t v gt;\'-t.
v . •-
■ f V. ^
L \' - ■ S*. .
301
3 U
ARISTOCEATEN O MADKID.
3o/,(8. //
R O M A N uit het hedendaagsche leven der Spaansche groote wereld
DOOR
PATER LUIS COLOMA S. J.
u.it het Spaansch vertaald door
Jhr. C. C. U. MARTENS.
P.
EERSTE DEEL.
UTRECHT,
H. 1IEYERS. 1894.
I.
Something is rotten in the State of Denmark.
JEr dreigt hederf in Denemarkens staat.
Shakespeare. Hamlet. (Vertaling van Burgersdijk.)
De twee torentjes van het College \') verhieven zich spits en bevallig als twee afgeschoten pijlen, tegen den blauwen hemel, die Madrid, in de eerste dagen van Juni, gewoonlijk helder en kalm overdekt. Het groen van den tuin geleek een smaragd, neergeworpen in het zand, een oasis van seringenboschjes, die reeds begonnen te verwelken en van lelietjes, die ontloken, verloren in de dorre vlakte, die aan de zijde van het College de koninklijke residentie van Spanje omgeeft. De fonteinen sprongen en het water vloeide murmelend door de bassins; vroolijke kinderstemmen lieten zich binnen hot gebouw hooren; nachtegalen en vinken kweelden in de boomen; verder op, achter hot hekwerk geen water, geene bloemen, geen vogels. .. . Eene dorre vlakte, een dorp van houten schuren, en ginds aan den horizon, ver, ver weg, Madrid, Spanje\'s residentie, welks koepels en torens zich verhieven in dien neve!, die de helderheid der lucht nog meer doet uitkomen; een soort walm, die uit groote steden opstijgt als de uitdamping van een vuilen poel.
1) Inrichting voor onderwijs van jongens.
1
2
Dien dag was het schooljaar ten einde, de uitdeeling der prijzen had plaats gehad en het oogenblik van afscheid nemen was daar. Gelukwenschen, groeten, boodschappen en complimenten kruisten elkaar bij het afscheid; kinderen en bedienden vulden in dichte drommen de vertrekken van het College, terwijl bij de jongens het reine gevoel de bovenhand had van voldoening over een eerlijk behaalden prijs, over volbrachten arbeid en het vooruitzicht op ontspanning. Het was de luidruchtige vroolijkheid , die bij de schooljeugd van eiken leeftijd wordt opgewekt door het tooverwoord: Vacantij.
De plechtigheid was schitterend geweest. Achter in de zaal was de rijk ingerichte estrade ingenomen door de honderd leerlingen van het College in hun uniform van blauw en zilver; zenuwachtig en ontroerd zochten allen met onrustige oogen, gloeiende wangen, en kloppende harten hunne vaders, moeders, broeders, zusters, die getuigen en deelgenooten geweest waren van hunnen triumf. Boven de estrade hing eene prachtige schilderij van Onze Lieve Vrouwe der Herinnering, de beschermvrouwe van het College, en rechts daarvan presideerde, onder een kostbaren troonhemel, de Kardinaal-Aartsbisschop van Toledo, omringd door den Rector en de leerai-en van het College. Het overige van de ruime zaal was gevuld door de familieleden der jongens; de groote dame zat naast de eenvoudige vrouw van den koopman; de grande van Spanje naast den rijken fabrikant, allen verheugd, allen voldaan. Het verlevendigde ouderlijk gevoel deed de afstanden verminderen en wekte bij allen hetzelfde verlangen op, elkander als broeders te beschouwen en te omarmen. Het orchest had de plechtigheid geopend met de meesterlijk uitgevoerde ouverture der Semiramis. Daarna hield de Rector, een oude geestelijke en een sieraad zijner orde, eene korte toespraak, die hij evenwel niet kon ten einde brengen. toen hij zijne doffe oogen op dien hoop blonde en zwarte jongenshoofden vestigde , die hem als een groep engelenkopjes van eene verheerlijking van Murillo aanstaarden, begon hij te
3
stamelen en smoorden tranen zijne stem. — „Ik schrei niet omdat gij weggaatquot; — zeide hij eindelijk, „maar ik schrei omdat velen nooit terug zullen komen.quot;
De wolk van hoofdjes bewoog zich ontkennend en een plotseling levendig applaus klonk van die twee honderd handjes als eene liefkoozende tegenspraak, die den grijsaard tusschen zijne tranen deed glimlachen. Daarna las de Secretaris de namen der leerlingen voor, die prijzen hadden gekregen. Dezen stonden op, blozend en verlegen, omdat zy zich zoo tentoongesteld zagen en bedwelmd door hunnen triumf. Zij moesten hunne medailles en getuigschriften uit de handen van den Aartsbisschop gaan ontvangen, onder de toejuiching hunner kameraden, de toonen der muziek en de bravo\'s van het publiek, en gingen dan haastig weder naar hunne plaats, en zochten in de oogen hunner ouders den blik van grenzelooze liefde en gewettigden trots, zonder welke voor hen hunne zegepraal niet volkomen zou geweest zijn. Een ventje van acht jaren klom op handen en voeten de trappen dor estrade op, ging op zijne teenen staan om zijne moeder in de verte te ontdekken, zag haar, en wierp haar met zijn diploma eene kus toe. Jongens en volwassenen klapten vol geestdrift in hunne handen; de eersten met dat engelen-instinct, dat een kind doet voelen alles wat heilig en schoon is; de laatsten met dat teeder gevoel van sympathie, dat in elk ouderhart ontwaakt, zoodra het de reine liefde van een kind bemerkt. De plechtigheid scheen al gedaan te zijn; de Aartsbisschop maakte zich gereed zijnen zegen te geven en allen waren reeds opgestaan, om dien knielende te ontvangen.
Een jongen, blank en blond als een engel van Fra Angélico, naderde toen het midden der estrade; het innemende van zijnen leeftijd en van zijne onschuld werd nog verhoogd door iets „ik \'weet niet watquot; aristocratisch en verfijnds, dat zoo aantrekt en medesleept bij kinderen van goeden huize, en zijn weelderig blond haar, dat van voren kort was afgesneden als van een
1»
4
page uit de vijftiende eeuw, deed hem gelijken op Prins Richard, op de bekende schilderij van Millais „De zonen van Eduard.quot;
Allen bleven staan en zagen hem aan. De knaap sloeg toen zijne groote blauwe oogen op naar de schilderij der Maagd, met eene uitdrukking van oprechtheid en reinheid en met zijn engelenstem begon hij:
Zoete herinnering van mijn leven,
Zegen hen, die gaan vertrekken. . . .
O Maagd der smartelijke Herinnering,
Ontvang mijne groeten tot afscheid,
En herinner u mijner. . . .
Ver van deze beschermende muren
Zullen de deelgenooten mijner gelukkige jeugd
Nooit uwe liefde ontrouw worden;
Zij zullen hunne harten altijd rein bewaren;
En zich uwer herinneren!
Eene algemeene toejuiching ging op uit de jongensgroep, een kreet van bewondering en instemming. De volwassenen onthielden zich van toejuiching. Met oogen, waaruit hun ziel sprak en vol tranen, luisterden zij onbeweeglijk. De knaap deed een paar schreden naar voren en zijn handjes op de borst vouwende vervolgde hij langzaam:
Maar bij het weggaan voel ik eene smart.
Zooals mijn hart niet heeft gekend Wie gelooft aan de woorden van een kind Ik vrees .... ik weet niet, wat ik vrees, Moeder, Voor hen en voor mij.
Niemand haalde adem, tranen vielen onhoorbaar. De knaap wendde toen zijne argelooze oogen naar het publiek met dien onbestemden blik der onschuld, die altijd iets, dat haar onbekend
6
is, wil doorgronden, cn vervolgde met eene roerende treurigheid en met eenvoud, die de ziel trof:
Men zegt, dat do wereld een schoone tuin is En dat de adders daarin zich verbergen;
Dat er zoete vruchten zijn met doodelijk venijn En dat de zee dos levens met klippen is bezaaid. Waarom zou dit zijn?
Men zegt, dat voor eer en goud Menschen zonder geloof en boos van harte,
De bron hunner liefde doen opdrogen En hunnen God en hun vaderland verraden.
Waarom zou dit zijn?
Men zegt, dat van dit leven De bozen een wereldsch feest willen maken.
Dat zij het zijn, die U verdriet aandoen En oorzaak zijn der tranen In Uwe zachte oogen.
Eenige vrouwen kleurden, want uit dien kleinen mond scheen haar geweten te spreken; verscheidene mannen bogen het hoofd en eene krachtige, maar ontroerde stem riep van verre: Juist! juist! Het was de stem van een ouden generaal, grootvader van een der leerlingen. De knaap scheen bewogen, zooals engelen het kunnen zijn bij het aanschouwen van menschelijke ellende; hij schudde treurig het hoofd, vouwde zijne handen en vervolgde met de uitdrukking op het gelaat van een cherubijn, die naar de aarde blikt.
En die ondankbaren vervullen U met smart.
Zou ook ik doof zijn voor Uw klagen?
Neen, ik begeer geen vruchten, die vergiftigen.
Ik verlang geen vreugde, die mijne moeder smart.
Zoo wil ik niet zijn.
6
Op de klippen dezer wilde zee
quot;Wil ik niet roemloos ondergaan.
Ik wil niet, dat Gij ook maar ééns om mij weent,
Ik wil niet, dat Gij om mij weent, mijne Moeder.
Zoo wil ik niet zijn.
En terwijl ik voldoe aan üw verlangen,
Terwijl Gij mij oordeelt met Uwe heilige liefde.
Zeg ik U, brandend van liefde.
Dat ik U immer zal beminnen.
Zult Gij mij vergeten?
O, neen, liefelijke herinnering van mijn leven.
Al kamp ik steeds in gevaarlijken strijd,
Al weent voor altoos mijne gepijnigde ziel.
Bij het denken aan mijn vaarwel,
Gij zult mij niet vergeten.
En met alle oprechte liefde en geloof.
Zal ik nooit zonder Uwe herinnering kunnen leven.
Mijn laatste traan zal U zijn gewijd.
En tot aan mijnen dood. Moeder,
Zal ik aan ü denken.
En Gij op Uwe beurt. Moeder,
Als het oogenblik voor mij komt
Om de vleugels uit te slaan naar hemelsche gewesten En ik de armen naar U uitstrek.
Zult Gij mij niet afwijzen.!)
De knaap zweeg; geene toejuiching weerklonk; slechts eene zucht, eene zeer zware zucht werd gehoord, die uit honderd
1) Het gedicht in hel Spaansch is van Pater Alarcon, en werd voorgelezen bij eene plechtigheid, als wij hier beschrijven.
7
borsten als uit een enkelen mond ontsnapte. Het was eene zucht van liefde, verteedering, schaamte, geestdrift, vroomheid en berouw, gewekt door de reine kinderstem.... Op een wenk van den Rector snelden allen, die op de estrade waren, in de armen hunner ouders. Toen brak een ware storm los van kussen, kreten, omarmingen, zegeningen, tranen van vreugde en geluk. Slechts de knaap, die de versjes had opgezegd, bleef alleen op zijn plaats; geen vader of moeder, die hem in de armen sloot; de arme kleine man keek met groote oogen naar de gelukkige groep en met zijne prijzen in de hand ging hij langzaam den breeden gang door, waar de dienstboden reeds het goed der leerlingen, die vertrokken, begonnen bijeen te zoeken. Er was ook een zeer fraai koffer bij met de letters P. L. op het deksel; daarop ging het kind zitten, alsof hij iemand wachtte. Met zijn hoofd in de handen en de prijzen naast zich, zat hij daar treurig, stil, onbeweeglijk. Het vroolijk gegons in de zaal kwam tot hem en langzamerhand begon zijn borst te hijgen; het was alsof zijn keel werd toegeknepen en hij begon bitter te schreien, stil, zonder snikken of zuchten, zooals zij schreien, wier tranen uit het hart opwellen. De dienstboden laadden reeds het goed op; ouders en kinderen gingen met vroolijke drukte naar den uitgang, zonder dat zij acht sloegen op den eenzamen knaap. Soms gaf een kameraad hem vriendelijk de hand, en een leeraar, die haastig voorbijkwam, glimlachte hem toe, en de knaap glimlachte terug, terwijl hij zijne tranen trachtte in te houden.
Eene gezette dame met een goedig uiterlijk stond achter hem en hield een stevigen jongen aan de hand, die maar een enkelen prijs had behaald. Hij zag zijn schoolkameraad weenen en zijne moeder aan de japon trekkende fluisterde hij haar toe:
— Mama .. . Mama .. . Lujan schreit.
— Waarom schreit gij, mijn jongen? — vroeg hem de medelijdende dame. Gij hebt zoo mooi uw gedicht voorgedragen. Hebt gij geen prijs gekregen?
8
De knaap bloosde sterk, en met kinderlijken trots zijn hoofd opheffende, antwoordde hij, wijzende op hetgeen naast hem lag:
— Vijf ... en twee getuigschriften.
— Wat zegt gij . .. Vijf prijzen ... en gij schreit nog?
De knaap antwoordde niet; hij bukte het hoofd, als schaamde hij zich en op nieuw vloeiden zijne tranen.
— Maar, kindlief, wat is er? hield de dame aan. Zijt gij ziek ? . .. Waarom schreit gij toch zoo ?
Eene grenzelooze smart, die zijne ziel verscheurde, teekende zich af op zijn engelen gezichtje: met de handen in elkaar gekneld, terwijl zijne oogen overliepen van tranen, antwoordde hij eindelijk:
— Omdat ik alleen ben; mijne moeder is niet gekomen; niemand heeft mijne prijzen gezien.
De dame scheen al het bittere te begrijpen, dat in die eenvoudige klacht lag opgesloten. Terwijl haar de tranen in de oogen sprongen, streelde zij de blonde haren van den knaap, en drukte zij het hoofd van haar eigen kind tegen haren boezem, alsof zij vreesde, dat hem eenmaal die zachte toevlucht mocht ontbreken.
— Mijn lieve engel — zeide zij, mijn arme jongen, uw moeder heeft zeker niet kunnen komen; zij is misschien uit de stad.... Hoe heet zij?
— De Gravin van Albornoz, antwoordde de knaap.
Eene uitdrukking van heftige verontwaardiging vertoonde zich op het gelaat der dame, toen zij dien naam hoorde. Zij wendde zich snel tot een jong meisje dat haar vergezelde en zeide met meer drift dan bedachtzaamheid.
— Nu ziet gij het.... Dit schreit ten hemel.... Slechte, slechte moeder. ... Terwijl dit kind hier om haar zit te schreien, gaat zij in Madrid haren gewonen gang.
— Zwijg toch, antwoordde de ander met een blik op het kind.
— Maar wie verliest bij zoo iets zijn geduld niet?. . . Arme jongen, met zulk eene moeder!... Ik zou van het einde der wereld zijn gekomen om mijn kind een prijs te zien uitreiken.
9
De hemel zegene u, mijn jongen. Gij toont, dat als gij groot zijt, gij een braaf man zult zijn.... Wij houden veel van u! Niet waar Caliato, mijn leven ?
En zij drukte op de ronde wangen van haar zoon, een van die klinkende, verslindende kussen, die als de vurige liefkoozin-gen der ziel zijn.
De knaap wischte zijne oogen, die blauw waren als de zee heel in de verte, af, maar bleef zwijgen.
— Komaan, mijn jongen, schrei nu niet. — Calisto, wees nu aardig, en spreek met hem. Ziet gij niet, dat hij bedroefd is?... Hoe heet gij, jongen?
— Paquito Lujan.
— Schrei dan niet Paquito. . . . Uwe moeder zit zeker thuis te wachten. . . . Zeg eens Calisto ... geef hem een van die doosjes met bonbons, die ik voor u heb medegebracht, of liever geef ze allebei, ik zal andere voor u koopen.
En toen zij zag, dat de jongen het doosje van Mahoneesch maaksel afwees, dat Calisto, lang niet in zijn schik, hem toereikte , zeide zij:
— Neem ze allebei; het eene voor u en het andere voor uw broertje; of hebt gij geen broertjes ?
— Ik heb Lili.
— Neem er dan een mede voor Lili\' en neem dit ook. .. .
En de goede dame drukte op de betraande wangen van het
kind ook twee klinkende kussen, die echter de warme moederkussen niet konden vervangen.
Een lakei in groot livrei van olijfkleurig groen, met een gravenkroon op de knoopen en een hoed mot een groote kokarde in de hand, naderde deze groep.
— Wanneer het den jonker gelieft, het rijtuig is voor, zeide hij eerbiedig tot den knaap.
De arme jonker sprong in eens op, omarmde met eene beweging vol bevalligheid zijnen schoolkameraad Calisto, en ging naar de deur zonder den lakei zijne prijzen te willen laten
10
dragen. Voor het hek van den tuin, ontmoette hij den Rector, die daar stond om van de jongens afscheid te nemen. Paquito kuste hem de hand; de oude man hief hem op, sloot hem in zijne armen en fluisterde hem iets in het oor. De jongen bloosde sterk, op nieuw vloeiden zijne tranen en hij kuste voor de t\'.veede maal de handen van den geestelijke.
Langzamerhand reden de rijtuigen weg en hield de drukte van het afscheid nemen op.
-- Adiós, Adiós, herhaalde de grijsaard, en men zag nog kleine handjes, die uit de ramen der rijtuigen hem afscheid toewuifden.
Alles verdween eindelijk achter de laatste kromming van den weg;, en de droge vlakte, de stoffige weg, het dorp van houten loodsen, het verlaten schoolgebouw, eenzaam als een kooi zonder vogels, alles bleef in diepe stilte achter. En in de verte, tusi chen den nevel, lag Madrid, de zondige stad.
l\'e goede grijsaard liet toen de armen zakken, boog treurig het hoofd en trad de kapel binnen fluisterende;
O Maagd der droeve herinnering!...
Zullen zij Uwer gedenken?...
II.
Op den namiddag van dienzelfden dag was in de fumoir van de Hertogin van Bara de opgewektheid gering en de bijeenkomst klein. Lang uitgestrekt liggende in eene chaise longue klaagde de Hertogin over hoofdpijn terwijl zij een fijne havana cigaar rookte, waarvan de blinkende ring de echte afkomst aanduidde. Los op haren schoot lag een stuk zeer fijn leder, zeer sierlijk van vorm, dat de kanten van haren zijden ochtendjapon voor vuurvatten moest bewaren; en van tijd tot tijd wierp zij de cigaarasch in een fraai bakje van fijn porcelein, liefdegoodjea voorstellende, die uit eierschalen in een nestje te voorschijn kwamen.
Pilar Balsano rookte, kringetjes blazend, een niet zoo zware cigaar als die van de Hertogin en Carmen Tagle deed hare mond zeer door op een weerbarstige entreacte te zuigen,
— Ik zie, dat deze niet wil trekken, zeide zij op eens.
En om versche krachten te verkrijgen, dronk zij bevallig en bij kleine teugjes een derde glaasje vrij sterken whiskey, die met thee, brioches en sandwiches op een kostbare schaal van Bo-heemsch kristal gereed stond.
De vrouw van Lopez Moreno, zwaar en ontzagwekkend als de geldzakken van haren man, trok hare dikke lippen te zamen om eene cigarette te rooken en lachte met moederlijke teeder-heid hare dochter Lucy toe. Deze kwam pas van de kostschool en deed kleine trekjes aan de cigaar van Angelito Castropardo.
12
Het meisje hoestte en trok grappige gezichten. Angelito rookte om te toonen, hoe zij moest doen en vond het een aardig spelletje om het Bchoolmeisje te laten rooken en aan het hoesten te maken. Haar scheen het te bevallen tot onderwijzer in het rooken een grande van Spanje te hebben, en zij bestudeerde de chic van dio groote dames, die hare moeder haar als voorbeelden van goede manieren had aangewezen. Toch ontdekten hare schoolmeisjes oogen dingen, die bijna al te vreemd waren.
De Hertogin vond de uitbarstingen van lachen der bankiersvrouw zeer hinderlijk, maar daar de hypotheken, die de bankier op de goederen van haren echtgenoot had, meer dan twee millioen bedroegen en waarschijnlijk verlengd moesten worden, achtte zij het geraden maar geduldig en vriendelijk te zijn.
Leopoldine Pastor was eene kloeke, ongetrouwde dame van boven de veertig, zag er goed uit en had veel gelezen. Zij verorberde een groot stuk brioche milanaise, terwijl zij zich onderhield met den gewezen Directeur van het openbaar onderwijs, Don Casimir Pantojas, lid der Academie van Letterkunde en zeer beroemd taalgeleerde. Die week was in de wijk van Salamanca de tramway geopend en het lid der Academie klaagde er over, dat het publiek van Madrid het nieuwerwetsche vervoermiddel maar steeds mannelijk maakte Het woord tranvi\'a (tramway) op een a uitgaande moest volgens de regels der Spaansche spraakkunst vrouwelijk zijn. Jonkvrouw Pastor, vurig voorvechtster der academische voorschriften, beloofde hem, overal propaganda te maken voor la tranvia; maar Don Casimir liet zich ontvallen, dat zijne bewering steunde op de uitspraak van een zijner collega\'s Don Salustiano Olózago en toen veranderde de lieve Leopoldine op eens van inzicht en riep boos uit:
— Het is onmogelijk, dat het woord vrouwelijk kan zijn!... Olózago is een onbeschaamde Amadeist, die aan Thiers het Gulden Vlies heeft bezorgd, iets dat geen Alfonsist hem ooit zal vergeven. Dat ontbrak er nog maar aan. El tranvia zegt men en el tranvia zal het blijven.
13
En allen besloten den tranvi\'a tot man te verklaren, zelfs Fernando Gallarta en Gorito Sardona, gotmueux van den Veloz-club, waren het er mede eens. Ook de ernstige Markies van Butron, gezant tijdens de roemrijke regeering van Isabella en daarna alleen befaamd als lekkerbek.
Deze Markies was buitengewoon behaard en daarom noemde Isabella hem Robinson Crusoë, omdat, zeide zij, alleen door het uiterlijk van haren gevolmachtigden Minister zij zich eene voorstelling kon maken van den bekenden schipbreukeling, zooals hij, in huiden gehuld, op zijn woest eiland rond liep. En om de waarheid te zeggen: het lot der geheele wereld, dat Napoleon in de verticale plooi van zijn voorhoofd besloten hield, kon rusten tusschen de wenkbrauwen van den Markies, als tusschen twee konijnenvellen.
Ook fronste Butron zijn geweldigen rimpel, en naar de asch van zijn cigaar ziende sprak hij plechtig:
— Olózago!... Hij en hij alleen steunt nog de tegenwoordige wankelende regeering. Zonder zijne handigheid en kracht hadden wij al sedert een half jaar de Restauratie.
De dames verontwaardigden zich daarover zeer en Carmen Tagle riep klagend uit:
— Is er dan voor hem geen beroerte, geen longtering beschikbaar !
De Markies, die werkelijk op de hoogte was der reactionaire politiek, bleef er over doorredeneeren, maar Carmen Tagle luisterde er niet verder naar, en lette op hetgeen er gebeurde achter een schildersezeltje, bedekt met rood fluweel, waarover los een kostbaar kleed uit de zestiende eeuw was geworpen, waaronder een prachtig aquarel van Worms was verborgen. Tusschen de pooten van dit meubel kwamen de rokken eener dame en de beenen van een heer te voorschijn en zij behoorden aan Maria Valdivieso en Paco Velez, die daar gedurende het laatste half uur standjes van belang met elkaar hadden.
De kleine Lucy spitste ook hare ooren om te trachten er
14
iets van op te vangen en inderdaad hoorde zij twee of drie malen den naam van Isabella Mazacan en dien van zekeren Minister der tegenwoordige regeering, een jong man met een flink uiterlijk, namentlijk Garcia Gomez. Ook krasse woorden ving zij op; de dame had met vinnige nijdigheid het woord „canaillequot; gebruikt en de heer had eene zoo grove uitdrukking gebezigd, dat Lucy er van schrikte en een kleur kreeg, terwijl Carmen met hare gewone levendigheid uitriep:
— Oh mon Dieu; quel gros mot. ...
En met wat luider stem, terwijl zij zich naar den schildersezel wendde, zeide zij:
— Komt ge niet Maria? De thee wordt koud.
En daarop verscheen Maria Valdivieso, zich een weg banend tusschen de prullen en kostbare kunstwerken, waarmede de kamer getooid was en nam in zeer opgewonden toestand plaats naast Carmen ïagle, terwijl hare oogen bliksemstralen van woede schoten. Paco Velez kwam eveneens uit zijn schuilhoek te voorschijn, met de handen in zijn zakken, roode ooren en wangen en zich op zijne lippen bijtende.
Hij bezag met het oog van eenen kenner een fraaie lamp van gepolijst koper, die op een marmeren kolom stond, tegenover den schildersezel. Lucy, die Maria Valdivieso niet kende, vroeg zachtjes aan haren leermeester Castropardo, of die andere heer haar man was.
— Haar man! Hemelsche goedheid, wat moest Castropardo daarom lachen. Hoe drommel kwam zij aan het denkbeeld, dat die twee zouden getrouwd zijn?
— Omdat zij zoo kibbelen, zeide Lucy bedaard.
Castropardo kreeg een nieuwe lachbui — dat was zoo gek
niet van het vraagstertje bedacht — en hij had moeite om de Hertogin verstaanbaar in te fluisteren, wat de kleine had gezegd.
De overigen hadden niet op dit kleine tusschenspel gelet; zij dachten alleen aan de sombere schildering, die de harige diplomaat van den tijd, dien men beleefde, gaf. Hij wist zeer goed,
15
dat de dames van den adel de sterkste steun waren der politiek van de Restauratie en hem was opgedragen den ijver van deze aanzienlijke samenzweersters aan te vuren en te leiden. Zij hadden, met hare Spaanschen trots en aristocratische gevoelens, een ledig gelaten rondom den troon van Amadeo en Koningin Maria Victoria, die in het Paleis op de Plaza de Oriente, als in afzondering, leefden te midden van een hof van onderofficiers en rustende winkeliers, zooals de Hertogin van Bara beweerde, of volgens Leopoldine Pastor van vlegeitjes, zoo zij niet erger waren. De dames bezochten druk den Paseo de la Fuente Castel-lana, uitgestrekt in hare fraaie rijtuigen, en droegen op haar hoofd de nationale mantille met don daarbij behoorenden kam. De lelie, het zinnebeeld der restauratie, blonk in de kapsels , schitterend in alle schouwburgen en op alle bals. Ook nu en hier droeg de vrouw van Lopez Moreno eene buitengewoon groote lelie, dicht bezet met diamanten. En met beteren smaak, met het oog op hare kleeding en het uur van den dag, droegen de andere dames hetzelfde van geëmailleerd mat goud. Leopol-dina Pastor had er eene zoo groot als een granaatappel, vastgehecht op het bovenste puntje van haren hoed.. . .
Schrikkelijk was de schildering, die de Markies gaf. De arme verlaten Koning staarde onophoudelijk naar de grenzen, een antwoord wachtende op zijnen toespraak van den S\'1quot;quot; April en dit antwoord was nog niet gekomen. Ministerieele crisis, volgde op ministerieele crisis, als derdedaagsche koorts, totdat daaruit was geboren een ministerie met Santa Rita aan het hoofd, eene Santa van onmogelijke zaken. In de provincies stonden soldaten en boeren op, te Madrid begonnen de winkeliers te muiten en hadden den Alcalde met steenen geworpen en vijf dagen geleden was eene gemeene, vuile bende volks de straten doorgetrokken, had de lantaarns stuk gegooid en de illuminatie vernield, waarmede velen den verjaardag van het Pausdom van Pius IX hadden gevierd. Eene groote menigte lieden van allerlei soort, slag en kleur juichte in de tuinen van den Retiro den
16
„Prins Seringquot; toe, eene dwaze satire, waarin de regeerende Vorst, met den naam van Maeearoni den Eerste werd aangeduid. In het theater waar ook Koning Amadeo zich bevond, waren, in eene loge bij het tooneel, drie Savoyaards verborgen, die door eenige leden van den Veloz-club, waaronder ook Paco Velez, omgekocht, de uitvoering stoorden door midden in het stuk, begeleid door hunne violines en mandolines, het bekende referein te zingen:
Cicirinella had een haan E tutta la notte reed te paard.
Reed te paard la notte bella Leve de haan van Cicirinella.
Dit deed de dames veel genoegen, want het was duidelijk, dat het den weg tot de Restauratie gemakkelijk zoude maken; maar er was iets, waarvoor men zeer beducht moest zijn, en de Markies fronste, toen hij dit zeide, zijne zware wenkbrauwen, en dit was, dat in het noorden de Carlisten zich begonnen te roeren, terwijl de Republikeinen overal het hoofd opstaken, en waar zooveel monden gaapten, was het moeielijk het zoozeer begeerde brokje te verdedigen. De Restauratie is zoo goed als zeker, maar wij moeten er toe komen door een zee van bloed, zeide Robinson Crusoe op profetischen toon. Ik voorzie voor Spanje een jaar 93 met al zijne gruwelen. . . .
De dames schrikten hiervan en begonnen toen met gesmoorde stem over de guillotine te spreken, alsof zij, zooals Marie Antoinette uit de vensters van den Tempel, het hoofd der Prinses van Lamballe op een piek zagen voorbijdragen. Sterven joeg haar vrees aan. Wat wisten zij van sterven? Op het tooneel hadden zij het wel gezien, als Violeta Valery, terwijl zij in de armen van Alfredo gleed, begeleid door het orchest, zong:
Addio d\'ill passato.
De Hertogin vertelde met bevende stem, dat zij in het museum
17
van Madame Tussaud dezelfde guillotine had gezien, waarmede Lodewijk XVI was ter dood gebracht. De vrouw van Lopez Moreno bracht haar hand aan haar dikken hals, alsof zij daar reeds de snede van het noodlottig mes voelde. Maar Leopoldine Pastor was niet bang voor den dood; zij wilde sterven als Charlotte Corday, na een half dozijn schurken als Marat vooruit gezonden te hebben. Carmen Tagle zuchtte, stak een puntje van hare tong uit en vroeg, of het veel pijn deed.
— Het is slechts even een koud gevoel, antwoordde een grafstem uit de verte.
Allen zagen verschrikt om, meenend de schim van Robespierre te zullen zien, die hun zijne ondervinding kwam mede-deelen; maar zij zagen alleen D. Casimir Pantojas, die zijn eene hand aan zijn nek bracht, en met de andere den staart van een konijntje van Saksisch porcelein afbrak, dat, met honderd andere kostbare snuisterijen, een tafeltje versierde. Altoos afgetrokken , verbrijzelde de goede man alles, wat binnen het bereik zijner spitse vingers kwam en aan dit onophoudelijk breken van huisraad en porcelein dankte hij den naam van, letterkundigen cycloon. Allen lachten en deze grap van het lid ,der academie, eigenthjk niets anders dan hetgeen doctor Guillotin zelf aan de Fransche Volksvergadering had uitgelegd, helderde de sombere athmospheer op. Plotseling, als een vrouwelijke wervelwind, die de laatste wolken wegjoeg, stoof de deur in: Isabella Mazacan, met een stap als Diana de Jageres, met trotschen blik en het hoofd fier opgericht: te groote dame om op eene cocotte te gelijken, doch voor eene groote dame te ongegeneerd. Zij kuste de Hertogin, trok een handschoen uit, dronk twee slokjes thee en zeide toen:
— Butron, een sigaar — en plotseling, zonder inleiding, met de koelbloedigheid van een oudgediende, liet zij deze bom springen:
— De benoeming van Grootmeesteres van het Paleis is geschied.
De verrassing deed dames en heeren van hunne stoelen op-
2
18
springen en als door een tooverslag was de migraine der Hertogin verdwenen.
— quot;Wie is het. .. ?
— Wie kan het zijn?
Ja, wie zou het inderdaad kunnen zijn?
De Alfonsistische dames hadden Koningin Maria Victoria een weigerend antwoord gezonden, zoodat de post van Grootmeesteres open was gebleven. Deze post kan slechts worden bekleed door iemand uit Spanje\'s hoogen adel en is uit haar natuur zoo verheven en van zoo teederen aard, dat hij aan den persoon der Koningin geen gezag ontleent, maar wel geeft. . . .
— Bah, riep eindelijk de Hertogin van Bara, de eene jof andere vrouw van een kolonel van Aloolea.
— Eene deftige burgervrouw, of zoo iets, meende Carmen Tagle.
— Miss Zeo, paardekunstenares, dacht Gorito Sardona.
En Paco Velez zeide ruw, zonder dat eene der dames er voor schrikte of een der heeren hem daarvoor in het gezicht sloeg:
— Eene zeug, — kunstenares zonder naam. .. .
Angelito Castropardo, die achter de dikke mevrouw Lopez Moreno stond, duidde met een ondeugend gebaar haar aan, terwijl hij een oog toekneep, om te vragen, of zij het was, maar Isabella Mazacan antwoordde, zonder dat de dikke bankiersvrouw kon bemerken, wat zij meende of wie zij bedoelde:
— Het is geene Dikke, het is eene Groote van Spanje.
Toen ging de verrassing over tot verontwaardiging en zelfs
de afgemeten diplomaat trok zijn wenkbrauwen van konijnenvellen samen, terwijl hij riep:
— Onmogelijk, — onmogelijk----
— Zij zal eene Grande zijn uit de provincie, iemand, die wij niet kennen, zeide Leopoldine Pastor.
— Neen, neen, zij is eene Grande van hier, en van de echte soort; het verwondert mij haar niet te zien. ...
— Hier ? riep de Hertogin, terwijl zij zich verbaasd oprichtte.
19
En zij liet hare oogen overal rondgaan, alsof zij onder eene tafel, of op eene kast de nieuwe Grootmeesteres dacht te zullen vinden.
— Maar wie is het dan, wie — ? riepen allen.
Isabella Mazacan glimlachte ondeugend als iemand, die reeds van te voren eene overwinning geniet, reikte Paco Velez een glas toe om het met whiskey te laten vullen, ledigde dit in een teug en liet eindelijk de bom springen.
— Curra Albornoz, zeide zjj.
Het al te verrassende van dit nieuws schaadde aan zijne werking.
Een ongeloovig „och watquot; kwam over ieders lippen en de Hertogin liet zich op nieuw in de diepte van hare chaise longue terugvallen, terwijl zij zeide:
— Dat is een canard!
— Ja, juist, zoo groot als een kameel, voegde Gorito er zeer verontwaardigd bij.
Nu was het de beurt aan Isabella om zich boos te maken, en terwijl Butron een gebaar van schrik onderdrukte, alsof hij die benoeming als een zaak van zeer gevaarlijken aard beschouwde, zeide zij zeer ontstemd over het fiasco van haar nieuws:
— Maar mijn hemel! Ik verwonder mij over uwe verbazing! Waarover zoo verbaasd....? Zou Curra bij geval zich ooit over iets geschaamd hebben ?
— Dat is eene andere zaak, zeide de Hertogin met ongeveinsde bedaardheid; maar het onzettende nieuws, dat gij van haar vertelt, zou erger zijn dan een misdaad; het zou eene domheid zijn. Grootmeesteres van la Cisterna, \') het is bespottelijk. ...
— Geloof mij, ik heb het uit een goede bron. . . .
1) Maria tlal Pozzo della Cisterna, gehuwd met Koning Amadeo. Daar nu cisterna ook put of regenbak beteekent, was dit een onuitputtelijke bron van geestigheden. (Vert.)
1*
20
— Kom aan Isabella, wees niet bang het te zeggen, niemand onder ons zal er over kleuren, zeide Maria Valdiyieao, met de nijdigheid van een jongen stier. Garcia Gomez heeft het u verteld. . . .
Isabella weifelde een oogenblik; maar zonder te kleuren over de praatjes, die er gefluisterd werden over hare vertrouwelijkheid met den mooien minister zeide zij ;
— Garcia Gomez heeft het mij verteld.
— En al vertelt Sint Garcia Gomez het honderd maal, riep de Hertogin heftig uit, ik geloof niet voor ik haar in de koets heb zien zitten naast la Cisterna.
— En gij zult het zien, wees maar niet bang, viel Isabella haar langzaam sprekend in de rede. Herinnert gij u niet, dat Curra in Parijs was, toen de Koningin afstand deed----? Herinnert gij u niet, dat niemand er aan gedacht had, haar bij die plechtigheid uit te noodigen....? Zij wachtte zich er wel voor er iets over te zeggen; maar haar man, die Villameion, die evenveel hersens heeft als een meloen, liet er zich iets van ontvallen, op een avond aan huis bij Camponegro. . . . Hiei zit de kneep — dat heeft zij nooit vergoten, die veronachtzaming — en nu wil zij zich wreken. Maar nu is er nog iets , Beatrix, en daarover kunt gij u inderdaad verbazen.... De betrekking is haar niet eens aangeboden. ... Zij, zijzelve heeft
er om gevraagd. . . .
Ieder vond dit afschuwelijk en Isabella vervolgde:
_ Maar zij laat er zich ook voor betalen, dat is waar
zij krijgt er voor zes duizend duros (ƒ 15000) en----
— Zes duizend duros; het is schande---- Geen hofcharge
brengt meer op dan drie duizend. .. .
— En Curra krijgt ook nog behalve die zes duizend. .. .
Hier kreeg de vriendin van Garcia Gomez een geweldige
lachbui en zij zeide daarna zeer langzaam:
_ Het particulier secretarisschap bij Don Amadeo voor Juanito
Yelarde, die op dit oogenblik haar vertrouwde raadsman is.
21
— Velarde! riep Pilar Balsano verrast uit. Ik heb nooit geweten!... .
— Hoort gjj dat nu pas?. . . . Kom aan. Pilar, gij, die altijd het eerst in het veld zijt! ....
— Ik zie hom veel met Villameion, maar heb nooit vermoed. ...
— En wil ge dan beter bewijs. . . .? In dit model huwelijk hebben zij alles gemeen tot hunne genegenheden; de meest vertrouwde raadsman van Currita is degeen, met wien Villa-melon het meest verkeert, en ik weet ook, wien hij opgevolgd heeft.
Allen lachten, zooals gewoonlijk, wanneer Isabella hare scherpe tong den teugel vierde en de vrouw van Lopez Moreno voegde zeer voldaan er bij;
— Hoor Isabella eens aan, hoe netjes geeselt zij de lui.
Dit vertrouwelijk Isabella beviel deze niet bijzonder, en daar
op hare landgoederen geen hypotheek van den bankier rustte, zeide zij, terwijl zij zeer op de praedioaten drukte:
— Ik weet ten minste, dat ik niemand belaster, m\' senora dona Bamnna.
De Hertogin, die zich nog niet wilde gewonnen geven, wilde iets zeggen, maar de Markies wenkte, verontrust en zenuwachtig, om stilte, en strekte eene hand uit, die even als die van den aartsvader Jacob, bij zekere gelegenheid, met goitenvellen scheen bedekt.
— Genoeg, genoeg, mijne waarde vrienden, gij oordeelt met een vuur. . . .
En terwijl hij om zich heen zijne onderzoekende oogen liet gaan, die onder zijne zware wenkbrauwen schitterden als do zon tusschen zware wolken, voegde hij er bij:
— Wij hebben hier allen dezelfde belangen en wij kunnen duidelijk spreken.... Als het zeker is, wat Isabella vertelt, zal de benoeming een staart hebben. ... Hetgeen bij de Abdicatie gebeurd is, is waar, maar het was een verzuim.... Ik was er
22
bij tegenwoordig, en Pepe Cerneta maakte mij op het verzuim opmerkzaam; de Koningin zelve sprak er mij over en beklaagde zich er over.... Toen ik dus bemerkte, dat Currita zich be-leedigd gevoelde, schreef ik zelf aan de Koningin en gaf haar den raad de zaak op te helderen.
— Maar dat was glad verkeerd, jammer van den verloren tijd, viel Isabella hem met een bekoorlijk pruillipje in do rede.
— Neen, Isabella, neen; wanneer een partij het onderspit delft, dan is het de beste politiek te zorgen dat er geene onaangenaamheden in den boezem dier partij ontstaan .. . Daarom meldde mij de Koningin, korten tijd geleden, dat zij haar voor de eerste communie van onzen Vorst te Rome zoude uitnoo-digen. . .. Denk nu eens wat een figuur ik zal slaan, indien de Koningin een vergeefschen stap doet. Hemel, hemel, wat een gek geval!... Isabella -— hoe onnadenkend.... Waarom hebt gij dat niet mij alleen verteld?
— Omdat ik te veel pleizier had in de grap en omdat gij die anders voor u alleen zoudt gehouden hebben!
— Dat is het juist; het had stil gehouden moeten worden, totdat ik met Currita had gesproken.
— Gij zult dadelijk haar hier zien verschijnen.
— Hier?
— Ja hier. ... Zij heeft met mij afgesproken om van hier samen naar het Vondelinghuis te gaan. Zij is lid van het Damesbestuur.
— Och ja — riep Carmen Tagle op zalvenden toon uit, Currita is vol teederheid voor die arme kleinen.
— Moederlijke teederheid — riep Gorito op denzelfden toon.
— Waarlijk moederlijk, zeiden eenigen op bewogen toon, en allen begonnen te lachen en ook het schoolmeisje deed het met ongeveinsde oprechtheid, terwijl de beangstigde Butron met een gebaar als van een Neptunus, die de golven stilt, uitriep:
23
— Bedaard , lieve menschen, om \'s hemels wil bedaard. Laat niemand met haar een woord er over spreken, alvorens ik haar gesproken heb.
— O neen, neen, dat doe ik niet, riep Isabella Mazaoan ontevreden uit. Voor niets ter wereld wil ik het pleizier missen haar een oogenblik woedend te maken.
— Maar als het eens nog niet zeker was... als ulles nog kon geschikt worden?
— Nu dan, terwijl gij de zaak in orde brengt, zullen wij ons vermaken.
Butron wilde nog zijn gezag laten gelden, maar het was reeds te laat.. . . Door de deur van den fumoir zag men een kleine, tengere dame de salon daarnaast binnenkomen. Mot afgemeten pasjes stapte zij op hare hooge hakken voort, terwijl zij telkens den vloer raakte met den langen steel van hare kanten parasol. Zij had rood haar, haar gelaat was een weinig gesproeteld en hare grijze oogen waren zoo licht van kleur, dat zij op eenen afstand onzichtbaar werden en don vreemden indruk maakten van de effen oogen van een standbeeld.
Toen Leopoldine Pastor haar zag binnen komen, liep zij naar een prachtigen Erard, die in een hoek stond; met eene enkele forsche beweging trok zij er het kostbare broeaat kleed af en woedend begon zij de vurige hymne van koningin Maria Victoria te spelen, eene van die philharmonische buitensporigheden , waaraan de partij van den vooruitgang zich zoo vaak schuldig maakte.
Gorito Sardona sprong op een poef van .Tapansche stof, en met een presenteerblaadje van oud geciseleerd zilver, bij wijze van h ed in de hand, groette hij de binnenkomende dame zeer langzaam en stijf zonder het hoofd te bewegen, strekte den arm recht uit, zoodat deze met zijn lijf een rechten hoek maakte en bootste zoo doende den gewonen groet na van koning Amadeo.
Currita bleef een oogenblik op den drempel staan, zonder
24
haar voorkomen van een beschroomd jong meisje te laten varen; zij hoorde de hymne, zag Gorito, begreep den toestand met eenen enkelen vluggen blik... en boog toen met uitgezochte bevalligheid om den Amadeïstisehen groet te beantwoorden, en met eene tweede buiging, rechts, links en voor zich uit, maakte zij een sierlijk karikatuur der gewone neiging van koningin Maria Victoria.
III.
Den 21stequot; Juni 1832 hielden Ferdinand VII, die meer ten gevolge van jicht dan van leeftijd slecht ter been was, en Maria Christina, in al de glorie harer kracht en schoonheid, in de kerk der Heilige Drievuldigheid, bij het koninklijk lustverblijf San Ildefonso, een kind ten doop, dat de namen ontving van Perdi-nando. Christian, Robustiano, Carlos, Luis, Gonzaga, Alfonso de la Santi\'sima Trinidad, Anacleto, Vicente.
Het was de eerstgeboren zoon van den Markies en de Markiezin van Villameion, grandes van Spanje; hij, kamerheer des Konings; zij, hofdame der Koningin. Dit kind was het laatste, waarover in dit tranendal Ferdinand het peetschap aanvaardde. Vijftien maanden later werd in de koninklijke grafkelder te Madrid de vergelijking letterlijk bewaarheid, die de kwaaddenkende monarch gemaakt had tusschen zijn volk en een flesch bier. Hij was de kurk en als deze er van was afgenomen, zou de revolutie als schuimend vocht er uitspuiten.
Op bovengenoemden namiddag wilde Ferdinand zijn peetekind van nabij bezien en nam in zijn eigen vertrek den jonggeborene op zijn knieën, opende zijn mond met den vinger en stak daarin zijn Bourbonsche neus, alsof hij de opening van zijn slokdarm wilde onderzoeken. En nu gebeurde er iets wonderbaars, hetgeen Ferdinand deed schrikken en maakte, dat hij spoedig zijne neus terugtrok. De kleine Villameion was ter wereld gekomen met zijn vol gebit!
26
Hendrik IV werd geboren met twee tanden, Mirabeau met twee kiezen; iemand, die den grooteu Koning overtrof en uitmuntte boven den volkstribuun, moest noodwendig tot iets groots zjjn geboren.
Vader Villamelon weende van vreugde en de Graaf van Alcudia, die aanwezig was, gaf den raad zeven en twintig koeien en veertig geiten te bestemmen om don jongen melk te geven, evenals dat gebeurde met het jong nijlpaard, een geschenk van Abbas Pacha, dat in den Jardin des Plantes te Parijs was groot gebracht. Maar Ferdinand raadde aan, hem coteletten te geven om op te zuigen, met een glas cognac toe. Denzelfden avond zond hij zijn peetekind een groot voorsnijmes van massief goud, met het wapen van Spanje op het heft.
Ook de Koningin wilde zich van dit wonder vergewissen en stak het puntje van haren rosen vinger in den mond van den kleinen Villamelon, en Don Tadeo Calomardi, die juist binnen was gekomen, stak ook zijn met inkt bevlekten vinger er in. Maar het kind drukte toen met kracht zijn vroegrijp gebit opeen, hetgeen den Minister een zachten kreet afperste.
— Men kan zien, dat hij zich niet voor den mal laat houden, zeide Ferdinand VIL
Om deze grap van den Koning werd gelachen, en het gezegde ging het koninklijk vertrek uit, doorkruiste de salons, liep de antichambres door, en bij het afdalen der trappen had het reeds zulk eene uitbreiding gekregen, dat er niemand was, of hij sprak over de buitengewoon vroege ontwikkeling van het kind; sommigen zeiden, dat het kind, drie dagen na zijne geboorte, reeds het Onze Vader had opgezegd voor zijn koninklijken peet; anderen wisten er bij te vertellen, dat hij reeds het Ave Maria met een gedeelte van de Litania lauretana van buiten kende.
Het was een buitengewoon geval en van toen af dagteekende de roep van talentvol mensch, dien voortaan de toekomstige Markies van Villamelon zoude genieten, totdat zijne herhaalde dwaasheden dien roem zouden vernietigen.
27
Op zijn twintigste jaar, toen hij reeds, ten gevolge van zijns vaders dood, in het genot zijner titels was gekomen, kwam hij op de artilleriesehool en in het jaar 59 trok hij ten oorlog naar Afrika aan boord van een schip van het eskader onder bevel van Generaal Don Segundo Herrera. Brandend van verlangen den Afrikaanschen bodem te betreden en zijn maagdelijken degen in Moorenbloed te drenken, sprong hij aan land bij Cabo Negro, met moed genoeg om dwars door Marocco naar Tunis te mareheeren, waar een zijner voorouders den Grande titel had verworven, toen hij met Don Juan van Oostenrijk het kasteel der stad veroverde.. . . Maar opeens, als bij een wild dier, dat zijne haren opzet, vertoonden zich boven het dichte struikgewas, dat het roodachtig strand bedekt, verscheidene kustbewoners, die met het vuur uit hunne lange geweren de indringers ontvingen.... Villameion weifelde geen oogenblik, hij vergat Marocco, zag van Tunis af en verloochende alzoo zijnen voorvader, die daar zijnen titel had veroverd. Hij repte zich in zijne sloep en verschool zich vervolgens in de kajuit van „de Blanca,quot; zonder op het dek te verschijnen, totdat hij met den titel van „ziekequot; weer op het Schiereiland opdaagde De kustbewoners vond hij tijdens de korte kennismaking al te leelijk en daarbij zoo slecht opgevoed, dat het voor elk fatsoenlijk mensch onmogelijk was met hen in aanraking te komen.
Hij vroeg vervolgens zijn ontslag en kwam zegevierend in Madrid, evenals Napoleon te Parijs na zijnen tocht naar Egypte, voorafgegaan door den roem zijner heldendaden in den landzeeslag bij Cabo Negro. De land-zeeslag was het praatje van het geheele hof, en de held zelf weidde er breed over uit. Toen hij eens als Grande dienst had in het Paleis en voor de honderdste maal den land-zeeslag, vertelde zeide hein op eens de Koningin:
— Hoor eens, Villamelon, breng er eens oen enkelen keer verandering in en Iaat het niet altijd land-zeeslag zijn; laat het voor vandaag eens zee-landslag zijn.
28
En door de koninklijke lippen zee-landslag gedoopt, bleef dit zoo voortaan geheten.
Toen ter tijd was de Markies, zonder liederlijk te zijn, toch vrij losbandig. Niet op de aristocratische manier van Lauzun of Fronsac, groote heeien tot zelfs in hunne ondeugden, ridderlijk tot in hunne schanddaden, die het grove en gemeene van zich afschudden met dezelfde verfijnde bevalligheid, als waarmede zij de snuif van hunne kanten lubben verwijderden. Zijne uitspattingen integendeel waren, zooals bij de meeste jongelieden van hooge afkomst in Spanje, eene vreemde mengeling, een tweeslachtig type van den manoio \') en den sportsman, van den gitano en den muscadin, iets dat geboren schijnt uit een Andaluzischen stier en eene Panjsche soubrette. Op zijn dertigste jaar, oververzadigd van loszinnige Spaansche meisjes en lorettes, van stieren en handicaps, van appelwijn en champagne , van ossevleesch en paté de foie gras, besloot hij er een einde aan te maken, dat is, te gaan trouwen.. .. Maar opdat Villamelon een eind kon maken, was het noodig dat eene of andere dochter van Eva een begin maakte. Dit nu is eene van die tegenstrijdigheden, die voorkomen in zekere klassen der maatschappij en haar grond hebben in het verdraaid oordeel dier klassen, daar het nu eenmaal aangenomen is, dat, wanneer de man denkt er mede te moeten uitscheiden, de vrouw meent te moeten beginnen.
Het moeielijke van eene keuze, l\'embarras du choix, zooals hij zelf zeide, was er voor Villamelon niet, want hij wist zich in alles te vinden. Hij geloofde in God als in eene uitmuntende persoonlijkheid, met wie hij best overweg kon en aan wie hij van tijd tot tijd, aan den kansel van de eene of andere kerk, zijn visitekaartje afgaf. Een mensch was, in zijne oogen, een koker, bestemd tot het verteren van spijzen; het leven
i) Eeu manoio is te» jong man uit den werkmansstaiul le Madrid, die zich onderscheidt door lustige en zeer vrije zeden. (Vert.)
29
een pelgrimstocht, die met een gevulde beurs en eene goede maag zeer aangenaam kon worden volbracht; eindelijk het huwelijk de samenvoeging van twee fortuinen en de voortzetting van zijn geslachtsboom, hetgeen hij aan zijne beroemde voorouders verschuldigd was, niet meer of minder dan de eigenaren der stieren van Veraguas of der Mecklenburgsche merries voor de voortplanting zorgen.
Alzoo vroeg de held van het zee-landgevecht bij CaboT^egro, die zoo ontsteld was geweest over de betrekkelijke naaktheid der kustbewoners, zonder tegenzin en verkreeg zonder verbazing de hand eener hooggeborene wilde, wier ziel geheel naakt was. Even als in bosschen en wildernissen wilden elkaar ontmoeten, die tegen de betamelijkheid zondigen door de naaktheid hunner lichamen, zoo ontmoet men op straat en in salons andere wilden , uiterlijk wel gekleed, maar die de eerbaarheid kwetsen door de innerlijke naaktheid hunner zielen Voor hen heeft de meer of minder onechte tooi, waarmede het menschdom gewoon is zijne ondeugden te bedekken, volstrekt geen nut. Even als Cetewayo, de onttroonde koning der Zoeloes, het uitschaterde van lachen, toen zijne Engelsche overwinnaars hem een hemd schonken, zoo lachen zij om den blos der huichelarij of om den schijn van fatsoen, waarmede iemand zijne bedriegerijen bedekt.
Deze hooggeborene wilde, te midden der beschaving, was; la Excma. Sra. D;l Francisca de Borja Soli\'s y Q-orbea, Condesa de Albornoz, Marquesa de Catanalzor, twee malen Grande van Spanje, door hare eigene afkomst en als Marquesa de Villamelon en Paracuéllar, titels, die zij haren held van Cabo Negro dankte.
Maar door eene van die afwijkingen, die een individu eene uitzondering doen maken op sommige algemeene kenmerken van het soort, en zulk een individu een eigen karakter geven, bezat de Gravin eene eigenaardige eerbaarheid, die men hare eerbaarheid tegenover haren man zou kunnen noemen. quot;Want hun huwelijk was niet, zooals van zoo velen hunner klasse, de zeer elastieke band, waaraan een paar honden gekoppeld zijn
30
en waaraan dit paar zoo ver mogelijk van elkaar verwijderd loopt, integendeel, men zag hen altijd en overal samen, hij haar overladende met vleiende attenties en zij die lievigheden beantwoordende met al het aanvallige van een beschroomd schoolmeisje. Haar betooverend enfantillage, gevoegd bij haar schaamteloos cynisme, wekte de grillige voorstelling van een Oaraibe, die, uit een glas van fijn geslepen Boheemsoh kristal, teugje voor teugje schuimend, warm bloed drinkt of aan een Kannibaal, die met zilveren vork en mes beefsteak van men-schenvleesch eet.
Villamelon had met dit alles zijn droom verwezenlijkt gezien , want zijne echtgenoote had zijn geslachtsboom doen groeien , door hem een jongen en een meisje te schenken. Zijne eigen inkomsten, die, zooals hij zeide, voldoende waren voor zijn middagmaal, waren nu vermeerderd met die zijner vrouw, zoodat zij thans ook konden avondeten, alles natuurlijk volgens de overdadige regels der kookkunst, want Villamelon deed steeds eer aan zijn vroegtijdig gebit en aan het voorsnijmes van geciseleerd massief goud, dat zijn koninklijke poet hom geschonken had. Hij was gulzig en een lekkerbek tevens, gourmand even goed als gourmet; hij was een vat zonder bodem, wat betrof, hetgeen hij dronk en verslond, en een Brillat-Savarin, wat betrof, hetgeen hij at. Voor het overige doof voor de vermaningen, die van tijd tot tijd eene slechte spijsvertering aan zijnen maag gaf.
Wat zijne vrouw betrof, zij was ook gelukkig: zij dompelde zich in haar schaamteloosheid als de Grieksche held in deu Styx en had zich als deze onkwetsbaar gemaakt. Door hare grenzelooze vermetelheid, door haren cynisch vrouwelijken spot bereikte zij het eenig doel van haar leven, het aangeboren vurig verlangen harer grenzelooze ijdelheid; namelijk zich boven allen te stellen, altijd de eerste zijn, van een ieder hulde te ontvangen, en daarom hield zij zich uitsluitend met zich zelve en hare eigene belangen bezig; het kwam er weinig op aan, of zij
31
daarmede goed of kwaad deed. Van haar had men kunnen zeggen, zooals zeker schrijver zich over een bekend personage zoo elegant uitdrukt: „bij eene bruiloft zoude zij de bruid willen zijn, bij een doop de jonggeborene , en bij eene begrafenis de overledene.quot;
En ofschoon niemand de heerschappij kon verklaren, die Currita \') in hare wereld uitoefende, onderwierp iedereen er zich aan, met die laakbare toegeeflijkheid voor het schandalige, die naar ons oordeel de hoofdzonde is in de hoogste kringen van Madrid en de oorzaak hunner verbastering. Van den volmaakten edelman tot den eleganten zwendelaar, van de eerbare dame tot de lichtzinnige vrouw, onderwierpen zich aan haar allen meer of minder, hetgeen niet belette, dat die allen verzekerden, dat zij lang niet de schoonste was, dat in afkomst velen hare gelijken waren en dat er ook nog rijkeren waren dan zij, maar dat alleen in brutaalheid en schaamteloosheid zij allen overtrof. Zou dit de reden zijn harer oppermacht? Zou, evenals in sommige dorpen van wilde negers, waar het monsterachtigste afgodsbeeld de meeste eer ontvangt, in sommige kringen der samenleving, waar de goede smaak bedorven is door het verfijnde der ondeugd en door den dampkring van verdorvenheid, waarin men loeft, de smaak voor het goede verloren gaan?
Laten wij er ons toe bepalen hot feit te vermelden zonder het te verklaren en laten wij thans zien, wat Currita kwam doen in het huis der Hertogin van Bara.
