europeanen meestal kenmerkend verschillen van die der Aziaten, de kwesties zullen zich juist voordoen bij degenen, in wie zoowel Europeesch als Oostersch bloed stroomt en welker lichamen dus zoowel van het eene, als van het andere type kenmerken vertoonen. Hoe zou het nu moeten gaan, wanneer iemand in gestalte en lichaamsbouw Europeaan, maar overigens donker als de nacht is?
De andore kenmerken verdienen nog minder invloed te hebben op de beslissing.
Wat is Europeesche kleeding? Veel Inlanders dragen geregeld een z. g. n. Atjeh-jas; in Europa is dit kleedingstuk daarentegen (evenals onze witte jassen en pantalons) weinig gebruikelijk. Vele Europeesche dames dragen nooit of bij uitzondering iets anders dan sarong en kabaai of kimono. AVan-neer men goed nagaat is er geen kleedingstuk voor vrouwen,
W. en A. Bev. 13 no
— 272 —
dat uiet ook door de Europeesche dames in Indië gedragen wordt, en wat de mannen betreft, alleen do staart der Chinoezen is monopolie, maar overigens zijn de grenzen weinig scherp; vele Europeanen, vooral in de binnenlanden, loopen nooit in zuiver Europeesche kleederdracht; veel Inlandsche Christenen daarentegen dragen hoeden en schoenen, soms zelfs geheel Europeesche kleeding.
Dat de taal even weinig bewijst, weet ieder die bekend is met de vele Nederlandsch sprekende Inlanders en Chineezen en met de Europeanen, vooral in de binnenlanden, die geen drie woorden van eenige Europeesche taal verstaan.
In nauw verband hiermee staat de opvoeding. Hoevele kinderen van Inlanders worden niet opgevoed aan Europeesche scholen! Er zijn er die daarvoor naar Europa gaan; maar zeer velen loopen in Indië de lagere Europeesche scholen., zelfs de hoogere-burgerscholen af, of worden toevertrouwd aan de zorgen van Europeesche goeverneurs of goevernantes. Ik weet een Inlandscb meisje, dat op een der beste kostscholen voor jongedames is en verscheidene, die bij een Europeesche familie in huis zijn om daar te worden opgevoed. Men behoeft niet eens naar de Molukken of Menado te gaan om in te zien, dat opvoeding, taal en kleeding als kenmerken onbetrouwbaar zijn.
Wanneer men de argumenten van den P. G. nauwkeurig overleest, zal men spoedig ontdekken waar de fout ligt. Begint hij met te zeggen dat Europeaan is een persoon van Europeesche afkomst, kort daarop noemt hij zoo dengene „die door kleur, zeden, taal of kleeding (1) tot het in Europa inheemsche ras behoort,quot; wat lang niet het zelfde is; en dit laatste wordt nog wel beweerd op gezag van de ethnologic! Ik geloof echter, dat deze wetenschap den P. G. al evenzeer in den steek zou laten als het „taalgebruik,quot; waarop hij zich beroept. Beiden noemen wijn, wijn en water, water, en wat daartusschen is noch water, noch wjjn, maar water en wijn, of wijn en water ; zoo noemen ze iemand, uit vermenging van Europeanen en Inlan-
(i) Uil. dit »of\' zou men opmaken, dat elk dier vereiscliten op zir.h zelf al voldoende is!
— 273 —
ders voortgekomen, noch Europeaan, noch Inlander, maar kleurling, Indo-Europeaan, of welken anderen naam ze aan zulke personen geven mogen. Zoowel do taal als de ethnologie geven de eerste twee namen (Eur. en Inl.) alleen aan personen van onvermengde afstamming; niet zij zijn het die hier moeten beslissen, maar het recht, dat vun geen wijn en water wil weten, maar wil dat alles of water of wijn is, althans in naam. Bij dat recht moeten wij dus de beantwoording der vraag zoeken tot welke der twee wij datgene moeten rekenen, dat ons troebel of vermengd toelijkt.
Zoolang do wet niot minstens drie hoofdklassen onderscheidt, kan de ethnologie ons niot helpen en moeten we nagaan, wie volgens do wet afstammen van Europeanen.
Willen we dit niet, dan blijft ons slechts over: óf de quasi-nationaliteit, maar als regel, naar de afstamming van moederszijde te beoordeelen.
óf alles prijs te geven aan de grootst mogelijke willekeur en onzekerheid, zoodat iemand vandaag Europeaan en morgen Inlander wordt verklaard.
Ik voorzie de tegenwerping, dat de P. G. den maatstaf van taal, kleeding, enz. slechts opgaf voor het geval de afstamming onbekend is; maar dit gaat niet op. Vooreerst mag men de quasi-nationaliteit niet aan ongelijke eischen toetsen; wanneer de een Europeaan is alleen omdat hij Ilollandsch spreekt en blank is, heeft de ander niet minder recht op een gelijke behandeling. Bovendien was hier geen geval van onbekendheid der beide ouders aanwezig: de moeder was bekend, volgens haar recht scheidde niets haar van haar kind. De gevallen, dat de afstamming van moederszijde onbekend en ook niet na te vorscheu is (het onderzoek naar do moeder is niet verboden en meestal mogelijk) zullen in Indië hoogst zeldzaam zijn; en in die enkele gevallen behoort men dan toch, zooals ik reeds betoogde (zie blz. 219) op de waarschijnlijkheid een regel te bouwen en zulke kinderen per se als Inlanders te beschouwen, in plaats van voor hen oen speciaal kriterium aan te nemen, dat absoluut onbetrouwbaar is
Het uitgangspunt van bedoelden P. Gr. verschilt weinig van
I
— 274 —
het mijne; wij nemen beiden de afstamming tot grondslag; maar ik versta onder afstamming- die in den zin dor wet en hij verstaat er onder die in qnasi-ethnologischen zin. Eoidc methoden waarborgen, wat de afstamming van vaderszijde betreft, geen absolute waarheid, daterken ik; maar de mjjue geeft ten minste wettige zekerheid en sluit alle weifeling uit; de andere echter geeft noch wettige zekerheid, noch eenige andere en berust tengevolge van de rassenvermenging op onzuivere gegevens, die aanleiding moeten geven tot aanhoudend weifelen.
Hoewel dezelfde P. (}. aan het eind van zijn „verslag en rekwisitoirquot;, opgenomen in no. 1545 van het Ind. Wbl., in het kort hetzelfde beweert als in zijn even besproken stuk, komt hij daar tot de gevolgtrekking, dat de beklaagde Paulus Markus Makatita Inlander is en voor den Landraad behoort te recht te staan. Toch blijkt, dat deze beklaagde bij voor den ambtenaar van den burgl. stand verleden akte door Paulus Makatita als zoon is erkend en dat luj van beroep was klerk, tevens vendumeester.
Daar dit ambt voor Europeanen bestemd is, kennis der Ne-derlandschc taal en een Europeesche opvoeding vereisebt, waren de eenige omstandigheden, waarvan blijkt, juist zulke, die volgens het boven besproken stolsel van den P. G. hem juist als Europeaan moesten doen beschouwen.
Dat de P. Gr. niettemin den beklaagde voor Inlander hield, berustte dus alleen op het feit dat zijn ouders Inlanders waren en ziedaar dan ook het eenige feit, dat den doorslag mocht geven.
In no. 1671 van het Ind. Wbl. v. h. R. vindt men een Arrest van het H. Gerechtshof, d.d. 4 Juni 1895, waarmee ik mij beter kan vereenigen. Do Landraad te Poerworedjo (vonnis van 13 April 1895) had de zaak van den beklaagde zich noemende Eduard Leonard Jöner naar den Raad van Justitie verwezen, op grond dat niet vaststond, dat beklaagde een Chinees, d. i. oen met Inlanders gelijkgestelde was, zijnde zijn beweren, dat hij een Europeaan zou zijn, allerminst onzenuwd (zie Ind. Wbl. no. 1675, blz. 124). liet Hof vernietigde dit vonnis en verklaarde den Landraad wèl bevoegd, op grond „dat alzoo bet bewijs
— 275 —
niet is geleverd, dat beklaagde behoort tot die personen, die ingevolge art. 129 R. O. voor den Raad van Justitie terechtstaan.quot;
quot;Wanneer men deze overwegingen leest, zon men haast zoggen, dat liet hier oen civiele zaak betrof en partijen elkaar weder-keerig den bovnjslast toeschoven, terwijl de rechter lijdelijk bleet\'. Deze indruk, hij zi) dan niet bedoeld of wol, zou m i. onjuist zijn. De vraag is van publiekrechteljjken aard en do rechter heeft zich niet te bepalen tot de vraag in hoover het beweren van den beklaagde, dat hij Europeaan — , of van den officier van Justitie, dat hjj Inlander is. door de aangevoerde bewijsmiddelen bewezen is, maar kan wanneer deze onvoldoende zijn bevelen, dat nog onderzocht worde alles, wat verder tot beslissing der vraag kan strekken. Maar het is aan te nemen, dat den rechter in dit geval de onmogelijkheid was gebleken om meer bewijs te verkrijgen omtrent lieklaagdes quasi-natio-naliteit. De Landraad dan vond, dat hij Ruropeaan was, omdat hjj beweerde (maar blijkbaar niet bewees) zoou te zijn van een Europeaan en voorts omdat hij eeti weinig Hollandsch kende, er uitzag als oen Europeaan en de Europeesche haar- en klee-dordracht volgde.
Dit is dus een toepassing van voormeld stelsel van den P. Gr. Door ondanks deze bewijzen don beklaagde als niet-Europeaan te beschouwen t^if het Hof blijk de afstamming, en wel bij een niet erkend natuurlijk kind die van moederszjjde, als de eenige omstandigheid aan te nomen, waarvan de quasi-nationaliteit afhangt. Althans ik meen uit het vonnis en het arrest te . mogen opmaken, hoewel het niet uitdrukkelijk er in vermeld wordt, dat beklaagdes moeder een Chineesche vrouw was en hij, zoover kon worden nagegaan, niet door een Europeaan erkend was.
Bovendien ware m. i. een onderzoek naar zijn godsdienst gewenscht geweest, aangezien hij tengevolge van dezen aan Europeanen gelijkgesteld en dus toch voor den R. v. J. justitiabel zijn kon.
De nieuwste beslissing betreffende deze kwestie is die vanquot; den Raad van Justitie te Soerabaja van 1 Augustus 1896, op-
— 274 —
het niij no; wij nonion boidon do afstamming tot grondslag; maar ik versta onder afstamming die in don zin dor wet on hij verstaat or onder die in quasi-ethnologisehen zin. Beide nietlio-den waarborgen, wat de afstamming van vaderszijde betreft, geen absolute waarheid, daterken ik; maar de mjjue geeft ten minste wettige zekerheid on sluit alle weifeling uit; do andere echter geeft noch wettige zekerheid, noch eenige andere en berust tengevolge van de rassenvermenging op onzuivere gegevens, die aanleiding moeten geven tot aanhoudend weifelen.
Hoewol dezelfde 1\'. G. aan hot eind van zijn „verslag en rekwisitoirquot;, opgenomen in no. 1545 van het Ind. Wbl., in het kort hetzelfde beweert als in zijn oven besproken stuk, komt hij daar tot de gevolgtrekking, dat do beklaagde Panlus Markus Makatita Inlander is cn voor den Landraad behoort te recht te staan. Toch blijkt, dat deze beklaagde bij voor den ambtenaar van den burgl. stand verleden akte door Paulus Makatita als zoon is erkend en dat hij van beroep was klerk, tevens vendumeester.
Daar dit ambt voor Europeanen bestemd is, kennis der Ne-derlandsehe taal en een Europeesche opvoeding vereisebt, waren de eenige omstandigheden, waarvan blijkt, juist zulke, die volgens het boven besproken stelsel van den P. G. hem juist als Europeaan moesten doen beschouwen.
Dat de P. G. niettemin den beklaagde voor Inlander hield, berustte dus alleen op het feit dat zjjn ouders Inlanders waren en ziedaar dan ook het eenige feit, dat den doorslag mocht geven.
In no. 1671 van het Ind. Wbl. v. h. R. vindt men een Arrest van het H. Gerechtshof, d.d. 4 Juni 1895, waarmee ik mij beter kau vereenigen. De Landraad te Poerworedjo (vonnis van 13 April 1895) had de zaak van den beklaagde zich noemende Eduard Leonard Jöner naar don Raad van Justitie verwezen, op grond dat niet vaststond, dat beklaagde een Chinees, d. i. een met Inlanders gelijkgestelde was, zijnde zijn beweren, dat hij een Europeaan zou zijn, allerminst onzenuwd (zie Ind. Wbl. no. 1675, blz. 124). Het Hof vernietigde dit vonnis cn verklaarde den Landraad wèl bevoegd, op grond „dat alzoo het bewijs
— 275 —
niet is geleverd, dat beklaagde behoort tot die personen, die ingevolge art. 129 11. O. voor den Raad van Justitie tereebt-staan.quot;
Wanneer men deze overwegingen leest, zou men baast zeggen, dat bet hier een civiele zaak betrof en partijen elkaar wedcr-keerig den bewijslast toeschoven, terwijl de rechter lijdelijk bleetquot;. Deze indruk, bij zjj dan niet bedoeld of wel, zon m. i. onjuist zijn. De vraag is van publiekrecbteljjken aard en de rechter hoeft zich niet te bepalen tot de vraag in hoever hot beweren van den beklaagde, dat bij Europeaan—, of van den officier van .lustitie, dat hij Inlander is, door de aangevoerde bewijsmiddelen bewezen is, maar kan wanneer deze onvoldoende zijn bevelen, dat nog onderzocht worde alles, wat verder tot beslissing der vraag kan strekken. Maar het is aan te nemen, dat den rechter in dit geval de onmogelijkheid was gebleken om meer bewijs te verkrijgen omtrent beklaagdes quasi-natio-naliteit. De Landraad dan vond, dat bij Europeaan was, omdat bij beweerde (maar blijkbaar niet bewees) zoon te zjjn van een Europeaan en voorts omdat hij een weinig Hollandscb kende, er uitzag als oen Europeaan cn de Europeesche baar- en klce-dcrdracht volgde.
Dit is dus een toepassing van voormeld stolsel van den P. G. Door ondanks deze bewijzen den beklaagde als niet-Europeaan te beschouwen gaf het Hof blijk de afstamming, en wel bij een niet erkend natuurlijk kind die van moederszijde, als do eenige omstandigheid aan te nemen, waarvan de quasi-nationaliteit afhangt. Althans ik meen uit het vonnis cn bet arrest te - mogen opmaken, hoewel het niet uitdrukkelijk er in vermeld wordt, dat beklaagdes moeder oon Chineesche vrouw was en hij, zoover kon worden nagegaan, niet door een Europeaan erkend was.
Bovendien ware m. i. een onderzoek naar zijn godsdienst gewenscht geweest, aangezien bij tengevolge van dezen aan Europeanen gelijkgesteld en dus toch voor den R. v. J. justitiabel zijn kon.
De nieuwste beslissing betreffende deze kwestie is die van\' den Raad van Justitie te Soerabaja van 1 Augustus 1896, op-
— 276 —
genomen is het 68e deel van „het Recht in N. I.quot; (blz. 121), waarbij in hoofdzaak hetzelfde stelsel wordt gevolgd, als ik verdedig; alleen wordt daarin (zie\'blz. 122 onderaan) de moge-lijkheid verondersteld, dat te dezen opzichte verschil zou kunnen bestaan naarmate men zicli op een publiek- of een privaatrechtelijk standpunt stelt. Dit kan ik mij niet voorstellen: die privaatrechtelijk wettig of erkend kind is van een Europeaan is publiekrechtelijk onvermijdelijk ook Europeaan.
Ik dien nog te gewagen van een vonnis van den Raad van Justitie te Batavia, d. d. 18 December 1885 (Ind. Wbl. v. h. R. No. 1180) en van een Arrest van het Hooggerechtshof d. d. 24 Maart 1887 („het Recht in N. Lquot;, 48« deel, blz. 300 volg.), beiden gewezen in dezelfde zaak. Het gold daar de vraag of de kinderen eener Europeesche vrouw, Zecha genaamd, Europeanen waren. Zij waren, zooals zij bekende, verwekt door een Chinees, die reeds was overleden, maar bij zijn leven herhaaldelijk en ondubbelzinnig had verklaard de vader te zijn, terwijl hij dan ook, hoewel niet overeenkomstig het Europeesche recht met haar gehuwd, met haar samenwoonde als ware zij zijn echtgenoote. Zooals mij uit persoonlijke waarneming bij één dier kinderen bekend is, waren deze kinderen in voorkomen, haardracht, kleeding en spraak op en top Indische Chineezen. In rechten stond dan ook vast, dat zij waren geboren cn opgc-vnad in het huis van den bewusten Chinees.
Toch nam de R. v. J. aan, dat zij Europeanen waren, op grond hiervan dat hun moeder een Europeesche was en geen formeele erkenning door den Chinees had plaats gehad overeenkomstig liet Europeesche recht, waaraan die kinderen onderworpen waren. Wel waren zij door den vader op Chineesche wijze erkend; maar, ofschoon de Chineezen zeer zeker bevoegd zijn beroep te doen op de eigen instellingen en gebruiken, waar het geldt de echtheid of onechtheid van kinderen van hun natie, is in onze wetgeving geen spoor aan te wijzen, dat de wetgever zou hebben willen toelaten dat door de toepassing dier instellingen en gebruiken Europeanen konden worden de erkende kinderen van Chineezen.
Mot dit betoog van den Raad cn de genomen beslissing is
— 277 —
mijn reeds uiteengezette opvatting geheel in overeenstemming; muar met het Arrest, dat overigens tot dezelfde beslissing van deze kwestie kwam, kan ik mij niet geheel vereeuigen. Het gaat n.1. verder, waar het (t. a. p. blz. 312) zegt;
„dat het beginsel dat Europoesche kinderen hun staat van Europeanen niet door handelingen van Inlanders of daarmede ge-lijkgestelden kunnen verliezen, wel degelijk in art. 15 Ov. bep. is neergelegd en daarvan den grondslag uitmaakt; dat daar zelfs verhinderd wordt, dat een Europeesche vrouw door haar eigen handeling — een huwelijk met een Inlander of daarmee gelijkgestelde — haren staat van Europeaan zou verliezen en liet tegen dit beginsel zoude indruischen dat Europeanen door handelingen van een ander, die hen als zijn kinderen erkent, en welke handeling zij als minderjarigen niet kunnen verhinderen, van staat zouden kunnen veranderenquot;.
Ziedaar een verklaring van art. 15 Ov. bep., die m. i. noch door de geschiedenis, noch door de bewoordingen van het artikel gerechtvaardigd is. Men geeft een ongehoorde uitbreiding aan een bepaling, die als makende een uitzondering op het gewone recht juist in het gehoel niet vatbaar is voor een uitbreidende verklaring.
Een onbetwiste rechtsregel is, dat de kinderen in alles den vader volgen, tenzjj zij in den zin der wet geen vader hebben. Op welken grond nu zou deze regel niet meer opgaan, wanneer een Inlandscho vader geheel overeenkomstig de wet een kind heeft erkend ? Art. 15 Ov. bep. bevat geen regel omtrent den staat der kinderen. Alleen omtrent (Hen der vrome bepaalt het, dat zij niet den staat des mans volgt, maar daarom nog niet dat de Inlandsche echtgenoot dien van de andere, Europeesche volgt. De Inlandsche man bljjft dus ook na het huwelijk Inlander en, daar niets ten opzichte der kinderen is bepaald, volgen zij naar den algemeenen regel hun vader en zijn ook Inlanders. Wanneer dit voor wettige kinderen geldt, zie ik niet in, waarom voor natuurlijke, erkende kinderen iets anders zou gelden; geldt het echter niet voor natuurlijke, erkende kinderen eener Europeesche vrouw, voor welke geen speciale bepalingen bestaan, dan mag men het evenmin aannemen voor
— 278 —
zoodanige kinderen eener Inlandsche vrouw. Deze zouden dan, ondanks erkenning door een Europeaan, ook Inlanders blijven.
Ik heb op blz. 221 reeds betoogd, dat het met liet oog op art. 15 Ov. bep. oen misstand is, dat de kinderen van een Inlandschon vader en een Europeesclie moeder Inlanders zijn en zal waarlijk dit artikel niet verdedigen, maar bij de toepassing der wetten is het niet geoorloofd haar innerlijke waarde te beoordeelen. Wij mogen deze dus niet lezen, zooals zo naar ons inzien moesten zijn, maar zooals ze luiden.
Nu zal men toch moeten toegeven, dat art. 15 voormeld niets omtrent de kinderen bepaalt, en bij de meest aandachtige lezing van de otticieele toelichting van hot artikel (zie „het Recht in KLquot; deel 13, blz. 336—340) zal men niets vinden, dat wijst op een bedoeling dit wel te doen. De bepaling is in het leven geroepen om het absolute huwelijksverbod op to heffen en aan gemengde huwelijken een beperkende voorwaarde stellen, zonder eenig dool om daardoor de quasi-nationaliteit van vrouw of kinderen te regelen. Het aanvankelijk ideo van den ontwerper, Jhr. quot;Wichcrs, was zelfs dat het voor zulke huwelijken voldoende moest zijn, als de Inlandsche partij zich maar vrijwillig onderwierp aan de Europeesche wetgeving aangaande het huwelijk. Op voorstel van het Hoog-Gerechtshof werd echter de algeheelo onderwerping aan het Europeesch privaatrecht hiervoor in de plaats gesteld, om de echtgenooten geheel onder gelijk recht te brengen. Aan de kinderen werd niet gedacht; aan invloed op de quasi-nationaliteit evenmin.
VIJFDE AFDEELING
WEIFELKL ASSEN.
Waar de verschillende onderscheidingen der personen worden besproken mot het oog op het recht, mogen eenige groepen niet vergeten worden, die ongetwijfeld tot de klasse der Inlanders of met dezen gelijkgestelden behooren, maar wier rechtstoestand niettemin dien der Europeanen nadert, zoodat zij in een weifelenden toestand verkeeren.
Weifelend, niet alleen omdat hun feitelijk recht zoo zeer verschilt van wat de klasse, waartoe zij rechtens behooren, zou doen verwachten, maar ook omdat men telkens voor hen op onzekerheden stuit, die het gevolg zijn van hun tweeslachtig wezen. Wilde men — los van de wettelijke klassifikatie — tegenover elkander in de weegschaal leggen aan den eenen kant wat hen als Europeanen, aan den anderen kant wat hen als Inlanders kenmerkt, dan zou het soms moeilijk zijn uitte maken naar welke zijde de schaal zou moeten overslaan, ja zelfs wel eens aarzeling ontstaan wat aan deze, wat aan gene zijde op de schalen moet worden gebracht.
liet zou verkeerd zijn, zooals ik op blz. 248 reeds opmerkte, deze personen te noemen met Europeanen gelijkgestelden of gedeeltelijk gelijkgestelden, want men zou daardoor in strijd geraken met de terminologie onzer wetten, die alleen geheel gelijkgestelden kennen en zoo noemen hen, die ingedeeld zijn bij een der wettelijke nevenklassen, terwijl de hier bedoelde personen volgens de wet niet behooren tot de nevenklasse der Europeanen, maar alleen in zekere (of onzekere) mate zijn „onderworpenquot; aan het Europeesche recht.
„ O tul er worpen en\'\' zou men hen dus kunnen noemen, wan-W. en A. üev. 14. 32
neer deze tiïel niet tot misverstand leiden en aanstoot geven moest, terwijl een langere omschrijving niet handig zou zijn.
Tot de weifelklassen behooren twee soorten, die in het privaatrecht overwegend Europeesch zijn, en ééne, die slechts in één of enkele opzichten, maar daarin dan ook ten volle, Europeesch is. Ik geloof dat het geen oorzaak van verwarring kan worden, wanneer wij hen Europeanen noemen, mits aan dien naam een woord vóórvoegende om buiten twijfel te stellen, dat hier noch Europeanen, noch met dezen gelijkgestel-den, in den zin van het Regeeringsreglement, zijn bedoeld.
Ik onderscheid dan:
I. II uwelijks-Europeanen,
II. Zakenrechtelijke-Europeanen, en
III. Gtelkgenueids-Eüropeanen.
Daaraan zou men nog een vierde soort kunnen toevoegen n. 1.
IV. Porum-Eitropeaxex.
Ik bedoel met dezen naam degenen, die justitiabel zijn voor den Europeeschen rechter, ofschoon zij Inlanders zijn, alleen op grond van hun rang of verwantschap tot iemand van rang. Het recht, waardoor zij beheerscht worden tengevolge hunner quasinationaliteit, ondergaat echter hierdoor geen wijziging, dan dat natuurlijk te hunnen opzichte door den Europeeschen rechter de wijze van procedeeren wordt gevolgd, die aan hem en niet die, welke aan den Inlandsclien rechter is voorgeschreven.
De hier bedoelde Inlanders heeten te hebben een forum privilegiatum (1) en daar zij uitsluitend wat dit forum en de daaraan verbonden procesvormen betreft, met Europeanen gelijkstaan, noem ik hen forum- Europeanen, in tegenstelling van hen, die niet alleen wat de wijze van recht verkrijgen
(1) Fonm is de plaats (d. i. dn rechtbank of rechter), voor welke men behoort te worden in ree,Iito getrokken; prioilegiatum: bevoorrecht. Men vatte de benaming echter meer op als: bizonder- ofuitüonderings-forum. Immers wanneer een Inlander of d. g. g. volgens de wet voor don Eur. rechter moet terechtstaan, is dit niet zoozeer- om hera een voorrecht te schenken, als omdat de gewone Inlandsche rechter voor hem niet geschikt is en wel, wat de hier bedoelde aanzienlijke Inlanders betreft, omdat de vrees of het ontzag, dat zij inboezemen aan de Inlandsche landraadsleden, dezen zou beletten onpartijdig recht te spreken.
— 281 —
(formeel recht), maar ook in zekere mate wat het recht zelf betreft (materieel recht) met den Europeaan gelijkstaan (1).
Wie forum Europeanen zijn, vindt men in Staatsblad 1867 No. 10 met de bij latere verordenningen aangebrachte wijzigingen en aanvullingen (zie ook R. O. 4 en 1S1).
De opzet dezer verhandeling brengt niet mee over deze kategorie van personen verder uit te weiden. Wel echter moeten de bij I, II een III aangeduide groepen nader worden besproken, omdat zij niet alleen wat het formeel recht betreft, een uitzondering maken op de hoofdregelen der wet, maar ook overigens in rechtstoestand zóózeer afwijken van het normale, dat zij privaatrechtelijk kunnen worden gezegd afzonderlijke groepen te vormen, althans dit .geldt voor de groepen I en II, terwijl men groep III als het schijnbaar onbeduidend zaadje zou kunnen beschouwen, waaruit I is opgegroeid.
Gtelegexheids-Europeanen.
Reeds vóór de nieuwe wetgeving vinden wij het zich onderwerpen (en wel vrijwillig: „desverkiezendequot;) aan bepalingen van Europeesch recht, waaraan men niet door de wet zelve is onderworpen, mogelijk gemaakt in Staatsbl. 1840 No. 2. De onderwerping betrof daar slechts de toenmalige bepalingen op het houden der registers van den burgerlijken stand. De Inlandsche Christenen te Toegoe en Depok werden n. 1. bij dit Staatsblad ontslagen van de verplichtingen, welke het desbetreffend reglement ook hun oplegde, maar hun werd tevens toegelaten zich derverkiezende aan die bepalingen te onderwerpen.
(1) In het eene geval (bij de forum-Eur.) kan men zeggen, dat de Eur. rechter fungeert als Inlandsch rechter, immers Inlandseh-recht spreekt; bij de kategorieën I, II en III daarentegen spreekt hij Europeesch recht, al is liet dan ook over personen, die het Reg.Regl. Inlanders noemt (R. R. 75 al. 4). Een derde geval doet zich voor, wanneer de Eur. rechters als gemengde rechtbank fungeeren, n. 1. over personen rechtspreken, waarvan een of meer aan het Europeesch-, andere ot\' anderen aan het Inlandsch recht onderworpen zijn (R. R. 75 al. 5, R. O. 6).
— 282 —
Bij de inToering der nieuwe wetgeving van 1848 werd de bevoegdheid van Inlanders c. a. om zich vrijwillig te onderwerpen aan de Europeesche bepalingen betrekkelijk het burgerlijk en handelsrecht in uitgebreideren zin erkend, zie artikelen 11 en 13 der Alg. Bep. v. Wetg. Uit art. 11 zou men zelfs geneigd zijn op te maken, dat deze bevoegdheid, wat het privaatrecht betreft, geheel onbeperkt is; ware het niet dat art. 13 ons de bedoeling des wetgevers als een minder ver gaande deed kennen. Waar het den vorm voorsclirijft, waarin deze onderwerping moet plaats hebben, blijkt namelijk uit de bewoordingen, dat de onderwerping moet plaats hebben ter gelegenheid van een handeling of verbindtenis, waaruit weer volgt dat de onderwerping alleen op deze betrekking heeft (1). Het komt mij dan ook voor, dat een ongewrongen uitlegging van art. 13 A. B. niet toelaat, dat iemand zich anders dan met het oog op een bepaalde handeling of verbind-tenis aan het Europeesch recht onderwerpt en de jurisprudentie acht ook een algemeene onderwerping niet mogelijk (2). Wel kan zij natuurlijk in algemeene bewoordingen plaats hebben in dezen zin, dat men bij het aangaan eener verbindte-nis of handeling zich, zonder bepaalde artikelen op te noemen, aan de (d. i. de desbetreffende) bepalingen van het Europeesche
(1) Zie vonnis R. v. J. Bat. 2—8—89 Ind. Wbl. 1378; in die zaak werd beroep gedaan op een algeheele onderwerping, in \'t het algemeen en niet ter zake der overeenkomst, waarop liet geding berustte. Op grond hiervan was die onderwerping m. i. reeds van onwaarde. De rechter overwoog echter dat de vraag of zoodanige eenzijdige en algeheele onderwerping door de wet wordt toegelaten, in casu niet behoefde te worden onderzocht. De eenzijdigheid zou m. i. op zichzelf gean bezwaar zijn; .wanneer de daad een eenzijdige is ol\' de tegenpartij Europeaan is. moet ze wel zijn toegelaten. De algeheele onderwerping geldt m. i. wel, maar beperkt.
(quot;2) Arr. H. Gerh. v. N. I. dd. 3 Juli 1878 (R. i. N. I. dl. 32.blz. 171 of W. v. h. R. No. 822). Abendanon. i. v. Toepasselijkheid No. 60, schijnt een tegengestelde beslissing te vermelden. Deze indruk is echter onjuist. Bij het lezen der daar bedoelde beslissing (h. R. i. N. I. dl. 48 blz. 320— 324) zal men ontwaren, dat hier slechts sprake was van onderwerping aan liet Eur. recht ten aanzien van door hem erkende kinderen.— Zie ook Vonnis R. v. ,T. Padang 11 Juni 68 Ind. Wbl. v. h. R. No. 258.
— 283 —
^cht onderwerpt, maar die ouderwerpiag geldt dan toch alleen voor het bepaalde geval.
Iemand zal zich dns niet „ter zake van zijn koophandelquot; (1), maar alleen ter zake van elke bepaalde daad van koophandel kunnen onderwerpen. Kan nu zulk een speciale onderwerping, b.v. bij gelegenheid van een koop en verkoop, tengevolge hebben, dat iemand ook onderworpen is aan bepalingen van het Wetboek van Koophandel, die in minder direkt verband staan tot de transaktie, b.v. die betreffende faillissement?
Mijns inziens niet (2). Immers deze instelling heeft niet ten doel de naleving van het koop-kontrakt te bevorderen en al ware dit zoo, dan zou zij nog alleen betrekking hebben op hen, die volgens gemeld wetboek kooplieden zijn, waaronder niet kunnen vallen zij, die niet aan art. 2 Kh. onderworpen zijn, dan voorzoover één handeling betreft; en deze opzichzelf kan iemand niet tot koopman maken.
Een andere vraag is of de Inlander zich vrijwillig kan onderwerpen aan ulle bepalingen, welke ook, van het Europeesch burgerlijk en handelsrecht. Velen zijn n.l. geneigd een beperking te stellen: alle bepalingen van publiek recht, of van publieke orde, zooals anderen het uitdrukken, zouden zijn uitgesloten, en men neemt dan aan, dat zoodanige bepalingen ook in onze wetboeken van burgerlijk en handelsrecht kunnen voorkomen. In zekere mate kan ik mij met die opvatting vereenigen Het is een algemeen aangenomen beginsel van recht, dat door geen handelingen of overeenkomsten (van bizondere personen) aan wetten, die op de publieke orde of de goede zeden betrekking hebben, haar kracht kan worden ontnomen. De Algemeene Bepalingen van Wetgeving in Xe-
(1) Zie het voren aangehaald vonnis R. v. J. Padang 11 Juni \'08.
(2) Zoo beslisten ook de R. v. J. te Soer., beschikking van 22 Juli 4891 en, in appel, het Hof (27 Okt. 1891). Zie h. R. i. N. I. deel 57, blz. Ü89—396. De Raad gat\'de door mij aangevoerde argumenten; het Hof argumenteerde eenigszins anders; de acte, waarbij rnen zich onderwerpt, zou slechts tussclien partijen en niet tegen derden werken. Als algemeene stelling is dit, dunkt me, niet vol te houden, zooals ik weldra hoop te betoogen.
— 284 —
/
derland (art. 14) en die in Indië (art. 23) bepalen dit uitf drukkehjk en hetzelfde beginsel legden de Romeinen reeds neer in hun rechtsregel: pr kat or urn conventio juri publico non dp.royat. (1) Men moet echter aan dezen regel geen verkeerde uitlegging geven.
Zoo wordt wel eens beweerd, dat de bepalingen betreffende den staat der personen van publieke orde zijn en dat daarom een Inlander geen buitenechtelijk kind eener Europeesche vrouw kan erkennen, aangezien immers die erkenning een verandering in den staat zou te weeg brengen (het kind zou n.1. daardoor, van Europeaan, Inlander worden).
Bij eenig nadenken moet al dadelijk opvallen, dat deze opvatting niet juist kan zijn. De staat der personen, wat betreft het Staatsverband, zal zeker wel door een ieder worden gerekend tot de aangelegenheden van publieke orde. Zouden nu op grond daarvan een Nederlander en een vreemde vrouw, of omgekeerd een Nederlandsche vrouw en een vreemdeling, niet inogen huwen? Immers volgens de wet verkrijgt daardoor de vrouw het staatverband baars mans! Wil men een nog sprekender voorbeeld: een Europeaan, die een bij een Inlandsche vrouw verwekt kind erkent, doet het daardoor ook van staat veranderen : het kind, dat Inlander was, wordt daardoor Europeaan. Zou dit zoo dikwijls voorkomend feit niet geoorloofd zijn? En op welken grond zou het omgekeerde niet geoorloofd zijn ? Is wellicht de staat van Europeanen wel-, die van Inlanders niet van publieke orde? (Dit verschil zou dan alleen te verklaren zijn als een der zonderlinge vruchten van de onder-hoorigheidstheorie; zie blz. 102).
Het is dan ook duidelijk, dat men hier te doen heeft met een dwaling in de toepassing van den regel. Wanneer de regel zegt: „de vrouw vols:t staande huwelijk den staat van haar manquot; (art. 5 wet Nederlanderschap), m. a. w. de Neder-landsche vrouw, die met een Eranschman trouwt, wordt daardoor Eran^aise en houdt op Nederlandsche te zijn, dan ontneemt
(1) Een overeenkomst van bizondere personen heelt de bepalingen van liet publiek recht niet op.
— 285 —
de handeling „huwelijkquot; tusschen een vreemdeling en een quot;Nederlandsche aan dien regel niets geen kracht: de regel wordt eenvoudig toegepast op het geval, en een gevolg daarvan is een verandering van staat. En nu zal men toch wel niet zeggen dat toepassen derogeeren is. (1)
Hetzelfde geldt bij erkenning: wanneer ons recht «egt dat een natuurlijk kind door de erkenning van vaders zijde diens staat, n. 1. ook diens quasi-nationaliteit verwerft, dan wordt een kind eener Inlandsche vrouw door toepassing van dien reyel Europeaan, als de Europeesche vader het erkent, en kan men dus niet zeggen dat die erkenning tevens een handeling is, die aan dien regel van piihlieke orde zijn kracht ontneemt.
Wel doet zich bij de bedoelde handelingen een moeilijkheid voor; door welk recht zij beheerscht worden, omdat de personen op wie zij betrekking hebben, aan verschillend recht zijn onderworpen; maar deze moeilijkheid is geen beletsel. Zij wordt opgelost in het eerstgestelde geval door het internationaal-, in het laatste door het quasi-internationaal privaatrecht. Men zou dan ook de in artt. 11 en 13 A. B. bedoelde vrijwillige onderwerping een huismiddeltje van het quasi-internationaal privaatrecht kunnen noemen, wanneer zij niet evenzeer was toegelaten — immers in dit opzicht is geen beperking gesteld — voor handelingen of\' verbindtenissen, waarbij geen reeds aan het Europeesche recht onderworpen personen betrokken zijn.
Wanneer nu de erkenning door een Inlander van het kind eener
(1) Bij kwesties van quasi-nationaliteit treft men ook wel eens zulk een te onpas gedaan beroep op de openbare orde aan om b. v. te be-toogen, dat een Cblneesche Christen, dus met Europeanen gelijkgesteld, geen verandering, door tot liet heidendom terug te keeren, kan brengen in zijn quasi-nationaliteit, omdat deze van openbare orde is. Nu zal men toch wel toegeven, dat de eerbiediging der wet in de eerste plaats een zaak van publieke orde is, en als de wet bepaalt dat met Europeanen zijn gelijkgesteld, die noch Mohammedanen, noch heidenen zijn, en de overigen met Inlanders; en men desniettemin volhoudt, dat de heiden wordende Chinees met Europeanen gelijkgesteld blijft, ontzegt men op grond
der publieke orde het door deze aan de wet toegekend gezag, öf......
men ontzegt den Chinees de bevoegdheid zelf zijn godsdienst te bepalen, wat ook weer in strijd zou zijn met een voorschrift van publieke orde: R. R. 119.
Europccsche moerler niet in strijd is met wetten, betrekking hebben de op de publieke orde en goede zeden, kan er geen bezwaar tegen zijn zich ter zake van zulk een geoorloofde handeling te onderwerpen aan het Europeesche recht. Immers die onderwerping op zich zelf kan, als bij de wet geoorloofd, nooit in strijd zijn met die orde en zeden, maar zou alleen nietig kunnen zijn tengevolge van nietigheid der handeling of verbindtenis, aan welke zij onafscheidelijk verbonden is, welke nietigheid dan op zoodanigen strijd kan berusten.
Hot zij mjj veroorloofd deze mijn opvatting door nog een voorbeeld te staven.
De voorschriften van proces-recht behooren ongetwijfeld voor een groot deel tot die betreffende de publieke orde. Onder anderen kan men daartoe zeker rekenen de regelen omtrent de absolute kompetentie, waaronder ook gerangschikt wordt de bevoegdheid op grond van de quasi-nationaliteit van den justitiabele. Het zou dan ook ongeoorloofd zijn, dat Inlanders eenvoudig besloten voortaan voor den Europeeschen rechter terecht te staan. Maar is daarom, als strijdig met de publieke orde, ongeoorloofd elke handeling of verbindtenis, die tengevolge heeft dat een Inlander voor den Europeeschen rechter moet terecht staan ? Immers neen: dan zouden zulke gevallen niet zijn voorzien in artt. 124 R O. en 75 R. R. en dan zouden de vrijwillige onderwerping nooit geoorloofd en artt. 11 en 13 A. B., voorzoover daarop betrekking hebbende, overbodig zijn. Nu zal men zeggen: zoo iets heeft dan ook nooit iemand beweerd en de wet zelf regelt voor zulke gevallen de wijziging van absolute kompetentie. Maar wanneer men zoo iets niet beweert, dan wordt men inkonsekwent (1) en
(1) Wanneer een Inlander, na zich ter zake a. d. Eur. wetg, te heh-ben onderworpen, liet kind eener Europeesche erkent, heelt dit van rechtswege ten gevolge dat de staat van liet kind verandert. Evenzoo heeft elke vrijwillige onderwerping van rechtswege ten gevolge een verandering der absolute kompetentie. Beiden, staat en absolute kompetentie. bet rellen de publieke orde; in beide gevallen is daaraan een gevolg van rechtswege verbonden; is dit in \'t eene geval ongeoorloold, dan zou het dit evengoed in het andere zijn.
— 287 —
wordt ook de vraag geoorloofd of men dan het in de kompe-tontie volgehouden verschil van quasi-nationaliteit nog van publieke orde kan noemen in opzichten, waarin de wet zelf er niet meer aan hecht. Zij doet den aan het Europeesche recht onderworpen Inlander, wat het proces-recht betreft, de regelen voor Europeanen volgen en hecht er dus niet aan, dat hij in deze als Inlander wordt behandeld ; maar is bet dan aau te nemen, dat zij op één punt daar wel speciaal .aan heclit, n. 1. wat de wijze van procedeeren betreft om iemand in een krankzinnigengesticht te doen opnemen? Toch was deze gedeeltelijk geregeld in het Burgerlijk Wetboek (Hoek I, titel 17) en gedeeltelijk in de R. Org. (artt. 134 v), en mocht dus de Inlandsche vrouw, die met een Europeaan gehuwd was, met inachtneming van art. 15 Ov. bep., op grond harer vrijwillige onderwerping geacht worden althans aan een deel dier bepalingen te zijn onderworpen, — toen het Hoog Gerechtshof besliste, dat deze bepalingen niet op haar toepasselijk zijn op grond dat zij publiek recht zijn (1). Ik zal deze beslissing, die ik in „Wet en A,datquot; (le stuk. Kleine bijdragen blz. 17) reeds besprak, verder met rust laten, daar de maatregelen tegen krankzinnigen sinds zijn herzien (zie W. en A. 5C en 6° stuk, blz. 170 en 181 der KI. Bijdr.), maar meen haar toch te mogen aanhalen als een voorbeeld tot welke gevolgen de toepassing van art. 23 A. B. kan leiden, wanneer men daarbij de zaak zolf en haar gevolgen niet streng onderscheidt. Men kan inderdaad niet te voorzichtig zijn bij het ontleenen van argumenten aan „de publieke orde en de goede zedenquot;, want men loopt dikwijls gevaar daardoor juist in strijd te geraken met de publieke orde, door de wetten te verwringen of de bevoegdheden der burgers noodeloos te besnoeien. De uitdrukkingen „publieke orde en goede zodenquot; zijn aan het
(1) Publiek reclit vatte men hier niet op in den beperkteren zin; het zal wel bedoeld zijn in dien, waarin gezegd wordt; C\'est ainsi que le principe, qui delend de déroger au droit public par des conventions particulières, est applicable nonseulement au droit public proprement dit, mais encore aux lois d\'intérét privé qui se rattachent ii l\'organisa-tion sociale. (Namur. Cours d\' Institutes, 3e éd., p. 3.).
— 288 —
vrije voordeel des rechters overgelaten; hij make van die vrijheid een verstandig gebruik en brenge vooral den term „publieke ordequot; niet in verband met de orde, die bet gezag onder liet publiek moet handhaven ook ter voorkoming van oru/ehikken.
Men zal zich trouwens, wat de ,gelegenheids- Europeanenquot; betreft, niet telkens het hoofd behoeven te breken over de kwestie der openbare orde, wanneer maar wordt bedacht, dat de vrijwillige onderwerping alleen mogelijk is telkens ten aanzien van een bepaalde handeling of verbindtenis, en niet in het algemeen kan plaats hebben.
De onderwerping moet schriftelijk blijken en wel uit dezelfde akte, die van de handeling of verbindtenis, waarop zij betrekking heeft, wordt opgemaakt, óf uit een afzonderlijke authentieke of onderhandsche akte.
Zoodanige onderhandsche akte — zegt art. 13 al. 2 A. B. — zal, om in rechten te kunnen gelden, moeten voorzien zijn van de verklaring van een notaris, waaruit blijkt dat deze den onderteekenaar kent, dat de inhoud duidelijk is voorgehouden en dat daarna de onderteekening in tegenwoordigheid van dien notaris heeft plaats gehad.
Het woord „zoodanigequot; slaat hier, dunkt mij, alleen op de afzonderlijke akte, want bjj de eerstbedoelde worden geen authentieke en onderhandsche onderscheiden. De tusschen-komst van den notaris is dus alleen noodig, wanneer de onderwerping afzonderlijk bjj geschrift wordt gekonstateerd. Dit is, geloof ik, uit het oog verleren in een vonnis van den Raad van Justitie te Semai-ang d. d. 24 November 1880 (Tnd. Wbl. v. h. R. No. 911), waarvan de voorlaatste overweging is: „dat volgens art. 13 A. B. de vrijwillige onderwerping niet geldt, tenzij ze voorzien zij van de daarbjj bedoelde verklaring van den notarisquot;, en waarbij de Raad zich op dezen grond onbevoegd verklaarde om kennis te nemen van een vordering berustende op een orderbiljet, door den Inlandschen gedaagde afgegeven en tevens inhoudende zijn onderwerping te dier zake aan het Eur. burgerlijk en handelsrecht.
- 289 —
Wanneer echter de onderwerping bij afzonderlijke akte plaats heeft, dan is de in art. 13 al. 2 voorgeschreven tus-schenkomst van een notaris onvermijdelijk, als het geen authentieke akte is. Zonder dat „yeldt de akte nietquot; (al. 2) en zonder akte is de vrijwillige onderwerping niet mogelijk, daar al. 1 limitatief opgeeft de wijzen, waarop zij kan geschieden. (1)
Kan men zich ook bij gemachtigde vrijwillig onderwerpen aan de Europeesche wetgeving?
quot;Wanneer dit niet in strijd is met den inhoud dor lastgeving, bestaat er geen wettige reden om de mogelijkheid daarvan te betwijfelen (2), onder de voorwaarde natuurlijk dat de lasthebber dezelfde zij, die voor den lastgever de handeling aangaat of verbindtenis sluit, waarop de onderwerping betrekking heeft. Immers de laatste is onafscheidelijk van de eersten en het zou niet aangaan, dat een algemeene lasthebber zijn lastgever aan het Europeesche recht ging onderwerpen wegens een door dezen te voren persoonlijk aangegane handeling of verbindtenis. üe vraag is echter of het niet wenschelijk zou zijn te bepalen, dat de lasthebber in geen geval tot zulk een vrijwillige onderwerping van zijn lastgever bevoegd is, dan wanneer hij — in \'t algemeen of voor een bizonder geval — uitdrukkelijk daartoe gemachtigd is. Want
(1) Anders besliste de R. v. .1, bij vonnis van 21 .Maait 1879, Wbl. No. 831, op grond sdat dit voorschrift alleen de strekking heeft om tegenover den Inlander, die ontkent zich aan de Eur. wetg te hebben onderworpen, elk ander bewijsmiddel uit te sluiten, doch geenszins om een onderwerping, waarbij de voorhouding niet door een Notaris, maar door den Inl. wijkmeester heeft plaatsgehad, krachteloos te maken wanneer de Inl. zulks niet tegenspreekt.quot; Ik moet erkennen in art. 13 A. B. geen regeling van bewijskracht te zien. maar wel van de wijzen waarop de onderwerping geschiedt. Trouwens niet tegenspreken = bekennen is ook een bewijsmiddel en zou dus ook door art. 43 zijn uitgesloten. De Raad maakte dan ook uit dat in rechten gelden kan een akte, die het volgens de wet (art. 13 A. B. al. 2) niet kan.
(2) Arrest H. Grh. 8 Sept. 1887 (Ind. Wbl. No. 1269: h. R. i. N. I. deel 49, blz. 320), dat een generale procuratie voldoende acht.
— 290 —
de Inlander, die aan een ander de macht geeft .om al datgene te doen wat hij zelf tegenwoordig zijnde zoude kunnen, mogen en moeten doen,quot; heeft meestal geen flauw besef van het bestaan van art. 11 en 13 A. B. en deze onderwerping kan te gewichtige gevolgen hebben en te langdurige, dan dat de Inlander er onverdacht mag inloopen.
Mag de vrijwillige onderwerping steeds plaats hebben, hoe lang de handeling of verbindtenis, waarop zij betrekking heeft, ook reeds moge zijn aangegaan ? M. i. moet men hier onderscheiden. liet zou niet met den inhoud van art. 13 A. B. zijn overeen te brengen, dat beiden tegelijk moeten plaats hebben. Heeft de onderwerping vooraf plaats, dan begint zij eerst van kracht te zjjn als de handeling of verbindtenis tot stand Eomt. Komt de vrijwillige onderwerping het laatst tot stand, dan kan zij steeds geldig zijn, wanneer zij onmiddelijk volgde of althans de handeling of verbindtenis nog niet was aangevangen rechtsgevolgen te hebben. Zijn zulke rechtsgevolgen echter reeds aangevangen, dan kan het recht, waardoor zij reeds beheerscht worden, niet onderweg van aard veranderen en blijft dus onveranderd. De vrijwillige onderwerping komt dan te laat. Een uitzondering hierop zal echter moe;en worden gemaakt voor de gevallen, waarin de gevolgen meerdere, elkander volgende, zijn die elk op zich zelf een afgeronde tenuitvoerlegging der overeenkomst opleveren, of om andere redenen een wijziging van recht geen bezwaar heeft. Terugwerkende kracht is dan echter uitgesloten, want art. 11 en 13 geven iemand wel de bevoegdheid zich te onderwerpen, dat is om te bepalen door welk recht men zal worden beheerscht, maar niet om het recht op te hetten, waardoor eei gedane zaak reeds is beheerscht geworden.
Een paar voorbeelden: men sluit een koop of verbindt zich om een huis te bouwen. Nu mag men niet na de levering en vóór de betaling plotseling van recht veranderen; evenmin kan men, als de bouw van het huis is aangevangen, zich voor den verderen bouw aan de Europeesche wetgeving onderwerpen (tenzij men daarvoor, met opheffing der vorige, een nieuwe overeenkomst sluit). Heeft men daarentegen aangenomen maan-
— 291 —
delijks eeu pikol rijst te leveren, dan kan er geen bezwaar tegen zijn, zich na eenigen tijd te dier zake aan het Euro-peesche recht te onderwerpen; dit wordt dan eerst van kracht voor de eerstvolgende leveringsmaand. Eindelijk: is een huvTe-lijk gesloten onder de heerschappij van liet Inlandsche recht, dan kan men zich ter zake daarvan aan het Europeesohe onder werpen, maar de sluiting — derhalve ook de geldigheid — van het huwelijk blijft afhangen van het aanvankelijk recht; evenzoo de wettigheid van de kinderen en van alle vroegere handelingen, die alleen volgens het nieuwe recht ongeldig zouden zijn, enz.
Ik meen dat deze opvatting het meest overeenkomstig de wet is. Dat ook daarbij tal van moeilijke kwesties niet kunnen worden ontgaan, is niet te ontkennen en niet te verwonderen.
Dat de vrijwillige onderwerping ook kan plaats hebben, al is geen der betrokken partijen Europeaan, volgt nit de niet beperkende bepalingen van art. 11 en 13 A. B. De wet geeft er trouwens zelf een voorbeeld van door te zeggen, dat de Inlandsche Christenen zich kunnen onderwerpen aan de bepalingen op den burgerlijken stand (Stbl. 1840 So. 2 en Stbl. 1864 So. 14-\'). Het schijnt mij echter voor dat geval een onmisbaar vereischte toe, dat niet ééne-, maar beide of alle partijen zich gelijk onderwerpen. Immers de wetgever heeft bedoeld gelijkheid van toepasselijk recht te bevorderen en niet de mogelijkheid te openen om die gelijkheid juist op te heffen, hetgeen zou geschieden, wanneer b. v. van twee Inlanders, die een verbindtenis aangaan, de een zich door de onderwerping onttrok aan het recht, dat anders hen beiden zou beheerschen. De wet geeit dan ook blijkbaar een bevoegdheid aan de gezamenlijke handelende of overeenkomende personen, waarvan niet één opzichzelf, maar slechts allen samen kunnen gebruik maken n.1. allen, die niet reeds onderworpen zijn aan de Euro-peesche bepalingen. Ter zake van een huwelijk tusschen Inlanders zal dus niet een der echtgenoten zich kunnen onderwerpen, zonder dat de andere dit tevens doet.
Kan men zich ook stilzwijgend onderwerpen aan het Euro-
— 292 —
peesche privaatrecht? Wanneer het aangaan der verbindtenis of handeling hiervan het ondubbelzinnig bewijs is en van die handeling een akte wordt opgemaakt, zal deze akte het bewijs der vrijwillige onderwerping opleveren en is er dus niets tegen aan te voeren. Zoo b.v. wanneer een Inlandsche Christen bij den ambtenaar van den burgerlijken stand een aangifte komt doen. Hij toont daardoor zich aan het reglement te onderwerpen, voorzoover de aangifte betreft; verder niet. Hij geeft dus niet daardoor te kennen, dat hij zich aan de Europeesche bepalingen betreffende huwelijk, of erkenning, onderwerpt; want do burgerlijke stand dient alleen om te konstateeren en de gekonstateerde handeling kan daarom nog wel eene naar In-landsch recht zijn.
Toch zal het meestal zaak zijn een uitdrukkelijke erkenning in de akte op te nemen, om allen twijfel weg te nemen. Wanneer b.v. een Inlander een wissel teekent, zou men kunnen zeggen, dat hij — daar zijn Inlandsch recht geen wissels kent — blijkbaar zich bij die akte heeft onderworpen aan het Europeesche recht. Maar het is evengoed mogelijk, dat de Inlander geen flauw vermoeden had van wissels en wisselrecht en meende een gewone schuldbekendtenis te teekenen. Is dit zoo — en het tegendeel zal veelal moeilijk te bewijzen zijn — dan kan hij moeilijk worden gezegd de ondubbelzinnige bedoeling te hebben gehad zich aan ons wisselrecht te onderwerpen; deze bedoeling, niet blijkende uit de handeling, kan dus evenmin blijken uit de daarvan opgemaakte akte.
Het is trouwens niet altijd noodig een gewrongen voorstelling van de zaak te geven, ten einde op grond van art. 11 en 13 A. B. Europeesch recht te kunnen toepassen. Van de vrijwillige onderwerping, daar bedoeld, kan alleen sprake zijn wanneer beide elementen, vrijwilligheid en onderwerping, aanwezig zijn en wel in onderling verband. Wanneer de onder-teekening vrijwillig was, behoeft daaruit nog niet te worden opgemaakt, dat de uit de handeling afgeleide onderwerping gewild is, zooals ik boven met een voorbeeld aantoonde. Liever dan zich niettemin aan gemelde artikelen vast te klampen, zie men dan naar een anderen uitweg, wanneer de toepassing van het
Inlandsch recht uit den aard der zaak bezwaren oplevert.
Naast de vrijwillige onderwerping bestaat n. 1. ook de mogelijkheid, dat iemand voor een bizonder geval rechtens onderworpen is aan het Europcesche recht. Met „rechtensquot; bedoeld ik niet alleen krachtens het geschreven recht (zie o. a. R. R. art. 75 al. 5 en 6), maar ook krachtens het (grootendeels) ongeschreven internationaal of qnasi-internationaal privaatrecht.
Wat het eerste betreft: wanneer een Javaan (of Chinees enz.) in Frankrijk een verbindtenis aangaat, zal hij terzake daarvan in vele opzichten — of hij ivil of niet — beheerscht worden door het Fransche recht (1). Hij is dan misschien vrijwillig, maar in elk geval rechtens onderworpen aan de Fransche wetgeving. Hetzelfde geldt ook voor een verbindtenis in Nederland door hom met een inwoner van dat land gesloten (2j.
Wat het andere betreft: wanneer een handeling plaats heeft tusschen lieden van verschillend recht, is het volstrekt niet gezegd, dat voor do Inlandsche partij per se haar recht zou gelden. Art. 75 al. 5 R. R. bewijst dit ten overvloede. De rechter zal dan uit moeten maken welk recht, dan wel in welke verhouding elk der twee — toepasselijk is. Met één of enkele bepalingen is dit niet te regelen. Ik zal hier dan ook niet verder op dit moeilijke onderwerp ingaan; mijn bedoeling was alleen er op te wijzen dat een Inlander, zonder zich te
(1) In het geval van toepasselijkheid van vreemd (Engelsch) recht, bedoeld in s\'Hofs Arrest van 21 Sept. 1871 (Ind. Wbl. v. h. R. no. 437), wordt deze toepasselijkheid toegeschreven aan (vrijwillige^ onderwerping door een X. I. ingezetene aan dat vreemde recht. De juistheid der uitlegging in hot midden latende, moet ik alleen opmerken, dat dit niet is de vrije onderwerping, in art. 11 A. B. bedoeld, die alleen kan geschieden aan de Europeesch bepalingen enz. d. w. z. aan du in N. I. geldende.
(2) Ik noem dit een geval van internationaal recht, omdat het hier een conflict geldt tusschen wetten van in wetgeving geheel afgescheiden territoriën. Wil men, omdat heiden tot een zelfde Koninkrijk behooren, liever spreken van gwowi-internationaal recht, dan heb ik niets daartegen in te brengen, mits men dit maar goed onderscheide van het Indisch quasi-int. recht, dat zijn moeilijkheden juist hieraan ontleent, dat in hetzelfde gebied verschillend recht geldt.
— 294 —
hehhen onderworpen, toch wel onderworpen kan zijn aan het Europeesch recht, en wel niet alleen krachtens de wet, maar ook krachtens ongeschreven recht.
Er is nog een vraag, die in de praktijk veel moeite kan geven: welk gevolg de vrijwüllige onderwerping heeft tegenover anderen. Dat zij den onderwerper bindt tegenover dengene, wien de handeling of verhindtenis gold, spreekt van zelf\'. De erfgenamen des onderwerpers zijn evenzoo onderworpen aan de Europeesche wetgeving, voorzooveel betreft de op hen overgaande gevolgen der handeling of verhindtenis, ten aanzien van welke hun erflater zich onderwierp. Immers: in het algemeen treden erfgenamen in de rechten, zoowel als in de verplichtingen van den erflater, en de in een overeenkomst opgenomen onderwerping aan de Europeesche wetgeving is niet slechts een persoonlijke, voor den debiteur bindende handeling, maar behoort als een sequeel dier overeenkomst zelve te worden opgevat; het daarmee beoogde doel is niet, dat op den debiteur persoonlijk, maar dat op de geheele overeenkomst van toepassing zullen zijn de regelen der Europeesche wetgeving; —dus betoogt de R. v. J. te Makasar (vonnis ran 26 November 1884, Ind. Wbl. v. h. R. Xo. 1125; vgl. Arrest van 24 September 1885 in Ind. Wbl. v. h. R. No. 1164 of in h. R. i. N. I. deel 45, blz. 314). In denzelfden geest beslist de President van den R. v. J. te Batavia in kort geding den 6equot; September 1889 (Ind. Wbl. v. h. R. No. 1385). Hetzelfde zal, dunkt mij, ook moeten worden aangenomen, wanneer op andere wijze dan door erfenis de rechtsgevolgen eener handeling, ten aanzien van welke vrijwillige onderwerping plaats had, van rechtswege overgaan op een ander, of wanneer hij te wiens behoeve de onderwerping plaats had, door een ander in zijn rechten wordt opgevolgd. Maar moeilijker wordt de kwestie, wanneer derden zich beroepen op de onderwerping, waartoe men nietjegens hen overging_
In het op blz. 282 reeds aangehaald Arrest van 20 Feoruarj 1879 (Wbl. No. 822) overwoog het Hof: „dat daarenboven zoo. danige onderwerping (n. 1. een vrijwillige als in art. 11 A. B. bedoeld) alleen rechtsgevolg kan hebben tegenover den medecontractant maar niet tegenover derden, die bij die
— 295 —
acte geeue partij zijn geweest.quot; Wanneer men dit argument beschouwt los van de beslissing, waartoe het leidde en met welke ik mij op den eerst aangevoerden grond kan vereenigen, dan moet eenige twijfel rijzen, of de daarin gehuldigde regel wel zoo onvoorwaardelijk opgaat, als de overweging stelt. Het hierbedoeld Arrest betrof het geval van een Javaan, die een associatie-kontrakt had gesloten met een Europeaan en zicli daarbij had onderworpen aan de Europeesche wetgeving. Dat dit alleen gold voorzoover de onmiddeljjke gevolgen van dit kontrakt betreft, is reeds voren (blz. 282 e. v.j door mij betoogd. Slechts verhoudingen eu verplichtingen uit de associatie voortvloeiende werden daardoor beheerscht, en het zou wat te ver gaan hiertoe te brengen het recht om iemand in staat van kennelijk onvermogen te doen verklaren, zooals de eerste rechter had gedaan. Maar wel zou de vraag in hoever de Javaansche associé gebonden was door een overeenkomst, door of namens de associatie aangegaan, moeten worden beoordeeld naar het Europeesche recht, zelfa al was de tegenpartij een Inlander; want de associatie kan niet dan eens door Europeesch en dan weer door Inlandsch recht beheerscht worden, naar gelang zij aanleiding geeft tot processen van de associés onderling of met derden (of wellicht van hen onderling en tevens met derden). Ik geloot dan ook als vaste regel te mogen voorstellen: dat ook derden zich op de vrijwillige onderwerping mogen beroepen in dezelfde gevallen, waar dit aan partijen zelf geoorloofd is n. 1. als het onmiddelijk verband met die onderwerping daartoe aanleiding geeft.
Dat echter elk proces, waarin zulk een beroep mogelijk is, daarom nog niet tot de bevoegdheid van den Europeeschen rechter behoeft te behooren, zal ik later trachten aan te toonon.
Kan de eenmaal plaats gehad hebbende vrijwillige onderwerping worden te niet gedaan?
Zij gaat van zelve te niet, wanneer iemand rechtens (b. v. door quasi-naturalisatie) aan het geheele Europeesche recht wordt onderworpen of wanneer de handeling of verbindtenis, waarop zij betrekking heeft, met alle gevolgen daarvan heeft
W. en A. Bev. 15.
- 296 —
opgehoiulen te werken; — dit spreekt van zelf. Maar kan degeon, die zich onderwierp, deze daad ook zelf weer ongedaan maken ?
Toorzoover de aard dor zaak bet toelaat, kan dit m. i. niet ongeoorloofd worden geacht.
Hieromtrent zal hetzelfde gelden als boven (blz. 290) omtrent de latere onderwerping is gezegd. Vooreerst zal de inttrek-kiug geen terugwerkende kracht kunnen hebben en dan zal zij alleen mogelijk zijn, wanneer de handeling of verbindtenis zoodanig splitsbaar is, dat het mogelijk is een deel dergevolgen geheel te isoleeren (ik herinner aan het voorbeeld der maande-lijksche levering van rijst).
Kan eenzijdige onderwerping plaats hebben?
In de jurisprudentie vindt men overwegingen, die dit als een onmogelijkheid schijnen te beschouwen (zie de lu noot op blz. 282). Ik geloof, dat dit als algemecne regel niet opgaat. Dat de onderwerping verboden zou zijn als zij wel eenzijdig moet zijn, omdat de andere betrokkenen zich niet aan het Europeesche reclit kunnen onderwerpen, daar zij het reeds zijn, — zal wel niemand bedoeld hebben. Maar bovendien zijn er eenzijdige handelingen, die nergens van de toepasselijkheid van art. 11 A. B. zijn uitgesloten en die men toch wel den Inlander niet zal verbieden onder vigeur van de Europeesche wet tot stand te brengen overeenkomstig art. 11 en 13 A. 13., alleen om de eenzijdigheid!
Evenwel kunnen ook bij een eenzijdige handeling anderen als belanghebbenden betrokken zijn en daar deze daardoor rechten verkrijgen, meen ik geen aanleiding tot tegenspraak te zullen geven door te beweren, dat ook bij een eenzijdige handeling geen verandering in het haar ten gevolge van de onderwerping beheerschende recht kan plaats hebben dan met toestemming dergenen, die omniddelijk daarbij betrokken zijn.
Wat de overeenkomsten betreft spreekt dit van zelf.
Wanneer dus een Inlander een sawah heeft in pand gegeven overeenkomstig zijn adat, kan hij den pandnemer niet verrassen door zicli ter zake te onderwerpen aan het Europeesche recht, dat zulk een pandrecht onbestaanbaar zou verklaren. Omgekeerd kan iemand, die iets in pand kreeg met onderwerping te dezer
zake aan het Europeesche, deze onderwerping niet op eigen gelegenheid terugnemen, waardoor hij wellicht meer vrijheid over dat pand zou erlangen.
Ook zal het wel geen betoog behoeven, dat bij niet-eenzijdige handelingen de onderwerping slechts met toestemming van alle partijen kan plaats hebben, ook al heeft slechts van één zijde onderwerping plaats. Geschiedt zij in de akte, die van de handeling ot verbindtenis zelve wordt opgemaakt, dan blijkt uit deze reeds van de toestemming van alle partijen ; geschiedt zij i:i een afzonderlijke akte, dan zal de rechter moeten uitmaken, in hoever stilzwijgend of uitdrukkelijk door de anderen is toegestemd.
Als algemeene regel volgt dus uit het vorenstande; dat de vrijwillige onderwerping aan de Europeesche wetgeving, ook wanneer zij afzonderlijk plaats heeft, is een niet op zich zelf bestaanbare, maar aan de hoofd- handeling of verbindtenis verbondene, die door dezelfde regelen als de eigenlijke handeling of verbindtenis wordt beheerscht, zoo wat betreft de bevoegdheid der personen om tot haar over te gaan, als wat de mogelijkheid aangaat om haar later, waar zij nog niet bestond, in te lasschen of, waar zij aanvankelijk bestond, op te heften.
Wanneer iemand zich bij een gefingeerde onderhandsche schuldbekentenis vrijwillig aan de bepalingen van het Europeesche handelsrecht heeft onderworpen, moet deze onderwerping als van nul en geener waarde worden beschouwd, besliste de R. v. J. te Padang (vonnis van 4 October 1866 Ind. Wbl. v. h. R. Jfo. 177) en ik vermeld deze beslissing waarmee ik mij in beginsel zeer goed kan vereenigen, hoewel ik mij niet goed kan voorstellen hoe de toepassing van het beginsel in de praktijk ooit zou kunnen te pas komen: wanneer de schuldbekentenis gefingeerd is en er dus geen schuld bestaat, zal wel nooit de vraag behoeven te worden opgelost, naar welk recht die niet bestaande schuld moet worden beoordeeld, tenzij dat het gefingeerd zijn der schuldbekentenis niet bewezen is, maar dan is de onwaarde der onderwerping evenmin bewezen. (1)
(1) Het aangehaald vonnis v. d. R. v. J. te Padang betrof een fail-iietverklaring van iemand, die zich bij een gefingeerde schuldbekentenis
— 298 —
Tot de gelegenheids- Europeanen reken ik behalve hen, die zich voor een speciale handeling of verbindtenis vrijwillig onderwierpen, ook hen die krachten de wet in eenig bizonder geval onderworpen zijn aan de Europeesche bepalingen, wanneer dit slechts een uitzonderiw/syeval is. Zoo zijn alle Inlanders bij gelegenheid van geschillen, ook onderling, over huur van dienstboden en werklieden onderworpen aan de desbetreffende bepalingen van ons Burgerlijk Wetboek (art. 1601 — 1603), ingevolge Stbl. 1879 No. 256. Bij de kategorieën I en II is daarentegen de reyel, dat zij onderworpen zijn aan het Europeesch privaat recht, hoewel voorzoover II betreft op dezen regel vrij veel uitzonderingen zijn gemaakt.
HrWELIJKS-ErROl\'EAXEX.