Deze had zich half opgericht en Currita kwam haar te gemoet op de maat der hymne van Koningin Maria Victoria, rechts en links groetende, terwijl zij met haren argeloozen lach zeide:
— Ik dank u, ik dank u beminde onderdanen.
— A tout seigneur tont honneur. zeide de Hertogin tot haar, terwijl zij haar weerom kuste.
Men omringde Currita, die naast de Hertogin had plaats ge-
4) Currita diminutief van Curra, dat lief, elegant beteekent.
32
nomen, terwijl zij voor een kopje thee bedankte, dat men haar aanbood en in plaats daarvan een glas whiskey vroeg, want het was mode onder de dames, die zich rekenden tot de crème de la crème, om veel te rooken en veel spiritualiën te drinken, hetgeen zij zeer graoelijk deden. De eerwaarde Bntron bood haar een cigaar aan :
— Och neen, neen, zeide zij met hare welluidende stem; geen stroocigaar. . .. Geef mij er een, die zwaarder is — Gorito. . . .
En terwijl Gorito haar er een gaf, die een wachtmeester der cavalerie had kunnen duizelig maken en zij zich met een waslucifer vuur verschafte, zeide de Hertogin :
— Komaan — vertel, vertel. . . .
— En wat moet ik vertellen? zeide zij al rookende; ik zie, dat gij allen al\'.es reeds weet.
— Is het dan waar? vroeg Bntron ontsteld.
— Zeer zeker — antwoordde Currita met nadruk
De harige Bntron hief beide handen ten hemel, Isabella Mazacan zag het verschrikte gezelschap zegevierend aan en do Hertogin, terwijl zij woedend rechtop ging zitten, riep heftig uit:
— En dat komt gij hier zoo koelbloedig vertellen en gij hebt nog wel den moed, mij dit in mijn eigen huis te zeggen?. . , .
Currita scheen verrast, bijna verschrikt, en terwijl zij hare heldere oogea met eene uitdrukking van bewonderenswaardig geveinsde ontzetting over het gezelschap liet gaan, zeide zij met de half schreiende stem van een kind, dat men met slaag dreigt:
— Maar laten wij elkaar wel begrijpen — wat hebt gij gehoord?
— Dat gij tot Grootmeesteresse benoemd zijt bij la Cisterna, zeide Isabella met al hare heftigheid.
Currita dacht in zwijm te vallen.
_ ]k? — riep zij uit verontwaardigd en blozend als eene
maagd die aan hare deugd hoort twijfelen. En dat hebt gij geloofd ?
33
— Niemand — niemand, antwoordde Butron snel, terwijl hij een zucht slaakte als een reus, wien men een berg van zijn borst had gewenteld. Niemand heeft een oogenblik aan uwe trouw getwijfeld, lief kind, en geloof. .. .
— Mijn hemel! wat menschen, wat praatjes.... Wat eene manier om de eenvoudigste dingen te verdraaien, zeide Currita met zwakke stem.
En terwijl zij met haar zeer fijn baptisten zakdoek een traan, valsch of echt, afvvisohte, liet zij als zonder opzet, eene zeer fraaie lelie zien, die zij op de borst droeg en een prachtigen gouden armband, die het naamcijfer van Isabella TI in edelgesteente droeg.
— Niets is eenvoudiger, zeide zij mot hare zachte stem, die altijd zangerig en nooit eentonig klonk Gisteren, in den Ministerraad werd er over de benoeming van eene Orootmeosteres gesproken; om de waarheid te zeggen, is die betrekking bij de arme Cisterna niet zeer begeerd. ... Toen stelde de Minister van Koloniën voor, die betrekking mij aan te bieden. \')
— Die onbeschaamde — riep Leopoldine Pastor uit, en heeft uw man hem niet afgeranseld ? . .. .
— Dat verdiende hij wel — maar eigenlijk gezegd, is de arme goede Ferdinand schuld aan alles — zeide Currita met het gezicht eener volgzame eehtgenoote. Hij geeft zich moeite om zijnen vriend Juanito Velarde tot particulier secretaris van Don Amadeo te maken. Hij sprak daarover met don Minister,
1) Wij haasten ons den lezer mede te deelen, dat noch deze persoon, noch een van de anderen, die bij de vele historische feiten, in dezen roman vermeld, voorkomen als officieele personen, portretten zijn van werkelijk bestaan hebbende of nog bestaande lieden. Wij hebben op dezen zelfs niet willen zinspelen. Ofschoon velen onze sympathie lang niet wegdragen, boezemen zij ons toch medelijden in; en al geeselen wij zonder verschooning de ondeugd en het ergerlijke, wachten wij er ons toch wel voor een of ander bepaald persoon te grieven, die reeds door berouw zijnen censor heeft kunnen ontwapend hebben. Met. meer reden dan Crébillon zeggen wij: Jamais aucun fiel n a empoisonné ma plume.
3
34
die beloofde hem te helpen, en hieruit putte de Minister den moed het voorstel te doen. Ik heb het Perdinandito wel gezegd .... geef die lui den vinger, dan nemen zij de geheele hand.... Nu dan, mijn beste .... om kort te zijn. De Minister-President kwam zelf bij mij om mij de aanbieding te doen. In de veronderstelling, dat ik niet zou aannemen, ontving de goede Ferdinand hem, en toen viel er iets voor! Ik dacht te sterven van schrik — want ik vreesde, dat Perdinand hem op straat zou gooien en de zaak op het pistool uitmaken. Eindelijk ging hij heen, gloeiend kwaad en nu weet de hemel, wat zij van mij zeggen. Dit is nu alles. Daarom, toen ik binnen kwam en de hymne hoorde en de begroeting zag van Gorito, dacht ik, dat het een grap was, die gijlieden met mij wildet hebben.
Butron maakte een gebaar van verlichting en de Hertogin, die reeds geheel bedaard was en haren uitval wilde goedmaken zeide:
— Maar kondet gij iets anders denken?
En de pols vattende, waaraan de bracelet van Isabella II hing, kuste zij de hand hartelijk en zeide:
— Indien gij Grootmeesteres van la Cisterne waart geworden, hadt gij verdiend, dat deze armband in een handboei ware veranderd.
— Hebt gij de bracelet nog niet gezien? — vroeg Currita op natuurlijken toon. De Koningin gaf mij dien op mijnen laat-sten naamdag.
Terwijl Currita zoo praatte, fluisterde Isabella Mazacan Butron ongeduldig in het oor:
— Wat eene leugenaarster!---- Wat een slag heeft zij om
historietjes te verzinnen. Alles gelogen, Butron, alles!----Wel,
Garcia Gomez heeft mij verteld, dat juist in den Ministerraad de Minister van Koloniën het verlangen van Currita had medegedeeld, en toen werd dit toegestaan, onder voorbehoud der goedkeuring van la Cisternal----Van daag, van morgen nog.
35
moet de President bij Currita geweest om haar hiervan bericht te geven.
En zoodra zij dit snel Butron ingefluisterd had, zeide zij hierop, met een merkbaren zegepraal:
— Ziet gij nu, ziet gij nu, dat het juist is zoo, als ik gezegd heb? Hetzelfde, wat Currita vertelde, heeft mij Garcia Gomez verteld.
Currita, die zeer goede redenen had om te weten, dat Garcia Gomez de zaak duidelijk genoeg moest voorgesteld hebben, deed een paar trekjes aan hare sigaar, die door al dat gepraat begon uit te gaan en zeide, langzaam sprekend, tegen Isabella:
— Hoor eens, ik heb ook mijn kleine grief tegen .... uwen Garcia Gomez; want als Minister van Rinnenlandsche Zaken gebruikt hij zijn ledigen tijd om alle brieven na te zien, die uit Parijs komen.... Ja, ja, het is zoo, verdedig hem maar niet.... In het gabinete negro (cabinet noir) wordt de geheele correspondentie gelezen, voordat zij hare bestemming bereikt; en daarom kon hij in den Ministerraad vertellen, dat er gisteren voor mij een brief der Koningin is gekomen, die het Ministerie al het dwaze van zijne bewering moest hebben laten inzien.
Allen, en Butron het eerst, begrepen op welken brief Currita doelde en men riep in koor uit, waaronder men flaauw de jalousie kon hooren:
— De Koningin heeft u geschreven ?....
—■ Ja .... zij schreef mij, om mij uit te noodigen voor de eerste communie van Prins Alfonso te Rome.
En zij zag Isabella Mazacan vlak in het gelaat, wier heimelijke begeerte om de onttroonde Koningin bij die plechtigheid te vergezellen, bij iedereen bekend was.
Deze, die al lang hare tong had voelen kriebelen, was op het punt eene van hare gewone grofheden los te laten, maar Butron, buiten zich zelf van pleizier, toen hij zag, dat hij geen diplomatieken misslag had begaan, haastte zich haar het woord
3*
36
af te snijden en opstaande ging hij met haar naar een venster, waar zij een levendig gesprek aanknoopten.
Currita, met hare vreemde gewoonte om, terwijl zij sprak, haren onbestemden blik op niets bepaalds te richten, verloor deze twee evenwel niet uit het oog, terwijl zij haar reisplan voor den zomer vertelde. In het begin van Juli dacht zij met haren goeden Ferdinand op reis te gaan naar Belgie en daar eene kleine maand door te brengen bij Mariano Osuna in haar kasteel te Beauraing; daarna wist zij niet precies, hoe zij haren tijd tot den 15\'1™ October zou besteden, den datum waarop zij de Koningin te Marseille zoude ontmoeten, om van daar de reis naar Rome te ondernomen; misschien ging zij eerst wel naar Trouville. ... Den vorigen zomer had zij daar eene zeer mooie villa gehad, tegenover het Chalet Cordier van den heer Thiers. ... En dat was waar, dat Thiers een zeer sympathiek oud heertje was, zeer voorkomend en zeer netjes, al was hij een republikein. Zijne vrouw was eene hourgeoise zoo .... zoo .... tamelijk. Maar dan de schoonzuster, Mlle Dosne, de nymph
Egeria van den President!----Haar de knoopen te zien naaien
aan de kamerjapon van haren heau-frcre Adolphe! Hoe bevallig deed zij dat. ... Zij had veel van de huishoudster van eenen notaris in goeden doen.
— Het was een heerlijk driespan!
En met de naïveteit van een schoolmeisje beschreef Currita allernauwkeurigst een spotprent op het echtpaar Thiers, eene lompe onbetamelijkheid, te Bordeaux uitgegeven en daar door de politie in beslag genomen.
— De Hertog Decazes zond mij een exemplaar en ik kon de verzoeking niet weerstaan het onder kruisband per post te zenden aan Mlle Dosne. Ik had haar gezicht wel eens willen zien. Zij, zoo braaf, zoo kieskeurig!
En dadelijk daarop, zonder eenigen overgang, begon Currita zich te verteederen bij de gedachte aan de onuitsprekelijke vreugde, die haar te Rome wachtte, wanneer zij den pantoffel
37
van den allerheiligsten Vader, Paus Pius IX, mocht kussen. Welk een grootsohe figuur die Paus, hoe eerwaardig die grijsaard. En alle dames begonnen hare gehechtheid aan den Paus uit te bazuinen. Zij waren gereed goed, bloed, alles aan hem ten offer te brengen, alles behalve hare ziel, daar deze reeds lang aan den duivel was vervallen. .. . Carmen Tagle zeide, dat zij hem altijd als haren grootvader had beschouwd en de vrouw van Lopez Moreno voegde er bij, dat zij hem jaarlijks een vat heerlijken muskaatwijn zond van hare wijnbergen te Jórez, en de Hertogin, in allen ernst verontwaardigd, sprak over de baldadigheden, die het gemeen zicli vijf dagen geleden veroorloofd had, toen het de illuminatie, waarmede de katholieken den verjaardag van het Pausschap van den eerwaardigen grijsaard vierden, mot steenen hadden uitgegooid; in het paleis van Medinaceli alleen vernielde het twee en twintig lantaarns en gooide het zeven en dertig ruiten in. ... En onderwijl vermaakten Ministers en autoriteiten zich op een concert, dat ten paleize werd gegeven. . . . Wat een regeering .... en hoe goddeloos en vuilaardig was het volk.
Zij waren zoo niet. ... Zij vereerden den Hoogepriester door voor hem te illumineeren, en bepaalden zich er toe, de verheven zedeleer te steenigen van dien God, dien hij op aarde vertegenwoordigde.
Dit zeidon, zooals wel is te begrijpen, deze dames niet, maar Don Casimir Pantojas dacht het, zonder het te zeggen, nadat hij, aandachtig luisterend eene ongelukkige konijnenfamilie van porcelein, ooren en staarten had afgebroken.
Ondertusscheu had Isabella Mazacan haar gefluister met Butron geëindigd, en na zich bij Cnrrita verontschuldigd te hebben, dat zij haar niet naar het Vondelingenhuis kon vergezellen, omdat het al zoo laat was geworden, ging zij, blijkbaar geërgerd, heen. Cnrrita besloot toen naar huis te gaan en de Markies van Butron nam die gelegenheid te baat om ook afscheid te nemen.
38
— Hebt gij uw rijtuig, Butron?, vroeg zij den diplomaat.
— Neon, antwoordde hij haastig, daar hij nu onverwacht eene gelegenheid vond Currita alleen te spreken.
— Dan zal ik u in mijne coupé brengen, waarheen gij wilt.
— Ik moet zijn in de Calle de Isabella la Católica. — Ik heb iets te doen aan de Duitsche ambassade.
— Daar rijd ik juist langs.
Currita ging de trap af, leunende op den arm van den diplomaat en vond haar coupé beneden, een kostbaar rijtuigje, van binnen bekleed met hemelsch blauw satijn en fluweel, als ware het een fijn bewerkt juweel kistje.
Butron had er het zijne niet van. Het was hem duidelijk, dat Isabella noch loog, noch overdreef, toen zij de mededeelin-gen van den mooien Minister Garcia Gomez oververtelde. Maar hoe dan den plotselingen omkeer van Currita te verklaren? De ter rechter tijd aangekomen brief van Koningin Isabella kon het wel verklaren; het verzuim bij den troonafstand was hiermede weder goedgemaakt en zij kon dus daarom wel van hare wraak hebben afgezien. Hieromtrent gerustgesteld, wilde Butron evenwel zijne partij nog meer verzekeren van het kostbare bondgenootschap van Currita. Er zijn van die karakterlooze staatslieden, die, al is hun doel eerlijk, zich niet weten los te maken van onwaardige individus. Barrer para dentis (naar binnen bezemen) was de politiek van Butron, alsof het opveegsel voor iets anders konde dienen dan om de wanden van binnen te bevuilen.
Dus nam hij haar dadelijk onder handen, toen het rijtuig zich in beweging zette en steunende op zijne meerderen leeftijd, op zijne bloedverwantschap met Villameion en op zijne positie als aanvoerder der hrigada ftmenina der samenzwering, vroeg hij haar eene duidelijke verklaring van het gebeurde. ... Maar Currita, terwijl zij hare heldere oogen wijd opende, toonde zich zeer verbaasd en gebelgd; zij herhaalde op half schreienden toon het verhaal, dat zij reeds had gedaan en protesteerde op nieuw.
39
Iets anders te gelooven was inderdaad eene beleediging. Waarvoor zag men haar aan? Had zij gedurende geheel haar leven geene bewijzen gegeven van trouw aan de Koninklijke familie? En al ware zij zelve tot zoo iets laags in staat, zou dan haar goede Ferdinand zoo iets kunnen dulden, hij, die zijn bloed gestort had in den land-zeeslag van Cabo Negro voor de zaak van Isabella II!.... Hij haatte immers den geweldenaar uit het huis van Savoye zoozeer, dat hij nooit een postzegeltje op een brief plakte, of hij zette het hoofd van den armen Don Amadeo ten onderste boven. Eu moest men dan Isabella Mazacan onvoorwaardelijk gelooven, wier vertrouwelijke omgang met den revolutionairen Minister haar toch verdacht moest maken? Wist de heele wereld dan niet, dat die lieve Gravin van Mazacan eene intrigante was, die na hare reis met de Koningin naar Home voor Garcia Gomez zekere oude paperassen medebracht om te vernietigen, die betrekking hadden op een Italiaanschen Vorst.... ?
En Gurrita deed zulke verhalen en verdedigde zich zoo handig, en deed dit alles op zulk een toon, dat Butron, hoe slim anders, geheel in de war geraakte. En bij de tegenstrijdige verhalen der Gravinnen, die beiden even valsch spel speelden, was hem maar één ding duidelijk, namelijk dat hij op nieuw den stelregel bevestigd zag, dien hij zijn gansche leven had beleden: de vrouw heeft een afschuw van de slang uit nijd en afgunst op hare listigheid.
Intusschen vloog de coupé door do straten en sloeg de hoeken om met de vlugge wendingen van een vurig span paarden, gemend door de handen van een bekwaam koetsier. Midden in de Galle del Turco, boven het geratel van het rijtuig uit, hoorde ons tweetal een vreemd gedruisch in de verte, een soort van dof, dreigend geloei, zooals alleen de bulderende zee of eene oproerige volksmenigte kan veroorzaken.
Gurrita en Butron keken elkaar verrast aan en zagen toen eenige voetgangers, die haastig uit dc Calle de Alcala kwamen
40
loopen en den Concierge der Technische School, die vlug de deur van zijn gebouw sloot. Zoo iets was al te gewoon in die dagen van volksoproeren, dan dat de coupé zijnen gang daarvoor iets zoude vertragen en hij reed dus de Calle de Alcala in om zoo spoedig in de Calle del Barquillo te komen.
Dit was evenwel niet mogelijk; eene groote en dichte volksmenigte, uit allerlei soort van menschen bestaande en in bonte kleederdracht, vulde de Calle de Alcala van het eene einde tot het andere en bedekte die groote uitgestrektheid, zoover het oog reikte. . . .
Dit was eene vreedzame manifestatie van do democraten, die, vreemdsoortige vlaggen in de hand houdende, luide om de benoeming vroegen van Ruiz Zorilla tot Minister.
De koetsier van Currita, Tom Sickles genaamd, was het type van een forschen Britschen koetsier, die beurtelings de gepoederde pruik of den driekanteu steek had gedragen; te Londen had hij gezeten op den bok van den Hertog van Edin-burg en te Parijs op den bok van Prinses Mathilde. Hij trachtte met zijn paarden de manifestanten voorbij te komen om zoodoende de Calle del Caballero de Gracia of de Calle de Peligros te bereiken. Maar er was geen tijd meer voor en hij zag zich genoodzaakt vlak tegenover de Veloz club stil te houden, in het gedrang, dat daar ontstaan was van weelderige equipages, die van de Castellana kwamen en van gewone huurrijtuigen, die van den eenen kant naar den anderen wilde rijden. Butron wilde teruggaan en trachten door de eene of andere zijstraat op de Carrera de San Jerónimo te komen.
— Wat is dat aardig, riep Currita met kinderlijke pret uit.... Hoe heerlijk! Zie je wel Butron, hoe beelderig zij er uitzien met hunne vuurroode sjerpen.... O! dat bultje daar! ... . Wat een aap!.. . . O, die schurk.. . . Hij draagt een vaandel, waarop hij om hervormingen vraagt. De arme kerel, hij heeft zelf wel hervorming noodig, van zijn rug.
Een ander rijtuig kwam op dit oogenblik tussehen den coupé
41
en de menigte, waardoor Currita het uitzicht werd benomen. Daarin zat de civiele Gouverneur van Madrid, een zeer forsch en deftig man, die naar hot Paleis reed en ook genoodzaakt was stil te houden.
— Aha, hier is de Mastodont, zeide Butron zacht tegen Currita. Wanneer hij ons hier bij elkaar ziet, zal hij denken dat wij samenzweren.
Deze eenvoudige woorden van den diplomaat schenen Currita een van die stoutmoedige invallen te geven, die men óf plotseling krijgt, óf die anders jaren noodig hebben om tot rijpheid te komen. Zij stak haar hoofd uit het rijtuig, alsof zij wilde, dat de Gouverneur haar zag, en zonder den eerbiedigen groet te beantwoorden, dien hij haar schonk, zoodra hij haar bemerkte, trok zij haar hoofd weer spoedig naar binnen en bedekte haar gelaat met den zakdoek, alsof zij zich wilde verbergen.
— Wat ruiken die plebejers akelig — zeide zij tegen Butron om hem die manoeuvre niet te laten bemerken; wat een lucht hebben zij bij zich.
De koets van den Gouverneur kwam eindelijk met moeite midden op de straat, en van dit oogenblik scheen Currita zenuwachtig en onrustig en ongeduldig te worden over het oponthoud, dat haar pas te voren had vermaakt. Tegenover haar, een weinig meer naar de Puerte del Sol, zag men op de balcons der Veloz club, onder de zeilen, die tegen de zomerzon moesten besehermen, groepen aristocratische hoofden van nietsdoende gon.meux, die deze democratische vertooning aanzagen met een soort van angstige nieuwsgierigheid, spottend en ongerust tegelijk, evenals men op eene balustrade gezeten, de dwaze en gevaarlijke sprongen aanziet van een troep wilde zwijnen. Het scheen hun op dat oogenblik niet mogelijk, dat het wilde dier ter eeniger tijd zijne slagtanden tegen hen zoude kunnen keeren. Het gezicht van die elegante toeschouwers deed het ongeduld van Currita ten toppunt stijgen, en zóó groot was hare begeerte, om ten aanschouwe van hen iets bijzonders te doen en zich
42
ten toon te stellen, dat zij aan het koord trok, hard genoeg om den pink van den koetsier uit het lid te trekken en haar hoofd uit het portier stekende, riep zij:
— Go on Tom, go on! Run through. . .. Carry them off!
Tom liet zich dit geen tweemaal zeggen; hij stond op, greep de teugels vaster met de kracht van de wagenmengers der oudheid , zooals Phidias ze gebeeldhouwd heeft boven de fries van het Parthenon, staande op den wagen en met eene hand den galop besturende van vier paarden. De zijne trappelden en steigerden; hij raakte hen zacht met den zweep en vierde plotseling de teugels. De paarden vlogen pijlsnel door het democratisch gedrang en verdwenen als een bliksemflits in de Calle de Peligros. Een geweldig geschreeuw van angst en woede ging op uit de menigte, die zich verdrong om rechts en links plaats te maken. De menschen gingen verschrikt op den loop en de gommeux gingen voorzichtigheidshalve naar binnen, terwijl zij vlug de balcondeuren der Veloz club sloten, en de bultenaar, die om hervorming geroepen had, was op het punt geweest die te ondergaan onder de hoeven der paarden en de raderen van den coupé.
Butron intusschen, verbaasd door de plotselinge vaart en half dood van schrik over zulk eene vermetele dolheid, liet haastig de gordijntjes neer om niet gezien te worden, terwijl Currita, schaterend van het lachen, door het achterraampje zag naar de menschen, die verschrikt zich trachtten te bergen, en naar de politieagenten, die den coupé achternaliepen en riepen om stil te houden. Maar de opgewonden Tom Sickles, met een gezicht als een biet zoo rood, zette oen verschrikt gezicht, alsof de paarden op hol waren en hij hen niet meer in de hand had, terwijl hij met zacht rukken aan de teugels ze meer en meer aanzette. In de Calle de Isabel la Católica deed Tom Sickles nog een ander kunststuk: rijtuig en paarden bleven op
-1) Vooruit Tom, vooruil. Rijd er midden door heeu. Vooruit.
43
eens onbewegelijk staan voor de Duitsche ambassade. De dame was naar wensch bediend en de koetsier had den krans der overwinning verdiend der Hippische spelen.
Toen Currita bij haar eigen huis kwam, vond zij voor de deur drie rijtuigen achter elkaar staan, waaronder zij aan de vuur-roode cocarde, die de koetsier droeg, het rijtuig herkende van eenen Minister. Toen steeg zij in den stal uit en bereikte van daar, langs de dienstbodentrap, hare eigen vertrekken, zonder door iemand te zijn gezien. Op haar schellen versoheen Kate, het Engelsch kameniertje van Mevrouw.
— Wie is er bij Mijnheer? vroeg zij.
— De Minister van Binnenlandsche Zaken. De Hertog van Bringas en Don Juan Velarde spelen billard.
— Zeg aan Don Joselito, dat ik niemand ontvang .... ik heb erge hoofdpijn.
Kate scheen een oogenblik te aarzelen en zeide toen beschroomd :
— Ook niet Don Juan Velarde? ....
— Ook niet, niemand, niemand....
Op nieuw keerde Kate zich tot hare meesteres en zeide zacht:
— De jonker komt van daag van school . . .
— Waarlijk... . Goede Paquito. . . .
— En hij zal Mevrouw willen zien. . ..
— Neen, neen .... laat hij zich met Lih\' bezig houden.. .. Morgen zal ik hem zien. ... Ik heb van daag eene afschuwelijke migraine!
IV.
Toen de kleine Paul Lujan thuis kwam, begon het reeds duister te worden en waren de trap en de vestibule reeds geheel verlicht. Vier naakte beelden van wit marmer hielden in hun artistiek gevormde handen bronzen candelabres, elk met zes vlammen, in de hoogte. Onder aan de trap zat een groote Noorweegsche beer deftig op zijn aohterpooten en presenteerde met zijn voorpooton een zilveren schaal, bestemd voor het ontvangen van visitekaartjes der bezoekers. Dit was oorspronkelijk eene uitvinding van den Prins van Wales en Currita had dit gezien in het paleis te Sandringham en had zich gehaast het na te bootsen, hetgeen haar veel geld had gekost.
De droefheid van den knaap was verdwenen met die gezegende snelheid, waarmede bij kinderen aandoeningen elkaar opvolgen. De zeer verklaarbare ongedurigheid, die zich thans van hem had meester gemaakt, was het gevolg zijner kinderliefde en van zijn verlangen om geprezen te worden; hij hunkerde er naar met zijne prijzen, zijne ouders en zijn zielsbemind zusje Lih\' in de armen te snellen.... Achter in de koets gezeten, met zijne prijzen stevig in de armen, drukte hij met zijne voetjes tegen de voorbank, alsof hij dacht, dat dit werkelijk zou helpen om het rijtuig sneller te doen gaan.
Bij het binnenrijden van Madrid verloor hij wel vijf minuten, toen de lantaarns moesten worden aangestoken, en een eindje verder hielden de commiezen der belastingen hem op, om het
45
rijtuig geheel te doorzoeken. Hoe wanhopig!.... Wat leelijke, malle kerels waren dat! — Zij hadden zeker nooit vader, moeder of Lili gehad en nooit in hun leven een enkelen prijs behaald. . . . Als hij groot was, zou hij al die commiezen ophangen aan een rits, zooals hij eens bij den rentmeester van het buitengoed den Bikenhof, ginds in Extramadura, in den schoorsteen een rits worsten had zien hangen. ... En verder, bij het omslaan van den hoek bij het Universiteitsgebouw, kwam hun een groote verhuiswagen in den weg, en toen nog een omnibus en dat maakte al weer drie minuten verlies.. .. Toen eindelijk het rijtuig de laatste straat inreed, greep de knaap de kruk van het portier, klaar om het open te doen, terwijl hij zijn hoofd uit het raampje stak, want zeker stonden zij al op den uitkijk op een der balcons, zijn vader, zijne moeder, of Lih\', misschien wel allo drie te zamen. En dan zou hij hun van beneden maar eenen prijs toonen en dan zouden zij denken, dat hij er maar één had, maar als hij dan boven bij hen was, zou hij hun alle vijf toonen en de twee getuigschriften. . . . Wat zouden zij dan lachen!.... Maar de deuren van de balcons waren allen gesloten en geen levende ziel liet er zich op zien. Het rijtuig-reed het huis binnen en deed de spiegelruiten van de dubbele binnendeur rinkelen en hield stil voor de breede, met tapijten belegde trap. Maar ook hier was niemand en het kind zag niets anders dan den deftigen Noorweegschen beer Bruin, die zijn grooten bek opensperde en zijn vreeselijke tanden liet zien, terwijl hij het visitenkaartenbakje aanbood, als om hem uit te noodigen, daarin zijne prijzen te leggen. Maar de knaap liet ze niet los en ze aan zijn borst drukkende, sprong hij de trap op en kwam zoo in do vestibule. Hier hield een zeer zonderling personaadje hem staande. Het was een dwerg met een zeer leelijk gezicht, maar volmaakt evenredig gebouwd; het was een echte pygmee, evenbeeld van den bekenden Roby, dien men den Koning van Saxen aan tafel aanbood, verborgen in eene wildpastei. Hij zal niet meer dan een meter hoog
46
zijn geweest en was correct volgens de etiquette gekleed in rok en witte das, korte broek, zwarte zijden kousen en schoenen met gespen. Men noemde hem in huis Don Joselito. Hij had een tractement van zeven duizend realen (ƒ875.—) en daarvoor niets te doen, dan de bezoekers aan te kondigen en door zijne zonderlinge gestalte den nimbus van elegante originaliteit te verhoogen, die Currita omgaf.
De dwerg boog eerbiedig voor den Jonker en met zijne schelle, eenigzins bevelende stem zeide hij hem, dat Mevrouw hem niet kon ontvangen, daar zij zich een half uur geleden met vreeselijke hoofdpijn te bed had gelegd. Tranen sprongen plotseling in de schoone, blauwe oogen van den knaap. Hij draaide zonder een woord te spreken den dwerg zijn rug toe en liep naar de vertrekken, door zijnen vader bewoond.
Daar was Villamelon, lui uitgestrekt in een leunigstoel, terwijl hij geheimzinnig een gesprek voerde met den Minister van Bin-nenlandsche Zaken. De knaap vloog naar zijnen vader, sloeg hem de armen om den hals en kuste hem twee maal.
— Hola, heertje! al terug — riep Villamelon uit. Daar ben ik blij om ! . . . .
En ziende dat de knaap hem blozend van trots de prijzen aanbood, voegde hij er bij zonder die aan te nemen :
— Hola, hola, de prijzen.... Best, kereltje, dat doet mij pleizier. ... Kom aan, neem ze maar mede, en zeg aan Herman, dat hij van avond met u naar het circus gaat.
Hij nam twee pesetas uit zijn zak en gaf ze den knaap en zette toen zijn geheimzinnig gesprek met den Minister voort.
De knaap bleef een oogenblik met groote oogen staan kijken; draaide zich toen op een been om, en rood als vuur, zwaaiende, alsof hij dronken was, stiet hij tegen een tafeltje, vol met allerlei snuisterijen. Onder het tafeltje was een Japansch beeld met do mond wijd open en daarin wierp hij het geschenk van zijnen vader, de twee pesetas. Toen zette hij het op een loopen en verliet wanhopig de salon. Een oogenblik bleef hij op den
47
drempel staan achter de portiere, en toen met gebogen hoofd en slap neerhangende armen sloeg hij eene gang in, die naar de nursery voerde, het verbanningsoord, het Siberië der kinderen, eene instelling welke door het hartolooze egoïsme van Currita uit Engeland in haar huis was ingevoerd.
Aan het eind van de gang klonk eene ontstemde piano, die weerbarstig eene eentonige étude van Hanon scheen te stamelen. Deze muziek klonk evenwel als een concert van engelen in de ooren van don knaap; zijne neerslachtigheid verdween, zijne vroolijkheid kwam terug, en op nieuw zette hij het op een draf naar die kamer.
— Lilf!
— Paquito!
En een engel, een beelderig poppetje van negen jaar, sprong van het pianostoeltje om zich in de armen van den knaap te werpen, terwijl een oogenblik hunne kussen, hunne uitroepen, hun lachen, hunne vroolijkheid en hunne onschuldige, reine zielen zich vermengden, zooals hunne gouden lokken, die als een lichtkrans hunne liefelijke hoofdjes omgaven.
De knaap dacht eindelijk aan zijne prijzen.
— Zie eens!. . . . Zie eens !. . . .
Lih\' zette bewonderende oogen op, kneep hare lippen op elkaar en stak hare armpjes achter zich uit; hare critiek was die van de hoogste bewondering en bestond uit slechts een lettergreep:
—• Heh! riep zij uit.
— Vijf .... ik heb er vijf en twee getuigschriften.
— Wil je er mij een van geven .... Paquito?
— Ben je mal .... zulke dingen geeft men niet weg; men zet ze in eene lijst.... Pepito Vargas zegt, dat zijne mama ze voor hem in eene lijst zet....
— In eene groote .... groote lijst? vroeg Lilf, terwijl zij er eene met hare handjes beschreef, groot genoeg om het Mirakel van Sicilië te bevatten.
48
— Ja, eene heele grooto .... en zie nu eens hier .... deze is voor het rekenen, en deze ....
De jongen kon niet verder vertellen: eene uitgedroogde hand aan een witten pols kwam tusschen de portière te voorschijn, daarna een lange arm, toen een hoekige schouder en eindelijk een rossig gezicht, karakteristiek oorspronkelijk Engelsch, als het bier van Bass, en Huntley\'s biscuits.
— Mademoiselle! — riep Lili verschrikt uit.
En de uitgedroogde band met den smetteloozen pols greep het meisje bij den arm en trok haar naar binnen en een metalen , snerpende stem, die het trommelvlies verscheurde en een geluid gaf als een veer, die knapt, liet zich toen hooren:
— What is that, Miss?.... You have to learn ij our piano lesson until eight o\'clock. . ..
Toen vluchtte de knaap troosteloos heen, liep blindelings naar de nursery en verborg zijn hoofdje in de heldere lakens van zijn bedje, met het snijdend en wanhopig gevoel van eenen zelfmoordenaar, die eenzaam en vertwijfelend zich in een donkeren, diepen afgrond gaat storten,... De slaap, de gezegende slaap, de getrouwe vriend der kinderen, de zachte trooster bij al hunne bezwaren, bracht ten laatste zijne snikken tot bedaren en droogde zijne tranen; hij sliep spoedig in zonder van houding te veranderen, geheel gekleed en met zijne prijzen in de hand.
En ondertusschen had Villamelon zijn geheimzinnig onderhoud met den Minister voortgezet. De Markies telde toen ter tijd meer dan veertig jaren en de uitspattingen zijner jeugd hadden reeds vroeg op zijn gelaat haren stempel gedrukt. Zijn neus was al een weinig rood en puisterig; zijne wangen waren ingevallen, waardoor zijne jukbeenderen meer uitkwamen; reeds begon zijn buik eene ronding aan te nemen en alles vertoonde bij hem het karikatuur der jeugd, die de ouderdom is van velen. Zijne gestalte was flink geweest en behield nu nog overblijfselen van voornaamheid, maar zijn gezicht had veel overeenkomst met dat van den dwerg van Philips IV, de Neef genaamd, die door
49
Velazquez is geschilderd en door Goya geëtst. Hij had denzelfden krommen neus, dezelfde treurige uitdrukking in de oogen en denzelfden gedraaiden knevel, hetzelfde breede en peinzende voorhoofd met dit onderscheid, dat Villamelon\'s reeds dun wordend haar op het midden van het hoofd gescheiden was door eene scheiding, die tot achter in zijn nek liep en boven zijne ooren een paar kleine horentjes vormde. En dit breed, hoog voorhoofd, dat deed denken aan het gezegde van den vos tegen het borstbeeld in den fabel: „uw hoofd is fraai, maar zonder hersens,quot; had werkelijk soms eene schoone uitdrukking, wanneer het, zooals bijv. nu, met een plooi tusschen de wenkbrauwen zich boog naar Zijne Excellentie S1\'. D. Juan Antonio Martinez, Minister van Binnenlandsche Zaken, en tot hem zeide, met het voorkomen van eonen Bismarck tegenover eenen Gortschakoff, wanneer dezen bezig zijn het evenwicht van Europa te herstellen:
— Laat mij u uit den droom helpen, Martinez. . . . üe stelling van Doctor Wood is ongerijmd. ... Niemand zal mij overtuigen, dat een rattenpastei beter is dan eene van stekelvarkens of van eekhoorns.. . . Begrijp je mij wel? ....
Zijne Excellentie maakte eene beweging, waaruit men niet kon opmaken, of hij begreep of niet. Sints deze arme heer de natuurlijke brug was overgetrokken, die van den ministerieelen zetel naar de groote tafels van de aanzienlijken voert, was hij van de eene indigestie in de andere gevallen en hij gevoelde in zijn maag een heimwee naar die voedzame uiensoep, die zijn da-gohjksche kost uitmaakte, toen hij met bengels van zijnen leeftijd zijn eerste broeken scheurde op zeker strand van Asturie. . .. Hemelsche goedheid!.... Wat had die püté de foie gras, die hij op het laatste diner Vrijdags ten Paleize had gegeten, hem een pijn in de ingewanden bezorgd. ... En dan die koliek, die nog veel erger was, en die hij gekregen had na het eten van die chou a la ciême bij den Franschen Gezant.. .. Zijne Excellentie Martinez meende een oogenblik, dat hij vergiftigd was en
50
van toen af werd het volgende gezegde van Addison voor hem een geloofsartikel:
„Wanneer ik de tafels, zooals thans mode is, overdekt zie met al de weelde uit de vier hoeken der aarde, verbeeld ik te zien: jicht, waterzucht, koorts, slaapziekte, en allerlei soort van kwalen onder het servet verborgen.quot;
— Ge zult het wel zien, Martinez, vervolgde Villamelon; aanstaanden Donderdag zal ik die twee pasteien laten ronddienen, zonder te zeggen, wat er inzit, en dan zullen wij zien, welke van de twee het best zal smaken. Begrijpt gij mij Martinez?.... Neem mij niet kwalijk, wanneer ik u zeg, dat ik op uw stem reken.
De haren rezen Zijne Excellentie ten berge bij het vooruitzicht op eene maagbedervende rattenpastei. Hoe anders daarvan te bekomen dan door eene kat in te slikken?
_ En dit alles, vervolgde Yillamelon met een vluchtigen
glimlach, die zijne innige overtuiging verried van het grondige zijner redeneering, dit alles is niet erger dan de Engelsche
excentriciteit, die een goede keuken ten gronde richt---- En
denk er aan, dat ik onpartijdig ben; mijn keuken is een keuken
bij uitnemendheid, de beste van de beste; kome maar, wie wil----
Dit houd ik vol, begrijpt gij mij wel, Martinez?----en hiervan
laat ik mij niet afbrengen; in de keuken, zooals in alles, gaat
Frankrijk vóóraan. Dit is ontegenzeggelijk, Martinez---- De
Engelschen verslinden, de Duitschers schrokken, de Italianen eten, de Spanjaarden voeden zich; maar alleen de Franschen genieten, en hierin zit het hem juist, genieten, Martinez, al
etende genieten. Begrijpt gij mij wel?----
Martinez begreep het niet; en hetgeen eenvoudig een vervelend stopwoord van Villameion was, dan eens „Martinezquot; en dan weer „begrijpt gij mij welquot;, als een grap opvattende, haastte hij zich wrevelig te antwoorden :
_ Wat moet ik begrijpen, mijnheer de Markies? Genieten
of barsten, dat is niet hetzelfde.
51
— Neen, neen, duizendmaal neen, Martinez. Dit ia een van die vele vooroordeelen. ... Begrijpt gij mij wel, Martinez? .... Het is waar, dat de mensch een zwak, onvolmaakt wezen is, dat ternauwernood acht maaltijden per dag kan verdragen; evenwel komt de indigestie niet van veel eten, maar van slecht eten.... Geef mij een kok, een kok van den eersten rang, een volbloed kok, een kok met élan en ik sta u borg voor eene altoosdurende gezondheid.... O! die wist het, Prins Orloff, met zijn ééne oog, en zijn éénen arm!.... Ik heb hem in Parijs eenen kok zien kiezen bij openbaren wedstrijd; er kwamen er tien in het Hotel van de Russiiche Ambassade. Ik was in de jury en wij proefden, voor wij uitspraak deden, honderd en veertig schotels.1) Ach! neen, neen, Martinez, het is niet het vele eten, dat de maag bederft.. . . Mijne zalige moeder zeide: indien uwe ingewanden gevuld zijn, dan loof er God voor.
Over deze aanhaling scheen hij zeer voldaan; het was eene der eigenaardigheden van Villameion, voortdurend den naam zijner moeder in het gesprek te mengen en dien steeds te doen voorafgaan door het woord „zaligequot;. Dit deed hij soms op zeer vreemde en zeer ongepaste wijze, zooals daareven.
Op dit oogenblik kwamen de Hertog van Bringas en Juanito Velarde binnen, die hun partij billard uitgespeeld hadden en spoedig daarop kwam een bediende zeggen, dat Mevrouw de Gravin niet aan tafel kwam, omdat zij reeds eene consommé had gebruikt en met hevige hoofdpijn naar bed was gegaan.
Dit bericht scheen den liefhebbenden echtgenoot der dame en den Hertog van Bringas weinig te treffen; op don Minister integendeel maakte het een zeer onaangenamen indruk. Hij gaf door gebaren te kennen, dat de afwezigheid van Currita hem hinderde, alsof iets van bijzonderen aard en waarin zij betrokken was, hem hierheen had gevoerd en hem er toe ge-
1
Historisch.
K*
52
bracht had, met geduld de domme praatjes over de kookkunst aan te hoeren van den held van Cabo Negro.
Zooals Butron wel vreesde, begon men over de benoeming eener Grootmeesteressc reeds te spreken. Juanito Velarde scheen ook zeer teleurgesteld ; hij at weinig en sprak nog minder gedurende den maaltijd. Villamelou nam de honneurs waar, zooals hij dat gewoonlijk deed. Hij hanteerde het voorsnijmes van massief goud, dat hij van Ferdinand VII had gekregen en dat hij zijn geheele leven gebruikte, en doorliep de drie duidelijk te onderscheiden phasen, waarin zich zijn persoon gedurende deze plechtige stonde vertoonde ; bij den aanvang was hij met diepen ernst vervuld als iemand, die eene zaak van het hoogste belang onder handen heeft; op het midden was hij spraakzaam doch bezadigd, beminnelijk, doch een weinig terughoudend en aan het dessert, vroolijk, goedhartig, tot teederwordens toe, alsof de stroom van voldaanheid, die uit zijne maag opsteeg, hem deze hoedanigheden gaf, die hij op andere tijden niet ten toon spreidde. Dit was het oogenblik om hem eene gunst te vragen en die te verkrijgen, en dit was ook het oogenblik, dat Villamelon balletjes van brood begon te maken en die met teekenen van vriendelijke voorkomenheid en het innigste genoegen zijne gasten tegen den neus wierp; een grap, die uit zijne slechte opvoeding voortsproot en die noch zijne zalige moeder, noch zijne lieve vrouw hem hadden kunnen afleeren.
Indien onderwijl oen of ander Didble boüeux in het boudoir der Gravin van Albornoz een kijkje had gegund, dan ware een vreemd schouwspel te aanschouwen geweest. Het boudoir was verlicht door eene groote lamp, die gedragen werd door een naakten neger van natuurlijke grootte, zeer fraai uit ebbenhout gesneden, en Currita, gezeten voor eene kleine secretaire was verdiept in eene eigenaardig schrijfoefening; een fijne glimlach speelde om hare lippen, gelijkende niet in het vreeselijke, maar in het valsche en listige op dien van Elizabeth van Engeland, zooals het genie van Liesen-Mayer haar heeft voorgesteld op
58
zijn schilderij op het oogenblik, dat zij het doodvonnis harer nicht Maria Stuart onderteekont.
Met haar klein, loopend, Engelsch schrift had zij bovenaan op een stuk papier geschreven: „\'\'_alt; een fraai dier is de menschquot;, en met verwonderlijke gemakkelijkheid begon zij met allerlei veranderde handen dezen volzin over te schrijven, die, hoe vreemd en dubbelzinnig ook, de weêrspiegeling schijnt te zijn van de innerlijke overtuiging, de verborgene gedachte, die nooit wordt uitgesproken, maar toch de eerste is, die bij een ieder opkomt, als iets dat hij schrijft of gaat schrijven, hem noopt een concept te maken. Het voorbeeld schreef zij verscheidene malen na, dan eens met dikke, gedrongen letters, dan eens met groote, dunne letters of ook wel zeer fijn als aan elkaar gehechte muggepootjes, die als een ketting zich uitstrekten. Aan dit werk besteedde Currita een groot half uur met al den ijver en de oplettendheid van oen vlijtigen schoolier, die een voorbeeld naschrijft of van eeuen listigen bedrieger, die beproeft, hoe hij het best zijn schrift kan veranderen of onherkenbaar maken.
Eindelijk was zij tevreden met den uitslag en vond het schrift met de muggepootjes het best gschikt voor haar doel, daar het op haar gewoon schrift in de verte niet geleek. En nu ging zij een brief zitten schrijven op gewoon papier zonder kroon of naamcijfer. De brief was niet lang en op het couvert stond:
Aan Zijne Excellentie den Heer Civiel Gouverneur te
Madrid.
Nu ontbrak nog het postzegeltje en Currito plakte dit met een boosaardigen glimlach er op, zorgende dat bet borstbeeld van Koning Amadeo ten onderste boven kwam te staan. Zij sloeg er een paar malen met hare vuist op, alsof het haar ge-
54
noegen zou doen den armen Vorst, den eerste en laatste der Savooische dynastie te verpletteren.
Iedereen zou nu gedacht hebben, dat de zaak hiermede was afgeloopen en dat er nu nog maar een lakei moest geroepen worden om dezen geheimzinnigen brief op de post te doen, maar zoo dacht de edele Gravin er niet over. Zij ging in de kamer daarnaast, die hare slaapkamer was, en kwam er na verloop van een goed kwartier weer uit, geheel van uitzien veranderd. Zij had haar elegant wandeltoilet uitgetrokken en in plaats daarvan een hoogst eenvoudige, zwarte japon aangedaan en een veel gebruikte mantilla, waarvan de sluier haar gezicht gedeeltelijk bedekte. In de eene hand droeg zij een zilveren kandelaar met brandende kaars en in de andere een grooten sleutel. Zij nam den brief en ging uit. Op dat oogenblik sloeg de klok half twaalf.
Het paleis van Villamelon was een van die groote, ouder-wetsohe huizen, thans zeldzaam geworden in Madrid, met lange gangen, ruime zalen en gemakkelijke vertrekken, aan alle zijden in verbinding staande met portalen en trappen, uitsluitend bestemd voor de bediening. De vertrekken van Currita kwamen in die van Villamelon uit door de slaapkamer, door eene kamer naast de badkamer en door een grooten overloop; deze overloop had aan de eene zijde de kamer van Kate, de Engelsehe kamenier, en aan de andere zijde een smalle trap, die in een kleinen tuin uitkwam. quot;Wanneer nu de deur van de slaapkamer in het midden van den overloop en de deur, die tot het boudoir en de twee voorsalons leidde, gesloten waren, bleven de overige vertrekken van Currita geheel afgezonderd en in onmiddellijke verbinding met de straat. Een poortje in den muur van den tuin achter het paleis kwam uit op de straat. Daarheen wendde Curra hare schreden, na haar licht uitgedoofd en onder aan de trap te hebben gezet. En dit alles deed zij zoo zonder eenige aarzeling en met zooveel bedaardheid, dat het duidelijk was, dat dit niet haar eerste nachtelijk tochtje was.
55
Het was een donkere nacht en het eenzame plein, waarop het tuinpoortje uitkwam, werd in de verte afgesloten door eenige nog in aanbouw zijnde huizen en werd verlicht door lantaarns, wier licht brandde als in een gelen krans. Een winkel van koloniale waren liet een stroom licht uit zijn geopende deur en men kon den winkelier achter zijn toonbank zien, bezig met zijn boek op te maken. Vijftig pas verder zag men de schaduwbeelden van twee personen, die onder een afdak stonden, waarvan de een oen fat was uit de volksklasse en de andere een jonge vrouw uit denzelfden stand, met een wijde japon aan, en een zijden zakdoek om het hoofd. Het overige bleef duister en eenzaam , terwijl het geheel den indruk gaf van iets onbestemds, iets onwezenlijks, hetgeen nog verhoogd werd door de klanken eener slechte piano op eene vierde verdieping, waarop ongeoefende handen de beroemde Cavatina van Bellini vermoordden:
Casta diva, ché inargenti.
De Gravin, de groote dame, die zoo zelden zonder rijtuig uitging, alsof zij het versmaadde de straat met hare elegante brodequins aan te raken, ging een paar steile straten door, toen eenige kleinere, op dat uur zeer eenzame straten en kwam zoodoende op het pleintje van Santo Domingo. De drukte was groot op dit kruispunt, waar altijd zooveel menschen uit verschillende richtingen elkaar voorbijgaan en Currita ging eene hellende straat af om in het tuintje te komen, genaamd Ia Costatilla de los Angeles. Haastig stak zij de Calle del Arenal over, ging de Calle de las Puentes in en nadat zij met een grooten omweg, achter het Ministerie van Binnenlandsche Zaken, was gegaan, kwam zij eindelijk in de Calle de Carretas en stak toen eigenhandig den geheimzinnigen brief in de bus van het postkantoor.. . . Indien deze vrouw misdadig was, dan was zij voorzeker eene van die voorzichtigen en met de misdaad vertrouwden, die altoos in het gebruik van eenen handlanger het gevaar zien van in de gevangenis te komen. Daarop ging zij
56
terug door dezelfde straten, die zij gekomen was, zonder dat haar iets anders overkwam dan eene enkele ontmoeting. Een oud man met een fatsoenlijk uiterlijk bleef plotseling voor haar staan. Verschrikt drukte Currita zich tegen een muur en de man deed toen, alsof hij haar een aalmoes wilde geven, een stukje van vijf centimes, een perra chica, zooals men toen en ook thans nog, die kleine muntjes noemt. Hij had haar voor eene van die arme vrouwen aangezien, die zich voor hare armoede schamen en in de late, nachtelijke uren hare vermagerde handen den voorbijganger toesteken.
Zoo ook begreep het de Gravin; zij kon hare lachlust nauw-lijks bedwingen en nam het geld aan , terwijl zij den moed had met hare bezoedelde lippen het heilig antwoord te verontreinigen, dat het Geloof geeft aan hare zuster de Weldadigheid door den nederigen mond van den arme:
— God vergelde het u!
Toen de Gravin haar boudoir weder binnentrad, zag het daar somber uit; de lamp, door den neger gedragen, was op het punt van uitgaan; diens witte tanden van ingelegd ivoor blonken in het donker als een glimlach van den booze, die zich beha-gelijk gevoelt in de duisternis.
Drie uren later hoorde men schreeuwen en jammeren aan het andere einde van het huis. Het was Paquito, die verstijfd door de koude van den vroegen morgen en bang geworden door do duisternis, in de nursery wakker was geworden, vergeten door allen in dit weelderig paleis zijner ouders, die hem het aanzijn hadden gegeven en waarin zich zeventien bedienden bevonden, wier taak het was hen te bedienen.
V.
Den volgenden dag moest zij luid lachen, de Gravin van Albornoz, toen zij haren zoon Paquito zijne vreemde avonturen van den vorigen nacht hoorde vertellen. Toen hij namenlijk zich alleen vond in het donker, geheel gekleed en op een ander bed dan het zijne op school, was hij vol angst begonnen te schreeuwen, zonder dat iemand op zijn gejammer antwoordde. Miss Butefull, in haar bed, had hem wel gehoord en begreep dadelijk de oorzaak. Zonder twijfel dacht niemand er aan, dat de arme jongen van school was teruggekomen. Misschien was hij plotseling ziek geworden, misschien waren er wel dieven gekomen, die hem thans vermoordden. ... De medelijdende Miss Butefull stak de kaars op haren blaker aan. Eene gedachte van welvoeglijkheid hield haar evenwel plotseling terug. .. . De toestand was ernstig. ... Zij was vijf en veertig jaren oud .... de jongen, elf, en het was diep in den nacht. Hoe kon zij dus alleen in zijne slaapkamer gaan ? Miss Butefull deed het licht weder uit ...
Intusschen was ook de meid van Lib\', Magdalena, die dicht bij sliep, wakker geworden, en deze kwam haastig tot zijn hulp aangeloopen. Zij bracht hem met groote teederheid tot bedaren, kleedde hem uit, en bleef bij hem zitten, totdat hij weder was ingeslapen.
Dit verhaal gaf aanleiding tot eene van die plotselinge uitbarstingen van moederliefde, die Curreta gewoonlijk overvielen
58
op dagen, dat zij zich verveelde. Dan bracht zij uren aan één door in de nursery, speelde met hare kinderen, bedekte hen met hare kussen, noemde hen hare duifjes, liet kostbaar speelgoed komen en gaf hun allerlei lekkers, en zij had er dan genoegen in Miss Butefull belachelijk te maken en te schimpen op de Paters van het College. In den tijd van een half uur bedierf zij op die manier alles, wat met zooveel zorg was gezaaid en nog te zaaien viel in de kleine hartjes van beide kinderen. Een der groote klippen, waarop de pogingen schipbreuk lijden van hen, die met de opvoeding belast zijn, is de onvoorzichtige en misdadige lichtvaardigheid, waarmede vele ouders met hunne kinderen over hunne voorgangers en onderwijzers spreken; niet als over vertrouwde personen, die hunne schreden moeten richten of als goede menschen, die hun den groeten dienst bewijzen hunne harten te vormen en hun verstand te verlichten, maar als waren zij dwingelanden, die hen verdrukten, of gevangenbewaarders, die men met meer of min onschuldige listen voor den gek moest houden. Zoo vernietigen zij met eenen slag het vertrouwen, dat een ieder, die beveelt\', noodig heeft om zich te doen gehoorzamen. Een ieder die onderwijs geeft, moet vertrouwd worden, zal men hem ge-looven. Naar ons oordeel is er niets, dat zóó verderfelijk is voor de opvoeding als de tegenstrijdigheid, die er bestaat tusschen het zedelijkheidsgevoel der ouders en dat der onderwijzers. Het is onmogelijk eene beschrijving te geven van de folterende onzekerheid, de smartelijke twijfelingen, die in kinderzielen ontstaan, tengevolge van dien tweestrijd. Men ziet het verstand worstelen met het hart; het verstand zegt, dat de leer van den onderwijzer de ware is, terwijl het hart met alle macht tracht te overtuigen, dat het voorbeeld der ouders, die hij zoo lief heeft, niet slecht kan zijn, en dat het onmogelijk is aan die zoo teeder geliefde personen den naam te geven van slechte menschen. Nooit zal schrijver dezes de zielsangsten vergeten van het ongelukkige kind, toen het eens zekere les uit den
59
Cathechismus hoorde verklaren: het kind bleef een tijd lang in gedachten verzonken, toen werd het steeds meer beangst, totdat het zenuwachtig met een beklemd hart en met oogen vol tranen uitriep:
— Maar dan is mijn vader .... heel slecht .... heel slecht____
en dan komt hij in de hel.
Om dit alles bekommerde Curreta zich weinig; hare kussen, grappen en dwaasheden wischten in het reine hartje van Lih\' weldra de herinnering uit van vroegere verwaarloozing en van baatzuchtige onverschilligheid der moeder, maar de onstuimige liefdesbewijzen dezer laatste hadden bij den knaap niet dezelfde uitwerking. In de diepste diepte van zijn teeder hart was een verborgen hoek, waarin zijne herinnering met onverzoenlijke vasthoudenheid al zijne grieven bewaarde, als giftig zaad tusschen heilzame planten, een struik dolle kervel, die in dit maagdelijk woud een zwijgenden en geduldigen wrok moest doen ontkiemen, een noodlottig gewas, dat ten laatste de giftige vruchten van haat voortbrengt. Nog vergaf zijn engelachtig hart gemakkelijk hetgeen hem eene verongelijking toescheen; toch het was reeds een stap verder gegaan en was het reeds onmogelijk geheel te vergeten.
Toch was het niet de verveling alleen, die dien morgen de Gravin van Albornoz er toe had genoopt, zich wat met hare kinderen bezig te houden. Zij scheen integendeel afgetrokken en onrustig en men kon bij haar die zenuwachtige ontroering-opmerken, zooals bij iedereen, die op iets wacht, dat hij vreest, of waarin hij belang stelt. Lili kreeg een gelukkigen inval; zij stelde hare moeder voor, Paquito met zijne prijzen te laten portretteren. De knaap kleurde sterk en schudde weigerend het hoofd.
— Dat is eene idéé! — riep Currita verrukt uit. ... Dat zal dadelijk gebeuren.. . . Dat zal aardig zijn. .. .
Herman, een bediende, werd geroepen en met een boodschap naar den Markies gezonden, dat Mevrouw met de kin-
CO
deren naar boven naar het atelier was gegaan om zich door hem te laten photographeeren.
Toen de knaap dit hoorde, maakte hij zich los uit de armen van Lilf, die hem van vreugde om den hals was gevlogen en zeide:
— Neen, neen, niet door Papa.
— Waarom niet? vroeg Currita verrast, terwijl zij hem bij den arm nam.
Zij verlangde van den knaap, die zeer ontroerd scheen en in wiens schoone oogen tranen opwelden, eene verklaring.
— Waarom dan, zeg dan waarom, herhaalde Currita.
— Hij zeide, dat ik maar uit moest gaan — hij gaf mij twee peseta\'s, riep de knaap eindelijk met diepe smart uit, terwijl hij bitter weenende zijn lief gezichtje aan den boezem zijner moeder verborg.
Welk een lichtstraal ware deze klacht van den knaap geweest voor eene van die goede en nadenkende moeders, die de harten harer kinderen tot in de kleinste bijzonderheden bestudeeren.. . In hem openbaarde zich een nobel eergevoel, dat echter den weg van den hoogmoed opging en eene vroegtijdige neiging tot wraak, die, verborgen en geduldig, het oogenblik afwacht om koele minachting met gelijke koelheid, beleediging met belee-diging te beantwoorden. Maar Currita zag hierin niets anders dan de nuk van een eigenzinnig kind en met liefkoozingen en overreding, met beloften en bedreigingen trachtte zij homover te halen zijn portret te laten maken. Hij gaf eindelijk toe, in schijn, en Currita ging met beide kinderen aan de hand naar boven , naar het prachtig ingericht photographisch atelier van den Markies.
Want de ledige tijd, die zware last der rijken, die wel geen tranen, maar wel gegeeuw veroorzaakt, had bij dien hooggeboren heer, bij den onoverwonnen krjjgsman, den lust tot photographeeren opgewekt, aangezien bij hem de aanleg tot meer verheven kunsten niet aanwezig was. Eten, drinken en portretteeren al wat de lens zijner prachtige camera obscura voorbijging, waren
61
de nuttige bezigheden, die het leven vervulden, ja zelfs deden te kort schieten van dezen edelman, wiens voorouders zooveel deel hadden gehad aan do roemruchtige daden van Oud-Spanje.
Villamelon, zooals altijd vol ijver om aan de minste wensohen van Currita te voldoen, kwam toen spoedig aangeloopen, gekleed in een korte, schotsohe morgenjaquette. Hem volgde een van die prachtige honden van Kamschatka met geelaohtig-wit haar, die in hun land zware sleden voorttrekken; deze hond was langen tijd page geweest van Ourrita, toen deze het eene geestigheid vond om groote tochten te paard te ondernemen.
Villamelon begon dadelijk zijn toestel in orde te brengen, met zijne door zilver-natrium bevlekte vingers, en Currita groepeerde ondertusschen de kinderen. Zij plaatste in het midden een zetel van Grothisch model, een zeer kunstig, oud meesterstuk , en daarin zette zij de kinderen, die elkaar zeer nauw omsloten hielden, terwijl zij moesten doen, alsof zij de prijzen bekeken. Het was eene prachtig gelukte nabootsing van eene miniatuur uit de vijftiende eeuw. Vóór hen lag Took, de gele hond, die zijn neus had gelegd op het rood tluweelen kussen, waarop de kinderen hunne voetjes lieten rusten.
— Heerlijk! riep Currita verrukt uit. Zie eens Ferdinand lief, het geljjkt wel eene schilderij van Meissonier.
Maar de prijzen waren nergens te vinden, en Paquito trok zijne schouders op en zeide, niet te weten, waar zij waren.
— Domme jongen! riep Lili uit, terwijl zij in hare handen klapte, je hebt ze beneden laten liggen. . . .
En in minder dan twee minuten bracht zij ze mede, terwijl zij met groote verwondering liet zien, hoe de heldere kleuren van het ;getuigschrift verbleekt waren, alsof er druppels water op waren gevallen. De jongen kleurde sterk, maar sprak geen woord; zijne tranen van den vorigen avond waren oorzaak van die vlekken.
Op dat oogenblik kwam eene bediende de Gravin berichten, dat de Minister van Binnenlandsche Zaken de Gravin dringend
62
wenschte te spreken. Zij keerde zich plotseling tot haren man, terwijl zij het diploma, dat zij in hare hand hield, liet vallen en hij richtte zich ontsteld op, waarbij op zijn hoofd het zwarte kleedje bleef liggen, waarmede hij zijn toestel donker maakte; daaronder zag men zijne gekrulde knevel, zijn gebogen neus en zijne verschrikte oogen, die met de angstige uitdrukking van een beuzelenden scholier, die op heeterdaad betrapt wordt, op Currita gericht waren. Mevrouw deed twee stappen naar mijnheer, en met hare zachte, bedaarde stem, die in tegenspraak was met de vonken, die uit hare lichte oogen sprongen, zeide zij:
— Heeft die os Apis dan gisteren hier niet gegeten?....
— Hij is een vlegel, antwoordde haar echtgenoot; en om zijne verwarring te verbergen begon hij op nieuw met zijn zwarten doek het toestel donker te maken.
— Luister naar mij, Perdinandlief, ik spreek tegen u, — zeide Currita toen met geveinsde bedaardheid
Weder richtte Ferdinandlief zich op, hoe langer hoe meer in verwarring gebracht, en zonder de zwarte doek van zijn hoofd te nemen.
— Zeide gisteren avond de os Apis iets over de benoeming?
— Niets, stotterde Villameion.
— Niets. — Is dat zeker waar ?....
De lippen van Villamelon trilden als die van een jongen, die een leugen gaat vertellen. Maar zonder twijfel zich bezinnende, herinnerde Perdinandlief zich ten slotte, dat de Minister van Binnenlandsche Zaken, dien men om zijne zwaarlijvigheid den os Apis noemde, hem alleen had gezegd, dat een rattenpastei zeer indigest moest zijn. Heb je ooit zulke dwaasheid gehoord? Maar daarentegen had hij Juanito Velarde als zijne meening te kennen gegeven, dat het zoo niet kon blijven; dat niemand ongestraft met de regeering den spot mocht drijven, en dat besloten was, van de Gravin van Albornoz te eischen de benoeming aan te nemen, terwijl hij zich beriep op eenen brief
63
die haar — zoo drukte hij zich weinig parlementair uit — onder de neus zou worden gewreven.
— Een brief? — riep Currita uit, werkelijk verrast. Van wien ? .
— Van mij .... van mij .... stotterde Villamelon, en begrijpende , dat hierop eene zware donderbui zou losbarsten, smeekte hij in stilte de aarde om hem te verzwelgen, maar toen de aarde aan zijn verlangen niet voldeed, naderde Currita hem weder een paar pasjes, en terwijl hare stem zachter en zachter werd, naarmate zij zich driftiger maakte, zeide zij:
— En gij hebt dien geschreven, Ferdinandlief?
Villameion boog verpletterd het hoofd.
— Heb ik u niet gezegd, dat ge er hem over spreken moest, en dat er over die geheele zaak geen lettertje mocht worden geschreven? Heb ik dat niet gezegd, Ferdinandlief?....
Villameion deed een stap achteruit, als om een schuilplaats te zoeken en Currita deed nog een stap vooruit, terwijl zij na een oogenblik van stilte zeide:
— En zeide hij, dat hij mij .... mij .... dien brief zou laten zien? ....
— Dat zeide Velarde.. . .
— Weet ge het zeker? ....
— Zeer zeker! ....
Villamelon deed nog een stap achteruit en Currita weer een vooruit, en zij herhaalde met een stem, zoo zacht, dat het wel eene liefkoozing geleek.
— Zie je het nu? ... . Ferdinandlief? Zie je het nu? —
Toen trok zij met een woedenden ruk aan den zwarten doek,
die het hoofd van haren roemrijken echtgenoot bedekte, zoodat dit geheel verdween in de soort zak, die de doek vormde; daarop draaide zij hem bedaard den rug toe en ging zonder hare lieftalligheid een oogenblik te verliezen het atelier uit.
Lili schaterde van het lachen, toen zij haren vader alle moeite zag doen om zijn hoofd van den zwarten doek te be-
64
vrijden, en liep naar Paqnito om hem een groot, een zeer groot geheim in te fluisteren;
— Wat ziet papa er mal uit! ... .
Paquito evenwel luisterde niet naar haar. Hij had, terwijl dit tooneel voorviel. Took, den grooten, gelen hond, die met zich liet sollen met dat goedige geduld, waarmede honden kinderen verdragen, in den Grothisohen stoel gezet. Daarna had hij aan zijnen halsband de vijf medailles, die bij zijne prijzen behoorden, gehangen, op zijn hoofd een papieren steek gezet, dien hij van zijn getuigschrift had gemaakt en riep toen met een vreemden klank in zijne stem
— Komaan — laat papa nu maar gaan photographeeren. — Ik geef Tock al mijne prijzen.
Ondertusschen verbaasde zioh de lakei uitermate, toen hij van zijne meesteres het bevel ontving, in haar boudoir onmiddellijk vuur aan te leggen. Het was dien dag de 25\'i|e Juni en de warmte begon al drukkend te worden, doch hij gehoorzaamde met de onverstoorbaarheid van een ledepop, eigen aan bedienden in aanzienlijke huizen, en toen de Minister van Binnen-landsche Zaken, Don Juan Antonio Martinez, anders gezegd de os Apis, binnenkwam, brandde een vroolijk vuur in den haard, waarbij Currita hem opwachtte, lang uitgestrekt liggende in eene chaise longue, gewikkeld in een satijnen, geheel gewatteerde kamerjapon en hare voeten bedekt door een zeer fijne Schotsche plaid. Haar hoofd rustte op een groot kussen met rose strikjes en bij zijn binnentreden stak zij hem haar smal handje toe, terwijl zij zeide met de stem eener zieke, die men heeft opgegeven;
— Goeden dag, Martinez. Niemand dan u had ik vandaag ontvangen.
De os Apis liet een geloei hooren, de getrouwe uitdrukking van de bewondering, de verrassing en den schrik, die hem te gelijk overweldigden en hij begon bij het gezicht van den brandenden haard te zweeten.
65
— Maar wat scheelt er aan, Mevrouw de Gravin ? . ... riep hij droevig uit.... Is de migraine nog niet over? ....
— Ellendig, ellendig voel ik mij! — antwoordde Currita. Ik geloof, dat ik koorts heb! En dan die rillingen!....
En het geslepen dametje liet haar tenger figuurtje trillen, terwijl zij den Minister een tabouret aanwees, vlak bij het vuur. Daarop nam de Minister plaats, gereed om zich op die zachte zitbank te laten roosteren, als de Heilige Laurentius op zijne tralies.
— Ik heb diep medelijden .... tot in mijne ziel!.... En met waren progressistisohen eenvoud, voegde bij er bij, denkende aan de landelijke huismiddeltjes van zijn geboorteland:
— Waarom legt Mevrouw de Gravin geen aardappelschillen op hare slapen; dat geeft altoos veel verlichting.
— Aardappelen! — riep Currita uit, bevende van schrik. De Hemel beware ons, Martinez! — Ik heb nog veel liever schele hoofdpijn.
Martinez begreep, dat zijn dorperlijke afkomst onder den huid van den hoofschen Minister zich had verraden. Hij kwam nu ter zake en liet zijne medelijdende inleidingen en zijne huismiddeltjes achterwege.
— Ik zie aankomen, dat ik uwe schele hoofdpijn nog erger zal doen worden, maar de zaak is ernstig en dringend.....
De Gravin vleide haar roodharig hoofdje in het witte kussen met de rozenroode strikken, en vestigde hare lichte oogen, die bewonderingswaardig hare verbazing uitdrukten , op den Minister. Martinez zette zijn gouden bril vaster, schudde zijn buitengewoon groot hoofd, terwijl hij Currita met zijn dikken vinger dreigde, als een schoolmeester, die zijnen leerling schertsend berispt, en zeide:
— Men is op het Paleis zeer boos. .. .
Currita trok hare schouders op, terwijl zij haar gezicht in een allergrappigsten plooi zette, alsof zij\' wilde zeggen: Kom je dat mij vertellen?
66
— Ja Mevrouw, ging do Minister voort. Zijne Majesteit de Koning is zeer beloedigd. ... Hare Majesteit de Koningin zeer gegriefd.
Currita kreeg een grooten lachlust om de pralende deftigheid, waarmede de democratische .Minister deze klinkende woorden Paleis — Majesteit — Koning — Koningin, die zijn wijden mond geheel schenen te vullen, uitsprak, en zij zeide met hare gewone welluidende stem:
— Wie? — De Cisterna? ....
De Minister maakte zich boos als een stier van Veraguas, wien men een piek in het lijf steekt.
— Neen mevrouw —• riep hij uit, beleedigd in zijn trots op de dinastie; Hare Majesteit de Koningin van Spanje, donna Maria Victoria. . ..
— Ach, zeide Currita. En wat heb ik te maken met de gevoeligheden dier Senora.
— Wat gij er mede hebt te maken? riep de Minister uit, stikkende door de warmte van den haard en den kalmen spot van Currita. . .. Het schijnt u zeker eene kleinigheid toe, — eerst te vragen om de betrekking van Grootmeesteresse, en die te weigeren, zoodra zij u is gegeven. Zóó speelt men met eene Koningin, een voorbeeld van alle deugden! Maar weet, mevrouw de Gravin, dat de Regeering besloten is met nadruk te eischen. .. .
En de ontstelde Minister, die dikke druppels zweette en rood zag als een biet, vestigde, met zijne beide vuisten op zijne knieën, op Currita zijne vischoogen, alsof hij van plan was haar in eenen hap op te eten. Maar het geloei van den os Apis maakte haar niet bang: zij richtte zich een weinig op, zeer verwonderd en beleedigd, en terwijl hare heldere oogen voortdurend in de ruimte staarden, zeide zij met hare zachte, altoos liefelijke stem:
— Maar, Martinez, om \'s hemels wil, maak u niet zoo boos!
Gij zet zulk een leelijk gezicht____ Er moet hier zeker een
misverstand zijn, een quid pro quo, dat iemand van uwe talen-
67
ten zulke ongerijmdheden vertelt. Ik Grootmeesteresse van de Gist.. .ik wil zeggen van donna Victoria.. . . Hoe komt men er aan ? . ...
— Van u zelve, Mevrouw de Gravin, van u zelve! riep de Minister uit. Zult gij de stoutheid hebben tegenover den Minister van Koloniën te ontkennen, dat gij om de betrekking van Grootmeesteres hebt gevraagd, onder beding dat Velarde tot Secretaris van den Koning werd aangesteld, en dat gij een tractement van zes duizend duros?....
— Ja, zeker denk ik dat te ontkennen! antwoordde Currita met nadruk.
— Zoo?.... Nu, wij zullen zien, of uw man het ook zal ontkennen, als alle bladen van Madrid dezen brief zullen pu-bliceeren....
En de os Apis haalde eenen brief uit zijne portefeuille en hield dien Currita onder de oogen, alsof hij zijne ruwe bedreiging hem haar onder den neus te wrijven, wilde ten uitvoer brengen. De Gravin wilde hem het papier haastig uit de hand rukken, maar de Minister trok het bij tijds terug en zeide brutaal:
— Bah! — Dezen laat ik geen oogenblik uit mijne handen; maar nu zult gij hem dadelijk hooren voorlezen, van het begin tot het einde.
En terwijl hij zijn bril op zijn voorhoofd schoof, want hij was bijziende, begon hij den brief voor te lezen. Daarin vroeg de Markies van Villameion voor zijne vrouw en door tusschen-komst van den Minister van Koloniën om de betrekking van Grootmeesteres der Koningin, onder de beide voorwaarden, die Martinez zooeven had genoemd, namelijk de post van particulier Secretaris des Koninga voor Juan Velarde en de zes duizend duros voor de dame zelve. Het bewijs kon niet stelliger zijn en Currita begreep al de onvoorzichtigheid van haren dierbaren echtgenoot, die dom genoeg was geweest, zulk een kostbaar bewijsstuk te hebben geleverd. Toch maakte zij zich
5»
es
niet erg bang. Terwijl de Minister las, had zij zich onmerkbaar meer en meer opgericht, en op eens, met de vlugheid van eene kat, die op een onvoorzichtig muisje toespringt, trok zij den gevaarlijken brief uit de handen van den Minister en wierp dien in het vuur. ... Het papier krulde een oogenblik in de vlammen en was dadelijk daarop geheel tot asch vergaan. Verbaasd sprong de Minister op, terwijl hij een kras woord uitte; maar Currita, zonder daarover boos te worden of er van te schrikken, liet zich in het kussen zinken, alsof er niets gebeurd was, en zeide met haar onschuldig lachje:
— Komaan, Martinez.... Leg een paar schijfjes aardappel op uw hoofd , dat verfrischt zoo! .. ..
VI.
Nooit had de deftige portier van Villameion zulk een vreese-lijken schrik beleefd, als de Gouverneur van Madrid hem had bereid op den 26stequot; Juni. ... Het was tien uur des morgens en Baltasar, die zijn blauwe livrei met den breeden kraag en de groote mouwopslagen en de knoopen met het familiewapen nog niet had aangetrokken, veegde in de vestibule zorgvuldig het stof af van de Florentijnsche bahuds, van de reusachtige ouderwetsche zetels en van de wapenrustingen van schitterend staal, die daar pronkten. Toon ging hij de lange haren van Bruin, den Noorweegschen beer, zijn stommen metgezel, kammen en hiermede was hij juist bezig, toen eenige verdacht uitziende mannen het huis binnen liepen en een houding aannamen, die niets geruststellends had. Verschrikt smeet Baltasar met eenen slag de groote glazen deur dicht; maar door de herhaalde slagen, die de buitenstaanden er op gaven, vielen twee prachtige spiegelruiten, welke het naamcijfer en de kroon van Villamelon droegen, op den grond in stukken en de ontstelde Baltasar vluchtte de trappen op met zijn voorschoot in de hand en struikelde over D. Joselito, die bedaard bezig was, met een citroenschil de metalen staven te poetsen, die het zachte tapijt op de treden van de trap vasthielden. De dwerg vluchtte eveneens schreeuwend weg en spoedig daarop kwam het gansche dienstpersoneel in verwarring van alle kanten aan-loopen, deuren open en dicht slaande en de geheele buurt in
70
onrust brengende. Ondertusschen kwamen de indringers in eene geheel ledige antichambre en de persoon, die hen scheen aan te voeren, begon met zijnen met kwasten versierden stok op den grond te stampen en dagvaardde in naam der Justitie de Gravin van Albornoz. Dit individu was het hoofd der politie en kwam op bevel der regeering het paleis doorzoeken en beslag leggen op alle papieren. Hem vergezelden een half dozijn politieagenten, een wijkmeester en tien of twaalf stevige mannen , met knuppels gewapend, die naar hun uiterlijk tot de in dien tijd zoo vermaarde partida de la porra (knuppelpartij) behoorden. Zij hielden voor al de deuren wacht, terwijl zij voor een ieder den toegang vrij lieten, maar iedereen den uitgang beletten.
Onder al deze drukte sliep Villamelon den slaap des rechtvaardigen. Currita evenwel \\vas tegen hare gewoonte vroeg opgestaan, alsof zij iets verwachtte. Zij had de zon zien opgaan en zag er bleek uit. Een glimlach van een allerliefst duiveltje speelde een oogenblik om hare dunne lippen. Bevend van angst kwam Kate, het Engelsche kameniertje, de kamer binnen om haar het gebeurde mede te deelen. Toen scheen Mevrouw org te ontstellen, alsof op nieuw de schrik haar aangreep, en zij wilde in allerijl laten weten, wat er voorviel. Maar de deuren waren bewaakt en niemand mocht het huis uit. Niettemin kon zij eenen koksjongen den muur van den tuin laten overklimmen en hij werd belast met de zending der Gravin aan den diplomaaat..
Het ontwaken van Villamelon was akelig. Het beeld van den schrik was in zijne hersens geprent gebleven onder den vorm van de wilde kustbewoners van Africa en dezen met hunne groote geweren waren de eerste schimmen, die voor zijne verbeelding oprezen in het verwarde oogenblik, dat volgt op het ontwaken. Zijne Excellentie Martinez, de os Apis, trad toen uit hun midden te voorschijn, terwijl hij hem met zijn eene hand den brief toonde en met de andere hem bij zijn hals greep om hem zonder genade naar den Saladero (eene gevangenis)
71
over te brengen. . . . Villaraelon dacht van angst te sterven, want aan zijnen brief on daaraan alleen, zooals Currita hem den vorigen dag voorspeld had, was de onverwachte komst van de politie toe te schrijven. Snel nam hij evenwel zijn besluit. Hij dook weer in zijn bed en oordeelde het het voorzichtigst zich doodstil te houden. quot;Was het Currita niet, die hem in die ongelegenheden had gebracht? Dan moest zij ook maar zien, hoe zij zich er het best weder uit hielp! .... Vergeefs spoorde de Gravin, bevende van woede, hem aan op te staan en de politie-bende te ontvangen. Villamelon antwoordde, dat hij verkouden was, dat hij lag te zweeten en dat hij zeker ziek zou worden, indien hij zich aan de lucht blootstelde.
De tijd drong en Currita zag zich ten laatste genoodzaakt zelve de troep te gemoet te gaan. De weduwe van Padilla deed dat niet met meer fierheid, toen zij in het Alcazar van Toledo voor de troepen van Karei V zich vertoonde. Met trotsche houding vroeg zij aan het hoofd der politie het door den Rechter geteekend bevelschrift van den Gouverneur, het eenige, wat volgens de bestaande wetten tot zulk een overrompeling kon machtigen. De beambte bood het eerbiedig haar aan en na het gelezen te hebben scheurde zij het in twee stukken. Vervolgens protesteerde zij heftig, waarbij zij hare loyale alfonsistische gevoelens deed uitkomen. Toen gaf zij eenen grijsaard, den intendant van hot huis, bevel hun den weg te wijzen en bij de huiszoeking tegenwoordig te zijn en trok zich terug in de billardzaal, gevolgd door het vrouwelijk dienstpersoneel, als eene Koningin door hare hofdames. Hier liet zij de twee kinderen, Paqnito en Lili\', brengen, omarmde hen teeder, zette hen op hare knieën en scheen de treurige groep te willen parodieeron van Marie Antoinette en hare kinderen, toen zij zich in een hoek der Tuilerieën verschool bij het binnen dringen van het gepeupel. Kate schreide als radeloos; miss Butefull had haren hoed opgezet en hare handschoenen aangetrokken, alsof zij een marschorder afwachtte.
72
Currita deed zulk oene artistiek-sontimonteele vortooning niet voor niets; in een oogenblik had het nieuws zich in de politieke en aristocratische kringen verspreid en van daar in sociëteiten en koffiehuizen, in winkels en op straat. Het volk begon zich voor de deuren van het paleis met domme nieuwsgierigheid te verzamelen en weldra nam eene lange reeks rijtuigen de gcheele lengte der straat in. Een oogenblik hield ieder dier rijtuigen voor de deur stil; dan werd een portier geopend en met eenen slag weer dicht geworpen. Trotsche edelvrouwen, aristocratische gommeux en elegante dames stapten er uit; zij waren allen nog in négligée en zagen elkaar verwonderd of verschrikt aan, omhelsden Currita en slaakten kreten van verrassing, verontwaardiging, geestdrift en medelijden. Dit was hetgeen de geslepene Gravin gewild had; met haren jonge-meisjesachtigen glimlach drukte zij den een de hand, deed aan een ander het verhaal der overrompeling en sloeg hare oogen oogen op met de uitdrukking van een onderworpen slachtoffer, dat met hare kinderen in hare armen zich ten offer bracht op het altaar der verbannen dynastie. Wat zal er van hen worden. . .. Arme kinderen. ... En de goede Ferdinand, zoo gevoelig en zenuwachtig; thans lag hij te bed. terwijl zijne gezondheid reden gaf tot ernstige bezorgdheid; misschien wachtte hem wel ballingschap .... misschien gevangenschap, misschien.. . . O! de dames beefden van woede en ontzetting, terwijl zij allen tegelijk praatten en het slachtoffer poogden gerust te stellen en allen tegelijkertijd haar innerlijk verwenschten, omdat het Currita en niet haar te beurt was gevallen, bij de politie in verdenking te komen en aldus met eenen sprong het toppunt der faam te bereiken.
Ook verschenen eenige journalisten, op jacht van nieuwtjes, met het potlood klaar en het notitieboekje in de zak; zij werden goed ontvangen, daar Currita zich verwaardigde zelve hun inlichting omtrent het gebeurde te geven. Pedro Lopez, chroniqueur der elegante salons, die diners en bals bezocht met een
73
rok, waarvan de zakken gevoerd waren met taf, om daarin lekkernijen naar huis mede te nemen, was bewonderenswaardig. Currita reikte hem de hand, getroffen op het zien van dien trouwen vriend, die zoo dikwijls hare nieuwe japonnen had beschreven. Hij drukte die hand in stomme ontroering, terwijl hij drie maal mompelde:
— Ongehoord .... ongehoord .... ongehoord. . ..
En zich van het gezelschap afzonderende, ging hij met koorts-achtigen ijver in zijne portefeuille krabbelen, niet zonder dat allo dames en vele heeren bij hem kwamen met verzoek om eene eervolle vermelding hunner namen in zijn kroniek, die den volgenden dag de great attraction in de groote wereld moest zijn. De verheerlijking van Currita beloofde geruchtmakend te zijn en men moest er aan mede doen, al ware het dan maar als figurant.
Leopoldina Pastor kwam half gestikt aanloopen, met een groot gebedenboek in de hand. Zij kwam uit do mis, want zij deed een novena in de San Pascual, om van don hemel eene doodelijke beroerte te verkrijgen voor D. Salustiano Olózaga. Zij was zeer boos op Currita, dat zij niet uit een venster op het hoofd der politie had geschoten; zij zwoer, dat die vlegel hier niet van daan zoude gaan, zonder van haar een hartig woordje te hebben gehoord. En razende en gesticuleerende en haar tong uitstekende tegen de politieagenten, die zij tegen kwam, ging zij den gang door naar de eetkamer, want zij was nog nuchter en het was reeds twaalf uur, en zij kon het huis niet uit, vóór dat de huiszoeking was afgeloopen. Vele dames en heeren volgden haar, gereed om op den voorraad van Villa-melon aan te vallen als een zwerm sprinkhanen, en .... groot was hunno verbazing.... Zij verrasten den doodzieken Markies in een hoek van de eetkamer, tegen een eikenhouten voorsnijtafel geleund, terwijl hij, haastig en angstig om zich heen ziende, al staande eene groote kop chocolade inzwolg; een piramide van goudgele picatostas (een soort gebak) stond vóór
74
hem. . .. Nadat zijn eerste schrik voorbij was, en hij in huis niet anders hoorde dan het heen en weer loopen van men-schen, gevoelde Villamelon in al zijne scherpte den vreeselijk-sten prikkel, die hem kon pijnigen : den prikkel van den honger. Vergeefs riep hij een en ander maal, dat men hem zooals gewoonlijk zoude brengen:
„Den grooten schotel met chineesohe kom.
„Overvloeiende van kokende chocolade.quot;
De bedienden, door het geheele huis verspreid, kwamen op zijn geroep niet en Villamelon, die de kansen van eiken anderen dood verkoos boven die van den hongerdood, besloot ten laatste (Jp te staan en door overloopen en gangen te sluipen naar de keuken om daar zijn dagelijksch voedsel te gaan gebruiken. Toen hij dit eenmaal had, verstopte hij zich in den hoek van de eetkamer en begon het daar te verslinden.
De komst van de ongewenschte gasten verjoeg hem van daar en hij vluchtte verder, met de chocolade in de eene en de picatostas in de andere hand. Maar onder groot gelach hield hem het adellijk en hongerig troepje tegen en Leopoldina, hem bij de korte slippen van zijn morgenjasje vasthoudende, riep, bijna stikkende van het lachen :
— Waar ga je heen Perdinandito. ..? Ga niet heen, man! .. .. Om zijn leed te kunnen dragen, moet men eten. . . . Laat ons u helpen!. . ..
En van den maitre d\'hótel af tot Don Joselito toe, allen togen aan het werk, om, ofschoon onvoorbereid, aan het ontroerde gezelschap een stevige, geïmproviseerde lunch voor te zetten.
VII.
De Markies van Butron was een van die middelmatigquot;6 men-sehen, die in tijden, schaarsch aan uitmuntende mannen, voor uitstekend doorgaan en die hunne grootheid alleen danken aa.n de kleine gestalten der mannen en do onbeduidendheid der gebeurtenissen van hunnen tijd. Evenwel is er gezegd, dat geen mensch groot is in de oogon van zijnen kamerdienaar en ook onze groote Robinson had zich aan die wet, aan welke alle groote mannen onderworpen zijn, niet kunnen onttrekken. Eene zijner geheime zwakheden was het verven van zijn baard, die geheel wit was, om dien in overeenstemming te brengen met zijn hoofdhaar, dat nog zoo zwart was als een ravenwiek.
Dus zette zich, op dien morgen van den 26ste» Juni, de eerwaarde diplomaat tot deze allergewichtigste kunstbewerking, toen hem in alle haast de boodschap van Currita werd gebracht. De harige heer verloor geheel zijn hoofd en alles duchtende van de oorlogzuchtige geaardheid der Gravin, die hij zeer goed kende, riep hij dadelijk om eene vigelante, zonder er aan te denken, dat zijne ongeverfde baard het tot nog toe zoo goed verborgen gehouden geheim zoude verraden en snelde naar het paleis van dat dubbelzinnige schaap, dat voor hem van zooveel belang was in de Alfonsistische schaapskooi te houden. De politieagenten, die den ingang bewaakten, lieten hem door, overeenkomstig hun consigne, en zagen hem aan met dien vreesachtigen eerbied, waarmede de ondergeschikten van de eene staatspartij de aanvoerders der tegenpartij beschouwen.
76
Het nieuws van zijne komst deed eene groote beweging ontstaan in den kring der vrienden en vriendinnen, die het paleis overstroomden, en allen, ook zij, die in de eetkamer waren, liepen naar hem toe. Zijne tegenwoordigheid zette aan het geval een gewicht en een kleur bij, waarop Currita wel gerekend had, toen zij hem eene zoo dringende boodschap had gezonden. De groote Robinson breidde beide armen uit, toen hij haar zag en riep: mijne dochter! en de dame wierp zich met kinderlijk vertrouwen snikkend aan zijn borst, terwijl zij op hare kinderen wees, die zich aan de rokken vast hielden van de altoos koele en onbewogen miss Butefull.
Het koor der dames begon aangedaan te worden, maar Gorito Sardona ontdekte op eens den ontkleurden baard van den diplomaat en haastte zich zijne ontdekking aan Carmen Tagle in te fluisteren ; deze begon te lachen en vertelde het aan hare buurvrouw en deze vertelde het weder verder en langzamerhand nam een onderdrukt gelach al het hartroerende van het schouwspel weg.
Butron sloeg er evenwel geen acht op en leidde met de indrukwekkende houding, die de omstandigheden vereisohten, Currita zachtkens naar een zijkamer. Het zweet parelde op zijn gelaat als waterdruppels op de veeren van een eend en zijn hemd kleefde op zijn lichaam, want hij vreesde voor een nieuwen streek der hooggeborene Vrouwe, die zijne diplomatieke bemoeiingen zou kunnen in discrediet brengen. Angstig en zachtjes sprekende en naar alle kanten rondziende, alsof hij vreesde, dat de politie zoude komen, die hot paleis had overweldigd, zeide hij tot haar:
— Maar wat is dit alles?.... Spreek, mijne dochter.
Currita liet zich op een sofa vallen en bedekte haar gelaat
met haren zakdoek.
— Ik ben verloren! zeide zij.
De eerwaarde Butron zette zijn mond wagenwijd open.
— Ferdinandito is een stommeling, ging Currita bedrukt voort.
77
Butron bewoog zijn hoofd op en neer bij wijze van instemming.
— Martinez heeft hem gefopt. . . . Mij heeft hij gruwelijk in opspraak gebracht... . Het is schrikkelijk .... schrikkelijk.... Schandelijk, Butron .... schandelijk.
— Spreek zachtjes! zeide de diplomaat ontsteld. Bedaar, mijn kind, bedaar .... en reken in alles op mij , hoor je .... in alles. .. .
En met zijne twee harige handen drukte Robinson met vaderlijk gevoel de kleine handjes van Currita.
— Dat weet ik, Butron — dat weet ik, en daarom heb ik ook onmiddellijk naar u gezonden. Maar het is afschuwelijk, afschuwelijk. . .. Stel u voor, dat alles, wat zij omtrent mijne benoeming vertellen, waar is! . . . .
— Waar is!.... riep Butron ademloos van schrik.
— Ferdinand schreef aan den Minister om voor mij de betrekking te vragen .. . ., zonder mij er iets van te vertellen... . Butron, zonder mij er in te kennen!.. . Is dat niet schrikkelijk? ... . Foei, wat een man!.... Ik verzeker u, als het niet om de kinderen was, zou ik een proces tot echtscheiding beginnen !.. ..
Hier stortte Currita eenige tranen op het altaar van den heiligen echt, waarvan de toorts gevaar liep uit te dooven, en vervolgde zeer zachtjes:
— Daarom, omdat ik van niets wist, zeide ik gisteren bij Beatrix aan huis — dat is duidelijk — hetgeen ik dacht, dat de waarheid was .... dat de Minister mij de betrekking was komen aanbieden, en dat ik zeer boos geweigerd had die aan te nemen en het beschouwde als eene groote lompheid van dat volk. ... Verbeeld u nu eens mijne verbazing, toen gisteren die vlegel van een Martinez bij mij kwam, zoo ongemanierd, zoo grof.... Hij was zeer beleedigd door mijne weigering, schreeuwde als een bezetene, dreigde mij, mij een brief van Ferdinand .... onder den neus te wrijven. Butron, onder den neus!...
78
En hier verstikten op nieuw tranen de stem van Currita, die snikkend vervolgde:
— Wat eene beleediging, Butron .... welk eene schande!____
Ik dacht te sterven van ontroering. Aan den vader mijner kinderen dank ik deze beleediging! ... . Honderd maal heb ik hem gezegd: Uwe inschikkelijkheid tegenover dat volk zal ons nog ongelukkig maken, Ferdinandito! —
— Maar heb je dien brief gezien? — riep Robinson ontsteld uit.
— Gezien? .... Ik heb hem gelezen! .... Wat eene schande, Butron, ik dacht te sterven. . .. De os Apis zeide, dat het Ministerie dien zoude publiceeren in de couranten, indien ik de betrekking niet aannam. Ik schreide, bad, smeekte in naam van mijne eer en van mijne kinderen! Alles vergeefs: óf de betrekking aannemen, óf de brief zou gepubliceerd worden.. . . Toen bood ik geld, en de man begon te bedaren... . Hij vroeg mij vijf duizend duros .... spoedig daarop drie duizend .... hij schachelde, Butron .... schachelde als een jood.... Eindelijk werd de koop voor drie duizend gesloten, en van nacht om één uur is hij terug gekomen om mij den brief over te geven en zijn gold te ontvangen. . .. Natuurlijk had ik het geld niet en kon het ook niet aan Ferdinand vragen, daarom moest ik een gedeelte van mijne juweelen beleenen. .. .
Butron hoorde verbaasd toe, en slikte als een ezel, die hij was, één voor één die geheele reeks leugens, welke zeer behendig met een klein beetje waarheid vermengd waren. Hij vouwde zijne handen met een tragisch gebaar en zeide op den toon van een verontwaardigden Cato:
— Dat is eene vuile geschiedenis!
— Maar er is nog meer, Butron! er is nog meer. En dat is schandelijk! vervolgde Currita opgewonden. Om één uur \'s nachts stelt de os Apis mij den brief ter hand , en om tien uur van daag komt de politie onverwacht om mijne papieren na te zien! Een goeden slag, dien het canaille wilde slaan. Den brief weer te krijgen en mijn geld te houden.
79
— En hebben zij dien gevonden? riep Butron ontsteld uit.
— Komaan, — zij zouden mij eerst het leven moeten ontnemen. ... Ik had tijd den brief te verscheuren en de stukken in de aflooppijp van het bad te gooien.
— Brrr — zeide Butron, alsof hij er misselijk van werd, en met zijne handen op den rug en eone houding van groote verlegenheid, fronste hij zijne geweldige wenkbrauwen en ging met groote stappen het vertrek op en neer. Currita zag hem ter sluiks aan en snikte van tijd tot tijd zenuwachtig.
Voor Butron was het boven allen twijfel verheven, dat de dame niet te vertrouwen was, maar toch was hetgeen zij zeide, zeer waarschijnlijk en verklaarde volkomen het zonderlinge bezoek der politie. quot;Wat had die anders hier in huis te zoeken.. . ? Overigens verzekerde deze onverwachte gebeurtenis aan zijne partij het bondgenootschap van deze vrouw, die het élégante Madrid met de macht der mode beheerschte, en dit was den diplomaat genoeg. Op eens bleef hij voor haar staan en zeide deftig:
— Het is noodig eenc geruchtmakende manifestatie te doen, die den moed doet herleven en tot protest strekt tegen deze overweldiging.
Currita haalde de schouders op, terwijl zij met voorgewende verslagenheid den straal van ijdele blijdschap verborg, die haar gelaat verhelderde.
— Maar, Butron, om \'s hemels wil, voor mij is er geen bezwaar, maar Ferdinandito zal er slecht bij varen.
— Zie eens hier, Curra .... Ferdinandito zal er niets bij verliezen , omdat hij niets te verliezen heeft. . .. Uw man is een stommerik en dat weet iedereen.
— Dat is zoo, zeide Currita met heldhaftige instemming.
— Overigens beloof ik u geheimhouding.. . . De zaak is ernstig en men kan er veel partij van trekken.
— Dat zie ik ook zeer goed in. Ik heb er ook niets tegen.... En het eerste, waaraan men moet denken, is het welzijn der
80
partij. .. . Daaraan offer ik alles op. ... Dat heb ik altoos getoond. ... En dat toon ik ook thans!.... En Currita werd op nieuw aangedaan, terwijl zij tusschen hare tranen dit onschuldig verzoek deed:
— Het eenige, wat ik vraag, is dat gij zelf schrijft aan la Senora1), hetgeen hier voorvalt!.... Ik heb angst voor de strikken en de praatjes van Madrid! .... Die Isabella Mazacan is zoo kwaadsprekend .... en zij is op mij zoo jaloerseh.
Butron ging vierkant voor de dame staan en terwijl hij zich op de borst sloeg zeide hij:
— Vertrouw op mij, Currita .... ik stel mij aansprakelijk!
Op dit oogenblik werd aan de deur geroepen; de huiszoeking
was afgeloopen en do Commissaris van politie vroeg aan Mevrouw de Gravin verlof haar zijne verontschuldigingen aan te bieden.
— Ach neen, neen! riep Currita uit. Zeg hem, dat ik die excuses wel missen kan.
— En zeg hem er bij, zeide Butron, met al de Olympische waardigheid, die zijne positie hier vereischte, dat Mevrouw de Gravin van Albornoz zich het recht voorbehoudt, overal tegen zulk eene overrompeling te protesteeren... . En zeg hem ook, dat de geheele adel van Spanje en alle bezadigde en eerlijke lieden aan hare zijde staan om haar te steunen en de heilige zaak te verdedigen, die zij op dit oogenblik vertegenwoordigt.
Dit zeide Butron op hoogen toon, terwijl hij zeer op het woord zaak drukte. Toen wierp hij een langen blik op het gezelschap , alsof hij wilde zeggen: Hebt gij het begrepen ? — en bewoog zich tusschen de groepen, terwijl hij eenige zinledige woorden liet vallen, die voor de nieuwsgierigheid en de domheid der toehoorders zeer gewichtig schenen.
— Ernstig geval! zeide hij.... Currita, bewonderenswaardig !. ... Eene heldin! .. .. Mariana Pineda!. . ..
1
Kouiugiu Isabella 11.
81
Toen kwam do oudo intendant, D. Pablo Solera, binnen, die bij do huiszoeking tegenwoordig was geweest. Hij zag er zeer warm uit en had eenige papieren in de hand, die hij dei-Gravin aanbood. . .. Allen omringden hem , vol nieuwsgierigheid , terwijl zij hem honderd vragen deden, die de oude man haastig beantwoordde , een weinig ontsteld, dat hij zich zoo op eens het middenpunt zag van zulk een aanzienlijk gezelschap. De huiszoeking was in de uiterste puntjes nauwgezet geweest en had volle twee uren geduurd; de Commissaris van politie had alle brieven gelezen, die hem in handen waren gekomen, zonder er één over het hoofd te zien, had alle papieren onderzocht, alle boeken doorgebladerd en alles ter zijde gelegd, waarin hij samenzweerders-smetstof dacht te vinden, om het aan den Gouverneur der Provincie over te leggen. De bedachtzame oude intendant had toen van hem een ontvangbewijs ge-ëischt, door den chef der politie zelf onderteekend, waarin al de papieren waren opgegeven, die hij medenam, en dit was hot document, dat hij der Gravin aanbood.
— Is er iets bij van belang? vroeg Butron zacht, terwijl hij met Currita de lijst door las.
— Pscht — niets, antwoordde zij.
Maar zijne oogen vestigden zich met verbazing op een nummer van de lange lijst, dat aldus was aangeduid: „Een pak van vijf en twintig brieven met een roze lint te zamen gebonden.quot;
De eerwaarde Butron nam op nieuw het woord. Hot gevaar was voorbij, maar thans was het noodig van de overwinning zooveel mogelijk partij te trekken. Er moest noodwendig rumoer, veel rumoer over worden gemaakt; overal moest dit schandelijk feit ruchtbaar gemaakt worden om de verontwaardiging op te wekken en de gemoederen in beweging te brengen tegen do regeering en de indringersdynastie. . . . Daartoe moesten do dames zich dien namiddag verzamelen op de Castellana mot de zwierige Spaansohe mantilla en de klassieke haarkam, die de gewone teokens waren van moedig protest. En den volgen-
6
82
den avond zou hij zelf, Butron, ter eere van Currita een bal geven, waarop allen, die hier tegenwoordig waren, werden ge-noodigd. De dames moesten dan in hare haren de lelie, het symbool harer hoop, laten schitteren; de heeren in hun knoopsgat een wit en blauwen strik dragen, de eigen en sprekende kleuren der verbannen Bourbons.
De geestdrift was toen onbeschrijflijk. De dames omringden de groep, door Currita en Butron gevormd; zij verdrongen elkander, al schermende met de groote waaiers, welke dien zomer in de mode waren en die don minder mooien naam droegen van pericones.\')
— Goed zoo!.... Bravo! .... riep Gorito Sardona uit. Het dolkenkoor!. . .. Butron, gij moet ze zegenen !. .. .
En hij begon te zingen:
Giusta é la guerra, e in core Mi paria un santo ardore.
uit de Hugenoten.
Dit gaf veel gelach onder do dames, en de eene na de andere vertrok, zenuwachtig, vol geestdrift, terwijl zij bij zich zeiven dachten, dat het aardig was al dansende samen te zweren en hare toiletten te laten schitteren op de Gastcllana, en dat het gemakkelijker was, dan zij dachten, een troon omvertestooten met waaiertikjes.
Villamelon zag ondertusschen, verborgen achter gordijnen en deuren, het aanzienlijk gezelschap voorbij trekken, zonder zich te durven vertoonen. Wat hem het meeste hinderde, was, dat twee spiegelruiten beneden aan de dubbele deur waren gebroken.
Toen Currita alleen was gebleven, vroeg zij aan den ouden dienaar, terwijl zij hem de lijst toonde.
— Zeg mij nu, D. Pablo, van wien waren die vijf en twintig brieven?
1) Perico = groote papegaai.
83
— Dat weet ik niet, antwoordde hij, terwijl hij zijne schouders ophaalde.... De chef der politie las er drie of vier van en stak het pakje bij zich met een lachje, dat mij woedend maakte.
— Waar vond hij ze?.\'. ..
— In die ouderwetsche kist, die in de kamer staat van Mevrouw de Gravin. ... In een verborgen laadje.
— In de sécrétaire van het boudoir? vroeg Currita zeer verbaasd. Maar er was niets! .. .. Kom mede, laten wij eens gaan zien... .
Er stond werkelijk in een hoek van het boudoir eene prachtige kist, een in de fijnste bijzonderheden uitgevoerd Italiaansch marqueterie werk uit de eeuw, van gebeeldhouwd ebbenhout, rijk ingelegd met schildpad, zilver, jaspis en brons. Currita sloeg het groote deksel op, welks vergulde scharnieren en slotplaten tusschen het kunstig snijwerk een fond lieten zien van rood fluweel, en toen vertoonde zich het binnenste van dit kostbaar meubel, samengesteld uit zeer fraaie bogen, galerijen en miniature, waar veelvuldige laadjes waren aangebracht, waarvan het een het andere verborg met velerlei geheimen.
— Waar waren dan die brieven? vroeg Currita ongeduldig, terwijl zij één voor één die fraaie laadjes opentrok.
— Hier onder, antwoordde D. Pablo.
En op een bronzen veer drukkende, deed hij een ander verborgen laadje te voorschijn springen, dat daarbij een zachte geur van gedroogde viooltjes liet ontsnappen. Currita stak hare hand in het laadje en haalde er een verlept bouquetje van die welriekende bloemen uit; zij bezag het eenigen tijd met zekere bevreemding, als iemand, die zich iets wil te binnen brengen en toen zij eindelijk het gevonden had, zeide zij:
— O, ik weet het!.....
En op eens zeer ernstig wordende, met het gezicht van iemand, die een gevaarlijken valstrik vreest, mompelde zij boos:
— Nu, wij zullen zien! . . .. Dat zou een gek geval zijn! .. . .
G»
VUL
Mijnheor de Gouverneur had ton twee ure van den namiddag van dien 26s,t\'quot; Juni alle reden om over zijne kordaatheid berouw te hebben. Het nieuws van het bezoek der politie in het paleis van Villamelon had de hooge sferen van do Regeering bereikt en daar verbazing en ongenoegen verwekt. Men wist daar niet, wat den Gouverneur bewogen had tot dezen heftigen maatregel, en men hoopte daar de Gravin van Albor-noz nog op eene andere wijze te kunnen noodzaken den post van Grootmeesteres aan te nemen, in weerwil van de tragisoh-comisehe scène van den vorigen dag tussehen haar en den minister Martinez. Zooals de lezer zal hebben begrepen, waren niettegenstaande het net van leugens, door de valsche dame gesponnen, de onderhandelingen van haar met de Regeering zoo waar en zeker, juist als de Gravin van Mazaean ten huize der Hertogin van Bara had verteld.
Currita voelde diepen wrok over hetgeen zij den smaad noemde, ondervonden bij den troonsafstand en had toen dadelijk besloten bij gelegenheid met pak en zak tot den vijand over te loopen. Daardoor kon zij aan hare vrouwelijke begeerte naar wraak voldoen en tegelijk haar aanhoudend verlangen bevredigen, de geheele wereld van zich te doen spreken en altijd de eerste te zijn in het voorste gelid. De nieuwe Vorst was jong en zag er goed uit en als zij eenmaal als Grootmeesteres in zijne nabijheid was, scheen het. haar gemakkelijk toe, twee haar zeer
85
sympathieke, historische personen in zich te verecnigen, nl.: Mademoiselle de la Vallière en de Prinses des Ursins.
Toch kostte het haar eenige moeite, Villamelon over te halen hare plannen te steunen; want deze, vervuld met hetgeen hij zijne eer noemde, had zich voorgenomen aan de gevallen dynastie getrouw te leven en te sterven. Ten slotte wist Currita hem toch over te halen, en altijd voorzichtig, zonder zichzelve bloot te stollen, belastte zij haren man met de onderhandelingen met D. Juan Antonio Martinez en met den Minister van Koloniën, beide personages, die zij lang te voren met verraderlijke bedoeling in haar huis had weten te lokken, terwijl zij weinig gaf om de aristocratische ergernis harer hooggeborene vriendinnen.
De voorwaarden, door de Gravin gesteld, waren eene aanzienlijke verhooging van tractement voor haarzelve en het particulier secretariaat bij D. Amadeo voor Juanito Velarde, op dit oogenblik haren besten vriend.
Haar opdracht was gemakkelijk uit te voeren, aangezien aan hot hof en bij de regeering het verlangen groot was, deze versmade betrekking door eene Grande van Spanje te zien vervuld. Villameion evenwel beging de domheid, zich niet aan de instructies zijner vrouw te houden. Zij had hem op het hart gedrukt, dat van deze onderhandeling door geen enkele letter schrift mocht blijken, maar om niet te mankeeren op een rendezvous , dat hij met zekere dubbelzinnige weduwe had op hetzelfde uur, dat de Minister hem had uitgenoodigd, liet hij zich tot het schrijven van dien ongelukkigen brief aan den Minister verleiden, hetgeen zulke ernstige verwikkelingen na zich zoude slepen.
Ondertusschen kwam de brief van Koningin Isabella al het gedane verijdelen en met hare weergalooze onbeschaamdheid trok Currita zich terug, terwijl zij hot Hof en de Regeering een gek figuur liet maken en haar man tusschen de horens van den stier bleef. Hiermede niet tevreden, en om do geruchten tot zwijgen te brengen, die, door Isabella Mazacan opgewarmd, over het ge-
86
beurde in omloop waren, kwam zij op liot denkbeeld zich zelve bij den Gouverneur aan te klagen door eenen anonymen brief, waarin zjj op blijkbaar goede gronden en uit bekende feiten verzekerde, dat de Gravin van Albornoz en de Markies van Butron eene uitgebreide samenzwering hadden op touw gezet, ten gunste der Alfonsistisehe zaak; en dat er bij haar zeer gewichtige papieren daarover te vinden waren. De onnadenkende Minister liep in den val en wij hebben reeds de verwonderlijk gunstige omstandigheden gezien, die de stoute plannen ondersteunden dezer hooggeborene bedriegster, wier kleingeestige kuiperijtjes het gansohe hof in beroering brachten. Het bezoek der politie bevestigde voor altijd den roep van hare Alfonsistisehe trouw en gaf haar een aanzien bij deze partij, die haar voor altijd tegen Amadistische aanzoeken zoude vrijwaren.
Zoo begreep Zijne Excellencie D. Juan Antonio Martinez het ook, en woedend als een basilisk ging hij den Gouverneur rekenschap vragen van zijne lompheid. Voor deze ging toen een licht op, en zich wel wachtende te vertellen, dat de bewijzen van het complot van Gurrita slechts bestonden in een anonymen brief, antwoordde hij met veel omhaal, dat hem de verzekering was gegeven van het bestaan eener zeer uitgebreide Alfonsistisehe samenzwering, dat de Markies van Butron die bestuurde en dat de Gravin van Albornoz eene feeks was van de eerste soort.
— Dat behoeft gij mij niet te zeggen, riep de os Apis uit, die nog woedend was over hetgeen hem was overkomen.
En hij vertelde aan den Gouverneur, in alle bijzonderheden, de geschiedenis der benoeming tot Grootmeesteres en de scène van het verbranden van den brief, waarover de andere Ministers hem in zijn gezicht hadden uitgelachen.
De Gouverneur beet zich op de lippen en begon te begrijpen, dat hij zich in een wespennest had gestoken; het pas trop de zèie van Talleyrand kwam hem als een verwijt voor den geest. Het binnentreden van den Commissaris van politie, die de bij
87
Currita in beslag genomen papieren kwam brengen, deed hem nog een oogenblik zijne woede en angst bedwingen.
De Gouverneur wierp er zich op met alle heftigheid zijner gekwetste eigenliefde en het noodlot deed het eerst zijne oogen vallen op een klein briefje met het wapen der Gravin van Albornoz en waarin met verschillende vormen van letters deze vreemde spreuk geschreven stond: Wat een fraai dier is de mensch.
De Gouverneur bekeek het papiertje opmerkzaam, denkende een verborgen sleutel of een geheim teeken tusschen al die verschillende vormen van letters te zullen vinden, waarvan sommige dik en gedrongen, andere fijn en groot waren, en ook zeer kleine lettertjes die, als muggepootjes aan elkander verbonden , een dunnen ketting vormden. Deze laatste riepen hem levendig tene herinnering voor den geest. Haastig zocht hij den anonymen brief, die de aanklacht bevatte, vergeleek beider schrift, en de sluier scheurde toen geheel en al. Het was dezelfde hand! . . .. Bewezen was het dus, dat de Gravin van Albornoz eene feeks was van de eerste soort, en Zijne Excellentie , de Gouverneur van Madrid, een even groote ezel.
Zijne woede kende nu geene grenzen en werd nog verergerd door dien huichelaar van een Martinez, die met gezwollen wangen en vol lachs, van verlangen brandde om zijne aardigheid te plaatsen. Dit deed hij dan ook en zeide spottend:
— Die samenzwering is dus de kop ingedrukt en Spanje kan gerust slapen gaan.
Zijne Excellentie vond er wel iets boosaardig aangenaams in, niet het eenig slachtoffer te zijn der listen dier veelzijdige vrouw, die zooveel moeite veroorzaakte aan de Epaminondassen en de Aristidessen van Spanje. Padden en slangen liet de Gouverneur uit zijn mond vallen, alsof hij een kaaiwerker uit de achterbuurten was, en terwijl hij de papie.ien om en om draaide, viel zijn oog op het pakje met de vijf en twintig brieven. Zijne vreugde was toen grenzenloos; hij was reeds zeker van zijne wraak.
Den nacht te voren had Currita hare papieren nauwkeurig onderzocht, er uit wegdoende hetgeen haar kon corapromitteeren en zij had zeer in het oog vallend al datgene gelegd, wat hare plannen kon begunstigen. Het is onnoodig te zeggen, dat de brief van Koningin Isabella zoo werd gelogd, dat de politie dien dadelijk moest vinden. Twee onvergeeflijke nalatigheden had zij evenwel begaan: tusschen de vloeibladen van hare schrijfportefeuille was het papiertje blijven liggen, waarop zij hare schrijfoefeningen had verricht, en zij had glad vergeten, dat in een verborgen laadje van de ouderwetsche kist in haar boudoir, sints meer dan drie jaren een pakje brieven lag. Deze waren van zekeren artilleriekapitein uit Andaluzie, van aanzienlijke afkomst, maar zeer aanmatigend en vrij schaamteloos, die, vóór Juanito Yelarde, den post van vertrouwd vriend bij haar had bekleed.
Zegevierend vroeg de Gouverneur aan Martinez, wat hij er van dacht, deze brieven in de couranten te zetten.
— quot;Wees zoo dwaas niet. — Denkt gij dan, dat er in Madrid iemand is, die niet weet of veronderstelt, dat die brieven bestaan of hebben bestaan ? .. . .
— Maar dan .... wat voor partij zullen wij er van trekken?
— Zeer eenvoudig..... Moet gij ze niet aan de Gravin
terugzenden ?
— Dat spreekt. — De Commissaris van politie heeft een ontvangbewijs afgegeven.
— Nu dan, in plaats ze te zenden aan de vrouw, stuur zo aan den man. Het is het eenige, wat er in dit geval te doen is, zoo barmhartig te zijn om iemand, die niet weet, in te lichten.
— Prachtig, riep de Gouverneur uit, vol bewondering over de Machiavellische politiek van Zijne Excellentie.
En zonder tijd te verliezen, zond hij een beleefd briefje aan den Markies van Villamelon , waarbij hij duizend verontschuldigingen maakte over de onaangenaamheden, die hij hem dezen
89
morgen had berokkend, hem do in beslag genomen papieren terug zond en hem beleefd verzocht, die één voor één nauwkeurig na te gaan, in het bijzonder het pakje met vijf en twintig brieven, om te zien, of er geen was weggeraakt.
Op dit oogenblik bracht een bode den Gouverneur een geparfumeerd briefje, dat van eene coquette dame scheen te komen, maar dat inderdaad van den mooien Minister Garcia Gomez kwam, het elegant element, do dandy van dit zoo bij uitstek progressistisch Ministerie. Door zijne vriendin Isabella Mazacan ingelicht omtrent de dagorder, door den Markies van Butron in hot huis van Currita gegeven, haastte hij zich de hoogste autoriteit der provincie in kennis te stellen van de manifestatie der mantilles en haarkammen, die de dames der aristocratie dien avond bij de Fuente Castellana zouden houden.
De Gouverneur begon opnieuw te razen, terwijl hij heftig dreigde, met die mantilles en haarkammen eveneens te handelen als Esquilache met de mantels en de hoeden.
— Maar, kerel, wees toch niet dwaas, zeide de Minister met zijn breeden lach. Hier weet ik een zeer gemakkelijk middel op.
— Welk?....
— Roep Claudius Molinos.
Claudius Molinos kwam, een uitgeleerde schurk, een soort van politieke vrijbuiter, die in die dagen zeer in den smaak viel en die volgens het algemeen gevoelen dc handlanger was van het Gouvernement op zijn slinksche wegen en de werver en het opperhoofd van do partida de la porra (knuppel partij). Beide heeren ontvingen hem op een voet van gelijkheid en met veel onderscheiding en na een kort onderhoud ging Claudius Molinos haastig heen. Martinez ging ook heen, met de grootste kalmte, met de handen en zijn stok op den rug, en zijn groot hoofd een weinig gebogen en de Gouverneur bleef zeer tevreden achter, terwijl hij zijne kleine, dikke handen wreef, wier nagels volstrekt niet zindelijk waren.
90
Dienzclfdon namiddag tegen half zeven zag mon geen enkel rijtuig in hot Retiro of in het Park; daarentegen reden er hon-derdo door den Paseo de Roooletos, reeds vol menschon, en vorder in een verwarden drom naar de Fuente Castellano. Nooit leverde Weenen in het Prater, Berlijn onder do Linden, Parijs in hot Bois de Boulogne, zulk een eigenaardigen en schilder-achtigen aanblik, als, bij het ondergaan der zon, die stroom prachtige equipages, waarvan de meeste open waren en gevuld met dames, verschillend in uiterlijk, van allerlei leeftijd, gekleed in levendige kleuren, met witte of zwarte mantilla\'s, met kammen en bloemen in het haar, met bloemen op de borst, in de handen, op de banken on de portieren der rijtuigen, aan het hoofdstel der paarden en op de livreien der koetsiers. Alles woelde dooreen in die ordolooze dwarreling zonder elkaar te stooten: rijtuigen, paarden, ruiters, harnachementen, toiletten, livreien, koetsiers met hunne zweepen recht op, lakeien met hunne armen over de borst gekruist; men hoorde het knabbelen op de gebitten en het knallen der zweepen; er waren lentegeuren en parfumerieën der toilettafel, lucht van versch besproeiden grond en gour van seringen, lelietjes en viooltjes; alles in een waas van fijne, schitterende stof en verlicht door heerlijke lichtgolven van de ondergaande zon, die door de boomen en op het zilver der tuigen, de knoopen der livereien en het pleet der rijtuigen weerkaatste.