Vroeger waren huwelijken tusschen Europeanen en Inlanders verboden, met dien verstande echter dat de Inlandsche Christenen als Europeanen werden beschouwd Bij de voorbereiding der nieuwe wetgeving werd dienovereenkomstig een bepaling in het Burgerlijk Wetboek voorgesteld, waardoor liet huwelijk werd verboden „tusschen Europeanen of daarmede gelijkgestelde personen en Inlanders of personen als zoodanig beschouwdquot;. Ue toenmalige Minister merkte op, dat het verbod moest gelden tusschen Europeanen eener- en Moharae-danen of heidenen anderzijds, — hetgeen dan ook tegengevolge van art. 7 A. B. (nog niet door art. 3 Ov. bep. besnoeid) feitelijk het geval zou zijn geweest.
Bij nadere overweging achtte men het echter niet gewenscht, in een Burgerlijk Wetboek, dat verklaart het huwelijk alleen in deszelfs burgerlijke betrekkingen (en dus niet in de godsdienstige) te beschouwen (art. 26), een verbodsbepaling op te nemen, die berustte op verschil van godsdienst, en ook de staatkundige redenen, die voor het verbieden van huwelijken met Inlanders mochten pleiten, werden niet overwegend gevonden, weshalve
vrijwillig had onderworpen a. d. Eur. quot;wetgeving. Deze onderwerping zou zich echter noch buiten de schuldbekentenis, noch tot de mogelijkheid om failliet te worden verklaard kunnen uitstrekken, ook al ware er niets gefingeerd. De fictie deed er hier dus niets toe.
— 299 —
„het uitdrukkelijk huwelijksverbodquot; geheel werd weggelaten. Maar, had de Minister aangevoerd, die huwelijken zijn van zelf uitgesloten, omdat de Inlander Titel II en IV B. W. toch niet kan naleven; een stelling, die op oen wel wat bekrompen uitlegging der wet berustte. De Staatsraad Wichers, aan wiens rapport (1) deze geschiedkundige bizonderheden zijn ontleend, drukt zich dan ook voorzichtiger uit en zegt: „ook het stilzwijgen der wet is, naar mijn oordeel, in zekere mate met een stellig verbod gelijk te stellen.quot; Het verbod was z. i. voorwaardelijk, aangezien de Inlandsche partij zich volgens art. 11 en 13 A. B. aan de Europeesche bepalingen kou onderwerpen ten aanzien van het te sluiten huwelijk, waaraan dan geen wettelijk beletsel meer in den weg zou staan.
Wij zien het, aanvankelijk was de bedoeling alleen, dat door een gewone vrijwillige onderwerping het uit verschil van recht voortvloeiend huwelijksbeletsel zou worden opgeheven. In hoever is daarin door de vaststelling van art. 15 der Overgangsbepalingen verandering gekomen?
Het Hoog-Gerechtshof — zoo deelt Wichers verder mee — „wenschte, dat een uitdrukkelijke wetsbepaling die onderwerping in dier voege regele, dat deze laatste zich voor hem of haar, die, tot de Inlandsche bevolking behoorende, met iemand van de Europeesche bevolking in den echt wil treden, tot de geheele burgerlijke en handelswetgeving zal moeten uitstrekken,quot; met met welke zienswijze de Staatsraad en de Goeverneur-Generaal zich vereenigden (2).
Kan men uit dezen gang van zaken opmaken, dat de in art. 15 Ov. bep. bedoelde onderwerping een andere is dan, althans in aard verschilt van de in artt. 11 eu 13 A. B. bedoelde? Neen! noch uit deze geschiedkundige inleiding, noch uit de bewoordingen kan men hiertoe besluiten, behalve ^p één punt:
(1) Opgenomen in „het Recht in N. I.quot; deel XIII blz. 319 v.: zie speciaal blz 336—340.
(2) Had de wetgever het beginsel aangenomen, dat de vrouw den staat haars mans volgt, dan was hoogstens vrijwillige onderwerping noodig geweest ten aanzien der bepalingen omtrent het tot stand komen van het huwelijk; daarna toch zou van zeil\' eenheid van recht tusschen de echtelieden bestaan.
— 300 -
dat de onderwerping zich niet bepaalt tot het recht dat met de handeling, waarop zij betrekking heeft, in rechtstreeksch verband staat, maar zich integendeel uitstrekt tot het gansche burgerlijk en handelsrecht.
Deze uitbreiding, hoezeer in strijd met den aard der vrijwillige onderwerping, zooals wij dien nit art. 11 en 13 A. B. leerden kennen, staat uitdrukkelijk in de wet en moeten wij dus zonder afdingen aanvaarden, maar overigens blijkt duidelijk dat geen afzonderlijke instelling, maar dezelfde onderwerping is bedoeld als in art. 11 en 13 A. B.; Wichers haalt die artikelen zelf aan.
De onderwerping heeft dan ook iu art. 15 Ov. bep. geheel hetzelfde privaatrechtelijke karakter behouden: zij is een vrijwillige daad van een privaatpersoon, die als voorwaarde wordt gesteld voor de toelating („mogenquot;) van haar huwelijk met een Europeaan.
Wanneer die voorwaarde niet vervuld is, zal dus het huwelijk, als door de wet verboden, niet geldig zijn; maar men mag niet uit het feit, dat zulk een gemengd huwelijk gesloten is, afleiden dat de Inlandsche echtgenoot per se aan het Eu-ropeesche recht onderworpen is, ook al blijkt, dat hij niet daartoe heeft meegewerkt, (1) want het is geen onderwerping krachtens de wet, maar uit vrijen wil.
Ik vind dus in de wet en haar geschiedenis geen reden om op de onderwerping van art. 15 Ov. bep. andere regelen toe te passen dan op die van art. 11 A. 13. Wij zagen reeds, dat deze laatste, ook wanneer zij in algemeène bewoordingen heeft plaats gehad, beperkt is tot het gebied der handeling, waaraan zij is verbonden. In die beperking kan men twee
1
De Raad van Justitie te Soerabaja nam bij vonnis van 5 Februari 189(5 (InJ. Wbl. v. h. R. no 1733) aan dat, wanneer een Inlandsche Cris-tenvrouw gehuwd is met een Europeaan, daardoor met het oog op art. f5 Ov. bep. een wettig vermoeden bestaat (en bewezen is), dat zij zich aan bet Eur. burgl. en handelsrecht heeft onderworpen, hoewel zij de onbevoegheid van den R. v. J. had beweerd op grond, .,dat zij wel met N. getrouwd maar nog Inlandsche vrouw isquot;, waarmee zij blijkbaar bedoelde te ontkennen, dat zij zich bad onderworpen.
— 301 —
elementen onderscheiden: 1 o liet rechtselement en 2o het feitelijk element.
Wat het eerste betreft is zij beperkt tot de wetsbepalingen, die in direkt verband staan tot de handeling. Ten opzich\'-e van liet andere element is zij beperkt tot het feitelijke geval, waarvoor mou zich onderwierp, en mag dus niet worden uitgebreid tot andere gevallen, al zijn deze ook volkomen gelijk: wanneer de Inlander A. van B. een huis hoopt en zich te dier zake vrijwillig aan het Europeesche recht onderwerpt; wanneer A. daarna van B. nog een huis koopt en zich te dier zake niet onderwerpt (zij \'t zelfs door een verzuim), dan zijn, als tusschen diezelfde personen over die beide overigens geheel gelijke overeenkomsten geschillen ontstaan, daarop verschillende wetten toepasselijk.
Nu is het eerste element door art. 15 Ov. bep. voor het geval van gemengde huwelijken geheel weggenomen; maai1 mag men daarom aannemen dat ook het andere is vervallen?
Ik zou geen grond weten aan te voeren voor zulk een opvatting.
Men onderwerpt zich vrijwillig ten aanzien van het huwelijk. Verder dan voor dit huwelijk geldt deze onderwerping echter niet en dus is men, wat betreft hetgeen na opheffing van het huwelijk geschiedt, niet meer onderworpen aan het Europeesche recht, hetgeen natuurlijk niet wegneemt dat men ten opzichte van de toestanden en rechten, tijdens het huwelijk geboren, gebonden blijft aan het recht, waaronder zjj zijn ontstaan. Verder te gaan is dunkt mij willekeur. Men acht de Inlandsche weduwe van een Europeaan onherroepelijk gekluisterd aan liet Europeesche recht, terwijl zij dan toch in elk geval de vrijwillige daad — voorzoover daardoor geen verkregen recht wordt geraakt, na het einde des huwelijk naar vrijen wil zou mogen terugnemen voor den vervolge, en terwijl naar mijn bescheiden meening het gansche wezen van de instelling meebrengt, dat met de oorzaak het gevolg, met haar aanleiding de onderwerping ophoudt. Daardoor wordt aan deze vrijwillige daad het karakter gegeven van een rechtsuitvloeisel van publiekrechtelijken aard.
En dit, ik herhaal het, op welken grond ?
Op grond van de woorden der wet? Ik geloof na liet vorenstaande geen argumenten meer te hoeven aanvoeren tegen dit beweren.
Dan op grond van de bedoeling des wetgevers? Ook dit behoeft geen weerlegging meer na de boven in het kort weergegeven meedeelingen van den Staatsraad Wichers. De wetgever heeft eenvoudig gewild, dat bij\'de handeling „huwelijk\'\' tusschen Europeanen en Inlanders, vrijwillige onderwerping plaats hebbe en dat deze, rnet het oog op het huwelijk, zich uitstrekke tot het geheele burgerlijk en handelsrecht. Dit blijkt uit de nadere toelichting van Wichers t a. p. blz. 338: „Bet wezen van het huwelijk toch bestaat niet in de vervulling der formaliteiten, welke voor deszelfs voltrekking zijn voorgeschreven, maar in de uitoefening der rechten en de vervulling der verplichtingen, welke uit het aangaan dier verbindtenis geboren en door de burgerlijke wetgeving geregeld worden. Ook ontstaan uit iiet huwelijk velerlei rechten voor derden, b.v., om slechts dit eene te noemen, met opzicht tot de erfopvolging, welke rechten almede door de voorschriften van het burgerlijk wetboek bepaald en omschreven worden.. Hetzelfde geldt ten aanzien van de handelswetgeving, zoo een der echtgenooten daden a\'an koophandel verricht, en het is dus, zooals reeds door mij is aangemerkt, overeenkomstig met den aard der zaak, dat de onderwerping aan het Europeesche burgerlijk en handelsrecht, bij het aangaan van de ten deze bedoelde echtverbindtenissen, algemeen zij.quot;
Dc.e argumenten, met welke ieder zich in hoofdzaak wel zal kunnen vereenigen, duiden wel op de wenschlijkheid om beide echtgenooten in en gedurende het huwelijk door hetzelfde recht te doen beheerschen, maar getuigen door geen enkel woord van eenige bedoeling om de onderwerping ook te doen werken — en wel onherroepelijk — wanneer het huwelijk niet meer bestaat en in aangelegenheden, tot welke dat bestaand hebbend huwelijk niets afdoet.
Ik kom dus tot dezelfde slotsom als Mr. L. quot;VV. C van dex Berg in zijn praeadvies over de gemengde huwelijken (1) (l) Handelingen N. I. Juristenvereeniging 1887 blz. 22.
— 303 —
hoewel de door ons gevolgde wegen niet geheel samenvallen, n.1. dat de Inlandsehe eelitgenoote eens Europeaans na ontbinding van hun huwelijk ophoudt aan het Europeesche recht te ziju onderworpen, behalve wat betreft: de gevolgen van dat huwelijk en alles, wat verder tijdens dat huwelijk is tot stand gekomen.
De Inlandsehe echtgenooten vormen gedurende haar huwelijk met Europeanen een geheel afzonderlijke kategorie van personen, die in het privaatrecht geheel gelijkstaan met Europeanen en daar dit niet twijfelachtig de wil des wetgevers is geweest, gaat het niet aan in ons privaatrecht te zoeken naar bepalingen, welker toepasselijkheid op deze personen wellicht zou kunnen worden betwijfeld en betwist op grond van een publiekrechtelijk tintje, dat daarover ligt. Het mag zelfs met eenige verwondering gevraagd worden, waarom de rechter zich tot het privaatrecht heeft bepaald, terwijl gelijke gronden toch bestonden voor een onderwerping ook aan het publiek recht.
Of zou het met de door het huwelijk geschapen gemeenschap en eenheid niet zijn overeen te brengen, dat zulk een Inlandsehe echtgenoot wegens een schuld terecht staat voor den Inlandschen rechter en naar haar adat wordt beoordeeld, maar wel: dat zij—om maar een kleinigheid te noemen — \'s avonds (zooals den Inlanders op veel plaatsen onder strafbedreiging is voorgeschreven) slechts met licht over straat mag gaan, zoodat haar Europeesche wederhelft, met haar uitgaande, aan zijn eenen arm zijn vrouw en aan den anderen een lantaren of fakkel zou mogen dragen? dat zij ter \'politie-rol kan worden gestraft, dan aan den publieken weg moet werken, dat zij aan de Inlandsehe wijze van huiszoeking is onderworpen, belasting moet opbrengen als Inlanders enz.?
Een andere vraag is of de vrijwillige onderwerping wel de geschiktste vorm is, dien de wetgever kiezen kon om eenheid van recht voor de echtgenooten van verschillende quasi- nationaliteit in het leven te roepen.
Het woord „vrijwilligequot; doet er al aan twijfelen. Formeel is de onderwerping ook in deze gevallen voorzeker een vrijwillige, daar niemand gedwongen wordt te huwen; maar zij is het tocli niet zóó als bij andere handelingen, die men naar verkiezing ook kan aangaan zonder zicli te onderwerpen. Do Inlandsche aanstaande echtgenoot daarentegen heeft geen keuze: wilt gij trouwen dan mo f gij u onderworpen, wordt gezegd. Zoolang dit moet alleen betrekking heeft op de wijze van trouwen is liet wat anders; het spreekt dan van zelf, zoodat quot;Wichers ook geen uitdrukkelijke wetsbepaling hiervoor noodig achtte; de onderwerping zou dan een gevolg zijn van de onmo-gehjkheid, door verschil van recht, om anders te huwen. Zoo althans was de opvatting.
Maar voor liet tot stand komen van het huwelijk was de onderwerping aan het geheele Europeesche privaatrecht geen vanzelfsprekende en geen noodzakelijke voorwaarde. De wetgever, die haar evenwel wenschelijk achtte, cischte daarom dat zij daaraan zou worden verbonden en dan lag het m. meer voor de hand, dat die algeheele onderwerping als rechls-yevoly aan het gemengde huwelijk werd verbonden, door een bepaling in dezen trant: bij huwelijken tusschen Europeanen en Inlanders is de Inlandsche echtgenoot door het huwelijk van rechtswege onderworpen aan do geheele Europeesche burgerlijke en handelswetgeving.
De vrijheid der personen, immers om al of niet te huwen? zou even groot blijven en de kans op wanverhoudingen tengevolge van verzuim art. 15 Ov. bep. na te leven of van fouten, bij die naleving begaan, zou zijn weggenomen. Overigens zou men daardoor hetzelfde effekt verkrijgen als door art. 15 vd., behalve wat de wijze van sluiten des huwelijks betreft, waarvoor men dan, als men alleen den Europeeschen vorm daarvoor aannemelijk acht, in een tweede zinsnede kon bepa\'en: de tot standkoming van deze huwelijken wordt beheerscht door de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek.
Dat zulke bepalingen wenschelijk zouden zijn, wordt echter niet algemeen toegegeven.
Zij zouden wel met de bedoeling des wetgevers van 1848
— 305 —
OToreenkomen, maar er worden bedenkingen aangevoerd tegen diens systeem en daaronder gewichtige.
Men kan n. 1, zeer ïoed toegeven, dat éénheid van recht voor de echtgenooten hoogst wenschelijk is, zonder daarom nog overtuigd te zijn, dat dit éénheidsrecht per se het Europeesche moet zijn, en velen zouden het dan ook beter vinden, dat voorde gemeenschap het recht gold van den man, die immers het hoofd daarvan is. Dit zou zeker meer stroken met het algemeen gehuldigd beginsel (ook in Indië bijna overal), dat de vrouw den staat des mans volgt, en de bezwaren daartegen zijn m. i. niet overwegend (!).
Wanneer een Europeesche vrouw een Inlander huwt, zal zij in 98 van de 100 gevallen reeds zóó ver-Inlandscht zijn, dat de door haar te verwerven staat van Inlandsche voor haaide meest natuurlijke zou zijn, of wel de Inlandsche man, die haar huwt, behoort tot een groep, die in zeden en rechtsopvatting zóó Europeesch is geworden (bv. de Inlandsche Christenen in Menado), dat de overgang voor haar geen merkbare is. Enkele uitzonderingen kunnen zich voordoen : gevallen, waarin bv. een ontwikkelde Mohammedaan een op en top Europeesche vrouw tot een huwelijk weet te bewegen; maar deze mogen den wetgever niet van den juisten, op den normalen toestand berekenden regel afhouden. De vrouw zal in deze enkele gevallen zelve moeten overwegen of hrar genegenheid groot genoeg is om het overgaan tot een vreemd recht, met al wat daaraan verbonden is, te trotseeren.
De regel, dat de vrouw den staat haars mans volgf, zou ook zonder beperking tot het privaatrecht moeten worden gehuldigd. Eerst dan zou een zuiverder toestand geboren worden.
(1) Voor de Inlandsche Christenen en wel speciaal voor die in de Moluksche eilanden en de Res. Timor heelt de wetgever dit mogelijk gemaakt door te bepalen, dat de vrouw van rechtswege is onderworpen aan de voorschriften van het burgerlijk en handelsrecht, die voor haar man verbindend zijn, terwijl als de man Inl. Christen is hem, in plaats van de in art. 15 Ov. be|i. opgelegde verplichting, is toegekend de be»oegd-heid zich bij huwelijk met een Europeesche vrouw te onderwerpen aan de geheele Europeesche wetgeving aangaande het burgerlijk en handelsrecht (Stbl. 1861 No. 38 art. 13 jo. Stbl. 1874 No. 63gt;.
— 306 —
De vrouw zou dus de quasi-uationaliteit van haar man moeten deelen, maar daaraan zou voor haar de bevoegdheid kunnen worden verbonden om terug te keeren tot de haar aangeboren quasi-nationaliteit, wanneer liet huwelijk, dat hierin verandering bracht, heeft opgehouden te bestaan
Een bepaling in den trant van art. 8 en 9 der wet van 12 December 1892 op het Nederlanderschap zou hiertoe kunnen strekken, terwijl voor de quasi-nationaliteit der kindereu in dit geval de beginselen van art. 6 dier wet als grondslag konden dienen.
Maar het heeft geen nut over deze kwestie van jus cousti-tuendum in verdere bizonderheden te treden, waar een nieuwe wettelijke regeling dezer aangelegenheid wordt tegemoet gezien, op welke deze beschouwingen van geen invloed zullen kunnen zijn.
In afwachting van de dingen, die komen, veroorloof ik me alleen nog eenige opmerkingen over het thans geldende recht, dat in elk geval ook na herziening der bepalingen nog wel eenigen tijd van belang zal blijven yoor de beoordeeling der reeds gesloten gemengde huwelijken.
Gelijk elke vrijwillige onderwerping kan ook die, in art. 15 Ov. bep. bij gemengde huwelijken geëischt, slechts schriftelijk geschieden. De onderhandsche akte is voor dit o-eval echter uitgesloten en evenzoo kan zij niet geschieden bij dezelfde akte als van de handeling zelve wordt opgemaakt, want bij deze laatste moet een geauthentiseerd afschrift der akte van onderwerping ais bijlage worden overlegd (al. 2). De mogelijkheid eener stilzwijgende, in de hoofd-handeling begrepen onderwerping, als op blz. 291—292 bedoeld, is dus uitgesloten.
Zij heeft plaats met het oog op een te sluiten huwelijk en vangt dus eerst aan rechtsgevolg te hebben door het tot stand komen van dit huwelijk. Over het algemeen kan men hieruit afleiden, dat zij niet alleen vervalt door het afspringen van het huwelijksplan, maar dan kan gelijkgesteld wordenmet iets dat voorgenomen, maar nog niet volvoerd was en dus nooit bestaan heeft; want zij deelt het lot der hoofd-handeling en
— 307 —
.is als algerneene onderwerpins: alleen mogelijk bij een huwelijk.
Ik gelooi\' echter een uitzondering te moeten aannemen voor zoodanige handelingen, als in onmiddehjk verband stonden met het voorgenomen huwelijk en voor welke de algemeene onderwerping tevens als een speciale kan worden beschouwd. Gesteld b.v. dat de a. s. Inlandsche echtgenoot een bij zijn a. s. Europeesche echtgenoote verwekt kind, na zich wegens hun voorgenomen huwelijk te hebben onderworpen, als het zijne heeft erkend met het doel het zoo te wettigen door opvolgend huwelijk, art. 272 15. \\V., en dat de laatste daarna komt te overlijden nog vóór het huwelijk is voltrokken. Do vader kon zich moeilijk ter zake dier erkenning nog eens speciaal aan het Europeesche recht gaan onderwerpen, daar hij zich reeds aan het geheele Europeesche privaatrecht bad onderworpen en, mocht dit overigens alleen beginnen to gelden van af het tot stand komen der echtverbindtenis, dit zal men moeilijk kunnen beweren ten opzichte van de daden, die als het ware een deel der onvoltooide hoofdhandeling uitmaakten of haar althans op door de wet voorziene wijze voorbereidden. De erkenning van het kind aldus wettig hebbende plaats gehad, zal dus niet ongeldig kunnen worden, wanneer het huwelijk niet doorgaat. Zulk een kind zal zelfs, ingeval door overlijden het voorgenomen huwelijk wordt verijdeld, overeenkomstig art. 275 Ji. W. kunnen worden gewettigd.
Dat de onderwerping nooit later mag plaats hebben dan de hoofdhandeling, zooals anders wel geoorloofd kan zijn, volgt uit de duidelijke woorden van art. 15 („mits zij zich voorafquot; enz.), zoodat een door verzuim daarvan ongeldig gemengd huwelijk niet in eere kan worden hersteld door later zich alsnog te onderwerpen. Er volgt ook uit, dat op de onderwerping niet kan worden teruggekomen, hoewel dit iu andere gevallen niet altjjd is uitgesloten. De zaak is, dat zij in dit geval door de wet als voorwaarde is gesteld voor de bestaanbaarheid van het huwelijk en dus uit haar aard niet kan worden opgeheven, zoolang dat huwelijk niet wettig heeft opgehouden te bestaan en daarna van zelf vervalt, zooals ik reeds betoogde.
Is een minderjarige bevoegd zich ter zake van haar voor-
— 308 —
genomen huwelijk te onderwerpen aan de Europeesche wetgeving? Mijns inziens is zij dit in dezelfde mate als- en zoodra zij tot het aangaan van het huwelijk zelf bevoegd is, daar de bevoegheid tot de handeling ook die tot een onderdeel daarvan in zich sluit. Behoeft zij om te huwen de toestemming van verwanten of voogden, dan is deze dus eigenlijk ook noodig voor de onderwerping; maar aangezien deze eerst van kracht wordt door het huwelijk en hierbij reeds van de toestemming voor de gansche handeling moet blijken, kan gereedelijk worden aangenomen, dat uit de voltrekking reeds voldoende van de vereischte toestemming blijkt. Toch zou het wellicht beter zijn bjj de authentieke akte van onderwerping te konstateeren, dat de persoon, wiens toestemming noodig is voor liet huwelijk, deze heeft gegeven. Zonder dat mocht, wanneer het huwelijk niet doorging, de wettigheid der onderwerping eens worden betwist
Kan de onderwerping ook in dit geval plaats hebben bij gemachtigde? Evengoed als in andere gevallen (zie voren blz. 289), mits de gemachtigde ook tot de hoofd-handeling zij gemachtigd, en daar dit niet kan zijn krachtens algemeene, maar alleen krachtens bizondere, bij authentieke akte verleende volmacht (art. 79 B. W.), zal ook alleen een bizondere, bij authentieke akte gevolmachtigde zijn lastgever (of- geefster) aldus kunnen onderwerpen.
De vraag of alle bepalingen onzer burgerlijke en handelswetgeving vatbaar zijn voor vrijwillige onderwerping, in verband met den regel privatorum conventio juri publico non deroyat, heeft speciaaal belang bij de gemengde huwelijken en zal overigens zelden voorkomen, daar zij anders alleen met het oog op een bepaalde handeling of verbindtenis geoorloofd is. Bij de algemeene bespreking der vraag (blz. 283 tot 288) werd ook reeds een voorbeeld aangehaald, dat meer in \'t bizonder betrekking heeft op de huwelijks-Europeanen (blz. 287). Ik heb er hier, nu de bizondere aard der onderwerping krachtens art. 15 Ov. bep. is uiteengezet, nog slechts op te wijzen, dat deze aard zich verzet tegen een beroep op den gemelden
— 309 —
rechtsregel. Immers de onderwerping moge een „vrijwilligequot; heeten en in zekeren zin ook zijn, zij wordt — zooals wel niemand zal tegenspreken — door een bepaling van publieke orde geëisclit, en wordt daardoor zelve ook van publieke orde, al neemt zij den vorm aan van oen vrijwillige daad eens privaatpersoons. Het is dus met woorden spelen, wanneer men in dit geval spreekt van een daad van een bizonder persoon, die zou derogeeren aan het publiek recht: die daad toch berust op een voorschrift van publieke orde, en dit (niet de privaatwil- zou dus, welbeschouwd, derogeeren aan andere voorschriften van denzelfden aard. Of dit geoorloofd is hebben wij niet te beoordeelen, waar de wet het gebiedt.
De gevolgen der in art. 15 Ov. bep. geëischte onderwerping ten opzichte van rechtverkrijgenden en andere belanghebbenden, zijn niet beperkt: de onderwerping is voor het privaatrecht volkomen; de Inlandsche echtgenoot staat dus in het burgerlijk en handelsrecht geheel gelijk met een Europeaan en hetzelfde recht blijft natuurlijk van toepassing op de handelingen en verbindtenissen uit dat tijdperk, onverschillig voor wien zij later gevolgen hebben.
Dat de vrijwillige onderwerping voor zekere kategorie van huwelijken dwingend is voorgeschreven, sluit natuurlijk niet in zich, dat zij voor andere kategorieën onmogelijk zou zijn. Het huwelijk is een burgerrechtelijke handeling, terzake waarvan vrijwillige onderwerping dus krachtens art. 11 A. B. even goed geoorloofd is als bij elk andere. In zulke gevallen zullen echter de regelen toepasselijk zijn, die ik boven uit art. 11 en 13 A. B. afleidde (zie blz. 2S2 tot 297) en niet die, welke voor de eigenlijk gezegde Huwelijks-Europeanen gelden. Zij mogen zich dus later (maar zonder terugwerkende kracht) onderwerpen ter zake van een reeds gesloten huwelijk, en omgekeerd kunnen zij een plaats gehad hebbende onderwerping opheffen voor den verderen duur van hun huwelijk (alles natuurlijk met onderling goedvinden); de onderwerping heeft alleen betrekking op het huwelijk en de direkte gevolgen daarvan; zij kan plaats hebben bij onderhandsche akte enz. enz.
— 31Ü —
Eindelijk blijft de vraag: in hoever kan ook bjj een huwelijkquot; onderwerping van den Inlandschen echtgenoot (of echtge-noote) aan het Europeesche recht bestaan, zonder dat hij (of zij) daar zelf toe meewerkte?
Naar het algemeen beginsel, hiervoren op blz. 293 gesteld, is zulk een onderwerping-van-rechtswege mogelijk, en voor het huwelijk bestaat hierop m. i. geen uitzondering; maar het schijnt, dat velen er anders over denken.
Laat ons eerst een zuiver internationaal voorbeeld nemen: een Javaan huwt in Parijs een Fransch meisje. Wat den vorm betreft wordt dit huwen dan toch in elk geval beheerscht door de Frausche wet (art. 18 A. B.) eu zal de Javaan dus, ook als hij in Indië is teruggekeerd, worden berecht volgens Fransch recht bjj geschillen over de wettigheid der huwelijksvoltrekking; waaruit al blijkt, dat in principe de mogelijkheid niet is uitgesloten.
Maar stellen wij nu, dat een Javaan (of andere Inlander o. d. g. g.) in Nederland een Europeesch meisje huwt. Volgens hetzelfde art. 18 A. B. wordt de vorm, waarin die handel ins: plaats heeft, ook dan beheerscht door het Nederlandr sche recht.
De wetttigheid van het huwelijk hangt echter niet alleen af van den vorm, maar ook van den staat en de bevoegdheid der personen, die het huwelijk sluiten, en in dit opzicht zou de Javaan volgens art. 16 A. B. beheerscht blijven door zijn landsrecht. Nu is de vraag: behoort art. 15 Ov. bep. tot de wettelijke bepalingen betreffende den staat en de bevoegdheid der personen en, zoo ja, moet art. 16 A. B. ook te dien aanzien worden toege ast, of is dit laatste artikel slechts bestemd een algemeen beginsel aan te geven, zonder de door de rede en het internationale recht geëischte uitzonderingen daarop te willen uitsluiten ?
Beantwoordt men de eerste vraag bevestigend en de andere in den eerstaangegeven zin, dan zou het logisch gevolg zijn, dat zulk een door een Inlander in Europa gesloten huwelijk ongeldig is, tenzij hij vooraf hebbe voldaan aan den in art. 15 Ov. bep. gestelden eisch; immers zonder dat was er volgens
— 311 —
ISquot;. Indisch recht een absoluut huwelijksverbod. Toch meen ik, dat bij gemengde huwelijken in Nederland de ynjwillige onderwerping steeds is achterwege gebleven, zoodat deze vraag een zeer gewichtige is, hoewel tot nu toe slechts voor enkele gevallen.
Naar aanleiding eener beslissing van het Hoog-Gerechtshof van N. I. d. d. 22 Oktober 1896 (Ind. quot;Wbl. v. h. R. n0. 1748) zou men geneigd zijn als N.. Indische jurisprudentie aan te merken, dat in deze art. 16 A. B. wèl toepasselijk en het in Nederland zonder voorafgegane vrijwillige onderwerping voltrokken huwelijk dus niet van waarde zou zijn. Dit Arrest gold wel niet hetzelfde, maar toch een dergelijk geval. Een Chinees beweerde n. 1. meerderjarig te zijn op grond dat hij in China gehuwd was. Zijn vader was tijdens dat huwelijk ingezetene van N. Indië en hij derhalve ook, naar \'s Hofs opvatting. Nu bepaalt art. 64 van het „Reglement voor het Col-legie van Boedelmeestcren te Bataviaquot; (Stbl. 1828 n0. 46), dat dit lichaam ten behoeve van het Chineesche hospitaal geniet en geautoriseerd is te heffen onder meer: (è) een som van f 5.— tot f 40.— voor het verleenen van tronwhrieven aan Chineezen, terwijl daarachter bepaald is: „Zullende alzoo het consent van hoedehneesteren, tot heivijs van de wettigheid van het huwelijk, vereischt wordenquot; en aangezien de in China huwende Chinees ingezetene van N. Indië was gebleven, achtte het Hof deze bepaling ook daar op hem toepasselijk. De desbetreffende overweging luidde:
„dat het voorschrift dat een dergelijk consent behoort te zijn verkregen niet alleen is een bepaling tot heffing van belasting, maar ook eene van materieel huwelijksrecht, welke niet als op de vormen betrekking hebbende kan worden aangemerkt, zoodat de regelen van het statutum personale den eischer in China tot het vragen van consent hadden moeten nopen.quot;
Aangenomen nu, dat de bewuste bepaling behalve tot heffing van belasting (en tot verzekering der geregelde inning) er ook eene is van materieel recht, dan zou ik toch willen vragen of men bij de toepassing van het statutum personale (art. 16 A. B.) niet moet onderscheiden tusschen voorschriften, die uit hun aard tot ons territoir beperkt zijn, en die dit niet zijn. quot;Wat W. en A. Bev. 1B. 34
— 312 —
het voorschrift van gemold art. 64 betreft, ik beschouw dit als zeker niet in staat onze grenzen te overschrijden (tenzij uitdrukkelijk zoo is bepaald): het regelt alleen het bewijs dei-wettigheid en verbindt aan deze een belasting of heffing; dit bewijs nu zal buitenslands moeten worden gecreëerd door de daar bevoegde autoriteit en volgens do daar geldende bepalingen.
Stelt men dezelfde vraag voor art. 15 Ov. bop., dan moet het antwoord m. i. in denzelfdcn geest uitvallen, liet artikel geeft een voorschrift, dat alleen in N. Indië reden van bestaan heeft en ook daar alleen kan worden opgevolgd. In JTeder-land althans, waar maar één soort recht bestaat, is do Javaan behoudens enkele uitzonderingen (art. fi Ned. Alg. Bop.), aan iietzelfde, Europeesche, burgerlijk recht onderworpen als de Nederlanders (art. 9 Ned. Alg. Bop.). Het zou dus geen zin hebben, dat hij zich nog eens vrijwillig ging onderwerpen aan dat hem reeds beheerschendc recht, ten ware dit werd gedaan met het oog op de uitgezondorde zaken, waarvoor hij volgens artt. 6 der Nederlandsche en 16 der Indische Algomeene Bepalingen echter aan zijn heimats-recht gebonden blijft, aan welke bepaling hij wel niets zal kunnen verandoren, dit kan wel in N. Indië, waar het uitdrukkelijk bij de wet is toegelaten, mag,r niet in Nederland, waar zoo iets onbekend is en do ambtenaar van den burgerlijken stand waarschijnlijk vreemd zou opkijken, wanneer do a. s. echtgenoot hem zulk een akte van vrijwillige onderwerping aanbood, en hot ingevolge art. 15 1 ml. Ov. bop. gedaan verzoek om oen geauthentiseerd afschrift daarvan als bijlage van de huwelijksakte op to nemen zou afwijzen.
Dit artikel dankt dan ook zijn ontstaan aan een werkelijk of vermeend beletsol om te trouwen, voortspruitende uit verscheidenheid van recht in eenzelfde territoir, die in Nederland echter niet bestaat, zoodat daar do bepaling van zelve niet toepasselijk kan zijn. Voorts is daaraan vastgeknoopt een algomeene onderwerping aan het Europeesche recht, die uit haar aard eeno krachtens de wet is, en in den vorm van vrijwillige daad van een privaatpersoon, dien de Indische wet er aan geeft, in Nederland niet denkbaar is en bovendien onnoo-
— 313 —
dig is, omdat toch al krachtens de wet die algemeene on der-werping- bestaat.
Dergelijke bepalingen nu van lokale werking (als art. 15 Ov. bep. en art. 64 h van het reglement voor boedeln;eestereu kunnnen m. i. niet begrepen worden in art. 16Ind. (=6 Ned,) A. B. zonder de bedoeling van dit artikel, door liet te letterlijk op te vatten, te verkrachten. — Vooral bij kwesties van internationaal recht is zulk een angstvallig vasthouden aan de letters gevaarlijk. (1;
Ik wensch me nog op andere argumenten te beroepen voor mijn opvatting, en wel vooreerst op art. 83 B. W. Dit is wel niet toepasselijk op Inlanders e. d. g. g., maar als regeling van internationaal privaatrecht moet het toch geacht worden den wil des wetgevers uit te drukken, niet alleen ten opzichte van een kleine groep Europeanen, maar ook in het algemeen. Welke eischen nu stelt dat artikel voor het van waarde zijn van een in den vreemde g.esloten huwelijk Y
1quot; Dat daarvoor de vorm zij gevolgd, gebruikelijk in het land der voltrekking, en
2° dat niet is gehandeld in strijd met artt. 27 t/\'m 49 B. W. Xu kan men, wat den laatsten eisch betreft, zich voor Inlanders e. d. g. g. daaraan letterlijk houden en alleen vragen of art. 27-49 B. W. zijn in acht genomen, of ten opzichte van hen daarvoor in de plaats lezen: do hen beheerschende wetten of gewoonten, die analoog zijn aan artt. 27-49 B. W.; maar in geen geval zal men daaronder kunnen brengen de bepalingen van art. 64 h regl. boedelm. of art, 15 Ov, bep.
Wat de in Nederland gesloten gemengde huwelijken betreft, — voor liet buitenland gaat dit argument niet op, maar het is dan ook niet het eenige, — zou ik nog het volgende willen aanvoeren.
Nederlandsch.-Indië en ons vaderland in Europa zjjn deelen van eenzelfde Koninkrijk.
(1) Ik laat nu do kwestie iu hoever een ingezetene van N. I., in liet land waartoe hij behoort vertoevende, moet worden geacht door art. 10 on/.or A. B. verhinderd te worden in zijn oigen land zijn eigen recht te volgen, er huiten en evenzoo de vraag of oen minderjarige, Indië verlatende, daar ingezetene blijft.
— 314 —
Er zijn wetten, die voor het gansche Rijk geiden; yan andere is de werking beperkt tot een deel Tan het Rijk. Gaat hefe nu aan, dat in het ééne deel van het Rijk de voor het andere deel vastgestelde bepalingen zouden moeten worden opgevolgd ? Daar over beiden een gemeenschappelijke wetgever waakt, mag men aannemen van niet. Wanneer voor Indië wordt bepaald, dat de eene soort ingezetenen slechts met de andere mag huwen na vnjwilllige onderwerping aan de Europeesche wetgeving, zou de wet dit voor het andere deel des Rijks evengoed hebben moeten voorschrijven, wanneer dit de bedoeling was. Gebeurt dit niet, dan ligt het voor de hand dat de wetgever voor Europeesch Nederland evenmin een dergelijke beperking op quasi-inter-nationaal gebied heeft gewild, als hij haar voor het internationaal privaatrecht in het leven riep: Wanneer een Holland scb meisje huwt met een Siamees of anderen Oosterling, die geen ingezetene is van Xed.-Indië, geraakt zij daardoor ook onder de heerschappij van Oostersch recht. De speciale wetten van Europeesch Nederland hebben daartegen geen bezwaar; het bezwaar kan dus niet gezegd worden de grenzen van Ned.-Indië te overschrijden. (1)
Komen wij na deze uitweiding terug op de vraag of iemand ter zake van een gemengd huwelijk) zonder zich te hebben onderworpen, onderworpen kan zijn aan Europeesch recht, dan is dus het antwoord: ja, 1° voorzoover betreft den vorm, waarin het huwelijk is gesloten en al wat daarvan afhankelijk is, en 2° voorzoover betreft het tijdperk, dat onder de heerschappij van het Europeesche recht (in Nederland of elders) is doorgebracht, metal de direkte gevolgen der in dat tijdperk vallende handelingen. (2)
(1) Mr. Abendanon, Publ. en priv. rechtl. verhoudingen enz., Ind. Wbl. v. h. R. No. 1397 (blz. 53, 2e kolom), acht ook bij gemengde huwelijken in Nederland opvolging van art. 15 Ov. bep. onnoodig en onmogelijk.
(2) Mr. Abendanon t. a. p. gaat verder en meent, dat ipso jure het huwelijk, ook na terugkomst in Indië, door het Europeesche recht wordt beheerscht en de Inlandsche echtgenoot daardoor wettig strafbaar zal zijn wegens polygamie. ■ Hoe wenschelijk dit ook zou zijn, durf ik mij toch niet bij deze gevolgtrekking aan te sluiten. Waar noch de wet, noch de wilsuiting der partijen daaromtrent iets doet vaststaan, meen ik geert andere dan de onvermijdelijke gevolgen aan een daad te mogen verbinden.
— 315 —
Na terugkeer in Nederlandsch-Indië echter is de Inlandsche echtgenoot overigens weer onderworpen aan het recht, dat art. 75 al. 3 R. R. hem aanwijst.
Dit is voorzeker een groot bezwaar, maar geen argument tegen de hier verdedigde uitlegging. Het is een gevolg van het, bij de invoering, in onze wetgeving nog even inlasschen van een overgangsbepaling, die onvoldoende in haar gevolgen was overwogen en geen behoorlijk verband hield met ons rechts-systeeni. Het bezwaar mag te minder aanleiding geven om de wet irrationeel uit te leggen, omdat het zonder dat gemakkelijk te verhelpen is. Immers art. 75 al. 2 R. R. geeft den Goeverneur-Generaal volkomen vrijheid om te bepalen:
„De Europeesche bepalingen betrekkelijk het burgerlijk en handelsrecht zijn zonder uitzondering toepasselijk op de Inlanders of met dezen gelijkgestelde personen, die buiten Kederlandsch-Indië wettig gehuwd zijn met tot de Europeanen behoorende of met dezen gelijkgestelde personenquot;.
Door zulk een bepaling zou elk bezwaar zijn weggenomen, behalve natuurlijk de bezwaren, die voortvloeien uit het in art. 15 Ov. bep. gehuldigde stelsel, dat de vrouw niet per se den staat des mans volgt, waarover ik reeds elders sprak (zie voren, Quasi-nationaliteit, blz. 220 e. v.).
De zakenrechtelijke-Europeanen.
Terwijl de Huwelijks-Europeanen privaatrechtelijk geheel met Europeanen overeenkomen, is ditzelfde wel in het algemeen — vandaar dat zij niet gelegenheids-Europeanen kunnen worden genoemd — het geval, maar toch behoudens zeer be-langrijke uitzonderingen, bij de groep van Inlanders of daarmee gehjkgestelden, die thans moet worden besproken.
De bedoelde uitzonderingen betreffen allen het recht, dat met de familie in verband staat, zoodat zjj alleen gelijkstaan met Europeanen, wat het overige recht betreft, dat ik kortheidshalve zakenrecht noem. Dit moge een minder zuivere benaming zijn, hier kan zij tot geen verwarring aanleiding geven, terwijl de aard van hun rechtstoestand en de tegen-
— 316 —
stelling met de andere groepen er voldoende door wordt gekarakteriseerd.
Men zou deze groep kunnen noemen die der Vreemde Oosterlingen (een naam die evenwel hun onderwerping aan het Europeesch privaatrecht niet doet uitkomen), ware het niet dat de zoogenaamde Vreemde Oosterlingen slechts in een deel van den jST. I. archipel aan het Europeesch privaatrecht (behoudens uitzonderingen) zijn onderworpen, eu dat bovendien deze onderwerping — hoewel niet overal—wordt gedeeld door sommige eigenlijke Inlanders, die dan in zeer oneigenlijken zin door de wet worden gelijkgesteld met de aan hen (n.1. aan Inlanders) gelijkgestelden.
Reeds werd het een en ander over hen meegedeeld in een vorige verhandeling (1), waarnaar hier moge worden verwezen, om vervolgens over hun privaatrechtelijken toestand nog het een en ander op te merken, dat strekken kan om te doen uitkomen hoezeer de benaming tceifelldassen op deze groep van ingezetenen toepasselijk is.
Zooals wij zagen, werden bij Stbl. 1855 No. 79 op de hier bedoelde personen voor zooveel Java en Madoera betreft de Europeesche wetboeken, behoudens uitzonderingen, toepasselijk verklaard en geschiedde hetzelfde later voor sommige buitenbezittingen mot enkele afwijkingen van de in liet eerste Staatsblad afgekondigde bepalingen.
Al dadelijk moet het opvallen, dat de beperking dor toe-passelijkverklaring tot Java, Madoera en een deel der buitenbezittingen tot moeilijkheden moet leiden. Een Chinees, wonende te Pontianak, gaat even voor zaken naar Batavia, waar hij slechts enkele dagen vertoeft om vervolgens terug te keereu. Is hij gedurende die dagen aan de in Stbl. 1855 No. 79 aangegeven Europeesche wetsbepalingen onderworpen, terwijl hij het overigens in Borneo niet was? Is hij het, wanneer hij te Pontianak blijft, maar door een ander te Batavia een overeenkomst sluit ?
Geheel te vermijden waren zulke moeilijkheden zeker niet, zoolang er bezwaren zijn tegen gelijke toepasselijkverklaring der Europeesche wetgeving op de Vreemde Oosterlingen in
(1) Zie liiervoren blz. 53 e.v. (W. en A. No 1).
- 317 -
alle buitenbezittingen, maar tie bewoordingen der wet en de verscheidenheid van definities van het begrip „Vreemde Oosterlingquot; hebben deze moeilijkheden nog vermeerderd.
„Op de Vreemde Oosterlingen zijn toepasselijkquot; enz., bepaalt art. 1, en art. 2 (aan het slot) zegt: „bovenstaande bepalingen
zijn..... alleen toepasselijk voor de eilanden Java en Ma-
doeraquot;. Er is dus volgens Stbl. 1855 iSTo. 79 tweeërlei toe-passelijk-verklaring; voor de personen en voor do plaatsen; maar een behoorlijk verband tusschen die twee is niet vastgesteld. Smelt men de beide artikelen samen dan verkrijgt men :
„Op do Vreemde Oosterlingen op Java en Madoera zijn toepasselijkquot; enz. en nog blijft dan deze twijfel bestaan: Zijn de vreemde Oosterlingen op Java en Madoera zij, die daar wonen, of ook zij, die daar tijdelijk — soms zeer voorbjjgnand— toeven? Het ligt voor de hand art. 9 te hulp te roepen, dat bepaalt: „onder Vreemde Oosterlingen worden, ter plaatse van hun oponthoud, gerangschikt alle Inlandersquot; enz.: maar het komt mij twjjfelachtig voor of analogische redeneering hier geoorloofd zou zijn. Bovendien is men het over de betee-kenis van het woord „oponthoudquot; hier ook weer niet eens. Wordt er mee bedoeld de plaats, waar zij zich ophouden, hetgeen op een minder toevallig en tijdelijk verblijf duiden zou, of de plaats, waar zij oponthoud ondervinden? Uit laatste zou weer op iets zeer tijdelijks duiden, maar het is niet aan te nemen dat uitsluitend degenen, die tijdelijk of toevallig ergens vertoeven wel, en die er vast verblijven niet onder de vreemde Oosterlingen moeten worden gerangschikt.
Hoewel geneigd aan te nemen, dat de toepasselijkheid op den Vreemden Oosterling intreedt, zoodra hij in liet gebied vertoeft, waarvoor zij is afgekondigd, geef ik dus toe, dat voor een andere opvatting veel te zeggen is. In elk geval za-m.i. een feitelijk vertoeven noodig zijn en het dus niet voldoende zijn dat do gemachtigde, door wien een handeling plaats heeft, zich binnen den kring van toepasselijkheid bevindt.
De vraag kan ook worden omgekeerd en is dan van evenveel belang. Wanneer een te Batavia wonende Chinees tijdelijk te Pontianak vertoeft, is dan de Europcesche wetgeving niet
— 318 —
meer op hem toepasselijk ? De beantwoording houdt onvermijdelijk: verband met die der vorige vraag en kan dus niet in anderen zin beantwoord worden. Is een Chinees van Pontianak, te Batavia doortrekkende, dientengevolge aan het Europeesche-, dan is een Chinees van Batavia, te Pontianak vertoevende, daar ook aan het aldaar voor de Chineezen geldend recht (hun godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken) onderworpen en niet aan het Europeesche recht.
De wetenschap van het quasi-internationaal-privaatrecht zal ook hier dikwijls te baat moeten worden genomen, al zal zij niet steeds in staat zijn een oplossing aan de hand te doen, die aannemelijk en tevens niet in strijd is met het positieve recht. Althans waar het den persoonlijken staat betreft, is het niet aan te nemen, dat eeu tijdelijk verblijf buiten de woonplaats daarin verandering zou kunnen brengen, hoewel dit anders uit een letterlijke uitlegging der wet zou volgen.
In art. 1 van Stbl. 1855 n0. 79 worden op de vreemde Oosterlingen o. a. toepasselijk verklaard (sub I) het Burgerlijk Wetboek, (sub II) dat van Koophandel, (sub IV) de Overgangsbepalingen en (sub V) die omtrent den staat van kennelijk onvermogen, met uitzondering van al hetgeen betrekking heeft tot de in dat artikel onder a tot en met o vermelde onderwerpen. Bij elk dier onde rwerpen zijn de titel of titels van het Burgerlijk Wetboek, waarin zij behandeld zijn, aangegeven, zoodat men geneigd zou zijn aan te nemen, dat het Burgerlijk Wetboek toepasselijk is met uitzondering van de uitdrukkelijk genoemde titels, voorzoover ze betrekking hebben op de gemelde onderwerpen. Nu spreekt het echter van zelf, dat de titels \\an één Wetboek niet altijd deelen der wetgeving zijn, die elk opzichzelf staan en uitgelicht kunnen worden zonder den samenhang van het geheel te verbreken. Het was dus te voorzien, dat hieruit wel eens kwesties zouden ontstaan, die do rechter zou geroepen worden naar de bedoeling der wet en naar de eischen van het noodzakelijk verband der zaken op te lossen.
Werd daardoor, tengevolge van de veranderlijkheid der
— 319 —
jurisprudentie, de rechtszekerheid in deze opzichten reeds bedreigd, nog erger werd het toen hier en daar de bedoeling tot richtsnoer werd genomen, hoewel het zwijgen van den wetgever of de onduidelijkheid zijner bepalingen daartoe geen aanleiding gaven. (1)
Zoo is, wat het erfrecht betreft, alleen de XIIe titel van het Tweede Boek (erfopvolging by versterf) uitgezonderd van de toepasselijk verklaring en niet de XIIP titel („Van uiterste willenquot;), waarvan de 3e afdeeling handelt over de legitieme portie. Hoewel het nu al heel onwaarschijnlijk is, dat deze geheele afdeeling door den wetgever over het hoofd gezien en bij vergissing niet uitgezonderd werd, hoewel zij in elk geval uitdrukkelijk toepasselijk was verklaard, werd in sommige beslissingen aangenomen, dat zij toch niet toepasselijk is op \\reemde Oosterlingen van wege haar verband met den wel uitgezonderden XIIen titel. Werd deze afwijking van de woorden der wet door eenige noodzakelijkheid, door het verband tus-schen de legitieme portie en de erfopvolging bij versterf gerechtvaardigd? Dit zou het geval zijn, wanneer geen legitieme portie denkbaar was dau bij een erfopvolging bij versterf\', zooals ons Burgerlijk Wetboek die vaststelt; maar de lezing van artt. 918 e. v. H. W. zal dadelijk overtuigen, dat dit niet het geval is en dat die bepalingen op elk erfrecht ab intestato kunnen worden toegepast.
Voorts zouden de legitieme portie haar beteekenis verliezen en het daarop betrekking hebbend Europeesch recht alle toepasselijkheid missen, wanneer de Chiaeezen geen erfopvolging bij versterf kenden; maar ware dit het geval dan zouden er zich natuurlijk nooit processen voordoen over het als legitieme portie toekomend deel van een (niet bestaande) erfportie ab intestato.
(1) In deze gevallen zou men integendeel moeten neigen tot het toepasselijk achten van elke bepaling, waarvan niet blijkt dat zij niet toepasselijk is verklaard; want dit ligt in den rieesf van Stbl. 1855, dat als regel stelt toepasselijkheid en dit ook bedoelde; evenzoo is naar den vorm de niet toepasselijkheid volgens dat Staatsblad een uitzondering. Zoolang nu het bestaan eener uitzondering niet boven twijfel staat, zal men zich moeten houden aan den regel.
— 320 —
Eeu ander voorbeeld deed zich voor bij de kwestie of ten gevolge van het (sinds vervallen) art. 436 B. W., dat op Vreemde Oosterlingen toepasselijk was verklaard, dezen gelijk Inlanders, dan wel gelijk Europeanen moesten worden behandeld ingeval van krankzinnigheid. Ook hier werd wel eens beslist, dat artikelen van het Burgerlijk Wetboek, die toepasselijk zijn verhlaard, evenwel niet toepasselijk sijii op Vreemde Oosterlingen (Zie hiervoren blz. 286 en 287, en in\'t bizonder de noot op bl. 21 der Kleinere-Bijdragen, iu W. en A. Ie stuk).
Behalve de op hen toepasselijk verklaarde Europeesche wetgeving gelden overigens voor do Zakenrechtelijke Europeanen l i hoofdzaak hun godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken, zooals in art. 75 E. E. reeds was bepaald en in an. 10 van Stbl. 1855 N0. 79 ten overvloede nog wordt vastgesteld. vIn hoof dzaal:?\\ zeg ik, want de wet maakt een uitzondering, wanneer deze adat in strijd is met algemeen erkende beginselen van billjjkheid en rechtvaardigheid; bovendien worden zij voor een deel beliecrscht door andere voor hen „bestaande verordeningenquot; en — wat art. 10 vei\'geet te zeggen — door de in hetzelfde Staatsblad 1855 No. 79 (artt. 2—6) vastgestelde bepalingen (o. a. over gemeenschap van goederen bij huwelijk), die ook niet behooren tot de Europeesche wetgoving(l). Ziedaar het recept voor het recht dezer groep van ingezetenen: een recept, niet zoo eenvoudig of men kan zich er wel eens mee vergissen of in twijfel geraken omtrent do verhouding der verschillende ingredienten.
Over de vele vragen, die zich hierdoor voordoen, zal ik thans niet verder spreken. Voor do groote meerderheid der Zakenrechte! ij ke Europeanen is een nieuwe wetgeving ontworpen, die in Wet en Adat afzonderlijk zal worden besproken.
(1) Daar artt. \'2—6 van Stbl. 1855 No. 79 niet behooren tot cle Euro-peesche wetgeving en dus niet als zoodanig zijn toepasselijk verklaard op de Vr. O., zijn dezen bij rechtsvorderingen, gegrond óp deze artt. 2 — 0, ook niet onderworpen aan de rechtsmacht der Europeesche rechtbanken.
— 321 —
Wordt zij gewijzigd of ongewijzigd afgekondigd, dan blijft een nadere bespreking van Stbl. 1855 N0. 79 nog altijd van belang voor de overige aan de toepasseljjkverklarmg der Euro-peesche wetgeving onderhevige Vreemde Oosterlingen. Ook zou hier een bespreking op haar plaats zijn van het eigenaardige, dat in het procesrecht door de weifelklassen wordt in liet leven geroepen. Dit alles lag dan ook wel in het plan, maar het zou niet passen den eersten jaargang van „AVet en Adatquot; af te sluiten met een onvoltooide verhandeling. Het is daarom noodzakelijk het plan te bekorten om nog in dit stuk de bespreking der verschillende klassen dor bevolking van JSTederlandsch-Indië ten einde te brengen.
Wat dientengevolge moet worden uitgesteld zal in den volgenden jaargang een plaats kunnen vinden. (1)
ZESDE AFDEELING.
DE INLANDSCHE CHRISTENENquot;.
De Inlanders, die den Christelijken godsdienst belijden, vormen een klasse der bevolking, die — hoewel tot do hoofdklasse dei-Inlanders behoorende — een afzonderlijke vermelding en bespreking verdient.
Vroeger in theorie gelijkstaande met Europeanen, zijn zij sinds het huidige Regeeringsreglement in niets van andere Inlanders onderscheiden, dan dat do 4° alinea van art. 10!) R. R. ten overvloede nog eens zegt, dat zij onderworpen blijven aan het gezag der Inlandsche hoofden en met opzicht tot rechten, lasten en verplichtingen, aan dezelfde algémeene, gewestelijke
(l) Hier moge plaats vinden een opmerking, die door een verzuim niet is vooropgesteld bij do bespreking der vrijwillige onderwerping aan de Europeeselie wetgeving. Ik heb mij n. 1. bij de bespreking van dit onderwerp bepaald tot hot aanhalen en uitleggen van art. 11 en 13 A. B. en wel op dezen grond: Be vrijw. onderw. bestond reeds vóór het vaststellen van het tegenwoordig Reg. Regl.; dit heeft dieniet ingesteld ol geregeld, maar alleen het voortbestaan daarvan erkend door den 2en tussebenzin van art. 75 al. 3 R. R. liet onderwerp bleef dus geregeld en beheerseht door artt. 11 en 13 A. B., dia door het Reg. Regl. in dit opzicht noch afgeschaft, noch gederogeerd werden.
— 322 —
en gemeentelijke verordeningen en instellingen, als de Inlanders die het Christendom niet belijden. Toch moet men niet hieruit opmaken, dat zij ook ten opzichte van het niet dooiden wetgever voor Inlanders geregelde deel van het recht geen eigen recht kunnen hebben. De bedoeling is eenvoudig, dat voor hen dezelfde algemeene regel geldt, als in art. 75 R. R. (al. 3) voor alle Inlanders is vastgesteld. Op hen zijn dus toepasselijk „de godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken der Inlandersquot; en daar deze niet overal en voor allen dezelfden zijn, beduidt dit niet dat zij aan een Inlandsch gewoonterecht, dat niet het hunne is, onderworpen zijn. Immers, hoewel men oppervlakkig zou meenen, dat althans een plaatselijke gelijkheid van recht moet zijn bedoeld, is dit geenszins het geval. De vreemde Oosterlingen zijn aan denzelfden regel van art. 75 al. 3 R. R. onderworpen, en hoewel voor hen evenmin als voor de Inlandsche Christenen daaromtrent iets speciaals bepaald is, wordt op hen ook niet toegepast de adat der plaatselijk inheemsche bevolking, maar hun (d. i. resp. de Chineesche, Arabische enz.1) adat. Er is dus geen reden om voor de Inlandsche Christenen een andere uitlegging aan de wet te geven (1). De vraag is slechts of een adat-scheppende groep bestaat, zoo ja — en van hen zal dit wel niet met „neenquot; worden beantwoord — dan hebben zij in den kring, waar die groep zich bevindt, recht op volledige — en elders op evenveel eerbiediging van hun eigen gewoonterecht als anderen, die zich bevinden buiten het territoir van hun recht.
1
Prof.mr. L. W. C. van den Berg, in zijn »Het Kruis tegenover de Halve Maanquot; (Gids, October 1890) is van meening, dat de uitdrukkelijk uitgesproken gelijkstelling met Inlanders, die het Christendom niet belijden (art. 109 R. R. al. 4) wel eenige aanleiding zou geven tot de konse-kwentie, hoe ongerijmd ook, dat men onder de godsdienstige wetten, volksinstellingen en gebruiken der Inl. Chr. zou moeten verstaan die der Mohammedaansche Inlanders. Naar mijn opvatting van alinea 4 van art. 109 R. R. (zie voren blz. 225 e. v. en 241 e. v.) zou voor zulk pen konsekwentie geen grond bestaan. Door gelijkstelling met andere Inlanders worden de Inl. Christenen evenals genen onderworpen aan R. R. 75 al. 3, dus aan hun eigen adat. — Gelukkig geeft de Hooggeleerde schrijver toe, dat het van zelf spreekt, dat het anders is.
— 323 —
Laat ons nu in de eerste plaats nagaan, wat de adat is der Inlandsche Christenen, n. 1. hetgeen art. 75 R. R. noemt hun „godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken.quot;
Na hetgeen in mijn opstel „Wet en Adatquot; hierover is gezegd (zie hiervoren blz. 20 e. v.), zou elk uitweiden hierover achterwege kunnen blijven, ware het niet dat — merkwaardig genoeg — ook waar het de Inlandsche Christenen betreft, zich weer hetzelfde principieele verschil voordoet tusschen Prof. Mr. L. W. C. van den Berg en mij (1). Het zij mij veroorloofd eenige regelen van het praeadvies van dezen geachten geleerde aan te halen uit de Randelinyen der N. I. Juristen-Vereeniginy (1887, I, blz. 53). Zij luiden:
„JSTu rijst de onoplosbare vraag: Wat zijn de godsdienstige wetten van Inlandsche Christenen? Daaronder dezelfde godsdienstige wetten te verstaan als de wetten der Inlanders of daarmede gelijkgestelden, is toch al te dwaas. Voor de Roomsch-Katholieke Inlandsche Christenen kan men m. i. moeilijk tot een ander besluit komen, dan dat het Kanonieke recht hunne godsdienstige wet is j maar voor Protestanten bestaan geen
(1) Op gevaar af, van onheuschheid te worden beschuldigd, moet ik toch even terugkomen op dit verschil, waaraan Prof. v. d. E. een uitvoerige noot wijdde in zijn ygt;Afwijkingen v. h. Moh. vermogensrecht op Java en Madoeraquot; (Bijdragen t. d. Taal-, Land- en Volkenkunde v. N. .1 , 6e volgreeks, 3e deel, le afl, \'s Hage 1897, blz. 83 en 84). Hoe dankbaar ook voor do welwillende beoordeeling van Z. H. Gel. en de goede wen-schen voor W. en A., daar uitgesproken, kan ik toch niet toegeven, dat het verschil tusschen zijn opvatting en de mijne minder groot is en in de praktijk tot geen noemenswaardige afwijkingen zou leiden. Onze gevoelens staan lijnrecht tegenover elkaar: wat hij regel (de broek) noemt noem ik uitzondering (de lap) en omgekeerd. Ik beschouw gewoonterecht als het recht van den Inlander en het Moh. recht als alleen geldend, wanneer het daarmee overeenstemt; hij beschouwt het Moh. recht als het recht, de afwijkingen door de adat als mitzonderingeu. die dus moeten bewezen worden (zou het aangaan op gelijke wijze te zeggen, dat het Fransche Code Civil in Nederland geldt, zoolang uitzonderingen daarop niet blijken ?). In de praktijk geeft die opvatting dit groote verschil, dat men gemakshalve zijn wijsheid put uit, en zijn beslissingen bouwt op v. d. B. \'s handboek over Moh. recht, zonder naar de adat te zoeken, waarover geen handboeken bestaan.
— 322 —
en gemeentelijke verordeningen en instellingen, als de Inlanders die het Christendom niet belijden. Toch moet men niet hieruit opmaken, dat zij ook ten opzichte van het niet door den wetgever voor Inlanders geregelde deel van het recht geen eigen recht kunnen hebben. De bedoeling is eenvoudig, dat voor hen dezelfde algemeene regel geldt, als in art. 75 R. R. (al. 3) voor alle Inlanders is vastgesteld. Op hen zijn dus toepasselijk „de godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken der Inlandersquot; en daar deze niet overal en voor allen dezelfden zijn, beduidt dit niet dat zij aan een Inlandsch gewoonterecht, dat niet het hunne is, onderworpen zijn. Immers, hoewel men oppervlakkig zou meenen, dat althans een plaatselijke gelijkheid van recht moet zijn bedoeld, is dit geenszins het geval. De vreemde Oosterlingen zijn aan denzelfden regel van art. 75 al. 3 R. R. onderworpen, en hoewel voor hen evenmin als voor de Inlandsche Christenen daaromtrent iets speciaals bepanld is, wordt op hen ook niet toegepast de adat der plaatselijk inheemsche bevolking, maar hun (d. i. resp. de Chineesche, Arabische enz.) adat. Er is dus geen reden om voor de Inlandsche Christenen een andere uitlegging aan de wet te geven (1). De vraag is slechts of een adat-scheppende groep bestaat, zoo ja — en van hen zal dit wel niet met „neenquot; worden beantwoord — dan hebben zij in den kring, waar die groep zich bevindt, recht op volledige — en elders op evenveel eerbiediging van hun eigen gewoonterecht als anderen, die zich bevinden buiten het territoir van hun recht.
(1) Prof.mr. L. W. C. van dkx Berg, in zijn »Het Kruis tegenover de Halve Maanquot; (Gids, October 1890) is van meening, dat de uitdrukkelijk uitgesproken gelijkstelling met Inlanders, die het Christendom niet belijden (art. 109 R. R. al. 4) wel eenige aanleiding zou geven tot de konse-kwentie, hoe ongerijmd ook, dat men onder de godsdienstige wetten, volksinstellingen en gebruiken der Inl. Chr. zou moeten verstaan die der Moharnniedaansche Inlanders. Kaar mijn opvatting van alinea 4 van art. 109 R. R. (zie voren blz. 225 e. v. en 241 e. v.) zou voor zulk ?en konsekwentie geen grond bestaan. Door gelijkstelling met andere Inlanders worden de Inl. Christenen evenals genen onderworpen aan R. R. 75 al. 3, dus aan hun eigen adat. — Gelukkig geeft de Hooggeleerde schrijver toe, dat het van zelf spreekt, dat het anders is.
— 323 —
Laat ons nu in de eerste plaats nagaan, wat de adat is der Inlandsche Christenen, n. 1. hetgeen art. 75 K. R. noemt hun „godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken.quot;
Na hetgeen in mijn opstel „ Wet en Adatquot; hierover is gezegd (zie hiervoren blz. 20 e. v.), zou elk uitweiden hierover achterwege kunnen blijven, ware het niet dat — merkwaardig genoeg — ook waar het de Inlandsche Christenen betreft, zich weer hetzelfde principieele verschil voordoet tusscheu Prof. Mr. L. W. C. vast den Berg en mij (1). Het zij mij veroorloofd eenige regelen van het praeadvies van dezen geachten geleerde aan te halen uit de Handelingen der N. I. Juristen-Vereeniginy (1S87, I, blz. 53). Zij luiden:
„Nu rijst de onoplosbare vraag: Wat zijn de godsdienstige wetten van Inlandsche Christenen? Daaronder dezelfde godsdienstige wetten te verstaan als de wetten der Inlanders of daarmede gelijkgestelden, is toch al te dwaas. Voor de Roomsch-Katholieke Inlandsche Christenen kan men m. i. moeilijk tot een ander besluit komen, dan dat het Kanonieke recht hunne godsdienstige wet is; maar voor Protestanten bestaan geen
(1) Op gevaar af, van onheusehheid te worden beschuldigd, moet ik toch even terugkomen op dit verschil, waaraan Prof. v. d. B. een uitvoerige noot wijdde in zijn \'■ Afwijkingen ». h, yioh. vermogensrecht op Java en Madoeraquot; (Bijdragen t. d. Taal-, Land- en Volkenkunde v. N. J, 6e volgreeks, 3e deel, le all., \'s Hage 1897, blz. 83 en 84). Hoe dankbaar ook voor do welwillende beoordeeling van Z. H. Gel. en de goede wen-schen voor W. en A., daar uitgesproken, kan ik toch niet toegeven, dat liet verschil tusschen zijn opvatting en de mijne minder groot is en in de praktijk tot geen noemenswaardige afwijkingen zou leiden. Onze gevoelens staan lijnrecht tegenover elkaar: wat hij regel (de broek) noemt noem ik uitzondering (de lap) en omgekeerd. Ik beschouw gewoonterecht als het recht van den Inlander en het Moh. recht als alleen meldend, quot;wanneer het daarmee overeenstemt: hij beschouwt het Moh. recht als het recht, de afwijkingen door de adat als mitzonderingeu, die dus moeten bewezen wordenquot; (zou het aangaan op gelijke wijze te zeggen, dat het Fransche Code Civil in Nederland geldt, zoolang uitzonderingen daarop niet blijken ?). In de praktijk geeft die opvatting dit groote verschil, dat men gemakshalve zijn wijsheid put uit. en zijn beslissingen bouwt op v. d. B. \'s handboek over Moh. recht, zonder naar de adat te zoeken, waarover geen handboeken bestaan.
— 322 —
en gemeentelijke verordeningen en instellingen, als de Inlanders die het Christendom niet belijden. Toch moet men niet hieruit opmaken, dat zij ook ten opzichte van het niet door den wetgever voor Inlanders geregelde deel van het recht geen eigen recht kunnen hebben. De bedoeling is eenvoudig, dat voor hen dezelfde algemeene regel geldt, als in art. 75 R. R. (al. 3) voor alle Inlanders is vastgesteld. Op hen zijn dus toepasselijk „de godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken der Inlandersquot; en daar deze niet overal en voor allen dezelfden zijn, beduidt dit niet dat zij aan een Inlandsch gewoonterecht, dat niet het hunne is, onderworpen zijn. Immers, hoewel men oppervlakkig zou meenen, dat althans een plaatselijke geljjkheid van recht moet zijn bedoeld, is dit geenszins het geval. De vreemde Oosterlingen zijn aan denzelfden regel van art. 75 al. 3 R. R. onderworpen, en hoewel voor hen evenmin als voor de Inlandsche Christenen daaromtrent iets speciaals bepaald is, wordt op hen ook niet toegepast de adat der plaatselijk inheemsche bevolking, maar hun (d. i. resp. de Chineesche, Arabische enz.\') adat. Er is dus geen reden om voor de Inlandsche Christenen een andere uitlegging aan de wet te geven (1). De vraag is slechts of een adat-scheppende groep bestaat, zoo ja — en van hen zal dit wel niet met „neenquot; worden beantwoord — dan hebben zij in den kring, waar die groep zich bevindt, recht op volledige — en elders op evenveel eerbiediging van hun eigen gewoonterecht als anderen, die zich bevinden buiten het territoir van hun recht.