Van de breede trottoirs der Calle de Alcala kwam ook een dichte drom voetgangers op de Recoletos. Onder deze lieden zag men er hier en daar, die meer of minder fraaie mantilles of nationale haarkammen droegen. Zij hadden evenwel niets gemeen, wat aantal, levendigheid en belangstelling betreft, met de luxe en het aantal van eerstgenoemde menigte. Deze wandelaars liepen met die soort van nieuwsgierigheid, die gretiger is, naarmate de vrees grooter is, die altijd een gevaarlijk schouwspel inboezemt; met die nieuwsgierigheid van een bang mensch, die altoos denkt den knal van een geweer te hooren. Wat de
91
dames in do rijtuigen aangaat, dozen wisselden groeten, glimlachen en teokens, zonder eeno onwillekeurige ongerustheid te kunnen ontveinzen, even als een stoute schooljongen, die, onder het oog van den meester, de eene of andere ondeugendheid wil begaan.
Plotseling, op de hoogte van de Munt, hielden de wandelaars stil en bleven onder do boomen bij groepjes staan; de rijtuigen matigden hunnen gang, terwijl men elkaar toeriep om rechts en links te wijken ten einde in het midden eenen doorgang open te houden. . . . Daardoor reed in gestrekten draf een prachtige landauer van Binder, waarvan de fijn lederen voor- on achterkap waren neergelaten en die getrokken werd door een span fiere, donker bruine paarden, twee steppers, hoog van taille en forsch van beweging, die do sterke hand van Tom Sickles even go-makkelijk bestuurde, als do wind speelde met de takjes lelietjes\' en angelieren, die de edele dieren aan hunne schitterende hoofdstellen droegen. Op de satijnen kussen elegant uitgestrekt, spreidde hier de Gravin van Albornoz hare onbeschaamdheid ten toon. Links van haar zat hare bloedverwante en vriendin do Markiezin van Valdivieso. De nichten droegen beiden do nationale kleuren, de Gravin eene gele japon met zwarte man-tille en de Markiezin eeue roode japon met gele mantille. Zij haddon elk groote schildpadden kammen in het haar en roodo en witte anjelieren in het kapsel en op do borst. De men-schen bogen als koornhahnen voor don wind, toen zij voorbijreed ; de dames groetten met hare zakdoeken uit hare rijtuigen, en een drom gomneux te paard draafde aan weerszijden naast de portieren als een eorewacht., Zoo deed Currita haren zegen-vierenden intocht in de Castellana.
De rijtuigen vormden toen eene geregelde file en toen kon de Markies van Butron de trouwe opkomst en de stoutheid van zijne vrouwelijke volgelingen op prijs stellen. Daar zat hij zelf in een donkcrkleurigen landauer met Mevrouw do Makiezin aan zijne rechterhand, eene zeer achtenswaardige dame, uit eeue
92
der edelste families van Spanje gesproten, en die bogen kon op eene smettelooze reputatie. Verder op zag hij Isabella Ma-zacan en Leopoldina Pastor in een fraaien milord; Pilar Balsano, do Hertogin van Bara, Carmen Tagle en een ontelbaar aantal sterren en sterrengroepen der groote wereld, en boven die allen blonk de vrouw van Lopez Moreno uit met hare dochter Lucy. Zij droeg een blauwe japon en eene witte mantille met groote rozen in het haar. Zij vulde bijna geheel een groote kales, waarvoor een paar prachtig opgetuigde koetspaarden liepen. De koetsier en de palfrenier droegen den sombrero calanés (andaluzi-schen hoed) met het mouwvest en den broek van donker fluweel. Al deze vrouwen, sommigen van een dubbelzinnig karakter, maar ook honderd anderen, beuzelachtig en oppervlakkig naar het uiterlijke, maar voor het meerendeel in den grond oerbaar, velen zelfs oprecht, deugdzaam en verstandig, allen groetten in het voorbijgaan die hooggeborene bedriegster; allen bogen voor haar en brachten haar de hulde van hare glimlachjes en van haren afgunst, terwijl zij zich verlaagden door die verderfelijke inschikkelijkheid voor het kwade, die de doodelijke wonde is der groote wereld. Uit domheid, uit zwakheid of uit slechtheid, maakten zij door hare tegenwoordigheid en het tentoonspreiden barer weelde het kwaad nog grooter en droegen het hare bij tot den zegepraal van de grootste zwendelaarster, dio ooit in de groote wereld hare streken uitvoerde.
Lang evenwel duurde deze verheerlijking niet.. . . Niemand heeft ooit kunnen zeggen, hoe het precies gebeurd is Eenigon meenen, dat het kwam van het Hippodrome, anderen dat het van barrio de Salamanca kwam, weer anderen uit een klein hotel, dat verscholen ligt in een tuin van do Castellana. Dit is zeker, dat plotseling in de file rijtuigen een groote landauer verscheen, getrokken door vier schimmels en gereden a la d\'Aumont; binnenin zaten twee vrouwen van licht allooi, vuur-rood gekleed, met schitterend mooie mantilles en enorme kammen , die een leelijk earicatuur maakten van de aristocratische
93
dames. Op don bok zat een gomeene kerel met een spitsen hoed schoof op het hoofd, mot grooto valsohe bakkebaarden on die een parodie scheen te zijn van zeker groot heer, die in die dagon een grooto rol speelde onder de Alfonsisten. !) Dit was geen oorveeg, het was een schop, een trap van Zijne Excellentie Martinez, die met oenen slag een einde maakte aan die vertooning van kammen en mantilles, en dat met minder moeite, dan het Esqnitache indertijd gekost had met de mantels en de sombreros. Spoedig daarna werd verteld, dat hij, uit een venster van het kleine hotel, onbemerkt hot tooneel had aangezien, met de handen op den rug, terwijl hij zijn groot hoofd schudde, waarop zijn breede, schelmsche grijns te voorschijn kwam.
— Goe, goe, goe, goe!....
Toen volgde een oogenblik van grooto opschudding, een waar alarm. Eenige hoeren te voet of te paard wierpen zich met opgeheven stokken en zweepon op het rijtuig, om het uit de file te drijven. De politie kwam tusschon beiden en trok partij voor die vrouwspersonen en ondertusschen vluchtten de prachtige equipages binnen eene seconde in galop weg. Alles was in wanorde. De hoeren beten woedend op hunne knevels en de dames verborgen vol schaamte hare ontstelde aangezichten achter hare waaiers.
Alleen Currita bleef rustig in haar rijtuig zitten, met hare lichte oogen wijd geopend, terwijl zij de eerbare vrouwen, wier eenige misslag bestond, dat zij met haar omgingen, als het ware in het gezicht sloeg, door deze onverbloemde uitdrukking, die zij gebruikte om hare nicht gerust te stellen:
— Maar mijne lieve!.... Wat gebeurt er nu? Waarom gaan zij heen. Dat er een paar anderen meer zijn, wat doet er dat toe? ....
1) Alios liistorlsch.
IX.
Do mmisterieole avondbladen bewaarden opzettelijk het stilzwijgen over het bezoek der politie in het paleis Villameion, alsof zij alle aan eenzelfde wachtwoord gehoorzaamden. De bladen der oppositie daarentegen vulden hunne kolommen met bazuingeschal, weeklachten of geschreeuw van afschuw, naar mate hunne stemming elegisch of dithyrambisch was.
Geene weeklachten evenwel waren zoo welluidend, geene kreten van afschuw zoo dichterlijk, als die, welke de pen van den geestigen Pedro Lopez dichtte in een artikel genaamd Tde eerste stapquot; dat dien avond verscheen in La Flor de Lis. Ongetwijfeld had Pedro Lopez de lier getokkeld, alvorens hij deze weldoordachte uitingen van smart slaakte en zijne kreten van afschuw had hij getoetst aan de trinos van Stagno:
Voi parlate di patria E patria piu non è.
Op rose papier had hij tranen geweend van eau de cologne, en toen hij met zijne geparfumeerde handen naar de pen greep, had hij gemeend een banier te zwaaien, die den steel van een parasol tot stok en Brusselsch kant tot doek had... . Oooooh! Toen Pedro Lopez het paleis van den Markies binnentrad en hij door de plompe voeten van huurlingen eener onwettige en despotieke dynastie de zachte tapijten zag ontwijden, die op de maat der dansmuziek door de voeten der meest gevierde
95
schoonheden uit den adel waren gedrukt, toen had oenè doode-lijke smart zich van hem meester gemaakt, een bloedige wolk verblindde hem de oogen, en met zjjn eigen hand sloeg hij zich tegen zijn voorhoofd, zonder dat —- verwonder u lezer! — Pedro Lopez bemerkte, dat het een hollen klank gaf. . .. Het klonk als een ai mij, onheilspellend als eene treurige stem, ver weg, geheimzinnig, onbestemd, die fluisterde uit de verte. — De eerste stap!. ... De eerste stap naar 93 — do eerste stap naar het Schrikbewind.. .. Oooh! . . .. Daar had hij, Pedro Lopez, de schoone Gravin van Albornoz gezien, gedompeld in de diepste smart en gekleed in een elegant „saut du Utquot; van plissée zijden foulard en crème kant, een ideaal als de Ophelia van Shakespeare aan den oever van den vijver, waardig als de Maria Stuart van Schiller in het kasteel Fotheringay, verheven als Prinses Elizabeth, de zuster van Lodewijk XVI, die door het
nageslacht werd genoemd „do engel der guillotinequot;____Aaah!____
Daar had hij, Pedro Lopez, gezien en de hand gedrukt van den ridderlijken Markies van Villameion, neergeworpen op het bed van smarten, die, als een zieke leeuw, tranen stortte van mannelijke woede, omdat hij tot verdediging van zijn haard den roemrijken degen van honderd doorluchtige voorvaderen niet kon trekken. Oooh! . . .. En om die twee edele figuren, op dien dag door het ongeluk, door de ruwe willekeur der Regeering op het roemruchtig voetstuk verheven van de strafpaal van haren nijd, had hij, Pedro Lopez, zich zien scharen, nog schooner door hare droefheid en in haar eenvoudig morgentoilet even elegant als in hare prachtigste toiletten, de zeer schoone Hertoginnen van A., B. en C.; de zeer lieve Markiezinnen van D., E. en P., de betooverendo Gravinnen van G., H. en L; de verrukkelijke Vicomtessen van J., K. en L.; de allerliefste Baronessen van M., N. en Nn., en de geestige Mevrouwen en Freules O., P. on Q. Ook was het leelijke geslacht waardig vertegenwoordigd door den eerwaarden Markies van Butron, den spiegel der ridderschap, en door de Hertogen, Graven, Baronnen,
96
Jonkers Zoo en Zoo en vele andere aanzienlijke personen, die Pedro Lopez, ten gevolge zijner groote ontroering, tot zijn spijt niet kon opnoemen. Aaali!.. .. De eerste stap ! . .. . Alle hoofden sclienen te buigen onder het gewicht eenerzelfde angstvolle gedachte. .. . Maar de edele Markies van Butron sprak, en op hot hooren van zijn tooverwoord hieven al die fiere hoofden zich op en de hooggeborenen zagen elkaar aan, besloten voet voor voet het terrein te verdedigen; en vurige Mar-fisa\'s, en Bradamantes, in staat om met den gloed harer oogen de stoute daden der heldhaftige amazones de eerste kruistochten na te volgen. ...
Hier zette Pedro Lopez vier regels van puntjes rust, en liet er toen op volgen:
„Wij hoorden zijne toespraak en een straal hemelscho hoop sleed onzen boezem binnen.quot;
Nog meer puntjes.
„De vuige aanslag van den Gouverneur van Madrid is de eerste stap geweest naar het Schrikbewind. . . . Maar — laat de hoop herleven — reeds ....
Schudt de leeuw van Castilie Zijne manen!!!
En de volgende regels;
„Het is onnoodig te zeggen, dat do spreekwoordelijk geworden gastvrijheid van den Markies en de Markiezin van Villamelon aan dit schitterend gezelschap ecne geïmproviseerde, uitstekende lunch aanbood, waar ieders opmerkzaamheid werd getrokken door de fijne sorbets van sinaasappels, die in de schil zelve der vruchten werden gediend en, in weerwil van het ongewone uur, op het warme van den dag overheerlijk smaakten. Wij wenschen den Markies en der Markiezin van Villamelon geluk met deze mooie nieuwigheid, die ongetwijfeld navolging zal vinden op de tafels der aanzienlijken.quot;
Al deze en dergelijke dwaasheden las Currita met gretig ge-
97
noegen en zag van de hoogte van hare zegepraal met minachting neder op Motternich en Pitt, op Cavour en Bismarck. Zij vond het zeer natuurlijk, dat men haar een Ophelia noemde, eene Maria Stuart of een Engel der guillotine, en lachte bij zich zelve, dat men haren man een zieken leeuw en ridderlijken edelman noemde; zij liet dit voor hetgeen het was, want zij wist zeer goed, dat heden ten dage niemand den tempel der Faam binnengaat, of liet moet zijn op vleugels van couranten berichten gemaakt. Vervolgens kwam de redacteur eener zeer bekende Eevue hare voldaanheid ten toppunt voeren door met diepe buigingen en vele bewijzen van eerbied haar een visitekaartje van den Markies van Butron aan te bieden, waarbij deze hem dringend aanbeval; hij gaf het verlangen te kennen, het portret der heldhaftige Gravin te mogen uitgeven in zijne Bevue, en daarbij eenigo platen te voegen van het gebeurde, waarover gansch Madrid den mond vol had. Zij ontving hem met de inschikkelijke beminnelijkheid, eigen aan groote dames, tegenover eiken fortuinzoeker, die haar vleit, en stond hem zijn verzoek dadelijk toe. Men kwam overeen, dat de Revue het portret der Gravin zou opnemen, in het toilet, dat zij had gedragen bij de manifestatie met de mantilles en de kammen op de Castellana, en twee andereplaten, de eene voorstellende de facade van het paleis, toen het overweldigd werd door do politie, en de andere op het oogenblik, dat Currita met mannelijke cordaatheid te voorschijn kwam om de overweldigers te gemoet te treden.
— Dan zou het goed zijn, zeide de redacteur, dat men eene photographie nam van de localiteit om tot model te kunnen dienen voor den teekenaar, opdat hij goed de bijzonderheden zou kunnen wedergeven.
— Dan maar dadelijk, antwoordde Currita zeer vergenoegd. Mijnheer de Markies houdt veel van photograplieeren en zal er pleizier in hebben het zelf voor u te doen.
En zonder tijd te verliezen, zond zij eene boodschap aan
98
Perdinandito om hem te verzoeken, dadelijk bij haar in de salon te komen. Spoedig bracht een lakei de boodschap terug, dat Mijnheer de Markies om vier uur de coupé had besteld en nog niet was thuis gekomen.
Perdinandito was op dit oogenblik inderdaad op iets geheimzinnigs uit, dat hij verlangend was te ontdekken. Den brief van den Gouverneur had hij mot groote ontsteltenis ontvangen, maar door de lezing er van gerustgesteld, was hij de teruggezonden papieren gaan zitten lezen. Hij las den eersten brief van de vijf en twintig, zonder dien te begrijpen; in den tweeden struikelde hij over dezen volzin door de hand van den artillerist geschreven: „Wat uwen man aangaat, zou het niet goed zijn, dat wij van zijnen naam het „villaquot; wegnamen en maar het „melonquot; overlieten ? Zeker is het, dat de ongelukkige behoort tot het geslacht der Cucurhitaceeën.quot; Perdinandito las niet verder; met mond en oogen wijd open bleef hij lang in twijfel zitten, totdat hij op eens opstond en in zijne kleedkamer ging, waar hij een stok haalde met zilveren knop, een buigzaam bamboesriet, waarmede hij de lucht kliefde met een gesis als van een adder. Haastig en ontdaan ging hij daarmede naar do vertrekken der geestige Currita, de etherische Ophelia, de gevoelvolle Maria Stuart, wie zonder twijfel, in plaats van den dichterlijken vijver of de dramatische bijl, eene flinke tuchtiging, eene ongehoorde bastonnade dreigde.
De Hemel evenwel wilde niet, dat zulk een ideaal schepsel op zulk eene prozaische wijze haar einde zoude vinden. Midden op eene groote galerij, versierd met uitheemsche planten, kooien met zeldzame vogels en allerlei rariteiten, kwam de groote Kamschatka hond, terwijl hij vriendelijk kwispelstaartte, Villa-melon te gemoet. De Markies zag hem een oogenblik aan en opeens, alsof hem de woorden van Othello in de ooren klonken;
.... a corapir la vendetta
il ciel me invita,
99
gaf hij op den kop van den hond de buitengewone striem, die hij zeker voor de poetisohe Ophelia had besterad... . Daarop als een drinker, die, door het eerste glas wijn verrukt, niet eindigt, voordat hij de flesch geledigd heeft, liet hij op het dier eenen hagel van slagen nederdalen, eenen regen van stokken, zooals nog nooit is vermeld in de honden-jaarboeken van het bevroren schiereiland Kamsohatka. Hijgend en zweetend ging hij naar zijne kamer terug, ontkleedde zich haastig en ging naar bed:
Morro, ma vindicate
Si dopo ley morro.
Tien minuten later stond hij weder op en bestelde de coupé. Hij ging regelrecht naar Pornos, toen naar het Casino, en verder naar de Veloz club en overal werd hij verwelkomd en overstelpt met vragen omtrent het gebeurde, waarover geheel Madrid sprak. Met veel omzichtigheid en op bedekte wijze deed hij zachtjes in het oor van eenige vertrouwde vrienden, die hij tegenkwam, een geheimzinnige vraag.
Sommigen haalden hunne schouders op, anderen begonnen te lachen, terwijl allen hem ontkennend antwoordden, en Villa-melon ging, met zijn moeilijk op te lossen raadsel, verder. Eindelijk vond hij, in een afgelegen salon van de Veloz club, een oud heer met een grooten, grijzen baard en zilverwit, dicht hoofdhaar, waardiger het hoofd te bedekken van Koning Lear, dan dat rood puisterig hoofd, met een gelaat, waarop alle ondeugden sporen hadden gelaten. Zijn onmiskenbaar voornaam voorkomen was in strijd met zijn verwaarloosde, bijna slordige kleeding, en gaf hem al het uiterlijk van een ouden vorst, die zich als winkelier heeft verkleed. Hij zat achter een groote flesch jenever, die hij van lieverlede in een glas van kristal uitschonk en waarin hij van tijd tot tijd eenige brokken suiker wierp. Hij heette Pedro de Vivar en was een jongere zoon uit een aanzienlijk geslacht. Hij leefde van het spel, wanneer hij niet dronken was, en zijne dubbelzinnige verhalen en zijn cynisme hadden hem in
7*
100
Madrid befaamd gemaakt; hij was algemeen bekend onder den naam van Diogenes. Hij behoorde tot die soort van menschen, die zich eene eigenaardige vermaardheid hebben verworven, in welker bezit zij veilig allerlei soort van onbetamelijkheden kunnen begaan, zonder dat zij iets anders hebben te vreezen, dan dat de menschen de schouders ophalen en zeggen:
— Dat is weer iets voor hem!
Dit wist hij zelf zeer goed en hij maakte er gebruik van om aan iedereen de grootste grofheden te zeggen met al de zekerheid van zijn helder verstand en van veel verkeer onder de menschen. Hij was een wandelende trekpleister, die overal in het voorbijgaan eenige blaren trok.
Dus naderde hem de onnoozele Villamelon, vervuld met zijn denkbeeld, en na eenige onbeteekenende woorden gewisseld te hebben, die aan Diogenes juist tijd lieten om zijn glas tweemaal te ledigen, kwam hij, ongerust om zich heen ziende, met zijn geheimzinnige vraag voor den dag.
— Hoor eens Diogenes. — Gij die iedereen kent, zoudt gij mij kunnen zeggen wie die familie Cucurbitaceeën is? ....
Diogenes keek hem een oogenblik vlak aan, terwijl hij bij zich zelf dacht, dat men de domheid of het verstand der menschen eerder ontdekt aan hunne vragen dan aan hunne antwoorden, en zeide eindelijk:
— Ik geloof het wel!---- Hier, ziet gij er één van----
En hem voor een spiegel brengende, nam hij hem met de
eene hand bij zijn nek en gaf hem met de andere hand een flinken klap op zijn hoofd en zeide zeer ernstig:
Wees niet hoovaardig op uw edel ras,
Gij, die meloen moest zijn, en slechts zijt kalebas
Den volgenden dag verbraken de officieuse morgenbladen eindelijk het opzettelijk zwijgen, dat zij zich hadden opgelegd en een. La Espana con konra (Het eervolle Spanje), bevatte een klein, hatelijk artikel, waarin men de grove hand herkende
101
van Martinez, die eon puntje van den sluier, welke het gebeurde bedekt hield, oplichtte, en dat met die boosaardige handigheid, die met den vinger aanwijst, zonder nog feiten te noemen.
„Gisteren, schreef het blad. is in alle kringen zeer druk gesproken over het bezoek der politie in het paleis Villameion, op bevel van den Gouverneur en na machtiging van den Rechter, overeenkomstig de wet. Tengevolge van eene betreurenswaardige achteloosheid van den Commissaris van politie werden onder de papieren, waarop in de woonvertrekken der Gravin werd beslag gelegd, ook begrepen eenige brieven van zeer groot belang, maar van geheel privaten aard. De Heer Gouverneur zond ridderlijk deze papieren op staanden voet aan den Markies van Villamelon terug, begrijpende, dat in echtelijke aangelegenheden het alleen den man toekomt, een oordeel te vellen. Wij gelooven evenwel, dat dit incident geene gevolgen zal hebben, in aanmerking nemend do sprookwoordelijko bodachtzaamhoid der betrokken personen.quot;
Een ander ministerieel blad, de Bnuj van Alcolea, vulde deze berichten met de volgende opheldering aan, waarin niet de groote hand, maar do groote voet van Zijne Excellentie Martinez zich liet zien, die een trap gaf, den os Apis waardig.
„Het is geheel onjuist, dat de huiszoeking in hot paleis van den Heer Markies van Villamelon geen uitslag zoude hebben gehad; de Gouverneur was het spoor niet bijster. Alleen vergiste hij zich in de soort van wild en in plaats van een haas, schoot hij een hert.quot;
En dan ging het voort met eene beschrijving van het bezoek van al die voorname heeren en dames, die in die hachelijke oogenblikken naar het paleis Villamelon waren gesneld.
„Tot aller verwondering kwam ook mijnheer de Markies van Butron toegesneld, wiens zware baard, die anders zoo zwart is als de wieken van een raaf, thans geheel wit was. Het is niet denkbaar, dat de ontroering van den Heer Markies zoo groot zou zijn geweest om dien plotseling te doen vergrijzen;
102
wij denken veeleer, dat hij dien morgen de scheikundige geheimen van zijne kaptafel zal hebben veronachtzaamd. Wij herinneren hier aan eene anekdote van Karei V, die wij aan zijn aandacht aanbevelen.
„Toen deze Keizer ergens in Duitschland een klooster bezocht, zag hij daar eenen monnik, wiens baard nog zwart, maar wiens hoofdhaar geheel wit was. Hij vroeg hem de oorzaak van dit vreemd verschijnsel en de monnik antwoordde:
„— Majesteit. ... Ik heb meer gearbeid met mijn hoofd dan met mijne tanden.
„Eenige maanden later werd den Keizer een Poolsch ambassadeur voorgesteld, wiens hoofdhaar zwart en wiens baard wit was. Karei herinnerde zich toen het antwoord van den monnik en zeide tot zijne hovelingen:
„— Hier ziet gij eenen ambassadeur, die meer met zijne tanden dan met zijn hoofd gearbeid heeft.
„Moge dus de edele staatsman in het vervolg voorzichtiger zijn, opdat men van hem niet de opmerking make, die Karei V maakte van den Poolschen ambassadeur.quot;
Villamelon en Currita lazen, ieder voor zichzelf, deze artikels en wachtten zich er wel voor, elkander hun gevoelen daarover mede te deelen, daar zij het voorzichtiger vond te doen, alsof het haar niet aanging, en hij, alsof hij het niet begreep. De Markies trouwens had reeds zijn gemoed uitgestort op den gelen hond van Kamschatka, en Currita had het hare uitgestort in de teedere vriendschap van Juanito Velarde, die zeer verontrust was komen aanloopen om het fijne van de zaak te hoeren. De datum der brieven was voldoende om hem gerust te stellen, en deze trouwe vriend deed toen al zijn best de wolk, die er tusschen beide echtgenooten hing te verdrijven en fluisterde beiden toe:
Vrede, lieden, vrede!
zooals de eend in de fabel.
De vrede werd zonder grooten tegenzin gesloten en het
103
drietal at \'s avonds cn familie, om spoedig daarop naar het huis van den Markies van Butron te gaan, waar Currita haren vriend en beschermeling wilde voorstellen.
Ondertussehen werden La Espana con honra en El puente de Alcolea door geheel Madrid verspreid en wekten de schimpscheuten, spotternijen en sarcasmen van Achaeërs en Trojanen, van Capulets en Montecchi\'s. Wonderlijk geval! Zij, die het gretigst het nieuws verslonden en van huis tot huis liepen om daarover te praten, waren juist die dames en heeren, die op de Castellana den vorigen namiddag aan Currita koninklijke eer hadden bewezen en die zich haastten dezen avond op het bal van Butron haar op dezelfde wijze te huldigen. Het schijnt, dat in sommige kringen de afgunst met de eene hand terugneemt, wat de vergoding met do andere geeft, en men schijnt niet te begrijpen, dat hoe meer men de mismaaktheid van het afgodsbeeld ten toon spreidt, hoe onbetamelijker en stuitender de verecring is, die men het brengt.
Tegen elf uur werden de warmte en de toevloed van men-schen zoo groot, dat het ondragelijk was in de salons van den Markies van Butron, en dat het bijna niet mogelijk was, zich te verplaatsen. Alle deuren en vensters stonden tegen elkaar open on veel meer dan oeno bijeenkomst van menschen scheen het eene verwarde hoop te zijn van juweelen, veeren, bloemen, opzichtige stoffen en half naakte vrouwen, waartusschen de mannen als zwarte vlakken donker uitkwamen; die, zweetend en half gestikt, tusschon haar door wriemelden als zwarte wormen, die door deze dichte massa van duivels en vleesoh waren uitgebroed. ... In de salon, het dichtst bij de vestibule, ontvingen de Markies en Markiezin van Butron hunne gasten met denzelfden beminlijken glimlach, hetzij edele en onbevlekte namen en volmaakte onschuld, hetzij verfijnde boosheid en bekende eerloosheid, die in dit huis door elkaar gemengd en in elkaar verward waren op eene wijze, die zonder twijfel noch edel noch prijzenswaard is, en die voortspruit uit de schaamte-
104
loosheid on de treurige toegeeflijkheid van de aanzienlijke kringen in den nienweren tijd.
Om kwartier voor twaalven kwam de Gravin van Albornoz, terwijl zij op iedereen met hare schaamteloosheid en cynisme indruk maakte; terwijl zij, om de krachtige uitdrukking te gebruiken van oenen geschiedschrijver der oudheid, modder maakte in den poel zelf. Zij leunde op den arm van Juanito Velarde en haar man liep in de achterhoede. De Markies en de Markiezin van Butron begroetten hen bij het binnen komen en terwijl Ferdinandito den geliefden vriend voorstelde, voegde Currita er met haar betooverend stemmetje van een jong meisje bij.
— Hij is nog een groot zondaar, Butron, een groot zondaar. Ik zal niet zeggen, dat hij een geheel bekeerde is, maar hij is oen recruut, die voor het eerst onze veldleus draagt.
En met haren waaier van vederen wees de trouwe partijgangster der Bourbons don wit en blauwen strik, die, nu eenmaal van het particulier secretariaat van Don Amadeo was afgezien, zich thans ook op den rok van Juanito Velarde vertoonde. Butron stak hem zijne hand toe, terwijl hij eenige beleefde woorden mompelde. Currita stak haar hoofdje tusschen beiden in met de kinderlijkste vrijpostigheid, die men zich kan denken en opspringende van pleizier als een kind, dat juist een goud-vischje uit de kom heeft opgevischt, zeide zij zeer zachtjes:
— Mijne verovering, Butron, mijne verovering! .... Zie eens, wat de partij mij heeft te danken.
De komst van Currita had ondertusschen een algemeen en eenstemmig gemompel doen opgaan; de keurigste dames in de salons fluisterden elkaar hare beschaafde, maar scherpste opmerkingen in het oor en de lakeien in de vestibule knipoogden ondeugend tegen elkaar en wisselden hunne platte grappen. ïTiemand der genoodigden evenwel bleef achter om zich te laten drukken en dringen om de heldin Yan den dag te gaan begroeten en, al ware hot dan ook uit de verte, een glimlach van hare lippen op te vangen.
105
Toen werd er, ter harer eere, een Riyodon, soort van quadrille d\'honneur, gedanst, waaraan de edelste dames en de voornaamste heeren deelnamen. Butron danste met Currita, de Markiezin met Ferdinand, Juan Velarde, als een geschenk der heldin, met de Hertogin van Astorga, eene der verstandigste en eerbaarste vrouwen der groote wereld.
Op den maat der muziek van dien Rigodon werd het gemompel grooter, scheen hot gevoel van schaamte zich te verheffen van haar, die meenden recht te hebben op eene plaats in die vereerende quadrille. De warmte werd door den toevloed van menschen nog gloeiender en vele dames zochten hare toevlucht in een beneden-salon, die op een tuintje uitkwam, dat ook al vol was met menschen, en dat helder verlicht werd door Venetiaansche lantaarns. Verscheidene lakeien met gepoederde pruiken en in groot livrei van groen met goud, de kleuren van het huis, liepen overal met groote presenteerbladen rond, vol sorbets a la Albornoz. Hot was dat beroemde sinaasappelenijs, dat in de schil van de vrucht zelf was gedaan, die daartoe op kunstige wijze was uitgehaald. Currita bereikte nu, door deze opmerkzaamheid van den hofmeester van Butron, de uiterste grenzen van vrouwenroem.
— Keurig! riep de Hertogin van Bara uit, zulk een sorbet nemende. Het denkbeeld is zeer gepast. Currita voorgesteld door een sorbet.... Het is niet mogelijk een volkomener beeld van hare koelheid te geven. Niet waar Diogenes?....
Diogenes kwam naar haar toe, met zijne voeten sleepende, en liet zich in een leuningstoel vallen.
— Ik ben ziek, zeide hij
— Wat scheelt er dan aan? ....
— Wat hem scheelt .. . .? zeide Carmen Tagle; wat de wijnstok heeft: öidium. . . .
Diogenes uitte iets gruwelijks, vergezeld van zijn geliefkoosd tusschenwerpsel, dat hij tegenover dames in plaats van sterkere gebruikte. Polaina (slobkous)! .... Hij had \'s middags een
106
komkommer-salade gogeton on daarmede zijn maag bedorven. De dames lachten daar zeer om en allen riepen: Polaina!
— Wat vertelt hij? zeide Carmen Tagle, en om haren vorigen uitval goed te maken, bood zij hem een sorbet aan, zeggende:
— Kom, man.... Noem een Curra Albornoz, dat zal u cureeren. ... De komkommer-salade is niet slechter te vorteeren dan het artikeltje in de Puente de Alcolea, en toch danst zij daar gezond en wel.
— Ja, dat is juist iets voor Curra, zeide mot klagelijke stem een oude, dikke dame, met een gezicht als oen hazelnoot, dat tusschen haar satijnen kant uitkwam, als een stroopballetje op een wit papiertje.
— Ik geloof niet, dat ik ooit den moed zou gehad hebben hier te komen, zeide eene andere.
— Bah!.... Voor zoo iets en voor nog veel meer is zij onbeschaamd genoeg.
— Onbeschaamd ? vroeg Diogenes. Hoezoo ? .
— Hoezoo ? .... Zoudt gij haar nog willen verdedigen ? ....
— Zeer zeker denk ik haar te verdedigen! Hare onbeschaamdheid !. .. . Uwe onbeschaamdheid rechtvaardigt de hare!.... Indien gij allen er op gesteld zijt haar te ontvangen, waarom zou zij zich dan niet vertoonen.
— Loop heen! riep diep verontwaardigd de Markiezin van Lebrija, die Voorzitster was van drie godsdienstige Vereenigin-gen. Ik zou wel willen, dat gij zeidet, wat men in Madrid met dat soort van menschen moest doen.
Diogenes zag haar vlak in het gezicht, en met de onbeschofte ruwheid van zijne kroegtaai, met de onverbiddelijke logica van zijn juist oordeel, zeide hij:
— Jaag zulke menschen met steenen en slijk van uwe deuren of klaag over niets, mijne dame. Polaina!.... Indien gij het deksel van het secreet afneemt, moet gij niet klagen, dat het stiukt! ....
X.
Men heeft beweerd, dat de huichelarij eene hulde is, die de ondeugd betoont aan de deugd, en eveneens is het zeker, dat een valsch vertoon van eergevoel een eerbewijs is, dat de schurk brengt aan de eerlijke lieden, die slaven zijn van de ware eer. Dezen zijn menschelijke zonen van de goddelijke leer des evangelies; de anderen zijn voortbrengselen eener conven-tioneele theorie, uitgevonden door de plooibare zedekunde van dwazen en schurken. Bij de eersten verdedigt een borstharnas van schitterend staal de zuiverheid der ziel en de onkreukbaarheid van het geweten; bij de laatsten verbeeldt men zich niet het vizier van Bayard den groeten maatschappelijken hansworst te verbergen, die bekleed is met al de ellende en al het belachelijke der menschen. Vandaar dat de eer volgens den een nooit kan verloren gaan, en vandaar dat de bedrieger zich be-leedigd gevoelt, indien men hem zegt, dat hij liegt, of dat de oplichter voldoening vraagt aan dengeen, die zegt dat hij steelt. Zoo zou de gevangene, die ontslagen wordt, voldoening kunnen vragen op het veld van eer aan den rechter, die hem heeft veroordeeld. Het bloed, dat het geweten bevlekt, heet de eer schoon te wasschen, en de mannen, die nooit geweten hebben wat schande is, mannen zonder verstand en beladen met misdaden, worden geroepen om zaken van eer uit te maken, als Aeacus, Minos en Ivhadamentus. Zij hebben, alleen tengevolge van een gebrek in het wetboek, geen andere kettingen te dragen dan die van hun horloge. Zoo had ook de Gravin van
108
Albornoz haar eigen gevoel van eer, en het artikel in La Es-pa na con honra had haar diep gewond.
Er zijn mensehen, die aan een zedelijk strabisme lijden, waardoor zij voor dun aanzien hetgeen dik is, en voor dik hetgeen dun is. Villamelon vond in het bezoek der politie niets, dat hem trof, behalve dat er twee spiegelruiten van de glazen deur waren gebroken, en hij gaf bevel, dat die nooit mochten gemaakt worden, zich herinnerend dat Wellington dit evenmin liet doen, toen het Londensche gepeupel, dat een oogenblik Waterloo had vergeten, bij hem de ruiten had ingeworpen; al het overige voegde hij bij dien hoop vervelende nesterijen, die onwaardig waren de aandacht van een ernstig man bezig te houden, bij die kleinigheden van eene bedorven, eonventioneele maatschappij, die hij gewoon was Bijzantijnsche vragen te noemen.
Currita vond, wat haar betrof, in hetgeen de couranten over haren persoon openbaar maakten, nog een anderen grond van grieven dan het artikel in La Espana con honra. „Toch ge-looven wij dat dit incident geene gevolgen zal hebben, in aanmerking nemende de spreekwoordelijke bedachtzaamheid der betrokken personen.quot;
Currita had het helmvizier van Bayard op hare faam van iiame a la mode geplaatst en het artikel wondde haar rechtstreeks in haar eer, want het gaf te kennen, dat zij eene Xi-mène was zonder Cid om haar te verdedigen, en dit was een gruwelijke hoon, eene onvergeeflijke beleediging tegenover eene dame, die in vermaardheid een aantal torero\'s, zangers, kunstenmakers , geleerde vlooien en gedresseerde apen tot nog toe in de groote wereld had overtroffen.
— Dat zullen wij zien, zeide de fiere Gravin van Albornoz — en zij benoemde dadelijk tot haren paladijn haren goeden vriend Juanito Velarde.
Een lang onderhoud hadden dezen met elkaar tot laat in den avond, en bij het afscheid nemen zeide Currita aan do deur van haar boudoir, met hare zachte vleierij:
109
— En het blijft er dus bij, dat ik morgen zal zorgen voor een déjeuner bjj Pornos .... er zullen ook écrevisses a la bordelaise zijn.
Velarde maakte een grimas, die een glimlach moest verbeelden en ging weg. Bij de deur van de salon bleef hij staan en keerde zijn hoofd om. Toen gaf zij hem nog een lieven wenk tot afscheid en hij ging eindelijk bezwaard heen, alsof men er hem met geweld van daan trok.
De nacht was zeer schoon en Velarde volgde te voet de afgelegen staten, die naar het paleis Villameion voerden, bij iederen stap struikelende over de nederige bewoners van zolderkamertjes en kelders, die, op de trottoirs liggende, de frissche nachtlucht genoten. Spoedig kwam hij op de Plaza de Oriente. Hij liep twee maal het wandelpark rond en ging ten laatste op een bank zitten tegenover het paleis.
Uit de deur van het theatre del Principe kwam een straal helder licht, die met een grooten rechthoek de zwarte schaduwen van het plaveisel doorsneed. Bij het schijnsel zag men don schildwacht met het geweer in den arm voor zijn schildwachthuisje. Lieden uit de burgerklasse, soldaten en dienstmeisjes, want het was dien dag zondag, vulden den tuin; sommigen op banken zittende, anderen wandelende. Laat opgebleven kinderen liepen heen en weer, met veel geschreeuw; lachende omdat zij vielen, lachende omdat zij weder opstonden, altoos lachende met die ongezochte en aanstekelijke vroolijkheid van kinderen, die aan de blijdschap dor vogels doet denken, wanneer zij den morgenstond begroeten. Een kring van meisjes danste dicht bij Velarde in het rond, terwijl zij zich zeiven begeleidden door te zingen:
Maantje, lief maantje,
Aardig maantje.
Geef mij twee stuivers Voor cigaretten.
110
Maar hij bleef, met beide elleboogen op de knieën, zitten, ongevoelig voor alles, wat om hem heen gebeurde, terwijl hij mot zijn eleganten rotting met malaohieten knop figuren in het zand trok. Den volgenden morgen, bij het aanbreken van den dag, moest hij vechten met den redacteur van La Es-pana con honra, dat had Currita, altoos verlangend naar opzien baren, geöischt. Zij verwarde den roep van vermaardheid met de kreten van het schandelijke en meende, dat deze uitdaging den laatsten parel zoude hechten aan de kroon, die zij zich in de laatste schermutseling verworven had. Vergeefs stelde Velarde haar voor, hoe verregaand belachelijk de houding van Villamelon door dit duel zoude worden, en ook die van hem en haarzelve. Currita had haar programma vastgesteld en haar rusteloos gemoed, steeds medegesleept door duizend zaken, die haar aantrokken zonder haar te bevredigen, had dit duel besloten en zij hunkerde er naar, dat het zou plaats hebben, mot de uitzettende kracht van samengeperste stoom, eigen aan begeerten van doortastende zielen.
— Was het misschien haar schuld, dat Villamelon zulk een Jan Salie was?. . . . Moest zij er in berusten, dat het eerste het beste courantenschrijvertje spotte met hare verlatenheid? Was hij in staat haar in dezen moeielijken toestand aan haar lot over te laten, hij haar oenige vriend, de man aan wien zij hare vriendschap en haar vertrouwen had geschonken? En daarbij, hun beider lot was aan elkaar verbonden, en het was noodzakelijk, dat volk dadelijk forsch aan te spreken. Wat haar betrof moest men ééns voor altijd zien, dat zij zich wist te doen eerbiedigen, en wat hem betrof, hij was nog jong en begon zijne carrière en hij kon niets beter doen en niets kwam hem meer gelegen dan een dagbladschrijver op zijn vingers te tikken.
In dien wilden, woesten strijd.
Heeft hij gelijk, die het hardst treft.
Ill
Overigens verlangde zij niet, dat er ongelukken zouden gebeuren; het moest geen duel a mort zijn, maar een gevecht met natte doeken, zooals zoo veel andere; een beetje leven maken — en daarna een déjeuner bij Fornos. ... Zij nam het déjeuner voor hare rekening en zij zou zorgen voor écrevisses a la bordelaise, die in dagen van somberheid de lievelingskost waren van Juanito Velarde. Was er bijgeval eene grootere attentie mogelijk ? En was er in dit alles iets buitengewoons V
— Niets! — volstrekt niets, dacht do paladijn, terwijl hij gaatjes boorde in het zand, maar bij het vooruitzicht op het duel, bij het denkbeeld een paar kogels te moeten wisselen, scheen het hem toe, alsof hij reeds het knallen der schoten hoorde, en bij dezen noodlottigen klank verscheen voor zijnen geest de schim van zijn eerste misdaad, daarop van den dood, en eindelijk van de hel, waar geene kalmte of vrede is, geene rust of hoop, maar eeuwig geween, eeuwig geknars der tanden en eeuwig razernij. Velarde trachtte in zich zelf te lachen om deze voorstelling, die hij zoo dikwijls bangmakerij van kinderen en oude wijven had hooren noemen, maar de Voltairiaansche lach wilde hem niet op de lippen komen. Hij lachte, ja hij lachte, maar toch tegelijkertijd voelde hij eene huivering in den wortel zijner haren. Want die man was niet slecht; hij was een arme jongen vol illusies, wien het verkeer met de groote wereld naar het hoofd was gestegen, zooals zware wijn iemand naar het hoofd stijgt, wiens maag slechts gewoon is aan zuiver water. Toen hij zijne provincie verliet, had hij niets dan hetgeen de oude instellingen van Biscaye toekennen aan jongere zoons uit adellijke huize, namelijk een stamboom en eene wapenrusting. Spoedig bevond hij zich te midden der groote wereld, wier deuren zich voor zijnen adellijken naam openden, en toen bleek het hom, als aan de Galliërs te Rome, dat er achter die vergadering van Goden niets was. Hij wilde toen door eigen kracht zioh in de wereld een plaats verwerven en het toeval en zijn goed uiterlijk brachten hem in aanraking met
112
Currita, eene Angelica, die op dat oogenblik vacant was en aan wie het behaagde hem in haar huis de bestemming te geven van eenen Medora. Dit gaf Velarde groot aanzien en zich vasthoudende aan de rokken van Currita en aan de jas van Villameion, kwam hij in alle voorname salons, terwijl hij hoopte in het koninklijk paleis, waar hij thans tegenover zat, eeno goede betrekking te krijgen, daar zijne ijdelheid en zijn afkeer van werken hem het schitterend bestaan van hoveling deden verkiezen boven het bezige leven van den staatsman. Zoo iets had Currita hem steeds beloofd en ook de Markies van Butron had het hem \'s avonds te voren beloofd, die geslepen oude man, die zoolang zijne partij in tegenspoed verkeerde, naar binnen bezemde, totdat, wanneer het uur van de zege zou zijn gekomen, hij zijne partij wel schoon zou vegen, naar buiten.
Velarde hief zijne oogen van den grond op en zag naar het paleis vóór hem, de woning van den Monarch, wiens particulier secretaris hij op het punt geweest was te worden.. . .
Hoe vervelend!... Nu weer zoo lang te moeten wachten!... Want eerst moest die daar weg, vóórdat de ander kwam. En wie weet, of één van die kogeltjes, die zij gingen wisselen, niet hem den pot molk uit de fabel zoude in stukken schieten, die Currita en Butron hem hadden in handen gegeven!....
Op eens werden zijne overpeinzingen afgebroken door eene luide, jeugdige stem achter hem, wier onwelluidende klank werd verzacht door eene uitdrukking van teederheid en liefde.
— Hoe is het moeder, neem je der niks van?... zeide die stem.
Velarde wendde zijn hoofd om en zag achter zich een kiosk, waar koude dranken werden verkocht. Aan een ijzeren tafeltje zaten een stevige jonge man, die een werkman scheen te zijn, en eene oude vrouw, zonder twijfel zijne moeder. Ben groot glas met bevroren orgeade van aardakers stond tusschen hen en beide staken er den lepel in en terwijl hij met smaak er
113
van at, zag zij met vergenoegden glimlach toe en gebruikte ter nauwernood haren lopel, alsof zij het genot van deze versnapering geheel aan hem wilde overlaten en het voor haar genoeg was te zien, dat het haar lieveling zoo goed smaakte.
Velarde begreep spoedig, wat dit tooneel te beteekenen had en het groote geluk, dat hij hier aanschouwde en dat voor drie stuivers gekocht was. Eon golf van genegenheden en slapende herinneringen verhief zich toen in zijn hart; het verleden vertoonde zich plotseling voor zijn geest, mot de bittere gewaarwording van het geluk, door eigen schuld verloren, met de poezie, die aan elke jeugdige herinnering verbonden is, met het vage spel van geliefde schaduwen, welke lang verleden tijden in de verbeelding wakker roepen . . . Het middenpunt daarvan was zyne moeder, wier eerstgeborene hij was, en om haar heen stonden zijne kleine broertjes, die allen schreiden. Zóó had hij hen drie jaren geleden verlaten, toen hij hen voor het laatst had omhelsd. Zij had hem toen hartstochtelijk, mot ongelooflijke kracht, aan haar hart gedrukt, alsof zij in zijnen boezem alles wilde indrukken, wat hom het meest lief had, of alsof zij in haren eigen boezem het beeld wilde indrukken van haren meest geliefden zoon. Haar reeds gerimpeld voorhoofd rustte op zijnen schouder en hare trillende lippen fluisterden:
— Juan, mijn zoon!.... — Wees altijd een goed christen en bid de Maagd de Regla!.... Denk aan uwen vader, die als een heilige stierf!.... Ik zeg het u, mijn jongen, ja ik zeg het u, en ik weet het, dat niemand gelukkig kan sterven, die niet als een christen heeft geleefd!. .. .
En daarna, veel later, tegen het aanbreken van den dag, toen hij bezig was in zijn kamer zijn reiskoffer dicht te maken, hoorde hij in de stilte van don nacht den sleutel bewegen in het slot; hij opende de deur en zag zijne moeder half gekleed op bloote voeten, die voorzichtig op haro teenen was komen aansluipen om door het sleutelgat te zien.
— Wat is or, mama?.... Scheelt u iets? ....
8
114
— Neen, mijn jongen, mij scheelt niets!.. .. Maar ik wilde u nog eens zien, want gij vertrekt van morgen.
En zij fluisterde hem nog eens in het oor, met de zekerheid van het geloof aan een onfeilbaar voorbehoedmiddel, met den angst der liefde, die zich aan de hoop vasthoudt:
— Bid de Maagd de Eegla, Juan! quot;Wees altoos een goed christen, mijn jongen!
Velarde schaamde zich over zichzelf, en de geheimzinnige golf steeg, steeg van het hart naar de oogen en deed hem, met het hoofd in de handen, schreien, schreien heete tranen, snikkende met de zwakheid eener vrouw en de vrees van een kind. Zijne moeder, die hem aanbad.. . . Nooit zou zij hebben toegestemd, dat hij schoten wisselde, en daardoor God belee-digde; dat hij zich aan eenen kogel blootstelde met gevaar van zijn leven en zijne ziel te verliezen!. ... En reeds drie jaren waren er voorbij gegaan zonder haar te zien! . . .. En zij woonde
zoo ver weg, het heilige oudje!____ En hij, ondankbare, had bijna
twee maanden laten voorbijgaan zonder haar te schrijven!. . ..
Velarde gevoelde den drang haar dadelijk te schrijven, op een vel papier lucht te geven aan zijne teederheid, aan zijn angst, aan zijne tranen, die hem verstikten, en met snelle schreden sloeg hij den weg in naar zijn huis; onderwijl overleggende wat hij zoude schrijven, eenen brief verzinnende vol teederheid, vol betuigingen van liefde, vol vleiende hoop, vol van alles, wat haar hot best zou bevallen! Wat had zij hare godsdienstplichten getrouw waargenomen! Wat had zij, twintig jaren geleden, gelachen , toen zij hem eens den Catechismus uitlegde en hij zich zoo verwonderde, dat er maar drie vijanden waren voor de ziel! Neen, meer, had hij gezegd, en de moeder had gelachen, gelachen!____Mijn hemel, hoe lachte hij nu weder, twintig jaren
later, te midden zijner tranen. Ach! Toen was hij zes jaren oud en nu waren twintig jaren noodig geweest om hem te doen begrijpen, dat die drie vijanden inderdaad genoeg en meer dan genoeg geweest waren.
115
Midden in de Calle del Arenal werd hij lastig gevallen door eenen jongen, die hem eon tiende van een lot wilde verkoopen.
— Morgen, trekking! schreeuwde hij.
Velarde joeg hem tot tweemaal weg, on ongeduldig geworden sloeg hij hem met zijn stok, maar op eens zich bedenkende keerde hij zich om en kocht niet het tiende, maar het geheolo lot. Indien dit nummer uitkomt met oen prijs, wat zal ik veel daarvoor kunnen doen. En hierover peinzende en allerlei plannen makende, kwam Velarde aan het einde der Calle del Principe , waar zijne woning was. Hij vroeg om licht en sloot zich op in zijne kamer. In een laadje van zijn schrijflessenaar lag het beeld der Maagd de Regla in een lijstje, dat zijne moeder hem op den dag van zijn vertrek had geschonken. Hij zette het recht op vóór zich tegen den inktkoker en ging aan het schrijven , aan het schrijven, twee uren lang. . .. Hij was zeer tevreden, zijne zaken gingen goed en de Restauratie was zeker. De Gravin van Albornoz.. . .
— O, neen, neen, neen! .... onmogelijk, die naam mag in dezen brief niet voorkomen. Hij maakte dus dien naam met kleine inktvlakjes onleesbaar en schreef daarover in de plaats, de Markies van Butron. ... De Markies van Butron had hem verzekerd, dat het geen jaar zou duren, en hem dan een schitterende toekomst beloofd. Dat zou het oogenblik zijn om aan de belangen van de jongens te gaan denken. Enrique en Pedro konden bij hem in Madrid komen en Luisito, de kleinste, haar Benjamin, haar rechteroog, kon daarginds bij haar blijven, tot hij den graad van baccalaureus had behaald.... Maar daarvoor was nog tijd. . . . Maar hij dacht er over. Ah, hij dacht er over. . .. Had zij hem nog niet begrepen? .... Had haar hart nog niet gesproken ? . . . . Nu, hij dacht er over de geheele maand Augustus tot den September bij hen te komen doorbrengen en met de geheele familie de No vena der Maagd de Regla te houden. . . . Daarop volgden vragen zonder eind en toen tallooze opdrachten; en ten slotte de mededeeling van
8*
116
het groote voornemen, dat het hart van zjjn oud moedertje, zou doen zwellen van vreugde en vertroosting. .. . Den derden Juli, op den verjaardag van zijns vaders dood, zoude hij gaan biechten en communieeren om op die wijze dien treurigen datum plechtig te herdenken.
En zoo schreef, en zoo dacht de ongelukkige, en bad de Maagd de Regla tevens, dat zij hem veilig door dat wisselen van kogels, dat den volgenden dag moest plaats hebben, mocht helpen.... Zijn eer, dat is duidelijk, was hiermede gemoeid, het was een zaak, waaraan niets te veranderen viel, eene zonde, reeds begaan, en waaraan niets te doen was.
Zelf deed hij den brief in de bus en tegen twee uur \'s nachts wierp hij zich geheel gekleed op zijn bed en sliep tot zonsopgang. De vermoeienis van den vorigen avond, dien hij op het bal van Butron had doorgebracht, overweldigde hem spoedig en hij sliep in met de gedachte aan zijne moeder. Het was hem, alsof zij hem bij de hand nam, als toen hij nog een kind was, en hem bij de Maagd de Eegla bracht, die daar ginds boven op een rots stond en de zee beheerschte, die ver weg aan den horizon met den hemel scheen samen te smelten; het schijnt wel, dat het onmogelijk is, twee onderscheidene beelden te maken der oneindigheid, en daarom komt de zee altoos terugrollen en breekt hare golven op de rotsen der kust, altoos volhardend met eene eeuwige en inachtelooze wanhoop.
Om vier uur werd Velarde met schrik wakker, omdat zijn bediende hem bij een arm trok. Er waren twee heeren gekomen in een rijtuig, en zij verwonderden zich en konden niet geloo-ven, dat hij nog sliep. Hij maakte haastig wat toilet, ging verschrikt en ontsteld naar beneden en stapte met de beide heeren in het rijtuig, en dit reed voort, zonder dat hij er op lette, wat gesproken werd, of wat er tegen hem werd gezegd, of op don weg, dien men nam. Het eenige, wat zijnen geest trof, was een billet van een stierengevecht, geplakt op een hoek van het huis van Alcanices, en waren de witte bakkebaarden van den
117
portier, die het hek van den Retire voor hen opende en hem deden denken aan den baard van Diogenes. . . . Waarom zou die man bakkebaarden hebben en geen knevels ?. ... Deze gedachte hield hem een oogenblik bezig, en hij herinnerde zich die, toen hij een uur later stil hield voor den ingang van eene groote populieren laan van bladrijke boomen, waarin duizenden vogels de heerlijkheid Gods bezongen. . .. Daar vond men een klein mannetje met dunne bakkebaarden en gouden bril, dat er bleek en beverig uitzag; twee andere heeren waren bij hem. Het kwam Velarde voor, dat zij iets met elkander afspraken en het terrein afmaten; toen gaf men hom een pistool, aan het kleine mannetje een ander en men plaatste hen tegenover elkaar. Spoedig daarop werd in de bandon geklapt en viel er een schot. — Velarde deed een geweldigen sprong en slaakte een afgrijselijken kreet, en boomen, bergen, aarde en lucht, alles draaide plotseling voor zijne oogen en scheen op hem neer te vallen om hem te verpletteren. Toen kwam eene bloedige wolk zijn gezicht verduisteren, daarop eene zwarte en toen zag hij niets .... niets meer op aarde. . . . Alleen zoude hij hierboven zien Jezus Christus, levenden schrikverwekkend, Die hem te gemoet komt om hem te oordeelen, en achter Dien de duistere, oneindige, meêdoogenlooze eeuwigheid.
XL
Het bericht van Velarde\'s dood kwam al spoedig te Mardrid en de Gravin van Mazacan was de eerste, die zich aan huis van de Gravin van Albornoz aanmeldde met de boosaardige bedoeling haar het treurig nieuws te brengen. Currita ontroerde hierdoor vreeselijk en een oogenblik scheen het haar, alsof het heelal op haar neerstortte.
— In Madrid heeft het een afschuwelijken indruk gemaakt, zeide Isabella Mazacan, do duimschroeven aandraaiend; iedereen spreekt over zijne arme moeder, wier oenige steun hij was. .. .
Currita gevoelde het verschrikkelijke van het verwijt, dat in deze met opzet gedane opmerking besloten lag, en zonder zich tijd te gunnen na te denken. terwijl zij de uiting harer eigene wroeging als een stroom van woede op de andere uitstortte, het gewone zwak van kleine zielen, vergat zij hare lieftalligheid en zachtheid en keerde zich woedend tegen Isabella als eene kwaadaardige kat, die men op den staart trapt; en in hare drift beging zij de onvoorzichtigheid zich te verontschuldigen.
— En wat heb ik hiermede te maken? riep zij uit. Heb ik bij geval hem gezegd, dat hij vechten moest? Wie heeft hem bevolen zich met eens anders doen te bemoeien. De rol van Don Quichot heeft ook zijn nadeel, meisje lief. . . .
— Even als de uwe van Dulcinea de Toboso, mijne beste, was het wederantwoord van Isabella, die warm begon te worden.
119
— ÏTu geloof ik, dat ik er achtei\' ben.! ... Als ik alles, wat ik mij herinner en wat ik weet. . . .
— En wat is dat ?. . . .
— Afgunst, meisje lief, afgunst!
— Afgunst? .. . Van wie? . . .
— Uwe afgunst, bijvoorbeeld.
Ditmaal was het Isabella Mazaean, die wild van woede werd, want het schot was raak.
— Mijne afgunst? . . . schreeuwde zij. . . Ik. . . Op u? . . . Op de Villamelonsche?... Op de Vi.... 11a----me....Io----na?
En zij lachte met een geschater, waarin de vrouwelijke wrok zich uitte, die sints tijden door haar bijeen was gegaard, terwijl
zij op eiken lettergreep drukte van dat Vi____11a — me.... lo — na,
dat door eene vreemde eigenaardigheid Currita voor de grootste bcleediging hield, die men haar kon aandoen. Toen begon tusschen de geestrijke Ophelia en Diana de Jageres een strijd, die waard was door Pedro Lopez te worden vereeuwigd. Zij keven als twee vischwijven en wierpen elkaar waarheid en laster, handen vol slijk, vermengd met eau de cologne, in het gezicht, met een woordenvloed en eene kwaadaardigheid van twee Marfia\'s of Bradamantes uit de achterbuurten, gereed om elkaar bij de haren te pakken en met elkaar over het zachte tapijt te rollen, zooals die anderen dat doen in de goot. Isabella had hare handschoenen van de handen gescheurd, door het ballen barer vuisten en zij schreeuwde het uit met hare fraaie sopraan. De andere, stijf in haren stoel gezeten, hield haar hoofdje op als een adder, die zich verdedigt, spuwde hare schandtaal uit, zonder zich te bewegen, zonder naar iets te kijken als een beeld van versteende woede.