(1) Prof.mr. L. W. C. van df.x Berg. in zijn »Het Kruis tegenover de Halve Maanquot; (Gids, October 1890) is van meening, dat de uitdrukkelijk uitgesproken gelijkstelling met Inlanders, die het Christendom niet belijden (art. 109 R. R. al. 4) wel eenige aanleiding zou geven tot de konse-kwentie, hoe ongerijmd ook, dat men onder de godsdienstige wetten, volksinstellingen en gebruiken der Inl. Clir. zou moeten verstaan die der Mohammedaansehe Inlanders. Naar mijn opvatting van alinea 4 van art. 109 R. R. (zie voren blz. 225 e. v. en 241 e. v.) zou voor zulk een konsekwentie geen grond bestaan. Door gelijkstelling met andere Inlanders worden de Inl. Christenen evenals genen onderworpen aan R. R. 75 al. 3, dus aan hun eigen adat. — Gelukkig geeft de Hooggeleerde schrijver toe, dat het van zelf spreekt, dat het anders is.
— 323 —
Laat ons nu in de eerste plaats nagaan, wat de adat is der Inlandsche Christenen, n. 1. hetgeen art. 75 R. R. noemt hun ^godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken.quot;
Na hetgeen in mijn opstel „Wet en Adatquot; hierover is gezegd (zie hiervoren blz. 20 e. v.), zou elk uitweiden hierover achterwege kunnen blijven, ware het niet dat — merkwaardig genoeg — ook waar het de Inlandsche Christenen betreft, zich weer hetzelfde principieele verschil voordoet tussehen Prof. Mr. L. C. van den Bekg en mij (1). Het zij mij veroorloofd eenige regelen van het praeadvies van dezen geachten geleerde aan te halen uit de Handelingeyi der N. I. Juristen-Vereeniyiny (1887, I, blz. 53). Zij luiden:
„Nu rijst de onoplosbare vraag: quot;Wat zijn de godsdienstige wetten van Inlandsche Christenen? Daaronder dezelfde godsdienstige wetten te verstaan als de wetten der Inlanders of daarmede gehjkgestelden, is toch al te dwaas. Voor de Roomscli-Katholieke Inlandsche Christenen kan men m. i. moeilijk tot een ander besluit komen, dan dat het Kanonieke recht hunne godsdienstige wet is; maar voor Protestanten bestaan geen
(1) Op gevaar ai\', van onheusehheid te worden beschuldigd, moet ik toch even terugkomen op dit verschil, waaraan Prof. v. d. B. een uitvoerige noot wijdde in zijn »Afwijkingen v. h. Moh. vermogensrecht op Java en Madoeraquot; (Bijdragen t. d. Taal-, Land- en Volkenkunde v. N. .) , 6e volgreeks, 3e deel. Ie afl., \'s Hage 1897, blz. 83 en 84). Hoe dankbaar ook voor do welwillende beoordeeling van Z. H. Gel. en de goede wen-schen voor W. en A., daar uitgesproken, kan ik toch niet toegeven, dat het verschil tussehen zijn opvatting en de mijne minder groot is en in de praktijk tot geen noemenswaardige afwijkingen zou leiden. Onze gevoelens staan lijnrecht tegenover elkaar: wat hij regel (de broek) noemt noem ik uitzondering (de lap) en omgekeerd. Ik beschouw gewoonterecht als het recht van den Inlander en liet Moh. recht als alleen geldend, wanneer het daarmee overeenstemt; hij beschouwt het Moh. recht als het recht, de afwijkingen door de adat als »uitzondering en. die dus moeten bewezen wordenquot; (zou het aangaan op gelijke wijze te zeggen, dat het Fransche Code Civil in Nederland geldt, zoolang uitzonderingen daarop niet blijken ?). In de praktijk geeft die opvatting dit groote verschil, dat men gemakshalve zijn wijsheid put uit, en zijn beslissingen bouwt op v. d. B. \'s handboek over Moh. recht, zonder naar de adat te zoeken, waarover geen handboeken bestaan.
— 324 —
godsdienstige wetten, die op het burgerlijk en handelsrecht slechts van verre betrekking hebben. Men is dus, om te weten wat te hunnen aanzien recht is, tot de „volksinstellingen en gebruikenquot; beperkt, d. w. z. tot het Ond-Hollandsche en Ro-meinsche recht, zooals het in hun midden hij traditie in 1855 werd opgevolgd. Sapienti sat /quot;
Na hetgeen door mij (zie hiervoren blz. 35 tot 41 en 63 tot 70) tegen de konstruktie door dezen auteur van het recht der Inlanders is aangevoerd, moet ik toch nog iets zeggen om te trachten haar, waar zij (mutatis mutandis) door hem wordt toegepast op de Christelijke groepen dier bevolking, te des-trueeren.
Hoezeer Verschilt Mr. v. u. B. in deze met de opvattingen der muzelmannen, in wier denken en wezen hij zoo diep is doorgedrongen. Terwijl „alle klassen der moslimsche maatschappij jegens de volmaakte goddelijke wet (eenige aangelegenheden uitgezonderd) evenveel theoretischen eerbied als praktische onverscliilligheid aan den dag leggenquot; (1) en daarvoor dan in de praktijk hun gewoonten in de plaats stellen; is het bij onzen landsman juist omgekeerd: de theoretische eerbied geldt bjj hem juist het gewoonterecht, waaraan echter praktische onverschilligheid — althans achterstelling bij het geschreven en gesystematiseerde recht — niet wordt gespaard. Dit gaat ten opzichte van de Inlandsche Christenen zóó ver, dat zelfs de theoretische eerbied zeer betwijfelbaar wordt, wanneer men in zijn essai ,, Het Kruis tegenover de Halve Maanquot; leest; „Daar nu de Inlandsche Christenen over het algemeen behooren tot eene klasse van lieden, die overal ter wereld in burgerlijke en handelszaken öf een zeer onbestemd, of in het geheel geen rechtsbewustzijn hebben, zoo komt dit feitelijk neer op geen rechtquot; (2).
Wanneer men verwacht, dat de burgerlijke en handelswetboeken, kant en klaar, in titels en artikelen opgesteld, uit de hersens der menigte opgroeien, dan missen de Inlandsche
(1) Di\'. C. Sxougk HurgronjE, de Atjehers, Deel II. blz. \'iOH.
(2) Gids, Oktober 1890, blz. 96.
— 325 —
Christenen voorzeker elk aan zulk oen verwachting getoetst rechtsbewustzijn; maar voldeden zelfs de Romeinen, onder wie het de wereld beheerschende Romeinsche recht ontstond, aan zulke eischen? Legt mcu daarentegen deu Inlandschen Christenen een billijkeren maatstaf aan, dan is het niet aan te nomen, dat deze ordelievende groepen er geen of slechts een onbestemd rechtsbewustzijn opnahouden zouden.
Het is in het algemeen een gebrek van de beoefenaars dei-rechtswetenschap in onzen tijd, dat zjj het zonder geschreven wetten en rechtsboeken niet kunnen stellen. Al is men zich bewust zelf niot vrij daarvan te zijn, dan heeft men toch het recht daartegen op te komen en de plicht naar verbetering te streven. Laat ons bij het zoeken naar het gewoonterecht van minder ontwikkelde volken, toch niet uitgaan op ontdekking van door hen gemaakte rechtssystemen, konstrukties en der-gelijken. Maar helaas, dit valt ons zwaar en waar wij niets van dien aard ontdekken, daar grijpen wij—gelijk een drenkeling naar een balk — naar iets geschrevens, als \'t niet anders kan naar het oud-Hollandsche of het Romeinsche recht, desnoods naar het Kanonieke, om met behulp daarvan het recht te „konstrueerenquot; van. ... do Inlandsche Christenen!
De lezer vergeve mij deze verzuchting. Ik wil thans trachten met betere argumenten deze drie soorten van uitheemsch recht uit het recept voor inheemsch gewoonterecht te bannen. Vooreerst dan het kanonieke recht, dat voor den katholieken inlander de plaats zou moeten vervullen, die voor de Mo-hammedaansche Inlanders aan den Islam is toegekend. Ik weet niet of er onder de kanonieke autoriteiten ook SinoesPs zijn, die een fiktie hebben uitgevonden, waardoor iemand door een katholieke geloofsformule uitte spreken op het onverwachtst in een kanoniekrechtelijken klem geraakt, gelijk men door eenige onverstane Arabische woorden na te prevelen, die „virtueel de geheele geloofsleer bevattenquot;, zich onvoorwaardelijk in de macht van „Koran en Sonnahquot; zou geven (1).
Maar wel ben ik overtuigd, dat de bekeerlingen op zulk
(1) Zip de hiervoren (1° stuk) blz. 37. aangehaalde redeneering.
— 326 —
een klem niet verdacht zijn en hier dus van een desbewusten en vrijwilligen overgang tot het kanonieke recht geen sprake kan zijn. Wanneer de bedoeling van den wetgever is geweest het op den volkswil en de volksbehoeften rustende gewoonterecht te eerbiedigen, dan kan hij dus nooit met de uitdrukking „godsdienstige wettenquot; hebben bedoeld het kanonieke recht.
Dit bevat wel wetten, maar wetten van Rome; in N.-Indië nooit, vóór of na 1855, afgekondigd, zijn ze daar dus geen wetten, zelfs niet voor de Inlandsche Katholieken. Eerst als dezen ze in hun rechtsbewustzijn en hun rechtsgewoonten hadden opgenomen, zouden ze hierdoor voor hen wet — althans recht — worden. Zóó alleen kan „godsdienstige wettenquot; bedoeld zijn door den wetgever van 1855, die noch van het Mohammedaansche, noch van het Roomsche standpunt, en dus ook niet van de mogelijkheid uitging, dat een centraal kerkelijk gezag in wereldsche aangelegenheden zou ingrijpen, toen hij die uitdrukking bezigde, maar doelde op recht, dat door den volkswil op godsdienstige basis werd opgebouwd.
Het is mogelijk, dat anderen zich de zaak niet zoo voorstellen en meenen, dat de wetgever de uitgezette theokratische klemmen tot wettige heeft willen verheffen; maar dan zal men moeten toegeven, dat het minder juist is het bestaan van godsdienstige wetten alleen bij de Katholieken aan te nemen. Komen in den bijbel der Protestanten — het woord Gods — niet even goed wetten voor en andere voorschriften? Zijn op deze niet de theorie der „Souvereiniteit Godsquot; (zie de dissertatie van Mr. Fabius) en vele andere, ook privaatrechtelijke, theorieën gebouwd ? quot;Waarom zouden deze Calvinistische en andere godsdienstige rechtstheorieën niet evengoed „godsdienstige wettenquot; mogen heeten als die der Ganonici en der Mohammedaansche rechtsgeleerden ? Bovendien zou de door mij bestreden opvatting in strijd zijn met art. 1!9 R.R., dat aan ieder vergunt „zijn godsdienstige meeningen met volkomen vrijheid te belijdenquot;; want zij zou den Inlandschen katholiek dwingen zijn geloof uitte strekken tot de verbindendhëid der kanonieke wetten, terwijl het een ieder vrijstaat zijn godsdienst op te vatten, zooals hij wil, en
— 327 —
dus daarvan te verwerpen, wat hem niet aannemelijk voorkomt. (1^
Het Oud-Hollandsche en het Romeinsche recht kunnen zich niet veel meer dan het Kanonieke doen gelden. Hun wette-lijk gezag werd hij art. 1 der Overgangsbepalingen in 1848 atgeschalt, zoodat slechts voor die Inlandsche Christenen, welke ingevolge art. 3 üv. bep. feitelijk niet mét Europeanen werden gelijkgesteld, hun gezag — niet wettelijk, maar alleen doordat zij adat der bevolking waren geworden — kan hebben voortgeduurd. De overige toenmalige Inlandsche Christenen en de Inlanders, die elders eerst later Christen werden, zijn nooit aan dat afgeschafte recht onderworpen geweest en er bestaat geen reden om te veronderstellen, dat zij uit zichzelven het hun onbekende Oud-Hollandsche of Romeinsche recht tot het hunne hebben geproklameerd. De beteekenis dezer oude rechtsbronnen is dus voor een groot deel der Inlandsche Christenheid geene, terwijl zij voor de overigen slechts voor historische uitlegging belang heeft, of althans zou kunnen hebben, wanneer de bestaande adat zich werkelijk uit die bronnen had ontwikkeld. Nemen wij echter in aanmerking, dat bij deze Inlanders in vroegeren tijd het christendom niet veel meer dan een vernisje was, dat zij wel in theorie met Europeanen gelijkstonden, maar in de praktijk vrijwel hun oude gewoonten — voorzoover het afzweren van den vroegeren godsdienst deze niet onmogelijk maakte — bleven volgen, dan behoeven wij ons niet veel voor te stellen van het nut der
(1) Ik moet hier aanteekenen, dat mr. v. d. B. in zijn voormeld prae-advies (blz. 53) nog zeide: »Is de Inlandsche partij Roomseh-Katholiek, dan wordt de rol van dit laatste geheel in het onzekere liggende recht (n. 1. van de volksinstellingen en gebruiken) vervuld door het kanonieke\'\' en dus het gezag hiervan niet betwijfelde, maar in de Gids t. a. p. blz. 94 daarvan eenigszins terugkomt, door te erkennen ; „het kan toch wel niet de bedoeling zijn geweest dat recht (n.1. het Kanonieke), zij het alleen ten civiele, implicite toepasselijk te verklarenquot;. Ziedaar juist, wat ik beweerd en betoogd heb. Daar voor de Mohammedaansche „godsdienstige wettenquot; precies hetzelfde opgaat als voor de Katholieke-, ondermijnt Mr. v. d. B. door deze concessie zijn gansche konstruktie van het recht dei- Mohammedaansche Inlanders.
W. en A. Bev. 17. 35
— 328 —
komiis van het Oud-Hollandsche of het Romeinsche Recht voor dc bestiideerin» der Christelijke Inlandsche adat. Deze verouderde elementen kunnen gerust bij de studie dier adat verwaarloosd worden en behoorden dus niet in de omschrijving te zijn opgenomen; maar bovendien is die omschrijving m. i. onjuist 1° omdat zij het voorstelt alsof de wet de traditie van 1855 had vastgelegd, zoodat alle verdere ontwikkeling van de groeiende en zich vernieuwende adat was uitgesloten, en 2° omdat niet alleen het door traditie bekende Oud-Hollandsche en Romeinsche recht, maar „de instellingen en gebruikenquot; in het algemeen in art. 75 R. R. zijn gosanktioneerd, en deze niet altijd uit gemelde bronnen afkomstig behoefden te zijn. Integendeel, wanneer mende godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken gaat gadeslaan, zooals zjj onder het Inlandscb Christenvolk voortleven, dan zal men daar alles eer onder aantreffen, dan wat in dc gewraakte omschrijving als éénig bestanddeel wordt aangegeven.
Wat de adat der Inlandsche Christenen is, valt moeilijk voor hen allen gelijkelijk en met enkele woorden te zeggen. Wanneer zij werkelijk een recht is, „waarvan niemand weet, waaruit liet bestaatquot; (1), dan zal dit wel grootendoels hieraan liggen, dat „Iemandquot; daar geen plaatselijke studie van maakte, maar uit een paar wets-artikelen ,en andere buitenlandsche bronnen het antwoord op die vraag wilde putten. Hierbij moet ik terloops wijzen op een m. i. eveneens onjuist kriterium, dat blijkbaar wordt aangenomen wanneer men vraagt naar „oude herkomstenquot; (2) eu de minnelijke schikkingen, waardoor de rechtsverhoudingen tot dusverre werden geregeld, niet als uitingen van rechtsbewustzijn, niet als loardende adat aanmerkt.
(1) Gids. Oktober 1890 1.1/. üö.
vquot;2) Gids. t. a p. blü. 94: «In do binnenlanden van Java zijn de Inlandsche Cliristengemeenten lioogstens een halve eeuw oud, en van oude lierkomsten is dus hij de leden daarvan geen sprake, ook omdat in die gemeenten tot dus verre alle onderlinge verhoudingen naar het subjectieve gevoel van billijkheid, vooral van de Enropeesche leiders werden geregeldquot;.
— 329 —
Vau „oude herkomstenquot; wordt gesproken in art. 78 al. 2 R. R. (art. 3 R. O.), dat een ander onderwerp regelt, maar niet in art. 75 al. 3 R. R. (art. 11 A. B.), dat hier maatgevend is. Daargelaten of een gebruik meer dan een halve eeuw moet bestaan om oud te lieeten, verbindt art. 75 al. 3 R. R. aan de toepasselijkheid der „godsdienstige wetten, instellingen en gebruikenquot; geenszins de voorwaarde, dat zij oud zijn; integendeel: het ligt in den aard dor zaak, dat zij de nieuwste, actueelste, die zich het gezag verwierven, moeten zijn, willen zij gelden.
Wat nu de minnelijke schikkingen betreft, wanneer men deze als oorsprong van de adat wraakt, hoe stelt men zich dan voor, dat de adat is ontstaan? Hoe anders dan door schikking en Joor overreding, welke een veelhoofdige groep het goede deed inzien, dat in een haar voorgehouden subjektief gevoelen gelegen was. TJit de vergelijking en overweging der subjektieve gevoelens moest het objectieve ontstaan en het maakt niets uit of Europeesche leiders op dit ontstaan invloed uitoefenden: evenzoo eerbiedigt de wet de Mohammedaansche voorschriften tot recht verheffende adat, hoewel deze ook is ontstaan onder den invloed van vreemdelingen, die den Islam onder de Inlanders kwamen verbreiden.
De vraag is maar: is een rechtsopvatting, door wiens toedoen dan ook, opgenomen in het rechtsbewustzijn der groep? Zoo ja, dan moge dit blijken uit stemmingen, uit besluiten, of uit een geregeld gevolgde gedragslijn, in den rechtstrijd of daarbuiten gevolgd, — het is gelijkelijk adat!
Het kan, als de natuurlijke gang van zaken, a priori worden aangenomen, dat de Inlander bij het overgaan tot het Christendom niet heeft gebroken met zijn oude adat. Ook niet in den ouden tijd der O. I. Compagnie, toen hij wel is waar werd geacht ouder het Roomsch-Hollandsche recht te leven, maar de gebrekkige (en meer op handel en hongitochten ingerichte) bestuursmiddelen beletten aan deze tiktie de hand te houden. . Zijn adat kan echter, plotseling of geleidelijk, in meerdere of mindere mate, zich hebben gewijzigd door verschillende
— 830 —
invloeden, waaronder de door hem omhelsde godsdienst en de aanraking met Europeanen zeker van de voornaamsten zullen zijn geweest.
Hoezeer het negeeren dier adat is af te keuren, valt het niet te ontkennen: 1°. dat rechtspreken naar deze, met het oog op het boven (blz. 325) door mij bedoeld gebrek van onze juristen zeer moeilijk is en 2°. dat rechtspraak naar de adat ook om andere redenen bezwaren oplevert, speciaal bij de lulandsche Christenen, al was het maar om de plaatselijke verscheidenheid, die onzekerheid doet ontstaan wanneer liet onderling verkeer toeneemt.
Het spreekt van zelf, dat het in zich opnemen der Christelijke ideeën, naarmate dit minder een loutere formaliteit is, een des te grooter omkeer moet te weeg brengen in de aanschouwingen der bevolking, ook op het gebied van het recht. Toch zal een volk niet plotseling zijn overgeërfde begrippen laten varen. Er zal dus een soort gistingsproces ontstaan, een werking en wederwerking. De wetgever kan. dit proces bespoedigen door een handje te helpen en ik ben met velen van oordeel, dat de tijden daarvoor rijp zijn, wanneer de wetgever met beleid te werk gaat. Evenwel is het niet te verwachten en — bij de, naar ik geloof, nog onvoldoende voorbereiding — ook niet te hopen, dat binnen zeer korten tijd daartoe stappen van uitgebreide beteekenis zullen worden gedaan. In afwachting is het dus nog wel de moeite waard aan de rechtspraak over Inlandsche Christenen met behulp der tegenwoordige regeling eenige aandacht te wijden.
Waar de adat, met inachtneming van hetgeen ik voren (zie quot;VV. en A. le stuk) op blz. 71 aangaf, den rechter inden steek laat, heeft hij tot richtsnoer te nemen de „algemeene beginselenquot; van ons Europeesch recht. Voorts heef; hij rekening te houden met wat de wetgever reeds speciaal voor de Inlandsche Christenen heeft bepaald. Het laatste is niet veel en sluit niet altijd harmonisch aan bij de adat, toegegeven, en een rechtspraak naar algemeene beginselen heeft ook haar eigenaardige bezwaren, zeer zeker! Toch gaat het beweren te ver, dat zelfs met behulp van deze drie gegevens — adat, speciale
— 331 —
wetgeving en algemeene beginselen van Europeesch recht — het recht van deze groep der Inlandsche bevolking geheel in de lucht zou hangen en het treurig resultaat zou zijn : „rfcen rechtquot; !
De rechter moet recht vinden, des noods maken, en wanneer hij met goeden wil bezield is en niet door abstrakte wets-studie hierin wordt belemmerd, zal hij het vinden.
De adat is een onderwerp, dat men niet per verrekijker kan bespieden; maar om het mijne tot het goede doel bij te dragen, wil ik een volgenden keer eenige bladzijden wijden aan de twee andere elementen van het tegenwoordig privaatrecht der Inlandsche Christenen en hun verband tot de adat.
ZEVENDE AFDEELING. (1)
WAARHEEN?
Na liet lezen van de vorige afdeelingen dezer verhandeling en van de voorafgaande over „Wet en Adatquot; zal die vraag menigen lezer op de lippen komen.
Het is duidelijk, dat het tegenwoordig Regeeringsreglement reeds gebroken heeft, in zekere mate, met het ancien régime en dat wij in die richting moeten doorgaan of teruggaan. Stilstaan is onmogelijk en men kan zonder overdrijving beweren, dat het Regeeringsreglement reeds is verouderd, niet alleen omdat het tijd wordt de onduideljjkhedeu en andere technische gebreken, die in den loop der tijden aan het licht kwamen, weg te nemen, maar ook omdat de Indische maatschappij daaraan ontgroeid is.
Zoo in eenig opzicht, dan is dit zeker waar ten opzichte van de artikelen 75 en 109, die in nauw verband met elkander staan (2). De afscheidingen, die op onbeschreven beginselen berusten, dreigen hun reden van bestaan door feitelijke vermenging, hun steun in het zedelijk bewustzijn der natie
(1) Deze al\'deeling kan men beschouwen als een vervolg van hetgeen op blz. 10!) en 170 voorkomt en van het op blz. •194 (onderaan) afgebroken betoog.
(2) Ook van art. 78 R. R.. welks 2e alinea aan een behoorlijke rechts-bedeeling in den weg staat.
— 332 —
door veranderde aanschouwingen te verliezen. Ue opvattingen omtrent de bestemming van deze koloniën, omtrent de taak van den staat alhier, wijzigen zich uit de richting, die op verovering en baatzucht berust, naar die eener hoogere roeping, welke wij hier hebben te vervullen, on al zal menigeen in zijn hart en in partikuliere gesprekken nog de oude school aanhangen, in het publiek en waar hot de overweging der wetten betreft, zal niemand het nog wagen zijn gevoelen daarmee te motiveeren, maar alleen kunnen pleiten voor lang-zamen overgang om zijn tegenstreven te verklaren.
Hot zou dan ook—alle zedelijke overwegingen er nog buiten gehouden — niet mogelijk zijn den gang der zaken tegen te houden; men kan wel trachten het oude standpunt weer terug te winnen en zich daar staande te houden; maar het is niet mogelijk halverwege de helling stil te staan.
Waar verschillende rassen samenkomen, daar ligt vermenging in den aard der zaak en zelfs de vroegereeuwsche strenge bepalingen ziju niet bij machte geweest haar te verhoeden.
Xu moge de wet zeggen: er zijn Europeanen en er zijn
Inlanders,...... dit zal niet beletten, dat zich een bevolking
vormt van menschen, die noch Europeanen, noch Inlanders zijn: niet alleen uit de Oostersche vreemdelingen — welker toevloed wij kunnen weren en die wij kunnen noodzaken zich in het nationale element op te lossen — maar ook uit kinderen des lauds; eu waar de slagboomeu feitelijk gevallen zijn, hoewel de wet nog onderscheidt, zullen deze personen in steeds grootere mate toenemen en de aandacht van wetgever eu bestuurder vorderen.
Ik reken tot hen niet alleen de produkten van geslachfs-maar ook die van ideeën-vermenging. Behalve degenen, die uit samenleving van Europeanen en Oosterschen voortsproten en, soms ook zonder erkend te zijn, in hun voorkomen, karakter en gewoonten dien dualistischen aard gedurende tal van geslachten bewaren, beboeren dus daartoe de Inlanders of met dezen gelijkgostelden, die door hun opvoeding of door anderen invloed niet meer passen op de plaats, die hun in de Indische maatschappij wordt aangewezen: de Inlandsche
— 333 —
Christenen, de Inlanders van goede opvoeding of die door aanhoudend verkeer in een Europeesche omgeving zich niet neer thuis gevoelen in de primitief Inlandsche.
De wet weet hier een middel op : de gelijkstellingen, waardoor zij de hoopen, die noch Europeanen, noch Inlanders zijn, halveert en op de eeue helft het etiket „Europeanenquot;, op de andere „Inlandersquot; plakt; en is dit middel niet voldoende, dm wordt er nog wat aan verschikt: deze en gene worden hfilf aan de eene, half aan de andere zijde gelegd, zoodat zij met hun boenen onder de eene-, met hun hoofd onder de andere etiket liggen en liet hun soms zonderling te moede zal worden, als zij eens gaan overdenken wat zij nu eigenlijk zijn. Toch moeten zij iets zijn: één der twee, Europeaan ot Inlander, een derde kent de wet niet! Ten slotte komt nog het stelsel van persoonlijke indeelingen (R. R. 109 al 5).
Dat dit systeem van hulpmidden om de tweeledige onderscheiding, het koste wat het wil, vol te houden, niet bijdraagt tot de zuiverheid en de bruikbaarheid der klassitikatie, springt in het oog. De eigenlijke Inlander, die aan zijn recht is ontgroeid, is er of niet door gebaat, óf de verdeeling verliest al haar stabiliteit.
Het gansche systeem is trouwens onhoudbaar en zal dit steeds meer worden in deze tijden van wereldverkeer, nu allengs het Europeesche volkenrecht een wereld-volkenrecht gaat worden door de meerdere beschaving der Oostcrsche staten, die zich in hun aanrakingen mot de quot;VVestersche steeds minder tevreden stellen met de hun toegedachte barbarenrol en de op hen toegepaste exceptioneele bepalingen. Men denke slecht aan Japan ! Het moge een sympathieke staat zijn, en de invasie van Japansche onderdanen moge zich in X. Indië voorloopig nog bepalen tot lieden van een enkele kaste, het kan spoedig anders worden en op Japan kan China volgen met den eisch zijn onderdanen met Europeanen gelijk te stellen.
Het gevaar schijnt nog ver, slechts een klein wolkje aan den horizon, maar het is zaak de zeilen te reven vóór de storm opsteekt; als de vloed reeds opdringt, is het te laat om nog dijken op te werpen.
— 334 —
Men begrijpe mij niet verkeerd: ik ben er uièt zoo heftig op gesteld de Japanners met lulanders, en zie er in veel opzichten geen bezwaar in hen met Europeanen gelijk te stellen; maar ik beweer, dat de geheele klassifikatie niet deugt en niet gemaakt is op de gebeurlijkheden, die thans reeds met veel zekerheid zijn te voorspellen.
AV anneer de Japanners hier met Europeanen wenschen gelijk te staan, dan is dit ongetwijfeld, omdat zij daaraan het begri|i bevoorrechting hechten. Dit moge nu in beginsel onjuist zijl (zie voren, Quasi-nationaliteit, blz. 198 — 200), in de praktijk zal er toch veel van aan zijn.
De geheele onderscheiding tusschen Europeanen en Inlanders berust op het, althans vroeger, betrekkelijk exceptioneele voorkomen van Europeanen in dezen Archipel. Ongeschikt om hier te koloniseeren, in den eigenlijken zin, of om den inboorling konkurrentie aan te doen in diens hoofdmiddelen van bestaan, gemakkelijk te onderkennen en in het oog te houden, bijna allen, naar men mag aannemen, loyaal gezind, was bevoorrechting van deze groep naar de vroegere begrippen een natuurlijk uitvloeisel van onze heerschappij en leverde zij om haar gering aantal geen bezwaren op, maar was eer een tegenwicht voor de bezwaren van klimaat enz., die de Europeaan hier ontmoet. Het spreekt echter wel van zelf, dat dit anders wordt, waar hun aantal belangrijk toeneemt.
Van do eigenlijke Europeanen is dat nooit ernstig te vreezen; maar de bevoorrechting wordt al hinderlijker, wanneer de Europeesche gelederen worden vertiendubbeld door afstammelingen van Inlanders of door quasi-genaturaliseerden (Staatsblad-Europeanen i ; en nog bedenkelijker zou de toestand worden, wanneer ook Oosterlingen de bevoorrechting gingen deelen. Vooreerst kunnen dezen in drommen komen opzetten en zullen dan moeten worden toegelaten volgens dezeh\'de regelen als voor Europeanen gelden; van hun loyale gezindheid (bij Europeanen tegenwoordig ook niet altijd boven twijfel verheven\'; is men veel minder zeker; zij zijn niet zoo gemakkelijk van Inlanders te onderscheiden, bewegen zich gemakkelijker ouder dezen, zijn daardoor moeilijker in
— 335 —
het oog te houden en zullen aan bestuur en politie dus dubbel veel moeite berokkenen, wanneer de tegenover Europeanen geldende belemmerende bepalingen ook tegenover hen moeten worden in acht genomen; zij doen den Inlander konkurrentie
aan in alle bedrijven.....Ziedaar eenige der bezwaren, die
er tegen zijn hen met Europeanen gelijk te stellen. Al schaft men alle wettelijke voorrechten af, zoolang zij met Europeanen gelijkstaan, zullen zij daardoor een moreel overwicht in de Inlandsche maatschappij bezitten, evengoed als elke verloopen sinjo dit heeft, omdat hij blanda is; daarvan zullen zij niet verzuimen gebruik te maken (1).
Wat moet zoodoende het gevolg zijn ? Dat zoowat een
ieder in Indië bevoorrecht wordt behalve.....de eigenlijke
Indiërs, en dit gaat toch waarlijk niet aan. Dat de Xeder-landsche heerscher iets vóór heeft, dat de weinige andere Europeanen, die de Inlander niet van Nederlanders weet te onderscheiden, daarin deelen, kan er nog mee door; maar reeds daarmee is men verder gegaan dan noodig of nuttig en op den duur vol te houden is. Wanneer de Inlander echter moet aanzien, dat elke vreemdeling (ook de Aziaat) per se boven hem bevoorrecht wordt — en als zoodanig zal hij de indeeling bij de blanda\'s beschouwen — dan moet dit zijn gevoel van eigenwaarde neerdrukken, hetgeen toch niet onze bedoeling kan zijn ten opzichte van onze Inlandsche onderdanen! Laat ons dan liever de tweeledige onderscheiding in tijds afschaffen, of liever haar tot haar natuurlijke grenzen herleiden.
Op welke wijze ?
Vóór ik hierop antwoord, wil ik de gevolgen der onderscheiding nog eerst in het bizonder beschouwen met betrekking tot het privaatrecht.
(\')• Hot is to Ilopen ilat onze diploinixtie. die lt;Io belangen der kolonie slechts van verre kan bestudeeren. zich niet, oiu eenige dubiense liandelsvooideelen voor het moederland te verwerven, zal laten overhalen tot concessies op Indisch gebied, waarmee de voordeelen wel eens te duur gekocht konden blijken; maar in elk geval zal dit moeilijker te vermijden zijn, zoolang de tegenwoordige klassitikatie blijft bestaan.
— 336 —
Uit de lezing der vorige hoofdstukken heeft do lezer zich, zoo noodig, kunnen overtuigen van de groote verscheidenheid van onderscheidingen, die in Indië gelden en allen in meer of mindere mate van invloed zijn ook op het privaatrecht. Wat het staatsverband betreft, verschillende soorten van Nederlanders, verschillende soorten van vreemdelingen, onzekerheid omtrent de grenzen van het ingezetenschap en verwarring daarvan met staatsverband; gebrek aan staatsverband voor 90 quot;jo der vaste inwoners. Verder: ecu onderscheid tusschen Europeanen en Inlanders, dat niet behoorlijk is omschreven; gelijkstelling van de overigen met één dier twee naar een maatstaf, die uit de wet verschillend wordt afgeleid en in elk geval een zóó veranderlijke is, dat daardoor met de stabiliteit der indeeling de zekerheid van recht in gevaar is; alge-meene uitzonderingen, waardoor sommigen wat het recht betreft deels tot de eene, deels weer tot de andere klasse behooren: personeele uitzonderingen door quasi-naturalisatie, uitzonderingen tot enkele zaken beperkt, door vrijwillige onderwerping aau het Europeesch recht; alles door de wet in het leven geroepen, maar niet of onvoldoende in zijn gevolgen geregeld; bijna volslagen gebrek aan regeling der konflikten, die tusschen zoo velerlei recht wel moeten ontstaan.....
Wanneer dit alles nog niet voldoende is om de overtuiging te vestigen, dat in N. Indië geen recht, maar een chaos van rechten bestaat, laat mjj er dan nog aan toevoegen, dat voor de Inlanders hun gewoonterecht geldt, dat zich weer sp itst in een groote en veelvuldige verscheidenheid; dat naast die lokale verschillen weer andere óf geheel los zijn van een territoriale indeeling en geheel afhangen van de personen öf afhangen van plaats en van persoon beiden (dit geldt o. a. voor de Vreemde Oosterlingen en de Vreemde Inlanders), terwijl omtrent den aard van sommige dier rechten principicele mee-ningsverschillen kunnen bestaan als ik schetste met betrekking tot de vraag: zuiver Chineesch recht of Chineesche adat? (zie voren, 6° stuk blz. 176—191).
Zoo iets is alleen te verklaren en te vergoelijken als overgangstoestand. Wij verkeeren dus in een soort scheppingsproces,
waarvan de wetgpver zoo niet volkomen, dan tocli in groote mate meester is, dat liij verhaasten of vertragen, in goede of verkeerde richting leiden kan. Is het bewustzijn van het belang dezer wetgevende taak algemeen doorgedrongen ? Wordt met dit alles wel rekening gehouden en vooral: weet men waar men heen wil eu heeft men den koers vastgesteld, niet alleen met het oog op de eerste mijlen, die voor den boeg liggen, maar ook met de kaart voor oogen, om te zien waar men zou- en waar men wil aanlanden?
Zal men, zijn huis in orde brengende, het doelmatig en in een stijl inrichten, of zal men het zóó volproppen (opsieren) met vreemde kuriositeiten, dat het meer van een museum dan van een woning heeft en men er geen plaats heeft om zich gemakkelijk neer te vleien, zonder gevaar met een Chineesche antiquiteit of oen Japansche vaas in botsing te komen?
Wanneer de grondslagen van liet Indisch recht, zooals de in de vorige bladzijden door mij besproken artikelen 75 en lOt) R. R. in hun onderling verband beschouwd, die vaststellen, aandachtig gelezen worden, dan moeten zij den indruk geven van een aaneengebonden kop en staart, zonder lichaam er tusschen, van twee uitzonderingen op een achterwege gebleven regel. Tusschen de twee uitersten, Europeesch-Xederlandsch recht eu Inlandsch gewoonterecht, zou men een lichaam verwachten: het eigenlijke, het Nederlandsch-Indische recht, maar dat bestaat niet; wat geen kop is moet maar staart zijn; de digestie is bijzaak.
Dat het Europeesch-Nederlandsche recht in Indië slechts een uitzonderingsrecht is en kun zijn, zullen velen mij wellicht niet toegeven eu het zal mij bij velen van hen niet baten hierover te redeneeren.
Eenigen hunner zijn theoretici of althans personen, die weinig of niets van de eigenlijke Inlandsche maatschappij leerden kennen, of wel die bevooroordeeld zijn. Het ligt zoo voor de hand, dat men wel Europeesch zaad naar anderen bodem kan overbrengen, maar het niet dwingen kan om daar op te schieten, veel minder — als het opkomt — om daar even smakelijke en nuttige vruchten op te leveren als in
— 338 —
Europa; dat men met de plant niet den gansclien bodem, liet klimaat en de andere omstandigheden kan overbrengen, die de plant zou behoeven om dezelfde te blijven en hetzelfde nut af te werpen; .... als men dit niet van te voren inziet, is er geen hoop, dat men er anders van zal kunnen worden overtuigd dan door, wellicht bittere, ervaring.
De voorstanders van een zoo spaarzaam mogelijk gewijzigd Europeesch recht voor gansch Indië worden dikwijls geleid, m. i. misleid, door hun juridische vorming, die zich feitelijk geen recht kan denken dan het Europeesche.
. Zij achten geen mogelijkheid aanwezig om een andere uniforme wetgeving voor Indië te verkrijgen (1) en zij zien in het ge-woouterecht een bron van onzekerheid van recht, die zoo spoedig mogelijk moet worden dichtgeworpen. Mag ik hun vragen wat erger is: zekerheid van onrecht of onzekerheid van recht?
„Gij overdrijft!quot; zal de tegenwerping wel zjjn en ik zal da,ar maar niet veel tegen aanvoeren (2). Alleen zij het mij geoorloofd er aan te herinneren, dat men moeilijk het Europeesch materieel privaatrecht kan invoeren zonder het formeele. En zelfs in het zgn. materieel privaatrecht zijn zooveel vormen, formaliteiten en termijnen, dat de toepasselijk ver klaring van dat recht reeds daarom een ramp zou zijn voor den Inlander, daargelaten of het overigens bruikbaar voor hem is en of de invoering niet te veel aan vast terugkeerende meerdere uitgaven zou kosten.
Dat het Inlaudsch recht ook uitzonderingsrecht is, zal menigeen vreemd klinken, en toch mist hot recht des Inlanders, zooals art. 75 al. 3 II. II. liet omschrijft, alle eigenschappen, die noodig zijn voor een algemeen recht: het is plaatselijk zóó verschillend, dat de beste smeltkroes het niet tot een samenhangende massa zou kunnen versmelten. Bovendien komt het niet daarvoor in aanmerking, omdat het slechts als plaatselijke adat de waardeering verdient, die het deelachtig wordt,
( l) Eu wat onmogelijk lijkt, is natuurlijk oniuogelijk en zal het hl:jveti!
(2) Men leze tor gt; arschuwing de woorden van Dr. Brüsser (door mij aangehaald hiervoren. ie stuk, blz. 67. onderaan) over een gelijk geval en bedenke, wat men in Duitscbland vroeger uit het oog verloor: dasz kein Volk mit dei\' Seele eines anderen zu denken vermag.
— 339 —
maar te primitief is om te worden omgezet in geschreven recht, dat zich niet elk oogenblik laat wijzigen en dus van ruimere beginselen moet uitgaan. Ik noemde het dan ook getolereerd recht en hot Europeesche, het heer schend e recht (1). Die laatste benaming is minder juist, omdat beiden uitzonderings-recht zijn; maar zoolang er geen Indisch recht is, en men dus slechts de keuze heeft tusschen Europeesch recht of adat, moet aan het eerste wel de heerschersplaats worden toegekend om den voorrang, dien do algemeene verordeningen hebben boven het gewoonterecht, en ook omdat ons recht meer geschiktheid bezit dan de lokale adat, om als algemeen recht toegepast en ook aan den vreemdeling opgelegd te worden. Dat het echter als algemeen recht voor Indië niet deugt, blijkt wel hot duidelijkst uit hot feit, dat men het zelfs den vreemdeling niet onveranderd durft op te leggen, zooals o. a. Stbl. 1855 no. 79 aantoont.
Dat wij tot een ander algemeen iudiseh recht moeten trachten te geraken dan het Europeesch-^ederlandsche, stel ik dus voorop. Dat hieraan behoefte bestaat en deze naarmate het verkeer toeneemt zich steeds meer zal doen gevoelen, acht ik ook onbetwistbaar. De bezwaren tegen adat-rechtspraak zijn, wanneer zij aan ambtenaren, die daaimor geschikt zijn, wordt toevertrouwd, meestal niet van zooveel gewicht, als wel eens wordt beweerd; maar waar de Inlander zich emancipeert of het verkeer grooter wordt, doen de leemten zich gevoelen en ontstaan ook botsingen tusschen de plaatselijk verschillende gewoonten. Bovendien moet de meer ontwikkelde Inlander, wien de adat niet meer in alle opzichten voldoet, niet teruggeworpen worden naar den primitieveren toestand, waaruit hij zich tracht op te werken, en dit zal toch het geval zijn, wanneer men hem de gelegenheid onthoudt naar iets hoogers te grijpen (2).
(1) Zie voren blz. 54 (le stuk).
(2) De »vrijwillige onderwerpingquot;, zelfs al was zij in het algemeen, zonder betrekking op een speciale handeling mogelijk, zou niet als een geschikt middel daartoe kunnen worden aangemerkt, daar liet Europeesche recht voor dien Inlander evenmin begeerlijk is als zijn adat.
— 340 —
Er is dus een recht voor Indië noodig, dat meer ingericht is op Indische toestanden en behoeften, dan de verknipte Europeesche wetboeken ooit kunnen zijn; dat ruim genoeg is gesteld om de plaatselijke verscheidenheid van behoeften en opvattingen aan het woord te laten, wanneer hiertegen geen ernstige bezwaren bastaan, en een geleidelijken overgang van adat tot geschreven recht aan den Inlandschen onderdaan mogelijk maakt; dat den rechter zoowel als den bestuurder — ook wanneer het geen dwingende kracht heeft — als baken dient, waar zij recht moeten vinden of scheppen, omdat de adat zwijgt of ten ondergang neisjt, terwijl zij anders zonder vasten koers zouden moeten schipperen; dat hun een ruggesteun is, waar zij twijfelen, wat algemeen erkende beginselen van billijkheid en rechtvaardigheid zijn (art. 75 al. 3 R. R.), of hoe zij do algemeene beginselen van het Europeesche recht tot richtsnoer moeten nemen; dat niet alleen voor alle tot volkomen inburgering geschikte (Oostersche) vreemdelingen moet gelden, maar ook voor alle kinderen des lands, die aan hun adat zijn of zich hebben ontrukt; dat eindelijk toepasselijk is, wanneer de verscheidenheid van rechten tusschen de recht-zoekenden een hooger beslissend recht noodig maakt.
Zulk een recht zal het beginsel kunnen zijn, waaruiteen nationale eenheid zich kan ontwikkelen, waarom zich degenen kunnen groepeeren, die zich niet moei1 thuisgevoelen — dank zij onzen invloed — in de klasse en het daaraan verbonden recht, waarin zij zich bevinden en — dank zij onzen verordeningen — gedwongen worden te blijven, tenzij ze vergunning krijgen (en zich willen getroosten ) in meer of mindere mate zich te onderwerpen aan liet uitheem-sche, hun evenmin aanstaande Europ. recht: het andere uiterste!
Hoe anders zon dit zijn, dan wanneer wij, gelijk nu, het particularisme bevorderen door versnippering van recht, door, ook waar wij het recht gaan regelen, dit in vakjes te verdeelen, als ware Nederlandsch-lndië een juridische sambalbak! (1)
1
Wpliiclit zal binnenkort een nieuwe versniiiijerhifr plaat-s liebben: de Cliineesche sambal, die vroeger niet afzonderlijk bestond, maar in de aluvnieene \\ reemde-Oosterlingensambal begrepen was, is al gereed: nog bchool\'t ze maar geproefd te worden, om na goedkeuring baar eigen sr.hntoTtje op de bak te krijgen. (Zie hier achter: «Het Indische Chi-neozen-reebt der toekomstquot;).
-• 341 —
Er zijn zeker velon (waarschijnlijk de meerderheid), die ongeloovig zullen lachen over het idee van een algemeen Indisch recht. Sommigen omdat zjj niet gelooven, dat wij iets groots tot stand kunnen brengen ; dezen zullen, wanhopende aan iots beters, volharden bij het plan de Europeesche wetgeving allengs op alle Inlanders toepasselijk te verklaren; te^en dit plan voerde ik reeds op blz. 337 en 338 liet noodige aan. Anderen houden zich niet op met beginselen of met de toekomst; eerst als de behoefte aan regeling niet meer te miskennen is, willen ze regelen, en dan no^; langzaam en spaarzaam, alleen wat strikt noodig is en zonder naar een vast plan te werk te saan; eei1 variëteit van dezen zijn degenen, die in alle kolonisatie immoraliteit zien en, niet overtuigd van eenig hooger doel waarnaar wij streven, ook geen reden vinden om iets te veranderen („verbeteren?!quot;).
Den laatsten zou men willen toevoegen: „Wat doet ge dan nog langer hier, wanneer ge zelf u bewust zijt of niets óf kwaad te doen? Uw treurige opvatting helpt u wellicht iets kwaads tegen te gaan, maar nog meer remt gij elke beweging in de goede richting!quot;
Hun, die niet wanhopen, zou ik een koers willen voorslaan tusschen beide klippen door. Geen overhaasting, waardoor we in één uur willen bereiken, wat een dag varens van ons af is en, omdat dit niet kan, maar met een andere haven genoegen nemen, dan waar we heen behoorden te sturen. Maai1, aan den anderen kant, laat ons ook niet talmen, omdat we gelooven er tocit nooit tc komen.
Bij deze opvatting past geen toepasselijk verklaring van liet Europeesche recht, maar ook geen rustige onthouding en evenmin het zonder vast doel hier en daar wat regelen, gelijk men oude kleeren lapt. Wanneer wij ons opwerpen als wetgever voor jSederlandsch-Indië, dan heeft dit recht te verwachten, dat wij het op wetgevend gebied niet in een harlekijnspak steken. Tegen partieele regelingen bestaat geen bezwaar; maar zij moeten naar een rosten maotstof worden ontworpen.
Welke deze maatstaf is, zoo de wetgever zelf er tegen-
— 342 —
woordig een heeft aangenomen, is moeilijk te bevroeden. Moeten we hem zoeken in het Europeesche recht, dat op de niet-Europeanen nog in \'t geheel niet is toegepast dan met zeer belangrijke wijzigingen? Of in de behoeften der Oos-tersche vreemdelingen? Of is het doel, waarnaar gestreefd wordt, een schijnbaar algemeene toepassing van het Europeesche recht, maar met zóóvele en zóó belangrijke afwijkingen, voor Chineezen, Arabieren, enz. elk afzonderljjk (1), dat de wetgever feitelijk de strijdigste beginselen naast elkaar als recht zal afkondigen ?
Mijns inziens kan er maar één maatstaf zijn voor het algemeen recht van X.-Indië: de behoeften en opvattingen van dit land, zooals ze zich zullen voordoen na zich te hebben ontdaan van het primitieve en van andere bestanddeelen, die wij dulden, maar niet mogen aanmoedigen. Xu is er één klasse van Inlanders, die ons het beeld daarvan, zuiver of althans in groffe trekken, aanbiedt.
Ik bedoel de Inlandsche Christenen, die onder Europeescheu invloed hun adat hervormen of hebben hervormd zonder — dit mag men aannemen — voor de theorie de eischen der praktijk te hebben verwaarloosd ; die niet meer door hun godsdienst genoopt worden tot vijandigheid of exclusivisme tegen medeburgers, zooals deze in een neutralen staat niet aan het woord mogen worden gelaten. Een wetgeving, die voor hen voldoet, zal aan de algemeene behoeften van Indië, — vrijgehouden van afscheidende neigingen — voldoen, althans in hoofdzaak. Zij zal tevens de Europeesche beginselen, die men universeel-Christelijke zou kunnen noemen, huldigen en dus meer overeenkomen (al is geen enkel artikel gekopieerd uit een Eurc-peesch model) met den geest onzer wetten, dan een toepasselijk gemaakt Europeesch wetboek als dat der vreemde Oosterlingen, waarin echter eenige onzer voornaamste rechtsbeginselen zijn prijsgegeven.
(1) Japanneesche, Siameesche. Klingaleesche, Arabische en dergelijke Oostersche edities van ons Burgerlijk Wetboek zullen op den duur Inllijkheidshalve niet kunnen worden geweigerd, als den Chineezen er een wordt geschonken.
— 343 —
Nu is het maar de vraag, hoe men de eerste en tweede alinea van art. 75 Reg. Regl. opvat. Ziet men daarin den eiscli, dat de overeensternining van recht tusschen moederland en koloniën in de eerste plaats zooveel mogelijk een \'woordelijke zij, en voorts (in alinea 2) dat ook de toepasse-lijkverklaring op Inlanders of daarmee gelijkgestelden weer in de eerste plaats zij een toepassing van de woorden en artikelen, niet van de beginselen; neemt men voorts aan, dat de lagere wetgever, tengevolge van alinea 2 en 3, niet bevoegd is zelfstandig het recht der Inlanders c. a. te regelen, maar alleen dat der Europeanen, gewijzigd of ongewijzigd, geheel of gedeeltelijk, op hen toepasselijk kan verklaren; dan is het zeker moeilijk de door mij aangegeven richting in te slaan, zoolang het Regeeringsreglement niet is gewijzigd. Hoewel nu meermalen aangelegenheden van recht duor den lageren wetgever voor den Inlander zijn geregeld, zonder den vorm eener toepasselijkverklaring te kiezen, is toch voor de boven aangeduide opvatting veel te zeggen (zie voren, 1° stuk, blz. 45—48). Maar dan wordt het ook dringend noouig art. 75 E. R. te wijzigen! Want voor een land met een groot verleden en een grootsche taak in het heden, een land van traditioneele liberaliteit, kan het hoogste doel op wetgevend gebied iu zijn uitgestrekte koloniën onmogelijk zoo kleinzielig zijn, in deze te streven naar een zooveel mogelijk letterlijke overeenkomst (1) van het recht iu die koloniën met dat in het moederland. Zulk een streven zou te verklaren zijn bij advokaten en rechterlijke ambtenaren, voor wie door zulk een uniformiteit de moeite eener afzonderlijke bestudeering van het Indische recht — en wel voor-loopig zonder de zoo welkome kommentaren — zou worden bespaard, maar de iSTederlandsche Staat behoort zich een hooger doel te stellen: de triumf der hoogere beginselen en het geluk der onderdanen, ook in Indiö. Dit doel nu wordt door den eisch van uniformiteit tegengewerkt in plaats van bevorderd.
Ik stel mij den gang van zaken bij de totstandkoming van
(1) Zelfs de bekende leemten en fouten moeten zorgvuldig worden overgenomen, meent men wel eens.
W. cu A. liuv. is. 35 ^
— 344 —
het algemeen Indisch recht, zooals ik dit boven omschreef, als een zeer geleidelijke voor. Eerst regeling van den rechtstoestand der Inlandsche Christenen, waarschijnlijk bij gedeelten. Bij het ontwerpen hiervan ga men niet te rade mot een enkel gewest, maar met alle plaatsen, waar zij zich in groepen voordoen, honde steeds in het oog, dat de te stollen regelen bestemd zijn algemeen te gelden, en vrage zicii bij elke bepaling af, of zij aan dit doel beantwoordt, of\' zij zich heeft weten vrij te houden van kerkelijke eu andere invloeden, die aan haar algemeene bruikbaarheid kunnen schaden. Is liet ontwerp gereed, dan kan het desnoods eerst nog aan de betrokken besturende ambtenaren, rechters, zendelingen enz. worden gegeven om bij alle voorkomende gevallen na te gaan in hoever bet ontwerp daarvoor een aannemelijke oplossing aan de hand zou hebben gedaan. De nauwkeurige rapporten daarover kunnen wellicht nog aanleiding geven tot eenige wijziging.
Dat het ontwerp moet streven naar den grootst mogelijkèn eenvoud van vormen en formaliteiten, naar goedkoopte der daardoor noodig wordende organisatie, spreekt wel vanzelf. Noch onze bestuursmiddelen, noch de draagkracht der Inlandsche bevolking zouden iets anders gedoogen. Verder zal moeten worden gestreefd naar eenvoud en natuurlijkheid van systeem en van bewoordingen, opdat het recht door don Inlander begrepen worde en hij zijn wetten zelf raadplegen kunne; anders wordt het een monopolie van de vakmannen en meer een broodwinning voor dezen, dan een populaire instelling. Hiervoor is het aan te bevelen, dat de wet dadelijk in het (spreek-) maleisch worde opgesteld en hieruit in het Neder-landsch vertaald (niet omgekeerd).
Na deze voorbereiding kan het ontwerp als wet worden afgekondigd voor de Inlandsche Christenen, die—thans in veel onzekerheid verkeerende — zich er niet over zullen beklagen, dat met hen een proef wordt genomen, wanneer deze behoorlijk is voorbereid.
Nu zal in de praktijk moeten blijken, of de wet bruikbaar is, waartoe een of meer deskundigen kunnen worden gedelegeerd om haar werking van naderbij gade te slaan.
— 345 —
Aangezien men in den beginne wel meermalen zal mistasten is deze proef, en de behoorlijke observatie daarbij, van groot belang. Daar de Inlandsche Christenen geen van de buitenwereld afgesloten kring vormen, zal bij hun aanrakingen met niet-Christenen zich menige gelegenheid voordoen om na te gaan, in hoever uitgebreidere toepassing der wet wellicht op onvoorziene bezwaren zou stuiten.
Tegelijk met de Inlandsche Christenen zouden aan de alge-meene wet kunnen worden onderworpen de vreemde Oosterlingen. Zoodra Indië een algemeen recht heeft, behooren de vreemdelingen zich daarnaar te voes\'on; willen zij dit niet, dan staat het hun volkomen vrij heen te gaan; maar zij kunnen niet verlangen, dat do landswetten voor de hunne wijken. (1)
Nu zal het veel van de wet zelve afhangen of zich langzamerhand meer, dan wel minder Inlanders onder haar hoede bijeenscharen tot een als \'t ware kosmopolitisch-Indische bevolking. Zjj zal daartoe niet al te eng, niet al te streng en vooral niet onpraktisch moeten zijn en zij zal door geschikte overgangsbepalingen en een stel regelen van quasi-internationaal recht liet niet alleen mogelijk moeten maken, dat de individuen geheel tot haar overloopen, maar ook dat zij zich, ook vóór zjj hun adat nog geheel willen loslaten, in één of meer opzichten houden aan de nieuwe wet. Hierdoor zal allengs het algemeene recht zeker gezag ook onder de nog niet geëmancipeerde bevolking verkrijgen, dat langzaam en zonder dwang de adat zal verdringen of liever in zich doen opgaan. Hiertoe zal ook meewerken het feit, dat het algemeene recht van toepassing moet zijn tusschen hen, die er een verschillend plaat-seljjk recht opnahouden.
Ik vlei mij niet met overdreven verwachtingen van anderen te winnen voor deze toekomst-plannen, feel minder met de hoop, dat ik de bereiking van het doel zou mogen beleven. Wanneer ik mij niettemin verstout de aan te nemen richting voor te slaan, is dit uit belangstelling voor de zaak, en uit overtuiging.
(1) Dezo stelling i.s reeds uitvoerig door mij toegelicht, hiervoren hlz. 169 — 171 en 10;*. 196.
— 346 —
Mogen zij, die niet excepties als „onbereikbaar ideaal!quot; enz. zoo menig streven plegen tegen te werken (1), nu eens op de hoofdzaak zelf ingaan; Zou het doel schoon zijn, als het bereikbaar was? Zou het recht zoodoende beter gediend worden dan door stilzitten of door een ongeschikte uitheem-schc wetgeving aan het volk op te dringen ?
Zou, als het doel bereikt werd, de Europeescho beschaving een intenseren triumf behalen dan door een gedwongen opvolging van met haar wetten gelijkluidende bepalingen, welker beginselen zich geen plaats zouden weten tc veroveren in de harten des volks ?
Zoo ja, laat ons dan liever, naar de leus van een groot man, zonder kleinmoedigheid voortgaan in de goede richting: bereiken wij het einddoel niet — wie kan daaromtrent iets voorspellen ? — dan is het streven toch reeds schoon!
Alen zal hier geen bizonderheden verwachten omtrent de wijze, waarop het bovenstaande voorstel zou kunnen worden ton uitvoergelegd. Zij zouden hier niet op haar plaats zijn en te veel ruimte innemen; bovendien zouden zij, zonder toetsing aan de praktijk, weinig waarde hebben.
Alleen moet ik, terugkomende op art. 75 en 109 van het Regeeringsreglement, de vraag beantwoorden, wat dan m. i. in de plaats van die verouderde artikelen zou moeten komen. Het antwoord behoeft geen ontwerp te zijn voor nieuwe artikelen: ik geef miju ideeën maar in het algemeen; ieder kan ze, gewijzigd of ongewijzigd, overnemen en in den vorm gieten, die hem het best toelijkt. De toestand, door mij gedacht, zou in groffe trekken deze worden.
In N.-Indië geldt één recht, met uitzonderingen: 1°. voor de bevolking, die zich nog niet van haar adat heeft geëmancipeerd; 2°. voor de eigenlijke Europeanen, die evenmin van
(1) Wanneer wij nagaan in welke mate liet aan anderen is gelukt, ilon Inlander naar hun opvatting te hervormen, mits met inachtneming van de eischen der praktijk, dan getuigt liet wel eenigszins van gebrek aan zelfvertrouwen, wanneer wij zells niet durven te beproeven hetzelfde te bereiken.
— 347 —
hun Europeescho rechtsbegrippen en behoeften kunnen scheiden; 3°. voor de werkelijke vreenideHngen, die naar internationale rechtsbegrippen worden bejegend ten opzichte van sommige aangelegenheden (statut personnel).
Vreemdelingen zullen echter niet zijn do vaste inwoners, die hier al meer dan een geslacht verblijven. Zjj zijn Nederlanders, ot\' wil men voor Indië een afzonderlijk staatsverband : Nederlandsch-Indiörs, en onderworpen aan het algemeen Ne-derlandsch-Indisch recht in zijn ganschen omvang.
Overigens zijn de inwoners in principe niet onderscheiden in twee tegengestelde helften. Zij vormen één groep, waarop evenals voor het recht, uitzonderingen bestaan: 1°. de eigenlijke Europeanen en 2°. de nog niet geëmancipeerde Inlanders. Deze behoeven echter niet in het Regeeringsreglement te worden opgenomen, zoodat art. 109 E. R. kan vervallen. Natuurlijk zou bij wijze van overgangsmaatregel de oude onderscheiding voorloopig moeten worden gehandhaafd, voorzoover en voorzoolang de algemeene wetgeving nog niet gereed is en overigens belet niets den wetgever in den aard der op te leggen lasten en verplichtingen en der toe te kennen bevoegdheden onderscheid te maken, niet principieel, maar om utiliteitsredenen. Dit geschiedt ook in andere landen, zonder daarom in beginsel do vaste of vlottende bevolking in de wet in twee of meer tegengestelde groepen te verdoelen. Gelijk in de meeste staten niet alle inwoners het kiesrecht hebben ot één, gelijkvormige belasting opbrengen, zoo zullen ook in Indië de een zus, de andere zóó belast kunnen worden, den een heerendiensten, den ander schuttersdiensten, een derde uitsluitend andere belastingen kunnen worden opgelegd en ieder in rechten en bevoegdheden kunnen worden beperkt, omdat het staatsbelang of do billijkheid dit vorderen, zonder dat dit tot een afscheiding in beginsel behoeft te leiden. Het streven zal desniettemin blijven: zoo groot mogelijke gelijkheid tusschen alle burgers en geen bevoorrechting.
Ik moet er op wijzen, dat de invoering van een algemeen Indisch privaatrecht, door mij hier in de eerste plaats verdedigd, niet onafscheidelijk verhouden is aan de afschaffing van het geheele
— 348 —
principe der afscheiding tusschen de Westersche eii Oostersche rassen. Het algemeen N. Indisch recht zou evenveel reden van bestaan hebben, al werd de publiekrechtelijke kloof geheel in stand gehouden.
Tegen de publiekrechtelijke gelijkmaking — voorloopig met uitzonderingen voor de twee uitersten — zouden ongetwijfeld gewichtige bezwaren worden aangevoerd. Toch mogen deze niet afschrikken van liet inslaan eener richting, die, terwijl ze toch op don duur niet kan worden vermeden, te meer bezwaren zal opleveren naarmate men langer draalt en de toestanden zich kompliceeren laat.
Met goeden wil zal men de bezwaren uit den weg weten te ruimen. Bovendien zijn deze niet zoo onoverkomelijk als zij lijken. Voornamelijk zal men veel oponthoud ondervinden op formeel gebied: voor alle nu op twee verschillende wijzen geregelde algemeene aangelegenheden zal een eenheids-regeling moeten worden gevonden. De formule daarvoor te vinden zal echter dikwijls niet zeer moeielijk zijn, omdat de thans bestaande dubbele regelingen slechts in enkele oprichten van elkaar verschillen.
Het strafrecht b. v. is in Britsch-Indië voor alle inwoners bij één wetboek geregeld, zoodat het niet onmogelijk kan zijn in Indië hetzelfde te doen, en wanneer wij onze strafwetboeken voor Europeanen en voor Inlanders naast elkaar leggen, dan stuiten wij slechts op één ernstige moeilijkheden opleverend verschil: dat in hot straffenstelsel. quot;Wanneer men echter, zooals overal gebeurt, zorgt door klassificeering der veroordeelden den invloed der verschillen van rang en stand op de meerdere zwaarte der straffen te neutraliseeren, en wanneer men — gelijk de billijkheid meebrengt — het minder bestand zijn van sommige vreemdelingen tegen het Indisch klimaat bij den aard des op te leggen arbeids in aanmerking neemt, dan zullen de bezwaren reeds grootendeels overwonnen en bovendien hot voordeel verkregen zijn, dat ecu troep individuen, die geen billijke aanspraken hebben op een andere wijze van bestraffing dan de groote hoop der ingezetenen, van dit den Lande noo-dcloos op kosten jagend voorrecht zou worden ontdaan.
— 349 —
Een ander bezwaar zal zijn de vordeeling van werk tussclien den zgn. ELiropeeschou en den zgn. Inlandschen rechter, waarin aanmerkelijke wijzigingen zouden moeten komen. De nieuwe regeling van kompetentie zou voorzeker veel en zorg vul digen arbeid kosten. De Europeescbc rechter, wiens arbeidsveld tbans zeer is uitgebreid, zou dan een uitzonderingsrechter worden: alleen voor Europeanen. In plaats van den Inlandschen rechter zou moeten komen de „gewonequot; rechter, aan wien dan kon worden te koste gelegd, hetgeen op de Euro-peesche rechtspraak werd bezuinigd.
Het is hier de plaats niet om deze ideeën verder uit te werken. Ik wilde alleen met enkele woorden de te maken bezwaren tegemoetgaan. Vóór ik eindig, wil ik nog slechts oen verwijt vermelden, dat van sommige zijden ongetwijfeld tegen mijn opvatting zal worden gericht: Het prestige van den Europeaan zou onder de gelijkheid lijden!
Zoo populair als dit beweren is, zoo onjuist zou het blijken, als men er de proef van nam. Het staatkundig prestige hangt af van de macht, die de Europeaan niet uit handen behoeft en zelfs, in het algemeen belang, niet mag geven. Het zou eer verhoogd* dan verminderd worden, wanneer de „Europeaanquot; iu Indië ook altijd Europeaan was; wanneer althans deze regel minder verloren ging in de talrijke uitzonderingen.
Wat overigens het prestige van den Europeaan betreft, dit kan niet berusten op wetten en behoeft niet daardoor in stand te worden gehouden, evenmin als het onderscheid tusschen hem en den Inlander, dat zóó geheel in den aard der zaak ligt, dat geen wet het zou kunnen wegnemen. Daarentegen zal liet een zegen zijn voor Indië, wanneer het aantal Europeanen wordt verminderd met dat der gefingeerden, die zeker meestal niet bijdragen tot ons prestige; en evenzeer zal het het voor deze gefingeerden een zegen zijn, wanneer zij ontslagen worden van de tiktie, die — schijnbaar bevoorrechtende — hen in een klasse dwingt, waar voor hen geen plaats is; een zegen.... mits hun tevens een groepeering worde geschonken, die overeenstemt met hun kunnen en neigen,, en waar zij door geen dwaze vooroordeelen zullen worden belemmerd in iiet
— 350 —
zicli veroveren van een bestaan overeenkomstig hun aard. Zij zouden een hoofdbestanddeel worden van de algemeen-Nederlandsch-Indische bevolking, in welke de afzonderlijke groepen zicli in den loop der tijden zullen moeten oplossen.
J. A. Nederburgii.
GEMENGDE HUWELIJKEN.
(Supplement.)
Op blz. 298 behandelde ik, als onderdeel der 5e afdeeling (.Weifelklassenquot;), de „huwelijks-Europeanenquot;. Sinds Staatsblad 1898 N0. 158 in werking is getreden (1 September 1898), is deze klasse bestemd uit te sterven doordat zij niet meer ■wordt aangevuld. In haar plaats zou men thans een klasse kunnen onderscheiden, die in zoover tot de weifelenden kan worden gerekend, dat de haar uitmakende personen een minder stabielen staat hebben en — wat alleen dezen personen eigen is — niet alleen van Inlander Europeaan kunnen worden (hetgeen vroeger reeds mogelijk was door de gelijkstelling per rescriptum principis; zie voren blz. 224 en 242), maar zelfs uit eigen beweging van Europeaan wTeer Inlander kunnen worden (zie art. 4 van gemeld staatsblad).
Hebben daardoor de vorenstaande bladzijden 298—315 haar nut verloren?
quot;Wanneer men met mij aanneemt, dat de staat der echtelieden — als hun gemengd huwelijk vóór 1 September 1898 is voltrokken — blijft beheerscht door de toen nog geldende bepalingen, moet deze vraag ontkennend worden beantwoord. Alleen in de jaren 1886 t/m 1897 werden 1048 huwelijken gesloten met inachtneming van het thans afgeschaft art. 15 Ov. bep. Men mag dus veilig aannemen, dat er jarenlang nog honderden op de oude wijze gesloten gemengde huwelijken zullen bestaan, die moeten worden beoordeeld naar de op blz. 298 e.v. door mij besproken regelen.
Thans wordt het echter noodig daarnaast de nieuwe regelen te bespreken, die gelden voor de na 31 Augustus 1898 gesloten gemengde huwelijken. In achterstaande verhandeling
W. en A. Suppl. 1
— 352 —
over „het privaatrecht der Inl. Christenenquot; (blz. 69—72) en in de Kleinere Bijdragen Tan „quot;Wet en Adatquot; (2« jaargang, blz. 278—280) werd voorloopig reeds het een en ander opgemerkt naar aanleiding der nieuwe regeling, maar het was bij het schrijven daarvan nog niet mogelijk geweest de desbetreffende officieele bescheiden in te zien. Sinds zijn deze met vergunning der Regeering gepubliceerd in: „Wetgeving voor Ned.-Indiëquot; (Batavia, G. Kolff amp; Co ), dat ik — daar het meermalen zal moeten worden aangehaald — voortaan maar verkort zal aanduiden aldus: Wetg. N. I. Het is nu mogelijk geworden de bepalingen van Stbl. 1898 No. 158 te toetsen aan de wordingsgeschiedenis, zoodat ik het wagen mag aan dit onderwerp een meer geregelde bespreking te wijden ter aanvulling van hetgeen hiervoren is gezegd over de „huwelijks-Europeanen,quot; in afwachting dat er een uitgebreidere en grondigere behandeling aan ten deel valle van hen, die er hun bizondere studie van hebben gemaakt.