Midden in den strijd zinspeelde Isabella op de brieven van den artillerieofficier en dit bracht Currita iets anders in de gedachte, dat haar zeer scheen te doen schrikken. Zij liep haastig heen om Kate te zoeken en liet hare mededingster zitten, zonder op hare laatste beleediging te antwoorden. Juanito Velarde
120
moest een aantal brieven van haar hebben, en het was noodig die onverwijld terug te krijgen, vóór zij in andere handen kwamen en haar in even groote moeielijkheid brachten als die andere. Kate ging dadelijk in een rijtuig en een uur later stelde zij die brieven aan hare Mevrouw ter hand. Onder die brieven was ook bij vergissing dat loterijbriefje gekomen, dat Velarde den avond te voren bij het naar huis gaan had gekocht. Vreemde spot van het noodlot! Op dat nummer viel de prijs van 15,000 duro\'s {f 37,000), die de Gravin van Al-bornoz, ten einde hare plannen te gemakkelijker te kunnen uitvoeren, haastig in het geheim liet innen.
Geheel Madrid maakte wederom file voor het huis van Cur-rita, om haar te condoleeren over het gebeurde ongeluk met ai het cynisme, dat zoo veel voorkomt bij de lieden der wereld. Zij was overweldigd door verdriet; tot diep in hare ziel was de tijding van den dood doorgedrongen van dien armen jongen, die zoo sympathiek en zoo hartelijk was. Hij had zich aan Ferdinandlief en aan haar gehecht als een hond. . . . De slag was vreeselijk geweest; zij was er ziek van . . . want zij wist van niets! . . . En \'t sprak van zelf •— hij had er zich wel voor gewacht, de arme jongen, Perdinandito of haar er een woord van te zeggen, wel begrijpende, dat zij hem zouden verboden hebben zulk eene dwaasheid te begaan, al ware het dan maar alleen uit gevoel van kieschheid. Hetgeen hij zich aangematigd had te doen, kwam uit de beste bedoeling voort, maar het was een van die vriendschapsbewijzen die, niettegenstaande hunne heldhaftigheid, aanleiding geven tot verkeerde uitlegging en eindigen met het decorum te kwetsen — en aan den anderen kant had deze zaak voor hen een nasleep, een nasleep, die zeer kostbaar was. . . .
Hier liet Currita hare stem dalen en fluisterde in het oor van de befaamdste wauwelaars en babbelaarsters der groote wereld, onder beding van diepe geheimhouding:
— Stel u voor, die arme menschen hebben geen geld, en
121
zijne moeder blijft in armoede achter. . . Ik ken haar niet, maar gij begrijpt, dat dit een zaak is, die met kieschheid moet worden behandeld. . . ïfu hebben Ferdinandlief en ik ons eene opoffering moeten getroosten, en daarom hebben wij in de Bank van Spanje eene som van 15,000 duro\'s gestort, waarvan die ongelukkige vrouw de rente kan trekken.
En zoo was het ook inderdaad. Currita had in de Bank van Spanje de 15,000 duro\'s gestort, die Velarde in de loterij had getrokken, en diens moeder toen eenen brief geschreven, waarin zij den heldhaftig en dood van haren zoon beklaagde en het duel betreurde, waartoe zijne al te groote ridderlijkheid hem had vervoerd. Verder voegde zij niet zonder handigheid en met geveinsde kieschheid er bij, dat daar aan haren echtgenoot en aan haar de omstandigheden, waarin zij leefde, bekend waren, beiden een bewijs wilden geven van de vriendschap, die hen aan den zoo sympathieken Juanito verbonden had, en haar een kapitaal met de rente aanboden, dat gestort was in de Bank van Spanje, waarvan zij hierbij de bewijzen overzond.
Toen Currita dezen brief geschreven had, haalde zij de schouders op, en bleef er verder koud bij.
Met dat al had niemand er aan gedacht de arme moeder voor te bereiden op den gruwelijken slag, die haar dreigde, en gelukkig met den brief van Juanito, begon zij de kamers van dien geliefden zoon in orde te brengen, met de overdrevene zorgzaamheid der liefde, die er genoegen in vindt behoeften te scheppen, die niet bestaan, alleen om het genot van er in te kunnen voorzien. Met al zijne ondankbaarheid en zijne gebreken stelde zij zich hem toen voor als het volmaakte model van kinderlijke liefde. Niets is er, dat zoo vergevensgezind is als het moederhart en ook is er niets beter in staat om de gebreken van den geliefde uit het geheugen te wisschen en zijne voortreffelijkheden te doen uitkomen, dan de afwezigheid.
Zij ging dus de kamers binnen, die zij drie jaren geleden gesloten had; zij waren het heiligdom van hare moederliefde.
122
dat alleen zij betrad , en zij begon na te zien, wat weg moest gedaan worden, wat vervangen moést worden en wat er bij moest komen, opdat den gast niets zoude ontbreken en hij niets zou missen van hetgeen, waaraan hij gewoon was geraakt door zijn verkeer in de groote wereld. Toen kwam men haar het bezoek van den pastoor berichten en eenigszins verwonderd ging zij naar beneden, want het was in alle opzichten een ongelegen uur. De goede man had in de couranten het schrikkelijk ongeluk gelezen en kwam vliegend aangeloopen om de ongelukkige moedor langzamerhand voor te bereiden, vóór dat de een of ander onvoorzichtig haar het nieuws op eens zoude mededeelen.
In duizenderlei angsten en met duizenderlei omwegen ving hij zijne treurige taak aan en eindigde met te zeggen, dat haar zoon te Madrid zeer ziek lag en dat zijn toestand hoogst ernstig was.
De arme vrouw sprong van haren stoel op, zoo wit als papier, verbaasd en bijna boos, alsof dit eene afschuwelijke aardigheid was, die men met haar wilde hebben.
— Onmogelijk! riep zij uit. Hij schreef mij gisteren!.... Hier heb ik den brief! ....
En zij liep als krankzinnig door de kamer om den brief te zoeken en hield dien open voor de oogen van den pastoor, bevende van angst, met uitpuilende oogen, terwijl zij eene akelige rilling gevoelde, die in haar nek begon en over haar geheelen rug liep.
— Ziet gij? .... Ziet gij? .... zeide zij. Hij komt in Augustus voor het feest van de Maagd de Regla... . En hij wil gaan biechten. .. . Neen het is onmogelijk, dat hij gaat sterven, zoon mijner ziel.
De drie jongens en de twee dienstboden kwamen zeer ontsteld toegeloopen, daar zij, toen zij de kreten der moeder hadden gehoord, nadat de pastoor was binnengekomen, een voorgevoel hadden gekregen van een groot ongeluk. De pastoor
123
nam den brief en begreep uit de dagteekening, dat de ongelukkige dien een paar uren vóór zijnen dood had geschreven.
— Ongelukkig zijn mijne berichten van later datum, zeide hij. . .. Nadat hij dezen brief geschreven heeft hij eene beroerte gekregen en ligt zeer gevaarlijk .... zeer gevaarlijk....
— Jezus mijn Heer! Maagd de Regla! .... riep de moeder uit, en den pastoor bij den arm vattende, terwijl zij hem met doordringende oogen in het gezicht zag, vroeg zij met witte lippen:
— En heeft hij gebiecht? .... Heeft hij gebiecht? ....
Do pastoor antwoordde niet, en toen schudde zij hom bij den arm, terwijl zij hare vraag herhaalde.
— Zijne ziel, heer pastoor, zijne ziel boven alles! riep zij met eene uitdrukking van angst, die een stcenen hart had kunnen breken.
Het was noodzakelijk haar te zeggen, dat men niets van dit alles wist en zij bedwong hare smart, terwijl zij bevelen gaf om onmiddellijk naar Madrid te reizen; het waren korte, droge, afdoende bevelen, doorvlijmd van hare grenzelooze smart, die haar ongeduld nog prikkelde.... De postwagen kwam tegen vier uur hier langs en dan had zij nog twee uren noodig om het eerste spoorwegstation te bereiken. Enrique zoude mede gaan. Pedro liep op een wenk van zijne moeder naar den stalhouder om een rijtuig te bestellen, de meiden gingen de kamer uit om de valiezen in te pakken en Luis, de kleinste, begon te schreien: zijne moeder kuste hem op zijn voorhoofd en zeide:
— Schrei niet.
Zij zelve stortte geen traan; zeer ontsteld wilde de pastoor haar tegen houden.
— Maar als gij den trein eens mist —, zeide hij.
— Dan neem ik een extra.
— Dat is een dure geschiedenis.
— Ik heb tienduizend realen {f 1250)... Of anders, als dat niet genoeg is, verkoop ik alles, en ga bedelen.
124
— Maar Mevrouw, wacht nog. . . .
— En zijne ziel, heer pastoor, zijne ziel?... riep zij uit met wijd geopende oogen. Denkt gij, dat de dood bijgeval wacht?... En hij is daar zoo alleen, daar ginds, zoo alleen, zonder zijne moeder om hem te laten biechten, om hem te helpen goed te sterven, als God hem roept; om hem de oogen te sluiten en hem neer te leggen in zijn graf! . . .
De kleine Pedro kwam zeer ontroerd en met bevende handjes terug, terwijl hij trachtte te glimlachen, maar het niet kon. De stem begaf hem; hij was niet bij don stalhouder geweest. Waartoe het ongeluk achter na te loopen, wanneer de hoop u te gemoet komt ?. . . Onderweg had Martin Romero hem verteld, dat hij gehoord had, dat het met Juanito beter ging en hij bijna geheel hersteld was.
— Ziet gij nu?. . . Ziet gij nu?. . . riep de moeder zegevierend uit.
En zij barstte los in eene geweldige vroolijkheid, die soms afgebroken werd door zware zuchten, zonder tranen.
De pastoor haastte zich dit onware nieuws, het gevolg van een onberaden, dom medelijden, tegen te spreken, en thans was het noodig haar ronduit te zeggen, dat haar zoon dood was. . . Maar daarvoor deinsde de pastoor ontzet terug; hij had den moed niet haar te zeggen, hoe en wanneer het was gebeurd. Zij kromp onder den slag in een, deinsde wankelend terug en viel in een stoel neer, ademloos, terwijl haar bloed stil stond. Zij schreide niet, maar wiegde haar hoofd en bewoog hare lippen, verstompt van smart; zij drukte beide handen tegen haar hart, alsof zij gevoelde, dat daar op eens iets stierf, iets kouds en verschrikkelijks, zooals de dood moet zijn...
De pastoor schreide als een kind en beproefde haar te troosten. Zij hoorde hem aan met starre, droge oogen, alsof zij luisterde naar het geloei van een woedenden storm, zonder te begrijpen, wat die terneerwerpende vlagen verkondigden, maar wel wetende, dat zij den bliksem en den orkaan medevoerden.
125
Hare kinderen wierpen zich schreiende in hare armen, en bij de aanraking van deze drie hoofdjes ontwaakte haar moederhart; oen ontzettende zucht verscheurde haar de borst, en ten laatste vond haar smart eenen uitweg, eene verlichting, een troost. In tranen! . . . .
Iedereen in het dorp eerbiedigde hare matolooze smart en niemand had den moed, haar do vorschikkelijke omstandigheden mede te deelen van den dood haars zoons. Maar drie dagen later kwam de brief van Currita en toen wist de arme, oude vrouw alles.
Haar moederlijk instinct deed haar raden, hoe hot met de zaak gesteld was, en zonder een klacht te slaken, zonder hare door smart en toorn verbleekte lippen te openen , scheurde zij de bewijzen van inschrijving in de Bank in stukken, deed deze in een couvert met den ontvangen brief er bij, en zond dit alles, zonder een enkel letter schrift, aan de Gravin terug.
Deze was zeer verbaasd, toen zij dit vreemde antwoord ontving en zij mompelde:
— Dat moet een zeldzaam oudje zijn!.... Heb ik ooit zoo iets gezien! En die zaak is nog wel met zooveel kieschheid behandeld. En zij bleef in diep gepeins zitten, want zij wist niet, wat zij met die 15.000 duros moest doen, die zij aan hun wettige eigenares had willen schenken. Het stuitte haar, die som voor zich zelve te behouden en haar geweten raadde haar het geld voor een liefdadig doel te besteden. Zij dacht er over een groot bal te geven, een schitterend feest, waarover men zou spreken, ten voordeele van de kinderen in het Vondelinghuis ; maar het seizoen was reeds te ver gevorderd. Eenige dagen te voren had iedereen gemeend te zullen stikken op het bal van Butron, en ook moest zij op het einde der week op reis naar België. Daar kreeg zij op eens een allergelukkigsten inval: met dit geld een schitterend geschenk te geven aan Paus Pius IX, wanneer zij in het begin van den herfst te liome zoude zijn. Deze gedachte, welke hare gewetensbezwaren tot
126
zwijgen bracht en hare ijdelheid streelde, verrukte haar; zij stelde zich reeds voor in alle couranten van Europa de pralende lofspraken te lezen, gewijd aan de vrome mildheid van hare Excellentie Mevrouw de Gravin van Albornoz.
\'s Avonds tegen negen uur kwam met veel drukte Maria Val-divieso.... Het was noodig, dringend noodig, onvermijdelijk, dat Currita niedeging naar den Circo del Principe Alfonso.. . . Daar debuteerde Miss Jesup, eene allerliefste diva, dochter van een Yankee generaal. Zij was hier gekomen met aanbeveling aan Pepa Alcocer, en andere dames der grandeza. Paco Velez had het haar verteld.
— Verleden maandag, juist op den dag van Velarde\'s dood zong zij aan huis van Pepa Alcocer het rondo final van Cere-néntola. ... Kindlief! In mijn leven heb ik zoo iets niet gehoord , zij zal een verbazend succes hebben. ... Kleed je dus en laten wij gaan, want ik heb geen lust de slotaria uit de eerste acte te verliezen.... Lieve kind! Hoe waar is dit! ... . Ik eigen het mij toe.
En zij zong zeer valsch en niet een zeer leelijke stem , het
Semper libera deggio Transvolar di gioja in gioja,
uit de Traviata, die op dat oogenblik zeer veel opgang maakte en door Miss Jesup gekozen was om daarin voor het eerst op de planken te Madrid te verschijnen.
— Ach neen, neen! .... zeide Currita, zeer in tweestrijd. Ik heb geen lust in opera\'s.
— Maar mijne beste, je gaat je levend begraven. In drie dagen ben je niet uitgeweest.
— En dan, je ziet, mijn rouw. . ..
— Wel, je rouwt al vijf dagen? .... Tot hoe lang wacht je om er uit te gaan? .... Ik was voor Juanito Velarde geen tien minuten in den rouw gegaan; want, wat je ook zeggen moogt, hij was insiptde, zeer insipide....
127
— Nu, dan zal ik mij van avond maar in den halven rouw steken. ... Ik heb juist een zeer eenvoudige japon, wit en zwart, die staat heel lief en ik geloof niet, dat ik die bij andere gelegenheden kan dragen.
— Maak dan van deze gelegenheid gebruik, zottinnetje. Maar gauw, want het is al laat.
En zij stond zelve op om aan de bel te trekken en Kate de noodige orders te geven. Currita kleedde zich zeer vlug, en Maria weidde breed uit over de stem en de schoonheid van Miss Jesup en hoe goed Stagno den vorigen avond geweest was in Un hallo in maschera, vooral in de slotaria, toen hij vermoord werd. Paco Velez had het haar gezegd.
— Wat ik zeggen wilde, over dooden gesproken; heeft de moeder van Velarde u al geantwoord?
— Ik heb juist van daag eenen brief gekregen. Dat moet een zeldzaam oudje zijn.. . .
Kate veroorloofde zich hier de beide nichten in de rede te vallen om te vragen, of Mevrouw do Gravin witte of zwarte handschoenen zoude aantrekken.
— Wat denk je, Maria? ....
— Witte zullen het best zijn.
— Ik denk, dat zwarte beter zullen staan.
— Laat Mevrouw een paar van de twee kleuren probeerea, dan kan men zien.
— Nu dan, het moet eene eigenaardige oude dame zijn. Stel je voor, dat zij het pensioen weigert.
— Hemel! dat is zeker eigenaardig.
— Het is, zooals ik u zeg. — Zij schreef mij een zeer dankbaren, zeer verheven brief over hare zedelijke plichten en de Goddelijke Voorzienigheid en zij eindigt met te zeggen, dat zij aan niets behoefte heeft en genoeg heeft aan alles.
— Des te beter voor u. .. . Dat briefje. ...
— Maar je begrijpt; ik heb dit offer willen brengen aan den armen Juanito, en nu zijne zedepreekende moeder het niet wil
128
aannemen, wil ik toch niet teruggaan. . . . Daarom heb ik gedacht, dat, als ik in October in Rome ben, ik deze 15.000 du ros aan den Heiligen Vader zal geven om voor Velarde aflaat te krijgen. .. .
Maria Valdivieso was daardoor zeer gesticht, en de beide nichten gingen uit, terwijl Currita, die door het gesprek was afgeleid geworden, aan de eene hand een witten en aan de andere hand een zwarten handschoen droeg. Zij bemerkte dit pas, toen zij reeds voor het theater stond en wilde terug rijden om te veranderen, maar Maria, die als een dwaas lachte, zeide:
— Maar mensch, wees niet dwaas! — Houd ze aan, men zal het voor iets origineels houden en morgen is het mode.
— Dat is waar! riep Currita verrukt uit.
En zoo was het ook werkelijk; iedereen vond het zeer ch/\'c die nieuwe gril, en den volgenden dag zag men in het theater kleederen dragen van twee verschillende kleuren en handschoenen van diezelfde kleuren eveneens verschillend.
Het debut van Miss Jesup werd met luiden bijval begroet, alleen had zij zich te beklagen, dat er iets lachverwekkends gebeurd was. Bij het einde van de laatste acte, toen de heldin haar laatsten adem op het tooneel had uitgeblazen en Alfredo, haar vader, en de doctor hun laatsten trio zongen, werd do diva door een tochtwind getroffen, die bij de overledene tot een plotselinge niesbui aanleiding gaf.
Den volgenden dag sprak men over niets andera in Madrid, dan over de ovatie aan Jesup, over haar lastige niesbui en over de handschoenen van Currita. Niemand herinnerde zich meer iets van de benoeming tot Grootmeesteres, noch van den dood van Velarde, noch van de huiszoeking der politie.
Currita ademde weer gerust, toen zij, dank zij hare kunstgrepen , de lange staart voor goed zag afgesneden die, zooals Butron voorspeld had, hare benoeming tot Grootmeesteres zoude hebben; haar politiek aanzien bleef boven allen twijfel ver-
129
hoven, terwijl onder meer andere zaken drie kleinighedin over bleven:
Eene troostelooze moeder,
Eene ziel in de hel
En de mode, twee verschillende handschoenen te dragon. Intusschen maakte Villameion, met groote zorg, de photo-graphie gereed , waarnaar de gravures in de Be vista illustrada moesten worden gemaakt; al het andere had hij in zijn lade voor Byzantynsche zaken weggeborgen.
EINDE VAN HET EERSTE BOEK.
T BEDE BOEK.
I.
De sneltrein van Marseille naar Parijs had vier uren vertraging, omdat er \'s nachts te voren een gebrek was gekomen aan een brug tussehen Gallician en Saint-Gilles. De reizigers kwamen ten half vijf in de groote hoofdstad aan en stapten aan de gare de Lyon uit, hongerig en slecht gehumeurd. Een man van een jaar of dertig sprong het eerst uit een sleeping car en met de zekerheid en gerustheid van iemand, die gewoon is aan de moeielijkheden met stations, spoorwegen en douanen, stak hij het perron over en kwam zoo in den carrefour, vóór dat de groote stroom der menigte die nog gevuld had.
Hij gaf een teeken aan den koetsier van het eerste der vele rijtuigen, die daar in geregelde orde wachtten. De koetsier kwam haastig voor, terwijl hij den reiziger van het hoofd tot de voeten opnam. Deze droeg als zijne geheele bagage een van die engelsche valiezen, met riemen vastgemaakt, waarin in een kleinen omvang zooveel kan worden geborgen, en die alles kunnen bevatten, wat een Engelsche tourist noodig heeft om do wereld rond te reizen.
De koetsier scheen voldaan over zijn onderzoek; tussehen het kostbare bont waarmede de overjas van den reiziger gevoerd was, had zijn oog iets ontdekt, dat iemand tot oen groot personaadje maakt in de oogen van den gewonen Parijzenaar: een klein lintje, wit en geel, was te zien in hot knoopsgat van zijn Amerikaansche reisjas. Jl était decoré!....
134
Toen hij zijn voet op de trede zette, zeide hij tot den koetsier in het Franseh:
— Grand Hotel, Boulevard des Capuoines.....
Het rijtuig reed voort en stootte even erg als elke Spaansche fiacre, en do reiziger scheen niet die verbazing, gemengd met bewondering , nieuwsgierigheid en opgetogenheid, te gevoelen, die een ieder aangrijpt, die voor den eersten, tweeden of derden, ja tot den vierden of vijfden keer te Parijs aankomt. Hij leunde achterover in de kussens van gestreept blauw laken van het rijtuig, en zonder acht te geven op het eerste geraas van Parijs, dat reeds begon hem doof te maken en in zijne ooren te donderen, roed hij de onregelmatig gebouwde Place de la Bastille over, waarop vier Boulevards en tien straten uitkomen. Met veel zorg zag hij ondertusschen papieren na, die hij uit een reistasch haalde, waarvan de draagriem over zijn rechterschouder naar links liep. Geen der papieren ontbrak. In eene afdeeling waren cenige losse papieren, eenige geopende brieven on een pakje saamgebonden bankbiljetten; in de andere afdeeling was een pakje, verzegeld met rood lak, waarop een koninklijke kroon was afgedrukt. Op het adres was geschreven :
Aan Zijne Koninklijke Hoogheid den Hertog van Aosta, Koning van Spanje.
De reiziger draaide het pak verscheidene malen om met bedwongen nieuwsgierigheid en beproefde, of hij door den omslag niet kon lezen, wat er binnen in geschreven was. Het gesatineerd , stevig papier liet evenwel zijn geheim niet doorschemeren en de reiziger moest zich tevreden stellen met het lezen van het opschrift, dat met dikke, loopende letters geschreven was, die eene hand verraadden, meer gewoon te onderteekenen of aanteekeningen te maken, dan lang achter elkaar te schrijven, en daarbij zoo Italiaansch ijdel, dat hij het onbeduidend Hertogdom Aosta den voorrang gaf boven de koningskroon van Spanje.
Ondertusschen was het rijtuig den Boulevard Beaumarchais
135
en dca Filles du Calvairo overgestoken en op den Boulevard du Temple gekomen, zonder dat de reiziger een enkelen blik had geslagen op alles, wat Parijs aan de oogen aanbiedt van hem, die aankomt, hoe meer hij die Boulevard des Italiens en des Capucines nadert, die het duizelingwekkend middelpunt uitmaken van het groote Babel en waar de vergulde en geparfumeerde holen zijn, waarheen al de ondeugd en de dwaasheid van de vier streken der wereld komen toesnellen. Hier krijgt de straat het aanzien van een plein; de trottoirs veranderen in straten en de menigte in een menschenstroom, die zich onder betrekkelijke stilte voortspoedt tussehen twee kristallen muren, die gevormd worden door de ontzettend groote spiegelruiten der winkels, welke bewijzen, hoe de nijverheid der menschen in staat is, het overtollige te veranderen in het noodwendige, het sierlijke in het prachtige, het kostbare in het tooverachtige en het leven in een koorts van dwaze ijdelheid en monsterachtige begeerte. De reiziger, verdiept in zijne overpeinzingen te midden dezer onafzienbare menigte, wier karaktertrek het is altijd te gelijken op een ledigganger, die het vermaak achter na loopt en niet op iemand, die naar den arbeid gaat, haalde eindelijk eene portefeuille van Russisch leder uit zijn zak en begon eenige verwarde rekeningen in orde te brengen. Boven aan op een der bladen schreef hij: verwachtingen en boven aan het tegenoverliggende blad: werkelijkheden, en dus ging hij, onder hetgeen hij, zonder twijfel, verwachtte en onder hetgeen hij, zoo het scheen, reeds bezat, cijfers optellen, die getallen vormden en deze op hun beurt weer sommen, optelsommen, aftreksommen, vermenigvuldigsommen, deelsommen, die een rekenkundigen chaos vormden, en ten laatste tot uitkomst de volgende geheimzinnige cijfers, die onder een horizontale streep op het blad der verwachtingen werden geschreven: Twee honderd duizend duros en eeije portefeuille. Op de bladzijde der werkelijkheden was de uitkomst eene, die geene verklaring behoefde; zij vermeldde eenvoudig: nul.
136
En alsof or bij dit volstrekt gebrek aan werkelijkheden eene fout had kunnen ingeslopen zijn, begon de reiziger op nieuw, nadat hij zijn breed, fraai voorhoofd met zijn potlood gekrabt had, te cijferen en te rekenen, totdat hij wederom een horizontale streep trok, recht, zwart en onbuigzaam als een ongunstig noodlot, waaronder ditmaal iets minder dan nul verscheen, een negatief getal, een geweldige schuld, die zonder twijfel de eenigo werkelijkheid was, waarmede deze man op aarde had te rekenen.
— 150.000 duros, tegen 15 ten 100.
De reiziger bleef deze angstverwekkende som een oogenblik aanstaren. Hij beet met zijn witte tanden op hot potlood, tot do punt afbrak en ten laatste wendde hij als verschrikt zijne oogen er van af om ze te vestigen op den bewonderenswaar-digsten aanblik, dien het groote Babel van Parijs kan aanbieden.
Het was, toen het rijtuig de Place de la Concorde overstak, besproeid met het bloed van Marie Antoinette en Lodewijk XVI. Voor hem breidde zich de rue Royale uit, aan het einde afgesloten door den trotschen gevel van de Madeleine, rustende op zijne twee en vijftig Korintische zuilen; achter hem het Palais Bourbon, dat verrijst achter den Pont de la Concorde, omgeven door groen en standbeelden; links de Avenue des Champs Elysées, geheel in do verte gesloten door den Are de l\'Etoile; rechts, aan dezen oever der rivier, tusschen do lommerrijke keizerlijke tuinen, hetgeen er nog overgebleven was van de Tuilerieën: eenige muren geblakerd door den brand , eene vreeselijk historische ontgoocheling, een beeld van de vorstelijke Majesteit, in het gezicht geslagen en bespuwd, met knuppels .vermoord door Rochefort en Louise Michel; in het midden van het plein, tusschen do twee monumentale fonteinen verhief zich, als een reus van vroegere eeuwen, de obelisk van Luxor, het oudste, dat in Parijs bestaat, de vriend der Farao\'s, de vertegenwoordiger der fabelachtige tijden, die de eouwen als maanden telt, en die zich zijne Egyptische mummiën herinnerende, lacht om dien mierenhoop van menschen, die krioelt aan zijn voet, en bij zich zelf
137
herhaalt, hctgoen jaren geleden een dichter in forsche taal neder-schreef:
Oh ! dans cent ans quels laids squelettes Fera ce peuple impie et fou,
Qui se couche sans bandelettcs Dans des cercueils que ferme un clou.
De reiziger liet zijne oogen over dit alles dwalen zonder zo op iets te vestigen, met de onverschilligheid, waarmede men iets aanschouwt, dat tot verzadigings toe bekend is. Slechts, toen hij de rue Royale uitreed, stak hij zijn hoofd nieuwsgierig uit het rijtuig en zijne oogen zochten in de verte het befaamde terras van le Petit Club, gemeenzamer de Babi/ genoemd, vanwaar men de geheele Place de la Concorde overziet en die het vereenigings-en waarnemingspunt is van de geheele haute (/omme parisienne.
Het was een zeer schoone dag en onder het rood en wit gestreepte zeil zag men eenige leden der club roeken en praten. Over de steenen balustrade tegen het plein, leunden twee of drie jonge lieden en zagen naar de rijtuigen, die uit de rue Boissy d\'Anglas kwamen, gaande naar het Bosch. De reiziger kreeg bij het zien van den eerste een zeker gevoel van vreugde, en met eene plotselinge beweging, die iets kinderachtigs had, nam hij zijn hoed af om op dien grooten afstand met zooveel eerbied en opgetogenheid te groeten, alsof hij met zijn hoed die minus 150.000 duros a 15° 0 kon bereiken, welke alles waren, wat hij bezat.
Ongetwijfeld wist hij zeer goed, dat in die Petit Club, die onschuldige Baby, zeer hoog werd gespeeld. Bij het afnemen van zijn hoed werd het geheele gelaat van den reiziger zichtbaar en liet was een wonderlijke en vreemde merkwaardigheid____
Men zou gezegd hebben, dat Lord Byron zijne graftombe te Nottingham had verlaten en in levenden lijve de Place de la Madeleine in een huurrijtuig overstak en het Pavilion van de Baby begroette, als ware het de vlag van Engeland.
138
Die man had dezelfde mannelijke schoonheid als de groote dichter; hetzelfde fraaie hoofd, dat vrij op zijn gespierden nek zat, en altijd gereed was zich op te richten met eene hoogmoedige beweging van verachting. Zijn gezicht vormde hetzelfde volmaakte ovaal, met den baard een weinig naar voren uitstekende, zeer schoone oogen en kastanjebruin haar, dat sierlijk krulde op een breed en edel voorhoofd, een voorhoofd, dat bestemd scheen een lauwerkrans te dragen. Zijn mond was aan beide hoeken saamgetrokken door een nederwaartsche plooi, die verbittering, minachting, twijfel verried; ondeugd die altoos moede maar nooit voldaan is; een trek, die op alle goede portretten van Byron voorkomt, alsof daarmede uitdrukking wordt gegeven aan die sombere woorden van zijn „laatste klacht.\'\'\'\'
Overal, onmeêdoogend en koud,
Volgde walging mijne schreden.
Evenwel miste de reiziger twee dingen, die zijne gelijkenis met den hooggeboren dichter volkomen hadden gemaakt: zijn linker voet was niet kreupel, en zijn voorhoofd blonk niet van dien straal van het genie, die Childe Harold bezielde. Indien door een wonder uit den hemel die man Lord Byron ware geweest, dan ware hij gewis op aarde teruggekomen met achterlating in de graftombe van zijn kreupelheid en zijn genie en niets medebrengende dan de schoonheid van zijn vijf en twintig jaren en de ondeugden van zijn geheele leven. Deze Byron zou niet naar Griekenland zijn getrokken om het te helpen bevrijden, maar om het te exploiteeren; in zijne oogen blonk niet het verlangen naar het ideaal, maar flikkerde eene begeerte naar geld.
Toch verried alles in hem den eleganten aristocraat, en van de russisch lederen riemen met zilveren handvat, die zijn valies omsloten, tot zijne portefeuille van hetzelfde leder, waarin hij zijne berekening van werkelijkheden en verwachtingen had gemaakt, vertoonde alles tot in kleinigheden de verfijnde weelde van hen, die geboren zijn en gewoon zijn om in rijkdom te leven.
139
Iets was er evenwel in zijne kleeding, dat in tegenspraak was met het geheel; het was slechts een onderdeel, een zeer gering onderdeel, dat men bij een armen kapper of bij eenen Italiaanschen zanger van den tweeden rang had kunnen verwachten; het was dat wit-gele lintje, dat in het knoopsgat van zijn reisjas zichtbaar was. Maar dit bewees toch eene grondige kennis van het terrein, dat hij betrad, waar elk eerelintje den eerbied en het aanzien verzekeren, die men aan een persoon van rang verschuldigd is. Het was een voorzichtigheid, een soort schild, waarmede de reiziger zich beschutte tegen duizend onbeschoftheden, die altijd voor iedereen zeer hinderlijk zijn, maar voor hem soms gevaarlijk konden worden.
Eindelijk hield het rijtuig stil, op den Boulevard des Ca-pucines, voor de groote portiek van het Grand Hotel. De nieuwe Lord Byron betaalde zeer mild den koetsier en klom met luchtige schreden de trappen op. Daar stiet hij op een ouden heer, hoog van gestalte, niet groote, witte bakkebaarden, die met slependen gang de straat opging.
De reiziger draaide zich, toen hij hem zag, spoedig om, om eene ontmoeting te vermijden en ging het bureau de reception in om zijn kaartje te geven. Maar de oude heer versnelde zijn lang-zamen stap, haalde don vluchteling in en zeido in het Spaansch:
— Jacobo!.... Polaina! Vlucht je voor me? .... Dat is een bewijs, dat je geld hebt... .
— Diogenes!.... Ben jij hier? riep Jacobo, terwijl hij zich zeer verbaasd en met een blij gezicht omkeerde en hem zijne beide handen zeer hartelijk toestak.
Maar Diogenes, zijn groot hoofd schuddende, terwijl hij hem op den schouder klopte, zeide:
De man, die arm wordt geboren.
Wordt bij de koude vergeleken.
Allen vluchten voor hem Om geene koude te vatten.
140
— Onwaar! onwaar! riep Jacobo lachend uit. Gij zijt niet arm geboren, ook niet. . . .
— Ik ben niet arm geboren, maar liet is mijne ziekte.
— Voeg je dan bij mij. Do verkoudheid, die gij mij bezorgt, zal ik u wel terug bezorgen. ... Ge weet, mijne waarde: Similia similihus curantur.
— En wat heb je in Constantinopel gedaan, Ambassadeurtje? Ik dacht, dat je daar den Sultan bij zijn baard zoudt trekken.
Jacobo hield Diogenes zijn beknopte bagage ouder de neus en zeide met Simonides:
— Omnes divitiae sunt niecum!
— Geëerde gevolmachtigde, riep Diogenes, die u niet kent, moge u koopen: je hebt de buit aan het station achtergelaten, grappenmaker. . . . Waar kom je nu van daan?
— Van Genua. ... En wat doe jij hier? ....
— Ik lijd hier aan den zwarten loop.... Van nacht ben ik door een boer geplukt: vijf duizend francs in een klap.
— Is het mogelijk?.... Heb je nog altijd die liefhebberij?----
Ik dacht, dat ge daar niet meer aan deedt.
— Tot zij mij begraven, jongen, tot zij mij begraven.... Wij zullen eens samen naar de Petit Club gaan; er wordt daar hoog gespeeld. . . . Van nacht deed die papegaai van een Ponoski een slag van duizend louis.
— Is die hier, Ponoski ? . . . Ik zou hem graag willen zien, maar ik vertrek morgen....
— Morgen? — En waar duivel ga je heen?
— Naar Madrid.
— Naar Madrid?.... Polaim!.. .. Om daar een kogel in het lijf te krijgen ? .
— Jongens, jongens! .... Gaat het er daar zoo toe?
— Maar waar kom je van daan, aardig ambassadeurtje? .... Heb je dan het nieuws niet gelezen?.... Van morgen is Amadeo in Lissabon aangekomen en heeft gezegd: nu heb ik er genoeg van. ... En op dit oogenblik zijn Eiguerillas en die
141
kakatoe van een Don Emilio bozig de straten van Madrid schoon te vegen met kanonschoten, ten einde de republiek netjes te installeeren. Ze zullen u in de lucht laten vliegen, jongenlief.
Jacobo bleef verstomd staan kijken, toen hij die berichten hoorde. Toen greep hij Diogenes bij den arm en riep zeer ontroerd uit, alsof die onverwachte politieke catastrophe voor hem van groot belang was:
— Maar wat vertel je toch? Het is niet mogelijk!
— Polaina. . . . Kom mede, dan zal ik u vertellen, wat men hier er van weet... . Gisteren heeft de Italiaan zijn ontslag der Cortes aangeboden en een uur later was het aangenomen.... Van morgen om zes uur is hij naar Lissabon vertrokken en op dit oogenblik staat Madrid aan de vier hoeken in brand.... Meer dan twintig telegrammen zijn in het Grand Hotel gekomen om kamers te bestellen.
En terwijl Diogenes dit alles zeer opgewonden vertelde, ging hij met Jacobo de trappen op, die van de binnenplaats naar het terras van het Grand Hotel voeren.
Iedereen had zich kunnen verbeelden, hier in een salon van de Spaansche aristocratie te komen. Overal hoorde men Spaansch spreken met die heftigheid en die uitroepen, welke den Spanjaarden eigen zijn, wanneer zij zich opwinden. Overal in groepen verdeeld, zag men dames en gommtux van den Madridschen adel, staatslieden der partij van Isabella II en eenigen van die naamlooze menschen, die men gewoonlijk altoos en overal ergens ziet, zonder dat men meer van hen weet, dan dat zij Sanchez of Perez heeten.
Allen bespraken de tijdingen uit Spanje en deden voorspellingen naar de mate van hunne verbeeldingskracht of de heftigheid hunner begeerten. en terwijl eenigen reeds Prins Alfonso op den door Aosta verlaten troon aanschouwden, zagen anderen reeds de Republiek gevestigd en in de macht van de volksmassa, en niet weinigen zagen reeds Carlistische partijgangers voor de
142
poorten van Madrid on zich meester maken van het ledige paleis en den verlaten troon.
De vrees en de afstand maakten hunne voorstellingen nog donkerder en allen waren het er over eens, dat Madrid op dit oogenblik één groote bloedplas moest zijn. Men wachtte dus met groot ongeduld de komst van de post en niet minder op de terugkomst van oom Frasquito, die naar de Passage Jouffroy om nieuws was gegaan en op den Generaal Pastor en Canovas del Castillo, die door de onttroonde Koningin ijlings in het Paleis Basilewsky waren ontboden.
Rechts van do laatste deur der leessalon, die uitkomt op het terras, zaten eenige dames op ijzeren banken. Onder haar bevonden zich Currita Albornoz en de Hertogin van Bara. Vorder op, midden onder oen groep mannon, stond Leopoldina Pastor heftig te betoogen, dat men de wapenen moost opvatten en ontwikkelde haar strategisch plan.
De zaak was zoo eenvoudig mogelijk: het was voldoende, dat de Madriloonsche kolonie, die thans in Parijs was, zich bij do Spaansche ambassade aanmeldde, den gezant bij don arm nam on hom op straat zotte on dan tegelijk Prins Alfonso tot Koning van Spanje uitriep. Men zou aan den anderen kant der Pyreneeën hierop dadelijk antwoorden!. ...
Wanneer de Gezant zou gaan schreeuwen, zou men hem in de Seine worpen; met zijn dikke buik als van don Salustiano zou hij blijven drijven als een boei.... En als Thiers zich boos maakte, zou men hem wel bij zijn kuifje pakken en hom neggen, dat hij op zijn oigon huishouden moost passen en zich niet bemoeien met de zaken van zijn buurman. En pas maar op! pas maar op!
De heeren, die naar Leopoldina luisterden, begonnen te lachen en zij trok hen de knoopen van hunne jassen en noemde hen onbeschaamden. Oh! Indien zij een man was! Ja zij zou wel mannonkleoron willen aantrekken, zooals Miss Walker, de doctores van hot serail in Tunis, die toon ter tijd op do boulevards wandelde met een zouavenbroek en een flambard.
143
De komst van Jacobo had op liet geheele gezelschap eene onaangename uitwerking. Aan het grootste gedeelte der aanwezigen was hij door banden van vriendschap of bloedverwantschap verbonden, zoowel door zijn eigen familie, als die zijner vrouw, die oen hoogadelijken naam droeg onder de Grandeza. Maar, tien jaren geleden van haar gescheiden, had hij in Italië en te Parijs een zeer weelderig leven geleid als jonggezel, totdat hij, door zijne schuldeischers vervolgd, in het jaar 68 in Spanje een toevlucht zocht en daar ijverig deel nam aan de Revolutie, terwijl hij met Prim Andalusië doortrok, evenals Lafayette op een wit paard gezeten, en redevoeringen hield voor de menigte. Hij was lid van de Constitueerende Cortes van 69 geweest, maar verdween op eens na den moord van Prim andermaal uit Madrid, terwijl hij kort daarop als gevolmachtigd Minister te Constantinopel weder te voorschijn kwam.
Hot verwonderde daarom allen, hem op zulk een kritiek oogenblik te zien verschijnen, zijn hoogen post in den steek latende. Zij ontvingen hem met dat minachtend wantrouwen, dat altijd de verslagen vijand inboezemt, die na een verloren slag tot het kamp der overwinnaars overloopt.
Jacobo evenwel, die deed, alsof hij niets van die koele ontvangst bemerkte, overtuigde zich van de waarheid der berichten van Diogenes, en liet evenmin iets blijken van de onrust, die zij hem in het eerst veroorzaakten. Hij wist van niets of deed , alsof hij van niets wist; hij was twee maanden te voren vertrokken uit Constantinopel naar Turijn, van daar naar Florence en Genua en had voorts eene heerlijke reis gemaakt over de Italiaanache Corniche; had zich opgehouden te Bordighera, te Nice en laatstelijk eene week te Monaco.
Currita zag van hare plaats opmerkzaam naar den schoonen reiziger, het evenbeeld van Lord Byron. haren geliefden held, een aanbiddelijk type van een man, naar hare opvatting, wiens prachtig naakt borstbeeld van marmer zij in haar boudoir steeds voor hare oogen had. Niet dadelijk had zij hem herkend, want
144
het was raoeielijk in dien fleren jongen man den tengcren jongeling Jacobo Tellez Ponco te herkennen, die twaalf jaren geleden met de Markiezin van Sabadoll huwde, eene verre nicht van Currita Sedert dien tijd had zij hem niet weer gezien en zij zou hem ook niet herkend hebben, indien Leopoldina Pastor niet naar haar was komen toeloopen en gezegd had:
— Heb je Jacobo Tellez al gezien?.... Zij zeggen, dat hij in Constantinopel met eene prachtig mooie Turkin is getrouwd.... Waar zal hij dat schepsel hier laten?
Do Hertogin van Bara zeide hierop iets ongeloofelijk onbetamelijks en zag met minachting naar hem. De dames lachten er om en Currita riep vol bewondering uit:
— Wel, is dat Jacobo?.... Mijn hemel! hij geleek mij van hier af wel Lord Byron, mijn geliefden dichter. Welk eene verbazende gelijkenis!
En zonder verder naar iets te vragen, stond zij vlug op om naar hem toe te gaan. De Hertogin van Bara hield haar snel bij hare kleederen vast; maar zij, zich losmakende, zeide:
— Maar mensch, hij is mijn neef. De grootmoeder van zijne vrouw en de mijne waren nichten. Moet ik dan een bloedverwant negeeren?
Hij, ongetwijfeld door familiezwak gedrongen, naderde nu de groep dames. Hij kuste do handen der Hertogin en van Currita, die het dichtst bij hem waren, en deze maakte met hare lieve, vleiende maniertjes plaats naast zich op de bank.
Het gesprek liep een oogenblik over de reis van Jacobo, toen de komst van Oom Frasquito, die beladen met allerlei nieuws uit de Passage Jouffroy kwam, het afbrak.
Allen liepen hom te gemoet, Jacobo vooraan, maar Currita hield hem een oogenblik bij zijn arm vast en met de gemeenzaamheid eener nicht zijner wettige vrouw, zeide zij hem:
— Wij zullen elkaar weer zien, niet waar Jacobo?.... Ik wilde u voorstellen aan Ferdinandito.. .. Wij wonen op de tweede verdieping, n0 120.
145
De Hertogin boog zich over naar Leopoldina Pastor en fluisterde haar in het oor:
— Hoor je dat?.... Zij wil hem voorstellen aan Ferdi-nandito....
Leopoldina maakte een grimas en antwoordde:
— En dan?.... Een huisvriend?
— Ter verfrissching!---- besloot de Hertogin. En beiden
lachten hierover met onschuldig genoegen.
10
II.
Geëmailleerd, geverfd, gekamd en glimmend van cosmetiek, kwam Oom Fraaquito met groote haast op het terras. Hij balanceerde op de punten zijner voeten, daartoe gedwongen door zijne nauwe schoenen, waarmede hij zich pijnigde om zijne knobbelige groote teenen te verbergen, hetgeen hem evenwel niet volkomen gelukte. Oom Frasquito was de universeele oom van de geheele Spaansche Grandeza en van haar aanhang van adellijken van den tweeden rang; van rijkaards van allerlei afkomst, van staat- en letterkundige notabiliteiten, van leeg-loopers van beroep, van stoutmoedige avonturiers en dubbelzinnige personnages, die het tout Madrid vormen, het veelkleurige dessus du panier van de Madrileensche groote wereld.
Al deze menschen noemden hem Oom Frasquito, omdat de goede toon dit zoo medebracht, en hij aanvaardde gewillig de bloedverwantschap met hen, wier blauw bloed met zijn ongetwijfeld zeer edel bloed vóór eeuwen was vermengd geworden. Wat de overigen betrof, verwierp hij wel niet hunne zeer apocriefe verwantschap, maar rangschikte hen toegeeflijk onder zijne bastaard neven.
Aldus bewoog Oom Frasquito sints eene halve eeuw zich onder deze universeele familie en zag wettige en bastaard generaties voor zich voorbij trekken, zag generaties neven en nichten geboren worden, groeien, trouwen, zich vermenigvuldigen, sterven en tot stof vergaan, zonder dat hij, beveiligd door zijn knellend corset, dat de weerbarstigheid van zijn buik bedwong.
147
ooit de drieëndertig scheen te hebben gepasseerd. Zijne jaren waren jaren van jaren als de weken van Daniel, ofschoon gewilliger dan deze, want zij rekten zich uit of krompen in naar gelang der omstandigheden. Drie en dertig jaren was hij oud, toen hij in 1840 met het buitengewoon Spaansch gezantschap tegenwoordig was bij het huwelijk van de Koningin van Engeland, en even oud was hij ook in 1853, toen hij het huwelijk bijwoonde zijner nicht Eugenie do Guzman met Keizer Napoleon III; een ongelijk huwelijk, messa allianza, dat vernederend was en door Oom Frasquito volstrekt werd afgekeurd, omdat de afstamming van Bonaparte hem geheel niet voldeed, en ofschoon hij zoo ver niet ging, zijnen nieuwen neef onder de bastaard neven te brengen, wilde hij hem toch nooit anders aanduiden dan onder den naam van: Mijnen neef de Graaf-consort van Teba. !)
Men fluisterde eene legende, dat Oom Frasquito twee en dertig valsche zaken aan zijn lichaam had, waaronder men ook een kurken zitdeel telde. Dit is zeker, dat op het tijdstip, waarop wij hem aan onze lezers voorstellen, komende uit de Passage Jouffroy om zijne landgenooten de bevestiging te brengen van den afstand van don Hertog van Aosta, zijne palmboomgestalte door zijne zwaarlijvigheid veranderd was in de gedaante van een ton en dat de kunst, de nijverheid, tot zelfs do werktuigkunde wedijverden om dien volhardenden Narcissus dagelijks op te fleuren, altoos op gevaar af, hem in een knol te veranderen, zooals in de Grieksche mythologie de Narcissus der oudheid veranderd werd in eene bloem.
Oom Frasquito was ongehuwd, was rijk, leefde geregeld, had geene bekende ondeugden en evenmin schulden; hij was minzaam, beleefd, gedienstig, inschikkelijk en had de manieren van een eerbaar jong meisje en eene stem als een ingebeeld dametje. Hij verzamelde zegels der diplomatic en maakte tapisseriewerk,
1) Men weet, dat Keizerin Eugenie, vóór haar huwelijk krachtens harer hooge. alkomst, den titel voerde van Gravin van Teba.
10*
148
speelde roerend op de fluit en sprak do r uit op die brouwende slepende manier, eigen aan de Parijzenaars, en die in Spanje sommige gefranciseerdo dandies nabootsen, maar bij vele anderen een aangeboren gebrek is, voor wie de volgende zin is uitgevonden: El perro de San Boque no tiene rabo, porque Ramon Ramirez se lo ha robado.
Diogenes noemde hem gewoonlijk Francesoa di Rimini; soms freule Frasquita; in zalen en salons, tot tusschen de slepen der japons van de dames, waar de verwijfde edelman gewoon was zijn toevlucht te zoeken, vervolgde hij hem om hem te omarmen en de vlekkelooze borst van zijn overhemd te bezoedelen. Hij gaf dan zijn keurig slachtoffer een kus, die hem noodzaakte zich te wasschen en met cold cream in te wrijven; hij trapte hem verradelijk op zijn voeten om zijn schoenen dof te maken en zijn knobbels pijn te doen, of hij gaf hem zoo krachtig een hand, dat zijn vingers er van tintelden, en had allerlei streken, die de twee en dertig valsche zaken, die de legende hem toedichtte, in groot gevaar brachten.
Deze twee oude heeren, die zulke geheel verschillende karakters en gewoonten hadden, waren nochtans twee overgebleven typen uit eenzelfden tijd, twee fossielen van die groote heeren uit de vorige eeuw, waaronder slechte en cynische feestvierders en verwijfde petit-maUres zonder karakter waren, die in Spanje de Grandeza in minachting en verval brachten.
Zoo verscheen Oom Frasquito op het terras met de gebaren van een verschrikt, jong meisje en allen omringden hem, terwijl zij hem met vragen overstelpten. Alles, alles werd op nieuw bevestigd, en het sauve qui peut was in Madrid algemeen!!!
Het was thans zeker, dat D. Amadeo met zijne familie naar Lissabon gevlucht was en de telegrammen vermeldden de namen der personen, die het eerste Ministerie der jonggeboren Republiek uitmaakten.
— Van de Spaansche Rrepubliek, zeide Oom Frasquito, terwijl hij met spottende deftigheid zijn hoed afnam.
149
En met oen minachtenden lach en mot ironische opmerkingen, las hij de namen der nieuwe Ministers uit zijno elegante portefeuille voor, waarin hij die had opgeteekend. \')
Maar wat een namen, Heilige Maagd! — Het was iets om zich dood te lachen! .... Pigueras, Castelar, Pi y Margall, de beide Salmerons, Nicolas en Paquito. . . . Córdoba.
— Córrdoba, heerren, Córrdoba!.... Perrnandito Córrdoba, rrepublikein! .... Wie zou zoo iets hebben kunnen denken, toen wij samen naar het huis der Hertogin van Benavente gingen en toen Perdinand VH hem met zijnen broeder Luis naar Portugal zond, den Infant D. Carries en de Prinses van Beyrra achten-na!.... Maar ik was toen nog een jongen, werrkelijk een jong ventje.. . .
Oom Prasquito bedacht niet, dat volgens zijne tijdbereke-ning, hij zes jaren vóór zijne geboorte tegenwoordig had moeten zijn op de bals der Hertogin van Benavente en vervolgde, terwijl hij de overige Ministers opnoemde, Echegaray, Beranger en Becerra!. ... Goede hemel! . . . . Het was een schop van oen ezel, dien Spanje daar kreeg, en die dwergjes met hunne Phrygische mutsen, die den leeuw van Castilië ketenden, deden denken aan deze grootsche vergelijking:
Ce grand peuple espagnol, aux membres éncrvés Expire dans eet antre, oü son sort le termine Triste comme un lion rongé par le vermine.
En wat gekke dingen doen altoos die democraten!.... Was niet het eerste, wat zij deden, eene serenade te gaan brengen
1, Wij veronderstellen, dat de lezer begrijpen zal, dat het oordeel over bepaalde personen in dezen roman, door de daarin voorkomende acteurs uitgesproken, niet het persoonlijk gevoelen is van don schrijver, maar de weerklank der gevoelens van de klasse der maatschappij, waartoe deze laatsten behoorden in dien tijd. De schrijver, die ondeugd en onbeschaamdheid van voren aanvalt, houdt steeds zijn gevoelen over bepaalde personen vóór zich, en is er ver van af iemand te kwetsen, hoe laakbaar zoo iemand hem ook toeschijne.
150
aan dien zoor belangwckkenden D. Bmilio, terwijl zij de Marseillaise speelden
Ah, 5a ira, 5a ira, ga ira Celui qui s\'éleye on I\'abaisserra Celui qui s\'abaisse on l\'élèvera.
— Hoe heerlijk! riep Currita uit. En heeft hij geen aanspraak gehouden?
— Dat geloof ik!.... Van het balcon, even als Nillson te Weenen; en daarna onthaalde hij de menigte op carramels en sigaretten. ...
— Wat eene aperij!.. . . Van den winter gaat hij, zeker bij zich receptie houden
— Ja, voor de burgers satis-culottes.
— Polaina! riep Diogenes. En als hij een ham aan zijn deur hangt, komt geheel Madrid en jij allereerst, Currita.
Oom Prasquito schrikte, toen hij de stem van Diogenes hoorde, en bevreesd voor eene zijner onstuimige liefkoozingen, maakte hij zich gereed stilletjes weg te sluipen, terwijl hij zijn laatste nieuwtje fluisterend vertelde. Een telegram berichtte ook, dat D. Carlos te Zuggarramurdi in Spanje was gekomen en dat zijne partijgangers, van de verwarring gebruik makende, eene uiterste poging zouden wagen om zich van de regeering meester te maken.
Dit ontstemde het gezelschap zeer, want het Carlistendom scheen hun gevaarlijker toe dan de Republiek. Op dit oogen-blik kwam een oud heer, met eene hooge gestalte en een krijgshaftig uiterlijk en grijze opgekrulde knevels, hen moed inspre-spreken. Het was Generaal Pastor, broeder van Leopoldina, die uit het paleis Basilewsky terug kwam, waar hij een onderhoud had gehad mot de Koningin.
Met een van blijdschap en tevredenheid stralend gezicht voegde zich de Generaal bij de groep, alsof hij reeds de portefeuille van oorlog in het verschiet zag en antwoordde met
151
laohjcs on bedekte woorden op de honderd vragen, die men hem van alle kanten deed. Hij haastte zich aan de Gravin van Albornoz en de Hertogin van Barll mededeeling te doen van een opdracht der Koningin. . . . Deze had de beide dames aangewezen om Haar den volgenden dag te vergezellen naar de Boetkapel op den Boulevard Haussman, waar de jaarlijk-sche mis voor den ongelukkigen Lode wijk XVI zoude gelezen worden. De mis was dit jaar iets uitgesteld en het zou een zeer belangwekkend schouwspel zijn, want de Prinsen van Orleans, thans met den Graaf van Chambord verzoend, zouden voor het eerst in hot openbaar aan deze symbolische eerbewijzen deelnemen.
Toon kwam Generaal Pastor met zijne nieuwtjes voor den dag, terwijl hij met een soort van politieke ijdelheid het deed voorkomen, alsof hij meer verzweeg, dan hij wist. Hij bevestigde hetgeen Oom Frasquito had verteld en voegde er bij, dat de uitroeping der Republiek eene reuzenschrede was naar de Restauratie; dat de vreeselijkste onlusten wel spoedig in Spanje zouden uitbarsten, en dat de Europeesche mogendheden, door de uitspattingen der Commune in Frankrijk wijzer geworden, ten gunste van Prins Alfonso zouden tusschen beide komen. Reeds waren geheime nota\'s van vreemde gezanten aan het paleis Basilewsky ontvangen en Thiers zelf, die vreesde, dat de geesol der vereenigde Monarchieën hem wel eens een striem kon geven, weigerde de nieuwe Republiek te erkennen.
Alleen Mr. Hamlin, Gezant der Vereenigde Staten in Spanje, had zich beijverd den nieuwen staat van zaken, in naam van zijn Gouvernement, te erkennen, en had zijne opwachting gemaakt in het paleis van den President met al het ceremonieel, dat in de dagen der Monarchie gebruikelijk was. Met de potsierlijke deftigheid van Jonathan in persoon had hij verzekerd, dat „de Vereenigde Staten van America niet anders dan met voldoening en sympathie de bekeering tot de Republiek van het Rijk van Ferdinand en Isabella konden beschouwen.quot;
152
— Weg met dien vlegel! riep Leopoldina Pastor woedend uit. Voor die farceurs van Yankees is Figueras de gelijke van Ferdinand den Katholieke, en is een kroon hetzelfde als een katoenen slaapmuts. Cotton is king. — Prachtig! — En dan te denken, dat wij drie weken geleden nog in zijn huis dansten. Komaan! men ziet hieruit, dat als het op het zich vermaken aankomt, wij alle schaamtegevoel verliezen.. . .
— Tu dixisti! schreeuwde Diogenes met grooten nadruk.
— En dit zeg ik u nog eens, vervolgde Leopoldina; ik verzeker u, dat die vlegel nog wel eens van mij een paar woorden zal hooren, die op hunne pooten staan. Oh, dat had ik te voren moeten weten! Op het laatste bal had hij kousen aan van blauw katoen. . ..
— Dat komt, omdat zijn schoonzoon een fabriek heeft, te Boston.
— Dat treft heerlijk! riep Currita. Als men den schoonvader den kouseband geeft, kan zijn schoonzoon hem de kousen present geven. Ongetwijfeld heeft hij die kousen den President der Republiek aanbevolen, aan het slot van zijn toespraak — op dezelfde manier als die Yankee -preacher, die zijn preek zoo eindigde: Aldus heb ik u aangetoond , dat alleen het pad dor deugd ten hemel voert, geliefde broeders. — Thans blijft mij nog alleen over, tot besluit u het prachtige hoedenmagazijn te recommnndeeren van Mr. Francis Morton, 24. Catharine street. Daar zijn alle artikelen vol smaak en goed. Net cash. — Dat wil zeggen, dat er niet geborgd wordt.