Eén der kwesties, die bij de voorbereiding der nieuwe regeling op den voorgrond traden, was: of zij bij Koninklijk Besluit kon plaats hebben. De Staatskommissie, die de artikelen had ontworpen en toegelicht, welke thans na eenige wijziging zijn afgekondigd, meende van wel\'.
De Indische autoriteiten achtten alleen regeling bij een veA geoorloofd; maar de Staatskommissie handhaafde haar opvatting, de Minister en de meerderheid in den Raad van State sloten zich bij haar aan, en zoo werden dan de artikelen bij Koninklijk Besluit vastgesteld (1). Ik voor mij moet erkennen geen overwegende bezwaren hierin te zien, hoewel regeling bij de wet in zeker opzicht verkieslijker ware geweest. Het l.gt buiten het opzet van dit opstel over de vraag uit te weiden. Evenmin kan dit hier geschieden over de vraag of — aangenomen dat alleen de Rijkswetgever bevoegd was tot deze regeling — de rechter aan het Koninklijk Besluit rechtskracht zou mogen ontzeggen, m. a. w. het buiten werking laten. In het Ind. Weekblad v. h. Recht No. 1856 wordt deze
(1) Zie de in Wetg. N. I, blz. 108. onder sbevoegdheid\'\' aangehaalde plaatsen en de daar volgende aantt. 5 en 6.
— 353 —
vraag blijkbaar bevestigend beantwoord. Mij overigens bepalende tot de verklaring, dat ik mij niet met die zienswijze kan vereenigen, moet ik toch met een enkel woord wijzen op het gevaar, dat zij oplevert.
Geen enkele autoriteit behalve de Rijkswetgever is in staat om eens voor al uit te maken of de Koninklijke wetgever in deze wel bevoegd was. Gesteld nu dat de rechter daaromtrent ging oordeelen, dan zou zijn beslissing daarover telkens maar verbindend zijn voor het enkele geval, waarin zij genomen werd; en daar tusschen de rechters zich wel evengoed verschil van gevoelen daarover zou voordoen als tusschen de hooge autoriteiten, die over het ontwerp adviseerden, zou men onzekerheid krijgen niet alleen over de uitlegging der wettelijke bepalingen, wat dikwijls voorkomt, maar zelfs over het wettig bestaan dier bepalingen.
Het gevolg zou zijn dat de burgerlijke stand op losse schroeven werd gebracht en eenzelfde huwelijk vandaag hier ongeldig geacht en morgen daar als wettig gesloten aangemerkt werd, dat hier wettige, den staat des vaders volgende kinderen zouden zijn dezelfden, die elders als natuurlijke, niet door den vader erkende hun moeder moesten volgen. — Ik voer dit niet aan als argument, maar ter waarschuwing, en ga nu over tot bespreking der artikelen, in de overtuiging dat ze wèl rechtskracht hebben.
De gemengde huwelijken maakten in 1887 een onderwerp van behandeling uit in de N. Ind. Juristenvereeniging, voor welke Mr. L. W. C. vax den Bebg een zeer verdienstelijk prae-advies daarover samenstelde. De invloed van dezen rechtsgeleerde op de Staatskommissie „voor de herziening van de Indische wetgeving op privaatrechtelijk gebiedquot; is in haar ontwerp met toelichting niet te loochenen.
De uitslag hiervan mag, al valt er achteraf menige opmerking te maken, geroemd worden. Volmaaktheid is niet te bereiken en in billijkheid kan men zich niet verbazen, wanneer de nieuwe regeling blijkt in velerlei opzicht aanvulling of wijziging te behoeven.
— 354 —
Kan het anders, waar zij iets nieuws is — zeker kollege zou het een probeersel noemen — en het ontwerp niet vooraf is gepubliceerd, zoodat het slechts officieel werd gekritiseerd, in plaats van te worden onderworpen aan de oogen van honderden, waaronder allicht eenigen, toevallig of na studie, verborgen klippen zouden hebben ontdekt, waarop de stuurlieden in dit nieuwe vaarwater niet verdacht waren.
Wij moeten het roemen, dat de verscheidenheid van staat tusschen de echtgenooten heeft plaats gemaakt voor onbeperkte eenheid, en ook overigens moet worden erkend, dat de nieuwe artikelen een verdienstelijke proeve van wetgeving zijn op het gebied van het quasi-internationaal recht. Wanneer zij niettemin mochten blijken niet te voldoen (tenzij men ze erg liberaal uitvoert), dan zal dit m. i. in hoofdzaak niet liggen aan gebreken bij de uitwerking, maar aan het systeem, dat de wetgever voor jSquot;. Indië nog steeds volgt, maar dat verouderd is, niet meer in onze tijden en omstandigheden past.
Het is merkwaardig hoe, nu men er toe overgaat de toestanden tusschen aan verschillend recht onderworpen ingezetenen te regelen, de eerste uitgebreide proef op dit gebied stof te over oplevert om in het licht te stellen, dat een algemeen Indisch recht noodig is en men niet kan volstaan met óf naar het eene óf naar het andere bestaande recht te verwijzen, zonder ooit zelf recht te willen scheppen.
Evenals uit den schok der opinies de waarheid, zoo zou uit den schok der verschillende rechten het recht, het gemeenschappelijke, moeten voortkomen; maar hier schijnt de schok per se tot overwinning van het eene recht en onderdrukking van het andere te moeten leiden. Hoogste openbaring van wetgevend genie kan ik hierin niet zien. Eet streven moet m. i. zijn dat de belangen der samentreffenden tot een harmonische eenheid opgelost worden, ook op het gebied van het recht, maar niet dat op dit gebied öf de een den ander, óf de ander den een onderdrukke, zooals in Stbl. 1898 No. 158 het geval is.
Om een voorbeeld te kiezen: men kan zeer goed het beginsel aanhangen, dat de vrouw den staat van den man be-
— 355 —
hoort te volgen, zonder daarom de uiterste konsekwentie daarvan te willen aanvaarden: dat een Westersche vrouw met een Oosterling huwende, ook maar moet blootstaan aan de gevaren, die zijn Oostersche neiging tot polygamie en het gemak, waarmee hij van zjjn vrouwen scheidt, opleveren.
Het is volkomen waar, dat de vrouw vooruit weet wat haar te wachten staat, althans wanneer zij niet met een Inlau dei-huwt, die eerst later overgaat tot een rechtstoestand, die de polygamie toelaat, door b.v. Mohammedaan te worden. Hieruit volgt echter alleen, dat men den wetgever niet zal kunnen verwijten er de vrouw te hebben laten inloopen (1); maar dit wil nog niet zeggen, dat de maatregel ook goed en rechtvaardig is. Immers op denzelfden grond zou men de invoering van de polygamie in Nederland kunnen verdedigen; als zij daar in het Burgerlijk Wetboek werd opgenomen, zouden de vrouwen ook vooruit weten wat hun te wachten stond. De vraag is echter: is polygamie gewenscht of niet, is ze goed of onzedelijk? Weet de wetgever dit niet, dan mist hij een voornaam vereischte voor wetgevend vermogen; weet hij \'t wèl, dan handele hij er naar. Hij kan daarbij een concessie doen aan een volk van miljoenen, dat men slechts langzaam en met zachtheid tot betere inzichten brengen, echter niet dwingen kan; maar deze concessie behoort streng beperkt te blijven tot het volk; elke uitbreiding daarvan tot de vreemdelingen en tot de gemengde gevallen is een onnoodige executie van eigen overtuiging (2). Het moet den Europeaan tegen de borst stuiten, dunkt mij, zijn rasgenoote — hoe dan ook ontaard — langs wettigen weg beschikbaar te stellen voor de verdeelde of zeer voorbijgaande lusten van den muzelman. Deze zou het misschien, als hij een gemengd huwelijk had aangegaan, onaangenaam vinden niet nog een paar vrouwen er bij te kunnen nemen voor de afwisseling, en zooveel omslag
(-1) Bij huwelijken van Inlanders in het buitenland kunnen de meisjes er echter wèl inloopen. Zie Wetg. N. I. blz. 112, aant. 10. en blz. 122. aant. 28.
(2) Zie blz. 40 en 62 van «Het Ind. Chineezenrecht der toekomstquot; (Wet en Adat, Band I).
— Sat) —
te moeten maken om zich van zijn vrouw te ontdoen, als deze hem verveelt; maar evenals men het der vrouw thans toevoegt, zou men ook hem — als de polygamie bij gemengde huwelijken eenmaal wettelijk verboden was — kunnen toevoegen ; „gij wist dat vooruit, vriendquot;; dan hadt ge maar geen vrouw van ander ras en recht moeten huwenen den vreemdeling kan men te kennen geven dat hij, als hij zich onder onze bescherming in ons gebied wil vestigen, naar onze wetten en zeden heeft te leven en anders maar elders zijn fortuin moet zoeken.
Maar laat ons niet vooruitloopen op hetgeen de artikelen ons aanleiding zullen geven op te merken.
De Directeur van Justitie was van oordeel, dat er geen behoefte bestond aan een regeling der gemengde huwelijken, de Raad van N.-Indië achtte haar ook niet dringend en Mr. Margadaxt (1) vond de zaak ook „allerminst urgentquot;, omdat (de gem. huwelijken) „schaars voorkomenquot;. (Men zie de in Wetcj. N. blz. 106, onder „aanleidingquot; opgegeven plaatsen en de aanteekeningen op blz. 107.) Het schijnt dat velen het de taak des wetgevers achten eerst tusschen beiden te treden, als de toestanden onhoudbaar worden en tot aanhoudende moeilijkheden in rechten aanleiding geven. Van dat standpunt kon men begrijpelijkerwijze geen urgentie ontdekke.a; maar bij zulk een opvatting verzwaart men de taak des wetgevers ook door hem voor de ontwarring te stellen van een draad, die alleen ineenkronkelde doordat men het kluwen niet bijtijds opwond. Men zal dan, zelfs door bepalingen met terugwerkende kracht, die altijd onbillijkheden meebrengcm, niet zoo volkomen slagen, als bij een tijdige voorziening. Wilde men niet zóó lang wachten, dan was er toch waarlijk wel reden om tot voorziening over te gaan, èn om het onvoldoende der bestaande bepalingen, èn om het veelvuldig voorkomen van gemengde huwelijken. Op welken grond dit laatste wordt
1) Hoe deze reeds in 1897 in staat was zijn kort, maar kernachtig oordeel te vellen over dit werk van de Staatscommissie, tvan wier ijverige werkzaamheid nog geen enkele vrucht het staatsblad had bereiktquot; (zooals hij ter snede opmerkt), kan ik niet zeggen.
— 357 —
ontkend is niet duidelijk. Uit de officieele gegevens blijkt, dat er in de laatste jaren gemiddeld 87 zulke huwelijken per jaar zijn -voltrokken met inachtneming van art. 15 Ov. bep, Bovendien hadden gemengde huwelijken tusschen Europeanen en Inlandsche Christenen in de Molukken en huwelijken tusschen Inlanders of daarmee gelijkgestelden van verschillend recht (b. v. tusschen Arabieren en Inlanders) aanhoudend plaats; deze gevallen, die aan de statistiek ontsnappen, bedragen zeker veel meer dan 87 per jaar, en ook tot dezen heeft de zorg des wetgevers zich terecht uitgebreid, zooals ons blijkt bij do definitie, die art. 1 geeft van gemengde huwelijken: huwelijken tusschen personen die in Nederlandsch-Indië aan een verschillend recht onderworpen zijn.
Het woord „gemengdquot; hoeft hier dus geen betrekking op kruising van rassen, of derzelver onderverdeelingen, maar op vermenging van recht: wanneer een Hollandsch meisje in N. Indië trouwt met een Duitschen Jood of een door den G. G. met Europeanen gelijkgestelden Ambonnees, ontstaat daardoor zeker rasvermenging, maar in den zin van Stbl. 1898 no. 158 sluiten zij toch geen gemengd huwelijk, omdat beiden in Indië aan hetzelfde recht zijn onderworpen.
Wanneer daarentegen een Inlander zich buiten liet gewest, van waar hij oorspronkelijk afkomstig is, ergens op Java ophoudt, buiten de leiding der plaatselijke Inl. hoofden en zonder zich met de bevolking aldaar te vermengen, wordt hij door art. 9 van Stbl. 1855 no. 79 gerangschikt onder de vreemde Oosterlingen en is hij dus voor een groot deel niet\'onderworpen aan het Inlandsch, maar aan het Europeesch recht. Als hij nu ter plaatse van zijn oponthoud trouwt met een daar inheemsche Inlandsche vrouw, die dus niet aan het Eur. recht is onderworpen, bestaat tusschen beiden verschil van recht en sluiten zij een gemengd huwelijk, hoewel zij wellicht van volkomen hetzelfde ras zijn.
Het doel der nieuwe regeling is eenheid van recht te scheppen voor beide echtgenooten, niet alleen wat het huwelijksrecht betreft, maar wat het gansche publiek- en privaatrecht aangaat. Men heeft dus, ook al zou men de definitie meer
— 358 —
naar den geest dan naar de letter willen opvatten, geen recht haar te lezen alsof er stond: huwelijken tusschen personen, die in Ned. Indië ten opzichte van het huwelijk aan verschillend recht zijn onderworpen. De gekursiveerde woorden staan er niet en zijn ook niet bedoeld.
Een Chinees op Java en een Chineesche vrouw in Borneo b. v. zijn wel is waar gedeeltelijk aan gelijk recht (hun godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken), maar gedeeltelijk aan verschillend recht onderworpen, daar Stbl. 1855 no. 79 op den eerste een deel van het Europeanenrecht toepasselijk verklaart, hetgeen op de Chineezen van Borneo echter niet van toepassing is. Zij sluiten dus een gemengd huwelijk, hoewel voor beiden wel hetzelfde huwelijksrecht zal gelden. Hetzelfde gaat op, wanneer een Inl. Christen uit de Moluk-ken een Inl. Christin van Java of Tapanoeli huwt of een Baliër een Javaansche vrouw, een Javaan een Atjehsche vrouw enz. enz.
De definitie en het beginsel, waarvan zij uitgaat, zijn zeer juist; maar tocli zal art. 1, wanneer men er niet de hand mee licht (waarvoor het toch niet bestemd is), moeilijkheden opleveren, waarop de Staatskommissie blijkbaar niet verdacht was. Heeft zij zich losgemaakt van de engere opvatting en verwijt zij dus den Dir. v. Just, en den Raad v. X. I., dat deze „alleen aan gemengde huwelijken tusschen Europeanen en Inlanders hebben gedacht, maar over het hoofd zagen, dat de regeling ook op de huwelijken tusschen Inlanders en vreemde Oosterlingen betrekking heeftquot; (WeUj. N. I. blz. 74 onderaan), zelve blijft zij ook halverwege staan en overziet de gevolgen van haar definitie niet ten volle. Zij onderscheidt (TFefc/. iV, ƒ. blz. 16): 1 de Europeanen en m. d. g. g., 2 de Inlanders in geheel Indië, 3 de Chineezen op Java en Madoera, 4 de Arabieren en andere met Inlanders gelijkgestelde personen. De huwelijken „tusschen personen, die ieder tot ééne (lees: ^en andere) van gezegde categorieën behooren, vallen in de omschrijving van het artikelquot; (art. 1), zegt zij; en nu kan men wel aannemen, dat deze opsomming van kategorieën niet limitatief bedoeld is, maar het maakt toch den indruk dat zij slechts enkele hoofdonderscheidingen op het oog had en niet heeft
— 359 —
gedacht aan de vele en groote verschillen van recht, die tus-schen de eigenlijke Inlanders onderling bestaan. Yooreerat doen de woorden „de Inlanders in geheel Indiequot; (alsof deze één rechtsgenieenschap vormden) dit vermoeden; maar bovendien zou zij anders niet stilzwijgend de bezwaren voorbijgaan, die de uitvoering dei nieuwe regeling zou opleveren bij de toepassing op alle huwelijken ook van eigenlijke Inlanders, als deze aan verschillend recht zijn onderworpen. Men denke eens aan de toepassing van art. 2, maar vooral van artt. 4, 5, 6, 7,11 en 12 op deze talrijke en aan onze waakzaamheid ontsnappende gevallen. Yele dezer bepalingen geven den indruk, dat de Staatskommissie, bij het ontwerpen daarvan, haars ondanks toch weer zich uitsluitend gemengde huwelijken van Europeanen, of althans van slechts enkele kategorieën voorden geest heeft gehouden en bij deze het nieuwe kleedingstuk heeft gepast om zich te overtuigen, dat het den belanghebbbenden goed zou zitten. De moeilijkheid is nog grooter geworden door de overigens zeer rationeele toevoeging (door den Minister) van een 2e en eeu 3e zinsnede aan art. 6. De ambtenaar van den burgerlijken stand kan het druk krijgen.
Verschil van recht doet zich in Indië veel voor tusscheu eigenlijke Inlanders in één zelfde gewest, ja in één zelfde af-deeling. Ik heb hier niet op het oog het verschil tusschen leden van verschillende groepen in een zelfde streek (b. v. tusschen Inl. Christenen en Mohammedanen), dat minder bezwaar oplevert, maar het plaatselijk uiteenloopen der adat. Men kan dit niet gelijkstellen met het verschil van plaatselijke usances in Xederland. Deze betreffen alleen ondergeschikte punten en volgen den persoon niet. Voor den Inlander daarentegen, wiens recht niet is gekodificeerd, is het gewoonterecht het recht, en de plaatselijke verschillen daarin betreffen veelal voorname punten van recht, terwijl geen al- -gemeen recht boven het plaatselijke staat — zooals ik zou wen-schen — om bij verschil den doorslag te geven.
Zal men nu aannemen dat de a. s. echtgenooten aan verschillend recht onderworpen zijn en hun huwelijk dus onder art. 1 valt, wanneer hun adat eenigszins uiteenloopt, of alleen
— 360 —
wanneer daartusschen aanmerkelijk verschil bestaat? Het eerste acht ik alleen aannemelijk 1° omdat art. 1 spreekt van verschillen, zonder een graad daarvoor vast te stellen; 2° omdat het niet doenlijk is de grens aan te geven tusschen een aanmerkelijk en een niet meetellend verschil: de wet kan die grens niet ia \'t algemeen aangeven en de rechters en liuwelijks-voltrekkers kunnen haar in elk voorkomend geval ook niet anders aanwijzen dan willekeurig, en daardoor zonder eenigen waarborg, dat de een de opvatting van den ander zal eerbiedigen. Toch zullen belanghebbenden daaromtrent zekerheid moeten hebben om niet de kans te loopen een onwettig, of althans nietig verklaarbaar huwelijk aan te gaan.
Ben ik dus geneigd den graad van verschil in recht niet te tellen bjj de toepassing van art. 1 dezer verordening, er zijn andere opzichten, waarin men dit artikel, dunkt mij, niet te streng kan of mag toepassen.
De bepaling spreekt van „rechtquot; zonder nader aan te duiden ol zij eenig deel wenscht uit te zonderen b.v. het administratief recht, het strafrecht, het formeel recht. In het algemeen heeft zij dan ook blijkbaar geen uitzondering willen maken, want op elk gebied van het recht wilde zij in het huwelijk eenheid scheppen door artt. 2 e. v. en wilde dus door art. 1 de daarop volgende bepalingen toepasselijk maken, zoodra de eenheid van recht niet volkomen was. Nu doet zich echter de vraag voor of een huwelijk gemengd is, wanneer
a. de man Inlander, maar voor de Europeesche rechtbanken justitiabel en de vrouw een gewone Inlandsche is;
h. wanneer de Inlandsche man te eeniger zake zich vrijwillig heeft of wettig is onderworpen aan het Europeesche recht en de Inl. vrouw, die hij gaat huwen, niet;
c. wanneer de man vreemdeling is en in eenige opzichten beheerscht blijft door het recht zijns vaderlands (gelijk de SF. Ind. ingezetene buitenslands ook in veel opzichten aan het N. Ind. recht onderworpen bljjft, art. 16 Ind. Alg. Bep. v. Wetg,) en hier een vrouw trouwt, die aan dat vreemde recht niet is gebonden.
In deze gevallen zal men m. i. niet van een gemengd
— 361 —
huwelijk kunnen spreken, wanneer de echtgenooten overigens in Indië onder hetzelfde recht ressorteeren. Immers:
ad a. Wanneer de man zulk een forum privilegiatum heeft is dit of ook toegekend aan zijn vrouw, — in welk geval de tusschenkomst van Stbl. \'98 no. 158 hiervoor onnoodig is,— of het is aan zijn afstamming, ambtelijke hoedanigheid enz. verbonden en een strikt persoonlijk voorrecht, in welk geval gemeld Staatsblad niet bij machte is, de vrouw het ook deelachtig te doen worden. De bepalingen van gemeld Staatsblad kunnen dus niet het oog hebben op zulk een verschil van recht.
ad b. Wanneer het een algemeene en voortdurende onderwerping betreft, is art. 1 natuurlijk wèl toepasselijk. Zoo wanneer een Inlander of Inlandsche zich vroeger, om met een Europeesche of Europeaan te huwen, ingevolge art. 15 Ov. bep. vrijwillig heeft onderworpen aan het geheele Eur. privaatrecht. De meest gevolgde opvatting (door mij voren blz. 300-303 bestreden) is, of was, dat die onderwerping ook na ontbinding des huwelijks in stand blijft. Neemt men dit aan, dan zal zulk een „huwelijks-Europeaanquot; om b.v. met een Inlander te huwen art. 6 e. v. van de onderhavige verordening moeten in acht nemen.
Heeft iemand zich echter slechts ter zake eener bepaalde zaak onderworpen aan het daarop betrekkelijk Eur. recht (art. 13 Alg. Bep.), dan raakt dit de (of den) andere (n) echtgenoot alleen voorzoover zij (hij) als recht-verkrijgende of-deelende zou moeten optreden; in dit geval zal zij natuurlijk geen ander recht kunnen verkrijgen of deelen, dan dat de andere echtgenoot had of heeft. Had deze zich ter zake aan het Europeesche recht onderworpen, dan zal zjj dus van zelf geen ander dan Europeesch recht kunnen verkrijgen of deelen. Dit is geen gevolg van het gemengde huwelijk en art. 1 kan dus ook niet hierop het oog hebben. Hetzelfde geldt, wanneer een der a. s. echtgenooten zonder uitdrukkelijke vrijwillige onderwerping te eeni-ger zake is onderworpen aan het Eur. recht, b. v. door het aangaan van een pachtkontrakt, door het in eigendom hebben van vaste goederen, die in de openbare registers zijn ingeschreven, enz.
— 360 —
wanneer daartusschen aanmerkelijk verschil bestaat? Het eerste acht ik alleen aannemelijk 1° omdat art. 1 spreekt van verschillen, zonder een graad daarvoor vast te stellen; 2° omdat het niet doenlijk is de grens aan te geven tusschen een aanmerkelijk en een niet meetellend verschil: de wet kan die grens niet in \'t algemeen aangeven en de rechters en huwelijks-voltrekkers kunnen haar in elk voorkomend geval ook niet anders aanwijzen dan willekeurig, en daardoor zonder eenigen waarborg, dat de een de opvatting van den ander zal eerbiedigen. Toch zullen belanghebbenden daaromtrent zekerheid moeten hebben om niet de kans te loopen een onwettig, of althans nietigverklaarbaar huwelijk aan te gaan.
Ben ik dus geneigd den graad van verschil in recht niet te tellen bij de toepassing van art. 1 dezer verordening, er zijn andere opzichten, waarin men dit artikel, dunkt mij, niet te streng kan of mag toepassen.
De bepaling spreekt van „rechtquot; zonder nader aan te duideu of zij eenig deel wenscht uit te zonderen b.v. het administratief recht, liet strafrecht, het formeel recht. In het algemeen, heeft zij dan ook blijkbaar geen uitzondering willen maken, want op elk gebied van het recht wilde zij in het huwelijk eenheid scheppen door artt. 2 e. v. en wilde dus door art. 1 de daarop volgende bepalingen toepasselijk maken, zoodra de eenheid van recht niet volkomen was. Nu doet zich echter de vraag voor of een huwelijk gemengd is, wanneer
«. de man Inlander, maar voor de Europeesche rechtbanken justitiabel en de vrouw een gewone Inlandsche is;
amp;. wanneer de Inlandsche man te eeniger zake zich vrijwillig heeft of wettig is onderworpen aan het Europeesche recht en de Inl. vrouw, die hij gaat huwen, niet;
c. wanneer de man vreemdeling is en in eenige opzichten beheerscht blijft door het recht zijns vaderlands (gelijk de N. Ind. ingezetene buitenslands ook in veel opzichten aan he^ Ind. recht onderworpen blijft, art. 16 Ind. Alg. Bep. v. Wetg.) en hier een vrouw trouwt, die aan dat vreemde recht niet is gebonden.
In deze gevallen zal men m. i. niet van een gemengd
361 —
huwelijk kunnen spreken, wanneer de ectitgenooten overigens in Indië onder hetzelfde recht ressorteeren. Immers:
ad a. quot;Wanneer de man zulk een forum privilegiatum heeft is dit of ook toegekend aan zijn vrouw, — in welk geval de tusschenkomst van Stbl. \'98 no. 158 hiervoor onnoodig is,— of het is aan zijn afstamming, ambtelijke hoedanigheid enz. verbonden en een strikt persoonlijk voorrecht, in welk geval gemeld Staatsblad niet bij machte is, de vrouw het ook deelachtig te doen worden. De bepalingen van gemeld Staatsblad kunnen dus niet het oog hebben op zulk een verschil van recht.
ad b. Wanneer het een algemeene en voortdurende onderwerping betreft, is art. 1 natuurlijk wèl toepasselijk. Zoo wanneer een Inlander of Inlandsche zich vroeger, om met een Europeesche of Europeaan te huwen, ingevolge art. 15 Ov. bep. vrijwillig heeft onderworpen aan het geheele Eur. privaatrecht. De meest gevolgde opvatting (door mij voren blz. 300-303 bestreden) is, of was, dat die onderwerping ook na ontbinding des huwelijks in stand blijft. Neemt meu dit aan, dan zal zulk een „huwelijks-Europeaanquot; om b.v. met een Inlander te huwen art. 6 e. v. van de onderhavige verordening moeten in acht nemen.
Heeft iemand zich echter slechts ter zake eener bepaalde zaak onderworpen aan het daarop betrekkelijk Eur. recht (art. 13 Alg. Bep.), dan raakt dit de (of den) andere (n) echtgenoot alleen voorzoover zij (hij) als recht-verkrjjgende of-deelende zou moeten optreden; in dit geval zal zij natuurlijk geen ander recht kunnen verkrijgen of deelen, dan dat de andere echtgenoot had of heeft. Had deze zich ter zake aan het Europeesche recht onderworpen, dan zal zij dus van zelf geen ander dan Europeesch recht kunnen verkrijgen of deelen. Dit is geen gevolg van het gemengde huwelijk en art. 1 kan dus ook niet hierop het oog hebben. Hetzelfde geldt, wanneer een der a. s. echtge-nooten zonder uitdrukkelijke vrijwillige onderwerping te eeni-ger zake is onderworpen aan het Eur. recht, b. v. door het aangaan van een pachtkontrakt, door het in eigendom hebben van vaste goederen, die in de openbare registers zijn ingeschreven, enz.
T
!■
t
— 362 —
Het beste bewijs, dat op deze sub a en b bedoelde gevallen de regeling van Stbl. 1898 No. 158 niet kan slaan is dit: gesteld dat het de Inlandsche vrouw is, die een forum privile-giatum heeft of te eeniger zake aan het Europeesche recht is onderworpen, en dat deze vrouw met een niet in dit geval verkeerenden man trouwt. Volgens art. 2 zal zij dan den staat haars mans volgen. Toch zal men wel niet beweren, dat zij hierdoor haar forum privilegiatum verliest, of dat zij ophoudt ter bewuster zake onderworpen te zijn aan het Europeesche recht; hetgeen dus langs anderen weg weer aantoont, dat op dit soort exceptioneel recht de regeling der gemengde huwelijken geen betrekking heeft.
ad c. Art. 1 heeft alleen \'t oog op het verschillend N. Indisch recht. Hoewel dit duidelijker kon zijn uitgedrukt (b. v. door den tusschenzin te doen luiden: „die aan een verschillend Ned.-Indisch recht zijn onderworpenquot;), blijkt deze bedoeling toch voldoende; zie de toelichting, TFe^/.-Ar. J. blz. 15 en 16.
Al worden nu de sub. a, i en c bedoelde gevallen uitgezonderd, dan zullen toch nog zóóvele huwelijken, zelfs van Inlanders onderling, gemengde zijn, dat de nieuwe regeling niet praktisch mag worden genoemd, al was \'t maar omdat zij tot zooveel moeilijkheden aanleiding geven en de wettigheid van huwelijken zoo dikwijls aan betwisting blootstellen zal.
De oorzaak is weer het stelsel van wetgeving voor iST. Indië, dat ik al meermalen heb bestreden. In plaats van algemeen recht vast te stellen, des noods te scheppen, heeft men eenige formules willen konstrueeren, waarnaar voor elk bizonder geval het recht moet worden berekend. Daar het recht geen wiskunde en de Indische maatschappij allerminst een gelijkmatige, wiskundig evolueerende machine is, moet er wel telkens wat hokken.
Ik maak er mij niet veel illusie van, dat mijn betoog en mijn vroegere van gelijke strekking veel zullen uitwerken en heb daarnaast steeds mij op het standpunt van de tegenwoordige wetgeving geplaatst om de wet uit te leggen en aan te geven, in welke richting men m. i. verbetering kon aanbrengen. Zoo wees ik (voren blz. 305 en 306) op de wenschelijkheid
— 363 —
(van dit standpunt gezien) van bepalingen als sinds zijn veer-gelegd in artt, 2—4 van Stbl. 1898 n0 158, maar ik kan toch niet nalaten telkens weer te wijzen op de treurige verbrokkeling van recht, die ons wetgevend systeem meebrengt, en waardoor zulke bepalingen, zulk een stuivertje verwisselen, o. a. wat den staat betref, wenschelijk wordt. Men zou er haast door gaan vergeten, dat tneu burgers is van één Staat en onder één wetgever leeft, en gaan meenen dat men zich bevindt op een proefnemingsterrein voor liefhebbers van internationaal-rechtelij-ke studiën.
Laat ons, de volgorde der artikelen verbrekende, vóór wij de gevolgen van het gemengd huwelijk bespreken, nagaan hoe het tot stand komt.
Vóór het voltrokken wordt moet de vrouw, zegt art. 7—en hetzelfde geldt vanzelf voor den man, die niet tot ander recht overgaat,—voorzoover haar persoon betreft, voldoen aan de voorschriften of vereischten van het voor haar geldend recht, wat betreft de hoedanigheden en voorwaarden, welke gevorderd worden om een huwelijk te kunnen aangaan, zoomede de formaliteiten, welke vóór de voltrekking daarvan moeten plaats hebben.
„Voldoenquot; is minder eigenaardig uitgedrukt; Wanneer Sarina met een Europeaan, die haar broeder is, wil huwen, dan is er geen sprake van vooraf al of niet te voldoen aan zekere vereischten of voorschriften, maar is het huwelijk eenvoudig onmogelijk.
De bedoeling is echter duidelijk: de mogelijkheid van het huwelijk moet, voorzoo ver de vrouw betreft, naar het voor haar geldend recht worden beoordeeld (en evenzoo, wat den man aangaat, naar het voor hem geldende).
Men zal bij de toepassing van dit artikel te werk moeten gaan op de wijze, die een dergelijke bepaling van quasi-internationaal — wil men: van „gemengdquot; —recht vanzelve meebrengt. In strijd hiermee is m. i. de opvatting, die de Dir. v. Just, in zijn advies verkondigde (Wetg. N. I. blz. 53, 54): art. 50 B. quot;W. kent geen huwelijksaangifte van één
— 364 —
persoon, heet het, maar alleen van beide a. s. echtgenooten; het doelt alleen op de huwelijken waarop Boek I, Titel IV, Afd. 2 yan het Burgl. Wetboek slaat, dus zouden beide echtgenooten (ook de Inlandsche) samen de aangifte moeten doen en zou deze alleen kunnen worden aangenomen, wanneer het huwelijk zal worden gesloten overeenkomstig het Burgl. Wetboek, m. a. w niet wanneer de man Inlander is en de voltrekking derhalve op Inlandsche wijze moet plaats hebben. Deze redeneering zou volkomen juist zijn, wanneer Stbl. 1898 no. 158 niet bestond; het B W. op zichzelf kent geen huwelijksaangifte van één persoon en evenmin van personen, die volgens ander recht zullen trouwen; dit is waar; maar de N. Ind. wetgeving kent tengevolge van art. 7 van Stbl. 1898 no. 158 wèl zulke eenzijdige en op niet-Europeesche huwelijken betrekking hebbende aangiften, die overeenkomstig het B. quot;W. moeten plaats hebben. Het Nederlandsch Burgerlijk Wetboek levert een dergelijk voorbeeld op: art. 107, in verband met art. 105, van dat wetboek betreft ongetwijfeld alleen de afkondiging (en wel na voorafgaande huwelijksaangifte) van huwelijken in Nederland voltrokken. Toch wordt in art. 138 voor de geldigheid van in den vreemde door Nederlanders aangegane huwelijken o. a. als voorwaarde gesteld, dat de huwelijksafkondigingen in het Koninkrijk hebben plaats gehad. Zou nu de ambtenaar v. d. burgerlijken stand in Nederland weigeren de afkondigingen te doen, omdat art. 107 alleen afkondigingen van in Nederland te voltrekken huwelijken bedoelt? Immers neen; hij zal art. 107 lezen in verband met art. 138! Evenzoo moet men in Indië de bepalingen in verband met elkaar lezen; en dan doet het er niets toe of die verband met elkaar houdende artikelen in één zelfde wetboek of in twee verschillende verordeningen staan, mits zij maar beiden behooren tot onze wetgeving en voor de betrokkenen verbindend zijn.— De a. s. echtgenooten vervullen dus, elk op de wijze van zijn eigen recht, de voorbereidende handelingen afzonderlijk. Heeft dit plaats gehad en doen zich voor geen hunner (naar zijn recht) beletselen op, dan zal het huwelijk kunnen plaats hebben; maar de vrouw zal zich ten
— 365 —
bewijze daarvan een verklaring moeten doen afgeven „door dengene, die volgens het voor haar geldend recht te barer woonplaats met de voltrekking van huwelijken belast of daartoe bevoegd isquot; (art 7 al. 2).
Aangezien degeen, die volgens het recht des mans het huwelijk moet voltrekken, dikwijls geheel onbekend zal zijn niet het recht der vrouw, is dit misschien de meest praktische oplossing der moeilijkheid. Toch sluit zij alle bezwaren niet uit. De ambt. v. d. burg. stand van den man zal nu weer moeten beoordeelen of degeen, die de verklaring afgaf, werkelijk volgens het recht der vrouw met het voltrekken van huwelijken belast of althans daartoe bevoegd was, iets dat soms zeer moeilijk is uit te maken. quot;Verder zal ter woon-plaatse der vrouw, als zij haar a. s. man bij wijze van anticipatie gevolgd is of zich om andere redenen buiten haar geboorteplaats heeft gevestigd, zich wellicht geen persoon bevinden, bevoegd tot of belast met huwelijksvoltrekkingen volgens haar recht. Eindelijk is het de vraag of volgens haar recht het huwelijk wel door eenige autoriteit wordt voltrokken. Bij Arabische en Chineesche vrouwen is dit, meen ik, niet het geval. Zal dan het huwelijk eenvoudig onmogelijk zijn, omdat er niemand is, die zoo\'n certifikaat kan afgeven?
Wordt het certifikaat geweigerd, dan staat belanghebbenden een beroep op den gewonen dagelijkschen rechter 1) der vrouw open, wiens beslissing, in hoogste ressort, geheel in de plaats van die des weigerachtigen huwelijksvoltrekkers treedt.
Staan aan het huwelijken geen bezwaren in den weg, dan wordt dit voltrokken overeenkomstig het voor den man geldend recht.
De Staatskommissie had gewild, dat in elk geval van zoodanige voltrekking van een gemengd huwelijk een akte zou worden opgemaakt overeenkomstig een door den Gr. G. vast te stellen model. De Minister vond het overbodig dit te eischen „wanneer het huwelijk wordt gesloten volgens onze wet of volgens de voorschriften voor de Inl. Christenen, daar voor
1) Omtrent de beteekenis dezer uitdrukking huldigt de Stiatskommis-sie een opvatting, die ik niet kan deelen. Om niet te uitvoerig te wor-worden verwijs ik hiervoor naar Wetg. N. J. blz. 35 en blz. 118, aant. 22
— 366 —
deze beide categorieën door de bestaande bepalingen reeds voldoende in den vorm der akte is voorzien.quot; Deze alleszins juiste overweging gaf aanleiding tot een m. i. minder juiste wijziging in het ontwerp, waardoor nu het opmaken van een akte overeenkomstig vastgesteld model alleen wordt gevorderd, „wanneer het recht, waaraan de man is onderworpen, geen schriftelijke huwelijksakte vordert.quot; Daarbij is uit het oog verloren, dat wellicht nog andere rechten, dan dat der Europeanen en dat der Inl. Christenen een schriftelijke huwelijksakte kennen, en in deze gevallen die akte waarschijnlijk veel aan sekuriteit zal te wenschen overlaten. Moet het nu, als een Europeesche vrouw huwt met een Inlander, wiens huwelijksvoltrekker daarvan een Inlandsche, zeer onvoldoende akte pleegt op te maken, voldoende worden geacht als deze dit ook van haar huwelijk doet? De akte zal wellicht worden opgemaakt in een elders bijna nergens begrepen wordende landstaal, geen vermelding inhouden dat aan art. 7 al. 1 en 2 is voldaan, en zoo loopt de vrouw gevaar, dat de wettigheid van haar huwelijk wordt betwist. Dit wordt te grooter doordat art. 6 al. 2 wel voorschrijft, dat de huwelijksvoltrekker de door hem opgemaakte huwelijksakte moet opzenden aan den ambtenaar v. d. burg. stand, maar alleen in het laatstgenoemde geval, d. i. wanneer het recht, waaraan de man onderworpen is, geen schriftelijke huwelijksakte vordert. Vordert dit recht wel zulk een akte, al is deze nog zoo gebrekkig, al bestaat er geen de minste waarborg dat zij goed bewaard zal worden, dan trekt de wetgever er zich niets meer van aan. — Leest men nu al. 2 en 3 van art. 6, dan kan men zich niet voorstellen, dat de groote zorg, daar aan den dag gelegd om te voorkomen dat het bewijs van het huwelijk teloor ga, niet een algemeener strekking zou hebben gehad dan de bewoordingen meebrengen.
De hier aangetoonde gebreken zou de G. G. kunnen verhelpen door aan de huwelijksvoltrekkers, niet vallende onder art. 6 al. 2, denzelfden last te geven als reeds in die alinea aan de overigen te beurt viel, en door in elk geval een model huwelijksakte voor hen vast te stellen. Minder gemakkelijk te overwinnen zijn de bezwaren, die voortvloeien uit
— 367 —
het beginsel zelf van art. 6, zooals dit in den eersten volzin is uitgedrukt.
Men mag aannemen dat de wetgever voor iNederlandsch-Indië tegenwoordig verheven is boven de vooroordeelen, die op verschil van ras, klasse of godsdienst berusten, dat hij huwelijken tnsschen personen, welke zulk een verschil scheidt, geoorloofd acht en niet wil tegenwerken (1). Hij moge dengenen, die aan zulk een verschil hechten, hun opvattingen laten, — van dwang tot het aangaan van een gemengd huwelijk zal dan ook bij hem wel nooit sprake zijn — iu elk geval moet men dan tocli verwachten, dat hij, overgaande tot een opzettelijke regeling der gemengde huwelijken, deze als rechtens geoorloofd erkent en dat door zijn algemeene bepalingen de hindernissen worden opgeheven, die aan zulke huwelijken door de speciale rechten der verschillende klassen van ingezetenen in den weg worden gelegd. In zekere mate was dit al geschied door art. 15 Ov. bep., dat nu is ingetrokken; dit hield geen rekening met verbodsbepalingen, berustende op godsdienst- of ras- verschil, maar eischte alleen de vroeger besproken vrijwillige onderwerping.
In dit opzicht voldoet de nieuwe regeling niet aan onze billijke verwachtingen. quot;We vinden dit punt in de stukken nergens opzettelijk besproken. Alleen aan het slot van de toelichting der Staatskommissie {Wetg. N, I. blz. 42) vinden wij er een tusschenzin aan gewijd: „In zoodanig zeldzaam geval zal het nationale recht van den man, gesteld
het laat een dergelijk huwelijk toequot;........ enz. Wij zien
er uit, dat volgens de Staatskommissie het recht des mans moet uitmaken of het gemengde huwelijk is toegelaten. Dit moge, waar de wetgever het onderwerp zelf is gaan regelen, eenigszins zonderling klinken, het is overigens in overeenstemming met het beginsel van art. G, met het systeem des wetgevers om niet zelfstandig te regelen. Wanneer echter de voltrekking plaats hoeft overeenkomstig het voor den man
(1) Zie echter Wetg. X. J., de laatste regels van blz. 20 en de eerste van blz. 21.
W. en A. Suppl. 2
— 368 —
geldende recht, ligt het voor de hand dat de deur wordt opengezet voor het exklusiviame, dat juist het gemengde huwe-Ijjk onmogelijk maakt
Wij weten allen, dat verbintenissen tusschen de verschillende rassen in Indië aanhoudend voorkomen. Haar aanvang is dikwijls onregelmatig, het vervolg of einde regelmatig, en in beide phasen wordt deze verhouding in Indië in den regel als iets gewoons beschouwd, althans door den gewonen Inlander. Deze opvatting is echter niet eene van nationaal Inlandsch recht, maar van quasi-internationaal recht; de Inlander, staande onder een vreemden wetgever en in aanraking komende met personen van andere rassen, die hij als zijn meerderen moet beschouwen, beseft zeer goed dat bij zijn aanrakingen met deze vreemdelingen niet uitsluitend zijn eigen recht kan gelden. Maar nu komt art. 6 hom zeggen, dat wèl zijn eigen recht zal gelden zoo dikwijls hij huwt met een vrouw van ander recht. Dwingt dit hem niet exklusiever te worden, dan hij zelf verlangt te zijn?
Nemen wij een voorbeeld. Volgens Mr. L. W. C. vANDElf Berg\'s „Beginselen van het mohamm. rechtquot; (3e druk, blz. 145) is bij de Mohammedanen het kafir (ongeloovige) zijn — kofr — een beletsel om met een Mohammedaan te trouwen. Dit neemt niet weg, dat zulke huwelijken herhaaldelijk voorkomen en de Inlander — enkele fanatieken uitgezonderd — hierin geen onrecht ziet. Vraagt ge hem echter naar zijn recht, dan zal bij ii antwoorden, dat hij ten opzichte van het huwelijk nagenoeg geheel de voorschriften van den Islam volgt; en de huwelijksvoltrekker — bij de Mohammedaansche Inlanders een geestelijke — zal wel de laatste zijn om te erkennen, dat volgens het door hem toe te passen recht zulk een huwelijk met een kafir geoorloofd is. Tenzij deze geestelijke door serviliteit zich hiervan laat weerhouden, zal hij dus, als men hem verzoekt zulk een huwelijk te voltrekken, verklaren dat hij dit niet mag doen volgens zijn recht en het dus moet weigeren.
AVat meer is: wanneer hem verzocht wordt om de verklaring in art 7 al. 2 bedoeld ten behoeve eener geloofsgenoote, die met iemand van ander recht wil trouwen, zal hij dit weigeren
- 369 —
op grond dat er volgens haar recht wel een bezwaar tegen het huwelijk bestaat. En in beide gevallen zal hij handelen geheel overeenkomstig artt. 6 en 7, zoodat een beroep op den rechter (art. 8) weinig zal baten.
Ik zal het bij dit voorbeeld laten, omdat het op zeker wel de helft der gemengde huwelijken, die plegen te worden gesloten, toepasselijk is en omdat de toelichting der Staatskom-missie blijkbaar van de meening uitgaat, dat gemengde huwelijken tusschen Christen-Europeanen of Chineezen en ilo-hammedaansche Inlanders wèl mogelyk zullen zijn (zie b. v. Wetg. N. I., blz. 30, regel 8). De wetgever is hier dus door art. 6 en 7, naar het voorkomt, zijn doel voorbij gestreefd.
Maar aangenomen nu, dat de huwelijksvoltrekker over dergelijke bezwaren heenstapt, dan blijft nog de vraag: hoe zal het in deze toepasselijke recht van den Inlandschen man de aldus gehuwde vrouw beschouwen: als wettig gehuwde echtge-noote, gelijkstaande met andere gehuwde vrouwen van het ras haars echtgeuoots, of als in strijd met het recht gehuwde, derhalve onwettige vrouw, bijzit? (\') De vraag zou ons minder aangaan, wanneer dergelijke gemengde zaken aan het bizondere recht des mans onttrokken waren, maar juist dit recht is het, waaraan zij onderworpen worden.
Art. 6 geeft nog aanleiding tot een ander bezwaar. Het heeft ongetwijfeld de bedoeling allen twijfel omtrent het al of niet bestaan van het gemengde huwelijk te voorkomen door 1° de autoriteit aan te wijzen, die het voltrekt, 2° dezen tot het opmaken oener huwelijksakte te verplichten en 3° de autoriteit aan te wijzen, die moet certificeeren dat van de zijde der vrouw geen huwehjksbeletselcn bestaan en aan alle formaliteiten is voldaan. Maar ook hier, helaas, is de aanwijzing weer onbestemd ; met behulp eener algemeene formule zal men
(1) Dit is niet zoo onwaarschijnlijk. Wanneer een Europeaan een Inl. vrouw tot zieh nam (of omgekeerd) met inachtneming van alle voor haar geldende voorschriften, dan beschouwden wij haar ook als bijzit, haar huwelijk als niet bestaande; en we hadden toen ons recht op onze hand. Maar nu zal in dit geval het Inl. recht des mans aan \'t woord ziju.
— 370 —
I
in elk geval moeten yinden wie die autoriteit is. Geeft de formule in zeker geval tot resultaat nul, dan vervallen daarmee alle goede zorgen des wetgevers.
Deze ging uit van de veronderstelling, dat ook bij de niet-Europeanen het huwelijk steeds door- of ten overstaan van iemand wordt voltrokken.
Ilt ben niet bevoegd om uit te maken in hoever dit onjuist is ten opzichte van het velerlei Inlandsoh recht, dat in onzen Archipel geldt, maar meen toch te weten, dat het bij de Arabieren en Chineezen niet door of ten overstaan van iemand voltrokken wordt, de echtgenooten, soms hun bloedverwanten, en de getuigen uitgezonderd. Nu zal men in art. G met „hij, door wien of\' te wiens overstaan liet huwelijk voltrokken wordtquot; wel hetzelfde bedoelen als in art. 7 met „degene, die volgens het voor de vrouw geldend recht.... met de voltrekking van huwelijken heiast of daartoe bevoegd isquot;. Hiermee kunnen niet bedoeld zjjn de echtgenooten zelf, noch de bloedverwanten als die zelf aan de handeling deel nemen, noch degenen die er als getuigen bij zijn, noch de toeschouwers of bruiloftsgasten; men heeft op \'t oog een persoon, krachtens de wet of krachtens de adat verplicht of bevoegd om, niet als partij of belanghebbende, maar officieel de handeling bij te wonen en daaraan sanktie te verleenen. Welnu zulk een persoon is er niet volgens Chineesch of Arabisch recht en zal dus ook niet de akte kunnen opmaken, in art. 6 bedoeld, of het certifikaat afgeven, in art. 7 bedoeld.
Men verwarre de huwelijksvoltrekking niet met wat daaraan voorafgaat of daarmee gepaard gaat, maar niet do voltrekking zelve is. Uit hetgeen de Staatskommissie in haar toelichting zegt (Wetg. N. I. blz. 30, 31), zou men geneigd zjjn op te maken, dat het consent en het permissiebiljet, die boedelmeesteren bij huwelijken resp. van Chineezen en van Bataviaasclie Inlanders afgeven, zijn bewijzen van het voltrekken des huwelijks opgemaakt en dan zou het weer lijken, dat die huwelijken worden voltrokken door of ten overstaan dier boedelmeesteren. Dit is echter niet het geval. Wel wordt het consent gevorderd tot bewijs van het huwelijk (ten einde de inning der daaraan
— 371 —
verbonden belasting te verzekeren), maar dit wil alleen zeggen dat zonder dat het huwelijk onwettig wordt geacht, niet dat door dit consent het huwelijk wordt gekonstateerd: partijen zijn evenmin door dit stuk als door het permissiebiljet gebonden; zij kunnep nog van de huwelijksvoltrekking afzien, en die schrifturen worden in den regel vóór, ook wel na, en zelden tegelijk met de huwelijksvoltrekking opgemaakt en uitgereikt. Boedelmeesteren kunnen dus niet geacht worden de in art. 6 al. 2 en in art. 7 al. 2 bedoelde autoriteit te zijn.
Hoe zal dan in zulke gevallen het huwelijk voltrokken, de akte daarvan opgemaakt of, als de man b. v. Europeaan is, het in art. 7 voorgeschreven certificaat door de vrouw verkregen moeten worden?
Op het eerste deel dezer vraag antwoordt het eerste deel van art. 6: liet huwelijk moet overeenkomstig het voor den man geldend recht, in de bedoelde gevallen dus zonder bemoeienis van een voltrekker, plaats hebben. Bij de tweede en derde vraag laten de formules van Stbl. 1898 no. 158 ons in den steek. De akte zal niet kunnen worden opgemaakt; het gemengde huwelijk der Inl. vrouw zal bij gebreke van de in art. 7 onvoorwaardelijk geëischte verklaring van een (niet bestaanden) huwelijksvoltrekker eenvoudig onmogelijk zijn.
Maar gesteld nu eens dat, niettegenstaande zulk een certificaat niet wordt overgelegd, het huwelijk tóch wordt voltrokken overeenkomstig art. 6: met inachtneming van het voor den man geldend recht.
Wanneer dit recht geen officieelen huwelijksvoltrekker kent, bestaat er zeer veel kans dat dit geschiedt, hetzij dan door onbekendheid met de bepalingen, hetzij omdat men nu eenmaal wil trouwen en geen kans ziet zich het vereischte certifikaat van de in casu niet bestaande autoriteit te verschaffen, weshalve men maar heenstapt over dit bezwaar. Bij gebreke vaneen huwelijks-voltrekker zal niemand voor dergelijk verzuim kunnen worden gestraft. Maar zelfs al is er een officieele huwelijksvoltrekker, dan zal deze wel eens te vermurwen zijn door paartjes, die erg verlangen te trouwen, en deze zullen hem zeker gaarne de boete van hoogstens f 50.-—, die hij volgens art. 9 kan beloopen, ton
— 372 —
volle — misschieu wel veelvoudig — vergoeden. Er bestaat zelfs gevaar, dat voor geld en goede woorden wel eens de voltrekking wordt verkregen van huwelijken, waartegen ernstige bezwaren bestonden en bekend waren. De geringheid der straf en het gehalte van sommige voltrekkers geven recht dit te vreezen.
Zal nu in deze gevallen het gemengde huwelijk, dat op de wijze, in art. 6 aangegeven, dus in wettigen vorm is gesloten, geldig zijn, of zal het moeten geacht worden niet te bestaan, omdat art. 7 niet is opgevolgd, of eindelijk: zal het op dien grond nietigverklaarbaar zijn, maar alleen door een rechterlijke uitspraak? Staatsblad 1898 no. 158 geeft hieromtrent geen uitsluitsel en bij gebreke van een algemeen Indisch recht zullen wij hieromtrent wel weer te rade moeten gaan met het „nationale rechtquot; des mans, zoodat de vraag naargelang van de klasse of onderklasse, waartoe hij behoort, zeer uiteenloopende beantwoordingen zal kunnen vinden.
Art. 7 al. 2 stempelt de door den huwelijksvoltrekker (naar het recht der vrouw) gegeven verklaring tot het officiee. bewijs, dat geen bezwaren tegen haar huwelijk bestaan Moet de huwelijks voltrekker des mans zich hieraan houden, of mag hij, overtuigd zijnde, dat het huwelijk ongeoorloofd is, weigeren het te voltrekken? Men zou geneigd zijn de laatste vraag ontkennend te beantwoorden, daar art. 8 uitdrukkelijk hooger voorziening toelaat ingeval het certifikaat wordt geweigerd, en daarentegen geen middel aan de hand doet om de beslissing van de in art. 7 al. 2 bedoelde autoriteit ongedaan te maken, als deze luidt dat er geen bezwaren zijn. Zoodoende zou de autoriteit, in art. 6 bedoeld, verplicht kunnen zijn b. v. tusschen een vrouw, die hij weet dat nog gehuwd is, en een man van ander recht een gemengd huwelijk te voltrekken, wanneer zij maar de bewuste verklaring produceert, dat er geen bezwaar is.
Degeen, die de in art. 7 bedoelde verklaring afgeeft, kan zich natuurlijk vergissen. Omtrent de wijze waarop hij zich moet overtuigen is niets voorgeschreven en die kan dus vrij oppervlakkig zijn. Hij kan dwalen door onbekendheid met
— 373 —
zekere feiten of omstandigheden, die een beletsel opleveren, voorts door onkunde, door een verkeerde interpretatie van het door hem toe te passen recht. Hij kan ook opzettelijk een verklaring afgeven in strijd met de waarheid. Zal hij in zulke gevallen kunnen worden gestraft? M. i. staat hij in deze gelijk met een rechter, die naar zijn beste weten een vraag heeft te beantwoorden. AVanneer zijn opvatting daaromtrent een onjuiste is, is daaraan niets te doen: hij is nu eenmaal geroepen het recht naar zijn weten toe te passen. Het eenige waarvoor hij strafrechtelijk zou kunnen worden verantwoordelijk gesteld is m.i. wanneer hij opzettelijk oujuiste feiten meedeelt of wanneer hij tegen beter weten in, dus opzettelijk, een met het recht der vrouw, dat hij moet toepassen, strijdende verklaring heeft opgemaakt. Dit zal meestal wel, zoo het al het geval is, moeilijk te bewijzen zijn. Veelal zal hij straffeloos een onjuiste verklaring kunnen afgeven en zoo aanleiding geven tot de voltrekking van een verboden huwelijk.
quot;Wat zal in dit geval het gevolg zijn? Zal het gemengde huwelijk nietig zijn of nietig kunnen worden verklaard op grond van de wettelijke onbestaanbaarheid er van, ofschoon bij do voltrekking er van het wettelijk bewijs werd geleverd door de in art. 7 bedoelde verklaring, dat het wèl bestaanbaar was en dat er geen bezwaar bestond, als waarop men zich nu beroept? Wanneer b.v. een Europeaan trouwt met een Inlandsche vrouw, aan wie de panghoeloe een verklaring uitreikte, dat tegen het huwelijk, voorzoover haar betreft, geen bezwaar bestond, zal dan dit huwelijk later nietig kunnen worden verklaard op grond, dat haar man kafir is en er dus een huwelijksbeletsel was?
En hoe zal bij de voorbereiding van gemengde huwelijken stuiting des huwelijks moeteu plaats hebben van de zijde der verwanten van de vrouw? De in art. 7 al. 2 bedoelde autoriteit zal van een eventueele stuiting wellicht niet eens gesaississeerd worden en, als hij vindt dat er geen bezwaar bestaat, het certifikaat afgeven zonder zich te bekommeren om wat anderen vinden.—
In art, 10 wordt bepaald onder welke voorwaarden in den
vreemde aangegane gemengde huwelijken van waarde zijn. Art. 83 van het Indisch Burgerlijk Wetboek is daarbij tot voorbeeld genomen. Zij moeten worden gesloten naar den vorm, gebruikelijk in het land waar de voltrekking plaats heeft en geen der partijen moet gehandeld hebben „tegen de voorschriften of vereischten van het voor haar geldend recht, wat betreft de hoedanigheden en voorwaarden, welke gevorderd worden om een huwelijk te kunnen aangaan.quot; Hetzelfde geldt volgens art. 10 als het gemengde huwelijk wordt aangegaan in een gedeelte van ISquot;. Indië, waar het Inlandsch zelfbestuur nog bestaat. Dit laatste komt mij voor een on-noodige en gevaarlijke bepaling te zijn.
Onnoodig uit een feitelijk oogpunt, omdat de zelfbesturende rijkjes zelden zuó geïsoleerd liggen, dat liet don a. s. echtge-nooten onmogelijk zou zijn dezelfde voorschriften in acht te nemen als voor de overige gemengde huwelijken zijn gegeven. Alleen zou het noodig zijn den huwelijksvöltrekker ter hoofdplaats van het gewest, waaronder het rijkje ressorteert, aan te wijzen voor \'t geval er anders geen zou zijn.
Onnoodig uit een rechtskundig oogpunt, omdat de betrekkelijke zelfstandigheid der bewuste rijkjes zulk een afwijking van het gewone recht niet vereischt. De Staatskommissie beroept zich in deze op art. 27 al. 2 van het Regeerings-reglement (zie Wetcj, N. I. blz. 37); daar is echter bepaald, dat onze algemeene verordeningen in die gedeelten van N. Indië, alwaar het recht van zelfbestuur aan de Inlandsche vorsten en volken is gelaten, slechts in zoover toepasselijk zijn, als met dat recht bestaanbaar is. De geldigheid onzer algemeene verordeningen is dus in die rijkjes volstrekt niet uitgesloten, maar beperkt, en verordeningen als die van Stbl. 1898 No. 158 behooren juist tot de soort, die daar wèl gelden. Immers een der typische eigenschappen van de overeenkomsten, die door het Groevernement met zulke staatjes plegen te worden gesloten, is juist dat de macht der zelfbesturen wordt beperkt tot het inheemsche volk en al wat de vreemde Oosterlingen of vreemde Inlanders aldaar betreft, zooveel mogelijk aan hun bemoeienis wordt onttrokken, evenals al wat deze vreemden en de on-
— 375 —
derdanen van het staatje samen betreft, derhalve alle gemengde zaken. Dit stemt geheel overeen met de taak van het Goe-vernement, als algemeene opperheerscher in den Archipel. Veelal zal de bepaling van art. 10 dus in strijd zijn met het karakter onzer verhouding tot het Inlandsch zelfbestuur.
Gevaarlijk is de bepaling, omdat zij de zekerheid van het huwelijk aantast. Wanneer een Europeaan in Soerakarta een Inlandsche of Chineesche vrouw wil huwen, zal hij dit volgens art. 10 moeten doen op de daar gebruikelijke wijze, en ik veronderstel dat hiermee bedoeld wordt die, voorgeschreven door de landswetten of gebruiken, niet die door vreemdelingen aldaar gevolgd. Vooreerst zal daardoor, in strijd met art. 6, het huwelijk dikwijls plaats hebben overeenkomstig liet recht der vrouw. Maar bovendien zal dus een Europeaan, daar trouwende met een Ciiineesche of Inlandsche vrouw, zijn huwelijk moeten doen voltrekken door den Mohamniedaansclien pang-hoeloe (het is zeer de vraag of deze bereid zal zijn in deze zijn ministerie te verleenen). En dit terwijl in alle af-deelingen van Soerakarta Europeesche ambtenaren zijn geplaatst, aan wie do taak om zulke huwelijken te voltrekken kan worden overgelaten!
Het is te vreezen, dat van art. 10 gebruik zal worden gemaakt om op gemakkelijker wijze een gemengd huwelijk aan te gaan; want dit artikel verleent de faciliteiten niet uitsluitend aan degenen, die in het zelf besturende staatje gevestigd zijn, maar aan allen die daar een gemengd huwelijk sluiten. Wanneer men dus te Semarang op zwarigheden stuit, spoort men maar even naar Soerakarta om daar te trouwen; als het te Makasar niet gaat, wandelt men even naar Gowa; enz. Het bedenkelijke is dit. volgens art. 7 moet ook worden voldaan aan de voor elk der echtgenooten geldende vereischten, wat betreft de formaliteiten, die vóór de voltrekking moeten plaats hebben; deze eisch is echter in art. 10 blijkbaar opzettelijk weggelaten; huwelijksafkondigingen worden dus in de zelfbe-sturende rijkjes overbodig. Een schoone gelegenheid om stilletjes te trouwen. Tot het opmaken van de in art. 6 bedoelde akte is in de zelfbestureude landen de voltrekker niet gehou-
— 376 —
den, en al doet hij dit, dan is hjj niet verplicht ze op te zenden aan den ambtenaar v. d. burg. stand en het is zelfs de yraag of deze ambtenaar (en zoo ja welke) bevoegd zou zijn zulke akten te registreeren en te bewaren. De gevolgen zullen dus zijn: mogelijkheid dat ongeoorloofde huwelijken worden gesloten, die nietig zijn of welker nietigverklaring kan worden gevraagd; gebrek aan publiciteit en daardoor weer kans dat een wettig gehuwd persoon, dit verzwijgende, bigamie pleegt met een meisje, dat daarvan het onschuldig slachtoffer wordt.
Behalve de wijze, waarop gemengde huwelijken moeten worden gesloten, regelt Stbl. 1898 J^o. 158 ook de gevolgen van zulk een echtvereeniging voor beide partijen, wat betreft hun rechtstoestand, die blijkens de definitie van art. 1 vóór \'t huwelijk voor beiden verschillend is. Dit verschil ook na de vereeniging te handhaven is, zooals de Staatskommissie betoogt {Wetg. N. I. blz. 17 e. v.), niet overeen te brengen met de éénheid, die het huwelijk beoogt. Ware er niets bepaald, dan zou de jurisprudentie dan ook waarschijnlijk op grond van den aard van het huwelijk hebben aangenomen, dat de rechtstoestand der beide echtgenooten volgens een algemeen rechtsbeginsel één is en zich uit den aard der zaak naar dien des mans regelt. Zooals wij zagen (zie voren blz. 213 en 220) heeft de wetgever dit echter onmogelijk gemaakt door uitdrukkelijk in art. 15 Ov. bep. vast te stellen, hoe deze eenheid op privaatrechtelijk gebied moet worden verkregen, doordat de niet-Europeesche echtgenoot zich vooraf vrijwillig onderwerpt aan het Europeesch privaatrecht van de andere partij. Deze bepaling is ter laatster ure gekomen in de plaats eener andere, die alleen sprak van vrijwillige onderwerping aan de Eur. bepalingen betreffende het huwelijk, ten einde de ten opzichte van de wijze van voltrekking noodig geachte eenheid van recht te verkrijgen. Dit laatste was beter te verdedigen. De uitbreiding der vrijwillige onderwerping tot het gansche privaatrecht had echter ten gevolge, dat zij niet uitsluitend betrekking had op het recht, waaronder het huwelijk moet tot stand komen, maar ook op het recht, dat daarna voor de echtgenooten zal gelden.
— 377 —
Het standpunt des wetgevers werd daardoor: eik der partijen behoudt ondanks hun huwelijk zijn eigen recht, wanneer daarin niet verandering wordt gebracht door vrijwillige onderwerping (dan wel door de wet, wat niet het geval was). Zonder met den wetgever in strijd te geraken kon de rechter dus niet op grond van algemeene beginselen aannemen, dat gelijkheid van privaatrecht een gevolg was van het huwelijk zelf, nog minder dat de publiekrechtelijke toestand der echtgenooten door het huwelijk gelijk werd, en allerminst dat de vrouw in deze uit den aard der zaak den toestand des mans volgt; want volgens art. 15 Ov. bep. zal privaatrechtelijk niet per se voor beide echtgenooten het recht van den man gelden, maar dan eens dat van den man, dan weer dat der vrouw (n.1. als deze een Europeesche is) domineeren. Eindelijk gaf evengemeld artikel, door niet zelf de eenheid van recht als gevolg aan het huwelijk te verbinden, maar haar afhankelijk te stellen van voorafgaande vrijwillige onderwerping, aanleiding tot de vraag, hoe lang deze duurde. Geen bepaling voorzag daarin en de aard der vrijwillige onderwerping brengt mee, dat zij niet van zelf voortduurt, als de handeling, waarop zij betrekking heeft, ophoudt (1), Artt. 12 en 13 van Stbl. 1861 no. 38 handhaafden voor de huwelijken tusschen Europeanen en Inl. Christenen liet stelsel Hat de vrouw niet per se den rechtstoestand der vrouw volgt, maar ook het omgekeerde kan plaats hebben.
Stbl. 1898 no. 158 heeft aan dezen toestand een einde gemaakt door den „staatquot; der vrouw in en na het gemengde huwelijk te regelen en wel algemeen, zoodat dan ook de speciale bepalingen voor Inl. Christenen zijn vervallen (zie Stbl. 1898 no 159, ten eerste). Vóór wij nu de hierop betrekking hebbende bepalingen nader beschouwen, dient te worden nagegaan wat in dit staatsblad wordt verstaan onder „staat,quot; een woord, dat in velerlei zin wordt gebruikt. Wij kunnen ons daarbij al dadelijk beperken tot de beteekenissen, die een toestand, en wel een rechtstoestand, bedoelen. De keuze is dan nog groot genoeg; die rechtstoestand kan betrekking hebben op het staatsverband, op de quasi-nationaliteit, op het 1) Zie over een en ander hiervoren blx. 300 e. v.
— 378 —
privaatrecht in het algemeen, en op allerlei onderdeelen van het recht; zoo kan men spreken niet alleen van den staat van Nederlander (of vreemdeling), van Europeaan (of Inlander, of met één der twee gelijkgestelde), maar ook: van den staat van ingezetene, van meerderjarige (of minderjarige), van wettig echtgenoot, van wettig kind, van onder curatele gestelde. Al deze onderscheidingen staan opzichzelf; men kan Nederlander en Europeaan, vreemdeling en Europeaan, ook Nederlander en tocli Inlander, Nederlander en niet-ingezetene, Europeaan en wettig kind, maar ook Europeaan en onwettig kind zijn enz. enz.
Al dadelijk kunnen wij één soort staat uitzonderen, waarop Stbl. 1898 jNto. 158 geen betrekking kan hebben, n.1. den staat van (al of niet) Nederlander. ïen deze is door een rijkswet reeds een regeling getroffen en geen andere dan de rijkswetgever (of degeen, die door hem daartoe mocht zjju gedelegeerd) is bevoegd daarin, zij het ook maar voor een deel van liet rijk, verandering te brengen. Ik heb hier natuurlijk op het oog de wet van 12 Deo. 1892 (Ned. Stbl. No. 268). Wel wordt door sommigen beweerd, dat deze wet alleen zou gelden in het moederland, maar ik geloof niet dat deze stelling is vol te houden (1). Alleen is het noodig er hier nog eens op te wijzen, dat het zeer onjuist is de begrippen Inlander en vreemdeling te verwarren en te meenen dat een Inlander per se vreemdeling zou zijn. Ik kom hierop terug, omdat in de officieele bescheiden deze verwarring wel eens is ingeslopen en degenen, die van het Nederlandschap geen speciale studie maakten, daardoor op een dwaalspoor zouden kunnen geraken. Zoo leest men {Wetg. iV. 1. blz. 88): „de Nederlandsche vrouw, die met een Inlander huwt, dus vreemdelinge, Inlandsche wordtquot;, en (t. z. p. blz. 89) leest men
zelfs „wordt thans reeds...... de Nederlandsche vrouw, die
met een Inlander huwt, vreemdelinge [Inlandsche)quot; alsof „Inlandschequot; en „vreemdelingequot; hetzelfde waren! Dit is m.i.
(1). De Staatskommissie (Wetg. N. 1. blz. 25, regel 9) is ook van meening, dat deze Nederlandsche wet ook voor X. Indié geldt. Vergel. nog liiervoren blz. 101. en blz. 29 e.v. mijner recensie \\an de Toelichting v. h. Reg. Regl., van Mr. Margadant in band II van »Wet en Adatquot;.
onjuist. De dwaling is toe te schrijven aan misverstand omtrent de overgangsbepaling der wet op het Nederlanderschap. Raadpleegt men echter de geschiedenis dezer bepaling, dan zal men zien, dat men alleen heeft willen voorkomen, dat alle Inlanders per se Nederlanders werden, omdat men vreesde dat zij als zoodanig de staatkundige rechten zouden deelen (of hierop althans aanspraak maken), welke men niet veilig achtte bij de miljoenen niet- Europeesche onderdanen. Nu waren de Inlanders vroeger burgerrechtelijk (n. 1. volgens het Ned. Burgerlijk Wetboek) Nederlanders en zouden volgens de overgangsbepaling der nieuwe wet, zooals deze oorspronkelijk was ontworpen, deze hoedanigheid, die zij eenmaal bezaten, behouden. Het was Mr. Levyssohn Norman, die in de Tweede Kamer vrees voor de staatkundige gevolgen hiervan opwekte en een amendement deed aannemen, waardoor voor Inlanders e. m. d. g. g een uitzondering werd gemaakt; dientengevolge kunnen Inlanders geen aanspraak op het Nederlanderschap gronden op het feit, dat zij die hoedanigheid reeds vóór de nieuwe wet bezaten; maar overigens is in deze wet de Inlander nergens uitgesloten van het Nederlanderschap; zoodat de mogelijkheid om die hoedanigheid te verwerven voor hem blijft bestaan en zij zeer goed met het Inlander-zijn te vereenigen is. Dat beide begrippen uit hun aard niet onver-eenigbaar zijn, blijkt trouwens wel uit het evenbedoeld feit, dat allo Inlanders volgens de vroegere bepalingen van het Ned. B. W. Nederlanders waren.
De Staatskommissie heeft de wet op het Nederlanderschap tot voorbeeld genomen en m. i. terecht; niet omdat deze hetzelfde onderwerp voor Nederland regelde, als Stbl. 1898 No. 158 thans voor Indië doet; maar omdat tusschea de onderwerpen groote ana-lorjle bestaat (ik koos daarom den term,, quasi-nationaliteitquot;).
iSoodzaak om het voorbeeld te volgen bestond dus niet en men had zich bij de navolging telkens af te vragen of de verschilpunten, die ondanks de analogie tusschen beide onderwerpen bestonden, en de speciaal Indische toestanden niet in deze een afwijking vorderden.
Wanneer wij verder zoeken naar de beteekenis van hot
— 380 —
woord „staatquot; in de onderhavige regeling, kunnen wij den staat van meerderjarige, van wettig echtgenoot,, van onder curateele gestelde, van ingezetene ook dadelijk ter zijde stellen. Er is geen bepaling in dit Staatsblad, die op deze beperktere, speciale beteekenia betrekking kan hebben. Hetzelfde zouden we ook kunnen aannemen ten aanzien van den staat van wettig kind, wanneer art. 11 en 12 ons niet in twijfel brachten ot daar niet deze staat bedoeld wordt (1). Bepalen we ons echter tot art. 2 t/m 5, dan kan veilig gezegd worden, dat daar de staat in den zin van: de quasi-nationaliteit (de hoedanigheid van Europeaan, of Inlander enz.) wordt geregeld.
Vooreerst blijkt dit uit de stukken, waar de vraag behandeld wordt of de Inlandsche vrouw door haar huwelijk met een Europeaan, en omgekeerd de Europeesche door met een Inlander te trouwen, de eerste een Europeesche, de tweede een Inlandsche behooren te worden. (De kwestie, die de adviseurs het meest verdeeld hield, was dan ook: of onze nieuwe regeling geen inbreuk maakt op art. 109 Heg. Regl., dat de onderscheiding tusschen Europeanen en Inlanders, of liever haar uitbreiding tot de gelijkgesteldeu, betreft). De plaatsen, die hiervan getuigen zjjn te talrijk om ze bier aan te halen. Men zie o. a. Wetg. N. I. blz. 19, 20, maar vooral blz. 26, waaruit ik de volgende regelen afschrijf:
„Men (n. 1. de Staatskommissie) ontkent niet, dat het t-ersc/j/? in staat tusschen hen, die een gemengd huwelijk aangaan, tusschen partijen een verschil in rechtstoestand meebrengt, hetwelk ontegenzeggelijk van veel mee)- gewicht en heteekenis is dan dat hetweik voortvloeit uit het verschil in staal tusschen personen, hehoorende tot verschillende Europeesche rijken, waaraan bij de vaststelling der wet op «het Nederlandschap en het Ingezetenschap ongetwijfeld in de eerste plaats is gedacht. Bovendien is, juist wegens het groote verschil in rechtstoestand tusschen hen, die in Indië tot eene verschillende categorie van ingezetenen behooren, bekendheid met ieders rechtstoestand voor het maatschappelijk verkeer van het meeste belangquot;; enz.
In deze regelen komt het, dunkt mij, al bizonder duidelijk
(1) Zie Wefy. N. I. blz. 1\'27. aant. 33.
- 381 —
uit, dat in tegenstelling met de wet op het Nederlanderschap, die het staatsverband betreft, de regeling yan staat in de onderhavige veiordening betrekking heeft op den rechtstoestand, verbonden aan de verschillende klassen van N. Indische ingezetenen. Dit volgt ook uit de definitie van art. 1 ; men heeft een regeling willen maken voor de huwelijken tusschen personen aan verschillend N. Indisch recht onderworpen; de staat, die daarbij geregeld wordt, is dus die, waarvan het N. Indisch recht, dat zich in tal van soorten splitst, afhankelijk is. Art 6, waar sprake is van „het voor den man geldend rechtquot;, moet evenzoo het oog hebben op het aan deze klassenverdeeling verbonden verschil in recht en de toelichting (Wetg. K. I. blz. 42) spreekt ook van het „nationale rechtquot; des mans, dat zekere kwestie zal moeten uitmaken.
Wat art. 2 t/m 5 betreft wordt dus met staat bedoeld de algemeene rechtstoestand, zooals deze volgens ons recht afhankelijk is van de klasse, waartoe men behoort. iTen vatte deze klassifikatie echter niet te eng op, zóó dat er in dit opzicht maar vier klassen zouden bestaan; want terwijl voor de Europeanen en do met hen gelijkgestelden samen maar één recht bestaat, vindt men, zoowel bij de Inlanders als bij de met dezen gelijkgestelden, binnen elk dier groepen een groote verscheidenheid van recht, en de bedoeling is niet, dat de vrouw, een Baliër huwende, alleen diens staat van Inlander in \'t algemeen (waarmee geen algemeen Inlandsch recht korrespondeert), maar dat zij ook zijn staat van Baliër in \'t bizonder volgt. Hierdoor eerst verkrijgt zij een staat, waaraan zeker recht verbonden is. Evenzoo verkrijgt de vrouw, die met een Chinees trouwt, niet alleen den staat van Vreemde Oosteriinge, maar ook dien van Chineesche en wel speciaal die van al of niet aan een deel van het Euro-peesche recht onderworpen Chineesche, naargelang haar man op Java, Madoera, Sumatra\'s Westkust, Celebes en „de Groote Oostquot;, dan wel elders in JsT. Indië is gevestigd.
De vrouw, zoo bepaalt art. 2, volgt staande huwelijk, pu-bliek-en privaatrechtelijk, den staat haars mans. Ziedaar één
— 382 —
der hoofdbeginselen der nieuwe regeling. Het stuitte op veel tegenstand bij den Direkteur van Justitie en ook bij den Raad van N. Indië {Wetg. N. I. blz. 44 — 49 en 58) en men zal zeker niet ontkennen, dat deze bepaling ook haar schaduwzijden heeft; maar „geen nieuwe regeling zonder nieuwe bezwarenquot;, zooals de Goeverneur-Greneraal terzake opmerkte (Wetg. N. I. blz. 66). De vraag is maar of de verbetering niet meer gewicht in de schaal legt, dan de daaraan verbonden bezwaren; of de nieuwe bezwaren niet lichter zijn dan die der vroegere regeling. Op deze vraag zou ik ten gunste der nieuwe regeling willen antwoorden, voorzoover de art. 2 t/m 5 betreft. Wel is o. a. een groot bezwaar dat de polygamie niet is uitgesloten bij gemengde huwelijken, als de man Inlander is, — iets waartegen Mr. Arendaxox reeds ter Indische juristenvergadering op 27 Juni 1887 opkwam; dat de Europeesche vrouw ook door het Inlandscbe echtscheidingsrecht vrijwel is overgeleverd aan de willekeur van haar Inlandschen man. Een en ander kan tot veol ergernis aanleiding geven, niet zoozeer in de gewone gevallen, — als de Europeesche vrouw, hier geboren en getogen, en haar Inlandsche man vrijwel aan elkaar gewaagd zijn; — maar te meer wanneer het huwelijk buiten Kquot;. Indië gesloten is en een Europeesch meisje argeloos zich laat verstrikken door een Inlander, op wiens „nationaalquot; recht zij niet verdacht was. Zelfs in Indië kunnen meisjes wel eens slachtoffers worden van hun goed vertrouwen in een beschaafden Inlander, die haar hart won, of van een niet voorziene verandering van godsdienst, waardoor haar man, eerst als Inlandsch Christen monogamist, de vrijheid krijgt zich nog eenige vrouwen en zelfs bovendien eenige slavinnetjes voor quasi-echtelijk gebruik aan te schaffen. Zoolang echter de wetgever zijn systeem van niet zelf te regelen, maar naar een der bestaande rechten te verwijzen, getrouw blijft, zijn deze eu dergelijke bewaren moeilijk te ontgaan. Van dit systeem uitgaande bevatten artt. 2 t/m. 5 waarschijnlijk de beste regeling, die getroffen kon worden.
De staat, dien de vrouw door haar huwelijk verwerft, blijft op en neer gaan met dien des mans; dit is de bedoeling der
— 383 —
woorden „staande huwelijkquot; {Wetg. N. 1 blz. 21) Bij de ontbinding des huwelijks blijft zij dezen laatstelijk gevoerden staat behouden (art. 3).
Ter onderscheiding zal ik dezen door het huwelijk verworven staat en het daaraan verbonden recht noemen aangehnw-ilen staat en aangehuwd recht, waartegenover dan gesteld worden de aangeboren staat en het aangeboren recht. In art. 4 worden voor dit laatste gebruikt de termen: „oorspronkelijke staatquot; en „recht, waaraan zij onderworpen was voordat zij een gemengd huwelijk sloot.quot; Deze termen, de eerste van den Minister van Koloniën, de tweede van den Raad van State afkomstig ( Wetg. N. I. blz. 89, 90 en 96), zijn niet met elkaar in harmonie. Slechts één ste-at kan de oorspronkelijke zijn; daarentegen kan de vrouw vóór haar huwelijk verschillende staten hebben gehad en aan verschillend recht onderworpen zijn geweest, zoodat de door den R. v. St. gekozen term te onbestemd is. Gesteld b. v. dat de vrouw, als natuurlijk kind den staat harer moeder volgende, eerst Inlandsche was, dat zij daarna, door den Chineeschen vader erkend, Chineesche wordt, dat haar vader vervolgens met Europeanen wordt gelijkgesteld, welk lot zij deelt, en dat zij eindelijk trouwt met een Arabier. Vóór haar huwelijk was dan haar staat oorspronkelijk Inlandsche, daarna Chineesche en eindelijk Europeesche. Welken dier staten zou zij nu volgens art. 4 al. 2 moeten terug erlangen? Dit is niet uit de bewoordingen dier zinsneden op te maken, tenzij men daar tusschen „waaraan zijquot; en „onderworpenquot; wil lezen het woord „laatstelijkquot;, dat er echter niet staat. Door deze vrije lezing zou bovendien strijd ontstaan tusschen alinea 1, die de vouw haar oorspronkelijken staat doet hernemen, en alinea 2.
Ik vermoed dat de term „aangeboren staatquot; (of — recht) de bedoeling des wetgevers nog het best weergeeft. Den laatsten staat kan hij moeilijk bedoeld hebben, wanneer hij van den „oorspronkelijkenquot; spreekt; maar per se den eersten kan hij ook niet hebben bedoeld: wanneer de vrouw door haar vader is erkend, kan men deze erkenning moeilijk ongedaan maken en haar terugdringen in den staat, dien zij oorspronkelijk, W. en A. Suppl. 3
— 384 —
maar in strijd met haar afstamming van vaderszijde, had doordat deze afstamming nog niet vaststond. Rationeel is het daarentegen haar in geval van afstand van den aangehuwden staat, als in art. 4 bedoeld, te doen terugkeeren naar den staat, waartoe zjj door afstamming behoort, d. i. de aangeboren staat.
Op den regel dat de vrouw haar aangehuwden staat behoudt ook na de ontbinding des huweljjks, bestaan — zooals uit bovenstaande regelen reeds bleek — uitzonderingen. De eerste, die art. 3 noemt, volgt van zelf al uit art. 2. Als de vrouw ten tweeden male een gemengd huwelijk aangaat, volgt zjj krachtens dit artikel den staat van den tweeden man en aangezien zij onmogelijk tevens den staat van haar vorigen man kan volgen, gaat door elk volgend gemengd huwelijk de vorige aangehuwde staat verloren, gelijk door het eerste gemengdè huwelijk de aangeboren staat verloren ging.
De tweede uitzondering is een navolging van de wet op het Nederlanderschap en in Indië een nieuwigheid. De vrouw kan n.1. na de ontbinding van het gemengde huweljjk van haar aangehuwden staat terugkeeren tot haar aangeboren staat, wanneer zjj een daartoe strekkende verklaring aflegt en wel (art. 5) voor het Hoofd van Plaatselijk Bestuur harer woonplaats, die deze verklaring registreert en in het officiëel nieuwsblad publiceert.
Deze afstand van staat moet binnen het jaar na de ontbinding plaats hebben. Of het doelmatig en noodig was dezen termijn over te nemen van de wet op het Nederlanderschap betwijfel ik. De vrouw, onbekend met de wettelijke bepalingen, zal daardoor veelal van het voorrecht verstoken worden vóór zij met het bestaan daarvan bekend was; en welk belang heeft de maatschappij er bij, dat de afstand binnen een jaar plaats hebbe? Verandering van staat kan altijd eenige verwarring of onzekerheid teweeg brengen, binnen het jaar even goed als na 2, 3 of meer jaren. Daarentegen zal de vrouw dikwijls in het belang harer kinderen geen afstand van staat kunnen doen, zoolang dezen nog minderjarig zijn. Zijn ze eenmaal meerderjarig, dan houdt haar betrekking tot de rasgenoo-ten der kinderen meestal op van dien aard te ziin, dat
— 385 —
haar onderwerping aan hetzelfde recht als die kinderen wen-schelijk zou blijven en zal zij waarschijnlijk verlangen terug te keeren tot haar aangeboren recht, dat haar meer eigen is; maar intusschon zal de afstand van staat meestal door het verstrijken Tan den zoo korten termijn onmogelijk zijn geworden. Die termijn zal haar dus noodzaken óf haar belangen aan die barer kinderen, óf deze aan de hare op te offeren.
Van welk oogenblik af begint de afstand van staat te werken ?
quot;Ware de publiceering, in art. 5 bedoeld, aan de vrouw zelf opgedragen, dan zou er reden zijn aan te nemen, dat eerst door deze openbaarmaking de afstand van staat tegenover derden begint te werken. Nu echter de zorg daarvoor aan een ambtenaar is opgedragen, zal de vrouw onder een door hem begaan verzuim niet kunnen lijden. Al. 2 van art. 4 bepaalt dan ook zonder eenig voorbehoud, dat de afgelegde verklaring zelve van rechtswege tengevolje heeft, dat de vrouw terugkeert tot het recht, waaraan zij onderworpen was vóórdat zij een gemengd huwelijk sloot, waarmee — zooals wij zagen — niet anders kan zijn bedoeld dan terugkeer tot haar aangeboren staat.—
Door de pas besproken artt. 2 — 5 schijnt de rechtstoestand der vrouw in verband met het gemengde huwelijk zoo nauwkeurig en goed geregeld te zijn als in het formulen-systeem des wetgevers maar mogelijk was. Toch zal de toepassing menige moeilijkheid kunnen opleveren, o. a. door het ontbreken van overgangsbepalingen. In tweeërlei zin zullen deze worden gemist.
Vooreerst ontbreken bepalingen omtrent den staat der vrouw, die vóór het inwerkingtreden der nieuwe regeling een gemengd huwelijk aanging. Is art. 2 op haar toepasselijk, m. a. w. heeft zij van af 1 September 1898 den staat haars mans verworven ? Volgens art. 2 der Alg. Bep. v. Wetg. verbindt de wet alleen voor het toekomende en heeft zij geen terugwerkende kracht, en ik vind in de officieele bescheiden niets, dat bij den wetgever de bedoeling kan doen veronderstellen om van dezen regel, voorzoover dit onderwerp betreft, af te wijken;
— 386 —
integendeel! De ontwerpers namen tot voorbeeld de wet op het Nederlandschap en meenden elke afwijking van deze te moeten vermijden. Nu werd in die wet de reeds verkregen rechtstoestand juist geëerbiedigd (met een uitzondering voor de Inlanders, echter om politieke redenen die hier niet kunnen dienen); hetzelfde beginsel ligt ook in deze aangelegenheid voor de hand.
Bovendien werd het beginsel dat de vrouw den staat des mans moet volgen verdedigd, tegen verwijten van onbillijkheid, met het argument: als dit eenmaal is bepaald, weet de vrouw vooruit wat haar te wachten staat; wil zjj den rechtstoestand haars aanstaanden echtgenoots niet deelen, dan moet zij hem maar niet trouwen. Dit argument nu gaat zeker niet op voor de vroeger gesloten huwelijken. Zooals wij zagen ging de wetgever toen volstrekt niet uit van het beginsel, dat de vrouw-den staat des mans volgt. Elk behield zjjn eigen staat, en voorzoover op het gebied van het privaatrecht hiervan werd afgeweken door art. 15 O verg, Bep. was de regel een andere: de Inlandsche echtgenoot volgt den staat van den (de) Euro-peeschen, zoodat op dit punt de man dikwijls de vrouw volg\'Je in plaats van omgekeerd.
De Europeesche vrouw, onder de werking van art. 15 Overg. Bep. gehuwd, zag zich dus het behoud van haar aangeboren staat ten volle gewaarborgd. Zou dit voorrecht haar nu stilzwijgend kunnen zijn ontnomen door de bepaling van Stbl. 1898 No. 158 art. 2, dat voor den vervolge bestemd is, en door de aischaffing van art. 15 Overg. Bep., die toch niet kan wegnemen dat dit art. vroeger verbindende kracht had, en dus ook niet de rechtstoestanden, daaruit wettig ontstaan, kan opheffen?
Mij dunkt, dat dit zóó opvallend onbillijk zou zijn, dat zulk een bedoeling, zoolang zij niet is uitgesproken, niet aan den wetgever zou mogen worden toegeschreven, zelfs al bestond art. 2 der Alg. Bep. v. Wetg. niet.
Nu kan men moeilijk, voorzoover huwelijken van vóór 1 Sept. 1898 betreft, art. 2 van Stbl. 1898 No. 158 niet toepasselijk achten op Europeesche, en wèl toepasselijk op niet-
— 387 —
Europeesche vrouwen; want voor zulk een onderscheiding is in dat art. 2 geen plaats. Derhalve zal deze bepaling onvoorwaardelijk buiten toepassing moeten blijven bij vroeger gesloten gemengde huwelijken. Dit is dan ook wel het aanneme-lijkste, nu de wetgever in hetzelfde Stbl. 1898 No. 158 voor de kinderen wel overgangsbepalingen vaststelde en voor de vrouwen niet. Hij heeft deze laatsten blijkbaar willen laten in den rechtstoestand, die reeds bestond.
De tweede soort overgangsbepalingen, die ontbreken, zouden van anderen aard moeten zijn en niet de gevolgen van den overgang van de vroegere op de tegenwoordige regeling, maar die van den overgang uit den eenen staat naar den anderen betreffen. Men kan daarbij onderscheiden lo den overgang uit den aangeboren naar den aangehuwden staat, en 2° dien uit den aangehuwden naar den aangeboren staat of wel naar dien van een volgenden echtgenoot, derhalve terugkeer of verwisseling. De eerste is van belang om de reeds vóór \'t huwelijk verworven, of althans aan de aangeboren betrekkingen ontleende, rechten en belangen, de tweede om de tijdens het reeds ontbonden huwelijk verworven rechten of om de banden, uit dat huwelijk voortgekomen, maar deszelfs ontbinding niet deelende.
Wat de eerste kategorie betreft, achtte de Staatskommissie het alsnog niet raadzaam hierin bij deze verordening te voorzien, „onder voorbehoud evenwel om op de zaak terug te komen, zoodra mocht worden overgegaan tot eene wettelijke regeling der conflicten tusschen het Europeesche en het In-landsche rechtquot; ( Wetg. N. I. blz. 28.). Voor de tweede kategorie daarentegen werden overgangsbepalingen blijkbaar onnoodig geacht, omdat de bestaande artikelen in deze voldoende voorzien; ten minste ik maak dit op uit de toelichting van art. 4 {Wetg. N. I. blz 24).
Dit gebrek aan overgangsbepalingen is opzichzelf zeker reeds te betreuren, omdat zich kwesties voordoen, die zonder tus-schenkomst van den wetgever niet gemakkelijk een afdoende oplossing zullen vinden. De rechtswetenschap zal in deze moeten voorlichten en wij mogen verwachten, dat met haar
— 384 —
maar in strijd met haar afstamming van vaderszijde, had doordat deze afstamming nog niet vaststond. Rationeel is het daarentegen haar in geval van afstand van den aangehuwden staat, als in art. 4 bedoeld, te doen terugkeeren naar den staat, waartoe zij door afstamming behoort, d. i. de aangeboren staat.
Op den regel dat de vrouw haar aangehuwden staat behoudt ook na de ontbinding des huwelijks, bestaan — zooals uit bovenstaande regelen reeds bleek — uitzonderingen. De eerste, die art. 3 noemt, volgt van zelf al uit art. 2. Als de vrouw ten tweeden male een gemengd huwelijk aangaat, volgt zij krachtens dit artikel den staat van den tweeden man en aangezien z|j onmogelijk tevens den staat van haar vorigen man kan volgen, gaat door elk volgend gemengd huwelijk de vorige aangehuwde staat verloren, gelijk door het eerste gemengdê huwelijk de aangeboren staat verloren ging.
De tweede uitzondering is een navolging van de wet op het Nederlanderschap en in Indië een nieuwigheid. De vrouw kan n.1. na de ontbinding van het gemengde huwelijk van haar aangehuwden staat terugkeeren tot haar aangeboren staat, wanneer zij een daartoe strekkende verklaring aflegt en wel (art. 5) voor het Hoofd van Plaatselijk Bestuur harer woonplaats, die deze verklaring registreert en in het officiéél nieuwsblad publiceert.
Deze afstand van staat moet binnen het jaar na de ontbinding plaats hebben. Of het doelmatig en noodig was dezen termijn over te nemen van de wet op het Nederlanderschap betwijfel ik. De vrouw, onbekend met de wettelijke bepalingen, zal daardoor veelal van het voorrecht verstoken worden vóór zij met het bestaan daarvan bekend was; en welk belang heeft de maatschappij er b|j, dat de afstand binnen een jaar plaats hebbe? Verandering van staat kan altijd eenige verwarring of onzekerheid teweeg brengen, binnen het jaar even goed als na 2, 3 of meer jaren. Daarentegen zal de vrouw dikwijls in het belang harer kinderen geen afstand van staat kunnen doen, zoolang dezen nog minderjarig zijn. Zijn ze eenmaal meerderjarig, dan houdt haar betrekking tot de rasgenoo-ten der kinderen meestal op van dien aard te zijn, dat
— 385 —
haar onderwerping aan hetzelfde recht als die kinderen wen-schelijk zou blijven en zal zij waarschijnlijk verlangen terug te keeren tot haar aangeboren recht, dat haar meer eigen is; maar intusschon zal de afstand van staat meestal door het verstrijken van den zoo korten termijn onmogelijk zijn geworden. Die termijn zal haar dus noodzaken óf haar belangen aan die harer kinderen, of deze aan de hare op te oiferen.
Van welk oogenblik af begint de afstand van staat te werken ?
Ware de publiceering, in art. 5 bedoeld, aan de vrouw zelf opgedragen, dan zou er reden zijn aan te nemen, dat eerst door deze openbaarmaking de afstand van staat tegenover derden begint te werken. Nu echter de zorg daarvoor aan een ambtenaar is opgedragen, zal de vrouw onder een door hem begaan verzuim niet kunnen lijden. Al. 2 van art. 4 bepaalt dan ook zonder eenig voorbehoud, dat de afgelegde verklaring zelve van rechtswege tengevolge heeft, dat de vrouw terugkeert tot het recht, waaraan zij onderworpen was vóórdat zij een gemengd huwelijk sloot, waarmee — zooals wij zagen — niet anders kan zijn bedoeld dan terugkeer tot haar aangeboren staat.—
Door de pas besproken artt. 2 — 5 schijnt de rechtstoestand der vrouw in verband met het gemengde huwelijk zoo nauwkeurig en goed geregeld te zijn als in het for muien-systeem des wetgevers maar mogelijk was. Toch zal de toepassing menige moeilijkheid kunnen opleveren, o. a. door het ontbreken van overgangsbepalingen. In tweeërlei zin zullen deze worden gemist.
Vooreerst ontbreken bepalingen omtrent den staat der vrouw, die vóór het inwerkingtreden der nieuwe regeling een gemengd huwelijk aanging. Is art. 2 op haar toepasselijk, m. a. w. heeft zij van af 1 September 1898 den staat baars mans verworven ? Volgens art. 2 der Alg. Bep. v. Wetg. verbindt de wet alleen voor het toekomende en heeft zjj geen terugwerkende kracht, en ik vind in de officieele bescheiden niets, dat bij den wetgever de bedoeling kan doen veronderstellen om van dezen regel, voorzoover dit onderwerp betreft, af te wijken;
— 386 —
integendeel! De ontwerpers namen tot voorbeeld de wet op het Nederlandschap en meenden elke afwijking van deze te moeten vermijden. Nu werd in die wet de reeds verkregen rechtstoestand juist geëerbiedigd (met een uitzondering voor de Inlanders, echter om politieke redenen die hier niet kunnen dienen); hetzelfde beginsel ligt ook in deze aangelegenheid voor de hand.
Bovendien werd het beginsel dat de vrouw den staat des mans moet volgen verdedigd, tegen verwijten van onbillijkheid, met het argument: als dit eenmaal is bepaald, weet de vrouw vooruit wat haar te wachten staat; wil zjj den rechtstoestand haars aanstaanden echtgenoots niet deelen, dan moet zij hem maar niet trouwen. Dit argument nu gaat zeker niet op voor de vroeger gesloten huwelijken. Zooals wij zagen ging de wetgever toen volstrekt niet uit van het beginsel, dat de vrouw den staat des mans volgt. Elk behield zjjn eigen staat, en voorzoover op het gebied van het privaatrecht hiervan werd afgeweken door art. 15 Overg. Bep. was de regel een andere: de Inlandscho echtgenoot volgt den staat van den (de) Eu.vo-peeschen, zoodat op dit punt de man dikwijls de vrouw volgde in plaats van omgekeerd.
De Europeesche vrouw, onder de werking van art. 15 Overg. Bep. gehuwd, zag zich dus het behoud van haar aangeboren staat ten volle gewaarborgd. Zou dit voorrecht haar nu stilzwijgend kunnen zijn ontnomen door de bepaling van Stbl. 1898 No. 158 art. 2, dat voor den vervolge bestemd is, en door de afschaffing van art. 15 Overg. Bep., die toch niet kan wegnemen dat dit art. vroeger verbindende kracht had, en dus ook niet de rechtstoestanden, daaruit wettig ontstaan, kan opheffen ?
Mij dunkt, dat dit zóó opvallend onbillijk zou zijn, dat zulk een bedoeling, zoolang zij niet is uitgesproken, niet aan den wetgever zou mogen worden toegeschreven, zelfs al bestond art. 2 der Alg. Bep. v. Wetg. niet.
Nu kan men moeilijk, voorzoover huwelijken vau vóór 1 Sept. 1898 betreft, art. 2 van Stbl. 1898 No. 158 niet toepasselijk achten op Europeesche, en wèl toepasselijk op niet-
— 387 —
Europeesche vrouwen; want voor zulk een onderscheiding is in dat art. 2 geen plaats. Derhalve zal deze bepaling onvoorwaardelijk buiten toepassing moeten blijven bij vroeger gesloten gemengde huwelijken. Dit is dan ook wel het aanneme-lijkste, nu de wetgever in hetzelfde Stbl. 1898 JSo. 158 voor de kinderen wol overgangsbepalingen vaststelde en voor de vrouwen niet. Hij heeft deze laatsten blijkbaar willen laten in den rechtstoestand, die reeds bestond.
De tweede soort overgangsbepalingen, die ontbreken, zouden van anderen aard moeten zijn en niet de gevolgen van den overgang van de vroegere op de tegenwoordige regeling, maar die van den overgang uit den eenen staat naar den anderen betreffen. Men kan daarbij onderscheiden lo den overgang uit den aangeboren naar den aangehuwden staat, en 2° dien uit den aangehuwden naar den aangeboren staat of wel naar dien van een volgenden echtgenoot, derhalve terugkeer of verwisseling. De eerste is van belang om de reeds vóór \'t huwelijk verworven, of althans aan de aangeboren betrekkingen ontleende, rechten en belangen, de tweede om de tijdens het reeds ontbonden huwelijk verworven rechten of om de banden, uit dat huwelijk voortgekomen, maar deszelfs ontbinding niet deelende.
quot;Wat de eerste kategorie betreft, achtte de Staatskommissie het alsnog niet raadzaam hierin bij deze verordening te voorzien, „onder voorbehoud evenwel om op de zaak terug te komen, zoodra mocht worden overgegaan tot eene wettelijke regeling der conflicten tusschen het Europeesche en het In-landsche rechtquot; ( Wetg. N. I. blz. 28-). Voor de tweede kategorie daarentegen werden overgangsbepalingen blijkbaar onnoodig geacht, omdat de bestaande artikelen in deze voldoende voorzien ; ten minste ik maak dit op uit de toelichting van art, 4 {Wetg. N. 1. blz 24).
Dit gebrek aan overgangsbepalingen is opzichzelf zeker reeds te betreuren, omdat zich kwesties voordoen, die zonder tus-schenkomst van den wetgever niet gemakkelijk een afdoende oplossing zullen vinden. De rechtswetenschap zal in deze moeten voorlichten en wij mogen verwachten, dat met haar
— 388 —
hulp de rechter recht zal weten te vinden, ook waar de wetgever zwijgt. Meer dan de ontstentenis van overgangsbepalingen ontmoedigde mij echter dat, wat de toelichting te lezen geeft omtrent de inzichten der Staatkommissie, vooral in verband met het plan om over te gaan tot een wettelijke regeling der konflikten tnsschen Europeesch en Inlandsch recht, dat zij koesterde blijkens de vorenaangehaalde regelen en waaraan zij sedert uitvoering gaf. Haar ontwerp voor zulk een wettelijke regeling blijft nog voor ons verborgen, maar wat wij in de toelichting der verordening op de gemengde huwelijken lezen geeft recht te vreezea voor invoering (zoo men wil : bestendiging) van beginselen, die m. i. niet aannemelijk zijn*
„Hetgeen zooeven in het midden is gebracht omtrent de onmogelijkheid om aan tweeërlei recht onderworpen te zijn,\'\' — zoo lezen wij [Wety. N. 1. blz. 27)—„is geheel in overeenstemming met het algemeen aangenomen beginsel, dat iemand slechts die zakelijke rechten vermag uit te oefenen, welke de voor hem geldende wetgeving als zoodanig erkent-Volgens dit beginsel zou bijvoorbeeld eene Inlandsche vrouw, na getrouwd te zijn met een Europeaan, geen erfelijk individueel gebruiksrecht op haar grond meer kunnen uitoefenenquot;.
In deze regelen herkent men dadelijk de stelling, die Mr. L, W. C. van den Berg in zjjn praeadvies voor de N. Ind. Ju-ristenvereeniging (Handelingen, 1887, le. deel, blz. 26, 27) reeds verkondigde en die de Staatskommissie tot de hare maakte. Toen reeds schreef hij: „Nu is het een van ouds erkend beginsel, dat iemand slechts die zakelijke rechten kan uitoefenen, welke de voor hem geldende wetgeving uitdrukkelijk en met name als zoodanig qualificeertquot;. Tegen deze stelling werd toen reeds opgekomen ter Juristenvergadering van 25 Juni 1887 door Mrs. Piepers en Abendanon, maar zij wordt in de officiëele bescheiden niet nader toegelicht (Zie Wetg. N, I. blz. 115, aantt. 16, 17). Willen wij nagaan, wat tot de opvatting van Mr. v. d. B. en de Staatskommissie leidde, dan moeten wij de aangehaalde woorden der toelichting in verband brengen met hetgeen daar even vroeger (blz. 24) is gezegd: „Door dit uitdrukkelijk te bepalenquot; — n. 1.
— 389 —
dat de hertrouwende vrouw uitsluitend wordt beheerscht door het recht van haar nieuwen man — „wordt alle twijfel weggenomen omtrent de mogelijkheid, dat voor die vrouw tweeërlei recht zoude geldenquot; enz. Nu kan ik mij niet voorstellen, dat hieromtrent twijfel zou ontstaan, wanneer men in algemeenen zin spreekt, want het spreekt wel van zelf, dat men niet tegelijk algemeen onderworpen kan zijn aan tweeërlei recht tegelijk, b. v. aan het Europeesche en tevens aan het Inlandscbe. Maar verder dan in het algemeen kan men den regel niet stellen, want voor bizondere gevallen is twijfel niet alleen mogelijk, maar is het zelfs zonder twijfel wèl mogelijk dat voor iemand tweeërlei recht geldt, jazelfs dat een vermenging dier twee moet worden toegepast. De voorbeelden liggen voor het grijpen. In den vreemde moet de ingezetene van N. Indië zich in sommige opzichten regelen naar de wetten der plaats van zijn oponthoud, in andere zich weer gedragen naar de N. Indische verordeningen (artt. 16—18 Ind. Alg. Bep. v. Wetg.) quot;Wanneer een Inlander zich te eeniger zake vrijwillig heeft onderworpen aan het Eur. recht, dan geldt dit recht voor hem in deze zaak, maar overigens het Inlandsche. Hetzelfde geldt voor den Inlander, die terechtstaat voor een Europeesche rechtbank wegens een hem (dan wel zijn medebeklaagde of medegedaagde) toegekend forum privilegiatum, of die een eisch instelt tegen een persoon, die voor een Europeesche rechtbank moet worden gedaagd. Ofschoon overigens het Inlandsch recht voor hem geldt, zal dan op hem worden toegepast niet alleen het Europeesch formeel recht, maar soms ook het Eur. materieel recht (zie art. 75 al. 5 Reg. Regl. „zooveel mogelijkquot;) en hetzelfde zal ook kunnen gebeuren, wanneer een overeenkomst moet worden uitgelegd van personen, die niet aan hetzelfde recht zijn onderworpen. Voor beiden zal dan moeten gelden: óf het recht der eene partij of dat der andere, öf een samenstel uit die twee; maar hoe ook, op één hunner zal dan toch altijd moeten worden toegepast ander recht dan overigens voor hem geldt. Ziedaar eenige voorbeelden, die aantoonen voor degenen, die er nog aan twijfelen mochten, dat allerminst in
— 390 —
het verlerlei recht kennend Indië de stelling opgaat, dat voor niemand ooit meer dan één soort recht kan gelden. Evenwel blijven velen aan die stelling vasthouden waar het maar eenigszins mogelijk is. Het recht in Indië schijnt dan een soort loketkast te zijn, waar ieder zijn bepaald loketje heeft en niet uit een ander mag worden bediend. Zoo iets is niet vol te houden, waar een algemeen verkeer bestaat; men zou den indruk krijgen, dat de verschillende groepen van N. Indische ingezetenen, elk met zijn eigen recht, vijandige machten zijn in plaats van burgers van eenzelfden staat, aan wie alleen verschil van recht wordt gelaten om ieders opvattingen zooveel mogelijk te eerbiedigen. Dat in ^Nederland alleen zakelijke rechten kunnen worden uitgeoefend, die in het Xederlandsch recht bestaanbaar zijn, isin hoofdzaak juist, n.1. zoolang men (als in den regel) te doen heeft met de toepassing van Nederlandsch recht. Het kan dan wel niet anders. Zal echter een aan het Xederlandsch recht onderworpen vreemdeling (b.v. een rijksingezetene) aiet in zijn vaderland zakelijke rechten kunnen uitoefenen overeenkomstig de daar geldende wetten, ook als die van de Sederlandsche afwijken? Zal niet een Nederlander, al bljft hij volkomen onderworpen aan het Nederlandsch recht en zelfs al verlaat hij zijn land niet, in den vreemde zakelijke rechten kunnen uitoefenen, die volgens het voor hem geldend recht onbekend zijn? Zonder twijfel kan dit wel en daaruit blijkt reeds, dat de regel van Mr. v. d. B. niet opgaat, wanneer men te doen heeft met een samentreffen van verschillend recht. Het territoir, waarin het recht wordt uitgeoefend, zal dan uitmaken of dat recht geoorloofd is; zoodat het dan verkeerd is te vrageu naar het recht van den persoon. Nu kunnen wij uit den aard der zaak bij het N. Indisch quasi-internationaal recht niet onderscheiden naar het territoir, omdat de verschillende rechten binnen hetzelfde algemeen Js*. Indisch territoir niet elk een eigen territoir hebben, zelfs niet voorzoover de vaste goederen betreft: in één zelfde gewest, ja op één zelfde plaats, zou men kommunaal-, erfelijk individueel-, in agrarisch- en in Europeesch eigendom bezeten gronden broederlijk bijeen kunnen vinden. Wat in het inter-
nationaal recht het territoir is, zal ia het quasi-internationaal recht dikwijls de groep zijn, het milieu; en bij botsing zal men dan niet moeten vragen: is zeker recht bestaanbaar volgens het recht, waartoe de belanghebbende of de partijen behooren, ook niet kunnen vragen of het bestaanbaar is in zeker territoir, maar: mocht het bestaan in het milieu, waarin het is ontstaan ; zoo ja, dan zal dit wettig gevestigd recht toch niet kunnen teniet gaan alleen omdat de uitoefenaar het milieu verlaat? Evenmin als een Nederlander, die in den vreemde een zakelijk recht heeft verworven, dat naar Neder-landsch recht onbestaanbaar is, dit verliest door het vreemde land te verlaten en in Nederland terug te keeren.
Het recht kan natuurlijk door het overgaan in een vreemd milieu verloren gaan, wanneer de wet dit uitdrukkkelijk bepaalt, maar zonder dat kan men m. i. zulk een verlies niet als van zelf sprekend gevolg aan de verandering verbinden. Wanneer dus de wet uitdrukkelijk bepaalde, dat iemand, die Europeaan of Vreemde Oosterling is of wordt, geen erfelijk individueel bezitrecht op grond kan verwerven of behouden, dan zou daar verder niet tegen te redeneeren vallen. Maar dit is niet bepaald; wel: dat het erfelijk individueel bezitrecht niet mag worden vervreemd aan niet- Inlanders, maar dit is heel iets anders.
M i. behoudt dus de Inlandsche vrouw, mot een niet-Inlander trouwende, het erfelijk individueel bezit, dat zij reeds had verworven; maar te dezen opzichte moet z|j zich dan ook gedragen naar de rechtsregelen van het milieu, waaruit zij dit recht meebracht, dus: landrente betalen, de aan den grond verbonden heerendiensten verrichten of doen verrichten, enz. (1) Zij zal zich dus ook moeten houden aan de bepaling dat dit recht niet mag worden vervreemd aan niet- Inlanders. — Wil men om politieke of sociale redenen voorkomen, dat op die wijze de gronden der bevolking allengs in handen van niet-
(1) Degeen, die in een vreemd land een zakelijk recht uitoefent, is evenzoo verplicht het daar te dien opzichte geldende recht in acht te nemen, dus ook de daaraan klevende verplichtingen na te komen eu kan zich er dan niet op beroepen, dat die op hem niet toepasselijk zijn.
— 392 —
Inlanders komen, dan zal hiervoor een algemeene verordening noodig zijn en deze zal, billijkheidshalve, moeten zorgen dat degene, wier recht dan als \'t ware ten algemeenen nutte ■\\vordt onteigend, hiervoor worde schadeloos gesteld. Een tua-schenweg ware ook mogelijk: te bepalen, dat de persoonlijke uitoefening van het erfelijk individueel bezit van rechtswege wordt geschorst, zoolang de rechthebbende tot een anderen staat behoort, en dat de inkomsten, door een van overheidswege aangewezen plaatsvervanger intusschen genoten, voor zeker deel zullen worden uitgekeerd aan de(n) oor8pronkelijke(n) rechthebbende.
Ik mag er hier wel op wijzen, dat mijn opvatting, ondanks het „van ouds erkend beginselquot; van Mr. v. d. B., uitgebreide toepassing vindt en zóó natuurlijk schijnt te zijn, dat men er zelfs nooit ernstig over heeft gedacht den Inlanders, Arabieren, Chineezen enz. de bevoegdheid te betwisten om overeenkomstig Europeesch recht eigendom, opstal, enz. uit te oefenen, ook al waren z|j niet aan het Eur. recht onderworpen. De registers van in- en overschrijving van vaste goederen kunnen dit overvloedig getuigen. — Zal men nu zeggen, dat Inlanders wel zakelijke rechten volgens Europeesch-, maar niet-Inlanders er geen volgens Inlaudsch recht kunnen uitoefenen? Mij dunkt dit zou willekeur zjjn!
Wat we, ook in vroegere stukken der Staatskommissie, lazen geeft reden om te vermoeden, dat de niet-zakehjke rechten en verhoudingen der Inlandscbe vrouw er hij deze kommissie even slecht af zouden komen en daarbij een even exklusieve theorie van „Entweder oderquot; zou worden toegepast. De aangelegenheid is niet van belang ontbloot voor de verhouding van haar tot haar Inlandsche verwanten. Welke zal haar verhouding zijn tot haar ouders, tot de bij haar vroeger door een Inlander verwekte kinderen ? Zullen deze van haar kunnen erven ?
Wij zullen deze kwesties niet afzonderlijk behandelen, omdat zij samenvallen met die, ontstaan door den overgang uit den aangehuwden staat, hetzij door een nieuw huwelijk, het-
— 393 —
zij door afstand van dien staat (en dus terugkeer tot den aangeboren staat), waarover wij in de toelichting ad art. iV. I. blz. 24) het een en ander vinden :
Art. 4 strekt volgens de ontwerpers om goed te doen uitkomen, dat bij een tweede gemengd huwelijk de vrouw „den door het eerste huwelijk verkregen staat verliest, en daarmede ophoudt onderworpen te zijn aan het krachtens dat (eerste) huwelijk voor haar geldend (gegolden hebbend) recht, zoodat zij de bevoegdheden en verplichtingen, haar toekomende en op haar rustende, ingevolge dat recht, niet langer vermag uit te oefenen en na te komenquot;.
Ofschoon, wat de aldus verloren bevoegdheden en verplichtingen aangaat, in de eerste plaats te denken valt aan de voorschriften betrefi\'ende de ouderlijke macht en de voogdij, worden nochtans alle bevoegdheden, waaronder ook rechten te verstaan zijn, en alle verplichtingen zonder onderscheid heUosM, met dit gevolg, dat de vrouw, die ten tweeden male een gemengd huwelijk aangaat, uitsluitend wordt beheerscht door het recht, waaraan zij krachtens dat huwelijk onderworpen wordtquot;.
We zien hier al weer het exklusieve stelsel gehuldigd: öt \'t een, óf \'t ander; maar welk recht men ook volge, verplichtingen of bevoegdheden, uit een ander recht gesproten, houden daardoor op en „in de eerste plaatsquot; geldt dit voor ouderlijke macht en voogdij. Feitelijk staat er, dat deze verloren gaan doordat de moeder tengevolge van een nieuw huwelijk aan een ander recht onderworpen wordt; nemen wij echter zekerheidshalve de mogelijkheid aan, dat de bedoeling slechts deze was: deze bevoegdheden kunnen alleen overeenkomstig het nieuwe recht der moeder worden uitgeoefend. Dan zou dus een met een Chinees hertrouwende moeder van Europeesche kinderen over dezen ouderlijke macht of voogdij moeten uitoefenen naar de regelen van het Indisch-Chineesch recht! En als de Chinees kinderen bij haar verwekt, daarna sterft, en zij nu eens met een Inlander hertrouwt, zou ze over deze Chinee-sche kinderen weer voogdij moeten uitoefenen naar Inlandsch recht! Neen, dat zou al te gek zijn, dat kan de Staatskom-missie toch niet bedoeld hebben. Het zou soms ook niet voor
— 394 —
toepassing vatbaar zjjn : over Europeesche kinderen zou hun met een Inlander hertrouwde moeder geen voogdij kunnen uitoefenen naar de voorschriften van het recht haars nieuwen mans, aangezien dit geen voogdij kent in den zin, waarin de kinderen daarop volgens hun Europeesch recht aanspraak hebben.
quot;Wij moeten dus wel aannemen, dat de Staatskommissie werkelijk heeft bedoeld, dat de vrouw, door een gemengd huwelijk aan ander recht onderworpen wordende, dientengevolge de ouderlijke macht en de voogdij over haar vroegere kinderen verliest, evenals trouwens „alle bevoegdhedenquot; en „alle verplichtingen zonder onderscheidquot;, die voor haar uit het tot nu toe haar beheerschende recht voortsproten, vervallen.
Dit staat gelijk met het beweren, dat een Nederlandsche weduwe, hertrouwende met een Franschman en zich buitenslands vestigende, door dit feit opzichzelf de ouderlijke macht over de kinderen uit haar eerste huwelijk verliest.
Ik veroorloof mij op te merken, dat noch in Stbl. 1898 No. 158, noch elders een bepaling te vinden is, die tot zulk een opvatting noopt, en dat de rechter alleen aan de verordening, maar niet aan haar toelichting gebonden is, hopende en vertrouwende dat hij van deze vrijheid gebruik zalmaken om een minder exklusieve rechtsopvatting te huldigen.
Dat volgens de art. 2—4 de vrouw altijd maar één staat heeft, aan één recht onderworpen is — iets wat trouwens ook buiten deze materie en zonder deze artikelen een waarheid is en zou zijn, — belet volstrekt niet, dat in geval van botsing van recht of bij quasi-internationale rechtsverhoudingen op haar ook wel ander recht dan dat ééne toepasselijk kan zijn. Voren blz. 389 toonde ik dit reeds aan met voorbeelden, aan onze wetgeving ontleend. Wat de Staatskommissie {Wetg. N. I. blz. 24) hieromtrent aanvoert, dat voor de vrouw niet tweeërlei recht kan gelden, gaat dus niet op en evenmin \'t geen zij daarop laat volgen: „Zoodoende zou toch liaiir, om iets te noemen, de gelegenheid worden gegeven, om zich in elk bijzonder geval te beroepen op het voor haar voordeeligste recht, ook tegenover haar tweeden echtgenootquot;; want van zulk een alternatief recht is geen sprake.
— 395 —
Xiemand zal wel verlangen der hertrouwde vrouw de keuze te laten op welk der voor haar geldende of gegolden hebbende rechten zij zich wenscht te beroepen! Maar wèl zullen zeker velen het wenschelijk achten, dat de vrouw niet door een gemengd huwelijk alles van zich kau afschuiven, wat een vroeger leven haar aan lasten en lusten bracht. De plichten, die zij tegenover vroegere kinderen heeft te vervullen, de bevoegdheden, die daaraan verbonden zijn, en in \'t algemeen alles wat niet is afgeloopen, afgedaan, kunnen niet door een nieuw huwelijk worden weggetooverd. Zij blijven bestaan en worden uit den aard der zaak beheerscht door het recht, dat hun wording beheerschte. Van keuze is dus geen kwestie: de herkomst der zaak, der verhouding wijst aan, welk recht er met uitsluiting van elk ander voor geldt.
Het is waar, dat voor de vrouw daardoor in zoo\'n bizonder geval een ander recht wordt geldend gemaakt dan art. 2 e. v. aanwijzen; maar wat wil men: in zulke gevallen zal, zooals ik reeds opmerkte, altijd op één der belanghebbenden een ander recht moeten worden toegepast, dan waaraan hij gewoonlijk onderworpen is. Houdt men angstvallig vast aan art. 2—4 van Stbl. 1898 No. 158 voor dc vrouw, dan stelt men de kinderen weer buiten hun recht, dat hun aanspraak geeft op de zorgen hunner moeder overeenkomstig de voor hen geldende bepalingen. De beslissing ligt dan toch voor de hand: de tusschen beiden bestaande verhouding blijft geregeld door het recht, dat er van den aanvang af voor gold, en niet door dat, wat de moedor later is gaan volgen, ook niet door geen recht (= noch gaat van rechtswege te niet).
Voorzeker zullen wel eens verwikkelingen, misschien wel onoplosbare, of zelfs ongerijmdheden, zooals de staatskommissie voorspelt, het gevolg zijn van deze mijn opvatting: bij elk samentreffen van tweeërlei recht kan zich dit wel eens voordoen; rechter en wetgever zullen dan voor een moeilijke taak staan; maar is dit een goede reden om maar de spons te wrijven over al wat er vroeger is gebeurd? De maatregel is radi-kaal, ik geef \'t toe, maar ze is onrechtmatig.—
Hoe „volstrekt noodigquot; het zij, de hertrouwende vrouw
— 396 —
geheel te onttrekken aan haar vroeger recht, „zoo spreekt het toch wel van zelf, dat hierin voor haar geen bezwaar is gelegen, om voordeelen te genieten of winsten te trekken uit handelingen of overeenkomsten, gegrond op laatstbedoeld recht, b. v. uit huwehjksche voorwaardenquot;, geeft de Staatskommissie toe (JVetff. N. I. blz. 24/25), en wij mogen aannemen, dat zij dezelfde koncessie, desgevraagd, ook zou uitstrekken tot het nakomen van verplichtingen, voortvloeiende uit handelingen of overeenkomsten gegrond op het vroeger recht der vrouw (w. t. v. als de handeling of overeenkomst plaats vond, toen dat vroegere recht nog voor haar gold; zoo zal n. 1. de bedoeling wel zijn). Immers men kan niet, als het winsten geldt, het vroegere recht erkennen, maar zich van den domme houden, zoodra het verliezen geldt.
Welnu, gaat het aan sommige gevolgen van vroeger aangegane handelingen en overeenkomsten te aanvaarden, ofschoon het recht waarop zij berusten sinds is verlaten, maar voor andere gevolgen van de handeling (het huwelijk) te doen alsof dat verlaten van het vroegere recht terugwerkende kracht had ? De voordeelen (en lasten) uit de huwelijksche voorwaarden zou men aanvaarden, maar de voorwaarden die de wet zelf aan het huwelijk stelt (dat men voor de daaruit spruitende kinderen moet of mag zorgen, hen opvoeden, bewaken enz.) en die partijen dus niet meer behoeven te bedingen, die voorwaarden zouden eenvoudig als vervallen worden beschouwd, zoodra men zich maar onder de vaan van een ander recht schaart!
Wanneer mijn kritiek over de nieuwe bepalingen op de gemengde huwelijken niet in allen deele gunstig is, dan moet dit — ik wil het ten slotte nog eens nadrukkelijk verklaren— minder geweten worden aan de ontwerpers, dan aan het systeem des N. Indischen wetgevers, dat zij blijkbaar niet wilden of mochten verlaten. De aarde van het ravijn, dat gedempt zou worden doordat van beide zijden de steile wanden afbrokkelen, zoodat allengs een dal met geleidelijke glooiingen zou ontstaan, die aarde moet telkens worden opgeschept en aan dezen of aan genen kant worden weggebracht. Op die
— 397 —
1 rl
wijze wordt het wel moeilijk een weg te vinden, die den bewoners aan beiden zijden gelijkelijk dienen kan. Men moge bruggen slaan en den weg dan eens aan deze, dan aan gene zijde laten loopen, één der kanten zal hier, de andere weer daar, er onder lijden en \'t gevolg is dat de weg zooveel kronkelender en langer wordt.
Hoeveel eenvoudiger vrare het niet een algemeen Indisch recht vast te stellen 1), waaraan per se onderworpen zijn alle Vreemde Oosterlingen en Inlandsche Christenen, terwijl alle andere ingezetenen zich er bij kunnen aansluiten en het voorts zou gelden voor alle gevallen, waarin niet door het speciale recht van den belanghebbende wordt voorzien, of waarin bij verschil van recht tusschen partijen een hooger recht zal moeten beslissen.
In zulk een wetgeving kon de definitie van Stbl. 1898 Xo. 158 art 1 worden gemist; art. 2 zou zijn plaats vinden in de algemeene bepalingen waar het meer thuisbehoort dan in bizondere voor gemengde huwelijken. Of geldt het niet voor allen; behoort b. v. de vrouw staande huwelijk den staat des mans niet evengoed te volgen, wanneer zij vóór het huwelijk aan hetzelfde, ala wanneer zij te voren aan verschillend recht waren onderworpen?
A.rtt. 3, 4 en 5 werden overbodig; degeen die uit haar adat verband trad, zou onderworpen zijn en blijven aan het algemeene recht, dat, op Indische behoeften ingericht, haar geen reden zou geven om naar het aangeboren recht terug te verlangen. Yoor artt. 6 — 10 zou in de plaats treden een volledige regeling van het huwelijk, zoodat het niet noodig zou zijn voor de wijze van voltrekking naar bizondere rechten, niet hun groote verscheidenheid en hun verrassingen, te verwijzen; en artt. 11 en 12 zouden, waarschijnlijk aanmerkelijk gewijzigd, verhuizen naar den titel over de afstamming.
Wanneer ik zeg „eenvoudigerquot;, dan bedoel ik niet, dat op de door mij voorgestane wijze met minder artikelen zou kunnen worden volstaan, of dat het maken van zulk een regeling
1) Zie hierover: » Waarheen V\' voren blz. 331; voorts blz. 71 der achter-staamle verhandeling; «Het privaatrecht der Inl. Christenen.quot;
— 398 —
gemakkelijker zou zijn; maar dat zij eenvoudiger,gemakkelijker zou zijn in de toepassing.
„Weinig bepalingenquot; is het wetgeYingsideaal van menigeen; maar dit geeft dikwijls slechts een verplaatsing der moeilijkheden. Weinig, althans te weinig artikelen wil dikwijls zeggen: des te meer kommentaren en onzekerheden.
In elk geval zal een volledige regeling in kortheid natuurlijk nooit kunnen wedijveren met een regeling door formules, zooals Stbl. 1898 no. 158 ons aanbiedt.
Wat het gemak voor den wetgever betreft, dit treedt dunkt mij op den achtergrond. Het gemak en het heil der ingezetenen moeten den doorslag geven en daarvoor moet men het wagen een moeilijk eu omvangrijk werk te ondernemen.
Hiermee is het onderwerp „gemengde huwelijken,quot; voorzoover de aan dit supplement gestelde euge grenzen het toelaten, afgehandeld. Stbl. 1898 no. 158 heeft nog twee artikelen opgenomen omtrent den staat der kinderen uit vóór 1 September 1898 gesloten gemengde huwelijken. De bespreking daarvan zou mij echter verleiden tot een behandeling van den staat der kinderen in het algemeen. Ik zie er dus liever van af 1).
J. A. Nederburgh.
1] Enkele aanteekeningen over dit onderwerp vindt men WeUj. h.I. blz. 1\'24 e- v.
HET PRIMAAT-RECHT DER IXLANDSCHE CHRISTENEN.
Vroeger gaf ik reeds het plan te kennen (1), het recht der Inlandsche Christenen hier te bespreken, voorzoo ver het bij algemeene verordening is vastgesteld of\' — waar de algemeene verordeningen en de adat beiden de zaak niet voorzien hebben — uit de algemeene beginselen van ons Europeesch recht moet worden afgeleid.
Het kwam mij wenschclijk voor daarbij uit officieele bescheiden te putten voor de toelichting in de eerste plaats van Staatsblad 1861 No. 38, het uitvoerigste dat deze klasse van onze bevolking betreft, en ik verkreeg bij Besluit van Z. Exc. den Gouverneur-Generaal d.d. 14 Augustus 1898 No. 12 vergunning tot publiceering van hetgeen in de volgende bladzijden uit die bescheiden wordt meegedeeld. Men verwachte evenwel niet te veel officieel licht: het zal meer schijnen op de wording en de algemeene strekking, dan op elk der bizondere bepalingen, waarover betrekkelijk weinig gedachtenwisseling plaats had.
Ik vrees twee aanmerkingen op deze verhandeling te zullen hooren: „te veelquot; zullen sommigen zeggen, „te weinigquot; anderen, en een derde groep zal wellicht zeggen „of te veel, of te weinig.quot;
„Te veelquot; zal het luiden, omdat een nieuwe regeling van het recht der Inlandsche Christenen op handen is en omdat Staatsblad 1898 No. 158 de artikelen 12 en 13 van de te bespreken verordening al heeft afgeschaft. Dit neemt echter niec weg, dat voor de vroeger gesloten huwelijken deze artikelen nog lang van belang zullen blijven en dit ook het geval zal zijn met de overige 11 artikelen, al mochten dezen spoedig door nieuwe bepalingen worden vervangen, hetgeen (naar
(1) le Jaargang, aDe klassen der bevolkingquot; enz. blz. 331.
W. cn A. P. C. 1. 40
— 2
vroegere ervaring te oordeelen) nog niet zoo zeker is. In elk geval zal de toelichting voor de Indische rechtsgeschiedenis zekere waarde behouden.
„Te weinigquot; zal men zeggen, omdat ik de gewisselde stukken niet in hun geheel en letterlijk weergeef. Ik geef toe, dat het, in \'t algemeen, wenschelijk is de bescheiden betreffende wetgeving in hun geheel mee te deelen. quot;Wat de een weglaat, zou de ander wellicht juist gewichtig vinden. Men moet echter rekening houden met de middelen, die ter beschikking staan, en deze noopten mij tot beperking. Ik heb dus hier en daar iets weggelaten of verkort weergegeven, vooral waar ik op herhalingen stuitte of pp minder belangrijke beschouwingen.
Wat de toelichting der ontworpen bepalingen zelf en de daarover gevoerde beraadslagingen betreft, heb ik echter alles opgenomen, wat ik daarover aantrof. Men zal ook uit de vele aanhalingsteekcnen ontwaren, dat de inhoud der stukken groo-tendeels letterlijk door mij is overgenomen.
De aanleiding tot ex geschiedenis van Staatsblad 1861 No. 38.
De lezer weet, dat de rechtstoestand der Inlandsche Christenen vóór het tegenwoordig Regeeringsreglement eenigszins dubieus was. Speciaal voor het huwelijksrecht en den Burgerlijken Stand leverde dit moeilijkheden op. Men zag in, dat het niet ging die Inlanders te noodzaken zich te houden aan de voor Europeanen vastgestelde bepalingen. Wel konden zij dit uit eigen beweging doen, maar als zij, gelijk uit den aard dei-zaak de regel was, dit niet deden, dan behoorden er toch eenige regelen te zijn, waarnaar zij zich hadden te richten. Wel waren er oudtijds zekere regelen geweest en werden er ook later eenige in het leven geroepen; maar men wist niet altijd aan welke zich te houden, de wettigheid dier regelen was niet altijd boven twijfel verheven en hun volledigheid kon ook te wenschen overlaten. De behoefte aan een wettige en algemeene voorziening deed zich dus gevoelen en gaf den fung. Officier van Justitie b.d. Raad v. Justitie te Amboina aanleiding in ziju consideratiën en advies van 17 Augustus 1849 N0. 73
den Gouverneur der Moluksche Eilanden aan te bieden het Ontwerp van een reglement op het sluiten van huwelijken tusschen Inlandsche Christenen in het Gouv. der Jlolukkos. Dit ontwerp vond geen genade. Bij het Besluit van 1 Dec. 1851 N0. 2 waarbij de in Stbl. 1851 N0. 70 opgenomen Publicatie werd vastgesteld, werd echter bepaald „de in hoofde dezes genoemde stukken te stellen in handen van de kommissie belast met het ontwerpen der vereischte wettelijke bepalingen tot verdere regeling van het rechtswezen in de bezittingen buiten Java en Madura ten einde daarvan kennis te nemen en gebruik te maken.quot;
Hiermee eindigt de historie van dit ontwex-p, dat ik volledigheidshalve heb willen vermelden.
Van meer belang is de geschiedenis van het Besluit van 23 Augustus 1859 N0. 4. Zij vangt aan met een klacht van Bestuurderen van het Nederlandsch Zendelinggenootschap te Rotterdam: dat door de geëischte formaliteiten, vooral in Menado, het aangaan van huwelijken onder het Inlandsche Christenvolk zeer wordt belommerd.
De Resident van Menado had n.1 op eigen gezag bij Besluit van 9 November 1849 N0. 643 en 23 November 1849 N0. 685 eenige regelen omtrent het sluiten dier huwelijken vastgesteld. De gezagvoerende ambtenaren in de binnenlanden ontvingen de aangiften en onderzochten of er geen bezwaren tegen de voorgenomen huwelijken bestonden. Hierna rapporteerden zij aan den Resident, wiens consent voor elk huwelijk noodig was. Was dit verkregen dan had de afkondiging in de kerk plaats en werd op het consent aangeteekend. Hiermee ging men naar den gezagvoerenden ambtenaar om in het huwelijk te worden verbonden. Met de hiervan opgemaakte akte begaf men zich weer naar den zendeling, die het huwelijk inzegende en maandelijks van de ingezegende huwelijken opgaaf moest doen aan het Europeesch bestuur, dat op de akte van huwelijksaangifte weer aanteekening hield van de gevolgde voltrekking.
Zeer eenvoudig kan men deze regeling zeker niet noemen, maar de klagers schijnen toch wel overdreven te hebben, waar
_ 4 —
zij er nadeelige gevolgen aan toeschreven. Althans de Resident van Menado (miss. van 24 Februari 1859 N0. 247) konstateert, dat van vroeger de zendelingen er reeds naar streefden het huwelijk geheel aan bestnursbemoeienis te onttrekken, en ont-, kent dat de bovenomschreven regeling, waarin de Gouverneur der Molukken voorloopig berustte en die sinds niet werd opgeheven, bezwarend zou zijn voor de bevolking, mits zij maar goed werd toegepast, waarvoor hij zorg droeg. Daar de gezagvoerende ambtenaren in hun ressort rondreizen en voor de verafwonenden ook dikwijls genoegen wordt genomen met een schriftelijke, gelegaliseerde aangifte van het voorgenomen huwelijk, ondervindt de bevolking in deze geen bezwaar. Wel komt het echter voor, dat de gehuwden van de inzegening worden weerhouden wegens den verren afstand der zendelingswoning. De kosten die de regeling meebrengt zijn maar ƒ 1.60. Dat de huwelijken er niet door belemmerd worden blijkt overigens uit het aantal gesloten huwelijken, dat van 440 in 1853 klom tot 1214 in 1858. Alleen het consent, door den Resident te verleenen, is onnoodig, met liet oog op het groote aantal zaken lastig, en dient dus z.i. te worden afgeschaft.
Den Gouverneur der Molukken, het Hooggerechtshof, den Procureur Generaal en den Raad van N. Indië gehoord, werd echter bij gemeld besluit van 23 Aug. 1859 X0. \\ yoedgevon-den en verstaan:
Eerstelijk: Aan den Gouverneur der Moluksche Eilanden ter mededeeling aan den Resident van Menado te kennen te geven;
dat hot wenschelijk is, dat de Inl. Christenen in de Mina-hassa, ten aanzien van de huwelijksverbindtenissen, in eenen toestand gebracht worden, niet alleen gelijk aan die der overigen Lil. Christenen in het Gouv4. der Mol. Eil., maar ook aan die der niet- Christen- inlanders in geheel het N. Indisch gebied, waar schier bij alle gezindheden, zelfs onder de heidenen, de huwelijken door de priesters plegen voltrokken te worden; dat de overgang tot het Christendom den Inlander niet onderworpen doet worden aan de Europeesche burger- oi\' staatsrechtelijke bepalingen, maar hij, ook na dien overgang, in zijnen maatschappelijken en politieken toestand blijft;
dat met dien toestand de onthouding der Europeesche ambtenaren van alle bemoeienis met de voltrekking der huwelijken onder de Christen Inlanders zich beter laat overeenbrengen, dan een inmenging daarmede, welke moet worden overgelaten aan hunne godsdienstleeraren, de zendelingen, en dat derhalve de sedert 1849 in de res. Menado gevorderd wordende formaliteiten, welke niet zijn voorgeschreven bij de publicatie van 1 December 1851 (Stbl. N0. 70) zullen behooren te worden afgeschaft en mitsdien de voltrekking en inzegening der huwelijken voor Christen Inlanders, evenals in het overige gedeelte der Mol. Eilanden aan de zendelingen zal moeten worden overgelaten ^
Lans: vóór dit Besluit had zich, ook in de Molukken. een
!p 7 /
ander geval voorgedaan, dat door het daaruit ontstaan verschil van meening van veel invloed was op den inhoud van Stbl. 1861 N0. 88, daar het den Gouvernements-kommissaris du Clowx aanleiding gaf tot het ontworpen van eenige bepalingen, die den grondslag vormden voor die tot nu toe geldende verordening.
Het gold nu niet een huwelijk van Inl. Christenen onderling, maar van een hunner met een Europeesche, en met het oog op zulke gemengde verbintenissen werden artt. 12 en 13 vastgesteld, waaraan de overige artikelen wel dienden vooraf tegaan.
Voor de geschiedenis der gemengde huwelijken is de ge-dachtenwisseling, die in deze plaats had, dus van belang. Ik zal deze daarom in hoofdzaak weergeven.
In zijn missive van 20 September 1851 Nquot;. 98 geeft de Gouverneur der Moluksciie Eilanden de volgende schets Tan den toenmaligen toestand.
„Onder de burgers telt men in de eerste plaats de afstammelingen van Europeanen, ten tweede zoodanige negorijmen-schen die volgens de bestaande bepalingen den burgerbrief hebben verkregen en eindelijk de afstammelingen van dezen.
„Een groot gedeelte dezer afstammelingen van Europeanen, welke tot de burgerij behooren, hebben zich echter zoodanig met de gezegde Inl. burgers vermengd, dat zij daarvan alleen te onderscheiden zijn door hunnen naam.