De electrische schel, die aan les hommes d\'équipe de komst van nieuwe reizigers aankondigt, begon op dit oogenblik te klinken en kort daarop kwam Gorito Sardona zeer ontsteld berichten , dat de vrouw van Lopez Moreno juist in het Grand Hotel was afgestapt, dat zij uit Madrid kwam en dat het weinig had gescheeld, of zij was onder weg vermoord.
— Een oor hangt er bij, zeide hij, terwijl hij aan een zijner eigen ooren trok.
Het gezelschap gaf een kreet van afgrijzen en allen gingen
153
haar tegemoet, begeerig deze bankiersvrouw zonder ooren te zien De Hertogin evenwel, zeker bang, dat de hypotheken, die zij op hare goederen had, het zouden moeten ontgelden voor de ooren van Mevrouw Moreno, wilde door de eetzaal ontsnappen en probeerde dit met het ongelukkig gevolg, dat zij op de binnenplaats togen de vrouw van Lopez Moreno aanliep, die daar was met hare dochter Lucy, twee kameniers, een bediende en een ontelbaar aantal koffers en hoedondoozen. De bankiersvrouw zag bleek en terneergeslagen en had inderdaad aan haar linker oor een bloedig lelletje.
Toen de Hertogin zich gevangen zag, ging zij Mevrouw Lopez Moreno tegemoet en riep zeer hartelijk uit:
— Maar Ramona!.... Waarom hebt gij mij niet te voren gewaarschuwd ?.
— Gewaarschuwd?.... riep do vrouw van Lopez Moreno verwonderd uit. Tk dank den hemel, dat ik levend aankom. Wat eene reis. Hertogin, wat eene reis!.... Onderweg heeft het weinig geschoeid , of men had mij vermoord !.... Door een wonder ben ik er aan ontkomen! . . . .
— Hoe vreeselijk! riep de Hertogin uit.
En om zich heen ziende, om zich te overtuigen, of het wonder ook Senor Lopez Moreno had beschut, vroeg zij verder:
— Maar waar is uw man ?.. . . Komt hij niet ?
Do teedere echtgenoote maakte weder een gebaar van verwondering, zoo niet van schrik, en antwoordde zonder buitengewone teederheid:
— Hij is te Matapucrca. .. . Als hij nog leeft!....
— Te Matapuerca! riep Diogenes uit. Dat kan niet zijn!----
Het zal zijn te Matapuerco.
— Neen, neen te Matapuerca, antwoordde Mevrouw Moreno, zonder de insolentie van den ouden heer te begrijpen. !)
1) Matapuerca is de naam van een landgoed. Diogenes bedoelt Mata-puerco, afgeleid van matar — dooden en pucrco — varken.
154
En omringd door allo Spunjiiarden, die, door nieuwsgierigheid gedreven, waren toegeschoten, begon de zwaarlijvige dame hot verhaal van hare rampen
Spanje was verraden. Alle fatsoenlijke lieden verlieten Madrid bij hoopen en het scheen wel, alsof het jongste bazuingeschal had weerklonken
— Dat doet mij pleizier, zeide Diogenes; op dat trompetje heb ik al lang zitten wachten. Wat zal men een dingen te weten komen, wanneer de engel zegt: Elke penning keere terug tot zijnen eigenaar en elke zoon tot zijnen waren vader!....
De Hertogin legde hem, met eene beweging van haren waaier, hot zwijgen op en Mevrouw Lopez Moreno, uiterst tevreden zich het voorwerp te zien van aller belangstelling, ging voort met het verhaal van hare angsten, van hare vreeselijke angsten, van hare barbaarsehe angsten. ... De trein bestond uit twee en veertig wagons, opgevuld met menschen, die naar Biarritz, naar San Juan de Luz, naar Bayonne, of naar welke plaats dan ook gingen om over de grenzen te komen. Te Victoria werd er nog een locomotief bijgevoegd en werden vier kom-pagnieën van het Regiment Luchana opgenomen. ... O ramp! \'sNachts ging alles goed, maar toen wij te Alsiisua aankwamen! Heilige Maagd! De Carlisten!! En dadelijk — prruurruumü — Een gruwelijk schieten.
•— Maar op eens, lieve menschen, op eens, zonder zelfs nog te waarschuwen, zonder te roepen: „van onderenquot;, niets, niets. Onze troep, natuurlijk, gaf antwoord — prruurruumü Een, twee salvo\'s. — Ik half dood — Lucy half dood onder de bank, zonder geluid te geven en prurrruumm! — van boven — prnrrruum! van beneden, dat duurde wel een half uur.. .. Op eens wordt het raampje geopend, een hand wordt er binnen gestoken, trekt mij een oor af en verdwijnt.
— Hoe gruwelijk! riepen allen, en Grorito Sardona voegde er spottend op deftigen toon bij:
— Wilden zij er eene kalfsfricassée van maken ? .
155
— Neen, mijahect\', antwoordde het slachtoffer, oen weinig beleedigd. Hetgeen zij wilden, was een diamant mede nemen van vijfhonderd duros, dien ik in mijn oor had hangen en dien hebben zij ook werkelijk medegenomen. .. . Men zeide mij, dat het een gauwdief was, die daar aan het station was; maar niemand praat mij uit het hoofd, dat het Pater Santa Cruz was.... Dit alles gebeurde in den tunnel, in het donker, en op den muur vóór mij zag ik de schaduw van zijn priesterhoed.
— quot;Wat eene barbaarschheid !. .. .
— Maar hebt gij de Carlisten gezien?
— Ja zeker heb ik hen gezien!.... Toen wij den tunnel uitkwamen, stond er een hoop van hen op een heuvel en in hun midden iemand met borduursel op zijn kleederen; dat was Don Carlos. Een klein kereltje, smerig, met een rooden baard en door de pokken geschonden, die ons zijn vuist toestak, zóó ....
En de vrouw van Lopez Moreno balde hare dikke vuist met een gebaar van vreeselijko bedreiging.
— Maar Don Carlos is zeer groot, donker, met een zwarten baard. Ik heb hem gekend te Vevey. . ..
— Dan heeft hij zich vermomd; het is zoo moeilijk niet, een zwarten baard rood te verwen.
— Maar het is onmogelijk, wanneer men bijna twee meter lang is, tot de helft in te krimpen.
— Het is mogelijk, dat ik mij vergis, maar ik twijfel er aan, zeide de vrouw van Lopez Moreno, die niet gemakkelijk afstand deed van de eer, door een koninklijke vuist te zijn bedreigd.
Generaal Pastor hoorde dit alles met veel genoegen aan, daar hij in dit ongeval het eerste gerommel meende te hooren van het vreeselijk onweer, dat over Spanje werd ontketend. Uit dien chaos moest de Restauratie geboren worden en de staatkunde zijner partij was er op ingericht, alle krachten in te spannen om de verwarring gaande te houden. Een onvoorzichtige vraag van den Oeneraal deed aan de best ingelichten
156
zien, dat dit inderdaad zijne tactiek was. Hij vroeg aan de vrouw van Lopez Moreno, of, toen zij Madrid verliet, er niet gesproken werd over socialistische woelingen in Andalusië.
—- En dat vraagt gij mij? riep de bankiersvrouw driftig uit. Weet gij dan niet, wat er te Matapuerca is gebeurd?....
— Oh! foei! — om \'s hemels wil, viel hier Currita met hare aristocratische impertinentie haar in de rede. Kan het niet zijn .... Mata .... iets anders?
— Maar hot heet Matapuerca.. .. Het is eene prachtige vet-weiderij in de provincie Extramadura, meer dan drieduizend morgen groot en met zeven en twintig boerderijen. — Kortom, een klein koninkrijk. .. . Het hoorde vroeger aan do broeders van Sint Augustinus en mijn man heeft het gekocht, toen Mendizabal....
Currita maakte een gebaar van onderworpen geduld en vroeg:
— En wat is er gebeurd in dat kleine koninkrijk van Mata.... die lieve diertjes?....
— Och niets; eene kleinigheid! . . . . Toen de republiek was uitgeroepen, overweldigde eene horde bandieten die bezitting, vermoordde den opzichter en drie veldwachters en deelde het land onder elkaar. Lopez ging er dadelijk heen en ik ben zeer ongerust .... ik weet niet, wat hij er gaat doen.
— quot;Wat hij er gaat doen? riep Diogenes uit. Polaina! hetzelfde, wat de broeders Augustijnen deden, toen uw man en Mendizabal hun die bezitting afnamen!.... Geduld hebben!.... Elk varken krijgt zijn beurt, donna Ramona. Denkt gij, dat het met Matapuerca niet eveneens zal gaan.... Mijne waarde, die socialisten, die socialisten! — Zij zijn het, die logica leeren; daar hebt gij nu de nieuwe afschaffers van de doode hand.
Mevrouw Lopez Moreno wilde zeer beleedigd antwoorden, toen Generaal Pastor, van genoegen zich de handen wrijvende, haar voorkwam en zeide:
— Gij brengt ons uitstekend nieuws, Mevrouw. De zaak gaat voor den wind, beter dan ik had gedacht.
157
— Maar ik smeek u! riep de bankiersvrouw verrast uit. Gij zoudt zoo niet spreken, als men u een landgoed had afgenomen en u een brillant van vijf honderd duros uit het oor had getrokken.
— Dat is niets, donna Ramona. Gij moet er maar een korte poos in berusten, de onttroonde Koningin van Matapuerca te zijn. ... De Restauratie zal u wel spoedig op uwen troon terug brengen. En weet gij, waarover ik op dit oogenblik denk, voegde de Generaal er bij, met de levendigheid, die eene plotseling invallende gedachte geeft: dat de Koningin uw verhaal gaarne uit uw eigen mond zou willen hooren. Zoude het u ongelegen komen, op het paleis te verschijnen?....
De bankiersvrouw meende te barsten van vreugde en de Hertogin, die zich haastte van deze gelegenheid gebruik te maken om met eer en glans te betalen, hetgeen zij niet betaalde in geld, riep luide uit:
— Een prachtig denkbeeld! Ik zelve zal haar presenteeren. Morgen vraag ik audientie bij la Senora. . . .
— Ik geloof ook, zeide Currita zeer bedaard, dat de Koningin haar graag zal hooren... . Donna Ramona vertelt zeer goed en heeft een groot talent van nabootsen. . . . Telkens als zij zegt: prruurruum, is het werkelijk, alsof men kruitdamp ruikt. . .. Hoe heerlijk! . . .. Haar die dig ring olade van Matapuerca te hooren vertellen!... .
Mevrouw Lopez Moreno hoorde hiervan niets, bezig als zij was, haren dank te betuigen aan den Generaal en de Hertogin. De gouden droom van haar geheele leven, teu paleize te worden ontvangen, was op het punt te worden vervuld en de prijs van een landgoed en een verscheurd oor scheen haar niet te duur toe.
Wat den Generaal betrof, deze volgde de staatkunde van Butron, harrer para dentro (naar binnen bezemen), en hij berekende, welke sterke aderlatingen hij in naam der samenzweerders met zijn zegenvierenden degen in de volle kisten van Lopez Moreno eu consorten kon doen.
158
Gedurende dit geheele tooneel had Currita geen oogenblik Jacobo uit het oog verloren, die opmerkzaam toeluisterde, zonder zich te haasten, naar zijn kamer te gaan, om daar zich te wasschen en uit te rusten. Toen het gezelschap uit elkaar ging, omdat het etensuur naderde, vond Currita hem niet meer op het terras. Zij zocht hem een oogenblik in de leeszaal, ging toen de binnenplaats over en vond hem nergens meer.
Op de hoofdtrap ging op dat oogenblik Oom Prasquito naar boven; hij gaf den arm aan zijne bastaard nicht, de onttroonde Koningin van Matapuerca, die op elke trede stil hield om hem hare angsten wel te doen begrijpen en hom een denkbeeld te geven van de pracht van haar landgoed, de pijn aan haar oor en het vreeselijke van die knallende schoten.. . .
— Prruurruum.. . .
III.
De omstandigheden hebben altijd invloed op den uitslag en liet bij tijds komen heeft niet zelden tot voetstuk gediend voor vele vermaard geworden personen en lauweren gevlochten om de hoofden van tallooze helden. Elk karakter vereischt dus bijzondere omstandigheden om het te begunstigen, een geschikt tijdperk om het te omlijsten, en een gunstig historisch oogenhlik, dat toelaat zijn volle kracht te ontwikkelen. Een Hercules in don voor-historischen tijd, een Cid in de dagen der Ridderschap zouden een Don Quichot zijn in de dagen van intrigue en woeker. Een Espartero en een Mendizabal daarentegen zouden in de dagen van weleer, deze een schacheljood, gene een commissaris van politie zijn geweest.
Jacobo ïellez meende hot ongeluk te hebben gehad zich te vergissen, toon hij geboren werd, zoowel ten opzichte van den tijd, als van de plaats. Tc midden der bloedige golven van de groote Fransche revolutie meende hij, dat hij door zijne talenten een Mirabeau en door zijn moed een Lafayette zou zijn geweest. Maar in de modderige wielingen der Spaansche revolutie van 68, was hij in de oogen van hen, die hem kenden, als politicus een sukkel en als aanvoerder een groote zot.
Genoemde twee groote figuren van, even als hij, afvallige adellijken sleepten hem geheel en al mede; de leeuwenmanen van den een en de soldatenrok van den ander stonden hem zeer aan. Hij vereenigde deze twee persoonlijkheden tot één geheel
160
en het resultaat daarvan, nadat hij, als de een, alle banden van zedelijkheid had verbroken, en, als de ander, de volksmassa\'s had opgeruid, was een ingebeeld bedrieger. Over het algemeen speelde hij een rol, want er zijn groote Aristidessen en ook kleine, en er zijn Cincinnatussen, waarvan er twee in een pond gaan, of van drie voor een stuiver, of voor ander-halvecent het matje, zooals in Andalusië de afgevallen vijgen verkocht worden. Maar deze revolutionnaire, afgevallen vijg, die als een aristocratische ananas geboren was, kwam niet door tragische gevaren of dramatische gebeurtenissen als eene gewone vrucht tot rijpheid, maar langs den natuurlijken weg, geleidelijk , zooals na de buil de etter komt en na den etter het koud vuur. Hij kwam er glijdend, zonder stooten, over de weelderige helling, die van het vermaak naar de ondeugd voert; van de ondeugd tot de afdwaling des geestes en van daar naar de walging, de ontgoocheling, de ontzettende ledigheid des harten, die het hoofd doet duizelen en den mensch nederstort in een poel van dwaasheden en schanddaden, altijd zoekend naar nieuwe genoegens, die zijne verstompte zinnelijkheid opwekken, naar onbekende aandoeningen om do gulzigheid van zijne losbandige begeerten te verzadigen.
Niets is gevaarlijker voor den mensch, dan in korten tijd al de bekoorlijkheden van een leven op grooten voet te doorloopen en Jacobo, met die behoefte aan genieten, die de tegenwoordige maatschappij kenmerkt, die bevreesd is om het genoegen, dat men heden kan smaken, tot morgen uit te stellen; die den loop der leeftijden verhaast en van de kindschheid overgaat tot den gebrekkigen ouderdom en de jeugd overslaat, indien men door jeugd verstaat dien gelukkigen leeftijd, wanneer in het hart edele driften ontwaken en in de ziel verhevene gedachten woelen, welke later, na een vasten vorm te hebben aangenonten, de groote karakters vormen, Jacobo zeiden wij, had dien grooten levenstocht in minder dan dertig jaren afgelegd!.. ..
Op zijn vijftiende jaar, reeds bevrijd van gouverneurs en
161
onderwijzers, was hij het galantste, loszinnigste zevenmaands kindje, dat een scheermes begon noodig te hebben en dirigeerde hij reeds cotillons in de salons der groote wereld. Op zijn twintigste was hij een gelukkige don Juan Tenorio met een slechten naam, die in de Veloz club met zijne schandelijke avonturen pronkte. Op zijn vijf en twintigste was hij een aristocraat in verval, maar elegant en den toon aangevend, die voor geen leugens terugdeinsde, noch voor een steeple chase, of voor een inzet van twintig duizend duros, en die de millioenen zijner vrouw met even groot gemak had verkwist, als een toovenaar met zijnen staf uit het midden der aarde verborgen schatten doet te voorschijn komen, welke door kabouters en salamanders bewaakt worden.
Op zijn dertigste had hij als Salomo gezien cuncta quae fimit sub sole, maar niet als deze begrepen, dat alles ijdelheid is en kwelling des geestes, doch hij weende als Alexander, omdat er geen andere wereld vau genot was om te veroveren, en met een verdroogd hart, met een verstand, dat verstomd was door het vroegtijdig botvieren aan zijne hartstochten, met een huis, verwoest door krankzinnige verkwisting, was hij de rotte vrucht, die nooit tot rijpheid was gekomen, een man in den bloei zijner jaren, wien een levensdoel ontbrak, een ellendig wrak van genietingen en goddeloosheid, die niet als Hamlet de eeuwigheid trachtte te doorgronden, maar die op den grond rondkroop en alle hoeken doorzocht, zoekende naar een poel van onbekend genot om zich daarin te dompelen, te wentelen, te genieten.
Toen werd hij uit nieuwsgierigheid, uit verveling, voor afwisseling, om in het geheimzinnig donker iets te vinden, dat hem vermaak en geld kon verschaffen, een politiek persoon. Garibaldi leidde hem de vrijmetselaars loges te Milaan binneu en Prim voerde hem in Engeland in een complot van groote samenzweerders tegen den troon van Spanje.
De Revolutie zegevierde en op de zenuwachtige spanning van den samenzweerder volgden voor Jacobo de aangename bedwel-
11
162
ming der overwinning, de cynische schraapzucht van een Ro-raeinsch praetor on de schitterende apotheose van kartonnen zegebogen en zuilen van papier, waarheen hij werd gedragen op de schouders van het domme volk, dat door zijne welbespraaktheid was medegesleept. De wufte menigte, die iets vrouwelijks heeft, was bekoord door zijn flink uiterlijk en zijne minzame voornaamheid en beloofde hom op de banken van het Congres te brengen om de Souvereiniteit van het volk te verdedigen. Dit beloofde men aan hem, den hoogmoedigen aristocraat, alleen afvallig in naam, die hen spottend blainv-kielen noemde, stommelingen en krankzinnige burgers, en die, wanneer hij van hen af was, zich haastte zijne handen met zeep te gaan wasschen en zich te parfumeeren om dien ondra-gelijken stank van het canaille ver van zich te doen.
Kort daarop had er in zijn leven een duister tusschenspel plaats, waarvoor zelfs de kwaadsprekendheid verstomde, omdat zij vreesde uit te glijden in een bloedplas.
Eens, het was de 273te December, maakte een geweerschot in de Calle del Turco een einde aan de grootste vermetelheid, die den stoot had gegeven aan de Revolutie. Generaal Prim was vermoord en zijn vertrouwde vriend, zijn banierdrager, do Markies van Sabadell, die voor de portefeuille van Openbare Werken was aangewezen, verdween op eens, toen de valsche tijding omliep, dat de wonden van den Generaal niet doodelijk waren en dat zijn mond verschrikkelijke onthullingen had gedaan.
Prim stierf evenwel den 30\'-™ en nam den sleutel van het geheim mede in zijn graf en drie maanden daarna stond er in de Gaceta een koninklijk besluit, waarbij de Markies van Sabadell werd benoemd tot Gevolmachtigd Minister van Spanje te Con-stantinopel.
„Ik heb mij overtuigd,quot; schreef de nieuwe Ambassadeur aan den Voorzitter van den Ministerraad, „dat eene neiging voor het Oostersche leven mij is aangeboren en ik stel al mijne verwachtingen op Cairo, Bagdad, Ispahan of Constantinopel.
163
Hot gevolg van zijno verwachtingen bleef niot uit.
Op een morgen vertoonde zicli do Cadina Saharai niet achter de vergulde jalousieën om naar do blauwe borgen van Azië to zien on do dour van haar kiosk bleef gesloten. In het paleis werd gefluisterd, dat daar in den vorigen nacht een kreet had weerklonken en twoe gedaanten waren gezien, dio in het labyrint van donkere gangen waren verdwenen, een zwart voorwerp mededragende. •
De schildwacht bij den toren aan de zee van Marmora had in het water een akeligen plomp gehoord.
Den volgenden morgen was aan do andere zijde van den Bosporus het lijk van oenen geworgden eunuch aangespoeld. Van de Spaansehe ambassade, op don heuvel van Pera, kon men op het helder blauw der golven zijn zwarten tabbaard zien, met de zweep van nijlpaardenhuid, het kenmerk van zijnen stand, die hem tot strop had gediend.
De Ambassadeur kon dit evenwel niet zien, omdat hij den vorigen nacht Constantinopel had verlaten, voor zaken van zulk een dringenden aard, dat hij niets had medegenomen dan een klein valies.... En met dat valies hebben wij Jacobo zien afstappen in het Grand Hotel, na twee maanden to bobben gezworven in de geheimzinnigste vrijmetselaarsloges en de elegantste speelhuizen van Italië.
De voortvluchtige Gezant van Constantinopel was op do vierde verdieping van het Hótel gelogeerd voor twaalf francs daags, zeer weelderig voor iemand, die in de wereld niets anders bezat dan drie millioen schuld tegen 15° 0, maar ;il te goring voor hetgeen hij meende, dat hem toekwam als Zijne Excellentie D. Jacobo Telloz-Ponce Melgarejo, Markies consort van Sabadcll.
Bij het licht van een koperen cnndolabre, die op don hoek van den schoorsteenmantel stond te branden, verslond Jacobo de Spaansehe couranten, die don nieuwen ommekeer in Spanje vermeldden on de Pransche couranten, die het gebeurde bo-sprakon, voorspellingen deden en haar oordeel er over velden.
H*
164
Herhaalde uitroepen en grove woorden, die van zijne lippen kwamen, gaven lucht aan de verkropte woede, die in heftige gemoederen door groolc tegenspoeden wordt opgewekt.
Eindelijk, na eenige woedende gebaren en na als razend zijne vuisten te hebben gebald, wierp hij de couranten weg en bleef langen tijd in gedachten zitten, gedoken in zijn leuningstoel, met vertrokken mond, gefronst voorhoofd en de oogen gevestigd op hot vuur in den haard, waarvan de roode vlammen een rossen weerschijn aan zijn gezicht gaven.
Men zou gezegd hebben, dat hij over een misdaad peinsde en dat hij er toe besloten was, toen hij een harden vuistslag gaf op de leuning van zijnen fauteuil. Hij stond plotseling op; de spiegel boven den schoorsteen weerkaatste zijn ontsteld gelaat, en toen hij daarin zijn beeld zag, kreeg hij dien angst dei-eenzaamheid, die met eenen slag de reusachtige vleugels der vermetelheid knot.
Hij zag om zich heen. In de slaapkamer, behangen met donker papier, bewoog zich een gordijn, in beweging gebracht door een luchtstroom, dien hij zelf had veroorzaakt, toen hij zich omdraaide. Hij liep er haastig heen en liet het zakken, lachende om zijne kinderachtige vrees en ging naar een groote commode van notenboomhout, die achter in de kamer stond. Daarop lag het valies open en in het bovenste gedeelte, dat gesloten was door een sleuteltje, dat hij in zijn zak had. bevond zich de reisportefeuille. Daaruit nam hij het papieren pak, dat er in werd bewaard en legde het op een tafeltje midden in de kamer. Op dat oogenblik hoorde hij loopen op de gang en Jacobo ging snel naar de deur om te luisteren en draaide toen met zoo weinig mogelijk gerucht den sleutel om. Vervolgens haalde hij uit eene kleine nécessaire een instrument met schildpadden heft, een soort nagelvijltje met een zeer dun en zeer scherp lemmet en ging het zeer voorzichtig heet maken bij het vuur in den haard. Nog weifelde hij een oogenblik en keek hij nog eens naar alle kanten en luisterde opmerkzaam naar het
165
gcdruisch van den Boulevard in de verte, golvende klanken van dwaasheid en vermaak, die tot zijne vensters opstegen. Eindelijk nam hij een besluit. . . . Met zeer lichte hand bracht hij het heele lemmet onder het lak, dat op het pakket was gedrukt , en zijn instrumentje langzaam doende draaien, maakte hij het zegel zoo volkomen en ongeschonden los, dat hij het er weer kon opplakken, zonder dat er een spoor van verbreking aan te zien was. Vervolgens legde hij het zorgvuldig op don rand van het tafeltje op een vel wit papier.
Het geheimzinnige pakket was nu open, en Jacobo zette zich met eene begeerlijkheid, die niet vrij was van angst, om hot te onderzoeken. Hij vond eenen brief in het Italiaansch geschreven, geen grooten brief, en die door dezelfde hand geschreven was, als het adres op den omslag, dik en loopend, en geteekend: Vittorio Emmanuele. Ook vond hij twee andere groote, onbeschreven enveloppen, voorzien van het zegel dor vrijmetselarij: een passer met een rechthoek, over elkaar gekruist, op groen lak.
Jacobo bekeek ze van alle kanten, zonder hoegenaamd eenig teeken van verwondering te geven, en met dezelfde vaardigheid en handigheid van zoo even, nam hij er de beide zegels af. De eerste enveloppe bevatte een groot, gevouwen papier, met kleine letters beschreven, terwijl elke zin met romeinsche cijfers was gemerkt, bij wijze van artikels en op den rand aanteoke-ningen waren gemaakt met dezelfde vette letter van don brief en van den eersten omslag.
Jacobo las dit alles opmerkzaam, maar zonder verrassing, alsof alles, waarover het handelde, hem bekend was. Alleen, toen hij aan de laatste artikels kwam, waar de naam van den Markies de Sabadell vermeld was, opende een spottende glimlach half zijne lippen en hij mompelde:
— Ah ! Schavuit!....
Daarna kwam de beurt aan het laatste pakket, dat het dikste was. Dit opende hij zeer gemakkelijk, omdat een hoekje van
166
den omsliig was losgegaan 011 dadelijk kwamen daaruit twee andere blanco enveloppen te voorschijn en een derde, waarop een naam was geschreven, die Jacobo deed opspringen. Hij slaakte een van die uitroepen, die men soms op oogenblikken van drift of verrassing hoort, ook van menschen, die aanspraak maken op goede manieren.
Hij bleef verstompt zitten; zijn hart bonsde, zijne knieën knikten en hij draaide die papieren om met een mengsel van vreugde cn schrik, zooals een zwak mannetje zou kunnen gevoelen, die op eens in zijne handen de fabelachtige rijkdommen van een geduchten reus. ziet, welke hij zich niet moet laten ontrooven. Twee malen wierp hij een steelschen blik naar de deur, alsof hij bang was die te zien opengaan, in weerwil dat hij haar van binnen met den sleutel had gesloten.
Daar had hij inderdaad een arsenaal van brieven en papieren gevonden van zeer compromitteerenden aard en van zeer groot belang door de handteekeningen, die zij droegen. Zij waren volmaakt goed geordend en gerangschikt en er was een soort van memorie bij, waarin door iemand, die goed op de hoogte was, zeer belangwekkende data en kostbare opmerkingen waren geschreven. Dit was een schat van groote waarde, een geweldige hefboom, die, goed aangewend, een groot gedeelte der revolutionnaire staatslieden, waarvan het wemelde in Spanje, in korten tijd zou kunnen ten val brengen. Het waren wissels, betaalbaar op zicht, waarmede iedereen macht of geld kon verkrijgen.
Jacobo verslond alles, regel voor regel, letter voor letter, terwijl hij allo aandoeningen doorliep van verrassing, verbazing, woede, hoop en twijfel. Hij woelde met beide handen in zijn krullend haar; hij drukte eenige van die papieren tusschen zijne bevende vingers, alsof hij daarmede wilde uitdrukken, dat zij van hem waren en dat niemand ter wereld ze hem kon afnemen. Somtijds hield hij een oogenblik op met lezen, hield zijnen adem in en dacht na. . . .
167
Toen hij gedaan had met lezen, zag hij or bleek uit en de onzekere on vroesachtigo blik, dien hij om zich heen wierp, drukte wantrouwen uit en de vrees, die eiken misdadiger doet gelooven, ook midden in oen woestijn, dat onderzoekende oogcn hem bespieden.
Hij stond toen op en begon op en neer te loopen met gebaren , die vrees en vreugde uitdrukten. Hij danste als oen jongen of als oen krankzinnige; hij ging voor den spiegel staan, alsof hij zijn eigen beeld wilde ondervragen; hij hield stil voor hot tafeltje, om de was van de rose kaarsen, die er met druppels langs liep, op te vangen en maakte er balletjes van tus-sehen zijne vingers, met een nadenkend, indrukwekkend, of dreigend gelaat.
Het scheen, dat hem op eens het licht hinderde en hij deed de kaarsen uit; hij opende daarop het venster en ging, op zijn borst liggende, naar buiten zien. Het was zeer koud, maar de altoos dichte menigte te Parijs trotseerde de koude. Zonder een oogenblik stil te houden drong de menschenmenigte op den Boulevard tusschen twee stroomen licht, zonder rust, als zielen, door God veroordeeld tot een altijddurend feest.
In het gewoel van dio menigte, in die afwisseling van lichten van allerlei kleur, die den Boulevard deden gelijken op een feeën bal, zag Jacobo slechts één denkbeeld, één plan, waarvan de eerste omtrekken hem onophoudelijk martelden, hem allerlei tegenstrijdige gedachten opdrongen, tengevolge van onvoorziene moeielijkheden en van zeer gegronde vrees, die hem deden aarzelen. Hij zuchtte van verdriet, als een kind, wien men lekkers uit de handen neemt, gromde als een geketende leeuw, wien men zijn prooi uit de klauwen rukt, want hij moest die papieren overgeven en mocht ze niet bewaren om ze tot zijn voordeel te gebruiken. In plaats van hier de hoofdpersoon te zijn, was hij niet anders dan een eenvoudig werktuig. Hoe de opeisching te beantwoorden van den vreeselijken eigenaar? Hoe het vermoeden van roof af te wenden, wel is waar gepleegd
168
aan een schurk, maar toch roof? Hoe de verschrikkelijke en onvermijdbare wraak te ontkomen, die op de ontdekking moest volgen ?
Onder de duizend bespottelijke formaliteiten, waarover hij in de loges zoo dikwijls bij zich zelf had gelachen, vertoonde zich op eens in zijne verbeelding iets ontzettends, iets dreigends, dat een tastbaren vorm aannam in dit geheimzinnig woord, dat hij altoos lachend had uitgesproken en zich nu bevend herinnerde:
— Nee kan! — Wraak! ... .
Het was noodig voorzichtig te werk te gaan, na te denken, te wikken en te wegen en zonder verwijl te handelen. En daar hij hoopte, door beweging te nemen een van die invallen te krijgen, die plotseling opkomen bij het omslaan van een hoek, of midden in eene goot opborrelen, ging hij de straat op, na in de commode al zijne papieren te hebben weggesloten. Hij volgde den Boulevard des Capucincs en kwam zoo op den Boulevard de la Madeleine, liep de Rue Royale door en ging toen een doolhof van onbekende straten in en kwam na twee uren te hebben geloopen in het Hotel terug, moede en afgemat, zonder iets te hebben uitgedacht en zonder tot iets te zijn besloten.
Jacobo was een van die mannen, die vermetel zijn en tegelijk besluiteloos en voor wie het nadenken, verre van den weg te effenen voor het verstand, dat plannen maakt, of den teugel in te houden van de hartstochtelijke begeerte, die het bit tus-schen de tanden neemt, niets anders doet, dan het verstand te verstrikken in verwarde voorstellingen en de begeerlijkheid te prikkelen, totdat zij losbarst, wanneer de gelegenheid daartoe het minst geschikt is en de voorzichtigheid dit het minst aanraadt. Het zijn karakters, voor het meerendeel vurig en ongeduldig, die eer door ingeving, dan door overleg handelen en die, verwachtingen voor werkelijkheid nemende, daarop kasteelen bouwen met minder cement dan lucht.
Op de trap, zich vasthoudende aan de leuning, strompelde
169
een oude hoer naar boven, gewikkeld in oen mackintosh, die dik genoeg was om iemand tegen al de guurheid van de Pool te beveiligen.
Het kwam Sabadell voor, dat deze verschijning Oom Prasquito in persoon was, en hij ging stil naar boven om hem in te halen. Maar de oude man, toen hij bemerkte, dat men hem achterna liep, verstopte zijn gezicht in zijn groeten bonten kraag en nadat hij snel in de zak van zijn mantel iets had verborgen , dat hij in de hand hield, trad hij haastig de kamer naast die van Jacobo binnen. Deze bleef een oogenblik verrast en verschrikt staan kijken en, twijfelende of het wel Oom Prasquito geweest was, ging hij ook zijne kamer binnen.
In den muur van die kamer was eene kleine tusschendeur, die dit apartement in tweeën deelde en die aan beide kanten met grendels kon gesloten worden. Jacobo ging er op de punten zijner voeten heen en luisterde aandachtig. Hij hoorde toen, dat zijn buurman een lucifer aanstak en de deur, die op de gang uitkwam, op slot deed. . . . Verder hoorde hij, dat lichte schreden, volstrekt niet door het tapijt gesmoord, het dunne tusschen-deurtje naderden en bespeurde hij eene zachte beweging aan den grendel aan den anderen kant... .
Ontsteld deed Jacobo, bijna ademloos, een stap achteruit en, terwijl hij snel een blik wierp op de commode, waarin de papieren lagen, haalde hij uit zijn zak een revolver met zes schoten. . . . De buurman bespiedde hem en in zijne opgewonden verbeelding zag hij, de trouwlooze vrijmetselaar, de dolken van alle loges van Italië gereed, om van hem het kostbare pand terug te eischen.
De grendel knarste ondertusschen op nieuw. Zonder twijfel wilde de buurman dien wegschuiven en het deurtje open maken, dat, zeer goed in de verf, geen reet had, waardoor men kon zien.
De lichte voetstappen lieten zich weer hooien, maar om zich te verwijderen en Jacobo kwam dichter bij, met zijn revolver overgehaald en met scherp luisterend oor. Kort daarop hoorde
170
hij een verdachten hoest, liet was niet het nuffige, bestudeerde hoestje van Oom Frasquito, maar een astrniithickc hoest, een hoest van een ouden man, die deed denken aan het eigenaardig gekraak, dat in bouwvallige huizen eene aanstaande instorting aankondigt.
Een ander vreemd geluid kwam zijnen angst vermeerderen. Hij hoorde een lichten, metaalachtigen klank, als van het lemmet van een dolk, dat op een glasachtige of marmeren oppervlakte stoot; daarop, bij tusschenpoozen, een dof geluid als van iets, dat men snel en luchtig wrijft....
Misschien scherpte de buurman wel den dolk, misschien was hij bezig dien te vergiftigen. . ..
Alles bleef een oogenblik stil. Toen hoorde hij de lichte voetstappen in verschillende richtingen; zij draaiden voor de deur heen en weêr en hij kon het schuifelen hooren van den verdachten buurman, die spionneerde en later, toen het uurwerk op het Hotel eéii uur sloeg, hoorde hij een slag als van een zwaar lichaam, dat op eene zachte matras valt; daarna een gerekt: Aaah! — en een geweldig gegeeuw, dat Jacobo gerust stelde.
Niemand, die uit moorden gaat, maakt zich daartoe al gapende gereed.
Aldus gerust gesteld, maar toch nog altijd iets benauwd, legde hij den revolver op eene tafel en met het genot van eenen gierigaard, die in zijne schatten woelt, verdiepte hij zich op nieuw in het lezen en het onderzoek der papieren.
Eensklaps sprong hij weder verschrikt van zijn stoel en nam den revolver weêr in de hand. In de kamer daarnaast had hij een geweldigen sprong hooren doen; daarop hoorde hij haastige stappen, verscheideue slagen op de deur en ten laatste eene gebroken stem, die in het Spaansch riep: Help!.... Help!----
Daarop, met een gejammer er tusschen in, hoorde hij in het Pransch:
— Au secours!.. . Au secours! ....
IV.
Zoer slecht in zijn humeur, was Oom Frasquito \'s avonds in hot Grand Hotel aangekomen. Hij had twee uren lang de aristocratische verveling verdragen van den Cercle de la Union, Sancta Sanctorum van den Fnuhonrg Saint Germain, wat de heeren betreft; waar slechts zeer zelden oningewijden worden toegelaten en die daarom eene groote aantrekkelijkheid bezit voor hooggeboren ijdelheid. De haan van onzen buurman is in onze oogen altoos zoo mooi als een pauw en te zitten gapen in gezelschap van Rohans en Montmorency\'s heeft zelfs eenige aantrekkelijkheid voor hen, die gewoon zijn hun gegeeuw te paren aan dat van Ossuna\'s en Medinaceli\'s.
Oom Frasquito had de gewoonte, veel over kiespijn te klagen en dan nam hij die gelegenheid waar om zijn mond met een pijnlijk gezicht open te doen, waarbij hij een prachtig gebit liet zien, helder, gelijk, en wit als de toetsen van een piano. Het had hem tienduizend fres gekost bij Ernest, den beroemden tandarts van Napoleon III.
Hij klaagde er dan over, dat hij zulke hevige pijnen moest doorstaan met zulk een zuiver gebit, maar wachtte er zich wel voor, er bij te vertellen, dat die pijnen hunnen oorsprong-hadden in zekere overgeblevene kies, de eenige, die oorspronkelijk van hom zelf was en die in zijn tandvleesch stond als een mijlsteen midden in eene woestenij.
De uitwerking der koude, toen hij den Cercle had verlaten,
172
gaf hom een licliteu stook in die fossiele Ides en hij versnelde zijn pas om spoedig in het Hotel te komen en daar oen mond-elixer te gebruiken ten eindo geen slapeloozen nacht te moeten doorbrengen. Midden op de trap zag hij voorzichtig om zich heen cn niemand ziende, nam hij snel zijn gebit uit don mond. Dit gaf hem veel verlichting en maakte hem tevens zoo leelijk, dat hij op een bespottelijk karikatuur van zich zelf geleek.
Oom Frasquito woonde op de vierde verdieping en toen hij op de tweede gekomen was, ontwaarde hij met schrik, dat iemand hem volgde. Hij verhaastte ontsteld zijn gang en zag met een hoek van zijn oog den Markies van Sabadell, dio, twee te gelijk, de treden van de trap opklom. Zonder twijfel om hem in te halen. . . .
Hemelsche goedheid! Welk een schrik!...
Hij verborg zijn gezicht tot zijne wenkbrauwen in zijn grooton bonten kraag, stak het gebit in zijn zak en spoedde zich ademloos naar zijne kamer.
— Boosaarrdig noodlot! .. . .
Sabadell volgde hom onvermoeid en hield eindelijk stil bij de deur der aangrenzende kamer zonder naderbij te durven komen, maar keek hem vlak aan, verwonderd, opmerkzaam en beangst.
— Ik ben eon verloren man! — dacht Oom Frasquito. Morrgen weet heel Parijs, dat ik geen tanden meer heb.
En treurig wordende bij deze gedachte, strompelde hij zijne kamer binnen, stak licht aan en ging naar de tnsschendeur om te zien, of die aan zijn kant wel gesloten was, angstig als hij was, dat die lastige buurman zijne geheimen zoude ontdekken.
Deze scheen inderdaad kwade bedoelingen te hebben, want Oom Frasquito hoorde duidelijk aan de andere zijde van het beschot vreemde geluiden, die hem angstig en zenuwachtig maakten. Hot deurtje had gelukkig geen verraderlijke reet, waardoor men kon zien, en dit stelde hem weer een weinig-gerust.
173
Nadat hij zijn mondje vol elixer genomen had, verdween de kiespijn geheel, en daarop begon hij zijn gebit schoon te maken. Hij wreef het met een borsteltje, welks steel met zilver was beslagen en dit gaf, door te stooten tegen het porcelein of tegen het marmer van de waschtafel, die metaalachtige klanken.
Toen dit was afgeloopen, begon Oom Prasquito zich van de hulpmiddelen, die hem samenstelden, te ontdoen om zich te bed te leggen, maar vooraf deed hij nog in zijne hemdsmouwen oen derdon ontdekkingstocht naar de verdachte deur. De buurman scheen stil geworden en Oom Frasquito nam de terugreis weder aan, met groote, voorzichtige schreden, terwij hij zachtjes, mot kinderachtige tevredenheid, deze twee regels, uit do Doekte.)s van Eva, neuriede:
liet is stil in de herberg.
Men hoort zelfs geen mug.
Zeer zorgvuldig zette hij zijne geparfumeerde pruik af en snel een pyramidale slaapmuts op, waarvan de top met een pluimpje versierd was, eene echte, majestueuae casque a mêche , zooals Jeróme Paturot ze aan zijne klanten aanbeval, op gezag van Victor Hugo. Het is bekend, dat do bonnet de nuit bij de Pranschen eene geëerbiedigde nationale instelling is, die aller hoofden gelijk maakt, zooals in andere tijdon het mes der guillotine deed. Philippe Augusto en de minste der Albigenzen schenen onder bedekking der slaapmuts even goed gelijk, als eeuwen later Robespierre en Lodewijk XVI gelijk waren onder het mes der guillotine.
Oom Prasquito had een groot half uur noodig om zich van alles te ontdoen en toen hij, gewikkeld in zijn wijd nachthemd, zich in zijn bed liet vallen, zoude men gezegd hebben, dat Oom Prasquito, die slapen ging, de derde machtswortel was van den Oom Prasquito, die, opgevuld en samengeflanst, zich overal vertoonde.
Bij het licht van den kandelaar, die op het nachttafeltje
174
brandde, ging hij naar gewoonte lezen om den slaap te vatten, en wel een roman van den Vieomte d\'Arlincourt. Hij hield van het romantische genre en soms gebeurde het, dat hij, als een jongen van vijftien jaren, zijne nachten doorbracht, deelende in de smarten eener Clarissa of in de verliefdheid van eenen Adolf. Zijn eerste knikkebollen van den slaap deed hem met zijne neus op het nachttafeltje vallen en het boek viel op den grond. Hij bukte zich om het op te rapen, want hij wilde het hoofdstuk, dat hem interesseerde, uitlezen.
Een poosje later kreeg hij een sterke lucht van brandend goed in zijn neus, waarom hij met schrik overeind ging zitten, vreezende voor brand. Hij keek overal rond, maar nergens ontdekte hij iets van het verslindend element en toch bleef de reuk van brandend goed hem in de neus en werd steeds sterker.
Hij stak zijn hoofd buiten de bedgordijnen, keek onder het kussen, tusschen de dekens, in het porceleinen luciferbakje op de nachttafel.... Niets .... niets.. .. Misschien was er wel een kleedingstuk in het haardvuur gevallen, een onderbroek, een zakdoek....
Oom Frasquito sprong het bed uit en liep vol schrik naar den schoorsteen. . . . Ook niets! — Het vuur brandde in den haard zeer bedaard en het dichte ijzeren rooster, dat er om heen zat, liet geen vonk door.
— Vrreemd, zeerr vrreemd!.... Het is misschien in de kamer van den buurman, of op den overloop, of misschien is er wel op den Boulevard een groote brand , die de vurige rookwolken door de blinden doet dringen.
Oom Frasquito liep toen eerst naar zijne eigen deur, toen naar de deur tusschen zijne kamer en die van zijn buurman en ten laatste naar het venster, zonder een spoor van brand te ontdekken. Hij had zijne neusgaten wijd open en bleef altijd de brandlucht ruiken, die, terwijl hij van don eenen naar den anderen kant liep, onrustbarend duidelijker te bespeuren was.
— Maarr mijnheerr, wat brandt er dan? —
175
Het gelijkt wel tooverij, dacht Oom Prasquito, midden in de kamer in zijn hemd staande, met de armen gekruist over de borst, met gerekte hals, de neusgaten wijd opengespert en vol ontzetting rond ziende.
Toen scheen het hem, alsof hij eene verontrustende warmte gevoelde boven zijn hoofd en hij keek naar hot plafond.... Ook niets! . ... Snel draaide hij zich om en een kreet van schrik ontsnapte aan zijne lippen, toen hij zich in den spiegel zag.. .. Daarin zag hij zijne belachelijke figuur, in het groote nachthemd en bekroond door zijne slaapmuts, op welker top een rood vlammetje blonk! Gerechte hemel! Hier was de brand!
Do vrees redeneert nooit en hetgeen Oom Frasquito ondervond, belette hem te begrijpen, dat het pluimpje van zijn slaapmuts aan do kaars had vuur gevat, toen hij bukte om dat ongelukkige boek op te rapen. — De arme oude heer verloor dus geheel zijn hoofd, wierp zich op de electrische schel, liep hard naar de deur, al roepende om hulp en toen, op de tus-schendeur bonzende, riep hij op nieuw:
— Ait. secours!.... Au secours!....
Toon word het deurtje met geweld geopend en verscheen Jacobo met zijn revolver in de hand. . . . Het was onmogelijk Oom Frasquito in die gedaante te herkennen en Jacobo kon zich maar geene rekenschap geven, wie dat was, totdat hot spook zijne armen naar hom uitstak en angstig uitriep:
— Jacobo!.... Jacobo! ....
Deze, zonder nog iets te begrijpen, gaf hem als eerste hulp oen Hinken klap op zijn hoofd, waardoor de slaapmuts op den grond viel en een echt doodshoofd te voorschijn kwam, wit en blinkend als een winter meloen.
Dit alles gaf een lachverwekkend tooneel uit eene sainete1), die in een seconde was afgespeeld, en toch besliste deze bespottelijke kleinigheid voor altoos over het lot van Jacobo.. . .
1
Kluchtspel in eene acte.
176
De knecht, die dienst had op deze afdeeling, was op het schellen toegeloopen en riep aan de deur van de kamer. Oom Prasquito begreep toen het dwaze van zijn toestand en, steeds zenuwachtiger wordende, drukte hij zich haastig een bonto muts op het hoofd, stak zijn gebit in den mond eu verschool zich in de kamer van Jacobo, terwijl hij deze half schreiende bad:
— Antwoord gij, Jacobo, en zorg, dat zij mij niet kunnen zien. . . .
En toen, plotseling, in den dichten nevel van angst en verbijstering, die den geest van Jacobo als eene mist van den Oceaan omgaf en zijne aangeboren stoutmoedigheid verlamde, brak er een lichtpunt door. Oom Prasquito was rijk, had invloed en had overal toegang en dit belachelijk avontuur bracht hem, met handen en voeten gebonden, in zijne macht, in aanmerking nemende de verwijfde manieren van den ijdelen ouden man. De onzekere omtrekken van zijn plan begonnen duidelijker te worden en eindelijk ontsproot in zijnen geest een denkbeeld, wel nog onbestemd en onbepaald , maar toch reeds zichtbaar, als de pop van eenen zijdeworm in zijn omhulsel.
Toen hij don knecht had weggezonden en hij het noodeloos alarm van Oom Prasquito had verklaard, doofde hij de muts, die thans in volle vlam stond, in oen kom met water uit, opende liet venster om een weinig versche lucht te krijgen en ging toen haastig terug naar zijne kamer, waar Oom Prasquito hem wachtte.
Deze zat reeds, bedaard en wel, in den leuningstoel bij het vuur. Toen Jacobo binnenkwam, bezag hij met het oog van een liefhebber de drie zegels van lak, die door den ontrouwen vrijmetselaar van het verzegeld pakket waren losgemaakt en die hij in de ontsteltenis op de tafel had vergeten.
De papieren waren goed bewaard, achter slot in de commode.
— Wat eene gekke opschudding was dat! riep Oom Prasquito uit, toen Inj hem zag.
177
En om het belachelijke van het gebeurde minder erg te maken, door het luchtig te behandelen, voegde hij er bij:
— Wat zijn dat voor zegels? — Die ken ik niet. .. .
Zooals wij reeds gezegd hebben, verzamelde Oom Prasquito
zegels der diplomatie en hij had eene zeer belangrijke verzameling , die hij zich voor veel geld had aangeschaft. Nog pas twee dagen geleden had hij een oud zegel aangekocht van Ayoub Almanzor, in was afgedrukt, dat in Arabische letters de volgende spreuk droeg: God oordeele Yakoub, zooals Yakoub geoordeeld heeft.
— Deze krroon is van Italië; de koninklijke krroon, boven het krruis van Savoye, vervolgde Oom Frasquito. Eenzelfde heb ik van Victor Emanuel! — maar die andere ken ik niet....
Het bracht Jacobo in verlegenheid, toen hij het onweder-legbaar bewijs van hetgeen hij gedaan had, in handen zag ran Oom Frasquito. Hij gaf geen antwoord en de oude man, die steeds de zegels in zijne handen om en om draaide, vroeg weder:
— Van wie zijn die? .... Heb je ze noodig?....
Jacobo, die meer en meer verward raakte, antwoordde om
iets te zeggen:
— Raadt gij het niet? ....
— Komaan, riep op eens Oom Frasquito uit, ik ben er. De passer en de rechthoek en het accaciatakje in het midden. Domoor, die ik ben; als dit niet naar vrijmetselarij riekt....
Jacobo begon gedwongen te lachen, en Oom Frasquito, met het vuur van eenen liefhebber, die onverwacht een vondst doet, riep verrukt uit:
— Maarr die zult gij mij geven, beste Jacobo. Van deze heb ik er geen een en zij zijn zeerr merrkwaarrdig. Wanneer ge er zelf niets mede doet — geef mij er dan één____
Vreemd geval, en toch zoo gewoon bij karakters als van Jacobo. Gedurende vier uren had hij een innerlijken strijd gevoerd, zonder tot eene beslissing te durven komen, en nu,
12
178
in één oogenblik, in vier wo\'ordou, verbrandde hij zijne schepen en besliste hij zijn lot.
— Neem ze alle drie mede, als je wilt, zeide hij en haalde zijne schouders op.
Alea jncta est!.... Eens weggegeven, konden de zegels onmogelijk weder op hunne vroegere plaats worden vastgemaakt en de papieren konden niet meer aan hunne bestemming worden bezorgd, na er eerst afschriften van te hebben genomen, zooals aanvankelijk zijn voornemen was geweest, en thans moest hij de kansen afwachten van zijne vermetele daad, zonder dat er mogelijkheid bestond terug te treden. Het was, of een schitterend licht hem verblindde; het plotseling genomen besluit helderde den nevel op, die zijn verstand had verduisterd.
Oom Frasquito liet het zich geen tweemaal zeggen. Hij wikkelde de zegels zorgvuldig in het papier, waarop zij hadden gelegen, en stak ze snel in zijn zak, alsof hij vreesde, dat Jacobo zijn geschenk zou terug nemen. Deze zag hem met een vreemden glimlach aan en toen het gevaarlijk papiertje in den zak van den ouden man was verdwenen, mompelde hij in het Turksch:
— Olsum!....\')
En op eens opstaande, stelde hij Oom Frasquito voor, een heeten punchbowl te laten komen.
Deze verontschuldigde zich echter en herinnerde aan het late uur, maar Jacobo, dringend en hartelijk, met iets melan-colieks, dat zijne mannelijke schoonheid zoo goed stond, stond er op, dat hij zoude blijven. Zou hij hem een oogenblik, om
zich vrijuit te spreken, willen weigeren?---- Hij was zoo
treurig, zoo gedrukt, zoo alleen in de wereld.
Oom Frasquito zag verwonderd hem aan en de nieuwsgierigheid , die eene der grootste aantrekkingskrachten is, hield hem in zijnen stoel als vastgenageld---- Misschien zou hjj nu in
1) Ameu!
179
staat worden gesteld de x op te lossen, waarover men den vorigen middag zoo veel had gesproken op het terras van het Grand Hotel, namenhjk de zoo onverwachte aanwezigheid van Jaoobo, die zijne ambassade, in Constantinopel had verlaten. Oom Frasquito herinnerde zich, vijftig jaren geleden, op school geleerd te hebben: ^Fenmdi calices quem non fecere disertnm?quot; en de punch werd met verborgen vreugde aangenomen.
Horatius had zich inderdaad niet vergist; Jacobo begon inter pocula zijne vertrouwelijke mededeelingen, langzaam sprekende, afgebroken, als iemand, die, gebogen onder zijne zorgen, druppelsgewijze de bitterheid, die zijne ziel vervult, van zijne lippen laat vloeien. Het gewicht van zijn geweten verpletterde hem, eene ontzettende catastrophe, waarvan hij de onwillige oorzaak was, had hem genoodzaakt Constantinopel te ontvluchten met een verscheurd hart en met een door bloed bevlekt geweten.
Oom Frasquito sprong van zijn stoel op, met wijd geopende oogen en Jacobo, met het hoofd in zijne handen, keek strak naar zijn leeg glas en zweeg.
—• Man, man,.... dat is erg! mompelde de oude man ontdaan, en daar hij bemerkte, dat de ander bleef zwijgen, zeide hij om hem aan het praten te brengen.
— Er komen zeker vrouwenrokken in voor.
— Of broeken, wat in Turkije in dit geval op hetzelfde neerkomt, antwoordde Jacobo.
En toen op eens, achter elkaar, met de geweldige inspanning van iemand, die een zwaren last van zich afwerpt, die hem overstelpt, vertelde hij in alle bijzonderheden de vreeselijke geschiedenis der Cadine Saharai. ... Oom Frasquito luisterde met open mond, wegduikende in zijn leuningstoel, overtuigd van zijne eigene kleinheid, naarmate, in zijne verbeelding, het romantische en het afgrijselijke de figuur reusachtig vergrootten van den held van dit avontuur, wiens eerste vertrouwde hij was en wiens kroniekschrijver hij hoopte te worden. En bij de gedachte , dat hij de eerste zoude zijn, die dit tragisch avontuur
12*
180
zou verbreiden, hief Oom Frasquito zich in zijnen leuningstoel op als om zich te vereenzelvigen met don held, zooals de schaduw onafscheidelijk is van het lichaam en de echo van de muziek, Homerus van Achilles en de onsterfelijke Virgilius van den god-delijken Aenaeas.
En dan te denken, dat het reeds veel te laat was om nog van nacht dit nieuws huis aan huis te gaan rondvertellen!
Jacobo las in het onnoozele gezicht van Oom Frasquito hetgeen er in hem omging en kon een zegepralenden glimlach niet onderdrukken, toen hij zag, hoe hij zijn doel reeds dadelijk bereikte. Den volgenden dag zoude zijne geschiedenis mot de Cadine in geheel Parijs besproken worden en zijne vlucht uit Constantinopel glorierijk worden gerechtvaardigd. Een stralenkrans van het romantische, het ongerijmde, het onmogelijke zoude hem \'omringen; men zoude voor hem het hoogste voetstuk oprichten, waarop hooggeborene ledigloopers, op jacht van nieuwtjes en praatjes, gewoon zijn hunne afgoden van éénen dag te plaatsen.
Zeer goed kende Jacobo dat publiek; één dag had hij noodig en was voor hem genoeg om vasten voet te krijgen op het nieuwe terrein, waarheen zijne plannen hem voerden. Toch wilde hij de zaak nog zekerder maken, en zonder een woord te spreken, stond hij op, ging naar de commode, waarop zijn geopend valies lag, zocht er een oogenblik in, en haalde er een klein voorwerp uit, dat hij voor Oom Frasquito neerlegde, zeggende:
— Eenige herinnering aan mijne Oostersche idylle!
Plet was een pantoffeltje, maar een pantoffeltje ongelooflijk klein, van wit satijn en goud filigrane aan de punt, met banden van zwanendons, met smaragdeneen kostbaar kunststuk, zonder twijfel vervaardigd voor den voet van eene fee en beter geschikt om op de kaptafel eener dame tot bewaring te dienen van diamanten en paarlen, dan eenen menschenvoet te omsluiten.
Oom Frasquito bleef er vol bewondering op staren, en voelde zich weder zóó klein, zóó klein, als de little man Charles
181
Station, die zich hail kunnen baden in dio punchkom on Jacobo kwam hem voor groot, groot als Napoleon op den Vendóme-zuil, die uit de hoogte op de menschen nederziet.
Een onweerstaanbaar, aanlokkend verlangen kwam in zijne ziel op en zweefde, beschroomd en eerbiedig, op zijne lippen. Hij had zijn kostbaarst juweel, zelfs het gebit van Ernest willen geven, om, al ware het maar vier en twintig uren, het kostbare schoentje van de Oadine te bezitten, daarmede alle salons te bezoeken en het aan alle nieuwsgierigen te vertoonen. Op deze wijze hoopte hij zelf un hout de role te vervullen in dien tragischen roman, die den volgenden dag het onvermijdelijk onderwerp moest uitmaken van alle gesprekken. Tout Pai gt;s zou komen knielen voor dien uitheemschen schoen en hij zoude de opperpriester zijn, die deze reliek aan den drom belangstellenden toonde.
En alsof Jacobo deze gedachte op zijn voorhoofd las, ziende van den top van den zuil, waarop de oude man hem had geplaatst, en zich verwaardigde aan zijn verlangen te voldoen, zeide hij:
— Oom Frasquito. . . ., doe mij een genoegen.
— Welk?
— Houd dit. . ..
— Maarr, keerrel.