— 6 —
„De taal en zeden van de Inl. burgers hebben velen tot de hunne gemaakt en hieruit is gevolgd, dat de huwelijken tus-schen afstammelingen van Europeanen en Inl. Christenen zoowel vóór als na de invoering der nieuwe wetgeving niet zeldzaam zijn en vroeger veelal op de voor Inl. Christenen gebruikelijke wijze voor den Magistraat te Amboina en de Assistent-Residenten in de onderscheidene afdeelingen werden voltrokken. Zelfs voor de invoering der nieuwe wetgeving zijn onderscheidene Christenregenten alhier met vrouwen behoorende tot de Eur. bevolking gehuwd, zonder dat dit tot eenige bedenkingen heeft aanleiding gegeven, aangezien het huwelijk tusschen Inl. Christenen en afstammelingen van Europeanen niet verboden was.quot;
Dezer dagen, zoo deelt de Gouverneur verder mee, heeft zich echter het geval voorgedaan dat de Inl. Christenregen-, radja der negorij Nolloth, zich in het huwelijk wilde begeven met J. H. van quot;Westerloo, een burgerdochter van Amboina, van Europeesche afkomst.
De Assistent-Resident van Saparoewa meende, dat ingevolge art. 15 Overgangsbepalingen de regent zich vooraf moest onderwerpen aan de Europeesche burgerlijke en handelswetgeving en vroeg den Gouverneur of tegen zulk een onderwerping door een Inlandsch hoofd geen bezwaar bestond. Vooreerst toch was hij onbekend met de wetten, waaraan hij zich zou onderwerpen en die van de zijne, vooral wat het erfrecht betreft, nogal verschillen. Voorts, uit een politiek oogpunt: zou de\' onderworpene niet gaan meenen met Europeanen gelijk te staan ? zou zijn onderwerping geen invloed hebben op het bestuur der negorij? Zal hij zitting kunnen blijven nemen in Inlandsch^ rechtbanken en zullen zijn uit dat huwelijk verwekte kinderen hem in zijn ambt kunnen opvolgen? Neen, meent de Ass.-Resident, wat de laatste vraag betreft, want daar ze, als ingeschreven in de registers vau den Buvgl. Stand van zeiven burgers worden, zijn ze als zoodanig volgens art. 4 van het reglement voor de burgerij van het bestuur der negorijen uitgesloten.
De Gouverneur is het hiermee niet eens. Door inschrijving
in de registers van den ,burgerl. standquot; verwerven zij niet den stand van burger. Alleen zou dit het geval zijn, wanneer zij door geboorte uit een Europeesche moeder den staat van Europeaan verwierven en niet dien huns vaders volgden.
Ten einde allen twijfel in deze weg te nemen verzoekt de Gouverneur, dat beslist worde welken staat zoodanige kinderen uit gemengde huwelijken moeten volgen.
Naar aanleiding hiervan werden verschillende autoriteiten gehoord, uit welker adviezen het volgende als merkwaardig werd aangeteekend.
De Procureur-Generaal (consid. en advies van 2 Dec. 1852) betoogt dat art. 15 Ov. bep alleen bedoelt het huwelijk volgens ons Burgl. Wetboek.
„Alle andere huwelijken zijn in haar oog concubinatusen verder: „De wet verbiedt niet het [aangaan tusschen Inlanders en Europeanen van alle andere zoogenaamde huwelijken op zoodanige wijzen als zij zeiven verkiezen.quot; Z. i. wenschte de Radja van Nolloth blijkbaar een Inlandsch, geen Europeesch huwelijk, dat de Assistent-Resident van Saparoewa hem dus heeft opgedrongen.
De kinderen zijn, meent hij, per se Europeanen, als het gemengde huwelijk op Europeesche wijze is gesloten; is het op Inlandsche wijze gesloten, dan zijn ze ook Europeanen als de moeder het is, omdat zij den staat van deze volgen.
Op dit advies zou men kunnen aanmerken: dat onze wet „alle andere huwelijkenquot; . niet zoo onvoorwaardelijk als concubinatus beschouwt, maar wel voor Europeanen binnen N. Indië; dat de bedoeling van Radja Nolloth en zijn bruid echter juist was een ook voor haar geldig huwelijk en niet een concubinaat aan te gaan, en dat hun bezwaar juist was, dat de eventueele kinderen den staat der moeder volgende, \'t geen bij concubinaat in den aard der zaak zou liggen, in het Inlandsch radja-ambt hun vader niet zouden kunnen opvolgen. Van „opdringenquot; van een wettig huwelijk was dus geen sprake.—
De Raad van N. Indie {advies van 25 Maart 1853) huldigde het stelsel, dat de kinderen den staat des vaders volgen en dus in dit geval Inlanders zouden zijn.
— 8 —
„Zoo zoude naar \'s Raads meening een huwelijk van eenen Regent op Java met eene Eur. vrouw geen hinderpaal opleveren tegen het behoud zijner betrekking, noch tegen de opvolging in het regentschap door zijn zoon; alleen wanneer die Eegent ophield Mohamedaan te zijn en bijv. Roomsch of Protestant werd, zoude hij volgens de speciale bepalingen voor de Regenten zijne betrekking moeten nederleggen, omdat hij aan het hoofd staat der Mahom. godsdienst in zijn regentschap.quot;— Bij missive van de /d Aly. Secretaris d.d. 13 April 1853 ïfo. 888 werd den Gouverneur der Mol. Eilanden daarop onder meer geschreven :
„Wijders heb ik in last bekomen op te merken, dat Ü.W.E.Gr. verkeerd heeft gehandeld door mede te werken tot het huwelijk van den Regent van Nolloth met J. H. van W., op de ■wijze als die heeft plaats gehad, omdat geene bepaling verplichtte tot de naleving van het bepaalde bij art. 15 der Overgangswet, bijaldien hij dat huwelijk wilde voltrekken op de wijze voorgeschreven bij de resolutie van 23 September 1835 No. 25 (Stbl. No. 43) en de publikatie van 1 Dec. 1851 (Stbl. No. 70), zooals blijkbaar zijne bedoeling is geweest; weshahe UWEG. wordt uitgenoodigd dien regent gerust te stellen nopens do opvolging in het regentschap, door den zoon die eventueel mocht worden geboren uit dat huwelijk en de kinderen uit dat huwelijk vooreerst niet te doen inschrijven op de registers van den burgl. standquot;.
Bij deze missive was een nota, over deze kwestie ter Alg. Secretarie gesteld, den Gouverneur toegezonden. Daarin wordt door den steller een uitlegging der wet gegeven, die deels overeenstemt met die van Hooggerechtshof (1), deels daarvan afwijkt.
Het Hof had n. 1. te kennen gegeven aangaande deze kwestie: dat eenerzijds huwelijken tusschen Europeanen en In-landsche Christenen reeds vóór de nieuwe wetgeving plaats hadden, en de wetgever die niet heeft willen bemoeilijken; dat in den rechtstoestand der Inl. Christenen geen verandering is gebracht en zulke huwelijken dus nog zouden kunnen
1) Dit advies wordt hier niet oiigenomen omdat liet uitvoerig terug te vinden is in \'s Hofs missive van 3-10-54 No 556 (zie blz. -13).
en behooren plaats te hebben als vroeger, n. 1. op de wijze voor de Inl. Christenen voorgeschreven.
M. i. verloor het Uof hier uit het oog, dat, mochten de Inll Christenen in hun rechtstoestand zijn gelaten bij de invoering der nieuwe wetgeving, een zoodanige bepaling voor de Europeanen niet bestond en deze dus, ook met Inl. Christenen, niet anders een wettig huwelijk konden sluiten dan op de wijze voor hen vastgesteld bij de nieuwe wetgeving; althans dit moest men wel aannemen, zoolang men zich op een streng wettelijk standpunt hield en geen quasi-internationaal recht erkende, waartoe trouwens art. 15 Ov. bep. voor dit geval geen ruimte liet. Het Hof gevoelde ook wel, dat tegen die opvatting eenig bezwaar bestond en zeide dan ook dat, aan den anderen kant echter met deze stelling tevens zou moeten worden aangenomen, dat de wetgever niet geschroomd heeft om Europeanen, die met Inl. Christenen in de Moluksche Eilanden een huwelijk willen aangaan, als het ware aan hunne wetten te onttrekken, hetgeen zoolang liet niet duidelijk in de wet geschreven is, bezwaarlijk zoude kunnen worden aangenomen.
De steller der evenbedoelde nota is het met dit laatste niet eens en redeneert aldus;
„En daar nu zoodanig huwelijkquot; (n.1. een, dat is voltrokken op de wijze vermeld in de Publikatie van 1 Dec. 1851) „niet is voltrokken volgens het jSTederl. burgerlijke recht, zoo volgt er uit, dat aangezien de wet het huwelijk alleen in deszelfs burgerlijke betrekkingen regelt, de Inl. Christen, die zoodanig huwelijk met eene Eur. vrouw sluit, daaraan ook geene andere rechten kan ontleenen dan die bij art. 3 dor Overgangswet zijn verzekerd, doch geenszins die voortvloeiende uit art. 15 derzelfde wet, en wordt dan ook niet gezien, waarom zooals het Hof meent, niet zoude kunnen worden aangenomen, dat eene Eur. vrouw, welke een zoodanig gemengd huwelijk sluit, niet zoude moeten geacht worden zich te hebben onttrokken aan de Nederl. burgerlijke wetten omtrent dat huwelijk. Zij kan toch bezwaarlijk rechten doen gelden uit eene iret, tv elke sij zelve verloochende, eu haar geschiedt geen onrecht, wanneer zij wordt behandeld overeenkomstig den rechtstoestand, waartoe zij zelve vrijwillig overging.quot;
— 10 —
De juridische zwakheid van dit betoog springt dadelijk in het oog, vooral bij de gekursiveerde woorden.
De steller betoogt verder, dat de kinderen den staat des vaders volgen en dezen in het regentschap kunnen opvolgen, ook al is art. 15 Ov. bep. opgevolgd, aangezien dit van geen invloed is op den publiekrechtelijken staat. Ten slotte komt hij tot dekonklusie, dat het wenschelijk ware een wetxuitlegrjing vast te stellen, welke zou kunnen vervat worden in de navolgende verklaring :
„dat onder de huwelijken van de tot de Inl. bevolking be-hoorende Christenen, bedoeld bij de resolutie van 23 Sept. 1835 Xo. 35 (Stbl. No. 43) en de Publicatie van 1 Dec. 1851 (Stbl. No. 70) ook verstaan moeten worden de zoogenaamde genaengde huwelijken, onder verklaring ten overvloede, dat zoowel de op de bij die resolutie en publicatie vermelde wijze voltrokken huwelijken als die, welke ingevolge art. 15 der bepalingen omtrent de invoering en den overgang der nieuwe wetgeving worden voltrokken, niet de verplichting medebrengen tot aangifte der kinderen bij den ambtenaar v. d. burgerl. stand en geen andere als bloot burgerlijke betrekkingen ten gevolge hebben en geenszins staatkundige rechten, welke daarvan onafhankelijk blijven.quot;
De Gouverneur der Molukken (missive van 12 Juli 1853 No. 72) kan zich met een en ander nog niet vereenigen. De voormelde resolutie en publikatie en evenzoo art. 3 der Overgangsbepalingen betreffen de Inlanders alleen en niet de Europeanen, die bij een gemengd huwelijk betrokken zijn.
„Wel is nu door den ondergeteekende vroeger medegedeeld, dat zoowel vóór als na de invoering der nieuwe wetgeving huwelijken tusschen afstammelingen van Europeanen en Inl. Christenen zijn gesloten, doch moet hij opkomen tegen de daaruit te maken gevolgtrekking, dat die huwelijken na 1 Mei 1848 zouden zijn voltrokken zonder naleving der verplichting, vastgesteld bij art. 15 der overgangswet. Heeft dit een enkele maal plaats gehad, dan moet dit zijns inziens beschouwd worden als eene afwijking der wet, die de betrokken ambtenaar zich niet had mogen veroorloven. Bij den ambt. v. d. burgl.
— 11 —
stand te Araboina ia dan ook bij het sluiten yan zoodanig gemengd huwelijk steeds van de geconcerneerde partij vooraf de onderwerping aan het Europeesche burgerlijk en handelsrecht gevorderd.
„Het behoeft hier dus ook niet in overweging te worden genomen, of het sluiten van dergelijke huwelijken op de wijze, zooals voor Inl. Christenen onderling bij het meergenoemde Stbl. n0. 43 van 1835 is voorgeschreven, al of niet in strijd was met het regement van 1828 (Stbl. nquot;. 50), want de nieuwe wetgeving heeft de bewoners van Ned. Indië in verschillende cathegorieön verdeeld; voor de daaronder sorteerende Europeanen de onderwerping aan het burgerlijk en handelsrecht vasgesteld; de Inl. Christenen voorloopig gelaten in hun toen-maligen rechtstoestand, en bij vermenging van personen, beboerende tot de Inl. bevolking (en dus ook van de provisioneel daaronder sorteerende Inl. Christenen) met Europeanen door huwelijken, de voorwaarden geregeld, waarop zoodanige echt-vereenigingen mogen gesloten worden.
„De wet is op dit punt, naar de eerbiedige meening van den ondergeteekende duidelijk; zij schrijft zonder eenige reserve voor alle Inlanders, Christenen of on-Christenen, de voorafgaande onderwerping aan het Eur. burgerlijk en handelsrecht zoo bepaald voor, bij het aangaan van huwelijken met eenen tot de Eur. bevolking behoorenden persoon, dat de tegenovergestelde, bij de onderwerpelijke nota daaromtrent voorgezette begrippen moeilijk kunnen worden beaamd, terwijl het gevoelen bij die nota omhelsd, dat een Inl. Christen, met eene tot de Eur. bevolking behoorende vrouw zou kunnen huwen op de wijze, voorgeschreven bij de Publicatie van 1 Deo. 1851 (Stbl. n0 70} tot de vraag moet leiden, of dan dergelijke echt voor zoodanige vrouw, welke door hare geboorte volgens de wet is onderworpen aan het Eur. burgerlijk en handelsrecht, niet zou moeten worden beschouwd als gesloten op eene voor haar onwettige en niet verbindende wijze, mitsdien te zijn krachteloos en de daaruit geboren wordende kinderen, als natuurlijke uit eene Europeesche moeder geboren kinderen aangemerkt moeten worden.
— 12 —
„Doch deze en meer andere bij de voorzegde nota aangevoerde punten voorbijgaande, zal het, naar de ondergeteekende zich vleit, uit liet verder boven aangevoerde genoegzaam duidelijk zijn, dat er geen twijfel omtrent de toepasselijkheid van art. 15 der overgangswet op huwelijken van Inl. Christenen met Europeanen in de Molukkos kan bestaan, en dat het uit dien hoofde wemchelijk mag heten, dat eene wettelijke verordening dergelijke echtvereenigingen toelaat zonder verpligte onderwerping van de tot de Inl. Christenen hehoorende partij aan het geheele Europeesche burgerlijk- en handehrecht\'\\
Om hiertoe te geraken acht de Gouverneur de in gemelde nota voorgestelde wetsexplikatie ongeschikt; hij stelt voor te arresteeren eene bepaling:
„Dat onder do personen, behoorende tot de Inlandsche of daarmede gelijkgestelde bevolking, bedoeld bij art. 15 der overgangswet, uiet zijn begrepen de Inl. Christenen van het mannelijk geslacht op Amboina, Manado, Banda, Ter-nate, Timor of andere ^eilanden buiten Java en Madura, op welken voor echtvereenigingen met tot de Eur. of daarmede gelijkgestelde bevolking behoorende vrouwen de bepalingen der Resol. van 23 Sept. 1835 (Stbl. n0. 43) en der Public, van 1 Dec. 1851 (Stbl. n0, 70) voorloopig toepasselijk blijven, zullende mitsdien de uit de volgens de laatstgenoemde wijze gesloten huwelijken geboren wordende kinderen, naar luid van art. 3 der voorzegde overgangswet vooralsnog den tegenwoordigen rechtstoestand der Inl. Christenbevolking blijven volgen.quot;
In dit- advies van den Gouverneur der Molukken, dat zich door zijn helderheid en gezonde opvatting gunstig onderscheidt, vinden wij dus reeds in hoofdzaak aangegeven, wat later in Stbl. 1861 n0. 38 wet zou worden. Evenwel vermocht het nog niet de oppositie te overtuigen.
De Procureur Generaal CConsid. en advies van 18 Aug. 1854 no. 16361802) voert er tegen aan: „Het blijkt, dat in de Moluksche eilanden niet eene gelijke afscheiding plaats vindt als elders tusschen Christenen van Inlandsche en die van Europeesche afkomst of liever dat onder deze laatste er zijn, die
— IS-
in wezenlijkheid zeer naderen tot den staat der Inl. Christenen. Zooals bericht wordt, werden vele huwelijken Tan dien aard vroeger gesloten en wel volgens de voorschriften voor Inlanders, zonder dat daar immer eenige bedenking tegen is geopperd.
„Het komt mij voor, dat ook thans geen zoodanige bedenkingen hadden moeten geopperd worden, maar veeleer het gebruik van de Inl. Christenen had moeten zijn opgevolgd. „Wel is waar bevat art. 15 der bepalingen van overgang bijzondere verordeningen. Deze echter betreffen slechts hen, die verkiezen in opvolging van het Eur. recht een huwelijk aan te gaan. Het is daarbij de bedoeling niet geweest om Christenen, die nog eene herinnering van Eur. afkomst hebben, te beletten volgens bestaand gebruik zich aan de Inland-sche bevolking aan te sluiten.quot;
De P. Gr. handhaafde dus zijn meer op de wenscheiijkheid dan op de wet gebaseerde beschouwingen, die — konsekwent doorgevoerd — den publiekrechtelijken staat van Europeaan of Inlander voor de hier geboren Europeanen op losse schroeven zou stellen, hoewel de desbetretiende bepalingen tocli ongetwijfeld van openbare orde zijn.
Het Hoog Gerechtshof (missive van 3 Old. 1854 no. 556) nam een wettelijker standpunt in, maar kon zich toch niet vereenigen met de opvatting van den Gouverneur der Mohikken.
„Het voorstel van den Gouverneurquot;, zoo luidt het, „is geheel en al het uitvloeisel van zijne opnieuw in zijn rapport voorgestelde meening, dat Inl. Christenen ten aanzien van het huwelijk hetzij onderling, hetzij met Europeanen of daarmede gelijkge-stelden, geheel zouden zijn gelijkgesteld met gewone Inlanders.
„Deze meening schijnt den Hove zooals het ook reeds werd aangestipt in \'s Hofs meermeld advys van 1 Maart 1853 n0. 203, onjuist.
„Inlandsche Christenen zijn volgens art. 7 der Alg. Bepp. v. Wetg. gelijkgesteld met Europeanen.
„Deze regel ondergaat echter wijziging bij art. 3 der overgangswet, waarbij is bepaald, dat voorloopig de tot de Inl. bevolking behoorende Christenen over geheel N. Indië met opzicht tot het burgerlijk en handelsrecht, alsmede tot de
— 14 —
strafwetgeving in het algemeen geheel en al zullen blijven in hunnen tegenwoordigen toestand (d. i. die welken zij bezaten op 1 Mei 1848) en zulks met dien gevolge, dat voor zoover zij thans met de Inl. bevolking zijn gelijkgesteld alle de in de nieuwe wetgeving omtrent deze laatste gemaakte verordeningen ook op hen zullen toepasselijk zijn.
„En hoe was de toestand dier Inl. Christenen in de Mol ukken ten aanzien van het aangaan van huwelijken ? Ongetwijfeld verschillend van die der on-Christen Inlanders.
„Bepaaldelijk heeft ten aanzien der huwelijken van Christenen in N. Indië immer gegolden de Europeesche wet; ten aanzien van Java werd dit beginsel uitdrukkelijk gehuldigd in het antwoord op de eerste vraag in het besluit van 23 Sept. 1829 no. 25 (Stbl. no. 93) (1) en ten aanzien der Moluksche Eilan-
(1) Daar velen do offic. editie der oudere staatsbladen niet bezitten en do editie Boudewijnse en v. Soest nummers als het hier bedoelde niet opneemt, zij hier het volgende uit Stbl. 1829 no. 93 overgenomen. Het somt eenige vraagpunten op, die het toenmalig Regl. B. St. deed ontstaan, waarvan de eerste luidt: «Zijn onder de Christenen, van welker geboorte, overlijden en huwelijken, overeenkomstig art. 1 van het besluit, waarbij liet regl. op de registers van den civielen stand is gearresteerd, registers moeten worden gehouden, ook begrepen de Inl. Christenen van Depok en Toegoe, waarbij, als vallende onder dezelide termen, mogen gevoegd worden die van Amboina, Menado, Timor en andore eilanden?quot;
Het officieele antwoord, daarop gegeven, luidt: »Heelt goedgevonden enz.
«ad \'lura. To verklaren, dat er geene voldoende redenen zijn voorgekomen, om de Inl. Christenen op Java te ontheffen van de naarkoming der voorschriften, vervat in het regl. op den burg. st., en mitsdien ter wegneming van allen twijfel omtrent art. 1 van het reglement, te bepalen:
»dat aan de aangiften en inschrijvingen bij voorschreven reglement bevolen, onderworpen zijn alle Christenen, op Java, zijnde Inlanders, of van Inl. afkomst, en dat, ten hunnen aanzien, wat betreft geboorten, huwelijken en sterfgevallen, ook moet gehandeld worden overeenkomstig de voorschriften van dat reglement.quot;
Deze beslissing kon niet uitblijven, waar het gold een «reglement op het houden van registers v. d. burg. stand vuor Christenen cn Jjden in N. Indiëquot;, niet vvoor Europeanen.quot; Dat Inl. Christenen ook Christenen zijn is duidelijk. Uit het antwoord blijkt echter niet, dat zij met Europeanen gelijkstonden. Daarentegen mag men uit den gerezen twijfel opmaken, dat zij overigens niet zoo onvoorwaardelijk m. Eur. gelijkstonden.
den gedoogen het besluit van 23 Sept. 1835 no. 125 (Stbl. 43) en de publicatie van 1 Dee. 1851 (Stbl. no. 70) daaromtrent geen twijfel.
„Op het stuk der huwelijken staan dus de Inl. Christenen te Amboina evenmin als die op Java gelijk met Inlanders en zij moeten te dien opzichte veeleer worden geacht gelijk te ataan met Europeanen.
„Art. 15 der overgangswet dus handelende over eene voorwaarde, welke wordt vereischt ten einde Inlanders door gelijkstelling met Europeanen in staat te stellen een huwelijk aan te gaan met eenen Europeaan kan dus wel nimmer van toepassing zijn op eenen Inl. Christen, die rechtens reeds ten aanzien van het sluiten van huwelijken is onderworpen aan de, hoezeer dan ook door plaatselijke omstandigheden, gelijk in de Molukken, gewijzigde Eur. wet.
„Het Hof vermeent bijgevolg, dat alle beschouwingen, ten aanzien van de voltrekking der huwelijken van Inl. Christenen gebaseerd op art. 15 der Overgangswet onjuist moeten zijn en dat bijgevolg de Gouverneur der Moluksche Eilanden, die in zijne meeningen en redeneeringen van de toepasselijkheid van dat wettelijk voorschrift uitgaat, opnieuw zal kunnen worden ingelicht.
„Niettegenstaande dus het Hof van oordeel is, dat de Inl. Christenen ten aanzien der door hen te voltrekken huwelijken niet zijn gelijkgesteld met de on-Christen Inlanders, blijft evenwel naar s\'Hofs meening eene juiste beslissing der vraag, wat ten aanzien der huwelijken van Europeanen en Inl. Christenen op de Moluksche Eilanden en de daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen als wet is te beschouwen, hoogst moeilijk, en kleeft het Hof steeds het reeds in zijn rapport van 1 Maart 1853 no. 203 uiteengezet gevoelen aan, dat een regeling wen-schelijk is en dat zoodanige, wil zij aan de vereischten voldoen, niet zal kunnen plaats hebben zonder eene volledige bekendheid met de Mol. Eilanden en hunne staatkundige gesteldheid.
„Daarom acht het Hof hoogst wenschelijk dat deze aangelegenheid mede een punt van ernstige overweging uitmake voor den Gouvernements-Komniissaris belast niet het ontwerpen der ver-
eischte bepalingen tot regeling van het rechtswezen in de bezittingen huiten Java en Madura.quot;
Het stelt daarom voor 1° den Gouverneur der Mol. Eil. te doen „inlichtenquot; omtrent het recht verstand van art. 15 Overg. bep. en 2° alle stukken betreffende de ten deze verhandelde aangelegenheid te doen stellen in handen van den Gouverne-ments-Kommissaris evenbedoeld „teneinde dezelve bij den hem opgedragen arbeid tot een punt van ernstige overweging te maken.quot;
Tegen \'s Hofs bovenstaande argumenten had de Gouverneur der Molukken, ware hij nogmaals gehoord, zeker nog vrij wat kunnen in het midden brengen. Dat vóór 1848 de Inl. Christenen in zijn gouvernement niet aan hetzelfde recht onderworpen waren, ten aanzien van het huwelijk, als de niet-Chris-tenen bewees niet, dat zij in dit opzicht niet met Inlanders gelijkstonden, want er bestond toen evenmin als nu een gemeenschappelijk recht voor Inlanders; iedere groep had zijn eigen recht; zoo konden het dus ook de Inl. Christenen hebben.
Wilde men daarentegen aannemen, dat de Inlandsche Christenen ten deze gelijkstonden met Europeanen, dan zou er het onvermijdelijk gevolg van zijn geweest, dat zij aan heteemge
recht, dat de wet voor Europeanen kent en kende, waren onderworpen en dus zelfs onderling niet konden huwen naar de regelen van de vaakgenoemde resolutie en publikatie, maar alleen naar die van ons B.W., en daarmee zou de grond voor alle verdere diskussies zijn opgeheven. Nam men echter aan dat die resolutie en publikatie de huwelijken der Inl. Christenen nog beheerschten, dan volgde ook hieruit dat zij te dien aanzien ingevolge art. 3 Overg. bepp. niet aan de nieuwe wetgeving onderworpen waren, maar met Inlanders gelijkstonden.
Ten onrechte voerde men aan, dat art. 15 Ov. bep. niet sloeg op de huwelijken van Inlandsche Christenen, aangezien die nooit verboden waren. Leest men de toelichting van den Staatsraad quot;Wichers, aan wien de Overgangsbepalingen hun ontstaan te danken hebben (zie het 13° deel van „het Recht in N. Indiëquot;, blz. 336 e. v.) dan zal men zien:
dat aanvankelijk in het ontwerp Indisch Burgerlijk Wetboek
— 17 —
het huwelijk tusschen Europeanen en Inlanders werd verboden, maar dit vóór de definitieve vaststelling daaruit is weggelaten; dat de Minister nog had voorgesteld alleen het huwelijk met Mohammedanen en Heidenen te verbieden ; Mr. Wiohers achtte echter de voorwaarde, dat de Inlander vóór het huwelijk tot het Christendom overga „niet wel overeen te brengen met de verklaring, vervat in art. 26 van het Burgerlijk quot;Wetboek, dat de wet het huwelijk niet uit een godsdienstig oogpunt maar alleen als eene burgerlijke verbindtenis beschouwt,quot; en daarom, zegt hi), „wordt nu eene andere voorwaarde in de plaats daarvan gesteld, die, daar zij alleen op burgerlijke rechten en verplichtingen doelt, met de aangehaalde verklaring (n.1. in art. 26 B. W.) geheel overeenkomtquot; (blz. 339).
Op blz. 338 (bovenaan) kan men verder zien, dat naar de meening van Mr. W. een huwelijk tusschen een Europeaau en een Inlander, ook zonder uitdrukkelijk verbod, onmogelijk was omdat de Inlander, zoolang hij zich niet vrijwillig had onderworpen aan het Europeesche recht, niet volgens de voorschriften van het Burgerlijk Wetboek kon huwen. Wanneer hij met het oog hierop art. 15 Ov. bep. ontwierp, dan is dunkt mij geen twijfel mogelijk of hij bedoelde daarmee allen, die niet aan het Burgerlijk Wetboek onderworpen waren, dus ook de Inl. Christenen, te noodzaken om zich vóór hun huwelijk met een Europeaan aan het Europeesche recht te onderwerpen.
Leest men, blz. 328 van het evenaangehaalde deel, wat Mr. Wichers ter toelichting bij art. 3 Ov, bep. aan teekent, dan kan men ook moeilijk aannemen, dat dit artikel de Inl. Christenen niet in alle opzichten krachtens art. 10 Alg. Bep. v. Wetg. voorloopig met de overige Inlanders wilde gelijkstellen, zoodat ten opzichte van het huwelijk een uitzondering kon zijn blijven bestaan, want hij zegt dat „van de bij art. 10 Alg. Bep. v. Wetg. aan den Gouverneur Generaal gegevene bevoegdheid bij de onderwerpehjke bepaling — d. i. art. 8 Ov. bep. — het uitgebreidst gebruik gemaakt is,quot; en verder:
„Vóór dat de bedoelde Christenen met de Europeanen worden gelijkgesteld, zal het door een grondig en opzettelijk onderzoek w. en a. c. P. 2. 41
— 18 —
moeten gebleken zijn, in hoeverre zulks voor hen zeWe wen-schelijk isquot; enz. Do Inl. Christenen waren dus z. i. niet met Europeanen gelijkgesteld.
„De tegenwoordige voorloopige regeling van deze gewichtige aangelegenheid komt geheel overeenquot; gaat Mr. W. voort, „niet alleen met het gevoelen van de deswege geraadpleegde autoriteiten op Java, maar ook met de daaromtrent door den Gouverneur der Molulcsche Eilanden uit eigen beweging ingediende vertogen.quot;
De Gouverneur der Molukken, zij hot dezelfde wiens adviezen wij boven lazen ofquot; een voorganger, is dus konsekwent van oordeel geweest, dat de Inl. Christenen met Inlanders gelijkstonden en Mr. W. heeft in art. 3 Ov. bep., blijkens bovenstaande aanhalingen, hetzelfde willen zeggen.
Maar in elk geval is het verklaarbaar, dat het Hof, nog niet los van de oude tradities, daar het uit mannen van vóór 1848 bestond, door de minder duidelijke bewoordingen van art. 3 Ov. bep. tot zijn boven weergegeven opvatting kwam, hoewel het de konsekwenties er van zeker zou hebben verworpen (1). Minder verklaarbaar echter is het, dat in de adviezen, die thans volgen en die na het huidig Regeeringsreglement zijn vastgesteld, nog altijd wordt voortgeredeneerd, alsof niet in dit reglement, art. 109, de gelijkstelling der Inlandsche Christenen met de overige Inlanders boven twijfel was verheven. De 4U alinea van dit artikel, hoewel na de drie voorgaanden overbodig, ontnam aan \'s Hofs redeneering haar basis. Toch werd voortgegaan de artikelen der Alg. Bepp. v. Wetg. tot basis te nemen, ook waar deze reeds door de daarmee verband houdende bepalingen van het Regeeringsreglement waren vervangen. Dit is een dwaling (m. i ), die nog lang bleef heer-schen en nog niet algemeen wordt vermeden; weshalve ik er hier de aandacht op heb willen vestigen.
(1) Wanneer men art. 15 Ov. bop. niet toepasselijk achtte op huwelijken van Eur. met Inl. Clir., omdat de laatsten met de eersten waren gelijkgesteld, zou men op denzelfden grond moeten aannemen dat andere Inlanders, met Inl. Christenen huwende, zich vooral aan de Eur. wetgeving hadden moeten onderwerpen, dus o. a. aan liet Burgl. Wetboek, waaraan de Inl. Chr. zeil\' niet onderworpen waren!
— 19 —
De Gouvernements-hommissaris, in wiens handen de stukken waren gesteld overeenkomstig \'s Hofs voorstel, Mr. W. ïï. du Cloijx, vond hierin aanleiding om ter regeling dezer aangelegenheid een voorstel te doen bij missive van 29 Mei 1855 nquot;. 43.
Hij vangt aan met een historische schets, hoe wij in de Molukken het bekeeringswerk der Portugeezen voortzetten en de daardoor ontstane Christenbevolking aan de Europeesche wetten was onderworpen. De Gouverneur ch Vlamingh van Oudshoorn stelde daarop vast een Ordre en Reglement „weegens den doop en voornamentlijk het contracteeren van huwelijken onder de Inlandsche Christenen in deze provintiequot; van 23 Mei 1651. (1) De daar (art. 4) bedoelde „Commissarissenquot; waren leden van den in 1627 opgerichten Raad van kleine zaken, in 1659 door kommissarissen voor huwelijkszaken vervangen. Deze laatsten bestonden tot bij besluit van 17 April 1824 n0. 11 hunne bevoegdheid op den Magistraat overging.
„De formaliteiten, welke door de Chr. Inlanders in de rosidentiën Amboina, Ternate en Banda bij het aangaan van een huwelijk, zoo vroeger als nu nog, worden opgevolgd, zijn de volgende. Partijen begeven zich vergezeld van twee getuigen naar den Magistraat of het Hoofd van Plaatselijk Bestuur en leggen voor dezen ambtenaar de verklaring af, dat zjj het voornemen hebben zich met elkaar door den echt te verbinden.
„De Magistraat of het H.v.Pl.B. vordert hierop de volgende documenten: 1 de akten van geboorte of de doopakten van partijen, 2 de akten van overlijden van hunne ouders, 3 de akte van toestemming van de ouders indien deze niet tegenwoordig zijn, en doet hierop aan de a. s. ecbtgenooten de volgende vragen: a of zij zijn vrjje personen, h of zijlieden met niemand anders trouwbeloften hebben uitstaande, c of zij elkander niet zoodanig in den bloede bestaan, dat daardoor de voltrekking van het huwelijk geweigerd zoude kunnen
(1) Den tekst daarvan vindt men hierachter.
— 20 —
worden, d of het hun eigen vrije en ongedwongen wil is om met elkaar in het huwelijk te treden.
„Wanneer deze vragen na voorafgaand onderzoek voldoende zijn beantwoord, en de a. s. echtgenooten den vollen ouderdom van 18 jaren voor den jongman en 15 jaren voor de jongedochter hebben bereikt, zoomede de ouders, als zij tegenwoordig zijn, bunne toestemming hebben gegeven, wordt de akte van aangifte door den Magistraat of het H. v. PI. B. opgemaakt en na voorlezing en goedkeuring door partijen, hunne ouders, de getuigen en den Magistraat of het H. v . PI. B. onderteekend en aan den dienstdoenden predikant, zendeling of schoolmeester, daartoe bevoegd, een afschrift van dezelve ter hand gesteld, welke op twee eerstkomende Zondagen van den kansel wordt afgelezen, waarna, geen verzet daartegen zijnde ingekomen, op den daaraan volgenden Zondag of later7 naar omstandigheden, de voltrekking kerkelijk plaats heeft. Van deze voltrekking geeft de leeraar of schoolmeester (deze laatsten, aan wien bij art. 46 v. h. Regl. v. h. Binnl. Best. te Amboina, Sbl. 1824 nu 19, het houden der lijsten van voltrokken huwelijken is opgedragen, hebben van den kerkeraad bij ontstentenis van eenen leeraar de bevoegdheid hiertoe verkregen), die het huwelijk heeft ingezegend, aan den Magistraat of het H. v. PI. B. mededeeling onder afgifte van een bewijs dier voltrekking, en wordt door genoemden ambtenaar van die voltrekking aanteekening gehouden aan den kant der akte van huwelijksaangifte.
„In de Besidentie Menado volgt men echter andere voorschriftenquot; enz (hier volgt een uiteenzetting van het Kesidents-besluit van 9 JSov. 1849 n0 613; zie hiervoren blz. 3).
„Na de invoering van het Regl. Reg. v.d. Bgl. Stand en der nieuwe wetgeving zijn te Amboina de huwelijken tusschen Inl. Christenen en Europeanen of derzelver afstammelingen, van de vroegste tijden in deze streken gebruikelijk, nu eens voor den ambtenaar van den Bgl. stand, dan weer op de wijze vóór die invoering gewoon, voltrokken; wordende in het eerste geval op de eene plaats meer, op de andere plaats minder de hand gehouden aan de voorschriften vervat in het reglement op de
— 21 —
nieuwe wetgeving in verband met de op deze gevallen bestaande bepalingen.
„Te Menado zijn dusdanige huwelijken steeds voor den Ambt. v. d. B. St. voltrokken en wordt, na de invoering der nieuwe wetgeving, door de tot de Inl. bevolking behoorende partij steeds opgevolgd het bepaalde bij art. 15 der overgangswet. Als voorbeeld Iri ervoor strekke het huwelijk van J. Oudfoort Pelenkahu, majoor of distriktshoofd van Tonsea, met de dochter van den zendelingleeraar Riedel, de kinderen uit welk huwelijk gesproten, bij de registers v. d. B. St. zijn ingeschreven.
„Te Ternate en te Banda worden dusdanige huwelijken voor den Ambt. v. d. B. St. op de gewone wijze voltrokken.
„Daar bij de invoering van het Regl. Reg. Burgl. Stand in den jare 1828 men er niet op bedacht geweest was, om eenige bizondere bepalingen omtrent het al of niet verbindende van gezegd reglement voor de Inl. Christenen bij hetzelve op te nemen, was men, op grond van den titel, zijnde: „Reglement op het houden der registers van den Burgerlijken Stand voor Christenen en Jodenquot;, te recht van oordeel, dat onder die algemcene benaming van Christenen de Inl. Christenen mede moesten begrepen zijn, zooals dan ook ten overvloede met betrekking tot de Inl. Chr. op Java (besluit v. 23 Sept. 1829 n0. 35 Stbl. n0. 93) bij de beantwoording van de eerste der bij dat besluit gestelde vragen verklaard is deszelfs bedoeling te zijn geweest. Op voordracht van den Gouverneur der Mol. Eil. werd echter reeds bij besluit van 19 Dec. 1828 n0. 30 (gegeven onder dagteekening 6 Januari 1829 n0. 20) bepaald, dat, uit aanmerking dor plaatselijke omstandigheden aan dezulken, welke geen deel der .Nederl. kerk uitmaken bij wijze van provisioneele vergunning wordt toegestaan de akten v. d. B. St. te blijven behouden overeenkomstig art. 46 Regl. Binnl. Bestuur Amboina (Stbl. 1824 n0 19a) met vrijlating echter aan dezelven om zich, desverkiezende, aan de nieuwe bepalingen te onderwerpen en zich daarnaar te regelen, terwijl in den jare 1835 en wel bij besluit van 23 Sept. n0. 25 (Stbl. n0. 43) dienaangaande nader is vastgesteld, dat niet alleen in de Mo-luksche; maar ook op alle eilanden buiten Java met betrek-
22
king tot geboorten, huwelijken en sterfgevallen zal kunnen gehandeld worden, zooals vóór de invoering van het Regl. B. Stand heeft plaats gehad, waarmede men voor de Molukkos natuurlijk aangehaald art. 46 Regl. Binnenl. Best. beoogde, in welken geest dan ook, na de invoering van het thans nog van kracht zijnde Regl. B. Stand, bij hetwelk mede geene bijzondere bepaling omtrent de Inl. Chr. was opgenomen, de voorzieningen gemaakt zijn, vervat in de resol. van 1 Deo. 1851 Stbl no. 70. „Uit het hiervoren bekend gestelde blijkt, dat de Inl. Chr. sedert de invoering van het meergenoemd Regl. B. St. hoewel dan ook maar voor een korten tijd aan de bij hetzelve voorkomende bepalingen zjju onderworpen geweest en men telkens bijzondere bepalingen ten aanzien dier Inl. Chr. heeft moeten daarstellen uit hoofde van de onoverkomelijke bezwaren, welke derzei ver toepassing in den weg stonden.
„Ik meen hiermede voldingend te hebben\'aangetoond : 1° dat de Inl. Christenbevolking in de eerste tijden onzer vestiging op de Mol. Eilanden bij het aangaan van een huwelijk aan de voor de Europeanen op dit stuk bestaande wettelijke bepalingen is onderworpen geweest en de zoo vroeger als na de invoering van het Regl. B. Sc. ten hunnen opzichte genomene bepalingen in geenen deele daaraan hebben gederogeerd; 2° dat ten alle tijden tusschen de Inl. Chr., zoo Burgers als Segonjvolk, onderling, als ook tusschen deze en Europeanen ot derzelver afstammelingen, op de van ouds gebruikelijke wijze, behoudens de later voorgeschrevene wijzigingen, huwelijken zijn aangegaan, 3° dat na de invoering van het Regl. B. St. de voltrekking van laatstgenoemde huwelijken dan eens volgens de voorschriften van dat reglement met of zonder inachtneming van het bepaalde bij art. 15 Overgangswet, dan weder overeenkomstig de voor het aangaan van huwelijk voor de Inl. Chr. bestaande bepalingen heeft plaats gevonden, en 4° dat eerst sedert de invoering van de nieuwe wetgeving en wel door het voorkomende bij artt. I en 3 der Overgangswet, in verband met artt. 7 en 10 der Alg. Bepp. v. Wetg eenige onzekerheid omtrent den rechtstoestand der Inl. Christenen is ontstaan, daar tot dat tijdstip op deze de Eur. wetgeving werd toegepast.
— 23 —
„De vragen die zich thans ter beantwoording opdoen zijn de volgende (1):
1° „Welke is na de invoering der nieuwe ivetyeviny de rechtstoestand der Jnl. Christenen?
„Door het voorkomende bij art. 1 van de overgangswet is de rechtstoestand van de Inl. Chr. onzeker geworden, daar met betrekking tot het burgerlijk en handelsrecht zonder eenig voorbehoud, zooals ten aanzien van de bestaande strafwetgeving bij het daarop volgende art. 2 door den wetgever is gedaan, het wettelijk gezag van het Oud-Hollansche en Romeiu-sche recht is afgeschaft.
„Art. 3 der Overgangswet houdt nu wel is waar in, dat de tot de Inl. bevolking behoorende Christenen voorloopig, totdat dienaangaande nader zal zijn voorzien, met opzicht tot het burgerlijk en handelsrecht, alsmede tot de strafwetgeving en de rechtsbedeeling in het algemeen, geheel en al in hunnen tegenwoordigen rechtstoestand zullen bljjven, edoch uit de bewoordingen van dat artikel, zonder eene uitdrukkelijke verklaring van den wetgever dienaangaande, kan moeilijk worden aangenomen, dat met betrekking tot de Inl. Chr. het Oud-Holl. en Rom. recht, hetwelk vroeger op hen werd toegepast, hun wettelijk gezag zouden hebben behouden.
2° „Is na die invoering een huwelijk tusschen een Euro-■jpeaan of desselfs afstammeling en een Inl. Chr. overeenkomstig de voor het aangaan van hetzelve voor de Inl. Chr. instandgehouden bepalingen voltrokken, hestaanbanr?
„Dusdanig huwelijk kan met betrekking tot den Europeaan of deszelfs afstammeling nimmer wettig zijn.
„De wet wel is waar regelt het huwelijk alleen in deszelfs burgerlijke betrekking en dit beginsel is dan ook bij het Burgl. quot;Wetboek aangenomen als een voormuur tegen aanmatigingen van allerlei aard en wordt er daarom bij de vereischten om een huwelijk te kunnen aangaan geen acht geslagen op de godsdienstige begrippen van de contracteerende partijen, maar
(1) Ik veroorloof mij hier de volgorde der missive een weinig te veranderen door bij elke vraag dadelijk het antwoord te vermelden, dat de schrijver er op geeft na alle vragen eerst te hebben opgesomd.
— 24 —
dit beginsel geeft daarom aan niemand het recht om zich willekeurig aan zijne wetgeving te onttrekken.
„At. 9 der Alg. Bep. v. Wetg. verklaart het burgerlijk en handelsrecht in N. I. ingevoerd of in te voeren op alle Eur. ingezetenen van N. L, zonder eenig voorbehoud, toepasselijk. Het huwelijk is bij het Burl. Wetboek geregeld en dien tengevolge heeft geen Eur. ingezetene het recht om willekeurig zich daaraan te onttrekken; doet hij dit, dan is dusdanige handeling in strijd met de wet.
„De Europeaan of deszelfs afstammeling in deze gewesten die een huwelijk aangaat op eene andere wijze als bij de burgerlijke wet is voorgeschreven, handelt dus tegen de wet en is dusdanige handeling, wat hem betreft, onbestaanbaar.
„Men zegge niet, dat, uithoofde de Inl. Chr. vóór de invoering der nieuwe wetgeving en zelfs na dat tijdstip gewoon waren hunne huwelijken met Europeanen of derzelver afstammelingen niettegenstaande de bepalingen vervat bij het ïlegl. B. Stand op de voor hen gebruikelijke wijze te voltrekken, de wetgever, door het bepaalde bij art. 3 der overgangswet dusdanige handeling zoude hebben gewettigd. Het tegendeel daarvan springt van zelve in het oog, wanneer men den geest van art. 3 rechtskundig onderzoekt, want dan zal men moeten erkennen, dat de wetgever met de uitdrukking dat de Inl. Chr. geheel en al in hunnen tegenwoordigen rechtstoestand zullen blijven, niets anders heeft bedoeld dan eenen wettigen rechtstoestand en dat daarvoor eene willekeurige handeling van zijde der contracteerende partijen, door onnadenkendheid van de Magistraten of Hoofden v. PI. B. begunstigd, niet zal kunnen optreden. Van het oogenblik dat het Regl. B. St. van 1828, Stbl. N0. 50 voor de Buitenbezittingen van kracht was geworden (1 Jan. 1829), van dat tijdstip waren de Eur. ingezetenen en derzelver afstammelingen niet meer bevoegd om een huwelijk op eene andere wijze als de bij aangehaald reglement voorgeschrevene, aan te gaan, evenzeer als de Magistraat en de Leeraar zich onbevoegd hadden moeten achten tot de aangifte en de voltrekking daarvan hun ministerie te verleenen.
— 25 —
„En is dan ook het voorkomende in de resol. van 23 Sept. 1835 N0. 25 (Stbl. N0. 43) en in de public, van I Dec. 1851 (Stbl. N0. 70), n. 1. dat \'t den Inl. Chr. zal vrijstaan om zich aan de bepalingen van het Eegl. B. Stand te onderwerpen met geene andere bedoeling daarin opgenomen.
3°. „Kunnen de Inl. Christenen, die zich onderwerpen willen aan de bepaling en van het Rerjl. B. St., verplicht worden om te voldoen aan hd bepaalde hij art. 15 der over gang sic et of, on. a. w., is dit art. 15 op Inl. Chr. hij het aangaan vaneen huwelijk hetzij onderling, hetzij met Europeanen of derzelver afstammelingen voor den Aniht. v. lt;!. B. St. toepasselijk?
„Deze vraag moet ontkennend beantwoord worden. Zooals ik hiervoren heb gezegd, was uit kracht van het bepaalde in de resol. van 23 Sept. 1835 N0.25 (Stbl. Iv0. 43) het aan de Inl. Christenen vrijgelaten om zich aan de nieuwe bepalingen omtrent den B. Stand te onderwerpen en zich daarnaar te regelen en is diezelfde bepaling, welke in meer geciteerde publicatie van 1 Dec. 1851 Stbl. N0. 70 voorkomt, geenszins als een uitvloeisel der nieuwe wetgeving, integendeel slechts als eene herhaling van het in eerstgenoemde resolutie voorkomende te beschouwen. Het is den Inl.^Christen toegestaan zijn huwelijk te voltrekken overeenkomstig de bepalingen voorkomende bij het Regl. B. St.; onderwerpt hij zich daaraan alsdan heeft hij niet noodig eenige andere formaliteiten in acht te nemen dan die, welke bij dat reglement zijn voorgeschreven. Art. 15 der Overgansgswet is op hem niet toepasselijk; want hij was vroeger op dit punt nimmer met don Inlander gelijkgesteld en dientengevolge kan op grond van het slot van meeraangehaald art. 3 Overg. wet deze bij art. 15 omtrent den Inl. gemaakte bepaling van de nieuwe wetgeving op hem niet van toepassing zijn. (1)
4° „Zijn er vooreieningen ten deze noodzakelijk?
(1) Men ziet het: Daargelaten inlioever overigens deze redeneering juist zou zijn. werd het toen reeds geld3nde Regeeringsreglement over \'t hoofd gezien en geredeneerd alsoi dit de hierbesproken artikelen der Alg. Bepp. v. Wetg. en der Overgangsbepp nog niet door gewijzigde bad vervangen. Trouwens uit de bovenbedoelde toelichting van Mf. Wiciiers kan men zien, dat het de nadrukkelijke bedoeling bij do vaststelling van
— 26 —
„Wanneer men ziet, dat door een verkeerd begrip van de wet, van zijde van den Ass. Ees. van Saparoewa als Ambt. v. d. B. St., de regent van Nolloth eene handeling heeft verricht, strijdig met zijne bedoeling, welke zelfs bezwaren van politieken aard had kunnen opleveren, dan geloof ik, dat men reeds zonder verder onderzoek eene voorziening ten deze noodig zal achten. Dan hierom niet alleen, maar ook om do gevolgen welke eene zoodanige verbintenis na zich sleept, moet men daartoe overgaan.
„Eenmaal in de registers van den B. St. met inachtneming van art. 15 van de Overgangswet het huwelijk zijnde opgenomen, moeten de gevolgen van hetzelve zich geheel regelen naar het burgerlijk recht voor de Eur. ingezetenen van kracht x en, als een gevolg daarvan, van de geboorte der kinderen, uit zoodanig huwelijk gesproten, daargelaten de staatkundige betrekkingen van den tot de Inl. Christenbevolking behoorenden vader, aangifte bij den Ambt. v. d. B. St. plaats vinden. Zoodanige aangifte zoude echter niet behoeven ingeval de tot de Inl. Chr. bevolking behoorende vader zich niet aan het burgerlijk en handelsrecht had onderworpen, daar in dat geval de vrouw en de kinderen den staat van den man en vader moetende volgen, hij bevoegd is die aangifte bij den schoolmeester te bewerkstelligen.
„De door mij bedoelde voorzieningen gronden zich voornamelijk op de onzekerheid van den tegenwoordigen rechtstoestand der Inl, Christenen in den geheelen Molukschen Archipel.
„In de Residentie Amboina bestaan bij het aangaan van huwelijken nog slechts enkele volksgebruiken, zooals het geven van geschenken aan de ouders der a. s. echtgenoot en van een huwelijksgoed, na de voltrekking van het huwelijk aan de vrouw door haren vader, hetwelk ook na de ontbinding van het huwelijk haar eigendom blijft.
„In de Residentien Ternate en Banda zijn dusdanige gebruiken niet in zwang, terwijl in de Res. Menado mede slechts
art. 15 Ov. bep. was te zorgen, dat beido echtgenooten aan het zelfde privaatrecht werden onderworpen, niet alleen wat betreft de formaliteiten bij de huwelijksvoltrekking, maar ook in alle andere opzichten.
— 27 —
eenige weinige, Tan de Alfoeren overgenomen, bij het sluiten van het huwelijk worden in acht genomen.
„Noch aangaande deze materie, noch aangaande de erfopvolging en de voogdij bestaan er eenige vaste bepalingen. Alles is op overleveringen, welke aan zeer weinigen bekend zijn, gegrond en zelfs in de aan elkander grenzende afdeelingen bestaat er in de toepassing aanmerkelijk verschil.quot;
Mr. du Cloux acht daarom voorziening wenschelijk en wel in de eerste plaats ten opzichte van hot huwelijk, om eenheid te verkrijgen in de wijze, waarop dit wordt aangegaan.
„Deze eenheid kan verkregen worden door de volgende bepalingenquot;, zegt hij en geeft daarop een reeks van bepalingen aan, die reeds in hoofdzaak overeenkomen met de artikelen van Stbl. 1861 N0. 38 en die ik zal aanduiden als o»lt;lt;ce/-joquot;, waar ik ze bij de afzonderlijke artikelen van dat staatsblad zal vermelden. Laat ons echter eerst in het algemeen de lotgevallen van dit ontwerp nagaan.
De Pkocüreue-Generaal (consid. en advies van 7 Aug. 1S55 Nquot;. 12741190) zegt naar aanleiding van dit 1L\' ontwerp:
„Alvorens over te gaan tot de behandeling van deze op zich zelve hoogst eenvoudige zaak en welke eenvoudig had kunnen en behooren te blijven, zal ik dezelve terugbrengen tot de noodzakelijke punten van beschouwing in deze.
„In de Mol. Eilanden bestaat niet die scherpe afscheiding tusschen den Eur. en den Inl. landaard, die men op Java opmerkt. Hierdoor ontstaat veelvuldige toenadering, welke vaak door huwelijken onderling wordt opgevolgd.
„Hierdoor is de vraag ontstaan of de nakoming der Eur. vormen en de onderwerping aan de Eur. wetgeving verplichtend zijn, zoodra eene der partijen welke een wettig huwelijk verlangt aan te gaan door hare afkomst tot de Eur. bevolking behoort. De gelegenheid tot deze vraag is meer bijzonder daargesteld door de zienswijze van den Ambt. v. d. B. St. te Saparoewa, welke vermeende partijen te kunnen dwingen zich in alles aan de Eur. wetgeving te regelen, zoodra eene derzelve tot de Eur. bevolking behoort.
„Voorzeker is een ieder die zich als Europeesch bij den
— 28 —
Ambt. v. d. B. St. aanmeldt, verplicht zich naar de Eur. wetten te regelen. Hieruit volgt echter niet dat deze ambtenaar verplicht of zelfs bevoegd is, onderzoek te doen naar de afkomst van partijen, en als Europeaan aan te merken (hen), die zich naar Inlandsch gebruik willen schikken.
„Het vermoeden is zeker, dat een ieder blijft behooren tot den landaard waarvan hij afstamt, maar kunnen hierop uitzonderingen bestaan, en zijn er vooral geene redenen om burgerlijke relation van dien aard dwang aan te doen. Nog onlangs heeft zich voor Uwen Hove eene gelijke zaak voorgedaan. Zekere Javaan, als dienstbode naar Europa vertrokken, en waarschijnlijk (!) aldaar gedoopt, kwam vandaar terug met Europeesche namen en voornamen en opvoeding, die hem eene Gouvernementsbetrekking met successieve bevorderingen deden erlangen. Ook was hij getrouwd met eene Eur. vrouw. Bij gelegenheid dat hij onlangs werd beschuldigd van ontrouw, was de Raad van Justitie te Semarang van gevoelen dat hij wegens zijne Inlandsche afkomst voor den Landraad moest terechtstaan. Het behaagde Uwen Hove deze beslissing te corrigeeren op grond deze persoon daadwerkelijk sedert vele jaren onder de Eur. bevolking plaats had genomen en in het bezit van dien staat was (\').
„Gelijke voorbeelden zouden meer kunnen aangehaald worden; vooral in zaken van burgerlijken stand moet aan een ieder de meeste vrijheid gelaten worden. Wanneer dus eene Eur. jonge dochter plaats onder de Inl. bevolking neemt, behoort zij niet zonder gewichtige gronden daarin te worden verhinderd en behoort zij erkend te worden in den stand waarin zij zich heeft geplaatst.
„De Gouv. kommissaris voor de Buitenbezittingen aeeft op dit punt een geheel ander gevoelen aangekleefd en kan ik mij weinig met zijne beschouwingen, vereenigen. Hij beeft uit-
(!) De hier verkondigde zienswijze zou wel praktisch zijn. wanneer de menschen dan maar niet nu eens hier, dan weer daar konden «plaats nemenquot;, naargelang hun het best uitkomt. De opvatting van den P. G. was echter volkomen in strijd met de wet, die den ingezetenen hun plaats aanwijst en niet toelaat plaats te nemen, waar men wil.
— 29 —
gebreide bepalingen geconcipieerd voor huwelijken van Inl. Christenen onderling en is zelfs zóóver gegaan dat hij dispen-satiën van den Gouv. Gen. in enkele gevallen heeft noodig geoordeeld. Zijn geheele stelsel is het tegendeel van die eenvoudigheid, waarmede Inl. zaken moeten worden geregeld. Hij is zelfs in rechtskundige beschouwingen vervallen van zeer betwistbare juisthoid, zooals, dat door art. 1 der wet van overgang het doo.quot; de Inl. Christenen opgevolgd Oud-Holl. recht zonder voorbehoud is opgeheven, zoodat zij nu noch aan de oude, noch aan de nieuwe wet zijn onderworpen. \')
„Naar mijn inzien komt de geheele zaak hierop neder:
1. Dat er geene voorziening noodig is, waar partijen of eene derzelve tot de Eur. bevolking behooren en zich voor den gewonen Ambt. v. d. B. St. aanmelden;
2. Dat bij het opmaken van een reglement voor de Inl. bevolking in de Mol. Eilanden eenige korte en eenvoudige bepalingen omtrent den burgerlijken stand zullen dienen voor te komen. De artt. 27 en volgenden van liet Reglement voor den Inlander op Java 1) kunnen hierbij als leiddraad aanbevolen worden;
3. Dat hetzij door eene aanschrijving of desnoods door eene uitdrukkelijke bepaling worde vastgesteld, dat Eur. jonge-dochters met Inlanders een huwelijk aangaande volgens Inl. instellingen, hierdoor geacht zullen worden te zijn overgegaan tot de Inl. bevolking.quot;
1
De P. G. bedoelt blijkbaar artt. 27 en 28 van het «Reglement op de «itoefening der politie, de burgerlijke rechtspleging en de strafvordering-onder de Inlanders enz. (zgn. Inlandsch Reglement), waarin echter wel het aanhouden van bevolkingsregisters wordt voorgeschreven, maar omtrent de wijze van huwelijksvoltrekking, de verplichting tot aangifte enz. niets voorkomt.
— 30 —
Ket Hoog Gerechtshof (missive van 2 O kt. 1855 -A n. 507) was van gevoelen „dat het door den G. Commissaris ontwor-pcne, zooals liet daar is liggende, niet voor eene juiste beoordeeling vatbaar isquot; en een onderdeel behoort te worden van /jjn „te verwachten volledige voorstellen omtrent de wetgeving in de Molukkenquot;, weshalve het voorstelde hem de stukken met die opmerking terug te zenden en hem er tevens op te wijzen, dat hij volgens art. 5 zijner instruktie voor de toezending de tusschenkomst van het gewestelijk bestuur had moeten imoepen.
Aldus geschiedde bij missive van den Adj. Sekretaris van het Gouvernement d.d. 25 Okt, 1855 n0. 1726.
Van de bedoelde volledige wetgeving voor de Molukken is intusschen nooit iets gekomen, als te voorzien was, en de Gouv.-komtnissaris du Cloux zond bij missive van Batavia 1 Juni 1857 nquot;. 97 zijn voorstellen nogmaals aan het Hof onder opmerking, dat hij de meening van den P. G. omtrent het hoogst eenvoudige der zaak niet deelde en meende, na ernstig onderzoek en overleg met den Gouverneur der Molukken zijn voorstellen ten spoedigste te moeten indienen, terwijl de tusschenkomst van dien Gouverneur niet voor de toezending was ingeroepen, omdat deze over dit onderwerp reeds herhaaldelijk had gediend van consideration en advies.
Evenwel bleef de Procureur Generaal (consid. en advies van 8 Juni 1857 nquot;. 736/118) er bij, dat deze voorstellen niet afzonderlijk moesten worden behandeld.
De daarop gevolgde missive d.d. 27 Maart 18oS nquot;. 164 van het Hoog Gerechtshof trof ik niet bij de stukken aan, maar wel een „uittrekselquot; daarvan, inhoudende de door het Kollege op dit en op nog een ander ontwerp (deze aangelegenheid niet rakende) gemaakte opmerkingen.
Wat deze zaak betrett, vinden wij daarin het volgende.
„Alvorens de daaromtrent door U.W.E.G.quot; n.1. den G.
Komm. du Cloux—„ontworpen bepalingen zelve in overweging
te nemen, heeft het Hof zich omtrent den tegenwoordigen rechtstoestand dier Christenen wenschen te vergewissen. Omtrent dit punt heerscht echter in het rapport van U.W.E.G. geene zekerheid.
— 31 —
„Daarin wordt lioor U.W.E.G. beweerd, dat yóór de invoering der nieuwe wetgeving het Oud-Holl. en Rom. recht op de Inl. Chr. werd toegepast en later, dat omtrent hunnen tegen-woordigen rechtstoestand in den geheelen Molukschen Archipel onzekerheid bestaat. Dexe beweringen laten zich moeilijk overeenbrengen. Immers ofschoon bij art. 1 van de Overgangswet het wettelijk gezag van het Oud-IIoIlandsch en van het Rom. recht op het tijdstip der invoering van de nieuwe wetgeving is afgeschaft, zoo zijn bij art. 8 dierzelfde wet (1) de Inl. Chr. met opzicht tot het burgerlijk en handelsrecht geheel en al in hun toenmaligen toestand gelaten, waaruit volgt, dat wanneer vóór de invoering der nieuwe wetgeving het Oud-Holl. en Rom. recht op hen toepasselijk was, zulks ook nu nog het geval moet wezen. — Later leest men in Uw rapport, dat alleen op het stuk der huwelijken in de residenties Amboina en Menado enkele volksgebruiken bestaan, welke in de residenties Banda en Ternate ontbreken, terwijl er noch aangaande deze materie noch aangaa nde de erfopvolging en de voogdij eenige vaste bepalingen bestaan, maar alles op overleveringen, die aan weinigen bekend zijn, gegrond is, en er zelfs in de aan elkander grenzende afdeelingen aanmerkelijk verschil bestaat in do toepassing.
„Daar dus de vraag, welke de wettelijke rechtstoestand der Inl. Chr. in het (louv. der Mol. Eil. is, niet met zekerheid uit Uw rapport, ofschoon na gehouden plaatselijk onderzoek opgemaakt, kan worden beantwoord en de gevoelens van deskundigen in dat Gouvernement dienaangaande niet zijn ingenomen, zoo valt het moeilijk daaromtrent een stellig oordeel uit te «preken en heeft het Hof zich moeten vergenoegen om als liet meest aannemelijke gevoelen te stellen, dat de Inl. Chr. in het Gouv. der Moluksche Eil. rechtens nimmer onderworpen geweest zijn aan het gezag van het Oud-Holl. en het Rom. recht en het derhalve ook nu niet zijn kunnen. Het Hof grondt dit gevoelen voornamelijk hierop, dat U.W.E.G. geene oorkonde van de toenmalige Regeering dezer gewesten weet aan te halen,
1
Alweer wordt geheel uit liet oog verloren, dat art. 3 Ov. bep. reeds drie jaren te voren was vervangen door art. 109 en 75 R. It.
— 32 —
waarbij dit alzoo is verstaan en uitgemaakt en ten anderen op een reglement, door U.W.E.G. in afschrift overgelegd, wegens den doop en voornamelijk het contracteeren van huwelijken onder Inl. Chr. in de provincie Amboina op den 23cn Mei 1651 uitgevaardigd door den toenmaligen Gouverneur van Amboina de Vlamingh van Oudshoorn. Juist het uitvaardigen dier bepalingen omtrent een paar onderwerpen van burgerlijk recht toont, naar \'s Hofs inzien, genoegzaam aan, dat de Inl. Chr. ten aanzien van het burgerlijk en handelsrecht in het algemeen niet met de Europeanen waren gelijkgesteld en dat hun rechtstoestand in het algemeen niet van die der overige Inl. bevolking was onderscheiden. Volgens den Gouverneur der Molukken eindelijk zijn de Inl. Chr. onder het Engelsch tusschenbestuur tot en met het jaar 1824 steeds onderworpen geweest aan de judicature van den Raad van Justitie en grondde dit college zijne uitspraken steeds op het Oud-Holl. recht, wanneer, hetgeen zelden het geval was, hunne zeden en gewoonten daarmede niet in bepaalden striji waren. (1) Ook hierin ligt een grond voor \'sHofs gevoelen; daaruit toch blijkt, dat de Inl. Chr. eerst door een vreemd bestuur aan de judicature van den Eur. rechter onderworpen zijn geweest, dat dit slechts kort geduurd heeft en dat zelfs gedurende dat tijdperk de rechter het Oud-Holl. recht alleen als aanvullingsrecht toepaste en in de eerste plaats acht sloeg op de gebruiken en instellingen der Inlanders. Op grond van het bovenstaande meent het Hof als zeker te mogen stellen, dat de Inl. Chr. alleen op het stuk des huwelijks aan voor hen uitgevaardigde, doch aan het Oud-Holl. recht ontleende bepalingen zijn gebonden geworden; overigens rechtens nimmer aan dat recht zijn onderworpen geweest.
„Van deze stelling uitgaande zal het Hof er thans toe overgaan om U.W.E.G. zijn bedenkingen op de voorgestelde bepalingen zelve mede te deelen.quot; (Deze bedenkingen worden hierachter bij de behandeling der artiken vermeld).
Het nieuwe ontwerp, door Mr. du Cloux hierop ingediend, hield rekening met \'s Hofs aanmerkingen, terwijl de Memorie van Toelichting, sprekende van \'s Hofs „aannemelijk gevoelen,quot; (1) Dit had de Gouverneur in een vroegeren brief meegedeeld.
— 3.3 —
meent alle wederlegging van \'s ïïofs algemeeno beschouwingen omtrent den rechtstoestand der Inl. Chr. te kunnen achterwege laten, en veroorlooft zich overigens tegenover \'s Hofs, door hem gevolgde, zienswijze „alleen een paar opmerkingenquot; (die bij de afzonderlijke behandeling der artikelen zullen worden vermeld), „de beslissing aan het Gouvernement overlatende.quot;
De Procl-reur-Gexeraal in zijn consid. en advies van 2i Juli 1800 no. 820/20i had geen algemeene opmerkingen meer. Wij kunnen dus thans overgaan tot een toelichting, uit de stukken, der verschillende artikelen van het
Reglement voor de Inlandsche Christenen in het GtOuvernement der Moluksche Eilanden op het aangaan van huwelijken zoo onderling als met Europeanen of derzelver afstammelingen {Staatsblad 1861 no 38).
De titel van het reglement is zooals Mr. du Cloux dien in aiju. le mem. v. toel. voorstelde.
Het reglement is toepasselijk op:
de Residentie Menado, die eerst bij Stbl. 1864 n0. 128, en de Residentie Ternate, die eerst bij Stbl. 1866 no. 139, werden afgescheiden van het Grouvernement Amboina,
de Residentie Amboina, die daarna van het voormalig Gouvernement overbleef, en op
de Residentie Timor en Oh., daar Stbl. 1874 no. 63 het van toepassing verklaarde op de Inl. Christenen van dat gewest.
„Ik hebquot;, zegt Mr. du Cloux in zijn le mem. v. toel. „bij mijnen arbeid niet bedoeld de naleving van meerdere formaliteiten dan de thans bestaande te vorderen, maar integendeel dezelve meer te verduidelijken en voor allen gelijkmatig te doen werken, in verband met de voorschriften van de nieuwe wetgeving.quot;
Art. 1. Alle personen, tot de Inlandsche Christenbevolking behoorende, die onderling een wettig huwelijk willen aangaan, zullen in persoon daarvan aangifte moeten doen aan den ambtenaar, belast met het civiel bestuur der woonplaats van eene der partijen, en aan dezen ambtenaar W. en A. C. P. 3. 42
opgave doen van hunne namen, voornamen, ouderdom, beroep en woonplaats, zoomede van de namen en voornamen hunner ouders, onder bekendstelling of deze al dan niet overleden zijn, alsook van de namen en den ouderdom der kinderen, buiten echt door hen verwekt, met uitzondering van degenen, welke in overspel of bloedschande zijn geteeld, en, bijaldien eene of beide partijen reeds zijn gehuwd geweest, almede de namen en voornamen van hare vorige echtgenoot.
le Mem. v. tod. rVan de eerste tijden onzer vestiging heeft de formaliteit om aangifte van een voorgenomen huwelijk bij Eur. ambtenaren te doen onder de Inl. Christenen plaats gehad. Mets is natuurlijker dan dat de a. s. echtgenooten bij de gewone opgave van naam, voornaam enz. nog voegen die hunner ouders en opgeven of deze, al dan niet zijn overleden.
„De opgave der namen en van den ouderdom van de reeds door hen verwekte kinderen is noodzakelijk, ten einde dezelve door het voltrekken van het huwelijk kunnen gewettigd worden.
„Overigens behoeft dit artikel geene toelichting.quot;
Uit de redaktie zou men opmaken, dat dit artikel voorschrijft opgaaf van de voorkinderen, ook die niet „onderlingquot; zijn verwekt door de a. s. echtgenooten. Te meer bestaat hier reden toe om de uitzondering, voor de in overspel of bloedschande geteelden gemaakt. Die uitzondering, immers, ware overbodig als de gemeènschappelijke vóórkinderen bedoeld waren, die — tenzij het voorgenomen huwelijk niet kon plaats vinden —niet overspelig of althans niet bloedschennig kunnen zijn. Deze van de bepaling verkregen indruk is echter onjuist: de opgaaf der vóórkinderen strekt blijkens\'t bovenstaande om ze door het opvolgend huwelijk der ouders te wettigen, en dit is alleen denkbaar bij kinderen van beiden.
In art. 10 is dit thans duidelijker uitgedrukt, maar men verzuimde art. 1 daarmee in overeenstemming te brengen.
Art 2. De ambtenaar belast met het civiel bestuur, bij wien deze aangifte geschiedt, zal zich hierop doen overleggen de navolgende stukken:
— 35 —
a. de acte van geboorte of de doopacte van ieder der aanstaande echtgenooten;
h. eene onderhandsche acte, houdende toestemming van den vader of, bij onstentenis van dezen, van de moeder of van den persoon, die na het overlijden der ouders op dat oogenblik de aanstaande echtgenooten verzorgt en opvoedt.
Deze toestemming kan ook bij de acte van aangifte zelve -worden gegeven;
c. ingeval de vader, de moeder of de beide ouders van eene der partijen zijn overleden, de acte van overlijden van deze;
d. de acte van overlijden van den vorigen echtgenoot of die van echtscheiding, \'ingeval van tweede of volgend huwelijk, of de op daartoe strekkend verzoek van den rechter bekomene vergunning om een tweede of volgend huwelijk aan te gaan, ingeval er gewichtige vermoedens van overlijden van den vorigen echtgenoot bestaan.
Indien, na de verleende vergunning, doch vóór het aangaan van een ander huwelijk, de afwezige mocht opkomen, of iemand het behoorlijk bewijs van deszelfs leven inbracht, vervalt de verleende vergunning van regtswege.
Na het aangaan van een ander huwelijk, heeft de afwezige regt, om ook van zijne zijde een ander huwelijk aan te gaan.
e. de acten van geboorte of de doopacten der door de aanstaande echtgenooten reeds verwekte kinderen;
f. de toestemming, voor militairen tot het aangaan van een huwelijk vereischt.
ad. a.
le Mem. v. tod. „De overlegging der bij § a van dit artikel vereischte stukken kan gemakkelijk geschieden. — Ik beschouw deze overlegging als een hoofdvereischte, daar zulks alle verkeerde opgave vau namen of voornamen voorkomt en, bij twijfel, het onderzoek naar de waarheid vergemakkelijkt.quot;
Wanneer er geen geboorte- of doopakte is en deze dus ook niet kan worden overlegd, zou het huwelijk, letterlijk genomen, niet kunnen plaats hebben. Dit geval kan zich o. a. voordoen, als die akten
— 36 —
b.v. door brand, zijn verloren geraakt; ook wanneer de a. s. eeht-genoote een onchristen-Inlandsche vrouw is en, met een Christen Inlander trouwende, de bepalingen moet volgen die voor den laatste gelden (Stbl. 1898 no. 158 art. 6). In deze gevallen zal men niet te streng moeten vasthouden aan de woorden. Art. 2 zegt wel „zal zich doen overleggen,quot; maar bedoelt daarbij „zooveel mogelijk en noodig.quot; Zoo is de overlegging der sub h vermelde akte natuurlijk niet noodig, wanneer de a. s. echtgenooten geen toestemming behoeven (zie art. 3 sub li)\\ zoo ook zal de overlegging der sub c vermelde akte van overlijden dikwijls onmogelijk zijn, bij ontstentenis van een register van akten van overlijden voor den landaard, der ouders van de aanstaanden. Europeanen zullen in zoodanige gevallen m. i. kunnen volstaan met een acte van bekendheid of een beëedigde verklaring, als bedoeld in artt. 72 en 73 Burgl. Wetb.; ten opzichte van Inlanders zullen de hier in art. 2 bedoelde besturende ambtenaren zich wel moeten tevreden stellen met aanvulling van het ontbrekende door inwinning van informaties of schriftelijke bescheiden.
ad. b.
1° Mem. v. toel. „De toestemming bij § b. vereischt is geheel strookende met de volksbegrippen en gewoonten der Irl. bevolking dezer gewesten. Volgens hare zienswijze is geen huwelijk van een onmondig en onverzorgd kind denkbaar zonder die toestemming, ja zelfs gaat de macht der ouders of dergenen, door wie een kind is verzorgd en opgevoed, zoover, dat deze hun het recht geeft om, ongeacht den wil van het kind, vrijelijk over deszelfs hand te beschikken. Voogden in den zin van onze wetgeving bestaan onder deze Inl. bevolking niet, maar daarentegen wil het volksgebruik, dat bij overlijden van de ouders, of wanneer deze niet in staat zijn in de behoefte hunner kinderen te voorzien, de naaste bloed- of aanverwanten in de eerste plaats en, bij ontstentenis van dusdanigen, vreemden zich het lot der achtergeblevene onverzorgde kinderen aantrekken en zich met hunne opvoeding belasten, in welk geval de vaderlijke macht over die kinderen als het ware op die verzorgers overgaat.
„Dat bij verhindering van hem of haar, die de toestemming tot het aangaan van het voorgenomen huwelijk geven moet, deze met het verleenen van eene schriftelijke toestemming volstaan kan, behoeft geen betoog; ik heb, om niet in herhalingen te vervallen,
— 37 —
hier slechts van een onderhandsche akte gesproken; hoedanig der-zeiver vorm zijn moet blijkt laterquot;. Men zie art. 3 sub h, waar de vorm is voorgeschreven.
Ook hier is de redaktie m. i. minder juist en zal men baar niet te letterlijk moeten opvatten. Althans ik houd het er voor, dat men
— boewei feitelijk een onderhandsche akte van toestemming is voorgeschreven en schijnbaar elke andere daardoor is uitgesloten
— niet heeft bedoeld het geven van toestemming bij authentieke akte onmogelijk te maken, maar alleen: ook onderhandsche akten toe te laten, mits voldoende aan de in art. 3 sub h gestelde eischen.
ud. c.
De hier gevorderde akte van overlijden der ouders is natuurlijk alleen noodig als zij, in leven zijnde, hun toestemming hadden moeten geven, m. a. w. wanneer hun kind dat gaat huwen nog niet meerderjarig is. Vergelijk art. 71 B. quot;W. sub 5°.
ad. d.
In het 1° ontwerp stond sub d alleen: „de akte van overlijden van den vorigen echtgenoot of die van echtscheiding, ingeval van tweede of volgend huwelijkquot;.
Het Hoog-(ierf.chtsiiof was echter „van oordeel, dat aan den echtgenoot, die zijne mede-echtgenoot door een of ander tojval verloren heeft, doch het overlijden niet kan bewijzen, de gelegenheid behoort open te staan om een tweede huwelijk te sluiten en wenschte het Hof daarom § d van art. 2 aangevuld te zienquot; met de woorden: „of de vergunning van den rechter om een tweede of volgend huwelijk aan te gaan, ingeval er rechtsvermoeden van overlijden van den vorigen echtgenoot bestaatquot;.
Mr. du Cloux veranderde art. 2 d overeenkomstig \'s Hofs wensch. maar merkte hierbij in zijn 2C Mem. v. toel. op ;
„Vooreerst begrijp ik niet duidelijk het nut van de door het Hof bij art. 2 mijner voorloopige voorstellen gewilde bijvoeging, t. w. dat om een tweede of volgend huwelijk aan te gaan . . , enz. Daar deze materie alleen behandeld wordt bij de 5® afdeeling van den 18en titel van het Burgl. Wetboek, welke wetsbepalingen voor den Inl. Christen niet verbindende zijn, terwijl voorzoover mij bekend is, de Inl. zeden en gewoonten mede geen regel aangeven
— 38 —
om dusdanig rechterlijk bewijs te kunnen verkrijgen, zal deze bijvoeging als niet geschreven moeten worden beschouwd, zoolang niet tevens wordt voorgeschreven de wijze hoe dit voorschrift gevolg kan hebben en zoude m. i. de beslissing dienaangaande aan het Hoofd van Plaatselijk Bestuur, na voorafgaand hooren van belanghebbenden en ter zake bijgebrachte getuigen, zonder vorm van proces en hooger beroep dienen te worden overgelaten, als voldoende waarborg daarvoor opleverende en meer overeenkomstig de zeden en gewoonten der Inl. bevolking in die streken, dan eene omslachtige en langdurige procedure. Ik had daarom het slot van het ten vierde bepaalde, bij art. 71 B. quot;VV. voorkomende niet overgenomen, maar dit liever aan het oordeel van de met de voltrekking der huwelijken belaste ambtenaren volgens usances overgelatenquot;.
De Procureur Gekeraal neemt het echter op voor de aanvulling van art. 2 lt;7, waarvan de G. Kommissaris het nut betwijfelde: bij ontstentenis van zoodanige aanvulling toch zou volgens art. 2 d bij gebreke van de bedoelde akte van overlijden geen tweede huwelijk mogelijk zijn; de vergunning van den rechter moet dit verhelpen. De P. G. zegt verder:
„Vermits het Burgl. Wetboek op de Inl. Christenen in hei: Gouv4. der Mol. Eil. niet van dadelijke toepassing is en het streven zijn moet om alles, wat op de onderwerpelijke materie van toepassing is, zoo eenvoudig mogelijk te regelen, komt het voor dat ter erlanging van die vergunning geene omslachtige procedure moet worden voorgeschreven. Die vergunning zal m. i. bij eenvoudig rekwest moeten gevraagd worden, terwijl het onderzoek en de beslissing ten deze geheel aan het oordeel des rechters behooren te worden overgelaten.
„Het komt mij voor dat dit denkbeeld voldoende wordt uitgedrukt, indien in de plaats van de woorden . . . „ „of de vergunning van den rechterquot;quot; enz. gelezen werd: of\' de op daartoe strekkend verzoek van den rechter bekomen vergunning om een tweede of volgend huwelijk aan te gaan, indien er gewichtige vermoedens van overlijden van den vorigen echtgenoot bestaan.quot;
Deze door den P. G. voorgestelde redaktie werd nagenoeg let- . terlijk overgenomen en onderscheidt zich van \'sHofs voorstel door de gekursiveerde woorden. Het vervangen van „rechtsvermoedensquot; door , gewichtige vermoedensquot; is, bij de onzekerheid van het In-landsch recht een verbetering.
„Eindelijkquot; — zoo vervolgt de P. Gr. — „moet ik opmerken, dat het nuttig is voor dit geval in het ontwerp ook het voorschrift van art, 495 B. W. op te nemenquot;, en ook in dat opzicht geschiedde geheel conform zijn advies, zoodat aan art. 2 d als tweede en derde lid werden toegevoegd de twee zinsneden van art. 495 B. W.
ad, e.
In het le ontwerp ontbraken de woorden „of de doopaktenquot;, die op voorstel van den P. G. werden ingevoegd.
le Memorie van toel. „§ e is daarom noodzakelijk, wijl het de a, s. echtgenooten zal weerhouden om het aanwezen van door hen buiten huwelijk met elkander verwekte kinderen uit valsche schaamte te verzwijgen. Vooral te Amboina, waar een zoo groot vooroordeel tegen dusdanige kinderen bestaat, is zulks allernoodzakelijkst en zal hierdoor natuurlijk niet meer, zooals nu dikwerf het geval schijnt te zijn, aan deze kinderen een gedeelte der nalatenschap hunner ouders onthouden worden.quot;
Wanneer de a. s. echtgenoote niet tot de Europeanen behoort of daarmee is gelijkgesteld, zal er van de voorkinderen in den regel geen geboorteakte en dikwijls ook geen doopakte bestaan, daalde ouders met den doop zullen hebben gewacht tot hun feitelijke samenleving tegenover de buitenwereld door een huwelijk zou zijn gerechtvaardigd.
In zoodanig geval is moeilijk te voldoen aan den eisch in art. 2 sub e gesteld. Ook zonder dat zal echter m. i. het huwelijk mogen plaats hebben niet alleen, maar de in den aanhef van art, 2 bedoelde ambtenaar zal, dunkt mij, ook al kunnen geen geboorte-of doopakten worden overgelegd, niet mogen weigeren de opgaaf van de vóórkinderen in de akte van huwelijksaangifte op te nemen en daardoor hun wettiging mogelijk te maken. Art, 10 toch spreekt alleen van de „ bekend gestelde\'\'\' vóórkinderen, (Zie het boven ad a aangeteekendey,
ad f.
Deze bepaling is ingevoegd bij Staatsblad 1897 no. 113. Vergel, art, 71 ten 8° Burgl, quot;Wb,
Art. 3. Alvorens tot het opmaken van de acte van
— 40 —
huwelijksaangifte over te gaan, zal de bij het vorig artikel genoemde ambtenaar zich overtuigen;
a. dat de jongman den vollen ouderdom van achttien jaren en de jongedochter dien van vijftien jaren heeft bereikt;
h. dat de aanstaande echtgenooten elkander niet bestaan in de opgaande of in de nederdalende linie, hetzij door wettige, hetzij door onwettige geboorte of door aanhuwe-lijking;
c. dat zij niet zijn broeder of zuster, wettig of onwettig;
d. dat zij niet zijn schoonbroeder of schoonzuster, wettig of onwettig;
e. dat zij niet zijn oom of oudoom en nicht of achternicht, dan wel moei of oudmoei en neef of achterneef, wettig of onwettig;
Evenwel de zal Gouverneur-Generaal, om gewigtige redenen, van het verbod, in dit artikel onder It. a, d en e vermeld, dispensatie kunnen verleenen op een zegel van een halven gulden;
f. dat bij een tweede of volgend huwelijk, na de ontbinding van het vorig huwelijk van de aanstaande echtgenooten, driehonderd dagen verloopen zijn;
g. dat partijen elkander uit vrijen wil en zonder eenigen dwang tot echtgenooten aannemen;
li. dat, bijaldien de aanstaande echtgenooten den ouderdom van drie en twintig jaren niet hebben bereikt, de vader of, bij overlijden, de moeder of, bij overlijden der ouders, de persoon, door wien partijen op dat oogenblik worden verzorgd en opgevoed, tot het aangaan van het huwelijk hunne toestemming hebben gegeven; — deze toestemming mag ook bij eene onderhandsche in de Malei-sche taal ten overstaan van het dorps- of negorij hoofd opgemaakte en geteekende acte worden verleend.
le Mem. v. toel. „De gewilde overtuiging kan zich de ambtenaar, aan wien de aangifte van het huwelijk geschiedt, gemakkelijk verschaffen. Bij twijfel hoort hij natuurlijk in de eerste plaats de hoofdenquot;.
— 41 —
ad. a.
le Mem. v. tod. „De ouderdom van 18 eu 15 jaren, welke tot het aangaan van een huwelijk gevorderd wordt, is niet te hoog gesteld. Op een vroegeren leeftijd dit toe te staan kan, hij een zoo debiel geslacht als dat der Inl. bevolking, niet dan nadeelig zijnquot;.
Dit argument komt mij voor niet overwegend te zijn. Zoo de debiliteit van een ras een vertragendeu invloed kan hebben op de geslachtsrijpheid, dan is dit bij het lulandsche, aangenomen dat dit debiel is, toch zeker niet het geval. — In het belang van de echtgenooten is het zeker dat zjj niet al te jong trouwen, maar in dit opzicht is het zaak veel aan het inzicht der ouders over te laten, want wanneer de toestanden en zeden eenmaal meebrengen, dat do lieden jong trouwen, dan zou do wet, door hieraan bezwaren in den weg te leggen, onwillekeurig de onzedelijkheid kunnen bevorderen. Vele Inlanders plegen hun kinderen jong te doen huwen, om hen te behoeden voor de gevaren in een klimaat als het Indische voor personen zonder veel moreel weerstandsvermogen verbonden aan het ongehuwde leven, nadat de natuur in\' dit opzicht zich doet gevoelen. — Het is natuurlijk niet gewenscht dat het huwelijk geoorloofd worde aan nog niet daarvoor geschikte personen; maar in Indië kon men veilig den leeftijd stellen op 14 jaren voor vrouwen en 16 jaren voor mannen. Niets belet de ouders hun uithuwelijking, al is die leeftijd bereikt, nog wat uit te stellen. Overigens spreek ik hier van Inlanders in het alge-men. Of de hier gestelde leeftijd van 15 en 18 jaren in de Molukken bezwaar oplevert, is mij niet bekend.
art b, c, rt en e.
Ie. Mem. v. toel. „Bij de Inl. bevolking, evenals bij de meeste Europeesehe natiën bestaat in het algemeen een afkeer van huwelijken tussehen bloed- en aanverwanten. Mochten onverhoopt zulke vereenigingen noodzakelijk worden tussehen personen bij §§ dene opgenoemd, dan zal zulks door middel van dispensatie kunnen worden toegestaan.quot; d en e worden hier alleen genoemd, doordat a eerst later is ingevoegd tengevolge eener opmerking van den P. G., dat ook van den sub a gestelden eisch dispensatie mogelijk moet zijn.
— 42 —
ad g.
Ie. Mem. v. toel. „Dat de vrije en ongedwongen wil van partijen bij het aangaan van dusdanige vereenigingen op den voorgrond staan moet, staat vast, en daar wegens de begrippen der Inlanders op dit punt dusdanig vereisehte bij een minderjarig kind overbodig wordt geacht, kan men niet te zorgvuldig op de naleving van dit voorschrift toezien, als zijnde daarenboven die volksbegrippen strijdig met hunne begrippen als christenen.quot;
ad h.
Ie Mem. v. toel. „§ A heb ik gemeend noozakelijk te moeten opnemen, ten einde eenen term te hebben, wanneer die ouderlijke macht eindigt.
„Hier heb ik den vorm voorgeschreven, waarin eene onderband-sche akte moet zijn opgemaakt om van kracht te zijn. Aan dit vereisehte kan ook gemakkelijk door belanghebbenden worden voldaan.quot;
Art. 4. Nadat, al de bij de vorige artikelen voorge-schrevene formaliteiten zullen zijn in acht gencmen en opgevolgd, zal de ambtenaar voornoemd, onder bekendstel-ling van dag, maand en jaar van de gedane huwelijksaangifte, eene acte opmaken in tegenwoordigheid van twee getuigen, hetzij nabestaanden of vreemden, manspersonen, den ouderdom van drie en twintig jaren bereikt hebbende.
Bij deze acte zullen al de overgelegde en vereisehte bescheiden worden aangehaald en omschreven en zal dezelve, na gedane voorlezing en overbrenging in de taal, door de compareerende partijen en de getuigen verstaan, door partijen, getuigen en den ambtenaar voornoemd worden onderteekend.
Mem. v. toel. „De acte van aangifte treedt als het ware voor de huwelijksakte in de plaats en daarom heb ik de tegenwoordigheid van twee getuigen hier noodzakelijk geacht; dit strookt ook geheel met de gewoonte der Inl. bevolking, die geeno overeenkomst van eenig aanbelang en vooral geen huwelijk geldig zoude achten, wanneer er geen getuigen bij tegenwoordig geweest warenquot;.
— 43 —
De yereischte leeftijd voor de getuigen was in het le ontwerp 21 jaren. De P. G. merkte echter op, dat er geen reden bestond om van den (in art. 3 h. gestelden grens van 23 jaren af te ■wijken.
Art. 5. De facte van huwelijksaangifte behoorlijk zijnde opgemaakt en geteekend, zal meergenoemde ambtenaar aan de aanstaande echtgenooten een door hem onderteekend bewijs afgeven, houdende hunne namen en voornamen, mitsgaders verlof aan den leeraar of schoolmeester, daartoe bevoegd, om van het voorgenomen huwelijk op twee achtereenvolgende Zondagen afkondiging van den kansel te mogen doen.
Art. 6. Wanneer de twee vereischte huwelijksafkondigingen behoorlijk hebben plaats gehad en zonder verzet zijn afgeloopen, zal de leeraar of schoolmeester, daartoe bevoegd, tot het voltrekken van het huwelijk mogen overgaan, doch niet binnen den tijd van drie dagen na de laatste huwelijksafkondiging.
Art. 7. Van de stuiting van een huwelijk zal door den leeraar of den schoolmeester, daartoe bevoegd, dadelijk kennis worden gegeven aan het hoofd van plaatselijk bestuur, en zal in dat geval het den leeraar of schoolmeester niet geoorloofd zijn, tot de voltrekking van hetzelve over te gaan dan op een schriftelijk verlof, daartoe door genoemden ambtenaar verleend.
Art. 8. Alle geschillen over de stuiting van een huwelijk zullen zonder vorm van proces en in het hoogste ressort door het hoofd van het plaatselijk bestuur voornoemd worden beslist, na alvorens belanghebbenden te hebben gehoord en na ingewonnen advies van den regent of het distriktshoofd.
Itif art. 7 en 8 teekent de le Mem. v. toel. aan:
„Als er verzet is, mag natuurlijk de predikant of schoolmeester de waarde daarvan niet beoordeelen, en daarom heb ik zulks aan het hoofd van het plaatselijk bestuur als den bevoegden rechter opgedragen. Dat dit zonder vorm van proces en in het hoogste
— 44 —
ressort aan hem is overgelaten, is geschied om geen onnoodig oponthoud te veroorzaken en alle chicanes, die zoo gemakkelijk in het midden geworpen kunnen worden, te voorkomen.quot;
In art. 7 hebben de woorden „daartoe bevoegdquot; geen zin. Ze zijn werktuigelijk overgenomen van art 5, 6 en 9, waar ze doelen op des schoolmeesters bevoegdheid om de afkondigingen te doen en het huwelijk te voltrekken, en willen niet zeggen „tot stuiten bevoegd.quot; Men leze dus: „door den betrokken leeraar of schoolmeester.quot;
„Daartoe bevoegdquot; in art. 5 en volgenden ziet op de bevoegdheid, van ouds den christenleeraar en, bij ontstentenis van dezen, den schoolmeester toegekend om de huwelijken kerkelijk te voltrekken.
Zie Stbl. 1835 no. 43, 1851 no. 70, 1824 no. 19 a. (art. 46) en hierboven biz. 20.
Art. 9. Het huwelijk door den leeraar of den schoolmeester, daartoe bevoegd, zijnde voltrokken, zal deze daarvan aanteekening houden in een daartoe bestemd register, van hetwelk maandelijks een uittreksel aan het hoofd van het plaatselijk bestuur zal moeten worden ingezonden, welke ambtenaar op ontvangst van hetzelve gehouden is, op den kant der acte van huwelijksaangifte, te zijnen kantore bewaard blijvende, van de voltrekking van het huwelijk aanteekening te houden en daarvan aan de nieuw-gehuwden een bewijs, geschreven op een zegel van eenen halven gulden, uit te reiken.
Art. 10. Alleen de bij de acte van huwelijksaangifte bekend gestelde door de aanstaande echtgenooten onderling buiten huwelijk verwekte kinderen worden door de voltrekking van het huwelijk van hunnen vader en hunne moeder gewettigd.
De gekursiveerde woorden „alleenquot; en „door de aanstaande echtgenooten onderlingquot; kwamen in het le ontwerp niet voor en werden ingevoegd naar aanleiding van een opmerking van bet Hof, dat Mr. dc Cloux in het le ontwerp „niet genoeg doet uitkomen, dat alleen de kinderen, welke door de a. s. echtgenooten onderling verwekt zijn, door het opvolgende huwelijk hunner ouders gewettigd worden.quot; Men verzuimde in art. 1 dezelfde wijziging aan te brengen.
— 45 —
De uitdrukking „onderling verwekkenquot; is minder juist, maar de bedoeling is duidelijk.
Art. 11. Behalve het bij art. 9 bedoeld bewijs en de bij art. 3 bedoelde dispensatie zullen alle acten en bewijzen, ten deze benoodigd, worden geschreven op ongezegeld papier en behalve de onkosten der zegels kosteloos moeten worden opgemaakt en verleend.
gt;
le Mem. v. tod. „Dit is in den geest der thans op dit stuk bestaande bepalingen en uithoofde de meesten niet in staat zijn meerdere kosten te voldoen aldus geredigeerd. Men moet het aangaan van een wettig huwelijk zooveel mogelijk in de hand werken en dit is met deze bepaling beoogd.quot;
Art 12. De huwelijken tusschen Inlandsche Christenen en Europeanen of hunne afstammelingen worden gesloten overeenkomstig de wettelijke voorschriften, bestemd voor den landaard van den man, of waaraan deze laatste zich, ingevolge het bepaalde bij het volgende artikel, vrijwillig heeft onderworpen.
Art. 13. Bij de in het vorige artikel bedoelde huwelijken staat het den man, die tot de Inlandsche Christenbevolking behoort, vrij, zich, overeenkomstig het bepaalde bij art. 15 der bepalingen omtrent de invoering van- en den overgang tot de nieuwe wetgeving, aan de geheele Euro-peesche wetgeving aangaande het burgerlijk en handelsrecht te onderwerpen.
Overigens wordt door het huwelijk de vrouw van rechtswege onderworpen aan de voorschriften van het burgerlijk en handelsrecht, welke voor haren man verbindend zijn.
Aanvankelijk had Mr. du Cloux twee afzonderlijk, 1 en 2, genummerde bepalingen betreffende de gemengde huwelijken voorgesteld, luidende:
1. „De huwelijken van Inl. Christenen met Europeanen of der-zelver afstammelingen zullen op geene andere wijze daa overeenkomstig de bepalingen, op het houden van de registers v. d. B. St. ingevoerd of in te voeren, mogen worden voltrokken, behoudens
— 46 —
de volgende uitzonderingen met betrekking tot de tot de Inl. Chria-tenbevolking behoorende partij:
a. dat deze niet gehouden zal zijn zich te onderwerpen aan het burgerlijk en handelsrecht;
h. dat deze zal kunnen volstaan met het overleggen van eene akte van overlijden van hare ouders;
c. dat voor deze tot den ouderdom van 23 jaren alleen benoo-digd is de toestemming van haren vader, of bij overlijden, die van hare moeder en in geval van beider overlijden, die van hem of haar door wien zij op dat oogenblik wordt verzorgd en opgevoed. Welke toestemming niet in persoon gegeven wordende kauworden verleend bij eene ondorhandsche in de maleische taal ten overstaan van het dorps-of Negorij hoofd opgemaakte en onderteekendc akte;
d. dat in geen geval de toestemming van de wees- of boedelkamer of van eenige rechtbank ten haren opzichte wordt vereischt.
Zullende over de al- of niet genoegzaamheid van de door haar overgelegde stukken in het hoogste ressort worden uitspraak gedaan door het hoofd van plaatselijk bestuur, binnen wiens ressort de ambt. v. d. B. St. is geplaatst.
2. „dat de kinderen, uit dusdanig huwelijk gesproten, zullen volgen den staat van den vader en dientengevolge het aan den tot de Inl. Christenbevolking behoorenden vader zal vrijstaan de kinderen al dan niet in de registers v. d. B. St. te doen inschrijven, welke inschrijving geschied zijnde van geenerlei invloed op hunne staatkundige rechten zijn zal.quot;
Mem. v. toelichting:
Ad 1. „Dat er vooral bepalingen op het stuk van gemengde huwelijken noodig zijn, hebben wij gezien, en dat de Inl. Christen bij liet aangaan van zoodanig huwelijk de bepalingen, bij de wet voor het aangaan van een huwelijk voor den Europeaan of deszelfs afstammeling voorgeschreven, volgen moet is, dunkt mij, builen allen twijfel en voldoende aangetoond. Ik heb dus getracht ook in zoodanig geval het huwelijk voor den Inl. Chr. mogelijk te maken, daar natuurlijk bij ontstentenis van eenige bepalingen op dit punt de ambt. v. d. B. St. zich stipt aan de voorschriften hem betreffende, zoo bij het regl. B. St. als bij het Burgl. Wb. voorgeschreven, houden zal, waarvan de naleving echter voor den Inl. Christen schier onmogelijk is.
„§ a heb ik ter wegneming van allen twijfel er bij gevoegd. „§ l) en c. Het hier gestelde kan voldoende worden geacht, daar
— 47 —
hij of zij, die de weezen verzorgt of opvoedt, volgens Inl. begrippen in de plaats van den vader optreedt. Zie verder de aart. op art. 2.
„§ d. De wees-en boedelkamers hebben met de zaken der Inl. Christenen geene bemoeienis en zulks is m. i., zooals die Inl. maatschappij thans is zamengesteld, dan ook «niet noodig. Voogdij niet bestaande, vervalt natuurlijk alle toeziende voogdij.
„De Resident, of de hem in de afdeelingen vertegenwoordigende Ass. lies. en civiele gezaghebber, is de man, die het best over de al of niet genoegzaamheid van dusdanige stukken oordeelen kan; ook bestaat hiertegen geen bezwaar, zoolang de bepalingen op het houden der registers v. d. B. St. niet op Inl. Christenen toepasselijk zullen zijn verklaard.
Ad. 2. „De kinderen, uit eene wettige vereeniging gesproten, moeten volgens algemeene beginselen van recht den staat van den vader volgen. De niet onderwerping van den vader aan de Euro-peesche wetgeving aangaande het burgerlijk en handelsrecht doet dezen in denzelfden toestand blijven, waarin hij vóór het aangaan van dat huwelijk zich bevond; hij blijft de voor hem bestaande bepalingen volgen; deze laten hem toe de geboorte zijner kinderen bij den schoolmeester te doen inschrijven; dus kan hij hiervan des verkiezende gebruik maken. Wordt van die geboorte in de registers v. d. B. St. melding gemaakt, dit verbindt hem, dan wel de kinderen in geenen deelequot;.
Het Hoog Gerechtshof gaf hierop de volgende kritiek:
„U.W.E.G. wil bij deze (n. 1. do gemengde) huwelijken de bepalingen op het houden der registers v. d. B. St. hebben opgevolgd met eenige uitzonderingen voor de Inl. Chr. partij, hierin bestaande dat deze niet gehouden zal zijn zich te onderwerpen aan het burgerlijk en handelsrecht en dat zij minder formaliteiten zal te vervullen hebben. De kinderen uit zoodanig huwelijk gesproten zouden dan volgen den staat van hun vader; doch zou het den Inl. Christen vrijstaan de kinderen al dan niet in de reg. B. St. te doen inschrijven, welke inschrijvingquot; enz. (zie boven). „Door deze voorstellen zijn niet al de bestaande bezwaren opgelost. De vraag blijft altijd, welke rechtsgevolgen zoodanig gemengd huwelijk hebben zal, indien de Inl. partij zich niet aan het burgerlijk en handelsrecht heeft onderworpen. Zullen nu voor elke partij hare wétten blijven gelden? En zoo ja, zal dit niet op den duur, vooral na de ontbinding dos huweljjks bij de verdeeling der goederen, tot de groot-
— 48 —
ste en moeilijkste twistvragen aanleiding geven ? Daaromtrent kan wel geen twijfel bestaan en rekent het Hof het mitsdien volstrekt noodzakelijk, dat het gemengd huwelijk door dezelfde wet beheerscht worde, dat partijen onder dezelfde wetten staan.
„In de tweede plaats merkt het Hof op, dat het voorstel, dat de inschrijving der kinderen in de registers v. d. B. St. geenen invloed zal hebben op hunne staatkundige rechten, in strijd is met de bestaande bepalingen, volgens welke een kind van een Inl. regent nit eene Eur. moeder geboren, bij de registers v.d. B. St ingeschreven, en daardoor met Europeanen gelijkgesteld zijnde (1), zijn vader niet in het bestuur van het regentschap kan opvolgen, welk verbod berust op redenen van staatkundigen aard. Het Hof wenscht U. W. E. G. daarom in overweging te geven het voorgestelde door de volgende eenvoudige bepalingen te vervangen, als:
1° dat hij gemengde huwelijken, gelijk de hier bedoelde, de vrouw den staat volgt van den man;
2° dat het hij zoodanige huwelijken den Inl. Christen vrijstaat zich al of niet aan het hurgelijk en handelsrecht te onderwerpen.
2quot; Mem, v. toel. «Ten tweede dat de gronden voor de bepalingen door het Hoog frerechtshof voorgesteld en door mij overgenomen bij artt. 12 en 13 ter vervanging van die vervat in artt. 1 en 2 mijner voorloopige voorstellen, betreffende het aangaan van huwelijken tusschen Europeanen of derzelver afstammelingen en Inl. Christenen m. i., in alle bescheidenheid gezegd, min wettig en min juist zijn; min wettig, daar zich, tegen alle bepalingen betreffende den staat van de personen, eene Eur. vrouw of de vrouwelijke afstammelinge van eenen Europeaan zich daardoor aan hare wetgeving kan onttrekken, en min juist, omdat bij de zgn. Eur. bevolking, afstammelingen van Europeanen van vroegere tijden, de herinnering aan hare afkomst veel levendiger is, dan bij haar gelijken op Java en zij er trotsch op zijn, van Europeanen af te stammen; terwijl zij zelfs de zgn. Inlandsche Burgers, om niet te spreken van de negorijbewoners, als proletarii beschouwen en deze trots zelfs op de Inl. Burgers is overgegaan, d\'.e zich tegenover den negorijman als meerdere beschouwen; terwijl ten slotte het
(1) Het Hof noemt de „bestaande bepalingenquot;, waarop het zich hier beroept, niet. De meening, die het hier Terkondigt, -was al weersproken in het voren op blz. 8 vermeld advies van den Kaad v. N. Indië en vindt, geloof ik, thans geen aanhangers meer.
/
— 49 —
weglaten van de door mij voorgestelde bepaling omtrent den staat der kinderen vit gemengde huwelijken gesproten, met betrekking tot de regenten, lichtelijk tot moeilijkheden bij de opvolging zal kunnen aanleiding geven, uithoofde deze zich zoo gaarne met Ei.r. gelijkstellen en dus lichtelijk bij het aangaan van een huwelijk met eene Eur. vrouw of afstammelinge enz., zich aan het Eur. burgerlijk en handelsrecht zullen onderwerpen, om door den met het civiel bestuur belasten ambtenaar op gelijk wijze als de Europeanen in het huwelijk te worden bevestigd; daar, volgens de hun bekende wet, art. 4 van het Besluit v. d. Gouv. der Mol. Eil. d. d. 16 Juli 1828 n0. 8, alleen van de opvolging als- of benoeming tot regent zijn uitgesloten dusdanige kinderen, welke volgens de bestaande bepalingen en gebruiken gerekend moeten worden tot de Burgers der Negorijen te bebooren.quot;
Het was al weder de Procureur-Generaal, die — na aanvankelijke oppositie — ten slotte de wetgevende beweging in de goede richting ■wist te houden. Hij stelde de bepalingen voor, die z. i. de bedoeling van het Hof juister zouden teruggeven en die letterlijk zijn overgenomen in artt. 12 en 13 der verordening.
Nabetrachting.
Tot zoover Stbl. 1861 n0. 38. Voor ik, na de toelichting daarvan, overga tot de bespreking van eenige onderwerpen van recht voor de Inlandsche Christenen, zal het dienstig zijn naar aanleiding van de zeer uiteenloopende adviezen, die boven zijn afgedrukt, nog even in het kort na te gaan, welke beginselen voor deze soort Inlanders gelden.
Dat Inlandsche Christenen niet met Europeanen door de -wet zijn gelijk gesteld, maar Inlanders zijn, is in een vorig opstel reeds betoogd.
Zij zijn als zoodanig onderworpen aan:
le de voor hen vastgestelde algemeene verordeningen ;
2e het Europeesche recht, voorzoover dit op hen is toepasselijk verklaard, zij zich daaraan vrijwillig bij het aangaan eener handeling hebben onderworpen, of zij, zonder dat, uit den aard der zaak daardoor beheerscht worden;
3e door hun adat („godsdienstige wetten, gebruiken en instellingenquot;).
Deze laatste zou volgens sommigen bestaan uit het Oud-Hol-landsch recht, zooals dit vóór 1848 in Indië van kracht was en ook Mr. du Cloux schijnt, blijkens zijn vorenstaande adviezen, van w. en a. P. c. 4. 43
— 48 —
ste en moeilijkste twistvragen aanleiding geven ? Daaromtrent kan wel geen twijfel bestaan en rekent het Hof het mitsdien volstiekt noodzakelijk, dat het gemengd huwelijk door dezelfde wet beheerscht worde, dat partijen onder dezelfde wetten staan.
„In de tweede plaats merkt het Hof op, dat het voorstel, dat de inschrijving der kinderen in de registers v. d. B. St. geenen invloed zal hebben op. hnnne staatkundige rechten, in strijd is met de bestaande bepalingen, volgens welke een kind van een Inl. regent nit eene Eur. moeder geboren, bij de registers v.d. B. St ingeschreven, en daardoor met Europeanen gelijkgesteld zijnde (1), zijn vader niet in het bestuur van het regentschap kan opvolgen, welk verbod berust op redenen van staatkundigen aard. Het Hof wenscht TJ. W. E. Gr. daarom in overweging te geven het voorgestelde door de volgende eenvoudige bepalingen te vervangen, als:
1° dat hij (jemengde huwelijken, gelijk de hier bedoelde, de vrouw den staat volgt van den man;
2° dat het bij zoodanige huwelijken den Inl. Christen vrijstaat zich al of niet aan het burgelijk en handelsrecht te onderwerpen.quot;
2e Mem. v. toeï. „Ten tweede dat de gronden voor de bepalingen door het Hoog frerechtshof voorgesteld en door mij overgenomen bij artt. 12 en 13 ter vervanging van die vervat in artt. 1 en 2 mijner voorloopige voorstellen, betreffende het aangaan van huwelijken tusschen Europeanen of derzelver afstammelingen en Inl. Christenen m. i., in alle bescheidenheid gezegd, min wettig en min juist zijn; min wettig, daar zich, tegen alle bepalingen betreffende den staat van de personen, eene Eur. vrouw of de vrouwelijke afstammelinge van eenen Europeaan zich daardoor aan hare wetgeving kan onttrekken, en min juist, omdat bij de zgn. Eur. bevolking, afstammelingen van Europeanen van vroegere tijden, de herinnering aan hare afkomst veel levendiger is, dan bij haar gelijken op Java en zij er trotsch op zijn, van Europeanen af te stammen; terwijl zij zelfs de zgn. Inlandsche Burgers, om niet te spreken van de negorijbewoners, als prolevarii beschouwen en deze trots zelfs op de Inl. Burgers is overgegaan, die zich tegenover den negorij man als meerdere beschouwen; terwijl ten slotte het
(1) Het Hof noemt de .bestaande bepalingenquot;, waarop het zich hier beroept, niet. De meaning, die het hier verkondigt, was al weersproken in het ™ren op blz. 8 Termeid advies van den Kaad v. N. Indië en vindt, geloof ik, thans geen aanhangers meer.
— 49 —
weglaten van de door mjj voorgestelde bepaling omtrent den staat der kinderen uit gemengde huwelijken gesproten, met betrekking tot de regenten, lichtelijk tot moeilijkheden bij de opvolging zal kunnen aanleiding geven, uithoofde deze zich zoo gaarne met Eur. gelijkstellen en dus lichtelijk bij het aangaan van een huwelijk mqt eene Eur. vrouw of afstammelinge enz., zich aan het Eur. burgerlijk en handelsrecht zullen onderwerpen, om door den met het civiel bestuur belasten ambtenaar op gelijk wijze als de Europeanen in het huwelijk te worden bevestigd; daar, volgens de hun bekende wet, art. 4 van het Besluit v. d. Gouv. der Mol. Eil. d. d. 16 Juli 1828 n0. 8, alleen van de opvolging als- of benoeming tot regent zijn uitgesloten dusdanige kinderen, welke volgens de bestaande bepalingen en gebruiken gerekend moeten worden tot de Burgers der Negorijen te behooren.quot;
Het was al weder de Procureur-Generaal, die — na aanvankelijke oppositie — ten slotte de wetgevende beweging in de goede richting wist te houden. Hij stelde de bepalingen voor, die z. i. de bedoeling van het Hof juister zouden teruggeven en die letterlijk zijn overgenomen in artt. 12 en 13 der verordening.
Nabetrachting.
Tot zoover Stbl. 1861 n0. 38. Voor ik, na de toelichting daarvan, overga tot de bespreking van eenige onderwerpen van recht voor de Inlandsche Christenen, zal het dienstig zijn naar aanleiding van de zeer uiteenloopende adviezen, die boven zijn afgedrukt, nog even in het kort na te gaan, welke beginselen voor deze soort Inlanders gelden.
Dat Inlandsche Christenen niet met Europeanen door de wet zijn gelijk gesteld, maar Inlanders zijn, is in een vorig opstel reeds betoogd.
Zij zijn als zoodanig onderworpen aan :
le de voor hen vastgestelde algemeene verordeningen ;
2quot; het Europeesche recht, voorzoover dit op hen is toepasselijk verklaard, zij zich daaraan vrijwillig bij het aangaan eener handeling hebben onderworpen, of zij, zonder dat, uit den aard der zaak daardoor beheerscht worden;
3° door hun adat („godsdienstige wetten, gebruiken en instellingenquot;).
Deze laatste zou volgens sommigen bestaan uit hec Oud-Hol-landsch recht, zooals dit vóór 1848 in Indië van kracht was en ook Mr. du Cloux schijnt, blijkens zijn vorenstaande adviezen, van w. en a. p. c. 4. 43
— 50 —
die meening te zijn geweest. Het Hof (voren blz. 31 en 32) betoogde reeds, dat niet voldoende door hem was aangetoond, dat het O. Holl. en Rom. recht vroeger op den Inl. Christen toepasselijk waren en inderdaad geeft Mr. du Cloüx zelf aan, hoe in de Molukken en Menado nog gebruiken in zwang zijn, overleveringen, omtrent wier toepassing zelfs in aan elkaar grenzende afdeelingen aanmerkelijk verschil bestaat (hiervoren blz. 26 en 27). Deze beschrijving past volkomen op de, uit haar aard plaatselijk uiteen-loopende, adat. Hij beschrijft die gebruiken als slechts enkele; maar het mag betwijfeld worden of zijn onderzoek daarnaar wel erg grondig is geweest. Het te Ambon bestaande gebruik vóór het huwelijk de a. s. vrouw te schaken vinden wij b. v. niet door hem vermeld, en het is ons ook bekend, dat o. a. in Menado wel degelijk een aloud, zij \'t ook zich wijzigend, gewoonterecht bestaat.
Die adat is het, waarmee wrij te maken hebben.
Zij moge ontstaan of gewijzigd zijn onder den invloed van den Christelijken godsdienst, van liet vroeger, of van het thans voor Europeanen geldend recht,—die bronnen zelf hebben voor den rechter geen bindende kracht.
Ik geloof voor de toelichting dezer beweringen te mogen verwijzen naar blz. 321—329 van mijn vroeger opstel „de Klassen der Bevolking v. N. Indiëquot; (W. en A. Ie. jaargang); aan het daar aangevoerde behoeft, voor de weerlegging van hot hier afgedrukte, niets te worden toegevoegd. Alleen wensch ik nog te doen volgen het „Reglementquot; van de Vlamingh, waarvan in voorgaande bladzijden sprake is. Uit de afkondiging van de daarin vervatte bepalingen kan men zien, dat destijds het Oud-Hollandsche en Romeinsche recht niet van zelf op den Inl. Christen toepasselijk waren; immers dan waren zij overbodig geweest. Het door mij bij de stukken gevonden afschrift komt bijna letterlijk overeen met den door it/r. Hehneyer in zijn dissertatie over den rechtstoestand der Inl. Christenen meegedeelden tekst.
Ordee en Reglement „weegens den doop en
VOORNAMENTLIJK HET CONTEACTEEREN VAN HUWELIJKEN ONDER de InLANDSCHE CHRISTENEN in DEZE PROVINTIEquot;, UITGEVAARDIGD den 23sten
Mei 1651 door den toenmaligen landvoogd van Amboina, de Vlamingh van Oudshoorn.
Art. 1. Die nog by malkanderen houden zullen zig na 6 -weken dat deze ordre gepubliceerd werd, aangeven, en na 3 proclamatiën trouwen, op poene van de eerste week 25, de tweede 50 en de derde week 100 patholen, waarvan d\' E. Comp. haar part aan den armen geeft.
Art. 2. Die langer wagt, zal met gijsseling daartoe worden geconstrengeerd ten sijnen eigen koste.
Art. 3. Niemand mag zonder consent van zijn ouders trouwen op poene van nulliteit en in hegtenis gezet te worden. ,
Art. 4. Die trouwen wil, en blijk van consent der ouders heeft, sal zich aan Commissarissen aangeven, en 3 kerkelijke geboden laten gaan, en sal den Zondag daaraan den trouwdag voortgaan, ten waare om wettige redenen.
Art. o. Deze verbintenis mag geensints gebroken worden dan om overspel.
Art. 6. Vooraf wel wegens \'t huwelijksgoed t\' accor-deeren, en welke contractatiën voor Secretaris of Schoolmeester met 2 getuygen moet geschieden, op poene van geen regt daarop te zullen genieten zoo het mondeling geschiet is.
Art. 7. Alle betalingen voor of na den trouwdag dan wel een pant van dien moeten bij den Secretaris of Schoolmeester in dorso van \'t contract antenuptiaal aangeteekend worden.
— 52 —
Art. 8. Die bevoorens getrouwt te zijn, en anders dan deze ordre dicteert in dat cas gedaan hebben, zullen haar parthy voor den E. agtb. gerigte citeeren om voornd. ordre gevolg te doen, op poene so wie zulke in 3 maanden tijd niet zal gedaan hebben, daarvan versteeken zullen zijn.
Art. 9. Die voor het trouwen vleeschelijke conversatie houden, verbeuren elk 50 patholen.
Art. 10. Die een vrijster beslaapt sonder kennis der ouders, verbeurt 200 Rds. en zal 3 jaren in den ketting-gaan, en de vrouw zal zoolang opgesloten blijven.
Art. 11. De gehude hebben hare goederen gemeen, tenzij bij voorwaarden anders bedongen was, excepto de landen, die een geheel geslagt toekomen, also die ten allen tijden bij \'t geslagt blijven, en bij versterf weder op de negorij devolveeren.
Art. 12. Omtrent het maken van uyterste willen, so zal het N. Holl. Regt t\' Amsterdam gebruikelijk g\'observeerd moeten worden.
Art. 13. De kinderen agt dagen oud zijnde, moeten ge. doopt worden, te weten van de lieden hier beneden wonende^ op poene van 5 Rijksds. voor ieder gelegenheid die ze ver-suymen en arbitrale correctie.
Art. 14. Die van \'t gebergte en d\'afgelegene eilanden moeten daartoe de visite der predicanten waarnemen, vervallende bij versuym in dezelfde boete.
VERBETERBLAD voor blz. 43 van: „Het privaatrecht der Inl. Christenenquot; (1° jaargang 5U stuk).
Aan het einde van art. 6 leze men in plaats van „drie dagenquot; de woorden: „drie maal vier en twintig uren.quot; (aldus gewijzigd door Stbl. 1898 No. 226).
J. A. N.
— 52 —
Art. 8. Die bevoorens getrouwt te zijn, en anders dan deze ordre dicteert in dat cas gedaan hebben, zullen haar parthy voor den E. agtb. gerigte citeeren om voornd. ordre gevolg te doen, op poene so wie zulke in 3 maanden tijd niet zal gedaan hebben, daarvan versteeken zullen zijn.
Art. 9. Die voor het trouwen vleeschelijke conversatie houden, verbeuren elk 50 patholen.
Art. 10. Die een vrijster beslaapt sonder kennis der ouders, verbeurt 200 Rds. en zal 3 jaren in den ketting
HET PRIVAATEECHT DER INLANDSCHE CHRISTENEN.
(Vervolg) (*)
GrESLACHTS- EJf VOORNAMEN. InLANDSCHE BURGERS.
Bij de Inlandsche Christenen in Ambon en Menado is, wanneer ik mij niet vergis, het voeren van een geslachtsnaam adat; bij de Inlandsche Christenen elders kan dezelfde adat ontstaan en het zou wellicht aanbeveling verdienen dit te bevorderen.
Met het oog hierop dient aan dit onderwerp eenige aandacht geschonken te worden.
Het staat m.i. buiten twijfel, dat wat geslachtsnamen betreft, de Inlander zich zal moeten richten naar de algemeeene beginselen van het burgerlijk recht der Europeanen. Dit volgt vooreerst uit art. 75 al. 6 R. R., daar de adat hierin wel niet zal voorzien; maar bovendien is de bedoeling der Inlandsche bevolking, waar zij geslachtsnamen gaat aannemen, zich te dezen opzichte van haar adat te emancipeeren en bij het Europeesche recht aan te sluiten. De natuur der zaak brengt toch mee, dat, waar sprake is van geslachtsnamen in Euro-peeschen trant, verscheidenheid van regeling in hetzelfde land niet mogelijk is en de adat, waar zij een afwijkende regeling zou willen vormen, in strijd met de openbare orde zou geraken en dus, als in strijd met billijkheid en rechtvaardigheid, niet zou mogen worden toegepast. Immers het zou weinig baten, dat voor de Europeanen c.a. een regeling bestond, die de onderscheiding der geslachten en daardoor de nauwkeurige
(*) Daar ïWet en Adatquot; met dit nummer eindigt, zal ik minder moeten geven dan de titel van dit opstel belooft en mij bepalen tot eenige losse opmerkingen, hoofdzakelijk naar aanleiding van Stbl. 1861 No. 38.
w. eo a. P. C. 5. 51
— 54 —
aanduiding der individuen mogelijk maakte, wanneer de andere klassen der bevolking alles weer ia de war konden brengen door zich evenzoo van geslachtsnamen te gaan bedienen, maar daarbij andere regelen te volgen; het zou onbillijk zijn den Europeaan het recht op een naam toe te kennen, maar hem bloot te stellen aan schending van dat recht door de andere klassen der bevolking. De instelling van geslachtsaamen zou hierdoor haar reden van bestaan verliezen.
Op grond hiervan meen ik, dat o.a. het algemeen beginsel van art. 6 B. W. ook voor Inlanders, die zich van geslachtsnamen bedienen, geldt: „Niemand mag zijn geslachtsnaam veranderen, of een anderen naam bij den zijnen voegen, zonder toestemming van den Grouverneur-Generaal.quot;
Wat betreft het aannemen yan een geslachtsnaam door iemand, die er nog geen heeft, vinden wij geen stellige bepaling in ons wetboek; men mag echter aannemen, dat hierbij de rechten van anderen, ook van Europeanen, door Inlanders zullen moeten worden geëerbiedigd en anders de rechthebbende zich daartegen zal kunnen verzetten.
Het Burgerlijk quot;Wetboek laat deze aangelegenheid overigens ongeregeld, zoodat men uit den aard der instelling en uit een enkele aanwijzing in de wet de hiervoor geldende regelen moet aHeiden. Deze komen hierop neer:
1. Kinderen dragen den geslachtsnaam huns vaders.
2. Niet door den vader erkende, natuurljjke kinderen dragen den geslachtsnaam hunner moeder.
3. De vrouw, huwende, behoudt haar geslachtsnaam, maar mag — althans dit is gebruikelijk — ook dien van haar man voeren met voorgevoegd „Mevrouwquot; „vrouw van,quot; „weduwequot; of „weduwe vanquot; (in het Maleisch waarschijnlijk vervangen door: „bininjaquot; en „djandanja dariquot; si Anoe). Na echtscheiding draagt zij echter des mans naam niet meer; hetzelfde geldt, als zij hertrouwt, ten opzichte van den naam des vorigen echtgenoots.
Daar bij de Inlandsche Christenen, zoover ik weet, het matriarchaat niet in zwang is, zal voor hen in hoofdzaak hetzelfde gelden. Men boude bij de toepassing in het oog, dat
— 55 —
bet kind den naam des vaders behoort te dragen, zoo dikwijls wettig vaststaat wie de vader is. In het Euiopeesche recht zou men dus zeggen: wanneer zij zijn wettig, gewettigd of erkend; het is echter mogelijk dat de adat de?: Inlandscbe Christenen nog andere wijzen kent, waardoor een rechtsverhouding bestaat tusschen buitenechtelijke kinderen en bun vader, dan die wij wettiging en erkenning noemen, en bet zou ook mogelijk zjjn dat bun adat minder middelen gaf en b.v. geen erkenning toeliet. Wij moeten dus algemeener omschrijven: zoo dikwijls er een recAisbetrekking bestaat tusschen vader en kind en derhalve rechtens vaststaat wie de vader is, draagt het kind den naam van dien vader. Staat dit niet vast, al moge door het gerucht iemand als vader worden aangewezen, dan blijft er niets anders over dan bet kind te noemen naar de moeder, zooals dan ook gebruikelijk is. Is de moeder ook niet bekend (b,v. bij vondelingen), dan heeft bet kind geen geslachtsnaam en zal het er een kunnen aannemen, met eerbiediging der rechten van anderen. quot;Wat de moeder betreft pleegt echter niet te worden aangenomen, dat zij onbekend is, zoolang zij liet kind niet beeft erkend. Daargelaten of uitdrukkelijke erkenning volgens het recht van den Inlandscben Christen van moederszijde noodig is, evenals van die des vaders, is het moederschap een waarneembaar feit; op grond biervan is de afstamming, en daarmee het recht op den naam, nooit twijfelachtig, tenzij werkelijk niet bekend is, wie de moeder is.
Dat bet kind, zoodra bet erkend of gewettigd wordt, den geslachtsnaam des vaders verwerft, en dat de vondeling als zijn ouders bekend worden, den naam des vaders (of, als alleen de moeder bekend wordt, dien der moeder) behoort te voeren, volgt logisch resp. uit de regels 1 en 2. De aanvankelijk door hem gedragen naam was slechts een voor-loopige, wegens onbekendheid van een juisteren aangenomen.
In hoofdzaak vindt bovenstaande beschrijving van bet recht op den geslachtsnaam bevestiging in de bepalingen omtrent bet Inlandsch burgerschap, voor Menado (Stbl. 1889 n0. 255, 1891 n0. 147, 1893 n0. 65) en voor Amboina (zie nog Stbl.
1892 no. 82) vastgesteld, die men, zooals ze thans luiden, hierachter (blz. 58) vindt opgenomen.
Zooals men weet, bestaat in Amboina en Menado een van de overige bevolking onderscheiden klasse van „Inlandsche burgersquot;, in den tijd der O. I. Compagnie daar waar deze zich vestigde ontstaan uit de Inlanders, die zich van elders daar neerzetten en niet aan de inheemsche vorsten of hoofden, maar direkt aan de Compagnie onderworpen waren, terwijl zij in ruil voor de vrijstelling van eenige heerendiensten tot schutterdienst verplicht waren.
In het reglement voor de schutterijen in de residentie Menado van 1878 (Stbl. nquot;. 107) wordt in art. 1 sub i nog deze definitie gevonden: „ Onder (Inl.) burgers worden verstaan Inlandsche en Oostersche vreemdelingen, die zich in de residentie Menado vestigen.quot;
De hoedanigheid werd echter als een erfelijke beschouwd en zoo ontstond een klasse van Inlanders, wier voorouders reeds gedurende tal van geslachten in het gewest woonden, die dus geheel waren opgegaan in de inheemsche bevolking, maar toch niet weinig hechtten aan hun „burgerschapquot;, vooral om de daaraan verbonden voorrechten. De onderscheiding heeft in onzen tijd al lang haar reden van bestaan verloren, zoodat het op den weg der Regeering lag te trachten aan deze ongemotiveerde onderscheiding langzamerhand een eind te maken. De eerste stap in die richting moest zijn door nauwkeurige regeling der aangelegenheid den overgang voor te bereiden en de onnatuurlijke uitbreiding van het aantal Inl. burgers, die door verschillende middelen werd bevorderd, tegen te gaan. Het doel bij de vaststelling der thans geldende bepalingen was dus ndat het aantal burgers niet zou vermeerderen dan voorzoover de natuur het toelaat.\'quot;
Neemt men dit in aanmerking, dan is het in art. 1 van die reglementen sub c bepaalde niets vreemds en mag men er niet uit afleiden, dat ook in het algemeen bij de Inlanders in die beide gewesten alle niet staande huwelijk geboren kinderen den staat der moeder volgen, zooals ten opzichte van het Inl. burgerschap in dat art. 1 c is bepaald.
— 57 —
Immers daar worden tegenover elkander gesteld: wettige ■afstammelingen, die den staat van den vader —, en huiten huwelijk geborenen, die den staat hunner moeder volgen. Door de bewoordingen dezer tegenstelling moet men aannemen, dat later gewettigde en in elk geval dat alleen erkende natuurlijke kinderen, niet onder de wettige zijn begrepen, want zij zijn buiten huwelijk geboren en de gebruikelijke terminologie noemt hen ook niet wettige afstammelingen. Hoewel misschien wat hard, zou deze bepaling gerechtvaardigd worden door de noodzakelijkheid om in deze aan de misbruiken een eind te maken. Wanneer een Inl. burger, door wettiging of erkenning van een Inlandsch individu als zijn kind, dit het burgerschap kon doen deelachtig worden, dan zou menig burger er zich wellicht toe leenen tegen loon of uit vriendschap eenige niet-burgers te erkennen en zoo tot zijn kaste te promoveeren. De letterlijke inhoud der bepaling was dus volkomen in overeenstemming met haar speciaal doel en in de stukken betreffende dit onderwerp (1) vond ik, voorzoover de eerste verordeningen aangaat (voor Menado), niets dat met mijn opvatting in strijd was. De kwestie was eenvoudig niet aangeroerd. Toen echter ook voor Amboina het Inlandsch burgerschap zou worden geregeld, was door den Resident van dat gewest in zijn ontwerp de bepaling voorgesteld, dat gewettigde of erkende kinderen te dezen opzichte den staat des vaders volgen. „Ter toelichting werd door hem aan het slot van art. 1 c aange-teekend, dat ook nu reeds van oudsher is aangenomen, dat kinderen verwekt door een negorijman bij eene burgervrouw en door dien vader erkend dan wel door een opvolgend huwelijk gewettigd, den staat van den vader volgenquot;.
De redaktie van den Resident werd weliswaar niet overgenomen, maar hem werd „ten einde mogelijke misvattingen te voorkomen omtrent de bedoeling, waarmede de weglating der bewuste slotwoorden heeft plaats gehadquot;, bij missive van den lm Gom. Secr. van 24 Maart 1892 No. 732 dienaangaande geschreven :
(1) Waaruit ik hier het een en ander publiceer krachtens vergun-Tiing, gegeven bij het vorenbedoeld besluit van 14 Augustus 1898 no. 12.
„Een dergelijke bepaling, welke ook in de ordonnantie in Stbl. 1889 No. 255 niet voorkomt, schijnt n. 1. overbodig, aangezien in casu sprake is van burgers, die den leeftijd van 16 jaren hebben bereikt, en erkenning of wettiging van dergelijke volwassen personen wel zelden zal voorkomen, terwijl zoo de erkenning vroeger heeft plaats gehad, daardoor de gevolgen van de geboorte buiten huwelijk vervallen.quot;
Het is wel jammer dat in deze de afkeer van overbodigheden de duidelijkheid weer heeft geschaad, want men zal moeten toegeven, dat de bovenstaande opvatting niet algemeen wordt gehuldigd. Of de erkenning vóór of na den 16 jarigen leeftijd plaats heeft, maakt dunkt mij geen onderscheid. Zij moge eenige gevolgen van de onwettige geboorte opheffen, de geboorte buiten huwelijk blijft bestaan, en aan deze verbindt de verordening uitdrukkelijk als gevolg dat men, wat het al of niet burger zijn betreft, den staat der moeder volgt. Deze speciale bepaling derogeert aan de algemeene bepalingen en beginselen omtrent erkenning enz.
3Ien zal dus in deze wel eens voor de moeilijke vraag komen wat te volgen: de duidelijke woorden eer wet, of de daarmee niet overeenkomende bedoeling van den wetgever, terwijl bovendien nog de vraag overblijft of de wetgever voor Me-nado ook zulk een met zijn woorden strijdige bedoeling heeit gehad.
Maar hoe dit zij, in elk geval blijkt afdoende, dat de wetgever niet bedoeld heeft door de bizondere bepalingen omtrent den staat van Inlandsch burger iets te veranderen in den overigens algemeen geldenden regel, dat zoowel wettige kinderen als zij, die door een latere handeling des vaders zich tot dezen als kind zijn komen te verhouden, den staat huns vaders volgen. Dit is, meen ik, overal in Indië, waar het matriarchaat niet meer bestaat, een vaste adat.
Bepalixgen omtrent het inlandsch bxjkgersciiap in Menado en Amboina.
(N.B. Waar één tekst vermeld wordt is deze voor beide
— 59 —
westen gelijk. Bij kleine yerschillen Tan tekst is de regeling or Menado gevolgd en moeten voor Amboina in plaats van gekursiveerde, de daarachter tusschen haakjes geplaatste oorden worden gelezen. Bij grooter verschil zijn de teksten ;ast elkaar geplaatst.)
Art. 1.
(Menado) Ingezetenen der sidentie Menado, met der Don gevestigd ter hoofdplaats te Kenia, Tanawangko en noerang,
(Amboina) Ingezetenen der residentie Amboina, met der woon gevestigd ter hoofdplaats, of te Bandaneira, Saparoewa, Kajeli en Hila, zoomede in daartoe door het Hoofd van Gewestelijk Bestuur aangewezen negorijen en kampongs, orden beschouwd als inlandsch burger, indien hunne namen jn vermeld in daartoe door het hoofd van plaatselijk bestuur n te leggen registers.
In die registers worden opgenomen:
wier namen reeds
a zij.
orkomen in de processen-irbaal van het in 1879 en dgende jaren ter zake gehou-!n onderzoek (Menado) ;
a zij wier namen reeds voorkomen in do registers, aangehouden ingevolge art. 1 van het bij besluit van den Grouverneur der Moluksche Eilanden d.d. 1G Juli 1828 IVo. 8 vastgesteld reglement op de burgerij in de residentie Ambon en art. 2 van de bij besluit van genoemd Hoofd van Gewestelijk Bestuur d.d. 16 October 1829 No. 1 gearresteerde en bij resolutie van 24 Juli 1830 No. 25 goedgekeurde instructie voor het corps burgerij te Banda; h zij, die, ingeval van twijfel, hunne aanspraken op het landsch burgerschap binnen één jaar na de inwerkingtreding !zer ordonnantie (dus: in Menado vóór 22 Maart 1891, in
— 60 —
Amboina vóór 9 Juli 1893), ten genoegen van het hoofd Tan gewestelijk bestuur hebben bewezen;
c zij, die den leeftijd van zestien jaren hebben bereikt en wettige afstammelingen zijn van een man, dan wel buiten huwelijk geboren zijn uit eene vrouw die volgens het bepaalde sub a en è als inlandsch burger zijn (is) erkend.
Art. 2.
Inlandsche burgers, die zich buiten de in art. 1 genoemde plaatsen (plaatsen, negorijen of kampongs) met der woon vestigen, verliezen, wanneer die vestiging minstens een vol jaar achtereen geduurd heeft, onherroepelijk den staat van Inlandsch burger.
Inlandsche burgers, die bij de inwerkingtreding dezer ordonnantie reeds elders gevestigd waren, verliezen evenzeer onherroepelijk dien staat, tenzij zij binnen één jaar hunne woonplaats naar een der in artikel I genoemde^Zaaise» (plaatsen, negorijen of kampongs) hebben overgebracht.
Inlandsche burgers in militairen dienst verliezen eerst den staat van Inlandsch burger, wanneer zij binnen één jaar na hunne terugkomst in de residentie Menado (Amboina) zich niet weder met der woon in een der in artikel 1 genoimde (bedoelde) plaatsen (plaatsen, negorijen of kampongs) gevestigd hebben.
In alle drie deze gevallen worden hunne namen in de bij artikel 1 bedoelde registers geschrapt.
Kinderen beneden de zestien jaren volgen in deze gevallen den staat van hunnen vader, of, indien zij buiten huwelijk zijn geboren, dien van hunne moeder.
Zij, die den leeftijd van zestien jaren hebben bereikt, zijn verplicht binnen drie maanden daarvan aangifte te doen aan het betrokken Hoofd van Plaatselijk Bestuur, op verbeurte van den staat van Inlandsch burger.
(N.B. Voor Amboina werd aanvankelijk — Stbl. 1892 N0. 82 art. 5 — alleen een boete van f 10.— ƒ 25 often arbeidstelling van 7—12 dagen tegen het verzuim bedreigd en wel na één maand; bij Stbl. 1893 N0. 65, ten derde werd dit gewijzigd conform Menado).
— 61 —
Van geboorte en overlijden in een burgorgezin moet door t hoofd van het gezin binnen driemaal vierentwintig uren idelijke aangifte worden gedaan aan den betrokken wijkmeester ;trokken wijkmeester, kapala kampong of regent), die daarvan o spoedig doenlijk kennis geeft aan het betrokken Hoofd n Plaatselijk Bestuur.
Art. 4. Menado == Art. 5. Amboina.
Verzuim der aangifte, bedoeld bij de laatste alinea van Sikel 2, wordt gestraft met een boete van tien tot vijf en intig gulden, of tenarbeidstelling aan de publieke werken or den kost zonder loon van zeven tot twaalf dagen.
Behalve deze nagenoeg overeenstemmende artikelen gelden g de volgende voor
„ Amboina.
Art. 3. Inlandsche burgers, met der woon gevestigd ter ofdplaats of te Bandaneira, Saparoewa, Kajeli en Hila, zijn rplicht tot het prestoeren van gemeente-diensten en staan, enals die in de daartoe door het Hoofd van Grewestelijk istuur aan te wijzen kampongs, onder de bevelen en het 3zicht van dtsor het Grewestelijk Bestuur te benoemen wijk-iesters of kapala\'s kampong. Inlandsche burgers, gevestigd de daartoe aangewezen negorijen, staa n mede onder toezicht n een wijkmeester of kapala kampong, doch zijn rechtstreeks dergeschikt aan do Hoofden dier negorijen en volgen de velen dier hoofden op.
Zij zijn, evenals de Inlandsche burgers in de door het Hoofd n Gewestelijk Bestuur daartoe aan te wijzen kampongs, derworpen aan de heeren-en gemeentediensten der negorij-volking, met uitzondering van de persoonlijke diensten ten hoeve van de regenten of negorij hoofden, waaronder ook grepen worden de door het bestuur aangestelde Inlandsche zaghebbers.
Art. 4. Inlandsche burgers kunnen, krachtens vergunning n het Hoofd van Gewestelijk bestuur, afstand doen van hun lat als burger en dien van negorij man aannemen.
— 62 —
Burgerlijke Stand.
De Inlandsche Christenen hebben recht zich te onderwerpen aan de voorschriften omtrent het houden der registers van den burgelijken stand in N. Indië. Laatstelijk is dit erkend in Stbl. 1864 !No. 142 (Koninklijke goedkeuring daarvan Stbl. 1865 No. 67). De vraag of en, zoo ja, hoe van die onderwerping moet blijken, is echter nergens officiéél beantwoord.