— Jawel, jawel,.... Neem het mede en laat het mij niet meer zien. Voor mij is het eene droevige herinnering en voor u een merkwaardig bibelot, dat gij op uwe tafel kunt zetten----
— Maarr Jacobito, jongen.... ik weet niet, ofikmag...—
— Jawel, jawel.... Hier, neem het muiltje van Assche-poester mede en op den dag, dat gij eene vrouw tegenkomt, wie het past, op dien dag zult gij het mij terug geven. —
— Dan behoorrt het mij voorr altoos, — antwoordde Oom Frasquito verrukt. Ik geloof niet, dat err buiten Turrkrje vrrouwcn zijn, die zich met leliebladeren schoeien....
Eindelijk nam Oom Frasquito afscheid van Jacobo met do
182
grootste blijken van teederheid en nauwlijks was hij in zijne kamer, of hij begon het muiltje van alle kanten te bezien en stak er zelfs zijn neus in. Maar dien haalde hij er dadelijk weer uit, met eene beweging van afkeer. Hij had er met die zachte parfum van Smyrna, een mengsel van alöe , die hij zich verbeeldde, dat de voet eener Odaliske moest hebben, geroken; verre van dien; het rook leelijk, zeer leelijk. Oom Frasquito spitste zijnen mond en trok zijnen neus op, — het rook naar iets vreemds, als naar ongelooid leder en half bedorven lijm...
Toen keek hij naar de zool, en die was schoon en helder, alsof zij nooit met den vloer was in aanraking geweest, noch zelfs de drukking had gevoeld van de lichtste zwaluw.... Hum!.... Als het nu eens bleek, dat die Jacobito een groote bedrieger was, die hem een reeks leugens op den mouw had gespeld!
Hierover nadenkend bleef Oom Frasquito een oogenblik onbeweeglijk staan en bezag aandachtig de zool, alsof hij de Sphinx ondervroeg. . .. Eindelijk trok hij zijne schouders op. Ofschoon de reliek hem apocrief voorkwam en misschien evenveel met de Cadine uitstaande had als zijne schoenen met die van den grooten Turk, wat deed dit er toe! .. .. Si non è vero è hen trovato. Grootere ongerijmdheden had hij de reis door de wereld zien maken. Op eens dacht hij aan iets van het allergrootst belang en hij ging naar de tusschendeur, waar hij zeer bescheiden aanklopte. Jacobo, met zijnen steryotypen spotlach op do lippen, was bezig onder in zijn valies de andere pantoffel weg te stoppen, die bij degene behoorde, die hij aan Oom Frasquito had vereerd. De geschiedenis met de Cadine was waar, maar de muiltjes had hij in den grooten bazaar gekocht, alleen uit eene gril, van een van die oude Turken met onbeweeglijke gelaatstrekken, glazige oogen, met groote tulbanden op, en gele kaftans aan, die in het moderne Constantinopel nog altijd aan de dagen doen denken van Bajazet en Soliman den Prachtige.
Oom Frasquito stak beschroomd zijn hoofd naar binnen en zeide:
183
— Jacobo, Jaoobito. ... neem mij niet kwalijk.... Hot komt mij het beate voorr, dat gij niots verrtelt van dat. .. .
— Van wat?
— Wel, dat van de muts, van den brrand. ...
— O ja!.... Ik dacht er niet meer aan.
-—- Ge begrrijpt.... Het was bespottelijk .... Maarr, zooals ge weet, de menschen zijn zoo raarr. Zij lachen om alles en kunnen iemand bespottelijk maken.
— Heb geen zorg, man; aan wie zou ik zulke beuzelarijen gaan vertellen?
— Dan, goeden nacht, Jaoobito. Nogmaals verschooning. Als err iets gebeurrt — klop dan gerust op het beschot. Ik slaap zoo licht als een vogeltje; hierin gelijk ik op een ouden man.
Eindelijk ging Oom Prasquito tevreden weer naar bed, terwijl hij aan den volgenden morgen dacht; maar toen hij zijn licht had uitgedaan, hetgeen hij met groote zorgvuldigheid deed, kreeg hij eene rilling van schrik. Het scheen hem toe, alsof er beweging kwam in de duisternis in het midden der kamer cn dat daaruit de geworgde eunuch te voorschijn kwam met zijn zweep om de hals en uit hunne kassen puilende oogen, met langzame stappen en de koude, verstijfde handen uitgestrekt , die hij reikte naar hem en die hem bij de neus pakten. Oom Prasquito stopte zijn hoofd onder de dekens en sloeg haastig een kruis.
V.
De wedstrijd van schoone vrouwen, die het eerst te Spa en spoedig daarna te Budapest was gehouden, deed do Gravin van Albornoz op den gelukkigen inval komen, om door geheel het beschaafd en kunstlievend Europa hare eigene schoonheid ten toon te stellen. Het was voor haar werkelijk een ramp, dat zij Albornoz heette, want indien haar naam minder aanzienlijk was geweest, zou zij naar de oude hoofdstad der Stephanussen en Wladimirs zijn gesneld om den schoonheidsprijs aan Cornelia Szekely, de gelauwerde Hongaarsche, te betwisten.
Daar zij dus niet persoonlijk dien prijs kon behalen, kwam zij op do gedachte dit in beeltenis te doen. zich daartoe door Bounat te laten uitschilderen en dit meesterstuk van tentoonstelling naar de tentoonstelling te zenden, opdat er gravures en photographieën van haar zouden verschijnen en er geen plekje op aarde zoude zijn, waar men niet zoude weten, dat de Gravin van Albornoz, volgens het zeggen van Diogenes, oogen had , die door het water waren gehaald. Aldus meende zij, in hare ziekelijke eigenliefde, den droom van Alexander en Napoleon te verwezenlijken, nl. de wereld zich te onderwerpen.
Deze alles beheerschende gedachte had haar van November af in Parijs gehouden en drie keer in de week verwaardigde zij zich, tot heil der menschheid, te poseeren in het atelier van den grooten kunstenaar. Het portret moest gereed zijn voor de aanstaande tentoonstelling te Weenen en deze gril
185
kostte de kleinigheid van veertig duizend francs. Duur was het zeker, maar wat deed het er toe, daar God haar geld had gegeven.
Des morgens had Currita eene boodschap gezonden aan Bonnat, dat hij haar niet moest wachten, omdat zij de Koningin naar de boetkapel op den Boulevard Haussman moest vergezellen. Het had reeds elf uur geslagen op de klok van het Grand Hotel en Kate, de Engelsche kamenier, stak met twee groote gouden haarspelden op haar hoofd de kostbare Spaansche kanten vast, waarmede de dame zich had voorgenomen de stichting weg te nemen bij de weinigen die den lijkdienst van den ongelukkigen Lodewijk XVJ zouden bijwonen.
De Hertogin van Bara had haar reeds door hare kamenier laten weten, dat zij haar wachtte, om samen naar het paleis Basilewsky te gaan en Currita, zenuwachtig en ongeduldig, vroeg driftig aan Kate, of de Markies nog niet terug was.
— Neen, mevrouw, antwoordde het meisje.
— Hoe laat is hij uitgegaan ?... . Hoe kwam hij zoo vroeg op? ....
— Hij is van morgen niet uitgegaan. . . .
— Hoe zit hot dan ? . ...
— Hij is den geheelen nacht uit geweest.
— Zoo! riep Currita uit.
En terwijl zij in den spiegel keek, bracht zij zorgvuldig een roode haarlok in orde, om op haar voorhoofd eenige puistjes te bedekken.
De Hertogin van Bara, wie het wachten was gaan vervelen, kwam nu zelve de talmster opzoeken.
— Maar Currita, wat voer je uit?.... Moet de Koningin op ons wachten?
— Nu, nu, Beatrice, — het schijnt, dat je la Senora niet kent. Om twaalf uur zijn wij nog in do Camara.
En toen zij zag, dat de Hertogin bij haar rouwtoilot ook do Spaansche mantillc droog, riep zij opgetogen uit:
186
— Wel, wol! — wij bobben hetzelfde denkbeeld gehad. Hoe heerlijk! .. .. Les grands esprits se rencontrent.
— Om Spanje te vertegenwoordigen, kan men niet anders gekleed gaan. — Maar het spijt mij, dat ik niet om een waaier heb gedacht. ...
— Daarom juist heb ik er gisteren een gekocht.. .. Zie eens hier — deze is niet leeljjk. ... Wil je er ook zoo een ? Kate kan u in een oogenblik er een halen bij de Compagnie Lyonnaise, hier dichtbij op den hoek.
De Hertogin voelde, op het vooruitzicht van eenen waaier gratis te krijgen, hare haast verminderen. Het was een zeer fraaie waaier van donker paarlemoer en zwarte zijde. ^ Kate zou dien in den winkel betalen; want wat betalen betrof, was de Hertogin erg vergeetachtig....
Toen Kate terug kwam, vertelde zij, dat de Markies t\'huis was gekomen.
— Veroorloof mij een oogenblik, Beatrice, zeide Currita levendig. Ik ga Ferdinandito goeden dag zeggen.
De Hertogin gaf een teeken van hartelijke instemming bij dit bewijs van echtelijke teederheid harer vriendin.
— Wat een paar tortelduifjes! zeide zij. Ik verzeker u, dat het mij jaloersch maakt.
En Currita, bij de deur staande, antwoordde vol gevoel:
— Het is zeker een weldaad des hemels, dat men veertien jaren getrouwd is, zonder een enkel oogenblik met elkander te hebben getwist.
Ferdinandito kwam juist thuis, en om de waarheid te zeggen, zag hij er niet naar uit, alsof hij den tijd had doorgebracht met zijn rozenkrans te bidden. Hij sleepte zijn overjas met den kraag over den grond, zijn hemd was gekreukeld, zijn hoed was gedeukt, zijne oogen waren rood en waterig en hij rook sterk naar wijn. Hij bleef zeer verrast en verschrikt staan, toen hij Currita zag en met don gedwongen lach van eenen schooljongen, die een guitenstreek met een leugen wil bemantelen, zeide hij:
187
— Ik bon de monscheneters wezen zien in do Jaidin des Plantas.
En zij met teedere bezorgdheid, riep zeer ongerust uit:
— Hemel! Perdinandito, voor die dingen ben ik bang. Loopen zij los? — Bijten zij?
— Wel neen! Zij zijn een soort van negers! — Heel leelijk!
En hij hing zijn overjas over zijne borat, om Currita niet te
laten zien dat zijne achting voor die menscheneters zoo groot was, dat hij ze \'s morgens om tien uur had bezocht, in rok en witte das. Zij met haren oprechten eenvoud merkte dit niet op en vroeg met aanbiddelijke lieftalligheid:
— Heb je mijne boodschap gedaan?. . , .
— Welke boodschap ? .
— Dat is aardig!.... Heb ik u uiet gezegd, datje Jacobo Tellez moest gaan opzoeken.
— Jacobo Tellez? .... Wie is Jacobo Tellez? ....
— Maar man, Jacobo Sabadell, de man van mijne nicht Elvira.
— O die! Ik dacht, dat hij Benito heette. . . .
Een straal van woede blonk in de oogen van Currita en het scheelde maar weinig, of zij verloor hare zachtmoedigheid.
— En al heette hij Policarpus, was dat dan een reden om niet te doen, wat ik zeg?
— ïfeen, neen, kindlief, ik heb het vergeten. Wat moet ik nu doen?
— Dadelijk gaan! — Begrijp je? — En hem te dejeuneeren vragen. En zorg er voor dat, als ik terug kom, ik u hier samen vind.
— Goed, kindlief — wees maar gerust. . . . Hot zal geschieden. ... Heet hij dan geen Benito ? ....
— Loop heen met je Benito! . . .. Hij heet Jacobo en is een zeer gedistingeerd jong mensch, en ik verlang, dat je hem zult behandelen als mijn neef, dat hij ook is.
Currita wijdde een oogenblik uit over familiezwak en over de
188
gebiedende verplichting, die elk fatsoenlijk mensch heeft om die eerbiedwaardige banden too te halen en na Perdinandito daarvan doordrongen te hebben, vertrok zij met de Hertogin.
Toen de beide dames in haar rijtuig stapten, kwam Oom Prasqnito haastig aangeloopen; jeugdig, net en schitterend, terwijl hij haar teekens gaf om op hem te wachten. Hij steeg bij haar in het rijtuig, haalde uit zijn zak een aardig kartonnen doosje en zette het op zijne knieën. De dames zagen hem verbaasd aan en hij lachte ondeugend. Eindelijk lichtte hij met veel geheimzinnigheid den deksel op en tusschen geparfumeerd vloeipapier kwam het muiltje te voorschijn.
Ondcrtusschen zat Jacobo in zijne kamer in het Grand Hotel zijn plan uit te werken. Ue helderheid van het verstand staat in rechte reden tot den behoorlijken afstand, waarop men de zaken niuet beschouwen, en toen hij \'s morgens ontwaakte, bevrijd van de verwardheid en de angsten, die zijne ziel folterden, kon hij zijnen toestand met wezenlijke juistheid beoor-deelen.
De omtrekken van zijn plan vertoonden zich toen klaar en zeker in al hunne vormen, zooals, wanneer na eene overstrooming het water wegloopt, eerst de hoogte der heuvels duidelijk zichtbaar wordt, daarna de uitgestrektheid der vlakten en dan de diepte der valleien. Toen zag Jacobo, dat zijne heuvels bergen waren en zijne vlakten wildernissen en zijne valleien afgronden. .. .
En het ergste van het geval was, dat de eerste afgrond, die zich voor zijne voeten opende en waaruit hij zich noodzakelijk moest redden, door hemzelf den vorigen nacht was gegraven, /onder nadenken had hij alles op eene enkele kaart gezet, vergetende, dat hij een dubbel en zeer ingewikkeld spel speelde Want hot muiltje, dat hij in den Grooten Bazaar gekocht had en de dwaasheid van Oom Prasquito zouden hem nog dienzelfden dag \' p de zuil van het schandaal plaatsen, aan den roemrijken schandpaal der mode, die gegrondvest was op de
189
lijken van twee ellendige wezens, waarvan het een geworgd was met zijn zweep en het ander, door dolksteken getroffen en nog half levend en lillend in een lederen zak gestopt, in de diepte der Zee van Marmora was geworpen.
Maar boven op die zuil, vanwaar hij aan de wereld van praal en van schandaal de wet kon voorschrijven, moest hij niet minder verachting en onoverwinnelijken afkeer inboezemen aan de wereld, die niet kleiner is, maar minder bekend, de wereld van deugd en eer en in die zwijgende en stille wereld verborg zich juist de persoon, dien hij thans, het kostte wat het wilde, voor zich moest zien te winnen.... Wie zou den wind tegenhouden ? . . . . Wie zou Oom Frasquito beletten , met het muiltje in de hand, de Panjsohe straten te doorkruisen, zoekende naar een klein stukje roem, een enkel straaltje uit den lichtkrans van den held ? ... .
Hij moest een anderen weg inslaan en het toeval bracht bij Jacobo dengene, die hem dien weg zoude wijzen. Dat was Diogenes, die reeds vroeg in den morgen kwam aanloopen, gelokt door het geld, dat hij zich voorstelde, dat de gevolmachtigde mede moest hebben gebracht, zooals de gieren toeschieten op de lucht van een aas.
Diogenes was niet als Sabadell, die nooit uit zijn rol viel van groot heer, die in de jaren der vette koeien aan pracht en grillen hetzelfde verkwistte als in de jaren der magere koeien, met dit onderscheid; dat hij in de eerst genoemde jaren betaalde en in de andere niet betaalde. Diogenes, daarentegen, woonde in een bescheiden maison meublée en hij zette zich dagelijks aan de eerste tafel de beste, die hij gedekt vond, zonder te wachten, dat men hem uitnoodigde, met zeker soort van lepelrecht, dat hem zijn gering gevoel van schaamte waarborgde, door eene vaste overlevering, die eene ingewortelde gewoonte tot wet had gemaakt in de pandecten der Madri-leensche vagabondage. Wanneer hij geld had, verkwistte hij het royaal en had hij het niet, dan vroeg hij het te leen met
190
het voornemen, waarvan nooit werd afgeweken, om het niet terug te geven. Zijn geliefde spreuk was: Neem en betaal niet, want wij zijn sterfelijk.
Dezen morgen had hij zich voorgenomen hij Jacoho te gaan ontbijten, hem daarna naar de Petit Club mede te nemen en hem daar eene goede aderlating te doen. Zijne verwondering was dus zeer groot, toen Jacobo, met de gestrengheid van eenen heiligen Paulus, den eersten hermiet, en met de standvastigheid van den heiligen Antonius in de woestijn, ronduit weigerde het Hotel te verlaten, zeggende dat hij gezworen had het onreine plaveisel van Parijs niet te betreden; dat hij nooit meer eene kaart in de hand zoude nemen; dat het hem niet gelegen kwam, naar Madrid te gaan, tengevolge van den staatkundigen omkeer, en dat hij besloten had den volgenden dag naar Biarritz te gaan om daar eene verzoening te beproeven, met — Polaina! — met zijne vrouw!!....
Diogenes luisterde zwijgend en staarde hem aan met oogen, die door zijne doorloopende dronkenschap ontstoken waren. Toen hij met spreken gedaan had, zeide hij :
— Komaan! .... Je praat als die gitano uit het verhaaltje: Heer! Allen kakelen om hun dagelijksch brood; ik alleen kakel, dat men mij zegt, waar het te vinden is; ik zal dan. zelf wel zorgen het te krijgen.
— Ik begrijp u niet. . ..
— Dat is toch duidelijk genoeg.... Je zegt bij je zelf: mijne vrouw heeft haar proces met de Monterrubios gewonnen en heeft verscheidene duizenden inkomen. ... Ik heb honger als de verloren zoon, dus ga ik heen om van het gemeste kalf te eten.
Jacobo maakte zich boos, toen hij zijne gedachten, ten minste voor een gedeelte, zoo getrouw hoorde wedergeven en riep met eene uitdrukking van bcleedigde waardigheid uit:
— Ik verzeker u... .
— Kom aan, Jacobito. . . . Denk je niet, dat ik de kreupelen herken aan hunne manier van loopen?
191
— Ik zeg u.....
— Zou ik het vlas niet kennen, dat ik braak.
— Denk, wat je wilt; maar ik....
— Zullen de kuikens hunne kloek voor den gek houden, mijn gouden duif. — Zie eens hier, mijn jongen. Gij hebt geen schaamtegevoel, evenmin als ik; maar om een schurk te zijn, is het eerste, dat men noodig heeft, talent en wanneer jij je loop begint, ben ik al terug. — Zijn wij er nu?.. . .
Jacobo scheen zijn aangenomen waardige houding op eens te laten varen en na een oogenblik stilte vroeg hij:
— Je schijnt dus mijn plan dom te vinden?. . . .
— Dom? .... Voor u eene voordeelige handelszaak; voor haar een roof met gewapende hand.
— En denk je, dat Elvira?. .. .
— Zich zal laten bestelen?.... Ja, zeker; dat geloof ik! In een oogenblik! Zij houdt van je, kerel, zij houdt van je, nog evenveel als op den eersten dag, dat je haar bedroogt. Het is haast niet te gelooven!. .. .
— En dus. .. .
— En dus.... Maar er blijft nog een oor over om te villen.
— En van wien is dat oor?
— Mijn vriend... . dat is van Pater Cifuentes.
— Ja... . dat is mij gezegd.
— Dan hebben zij u niet bedrogen.
Jacobo bleef een oogenblik in gedachten zitten, wreef zich zacht het hoofd en zeide met zijn spottenden glimlach:
— En dus. ... zal het noodig zijn bij Pater Cifuentes te gaan biechten.
Diogenes werd nu zeer ernstig.
— Hoor eens, Jacobo, zeide hij. Zie je mij?.... Ik ben een nar, een dronkaard, een verloopen kerel, ik heb alles gedaan, behalve moorden.... Maar zie je, voor zaken van godsdienst heb ik eerbied. ... Ik heb er eerbied voor, want. ... Polaina!.... ik heb dien eerbied met de moedermelk inge-
192
zogen. ... Ik ben niet goed en braaf, omdat ik mij niet wil plagen met het te zijn; maar die zich die moeite geeft en werkelijk goed is, voor hem heb ik eerbied. Al verdien ik de gevangenis, belet dit niet, dat ik erken, dat er mensehen zijn, die de zaligheid waard zijn en al wentel ik mij in den modder, kan ik toch wel zien, dat er sterren aan den hemel zijn. . . .
Jaoobo hoorde verstomd dozen vreemden uitval van Diogenes aan, die zijn toespraak hield met het speeksel op zijn grooten mond, terwijl hij dan eens op de tafel, dan weer op zijne eigen borst sloeg.
— En wat wil je nu met dit alles zeggen F vroeg Jaeobo eindelijk.
— Wat ik daarmede wil zeggen? Dat je je vrouw met rust laat, want alleen maar door aan haar te denken bezoedel je haar.
— Spaar mij, dappere Paladijn van Elvira!.... En waar heeft UEdele die kameraadschap gesloten ? — Ik veronderstel, dat het niet was in den biechtstoel van Pater Cifuentes.
— Neen, zeker niet. Ik heb haar gezien en leeren waardeeren aan huis van Maria Villasis, die hare intieme vriendin is.
■— En zij is dus de intieme vriendin van uwe intieme vriendin Maria de Villasis?.... Nu begrijp ik het!.... En hoe gaat het met die volmaakte weduwe, zooals de Hertogin van Bara haar in der tijd noemde ? . Ik veronderstel, dat u bij haar hetzelfde gebeurd is, als met de Chineesche hondjes, die om hunne buitengewone leelijkheid zoo in den smaak vielen?.... En mijne vrouw is zonder twijfel uwe vertrouwde?
— Zwijg, canaille, of ik sla je gezicht plat! riep Diogenes uit, terwijl hij zijn geweldigen vuist Jacobo onder den neus hield. Wat zoek je? Geld?.... Dan heb je hier Currita Albornoz; eene .... bedriegster, zooals gij; die zal u geven, wat gij verlangt. . . . Waarom laat gij u niet, in plaats van Jacobo, Monsieur Alphonse noemen!....
O! Jacobo voelde zich ditmaal lang niet op zijn gemak, want nooit was hem de waarheid zoo ruw in zijn gezicht gewreven.
193
Hij hield zich ovenwei in, want hij wist, hoe vreeselijk lastig Diogenes het iemand kon maken en antwoordde met een gedwongen glimlach:
— Nu, Diogenes, je bent nog dronken van gisteren. In welk ander berooid hoofd kan het opk unen, dat ik mij aan mijne vrouw zou verkoopen om een handvol duros?
— Vriendje, wanneer gij bij den verkoop niet meer opbrengt, herinner ik u aan dat verhaaltje van dien anderen gitano, die biechtte, dat hij drie pesetas gestolen had. Schaamt gij u niet ongelukkige, zeide de priester, dat gij u voor drie ellendige pesetas laat verdoemen? — En wat wildet gij dan, dat ik deed? Er was niet meer te halen. . . .
Hier brak de komst van den Markies van Villameion den twist af. Hij had de wanorde van \'s morgens geheel hersteld, en toen Diogenes hem zag, nam hij spoedig oeno courant en ging bij den haard zitten lezen.
De Markies ging recht naar Jacobo toe, die plechtstatig opstond om hem te ontvangen en, hem de beide handen drukkende, zeide hij:
— En hoe gaat het, Benito?----Altoos even flink?...
En met beschermende vriendelijkheid klopte hij hem een paar maal op den schouder.
— Neem mij niet kwalijk, dat ik gisteren niet kwam om u te zien, Benito, zeide Villamelon, terwijl hij ging zitten; maar in dit Parijs, versta je mij wel? is er geen tijd voor iets. Curra wacht u op het dejeuner, weet je? Om twee uur, misschien een beetje later; want van daag is zij in dienst bij de Koningin. Begrijp je mij wel?
Jacobo\'s hooghartigheid voelde zich beleedigd door de beschermende manieren van den held van den zee-veldslag van Cabo Negro en hij wilde koel voor de eer der uitnoodiging bodanken, maar Villamelon sneed hem het woord af door te zeggen:
— Neen, neen, neen! — Begrijp je mij wel?.... Ik neem
13
194
geene verontschuldigingen aan, Benito, en Curra zou zich doo-delijk beleedigd voelen. Weetje?.... Zij heeft familiezwak, en op u is zij dol. Het is altijd Benito hier, en Benito daar... .
Diogenes riep vanwaar hij zat:
— Maar, Villameion .... wat ik zeggen wil, ezel! Hij heet geen Benito! . . . .
— Zoo, waarlijk, is dat zoo?.... Hoe heet hij dan?....
— Jaoobo.
— Juist, Jaoobo!.... Neem mij niet kwalijk Jacobo, maar ik heb een allerongelukkigst geheugen en het ergste is, dat het bij den dag zwakker wordt. . . .
Met al te veel reden beklaagde Perdinandito zich over zijn gebrekkig geheugen, dat somtijds een kwaad teeken is van hersen-verweeking. Maar Diogenes, die nooit eene gelegenheid liet voorbijgaan, om zijne verschrikkelijke oorvijgen toe te dienen, voegde er bij, alsof hij het uit de courant las:
— Sprekende met een dwaas over zekere gebeurtenis vroeg men hem: herinnert gij u dat? — Wat denken zij wel van mijn geheugen? antwoordde hij. En een ander, zijne hersenloosheid kennende, zeide dadelijk al glimlachende: — Doe ook maar, alsof ge verstand hadt. Dat zal u even gemakkelijk vallen.
Jacobo en Villameion zagen eerst elkaar, toen Diogenes aan en toen zich tot elkaar wendende, begonnen zij te lachen. Ferdinandito zeide eindelijk:
— Er zit niets anders op dan hem te laten begaan of hem dood te maken. Weet je, Benito?....
VI.
Oom Prasquito voelde zijne beenen niet meer en spande zich te vergeefs in om eene heldendaad te verrichten, gelijkende op die van Churruca bij Trafalgar, die, toen een van zijne beenen door een kanonskogel was afgeschoten, nog op de campagne van zijn schip het gevecht leidde, zittende in een kuip vol zemelen.
O! .. . . Als zoo iets hem overkomen was twintig jaren geleden, toen hij op éénen dag negen en zestig visites maakte om, hij het eerst, het nieuws te vertellen van dat fameuse huwelijk dat Louietje Bonaparte rang gaf onder zijne neven als Graaf Consort van Teba! ....
En het ergste van het geval was, dat, toen hij \'s middags om vier uur in het Grand Hotel terug kwam, afgemat en teleurgesteld, omdat hij slechts aan twee derde gedeelten der Spaansche kolonie het apocryfe muiltje der Cadine had kunnen toonen, hij ook nog bemerkte, dat de tragische geschiedenis nog een vervolg had, dat ook zeer interessant was, maar vroom, devoot, sentimenteel, romantisch, waarbij zijn persoon niet slechts den rol vervulde van kroniekschrijver, maar ook dien van een invloedrijk, handelend persoon, een soort van „hicishondster der Voorzienigheidquot; zooals Diogenes zou gezegd hebben, bij dit schoone slot van dit drama, dat onder de neus van den Sultan begonnen was en eindigde onder den priestermantel van Pater Cifuentes. Oom Prasquito herinnerde zich Mathilde en Malek-Adhel en hij voelde zich week worden; do
13*
196
ontroering gaf hem eene hevige hoestbui, die hij met drie ulevellen tot bodaren moest brengen.
Want Jacobo kwam op nieuw zijne hulp inroepen en zijn hart tot in de verborgeuate schuilhoeken voor hem openleggen. Het was onbegrijpelijk, wat er in hem omging en te vergeefs had hij beproefd het te verklaren.
Den vorigen nacht had hij onrustig en klaar wakker liggen woelen in zyn bed en de drie en dertig jaren van zijn leven voor zijne herinnering zien voorbijgaan. Jaren van vermaak en van avonturen, van rampen zonder uitkomst, van genietingen, die geene herinnering achterlieten, van bloemen zonder wortels, dwaasheden zonder vreugde, die in de ziel den indruk nalaten van walging, zooals in een overladen en bedorven maag de herinnering van zwaar te verteeren spijzen.
Oom Frasquito hoorde hem opmerkzaam en met open mond aan, alsof hij in het hartstochtelijk gemoed van Malek-Adhel eene van die geheimzinne lichtpunten zag dagen, die de harten van Eancé en van Manara deden veranderen. .. . Maar op eens den sentimenteelen toon van zijn gekwezel latende, vroeg hij, op zijn gewone manier, waar zijne vrouw op het oogenblik was.
Oom Frasquito maakte een gebaar van ontevredenheid, alsof hij Malek-Adhel zijn witten tulband zag verruilen voor een hoogen hoed, of alsof hij opeens van eene pagina van Mme Cottin kwam op eene bladzijde uit de Guide des étrangers.
— Elvirra? — antwoordde hij. . .. Wel, dat weet ik niet;
zij moet zijn te Biarritz____ Gisteren vertelde die Mevrouw
Lopez Moreno, dat zij haar gezien had. . ..
Jacobo bleef een oogenblik peinzend en zwijgend zitten en Oom Frasquito, die barstte van nieuwsgierigheid, haastte zich, beleefd en gedienstig er bij te voegen:
— Maarr, wanneerr je zekerrheid wil hebben, dan ken ik iemand, die ze mij geven kan.
— Wie?. .. .
— Pater Cifuentes.
TT
lil
iiil i| i ïffi é iftt
li L r,].
r 1 gt;-ilt;
!iii llim
, i\' M.
i-l
h rf ij. r
iiglfir
tm
i
mm
197
— Man! .... Ken jc Pater Cifuentos?
— Dat geloof ik! — Hij is mijn neef: de broeder van de moeder van Vegallana. ... Hij is een zoon van Tonito Cifuentes, die Onderrseeretaris van Staat was in de dagen van Izturriz en hij is in de Orde getreden, toen....
— Maar is die ook te Biarritz ? ....
— Ifeen, hierr, in Parijs; — in de rrue do Sèvres---- Sints
68 was hij niet in Spanje, behalve een enkele maal om er door te rreizen. Rn met zekere kiesohe aarzeling voegde hij ei-beschroomd bij;
— quot;Wilt gij, dat ik hem ga opzoeken?
— Neen; ik zal zelf hem gaan zien.
Oom Prasquito kreeg op nieuw eene ontroering; hij zag in zijne verbeelding reeds Malek-Adhel, evenals de Rancé, een trappisten klooster stichten, of, zooals don Miguel de Manara, een hospitaal... .
Alles, alles nam zijn zelfden loop; precies als in de „Pavo-rite!quot; .... Fernando, la hella del Be, Pra Balthasar.. .. Alleen ontbrak er nog maar het klooster aan en vol verlangen er den eersten steen van te leggen, haastte hij zich te zeggen:
— Ik zal u bij hem brengen, zoodra gij wilt.
— Dan maar dadelijk, morgen.
— Goed.
Oom Prasquito was evenwel een zeer bedachtzaam man en daar hij vreesde, dat Pater Cifuentes zijnen rol van Pra Baltasar bij den novice op eene verkeerde wijze zou vervullen, zeide hij, dat die Pater een zeer nauwgezet mannetje was, maar dat hij ongelukkig geen flauw idee had van de gebruiken der wereld, dat hij opportunément et importunément van de hel sprak en de duivels allerleelijkst en allerlompst afschilderde, die niets hadden van die duiveltjes, zooals Oom Prasquito zich die voorstelde, onberispelijk, geparfumeerd, elegant, in rok en witte das, glad geschoren, eene gardenia in het knoopsgat, de monocle in het linker oog en een vuurrooden strik aan de puut van hun staart.
198
— Want ziet ge, om de waarheid te zeggen, vervolgde hij met een gezicht van groote vertrouwelijkheid. Ik ben zeerr katholiek, zeerr geloovig, maarr wat de geestelijkheid betreft, die laat in vele opzichten nog al te wenschen over. Nooit ontmoet men een prriesterr, die ons goed kent, die zich weet te voegen naarr onze manier van zijn, naarr de manier van gevoelen van lieden van onzen krring. Zoo is het ook met Pater Cifuentes. Een dag of wat geleden, bij de begrafenis van Generaal Tercena, zeide hij \'s middags tegen mij: mijn zoon, zeidc hij \'s middags tegen mij. ... En toen trachtte hij mij te overtuigen, dat ik ook eens sterven moest, en dat het noodig was mij voorr te berreiden en aan de eeuwigheid te gaan denken. Enfin, mijn vriend, hij maakte mij doodsbenauwd, doodsbenauwd, waarrlijk! En dan met Pepita Abando; weet je dat? Dat was grruwelijk, allerrwrreedst. Weet je dat niet?.... Zij was zulk een goed, elegant, lief meisje op wie niemand ooit verrliefder was dan Pablo Verrra; en dat wist geheel Madrid en billjjkte het, tot zelfs haar eigen man. . . . Maarr Paterr Cifuentes dacht err anderrs overr. Pablo werrd ziek en Pepita, dat is natuurlijk, stoorrde zich aan niets en ging naast zijn bed zitten. Paterr Cifuentes werd er bij geroepen, maar hij antwoordde, dat hij geen voet daar in huis zoude zetten, of Pepita moest er eerrst uit. Denk eens, wat eene veeleischendheid. Zij weigerrde, zooals te begnijpen is, en Pablito eveneens en wat men ook deed om dien heilige te overtuigen, dat het eene wreedheid was, die twee te scheiden, en dat iederreen het in haarr zou afkeurren, indien zij hem in zijne laatste stonde verliet, niets, niets, hielp. THu als een Arragonees! Hij stak zijne handen in zijne mouwen en zeide maar, neen, neen, neen, en hij liet hem sterven als een hond. ... En toen wilde men den zegen van Zijne Heiligheid vragen, en alles, alles... .
— Ik zeg u dit, — viel Oom Frasquito zich zelf in de rede, terwijl hij eenen vinger opstak, want indien gij hem over iets wilt raadplegen of gaan biechten. .. .
199
— Biechten, ik ? . . . . riep Jacobo zeer verontwaardigd uit. Waar haal je dat van daan?....
— Omdat je hem wildet spreken, zooals je zeide. . . .
— Is dan Pater Cifuentes niet de biechtvader en de leidsman van mijne vrouw? ....
— Ja, zeker. . . .
— Nu dan, wat ik van hem verlang, is, dat hij Elvira er toe brengt mijne aanspraken te erkennen.
— Maarr, wat zijn uwe aansprraken, Jacobito? vroeg Oom Frasquito zeer ongerust.
— Zeer eenvoudige en zeer christelijke. . .. Weer met mijne vrouw te zamen leven en al het gebeurde te vergeten.
— Aaah, jaah!.... riep Oom Frasquito, verrast en teleurgesteld, toen hij zag, dat geen Trappistenklooster zou opgericht worden en geen hospitaal gebouwd en dat de novice het kleed niet zoude aannemen.
En boos en mokkend, omdat de legende van Malek-Adhel de grove ontknooping had van eene andere moorsche comedie, zette hij de gedachte van tweeledig historieschrijver te worden, uit zijn hoofd en zeide:
— Maarr heb je wel over uwe aanspraken nagedacht? ....
— Vind je ze onmogelijk, bijgeval? ....
— Keerrel, onmogelijk niet.... Maar weet je, wat voorr leven Elvira thans leidt ? .
— Dat wilde ik u juist vragen.
Oom Frasquito trok een gezicht, waarop te lezen stond: ik barst als ik het niet zeg, en vervolgde aarzelend:
— Keerrel, ik zal u zeggen: ... . De zaak is algemeen bekend .... maar ik weet niet, of ik moet. . . .
— Je hebt niets te moeten. Oom Frasquito, riep Jacobo heftig en verschrikt uit. Ik heb het recht te vragen, en als je mijn vriend bent, ben je verplicht te antwoorden.
— Ja, ik ben wel uw vriend, Jacobito! Twijfel je daaraan?----
Ik was het van uwen vader en van uwen grootvader .... ik wil
200
zoggen, ik heb uwen grootvader gekend, toen ik nog oen klein kind was. . . . Maar er zijn dingen. .. .
Wat voor dingen?... Noem ze dan, man, noem ze....
Nu dan, Jacobo, de waarheid is. .. . Uwe vrouw heeft overal veel van zich laten spreken. .. .
— Waarlijk? ....
Zoo als ik zeg[: het doet mij zeerr leed het u te zeggen, maar het is waarr. ... Zij is déclassce, jongen, geheel déclassée. Iedereen in Madrid heeft haar den rug toegekeerd en zij gaat met niemand om dan met mijne nicht de Villasis; dat is er net zoo ééne! — Maarr deze is, als zij wil, eene rresolute vrouw, die geld verrteerrt en drrukte maakt.. . .
— Maar wat doet Elvire ? .. . .
— Horreurrs, Jacobito, horreurrs! Dat begon al dadelijk, nadat je van haar weg was gegaan; men zag haar nerrgens meer, noch in de comédie, noch op een bal, noch op de Castellana, noch zelfs Zondags aan huis bij Montijo. . . . Men zegt, dat zij fanatiek is geworden. . .. Ciirmen Tagle had eene kamenier, die bij haar gediend had en die vertelde dingen. .. . Altoos zat zij de bedienden op den kop.... Vandaag was het vastendag, morgen moesten zij naar de mis, den volgenden dag weer vigiliën... . Enfin, niet houdbaar! Niemand kon zoo iets verdragen. ... En zij zelve! Bespottelijk stelde zij zich aan. . . . Men verrtelde, dat zij op een mat sliep en vastte met waterr en brrood! En op het voorrbeeld van ik weet niet welken vrroomen keerrel tuchtigde zij zich met eene kat. 1)
— Hoe barbaarsch! — Met eene kat. .. . Maar dat is niet mogelijk!... .
— En toch werrd het voorr zekerr verrteld, vriendlief... .
1
In de levensbeschrijving van den Eerwaarden Vader Eusebio Nieremberg wordt gezegd, dat hij gewoon was zich te tuchtigen met een ijzeren werktuig, dat de passementwerkers gebruiken en dat lt;/alo ^kat) genoemd wordt. Ln op deze kat en op dezen vromen rnau doelde Oom Frasquito waarschijnlijk.
201
Jo kunt je niet voorrstellen, hoe wij op conon avond aan huis van Carmen Tagle gelacl^ hebben, toen wij hierrover sprra-ken. . . . Sommigen meenden, dat do kat dood moest geweest zijn en op die manierr zou ik mij ook durrven geesselen. . . . Het is hetzelfde, alsof men een vederbos gebruikt....
Jaoobo scheen geheel gerust gesteld over de horreurrs, die Oom Frasquito hem opsomde, en hij brak den draad van het gesprek af, door te zeggen :
— Bah! .... Als het niets anders is, laat zij dan maar met hare dweepzuchtige liefhebberijen haren gang gaan.
Oom Prasquito wilde hem zeer verontwaardigd antwoorden, maar Jaoobo sneed hem het woord af door te vragen:
— En hoe leeft Elvira? .... Verteert zij veel geld? ....
— Wel neen! .... Zij ziet er uit als eene arme weduwe, zij is uitgedroogd en slordig, zij, die vroeger zoo elegant en bevallig was.... Om kort te gaan, mijn vriend, eens zag ik haar aan huis bij mijne nicht Villasis en zij zag er byna smerig uit, alsof het noodig is zich als een varrken voor te doen om heilig te wezen, terwijl de zindelijkheid eene deugd is, die zoo gemakkelijk is uit te oefenen met schoon water en een handdoek. .. . Van haar eigen huis kan ik niets zeggen, want daar ben ik niet in geweest Drie maal heb ik er eene visite gemaakt, maar zij heeft mij nooit willen ontvangen. Maarr zij woont zeerr eenvoudig, daarr errgens bij de Carrbonerras.
— Dat is geen wonder, de arme ziel moet niet best in haar duiten zitten.
— Kom, geloof dat niet?.... Weetje het dan niet?.... Zij is rnjk.. . . Zij heeft het proces gewonnen tegen Monter-rubio en moot vijftien of twintig duizend duros rente hebben. . . ,
— Kerel, dat spijt mij, riep Jacobo bedrukt uit.
— Werkelijk?....
— Ja, werkelijk. ... Want nu zij rijker is dan ik bon, zullen kwade tongen natuurlijk zeggen, dat ik uit eigenbelang tot haar terug kom.
202
— O! neen, neon, Jacobito, om \'s hemels wil, Jacobito!.... Wie zoo denkt .... kent u niet!
— Enfin, wij zullen zien.... Wat op het oogenblik van belang is, is, dat ik het met Pater Cifuentes eens word.
— JTu, wanneer het u schikt, zullen wij morgen gaan.
— Zonder mankeeren.
Oom Prasquito, die genoegen nam met de klassieke wending van het geval, sprak toen met Jacobo het uur af, waarop zij de visite zouden afleggen, die tot voorbereiding moest dienen, en die de berouwhebbende echtgenoot vóór alles wilde doen, eer hij naar Biarritz reisde.
Eindelijk namen de beschermer en de beschermeling van elkaar afscheid en de eerste om zonder verwijl het nieuws aan het publiek over te brengen, ging zijn eerste avondbezoek afleggen op het terras van het Grand Hotel, waar de geheele Spaansche kolonie, zoo als gewoonlijk, de komst van de post afwachtte.
Maar noch de onzekerheid van nieuwe rampen, die het vaderland dreigden, noch de honderde geruchten, die in Parijs liepen, konden het algemeen gesprek afleiden van de romantische geschiedenis van de Cadine, wier apocrief muiltje een ieder bewonderd had, nadat Oom Prasquito, uit voorzichtigheid, eenige voorzorgsmaatregelen had genomen, die hij noodig vond voor de mise en scène. Want bevreesd, dat de eene of andere achterdochtige ziel de echtheid van het kostbaar geschenk mocht betwijfelen, had hij, alvorens het aan de publieke vereering over te geven, met den zool op den vloer gewreven, om het te doen voorkomen, alsof het reeds gebruikt was en had hij met fijne essences den reuk van een nieuwen schoen weggemaakt, die den vorigen nacht bij hem zulke gevaarlijke twijfelingen had opgewekt.
De Hertogin van Bara had nog geene gelegenheid gehad haar oordeel uit te spreken over de godsdienstige en tevens staatkundige plechtigheid, waaraan zij eenige uren te voren hadden deelgenomen, en tot zelfs de vrouw van Lopez Moreno, de ont-
203
troonde koningin van Matapuorcu, had voor een oogenblik de hooge eer vergeten, die haar morgen wachtte. De Hertogin had haar aangekondigd, dat Hare Majesteit haar morgen zou ontvangen en als een natuurlijk gevolg hiervan had de Hertogin als iemand, die niet gaarne over die zaken spreekt, uitstel gevraagd van het betalen van die kleinigheden, die zij sedert verscheidene jaren schuldig was gebleven.
— Och, dat is niet veel.... Doe, zooals gij wilt, antwoordde de edelmoedige schuldeischeresse.
En eveneens als een natuurlijk gevolg hiervan., wierp zij, met een vragenden glimlach, het volgende huwelijksplaunetje op:
— Lucie en Gonzalito (de oudste zoon der Hertogin) waren zoo blijde elkaar weer te zien.. . . Wat een mooi paartje zou dat zijn! Vandaag zijn zij naar do Shatiny rink gegaan, want Gonzalo wilde haar leeren schaatsen rijden. . . .
De Hertogin ving den bal in de vlucht op en antwoordde alleen met een fijnen glimlach, die deze gedachte verborg:
— Je bent onbeschaamd!... Op den een of anderen dag maak je alles quitte en endosseert mij uwe dochter als schoondochter ! ... Een Hertogin van Bara nee Lopez Moreno! De hemel sta ons bij!.. .
Wat Currita betrof, deze bewaarde dien namiddag een plechtig stilzwijgen, het gevolg van de woede van een bedorven kindje, waarbij zij zich innerlijk opat. Jacobo had haar dejeuner versmaad met de beuzelachtige verontschuldiging, dat hij van zijne reis wilde uitrusten en zij had haar boosheid ontladen op het hoofd van den weerloozen Villamelon, die, in peinzenden houding achter haar gezeten, zijne gedachten liet dwalen en zich troostte over het boos humeur zijner gemalin, door aan zijn bezoek aan de menscheneters te denken. . . .
Leopoldina Pastor maakte een drukte voor honderd en stelde voor de geschiedenis van de Cadine aan Octave Feuillet te geven, om daaruit een Oosterschen roman samen te stellen. Zij vond het jammer, dat Jacobo Sabadell zich in het geheel
204
niet liet zien, terwijl iedereen er zoo verlangend naar uitzag, hem de welverdiende hulde der bewondering te brengen, die zijn romantisch avontuur hun had ingeboezemd en die zoo geheel anders was, dan de koele ontvangst van den vorigen dag.
Toen kwam oom Frasquito, in groot gala gekleed, geparfumeerd en vol nieuwtjes, die, evenals het borrelen van het water, dat gaat koken, zich op zijn gelaat aankondigden door een beteekenisvollen en aanhoudenden glimlach.
Het onverwachte voornemen van Jacobo maakte op de toehoorders een diepen indruk en toen oom Frasquito vertelde, dat de held misschien wel morgen naar Biarritz zoude gaan, konden twee der aanwezigen, Diogenes en Currita, zich niet inhouden. . . . Do eerste stond op en ging regelrecht op oom Frasquito af, alsof hij hem wilde afranselen, en de andere, zonder dat hare heftige woede uit iets anders bleek dan uit het beven harer zachte stem, begon vuur en vlam te spuwen op de Markiezin de Sabadell, hare meest geliefde nicht, tot groote verwondering van Villameion, die zich haar klein sermoen over familiezwak herinnerde, dat zij hem \'s morgens gehouden had.
De groep vrouwen stemde in met den blaam van Currita en allen waren het er over eens, dat de markiezin de Sabadell eene intrigante was, eene groote, schijnheilige dweepster, die na tien jaren tot hare stichting onder priesters en monniken te hebben geleefd, thans den armen Jacobo onder voogdij wilde brengen van Pater Cifuentes, en dat het eene plicht was, eene gewetenszaak, waaraan men zich niet mocht onttrekken, aan die huichelaarster het masker te ontrukken en den braven jongen den strik te toonen, die voor hem was gespannen.
Diogenes, die halverwege zijn voornemen, om oom Frasquito het leven te benemen, scheen te laten varen, keerde zich nu heftig tot de vrouwenschaar en zeide, dat het een vloek van heidenen was, en dat die gelijk hebben, wat zij zeggen van vrouwentongen! dat wie vrouw zegt. ook duivel zegt en dat
■
•P
lil
■85 it ;■ ;
fl
T \':h li
.1 iliii
y?i
■m \'i
if:\' i
Si \'l;! \'!
I I
\'Mu
205
het soort zoo slecht is, dat bij do vliegen en de vlooien degenen, die bijten — Polaina — do wijfjes zijn.
Allen lachten om deze opmerking van Diogenes en deze, meer om haar de ooren te wasschen dan om haar pleizier te doen, vertelde aan de dames, dat God de vrouw niet had geschapen uit een rib van Adam, zooals eerst zijn plan was, maar uit de staart van eene apin i). Wel bad Hij reeds den rib in zijne hand om haar te scheppen, die oorzaak zoude zijn van zoovele rampen, maar eene apin, die oplettend toezag, trok Hem op eens het been uit de handen en ging er mede op den loop om het in hare schuilplaats te verbergen. De Heer wilde haar achterna en greep haar bij de staart, maar de apin trok met zooveel kracht, dat de staart los liet en de Heer die in de hand hield. Toen trok Hij de schouders op en zeide bij zich zelf; dit ia, voor hetgeen ik voornemens ben te doen, even goed.
En van deze zonderlinge grondstof maakte Hij de moeder van het menschelijk geslacht.
De dames protesteerden sterk tegen het verhaal van Diogenes; maar Currita, wie het speet, dat zij in de uitbarsting harer woede iets had losgelaten, dat zij liever voor zich had willen houden, haastte zich de grap goed op te nemen en zeide:
— Ja, zie je, Diogenes, misschien is er in uw verhaaltje wel iets, dat waar is, want mij heeft men zoo iets dergelijks verteld over de schepping van den man. Men zegt, dat God reeds alle dieren had geschapen, maar de man ontbrak er nog aan. Het was reeds laat en Hij was moede. Daarom, ten einde tijd en moeite te besparen, nam hij het eerste beste beestje, dat Hij onder zijn bereik had en zeide;
1) Dit verhaal on hetgeon volgt zijn overoude volksverhalen In Aiulalu-it\', door den schrijver verzameld en opgeteekend, ter wille van de landelijke bekoorlijkheid, die dikwijls diepen zin heeft. De eenvoudigheid zelve van haren vorm en de uitdrukking van hare onschuldige, ofschoon schijnbaar ondeugende bedoeling sluit alle gedachte aan oneerbiedigheid uit.
206
— Luister jij en spreek. ... En de man was er.
En bij het zeggen van „spreekquot; gaf zij met het uiteinde van haren waaier een tikje op den schouder van haren echtgenoot. Deze legde dat als een teeken van verzoening uit en glimlachte, voldaan en vergenoegd, terwijl zij zich over hem heenhuigende, fluisterde:
— Hoor eens, Perdinandito .... ik vind het niet anders dan natuurlijk, dat je nu eens gaat hooren, of Jacobo uitgerust is; en vraag hem dan meteen ten eten. .. . Zeg hem, hoe ik zonder fout hem wacht, want ik moet hem over dingen spreken, die voor hem van veel belang zijn.
Op dit oogenblik hoorden zij, dat de post was aangekomen en Diogenes maakte van de verwarring, die daardoor ontstaan was, gebruik om naar Oom Prasquito te gaan en hem onzacht bij de kraag van zijn kostbaren, geopenden pelsjas te trekken, waaronder de vlekkelooze plastron te voorschijn kwam, waarop een zeer fraaie turkoois, blauw als de hemel, schitterde.
Oom Prasquito ontstelde, toen hij zich alleen in de klauwen van Diogenes zag en trachtte zijnen angst te verbergen door hem deemoedig, glimlachend en vleiend te begroeten; h|j noemde hem Perrlquito ]), bood hem fijne sigaren aan, die hij wel is waar zelf niet rookte, maar die hij altijd bij zich had in geval van nood.
Maar Diogenes vestigde op hem zijne, door het gebruik van rum en jenever uitpuilende oogen, met den boozen invloed waarmede een slang een argeloos vogeltje magnetiseert en vroeg dreigend, na een gebiedend — luister Prangoise — of het waar was, dat hij het met Jacobo eens was.
— Hij met Jacobito.... Hemel! .. .. Het was juist Jacobo geweest, die hem in zijn kamer was komen plagen en hem, hij wist zelf niet waarom, al dadelijk tegenzin had ingeboezemd.... Het was waar, dat hij hem om eene aanbeveling had verzocht
1) Perriquilo, verkleiningswoord van Perro hond.
207
bij zijnen neef, Pater Cifuentes en hij — natuurlijk — om er zich van af te maken, had hem zijn visitekaartje aangeboden; maar wie kon het in zijn hoofd krijgen, dat hij hem zou vergezellen , of zich mengen in familiezaken en tripotage met kwade praktijken en dat met zulk een krankzinnige ? . ...
En terwijl Oom Prasquito dit zeide, maakte hij langzaam zijn bonten kraag los uit de handen van Diogenes en zoodra hij bevrijd was, knoopte hij snel zijn pelsjas tot zijn hals toe om zijn plastron voor den een of anderen aanval van Diogenes te beveiligen. Deze liet hem begaan en vroeg op nieuw:
— Wanneer gaat Jacobo naar Biarritz?....
— Morgen avond. . . .
En met een geheimzinnig gebaar en op een vertrouwelijken toon, voegde hij er bij :
— En nu, veronderstel dat Jacobo alleen afgaat op de lucht der millioenen van Monterrubio, waarvan Elvira nu het genot heeft, wat zou zij dan doen? Hot zal toch in niemands hersenen opkomen, dat zulk een goed, braaf vrouwtje op nieuw een ménage zal gaan opzetten met dion Pontius Pilatus.
Diogenes draaide hem, zonder meer te vragen, den rug toe en oom Prasquito, verheugd er van af te zijn gekomen tot geen anderen prijs dan het verloochenen van zijnen vriend, spoedde zich naar Currita om haar te vertellen, dat Diogenes partij trok voor Mevrouw Sabadell en klaagde er met de Hertogin van Bara over, dat de correctioneele politie, in Frankrijk evenmin als in Spanje, geen perk stelde aan de bandeloosheid van den cynischen ouden man.
Deze had het terras verlaten on was de leeszaal binnen gegaan, waar hij voor een schrijftafel ging zitten, pen en papier nam en met onvaste hand dezen brief schroef:
„Lieve Maria. ..
Hier hield Diogenes op, wreef zijn neus met het boveneind van den pennehouder, bleef verlegen zitten kijken, totdat hij ten laatste aan het hoofd der brief nog dit toevoegde:
208
„Zeer geëerbiedigde Vriendin
„Morgen vertrekt van hier naar waar gij zijt, die schurk van een Jacobito Sabadell met Caïns plannen, want het geldt hier niets minder dan eene verzoening met zijne arme vrouw, met Elvira, te beproeven. Hij is komen vluchten uit Constan-tinopel, waar hij, ik weet niet welke gruweldaden heeft begaan; hij schijnt geroken te hebben, dat Elvira geld heeft en wil haar de moeite besparen het te bewaren. Morgen, voor zijn vertrek, heeft hij eene conferentie met Pater Cifuentes, bij wien Fran-cesca di Rimini als bemiddelaar hem zal introduceeren. . . .
Hier bemerkte Diogenes , dat dit niet goed sloot en voegde or bij :
„of als bemiddelaarster. Ik schrijf u dit alles om u te waarschuwen. Misschien kunt gij wel iets voor die arme vrouw doen, die in staut is, zich, aan handen en voeten gebonden, aan haren schobbejak van een man over te geven, indien er niet iemand is, die haar raad verschaft. Als ik helpen kan door Jacobito zijn borstbeen in te slaan. . .
Op nieuw hield Diogenes hier twijfelend op, om na to gaan, of Jacobo soms twee of meer borstbeenen kon hebben en buiten twijfel bereid ze allen stuk te slaan, vervolgde hij:
„ . . . . laat het mij dan weten, ik ben hier! Ik ga zoo langzamerhand, met mijne twee en zestig jaren op den rug, het weggetje, dat voert naar een bed in het hospitaal, zooals gij mij zoo dikwijls hebt voorspeld. Zal ik de drie en zestig halen?quot;
En met dezen vraag eindigende, teekende hij zoo als Antonio Perez zijne brieven aan Milady Richt onderteekende:
„de lompe hond van Uwe Hooggeborene,
Diogenes.
P. S. — „Eene kus aan Monina.quot;
En nu bleef hij weder verlegen zitten kijken. Hij schudde langzaam zijn groot hoofd en zijn puisterig gelaat nam eene onbeschrijflijke uitdrukking aan van teederheid en droefheid.
209
Die Monina, een liefelijk schepseltje van vier jaren, de afgod van zijn hart, dat hem aan zijn bakkebaarden trok en voor wie hij op handen en voeten kroop, terwijl zij hem aan een oor leidde; aan wie hij zich gehecht had, zooals groote honden zich wel hechten aan kleine kinderen en zich door hen laten sollen, die Monina had eens een kus van zijn brandewijn lippen geweigerd en met kinderlijken afkeer gezegd;
— Neen .... dat stinkt!. . . .
En Diogenes, de cynische Diogenes, die met het oordeel der geheele wereld spotte en er pleizier in vond, zich in de afzichtelijkste poelen te wentelen, voelde tegenover dat engelachtig kind eene schaamte zijn hart binnen dringen, die op zijn voorhoofd steeg en zijne oogen vulde met tranen.. .. Drie dagen achtereen dronk hij geen glas; den vierden dag gaf hij zich weder aan zijne ondeugd over; maar nooit kuste hij het kind weder.
En nu, op dien grooten afstand van het lieve kind, meende hij ontrouw te worden aan zijn voornemen, nu hij in het Postcriptum het woord kus schreef en nadat hij dit met dikke inktvlakken had weggemaakt, zette hij in de plaats: — Aan Monina; zeg haar, dat ik voor haar een pop zal medebrengen, die zegt „papa en mamaquot;. — Toen schreef hij op het adres:
Madame
Mme la Marquise de Villasis
Villa Maria
Biarritz.
u
VII.
De gril eener Keizerin maakte in korten tijd van een vergeten gehucht een der brandpunten der mode voor de halfgoden, die hunne gewoontep, hunne luxe, hunne behoeften, tot zelfs somtijds hun geweten regelen naar de wetten, die deze grillige dwingelandes, de mode, voorschrijft.
Keizerin Eugénie verhief Biarritz tot la ville Eugenie en Biarritz kon nu wedijveren met Trouville, Dieppe en Etretat. De Spanjaarden maakten er zich meester van in den zomer, de Engelschen in den winter en de Russen in den herfst, alsof zij om beurten van zijne twijfelachtige comfort en zeer betwistbare bekoorlijkheden wildon genieten. De weelde haastte zich daar villa\'s en paleizen te bouwen; de speculatie hotels en casino\'s; alleen de vroomheid bleef er met hare handen in den schoot zitten. Te Biarritz vindt men ter nauwernood eene enkele kerk.
Op den weg van Bayonne ligt aan den zeekant eene verukke-lijke villa in een klein park. als eene duif in haar nest van groen. Dit park strekt zich uit langs den weg en wordt door een groot ijzeren hekwerk afgesloten, en op beide posten van den ingang staat te lezen: Villa Maria. Door dit hekwerk komt men op een lang pad, dat drie grillige bochten maakt, en dat, beschaduwd door prachtige boomen, over een kleine beek, naar een half rond plein voert, omgeven door bloemen —
211
een soort van heerlijk square, dat dient als cour d\'honneur van het huis. Drie wit marmeren trappen geven toegang tot de heneden verdieping, die uitsluitend bestemd is om te ontvangen en die versierd is met dien keurigen eenvoud, die al wat schoon is in zich bevat en alle pracht verbant, en die het smaakvolle en het elegante in het ameublement van een landelijk paleis vormt.