Vooreerst is twijfel gerechtvaardigd of deze onderwerping wel valt onder de bepalingen van art. 11 en 13 Alg. Bep. v. Wetg. Immers de bevoegdheid daartoe is speciaal den Inl. Christen reeds geschonken vóór de vaststelling dier Alg. Bep. (zie Stbl. 1840 No. 2) en is van een bizonderen aard. Zonder uitdrukkelijke bepaling als in Stbl. 1840 No. 2 en 1864 No. 142 zou geen Inlander — zelfs als Christen — zich aan de bepalingen aangaande de registers van den Burg. Stand vrijwillig mogen onderwerpen, daar deze de publieke orde betreffen en art. 11 en 13 A. B. geen vrijheid geven om ten opzichte van zulke onderwerpen van openbare orde af te wijken van de onderscheidenlijk voor de verschillende klassen vastgestelde regelen. Zoo althans is veler opvatting; waartegen echter nog wel iets zou zijn in te brengen, waar het geldt den B. Stand.
Maar ik meen dat in elk geval men, wanneer een Inl. Christen een afgifte komt doen ter inschryving in de registers van den B. Stand, niet mag eischen dat hij zich nog eens uitdrukkelijk onderwerpe aan de bepalingen op het houden van die registers, daar zich hier een stilzwijgende onderwerping voordoet: zij volgt uit de handeling zelve en Ie akte, die deze konstateert, doet dit ook tevens de onderwerping, die geen verdere gevolgen heeft. Immers algemeene onderwerping is, behalve bij huwelijken, in het Indisch recht onbekend; een volgenden keer ia degeen, die zich bij een vorige handeling (aangifte) onderwierp, niet meer gebonden door de onderwerping ter zake dier vroegere handeling.
De onderwerping, zij hebbe dan uitdrukkelijk of stilzwijgend plaats, bindt ook niet verder dan voor de registers van den
— 63 —
irgerlijken stand; men mag daaraan niet willekeurig een tbreiding geven door b.v. Christen-Inlanders, die hun hu-slijk lieten inschrijven bij den B. Stand, dientengevolge iderworpen te achten aan de geheele Europeesohe huweliiks-etgeving. Dit zou alleen geoorloofd zijn, wanneer zi] zich r zake van het huwelijk vrijwillig hadden onderworpen, niet m de bepalingen op het houden van gemelde registers, maar m de daarop betrekking hebbende bepalingen van het Bur-ïrlijk Wetboek (1).
Onverminderd het recht dor Inl. Christenen om zich te iderwerpen als boven bedoeld, is het Hoofd van Gewestelijk
Plaatselijk Bestuur volgens gemeld Stbl. 1864 no. 142 „be-)egd een persoon aan te wijzen tot het houden der registers m de geboorten, huwelijken, echtscheidingen (2) en sterfge-illen onder de voornoemde Christenenquot; en „die registers zullen orden gehouden volgens model, door het Hoofd v. Grew, of 1. Best. voor te schrijven en daarvan zullen alle zes maanden schriften moeten worden ingediend bij het plaatseljjk bestuur, n eicde aldaar te worden bewaard.quot;
Er zijn dus drie soorten van Burg. Stand voor de Inl. Chris-nen: le de gewone Europeesche, 2e die, volgens modellen m gewestelijken of plaatselijken aard door speciaal voor hen mgewezen personen aangehouden, en 3°, speciaal voor hun awelijken in de voormalige Molukken en Timor, de registers i akten bedoeld in het voren reeds besproken Stbl. 1861 o. 38 (art. 9).
De derde soort is niet fakultatief, waaruit ik meen te mo-3n opmaken, dat in de Molukken en Timor de eerste en peede soort, voorzoover huwelijken betreft, zijn uitgesloten. Een idere vraag is of, wanneer de Resident of Ass. Resident voor 3 Inl. Chri stenen in zijn ressort een persoon als ambt. v. d. . St. heeft aangewezen en de noodige modellen heeft vastge-
(1) Zie verder «Wet en Adatquot;, le jaarg., »De klassen der bevol-ng v. N. I.quot; blz. 2 81 e. v., speciaal blz. 291. 292.
(2) Dit woord werd er eerst bij Stbl. 1885 Ko. 185 ingevoegd.
— 64 -
steld, de Inl. Chr. niettemia bevoegd blijven zich te regelen naar de voorschriften, vastgesteld — en hun aangiften te doen bij do ambtenaren v. d. B. St. aangesteld—voor de Europeanen. Aan den eenen kant zou men zeggen : wanneer op wettige wijze een regeling van den Burgerlijken Stand speciaal voor de Inl. Christenen is vastgesteld, gaat het niet aan, dat zij zich daaraan naar verkiezing zouden kunnen onttrekken, door zich aan de dienaangaande voor Europeanen geldende bepalingen te onderwerpen. Aan den anderen kant echter is de bevoegdheid tot regeling den Hoofden v. Gew. en PI. Best. bij Stbl. 1864 No. 142 toegekend onder de duidelijke toevoeging „onverminderd het recht der Inl. Chr. om zich aan de voorschriften omtrent het houden der reg. v. d. B. St. in Kquot;. Indië te onderwerpen.quot; Op grond hiervan meen ik, dat zij hiertoe het recht hebben, ook al heeft de Eesident of Ass. Res. een andere regeling daaromtrent vastgesteld.
Deze verscheidenheid van burgerlijken stand kan niet bepaald geroemd worden als een voorbeeld van goede regeling. In de Molukken b. v. zal een huwelijk moeten worden voltrokken en geregisteerd overeenkomstig Stbl. 1861 \'So. 38, maar de ontbinding van hetzelfde huwelijk zal moeten worden ingeschreven in de registers bedoeld in Stbl. 1864 No. 142 (zoo daaromtrent gewestelijke of plaatselijke bepalingen bestaan), dan wel kunnen worden ingeschreven in de Eu-ropeesche registers. Van de kinderen van één zelfden Inl. Christen zal het een voorkomen in de registers, krachtens Stbl. 1864 No. 142 vastgesteld, het ander, geboren in een gewest, waar geen gevolg is gegeven aan dit Staatsblad, zal bij gebreke daarvan in de Europeesche registers geboekt zijn, een derde wellicht in \'t geheel niet zijn geboekt, wat ook wel mag.
Wanneer zal zulk een verwarde toestand plaats maken voor een uniforme regeling van den B. Stand, zoo niet voor alle ingezetenen van N. Indië, dan toch voor alle niet-Europeanen? quot;Wanneer de kosten hiervan weerhouden, kan naar besparing door vereenvoudiging worden gestreefd, ter wij 1 men ook de
— 65 —
igilten voorloopig slechts voor enkele klassen (b.v. de Vreemde terlingen, de Inl. Christenen en den Inlandschen adel) slichtend en voor de overigen fakultatief kan stellen.
iaat ons hopen, dat het spoedig zal gebeuren, want de jerhjke stand is een voornaam verreischte voor rechtsze-beid.
Het huwelijk.
s het huwelijk voor Inlanders een burgerlijke of een kerke-e handeling?
iiedaar een vraag, die wel eens aanleiding kan geven tot jilijkheden en tot misverstand, zelfs bij de Mohammedanen, se leven onder een gewoonterecht, dat, wat het huwelijk •eft, de voorschriften en gebruiken van den Islam voor een iot deel heeft overgenomen, die naar hun voorstelling van Idelijken oorsprong zijn. Toch is volgens dat recht het vehjk geen kerkelijke handeling. De tusschenkomst van priester bij de voltrekking was meer eene van den des-idige en is langzamerhand geworden die van den door de t (en sedert kort ook door het Bestuur krachtens algemeene ordening) voor het konstateeren van huwelijken aangewezen soon, dan dat hij vereischt wordt krachtens het kerkelijk ht of krachtens zijn priesterlijk gezag. Dit is althans mijn atting. Anders scheen de K-egeering er vroeger over te ken.
n haar besluit van 23 Augustus 1859 No. 4 (zie voren 4 en 5) beveelt zij den Europeeschen ambtenaren derhalve , zich te onthouden van alle bemoeienis met de voltrekking huwelijken van Christen Inlanders. Toch zou het m. i. iiist zijn op grond hiervan en van de in Stbl. 1861 No. 38 enomen bepalingen aan te nemen, dat voor de Inl. Chris-m geen burgerlijk, maar een kerkelijk huwelijk bestaat.
laatste is, bij ordelijke toestanden, haast niet denkbaar der een staatskerk; want daarvoor is noodig dat de kerk : alleen sanktie verleent aan de handeling, maar deze ook eel regelt en tot in haar gevolgen beheerscht en daarvan
— ee
ls hier geen kwestie. De Staat heeft in Indië uooit erkend, dat het huwelijk buiten zijn machtskring ligt, al Terzet hij er zich niet tegen, zoolang hij den Inlander vrij laat in zijn recht, dat deze godsdienstige voorschriften daarbij opvolgt of zich zekere kerkelijke of schijnbaar kerkelijke vormen daarbij aanwent. En wat de Inl. Chr. in het bizonder betreft, heeft de Staat zelfs uitdrukkelijk bij laatst gemeld Staatsblad de voorwaarden vastgesteld, die voor het aangaan van een huwelijk moeten worden vervuld, en de gevolgen ten opzichte van de voorkinderen geregeld. Het huwelijk is dus voor hen zonder twijfel een buiger-rechtelijke handeling. Voor de inzegening of voltrekking daarvan kan desniettemin de tusschenkomst van een godsdienstleeraar natuurlijk wel worden toegelaten of zelfs vereischt.
Het Besluit van 23 Aug. 1859 no. 4 verbiedt dan ook alleen de bemoeienis met de voltrekking der huwelijken en het vorderen van andere formaliteiten dan bij de publ. van 1 Dec. 1851 (Stbl. no. 70) zijn voorgeschreven.
De voltrekking des huwelijks heeft in Stbl. 18ei no. 38 een kerkelijke tint behouden. De voltrekking zelve heeft plaats door den leeraar of schoolmeester (gemachtigd door den ker-keraad), „daartoe bevoegdquot; (art. 6). Deze echter mag hiertoe niet overgaan dan na twee huwelijksafkondigingen, en om deze te doen moet hij verlof hebben van den betrokken be-sturenden ambtenaar (art. 5). quot;Wanneer iemand zich tegen het huwelijk verzet, zal evenzoo een besturend ambtenaar daarover moeten beslissen en diens verlof weer noodig zijn om het te voltrekken.
De leeraar heeft dus geen vermogen om zelfstandig op te treden; hij handelt alleen krachtens machtiging van de burgerlijke autoriteit.
iNaar aanleiding van deze regeling doen zich de volgende vragen voor:
1° Is de voltrekking door den leeraai; of schoolmeester een kerkelijke handeling ?
Aan den eenen kant zou men zeggen: ja, aangezien de ambtenaar er anders even goed zelf mee kon zijn belast, nu
— 67 —
hem toch do aangifte plaats heeft. Aan den anderec kant ter kan men aanvoeren, dat een door de burgerlijke wet iemand opgedragen verrichting geen kerkelijke, maar een gerlijke moet geacht worden te zijn ; terwijl het desniettemin klaarbaar is, dat een godsdienstleeraar daarmee belast werd, ireerst omdat dit van oudsher zoo was, en voorts omdat voor de bevolking meer gemak opleverde.
k geloof dat men het meest in overeenstemming met den ist der bepalingen blijft door aan te nemen, dat de voltrek-g van het huwelijk is een burgerlijke verrichting, aan welke wetgever den belanghebbenden echter de gelegenheid wilde ;n zooveel kerkelijke wijding te geven, als hun gewenscht irkomt. Yandaar dat men haar bleef opdragen aan den L-aar, die zoodoende de burgerlijke en kerkelijke bevoegdheden één persoon vereenigt.
}ü. Is de leeraar (of schoolmeester) ook verplicht het huwe-; te voltrekken, wanneer de formaliteiten, die vooraf moegaan, hebben plaats gehad ?
A.rt. 5 spreekt alleen van een verlof, art. 6 zegt alleen dat iuay overgaan tot de voltrekking. Strikt genomen zou n dus kunnen zeggen, dat hij er nooit toe verplicht is; ar dit kan natuurlijk de bedoeling der wet niet zijn geweest, ,r het dan van het goedvinden van den leeraar zou afhan-i of personen, die aan alle eischen voor een huwelijk heb-i voldaan, al dan niet kunnen huwen. In zijn kerkelijke aliteit kan de leeraar natuurlijk weigeren de voltrekking doen vergezeld gaan van godsdienstig ceremonieel; maar de trekking zelve — zoo hij of het bruidspaar dit verlangen, buide kerk — mag hij, dunkt mij, niet weigeren. Wanneer t. 5 en 6 spreken van „verlofquot; en van „mogenquot;, is dit raan toe te schrijven, dat men aan een weigering door i leeraar niet dacht, en slechts wilde bepalen in welke geval-hij niet ma;;. De inkleeding hiervan in een voorwaardelijk-gen brenge ons niet van de wijs.
3e twee vragen, waarvoor ik hier een antwoord tracht te den, waren tydens het vaststellen van Stbl. 1861 N0. 38 t voorzien en ook van geen belang. De Inl. Christenen
waren allen van dezelfde gezindheid en zelfs onder de Europeanen waren er weinigen, die niet behoorden tot eenig kerkgenootschap.
Sinds is het aantal van hen, die tot geen kerkgenootschap behooren, zeer toegenomen en heeft het Catholicisme in de Molukken en ook elders onder de Inlanders den Protestant-schen zendelingen konkurrentie aangedaan, een zaak die ons als juristen overigens niet aangaat, maar die te meer de noodzakelijkheid doet uitkomen, dat ook tusschen Inlanders van verschillende godsdienstige gezindheid het huwelijk kunne worden voltrokken. Ook voor zulke huwelijken is er voor-loopig geen bezwaar tegen, do voltrekking over te laten aan den persoon, die tevens godsdienstleeraar is; maar in deze kerkelijke hoedanigheid zal hij dan toch dikwijls de handeling niet kunnen volvoeren en het staat dus vast, dat hij dan een burgerlijke handeling verricht, hoewel niemand hem zal willen verbieden daaraan tevens een godsdienstige wijding te geven, als partijen dit verlangen; en bet is ook duidelijk, dat zijn dubbele hoedanigheid geen aanleiding mag zijn dat, zoo dikwijls zijn persoonlijke overtuiging tegen het huwelijk is gekant, de aanstaande echtge nooten gedwongen worden van elkander af te zien, dan wel in onwettige gemeenschap met elkander te verkeeren. Staatsblad 1861 N0. 38 sluit voor de Inl. Christenen in de Molukken en Timor de gelegenheid uit om op andere dan de daar bepaalde wijze onderling een wettig huwelijk aan te gaan. Die éénige wijze moet hun dan echter, behoudens de verbodsbepalingen der wet, niet onmogelijk kunnen worden gemaakt.
Buiten de Molukken en Timor is de voltrekking van het huwelijk der Inl. Christenen niet door stellige wetsbepalingen geregeld. Wel kunnen de Hoofden van Gewestelijk of Plaatselijk Bestuur personen aanwijzen voor het houden der registers van den Burgerlijken Stand van Inl. Chr. en hebben zij dit hier en daar gedaan; ook gullen zij door hun bevoegdheid om de modellen dier registers vast te stellen op de wijze van voltrekking eenigen invloed kunnen oefenen; maar de voorwaarden voor de voltrekking vast te stellen, ligt buiten de hun
— 69 —
Stbl. 1864 no. 142 toegekende macht. De adat der Inl. r. zal wel op de meeste plaatsen hun godsdienstvoorgangers iwijzen als de tot voltrekking bevoegde personen, en daar ie geen opdracht hiertoe aan de wet ontleenen, zijn de bo-ibesproken vragen en bezwaren te hunnen opzichte van nog er gewicht.
Eet is hier de plaats te wijzen op art. 1 der nieuwe regeling i de gemengde huwelijken (Stbl. 1898 no. 158), dat tot eenigen ijfel aanleiding kan geven. Bedoelt het alleen met ^gemengde wehjkenquot; die tusschen Europeanen o. m. d. g. g. eenerzijds en anders o. m. d. g. g. anderzijds, of ook huwelijken onderling schen Inlanders of m. d. g. g., als deze aan verschillend recht i onderworpen? De woorden van art. 1 zouden aanleiding ge^ i tot de laatste opvatting. Een Chinees of Japanner trouwende t een Inlandsche vrouw, is aan een ander recht onderworpen i zij. Maar zou het de bedoeling van het staatsblad wel i zich tot zulke huwelijken uit te strekken, waar het in . 6 van al zulke echtvereengingen een akte eischt, die door i (d. i. den Europeeschen) Ambtenaar van den Burgerljjken md moet worden ingeschreven? Wanneer ook bedoeld zijn huwelijken tusschen Inlanders o. m. d. g. g. van verschil-d recht, dan blijven de vorenbesproken bezwaren bestaan, i dikwijls het huwelijk naar het recht van den man, dat atgevend is (art. 6 al. 1), moet worden voltrokken door een isdienst-leeraar of voorganger. Hoe zal b.v. een Mohame-msche panghoeloe een huwelijk van een geloofsgenoot met i Christenvrouw moeten sluiten? Zal hij daartoe geneigd i en verplicht kunnen worden?
Ziet Stbl. 1898 No. 158 daarentegen alleen op huwelijken i Europeanen o. m. d. g. g. met Inlanders o. m. d. g. g. ier recht in art. 75 R. R. aan elkaar wordt tegenovergesteld), i zijn de gemengde huwelijken van Inlapders een nog ongehelde aangelegenheid, die tot veel verwikkelingen aanleiding i geven. Ook artt. 12 en 13 van Sijbl. 1861 No. 38 voorden niet daarin.
Zooals boven werd opgemerkt kan voorloopig de huwelijkstrekking wel blijven opgedragen aan den godsdienstleeraar. v, en A. P. C. 6. 52
— 70 —
Wanneer het echter niet alleen de taak is van den bestuurder, maar ook van den wetgever, te voorzien, dan zal deze zich niet rustig bij dit voorloopige mogen neerleggen, maar intusschen een regeling moeten voorbereiden, die beter past bij de dingen die komen en al duidelijk zijn te onderscheiden. Hij wachte niet, onbezorgd, tot de behoefte eener nieuwe regeling voor hem zichtbaar wordt, want hij staat te hoog boven de onder hem wriemelende menigte om tijdig te merken, welke nadeelea het uitblijven eener regeling heeft; ook gaat het — dit is een eigenaardigheid van Indië — wel zonder (of ondanks een verkeerde) regeling; maar later blijkt eerst hoeveel onregelmatige toestanden, hoeveel onzekerheid en rechtsverlies (als \'t eenmaal op procedeeren aankomt), daaruit zijn ontstaan. Dan is \'t dikwijls te laat of moet men zijn toevlucht nemen tot hulpmiddelen, als art. 12 van Stbl. 1898 No. 158, die haast meer nadeelen dan voordeelen aanbieden.
Om nóg een reden zal de tegenwoordige regeling der hu-welijk8voltrekk:.ng bij Inlandsche Christenen en Mohammedanen niet langer mogen worden gehandhaafd dan noodig is, althans voor de gemengde huwelijken onder hen. De onzijdige Staat behoort door zijn voorschriften den verschillenden gezindheden geen wapenen in handen geven tot het maken van propaganda voor haar godsdienst. Nu zijn, om van anderen te zwijgen, de Mohammedanen ijverige bekeerders en hebben zij met sommige Christen-sekten gemeen, dat zij het overgaan tot hun geloof zeer gemakkelijk maken, zeker in de verwachting dat, moge de bekeerde zelf een minder overtuigd en ijverig geloofsgenoot zijn, de nakomelingen van jongs af aan onder hun invloed komen en trouwe leden der gemeente worden zullen. Van hun standpunt beschouwd is dit lang niet verwerpelijk; maar het ligt voor de hand dat zoodoende menigeen, ten einde te kunnen trouwen, zich zal laten bekeeren, wanneer de eenige tot de huwelijksvoltrekking bevoegde persoon verklaart, dat hij deze anders zal moeten weigeren. Uit den aard der zaak geraken de voorbeelden hiervan meestal niet algemeen bekend (f), zoodat het onmogelijk is er een statistiek
(-|-) Zie Orgaan der Ned. Zendingsvereen. Maart 1897, blz. 38.
— 71 —
Tan te geven, maar al is zoo iets tot nu toe zelden voorgekomen, het behoort te worden voorkomen dat de regelingen van den Staat hiertoe aanleiding geven; politiek en zedelijkheid beiden eischen dit.
Hoe zou hierin moeten worden voorzien ? Zonder in bizon-verheden te willen treden, uit ik de hoop dat Stbl. 189S ïfo. 158 daarbij niet tot voorbeeld worde genomen.
Het is alsof er een noodlot op Indië rust, dat het noodzaakt in den zin der wet steeds in twee uitersten te vervallen, «onder ooit het juiste midden te willen kennen. Zoo maken wij, wat het recht betreft, onderscheid tusschen Europeanen eenerzijds. Inlanders anderzijds, en fingeeren daartusschen een breede, diepe kloof waar niets is; we stellen als het ware twee uitzonderingen vast op een regel, dien we negeeren; want al die uitersten hebben hun eigen, hun uitzonderingsrecht. Niets ia meer in strijd met de werkelijkheid. Moge er eens zulk een kloof hebben bestaan, ze is reeds lang gedempt en het zou voor de hand liggen ook op juridisch gebied met de eenheid rekening te houden en voor deze een recht vast te stellen, waarop dan voorloopig vele uitzonderingen zullen moeten worden toegelaten, die echter allengs in den regel kunnen worden opgelost. Maar zoo iets schijnt voor ons onbereikbaar te zijn en in de plaats daarvan brengen we alles wat het midden zou kunnen vormen met geweld tot een der uitersten over.
Veelal ligt dit zóó weinig in den aard der zaak, dat wij in twijfel zijn tot welke der twee uitersten iemand te brengen, en hoewel de logica zou meebrengen dan aan te nemen, dat hij tusschen die twee in behoort te staan, kunnen wij daarmee maar geen genoegen nemen: behoort hij niet bij de Inlanders (zooals men nu van den Japanner gaat vinden), dan zal hij ook Europeaan zijn; behoort hij niet bij de Europeanen {zooals men in 1854 van den Inl. Christen vond), dan zal hij ook Inlander zijn. En zoo gaat het ook met het recht. In plaats van voor degenen, die niet tot de uitersten behoo-ren een normaal recht vast te stellen, dat allengs het recht voor Ned. Indië zou kunnen worden, breken wij ons het hoofd alleen met de vraag onder welk uiterste wij hen-opzichzelf en
hun kombinaties zullen wringen. Het spreekt van zelf, dat het ondoenlijk is in enkele algemeene regelen een billijke en praktische oplossing aan te geven voor de groote verscheidenheid van recht, die hier bestaat. De hierbesproken aangelegenheid, het huwelijksrecht, is bizonder geschikt om dit te doen uitkomen. Praktische moeilijkheden zullen zich voordoen bij de toepassing (zoo: als de voltrekking geweigerd wordt) en voor den jurist zal een gansche reeks van verwarring stichtende vragen ontstaan. Zou het nu niet veel eenvoudiger zijn een algemeene regeling van het huwelijksrecht c. a. vast te stellen; waaraan zich hebben te houden zij, die niet tot een der twee uitersten beboeren, of zich daarvan emancipeeren (vreemde Oosterlingen, Inl. Christenen enz ), en zij die niet onder hetzelfde recht staan? Staatsblad 1861 no. 38, dat in de praktijk is gebleken bruikbaar te zijn, doet ons een regeling aan de hand, die niet veel wijziging zou behoeven om ook voor niet-Christenen bruikbaar te zijn, en zou dus als grondslag kunnen dienen.
Een beginsel dat voor de Inl. Christenen in de Molukken en Timor vaststaat, is dat de man tegelijkertijd slechts met één vrouw, en de vrouw slechts met één man gehuwd kan zijn (zie art. 27 B. W.), Dit blijkt uit art. 2 sub d. van Stbl. 1861 no. 38. Voor de overige Inl. Christenen bestaat wel geen dergelijke wetsbepaling, maar hetzelfde beginsel wordt toch n. f. door hen allen gehuldigd en kan men dus beschouwen als een algemeene adat der Inl. Christenen. Zoolang zij zich echter niet onderworpen hebben aan den 4en titel, le boek van ons B. W. zijn zij niet strafbaar als zij een nieuw huwelijk sluiten vóór de ontbinding van het vroegere (zie art. 257 Wb. v. Str. v. Inl.); het nieuwe huwelijk is dan echter, als onbestaanbaar, niet geldig.
Er zijn in ons Europeesch recht nog twee beginselen, in artt, 32 en 33 B. W. neergelegd, waarvan het kwestieus is of zij ook gelden voor de Inl. Christenen.
Mag bij de Inl. Christenen iemand, bij rechterlijk vonnis van overspel „overtuigdquot;, met den medeplichtige aan dat overspel huwen ?
— TA —
Bij het lezen van art. 1 van Stbl. 1861 no. 38 moet men tot de overtuiging komen, dat dit bij hen — in afwijking van het B. W. — wel geoorloofd is.
Het artikel spreekt n. 1. van de kinderen, niet van één der a.s. echtgenooten, maar van die uit heider samenleving geboren (zie mijn aanteekening bij het artikel) en het verbod deze bij het voorgenomen huwelijk aan te geven zou geen zin hebben, wanneer hun huwelijk verboden ware en dus de geheels aangifte moest worden geweigerd. Maar, zal men zeggen, het huwelijk zal alleen geoorloofd zijn, wanneer niet uit een vonnis blijkt van overspel der aanstaanden. Dan vraag ik echter, wat de bedoeling van art. 1 in dit opzicht kan zijn: hoe kan de besturende ambtenaar weten dat een kind uit overspel geboren is en op grond daarvan de aangifte van dit kind weigeren, wanneer geen officieel bewijs van dat overspel bestaat?
Ik geloof dan ook dat de bedoeling alleen is geweest te beletten zoodanige uit overspel geboren kinderen te wettigen. Tot de wettiging is n. 1. de in art. 1 bedoelde aangifte noodig en door deze voor uit overspel gesprotenen te verbieden, wordt dus de wettiging verhinderd. Verder dan dit verbod gaat de wet niet en zou ik, als rechter, ook geen vrijheid vinden te gaan. Het verbod aan de overspelige en haar medeplichtige om samen te huwen, moge vooral in Europa heilzaam zijn door de vrouw van overspel af te schrikken, in Indië zijn (althans onder de niet-Europeanen) de maatschappelijke toestanden te verschillend van die in Europa om hier dezelfde heilzame uitwerking te verwachten, en wegen de nadeelen, die er tegenover staan, te zwaarder. Het verbod zou leiden tot kon-kubinaat, een verhouding waartegen de Inlandsche vrouw minder opziet dan de Europeesche. Ook neme men in aanmerking dat de ongehuwde staat in de Inlandsche maatschappij voor een volwassen en nog niet bedaagde vrouw een onmogelijke, meestal onzedelijke toestand is en dat de vrouwen meestal te jong trouwen om ten volle verantwoordelijk te worden gesteld voor ontrouw aan de (soms zonder dat haar de keuze gelaten was of onder pressie) aangegane verbintenis. Wan-
— 74 —
neer nu van het verbod weinig afschrikkend vermogen is te wachten, verdient het dan niet de voorkeur de gelegenheid open te laten, dat de vrouw voortaan oen deugdzaam leven leide naast den man harer keuze en niet datgene tot bedrijf ga maken, wat zij tot nu toe slechts in een onbewaakt oogen-blik, overmeesterd door hartstocht, deed?
Mogen Inl. Christenen, wier huwelijk is ontbonden, later weer samen trouwen ? Of zullen wij hier art. 33 van ons B. W. moeten toepassen?
Ik zou er niet voor zijn ons burgerlijk recht in deze toepasselijk te verklaren, ook al weer om redenen van politiek, en zedelijkheid, die ik wel niet behoef uiteen te zetten voor hen, die de Inlandsche huishouding kennen. Het belang der kinderen zou door het verbod niet gediend zijn. Maar wanneer de adat het geval niet voorziet, zal er tengevolge van art. 75 al. 6 R. R, wel niets anders overschieten, dan art. 33 B.W. tot richtsnoer te nemen, behalve in de Molukken en Timor, waar de zaak wettelijk geregeld is en dus zoowel art. 75 al. 6 R. R. als de adat zijn uitgesloten Stbl. 1861 No. 38 stelt uitdrukkelijk de voorwaarden vast, waaronder bet huwelijk is toegelaten en ,het staat ons niet vrij daaraan nog andere toe te voegen. Is dus voldaan aan de in dat staatsblad gestelde eischen, dan mag de huwelijksvoltrekking niet geweigerd worden op grond dat partijen reeds vroeger gehuwd waren en hun huwelijk is ontbonden.
Het huwelijk der Inl. Christenen komt volgens Stbl. 1861 No. 38 eerst tot stand, wanneer het door den hiertoe bevoegden leeraar of schoolmeester is voltrokken. De bemoeienis der besturende ambtenaren bepaalt zich tot de huwelijksaangifte en; het beslissen van geschillen bij stuiting van het huwelijk. Een andere wijze van totstandkoming bestaat blijkens den aanhef van art. 1 niet voor de Inl. Christenen in de Molukken en Timor. Dit artikel spreekt van een „wettigquot; huwelijk,, maar het behoeft wel geen betoog dat een onwettig huwelijk
^enmin een huwelijk is voor hen, als voor ons een zooge-aamde „wilde echtquot;, al moge men ook deze naar analogie 3n huwelijk noemen. Er kan dus geen sprake zijn van •ouwen overeenkomstig de adat.
Hoe zal nu het bewijs van zulk een huwelijk geleverd worden ?
Onverminderd andere bewijsmiddelen zullen de akten zelf, aar van opgemaakt, n. 1. de aanteekening die de voltrekkei aarvan volgens art. 9 moet houden in het daartoe bestemd jgister, wel het beste bewijsmiddel opleveren en de authen-eke afschriften dier akten evenzoo. Het Hoofd van Plaat-ilijk Bestuur reikt den nieuwgehuwden bovendien een bewijs it, dat van de (hem door het toegezonden uittreksel van emeld register gebleken) voltrekking aanteekening door hem ; gehouden op den kant der ten zijnen kantore bewaard lijvende akte van huwelijksaangifte. Dit bewijs en de aan-jekeningen van den leeraar-huwelijksvoltrekker, alsook de oor hem daarvan uitgegeven afschriften, hebben m. i. de be-\'ijskracht van authentieke akten. Zal dit waarschijnlijk niet eel tegenspraak ontmoeten, meer is dit het geval, wanneer etzelfde beweerd wordt van de akten van huwelijksvoltrek-ing, buiten de Molukken en Timor opgemaakt, door degenen ie volgens de adat bevoegd zijn tot de voltrekking. Zelfs an de registers, die de ingevolge Stbl. 1864 No. 142 door rewestelijk of Plaatselijk Bestuur aangewezen personen van e huwelijken der Inl. Christenen aanhouden, wordt authenti-iteit ontzegd. Ik kan mij niet hiermee vereenigen.
Ziehier wat Mr. Hekmeijer hieromtrent zegt in do Indische • ids 1898:
(blz. 1070) „Zijn zij, die op wettige wijze aangewezen zijn gt;t het houden dezer registers, daardoor openbare ambtearen? In den regel noemen ze zich „ambtenaren van en Burgerlijken Stand voor Inlandsche Christenenechter m onrechte, daar de wet een dergelijk ambt niet kent. )aarenboven heeft een ambt iets duurzaams; het gaat niet te iet door den dood of het ontslag van dengene, die het ekleedt, zooals hier het geval is Ook de geschiedenis der epaling bevestigt dit. De schoolmeesters in de Molukken
— 76 —
waren reeds ten tijde der O. I. Compagnie als zoodanig benoemd, en in het genot van een salaris gesteld; zij waren dienaren der Compagnie en zijn ook nu nog ambtenaren of beambten te noemen. Hun eigenlijke bezigheden waren echter het geven van onderwijs op de scholen, waaronder ook het godsdienstonderwijs behoorde, en het voorgaan bij de Zondagsche godsdienstoefeningen. Daarbij werd hun nog opgedragen het houden der registers in Stbl. 1824 No. 19a art. 46 genoemd. Dit was dus een bijbezigheid, hun wel van wege de overheid opgedragen, maar die niet tot hun eigenlijken werkkring behoorde. Die bij bezigheid wordt nu krachtens Stbl. 1864 Jfo. 142 ook buiten de Molukken aan personen opgedragen, die niet tot schoolmeesters zijn aangesteld, n. 1. aan partikulieren, zendelingenquot;.
(en op blz. 1073 onderaan) „Daar de persoon, aangewezen tot het houden dezer registers daardoor geen ambtenaar wordt, missen deze registers het karakter van authentieke geschriften; zelfs al is hij hulpprediker (Depok) of secretaris eener Residentie (Soerabaija), dan krijgen deze registers dat karakter niet, omdat de aanwijzing ze te houden afgescheiden van deze ambten is en blijft. Slechts als onderhandsche geschriften hebben deze registers bewijskracht en dan evenveel en dezelfde als op eigen gezag gehouden registers.quot;
Om het verband met deze kwestie veroorloof ik mij, hier tevens aan te roeren de vraag welke bewijskracht doopakten van Inlandsche Christenen hebben. Kortheidshalve kunnen beiden dan tegelijk besproken worden. Hieromtrent overwoog de Landraad te Menado (praeside Mr. J. H. Carpentier Alting) den 30en September 1897 in zake Theodorus Run-tulalo Dengah gevolmachtigde van Barnabas George ca Johanna Agaatsz onder meer het volgende:
„dat hij (eischer), wel is waar, heeft overgelegd eene doop-acte van zekeren Johannis öeorge, volgens die acte zoon van Michiel George en Hatidja, en gedaagde heeft erkend, dat die doopacte, waarin de naam van gedaagdes gemachtigde als getuige is vermeld, bedoelden J. G. Groeneveld betreft, doch die acte op zich zelve hoegenaamd geen bewijs oplevert
— 77 —
r
voor de juistheid van den naam en de afstamming van den daarin genoemden doopeling, daar immers:
a bij geene wettelijke bepaling zoodanige kracht aan doop-acten is gegeven en die akten dus slechts bestemd zijn het bewijs op te leveren van den daarin vermelden doop, niet van de juistheid der namen der gedoopten;
b gedaagde verklaard heeft dat bij dien doop de in die acte als ouders genoemden niet tegenwoordig waren, zijnde die personen toen reeds overleden, eene verklaring, die door eischer niet is tegengesproken; enz.
Mijns inziens gaan deze argumenten niet op, uitgezonderd het sub b in het Menadosche vonnis vermelde, dat ik hier onbesproken kan laten, omdat het niet de onderhavige kwestie in het algemeen betreft, maar op een bizonder geval ziet.
Mr. Hekmeijer vat m. i. de woorden ambt en ambtenaar^ in te beperkten zin op. „De wet kent een dergelijk ambt metquot; klinkt wel wat zonderling, waar hij het juist heeft over zekere funktiën, die krachtens Stbl. 1864 No. 142 worden vervuld in het openbaar belang; want Mr. H. zal hier wel met „wetquot; in beperkten zin bedoelen, maar in dien van de wetgeving, de algemeene verordeningen. En waarom kan een ambt niet anders dan duurzaam zjjn? Is b. v. een auditeur-militair-te-velde geen ambtenaar, de op hem rustende taak geen ambt, omdat deze van tijdelijken aard is? Vervult een Luitenant Gouverneur-Generaal van N. Indië als zoodanig geen ambt, omdat het mogelijk is dat bij zijn aftreden geen nieuwe titularis zal worden benoemd? (zie art. 4 Reg. Regl.) Zouden de buitengewone Landraadvoorzitters en de buitengewone substituut griffiers (art. 64 R. Org.) als zoodanig ook geen ambt J vervullen? En kan men bofendien in het geval van Stbl.
1864 No. 142 wel zeggen, dat het ambt „te niet gaat door den dood of het ontslag van dengene die het bekleedtquot;, omdat het mogelijk is, dat voor den gestorvene of ontslagene geen ( opvolger wordt benoemd? Dit zal dan wel te wijten zijn of
hieraan dat aan de vervulling te dier plaatse geen behoefte I meer bestaat, en om die reden kunnen ambten wel degelijk
j „te niet gaanquot; (dit is dus geen kriterium), öf aan het feit
— 78 —
dat in de behoefte niet wordt voorzien door verzuim of onmogelijkheid een nieuwen funktionaris te benoemen.
Het ambt gaat daardoor m. i. niet te niet, maar de vervulling ervan blijft tijdelijk achterwege of wordt naar elders overgebracht.
Maar bovendien meen ik, dat Mr. H. ten onrechte, om te weten of iets een ambt is, vraagt of het hij de wet (al vat men dit in ruimeren zin op) in het leven is geroepen. Aangezien de regeling van het recht van den Inlander en m. d. g. g. voor een groot deel niet bij algemeene verordening plaats heeft gehad, maar tot het gebied van het gewoonterecht behoort, zullen de ambten — voor hen rechtens noodig — ook naar dit gewoonterecht moeten worden beoordeeld. Wat voor ons de wet is, is voor den Inlander c. s. de adat, en waar deze een openbare bediening kent, gaat het m. i. niet op, deze baar officieel karakter te betwisten op grond dat de wet haar niet kent.
Zoo vervulden m. i. de panghoeloes, imams, kali\'s (en hoe hun plaatselijke titels verder mogen heeten), die door de adat waren aangewezen om huwelijken te voltrekken, als zoodanig een ambt en evenzoo de zendelingen, schoolmeesters of andere autoriteiten, die ingevolge de adat huweljjken voltrekken of andere feiten konstateeren, die volgens ons Europeesch recht aan den ambtenaar van den burgerlijken stand zijn opgedragen.
Dit officieel karakter van hun taak wordt allerminst opgeheven, doordat van overheidswege eenige bepalingen worden gemaakt omtrent de wijze waarop, of persoon door wien, zij zal worden vervuld.
het bovenstaande behoef ik eigenlijk niet meer stil te staan bij hetgeen Mr. H. zegt omtrent het karakter van „bijbezigheid;quot; maar ik wil er toch op wijzen dat ook dit in \'t geheel geen maatstaf oplevert. Het ambtenaarschap van den burgerlijken stand is zoowel in Nederland als in Indic een bijbaantje voor wethouders, gewesteljjke sekretarissen, besturende ambtenaren, ook wel van mindere beambten; evenzo^ het notarisambt op afgelegen plaatsen. Ik wijs verder op de Aspirant-Kontroleurs, die dikwijls als bijbaantje hebben het
— 79 —
buitengewoon-substituutgriffierschap van een landraad (hetgeen ook zeer dikwijls aan klerken van Landraden e. dgl. te beurt valt), op gepensioneerden en zelfs partikulieren, die als bijbaantje hebben het lidmaatschap van een landraad en op nog zoovele andere bijbezigheden, waarvan men toch waarlijk niet kan zeggen, dat ze geen ambt zijn, al zijn „hun eigenlijke bezighedenquot; andere. Met het oog op hun hoofd-bezigheden zal men zulke personen in het dagelijksche leven wellicht geen ambtenaren noemen, even als men een handelaar-schutterij-officier, wanneer naar zijn kwaliteit wordt gevraagd, niet officier zal noemen; maar dit neemt toch niet weg, dat zij bij de vervulling hunner hier bedoelde taak, een ambt vervullen en ambtenaren zijn. even goed als een kapitein der schutterij officier is en een landbouwer, zoolang hij zijn militie- plicht vervult, militair.
De hierbesproken vraag is van belang voor de bewijskracht der op te maken akten van huwelijk, geboorte, enz. Zijn zij athentieke akten, dan leveren zij volledig bewijs op en het is niet denkbaar, dat het de bedoeling des wetgevers niet is geweest hetzelfde vermogen toe te kennen aan de akten, krachtens zijn voorschriften opgemaakt; want waarvoor zou de wetgever (o a. in stbl. 1864 No. 142) deze aangelegenheid regelen, wanneer de door hem bedoelde registers enz. toch maar onder-handsche geschriften zouden zijn? Zijn tusschenkomst zou dan niets te beteekenen. geen reden van bestaan, hebben. Op dezen grond alleen komt mij Mr. H\'s opvatting reeds verwerpelijk voor.
Lezen wij in art. 173 van het Menado-reglement (Stbl. 1882 No. 27), overeenkomende met art. 164 van het Ambon-regle-ment (Stbl. 1882 No. 29) en met art. 1868 B. W. wat een authentieke akte is, dan vinden wij als vereischten daarvoor: dat zij 1° door of ten overstaan van de openbare ambtenaren, die ter plaatse daartoe bevoegd zijn, en 2° in den wetteljjken vorm, zijn verleden (dit tweede vereischte noemt art. 168 Inl. Regl. niet uitdrukkelijk).
Ingevolge art. 75 Reg. Regl. is een door de adat voorgeschreven vorm een wettelijke vorm en zal men dus de authenticiteit eener akte niet kunnen betwisten op grond dat haar vorm niet
- 80 —
bij of krachtens algemeene verordening is voorgeschreven. De bedoeling is natuurlijk alleen, dat wanneer wettelijk (zij het dan bij algemeene verordening of bij de adat) een vorm is voorgeschreven, deze moet worden in acht genomen, ook: dat de vorm in overeenstemming moet zijn met het geldende? recht; maar natuurlijk is niet de bedoeling, dat een authentieke akte niet kan bestaan zonder dat daarvoor wettelijk een vorm zij voorgeschreven, want dergelijk voorschrift bestaat voor de meeste soorten van akten zelfs in de Europeesche wetgeving óf in \'t geheel niet, óf slechts in betrekkelijken zin.
Toetsen wij nu aan deze vereischten de bovenvermelde akten, dan moet het resultaat zijn, dat de akten van geboorte, huwelijksvoltrekking, echtscheiding en overlijden door zendelingen, godsdienstleeraren, schoolmeesters of anderen — krachtens algemeene verordering of krachtens de adat—opgemaakt, in of buiten registers, zijn authentiek. Wanneer nu de geboorteakten krachtens de adat den vorm aannemen van doopakten en dit tevens zijn, dan bezitten zij, dunkt mij, dezelfde authenticiteit; maar in elk geval staat dit voor de Molukken vast door Stbl. 1861 No. 38, dat in art. 2 sub a en sub e de doopakten uitdrukkelijk met geboorte-akten gelijkstelt en dus erkent, dat deze bestemd zijn om hetzelfde te bewijzen als de geboorteakten (immers de overlegging wordt tot bewijs gevorderd). Doopakten, door de krachtens de adat daartoe bevoegden opgemaakt, zijn dus m. i. in geheel N. Indië, maar in elk geval toch in de Molukken authentieke akten. Het gaat daarom, naar mijn bescheiden meening, niet aan den doopakten alleen bewijskracht toe te kennen ten opzichte van het feit dat er gedoopt is. Ze strekken dan toch krachtens art. 2 ook tot bewijs wie er gedoopt is en tot vaststelling zijner identiteit op denzelfden voet als geboorteakten. Welnu, men zou, ook als een geboorteakte is overgelegd, zich kunnen beroepen op de gebrekkige uiting, in art. 1868 B. W., art. 173 Menado-Regl. enz. aan \'s wetgevers bedoeling gegeven, en zeggen: nu ja, die geboorteakte bewijst alleen dat zekere A. is gekompareerd en heeft aangegeven, dat een kind is geboren uit zijn echt-genoote B. en aan het kind de namen....... zijn gegeven;
- 81 —
het bewijst alleen de aangifte, maar niet de geboorte, veel minder dat A. en B. zijn onders zijn en dat de namen juist zijn.
Maar zoo redeneerende zou men toch de bedoeling des wetgevers tot in het onzinnige miskennen.
De geboorte-akten worden dan toch—zoolang haar valschheid niet is bewezen — aangenomen als bewijs van iemands geboorte, afstamming en naam, en hetzelfde behoort m. i. te gelden voor de officieel daarmee gelijkgestelde doopakten; beiden kon-stateeren de aangifte van een kind door de ouders (of een hunner) bij de door wet of adat daarvoor aangewezen autoriteit. Of in het eene geval dit zonder-in het andere met-een daaropvolgende godsdienstige plechtigheid (doop) plaats heeft, doet niet af aan het karakter der aangifte. Iets anders is het natuurlijk, wanneer de adat de aangifte der geboorte verplichtend afscheidt van den doop. In dit geval is de geboorte al door een vroeger opgemaakte akte gekonstateerd en is de aard der doopakte alleen dat zij den doop konstateert, en zou, als de doopakte gewag maakt van de geboorte, de namen der ouders enz., dit alles als een „bloot te kennen gevenquot; kunnen worden beschouwd, dat niet „in een dadelijk verband staat met het onderwerp der aktequot;, op grond waarvan hieromtrent geen authentiek bewijs aan de doopakte zou kunnen worden ontleend. Maar zelfs dan zou ik zulk een beperking van de authentieke bewijskracht ongeoorloofd achten, want de doopakte moge in • dit geval niet bestemd zijn de reeds gekonstateerde geboorte te konstateeren, toch staan deze en de namen der ouders, die het kind ten doop houden en daarbij een belofte plegen af te leggen, in een vrij nauw verband tot het eigenlijk onderwerp der handeling.
Hoewel het haast overbodig lijkt, moge hier nog worden opgemerkt dat natuurlijk de bewaarders der akten — in den regel degenen, die ze opmaakten of hun voorgangers — de eenige personen zijn, bevoegd om daarvan afschriften (extrakten uit hun registers) af te geven.
Echtscheiding.
Volgens art. 5 van het Reglement van de Vlamingh van Ouds-
— 82 —
hoorn (zie blz. 51) was voor Inlandsche Christenen slechts ééa reden van echtscheiding toegelaten : overspel.
Het ontbreekt mij aan de noodige gegevens om dit onderwerp grondiger te behandelen, maar art. 2 sub ^van Stbl. 61 no. 38 veronderstelt de mogelijkheid van echtscheiding en ik meen ook te weten, dat tegenwoordig in de Molukken de adat echtscheiding in het algemeen toelaat, mits er goede redenen voor worden aangevoerd, en elders zal dit zeker ook wel het geval zijn, aangezien de Inlanders daar, bij hun overgang tot het Christendom, tot adat hadden wel te kunnen scheiden, en deze adat niet behoefde te worden opgeheven als niet overeen te brengen met den nieuw omhelsden godsdient, althans voorzoover de Protestanten betreft. Volgens de E. Katholieke geloofsleer is echtscheiding in den regel niet geoorloofd; maar dit is opzichzelf nog geen reden om dit ook in rechten toe te passen. De vraag is of dit kerkelijk verbod is overgegaan in de adat. Zoo niet, dan zullen óf de adat of, bij het stilzwijgen van deze, de algemeene beginselen van ons Burgerlijk Wetboek tot richtsnoer moeten worden genomen.
In deze gevallen van toepassing der algemeene beginselen van het Europeesche recht, zal men zich weer moeten hoeden voor te slaafsche opvolging van artikelen. Deze zou in de Inlandsche samenleving tot noodlottige gevolgen kunnen leiden : wanneer de echtscheiding bepaald een noodzakelijkheid is geworden door het gedrag van één der echtgenooten of dour een blijvend vijandige gezindheid, zal het niettemin handhaven van den verfoeiden band alleen dienen om de losheid van zeden, aanhoudend overspel, hevige twisten, verregaande mishandeling en zelfs doodslag en vergiftiging te bevorderen. Dit laatste middel om zich te wreken of te bevrijden van gehaat gezelschap is vooral het wapen der vrouw en wordt misschien door haar meer toegepast dan wij vermoeden of kunnen nagaan, vooral waar de vrouw—als de man niet wil—geen echtscheidingkan verkrijgen.
Bemoeilijking der echtscheiding zou ook ten gevolge kunnen hebben, dat het konkubinaat in zwang geraakte en er niet of zelden getrouwd werd. Het huwelijk willende beschermen zou men dus zijn doel voorbjjstreven.
— 83 —
Wanneer de Inlandsche rechter nu het algemeen beginsel van ons Burgerlijk Wetboek tot richtsnoer neemt; dat het huwelijk niet lichtzinnig, om voorbijgaande of onbeduidende grieven, mag worden ontbonden, maar dat het ook niet behoort te worden gehandhaafd, waar overwegende redenen het vreedzaam samenzijn der echtgenooten onmogelijk maken, dan zal deze rechter zich overigens m. i. niet behoeven te voegen naar alle bizonderheden, die onze wet inhoudt. Hij zal, zoolang daaromtrent door de adat niets is geregeld, in elk geval moeten nagaan en beslissen: is de echtscheiding op gewichtige gronden gevraagd, is ze noodzakelijk? en daarbij te rade moeten gaan met de zeden en omstandigheden der Inlandsche samenleving. Hij zal pogingen kunnen doen tot verzoening der echtelieden, termijnen kunnen stellen om af te wachten of intusschen wellicht een verzoening van zelf tot stand komt; maar allerminst is hij gebonden aan de termijnen (die zeker geen beginsel uitdrukken) en vormen van het Europeesche recht. Ook hier zal het dikwijls noodig zijn recht te vinden voor den Inlander en of de weg daartoe bij dezen en genen rechter niet geheel dezelfde is, doet er minder toe: er kunnen vele wegen naar hetzelfde doel leiden. Als de rechter maar zorgt niet, door angstvallige navolging van het Europeesch model, de bedoeling des wetgevers te verijdelen, die blijkt uit art. 432 Inl. Regl. en de daarmee , overeenstemmende bepalingen voor de Buitenbezittingen, en uit art. 75 al. 3 Eeg. Regl.: dat den Inlander een rechtspraak ten deel valle overeenkomstig zijn inzichten en behoeften en vrij van formalisme (behoudens de door de wet voor Inlanders gestelde minimum-eischen).
Erkenning en wettiging.
, De verhouding tusschen buiten huwelijk geboren kinderen
en hun feitelijke ouders is voor de Inlandsche Christen-bevol-l king niet geregeld. Alleen bestaan voor de Molukken enkele
p regelen, af te leiden uit Stbl. 1861 No. 38, die echter te
l • onvolledig zijn (en ook slechts ter loops bij de regeling van het huwelijk gegeven), om de adat van dit gebied uit te sluiten.
— 84 —
In dit Staatsblad is n. 1. alleen geregeld de wettiging van natuurlijke kinderen door het opvolgend huwelijk hunner ouders. Dit sluit natuurlijk de mogelijkheid niet uit, dat ook op andere wijze wettiging plaats hebbe, wanneer de adat dit zoo heeft ingesteld. Maar de wettiging door opvolgend huwelijk, door de wet geregeld, is aan de heerschappij der adat onttrokken. De voorwaarden dezer soort wettiging en de wijze, waarop zij geschiedt, vindt men in art. 1, 2 sub e en 10 van gemeld Staatsblad.
Uit art. 1 blijkt, dat in overspel of bloedschande geteelde kinderen niet door opvolgend huwelijk kunnen worden gewettigd. Moet men hierin de uitdrukking zien van een algemeen beginsel, dat ook voor wettiging op andere wijze en voor erkenning, voor zoover deze volgens de adat mochten bestaan, geldt? Mijns inziens ja: de wetgever geeft er zoo duidelijk door te kennen, dat de uit overspel of bloedschande gesproten kinderen niet in wettige verhouding tot de beide bedrijvers van deze vergrijpen kunnen komen te staan, dat ik dit algemeen beginsel zelfs op de Inlanders ook buiten de Mi lukken en Timor toepasselijk acht op grond van de slotwoorden der 3e alinea van art. 75 Reg Regl.
Ik zeg „tot beide bedrijvers.quot; Zoolang slechts één daarvan bekend is, kan van -overspel of bloedschande geen sprake zijn. Eerst wanneer de tweede zich opdoet rijst de vraag of het kind, door van hen beiden te zijn, uit overspel of bloedschande is gesproten. Hieruit volgt dat zulke kinderen niet door den vader kunnen worden erkend, want vóór de erkenning door dezen staat al vast wie de moeder is.
Wat overspel is, behoeft eigenlijk geen betoog. Wij vertalen het zina der Mohammedanen gewoonlijk met „overspelquot;; maar zina is een uitgebreider begrip, dat elhe ongeoorloofde vleeschelijke gemeenschap omvat, derhalve elke buiten die met echtgenoot of eigen slavin. Overspel daarentegen beduidt alleen de vleeschelijke gemeenschap waardoor iemand de huwelijkstrouw, waartoe hij verplicht is, schendt, dus: vleeschelijke gemeenschap door een gehuwd persoon met iemand, die niet zijn (of haar) echtgenoot is. Het kan niet gepleegd worden
— 85 —
door een ongehuwde: heeft deze coïtus met een gehuwd persoon, dan is hij (of zij) medeplichtige aan overspel, maar zelf niet overspelig. De artt. 254 — 256 Inlandsch strafwetboek bewijzen dat de wetgever ook voor Inlanders deze beteekenis aan het woord hecht, en art. 1 van Stbl. 1861 no. 38 bevestigt dit; want was elke gemeenschap buiten het huwelijk overspel, dan zou er nooit sprake kunnen zijn van wettiging van buiten echt geboren kinderen, wanneer de overspelige kinderen daarvan waren uitgesloten zooals art. 1 jo 10 vaststelt.
Bloedschande is de geslachtelijke vermenging van personen, tusschen wie op grond van verwantschap het huwelijk is verboden. Voor de Inl. Christenen in de Molukken is in art. 3 sub amp;, c, en e bepaald tusschen welke verwanten het huwelijk verboden is; de adat heeft hierin voor hen dus niet meer mee te spreken, maar elders zal zij ten deze moeten beslissen.
Ten overvloede zij hier gewezen op het verschil tusschen absolute en relatieve bloedschande. De Gouverneur-Generaal kan n.1., blijkens het in art. 3 na e bepaalde, dispensatie ver-leenen van de verbodsbepalingen, behalve voor zoover betreft de verwantschap in de rechte (opgaande of nederdalende) linie en voor bloedverwantschap in den 2en graad der zijlinie. Voor deze bestaat dus een absoluut verbod; voor de overigen is het niet onoverkomelijk en dus relatief.
Met het oog daarop meen ik dat art. 1 in verband met art. 10 ten onrechte al te letterlijk zou worden uitgelegd, wanneer men daardoor ook van de wettiging uitgesloten achtte de kinderen uit bloedschande geboren, hoewel deze later door dispensatie is opgeheven.
De kinderen, bij voorbeeld, buiten echt door een oom bij zjjn nicht verwekt, zijn uit bloedschande voortgesproten. Verleent de Gouverneur-Generaal echter dispensatie en huwen zij daarop, dan kan er dunkt mij geen reden meer zijn om wettiging der eerste kinderen verboden te achten, wanneer de volgende spruiten uit dezelfde samenleving wettig zullen zijn.
Behalve de door Stbl. 1861 Nb. 38 geregelde wettiging door opvolgend huwelijk, is het mogelijk dat de adat nog een of meer middelen kent, waardoor een buiten echt geboren kind w. en a. P. c. 7. 53
in rechtsverhouding komt tot zijn ouders, of liever tot zijn vader. De verhouding tot zijn moeder vloeit zoo natuurlijk voort uit een meestal onloochenbaar feit, dat het niet te denken is, dat ergens bij een volk, dat er nog geen kunstmatig recht opnahoudt, ooit de opvatting zou kunnen bestaan dat dit kind rechtens niet aangemerkt wordt als van zijn moeder te zijn, al staat het vast dat het uit haar geboren is.
Ook bij de Inlandsche Christenen bestaat dan ook, meen ik, nergens zulk een opvatting. Er kan natuurlijk verschil bestaan of iemand wel uit zekere vrouw geboren is, zooals beweerd wordt; maar is men het hierover eens, dan kan verder van een formeele erkenning door de moeder geen sprake zijn, daar zij geheel overbodig is.
In hoever nu de adat een of meer wijzen van erkenning van natuurlijke kinderen toelaat, kan hier niet worden nagegaan. Alleen meen ik te mogen aannemen dat op vele plaatsen door de adat aan het feit, dat men het kind ten doop aangeeft en zich daarbij als vader kenbaar maakt, de beteekenis wordt gehecht van een formeele erkenning en m. i. is er geen grond om die adat, waar zij mocht bestaan, gezag te betwisten: de vader geeft bij een openlijke, plechtige handeling te kennen, dat hij het kind als het zijne erkent. Dat deze handeling een kerkelijk karakter draagt is geen bezwaar: de vraag ia maar of de vader niet ter loops, maar opzettelijk en openlijk zich als zoodanig heeft bekend gesteld, zoodat van een onbedacht, dan wel gekscheerend of bij vergissing gesproken woord geen kwestie kan zijn.
De gevolgen der erkenning behooren geheel tot het gebied der adat: wellicht dat zij geen onderscheid maakt tusschen wettiging en erkenning, en evenmin tusschen uit huwelijk geborenen en hen, die buiten echt geboren zijn, maar vervolgens erkend of gewettigd. Dit staat echter m. i. vast: dat gewettigde kinderen, ook bij de Inl. Christenen, gelijk staan met hen die van den aanvang af wettig waren: immers dit is de bedoeling en ligt ook in den zin van het woord wettiging, dat Stbl. 1861 No. 38 gebruikt. Wettigen is wettig maken, en is iets eenmaal wettig gemaakt, dan is \'t wettig.
- 87 —
Voogdij. Meerderjarigheid.
Stbl. 1861 No. 38 heeft door het in art. 3 sub h bepaalde vastgesteld, dat de Inl. Christenen in de Molukken en Timor minderjarig zijn tot zij den onderdoni van 23 jaren hebben bereikt. Immers er is geen reden om aan te nemen, dat zij reeds meerderjarig zijnde nog toestemming voor hun huwelijk zouden behoeven.
In art. 4 wordt trouwens evenzoo die leeftijd voor de getuigen der huwelijksaangifte geëischt, zoodat hiermee blijkbaar een algemeene grens tusschen minder- en meerderjarigheid is bedoeld.
Wij behoeven ons echter de minderjarigheid der Inl. Christenen niet voor te stellen als noodzakelijk overeenkomende met de onze. De ontwerper der bepalingen verklaart zelf (zie op blz. 36, de mem. v. toel. ad J.), dat een voogdij, zooals wij die verstaan, bij hen niet bestaat. Evenwel had hij in art. 2 sub h meer rekening kunnen houden, dunkt mij, met de mogelijkheid dat de ouderlijke macht, of een daarmee het meest overeenkomende, wordt uitgeoefend door iemand anders dan die het kind „verzorgt en opvoedt\'\'. Wanneer de adat
li
[ toenmaals zoo iets niet kende, was het toch mogelijk dat zij
zich in dat opzicht wijzigde. Gesteld b. v. dat een minderja-i rige wees, door geërfd vermogen, in staat is zelf zijn opvoeding
, te bekostigen en dat hij, hoewel een oom of ouderen broeder
i hebbende, ver van dezen in het belang van zjjn opvoeding
vertoeft in een hoofdplaats, terwijl de oom of broeder op een i afgelegen plaats wonen. Hij wordt verzorgd door de lieden,
a bij wie hij in de kost is en dezen, alsook de onderwijzers,
i voeden hem op, terwijl zijn gezegde bloedverwanten buiten
9 staat zijn daaraan deel te nemen. In zulk een geval verbeeld
0 ik me, dat zelfs in de Molukken de oom of oudere broeder e wordt beschouwd als een natuurlijk recht hebbende om in deze w te worden gehoord, en het zou mij verwonderen als de stem
1 der verzorgers daartegen kon opwegen. Men zal dan ook bij il het lezen der memorie van toelichting op art. 2 ad b. (blz.
36) zien, dat de ontwerper zich voorstelt, dat de verzorgers
— 88 —
en opvoeders in de eerste plaats zijn de bloed- of aanverwanten en eerst „bij ontstentenis van dusdanigenquot; vreemden zich met de opvoeding belasten.
Deze voorstelling is n. f. niet in overeenstemming met den tegenwoordigen toestand. Juist bij de Inl. Christenen komt het piara anale zeer veel voor. Zelfs bij jiet leven der ouders worden kinderen wel als „anak piaraquot; aan anderen (ook aan Europeanen) toevertrouwd, die dan de verzorging en opvoeding geheel op zich nemen. Evenals dit gedurende het leven der ouders kan gebeuren, is het mogelijk dat een vreemde ouderlooze kinderen tot zich neemt, hoewel deze nog naverwanten hebben. Deze vreemde verzorgers zouden dan volgens de letter van art. 2 b en 3 h de eenige bevoegden zijn om toestemming tot het huwelijk te geven. De bedoeling dier bepalingen is dit echter niet, tenzij door het piara (verzorgen) van een kind volgens de adat tevens de ouderlijke macht er over wordt verworven. Ik durf niet uit de maken in hoever iit in de Molukken hier of daar het geval is, maar meen in het algemeen te mogen aannemen, dat onderscheid wordt gemaakt tusschen het verzorgen (piara) en het aannemen (poe-ngoet) van een kind.
Vermoedelijk overlijden.
Dit onderwerp is in Stbl. 1861 No. 38 alleeu geregeld, voorzoover het in verband staat met het huwelijk. Wat de goederen van een vermoedelijk overledene betreft zal moeten worden gehandeld overeenkomstig art. 163 van het Menado-Reglement (Stbl. 1882 No. 27) en de daarmee overeenkomende artikelen in de Reglementen voor Amboina, Ternate en Timor. Wat echter het huwelijk aangaat zal, blijkens art. 2 sub d van Stbl. 1861 No. 38, degeen die hertrouwen wil, terwijl zijn of haar echtgenoot vermist wordt en vermoedelijk overleden is, den rechter (d. i. den Landraad) vergunning moeten vragen om opnieuw een huwelijk aan te gaan. Leest men de toelichting ad d op blz. 37—39, dan verkrijgt men de zekerheid, dat het de bedoeling is geweest het Europeesch beginsel over te nemen,
— 89 —
dat in zulke gevallen een nieuw huwelijk mogelijk is, maar na vergunning van den rechter, zonder dezen overigens te binden aan de voorschriften, die voor den Europeaan ten deze geiden. De rechter is geheel vrijgelaten in de beoordoeling der vraag of voldoende grond bestaat om het overlijden van dan vorigen echtgenoot aan te nemen en in de wijze, waarop hij zijn oordeel daaromtrent vormt. Daarom werd „rechts-vermoedenquot; veranderd in „gewichtig vermoeden.quot; Wij zien hier den wetgever een voor den rechter behartigenswaardig voorbeeld geven van hot toepassen van een algemeen beginsel der Europeesche wetgeving zonder daarom angstvallig aan haar bepalingen of den hoofdinhoud daarvan vast te houden. Geheel in dezen geest valt Öetgeea ik hiervoren (blz. 83) betoogde omtrent de wijze waarop wij, bij het zwijgen der adat, die algemeene beginselen ten opzichte van echtscheiding tot richtsnoer zouden moeten nemen.
Buiten de Molukken en Timor is art. 2 voormeld niet van toepassing; maar bij gebreke van regeling door de adat zul ook elders hetzelfde kunnea gelden, juist omdat dit art. 2 sub d de uitdrukking is van een algemeen beginsel der Europeesche wet, dat krachtens art. 75 al. 6 Reg. Regl, den rechter tot richtsnoer moet strekken.
Hiermee neem ik voorloopig afscheid van het recht der Inlandsche Christenen. Mogen deze enkele aanteekeningen hen, die gelegenheid hebben het onderwerp grondiger te behandelen en daartoe ook plaatselijke studies kunnen maken, aanleiding geven tot meer.
J. A. Nederbürgh.
en opvoeders ia de eerste plaats zijn de bloed- of aanverwanten en eerst „bij ontstentenis van dusdanigenquot; vreemden zich met de opvoeding belasten.
Deze voorstelling is n. f. niet in overeenstemming met den tegonwoordigen toestand. Juist bij de Inl. Christenen komt het piara anak zeer veel voor. Zelfs bij het leven der ouders worden kinderen wel als „anak piaraquot; aan anderen (ook aan Europeanen) toevertrouwd, die dan de verzorging en opvoeding geheel op zich nemen. Evenals dit gedurende het leven der ouders kan gebeuren, is het mogelijk dat een vreemde ouderlooze kinderen tot zich neemt, hoewel deze nog naverwanten hebben. Deze vreemde verzorgers zouden dan volgens de letter van art. 2 b en 3 h de eenige bevoegden zijn om toestemming tot het huwelijk te geven. De bedoeling dier bepalingen is dit echter niet, tenzij door hei: piara (verzorgen) van een kind volgens de adat tevens de ouderlijke macht er over wordt verworven. Ik durf niet uit de maken in hoever iit in de Molukken hier of daar het geval is, maar meen in het algemeen te mogen aannemen, dat onderscheid wordt gemaakt tusschen het verzorgen (piara) en het aannemen (poe-ngoet) van een kind.
Vermoedelijk overlijden.
Dit onderwerp is in Stbl. 1861 No. 38 alleei. geregeld, voorzoover het in verband staat met het huwelijk. Wat de goederen van een vermoedelijk overledene betreft zal moeten worden gehandeld overeenkomstig art. 163 van het Menado-Reglement (Stbl. 1882 No. 27) en de daarmee overeenkomende artikelen in de Reglementen voor Amboina, Ternate en Timor. Wat echter het huwelijk aangaat zal, bljjkens art. 2 sub d van Stbl. 1861 No. 38, degeen die hertrouwen wil, terwijl zijn of haar echtgenoot vermist wordt en vermoedelijk overleden is, den rechter (d. i. den Landraad) vergunning moeten vragen om opnieuw een huwelijk aan te gaan. Leest men de toelichting ad d op blz. 37—39, dan verkrijgt men de zekerheid, dat het de bedoeling is geweest het Europeesch beginsel over te nemen,
dat in zulke gevallen een nieuw huwelijk mogelijk is. maar na vergunning van den rechter, zonder dozen overigens te binden aan de voorschriften, die voor den Europeaan ten deze gelden. I)e rechter is geheel vrjjgelaten in de beoordeoling der vraag of voldoende grond bestaat om liet overlijden van den vorigen echtgenoot aan te nemen en in de wijze, waarop hij zijn oordeel daaromtrent vormt. Daarom werd „rechts-vermoedenquot; veranderd in „gewichtig vermoeden.quot; Wij zien hier den wetgever een voor den rechter behartigenswaardig voorbeeld geven van het toepassen van een algemeen beginsel der Europeesche wetgeving zonder daarom angstvallig aan haar bepalingen of den hoofdinhoud daarvan vast te houden. Geheel in dezen geest valt Hetgeen ik hiervoren (blz. 83) betoogde omtrent de wijze waarop wij, bij het zwijgen der adat, die algemeene beginselen ten opzichte van echtscheiding tot richtsnoer zouden moeten nemen.
Buiten de Molukken en Timor is art. 2 voormeld niet van toepassing; maar bij gebreke van regeling door de adat zal ook elders hetzelfde kunnen gelden, juist omdat dit art. 2 sub d de uitdrukking is van een algemeen beginsel der Europeesche wet, dat krachtens art. 75 al. 6 Reg. Regl. den rechter tot richtsnoer moet strekken.
Hiermee neem ik voorloopig afscheid van het recht der Inlandsche Christenen. Mogen deze enkele aanteekeningen hen, die gelegenheid hebbeu het onderwerp grondiger te behandelen en daartoe ook plaatselijke studies kunnen maken, aanleiding geven tot meer.
J. A. Nederbürgii.
£mI §J
lii-■■\' ,!\';»•/ \'*. ht \'y\' ■\' ; *v ;
••. \'Mwmi
•\'! ïW
JsMilïsMïsiSlö
Ijf ijt\'1*- \'i-jj?.!^!\' \',-. I^\'p ï!/5n£.ï*S
È^amysm^ae ;f«
*■ iri -Ï:-.t\'; 81^
9^M :;iV..-\'^
■ll^N?^^quot;il*. i; ti^ \'.\'\'■ ?£
jSJb ü:,; «
^ \'.ï..\'\' ■\'quot; ! • * \' •\' *.\'■ 1 quot;
■liliiililiKll l|ÉI;llt;ipSI\';j
5re!ai^^H^£«?t-aalt;htgjHS3i, a
ifiSlSiiia
quot;\'«