Achter in de vestibule is de deur van het salon en deze doorgaande komt men in eene kleinere kamer, die geheel behangen is met cretonne met koperkleurige bloemen. Aan de eene zijde is een wit marmeren schoorsteenmantel en aan de andere zijde een groot venster van spiegelglas, dat hoog is opgeschoven en de zonnestralen naar binnen laat stroomen. Daar door ziet men eerst op het groen in het park , verder op het witte strand en eindelijk op de blauwe zee.
Het uurwerk in het torentje der villa had reeds elf uur geslagen. Twee dames, in het kleine kamertje aan weerszijden van den schoorsteen gezeten, spraken met elkaar. De eene schreide in stilte, do andere scheen haar te troosten.
Deze was wel vijftig jaren en met een volkomen gemis aan ijdelheid had zij niets gedaan om de werking van den knagen-den tand des tijds te verbergen. Ren eenvoudige schildpadden kam hield haar rijken haardos, die bijna geheel wit was, bijeen en haar kostbaar huiskleed, met fluweel afgezet, wel verre van haren persoon goed te doen uitkomen, scheen veeleer de deftige elegance in snit en plooi aan de fraaie en edele houding der dame te ontleenen.
Haar een weinig bruin en geenszins regelmatig gelaat bezat evenwel die beweeglijke schoonheid, die gelegen is in de uitdrukking en die hetzelfde is, wat de kleur is voor eene schilderij. Hare schoonheid was eer eene geestelijke dan eene lichamelijke, door geen penseel weder te geven, maar die do voornaamste bekoring dier dame uitmaakte. Zij bad eene zekere aangeborene levendigheid, die der groote dame niet schaadde,
14*
212
een soort van ongedwongen en aantrekkelijke gracie, die, met een licht ceceo, hare Andalnzische afkomst verried \').
De andere dame was veel jonger; zij schoen neerslachtig en was ziek. Haar bleek gelaat vormde een volmaakt ovaal; hare oogen trokken door hunne zachtheid do aandacht, de mond door zijne treurige uitdrukking; de eerste, groot en blauw, met onbestomdon blik, een weinig naar boven geslagen, als een blik van hoop, te midden dor smart; de mond kleurloos, aan de hoeken neergetrokken met die plooi, welke de gewoonte van het lijden verraadt. Zij droeg een zwarten hoed zonder voile, een wijden mantel van ottervel en een mof van hetzelfde bont.
Dit was de Markiezin van Sabadell, en de andere dame, in wier huis zij zich bevond, was de Markiezin van Villasis, hare vertrouwde vriendin.
De post had dien morgen aan beide dames belangrijk nieuws gebracht. Mevrouw de Villasis had den brief van Diogenes ontvangen en nog een uitvoeriger van Pater Cifuentes. Wat de Markiezin van Sabadell betrof, deze had van de mis komende eenen brief gevonden, die alle snaren van haar hart deed trillen. Een oogeublik dacht de ongelukkige vrouw te zullen bezwijmen.
Tien jaren waren verloopen, sedert zij het schrift van Jacobo had gezien, maar toch was er, nog vóór zij hare oogen over het adres had laten gaan, een zeker geheimzinnig iets, dat onder deze omstandigheden haar hart ontroerde en hare gedachten op eens vestigde op een verleden, bijna vergeten tijd en dat haar hart deed raden, van wien de brief kwam.
Wankelend ging zij hare slaapkamer binnen, dronk met bevende hand een glas koud water en liet zich machteloos in een leuningstoel vallen, terwijl zij den brief bezag, zonder dien te durven openen.
1) Ceceo noemt men het uitspreken van du s zooals de Spuansclie c wordt uitgesproken voor e en i, en die klinkt als de engelsehe scherpe th.
213
Het geheele verleden kwam haar in een oogenblik weer voor den geest, als oen groote golf, die op het strand breekt on alle andere kleinere golven geheel verzwelgt. Zij zag hare korte dagen van geluk, toen zij vol waanzinnige liefde voor haren man en meenende, dat hij die beantwoordde, in het bezit dacht te zijn van het onbetrouwlijk levensdoel, namelijk het geluk en het ware levensdoel, namelijk God, had vergeten. En dit was haar eonige fout geweest, de fout van ondankbare kinderen, waartoe de groote meerderheid der mensohen vervalt, die in het geluk God vergeet en slechts in tranen aan Hem denkt; want het komt meer overeen met \'s menschen baatzuchtigen aard, dat men liever vraagt om heul, dan dat men dankt voor weldaden. Nu had zij dit ingezien en zij boette er zwaar voor....
Spoedig volgden kleine trouweloosheden en kleine ontgoochelingen, zonder verwijten verdragen en zonder voorbehoud vergeven, die niet in staat waren den afgod omver te rukken in dat liefhebbend hart, dat even kalm was als eone rivier zonder stormen en aan eene aeolische harp gelijk, waarin het geloei der wind verandert in zuchten.. . . Daarop kwamen grove be-leedigingen en weldra de verschrikkelijke ontdekking van groote ondeugden, die als afzichtelijke paddestoelen opschoten onder de verleidelijke oppervlakte van dien aangebeden echtgenoot; ontdekkingen van bedorven neigingen, ontembare hartstochten, losbandige en tallooze gebreken, die ontstonden en leefden in zijne ziel als vuile wormen in rottend vleesch.
De afgod werd een monster en de ongelukkige vrouw wilde verontwaardigd hem uit haar hart rukken, als iets dat beleedigt, dat bevlekt, onteert. Maar hare ziel verzette, vol smart en schaamte, zich er tegen, want de afgod liet haar niet los, be-heerschte haar voortdurend en hield niet op haar afgod te zijn, al was hij ook een monster. Eindelijk waren zij geruïneerd en toen verliet hij haar. Daarop volgden die lange, eenzame dagen, gedurende welke zij vergeefs eeuen brief wachtte, dien zij reeds honderd maal beantwoord had, eer hij nog was ge-
214
schreven, steeds hopende op eenc bede om vergiffenis, die hem reeds bij voorbaat was geschonken; zich nederleggende met den angst, den volgenden dag te ontwaken alleen, op nieuw alleen, in het strijdperk der smart, aan zichzelve de vraag doende, die een ongelukkige Dauphin van Frankrijk aan zijne moeder
Marie Antoinette deed: Is vandaag zooals gisteren?____En het
gisteren was altoos zooals het heden en de afgod bleef altoos de afgod!. . . .
En thans, bij het ontvangen van dien brief na zoovele jaren, na in een draaikolk geslingerd te zijn van verpletterende smart, grievenden smaad, gruwelijke beleedigingen, zwarten ondank, eenzame tranen en miskende opofferingen, voelde die arme vrouw de liefde voor haren man weder in haar hart ontwaken, altoos levend, sterk, onderworpen, weerstand biedende aan onverschilligheid , aan minachting en aan beleedigingen, zelfs aan den tijd en de afwezigheid; eene liefde, die leefde zonder hoop om haar te voeden en dus onsterfelijk was als de ziel.
De ongelukkige vrouw kreeg angst voor zich zelve en een bittere tranenvloed welde als een stroom op uit haar hart. Zij dacht aan haren zoon, wiens schutsengel zij was en wiens belangen en opvoeding zij tegen zijnen eigen vader moest verdedigen en zij vreesde, dat hare hartstochtelijke liefde het zwakke punt was in haar hart, dat haar er toe zou brengen zich met den vijand te verstaan, als een onkruid, dat de goede sappen uit den grond tot zich trekt en zich de kracht toeëigent, die frischheid en bloei geeft.
Achter in hare slaapkamer hing een prachtige tryptiek boven een zeer eenvoudigen bidstoel en hiervoor wierp de Markiezin zich neder onder het storten van heete tranen om, aan de voeten der Heilige Maagd, den on verwachten brief te lezen.
Jacobo kondigde, zonder eenige inleiding, zijne vrouw zijne aanstaande komst aan, om met haar over zeer belangrijke zaken te spreken, welker regeling hem Pater Cifuentes had geraden, oen uitmuntend mensch, dien hij in Parijs had
I
M\'HI
ii
■ ip
i
I s
\'•s
i il\'
in
iii
j
m
jiil
i ji !■\' I
..Lii;
•:h . \'■«*
tÈM 1» ill m.
■ ■ \'rji!
5 1Ï \' «
i i lii
•)
} ü U
?; t
It *\'■
it
m
215
leeren kennen en die zijn hedrukt hart vervuld had met hoop en troost.
De Markiezin dacht, dat zij de laatste zinsnede van den brief verkeerd had gelezen en las die nog eens over. Huichelarij was de eenige ondeugd, die zij nooit in Jacobo had bespeurd en of deze kwam in dezen korten brief aan alle kanten voor den dag, of God had bij hem een zijner wonderen gewerkt. Was door de hoop en troost, door Pater Cifuentes geschonken, rust gekomen in dit hart, welks koud egoïsme het altoos gevoelloos had gehouden als een lijk, bevroren in de sneeuw? .. .
Uit was ongerijmd, maar niet onmogelijk. Sedert twaalf jaren had zij dagelijks hierom vurig gebeden en God was zoo goed, zoo machtig, zoo vaderlijk! . . .
En ofschoon er in haar binnenste iets strengs, iets onbuigzaams zich verhief, dat haar toeriep, dat dit een bedrog, eene nieuwe schelmerij was, verstikte de Markiezin deze stem, zonder zich er rekenschap van te geven, om in plaats daarvan oen zonnestraal binnen te laten, die de duisternis verdreef van hare treurige verlatenheid en haar hoop en haar verlangen een schoon luchtkasteel deden bouwen.
Zonder om haar ontbijt te denken, of zich lang op te houden om hare beweende oogen te wasschen, spoedde zij zich naar de Markiezin de Villasis, zichzelve overredende dat zij bij het helder verstand en de zuivere genegenheid barer vriendin een verstandigen raad zoude vinden; maar inderdaad ging zij naar haar om in hare aanmoediging iets te vinden om hare eigene hoop te versterken en te verwezenlijken. ...
Maria de Villasis wist zeer goed, waaraan zij zich had te houden , want Pater Cifuentes had haar in zijn brief een uitvoerig verslag gegeven van zijn onderhoud met Jacobo. Deze had, toen hij bij Pater Cifuentes kwam onder onbeschaamde aanmatiging de beschroomdheid en het gevoel van angst verborgen, die de Jezuieten gewoonlijk inboezemen aan die soort van wereldlingen , die hen alleen kennen uit dc duizend ver-
216
haaltjes, die, geschreven of verteld, gunstig of ongunstig, over hen in omloop zijn.
Maar toen hij dien kleinen man voor zich had gezien, onbe-teekenend tot in het alledaagsche toe, eenvoudig in zijn spreken tot achteloosheid, die nooit zijne handen uit zijn mouwen nam, dan om rapé uit zijn hoornen snuifdoos te nemen, of om, wel wat dikwijls, zijn leelijken, blauwen zakdoek met gele eu blauwe ruiten voor den dag te halen, veranderde zijne beschroomdheid in minachting en met de minachtende koelheid, die een trotsch, groot heer aanneemt tegenover een mindere, dien hij oordeelt, dat aanspraak maakt op eenen voorrang, die hem niet toekomt, gaf hij hem zijn verlangen te kennen, zich met zijne vrouw te verzoenen, al het gebeurde te vergeten, en daarbij zijnen wil, dat de pater zelf zijne vrouw zoude aanraden, zijne aanspraken te erkennen.
En toen kreeg Jacobo de overtuiging, dat Pater Cifuentes iemand was, met wien men medelijden moest hebben, een lom-pert, zonder een greintje wereldkennis, juist zooals oom Fras-quito hem te voren had gezegd.
De handen van den Jezuiet verborgen zich al dieper en dieper in zijne mouwen en welgemoed en voldaan gaf hij als zijne meening te kennen, dat niets meer overeenkomstig de christelijke zedeleer was, dan de huiselijke vrede en het vergeven van beleodigingen. Maar, — en hier kwam de hoornen snuifdoos weder voor den dag, waaruit Pater Cifuentes een greep deed, Frederik den Groote waardig — maar wat betrof, dat hij Mevrouw de Markiezin zou raden, toe te stemmen in de aanspraken van Mijnheer den Markies, moest Mijnheer de Markies in overweging nemen, dat Mevrouw de Markiezin hem er nooit over had geraadpleegd en dat de eerste voorwaarde van een goeden raad was, dat er om gevraagd moest zijn.
Jacobo opende zijn mond om te antwoorden, maar do zakdoek met gele en blauwe ruiten kwam weder voor den dag en Pater Cifuentes zeide, dat hij meende vernomen te hebben,
217
dat Mevrouw de Markiezin van Sabadell op hot punt stond uit Biarritz to vertrekken en dat ingeval hij haar niet mocht aantreffen, het beste voor Mijnheer don Markies zoude zijn, zich te vervoegen tot Mevrouw de Markiezin van Villasis, hare groote vriendin, met veel verstand on groote deugden, voor wie hij hom beloofde eenon brief mede te geven, waarin hij haar verzocht de zaak ter harte te nemen.
Oom Frasquito met oen groot gobrok aan kioschheid, dat voortkwam uit zijn onweerstaanbaar verlangen om den loop van het drama te volgen, had het onderhoud bijgewoond en deed er toen zijn woordje bij, door te verzekeren, dat dit zeer goed overlegd was en dat zijn neef Pater Cifuentes verstand had tot in hot puntje van zijn calotje en dat het beste, wat zijn neef Jacobo nu kon doen was zich rechtstreeks en dadelijk te vervoegen tot zijne nicht Villasis, want dat indien deze niets bij zijne nicht Sabadell kon uitrichten, geen monsch ter wereld dit zou kunnen.
Jacobo peinsde een oogenblik over het plan, dat zij hem voorstelden en met het voornemen, dadelijk aan zijne vrouw zijne komst te berichten om daardoor haar vertrek tegen te houden, nam hij voor elk geval den brief aan do Markiezin van Villasis aan en nam afscheid van Pater Cifuentes, dien hij Don Gregorio noemde. Gedurende het geheele gesprek had hij met merkbare gemaaktheid vermeden hom Padre te noemen en hem eenvoudig Senor Cifuentes genoemd.
Senor Cifuentes begeleidde dit aristocratisch tweetal tot aan de deur, met zijne handen steeds in do mouwen, en toon hij hen in hun rijtuig zag zitten, mompelde hij:
— Zeer getrouw zinnebeeld der wereld! Do dwaasheid helpt de ondeugd.
En zonder een oogenblik te verliezen ging hij zitten om aan de Markiezin van Villasis te schrijven en deelde hij haar zijn oordeel mede over Jacobo\'s plannen , dat geheel overeenkwam met dat van Diogenes; hij bad haar tot eiken prijs te beletten, dat
218
Elvira on haren man elkaar zagen, opdat deze laatste haar niet kon bedriegen en hij droeg haar tevens nadrukkelijk op, al hare vrouwelijke hulpmiddelen te gebruiken om dien rampzaligen man voor altoos af te schrikken van plannen op zijne ongelukkige vrouw, die ernstig gevaar konden opleveren voor haren onmondigen zoon.
Maria de Villasis wachtte er zich wel voor over deze inlichtingen met Elvira te spreken en als een bekwaam arts, die te sterke geneesmiddelen bij kleine doses toedient en vergif doet verkeeren in medicijn, maakte zij zich gereed om der ongelukkige vrouw langzamerhand de begoocheling te ontnemen. Zij las opmerkzaam den brief, dien Elvira, ontroerd en bevend, haar toereikte en gaf haar dien terug zonder een woord te spreken. Elvira zag haar vragend aan, met hare treurige oogen vol tranen. Maria zeide toen, langzaam haar hoofd schuddende:
— Hierover worden wij het nooit eens. . ..
Elvira boog stom haar hoofd, want het was haar, alsof die woorden met eeneu slag het kasteel hadden omvergeworpen, dat zij op den bodem van haar hart, tusschen hoop en verlangen, had opgebouwd.
Twee dikke tranen sprongen uit hare oogon, terwijl zij beschroomd fluisterde;
— Ik heb zóó gebeden .... zooveel geweend!....
— Dat is waar! . ... Maar hij heeft zoo gelogen! .... Hij is zoo lang op het slechte pad geweest! . . . .
— God kan een wonder doen. . ..
— En de mensch kan het verijdelen. ...
— Ik hoop van neen.. ..
— En ik vrees van ja.. . .
— Maar wie zegt u dat ? .
— En wie geeft u zekerheid;-\'....
De tranen van Elvira veranderden nu in snikken. Alsof deze smart nieuw voor haar was, voelde zij in geheel hare volheid de eerste behoefte van alle zwakken, die ongelukkig zijn: vrien-
219
donarmcn om zich in to werpen cn ecne trouwe borst om er het betraand gelaat aan te verbergen.
Maria ontving haar in hare armen, rlrukte haar aan haar hart, kuste haar op liet voorhoofd, fluisterde haar in het oor, op dien zachten, teederen toon, waarop men tegen een ziek of bedroefd kind spreekt. Zij, steeds snikkende, riep :
— Wat moet ik doen? Wat moet ik doen?....
— Weggaan.
— Waarheen ? .
— Naar Lourdes. ... En biddend tot do Heilige Maagd, wachten tot de storm overgaat.
— Hij zal mij daar komen zoeken. . . .
— Dat zal hij niet doen. . .. Daar zal ik wel voor zorgen.
— Maar indien hij eens oprecht was, Maria, zeide Elvira, wederom, zich vastklampende aan haar denkbeeld. En indien hij werkelijk berouw heeft en de ongelukkige ziet, dat de deur voor hem gesloten wordt? ....
— In dat geval zal ik het wol ontdokken en dan breng ik zelf hem naar Lourdes en dan komen wij u allen drie opzoeken, hij, ik en uw zoon.
— Ach Alfonsito! .... Arme jongen, lieveling!.... Wat zal ik met hem doen ? Zal ik hem mode nemen ? . .. .
— Neen: laat hem op school.
— O! neen, neon, dat niet! riep Elvira buiten zich zelve uit. En als zijn vader hem gaat zien en hem medeneemt? .... Zielslieveling! Zonder hem leven!. . . . Dan sterf ik, dan sterf ik!....
En bij deze gedachte, die haar verpletterde, kreeg de arme vrouw, overweldigd door smarten on door het vasten verzwakt, eene lichte flauwte. De Markiezin liet haar een kop bouillon en een glas goeden wijn gebruiken en slaagde er langzamerhand in, haar te doen bedaren.
Toen overlegden zij haar plan, Elvira zou dienzelfden avond nog naar Lourdes vertrekken, vergezeld van Mile Carmaguae,
220
cenc zoor rospectablo damo, die vroeger gouvernante was geweest der oonige dochter van de Markiezin de Villasis. Deze dicteerde Elvira oenen brief\', dien men Jacobo zoude ter hand stellen, wanneer hij zich aan het huis zijner vrouw vertoonde. Daarin zoide zij , dat zeer dringende zaken haar beletten hem to Biarritz te wachten en dat zij de Markiezin van Villasis onbepaalde volmacht had gegeven om met hern over zaken van allerlei aard te handelen, terwijl Elvira onvoorwaardelijk zoudo goedkeuren alles, wat die beidon mochten overeenkomen.
Do Markiezin van Sabadell nam met alles genoegen, met die soort van zedelijke verslapping, die de wilskracht ontzenuwt, wanneer, ten gevolge van oonige gebeurtenis in het leven, het geloof\' verflauwt en de hoop sterft. Maar in helden naturen groeien de krachten aan, naarmate het offer pijnlijker valt en zonder een traan te storten en zonder zich ongerust of\' bedroefd te toonen , bemoeide zij zich alleen mot do voorbereidselen voor de reis.
De beide dames dejeuneerden samen aan huis van de Markiezin de Sabadell, terwijl deze aan hare vriendin gewichtige papieren toevertrouwde, die Maria gaarne in handen wilde hebben voor het geval, dat zij die bij hare onderhandeling met Jacobo mocht noodig hebben. Zij wandelden daarop samen naar Guichon, eeu klein gehucht tusschen Bayonno en Biarritz, waar de Jezuïeten, door do revolutie uit Spanje verdreven, eene school hadden geopend, waar Alfonso Tellez zijne opvoeding ontving.
Elvira nam afscheid van haren zoon, zonder hem te zeggen , wanneer zij vertrok, noch waarheen, en den Rector der school, die al het verdriet der dame door en door kende, werd opgedragen te zorgen, dat de jongen geen ander bezoek zoude ontvangen dan dat der Markiezin de Villasis, gedurende de korte afwezigheid der moeder. Twee uren later aan het station de Ia Négresse nam Elvira van Maria afscheid en dezo keerde treurig en peinzend naar Villa Maria terug, waar zij dadelijk bevel gaf, niemand toe te laten.
221
Vroeg in den avond sloot zij r\'ieh in hare kleine kamer op cn besteedde een groot gedeelte van den nacht met het nazien en bestudeeren der papieren, waarbij zij een soort van document schreef in den vorm van genummerde artikels. Den volgenden morgen stond zij vroeg op, ging naar de kapel van Santa Eugenia, hoorde twee missen en communieerHe zeer vroom. Hare vrouwelijke bedachtzaamheid had den nacht te voren hare berekeningen gemaakt en nu kwam haar christelijk geloof in het Sacrament de goddelijke genade zoeken, die zij noodig had om in de worsteling te overwinnen.
Het was een heerlijke morgen en het beloofde een van die schitterende winterdagen te zullen worden, waarbij de ledematen hunne loomheid verliezen, de ziel zich verheugt en de barometer rijst, alsof hij in de verte wilde uitzien naar de komst der lente. Om drie uren des namiddags was de groote spiegelruit in het kleine salon geheel opgeschoven en de zonnestralen stroomden naar binnen, alles vervullende met licht, kleuren en glans. De Markiezin hield van zon en lucht evenveel als de arme in het zuiden en haatte dien geheimzinnigen, coquetten demi jour, waarin eenigszins bedaagde schoonheden zich verschuilen om de verwoestingen van den tijd te verbergen. Het geschater van Monina, die in den tuin touwtje sprong, vereenigde zich met hot gebruisch der zee, die de kust geeselde , alsof in die zoo schoone, zoo rustige, zoo heerlijke natuur het onschuldige in harmonie was met het vreeselijke, de zee en het kind, de uiterste zwakheid en de uiterste kracht.
Maria de Villasis, op de vensterbank geleund, volgde met hare oogen het spelen en loepen van dien schoonen engel, die haar gansche hart, hoe groot dit ook was, vervulde en bezig hield. Het was haar kleindochtertje, het dochtertje van hare eenige dochter, die vijf jaren geleden gestorven was bij hare bevalling. Ook de vader was overleden.
Op eens sloot de Markiezin het venster en zette zich aan eene secretaire, die er bij stond, en waaraan zij gewoon was,
222
hare dagelijksche briefwisseling te voeren. Zij had in de verte het geluid van een rijtuig gehoord, dat over de begrinde paden van het park rolde, en spoedig daarop kwam een lakei den Markies van Sabadell aandienen.
De Markiezin sloeg haastig een kruis, eer de lakei nog geheel weg was, vestigde een oogenblik hare groote en levendige zwarte oogen op eene zeer schoone schilderij van de Heilige Maagd, dat tegenover haar hing, en keerde zich naar de deur, glimlachend , bedaard, met de gemakkelijkheid eener groote dame, die te Madrid hare vertrouwde vrienden ontvangt.
VUL
Opdat de lezer goed op de hoogte kome van het belang, dat Jaeobo bij dit onderhoud had, is het noodig hem die voorafgegane gebeurtenissen voor den geest te roepen, waarmede hij tot nog toe bekend is geworden en die hem eenig licht hebben verschaft omtrent nog geheel ongestraft gebleven misdaden, of nog niet ontwarde kuiperijen.
Het is niemand onbekend, dat de vrijmetselarij zegepraalde bij het uitbreken der revolutie in 1868; het scheen evenwel eenigen Cazieken dier secte toe, en daarin hadden zij groot gelijk, dat het Spaansche volk nog niet rijp was voor de republiek en daarom besloten zij intusschen eenen constitutio-neelen koning aan te stellen, die in hunne handen niet anders dan een werktuig zoude zijn. Tot dat doel koos men den Hertog van Aosta en naar hem werden als gelastigden afgezonden , met last om hem de kroon aan te bieden, Generaal Prim en Don Manuel Ruiz Zorilla, die later benoemd werd tot eerelid van het Groot Oosten in den Oppersten Ilaad van Spanje.
Over deze zaken barstten ernstige geschillen uit in den schoot zelf der loges, die uitliepen op den moord van Generaal Prim, toen de commissie, belast, de kroon van Spanje officieel aan den Hertog van Aosta aan te bieden, uit Florence terug kwam.
Tot deze commissie behoorde zeker practisch en bedachtzaam personage, wiens nagedachtenis wij ons wel zullen wachten te onteeren, daar wij geeu vertrouwbaar bewijs hebben, dat hij
224
aan de bewuste secte geaffileerd was; toch is het zeker, dat bedoeld personage niet warmte partij trok voor do politiek van eene der fracties on op die reis, met geheime bestemming, zeer belangrijke papieren mede nam, die vele heethoofden der tegenovergestelde politiek compromitteerden.
De dood verraste dezen persoon te Genua den 1 l\'lcn December en men wist zoo gauw niet, door welke handen deze papieren aan zekere loge te Milaan zouden kunnen worden overgebracht om ze later Victor Emmanuel ter hand te stellen, als kostbare wapenen, die den altijd wankelenden troon van zijnen zoon in Spanje zouden kunnen helpen bevestigen en sommige omkoopbare staatslieden, zooals in alle dagen van ontrouw en schaamteloosheid gevonden worden, aan handen en voeten te binden.
Omstreeks dien tijd kwam te Milaan, vluchtende uit Con-stantinopel, de Markies van Sabadell, geheel verloren en ten gronde gericht en bezocht de loge, waar hij jaren geleden door Garibaldi \'was voorgesteld. De achtbaren ontvingen hem als een gezant van den Grooten Bouwmeester en noemden hem dadelijk aan Victor Emmanuel als den aangewezen persoon om naar Spanje documenten en instructies over te brengen, om aan de politiek van D. Amadeo den noodigen nadruk te geven, zooals men in Italië verlangde. De versterking kwam evenwel wat laat en reeds hebben wij gezien, hoe de val van den Hertog van Aosta de schoone berekeningen vernietigde, die Jacobo, niet zonder grond, had gemaakt. Hij zag zich toen op nieuw verlaten en ten gronde gericht en het geldgebrek, dat altijd een slechte raadgever is en meestal de oorzaak van onzinnige ondernemingen, deed bij hem het denkbeeld opkomen om tot eigen voordeel dit kostbaar dépot te gebruiken en toen begonnen de verwikkelingen en de gevaren, de gemaakte en weder verworpen plannen.
Zijne hoofdgedachte was, die zoo bruikbare wapenen den Al-fonsisten of don Carlisten aan te bieden, al naar de eenen of
225
de anderen meer of minder kans hadden te zegevieren en om bij de eerstgenoemden dadelijk den kwaden indruk weg te nemen, dien zijne plotselinge verschijning te Parijs had veroorzaakt, had hij niet gedraald, aan Oom Prasquito zijn romantisch avontuur met de Cadina te vertellen, dat zoo glorierijk zijne vlucht uit Constantinopel rechtvaardigde.
Maar tevens, en vóór alles, was het noodig de gefopte vrijmetselaars van het spoor te brengen en met dat voornemen vatte Jacobo het denkbeeld op, zich met zijne vrouw te verzoenen, zich gedurende een jaar bij haar te verbergen, zoolang van hare inkomsten rustig te leven, zoo mogelijk daardoor zijne schuldeischors gerust te stellen, liet terrein voorzichtig en bedaard te verkennen, totdat hij den hoogsten bieder had gevonden voor de diensten, die hij bij publieke veiling dacht te verkoopen.
Zijne verzoening met Elvira was, om zoo te zeggen, de sluitsteen van den boog, dien hij gebouwd had en het was hem er om te doen dien te bevestigen bij het onderhoud, dat hij gevraagd had. Dus trad hij de kleine kamer van de Markiezin de Villasis in de Villa Maria binnen, met al zijne stoutmoedigheid gewapend, kalm, glimlachend en met het vriendelijk uiterlijk van iemand, die een ander door zijne tegenwoordigheid eene onverwachte eu aangename verrassing bereidt:
— Welkom, Jacobo!.... Hoe gaat het?____ Maar lieve
hemel! voor u gaat de tijd niet voorbij, ge zijt nog dezelfde, precies dezelfde, als toen wij elkander, vijfjaren geleden, te Brussel zagen. Herinnert ge \'t u nog ? .
Jacobo drukte met hartelijkheid de hand der dame, die zij hem reikte, tusschen de zijne en antwoordde, niet minder hartelijk en voorkomend:
— Of ik mij dat herinner? U te ontmoeten vergeet men niet
zoo licht!----Maar gij zelve dan! .... Ge blijft maar altijd op
uw vijf en twintigste; altoos zoo. . . .
— Jacobo, om \'s hemels wil!.... Wat doet ge der waarheid
15
226
geweld aan, om galant te zijn! .... Kijk eens naar mijn hoofd! Het is wit! .. ..
— Komaan! Dat is liet toppunt van coquetterie, ge poedert uw hoofd, zooals de Markiezinnen aan het hof van Lodewijk XV.
— Ik begin eenige overeenkomst met haar te krijgen, name-Ijjk de oudheid van den datum, riep de Markiezin lachend uit.
Jaeobo had zich intusschen op een stoel gezet aan den anderen kant van de kleine secretaire, die aldus tusschen hen beiden stond. Hij voelde zich niet geheel op zijn gemak en wachtte, totdat de Markiezin het eerst op het terrein zoude verschijnen, waarop zij elkaar wilden ontmoeten; hij sprak over den toevloed van staatslieden van allerlei kleur, die toen ter tijd naar Biarritz stroomden. Het scheen, dat Biarritz de kust was, waarop de republiek in Spanje de wrakken wierp van de schipbreuk der Savooische Monarchie.
De Markiezin deed toen den eersten stap en zeide met eene zeer merkbare bedoeling:
— Ja!.... Het schijnt, dat Biarritz de aangewezen plaats is voor politieke onderhandelingen.
Jacobo deed, alsof hij het niet begreep en antwoordde op den deftigen toon van een staatsman:
— Die zijn zeer onbestemd; ik geloof niet, dat er eene onderhandeling gelukt... .
— Geen eene? vroeg de Markiezin lachend. De mijne misschien ook niet? ....
— O! Dat is een ander geval! antwoordde Jacobo vroolijk-Niemand is opgewassen tegen de diplomatie der rokken Ik herinner mij, Castelar te hebben hooren zeggen, dat de wereld behoort aan de rokken en nog eens aan de rokken; dat wil zeggen aan de vrouwenrokken en aan de priesterrokken.
— Houd u dit dan voor gezegd. Mijnheer von Bismarck.... quot;Want ik veronderstel, dat ge weet, dat ik tot gevolmachtigde ben benoemd... .
— Ja, de geloofsbrieven zijn mij reeds overhandigd. En dit
227
zeggende legde hij den brief op de secretaire, dien Elvira hem den vorigen dag had geschreven en die door Maria zelve in de pen was gegeven.
De Markiezin las hem opmerkzaam, alsof zij niet wist, wat er in stond en gaf hem aan Jacobo terug.
— Dit is, dunkt mij, in orde.. .. De lieer von Bismarck kan nu, als het hem behaagt, mij zijne staatkunde open leggen.
— Ik denk, dat het regelmatiger zal zijn, indien de heer____
Jacobo hield hier glimlachend op, alsof hij den naam niet
wist van zijne tegenstandster op diplomatiek gebied en de Markiezin noemde zeer gevat:
— Antonelli. ... Op die manier blijven wij bij de rokken.
— Indien de heer Antonelli eerst zijne staatkunde openlegt. ... De nuneius is tot nog toe altijd de deken geweest van het Corps diplomatique.
— En daarom moet hij het laatst zijn gevoelen zeggen. Op dit punt zijt gij dus geslagen. Heer von Bismarck.... Maar daarom niet getreurd, want ik zal u mijne staatkunde verklaren met eene oprechtheid, die weinig strookt met het ambt. Mijne staatkunde is: „Onze Vader, die in den hemel zijt... . Uw wil geschiede.... Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren. ... Leid ons niet in verzoeking.. . . Verlos ons van den Booze.\'quot;
De Markiezin wist zulk eene uitdrukking aan eenige dezer woorden te geven, dat hare politiek door Jacobo volkomen goed begrepen werd. Deze, „wiens schulden vergeven werdenquot;, gevoelde dit zeer goed en hoop vervulde zijn hart.
— Italiaansche politiek, zeide hij, zijn hoofd schuddende. Die is de handigste.
— Geene Italiaansche, Eoomsche, antwoordde de Markiezin levendig. Die is de heiligste! . .. .
Jacobo dacht, dat nu het oogenblik gekomen was om den luimigen toon te laten varen, die zoo eigenaardig is aan do Spanjaarden, zelfs bij do ernstigste onderwerpen, en maakte zich
15*
228
gereed ter zake te komen. Hij legde zijne handschoenen , die hij uitgetrokken had, op het blad der secretaire en met de beide armen daarop leunende, draaide hij een prachtigen bril-lanten ring om, dien hij aan zijn kleinen vinger droeg, en terwijl hij naar het schitteren keek:
— Zie eens hier, Maria.... Ik ben blij, dat ik met n spreek, liever dan met Elvira. Want gij zijt eene vrouw van de wereld en zult mijnen toestand kunnen begrijpen en u in mijne plaats stellen. . . . Elvira is een engel .... maar met zwanenvleugels .... gij zijt ook een engel, maar met vleugels van een adelaar.
Het beeld was niet onaardig en de Markiezin ontving het compliment met een lichten glimlach.
— Mijn toestand laat zich, op dit oogenblik in deze formule uitdrukken, vervolgde Jacobo: „Ik heb veel gezworven en ik ben spoedig moede gewordenquot;. Ik herinner mij in Confucius gelezen te hehben.. . .
De Markiezin kon haar lachen niet inhouden, toen zij dien heilige door Jacobo zoo pedant hoorde aanhalen en deze, eenigs-zins ontstemd, vroeg snel:
— Lach je mij uit ? ... .
— Neen man, neen. ... Ik lach om den auteur en niet om de aanhaling. ... Voor den dag met uwe spreuk!
— Die zeer diepzinnig is, antwoordde Jacobo. „Ik ben den berg Tam-Sam opgeklommen en het koninkrijk Su scheen mij klein toe, daarna ben ik den berg Tai-Sam, die veel hooger is, opgeklommen en het keizerrijk scheen mij klein toequot;. Zoo ook is het mij gegaan : hoe hooger de gebeurtenissen in mijn leven mij opgeheven hebben, hoe onbeduidender mijn triomfen mij voorkwamen.
— Waarlijk, de heer Confucius had het niet mis met zijn parabel, zeide de Markiezin. Maar als gij dit verhaaltje op u zelf toepast, moet ik u zeggen, dat gij een verkeerden schoen aantrekt. ... Gij moet niet zeggen geklommen maar gedaald,
229
want de triomfen in uw loven hebben u niet verhoven, maar verlangd. . . . Dit hadt gij moeten zeggen: ik ben gedaald in do poelen van Tam-Sam en het begrip van deugd ging voor mij verloren; ik stortte mij in den regenput van Tai-Sam, die zeer diep en zeer modderig is, en de begrippen van eer en plicht werden geheel uitgewischt. . . .
Deze harde en onverwachte uitval bracht Jacobo geheel in de war en, op zijne lippen bijtende, zeide hij bitter:
— Romeinsche politiek met al hare eenzijdigheid.
— Bismarckiaansche politiek, die van u, met al hare — let wel op: met al hare misdadige toegeeflijkheid.
Jacobo boog zwijgend en bleek van woede het hoofd en streek zijne handschoenen op de secretaire glad Hij begreep, dat de valsche zedeleer, die onder schoone benamingen verachtelijke gebreken en groote ondeugden verbergt, hier als onecht werd verworpen; dat de politiek van Rome brood brood noemde en wijn wijn, de ondeugd ondeugd, en eerloosheid eerloosheid en kleinigheden monsterachtigheden en dat hij een verkeerden weg had ingeslagen door te trachten zijn verleden te rechtvaardigen. Hij besloot dus zijne palinodie te zingen en zijne reserve-artillerie, zooals hij die bij zich zelf noemde, in het vuur te brengen.
De Markiezin, van haren kant, had hem zoo hard en onmec-doogend aangevallen om het terrein te verkennen en om te zorgen, dat zij door te groot vertrouwen of to veel lichtgeloovig-heid niet in de strikken viel, die haar deze oplichter zou willen spannen.
— Gij hebt gelijk, Maria, zeide eindelijk Jacobo ernstig. Maar gij zult toch minstens moeten erkennen, dat cene eigenliefde, die zich verootmoedigt, wel iets verdient en dat het noch barmhartig, noch christelijk is de behulpzame hand te weigeren aan hem, die uit den modderpoel wil geraken. ... Pater Cifuentes, voegde hij er met een droevigen glimlach bij, heeft mij dit toegestemd.
230
— Wat heeft Pater Cifuentes u gezegd ? . . ,.
— Hij gaf mij dezen brief voor u antwoordde Jacobo, terwijl hij haar dien ter hand stelde.
De Markiezin las ook dezen brief, alsof zij van niets wist en voor hem een verschiet openende, dat zij wist, dat hij toch niet bereiken zoude, zeide zij levendig:
— Dat is een geheel ander geval. . . . Het gevoelen van Pater Cifuentes is voor mij geheel afdoende en ik ben geheel op uwe hand. Verklaar mij nu, kort en duidelijk, wat gij doen wilt.
Castelar had gelijk! Ongetwijfeld deelen de rokken en de soutanes het bestuur der wereld. . . .
En terwijl Jacobo dit met stille woede bedacht, en hij zijn tegenzin tegen Pater Cifuentes voelde verergeren, begon hij een verrukkelijk plannetje te ontwikkelen, eene werkelijk aristocratische idylle, half landelijk, half feodaal, dat hij stuk voor stuk uitwerkte.
Hij had geene begeerte en kon geene andere hebben dan die van Elvira; hij was overwonnen en hem was vergiffenis geschonken; hij kon niets anders verlangen dan in alles haar te gehoorzamen en de lang vervlogen dagen te doen herleven, toen zij zoo gelukkig waren geweest en elkaar zoo lief hadden gehad.... En nu werd Jacobo, naar hot scheen, zeer bewogen en gaf bewijzen van zijne groote belezenheid door het volgende, van Dante, aan te halen:
Nessun maggior dolore
Che recordarsi del tempo felice
Nella miseria.
en hij verduidelijkte dit door de regels van den Markies van Santillana:
De grootste smart, die ooit Een minnaar hebben kan,
Is zich het geluk te herinneren In dagen van smart.
I
I M»
li
■
m
11 \' \'quot;i\'\'\'
m
ill I mm
IÜ 11
231
De Markiezin schueu verrukt en tevens bewogen en zij drong er op aan, dat hij het kiesehheidsgevoel, dat hem tot eer verstrekte , op zijde zoude zetten en haar zoude zeggen, hoe hij zijn leven wilde inrichten, verondersteld, zoo men reeds mocht veronderstellen, dat zijne verzoening met Elvira al had plaats gehad.
Jacoho dacht, dat hij nu meester was van het terrein en zijne grenzelooze ijdelheid smaakte dadelijk de voldoening over zijne bedriegerij, veeleer dan dat hij er vreugde over gevoelde, dat hij zijn doel had bereikt. Honderd fraaie tirades, die hij eens had gelezen en in zijn geheugen bewaard, om daarmede zijne schilderachtige welsprekendheid te kleuren, kwamen in drommen op zijne lippen en borrelden als waterbellen naar boven. quot;Welk ander levensplan zou hij kunnen hebben, dan om zijn gc-heele loven te besteden om Elvira met nederigen en bescheiden hartstocht te aanbidden, tevreden met van verre te branden, zooals de waskaars van den arme op de onderste trappen van het altaar?
Ergens in Granada bezat hij een oud kasteeltje, den toren van Ïellez-Ponce, met bouwlanden en dichtbegroeide bergen, waar hij, ontgoocheld als hij was door de dwalingen der revolution-nairen, dikwijls gedroomd had de omwenteling te bestrijden en het ideaal van een Spaanschen Grande van den ouden stempel te verwezenlijken; te steunen op den ploeg en den degen, tegelijk heer en beschermer te zijn van zijn landstreek, de vader zijner onderhoorigen en tevens hun hoofdman. .. . Zou Elvira hem daarin willen ter zijde staan en zich met hem in die afzondering opsluiten ? ... .
Ach! Indien de geheele Spaansche Grandeza hare belangen eindelijk wilde begrijpen en hetzelfde wilde doen, zoude zij aan de parvenus en de politieke tinnegieters de woelde met hare ondeugden, de macht met hare hansworsteryen, overlaten; dan zou de Grandeza een weldaad zijn op het land, terwijl de anderen tafelschuimers waren aan het hof; de Grande zou zijn
232
hand toesteken aan het landvolk, dat door dc anderen met hoogmoed werd af\'gestooton. Dan zou het volk, het ware volk, eindelijk begrijpen, wie zijne oprechte vrienden waren en dan kon het schuim der woelgeesten doen, wat het wilde en het land overstroomen met ongehoorde wetten. .. . Maar dit zou alles zonder uitwerking blijven op het frissche groen der velden en de stank van hun vuil zou nooit de drempels der kerken en kasteelen overschrijden, verdedigd als zij waren door een bolwerk van landvolk.
De Markiezin zag en luisterde naar Jacobo, vol opgetogenheid en bewondering .... met des te meer bewondering, omdat het haar toescheen, dat zij die fraaie redeneering, jaren geleden, ergens bij Veuillot had gelezen, terwijl zij in de secretaire waarnaast zij zat, tusschen de papieren van Elvira, de verkoopacte bewaarde van den toren Tellez-Ponce, publiek verkocht door de schuldeischers van Jacobo en onderhands weder gekocht door Elvira, om de laatste historische herinnering te redden van de familie, waartoe haar zoon behoorde.
Niettemin behield de Markiezin haren goedigen glimlach tegenover zulk een onedel spel en, opgetogen en verrukt, verzekerde zij Jacobo, dat hij niets kon bedenken, dat meer in don smaak zou vallen van Elvira; dat zij hieraan onvoorwaardelijk hare goedkeuring schonk en het contrasigneerde met haren naam:
— Niet waar?.... Dat is een goed denkbeeld! riep Jacobo, verblind door zijne ijdelheid als redenaar, die zijne grootste en meest geliefkoosde ijdelheid was.
Ach! Vele en treurige ondervindingen had hij opgedaan, eer hij op dat denkbeeld was gekomen!.... En hetgeen nu juist zoo goed trof, wat zoo dierbaar was voor zijn hart en zoo liefelijk voor zijn gevoel, dat was, dat zij zoo geheel met hem instemde over de wijze, hoe hij Elvira genoegdoening zou geven, eene kiesche genoegdoening van een man van eer, die zich buiten het bereik wil stellen van de praatjes van het publiek....
Te Parijs had Oom Frasquito hem verteld, dat Elvira een
233
belangrijk proces had gewonnen, dat zij thans zeer rijk was en daarom juist was hij op het punt geweest weer terug te gaan, want de wereld was toch zoo boosaardig en honderd tongen zouden spoedig gaan fluisteren, dat het niet ten gevolge van zijnen inkeer en van zijn berouw was, dat hij dezen stap deed, maar dat het geld zijner vrouw en zijn eigen armoede hem daartoe aanzetten. . . . Maar indien zij zich afzonderden op Tellez-Ponce, konden zij daar leven van de opbrengst van die bezitting en het geld van Elvira onaangetast bewaren als erfdeel voor hunnen zoon.
Dit was de eerste maal, dat Jacobo, gedurende den geheelen loop van hun gesprek, den naam van zijnen zoon noemde en hij noemde hem om zijne bedriegerij een grooteren schijn van waarheid te geven. De Markiezin had haar hart voelen ineenkrimpen , toen zij hem over zijn berouw hoorde spreken zonder eene gedachte aan God; van zijne liefde voor zijne vrouw zonder een zweem van teederheid voor zijn kind; evenwel gaf zij met groote wilskracht eene nog zachtere uitdrukking aan haren glimlach en aan den toon harer stem een nog inniger klank van vertrouwen en vriendschap, en terwijl zij minachtend haar hoofd schudde, zeide zij:
— Bah ! ... . Dat moet je niet denken. . . .
— Ja, Maria, ja; daar moet ik wel aan denken, want hetgeen van iemand wordt verteld, hetzij waar of niet, neemt gewoonlijk zooveel plaats in in zijn leven, alsof hij het werkelijk had gedaan. Daar heb ik genoeg ondervinding van.
— Doe wel en zie niet om, antwoordde de Markiezin stichtelijk. Dit is mijn leus.
— En de mijne ook .... ten minste sints eenigen tijd. . . . Maar men moet niet uit het oog verliezen, dat indien de deugdzaamheid afhangt van onze eigen daden, de eer afhangt van de meening der menschen.
—■ Maar je bezit de goede raeening der eerlijke lieden. . .. Wat wil je dan meer? ....
234
— Niets, niets meer, antwoordde Jaoobo en wanneer Pater Cifüentes het mij raadt, houden nu mijne weifelingen op.
— En bovendien, voegde de Markiezin met naïeven eenvoud er bij, uw denkbeeld stemt met het mijne overeen. Dit is duidelijk! Een fatsoenlijk mensoh kan niet anders denken en daarom heb ik, om uwe zwarigheden uit den weg te ruimen, een go-makkelijk middel bedacht.
— Welk? vroeg Jacobo met spanning.
De Markiezin sloeg het deksel van hare secretaire op en haalde daaruit het document, dat zij \'s nachts te voren had geschreven en het Jacobo voorhoudende, zeide zij met haren gewonen, zoo open en sympathieken glimlach:
— Door dit papier te teekenen.
Jacobo begon niet zonder verwondering dit document te lezen en naarmate hij vorderde, vertrokken zich zjjne lippen en werden zijne ooren vuurrood. De Markiezin zag hem aan met een blik van diep medelijden en hij wierp het papier, na het gelezen te hebben, op tafel, terwijl hij mompelde:
— Maar Maria!.... Dat is onmogelijk!.... Onmogelijk!... . Zoo iets teeken ik niet!
Het stuk bevatte een volkomen en stelligen afstand van elke tusschenkomst en elk recht, dat de wet hem mocht toekennen, betreffende het eigendom zijner vrouw en het vruchtgebruik der bezittingen zijns zoons en dit alles was zoo volmaakt goed omschreven , zoo grondig overdacht, dat do begeerigheid en do inhaligheid van Jacobo aan handen en voeten waren gebonden, zoodra hij dit stuk had onderteekend.
Antonelli had Bismarck overwonnen; de engel met adelaars vleugelen had den duivel met zijn vleermuizen vleugels onder den voet.
Jacobo, gekwetst in zijne ijdelheid en gedwarsboomd in zijne plannen, wendde zich woedend om, toen hij zich in zijne eigen netten gevangen zag, terwijl de Markiezin, zeer verbaasd en verwonderd, zonder een oogenblik hare schijnbare
235
rondborstigheid en haar aplomb van groote dame te verliezen, zeide;
— Waarom wil je niet teekenen?. . . . Wat is er in, dat je niet goed vindt? ....
— Waarom?.... Waarom?... Omdat, wanneer ik dit teeken, ik afstand doe van mijne waardigheid als man.
— Van uwe waardigheid als man? .... Maar heb je een oogenblik geleden niet gezegd, dat juist hetgeen in dit stuk wordt uit den weg geruimd, u deed weifelen te doen, hetgeen gij zoo gaarne wildet? ....
— Maar dit stuk vernedert mij. . .
— Dit stuk verheft en verzekert uw aanzien in do meening van het publiek. .. .
— Wanneer het de eer geldt, heeft men zich aan geene meening van het publiek te storen. . . .
— Zich niet aan de meening van het publiek storen! . . . . Maar heb je zoooven niet gezegd, dat hetgeen van iemand verteld wordt, waar of niet waar, in zijn leven zooveel plaats inneemt, alsof hij werkelijk gedaan had, wat er van hem verteld wordt?
— Er zijn gevallen, dat de getuigenis van zijn eigen geweten voor eenen man van eer voldoend^ is.
— Maar man .... van eer! Je hebt mij nog geen minuut geleden gezegd, dat ofschoon onze deugd afhangt van onze eigen daden, onze eer afhangt van de opinie der menschen!..,.
Jaoobo, gevangen als een wolf in een val, overal een uitweg zoekende zonder dien te vinden, riep eindelijk uit, terwijl hij alle vormen liet varen, een uiterste, waarin onbekwame diplomaten gewoon zijn te vervallen:
— Politiek van Rome, met al hare huichelachtige laagheden en priester-intrigues.
— Pas op, wat je zegt, Jacobo! riep de Markiezin met nadruk uit. Begrijp wel, dat gij mij aanleiding geeft te denken, dat uwe Bismarckiaansche politiek eene gemeene streek verbergt.
236
—- De uwe verbergt ce:i intrigue, waarin men de hand van Pater Cifuentes herkent.
— De hand van Pater Cifuentes?.... Arme Pater Cifuentes.... Die hebt gij zeker gezien van den berg Tai-Sam, waarop gij oenigen tijd geleden geklommen zjjt. Ik die op den vlakken grond leef, bemerk er niets van.
Jaeobo sloeg met zijne handschoenen op de secretaire en zweeg. De Markiezin vroeg hom eindelijk, zonder hare bedaardheid te verliezen:
— En dus teeken je bepaald niet?
— Ik teeken niet, antwoordde Jacobo woedend.
— Dan moet gij mij toegeven, dat, indien er geene verzoening plaats heeft, het uwe schuld is; dat uwe vrouw heeft gedaan, wat zij kon, en gij, gij zelf, door eene geestesverblinding, die zeer verdacht is, doet alles te niet.
— Ik doe te niet hetgeen gij en die godzalige Cifuentes te zaraen hebt gekuipt; maar ik zal het zelf wel met Elvira vinden....
— Elvira komt niet in Biarritz.
— Dan ga ik haar zoeken.
— Dat zou ik u niet raden. . . .
— Bij den hemel! riep Jacobo buiten zich zelf uit. . . . Zijn dat die schroomvallige lieden? Hoe komt mijne vrouw aan die airs van onafhankelijkheid? ... Wij zijn niet wettig gescheiden, en de wet kent mij het recht toe, mijne vrouw en mijn zoon op te eischen, wanneer ik wil.
Toen richtte de Markiezin zich in haren leuningstoel op, fier en dreigend, voor de eerste keer hare machtige adelaarsvleugelen uitslaande. Met hare gesloten vuist gaf zij een krachtigen slag op het blad der secretaire en zeide:
— Probeer het! .... Durf het!.... Waag het en bij den eersten stap, dien gij er toe doet, stelt zij bij de rechtbank een eisch tot echtscheiding, die u geheel te gronde richt! ....
Hare houding, hare stem en de diepe minachting, waarmede
237
deze bedreiging werd uitgesproken, overweldigden een oogen-blik Jacobo, maar hij vond spoedig zijne stoutmoedigheid terug en antwoordde geweldig boos;
— Laat zij er mede voor den dag komen, als zij wil! . . .. Waar heeft zij bewijzen?
— Die heeft zij!... . Genoeg om eene echtscheiding te verkrijgen , voldoende om gevoelig hem te straffen .... die het verdient! ...
— Maria! ....
— Jacobo!.... Dacht je dat, omdat uwe vrouw goed is, zij daarom alleen ook martelares moet zijn?.... Het geduld heeft zijne grenzen, en wee den vos, wanneer het den hoenders eens begint te vervelen altijd hoenders te zijn.
De verschrikkelijke zinspelingen der Markiezin joegen Jacobo, te midden van zijne verbazing en woede, toch vrees aan. Hij wilde onderzoeken, of die bewijzen werkelijk bestonden, of dat het maar een ijdele bedreiging was.
— Maak mij maar niet bang met een stroopop , riep hij spottende uit. Mijn geweten zegt mij, dat die bewijzen niet bestaan en ik geloof er ook niet aan. . . .
— Dan zullen wij zien, of uwe oogen uw geweten ook kunnen overtuigen, antwoordde de Markiezin driftig.
En eene lade opentrekkende van hare secretaire, liet zij Jacobo uit de verte, een pakje van vier of vijf brieven zien.
— Ik vertrouw, zeide zij, dat de hand van Rosa Penarron en de uwe genoegzaam bekend zijn, dat de Rechtbank geen experts noodig heeft om die te herkennen.
Het bloed steeg Jacobo naar zijn gelaat en met eene van die ruwe aandriften, die bij don natuunnensch en niet bij den man van beschaving worden opgewekt, deed hij eene beweging als om den Markiezin de papieren uit de hand terukken, maar zij, snel als de wind, draaide zich om, schoof met eenen slag het venster open en terwijl zij haar geheele bovenlijf en de hand, waarin zij de brieven hield, er uit stak, riep zij op luiden toon:
238
■— Monina!.... Ge wordt zoo warm met dat springen!.... Houd er mede op.. . . Mademoiselle, neem haar het touw af.
En daarop zioh naar Jacobo keerende, een weinig bleek, maar volkomen bedaard, zeide zij, zonder het venster te verlaten :
— Met die kinderen heeft men wat zorgen.
Jacobo was verplet in zijnen stoel blijven zitten en stotterde:
— Hebt gij Monina bij u? . . ..
— Ja zeker, zou ik haar niet bij mij hebbenP---- Wie zou mij
van het kind scheiden? Kent ge haar niet? Wilt ge haar zien ?----
En zonder antwoord af te wachten, riep zij uit het venster:
— Mademoiselle! .. . . Breng de kleine hier! ... .
Spoedig daarop kwam Monina binnen, gevolgd door hare gouvernante, en sprong op den schoot harer grootmoeder en keek naar Jacobo, met dien halven glimlach van vertroetelde kinderen, die door iedereen worden aangehaald en die schijnt te willen zeggen:
— Zegt ge niets tegen mij ? . ... Vindt gij mij niet allerliefst? ....
Jacobo, geheel van zijn stuk gebracht, zeide niets, terwijl hij te vergeefs trachtte te raden, hoe Elvira die brieven in handen hud gekregen, die getuigenis gaven van de schandelijkste en meest compromitteerende episode uit zijn leven.
De Markiezin omhelsde haar kleinkind, alsof zij hare schutsengel was en dankte God uit de diepte van haar gemoed, dat zij Jacobo den genadeslag had kunnen geven met een houten sabel. Want die vreeselijke papieren, waarmede zij met zooveel tegenwoordigheid van geest en onverschrokkenheid den ellendeling tot zwijgen had gebracht, waren niet anders dan drie of vier brieven, die betrekking hadden op het bestier van haar eigen fortuin en die zij in een laadje harer secretaire bewaarde. De schanddaad was gepleegd, ongetwijfeld, maar de bewijzen ontbraken en daar Eosa Penarron, de eenige medeplichtige aan de misdaad, twee jaren te voren was gestorven, was het onmogelijk, dat Jacobo de fopperij zou ontdekken.
239
De geslepen Antonelli had Bismarck voor altoos met een spinrag gebonden.
Jacobo nam koel afscheid, zonder iets liefs aan het kind gezegd te hebben en Monina zag hem vertrekken, terwijl zij met de spijt van eene beleedigde dame op drie vingers, die zij tegelijk in haren mond stak, bleef zitten zuigen.
Verslagen en vol wraakzucht sprong Jacobo haastig in zijn rijtuig en gaf den koetsier bevel naar Bayonne terug te rijden, naar het Hotel Saint Etienne, waar hij den vorigen dag was afgestapt. Biarritz was te klein om er verborgen te blijven en om lastige ontmoetingen te vermijden met Alfonsistische en Car-listische uitgewekenen, die sedert lang den omtrok vulden. Dan waren er nog angstige politieke mannen van allerlei kleur, die na den val van Amadeo en de proclamatie der Republiek in die dagen het aantal zwervende Spanjaarden kwamen vergrooten.
Zijne misrekening was gruwelijk geweest en zijn toestand werd op nieuw benauwend, toen hij al zijne verwachtingen den bodem zag ingeslagen en in zijn hart niet anders overbleef dan zorgen zonder einde en eene geweldige behoefte om zich te wreken op de Markiezin de Villasis en Pater Cifuentes, eene onverzoenlijke razernij, zooals ieder booswicht gevoelt tegen degenen , die hij het recht moet toekennen hem te verachten.
Onder alle kwetsuren, die de zwervende ambassadeur te Con-stantinopel in zijn hart mededroeg, was er geen, die zijne ijdel-heid zoo pijnigde en zijn trots zoo prikkelde als het gevoel, door eene vrome vrouw en door een monnik overwonnen te zijn.
Op het toppunt zijner woede nam hij zich voor die slimme Maria de Villasis op een goeden dag te worgen met den geel en blauw geruiten zakdoek van Pater Cifuentes.
EINDE VAN HET TWEEDE BOEK KN
VAN HET EERSTE DEEL.
41